summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/51753-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/51753-0.txt')
-rw-r--r--old/51753-0.txt12635
1 files changed, 0 insertions, 12635 deletions
diff --git a/old/51753-0.txt b/old/51753-0.txt
deleted file mode 100644
index 94a9185..0000000
--- a/old/51753-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,12635 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Toen de duisternis dreigde, by
-Alida van der Vlier (ps. A. van Redich)
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Toen de duisternis dreigde
-
-Author: Alida van der Vlier (ps. A. van Redich)
-
-Release Date: April 13, 2016 [EBook #51753]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TOEN DE DUISTERNIS DREIGDE ***
-
-
-
-
-Produced by Frank van Drogen, Harry Lamé and the Online
-Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
-
-
-
-
-
-
-
- Opmerking van de bewerker:
-
- Gebruikte transcriptie: schuingedrukte tekst wordt weergegeven als
- _tekst_; klein-kapitaal is omgezet naar kapitaal; superscript tekst
- wordt weergegeven als ^{tekst}.
-
- Meer opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst.
-
- Voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het betreffende
- hoofdstuk.
-
-
-
-
-TOEN DE DUISTERNIS DREIGDE...
-
-
-[Afbeelding]
-
-
-Toen de duisternis dreigde...
-
-DOOR
-
-A. VAN DER FLIER.
-
-[Afbeelding]
-
-NIJKERK,
-
-G. F. CALLENBACH.
-
-1903.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-Hoog aan den zomerhemel zweefde nog het gouden zonlicht. Als in glans en
-gloed gedoopt bewogen zich de toppen der dennen ritselend op den wind.
-Maar aan den voet der bruine stammen legerden reeds de schaduwen van den
-avond, zij bedekten de rose en lila bloemkelken der erica’s en gaven den
-golfjes der kleine beek, die als een verlaten zwerver door de bruine
-heide kronkelde, een staalkleurige tint.
-
-De lijster zong zijn avondzang, zacht murmelde het water. Niet lang
-bleef dit meer het eenige geluid, dat de stilte verbrak. Uit de groene
-schaduw der dennen trad een jong meisje te voorschijn. Voorzichtig hield
-zij met de eene hand de plooien van haar wit, met een breeden rooden
-rand omzoomd kleed bijeen; de linkerarm boog zich om een hondje, dat den
-kop tegen haar schouder vlijde. In de avondzon glansde haar lang
-neergolvend haar. Vlug ging zij naar de beek, knielde neer en wiesch
-zorgvuldig het bloed af, dat aan den rechtervoorpoot van het dier
-kleefde.
-
-„Arme Grijp! Stil maar beestje!” Zacht was haar stem, de witte rozelaar,
-die boven haar hoofd wiegelde, niet blanker dan haar gelaat.
-
-Een schaduw viel over het water, donkerder dan werd geworpen door de
-purper omzoomde avondwolken; het was die van een man, een jager
-blijkbaar. Dat bewees de boog, die over zijn schouder hing, de blinkende
-hartsvanger aan zijn linkerzij, het wambuis van hertevel, de reigerveer
-op zijn muts. Zijn mond lachte en liet twee rijen schitterend witte
-tanden zien, zijn donkere oogen hadden een stoutmoedigen blik. Hun
-uitdrukking toonde, dat zij wèl het licht van het leven hadden
-aanschouwd, doch nog zelden zijn schaduwen. Een toonbeeld van jeugdige
-kracht was hij, met zijn slanke gestalte en kloek gedragen hoofd.
-
-Dacht dit ook het meisje, dat hij nu op zijde trad, door eenvoudig over
-de beek te stappen?
-
-„Wat is er aan de hand, Swanwitha? Heeft Grijp weer stoutigheden
-verricht?”
-
-„Hij is in een greppel gesprongen en heeft zijn poot bezeerd. ’k Wou,
-dat ik iets had om hem te verbinden, maar ik kan dien rooden runenrand
-toch niet gebruiken. Wat zou grootvader dan wel zeggen!”
-
-Schertsend waren haar woorden; toch trilde er een weemoedige klank in.
-Zij wees op haar kleed. Inderdaad waren in den rand geheimzinnige
-karakters geweven, heilaanbrengende runen, gelijk eenmaal de belijders
-droegen der woeste godenleer van Wodan en Donar.
-
-Hij fronste de donkere wenkbrauwen:
-
-„Uw heer grootvader is, geloof ik, de laatste heiden van dit land. Hij
-moest voorzichtiger wezen; als de keizer het verneemt, zou ’t gauw
-gedaan wezen met zijn macht. Hoe durft hij, in dit geheel gekerstende
-land, als onder de muren van Utrecht, nog vasthouden aan zijn
-duivelenleer?”
-
-Verschrikt hief zij de hand op, een hand als een lelieblad wit en teer:
-
-„Stil, stil! Hij heeft machtige bondgenooten, niet alleen in dit land,
-maar ook daarbuiten. Als hij hoorde wat gij daar hebt gezegd....”
-
-„Dan moest Grijp door een ander verbonden worden, nietwaar, Witha?” Hij
-staakte voor een oogenblik dat verbinden, bewerkstelligd door breede
-riethalmen en vatte haar weerstrevend handje. Met een glimlach, die zich
-verborg in een blos, weerde zij hem af.
-
-„Houd mij niet langer op, Unruoch! Ik moet naar huis, of poort en
-valbrug zijn opgehaald en gesloten.”
-
-„Een uitstekend voorwendsel om voor goed afscheid te nemen van dat
-aangename verblijf.”
-
-„Wat zou er dan van mijn grootvader worden? Ik ben de eenige die”....
-
-„Die zijn wil waagt te weerstreven,” viel eensklaps een gebiedende stem
-in. Ongemerkt was een forsche gestalte nader gekomen. Het struikgewas
-had haar verborgen. Nu trof Swanwitha een dreigende blik uit twee
-scherpe, grijze, door borstelige wenkbrauwen overschaduwde oogen. Dit
-was bijna het eenige wat van de gelaatstrekken van den spreker was te
-zien: een ijzeren helm bedekte schier geheel zijn gelaat. Van het hoofd
-tot de voeten was hij in een geschubden maliënkolder gestoken, om zijn
-middel hing, aan een breeden, met gouden doppen versierden gordel, een
-breed slagzwaard, een dolk glinsterde er naast, een rond schild haakte
-om zijn linkerarm. Het was alsof hun forsch geschouderde eigenaar gereed
-stond onmiddellijk ter heirvaart te trekken, want ook zijn paard, dat op
-geringen afstand aan een boom was gebonden, droeg een volkomen
-maliënbedekking, terwijl aan den zadelboog dreigend een strijdbijl
-flikkerde.
-
-„Ga mee, Swanwitha, terstond!” klonk het bevelend tot het jonge meisje.
-Toch werd de blik van den spreker een weinig minder stroef, toen die op
-haar bevallig gezichtje rustte. Zij stond op, gejaagd, met een angstigen
-blos.
-
-„Vaarwel, Unruoch!” Als een ademtocht gleed het over haar lippen.
-
-„Swanwitha!” Dreigend schudde de geharnaste krijger haar bij den arm.
-Zijn oogen met hun somberen gloed boorden in de hare.
-
-„Grootvader!”.... smeekend, half verstikt van angst klonk het. Haar
-gezichtje was wit geworden, het herinnerde aan de kleur der zwanen,
-waarvan zij den naam droeg. Hij sloeg er geen acht op, hard, als met
-koperen klank beval haar zijn stem; -- in zijn drift vergat hij wie hem
-hoorde: „Ik verbied u, verstaat gij? Ik verbied u ooit weer een woord
-te wisselen met dien daar!” Welk een verachting lag in de handbeweging,
-waarmee hij op Unruoch wees! -- „Hij behoort tot hen, die ik zal
-bestrijden, zoolang Thor mijn arm kracht verleent, tot de dag aanbreekt
-waarop de macht van den sterkste zegepraalt op het geloof aan den witten
-Christus!”
-
-Op het schild aan zijn arm, het zwaard aan zijn zijde viel een laatste,
-roode lichtstraal; het was of beide opvlamden in bloed gedoopt. Bloed
-vergoten door de macht van den sterkste.
-
-Het bleef een oogenblik stil in het bosch, waar de adem der menschen
-ging, snel en stormachtig. En te midden van dat beklemmend zwijgen
-murmelde de kleine beek. Zij drenkte met haar heldere golfjes het dorre
-land en wekte tot nieuw leven wat veroordeeld scheen om onder te gaan in
-den nacht van den dood.
-
-Liefde en mededoogen, verwinnend ruw geweld, machtiger dan haat en
-wraak.... Wie zou hier dè sterkste blijken?
-
-Deed deze gedachte Unruoch uitroepen: „Gij kunt evenmin den loop der
-gebeurtenissen stremmen als dit water” -- hij wees op de beek --
-„dwingen terug te keeren tot de bron! Rolfr Jarl, het christendom heeft
-ook het volk van dit land milder begrippen, zachter zeden gebracht, het
-de oogen geopend voor de dwalingen van het geloof der heidenen. En
-verwacht gij wat leeft in de zielen, wat de harten liefhebben en de
-denkende hoofden erkennen als heilig en waar, te kunnen overwinnen door
-ruwe kracht, door het geweld van speer en zwaard?”...
-
-„Ruwe kracht! Onbeschaamde knaap, zij zal tenminste sterk genoeg zijn om
-u den mond te snoeren!”
-
-De stem van den Jarl was heesch van woede. Plotseling vloog hij op
-Unruoch aan, als razend van toorn, misschien wel het meest omdat hij,
-meegesleept door zijn drift, de voorzichtigheid had vergeten, die hem
-gebood te zwijgen. De aanval was zoo onstuimig, zoo onverwacht, dat
-Unruoch geen tijd had zich in postuur te stellen. Wat zou hij, met zijn
-slanke, jonge gestalte, ook hebben vermocht tegen de reuzenkracht van
-den breedgeschouderden Rolfr Jarl?
-
-Toch worstelden zij samen, de Noorman aanvallend, Unruoch zich
-verwerend. Geen van beiden sloeg acht op het smeeken van Swanwitha.
-Heviger werd de tweekamp met ieder oogenblik; niet twijfelachtig scheen
-het einde meer. Nu werd Unruoch met een slag ter aarde geworpen.
-Swanwitha zag iets flikkeren, zag hoe de Jarl de knie drukte op de
-hijgende borst van zijn slachtoffer. Met een gil wierp zij zich over
-hem. Het wapen schramde haar wang, zij voelde het niet, in vertwijfeling
-omklemde zij den arm van den overwinnaar -- weldra misschien een
-moordenaar.
-
-„Grootvader, grootvader! Bedenk wat gij doet! Ook gij staat onder de
-wetten van dit land!”
-
-Deed het beroep op zijn eigenbelang wat geen gevoel van plicht en eer
-vermochten? Onder een gesmoorde verwensching stiet de Jarl met den voet
-naar het weerlooze lichaam van zijn machteloozen tegenstander, toen
-keerde hij zich met een ruk om en wenkte zijn kleindochter hem te
-volgen.
-
-Zij zag hem aan met oogen wijd geopend van angst, schuwe ontzetting in
-hun diepten. Als geslagen trad hij terug, zwijgend; een rilling liep
-door zijn leden.
-
-„Die oogen, die oogen, altijd! Hoe vergeet ik ze, hoe!”....
-
-Hij drukte de lippen opeen tot zij slechts een smalle streep vormden in
-zijn gelaat. Toen tilde hij Swanwitha zwijgend voor zich op het paard.
-
-Een zacht geluid klonk eensklaps uit de verte; de wind droeg trillende,
-zilveren tonen over: het kleppen eener kleine kerkklok, die riep tot het
-gebed. Bij dien klank hief de Jarl den gepantserden arm op: het was als
-legde hij een gelofte af gedrenkt in haat, te vreeselijker, omdat zij
-geen woorden bezat, waarin zij zich uitte.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-Omgolfd door het floers van den dalenden avond reden zij beiden heen,
-het jonge, teere meisje, de ijzeren gestalte van den reeds grijzenden
-man, wiens geheele houding onverzettelijkheid teekende en verzet.
-Unruoch neergesmakt op het mos, dat spaarzaam groeide, waar de beek den
-bodem vochtigheid gaf, zag hen na, niet in staat zich te bewegen,
-nauwelijks uit zijn verdooving ontwaakt. En het was hem, alsof voor hem
-heentrok, als in een visioen, het verleden van het land, waarin hij geen
-blijvende plaats zou hebben, waar hij slechts enkele weken vertoefde als
-gast van zijn voogd, den Utrechtschen kerkvoogd Ansfried, die nu bijna
-zes jaar geleden -- anno 994 teekenden toen de clerken -- was gewijd als
-opvolger van bisschop Boudewijn den Eerste.
-
-Het waren rampspoedige tijden voor de jonge christenkerk in het lage
-land, dat zich uitstrekte van de Lauwers tot het Sincfal. Friezen en
-Sassen, die eenmaal manmoedig weerstand hadden geboden aan de
-veroveringszucht der Romeinen, die door hen als bondgenooten
-waren begroet, wier onverzettelijke begrippen van vrijheid en
-onafhankelijkheid zelfs Karel de Groote had geëerbiedigd, al moesten zij
-hem huldigen als keizer, kromden zich onder de slagen hun toegebracht
-door de mannen der „grimma hjerna.”
-
-De Noormannen! Niet ten onrechte droegen zij dien naam. Woest en stout
-waren zij als het trotsche bergland, dat hen zag geboren worden, waar de
-zee schuimend krulde tegen de klippen, en donkere pijnbosschen de
-hellingen der bergen bedekten, wier toppen, glinsterend van eeuwige
-sneeuw en als versteend in hun ontzagwekkende rust, zwijgend neerblikten
-op de branding in de diepte, op het woelen der onstuimige zonen van het
-Noorden aan hun voet.
-
-„Nooit den beker te hebben geledigd aan den vlammenden haard; nooit te
-hebben gerust onder een beschermend dak!” dat was de eerzucht, de trots
-van iederen Noorman. Fier doorsneden hun vlugge drakenschepen de golven,
-zilverglinsterend in het licht van den rijzenden dag, goudgetint door de
-zonnestralen, door het avondrood purper bestraald. En zij volgden dien
-„weg der zwanen”, de dappere Vikingen, ook als de stormwind de baren
-kokend deed opspatten in lillend schuim of gewassen tot een orkaan hun
-vaartuigen neerplofte op de kust, indien hij ze niet reddeloos
-meesleurde naar de grondelooze diepte.
-
-Maar steeds verzamelden zij zich opnieuw, „de Denen” -- gelijk zij
-gewoonlijk werden genoemd -- wier stoutheid grooter scheen te worden,
-wanneer zij de gedunde rijen telden hunner tochtgenooten. Vaster
-snoerde zich dan de rij der ijzeren schilden aaneen. Wilden zij hun
-gering aantal vergoeden door kracht en moed, die rees tot schier woeste
-razernij, zoo menigmaal zij een torenspits zagen oprijzen boven de
-toppen der boomen of menschen vonden, die de leer beleden van den
-Gekruisigde? Dan gingen kerk en toren in vlammen op, dan lagen verwoest
-en verbrand heem en hof, en vluchtte jammerend het landvolk naar een der
-weinige steden, om ook die te vinden verkeerd in een puinhoop.
-
-„Wij hebben hun de lansenmis gezongen!” hoonden dan de mannen uit het
-noorden; en verder stuurden zij hun vloot, met kerkroof en kostbaarheden
-der inwoners zwaar beladen, achter zich latend een uitgemergeld land,
-een uitgeschud volk, mannen, die hen nastaarden met een verwensching op
-de lippen, bleeke vrouwen met haat in het flikkerend oog.
-
-En de plundertochten der Noormannen namen toe met ieder jaar en radeloos
-toonden de Frankische koningen hun eigen machteloosheid aan de vermetele
-aanvallers, door hun rooftochten af te koopen met goed en met goud. Het
-deed hun overmoed slechts toenemen. In het eerste jaar der tiende eeuw
-hielden de Denen zelfs Utrecht met al het omliggende land in bezit, de
-christenen doodend en verdrijvend waar zij hen vonden, bisschop Radboud
-noodzakend tot de vlucht.
-
-Droomden zij toen de landen der Friezen en Sassen voor goed te zullen
-onderwerpen aan hun heerschappij? De verwezenlijking van dien stouten
-wensch scheen niet meer geheel onmogelijk, sinds keizer Lodewijk den
-Deenschen koning Harold met een uitgestrekt graafschap ten oosten van
-Friesland beleende, diens broeder Roruk Dorestad[1], Kennemerland en
-Walcheren schonk. Wel luidde ’s keizers eisch: „Treedt toe tot de
-christenen,” en de Deensche vorsten gehoorzaamden in schijn. Zij lieten
-zich doopen, maar hun hart bleef koud voor de leer, die zij heetten te
-belijden, koud als het pantser waartegen het klopte. En terwijl zij in
-het geheim Odin vereerden en Thor, den Donderaar, was hun vermeende
-afval een schoonschijnend voorwendsel voor nieuwe Noorsche legerdrommen,
-om Harold, die zich had laten kerstenen, te bestoken in zijn pas
-verworven bezittingen, roovend wat hun begeerlijk scheen, vertredend het
-zwakke, neerstootend wie waagde hen te weerstaan. En het land sidderde
-onder hun slagen en menige eigenhoorige was gedwongen bij het lijk van
-zijn meester een noorschen geweldenaar te huldigen als heer, hem te
-begroeten als gebieder in een door ruwe kracht veroverde stad of
-versterkt landkasteel.
-
-Ook Rolfr Jarl dankte aan zulk een strooptocht thans zijn bezittingen.
-Een zijner voorvaderen, ook Roruk geheeten, behoorde tot de „gezellen”
-van hertog Godfried, dien Karel de Dikke beleende met een groot deel van
-Kennemerland, op voorwaarde, dat hij dit zou beschermen tegen de
-invallen zijner Deensche landgenooten. Wat baatte echter den armen
-inwoners dit verdrag? Zij zagen Utrecht en Daventra, hun bolwerken van
-christendom en beschaving, opgaan in vlammen, zij werden door Godfried
-gedwongen stroppen om den hals te dragen. En velen schreven aan Rolfr
-Jarl, den zoon van zijn gunsteling, het bevel toe om hun huisdeuren
-tegen het noorden te timmeren en ze zoo laag te maken, „dat zij zich bij
-het naar buiten treden steeds voor het vaderland hunner meesters moesten
-buigen”....
-
-En thans -- na meer dan een eeuw, -- die wel verademing had geschonken
-aan het verdrukte volk, schoon geen geheele bevrijding, heerschte
-opnieuw een Rolfr Jarl in het Sticht, toonde deze zich den naam van den
-woesten Viking, van wien hij afstamde, volkomen waardig. Want ofschoon
-de Denen thans bijna allen gekerstend heetten, en zelfs de
-onverzoenlijke Friezen bogen voor het kruis, toch waren er nog velen --
-in West-Friesland vooral -- die den ouden godsdienst trouw bleven in het
-geheim, die droomden hem te herstellen in het openbaar. En hun hoofd en
-leider was Rolfr Jarl en thans drong hem in de ooren het kleppen der
-klok van een christenkerk, die luidde, als ten plechtigen welkomstgroet.
-Hij wist, wie dat nederige bedehuis had gesticht op den Hohorst, aan de
-grens van zijn gebied, haast onder den ringmuur van zijn geduchten
-Noormannenburcht. Al het bloed was geweken uit zijn lippen toen hij de
-hand ophief, dreigend: „Bisschop Ansfried van Utrecht, ik neem uw
-uitdaging aan! Thans zal het zijn tusschen u en mij, tusschen uw bleeken
-God en Thor, den Geweldige, die den donderkeil richt! Gij hebt het zelf
-gewild, het lot is geworpen!”....
-
-Had hij overluid gedacht? Hij vroeg het zich af, want hij zag een
-huivering gaan door Swanwitha’s gestalte. En dit kind mocht niet weten
-zijn toekomstdroomen, die zich weefden in de schaduw eener kroon.
-
-Dichter trok hij den donkerblauwen mantel -- de kleur van Odin -- om
-zijn schouders en zweeg opnieuw tot zijn hooge burcht in het gezicht
-kwam. Een stevige, houten muur van scherp gespitste palen rees aan de
-binnenzijde der breede gracht, waarover slechts een enkele ophaalbrug
-toegang gaf tot de sterkte, die, als iedere Noormannenburcht, uit twee
-gebouwen bestond, „den heuvel” genoemd en „het lage hof.” Op den uit
-aarde en vastgetrapte klei vervaardigden heuvel, verhief zich de
-rondgebouwde toren, het hoofdgebouw, omringd door een tweede gracht.
-Daarin bevonden zich de groote hal, de vertrekken, bestemd voor den
-burchtheer en zijn gezin, de wapenkamer en -- de diepe, onderaardsche
-kerkers.
-
-Het „lage hof” bevatte de talrijke nevengebouwen, het valkenhuis, de
-stallen -- slechts een gebrekkig afdak -- den boomgaard en den diepen
-waterput. Een breede, leemen ringmuur omgaf zoowel den heuvel als het
-lage hof; ter halve hoogte stak het staketsel waartegen hij was
-vastgetrapt, er boven uit. Met de diepe buitenste gracht vormden beide
-een geduchte borstwering tegen iederen aanstormenden vijand.
-
-Van plompe, ruwe steenen was de toren gebouwd; het looden dak liep spits
-op; de kleine, halfronde vensters waren onregelmatig aangebracht en
-zonder eenige versiering. Over een ongelijken weg van leem en klei
-bereikte men de met ijzer beslagen ingangspoort. In het midden boven de
-beide deuren was een paardekop vastgespijkerd, die, met den esch en den
-vlierstruik, ter weerszijden geplant, het huis moest beschermen voor de
-even geduchte als gevreesde macht der zwartalven.
-
-Terwijl Rolfr Jarl over de ophaalbrug reed, sprongen, luid blaffend,
-groote losloopende doggen tegen hem op en gromde in de verte een beer,
-opgesloten in een uit ongeschaafde boomstammen vervaardigd hok.
-
-Wrevelig sloeg de Jarl de honden weg met zijn zweep. Onbeweeglijk, als
-uit erts gegoten, stonden in het lage hof, hun zwaardspel vergetend, de
-talrijke krijgers, die het onmiddellijk gevolg uitmaakten van den
-geduchten Noorman: met geen enkel gebaar werd hun eerbiedige
-krijgsmansgroet beantwoord.
-
-„Fala’s paarden[2] zijn niet donkerder dan het gelaat staat van onzen
-heer,” mompelde een in den strijd vergrijsde krijger.
-
-„Hij sloeg zelfs geen acht op mijn worp, en toch troffen mijn zwaarden
-tegelijk den mast en ving ik ze, in het terugvallen alle drie op met
-dezelfde hand,” antwoordde hem, gekrenkt en verbaasd, een makker. Want
-uit te blinken in het „zwaardspel”, waarbij een hooge mast het wit
-vormde der flikkerende wapens, bleef de trots van de „zonen der zee”,
-zooals de Noormannen zich zelven bij voorkeur noemden.
-
-Rolfr Jarl was intusschen, door zijn kleindochter gevolgd, de steenen
-trap opgegaan naar het hoofdgebouw.
-
-Het vertrek gelijkvloersch geleek meer een voorraadschuur dan een zaal:
-opgetast lagen daar levensmiddelen van elken aard, in zakken en kisten;
-wapentuig glinsterde aan de ongekalkte wanden; de bruine balken hingen
-vol stukken gedroogd en gerookt vleesch en in het midden glinsterde het
-water van een schier bodemloozen put. De Ravenhorst kon in ieder opzicht
-een beleg of overval weerstaan: hechte wallen, zware muren, leeftocht in
-overvloed.... „Ik ben op alles berekend,” verklaarde meer dan eens vol
-zelfbewusten trots zijn eigenaar. Was hij dit inderdaad? Zelfs Achilles
-bezat een kwetsbare plek.... Met een ruk schoof de burchtheer thans het
-gordijn terug, dat van de ongelijke wenteltrap toegang gaf tot de hal.
-Het was een hoog, somber vertrek. Ronde houten pijlers droegen een
-gewelfde zoldering; de halfronde vensters lieten slechts een schemerend
-licht door. Berenvellen met rood geverfde klauwen, wolfshuiden met
-bloedigen muil prijkten langs de wanden, afgewisseld door hertengeweien
-en slagtanden van wilde zwijnen. Met glinsterende wapentrofeeën, om
-ronde schilden gegroept, waren de pijlers versierd. Hadden die gekruiste
-speren en breede slagzwaarden kunnen spreken, een verhaal zou hebben
-geklonken van veroverde wapens in woesten strijd, bij een brandenden
-burcht of een geënterd schip op verre Vikingertochten.
-
-Een vuur, dat meer rook dan warmte gaf, smeulde in de rondgebouwde
-schouw; door een zwaren, aan groote ringen bevestigden voorhang, kon de
-hal in tweeën worden gescheiden. Op het verhoogde gedeelte, waarheen
-enkele houten treden leidden, bevond zich, naast den bronzen zetel van
-den halheer, de schenkdisch, waarop het schitterde van drinkhoorns en
-bekers op gouden voet, versierd met edelsteen: geroofde schatten, in
-bloedige vuisten gegrepen bij stoute rooftochten in verre, vreemde
-hemelstreken. Biezen, in kunstige ruiten gelegd, bedekten hier den
-vloer: het was de plaats, bestemd voor den burchtheer en zijn gezin. In
-het lager gedeelte der zaal stonden banken en lange houten tafels langs
-de wanden. Hier vonden wapenknechten en dienaars hun plaats, wanneer het
-horensein van den hofmeester het geheele burchtgezin, zonder
-onderscheid, bijeenriep tot den maaltijd.
-
-Toen Rolfr Jarl de hal binnentrad rees een statige vrouw op uit een der
-beide zetels van het verhoogde gedeelte. Recht en ongebogen was haar
-gestalte, toch had zij bijna zestig zomers zien komen en gaan. Het was
-een gelaat waarop wilskracht haar stempel had gedrukt, eerzucht haar
-merkteeken, dat zij nu tot den Jarl ophief. De donkergrauwe oogen --
-naar het scheen hadden zij nooit op iets, dat hun liefelijk toescheen
-gerust -- bezaten een glans, die aan het koude staal deed denken; het
-grijzende haar was bijna geheel verborgen door een breeden sluier, die
-langs de wangen over de schouders plooide en op het hoofd werd
-vastgehouden door een glinsterenden gouden band. Het effen blauwe kleed
-hing in ruime plooien neer en werd om het middel vastgehouden door een
-met gouddraad en dooreengeweven runen bestikten gordel. Met een
-schuchtere beweging trad Swanwitha toe op de fiere vrouwengestalte en
-kuste eerbiedig haar hand. Want het was vrouw Sigrid, de trotsche
-burchtvrouw van den Ravenhorst zelf, die zich nu tot haar echtgenoot
-wendde met de vraag:
-
-„Begeert Rolfr Jarl, dat terstond het sein wordt gegeven voor het
-avondmaal? Wij hadden u reeds eerder verwacht en daarom de rust verlaten
-van het vrouwenvertrek, dat gij, kind” -- zij wendde zich tot Swanwitha
--- „in ’t geheim heden zijt ontvlucht. Ik heb u voorwaar geen
-toestemming gegeven, alleen en onverzeld, door veld en woud te zwerven.
-Ik verkies u daarom heden niet meer te zien. Ga!”
-
-Zij hief de hand op, het was alsof zij een slag wilde toebrengen. Een
-angstige uitdrukking gleed over Swanwitha’s wit gezichtje: het strenge
-gelaat van den Jarl scheen zacht vergeleken bij dat zijner vrouw; snel
-verdween zij uit de zaal, zonder een woord te durven spreken. De koele
-oogen van vrouw Sigrid rustten een oogenblik op de beide jonge vrouwen,
-die in deemoedige houding op geringen afstand van haar zetel stonden.
-Zij begrepen wat van hen verlangd werd en verlieten de verhooging.
-
-„Ik moet u noodzakelijk spreken, terstond.” Als een ademtocht gleed het
-over haar lippen. De Jarl wierp een blik in de zaal, waar de maaltijd
-werd opgedragen; de afstand was ver genoeg om niet te worden
-beluisterd:
-
-„Is er tijding gekomen?” vroeg hij gejaagd.
-
-„Voor een uur en alles gelijk gij hebt gewenscht.” Zij trok een der
-beide gordijnen dicht en vervolgde gedempt:
-
-„Welslagen wacht u als gij weet te handelen.” Zij zag een bezorgden trek
-op zijn gelaat. Dringend hernam zij: „Of waant gij, dat het ras is
-uitgestorven, dat eens, in dit land Daventra in vlammen deed opgaan en
-in Utrecht zijn wetten voorschreef aan de christenen, zoowel priesters
-als leeken? Nog zijn de zonen dezer helden door denzelfden geest
-bezield. Zij zijn bereid tot den inval, maar eischen, dat gij u openlijk
-aan hun hoofd stelt om hen te voeren tot een krijg, die ter overwinning
-leiden moet.” Zij hief de armen op, als in vervoering: „Dan zult gij, al
-is het ook in schijn, de knie niet meer behoeven te buigen voor de
-afgoden der christenen, dan zult gij steun noch gunst meer behoeven van
-den keizer! Ik heb de runen geworpen en de tijd is gunstig voor het
-volvoeren van uw plan. Aarzel daarom niet langer. Odin en Thor trekken
-met u ten strijd. Handel, en u is de zege.”
-
-Zij hield een perkament, met roode koorden omstrikt, met een waszegel
-gesloten, in de hoogte. „Dit werd heden gebracht door den bode van Olaf
-Erikson en van Harald Sigvatr.”
-
-Met een ongeduldige beweging schoof hij het perkament van zich: „Laat
-Swanwitha roepen, zij moge het ontcijferen. Ik heb voor zulke dingen
-geen geduld meer! Ik schrijf mijn tegenstanders mijn wil voor met mijn
-zwaard, en laat hun die lezen in hun wonden.”
-
-Zij sloeg nauwelijks acht op zijn laatste woorden. „Gij verwent Witha te
-veel. Zij weet meer van uw geheime plannen dan goed is. Het ergert mij
-bovenmate. Zij is een kind”....
-
-„Maar kan de letterteekens ontcijferen als de beste clerk en weet te
-zwijgen, waar dit haar voegt. Zij gevoelt tot welk volk zij behoort.”
-Plotseling hield hij in; een vreemde, strakke blik kwam in zijn oogen.
-Tot welk volk zou Swanwitha willen behooren, wanneer die keus besliste
-over haar levensgeluk? Tot dat van haar vader of van haar moeder?....
-
-Welk denkbeeld deed hem nu haastig zeggen:
-
-„Draag zorg, dat Witha voortaan niet meer zonder geleide den Ravenhorst
-verlaat. Ik vond haar heden in druk gesprek met den jongen Unruoch. Hij
-is op den Hohorst te gast.”
-
-Veelbeteekenend klonken zijn laatste woorden. Zij fronste de zware
-wenkbrauwen:
-
-„Witha en een christenslaaf! Dat ontbrak er nog aan!”
-
-„Dat niet: Unruoch is vrij geboren”....
-
-„Maar dient hun afgoden.”
-
-„Hij zal beweren, dat wij dit doen.”
-
-Een straffe blik trof hem:
-
-„’t Is of gij heden u zelf niet zijt. In uw plaats had ik hem zoo
-onschadelijk gemaakt, dat hij nooit meer kwaad kon stichten.”
-
-„Dat scheelt niet veel: hij ligt waarschijnlijk bewusteloos bij de
-beek.”
-
-„En dáár laat gij hem! Uw burchtverlies is een betere plaats.”
-
-Hij begreep en streek zich met de hand over de oogen.
-
-„’t Is te gevaarlijk hem thans als gevangene hier te houden. Van middag
-ben ik reeds te ver gegaan, in mijn drift, veel te ver. Alles komt
-steeds het eerst hem ter oore, voor wien het verborgen moet blijven. De
-graaf van Teisterbant”....
-
-„Bisschop Ansfried, meent gij.” --
-
-„Ge weet, dat ik dien naam niet kan verdragen. Hits er mij dus niet mee
-op. Ik haat hem reeds voldoende onder den anderen. Hij dan, zou terstond
-zijn beklag bij den keizer indienen en het is vooral thàns wenschelijk
-Otto’s krijgsbenden ver van hier te houden.”
-
-Verachtelijk zag zij hem aan:
-
-„Vrees geeft u die woorden in. Gij vrèest hem. In de ooren klinken u nog
-zijn woorden, nù nòg. Gij zijt bang!”
-
-Hij stiet een kreet uit veel gelijkend op het brullen van den beer
-buiten; zijn vuist beukte den disch.
-
-„Bang! Ik! Vrouw Sigrid, weeg uw woorden!”
-
-„Ik heb ze gewogen; hadt gij het slechts uw daden gedaan.”
-
-Zwaarder leunde haar hand op den disch, strakker werd haar blik.
-
-„Hebt gij niet gezworen bij Odins oog, niet te rusten bij zonlicht noch
-maanglans, eer de laatste christen is verdelgd uit dit onzalige land?
-Nauwelijks een eeuw geleden heerschte hier hertog Godfried, de Noorman,
-oppermachtig. Hij schreef met de spits van zijn zwaard zijn wetten voor
-aan Franken en Friezen. Dien tijd zoudt gij doen wederkeeren. Antwoord,
-Rolfr Jarl, luidde niet zoo uw gelofte?”
-
-Dreigend zag hij haar aan.
-
-„Zoo luidde zij. Doch, vrouw Sigrid, sinds wanneer brak ik dien eed?”
-
-„Sinds heden. Of hebt gij niet in vrijheid gelaten buiten, in het weeke
-gras, hem dien uw hand neersloeg, doch uw vuist niet verpletterde,
-Unruoch, den pleegzoon van het hoofd der christenen in dit land? Vloek
-over u, dat gij schondt uw plechtigen eed, gezworen bij kletterenden
-zwaardslag op het lustig Joelfeest te Upsal, in koning Harolds hal, in
-het bijzijn zijner hooge helden. Wanneer hij het verneemt, zal u het
-recht worden ontzegd te strijden in de groote aanstaande worsteling,
-Odin ter eere. Vergaan zal uw roem, de vloek der goden treffen uw hoofd,
-verlammen uw meineedige hand, die het wapen ophief ten heiligen eed.”
-
-Met een kreet strekte de Jarl zijn tot een vuist gebalde hand uit. Het
-was alsof hij de vrouw wilde neerslaan, die waagde hem zulke smadelijke
-woorden toe te voegen in zijn eigen hal, die hem met verachting in den
-klank harer stem herinnerde aan zijn plechtige gelofte. Maar onbewogen
-bleef haar strakke blik hem tarten, dof klonk het opnieuw:
-
-„Heb ik recht of hebt gij het, Rolfr Jarl?” Gramstorig zag hij haar aan,
-maar vast klonk zijn antwoord:
-
-„Recht hadt gij tot nu toe, maar ook u zal de vergelding treffen. De
-vrouw van een Noorman harnast haar tong, gij gebruikt die als
-tweesnijdend wapen. Dat zal uw vloek worden.”
-
-Zij lachte schamper.
-
-„Geef geen aanleiding tot mijn woorden, dubbel treft u eenmaal de vloek,
-niet mij. Iedere oorzaak sleept haar gevolgen met zich.”
-
-Vastbesloten stond hij eensklaps recht op zijn voeten.
-
-„Dat zal Unruoch ervaren!” Terwijl het wilde zwijnsvleesch werd
-opgedragen en het bruine bier schuimde, gaf hij eenigen speerknechten
-zijn bevelen. Zij snelden heen om Unruoch te zoeken, levend of dood....
-
-Want hij had vrouw Sigrid de woorden hooren fluisteren van den geduchten
-Brynhildr Sigurd: „Vecht liever met uw vijand, dan dat gij laf zoudt
-zijn, en dood, wie u smaadde, des daags daarna tot vergelding zijner
-beleedigende woorden”....
-
-Maar hij dacht daarbij niet aan Odins spreuk: „Zalig, wie in het leven
-zijn eigen raadsman kan zijn, want boozen raad ontvangt men dikwijls uit
-het hart eens anderen.”
-
- [1] Wijk bij Duurstede.
-
- [2] Zoo werden door de Noren de nachtwolken genoemd.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-De laatste, teere lichtstrepen van het avondrood waren geheel
-uitgewischt; aan het donkere uitspansel schitterden de sterren.
-
-In haar klein vertrek was Swanwitha alleen. Zij stond op de in den muur
-vastgeklonken bank bij het eenige venster -- op deze wijze alleen kon
-zij een blik naar buiten werpen -- en zag naar de sterren, zonder ze te
-zien. In de diepte lag het lage hof als een zwart vlak, alleen de
-fakkels in de hooge hal ontstoken wierpen een rossen schijn over de
-verwaarloosde leemen nevengebouwen. Aan hun ketting huilden de honden,
-met dof gebrul antwoordde de beer, op de brug klonk hoefgetrappel. Wat
-beduidde dat nog zoo laat?
-
-De brug werd reeds opgehaald voor den nacht toen zij met haar grootvader
-terugkeerde. Haar lippen beefden. Nu wist zij zonder te zien... Zij wist
-wien de bleeke trekken behoorden, wie als gevangene werd gevoerd in het
-huis, dat ook haar woning was. De roode fakkelschijn uit de zaal viel
-op zijn gelaat, bloed kleefde aan zijn haren, zij zag zijn geknevelde
-handen. Zij wist het.
-
-Zij hief de armen omhoog als smeekte zij een teeken uit den hooge:
-
-„Kan dat de wil van Odin zijn? Luidt niet zijn bevel: „Verheug u niet
-over het ongeluk van uw vijand; kastijd niet, wie zwakker is dan gij
-zelf.”
-
-En toen zacht, héél zacht: „Hebt uwe vijanden lief,” gebiedt de leer der
-christenen. O, wat is waarheid, wie zegt het mij, wie, wiè?”
-
-Onbeantwoord bleef haar vraag door menschenlippen, maar aan den donkeren
-hemel verhaalden de sterren in vlammend schrift van Hem, Die de werelden
-schiep en regeert, van Wien alle volmaakte giften afdalen, omdat Hij
-zelf is de Volmaakte liefde.
-
-Swanwitha streek zich over de oogen, haar hand beefde, onrustig klopte
-haar hart. Wat was hiervan de oorzaak? Zij vroeg het aarzelend, en
-durfde zich zelve haar gedachten bijna niet bekennen. Maar er zijn
-oogenblikken in ieder leven, waarin de macht van het verleden, dat in
-herinnering leeft, waarin zelfs de kracht der gewoonte moet wijken voor
-nieuwe invloeden.
-
-Wanneer had die nieuwe invloed zich laten gelden in haar leven? Wanneer?
-
-Was het op dien schoonen klaren dag, toen de lentezon straalde over de
-wijde heide, de harsachtige knoppen der dennen zwollen en witte wolken
-zeilden langs het azuur der lucht? Zij dwaalde door woud en veld, gelijk
-zij zoo gaarne, zoo vaak deed als het haar vergund werd. Haar klein
-gevolg had zij teruggezonden, nu reed zij langzaam langs den oever van
-de Eem. Plotseling deed haar paard verschrikt een zijsprong. Had een
-adder het gestoken? Bruin en lenig kronkelde er een over het pad en
-verdween tusschen de dorre bladeren. Maar het paard luisterde naar stem
-noch teugel meer, voort rende het in woeste vaart, zij klemde zich vast
-aan zijn manen, spannend, overspannend haar kracht. De oude boomen, die
-zoo menigmaal haar helderen lach hadden weerkaatst, hoorden nu haar
-hulpgeroep. Tevergeefs. Geen arbeiders waren op het veld, eenzaam was de
-woudweg, waar de zonneschijn met gouden gloed trilde op de bemoste
-stammen. Rustig stroomde de rivier verder, geen visscher kliefde met
-zijn boot den stroom, geen zeil klapperde op den wind. Zou de breede weg
-der wateren haar worden ten zwijgend graf? Want verlaten bleef geheel de
-omtrek, alleen ging zij het vreeselijk einde tegen, dat niet uit kon
-blijven na den wilden ren.
-
-Niet meer. Een vaste hand greep den teugel, dwong het hijgende paard tot
-stilstaan. Hield de korte worsteling tusschen dierlijke en zedelijke
-kracht, die zij mee doorleefde, niet een angst in, meer dan menig leven
-droeg?
-
-Want temde niet het meest zijn blik, de moedige, zelfbewuste blik, die
-ook het roofdier der wouden in bedwang houdt, het wilde verzet van het
-steigerende ros?
-
-Hij hield het strak aan den teugel, zag het recht in de oogen, dwong
-het tot stilstaan met trillende flanken en tusschen de tanden vlokkig
-schuim.
-
-„Stijg af,” klonk nu zijn stem tot Swanwitha. „Gij hebt u flink
-vastgehouden, een val zou misschien uw dood zijn geweest; kom nu.”
-
-Zij zette gehoorzaam haar in een laag, rood schoentje gestoken voetje op
-zijn hand en liet zich door hem dragen, meer dan zij ging, naar een
-kleine heidehoogte. Hier liet hij haar geheel tot zich zelve komen --
-het paard stond reeds gebonden aan een boom -- zwijgend zat hij naast
-haar, maar de lentewind bruiste zijn jubelzang boven beider hoofd. Hij
-droeg nieuw leven aan en kuste in de akkers de zaadkiemen wakker, die
-gesluimerd hadden lang, heel lang, schijnbaar verstijfd in den ijzigen
-greep van den winter. Zou de zonnegloed ze kunnen wekken tot nieuw
-leven? Liefde verwint....
-
-„Zoudt gij nu mee kunnen gaan?” vroeg hij eindelijk. „Gij kent mij toch?
-Ik ben Unruoch, de pleegzoon van... een der pleegkinderen mag ik wel
-zeggen, van bisschop Ansfried.”
-
-Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen. Vriendelijk rustte zijn
-heldere blik op haar gelaat, zijn breed voorhoofd was kloek gevormd,
-edel van lijn zijn mond... „Ik weet, dat.... dat bisschop Ansfried alle
-armen en ongelukkigen, die tot hem komen een tehuis schenkt, bovenal
-kinderen, die van hun ouders zijn beroofd door de invallen der
-Noormannen,” sprak zij zacht, om er toen haastig op te laten volgen: „En
-ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl.” Haar blik gleed door de bruine
-takken der boomen. Hoog en plomp rees in het verschiet de Ravenhorst;
-als een steenen reus teekende zich de grauwe toren af tegen het blauw
-der lentelucht, overmachtig, geheel den omtrek beheerschend, kil en
-koud.
-
-Het was als onttrok Unruoch zich met geweld aan zijn gedachten. Had ook
-hij de fluisterstemmen verstaan der ontwakende natuur, die meer
-verhaalden dan van lenteweelde en bloesempracht alleen?
-
-„Ik begrijp wat gij meent, maar bisschop Ansfried zal u daarom even
-welwillend bejegenen. Zijn godsdienst leert: „Hebt uwe vijanden lief.”
-Doch ook zonder dat zou hij u niets verwijten. Gij kunt immers niet
-helpen wat hier geschiedt of reeds is gebeurd.”
-
-„Siva, mijn voedster, zegt, dat hier vroeger allen reeds christenen
-waren,” hernam zij beschroomd. „Maar door de invallen der Denen hebben
-velen zich weer afgewend van een godsdienst, die hun was opgedrongen
-door de overmacht der Frankische keizers.”
-
-„Het is geen zwaar verlies voor de christenkerk, dat zij nu leden mist,
-die haar leer aannamen alleen met de lippen; wel dat velen haar
-verlieten uit vrees voor uw -- voor de macht der Noormannen. Maar kom
-nu. Gij hebt iets noodig na den doorgestanen schrik en bisschop Ansfried
-kent menig goed geneesmiddel.”
-
-Zij stond op en volgde hem in groot vertrouwen. Wanneer een verwante
-van den bisschop den Ravenhorst was binnengegaan, zou die haar ten
-kerker zijn geworden, dat wist zij. Toch volgde zij, zonder aarzelen of
-vragen den onbekende, die haar voerde naar het „broederhuis” op den
-Hohorst. Daar hield thans bisschop Ansfried verblijf, wiens leven haar
-grootvader bedreigde, schier brak, door zijn geheime en openlijke
-vijandschap. Had hij dit leven reeds vroeger geknakt? Zij wist het niet,
-zij volgde Unruoch en een wonder gevoel doortrilde haar hart. O, als hij
-haar hand in de zijne had genomen, had gezegd:
-
-„Ga met mij, voor altijd. Laat alles achter wat gij bezit en, dat toch
-uw hart koud laat. Want, kleindochter van den machtigen Rolfr Jarl,
-erfgename van zijn bezittingen, gij bezit niets. ’s Levens hoogste goed
-werd u onthouden, niemand heeft u lief,” -- dan zou zij hem gevolgd zijn
-tot het einde der aarde, in onbegrensd vertrouwen, in vast geloof aan
-zijn trouw.
-
-„Nieuw leven,” verkondigde het suizen van den wind, het lachend
-lente-zonnegoud, nieuw leven....
-
-En, zonder iets te vragen, had de bisschop haar van zijn krachtige
-medicijnen gegeven, haar verzorgd als een vader zijn kind. Schuw had zij
-opgezien tot zijn eerwaardig, door zilveren lokken omlijst gelaat.
-
-„Ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl”.... Een schuchtere blik had haar
-woorden aangevuld. Toen had hij geglimlacht, o, zoo droevig en zacht.
-
-Het was of zijn trekken werden bewogen door herinneringen aan geleden,
-nooit geheelde smart, aan vervlogen, nooit vergoed geluk. Tranen
-sprongen haar in de oogen. En toen had hij haar verhaald van den
-barmhartigen Samaritaan, die niet zwijgend voorbijging, bij leed en
-nood, zooals de priester en de Leviet. Het klonk haar even edel en goed
-toe als Unruochs woord: „Hebt uwe vijanden lief.”
-
-Hamerslagen braken de stilte af, die volgde op de woorden van den
-bisschop. „Als mijn kerk wordt ingewijd op den Hohorst, moet gij ook
-komen,” hernam hij toen. „Dan zult gij hooren van den Goeden Herder, Die
-ook Zijn afgedwaalde schapen niet vergeet. Ook gij zijt Hem dierbaar,
-Swanwitha! Ook u wil Hij een plaats geven in Zijn eeuwig huis.”
-
-Wat klonk dat alles vreemd! De vrouwen gingen immers allen, zonder
-onderscheid, naar Hela, Nevelheims bleeke godin. Voor hen stond geen
-Walhalla open, gelijk voor de hooggehelmde helden, die sneuvelden in den
-slag, en door de schildmaagden werden gevoerd in Odins zaal -- Wodan
-werd hij genoemd bij Friezen en Franken -- om daar, gewekt tot nieuw
-leven -- te kampen om den overwinningsprijs, om juichend, in den roes
-der zegepraal, gerstebier te drinken uit de schedels hunner verslagen
-vijanden.... Zoo luidde de leer der Noormannen. En toen dacht zij aan
-haar moeder; herinneringen kwamen, en wat zij nu gehoord had was haar
-niet meer onbekend, schoon haast vergeten. Maar opnieuw had de stem
-geklonken van den bisschop, zulk een ernstige tot het hart doordringende
-stem! Het was haar of onzichtbare handen gouden harpen sloegen, toen hij
-sprak langzaam en plechtig: „Ik heb lief, die Mij liefhebben en die Mij
-vroeg zoeken, zullen Mij vinden.”
-
-„Denk aan die woorden, mijn kind, vergeet ze nooit en als gij ooit in
-zorg of lijden verkeert, kom dan hier en zoover menschelijke macht
-reikt, zal ik u helpen.”
-
-Lang vergeten beelden kwamen en gingen bij die woorden; weer verrezen de
-herinneringen uit haar vroegste jeugd. Woorden vol licht en geloof
-wierpen hun glans over het heden vol twijfel en vergetelheid....
-
-Dit was nu reeds verscheidene weken geleden en thans zou hij zelf in
-zorg en lijden verkeeren, de grijsaard, dien honderden hoog vereerden en
-liefhadden, doch dien haar grootvader vervolgde en haatte.
-
-Nu werd Unruoch, zijn lieveling, gebracht, als gevangene gebracht, naar
-de diepe, donkere kerkers van haar huis, die nooit hun slachtoffers
-teruggaven, nooit meer.
-
-„Hebt uwe vijanden lief,” gebood de leer der christenen en de aanhangers
-van Odin oefenden wraak aan schuldeloozen.
-
-Onrustig, gejaagd, bestormd door gedachten, die zij zich nauwelijks
-durfde bekennen, ging Swanwitha op en neer in haar klein vertrek. De
-eenzaamheid was om haar, alleen twee angstige oogen zagen haar aan uit
-een door leed en zorg vertrokken gezichtje, toen zij bij toeval een blik
-wierp in den staanden, blinkend gepolijsten spiegel. Wat was
-gevoelloozer, dit staal of de harten der menschen? Snikkend zonk zij
-neer bij haar smal bed en drukte het gloeiend voorhoofd in het
-hertevel, dat tot dekkleed diende. Krampachtig woelde zij met de handen
-door het golvende haar, de gouden voorhoofdband raakte los, die de
-lange, glinsterende lokken bijeen hield, over den vloer rolde hij met
-zacht gerinkel. Ach, wat baatte haar dat blinkend goud, wat haar
-gordelband versierd met purperen robijnen, wat de spangen en armringen,
-die zij bewaarde in het kleine, zilveren kistje, dat eens haar moeder
-had behoord? Zij kon er Unruoch de vrijheid niet door hergeven.
-Lijfdienaars en eigenhoorigen stonden op den Ravenhorst in strenge
-tucht; niemand zou wagen den gevangene van hun heer te helpen
-ontvluchten. En toch, iets moest gedaan worden, iets. Dieper begroef
-Swanwitha het gelaat in de blanke armen. Schier vergeten woorden, eens
-opgevangen van de lippen harer moeder, fluisterde haar mond. Het klonk
-als een gebed.
-
-Siva kwam. Melk en brood bracht zij voor haar pleegkind, de kleindochter
-van den burchtheer, die was weggezonden uit zijn hal, in het bijzijn van
-eigenhoorigen.
-
-In het licht der ontstoken kienspaan, door Siva bevestigd in een kram
-aan den muur, fonkelden de robijnen van Swanwitha’s gordelband. Groote
-bloeddruppelen schenen zij en het was haar of ook haar bloed zou
-wegvloeien, warm, rood hartebloed. En weer fluisterde zij het woord,
-eens van haar moeder geleerd: „Zalig zijn zij die treuren, want zij
-zullen vertroost worden”....
-
-O, wie zou háár kunnen troosten, wie?
-
-Ook dat woord was een van de spreuken der christenen. Haar moeder had
-hun geloof gedeeld, ach, waarom was zij zoo vroeg gestorven? Nu was haar
-kind in strenge afzondering opgegroeid op den Ravenhorst, onder het oog
-eener grootmoeder, die in ’t geheim tot Odin en Frigga haar gebeden
-richtte, bewaakt door Rolfr Jarl wiens levensdroom was iederen Viking,
-die met zijn gezellen zijn Noorsch vaderland ontvluchtte, omdat ook daar
-het christendom ingang begon te vinden, een nieuw erfland te schenken
-waar de reizangen zouden klinken Odin ter eer en het beeld van Thor, den
-Geweldige, zou prijken in tempels en heilige wouden.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Een nieuwe morgen lichtte aan. Het grijs van den hemel was weggesmolten
-in teer opaal en bleeke rosetinten. Goudgesluierd verrees de zon, de
-aarde baadde in glans en in de verte schenen de boomtoppen, zacht
-bewogen door den ochtendwind, de golven eener groene zee. Voor het
-kleine, diep in den muur aangebrachte halfronde venster van haar vertrek
-stond weer Swanwitha en staarde, staarde....
-
-Haar hadden de zonnestralen niet gewekt uit een kalmen sluimer; wakend
-was voor haar de nacht voorbijgegaan. Nu rustte opnieuw haar strakke
-blik op den hoogen wal en de gesloten poort. Wat kon zij, wat kòn
-zij?.... Zonder geleide mocht zij zelfs den Ravenhorst niet meer
-verlaten. De wil van vrouw Sigrid was de wet van haar omgeving. De
-poortwacht wist dus reeds dit nieuwe bevel. Swanwitha’s hart beefde,
-zacht fluisterden haar lippen:
-
-„O, als ik slechts kòn.... zijn vrienden waarschuwen, den bisschop....
-Hij heeft stellig veel vrienden, die hem liefhebben en ik heb niets dan
-hem alleen en nu sterft hij hier verlaten en ik kan niets voor hem
-doen, niets!”....
-
-Het hooge gevoel, dat in haar hart leefde, hief haar niet op, maar boog
-haar neer tot de aarde, in radelooze, vernietigende smart. De witte
-rozen, die zich langs den vensterboog slingerden, waren niet bleeker dan
-haar gelaat, haar handen wrongen zich ineen: zij had verleerd ze te
-vouwen. Een horensein klonk. Helder en licht brak het geluid op den
-gevel van het hoofdgebouw. Wat kon dat zijn? Hopend op een redding, die
-zij niet durfde verwachten, boog Swanwitha uit het venster.
-
-En zoo zag haar de vreemdeling, die nu den slothof binnenreed. Het witte
-gezichtje omgeven door den wiegelenden krans van rozeknoppen en blanke
-bloesems -- nooit zou hij het meer vergeten, nimmermeer. Evenals zijn
-klein gevolg was de nieuw aangekomene gehuld in het glinsterend
-maliënkleed, zelfs het vizier van zijn helm hield hij neergeslagen, maar
-eerbiedig hielp de oude hofmeester hem afstijgen, toen hij den ring zag,
-die hem werd gereikt.
-
-[Afbeelding]
-
-„Dit aan uw Jarl. Leid mij tot hem.” De hofmeester boog; verwonderd
-volgde Swanwitha’s blik de ranke gestalte. Het was of de vleugels van
-den witten gier, de eenige helmtooi van den onbekende, rezen. Wilden zij
-hem meevoeren hoog, héel hoog? Hij stond op de breede treden in zijn
-zilverblinkend pantser, om hem ’s hemels blauw en de schittering der
-blanke vleugels. Maar hij zag alleen het schoone meisjesgelaat. Evenmin
-als de hare streefde zijn blik omhoog. Zijn horensein had geklonken
-als een zegezang, een jubel van aardsche glorie en aardsch geluk. Maar
-lijfdienaars snelden toe, grepen ook de paarden van zijn gevolg bij den
-teugel, wijd geopend werd de poort van het hoofdgebouw. Welgevallig
-sloeg menige verweerde krijger den blik naar esch en vlier, naar den
-paardekop boven den ingang, heimelijk vormde meer dan een vuist het
-hamerteeken. De jonge aanvoerder zag het eene noch het andere, zijn blik
-hing aan het rozenomrankte venster, aan het meisjesgezichtje, dat zelf
-een witte roos geleek. Maar op den drempel verscheen Rolfr Jarl; met de
-hoffelijkheid den Noren eigen, bracht hij zijn onverwachten gast den
-welkomstgroet. Naar het verhoogde gedeelte der hal geleidde hij hem,
-zelf hief hij den gouden, in den vorm van een paardekop gedreven beker
-van het blad, dien de hofmeester zich haastte te brengen. Zijn gejaagde
-bewegingen verrieden de spanning, waarin hij verkeerde.
-
-Zij vormden een groote tegenstelling, de man met het vermagerd gelaat en
-den diepliggenden blik, waarin het gloeide van een vuur, dat verteerde,
-doch niet louterde, wien ’s levens ontgoochelingen scherpe voren hadden
-getrokken in het breede voorhoofd, omdat hij alleen van het aardsche
-leven alles had gevraagd en verwacht, wiens vastgesloten lippen in hun
-sombere lijnen verhaalden van eerzucht, die tot hartstocht werd, tot
-onbevredigden hartstocht, en de jongeling wiens oogen straalden van een
-toekomstverwachting, wolkeloos als de zomerhemel buiten.
-
-Maar thans verhelderde een flauwe glimlach de sombere trekken van Rolfr
-Jarl, terwijl hij, eenige druppels plengend, zijn gast den welkomstdronk
-bood:
-
-„Drink heil, Olaf Erikson. De wind, die den wil der goden weet, heeft uw
-vloot den weg gewezen, voer nu weldra over den golvenden stroom uw
-drakenschepen hierheen, Thor ter eere, den Alvader tot zege en heil.”
-
-Hij hief de hand op met plechtig gebaar en terwijl Olaf vol eerbied het
-hamerteeken maakte over den beker, eer hij dien aan zijn lippen bracht,
-volgde zijn blik die beweging. Door de tegenover elkander liggende
-vensters viel het helle morgenlicht in de hal. Het brak de somberheid
-der donkere hoeken en van de bruin berookte zoldering en wierp over het
-uitgestrekte landschap zijn wemelenden glans. Aan de eene zijde van den
-Ravenhorst strekte zich de heide uit, daar stonden de dennen als
-reuzenlansen, hun takken schenen pijlen, gereed te snorren van den boog.
-Onder hun forsche kruinen huilde ’s nachts de wolf en woelde het
-everzwijn den bodem om met zijn scherpe slagtanden; daar vernam de
-behoedzame jager alleen het gedruisch zijner eigen schreden en het
-kraken van het struikgewas, wanneer de opgejaagde roofdieren voor hem
-vluchtten in razenden ren. Het was of de Eem, die ter anderer zij den
-Noormannenburcht bespoelde, en breed, als een zilveren lint, zich
-slingerde door het landschap, de grensscheiding vormde tusschen de
-woeste heide en het ontgonnen land. Langs zijn groene oevers verhieven
-zich verspreide hoeven, de meeste omgeven door slooten en moeras, als
-welkom verdedigingsmiddel. Hun middenpunt vormde de Hohorst met zijn
-halfvoltooid houten klooster en klein steenen kerkgebouw. In het verre
-verschiet rezen de wallen en torenspitsen van Bacheforth,[3] het sterke
-slot. De lage houten huizen, die het omgaven, verhaalden in hun
-toegenomen aantal van vernieuwde welvaart na jaren van ellende en
-strijd.
-
-Rust zweefde over geheel den omtrek, in zomerweelde verzonken lag het
-landschap, vredig steeg de blauwgrijze rook omhoog uit de opening in het
-rieten of met plaggen beschutte dak van hoeve of heem. Omhoog, als
-eenmaal die der gewijde offeranden in Salomo’s tempel, stegen die
-rookzuilen, goudgetint door de breede stralenbundels van het licht, dat
-neervloot van den hemel om zich te vereenen met den oprijzenden lofzang
-der aarde. Of waren zij geen lofzang gelijk de volle, plechtige
-metaalklanken, die dreunend van den torentrans op den Hohorst, de ruimte
-vulden, de stilte braken, omhoog stegen als een jubelzang van een
-toekomstheil nog onbegrepen door wie hen thans hoorden?
-
-De dreigende flikkering in Rolfr Jarls blik schonk nogmaals een antwoord
-van haat aan dien juichenden klokkenzang. Had Olaf Erikson andere
-stemmen verstaan in die statige galmen? Een ernstige uitdrukking
-verscheen in zijn peinzende oogen. Het waren oogen, die een wereld van
-gevoel verborgen in hun diepten, blauw als de stralende zomerhemel,
-ondoorgrondelijk als de zee van het zuiden, die parelen verbergt onder
-haar schitterend golvenvlak en -- onzichtbare klippen. Ook hij hief de
-hand op, -- het scheen een waarschuwing:
-
-„Voor rust zal daar weldra onrust heerschen, waar nu het leven lacht,
-treurt dan de dood en schreit de wanhoop. Handelen wij goed?”
-
-De borstelige wenkbrauwen van Rolfr Jarl vormden een enkele
-saamgetrokken streep, toen hij norsch antwoordde:
-
-„Hebt gij berouw of koestert gij vrees, Olaf Erikson? Wilt gij onder
-schoonschijnende voorwendsels uw heiligen eed ontduiken?”
-
-Met de beide eerste vingers zijner gespierde rechterhand vormde Olaf het
-hamerteeken op zijn voorhoofd, eer hij sprak:
-
-„Gezworen heb ik bij Odins speer en bij den donderkeil van Thor, en
-onverbrekelijk blijft die eed, gelijk hij dit steeds was ook voor de
-geslachten, die ons voorgingen, in lang vervlogen eeuwen. Want wat
-wisselt of verandert, Alvader blijft, zijn almacht heerscht. Dat zegt
-mij de stem van mijn hart. Wat is, was altijd en wat de toekomst zal
-brengen ligt besloten in het heden.”
-
-Hij besefte niet welk een eeuwige waarheid hij uitsprak met deze
-woorden.
-
-Bijna plechtig ging hij voort:
-
-„Gestand doende den eed, dien ik voor u aflegde, als in Odins
-tegenwoordigheid, heb ik opgeroepen al de mannen en jongelingen, die in
-mijn Noorsch vaderland, evenals ik, de leer verfoeien van den
-Gekruiste, den lafhartigen godsdienst uit het Zuiden, die thans zelfs
-Odins leer dreigt te overheerschen in de erflanden der helden. En vele
-honderden hebben gehoor gegeven aan de woorden en beloften, die mijn
-boden hun brachten in uw naam. Harald Sigvatr, vergrijsd in roem en
-wapendaden, bevindt zich bij ons, als aller raadsman. Weldra sneden onze
-drakenschepen de golven, hoog spoot het vlokkig schuim op voor den boeg.
-Thans kruist de vloot niet ver van het Sincfal. Gereed is zij om de
-stroomen op te zeilen, die haar zal brengen in het hart van dit land.
-Alleen wacht zij op uw woord, dat de ure daar is om Odin en Thor een
-nieuw rijk te scheppen. Met deze vraag kom ik tot u, in naam van Viking
-en bemanning. Wat moet ik hun antwoorden? Komen wij ter rechter tijd,
-heeft onze inval kans van slagen?”
-
-Diep haalde Rolfr Jarl adem, het was of een last zijn borst ontzonk of
-zijn trekken minder stroef werden, toen hij antwoordde:
-
-„De ure is daar. Gunstig de tijd. Zelf zal ik -- als het onbemerkt
-mogelijk is -- met u gaan om de vloot naar Utrecht te voeren, de
-sterkste stad van dit land.”
-
-Hij streek zich met de hand over het voorhoofd:
-
-„Zoo zal dan de droom van mijn leven verwezenlijkt worden, nu mijn
-grijze haren mij toeroepen, dat ik weldra zal worden verheven om het
-heil te deelen der helden in Odins hal.
-
-Het zij! Wellicht val ik in den slag en word ik verkozen tot Einheriar
-van den Alvader. Dan zal ik de overwinning zien, maar gij, Olaf
-Erikson, zult er de voordeelen van genieten.” Kwalijk verborgen
-ijverzucht klonk in zijn stem. -- „Dan zult gij nooit die jaren van
-onmacht kennen, zooals ik ze heb doorworsteld, nooit, in het hart een
-dof gevoel van haat, dat iederen ademtocht tot een marteling maakt,
-behoeven te dulden, hoe een ras, dat gij veracht en verafschuwt, om den
-godsdienst dien het belijdt, steeds toeneemt in macht. O, hoe menigmaal
-heb ik vol nieuwe hoop een Vikinger vloot de rivieren zien opzeilen van
-dit land, hoop, die geleden teleurstelling slechts te feller deed
-schrijnen. Dan, als weeklagend het landvolk vluchtte en steden en kerken
-opgingen in vlammen, riep ik den overwinnaars toe:
-
-„Keert niet terug! Blijft! Sticht u hier een nieuw rijk; een rijk voor
-Thor en Odin!”
-
-Maar, zij haalden de schouders op, spottend: alleen zucht naar buit
-dreef hen. Zij zeilden verder, zelfs naar de groene eilanden van
-Grecaland, ver in de zuidelijke zeeën, waar het water zijn kleur leent
-van het hooge gewelf der lucht, de woonplaats der goden. Soms wezen
-eenigen mij met bijtenden spot op het voorbeeld van hertog Godfried en
-ook op dat van mijn stamvader. Honend klonk het mij dan tegen:
-
-„Ook zij namen bezit van geheele landstreken, maar weldra werden zij
-genoodzaakt die op te dragen aan de Karolingische vorsten en ontvingen
-ze terug als leen, op voorwaarde, dat zij zich lieten onderdompelen in
-het doopwater. Dan héétten zij christenen. Wenscht gij dat voorbeeld
-gevolgd te zien door ons? Ook uw vader behoorde tot hen, die een kruis
-slaan in stede van een hamerteeken!”
-
-En allen, die zoo spraken, haatte ik, maar grooter nog was mijn
-verachting. Vaak ben ik in de eenzaamheid gevlucht om te ontkomen aan
-ieder menschelijk wezen, heiden of christen. En eens, toen ik in toorn
-en verbittering uitriep, -- weer had ik in de verte aanschouwd hoe een
-Viking zich liet doopen door den bisschop van Utrecht, om zich een
-erfgoed te verwerven en gezag:
-
-„Odin is dood, ik wil sterven als hij!”.... was het of mijn hand werd
-tegengehouden, de hand waarmee ik reeds het zwaard ophief om het te
-dompelen in eigen borst. Een nevel kwam voor mijn oogen, in de verte,
-daar waar de zon wegzonk aan den gezichteinder, legerde zich een witte
-sluier over het veld en het was mij eensklaps of oprees uit dien
-zilverglans de statige vrouw met den gouden voorhoofdband en den
-glinsterenden barnsteenen halsketen, de Brinsigamen. Geen twijfel,
-Frigga, Odins liefelijke gemalinne, stond voor mij:
-
-„Vrees niet,” sprak zij zacht: „Alvader is onsterfelijk. Geen
-menschenmacht kan verbreken wat waar is en eeuwig. Sticht gij alzoo den
-eeuwige een nieuw rijk. Dit zij de taak u toevertrouwd op deze aarde.”
-
-Geknield beloofde ik haar wat zij wenschte, de machtige godin. De
-bindende gelofte legde ik af, de hand opgeheven naar de verheven
-woonplaats der goden, waar in hetzelfde oogenblik Odins wagen zichtbaar
-werd, het schitterend, zevenvoudig sterrenbeeld. En geen bliksemschicht
-geslingerd door Thors hamer, sloeg mij neer. De Alvader nam mijn gelofte
-aan”....
-
-„Toch deedt gij wat hij heeft verboden, de hand opheffen naar zijn van
-licht stralend Walhalla.”
-
-„Het was het geweldige oogenblik, dat mij dreef. Alvader wist het. Hij
-leest in de harten der stervelingen.” Rolfr Jarl begreep de beteekenis
-niet zijner woorden: hij vereerde als godheid een schepping van
-menschen. Zou ooit de dag nog voor hem aanbreken waarop hij den Schepper
-der menschen aanbad?
-
-Hij trad aan het venster en staarde naar buiten, verdiept in
-herinneringen, die sneden scherp als het zwaard, dat hij zoo dikwerf had
-opgeheven in den bloedigen slag. Klonk daarom zijn stem hard en koud,
-nog meer dan gewoonlijk, toen hij eindelijk hernam:
-
-„Het overige weet gij. Ik leefde in een ijzeren tijd en was zelf van
-ijzer. Geen middel liet ik onbeproefd om den ouden eeredienst de macht
-van weleer te hergeven. Het was te vergeefs. Zelfs aan het hof der
-Noorsche vorsten vond ik geestelijken met kruisen en kaarsen,
-psalmgezang in christenkerken werd ook daar reeds gehoord, maar verstomd
-waren de reizangen bij het plechtig offermaal. Verboden werd het heilige
-paardevleesch te eten, niet langer vlamde de brandstapel van den doode.
-Bij de koele bronnen werd geen water meer geschept onder stille gebeden,
-esch noch vlier waren meer heilig, de wolf was niet langer Odins bode,
-maar een roofdier, waarop jacht moest worden gemaakt. Het roodborstje
-bleef niet aan Donar gewijd, niemand kweekte meer huislook op het dak,
-of vereerde nog de alruinen als huisgoden. Geen rund, de hoornen met
-veelkleurige linten omvlochten, werd geslacht den goden ter eere door
-priesters, wien de eikenkrans ruischte om de slapen; geen hamerslag
-wijdde meer de bruid of het lijk van den held, wiens geest door de
-schildmaagden werd gedragen naar het stralend Walhalla....
-
-De oude tijd was voorbij met de oude zeden, met het geloof der vaderen.
-
-Toen reisde ik, -- vermomd als Skald -- van land tot land, van stad tot
-stad, van de eene hoeve naar de andere en ik zong, bij de klanken mijner
-harp, het oude geloof, de vroegere gebruiken terug in de harten der
-menschen. Schouderophalend werd ik aangehoord aan de luidruchtige hoven,
-maar volgelingen vond ik in de stille bosschen, waar de vervlogen eeuwen
-hun runen schreven in de grijsbemoste stammen. Het volk sloeg geloof aan
-mijn woorden. Velen dreef ontevredenheid met bestaande toestanden aan
-mijn zijde, hun aantal nam toe met den dag, vooral in Noorwegen waar
-eens Harald Haarfager de macht der onderkoningen had geknot, wat vele
-Noren opnieuw den weg der zwanen had doen kiezen op het wiegelend
-drakenschip, tot zij IJsland en Groenland ontdekten om ook daar Odin een
-nieuw rijk te stichten.
-
-Ik behoefde de nakomelingen van die stoute zwervers slechts te
-herinneren aan hun fiere vaderen om hun het woord te ontlokken: „Wij
-volgen hun voorbeeld.”
-
-Want bruisend joeg de gedachte hun het bloed door de aderen, dat Olaf
-Trygväson, Haralds achterkleinzoon, thans tracht het christendom ook in
-Noorwegen in te voeren. Velen van zijn tegenstanders bevinden zich
-ongetwijfeld op de vloot?”
-
-Olaf knikte. „Zij vormen een groot deel der bemanning. Maar wat
-Noorwegens afvallige vorst betreft, het zal hem niet gelukken, zijn
-voornemen te volvoeren, naar ik geloof. Ook Haralds zoon, koning Hako,
-was een christen en in Engeland opgevoed. Maar zooras hij den troon
-beklom van het Noorden werd hij gedwongen in de heilige tempels te
-offeren. Had hij volhard bij zijn eerste weigering, dan was hij door
-zijn eigen volk omgebracht.”
-
-De blik van Rolfr Jarl gloeide:
-
-„Zou thans inderdaad de tijd daar zijn, de tijd die mijn stoute plannen
-vormt tot hooge werkelijkheid? De gansche aarde aan Odin gewijd, en
-onderworpen aan zijn helden. Waar nu het psalmgezang der christenen
-weerklinkt, zal daar worden aangeheven het strijdlied van Thor?”
-
-„Het is niet onmogelijk. Sven, de machtige Sven van Denemarken, is een
-hevig vijand der christenen. Gij weet, dat hij Ethelred van Engeland,
-laf als een christenvorst moet zijn door zijn godsdienst, van den troon
-heeft gestooten en nu in Engeland onbeperkt gebiedt. De rijksgrooten
-dienen liever den Noorschen held dan hun flauwhartigen koning. Sven
-heeft gezworen, dat Odins tempels weldra zullen rijzen aan de Theems.
-Volgen wij zijn voorbeeld in dit land. Weg met alle aarzeling. In bloed
-werd steeds Odins rijk gesticht. Voer gij ons, in leven en dood, naar
-Walhalla of naar Hel en steeds zal mijn speer flikkeren waar uw schild
-schittert.”
-
-De trekken van den Jarl verzachtten zich. „Heb dank! Gij brengt dit volk
-de ware vrijheid; hoog zullen eens allen u houden als hun held en hun
-heer.”
-
-In vervoering sprak Rolfr met de stafrijmen van zijn volk, waarvan niet
-de eindlettergreep doch de aanvangsletter van een of meer op elkander
-volgende woorden dezelfde was.
-
-Olaf hernam ernstig: „Hoe zou ik anders kunnen? Het geldt Odins eer,
-zijn eeredienst is de hoogste, omdat zij wortelt in kracht en moed, en
-tegenover u drijft mij de plicht der dankbaarheid. Gij hebt mij uit de
-macht van heerschzuchtige verwanten gered, door uw toedoen heb ik mijn
-erfdeel terug ontvangen. Gij hebt mij de oogen geopend voor de dwaalleer
-der christenen, toen ik als jongeling wankelde, bedwelmd door den
-wapenroem der ridders aan het hof van keizer Otto, waar men mij als
-gijzelaar hield. U dank ik meer dan het leven: mijn onsterfelijke eer.
-Onbevlekt bleef mijn schild, dat ik eens hoog zal kunnen houden in Odins
-hal: ik werd geen afvallige.”
-
-Rolfr Jarl scheen voldaan. Zooveel eerlijkheid las hij op dat hooge
-voorhoofd, in die heldere, dwepende oogen, die nog vol vertrouwen in het
-leven blikten, zoekend naar de vervulling hunner droomen.
-
-„Wanneer denkt gij, dat de vloot hier zal kunnen zijn?” hernam de Jarl.
-
-„Over een week gewis. Zij had de laatste dagen met tegenwind te kampen,
-die houdt haar af van de kust. Anders had ik u wellicht reeds heden te
-gast genood aan boord van mijn drakenschip.”
-
-„Over een week alzoo zal het luiden: strijd en zege!” Diep haalde hij
-adem, zijn borst zwol, zijn uitroep dreunde door de holle hal, het was
-als antwoordden de muren met een echo van ontzetting.
-
-De beide menschen wier levensbaan elkaar kruiste, duizenden tot ramp en
-rouw, wisselden nogmaals een langen blik. Onwillekeurig huiverde Olaf,
-de oogen van Rolfr Jarl gloeiden van een vuur, dat, als de bliksem,
-doodt wat het aanraakt. En beiden wisten, dat zij niet hetzelfde doel
-beoogden, al schenen zij te trachten naar hetzelfde wit.
-
-Olaf begreep, dat heerschzucht zich mengde in de plannen van zijn
-gastheer; deze, dat zijn jonge gast zou strijden, sterven, als dit
-moest, voor zijn droombeeld, dat hem een hindernis zou zijn, voor de
-verwezenlijking van plannen, die een wijd verschiet zagen van macht,
-eigen macht. Hernam Rolfr Jarl daarom haastig -- het zwijgen wordt
-pijnlijk als men luistert naar onuitgesproken gedachten: --
-
-„Zeshonderd helmen zijn bereid om zich te voegen bij uw strijders.
-Eigenhoorigen en vrijen zal ik wapenen op mijn bezittingen, velen der
-steeds onderling verdeelde Friezen, meer dan een ontevreden onderdaan
-van den jongen graaf Dirc van Kennemerland heeft mij door een geheimen
-bode bericht:
-
-„Mijn zwaard heeft geen roestvlek, mijn schild draagt geen smet. Beide
-zijn gereed, voor het oogenblik, dat het oorlogsvuur wenkt op de hoogte
-van den Ravenhorst: „Hierheen!”....
-
-Doch Olaf, ook het gerucht van uw komst bleef geen geheim voor mijn
-getrouwen en door mijn woorden weten zij, dat gij meer zijt dan een
-jonge Viking, begeerig naar roem en buit, gelijk zij reeds dikwerf
-zagen. Zij zien in u mijn erfgenaam en ik neem mijn gelofte niet terug,
-mits nà de zege.”
-
-Een hooge blos vlamde op Olafs voorhoofd. Tot nu toe had hij nooit meer
-gedacht aan die belofte van den Jarl.
-
-Het was op een Vikingertocht, den eersten, dien het hem vergund was mee
-te maken als volwassen man.
-
-Toen had hij het leven gered van den onbekenden Skald, die in ’t heetst
-van den slag allen moed zong in het hart, kracht in de vuist, door zijn
-vlammende strijdzangen.
-
-Maar de Skald greep, weer tot zich zelven komend, na den houw, die zijn
-helm had gekloofd, de hand van zijn jongen, vermetelen redder.
-
-„Wie zijt gij? Ik zal u loonen wat gij deedt.”
-
-„Behoud wat gij hebt. Mijn goed zwaard zal mij wel geven wat ik behoef.”
-
-Het trotsche antwoord van den jongeling behaagde den man, die steeds
-zooveel zelfzucht, zooveel hebzucht had gevonden, bij zijn omzwervingen
-te zee en te land. Hij deed onderzoek naar Olafs levenslot, door zijn
-tusschenkomst redde hij diens erfdeel -- het was slechts gering -- uit
-de macht van hebzuchtige verwanten.
-
-„Gij zult eenmaal mijn erfgenaam zijn,” sprak hij toen met een
-plotseling besluit. Want Olafs dankbaarheid was zoo ongeveinsd en Rolfr
-Jarl dacht aan anderen, die hij veel gewichtiger diensten had bewezen,
-en wier eenige erkentelijkheid had bestaan in het feit, dat zij hem
-vergaten.
-
-„Wie erkentelijk kan zijn is een goed mensch, wie dankbaarheid durft
-toonen is groot,” dacht de Jarl.
-
-Hij, die zoo woest kon haten, zoo hevig toornen, wanneer hij werd
-getroffen in zijn trots, besefte welk een offer die fiere, jonge lippen
-hem brachten, toen zij zich plooiden tot een dankwoord. Want hemzelf zou
-het hebben beleedigd, wanneer een ander had gezorgd voor zijn belangen.
-
-„Ik ben mijzelven genoeg.” Dat was de levensspreuk waarnaar hij zich
-richtte. Maar niet aan anderen gunde hij datzelfde recht. Het was de
-gewone fout der blinde heerschzucht. Ditmaal echter dreef ook de
-noodzaak hem. Olafs vloot, diens gewapenden behoefde hij, om zijn
-plannen te verwezenlijken, en waar de landzaten, een vreemde Vikinger
-vloot vijandig, gewapend zouden tegenstormen, zou haar krijgsmacht
-vertrouwen wekken, zoodra bekend werd, dat de aanvoerder zijn
-toekomstige erfgenaam was en de bruidegom zijner kleindochter. Hij
-besloot daarom hem nog heden -- volgens de voor jaren gemaakte
-overeenkomst -- plechtig aan Swanwitha te verloven.
-
- [3] Het tegenwoordige Amersfoort.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-Swanwitha werd dien ganschen dag alleen gelaten. Haar wangen brandden en
-een woeste angst gloeide in haar oogen. Zij had den geharnasten
-vreemdeling zien komen met zijn kleinen stoet van speerruiters en door
-Siva’s woorden geheel begrepen wat zij reeds ten deele wist.
-
-Hoelang was het reeds geleden, dàt zij het wist? Vijf jaren? Ja, dat zou
-het zijn. Toen was het -- naar haar voedster zei -- de dertiende maal,
-dat zij de St. Jans vuren zag vlammen op de heidehoogten om den
-Ravenhorst. Zij dacht, dat die glooiende heuvels op altaren geleken,
-waar de offers werden ontstoken Jehovah ter eere, gelijk eenmaal in
-Jerusalems heiligen tempel. Haar moeder had haar dit verhaald, haar
-moeder, die een christin was geweest, wier droeve oogen nu voor goed
-waren geloken in den stillen slaap des doods. En toen, weinige weken na
-haar scheiden van deze wereld, haar vader even roerloos werd
-thuisgebracht -- een ongeluk had hem getroffen op de jacht, de
-jachtspriet stak nog in zijn zijde, -- naar werd gefluisterd
-afgeschoten door een verraderlijke hand -- toen werd zij uit de verlaten
-hallen van het huis harer kindsheid gevoerd naar den Ravenhorst. Hier
-heerschte haar grootmoeder. Met gebogen hoofd, als in elkaar gedoken,
-stond het burchtgezin, wanneer zij ging door hal en hof in haar
-langslepend kleed, met haar statigen tred en bevelenden oogopslag. Op
-Swanwitha viel nauwelijks een vluchtige blik, bij de eerste ontmoeting.
-Maar aan Siva beval haar strenge stem:
-
-„Doe haar dat kruis af en als zij soms een boek heeft, zooals de
-christenen gebruiken bij hun afgoderijen, verbrand dat.”
-
-„Geef mij nu dat kruisje, hartje, de Groote Vrouw heeft het bevolen,”
-had Siva ’s avonds gezegd.
-
-Maar hartstochtelijk had zij gesmeekt: „Laat het me houden! Laat het me
-houden! Een paar dagen nog maar!”
-
-Zij drukte de handen op het kleine, gouden kruis en ’t was haar als
-hoorde zij opnieuw de zachte stem harer moeder: „Denk als ge het ziet,
-steeds aan het kruis van den Zaligmaker, mijn kind, en neem uw kruis op,
-gelijk Hij dit eenmaal het Zijne deed. Volg Hem!” En terwijl zij die
-woorden meende te verstaan, hernam Siva:
-
-„Laat mij nu eerst het kruis maar naar vrouw Sigrid brengen, misschien
-mag je het boek dan nog een paar dagen houden.”
-
-Zij wees op eenige perkamentbladen door een rood koord verbonden. Met
-regelmatig, fraai schrift waren de bladen beschreven, de purperen en
-gouden aanvangsletters geleken schitterende sterren en roode rozen.
-
-Witha schudde de perkamenten uit elkaar en behield er een, waarop een
-herder stond afgebeeld, die een klein lam in zijn armen droeg.
-
-„Neem de anderen dan maar mee, dit houd ik. Mijn moeder vond het zoo
-mooi en haar kruis geef ik nooit, nòoit!” Haar stem klonk dof en haar
-jong lichaam trilde van krampachtige schokken. Daar werd het donkere
-gordijn, dat den ingang bedekte, teruggeschoven. Haar grootmoeder stond
-voor haar met opgeheven hoofd en vasten mond, den gouden band op de
-zilveren haren. De zoom van haar kleed was doorweven met roode runen,
-ook op den gordel prijkten die geheimvolle teekens.
-
-Zonder een woord te zeggen greep zij het kruis, maar Swanwitha ontrukte
-het haar en slingerde haar arm weg.
-
-De lippen van de trotsche vrouw werden wit, haar gezicht vertrok zich.
-
-„Honger en kerkerlucht zullen je dwingen,” sprak zij ijzig.
-
-Swanwitha haalde diep adem en bewoog zich niet.
-
-„Hoor je dat, kind?” Twee dreigende oogen zagen haar strak aan.
-
-„Misschien wel, maar dan doet gij onrecht. Mijn moeder heeft mij op haar
-sterfbed dat kruis en het boek gegeven en wat ik gekregen heb, behoort
-mij toe. Neemt gij het mij af, dan begaat gij diefstal.”
-
-Haar stem beefde niet, maar Siva wrong de handen, achter de strenge
-gebiedster. Deze echter trad terug. In haar trotsche borst klonk het:
-
-„Dat kind heeft mij een les gegeven: Ik heb nog nooit iets genomen wat
-mij niet behoort en doe het ook nu niet, zelfs niet uit haat tegen de
-christenen.”
-
-Maar van dien dag koesterde zij meer weerzin tegen Swanwitha dan ooit:
-zij had reeds lang te voren de geboorte verwenscht van de kleindochter,
-waarmee haar hoog geslacht zou uitsterven.
-
-Toen kwam Rolfr Jarl terug van een zijner veelvuldige zwerftochten.
-Onderzoekend zag hij zijn onbekende kleindochter aan, een uitdrukking,
-die naar voldoening zweemde, gleed hierbij over zijn harde trekken.
-
-„Gij zult mij eenmaal mijn doel helpen bereiken,” prevelde hij voor zich
-heen. Hij scheen het gemis van een kleinzoon niet zoo sterk te gevoelen
-als zijn vrouw.
-
-De jaren gingen voorbij. Swanwitha spon in het vrouwenvertrek en leerde
-wandtapijten vervaardigen voor de naakte muren der hal, zij wist
-artsenij en kruiden te mengen en zong bij haar driehoekige harp. Maar
-het waren de heldenliederen der mannen van de „grimma hjerna”, die zij
-leerde tot eens de gedachte aan een zang harer kinderjaren in haar
-opwelde en zij aanhief:
-
- „Einen Kuning weiz ich,
- Heisset Herr Hludwig,
- Der gerne Gott dienet,
- Weil er ihms lohnet.
-
- O das warth al geendist,
- Koron wolda sin Gott iz.
- Ob her herbeidi
- So lang tholon mahti.
-
- Liess der heidine mann
- Obar sie lidan,
- Thiot Vrancono
- Mannon sin diono.
-
- Thoh erbarmed es Gott,
- Wiss er alla thia nod
- Hiess Herr Hludwigan
- Tharot sar ritan....[4]
-
-Verschrikt echter snelde Siva toe: „Kind, kind! wat doet gij! Als dat de
-Groote Vrouw hoorde!... Weet ge dan niet meer, dat dit het Lodewijkslied
-is, de zegezang van dien koning der West-Franken?” Haar stem daalde tot
-geheimzinnig gefluister. „Hij leefde voor meer dan een eeuw, die groote
-vorst, en de roem van zijn overwinning vervult nog de wereld, maar hij
-overwon de Noormannen. Zwijg daarom, als uw vrijheid u lief is.”
-
-Swanwitha zweeg inderdaad, want zij wist reeds toen, wiens levensdroom
-het was zijn onstuimig heldenvolk opnieuw te verheffen tot heerschend
-ras. Daar kwamen en gingen zooveel geheimzinnige boden op den
-Ravenhorst: West-Friezen, die zich evenmin wilden onderwerpen aan het
-gezag van den graaf van Kennemerland als buigen voor dat van den
-bisschop van Utrecht. Zij offerden onder den Donarseik en lieten een
-schoof haver op het veld staan voor Wodans schimmel. Zij gaven elkander,
-op den kortsten dag, everzwijnen -- aan Fro gewijd -- van koek en
-brandden lichtjes dien god ter eere.
-
-Den Kennemerlandschen graaf tartten zij uit, hen te vervolgen in hun
-moerassen en kreeken; de zendelingen van den Stichtschen kerkvorst
-hingen zij op. Dan waren er afgezanten en boden van de Friezen tusschen
-Flie en Lauwers, zij erkenden keizer noch heer en waren -- in hun
-onbedwingbaren drang naar vrijheid -- steeds bereid ieder bij te staan,
-die dit evenmin langer verkoos. Zelfs mannen die de „langue d’oui”
-spraken kwamen. Zij lagen steeds in veete met hun naburen, die zich
-uitten in de „langue d’oc”, mannen waren het met donkere oogen en
-hartstochtelijke gelaatstrekken. En die krijgers uit Normandië wisselden
-af met blonde Noren en breedgeschouderde Denen. Van hun lippen klonk
-een onbezorgde lach, maar grenzenlooze weemoed lag in den blik hunner
-oogen.
-
-Swanwitha zag allen komen en gaan. Haar moeder had haar lezen geleerd en
-hoewel Rolfr Jarl hierover eerst het hoofd schudde, verhief het haar, in
-den loop van den tijd, eenigszins tot zijn vertrouwde. Want soms werden
-ook hem perkamenten gebracht; dan werd zij geroepen om die voor te
-lezen. Bevolen had hij haar echter te zwijgen over hun inhoud en hij
-wist, dat hij staat kon maken op haar belofte.
