diff options
Diffstat (limited to 'old/51753-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/51753-0.txt | 12635 |
1 files changed, 0 insertions, 12635 deletions
diff --git a/old/51753-0.txt b/old/51753-0.txt deleted file mode 100644 index 94a9185..0000000 --- a/old/51753-0.txt +++ /dev/null @@ -1,12635 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Toen de duisternis dreigde, by -Alida van der Vlier (ps. A. van Redich) - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Toen de duisternis dreigde - -Author: Alida van der Vlier (ps. A. van Redich) - -Release Date: April 13, 2016 [EBook #51753] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TOEN DE DUISTERNIS DREIGDE *** - - - - -Produced by Frank van Drogen, Harry Lamé and the Online -Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - - - - - - - Opmerking van de bewerker: - - Gebruikte transcriptie: schuingedrukte tekst wordt weergegeven als - _tekst_; klein-kapitaal is omgezet naar kapitaal; superscript tekst - wordt weergegeven als ^{tekst}. - - Meer opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst. - - Voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het betreffende - hoofdstuk. - - - - -TOEN DE DUISTERNIS DREIGDE... - - -[Afbeelding] - - -Toen de duisternis dreigde... - -DOOR - -A. VAN DER FLIER. - -[Afbeelding] - -NIJKERK, - -G. F. CALLENBACH. - -1903. - - - - -HOOFDSTUK I. - - -Hoog aan den zomerhemel zweefde nog het gouden zonlicht. Als in glans en -gloed gedoopt bewogen zich de toppen der dennen ritselend op den wind. -Maar aan den voet der bruine stammen legerden reeds de schaduwen van den -avond, zij bedekten de rose en lila bloemkelken der erica’s en gaven den -golfjes der kleine beek, die als een verlaten zwerver door de bruine -heide kronkelde, een staalkleurige tint. - -De lijster zong zijn avondzang, zacht murmelde het water. Niet lang -bleef dit meer het eenige geluid, dat de stilte verbrak. Uit de groene -schaduw der dennen trad een jong meisje te voorschijn. Voorzichtig hield -zij met de eene hand de plooien van haar wit, met een breeden rooden -rand omzoomd kleed bijeen; de linkerarm boog zich om een hondje, dat den -kop tegen haar schouder vlijde. In de avondzon glansde haar lang -neergolvend haar. Vlug ging zij naar de beek, knielde neer en wiesch -zorgvuldig het bloed af, dat aan den rechtervoorpoot van het dier -kleefde. - -„Arme Grijp! Stil maar beestje!” Zacht was haar stem, de witte rozelaar, -die boven haar hoofd wiegelde, niet blanker dan haar gelaat. - -Een schaduw viel over het water, donkerder dan werd geworpen door de -purper omzoomde avondwolken; het was die van een man, een jager -blijkbaar. Dat bewees de boog, die over zijn schouder hing, de blinkende -hartsvanger aan zijn linkerzij, het wambuis van hertevel, de reigerveer -op zijn muts. Zijn mond lachte en liet twee rijen schitterend witte -tanden zien, zijn donkere oogen hadden een stoutmoedigen blik. Hun -uitdrukking toonde, dat zij wèl het licht van het leven hadden -aanschouwd, doch nog zelden zijn schaduwen. Een toonbeeld van jeugdige -kracht was hij, met zijn slanke gestalte en kloek gedragen hoofd. - -Dacht dit ook het meisje, dat hij nu op zijde trad, door eenvoudig over -de beek te stappen? - -„Wat is er aan de hand, Swanwitha? Heeft Grijp weer stoutigheden -verricht?” - -„Hij is in een greppel gesprongen en heeft zijn poot bezeerd. ’k Wou, -dat ik iets had om hem te verbinden, maar ik kan dien rooden runenrand -toch niet gebruiken. Wat zou grootvader dan wel zeggen!” - -Schertsend waren haar woorden; toch trilde er een weemoedige klank in. -Zij wees op haar kleed. Inderdaad waren in den rand geheimzinnige -karakters geweven, heilaanbrengende runen, gelijk eenmaal de belijders -droegen der woeste godenleer van Wodan en Donar. - -Hij fronste de donkere wenkbrauwen: - -„Uw heer grootvader is, geloof ik, de laatste heiden van dit land. Hij -moest voorzichtiger wezen; als de keizer het verneemt, zou ’t gauw -gedaan wezen met zijn macht. Hoe durft hij, in dit geheel gekerstende -land, als onder de muren van Utrecht, nog vasthouden aan zijn -duivelenleer?” - -Verschrikt hief zij de hand op, een hand als een lelieblad wit en teer: - -„Stil, stil! Hij heeft machtige bondgenooten, niet alleen in dit land, -maar ook daarbuiten. Als hij hoorde wat gij daar hebt gezegd....” - -„Dan moest Grijp door een ander verbonden worden, nietwaar, Witha?” Hij -staakte voor een oogenblik dat verbinden, bewerkstelligd door breede -riethalmen en vatte haar weerstrevend handje. Met een glimlach, die zich -verborg in een blos, weerde zij hem af. - -„Houd mij niet langer op, Unruoch! Ik moet naar huis, of poort en -valbrug zijn opgehaald en gesloten.” - -„Een uitstekend voorwendsel om voor goed afscheid te nemen van dat -aangename verblijf.” - -„Wat zou er dan van mijn grootvader worden? Ik ben de eenige die”.... - -„Die zijn wil waagt te weerstreven,” viel eensklaps een gebiedende stem -in. Ongemerkt was een forsche gestalte nader gekomen. Het struikgewas -had haar verborgen. Nu trof Swanwitha een dreigende blik uit twee -scherpe, grijze, door borstelige wenkbrauwen overschaduwde oogen. Dit -was bijna het eenige wat van de gelaatstrekken van den spreker was te -zien: een ijzeren helm bedekte schier geheel zijn gelaat. Van het hoofd -tot de voeten was hij in een geschubden maliënkolder gestoken, om zijn -middel hing, aan een breeden, met gouden doppen versierden gordel, een -breed slagzwaard, een dolk glinsterde er naast, een rond schild haakte -om zijn linkerarm. Het was alsof hun forsch geschouderde eigenaar gereed -stond onmiddellijk ter heirvaart te trekken, want ook zijn paard, dat op -geringen afstand aan een boom was gebonden, droeg een volkomen -maliënbedekking, terwijl aan den zadelboog dreigend een strijdbijl -flikkerde. - -„Ga mee, Swanwitha, terstond!” klonk het bevelend tot het jonge meisje. -Toch werd de blik van den spreker een weinig minder stroef, toen die op -haar bevallig gezichtje rustte. Zij stond op, gejaagd, met een angstigen -blos. - -„Vaarwel, Unruoch!” Als een ademtocht gleed het over haar lippen. - -„Swanwitha!” Dreigend schudde de geharnaste krijger haar bij den arm. -Zijn oogen met hun somberen gloed boorden in de hare. - -„Grootvader!”.... smeekend, half verstikt van angst klonk het. Haar -gezichtje was wit geworden, het herinnerde aan de kleur der zwanen, -waarvan zij den naam droeg. Hij sloeg er geen acht op, hard, als met -koperen klank beval haar zijn stem; -- in zijn drift vergat hij wie hem -hoorde: „Ik verbied u, verstaat gij? Ik verbied u ooit weer een woord -te wisselen met dien daar!” Welk een verachting lag in de handbeweging, -waarmee hij op Unruoch wees! -- „Hij behoort tot hen, die ik zal -bestrijden, zoolang Thor mijn arm kracht verleent, tot de dag aanbreekt -waarop de macht van den sterkste zegepraalt op het geloof aan den witten -Christus!” - -Op het schild aan zijn arm, het zwaard aan zijn zijde viel een laatste, -roode lichtstraal; het was of beide opvlamden in bloed gedoopt. Bloed -vergoten door de macht van den sterkste. - -Het bleef een oogenblik stil in het bosch, waar de adem der menschen -ging, snel en stormachtig. En te midden van dat beklemmend zwijgen -murmelde de kleine beek. Zij drenkte met haar heldere golfjes het dorre -land en wekte tot nieuw leven wat veroordeeld scheen om onder te gaan in -den nacht van den dood. - -Liefde en mededoogen, verwinnend ruw geweld, machtiger dan haat en -wraak.... Wie zou hier dè sterkste blijken? - -Deed deze gedachte Unruoch uitroepen: „Gij kunt evenmin den loop der -gebeurtenissen stremmen als dit water” -- hij wees op de beek -- -„dwingen terug te keeren tot de bron! Rolfr Jarl, het christendom heeft -ook het volk van dit land milder begrippen, zachter zeden gebracht, het -de oogen geopend voor de dwalingen van het geloof der heidenen. En -verwacht gij wat leeft in de zielen, wat de harten liefhebben en de -denkende hoofden erkennen als heilig en waar, te kunnen overwinnen door -ruwe kracht, door het geweld van speer en zwaard?”... - -„Ruwe kracht! Onbeschaamde knaap, zij zal tenminste sterk genoeg zijn om -u den mond te snoeren!” - -De stem van den Jarl was heesch van woede. Plotseling vloog hij op -Unruoch aan, als razend van toorn, misschien wel het meest omdat hij, -meegesleept door zijn drift, de voorzichtigheid had vergeten, die hem -gebood te zwijgen. De aanval was zoo onstuimig, zoo onverwacht, dat -Unruoch geen tijd had zich in postuur te stellen. Wat zou hij, met zijn -slanke, jonge gestalte, ook hebben vermocht tegen de reuzenkracht van -den breedgeschouderden Rolfr Jarl? - -Toch worstelden zij samen, de Noorman aanvallend, Unruoch zich -verwerend. Geen van beiden sloeg acht op het smeeken van Swanwitha. -Heviger werd de tweekamp met ieder oogenblik; niet twijfelachtig scheen -het einde meer. Nu werd Unruoch met een slag ter aarde geworpen. -Swanwitha zag iets flikkeren, zag hoe de Jarl de knie drukte op de -hijgende borst van zijn slachtoffer. Met een gil wierp zij zich over -hem. Het wapen schramde haar wang, zij voelde het niet, in vertwijfeling -omklemde zij den arm van den overwinnaar -- weldra misschien een -moordenaar. - -„Grootvader, grootvader! Bedenk wat gij doet! Ook gij staat onder de -wetten van dit land!” - -Deed het beroep op zijn eigenbelang wat geen gevoel van plicht en eer -vermochten? Onder een gesmoorde verwensching stiet de Jarl met den voet -naar het weerlooze lichaam van zijn machteloozen tegenstander, toen -keerde hij zich met een ruk om en wenkte zijn kleindochter hem te -volgen. - -Zij zag hem aan met oogen wijd geopend van angst, schuwe ontzetting in -hun diepten. Als geslagen trad hij terug, zwijgend; een rilling liep -door zijn leden. - -„Die oogen, die oogen, altijd! Hoe vergeet ik ze, hoe!”.... - -Hij drukte de lippen opeen tot zij slechts een smalle streep vormden in -zijn gelaat. Toen tilde hij Swanwitha zwijgend voor zich op het paard. - -Een zacht geluid klonk eensklaps uit de verte; de wind droeg trillende, -zilveren tonen over: het kleppen eener kleine kerkklok, die riep tot het -gebed. Bij dien klank hief de Jarl den gepantserden arm op: het was als -legde hij een gelofte af gedrenkt in haat, te vreeselijker, omdat zij -geen woorden bezat, waarin zij zich uitte. - - - - -HOOFDSTUK II. - - -Omgolfd door het floers van den dalenden avond reden zij beiden heen, -het jonge, teere meisje, de ijzeren gestalte van den reeds grijzenden -man, wiens geheele houding onverzettelijkheid teekende en verzet. -Unruoch neergesmakt op het mos, dat spaarzaam groeide, waar de beek den -bodem vochtigheid gaf, zag hen na, niet in staat zich te bewegen, -nauwelijks uit zijn verdooving ontwaakt. En het was hem, alsof voor hem -heentrok, als in een visioen, het verleden van het land, waarin hij geen -blijvende plaats zou hebben, waar hij slechts enkele weken vertoefde als -gast van zijn voogd, den Utrechtschen kerkvoogd Ansfried, die nu bijna -zes jaar geleden -- anno 994 teekenden toen de clerken -- was gewijd als -opvolger van bisschop Boudewijn den Eerste. - -Het waren rampspoedige tijden voor de jonge christenkerk in het lage -land, dat zich uitstrekte van de Lauwers tot het Sincfal. Friezen en -Sassen, die eenmaal manmoedig weerstand hadden geboden aan de -veroveringszucht der Romeinen, die door hen als bondgenooten -waren begroet, wier onverzettelijke begrippen van vrijheid en -onafhankelijkheid zelfs Karel de Groote had geëerbiedigd, al moesten zij -hem huldigen als keizer, kromden zich onder de slagen hun toegebracht -door de mannen der „grimma hjerna.” - -De Noormannen! Niet ten onrechte droegen zij dien naam. Woest en stout -waren zij als het trotsche bergland, dat hen zag geboren worden, waar de -zee schuimend krulde tegen de klippen, en donkere pijnbosschen de -hellingen der bergen bedekten, wier toppen, glinsterend van eeuwige -sneeuw en als versteend in hun ontzagwekkende rust, zwijgend neerblikten -op de branding in de diepte, op het woelen der onstuimige zonen van het -Noorden aan hun voet. - -„Nooit den beker te hebben geledigd aan den vlammenden haard; nooit te -hebben gerust onder een beschermend dak!” dat was de eerzucht, de trots -van iederen Noorman. Fier doorsneden hun vlugge drakenschepen de golven, -zilverglinsterend in het licht van den rijzenden dag, goudgetint door de -zonnestralen, door het avondrood purper bestraald. En zij volgden dien -„weg der zwanen”, de dappere Vikingen, ook als de stormwind de baren -kokend deed opspatten in lillend schuim of gewassen tot een orkaan hun -vaartuigen neerplofte op de kust, indien hij ze niet reddeloos -meesleurde naar de grondelooze diepte. - -Maar steeds verzamelden zij zich opnieuw, „de Denen” -- gelijk zij -gewoonlijk werden genoemd -- wier stoutheid grooter scheen te worden, -wanneer zij de gedunde rijen telden hunner tochtgenooten. Vaster -snoerde zich dan de rij der ijzeren schilden aaneen. Wilden zij hun -gering aantal vergoeden door kracht en moed, die rees tot schier woeste -razernij, zoo menigmaal zij een torenspits zagen oprijzen boven de -toppen der boomen of menschen vonden, die de leer beleden van den -Gekruisigde? Dan gingen kerk en toren in vlammen op, dan lagen verwoest -en verbrand heem en hof, en vluchtte jammerend het landvolk naar een der -weinige steden, om ook die te vinden verkeerd in een puinhoop. - -„Wij hebben hun de lansenmis gezongen!” hoonden dan de mannen uit het -noorden; en verder stuurden zij hun vloot, met kerkroof en kostbaarheden -der inwoners zwaar beladen, achter zich latend een uitgemergeld land, -een uitgeschud volk, mannen, die hen nastaarden met een verwensching op -de lippen, bleeke vrouwen met haat in het flikkerend oog. - -En de plundertochten der Noormannen namen toe met ieder jaar en radeloos -toonden de Frankische koningen hun eigen machteloosheid aan de vermetele -aanvallers, door hun rooftochten af te koopen met goed en met goud. Het -deed hun overmoed slechts toenemen. In het eerste jaar der tiende eeuw -hielden de Denen zelfs Utrecht met al het omliggende land in bezit, de -christenen doodend en verdrijvend waar zij hen vonden, bisschop Radboud -noodzakend tot de vlucht. - -Droomden zij toen de landen der Friezen en Sassen voor goed te zullen -onderwerpen aan hun heerschappij? De verwezenlijking van dien stouten -wensch scheen niet meer geheel onmogelijk, sinds keizer Lodewijk den -Deenschen koning Harold met een uitgestrekt graafschap ten oosten van -Friesland beleende, diens broeder Roruk Dorestad[1], Kennemerland en -Walcheren schonk. Wel luidde ’s keizers eisch: „Treedt toe tot de -christenen,” en de Deensche vorsten gehoorzaamden in schijn. Zij lieten -zich doopen, maar hun hart bleef koud voor de leer, die zij heetten te -belijden, koud als het pantser waartegen het klopte. En terwijl zij in -het geheim Odin vereerden en Thor, den Donderaar, was hun vermeende -afval een schoonschijnend voorwendsel voor nieuwe Noorsche legerdrommen, -om Harold, die zich had laten kerstenen, te bestoken in zijn pas -verworven bezittingen, roovend wat hun begeerlijk scheen, vertredend het -zwakke, neerstootend wie waagde hen te weerstaan. En het land sidderde -onder hun slagen en menige eigenhoorige was gedwongen bij het lijk van -zijn meester een noorschen geweldenaar te huldigen als heer, hem te -begroeten als gebieder in een door ruwe kracht veroverde stad of -versterkt landkasteel. - -Ook Rolfr Jarl dankte aan zulk een strooptocht thans zijn bezittingen. -Een zijner voorvaderen, ook Roruk geheeten, behoorde tot de „gezellen” -van hertog Godfried, dien Karel de Dikke beleende met een groot deel van -Kennemerland, op voorwaarde, dat hij dit zou beschermen tegen de -invallen zijner Deensche landgenooten. Wat baatte echter den armen -inwoners dit verdrag? Zij zagen Utrecht en Daventra, hun bolwerken van -christendom en beschaving, opgaan in vlammen, zij werden door Godfried -gedwongen stroppen om den hals te dragen. En velen schreven aan Rolfr -Jarl, den zoon van zijn gunsteling, het bevel toe om hun huisdeuren -tegen het noorden te timmeren en ze zoo laag te maken, „dat zij zich bij -het naar buiten treden steeds voor het vaderland hunner meesters moesten -buigen”.... - -En thans -- na meer dan een eeuw, -- die wel verademing had geschonken -aan het verdrukte volk, schoon geen geheele bevrijding, heerschte -opnieuw een Rolfr Jarl in het Sticht, toonde deze zich den naam van den -woesten Viking, van wien hij afstamde, volkomen waardig. Want ofschoon -de Denen thans bijna allen gekerstend heetten, en zelfs de -onverzoenlijke Friezen bogen voor het kruis, toch waren er nog velen -- -in West-Friesland vooral -- die den ouden godsdienst trouw bleven in het -geheim, die droomden hem te herstellen in het openbaar. En hun hoofd en -leider was Rolfr Jarl en thans drong hem in de ooren het kleppen der -klok van een christenkerk, die luidde, als ten plechtigen welkomstgroet. -Hij wist, wie dat nederige bedehuis had gesticht op den Hohorst, aan de -grens van zijn gebied, haast onder den ringmuur van zijn geduchten -Noormannenburcht. Al het bloed was geweken uit zijn lippen toen hij de -hand ophief, dreigend: „Bisschop Ansfried van Utrecht, ik neem uw -uitdaging aan! Thans zal het zijn tusschen u en mij, tusschen uw bleeken -God en Thor, den Geweldige, die den donderkeil richt! Gij hebt het zelf -gewild, het lot is geworpen!”.... - -Had hij overluid gedacht? Hij vroeg het zich af, want hij zag een -huivering gaan door Swanwitha’s gestalte. En dit kind mocht niet weten -zijn toekomstdroomen, die zich weefden in de schaduw eener kroon. - -Dichter trok hij den donkerblauwen mantel -- de kleur van Odin -- om -zijn schouders en zweeg opnieuw tot zijn hooge burcht in het gezicht -kwam. Een stevige, houten muur van scherp gespitste palen rees aan de -binnenzijde der breede gracht, waarover slechts een enkele ophaalbrug -toegang gaf tot de sterkte, die, als iedere Noormannenburcht, uit twee -gebouwen bestond, „den heuvel” genoemd en „het lage hof.” Op den uit -aarde en vastgetrapte klei vervaardigden heuvel, verhief zich de -rondgebouwde toren, het hoofdgebouw, omringd door een tweede gracht. -Daarin bevonden zich de groote hal, de vertrekken, bestemd voor den -burchtheer en zijn gezin, de wapenkamer en -- de diepe, onderaardsche -kerkers. - -Het „lage hof” bevatte de talrijke nevengebouwen, het valkenhuis, de -stallen -- slechts een gebrekkig afdak -- den boomgaard en den diepen -waterput. Een breede, leemen ringmuur omgaf zoowel den heuvel als het -lage hof; ter halve hoogte stak het staketsel waartegen hij was -vastgetrapt, er boven uit. Met de diepe buitenste gracht vormden beide -een geduchte borstwering tegen iederen aanstormenden vijand. - -Van plompe, ruwe steenen was de toren gebouwd; het looden dak liep spits -op; de kleine, halfronde vensters waren onregelmatig aangebracht en -zonder eenige versiering. Over een ongelijken weg van leem en klei -bereikte men de met ijzer beslagen ingangspoort. In het midden boven de -beide deuren was een paardekop vastgespijkerd, die, met den esch en den -vlierstruik, ter weerszijden geplant, het huis moest beschermen voor de -even geduchte als gevreesde macht der zwartalven. - -Terwijl Rolfr Jarl over de ophaalbrug reed, sprongen, luid blaffend, -groote losloopende doggen tegen hem op en gromde in de verte een beer, -opgesloten in een uit ongeschaafde boomstammen vervaardigd hok. - -Wrevelig sloeg de Jarl de honden weg met zijn zweep. Onbeweeglijk, als -uit erts gegoten, stonden in het lage hof, hun zwaardspel vergetend, de -talrijke krijgers, die het onmiddellijk gevolg uitmaakten van den -geduchten Noorman: met geen enkel gebaar werd hun eerbiedige -krijgsmansgroet beantwoord. - -„Fala’s paarden[2] zijn niet donkerder dan het gelaat staat van onzen -heer,” mompelde een in den strijd vergrijsde krijger. - -„Hij sloeg zelfs geen acht op mijn worp, en toch troffen mijn zwaarden -tegelijk den mast en ving ik ze, in het terugvallen alle drie op met -dezelfde hand,” antwoordde hem, gekrenkt en verbaasd, een makker. Want -uit te blinken in het „zwaardspel”, waarbij een hooge mast het wit -vormde der flikkerende wapens, bleef de trots van de „zonen der zee”, -zooals de Noormannen zich zelven bij voorkeur noemden. - -Rolfr Jarl was intusschen, door zijn kleindochter gevolgd, de steenen -trap opgegaan naar het hoofdgebouw. - -Het vertrek gelijkvloersch geleek meer een voorraadschuur dan een zaal: -opgetast lagen daar levensmiddelen van elken aard, in zakken en kisten; -wapentuig glinsterde aan de ongekalkte wanden; de bruine balken hingen -vol stukken gedroogd en gerookt vleesch en in het midden glinsterde het -water van een schier bodemloozen put. De Ravenhorst kon in ieder opzicht -een beleg of overval weerstaan: hechte wallen, zware muren, leeftocht in -overvloed.... „Ik ben op alles berekend,” verklaarde meer dan eens vol -zelfbewusten trots zijn eigenaar. Was hij dit inderdaad? Zelfs Achilles -bezat een kwetsbare plek.... Met een ruk schoof de burchtheer thans het -gordijn terug, dat van de ongelijke wenteltrap toegang gaf tot de hal. -Het was een hoog, somber vertrek. Ronde houten pijlers droegen een -gewelfde zoldering; de halfronde vensters lieten slechts een schemerend -licht door. Berenvellen met rood geverfde klauwen, wolfshuiden met -bloedigen muil prijkten langs de wanden, afgewisseld door hertengeweien -en slagtanden van wilde zwijnen. Met glinsterende wapentrofeeën, om -ronde schilden gegroept, waren de pijlers versierd. Hadden die gekruiste -speren en breede slagzwaarden kunnen spreken, een verhaal zou hebben -geklonken van