-
-Zoo leerde zij zijn toekomstdroom begrijpen, wist zij, dat zij bestemd
-was de bruid te worden van hem, die Rolfr Jarl zijn invloed en macht zou
-leenen, om dien droom te helpen herscheppen in werkelijkheid.
-
-Waarom dacht zij aan dit alles op het gezicht van den onbekenden ridder
-en waarom gingen toen opnieuw haar gedachten naar Unruoch in zijn kerker
-en drong zich nogmaals de radelooze gewisheid als een wig in haar hart:
-
-„Ik kan niets, nièts.... en hij sterft.”
-
-Kon zij dan werkelijk niets, in het geheel niets?
-
-Weer viel de avond. Het was of de hemel en de aarde ineensmolten. Witte
-en grijze nevelen hingen boven de heide en blanke wolken dreven langs de
-zilverkleurige lucht. Alleen ver aan den gezichteinder bleef nog een
-roode streep zichtbaar en waar die den grond raakte straalde de omtrek
-van een glans, die blonk zelfs door de nevelen.
-
-Uit de hal vielen opnieuw de rosse lichtstralen. De burchtheer vereende
-zijn gasten -- Olaf was niet de eenige gebleven dien dag -- aan den
-maaltijd. Vrouw Sigrid zat in haar hoogen zetel aan zijn zijde, maar de
-jonge meisjes -- haar gewoon gevolg -- bleven, evenals Swanwitha, in het
-vrouwenverblijf.
-
-Zij zagen uit dit vertrek hoe de lijfdienaars door elkaar joelden op het
-voorplein, na het einde van het maal, dat ook hun een rijkelijk deel had
-verschaft van paardevleesch en schuimend gerstebier. Ook Swanwitha
-aanschouwde dit tooneel en een nieuw denkbeeld overmeesterde haar en
-deed haar hart gejaagd kloppen.
-
-Voorzichtig opende zij eindelijk de deur, niets bewoog zich in het
-nevenvertrek, geen vlugge schreden repten zich op de steenen trap, die
-zij nu onhoorbaar begon af te gaan. De scherpe geur van bier en
-gekruiden wijn drong, vermengd met de zoete reuk der mede, tot haar door
-uit de hal, drinkliederen en gelach bewezen, dat het feest nog werd
-voortgezet. Verlicht haalde zij adem. Wentelde zich bij die zekerheid
-een steen van haar hart? Niemand zou haar zoeken of dacht nu aan
-haar....
-
-Dieper daalde de kronkelende gang, het was hier volkomen duister, vocht
-sijpelde langs den wand. Met de handen voor zich uitgestrekt ging
-Swanwitha verder. Na eenige minuten, waarin zij nauwelijks waagde te
-ademen, zonken echter haar armen slap neer. Zij had op een deur
-gestooten, op een zware, met ijzer beslagen deur. Wat nu, wat nu?
-
-Zij luisterde een oogenblik, maar geen geluid verbrak de beklemmende
-stilte, alleen op den vastgestampten bodem tikte het dof met
-regelmatige tusschenpoozen. Het waren de vallende druppels. Nooit was
-zij hier nog geweest. Wel had Siva haar soms fluisterend verteld van de
-diepe, donkere kerkers, waar de vijanden van Rolfr Jarl heenkwijnden
-zonder lucht, zonder voedsel; dan was een huivering door haar leden
-gegaan, maar zij had ze nooit gezien. Hoe had zij dan al den jammer
-kunnen begrijpen welke die sombere diepte verborg? En boven die holen
-van ellende welfde zich de burchthal, waar scherts en lach weerklonken
-bij het overvloedig maal....
-
-Wanhopig tastte zij met haar handen langs den muur, zij kwam terug bij
-haar punt van uitgang. Een rond gewelf scheen het, waarin zij zich
-bevond. Langs de plompe deur gleden opnieuw haar vingers, zij raakten
-een ijzeren slot aan.... een sleutel....
-
-Uit al haar macht trekkend gelukte het haar eindelijk de deur te openen
-en toen, en toen....
-
-„Zij hebben hem al gedood, hij is weggenomen uit het leven, nu reeds,
-nu!”....
-
-Want zij zag het bleeke hoofd op het rottend stroo. Met roestige ketenen
-was Unruoch geklonken aan vloer en wand, geen kleur was meer op zijn
-gelaat en de oogen waren geloken.
-
-Een flauw, walmend licht liet haar dit onderscheiden, een pit drijvend
-in een platte schaal met olie. Hoe was die hier gekomen? Zij dacht er
-niet over na, maar knielde bij den half bewustelooze en ontsloot zijn
-boeien. Rinkelend vielen zij op den vloer, als ijzeren slangen lagen zij
-in het stof.
-
-„Unruoch! Unruoch! Word toch wakker! Zeg iets. Of hebben ze je van mij
-weggenomen, hebben ze dat durven doen! O, zeg iets, zèg iets! Een woord
-maar, een enkel woord!”....
-
-Neergezonken lag zij op den grond, een doffe zucht scheen om te waren
-door den hollen kerker. Of kaatsten zijn sombere wanden slechts haar
-klacht terug? Wekte dit echter den gevangene tot nieuw leven?
-
-Even bewoog hij zich. Hij scheen niet meer te weten waar hij was, noch
-te beseffen wie zich over hem heen boog.
-
-„Lucht, lucht! Ik stik!”....
-
-Nauw verstaanbaar gleed het over zijn lippen.
-
-Witha zag om zich heen. Door de geopende deur stroomde thans lucht
-genoeg, doch zij zag de ongekalkte muren zonder kijkgat of eenig
-venster. Dit was dus het einde van hen, die werden geworpen in dezen
-kerker: de dood door verstikking.
-
-Zij wrong de handen. Hoorngeschal, een schaterende zang drongen flauw
-tot haar door. Boven alles uit klonk de dreunende stem van Rolfr Jarl.
-In vollen gang scheen nog het feest....
-
-„Unruoch, o, Unruoch!”....
-
-Nu herademde hij, zijn bewustzijn keerde, een flauw rood kleurde zijn
-voorhoofd en een gevoel van nameloos geluk rees in zijn hart, toen hij
-zijn redster herkende.
-
-„Witha, gij! God is goed, Hij heeft je mij gezonden!”....
-
-Een oogenblik heerschte weer de stilte, nu een stilte,
-plechtig en heilig, want de kerkerwanden, die zoo menigen
-noodkreet, zoo menige verwensching hadden opgevangen, hadden thans
-weerkaatst den naam van Hem, die Eeuwig is, Die blijft, wanneer alles
-vergaat.”
-
-Het was Witha als moest zij op de knieën vallen gelijk Unruoch dit deed,
-om met hem te danken....
-
-Maar de tijd drong. Zij sprak het eerst: „Unruoch, ga nu mee, voor de
-bewaarder terugkeert.”
-
-„Die kwam alleen om te zien of het licht reeds was uitgedoofd, want dan
-rest ook den gevangene niet veel levenstijd meer.”
-
-Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen; in hun diepten las hij
-nog een ander gevoel dan alleen medelijden. Zijn hart klopte snel, niet
-om de gevaren zijner vlucht. Hij wilde spreken, maar zij toonde hem den
-weg, de donkere, kronkelende gang, de smalle trap....
-
-„Kom nu, kom! Ik wijs u den weg, hier linksom, anders komt ge in de hal
-en daar vieren zij -- feest.”
-
-Het klonk zoo droevig en zoo hartstochtelijk. Maar ongehinderd bereikten
-zij de verdieping, gelegen boven de burchtzaal. Nu opende Witha een lage
-deur en schoof een donker gordijn terug. Unruoch zag lange trossen vlas
-opgehangen aan de bruine balken. Hij onderscheidde weefgetouwen en meer
-dan een spinrokken in het zilveren maanlicht.
-
-„Waar brengt ge mij heen?” vroeg hij verwonderd.
-
-„In het vrouwenverblijf. Dit is de weefkamer, hier naast is mijn
-vertrek. Daar zijt ge vooreerst veilig.”
-
-Er kwam een uitdrukking van schrik in zijn blik, zijn wenkbrauwen
-trokken zich samen.
-
-„Dat is onmogelijk! Welke gevolgtrekkingen zou men maken als ik daar
-werd gevonden, in het vrouwenverblijf, in uw vertrek”?
-
-In haar oogen lichtte een zachte weemoed.
-
-„Ik zou de eerste niet zijn, die werd veroordeeld om den schijn. Moet
-men daarom vreezen het goede te doen? Gij kunt nu onmogelijk verder
-vluchten: de brug is opgehaald, de poort gesloten, vol hoorigen het lage
-hof. Wacht daarom eenige uren. Ik zal Siva roepen, zij zal wel een touw
-weten te vinden, waar mee ge u kunt laten afglijden van den muur, op een
-plaats waar de gracht ondiep is.”
-
-Het werd alles zoo bedaard en wel overlegd gezegd. Begreep zij geheel,
-welk offer zij bereid was hem te brengen? Want men zou hem zoeken,
-overal. Hij zag haar aan, hij vond haar even aantrekkelijk en mooi als
-vroeger, maar anders mooi. In de zorgelooze oogen was nu een ernstige
-blik gekomen, stille droefheid verving den zonnigen lach om haar mond.
-Het vroolijke, speelsche kind was veranderd in een fiere, vastberaden
-jonkvrouw, die onverschrokken den weg volgde haar door den plicht
-gewezen.
-
-Plicht alleen?
-
-Een groote liefde vervulde zijn hart voor haar, wier zoet geheim zich
-verried in haar zelfverloochenende toewijding.
-
-„Swanwitha,” zei hij eensklaps, haar hand in de zijne klemmend, „ik zeg
-niet, dat ik je dit ooit zal vergelden, dat zou onmogelijk zijn. Ik
-vraag nog meer, nog oneindig meer, dan je me nu toevertrouwt. Geef mij
-je geheele leven, heb mij lief altijd, altijd en ik zal God loven voor
-Zijn grootste geschenk.”
-
-Zij schudde het hoofd:
-
-„Het kan niet, Unruoch! Wat zou mijn grootvader zeggen, wat bisschop
-Ansfried?”
-
-Zijn blik rustte in den haren:
-
-„Denk je daaraan het eerst? Dan heb je mij niet lief.”
-
-„Niet lief!”.... Het beven harer lippen was haar eenig antwoord, haar
-gezichtje straalde, maar zij zweeg. Hij trok haar in zijn krachtige
-armen.
-
-„De bisschop moet weten, dat ge mijn bruid zijt. Stemt hij, als mijn
-voormalige voogd, toe in onze verloving, dan kan niets ons meer scheiden
-volgens de wetten van dit land.
-
-Zeg me, Witha, is dit onze verloving?”
-
-Zij boog haar hoofd aan zijn hart en voelde op haar lippen zijn kus.
-
-Zoo stonden zij zwijgend in overstelpend geluk.
-
-De purperen tinten waren aan den hemel reeds lang uitgewischt door den
-ijl-blauwen sluier van den nacht; de eerste sterren glinsterden.
-
-Wit en stil lag het ruime voorhof waar de laatste pekton verglom;
-donkere schaduwen wierpen de struiken op het zand. Maar te midden der
-plechtige stilte van den lenteavond trilden eensklaps kristalheldere,
-lang aangehouden tonen. Eerst zacht en teer, zwollen zij met ieder
-oogenblik in kracht, vulden zij meer en meer de ruimte. Zwijgend
-luisterden de beide jonge menschen, tot het hun was of al de liefde, al
-de toekomsthoop, die zij droegen in het hart, een liefde, diep en
-onmetelijk als de zee, een verwachting hoog als de hemel, die zich
-welfde boven hun hoofd, uiting vond in den jubelzang van den nachtegaal,
-of die kleine vogel hun verhaalde, wat zij elkander niet konden zeggen,
-omdat de taal er geen woorden voor bezat.
-
- [4]
-
- Eenen koning ken ik,
- Hij heet Heer Lodewijk
- Die gaarne God dient,
- Omdat Hij het hem loont.
-
- Toen dit alles geschied was,
- Beproeven wilde God hem,
- Of hij ook moeite
- Zoo lang kon verduren.
-
- Hij liet heidensche mannen
- Over de zee komen,
- Om de Franken
- Te herinneren aan hun zonden.
-
- Doch God had erbarmen,
- Hij wist al dien nood,
- Hij beval Heer Lodewijk
- Terstond derwaarts te rijden.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-Seringengeur begroette den nieuwen dag; het was of al de knoppen, die de
-heesters droegen op den Hohorst, tegelijk waren opengegaan. Dauwbepareld
-glinsterde het buigend gras en de zonnestralen tintten de golven van de
-Eem, die den „Hoogen horst” bespoelden met goudkleurigen glans.
-
-Recht en slank stonden de dennen, in groepen vereenigd, op de witte
-heidehoogten. De ochtendwind ruischte zijn zang door hun takken, doch
-kon het geluid niet dempen, dat klonk van den Hohorst en voortgolfde
-over de heide tot het werd weerkaatst door de muren van den Ravenhorst.
-Of Rolfr Jarl niet wrevelig de zware wenkbrauwen zou fronsen wanneer hij
-die bijlslagen opving? Tergend moesten zij hem immers in de ooren
-klinken van dien heuvel, ver in ’t rond zichtbaar, bespoeld door de Eem
-ter eener zij, en aan den tegenovergestelden kant begrensd door het
-moeras. Een natuurlijke sterkte, door weinig manschappen te verdedigen,
-die slechts te dwingen zouden zijn door -- hongersnood.
-
-Bij die gedachte speelde om Rolfr Jarls mond een glimlach, zooals
-niemand zou wenschen voor de tweede maal te zien. Het scheen bijna of
-het hem nu verheugde, dat het woonhuis naast de kleine kerk weer werd
-vergroot door een nieuwen vleugel, met een gevel van rechtopstaande
-planken en door een stevig staketsel omringd. Bisschop Ansfried van
-Utrecht had immers gezegd, dat hij den Hohorst had uitgekozen tot zijn
-rustoord, bij de vele zorgen, die het leven van hem eischte. Hier zocht
-hij, van tijd tot tijd, eenige dagen verademing, ook thans bevond hij er
-zich en -- de Denenvloot naderde de kust. Rolfr dacht na, steeds met
-denzelfden wreeden glimlach om de lippen tot het blaffen der honden, die
-den ontsnapten beer najoegen op het lage hof, hem zijn jachtspriet
-grijpen deed. Ook dezen gevangene zou hij weten te dwingen tot zijn wil.
---
-
-En op den Hohorst repten zich intusschen de vlugge handen om bisschop
-Ansfrieds „zendingshuis”, als hij het noemde, op te trekken volgens zijn
-eigen aanwijzingen. Afgepaald waren de grondslagen voor schuur, werkhuis
-en spijker. Er moest plaats wezen om den oogst te bergen -- de vrucht
-van zwaren arbeid op den nauw ontgonnen grond, -- naast de
-levensmiddelen uit Utrecht aangevoerd, om ze te kunnen wegschenken „als
-de nood drong en het gebrek neep, Christi ter eere, om Godswil.” -- --
-
-IJverig arbeidden de werklieden voort. Hun zwart oppergewaad met wijde
-mouwen hadden zij hierbij afgelegd. Het wees hen aan als broeders,
-behoorend tot de orde van Benedictus van Nursia, den Patriarch der
-Westersche geestelijkheid, wien zelfs zijn grootste tegenstanders de eer
-geven, „dat hij was de weldoener der menschheid en het licht zijner
-duistere eeuw” -- de zesde sinds Christus’ geboorte.
-
-Toch vormen zij nog een bijzondere broederschap, die ijverige
-bouwlieden. Bijzondere voorrechten en vrijheden zijn hun geschonken --
-vandaar heeten zij „vrije metselaars” in den volksmond. Zij hebben
-teekenen, waaraan de leden der verschillende vereenigingen elkander
-kennen, en reizen van land tot land, van het eene volk naar het andere,
-overal waar zij worden geroepen, om kerken en gebouwen, vaak nog van zoo
-eenvoudigen vorm, om te scheppen in kunstwerken.
-
-Want de „bouwmeester” van dien tijd mocht eerst na jaren van ernstigen
-arbeid dien naam voeren, en toonde door de voortbrengselen zijner kunst,
-dat hij daartoe het recht had.
-
-De bouwlieden, die thans op den Hohorst arbeidden, bewezen door hun
-taal, dat zij uit York afkomstig waren, de stad van wetenschap en kunst
-bij uitnemendheid. Met den naam van Kuldeërs werden zij aangeduid. In
-navolging van de bouwmeesters der oudheid, die tijdens Constantijn den
-Groote christenpriesters werden, droegen zij dien naam. Hun levensregel
-was streng en hun kunst regeerde hen met een ijzeren roede. Toch
-arbeidden zij steeds vol kracht en lust. Zij wisten, dat zij mijlpalen
-plaatsten in het zand van den tijd, dat zooveel overstuift en onkenbaar
-maakt. En welke kunstenaar offert zelfs niet bereidwillig zijn leven
-voor het kunstwerk, dat ontstond door zijn scheppend genie, dat blijft,
-om te toonen wat arbeid en volharding vermogen, aan de geslachten, die
-nog niet waren toen het ontstond.
-
-De geur der bloeiende meidoorns steeg in wolken omhoog in den hof, een
-vlucht witte duiven zweefde verschrikt door de hamerslagen met
-kleppenden wiekslag weg door de diep blauwe lucht.
-
-Twee bejaarde wandelaars -- zij hadden de vorderingen van den bouw
-bezichtigd -- volgden die kleine vredeboden met hun blik. Een zeer
-verschillende uitdrukking gleed hierbij over beider gelaat.
-
-„Alles geniet van lentelucht en zonneweelde; wat is de aarde toch
-schoon, en groot Hij, die haar schiep. Groot en goed.”
-
-De oudste der beide wandelaars sprak het op een toon, die rust moest
-schenken wie hem hoorde en de jongste ving de woorden op en dezelfde
-bittere uitdrukking, die zijn lippen plooide bleef haar sombere lijnen
-trekken om zijn vastgesloten mond. Bijna verwijtend richtte zich zijn
-blik op den spreker. Recht en ongebogen was diens gansche houding, al
-kringelden hem zilveren haren langs de bleeke slapen, ofschoon de fijne
-voren in zijn hoog voorhoofd meer waren getrokken door den ploeg van het
-zieleleed, dan door de hand van den tijd. Het eenvoudige zwarte kleed
-der Benedictijners vormde ook zijn gewaad. Toch dacht, wie hem zag, zich
-onwillekeurig een mijter op dit waardig gedragen hoofd, wenschte hij
-voor deze hooge gestalte een geborduurde dalmatiek over een met
-gouddraad omzoomde alba van zuivere witte wol -- het gewaad van de
-bisschoppen der christelijke kerk. En wie zijn oogen op zich voelde
-rusten, oogen helder en vredig, vol van licht, opende de zijne wijder.
-Niet omdat het zulk een schoon gelaat was, dat hij aanschouwde, het
-waren de trekken van een bejaard man, maar in wiens blik een glans lag,
-die lichtte en straalde, die verhaalde van duur verworven zielevrede,
-maar van een edel zieleleven tevens. Het was of er licht van hem zelf
-uitging of hij reeds begreep wat men hem zeggen wilde, nog voor hij had
-verstaan. Op zijn edel gevormd voorhoofd stond te lezen dat steeds de
-liefde hem de meeste was geweest, dat hij nooit met woord of daad zou
-zaaien het onkruid van den haat, dat verbittering en tweedracht draagt
-als giftige vrucht. Van hem ging uit vrede en zegenende rust, die
-voorspelde wat eens de zaligheid wezen zou, waarvan zij de flauwe
-afschaduwing waren, hier op aarde.
-
-Een groote tegenstelling vormde hij met den man aan zijn zijde, in de
-ijzeren maliënrusting van den ridder, den man wellicht het vierde eener
-eeuw jonger dan hij, doch die het hoofd ter aarde boog en wiens magere,
-sombere trekken fluisterden van veel leed, waaraan geen berustende
-overgave zijn angel had ontnomen.
-
-Warm straalde de zon ook boven zijn hoofd, en liefelijk als harpgesuis
-klonk het ruischen der dennen; blauw zag de lucht, de lijster zong, --
-hij scheen er geen acht op te slaan. Starend bleef zijn blik, de rimpel
-tusschen zijn oogen groefde zich dieper.
-
-Kleine berkeboomen met zilverwitten stam wiegden hun blaadjes op den
-morgenwind. Hij trok eenigen af, liet ze dwarrelen, zag hoe zij
-eindelijk neerzonken om te sterven of te worden vertreden.
-
-„Zoo gaat het met alles, met allen!” -- Welk een bittere klank was in
-zijn stem. „Waarom zou men zich dan verheugen over lenteglans? Menschen,
-bladeren vliegt hoog, vliegt den hemel tegemoet en gij valt ter aarde en
-wordt vertreden, ongeacht, ongezien.”
-
-De andere schudde het hoofd.
-
-„Neen, Frethibold, neen, gij spreekt tegen uw weten, uw beter weten in.
-Wiens ziel ooit hemelvlucht heeft genomen en zijn God vond omhoog, kàn
-niet meer vallen of zinken, want God is zijn toevlucht en schild en
-beschermt hem voor beide.”
-
-„Dat zegt gij, gij! Maar u lachte ook het leven toe, altijd, altijd!
-Toen gij de wereldlijke macht moede werdt, vondt gij die der kerk voor u
-gereed. Bisschop van Utrecht, meester niet over de lichamen, zooals de
-woeste Jarl van den Ravenhorst over zijn hoorigen, doch over de zielen
-der menigte. Wat begeert gij nog meer?”
-
-Bisschop Ansfried zag hem ernstig aan:
-
-„Ik begeer te heerschen door liefde, Frethibold, en, dat wordt mij zwaar
-gemaakt, zeer zwaar, want onze tijd is ruw en hard als ijzer.”
-
-„En de menschen worden voortgezweept door het geweld, dat steeds gaat
-boven het recht. Dwarrelende bladeren zijn zij allen, allen!”
-
-„Frethibold!” De stem van den bisschop werd ernstig waarschuwend. „Moogt
-gij, een christen, zóo spreken?”
-
-„Kan ik anders, als ik het leven zie en de lotgevallen der menschen, van
-geslacht tot geslacht; als ik mijn eigen lot zie en dat van deze landen
-en gouwen? Voorheen waren zij bloeiend als mijn bestaan. Toen keizer
-Karel, dien zij nu den Groote noemen, stierf, waren zijn staten een
-rijpen, met weelderigen oogst prijkenden akker gelijk. Maar, de Denen
-kwamen, verdrongen elkander in deze rampzalige landen, schier van jaar
-tot jaar. Het verderf hield den sikkel, en de velden wit om te oogsten,
-gaven geen vrucht.
-
-O, waarom was de keizerlijke adelaar dus afgemat, dat hij de wieken
-moest samenplooien in de rust van den dood? De raven krasten reeds bij
-zijn lijk, de raven uit het Noorden, tuk op aas.
-
-En de vorsten, die na hem kwamen, die hoopten zich te redden van de
-Noorsche speren door het Noorsche schild, en daarom Deensche aanvoerders
-het erfdeel van landgenooten schonken.” Dreigend schudde hij zijn vuist.
-„Rolfr Jarls geslacht is een van hen, die macht en invloed verwierven op
-zulk een wijze. Dat wist de vader van mijn vader, eer hij werd gedood in
-den slag door een pijlschot in den nek. En ofschoon haast twee eeuwen
-voorbij zijn gegaan na hun eersten inval, de geest der mannen van de
-grimma hjerna is dezelfde gebleven, al deze tientallen van jaren door.
-
-Harald Jarl onderwierp Friesland en vestigde in het bloeiende Dorestad
-zijn verblijf. Wèl mocht den nijveren inwoners de schrik om ’t hart
-slaan:
-
-Raven zoeken aas.... De volkswelvaart was voorbij, de volksellende kwam.
-Het kwijnende Wijc kan het getuigen, dat ontstond uit de rijke stad.
-Voorbij bleef het met handel en verkeer, met landbouw en veeteelt. De
-horden der Denen overstroomden onze gouwen om wraak te nemen op
-voormalige aanvoerders, die thans christenkerken stichtten, om daarmee
-invloed en gezag te winnen in hun pas verworven bezittingen.
-
-En terwijl Gaungo Rolfr, de reus, dien geen paard dragen kon, Friesland
-vernederde tot zijn krimpend wingewest, en het arme Dorestad nogmaals in
-vlammen opging, was het wonder, dat toen ook Wiedelkam, dat herleefde
-onder mijn bestuur, voor de tweede maal werd gelijk gemaakt met den
-grond? De stad aan den Maasstroom, waar die zijn blonde golven vermengt
-met de grijze wateren der Germaansche zee.”
-
-Hij zweeg eenige oogenblikken. Kostte het hem moeite de rechte woorden
-te vinden? Toen vlogen zij eensklaps uit zijn keel, alsof een pijl van
-den kruisboog schoot:
-
-„Ik had trouw gestreden voor keizer en rijk tegen de Denen, tegen de
-Denen altijd. Want zij waren overal: in de Friesche gouwen glinsterden
-hun speren, op de Kennemer duinen vlamden hun wachtvuren, Masaland en
-Toxandria werden door hen uitgemoord, Niumage bezet, Utrecht verwoest.
-O, een storm van ontzetting en wanhoop voer door het land: waar geen
-speren kletterden tegen speren, wezen verwoeste hoeven, vertrapte velden
-en raven die den marsch van het leger volgden, den weg aan, dien de
-overwinnaars waren gegaan.
-
-Toen drong op eenmaal de kreet in mijn ooren:
-
-„Wiedelham gaat op in vlammen. Gedood, weggevoerd als slaven zijn de
-inwoners, uitgeplunderd, verwoest is de gansche stad!” Het was of ieder
-lid van mijn lichaam verstijfde. Wiedelham! Dat was mijn gebied. Daar,
-op den hechten burcht had ik achtergelaten, toen veilig, toèn nog
-veilig, mijn lieve vrouw, mijn zoon, mijn eenige....
-
-Ik worstelde met mijzelven, de ijzige koude, die als de adem des doods
-over mij heenstreek, week, ik voelde mijn hart weer kloppen, keeren mijn
-kracht. Toen greep ik mijn zwaard, sprong in den zadel, klemde mijn
-heirbijl in de vuist, mijn getrouwen en schildgenooten joegen mij na, in
-stormende vaart en wij bereikten Wiedelham.”
-
-Hij haalde diep adem en strekte de handen uit als wilde hij een visioen
-afweren, dat hem voorbijtrok, een visioen van bittere, brandende smart.
-Toen hernam hij dof:
-
-„Waartoe nog meer? ’t Is zoo gewoon, zoo alledaagsch wat ik heb te
-zeggen. Verwoesting en dood zijn overal in dit land, sinds twee eeuwen
-bijna, sedert twee eeuwen! Ook in Wiedelham vonden wij slechts
-verkoolde lijken en smeulende puinhoopen, maar ook”....
-
-Hij hield de hand voor de oogen, te sterk, te machtig werd de
-herinnering.
-
-„Frethibold houd op! Ik weet immers uw groot, gróot leed. Wees stil.
-Laat ook uw ziel dit zijn -- stil in God. Denk aan het woord van een,
-zwaar beproefd als gij:
-
-„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij
-geloofd.”
-
-„O, kon ik dat zeggen, kón ik dat! Als ik nog slechts de verkoolde
-overblijfsels had mogen vinden van mijne vrouw, van mijn kind. Maar
-niets, niets dan rookend puin, smeulende balken, wolken van smook,
-grauwe sintels. Ik zocht, zocht vele dagen lang, ach, een puinhoop was
-mijn huis, evenals voortaan mijn leven, een puinhoop van verwoest
-geluk....”
-
-„Frethibold, God weegt niemands last te zwaar. Buig u voor Zijn wil. Gij
-zondigt, als gij zoo spreekt. Het leven is geen geluk, het is plicht.
-Wee hem die in opstand komt tegen het lot, dat God hem geeft!”
-
-„Plicht! Een ander begrip voor staal en ijzer. Kan dat het gemis, de
-ontbering vergoeden? O, waarom, waarom liet God zooveel leed over mij
-komen? Waarom?”....
-
-„Gods wegen zijn niet onze wegen. Hoe menigeen werd door leed en
-beproeving dichter gebracht tot Hem.”
-
-„Ik vergat Hem niet te midden van mijn geluk.”
-
-„Maar hebt gij toen ooit gevraagd, waarmee gij zooveel zegen hadt
-verdiend, waarom gij zoo gelukkig waart? En nu in smart en
-zielsverdriet twijfelt gij aan Gods liefde en vraagt gij: „Waarom dit?”
-
-„Ach, vergeef mijn wanhoop! De zielsellende brandt in mijn binnenste als
-een schroeiende vlam!”
-
-„Vraag niet mij vergeving, maar aan God. Uw geluk naamt gij aan uit Zijn
-hand zonder vragen, aanvaard thans zonder morren uw kruis. „Gij zult het
-na dezen verstaan.” Denk aan dat heilige woord, Frethibold. Het zal u
-rust geven en berusting: „ná dezen.”
-
-Een flauwe glimlach verhelderde Frethibolds droevige trekken.
-
-„Na dezen! Wie weet hoe spoedig dat is!”
-
-Thans kwam een ernstige uitdrukking in den vriendelijken blik van
-bisschop Ansfried, toen hij waarschuwend sprak:
-
-„Frethibold, zwijg tot mij over deze dingen. Ik acht het godslastering.
-Gij weet, dat er geschreven staat: „Deze dag en die ure weet niemand.”
-
-„Maar, heer bisschop, door de gansche menschheid gaat thans het gerucht,
-dat de wereld zal vergaan, nog dit jaar, in den St. Jansnacht. En
-hoeveel geestelijken gelooven het ook en vermanen de leeken tot boete en
-bekeering?”
-
-„En met hoeveel bijgeloof is thans reeds bijna overal het Christendom
-vermengd. Wie houdt zich nog aan het Evangelie, zooals de Apostelen ons
-dat nalieten? Menschenwoord en menschenleer verdringen bij velen, bij de
-meesten, het woord van onzen Heer.”
-
-„Deze dag en die ure weet niemand,” herhaalde Frethibold zacht en een
-zucht ontsnapte hem. Was hem het leven zwaarder dan de gedachte aan den
-dood?
-
-Met bezorgdheid zag de bisschop hem aan.
-
-„Frethibold, gij mijmert te veel, het maakt uw gedachten ziek. Gij hebt
-het volle leven noodig, het leven van daden. Gij vergeet dat te veel.
-Tot gouwgraaf van het Bovensticht benoemde u voor weinig weken de keizer
-en waaraan denkt gij meer? Aan uw eigen zorgen of aan die van uw gewest?
-Zijt gij daarvoor uit het klooster te Prüm, waar gij in afzondering
-leefdet, hier terug gekeerd?”
-
-„Ach laat mij mijn rust, rust!”
-
-„Dat is voor u de dood. Houd de lampen brandende! Ook u wenkt een ruim
-arbeidsveld. Zie om u heen. Er is veel te doen in uw gouw. Leef voor
-anderen. Waarom stichtte ik hier een kerkgebouw, hier op den Hohorst,
-waar eens de offervuren vlamden voor Wodan en Donar? Waarom bouw ik er
-thans een ordehuis naast?” Hij wees met de hand naar het dennenbosch,
-dat glansde smaragdgroen in den zonnegloed. -- „Ziet gij tusschen de
-boomstammen die hooge tinnen schemeren? Daar ligt de Ravenhorst. Hij
-beheerscht deze gansche landstreek en de geest, die van hem uitgaat,
-strekt tot ieders verderf.”
-
-„Hoezoo?”
-
-„Zijn eigenaar is trouw aan de goden zijner Noorsche voorvaderen,
-gezworen heeft hij zelfs hun eeredienst opnieuw te maken tot de
-heerschende en, hebben mijn geheime boden mij wèl onderricht, dan is de
-tijd niet ver meer, waarop hij zijn doel hoopt te bereiken, door het
-zwaard der Denen.”
-
-„En, dat zegt gij zoo kalm!”
-
-„Wie kan beter maatregelen nemen tegen een dreigend gevaar, hij die zich
-opwindt of die het rustig onder de oogen ziet en intijds tracht in te
-grijpen?”
-
-Frethibold boog het hoofd, de bisschop vervolgde:
-
-„Deze geheele landstreek wordt geregeerd door overmacht en geweld. ’t
-Zijn meest hoorigen van den Ravenhorst, die hier wonen en de weinige
-vrijen zijn genoodzaakt het gezag te dulden van zijn eigenaar; meer dan
-eens vonden zij bij een inval der Denen een toevlucht op zijn burcht.
-Dáár waren zij veilig; waarom begrijpt gij. Doch de christenen werden
-gedwongen hun geloof te verzaken of dit tenminste niet meer openlijk te
-belijden. Zoo ontstond er in dit geheel gekerstende land een streek waar
-onverschilligheid heerscht of bijgeloof, naast den dienst der vroegere
-goden. En om dit wangeloof te bestrijden verzocht ik van keizer Otto den
-Hohorst met het omliggende land in leen. Het was teruggevallen aan het
-rijk door den dood van zijn laatsten eigenaar. Thans echter reken ik op
-uw steun. Gij moet mij helpen met uw zwaard en gezag waar ik trachtte
-het Evangelie te brengen aan deze door den geweldigen druk van Rolfr
-Jarl geheel verwilderde landbewoners.” Tot antwoord slaakte Frethibold
-een kreet, die door merg en been ging.
-
-„Rolfr Jarl! Hij was het, die Wiedelham deed opgaan in vlammen! Hij
-vermoordde mijn vrouw en mijn zoon, verkeerde mijn huis in een puinhoop,
-hij brak mijn leven! O, bind geen strijd aan met hem! Gij kent hem
-niet, zooals ik! Uw haar deed hij niet vergrijzen in leed, hij brak niet
-u het hart!”
-
-Neen, klaarblijkelijk kende de grijze kerkvorst den woesten Noorman
-niet. Alleen zijn gelaat was zeer bleek geworden, toen hij den naam
-uitsprak, dien menigeen deed vergezellen van een vervloeking.
-
-Stil vouwde hij de handen, in zijn borst klonk het:
-
-„Leid mij niet in verzoeking, Heer! Hij heeft reeds zooveel te dragen;
-laat mij zijn last niet vergrooten, door hem deelgenoot te maken van
-mijn leed!”
-
-Beiden stonden zwijgend vele oogenblikken en hun hart was als lood in
-hun borst, terwijl zij zagen hoe de zon glansde aan de blauwe lucht en
-hun bittere gedachten dwaalden in den nacht van hun weleer.
-
-Op geringen afstand van den rozelaar, die zijn geurige twijgen
-strengelde boven hun hoofd, werd intusschen de bouw van bisschop
-Ansfrieds „zendingshuis” met kracht voortgezet. Balken werden
-opgeheschen, hamerslagen klonken, planken werden gezaagd, Opeens
-verstomde het gedruisch. Wat was hiervan de oorzaak? Geen hamerslag op
-de tusschen twee palen onder een afdak hangende klok zonder klepel,
-kondigde immers nog het rustuur aan?
-
-Maar een bootje dreef over de klare golven van de Eem; twee vrouwelijke,
-dichtgesluierde gestalten stapten aan wal en beklommen den heuvel. Was
-hun komst de oorzaak der heerschende stilte? Het was zulk een ongewone
-gebeurtenis in dezen kring!
-
-„Zou het mij vergund zijn den bisschop zelf te spreken, slechts één
-oogenblik?” fluisterde de jongste tot den gezel, die naar voren trad,
-in schootsvel en camizool, de bijl nog in de gespierde vuist. Hij
-schudde het hoofd:
-
-„’t Zal niet gaan, denk ik! Wie zijt gij? Hoe moet ik u aandienen?”
-
-„Ik -- neen, dat kan niet.... Dan”.... Gejaagd trok zij een kleine
-perkamentrol te voorschijn, toen hernam zij -- de sluier kon niet geheel
-haar blos verbergen:
-
-„Geef den bisschop dit en dan.... Wij mogen hier toch zoolang wachten
-tot gij antwoord brengt?”
-
-Hij knikte zwijgend en ging.
-
-Weinige oogenblikken later voerde bisschop Ansfried beide vrouwen
-terzijde. Bevrijd van nieuwsgierige blikken sloeg zij die ’t eerst had
-gesproken nu haar sluier op en thans kwam in de oogen van den grijzen
-kerkvorst dezelfde uitdrukking van zieleleed, die hem had doen huiveren
-voorden blik van Frethibold.
-
-„God, geef mij kracht en help mij!” Zijn lippen beefden, maar hij
-ontving de kracht zijn gedachten te bewaren in zijn hart.
-
-„Wat zoekt de kleindochter van Rolfr Jarl hier?” vroeg hij kalm.
-
-In weinig woorden verhaalde Swanwitha van Unruochs gevangenneming,
-smeekte zij om zijn tusschenkomst: „De poort blijft gesloten, bewaakt
-wordt de hof, want zijn vlucht is ontdekt.... Ieder oogenblik kan hij
-worden gevonden.... O, help daarom; gij alleen kunt het!”
-
-Tranen stroomden haar uit de oogen, een snik brak haar woorden. Maar de
-bisschop schudde het hoofd:
-
-„De Ravenhorst heeft hooge wallen en een dubbele gracht. Rolfr Jarl laat
-geen gevangene vrij en vluchten is onmogelijk. „Wie daar boeien draagt
-wordt alleen verlost door den dood,” beweert ieder hier in den omtrek,
-eigenhoorige of vrije. Wat zal ik, een ongewapend, bejaard man dan
-vermogen?”
-
-„O, heer, heer!”....
-
-„Noem niet mij zoo, geef dien naam den Eenige, die hier kan helpen.”
-
-„Wie is dat? Wie h----?”
-
-„Dat is de Heer, die den menschen het leven schonk en hun lot houdt in
-Zijn hand. God alleen kan uitkomst geven in dezen nood.”
-
-Zij hoorde niet meer, zij vouwde de handen. Half verstikt door een
-nieuwen tranenvloed, fluisterden haar lippen:
-
-„O, goede God, geef redding! Gij alleen hebt er de macht toe! Ik voel,
-dat het zoo is!”
-
-Het was Swanwitha of zich iets ontspande in haar ziel, een groote rust
-kwam over haar, de radeloosheid week, het scheen haar een wonder en
-opnieuw was het een gebed, dat zij stamelde.
-
-Bisschop Ansfried zag het met aandoening, niet alleen om den zielsangst,
-die uit haar woorden klonk.
-
-„Mijn dochter,” sprak hij zacht, „thans in angst en ellende hebt gij God
-gezocht, vergeet Hem niet als Hij uw smart verkeert in vreugde.”
-
-„Neen, o, neen! Nooit meer! Dat beloof ik!” Toen hernam zij snel en
-aarzelend:
-
-„Het gaf mij zulk een rust. Ik voelde, dat de God van mijn moeder mij
-hoorde en mij heel nabij was, al schijnt” -- zij wees omhoog -- „Zijn
-hemel ook ver.”
-
-„Houd Hem vast, mijn kind” -- hoe beefde zijn stem bij dat woord! -- „en
-alle onrust zal van u wijken en ook in leed en nood zult gij zielevrede
-kennen, want „daar blijft een rust over voor het volk van God.”
-
-Gewillig legde zij haar hand in die van den grijzen dienaar van het
-Evangelie, wiens trekken opnieuw werden geteekend door een ontroering
-voor woorden te groot, toen hij die trillende vingers in de zijne hield.
-
-„Ga nu, Gisela,” hernam hij haastiger dan zijn gewoonte was.
-
-„Gisela! Zoo heette mijn moeder. Ik”....
-
-Hij streek zich met de hand over de oogen als ontwakend uit een droom,
-die hem terugvoerde in het verleden, het verre weleer. Met moeite
-herstelde hij zich:
-
-„Gij moest nu gaan, mijn”.... Weer zweeg hij een oogenblik. „Ik volg u,
-zoo spoedig het mij mogelijk is. Beproeven wil ik wat ik kan doen, met
-Gods hulp.”
-
-Toen zij den heuvel afgingen en de kleine boot bestegen, die hen naar
-den overkant bracht, vroeg Witha haar gezellin:
-
-„Waarom zou de bisschop mij Gisela hebben genoemd?”
-
-Siva zweeg en zag haar aan met een raadselachtigen blik.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-„O, Siva! Siva!” Swanwitha drukte zich angstig tegen haar voedster aan,
-en deze, even verschrikt als zij zelf, trachtte haar te bemoedigen.
-
-„Stil maar kindje! Stil! ’t Zal wel gaan!”
-
-Want zij zagen zoowel den buiten- als den binnenhof van den Ravenhorst
-vol gewapenden. Rolfr Jarl bevond zich onder hen en doorpriemde de beide
-vrouwen met zijn toornigen blik.
-
-„Volg mij!” beval hij zijn kleindochter, en op Siva wijzend, tot twee
-hoorigen: „Haar twintig stokslagen.”
-
-„Ach, heer grootvader! heb medelijden!” smeekte Witha in snikken
-losbarstend. Twintig stokslagen! Dat was de dood voor de zwakke,
-bejaarde vrouw. „Volg mij!” beval nogmaals de Jarl en zich zelve
-vergetend fluisterde Siva weer:
-
-„Stil maar kindje, ’t Zal”....
-
-In een snik smoorden ook haar woorden. Als voortgedreven door het
-dreigend wenkbrauwfronsen van den Jarl, volgde Witha hem met slependen
-tred.
-
-Plechtige orgeltonen waren tot haar doorgedrongen uit de kleine kerk op
-den Hohorst. Vredeademend, rust schenkend ruischten zij haar nog in de
-ooren. Thans werden die klanken verdrongen door woorden, vernederend en
-hard, het was of de wanden der holle hal die snerpende verwijten
-weerkaatsten met wreeden nadruk.
-
-En ijskoud voegde vrouw Sigrid toe aan den woordenvloed van den Jarl:
-„De vrouwen uit ons huis waren steeds de eer van ons geslacht, gij
-echter zijt zijn schande.”
-
-Verward, verschrikt sloeg Swanwitha de oogen neer. Voor zij een antwoord
-vond vervolgde de Jarl: „Gij verdient niet langer den naam te dragen der
-fiere schildmaagd, Swanwitha! Bezoedeld zijn uw blanke vleugelen voor
-altijd.”
-
-Een gevoel van wanhoop en bitterheid overstelpte haar.
-
-„O, houd op! Zeg dàt niet! Het was alleen”....
-
-„Om mij te honen, te tergen, niet waar? ’t Zal u daarom niet zeer
-aangenaam aandoen te vernemen, dat uw fraaie plannen zijn verijdeld. Wat
-meer zegt: Unruoch voor wien gij uw naam hebt bevlekt zal boeten met
-zijn dood, gij met uw leven.”
-
-Zij wrong de handen:
-
-„O, genade, genade voor -- hem!”
-
-Donker en dreigend werd de stekende blik van vrouw Sigrid; zij gaf haar
-man een wenk. Deze knikte toestemmend. „Waanzinnig kind, volg mij,”
-beval zij. Zwijgend gehoorzaamde Swanwitha. Alleen haar gejaagde
-ademhaling bewees de spanning, waarin zij verkeerde.
-
-Maar het witte kleed met wijde, loshangende mouwen, de gouden gordelband
-en de kroon van maagdenpalm, waarvan een fijne sluier afgolfde, die zij
-gereed zag liggen in het vertrek harer grootmoeder, deed die ademhaling
-bijna geheel ophouden. Zij wist, wie zulk een gewaad droeg, wist wat het
-beteekende toen, op een kort bevel der strenge gebiedster, een lijfmaagd
-haar dit kleed over de schouders wierp.
-
-„Grootmoeder.... Wat!”....
-
-Vrouw Sigrid hief de hand op, bevelend. „Gij hebt het recht mij met dien
-naam te noemen verbeurd. Wacht af of ik u ooit die eer weer waardig
-keur.”
-
-Hooghartig, ijskoud klonk het. Zeer stil werd het in het vertrek, maar
-buiten dreunden hamerslagen; flauw drong de nagalm door de zware muren.
-Er werd een nieuwe galg opgericht, in den zonneschijn van den lachenden,
-klaren dag en daarop zou door een enkelen ruk van het roode beulenkoord
-worden afgesneden een jong, krachtvol leven. Witha’s gelaat werd even
-wit als de sluier, die haar omgolfde. Onderzoekend zagen de koele oogen
-van vrouw Sigrid haar aan.
-
-„Dat” -- zij wees naar buiten -- „kondigt het einde aan van den
-deelgenoot uwer schuld. Zoudt gij hem echter redden als het in uw macht
-stond?”
-
-Swanwitha’s blikken spraken, haar bevende lippen zwegen, zij kònden de
-beslissing niet uiten over leven en dood.
-
-„Hij zal vrij heengaan, als gij er in toestemt nog heden de bruid te
-worden van Olaf Erikson,” hernam vrouw Sigrid even stroef.
-
-Swanwitha opende de oogen wijd.
-
-„Dat kan ik niet, nooit!”
-
-„Het moet!” Scherp als een ijsvlaag sneed de koude stem. Witha richtte
-zich op, hoog; krampachtig trokken haar handen.
-
-„Vraag dat niet! Dàt kan niet!”.... Zielsangst brak haar woorden, bijna
-onverstaanbaar stierven de laatste klanken weg. En weer rustte de koude,
-stekende blik op haar, die haar denkkracht verwarde, haar wil verlamde.
-„Gij hebt geen wil, onmondig kind. Rolfr Jarl heeft bevolen en gij
-gehoorzaamt.”
-
-„Liever sterf ik!”
-
-Vrouw Sigrid zweeg eenige oogenblikken, toen hernam zij, en haar toon
-duldde geen verzet, -- zij wist, dat zij nu haar laatste middel
-aangreep:
-
-„Eer Unruoch zijn vonnis ontvangt aan den Noorderboom, zal hij worden
-gegeeseld met taaie roeden. Volgens den uitdrukkelijken last van Rolfr
-Jarl, zoo zwaar beleedigd door hem, zoo diep gekrenkt door u, zal het
-voor hem gelden „huid en haar.”
-
-Een kreet van ontzetting wrong zich door Swanwitha’s keel. Glasachtig
-werd de blik harer oogen. O, dat wreede, wreede vonnis....
-
-Erger was het dan de dood! Zij kromp ineen als hoorde zij reeds de
-zwiepende slagen, als troffen zij haar zelve.... Zoo menigeen stierf
-onder die strafoefening, een der wreedste van haar wreeden tijd. Rood
-wolkte het voor haar oogen. Zag zij Unruochs bloed reeds vloeien, deed
-dit haar ineenzinken met een kreunende klacht?
-
-En terwijl zij neerlag als wezenloos, half verdoofd, siste het in haar
-ooren:
-
-„Liefhebben kunt gij hem, maar uw eigen wenschen opofferen om zijn leven
-te redden -- dát kunt gij niet. Uw liefde is zelfzucht. Een zwak,
-verachtelijk wezen zijt gij.”
-
-Swanwitha steunde van angst. Nu werd het doodsoordeel over haar
-uitgesproken, over wat in waarheid léven mocht heeten in haar bestaan.
-Want hoe zou Unruoch haar beoordeelen als hij haar de bruid wist van een
-ander? En het eenige middel om hem te redden was het -- haar vonnis. Zij
-aanvaardde het moedig en zelfvergeten. Er wàs geen andere uitweg. „Zeg
-hem nooit wat hem de vrijheid hergaf en ik ben bereid mij te voegen naar
-uw wil,” sprak zij nauw hoorbaar. Vrouw Sigrid knikte welvoldaan, een
-lijfmaagd werd door haar naar den Jarl gezonden, met een kort bericht.
-Het meisje haastte zich heen, maar een rilling liep door haar leden,
-toen zij haar jonge meesteres zag in het gewaad der bruid.
-
-Vrouw Sigrid was onverschrokken als geen van haar geslacht. Haar hand
-drilde de jachtspriet even vaardig als de meest geoefende jager. Zij
-kende vrees noch mededoogen, doch eens hadden beide haar getroffen. Het
-was op een jacht waar het gold „haar met haar.” Een door haar pijlschot
-getroffen ree wilde zij den genadestoot geven. De honden hingen reeds
-aan den hals van het gemartelde dier. En toen zag dit haar aan met een
-blik in de stervende oogen, die haar deed terugwijken, verschrikt,
-ontroerd.
-
-Thans zag zij dien blik ten tweeden male -- in de oogen harer
-kleindochter. Zij sprak geen enkel woord, doch ging haar voor naar de
-hal, maar afgewend bleef haar gelaat.
-
-En in de hal waren toebereidselen gemaakt voor een feest. Daar was met
-versche biezen de vloer bestrooid, -- onfeilbaar middel om de nadering
-af te weren van booze geesten -- daar waren de pilaren omvlochten met
-frisch eikenloof. Zilver snarenspel ruischte. Naast Harald, den grijzen
-Skald van Olaf Erikson, had een rij van jonge knapen in gefriesde
-lijfrokken en roode hozen, zich opgesteld. Begeleid door de zachte,
-zilveren tonen hunner driehoekige harpen, hieven zij bij de nadering van
-Swanwitha het eeuwenoude Noorsche bruidslied aan:
-
- „Hef thans den hamer
- Ter wijding der bruid
- En leg den Miölnir
- De maagd in den schoot,
- Men volbreng de gebruiken,
- Deze bruid zij de mijne”....
-
-Het klonk Witha in de ooren alsof melodieën aanzwollen uit de wijde
-verte, uit een droomenland. Het was alles zoo vreemd. Het kón immers
-geen werkelijkheid zijn, geen voelbare, tastbare werkelijkheid. Zij zag
-haar grootvader, recht en kloek, ondanks zijn jarental geheel
-gepantserd, van zijn glinsterenden helm tot zijn rinkelenden
-harnasschoen, in het midden der hal. Zijn dienstmannen omringden hem,
-maar naast hem stond de vreemde Viking, rank en fier met een vurigen
-blik in de groote oogen, die zich hechtten aan haar bleek gelaat. Hem
-zou zij toebehooren en op haar lippen zweefde nog het woord van trouw
-gegeven aan een ander!
-
-In een warreling van gedachten legde zij de weinige schreden af, die
-haar brachten voor Rolfr Jarl en het was haar of die korte oogenblikken
-den duur van jaren bezaten. Toen leerde zij, dat niet de tijd het leven
-vormt, maar zijn ervaringen.
-
-Maar de vaste stem van hem, die het recht bezat, te beslissen over haar
-leven en lot, sprak luide:
-
-„Swanwitha, mijn kleindochter en erfgename, ik stel u voor een mijner
-waardste schildgenooten in menigen harden strijd, Olaf Erikson.
-
-Houd hem hoog: hij zal weldra zijn uw heil en uw heer, op den dag
-wanneer zijn ontbloot zwaard u wordt voorgedragen en gij zult worden
-begroet als zijn vrouw op den drempel zijner hal. Tot die ure aanbreekt,
-verloof ik u thans aan hem als zijn wettige bruid.”
-
-Een smalle gouden ring werd haar, op een wenk van den Jarl, aan den
-vinger geschoven, door een hand, krachtig en gespierd, die thans echter
-beefde. Met een gevoel van afgrijzen zag zij op tot hem, die nu haar
-bruidegom heette -- de onbekende jonge Viking. Zijn maliënpantser
-glinsterde als zilver. Geheel zijn wezen ademde eenvoud en goedheid. Het
-was een schier bedroefde blik, dien zij van hem afwendde want hij zag
-haar aan glanzend van gouden geluk, hopend....
-
-Zij wilde spreken, zij kòn, zij mocht het niet: aan haar zwijgen hing
-immers Unruochs leven of dood? O, wat zou hem dit leven zijn, zonder
-haar? En toen herinnerde zij zich hoe haar moeder eens had gezegd:
-
-„De christenen leven niet alleen voor deze aarde. Hun leuze luidt:
-Excelsior! Worden ook zieleleed en smart hun niet bespaard, zij dragen
-geduldig wat God hun bereidt, wetend, dat Hij alleen weet wat zij
-behoeven en alle dingen doet medewerken ten goede.”
-
-Op deze wijze veranderde iedere smart in zegen, en háár boog het leed
-neer tot verpletterens toe. O, welk een groote kloof bestond er tusschen
-Unruochs geloof en denkbeelden en de hare! Misschien was het wel goed
-voor hem, ja, voor hèm, dat zij werden gescheiden. Hij zou een rijk
-arbeidsveld vinden en haar vergeten, en zij....
-
-Maar luid, met jubelenden koperklank schetterden horens en pauken, hoog
-en hooger zwollen zang en lied, terwijl zij rondging door de hal,
-getooid met de bruidskroon van maagdenpalm, aan haar vinger den gouden
-ring, het bewijs, dat zij was verkocht aan hem, die haar nu voortleidde
-aan zijn hand, gelijk hij dit zou doen door ’t leven.
-
-Haar heer.... Onder zijn zwaard zou zij doorgaan en dan zou hij meester
-wezen over haar leven of dood, hij zou haar opnieuw kunnen verkoopen....
-Met moeite bedwong zij een snik. De leer der christenen gebood liefde en
-trouw tusschen echtgenooten; bij de heidenen echter bestond de
-verhouding van meester en slavin!.... Bittere, vernederende gedachte --
-niet geheel bitterheid meer: Unruoch was gered, wat deed het er dan
-verder toe. Te midden van den nacht die haar omgaf, de nacht harer
-toekomst, werd het voor hem licht....
-
-En ook om haar heen was het licht, gelijk schijn en wezen menigmaal zijn
-vereenigd in het leven. Weer verhieven zich lied en snarenspel; over een
-schaar van luidruchtige dischgenooten wierpen de flikkerende toortsen
-hun wemelenden gloed. Swanwitha zag zich nu het middenpunt van ieders
-aandacht; op het verhoogde gedeelte der zaal, waar de zilveren schotels
-werden geplaatst voor den burchtheer, zat zij naast den onbekende, die
-zou zijn „haar heil en haar heer”....
-
-De kleine halfronde vensters waren geopend. Donker welfde zich de
-avondhemel over het land, slechts enkele sterren flikkerden met gouden
-tintelglans. Donker stonden de hooge dennen, hun takken bewogen zich
-niet, alleen aan hun voet, daar waar de Eem een stroomlandschap vormde,
-was het licht. Een witte, blinkende weg scheen het water, een weg, die
-rechtstreeks voerde naar den Hohorst, waar ook het licht heerschte, ’s
-levens licht van liefde en medegevoel voor anderer leed. O, waarom kwam
-bisschop Ansfried niet, zooals hij had beloofd; nog was Unruoch niet
-vrij gelaten....
-
-„Mijn bruid” -- een stem met een lichte trilling in haar toon bracht
-haar terug tot de werkelijkheid. „Hoezeer hoop ik, dat gij nooit met
-droefheid terug zult denken aan dezen dag. Rolfr Jarl had mij u
-toegezegd, maar ik wist niet, hoeveel mij werd geschonken, eer ik u
-zag. Het is mij als ken ik u sinds lang, heel lang. Ben ik u een
-vreemde?”
-
-Ernstig zag zij hem aan.
-
-„Verspil geen onnoodige woorden. Het was noodzaak: mijn grootvader heeft
-u noodig voor plannen die ik niet geheel begrijp, maar wel vrees. Ik
-gehoorzaamde zijn wil om”....
-
-Hij zag haar aan verwonderd en verschrikt, zacht hernam hij:
-
-„Ik hoop, dat gij eenmaal anders zult denken over dezen dag, later,
-weldra, als ’t kan. Gij hebt gelijk, ik eisch te veel, maar geduldig zal
-ik wachten tot gij mij vrijwillig geeft, wat gij mij nu niet kunt
-schenken.”
-
-Zij kon niet antwoorden -- het gaf haar een gevoel van verlichting --
-want scherts en lach verstomden eensklaps. Met den hoogen, zilveren
-drinkhoorn in de vuist was de gastheer opgerezen van zijn zetel.
-Dringend tot in de verste hoeken, door de wanden hol weerkaatst, klonk
-zijn stem:
-
-„Ik groet u, vrienden en schildgenooten, van ver en nabij! Welkom in
-mijn hal! Dappere gezellen van den bruidegom mijner kleindochter, weest
-heil! Dank, dat gij hem verzelt op zijn bruidsvaart, die moge worden
-besloten door een zegetocht, Thor ter eere, Odin tot onvergankelijk
-heil! Gij weet het allen: wij staan op een keerpunt. Laat alzoo niet
-onze woorden groot zijn, doch onze daden. Vermolmd liggen de heilige
-tempels, vergruisd zijn de beelden der goden, de gewijde bronnen
-verdroogd. Laat het niet wezen voor immer. Wijdt den Alvader uw leven,
-de macht van uw zwaard, sticht hem een nieuw rijk en heerlijk zal hij u
-eenmaal uw daden van kracht en moed vergelden in de eeuwige woonplaats
-van goden en helden. Hier pleng ik den hoogen hoorn; hoort mijn gelofte:
-Strijd zal het zijn, strijd en zege, Odin ter eere, zijn volk tot heil!
-Zege na strijd!”
-
-Oorverdoovende jubel gaf hem het antwoord. Het gelaat van den Jarl
-gloeide. Zou hij bereiken eer de avond van zijn leven daalde, waarvoor
-hij had gewerkt en gestreefd gedurende heel den tijd zijner mannelijke
-kracht?
-
- „De hooge held,
- Hij waagt en wint
- Of strijdt en sterft.
- Hoog in ’t harnas,
- Heft hij den heirbijl.
- De vijanden vlieden,
- De zege ziet hij:
- Hem wuiven Walküren
- In ’t weeldrig Walhalla
- Het welkom toe
- Aan Alvaders maal”....
-
-De grijze Skald was opgesprongen bij de woorden -- een oproep ten
-strijde gelijk -- van zijn heer. Nu stond hij rechtop in ’t midden der
-hal, zijn oogen gloeiden, zijn hand greep in de snaren. Vol en krachtig
-hief zijn stem den ouden krijgszang aan van zijn woest, onverschrokken
-volk. Sneller joegen de polsen, hooger kleurden zich de wangen,
-kletterend werden de zwaarden getrokken, vonken schenen zij te
-schieten, het was of kleine vlammen dreigend zweefden boven hun
-spitsen.
-
- „Juichend valt hij
- Voor zijn volk.
- De hooge held!....
- ’t Zij strijd of zege!”
-
-Donderend dreunde de fiere strijdkreet van het volk, dat lafhartigheid
-schuwde als de grootste schande, sneuvelen in den slag hield voor de
-hoogste eer.
-
-Bloed en rouw, verdeeldheid en jammer riep hij op, die wilde krijgszang.
-Doch wie dacht aan de ellende van den krijg: zij zagen de zege!...
-
-„Mijn bruid, ik sticht u een koninkrijk!” Bedwelmd door zijn hartstocht,
-haar woorden vergetend, bracht Olaf Swanwitha’s hand aan zijn lippen,
-zijn oogen zochten opnieuw de hare. Hij ontmoette een blik vol
-smeekenden angst.
-
-„Vergeet gij dan geheel, hoe de zegevierende schildmaagden waden door
-het bloed hunner slachtoffers? Dit volk heeft reeds zooveel geleden door
-het geweld van het uwe. Sinds meer dan anderhalve eeuw is dit land een
-woestenij. Thans beginnen de bewoners een weinig tot rust te komen. Er
-wordt weer geploegd en gezaaid, herstelde hoeven verrijzen naast de
-puinhopen der verbrande woningen, waarom wilt gij nieuwe rampen voegen
-bij de oude wonden, die nog bloeden en schrijnen?”
-
-Verwonderd zag hij haar aan. Hij was zelfzuchtig noch ongevoelig, maar
-hij was een zoon van zijn volk. Stoute, jonge aanvoerder, gold
-zwaardgekletter hem het meest, was een gevecht op leven en dood hem een
-opwekkend spel. Doch ditmaal mengde zich een hooger denkbeeld tusschen
-zijn plannen voor den komenden strijd. Het zweefde boven de gestrekte
-speren, boven de dreigend opgeheven strijdaxten; hij ging de zegepraal
-bevechten van een ideaal -- van het zijne. Want hij had hem lief, den
-godsdienst uit het Noorden; hij vereerde Odin in zijn diepe wijsheid,
-Thor, in zijn ongebreidelde kracht, Balder in zijn liefelijke zangen,
-zijn daden edel en goed.
-
-Voor hem waren de sagen en legenden, bijeenverzameld in de Edda,
-voelbare, tastbare realiteit. Zij waren hem dierbaar de oude goden van
-zijn volk, zijn ziel brandde in hem als hij hoorde en zag hoe ook de
-zonen van ’t Noorden zich bogen voor de dienaren van het Evangelie, die
-hun een nieuwen godsdienst predikten, het Christendom, dat eischte:
-„Vergeeft uw broeder zeventigmaal zeven maal.... Wie het zwaard trekt
-zal door het zwaard vergaan”....
-
-Met een gevoel als hem overweldigt wiens ziel jarenlang werd verteerd in
-vruchtelooze plannen en droomen, wanneer hij die vage wenschen
-plotseling de vormen der werkelijkheid ziet aannemen, was hij deelgenoot
-geworden der toekomstverwachtingen van Rolfr Jarl, hoewel soms de
-gedachte hem huiveren deed, dat opnieuw bloed zou vloeien, veel bloed.
-Een gedachte, die hij steeds even ras weer trachtte te verwerpen als
-onwaardig en flauwhartig. En thans, nu de verwezenlijking dezer plannen
-niet meer onmogelijk scheen, vroeg hem de eerste vrouw, die hij had
-aangezien met de oogen van een man, vroeg hem zijn jonge bruid: „Hebt
-gij ooit een stroom zien terugkeeren tot zijn oorsprong, ooit een
-frisschen dronk geput uit een verdroogde wel? Wat verwacht gij dan?
-Nooit werd op aarde wat is geweest. De harten zijn koud geworden voor
-Odins leer, dien het volk in dit land vereerde onder den naam van Wodan.
-Bijna allen zijn christenen. Zij hebben zoo zwaar geleden door de Denen,
-die hem aanhangen. Eerst verfoeide het de Evangeliepredikers, later,
-toen zij vrienden en verwanten zagen vallen door het zwaard van „Odins
-zonen”, werd ook hier het martelaarsbloed de regen, die den akker van
-het christendom vruchtbaar maakte.”
-
-Het verbaasde Swanwitha zelf, dat zij zoo sprak. Het waren woorden, die
-zij vroeger had gehoord, lang, lang geleden, vergeten sinds. Waarom
-drongen de herinneringen aan haar kindsheid, met al de kleine voorvallen
-uit dien tijd, zich in de laatste dagen opnieuw aan haar op, als met
-verdubbelde kracht? Waarom? Zij had toch geknield voor Freya’s beeld,
-naast haar grootmoeder, zoolang deze gezag over haar had. Waarom
-dan?....
-
-Doch zij voelde Olafs blik nog meer verschrikt dan verrast op haar
-gelaat rusten. Zijn stem klonk: „Het doet mij zeer leed, dat gij zoo
-denkt, onze wenschen en gevoelens komen weinig overeen. Ik hoop evenwel,
-dat gij spoedig de mijne zult deelen. Als gij mijn vrouw zijt is dat uw
-plicht, mijn recht het te verwachten. „De wil van den man is de wet der
-vrouw,” zoo eischt het de Edda.”
-
-Swanwitha huiverde, wanhoop sloop haar hart binnen. Haar blik rustte op
-de breede, gouden armringen, die haar polsen omsloten. Het verbaasde
-haar bijna, dat zij niet in boeien veranderden. Dwang naar lichaam en
-naar ziel. Zij zweeg, zij moest: het gold Unruochs leven.
-
-Een ruwe stem drong tot haar door, zij behoorde aan Sven Persen, een der
-trouwste deelgenooten van Rolfr Jarls zwerftochten en een zijner
-wreedste gezellen. Hij haatte iederen christen en had gehoord, wie in
-vrijheid zou worden gesteld. Nu trad hij naar het bruidspaar.
-
-„Reeds eer de oorlog ontvlamt is er kans, dat gij een anderen brand
-ziet, edele Jarl! Wie beslist hoe spoedig het dak van den Ravenhorst zal
-knappen en in vlammen opgaan boven uw hoofd? Men zegt, dat bisschop
-Ansfried de opmerkzaamheid niet ongevallig was, die zijn pleegzoon der
-edele Swanwitha schonk. En thans.... Wees heil, schoon bruidspaar!”
-
-Hoffelijk hief hij den beker op en zijn oogen glinsterden als de dolk --
-die het hart van een vijand zoekt. Hij kende den steeds gereeden argwaan
-van Rolfr Jarl, wist hoe dien te wekken. Ook ditmaal bleek zijn
-berekening juist.
-
-„Wees gerust, Sven!” lachte hij honend. „Wij hebben hier een goeden
-gijzelaar tegen die wraak. Als hij op den Ravenhorst een vuur ontsteekt,
-zullen wij hem het gebraad leveren, door het lichaam van zijn geliefden
-pleegzoon.”
-
-„Heil onzen dapperen Jarl! Ik drink dezen hoorn op de vervulling van
-zijn belofte!” barstte, onder schaterenden bijval Sven los.
-
-Vrouw Sigrid wendde haast onmerkbaar het hoofd naar zijn zijde.
-
-„Ga voort! Een enkel woord ter rechter tijd is meer waard dan een
-redevoering.”
-
-Hij bewoog veelbeteekenend de oogleden en weer klonk zijn harde lach:
-
-„’t Is beter den eersten slag toe te brengen dan hem af te wachten, mijn
-Jarl. Gij hebt Unruoch in uw macht, waarom stelt gij hem niet ten
-voorbeeld aan uw tegenstanders? Dat brengt er den schrik in.”
-
-„En de speerknechten en boogschutters van bisschop Ansfried voor den
-Ravenhorst. Hij houdt ze in goede tucht en de sterkten, die hij bouwt om
-het Sticht te beveiligen tegen de invallen der Denen, -- ha, ha! --
-vermeerderen met ieder jaar.”
-
-„Men beweert zelfs, dat ook op den Hohorst een wachttoren zal worden
-opgericht, stellig om den Ravenhorst te beheerschen. De Hohorst ligt
-hooger en is onbereikbaar door de drabbige Eem en het moeras aan den
-anderen kant.”
-
-Rolfr Jarl stiet een verwensching uit. Zijn oogen flikkerden dreigend.
-Angstig kwam Swanwitha naderbij.
-
-„Zeggen is gemakkelijker dan doen,” hitste hem nu de stem op van vrouw
-Sigrid.
-
-„Een lafaard brengt het soms verder dan een held. Terg daarom den
-bisschop niet. Hij is de heer van den ganschen omtrek hier. Gij niet.
-Bloedig zou hij zich wreken, vooral nu keizer Otto hem heeft beleend
-met de bezittingen van graaf Walger.”
-
-„Ik zal er hem gelegenheid voor geven!” schreeuwde de Jarl, rood van
-drift. Zijn vuist beukte de tafel, kannen en bekers vielen om.
-
-„Ik zal toonen, dat ik evenmin een lafaard ben, als vergelding vrees.
-Peer en Lars” -- tot twee speerknechten; zij hielden de wacht bij de
-deur -- „brengt den gevangene hier en zorgt, dat er op het lage hof een
-vuur wordt aangelegd.”
-
-„Grootvader, heer grootvader! Heb mededoogen, denk aan uw belofte! Wees
-rechtvaardig, als gij zelf rechtvaardigheid van Odin verwacht!”
-
-Met saamgeklemde handen en van angst vertrokken mond stond Swanwitha
-voor hem, ook Olaf zag hem aan verbaasd, niet begrijpend.
-
-„Ja, hem zal ik laten boeten voor de kuiperijen van dien graaf van
-Teisterbant!” Dreigend klonk opnieuw de stem van Rolfr Jarl, toen hij
-zich tot Olaf wendde.
-
-„De Hohorst was met de omliggende heide, moeras en het eiland, dat wordt
-gevormd door de Eem, opnieuw vervallen aan het rijk, door den dood van
-zijn bezitter, die zonder erfgenamen stierf.
-
-Beiden -- Ansfried de christen en ik, de Noorman, verzochten het land in
-leen van den keizer en heer Otto schonk het den bisschop. Thans sticht
-die er een kerk met een klooster, waaruit hij zijn leer wil laten
-verspreiden door zijn zendelingen, hier, in dezen verwilderden uithoek,
-gelijk hij mijn bezittingen durft noemen.
-
-Voorwaar hij heeft den eersten slag toegebracht, niet ik. Ik oefen
-slechts vergelding als ik mij wreek!”
-
-Een ijskoude glimlach speelde om zijn lippen. „Ik begin een grooten
-strijd, maar ik zal zegevieren,” spraken zij overmoedig.
-
-Zou hij dat waarlijk? Hij streed in eigen kracht, voor eigen,
-zelfzuchtige plannen.
-
-Maar nu werd een jonge man binnengevoerd, wien boeien de polsen
-omsloten, doch die het hoofd hield opgeheven. Kleurloos echter werd zijn
-gelaat toen hij Swanwitha zag, getooid met den krans van maagdenpalm,
-aan de zijde van een vreemde.
-
-Vrouw Sigrid bemerkte het, zij wenkte haar kleindochter.
-
-„Volg mij naar het vrouwenvertrek. Als de mannen recht spreken behooren
-de vrouwen zich te verwijderen.”
-
-„Recht?” Vol afschuw werd dit woord herhaald. Toen klonk het vast:
-
-„Ik blijf.” En met een zonderlingen nadruk: „Het is heden mijn
-verlovingsfeest.”
-
-Vrouw Sigrid kende dien toon, zij had hem nog eens gehoord, lang te
-voren. Zij drong niet verder aan. Met saamgeperste lippen in het strak
-gelaat liet zij haar oogen door de hal glijden. Rolfr Jarl wendde zich
-tot den gevangene, op wien hij neerzag onvermurwbaar, hard. Recht noch
-plicht zouden invloed op hem bezitten, om het vonnis, dat hij ging
-uitspreken, te verzachten.
-
-„Gij zult alles ontkennen waarvan gij wordt beschuldigd, dat verwacht
-ik niet anders,” ving hij aan.
-
-Unruoch had zich hersteld. Onverschrokken, zich zijn goed recht bewust,
-stond hij voor den geduchten Jarl.
-
-„Wie zonder oorzaak gevangen werd gehouden, kan ook zonder reden worden
-veroordeeld.”
-
-Bedaard klonk zijn antwoord, met over de borst gekruiste armen richtte
-hij den blik vast op zijn aanklager.
-
-„Gij hebt mij eerst naar ’t leven gestaan en toen gij dit moest boeten
-in den kerker, beproefd mijn kleindochter te onttrekken aan mijn gezag.
-Ontken, dat gij haar hebt willen overhalen met u te vluchten. Gij zijt
-gevonden in het vrouwenvertrek.”
-
-De leugen was hier zoo behendig gekleed in ’t gewaad der waarheid, dat
-Unruoch verward een oogenblik zweeg. Een rilling, die niets gemeen had
-met de siddering der vrees, ging door zijn gansche gestalte.
-
-„Ik heb gehandeld uit zelfverdediging, toen ik met u streed,” ving hij
-aan. „Aanvaller was ik niet.” Toen zweeg hij.
-
-Rolfr Jarl lachtte spottend. „Rein als versch gevallen sneeuw, ik heb
-het reeds voorspeld. Blank en argeloos, in ieder opzicht. Welnu, ik
-verheug mij met u, dat gij onschuldig wordt beticht. Onschuld is immers
-een harnas waarop alle pijlen afstuiten.”
-
-Met geweld bedwong Unruoch zich. Meedeelen wie hem zijn vlucht mogelijk
-had gemaakt, zou Swanwitha bloot stellen aan iedere verdenking. Hij
-zweeg. Uit de aanklacht van den Jarl begreep hij, dat deze hem wilde
-veroordeelen.
-
-„Waarom zal ik mij verzetten tegen een vonnis, dat reeds is geveld? Doe
-wat u goeddunkt,” sprak hij kalm. Hij zou haar, die hem haar trouw
-beloofde, om die te schenken aan een ander, geen wond toebrengen, dieper
-dan het vlijmendste zwaard kon slaan.
-
-Opmerkzaam had Olaf ieder zijner bewegingen gevolgd. Nu trad hij toe op
-den Jarl.
-
-„Ik houd hem niet zoo schuldig als hij schijnt. Zou het niet beter zijn
-deze ondervraging op te schorten? ’t Is heden feest.”
-
-Geërgerd zag Rolfr hem aan:
-
-„Gij hebt gelijk. Ik zal een betere ondervraging aanwenden.”
-
-Hij wendde zich tot de beide speerknechten, Unruochs wachters.
-
-„Brengt hem naar den beul, laat hem folteren.”
-
-Een driedubbele uitroep weerklonk.
-
-Met een blik, gloeiend van verontwaardiging strekte Unruoch de hand uit:
-
-„Meent gij mij tot een misdadiger te kunnen maken door mij als een
-misdadiger te behandelen? Wees voorzichtig: uw vonnis zal op u zelven
-terugvallen. Gij kunt mij martelen, dooden zelfs, maar een vonnis door
-haat geveld, onteert niet.”
-
-Bevend van toorn en verachting rustte zijn blik op Rolfr Jarl, iedere
-ader op zijn voorhoofd was gezwollen, vlammend rood en doodelijk bleek
-wisselden af op zijn trekken. Rolfr balde de vuist in stilte.
-
-„De foltering zal uw tong minder los maken,” beet hij hem toe.
-
-„Maar ik zal haar eerder afbijten dan een schuld bekennen, die ik niet
-beging. Gij hebt mij naar ’t leven gestaan, mij zonder een schijn van
-recht geworpen in uw kerker, gij moest hier staan op mijn plaats als
-beschuldigde en indien er dan een veroordeeling werd uitgesproken, zou
-het een rechtvaardig vonnis zijn.”
-
-Slechts een enkele kreet van woede uitte Rolfr, een kreet snijdend als
-een mes. Toen hief hij de hand op:
-
-„Naar de pijnbank met hem.”
-
-Maar Swanwitha’s gloeiende vingers omklemden zijn bevelend uitgestrekte
-hand.
-
-„Heb medelijden, wees rechtvaardig, laat hem vrij of ik beken zelf een
-schuld, die ik nooit beging.”
-
-Hij stiet haar van zich, hij schopte haar met den voet.
-
-„Uit mijn oogen of ’k laat u van den omloop van den toren werpen.”
-
-Overredend, ernstig klonk de stem van Olaf aan zijn andere zijde:
-
-„Gij kunt hem breken, buigen niet: hij bezit de kracht van het recht.
-Laat hem vrij.”
-
-Rolfr Jarl werd wit van drift.
-
-„In uw eigen belang geef ik u thans den raad: matig u! Nog zijt gij hier
-geen heer en meester. Als gij u tegen mijn wil verzet, wordt gij dit
-nooit.”
-
-Olaf haalde de schouders op met een gebaar van minachting, dat Rolfr
-bijna razend maakte.
-
-„Ik zal nooit op bevel goedkeuren wat slecht is en laag.”
-
-Vrouw Sigrid trad naar voren.
-
-„Wat beduidt al dat geredetwist? Alleen het feit, dat die knaap onze
-goden vervolgt, maakt hem reeds des doods schuldig. Behoort hij niet tot
-de ridders van den bisschop, was hij niet meer dan eens -- dat weet gij
-allen -- de aanvoerder der soudenieren, die werden uitgezonden om „de
-overblijfselen van het heidendom uit te roeien”, naar het woord luidt
-der christenpredikers, als zij soms, in een verborgen schuilhoek van het
-woud, nog enkele landbewoners, die den goden getrouw bleven, geknield
-vinden bij een gewijde, in de schaduw van den heiligen esch murmelende
-bron?”
-
-Het opzweepend woord viel in goeden grond:
-
-„Hij moge het eerste voorbeeld zijn, voor al de christenen, die hem
-zullen volgen in den dood! Weg met de aanbidders van den bleeken
-Gekruiste! Zij varen naar Hel!”
-
-In wilden roes herhaalde Olafs gevolg, met de Denen, die in dienst
-stonden van Rolfr Jarl, deze wilde wraakgelofte. Sterk gevoelden zij
-zich door hun aantal en de Vikingervloot naderde de kust.
-
-„Ter dood met de christenen! Weg met bisschop Ansfried!”
-
-Het wreede woord vond een holle echo in de muren der hal, de zwaarden
-kletterden tegen de schilden, de speren werden geschud. Plotseling
-verstomde het oorverdoovend geraas, dat Swanwitha ijskoud worden, vrouw
-Sigrid welgevallig glimlachen deed. De deur was niet achter Unruoch
-gesloten, thans ging zij geheel open, niemand der aanwezigen sloeg er
-te midden der wilde opwinding acht op, eer zij den man zagen, die zijn
-naam hoorde uitstooten in doodelijken haat, die in den kring trad zijner
-vijanden, kalm als de rots te midden der schuimende zee.
-
-Was het geen waan, geen zinsbegoocheling; stond hij daar inderdaad, van
-wiens wijsheid en macht over de harten wonderdadige verhalen de rondte
-deden, dien enkele tientallen vreesden maar honderden vereerden en
-liefhadden? Zilveren lokken golfden hem over de schouders in weligen
-overvloed, zijn oogen gleden door de hal en bleven toen rusten op den
-heer van den Ravenhorst, die de zijne afwendde bij dien ernstig
-waarschuwenden blik.
-
-„Het is goed, dat ik thans hier ben gekomen, niet later. Ik dank mijn
-God, die het juiste oogenblik voor mij koos.”
-
-Rustig en waardig klonk de stem van den kerkvorst der christenen, als
-een koraal, dat het bruisen overstemt der kokende branding. En ook hier
-verstomde het oorverdoovend rumoer, onwillekeurig luisterden allen
-zwijgend, toen hij voortging:
-
-„Heden morgen klopte ik aan de poort van uw kasteel, Rolfr Jarl, ik
-vroeg u te spreken.
-
-„De Jarl heeft thans geen tijd. Hij jaagt met zijn gasten,” werd mij
-geantwoord.
-
-Ik keerde terug toen de middaggloed den zilveren ochtendnevel had
-weggevaagd en verzocht om een onderhoud.
-
-„De Jarl heeft heden geen tijd, hij viert het verlovingsfeest zijner
-kleindochter,” luidde het wederwoord van den schildwacht. Ik wachtte
-tot de avondschaduw zweefde boven de toppen der dennen, toen drong
-opnieuw door het poortwinket mijn vraag:
-
-„Leid mij tot uw heer.”
-
-En als een donderslag klonk mij in de ooren:
-
-„Wacht tot morgen, dan ziet gij hem bengelen aan den Noorderboom, over
-wien de Jarl thans recht spreekt.”
-
-Toen dacht ik aan Simson en hoe op zijn gebed voormalige reuzenkracht
-hem werd hergeven. Ik bad als hij en het was of ook mij werd ingestort
-duizendvoudige kracht. Mijn hand greep het winket der kleine zijpoort,
-het slot week terug en toen het knarsend opensprong wist ik ook mijn
-gebed verhoord.
-
-Thans vraag ik echter u, Rolfr van den Ravenhorst, komt het u toe, een
-onschuldige te vonnissen op deze wijze?”
-
-„Redder uw eigen zaken, bisschop van Utrecht, en gun mij dezelfde
-vrijheid.”
-
-Schamper klonk het honend woord, waardig de weervraag:
-
-„Wien dacht gij ’t meest te treffen, Unruoch of mij? Ik weet, dat gij
-treffen kùnt.”
-
-„Ondervind dat opnieuw.”
-
-Rolfr hief zijn zwaard op tot een slag. Een blik vol verachting, afkeer
-en ontsteltenis deed zijn arm weer zinken. Bisschop Ansfried had hem
-niet met woorden gewaarschuwd, alleen met een blik, waarin
-verontwaardiging beelden en schimmen opriep, ontzettende gebeurtenissen
-hem terugvoerend naar het ver weleer.
-
-Naar den tijd toen zij beiden jong waren en bloedsbroederschap dronken
-aan het schitterend hof van keizer Otto den Groote....
-
-Het was een dure, onverbrekelijke eed, dien zij aflegden en Rolfr schond
-haar.
-
-Dreef die wetenschap hem het bloed naar de slapen of bestond daar nog
-een andere oorzaak?
-
-Herinnerde hij zich een donkeren, stormachtigen nacht en las hij in den
-blik van den grijzen kerkvoogd, dat hun gedachten elkaar ontmoetten, de
-eene vol zieleleed, de andere vervuld van ’s levens grootste misdrijf:
-de schuld?
-
-„Mené, Mené Tekel Ufarsin!” De stem van den bisschop ging door merg en
-been bij deze woorden en het was Rolfr of alle aanwezigen begrepen,
-allen, allen.... Of begrepen zij alleen het zwijgend gebaar, waarmee de
-spreker omhoog wees, omhóog en voelden zij de tegenstelling met het
-tooneel, dat hen omgaf. Rolfr Jarl, die zijn kleindochter huwde door
-dwang aan een onbekende, ter bereiking van eigen plannen, die haar,
-getooid met de bruidskroon, dwong tegenwoordig te zijn bij het
-doodvonnis, dat hij uitsprak over hem, dien zij lief had....
-
-Neen, nog een ander gevoel sprak uit de bleeke, ernstige trekken van den
-man, die voor hen stond, niet in het statig gewaad, dat het hoofd der
-christenkerk voegde in zijn land, maar in het eenvoudige, zwarte
-ordekleed, dat hem niet onderscheidde van den minste der broeders, die
-als hij, in dienende liefde hun liefde wilden toonen voor den Heer.
-Niet den kromstaf hield hij opgeheven als wilde hij hen, die iederen
-hoogeren band verachtten, dwingen onder zijn gezag, maar zijn hand wees
-omhoog, en zijn mond sprak de woorden, die zij eenmaal zouden hooren van
-hun Eeuwigen rechter, indien zij niet de boeien braken, die hen
-kluisterden aan wat vergankelijk was als hun vluchtig aardsch bestaan.
-
-Zoo machtig was de uitdrukking van bisschop Ansfrieds door veel leed,
-door veel gebed gewijde trekken, dat zelfs het minste gerucht zweeg.
-Doodelijke stilte bleef heerschen in de hal, waar slechts enkele
-oogenblikken vroeger de wanden dreunden van de instemming waarmee het
-vonnis, over Unruoch uitgesproken, was herhaald.
-
-Ook Rolfr Jarl stond met starende oogen, die in het verleden zagen,
-wanneer zij rustten op den grijzen kerkvoogd, wiens tegenwoordigheid het
-vernietigend oordeel was over zijn daden. Hij beproefde te spreken, hij
-wilde zijn trots hernemen, en zijn bevelende houding; geen geluid drong
-over zijn droge lippen: Want hij hoorde het loeien van den storm in den
-donkeren nacht, lang, heel lang geleden. Hij hoorde het knetteren der
-vlammen, die lekten naar de krakende balken van een hechten burcht, hij
-vernam den gil vol doodsangst eener vrouw....
-
-En te midden der stemmen uit het weleer, hoorde hij die van den bisschop
-kalm doch beslist:
-
-„Unruoch, volg mij. Niemand hier heeft het recht u te kerkeren of te
-vonnissen.”
-
-Een gebiedende wenk beval den speerknechten hem vrij te laten en zij
-gehoorzaamden, bedwongen door zijn zedelijk overwicht. Een rauwe kreet
-sneed door de ruimte als een mes.
-
-„Vrij? Ik gelast u: grijpt beiden! Werpt ze in het verlies onder den
-toren, den graaf van Teisterbant en zijn gunsteling!”
-
-Wel dwaalde nog Rolfr’s geest in het verleden, terwijl hij voor het
-heden zijn bevelen gaf. Een slag van zijn zwaard, dat hij nooit
-ontgespte dreef de speerknechten voort.
-
-„Grijpt ze!”
-
-Een flauwe gil ontsnapte Swanwitha’s lippen, met oogen donker van angst
-zag zij hoe het bevel werd gehoorzaamd.
-
-„Doode honden bijten niet,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wist hoe
-verstikkend de lucht was in het onder de waterlijn gegraven verlies. Een
-nieuwe opschudding ontstond, een kloeke gestalte wierp zich voor de
-beide gevangenen, als wilde hij ze beschermen met eigen lijf. Met
-bronzen klank dreunde de stem van Olaf:
-
-„Ik eisch de vrijheid dezer beide mannen. Gebiedt niet Odin zelf:
-„Eerbiedig den vreemdeling, die uw hal betreedt”? Is wat gij thans
-oefent Noormannenrecht?”
-
-„Olaf Erikson, gij oordeelt, waar gij niet begrijpt.”
-
-„Ik begrijp, dat Odin zich zal wreken op u, die de wetten der vaderen,
-het recht van den vreemdeling met dat der gastvrijheid schendt.”
-
-Rolfr wilde een heftig antwoord geven, hij bedacht zich in tijds. Hij
-kòn zich niet verzetten tegen Olaf, want zonder zijn bijstand vermocht
-hij niets. Indien de vloot den steven wendde, waren al de kuiperijen van
-zijn leven te niet gedaan. Het antwoord werd hem echter bespaard.
-
-Plotseling verscheen opnieuw een onbekende in de hal. Wijd stiet hij de
-breede deur open, zijn hand wees naar den donkeren hemel, waaraan alleen
-de sterren een weinig licht gaven. „Wat spreekt gij van Odin, dat
-wangedrocht uwer krankzinnige verbeelding? De overste der duivelen is
-hij! Ziet hoe de Eeuwige u zal tuchtigen over uw verhardheid en
-wangeloof! Aanschouwt Zijn vurige roede, hoog boven wolken en wind!
-Knielt, buigt u voor Hem in het stof eer de ure der genade voorbij is!”
-
-Allen herkenden broeder Johannes, een der jongste geestelijken van den
-Hohorst. Zijn bleek, vermagerd gelaat gloeide van vervoering, zijn
-ingezonken oogen staarden dwepend omhoog. Onwillekeurig volgde ieder
-dien blik en de doodsverf der ontzetting gleed over het brons van menig
-ruw gelaat, en veler hart hield bijna op te kloppen. In de looden
-stilte, die thans rondsloop door de hal, ging de ademhaling zwaar der
-feestgenooten, streed spanning met ontroering om den voorrang in hun
-borst. Nameloos beangst voelden zich die licht ontvlambare, voor alles
-wat onbegrijpelijk was ontvankelijke gemoederen.
-
-„Heer, erbarm u onzer!” Broeder Johannes hief de armen op, als pleitend
-om genade, en doffe, sidderende stemmen herhaalden zijn woorden met
-radeloos, hijgend fluisteren. Het hoofd van menigen verharden krijger
-boog zich in ootmoedig gebed; eer zij het zelf wisten knielden
-boogschutter en speerknecht neer op de biezen, gestrooid tot afwering
-der booze geesten. En zij herinnerden zich den tijd -- hoe ver af scheen
-hij nu -- toen zij christenen waren, eer zij zich opnieuw wendden tot de
-oude goden, op bevel van hun heer. Zou thans het oordeel over hen komen
-van den God, Dien zij hadden verloochend en veracht? Strak werd hun blik
-in het staren omhoog -- omhóog -- waar boven de donkere wolken fonkelde
-het ontzettend teeken van den toorn der godheid, dat christen noch
-heiden ooit aanschouwde zonder beklemmende vrees, zonder een angst, die
-bij velen schier steeg tot waanzin. Zij zagen de dreigende ster met de
-roede van vlammend licht, brandend, gloeiend als Gods heilige toorn. Het
-was of allen zich de keel voelden toenijpen. Vage geruchten hadden reeds
-lang de rondte gedaan, waren gegaan van mond tot mond, hier sidderend
-aangehoord, dáar begroet met een ongeloovig schouderophalen. Geruchten
-van verdelging en dood, van den ondergang der wereld, van het oordeel,
-dat zou komen over het wilde, ruwe, elkander hatende, in elkanders bloed
-plassende menschengeslacht.
-
-Welk oordeel mocht dit met recht verwachten? Ging macht niet bijna bij
-ieder boven recht? De aarde had éen groot slagveld geleken, zoover het
-geheugen der levenden, de overleveringen uit vroegere eeuwen reikten,
-zoover de schaarsche perkamentrollen of nog zeldzamer kronieken meldden,
-geschreven door enkele stille denkers, die het tumult waren ontvlucht
-der geweldige kampplaats, waarin de wereld scheen herschapen, voor de
-stilte hunner eenzame denkerscel. Vorsten uit hetzelfde huis, zonen van
-éen vader betwistten elkander de heerschappij; gedwongen of vrijwillig
-streden de volken voor hun ware of vermeende rechten, geheele
-landstreken vervullend met strijdgerucht en wapengekletter. Schonk een
-weinig duurzame vrede verademing voor een korten tijd, dan traden
-onderlinge veeten en geschillen in de plaats der groote veldslagen, dan
-kwamen de Noormannen. Hun handen, hun stoutmoedige, dappere handen
-dropen van het vergoten bloed, „goud en buit”, luidde hun eisch, waaraan
-klem gaven de dreigend opgeheven zwaarden, de heirbijlen roodgekleurd --
-door roestvlekken nooit.
-
-Jammer en ellende, geweld en haat vervulden de wereld, zoolang reeds,
-zoolang.... En thans zou zij worden verdelgd, zou de aarde weerkeeren
-tot het niet, waaruit zij eenmaal werd geschapen. En de menschen -- hun
-wachtte het oordeel over hun daden. Het oordeel!....
-
-De nacht was donker, alleen de dreigende komeet fonkelde als het
-vlammend lemmet des Heeren aan het hooge koepelgewelf der lucht, en
-iedere andere ster verbleekte voor haar gloed.
-
-Hol stak de nachtwind op, schril floot hij om den toren -- het klonk als
-een noodkreet. Bij elke huilende vlaag ging een nieuwe schok door de
-leden der aanwezigen; een vreemde ontroering overmeesterde zelfs Rolfr
-Jarl.
-
-Hij had nooit gehecht aan de bange toekomstvoorspellingen:
-
-Het waren immers slechts christenpriesters uit verre, zuidelijke landen,
-die boete en berouw predikten in de open lucht, die de straten vulden
-met weegeroep en klaagzangen. Verachtelijk had hij meer dan eens
-uitgeroepen: „Laat de christenen mijnentwege vergaan! Als Midzomer daar
-is, zullen mijn dienstmannen, hun ros bij den teugel, den drinkhoorn
-zwaaiend, springen over vuur en vlam. En de Skalden zullen in gloeienden
-wedstrijd zangen aanheffen en liederen dichten ter eere van het
-zonnevuurfeest van goden en helden”....
-
-En thans vreesde hij, niet voor den dood, maar voor een plotseling
-einde.
-
-„Ik wil vallen als een held in het heetst van den slag, mijn goed zwaard
-in de vuist. Dan voeren Walküren mij in Alvaders zaal; doch sterf ik den
-stroodood zoo zink ik in Hel!”
-
-Hij schudde zijn zwaard.
-
-„Olaf, ga zelf, als snelle bode, de vloot tegemoet. Wijs haar den weg!
-Het is tijd! Als wij moeten omkomen, laat het dan zijn naar heldenaard
-en -wijs.”
-
-Vergetend wie hem hooren kon had hij gesproken. Plotseling verstomde
-hij.
-
-Door het huilen van den wind drong een plechtige treurzang. Ontstoken
-kaarsen wierpen een flauw schemerlicht. Op vertrokken aangezichten en
-krampachtig gevouwen handen viel die ongewisse schijn. Hij gleed over
-een lange rij van doodsbleeke menschen, mannen en vrouwen. Hun naakte
-voeten sleepten zich met moeite voort; vele vrouwen hadden asch
-gestrooid op haar ontwonden haren. Wankelend trok de stoet verder, de
-sombere boetpsalm stierf weg in de donkere verte, maar door merg en been
-drong nog eenmaal, door alle boetelingen eenstemmig aangeheven, de
-sidderende klacht:
-
-„Heer, erbarm u onzer! Neem weg uw gloeiend lemmet, getrokken tot
-kastijding der wereld! Doe weg het teeken van Uw naderend oordeel: het
-vurige zwaard. Heer, ontferm u! Zie onzen zielsangst en onzen nood!”
-
-De stormwind joeg het grauwe wolkendak uiteen en door de ontstane
-scheuren fonkelde opnieuw met onheilspellenden gloed het sterrenbeeld
-buitengewoon stralend en helder als nooit te voren -- de vlammende
-roede....
-
-De menschen, die het zagen met oogen glasachtig in hun staren, klemden
-zich met zenuwen gespannen tot het uiterste, versuft, rillend vast aan
-elkaar. Waarde reeds de dood om hen heen? Vreesden zij reeds nu het
-einde en -- het oordeel?
-
-Het was bijna de geheele bevolking uit den omtrek, vrijen en hoorigen,
-dooreengemengd zonder onderscheid, zich éen voelend in stijgenden angst
-voor de vreeselijke ontknooping, die naderde, onverbiddelijk en snel.
-Sommigen van hen waren christenen, Wodan vereerden anderen, de meesten
-waren volkomen verwilderd door de ellende van den tijd. Zij hadden
-alleen gedacht aan het heden, doch nu dit heden dreigde onder te gaan,
-met de aarde waarvoor zij hadden geleefd, zochten zij naar een staf, die
-hen ten steun was, waar alles om hen wankelde en zij klemden zich vast
-aan het geloof, dat zij hadden veracht of vergeten.
-
-Gevoerd door de evangeliepredikers uit het nederige kloostergebouw op
-den Hohorst, trokken zij thans naar de kleine kerk, gesticht op de
-plaats waar Rolfr Jarl nog slechts weinige maanden vroeger had geofferd
-aan de voorvaderlijke goden. Nu was die plek het eigendom van den
-bisschop der christenen -- tot zijn bedehuis vluchtten zij, met
-wankelenden tred, met knieën knikkend van angst.
-
-Het heftige bloed schoot Rolfr in het verweerde gelaat. Zou hij naast
-zijn andere groote zwarigheden nog moeten kampen met een vijandige,
-afvallige bevolking, waar hij had gerekend op haar hulp en steun? Ba!
-het waren meest zijn hoorigen en de vrijen -- ook hen zou hij weten te
-dwingen tot zijn wil.
-
-Hij had nooit gehecht -- zonderling voor zijn tijd -- aan de
-toevalligheden van het leven, thans echter begon hij die te duchten. Hij
-zelf vreesde niet, maar het volk knielde en zong boetpsalmen....
-
-De wind steeg tot een razenden storm. Wat klonk in zijn huilen? Wat?
-
-„Laat de gevangenen vrij! Den bisschop en den jongen ridder voor wien
-hij zijn leven waagde.... Om hem kwam hij hier. Hij vertrouwde het
-heilige gastrecht!”....
-
-Van verschillende zijden drong die bede, een eisch schier, tot hem
-door. Klonk het in de dreigende stem van den loeienden storm? De
-toortsen flikkerden, bijna uitgedoofd door den wind; zwiepend sloegen en
-rammelden de luiken; het was of onzichtbare handen er aan rukten;
-gordijnen waaiden fladderend breed uit; met angstigen schreeuw krasten
-katuilen en uit de verte klonk flauw, nauw hoorbaar nog het klagend
-„Miserere, Domine!”....
-
-„Geef de gevangenen vrij! Laat hen gaan!”....
-
-Nogmaals werd het gefluisterd, dringend, smeekend, doch nu wist hij, dat
-het menschenstemmen waren, geen bevel werd hem gegeven op den adem van
-den storm. Hij barstte uit in een snijdenden lach, alle beklemming van
-zich schuddend.
-
-„Lafaards zijt gij allen. Bang als kinderen voor een rukwind en een
-staartster. Ik zal toonen, dat ik niet vrees. Sven en Jorgen, brengt de
-gevangenen naar de folterkamer.”
-
-„Geboren beul! Als gij niemand anders hadt, zoudt gij u zelven
-folteren.”
-
-Wie durfde dat mompelen? Wit van drift keerde hij zich om.
-
-Maar, eer hij een bevel kon geven, dat een bevestiging zou zijn van het
-verwijt, hem vol haat tegengeslingerd, hief Olaf de hand op,
-waarschuwend.
-
-„Rolfr Jarl! Thans geen geeseling met taaie roeden of een gloeiend
-brandmerk op beide kaken! Het vonnis zou op u zelven terugvallen met het
-brandmerk der schande, Rolfr Jarl! Ik vraag u nog eenmaal die mannen
-vrij te laten heengaan uit uw hal. Is het Odin, die tot ons spreekt,
-waarschuwend tot ons spreekt, door de vlammende roede hoog boven wolken
-en wind; is het, als de christenen beweren, een teeken van hun God --
-wie zal het beslissen? Wij dwalen in nevelen, donkerder dan die welke
-bij nacht de aarde bedekken, zoekend, vragend weten wij, dat wij niets
-weten. Wat is zien wij; maar wij weten niet wat geweest is, noch wat
-komen zal”....
-
-„Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs
-der zaken, die men niet ziet.”
-
-Wat bracht Swanwitha die woorden terug in het hart, in dit oogenblik?
-Had zij die eens gehoord met de zachte stem harer moeder? Wat bezaten de
-christenen veel, dat haar ontbrak!
-
-Olaf streek zich met de hand over de oogen. Het was of ook hij helder
-wilde zien. Op zijn eigenaardige, bedaarde wijze vervolgde hij:
-
-„Voor mij is die vurige ster een teeken van Alvaders macht en
-heerlijkheid, niet van zijn toorn. Ik hoor zijn stem in het razen van
-den storm, zie zijn kracht in den wil, die den eik ontworteld neerwerpt.
-Indien hij daarom deze menschen” -- hij wees met een handbeweging de
-gevangenen aan -- „wil tuchtigen voor hun afval, bezit hij daartoe niet
-de macht? Zie het teeken van die macht, in gloeiend schrift boven de
-wolken. Laat daarom de gevangenen vrij. Meng u niet in zijn raad: Odin
-wreekt zich zelven!”
-
-„Odin wreekt zich zelven!” Schuwe stemmen herhaalden het, dringend,
-smeekend, vol nameloozen angst. Rolfr Jarl begreep, dat hij tot toegeven
-zou worden gedwongen, indien hij dit niet vrijwillig deed -- in schijn.
-
-Wrevelig haalde hij de schouders op.
-
-„Laat ze dan gaan! Làat ze dan gaan! Lafaards, zotten! Het zal je allen
-te laat berouwen, warhoofden, gekken!”....
-
-De sierlijke redevoering was nog niet ten einde, toen Olaf zich reeds
-tot de gevangenen wendde.
-
-„Men zal u paarden geven, ik zal er zorg voor dragen. Volgt mij naar
-buiten!”
-
-Maar hoog richtte bisschop Ansfried zich op, een bevel in zijn
-doordringende oogen.
-
-„Gij zijt niet de eigenaar van dit huis. Deze zelf behoort en zal mij
-uitgeleide doen uit zijn hal. Zoo eischt het de zede der vaderen.”
-
-Rolfr opende den mond, een heftig woord op de lippen. Zijn blik boorde
-in dien van den bisschop en hij zweeg en ging hem voor. Want hij dacht
-opnieuw aan het uur, waarin hij óók dien blik had gezien en weer legde
-het verleden de hand op hem. Een huivering ging door zijn leden. Het was
-een ongewone gewaarwording, die hij echter kon bedwingen, noch meester
-worden. De wind bedaarde een weinig, grijze wolken bedekten den
-sterrenschijn, ook de vurige schittering der vlammende roede. De laatste
-tonen van den klaagzang waren langzaam weggestorven in het donkere
-verschiet.
-
-Onstuimig wendde de Jarl zich eensklaps tot den bisschop:
-
-„Gij verdiendet te worden gegeeseld, wie schuld heeft, boet. Waarom
-hebt gij het leen geëischt voor het bisdom?”
-
-Weer bracht een blik hem tot zwijgen:
-
-„Afweren van onrecht is een aan ieder door God verleend recht. Het is de
-eenige wijze om zich en anderen te beschermen tegen daden, ingegeven
-door zelfzucht en heerschzucht. Ik heb van dit recht gebruik gemaakt,
-naar ik hoop tot zegen van velen.”
-
-Rolfr sprak niet meer, het was hem of de duisternis en de wind den klank
-der woorden voor hem herhaalden....
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-De nacht met zijn verschrikkingen was voorbij. De hemel straalde van
-licht, de vogels kweelden hun morgenlied, de aarde bloeide, als een
-belofte van rijken oogst. Weggevaagd was de vurige roede aan de nu weer
-heldere lucht. Het landvolk was aan den arbeid -- het zong als ontheven
-van een verpletterenden last:
-
-„U, onzen Schepper, loven wij!”....
-
-Een lofpsalm der christenen! Rolfr Jarl kende ook de woorden, lang te
-voren had hij ze nog eens gehoord, lang te voren.
-
-Hoe haatte hij dien lofzang, gelijk hem die.... Zijn hand omknelde de
-greep van zijn zwaard. De herinnering aan het tooneel van den vorigen
-avond verliet hem geen oogenblik. Steeds zag hij hoe hij gedwongen was
-geweest den man uitgeleide te doen, dien hij begeerde te worgen met
-eigen hand. Vrij was hij nu, vrij!....
-
-In zijn volle lengte verhief zich eensklaps de Jarl:
-
-„Nog ben ik hier heer en meester, niet alleen op den Ravenhorst, ook in
-den ganschen omtrek. Het zijn allen mijn dienstmannen, mijn hoorigen. Ik
-zal mij wreken, zij het dan op andere wijze dan ik wilde.”
-
-Hij liet zijn paard zadelen en reed heen in woesten ren.
-
-Niet ver van het dennenbosch, dat de Ravenhorst aan de eene zijde
-insloot, stond een vervallen hut van plaggen en leem, met een half
-vergaan dak van mos en graszoden. Wind en weer waren er ongehinderd
-jaren lang in en uit getrokken. De ingang werd afgesloten door een
-wolfsvel, dat genoeg koude en tocht doorliet aan alle zijden. De rook
-trok weg door een gat in het dak en de eenige bewoonster was een oude in
-half vergane lompen gekleede vrouw. Zij had in die hut haar leven
-voortgesleept sinds de Denen haar hoeve verbrandden en haar man en zonen
-door hen werden gedood. Oude Lisa zat dien morgen zich te koesteren in
-de zon op den aarden drempel, die een weinig was opgehoogd boven den
-uitgegraven bodem van haar hut.
-
-Zij zag naar de lijsterbes bij den bouwvalligen gevel, naar de
-kamperfoelie, die geurige bloemen vlocht door zijn takken. Het water van
-een kleine beek murmelde half verborgen tusschen berken en elzen zijn
-droomerig lied. Deed die golvenzang ook haar neuriën:
-
- „Hi was minnera,
- And hi was betera”....
-
-Haar stem was zwak en beverig, maar terwijl zij zong scheen die toe te
-nemen in kracht. En opnieuw klonk het:
-
- „Kerl, hi was minnera,
- And hi was betera
- Hi stifte and sterde
- Triwa ande werde
- Ande hi sette thera Kenega jeft,
- Ande allere liude leest
- And Londriucht
- Ande allera londe eccum sin riucht.[5]
-
-Een breede schaduwplek viel op den zonneschijn aan haar voet. Hoog te
-paard zag zij den landheer.
-
-„Lisa, oude heks, wat durft gij daar zingen?”
-
-„Wat ieder zong toen de Denen het land verwoestten, voor de eerste maal,
-heer, voor het eerst. Toen begrepen de menschen pas wat keizer Karel was
-geweest, toen begrepen zij het.”
-
-Recht zag Lisa voor zich uit met onverschillig, strak gezicht en toch
-wist zij hoe de trekken van Rolfr Jarl vreeselijk waren om aan te zien,
-nog eer zij hem hoorde bulderen:
-
-„Oude tooverkol! Ik moest je levend laten verbranden. En, als ik niet
-wist, dat je gek waart, gebeurde dat vandaag nog.”
-
-„Ga uw gang, heer! Nooit zal ik meer kunnen lijden dan ik reeds geleden
-heb. Mijn leven is zoo lang geweest en even lang mijn verdriet. Dus, als
-’t nu gedaan kon raken, dan was het goed.”
-
-Besluiteloos zag hij haar een oogenblik aan. Hoe hier te treffen?
-
-Toen viel hem iets in.
-
-„Lisa, gij hebt vlijtig gewerkt op het veld dit jaar. Ik weet, dat gij
-een vollen zak gerst bezit, om van uw wikken en rapen niet eens te
-spreken. Ge kunt dus ruim brood bakken, maar waar maalt gij die gerst
-tot meel?”
-
-Verschrikt zag zij op. ’t Was of haar kleur verschoot onder het tanige
-vel.
-
-„Heer, heer, laat me niet van honger sterven! Dan maar verbranden! Ik
-kneusde mijn gerst tusschen twee steenen, heer! Ik heb geen gereede
-penningen, geen enkele! Hoe zou ik dan het maalgeld kunnen betalen! Hoe
-zou ik!”
-
-Zij zag, dat hier geen genade was te wachten. Een snik schoot uit haar
-keel, zij wrong de handen, radeloos.
-
-„Uw gerst is verbeurd, verstaat gij? Gij hebt den wind bestolen van uw
-heer. Wees dankbaar, dat ik je niet den hongerdood laat sterven in een
-kerker van den Ravenhorst, maar je overlaat aan de hongertering in je
-eigen krot.”
-
-„Heer, o, heer! Dan maar verbranden, dan is het uit! Dan is het uit! Ik
-wist niet”....
-
-„Gij wist wèl, dat de molen van den Ravenhorst een dwangmolen is.
-Niemand van mijn onderzaten, vrijen of hoorigen heeft het recht elders
-te doen malen.”[7]
-
-Lisa barstte uit in een schellen lach: „En nu zeggen ze, dat ik zooveel
-voorrechten heb, omdat ik vrij ben en de hoorigen benijden me!”
-
-Hij werd bang voor het woeste flikkeren van haar oogen. Menigeen noemde
-haar gek. Als ze hem eens aanvloog! Gekken hebben immers dubbele
-kracht.... Vaak spraken door hen de goden.
-
-„Luister Lisa,” hernam hij wat zachter. „Ik zal u geen kwaad doen. Gij
-kunt uw gerst malen waar gij wilt. ’k Zal u zelfs nog een kruik olie
-laten brengen uit mijn spijker, om koeken te bakken.”
-
-„Heer, o, heer! Wat zijt gij goed!”
-
-Zij boog zich voor hem neer en kuste zijn handen.
-
-„Maar onder een voorwaarde Lisa, onder een voorwaarde.”
-
-Vragend wachtte zij.
-
-„Gij zult niet meer naar de kerk op den Hohorst mogen gaan, nooit meer,
-verstaat gij mij goed? Nooit meer. En overal moet je vertellen, dat ge
-daar niet meer komt, omdat gij er den duivel gezien hebt.”
-
-Lisa richtte haar kleine gestalte op met groote waardigheid.
-
-„Bisschop Ansfried en de zendelingen hebben mij gezegd, dat ik een ziel
-had. Vroeger wist ik dat niet en het is zulk een voorrecht om te kunnen
-denken, dat daar” -- zij wees met de magere hand omhoog -- „alle tranen
-zullen worden afgewischt, die hier op aarde zijn gestort. Dat te weten
-maakt het leven tot een lust in plaats van een last.
-
-Uit het verdriet en de ellende van dit leven zweef ik dan, hoog boven de
-wolken, de gouden stad binnen en ieder, die daar mag komen, heeft de
-onsterfelijkheid ontvangen en is gelukkig voor altijd, in het eeuwig
-licht. Daar zie ik dan de engelen; schitterend wit glanzen hun vleugels,
-zij zingen met gouden stem, de klank hunner harpen vervult het Paradijs
-en de zweep van den meier en de kerkers van den Ravenhorst zijn er niet
-meer.
-
-Dat heb ik geleerd in de kerk op den Hohorst, daarom zeg ik nooit wat
-gij mij beveelt, heer, noòit. Want iets zeggen, dat de waarheid niet is,
-staat gelijk met groote zonde, zegt de bisschop. En ik wil geen zonde
-doen. Ik heb liever een onsterfelijke ziel dan olie voor koeken.”
-
-Rolfr Jarl glimlachte niet om het verhevene en alledaagsche, dat hier
-werd dooreengemengd. Hij fronste opnieuw de wenkbrauwen:
-
-„Goed Lisa, goed, gij hebt gekozen, wacht dan nu de gevolgen maar af.”
-
-Zij zag hem na met donkeren blik.
-
-„De Ravenhorst is hoog, maar hij kan tòch vallen. Niets is tegen het
-vuur bestand.”
-
-Nog uit de verte hoorde hij haar schamperen lach.
-
-„Oude tooverkol, ’k zal je wel vinden!” De sprake ging immers, dat zij
-kon sluipen door het kleinste sleutelgat -- alzoo was zij een heks. --
-Hij zòu haar vinden.
-
-„Niets is bestand tegen het vuur,” had zij geroepen. Dat was een
-bedreiging tegen den Ravenhorst.
-
-„Niets bestand tegen het vuur!”
-
-Zij zou het ervaren aan hut en lijf.
-
-Vaster omklemde zijn vuist de greep van zijn zwaard. Met geheimvolle
-runen was het ingelegd, wondere kracht bezat het breede lemmet. Want was
-het niet gesmeed op den dag aan Wodan gewijd, den vierden van iedere
-week, en bevond zich tusschen de runen geen houtsplinter, gezegend door
-Donars hamerslag: uit een door den bliksem getroffen boom was die
-splinter gesneden.
-
-Rolfr wist hoe hij werd gevreesd om dat zwaard: de mare ging, dat het
-ieder wapen, waarmee het zich kruiste, in stukken deed springen.
-
-Een welgevallige glimlach speelde om zijn mond: geen menschelijk wezen
-was in staat hem een wond toe te brengen: onder zijn rinkelend
-maliënkleed droeg hij een slangenhuid aan Loki, den helgod gewijd....
-
-Dien morgen wierp Henno, de visscher, zijn lijn in een plas tusschen den
-Ravenhorst en den Hohorst. Half verborgen tusschen riet en lisch lag hij
-en wachtte af wat de dag verder hem schenken zou. Hij was een groote,
-sterke boer met vlasblond haar, dat hij, naar oud vaderlijk gebruik nog
-meer bleekte door het te besprenkelen met kalkwater. Zijn wambuis en
-hozen waren van hertevel -- zelf had hij het wild geschoten -- onbedekt
-was zijn hoofd. Vergenoegd floot hij tusschen de tanden -- hij had reeds
-een voordeelige vangst gehad -- toen de Jarl verscheen, geharnast van
-zijn schedel tot den voetzool.
-
-Henno zong -- latere eeuwen zouden op deze wijze overzetten het oude
-volkslied --
-
- „Hi woonde na dien tide
- op sinen ouden casteele
- gheen langde dagen meer:
- den kerker bleefer gesloten,
- de linden standen te groene,
- den eenen steene vieler
- oppe den anderen neer”....
-
-Rolfr Jarl hechtte sinds den vorigen avond aan voorteekens, al wilde hij
-dit zich zelven niet bekennen. Oude Lisa had hem bijna hetzelfde
-nageroepen wat Henno zong. Vroeger zou hij er de schouders over hebben
-opgehaald, nu verschrikte het hem.
-
-Hij vergat, dat het niet de dingen zelf zijn, die vrees aanjagen, doch
-de wijze waarop zij worden opgevat.
-
-„Je bent vroolijk, Henno!” Norsch riep hij het hem toe.
-
-Zoodra de visscher hem zag stond hij rechtop. Wel was hij een vrije,
-maar zijn hoeve had alleen -- naar vaderlijke zede -- den haag en den
-sluitbalk als verweermiddel en de tijden waren onrustig, steeds dreigde
-gevaar. Meer dan eens was hij genoodzaakt geweest met zijn tilbare have
-een schuilplaats te zoeken op den Ravenhorst.
-
-„Wat stemt u zoo blij? Er is anders niet veel reden toe, dunkt me.”
-
-Henno verschrok van den dreigenden blik, die de woorden onderstreepte.
-Het was of een mes hem stak. Wat had de Jarl in ’t zin?
-
-„Wees gegroet, heer.” Schier beschroomd klonk zijn stem.
-
-„Heer! Ben ik dat nog? Ik heb u allen beschermd en gevoed als
-overstrooming dreigde of de krijg ontbrandde. Als de graaf van
-Kennemerland een inval deed of de keizer kwam met heircracht, als de
-graaf van Hamelant of Megingos van Gelre stroopte, dan hadt gij mij
-noodig, dan was ik uw heer. Maar nu ik beleedigd word en bestolen, nu is
-er niemand, die het voor mij opneemt. Schimpwoorden, spotzangen, dat is
-mijn dank.”
-
-„Wat is er dan gebeurd, heer?” vroeg Henno verbaasd.
-
-„Moet jij dat nog vragen, lompe dorper! Heb je soms gisteren avond niet
-mee loopen galmen met een kaars in je knuisten!”
-
-„Hebt gij alleen, heer, dan de vurige roede niet gezien?”
-
-„Even goed als ieder ander, maar mij jaagt men geen schrik aan of er een
-paar sterren meer of minder aan de lucht staan.”
-
-„Mij ook niet: bisschop Ansfried zegt”....
-
-„Spreek nog eens dien naam uit voor mijn ooren en gij hangt aan den
-Noorderboom.”
-
-„Ik ben een vrijgeboren man, heer.”
-
-„Ja, dat weet ik wel. Halfr, waar gij van afstamt, kwam met mijn
-voorvader Roruk in het land. Hij was zijn schilddrager en bleef zijn
-Jarl trouw.”
-
-Henno wendde den blik af, de herinnering knaagde. Rolfr ging voort:
-
-„Ik geloof niet, dat iemand mij kan veroordeelen, omdat ik het volk
-tracht terug te brengen tot het oude geloof.”
-
-„Gij doet het op een zachtzinnige wijze. Wie zich tegen u verzet,
-ondervindt wat dit beteekent,” waagde de visscher te mompelen.
-
-„Je zoudt zeker willen, dat ik niets te zeggen had op mijn eigen
-goederen?”
-
-Henno had nu zijn mond vol touw; hij knoopte aan een vischnet; hij moest
-daarom wel zwijgen.
-
-„’t Is een fraaie leer, die zoo’n bisschop verkondigt. „Hebt elkander
-lief!” Wel aardig om aan te hooren voor een jong paar in de Winnemonath!
-Maar werd de macht der Noormannen en die van keizer Karel groot door
-liefde of door geweld en kracht?”
-
-Henno zuchtte: „Dat heb ik niet beleefd, heer! Daar weet ik niet van.”
-
-„En met al dat liefdegepreek is er twist in iedere woning.”
-
-Henno keek in zijn vischkorf.
-
-„’t Is jelui schuld niet, dat je gevangen werdt beestjes. De koorden van
-het net trokken je en toen was je bij elkaar. Zoo doet bisschop Ansfried
-ook, Jarl, hij weet het volk bij elkaar te houden, als schapen den
-herder loopt het hem na. Hoe komt hij aan die macht, heer? Hoe komt hij
-er aan?
-
-Hij hitst nooit de honden op iemand aan, hij scheldt noch noemt ons
-„slechte dieven.” Menschen, die vroeger elkander stug voorbij gingen
-maakt hij tot vrienden en de welgestelden onder ons leert hij de armen
-te helpen en de vrijen niet laag neer te zien op de hoorigen, omdat God
-ons allen heeft geschapen.”
-
-„Hm, hm! Dus gij kiest ook de zijde van dien christen? Gij eert het
-geloof van uw voorgeslacht, noch vreest meer zijn vloek, als gij eens
-zult verschijnen in Walhalla? Het is ver met u gekomen, Henno. De man
-die zijn vaderen vergeet heeft geen recht meer iets te verwachten voor
-zijn zonen.”
-
-De oude Noorsche spreuk, als heilig overgeleverd van geslacht tot
-geslacht, was hier zoo behendig aangewend, dat de eenvoudige visscher
-van kleur verschoot. Hij verwachtte zooveel van het leven voor zijn
-eenig kind! Alles wat dit leven hem zelf had onthouden, hoopte hij voor
-zijn zoon.
-
-Berouwvol zag hij voor zich:
-
-„Wat wilt gij, dat ik zal doen, Rolfr Jarl?” Deemoedig klonk zijn vraag.
-Rolfr beproefde een welwillenden klank te leggen in zijn norsche stem:
-
-„Henno, luister eens. Gij zijt verkeerd ingelicht en een man van invloed
-en gezag in deze streek. Gij behoort tot de oudsten. De raad, dien gij
-geeft, wordt gevolgd.” -- Henno glimlachte gevleid -- „En nu weet ge
-evengoed als ik, wat er tegenwoordig op den Hohorst gebeurt; ge weet
-hoe dat stuk land met den heuvel mij onwettig wordt onthouden.”
-
-Henno wist niets, maar hij vond het aangenaam gewichtig te schijnen en
-knikte daarom veelbeteekenend.
-
-„Ongelukkig de man, die wordt vervolgd door den haat van een machtige,”
-hernam Rolfr bijna vertrouwelijk. „Uit eigenbelang bewerkt de bisschop u
-allen met mooie woorden; uit hebzucht, om van zijn heerschzucht te
-zwijgen, heeft hij mij bij den keizer belasterd. Hij wil hier heer zijn,
-bevelen wil hij op mijn gebied. Daarom vroeg en verkreeg hij den
-Hohorst.” Weer knikte Henno. Toch antwoordde hij aarzelend:
-
-„De bisschop is een goed man, dat blijft waar. Hij helpt ieder, die het
-noodig heeft, gevraagd of ongevraagd. De armen uit den omtrek mogen hun
-middagmaal komen halen op den Hohorst, iederen dag heer, iederen dag!
-En, om hun te kunnen geven onthoudt de bisschop zich zelven het
-noodigste. Wie heeft dat voor hem ooit gedaan, wie?”
-
-Rolfr beet zich op de lippen. Hij zeker niet; als slaven, aan lastdieren
-gelijk, hield hij zijn hoorigen. Dikwerf hadden zij geen middagmaal, dat
-wist hij, maar als er iets verdween uit spijker of schuur van den
-Ravenhorst, dan hield hij een drijfjacht op zijn „menschelijk vee”,
-waarbij vaak schuldeloozen met hun leven voor de schuldigen moesten
-boeten. Hij drong zijn gedachten terug, en vervolgde streng:
-
-„Niemand heeft ooit durven doen wat de bisschop waagt, dat is waar.
-Niemand heeft ooit getracht op den aan Wodan gewijden Hohorst een
-christenkerk te bouwen. Henno, toen Halfr, uw voorvader oud en grijs was
-geworden en alle hoop hem begaf, dat de schildmaagden hem zouden voeren
-naar Alvaders hal, uit het heetst van den slag, toen liet hij zich
-dragen naar den Hohorst. Hij zag de offervlammen opstijgen, hij hoorde
-den reizang der priesters, toen kleurde zich zijn speerspits met den
-gloed van de vlam: zij zocht en vond zijn hart. Doorstoken had hij zich
-met zijn laatste kracht, niet den stroodood wilde hij sterven. Maar toen
-zijn zonen zich over hem bogen, treurend om zijn einde, op zijn
-heldendaad fier, toen vingen zij zijn laatste woord op:
-
-„Blijft trouw den goden, trouw onzen Jarl!”
-
-Met zijn zwaard wees Rolfr naar den Ravenhorst, die forsch en machtig
-oprees tusschen de donkere sparren. Het dichte scherm hunner takken
-belette zelfs de morgenzon haar gouden lichtsprankels te werpen op het
-mos. Het was daar donker.
-
-„Henno, ik ben het geloof mijner voorvaderen trouw gebleven, maar gij
-Henno, gij?” De machtige stem van den Jarl maakte indruk op den
-visscher. Hij liet het hoofd op de borst zinken.
-
-„Jarl, het hamerteeken of het kruis, ’t is haast hetzelfde. En verleden
-winter was mijn vrouw ziek en de bisschop gaf haar medicijnen en heeft
-voor haar gebeden en toen genas zij. Mijn vader en grootvader waren toch
-ook christenen.”
-
-Als verontschuldigend voegde hij dit er bij.
-
-„Dan rust op u, Henno, een dubbele plicht. Gij moet de goden verzoenen,
-boete doen ook voor de schuld uwer vaderen. Ik handhaaf op den
-Ravenhorst het oude geloof en gij, de nakomeling van Halfr, den
-schilddrager van Roruk, bidt in een christenkerk.”
-
-Henno zag voor zich, berouwvol.
-
-„Dat doen zij tegenwoordig allen. Zij zeggen, dat het oude geloof
-voorbij is en dan” -- tot geheimzinnig gefluister daalde zijn stem --
-„als het waar is, dat de wereld moet vergaan”....
-
-„Dan is dit het oordeel van Wodan, den oppergod en van Donar, den
-Donderaar. Geen wonder is het, dat het koren en vlas drijft op het land
-en de schepen vergaan op de kust. ’t Is de straf van Donar voor de
-afvalligen. ’t Is de aanvang van de straffen waarmee hij de wereld zal
-kastijden. De aanvang.”
-
-Het gezicht van den visscher werd wit van angst.
-
-„Zoudt gij dat denken, Jarl! Gelooft gij waarlijk, dat”....
-
-„Dat de wereld zal vergaan door den toorn der goden, ja, dat wéet ik. ’t
-Is alles leugen wat de christenen zeggen. Donar, de machtige met den
-vlammenrooden baard, is mij verschenen. Daarom: doe boete, gij redt niet
-uw eigen leven alleen.”
-
-„Mijn zwakke vrouw en Yglo, mijn zoon! Hij is mijn eenige nu.”
-
-„Doe boete, als in het bijzijn der goden en Yglo zal eens mijn
-schilddrager wezen.”
-
-„Hij kan zijn ouden vader niet verlaten; scheid ons niet heer, doe ons
-dat niet aan!”
-
-„Dan zal ik hem breede roeden uitmeten, naast zijn vaders land en
-Trutha zal vrij zijn om de vrouw te kunnen worden van een vrij man.”
-
-„Heer! O, Jarl! Wat zijt gij goed!” -- Het was de tweede maal, dat hij
-dit hoorde dien morgen. -- „Hoe zal ik dit ooit vergelden”....
-
-„Dat zult gij hooren.”
-
-Toen ontwikkelde de Jarl zijn plan en Henno luisterde en boog het hoofd.
-Waarom liep een rilling door zijn leden?....
-
-Een gillend gezang klonk Rolfr tegen toen hij het erf opreed van een
-welvarende hoeve, kort nadat hij Henno verlaten en diens belofte had
-ontvangen. Een stapel honigkoeken lag op den disch van ongeschaafd hout;
-groote, ruw bewerkte drinkhoorns schuimden gevuld met bruin gerstebier;
-visch roosterde op een walmend kolenvuur. Het gaf een ondraaglijke lucht
-in het lage vertrek, waar toch de smook reeds dicht opklom tegen de
-bruine balken. Niemand sloeg hier acht op of dacht er aan de tafel naar
-buiten te dragen in de schaduw van olm en esch, naast de frissche bron.
-Ongeschoeide voeten trappelden dansend op den bodem van vastgestampte
-klei; ruwe stemmen zongen krijschend....
-
-„Wat is hier te doen?” vroeg de Jarl verwonderd.
-
-„Vrouw, den grooten hoorn, schenk den hoorn van mijn oudvader vol! Wij
-zullen den Jarl toedrinken, voor ’t laatst. Heil Rolfr Jarl! Het verga
-hem goed bij Wodan als de Ravenhorst brandt!”
-
-Weer hetzelfde! Voor de derde maal! Bezwerend maakte Rolfr Jarl het
-hamerteeken.
-
-„Wat voert gij allen uit?” vroeg hij nog eens.
-
-„Pleizier maken, zoolang de wereld nog staat, waar zij stond. Die barst
-nu toch gauw uit mekaar, zeggen ze!”
-
-Rolfr zag doodsangst flikkeren in de oogen, die hem aanstaarden door het
-masker der brooddronkenheid. En weer zong en joelde de dolle bende en
-allen dronken en klonken op het vergaan der wereld.
-
-„Walger, dat geraas moet ophouden, dadelijk! Ik kan mijn eigen woorden
-niet verstaan,” beval hij den boer.
-
-„Vrouw, jongens, scheid uit! Heidaar, jullie meiden!” -- dit tot zijn
-dochters en vrouwelijke verwanten -- ransel je met mijn zweep het erf af
-als je niet zwijgt! De Jarl heeft wat te zeggen!”
-
-„Wat geven wij daarom! Laat hij zijn mond houden! ’t Is toch met ons
-gedaan!” Onverschillig klonk het terug.
-
-De diepliggende oogen van Rolfr kregen weer den stekenden blik, dien
-ieder in den omtrek kende en vreesde.
-
-„’t Zal zeker gauw gedaan zijn, maar eer de wereld vergaat, heeft mijn
-beul nog wel den tijd u allen te roosteren als nu die visch daar!”
-
-De vrouw van Walger verschoot van kleur.
-
-„Jarl, o, Jarl! Doe ons toch geen kwaad! Uit angst zijn wij vroolijk.
-Denk toch aan die vreeselijke ster met de roede van vuur! Iederen dag
-groeit die aan zeggen ze, en eindelijk steekt zij de wereld in brand. O,
-o!”....
-
-„Jarl, ik heb een gouden spang. Gevonden heb ik die in....”
-
-„Gestolen, meent ge!” Grimmig sneed Rolfr aan Imma, de dochter van
-Walger, het woord af.
-
-„Neen, Jarl, waarlijk.... bij de rivier”....
-
-„Dan behoort ze mij. Alles wat wordt gevonden op het land of in het
-vischwater van den landheer komt hem alleen toe. Branden zult ge
-dievegge en hangen er bij!”
-
-„O, heer, heer! Erbarming, genade!”....
-
-De nieuwe schrik maakte den geheelen troep nuchter. Zij kropen voor hem
-in het stof. Rolfr zag het met welgevallen. Om ze nu te kunnen
-vertrappen, allemaal die ellendige boeren! Maar hij had ze noodig,
-vooralsnog.
-
-„Luistert, gij allen. Of de wereld zal vergaan of behouden blijven, dat
-ligt in uw eigen macht.”
-
-„Wij, wij! Wat zouden wij arme stakkerds daaraan kunnen doen!”
-
-„Ja, dat kunt gij wèl, als gij doet wat ik zeg. Keert weer tot de oude
-goden, dan is alle gevaar voorbij. Om den afval van hun geloof dreigen
-zij de wereld met ondergang, de menschen met den dood.
-
-Komt alzoo hedenavond bij den grafheuvel van Roruk en gij zult allen
-hooren wat u te doen staat om eigen leven te redden en de wereld er bij.
-Wees niet bang” -- dit tot Imma, die nog altijd voor hem knielde -- „die
-spang moogt ge houden, ik vraag niet meer naar de herkomst. Daar hebt ge
-nog een ring van roodgoud er bij.” Hij wierp haar een ring toe en
-ontving van de gedachtelooze bende de belofte, die hij begeerde.
-
-Het opnieuw brullend uitgeschreeuwde lied van Wodans wilde jacht dreef
-zelfs hem op de vlucht....
-
- * * * * *
-
-Yglo, Henno’s zoon, kwam dien middag thuis van de jacht. Een reebok hing
-dwars over zijn schouder. Hij was een kloeke, jonge man, twee heldere
-oogen lichtten als sterren in zijn schrander gelaat. Hij vond zijn vader
-bezig het oude, roestige zwaard op te poetsen van Halfr, den
-schilddrager.
-
-„Wat zijt gij van plan, vader? Is er een inval van de Denen te vreezen?”
-
-Henno schudde zuchtend het hoofd:
-
-„Dat was nog het ergste niet. Maar Yglo, dat andere, je weet wel.
-Gisteren zijn wij allen als boetelingen naar de kerk gegaan van den
-bisschop en nu zegt Rolfr Jarl, dat het de goden zijn die toornen, en
-dat daarom de wereld.... O, Yglo, ik ben oud en afgeleefd en als ik
-vergaan moet dan zal ik vergaan, Alvader moge mij richten, maar dat jij,
-zoo jong, in den bloei van je leven.... En ik had zoo gehoopt jou
-althans gelukkig te zien.
-
-Je bent de eenige van mijn kinderen, die ik mocht behouden. En, dat is
-nu alles om den afval onzer vaderen van het oude geloof.”
-
-De eerlijke stem van Henno stierf weg, gesmoord in snikken. De
-droefheid, die zijn welmeenend, braaf gezicht teekende, was
-deerniswaardig.
-
-Yglo had zwijgend geluisterd, eerst niet recht begrijpend, nu sloeg hij
-zijn door verdriet neergebogen vader den arm om den schouder.
-
-„Vader, bedaar, kom tot u zelven. Wat over ons is besloten kan wanhoop
-noch vrees van ons afwenden. Houd echter moed. Heeft bisschop Ansfried
-ons niet geleerd, hoe de Heer zelf heeft gezegd: „Van dezen dag en deze
-ure weet niemand.” Hoe kunnen dan menschen een gebeurtenis bepalen, die
-zelfs verborgen bleef voor Gods eigen Zoon?”
-
-„Maar omdat ons voorgeslacht, ten tijde van keizer Karel, van de goden
-is afgevallen, komt thans het oordeel over ons. Het christendom is het
-rechte geloof niet, zegt Rolfr Jarl. En die weet zooveel, hij is overal
-geweest in de wereld.”
-
-„Wat aan koren gelijk is, zou Rolfr van den Ravenhorst gaarne tot
-onkruid maken. Vader, kunt gij nog hechten aan de heidensche dwalingen?”
-
-„Wat zou Rolfr Jarl er dan mee voor hebben om ons te waarschuwen?”
-
-„Kunnen wij beoordeelen wat hem drijft? Medelijden met ons lot zeker
-niet. Daar heeft hij nooit blijk van gegeven.”
-
-Yglo had met diepen wrok gesproken, zijn vader wist de reden. De blonde
-Trutha was hofhoorige op den Ravenhorst. Tevergeefs had de visscher
-aangeboden het vereischte losgeld voor haar te betalen: twee koeien en
-een weldoorvoed schaap. De eisch van Rolfr Jarl luidde, dat Yglo zich
-zou voegen tot dezelfde hoorigheid als Trutha, dan alleen wilde hij
-zijn toestemming geven tot het huwelijk[8]. De tranen van Trutha hadden
-wellicht bewerkt, dat Yglo zich driemaal boog onder den galg op den
-Ravenhorst, dat hij, de vrij geborene, zich daar het hoofd liet scheren,
-wat hem voor altijd tot den gelijke zou maken der eigenhoorigen -- de
-wanhoop van zijn vader hield hem terug.
-
-„De gelijke van een lagen knecht, een strik van hennep om den hals, gij!
-Wel zijn wij, door den nood der tijden, gedaald, doch onze stamvader
-droeg een Viking het schild, hij was hem het naast in den slag. Yglo,
-heb geduld tot gij mij ter ruste legt aan den rand van het vrijthof. Het
-zal niet lang meer duren.” -- --
-
-En Yglo boog het hoofd, met de gelofte zijn vader een smart te besparen,
-die zijn leven zou breken, maar somber werd zijn blik, vastopelkaar
-geklemd bleven zijn lippen, die tot wit verschoten toen de meier van den
-Ravenhorst hem meedeelde, dat Rolfr Jarl op het Midzomerfeest Trutha zou
-toewijzen aan een zijner keurmedigen. Wat kon, bij verzet, voor haar
-volgen dan de dood? Rolfr Jarl bezat de macht en het recht, zijn
-hoorigen te dwingen tot slaafsche gehoorzaamheid. Trutha’s blos
-verbleekte, geen lied klonk meer uit haar mond, wellicht was zij dichter
-bij het vrijthof dan Yglo’s oude vader.... Hoeveel levensgeluk Rolfr
-Jarl verwoestte door éen norsch bevel, hoeveel levensleed hij
-veroorzaakte -- wie vroeg daarnaar? Hij bezat de macht....
-
-En thans was hij gekomen en Trutha zou vrij zijn, vrij als de vogel in
-de struiken, als, als.... Fluisterend, aarzelend schier, deelde Henno
-zijn zoon mee wat van hem werd verlangd en, gebroken door den
-tweestrijd, die woelde in zijn borst, nam hij eindelijk het zwaard, dat
-zijn vader hem reikte en deze zegende hem, maar zijn kranke moeder --
-zwijgend had zij alles aangehoord -- schreide....
-
-Van hoeve tot hoeve ging Yglo, bij al de vrijen in den omtrek tot zelfs
-naar Bacheforth om hen te nooden, het zwaard in de hand, naar oud
-vaderlijke zede, bij den grafheuvel van Roruk, dien avond als de maan
-zou zijn gerezen boven de toppen der boomen.
-
-Hij kwam voorbij den grafheuvel. Hoog lagen de zware steenblokken
-opgestapeld. Reuzen hadden hem eenmaal gebouwd, naar het volk geloofde.
-De sporen hunner vingers, waar zij de steenen hadden aangevat, waren nog
-zichtbaar.
-
-Streng was door de geestelijken der christelijke kerk daar het offeren
-verboden. „Een werk des duivels,” noemden zij die oude grafheuvels.
-
-En thans ging Yglo de hoevelingen oproepen om zich te verzamelen op die
-verboden plaats....
-
-Onrustig sloeg zijn hart; een misdadiger voelde hij zich -- hij, een
-christen, zou.... Met geweld verdreef hij die gedachte. Het gold immers
-zijn levensgeluk, het gold Trutha te redden van een lot wreeder dan de
-dood.
-
-„Wat baat het een mensch of hij de gansche wereld wint en schade lijdt
-aan zijn ziel?”....
-
-Waarom kon hij dat heilige woord niet vergeten? Stond het te lezen op
-het glinsterend watervlak van de Eem, schreef de zon het met gouden
-lichtvonken op de bladeren der boomen, las hij het op de steenen aan
-zijn voet?
-
-„Wat baat het een mensch”.... Ook Trutha was een christin, niet slechts
-met de lippen, dat wist hij. „Wat baat het een mensch”....
-
-Sneller ging hij voort, het zwaard brandde in zijn vuist, heftiger
-sloegen zijn polsen, maar verder ging hij, volgens Rolfr Jarls wil en
-bevel, verder....
-
- [5]
-
- Karel, hij was de geliefdste
- En hij was de beste.
- Hij stichtte en stierde
- Trouwe en waarheid,
- En hij zette der koningen giften,[6]
- En aller lieden keuren
- En Landrecht
- En alle landen elk zijn recht.
-
- [6] „Hij stelde koninklijke vergunningen vast, gaf ons belangrijke
- rechten en vrijheden.”
-
- In het oude Hunsingoërlandrecht van 1252 vindt men in de voorrede dit
- fragment van een oud Friesch volkslied, dat blijkbaar veel ouder is
- dan de kronieken en boeken, waarin het voor het eerst werd
- opgeteekend.
-
- [7] Noordewier. Nederl. Rechtsoudheden.
-
- [8] Noordewier: Ned. Rechtsoudh. 126.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-Blonde Trutha dwaalde in haar wit geplooid lijfje en zelfgeweven rok van
-grof wadmer langs de smalle paden van moeras en bosch. Haar kleine
-voeten waren bloot; kortgeknipt -- wat haar als onvrije kenmerkte -- de
-kroezende haren. Om kruiden te zoeken was zij uitgezonden door vrouw
-Sigrid -- niemand in de gansche streek kon beter artsenijen mengen dan
-zij. Het deed de bijgeloovige vrees, die het landvolk voor haar
-koesterde, nog toenemen.
-
-Een zwaren bundel had Trutha reeds bijeengegaard. Een vroolijk lentelied
-klonk van haar lippen, het eerste sinds vele maanden. Zij wist reeds van
-den omkeer in haar lot: Yglo had haar het groote, gelukkige nieuws
-verteld, haperend, vol vreugd en -- vol geheimen angst.
-
-Trutha zong: de hemel zag zoo lachend blauw en de velden bloeiden. O,
-die schoone aarde, zij kòn immers niet vergaan! God was zoo goed, Hij
-maakte haar zoo gelukkig. Waarom zou Hij dat niet Zijn heele wereld
-doen?
-
-Een schaduw viel over den rozelaar, waarvan zij de bleekroode bloemen
-plukte; met porceleine en honig gekookt zouden zij een veel begeerd
-middel schenken voor de gevreesde koorts, waartegen zoo menigmaal
-bezweringen noch aderlaten hielpen.
-
-Zij zag op, een uitroep van eerbied waarin genegenheid zich mengde,
-ontsnapte haar:
-
-„De bisschop!....”
-
-Bisschop Ansfried glimlachte. Hij droeg weer het eenvoudige, zwarte
-ordekleed. Zijn forsche gestalte scheen meer die van een krijgsman dan
-van een geestelijke, maar slechts goedheid was in den glimlach, waarmee
-hij zich tot het meisje wendde.
-
-„Uw lied lokte mij hierheen. Ik verheugde mij er over, want een
-opgewekte christenzin is God aangenaam. Wat stemt u zoo blij, mijn
-kind?”
-
-Het stralend gezichtje werd tot hem opgeheven, de roode lippen
-fluisterden: „Heer bisschop, ik ben zoo gelukkig.”
-
-„Gelukkig is ieder, die Gods wegen gaat, niet zijn eigen weg. Doet ge
-dat ook, mijn dochter?”
-
-Trutha bloosde, zij dacht aan Yglo’s woorden en aan Rolfr Jarls eisch.
-Wist de bisschop?.... Of kon hij lezen in de harten der menschen, zooals
-soms werd gefluisterd, en was wat anderen dachten hem bekend?
-
-Zij geloofde het nu. Antwoordde zij daarom zonder te weten, dat zij dit
-deed op haar eigen gedachten: „Niets kan het gemis vergoeden van iemand
-dien men zoo echt lief heeft. Ik ben zoo bedroefd geweest, zoo lang, en
-nu....”
-
-„Nu zult ge misschien nog meer tranen storten, arm kind! Als gij God
-verlaat om aardsch geluk, dan zal dat geluk u verlaten.”
-
-Het was waar: bisschop Ansfried wist alles! Dan wist hij ook, dat Yglo
-bij den ouden grafheuvel....
-
-Het was of er iets schreide in haar hart; zij behoorde tot de
-christengemeente evenals Yglo, evenals hij!... Hoe menigmaal had hun bij
-het verdriet, dat hen overstelpte, de gedachte kracht ingestort en
-nieuwen moed, dat God hun levenslot bestuurde. En thans.... Mochten zij
-om aardsch geluk vergeten wat onvergankelijk was en eeuwig? Het
-natuurkind kon niet onder woorden brengen, wat zij diep gevoelde, maar
-zij wist, dat thans berekening haar daden bestuurde -- brak er iets in
-haar binnenste?
-
-Zacht raakte de hand van den bisschop haar schouder aan.
-
-„Mijn kind, het leven is maar kort. Het gaat voorbij als een nevel en al
-zijn moeiten en teleurstellingen zullen zoo nietig schijnen, als zij
-worden gemeten met de maat der eeuwigheid. Thans ligt dat leven nog zoo
-lang voor u, maar als gij er eens op terugziet in uw grijsheid zult ge
-zeggen: „Het was een schaduw op den wand der oneindigheid.” En al uw
-wenschen en uw plannen, gevormd in de jaren, die dan lang, lang voorbij
-zijn, zullen zoo onbeduidend lijken bij de groote eeuwigheid, die ons
-wacht en allen, die Gods wil deden op aarde, het geluk schenkt, dat geen
-einde meer nemen zal. Wie God vasthoudt heeft niets verloren, al
-begeeft de geheele wereld hem, doch wie Hem verlaat, verliest alles.”
-
-Trutha liet het hoofdje hangen, de overgang was zoo groot, zoo
-plotseling. Maar, wat haar te doen stond zag zij duidelijk -- al was het
-bitter en zwaar -- omdat zij in haar schuldeloos hart voelde wat recht
-was en plicht. Eenvoudig en dapper nam zij haar besluit, maar het scheen
-ineens donker voor haar oogen en de tranen schoten haar in de keel.
-
-„O, heer bisschop, ik zal mijn best doen, dat zal ik waarlijk om niet
-meer het meest te denken aan Yglo en aan ons geluk. Maar het was zoo
-heerlijk en de zon scheen en nu lijkt alles zwart en ’t is of ik loop op
-brandnetels of die steken in mijn hart. Het doet zoo’n pijn. Overal is
-onkruid waar vroeger bloemen bloeiden. ’t Is zoo erg alles te moeten
-opgeven, nu ik dacht, dat het geluk was gekomen. Dan blijf ik een
-hoorige en dan is alles verdriet, mijn heele leven!...
-
-O, maar ik zal doen wat ik kan, om geduldig te wezen; God weet alleen
-wat goed voor mij is, als Hij mij dan maar wil helpen.” -- --
-
-Snikken braken haar woorden. Meer bewogen dan hij wilde schijnen legde
-de bisschop haar de hand op het voorhoofd en het was Trutha of een wolk
-van zegen op haar neerdaalde:
-
-„Mijn kleine heldin, houd moed en wees goed. Gods wegen zijn niet onze
-wegen, maar wat ons nu een last lijkt, zal eenmaal wellicht blijken een
-licht te zijn geweest, dat ons den weg wees naar huis.
-
-God geeft niemand te veel om te dragen en als wij ons eenzaam voelen en
-zielsbedroefd zijn, is het om ons te brengen tot Hem. Doe wat Hij wil,
-niet wat gij wilt, dan is het goed, hier op aarde en in het eeuwige
-land.”
-
-Het werd reeds minder donker voor Trutha’s oogen: ook de nacht bezit
-zijn sterren. Zij dacht aan de dwalende lichten, die zij soms had zien
-zweven boven het moeras: was zóó het geluk geweest, dat zij had
-verwacht? Vluchtig, tijdelijk, verschenen en verdwenen....
-
-Haar zachte oogen zochten den hemel waaraan het groote licht straalde,
-de flauwe afschaduwing der Onsterfelijke Liefde. Neen, het was niet
-alleen duisternis meer.
-
-„God zal mij helpen, ik wil sterk zijn en goed”....
-
-Zij boog het jonge hoofd, evenals de zwakke korenaar, die den storm
-voelt naderen.
-
-Maar de orkaan spaart, als hij den forschen eik ontwortelt, de gouden
-garven, die lijdzaam buigen voor zijn macht.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-Alleen in het midden van den zomer, als de zon het hoogst aan den hemel
-stond, verhelderden haar stralen de geheimzinnige schaduwen, die
-zweefden boven den grafheuvel van Roruk. Hier vlochten donkere
-beukentakken en dicht eikenloof een verward net, terwijl, schier
-verborgen door die groene bladerenzee, een half verdroogde bron murmelde
-met gedempt ruischen. Het klonk als geheimzinnige stemmen uit het ver
-weleer.
-
-Een man stond op die plek, door ieder voor wien de overleveringen uit
-den heidenschen tijd nog waarde bezaten, gevreesd als een verzamelplaats
-der geduchte zwartalven, door de christenen vermeden als een
-vereenigingsoord van booze geesten.
-
-Want donker en vol bijgeloof was de tijd en de geestelijken, waarvan
-velen in verlichting en ontwikkeling den leeken slechts weinig vooruit
-waren, geloofden zelf aan het bestaan van booze geesten en beschouwden
-de voormalige heidensche vrijthoven en offerplaatsen, -- waarheen het
-iederen leek streng was verboden zich te begeven, om de herinnering aan
-den vroegeren eeredienst te eerder uit te roeien, als hun natuurlijke
-verzamelplaats. En thans stond op de plek, waarboven sage en
-overlevering hun dichten sluier weefden, die de eenvoudige landbewoners
-zelfs vermeden bij lichten dag, de eenzame gestalte van een man in het
-geheimzinnig uur, dat de maan haar zilverschijn goot over de toppen der
-boomen. Het was Rolfr Jarl. Zijn linker hand leunde op een der
-reusachtige steenen, ieder op zich zelf een rotsblok gelijk, de andere
-omklemde het zwaard. Over de vlakte zwierven zijn oogen. In een wijden
-cirkel had zich, aan den boschrand, zijn lijfwacht opgesteld, tot de
-tanden gewapend met schild en speer, met zwaard en heirbijl; dicht
-genoeg bij den grafheuvel om elken onbescheiden indringer te weren, op
-een voldoenden afstand om geen woord te kunnen opvangen der
-beraadslagingen. Zij bleven niet de eenige menschelijke wezens op die
-stille plaats bij het weifelend maanlicht:
-
-Wemelende stralen gloeiden op tusschen de dennen of wierpen vonken over
-de slingerende, slechts den ingewijde bekende paden van het moeras.
-Omstraald door den glans der toortsen, die zij droegen, naderden de
-vrije hoevelingen van den ganschen omtrek. Yglo had zijn taak goed
-volbracht. Opontboden in naam van Rolfr Jarl kwamen allen. Uit vrees de
-meesten, uit nieuwsgierigheid velen, enkelen uit belangstelling. Hij zag
-het. Hooger scheen zijn gestalte te rijzen, terwijl zijn hand zich
-vaster legde op den kouden, eens door reuzen gehouwen en opgestapelden
-steen. Gevoelde hij, dat ook hij reuzenkracht zou behoeven bij het
-waagstuk, dat hij ging volvoeren? Zijn lippen prevelden:
-
-„Zal ik slagen? De christelijke godsdienst heerscht, dat is een
-onloochenbaar feit. De domme menigte ziet met een eerbied, die grenst
-aan ontzag, op tot de christenpredikers, als tot lieden van een hoogere
-orde. Zij gelooft, dat die God nader staan dan de overige menschheid en
-vrees volbrengt vaak wat zachtheid te vergeefs vroeg.”
-
-Hij balde de vuist:
-
-„O, kon ik hen evenzoo voor mij doen vreezen, doen kruipen voor mijn
-wil. Maar allen zijn verdeeld, weifelachtig de meesten.”
-
-„Zijt gij een man, die woorden van aarzeling spreekt, in dit uur? Wie
-twijfelt aan zich zelven, aan zijn zaak, lijdt de nederlaag.” Een doffe
-stem sprak langzaam, doordringend die woorden. Zij gingen hem door merg
-en been; verschrikt wendde hij zich om. Een vrouw stond voor hem,
-dichtgesluierd, lange, grijze haren zwierden haar ordeloos over den rug,
-in de hand hield zij een knoestigen staf door een slangenhuid omwonden,
-een eikenkrans ritselde om haar slapen.
-
-Rolfr Jarl was stoutmoedig gelijk zijn gansche volk, thans echter
-beklemde hem het bovennatuurlijke.
-
-„Wie zijt gij?” vroeg hij ontzet.
-
-„Een der ziensters van het volk, dat eenmaal gehuld in zijn stierenhuid,
-de rosse lokken ongeschoren, trad door de wouden van dit land als
-meester en heer.”
-
-„Een Druïde alzoo!”
-
-Reeds boog zich de trotsche Jarl aan den voet der witte vrouw.
-
-Zij ontrukte hem verachtelijk den zoom van haar kleed.
-
-„Raak mij niet aan, nietige sterveling! Uw weifelen, uw aarzelende
-woorden, hier, op deze plaats den voorvaderen heilig, wekten mij uit een
-rust van eeuwen her.
-
-Lafaard! Waad door bloed als het moet, maar bereik uw doel. Zijt gij een
-man, die zich zwak voelt op het beslissende oogenblik? Waant gij, dat de
-goden zulk een erbarmelijk wezen als gij zijt, zullen steunen?”
-
-Het gezicht van Rolfr Jarl vertrok van woede bij dien smaad, het scheen
-een oogenblik alsof hij zich op de vrouw zou werpen, die waagde hem te
-beschimpen, gelijk het roofdier zich werpt op zijn prooi. Slechts éen
-oogenblik: het ontzag voor de zienster, dat hij met alle Germaansche
-volken deelde, bedwong ook hem. Hij, wiens zwaard uit de scheede vloog
-bij het minste verzet van bloedmaag of strijdgenoot, deed, wat hij tot
-nu toe voor onmogelijk zou hebben gehouden: opnieuw boog hij zich voor
-de onbekende, die hem haar verachting tegenslingerde.
-
-„Machtige zienster! Wat eischen de goden?”
-
-Hoe deemoedig klonk die trotsche stem!
-
-„Dat gij uw jammerklachten staakt en gelooft aan uw roeping. Dit is de
-eerste eisch tot welslagen. Spreek tot het volk in naam der goden en
-zij, de geduchten, zullen u de kracht leeren kennen van het gevleugeld
-woord. Bij u berust de macht om de vereering, die zoo velen koesteren
-voor dien christenbisschop op den Hohorst, te doen verkeeren in afschuw
-en haat. En kiest gij het rechte woord, zoo verschijn ik ter rechter
-tijd, wanneer, onverhoopt, de zege u nog dreigt te ontgaan.”
-
-Met de hand wees zij naar het struikgewas. Een jong rund zag hij, de
-hoornen omwonden met veelkleurige linten, met kransen omstrikt, door
-roode koorden gebonden aan een boomstam. „Het offer aan de goden! Breng
-het trouw, naar recht en rede, gebruik en zede der vroede vaderen, opdat
-de goden geven goede gaven, zegenen in huis en have, wie verwachten
-vreugd en voorspoed van hun wil en macht!”
-
-Haar woorden behelsden alleen een belofte van aardschen voorspoed en
-geluk. Maar dat begreep de spreekster evenmin als Rolfr Jarl, die,
-terwijl zij met een vluchtig handgebaar verdween tusschen de struiken,
-zich voelde aangegord met dubbele kracht. Rechtop stond hij als een
-overwinnaar en -- de strijd lag nog voor hem. Door een gebroken wolk
-viel het maanlicht op zijn forsche trekken. De landbewoners, die nu in
-den kring der eiken traden, zagen tot hem op met schuwe vrees. Zij
-gevoelden, dat hij geloofde aan zich zelven en zijn kracht, maar ook,
-dat hij zou vertreden en omverwerpen zonder genade of recht wat hem in
-den weg stond.
-
-Als machthebbende hief hij de hand op, zijn woorden dreunden, het was of
-de geheimzinnige stemmen van het woud ze terugkaatsten met
-onheilspellenden klank:
-
-„Ik heb u allen hier geroepen, omdat een geweldige beslissing ons wacht.
-Voelt gij hem niet op deze heilige plek: Wodans ademtocht; is het u niet
-of een bedreiging klinkt in het geluid van den nachtwind? Kan het
-anders? Welk licht lokt en vleit, dwalend over de vlakte, heenschemerend
-door de boomen als wilde het u allen wenken tot uw verderf?”
-
-Zijn zwaardspits wees de richting aan, zij zagen allen het licht, dat
-blonk op de hoogte, dat straalde in den nacht als een eenzame ster.
-
-„Daar ligt de Hohorst, de heuvel van Wodan! De eeuwen door werd hij daar
-vereerd, de machtige, te midden der plechtige stilte van het ruischende
-woud. Daarheen riepen de priesters het volk, om het te brengen, als voor
-het aangezicht der goden, wanneer de vlammen rezen bij het plechtig
-offer hun gewijd.
-
-En thans?
-
-Vergruisd ligt Wodans heilig beeld en wanneer iemand nog hierheen zijn
-schreden richt, dan rijst minachting in zijn blik of krult de spot zijn
-lippen voor den „heidenschen” afgod! Waar zijn de geloovigen, die in
-vroegere eeuwen opgingen met juichend hoorngeschal en plechtige
-reizangen Alvader ter eere? Waar zijn zij?
-
-Is het wonder, dat de goden u willen verdelgen, nu gij hen vergeet en de
-wereld hen met u? Door wiens schuld? Wie hebben de beelden der goden
-verbrand, de menschen, die hun offerden verdelgd van den aardbodem, te
-vuur en te zwaard? De Franken! De belijders van den Gekruisigde, de
-Evangeliedienaars, gesteund door het zwaard en de speer der machtige
-Frankische vorsten. De dooden uit de geslachten, die u voorgingen,
-mochten niet meer worden neergevlijd op den houtmijt, als het leven was
-gebluscht in hun blik; begraven werden zij op last van den Frank en
-ieder lichaam, dat zij de zuiverende vlammen weigerden, droeg de
-bloedige litteekens van de felle worsteling, eens door den levende
-gestreden, voor de vrijheid der vaderen, voor hun geloof in de eeuwige
-goden. De Franken versloegen de vrije mannen, allen. Op last der
-dienaars eener leer, welke zij het Evangelie der liefde en der
-barmhartigheid noemen, deden zij dat. Een geheel geslacht roept tot u om
-wraak en gij aarzelt nog, gij aarzelt?”
-
-Als in razenden hartstocht, gedreven door vlammenden toorn, hief hij de
-handen op naar den maanlichten avondhemel:
-
-„Wodan, hoor mij, gij machtige, alwetende! Fosite, rechter der goden en
-der menschen richt ook mij! Werp mij Höller, den helgod, voor als aas,
-richt uw donderkeil en tref mijn schuldig hoofd, o, Donar, wanneer ik
-ooit mijn eed breek! Hoort hem: „Niet rusten zal ik bij dag of bij
-nacht, de slaap zal mijn sponde vlieden, spijs noch drank aanraken mijn
-lippen, eer ik u heb gewroken aan hen, die zich verbonden tegen u! Weg
-met de christenen! Uitgeroeid zullen zij worden als giftig
-addergebroed, als het woud, dat opgaat in vuur, wanneer Donar zijn
-bliksem slingert in de dichte stammen. Hoort mij, geweldige goden, hoort
-mij! Wanneer de vereering voor u is gebluscht in de harten der menschen,
-zoo zal ik alleen den strijd wagen, en gij zult mijn arm sterken, opdat
-allen erkennen dat gij zijt de machtigste, de hoogste!” Plechtig,
-doordringend had zijn stem geklonken, thans zweeg hij uitgeput, maar een
-storm van bijval verhief zich onder de ademloos luisterenden, een
-loeiende storm.
-
-Wakker geschud hadden zijn woorden de herinnering aan verdrukking en
-onnoemelijk lijden, waarvan het verhaal die eenvoudigen was overgeleverd
-van geslacht tot geslacht. Hun voorvaderen hadden den godsdienst der
-christenen gehaat, omdat die hun was opgedrongen door vreemdelingen,
-welke zij vereenzelvigden met de Franken, hun vreemde overheerschers. In
-de tijden van verdrukking en vervolging, die aanvingen met den eersten
-inval der Denen in de pas gekerstende, nauwelijks tot rust gekomen
-landstreken, hadden zeer velen den nieuwen godsdienst vergeten: slechts
-met de lippen waren zij belijders geweest -- uit vrees. Het
-geheimzinnige waas, dat den naam Wodan omgeven had, bleef zijn invloed
-behouden. Nog altijd luisterden velen, zeer velen vol eerbied naar de
-overleveringen, die verhaalden van zijn grootheid en wondermacht. Hij
-was de Alvader, de wilde jager, die de aarde zegende als hij
-voorbijjoeg, gehuld in zijn wolkenmantel, aan het hoofd van zijn
-godenstoet, in den bruisenden storm van den lentenacht. Anderen
-vereerden de oude goden onder nieuwe namen. Niet Freya’s beeld werd meer
-in de Meimaand met bloemen omvlochten; op het altaar van Maria werden de
-geurige bloesemkransen gelegd. Alvader heette voortaan God, Höller, de
-helgod, werd vereenzelvigd met den duivel der christelijke leer. Slechts
-in weinige harten viel het zaad van het zuivere Evangelie, om opwassend
-dikwerf te worden verstikt door het onkruid van het bijgeloof. Somber
-was de tijd en duisternis heerschte in de harten der menschen.
-
-En thans zou de wereld vergaan om hun afval en redden konden zij hun
-bedreigd bestaan, en de wereld bewaren voor ondergang als, als....
-
-O, verwarring van gedachten, o, aarzeling van plannen en wenschen,
-gewekt door radeloozen twijfel en doodsangst voor het dreigend, met
-iederen dag meer naderkomend gevaar!....
-
-Walger was de eerste die sprak. Met zijn ruwen lach barstte hij los:
-
-„Wat kunnen wij nog verwachten van Wodan? Hij is dood. Als hij leefde
-zou hij reeds lang zijn macht hebben getoond. Sinds twee eeuwen is hij
-gezwicht voor de christenen. Wat vermogen de dooden? Hij is dood!”....
-
-„Dood!”.... Holle stemmen herhaalden beteekenisvol het ontzagwekkende
-woord en het was alsof zij een echo opriepen in de wijde verte, in het
-donkere woud.
-
-Rolfr Jarl hief de hand op. Was het een waarschuwing of een bedreiging?
-
-„Dood, zegt gij, Wodan dood? Ja, voor u ongeloovige lafaard, maar
-herleven zal hij om u te straffen voor dien hoon!”
-
-„Hoe weet gij dat, edele Jarl?”
-
-„Voor mij, Wodans gunstgenoot, is niets verborgen.”
-
-Zegevierend zag de Jarl in het rond, maar Walgers grove stem antwoordde
-spottend:
-
-„Waarom raadpleegt gij dan het offer nog? Ik zie het offerdier reeds
-gereed staan.”
-
-„Om zinneloozen, als gij zijt, te overtuigen, om hen te redden van
-Wodans vergelding en van Donars wraak.”
-
-Maar weer haalde Walger hardnekkig de schouders op:
-
-„Als gij alles weet, is het u ook bekend of ik nog voor overtuiging
-vatbaar ben. Mijn vrouw zegt -- en die wou niet, dat ik hierheen ging --
-als de wereld verbrandt, dan doet ze dat, en als ze blijft bestaan, dan
-doet ze dat niet. ’t Is alles zooals ’t is.”
-
-„Gij spot met Wodans macht. Hij zal zich wreken!” hernam Rolfr Jarl
-gestreng. „Ik zie uw noodlot naderen! Wee u! Wee!”....
-
-Zijn oogen staarden in de verte, afwerend strekten zich zijn handen uit.
-
-Opnieuw opende Walger den mond voor een onverschillig antwoord, maar
-verschrikte handen trokken hem terug, het verder spreken werd hem belet
-door een stem schor van angst, dof van ontzetting. Een der wachten, die
-aan den boschrand op post stond, kwam; bijna kermend riep hij:
-
-„De vlammende roede! Daar is zij weer, dáár!”....
-
-Strakke oogen, met levenloozen blik, zochten den nachthemel, waaraan
-opnieuw de gevreesde komeet fonkelde. Ter aarde bogen zich de hoofden,
-de handen woelden krampachtig in het stof van den bodem en dezelfde
-lippen die, een etmaal te voren, hadden gebeden in de kerk der
-christenen, riepen thans tot Wodan om bijstand en redding, met stemmen
-onverstaanbaar van vrees en wanhoop.
-
-Een zegevierende glimlach speelde om de dunne lippen van Rolfr Jarl. De
-doodsangst van het volk bevorderde zijn plannen....
-
-„Vreest niet! Wodan redt wie op hem vertrouwt! Zijn vlammende speer --
-gij ziet haar tusschen Muspelheims vuurvonken -- treft alleen de
-ongeloovigen.”
-
-Zijn luide stem klonk boven het kermen en de radelooze kreten der van
-ontzetting schier verstijfde menigte. Maar de uitroep van jubel en
-verlossing, die hij verwachtte, bleef uit. Kwam het, doordat Henno,
-alles vergetend wat de Jarl had beloofd, plotseling, vastbesloten --
-legde het vlammende zwaard in de wolken hem zijn woorden op de lippen?
--- stond te midden van het knielende volk.
-
-„Gij kunt beweren wat gij wilt, maar ik geloof in Gods almacht, waaraan
-iedere macht der wereld is onderworpen, ook Wodans macht, zooals die
-vroeger bestond.”
-
-„Gij zùlt overtuigd worden, willooze twijfelaar. Te laat zult gij uw
-aarzeling beklagen! Geen oogenblik blijft gij uzelf gelijk!”
-
-Als het weerlicht, verzengend wat het aanraakt, was de stem van den
-Jarl.
-
-„Henno! Henno! nog dezen middag kwam Yglo, uw zoon, tot ons met uw
-goedkeuring!”
-
-Bevende stemmen riepen het verbijsterd; allen zagen het vreeselijke
-teeken aan de lucht. En weer klonk de stem van Rolfr Jarl met dreunende
-klem:
-
-„Vreest niet, gij allen! Ik weet wat Henno denkt. Voor de twijfelenden
-met oprecht hart is vergeving bij den Alvader.”
-
-„Alvader moest wel blind zijn, als hij niet zag hoe ieder twijfelt of
-slechts uit doodsangst zich tot gelooven dwingt,” mompelde Henno.
-
-Weer scheen een vuurstraal uit de oogen te schieten van den Jarl.
-
-„Uw ongeloof ontvangt weldra haar loon. Het zal Wodan niet zwaar vallen
-u te vernietigen!”
-
-Zijn stem overheerschte opnieuw elk geluid, en te midden eener nu
-invallende doodsche stilte, trad hij toe op het uit graszoden opgehoogde
-altaar. Het waren zeer bleeke gelaatstrekken, die tot hem werden
-opgeheven en ieder zijner bewegingen volgden.
-
-„Heer, smeek Alvader voor ons! Wij twijfelen niet langer aan zijn
-bestaan!” mompelde een grijsaard, bevend.
-
-Hij begreep niet welk een waarheid hij uitte in gebrekkigen vorm. Rolfr
-antwoordde niet. Hoog zwaaide zijn hand het offermes, het lemmet
-weerspiegelde den vuurgloed. Als een bliksemstraal schoot het lemmet
-door de keel van het met linten en bloemen versierde rund, dof brullend
-stortte het stuiptrekkend neer. Onder het uitstooten van
-onsamenhangende, op vreemden, half zingenden toon geuite kreten, wroette
-de Jarl met het staal in de lillende ingewanden. Langzaam legde hij ze
-bloot, een stroom drabbig bloed vloeide neer, zorgvuldig ving hij dit op
-in een glinsterend bekken. Onder ademlooze stilte zag het volk hoe hij
-de ingewanden nauwkeurig onderzocht. Het was of zijn oogen hierbij
-grooter werden, of zij strak werden in hun staren.... Toen boog hij zich
-plotseling neer, de handen in vervoering opgeheven, dwependen gloed in
-zijn blik:
-
-„Heil u allen, heil! Wodan neemt uw offer aan; de teekenen zijn gunstig!
-Buigt u voor hem in het stof, herbouwt zijn tempels, Alvader ter eere!
-
-Wodan, machtige, steun ons, red ons!”
-
-„Welke redding smeekt Rolfr Jarl af van Wodan?”
-
-Hoog klonk de onverwachte stem, die dit vroeg, als kwam zij uit de
-hoogte. Zware rookwolken dwarrelden op boven het vuur, en hingen boven
-de hoofden der knielenden als een donkere nevel, maar daartusschen blonk
-de blanke schittering van een wit vrouwenkleed, breed uitwaaiend, en de
-glans van een golvenden, zilverkleurigen sluier. Eensklaps verdeelden
-zich de rookwolken, het vuur rees, daalde weer, nu opflikkerend, dan
-verdoovend. Het was of uit zijn gloed de vrouw verscheen, die thans
-stond in den kring der onthutste mannen. Sneller joegen de polsen,
-beklemd werd ieders ademhaling, niemand bewoog zich. Alleen het vuur
-knetterde, het offervleesch siste, donker dwarrelde de rook. In een
-stilte, aan waanzinnigen eerbied grenzend, zagen allen naar de
-onbekende, de gevreesde verschijning.
-
-Was het een der Druïden, der ziensters van weleer, van wie zij bij
-overlevering wisten.... Op de vlakte, onder de boomen heerschte doodsche
-stilte, zelfs de nachtwind hield zijn adem in, alleen de woorden der
-zienster schenen te worden weerkaatst door de echo’s van het woud. De
-speren en heirbijlen der opgestelde wachten flikkerden geheimzinnig, en
-over de sidderend bijeengedrongen menschen wierp het vuur zijn hellen
-gloed.
-
-Al het opgehoopte sprokkelhout had nu vlam gevat, begeerig lekten de
-roode vuurtongen naar buit.
-
-„Zonen van Wodan!” -- plechtig klonk de stem der als uit den grond
-opgerezen zienster -- „kinderen van den Alvader, hoort wat hij u heeft
-te zeggen door mij!”
-
-Een siddering liep door de leden der landbewoners. Vrees voor de
-toekomst, de streng door Rolfr van den Ravenhorst gehandhaafde
-overlevering, verbonden aan den grafheuvel van Roruk, als plaats van
-godsdienstige vereering weleer, het nachtelijk uur en de angst voor het
-onbekende, alles werkte mee om den indruk te weeg te brengen, dien de
-Druïde verlangde en verwachtte.
-
-„Wodan, gij eeuwige! schenk mijn tong de taal, die haar voegt, om te
-verheffen uw eer en uw lof!
-
-Alwijze, gij dreigt met ondergang de aarde en de menschen die afvielen
-van u. Dan, als de maat is volgemeten stormen razende reuzen op tegen
-den regenboogbrug, den toegang tot Alvaders gouden zaal. Goede geesten
-hadden hen gesloten in boeien, zij verbraken die ketenen met hun alles
-kneuzende kracht. Dan ontbrandt de felle strijd tusschen goden en
-reuzen, een worsteling, waarbij ook de wereld moet opgaan in vlammen en
-gloed.
-
-Maar Alvader zal aan zijn zijde voeren, door zijn macht, de goeden en
-getrouwen onder de kinderen der menschen. Met zijn hooggehelmde helden
-zullen zij kampen tegen de reuzen in de woeste worsteling. En de goden,
-de hoogen, de heerlijken, zullen bijstaan de getrouwen, die hen bleven
-eeren bij den afval en het verraad eener halve wereld.
-
-Donar, de oorlogsgod, zal nederstormen uit zijn ijsbergen, met dreunend
-gedruisch. Miölner, zijn geduchten hamer, dien boozen noch reuzen kunnen
-weerstaan, zwaait hij vuurschietend boven zijn hel flikkerenden helm.
-Hoort gij niet het rollen der raderen van zijn wagen in het dreunen van
-den donder, ziet gij niet den vuurgloed van zijn golvenden baard in het
-flikkeren van het weerlicht? Luistert naar zijn stem, machtig,
-meesleepend:
-
-„Kracht beheerscht het aardrijk, kracht en geweld. Medelijden, liefde is
-zwakheid, onverzettelijkheid zegepraalt in den geweldigen wereldstrijd.
-
-Daarom, laat af van de leer van den bleeken God der christenen, Hij moet
-ondergaan, want liefde luidt zijn eisch en slechts kracht kan bestaan!”
-
-Gordt u aan, gij allen, die mij hoort, om te kampen met de goede, de
-heerlijke goden, die spreken uit mijn mond. Dan zal, na strijd en
-wereldbrand, verrijzen de nieuwe, goudglanzende aarde en daarop zult gij
-leven voor altijd, in voorspoed en heil met de goden, wien gij trouw
-bleeft, die hoog zullen loonen uw heldenmoed.
-
-Maar de slechten en afvalligen, zij vergaan met de oude aarde en
-nimmermeer wordt hun naam genoemd, bij de levenden noch bij de dooden.
-Ondergang werd hun vloek, vergetelheid hun deel!”
-
-De onbekende sprak als in geestvervoering, het volmaakte den indruk, die
-haar verschijning te weeg bracht. Met verbazing zagen allen hoe de
-machtige heer van den Ravenhorst knielend den zoom aanraakte van haar
-gewaad, zij zagen de vlammen van het offervuur recht omhoog stijgen, aan
-een eerezuil gelijk. Wodan nam het offer aan!
-
-Opgeheven werden de handen, als gedreven door hetzelfde gevoel riepen
-vele stemmen:
-
-„Wodan, Wodan! Alvader, u zij de eere, u alleen! Wij aanbidden voortaan
-slechts u en vervolgen wie u afvalt en veracht!”
-
-De boomen wierpen trillende schaduwen, omhoog, naar Walhalla wees de
-gloeiende vlammenzuil; de stem der onbekende zienster vulde de ruimte:
-
-„Hoort! Hoort! Muspelheims vonken, de sterren, zingen, de goden zeggen
-het! U, Alvader, behoort de macht! Gij redt van ondergang en wereldbrand
-wie op u vertrouwt! Wie u weerstaat treedt gij onder den voet, de aarde
-is u onderworpen, uw kracht zegeviert over uw vijanden! Alles buigt
-zich voor u neer en heerschen zal met u tot het einde der dagen, wie
-volbrengt uw wil en houdt uw wet! Wee, wee den afvalligen! Heil den
-getrouwen, heil duizendvoud!”
-
-Zij had als bezwerend de armen opgeheven bij haar laatste woorden.
-„Wodan, kom mij te hulp!” smeekte zij nu zacht, toch drong haar stem
-door tot aller hart. Nu strooide haar hand de runen, roode en zwarte, in
-smalle stukjes eikenhout gesneden op een wit kleed, reeds te voren door
-Rolfr gespreid aan haar voet.
-
-„Urd, Vernandi en Skuld, alwijze Nornen, weefsters van der menschen lot,
-wijst mij den weg!”
-
-Zacht gleed haar hand over de runen: „Goed zijn de goden gezind wie het
-goede wenscht, het goede volbrengt volgens Alvaders wil! Wodan, Wodan,
-heil!”
-
-„Wodan heil!” herhaalden schier al de aanwezigen, de speren werden
-geschud, vonken schoten de heirbijlen in den gloed van het vuur,
-ontroerd drukten vrienden en vreemden elkander de hand.
-
-Maar toen eindelijk ieders oog opnieuw de zienster zocht, ontdekte
-niemand haar meer.
-
-Verdwenen was de witte gedaante plotseling gelijk zij verscheen, als in
-den grond gezonken.
-
- * * * * *
-
-Vrouw Sigrid zag Rolfr Jarl keeren in den witten maannacht, die de
-toppen der boomen verzilverde.
-
-Haar langslepend Druïdekleed, de glinsterende sluier met den ruischenden
-eikenkrans lagen nog in een hoek. Verachtelijk schopte zij ze weg, toen
-vertrad zij met haar voet den groenen krans en het witte gewaad.
-
-„Zal ik slagen?” prevelden haar dunne lippen. „Zal ik mij kunnen wreken
-eindelijk, eindelijk -- op hém?”
-
-Vele jaren doorvlogen haar gedachten, jaren, die voorbij waren gekropen,
-gedrenkt in haat en bitter leed. Zij was weer jong, zij zag zich de
-speelnoote van Hereswit van Strijen, zij droomde een droom van geluk en
-hij, wien die droom gold, reikte Hereswit de hand voor het leven. Toen
-huwde zij Rolfr, den Deen. Onverschillig was hij haar, maar hij zou haar
-kunnen wreken, hij alleen.
-
-Jaren bij jaren had zij haar dag afgewacht. Zou die thans rijzen?....
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-De man, die moedig droeg den last der jaren en de lasten van zijn ambt,
-naast een wicht van wijsheid, van meer waarde dan menige van edelsteenen
-flonkerende kroon, bisschop Ansfried van Utrecht, was alleen in zijn
-eenvoudig vertrek, in zijn nauwelijks voltooid „zendingshuis” op den
-Hohorst. Het scheen weinig geschikt als verblijf voor iemand wien het
-oppergezag der christelijke kerk was toevertrouwd in de lage landen,
-ombruist door de wilde Noordzee. Voor hem, die eenmaal de eerste was
-geweest naast den troon van den keizer, wiens gevleugeld woord menigmaal
-den doorslag gaf in den rijksdag, evenals zijn machtig zwaard dikwerf
-het gevecht besliste, toen hij als graaf van Teisterbant onafhankelijker
-was dan de opperste landheer, eer en roem zijn wapens kroonden, de faam
-haar lauwerkrans vlocht om zijn schedel.
-
-Thans sierde musiefarbeid de wanden noch beeldhouwwerk de vensternis van
-zijn kamer; de vloer prijkte niet met in sterren en ruiten gelegde
-tegels; geen gebeeldhouwde zetel stond naast den bronzen disch. Slechts
-een enkele plank aan den wand verhaalde van weelde. Daar lagen
-latijnsche handschriften opgestapeld, het persoonlijk eigendom van den
-bisschop, een zeldzame en kostbare schat.
-
-De vier Evangeliën en een drieledig psalter behoorden er toe, de
-Homiliën van Johannes Chrysostomus werden er niet te vergeefs gezocht.
-Het Leven van Karel den Groote, door Eginhard beschreven, stond tusschen
-de werken van Seneca en Boëthius’ Troost der Wijsbegeerte, daarnaast
-lagen de Aphorismen van Hippocrates -- een werk van onschatbare waarde
-voor de geneeskunde van den tijd.
-
-Maar de bisschop had geen van die zeldzame kwartijnen van hun plaats
-genomen, zelfs de Walthariuslegende noch het epos van Béowulf trokken
-zijn aandacht; „De Thebaansche oorlog” van Statius werd niet aangeraakt,
-maar op de perkamenten en brieven, waarmee de tafel als bedekt was, lag
-„Het boek der voorspellingen,” van Julianus, den Pelagiaanschen bisschop
-uit de vijfde eeuw. De echtheid van dit werk werd toen nog geenszins
-betwijfeld, maar het schonk geen licht voor de brandende vragen van den
-dag....
-
-Met het hoofd in de hand geleund zat bisschop Ansfried neer, vele
-oogenblikken. Diepe stilte lag over woud en water, het morgenkoeltje
-streek door het geopend venster, de zon deed gouden lichtvonken zweven
-over de golven van de Eem. Hij sloeg acht op het eene noch op het
-andere. Het was alsof hij het heden vergat, alsof zijn ernstige oogen
-niet wat om hem was aanschouwden, maar alsof zij staarden ver in het
-verschiet. In het verleden, in dat van zijn eigen leven, wellicht? Hoog
-in de kroon der linde floot de merel haar welluidend lied; een flauwe
-glimlach speelde om de peinzend geplooide lippen van den eenzamen man,
-zijn voorhoofd, dat van den denker en den edeldenkenden mensch,
-ontplooide zich.