veroverde wapens in woesten strijd, bij een brandenden -burcht of een geënterd schip op verre Vikingertochten. - -Een vuur, dat meer rook dan warmte gaf, smeulde in de rondgebouwde -schouw; door een zwaren, aan groote ringen bevestigden voorhang, kon de -hal in tweeën worden gescheiden. Op het verhoogde gedeelte, waarheen -enkele houten treden leidden, bevond zich, naast den bronzen zetel van -den halheer, de schenkdisch, waarop het schitterde van drinkhoorns en -bekers op gouden voet, versierd met edelsteen: geroofde schatten, in -bloedige vuisten gegrepen bij stoute rooftochten in verre, vreemde -hemelstreken. Biezen, in kunstige ruiten gelegd, bedekten hier den -vloer: het was de plaats, bestemd voor den burchtheer en zijn gezin. In -het lager gedeelte der zaal stonden banken en lange houten tafels langs -de wanden. Hier vonden wapenknechten en dienaars hun plaats, wanneer het -horensein van den hofmeester het geheele burchtgezin, zonder -onderscheid, bijeenriep tot den maaltijd. - -Toen Rolfr Jarl de hal binnentrad rees een statige vrouw op uit een der -beide zetels van het verhoogde gedeelte. Recht en ongebogen was haar -gestalte, toch had zij bijna zestig zomers zien komen en gaan. Het was -een gelaat waarop wilskracht haar stempel had gedrukt, eerzucht haar -merkteeken, dat zij nu tot den Jarl ophief. De donkergrauwe oogen -- -naar het scheen hadden zij nooit op iets, dat hun liefelijk toescheen -gerust -- bezaten een glans, die aan het koude staal deed denken; het -grijzende haar was bijna geheel verborgen door een breeden sluier, die -langs de wangen over de schouders plooide en op het hoofd werd -vastgehouden door een glinsterenden gouden band. Het effen blauwe kleed -hing in ruime plooien neer en werd om het middel vastgehouden door een -met gouddraad en dooreengeweven runen bestikten gordel. Met een -schuchtere beweging trad Swanwitha toe op de fiere vrouwengestalte en -kuste eerbiedig haar hand. Want het was vrouw Sigrid, de trotsche -burchtvrouw van den Ravenhorst zelf, die zich nu tot haar echtgenoot -wendde met de vraag: - -„Begeert Rolfr Jarl, dat terstond het sein wordt gegeven voor het -avondmaal? Wij hadden u reeds eerder verwacht en daarom de rust verlaten -van het vrouwenvertrek, dat gij, kind” -- zij wendde zich tot Swanwitha --- „in ’t geheim heden zijt ontvlucht. Ik heb u voorwaar geen -toestemming gegeven, alleen en onverzeld, door veld en woud te zwerven. -Ik verkies u daarom heden niet meer te zien. Ga!” - -Zij hief de hand op, het was alsof zij een slag wilde toebrengen. Een -angstige uitdrukking gleed over Swanwitha’s wit gezichtje: het strenge -gelaat van den Jarl scheen zacht vergeleken bij dat zijner vrouw; snel -verdween zij uit de zaal, zonder een woord te durven spreken. De koele -oogen van vrouw Sigrid rustten een oogenblik op de beide jonge vrouwen, -die in deemoedige houding op geringen afstand van haar zetel stonden. -Zij begrepen wat van hen verlangd werd en verlieten de verhooging. - -„Ik moet u noodzakelijk spreken, terstond.” Als een ademtocht gleed het -over haar lippen. De Jarl wierp een blik in de zaal, waar de maaltijd -werd opgedragen; de afstand was ver genoeg om niet te worden -beluisterd: - -„Is er tijding gekomen?” vroeg hij gejaagd. - -„Voor een uur en alles gelijk gij hebt gewenscht.” Zij trok een der -beide gordijnen dicht en vervolgde gedempt: - -„Welslagen wacht u als gij weet te handelen.” Zij zag een bezorgden trek -op zijn gelaat. Dringend hernam zij: „Of waant gij, dat het ras is -uitgestorven, dat eens, in dit land Daventra in vlammen deed opgaan en -in Utrecht zijn wetten voorschreef aan de christenen, zoowel priesters -als leeken? Nog zijn de zonen dezer helden door denzelfden geest -bezield. Zij zijn bereid tot den inval, maar eischen, dat gij u openlijk -aan hun hoofd stelt om hen te voeren tot een krijg, die ter overwinning -leiden moet.” Zij hief de armen op, als in vervoering: „Dan zult gij, al -is het ook in schijn, de knie niet meer behoeven te buigen voor de -afgoden der christenen, dan zult gij steun noch gunst meer behoeven van -den keizer! Ik heb de runen geworpen en de tijd is gunstig voor het -volvoeren van uw plan. Aarzel daarom niet langer. Odin en Thor trekken -met u ten strijd. Handel, en u is de zege.” - -Zij hield een perkament, met roode koorden omstrikt, met een waszegel -gesloten, in de hoogte. „Dit werd heden gebracht door den bode van Olaf -Erikson en van Harald Sigvatr.” - -Met een ongeduldige beweging schoof hij het perkament van zich: „Laat -Swanwitha roepen, zij moge het ontcijferen. Ik heb voor zulke dingen -geen geduld meer! Ik schrijf mijn tegenstanders mijn wil voor met mijn -zwaard, en laat hun die lezen in hun wonden.” - -Zij sloeg nauwelijks acht op zijn laatste woorden. „Gij verwent Witha te -veel. Zij weet meer van uw geheime plannen dan goed is. Het ergert mij -bovenmate. Zij is een kind”.... - -„Maar kan de letterteekens ontcijferen als de beste clerk en weet te -zwijgen, waar dit haar voegt. Zij gevoelt tot welk volk zij behoort.” -Plotseling hield hij in; een vreemde, strakke blik kwam in zijn oogen. -Tot welk volk zou Swanwitha willen behooren, wanneer die keus besliste -over haar levensgeluk? Tot dat van haar vader of van haar moeder?.... - -Welk denkbeeld deed hem nu haastig zeggen: - -„Draag zorg, dat Witha voortaan niet meer zonder geleide den Ravenhorst -verlaat. Ik vond haar heden in druk gesprek met den jongen Unruoch. Hij -is op den Hohorst te gast.” - -Veelbeteekenend klonken zijn laatste woorden. Zij fronste de zware -wenkbrauwen: - -„Witha en een christenslaaf! Dat ontbrak er nog aan!” - -„Dat niet: Unruoch is vrij geboren”.... - -„Maar dient hun afgoden.” - -„Hij zal beweren, dat wij dit doen.” - -Een straffe blik trof hem: - -„’t Is of gij heden u zelf niet zijt. In uw plaats had ik hem zoo -onschadelijk gemaakt, dat hij nooit meer kwaad kon stichten.” - -„Dat scheelt niet veel: hij ligt waarschijnlijk bewusteloos bij de -beek.” - -„En dáár laat gij hem! Uw burchtverlies is een betere plaats.” - -Hij begreep en streek zich met de hand over de oogen. - -„’t Is te gevaarlijk hem thans als gevangene hier te houden. Van middag -ben ik reeds te ver gegaan, in mijn drift, veel te ver. Alles komt -steeds het eerst hem ter oore, voor wien het verborgen moet blijven. De -graaf van Teisterbant”.... - -„Bisschop Ansfried, meent gij.” -- - -„Ge weet, dat ik dien naam niet kan verdragen. Hits er mij dus niet mee -op. Ik haat hem reeds voldoende onder den anderen. Hij dan, zou terstond -zijn beklag bij den keizer indienen en het is vooral thàns wenschelijk -Otto’s krijgsbenden ver van hier te houden.” - -Verachtelijk zag zij hem aan: - -„Vrees geeft u die woorden in. Gij vrèest hem. In de ooren klinken u nog -zijn woorden, nù nòg. Gij zijt bang!” - -Hij stiet een kreet uit veel gelijkend op het brullen van den beer -buiten; zijn vuist beukte den disch. - -„Bang! Ik! Vrouw Sigrid, weeg uw woorden!” - -„Ik heb ze gewogen; hadt gij het slechts uw daden gedaan.” - -Zwaarder leunde haar hand op den disch, strakker werd haar blik. - -„Hebt gij niet gezworen bij Odins oog, niet te rusten bij zonlicht noch -maanglans, eer de laatste christen is verdelgd uit dit onzalige land? -Nauwelijks een eeuw geleden heerschte hier hertog Godfried, de Noorman, -oppermachtig. Hij schreef met de spits van zijn zwaard zijn wetten voor -aan Franken en Friezen. Dien tijd zoudt gij doen wederkeeren. Antwoord, -Rolfr Jarl, luidde niet zoo uw gelofte?” - -Dreigend zag hij haar aan. - -„Zoo luidde zij. Doch, vrouw Sigrid, sinds wanneer brak ik dien eed?” - -„Sinds heden. Of hebt gij niet in vrijheid gelaten buiten, in het weeke -gras, hem dien uw hand neersloeg, doch uw vuist niet verpletterde, -Unruoch, den pleegzoon van het hoofd der christenen in dit land? Vloek -over u, dat gij schondt uw plechtigen eed, gezworen bij kletterenden -zwaardslag op het lustig Joelfeest te Upsal, in koning Harolds hal, in -het bijzijn zijner hooge helden. Wanneer hij het verneemt, zal u het -recht worden ontzegd te strijden in de groote aanstaande worsteling, -Odin ter eere. Vergaan zal uw roem, de vloek der goden treffen uw hoofd, -verlammen uw meineedige hand, die het wapen ophief ten heiligen eed.” - -Met een kreet strekte de Jarl zijn tot een vuist gebalde hand uit. Het -was alsof hij de vrouw wilde neerslaan, die waagde hem zulke smadelijke -woorden toe te voegen in zijn eigen hal, die hem met verachting in den -klank harer stem herinnerde aan zijn plechtige gelofte. Maar onbewogen -bleef haar strakke blik hem tarten, dof klonk het opnieuw: - -„Heb ik recht of hebt gij het, Rolfr Jarl?” Gramstorig zag hij haar aan, -maar vast klonk zijn antwoord: - -„Recht hadt gij tot nu toe, maar ook u zal de vergelding treffen. De -vrouw van een Noorman harnast haar tong, gij gebruikt die als -tweesnijdend wapen. Dat zal uw vloek worden.” - -Zij lachte schamper. - -„Geef geen aanleiding tot mijn woorden, dubbel treft u eenmaal de vloek, -niet mij. Iedere oorzaak sleept haar gevolgen met zich.” - -Vastbesloten stond hij eensklaps recht op zijn voeten. - -„Dat zal Unruoch ervaren!” Terwijl het wilde zwijnsvleesch werd -opgedragen en het bruine bier schuimde, gaf hij eenigen speerknechten -zijn bevelen. Zij snelden heen om Unruoch te zoeken, levend of dood.... - -Want hij had vrouw Sigrid de woorden hooren fluisteren van den geduchten -Brynhildr Sigurd: „Vecht liever met uw vijand, dan dat gij laf zoudt -zijn, en dood, wie u smaadde, des daags daarna tot vergelding zijner -beleedigende woorden”.... - -Maar hij dacht daarbij niet aan Odins spreuk: „Zalig, wie in het leven -zijn eigen raadsman kan zijn, want boozen raad ontvangt men dikwijls uit -het hart eens anderen.” - - [1] Wijk bij Duurstede. - - [2] Zoo werden door de Noren de nachtwolken genoemd. - - - - -HOOFDSTUK III. - - -De laatste, teere lichtstrepen van het avondrood waren geheel -uitgewischt; aan het donkere uitspansel schitterden de sterren. - -In haar klein vertrek was Swanwitha alleen. Zij stond op de in den muur -vastgeklonken bank bij het eenige venster -- op deze wijze alleen kon -zij een blik naar buiten werpen -- en zag naar de sterren, zonder ze te -zien. In de diepte lag het lage hof als een zwart vlak, alleen de -fakkels in de hooge hal ontstoken wierpen een rossen schijn over de -verwaarloosde leemen nevengebouwen. Aan hun ketting huilden de honden, -met dof gebrul antwoordde de beer, op de brug klonk hoefgetrappel. Wat -beduidde dat nog zoo laat? - -De brug werd reeds opgehaald voor den nacht toen zij met haar grootvader -terugkeerde. Haar lippen beefden. Nu wist zij zonder te zien... Zij wist -wien de bleeke trekken behoorden, wie als gevangene werd gevoerd in het -huis, dat ook haar woning was. De roode fakkelschijn uit de zaal viel -op zijn gelaat, bloed kleefde aan zijn haren, zij zag zijn geknevelde -handen. Zij wist het. - -Zij hief de armen omhoog als smeekte zij een teeken uit den hooge: - -„Kan dat de wil van Odin zijn? Luidt niet zijn bevel: „Verheug u niet -over het ongeluk van uw vijand; kastijd niet, wie zwakker is dan gij -zelf.” - -En toen zacht, héél zacht: „Hebt uwe vijanden lief,” gebiedt de leer der -christenen. O, wat is waarheid, wie zegt het mij, wie, wiè?” - -Onbeantwoord bleef haar vraag door menschenlippen, maar aan den donkeren -hemel verhaalden de sterren in vlammend schrift van Hem, Die de werelden -schiep en regeert, van Wien alle volmaakte giften afdalen, omdat Hij -zelf is de Volmaakte liefde. - -Swanwitha streek zich over de oogen, haar hand beefde, onrustig klopte -haar hart. Wat was hiervan de oorzaak? Zij vroeg het aarzelend, en -durfde zich zelve haar gedachten bijna niet bekennen. Maar er zijn -oogenblikken in ieder leven, waarin de macht van het verleden, dat in -herinnering leeft, waarin zelfs de kracht der gewoonte moet wijken voor -nieuwe invloeden. - -Wanneer had die nieuwe invloed zich laten gelden in haar leven? Wanneer? - -Was het op dien schoonen klaren dag, toen de lentezon straalde over de -wijde heide, de harsachtige knoppen der dennen zwollen en witte wolken -zeilden langs het azuur der lucht? Zij dwaalde door woud en veld, gelijk -zij zoo gaarne, zoo vaak deed als het haar vergund werd. Haar klein -gevolg had zij teruggezonden, nu reed zij langzaam langs den oever van -de Eem. Plotseling deed haar paard verschrikt een zijsprong. Had een -adder het gestoken? Bruin en lenig kronkelde er een over het pad en -verdween tusschen de dorre bladeren. Maar het paard luisterde naar stem -noch teugel meer, voort rende het in woeste vaart, zij klemde zich vast -aan zijn manen, spannend, overspannend haar kracht. De oude boomen, die -zoo menigmaal haar helderen lach hadden weerkaatst, hoorden nu haar -hulpgeroep. Tevergeefs. Geen arbeiders waren op het veld, eenzaam was de -woudweg, waar de zonneschijn met gouden gloed trilde op de bemoste -stammen. Rustig stroomde de rivier verder, geen visscher kliefde met -zijn boot den stroom, geen zeil klapperde op den wind. Zou de breede weg -der wateren haar worden ten zwijgend graf? Want verlaten bleef geheel de -omtrek, alleen ging zij het vreeselijk einde tegen, dat niet uit kon -blijven na den wilden ren. - -Niet meer. Een vaste hand greep den teugel, dwong het hijgende paard tot -stilstaan. Hield de korte worsteling tusschen dierlijke en zedelijke -kracht, die zij mee doorleefde, niet een angst in, meer dan menig leven -droeg? - -Want temde niet het meest zijn blik, de moedige, zelfbewuste blik, die -ook het roofdier der wouden in bedwang houdt, het wilde verzet van het -steigerende ros? - -Hij hield het strak aan den teugel, zag het recht in de oogen, dwong -het tot stilstaan met trillende flanken en tusschen de tanden vlokkig -schuim. - -„Stijg af,” klonk nu zijn stem tot Swanwitha. „Gij hebt u flink -vastgehouden, een val zou misschien uw dood zijn geweest; kom nu.” - -Zij zette gehoorzaam haar in een laag, rood schoentje gestoken voetje op -zijn hand en liet zich door hem dragen, meer dan zij ging, naar een -kleine heidehoogte. Hier liet hij haar geheel tot zich zelve komen -- -het paard stond reeds gebonden aan een boom -- zwijgend zat hij naast -haar, maar de lentewind bruiste zijn jubelzang boven beider hoofd. Hij -droeg nieuw leven aan en kuste in de akkers de zaadkiemen wakker, die -gesluimerd hadden lang, heel lang, schijnbaar verstijfd in den ijzigen -greep van den winter. Zou de zonnegloed ze kunnen wekken tot nieuw -leven? Liefde verwint.... - -„Zoudt gij nu mee kunnen gaan?” vroeg hij eindelijk. „Gij kent mij toch? -Ik ben Unruoch, de pleegzoon van... een der pleegkinderen mag ik wel -zeggen, van bisschop Ansfried.” - -Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen. Vriendelijk rustte zijn -heldere blik op haar gelaat, zijn breed voorhoofd was kloek gevormd, -edel van lijn zijn mond... „Ik weet, dat.... dat bisschop Ansfried alle -armen en ongelukkigen, die tot hem komen een tehuis schenkt, bovenal -kinderen, die van hun ouders zijn beroofd door de invallen der -Noormannen,” sprak zij zacht, om er toen haastig op te laten volgen: „En -ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl.” Haar blik gleed door de bruine -takken der boomen. Hoog en plomp rees in het verschiet de Ravenhorst; -als een steenen reus teekende zich de grauwe toren af tegen het blauw -der lentelucht, overmachtig, geheel den omtrek beheerschend, kil en -koud. - -Het was als onttrok Unruoch zich met geweld aan zijn gedachten. Had ook -hij de fluisterstemmen verstaan der ontwakende natuur, die meer -verhaalden dan van lenteweelde en bloesempracht alleen? - -„Ik begrijp wat gij meent, maar bisschop Ansfried zal u daarom even -welwillend bejegenen. Zijn godsdienst leert: „Hebt uwe vijanden lief.” -Doch ook zonder dat zou hij u niets verwijten. Gij kunt immers niet -helpen wat hier geschiedt of reeds is gebeurd.” - -„Siva, mijn voedster, zegt, dat hier vroeger allen reeds christenen -waren,” hernam zij beschroomd. „Maar door de invallen der Denen hebben -velen zich weer afgewend van een godsdienst, die hun was opgedrongen -door de overmacht der Frankische keizers.” - -„Het is geen zwaar verlies voor de christenkerk, dat zij nu leden mist, -die haar leer aannamen alleen met de lippen; wel dat velen haar -verlieten uit vrees voor uw -- voor de macht der Noormannen. Maar kom -nu. Gij hebt iets noodig na den doorgestanen schrik en bisschop Ansfried -kent menig goed geneesmiddel.” - -Zij stond op en volgde hem in groot vertrouwen. Wanneer een verwante -van den bisschop den Ravenhorst was binnengegaan, zou die haar ten -kerker zijn geworden, dat wist zij. Toch volgde zij, zonder aarzelen of -vragen den onbekende, die haar voerde naar het „broederhuis” op den -Hohorst. Daar hield thans bisschop Ansfried verblijf, wiens leven haar -grootvader bedreigde, schier brak, door zijn geheime en openlijke -vijandschap. Had hij dit leven reeds vroeger geknakt? Zij wist het niet, -zij volgde Unruoch en een wonder gevoel doortrilde haar hart. O, als hij -haar hand in de zijne had genomen, had gezegd: - -„Ga met mij, voor altijd. Laat alles achter wat gij bezit en, dat toch -uw hart koud laat. Want, kleindochter van den machtigen Rolfr Jarl, -erfgename van zijn bezittingen, gij bezit niets. ’s Levens hoogste goed -werd u onthouden, niemand heeft u lief,” -- dan zou zij hem gevolgd zijn -tot het einde der aarde, in onbegrensd vertrouwen, in vast geloof aan -zijn trouw. - -„Nieuw leven,” verkondigde het suizen van den wind, het lachend -lente-zonnegoud, nieuw leven.... - -En, zonder iets te vragen, had de bisschop haar van zijn krachtige -medicijnen gegeven, haar verzorgd als een vader zijn kind. Schuw had zij -opgezien tot zijn eerwaardig, door zilveren lokken omlijst gelaat. - -„Ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl”.... Een schuchtere blik had haar -woorden aangevuld. Toen had hij geglimlacht, o, zoo droevig en zacht. - -Het was of zijn trekken werden bewogen door herinneringen aan geleden, -nooit geheelde smart, aan vervlogen, nooit vergoed geluk. Tranen -sprongen haar in de oogen. En toen had hij haar verhaald van den -barmhartigen Samaritaan, die niet zwijgend voorbijging, bij leed en -nood, zooals de priester en de Leviet. Het klonk haar even edel en goed -toe als Unruochs woord: „Hebt uwe vijanden lief.” - -Hamerslagen braken de stilte af, die volgde op de woorden van den -bisschop. „Als mijn kerk wordt ingewijd op den Hohorst, moet gij ook -komen,” hernam hij toen. „Dan zult gij hooren van den Goeden Herder, Die -ook Zijn afgedwaalde schapen niet vergeet. Ook gij zijt Hem dierbaar, -Swanwitha! Ook u wil Hij een plaats geven in Zijn eeuwig huis.” - -Wat klonk dat alles vreemd! De vrouwen gingen immers allen, zonder -onderscheid, naar Hela, Nevelheims bleeke godin. Voor hen stond geen -Walhalla open, gelijk voor de hooggehelmde helden, die sneuvelden in den -slag, en door de schildmaagden werden gevoerd in Odins zaal -- Wodan -werd hij genoemd bij Friezen en Franken -- om daar, gewekt tot nieuw -leven -- te kampen om den overwinningsprijs, om juichend, in den roes -der zegepraal, gerstebier te drinken uit de schedels hunner verslagen -vijanden.... Zoo luidde de leer der Noormannen. En toen dacht zij aan -haar moeder; herinneringen kwamen, en wat zij nu gehoord had was haar -niet meer onbekend, schoon haast vergeten. Maar opnieuw had de stem -geklonken van den bisschop, zulk een ernstige tot het hart doordringende -stem! Het was haar of onzichtbare handen gouden harpen sloegen, toen hij -sprak langzaam en plechtig: „Ik heb lief, die Mij liefhebben en die Mij -vroeg zoeken, zullen Mij vinden.” - -„Denk aan die woorden, mijn kind, vergeet ze nooit en als gij ooit in -zorg of lijden verkeert, kom dan hier en zoover menschelijke macht -reikt, zal ik u helpen.” - -Lang vergeten beelden kwamen en gingen bij die woorden; weer verrezen de -herinneringen uit haar vroegste jeugd. Woorden vol licht en geloof -wierpen hun glans over het heden vol twijfel en vergetelheid.... - -Dit was nu reeds verscheidene weken geleden en thans zou hij zelf in -zorg en lijden verkeeren, de grijsaard, dien honderden hoog vereerden en -liefhadden, doch dien haar grootvader vervolgde en haatte. - -Nu werd Unruoch, zijn lieveling, gebracht, als gevangene gebracht, naar -de diepe, donkere kerkers van haar huis, die nooit hun slachtoffers -teruggaven, nooit meer. - -„Hebt uwe vijanden lief,” gebood de leer der christenen en de aanhangers -van Odin oefenden wraak aan schuldeloozen. - -Onrustig, gejaagd, bestormd door gedachten, die zij zich nauwelijks -durfde bekennen, ging Swanwitha op en neer in haar klein vertrek. De -eenzaamheid was om haar, alleen twee angstige oogen zagen haar aan uit -een door leed en zorg vertrokken gezichtje, toen zij bij toeval een blik -wierp in den staanden, blinkend gepolijsten spiegel. Wat was -gevoelloozer, dit staal of de harten der menschen? Snikkend zonk zij -neer bij haar smal bed en drukte het gloeiend voorhoofd in het -hertevel, dat tot dekkleed diende. Krampachtig woelde zij met de handen -door het golvende haar, de gouden voorhoofdband raakte los, die de -lange, glinsterende lokken bijeen hield, over den vloer rolde hij met -zacht gerinkel. Ach, wat baatte haar dat blinkend goud, wat haar -gordelband versierd met purperen robijnen, wat de spangen en armringen, -die zij bewaarde in het kleine, zilveren kistje, dat eens haar moeder -had behoord? Zij kon er Unruoch de vrijheid niet door hergeven. -Lijfdienaars en eigenhoorigen stonden op den Ravenhorst in strenge -tucht; niemand zou wagen den gevangene van hun heer te helpen -ontvluchten. En toch, iets moest gedaan worden, iets. Dieper begroef -Swanwitha het gelaat in de blanke armen. Schier vergeten woorden, eens -opgevangen van de lippen harer moeder, fluisterde haar mond. Het klonk -als een gebed. - -Siva kwam. Melk en brood bracht zij voor haar pleegkind, de kleindochter -van den burchtheer, die was weggezonden uit zijn hal, in het bijzijn van -eigenhoorigen. - -In het licht der ontstoken kienspaan, door Siva bevestigd in een kram -aan den muur, fonkelden de robijnen van Swanwitha’s gordelband. Groote -bloeddruppelen schenen zij en het was haar of ook haar bloed zou -wegvloeien, warm, rood hartebloed. En weer fluisterde zij het woord, -eens van haar moeder geleerd: „Zalig zijn zij die treuren, want zij -zullen vertroost worden”.... - -O, wie zou háár kunnen troosten, wie? - -Ook dat woord was een van de spreuken der christenen. Haar moeder had -hun geloof gedeeld, ach, waarom was zij zoo vroeg gestorven? Nu was haar -kind in strenge afzondering opgegroeid op den Ravenhorst, onder het oog -eener grootmoeder, die in ’t geheim tot Odin en Frigga haar gebeden -richtte, bewaakt door Rolfr Jarl wiens levensdroom was iederen Viking, -die met zijn gezellen zijn Noorsch vaderland ontvluchtte, omdat ook daar -het christendom ingang begon te vinden, een nieuw erfland te schenken -waar de reizangen zouden klinken Odin ter eer en het beeld van Thor, den -Geweldige, zou prijken in tempels en heilige wouden. - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Een nieuwe morgen lichtte aan. Het grijs van den hemel was weggesmolten -in teer opaal en bleeke rosetinten. Goudgesluierd verrees de zon, de -aarde baadde in glans en in de verte schenen de boomtoppen, zacht -bewogen door den ochtendwind, de golven eener groene zee. Voor het -kleine, diep in den muur aangebrachte halfronde venster van haar vertrek -stond weer Swanwitha en staarde, staarde.... - -Haar hadden de zonnestralen niet gewekt uit een kalmen sluimer; wakend -was voor haar de nacht voorbijgegaan. Nu rustte opnieuw haar strakke -blik op den hoogen wal en de gesloten poort. Wat kon zij, wat kòn -zij?.... Zonder geleide mocht zij zelfs den Ravenhorst niet meer -verlaten. De wil van vrouw Sigrid was de wet van haar omgeving. De -poortwacht wist dus reeds dit nieuwe bevel. Swanwitha’s hart beefde, -zacht fluisterden haar lippen: - -„O, als ik slechts kòn.... zijn vrienden waarschuwen, den bisschop.... -Hij heeft stellig veel vrienden, die hem liefhebben en ik heb niets dan -hem alleen en nu sterft hij hier verlaten en ik kan niets voor hem -doen, niets!”