-
-Zoo liefelijk, even welluidend had ook de merel gefloten op dien
-lachenden Meimorgen, -- meer dan veertig malen was de lente sinds
-gekomen en gegaan. Met bloesemgeur was de lucht beladen, seringen en
-meidoorns vlochten kransen tusschen het struikgewas, de woudduif gaf
-kirrend het antwoord aan den jubelzang der lijsters. Wijdgeopend stonden
-de donkere poorten van Keulen, de grijze rijksstad, naar buiten
-stroomden edelvrouwen en ridders, poorters en nijvere handwerksgezellen.
-
-Naar buiten gingen zij in den lachenden zonneschijn van den wolkenloozen
-lentedag, om het blijde Meifeest te vieren met zang en rondedans, onder
-den bloeienden meidoorn, nu, na harden wintertijd de aarde was gewekt
-tot nieuw leven, de menschen als begiftigd met nieuwen levensmoed. Ook
-de leerlingen der vermaarde Schola Palatina mengden zich onder de blijde
-menigte. Kenbaar waren zij aan hun gewaad, met eerbied werden zij
-begroet, terwijl zij verder gingen in lange, vroolijke rij.
-
-„’t Is een geluk, dat onze aartsbisschop de Kathedraalschool weer heeft
-geopend. Die cnapen brengen nog eens wat vertier in de brouwerij,”
-merkte een stevige poorter welgevallig aan.
-
-„Gij slijt er tenminste menig tonneke bier door,” antwoordde zijn
-metgezel met lichten spot. De dikke brouwer knikte.
-
-„Gelukkig, ja. ’t Is ook wel noodig, dat ons de tasch wordt gestijfd bij
-al de troebelen en veeten, waarin wij leven. Wanneer zal er toch eens
-een eind komen aan al die oorlogen en plundertochten? Alle handel en
-welvaart wordt er door vernietigd.”
-
-„Wanneer alle menschen de goede en wijze dingen doen, die in de
-perkamenten staan, zooals de cnapen en clerken, ze nu in de Schola
-Palatina leeren, als dat leeren hen brengt tot nadenken en dit hun
-handelingen bestuurt. Alleen wanneer de menschen werkelijk beseffen, dat
-oorlogvoeren moorden is op groote schaal, zullen zij de schuld gevoelen,
-die zij op zich laden, hun krijgsroem verachten en den krijg bannen van
-de aarde. En, dat leeren zij uit de perkamenten, waarin de groote
-denkers en dichters der oudheid hun edelste gedachten neerlegden.”
-
-De brouwer zag den ernstigen geestelijke, die zich plotseling mengde in
-het gesprek, niet zonder schroom aan.
-
-„Ik kan niet goed volgen wat gij daar zegt. Gij zijt zelf ook zoo
-geleerd, dat is waar. Zeker nog wel meer dan die beide cnapen daar. Zie,
-zij groeten u. Wie zijn dat?”
-
-„Twee van de beste leerlingen der school. Die met de donkere oogen en
-het blonde haar zal het ver brengen.”
-
-„Wie is dat?”
-
-„Hij heet Ansfried en is de zoon van graaf Lambert van Leuven en
-Teisterbant. Zijn moeder, vrouw Gerberga, is een dochter van hertog
-Karel van Lotharingen.”
-
-„Dus behoort hij van moederszijde tot het Fransche koningshuis?”
-
-Vol ontzag staarde de brouwer naar de bevallige, jonge gestalte.
-
-Een heldere straal schoot uit de ernstige oogen van den geestelijke.
-
-„De hoogheid der aarde is hem geen struikelblok, dat hem verhindert den
-berg te bestijgen der heiligmaking. Hij draagt het Evangeliewoord in het
-hart:
-
-„Wie de meeste onder u wil zijn, zij aller dienaar. Geen wonder, dat hij
-de lieveling is van den aartsbisschop.”
-
-„Die is ook erg geleerd niet waar?”
-
-„Aartsbisschop Bruno heet met recht het wonder van onzen tijd. Hij weet
-alles wat den mensch gegeven is te weten. Hij is de rechterhand van zijn
-broeder, keizer Otto den Groote.
-
-„Gelukkig voor ons, dat die hooge heeren zoo eensgezind zijn,” zei de
-brouwer droog.
-
-„De keizer volgt bijna altijd zijn raad. Nu heeft de aartsbisschop heer
-Otto den jongen graaf Ansfried aanbevolen. Men zegt, dat de keizer hem
-zal meenemen op zijn krijgstocht naar Italië. Het doet mij leed. Niet om
-den keizer, die zal zelden trouwer volgeling vinden, maar om de school.
-Ansfried van Teisterbant belooft haar roem en glorie te worden. Had de
-aartsbisschop dien andere maar aangewezen, maar misschien is het ook
-beter niet -- voor heer Otto.”
-
-„Wien meent ge?”
-
-„De jonge Rolfr, die naast hem loopt.”
-
-„Wie is dat?”
-
-„Dat weet ik zelf niet goed. Het is een Deen”....
-
-De brouwer deed ontsteld een stap achterwaarts. „Heer, bewaar ons in
-onzen bitteren nood, voor de mannen der grimma hjerna!” als mijn
-Friesche moeder altijd zei,” prevelde hij zacht.
-
-De andere glimlachte.
-
-„Wees gerust. Hij is hier maar alleen: niet aan het hoofd eener
-Vikingervloot is hij Keulen binnen gezeild. Ook is hij gedoopt.”
-
-„Mijn moeder bad dat altijd als zij iets hoorde van de Denen,” hernam de
-brouwer verontschuldigend. „Maar hoe komt een Deen hier?”
-
-„Hij is ouderloos en een verre verwant, ergens in Friesland of in
-Kennemerland, laat hem hier opvoeden. Hij moet den Ravenhorst van hem
-erven, een groot goed, dat ligt”....
-
-„Op den weg naar Utrecht, daar ben ik eens in de verte voorbij gevaren
-met een lading bier,” viel de andere in. „Toen huisden daar in de
-bosschen ook al weer die vervloekte Denen. Mijn bier zwolgen zij in, mij
-sloegen zij bont en blauw, toen lieten zij mij voor dood liggen. O, dat
-gespuis! Dat adderengebroedsel!....” Toornig, vol wrok, balde hij
-dreigend de vuist.
-
-„Stil, stil!” hernam de geestelijke vermanend. „Ook wat door de
-menschen tot ons komt, komt van God. Kan Hij die beproeving niet over u
-hebben gebracht, omdat gij te veel uw vertrouwen steldet op vergankelijk
-goed?”
-
-„Teem niet als een oud wijf, eerwaarde!” gromde de brouwer. „Ik zal de
-Denen vervloeken, zoolang ik leef!”
-
-Velen deden dit als hij en niet zonder reden. Vermanend fluisterde
-echter de geestelijke: „Het is lichter, dat een kemel ga door het oog
-eener naald”.... en de brouwer beet zich op de lippen. Hij voelde zich
-doorzien. Niet den verdelgers van zijn volk en land gold zijn haat, maar
-den roovers van zijn goud en goed.
-
-Met zijn stok sloeg hij naar de meidoorns, met zijn oogen volgde hij de
-beide jongelieden, die als aanleiding hadden gegolden tot het gesprek.
-
-Zij hadden hun tred verhaast en waren nu bijna de eersten, die de
-landkapel bereikten waar de plechtige „Mei”-dienst zou worden gehouden.
-
-De hagerozen bloeiden, hun bleekroode bloesems waren overal, hun groene
-doorntwijgen slingerden door het struikgewas, zij omvlochten ook de
-kleine kapel als met een net van bloesempracht en lenteglans. Langs de
-bogen klommen zij op, zij tikten met hun groene vingers tegen de
-kunstelooze glasrosetten, rood en blauw, blauw en rood, gelegd in
-eenvoudige sterren. Purperen en azuurkleurige lichtjes wierpen zij op
-den ongelijken bodem. Maar ook over het omhoog geheven gelaat van het
-jonge meisje, dat knielde op de blauwe zerken van het kleine bedehuis,
-viel hun wemelende gloed. Rein als klokgelui klonk zacht haar stem:
-
-„Heer, leid mij in Uwe waarheid!”....
-
-Zij zag de naderkomenden niet, stil vouwde zij de handen, den blik
-omhoog gericht, omhóog.
-
-Als aan den grond gekluisterd stond Ansfried van Teisterbant. Hij zag
-niet het blank, zuiver ovaal gelaat, niet de groote donkerblauwe oogen
-met hun stralenden blik, hij zag alleen de reine ziel, die blonk uit dat
-schoone omhulsel.
-
-Waarheid! Vol listen en lagen was zijn tijd, vervuld met wreedheid en
-ruw geweld, de vorsten waadden door bloed om hun heerschzuchtige plannen
-te verwezenlijken, de volken trachtten elkander te verdelgen.
-Waarheid.... Zij scheen gebannen van de aarde, wie bad haar nog af van
-zijn Schepper, wie smeekte om het licht Zijner waarheid? Met vroegrijp
-denken begreep de schranderste leerling van de Schola Palatina hoe
-anders de wereld zou zijn, indien de menschen de waarheid zochten, haar
-liefhadden als een der hoogste gaven hun van God geschonken.
-
-Had hij zelf niet dikwerf gewenscht, vurig begeerd om te bezitten de
-macht van het woord, gelijk hij de kracht van het geloof in zich voelde,
-om de menschen te kunnen wijzen op het eene noodige: waar te zijn en
-goed, God lief te hebben boven alles en hun naasten als zich zelven? Zou
-dan de wereld niet als een nieuwe gedaante ontvangen? En de menschheid
-zelf?.... Maar, wanneer hij soms schuchter zijn denkbeelden onder
-woorden bracht, te midden van den woeligen kring zijner medescholieren,
-allen jong als hij, in wier hand eens de macht der aarde zou worden
-gelegd, vorstenzonen, hertogskinderen als zij door geboorte waren, dan
-ontmoette hij hier glimlachend schouderophalen, daar bijtenden spot. Zij
-wezen hem op de kerkvaders, op de geschiedenis van vroeger en later
-tijd. Wat was geworden van dwepers en wereldverbeteraars?
-
-„Heerschen door de macht van staal en ijzer, dat is het eenige wat ons
-overblijft, Ansfried! Woorden zijn klanken; bespiegelingen slechts
-droomen. Wij leven in een ijzeren tijd!”
-
-Meer dan eens was hem dit spottend geantwoord en dan had hij gedacht,
-dat wanneer ieder in zijn eigen kring Gods geboden volgde, deed wat zijn
-hand vond om te doen, hoe dan de aarde toch anders zijn zou, de menschen
-beter.
-
-En thans vond hij hier de zusterziel, die smachtte naar waarheid, die
-bad zooals hij gebeden had, sinds zijn vroegste jeugd....
-
-Hij wenkte zijn vriend met hem terug te gaan, hier mocht geen stoornis
-zijn.
-
-„Kent gij die jonkvrouw, Rolfr?” vroeg hij, toen zij weer buiten
-stonden. Met een vreemden, loerenden blik in zijn diepliggende oogen zag
-deze hem aan.
-
-„Het is Hereswit, de dochter van den graaf van Strijen. Haar erfgoed en
-het uwe liggen naast elkaar. Dat treft goed.”
-
-Verwonderd zag Ansfried op. Wat meende hij? Wat -- toen hij hem hoorde
-mompelen:
-
-„Het geluk bestaat, gelijk uw schaduw bestaat. Grijpen kunt gij haar
-noch vatten.” Hij zag Ansfrieds vragenden blik, toen klonk het wrevelig:
-
-„Ik sprak niet van u, erfgraaf van Hoei en Teisterbant. Voor u bestaan
-geen schaduwen”....
-
-Hoe vele, vele jaren lagen tusschen dien zonnigen Meimorgen en het
-heden! Een weemoedige glimlach speelde om de lippen van den grijsaard,
-toch was in zijn oogen een herinneringsblik van geluk. De belofte van
-die lente was werkelijkheid geworden: weinige jaren later had hij de
-schoone Hereswit van Strijen gevoerd naar zijn hechten burcht te
-Casallum, als zijn lieve vrouw.
-
-Maar daartusschen lagen jaren vol onrust en moeite, van zware plichten
-en grooter verantwoordelijkheid.
-
-Een ander tafereel doemde voor hem op:
-
-Avondwolken met gouden randen omzoomd dreven langs de lucht, het
-flikkerlicht der lange flambouwen verdrong den laatsten schijn van het
-daglicht in de gewelfde Romaansche zaal van het aartsbisschoppelijk
-paleis te Keulen. Aartsbisschop Bruno zat in zijn hoogen zetel,
-geplaatst naast den keizerstroon van zijn broeder, Otto den Eerste.
-
-Banderollen en vlaggen wapperden van de torentin, vroolijk
-klaroengeschal klonk op het voorplein, speerknechten waakten in voorhal
-en poortgewelf.... Waartoe? Zij behoefden immers geen wachters, de fiere
-keizer, de groote kerkvorst, te midden der getrouwen, die hen omgaven.
-Ridders hoog van moed, edel van wapen waren het, saamgestroomd uit al de
-gouwen van het uitgestrekte Duitsche rijk. Gevolgd door hun stoet van
-dienstmannen, stonden zij gereed moedig in ’t harnas te sterven voor de
-eer van koning en rijk.
-
-Want een nieuwe krijgstocht werd door heer Otto voorbereid. Over eenige
-weken reeds zou hij zijn leger over schier onbegaanbare bergpassen
-voeren naar Italië, het steeds oproerige land. Zou zijn tot nu toe
-steeds zegepralende krijgsmacht nieuwe overwinningen tegengaan of
-wachtte haar wellicht nederlaag, verraad en dood? Bijna geheel het
-verscheurde, verdeelde Italië kantte zich thans, zeldzaam eensgezind,
-tegen zijn gezag. Hij zou Lombardije eerst moeten onderwerpen, voor hij
-tot koning der Longobarden kon worden gekroond en zijn vijanden zouden
-dolk noch gif sparen om hem te beletten zich te Rome de keizerskroon te
-verwerven, die eens Karel de Groote bezat. Uit den Italiaanschen hemel,
-zoo wolkenloos blauw, schoot menigwerf een doodelijke bliksemschicht, en
-de bodem met bloemen bedekt, welfde zich boven meer dan een laaienden
-vulkaan....
-
-Deed die gedachte menig oog vol zorg staren op de toekomst, die weldra
-het heden zou zijn? Legde zij die ernstige wolk over het hooge voorhoofd
-van den aartsbisschop?
-
-Zij hadden elkander lief, de beide groote zonen van Hendrik den
-Vogelaar, lief van hun vroegste jeugd, toen reeds het jonge, vurige
-bloed hen gloeiend naar het hoofd vloeide met droomen van eer en macht,
-tot een teere moederhand dien onstuimigen gedachtenstroom leidde in
-kalmer bedding, tot niet langer hun hoofd brandde, doch hun hart gloeide
-van verlangen om liefde te vinden, om die te winnen van hun volk door
-voorbeeld en daad. En thans lag alle aardsche macht in hun hand en zij
-besteedden die tot heil van hun land, tot zegen der kerk, tot
-ontwikkeling van hun volk en -- veel tegenkanting, veel miskenning werd
-dikwerf hun loon.
-
-En nu wenkte de tocht naar Italië met de duisternis van onbekende
-gevaren en de bliksemschichten van den haat!...
-
-Ieder feestgedruisch was verstomd in de hooge hallen van het paleis.
-Geen harnassen blonken meer half verborgen door met goudborduursel
-omzoomde riddermantels. Verstomd waren de tonen van harp en luit. De
-bloemfestoenen, liefelijken feesttooi slingerend om pilaren en
-vensterboog, hingen verflenst neer; vertreden lagen het dennengroen en
-de biezen van den vloer. Stilte heerschte, de nacht gebood.
-
-Maar in de vermaarde librye van den aartsbisschop -- diens liefste
-vertrek -- stond een jongeling met gloeiend gelaat voor heer Otto, wiens
-heerschersblik een zachtere uitdrukking ontving, terwijl hij rustte op
-het van blijde verrassing stralend gelaat.
-
-Want, klonk niet de ernstige stem van aartsbisschop Bruno:
-
-„Mijn broeder, dat is de zanger, wiens schoone stem u trof te midden
-van het koor. Ik sta u hem af, mijn meest geliefden leerling, omdat ik
-weet, dat gij een zwaarddrager behoeft als hij zich toonen zal. Het is
-mij bekend, dat vruchtelooze eerzucht wraakplannen smeedt, die u gelden,
-dat list en verraad u omringen. Hij zal trouw zijn bij anderer ontrouw,
-waakzaam als ieder sluimert. Spreek, mijn Ansfried, heb ik te veel
-gezegd?”
-
-Een blos brandde op het voorhoofd van den jongeling. Daar was een stem
-in zijn hart, die pleitte om te blijven, een andere, die hem wees op
-zijn plicht, hem dwong tot gaan. De laatste verwon, zijn lippen spraken:
-
-„Mijn heer is zeer genadig. Ik zal doen wat ik kan, zoo waarlijk moge
-God mij helpen.”
-
-Welgevallig volgde beider blik hem enkele oogenblikken later, toen hij
-het vertrek verliet.
-
-„Verwacht van hem geen groote woorden; zijn daden zullen spreken, hoe
-jong hij ook nog is. Hij zal groot en aanzienlijk worden, omdat hij de
-macht slechts begeert om het goede te kunnen doen,” sprak de
-aartsbisschop eindelijk.
-
-Zijn broeder drukte hem de hand:
-
-„Ik dank u voor wat gij mij afstaat. Gij geeft mij véél.”
-
-Zijn menschenkennis -- van menige bittere ervaring de vrucht -- zou heer
-Otto ook ditmaal niet bedriegen, maar in de welgevulde leerzaal der
-Schola Palatina verwekte het nieuws, dat Ansfried was gekozen om den
-koning als zwaarddrager te vergezellen op een reis, die dezen de
-keizerskroon schenken moest, geen geringe opschudding. Zoowel
-toekomstige legeraanvoerders en vorsten, als aanstaande hooge
-geestelijken onder de scholieren, verdrongen zich om het nieuws te
-hooren. Want de kathedraalschool vormde beiden: Ovidius en Cicero werden
-er gelezen, maar ook de Kerkvaders.
-
-Het was of dezelfde toekomst allen wachtte als zij in koor hun stemmen
-vereenden tot een statig psalmgezang. Toch hield de aanstaande ridder,
-die zich eenmaal geharnast zou werpen in het dichtste slaggewoel, de
-hand aan het gezangboek tegelijk met een vriend, wien het kerkelijk
-leven wachtte. Maakte die tweeledige opleiding de laatsten evenzeer
-geschikt voor een gewichtige staatsbetrekking? Want mannen van de daad,
-die hun tijd noodig had en die hun tijd begrepen, vormde de Schola
-Palatina. Zij verlieten het altaar voor het slagveld, die wakkere
-kerkvorsten, of verwisselden de ernstige kapittelvergaderingen met een
-luidruchtigen rijksdag. Zij verklaarden hun leeken het Evangelie en
-drongen hen de hand aan den ploeg te slaan -- in werkelijken zin. De
-handel werd door hen beschermd en aangemoedigd, zoover als het mogelijk
-was in die onrustige eeuw; burchten en sterkten werden opgericht ter
-beveiliging van hun gebied. Aartsbisschop Bruno gaf hierin het
-voorbeeld. Zijn practische blik -- een gave door slechts weinige geniaal
-aangelegde naturen met hem gedeeld -- had hem ook ditmaal gevoerd tot de
-keus met zooveel verbazing of ijverzucht door alle scholieren vernomen.
-
-Terwijl de vragen en antwoorden elkander kruisten, hier werd gefluisterd
-van vorstengunst, en van krijgseer of hofglans elders, was er een enkele
-stem, die zich niet mengde in het luidruchtig koor. Zijn eigenaar bleef
-gebogen over een perkamentrol. Het scheen, dat ingespannen, geestelijke
-arbeid hem geheel in beslag nam. Het was een gelaat, dat zich niet
-gemakkelijk doorgronden liet. De wenkbrauwen vormden bijna een enkele
-streep op het breede voorhoofd. Van ingehouden hartstocht beefde het om
-de hoeken van den mond. Een beschroomde, jonge geleerde scheen hij, in
-zich zelf verzonken, in zijn werk verdiept. Doch toen een vroolijke,
-jonge Rijnlander hem een slag op den schouder gaf, met een half lachend,
-half spottend: „Rolfr, wat zeg jij van de zaak? Ben je de eenige, die
-Ansfried niet benijdt? Verdiept ge je daarom zoo vol ijver in de
-Homiliën van Chrysostomus? Als het Ovidius nog was, maar die grommige
-strafredenaar!”.... Toen werd eensklaps het gebogen hoofd opgeheven, de
-oogen met hun ondoorgrondelijken blik zochten den veel benijden jongen
-zwaarddrager en in hun diepten gloeide het van wrok.
-
-De Rijnlander barstte uit in een schaterenden lach:
-
-„Dat lijkt weinig op vriendschap! En Ansfried is nog wel je kamergenoot
-en je waart altijd samen te vinden!”
-
-„Ik wensch hem gaarne al het geluk, dat hij verdient. Wie de lieveling
-der vrouwen is, moet ook wel die der goden zijn,” klonk het bitter terug
-en om den mond van den spreker beefde het opnieuw van hevigen, nauw
-onderdrukten hartstocht. Verwonderd trad Ansfried op hem toe:
-
-„Rolfr, heer Otto heeft meer getrouwen noodig, zal ik je ook aanbevelen
-in zijn gunst?”
-
-Norsch stiet Rolfr de hand terug, die de zijne zocht.
-
-„Mijn daden zullen mijn aanbeveling zijn, de uwe heb ik niet noodig!”
-
-Toornig stormde hij heen. Plagend riep de jonge Rijnlander hem na:
-
-„Lees de invectieven van Gregorius er nog eens op na. Je zult er
-schimpwoorden genoeg in vinden, als je daar Ansfried liever mee
-verblijdt dan met een gelukwensch!”
-
-Er volgde geen antwoord, maar de kloof dien dag ontstaan tusschen
-Ansfried van Teisterbant en Rolfr „den Deen”, zou nimmermeer worden
-overwelfd, verbreed wèl....
-
- * * * * *
-
-Een ander beeld uit het ver weleer:
-
-Weer waren vele maanden voorbijgegaan. De zware tocht over den Brenner
-was door Otto den Groote volbracht. Gevaren hadden hem omringd; hij had
-ze overwonnen. Iedere strijd had hem nieuwe zegepraal geschonken. Thans
-rustte de ijzeren kroon der Longobarden op zijn hoofd, thans wenkte hem
-de keizersdiadeem van Karel den Groote. Morgen, over weinige uren reeds,
-zou zij neerdalen op zijn golvende lokken, dit symbool der hoogste,
-aardsche macht. In de stilte van den nacht bad de jonge heerscher in het
-kerkgebouw, dat het stof van den Apostel Petrus bewaarde, om kracht
-voor de hooge plichten, onafscheidbaar van de uitgebreide rechten, die
-hem zouden worden toevertrouwd.
-
-Donker was het in het, door marmeren zuilen geschraagde bedehuis, de
-eenige, altijd brandende lamp gaf slechts een flauwen schijn. Haar licht
-deed de duisternis nog meer uitkomen, die heerschte in de hoeken en als
-scheen op te klimmen naar de gewelven, schitterend van zilveren
-arabesken en kostbaren mozaïekarbeid. Door een gebroken wolk gleden de
-stralen der maan naar binnen. Aan den nachtelijken hemel waakten de
-gouden sterrenoogen over het sluimerende Rome. Zagen zij wat gistte en
-woelde in de groote stad? Het verraad, dat den dolk ophief in het
-duister, de trouweloosheid, die haar offer zocht, de blinde eerzucht,
-bereid anderer leven af te snijden ter bereiking van eigen doel? De
-gouden sterrenoogen waakten.... Zij niet alleen. In gebed verzonken
-knielde koning Otto, God, Die hem had gesteld op zijn hooge plaats,
-smeekend hem een heerscher te doen zijn naar Zijn wil, hem in staat te
-stellen de rechten zijner volken te handhaven, hun vrijheden te bewaren
-voor iedere aanranding. Omhoog geheven was zijn blik, omhoog. Nooit zou
-de keizerskroon schitteren boven edeler voorhoofd, noch het purper van
-den Cesar zich hebben geplooid om vorstelijker gestalte. Nooit had het
-volk van Rome fierder heerscher begroet....
-
-Met een warm gevoel, waarin liefde zich aan eerbied paarde, dacht dit
-de jongeling, die kloek, rechtop stond achter den knielenden vorst. Een
-ontbloot slagzwaard blonk in zijn hand, onbeweeglijk hield hij het
-uitgestrekt boven het hoofd van den in het gebed verzonken heerscher.
-Want nog schuifelde de adder onder de bloemen van het weelderige Italië,
-nog dreigde een bliksemschicht uit de effen blauwe lucht. De adder van
-het verraad, de bliksems van den haat, zij zochten hem, die was geroepen
-om den keizersschepter te voeren. Daar werd gemompeld van een
-samenzwering, die het verijdelen der kroning beoogde, daar werd
-gefluisterd, dat „de koning der Duitschers” het gebed niet ten einde zou
-brengen aan Petrus’ graf. In navolging van Karel den Groote was hij
-verplicht, dat te verrichten in de kerk der Apostelen, wilde hij zich
-als diens opvolger zien erkend.
-
-De groote Karolinger gold nog steeds als de heros van de roemrijkste
-historie zijner volken. Iedere belofte van geluk, die het leven voor de
-toekomst schenken kon, vlocht zich bij de toenmalige menschheid ineen
-met deze herinnering aan het groot verleden. Daar waren er nog zeer
-velen, die geloofden aan de wederkomst van „keizer Karel”, dien sage en
-legende reeds omvlochten met hun nimbus. Een nieuw rijk zou hij
-stichten, waarin vrede en gerechtigheid zouden heerschen, eer de ure
-aanbrak, welke het einde zou zien van al wat behoorde tot de aarde. Want
-het gerucht deed de rondte, reeds toen, hier aangehoord met heftigen
-angst, daar ontvangen met ongeloovig schouderophalen, dat de groote
-wereldbrand, de ondergang van al wat ademde zou plaats hebben in het
-eerste jaar der komende eeuw.
-
-Maakte die gedachte het gebed van heer Otto zoo ernstig, zoo langdurig?
-
-Gevoelde hij geheel den omvang der zware plichten die hem wachtten: tot
-het keizerlijk purper geroepen in zijn tijd?
-
-In schemerschijn gehuld lagen de diepe gewelven; al het licht scheen
-zich samen te trekken boven het gebogen hoofd van den knielenden vorst,
-boven de zwaardspits van den jongeling, die stond en voor hem waakte.
-Deed Ansfried dit inderdaad? Of dwaalden een oogenblik zijn gedachten
-ver weg naar den groenen Rijnzoom, naar de woudbeschaduwde landkapel
-dicht bij het grijze Keulen? Hij had haar teruggezien, de slanke
-Hereswit van Strijen, meermalen, tot hij eindelijk, weinige dagen voor
-hij optrok met het leger, zich wendde tot haar vader: „Uw dochter is
-mijn levensgeluk, weiger haar mij niet!”
-
-In spanning wachtte hij, de beslissing vreezend. Maar een welgevallige
-glimlach krulde de trotsche lippen van den graaf Van Strijen:
-
-„Toon u het vertrouwen waardig, dat heer Otto in u stelt, en, na het
-einde van zijn tocht naar Italië, wacht u mijn dochter als bruid!”
-
-Dacht hij aan die belofte, aan de zon van het leven, die zou opgaan voor
-hem, waarvan hij reeds de stralen zag rijzen? Vergat hij daarom het
-heden met zijn strengen plicht?
-
-Niemand scheen aanwezig in het eenzaam gewelf, nog waren de deuren niet
-geopend, nog was het uur niet daar voor den plechtigen dienst, die
-geheel de bevolking van Rome zou zien toestroomen.
-
-Niemand bewoog zich. Heer Otto bad, zijn zwaarddrager droomde....
-
-Toch: er ritselde iets tusschen de pijlers, een voetstap sloop nader met
-langzamen, schuifelenden tred, in blauwen staalgloed glinsterde een
-hooggeheven dolk....
-
-„Sterf!” Het snijdend uitgesproken woord was gericht tot den koning, de
-dolk werd gezwaaid boven zijn hoofd, twee oogen waarin het gloeide van
-een verterend vuur zochten de plek, bestemd voor den doodelijken stoot.
-Met een rauwen kreet ontwaakte Ansfried uit zijn droom.
-
-Zijn eene hand greep den uitgestrekten arm van den sluipmoordenaar, zijn
-zwaard wondde hem in het gelaat....
-
-„Vervloekt!” Schor klonk het; maar ondanks den sluier, die de trekken
-van den aanvaller onzichtbaar maakte, het geluid dempte, meende Ansfried
-de stem te herkennen....
-
-„Rolfr!” stiet hij uit. Twee gloeiende oogen boorden in de zijne door de
-openingen in het sluierdoek. Een worsteling volgde, slechts enkele
-oogenblikken, toen ontrukte zich de aanvaller met de kracht der
-vertwijfeling aan zijn greep, toen werden de deuren geopend en begonnen
-de klokken te luiden. De bevolking van Rome stroomde binnen voor den
-plechtigen dienst en in de verwarring liet men den moordenaar
-ontsnappen. Waren tijd en uur van aanval te voren bepaald? Daar liep zoo
-menig gerucht....
-
-Maar nu juichte het volk den redder toe van den nieuwen keizer en deze
-dankte hem met blik en woord....
-
-Het eerste morgenlicht deed den glans der sterren verbleeken, de
-rijzende zon bescheen een stad, badend in luister en glans; de
-kroningsstoet werd opgesteld in feestelijke praal.
-
-Maar in de tent van heer Otto knielde een jongeling, wien de bitterste
-tranen in de oogen gloeiden, tranen van smart, van schaamte over zich
-zelven.
-
-„Heer, gij hebt mij lof gebracht, maar uw vonnis verdien ik. Ver af
-dwaalden mijn gedachten, terwijl gij uw leven hadt toevertrouwd aan mijn
-waakzaamheid. Niet de daad alleen maakt schuldig. Leg mij de boete op,
-die ik verdien en dan.... dat God mij genadig zij!”....
-
-In een gesmoorden snik eindigden zijn woorden. Hij zag in den geheelen
-omvang de gevolgen, die zijn verzuim na zich had kunnen sleepen voor het
-leven van den vorst, voor het bestaan zijner volken.
-
-De groote schuld en het vluchtig verzuim, de gevolgen afgewend door
-Hooger hand, doch de schuld gebleven....
-
-Maar heer Otto hief de in het stof gebogen gestalte op, een milde glans
-lichtte over zijn heerscherstrekken:
-
-„Deze schuldbekentenis delgt uw schuld. Wie zijn vergrijp durft
-bekennen is een held, wie geen vrees voor de gevolgen doet afwijken van
-de waarheid, werd door God begenadigd. Sta op! Voortaan zal uw tent
-tegenover de mijne worden geplaatst in het legerkamp, want zelfs wanneer
-allen mij mochten begeven zult gij trouw blijven, omdat gij waar
-zijt.”....
-
- * * * * *
-
-Weer een ander beeld:
-
-Reusachtig rees, niet ver van Roermond, boven het laag golvende
-heideland de burcht Casallum. Hecht en hoog verhieven zich zijn
-torentransen. Ver zagen zijn vensters, als trouwe wachters, over het
-omliggende land. Een landstreek, waarin rust en veiligheid heerschten,
-bij al het krijgstumult en de verdeeldheid van rijken en staten
-onderling, die de wereld in vlam dreigden te zetten.
-
-Graaf Ansfried van Teisterbant gebood hier als heer, doch geen symbool
-van heerschzucht was zijn slot met den versterkten toren en de breede,
-dubbele gracht. Wijd werd de voorpoort geopend voor ieder, die hulp
-behoefde; de harnasschoen der speerknechten dreunde slechts op de brug,
-wanneer de grenzen werden bedreigd van het uitgestrekte graafschap.
-
-Hier gold het woord, dat de reiziger, die zijn goud verloor, het een
-jaar daarna op dezelfde plaats onaangeroerd kon terugvinden; dat geen
-koopman het geweld der roofridders had te duchten: onbezorgd kon hij
-zijn handelswaren verzenden langs heirweg of stroom. Graaf Ansfried
-heerschte door recht; zijn schoone vrouw, gravin Hereswit, deed het
-door liefde. Voor haar waren de menschen niet verdeeld in heeren en
-slaven, zij beschouwde hen als pelgrims reizend naar één Vaderhuis. Het
-beeld der eerste christengemeente, waarvan de leden kwamen en wat zij
-bezaten legden aan de voeten der Apostelen, werd haar ideaal. In haar
-huis waar geloof en liefde de richtsnoeren waren van gedachten en daden,
-heerschte de vrede, welken de wereld niet kent, doch dien zij te midden
-van haar zorg en onrust voor wat vergankelijk is, benijdt en --
-vruchteloos zoekt.
-
-„Kon zooveel geluk, steeds beschenen door de voorspoedszon, van langen
-duur zijn?” Soms vroeg „de heer van vijftien graafschappen” -- gelijk
-graaf Ansfried werd genoemd, -- zich dit af, wanneer hij zijn levenslot
-vergeleek met dat van veel, zéér veel anderen. Vooral bij vroegere
-studiegenooten wijlden vaak zijn gedachten, bij dien eenen niet het
-minst, dien hij voor het laatst had gezien in de schemering van een
-kerkgebouw, den opgeheven moorddolk in de vuist. Met een huivering
-herinnerde hij zich steeds dat vreeselijk oogenblik, tot de
-onbeantwoorde vraag rees: Wat werd van Rolfr, „den Deen”? Behelsde het
-gerucht waarheid, dat hij was gezien op een Vikingervloot, dat hij
-opnieuw Thor den beker plengde en zwoer bij Odins speer, in vlammen deed
-opgaan de kerken, waarin hij vroeger had gebeden?
-
-Het werd verhaald op een rijksdag, waar de keizer, gekroond met roem en
-eer, omstraald door geheel zijn vorstelijken luister, door de
-keurvorsten omstuwd, zat op zijn troon; waar de vrije ridders kwamen,
-evenals de rijksgraven, aan het hoofd van hun stoet, waar harnassen
-schitterden en de hooge geestelijkheid verscheen in statig plechtgewaad.
-En daar was het, dat allen luisterden naar het woord, van den heer der
-„vijftien graafschappen”, naar zijn raadgevingen, hoe het best een
-nieuwen inval der Noormannen, in de Rijnstreek, te weerstaan, beraamd --
-naar werd gemompeld -- door den geduchten Viking, Rolfr, wiens naam
-slechts werd geuit met een rilling van afschuw of een verwensching. En
-toen, na het zegevierend einde van den geduchten krijgstocht tegen de
-vermetele zeeschuimers, graaf Ansfried oorlof vroeg van den keizer, meer
-zijn vriend dan zijn heer, en terugkeerde naar zijn bezittingen, die hij
-terugvond aangevallen, verarmd, doch geheel uitgeplunderd, uitgemoord
-niet, en hij zijn vrouw zag, bloeiend als hij haar verliet, terwijl zijn
-dochtertje hem tegentrippelde met rozige wangen en zonnige oogen, vond
-hij zich toen niet opnieuw gezegend boven duizenden? Niet over een pas
-gedolven graf, het stof bevattend, van een hem dierbaarder dan eigen
-leven, voerde zijn weg naar huis.
-
-Stoffelijke verliezen had hij geleden door den inval der Denen, zijn
-vrienden wendden zich tot hem met deelnemend woord.... Waarom? Het
-kostbaarste was hem immers gebleven. Daar was geen leege plaats in zijn
-hart....
-
-Met purperen rozen was zijn pad bestrooid, zijn levensbeker schuimde van
-kristalheldere druppels; maar onder bloemen schuifelt de adder en in
-den doorzichtig klaren drank schuilt vaak gif -- niet onder den stralend
-blauwen Italiaanschen hemel alleen.
-
-Eenige weken waren voorbijgegaan. De avondwind klaagde om de hoektorens
-van het kasteel; alleen, in zijn bijzonder vertrek, bevond zich de
-burchtheer.
-
-Een perkament met roode koorden omstrikt, voorzien van het groote,
-afhangende keizerlijk zegel, lag ontrold voor hem op den eikenhouten
-disch. Een woord van hulde, hem gebracht door heer Otto, met den dank
-van het rijk voor zijn krijgsbeleid, zijn moed in de zware dagen, nog
-zoo nabij voor ieders ontstelde herinnering,... een nieuwe schenking van
-land en goed....
-
-„Waartoe zooveel zegen? Mijn God, wie ben ik, dat ik dit verdien? Deden
-niet allen hun plicht van den geringste tot den hoogste? Wat verrichtte
-ik meer?”
-
-Deemoed overmeesterde hem terwijl de menschen hem verhieven, de
-levensrozen voor hem geurden.... Toen schuifelde de slang....
-
-„Edele heer, vergunt gij ook uw nederigen dienaar een gelukwensch?”
-
-Een vleiende stem lispelde het woord. Met den avonddronk kwam Diederik,
-sinds enkele jaren zijn hofmeester. Het gezicht van dien man stond hem
-tegen, maar Hereswit had hem aanbevolen. Arm, uitgeschud, gebroken door
-het leven, had hij eens haar bescherming ingeroepen en bekwaam bleek hij
-voor de taak, die hem werd toevertrouwd. Ook ditmaal stond hij in
-nederige, bescheiden houding -- afwachtend. Zijn heer nam den beker, met
-welwillend woord, om er terstond op te laten volgen:
-
-„Waar is de gravin?”
-
-Hereswit was altijd de eerste, die hem tegemoet trad bij vreugde of
-rouw. Zij was, zij bleef de eerste voor hem; thans miste hij haar
-gelukwensch.
-
-Een geheimzinnige uitdrukking gleed over Diederiks trekken:
-
-„Mevrouwe bidt in de kapel bij de rivier, zij bidt daar dikwijls heer,
-in den laatsten tijd. Zeer dikwijls.”
-
-Een sluwe blik begeleidde zijn woorden, een ernstige het antwoord:
-
-„Voegt het u zoo te spreken van de gravin, die uw redster is geweest?”
-
-„Ik ben mevrouwe dankbaar, maar, mag ik daarom der waarheid te kort
-doen?”
-
-Twee oogen zagen hem aan, waarschuwend, doordringend:
-
-„Wat wilt gij zeggen? Er ligt een bedoeling in uw woorden? Spreek!”
-
-In zijn hart klonk het:
-
-„Wat kan Hereswit bewegen zoo laat en in ’t geheim haar huis te
-verlaten? Heeft zij verdriet, dat zij verbergt?”
-
-Hij dacht er aan, dat geen zoon hun was geboren, zij leden er door, maar
-zij leden samen.
-
-Maar de oogen van zijn dienaar kregen weer dien zonderlingen blik. En
-plotseling kwam een vreemde gewaarwording over hem, gelijk hij eens had
-gevoeld in Italië, toen de bodem onder hem wankelde. Het was of een
-nevel voor zijn oogen kwam of iets hem werd ontrukt, dat hem dierbaarder
-was geweest dan eigen leven. Donker werd die nevel -- nacht. En te
-midden der duisternis, verstikkend, beklemmend, drongen woorden tot hem
-door zonder samenhang, vol ontzettende beteekenis toch. Woorden, die
-behoorden tot den nacht.
-
-Maar hij beheerschte zich, wees den dienaar terug met een gebiedend:
-„Zwijg! Ga!”
-
-Zoo straf had tot dusver nooit een woord geklonken van zijn lippen. En
-Diederik ging onderdanig, sluipend, maar hij glimlachte toen zich de
-gesloten deur bevond tusschen zijn heer en hem.
-
-Deze was alleen achtergebleven, alleen. Verbijsterd zag hij om zich, als
-wezenloos. Een rilling liep door zijn leden, het was of hij van zich
-schudde wat hij had gehoord, wat hij niet gelooven wilde, nu niet,
-nòoit. Hereswit zoo open, zoo waar....
-
-Gaan mocht zij waar zij wilde, hij zou haar laten bespieden noch volgen.
-De kleine zijpoort zou nu evenmin worden afgesloten als te voren, --
-evenmin. De ridder met gesloten vizier, gezien door de landlieden, door
-het burchtgezin, toen hij streed ver van huis, hij zou vragen naar zijn
-naam noch blazoen, eer deze dit zelf bekend maakte. Ongehinderd zou hij
-de kapel kunnen binnentreden als te voren, ook wanneer zijn vrouw daar
-bad -- alleen, in den nacht.
-
-De duisternis was om hem, de wind loeide. Het scheen hem of zijn keel
-werd dichtgeknepen. Bleef hij daarom zwijgen, zwijgen ook toen hij meer
-dan een uur later de witte gestalte zag, zoo rank, zoo schoon, die ging
-door de kleine zijpoort en stil den voorhof betrad....
-
-Hij verried met geen enkelen klank wat schrijnde in zijn borst met
-knagende, ondraaglijke pijn, maar het gif van het wantrouwen werkte. Hij
-begon Hereswit te bespieden, aan ieder woord, elk gebaar schonk hij
-beteekenis. Hij vond haar anders dan te voren. ’s Nachts stond hij aan
-het venster, wakend, met bonzende slapen en dan zag hij haar gaan door
-de kleine zijpoort en dan zag hij haar terugkeeren bij den eersten,
-bleekrooden schijn van den rijzenden dag. De schroeiende pijn, als van
-een brandwond, verliet hem geen enkel oogenblik, bij dag noch bij nacht
--- maar hij zweeg.
-
-Toen klonk de lispelende stem opnieuw:
-
-„Heer, kort recht, goed recht! Is het ditmaal geen plicht uw eigen
-rechter te zijn? Behoort gij niet te waken voor de eer van uw naam, als
-anderen die vergeten?”
-
-Een handbeweging wees den hofmeester terug, maar opnieuw alleen gebleven
-streek hij zich de klamme druppels van het voorhoofd. Ja, het was zijn
-plicht, zijn ijzeren tijd wrong hem het wapen in de vuist; zou hij
-echter ooit kunnen vergelden wat hij zelf had doorgeleden? Feller dan
-een dolkstoot wondt trouweloosheid.
-
-Hij zag Hereswit gaan, opnieuw gaan en hij volgde haar langzaam, zonder
-omzien of aarzelen. Langs het eenzame veldpad begaf hij zich naar den
-boschrand, die zwart scheen in de schaduwen van den nacht.
-
-In de verte schemerden de golven der rivier. Daar waren de schaduwen
-minder dicht, daar verrees met muren, wit glinsterend in de duisternis,
-het nederige kerkje, half verborgen onder het breede kroongewelf van een
-eik, in wiens ruwe schors vervlogen eeuwen hun stempel drukten.
-
-De nachtelijke nevel werd uiteengevaagd; dooreen drijvende wolk viel de
-zilverschijn der maan. Zij goot haar licht door de geopende kerkdeur,
-over de witte gestalte, die nu zacht over den drempel trad. De man, die
-roerloos stond, tusschen het struikgewas, smoorde een kreet, waarin
-woede, wanhoop en hartstocht samensmolten. Met een ruk trok hij zijn
-zwaard, zijn oogen zagen in de leegte, toen hij het boschpad afstormde,
-dat hem scheidde van zijn wraak.
-
-Wild sloeg de deur open, het zwaard zocht zijn doel: het hart van een
-mensch en -- werd teruggetrokken, de vlijmende spits omlaag.
-
-Voor het altaar knielde een vrouw. Haar gelaat was omhoog geheven. In
-zacht gebed bewogen zich de lippen. De blanke luister van het maanlicht,
-dat door het kleine venster viel, scheen terug te stralen van haar
-voorhoofd.
-
-Zoo als zij had gewis ook eenmaal Hanna gebeden in Jeruzalems tempel...
-
-[Afbeelding]
-
-De man, die kwam met dood en vergelding in het hart, stond bewegingloos,
-minutenlang. De wolk van bloed, die zoo vele weken had geschemerd voor
-zijn oogen, werd uitgewischt door het licht, dat neergleed uit den
-hooge. Het was of zijn eigen ik hem ontzonk. Hij zag alleen de bleeke
-vrouw, die aan den vluchtenden tijd, aan zich zelve ontvoerd, bad, als
-aanschouwde zij reeds de zaligheid van het eeuwige land harer
-onsterfelijke toekomst.
-
-Hij durfde haar bijna niet aanzien; hij waagde niet zich te bewegen. De
-haat, het wantrouwen, de ijverzucht, zoo lang door hem gekoesterd, hoe
-verdwenen zij nu voor de werkelijkheid, als de nachtelijke nevelen voor
-het licht, dat thans blonk door de donkere wolken, ze omzoomde met
-zilveren glans. Geen onrustige flikkerschijn van purper en blauw, van
-flonkervolle regenboogstralen: alles sereen en puur -- als de in het
-witte kleed gehulde, in het gebed verzonken vrouw, wier woorden en daden
-steeds voor hem waren geweest doorzichtig als glas, en die hij had
-verdacht in zijn ijverzucht van een laaienden hartstocht, donker als de
-nacht, waarop geen hemellichten hun helderen glans laten vallen.
-
-Zijn geweldige, harde tijd had hem het wapen gewrongen in de vuist; het
-was zijn goed recht, het was hooge plicht zijn gehoonde eer te wreken,
-snel, onherroepelijk te wreken.
-
-En thans -- het ontbloote zwaard -- schrille tegenstelling met den
-gewijden vrede, dien het verbrak, ontzonk de saamgenepen vuist, die het
-voerde; kletterend rinkelde het neer op de groote steenen van den bodem.
-Op dezen wanklank der aarde wendde de knielende vrouw langzaam het hoofd
-om. De blik harer oogen scheen hem een azuren wonder. Als een zachte
-ademtocht klonk haar verwonderde stem:
-
-„O, wat is dat! Waarom een wapen hier?”
-
-Hij boog het hoofd op de borst, boog zich voor zijn jonge vrouw met haar
-kalme onschuld-oogen, voor haar, die stond in het volle licht.
-
-„Dood mij! Gij hebt er het recht toe! Ik”....
-
-Onsamenhangend beefden hem de woorden van de lippen, die haar
-verhaalden, hoe diep gezonken hij haar had geloofd.
-
-Zij luisterde zwijgend, met, o, zulk een droevigen trek om den kleinen
-mond!
-
-„En dat hebt gij kùnnen gelooven! Gij kent mij toch, zooveel jaren
-reeds!”
-
-Het gif van argwaan en ijverzucht werkt snel, hij wist het thans. Het
-was of het nu licht werd voor zijn blik. Ook hij trad uit de duisternis
--- nog niet volkomen.
-
-„Ik zal u wreken met bloedig, snel recht. Diederik boet met zijn leven
-zijn schuld, nog vóór de dag aanbreekt!”
-
-Welke oogen zagen hem aan, oogen vol hemelglans!
-
-„Indien hij waarheid had gesproken, was het uw recht geweest mij te doen
-boeten met den dood; nu is het mijn recht hier te beslissen. Er staat
-geschreven: „Wreekt uzelven niet!”
-
-Stil boog zij het hoofd, in haar oogen lag een gebed. Hij wist, dat zij
-genade afsmeekte voor den man, die haar meer had pogen te ontnemen, dan
-het leven alleen.
-
-„Mijn lelie, het is te veel!”
-
-Zijn stem beefde, hij zag tot haar op als tot een hooger wezen, ver
-verheven boven alles wat behoorde tot de aarde.... Maar haar glimlach
-welsprekender dan een woordenstroom, herhaalde: „Genade!”....
-
-En het geschiedde naar haar wil. Maar toen hij Diederik ontsloeg zonder
-een woord van verwijt, hem alleen zeggend aan wier voorspraak hij zijn
-verachtelijk leven dankte; hem alleen de waarheid afeischend, wat hem
-had gedreven tot zijn daad, toen klonk het hem tegen in een angst, te
-wanhopig om naar nieuwe uitvluchten te kunnen zoeken:
-
-„De Deensche aanvoerder, die hier plunderend het land afliep, toen gij,
-heer, streedt aan den Rijn, gaf mij goud, veel goud op voorwaarde”....
-
-Het heete bloed steeg graaf Ansfried opnieuw naar de bonzende slapen.
-Rolfr, altijd Rolfr! Hij had ook eenmaal gedongen naar de gunst der
-schoone Hereswit van Strijen -- vruchteloos. Sinds zocht hij zijn wraak.
-Zou die thans voldaan zijn of....
-
- * * * * *
-
-Opnieuw waren vele jaren opgeteekend in de geschiedrollen van het
-verleden. Aan een stormenden springvloed gelijk bleef het onrustige
-jaarhonderd. Veel krachtsinspanning vorderde het van denkende hoofden en
-moedige handen, van graaf Ansfried bovenal. Raadsheer van den keizer,
-veldheer in den slag, beslechter van meer dan één twist tusschen
-naijverige prelaten... het leven stelde hem zware eischen. Doch hij
-telde geen moeite, geen dagen van onrust, geen weken van strijd of
-overwinning, van bezwaren of nederlaag. Als hooge plicht lag het leven
-voor hem. Hij wist wie hem den weg gewezen had.
-
-Maar eens, toen hij opnieuw terugkeerde, na maandenlang afzijn hijgend
-naar rust, naar huis, toen vlamde de avondlucht donkerrood, als laaiend
-van wreede zegepraal, daar waar de torenspitsen van zijn slot zich
-ophieven aan den horizon. Hoog rezen en daalden de vlammen met den gloed
-van een smeltoven. Tot wilder ren spoorde hij zijn paard. Zijn ridders
-en speerknechten volgden hem als in wedloop met den wind en toen zij
-eindelijk Casallum bereikten, eindelijk! -- in slechts weinig minuten
-was het laatste gedeelte van den weg afgelegd, maar dat korte
-tijdsverloop besloot het leed van jaren -- toen vond hij zijn vrouw met
-Benedicta, zijn oudste dochter, handenwringend om het verlies der
-jongste. Gisela was in de vlammen omgekomen, maar vruchteloos werd haar
-lijk gezocht....
-
-Wie droeg schuld aan de nieuwe misdaad? Een puinhoop was Casallum nu. Of
-was alleen een ongeluk oorzaak van de ramp?
-
-Weer vlogen zijn gedachten naar Rolfr, den Deen. Rolfr Jarl, luidde
-thans zijn naam. Hij was de zwaardgenoot geweest van een der Noorsche
-koningen, vele jaren, bij menigen woesten krijgstocht. Dat schonk hem
-dien titel. Doch sinds eenigen tijd bezat hij de goederen van zijn
-bloedverwant. Toen had hij zich laten doopen en de nieuwe keizer, wien
-de kracht en onverschrokkenheid van Otto den Groote vreemd waren,
-begeerig om een geduchten Viking te herscheppen in een gehoorzamen
-onderdaan, had vergeten en zijn hulde en manschap aangenomen.
-
-Thans leefde Rolfr Jarl op zijn bezittingen eenige uren van Utrecht,
-maar er werd gemompeld, dat het beeld van Odin met de opgeheven speer
-achter een gordijn was verborgen in zijn vertrek, naast dat van Thor met
-den geduchten hamer....
-
-Er waren evenwel aanduidingen noch bewijzen omtrent den brand....
-
-Casallum was zoo afgelegen, niemand kon beslissen over de oorzaak van
-het onheil. Maar de beroofde moeder, in het hart getroffen, treurde
-gelijk eenmaal Rachel deed. Welke uitdrukking lag in de diepte van haar
-oogen, wat was in elk harer bewegingen, dat wien haar zag de keel als
-toesnoerde?
-
-En eens, toen buiten de zomernacht glansde en de maan een breed tapijt
-van zilver ontrolde over weide en woud, stond zij voor hem, een blank
-perkament in haar gevouwen witte handen. Haar stille oogen vestigden
-zich op hem met ernstigen blik, haar stem klonk schier klankloos, als
-van een die heeft geleden en gestreden, maandenlang.
-
-„Wilt gij dit lezen?”
-
-Zij gaf hem het perkament. Hij voelde een schok door zijn leden gaan.
-
-Hij las. Het scheen hem of het maanwitte veld donker werd of de sterren
-hun glans verloren.
-
-„Gij wilt van mij gaan! En Benedicta nam den sluier, en Gisela”....
-Zijn krachtige stem beefde, het scheen hem zoo zwaar, een leven geheel
-verlaten, zonder liefde, zonder geluk.... Zij vouwde haar handen om zijn
-arm en begroef haar gelaat tegen zijn schouder met smeekend, droevig
-gebaar. Maar de vaste overtuiging van haar hart was in haar stem, toen
-zij antwoordde:
-
-„God geeft ons zooveel en wij doen zoo weinig om Hem onze dankbaarheid
-te toonen. Soms vraag ik mij af:
-
-„Leefden wij ook te veel voor ons zelven, voor ons geluk en werd
-daarom”....
-
-Haar stem brak, zij kòn den naam niet uiten van het kind, dat haar was
-ontroofd.
-
-„God alleen geeft mij kracht om het vreeselijke te dragen. Hij heeft
-gegeven, Hij heeft genomen, geloofd zij Zijn naam. Maar o, laat mij de
-levensjaren, die mij nog geschonken zullen worden, geheel wijden aan
-Zijn dienst, evenals ik eens Hem de uren offerde van mijn nachtelijke
-rust. Laat mij mogen bidden voor mijn arm kind. Waar moet ik het zoeken,
-bij de levenden, bij de dooden?.... Ik weet het niet. Hem alleen is het
-bekend, Die beslist over der menschen leven en lot.”
-
-Haar denkbeelden waren geheel volgens den geest van den tijd, die het
-geestelijke leven stelde ver boven het wereldsche. Zijn hart, zijn
-moedig krijgsmanshart, brak van deernis bij haar klacht, brak in
-medeleed. Opnieuw zag hij het perkament in. Het behelsde de
-schenkingsoorkonde aan het klooster van Thorn, waar Benedicta de
-gelofte had afgelegd, der uitgestrekte bezittingen van Hereswit van
-Strijen.
-
- * * * * *
-
-Rondom was stilte, ook in het vertrek, vele, vele oogenblikken. Ten
-laatste hernam hij:
-
-„Over uw bezittingen kunt gij niet beter beschikken dan ter uitbreiding
-van Gods kerk op aarde. Maar gij zelve wilt u afscheiden van de wereld,
-mij verlaten voor de dood ons scheidt? Dat pijnt.”
-
-Haar stem klonk dof van overstelpend leed:
-
-„Christus gaf Zijn leven voor ons, mogen wij Hem dan niet offeren ons
-levensgeluk? Volg mijn voorbeeld, scheid van de wereld, wijd uw verder
-leven aan den dienst van God. Wie beslist of de ure niet spoedig zal
-daar zijn, waarin Hij ons roept voor Zijn gericht? Nadert niet het jaar
-duizend?”
-
-Hij begreep haar zinspeling. Reeds nu stroomde het volk naar de kerken
-en namen met den dag de schenkingen toe, die aanvingen: „Voor de rust
-mijner ziel, bij het aanstaande vergaan der wereld....” En velen zagen
-in de verwoestende invallen der Denen een teeken der nadering van den
-Antichrist....
-
-Maar langzaam vloeiden de tranen door de half geloken oogleden der
-beroofde moeder, toen zij stil hernam:
-
-„Geloof niet, dat ik mij wil wijden aan den dienst van God uit angst
-voor Zijn naderend oordeel. Het is ook niet, omdat mijn hart ziek is van
-leed of omdat ik u niet meer liefheb als uw vrouw. Dat is het niet,
-maar de aarde en de hemel hebben met elkander gestreden in mijn hart en
-de hemel heeft overwonnen.”
-
-Hij zweeg een wijle:
-
-„Geef mij tijd om na te denken, ik zeg u dan later mijn besluit.”
-
-Toen legde zij haar handen in de zijne, vertrouwend, vol overgave, maar
-uit den kus dien zij elkander gaven, eer zij hem verliet, was iedere
-hartstocht geweken, alleen de liefde was er in over gebleven, die niet
-zich zelve zoekt, die, diep en onpeilbaar als de zee, geen woorden bezit
-om zich te uiten.
-
-Doch, toen na vele dagen van strijd en zelfonderzoek, haar zijn besluit
-tegenklonk:
-
-„Wij zullen elkander niet terugzien in deze wereld. Mogen wij elkander
-eens hervinden in hooger bestaan;” toen zweefde de doodsengel over zijn
-drempel en diens aanraking was hier de heelende balsem voor een gebroken
-moederhart.
-
-En toen, kort na dien dag, die hem het liefste ontnam wat hij bezat, de
-graaf van Teisterbant zich gereed maakte zelf afstand te doen van de
-wereld, van aardsche macht en aanzien, toen stonden daar de
-afgevaardigden van den keizer en riepen hem tot het hoogste kerkelijk
-ambt in zijn vaderland, tot plichten zwaarder dan eenig wereldlijk gezag
-kon insluiten. Geroepen werd hij om den ledigstaanden zetel te bekleeden
-van den bisschop van Utrecht.
-
-Niet in stille afzondering, bij bespiegeling en gebed, tusschen
-zwijgende kloostermuren; te midden van het volle leven eischte God zijn
-toewijding, zijn kracht.
-
-Hij aanvaardde de gewichtige taak hem toevertrouwd door Hooger hand.
-
-En thans voerde in zijn nieuwen werkkring het leven hem nogmaals
-tegenover zijn ouden tegenstander: Rolfr, den Deen....
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Dien avond, toen Rolfr Jarl de landbewoners uit den omtrek had bevolen
-bij den grafheuvel van Roruk, bleef Yglo’s moeder alleen achter in het
-woonvertrek harer hoeve.
-
-Zij rilde, de koorts steeg met den nacht; een benauwde hoest deed haar
-kreunen van pijn. Haar man, haar zoon had zij zien heengaan op bevel van
-den gevreesden Jarl. Nu was de eenzaamheid om haar heen. Zij kroop naar
-het vuur, klappertandend.
-
-„Och Heer, help! Geef uitkomst! Doe het nu!”
-
-Haar stem smoorde in een rauwen hoest, zij zweeg en wachtte, -- wachtte.
-
-Maar de tijd ging voort, hij duurde zoo lang. Klamme druppels parelden
-de kranke op het koude voorhoofd:
-
-„Als ik nu eens stierf, alleen... en zij bij het offervuur van een
-heidenschen afgod! Och, lieve Heer, help!”
-
-Een voetstap kraakte op het zand. In de deur stond een gebogen gedaante.
-Een doffe stem vroeg:
-
-„Hoe gaat het, moeder Anna? ’k Had een gevoel of ik hier noodig was. Ik
-wist er al van. Rolfr Jarl... vloek over hem en de Denen. Sinds zij in
-’t land kwamen is mijn woning gelijk aan het hol van een beer of vos,
-wordt het voedsel, dat ik zelf verdiende of opgaarde, mij nog betwist.”
-
-„Lisa, o, Lisa, denk toch niet het meest om de tijdelijke dingen! Dezen
-nacht wordt er geofferd aan Wodan! Henno is er bij en Yglo en de
-bisschop zegt, dat de Heer gebiedt: „Gij zult geen andere goden voor
-mijn aangezicht hebben. O, Lisa!”
-
-Met bevende hand streek de bleeke vrouw zich het grijze haar uit het
-koude gelaat. De hoest verscheurde opnieuw haar borst. Tusschen hijgend
-ademhalen klonk het:
-
-„Ik sterf en zij zijn dààr... bij het vuur”....
-
-O, de wanhoop van die uitgemergelde trekken! Oude Lisa’s hart, zoolang
-versteend in eigen leed, brak van medelijden.
-
-Zij zag naar buiten: de nevel hing als een zilveren wade over het veld.
-Hoog door de lucht trok een vogelzwerm met vreemde klaagklanken.
-
-Vogels aan den linkerkant! Angstig sloeg zij een kruis... Toen zag zij
-nog eens naar het veld en de kronkelende paden.
-
-De weg zou lang zijn en zwaar voor iemand als zij met zulk een
-strompelenden gang, maar die radelooze vrouw voor haar met het gelaat
-van een stervende... „Ik zal gaan en hen halen! Houd je goed, buurvrouw,
-houd moed!”
-
-Zij greep haar stok, maar de kranke trachtte zich op te richten met haar
-laatste kracht:
-
-„Laat me niet alleen sterven, geheel alleen!... Bid; God zal helpen!”...
-
-En beiden fluisterden, de eene het schier verleerde, de andere het nooit
-vergeten gebed:
-
-„Onze vader, die in de hemelen zijt”... Maar toen Yglo’s moeder sprak
-met bezwijkende kracht: „Uw wil geschiede!” toen haperde haar stem en
-boog zij het hoofd op de borst en wachtte af wat die wil zijn zou.
-
-Een zacht gedruisch. In de deuropening stond Trutha, omgolfd door het
-zilveren licht der maan, dat den nevel had doen wijken. Aan haar oogen
-was het te zien, dat zij had geschreid, maar groote zielevrede rustte op
-haar jong gezichtje. Nog voor zij een woord kon zeggen, omknelde oude
-Lisa haar hand:
-
-„Trutha! Trutha! goed dat je komt! Roep Henno en Yglo! Zij zijn bij den
-grafheuvel op bevel van den Jarl!” Haar hand wees naar de half bezwijmde
-vrouw. Trutha begreep en snelde heen.
-
-„Zij zal er eerder komen dan ik, rap als een hinde gaat zij over den
-weg,” prevelde Lisa. Toen zonk zij op de knieën:
-
-„Ik zal nooit meer twijfelen aan uw goedheid, Heer! Gij zelf hebt haar
-gezonden!”
-
-Bewusteloos lag Yglo’s moeder, het vredige, witte licht omzweefde haar.
-
- * * * * *
-
-Door de velden snelde Trutha. Tusschen de dichte bladerengewelven der
-boomen hing de lucht donker en zwaar. Groote schaduwplekken wierpen de
-eikenkruinen tot ver over den woudzoom. Behoedzaam verliet zij het
-veldpad, dat zich slingerde in het licht als een zilveren lint;
-voorzichtig zocht zij de schaduw der boomen. Indien de Jarl eens wachten
-had uitgezet en die haar zagen of als zij trapte op een der kringen door
-de gevreesde zwartalven achtergelaten op het grazige pad!.... Zij wist
-immers, dat men elvenblad mocht afsnijden, noch vee in de weide laten,
-na zonsondergang. Want het nachtkruid behoorde aan de alven en wie het
-plukte moest sterven.[9] Evenmin als een der overige landbewoners zou
-zij daarom ooit hebben gewaagd in een weide te slapen. Wanne Thekla, de
-alvenkoningin zou uit haar luchtschip -- de drijvende wolken -- een
-onzichtbaren pijl hebben afgeschoten op den vermetele, die den alven
-belette hun rijen te dansen bij helderen nacht. Lokken zouden zij hem in
-het moeras met hun dwalende lichten.
-
-Bevreesd voor de geheimzinnige wezens, die haar ook nu gewis omgaven,
-ging Trutha verder. De eene angstige gedachte verdrong de andere, tot
-zij eensklaps werden vervangen door een herinnering, die met zich voerde
-een wonder gevoel van vrede en rust; het was of het suizen van een
-zachte koelte haar omgaf na het branden van den gloeienden middaggloed.
-Klonk inderdaad de stem van bisschop Ansfried of rees een vervlogen,
-nooit vergeten uur op voor haar geest: „De Heer is mijn herder”....
-
-Zoo had hij eens gezegd.
-
-De Heer! De Schepper van het eindeloos heelal, Die zonnen en sterren hun
-banen voorschreef, die werelden te voorschijn riep uit het niet, Hij was
-haar herder, Hij vergat ook haar, Zijn arm kind niet, dat dwaalde door
-nacht en nevel, alleen. Hij was haar nabij. Mocht zij dan nog vreezen
-voor nachtgeesten en zwartalven?
-
-Diep ademhalend, herademend verhaastte zij haar tred. In de schaduw door
-de forsche stammen geworpen slingerde nu de weg, dien zij gaan moest,
-dien zij ging zonder vrees of aarzeling. En toch hoe donker was het nu
-weer. Zij kon op kringen trappen.... Nu glimlachte zij er bijna om: als
-de alven die hadden achtergelaten, waren zij toch niet dè machtigsten.
-Eén”....
-
-Plotseling stond zij stil, met een uitroep van schrik. Wat lag daar voor
-haar, dwars op den weg? Een mensch, een boomstam.... beiden? Zij boog
-zich voorover om te zien en haar ademhaling ging gejaagd en krampachtig
-klemde zij de handen ineen. In de nabijheid ruischt een beekje met zacht
-geklater, de trillers van den nachtegaal klinken wonderzoet, het licht
-rijst hooger, dat de duisternis verdrijft en in haar hart is het nacht.
-Want daar ligt hij voor haar, Yglo, bloedend, bewusteloos, dood
-misschien, klaarblijkelijk gestruikeld over den boomstam, dien de storm
-had geworpen op het pad, slechts weinige dagen te voren.
-
-Trutha weende noch wrong de handen. Zij deed wat haar hand vond om te
-doen. En het verband, dat zij legde om het voorhoofd van den gewonde,
-dat zij verkreeg door een stuk af te scheuren van haar eigen kleed; het
-water, dat zij voor hem schepte uit de beek, koel, reddend water,
-brachten hem bij, na vele oogenblikken, waarin de levende meer leed dan
-hij die schijnbaar neerlag als een doode.
-
-Langzaam opende Yglo de oogen. Voor de spanning van Trutha’s zielsangst
-scheen het, dat uren voorbij waren gegaan, sinds zij hem vond.
-
-Nog altijd drong geen geluid over zijn lippen, weer verdubbelde zij haar
-pogingen, ook toen hij opnieuw neerlag, strak en roerloos. En de
-frissche waterdruppels brachten ook hier redding aan, nog een korte
-poos, toen zag hij met bewustzijn om zich heen, zocht zijn blik zijn
-redster, met klaar begrip.
-
-Trutha’s oogen lichtten, haar stem had den diepen klank van een
-dankbaarheid, die moeite heeft om woorden te vinden, toen zij snikte:
-
-„O, God hoe zal ik U danken, hoe kan ik het ooit!”
-
-Zij stond rechtop, de handen gevouwen, haar blik zag omhoog. Toen
-doortrilde haar een schok; in de wazige verte begon het te kleuren van
-rosachtig licht en lichtend rood, de blanke nevel vlamde. Nu hief Rolfr
-Jarl gewis de van bloed druipende handen op bij het onheilig offervuur.
-De roode schijn in de verte wees Yglo den weg en herinnerde haar waarom
-zij hier was gekomen. Zij hielp hem zich oprichten in haar krachtige,
-jonge armen.
-
-„Yglo, kom mee, je moeder roept je! Zij is erg ziek.”
-
-Hij schudde het hoofd, zijn hand hief zich op naar den weerschijn van
-den vuurgloed in de verte.
-
-„Ik moet dáárheen. Je weet het, Trutha. Anders blijven wij gescheiden,
-ons gansche leven.”
-
-Zij zag hem aan, ernstig, droevig, met de rust van een groot besluit in
-haar schuchtere oogen. Toen verhaalde zij hem alles wat de bisschop had
-gezegd. Diep bedroefd had hij geluisterd:
-
-„Rolfr Jarl vergeeft nooit iets. Vader is daar en Walger en al de vrijen
-uit den omtrek. Als ik ontbreek dan”....
-
-Zij vouwde de handen om zijn arm met hartstochtelijk smeekgebaar:
-
-„Laat alles komen zoo als het moet. Doe wat God wil, denk niet langer om
-wat wij zelf wenschen. Dan zal alles goed wezen, misschien niet hier,
-maar zeker toch in het andere leven. God alleen weet wat best is. Doe
-nooit -- al denkt gij er ook alles bij te verliezen -- wat gij weet, dat
-Hij afkeurt. Dat heeft de bisschop mij gezegd.”
-
-Het was hem of een engel tot hem sprak door haar mond:
-
-„Denk je, dat het toeval was, die boomstam op den weg, waardoor je bent
-gestruikeld?
-
-Kom mee naar huis, uw moeder is erg ziek, heel erg. Zij roept om je”....
-
-Met een schok leunde Yglo op haar arm. Zijn oogen brandden van angst. Nu
-begreep hij -- een vaste trek kwam op zijn jong gezicht. Zij vingen den
-terugweg aan. Rondom was stilte en het suizen van het woud. De roode
-schijn van het offervuur verglom in de verte....
-
- * * * * *
-
-Een nieuwe morgen lichtte. Rozeroode wolkjes dreven langs de lucht. De
-velden ontvingen glans en kleur. Maar uit de hoeve van Henno klonken
-droeve klaagzangen. In den donkersten hoek van het woonvertrek lichtte
-iets, schemerwit: een laken gespreid over een strooleger, over een
-roerlooze gestalte. Twee kaarsen ontstoken aan het hoofdeinde, dienden
-om de booze geesten te verjagen. Aan het voeteneinde zaten de
-klaagvrouwen. Met oogen overwolkt van droefheid knielden Trutha en Yglo
-naast de doode. Zij had beiden gezegend met haar laatste kracht en tot
-haar zoon gefluisterd:
-
-„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op”.... om te
-vervolgen met schier onhoorbare stem:
-
-„Mijne kinderen, gij behoeft uw kruisweg niet alleen te gaan. Een
-Machtige leidt u en gaat u voor. Volgt den Heer, dan komt gij waarheen
-ik nu ga, in Zijn eeuwig huis.”
-
-Tranen hadden beider stem verstikt, maar een glimlach, verhalend van een
-vrede, die niet behoorde tot dèze wereld, speelde over het gelaat der
-doode. Kende zij de stille gelofte, afgelegd in twee diep bewogen jonge
-harten? Snelle voetstappen knarsten op het zand, een vaalbleek gelaat
-verscheen in de deuropening. Radeloos wrong Henno de handen op het
-gezicht der doode, op dat der levenden.
-
-„O, vrouw! o, kinderen! o, vrouw!”.... Hopeloos herhaalde hij aldoor
-hetzelfde, toen sprong hij toe op de deur om den grendel er voor te
-schuiven, om den schutbalk in de opening van de haag te leggen, als
-wilde hij een dreigend gevaar buiten sluiten. Maar met een schreeuw
-deinsde hij terug:
-
-„Daar is het al! Daar komt het! Genade, o, genade!”
-
-Verbaasd zag Swanwitha, die nu binnentrad, naar den man, die zich in ’t
-stof wrong aan haar voet. Waarom deed haar komst hem zoo ontstellen?
-
-„Henno, bedaar toch! Ik kwam nog eens naar moeder Anna zien, ik wist
-niet dat zij reeds”....
-
-Haar zachte blik, rustend op het witte leger in den donkeren hoek, vulde
-haar woorden aan, haar gelaat scheen bijna even kleurloos als dat der
-ontslapene. Henno kermde:
-
-„Komt gij dan niet op last van den Jarl? Yglo was niet bij het offer,
-dezen nacht. Toen heeft de Jarl gezworen hem levend te zullen spietsen.
-O, Yglo, mijn zoon, mijn zoon! Eerst mijn vrouw, mijn kind nu.... mijn
-eenige.... o, Yglo, Yglo!”
-
-Die hartbrekende jammer op dat van smart verteerde gezicht! Tranen
-druppelden door Swanwitha’s oogleden.
-
-„Henno, zeg mij alles; misschien weet ik nog een middel,” sprak zij
-zacht. In korte, afgebroken woorden werd haar alles meegedeeld. Eentonig
-zongen daar tusschen de klaagvrouwen haar refrein, zacht flikkerden de
-kaarsen, wit was het gelaat der doode. Maar toen Henno zweeg, sloeg
-Swanwitha de oogen naar hem op en haar blik glansde door haar tranen
-heen. Beslist sprak zij:
-
-„Yglo en Trutha, gij moet terstond vluchten. Mijn heer grootvader heeft
-mij vier eigenhoorige maagden afgestaan om mij te volgen, na mijn
-huwelijk” -- hoe aarzelend klonk dit laatste woord -- „waar ik ga. Gij,
-Trutha behoort er toe. Ik schenk u de vrijheid. Ga waar de weg en de zon
-u voeren, als vrije vrouw.
-
-Laat lang groeien uw lokken, ten teeken, dat niemand het recht heeft de
-hand op u te leggen, om u te verklaren voor belmundig of eigenhoorig.”
-
-Maar terwijl Yglo zijn verbaasden dank stamelde, en Trutha zich
-neerwierp om den zoom te kussen van het gewaad der jonkvrouw, ging
-Henno’s ademhaling hijgend. Zijn oogen waren op zijn zoon gericht, vol
-angst:
-
-„Jonkvrouw, wij weten het allen hier in den omtrek, hoe velen gij hebt
-bijgestaan in dagen van ziekte en tegenspoed. Zij leven op aarde om u te
-zegenen of zullen u eens welkom heeten in -- het andere land.” --
-Aarzelend werden de laatste woorden geuit. Dien nacht had hij
-verloochend, waarin hij eens had geloofd. -- Maar weer waren zijn oogen
-op zijn zoon, en hij hernam:
-
-„Thans doet gij meer dan een van ons zou kunnen hopen of wenschen.
-Trutha geeft gij de vrijheid, hooger gift dan het leven, maar o,
-bloedbloemen vlecht gij haar als bruidskrans door het haar!”
-
-„Bloedbloemen?” -- De jongelieden herhaalden het verschrikt, schuw
-fluisterden de klaagvrouwen, die nog steeds de wacht hielden bij het
-lijk.
-
-„Zal Rolfr Jarl hen verschoonen, haar en hem? Nooit zal hij uw besluit
-goedkeuren, beweren zal hij, dat Yglo zijn bruid heeft ontvoerd en
-dan”.... Zijn doffe blik week niet van zijns zoons gezicht, al de
-verschrikkingen, die de folterkelder van den Ravenhorst verborg in zijn
-donkere diepte, zag hij voor zich. Koude druppels gleden langs zijn
-grijze haren af langs zijn slapen.
-
-„Vader, kom tot u zelven! De Jarl zal ons niets doen, als gij hem tot
-erfgenaam maakt uwer vrije, vererfbare hoeve.” Liefkoozend streek Yglo
-hem het vochtige haar van het voorhoofd, ook zijn krachtige hand beefde.
-
-„Ons huis, onze eigen vrije woning! Mijn moeder stierf er in, zooals nu
-de uwe en gij werdt hier geboren.”
-
-O, die wanhoop op dat dierbare, oude gelaat! Het was meer dan Yglo kon
-dragen! Toch was het de eenige uitweg. Vastbesloten nam hij een
-stroohalm van den vloer en wierp dien ver van zich.
-
-„Hier doe ik afstand van mijns vaders huis en goed, volgens de zede der
-vaderen,” sprak hij overluid. Zijn oogen volgden den kring, dien de
-stroohalm beschreef, ver van hem verwijderd viel hij neer. Hij had zich
-losgemaakt van zijn erfdeel. Henno zag het, nu was het beslist. Hij hief
-de hand op:
-
-„Zoo zijt gij vrij van huis en hof, van vliet en veld. Ga waar de wind u
-voert en de weg u leidt.”
-
-„Houdt u schuil te Utrecht een jaar en een dag. Dan kan geen enkele
-rechtsvordering meer tegen u gelden. Stadrecht breekt landrecht.[10] De
-bisschop zal u beschermen.”
-
-In de stilte, die volgde op Swanwitha’s woorden, die vooraf gingen aan
-het bitter vaarwel, mengde zich het gedruisch van vele paardenhoeven,
-het zwol aan, kwam nader...
-
-„De speerruiters van den Ravenhorst rijden! Yglo, zij zoeken u! De Jarl
-heeft het gedreigd, dezen nacht: Hij zag te vergeefs naar u uit!”
-
-Bijna zinneloos van schrik, kwamen Henno hortend en stootend de woorden
-over de lippen.
-
-Luid jammerend wierp hij zich op den grond.
-
-„Vlucht naar den Hohorst, door kreupelbosch en moeras. Daar kunnen zij u
-niet volgen. Het altaar is een vrijplaats. Haast u! Verlaat de hoeve aan
-de achterzijde, daar staan de boomen dicht!”
-
-De beide vluchtelingen konden slechts snikken tot Swanwitha:
-
-„O, onze redster, onze redster! Wees gezegend met den zegen dien gij
-verspreidt!”... Toen omarmden zij krampachtig den levende en de doode en
-gingen het onbekende tegen.
-
-Slechts weinige uren later brandde het dak boven Henno’s hoofd. En, toen
-hij zich naar buiten sleepte, in de armen het levenloos overschot zijner
-vrouw, toen stonden daar de speerruiters als een ijzeren haag en wierpen
-haar terug in de vlammen en voerden hem mee naar den Ravenhorst.
-Gesnoerd met koorden, die scherp sneden in zijn lichaam, werd hij aan
-„de kaeck” gesteld op den blauwen steen. Hoelang zou deze eerste
-foltering duren? „Tot regen en zon uw gebeente verbleeken,” had Rolfr
-Jarl gezegd, met zijn wreeden lach en verschrikkelijk was zijn gelaat
-geweest om aan te zien bij dat woord. Hij was niet de eenige, die werd
-getuchtigd. De vrouw van Walger werd, tot straf, dat zij zich had verzet
-tegen den gang van haar man naar het offervuur, achterwaarts op een ezel
-gebonden, geleid van hoeve tot hoeve. De smadelijkste tocht, die bestond
-voor een vrijgeboren vrouw. Eigenhoorigen van den Ravenhorst braken de
-helft van het dak af harer woning; de straf voor een tweedrachtig
-echtpaar.
-
-Walger zelf hing onderwijl in een mand boven de gracht van den
-Ravenhorst. Hij zou de touwen van die mand zelf moeten afsnijden en, na
-zijn val in het water -- als hij nog levend den oever bereikte --
-vernemen welke straf hem verder wachtte.
-
-Op Yglo’s hoofd was een bloedprijs gesteld, veroordeeld tot de put werd
-Trutha...
-
-Rolfrs lippen krulden zich zegevierend, terwijl hij op en neer ging in
-zijn hooge hal. Hij zag zijn slachtoffers en was voldaan.
-
-„Kort recht, goed recht! Ik heb er nu den schrik in, allen doen wat ik
-wil! De geheele streek is als was in mijn hand.”
-
-Hij dacht aan de berichten hem door den aanvoerder zijner ruiters
-gebracht, hoe vrijen en onvrijen sidderend bogen voor zijn bevelen,
-indien slechts hun ellendig leven, en hun schamel eigendom bleven
-gespaard.
-
-Rolfr kneep zijn oogen half toe, als een op de loer liggend roofdier.
-
-„Als Yglo en die deern naar den Hohorst zijn gevlucht, komt het mij goed
-te stade. Dan heb ik het recht haar op te eischen en de bisschop zal
-haar willen beschermen. Uitstekend!”
-
-Swanwitha kwam. Zij was zeer bleek, van droefheid vertrokken waren haar
-lippen.
-
-„Grootvader, wees barmhartig voor”.... Zij zag in een aschgrauw,
-verwrongen gezicht. Een zweepslag striemde haar.
-
-„Ga weg! Ik wil niets meer met je te doen hebben!” Zijn razende drift
-overmeesterde hem, rood wolkte het voor zijn oogen, het benam hem schier
-de bezinning, zijn geregeld denken stond stil.
-
-„Weg! Weg!”
-
-De zweep zwiepte opnieuw door de lucht, voort dreef hij zijn
-kleindochter door hal en hof, de poort sloeg achter haar toe....
-
-In haar torenvertrek wierp vrouw Sigrid de runen. Wat las zij? Haar
-trekken werden vaal.
-
-Op den heirweg reed Olaf met zijn gewapenden stoet. Hij ging de vloot
-zoeken -- zij moest nu reeds zijn geankerd -- om de bemanning te voeren
-in het hart van het land.
-
-Bewusteloos lag Swanwitha op den drempel van haar huis. Zij wist niet,
-dat oude Lisa haar hoofd ophief, dat de klaagvrouwen, die met haar
-Henno’s brandende woning waren ontvlucht, haar behoedzaam voortdroegen.
-
-De avondwind huiverde over het land, rood ging de zon onder.
-
- [9] Wolf: Niederländische Sagen.
-
- [10] Noordewier Ned. rechtsoudheden.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
- „Gelukkig Utrecht, uitverkoren moeder der steden,
- gij bezit nu een heer, die aller lofspraak verdient,
- Ansfried is door zijn verdienste uw sieraad, uw bisschop,
- hij is de aan deugden rijke belijder des Heeren.
-
- Voorheen beschermde hij met zijn zwaard het land en zijne bewoners
- nu is hij de wachter der kerk, de heilige priester --
- De drager des zwaards bestuurt nu de harten des volks;
- de fiere soldaat is verkeerd in een man des gebeds.
-
- Zoo is het gewoel des krijgs in beter veranderd,
- Van geduchten krijger werd hij minnaar des vredes,
- van aanvoerder der strijdmacht, leider der zielen.”
-
-Twee jonge leekebroeders zongen met heldere stem de Leonische strofen,
-een beeld der vreugde waarmee eenmaal de benoeming door den keizer van
-graaf Ansfried van Teisterbant tot bisschop van Utrecht was begroet. Met
-moeite -- zij kwamen terug van de vischvangst -- stuurden de zangers hun
-bootje door belemmerende rietbosschen en lischstruiken, naar de
-landingsplaats van den Hohorst.
-
-Roerloos als gesmolten metaal lag het water, schitterend in den
-zonnegloed, waar het riet geen donkere schaduwplekken wierp op zijn
-effen vlak. Bisschop Ansfried, weer alleen in zijn werkkamer, zag de
-moeitevolle pogingen der visschers en hoorde hun zang. Een flauwe
-glimlach speelde om zijn ernstigen mond.
-
-„Nog vóór de dam gemaakt is, die mijn Hohorst verbindt met het land, zal
-ik toonen, dat ik nog niet geheel den tijd ben vergeten, toen ik mij het
-zwaard aangordde. Ditmaal echter zal het een heiligen strijd gelden, een
-zwaren tevens.”
-
-Zijn doordringende blik zocht nogmaals het ontrolde perkament, dat voor
-hem lag. Hij las:
-
-„In den naam der Heilige en onverdeelbare drie-eenigheid, Otto III door
-Gods verzoenende goedertierenheid Koning. Dat het kennelijk zij aan al
-onze getrouwen zoo tegenwoordige als toekomende, dat wij alle
-grondgebied, dat Poppo, zoon van Walger voorheen bezat, ook dat in het
-graafschap Teisterbant en de heerlijkheid Arclo in eeuwig eigendom
-afstaan aan het bisdom Utrecht”....[11]
-
-De bisschop las niet verder: tol en muntrecht te Arclo, het jachtrecht
-in geheel Drenthe werden hem tevens verleend. Zij liet hem niet
-onverschillig, die nieuwe, onverwachte keizerlijke gunst, maar geen
-bevordering van eigen belangen zocht hij.
-
-In het vertrekje naast het zijne bevond Unruoch zich. Hij riep hem. Hij
-zag hem binnenkomen werktuiglijk, het gelaat strak, recht voor zich
-uitstarend de oogen:
-
-„Unruoch, weet ge wat er heden nacht is gebeurd?”
-
-„Ik heb niets gehoord.” Gedempt klonk zijn steeds zoo klankvolle stem,
-lusteloos bleef zijn houding.
-
-„Rolfr van den Ravenhorst, heeft, gebruik makend van den angst voor den
-ondergang der wereld, die in ieder hart bijna stijgt met den dag, het
-landvolk van den geheelen omtrek bijeen geroepen bij den grafheuvel van
-Roruk. Daar heeft hij geofferd aan de oude goden en allen gedrongen
-terug te keeren tot het heidensche wangeloof.
-
-Unruoch, die grafheuvel moet met den grond worden gelijk gemaakt.
-
-Die taak draag ik u op. Laat uw paard zadelen en rijd zoo snel mogelijk
-naar den Stuthenborch, mijn sterkte bij de Hoeve Lake. Doe de helft der
-speerruiters, die haar bewaken, opzitten en draag zorg, dat het werk
-volbracht wordt eer de dag is gedaald.
-
-De grafheuvel behoort nu tot mijn gebied. Alzoo bezit ik het recht hier
-handelend op te treden om de verdere verspreiding van bijgeloof te
-beletten. Draag echter zorg de urnen mee te voeren, wij zullen ze in
-stilte teruggeven aan het stof der aarde.”
-
-Een verbaasde blik trof hem. Bezorgd klonk Unruochs stem:
-
-„Ik vrees, dat geen enkele speerknecht te bewegen zal zijn naar een
-hunnebed te gaan. Liever zullen zij zich in ketenen laten klinken. Het
-algemeene geloof is immers, dat in die grafheuvels de duivel huist.
-
-Met welke strenge straffen bedreigde voorheen bisschop Radboud niet
-ieder, die waagde er te offeren. Thans durft zelfs bijna niemand er
-voorbijgaan.”[12]
-
-Bisschop Ansfried glimlachte met zijn fijnen, weemoedigen glimlach:
-
-„Zoo gaat het, mijn zoon! Toen ik mijn kerkelijk ambt ontving, hoopte ik
-in mijn geliefd Utrecht een kerkgebouw te stichten, waarin plaats zou
-zijn voor allen, die in mijn bisdom den Heer zochten met een geloovig
-hart. Thans bezit ik niet eens genoeg macht om een zandhoop te doen
-verdwijnen, die toch terecht een rots der ergernis en een steen des
-aanstoots mag heeten.”
-
-„En die geslecht zal worden, heden nog. Wanneer bevel noch overreding
-baten, zal ik het alleen doen.”
-
-„Ik zal u een bevelschrift meegeven. Ik wil gehoorzaamd worden. Het is
-een zaak van gering belang, maar die in deze dagen beteekenis heeft.”
-
-„Gij bedoelt nu Rolfr Jarl”....
-
-„Rolfr Jarl is slechts een schakel in den keten, die ons dreigt te
-omspannen: er is weer een Deensche vloot gezien bij Lammersvliet.”
-
-Het bleek der ontzetting streek over Unruochs trekken. Maar bedaard ging
-de bisschop voort:
-
-„Daarom moet ik handelen. Wie vrees toont is reeds half verloren. Zwijg
-er echter tegen ieder over. Morgen vertrekken wij allen van hier naar
-Utrecht. De stad moet in staat van tegenweer worden gesteld.
-
-Neem dezen brief mede aan den kastelein van den Stuthenborch. Nog heden
-moet gij hier terug zijn. Wij zullen werken zoolang het dag is en niet
-steunen op eigen kracht alleen. Moge God ons volk behoeden voor een
-herhaling der jammertooneelen, waarvan bisschop Balderic in den aanvang
-dezer eeuw getuige was.”
-
-Beiden kenden de deerniswaardige schets, gegeven door Balderic van Cleve
-in het jaar negen honderd zeventien. Naar Daventre had hij de wijk
-moeten nemen voor het geweld der Denen, en toen zij eindelijk waren
-weggezeild, beladen met roof onder hun buit gekromd, toen schreef
-bisschop Balderic, bij zijn terugkeer uit zijn ballingschap in zijn
-geliefd Utrecht:
-
-„Toen ik die stad voor het eerst binnentrad, en haar door de Denen
-vernield en geheel verwoest aanschouwde; de kerken van St. Martinus en
-St. Salvator vernield en verbrand, heb ik, door den diepsten weemoed des
-harten geroerd, mijn tranen op geenerlei wijze kunnen weerhouden; en, de
-hulp des Hemels afgesmeekt hebbende, heb ik onder een vloed van tranen
-gebeden, dat Hij, die Zijn heilige kerk op een hechten rotssteen, welke
-Christus is, gebouwd heeft, tot den wederopbouw en het herstel der kerk,
-mij aanbevolen, zich mocht verwaardigen mede te werken.
-
-Met Zijn hulp heb ik dan ook de brug over de gracht, de stad met haar
-poorten, den muur met zijn bolwerken, tegen vijandelijke aanvallen
-gebouwd en opgericht; en de Gode gewijde plaats van vrede, de kerken
-namelijk, door de heidenen verwoest en verbrand, heb ik -- niet zooals
-ik het behoorde te doen, maar zoo goed ik het kon -- eenigszins
-hersteld”....[13]
-
-Beider onuitgesproken gedachten hadden elkander gevonden, toen bisschop
-Ansfried voortging:
-
-„Balderic van Cleve liet het niet bij woorden en klachten. Nehemia was
-zijn voorbeeld, als deze riep hij uit: „Hoe zoude mijn aangezicht niet
-treurig zijn, daar de stad, de plaats der grafstede mijner vaderen,
-woest is, en hare poorten met vuur verteerd zijn?” Maar evenals de
-profeet greep hij naar hamer en houweel om het puin weg te ruimen,
-gebruikte hij passer en troffel, hout en metselsteen om te vernieuwen
-wat nog herstelbaar, om te herstellen wat verwoest was. Het was als
-Nehemia schrijft: „De eene hand was bezig aan het werk, de andere hield
-de spies,” want weer liepen geruchten eener nieuwe landing door de Denen
-beraamd, maar ondanks den nood der tijden werd de stad herbouwd. De
-stevige muren, die thans Utrecht omringen, bewijzen evenals de
-Baldericstoren[14] dat de arbeid met evenveel kracht werd voortgezet als
-aangevangen. De kerken verrezen uit hun asch, hersteld werd de Rijnbrug.
-Wij zullen dit voorbeeld volgen: als de Denen ook ònze brug mochten
-afbreken, dan heffen wij op de slappe handen en bouwen een nieuwe.”
-
-Veelbeteekenend zag hij den jongen man aan. „Verstaat gij mij, mijn
-zoon? Menigeen bouwt zich een brug en waant, dat zij voor hem de
-afgronden van leed en tegenspoed zal overwelven en hem regelrecht voeren
-in het geluksland. Maar dan komen er houtwormen, die het paalwerk
-doorknagen, een orkaan werpt de bogen neer, of de geheele bouw gaat op
-in vlammen en rook -- in rook Unruoch -- door de hand van een vijand. En
-dan buigt de mensch, die reeds de overwinning voor zich zag en het
-geluksland waande binnen te treden, het hoofd. De hoop ontvlucht zijn
-hart en daarin is het zoo vol van knagend, radeloos leed. Dan wijkt de
-glimlach van zijn gelaat, hij noemt zijn leven mislukt, gebroken.
-Waarom? Omdat de heldere vlammen zijner verwachtingen opgingen in rook,
-omdat hij leefde voor zijn eigen geluk, vertrouwde op eigen kracht, op
-den weg die leidde naar zijn doel. Hij dacht zijn leven vol heil en hij
-wist niet hoe leeg het was, omdat hij bij al zijn plannen God vergeten
-had, Die ieders levensbeker mengt, ieders levenslot bestuurt. Indien de
-menschen in Hem geloofden, zou hun nederlaag in zegepraal verkeeren,
-want dan zouden zij zich een nieuwe brug bouwen en haar schragen met de
-onwankelbare pijlers van plicht en geloof. Menschelijk geweld noch
-eenige aardsche macht zouden in staat blijken haar te vergruizen, en die
-brug zou haar bouwer voeren in het eeuwige land van zalig aanschouwen,
-bereid voor ieder, die hier moedig zijn kruis heeft getorst en de
-lessen van ervaring en zelfkennis hem door zijn levensleed geleerd,
-gebruikte om de wereld beter te maken en om het levensgeluk van anderen
-te vermeerderen.
-
-Vaarwel, Unruoch, hier is mijn schrijven. Ik hoop, dat uw levensbrug u
-zal voeren in het land, waaruit eenmaal uw ziel haar oorsprong nam!”
-
-Unruoch ging zwijgend, getroffen. Hij had zijn brug gebouwd, en -- aan
-zijn geluksdroomen dacht hij nu en aan hun uitkomst. Swanwitha voor hem
-verloren, een vreemde noemde haar zijn bruid. Met zijn groote liefde had
-hij haar willen omringen, de weg naar hun geluksland leidde immers over
-een met bloemen bedekt pad en thans... Ruw en met steenen bezaaid was
-het veld van zijn werken en strijden, dat hij voor zich zag en zijn moed
-en hoop waren van hem geweken, zijn voetstap voorheen zoo vast, sleepte,
-wankelde....
-
-Niet meer. De woorden van den grijzen bisschop, wien zijn
-levenservaringen wijsheid hadden geleerd en gevormd tot denker, wien ’s
-levens rouw en ontgoochelingen dichter hadden gebracht bij God, toonden
-hem zijn beeld in onmiskenbaar scherpe lijnen.
-
-„Wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen.” Wie fluisterde
-hem dit toe, nu, juist nu? Had hij niet het eerst, het meest zijn eigen
-leven gezocht -- zijn geluk? En daar was een wereld om hem die leed en
-streed, fel en zwaar, aldoor, aldoor. Had hij ooit gepoogd den last van
-anderen te verlichten? Jonge vriendschap, jonge liefde, waren gevolgd
-op zijn leerjaren in de kapittelschool, samengevloeid met de jacht van
-hair met hair en veer met veer. Soms had de gedachte hem bedroefd, dat
-hij niet wist wie zijn ouders waren: uit de rookende puinhoopen van het
-ten tweeden male door de Denen verwoeste Wiedelham was hij gered, door
-arme lieden wier eenige woning, sinds dien inval der gevreesde
-zeeschuimers, bestond in hun krakenden ossenwagen. In die armelijke
-omgeving had hij zijn eerste levensjaren gesleten, met zijn pleegouders
-zwervend door het verwoeste land. Toen -- zeven jaren na den brand van
-Wiedelham -- klopte een bijna stervende vrouw aan het klooster te Thorn,
-waar Benedicta, graaf Ansfried van Teisterbant’s dochter, de wijding had
-ontvangen tot abdis.
-
-„Mevrouwe, ach, zorg voor dit kind. Ik sterf van gebrek en in een
-gevecht met de Denen is mijn man gevallen. Dit kind, het is van edelen
-stam.... het is”....
-
-In onverstaanbaar fluisteren stierf haar stem weg, heen ging zij naar
-het eeuwige land voor zij den naam had geuit van het kind, dat zich
-schreiend aan haar vast klemde, als gevoelde het welk een schat van
-liefde het verloor met die verlaten, nooddruftige vrouw.
-
-Maar vol medelijden had de jeugdige abdis zich het lot aangetrokken van
-den kleinen wees. Zij beval hem haar vader aan en deze -- voor zoo
-menigen ouderloozen knaap zorgde hij -- kreeg zijn schranderen pupil
-lief; aan het schuldelooze kind, met zijn warmvoelend hartje hechtte
-zich de sterke, eenzame man. Thans was hij zijn verklaarde lieveling,
-thans wees de hand van den vergrijsden bisschop hem den weg, dien hij
-gaan moest, hem, die een steun behoefde in zijn volle, jeugdige kracht.
-
-Een gevoel van beschaming sloop het hart binnen van den jongeling:
-
-„Ik zal mijn best doen, met Gods hulp,” prevelde hij voor zich heen.
-„Niet meer zal ik het eerst mijn eigen geluk zoeken, maar beproeven
-anderen tot heil te zijn.”
-
-Er kwam weer glans in zijn oogen. Hij voelde nu, dat de steenen geworpen
-op zijn weg, als zooveel hindernissen, hem zouden helpen om hooger te
-stijgen, om zich te zien met ruimer blik op het heden, naar de toekomst
-het meest.
-
-Toen hij uit de boot stapte, die hem wegvoerde van den Hohorst en hij
-zijn paard besteeg, dat hem reeds tegenhinnikte uit den, op den anderen
-oever gebouwden stal, volgde de bisschop ieder zijner bewegingen en nog
-stond hij hem voor het venster na te staren, terwijl reeds een stofwolk
-hem onttrok aan zijn blik.
-
-„De weg zal moeilijk voor hem zijn. Het is hard levensheil en levenshoop
-reeds in zijn jeugd te moeten opgeven. Toch wanhoop ik niet voor hem.
-Ieder vindt den weg, die zich zelven leert vergeten voor de menschheid
-en haar weedom, voor haar lijden en strijden, haar inspanning en denken,
-die in zich voelt gloren een sprank van het Hoogere door God in ieder
-hart gelegd, dat lichtend opvoert tot Hem. Zelfvergetelheid, dat is
-geluk. Alleen door te arbeiden voor anderen rusteloos, ingespannen, vol
-liefde, wordt deze levensles geleerd.”
-
-Hij verliet zijn vertrek: nog een anderen, moeden zwerveling had hij den
-weg te wijzen.
-
- [11] Diploma bij Heda.
-
- [12] Picardt: Vergetene en verborgene antiquiteiten van ’t oude
- Vrieslant.
-
- [13] Het geheele schrijven is te vinden bij Heda: „Balderico.”
-
- [14] De latere Bollaerts-toren tusschen de Waard en Catharynepoort.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
-Troostend en verkwikkend ruischte de linde voor het geopende venster,
-waaraan graaf Frethibold stond. Hij zelf staarde roerloos in de verte,
-zonder iets te zien. De bisschop had hem een onderhoud verzocht, nu
-wachtte hij -- droomend. De zomerwind speelde ritselend met de
-perkamentbladen, die op de tafel lagen. Het was een afschrift van Cesars
-Gallische oorlogen. Hij had er in gelezen, nu maakte hij een beweging,
-als wilde hij een lans grijpen, als wenkte hem een zwaard.
-
-Hij bemerkte het binnenkomen van den bisschop niet, zwijgend bleef deze
-hem eenige oogenblikken aanstaren.
-
-„Frethibold!” sprak hij ten laatste met zijn klankvolle stem.
-
-„Heer bisschop!” Met een hoofdbuiging begroette hij opstaande zijn
-bezoeker.
-
-„Wat deert je? Je ziet zoo bedrukt.”
-
-„Wat mij altijd vervolgt: mijn verdriet.”
-
-Hij wees op de perkamenten. „Ik zat straks te lezen en vond opnieuw
-nood en ellende, jammer en gebrek de grondslag van het menschelijk
-bestaan, zoowel nu als in Cesars tijd. Hongersnood en pest, slagvelden,
-gevangenschap, dooden en verminkten, verdrukte volken, macht boven
-recht, ontevredenheid, verdeeldheid, afgunst, zoo was het toen, zoo is
-het nu, en zal het wel blijven, zoolang de wereld bestaat. Ik moest mij
-eigenlijk gelukkig prijzen, dat ik nu gouwgraaf ben van het Bovensticht.
-’t Is als een klein, groen eiland te midden eener bulderende zee. Hier
-tenminste heerscht vrede. Maar wat baat zelfs dit, als men steeds in de
-leegte ziet, in den nacht!”...
-
-Hij zweeg, maar een bittere glimlach vulde zijn woorden aan.
-
-Zijn bezoeker schudde het hoofd. Welk een tegenstelling vormde beider
-gelaat: Het eene aangeraakt door den engel van den vrede, het andere
-donker als sprak de demon der vertwijfeling uit iedere lijn. Frethibold
-ging voort:
-
-„Er lag een blad met vertaalde aanhalingen tusschen de perkamenten. Een
-was er bij met een klein vers van Sophokles. Zie, hier is het. Ik heb
-nooit een meer waar woord gelezen.”
-
-De bisschop nam het blad, overluid las hij: „Niet geboren te zijn is
-voor alles het beste, ten tweede is verreweg het beste, terstond als men
-geboren is, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, van waar men kwam.”
-
-Langzaam legde bisschop Ansfried het blad neer, het had gebeefd in zijn
-hand. Toen stond hij vele oogenblikken zwijgend, den blik gericht op
-het hopelooze gelaat voor hem:
-
-„Frethibold!” sprak hij eindelijk ernstig, „weet gij wel, dat gij met
-zoo te spreken uw Schepper hoont, Die u in het leven riep om dit te
-besteden tot Zijn eer?”
-
-De andere haalde de schouders op en ging voort, als had hij niet
-verstaan, als dacht hij overluid:
-
-„Ik vraag mij zelven af: wat is mannelijker, waardiger, steeds te
-dulden, te dragen al de giftige pijlen, die het lot ons toezendt of ze
-te doen eindigen door een beslissenden dolkstoot, in eigen hart!”
-
-Ontzet legde de bisschop hem de hand op den arm, het was als wilde hij
-hem wakker schudden: „Frethibold! kom tot u zelven! Gij zijt ziek, uw
-hoofd en uw hart zijn het beide!”
-
-„Neen, neen! Alleen ellendig, rampzalig ben ik!”
-
-„En gij noemt u een volgeling van den Heer, Die heeft gezegd:
-
-„In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb
-de wereld overwonnen.” Gij klaagt over den last, die Zijn wijsheid u
-oplegt. Hij woog niemands kruis ooit te zwaar, buig uw wil voor den
-Zijne en gij zult in staat zijn ùw kruis te dragen.”
-
-„Geheel alleen! Verlaten door alles wat ik liefhad, alles weg,
-dood!”....
-
-„Die gij liefhadt zijn u alleen voorgegaan naar het eeuwige land, uw
-wegbereiders zijn zij, uw goede gidsen. Aan de aarde kluisterde u het
-aardsche geluk en God wil, dat wij menschen ons hier voelen als
-vreemdelingen, op weg naar Zijn vaderhuis. Ik geloof, dat God velen de
-eenzaamheid zendt, die Hem misschien zouden vergeten te midden van het
-geluk, doch nu door hun leed tot Hem worden gebracht.
-
-„Die is Mijns niet waardig.” Herinnert gij u welk tekstwoord hiermee
-eindigt, Frethibold?”
-
-„Wie anderen lief heeft boven Mij”....
-
-In een zucht klonk het:
-
-„En dat deedt gij!”
-
-„Ja, dat deed ik! Mijn lieve vrouw met de zachte oogen en het gouden
-haar, mijn lachend kind!.... Ik had ze lief, boven alles en ieder en nu
-zijn zij dood, verbrand.... Zelfs hun verkoold overschot mocht ik niet
-begraven!”
-
-Welk een droefheid beefde in die woorden, een leed, diep en onmetelijk
-als de zee! Het hart van den grijzen bisschop brak van medelijden. Rezen
-ook in zijn borst herinneringen aan het weleer?
-
-„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij
-geloofd! Frethibold, zeg dat den zwaar beproefde na van het Oude
-Verbond, zeg het met uw hart, niet met uw lippen, beproef het biddend,
-mèt uw hart!”
-
-„O, als ik kon, als ik kòn! Maar onmogelijk is het mij, onmogelijk!”....
-
-„Niets is onmogelijk voor wie bidt met een oprecht hart. God beproeft
-niet zonder reden of noodzaak. God is liefde en met Zijn liefde vormen
-Zijn grootheid en almacht éen geheel. Kunt gij inderdaad gelooven, dat
-Hij klein kan zijn in straf en toorn, Hij de Schepper van het heelal?
-Hier zien wij in een duisteren spiegel, eenmaal zullen wij helder zien
-in het eeuwig licht, indien wij slechts op Hem vertrouwen, niet vragen,
-niet vertwijfelen, maar volgen, volgen Hèm na.”
-
-„O, kon ik dat! kon ik!”
-
-„Ik denk aan een ander woord van een denker der grijze oudheid, Plato
-heette hij. Hij vergeleek de menschheid met gevangenen, vastgeketend in
-een rotsholte. Zij zagen de voetgangers niet, die achter hen voorbij
-gingen, zij zagen evenmin de zon. Zij aanschouwden alleen de schaduwen
-op den muur geworpen door beiden en hun ketenen, die hen dwongen
-onbeweeglijk te blijven.
-
-Is het zoo niet met velen, met zéér velen? Hun levenslast ketent hen aan
-de aarde, zij zien slechts schaduwen en verborgen blijft voor hen het
-licht, omdat zij niet omhoog zien, omhóóg!”
-
-„Ach, dat ik mijn ketenen van mij kon werpen, die mij neerbuigen met hun
-looden wicht!”
-
-„Gij kunt het, zoodra Gods wil de uwe wordt. Dan zal uw last u licht
-toeschijnen, berusting uw wanhoop vervangen en overgave u brengen tot
-den vasten grond der dingen, die men niet ziet -- het geloof.”
-
-„Als dat nog mogelijk kon zijn! God moge mij er toe helpen!”
-
-„Maar gij moet zelf meehelpen. Niet alleen uit bidden en zuchten bestaat
-het leven, ook uit arbeiden zoolang het dag is. Het mijmeren en peinzen
-in de eenzaamheid is niet goed voor u. Het verlamt u, het volle leven
-hebt gij noodig, het leven van inspanning en van de daad.
-
-Verhef u met uw vroegere kracht, Frethibold!
-
-Ik heb een dringende taak voor u en een dringender verzoek. Vertrek nog
-heden naar den keizer, naar Aken.”
-
-Frethibold wankelde terug.
-
-„Een gebroken man als ik! Pas ik aan het hof van heer Otto!”
-
-„Uw plicht roept u daarheen en, die is te allen tijde de veiligste gids.
-Ik vertrouw er op, dat gij spoed maakt en zal in uw afzijn uw taak op
-mij nemen; zelf moet gij heer Otto spreken, op brieven slaat hij geen
-acht. Haast u, de Denen kruisen aan de kust!”
-
-Een brandende gloed steeg in Frethibolds gelaat, zijn oogen vlamden --
-hoog richtte hij zich op, zijn hand balde zich tot een vuist....
-
-„De Denen!”
-
-Donkere golven van haat verrezen bij den klank van dit woord uit een zee
-van ellende en leed.
-
-„Frethibold! Hoe ver zijt gij nog van Gods koninkrijk. Niet ù komt de
-wraak toe, gij moet vergeven. Als gij dat niet kunt, niet tracht te
-doen, zijt gij niet waardig te gaan.
-
-Bericht heer Otto den nood, die opnieuw dit arme volk dreigt, smeek hem
-in te grijpen met de macht zijner speren, de kracht zijner lansen. Leer
-ùw levensles, ook op dezen tocht. Zij heet: zelfvergetelheid.”
-
-„Ik zal het beproeven! Ik zal het beproeven. Dat zal ik waarlijk!”....
-
-„En hij zal slagen,” fluisterde de bisschop, toen hij eenige uren later
-ook dezen afgezant naoogde. „Wie heeft het recht hem te veroordeelen?
-Zijn wij niet allen zwak?”
-
-„Homo sum!”....
-
-Aan zijn eigen verleden dacht hij, aan de dagen toen ook de levensreis
-voor hem bergopwaarts ging, schrede voor schrede, en de weg hem zwaar
-viel en hij dien zag met steenen bezaaid.
-
-Hij zag bij die gedachte om zich als zocht, als miste hij iets. Een
-zucht ontsnapte hem; hij wist, dat hij niet zou vinden wat hij zocht.
-Hij voelde zich als een reiziger, die afgemat van het klimmen op een
-woesten rotsweg, verlangend opwaarts blikt naar den bergtop, het eind
-van zijn reis, die vol heimwee uitziet naar een trouwe hand, welke de
-zijne zal vatten om door haar druk den laatsten, zwaren gang te
-verzachten.
-
-Ook zijn leven was bergopwaarts gegaan en aan het einde stond hij
-alleen.
-
-„Het uitnemendste is moeite en verdriet” -- hij wist het bij ervaring.
-En nu die nieuwe, zware moeilijkheid, terwijl hij zich oud voelde en
-zwak, terwijl zijn kracht hem ontzonk en hij wist welk een
-verantwoording op hem rustte bij den inval, die dreigde van het
-vermetelste volk der wereld, het dapperste en het wreedste.
-
-„Voorwaar, ik heb het recht Frethibold te vermanen! Zelf gevoel ik mij
-even verlaten als hij,” klonk het in zijn borst. Hij zonk op de knieën;
-hoelang hij geknield lag wist hij niet, maar toen hij weer oprees
-fluisterden opnieuw zijn lippen: „Homo Sum,” maar voegde zijn hart er
-bij: „Fiat voluntas!”
-
-Zijn gelaat glansde. Het ruischen van den luwen wind door de linde voor
-het venster verkwikte hem met zijn zachte koelte. Hij begaf zich naar
-buiten. Weldra kliefde het bootje, dat hem overvoerde, den klaren
-waterspiegel. Aan de overzijde wachtte zijn muildier; slechts door een
-enkelen leekebroeder vergezeld ving hij zijn dagelijkschen tocht aan
-naar de kranken in den wijden omtrek, die hulp behoefden en zelf niet
-tot hem konden komen.
-
-Maar dezen dag klopte hij tevergeefs aan menige deur -- zij waren alle
-gegrendeld en het landvolk scheen huis en hof te hebben verlaten. Was
-het uit angst voor Rolfr Jarl of uit vrees voor zijn Denen?
-
-Hij zou het spoedig weten. De vrouw van Walger zag hij op haar
-smadelijken tocht. Met een vloed van woorden -- niet te weerhouden door
-de bedreigingen der speerdragers, die haar omringden, riep zij gillend
-alles wat was geschied, van de straf, die haar man moest ondergaan, van
-Henno, aan de kaeck gesteld, van Yglo en Trutha....
-
-„Laat die vrouw vrij. Uw heer heeft geen recht haar te straffen. Zij en
-haar huis staan onder mijn rechtsgebied,” beval de bisschop den
-speerknechten. Hun aanvoerder haalde de schouders op:
-
-„Edele Ansfried, wij volgen onzen last, het kost ons anders zelf onze
-huid. Doe uw beklag bij Rolfr Jarl!” Voort dreven zij het grauwtje,
-krijschend gilde en schold Walgers vrouw....
-
-De bisschop reed zwijgend verder. Hij ging over een grond, hem
-onvervreemdbaar in leen gegeven. Het welzijn der bewoners hing van hem
-af, het was hem toevertrouwd en wat vermocht hij tegen de
-onbeschaamdheid van het ruw geweld, dat gezag verachtte, het recht
-hoonde?
-
-De middagzon wierp haar gouden glorie over het veld. De beek kabbelde
-rustig verder. Hoog bloeiden de bloemen op aan den groenen oeverkant.
-Rust en liefelijken vrede ademde de aarde, overal waar de menschen niet
-kwamen met hun jammer en tweedracht.
-
-Een vrouw richtte zich op tusschen het lisch, een ellendig, erbarmelijk
-wezen, met een schootsvel en sandalen van boombast, nauwelijks voldoende
-gekleed met een hemd en rok van grof hennipgaren. Met haar doffen blik
-zocht zij den bisschop, eenige eendeneieren hield zij in de magere hand.
-
-„Die breng ik aan Lisa, zij heeft mij van haar boonen gegeven en
-jonkvrouw Swanwitha ligt ziek in haar hut, zoo bleek als een geest. --
-Geen wonder: haar eigen grootvader, die helhond, heeft haar uit zijn
-huis gejaagd.”
-
-Zoo snel hij kon ging de bisschop naar oude Lisa’s vervallen hut. Hij
-zag het bleeke hoofdje rustend op den vloer tegen een kussen van
-boomschors en dorre bladeren. Ingezonken waren de oogen. Tooverspreuken
-prevelend wreef Lisa met de palm harer hand Swanwitha de gekneusde
-leden.
-
-„Is het geen gruwel, heer bisschop?
-
-Op den drempel van den Ravenhorst lag zij als een bloedend lam. O, ’k
-wou, dat ik hem zelf daar zoo zag liggen, dien duivel”....
-
-„Stil, Lisa! Gij moet uw vijand vergeven, zeventig maal zeven maal, de
-Heer wil het!”
-
-„Dat kan ik later in den hemel misschien doen, maar hier niet.”
-
-„Gij zult den hemel niet binnengaan, als ge het hier niet leert.”
-
-Zij zweeg en boog zich over Swanwitha.
-
-De flauwe ademhaling werd een weinig dieper. Geduldig wachtte ook de
-bisschop. Eindelijk sloeg de half bewustelooze de oogen op, die hun
-glans hadden verloren, evenals haar gelaat zijn blos. Vol nameloozen
-angst, iederen polsslag trillend van vrees, hief zij het hoofd op. Haar
-gloeiende vingers grepen de hand van bisschop Ansfried:
-
-„O, help mij! Breng mij ver weg van hier, ver weg! Ik wil nooit meer
-naar huis, nóóit meer!”....
-
-Onder snikken en tranen vertelde zij alles, om toen, met dubbelen nadruk
-te herhalen: „Nooit meer!”
-
-Hij had haar zwijgend aangehoord en nu, terwijl haar oogen vol angst,
-smeekend de zijne zochten, kwam weer die zonderlinge ontroering over
-hem: geleken twee sterren, twee witte leliën zoo op elkander als dit
-kind op zijn verloren dochter? En weer dacht hij aan al het leed, dat
-Rolfr over zijn leven had gebracht.
-
-„Hoe heette uw moeder, mijn kind?” vroeg hij plotseling, zonder eenigen
-overgang.
-
-„Gisela.” Verwonderd klonk het. Swanwitha had een ander antwoord
-verwacht op haar droeve klacht, maar het hart van den bisschop hield
-bijna op te kloppen.
-
-„Zij was gehuwd met den eenigen zoon van.... van”....
-
-Zij knikte. „Ja, en nu heeft hij mij geslagen, zooals vroeger haar. O,
-toen zij leefde was alles anders. Een boek van den goeden Herder had zij
-ook. Grootmoeder wou het mij afnemen, maar ik”....
-
-„Waar is het nu?”
-
-Vol belangstelling werd het gevraagd.
-
-Toch verwierp de bisschop als een hersenschim -- wat hij hoopte. Zijn
-kind de vrouw van Rolfr Jarl’s zoon.... Te ongerijmd was die gedachte.
-Hij hoorde Swanwitha vervolgen:
-
-„Het boek is th -- daar waar ik niet meer heen wil.”
-
-Zij richtte zich op. Een flauw rood kleurde haar wangen. Het was of haar
-kracht keerde met haar vast besluit. En dringender klonk haar zachte
-stem:
-
-„O, neem mij mee! Verberg mij! Ik kán niet meer naar h -- daarheen!”
-
-O, hoe gaarne, hoe gaarne had hij haar beschermd voor de gansche wereld,
-tegen de ruwheid van dien enkele! Met zijn leven had hij haar geluk
-willen koopen. Maar beslist klonk zijn stem:
-
-„Neen, mijn kind, dat kan niet!”
-
-Zij liet het hoofdje hangen en barstte uit in tranen, die gloeiden op
-zijn hart.
-
-„O, waarom niet, waarom niet! ’t Is daar zoo vreeselijk!”
-
-„Omdat Rolfr Jarl uw grootvader is en uw ouders u toevertrouwden aan
-hem. Volgens de wet en van rechtswege is hij uw voogd en momboir. Alleen
-als gij andere verwanten bezat u even na bestaande”....
-
-Weer trilde zijn stem en weer zweeg hij; neen, het was onmogelijk. Had
-hij niet overal gevraagd en gezocht, na het groote onheil zijns
-levens?....
-
-De zoon van Rolfr was toen zelfs niet gezien in het land en verscheidene
-jaren daarna nog niet. Hij mocht dit kind niet afbrengen van haar
-plicht, hoe ook zijn hart hem drong haar te helpen.
-
-„Als het leven u zwaar valt, waarom zoekt gij dan geen steun bij hem,
-wien gij u hebt toevertrouwd voor het leven?”
-
-Toen zocht zij tevergeefs naar woorden, vele oogenblikken. Eindelijk
-klonk het nauw verstaanbaar:
-
-„Dat is het ergste! Ik wil zijn vrouw niet worden en ik moet!”
-
-Opnieuw verstikten tranen haar stem. Maar de bisschop legde de hand op
-haar schouder met ernstig gebaar.
-
-„Als gij hem niet liefhebt, dan moogt gij zijn vrouw niet worden, nooit,
-wie het u ook gebiedt, wat zich tegen u kant. Gij mòogt niet. Het is
-doodzonde. Wie om hoogheid en eer bij de menschen, om goud of goed, door
-dwang of bevel zich laat verbinden voor het leven, zonder diep te dragen
-in het hart de liefde, „die alles gelooft, hoopt en verdraagt,” de
-liefde „die nooit wordt verbitterd en nooit zich zelve zoekt,” -- die is
-een zelfmoordenaar gelijk. Want hij doodt zijn eigen eer met alles wat
-hoog en edel, en voor de eeuwigheid is geschapen in zijn hart.
-
-Swanwitha, gij moet openlijk spreken en zonder vrees met hem, die u als
-bruidegom werd opgedrongen, met hen, die u dwongen tot die verloving.
-Het is uw hoogste plicht. Ik zal met u naar Rolfr Jarl gaan en
-trachten”....
-
-„Haar nog verder van den rechten weg te brengen. Naar buiten, zeg ik u!”
-
-Een scherpe vrouwenstem sprak het woord, een harde hand schudde
-Swanwitha bij den schouder.
-
-„Grootmoeder!”
-
-Welk een wanhoop lag in dat eene woord! Streng zag vrouw Sigrid haar
-aan:
-
-„In het kot van een oude tooverkol vind ik je dus, in gezelschap van een
-christenpriester, eervergeten wezen! Er uit, zeg ik je, weg! En wat jou
-betreft” dit tot de bevende Lisa -- „je zult gauw genoeg gerookt worden
-uit je hol en -- heksen moeten branden, ha, ha!”
-
-Zij dreef Swanwitha naar buiten, zij versperde den bisschop den uitgang.
-Hij trad haar in den weg, hoog, bevelend.
-
-„Vrouw, zie toe wat gij doet! Gij brengt het oordeel over u zelve!”
-
-Een uitdagende blik trof hem, zij hief haar hand op tot een slag. Lisa
-kroop naderbij op de knieën.
-
-„Vrouw Sigrid, o, vrouw Si”....
-
-De slag trof haar, het oude, stramme lichaam kromp ineen. Swanwitha
-schreide.
-
-„Vrouw Sigrid, ik daag u voor mijn gericht. Gij kent de straf door wet
-en recht voor ieder bepaald, die een vrijgeborene tuchtigt.”
-
-„Ik lach om uw wetten en rechten; bij mij geldt alleen het recht van den
-sterkste. Wat laat gij u in met de zaken van mijn kleindochter? Zij is
-niet meerderjarig, ik heb hier te bevelen, niet gij.”
-
-„Gij zult zien, wat ik vermag. Ik zal niet rusten....”
-
-Zij liet hem niet uitspreken, met een zwaai had zij Swanwitha voor zich
-op het paard geworpen. Nu reed zij met haar weg, zoo snel de ongelijke
-weg het toeliet.
-
-Machteloos moest de bisschop het aanzien. Zijn hart bloedde. Een flauw
-kreunen klonk in zijn nabijheid. De slag, die oude Lisa had getroffen,
-was aangekomen.
-
-Toen zag hij den plicht, die het dichtste bij was. Hij richtte haar op:
-
-„Lisa, ga naar den Hohorst, eer de speerruiters komen. Ge hebt de
-bedreiging gehoord. Ge zult het daar beter hebben dan hier en ik zal je
-beschermen.”
-
-Zij kuste zijn hand, een traan rolde over haar gebruinde wang. Sinds
-vele jaren had niemand zich om haar bekommerd of naar haar omgezien, bij
-verdriet en rouw. Beschermd, zij.... Een weldadig gevoel sloop haar in
-leed verstijfd hart binnen.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-
-Trutha en Yglo vluchtten door het woud. De dienstmannen van den
-Ravenhorst zochten hen. Zij droegen den leeren kap over een ijzeren
-kruis gespannen en den ongelooiden kolder. Sommigen hielden hun ijfel
-vast en hadden gepunte en gevederde bouten aan den gordelriem --
-boogschutters alzoo. Anderen waren gewapend met kolf en speer, een
-drietal slingeraars met wollen kap en overkleed, voerd den stokslinger
-mee -- het zou een felle jacht worden.
-
-Yglo hield het meisje bij de hand; zoo snel zij konden, liepen zij
-voort, maar de meesten der jagers op dit menschelijk wild waren te
-paard, en de overigen drongen tusschen het struikgewas -- de kans van
-ontkomen was gering. Toch troostte Yglo haar zoo goed mogelijk:
-
-„Houd je maar goed, Trutha! ’t Wordt al gauw avond en dan zullen wij wel
-uit het bosch weten te raken. Wij moeten ons op den Hohorst maar niet
-ophouden; recht door naar Utrecht. „Stadrecht breekt landrecht,” zooals
-de jonkvrouw zei. Als de weg je maar niet te lang valt! Wij zijn geheel
-zonder teerkost.” Zij trachtte hem op haar beurt te bemoedigen.
-
-„Daarvoor is geen zorg! Iedere reiziger mag immers visschen in het water
-langs zijn weg, als hij maar terstond zijn vangst braadt aan den oever.
-Drie rapen is ’t elk vergund in ’t voorbijgaan te roden van den akker,
-drie vruchten te plukken van elken dragenden boom.[15] Als wij de
-speerruiters slechts kunnen ontkomen!”
-
-Als!.... Het geluid van snelle schreden kwam dichter bij; vloeken en
-verwenschingen klonken, wanneer een laag hangende tak een der vervolgers
-in het gelaat zwiepte. Tusschen het groene scherm der boomen glinsterden
-wapens....
-
-„Zij komen! Zij zien ons! Gauw! Voort!”
-
-Met haastige, ongelijke schreden trok Yglo zijn gezellin mee. Zijn voet
-bleef steken in den drassigen grond, aan een doornstruik haakte Trutha’s
-rok. Yglo liet zijn plompen, houten schoen in den steek, zij een breeden
-rand van haar kleedje.... Voort snelden zij, voort!....
-
-Niet lang meer:
-
-Na enkele minuten zagen zij, op nauwelijks een boogschot afstands, de
-speerknechten. Met gestrekte wapens trokken zij om de vluchtelingen een
-kring; opgewonden hitste een der voorsten met stem en gebaren een
-bulhond op hen aan:
-
-„Daar, daar! Pak ze, Snel! Daar!” Huilend en blaffend sprong de hond
-voorwaarts, zijn scherpe tanden blikkerden. „Pak ze, Snel! Pak ze!”....
-
-Radeloos zag Yglo om zich heen. Aan de eene zij waren de vervolgers, aan
-den anderen kant stuwde de stroom zijn breede golven door het verlaten
-landschap. Hij bedacht zich geen oogenblik. Met een ruk trok hij Trutha
-in zijn sterke armen. Met wilde sprongen bereikte hij den oeverkant.
-Vlak achter hem huilde de hond. Pijlen snorden van den boog boven zijn
-hoofd. Een sprong, een plons -- hij lag in het water. Krampachtig hield
-hij Trutha vast met de eene hand, met de andere trachtte hij zwemmende
-den tegenovergestelden oever te bereiken.
-
-„Pak ze, Snel! Hij wil overzwemmen! Pak ze!”
-
-Jankend en keffend sprong de hond de vluchtelingen achterna. Weer snorde
-een pijl van den kruisboog. Trutha, half wezenloos van angst, slaakte
-een gil. Rood werden de zilveren golfjes, die zich om haar sloten als
-wilden zij haar met hun blanke kracht beschermen tegen het geweld der
-menschen.
-
-„Vooruit! Snel, na! In het water!” schreeuwde een boogschutter aan den
-kant. Weer gonsde een pees van den boog. Yglo voelde een stekende pijn
-in zijn schouder, als verlamd viel de arm neer, die Trutha omknelde. Zij
-zonk in den stroom, de glanzende sluier van zilveren waterdruppels sloot
-zich boven haar. Zouden de wateralven haar dragen naar hun zuilenhal van
-doorzichtig kristal?
-
-Die gedachte deed Yglo een zucht van verlichting slaken; geen
-menschelijk wezen kon haar dan meer bereiken of leed doen: de wateralven
-beschermden haar, voerden haar veilig.... Bloeiende struiken, lisch en
-rozelaren bogen ver over den oeverrand en vlochten hun taaie en doornige
-twijgen tot een ondoordringbaar net. Yglo had nog even tijd dit te zien,
-toen grepen ruwe vuisten hem bij de schouders, toen voelde hij den
-scherpen beet van een hond in zijn ongewonden arm.
-
-„Trutha! Vaarwel!” In een snik klonk het. Een slag op zijn mond smoorde
-zijn stem. Aan land voelde hij zich gesleurd door vier gespierde
-vuisten.
-
-„Laat het vrouwspersoon maar liggen! Zij behoort aan de wateralven. Zij
-zouden hun pijlen op ons afschieten, als wij haar meenamen. ’t Is
-genoeg, dat wij hem hebben!”
-
-Het waren de laatste woorden, die Yglo verstond; als hij weer bij kwam
-zou hij met ketenen zijn gekluisterd aan den wand in den kerker van den
-Ravenhorst....
-
-De golven schuimden over Trutha heen, zacht hieven zij haar roerlooze
-gestalte op en droegen haar verder in hun witte waterarmen tot zij tegen
-een met mos bedekten boomstam stieten, die aan de eene zijde den stroom
-stremde in zijn loop. De golfjes bekommerden zich niet om het beletsel,
-dat die boomstam gaf aan hun reis naar de zee; klaterend sprongen zij
-verder een man te gemoet, die de rivier oproeide in zijn plompe boot.
-Trutha bleef alleen achter, de avondhemel was met een smalle streep nog
-even zichtbaar boven haar hoofd. De rozelaar bewaakte haar met zijn
-groene doorntwijgen en het slanke lisch bloeide als een wacht van speren
-om haar heen. De azuren luchtstreep wierp zijn glans in de groene
-duisternis en de witte schuimdruppels geleken een snoer van parelen op
-een koningsmantel van blauw sameet.
-
- [15] Noordewier: Ned. Rechtsoudh.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-
-Bisschop Ansfried was teruggekeerd van zijn dagelijkschen tocht. Het
-geheele verhaal van Rolfr Jarls strafoefeningen en bedreigingen was hem
-door het ontstelde landvolk meer dan eens gedaan. Allen die den Noorman
-vreesden, wellicht meer nog dan de macht die hij bezat, had de bisschop
-een schuilplaats aangeboden op den Hohorst. Gelast had hij hun vrienden
-en verwanten te zoeken, die nu voor hem vluchtten of den balk legden in
-de haag. Vol aandrang waren allen door hem vermaand om te blijven bij
-het geloof, waarin zij waren opgegroeid en, dat zij eens hadden beleden,
-zich niet uit vrees te laten meesleepen door voorstellingen van
-heidensche dwalingen.
-
-De zon ging onder, het water vlamde op in purperschijn, alleen tusschen
-de dennenstammen glinsterde nog het scheidend licht als vloeibaar goud.
-
-De bisschop maakte zijn laatste beschikkingen. Broeder Johannes was bij
-hem, de eerste, die hem bericht had gegeven van het tooneel bij den
-grafheuvel. Hij had dien nacht gebeden bij een stervende en werd zoo de
-onwillekeurige getuige van de komst der Druïde: ondanks het streng
-verbod had geen der wachten hem den weg versperd. Zoo had hij gestaan
-achter de haag van eikenhakhout en elzenstruiken, zoo had hij gezien en
-gehoord. Het zaad, door de bewoners van den Hohorst uitgestrooid met
-milde hand, was liefde geweest, het was ontloken in de harten. De
-doornen van machtsvertoon noch bevel konden het verstikken: geen der
-wachters had hem gegrepen of teruggewezen.
-
-„Broeder Johannes, zorg dat de pakpaarden beladen worden en de
-muildieren gezadeld. Zoodra jonker Unruoch terugkeert, vertrekken wij,
-onder bedekking zijner ruiters, allen naar Utrecht. Melden zich nog
-landbewoners aan, die vluchten voor Rolfr van den Ravenhorst, neem ze op
-in den trein. ’t Is hier niet veilig meer.”
-
-„Uw Hoogeerwaarde weet dus stellig, dat de Denen”....
-
-Broeder Johannes bleef steken; een rilling liep door zijn tengere leden;
-doodsangst sprak uit ieder gebaar.
-
-„Helaas, ja! Gisteren zond de kustwachter van Witlam mij een bode.
-Negentig zeilen waren door hem geteld, maar tegenwind had de vloot het
-ankeren of het land in te zeilen belet tot nu toe. Tot nu toè. Wie weet
-hoe het thans reeds is. Het zal een zware strijd worden. En nog is bijna
-geen enkele sterkte, die ik liet bouwen om de grenzen te verdedigen van
-het bisdom, gereed, slecht bemand zijn zij alle. Indien de landzaten
-slechts kodde en dorschvlegel grijpen, zoodra de nood daar is, maar
-Rolfr Jarl verlamt hun kracht.
-
-Moge de onze echter door het gevaar worden verdubbeld. Voor geloof en
-geboorteland hoop ik te waken, als droeg ik nog pantser en zwaard. Houd
-ook gij u kloek en manhaftig, broeder. En als gij geen kracht in u voelt
-een speer te grijpen, doe dan uw plicht bij de gewonden en stervenden,
-ook dan wanneer de gevallenen Denen zijn.”
-
-„Bij de Denen! Die duivels, die man, vrouw, noch kind ontzien?”
-
-„Wilt gij een christen heeten en door geen daden toonen, dat gij het
-zijt?
-
-Zelfverloochening en barmhartige liefde tot vijanden eischt de Heer.”
-
-„En wie beslist hoe spoedig wij allen staan voor Zijn aangezicht! St.
-Jan is nabij!”
-
-Broeder Johannes verborg het bleek gelaat in de magere handen, zijn
-tanden klapperden op elkaar:
-
-„Heer, heer, gij wilt niet, dat wij er over spreken of er geloof aan
-slaan, maar ieder zegt het, iedereen, de geheele wereld, heer! Gij
-herinnert u toch ook de beide broeders uit Parijs, die te Utrecht in ons
-klooster kwamen, nog geen maand geleden? Zij keerden terug van een
-pelgrimstocht naar het graf van den apostel Petrus te Rome, zij
-verhaalden hoe ieder in Frankrijk en Italië geloofde, dat het einde van
-alle dingen aanstaande is. Alle bedrijven en zaken staan daar stil,
-alle schenkingen aan de kerk beginnen met: Appropinquante mundi termine.
-
-Schrik en rouw vervullen ieder gemoed en de godsvrucht neemt toe met de
-vrees.”
-
-„Is dàt godsvrucht ontweld uit reine bron, broeder Johannes? De liefde
-sluit de vrees buiten.”
-
-Broeder Johannes zweeg enkele oogenblikken, toen klonk het opnieuw
-gedempt:
-
-„Ach, heer bisschop, wij zijn allen zondige menschen, tastend en dwalend
-zoo lang wij leven. Maar is het duizendjarig rijk niet weldra ten einde,
-en staat er niet uitdrukkelijk in de Openbaring:
-
-„En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satanas uit
-zijne gevangenis ontbonden worden”....
-
-„En zijn bij God niet duizend jaren als éen dag, en éen dag als duizend
-jaren? Waant gij, dat de Eeuwige rekent met aardsche tijden en uren?
-Jezus zeide: Die dag en die ure kent niemand, en zich grondend op Zijn
-woord heeft geen der kerkvaders het ooit gewaagd den dag te bepalen van
-het jongste gericht. Wat God verborgen houdt in Zijn ondoorgrondelijke
-wijsheid, mogen menschen daarvan den sluier trachten op te lichten?”
-
-„Gewis niet, maar het geloof aan den aanstaanden ondergang bestaat nu
-eenmaal bij klein en groot, bij vorsten en dienstmannen, bij vrijen en
-hoorigen. In de kerken te Parijs wordt openlijk gepredikt, dat de
-wereldbrand aanstaande is, dat eerst de Antichrist zal verschijnen en,
-dat daarna het oordeel komt. „Als Maria boodschap en Goede Vrijdag op
-een dag samentreffen, is het einde daar!”...
-
-Gij kent toch ook die voorspelling heer bisschop, gij toch ook! En is
-die dit jaar niet in vervulling gekomen?
-
-O, er is geen hoop meer, geen hoop, geen enkele lichtsprank in den
-nacht!”
-
-Met een gevoel van innig medelijden zag de bisschop neer op den jongen
-man, wien folterende angst klamme druppels op het gelaat deed parelen.
-Hij wist, dat duizenden en tienduizenden dachten, geloofden als hij, dat
-vijanden zich verzoenden en koningen zich verootmoedigden... Ried
-broeder Johannes zijn gedachten toen hij voortging:
-
-„Koning Robert van Frankrijk is door paus Gregorius, nu juist twee jaar
-geleden, in den ban gedaan, omdat hij zich niet wilde laten scheiden van
-zijn vrouw, koningin Bertha, die hem te na in den bloede bestaat. En
-thans is de koning tot die scheiding besloten, „omdat nu toch de wereld
-zal vergaan, nù!”
-
-„Maar paus Gregorius heeft den koning in 998 -- wegens zijn weigering --
-veroordeeld tot een _zevenjarige boetedoening_. Wijst dit op den
-ondergang der wereld in dit jaar?”
-
-„Ik weet het niet, ik kàn niet meer! Mijn hoofd, mijn hoofd!”...
-
-Meewarig schudde de bisschop het hoofd. Van hoeveel zielsangst,
-nachtwaken en vasten verhaalde dat ontvleesde gelaat!
-
-„Broeder Johannes, gij zoekt het op een verkeerden weg. Dien uw God door
-liefde tot uw naasten, door te vertrouwen op Hem en op de reddende
-genade van den Zaligmaker, Die ook voor u heeft geleden en is
-gestorven.”
-
-Hij nam een klein, in francyn gebonden boekdeeltje van het rek aan den
-wand.
-
-„Lees opmerkzaam, zoodra wij te Utrecht zijn aangekomen, dezen „Libellus
-de Antichristo.” Het is reeds bijna een halve eeuw oud en geschreven
-door Adson, den geleerden abt van Mons-Dervense, in Champagne.”
-
-Begeerig strekte broeder Johannes de hand uit.
-
-De bisschop hernam: „Koningin Gerberga was destijds even bekommerd als
-gij nu. Op haar verzoek -- zij wenschte zoo vurig te weten wat de Bijbel
-zegt omtrent den Antichrist en zijn gevreesde macht -- werd het boekje
-geschreven. De laatste regels luiden: „Ik geloof, dat niemand weet,
-hoeveel tijd er zal voorbijgaan tusschen de komst van den Antichrist en
-het Laatste Oordeel, maar dit blijft ter beschikking Gods, Die de
-menschheid zal oordeelen in het uur, dat Hij daartoe voor eeuwen heeft
-bepaald.” --
-
-„Moge de lezing ook u tot kalmte brengen, broeder, gelijk zij dit eens
-koningin Gerberga deed en dit geschrift u tevens leeren berusten in Gods
-wil door te gelooven in Zijn heilig woord. Ga echter nu de plichten
-volbrengen, die thans op u wachten. Ook het aardsche leven stelt den
-mensch zijn eischen.”
-
-Zegenend legde de bisschop hem de hand op het hoofd; een groot gevoel
-van rust kwam in het gefolterde hart van den jongen broeder, toen hij
-in het opgeheven gelaat zag voor hem, door leed veredeld, door geloof
-gewijd, rust bezittend en rust gevend.
-
-„Ach, dat allen waren als hij! De wereld zou anders zijn, beter!”
-fluisterde het in zijn hart, toen hij heenging om een der kleine
-plichten te volbrengen van het leven, allen schakels van een groot
-geheel. En hij dacht nogmaals, hoe verklaarbaar het was, dat door zijn
-volgelingen de grijze kerkvorst zoo hoog werd vereerd. Zijn christendom
-bestond niet alleen uit bidden, zijn daden toonden zijn geloof.
-
-Bisschop Ansfried zag den jongen broeder zich naar het boothuis begeven
-langs de kerk.
-
-Onwillekeurig ontsnapte ook hem een zucht. De muren van tufsteen van het
-kleine kerkgebouw waren nauwelijks opgetrokken. In den eenvoudigen
-vierkanten toren met een spits tusschen twee brandgevels, hing nog geen
-maand de klok, die met zilveren klank de omwonenden riep tot het gebed.
-Hoe had hij gehoopt hier dikwerf eenige dagen van verademende rust te
-vinden, wanneer de zorgen voor zijn uitgestrekt Bisdom geheel zijn
-kracht hadden gevraagd en overspannen. Hoe had hij gewenscht zijn verder
-leven te wijden aan den dienst van God en de uitbreiding van Zijn rijk.
-En thans -- de klanken der aarde stegen tot hem op met stemmen van bloed
-en haat.
-
-De Denen aan de kust! Rolfr Jarl hun bondgenoot, het volk opwekkend tot
-afval van zijn geloof....
-
-Ook hij wist hoe diep de overleveringen van het heidendom nog, vaak
-onbewust, leefden in menig eenvoudig hart. Want een algemeen verbreid
-geloof was het onder het volk, toen dit het Christendom aannam,
-gedwongen meestal, dat de goden waren gevlucht voor den God der
-christenen, doch dat zij daarom niet waren gestorven: Zij hielden zich
-slechts schuil in eenzame wouden of in woeste landstreken, om terug te
-keeren als de nood op het hoogst was geklommen voor het volk, welks
-voorgeslacht hen had vereerd. Wodan wachtte met zijn Einheriar den
-laatsten strijd af, diep verborgen in een berg der Duitsche gouwen. Maar
-als die strijd ontbrandde, zou hij te voorschijn treden, zijn
-godenmantel van schitterend blauw om de trotsche schouders. Slingeren
-zou hij zijn geduchte speer naar de afvalligen, maar zijn getrouwen zou
-hij, de „zegenschenker”, veilig voeren in zijn vernieuwd rijk, dat was
-verrezen uit den wereldbrand, bloeiend, wonderschoon.
-
-Eens -- hoe goed herinnerde de bisschop het zich! -- had hij op een reis
-door Duitschland zijn gids gevraagd, op een bergtop wijzend, die statig
-oprees boven het omliggende land:
-
-„Dat is de Kyffhäuser, nietwaar?”
-
-Maar tersluiks had de gids op zijn voorhoofd een teeken gevormd, dat
-geen kruis was, terwijl hij schuw mompelde, met een zijblik op het
-berggevaarte, waarboven de grijze wolken laag dreven en de raven
-geheimvol krasten:
-
-„Het is de Wodansberg, heer. Zie, zijn raven vliegen om den top,
-gehoorzaam lettend op zijn bevelen en de wolken wachten of hij, door
-hen omsluierd ongezien wil rijden over de aarde.
-
-Hij slaapt nu in den berg met zijn getrouwen, heer! In den marmeren
-disch voor hem groeit zijn baard, maar als de nood dreigt en het einde
-komt, zal hij ontwaken en dan, en dan”....
-
-Met verbazing zag de spreker zich het zwijgen opgelegd door den
-onbekende. Waarom? Ieder wist immers, dat het zoo was en eenmaal zoo
-zijn zou? Zijn grootvader had het hem verhaald, die had het van zijn
-voorganger gehoord en die....
-
-Graaf Ansfried leerde dien dag opnieuw, hoe zwaar het valt,
-volksoverleveringen uit te roeien, die eenmaal wortelden in volksgeloof.
-Voorwaar, Rolfr Jarl had ditmaal geen zware taak! Hoe dikwijls was hij
--- gedurende de korte jaren zijner kerkelijke waardigheid -- niet
-genoodzaakt geweest krachtig op te treden tegen heidensche gebruiken,
-ingeslopen in den christelijken eeredienst, of gehandhaafd ondanks
-verbod en bevel. Het land was gekerstend sinds meer dan twee eeuwen,
-maar velen zijner bewoners waren daarom nog geen christenen.
-
-Gespannen zag de bisschop naar den landweg. Het was hoog tijd om te
-vertrekken. Er zou te Utrecht veel te doen zijn. De stad moest versterkt
-en in staat van tegenweer worden gebracht, de heirban worden opgeroepen,
-boden gezonden door het land om het volk aan te manen zich te wapenen.
-Scherp wacht moest worden gehouden op den toren van ieder landkasteel,
-zoowel als op de heidehoogten, terwijl op de duinen roodgloeiende
-wachtvuren hoog opvlammend, elkander het teeken moesten geven van de
-landing der gevreesde vijanden.
-
-Of de gravin-weduwe van Kennemerland reeds was gewaarschuwd of op haar
-hoede? De graven van die landstreek waren door den keizer belast met de
-kustwacht en de kustverdediging tegen de invallen der Noormannen. Maar
-de krachtige graaf Aernout was enkele jaren geleden gesneuveld op de
-made van Winckel in een zijner veelvuldige veeten met de woeste
-West-Friezen; zijn zoon Dirc nog een kind. En het berokkende zijner
-weduwe, de schoone Luitgarde, reeds zooveel zorgen, om het van alle
-zijden aangevochten erfdeel van haar zoon te beschermen, dat reeds nu
-diepe lijnen zich hadden gegroefd in haar blank voorhoofd, dat zich
-welfde onder den sluierkroon en den weelderigen diadeem harer golvende
-haren.
-
-Neen, van die zijde was niet op hulp te rekenen. Had de bedrukte
-regentes nog niet kort geleden de tusschenkomst verzocht zijner
-gewapenden om het burggraafschap van Gent terug te verwerven, dat voor
-goed verloren dreigde te gaan van haar zoon, evenals dit reeds zijn
-vader was ontroofd?
-
-Bisschop Ansfried wist zich aangewezen op eigen krachtsontwikkeling. Hij
-moest handelen, terstond naar Utrecht vertrekken en -- nog kwam Unruoch
-niet.
-
-De avond viel snel en bij dit schemerlicht volbracht de bisschop zijn
-plicht van het oogenblik. Hij zocht eerst naar een kussen voor oude
-Lisa om haar den tocht wat gemakkelijker te maken in den zadel van een
-muildier op den weg vol kuilen en gaten en borg toen de kwartijnen, die
-de werken van Augustinus, de Topica van Aristoteles, de Aphorismen van
-Hippocrates en de godgeleerde beschouwingen van Athanasius bevatten in
-een leeren tasch.
-
-Dichter werd de schemering, vale schaduwen wierpen de boomen, tot
-loodkleur verdofte het watervlak. Plotseling klonk het gedruisch van
-vele paardenhoeven door de suizende stilte. Zij kwamen! De bisschop
-greep zijn mantel. De eerste sterren glinsterden, avondrust was rondom.
-Nu kon de tocht aanvangen. Zij kwamen.... Maar, als overwinnaars niet.
-
-Snel als de wind renden de bisschoppelijke ruiters over de bruine heide,
-Unruoch aan het hoofd, maar als een huilende Novemberstorm volgde hen
-Rolfr Jarl met zijn Denen. Pijlen snorden van den boog -- met lossen
-teugel reden de Denen -- wonden bijtende speren zochten hun wit. Reeds
-meer dan een angstig hinnikend paard zonder ruiter toonde, dat zij doel
-hadden getroffen. Nu bereikten de bisschoppelijke ruiters den waterkant.
-Slechts op een tiental schreden afstands waren de vervolgers. Hoog
-richtte Unruoch zich op in den zadel. Ver in ’t rond klonk zijn stem tot
-de ruiters:
-
-„Redt u! Hier is het water ons behoud. Werpt u in den stroom, op den
-Hohorst zijt gij veilig!”
-
-Ver in de meerderheid waren de Noorsche ruiters. Langer verzet was de
-dood. De mannen van St. Maarten begrepen het. Een sprong, een plons, de
-paarden voelden het water opspatten boven hun manen. Zwemmend poogden
-zij den tegenovergestelden oever te bereiken. Maar ondiep was de stroom.
-De modder van den bodem kleefde en trok omlaag. Het was een hachelijk
-oogenblik. Met stem en teugel vuurden de ruiters hun paarden aan.
-Vruchteloos arbeidden de vermoeide dieren, en de bende door Rolfr Jarl
-zelf aangevoerd, had hen bereikt. Thans trof iedere pijl zijn doel. Op
-den heuvel stonden de kloosterbroeders met den bisschop, hun eigen leven
-niet vreezend voor de snorrende pijlen, toch tot helpen machteloos.
-
-Unruoch zag het. Hij stond nog alleen aan den oever, met zijn zwaard den
-overtocht der zijnen dekkend. De pijlen kletterden tegen zijn schild;
-als ijzeren veeren bleven zij er trillend in steken. Met smeekend gebaar
-wendde hij zich tot den bisschop:
-
-„Blijf daar niet! Het bestaan van dit volk hangt af van uw leven. Met u
-staat en valt zijn vrijheid! De Denen!”.... Hij kon niet verder. Een
-pijl drong door de voegen van zijn helmkap. Bloed druppelde op zijn
-pantser. Het zwaard ontglipte zijn vuist.
-
-„Grijpt hem! Grijpt hem levend!” dreunde de stem van Rolfr Jarl.
-„Dan”....
-
-De belooning door hem toegezegd ging verloren in rumoer en geschreeuw,
--- het antwoord op zijn bevel. Als honden op een gewond hert wierpen
-zich de Denen op Unruoch. Zij trachtten hem van het paard te rukken,
-hij verweerde zich als een wanhopige, de heirbijl in de ongewonde hand.
-Maar zijn krachten begaven hem, hij voelde het. Nog éen oogenblik en zij
-zouden hem op den grond werpen, hem sleuren over heide en boomstronken
-naar hun heer, die hem ten tweeden male niet zou vrijgeven -- door
-overmacht gedwongen. Krampachtig omknelden hem de gespierde armen in de
-harde lederen kolders, nog éen oogenblik.... Toen gaf hij zijn paard een
-slag met de heirbijl, die doordrong diep in de flank van het moedige
-dier. Een scherp, snijdend geluid, hoog steigerde het paard op zijn
-achterbeenen, in den wind fladderden de lange manen, met een ruk van
-getergde kracht, uit felle pijn ontstaan, wierp hij het verwarde
-menschelijke kluwen van zich, trappend, bijtend in schier razende
-woestheid. Toen nogmaals een sprong en neer ploften ruiter en ros in den
-stroom. Geen eigen gevaar meer achtend, waadden de enkele nog ongewond
-gebleven ruiters -- het was hun eindelijk gelukt den wal te bereiken --
-terug. Na eenige oogenblikken zag Rolfr Jarl, met trekken donker van
-woede en drift zijn prooi ontsnapt. Tevergeefs dreigde hij met gebalde
-hand de ruiters; vruchteloos vergat hij den afstand, die hem van hen
-scheidde, door zijn teleurstelling te uiten in een woordenvloed, die hem
-tot gelijke stempelde zijner ruwste eigenhoorigen. Ten laatste zweeg hij
-met droge keel, naar adem snakkend. Met een ruk wendde hij zijn paard.
-Een pijl suisde hem voorbij, een tweede trof zijn hand, toen keerde hij
-zich opnieuw naar den Hohorst met een plotselingen inval:
-
-„Des te beter! Ik rook den beer uit zijn hol!”
-
-Norsch wendde hij zich tot zijn ruiters. Zij verwachtten zijn bevelen,
-sidderend, deemoedig. Hij wees naar de loodsen, den stal en het
-boothuis:
-
-„Steekt die kotten in brand, maar bewaar de boot en houdt scherp wacht.
-Ieder die tracht over te steken zingt gij de lansenmis. Wij zullen ze
-uithongeren of van de aardsche jammeren verlossen, die verheven
-christenen! Vlammende pekkransen op het dak en geen teerkost
-binnenshuis! Past op, dat gij niemand doorlaat! Gij boet het met uw
-leven!”
-
-Rolfr Jarl reed heen, de ruiters bleven. Van voldoening hamerde zijn
-hart met versnelden slag. Bisschop Ansfried zijn gevangene op den
-Hohorst en de Denen tot den inval gereed!
-
- * * * * *
-
-Oude Lisa strompelde dien avond door de velden. De sterren verlichtten
-haar pad, ook de ster met de gevreesde vurige roede. Zij klopte aan de
-huisdeuren -- van binnen versperd door een balk als waren er vijanden in
-’t gezicht; op een kier werden zij geopend om haar in te laten. En dan
-zag zij:
-
-In het eene gezin alle huisgenooten knielen voor de alruinen.
-
-„Boer, boer! sta op! De bisschop is gevangen als een muis in de val!”
-klonk haar bevende stem. En zij verstond het antwoord:
-
-„Is dat mijn schuld? Hij heeft ons die willen afnemen” -- met een
-gebaar naar de alruinen -- „en gij weet, wie een alruin uit den grond
-trekt moet sterven.[16] Zij waren de machtigsten, lang voordat keizer
-Karel leefde of nu de bisschop. Had hij de alruinen maar met rust
-gelaten, maar hij ging rond door het land om alle overblijfselen uit te
-roeien van het heidendom. Nu hebben zij hun wraak!”
-
-De deur sloeg toe, de wachthond blafte, oude Lisa stond weer alleen
-buiten, onder den sterrenhemel. Zij ging met moeite het erf af, het
-vonder over, als een groet uit het Paradijs drong de lindengeur tot haar
-door. Doch geen paradijsvrede heerschte in de volgende woning waar zij
-aanklopte. Geknield lagen ook hier allen, maar doodsangst sprak uit den
-starren blik der oogen, radelooze wanhoop uit de saamgewrongen, omhoog
-geheven handen:
-
-„Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons! Het is aanstaande, het oordeel
-komt! Heer, erbarm u onzer!”
-
-„Menschen, komt tot je zelven! Let op het heden: onze bisschop!”....
-
-„Vrouw, wat hebben wij met je noodig? Houd ons niet op: Het einde is
-nabij. Op Midzomer -- ik meen met St.-Jan is de groote, geweldige dag
-daar. En wij verbranden mee! Heer, erbarm u! Erbarm u!”....
-
-Zwijgend ging Lisa. Allen dachten alleen aan eigen behoud, niemand
-scheen zich meer te herinneren, wat de grijze kerkvorst was geweest
-voor hen; hij, die zoo hoog in aanzien en macht, hier rondging als de
-minste der broeders om te raden, te helpen, te redden bij iederen nood.
-Wie zijn leven zal willen behouden zal het verliezen....
-
-Lisa’s voetstappen stierven weg.
-
-Henno kruiste haar pad. Hij zag haar niet voor zij hem staande hield.
-Toen trof haar een blik vol doodsangst uit oogen, door droefheid
-verduisterd:
-
-„Weet ge ’t al, Lisa? Mijn Yglo ligt in den slangenkelder van den
-Ravenhorst en verdronken is Trutha! Mijn vrouw dood, gevangen om te
-sterven mijn zoon! O, dat het einde ook voor mij kwam! nu, nù! Ik ben
-weggegeeseld van den Ravenhorst. Hadden zij mij maar dood geslagen!
-Waarom duurt het nog zoo lang, dat de wereld vergaat! Zoolang!”
-
-Het was of de gebogen gestalte voor hem, rees. Beschikte inderdaad die
-oude, doffe stem over zooveel kracht?
-
-„Omdat er nog veel te doen is in die wereld, ook voor jou visscher, ook
-voor jou!”
-
-„Wat meen je, moeder Lisa? Wat meen je?” Zij verhaalde hem wat er op den
-Hohorst was gebeurd:
-
-„Ik stond en zag het uit de verte. Een onderkomen was mij daar beloofd
-door onzen bisschop. Nu moet ik zwerven door ’t land, naar mijn hutje
-durf ik niet meer. Henno, hij was goed voor ieder van ons; niemand, die
-hulp behoefde, werd ooit door hem afgewezen en nu laten allen hem
-alleen. Allen, Henno!” De visscher verborg het hoofd in de handen.
-
-„Ik deed het ook. God vergeve mij en rekene het mij niet toe! Ook ik
-vergat hem en nu is de straf gekomen! Ik was bij het offervuur, in
-vlammen ging mijn hoeve op. Den bisschop werd door Rolfr Jarl de dood
-gezworen en nu.... mijn vrouw, mijn kind!”....
-
-„Maak het goed, Henno, maak het goed!”
-
-„Hoe zou ik, arme man, dat kunnen?”
-
-Toen ontwikkelde Lisa haar plan. Wat maakte die oude, onwetende vrouw
-zoo vindingrijk?
-
-Een blik in het verleden:
-
-Door de velden rende Rolfr Jarl met zijn stoet. De middagzon brandde;
-naar verademing hijgde geheel de natuur. Onvoordeelig was de jacht
-geweest; een zijner beste brakken had een jachtspriet in ’t lijf
-gekregen door de schuld van een drijver -- hij was op last van zijn heer
-dadelijk opgehangen. Nu reed Rolfr huiswaarts; wie de uitdrukking van
-zijn gezicht zag, sidderde.
-
-Dietmer, den koeherder, zag hij van verre. Het vel eener koe met kop en
-horens er nog aan, slingerde hem over den rug. Rolfr spande den boog,
-terwijl de herder naderkwam. Grauwend klonk het:
-
-„Wat waag je nu weer, aartsdief! Een van mijn koeien heb je dood
-gestoken om”....
-
-Drift belette hem verder te spreken. Het gaf Dietmer gelegenheid
-smeekend uit te roepen:
-
-„Heer, spaar mij! Het dier is zijn natuurlijken dood gestorven! Huid en
-kop lever ik u immers onbeschadigd, dan is de herder vrij van
-schuld.[17] Met zijn boog sloeg Rolfr den herder in het gezicht. Dat
-was zijn antwoord. Toen wees hij de Denen van zijn gevolg op een groepje
-hoorigen, dat het noenmaal verorberde: boonen, een stuk grof, zwart
-brood, na de zware morgentaak.
-
-„Wij hebben heden een slechte jacht gehad. Jaagt op dat vee! Ik zal ze
-leeren, te luieren en te stelen!”
-
-Met wilde bijvalskreten volgden de woeste Denen het bevel. Jacht werd
-gemaakt op de hoorigen als op de hazen en konijnen der heide. Gewond
-lagen zij weldra. De herder stierf door een boogschot van den Jarl. Lisa
-kwam van den molen. Ook haar trof een pijl in den arm.
-
-„En ik ben vrijgeboren! Niet mijns heeren eigendom, met lijf en huid,
-als de hoorigen!”
-
-Als de stervenskreet van het gehoonde recht klonk haar uitroep den
-geestelijke in de ooren, die de ongelukkigen vond in het veld,
-gekwetsten en dooden, nadat de jachtstoet onder hoorngeschal en lustig
-hondgebas verder was gerend.
-
-Zij kenden hem geen van allen, dien man met het ernstig, denkend gelaat
-en het zilveren haar, de arme hoorigen. Hij droeg het eenvoudige, zwarte
-kleed der Benedictijner kloosterbroeders. Maar hij had de dooden
-begraven en gebeden bij hun lijk. Hij had de gewonden verpleegd met
-eigen hand, ze gebracht naar den Hohorst en gelijk eerst voor de dooden
-bad hij nu met de levenden. En terwijl hij hen tot lijdzaamheid
-aanspoorde in hun lot en hen wees op den Gekruisigden Heer, Wiens last
-den hunnen had overtroffen tien- en honderdvoud, daalde berusting in
-menig tot weerwraak getergde borst en werden klachten en verwenschingen
-omgeschapen in gebeden tot God, Die eenmaal alle tranen zou afwisschen
-van de vermoeide oogen.
-
-„Niet Hooge Horst, Heilige berg, moest deze plek heeten!”....
-
-Het was het laatste woord van een stervende, die het eeuwige leven had
-gevonden op de plaats waar hij het aardsche liet, maar het ging van mond
-tot mond en het werd nooit meer vergeten in geheel den omtrek --
-nimmermeer. Ook door oude Lisa niet. En daarom wist zij heden een
-uitweg, nu allen versaagden....
-
-Mistroostig zaten Walger en zijn vrouw op den grond voor hun half
-verwoeste woning. Nu was er vuur noch visch, gejoel noch bruin bier. In
-wanhoop had hij eindelijk zich zelven verlost uit den schandkorf, met
-het touw door te snijden. Met veel moeite, doornat aan wal gekropen, na
-zijn plons in het water, was hij terstond gegrepen en op den „blauwen
-steen” voor het gehate heerenhuis te pronk gesteld, tot de avond viel.
-Toen werd hij den Ravenhorst afgejaagd en thuiskomend had hij zijn vrouw
-gevonden als een waanzinnige gillend in zijn bijna geheel omgetrokken
-woning. De kinderen waren weggeloopen, waarheen wist niemand. Nu zaten
-zij en staarden in den nacht.
-
-„Vloek over Rolfr Jarl!”....
-
-„Voltrek dien! Hij houdt onzen bisschop opgesloten op den Hohorst. Dàt
-doet hij nu!”
-
-Lisa’s stem drong aan, maar Walger kroop weg van angst onder een
-wilgenstruik.
-
-„Ik een geringe, arme man? Hoe zou ik de hand durven opheffen tegen den
-Jarl, die machtig is en groot?”
-
-„Zijt gij niet evenzeer vrij geboren als hij?”
-
-Uit den wilgenstruik klonk geen antwoord, maar de vrouw mompelde -- op
-welk een anderen toon dan de vorige maal! -- „De dagen zijn geteld,
-waarin de wereld nog bestaat. Wat zullen menschen elkander richten? Het
-oordeel komt!”....
-
-Zij zweeg en Lisa met haar. Hier was geen hulp te wachten. Angst en
-moedeloosheid voerden deze menschen tot radeloos afwachten. Zij hieven
-hen niet op tot zelfvergetelheid door mede-lijden met anderen, even
-zwaar of meer nog getroffen dan zij zelven.
-
- [16] Van den Bergh: Ned. volksoverleveringen.
-
- [17] Noordewier: Ned. rechtsoudh.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-
-Olaf Erikson had zijn zending niet behoeven te volbrengen. Het zwerven
-door het land en langs de kust, gevaarvolle taak, waarbij zijn leven op
-het spel stond, indien iemand den Noorman in hem herkende, was hem
-bespaard. Nog had hij het Goye niet verlaten toen hem, bij het
-oversteken der Vecht, zijn oude schilddrager Holger, dien hij op de
-vloot had achtergelaten, begroette met handslag en vreugdewoord. Want,
-goede tijding bracht hij:
-
-Een kleine bende was, begunstigd door den nacht, met eenige booten
-geland niet ver van Noortic. De weinige kustwachters waren door hen
-overrompeld en de seinvuren gedoofd. Holger zelf had deel genomen aan
-dit eerste heldenfeit.
-
-„Gestoken in de plunje der kustwachters nemen nu de onzen hun plaats in.
-Geen seinvuren zullen dus vlammen op de toppen der duinen. Ongehinderd
-kan de vloot bij Leithen landen om zoo door te dringen in het hart van
-het land. In Kennemerland en in Masaland heerscht evenwel reeds de
-grootste verdeeldheid, naar mij werd verhaald. De heeren strijden tegen
-elkander, de gravin voor het erfland van haar zoon en het volk loopt de
-slagen op van beide zijden. Dáár zullen wij geen tegenstand ontmoeten;
-ieder is vervuld met zijn eigen belangen en verschanst zich in burcht of
-toren of kiest het hazenpad.”
-
-„Maar het algemeen gevaar kon de bijzondere veeten doen vergeten. Dat
-zou niet voor de eerste maal zijn. Keer daarom terug, zoo snel gij kunt
-en vraag Harald Sigvatr uit mijn naam de vloot bijeen te houden en er
-voor te waken, dat het volk zich niet verspreidt en in de kustplaatsen
-aan het plunderen raakt om onze macht te verbrokkelen. Spoedt u allen
-naar Utrecht. Daar ontvangen wij versterking en vinden een bondgenoot in
-Rolfr Jarl.”
-
-De schilddrager knikte:
-
-„Ik volbreng uw last, Olaf Erikson.”
-
-„Het is nu niet meer noodig, dat ik verder ga. Twee dienstmannen van
-Rolfr Jarl zullen de vloot ten gids strekken.”
-
-Zoo betrad Olaf opnieuw den Ravenhorst. Het onstuimig verlangen naar
-zijn jonge bruid dreef hem voort. Rolfr Jarl was afwezig. Vrouw Sigrid
-verscheen niet. Onaangediend ging hij de nauwe, kronkelende steenen trap
-naar de hal. Door de halfronde vensters -- alle in dubbelvorm -- vielen
-de zonnestralen met gouden tintelgloed. Uit den hof klonk de stem van
-den Skald; met strofen in eindrijm gedicht:
-
- „Waar Walhalla’s hooge halle,
- Glinstert in den glans van goud,
- Daar kiest Wodan iedren morgen
- Helden zich, ’t zij jong of oud.
- Wie hier viel zijn naam ter eer
- Groet bij hem den morgen weer”....
-
-Onwillekeurig zocht Olafs hand het kleine, zilveren godenbeeld, dat aan
-een gouden snoer op zijn borst hing, onder den met franje omzetten
-rooden mantel. Hij wenschte vurig te leven; met versnelde slagen joeg
-zijn hart. Wat kon hem het schitterende Glansheim en Alvaders godenzaal
-baten als hij geluk en liefde moest achterlaten op aarde?
-
-Uit het afgescheiden gedeelte der zaal trad door het breed neerplooiend
-gordijn Swanwitha. Zij kwam uit den huistempel, waar zij het
-dagelijksche offer van brood en vleesch had neergelegd voor Wodans
-beeld. Ernstig en droevig was haar schoon gelaat. Zij scheen het
-tegendeel van gelukkig. Hij snelde naar haar toe en omvatte haar in zijn
-armen. Met een gebaar vol wanhoop weerde zij hem af:
-
-„Laat mij gaan. ’t Is ’t eenige wat ik u vraag.”
-
-„Ge zijt mijn bruid, Swanwitha. Gij draagt mijn ring.”
-
-Zij zag neer op den smallen, gouden band met een blik vol afkeer.
-
-„Door dwang. Zóó zou ik geen bruid begeeren. Wij kenden elkander niet
-eens. Hoe kunnen wij dan”....
-
-Zij sloeg de handen voor het gelaat en zweeg in een snik.
-
-Getroffen zag hij haar aan. „Ik had je lief in ’t zelfde oogenblik, dat
-ik je zag,” sprak hij gesmoord. Verstikt in hartstocht beefde zijn stem.
-
-„Maar ik niet! Olaf, geef mij mijn vrijheid weer! Wees barmhartig voor
-mij! Liever sterf ik dan.... Liefde, dat groote, machtige gevoel kan
-niet worden gedwongen, dan wordt wat verheffen moest verpletterd door
-laagheid. Olaf, neem dien ring terug, geef mij vrij!”
-
-Zij sloeg de oogen tot hem op, dringend, radeloos. Spanning en angst
-joegen haar een blos op het gelaat. Nooit had zij hem zoo schoon
-toegeschenen als in dit oogenblik. Welke reden had zij? Gesmade liefde
-deed ijverzucht ontbranden, gloeiend in schrijnende pijn.
-
-„Ge hebt een ander lief!” barstte hij uit. Verward wendde zij zich af,
-schier vluchtend uit de hal. Toen wist hij zijn vermoeden juist. Een
-heete gloed steeg hem in ’t gelaat bij de vraag: „Wie, wie!”....
-
-Was zij misschien betooverd? De nagelbloemen bloeiden. Had een vijand
-die misschien in ’t geheim gebakken in het brood, dat zij at? Dan was de
-betoovering ongeneeslijk. Maar zij droeg immers een gedroogden
-brandneteltak tusschen de voering van haar mantel. Vrouw Sigrid had hem
-dit zelf gezegd. Dit bewaarde haar tegen alle tooverij. Hij verwierp
-daarom zijn eerste denkbeeld. Er was dus iets anders. „Wie -- wat?” Het
-martelde hem. Hij was gewoon, dat maagdenblikken schuchter zijn gelaat
-zochten, om zich dan snel weer te verbergen achter de lange wimpers en
-thans was de schaduw der onverschilligheid tusschen hem en de vrouw, die
-hij liefhad vol hartstocht en zelfzucht. Wie, wat scheidde hen? Als een
-warrelende duizeling, éen met den maalstroom der gedachten, die hamerden
-in zijn hoofd, zwermde een breede vlucht van raven om den toren. Het was
-hem of zij een zwarte schaduw wierpen over het in licht badend
-landschap, of hun krijschende schreeuw de echo vormde van zijn wanhoop.
-Hij knarsetandde en beet zich de lippen tot bloed. Zijn hartstocht
-begeerde haar, hij wilde haar bezitten, gelukkig zijn.... Gelukkig --
-zij ontvluchtte hem, smeekte om haar vrijheid.... Nooit zou hij haar die
-hergeven, nooit!.... Een zware tred dreunde op de steenen treden, een
-harnasschoen ratelde. Rolfr Jarl kwam. Hij was uitgereden om den
-Stuthenborch plat te branden. In weinig woorden deelde Olaf hem mee, dat
-de vloot in aantocht was. Rolfr lachte, hard en snerpend -- volgens zijn
-gewoonte. Een zegevierende trek speelde om zijn vastgesloten lippen.
-
-„Als de laatste lansenmis gezongen is voor het christengebroed zal
-Miölners bruidszang voor u weerklinken, Olaf!”
-
-Hij trok de schouders op, neerslachtig: „Misschien. Swanwitha wil niet.”
-
-„Wat? Dat kind? Zij heeft geen wil, ik wil voor haar.”
-
-„Wanneer een vrouw iets niet wil, wie dwingt haar dan? Swanwitha is in
-staat zich van den toren te werpen, eerder dan onder mijn zwaard door
-te treden als mijn bruid. Ik verliet een kind, een vrouw vind ik terug.
-Wat is er gebeurd?”
-
-Rolfr smoorde een verwensching tusschen de tanden.
-
-„Heeft zij niet gezegd wat zij wil?”
-
-„Neen, alleen wat zij niet wil.”
-
-„Echt vrouwelijk. Gij behoeft u er niet aan te storen. Hij zit als een
-rat in de val en de klep is dicht.”
-
-„Ik begrijp u evenmin als straks Swanwitha.”
-
-„Zij is de speelbal van Unruoch, maar heb geen zorg: met den bisschop en
-zijn aanhang zit hij in de klem op den Hohorst.”
-
-Rolfr verhaalde wat gebeurd was gedurende zijn afwezigheid en Olaf
-luisterde zonder te verstaan. De raven krasten boven zijn hoofd en het
-scherm hunner zwarte vlerken scheen hem als een rouwsluier, die zich
-verstikkend zou leggen over al zijn hoop en geluk -- eigen geluk. Hij
-begreep niet volkomen wat in hem omging, maar hij voelde, hoe woede en
-jaloerschheid bezit van hem namen, geheel. Zijn wenkbrauwen trokken
-samen, diep groeven zich zijn tanden in de onderlip; in stilte deed hij
-zich zelf een gelofte...
-
-Het was waar wat Rolfr Jarl zei, volkomen! Waarom had hij het niet
-eerder verstaan? Had hij niet meer dan eens een snellen blos zien komen
-en gaan, wanneer de naam van Unruoch werd uitgesproken in haar bijzijn?
-En als hij zelf onverwacht binnentrad bleef zij stil, neerslachtig voor
-zich uitstaren. Hij vond haar dan met de naald in de hand naast haar
-grootmoeder, die haar bestrafte omdat zij niet werkte. Schuw wendde zij
-de oogen af als hij haar naderde... Zijn ijverzucht steeg tot brandende
-physieke pijn. Vergelding zou hij zoeken en ook weten te vinden. Met een
-slag zette hij den beker, hem door den hofmeester geboden, neer op den
-bronzen disch. Zijn vingers hadden het fijn bewerkte metaal gedeukt. Van
-hartstocht trilden zijn lippen toen hij mompelde: „Ik zal mij wreken.”
-
-Hij vroeg zich niet af met welk recht hij was gedrongen in haar leven,
-hij, de onbekende, wien zij gedwongen was geweest haar hand te reiken op
-bevel. Hij wilde alleen bezitten zijn eigen, zelfzuchtig geluk, evenals
-hij nu zocht zijn eigen zelfzuchtige wraak...
-
-De heldere dag met den blauwen hemel, waaraan witte wolken dreven, waar
-leeuweriken opstegen zingend, jubelend, was voorbij. Nieuwen moed,
-dubbele kracht had de frissche wind getracht te wekken in de harten; het
-was alsof hij de menschen wilde opnemen, ze voort dragen, ver weg op
-vleugelen van zonnegoud en bloesemgeur.
-
-Nu viel de avond en eentonig, grijs lagen de velden en lusteloos
-stroomde het water.
-
-Ach, frissche wind noch leeuwerikenzang hadden een echo kunnen wekken in
-de borst van dienstman of hoorige, die scherp wacht hielden en waakten
-om den Hohorst, nu vele dagen reeds. Alle uitgangen en wegen, in heide
-en woud, waren afgezet op bevel van Rolfr Jarl; door schuiten was de
-rivier versperd. Elke reiziger of koopman, die onbewust van wat plaats
-greep zich vertoonde in den omtrek, werd als gevangene naar den
-Ravenhorst gebracht.
-
-Hoe menige bittere klacht, hoe veler gloeiende wraakgelofte vingen de
-kille muren op van het trotsche landkasteel!
-
-Zijn eigenaar glimlachte. Geen boogschot mocht worden gedaan, geen pijl
-geslingerd naar een der ingeslotenen op den Hohorst. Door honger
-uitgeput wilde hij den voormaligen graaf van Teisterbant, nu bisschop
-van Utrecht, zien voor zich buigen als vernederde, machtelooze
-gevangene. En dan zou de Deensche vloot daar zijn om zijn zegepraal
-volkomen te maken, ook op het weerlooze Utrecht, dat geheel onbewust
-bleef van den naderenden ramp; waar hij zou ontbreken als de Denen storm
-liepen, die door zijn bezielend woord steeds de harten nieuwen moed wist
-te schenken, de handen aanvuurde tot daden van zelfopoffering en kracht.
-
-De duisternis nam toe met ieder oogenblik. Met hellen schijn gloeiden de
-wachtvuren om den Hohorst.
-
-Twee hofhoorigen van den Ravenhorst spraken fluisterend met elkander.
-Hun blik zocht de kleine kerk en het half voltooide houten woonhuis. Een
-flauw licht gleed door een der smalle vensters, over den zilveren
-avonddauw.
-
-„Het is een vreeselijk middel,” mompelde de eene. „Hoe durft onze heer
-het wagen! En wij -- „gehoorzamen of de dood” -- luidde zijn woord, maar
-zullen wij den toorn niet uitlokken van God? En wat dan? Het einde is
-nabij. Dat zegt iedereen.”
-
-Dof klonk de stem van den andere:
-
-„Bisschop Ansfried heeft nooit gezegd, dat hoorigen geen ziel bezitten
-en gedoemd zijn na hun dood tot het eeuwig niet. „Komt tot Mij allen die
-vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven,” dat was de troost,
-dien hij mij eens gaf toen ik neerlag, bloedend en krimpend, nadat
-honderd geeselslagen waren neergestriemd op mijn rug. Te rotten lag het
-koren op het veld in den regenachtigen zomer. Den geheelen dag had ik
-gewerkt om den oogst binnen te halen voor onzen heer. „Dat moest het
-eerst geschieden,” beval de meier. Maar ’s nachts dacht ik hoe mijn
-vrouw en kinderen in den naderenden winter misschien zouden omkomen van
-gebrek. Ik stond op en sloeg den sikkel in het graan op mijn eigen
-hoekje grond. Dat hoorde de Jarl. Als ik voor mij zelf werkte had ik
-geen kracht om voor hem te arbeiden, zei hij. En toen.... o, de woorden
-van den bisschop waren als balsem voor mijn ziel, meer dan de
-geneeskruiden waarmee hij mijn wonden zalfde. En nu vergelden wij hem
-dit zóó.”
-
-Beiden zwegen en zagen naar het licht, dat blonk in de duisternis.
-
-„Is er nog een boot hier?”
-
-Een bevelende stem vroeg het. Bij den glans van het wachtvuur -- een
-licht van verwoesting en dood -- zagen zij den jongen vreemdeling die
-eens hun heer zou zijn door zijn huwelijk met de kleindochter van hun
-meester. Menigeen had toen hij dit vernam gedacht met een gevoel van
-verlichting, dat zijn kinderen betere tijden tegemoet gingen dan hij
-zelf had doorleefd. Swanwitha was geliefd en haar bruidegom boezemde
-geen angst in, maar thans --
-
-Was hij dat werkelijk? Wat beteekende die sombere gloed in zijn oog, die
-dreigende uitdrukking op zijn trekken?
-
-„De boot is nog gaaf, edele Olaf. De Jarl beval haar niet te verbranden;
-zij moest bewaard blijven om er de gevangenen mee af te halen, na de
-overgave.”
-
-„Zet mij dan over, terstond.”
-
-„Alleen? Edele Olaf, de jonge Unruoch is daar en nog enkele speerruiters
-van den Stuthenborch. Zij hebben allen wapens.”
-
-„Zet mij over!” Zijn stem knarste bij dat woord! Nauw verkropte haat
-gloeide er in.
-
-Hij werd gehoorzaamd, onhoorbaar stiet het bootje af -- -- --
-
-Wapentrofeeën glinsterden noch heirbijlen blonken in den eenvoudigen
-refter van den Hohorst, waarin hij nu den blik wierp. Geen wachter had
-hem tegengehouden met lans of zwaard. Slechts een klein aantal mannen
-was daar bijeen, sommigen reeds bejaard, in de kracht van het leven de
-meesten; de eenige, die een pantser droeg, was Unruoch. Met groote
-schreden mat hij het vertrek. Zijn gelaat zag nog bleek, maar strijdlust
-fonkelde uit zijn oogen toen hij bitter uitriep:
-
-„De aarde moest zich openen om Rolfr van den Ravenhorst te verslinden
-met het duivelsgebroed, dat hem dient. Hier zijn wij machteloos tot
-eenig verzet, aangewezen op den hongerdood en intusschen gaat het
-heiligste wat wij bezitten verloren: vrijheid en geloof!”
-
-Hij rukte zijn zwaard uit de scheede: „O, laat mij gaan en u allen een
-doortocht banen! Nog blijft ons een zestal ruiters, hun wonden zullen
-niet beletten, dat zij overzwemmen en u den weg vrij maken met hun
-wapens om”....
-
-„Te vallen zooals bij den grafheuvel hun strijdmakkers, die Rolfr
-neerstiet met drievoudige overmacht. Unruoch, deze menschenlevens wegen
-zwaar op mijn ziel. Waarom verliet gij met zulk een klein aantal den
-Stuthenborch? Gij weet, wat ik u had gezegd.”