.... - -Het hooge gevoel, dat in haar hart leefde, hief haar niet op, maar boog -haar neer tot de aarde, in radelooze, vernietigende smart. De witte -rozen, die zich langs den vensterboog slingerden, waren niet bleeker dan -haar gelaat, haar handen wrongen zich ineen: zij had verleerd ze te -vouwen. Een horensein klonk. Helder en licht brak het geluid op den -gevel van het hoofdgebouw. Wat kon dat zijn? Hopend op een redding, die -zij niet durfde verwachten, boog Swanwitha uit het venster. - -En zoo zag haar de vreemdeling, die nu den slothof binnenreed. Het witte -gezichtje omgeven door den wiegelenden krans van rozeknoppen en blanke -bloesems -- nooit zou hij het meer vergeten, nimmermeer. Evenals zijn -klein gevolg was de nieuw aangekomene gehuld in het glinsterend -maliënkleed, zelfs het vizier van zijn helm hield hij neergeslagen, maar -eerbiedig hielp de oude hofmeester hem afstijgen, toen hij den ring zag, -die hem werd gereikt. - -[Afbeelding] - -„Dit aan uw Jarl. Leid mij tot hem.” De hofmeester boog; verwonderd -volgde Swanwitha’s blik de ranke gestalte. Het was of de vleugels van -den witten gier, de eenige helmtooi van den onbekende, rezen. Wilden zij -hem meevoeren hoog, héel hoog? Hij stond op de breede treden in zijn -zilverblinkend pantser, om hem ’s hemels blauw en de schittering der -blanke vleugels. Maar hij zag alleen het schoone meisjesgelaat. Evenmin -als de hare streefde zijn blik omhoog. Zijn horensein had geklonken -als een zegezang, een jubel van aardsche glorie en aardsch geluk. Maar -lijfdienaars snelden toe, grepen ook de paarden van zijn gevolg bij den -teugel, wijd geopend werd de poort van het hoofdgebouw. Welgevallig -sloeg menige verweerde krijger den blik naar esch en vlier, naar den -paardekop boven den ingang, heimelijk vormde meer dan een vuist het -hamerteeken. De jonge aanvoerder zag het eene noch het andere, zijn blik -hing aan het rozenomrankte venster, aan het meisjesgezichtje, dat zelf -een witte roos geleek. Maar op den drempel verscheen Rolfr Jarl; met de -hoffelijkheid den Noren eigen, bracht hij zijn onverwachten gast den -welkomstgroet. Naar het verhoogde gedeelte der hal geleidde hij hem, -zelf hief hij den gouden, in den vorm van een paardekop gedreven beker -van het blad, dien de hofmeester zich haastte te brengen. Zijn gejaagde -bewegingen verrieden de spanning, waarin hij verkeerde. - -Zij vormden een groote tegenstelling, de man met het vermagerd gelaat en -den diepliggenden blik, waarin het gloeide van een vuur, dat verteerde, -doch niet louterde, wien ’s levens ontgoochelingen scherpe voren hadden -getrokken in het breede voorhoofd, omdat hij alleen van het aardsche -leven alles had gevraagd en verwacht, wiens vastgesloten lippen in hun -sombere lijnen verhaalden van eerzucht, die tot hartstocht werd, tot -onbevredigden hartstocht, en de jongeling wiens oogen straalden van een -toekomstverwachting, wolkeloos als de zomerhemel buiten. - -Maar thans verhelderde een flauwe glimlach de sombere trekken van Rolfr -Jarl, terwijl hij, eenige druppels plengend, zijn gast den welkomstdronk -bood: - -„Drink heil, Olaf Erikson. De wind, die den wil der goden weet, heeft uw -vloot den weg gewezen, voer nu weldra over den golvenden stroom uw -drakenschepen hierheen, Thor ter eere, den Alvader tot zege en heil.” - -Hij hief de hand op met plechtig gebaar en terwijl Olaf vol eerbied het -hamerteeken maakte over den beker, eer hij dien aan zijn lippen bracht, -volgde zijn blik die beweging. Door de tegenover elkander liggende -vensters viel het helle morgenlicht in de hal. Het brak de somberheid -der donkere hoeken en van de bruin berookte zoldering en wierp over het -uitgestrekte landschap zijn wemelenden glans. Aan de eene zijde van den -Ravenhorst strekte zich de heide uit, daar stonden de dennen als -reuzenlansen, hun takken schenen pijlen, gereed te snorren van den boog. -Onder hun forsche kruinen huilde ’s nachts de wolf en woelde het -everzwijn den bodem om met zijn scherpe slagtanden; daar vernam de -behoedzame jager alleen het gedruisch zijner eigen schreden en het -kraken van het struikgewas, wanneer de opgejaagde roofdieren voor hem -vluchtten in razenden ren. Het was of de Eem, die ter anderer zij den -Noormannenburcht bespoelde, en breed, als een zilveren lint, zich -slingerde door het landschap, de grensscheiding vormde tusschen de -woeste heide en het ontgonnen land. Langs zijn groene oevers verhieven -zich verspreide hoeven, de meeste omgeven door slooten en moeras, als -welkom verdedigingsmiddel. Hun middenpunt vormde de Hohorst met zijn -halfvoltooid houten klooster en klein steenen kerkgebouw. In het verre -verschiet rezen de wallen en torenspitsen van Bacheforth,[3] het sterke -slot. De lage houten huizen, die het omgaven, verhaalden in hun -toegenomen aantal van vernieuwde welvaart na jaren van ellende en -strijd. - -Rust zweefde over geheel den omtrek, in zomerweelde verzonken lag het -landschap, vredig steeg de blauwgrijze rook omhoog uit de opening in het -rieten of met plaggen beschutte dak van hoeve of heem. Omhoog, als -eenmaal die der gewijde offeranden in Salomo’s tempel, stegen die -rookzuilen, goudgetint door de breede stralenbundels van het licht, dat -neervloot van den hemel om zich te vereenen met den oprijzenden lofzang -der aarde. Of waren zij geen lofzang gelijk de volle, plechtige -metaalklanken, die dreunend van den torentrans op den Hohorst, de ruimte -vulden, de stilte braken, omhoog stegen als een jubelzang van een -toekomstheil nog onbegrepen door wie hen thans hoorden? - -De dreigende flikkering in Rolfr Jarls blik schonk nogmaals een antwoord -van haat aan dien juichenden klokkenzang. Had Olaf Erikson andere -stemmen verstaan in die statige galmen? Een ernstige uitdrukking -verscheen in zijn peinzende oogen. Het waren oogen, die een wereld van -gevoel verborgen in hun diepten, blauw als de stralende zomerhemel, -ondoorgrondelijk als de zee van het zuiden, die parelen verbergt onder -haar schitterend golvenvlak en -- onzichtbare klippen. Ook hij hief de -hand op, -- het scheen een waarschuwing: - -„Voor rust zal daar weldra onrust heerschen, waar nu het leven lacht, -treurt dan de dood en schreit de wanhoop. Handelen wij goed?” - -De borstelige wenkbrauwen van Rolfr Jarl vormden een enkele -saamgetrokken streep, toen hij norsch antwoordde: - -„Hebt gij berouw of koestert gij vrees, Olaf Erikson? Wilt gij onder -schoonschijnende voorwendsels uw heiligen eed ontduiken?” - -Met de beide eerste vingers zijner gespierde rechterhand vormde Olaf het -hamerteeken op zijn voorhoofd, eer hij sprak: - -„Gezworen heb ik bij Odins speer en bij den donderkeil van Thor, en -onverbrekelijk blijft die eed, gelijk hij dit steeds was ook voor de -geslachten, die ons voorgingen, in lang vervlogen eeuwen. Want wat -wisselt of verandert, Alvader blijft, zijn almacht heerscht. Dat zegt -mij de stem van mijn hart. Wat is, was altijd en wat de toekomst zal -brengen ligt besloten in het heden.” - -Hij besefte niet welk een eeuwige waarheid hij uitsprak met deze -woorden. - -Bijna plechtig ging hij voort: - -„Gestand doende den eed, dien ik voor u aflegde, als in Odins -tegenwoordigheid, heb ik opgeroepen al de mannen en jongelingen, die in -mijn Noorsch vaderland, evenals ik, de leer verfoeien van den -Gekruiste, den lafhartigen godsdienst uit het Zuiden, die thans zelfs -Odins leer dreigt te overheerschen in de erflanden der helden. En vele -honderden hebben gehoor gegeven aan de woorden en beloften, die mijn -boden hun brachten in uw naam. Harald Sigvatr, vergrijsd in roem en -wapendaden, bevindt zich bij ons, als aller raadsman. Weldra sneden onze -drakenschepen de golven, hoog spoot het vlokkig schuim op voor den boeg. -Thans kruist de vloot niet ver van het Sincfal. Gereed is zij om de -stroomen op te zeilen, die haar zal brengen in het hart van dit land. -Alleen wacht zij op uw woord, dat de ure daar is om Odin en Thor een -nieuw rijk te scheppen. Met deze vraag kom ik tot u, in naam van Viking -en bemanning. Wat moet ik hun antwoorden? Komen wij ter rechter tijd, -heeft onze inval kans van slagen?” - -Diep haalde Rolfr Jarl adem, het was of een last zijn borst ontzonk of -zijn trekken minder stroef werden, toen hij antwoordde: - -„De ure is daar. Gunstig de tijd. Zelf zal ik -- als het onbemerkt -mogelijk is -- met u gaan om de vloot naar Utrecht te voeren, de -sterkste stad van dit land.” - -Hij streek zich met de hand over het voorhoofd: - -„Zoo zal dan de droom van mijn leven verwezenlijkt worden, nu mijn -grijze haren mij toeroepen, dat ik weldra zal worden verheven om het -heil te deelen der helden in Odins hal. - -Het zij! Wellicht val ik in den slag en word ik verkozen tot Einheriar -van den Alvader. Dan zal ik de overwinning zien, maar gij, Olaf -Erikson, zult er de voordeelen van genieten.” Kwalijk verborgen -ijverzucht klonk in zijn stem. -- „Dan zult gij nooit die jaren van -onmacht kennen, zooals ik ze heb doorworsteld, nooit, in het hart een -dof gevoel van haat, dat iederen ademtocht tot een marteling maakt, -behoeven te dulden, hoe een ras, dat gij veracht en verafschuwt, om den -godsdienst dien het belijdt, steeds toeneemt in macht. O, hoe menigmaal -heb ik vol nieuwe hoop een Vikinger vloot de rivieren zien opzeilen van -dit land, hoop, die geleden teleurstelling slechts te feller deed -schrijnen. Dan, als weeklagend het landvolk vluchtte en steden en kerken -opgingen in vlammen, riep ik den overwinnaars toe: - -„Keert niet terug! Blijft! Sticht u hier een nieuw rijk; een rijk voor -Thor en Odin!” - -Maar, zij haalden de schouders op, spottend: alleen zucht naar buit -dreef hen. Zij zeilden verder, zelfs naar de groene eilanden van -Grecaland, ver in de zuidelijke zeeën, waar het water zijn kleur leent -van het hooge gewelf der lucht, de woonplaats der goden. Soms wezen -eenigen mij met bijtenden spot op het voorbeeld van hertog Godfried en -ook op dat van mijn stamvader. Honend klonk het mij dan tegen: - -„Ook zij namen bezit van geheele landstreken, maar weldra werden zij -genoodzaakt die op te dragen aan de Karolingische vorsten en ontvingen -ze terug als leen, op voorwaarde, dat zij zich lieten onderdompelen in -het doopwater. Dan héétten zij christenen. Wenscht gij dat voorbeeld -gevolgd te zien door ons? Ook uw vader behoorde tot hen, die een kruis -slaan in stede van een hamerteeken!” - -En allen, die zoo spraken, haatte ik, maar grooter nog was mijn -verachting. Vaak ben ik in de eenzaamheid gevlucht om te ontkomen aan -ieder menschelijk wezen, heiden of christen. En eens, toen ik in toorn -en verbittering uitriep, -- weer had ik in de verte aanschouwd hoe een -Viking zich liet doopen door den bisschop van Utrecht, om zich een -erfgoed te verwerven en gezag: - -„Odin is dood, ik wil sterven als hij!”.... was het of mijn hand werd -tegengehouden, de hand waarmee ik reeds het zwaard ophief om het te -dompelen in eigen borst. Een nevel kwam voor mijn oogen, in de verte, -daar waar de zon wegzonk aan den gezichteinder, legerde zich een witte -sluier over het veld en het was mij eensklaps of oprees uit dien -zilverglans de statige vrouw met den gouden voorhoofdband en den -glinsterenden barnsteenen halsketen, de Brinsigamen. Geen twijfel, -Frigga, Odins liefelijke gemalinne, stond voor mij: - -„Vrees niet,” sprak zij zacht: „Alvader is onsterfelijk. Geen -menschenmacht kan verbreken wat waar is en eeuwig. Sticht gij alzoo den -eeuwige een nieuw rijk. Dit zij de taak u toevertrouwd op deze aarde.” - -Geknield beloofde ik haar wat zij wenschte, de machtige godin. De -bindende gelofte legde ik af, de hand opgeheven naar de verheven -woonplaats der goden, waar in hetzelfde oogenblik Odins wagen zichtbaar -werd, het schitterend, zevenvoudig sterrenbeeld. En geen bliksemschicht -geslingerd door Thors hamer, sloeg mij neer. De Alvader nam mijn gelofte -aan”.... - -„Toch deedt gij wat hij heeft verboden, de hand opheffen naar zijn van -licht stralend Walhalla.” - -„Het was het geweldige oogenblik, dat mij dreef. Alvader wist het. Hij -leest in de harten der stervelingen.” Rolfr Jarl begreep de beteekenis -niet zijner woorden: hij vereerde als godheid een schepping van -menschen. Zou ooit de dag nog voor hem aanbreken waarop hij den Schepper -der menschen aanbad? - -Hij trad aan het venster en staarde naar buiten, verdiept in -herinneringen, die sneden scherp als het zwaard, dat hij zoo dikwerf had -opgeheven in den bloedigen slag. Klonk daarom zijn stem hard en koud, -nog meer dan gewoonlijk, toen hij eindelijk hernam: - -„Het overige weet gij. Ik leefde in een ijzeren tijd en was zelf van -ijzer. Geen middel liet ik onbeproefd om den ouden eeredienst de macht -van weleer te hergeven. Het was te vergeefs. Zelfs aan het hof der -Noorsche vorsten vond ik geestelijken met kruisen en kaarsen, -psalmgezang in christenkerken werd ook daar reeds gehoord, maar verstomd -waren de reizangen bij het plechtig offermaal. Verboden werd het heilige -paardevleesch te eten, niet langer vlamde de brandstapel van den doode. -Bij de koele bronnen werd geen water meer geschept onder stille gebeden, -esch noch vlier waren meer heilig, de wolf was niet langer Odins bode, -maar een roofdier, waarop jacht moest worden gemaakt. Het roodborstje -bleef niet aan Donar gewijd, niemand kweekte meer huislook op het dak, -of vereerde nog de alruinen als huisgoden. Geen rund, de hoornen met -veelkleurige linten omvlochten, werd geslacht den goden ter eere door -priesters, wien de eikenkrans ruischte om de slapen; geen hamerslag -wijdde meer de bruid of het lijk van den held, wiens geest door de -schildmaagden werd gedragen naar het stralend Walhalla.... - -De oude tijd was voorbij met de oude zeden, met het geloof der vaderen. - -Toen reisde ik, -- vermomd als Skald -- van land tot land, van stad tot -stad, van de eene hoeve naar de andere en ik zong, bij de klanken mijner -harp, het oude geloof, de vroegere gebruiken terug in de harten der -menschen. Schouderophalend werd ik aangehoord aan de luidruchtige hoven, -maar volgelingen vond ik in de stille bosschen, waar de vervlogen eeuwen -hun runen schreven in de grijsbemoste stammen. Het volk sloeg geloof aan -mijn woorden. Velen dreef ontevredenheid met bestaande toestanden aan -mijn zijde, hun aantal nam toe met den dag, vooral in Noorwegen waar -eens Harald Haarfager de macht der onderkoningen had geknot, wat vele -Noren opnieuw den weg der zwanen had doen kiezen op het wiegelend -drakenschip, tot zij IJsland en Groenland ontdekten om ook daar Odin een -nieuw rijk te stichten. - -Ik behoefde de nakomelingen van die stoute zwervers slechts te -herinneren aan hun fiere vaderen om hun het woord te ontlokken: „Wij -volgen hun voorbeeld.” - -Want bruisend joeg de gedachte hun het bloed door de aderen, dat Olaf -Trygväson, Haralds achterkleinzoon, thans tracht het christendom ook in -Noorwegen in te voeren. Velen van zijn tegenstanders bevinden zich -ongetwijfeld op de vloot?” - -Olaf knikte. „Zij vormen een groot deel der bemanning. Maar wat -Noorwegens afvallige vorst betreft, het zal hem niet gelukken, zijn -voornemen te volvoeren, naar ik geloof. Ook Haralds zoon, koning Hako, -was een christen en in Engeland opgevoed. Maar zooras hij den troon -beklom van het Noorden werd hij gedwongen in de heilige tempels te -offeren. Had hij volhard bij zijn eerste weigering, dan was hij door -zijn eigen volk omgebracht.” - -De blik van Rolfr Jarl gloeide: - -„Zou thans inderdaad de tijd daar zijn, de tijd die mijn stoute plannen -vormt tot hooge werkelijkheid? De gansche aarde aan Odin gewijd, en -onderworpen aan zijn helden. Waar nu het psalmgezang der christenen -weerklinkt, zal daar worden aangeheven het strijdlied van Thor?” - -„Het is niet onmogelijk. Sven, de machtige Sven van Denemarken, is een -hevig vijand der christenen. Gij weet, dat hij Ethelred van Engeland, -laf als een christenvorst moet zijn door zijn godsdienst, van den troon -heeft gestooten en nu in Engeland onbeperkt gebiedt. De rijksgrooten -dienen liever den Noorschen held dan hun flauwhartigen koning. Sven -heeft gezworen, dat Odins tempels weldra zullen rijzen aan de Theems. -Volgen wij zijn voorbeeld in dit land. Weg met alle aarzeling. In bloed -werd steeds Odins rijk gesticht. Voer gij ons, in leven en dood, naar -Walhalla of naar Hel en steeds zal mijn speer flikkeren waar uw schild -schittert.” - -De trekken van den Jarl verzachtten zich. „Heb dank! Gij brengt dit volk -de ware vrijheid; hoog zullen eens allen u houden als hun held en hun -heer.” - -In vervoering sprak Rolfr met de stafrijmen van zijn volk, waarvan niet -de eindlettergreep doch de aanvangsletter van een of meer op elkander -volgende woorden dezelfde was. - -Olaf hernam ernstig: „Hoe zou ik anders kunnen? Het geldt Odins eer, -zijn eeredienst is de hoogste, omdat zij wortelt in kracht en moed, en -tegenover u drijft mij de plicht der dankbaarheid. Gij hebt mij uit de -macht van heerschzuchtige verwanten gered, door uw toedoen heb ik mijn -erfdeel terug ontvangen. Gij hebt mij de oogen geopend voor de dwaalleer -der christenen, toen ik als jongeling wankelde, bedwelmd door den -wapenroem der ridders aan het hof van keizer Otto, waar men mij als -gijzelaar hield. U dank ik meer dan het leven: mijn onsterfelijke eer. -Onbevlekt bleef mijn schild, dat ik eens hoog zal kunnen houden in Odins -hal: ik werd geen afvallige.” - -Rolfr Jarl scheen voldaan. Zooveel eerlijkheid las hij op dat hooge -voorhoofd, in die heldere, dwepende oogen, die nog vol vertrouwen in het -leven blikten, zoekend naar de vervulling hunner droomen. - -„Wanneer denkt gij, dat de vloot hier zal kunnen zijn?” hernam de Jarl. - -„Over een week gewis. Zij had de laatste dagen met tegenwind te kampen, -die houdt haar af van de kust. Anders had ik u wellicht reeds heden te -gast genood aan boord van mijn drakenschip.” - -„Over een week alzoo zal het luiden: strijd en zege!” Diep haalde hij -adem, zijn borst zwol, zijn uitroep dreunde door de holle hal, het was -als antwoordden de muren met een echo van ontzetting. - -De beide menschen wier levensbaan elkaar kruiste, duizenden tot ramp en -rouw, wisselden nogmaals een langen blik. Onwillekeurig huiverde Olaf, -de oogen van Rolfr Jarl gloeiden van een vuur, dat, als de bliksem, -doodt wat het aanraakt. En beiden wisten, dat zij niet hetzelfde doel -beoogden, al schenen zij te trachten naar hetzelfde wit. - -Olaf begreep, dat heerschzucht zich mengde in de plannen van zijn -gastheer; deze, dat zijn jonge gast zou strijden, sterven, als dit -moest, voor zijn droombeeld, dat hem een hindernis zou zijn, voor de -verwezenlijking van plannen, die een wijd verschiet zagen van macht, -eigen macht. Hernam Rolfr Jarl daarom haastig -- het zwijgen wordt -pijnlijk als men luistert naar onuitgesproken gedachten: -- - -„Zeshonderd helmen zijn bereid om zich te voegen bij uw strijders. -Eigenhoorigen en vrijen zal ik wapenen op mijn bezittingen, velen der -steeds onderling verdeelde Friezen, meer dan een ontevreden onderdaan -van den jongen graaf Dirc van Kennemerland heeft mij door een geheimen -bode bericht: - -„Mijn zwaard heeft geen roestvlek, mijn schild draagt geen smet. Beide -zijn gereed, voor het oogenblik, dat het oorlogsvuur wenkt op de hoogte -van den Ravenhorst: „Hierheen!”