-
-„Er waren geen ruiters meer te vinden. De angst voor den wereldbrand
-breekt alle tucht. Zonder verlof waren de meesten naar Utrecht. Daar
-stroomt alles naar de kerken. Verlaten zijn woningen en werkplaatsen.
-Zelfs bij de poorten houdt niemand de wacht meer, naar men zei.”
-
-De trek van overgevende berusting, die steeds het gelaat van bisschop
-Ansfried stempelde, week bij dit antwoord. Zielsverdriet wierp donkere
-schaduwen over zijn voorhoofd; een zucht ontsnapte hem:
-
-„O, mijn arm, aan uw doodvijanden overgeleverd volk, kon ik u slechts
-redden met mijn leven! Wie moedeloos neerzinkt is reeds half verloren.
-„Volhardt ten einde toe!”.... Waarom begrijpt schier niemand, dat dit
-een eisch is ook aan het leven gesteld met al zijn moeite en leed? Kon
-ik slechts iets doen, maar deze machteloosheid!”....
-
-Hij zweeg, op de borst, die hijgde naar daden, zonk het hoofd, dat
-steeds dacht voor anderen, dat altijd een uitweg vond waar ieder
-versaagde. Niet lang.
-
-„God zal helpen en uitkomst geven als Zijn tijd daar is. Hij wijst den
-weg, dien wij gaan moeten. Dat daarom ramp noch tegenspoed ons het
-vertrouwen op Hem ontneme, Die alle dingen doet medewerken ten goede!”
-
-Als een belofte uit beter, heiliger oord klonken zijn woorden allen
-tegen. Zij stortten nieuwe kracht in harten, gebogen door een ramp, even
-onverwacht als onoverkomelijk, zooals altijd waar geweld optreedt als
-heerscher. Maar nu werd de deur met een ruk opengeslagen. Een vaste stem
-sprak:
-
-„Ik bied u een uitweg, hoort mij.” Op den drempel stond Olaf, het
-getrokken zwaard glinsterde in zijn vuist, in zijn oogen blonk een
-vreemde glans. Met een hoofdbuiging groette hij de aanwezigen, maar aan
-Unruoch hechtte zich zijn blik, tot hem waren zijn woorden gericht:
-
-„Unruoch van Teisterbant, ik daag u uit tot een kampstrijd op leven en
-dood. Overwint gij, dan ben ik in uw handen en door mij kunt gij van
-Rolfr Jarl uw aller vrijheid eischen. Dit zal de prijs zijn van mijn
-nederlaag. Zegevier ik, dan zult ook gij allen” -- nu wierp hij een
-vluchtigen blik in het rond -- „moeten toestemmen, dat de goden hebben
-geoordeeld.”
-
-„Dat het een godsoordeel was,” sprak de bisschop vermanend.
-
-Olaf haalde de schouders op:
-
-„Ik kan mij geen God denken, die zich, als een weerloos slachtoffer,
-laat nagelen aan het kruis, terwijl de macht der aarde en van den hemel
-Hem behoorden, volgens de leer der christenen. Indien iemand waagde Thor
-aan te randen, zou hij zijn vijand verpletteren met één slag van zijn
-donderkeil. Dat is godenwraak!”
-
-„Zoo denkt gij. En toch zal de godsdienst van den Gekruisigde eenmaal de
-wereld overwinnen en heerschen als uw goden reeds eeuwenlang zijn
-vergeten, omdat Zijn leer liefde en zelfverloochening tot grondvesten
-heeft en uw godendienst zich verheft op den hoeksteen van zelfzucht en
-geweld.”
-
-Olaf was niet in staat den grijzen dienaar van het Evangelie te
-antwoorden. In zijn oogen flikkerde het opnieuw met verterenden gloed.
--- In zijn glinsterend ringpantser, met zijn hooge gestalte en fraai
-gevormd gelaat, de rosblonde lokken vrij vallend over het voorhoofd,
-geleek hij inderdaad een der fiere godengestalten van zijn volk,
-hartstochtelijk, onverschrokken, tot ieder middel bereid waar het gold
-zijn doel te bereiken, dat hem zou schenken -- vergelding.
-
-„Ik neem uw uitdaging aan.”
-
-De stem van Unruoch klonk hard en vast, ook in zijn blik gloeide het.
-
-„Unruoch, uw wond is nog niet geheeld!” Bisschop Ansfried riep het
-bezorgd.
-
-„Dat zal mij niet beletten, mijn zwaard te kruisen met het zijne. Mag ik
-als een eerlooze handelen? Eisch geen woordbreuk. Ik heb de uitdaging
-aangenomen. Moge het hier gelden:
-
-„Wee den overwonnene!”
-
-Hoog richtte hij zich op, nu ook zijn tegenstander groetend:
-
-„Tref goed, edele Olaf, bepaal het uur van den strijd en buig u voor het
-godsoordeel!”
-
-Met instemming werden zijn woorden aangehoord. Overwinnaar noch
-verwonnene zou ooit wagen zich te kanten tegen de uitspraak van het
-godsoordeel, dat zoo menigwerf besliste, waar de meening der rechters
-verschilde of de beschuldigde zijn onschuld betuigen bleef. Mocht hij --
-de bisschop vroeg het zich in stilte af, -- hier tegenwerpingen maken,
-waar een uitweg werd geboden aan allen, die met hem waren? Want
-verlossing zou het hun schenken uit een toestand, die met ieder uur
-noodlottig dreigde te worden voor het gansche volk.
-
-Het godsoordeel zou ook hier richten; zonder vrees konden zij het
-afwachten.
-
-Toch kon bisschop Ansfried een beklemmend gevoel niet onderdrukken, maar
-alle aanwezigen slaakten een zucht van verlichting, toen zij hem zijn
-toestemming hoorden geven tot het tweegevecht. Rechtvaardig was hun
-zaak....
-
-Olaf wendde zich tot Unruoch: „Keurt gij goed, dat morgen, bij het
-rijzen der zon, de kampstrijd zal worden gestreden volgens recht en rede
-en oude zede? Tot dat uur geef ik mij over aan uw beschikking.
-Ongevraagd ben ik gekomen, zonder oorlof zal ik niet heengaan. Ben ik uw
-gevangene?”
-
-De bisschop strekte de hand uit: „Vrij zijt gij gekomen, ga als een vrij
-man. Als de ochtend aanlicht boven de toppen der boomen, keer dan en gij
-zult het perk vinden afgepaald, vijf ellen in het vierkant, op de vier
-hoeken de palen. Geen der toeschouwers mag beweren dat den beiden
-kampioenen geen paal werd gezet, wanneer een van hen het perk
-overschrijdt. Ga alzoo en zorg ook van uw zijde voor bijzitters en
-kamprechters.”
-
-Olaf dacht aan de wijze, waarop Unruoch eenmaal werd verlost uit Rolfr
-Jarls geweld en den kerker van den Ravenhorst. Een gevoel van
-vernedering kwam over hem: hij kon vrij komen en gaan -- zoo handelden
-de verachte christenen!
-
-Toch had hij geen deel aan Rolfrs verraderlijke handelwijze; maar wie
-edel denkt, lijdt onder onrecht, dat hij anderen bedrijven ziet, als
-beging hij het zelf.
-
-Olaf kon heftig zijn, vol bruisenden hartstocht, laag nooit.
-
-De boot -- geroepen op zijn horensein -- kliefde het donkere water. Hij
-ging en boog zich voor den christenbisschop, dieper boog hij voor hem
-dan ooit te voren voor den zegevierenden aanvoerder bij een stouten
-Vikingertocht.
-
-Het zou voor de bewoners van den Hohorst gemakkelijk zijn geweest zich
-meester te maken van roeier en boot. Vrij waren zij dan, vrij!
-
-Maar zij bleven. Trouw bleven zij het aan Olaf gegeven woord, afwachtend
-het godsoordeel.
-
-De morgen rees, een stille ochtend; geen windvlaag schudde de boomen,
-alleen door de oude eikenkruinen ruischte het zacht, alsof geheimzinnige
-stemmen fluisterden. En daar, op dien „Hoogen horst” werd het strijdperk
-afgepaald, ver zichtbaar in den omtrek. De landbevolking was
-toegestroomd, op het door de speerknechten verspreid gerucht, schuw ter
-zijde wijkend, toen Rolfr Jarl verscheen aan het hoofd zijner
-gewapenden.
-
-Vrouw Sigrid reed naast hem aan de spits van den tot de tanden
-gewapenden stoet. Haar oogen staken als twee dolken toen zij zich tot
-Swanwitha wendde met het kort bevel: „Hef uw sluier op!” Zwijgend werd
-zij gehoorzaamd.
-
-Een stil, droevig gezichtje werd nu zichtbaar, omplooid door de
-glinsterende vouwen van het doorzichtig sindaal.
-
-Voor wiens leven vreesde zij het meest?
-
-Het duurde vele oogenblikken, eer allen den overkant bereikten.
-
-Harald, de Skald, vergezelde Olaf met Sven Persen, den aanvoerder van
-Rolfr Jarls ruiters, als kamprechters. Samen stapten zij in de boot. Aan
-wal gekomen haastte Sven Persen zich de pennen met glinsterende koppen,
-de „tjösnur”, in de palen te slaan, volgens Noorsch gebruik. Langzaam,
-het formulier prevelend, dat ook den priesters was voorgeschreven als
-zij offerden, ging hij van paal tot paal op de voorgeschreven wijze:
-het gelaat opwaarts, de handen rustend op de ooren. Toen begaf hij zich
-naar zijn plaats, terwijl Erik Rafnrson, een van Olafs volgelingen, als
-bijzitter de wetten herhaalde van het godsgericht.
-
-Hij bracht in herinnering, dat ieder der kampioenen verplicht was drie
-schilden met zich te voeren. Wanneer die waren „doorhouen en gheen
-slagen meer conden ontfaen” hadden zij het recht zich te verdedigen met
-zwaard en heirbijl. „De uitgedaagde doet den eersten slag. Wanneer het
-bloed van een der beide kampioenen vloeit en den bodem kleurt met roode
-druppels, is de strijd beslecht, -- doch indien een van hen buiten het
-afgepaalde perk treedt, wordt hij beschouwd als vluchteling en heeft hij
-de nederlaag geleden. Elk der beide kampvechters bezit het recht zich
-door een weerbaar man van wapenen te doen begeleiden, die hem gedurende
-het gevecht dekt met zijn schild”....
-
-Met schellen klank dreunden de horens boven de hoofden der ademlooze
-menigte, toen de bijzitter zweeg. Bisschop Ansfried strekte zegenend de
-handen uit over Unruochs hoofd:
-
-„Strijd als een dapper held! Het is van groote beteekenis als kampioen
-in het perk te treden bij een godsoordeel. Het recht zal zegevieren en
-Hooger hand uw zwaard voeren en tot beukelaar strekken.”
-
-Meer bewogen dan hij wilde laten blijken zonk hij terug in zijn
-eenvoudigen, tegen den kerkmuur geplaatsten zetel.
-
-Gold die ontroering voor een deel de tegenwoordigheid van Rolfr Jarl?
-De wetten van het godsoordeel gaven hem vrijgeleide om te komen en te
-gaan. Hij maakte er gebruik van. Maar wat den bisschop de oogen deed
-afwenden, deed hem staren in de verte. En dan zag hij in den donkeren
-nacht, waarin de vlammen laaiend knetterden. Hij zag een hechten toren
-aan een vuurzuil gelijk. Hij zag bij dien gloed twee vrouwenoogen, wier
-blik hem de zijne deed neerslaan, een blik dien hij heden, na zooveel
-jaren terug vond in de oogen zijner kleindochter.
-
-Maar hij werd teruggevoerd tot het heden, uit het verleden van
-verschrikking en schuld, waarheen zijn gedachten hem dreven, ondanks
-zelfbeheersching en verzet.
-
-Luid en vast klonk Unruochs uitdaging tot den strijd. Olaf liet niet op
-zich wachten. Met forsche schreden betraden beiden het perk. Terwijl
-opnieuw de horens schetterden en de klaroenen werden gestoken, hief
-Unruoch het zwaard op in afwachting van den eersten stoot dien hij moest
-toebrengen. Ook Olaf stond onbeweeglijk, als uit erts gehouwen, alleen
-zijn arm trok krampachtig, de arm die het wapen ophief. Met overspanning
-zijner kracht beheerschte hij het noodlottige beven, dat door geen vrees
-veroorzaakt werd. Onzichtbaar waren zijn trekken onder den ijzeren helm
-en, dat was goed, want hartstocht en brandende smart trokken hun groeven
-en wischten de edele lijnen van zijn bewolkt voorhoofd en om de
-vastgesloten lippen. Geen enkele maal wendde hij het hoofd naar
-Swanwitha’s zijde. Wilde hij haar niet zien, die hem onbewust had
-gedreven tot de beslissing, waarvan hij nu den uitslag duchtte? Daar is
-een geheime stem in ieders borst, die richt, onverbiddelijk en waar, die
-soms fluistert van nederlaag wanneer een juichende menigte den
-overwinnaar lauwert. Olaf hoorde die stem en het deed hem, den
-onversaagden held, sidderen.
-
-En nog een ander hart dan het zijne beefde. Het was Swanwitha als zag
-zij door een vochtigen sluier, diep boog zij het hoofd. Welken uitslag
-gold die vrees?
-
-„Gij hadt uw verloofde het zwaard behooren aan te gorden, in plaats
-daarvan trilt gij als een espenblad, zijt gij een Vikingerbruid?”
-
-Smadelijk, bevelend als altijd, klonk de stem van vrouw Sigrid. Zij
-vergat dat macht en geweld veel vermogen, maar geen liefde kunnen
-dwingen.
-
-Het antwoord bleef Swanwitha bespaard. Het vreeselijk geluid: het
-kletteren van staal tegen staal, klonk haar tegen. De kampstrijd was
-aangevangen. In ademloos zwijgen werd hij gevolgd, niet slechts door
-kamprechters en bijzitters, maar bovenal door bisschop Ansfried en de
-zijnen, door Rolfr Jarl en zijn stoet wellicht het meest.
-
-Maar de gespannen aandacht van den heer van den Ravenhorst veranderde
-ras in een ontevreden wenkbrauwfronsen. Hij zag, dat Unruoch de stooten
-wist af te slaan, door uit te wijken of ze voorzichtig af te weren. Hij
-bleef bedaard en Olaf stiet in ’t wilde toe of gaf zich onvoorzichtig
-bloot. Soms scheen het of hij zijn tegenstander wilde dooden, maar meer
-nog of hij zelf den dood zocht.
-
-En voortgezet werd onafgebroken de strijd; het eerste doorboorde schild
-was -- door de schilddragers -- reeds verwisseld voor het tweede, weldra
-zou ook dit geen slagen meer „connen ontfaen”.
-
-De zwaardspitsen stieten de maliën van de pantsers, vol deuken en
-blutsen waren de helmen. De zwaardhouwen dreunden; met doffen weerklank
-gaven de schilden het geluid terug.
-
-En steeds duidelijker werd het ieder, dat Unruoch als overwinnaar uit
-het krijt zou treden, maar ook, dat hij wilde zegevieren over een
-levenden tegenstander.
-
-Met een flikkering van haat gloeide Olafs blik hem tegen.
-
-Krampachtig balde hij de linkerhand tot een vuist, want hij bespeurde,
-dat Unruoch ditmaal zijn zwaardslag een weinig op zijde had gericht, om
-hem geen doodelijken stoot toe te brengen.
-
-„Unruoch, tref mij, raak mij goed! Of zijt gij bang om bloed te zien?
-Het is gelukkig, dat gij geen Viking zijt! Onder de Noormannen vindt men
-geen lafaards!”
-
-Het heftige bloed steeg Unruoch heet in het gelaat, nu beefde ook zijn
-hand van drift. Zijn blik sprak, waar zijn mond zweeg. Olaf zag het met
-een gevoel van verlichting, uit wanhoop en ijverzucht geboren.
-
-Hij had gezien, een oogwenk slechts, die een tijdperk van knagende smart
-voor hem insloot, wiens bewegingen Swanwitha volgde met stijgenden
-angst, dat zij -- indien mogelijk -- nog bleeker werd bij iederen slag,
-die tegen Unruoch gericht werd.
-
-Olaf wenschte te vallen: en de vrouw, die hij liefhad, vreesde niet voor
-zijn leven...
-
-„Ondervind of dit de stoot is van een lafaard!” Heesch klonk Unruochs
-stem. Het smadelijk woord had doel getroffen, het schrijnde.
-
-Met een houw sloeg hij Olaf het zwaard uit de vuist, hoog boven de
-hoofden der kamprechters viel het ver buiten perk en paal. Maar in
-hetzelfde oogenblik voelde ook Unruoch zijn bloed vloeien. Het matte hem
-niet af. Met kracht uit overspanning geboren, prikkelde het hem schier
-tot razernij.
-
-„Unruoch, tref beter! Kunt gij dan niet raken?” beet Olaf hem opnieuw
-toe.
-
-Reeds vele oogenblikken vroeger had Unruoch ook zijn eigen zwaard
-weggeslingerd, toen hij dat van Olaf wegsloeg. Thans streden beiden met
-den heirbijl, thans trof -- getergd tot het uiterste door Olafs uitval
--- Unruoch diens schedel tot zijn helmkap spleet en hij met een slag
-neerstortte.
-
-Het scheen alsof de grond dreunde van zijn val.
-
-„Houdt op! Staakt den strijd! Hij is beslist!” beval Harald, de oudste
-kamprechter. Want Olaf had zich weer opgericht, wankelend, struikelend,
-om zich tastend naar een steun, dien hij vond in een der hoekpalen van
-het perk. Hij hief de armen op, wild; het scheen alsof hij zich op
-Unruoch zou werpen in razende drift, maar duizelend, om zich grijpend
-struikelde hij opnieuw en klemde zich vast aan het struikgewas, dat
-groeide op den rand der hoogte, waar die tamelijk steil afliep naar
-den stroom. Het bood Olaf geen steun, nog éen oogenblik en hij zou naar
-beneden zijn geslagen, toen Unruoch het gevaar ziende, toesprong en hem
-wegdroeg in zijn armen. Behoedzaam legde hij den nu bijna geheel
-bezwijmde neer binnen het perk. Hij zag zijn bloed den grond kleuren.
-Een schetterend hoorngeschal klonk. Van zijn zetel verhief zich Harald,
-plechtig de hand uitstrekkend riep hij Unruoch als overwinnaar uit in
-den kampstrijd.
-
-[Afbeelding]
-
-Luid gejuich overstemde zijn woorden. Swanwitha hief den krans van
-eikenloof op, haar gegeven door vrouw Sigrid voor hem, die de zegepraal
-wegdroeg, thans sloeg zij haar de ruischende bladerenkroon uit de hand.
-
-„Weg er mee! Niet dezen uitslag had ik verwacht!”
-
-Zij vertrapte de saamgestrengelde groene twijgen: „Dat is niet voor
-hem”....
-
-„Hij behoeft uw krans niet, zijn daden kronen hem.”
-
-Wanhoop en vreugde streden om den voorrang in den klank van Swanwitha’s
-woorden.
-
-„Zwijg!” Vrouw Sigrids stem dreigde nog meer dan de rijzweep in haar
-toegeknepen hand.
-
-Maar boven hoorngeschal en juichkreten klonk thans de stem van den Jarl,
-hoorbaar ver in ’t rond. Hij had zijn paard voortgedreven tot vlak aan
-den waterkant. Nu hief hij de hand op waarin een wapen glinsterde. Het
-was of hij zou neerstooten wie hem weerstond.
-
-„Hoort mij, gij allen! Hier op den Hohorst, mijn wettig erf,
-wederrechtelijk mij ontroofd, verklaar ik de uitspraak der kamprechters
-voor onrechtvaardig en onwettig. Buiten de tjösnur zette Unruoch van
-Teisterbant den voet, eer de strijd was beslist. Volgens de wetten van
-den kampstrijd, zooeven nog in herinnering gebracht, is hij daarom te
-beschouwen als vluchteling. Geen enkel recht heeft hij zich overwinnaar
-te noemen, hij is buiten paal en perk gegaan. Onbeslist bleef alzoo de
-strijd. Ik gelast daarom Olaf Erikson met mij van hier te vertrekken.
-Ditmaal zal geen slag meer worden geslagen, later misschien, later!”
-
-„Als de Denen komen,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wisselde een snellen
-blik van begrijpen met haar man. Maar met zijn laatste kracht hief Olaf
-zich een weinig op, in de armen van broeder Johannes, die hem steunde.
-Mat sprak hij:
-
-„Ik was overwonnen, eer hij” -- naar Unruoch wees zijn hand met flauw
-gebaar -- „toeschoot om mij te redden van een misschien doodelijken val.
-Weigert gij hem den naam van overwinnaar, dan blijf ik hier als
-gevangene.”
-
-Onhoorbaar stierf zijn stem weg, maar broeder Johannes bracht zijn
-woorden over aan Rolfr Jarl. Vaalwit werden diens trekken. Hij kende
-Olaf genoeg om te weten, dat hij woord zou houden en hij had hem noodig,
-als de Denen kwamen.
-
-Hij zag, hoe op bevel van den bisschop het opnieuw roerlooze lichaam van
-den gewonde naar binnen werd gedragen. Met een gesmoorde verwensching
-wendde hij zijn paard en wilde, den Hohorst afrennend, het drijven door
-de rivier, zonder dat een der speerknechten het voerde bij den teugel,
-toen de bisschop hem in den weg trad:
-
-„Rolfr van den Ravenhorst, een enkel woord.”
-
-Zij stonden tegenover elkander; Rolfrs oogen rustten op den kerkvoogd
-met sombere dreiging:
-
-„Gij wilt mij het heengaan beletten?”
-
-„Ik schend gastrecht noch vrijgeleide.”
-
-Rolfr beet zich op de lippen, met toornigen tred ging hij naast den
-bisschop voort, zijn vrouw trad hen in den weg. Met haar langzame,
-statige gebaren, omplooid door een dichten, donkeren sluier, haar staf,
-waarom een kunstig bewerkte bronzen Midgardslang zich kronkelde, in de
-hand, geleek zij een der sombere Noorsche Schikgodinnen.
-Wenkbrauwfronsend zag zij den bisschop in het gelaat:
-
-„Bisschop van Utrecht, indien gij Olaf Erikson hier houdt als gijzelaar,
-zal onze wraak grooter zijn dan uw onrecht. Wees voorzichtig!”
-
-„Ik houd hier niemand tegen zijn wil, vrouw Sigrid. Olaf Erikson is vrij
-zoodra hij vervoerd kan worden, nu echter eischt zijn wond zorg en
-verpleging. Werd hij thans weggebracht, het werd misschien zijn dood en
-ik zou het betreuren indien ik een misdadiger -- scheen.”
-
-Zij wendde zich af met een verwoeden blik.
-
-„Swanwitha, volg mij!”
-
-Zwijgend werd zij ook ditmaal gehoorzaamd, weldra kliefde de boot, die
-beide vrouwen droeg, den stroom.
-
-„In memoria aeterna erit justus....”
-
-Dat waren de woorden, sierlijk afgewerkt, meer geteekend dan geschreven
-met purperinkt op zilverkleurig francyn, die Rolfr las bij het
-binnentreden van bisschop Ansfrieds vertrek. Als met magisch geweld trok
-hem die aan den wand opgehangen spreuk. Hij herinnerde zich uit zijn
-leertijd in de Schola Palatina nog genoeg latijn om de beteekenis te
-vatten:
-
-„De rechtvaardige zal in eeuwige herinnering blijven....”
-
-Geërgerd wendde hij zich af. Waarom? Voelde hij, dat hij zijn oordeel in
-zich zelven droeg?
-
-„Dat was een der eerste lessen, die wij van aartsbisschop Bruno
-ontvingen. Weet gij nog hoe hij zei: „Laat uw daden, uw leven voor u
-spreken. Dat is de maatstaf, waarmee het nageslacht hen meet die het
-voorgingen. En om uw levenstaak goed te verrichten, wil daartoe nooit uw
-eigen weg kiezen, maar tracht Gods wegen te gaan.”
-
-Zoo eindigde hij. Herinnert gij het u nog? Als hij sprak werd het vrede
-en zwegen de klachten door afgunst of wrok aangeheven. Dan was iedere
-veete vergeten en trachtte elk zijn naaste recht te doen”....
-
-„Waarom betracht gij, die alles zoo goed hebt onthouden, zelf die
-levensles niet?”
-
-Rolfr sprak op bitteren toon, maar gejaagder dan hij vermoedde: hij zag
-de roode vlammen in den donkeren nacht.....
-
-„Van welk onrecht beschuldigt gij mij?”
-
-Bisschop Ansfrieds stem ging door merg en been en Rolfr hóórde nu ook de
-vlammen knetteren. Viel hij daarom hevig uit:
-
-„Het leen van Walger is mij wederrechtelijk door u ontroofd. Het grenst
-aan, het behoort tot mijn bezittingen.”
-
-Zwijgend op dien uitval opende de bisschop een donker houten, met zilver
-en ivoor ingelegd kistje.
-
-„Lees dit,” sprak hij toen bedaard, Rolfr een perkament, waarvan het
-groote rijkszegel afhing, overreikend. En deze deed, wat hij in vele
-jaren niet had gedaan -- lezen.
-
-„In den naam der Heylige en onverdeelbare Drie-eenigheyd, Otto door Gods
-verzoenende goedertierenheyd Koning.
-
-Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen, zoo tegenwoordige als
-toekomende, dat wij, thans, in den wensch van onzen achtbaren en
-beminden bisschop Balderic bewilligende eenige goederen van ons recht
-aan de kerk van Sint-Maarten, die gesticht is in de plaats Trecht
-genaamd, en alwaar kennelijk is, dat de voorgemelde bisschop Balderic
-het opperbestier heeft, in eygendom vergund hebben; te weten al hetgene
-wij hadden in het dorp Amude, als ook den tol die aan het zelve
-gerechtelijk dorp toebehoort, welke wij voorheen te leen aan Walger
-gegeven hadden, aan de voornoemde kerk eeuwiglijk in eygendom geschonken
-hebben....”
-
-Rolfr liet den giftbrief zinken:
-
-„Welnu, wat zou dat?” vroeg hij scherp.
-
-„Lees verder, Rolfr van den Ravenhorst, lees verder.”
-
-En Rolfr las hoe de visscherij in het Almeere „als onze kroon toebehoord
-hebbende,” de goederen, die Hatto, graaf te Loene had bezeten, de
-landstreek bespoeld door de Vecht en het land „dat Hatto hadde, liggende
-op den boord des Rijns,” en „dat om deszelfs misdrijf naar rechtswege
-onder onze koninklijke macht aangeslagen was, aan de meergemelde kerk
-was gegeven”....
-
-„Wat bedoelt gij met mij dit voor te leggen?” vroeg Rolfr weer.
-
-Langzaam las, tot antwoord, bisschop Ansfried den slotzin:
-
-„En opdat het gezag van deze onze gunst vaster en zekerder in Gods naam
-onder onze getrouwen blijve, hebben wij deezen met onze eijgen hand
-onder bevestigd en met onzen ring bevoolen te zegelen.
-
-Gedaan te Quedlinburg in den Heer gelukkig. Amen.
-
-Teken van den heer Otto onoverwinnelijksten Koning”....
-
-Toen hief hij het hoofd op en zag den Noorman recht in de oogen:
-
-„Durft gij nu nog beweren, dat het leen van Walger u wederrechtelijk
-werd onthouden?
-
-Reeds ten tijde van bisschop Balderic werd het aan de kerk gegeven. En
-wèl behoefde zij toen die schenking, want braak lagen de velden,
-verwoest waren steden en sterkten, hoeve en heem. Toen bestond er geen
-volkswelvaart meer, er was slechts volksellende. Landbouw en veeteelt
-waren verdwenen, nijverheid en handel dood. Dat hadden de Noormannen
-gedaan. Inval op inval deden zij en de gieren volgden het spoor hunner
-krijgsbenden. Schuw verborg zich het uitgeschudde landvolk in moeras en
-veen bij hun nadering, want de vrees volgde de verwoesting op den voet.
-
-Thiel, Wiedelham, Dorestad en Utrecht gingen op in vlammen, Daventre lag
-in puin, het bloeiende Friesland was bedolven onder zwarte sintels en
-grauwe asch, met doodsbeenderen als bezaaid en de golven van het Almeri
-waren rood gekleurd, wanneer zij vloeiden over de vlakke kust.
-
-In Niumage, in keizer Karels hooge burcht, stalden zij hun paarden, tot
-zij dien, bij hun aftocht, in brand staken toen zij zagen, dat een
-vliegende storm den vuurgloed zou overdragen naar de stad.
-
-En als de lente, vol toekomstbeloften streek over de velden, werden zij
-niet bezaaid, en als de oogsttijd daar was lagen zij braak.
-
-Hoog schoot het gras op, maar geen sikkel werd er in geslagen om
-voorraad te vergaren voor den komenden winter. Slechts enkele jagers en
-visschers zwierven door het woud of langs poelen en plassen. Wie dacht
-aan zaaien? De Denen maaiden of verbrandden immers den oogst? De Denen,
-Rolfr, altijd de Denen. Er moest orde en gezag worden hersteld onder het
-verwilderde volk, in het uitgeplunderde land. Steden en sterkten waren
-verwoest, heeren en vrijen streden in het leger. Wie kon hier beter
-handelend optreden dan zij die genoodzaakt waren thuis te blijven,
-omdat de zorg voor de zielen hun was toevertrouwd en zij het volk wezen
-op het eeuwige, zonder dat zij daarom het tijdelijke vergaten? Waren
-toen deze schenkingen aan de kerk niet noodig? Wie zelf niets bezit kan
-hij anderen helpen? Het volk moest terug worden gebracht tot den arbeid
-van weleer, uit zijn midden moest de kracht voortkomen die in eigen land
-het geweld der Denen breidelde. En, Rolfr, werd door bisschop Balderic
-en zijn opvolgers hun zware taak niet begrepen en tot een goed einde
-gebracht? Zie thans de bloeiende steden, het van de felle schokken
-herstelde volk en land. Als nu de Denen kwamen, zouden zij met goed
-gevolg worden weerstaan. Zij mogen daarom op hun hoede zijn, Rolfr, op
-hun hoede.”
-
-Vol argwaan, met geheime vrees vervuld, trachtte Rolfr zich te
-beheerschen. Was het reeds bekend? Als de vloot nog langer uitbleef, als
-het gerucht harer nadering zich verspreidde en het volk had tijd zich te
-wapenen.... De stem van den bisschop brak zijn wilden gedachtenstroom
-af.
-
-„Kunt gij nu nog langer ontkennen, dat de Hohorst en het omliggende land
-reeds sinds heer Otto den Eerste behoorde tot de kerkelijke goederen?
-Graaf Walger liet een kleinzoon na, die, lang dood gewaand, na veel
-omzwervens eindelijk moe en vergrijsd terugkeerde in zijn land. Kon hem
-geheel het voorvaderlijk goed worden onthouden? Maar als het geslacht
-uitstierf, wie trad dan opnieuw in zijn rechten? Dat is nu gebeurd,
-Rolfr.”
-
-„En toch zal ik mij verzetten, zij het tegen keizer en kerk en rijk te
-zamen. Kunt gij beslissen wie de sterkste zal blijken in ’t eind?”
-
-Waarschuwend zag de bisschop hem aan:
-
-„Gij hebt den keizer trouw gezworen, gij hebt dien eed afgelegd „up ten
-heiligen.”
-
-Wrevelig haalde Rolfr de breede schouders op: „Een afgedwongen eed”...
-
-„Blijft een eed. Gij hadt kunnen weigeren. Denk aan de schuld, die gij
-op u laadt bij eedbreuk. God laat niet spotten met het heiligste.”
-
-Hevig stampte Rolfr met den voet:
-
-„Ik ben hier niet gekomen om een sermoen aan te hooren, noch om uw
-spitsvondigheid om oude rechten te ontdekken of nieuwe te scheppen te
-bewonderen. Eens waart gij de machtigste in den staat, nu wilt gij het
-in de kerk worden. Het wordt u wèl vergolden, dat gij eenmaal de
-hechtste steun zijt geweest der schoone keizerin Theophano, wier zoon,
-de jonge Otto, dien wij nu als keizer moeten eeren, haar werd ontroofd
-door haar neef, den Beierschen bisschop. Weerloos stond toen de jonge
-weduwe, dat moet ik erkennen, want vele rijksgrooten in kerk en staat
-kozen tegen haar partij. Gij hebt het gezag gered voor de regentes en de
-moeder haar kind hergeven, dat is even waar. Gelooft gij echter niet,
-dat ik dit ook had kunnen doen? Alleen het grillige lot heeft mij belet
-als bemiddelaar op te treden.”
-
-„God bestuurt de daden en het leven der menschen, niet het blinde lot.
-En daarom, Rolfr, kan ik mij buigen voor mijn lot, want ook wat tot ons
-komt door de menschen, komt van Hem. Dit stelt mij in staat u al het
-leed, dat gij over mij hebt gebracht te vergeven.”
-
-De vlammen knetterden, en de storm loeide, twee oogen zagen hem aan vol
-jammer en wee...
-
-Deed de nooit uitgewischte herinnering Rolfr uitroepen, meer verward dan
-hij zelf wist:
-
-„Wat bedoelt gij?”
-
-„Wat ik niet nauwkeuriger behoef te verklaren. Wat mij bekend werd, is u
-niet vreemd en -- vrienden waren wij in onze jeugd. „Wie op harten
-bouwt, wat blijft hem als de stormvloed komt?” heeft een wijze gezegd.
-Rolfr, waarom bracht gij den stormvloed over mij? Eenmaal zwoeren wij
-elkander houw en trouw, op den tocht naar Italië, in het schitterende
-legerkamp van heer Otto den Groote. Ik geloofde aan uw woorden, nu weet
-ik, dat het een leugen was, waarin ik geloofde.”
-
-Rolfr Jarl trok zijn spieren samen als wilde hij zich werpen op den
-vermetele, die hem zulk een beschuldiging waagde tegen te slingeren, --
-maar hij zweeg en bleef roerloos, beheerscht door zijn blik.
-
-„Laat uw daden voor u spreken. En het leven, waarop gij, Rolfr,
-terugziet is als een dorre heide, waar geen boom schaduw, geen bron
-lafenis, geen bloem vreugde biedt”...
-
-Hevig viel Rolfr hem in ’t woord:
-
-„Mijn leven was steeds een woestenij; kon daaruit voor anderen een
-paradijs opbloeien? Reeds op de Schola Palatina begon het:
-achteruitgezet, vergeten. Toen, op den tocht naar Italië, gij waart in
-het leger als heer Otto’s bevoorrechte zwaardjonker, ik werd
-onopgemerkt, ongeacht, ingedeeld bij een der huurbenden.”
-
-„Zou het een geluk zijn geweest voor keizer en rijk, als gij het zwaard
-hadt opgeheven boven het hoofd van heer Otto -- toen hij bad?”
-
-Rolfr wendde onwillekeurig de oogen af.
-
-„Ik zal u niet aanklagen,” ging de bisschop voort, „noch met een beroep
-op het verleden, noch met betrekking tot dit heden. Ik herinner u niet
-wat gij tegen het geloof, dat gij eens hebt beleden, wat gij den keizer
-of mij misdeedt. Ik vraag u niet, waar mijn jongste dochter is, al
-gelijkt ook geen enkele witte lelie zoo op de andere als uw
-kleindochter, Swanwitha, op mijn kind toen dit haar leeftijd had. Spot
-zou uw eenig antwoord zijn en die hoon zou ik op zulk een vraag niet
-kunnen verdragen.”
-
-O, de felle smart op dat bleeke gelaat, nog bleeker in schijn door de
-zilveren lokken, die het omlijstten!
-
-Voelde in dit oogenblik Rolfr het wicht zijner schuld?
-
-Hij boog het hoofd. Maar weer dwong de machtige stem van den vriend
-zijner jeugd hem tot luisteren:
-
-„Ik zal niet langer lijden door u, dan God het toelaat. Dien troost kunt
-gij mij niet ontrooven, en zij stelt mij in staat het zwaarste te
-dragen. Doch” -- hoog richtte de spreker zich op -- „hier, waar wij van
-aangezicht tot aangezicht staan tegenover elkander -- waar niemand ons
-hoort -- daag ik u voor de vierschaar van uw geweten, tegen u zelven
-klaag ik u aan. Gaven en talenten waren u geschonken, gij hebt ze in
-dienst gesteld van het kwade. De kracht van uw arm hebt gij gebruikt om
-een moordwapen op te heffen, tegen hem die verdiende de hoogste te zijn,
-omdat hij de edelste was; door de macht van uw geest zijt gij anderen
-ten vloek geworden. Toen de koning van het Noorden u den gouden
-hoofdband reikte van den Jarl en u den hertogsmantel om de schouders
-deed slaan, toen strekte deze slechts om de smetten uwer schande te
-bedekken, evenals de schitterende diadeem onzichtbaar moest maken het
-Kaïnsbrandmerk van misdaad en verraad, dat brandt op uw voorhoofd.”
-
-Met een uitroep schor van drift sprong Rolfr toe op zijn aanklager, zijn
-tot een vuist gebalde hand dreigde boven diens hoofd; bisschop Ansfried
-greep die vuist en dwong den opgeheven arm neer te zinken. Nog bezat hij
-zijn oude kracht, hij voelde het, maar ook, dat verontwaardiging haar
-verdubbelde.
-
-„Rolfr Jarl, ga nu. Ik heb u gezegd wat ik moest. Verlaat vrij dit huis,
-waar gij mij gevangen houdt, terwijl de Denen in aantocht zijn, geroepen
-door u, om opnieuw dit volk ten ondergang te brengen, het land te
-herscheppen in een woestenij.”
-
-Een brullende kreet stiet Rolfr uit, vreemd aan iederen menschelijken
-klank. Als een roofdier wilde hij zich werpen op den onversaagden
-spreker, twee sterke armen trokken hem terug met een ruk. Unruoch was
-binnengetreden.
-
-„Jarl!” riep hij forsch. „Loont gij vrijgeleide met een moord?”
-
-Rolfr deinsde terug, aschgrauw werden zijn trekken.
-
-„Ga!” herhaalde de bisschop, „en weet dat God mij vrij kan maken,
-wanneer Hij dit wil, al haalt gij de mazen van het net nog tienvoud
-enger toe. Hij, die de macht bezit om dit arme volk te redden, dat gij
-prijs geeft aan ellende en ondergang. Ga!”
-
-Zijn opgeheven arm wees naar de deur en Rolfr ging thans inderdaad,
-tandenknersend, geslagen. Nooit te voren in zijn van bittere ervaringen
-en teleurstellingen overvloeiend leven, was hij vernederd als in dit
-uur, nu bisschop Ansfried hem een blik had doen slaan in den spiegel der
-zelfkennis en hij daarin zijn verafschuwd beeld had gezien met
-onmiskenbaar scherpe lijnen, nu deze hem zoo diep verachtte, hem en zijn
-drijven, dat hij het zelfs versmaadde hem -- in wiens macht hij zich
-bevond -- te houden als gijzelaar of gevangene.
-
-En heimelijk vroeg de Jarl zich af:
-
-„Vanwaar de wondere kracht van dien bisschop der christenen? Hij kent
-vrees noch angst waar allen zouden versagen, hij verwacht redding, waar
-ieder zou vertwijfelen. Zou zijn God dan toch de machtigste zijn en
-hooren en uitredden wie Hem aanroept, geloovend in zijn sterkte, op Zijn
-hulp vertrouwend?”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-
-Den avond na dit onderhoud, toen het eentonig geroep van den koekoek
-zweeg en de wolken verder dreven, goud en karmozijn omzoomd door het
-avondrood, lag Trutha moe en zwak in een kuil op de heide. Een man had
-haar gered uit den stroom, een vreemde man met grijzende haren, het
-gebruind gelaat doorgroefd van naden en rimpels, een versleten kolder om
-de magere leden. Hij had de drenkelinge in zijn armen genomen als de
-herder een verdwaald lam, met de dankbare gewaarwording, welke hem
-bezielt, die door de wereld heeft gezworven vele lange, eenzame jaren,
-verlaten en alleen en wie nu een warm geluksgevoel doortintelt, omdat
-hij weer een menschelijk wezen vond om voor te zorgen.
-
-Een kuil in de heide was ras gevonden, een beschuttend dak van
-dennentakken en zoden dra gereed. Nu waakte hij bij het zwakke kind en
-bracht haar het karig rantsoen, dat hij op zijn smeeken ontving aan de
-verspreide hutten.
-
-Zoo vond hen Lisa, terwijl zij voortsukkelde over de heide. In weinige
-woorden deelde zij hem de gebeurtenissen mee van den laatsten tijd, om
-te eindigen:
-
-„Vlucht achter de wallen van Utrecht als uw leven u lief is: Gij hebt
-beschermd wie Rolfr Jarl vervolgt met zijn haat. Neem Trutha mee en
-verhaal te Utrecht hoe het hier met den bisschop staat, dan zullen de
-burgensen komen om hem te bevrijden. Zeg toch, dat zij zich haasten.”
-Plotseling hield zij in, beducht.... „Vreemdeling, wie zijt gij?”
-
-„Een vrije speerknecht, wien het slecht genoeg ging in de wereld.
-Gerlach heet ik en voor den bisschop en dat kind daar zal ik doen wat ik
-kan, al was het alleen, omdat zij vervolgd worden door Rolfr, den Deen.”
-
-Over zijn lippen kwam die naam op schorren toon, een toon van wrok, maar
-er was geen woord meer uit hem te krijgen.
-
-„Gegroet, moeder! Met het eerste morgengrauwen breng ik het kind in
-veiligheid, en drijf de Utrechtsche poorters tot handelen. Nu moet ik
-zorgen voor haar avondbrood. De boerin van het Hooge land heeft gezegd,
-dat ik het dezen avond bij haar mocht halen.”
-
-Weldra werd zijn lange gestalte slechts een stip op de eenzame heide;
-Trutha, uitgeput, was blijven doorslapen. Moeder Lisa dekte haar
-zorgvuldig toe met den doek, dien Swanwitha haar eens had gegeven. Toen
-ging ook zij verder.
-
-Een man stond onder de dennen aan den voet van een heuvel. Moede leunde
-hij op zijn staf van knoestig eikenhout. Zij slaakte een kreet:
-
-„Henno! Hebt gij gedaan wat ik zei?”
-
-Hij knikte zwijgend, twee groote tranen rolden uit zijn holle oogen.
-
-„Ja! Maar zij durven niet, niemand durft! En mijn kind sterft in den
-kerker van den Ravenhorst.”
-
-Ongeduldig trok zij hem bij zijn mouw.
-
-„Denk niet het eerst aan je zelf. Is Yglo meer dan de bisschop? Henno,
-wat heb je gedaan?”
-
-„Wat je mij hebt geraden. Gegaan ben ik van hoeve tot hoeve, van heem
-tot heem om iederen vrije te vragen, te dringen, gewapend op te trekken
-tegen Rolfr Jarl. Maar zij sloegen de deur dicht met een schamper:
-
-„Eerst was uw zoon bode voor den Jarl, nu gij tègen hem. Henno, wij
-vertrouwen je niet meer!”
-
-„En o, Lisa, mijn kind sterft, mijn eenig kind!”
-
-Strak zag Henno voor zich en voelde, dat hij gestraft werd in de zonde,
-die hij beging.
-
-Lisa hernam:
-
-„Dan het laatste middel: naar Aken, naar heer Otto, onzen jongen keizer!
-Hij moet de Utrechtsche burgensen aanvoeren.”
-
-Henno maakte een verschrikte beweging:
-
-„Ik, een arme visscher!”
-
-„Maar een vrij geboren man. En Henno, „voor God zijn wij allen gelijk,”
-zegt de bisschop. Vreest gij dan voor een mensch? Help ons allen en red
-Yglo!”
-
-Henno wischte zich de klamme druppels van het voorhoofd:
-
-„Ik zal het doen; ik zal het! O, mijn kind, mijn kind!”
-
-Zij hief de hand op:
-
-„Ginds, op den heuvel ligt Trutha, zwak en ziek, gered door een vreemden
-speerknecht, die haar naar Utrecht zal brengen. Verberg u over dag, want
-Rolfr Jarl laat scherp wacht houden op iederen kruisweg; ga bij nacht
-over hei en veld en verhaal overal te Utrecht wat hier voorvalt. Dring
-er toch bij ieder op aan, dat de burgensen uittrekken den bisschop te
-hulp en als gij ze daartoe bereid weet, zie dan een paard te krijgen en
-haast je naar Aken. Maar zeg niets van dit plan, omdat het een goed plan
-is, want dan wordt gij tegengewerkt door menschen, die niet van zins
-zijn zelf te handelen, maar die toch niet kunnen verdragen, dat een
-ander verricht waarmee hij misschien de eer zal behalen, die zij voor
-zich zelven wenschen zonder de inspanning.
-
-Zorg nu echter eerst voor Trutha. Altijd is het best te doen wat het
-eerst voor de hand ligt.”
-
-Lisa begreep in haar eenvoud niet welke levenslessen zij had verkondigd,
-maar Henno knikte en beloofde nogmaals haar raad te volgen. -- -- --
-
-En de Hohorst bleef scherp bewaakt en iedere weg, die er heenleidde
-afgezet. Rolfr Jarl hield zijn volk in strenge tucht en de landbewoners
-verscholen zich reeds vol angst, als een boogschutter, die de rondte
-deed met zijn gevreesd wapen, zichtbaar werd. Lang kon die toestand
-echter niet voortduren. Rolfr Jarl begreep dit zelf het best, maar
-iedere dag was voordeel: de Denenvloot zou nu niet lang meer uitblijven
-en den bisschop werd belet maatregelen ter verdediging te nemen. Of nog
-anderen dan hij wisten van den beraamden inval? Met bezorgdheid vroeg
-Rolfr zich dit af en opnieuw rees zijn verlangen naar zegepraal niet het
-meest, doch naar vergelding. Nooit zou hij het uur vergeten toen hij
-vrij heenging van den Hohorst en bijna wenschte gevangen te worden
-gehouden om zoo groot een smaad te ontgaan. Het met zooveel onverholen
-minachting geuite woord: „Ga!” klonk hem in de ooren bij het gewoel van
-den dag als in de stilte van den nacht. Te verachtelijk zelfs om
-gevangen te blijven!.... Het denkbeeld prikkelde hem schier tot
-razernij. Dat Olaf, herstellend van zijn vleeschwond, weigerde den
-Hohorst te verlaten, wanneer het den bewoners niet werd vergund om te
-gaan waar zij wilden, maakte zijn stemming slechts meer verbitterd.
-
-En verscheidene dagen gingen en kwamen zonder eenige verandering te
-brengen. De stroom vloeide om den Hohorst, vele visschen droeg hij aan,
-ook fraaie zilverzalmen, die de glinsterende koppen omhoog staken boven
-het effen watervlak. Unruoch en broeder Johannes wierpen haken en netten
-uit, zoodat het den door een sperenhaag omringden niet geheel aan
-voedsel ontbrak, ofschoon de teerkost steeds schaarscher werd en weldra
-het gebrek zou nijpen.
-
-„O, om mij te mogen meten met Rolfr Jarl bij het schallen der hoorns,
-het flikkeren der zwaarden en het stooten der speren!” mompelde Unruoch
-meer dan eens met een onstuimig verlangen naar een daad, die de
-beslissing brengen zou.
-
-„Wij zullen misschien hier wel blijven tot de bazuin klinkt van het
-jongste gericht en dan zijn wij te uitgevast om te strijden tegen den
-Antichrist en zijn heir van booze geesten,” steunde broeder Johannes.
-
-De overige broeders vielen hem bij, de ruiters kozen Unruoch’s zijde.
-
-De eenige, die kalm bleef bij de naderende of reeds aanwezige gevaren,
-was de grijze bisschop. Hij leidde zelf de godsdienstoefeningen in de
-kleine kerk, verpleegde Olaf met eigen hand en las kalm of er niets
-dreigde, in zijn weer op hun plaats gestelde boeken, op deze wijze
-opnieuw de spreuk bevestigend, dat een zuiver geweten en een rustig
-gemoed meer waarde bezitten dan alles wat de wereld kan nemen of geven.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-
-De witte en roode hagedoorn op den Hohorst stonden in vollen bloei.
-Bonte vlinders met den gloed van het zonnegoud op hun teere vleugels
-zweefden boven de geurige bloesems. Uit de takken klonk het kirren van
-de woudduif. Zacht wiegelend bewogen linden en zilverkleurige berken,
-die een klein plantsoen vormden om het kerkje, hun gekruiste twijgen.
-Bedwelmend zoet was de meidoorngeur, liefelijk de zang der vogels,
-vredeademend het ruischen van den wind. Olaf Erikson ademde diep de
-verkwikkende morgenlucht in terwijl hij langzaam op en neer ging in de
-groene schaduw der boomen. Zijn wond genas snel bij de zorgvuldige
-verpleging, die hij genoot, maar terwijl lichamelijke schokken zich
-herstelden, schrijnden zielewonden feller met iederen dag.
-
-Die menschen welke hem verzorgden met opoffering van eigen rust en tijd
--- hoe zou hij hun dit vergelden -- als de vloot kwam? Hij wist nu
-genoeg van Rolfr Jarl, van zijn plannen en daden.
-
-Maar -- waar bleef de vloot? Bijna verwonderd gleed zijn blik over den
-stroom, zocht hij de torenspits van den Ravenhorst tusschen het groen om
-te ontdekken of daar Odins ravenvaan nog niet wapperde als welkomstgroet
-aan de drakenschepen, die naderden, den paardenkop aan den steven, de
-glinsterende schilden langs het scheepsboord. En dan -- dan zouden
-strijdgerucht en wapengekletter den heerschenden vrede storen.
-Wegvluchten zouden de zangvogels, de meidoornbloesems vallen op de
-graven van helden, op veel nieuwe graven.
-
-Waarom dacht hij daaraan? Alleen de verachte christenen gaven immers hun
-dooden terug aan het stof? Hoog vlamde de brandstapel, die de lijken
-ontving van Odins zonen; herrijzen zouden zij als zijn Einheriar om in
-zijn glanzende zaal te strijden, te vallen en weer terug te worden
-geroepen in het leven om dan opnieuw te sneuvelen. Strijd en bloed tot
-het einde. Tot welk einde? Zou inderdaad weldra een nieuwe aarde
-verrijzen uit de asch der oude en Odin voor eeuwig heerschen met zijn
-trouwe volgelingen, Odin en -- bloed en strijd.
-
-Olaf streek zich met de hand over het voorhoofd. Waartoe die kwellende
-gedachten? Sinds wanneer begreep hij, dat de roem behaald bij zwaardslag
-en strijdleus, niet het hoogste was wat het leven kon bieden?
-
-Andere tonen dan het gekweel der vogelen mengden zich thans in den
-warrelstroom zijner overleggingen. Gedragen door het morgenkoeltje
-drong een plechtige zang tot hem door. „Gloria in excelsis!” Eere zij
-God in de hoogste hemelen! Een klein koor van goed geschoolde stemmen,
-helder klinkend als de snaren eener zuiver gestemde harp, droeg de
-ochtendwind tot hem over. Het was of de tonen hoog, uit den hemel zelf
-tot hem neerdaalden. Hij ging af op de heldere klanken. In de kerkdeur
-stond hij en zag de broeders, die door het land waren gegaan het
-Evangelie predikend, zieken troostend en helpend, ongelukkigen steunend
-met woord en daad. Hij zag den grijzen bisschop wiens geheele bestaan
-zelfverloochening was. Als gevangenen zag hij ze van zijn woesten
-bondgenoot en kalm als de rots te midden der schuimende branding hoorde
-hij hen een lofzang aanheffen, den God ter eere, in Wien zij geloofden.
-
-Wie was toch de God, Die zijn volgelingen bedeelde met zoo groot een
-geloofsvertrouwen, met een gerustheid te midden der grootste rampen,
-wortelend in de gewisheid, dat Hij alles wel zou maken, op Zijn tijd?
-
-Olaf zag menig tooneel verrijzen voor zijn geest, vroeger onverschillig
-aanschouwd, als, bij een woesten plundertocht, kerken opgingen in
-vlammen en christenen de trouw aan hun geloof bezegelden met den dood.
-
-En weer klonk het plechtig loflied, als een opwelling van zalig
-verlangen naar den tijd, waarin hun geloof zou overgaan in aanschouwen.
-Het geloof, dat de zangers voor al de macht, die de aarde hen bieden
-kon niet zouden willen derven. Olaf bleef als gekluisterd aan zijn
-plaats in de schaduw van het kerkportaal en terwijl hij zich herinnerde
-hoe hij menigmaal met eigen hand de brandfakkel had geslingerd in een
-bedehuis der christenen, maakte een weemoedig verlangen zich meester van
-zijn ziel om meer te weten van hun leer, meer van hun godsdienst. Voor
-het eerst, sinds hij had leeren nadenken over zijn daden, werd zijn
-borst beklemd bij de vraag:
-
-„Heb ik goed gehandeld met hen te vervolgen?”
-
-„Ik zal den bisschop vragen, mij alles te verhalen van zijn geloof. Ik
-wil het weten en”....
-
-Hij voleindde den zin niet, maar zijn oogen werden vochtig en een gevoel
-van verademing welde op in zijn hart gelijk de koele dauw het veld
-verkwikt na laaienden zonnebrand.
-
-Hij zag, dat de kerkdienst ten einde liep, hij verliet zijn plaats, maar
-nog omzweefde hem de zang: „Eere zij God in den hooge!” en weerklank
-vonden die woorden in zijn ziel.
-
-Over het water speelde de ochtendkoelte en de zonnestralen
-weerspiegelden zich in de speren van Rolfr Jarls wapenknechten, die
-zorgvuldig iederen toegang tot den Hohorst bleven bewaken -- onwillig
-wendde hij zich af....
-
-En het uur kwam, waarin hij bisschop Ansfried alleen vond gebogen over
-zijn psalter en schier bitter klonk zijn vraag:
-
-„Indien de Gekruisigde God, waarin gij gelooft, zoo goed is en
-rechtvaardig en vol van macht, gelijk gij zegt, waarom laat Hij dan
-toe, dat gij hier zijt ingesloten om den hongerdood te sterven of om
-dien te vinden in de kerkers van den Ravenhorst?”
-
-Ernstig zag de bisschop hem aan en het was Olaf alsof zijn gelaat blonk
-van licht, toen hij antwoordde:
-
-„Indien onze God dit einde voor ons heeft bepaald, dan zullen wij het
-aannemen uit Zijn hand. Want wij weten dat Hij ons niet zal verlaten,
-zelfs in het dal der schaduwen des doods en, dat het sterven ons tot
-gewin zal worden, omdat het ons uit dit moeitevol leven voert in Zijn
-eeuwig huis.”
-
-„In berusting draagt gij dus ieder onheil, dat u treft. Vanwaar die
-wondere kracht? Het is mij een raadsel. Gij vreest zelfs den stroodood
-niet. Onze helden vervloeken hun lot, wanneer zij niet mogen vallen in
-’t gevecht bij zwaardhouw of hamerslag, want dan wacht hen, na den
-verachten stroodood, het sombere Nevelheim of het slangenhol van Hel,
-met de duisternis en de koude waaraan geen einde meer is. En onze
-vrouwen? Ook zij gaan naar Nevelheim. In Walhalla is voor hen geen
-plaats en een andere uitweg bestaat niet. Vaak heb ik gedacht waarom de
-goden zoo machtig, zoo wijs, dulden dat zooveel leed weerlooze wezens
-treft. „Indien er geen goden waren, zou dan het lot der menschen anders
-zijn, minder zwaar?” Meer dan eens heb ik mij zelven die vraag gedaan,
-als ik stond onder de heilige eiken, de vlammen van het offervuur zag
-opstijgen en de rook opwolken tegen het donkerblauwe gewelf, waaraan de
-vuurvonken schitterden van Muspelheim, dat voor ons gezicht bedekt
-Alvaders gouden zaal. En dan was het mij of de adem der godheid mij
-tegenwoei, zooals die mij tegenklinkt uit de zangen en sagen van mijn
-volk. Geheimzinnig ruischte het in mijn ziel: „de goden bestaan!” Maar
-zijn zij zoo wijs en goed, zoo machtig en edel als onze Skalden zingen
-bij harpslag en loflied, de priesters getuigen met zangen en offers? En
-indien de goden leven, zijn dan de goeden in Walhalla en Loki, de
-leugengeest, geketend in Hel?”
-
-Hij zweeg en staarde peinzend voor zich en een groot verlangen lag in
-zijn glanzenden blik, een smachten naar waarheid.
-
-Maar nu wendde het indrukwekkend gelaat zich tot hem, dat niemand meer
-vergat, die ooit het aanschouwde, en de stem van bisschop Ansfried,
-doordringend en zacht tegelijk, klonk ten antwoord:
-
-„De goden bestaan niet Olaf Erikson, maar er is één God, de Almachtige
-Schepper van hemel en aarde, gebonden aan ruimte, plaats noch tijd.”
-
-„Ruimte? Wat verstaat gij daaronder?”
-
-„Daarmee bedoel ik de oneindigheid. Was zij dit niet, dan moest de
-ruimte een grens bezitten, die op zich zelve weer een zelfstandig
-lichaam vormde of uit ledige ruimte bestond. Alzoo weer ruimte of een
-andere wereld. En even eindeloos als de ruimte is God. Ware dit niet het
-geval dan zou Hij een begin of een einde hebben en niet de Eeuwige
-kunnen worden genoemd, voor Wien de tijd, zooals de menschen zich dien
-hebben gedacht als verleden, heden en toekomst, niet bestaat. Wat is,
-was en wat was, zal worden.”
-
-„God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest
-en in waarheid,” leert ons het Evangelie, dat is: Zijn heilig woord.”
-
-„Mijn volk heeft de Edda, die leert van de goden en hun eeredienst. Met
-offers en reizangen bewijzen de priesters hun eer,” viel Olaf in.
-
-„Ook met menschenoffers.”
-
-„Zij strekken ten zoen voor bedreven kwaad: Hebt gij dan geen vergeving
-noodig?”
-
-„Neen, want onze zonden zijn vergeven door het lijden en sterven van
-Christus, den Heer, indien wij slechts in Hem gelooven.”
-
-„Ik begrijp u niet!”
-
-Hoe verwonderd klonk die uitroep en hoe vol verlangen!
-
-Toen verhaalde de grijze dienaar van het Evangelie hem op zijn
-eenvoudige wijze, -- die zooveel indruk maakte omdat zij waar was en
-voortsproot uit een hart, dat geloofde -- van het leven van den
-Christus. Van Zijn geboorte te Bethlehem, toen de engelenzang ruischte:
-„Eere zij God in de hoogste hemelen!” Van zijn dood te Jeruzalem, toen
-de menschen riepen: „Kruist Hem!”.... Van Zijn opstanding en hemelvaart,
-de kroon van Hem, die stervend overwon....
-
-Verbaasd luisterde Olaf, met gloeiend voorhoofd: Was dàt de bleeke
-Christus, waarop de Noormannen steeds met zulk een diepe verachting
-neerzagen?
-
-„Hij was een held,” mompelde hij voor zich heen en een groote
-bewondering welde op in zijn hart.
-
-En de bisschop sprak verder en verhaalde van het leven en werken der
-Apostelen, van de eerste christengemeenten, waarvan schier alle leden de
-martelaren werden van hun geloof, door den wil van de machtige keizers
-van Rome, die waanden de wereld te beheerschen, doch machteloos bleken
-tegenover een geloofsmoed uit de kracht eener overtuiging geboren, welke
-geheel een vijandige wereld overwon. En Olaf vroeg zich af wat voor een
-God het zijn moest, die zijn volgelingen wist te bezielen met zulk een
-heldenmoed en doodsverachting, standvastig bij de zwaarste rampen,
-volhardend ondanks vervolging en dood, omdat zij gloeiden van liefde
-voor Hem en geloofden in de waarheid van Zijn woord. Door bisschop
-Ansfrieds eenvoudige voordracht trad geen dogma, geen ingewikkeld
-leerstelsel op den voorgrond, waaraan reeds toen de kerk zoo rijk was en
-die zoo menigwerf aanleiding gaf tot twist en verdeeldheid. Zijn
-zachtzinnige beschouwingen ontnamen aan zelfkwellingen en boetedoening
-hun afschrikwekkend voorkomen, aan de mystiek haar dweepzucht. Hij
-verhaalde van den Heer, Die zalig spreekt de reinen van hart, Die
-eenmaal in Zijn eeuwig huis allen zal vereenen, welke hier op aarde Hem
-volgden en geduldig hun kruis droegen evenals Hij.
-
-„Op welke wijze kunnen zij dat?”
-
-„Door eigen wenschen en begeerten op te geven voor het geluk van
-anderen, doordat zij niet meer hun eigen weg zoeken te gaan, maar alleen
-begeeren te volbrengen wat God van hen eischt, door geheelen afstand te
-doen van eigen ik. Zelfverloochening, dat is de grondtoon, de hoogste
-eisch van het christendom.”
-
-„Maar dat is een onmogelijke eisch. Hoe kan iemand leven, die nooit mag
-denken aan zich zelven of aan eigen geluk?”
-
-„Dat wordt niet van den mensch geëischt, wel, dat hij niet het meest en
-het eerst denkt aan zich zelf en wie gevoelt, dat dit aardsche leven
-slechts een voorbereiding is voor hooger bestaan, vindt dit geen te
-zwaren plicht. Uit rechtvaardigheid, liefde en opoffering is
-zelfverloochening gevormd. Wie rechtvaardig is grijpt niet storend in
-anderer bestaan, noch doet iemand onrecht. Doch vaak heeft deze
-rechtvaardigheid geen zedelijke waarde, omdat zij zelfzucht ten
-grondslag hebben kan, die geen misdrijf wil bedrijven om niet zelf als
-misdadiger te worden gebrandmerkt.”
-
-„Hoe kan zij dan met zelfverloochening gemeenschap bezitten?”
-
-„Er is nog een andere rechtvaardigheid, die uit hooger beginsel ontstaat
-en ontspruit uit het medelijden, dat mede-gevoelt met anderer leed. Wie
-deze rechtvaardigheid bezit, tracht het geluk te bevorderen zijner
-medemenschen. Uit deze bron ontwelt de ware rechtvaardigheid, die
-beschouwd mag worden als de eerste schrede op den weg der
-zelfverloochening, welke voert tot heiligmaking. Doch hoog daarboven
-staat de liefde tot den naaste, die eigen rust en vreugde opoffert om
-het levensheil van anderen te vergrooten. De rechtvaardige veroorzaakt
-niemand leed, de liefdevolle handelt jegens zijn medemenschen als ware
-het voor zich zelven, geeft hem die zijn rok eischt ook den mantel, zet
-zelfs zijn leven voor zijn vrienden. Op deze wijze moet de liefde tot
-den naaste overgaan in geheele verloochening van eigen ik om den
-hoogsten trap van zelfopoffering te kunnen bereiken, die de volmaking is
-der rechtvaardigheid en der liefde in haar hooge beteekenis, gelijk de
-Apostel Paulus zegt:
-
-„En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen
-uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik
-verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geen
-nuttigheid geven”....
-
-Aldus leeft wie de ware liefde bezit voor het geluk zijner medemenschen,
-zooals hij dit voorheen deed voor zich zelven. Het is de zwaarste taak
-voor den mensch, die tracht „volmaakt te zijn, gelijk ook zijn Vader in
-de hemelen volmaakt is”, want het zondig beginsel blijft en werkt,
-zoolang hij hier op aarde leeft en brengt hem in onafgebroken strijd.
-„Indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij
-leven,” zegt wederom de Apostel. Want, Olaf, al vormt het menschelijk
-lichaam met zijn verschillende onderdeden éen geheel, en lijden, als een
-lid pijn heeft, al de leden, toch kan men het splitsen in twee deelen:
-ziel en lijf. Het laatste behoort aan dit leven, aan de onsterfelijkheid
-de eerste. Het is het inwendige bewustzijn, dat onzichtbaar toch de
-handelingen van het zichtbare lichaam bestuurt, handelingen wier
-beteekenis ver over het graf heenreikt. Aan de vruchten kent men den
-boom, den mensch aan zijn daden, waarvan eenmaal de eeuwigheid de vrucht
-schenkt in onvergankelijk geluk of in eindelooze smart. Want de mensch
-bewijst wie hij is, uit zijn werken en evenals het geloof zonder de
-werken slechts een luid klinkende schel is, toonen werken, die niet uit
-het geloof, niet uit liefde tot God hun oorsprong nemen, dat zij
-ontwellen aan onzuivere bron, die der zelfzucht, niet achtend Christus’
-woord:
-
-„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op!”....
-
-De bisschop zweeg, en Olaf verborg het hoofd in de handen. Hij wilde
-niet zien wat om hem was, maar den blik slaan in zijn binnenste, tot
-ernstig zelfonderzoek, en nadenken, voor de eerste maal. Het warrelde in
-zijn hoofd. De nieuwe gedachten, die ongekende voorstellingen wekten,
-lieten zich niet in enkele oogenblikken verwerken. Welk een volkomen
-tegenstelling vormde de godsdienst der christenen, waarop hij tot nu toe
-met zooveel geringschatting had neergezien -- met het geloof aan de
-goden, waarin hij was opgevoed! Een schare van kloeke helden vormden
-dezen, tuk op eer en roem en macht. Uit vreemde, verre streken heetten
-zij eenmaal te zijn aangekomen in het hooge Noorden. Hun stamboomen
-bezaten zij evenals aardsche vorsten. Een strijdros, dat een naam droeg,
-was hun eigendom. Verschillende dieren en vogels waren hun gewijd. En
-het Walhalla -- was het niet gelijk aan een strijdperk van ruwe
-krijgers, krijgers vol ontembare kracht, vervuld met woeste
-doodsverachting?
-
-Wel moest een veroveraar, begeerig een aardsche wereld te winnen, het
-eerst den volken het bestaan dezer goden hebben geleerd, om hen te
-lokken tot krijgstochten, die de geheime voorbereiding waren van zijn
-eerzuchtige heerschersdroomen.
-
-En de leer der christenen!....
-
-Eer, noch macht, noch roem begeerden zijn aanhangers. Zelfverloochening!
-luidde de eisch van hun Heer, den eenigen Almachtigen Schepper van hemel
-en aarde. Zalig sprak Hij niet hen die groote, roemvolle, maar die
-goede, edele daden verrichtten, uit liefde tot Hem en hun medemenschen.
-En wanneer hun aardsche loopbaan was geloopen, dan nam Hij allen, die
-Hem liefhadden en Zijn geboden hadden volbracht, zoover hun zwakke
-kracht dit toeliet, op in Zijn eeuwig huis. Geen woest strijdperk van
-een tot god verheven verdelger, als Odin, maar een hemel badend in
-heilig licht waar liefde en vrede heerschten en de zegepalmen werden
-gereikt, ieder die hier op aarde zijn goeden strijd had gestreden ten
-einde toe....
-
-Vaster drukte Olaf de handen tegen het gloeiend gelaat. Hij voelde
-tranen branden achter zijn gesloten oogleden -- de eerste, sinds zijn
-kinderjaren. Het was of een geheele omkeer plaats greep in zijn voelen,
-wenschen, denken, plotseling met een schok, als of hij werd vervoerd
-door een wonderbare macht, die alles deed verzinken waar hij tot nu toe
-tegen op had gezien, dat hij gewijd had geloofd en waar. Een macht, die
-hem dwong zich in eerbied te buigen voor denkbeelden, te voren slechts
-met een verachtelijk schouderophalen begroet.
-
-„Wat is waarheid?” Niet langer beefde die vraag op zijn lippen; hij wist
-waar zij werd gevonden en --
-
-En toen rees hij op, verwilderd. Zacht was de deur geopend en gesloten,
-terwijl hij neerzat en met zich zelven worstelde en streed. Hij had het
-niet opgemerkt, evenmin als hij zich thans alleen wist. Zijn blik
-staarde in het verleden, in het zijne. Hij zag een bloedig slagveld.
-Hoog wapperde Odins zegevierend vaandel tegen het blauw der lucht, luid
-schetterden de horens, juichend werden als overwinnaars gehuldigd door
-hun strijdgezellen, allen even dapper als woest, Rolfr Jarl en Olaf
-Erikson...
-
-Rolfr Jarl en hij! Een rilling liep door zijn leden. Want hij zag een
-strook lang wuivend gras, hooggehouden op de spits van glinsterende
-speren en daaronder traden de overwinnaars der christenen: Rolfr Jarl en
-hij. En toen reten beiden den rechterarm open en zij vermengden hun
-bloed, dat afdruppelde op de groene zode, gespreid voor hun voet. De
-legerdrommen juichten... Bloedsbroeders waren thans de beide
-aanvoerders, de een zette zijn leven voor den andere, trouw tot in den
-dood, zelfs tegenover eigen verwanten en vrienden. Want wie zijn
-bloedsbroeder verliet in voor- of in tegenspoed, gaf zich zelven den
-goden der benedenwereld prijs in de toekomst, die werd geschuwd als
-eerloos, als meineedig veracht door strijder en Skald, bij hamerworp en
-harpslag te zee en te land. En thans: De Denen kwamen, om te verwoesten
-en te verkeeren der christenen land, om te dooden wie de leer beleed van
-den Gekruisigde. En trouw tot in, tot over het graf, dat eischte de
-bloedsbroeders-eed!...
-
-Plotseling rees hij op, met een kreet. Want, daar buiten glinsterden
-speren, daar sloeg een banier haar banen uit, hoog tegen ’s hemels
-blauw, maar niet van de drakenschepen flikkerden de doodelijke wapens,
-niet Odins bloedroode vaan zag hij.
-
-Hij zag een banier wapperen, met het beeld van den held, die eenmaal
-zijn mantel deelde met een armen voetknecht.
-
-De mannen van Sint Maarten kwamen, in rechtmatigen toorn ontstoken, nu
-hun bisschop en heer de gevangene was van een tuchteloozen vasal. De
-overgang was zoo plotseling, zoo snel, dat hij Olaf als bedwelmde, vele
-oogenblikken.
-
-Wie hen had gewaarschuwd, wakker geschud uit hun doffen angst voor eigen
-lot, wie allen had gewezen op hun plicht, behoefde hij evenwel niet te
-vragen.
-
-Aan de spits der kloeke schaar reed een boer, blootshoofds, gekleed in
-grof wadmer, met oogen donker van zorg en angst -- Henno.
-
-„Te hulp! Onzen heer te hulp!” riep hij luid. Van alle zijden werd die
-kreet herhaald. Hij klonk uit den mond der mannen van Utrecht, het
-landvolk ving hem op en droeg hem van hoeve tot hoeve, hij werd
-teruggekaatst door de gevels van het slot Bacheforth, tegen de half
-verbrande muren van den Stuthenborch, verder golfde hij met den breeden
-stroom langs weide en woud.
-
-„Te hulp tegen Rolfr Jarl! Te hulp!” Het was of plotseling de vrees
-verdween, die den geduchten Jarl zijn kracht schonk. De mannen van Sint
-Maarten waren gekomen, in de schaduw der banier van hem, dapper en
-edelmoedig krijgsoverste -- eer hij zich wijdde aan den dienst der kerk
--- waren zij veilig.
-
-„Te hulp! Redt onzen bisschop!” Want, was ook deze niet aan Sint-Maarten
-gelijk, deelde hij niet evenzóó met de armen en lijdenden wat hij bezat?
-
-„Redding voor bisschop Ansfried!”
-
-Oorverdoovend werd de kreet, kodde en herdersstaf, sikkel en
-dorschvlegel werden gegrepen door gespierde, bruine handen, dreigend
-werden zij opgeheven naast de flikkerende speren der wapenknechten.
-
-Als een springvloed door dijken noch dammen te stuiten viel het landvolk
--- nu sterk, omdat het werd gesteund, aan op de boogschutters van den
-Ravenhorst. Overrompeld werden de ruiters, die de wacht hielden op de
-kruiswegen, doorschoten de voorbeenen der paarden van aanvallers of
-vluchtelingen, met pijlen even scherp als wel gericht.
-
-Een vreeselijk treffen ving aan, niet reusachtig door het getal der
-strijders, doch moorddadig in zijn woestheid en ontzettenden ernst.
-
-Toen, reeds bijna een uur duurde de kamp, drong een man hoog te paard
-door den warrelklomp der strijders, een geheel geharnaste forsche
-gestalte:
-
-„Hier, laffe wapenknechten! Uw heer beveelt! Graaf Ansfried vrij!....
-Dat nooit! De dood hale hem! Slaat u door of ik vel u met eigen hand!”
-
-Rolfr Jarl brulde het meer dan hij sprak in razenden toorn. Hij streed
-vol woeste doodsverachting als nimmer te voren, zijn bijlslag suisde, in
-zijn vuist blonk het zwaard, zijn werpspies trof wien hij koos tot zijn
-wit. Verdubbelen deed zijn komst het geroep en gedruisch, de wilde
-strijdkreten, de doodelijke slagen. Tot waanzin schier steeg de woede
-aan beide zijden. Henno stiet terwijl hij trachtte den Jarl te bereiken
-op Sven Persen. Als roofdieren stortten zij op elkander en vielen, na
-een moorddadig tweegevecht, bloedend, kreunend naast elkaar, de een zijn
-verwenschingen slingerend naar den andere met bezwijmende kracht.
-
-„Sterf, hond!” brulde in het eigen oogenblik Walger, zijn dorschvlegel
-zwaaiend. De doodelijke stoot, die hem trof als antwoord, kwam van
-Harald, den Skald; met bloedig schuim op de lippen zonk hij neer om niet
-meer op te staan.
-
-„Een boot! Een plank slechts om den stroom over te zwemmen!” riep
-Unruoch. Als voortgezweept ging hij op en neer op den Hohorst, hij wierp
-zijn rusting af om zonder wapen of verweermiddel zich van de hoogte in
-de golven te storten. De weinige ruiters, die waren ontkomen aan het
-bloedbad bij den grafheuvel, wilden hem volgen. Slechts door een streng
-bevel kon de bisschop allen terughouden: want diep was de stroom, hun
-dood gewis, indien zij er zich in wierpen.
-
-„De Heer kastijdt ons met een zeer zware beproeving!” jammerde broeder
-Johannes met opgeheven handen. Toen, ze als een roeper aan den mond
-brengend, gillend tot de mannen van Sint Maarten:
-
-„Slaat dood! Slaat dood! Vraagt niet naar heiden of christen! De Heer
-beschermt de zijnen, slaat toe!”
-
-„Broeder, zwijg!” Bevelend klonk bisschop Ansfrieds ernstige stem. „Dit
-is godslastering. Het zijn menschen! Bid voor de dwalenden, die Wodan
-aanroepen en zijn heir van booze geesten. Vervloek ze niet!”
-
-In zijn vertrek wrong Olaf de handen:
-
-„Mijn bloedsbroeder delft het onderspit en ik lijd niet om hem, en geen
-droefheid is in mijn hart, omdat ik hier machteloos, weerloos sta! Een
-meineedige -- ik!”
-
-Zijn hoofd zonk op de borst, zijn lippen fluisterden:
-
-„Alvader vergeef!... Wijs mij den weg dien ik gaan moet.... eeuwig
-God!”...
-
-Op de hoogte verscheen opnieuw de bisschop, voor iederen pijl een
-weerlooze prooi, niet achtend het gevaar, dat hem dreigde:
-
-„Vrede! Vrede! Staakt dit moorden! Houdt op! Ik wil het!”....
-
-Als een roepende in de woestijn was zijn stem, overstemd door
-strijdgerucht en wapengekletter, door het wraakgehuil, dat den smaad
-gold hem aangedaan.
-
-„Berg uw lijf! De pijlen der Denen worden alle op u gericht!”
-
-Heesch stiet Unruoch de woorden uit; tegen diens wil sleepte hij zijn
-vaderlijken vriend mee. Olaf zag het met een zucht van verlichting.
-
-Maar opnieuw drong een kreet in zijn ooren van smart en van toorn, door
-merg en been ging de snijdende klank. Hij klemde zich aan het kleine
-venster, hij zag Rolfr Jarl wegdragen, zag Unruoch zegevierend -- zijn
-pijl had gemikt en doel getroffen -- over het breede golvenvlak.
-
-Nog eenmaal vlogen links en rechts de pijlen, en sloegen opnieuw de
-speren hun bijtende wonden. Menige krijger zonk ineen op het veld. Wild
-door elkaar warrelden, streden de laatst overgebleven Denen tot zij hun
-Jarl en heer zagen wegdragen. Toen klonk een gehuil aan het brullen van
-een wouddier gelijk, toen vluchtten „de zonen van Odin” en wapperde
-zegepralend de banier van Sint Maarten boven de hoofden der
-overwinnaars, knielend op het veld:
-
-„Heer, U zij de eere! Heil onzen bisschop”.... Hoe ras was de boot
-bemand, die hem veilig droeg in hun midden, veilig en vrij!
-
-Met jubelenden heilzang, met vochtige oogen begroetten hem de stoere
-strijders van daareven. In hoog aanzien stond hij bij allen, maar de
-eerbied en liefde, die hem werden gewijd, overtroffen het ontzag, omdat
-hij heerschte door goedheid en ieder zijner daden een zegening was.
-
-„Naar Utrecht voeren wij u! Wij brengen u in veilige rust!”
-
-Doch waarschuwend hief hij de hand op: „Staakt dien jubel! Hier voegt de
-stilte: onze gebeden vragen de dooden, de gewonden onzen bijstand!”....
-
-Een draagstoel werd aangebracht, toen deze eerste plicht was vervuld. De
-bisschop steeg in.
-
-In ’t zelfde oogenblik sloeg een hand het gordijn terug: „Ik ben uw
-gevangene. Beschik over mijn lot!”
-
-Bisschop Ansfried schudde het hoofd en zag den spreker meewarig aan: „Ga
-in vrede, mijn zoon! Gij zijt vrij!”
-
-Twee groote tranen sprongen Olaf uit de oogen. Aan zijn bloedseed
-gedachtig moest hij terugkeeren, zijn bloedsbroeder te hulp. En hij wist
-thans wat dat beduidde!
-
-En het werd stil in zijn hart, dat daar even nog jagend geklopt had --
-verstijvend stil.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-
-Het was nog vroeg in den morgen. De hanen begroetten met luid gekraai de
-zon en de torenwachter van den Sint Maarten wekte de slapers uit hun
-rust.
-
-Door middel van zijn langen horen verkondigde hij schetterend het
-aanbreken van den nieuwen dag. Met meer genoegen dan de sluimeraars,
-hoorden de wachters aan de stadspoorten die schelle tonen. Ongeduldig
-zagen zij uit naar de morgenwacht, die hen moest komen aflossen.
-
-Een verren weg had deze daartoe niet af te leggen. Utrecht was nog klein
-van omvang, al had bisschop Balderic gedaan wat in zijn vermogen was, om
-de stad eenigszins te herstellen van de verwoesting der Denen. Een met
-keien geplaveide steenweg leidde door het benedengedeelte naar de
-bovenstad, over de brug der Oude gracht. Daar verhief zich het statige
-gebouw, waarvan de grondslagen reeds waren gelegd door de Friesche
-vorsten, die eenmaal „Trecht” hadden beheerscht en er een koninklijken
-burcht stichtten.
-
-Thans waren -- naar luid der kroniek -- „deselfs muren niet min cierlyck
-als constigh en sterck.” Het Friesche koningsslot was een keizerlijk
-paleis geworden, dat keizer Otto „ter handhaving van zijn staat en
-recht” den trouwen vriend van zijn huis, bisschop Ansfried, tot verblijf
-had geschonken.
-
-Statig verhieven zich gevel en torentransen van het hechte gebouw. Hun
-breede schaduw werd opgevangen door de kroongewelven der zware boomen in
-den hof; ter zijde rees de Sint Maarten, de dom bij uitnemendheid, niet
-ver van de kerk van Sint Salvator, die het stof bewaarde van dezen
-grooten geloofsheld. Want alle eer van menschen, alle macht verbonden
-aan zijn rang, wierp hij van zich. Naar Friesland trok hij langs
-onherbergzame paden, omringd door een vijandige bevolking, om ieder, die
-daar den god Stavo eerde met menschenoffers, de leer der liefde te
-prediken: het Evangelie. Hij ging en won de gloriekroon van den
-martelaar: onder de knotsslagen der Friezen viel hij, stervend zijn God
-nog lovend. Naast den vromen Gregorius, die, toen zijn doodsstrijd
-aanving, met zijn laatste kracht fluisterde, hem te brengen naar des
-Heeren huis om daar te sterven, werd hij ter ruste gelegd. De tombe van
-bisschop Frederic, getroffen terwijl hij bad, door het staal van een
-Deenschen sluipmoordenaar, rees niet ver van de zijne...
-
-Uit het bloed der martelaren was ook hier de bloem van het geloof
-ontsproten. Want geweld noch machtsvertoon der Noorsche vijanden bleken
-ooit meer in staat het volk, dat zulke voorbeelden bezat, tot afval te
-brengen van het christendom.
-
-En thans hoopte Rolfr Jarl, dat hem zou gelukken wat zijn voorgangers in
-een vroegere eeuw tevergeefs hadden gewenscht, als hij de oorlogsfakkel
-slingerde in de met stroo gedekte woningen van Utrecht. Want de houten
-of met rieten daken voorziene huizen der stad hadden nog geheel den
-bouwvorm behouden van vroegere eeuwen.
-
-De ringmuur en bolwerken mochten hecht zijn en hoog, de Tolsteegpoort
-reeds van verre schitteren door haar roode kleur, de huizen zonder
-dakgoten of waterafleidingen vormden nog even zelden straten, als zij
-zich rondden tot een plein. Gelijk de hoeven buiten de poort, hadden zij
-een laagafhangend dak en werd ieder erf door een boomgaard of akkers
-omringd, op hun beurt door stevig paalwerk ingesloten. Slechts enkele
-der voornaamste huizingen bezaten een steenen onderbouw en eenige
-traptreden van blauwe zerken, die naar de hoog aangebrachte voordeur
-voerden. In den hof wroetten ongehinderd de varkens, daar kakelden
-kippen en snaterden ganzen.
-
-Naast de hooischelf strekte een kleine hoogte, vereerd met den naam van
-„’t land verbeteren”, niet zeer tot verfraaiing van het geheel.
-
-Doch dezen ochtend, terwijl de dagwacht zich grommig gereed maakte voor
-zijn taak en de nachtwacht ongeduldig werd, omdat hij nog niet was
-afgelost, liet de horenblazer het niet bij een enkel sein. Korte stooten
-wisselden de langschetterende tonen af. De wachter op den
-Baldericstoren begreep het eerst, dat er iets buitengewoons plaats vond.
-Spiedend, de hand boven de oogen, zag hij den Rijn af en den weg, die
-kronkelde met den stroom. Toen klonk een kreet van vreugde, weldra
-voortgeplant van wacht tot wacht. Als op den adem van den storm vloog
-het bericht door de stad, dat ginds, op den heirweg, het vaandel van
-Sint Maarten wapperde, dat zij kwamen, de mannen van Utrecht met den
-bisschop, in het midden, met Unruoch, zijn pleegzoon, met de broeders
-van den Hohorst, allen gered uit den ijzeren greep van Rolfr, den --
-Antichrist.
-
-Want zoo was, niet zonder schroom, Rolfr Jarl fluisterend genoemd in
-Utrecht, toen Henno ademloos den vorigen dag het bericht bracht wat deze
-had gewaagd.
-
-Geen der drie jaarmarkten -- het recht der stad -- was aangekondigd, het
-roode kruis niet aangeslagen bij de brug aan de Tolsteegpoort tot een
-bewijs, dat iedere reiziger vrijgeleide had om te komen en te gaan.
-Alzoo was het geen vreemdeling veroorloofd zijn nachtverblijf binnen de
-omwalling der stad te houden, zonder dat hij twee borgen stelde --
-niemand dacht hier ditmaal aan. Ademloos werd Henno omringd en
-aangehoord, tot een dichte menigte hem voerde naar den proost van Sint
-Maarten. Het bleeke kind en de verweerde wapentuur, die bij hem waren --
-om strijd boden de burgensen aan, zonder te vragen vanwaar zij kwamen,
-hen te herbergen.
-
-De bisschop was in gevaar en nood. Hij, de goede, edele, vader
-Ansfried... Wie behalve de Antichrist zou durven wagen de hand aan den
-gezalfde des Heeren te slaan?... Werd hiermee opnieuw niet de profetie
-vervuld uit het boek der Openbaring:
-
-„Het duizend-jarig rijk -- de Antichrist omgaande als een brullende
-leeuw, vervuld met plannen van schuld en misdaad -- dan het
-bazuingeschal der engelen en de Heer komend op de wolken om te richten
-de levenden en de dooden!”....
-
-Een plotselinge angst, angst reeds zoo menigwerf gewekt, dikwerf slechts
-met geweld onderdrukt, overviel allen. Als schapen zonder herder voelden
-zij zich... Gegrepen werd speer en boog, schild en scharmsax -- de
-geduchte knots met ijzeren spits. Nauwelijks bleef een voldoende
-bezetting achter ter bewaking van brug en poort. Voort stormden Utrechts
-weerbare mannen -- voort. En thans, na een nacht van vrees en
-onzekerheid, zagen zij hem keeren, gered, ongedeerd.... Als zilver
-glinsterden in de morgenzon de langgolvende lokken, die het eerwaardige
-gelaat omlijstten van den grijsaard. En toen ratelend de brug omlaag
-ging en hij reed door de breede poort en de oogen op hen rustten, wier
-blik onvergeetlijk bleef voor ieder, die hem eenmaal zag, toen losten
-vrees en vreugde zich op in een snik, die een zegenbede insloot.
-
-Zij omringden hem met jubelende woorden. In triomf omgaven de dichte
-drommen zijn draagstoel, voerden zij hem naar het bisschopshof:
-
-Zonder vragen of verlof waren vele burgensen de groote zaal mee
-binnengegaan -- in oogenblikken van diepe ontroering verliezen
-wereldsche vormen hun kracht. Nu verdrongen de inwoners zich in de meer
-lange dan hooge zaal met haar Romaansche rondbogen en de dubbele rij
-houten, kleurrijk beschilderde pilaren. Op zijn hoogzetel, door een
-kunstig besneden, door zuilen gesteunden baldakijn overwelfd, had de
-bisschop plaats genomen.
-
-Thans drong Petrus, de proost van Sint Maarten, naar voren uit de zacht
-fluisterende groepen.
-
-„Hoogeerwaarde, voor deze grove beleediging u aangedaan geldt slechts
-een woord: wraak!”
-
-De diep beleedigde grijsaard schudde het hoofd:
-
-„Laat de wraak aan God over en aan den keizer, dien Hij heeft gesteld op
-zijn hooge plaats om het wereldrijk recht te beschermen met de scherpte
-van het zwaard. Mij voegt alleen te waken voor rust en recht door de
-kracht van woord en gebed.”
-
-„Wat baten die tegenover Rolfr, den Deen?” De scherpe oogen van den
-proost flikkerden. „Heer, was hij niet te allen tijde uw bitterste
-vijand?”
-
-De ernstige blik van bisschop Ansfried rustte op hem waarschuwend,
-vermanend:
-
-„Gij weet, dat die man veel leed over mij bracht en wilt mij thans wraak
-als plicht voorstellen, door den hartstocht te prikkelen, die vergelding
-heet en sluimert in iedere door onrecht getroffen ziel. Maar zwaar zou
-ik zondigen, indien ik hier vergelding zocht, mijn vergelding.”
-
-„Maar uw ambtsplicht, heer! Werd de handhaving van het recht in het
-bisdom u niet toevertrouwd?”
-
-„Waar plicht en lust samen strijdvoeren, is het plicht te doen wat ons
-het minst behaagt. En daar het mij zwaar valt hier werkeloos af te
-wachten, zoo beschouw ik dit als wereldsche zin, als strijdlust, die ik
-boet door te wachten.”
-
-Hij drukte de hand tegen de borst, hoe heftig klopte nog het hart van
-den ridder onder de breede plooien van zijn geestelijk kleed!
-
-„Nog is de oude mensch niet dood, éen woord en hij wordt gewekt in mijn
-binnenste. Heer, vergeef!” klonk het in zijn hart.
-
-Het was of de storm, ontketend in zijn ziel, hem schudde. Hij trad aan
-een venster en zag naar buiten met dwalenden blik. Niet lang. Een man
-stormde over de brug, ademloos, het stof van den heirweg bedekte zijn
-versleten kolder. Zijn paard struikelde bij iederen tred, toch dreef hij
-het voort, voort. Hij was reeds de zaal binnen gedrongen, eer nog het
-gemurmel van teleurstelling zweeg, uitgelokt door de beslissing van den
-bisschop.
-
-„Dat is de vreemde wapentuur, die gisteren met den visscher van den
-Ravenhorst hier kwam. Hij is straks niet teruggekeerd van den Hohorst
-met onze mannen,” mompelden verscheidene stemmen. Barrevoets,
-blootshoofds, hijgend naar adem viel de onbekende den bisschop te voet:
-
-„Heer, heer! Wapen u! Laat uw dienstmannen zich gorden ten strijde!
-Odins bloedroode vaan wappert van den Ravenhorst als welkomstgroet aan
-de Vikingervloot, die de rivier opzeilt, reeds nu met buit beladen!”
-
-Toen hief de bisschop beide handen op, gevouwen:
-
-„Heer, nu ken ik Uw wil! Dat is Uw vingerwijzing! Wie zijn aardschen
-vorst niet bijstaat in nood en dood, pleegt félonie, wie niet pal staat
-als een rots, waar het geldt het geloof aan U, den Heer van hemel en
-aarde, en de eer Uwer kerk te verdedigen, is een afvallige gelijk!” Zijn
-oogen vlamden als in vroegere jaren toen hij zich tot de burgensen
-wendde:
-
-„Mijne kinderen, gordt u het zwaard aan! Op Gods bevel ten strijd! Het
-is voor Zijn kerk, voor de vrijheid van dit land! Het zij zege of
-ondergang ons deel wordt, weerstaat de Deensche roovers, die het
-heiligste vertreden in grimmigen haat. Deze strijd is zondig noch
-misdadig, hij geldt ons hoogste goed, geldt vrijheid, geloof en recht!
-Te wapen!”
-
-Een doffe stem brak zijn woorden af, een stem met sidderenden klank. Een
-bejaard man trad naar voren, een der invloedrijkste inwoners der stad.
-Sneeuwwit was zijn kruin, moede van het staren op véél onrecht zijn
-oogen:
-
-„Hoogeerwaarde, waartoe thans nog bloed en strijd? Over eenige weken,
-dagen wellicht -- wie beslist het -- is het immers met alles voorbij.
-Ach, laat ons biddend ondergaan, niet bloedvergietend!”
-
-De bisschop maakte een afwerend gebaar. De oude moed van den held, die
-eenmaal gansche legerscharen bezielde door zijn voorbeeld, lichtte uit
-zijn oogen. In zijn volle lengte richtte hij zich op:
-
-„Zwijg over deze geruchten en wacht af, wat God over ons beslist, niet
-alleen biddend, maar ook wakend, hetzij, dat de groote, geweldige dag
-komt, of dat de Heer in Zijn oneindige goedheid de wereld nog laat
-voortbestaan. Geschiedt het eerste, zorgt dan, dat uw laatste daad op
-aarde niets met lafhartigheid gemeen heeft. Beschermt de kerken, opdat
-God u vinden moge biddend in Zijn huis. Doch, drijven deze dagen van
-angst en onzekerheid voorbij gelijk stormwolken en wordt de aarde als
-gewekt tot nieuw leven, bewaart dan u zelven voor de wroeging, dat gij
-niet hebt volhard ten einde toe tegen de Deensche heiligschenners, dat
-ook door uw toedoen de asch werd verstrooid van geloofshelden en
-martelaren en vrees ketenen klonk voor ons vrije volk!
-
-Ten strijde alzoo! De Heer trekt ons voor! God wil het!”
-
-Met honderdvoudige echo werd dit woord herhaald. Haastig verspreidde
-zich de menigte. Allen wilden het eerst gereed zijn om tegen de Denen op
-te trekken. Terwijl de bisschop, op Unruoch leunend, terugkeerde naar
-zijn bijzonder vertrek en eenigen der voornaamste burgers hem op zijn
-verzoek volgden, -- plannen moesten worden gemaakt voor de verdediging
-der stad -- rustte de blik van den „vreemden wapentuur” lang op beiden.
-
-„Wie is die jonge ridder?” vroeg hij broeder Johannes. Het was of hij in
-Unruochs regelmatige trekken een gelijkenis zocht en die ook vond.
-
-„Hij heet Unruoch van Teisterbant. Door bisschop Ansfried werd hij
-aangenomen als zoon, maar hij is hem niet verwant, naar men zegt. Vrouwe
-Benedicta, de dochter van den bisschop, heeft hem opgenomen als
-vondeling.”
-
-De andere schudde het hoofd:
-
-„Een vondeling? Neen, dat is hij niet. Mijn vrouw heeft stervend het
-kind toevertrouwd aan de abdis van Thorn. Dat heb ik veel jaren later
-gehoord”....
-
-De proost van Sint Maarten liet hem niet uitspreken. Hij had
-verstaan.... „Volg mij!” beval hij kort.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXI.
-
-
-De zon was ondergegaan, de eerste sterren zouden weldra schijnen uit een
-donkere wolkenlijst, de avondwind begroette ruischend de slotbron, toen
-Olaf Swanwitha vond in den hof. Het was slechts een klein plekje, haar
-afgestaan binnen de omheining van den Ravenhorst, maar zorgvuldig was
-iedere voet gronds gebruikt om den kruidtuin te vormen, waaruit de
-geneeskunst de middelen trok om kwalen en ziekten te bestrijden. De
-witte lelies -- waarvan vrouw Sigrid de bladeren in azijn bewaarde om
-wonden te genezen of van de bloemen een zalf kookte als een onschatbaar
-middel bij kneuzingen, bloeiden er naast de verwarmende venkel en de
-donkergroene rosmarijn. Haar lichtblauwe bloemen werden gebruikt om het
-verstand te verhelderen en de zinnen scherp te maken. De ruite vormde
-een onschatbaar middel tegen besmetting en heette, met zout vermengd,
-onfeilbaar tegen vergif. De purperen gladiolen-wortel werd met wijn
-gezoden voor pijlwonden gebezigd en de bladeren der rozen dienden niet
-slechts om hart en leven te versterken, maar waren ook een uitstekend
-middel tegen de koorts. Zij bloeiden in een groot aantal, iedere struik
-prijkte met zijn mantel van groen en een bedwelmend zoete geur steeg op
-uit de wijdgeopende knoppen. Op de doornige twijgen wiegelde zich de
-kleine, bruine nachtegaal, door de Noren hun god Balder toegewijd, den
-zachtzinnigen god van lente en licht. Zijn zilveren zang vervulde
-trillend de lucht. Of Swanwitha dacht aan een anderen avond, toen ook de
-nachtegaal zong?
-
-Langzaam ging Olaf voort. Het zachte mos dempte zijn tred. Hij zag haar,
-die zijn bruid heette, op een kunstmatig aangelegd, met rozen begroeid
-heuveltje. Weer dacht hij, dat zij zelve een witte bloem geleek tusschen
-de rozen, weer omgolfden haar de gouden haren als een glinsterende
-mantel, juist als op den morgen toen hij haar voor het eerst zag.
-
-Hij streek zich met de hand over de oogen -- alles was gelijk het
-geweest was, alleen hij zelf was een andere geworden. Toen hij Swanwitha
-in het liefelijk gelaat zag, had hij met onstuimigen hartslag begeerd
-haar de zijne te noemen, zonder daarbij te onderzoeken of zijn wenschen
-de hare ontmoetten -- alleen aan zijn eigen geluk had hij gedacht. En
-thans had een machtige stem geklonken, die doordrong tot zijn ziel:
-
-„Zelfverloochening eischt de godsdienst der Christenen. Wie eigen
-wenschen het zwijgen weet op te leggen, waar het geldt het geluk te
-bevorderen van anderen, die alleen is een held.”
-
-Van dat oogenblik wist hij, dat het Christendom stond boven zijn geloof
-aan de goden, even hoog als de zon schitterde boven de grijze zee.
-
-„Wraak, vergelding, zoek de vervulling uwer eigen wenschen”....
-
-Dit waren de levenslessen, tot nu toe door hem opgedolven uit de
-spreuken en sagen der Edda.... Gelijk ieder hooggestemd karakter voelde
-Olaf diepen eerbied voor alles wat verheven was en groot. Met ontzag
-begon hij, denkend, steeds denkend over alles wat de bisschop hem had
-gezegd, op te zien tot een leer, die zulke hooge eischen stelde, eer hij
-nog geleerd had Hem aan te hangen, in Wiens leven van liefde en
-erbarming, in Wiens kruisdood van lijden en overwinning, de
-zelfverloochening zich had belichaamd, den Christus, Die de
-verschrikkingen der hel had te niet gedaan, gezegepraald op een lauwe of
-vijandige wereld en de hemelen geopend, voor wie trachtten Hem na te
-volgen met oprecht gemoed.
-
-Voorzichtig boog Olaf de takken der „gelukbrengende” berken en de
-twijgen van den „heiligen” vlier, uit elkaar. Hij glimlachte nu om dit
-geloof van zijn volk. Een boom of heester door menschen den goden
-gewijd, en daarna de stichter van hun geluk!.... En als de oude wereld
-was voorbijgegaan zou Odin een nieuw menschengeslacht scheppen op de
-nieuwe aarde, de man uit den esch, de vrouw uit elzenhout!
-
-Een donkere blos steeg in zijn gelaat. Dàt had hij geloofd! Was hij tot
-nu toe een kind gelijk geweest in zijn denken en droomen? Indien Gods
-toorn den ondergang beval eener in zonden verzonken wereld, dan was
-alleen de eindelooze liefde van den gekruisigden Christus in staat, de
-menschheid veilig te voeren door de loeiende vlammenzee naar de nieuwe
-aarde van zegepralend geloof, dat werd tot zalig aanschouwen, waar het
-witte kleed zou bekleeden het verheerlijkte lichaam en de van iedere
-smet gereinigde ziel....
-
-Hij vergat opnieuw bijna, meegesleept door zijn gloeiende gedachten,
-waarvoor hij was gekomen. Doch nu wendde Swanwitha het hoofd om en in
-den glans van het zinkend avondrood zag hij haar oogen vochtig. Hij
-gevoelde, dat het geen lenigende tranen waren, verkwikkend als de
-zilveren dauw voor de velden, na den zonnebrand van den dag. Brandend,
-een verterenden gloed gelijk, moesten zij voor haar zijn, want met een
-plotselinge beweging van schrik stond zij op, krampachtig trokken haar
-lippen -- zij zag hèm.
-
-Hij stak haar beide handen toe en toen zij aarzelde er de hare in te
-leggen, greep hij ze. De angstige blik, waarmee zij hem aanzag, zonk tot
-in zijn ziel. Welke kluisters hij haar had aangelegd begreep hij in zijn
-geheelen omvang, thans, voor de eerste maal, nu hij niet aan zich zelven
-dacht.
-
-„Schrik niet voor mij terug, Swanwitha! Ik kom niet meer om u Freya’s
-minne toe te drinken uit den zilveren hoorn. Neem uw ring weer” -- hij
-gaf haar den smallen, glinsterenden band. -- „Ik weet nu, dat liefde
-niet door dwang wordt verkregen, dat de ring niet het onderpand van
-verkoop is, maar die der trouw behoort te zijn.
-
-Wie liefde dwingen wil zoekt de zon bij nacht, dat heb ik ingezien,
-gelukkig nog niet te laat. Niet wie alleen is op aarde, maar wie werd
-gescheiden van wat hij liefhad, is eenzaam en verlaten. Vergeef daarom
-wat ik u aandeed. Ik zal u niet scheiden van hem naar wien uw hart
-verlangt. Vind eenmaal het geluk, dat”....
-
-Hij wendde zich af, haperend. Zijn kloeke gestalte beefde.
-
-Wèl stelde de „witte Christus”, op Wien Odins zonen met zooveel
-minachting neerzagen, hóoge eischen aan Zijn volgelingen. Zich zelven
-overwinnen in ernstigen, stillen strijd met eigen wenschen of den vijand
-tegenstormen met heirbijl en speer te midden van het opwindend
-strijdgewoel -- hij wist nu wat het zwaarst viel. Maar hij hoorde een
-snik van verlossing, schier van bevrijding....
-
-„Vaarwel!” mompelde hij nog eens, „vaarwel!”
-
-Nu omklemde zij zijn hand, met haar gloeiende vingers.
-
-„Olaf, dank, o dank! Wat ben ik u dankbaar! Vrij!”.... Als een
-jubelkreet klonk het. Toen vervolgde zij aarzelend:
-
-„Maar, weet mijn grootvader”....
-
-„Ik zal hem alles zeggen, wees niet bang. Niemand heeft het recht u te
-verkoopen naar ziel en lichaam. Ik begrijp het nu. ’t Is of mij een
-blinddoek is ontvallen, of ik van een last, die mijn denken benevelde,
-ben bevrijd. Zie, Witha, op den Hohorst was ik gevangen en daar werd ik
-waarlijk vrij! Wel mag die plaats de „Heilige berg” heeten, sinds
-bisschop Ansfried daar heerscht, niet door het geweld van den sterkste
-maar door de macht der hoogste liefde, die niet zich zelve zoekt.”
-
-Welk een ongeveinsde verbazing las hij op haar trekken!
-
-Eenvoudig en eerlijk volgens zijn karakter, hernam hij:
-
-„Ik ben nog geen christen, maar ik hoop het eenmaal te worden, als God
-mij helpen wil. O, Witha, welk een geluk van Hem kracht te ontvangen, om
-den Gekruisigden Christus te kunnen navolgen! Alleen kan ik het niet,
-het is een zware weg.”
-
-„O, Olaf, wat zijt ge toch goed!”
-
-Zij schreide om hem! -- Een gevoel sloop zijn hart binnen, dat geen
-geluk was, zooals hij dit vroeger had begrepen, maar, dat daar ver boven
-was verheven.
-
-„De God, die mijn moeder liefhad, zegene u! Hij zal ook ùw God worden!”
-fluisterde zij opnieuw in een grooten snik.
-
-Toen legde zij nog eenmaal haar hand in de zijne en terwijl zij
-scheidden voor het leven, wisten zij, dat zij elkander hadden begrepen
--- voor het eerst.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXII.
-
-
-Een nieuwe dag was verrezen. Gouden pijlen schoten naar de witte
-nevelen. Rood gloeiend werden zij, als waren zij gewond, in bloed
-gedoopt, tot zij eindelijk zich oplosten in licht en glans. De dag had
-gezegepraald. Waarop zouden zijn stralen vallen? Op een lachend tafreel
-van vrede en geluk, op een gruwzaam tooneel van strijd en verwoesting?
-
-Op een schouwspel van trotsche macht en wemelende kleuren-schittering
-viel de eerste zonnegloed. De golven van de breede Eem rezen en daalden
-met goudvonken overstrooid. De Ravenhorst weerspiegelde zijn transen in
-het effen vlak -- hij niet alleen.
-
-Een welbewapende vloot dreef nader. Ronde schilden blonken langs het
-scheepsboord en weerkaatsten den gloed der zon; gouden leeuwen met
-opgeheven klauwen, als gereed tot den beslissenden sprong, prijkten op
-den achtersteven. Banieren en vaandels wapperden van mast en stengen.
-Breed spreidde een zilveren adelaar de trotsche vleugels uit op den top
-van elke groote mast. Door de wendingen hunner wieken waren zij in staat
-iedere verandering van den wind aan te geven. Met fiere voldoening hing
-het oog van den vervaardiger aan zijn kunstwerk -- nu droeg hij pijl en
-boog en berekende, welk deel van het land, dat de dichtbemande vloot
-ging veroveren, zijn loon zou wezen.
-
-Toch moest de bewondering, welke zijn arbeid vond, wijken voor die welke
-den draak ten deel viel op het grootste schip. Als een visioen van
-dreigende macht gleed hij voorbij, vlammend goud blonk het geschubde
-lijf, hel opgloeiend tegen een bloedrood zeil. De draak -- de groote
-Midgardslang, die de wereld omkronkelde, waren zij niet één? Was het
-niet als verrees het verleden -- het geloof aan de goden -- dat den
-strijd wagen ging met den godsdienst der toekomst -- het Christendom.
-Vreesaanjagend, zelfs voor die stoere krijgers, was het verschrikkelijke
-dier, vuur schoot uit zijn muil, dreigend rekten zich door een kunstig,
-inwendig samenstel zijn klauwen....
-
-Maar een volgend vaartuig vroeg de aandacht. Een stier met blanken
-zilverglans stond, als levend, op de voorplecht. Een bloedige flikkering
-gleed lichtuitstralend uit de oogen van karbonkels, opgeheven was de
-breede kop als ten doodelijken stoot. Zou hij den strijd winnen of zelf
-zinken in den afgrond van het niets -- dien der vergetelheid.
-
-Als een reuzenbloem uit een ver wonderland dreef ieder schip op de klare
-golven. Hier verscheen een vurig roode roos, ginds dreef een lelie met
-donkeren oranjegloed. De kleurschakeeringen waren met zorg gekozen.
-Tintelend van licht blonk de glans der verf van dek en boord, de
-tapijten werden er in weerkaatst, waarmee de banken waren belegd langs
-de verschansing.
-
-Opgehouden door vergulde lansen, saamgesnoerd onder een gouden kroon,
-rees op ieder achterdek een paviljoen van karmozijnroode zijde. Hier
-bevond zich de gezaghebber met zijn bloedsbroeders en schildgenooten,
-hier sloegen de Skalden hun harpen en het was of op het dek in een
-golvende en dalende zee dolfijnen van electrum de koppen ophieven,
-luisterend naar den wonderen zang, aangeheven ter eere van goden en
-helden. Een zee van zijde was het, blauw als de wateren, die de
-geheimzinnige, altijd groene eilanden omruischten, in het verre
-Grecaland.[18]
-
-En op het dek schaarden zich de weerbare strijders. Hun schilden
-glinsterden in den zonneschijn. Ieder harnas omgaf een held, elke
-zwaardknop kletterde tegen een maliënpantser en een onverschrokken hart.
-
-Verder zeilde de trotsche vloot, versierd om den hoogtijd der zegepraal
-te vieren. Reeds kwamen de torentransen van den Ravenhorst in het
-gezicht, waar boogschutters en dienstmannen, hun wapen in de vuist,
-gereed stonden, om, als het bevel klonk uit den mond van hun Jarl, met
-hem de vloot tegemoet te gaan. Den soudenieren, die in een der beide
-houten torens op den muur naast de poort de wacht hielden, was gelast
-het sein te geven.
-
-„Zouden de schepen hier alle voor anker komen?” vroeg een der beide
-schildwachten zijn makker. Deze haalde de schouders op:
-
-„Dan zal, in ieder geval, het oponthoud hier niet lang duren, wij zullen
-wel gauw gezamenlijk naar Utrecht oprukken.”
-
-„Als er nog meer krijgers noodig zijn! Ieder verdek wemelt van helmen en
-harnassen.”
-
-„En van pracht en praal! ’t Is, uit de verte gezien of de schepen in
-vlam staan! De kleurengloed overtreft nog het geflikker der blanke
-wapens, van gouden beeldwerk op den voorsteven en van zilver op het
-achterdek der schepen.[19] Als de Denen het onderspit delven doen de
-onzen een goede vangst.”
-
-Verachtelijk zag de andere -- een woeste Wend -- hem aan:
-
-„Hoe durf je zoo iets alleen maar dènken! Wie zou die verschrikkelijke,
-van goud schitterende leeuwen, die metalen menschenbeelden met hun
-dreigende houding, die draken van zuiver goud, kunnen, zelfs durven
-weerstaan!”
-
-„Om van de stieren met gouden hoornen en bliksemende oogen, niet eens te
-spreken! Hoort, hoe ze brullen!”[20] viel een derde in.
-
-„Laat je niet verblinden door den schijn! Als die je reeds zooveel
-schrik aanjaagt wat moet dan de werkelijkheid zijn. Die ziet gij dáár!”
-
-De oude speerknecht wees naar een kleine groep aanvoerders, in ernstig
-gesprek op de voorplecht van het grootste schip. Hun wapens schoten
-vonken in het helle ochtendlicht, breed uitgespreide vleugels van den
-zilvergier vormden hun helmtooi. De scharlaken mantels waren als een
-vlam, boven hun door den zonneglans als met vurige vonken overstrooide
-ringkragen.
-
-„En gij denkt, dat zulke reuzen door het landvolk hier overwonnen zullen
-worden, diè!”....
-
-De ongeveinsde verbazing van den schildwacht evenaarde zijn
-verontwaardiging en weer hingen zijn oogen als geboeid aan het
-schitterend schouwspel.
-
-Hij was de eenige niet. Geheel in ’t rinkelend harnas, gewapend tot de
-tanden, stond Rolfr Jarl voor het middelvenster der hal en fronste
-ongeduldig de wenkbrauwen:
-
-„Waar blijft Olaf?” -- Over den kronkelenden stroom gleed zijn blik. --
-„De vloot ankert, eer gindsche waskaars is opgebrand, wij moeten haar
-tegemoet. Het is hoog tijd.”
-
-Hij zette zijn zilveren fluitje aan de lippen, voor zijn lijfdienaar een
-welbekend teeken, maar eer hij het sein kon geven stond de met zooveel
-ongeduld verwachte voor hem. Onhoorbaar was de deur open gegaan, ook
-Olafs blik zocht de brandende kaars, waarmee de tijd werd afgemeten.
-
-„Hebben wij nog eenige oogenblikken tijd?” Dof klonk zijn stem, bleek
-waren zijn trekken.
-
-„Wat scheelt je, Olaf?”
-
-Wrevelig klonk het antwoord van den Jarl.
-
-„Verbleek je op het gezicht der drakenschepen? Mag zoo een aanvoerder
-den strijd tegengaan, waarin hij mòet zegevieren?”
-
-Olaf tastte met de hand naar zijn voorhoofd.
-
-„Dat kleurgewemel schrijnt, het is of die wapens mij alle in het hart
-treffen.”
-
-„Olaf!”....
-
-Deze streek zich met de hand over de oogen.
-
-„Het is alles uitgekomen, zooals ik voorgevoelde, toen ik dit vredige
-landschap zag -- voor de eerste maal. Herinnert gij u nog wat ik zei?”
-
-„Ja, en ik hoop, dat gij mijn antwoord niet zijt vergeten!”
-
-Hoe bijtend klonk het!
-
-„Voorheen, Olaf, waart gij altijd de eerste, die op den vijand
-instormde, zonder te vragen wat zijn lot worden zou.”
-
-Met snelle schreden mat de jonge Viking het vertrek. Zwaar legde een
-hand zich op zijn arm, een forsche hand.
-
-„Olaf, laat ons gaan! Voor de eer van Alvader en van alle Asen trekken
-wij het zwaard!”
-
-„Neen!” klonk het in hevige gemoedsbeweging terug. „Het is tegen Zijn
-wil en leer. God is liefde. Vrede gebiedt Hij. Vrede op aarde.”
-
-„God!” -- Rolfr Jarl herhaalde dat woord en dof gaf de holle zaal den
-klank terug. Het klonk als een waarschuwing. Een oogenblik zagen beiden
-elkander aan, als wilde de een de gedachten peilen van den andere. Toen
-barstte Rolfr los:
-
-„Ha! Nu begrijp ik! Gij waart op den Hohorst!.... Vervloekt zij”....
-
-„Gezegend moge de geest zijn, die van daar uitgaat. Daar klinkt het:
-„Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een
-welbehagen!”
-
-Is dat geloof niet bergen hoog verheven boven Odins leer? Zijn zonen
-strijden om macht en goud, en brengen verschrikking, verwoesting en dood
-waar zij verschijnen. Ik weet niet of de geweldige dag, waarin ieder zal
-geoordeeld worden naar zijn werken, aanstaande is, maar dit weet ik: dat
-ieder zijn onsterfelijke ziel moet redden en, dat dit nooit kan
-geschieden langs den weg van bloed en moord.”
-
-„Gij, een christen! Gij!”
-
-Kort en beslist klonk het bevestigend antwoord van twee lippen, die
-beefden -- niet van vrees.
-
-Toen weergalmde een dreunend gekraak. Met een slag had Rolfr zijn vuist
-laten neerkomen op de tafel -- het blad was gespleten. Woeste haat
-flikkerde Olaf tegen onder de borstelige wenkbrauwen. Grauw werd de
-kleur van zijn gezicht. Met van toorn half verstikte stem barstte hij
-los:
-
-„Dan vloek ik de hand, die eens de uwe drukte als bloedsbroeder, dan
-roep ik Odins vergelding in over uw hoofd! Verlamme uw kracht, verwarre
-uw brein, vergeten zij uw leven en uw dood! Odin is rechtvaardig, hij
-zal uw afval richten. Ga dan naar uw nieuwe vrienden, laat mij alleen,
-laat mij alleen! Overwinnen zal ik toch, mij de zege, u de verachting
-voor uw meineed en verraad! Als de bazuinen schallen mij ter eer dan
-verslinde u de diepte van Hel!”...
-
-Olaf had hem zijn woede laten uitrazen. Te midden van den overstelpenden
-woordenvloed trok, als in een visioen, het geweld van den slag, de macht
-der aarde hem voorbij. Banieren wapperden, klaroenen werden gestoken,
-paarden trappelden en brieschten bij den woesten wedloop hunner ruiters
-om het eerst hun doel te bereiken: de gouden kroon, het symbool der
-macht, opgeheven door de hand der schoonste vrouw, die den overwinnaar
-zou toebehooren met het schier tot de wolken rijzende burchtslot,
-waaruit hij zou beheerschen het aan zijn wil en wet onderworpen land.
-
-Over dooden en gewonden ging hun weg, gruwelen, de ellende van duizenden
-waren hun trawanten, niemand sloeg er acht op. Aller oog hing in
-deemoedigen eerbied aan hem, die de macht had veroverd voor zich alleen.
-Voor hem bogen de heerschers en knielden de volken.
-
-Slechts een enkele vrouw niet, een enkele, stille, fiere vrouw. Verlaten
-stond zij aan een hoek van den heirweg, droevig rustten haar oogen op de
-weegschaal in haar hand: „Gewogen en te licht bevonden,” sprak haar
-ernstige stem. Maar in Olafs hart klonk het: „Ik wil u dienen, u: het
-Recht, vertrapt zoo dikwerf en veracht. Nimmermeer buig ik mij voor het
-geweld, al wordt dit door de macht gekroond met de overwinningslauweren
-der aarde.”
-
-En weer dacht hij aan dien gloeienden zomerdag, toen hij op een zijner
-zwerftochten in het Italiaansche land het beeld der vrouw, met de
-weegschaal van het recht, in steen gehouwen had aanschouwd in den
-trotschen Romaburg. Een waarschuwing scheen het hem, dat zij thans
-voorbij zijn geestesoog trok -- als in een visioen. Hij dacht aan den
-christen-bisschop, wiens woorden vol ontzagwekkenden ernst van zoo
-grooten invloed waren geweest op zijn zieleleven -- hij wist nu waar hij
-het recht zou vinden, door wien het werd gediend.
-
-Dreef die wetenschap hem tot het antwoord: meer een antwoord op zijn
-eigen gedachten dan op de woorden van Rolfr Jarl:
-
-„Verwacht niet te veel, roem niet te vroeg. Gij kent uw tegenstander. De
-hand van den graaf van Teisterbant voerde steeds een wapen van ijzer al
-is zijn hart van goud. Hij zal strijden voor geloof en recht tot zijn
-laatsten ademtocht.”
-
-„De strijd dien gij, meineedige, weigert. Ook wij kampen voor ons
-geloof!”
-
-„Maar wat wij beoogen is ongerecht en laag. Ik weiger daarom echter niet
-uw leven te beschermen met het mijne. Uw schilddrager wil ik zijn,
-iederen slag zal ik opvangen, die op u is gemunt. Zoo volbreng ik de
-gelofte eens aan u als bloedsbroeder afgelegd en schiet ik niet te kort
-waar het mijn hoogsten plicht geldt. Geen zwaardslag sla ik, maar ook
-geen helm behoede mijn hoofd, geen harnas mijn hart.”
-
-Toen klonk weer die harde lach:
-
-„Dichterlijk en schoon, mijn jonge Skald, alleen -- onuitvoerbaar,
-gelijk alles wat tot dat gebied behoort. De eene aanvoerder is nooit de
-schilddrager van den anderen. Ook zou uw strijdbende wanen, dat ik u
-blootstelde aan de pijlen om niet met u macht en buit te moeten deelen.”
-
-„Op een andere voorwaarde weiger ik u te vergezellen!”
-
-„Dat is weer zijn werk! Vervloekt! Ansfried, altijd Ansfried! Het is
-zijn invloed!”
-
-Hij drukte de handen tegen het hoofd en mompelde, alleen voor zich
-zelven verstaanbaar: „Ha! Ik hoor ze lachen, de wraakgodinnen! Die hoon
-geldt mij! Ik waande hem te treffen en het wapen wondde de hand, die het
-voerde.”
-
-De toorn, die in hem woelde en bruiste, maakte plaats voor een ander
-gevoel; een smart ongeneeslijk en brandend, na zoovele jaren nog,
-schrijnde en dreef hem tot den uitroep:
-
-„Gij vraagt of ik zijn hand ken? Ja, reeds lang voor gij geboren werdt
-greep die storend in mijn leven en verwoestte wat in waarheid dien naam
-verdiende. O, noch het dreunend geraas van den slag, noch het bruisen
-der zee te midden van den orkaan konden voor mij de gelofte van trouw
-verdooven, die Hereswit van Strijen aflegde voor het altaar met haar
-zachte, zilveren stem aan de zijde van graaf Ansfried van Teisterbant.
-Hoor, hoe ik mij wreekte! Of ik hem ken? Jà, en hij mij!”
-
-Toen verdrongen zich de woorden op zijn lippen, een gloeiende
-vuurstroom geleken zij, waaruit de vlammen opstegen van den haat.
-
-Olaf luisterde zwijgend, maar in zijn hart klonk het:
-
-„Vergeef uw vijand zeventig maal zevenmaal”....
-
-Het was hem of engelenhanden gouden harpen sloegen, of hun gestalten hem
-omzweefden, blinkend wit, terwijl hun lippen fluisterend herhaalden dat
-ééne woord:
-
-„Zeventig maal zevenmaal!”....
-
-O, hoe hoog stond de godsdienst der christenen boven dien zijner
-vaderen! Zeventig maal zevenmaal... Wreekt u zelven niet.”....
-
-En, was hier gezondigd? Bestond de schuld, die Rolfr Jarl vervolgd had
-en gewroken gedurende zijn gansche bestaan, niet in zijn verbeelding, in
-zijn gekwetste eigenliefde en teleurgestelde wenschen?
-
-Die gedachte deed Olaf vragen:
-
-„En áls het oordeel daar is, gelijk zoovelen gelooven met den
-aanstaanden zonnestilstand en de eeuwige Rechter, dien gij Alvader
-noemt, verschijnt op de wolken, durft gij dan voor hem bestaan, bezwaard
-met den last van zulk een schuld, met zooveel haat in uw hart? Want, was
-het recht wat gij deedt? Kan Alvader uw daden goedkeuren, of Balder de
-liefelijke, zachtzinnige, en Thor, de vreeselijke maar rechtvaardige
-god? De Edda verbiedt alle onrecht. Gij hebt het bedreven, uw gansche
-leven en waar een rechter verschijnt oefent hij recht.”
-
-De aderen aan Rolfrs slapen zwollen.
-
-„Dat wil wijsheid opdisschen! Wel zeker! Wij schenden den bloedseed,
-wij vertreden eer en trouw en janken met christenhonden over het vergaan
-der wereld op den avond van den langsten dag! Nu, gij zult uw langsten
-dag gezien hebben!”
-
-Hij rukte een verborgen deur open en stiet Olaf, voor deze er op
-verdacht was, in de diepte. „Hier ongeluksprofeet, haal je
-profetenloon!”
-
-De deur dreunde dicht. Een horensein schalde.
-
-„De vloot is daar! Thans voorwaarts ten strijd en ten zege!”
-
-Hij gordde zich het zwaard dichter en toen was het hem eensklaps als
-werd het vuurvlammend heden, de in gouden glorie gehulde toekomst bedekt
-door een grijzen sluier -- dien van het verleden. Veertig jaren weken
-terug, hij zag zich weer, als jongeling zonder macht of aanzien in de
-Schola Palatina te Keulen. De ernstige stem van aartsbisschop Bruno
-waarschuwde:
-
-„Den dwaze brengt de toorn om en de ijver doodt den slechte.”[21]
-
-Waarom kwamen die woorden thans terug in zijn geheugen, na zooveel jaren
-van vergetelheid, waarom?
-
-Vrouw Sigrid stond voor hem. Op den toren had zij gewacht en gestaard in
-de verte, vele uren sinds vele dagen.
-
-De raven hadden gezweefd boven haar hoofd, hun krijschende kreten
-uitstootend, de wind haar de grijze lokken losgewoeld, de regen haar
-geslagen in het onbewogen gelaat; zij had het eene bemerkt noch het
-andere. Thans echter kwam een zegevierende trek om de dunne lippen,
-bijna het eenige wat van haar gelaat te zien was; een zwarte mantel hing
-haar van den hals tot de voeten, somber als de nachtzwarte vlerken der
-raven; de kap verborg haar hoofd.
-
-„De vloot nadert. Laat thans de vergelding de schuld evenaren. Triomfeer
-en leef. Van de zwakke eischt Odin den dood, in uw hand legt hij de
-wraak. Grijp den bisschop levend, hij sterve op het toppunt zijner macht
-aan den Noorderboom als een ellendige slaaf.”
-
-Zij hief de armen omhoog en sloeg de kap terug, de grijze haren zwierden
-haar om hals en schouders, in de holle oogen gloeide het als een
-verterend vuur.
-
-Rolfr Jarl, die nooit had gevreesd, huiverde. Het was hem als werd hij
-voortgedreven door de geduchte schikgodinnen van zijn volk -- waarheen,
-waarheen?
-
- [18] Wat hierboven gaat, is een nauwkeurige beschrijving der
- Denenvloot waarmee Canut van Denemarken in 1017 koers zette naar
- Engeland.
-
- [19] Vloot van Canut.
-
- [20] Idem (Bolhuis).
-
- [21] Job, K. 5.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIII.
-
-
-Op de muren en wallen van Utrecht stonden de bisschoppelijke
-boogschutters en hielden scherp wacht. Op het plein voor den Dom
-oefenden zich de burgensen met schild en speer. De tijding van de
-nadering der Denen had nieuwe, hevige onrust gewekt in de gemoederen,
-waarin reeds zooveel angst heerschte. Een renbode bracht het bericht,
-dat reeds meer dan één kustplaats door hen was geplunderd en het platte
-land bij Leithen afgestroopt. Niemand bood tegenstand, rillend van vrees
-vluchtte het landvolk reeds op het eerste gezicht der drakenschepen.
-Duchtten allen, dat de riemen met ijzeren roeipennen zouden worden
-omgevormd tot doodelijke wapens, gericht op hun hart? Waanden zij, dat
-de schilden, opgehangen langs het scheepsboord, de vijanden zouden
-beschermen voor iederen aanval, dat de geheimzinnige runen gegrift in
-elken boeg zooveel tooverteekenen zouden blijken?....
-
-Verwenschingen golden de regentes van Kennemerland, die steeds in veete
-met West-Friezen of Vlamingen onbeschermd de kusten en vaste plaatsen
-liet van eigen gebied. Wat baatte het? De Denen waren gelijk aan de zee
-bij stormvloed, wie kon hun macht keeren? Heeren, vrije boeren en
-eigenhoorigen uit den wijden omtrek vluchtten naar Utrecht om achter de
-stevige wallen het lijf te bergen, om -- de heerschende onrust en
-verwarring nog tienvoud te vergrooten.
-
-Maar daar waren nog anderen dan radelooze vluchtelingen of in boete en
-gebed verzonken vrouwen, die zelfs boven de Denen den wereldbrand
-vreesden. Krachtige mannen, uit wier mond een kreet van woede en wraak
-opging, toen zij hoorden van een nieuwen inval der gehate Noormannen.
-Want de lijdenskelk sinds twee eeuwen den landzaten door dit volk
-gereikt, was boordevol. De oogen der mannen gloeiden van toorn, de
-gebalde hand omklemde een wapen. Een oproeping tot den strijd weerklonk
-en werd alom herhaald. Boden renden door het land, van stad tot stad,
-over velden en door wouden. Van de hoogten der Kennemerduinen klonk die
-krijgskreet, voort rolde hij over de bosschen en weiden van Masaland.
-Over de Drenthsche heidevelden dreunde hij, in kracht aan den stormwind
-gelijk. Te wapen riep hij de stoere Friezen aan gene zij van het Almere,
-dat even rusteloos knaagde aan hun land, als de Denen aan zijn welvaart.
-
-Pas negen jaren vroeger had koning Sven van Denemarken al hun
-kustplaatsen geplunderd zonder onderscheid, en Staverun, de bloeiende
-stad, gelijk gemaakt met den grond. Ongewroken bleef, tot nu toe, die
-inval. Waren de nakomelingen verbasterd van het heldenras, dat een eeuw
-te voren den geesel der christenen, den geduchten Bioern, „met de
-ijzeren rib” neersloeg en zijn ontembare legerdrommen verwon?
-
-Van Bioern, die altijd ongeharnast ten strijde trok, ging de mare, dat
-hij door de toovermiddelen zijner moeder onkwetsbaar was, behalve aan de
-rechterzijde, daarom bedekt met een ijzeren plaat. Toch hadden zij die
-plek weten te treffen, toen hij uit Italië keerend, Friesland trachtte
-uit te plunderen. De Friezen herinnerden zich dien dag van zegepraal,
-zij grepen schild en speer en verlieten hun ontoegankelijke moerassen om
-den vijand op te zoeken eer hij hen vond, om zich op Sven te wreken
-gelijk zij dit eenmaal deden op Bioern.[22]
-
-Thiel, de rijke koopstad sloot haar poorten en hield scherp wacht, maar
-de geringe bevolking, die te Wyc leefde op de puinhoopen van het eens
-zoo machtige Dorestad, vluchtte weeklagend naar Utrecht. Heeren waakten
-op hun burcht en spijker en lieten de pekpannen -- waarschuwend sein --
-vlammen bij dag en bij nacht; velen beloofden hun eigenhoorigen de
-vrijheid, indien zij moedig stand hielden in den komenden strijd. En de
-hoop op vrijheid, met den wensch om de gehate indringers te verdrijven,
-vormde zelfs die verachte door hun meesters met voeten getreden
-eigenhoorigen tot helden, die onverschrokken zouden standhouden, gevaren
-schuwend noch den dood vreezend. Maar uit iedere landstreek rende bode
-op bode naar Utrecht, naar den bisschop, die, nu graaf Frethibold
-afwezig was, de zorgen van den staat droeg met die der kerk.
-
-Het was bijna of de vrees voor het eene gevaar de gedachte aan het
-andere op den achtergrond drong. Bisschop Ansfried zag het met
-voldoening. Boven iedere uitlegging van het Evangelie gold bij hem
-steeds het woord van Christus: „Deze dag en deze ure weet niemand.” En,
-waar hij zich niet geheel kon losmaken van het ontroerende denkbeeld,
-dat zijn tijd beheerschte, bleef hij het echter veroordeelen: Gods woord
-was hem meer dan de meening der menschen.
-
-Nauwkeurig zag hij toe, dat ieder de plichten vervulde, die zijn hand
-vond om te doen. Zelf gaf hij het voorbeeld om, schier zonder zich bij
-dag of nacht rust te gunnen, alle maatregelen te nemen, die noodig waren
-om de geduchte vijanden te weerstaan. En de verweermiddelen waren even
-beperkt als de tijd kort: indien de Denen niet door nieuwe strooptochten
-den tijd lieten voorbijgaan, konden er nauwelijks drie dagen verloopen
-tusschen het eerste bericht hunner nadering en hun komst voor Utrechts
-poorten. Iederen ochtend predikte hij intusschen in den Dom, voor een
-elkander verdringende menigte, allen vermanend te vertrouwen op Gods
-liefde en erbarming, Die uitkomst kan geven uit elk gevaar en nooit
-verlaat wie op Hem vertrouwen. Waar hij hoofden van bleeke boetelingen
-zag met asch bestrooid, sidderend voor het jongste gericht, vermaande
-hij tot werken zoolang het dag was, moedig het kruis te dragen tot het
-einde toe; waar hij krachtige mannen aanschouwde met van wrok verwrongen
-gelaatstrekken, die den naderenden vijand gold, drong hij hun het
-gewijde woord niet te vergeten: „Mij komt de wraak toe, Ik zal het
-vergelden,” ook als zij hun leven waagden voor het hoogste aardsche
-goed: vrijheid van volk en land.
-
-En dan, als te midden der zorgen van den dag: onderhandelingen met den
-stadstimmerman of den wapensmid over het versterken der poorten of de
-levering van stormkappen -- angstige gestalten het Bisschopshof
-binnenwankelden en smeekende stemmen fluisterden:
-
-„Vraag voor mij een oogenblik gehoor! Ik wenschte mijn goederen en
-eigenhoorigen aan de kerk te schenken tot rust mijner ziel, nu het einde
-nadert,” dan vergat hij alle aardsche zorgen om met gloeiende
-welsprekendheid de milde gevers te wijzen op hun dwaalbegrippen:
-
-„Gelooft gij uw Schepper te kunnen omkoopen, door Hem aan te bieden, wat
-Hij u hier op aarde leende? Denkt gij door zoogenaamde goede werken den
-hemel te verdienen, vergetend, dat geschreven staat:
-
-„Wij worden uit genade zalig, opdat niemand roeme.” Ik zeg u, dat het
-geloof zonder de werken dood is en de werken zonder waar geloof met
-zonde zijn besmet. Of ontspruit uw vroomheid uit zuivere bron? Angst
-voor het komend oordeel maakt u mild, geen zelfverloochenende liefde,
-die wil ontberen om het geluk van anderen te verhoogen. Gaat en
-onderzoekt u zelven, voor gij hier terugkeert!”
-
-Menigeen ging met gebogen hoofd, beschaamd door de woorden van hem, die
-de menschen kende en de roerselen peilde hunner daden, maar broeder
-Johannes mompelde meer dan eens voor zich heen:
-
-„Goed, dat volgens de kerkelijke wet de bisschop geen schenkingen mag
-weigeren. Het schijnt of hij besmet is met ketterij. Mogen wij dan
-heilige stichtingen geen goed en goud geven, om daardoor de voorspraak
-der heiligen te verwerven bij den Hemelheer?”
-
-Welke verkeerde voorstellingen hij zich vormde en welk een ergerlijke
-zedenleer hij voorstond, begreep broeder Johannes evenmin als zijn tijd,
-die deze denkbeelden huldigde.
-
-Intusschen zag de bisschop vol ongeduld uit naar den terugkeer van graaf
-Frethibold. Waarom bleef hij zoo lang uit? Reeds was hem een renbode
-tegemoet gezonden. Hulp van den keizer moèst komen, kón immers niet
-uitblijven. Dan zouden de mannen van Sint Maarten zelf aanvallend kunnen
-optreden tegen de Denen, die hij nu genoodzaakt was af te wachten achter
-de muren van Utrecht, dat, werd het bestormd, misschien opnieuw zou
-worden verwoest. Zijn macht was te zwak om de stoute aanvallers met
-eenige hoop op goeden uitslag te kunnen weerstaan.
-
-En terwijl zoo vele leden zijner gemeente zich in de kerken verdrongen,
-kermend, biddend, gelaten afwachtend wat komen zou of in doodsangst de
-handen wringend bij de gedachte aan het snel naderend einde, deed de
-bisschop zijn plicht. Niet alleen zorgde hij voor de geestelijke zaken
-van zijn ambt, ook de wereldsche kwam hij nauwgezet na.
-
-„Wie trouw blijft ook in het kleine, alledaagsche, is Gode meer
-welgevallig dan hij die vast en zich op de borst slaat, zonder te doen
-wat hij moet verrichten,” luidde steeds zijn woord.
-
-En zijn voorbeeld gaf velen de beradenheid en kalmte van geest terug,
-die zoo noodig waren in deze dagen van angst en spanning. Zijn vast
-vertrouwen op Gods vergevende liefde hergaf de rust aan fel geschokte
-gemoederen, zijn onvermoeide ijver wekte in de harten van allen, die
-zijn gloedvolle predikingen hoorden in den Dom, het vurig verlangen om
-te helpen, te redden, de hand aan den ploeg te slaan als hij.
-
-Zoo herstelde het voorbeeld van een enkele de rust in een door de meest
-tegenovergestelde gevoelens geslingerde menigte, die thans de overvolle
-stad herbergde.
-
-Maar de tijd drong. Nieuwe vluchtelingen brachten nieuwe
-onheilstijdingen. Roovend en plunderend trokken de Denen door het land.
-Tevergeefs had Rolfr Jarl, zoodra hij zich aan hun hoofd stelde,
-aangedrongen in den krijgsraad om terstond naar Utrecht op te rukken.
-
-Over den ganschen omtrek scheen de adem des doods te zijn heengestreken:
-platgebrande velden, het gezaaide en bloeiende vertreden, de woningen
-verwoest, de menschen verjaagd of gedood.... Het deed den bisschop met
-stijgend verlangen uitzien naar den terugkeer van graaf Frethibold. Hij
-moest immers komen aan het hoofd van een welgewapend heir....
-
-De toppen van beuk en linde in den tuin van het Bisschopshof werden rood
-gekleurd door het licht der scheidende zon, toen de vurig verwachte
-eindelijk keerde -- slechts door zijn lijfwacht vergezeld. In hevige
-gemoedsbeweging zag bisschop Ansfried hem komen, met uitgestrekte hand
-ging hij hem tegemoet. Men zag het noch aan zijn uiterlijk noch aan zijn
-bewegingen, dat hij de laatste dagen zelfs bij nacht geen rust had
-gekend.
-
-„Frethibold, gij zijt alleen? Welke tijding brengt gij? Volgt u een
-leger? Het is hoog tijd, zal dit land niet geheel verwoest en deze stad
-behouden blijven.”
-
-Frethibold schudde het hoofd. Nieuwe kracht rustte op zijn gelaat.
-Blijkbaar had de afwisseling der reis hem gestaald. De blik zijner oogen
-echter werd grenzeloos weemoedig bij ’s bisschops vraag.
-
-„Heer, al mijn pleiten, mijn aandringen op hulp bleef tevergeefs. De
-jonge keizer gelooft vast, dat weldra de wereld in vlammen zal opgaan.
-Zijn hofgezin gelijkt een schare boetelingen, hijzelf, de eigen
-kleinzoon van Otto den Groote, geeselt zich driemaal daags ten bloede
-toe en bidt aan het graf van keizer Karel te Aken.
-
-Kluizenaars en pelgrims uit Italië, waaruit hij sinds enkele weken
-terugkeerde, wisten tot hem door te dringen, nadat zij op de straten van
-Rome en Parijs de onheilsmare hadden verkondigd. Mannen, vrouwen en
-kinderen volgen in onafzienbare rijen, met gescheurde kleederen, de
-hoofden met asch bestrooid, huilend, kermend of biddend. Iedereen denkt,
-vol angst, alleen aan de naaste toekomst; het heden heeft voor allen
-zijn beteekenis verloren.
-
-„Hulp vraagt gij mij tegen de Denen? Weet gij dan niet, hoe in mijn
-Duitsche gouwen boeren en hoorigen roovend en moordend het land
-afloopen, zonder dat ik mijn krijgsbenden tegen hen uitzend? Waarvoor
-zou het baten? Over enkele dagen is alles voorbij.... Red daarom uw
-ziel, graaf Frethibold! Schud van u de wereld en haar zorgen!
-
-Gij wilt tegen de Denen optrekken? Ik zeg u, dat het de duivel met zijn
-booze geesten zelf is, die zich vermommen in hun gedaante! Weersta hen
-niet, vlied hen en doe boete!.... Red uw ziel!”.... Zijn oogen, de
-schitterende blauwe oogen, die ook Otto de Groote bezat, gloeiden mij
-tegen als twee vurige kolen, diep lagen zij gezonken in de kassen.
-Geeselslagen striemden onafgebroken zijn rug, in stroomen vloeide zijn
-bloed, tot zijn brandende oogleden zich sloten en hij nog eenmaal
-fluisterde met bezwijkende, klanklooze stem:
-
-„Het oordeel komt, graaf Frethibold! Doe boete!”... Terwijl de artsen
-kwamen om den keizer bij te brengen werd ik naar buiten gevoerd. Ook
-daar klonken slechts geween en jammerkreten; de Dom en de kruisgangen
-waren overvol door een saamgedrongen, wanhopige menigte.
-
-De zendeling Athanasius predikte: uit Italië is hij te voet alle
-Duitsche gouwen, waardoor zijn weg voerde, doorgetrokken om het naderend
-oordeel te verkondigen. Vele honderden zijn hem gevolgd, biddend,
-kermend, honger en dorst verdurend, zware ketenen achter zich aan
-sleepend bij dag, psalmen zingend in den donkeren nacht. Sommigen
-kruipen op de knieën langs den weg, barrevoets, bloothoofds zijn allen.
-Zij gaan tot hun voeten hen niet meer kunnen dragen, zij zingen tot de
-stem hun den dienst weigert, zij staren biddend omhoog tot hun slapen
-bonzen en het hun duizelt voor de oogen.
-
-„Boet uw zonden! Bekeert u! Het laatste oordeel naakt!” luidt de kreet
-duizendmaal herhaald, voortgeplant langs de wegen door alle boetelingen,
-wier stemmen smoren in krampachtig snikken. En hoe verder men komt in
-Duitschland, hoe dieper men in Frankrijk doordringt, hoe grooter ook de
-tooneelen van angst en wanhoop worden, naar men mij verhaalde. In Italië
-stijgt de vrees schier tot razernij, evenals bij den jongen keizer. In
-onze landstreken is het betrekkelijk rustig vergeleken bij de
-radeloosheid, die in de zuidelijke landen allen heeft bevangen. Sinds
-daar de schrikmare werd verspreid, hebben de volken zich op het einde
-voorbereid en gebeden bij dag en bij nacht. Elders trekken troepen
-gewapende boeren en weggeloopen hoorigen rond. Zij rooven en plunderen
-wat zij begeeren en geven zich aan de meest uitgelaten brooddronkenheid
-over.
-
-„Genieten, eer wij vergaan!” luidt hun leus en de ergerlijkste tooneelen
-verdringen elkander.
-
-Dat zijn de berichten en ervaringen die ik meebreng van mijn reis.
-Treurig zijn zij gewis.” Peinzend zag hij voor zich: „Een keizer, die
-zijn kracht verteert in boetedoeningen, een radelooze menigte, die zijn
-voorbeeld volgt, kluizenaars schier waanzinnig van dweepzucht,
-brooddronken plunderaars, aan alle uitspattingen overgegeven -- daaruit
-bestaat thans de wereld, die haar plichten vergeet en haar schuld
-vergroot. O, was ik slechts in staat die verblinden de oogen te openen!
-Mijn leven zou ik er voor willen geven!”
-
-Opmerkzaam zag bisschop Ansfried hem aan. Zijn gelaat was gebruind door
-wind en weer, kloek hield hij het hoofd opgeheven, een heldere blik
-tintelde in zijn oogen.
-
-De bisschop trad op hem toe en legde de hand op zijn arm:
-
-„Frethibold, vruchteloos schijnt uw reis en toch was zij een gezegende.
-Gij hebt bij het zien der ellende van anderen uw eigen leed leeren
-vergeten. Omgord met nieuwe kracht heeft u dit gevoel. Dank God
-daarvoor. Wie zijn leven zal willen verliezen zal het behouden, wie zich
-zelven kan verloochenen wordt door God gezocht. Gij zijt als gewekt tot
-nieuw leven. Dank den Heer!”
-
-Bewogen drukte graaf Frethibold den spreker de hand:
-
-„Gij hebt gelijk, God is goed. Hij heeft mij het beste gegeven:
-zelfvergetelheid. Nu kan ik Hem danken als het einde daar is.”
-
-„En tot die ure komt, waarvan niemand weet dan de Vader alleen” -- hoe
-beteekenisvol werd het opnieuw gezegd -- „zullen wij allen volharden
-zoowel in onze kleine, dagelijksche plichten als in de groote, die het
-leven van ons eischt. Wie waagt te beslissen wat bij God groot is of
-klein?
-
-Niet uit waken en bidden alleen bestaat het leven. God vraagt onze daden
-zoolang Hij ons hier op aarde laat. En wie zijn bestaan wil geven voor
-de vrijheid van het volk waartoe hij behoort, wie bereid is te vallen
-voor zijn aardsch vaderland, vervult een hoogen plicht.
-
-„Volhardt ten einde toe!” luidt de eisch van den Heer. Laat ons dit
-woord opvolgen met Zijn hulp, alsof ons nog vele jaren wachten op aarde,
-zonder echter Hem te vergeten, Die ons wellicht oproept uit den strijd
-nog voor het einde komt voor alle levens. Zijn wij te midden van het
-leven niet altijd in den dood? Waartoe dan die onrust: geheel ons lot is
-in Zijn hand.” Hij voerde Frethibold naar het venster: een donkerroode
-gloed kleurde aan den horizon den avondhemel.
-
-„Ginds rooven en moorden de Denen. Bij Leithen zijn zij Kennemerland
-binnengevallen, Aemstelland en Amuda werden door hen gebrandschat,
-daarna zijn zij door het Almeri langs de kust van Nardengerland de Eem
-opgezeild naar den Ravenhorst, waar Rolfr Jarl zich met zijn soudenieren
-bij hen heeft aangesloten.
-
-Vurig had ik gehoopt hen met voldoende heirkracht te kunnen tegentrekken
--- het was tevergeefs. Misschien hechtte ik te veel aan hulp van
-menschen. Moge thans God ons schild zijn, ons wapen ons goed recht.
-
-Morgen bij het rijzen der zon dagen wij hen in het open veld uit tot den
-strijd. Ik heb mijn ridderzwaard neergelegd op het altaar, toen ik tot
-den dienst der kerk werd gewijd, thans echter in dezen grooten nood
-gevoel ik, dat God mij terugroept in het leger. Maak dus uw
-toebereidselen; op u rust de plicht de krijgsbenden aan te voeren.
-
-„Heer bisschop, u behoort die eer!”
-
-„Mij zult gij vinden waar het gevaar het grootst is. Laat mij thans
-echter alleen: straks moet ik de gemeente voorgaan in den Dom; ik hoop
-ook u daar niet te missen.”
-
-Terwijl Frethibold ging zag de bisschop hem ernstig na:
-
-„Is het mijn plicht het hem nu te zeggen?” Zware tweestrijd deed hem
-weifelen, vele oogenblikken, toen was zijn besluit genomen: „Neen, thans
-niet. Na den strijd. Het zou hem nu aftrekken van zijn plicht.”
-
- [22]
-
- Var Bier sen volt returner
- E vers Danemarche sigler
- Kar oies aveit noveles
- De le qui mult li erent beles
- Un mult gros vent e une bise
- Le rameine tut dreit en Frise
- La ariva la pristrent proz
- Là dit l’estorie quil fu morz.
-
- (Chronique M. S. de Normandie de Benoit de Saint Maur.)
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIV.
-
-
-De nacht was voorbijgekropen onder angstig bidden en berouwvolle
-klachten of doorgebracht met lofzangen van vast vertrouwen en geloof.
-Vergeten was alles wat behoorde tot de aarde. De overtalrijke bevolking,
-die Utrecht thans omsloot met haar paalwal en poorten, was opnieuw
-saamgestroomd in de verschillende kerken der stad, de Dom kon niet allen
-bevatten. Thans rees de nieuwe morgen -- de laatste welke de oude aarde
-zou aanschouwen.
-
-Want de langste dag was aangebroken!
-
-„Ik zal heden ingaan in Gods heerlijkheid! Geprezen zij Zijn naam!”
-prevelde oude Lisa. Zij lag geknield in het voorportaal van den Dom.
-Trutha bevond zich naast haar.
-
-„Lisa, o, Lisa.... Zal de Heer ook Yglo verlossen uit den kerker?”
-
-„Zeker doet Hij dat, kind! Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen.”
-
-„Dan” -- fluisterde de bleeke Trutha, „ben ik blij, dat het einde komt!”
-Een weinig verder hief Henno de gevouwen handen op:
-
-„Laat mij niet zoo sterven, Heer! gescheiden van mijn kind! Wees
-barmhartig, laat mij hem mogen verlossen uit dat donkere
-burchtverlies.... Hand in hand wachten wij dan uw komst af bij het
-bazuingeschal der engelen”....
-
-Weerklonk dat reeds nu? Luid schetterende tonen deden de knielende
-menigte ontsteld overeind rijzen, in de grootst mogelijke spanning, in
-verbijsterende verwarring. Het snikken der vrouwen en kinderen vermengde
-zich met de gebeden van geestelijken en leeken. Maar in de geopende
-kerkdeur klonk een vaste stem:
-
-„Mannen van Utrecht, te wapen! De bisschop beveelt het! Grijpt schild en
-speer! Op! De Denen tegemoet!”
-
-Verbaasd richtten zich aller blikken op den spreker: Unruoch van
-Teisterbant. Zijn oogen schitterden hun tegen onder den glanzenden helm,
-zijn ijzeren rusting rinkelde, het breede slagzwaard blonk in zijn vuist
-als het wapen van het recht.
-
-„Op, wakkere mannen! De soudenieren van het Sticht scharen zich reeds in
-slagorde, de bisschop zelf stelt zich aan hun hoofd. Komt, om de
-vijanden van ons geloof, de belagers van ons volksbestaan te helpen
-verdrijven uit ons land!”
-
-Zij zagen zijn bezielden, van strijdlust gloeienden blik en --
-ontstelden schier.
-
-„Jonker Unruoch!” riep een oud man, -- „strijden op den laatsten dag!
-Laat ons in vrede bidden, eer wij sterven!....”
-
-Tot eenig antwoord hief Unruoch zijn zwaard op, helle vonken schoot het
-in het morgenlicht.
-
-„Bidden wilt gij? Waarvoor? Om vergeving af te smeeken voor uw lauwheid
-en plichtverzuim? Ginds” -- met zijn zwaard wees hij de richting aan --
-„plunderen en stroopen de Denen. Indien zij het platte land niet hadden
-afgeloopen en verwoest, lagen zij reeds voor de poort. Voorwaarts alzoo!
-Hun macht vernietigd eer zij hier de kerken in een vuurgloed doen
-verteren en ons de lansenmis zingen! God ziet u! En, wanneer gij de
-Denen verslaat, wie zegt, dat gij dan niet den Antichrist velt met zijn
-heir van booze geesten?”
-
-Als een schok doortintelde ieder dit laatste woord. De Antichrist zou
-verschijnen eer het einde kwam, zoo was het voorspeld.... Door hem te
-weerstaan werd zonde en schuld geboet. God wilde het! Was niet reeds
-door menigeen de woeste Rolfr Jarl vereenzelvigd met den Antichrist?
-Vastberaden, als gewekt uit een verdooving, stormden de mannen naar
-buiten. Het zou een ontembare schaar zijn, die Unruoch in het veld
-voerde. Graaf Frethibold zag hem zijn manschappen opstellen voor het
-Bisschopshof. Het was een zonderlinge strijdbende: ieder voerde het
-wapen, dat hij bezat, zonder eenige regelmaat of orde, maar dezelfde
-moed en strijdlust blonk uit aller oog.
-
-Hij zag den slanken jongeling vol gloeienden ijver, allen bezielend door
-voorbeeld en woord....
-
-„Zoo als hij zou thans mijn zoon zijn geweest! Ach, waarom word ik
-steeds opnieuw herinnerd aan mijn verlies!” Een gesmoorde zucht
-ontsnapte zijn lippen, toen richtte hij het gebogen hoofd op:
-
-„Het was Gods wil. Ik had mij moeten buigen en ik liet mij breken door
-het lot, dat mij door Hem werd opgelegd. Heer, vergeef, en laat mij
-weldra mijn lieve vrouw, mijn dierbaar kind hervinden bij U!”....
-
-Hij wendde zich af en gaf den boogschutters zijn bevelen.
-
-Aan de spits der ridders en ruiters van het bisdom verscheen de bisschop
-zelf. Niet als een held die heenrijdt naar het slagveld. Harnas noch
-pantser omgordde zijn leden, uit geen blinkenden helm golfden de
-zilveren haren van den grijsaard, die fier en ongebogen zijn ros in toom
-hield met vaste hand. In breede plooien viel het violetkleurig
-opperkleed van satijndamast met goud passement geboord hem over de
-schouders, zijn rechterhand hield den kromstaf, zijn vinger droeg den
-gewijden ring. Langzaam reed hij langs de opgestelde gelederen.
-
-„Mijne kinderen, ik groet en zegen u in des Heeren naam! Denkt aan het
-woord van Joab: Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor
-de steden onzes Gods!”[23] Volbrengt uw plicht tot uw laatsten
-ademtocht, maar koestert haat noch oefent wraak! Gerechtigheid zij uw
-wapen, het geloof in Gods albestuur uw schild. Voorwaarts thans! Ik
-voer u niet aan in den strijd, maar ga u voor in den slag!”
-
-„Heer bisschop, zonder wapen! U treffen de Denen het eerst!”
-
-„Wie door God wordt beschermd is welbewaard. Bekommert u niet om mij.
-Laat God zorgen en doet uw plicht. Voorwaarts kinderen! Te hulp hen, die
-vergaan! Wyc staat in brand, bewaart Utrecht voor hetzelfde lot! God
-bescherme onzen tocht!”
-
-„God bescherme ons!” herhaalden allen. Over de ratelend neergelaten brug
-volgden soudenieren en burgensen bisschop Ansfried in het vrije veld.
-Wonderbare kracht, die uitging van een enkel man, welke zijn plicht
-hooger stelde dan het leven! Terneer gebogenen richtte hij op, van
-vreesachtigen vormde hij helden, zij, die daareven sidderden voor den
-dood, deed hij thans den dood in het aangezicht zien, onverschrokken,
-vast besloten stand te houden tot het uiterste voor de heiligdommen en
-voor huis en haard.
-
- [23] 2 Samuel 10 vers 12.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXV.
-
-
-Ondanks het heftig verzet van Rolfr Jarl was het gansche platte land om
-Wyc en ten laatste die stad zelf, door de Denen geplunderd en
-gebrandschat. Tevergeefs had hij geraden, gedrongen om terstond naar
-Utrecht op te rukken, had hij gewaarschuwd voor de voortvarendheid van
-bisschop Ansfried. Niemand der strijders, brooddronken van roof en
-gemakkelijk vergaarden buit, sloeg acht op zijn woorden. Zelfs de voor
-dezen tocht door hen gekozen „zeekoning”, Viking Harald Sigvatr, haalde
-de forsche schouders op.
-
-„Laat hen! Wij zijn sterk genoeg om over eenige dagen ook Utrecht in te
-nemen en plat te branden. Nu Wyc in puin ligt kunnen wij het immers
-gemakkelijk bereiken, zegt gij. Gun hun dus dit tijdverdrijf, zij hebben
-een zware zeereis doorgemaakt.”
-
-Rolfr Jarl was genoodzaakt toe te geven. Het kostte hem reeds moeite
-genoeg den Viking te doen gelooven, dat Olaf door ongesteldheid werd
-weerhouden zich bij het leger te voegen.
-
-„Een Noorman is niet ziek, maar strijdt tot hij sterft om door Walküren
-te worden gevoerd in Alvaders hal.”
-
-Met verstoord wenkbrauwfronsen had Harald Sigvatr zich afgewend, terwijl
-hij dit antwoord gaf en ten tweeden male was Rolfr verplicht te zwijgen.
-
-Zoo waren drie dagen voorbijgegaan. Thans verrees de zon omgolfd door
-breede stralenbundels van purper en goud, een wonderschoone dag was
-verrezen. De Noormannen juichten. Midzomer was daar. Nog dien eigen
-avond zouden ruiters en rossen den sprong wagen over het hoogvlammende
-vuur. Gelukte die sprong, een jaar van heil wachtte den voorspoedigen
-ruiter. Bij harpslag en bekerklank werd hij gehuldigd, heil hem
-toegedronken bij het schallen der horens. Maar eerst zou de rijzende dag
-allen voeren ten bloedigen wapendans....
-
-De laatste hoeven gingen in vlammen op, nog een enkel uur was allen
-toegestaan om de waarderobe te vergrooten, die reeds in het scheepsruim
-was geborgen, dan gold voor het leger Utrecht als eerste doel van den
-verderen tocht, terwijl de vloot verder zou opzeilen. Reeds werden de
-ankers gelicht, ongeduldig wachtte de man aan het roer op het sein van
-vertrek.... „De wind, die den wil der goden weet, wijst den weg,
-welgevallig blaast hij bollend de zeilen”.... zong bij zijn harp Rolfrs
-grijze Skald...
-
-Eenige uren waren voorbijgegaan, weldra zou de zon haar hoogste punt
-bereiken, gloeiend als een gouden brand waren haar stralen, zij
-verzengden het gras, en bedwelmden de menschen. Keerde daarom een kleine
-bende, die had gezwermd door het veld, zoo overhaast terug? Zocht zij de
-schaduw der boomen bij den middaggloed, of was daar een andere reden?
-
-Onder de groene bladerzee van een breeden eik ging Rolfr Jarl ongeduldig
-op en neer. Ademloos berichtte hem de aanvoerder der bende:
-
-„Jarl, een talrijke krijgsmacht rukt aan op den heirweg. Zij komt van de
-zijde waar Utrecht ligt. Een grijsaard rijdt aan de spits naast een
-gepantserden ridder, boven hun hoofd wordt de banier van Sint Maarten
-geheven, violetkleurig is de mantel van den grijsaard”....
-
-Een met moeite bedwongen kreet ontsnapte Rolfr.
-
-„Hij of ik! Lang geleden heb ik het gezworen, nu is het uur
-aangebroken!”
-
-Het was of hij voor het laatst zijn woest, teugelloos leven langs zich
-zag voorbij trekken, met de eenige taak, die hij zich ooit had gesteld.
-Medelijden met den man, dien hij reeds zooveel leed had berokkend, kende
-hij niet. De schande die hij, bij nederlaag, over zijn eigen hoofd
-bracht deerde hem evenmin, de verachting der menschen was hem
-onverschillig. Wraak riep hem en voor die roepstem was hij nooit doof
-geweest of had hij geaarzeld met zijn antwoord.
-
-Ook thans zette hij zijn horen aan den mond, ver in het rond schalde de
-toon. Hij wist, dat de Denen hun tegenstanders ver in aantal
-overtroffen, hij voelde zijn macht, dàt was leven.... „Rolfr Jarl
-geneest heden zijn wonden, al bekoopt hij het met den dood,” mompelde
-hij voor zich heen. Toen zond hij zijn ruiters weg om plunderaars op te
-vangen, om anderen, die mondvoorraad roofden, te zoeken. De bewakers der
-vloot werden gewaarschuwd, de voetknechten in slagorde gesteld. Weldra
-zetten zij den weg af of lagen verborgen tusschen het kreupelhout,
-waardoor de heirbaan werd omzoomd. Zoo wachtten de Denen de mannen van
-Sint Maarten af. Nog enkele oogenblikken en een plechtige zang golfde
-hun tegen. Door de geestelijken werd hij aangeheven, die de banier hoog
-hielden boven het hoofd van den bisschop. Voor zoover zij latijn
-verstonden vielen de leeken mee in:
-
- „Media vita in morte sumus,
- quem quaerimus adjutorem,
- nisi te domine, qui pro peccatis
- nostris juste irasceris
- Sancte Deus[24]
-
-Terwijl ruiters en voetknechten in dichte gelederen naderkwamen, zagen
-zij de donkere menschenschaduwen op het groene veld. Wapens flikkerden
-en daarboven straalde de zon en weerkaatste haar glans in die werktuigen
-des doods.
-
-„Unruoch, hoe groot schat gij den vijand?” vroeg de bisschop.
-
-Unruoch hief zich op in de stijgbeugels:
-
-„Het kreupelhout glinstert van wapens, de heirweg en de stroom zijn vol
-helmen en houwers, vele honderden in aantal, gewis. En ginds rent een
-dicht aaneengesloten bende het veld in en vele schepen der vloot varen
-met hun bemanning rustig verder. Daar wordt geen boogschot gedaan, geen
-pees gespannen. Willen de Denen ons omsingelen of den terugweg
-afsluiten?”
-
-„Dat moet hun worden belet!”
-
-De stem van den bisschop klonk boven gedruisch en wapengekletter als
-vele jaren vroeger, toen zij haar bevelen gaf in het ruitergevecht. Hij
-wenkte graaf Frethibold aan zijn zijde. Zacht maar zakelijk klonken zijn
-woorden. Toen werd Henno, wiens reis naar Aken niet noodig was geweest,
-met Gerlach, waarmee hij groote vriendschap had gesloten, teruggezonden
-naar Utrecht.
-
-„Het is hoog tijd, dat wij komen!” riep Unruoch weer. „Ziet dien rooden
-gloed in de verte! Weer branden er hoeven!”
-
-„Daar ligt, geloof ik de Hohorst; heer bisschop, red uw stichting!” viel
-graaf Frethibold in.
-
-Bisschop Ansfried schudde het hoofd: „Wij mogen onze geringe strijdmacht
-niet verbrokkelen. God zelf zal haar beschermen, redden wij de vrouwen
-en kinderen, die te Utrecht weerloos achterbleven voor het geweld der
-Denen!
-
-„Ziet, daar rennen reeds de voorste ruiters!” hernam Unruoch. Hij rukte
-zijn zwaard uit de scheede en zwaaide de kling boven zijn hoofd.
-
-Graaf Frethibold smoorde een bitteren uitroep: in hun aanvoerder had hij
-Rolfr, „den Deen” herkend.
-
-„Groote God, sta ons bij in den ongelijken strijd!” fluisterde bisschop
-Ansfried. Want de vijanden overtroffen ver in aantal zijn geringe macht
-van te voet vechtende soudenieren en den slechts half voltalligen
-heerban.
-
-„Wij strijden voor vrijheid en recht. Die wetenschap schenkt iederen arm
-tienvoudige kracht!” riep Unruoch, met gloeiende trekken.
-
-„Steekt de horens, zwaait de banier! Laat een zang van zege en glorie
-weerklinken!” klonk het bevel van den bisschop.
-
-„Wie weet hoe ras overstemd door de bazuin van het jongste gericht,”
-mompelde graaf Frethibold zacht. Maar hij gaf het verlangde teeken. Van
-beide zijden suisden de eerste pijlen, zij troffen geen wit. Als
-verbijsterd was de kleine ruiterbende, hiermee ook het voetvolk in
-verwarring brengend, teruggedrongen op het gezicht van de breede
-gevechtslinie der Denen. Toch zagen zij die niet geheel. De
-linkervleugel werd verborgen door bosch en kreupelhout, zoodat het
-gedeelte, door graaf Frethibold als uiterste stelling aangezien, alleen
-het centrum vormde. Een derde der tegenstanders bleef zijn geringe macht
-op deze wijze onbekend -- tot haar geluk.
-
-„Voorwaarts kinderen! Waarvoor zoudt gij vreezen? Met dien ongeregelden
-hoop komen wij spoedig klaar!”
-
-Door Unruoch en zijn onmiddellijk gevolg omringd snelde hij zoo
-onstuimig voorwaarts, dat de aarzelende ruiters, die nu weer stand
-hielden, zich nauwelijks bij hem konden aansluiten.
-
-Zonder zich te verroeren wachtten de in kamp en strijd vergrijsde Denen
--- Harald Sigvatr en Rolfr Jarl bevonden zich aan hun hoofd -- de
-naderstormenden af. Zonder een speer te werpen of een boog te richten,
-lieten voetvolk en ruiters -- het waren meest in ’t land geroofde
-paarden, die de Denen bezaten -- hun tegenstanders naderen.
-
-„Schiet nu! Stoot toe!” beval Harald. En met de snelheid van het
-weerlicht wierp zich het geheele centrum op ruiters en rossen. De schok
-was geweldig; de voetknechten sneden de pezen der paarden door, om
-daarna handgemeen te worden, de ruiters bekampten elkander met het
-zwaard. Maar kloek hielden de burgensen stand.
-
-„Vooruit kinderen! Houdt u goed! De zege is ons!” riep hun aanvoerder.
-Zijn blinkend zwaard schoot vonken, allen vooruit drong hij in op den
-vijand. Met verbazing zag de bisschop het. Was dat de sombere, hopelooze
-gouwgraaf van weleer? Dicht aaneengesloten volgden hem de soudenieren,
-als een hagelstorm bij winternacht snorden hun pijlen van den boog.
-Eensklaps dreef een gepantserde gestalte zijn paard door den warrelklomp
-van strijders. Het was Rolfr Jarl. Hij had den veel gehate, lang
-gezochte in het oog gekregen. Trotsch strekte hij zijn hand uit, het
-was als wilde hij haar leggen niet op den man, voor hem, maar op de
-macht, die dezen behoorde. Zijn stem klonk hijgend:
-
-„Laat mij door! Een zwaardslag moge eindelijk tusschen ons beslissen!
-Laat zien of zijn witte afgod hem beschermt!”
-
-Met een forschen sprong van zijn vurig paard brak hij zich baan en
-bereikte den bisschop, die hem afwachtte ongewapend, onbevreesd.
-
-„Sterf christen!” hoonde de Noorman, en hief met beide handen zijn breed
-slagzwaard op.
-
-„Maar gij het eerst!” dreigde graaf Frethibold, naderspringend op zijn
-zwarten hengst. Meteen stiet hij zijn zwaard in de okselholte van Rolfrs
-pantser, waar dit onbeschermd was door den hoogopgeheven arm, die het
-zwaard richtte. Het wapen ontviel de geweldige vuist van den Noorman,
-kermend stortte hij uit den zadel, paardenhoeven gingen over hem heen.
-Verbijsterd van schrik zagen zijn ruiters hem vallen.
-
-„Rolfr Jarl, de onkwetsbare en reeds nu, bij het eerste treffen!”
-
-In verwarring wendden zij hun paarden, sleepten anderen mee. Het gevecht
-dreigde te ontaarden in een wilde vlucht.
-
-Harald Sigvatr zag het. Hoog zijn reusachtige gestalte opheffend,
-trachtte hij de vluchtelingen tot staan te brengen met beloften en
-dreigende woorden.
-
-„Vernietigt hen of zij doen het u! Op! Den vijand tegen! Hij vlucht
-reeds op uw gezicht!”
-
-„Zegevader, bij u is de overwinning!” juichten vele stemmen. Terwijl op
-zijn bevel het beweginglooze lichaam van Rolfr Jarl naar een der schepen
-werd gedragen, volgden de Denen opnieuw hun onverschrokken Viking. Uit
-het kreupelhout vloog thans een wolk van pijlen.
-
-„Knielt! Dan snorren zij over uw hoofden heen! Mikt op het kreupelhout,
-daar glinstert het van stormkappen en wapens!” beval graaf Frethibold.
-Het was of hij in zijn borst al de pijlen wilde opvangen, die zijn
-soudenieren moesten treffen.
-
-Te midden der wilde, vernieuwde worsteling stormde een kleine drom
-Deensche voetknechten onstuimig op hem in. De beide eersten reed hij
-omver met zijn paard, doch in het eigen oogenblik suisde een speer: op
-de voegen van zijn rusting, bij den halsberg was zij gericht. De stoot
-zou doodelijk zijn geweest, indien Unruochs zwaardhouw de spits niet had
-gescheiden van de schacht. Hoog wierp hij haar over de rijen der
-strijders, toen stiet hij den voorsten aanvaller terug en reed diens
-makkers onder den voet. Verschrikt vluchtten de overigen, graaf
-Frethibold greep de hand van Unruoch:
-
-„Hoe zal ik u ooit kunnen danken, gij hebt mijn leven gered!”
-
-„Spreek daar niet over! Gij zoudt hetzelfde voor mij hebben gedaan!”
-
-Beider oogen ontmoetten elkaar en de gouwgraaf verbleekte. Moest hij
-zelfs te midden van het rumoer van den slag worden herinnerd aan zijn
-verloren geluk? Lang geleden had hij dien zelfden blik gezien -- in de
-zielvolle oogen zijner vrouw.
-
-Maar thans gonsden opnieuw uit het kreupelhout aan weerszijden van den
-weg de pijlen in zulk een dichte menigte, dat zij vriend en vijand
-tegelijk troffen. Onafgebroken klonk het snorren der pezen, het suizen
-der pijlen. Menige strijder viel, de ruiters met hun paarden, de
-voetknechten waar zij stonden.
-
-Rondom de banier, die nog steeds boven het hoofd van den bisschop haar
-breede banen uitsloeg, had zich een uitgelezen groep geschaard. Het werd
-een zware kamp. Met woord en voorbeeld moedigde Harald Sigvatr zijn
-Denen aan, zelf stormde hij aan hun hoofd los op de ijzeren haag van
-schilden en speren. De levenlooze lichamen der neergehouwen helden van
-beide zijden lagen dooreen in groot aantal. Het bracht niemand aan het
-wankelen. De dooden hadden hun plicht gedaan. Vol mannenmoed volgden de
-levenden hun voorbeeld. Het zwaard van Harald deed opnieuw een
-bloedstroom vloeien, zijn oog en doel bleef de verachte bisschop der
-christenen, en de banier met het kruis. Tot nu toe was zijn aanval op
-dit symbool der christenheid tevergeefs geweest, het zou niet langer
-zijn. Zijn hand greep de gewijde vaan, een krakende slag spleet reeds de
-schacht, toen een luid geschreeuw op den heirweg hem het hoofd deed
-omwenden. Die beweging, vluchtig als een ademtocht, besliste den strijd.
-Met beide handen zijn geweldig zwaard opheffend, scheidde de gouwgraaf
-met een enkelen dreunenden slag hem het hoofd van den romp en terwijl
-de Denen, in verbijstering over den dood van hun aanvoerder, de wapens
-neerwierpen, greep Unruoch het paard van den bisschop in den teugel en
-voerde hem weg uit het woest tumult naar veiliger, vrediger oord: den
-Hohorst. Op den heirweg vertrapten in wilde vlucht de Denen elkander in
-hun waanzinnige haast om op de schepen hun leven te redden. Want de
-achterste gelederen keerden zich tegen de voorste en versperden dezen
-den doortocht. Als een verward kluwen betwistten de Denen elkander
-iedere schrede, het dreigend geroep herhaalde zich: een kleine bende
-landbewoners uit den omtrek, door Henno aangevoerd, stormde onder luide
-verwenschingen in op de achterste gelederen. Sommigen van hen waren
-tegenwoordig geweest bij het offer, door Rolfr Jarl gebracht. Zij
-herinnerden zich de woorden, door hem bij den grafheuvel van Roruk
-gesproken -- dat was dan de uitkomst van zijn voorzeggingen en beloften!
-Een nieuwe inval der moordende en plunderende Deensche benden!.... Haat
-en woede maakte van geringe vrijen, van de meest verachte eigenhoorigen
-helden. Zij volgden Henno, die zich aan hun hoofd stelde zonder beraad.
-Zwervend door het veld, beroofd van hun ellendige woning of geringe
-have, hadden zij, zonder aanvoerder zelf geen aanvallers durven zijn.
-Blootshoofds, barrevoets volgden zij hem, gewapend met kodde en
-herdersstaf, met woesten wrok in het hart. En hun aanval bracht de
-verwarring te weeg -- die hier de aanvang werd van de volkomen
-nederlaag der Denen: beroofd van hun dapperen aanvoerder kozen zij de
-vlucht als eenige uitkomst.
-
-Voort joegen zij, voort, naar de schepen, thans hun redding; vergetend,
-dat hun nederlaag in zegepraal zou kunnen eindigen, als zij Utrecht, het
-nu geheel van verdedigers ontbloote Utrecht konden bereiken. Voort
-renden zij, voort, hun laatsten pijl afschietend, zich met de vuisten
-een weg banend, elkander iederen duimbreed gronds betwistend. Dwars over
-de velden stormden zij, vluchtend door het rietgras, dat menigmaal met
-zijn sierlijk wuivende pluimen het verraderlijk moeras bedekte, waardoor
-ieder, die waagde zijn vrijen grond te drukken, werd meegesleurd naar de
-diepte. Geduchter ketenen voor den vermetele dan boeien van ijzer ooit
-konden zijn. Het moeras voerde de vluchtenden in den dood en die achter
-hen waren snelden over hen heen of zonken, om een gelijk lot te vinden,
-in de taaie modder, waar hun de genadeslag wachtte der mannen van
-Utrecht.
-
-Anderen, gelukkiger, slaagden er in over den heirweg naar de schepen te
-ontkomen. Zij waadden door den stroom, riemen werden hun toegestoken,
-zij werkten zich aan boord... „Gered!” klonk de schorre juichkreet
-honderdwerf herhaald. Zij grepen roer en touwen, spanden de zeilen,
-nieuwe vluchtelingen kwamen... „Naar Utrecht!” luidde de algemeene
-kreet, door een nieuwen pijlenzwerm gevolgd, nu afgeschoten van het
-veilige dek.
-
-Graaf Frethibold zag het rustig aan, de pijlen troffen geen doel en de
-wind blies niet in de zeilen in de gewenschte richting. Zwaar zou het
-den afgematten strijders vallen alleen met behulp der riemen eerst het
-Almere en dan, door de Vecht, Utrecht te bereiken; àls zij dit
-bereikten. Want reeds moest Gerlach, op zijn last teruggekeerd, daar
-over den heirweg zijn aangekomen. En de weinige achtergebleven wachters
-hadden thans gewis zijn bevel reeds volvoerd om alle beschikbare
-schuiten en koggen dwars in de rivier te laten zinken. Dit zou de
-nadering onmogelijk maken voor iederen vijand.
-
-Een woest gehuil, opklinkend van een der grootste schepen, voerde zijn
-gedachten terug, een kreet van ontzetting ontsnapte ook zijn lippen.
-Rolfr Jarl, ontwaakt uit zijn bezwijming, stond bij het roer van het
-bevelhebbersschip. Zijn eigenaar, de gevallen Viking, verbloedde
-verlaten op het veld. Vertrapt was zijn lichaam door vluchtende menschen
-en steigerende paarden. In ongeregelde drommen, met opgeheven armen, de
-wapens wegwerpend, vluchtten nog altijd de Denen verder landwaarts in of
-bestormden zij de schepen, over lijken of met bloed doorweekt slijk,
-achtervolgd door een schier razende menigte. Tusschen de angstkreten der
-vluchtenden en het gekerm der gewonden rezen de juichkreten der
-overwinnaars.
-
-Rolfr ving beide op. Sloeg de gewisheid, dat alles verloren was voor
-zijn volk, voor hem, ook zijn geregeld denken in boeien?
-
-Met een brandende toorts rende hij langs het scheepsboord, de helm was
-hem ontvallen, wild zwierden de dichte haren hem langs het woest
-gelaat.
-
-„Lafaards! Vluchtende gezellen, gaat! Van hier! Vlucht ook van hier! Ik
-wil het! Laat mij alleen, ook in den dood alleen!”
-
-Als een razende zwaaide hij de brandende pijnhoutspaan. De spattende
-vonken vielen overal, weldra dansten vurige vlammentongen om het droge
-touwwerk en over de opgetaste waarderobe op het dek. Tevergeefs
-trachtten de schepelingen hem de brandende fakkel te ontrukken, of de
-vlammen, die de opstekende wind aanwakkerde, te dooven. Met de
-reuzenkracht van den waanzinnige sloeg hij de helpende handen van zich,
-zengde hij met de gloeiende toorts zijn redders haren en gelaat. Zij
-moesten het allen opgeven tegen dien eene, die niets menschelijks meer
-bezat, die hen vervolgde, voortdreef over het schip in stormende vaart,
-onder het uitstooten van rauwe kreten, een roofdier der wouden gelijk.
-
-De in den krijg geharde mannen zwichtten voor deze overmacht, zij
-sprongen over boord, om zwemmend een der overige schepen te bereiken of
-bij hun vernieuwde vlucht te vallen onder de pijlen der Utrechtsche
-burgensen.
-
-Nog eenmaal klonk Rolfrs honende schaterlach. Hij stond op de voorplecht
-alleen, om hem sloegen reeds de vlammen, die hoog opkringelden om den
-mast.
-
-„Lafaards, gij allen! Weest vervloekt! Ik blijf en ga onder in den
-vuurdood. Dan stijg ik op tot de goden, doch gij, nietswaardige
-vluchtelingen, daalt af in den nacht! In hel zinkt gij, in hel!”
-
-Weer zwaaide hij in krankzinnige woede zijn toorts, hooger verhieven
-zich de rosse vlammen, vleugels van vuur geleken de strakgespannen
-zeilen. De wind wakkerde aan; met scherpen ademtocht blies en huilde
-hij, driftige storm wolken met een eigenaardigen rooden gloed, joegen
-donker langs het zwerk. Voort, op de vleugelen van den wind dreef het
-drakenschip, voort.... Onbeweeglijk met door bloed beloopen oogen zag
-Rolfr het aan. De gouden dolfijnen werden tot een vormloozen klomp, de
-blinkende schilden langs het scheepsboord zwart van den rook, de zeilen
-van zeehondenvel een hoogslaande vuurzuil, de geroofde schatten
-verbrandden tot asch.
-
-Hij lachte, als het huilen van een demon klonk het. Want de vonkenregen
-spatte over op de andere schepen, en de strijders van daareven met hun
-bloedende handen, hun gewonde, van vermoeidheid bevende armen haastten
-zich te blusschen, te redden wat nog te redden scheen.