.... - -Doch Olaf, ook het gerucht van uw komst bleef geen geheim voor mijn -getrouwen en door mijn woorden weten zij, dat gij meer zijt dan een -jonge Viking, begeerig naar roem en buit, gelijk zij reeds dikwerf -zagen. Zij zien in u mijn erfgenaam en ik neem mijn gelofte niet terug, -mits nà de zege.” - -Een hooge blos vlamde op Olafs voorhoofd. Tot nu toe had hij nooit meer -gedacht aan die belofte van den Jarl. - -Het was op een Vikingertocht, den eersten, dien het hem vergund was mee -te maken als volwassen man. - -Toen had hij het leven gered van den onbekenden Skald, die in ’t heetst -van den slag allen moed zong in het hart, kracht in de vuist, door zijn -vlammende strijdzangen. - -Maar de Skald greep, weer tot zich zelven komend, na den houw, die zijn -helm had gekloofd, de hand van zijn jongen, vermetelen redder. - -„Wie zijt gij? Ik zal u loonen wat gij deedt.” - -„Behoud wat gij hebt. Mijn goed zwaard zal mij wel geven wat ik behoef.” - -Het trotsche antwoord van den jongeling behaagde den man, die steeds -zooveel zelfzucht, zooveel hebzucht had gevonden, bij zijn omzwervingen -te zee en te land. Hij deed onderzoek naar Olafs levenslot, door zijn -tusschenkomst redde hij diens erfdeel -- het was slechts gering -- uit -de macht van hebzuchtige verwanten. - -„Gij zult eenmaal mijn erfgenaam zijn,” sprak hij toen met een -plotseling besluit. Want Olafs dankbaarheid was zoo ongeveinsd en Rolfr -Jarl dacht aan anderen, die hij veel gewichtiger diensten had bewezen, -en wier eenige erkentelijkheid had bestaan in het feit, dat zij hem -vergaten. - -„Wie erkentelijk kan zijn is een goed mensch, wie dankbaarheid durft -toonen is groot,” dacht de Jarl. - -Hij, die zoo woest kon haten, zoo hevig toornen, wanneer hij werd -getroffen in zijn trots, besefte welk een offer die fiere, jonge lippen -hem brachten, toen zij zich plooiden tot een dankwoord. Want hemzelf zou -het hebben beleedigd, wanneer een ander had gezorgd voor zijn belangen. - -„Ik ben mijzelven genoeg.” Dat was de levensspreuk waarnaar hij zich -richtte. Maar niet aan anderen gunde hij datzelfde recht. Het was de -gewone fout der blinde heerschzucht. Ditmaal echter dreef ook de -noodzaak hem. Olafs vloot, diens gewapenden behoefde hij, om zijn -plannen te verwezenlijken, en waar de landzaten, een vreemde Vikinger -vloot vijandig, gewapend zouden tegenstormen, zou haar krijgsmacht -vertrouwen wekken, zoodra bekend werd, dat de aanvoerder zijn -toekomstige erfgenaam was en de bruidegom zijner kleindochter. Hij -besloot daarom hem nog heden -- volgens de voor jaren gemaakte -overeenkomst -- plechtig aan Swanwitha te verloven. - - [3] Het tegenwoordige Amersfoort. - - - - -HOOFDSTUK V. - - -Swanwitha werd dien ganschen dag alleen gelaten. Haar wangen brandden en -een woeste angst gloeide in haar oogen. Zij had den geharnasten -vreemdeling zien komen met zijn kleinen stoet van speerruiters en door -Siva’s woorden geheel begrepen wat zij reeds ten deele wist. - -Hoelang was het reeds geleden, dàt zij het wist? Vijf jaren? Ja, dat zou -het zijn. Toen was het -- naar haar voedster zei -- de dertiende maal, -dat zij de St. Jans vuren zag vlammen op de heidehoogten om den -Ravenhorst. Zij dacht, dat die glooiende heuvels op altaren geleken, -waar de offers werden ontstoken Jehovah ter eere, gelijk eenmaal in -Jerusalems heiligen tempel. Haar moeder had haar dit verhaald, haar -moeder, die een christin was geweest, wier droeve oogen nu voor goed -waren geloken in den stillen slaap des doods. En toen, weinige weken na -haar scheiden van deze wereld, haar vader even roerloos werd -thuisgebracht -- een ongeluk had hem getroffen op de jacht, de -jachtspriet stak nog in zijn zijde, -- naar werd gefluisterd -afgeschoten door een verraderlijke hand -- toen werd zij uit de verlaten -hallen van het huis harer kindsheid gevoerd naar den Ravenhorst. Hier -heerschte haar grootmoeder. Met gebogen hoofd, als in elkaar gedoken, -stond het burchtgezin, wanneer zij ging door hal en hof in haar -langslepend kleed, met haar statigen tred en bevelenden oogopslag. Op -Swanwitha viel nauwelijks een vluchtige blik, bij de eerste ontmoeting. -Maar aan Siva beval haar strenge stem: - -„Doe haar dat kruis af en als zij soms een boek heeft, zooals de -christenen gebruiken bij hun afgoderijen, verbrand dat.” - -„Geef mij nu dat kruisje, hartje, de Groote Vrouw heeft het bevolen,” -had Siva ’s avonds gezegd. - -Maar hartstochtelijk had zij gesmeekt: „Laat het me houden! Laat het me -houden! Een paar dagen nog maar!” - -Zij drukte de handen op het kleine, gouden kruis en ’t was haar als -hoorde zij opnieuw de zachte stem harer moeder: „Denk als ge het ziet, -steeds aan het kruis van den Zaligmaker, mijn kind, en neem uw kruis op, -gelijk Hij dit eenmaal het Zijne deed. Volg Hem!” En terwijl zij die -woorden meende te verstaan, hernam Siva: - -„Laat mij nu eerst het kruis maar naar vrouw Sigrid brengen, misschien -mag je het boek dan nog een paar dagen houden.” - -Zij wees op eenige perkamentbladen door een rood koord verbonden. Met -regelmatig, fraai schrift waren de bladen beschreven, de purperen en -gouden aanvangsletters geleken schitterende sterren en roode rozen. - -Witha schudde de perkamenten uit elkaar en behield er een, waarop een -herder stond afgebeeld, die een klein lam in zijn armen droeg. - -„Neem de anderen dan maar mee, dit houd ik. Mijn moeder vond het zoo -mooi en haar kruis geef ik nooit, nòoit!” Haar stem klonk dof en haar -jong lichaam trilde van krampachtige schokken. Daar werd het donkere -gordijn, dat den ingang bedekte, teruggeschoven. Haar grootmoeder stond -voor haar met opgeheven hoofd en vasten mond, den gouden band op de -zilveren haren. De zoom van haar kleed was doorweven met roode runen, -ook op den gordel prijkten die geheimvolle teekens. - -Zonder een woord te zeggen greep zij het kruis, maar Swanwitha ontrukte -het haar en slingerde haar arm weg. - -De lippen van de trotsche vrouw werden wit, haar gezicht vertrok zich. - -„Honger en kerkerlucht zullen je dwingen,” sprak zij ijzig. - -Swanwitha haalde diep adem en bewoog zich niet. - -„Hoor je dat, kind?” Twee dreigende oogen zagen haar strak aan. - -„Misschien wel, maar dan doet gij onrecht. Mijn moeder heeft mij op haar -sterfbed dat kruis en het boek gegeven en wat ik gekregen heb, behoort -mij toe. Neemt gij het mij af, dan begaat gij diefstal.” - -Haar stem beefde niet, maar Siva wrong de handen, achter de strenge -gebiedster. Deze echter trad terug. In haar trotsche borst klonk het: - -„Dat kind heeft mij een les gegeven: Ik heb nog nooit iets genomen wat -mij niet behoort en doe het ook nu niet, zelfs niet uit haat tegen de -christenen.” - -Maar van dien dag koesterde zij meer weerzin tegen Swanwitha dan ooit: -zij had reeds lang te voren de geboorte verwenscht van de kleindochter, -waarmee haar hoog geslacht zou uitsterven. - -Toen kwam Rolfr Jarl terug van een zijner veelvuldige zwerftochten. -Onderzoekend zag hij zijn onbekende kleindochter aan, een uitdrukking, -die naar voldoening zweemde, gleed hierbij over zijn harde trekken. - -„Gij zult mij eenmaal mijn doel helpen bereiken,” prevelde hij voor zich -heen. Hij scheen het gemis van een kleinzoon niet zoo sterk te gevoelen -als zijn vrouw. - -De jaren gingen voorbij. Swanwitha spon in het vrouwenvertrek en leerde -wandtapijten vervaardigen voor de naakte muren der hal, zij wist -artsenij en kruiden te mengen en zong bij haar driehoekige harp. Maar -het waren de heldenliederen der mannen van de „grimma hjerna”, die zij -leerde tot eens de gedachte aan een zang harer kinderjaren in haar -opwelde en zij aanhief: - - „Einen Kuning weiz ich, - Heisset Herr Hludwig, - Der gerne Gott dienet, - Weil er ihms lohnet. - - O das warth al geendist, - Koron wolda sin Gott iz. - Ob her herbeidi - So lang tholon mahti. - - Liess der heidine mann - Obar sie lidan, - Thiot Vrancono - Mannon sin diono. - - Thoh erbarmed es Gott, - Wiss er alla thia nod - Hiess Herr Hludwigan - Tharot sar ritan....[4] - -Verschrikt echter snelde Siva toe: „Kind, kind! wat doet gij! Als dat de -Groote Vrouw hoorde!... Weet ge dan niet meer, dat dit het Lodewijkslied -is, de zegezang van dien koning der West-Franken?” Haar stem daalde tot -geheimzinnig gefluister. „Hij leefde voor meer dan een eeuw, die groote -vorst, en de roem van zijn overwinning vervult nog de wereld, maar hij -overwon de Noormannen. Zwijg daarom, als uw vrijheid u lief is.” - -Swanwitha zweeg inderdaad, want zij wist reeds toen, wiens levensdroom -het was zijn onstuimig heldenvolk opnieuw te verheffen tot heerschend -ras. Daar kwamen en gingen zooveel geheimzinnige boden op den -Ravenhorst: West-Friezen, die zich evenmin wilden onderwerpen aan het -gezag van den graaf van Kennemerland als buigen voor dat van den -bisschop van Utrecht. Zij offerden onder den Donarseik en lieten een -schoof haver op het veld staan voor Wodans schimmel. Zij gaven elkander, -op den kortsten dag, everzwijnen -- aan Fro gewijd -- van koek en -brandden lichtjes dien god ter eere. - -Den Kennemerlandschen graaf tartten zij uit, hen te vervolgen in hun -moerassen en kreeken; de zendelingen van den Stichtschen kerkvorst -hingen zij op. Dan waren er afgezanten en boden van de Friezen tusschen -Flie en Lauwers, zij erkenden keizer noch heer en waren -- in hun -onbedwingbaren drang naar vrijheid -- steeds bereid ieder bij te staan, -die dit evenmin langer verkoos. Zelfs mannen die de „langue d’oui” -spraken kwamen. Zij lagen steeds in veete met hun naburen, die zich -uitten in de „langue d’oc”, mannen waren het met donkere oogen en -hartstochtelijke gelaatstrekken. En die krijgers uit Normandië wisselden -af met blonde Noren en breedgeschouderde Denen. Van hun lippen klonk -een onbezorgde lach, maar grenzenlooze weemoed lag in den blik hunner -oogen. - -Swanwitha zag allen komen en gaan. Haar moeder had haar lezen geleerd en -hoewel Rolfr Jarl hierover eerst het hoofd schudde, verhief het haar, in -den loop van den tijd, eenigszins tot zijn vertrouwde. Want soms werden -ook hem perkamenten gebracht; dan werd zij geroepen om die voor te -lezen. Bevolen had hij haar echter te zwijgen over hun inhoud en hij -wist, dat hij staat kon maken op haar belofte. - -Zoo leerde zij zijn toekomstdroom begrijpen, wist zij, dat zij bestemd -was de bruid te worden van hem, die Rolfr Jarl zijn invloed en macht zou -leenen, om dien droom te helpen herscheppen in werkelijkheid. - -Waarom dacht zij aan dit alles op het gezicht van den onbekenden ridder -en waarom gingen toen opnieuw haar gedachten naar Unruoch in zijn kerker -en drong zich nogmaals de radelooze gewisheid als een wig in haar hart: - -„Ik kan niets, nièts.... en hij sterft.” - -Kon zij dan werkelijk niets, in het geheel niets? - -Weer viel de avond. Het was of de hemel en de aarde ineensmolten. Witte -en grijze nevelen hingen boven de heide en blanke wolken dreven langs de -zilverkleurige lucht. Alleen ver aan den gezichteinder bleef nog een -roode streep zichtbaar en waar die den grond raakte straalde de omtrek -van een glans, die blonk zelfs door de nevelen. - -Uit de hal vielen opnieuw de rosse lichtstralen. De burchtheer vereende -zijn gasten -- Olaf was niet de eenige gebleven dien dag -- aan den -maaltijd. Vrouw Sigrid zat in haar hoogen zetel aan zijn zijde, maar de -jonge meisjes -- haar gewoon gevolg -- bleven, evenals Swanwitha, in het -vrouwenverblijf. - -Zij zagen uit dit vertrek hoe de lijfdienaars door elkaar joelden op het -voorplein, na het einde van het maal, dat ook hun een rijkelijk deel had -verschaft van paardevleesch en schuimend gerstebier. Ook Swanwitha -aanschouwde dit tooneel en een nieuw denkbeeld overmeesterde haar en -deed haar hart gejaagd kloppen. - -Voorzichtig opende zij eindelijk de deur, niets bewoog zich in het -nevenvertrek, geen vlugge schreden repten zich op de steenen trap, die -zij nu onhoorbaar begon af te gaan. De scherpe geur van bier en -gekruiden wijn drong, vermengd met de zoete reuk der mede, tot haar door -uit de hal, drinkliederen en gelach bewezen, dat het feest nog werd -voortgezet. Verlicht haalde zij adem. Wentelde zich bij die zekerheid -een steen van haar hart? Niemand zou haar zoeken of dacht nu aan -haar.... - -Dieper daalde de kronkelende gang, het was hier volkomen duister, vocht -sijpelde langs den wand. Met de handen voor zich uitgestrekt ging -Swanwitha verder. Na eenige minuten, waarin zij nauwelijks waagde te -ademen, zonken echter haar armen slap neer. Zij had op een deur -gestooten, op een zware, met ijzer beslagen deur. Wat nu, wat nu? - -Zij luisterde een oogenblik, maar geen geluid verbrak de beklemmende -stilte, alleen op den vastgestampten bodem tikte het dof met -regelmatige tusschenpoozen. Het waren de vallende druppels. Nooit was -zij hier nog geweest. Wel had Siva haar soms fluisterend verteld van de -diepe, donkere kerkers, waar de vijanden van Rolfr Jarl heenkwijnden -zonder lucht, zonder voedsel; dan was een huivering door haar leden -gegaan, maar zij had ze nooit gezien. Hoe had zij dan al den jammer -kunnen begrijpen welke die sombere diepte verborg? En boven die holen -van ellende welfde zich de burchthal, waar scherts en lach weerklonken -bij het overvloedig maal.... - -Wanhopig tastte zij met haar handen langs den muur, zij kwam terug bij -haar punt van uitgang. Een rond gewelf scheen het, waarin zij zich -bevond. Langs de plompe deur gleden opnieuw haar vingers, zij raakten -een ijzeren slot aan.... een sleutel.... - -Uit al haar macht trekkend gelukte het haar eindelijk de deur te openen -en toen, en toen.... - -„Zij hebben hem al gedood, hij is weggenomen uit het leven, nu reeds, -nu!”.... - -Want zij zag het bleeke hoofd op het rottend stroo. Met roestige ketenen -was Unruoch geklonken aan vloer en wand, geen kleur was meer op zijn -gelaat en de oogen waren geloken. - -Een flauw, walmend licht liet haar dit onderscheiden, een pit drijvend -in een platte schaal met olie. Hoe was die hier gekomen? Zij dacht er -niet over na, maar knielde bij den half bewustelooze en ontsloot zijn -boeien. Rinkelend vielen zij op den vloer, als ijzeren slangen lagen zij -in het stof. - -„Unruoch! Unruoch! Word toch wakker! Zeg iets. Of hebben ze je van mij -weggenomen, hebben ze dat durven doen! O, zeg iets, zèg iets! Een woord -maar, een enkel woord!”.... - -Neergezonken lag zij op den grond, een doffe zucht scheen om te waren -door den hollen kerker. Of kaatsten zijn sombere wanden slechts haar -klacht terug? Wekte dit echter den gevangene tot nieuw leven? - -Even bewoog hij zich. Hij scheen niet meer te weten waar hij was, noch -te beseffen wie zich over hem heen boog. - -„Lucht, lucht! Ik stik!”.... - -Nauw verstaanbaar gleed het over zijn lippen. - -Witha zag om zich heen. Door de geopende deur stroomde thans lucht -genoeg, doch zij zag de ongekalkte muren zonder kijkgat of eenig -venster. Dit was dus het einde van hen, die werden geworpen in dezen -kerker: de dood door verstikking. - -Zij wrong de handen. Hoorngeschal, een schaterende zang drongen flauw -tot haar door. Boven alles uit klonk de dreunende stem van Rolfr Jarl. -In vollen gang scheen nog het feest.... - -„Unruoch, o, Unruoch!”.... - -Nu herademde hij, zijn bewustzijn keerde, een flauw rood kleurde zijn -voorhoofd en een gevoel van nameloos geluk rees in zijn hart, toen hij -zijn redster herkende. - -„Witha, gij! God is goed, Hij heeft je mij gezonden!”.... - -Een oogenblik heerschte weer de stilte, nu een stilte, -plechtig en heilig, want de kerkerwanden, die zoo menigen -noodkreet, zoo menige verwensching hadden opgevangen, hadden thans -weerkaatst den naam van Hem, die Eeuwig is, Die blijft, wanneer alles -vergaat.” - -Het was Witha als moest zij op de knieën vallen gelijk Unruoch dit deed, -om met hem te danken.... - -Maar de tijd drong. Zij sprak het eerst: „Unruoch, ga nu mee, voor de -bewaarder terugkeert.” - -„Die kwam alleen om te zien of het licht reeds was uitgedoofd, want dan -rest ook den gevangene niet veel levenstijd meer.” - -Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen; in hun diepten las hij -nog een ander gevoel dan alleen medelijden. Zijn hart klopte snel, niet -om de gevaren zijner vlucht. Hij wilde spreken, maar zij toonde hem den -weg, de donkere, kronkelende gang, de smalle trap.... - -„Kom nu, kom! Ik wijs u den weg, hier linksom, anders komt ge in de hal -en daar vieren zij -- feest.” - -Het klonk zoo droevig en zoo hartstochtelijk. Maar ongehinderd bereikten -zij de verdieping, gelegen boven de burchtzaal. Nu opende Witha een lage -deur en schoof een donker gordijn terug. Unruoch zag lange trossen vlas -opgehangen aan de bruine balken. Hij onderscheidde weefgetouwen en meer -dan een spinrokken in het zilveren maanlicht. - -„Waar brengt ge mij heen?” vroeg hij verwonderd. - -„In het vrouwenverblijf. Dit is de weefkamer, hier naast is mijn -vertrek. Daar zijt ge vooreerst veilig.” - -Er kwam een uitdrukking van schrik in zijn blik, zijn wenkbrauwen -trokken zich samen. - -„Dat is onmogelijk! Welke gevolgtrekkingen zou men maken als ik daar -werd gevonden, in het vrouwenverblijf, in uw vertrek”? - -In haar oogen lichtte een zachte weemoed. - -„Ik zou de eerste niet zijn, die werd veroordeeld om den schijn. Moet -men daarom vreezen het goede te doen? Gij kunt nu onmogelijk verder -vluchten: de brug is opgehaald, de poort gesloten, vol hoorigen het lage -hof. Wacht daarom eenige uren. Ik zal Siva roepen, zij zal wel een touw -weten te vinden, waar mee ge u kunt laten afglijden van den muur, op een -plaats waar de gracht ondiep is.” - -Het werd alles zoo bedaard en wel overlegd gezegd. Begreep zij geheel, -welk offer zij bereid was hem te brengen? Want men zou hem zoeken, -overal. Hij zag haar aan, hij vond haar even aantrekkelijk en mooi als -vroeger, maar anders mooi. In de zorgelooze oogen was nu een ernstige -blik gekomen, stille droefheid verving den zonnigen lach om haar mond. -Het vroolijke, speelsche kind was veranderd in een fiere, vastberaden -jonkvrouw, die onverschrokken den weg volgde haar door den plicht -gewezen. - -Plicht alleen? - -Een groote liefde vervulde zijn hart voor haar, wier zoet geheim zich -verried in haar zelfverloochenende toewijding. - -„Swanwitha,” zei hij eensklaps, haar hand in de zijne klemmend, „ik zeg -niet, dat ik je dit ooit zal vergelden, dat zou onmogelijk zijn. Ik -vraag nog meer, nog oneindig meer, dan je me nu toevertrouwt. Geef mij -je geheele leven, heb mij lief altijd, altijd en ik zal God loven voor -Zijn grootste geschenk.” - -Zij schudde het hoofd: - -„Het kan niet, Unruoch! Wat zou mijn grootvader zeggen, wat bisschop -Ansfried?” - -Zijn blik rustte in den haren: - -„Denk je daaraan het eerst? Dan heb je mij niet lief.” - -„Niet lief!”.... Het beven harer lippen was haar eenig antwoord, haar -gezichtje straalde, maar zij zweeg. Hij trok haar in zijn krachtige -armen. - -„De bisschop moet weten, dat ge mijn bruid zijt. Stemt hij, als mijn -voormalige voogd, toe in onze verloving, dan kan niets ons meer scheiden -volgens de wetten van dit land. - -Zeg me, Witha, is dit onze verloving?” - -Zij boog haar hoofd aan zijn hart en voelde op haar lippen zijn kus. - -Zoo stonden zij zwijgend in overstelpend geluk. - -De purperen tinten waren aan den hemel reeds lang uitgewischt door den -ijl-blauwen sluier van den nacht; de eerste sterren glinsterden. - -Wit en stil lag het ruime voorhof waar de laatste pekton verglom; -donkere schaduwen wierpen de struiken op het zand. Maar te midden der -plechtige stilte van den lenteavond trilden eensklaps kristalheldere, -lang aangehouden tonen. Eerst zacht en teer, zwollen zij met ieder -oogenblik in kracht, vulden zij meer en meer de ruimte. Zwijgend -luisterden de beide jonge menschen, tot het hun was of al de liefde, al -de toekomsthoop, die zij droegen in het hart, een liefde, diep en -onmetelijk als de zee, een verwachting hoog als de hemel, die zich -welfde boven hun hoofd, uiting vond in den jubelzang van den nachtegaal, -of die kleine vogel hun verhaalde, wat zij elkander niet konden zeggen, -omdat de taal er geen woorden voor bezat. - - [4] - - Eenen koning ken ik, - Hij heet Heer Lodewijk - Die gaarne God dient, - Omdat Hij het hem loont. - - Toen dit alles geschied was, - Beproeven wilde God hem, - Of hij ook moeite - Zoo lang kon verduren. - - Hij liet heidensche mannen - Over de zee komen, - Om de Franken - Te herinneren aan hun zonden. - - Doch God had erbarmen, - Hij wist al dien nood, - Hij beval Heer Lodewijk - Terstond derwaarts te rijden.” - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -Seringengeur begroette den nieuwen dag; het was of al de knoppen, die de -heesters droegen op den Hohorst, tegelijk waren opengegaan. Dauwbepareld -glinsterde het buigend gras en de zonnestralen tintten de golven van de -Eem, die den „Hoogen horst” bespoelden met goudkleurigen glans. - -Recht en slank stonden de dennen, in groepen vereenigd, op de witte -heidehoogten. De ochtendwind ruischte zijn zang door hun takken, doch -kon het geluid niet dempen, dat klonk van den Hohorst en voortgolfde -over de heide tot het werd weerkaatst door de muren van den Ravenhorst. -Of Rolfr Jarl niet wrevelig de zware wenkbrauwen zou fronsen wanneer hij -die bijlslagen opving? Tergend moesten zij hem immers in de ooren -klinken van dien heuvel, ver in ’t rond zichtbaar, bespoeld door de Eem -ter eener zij, en aan den tegenovergestelden kant begrensd door het -moeras. Een natuurlijke sterkte, door weinig manschappen te verdedigen, -die slechts te dwingen zouden zijn door -- hongersnood. - -Bij die gedachte speelde om Rolfr Jarls mond een glimlach, zooals -niemand zou wenschen voor de tweede maal te zien. Het scheen bijna of -het hem nu verheugde, dat het woonhuis naast de kleine kerk weer werd -vergroot door een nieuwen vleugel, met een gevel van rechtopstaande -planken en door een stevig staketsel omringd. Bisschop Ansfried van -Utrecht had immers gezegd, dat hij den Hohorst had uitgekozen tot zijn -rustoord, bij de vele zorgen, die het leven van hem eischte. Hier zocht -hij, van tijd tot tijd, eenige dagen verademing, ook thans bevond hij er -zich en -- de Denenvloot naderde de kust. Rolfr dacht na, steeds met -denzelfden wreeden glimlach om de lippen tot het blaffen der honden, die -den ontsnapten beer najoegen op het lage hof, hem zijn jachtspriet -grijpen deed. Ook dezen gevangene zou hij weten te dwingen tot zijn wil. --- - -En op den Hohorst repten zich intusschen de vlugge handen om bisschop -Ansfrieds „zendingshuis”, als hij het noemde, op te trekken volgens zijn -eigen aanwijzingen. Afgepaald waren de grondslagen voor schuur, werkhuis -en spijker. Er moest plaats wezen om den oogst te bergen -- de vrucht -van zwaren arbeid op den nauw ontgonnen grond, -- naast de -levensmiddelen uit Utrecht aangevoerd, om ze te kunnen wegschenken „als -de nood drong en het gebrek neep, Christi ter eere, om Godswil.” -- -- - -IJverig arbeidden de werklieden voort. Hun zwart oppergewaad met wijde -mouwen hadden zij hierbij afgelegd. Het wees hen aan als broeders, -behoorend tot de orde van Benedictus van Nursia, den Patriarch der -Westersche geestelijkheid, wien zelfs zijn grootste tegenstanders de eer -geven, „dat hij was de weldoener der menschheid en het licht zijner -duistere eeuw” -- de zesde sinds Christus’ geboorte. - -Toch vormen zij nog een bijzondere broederschap, die ijverige -bouwlieden. Bijzondere voorrechten en vrijheden zijn hun geschonken -- -vandaar heeten zij „vrije metselaars” in den volksmond. Zij hebben -teekenen, waaraan de leden der verschillende vereenigingen elkander -kennen, en reizen van land tot land, van het eene volk naar het andere, -overal waar zij worden geroepen, om kerken en gebouwen, vaak nog van zoo -eenvoudigen vorm, om te scheppen in kunstwerken. - -Want de „bouwmeester” van dien tijd mocht eerst na jaren van ernstigen -arbeid dien naam voeren, en toonde door de voortbrengselen zijner kunst, -dat hij daartoe het recht had. - -De bouwlieden, die thans op den Hohorst arbeidden, bewezen door hun -taal, dat zij uit York afkomstig waren, de stad van wetenschap en kunst -bij uitnemendheid. Met den naam van Kuldeërs werden zij aangeduid. In -navolging van de bouwmeesters der oudheid, die tijdens Constantijn den -Groote christenpriesters werden, droegen zij dien naam. Hun levensregel -was streng en hun kunst regeerde hen met een ijzeren roede. Toch -arbeidden zij steeds vol kracht en lust. Zij wisten, dat zij mijlpalen -plaatsten in het zand van den tijd, dat zooveel overstuift en onkenbaar -maakt. En welke kunstenaar offert zelfs niet bereidwillig zijn leven -voor het kunstwerk, dat ontstond door zijn scheppend genie, dat blijft, -om te toonen wat arbeid en volharding vermogen, aan de geslachten, die -nog niet waren toen het ontstond. - -De geur der bloeiende meidoorns steeg in wolken omhoog in den hof, een -vlucht witte duiven zweefde verschrikt door de hamerslagen met -kleppenden wiekslag weg door de diep blauwe lucht. - -Twee bejaarde wandelaars -- zij hadden de vorderingen van den bouw -bezichtigd -- volgden die kleine vredeboden met hun blik. Een zeer -verschillende uitdrukking gleed hierbij over beider gelaat. - -„Alles geniet van lentelucht en zonneweelde; wat is de aarde toch -schoon, en groot Hij, die haar schiep. Groot en goed.” - -De oudste der beide wandelaars sprak het op een toon, die rust moest -schenken wie hem hoorde en de jongste ving de woorden op en dezelfde -bittere uitdrukking, die zijn lippen plooide bleef haar sombere lijnen -trekken om zijn vastgesloten mond. Bijna verwijtend richtte zich zijn -blik op den spreker. Recht en ongebogen was diens gansche houding, al -kringelden hem zilveren haren langs de bleeke slapen, ofschoon de fijne -voren in zijn hoog voorhoofd meer waren getrokken door den ploeg van het -zieleleed, dan door de hand van den tijd. Het eenvoudige zwarte kleed -der Benedictijners vormde ook zijn gewaad. Toch dacht, wie hem zag, zich -onwillekeurig een mijter op dit waardig gedragen hoofd, wenschte hij -voor deze hooge gestalte een geborduurde dalmatiek over een met -gouddraad omzoomde alba van zuivere witte wol -- het gewaad van de -bisschoppen der christelijke kerk. En wie zijn oogen op zich voelde -rusten, oogen helder en vredig, vol van licht, opende de zijne wijder. -Niet omdat het zulk een schoon gelaat was, dat hij aanschouwde, het -waren de trekken van een bejaard man, maar in wiens blik een glans lag, -die lichtte en straalde, die verhaalde van duur verworven zielevrede, -maar van een edel zieleleven tevens. Het was of er licht van hem zelf -uitging of hij reeds begreep wat men hem zeggen wilde, nog voor hij had -verstaan. Op zijn edel gevormd voorhoofd stond te lezen dat steeds de -liefde hem de meeste was geweest, dat hij nooit met woord of daad zou -zaaien het onkruid van den haat, dat verbittering en tweedracht draagt -als giftige vrucht. Van hem ging uit vrede en zegenende rust, die -voorspelde wat eens de zaligheid wezen zou, waarvan zij de flauwe -afschaduwing waren, hier op aarde. - -Een groote tegenstelling vormde hij met den man aan zijn zijde, in de -ijzeren maliënrusting van den ridder, den man wellicht het vierde eener -eeuw jonger dan hij, doch die het hoofd ter aarde boog en wiens magere, -sombere trekken fluisterden van veel leed, waaraan geen berustende -overgave zijn angel had ontnomen. - -Warm straalde de zon ook boven zijn hoofd, en liefelijk als harpgesuis -klonk het ruischen der dennen; blauw zag de lucht, de lijster zong, -- -hij scheen er geen acht op te slaan. Starend bleef zijn blik, de rimpel -tusschen zijn oogen groefde zich dieper. - -Kleine berkeboomen met zilverwitten stam wiegden hun blaadjes op den -morgenwind. Hij trok eenigen af, liet ze dwarrelen, zag hoe zij -eindelijk neerzonken om te sterven of te worden vertreden. - -„Zoo gaat het met alles, met allen!” -- Welk een bittere klank was in -zijn stem. „Waarom zou men zich dan verheugen over lenteglans? Menschen, -bladeren vliegt hoog, vliegt den hemel tegemoet en gij valt ter aarde en -wordt vertreden, ongeacht, ongezien.” - -De andere schudde het hoofd. - -„Neen, Frethibold, neen, gij spreekt tegen uw weten, uw beter weten in. -Wiens ziel ooit hemelvlucht heeft genomen en zijn God vond omhoog, kàn -niet meer vallen of zinken, want God is zijn toevlucht en schild en -beschermt hem voor beide.” - -„Dat zegt gij, gij! Maar u lachte ook het leven toe, altijd, altijd! -Toen gij de wereldlijke macht moede werdt, vondt gij die der kerk voor u -gereed. Bisschop van Utrecht, meester niet over de lichamen, zooals de -woeste Jarl van den Ravenhorst over zijn hoorigen, doch over de zielen -der menigte. Wat begeert gij nog meer?” - -Bisschop Ansfried zag hem ernstig aan: - -„Ik begeer te heerschen door liefde, Frethibold, en, dat wordt mij zwaar -gemaakt, zeer zwaar, want onze tijd is ruw en hard als ijzer.” - -„En de menschen worden voortgezweept door het geweld, dat steeds gaat -boven het recht. Dwarrelende bladeren zijn zij allen, allen!” - -„Frethibold!” De stem van den bisschop werd ernstig waarschuwend. „Moogt -gij, een christen, zóo spreken?” - -„Kan ik anders, als ik het leven zie en de lotgevallen der menschen, van -geslacht tot geslacht; als ik mijn eigen lot zie en dat van deze landen -en gouwen? Voorheen waren zij bloeiend als mijn bestaan. Toen keizer -Karel, dien zij nu den Groote noemen, stierf, waren zijn staten een -rijpen, met weelderigen oogst prijkenden akker gelijk. Maar, de Denen -kwamen, verdrongen elkander in deze rampzalige landen, schier van jaar -tot jaar. Het verderf hield den sikkel, en de velden wit om te oogsten, -gaven geen vrucht. - -O, waarom was de keizerlijke adelaar dus afgemat, dat hij de wieken -moest samenplooien in de rust van den dood? De raven krasten reeds bij -zijn lijk, de raven uit het Noorden, tuk op aas. - -En de vorsten, die na hem kwamen, die hoopten zich te redden van de -Noorsche speren door het Noorsche schild, en daarom Deensche aanvoerders -het erfdeel van landgenooten schonken.” Dreigend schudde hij zijn vuist. -„Rolfr Jarls geslacht is een van hen, die macht en invloed verwierven op -zulk een wijze. Dat wist de vader van mijn vader, eer hij werd gedood in -den slag door een pijlschot in den nek. En ofschoon haast twee eeuwen -voorbij zijn gegaan na hun eersten inval, de geest der mannen van de -grimma hjerna is dezelfde gebleven, al deze tientallen van jaren door. - -Harald Jarl onderwierp Friesland en vestigde in het bloeiende Dorestad -zijn verblijf. Wèl mocht den nijveren inwoners de schrik om ’t hart -slaan: - -Raven zoeken aas.... De volkswelvaart was voorbij, de volksellende kwam. -Het kwijnende Wijc kan het getuigen, dat ontstond uit de rijke stad. -Voorbij bleef het met handel en verkeer, met landbouw en veeteelt. De -horden der Denen overstroomden onze gouwen om wraak te nemen op -voormalige aanvoerders, die thans christenkerken stichtten, om daarmee -invloed en gezag te winnen in hun pas verworven bezittingen. - -En terwijl Gaungo Rolfr, de reus, dien geen paard dragen kon, Friesland -vernederde tot zijn krimpend wingewest, en het arme Dorestad nogmaals in -vlammen opging, was het wonder, dat toen ook Wiedelkam, dat herleefde -onder mijn bestuur, voor de tweede maal werd gelijk gemaakt met den -grond? De stad aan den Maasstroom, waar die zijn blonde golven vermengt -met de grijze wateren der Germaansche zee.” - -Hij zweeg eenige oogenblikken. Kostte het hem moeite de rechte woorden -te vinden? Toen vlogen zij eensklaps uit zijn keel, alsof een pijl van -den kruisboog schoot: - -„Ik had trouw gestreden voor keizer en rijk tegen de Denen, tegen de -Denen altijd. Want zij waren overal: in de Friesche gouwen glinsterden -hun speren, op de Kennemer duinen vlamden hun wachtvuren, Masaland en -Toxandria werden door hen uitgemoord, Niumage bezet, Utrecht verwoest. -O, een storm van ontzetting en wanhoop voer door het land: waar geen -speren kletterden tegen speren, wezen verwoeste hoeven, vertrapte velden -en raven die den marsch van het leger volgden, den weg aan, dien de -overwinnaars waren gegaan. - -Toen drong op eenmaal de kreet in mijn ooren: - -„Wiedelham gaat op in vlammen. Gedood, weggevoerd als slaven zijn de -inwoners, uitgeplunderd, verwoest is de gansche stad!” Het was of ieder -lid van mijn lichaam verstijfde. Wiedelham! Dat was mijn gebied. Daar, -op den hechten burcht had ik achtergelaten, toen veilig, toèn nog -veilig, mijn lieve vrouw, mijn zoon, mijn eenige.... - -Ik worstelde met mijzelven, de ijzige koude, die als de adem des doods -over mij heenstreek, week, ik voelde mijn hart weer kloppen, keeren mijn -kracht. Toen greep ik mijn zwaard, sprong in den zadel, klemde mijn -heirbijl in de vuist, mijn getrouwen en schildgenooten joegen mij na, in -stormende vaart en wij bereikten Wiedelham.” - -Hij haalde diep adem en strekte de handen uit als wilde hij een visioen -afweren, dat hem voorbijtrok, een visioen van bittere, brandende smart. -Toen hernam hij dof: - -„Waartoe nog meer? ’t Is zoo gewoon, zoo alledaagsch wat ik heb te -zeggen. Verwoesting en dood zijn overal in dit land, sinds twee eeuwen -bijna, sedert twee eeuwen! Ook in Wiedelham vonden wij slechts -verkoolde lijken en smeulende puinhoopen, maar ook”.... - -Hij hield de hand voor de oogen, te sterk, te machtig werd de -herinnering. - -„Frethibold houd op! Ik weet immers uw groot, gróot leed. Wees stil. -Laat ook uw ziel dit zijn -- stil in God. Denk aan het woord van een, -zwaar beproefd als gij: - -„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij -geloofd.” - -„O, kon ik dat zeggen, kón ik dat! Als ik nog slechts de verkoolde -overblijfsels had mogen vinden van mijne vrouw, van mijn kind. Maar -niets, niets dan rookend puin, smeulende balken, wolken van smook, -grauwe sintels. Ik zocht, zocht vele dagen lang, ach, een puinhoop was -mijn huis, evenals voortaan mijn leven, een puinhoop van verwoest -geluk....” - -„Frethibold, God weegt niemands last te zwaar. Buig u voor Zijn wil. Gij -zondigt, als gij zoo spreekt. Het leven is geen geluk, het is plicht. -Wee hem die in opstand komt tegen het lot, dat God hem geeft!” - -„Plicht! Een ander begrip voor staal en ijzer. Kan dat het gemis, de -ontbering vergoeden? O, waarom, waarom liet God zooveel leed over mij -komen? Waarom?”.... - -„Gods wegen zijn niet onze wegen. Hoe menigeen werd door leed en -beproeving dichter gebracht tot Hem.” - -„Ik vergat Hem niet te midden van mijn geluk.” - -„Maar hebt gij toen ooit gevraagd, waarmee gij zooveel zegen hadt -verdiend, waarom gij zoo gelukkig waart? En nu in smart en -zielsverdriet twijfelt gij aan Gods liefde en vraagt gij: „Waarom dit?” - -„Ach, vergeef mijn wanhoop! De zielsellende brandt in mijn binnenste als -een schroeiende vlam!” - -„Vraag niet mij vergeving, maar aan God. Uw geluk naamt gij aan uit Zijn -hand zonder vragen, aanvaard thans zonder morren uw kruis. „Gij zult het -na dezen verstaan.” Denk aan dat heilige woord, Frethibold. Het zal u -rust geven en berusting: „ná dezen.” - -Een flauwe glimlach verhelderde Frethibolds droevige trekken. - -„Na dezen! Wie weet hoe spoedig dat is!” - -Thans kwam een ernstige uitdrukking in den vriendelijken blik van -bisschop Ansfried, toen hij waarschuwend sprak: - -„Frethibold, zwijg tot mij over deze dingen. Ik acht het godslastering. -Gij weet, dat er geschreven staat: „Deze dag en die ure weet niemand.” - -„Maar, heer bisschop, door de gansche menschheid gaat thans het gerucht, -dat de wereld zal vergaan, nog dit jaar, in den St. Jansnacht. En -hoeveel geestelijken gelooven het ook en vermanen de leeken tot boete en -bekeering?” - -„En met hoeveel bijgeloof is thans reeds bijna overal het Christendom -vermengd. Wie houdt zich nog aan het Evangelie, zooals de Apostelen ons -dat nalieten? Menschenwoord en menschenleer verdringen bij velen, bij de -meesten, het woord van onzen Heer.” - -„Deze dag en die ure weet niemand,” herhaalde Frethibold zacht en een -zucht ontsnapte hem. Was hem het leven zwaarder dan de gedachte aan den -dood? - -Met bezorgdheid zag de bisschop hem aan. - -„Frethibold, gij mijmert te veel, het maakt uw gedachten ziek. Gij hebt -het volle leven noodig, het leven van daden. Gij vergeet dat te veel. -Tot gouwgraaf van het Bovensticht benoemde u voor weinig weken de keizer -en waaraan denkt gij meer? Aan uw eigen zorgen of aan die van uw gewest? -Zijt gij daarvoor uit het klooster te Prüm, waar gij in afzondering -leefdet, hier terug gekeerd?” - -„Ach laat mij mijn rust, rust!” - -„Dat is voor u de dood. Houd de lampen brandende! Ook u wenkt een ruim -arbeidsveld. Zie om u heen. Er is veel te doen in uw gouw. Leef voor -anderen. Waarom stichtte ik hier een kerkgebouw, hier op den Hohorst, -waar eens de offervuren vlamden voor Wodan en Donar? Waarom bouw ik er -thans een ordehuis naast?” Hij wees met de hand naar het dennenbosch, -dat glansde smaragdgroen in den zonnegloed. -- „Ziet gij tusschen de -boomstammen die hooge tinnen schemeren? Daar ligt de Ravenhorst. Hij -beheerscht deze gansche landstreek en de geest, die van hem uitgaat, -strekt tot ieders verderf.” - -„Hoezoo?” - -„Zijn eigenaar is trouw aan de goden zijner Noorsche voorvaderen, -gezworen heeft hij zelfs hun eeredienst opnieuw te maken tot de -heerschende en, hebben mijn geheime boden mij wèl onderricht, dan is de -tijd niet ver meer, waarop hij zijn doel hoopt te bereiken, door het -zwaard der Denen.” - -„En, dat zegt gij zoo kalm!” - -„Wie kan beter maatregelen nemen tegen een dreigend gevaar, hij die zich -opwindt of die het rustig onder de oogen ziet en intijds tracht in te -grijpen?” - -Frethibold boog het hoofd, de bisschop vervolgde: - -„Deze geheele landstreek wordt geregeerd door overmacht en geweld. ’t -Zijn meest hoorigen van den Ravenhorst, die hier wonen en de weinige -vrijen zijn genoodzaakt het gezag te dulden van zijn eigenaar; meer dan -eens vonden zij bij een inval der Denen een toevlucht op zijn burcht. -Dáár waren zij veilig; waarom begrijpt gij. Doch de christenen werden -gedwongen hun geloof te verzaken of dit tenminste niet meer openlijk te -belijden. Zoo ontstond er in dit geheel gekerstende land een streek waar -onverschilligheid heerscht of bijgeloof, naast den dienst der vroegere -goden. En om dit wangeloof te bestrijden verzocht ik van keizer Otto den -Hohorst met het omliggende land in leen. Het was teruggevallen aan het -rijk door den dood van zijn laatsten eigenaar. Thans echter reken ik op -uw steun. Gij moet mij helpen met uw zwaard en gezag waar ik trachtte -het Evangelie te brengen aan deze door den geweldigen druk van Rolfr -Jarl geheel verwilderde landbewoners.” Tot antwoord slaakte Frethibold -een kreet, die door merg en been ging. - -„Rolfr Jarl! Hij was het, die Wiedelham deed opgaan in vlammen! Hij -vermoordde mijn vrouw en mijn zoon, verkeerde mijn huis in een puinhoop, -hij brak mijn leven! O, bind geen strijd aan met hem! Gij kent hem -niet, zooals ik! Uw haar deed hij niet vergrijzen in leed, hij brak niet -u het hart!” - -Neen, klaarblijkelijk kende de grijze kerkvorst den woesten Noorman -niet. Alleen zijn gelaat was zeer bleek geworden, toen hij den naam -uitsprak, dien menigeen deed vergezellen van een vervloeking. - -Stil vouwde hij de handen, in zijn borst klonk het: - -„Leid mij niet in verzoeking, Heer! Hij heeft reeds zooveel te dragen; -laat mij zijn last niet vergrooten, door hem deelgenoot te maken van -mijn leed!” - -Beiden stonden zwijgend vele oogenblikken en hun hart was als lood in -hun borst, terwijl zij zagen hoe de zon glansde aan de blauwe lucht en -hun bittere gedachten dwaalden in den nacht van hun weleer. - -Op geringen afstand van den rozelaar, die zijn geurige twijgen -strengelde boven hun hoofd, werd intusschen de bouw van bisschop -Ansfrieds „zendingshuis” met kracht voortgezet. Balken werden -opgeheschen, hamerslagen klonken, planken werden gezaagd, Opeens -verstomde het gedruisch. Wat was hiervan de oorzaak? Geen hamerslag op -de tusschen twee palen onder een afdak hangende klok zonder klepel, -kondigde immers nog het rustuur aan? - -Maar een bootje dreef over de klare golven van de Eem; twee vrouwelijke, -dichtgesluierde gestalten stapten aan wal en beklommen den heuvel. Was -hun komst de oorzaak der heerschende stilte? Het was zulk een ongewone -gebeurtenis in dezen kring! - -„Zou het mij vergund zijn den bisschop zelf te spreken, slechts één -oogenblik?” fluisterde de jongste tot den gezel, die naar voren trad, -in schootsvel en camizool, de bijl nog in de gespierde vuist. Hij -schudde het hoofd: - -„’t Zal niet gaan, denk ik! Wie zijt gij? Hoe moet ik u aandienen?” - -„Ik -- neen, dat kan niet.... Dan”.... Gejaagd trok zij een kleine -perkamentrol te voorschijn, toen hernam zij -- de sluier kon niet geheel -haar blos verbergen: - -„Geef den bisschop dit en dan.... Wij mogen hier toch zoolang wachten -tot gij antwoord brengt?” - -Hij knikte zwijgend en ging. - -Weinige oogenblikken later voerde bisschop Ansfried beide vrouwen -terzijde. Bevrijd van nieuwsgierige blikken sloeg zij die ’t eerst had -gesproken nu haar sluier op en thans kwam in de oogen van den grijzen -kerkvorst dezelfde uitdrukking van zieleleed, die hem had doen huiveren -voorden blik van Frethibold. - -„God, geef mij kracht en help mij!” Zijn lippen beefden, maar hij -ontving de kracht zijn gedachten te bewaren in zijn hart. - -„Wat zoekt de kleindochter van Rolfr Jarl hier?” vroeg hij kalm. - -In weinig woorden verhaalde Swanwitha van Unruochs gevangenneming, -smeekte zij om zijn tusschenkomst: „De poort blijft gesloten, bewaakt -wordt de hof, want zijn vlucht is ontdekt.... Ieder oogenblik kan hij -worden gevonden.... O, help daarom; gij alleen kunt het!” - -Tranen stroomden haar uit de oogen, een snik brak haar woorden. Maar de -bisschop schudde het hoofd: - -„De Ravenhorst heeft hooge wallen en een dubbele gracht. Rolfr Jarl laat -geen gevangene vrij en vluchten is onmogelijk. „Wie daar boeien draagt -wordt alleen verlost door den dood,” beweert ieder hier in den omtrek, -eigenhoorige of vrije. Wat zal ik, een ongewapend, bejaard man dan -vermogen?” - -„O, heer, heer!”