-
-Rolfr Jarl lachte, zegevierend. Hij alleen stond in de vlammen, hij
-vreesde noch bluschte ze. Nog eenmaal, toen de wind het gordijn van vuur
-en rook terugsloeg, werd zijn forsche gestalte zichtbaar. Weggeworpen
-had hij de vonkenspattende toorts, zijn geweldigen hamer met de
-zegerunen zwaaide hij boven zijn hoofd als daagde hij een geheele
-vijandige wereld uit ten kamp en strijd -- nog een oogenblik, toen viel
-krakend de brandende mast neer met dof gedreun. De Noorman wankelde en
-plofte voorover in den gloed, de vlammende zeilen bedekten hem
-geheel.... Op de vleugelen van den wind vloog de vurige scheepsromp
-verder, altijd verder naar de zijde van den Ravenhorst.
-
-Het landvolk uit den omtrek, wier ingrijpen de zege had beslist, die
-terstond verder waren getrokken naar den gehaten dwangburcht en nu de
-breede, gesloten poort rameiden van het schijnbaar verlaten slot,
-snelden toe. Met haken en kodden gelukte het hun, na menige vergeefsche
-poging, het gloeiende, half uitgedoofde wrak aan land te trekken en den
-brand geheel te blusschen. Zij riepen en vroegen, maar aan boord gaf
-niemand antwoord.
-
-In de verte zagen zij het overschot der ontredderde vloot. De gedunde
-bemanning roeiend met al de kracht, die haar restte om het land te
-ontvluchten, dat zij hadden willen maken tot hun roof en buit, tot een
-vernederd wingewest.
-
- [24]
-
- Ons leven is, op aard ten deel slechts leven,
- Wij zien den dood gestadig ons omgeven,
- Wie schenkt ons kracht in ’t uur der scheidingssmart,
- Dan Gij, o, Heer, gij rechter van ons hart?
- Heilig God!”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVI.
-
-
-De avond daalde over de heide, scherp teekenden zich de bruine lijnen
-van het landschap af tegen het koepelgewelf der lucht. Het laatste,
-gloeiend purper was reeds lang uitgewischt, thans werden de wolken
-gekleurd door een vreemden, rossen gloed. Het was alsof het uitspansel
-plotseling zou worden verduisterd, bloedig scheen de hemel door een
-opkomenden lichten nevel.
-
-Niemand der bestormers van den Ravenhorst sloeg er acht op. De breede
-voorpoort van de buitenste gracht werd, na veel inspanning,
-opengerammeid, neergelaten de onverdedigde brug. Thans was het
-zegevierende landvolk de tweede gracht overgetrokken en dreunde onder
-zijn bijlslagen de zware haldeur, waarachter de geringe bezetting
-bescherming had gezocht, die met een flauwe poging tot verweer, haar
-geringen voorraad pijlen afschoot door de smalle muuropeningen, meer
-schietgaten dan vensters.
-
-De bestormers waren aanmerkelijk versterkt. Graaf Balderik van Hamalant,
-de bewindvoerder van Drenthe, had zich met een gedeelte zijner
-wapenknechten bij hen gevoegd, de overigen vervolgden op koggen en
-schuiten het overschot der Denenvloot, dat door de Eem het Almere
-trachtte te bereiken.
-
-Vrouw Sigrid zag het eene aan en het andere -- krampachtig waren haar
-handen saamgewrongen, haar scherpe tanden knersten op elkaar. Zij stond
-op den toren van het landkasteel, dat zoo menige bange klacht had
-gesmoord achter zijn zware kerkermuren. Den wachter had zij weggedreven
-met een snerpend:
-
-„Ga naar beneden! Verdedig je lijf, als je niet even laf bent als die
-daar!”
-
-Haar hand wees naar de ontredderde, vluchtende Denenvloot. Met een
-woeste beweging streek zij zich de grijze haren uit het gezicht, zij zag
-de golven van de Eem, wonderlijk rood in de weerkaatsing der vreemd
-gekleurde lucht.
-
-„Ik wou, dat ze allen verbrandden!” Haar stem werd verstikt door
-machtelooze woede, zij zag, dat alles verloren was.
-
-Langzaam ging zij de steenen trap af, naar beneden, duizelend, tastend
-naar een steun, zij, de vrouw, wier geestkracht steeds die van menigen
-man had overtroffen. Zij had alles verwacht van de aarde en nu de
-aardsche macht haar ontzonk, blikte zij in de leege ruimte, zocht zij
-tevergeefs naar een staf om op te steunen.
-
-Zij begreep, dat het volk algemeen in opstand was gekomen tegen de
-vermetele indringers. Plotseling zag zij allen, op wier bijstand zij
-vast had gerekend, tegen zich gekant. Van een gravinnekroon had zij
-gedroomd, als de regentes Luitgarde van Kennemerland sierde en de
-werkelijkheid zou haar aanschouwen als gevangene of vervolgde
-vluchtelinge....
-
-Het was haar eensklaps of zij door vlammen werd omringd, een verterend
-vuur, dat zij zelf had ontstoken. Een donkere gloed trok bij dit
-denkbeeld over haar strenge trekken -- wees het haar een uitweg?
-
-Zij trad in de hal, waar zij de verdedigers vond van haar huis,
-moedeloos, tot onderhandelen met de bestormers bereid -- hun laatste
-pijlen waren verschoten.
-
-Swanwitha zag zij er bleek, gelaten tusschen de jammerende vrouwen.
-Olaf, ernstig en kalm, bevond zich aan haar zijde. Hij had de
-kortstondige verdediging bestuurd, nadat de aanval, op last van vrouw
-Sigrid zelf, zijn kerker had ontsloten. Nu beraadslaagde hij zacht met
-Lars, den ouden slotvoogd.
-
-Zij zag hem aan zooals een jager dat een gewonden wolf zou doen. Moet
-hij den genadestoot nog hebben of heeft hij dien al beet?....
-
-Maar geen radeloosheid, wel berusting las zij op zijn trekken. Het zou
-dus aan haar zijn, hem dien stoot te geven.
-
-Zij wenkte hem met den slotvoogd haar te volgen, Swanwitha nam zij bij
-de hand. Naar het kleine torenvertrek ging zij hen voor. Het eenige
-venster gaf het uitzicht op het voorplein, zij aanschouwden den dichten
-drom der bestormers. Weldra zou de poort bezwijken.
-
-„Ik heb heden een brandend schip gezien” -- ving zij aan. „Ik benijdde
-allen, die zich er op bevonden. Zij vallen niet in de handen van dàt
-gespuis.”
-
-Verachtelijk wees haar hand naar beneden. Zij wist niet wie zich had
-bevonden op dat brandende schip! Bitter ging zij voort:
-
-„Ik kon hun dood niet deelen, maar ik wensch voor mijzelve een gelijk
-einde. Ik zal nooit als gevangene staan voor dien christen-bisschop. Er
-zijn pekkransen en teertonnen en ontvlambare stoffen genoeg in de
-kelders.”
-
-Zij wendde zich tot Lars, gebogen door de jaren, door den druk der
-dienstbaarheid.
-
-„Hoop ze op en steek ze aan. Gelast allen hier bijeen te komen. De
-christenen mogen ervaren, dat niet slechts Odins zonen dapper en
-onversaagd weten te sterven, maar, dat ook de vrouwen der Noormannen de
-kracht bezitten om kloekmoedig hun lot tot het hare te maken.”
-
-Zij was altijd een onverschrokken vrouw geweest, zij bleef zichzelve
-gelijk tot het bitter einde. Olaf voelde de bewondering, die moed altijd
-verwekt, maar met meewarigheid vermengd -- het was een wanhoopsdaad uit
-trots en zelfzucht geboren. Ernstig zag hij haar aan:
-
-„Wat gij van plan zijt is misdadig. Gij hebt u zelve het leven niet
-gegeven, het behoort u niet toe. Zegt de stem van uw geweten u dan
-nooit, dat het leven u werd toevertrouwd als een gift van omhoog, als
-een ernstige plicht, die vervuld moet worden tot den laatsten
-ademtocht, die u wordt geschonken! Geleend goed is ons aardsch bestaan,
-wie heeft recht het te beschouwen als zijn eigendom? De Almachtige, die
-den mensch het leven gaf snijdt het af, als Hij de ure gekomen acht, en
-Hij, die de ziel terugeischt voor hooger bestaan, zal ook eenmaal zijn
-schepselen oordeelen naar hun daden.”
-
-Sprakeloos had zij hem aangestaard, hem laten uitspreken, als verstond
-zij de woorden niet, die in haar oor drongen. Met een schier
-waanzinnigen blik zag zij op tot de hooge gestalte van den jongen
-Viking. Op Olafs edel gevormd voorhoofd las zij met den moed om pal te
-staan voor zijn overtuiging, onwrikbare wilskracht. Hier zou bedreiging
-baten noch bede, zij begreep het. Woede over het mislukken van haar plan
-met den eigenzinnigen trots, die nadenkt noch denkt aan toegeven, namen
-bezit van haar geheel.
-
-Minachtend zag zij Olaf aan:
-
-„U veracht ik, want gij zijt een christen. Eerder had ik verwacht, dat
-Muspelheims vuurvonken zouden neervallen om ons allen in vlammen te doen
-opgaan, dan, stoute Viking van weleer, dit te vernemen van u! Gij een
-slaaf van den witten Christus, gij!”
-
-Zij slingerde hem haar woorden tegen, als wilde zij hem geeselen met het
-scherpste wapen, dat bestaat: de tong.
-
-Maar hij hief de hand op ernstig, waardig:
-
-„Geen slaaf, maar een mensch van eerbied doordrongen voor de hooge,
-edele leer van den Gekruiste. Wat acht gij meer verheven: het leven te
-ontvluchten door een lafhartigen zelfmoord of boete te doen voor begaan
-onrecht en het aardsche bestaan te maken tot voorbereiding voor de
-onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die God liefhebben boven alles
-en hun naasten als zich zelven?”
-
-Geen antwoord keurde zij hem waardig, den slotvoogd dreef zij voort met
-een kort bevel. Olaf trad haar in den weg:
-
-„Het zal niet geschieden! Gij moogt deze menschenlevens, -- de meesten
-zijn vrouwen en kinderen -- niet opofferen aan uw waanzinnigen trots!”
-
-„Wat deren mij die wezens! Alles heb ik gewaagd om groot te zijn en de
-heerschappij ontvalt mij nu ik haar gegrepen waande. Men zal mij
-bespotten, en -- vergeten. En, dàt duld ik niet -- nòòit! -- Ik zal mij
-gehaat maken in den dood, meer dan ooit in het leven. Zoo zal ik
-voortbestaan in de herinnering van dit volk. Mijn naam zal slechts met
-afgrijzen worden geuit, maar hij zal worden meegedeeld aan de
-geslachten, die thans nog niet zijn. Voortleven zal ik, beladen met een
-vloek en -- dat is de onuitwischbaarste herinnering.”
-
-Welk een verschrikkelijk gesprek in dit vreeselijk oogenblik! Het was te
-veel!
-
-Schreiend klemde Swanwitha zich aan haar vast:
-
-„Grootmoeder! Grootmoeder, heb medelijden met ons -- met u zelve!”
-
-Met een ruk stiet vrouw Sigrid haar terug:
-
-„Ga weg! Smoor in de vlammen mijnentwege. Hoe heb ik je altijd gehaat!
-Je te zien was een onafgebroken marteling, want in iedere lijn van je
-wit gezicht geleek je háár. Weg, kleindochter van Hereswit van Strijen!
-Weg!”....
-
-Haar laatste woorden smoorden in een oorverdoovend gekraak.
-
-Een dichte wolk van smook dwarrelde naar boven. In het vertrek werd het
-tot stikkens toe benauwd, de hitte kwam nader....
-
-„Lars heeft mijn bevel volvoerd! Weldra verbranden wij met dit geheele
-onzalige ravennest tot asch!”
-
-Een krijschende lach vergezelde haar woorden. Vastbesloten greep Olaf
-Swanwitha’s hand.
-
-„Kom mee, naar beneden! Ik zal u trachten te redden!”
-
-Toen keerde hij zich nog eens, reeds bijna op den drempel van het
-vertrek, tot vrouw Sigrid.
-
-„Gij zult geen nieuwe schuld op u laden! Ik zal het voorkomen!”
-
-„Mij belet niemand wat ik wil!”
-
-Zij was hem voor geweest bij de deur, nu werd die met een slag
-dichtgeworpen.
-
-„Verbrandt dan samen! Voor de Denen is alleen de naam van christen reeds
-een doodvonnis!”
-
-In een schamperen lach smoorden haar woorden. Haar vaste schreden
-klonken op de steenen wenteltrap. Zij ging om te zien haar triomf, de
-zegepraal van een demon.
-
-Ook Swanwitha hoorde het knappen van hout, het knetteren van het vuur,
-zij wist, dat haar dood nabij was en, dat zij dan zou staan tegenover
-God. Zij voelde wel de hitte naderkomen, de laaiende hitte maar het
-verschrikte haar bijna niet, zij dacht alleen aan het einde, dat zoo
-snel naderde, dacht, dat zij dan haar ziel zou teruggeven aan Hem, Die
-haar had geroepen in het leven. En zij voelde zich als een slaaf, die
-zijn ketenen afwerpt, als een vlinder jubelend opstijgend in het
-zonlicht, na duisternis en winterkou.
-
-„Het scheiden is niet zwaar,” fluisterde zij voor zich heen. „Waarom
-vreezen wie God liefhebben den dood? Zij gaan toch uit de duisternis
-naar het licht?”
-
-Door haar gedachtenstroom drongen de verwarde strijdkreten, het
-kletteren der wapens, vermengd met triomfgeroep en wraakgeschreeuw -- de
-droevige klanken der aarde. Het was haar of al dat tumult ineenvloeide
-en zich vormde tot een enkelen kreet: die der gehoonde menschheid en zij
-dacht, dat het leven veel zwaarder was dan het sterven. Waarom was dit
-zoo, waarom?
-
-Dichtbij, héél dicht, hoorde zij nu al het woeste gedruisch, dat gevecht
-en dood vergezelde, maar daartusschen klonk iets anders.
-
-Het was of een plechtige stem tot haar sprak, langzaam, duidelijk, of
-zij het verstond boven het geraas van den strijd:
-
-„Wat het leven zoo zwaar en bitter maakt is, dat de menschen elkander
-haten in plaats van liefhebben. En wanneer iemand sterft, dan wordt alle
-haat uitgewischt; daarom is de dood minder hard dan het leven, daarom is
-de liefde sterker dan de dood, want zij alleen is het die hem heeft
-overwonnen.”
-
-Toen zij dat zachte woord had verstaan, werd een plank der deur
-ingetrapt, splinters en spaanders stoven rond, een bijlslag vergrootte
-de gemaakte opening, gepantserde gestalten drongen binnen, Unruoch
-bevond zich aan hun hoofd. Met een snelle beweging nam hij Swanwitha in
-zijn sterke armen en droeg haar de nog veilige steenen trap af naar
-beneden, waar zijn strijdbende trachtte de vlammen te dooven.
-
-Naar buiten bracht hij haar. Onder zijn bijlslagen was de voor poort
-bezweken -- zij was gered.
-
-Unruoch zag om zich heen, de weinige verdedigers van den burcht, allen
-gewond, drongen op elkaar, de vrouwen klemden hun schreiende kinderen
-vaster in de armen.
-
-Uit de groep trad Olaf naar voren, recht toe op den aanvoerder:
-
-„Schenk jonkvrouw Swanwitha goed geleide en de vrijheid om te gaan waar
-zij wil. Zij is onschuldig aan al deze gruwelen. Wat mij betreft: ik
-geef mij aan u over. Het is niet mannelijk, maar lafhartig
-menschenlevens of zich zelven noodeloos op te offeren voor een verloren
-zaak. Wie beslist welke taak mij nog is bereid in het leven? Ik zal het
-afwachten.”
-
-Een stem schor van haat en woede brak zijn woorden af.
-
-„Ontvang je loon nog voor je taak aanvangt. Daar, dáár!”
-
-Vrouw Sigrid had een weggeworpen mes gegrepen; wit van drift slingerde
-zij het Olaf naar het hoofd. Het trof zijn hals, zijn bloed vloeide.
-Swanwitha strekte de armen naar hem uit, vrijwillig voor de eerste maal.
-
-„Mijn lieve zuster, heb dank.” Fluisterend klonk het, en het was Olaf
-bij die woorden, alsof hij nu in waarheid geheelen afstand van haar had
-gedaan. Maar in de droefheid, die opnieuw bezit van hem nam, mengde zich
-nog een ander gevoel. Hij wist nu, dat de godsdienst der christenen niet
-alleen groot, maar ook dat hij goed was. Want wie, die zich zelven
-zocht, was dit ooit? En deze godsdienst eischte geheelen afstand van
-eigen ik, van alle aardsche verwachtingen en wenschen. „De liefde zoekt
-zichzelve niet.” Eens had hij die woorden gehoord, nú begreep hij ze
-geheel.
-
-Maar de opschudding door vrouw Sigrids woeste daad ontstaan, voerde hem
-terug tot de bittere werkelijkheid.
-
-Met een vasten greep had Unruoch haar hand omklemd. Want weer had zij
-het mes opgeraapt van den grond.
-
-„Bind haar!” klonk nu zijn kort bevel; zij verweerde zich met vuisten en
-tanden, wit schuim beefde op haar vertrokken lippen.
-
-„Geef mij een mes, een zwaard! Doorsteek mij, laat mij het mij zelve
-doen! Ik wil niet als gevangene naar.... Ik wíl niet!”...
-
-„Zij is razend!” mompelden de speerknechten, die haar in hun midden
-namen en trachtten weg te brengen op Unruochs last.
-
-Niemand sloeg langer acht op haar woorden of bevelen! Dit deed den
-beker overloopen voor de trotsche vrouw, bewusteloos sloeg zij neer.
-
-Unruoch had intusschen bevel gegeven de kerkers te openen. Onder de
-bevrijden was ook Yglo. -- Nu wendde hij zich tot de droevige groep,
-waarvan Swanwitha en Olaf het middelpunt vormden. Ook in zijn borst
-streden plichten en wenschen om den voorrang. De eerste verwonnen.
-
-„Ik zal voor hem doen wat ik kan bij den bisschop. Gaat nu beiden mee,
-mijn boogschutters zullen hem dragen,” sprak hij tot Swanwitha.
-
-Hij wilde haar met geen enkel woord herinneren aan de eens in een
-wonderzalig uur afgelegde gelofte. Was voor haar slechts kinderlijk spel
-geweest, wat voor hem hooge levensernst was geworden? Hij wist het niet,
-hij vroeg het niet, hij voelde de hand van den plicht, die hem voerde op
-zijn levensweg....
-
-De sombere stoet van menschen met gezengde haren, bloedend uit meer dan
-één wond, of afgemat door kamp en strijd, trok over de brug van den
-Ravenhorst. Aan het hoofd reed Unruoch; op zijn bevel was ook voor
-Swanwitha een paard gebracht, zwijgend ging zij voort aan zijn zijde. Op
-een baar, gevormd door gekruiste speren, met een wijden mantel bedekt,
-rustte Olaf. Een ruiter had vrouw Sigrid, nog steeds bewusteloos, voor
-zich op het paard gelegd. Diep haalde menige vrouw van het burchtgezin
-adem, toen zij zich bevrijd zag uit het verschrikkelijk verblijf, waar
-soms nog kleine vlammen opflikkerden als zooveel vurige tongen.
-
-„Hij alleen heeft ons gered van den vuurdood!” fluisterde er een op
-Unruoch wijzend.
-
-„Maar hij wilde het ook doen,” hernam een ander en dankbare blikken
-gleden over Olafs kleurloos gelaat.
-
-Ja, gered waren zij, gered!
-
-Zij stonden en zagen het welbekende landschap, zoo rustig nu en vredig:
-de heidehoogten met donkere dennen begroeid, het zilveren water van de
-Eem. Een overweldigend gevoel van verlossing en bevrijding rees in aller
-hart. Slechts enkele vluchtige oogenblikken.
-
-Eensklaps begon het te druppelen uit de wolken met hun vreemden rossen
-gloed. Ruischend viel plotseling de regen neer, een regen rood als
-bloed. De doodsverf der ontzetting streek zelfs over de aangezichten der
-ruwste krijgers, een steunend geluid drong uit menige dappere borst, het
-vreeselijk wonder deed het bloed stollen in ieders aderen.
-
-De ondergang der wereld! Zij hadden de steeds met zooveel angst
-aangehoorde voorspelling vergeten in de hitte van het gevecht, bij de
-woede der vervolging.
-
-Doch zoo was het dan waar, wààr! Zoo was thans het uur aangebroken,
-juist als werd voorspeld, met den langsten dag, die ten einde neigde.
-Als middernacht aanbrak dan.... Doodsangst vereende zich in één enkelen,
-door merg en been dringenden kreet. Het was of een schot vloog uit
-ieders keel. En de regen ruischte, ruischte aldoor.... de bloedregen!
-Steeds grooter werden de druppels, rood verfden zij heide en
-struikgewas, rood de sidderende aangezichten en angstvol opgeheven
-handen der menschen. Op de knieën zonken allen, snikkend, kermend,
-rillend van vrees meer dan ooit te voren. Wanhoopskreten met tranen en
-afgebroken gebeden vermengd stegen op naar de wolken:
-
-„O, Heer, wees ons genadig! Erbarm u onzer, o, Heer!”
-
-Een gedaante, als uit den grond opgerezen, stond eensklaps tusschen de
-knielende, in radeloozen angst saamgedrongen menigte.
-
-Niemand herkende in het eerste oogenblik de oude Lisa, die altijd zoo
-gebogen en droevig rondsloop. Zij droeg een schoonen hoofddoek en stond
-rechtop vol kalmen ernst. Haar oogen, anders meestal neergeslagen,
-zochten nu de door doodsangst verwrongen trekken van het knielende volk.
-Een ongewoon zachte uitdrukking lag op haar gerimpeld gezicht, toen zij
-sprak -- sommigen meenden, dat zij tranen in de oogen had:
-
-„Ik ben gekomen om u allen te zeggen, dat gij niet bang behoeft te zijn,
-want de Heer Jezus leeft en Hij zal over ons waken. Hij zal in het
-verschrikkelijke oogenblik zijn engelen zenden om ons te voeren naar een
-betere wereld. Komt, gaat allen mee, dáárheen! Daar bidden zij en wie
-bidt heeft niets te vreezen, want onze God is de hoorder der gebeden!”
-
-Zij hief de hand op en aller oog volgde zonder onderscheid, die
-beweging. Hoog op den heuvel zagen zij den Hohorst met de kleine kerk,
-geblakerd en zwart geschroeid door een plunderende Denenhorde, maar
-toch onaangetast door het vuur, dat het woongebouw verteerd had. Helder
-licht straalde uit de kleine vensters, de klok begon te kleppen met
-zilveren klank....
-
-„Daarheen! Daarheen!”....
-
-Met hijgend verlangen, als zagen zij een vluchthaven ter redding en
-veiligheid in den uitersten nood, richtten de in ’t stof gebogenen zich
-op.
-
-Van enkele op de Denen veroverde schepen was reeds te voren een brug
-gevormd, dwars in de rivier, op Unruochs bevel, toen hij bisschop
-Ansfried in veiligheid bracht uit het krijgstumult van het slagveld.
-Over die wiegelende bodems stroomden thans allen....
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVII.
-
-
-De zware strijd was volstreden, de kamp, met zooveel zorg tegemoet
-gezien, beslecht, maar geen juichtoon werd aangeheven, geen
-overwinningskreet geslaakt door de kloeke krijgers. En de ouderen van
-jaren, van wie meer dan een neerzonk van vermoeidheid -- zij dachten aan
-rust noch sluimering.
-
-De roode regen viel, het begin van het einde, de laatste nacht van het
-laatste jaar was daar. -- --
-
-Snel had zich door de gansche landstreek het gerucht verspreid van den
-ondergang der gevreesde Denenvloot. De vrouwen riepen het elkander toe
-met hijgende stem, zij brachten het verder -- want strijdend waren nog
-de mannen -- en zoo bereikte de blijmare ook Utrecht. De wachters bij
-brug en poort vernamen haar het eerst, in overweldigende blijdschap
-wierpen zij schild en speer van zich: „Daar was immers niets meer te
-vreezen, niets meer!”....
-
-Ademloos berichtten zij het vrouw en kinderen, die baden in den Dom.
-Maar dof sprak een der vrouwen:
-
-„Waartoe die vreugde, als de aarde toch vergaat, over enkele uren
-reeds?” Toen liep opnieuw een rilling ieder, die het verstond door de
-leden. Zij zagen om zich als misten zij iets. De diepe Romaansche
-gewelven, waarin het flikkerde van wemelend kaarslicht, schenen
-eensklaps duister.
-
-„Onze bisschop!.... Wij moeten zijn waar hij is, als het bazuingeschal
-der engelen weerklinkt! Hij zal ons voorgaan in het gebed en genade voor
-ons afsmeeken van den Heer!”
-
-„En hij zal Gods barmhartige liefde over ons inroepen, door Wiens hulp
-heden ook de Denen werden verslagen”....
-
-„En de Antichrist.” Onhoorbaar bijna was het gefluisterd, maar het werd
-herhaald en geloofd.
-
-Toen was het eensklaps of een schok voer door de geheele schare.
-
-Alles verhief zich, mannen, vrouwen en kinderen en in plechtigen optocht
-trokken allen de stadspoort uit om bisschop Ansfried op te zoeken. Hij
-wist immers steeds een uitweg wanneer allen versaagden, hij had woorden
-van opbeuring en troost als ieder vertwijfelde, ook nu zou hij kalmte en
-vertrouwen weten te storten in harten, die sloegen tot berstens toe.
-
-„Naar hem! Naar onzen bisschop!”
-
-Niemand dacht aan den langen weg, die voor hen lag. Naar den Hohorst
-stroomden Utrechts inwoners te paard, op wagens of te voet om daar het
-einde af te wachten. Voelden zij instinctmatig, dat de man bij wien zij
-schuts zochten en steun voor de vreeselijke ontknooping, die naderde
-onverbiddelijk en snel, zoo hoog boven hen stond, omdat het leed der
-wereld hem niet meer kon deren, nadat hij zijn zwaarste leed geleden had
-en de woorden uit de Bekentenissen van Augustinus gemaakt tot de zijne:
-
-„De mensch keert zich naar alle zijden, naar hier en daar, en alle
-dingen zijn hard en bitter voor hem. Want alleen in U o, God, is ruste.
-Waarheen de ziel des menschen zich wendt, overal vindt zij smart dan bij
-U alleen”....
-
-En zoo, biddend, psalmzingend, de kracht overspannend uit vrees van te
-laat te komen, soms rustend als de angst sterker bleek dan zelfs die
-opgeschroefde kracht, bereikten zij de hoogte door de Eem bespoeld,
-schier ter zelfder tijd, dat van de andere zijde de zegevierende
-overwinnaars in den slag naderstormden als sidderende vluchtelingen.
-Vluchtelingen voor den rooden regen, waarvan de eerste neervallende
-druppels ook de naderende burgensen het bloed hadden doen stollen in de
-aderen.
-
-Het was een verwarde, van ontzetting verbijsterde menigte, die de kleine
-kerk bereikte, die elkander verdrong om daarbinnen een plaats te
-bemachtigen, waarin slechts het geringste gedeelte slaagde. Toen
-schoolden de overigen samen tusschen de geblakerde ten deele daklooze
-muren van het woongebouw, allen trachtend om door de deuropening,
-verwijd door het vuur, een blik, slechts één enkelen op te vangen van
-den bisschop. Maar velen, zeer velen moesten buiten blijven, waar de
-duisternis zonk op de aarde en de roode regen teekende hen als met
-bloed.
-
-Dachten zij toen aan hen die geworpen zouden worden in de buitenste
-duisternis, omdat zij Gods wil hadden veracht in het leven, dat hun was
-geschonken als een voorbereiding tot hooger bestaan?
-
-Het waren zeer bleeke aangezichten, die het gelaat van bisschop Ansfried
-zochten, want hij bezat het geloof, dat velen nu begeerden, die vroeger,
-bij de beslommeringen van het dagelijksche leven, geen tijd hadden
-gevonden om te trachten het te verwerven.
-
-„Zoekt den Heer terwijl Hij te vinden is!”.... Klonk dit ernstig woord
-hun waarschuwend tegen uit den ruischenden waterstroom?
-
-Het dichte wolkendak had zich opgestapeld tot reuzenhooge berggevaarten
--- nu scheurden zij vaneen, plotseling. Het was of vlammende lemmetten
-elkander kruisten, een schorre donderslag, hol nadreunend met dof
-geluid, volgde op het oogverblindend licht. De aangewakkerde wind
-verhief zich tot een storm, huilend, bulderend.... In stijgenden angst
-werden de handen opgeheven naar den dreigenden hemel. Waanden de
-gespitste ooren reeds het schallen te vernemen der bazuinen van het
-jongste gericht? Maar alles werd weer stil toen de geweldige slag was
-weggestorven, alleen de stemmen der menschen klonken, samensmeltend in
-denzelfden zielskreet:
-
-„Heer, ontferm U onzer! Erbarm U onzer, o, Heer!”
-
-Vrouwen schreiden, mannen sloegen zich op de borst, vreemden bekenden
-elkander zonden, steeds verborgen gehouden als een streng geheim. Hun
-ringen van rood goud -- het kostbaarste wat zij bezaten -- beloofden de
-vrouwen van welvarende hoevenaars aan de kerk op den Hohorst, de mannen
-voegden er al hun landbezit bij.... Wat baatte het? Wat kòn het nog
-baten? De boeken zouden immers worden geopend? Wenschte thans menigeen,
-dat zijn levensboek een anderen inhoud mocht bezitten?
-
-Maar niet bij allen had de vertwijfeling den boventoon. Enkelen
-knielden, de oogen omhoog geslagen, de bleeke aangezichten rustig, in
-groot vertrouwen, in vast geloof.
-
-Onder dezen bevonden zich Trutha en Yglo, hand in hand knielden zij.
-
-„God is goed,” fluisterde het meisje. „Hij zal ons niet scheiden in Zijn
-eeuwig huis, nu Hij ons hier vereenigd heeft, in ons laatste levensuur.”
-
-Yglo drukte haar hand zonder te kunnen spreken. Hij voelde zich zwak en
-duizelig, de kerker van den Ravenhorst was hard en diep geweest, maar te
-midden der duisternis, die hem omringde, was het licht geworden voor
-zijn ziel. Hij vreesde den dood minder dan het leven. Zijn vader en oude
-Lisa baden, geknield naast hem, en de kleine, bruine hand van Trutha
-hield hij in de zijne. Hij gevoelde den grooten zegen, die hem werd
-geschonken: niet alleen en verlaten behoefde hij te sterven. Door liefde
-omringd zou hij gaan naar de plaats van eeuwige liefde en eindelooze
-zaligheid.
-
-De roode regen had opgehouden neer te druppelen, maar de storm loeide en
-de bliksem teekende de duistere wolken met zijn gloeiend schrift.
-Opnieuw liep een siddering, die zich oploste in dof angstgeschrei, door
-de neergebogen schare. Daar klonk op eenmaal een stem, de bekende,
-geliefde stem, in den aanvang zacht als harpgesuis, dan zich verheffend,
-aanzwellend gelijk plechtig psalmgezang, rust schenkend, vrede brengend
-ook aan het felst geschokt gemoed. Op het door teer waslicht overgoten
-altaar stond de bisschop en het was alsof het licht, dat hem omgaf van
-hemzelf afstraalde, of het blonk van zijn gelaat, waarop zielevrede
-zetelde, dat door onwrikbaar geloofsvertrouwen werd gestempeld.
-
-En het was allen of zijn stem de ruimte vulde met de gewijde belofte:
-„Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.”
-
-Vreest niet nu de duisternis dreigt, gelooft alleenlijk!”
-
-Had hij dien ochtend meer geleken op den krijgsaanvoerder van weleer,
-toen hij in vlammende woorden de burgensen aanvuurde om hun plicht te
-volbrengen mannelijk, onversaagd, ten einde toe in den naderenden
-strijd, thans, wachtende op de hemelsche heirscharen, bereidde hij zijn
-gemeente met waardigen ernst voor om moedig, geloovend den dood tegen te
-gaan, pleitend op Gods beloften op den zoendood van Christus....
-
-Een zucht van ontspanning ontwelde aan menige borst, van angst
-verduisterde oogen vulden zich met tranen, handen, eerst krampachtig
-saamgewrongen, werden zacht gevouwen ten gebede. Buiten scheen het
-onweer af te nemen, plechtig psalmgezang verhief zich in de kleine kerk
-na de woorden van den bisschop, die waren geweest als het suizen eener
-zachte koelte te midden van den storm. Het kaarslicht flikkerde zacht,
-rooden gloed wierpen de ontstoken toortsen, fluisterend klonken de
-gebeden der menschen.
-
-Zoo ging meer dan een uur voorbij, middernacht kwam nader, ongedacht
-snel, nog enkele oogenblikken, dan....
-
-Unruoch boog zich tot Swanwitha en zag haar onderzoekend in het gelaat.
-
-„Zijt ge bang?” vroeg hij zacht.
-
-Zij opende het in perkament gebonden boek, waarom zij de handen vouwde
-en wees hem een teekening op matgouden grond. Het was die van den Goeden
-herder. Toen glimlachte zij o, zoo vertrouwend en berustend door haar
-tranen heen....
-
-Hij klemde haar hand in de zijne, hij zag aan de uitdrukking van haar
-gelaat, dat zij afstand had gedaan van alle levenshoop en hoop op
-levensgeluk, maar als een ademtocht gleed het van haar lippen: „God is
-barmhartig, wij mogen samen sterven. Wat verder komen zal ligt in Zijn
-hand.”
-
-Een felle bliksemstraal, die de donkere wolken kliefde deed haar
-zwijgen. De stormwind zwiepte opnieuw de takken der boomen, kletterend
-stoven de regendruppels tegen de ramen der kerk.
-
-Unruoch had een gevoel of de aarde zich voor zijn voeten zou openen.
-Met geweld bedwong hij zijn ontroering. Als beschermend sloeg hij den
-arm om Swanwitha heen, zij leunde haar blond hoofd tegen zijn schouder.
-Zoo wachtten zij. Zacht bewogen zich beider lippen in stil gebed....
-
-Olaf staarde strak omhoog naar de zwarte wolken, zonder acht te slaan op
-wat geschiedde om hem heen.
-
-„Heer, ik ben bereid om te sterven, maar laat mij mogen strijden met de
-booze machten ten einde toe. Een Noorman draagt niet tevergeefs zijn
-zwaard!”
-
-Het flitste langs de sterrenlooze lucht. Was het een antwoord uit den
-hooge? In vervoering trok hij zijn wapen.
-
-„Olaf, doorsteek mij! Ik wil naar Nevelheim! Daar is mijn gansche
-voorgeslacht. Bij de christenen wil ik niet wezen, nooit! In hun hemel
-noch in hun hel!” mompelde vrouw Sigrid. Zij zag zich, ontwaakt uit haar
-verdooving, omringd door krijgsknechten. Ontsnappen was onmogelijk. Haar
-mond verwrong zich van machtelooze woede.
-
-Het antwoord bleef Olaf, in wiens hart afkeer streed met medelijden,
-bespaard.
-
-Met statigen galm klonk een heldere slag, plechtig, langzaam. Als een
-mes doorsneed hij de ruimte en de ademlooze stilte waarmee zijn geluid
-werd aangehoord. De eerste der twaalf slagen van zoo ontzaglijke
-beteekenis, in schier verstikkend zwijgen verbeid!....
-
-Nog een oogenblik heerschte de looden stilte, toen klonk een tweede
-slag, een derde, toen blonk een roode gloed door de boomen als een kolom
-van vlammen. Een zacht suizen verhief zich, dat toenam in kracht, dat
-naderkwam met snelle vaart, met schier huilend geluid. Schrik en
-verlammende ontsteltenis teekende ieders aangezicht: de ure was daar!
-
-Tusschen de boomen nam de vurige gloed toe met ieder oogenblik; was het
-de naderende wereldbrand? Dichter drong de menigte opeen, vijanden
-drukten elkander als vrienden de hand, moeders klemden hun kinderen in
-de armen, allen baden overluid....
-
-Tusschen de snikkend geuite gebeden, mengden zich radeloos hulpgeroep,
-woeste jammertonen, toen viel plotseling een nieuwe stilte in. Het was
-of de verstijvende adem des doods reeds ieder beroerde.
-
-„Bidden, laat ons bidden!” hijgde, snakkend naar adem een vrouw. Het was
-haar laatste woord. Voorover plofte zij, levenloos van schrik.
-
-Maar niemand verroerde zich, zelfs niet bij dit vreeselijk gezicht.
-Allen zwegen en wachtten met gebogen hoofd, want het huilend geluid werd
-tot een razenden storm, de boomtakken schudden wild heen en weer, schor
-rolde de donder. Door de lucht klonken lang aangehouden, snerpende
-kreten.... Henno mompelde op hollen toon:
-
-„Nù komt het!”
-
-„Stil! Stil!” werd hem toegefluisterd van allen kant. Een man hief de
-vuist tegen hem op, hem dreigend met een slag. En al het volk zweeg,
-ademloos. Maar buiten weergalmde opnieuw het jankend gehuil,
-waartusschen schel blaffen, gillend krijschen zich mengde. Het was alsof
-het voortstoof door de lucht, in wedstrijd met de jagende wolken, hoog
-boven de hoofden der in ’t stof gebogen menschen.
-
-„Wodans wilde jacht! Zijn gehelmde helden, de razende reuzen!”
-schreeuwde een oude boer. Zijn gezicht was vertrokken, zijn oogen
-staarden, zonder eenig geluid meer te kunnen geven viel hij als een paal
-op den grond. Maar Lisa riep:
-
-„De overste der duivelen is het met zijn gansche heir!”
-
-Want weer joeg het over hen heen met gillen en fluiten en de menschen
-trokken de schouders op als kinderen, die een doodelijken slag vreezen
-en de kinderen zochten een schuilplaats bij hen. Maar plechtig als
-psalmgezang boven het razen van den storm, klonk de stem van bisschop
-Ansfried:
-
-„Roept Hem aan in den dag der benauwdheid”....
-
-En opnieuw verdrongen gebeden de angstkreten. En daartusschen dreunde de
-donder en schoot de bliksem neer in verblindend licht. En geen oogenblik
-bedaarde het loeien van den orkaan, het gillen der duivels met suizenden
-vleugelslag in de wolken, het stampen, razen en kermen van het heir der
-booze geesten. Hun hoeven sloegen tegen het dak der kerk tot zij werden
-verdrongen door een nieuwe schaar demonen, wier vlerken schier zwiepend
-klapwiekten tusschen het gebulder van den wind. Het scheen of de lucht
-dreunde, alsof de kerkmuren wankelden en de aarde beefde....
-
-„Waar blijven de reddende engelen? Opent alleen de hel zijn kaken om ons
-te verslinden?”
-
-Vraag vol doodsangst, die te lezen stond op van ontzetting schier
-verstijfde aangezichten. En buiten antwoordden vleermuizen en katuilen
-met krijschende kreten, met gillend lachen.
-
-Verlamd, verbijsterd, als wezenloos knielden allen op den grond, die
-onder hen scheen te trillen.
-
-„Nu worden wij verpletterd, nu komt de groote brand, de sulfer en de
-vuurregen!”
-
-De vrouw van Bachevorth kermde het, haar bevende hand wees naar den
-rooden gloed in het verschiet, achter de nachtzwarte boomen, heller van
-gloor met ieder oogenblik. Zij rukte haar gouden ketenen, de
-schitterende spang, die haar mantel bijeenhield, af en slingerde ze ver
-van zich:
-
-„Daar, duivels, dáár! God, ik voel Uw gericht! Het rust op mij, zwaar
-als lood, als lood! Wees mijn arme ziel genadig!” In snikken smoorde
-haar klacht.
-
-„Ik dacht altijd het meest aan mijn eigen verdriet, omdat Yglo gevangen
-was!” kreunde Henno met zijn gezicht stijf tegen den bodem. „Als ik
-verpletterd moet worden, laat het dan niet lang meer duren! Ik sterf, ik
-sterf van angst!”
-
-„In de hel zal altijd die angst wezen,” mompelde iemand aan zijn oor en
-Henno wrong de handen en verdubbelde zijn gebeden, terwijl de storm
-raasde en het weer was alsof het over hen heentrok met gillen en
-fluiten, paardenhoeven dreunden, zwartalven stoven krijschend voorbij
-en wolven jankten met schel geblaf.
-
-Gerlach boog het hoofd, hijgend, zijn gezicht was vaal, krampachtig
-trokken zijn lippen.
-
-„Dat is de dood!”
-
-En weer ruischten als liefelijk harpgesuis te midden van den orkaan,
-terwijl de kleine kerkvensters in gloed werden gezet door het licht van
-den bliksem, dat flitste langs het donkere gewelf, de zachte woorden,
-die toch drongen in ieders hart:
-
-„Mijne kinderen, het sterven is gewin. Wie in God gelooft stijgt op tot
-Hem, ook al dreigt duisternis en dood. Daar zal geen duivelenheir u meer
-deren. Wat uw ondergang scheen, kan uw redding worden in Zijn hand.”
-
-De grijze bisschop stond daar zoo kalm, er ging zulk een rust van hem
-uit, het was of de zielevrede die blonk op zijn gelaat nogmaals de van
-vertwijfeling verwrongen trekken der aanwezigen effende, er kwam weer
-een weinig licht in de doffe oogen. Een zucht van verademing ontwelde
-aller borst, de lucht scheen nu niet meer vervuld met een duivelenheir
-aan den zwavelpoel ontstegen, dat hun ondergang zocht, om hen te kunnen
-pijnigen.
-
-En in volle kracht verhief zich nogmaals de stem van bisschop Ansfried
-en zijn woorden gloeiden thans in hun hart, brandend als het laaiend
-vuur, waarvan zij den gloed zagen in de verte, te midden der zwijgende
-duisternis, maar louterend tevens. Hij wees op de verschrikkingen, die
-ieder wachtten, welke thans berouw toonde alleen uit angst voor wat
-komen ging, hij toonde het heil weggelegd voor allen, die niet met de
-lippen maar uit den grond huns harten beleden:
-
-„De Heer is mijn Herder!”....
-
-Het was hun bij die woorden of zij uit het bulderen van den orkaan, uit
-de zengende hitte der vlammen, die reeds naar hen grepen, kwamen in de
-liefelijke stilte van het koele woud, waar de lofzang der vogelen trilde
-en de reukoffers der bloemen omhoog stegen, waar de Gekruiste Christus
-de armen uitbreidde naar allen, die vermoeid en beladen vluchtten tot
-Hem, die alleen der gejaagde menschheid veiligheid kon geven en redding
-uit ieder gevaar, waarmee haar het leven bedreigde of de dood.
-
-Tranen stroomden over de wangen der vrouwen, hooger gloeiden de
-gelaatstrekken der mannen, stemmen bevend van ontroering zegenden
-bisschop Ansfried, die allen den rechten weg had gewezen, die ieders
-leidsman wilde zijn.
-
-„Niet mij! Kiest Christus tot uw Leidsman! „Ik ben de weg, de waarheid
-en het leven!” Zoo luiden Zijn heilige woorden. Wat zoekt gij dan bij
-menschen heul?”
-
-Het was of een groote beweging ging door gansch de saamgedrongen schare.
-Allen schenen gevonden te hebben wat zij zochten, ieder wilde zich
-bekeeren tot God. Menig roodgeweend oog zocht opnieuw den bisschop.
-
-„Vader Ansfried,”.... fluisterde veler trillende stem. En toen dachten
-allen aan het verleden; aan het hunne. Hij had hun de leer der liefde
-gepredikt en zij hadden zoo menigwerf niet geluisterd, hij had hun
-zachtheid geleerd -- wanneer had die hemelgave hun woorden en daden
-bestuurd? Barmhartigheid ook jegens vijanden luidde zijn eisch, haat en
-wrok gaven hem het antwoord. En thans, nu zij ieder oogenblik
-verwachtten de bazuin te hooren weerklinken van het jongste gericht, nu
-de boeken zouden worden geopend en elk zich geoordeeld zou zien naar
-zijn werken, de gloeiende zwavelstroom dreigde en het vuur en sulfer,
-die de gansche aarde zouden verzwelgen, gelijk eenmaal Sodom en Gomorrha
-werden weggevaagd, nu de vertwijfeling over hen kwam van het
-onherroepelijk: „Te laat!”.... klonk zijn stem boven het bulderen van
-den orkaan en het rollen van den donder als een lied van vrede en hope,
-een psalm van heilig gelooven te midden van den zwarten nacht:
-
-„Het is niet te laat! Het is nooit te laat! Gods hand rust zwaar op de
-zondaren, maar opent zich mild voor allen, die Zijn zegen vragen, die in
-Hem gelooven, en weten, dat wij allen uit genade zalig worden, opdat
-niemand roeme! Hebt Hem lief, hebt Hem lief, zoekt alleen in Hem uw rust
-en gij zult haar zeker vinden tot in alle eeuwigheid!”
-
-Bisschop Ansfrieds woorden zwegen, maar het was allen of het plechtig
-psalmgezang voortduurde, hymne van zielevrede en geloof, stammend uit
-beter, heiliger oord, die het woest geweld der aarde breidelde, vredig
-als de zilverschijn van het maanlicht, wanneer dit valt door
-voortgezweepte stormwolken.
-
-Een groote kalmte daalde in de harten der fel geschokte menschen.
-
-„Heilige woorden, ruischend van den Heiligen berg,” fluisterde
-Swanwitha’s zachte stem en het diep bewogen woord repte zich als
-gevleugeld door het gansche kerkgebouw. Stil werd het binnen, waar allen
-zich voelden beschermd en bewaard door de tegenwoordigheid van een
-enkele die -- als eenmaal Henoch -- wandelde met God, die voor hen bad.
-Stil werd het buiten, waar de storm zich legde en het gerommel van het
-onweer nog slechts uit de verte werd gehoord.
-
-Geruime tijd ging onder dezelfde ademlooze stilte voorbij... Was het
-duivelenheir overwonnen door de engelen, die zouden komen en de
-menschheid voeren ten gericht?
-
-Maar geen bazuingeschal weerklonk, geen geruisch van blanke serafwieken
-werd vernomen...
-
-Stil bleef het, ademloos stil. Bisschop Ansfried zag neer op een in
-gebed verzonken gemeente...
-
-Niemand waagde zich te verroeren, maar toen eindelijk, eindelijk Olaf
-moedig de deur openstiet, waarbij hij zoolang had geknield op den grond,
-ontdekte ieders verbaasde blik de zon, die langzaam en statig zich
-losmaakte uit de nevelen, welke haar glans onderschepten. Zij zagen den
-bodem vast, onbewogen -- zij zagen, dat de aarde nog bestond.
-
-Naar buiten snelden allen, wankelend, -- als in een droom. Zij zagen de
-verwoesting aangericht door den storm, de gevallen boomen, de doode
-vogels, vleermuizen met uitgespreide vlerken, katuilen met ronde,
-starende oogen, zij zagen een wolf, gewond, soms nog flauw jankend en
-blazend, waarschijnlijk vluchtend voor het weer, getroffen door een
-vallenden boomstam, op den grond liggen met gebroken poot... Dat waren
-de krijschende geluiden geweest, die zij hadden toegeschreven aan
-helsche geesten, voortgebracht hadden hen de dieren van het woud, en de
-uit angst voor het noodweer opgejaagde vogels. En toen gleed de door
-dankbare tranen gesluierde blik der geredden over het glanzend
-golvenvlak van de Eem en zij zagen het overschot der voor weinige dagen
-zoo machtige Denenvloot teruggeslagen door den storm, ontredderd drijven
--- iedere bodem thans een wrak. Waren nog enkele schepen ontkomen? Zij
-wisten het niet, zij vroegen het niet, zij zagen eigen leven gered, maar
-meer dan dit, bevrijd hun volk en vaderland. Toen zocht menig oog de
-plek, van waar zooveel onheil was uitgegaan, waar de eerste schakel
-gesmeed was van den keten, die hen moest omknellen voor altijd -- en zij
-zagen den Ravenhorst, zwart verbrand, een vormlooze steenklomp.
-
-Had de bliksem zijn hooge transen neergeslagen, was het vuur op last van
-vrouw Sigrid ontstoken, opnieuw aangewakkerd door den vliegenden storm
-en had dit zijn werk verricht?
-
-Niemand vroeg het. Met lippen, die een dankgebed stamelden, zagen vrijen
-en hoorigen den dwangburcht vernietigd, die een schaduw des doods had
-geworpen op geheel het omliggende land.
-
-In het oosten kleurde een roode gloed den hemel en deed zijn
-koepelgewelf opvlammen en stralen van licht.
-
-Gezegend, heilig licht! Het gloeide op de kroongewelven der eiken, het
-straalde tusschen de donkere takken der dennen, het glansde over weide
-en veld. De schaduwplekken baadden in gloed, de wolken werden omzoomd
-met een gouden glorie, en de golven der rivier weerkaatsten het
-vlekkeloos blauw van den hemel. Licht was alles, enkel licht...
-
-De grijze bisschop hief beide handen op, zegenend. Ook zijn gelaat
-straalde als verheerlijkt, toen hij omgolfd door het licht, dat
-neergleed van omhoog uitriep:
-
-„De donkere nacht van vrees en verschrikkingen is voorbij, het is of de
-aarde werd herboren. Mijne kinderen, houdt de gelofte afgelegd in het
-geweldig uur, toen gij dacht weldra te zullen staan voor uw eeuwigen
-Rechter, toen de buitenste duisternis dreigde en gij Zijn genade hebt
-ingeroepen om Jezus Christus’ wil. Hecht nimmermeer geloof aan
-menschenwoord, zoekt steeds uw rust in dat van God: „Deze dag en deze
-ure weet niemand.”
-
-En thans, dankt allen met mij onzen God, Die ons als een nieuw leven
-schenkt op een nieuwe aarde.” Op de knieën zonken allen overweldigd door
-wonderbare aandoening. Met een huivering van ontzag gevoelde ieder de
-wijding van het oogenblik, niemand waagde bijna zich te bewegen. Weer
-was het een oogenblik ademloos stil als dien eigen nacht. Toen echter
-heerschte het zwijgen van den doodsangst, nu een onbeschrijfelijk gevoel
-van verlossing en redding.
-
-Aangezichten bleek van aandoening zochten den hemel, waaraan de zon
-opging, eerst wemelend in teere ochtendtinten van opaal en rozerood, dan
-opgloeiend in glanzend lila, in stralenbundels van vlammend karmozijn.
-Het was alsof het rijzend licht in waarheid een nieuwen hemel deed baden
-in gloed, of zijn goudglans viel op een nieuwe aarde.
-
-En onder dien hemel, schitterend blauw met zacht verder drijvende
-zilverwolken boog zich de gansche saamgestroomde menigte met tranen van
-een geluk, dat de woorden miste om zich te uiten. Maar in vervoering
-hief bisschop Ansfried de rechterhand op, omhoog wees hij, omhóóg.
-
-„Ziet daarheen! Aanschouwt het licht! Geloofd hebt gij allen, dat de
-aarde ten ondergang was gedoemd, een rilling van ontzetting, die de
-voorbode scheen des doods, ging door uw leden en -- nu!.... Ziet
-daarheen!
-
-Thans is ieder hart een tempel des gebeds, en de hemelen schijnen
-geopend. Het is of de wolken als zilveren booten zeilen langs de
-stralende lucht. Engelen omzweven ons, hoort hun wiekslag! Neer dalen
-zij terwille van allen, die bereid zijn hun goeden strijd te strijden
-ten einde toe, wier namen zijn geschreven in het boek des levens.
-
-Mijn verloste kinderen, toen de duisternis dreigde, hebt gij God
-gezocht; vergeet Hem niet, vergeet Hem nimmermeer, nu het licht voor u
-werd en gij Zijn eindelooze liefde ervaart met zijn grenzenlooze
-erbarming. Houdt Hem vast, houdt Hem vast in leven en dood, Hij verlaat
-nooit wie op Hem vertrouwen. Dan dragen u eenmaal de engelen in Zijn
-eeuwig huis, waar de onsterfelijkheid uw deel, de oneindigheid uw woning
-en de eindelooze gelukzaligheid uw toekomst zal zijn!”
-
-Slechts tranen gaven hem het antwoord, zwijgende gelofte afgelegd in het
-onvergeetlijk levensuur van allen, die de heilige woorden van geloof en
-liefde en hope opvingen, ruischend als met engelenstem van den Heiligen
-berg.
-
-Tot die zwijgende gelofte overging in stil gebed, zich oploste in den
-als bij ingeving door allen, die de woorden machtig waren, aangeheven
-jubelzang:
-
- „Te Deum laudamus: te Dominum confitemur
- Te aeternum Patrem omnis terra veneratur.
- Tibi omnes Angeli, tibi coeli et universae potestates:
- Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant:
- Sanctus, Sanctus, Sanctus!”....[25]
-
- [25] Gezang 3 vers 1.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVIII.
-
-
-Het was de avond van dienzelfden dag. Het volk verspreidde zich, de
-koortsachtige opgewondenheid week met de geweldige spanning, maar nog
-lang zou blijven nagloeien in de harten het gevoel van redding en
-overstelpend geluk, waarvoor ieders mond vruchteloos woorden zocht.
-
-Stilte daalde over de velden. Van de linde, die haar zoeten bloesemgeur
-zond in bisschop Ansfrieds vertrek, ritselde geen blad, geen vogel zong
-in de twijgen. Het was of geheel de schepping nog steeds zwijgend
-aanbad, bij het wonder dat zij aanschouwd had: het licht van den
-dageraad opgaande over de als herboren aarde....
-
-Groote dankbaarheid, heilige vrede, heerschten in menig hart,
-beheerschte geheel dat van graaf Frethibold, wiens geluksgevoel thans
-zijn vroegere radeloosheid evenaarde, haar zelfs volkomen in de schaduw
-stelde.
-
-Gerlach had gesproken, op ’s bisschops bevel. Hij wist nu, dat zijn zoon
-leefde, dien hij als dood had betreurd, den nooit vergeten oogopslag
-zijner vrouw vond hij thans terug bij zijn kind -- bisschop Ansfrieds
-dappersten ridder -- zijn redder uit doodsgevaar te midden van het wilde
-slaggedruisch....
-
-„Frethibold, heeft God het nu wèlgemaakt, ook met u?”
-
-De stem van den bisschop was zacht en vriendelijk als die van een vader,
-wanneer hij een dwaasheid vergeeft aan zijn kind.
-
-De krachtige man drukte de handen voor de oogen, zij waren vochtig van
-ongeschreide tranen, tranen van geluk.
-
-„O, heer, heer! Nimmer zal ik meer klagen, nooit meer! God vergeve mijn
-morren en wanhoop; ik heb Hem verlaten en Hij heeft mij gezocht en
-overstelpt met Zijn grootste zegening. Wat zal ik Hem ooit kunnen
-vergelden voor zulk een weldaad! God is goed, Hem looft mijn ziel!”....
-
-„God is altijd dezelfde, Frethibold, in vreugde en in rouw, bij dag en
-bij nacht, in voorspoed en leed. Alleen de menschen vergeten Hem vaak te
-midden van hun geluk, dan trekt Hij hen tot zich met liefdekoorden
-gevlochten uit ramp en tegenspoed. Dàn klagen zij en Hij vergeeft en
-zegent.”
-
-„Ja, zoo is het! Ach, had ik dit toch vroeger begrepen, vroeger. Hij
-geeft mij zooveel!”
-
-Zijn blik zocht de vensternis aan de tegenovergestelde zijde van het
-vertrek, hij bleef rusten op twee jonge, bloeiende gestalten, die
-stonden hand in hand, alles om zich heen vergetend, alleen elkander
-ziende en hun geluk.
-
-„Mijn, voor altijd mijn!” fluisterden Unruochs lippen.
-
-Swanwitha, zijn jonge bruid nu, zag hem aan met een blik vol glans:
-
-„Toen de duisternis mijn leven bedreigde, de ijzige koude van een
-bestaan zonder liefde, een verbintenis gesloten uit dwang, toen heb ik
-tot God gebeden en Hij heeft mij verhoord. Hij was het die Olaf zijn
-edelmoedige woorden op de lippen legde, die mij vrij maakten van mijn
-afgedwongen gelofte. Nu is uw God ook de mijne. ’t Is zoo heerlijk,
-alles is licht!”
-
-Zij stond daar zoo kalm en vredig in haar wit kleed, met zulk een
-gelukkigen glimlach op het liefelijk gelaat, het avondrood tintte met
-zijn glorie haar lang golvend haar, ook in haar oogen welden groote
-tranen van onuitsprekelijk geluk.
-
-Was het wonder, dat graaf Frethibold plotseling de armen uitbreidde met
-een teer:
-
-„Mijn lieve dochter, door mijn zoon nu ook mijn kind!”....
-
-„Neen, het uwe niet, niet het uwe!” Een stem snerpte het, schor van
-machtelooze woede, nog genietend tot het laatste oogenblik van haar
-macht om geluk te kunnen verkeeren in leed, vreugde in rouw.
-
-Het was vrouw Sigrid, die alleen de laatste woorden had opgevangen,
-terwijl zij binnensnelde, op den voet gevolgd door haar beide wachters.
-Te vergeefs hadden zij beproefd haar in bedwang te houden en te doen
-blijven in het vertrek, haar aangewezen als voorloopige kerker. Zij had
-de deur weten open te rukken terwijl de bewaker haar het avondbrood
-bracht, toen was zij de wacht voorbijgestormd en nu stond zij hier. Een
-flauw gerucht was tot haar doorgedrongen, dat graaf Frethibold zijn kind
-had hervonden, wie dat was wist zij niet. Maar nu ving zij enkele zijner
-woorden op, zag zij hem Swanwitha liefkoozen.... Zij zou hem doen
-ontwaken uit zijn geluksdroom. Weer voelde zij haar macht, zij hield het
-heft in handen.... En dit gevoel dreef haar een geheim van de lippen,
-dat zij anders met zich zou hebben genomen in het graf.
-
-„Uw dochter, zegt gij? Ha, ha! Waart gij dan gehuwd met Gisela van
-Teisterbant? Die was haar moeder, haar vader -- mijn zoon.”
-
-Een dubbele kreet weerklonk. Bisschop Ansfried drukte Swanwitha aan zijn
-hart, hij snikte als een kind:
-
-„Heb ik het niet altijd geweten, altijd! Dochter mijner dochter, wees
-gezegend, wees tot zegen! Hoe zal ik den Heer loven Die mij u deed
-hervinden!”
-
-Hij wendde zich tot vrouw Sigrid:
-
-„Wèl mag ik hier de woorden herhalen eenmaal in Egypteland door Jozef
-gesproken tot zijn broeders:
-
-„Gij hebt kwaad tegen mij gedacht doch God heeft dat ten goede gedacht!”
-Hij wees op Unruoch: „Daar staat de zoon van den gouwgraaf, de
-toekomstige graaf van Teisterbant en zijn bruid -- het is mijn eigen
-kleindochter, mijn lieve Swanwitha!”
-
-Zijn lippen liefkoosden den naam, zijn hand het gouden haar. Die
-gelukkige in elkaar als verzonken groep.... Het gezicht maakte vrouw
-Sigrid bijna razend. Met een verwensching trok zij haar langen, zwarten
-mantel om zich heen; als een visioen van den nacht, die rouw en jammer
-opriep, was zij verschenen, als een schaduw wilde zij verdwijnen uit het
-vertrek, uit de herinnering dezer menschen.
-
-Maar de bisschop trad haar in den weg:
-
-„Vrouw Sigrid, waarheen wilt gij? Gij zijt een gevangene, vergeet gij
-dat?”
-
-Zij barstte uit in een tergenden lach:
-
-„Gevangen, ik? Misschien zoolang ik dit zelf wil, maar ook geen
-oogenblik langer. Als ik het verkies verlaat ik uw kerker evenals ik het
-nu deed, dwars door de wachten heen.”
-
-„Gij zult slechts weinig dagen een gevangene blijven, op deze wijze. In
-een stil, afgelegen vrouwenklooster zal u tijd worden gegeven tot boete
-en nadenken, die, God geve het, eenmaal ook bij u mogen worden gevolgd
-door bekeering en berouw.”
-
-Weer die verachtelijke lach, die tartende blik:
-
-„Berouw, ik? Ha, ha! Ik zie de tuchtroede reeds geheven boven mijn
-hoofd! Nu, deze handen zullen nog krachtig genoeg blijken om haar te
-breken.
-
-Hoor, wat ik u zeg: Als gij mij opsluit, zal ik ontsnappen, als gij mij
-opnieuw weet te vinden weiger ik alle voedsel, dan sterf ik den
-hongerdood door uw toedoen, vrome bisschop, door ùw schuld! Voor mij
-bestaat er altijd een uitweg. Gezworen heb ik terug te keeren naar mijn
-Noorsch vaderland, en ik houd dien eed. Daar tusschen de zwijgende
-bosschen, in wier schors de eeuwen hun runen schreven, zal ik mijn leven
-voortsleepen in herinnering, die mij ten vloek zal zijn, door uw
-toedoen. Want de ongerepte sneeuw, die daar zwaar ligt en dicht, die de
-takken der dennen doet breken onder haar last, zal nooit in staat wezen
-den hellebrand te blusschen, die gloeit in mijn hart aan een verterend
-vuur gelijk, nu ik u heb zien zegevieren, terwijl mijn grootsche plannen
-faalden -- alle!”
-
-„Ongelukkige, misdadige vrouw, ik laat u niet gaan, nooit! Ook uw ziel
-is kostbaar in het oog van God, Die alleen haar kan redden van het
-eeuwige verderf.”
-
-„Red u zelven van het verderf! Daar, dáár! Zie of gij er toe in staat
-zijt! Dáár!”
-
-Als een furie gilde, krijschte zij. Zij hief den arm op. De manshooge
-luchter, die reeds was ontstoken in de nis voor het kleine huisaltaar,
-kantelde, viel om met een slag. Vuur vatten de drooge biezen op den
-vloer, weldra zou de vlam zich verspreiden....
-
-„Redt! Helpt!” klonk het uit ieders mond.
-
-„Onzalige vrouw! Gij, die steeds speelt met vuur, in vlammen zult gij
-eenmaal vergaan!”
-
-Graaf Frethibolds stem klonk bitter van rechtmatigen toorn, een even
-bittere lach gaf hem het antwoord, daartusschen siste reeds het brandend
-stroo.
-
-Terwijl allen zich beijverden om den brand te blusschen, sloeg de deur
-toe. Zij hoorden er den grendel voorschuiven aan de buitenzijde, zij
-moesten de vluchtende overlaten aan zich zelve om eigen leven, om het
-bedreigde kerkgebouw en het kleine gedeelte, dat nog over was van het
-zendingshuis te redden.
-
-Toen die zware arbeid eindelijk was volbracht en door een toesnellenden
-speerknecht de deur ontgrendeld, lagen de vale schaduwen van den nacht
-over het land, waarin vrouw Sigrid nimmermeer zou worden gezien.
-
-Over haar verder leven, over haar dood bleef de sluier rusten der
-vergetelheid.
-
-Daar waren geen werken verricht door haar hand, die haar konden volgen.
-Zij behoorden tot den nacht en gingen onder in den nacht, beladen met
-smaad en verachting.
-
-Of de trotsche vrouw nooit gevoelde, dat zij de straf harer schuld droeg
-in zich zelve? Haar verder leven zou zijn verlatenheid en wroeging.
-Verteerd door vruchtelooze wenschen naar voormalige macht, zou haar deel
-zijn de te late erkenning, dat ieder verantwoordelijk is voor eigen
-daden en, dat die daden hem het antwoord geven in de vergelding, welke
-zijn leven treft.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIX.
-
-
-„Vaarwel, God zegene u! Schenk mij uw zegen, mijn vader! Vaarwel,
-vaarwel!”...
-
-Olaf Erikson stond voor den bisschop -- het was de laatste maal. Buiten,
-aan de overzij van het water, hinnikte zijn paard reeds ongeduldig de
-thuisreis tegen -- het was voor de laatste maal.
-
-Als geboeid hing zijn oog aan het gelaat van den grijsaard, dat zoo kalm
-en verheven neerzag op het woelen en drijven der menschen, dat zoo zacht
-en geduldig bleef bij smaad en hoon, waarvan de lippen een gebed
-fluisterden voor zijn vijanden -- met woorden wellend uit het hart.
-
-„Vaarwel!” stamelde Olaf nog eens, „vaarwel, voor altijd!”
-
-Het scheen of hij geen ander woord wist te vinden.
-
-Doch bisschop Ansfried had een beteren afscheidsgroet:
-
-„Geen vaarwel voor altijd, Olaf! Dit leven is slechts kort van duur.
-Pelgrims zijn wij allen, op weg naar huis. Dáár, in het eeuwige land der
-onsterfelijkheid zullen eenmaal allen elkander hervinden, die God
-liefhadden, al werden zij hier beneden gescheiden door het aardsche
-leven en de wisselende lotgevallen der menschen.”
-
-Het zachte suizen van den ochtendwind begeleidde zijn woorden, het klonk
-als een liefelijk gezang, dat aanzweefde uit de wijde verte.
-
-„Hoe goed zal het daar de verlosten zijn, Olaf, in het heilige land van
-vrede en rust. Daar vloeien geen tranen meer, daar kent het hart, dat
-moedig volhardde in den levensstrijd, zijn goeden strijd streed ten
-einde toe, smart noch rouw. Olaf, is deze eindelooze vrede, dit geluk,
-dat ons wacht in het land onzer toekomst, niet waard, dat men er hier op
-aarde voor lijdt en draagt, dat men strijdt om in te gaan?
-
-Laat het daarom niet langer uw wensch zijn het christendom te belijden,
-omdat gij het verhevene voelt van zijn leerstellingen, maar omdat het
-een godsdienst is, die de menschen edel maakt en rein en goed, omdat het
-de openbaring is van Gods Woord en wil, allen tot zaligheid gegeven.
-
-Treur daarom niet langer zoo bang, zoo zwaar om wat het leven u
-ontneemt. Ik weet welke onvervulde wenschen gij hier achterlaat, ik
-weet, dat het hard is alleen door het leven te gaan, zonder liefde,
-zonder geluk. Maar draag het, moedig en sterk, omdat het God is, die
-ieder zijn kruis geeft. Voorwaar, het is geen lichte taak een christen
-te zijn. Het is een heldenleven, dat geduld eischt onder de zwaarste
-slagen, levensmoed bij het bitterste zieleleed, een onwrikbaar
-vertrouwen op de liefde en wijsheid van God, wanneer de zon van ons
-bestaan ondergaat in nacht. Wie een christen wil wezen, moet geheel zijn
-eigen ik loslaten, met al zijn wenschen, droomen en plannen voor dit
-leven. Hij moet alleen willen wat God wil en met Paulus getuigen: „Het
-leven is mij Christus, het sterven gewin.”
-
-Want, wat hier ons kruis was, wordt dáár onze kroon. Omstraald door het
-licht der eeuwigheid zullen wij Gods wondere leidingen leeren begrijpen,
-die wij hier slechts aanschouwen in een duisteren spiegel. Hoop slechts,
-Olaf, geloof en vertrouw.”
-
-Olaf sloot de oogen.
-
-Het was bijna te schoon, te heerlijk om te kunnen gelooven, toch voelde
-hij de hoop van den christen en het geloof, „den vasten grond der dingen
-die men niet ziet,” rijzen in zijn hart en een groot vertrouwen nam
-bezit van hem geheel.
-
-Mocht dan donker de zee zijn waarop zijn levensboot zou drijven in
-zwarten, sterrenloozen nacht, terwijl al de baren over hem heengingen en
-de wateren klotsten tegen de kiel, toch zou hij wankelen noch
-vertwijfelen. Want héél ver in het verschiet, aan het einde der reis
-lichtte het met blinkenden glans tegen de donkere wolken, dáár aan de
-grens der levenszee, waar het eeuwige land der toekomst den zwerver
-wachtte....
-
-Helderder en schooner wordt het licht, het rijst, het verheft zich,
-neemt toe in kracht, het doet de donkere golven baden in gloed, en
-omstraald door die gouden glorie zweven lichtende gestalten nader, hun
-gelaat blinkt, hun serafwieken schitteren wonderschoon. Hun stemmen
-vereenen zich tot een koor met klanken, die niet meer behooren tot deze
-aarde, die zich aaneensnoeren tot een hemelschen zang. Welkom heeten zij
-de bevrijde ziel, die nadert om de palmen te ontvangen der overwinning,
-om hun gelukzaligheid te deelen, in eeuwig, onvergankelijk heil. De
-donkere zee -- thans baadt zij in licht; de ontredderde kiel -- hij rust
-in veilige haven.
-
-Kon het vluchtige, aardsche leven, hoe vol moeiten en ontgoochelingen,
-ooit meer een beeld der verschrikking worden met zulk een toekomst in
-het verschiet?
-
-Olaf hief de hand op als ten plechtigen eed:
-
-„Gij hebt over mij gezegevierd geheel, over de laatste wenschen van mijn
-hart, die nog riepen om levensgeluk. Voortaan zal ik alleen vragen en
-zoeken naar een levensdoel. Dat God mij de kracht verleene het te vinden
-en te besteden tot Zijn eer, opdat wij eenmaal elkander mogen terugzien
-in het eeuwig licht.”
-
-„Uw levensdoel behoeft gij niet te zoeken. Het werd u reeds geschonken,
-het ligt voor u bereid.”
-
-Een verwonderde, vragende blik trof den spreker. Deze vervolgde:
-
-„De toekomstige koning van uw groot en machtig vaderland is een kind,
-opgegroeid te midden van het heidendom, omringd van alle zijden door het
-geloof aan de woeste, geweldige goden van uw onverschrokken volk.
-
-Hij draagt uw naam, ik weet, dat koning Harald u liefheeft, hem heeft
-genoemd naar u, wenscht, hoe hij eens u zal gelijken. Tracht daarom het
-hart van den jongen Olaf, den opperkoning van Upsala, te winnen voor het
-christendom, toon hem, dat de leer van den Christus machtiger is dan de
-ruwe kracht der heidensche goden, omdat zij haar oorsprong nam uit de
-eeuwige liefde.
-
-Wijs hem op het wisselvallige van aardsche macht, op het vluchtige van
-het leven der menschen, dat wel mag worden vergeleken met de vallende
-bladeren in den herfst, als in de purperen en goudgele wouden de boomen
-onbeweeglijk staan en de bladeren neerdwarrelen in den stillen, grijzen
-najaarsmorgen. Zij worden niet meer gekend, als het gras vallen zij neer
-of verwelken gelijk de bloem op haar stengel. Dat is het einde. Alleen
-God blijft tot in eeuwigheid, wèl is het hem, die in dat geloof zijn
-rust vond: tot nieuw leven zal hij worden gewekt in Zijn eeuwig huis.
-
-Dit, Olaf, is de levensles, die gij den jongen koning eenmaal zult
-leeren. Eenmaal, zeg ik, nu is de tijd nog niet daar. Gij zelf moet nog
-leeren in de school van het leven, in die van het christendom, eer gij
-anderen tot gids kunt zijn. Zelfs Paulus had een tijd van voorbereiding
-noodig, eer hij waardig werd gekeurd te gaan tot de heidenen.
-
-Ook gij werdt wonderlijk getrokken, maar ook gij behoeft tijd en
-nadenken en véél gebed om te worden wat gij zijn moet, om de levenstaak
-te kunnen vervullen, die u wenkt.
-
-Hier kunt gij niet blijven. Het volk weet wie gij waart, met welk doel
-gij in dit land zijt gekomen. Wantrouwen zou uw deel zijn van allen
-kant en wantrouwen doodt en verstikt wat goed en edel is in het
-menschelijk hart. Ga daarom, -- waar ik de lessen leerde, waarvan mijn
-leven de vrucht werd -- naar Keulen, naar de Schola Palatina, de groote
-leerschool bij uitnemendheid. Daar zult gij vrienden vinden in
-leermeesters en denkers, ik zal u aanbevelen en hoewel verwijderd van
-elkander, zullen wij niet gescheiden zijn. Weldra zult gij de
-letterteekens weten te ontcijferen, dan zullen onze brieven verhalen wat
-wij elkander niet kunnen zeggen. Leef en werk, heb vertrouwen in uw
-toekomst, dat is leven voor de toekomst.
-
-En als gij u bereid voelt voor uw taak, ga dan tot den jongen koning.
-Erken hoe wonderlijk God u heeft geleid: Gij zijt hier gekomen om dit
-volk te verderven, gij wordt geroepen om, in hooger kracht, een ander te
-behouden.”
-
-Een nieuwe glans lichtte in Olafs blik; om zijn mond speelde een
-glimlach, die de trek van berusting uitwischte, welke er nu sinds
-zoovele dagen zetelde, die verhaalde wat eens zegepraal wezen zou, als
-de goede strijd gestreden was en de loop voleindigd.
-
-Bisschop Ansfried zag het, hij was voldaan. Zegenend legde hij Olaf de
-rechterhand op het hoofd, met de andere reikte hij hem een perkamentrol,
-beschreven met zijn eigen vast, duidelijk schrift. Het was het Evangelie
-van Johannes.
-
-„Ziedaar Olaf, de beste gids, dien ik u geven kan voor het leven, nu
-gij, als mijn eerste zendeling, mijn zendingshuis verlaat. Neem het,
-lees dit boek zoodra gij het kunt en heb het lief, iederen dag meer en
-meer. Heilig zij u het rein en verheven woord, opgeteekend onder de
-ingeving van den Heiligen Geest door den Apostel dien Jezus liefhad.”
-
-Hand in hand herhaalden beiden nog eenmaal hun afscheidsgroet -- thans
-niet meer een „vaarwel!”....
-
-Buiten straalde de aarde in den luister van zonlicht en zomerglans. Olaf
-wendde zijn paard. Een moeilijke leerschool wachtte hem, eer hij terug
-ging naar het land der trotsche bergen, wier duizelingwekkende
-rotstoppen, wier onbegaanbare sneeuwkloven zich omhullen met grijze
-wolken, met nevelen dicht en zwaar.
-
-Vele jaren moesten verloopen in den vreemde eer hij weer zou keeren naar
-de schitterende koningshal, waar hij voorheen als bloedsbroeder en
-schildgenoot werd welkom geheeten, bij het plengen van den Bragibeker,
-bij zwaardslag en harpslag, waar hij dan als vijand zou worden gehouden,
-al de tegenkanting zou ondervinden, ingegeven door het wantrouwen en den
-haat tegen het christendom, die geheel zijn volk beheerschten.
-
-Zijn volk, even krachtig, onoverwinnelijk en woest als de trotsche
-natuur van zijn land.
-
-Zou hij slagen in zijn levenstaak?
-
- * * * * *
-
-De geschiedrollen, die de wereld richten, die blijven tot een onwrikbare
-getuigenis, zelfs als het erts vergruist en het hechtste arduin in puin
-valt, zouden het antwoord geven op die vraag.
-
-Zij zouden eenmaal den jongen opperkoning van Upsala den naam schenken
-van „Olaf, de Heilige.”
-
-Zij zouden vermelden, dat hij de eerste heerscher was van het ruwe
-Noorden, die koning van Zweden heette, die orde en recht wist te
-scheppen in de verwilderde Staten, welke hij vereende onder zijn gezag.
-Hij zou het heldenras, waarover hij den schepter hield geheven, vormen
-tot een christenvolk, dat hij door zijn heerschersgaven binnen voerde in
-de gewijde rijken der historie, door zijn voorbeeld en woorden bracht
-tot het geloof in het eeuwige land der onsterfelijkheid, weggelegd voor
-allen, die leven in dit geloof, dat eens zal worden tot zalig
-aanschouwen.
-
- * * * * *
-
-Nog eenmaal wendde Olaf het hoofd om, voor de laatste maal, want
-voorwaarts ligt de weg door het leven. Hij wist, hij gevoelde het,
-gelijk ieder, die zijn roeping begrijpt, de taak hem door God op aarde
-toevertrouwd.
-
-Het klare, levenwekkende zonlicht stroomde over het landschap en tintte
-het water om den Hohorst met zijn schitterenden gloed. Het was of
-gewijde stemmen zegeningen fluisterden, of de gouden stralenbundels een
-lichtweg wilden vormen, die rechtstreeks voerde van de donkere aarde
-naar den hoogen hemel. Het scheen alsof al het licht, dat aan dien
-wijden hemel glansde, ineenvloeide boven den „Heiligen berg.”
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-
-Van Ansfried, graaf van Teisterbant, getuigt zijn levensbeschrijver:
-
-„dat hij vijf en twintig jaar stond aan het hoofd van zijn graafschap,
-wijd en zijd beroemd als een uitstekend regent, een dienaar der hoogste
-gerechtigheid, die zich noch door groote giften noch door gunsten van
-den weg des rechts liet afbrengen, een oprecht en wijs raadsman zijner
-vorsten en een moedig verdediger van de belangen zijner onderdanen.”
-
- ALPERTUS en PERTZ VI.
-
- * * * * *
-
-„Wij meenen hem (Ansfried) zeker een plaats te moeten toekennen, onder
-de broeders en zusters, die wij met Paulus vrijmoediglijk geheiligden in
-Christus Jezus heeten.”
-
- Prof. MOLL, in den Kalender voor Protestanten in Nederland. 1856.
-
- * * * * *
-
-Van den oprechten godsdienstzin zijner vrouw, Hereswit, gravin van
-Strijen, worden door Giesebrecht en Thietmar in hun kronieken
-verscheidene mededelingen gedaan. Ook de hierboven vermelde gebeurtenis
-in de kapel bij Casallum is geheel historisch.
-
- * * * * *
-
-Stichtingsoorkonde van de abdij van Thorn, 992.
-
-In den naam der Heilige en onverdeelde Drievuldigheid.
-
-Ik Hereswit van Strijen, wensch den bruidegom der Maagden te volgen en
-heb daarom in overleg met Ansfried, mijn heer, een kerk gesticht op mijn
-bezittingen te Thorn, waar ik en mijn dochter Benedicta dit sterfelijk
-leven zullen slijten onder den regel der heilige gehoorzaamheid, opdat
-wij verdienen in de toekomstige eeuw, met witte kleederen aangedaan
-onder de engelen te verschijnen voor den rechtvaardigen rechter.
-
-Ik bezweer mijn erfgenamen, de heeren van Strijen, bij Hem, die was en
-komen zal, dat zij deze schenking niet bemoeilijken, maar mijne dochter
-en hare communauteit in rechtvaardigheid verdedigen.
-
- Zie Diploma bij HABERTS.
-
- * * * * *
-
-Hereswit stichtte met goedvinden van Ansfried de kerk en het klooster
-van Thorn, bij Maaseik. Zij werd er begraven. Hun dochter Benedicta was
-er abdis.
-
-Vergrijsd en vermoeid van de vele wisselingen zijns levens werd Ansfried
-in 994 gekozen tot bisschop van Utrecht. Het Sticht, dat zooveel had
-geleden van de invallen der Noormannen, behoefde een verstandigen
-regent. Toen Otto III hem tot die hooge waardigheid riep, trad graaf
-Ansfried in diepe verslagenheid voor den keizer en gebruikte hij al zijn
-welsprekendheid, om den landsheer te overtuigen dat zulk een eer voor
-hem te groot en zulk een ambt voor hem, den veldheer, ongepast was. Toen
-niets baatte verzocht hij tijd om zich te beraden en te bidden.
-
- Prof. MOLL, Kerkgeschiedenis.
-
- * * * * *
-
-Ook als bisschop blonk hij uit door wijsheid en godsvrucht. Hij
-gebruikte al zijn inkomsten ten behoeve der kerk en was zoo sober in
-zijn leefwijze, dat zijn tegenstanders hem er om bespotten.
-
- ALPERTUS.
-
- * * * * *
-
-Zijn gesprekken kruidde hij met het bijbrengen van voorbeelden uit den
-bijbel. Hij predikte, deed visitatie-reizen, sprak verstandig op de
-rijksdagen, zocht de overblijfselen van het heidendom uit te roeien en
-schonk zijn bezittingen „ad restaurandum ib idem Dei servitium.”
-
-De schenkingsacte vindt men in zijn geheel bij HEDA.
-
- * * * * *
-
-Het voorbeeld van Ansfried werd gevolgd door zijn vriend, graaf
-Frethibold. Deze gaf aanzienlijke bezittingen aan den Dom van St.
-Maarten.
-
-ROYAARDS vermeldt, dat bisschop Ansfried in persoon tegen de Noormannen
-optrok.
-
-Zelf wijdde hij de door hem gestichte kerk op den Hohorst bij
-Amersfoort, dat toen nog alleen bestond uit het slot Bachevorth en
-eenige omliggende hutten. De Hohorst was destijds een heuvel, die
-tusschen een breeden stroom (de Eem) en een moerassigen poel lag en
-alleen met een boot kon worden genaderd.
-
- Zie THIERMAR en HEDA.
-
- * * * * *
-
-Sinds bisschop Ansfried er verblijf hield, heet de Hohorst „de Heilige
-berg.” In gezelschap van eenige vrome monniken wenschte hij daar van
-tijd tot tijd uit te rusten van zijn zware plichten en zich voor te
-bereiden op zijn naderenden sterfdag. Zoo dikwijls het hem mogelijk was
-trok hij er heen en dan was de machtige kerkvoogd, die als jongeling de
-banier droeg en de zwaarddrager was der Ottonen en nu nog dikwerf nevens
-den keizer zijn plaats innam, een eenvoudige monnik, in niets van de
-broeders onderscheiden, dan door hoogeren ijver voor den godsdienst en
-door dieperen ootmoed. Alle dagen kwamen twee en zeventig armen uit den
-omtrek tot hem en hij spijsde ze met eigen hand, en als er kranken waren
-werden zij door hem verzorgd en opgenomen.
-
- MOLL. Kerkgeschiedenis.
-
- * * * * *
-
-Het was een algemeen verbreid geloof, dat in het jaar 1000 de wereld zou
-vergaan.
-
-Met angst en beving had men het aanbreken van die eeuw afgewacht, want
-tal van sombere voorspellingen schenen het jaar duizend als het einde
-der wereld aan te duiden.
-
- DE ROEVER: Het leven onzer voorouders.
-
- * * * * *
-
-„Het jaar 1000, dat bange tijdstip, waarop onkunde en bijgeloof
-samenspanden om den menschelijken geest te doen sidderen voor de
-gevreesde ure van den met zekerheid in dat jaar geprofeteerden
-oordeelsdag.”
-
- HOFDIJK, Het Ned. volk.
-
- * * * * *
-
-Het Concilie in Rome gehouden in 998 houdt er zich echter evenmin mee
-bezig als dat van Poitiers in 999.
-
- * * * * *
-
-Koning Robert van Frankrijk, vroeg bisschop Fulbert van Chartres naar
-een verklaring van den bloedregen, die toen op de aarde was gevallen.
-Fulbert antwoordde: „dat het geen voorspelling van ramp of onheil kon
-zijn.”
-
- VICTOR DURAY; Hist. de France.
-
-„Robert begon zijn regeering te midden eener alom heerschende vrees.”
-(Idem.)
-
- * * * * *
-
-Toen in 909 het Concilie van Trosby werd gehouden eindigde Heriveüs,
-aartsbisschop van Reims, zijn klacht over het verval van den godsdienst
-bij geestelijken en leeken met de woorden:
-
-„Het herderlijk ambt wordt een onduldbare last, wanneer het oogenblik
-nadert om rekenschap af te leggen van de taak, die ons is toevertrouwd,
-want hij nadert in zijn verschrikkelijke majesteit, die dag, waarop alle
-herders met hun kudden voor den Opperheer zullen staan.”
-
-De abt Abbo van Fleury meldt daarentegen in 990:
-
-In mijn jeugd heb ik te Parijs een prediking gehoord, dat zoodra het
-jaar 1000 daar zou zijn, de wereld zou vergaan, dat eerst de Antichrist
-zou verschijnen en niet lang daarna het oordeel zou volgen. Met een
-beroep op de Evangeliën heb ik deze prediking met al de kracht, die ik
-bezat weersproken.”
-
- * * * * *
-
-Ontelbare charters, stukken en schenkingen aan de kerk vangen in dien
-tijd -- volgens Plaine reeds sinds de 7^{de} en 8^{ste} eeuw -- aan met
-de woorden:
-
-„Waar alles voor onze voeten ten ondergang neigt, waar de
-verschrikkelijke dag, het einde der wereld nadert” enz.
-
-Tegen het einde der 10^{de} eeuw komt die aanhef niet meer voor.
-
- * * * * *
-
-„Der Glaube dass mit der Sommersonnenwende des Jahres 1000 die Welt
-untergehen und das jüngste Gericht hereinbrechen werde, galt während
-jenes Jahres im Abendland als unfehlbare Wahrheit.”
-
- FELIX DAHN.
-
- * * * * *
-
-„In het jaar 1003 werden over de geheele christenheid maar vooral in
-Italië en Gallië, de hoofdkerken vernieuwd, ofschoon de meesten het
-volstrekt niet noodig hadden. Alle volken wedijverden met elkander. Het
-was alsof de wereld zich zelve uitschudde en haar lompen wegwierp om een
-nieuw, blinkend wit gewaad aan te trekken.
-
- GABLER, de kroniekschrijver van Cluny.
-
-Het is niet met juistheid op te geven in welk jaar de gouwgraven van het
-Sticht plaats maakten voor de castellani (burggraven) van Utrecht.
-
-De eerste castellano komt voor in 1105 tijdens bisschop Burchard. Tot
-1156 waren de castellani dienstmannen, van 1164-1178 edelen. De
-bisschoppen bezaten zelf wereldlijke rechten in de gouw Nifterlake en
-Fleheti, die het Neder Sticht vormden. De gouwgraaf stond onder den
-bisschop.
-
- * * * * *
-
-Volgens Bondam is Bacheforth en Stuthenborch beide de naam van het
-tegenwoordige Amersfoort. Anderen zoeken den Stuthenborch bij
-Hoevelaken. (Stoutenburg).
-
-Wie recht heeft valt moeilijk te beslissen. Want ook hier -- en nog voor
-meerdere bijzonderheden in dit boek, o. a. over den hier beschreven
-inval der Noormannen, dien sommige kronieken eenigen tijd vóór, andere
-nà het jaar duizend vermelden -- geldt het woord van den ouden
-kroniekschrijver, Claas Kolyn:
-
- „Ik moet u rond uyt zeggen
- Dat ons de schiedenissen ontbreeken
- Om duydelyker te spreeken.”
-
-
-
-
- Opmerkingen van de bewerker.
-
-
- Enkele duidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd.
-
- Overbodige, ontbrekende en inconsistent geplaatste aanhalingstekens
- zijn niet gecorrigeerd.
-
- Inconsistente spellingen, woordafbrekingen e.d. zijn niet
- genormaliseerd.
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Toen de duisternis dreigde, by
-Alida van der Vlier (ps. A. van Redich)
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TOEN DE DUISTERNIS DREIGDE ***
-
-***** This file should be named 51753-0.txt or 51753-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/1/7/5/51753/
-
-Produced by Frank van Drogen, Harry Lamé and the Online
-Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.