.... - -„Noem niet mij zoo, geef dien naam den Eenige, die hier kan helpen.” - -„Wie is dat? Wie h----?” - -„Dat is de Heer, die den menschen het leven schonk en hun lot houdt in -Zijn hand. God alleen kan uitkomst geven in dezen nood.” - -Zij hoorde niet meer, zij vouwde de handen. Half verstikt door een -nieuwen tranenvloed, fluisterden haar lippen: - -„O, goede God, geef redding! Gij alleen hebt er de macht toe! Ik voel, -dat het zoo is!” - -Het was Swanwitha of zich iets ontspande in haar ziel, een groote rust -kwam over haar, de radeloosheid week, het scheen haar een wonder en -opnieuw was het een gebed, dat zij stamelde. - -Bisschop Ansfried zag het met aandoening, niet alleen om den zielsangst, -die uit haar woorden klonk. - -„Mijn dochter,” sprak hij zacht, „thans in angst en ellende hebt gij God -gezocht, vergeet Hem niet als Hij uw smart verkeert in vreugde.” - -„Neen, o, neen! Nooit meer! Dat beloof ik!” Toen hernam zij snel en -aarzelend: - -„Het gaf mij zulk een rust. Ik voelde, dat de God van mijn moeder mij -hoorde en mij heel nabij was, al schijnt” -- zij wees omhoog -- „Zijn -hemel ook ver.” - -„Houd Hem vast, mijn kind” -- hoe beefde zijn stem bij dat woord! -- „en -alle onrust zal van u wijken en ook in leed en nood zult gij zielevrede -kennen, want „daar blijft een rust over voor het volk van God.” - -Gewillig legde zij haar hand in die van den grijzen dienaar van het -Evangelie, wiens trekken opnieuw werden geteekend door een ontroering -voor woorden te groot, toen hij die trillende vingers in de zijne hield. - -„Ga nu, Gisela,” hernam hij haastiger dan zijn gewoonte was. - -„Gisela! Zoo heette mijn moeder. Ik”.... - -Hij streek zich met de hand over de oogen als ontwakend uit een droom, -die hem terugvoerde in het verleden, het verre weleer. Met moeite -herstelde hij zich: - -„Gij moest nu gaan, mijn”.... Weer zweeg hij een oogenblik. „Ik volg u, -zoo spoedig het mij mogelijk is. Beproeven wil ik wat ik kan doen, met -Gods hulp.” - -Toen zij den heuvel afgingen en de kleine boot bestegen, die hen naar -den overkant bracht, vroeg Witha haar gezellin: - -„Waarom zou de bisschop mij Gisela hebben genoemd?” - -Siva zweeg en zag haar aan met een raadselachtigen blik. - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -„O, Siva! Siva!” Swanwitha drukte zich angstig tegen haar voedster aan, -en deze, even verschrikt als zij zelf, trachtte haar te bemoedigen. - -„Stil maar kindje! Stil! ’t Zal wel gaan!” - -Want zij zagen zoowel den buiten- als den binnenhof van den Ravenhorst -vol gewapenden. Rolfr Jarl bevond zich onder hen en doorpriemde de beide -vrouwen met zijn toornigen blik. - -„Volg mij!” beval hij zijn kleindochter, en op Siva wijzend, tot twee -hoorigen: „Haar twintig stokslagen.” - -„Ach, heer grootvader! heb medelijden!” smeekte Witha in snikken -losbarstend. Twintig stokslagen! Dat was de dood voor de zwakke, -bejaarde vrouw. „Volg mij!” beval nogmaals de Jarl en zich zelve -vergetend fluisterde Siva weer: - -„Stil maar kindje, ’t Zal”.... - -In een snik smoorden ook haar woorden. Als voortgedreven door het -dreigend wenkbrauwfronsen van den Jarl, volgde Witha hem met slependen -tred. - -Plechtige orgeltonen waren tot haar doorgedrongen uit de kleine kerk op -den Hohorst. Vredeademend, rust schenkend ruischten zij haar nog in de -ooren. Thans werden die klanken verdrongen door woorden, vernederend en -hard, het was of de wanden der holle hal die snerpende verwijten -weerkaatsten met wreeden nadruk. - -En ijskoud voegde vrouw Sigrid toe aan den woordenvloed van den Jarl: -„De vrouwen uit ons huis waren steeds de eer van ons geslacht, gij -echter zijt zijn schande.” - -Verward, verschrikt sloeg Swanwitha de oogen neer. Voor zij een antwoord -vond vervolgde de Jarl: „Gij verdient niet langer den naam te dragen der -fiere schildmaagd, Swanwitha! Bezoedeld zijn uw blanke vleugelen voor -altijd.” - -Een gevoel van wanhoop en bitterheid overstelpte haar. - -„O, houd op! Zeg dàt niet! Het was alleen”.... - -„Om mij te honen, te tergen, niet waar? ’t Zal u daarom niet zeer -aangenaam aandoen te vernemen, dat uw fraaie plannen zijn verijdeld. Wat -meer zegt: Unruoch voor wien gij uw naam hebt bevlekt zal boeten met -zijn dood, gij met uw leven.” - -Zij wrong de handen: - -„O, genade, genade voor -- hem!” - -Donker en dreigend werd de stekende blik van vrouw Sigrid; zij gaf haar -man een wenk. Deze knikte toestemmend. „Waanzinnig kind, volg mij,” -beval zij. Zwijgend gehoorzaamde Swanwitha. Alleen haar gejaagde -ademhaling bewees de spanning, waarin zij verkeerde. - -Maar het witte kleed met wijde, loshangende mouwen, de gouden gordelband -en de kroon van maagdenpalm, waarvan een fijne sluier afgolfde, die zij -gereed zag liggen in het vertrek harer grootmoeder, deed die ademhaling -bijna geheel ophouden. Zij wist, wie zulk een gewaad droeg, wist wat het -beteekende toen, op een kort bevel der strenge gebiedster, een lijfmaagd -haar dit kleed over de schouders wierp. - -„Grootmoeder.... Wat!”.... - -Vrouw Sigrid hief de hand op, bevelend. „Gij hebt het recht mij met dien -naam te noemen verbeurd. Wacht af of ik u ooit die eer weer waardig -keur.” - -Hooghartig, ijskoud klonk het. Zeer stil werd het in het vertrek, maar -buiten dreunden hamerslagen; flauw drong de nagalm door de zware muren. -Er werd een nieuwe galg opgericht, in den zonneschijn van den lachenden, -klaren dag en daarop zou door een enkelen ruk van het roode beulenkoord -worden afgesneden een jong, krachtvol leven. Witha’s gelaat werd even -wit als de sluier, die haar omgolfde. Onderzoekend zagen de koele oogen -van vrouw Sigrid haar aan. - -„Dat” -- zij wees naar buiten -- „kondigt het einde aan van den -deelgenoot uwer schuld. Zoudt gij hem echter redden als het in uw macht -stond?” - -Swanwitha’s blikken spraken, haar bevende lippen zwegen, zij kònden de -beslissing niet uiten over leven en dood. - -„Hij zal vrij heengaan, als gij er in toestemt nog heden de bruid te -worden van Olaf Erikson,” hernam vrouw Sigrid even stroef. - -Swanwitha opende de oogen wijd. - -„Dat kan ik niet, nooit!” - -„Het moet!” Scherp als een ijsvlaag sneed de koude stem. Witha richtte -zich op, hoog; krampachtig trokken haar handen. - -„Vraag dat niet! Dàt kan niet!”.... Zielsangst brak haar woorden, bijna -onverstaanbaar stierven de laatste klanken weg. En weer rustte de koude, -stekende blik op haar, die haar denkkracht verwarde, haar wil verlamde. -„Gij hebt geen wil, onmondig kind. Rolfr Jarl heeft bevolen en gij -gehoorzaamt.” - -„Liever sterf ik!” - -Vrouw Sigrid zweeg eenige oogenblikken, toen hernam zij, en haar toon -duldde geen verzet, -- zij wist, dat zij nu haar laatste middel -aangreep: - -„Eer Unruoch zijn vonnis ontvangt aan den Noorderboom, zal hij worden -gegeeseld met taaie roeden. Volgens den uitdrukkelijken last van Rolfr -Jarl, zoo zwaar beleedigd door hem, zoo diep gekrenkt door u, zal het -voor hem gelden „huid en haar.” - -Een kreet van ontzetting wrong zich door Swanwitha’s keel. Glasachtig -werd de blik harer oogen. O, dat wreede, wreede vonnis.... - -Erger was het dan de dood! Zij kromp ineen als hoorde zij reeds de -zwiepende slagen, als troffen zij haar zelve.... Zoo menigeen stierf -onder die strafoefening, een der wreedste van haar wreeden tijd. Rood -wolkte het voor haar oogen. Zag zij Unruochs bloed reeds vloeien, deed -dit haar ineenzinken met een kreunende klacht? - -En terwijl zij neerlag als wezenloos, half verdoofd, siste het in haar -ooren: - -„Liefhebben kunt gij hem, maar uw eigen wenschen opofferen om zijn leven -te redden -- dát kunt gij niet. Uw liefde is zelfzucht. Een zwak, -verachtelijk wezen zijt gij.” - -Swanwitha steunde van angst. Nu werd het doodsoordeel over haar -uitgesproken, over wat in waarheid léven mocht heeten in haar bestaan. -Want hoe zou Unruoch haar beoordeelen als hij haar de bruid wist van een -ander? En het eenige middel om hem te redden was het -- haar vonnis. Zij -aanvaardde het moedig en zelfvergeten. Er wàs geen andere uitweg. „Zeg -hem nooit wat hem de vrijheid hergaf en ik ben bereid mij te voegen naar -uw wil,” sprak zij nauw hoorbaar. Vrouw Sigrid knikte welvoldaan, een -lijfmaagd werd door haar naar den Jarl gezonden, met een kort bericht. -Het meisje haastte zich heen, maar een rilling liep door haar leden, -toen zij haar jonge meesteres zag in het gewaad der bruid. - -Vrouw Sigrid was onverschrokken als geen van haar geslacht. Haar hand -drilde de jachtspriet even vaardig als de meest geoefende jager. Zij -kende vrees noch mededoogen, doch eens hadden beide haar getroffen. Het -was op een jacht waar het gold „haar met haar.” Een door haar pijlschot -getroffen ree wilde zij den genadestoot geven. De honden hingen reeds -aan den hals van het gemartelde dier. En toen zag dit haar aan met een -blik in de stervende oogen, die haar deed terugwijken, verschrikt, -ontroerd. - -Thans zag zij dien blik ten tweeden male -- in de oogen harer -kleindochter. Zij sprak geen enkel woord, doch ging haar voor naar de -hal, maar afgewend bleef haar gelaat. - -En in de hal waren toebereidselen gemaakt voor een feest. Daar was met -versche biezen de vloer bestrooid, -- onfeilbaar middel om de nadering -af te weren van booze geesten -- daar waren de pilaren omvlochten met -frisch eikenloof. Zilver snarenspel ruischte. Naast Harald, den grijzen -Skald van Olaf Erikson, had een rij van jonge knapen in gefriesde -lijfrokken en roode hozen, zich opgesteld. Begeleid door de zachte, -zilveren tonen hunner driehoekige harpen, hieven zij bij de nadering van -Swanwitha het eeuwenoude Noorsche bruidslied aan: - - „Hef thans den hamer - Ter wijding der bruid - En leg den Miölnir - De maagd in den schoot, - Men volbreng de gebruiken, - Deze bruid zij de mijne”.... - -Het klonk Witha in de ooren alsof melodieën aanzwollen uit de wijde -verte, uit een droomenland. Het was alles zoo vreemd. Het kón immers -geen werkelijkheid zijn, geen voelbare, tastbare werkelijkheid. Zij zag -haar grootvader, recht en kloek, ondanks zijn jarental geheel -gepantserd, van zijn glinsterenden helm tot zijn rinkelenden -harnasschoen, in het midden der hal. Zijn dienstmannen omringden hem, -maar naast hem stond de vreemde Viking, rank en fier met een vurigen -blik in de groote oogen, die zich hechtten aan haar bleek gelaat. Hem -zou zij toebehooren en op haar lippen zweefde nog het woord van trouw -gegeven aan een ander! - -In een warreling van gedachten legde zij de weinige schreden af, die -haar brachten voor Rolfr Jarl en het was haar of die korte oogenblikken -den duur van jaren bezaten. Toen leerde zij, dat niet de tijd het leven -vormt, maar zijn ervaringen. - -Maar de vaste stem van hem, die het recht bezat, te beslissen over haar -leven en lot, sprak luide: - -„Swanwitha, mijn kleindochter en erfgename, ik stel u voor een mijner -waardste schildgenooten in menigen harden strijd, Olaf Erikson. - -Houd hem hoog: hij zal weldra zijn uw heil en uw heer, op den dag -wanneer zijn ontbloot zwaard u wordt voorgedragen en gij zult worden -begroet als zijn vrouw op den drempel zijner hal. Tot die ure aanbreekt, -verloof ik u thans aan hem als zijn wettige bruid.” - -Een smalle gouden ring werd haar, op een wenk van den Jarl, aan den -vinger geschoven, door een hand, krachtig en gespierd, die thans echter -beefde. Met een gevoel van afgrijzen zag zij op tot hem, die nu haar -bruidegom heette -- de onbekende jonge Viking. Zijn maliënpantser -glinsterde als zilver. Geheel zijn wezen ademde eenvoud en goedheid. Het -was een schier bedroefde blik, dien zij van hem afwendde want hij zag -haar aan glanzend van gouden geluk, hopend.... - -Zij wilde spreken, zij kòn, zij mocht het niet: aan haar zwijgen hing -immers Unruochs leven of dood? O, wat zou hem dit leven zijn, zonder -haar? En toen herinnerde zij zich hoe haar moeder eens had gezegd: - -„De christenen leven niet alleen voor deze aarde. Hun leuze luidt: -Excelsior! Worden ook zieleleed en smart hun niet bespaard, zij dragen -geduldig wat God hun bereidt, wetend, dat Hij alleen weet wat zij -behoeven en alle dingen doet medewerken ten goede.” - -Op deze wijze veranderde iedere smart in zegen, en háár boog het leed -neer tot verpletterens toe. O, welk een groote kloof bestond er tusschen -Unruochs geloof en denkbeelden en de hare! Misschien was het wel goed -voor hem, ja, voor hèm, dat zij werden gescheiden. Hij zou een rijk -arbeidsveld vinden en haar vergeten, en zij.... - -Maar luid, met jubelenden koperklank schetterden horens en pauken, hoog -en hooger zwollen zang en lied, terwijl zij rondging door de hal, -getooid met de bruidskroon van maagdenpalm, aan haar vinger den gouden -ring, het bewijs, dat zij was verkocht aan hem, die haar nu voortleidde -aan zijn hand, gelijk hij dit zou doen door ’t leven. - -Haar heer.... Onder zijn zwaard zou zij doorgaan en dan zou hij meester -wezen over haar leven of dood, hij zou haar opnieuw kunnen verkoopen.... -Met moeite bedwong zij een snik. De leer der christenen gebood liefde en -trouw tusschen echtgenooten; bij de heidenen echter bestond de -verhouding van meester en slavin!.... Bittere, vernederende gedachte -- -niet geheel bitterheid meer: Unruoch was gered, wat deed het er dan -verder toe. Te midden van den nacht die haar omgaf, de nacht harer -toekomst, werd het voor hem licht.... - -En ook om haar heen was het licht, gelijk schijn en wezen menigmaal zijn -vereenigd in het leven. Weer verhieven zich lied en snarenspel; over een -schaar van luidruchtige dischgenooten wierpen de flikkerende toortsen -hun wemelenden gloed. Swanwitha zag zich nu het middenpunt van ieders -aandacht; op het verhoogde gedeelte der zaal, waar de zilveren schotels -werden geplaatst voor den burchtheer, zat zij naast den onbekende, die -zou zijn „haar heil en haar heer”.... - -De kleine halfronde vensters waren geopend. Donker welfde zich de -avondhemel over het land, slechts enkele sterren flikkerden met gouden -tintelglans. Donker stonden de hooge dennen, hun takken bewogen zich -niet, alleen aan hun voet, daar waar de Eem een stroomlandschap vormde, -was het licht. Een witte, blinkende weg scheen het water, een weg, die -rechtstreeks voerde naar den Hohorst, waar ook het licht heerschte, ’s -levens licht van liefde en medegevoel voor anderer leed. O, waarom kwam -bisschop Ansfried niet, zooals hij had beloofd; nog was Unruoch niet -vrij gelaten.... - -„Mijn bruid” -- een stem met een lichte trilling in haar toon bracht -haar terug tot de werkelijkheid. „Hoezeer hoop ik, dat gij nooit met -droefheid terug zult denken aan dezen dag. Rolfr Jarl had mij u -toegezegd, maar ik wist niet, hoeveel mij werd geschonken, eer ik u -zag. Het is mij als ken ik u sinds lang, heel lang. Ben ik u een -vreemde?” - -Ernstig zag zij hem aan. - -„Verspil geen onnoodige woorden. Het was noodzaak: mijn grootvader heeft -u noodig voor plannen die ik niet geheel begrijp, maar wel vrees. Ik -gehoorzaamde zijn wil om”.... - -Hij zag haar aan verwonderd en verschrikt, zacht hernam hij: - -„Ik hoop, dat gij eenmaal anders zult denken over dezen dag, later, -weldra, als ’t kan. Gij hebt gelijk, ik eisch te veel, maar geduldig zal -ik wachten tot gij mij vrijwillig geeft, wat gij mij nu niet kunt -schenken.” - -Zij kon niet antwoorden -- het gaf haar een gevoel van verlichting -- -want scherts en lach verstomden eensklaps. Met den hoogen, zilveren -drinkhoorn in de vuist was de gastheer opgerezen van zijn zetel. -Dringend tot in de verste hoeken, door de wanden hol weerkaatst, klonk -zijn stem: - -„Ik groet u, vrienden en schildgenooten, van ver en nabij! Welkom in -mijn hal! Dappere gezellen van den bruidegom mijner kleindochter, weest -heil! Dank, dat gij hem verzelt op zijn bruidsvaart, die moge worden -besloten door een zegetocht, Thor ter eere, Odin tot onvergankelijk -heil! Gij weet het allen: wij staan op een keerpunt. Laat alzoo niet -onze woorden groot zijn, doch onze daden. Vermolmd liggen de heilige -tempels, vergruisd zijn de beelden der goden, de gewijde bronnen -verdroogd. Laat het niet wezen voor immer. Wijdt den Alvader uw leven, -de macht van uw zwaard, sticht hem een nieuw rijk en heerlijk zal hij u -eenmaal uw daden van kracht en moed vergelden in de eeuwige woonplaats -van goden en helden. Hier pleng ik den hoogen hoorn; hoort mijn gelofte: -Strijd zal het zijn, strijd en zege, Odin ter eere, zijn volk tot heil! -Zege na strijd!” - -Oorverdoovende jubel gaf hem het antwoord. Het gelaat van den Jarl -gloeide. Zou hij bereiken eer de avond van zijn leven daalde, waarvoor -hij had gewerkt en gestreefd gedurende heel den tijd zijner mannelijke -kracht? - - „De hooge held, - Hij waagt en wint - Of strijdt en sterft. - Hoog in ’t harnas, - Heft hij den heirbijl. - De vijanden vlieden, - De zege ziet hij: - Hem wuiven Walküren - In ’t weeldrig Walhalla - Het welkom toe - Aan Alvaders maal”.... - -De grijze Skald was opgesprongen bij de woorden -- een oproep ten -strijde gelijk -- van zijn heer. Nu stond hij rechtop in ’t midden der -hal, zijn oogen gloeiden, zijn hand greep in de snaren. Vol en krachtig -hief zijn stem den ouden krijgszang aan van zijn woest, onverschrokken -volk. Sneller joegen de polsen, hooger kleurden zich de wangen, -kletterend werden de zwaarden getrokken, vonken schenen zij te -schieten, het was of kleine vlammen dreigend zweefden boven hun -spitsen. - - „Juichend valt hij - Voor zijn volk. - De hooge held!.... - ’t Zij strijd of zege!” - -Donderend dreunde de fiere strijdkreet van het volk, dat lafhartigheid -schuwde als de grootste schande, sneuvelen in den slag hield voor de -hoogste eer. - -Bloed en rouw, verdeeldheid en jammer riep hij op, die wilde krijgszang. -Doch wie dacht aan de ellende van den krijg: zij zagen de zege!... - -„Mijn bruid, ik sticht u een koninkrijk!” Bedwelmd door zijn hartstocht, -haar woorden vergetend, bracht Olaf Swanwitha’s hand aan zijn lippen, -zijn oogen zochten opnieuw de hare. Hij ontmoette een blik vol -smeekenden angst. - -„Vergeet gij dan geheel, hoe de zegevierende schildmaagden waden door -het bloed hunner slachtoffers? Dit volk heeft reeds zooveel geleden door -het geweld van het uwe. Sinds meer dan anderhalve eeuw is dit land een -woestenij. Thans beginnen de bewoners een weinig tot rust te komen. Er -wordt weer geploegd en gezaaid, herstelde hoeven verrijzen naast de -puinhopen der verbrande woningen, waarom wilt gij nieuwe rampen voegen -bij de oude wonden, die nog bloeden en schrijnen?” - -Verwonderd zag hij haar aan. Hij was zelfzuchtig noch ongevoelig, maar -hij was een zoon van zijn volk. Stoute, jonge aanvoerder, gold -zwaardgekletter hem het meest, was een gevecht op leven en dood hem een -opwekkend spel. Doch ditmaal mengde zich een hooger denkbeeld tusschen -zijn plannen voor den komenden strijd. Het zweefde boven de gestrekte -speren, boven de dreigend opgeheven strijdaxten; hij ging de zegepraal -bevechten van een ideaal -- van het zijne. Want hij had hem lief, den -godsdienst uit het Noorden; hij vereerde Odin in zijn diepe wijsheid, -Thor, in zijn ongebreidelde kracht, Balder in zijn liefelijke zangen, -zijn daden edel en goed. - -Voor hem waren de sagen en legenden, bijeenverzameld in de Edda, -voelbare, tastbare realiteit. Zij waren hem dierbaar de oude goden van -zijn volk, zijn ziel brandde in hem als hij hoorde en zag hoe ook de -zonen van ’t Noorden zich bogen voor de dienaren van het Evangelie, die -hun een nieuwen godsdienst predikten, het Christendom, dat eischte: -„Vergeeft uw broeder zeventigmaal zeven maal.... Wie het zwaard trekt -zal door het zwaard vergaan”.... - -Met een gevoel als hem overweldigt wiens ziel jarenlang werd verteerd in -vruchtelooze plannen en droomen, wanneer hij die vage wenschen -plotseling de vormen der werkelijkheid ziet aannemen, was hij deelgenoot -geworden der toekomstverwachtingen van Rolfr Jarl, hoewel soms de -gedachte hem huiveren deed, dat opnieuw bloed zou vloeien, veel bloed. -Een gedachte, die hij steeds even ras weer trachtte te verwerpen als -onwaardig en flauwhartig. En thans, nu de verwezenlijking dezer plannen -niet meer onmogelijk scheen, vroeg hem de eerste vrouw, die hij had -aangezien met de oogen van een man, vroeg hem zijn jonge bruid: „Hebt -gij ooit een stroom zien terugkeeren tot zijn oorsprong, ooit een -frisschen dronk geput uit een verdroogde wel? Wat verwacht gij dan? -Nooit werd op aarde wat is geweest. De harten zijn koud geworden voor -Odins leer, dien het volk in dit land vereerde onder den naam van Wodan. -Bijna allen zijn christenen. Zij hebben zoo zwaar geleden door de Denen, -die hem aanhangen. Eerst verfoeide het de Evangeliepredikers, later, -toen zij vrienden en verwanten zagen vallen door het zwaard van „Odins -zonen”, werd ook hier het martelaarsbloed de regen, die den akker van -het christendom vruchtbaar maakte.” - -Het verbaasde Swanwitha zelf, dat zij zoo sprak. Het waren woorden, die -zij vroeger had gehoord, lang, lang geleden, vergeten sinds. Waarom -drongen de herinneringen aan haar kindsheid, met al de kleine voorvallen -uit dien tijd, zich in de laatste dagen opnieuw aan haar op, als met -verdubbelde kracht? Waarom? Zij had toch geknield voor Freya’s beeld, -naast haar grootmoeder, zoolang deze gezag over haar had. Waarom -dan?.... - -Doch zij voelde Olafs blik nog meer verschrikt dan verrast op haar -gelaat rusten. Zijn stem klonk: „Het doet mij zeer leed, dat gij zoo -denkt, onze wenschen en gevoelens komen weinig overeen. Ik hoop evenwel, -dat gij spoedig de mijne zult deelen. Als gij mijn vrouw zijt is dat uw -plicht, mijn recht het te verwachten. „De wil van den man is de wet der -vrouw,” zoo eischt het de Edda.” - -Swanwitha huiverde, wanhoop sloop haar hart binnen. Haar blik rustte op -de breede, gouden armringen, die haar polsen omsloten. Het verbaasde -haar bijna, dat zij niet in boeien veranderden. Dwang naar lichaam en -naar ziel. Zij zweeg, zij moest: het gold Unruochs leven. - -Een ruwe stem drong tot haar door, zij behoorde aan Sven Persen, een der -trouwste deelgenooten van Rolfr Jarls zwerftochten en een zijner -wreedste gezellen. Hij haatte iederen christen en had gehoord, wie in -vrijheid zou worden gesteld. Nu trad hij naar het bruidspaar. - -„Reeds eer de oorlog ontvlamt is er kans, dat gij een anderen brand -ziet, edele Jarl! Wie beslist hoe spoedig het dak van den Ravenhorst zal -knappen en in vlammen opgaan boven uw hoofd? Men zegt, dat bisschop -Ansfried de opmerkzaamheid niet ongevallig was, die zijn pleegzoon der -edele Swanwitha schonk. En thans.... Wees heil, schoon bruidspaar!” - -Hoffelijk hief hij den beker op en zijn oogen glinsterden als de dolk -- -die het hart van een vijand zoekt. Hij kende den steeds gereeden argwaan -van Rolfr Jarl, wist hoe dien te wekken. Ook ditmaal bleek zijn -berekening juist. - -„Wees gerust, Sven!” lachte hij honend. „Wij hebben hier een goeden -gijzelaar tegen die wraak. Als hij op den Ravenhorst een vuur ontsteekt, -zullen wij hem het gebraad leveren, door het lichaam van zijn geliefden -pleegzoon.” - -„Heil onzen dapperen Jarl! Ik drink dezen hoorn op de vervulling van -zijn belofte!” barstte, onder schaterenden bijval Sven los. - -Vrouw Sigrid wendde haast onmerkbaar het hoofd naar zijn zijde. - -„Ga voort! Een enkel woord ter rechter tijd is meer waard dan een -redevoering.” - -Hij bewoog veelbeteekenend de oogleden en weer klonk zijn harde lach: - -„’t Is beter den eersten slag toe te brengen dan hem af te wachten, mijn -Jarl. Gij hebt Unruoch in uw macht, waarom stelt gij hem niet ten -voorbeeld aan uw tegenstanders? Dat brengt er den schrik in.” - -„En de speerknechten en boogschutters van bisschop Ansfried voor den -Ravenhorst. Hij houdt ze in goede tucht en de sterkten, die hij bouwt om -het Sticht te beveiligen tegen de invallen der Denen, -- ha, ha! -- -vermeerderen met ieder jaar.” - -„Men beweert zelfs, dat ook op den Hohorst een wachttoren zal worden -opgericht, stellig om den Ravenhorst te beheerschen. De Hohorst ligt -hooger en is onbereikbaar door de drabbige Eem en het moeras aan den -anderen kant.” - -Rolfr Jarl stiet een verwensching uit. Zijn oogen flikkerden dreigend. -Angstig kwam Swanwitha naderbij. - -„Zeggen is gemakkelijker dan doen,” hitste hem nu de stem op van vrouw -Sigrid. - -„Een lafaard brengt het soms verder dan een held. Terg daarom den -bisschop niet. Hij is de heer van den ganschen omtrek hier. Gij niet. -Bloedig zou hij zich wreken, vooral nu keizer Otto hem heeft beleend -met de bezittingen van graaf Walger.” - -„Ik zal er hem gelegenheid voor geven!” schreeuwde de Jarl, rood van -drift. Zijn vuist beukte de tafel, kannen en bekers vielen om. - -„Ik zal toonen, dat ik evenmin een lafaard ben, als vergelding vrees. -Peer en Lars” -- tot twee speerknechten; zij hielden de wacht bij de -deur -- „brengt den gevangene hier en zorgt, dat er op het lage hof een -vuur wordt aangelegd.” - -„Grootvader, heer grootvader! Heb mededoogen, denk aan uw belofte! Wees -rechtvaardig, als gij zelf rechtvaardigheid van Odin verwacht!” - -Met saamgeklemde handen en van angst vertrokken mond stond Swanwitha -voor hem, ook Olaf zag hem aan verbaasd, niet begrijpend. - -„Ja, hem zal ik laten boeten voor de kuiperijen van dien graaf van -Teisterbant!” Dreigend klonk opnieuw de stem van Rolfr Jarl, toen hij -zich tot Olaf wendde. - -„De Hohorst was met de omliggende heide, moeras en het eiland, dat wordt -gevormd door de Eem, opnieuw vervallen aan het rijk, door den dood van -zijn bezitter, die zonder erfgenamen stierf. - -Beiden -- Ansfried de christen en ik, de Noorman, verzochten het land in -leen van den keizer en heer Otto schonk het den bisschop. Thans sticht -die er een kerk met een klooster, waaruit hij zijn leer wil laten -verspreiden door zijn zendelingen, hier, in dezen verwilderden uithoek, -gelijk hij mijn bezittingen durft noemen. - -Voorwaar hij heeft den eersten slag toegebracht, niet ik. Ik oefen -slechts vergelding als ik mij wreek!” - -Een ijskoude glimlach speelde om zijn lippen. „Ik begin een grooten -strijd, maar ik zal zegevieren,” spraken zij overmoedig. - -Zou hij dat waarlijk? Hij streed in eigen kracht, voor eigen, -zelfzuchtige plannen. - -Maar nu werd een jonge man binnengevoerd, wien boeien de polsen -omsloten, doch die het hoofd hield opgeheven. Kleurloos echter werd zijn -gelaat toen hij Swanwitha zag, getooid met den krans van maagdenpalm, -aan de zijde van een vreemde. - -Vrouw Sigrid bemerkte het, zij wenkte haar kleindochter. - -„Volg mij naar het vrouwenvertrek. Als de mannen recht spreken behooren -de vrouwen zich te verwijderen.” - -„Recht?” Vol afschuw werd dit woord herhaald. Toen klonk het vast: - -„Ik blijf.” En met een zonderlingen nadruk: „Het is heden mijn -verlovingsfeest.” - -Vrouw Sigrid kende dien toon, zij had hem nog eens gehoord, lang te -voren. Zij drong niet verder aan. Met saamgeperste lippen in het strak -gelaat liet zij haar oogen door de hal glijden. Rolfr Jarl wendde zich -tot den gevangene, op wien hij neerzag onvermurwbaar, hard. Recht noch -plicht zouden invloed op hem bezitten, om het vonnis, dat hij ging -uitspreken, te verzachten. - -„Gij zult alles ontkennen waarvan gij wordt beschuldigd, dat verwacht -ik niet anders,” ving hij aan. - -Unruoch had zich hersteld. Onverschrokken, zich zijn goed recht bewust, -stond hij voor den geduchten Jarl. - -„Wie zonder oorzaak gevangen werd gehouden, kan ook zonder reden worden -veroordeeld.” - -Bedaard klonk zijn antwoord, met over de borst gekruiste armen richtte -hij den blik vast op zijn aanklager. - -„Gij hebt mij eerst naar ’t leven gestaan en toen gij dit moest boeten -in den kerker, beproefd mijn kleindochter te onttrekken aan mijn gezag. -Ontken, dat gij haar hebt willen overhalen met u te vluchten. Gij zijt -gevonden in het vrouwenvertrek.” - -De leugen was hier zoo behendig gekleed in ’t gewaad der waarheid, dat -Unruoch verward een oogenblik zweeg. Een rilling, die niets gemeen had -met de siddering der vrees, ging door zijn gansche gestalte. - -„Ik heb gehandeld uit zelfverdediging, toen ik met u streed,” ving hij -aan. „Aanvaller was ik niet.” Toen zweeg hij. - -Rolfr Jarl lachtte spottend. „Rein als versch gevallen sneeuw, ik heb -het reeds voorspeld. Blank en argeloos, in ieder opzicht. Welnu, ik -verheug mij met u, dat gij onschuldig wordt beticht. Onschuld is immers -een harnas waarop alle pijlen afstuiten.” - -Met geweld bedwong Unruoch zich. Meedeelen wie hem zijn vlucht mogelijk -had gemaakt, zou Swanwitha bloot stellen aan iedere verdenking. Hij -zweeg. Uit de aanklacht van den Jarl begreep hij, dat deze hem wilde -veroordeelen. - -„Waarom zal ik mij verzetten tegen een vonnis, dat reeds is geveld? Doe -wat u goeddunkt,” sprak hij kalm. Hij zou haar, die hem haar trouw -beloofde, om die te schenken aan een ander, geen wond toebrengen, dieper -dan het vlijmendste zwaard kon slaan. - -Opmerkzaam had Olaf ieder zijner bewegingen gevolgd. Nu trad hij toe op -den Jarl. - -„Ik houd hem niet zoo schuldig als hij schijnt. Zou het niet beter zijn -deze ondervraging op te schorten? ’t Is heden feest.” - -Geërgerd zag Rolfr hem aan: - -„Gij hebt gelijk. Ik zal een betere ondervraging aanwenden.” - -Hij wendde zich tot de beide speerknechten, Unruochs wachters. - -„Brengt hem naar den beul, laat hem folteren.” - -Een driedubbele uitroep weerklonk. - -Met een blik, gloeiend van verontwaardiging strekte Unruoch de hand uit: - -„Meent gij mij tot een misdadiger te kunnen maken door mij als een -misdadiger te behandelen? Wees voorzichtig: uw vonnis zal op u zelven -terugvallen. Gij kunt mij martelen, dooden zelfs, maar een vonnis door -haat geveld, onteert niet.” - -Bevend van toorn en verachting rustte zijn blik op Rolfr Jarl, iedere -ader op zijn voorhoofd was gezwollen, vlammend rood en doodelijk bleek -wisselden af op zijn trekken. Rolfr balde de vuist in stilte. - -„De foltering zal uw tong minder los maken,” beet hij hem toe. - -„Maar ik zal haar eerder afbijten dan een schuld bekennen, die ik niet -beging. Gij hebt mij naar ’t leven gestaan, mij zonder een schijn van -recht geworpen in uw kerker, gij moest hier staan op mijn plaats als -beschuldigde en indien er dan een veroordeeling werd uitgesproken, zou -het een rechtvaardig vonnis zijn.” - -Slechts een enkele kreet van woede uitte Rolfr, een kreet snijdend als -een mes. Toen hief hij de hand op: - -„Naar de pijnbank met hem.” - -Maar Swanwitha’s gloeiende vingers omklemden zijn bevelend uitgestrekte -hand. - -„Heb medelijden, wees rechtvaardig, laat hem vrij of ik beken zelf een -schuld, die ik nooit beging.” - -Hij stiet haar van zich, hij schopte haar met den voet. - -„Uit mijn oogen of ’k laat u van den omloop van den toren werpen.” - -Overredend, ernstig klonk de stem van Olaf aan zijn andere zijde: - -„Gij kunt hem breken, buigen niet: hij bezit de kracht van het recht. -Laat hem vrij.” - -Rolfr Jarl werd wit van drift. - -„In uw eigen belang geef ik u thans den raad: matig u! Nog zijt gij hier -geen heer en meester. Als gij u tegen mijn wil verzet, wordt gij dit -nooit.” - -Olaf haalde de schouders op met een gebaar van minachting, dat Rolfr -bijna razend maakte. - -„Ik zal nooit op bevel goedkeuren wat slecht is en laag.” - -Vrouw Sigrid trad naar voren. - -„Wat beduidt al dat geredetwist? Alleen het feit, dat die knaap onze -goden vervolgt, maakt hem reeds des doods schuldig. Behoort hij niet tot -de ridders van den bisschop, was hij niet meer dan eens -- dat weet gij -allen -- de aanvoerder der soudenieren, die werden uitgezonden om „de -overblijfselen van het heidendom uit te roeien”, naar het woord luidt -der christenpredikers, als zij soms, in een verborgen schuilhoek van het -woud, nog enkele landbewoners, die den goden getrouw bleven, geknield -vinden bij een gewijde, in de schaduw van den heiligen esch murmelende -bron?” - -Het opzweepend woord viel in goeden grond: - -„Hij moge het eerste voorbeeld zijn, voor al de christenen, die hem -zullen volgen in den dood! Weg met de aanbidders van den bleeken -Gekruiste! Zij varen naar Hel!” - -In wilden roes herhaalde Olafs gevolg, met de Denen, die in dienst -stonden van Rolfr Jarl, deze wilde wraakgelofte. Sterk gevoelden zij -zich door hun aantal en de Vikingervloot naderde de kust. - -„Ter dood met de christenen! Weg met bisschop Ansfried!” - -Het wreede woord vond een holle echo in de muren der hal, de zwaarden -kletterden tegen de schilden, de speren werden geschud. Plotseling -verstomde het oorverdoovend geraas, dat Swanwitha ijskoud worden, vrouw -Sigrid welgevallig glimlachen deed. De deur was niet achter Unruoch -gesloten, thans ging zij geheel open, niemand der aanwezigen sloeg er -te midden der wilde opwinding acht op, eer zij den man zagen, die zijn -naam hoorde uitstooten in doodelijken haat, die in den kring trad zijner -vijanden, kalm als de rots te midden der schuimende zee. - -Was het geen waan, geen zinsbegoocheling; stond hij daar inderdaad, van -wiens wijsheid en macht over de harten wonderdadige verhalen de rondte -deden, dien enkele tientallen vreesden maar honderden vereerden en -liefhadden? Zilveren lokken golfden hem over de schouders in weligen -overvloed, zijn oogen gleden door de hal en bleven toen rusten op den -heer van den Ravenhorst, die de zijne afwendde bij dien ernstig -waarschuwenden blik. - -„Het is goed, dat ik thans hier ben gekomen, niet later. Ik dank mijn -God, die het juiste oogenblik voor mij koos.” - -Rustig en waardig klonk de stem van den kerkvorst der christenen, als -een koraal, dat het bruisen overstemt der kokende branding. En ook hier -verstomde het oorverdoovend rumoer, onwillekeurig luisterden allen -zwijgend, toen hij voortging: - -„Heden morgen klopte ik aan de poort van uw kasteel, Rolfr Jarl, ik -vroeg u te spreken. - -„De Jarl heeft thans geen tijd. Hij jaagt met zijn gasten,” werd mij -geantwoord. - -Ik keerde terug toen de middaggloed den zilveren ochtendnevel had -weggevaagd en verzocht om een onderhoud. - -„De Jarl heeft heden geen tijd, hij viert het verlovingsfeest zijner -kleindochter,” luidde het wederwoord van den schildwacht. Ik wachtte -tot de avondschaduw zweefde boven de toppen der dennen, toen drong -opnieuw door het poortwinket mijn vraag: - -„Leid mij tot uw heer.” - -En als een donderslag klonk mij in de ooren: - -„Wacht tot morgen, dan ziet gij hem bengelen aan den Noorderboom, over -wien de Jarl thans recht spreekt.” - -Toen dacht ik aan Simson en hoe op zijn gebed voormalige reuzenkracht -hem werd hergeven. Ik bad als hij en het was of ook mij werd ingestort -duizendvoudige kracht. Mijn hand greep het winket der kleine zijpoort, -het slot week terug en toen het knarsend opensprong wist ik ook mijn -gebed verhoord. - -Thans vraag ik echter u, Rolfr van den Ravenhorst, komt het u toe, een -onschuldige te vonnissen op deze wijze?” - -„Redder uw eigen zaken, bisschop van Utrecht, en gun mij dezelfde -vrijheid.” - -Schamper klonk het honend woord, waardig de weervraag: - -„Wien dacht gij ’t meest te treffen, Unruoch of mij? Ik weet, dat gij -treffen kùnt.” - -„Ondervind dat opnieuw.” - -Rolfr hief zijn zwaard op tot een slag. Een blik vol verachting, afkeer -en ontsteltenis deed zijn arm weer zinken. Bisschop Ansfried had hem -niet met woorden gewaarschuwd, alleen met een blik, waarin -verontwaardiging beelden en schimmen opriep, ontzettende gebeurtenissen -hem terugvoerend naar het ver weleer. - -Naar den tijd toen zij beiden jong waren en bloedsbroederschap dronken -aan het schitterend hof van keizer Otto den Groote.... - -Het was een dure, onverbrekelijke eed, dien zij aflegden en Rolfr schond -haar. - -Dreef die wetenschap hem het bloed naar de slapen of bestond daar nog -een andere oorzaak? - -Herinnerde hij zich een donkeren, stormachtigen nacht en las hij in den -blik van den grijzen kerkvoogd, dat hun gedachten elkaar ontmoetten, de -eene vol zieleleed, de andere vervuld van ’s levens grootste misdrijf: -de schuld? - -„Mené, Mené Tekel Ufarsin!” De stem van den bisschop ging door merg en -been bij deze woorden en het was Rolfr of alle aanwezigen begrepen, -allen, allen.... Of begrepen zij alleen het zwijgend gebaar, waarmee de -spreker omhoog wees, omhóog en voelden zij de tegenstelling met het -tooneel, dat hen omgaf. Rolfr Jarl, die zijn kleindochter huwde door -dwang aan een onbekende, ter bereiking van eigen plannen, die haar, -getooid met de bruidskroon, dwong tegenwoordig te zijn bij het -doodvonnis, dat hij uitsprak over hem, dien zij lief had.... - -Neen, nog een ander gevoel sprak uit de bleeke, ernstige trekken van den -man, die voor hen stond, niet in het statig gewaad, dat het hoofd der -christenkerk voegde in zijn land, maar in het eenvoudige, zwarte -ordekleed, dat hem niet onderscheidde van den minste der broeders, die -als hij, in dienende liefde hun liefde wilden toonen voor den Heer. -Niet den kromstaf hield hij opgeheven als wilde hij hen, die iederen -hoogeren band verachtten, dwingen onder zijn gezag, maar zijn hand wees -omhoog, en zijn mond sprak de woorden, die zij eenmaal zouden hooren van -hun Eeuwigen rechter, indien zij niet de boeien braken, die hen -kluisterden aan wat vergankelijk was als hun vluchtig aardsch bestaan. - -Zoo machtig was de uitdrukking van bisschop Ansfrieds door veel leed, -door veel gebed gewijde trekken, dat zelfs het minste gerucht zweeg. -Doodelijke stilte bleef heerschen in de hal, waar slechts enkele -oogenblikken vroeger de wanden dreunden van de instemming waarmee het -vonnis, over Unruoch uitgesproken, was herhaald. - -Ook Rolfr Jarl stond met starende oogen, die in het verleden zagen, -wanneer zij rustten op den grijzen kerkvoogd, wiens tegenwoordigheid het -vernietigend oordeel was over zijn daden. Hij beproefde te spreken, hij -wilde zijn trots hernemen, en zijn bevelende houding; geen geluid drong -over zijn droge lippen: Want hij hoorde het loeien van den storm in den -donkeren nacht, lang, heel lang geleden. Hij hoorde het knetteren der -vlammen, die lekten naar de krakende balken van een hechten burcht, hij -vernam den gil vol doodsangst eener vrouw.... - -En te midden der stemmen uit het weleer, hoorde hij die van den bisschop -kalm doch beslist: - -„Unruoch, volg mij. Niemand hier heeft het recht u te kerkeren of te -vonnissen.” - -Een gebiedende wenk beval den speerknechten hem vrij te laten en zij -gehoorzaamden, bedwongen door zijn zedelijk overwicht. Een rauwe kreet -sneed door de ruimte als een mes. - -„Vrij? Ik gelast u: grijpt beiden! Werpt ze in het verlies onder den -toren, den graaf van Teisterbant en zijn gunsteling!” - -Wel dwaalde nog Rolfr’s geest in het verleden, terwijl hij voor het -heden zijn bevelen gaf. Een slag van zijn zwaard, dat hij nooit -ontgespte dreef de speerknechten voort. - -„Grijpt ze!” - -Een flauwe gil ontsnapte Swanwitha’s lippen, met oogen donker van angst -zag zij hoe het bevel werd gehoorzaamd. - -„Doode honden bijten niet,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wist hoe -verstikkend de lucht was in het onder de waterlijn gegraven verlies. Een -nieuwe opschudding ontstond, een kloeke gestalte wierp zich voor de -beide gevangenen, als wilde hij ze beschermen met eigen lijf. Met -bronzen klank dreunde de stem van Olaf: - -„Ik eisch de vrijheid dezer beide mannen. Gebiedt niet Odin zelf: -„Eerbiedig den vreemdeling, die uw hal betreedt”? Is wat gij thans -oefent Noormannenrecht?” - -„Olaf Erikson, gij oordeelt, waar gij niet begrijpt.” - -„Ik begrijp, dat Odin zich zal wreken op u, die de wetten der vaderen, -het recht van den vreemdeling met dat der gastvrijheid schendt.” - -Rolfr wilde een heftig antwoord geven, hij bedacht zich in tijds. Hij -kòn zich niet verzetten tegen Olaf, want zonder zijn bijstand vermocht -hij niets. Indien de vloot den steven wendde, waren al de kuiperijen van -zijn leven te niet gedaan. Het antwoord werd hem echter bespaard. - -Plotseling verscheen opnieuw een onbekende in de hal. Wijd stiet hij de -breede deur open, zijn hand wees naar den donkeren hemel, waaraan alleen -de sterren een weinig licht gaven. „Wat spreekt gij van Odin, dat -wangedrocht uwer krankzinnige verbeelding? De overste der duivelen is -hij! Ziet hoe de Eeuwige u zal tuchtigen over uw verhardheid en -wangeloof! Aanschouwt Zijn vurige roede, hoog boven wolken en wind! -Knielt, buigt u voor Hem in het stof eer de ure der genade voorbij is!” - -Allen herkenden broeder Johannes, een der jongste geestelijken van den -Hohorst. Zijn bleek, vermagerd gelaat gloeide van vervoering, zijn -ingezonken oogen staarden dwepend omhoog. Onwillekeurig volgde ieder -dien blik en de doodsverf der ontzetting gleed over het brons van menig -ruw gelaat, en veler hart hield bijna op te kloppen. In de looden -stilte, die thans rondsloop door de hal, ging de ademhaling zwaar der -feestgenooten, streed spanning met ontroering om den voorrang in hun -borst. Nameloos beangst voelden zich die licht ontvlambare, voor alles -wat onbegrijpelijk was ontvankelijke gemoederen. - -„Heer, erbarm u onzer!” Broeder Johannes hief de armen op, als pleitend -om genade, en doffe, sidderende stemmen herhaalden zijn woorden met -radeloos, hijgend fluisteren. Het hoofd van menigen verharden krijger -boog zich in ootmoedig gebed; eer zij het zelf wisten knielden -boogschutter en speerknecht neer op de biezen, gestrooid tot afwering -der booze geesten. En zij herinnerden zich den tijd -- hoe ver af scheen -hij nu -- toen zij christenen waren, eer zij zich opnieuw wendden tot de -oude goden, op bevel van hun heer. Zou thans het oordeel over hen komen -van den God, Dien zij hadden verloochend en veracht? Strak werd hun blik -in het staren omhoog -- omhóog -- waar boven de donkere wolken fonkelde -het ontzettend teeken van den toorn der godheid, dat christen noch -heiden ooit aanschouwde zonder beklemmende vrees, zonder een angst, die -bij velen schier steeg tot waanzin. Zij zagen de dreigende ster met de -roede van vlammend licht, brandend, gloeiend als Gods heilige toorn. Het -was of allen zich de keel voelden toenijpen. Vage geruchten hadden reeds -lang de rondte gedaan, waren gegaan van mond tot mond, hier sidderend -aangehoord, dáar begroet met een ongeloovig schouderophalen. Geruchten -van verdelging en dood, van den ondergang der wereld, van het oordeel, -dat zou komen over het wilde, ruwe, elkander hatende, in elkanders bloed -plassende menschengeslacht. - -Welk oordeel mocht dit met recht verwachten? Ging macht niet bijna bij -ieder boven recht? De aarde had éen groot slagveld geleken, zoover het -geheugen der levenden, de overleveringen uit vroegere eeuwen reikten, -zoover de schaarsche perkamentrollen of nog zeldzamer kronieken meldden, -geschreven door enkele stille denkers, die het tumult waren ontvlucht -der geweldige kampplaats, waarin de wereld scheen herschapen, voor de -stilte hunner eenzame denkerscel. Vorsten uit hetzelfde huis, zonen van -éen vader betwistten elkander de heerschappij; gedwongen of vrijwillig -streden de volken voor hun ware of vermeende rechten, geheele -landstreken vervullend met strijdgerucht en wapengekletter. Schonk een -weinig duurzame vrede verademing voor een korten tijd, dan traden -onderlinge veeten en geschillen in de plaats der groote veldslagen, dan -kwamen de Noormannen. Hun handen, hun stoutmoedige, dappere handen -dropen van het vergoten bloed, „goud en buit”, luidde hun eisch, waaraan -klem gaven de dreigend opgeheven zwaarden, de heirbijlen roodgekleurd -- -door roestvlekken nooit. - -Jammer en ellende, geweld en haat vervulden de wereld, zoolang reeds, -zoolang.... En thans zou zij worden verdelgd, zou de aarde weerkeeren -tot het niet, waaruit zij eenmaal werd geschapen. En de menschen -- hun -wachtte het oordeel over hun daden. Het oordeel!.... - -De nacht was donker, alleen de dreigende komeet fonkelde als het -vlammend lemmet des Heeren aan het hooge koepelgewelf der lucht, en -iedere andere ster verbleekte voor haar gloed. - -Hol stak de nachtwind op, schril floot hij om den toren -- het klonk als -een noodkreet. Bij elke huilende vlaag ging een nieuwe schok door de -leden der aanwezigen; een vreemde ontroering overmeesterde zelfs Rolfr -Jarl. - -Hij had nooit gehecht aan de bange toekomstvoorspellingen: - -Het waren immers slechts christenpriesters uit verre, zuidelijke landen, -die boete en berouw predikten in de open lucht, die de straten vulden -met weegeroep en klaagzangen. Verachtelijk had hij meer dan eens -uitgeroepen: „Laat de christenen mijnentwege vergaan! Als Midzomer daar -is, zullen mijn dienstmannen, hun ros bij den teugel, den drinkhoorn -zwaaiend, springen over vuur en vlam. En de Skalden zullen in gloeienden -wedstrijd zangen aanheffen en liederen dichten ter eere van het -zonnevuurfeest van goden en helden”.... - -En thans vreesde hij, niet voor den dood, maar voor een plotseling -einde. - -„Ik wil vallen als een held in het heetst van den slag, mijn goed zwaard -in de vuist. Dan voeren Walküren mij in Alvaders zaal; doch sterf ik den -stroodood zoo zink ik in Hel!” - -Hij schudde zijn zwaard. - -„Olaf, ga zelf, als snelle bode, de vloot tegemoet. Wijs haar den weg! -Het is tijd! Als wij moeten omkomen, laat het dan zijn naar heldenaard -en -wijs.” - -Vergetend wie hem hooren kon had hij gesproken. Plotseling verstomde -hij. - -Door het huilen van den wind drong een plechtige treurzang. Ontstoken -kaarsen wierpen een flauw schemerlicht. Op vertrokken aangezichten en -krampachtig gevouwen handen viel die ongewisse schijn. Hij gleed over -een lange rij van doodsbleeke menschen, mannen en vrouwen. Hun naakte -voeten sleepten zich met moeite voort; vele vrouwen hadden asch -gestrooid op haar ontwonden haren. Wankelend trok de stoet verder, de -sombere boetpsalm stierf weg in de donkere verte, maar door merg en been -drong nog eenmaal, door alle boetelingen eenstemmig aangeheven, de -sidderende klacht: - -„Heer, erbarm u onzer! Neem weg uw gloeiend lemmet, getrokken tot -kastijding der wereld! Doe weg het teeken van Uw naderend oordeel: het -vurige zwaard. Heer, ontferm u! Zie onzen zielsangst en onzen nood!” - -De stormwind joeg het grauwe wolkendak uiteen en door de ontstane -scheuren fonkelde opnieuw met onheilspellenden gloed het sterrenbeeld -buitengewoon stralend en helder als nooit te voren -- de vlammende -roede.... - -De menschen, die het zagen met oogen glasachtig in hun staren, klemden -zich met zenuwen gespannen tot het uiterste, versuft, rillend vast aan -elkaar. Waarde reeds de dood om hen heen? Vreesden zij reeds nu het -einde en -- het oordeel? - -Het was bijna de geheele bevolking uit den omtrek, vrijen en hoorigen, -dooreengemengd zonder onderscheid, zich éen voelend in stijgenden angst -voor de vreeselijke ontknooping, die naderde, onverbiddelijk en snel. -Sommigen van hen waren christenen, Wodan vereerden anderen, de meesten -waren volkomen verwilderd door de ellende van den tijd. Zij hadden -alleen gedacht aan het heden, doch nu dit heden dreigde onder te gaan, -met de aarde waarvoor zij hadden geleefd, zochten zij naar een staf, die -hen ten steun was, waar alles om hen wankelde en zij klemden zich vast -aan het geloof, dat zij hadden veracht of vergeten. - -Gevoerd door de evangeliepredikers uit het nederige kloostergebouw op -den Hohorst, trokken zij thans naar de kleine kerk, gesticht op de -plaats waar Rolfr Jarl nog slechts weinige maanden vroeger had geofferd -aan de voorvaderlijke goden. Nu was die plek het eigendom van den -bisschop der christenen -- tot zijn bedehuis vluchtten zij, met -wankelenden tred, met knieën knikkend van angst. - -Het heftige bloed schoot Rolfr in het verweerde gelaat. Zou hij naast -zijn andere groote zwarigheden nog moeten kampen met een vijandige, -afvallige bevolking, waar hij had gerekend op haar hulp en steun? Ba! -het waren meest zijn hoorigen en de vrijen -- ook hen zou hij weten te -dwingen tot zijn wil. - -Hij had nooit gehecht -- zonderling voor zijn tijd -- aan de -toevalligheden van het leven, thans echter begon hij die te duchten. Hij -zelf vreesde niet, maar het volk knielde en zong boetpsalmen.... - -De wind steeg tot een razenden storm. Wat klonk in zijn huilen? Wat? - -„Laat de gevangenen vrij! Den bisschop en den jongen ridder voor wien -hij zijn leven waagde.... Om hem kwam hij hier. Hij vertrouwde het -heilige gastrecht!”.... - -Van verschillende zijden drong die bede, een eisch schier, tot hem -door. Klonk het in de dreigende stem van den loeienden storm? De -toortsen flikkerden, bijna uitgedoofd door den wind; zwiepend sloegen en -rammelden de luiken; het was of onzichtbare handen er aan rukten; -gordijnen waaiden fladderend breed uit; met angstigen schreeuw krasten -katuilen en uit de verte klonk flauw, nauw hoorbaar nog het klagend -„Miserere, Domine!”.... - -„Geef de gevangenen vrij! Laat hen gaan!”.... - -Nogmaals werd het gefluisterd, dringend, smeekend, doch nu wist hij, dat -het menschenstemmen waren, geen bevel werd hem gegeven op den adem van -den storm. Hij barstte uit in een snijdenden lach, alle beklemming van -zich schuddend. - -„Lafaards zijt gij allen. Bang als kinderen voor een rukwind en een -staartster. Ik zal toonen, dat ik niet vrees. Sven en Jorgen, brengt de -gevangenen naar de folterkamer.” - -„Geboren beul! Als gij niemand anders hadt, zoudt gij u zelven -folteren.” - -Wie durfde dat mompelen? Wit van drift keerde hij zich om. - -Maar, eer hij een bevel kon geven, dat een bevestiging zou zijn van het -verwijt, hem vol haat tegengeslingerd, hief Olaf de hand op, -waarschuwend. - -„Rolfr Jarl! Thans geen geeseling met taaie roeden of een gloeiend -brandmerk op beide kaken! Het vonnis zou op u zelven terugvallen met het -brandmerk der schande, Rolfr Jarl! Ik vraag u nog eenmaal die mannen -vrij te laten heengaan uit uw hal. Is het Odin, die tot ons spreekt, -waarschuwend tot ons spreekt, door de vlammende roede hoog boven wolken -en wind; is het, als de christenen beweren, een teeken van hun God -- -wie zal het beslissen? Wij dwalen in nevelen, donkerder dan die welke -bij nacht de aarde bedekken, zoekend, vragend weten wij, dat wij niets -weten. Wat is zien wij; maar wij weten niet wat geweest is, noch wat -komen zal”.... - -„Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs -der zaken, die men niet ziet.” - -Wat bracht Swanwitha die woorden terug in het hart, in dit oogenblik? -Had zij die eens gehoord met de zachte stem harer moeder? Wat bezaten de -christenen veel, dat haar ontbrak! - -Olaf streek zich met de hand over de oogen. Het was of ook hij helder -wilde zien. Op zijn eigenaardige, bedaarde wijze vervolgde hij: - -„Voor mij is die vurige ster een teeken van Alvaders macht en -heerlijkheid, niet van zijn toorn. Ik hoor zijn stem in het razen van -den storm, zie zijn kracht in den wil, die den eik ontworteld neerwerpt. -Indien hij daarom deze menschen” -- hij wees met een handbeweging de -gevangenen aan -- „wil tuchtigen voor hun afval, bezit hij daartoe niet -de macht? Zie het teeken van die macht, in gloeiend schrift boven de -wolken. Laat daarom de gevangenen vrij. Meng u niet in zijn raad: Odin -wreekt zich zelven!” - -„Odin wreekt zich zelven!” Schuwe stemmen herhaalden het, dringend, -smeekend, vol nameloozen angst. Rolfr Jarl begreep, dat hij tot toegeven -zou worden gedwongen, indien hij dit niet vrijwillig deed -- in schijn. - -Wrevelig haalde hij de schouders op. - -„Laat ze dan gaan! Làat ze dan gaan! Lafaards, zotten! Het zal je allen -te laat berouwen, warhoofden, gekken!”.... - -De sierlijke redevoering was nog niet ten einde, toen Olaf zich reeds -tot de gevangenen wendde. - -„Men zal u paarden geven, ik zal er zorg voor dragen. Volgt mij naar -buiten!” - -Maar hoog richtte bisschop Ansfried zich op, een bevel in zijn -doordringende oogen. - -„Gij zijt niet de eigenaar van dit huis. Deze zelf behoort en zal mij -uitgeleide doen uit zijn hal. Zoo eischt het de zede der vaderen.” - -Rolfr opende den mond, een heftig woord op de lippen. Zijn blik boorde -in dien van den bisschop en hij zweeg en ging hem voor. Want hij dacht -opnieuw aan het uur, waarin hij óók dien blik had gezien en weer legde -het verleden de hand op hem. Een huivering ging door zijn leden. Het was -een ongewone gewaarwording, die hij echter kon bedwingen, noch meester -worden. De wind bedaarde een weinig, grijze wolken bedekten den -sterrenschijn, ook de vurige schittering der vlammende roede. De laatste -tonen van den klaagzang waren langzaam weggestorven in het donkere -verschiet. - -Onstuimig wendde de Jarl zich eensklaps tot den bisschop: - -„Gij verdiendet te worden gegeeseld, wie schuld heeft, boet. Waarom -hebt gij het leen geëischt voor het bisdom?” - -Weer bracht een blik hem tot zwijgen: - -„Afweren van onrecht is een aan ieder door God verleend recht. Het is de -eenige wijze om zich en anderen te beschermen tegen daden, ingegeven -door zelfzucht en heerschzucht. Ik heb van dit recht gebruik gemaakt, -naar ik hoop tot zegen van velen.” - -Rolfr sprak niet meer, het was hem of de duisternis en de wind den klank -der woorden voor hem herhaalden.... - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -De nacht met zijn verschrikkingen was voorbij. De hemel straalde van -licht, de vogels kweelden hun morgenlied, de aarde bloeide, als een -belofte van rijken oogst. Weggevaagd was de vurige roede aan de nu weer -heldere lucht. Het landvolk was aan den arbeid -- het zong als ontheven -van een verpletterenden last: - -„U, onzen Schepper, loven wij!”.... - -Een lofpsalm der christenen! Rolfr Jarl kende ook de woorden, lang te -voren had hij ze nog eens gehoord, lang te voren. - -Hoe haatte hij dien lofzang, gelijk hem die.... Zijn hand omknelde de -greep van zijn zwaard. De herinnering aan het tooneel van den vorigen -avond verliet hem geen oogenblik. Steeds zag hij hoe hij gedwongen was -geweest den man uitgeleide te doen, dien hij begeerde te worgen met -eigen hand. Vrij was hij nu, vrij!.... - -In zijn volle lengte verhief zich eensklaps de Jarl: - -„Nog ben ik hier heer en meester, niet alleen op den Ravenhorst, ook in -den ganschen omtrek. Het zijn allen mijn dienstmannen, mijn hoorigen. Ik -zal mij wreken, zij het dan op andere wijze dan ik wilde.” - -Hij liet zijn paard zadelen en reed heen in woesten ren. - -Niet ver van het dennenbosch, dat de Ravenhorst aan de eene zijde -insloot, stond een vervallen hut van plaggen en leem, met een half -vergaan dak van mos en graszoden. Wind en weer waren er ongehinderd -jaren lang in en uit getrokken. De ingang werd afgesloten door een -wolfsvel, dat genoeg koude en tocht doorliet aan alle zijden. De rook -trok weg door een gat in het dak en de eenige bewoonster was een oude in -half vergane lompen gekleede vrouw. Zij had in die hut haar leven -voortgesleept sinds de Denen haar hoeve verbrandden en haar man en zonen -door hen werden gedood. Oude Lisa zat dien morgen zich te koesteren in -de zon op den aarden drempel, die een weinig was opgehoogd boven den -uitgegraven bodem van haar hut. - -Zij zag naar de lijsterbes bij den bouwvalligen gevel, naar de -kamperfoelie, die geurige bloemen vlocht door zijn takken. Het water van -een kleine beek murmelde half verborgen tusschen berken en elzen zijn -droomerig lied. Deed die golvenzang ook haar neuriën: - - „Hi was minnera, - And hi was betera”.... - -Haar stem was zwak en beverig, maar terwijl zij zong scheen die toe te -nemen in kracht. En opnieuw klonk het: - - „Kerl, hi was minnera, - And hi was betera - Hi stifte and sterde - Triwa ande werde - Ande hi sette thera Kenega jeft, - Ande allere liude leest - And Londriucht - Ande allera londe eccum sin riucht.[5] - -Een breede schaduwplek viel op den zonneschijn aan haar voet. Hoog te -paard zag zij den landheer. - -„Lisa, oude heks, wat durft gij daar zingen?” - -„Wat ieder zong toen de Denen het land verwoestten, voor de eerste maal, -heer, voor het eerst. Toen begrepen de menschen pas wat keizer Karel was -geweest, toen begrepen zij het.” - -Recht zag Lisa voor zich uit met onverschillig, strak gezicht en toch -wist zij hoe de trekken van Rolfr Jarl vreeselijk waren om aan te zien, -nog eer zij hem hoorde bulderen: - -„Oude tooverkol! Ik moest je levend laten verbranden. En, als ik niet -wist, dat je gek waart, gebeurde dat vandaag nog.” - -„Ga uw gang, heer! Nooit zal ik meer kunnen lijden dan ik reeds geleden -heb. Mijn leven is zoo lang geweest en even lang mijn verdriet. Dus, als -’t nu gedaan kon raken, dan was het goed.” - -Besluiteloos zag hij haar een oogenblik aan. Hoe hier te treffen? - -Toen viel hem iets in. - -„Lisa, gij hebt vlijtig gewerkt op het veld dit jaar. Ik weet, dat gij -een vollen zak gerst bezit, om van uw wikken en rapen niet eens te -spreken. Ge kunt dus ruim brood bakken, maar waar maalt gij die gerst -tot meel?” - -Verschrikt zag zij op. ’t Was of haar kleur verschoot onder het tanige -vel. - -„Heer, heer, laat me niet van honger sterven! Dan maar verbranden! Ik -kneusde mijn gerst tusschen twee steenen, heer! Ik heb geen gereede -penningen, geen enkele! Hoe zou ik dan het maalgeld kunnen betalen! Hoe -zou ik!” - -Zij zag, dat hier geen genade was te wachten. Een snik schoot uit haar -keel, zij wrong de handen, radeloos. - -„Uw gerst is verbeurd, verstaat gij? Gij hebt den wind bestolen van uw -heer. Wees dankbaar, dat ik je niet den hongerdood laat sterven in een -kerker van den Ravenhorst, maar je overlaat aan de hongertering in je -eigen krot.” - -„Heer, o, heer! Dan maar verbranden, dan is het uit! Dan is het uit! Ik -wist niet”.... - -„Gij wist wèl, dat de molen van den Ravenhorst een dwangmolen is. -Niemand van mijn onderzaten, vrijen of hoorigen heeft het recht elders -te doen malen.”[7] - -Lisa barstte uit in een schellen lach: „En nu zeggen ze, dat ik zooveel -voorrechten heb, omdat ik vrij ben en de hoorigen benijden me!” - -Hij werd bang voor het woeste flikkeren van haar oogen. Menigeen noemde -haar gek. Als ze hem eens aanvloog! Gekken hebben immers dubbele -kracht.... Vaak spraken door hen de goden. - -„Luister Lisa,” hernam hij wat zachter. „Ik zal u geen kwaad doen. Gij -kunt uw gerst malen waar gij wilt. ’k Zal u zelfs nog een kruik olie -laten brengen uit mijn spijker, om koeken te bakken.” - -„Heer, o, heer! Wat zijt gij goed!” - -Zij boog zich voor hem neer en kuste zijn handen. - -„Maar onder een voorwaarde Lisa, onder een voorwaarde.” - -Vragend wachtte zij. - -„Gij zult niet meer naar de kerk op den Hohorst mogen gaan, nooit meer, -verstaat gij mij goed? Nooit meer. En overal moet je vertellen, dat ge -daar niet meer komt, omdat gij er den duivel gezien hebt.” - -Lisa richtte haar kleine gestalte op met groote waardigheid. - -„Bisschop Ansfried en de zendelingen hebben mij gezegd, dat ik een ziel -had. Vroeger wist ik dat niet en het is zulk een voorrecht om te kunnen -denken, dat daar” -- zij wees met de magere hand omhoog -- „alle tranen -zullen worden afgewischt, die hier op aarde zijn gestort. Dat te weten -maakt het leven tot een lust in plaats van een last. - -Uit het verdriet en de ellende van dit leven zweef ik dan, hoog boven de -wolken, de gouden stad binnen en ieder, die daar mag komen, heeft de -onsterfelijkheid ontvangen en is gelukkig voor altijd, in het eeuwig -licht. Daar zie ik dan de engelen; schitterend wit glanzen hun vleugels, -zij zingen met gouden stem, de klank hunner harpen vervult het Paradijs -en de zweep van den meier en de kerkers van den Ravenhorst zijn er niet -meer. - -Dat heb ik geleerd in de kerk op den Hohorst, daarom zeg ik nooit wat -gij mij beveelt, heer, noòit. Want iets zeggen, dat de waarheid niet is, -staat gelijk met groote zonde, zegt de bisschop. En ik wil geen zonde -doen. Ik heb liever een onsterfelijke ziel dan olie voor koeken.” - -Rolfr Jarl glimlachte niet om het verhevene en alledaagsche, dat hier -werd dooreengemengd. Hij fronste opnieuw de wenkbrauwen: - -„Goed Lisa, goed, gij hebt gekozen, wacht dan nu de gevolgen maar af.” - -Zij zag hem na met donkeren blik. - -„De Ravenhorst is hoog, maar hij kan tòch vallen. Niets is tegen het -vuur bestand.” - -Nog uit de verte hoorde hij haar schamperen lach. - -„Oude tooverkol, ’k zal je wel vinden!” De sprake ging immers, dat zij -kon sluipen door het kleinste sleutelgat -- alzoo was zij een heks. -- -Hij zòu haar vinden. - -„Niets is bestand tegen het vuur,” had zij geroepen. Dat was een -bedreiging tegen den Ravenhorst. - -„Niets bestand tegen het vuur!” - -Zij zou het ervaren aan hut en lijf. - -Vaster omklemde zijn vuist de greep van zijn zwaard. Met geheimvolle -runen was het ingelegd, wondere kracht bezat het breede lemmet. Want was -het niet gesmeed op den dag aan Wodan gewijd, den vierden van iedere -week, en bevond zich tusschen de runen geen houtsplinter, gezegend door -Donars hamerslag: uit een door den bliksem getroffen boom was die -splinter gesneden. - -Rolfr wist hoe hij werd gevreesd om dat zwaard: de mare ging, dat het -ieder wapen, waarmee het zich kruiste, in stukken deed springen. - -Een welgevallige glimlach speelde om zijn mond: geen menschelijk wezen -was in staat hem een wond toe te brengen: onder zijn rinkelend -maliënkleed droeg hij een slangenhuid aan Loki, den helgod gewijd.... - -Dien morgen wierp Henno, de visscher, zijn lijn in een plas tusschen den -Ravenhorst en den Hohorst. Half verborgen tusschen riet en lisch lag hij -en wachtte af wat de dag verder hem schenken zou. Hij was een groote, -sterke boer met vlasblond haar, dat hij, naar oud vaderlijk gebruik nog -meer bleekte door het te besprenkelen met kalkwater. Zijn wambuis en -hozen waren van hertevel -- zelf had hij het wild geschoten -- onbedekt -was zijn hoofd. Vergenoegd floot hij tusschen de tanden -- hij had reeds -een voordeelige vangst gehad -- toen de Jarl verscheen, geharnast van -zijn schedel tot den voetzool. - -Henno zong -- latere eeuwen zouden op deze wijze overzetten het oude -volkslied -- - - „Hi woonde na dien tide - op sinen ouden casteele - gheen langde dagen meer: - den kerker bleefer gesloten, - de linden standen te groene, - den eenen steene vieler - oppe den anderen neer”.... - -Rolfr Jarl hechtte sinds den vorigen avond aan voorteekens, al wilde hij -dit zich zelven niet bekennen. Oude Lisa had hem bijna hetzelfde -nageroepen wat Henno zong. Vroeger zou hij er de schouders over hebben -opgehaald, nu verschrikte het hem. - -Hij vergat, dat het niet de dingen zelf zijn, die vrees aanjagen, doch -de wijze waarop zij worden opgevat. - -„Je bent vroolijk, Henno!” Norsch riep hij het hem toe. - -Zoodra de visscher hem zag stond hij rechtop. Wel was hij een vrije, -maar zijn hoeve had alleen -- naar vaderlijke zede -- den haag en den -sluitbalk als verweermiddel en de tijden waren onrustig, steeds dreigde -gevaar. Meer dan eens was hij genoodzaakt geweest met zijn tilbare have -een schuilplaats te zoeken op den Ravenhorst. - -„Wat stemt u zoo blij? Er is anders niet veel reden toe, dunkt me.” - -Henno verschrok van den dreigenden blik, die de woorden onderstreepte. -Het was of een mes hem stak. Wat had de Jarl in ’t zin? - -„Wees gegroet, heer.” Schier beschroomd klonk zijn stem. - -„Heer! Ben ik dat nog? Ik heb u allen beschermd en gevoed als -overstrooming dreigde of de krijg ontbrandde. Als de graaf van -Kennemerland een inval deed of de keizer kwam met heircracht, als de -graaf van Hamelant of Megingos van Gelre stroopte, dan hadt gij mij -noodig, dan was ik uw heer. Maar nu ik beleedigd word en bestolen, nu is -er niemand, die het voor mij opneemt. Schimpwoorden, spotzangen, dat is -mijn dank.” - -„Wat is er dan gebeurd, heer?” vroeg Henno verbaasd. - -„Moet jij dat nog vragen, lompe dorper! Heb je soms gisteren avond niet -mee loopen galmen met een kaars in je knuisten!” - -„Hebt gij alleen, heer, dan de vurige roede niet gezien?” - -„Even goed als ieder ander, maar mij jaagt men geen schrik aan of er een -paar sterren meer of minder aan de lucht staan.” - -„Mij ook niet: bisschop Ansfried zegt”.... - -„Spreek nog eens dien naam uit voor mijn ooren en gij hangt aan den -Noorderboom.” - -„Ik ben een vrijgeboren man, heer.” - -„Ja, dat weet ik wel. Halfr, waar gij van afstamt, kwam met mijn -voorvader Roruk in het land. Hij was zijn schilddrager en bleef zijn -Jarl trouw.” - -Henno wendde den blik af, de herinnering knaagde. Rolfr ging voort: - -„Ik geloof niet, dat iemand mij kan veroordeelen, omdat ik het volk -tracht terug te brengen tot het oude geloof.” - -„Gij doet het op een zachtzinnige wijze. Wie zich tegen u verzet, -ondervindt wat dit beteekent,” waagde de visscher te mompelen. - -„Je zoudt zeker willen, dat ik niets te zeggen had op mijn eigen -goederen?” - -Henno had nu zijn mond vol touw; hij knoopte aan een vischnet; hij moest -daarom wel zwijgen. - -„’t Is een fraaie leer, die zoo’n bisschop verkondigt. „Hebt elkander -lief!” Wel aardig om aan te hooren voor een jong paar in de Winnemonath! -Maar werd de macht der Noormannen en die van keizer Karel groot door -liefde of door geweld en kracht?” - -Henno zuchtte: „Dat heb ik niet beleefd, heer! Daar weet ik niet van.” - -„En met al dat liefdegepreek is er twist in iedere woning.” - -Henno keek in zijn vischkorf. - -„’t Is jelui schuld niet, dat je gevangen werdt beestjes. De koorden van -het net trokken je en toen was je bij elkaar. Zoo doet bisschop Ansfried -ook, Jarl, hij weet het volk bij elkaar te houden, als schapen den -herder loopt het hem na. Hoe komt hij aan die macht, heer? Hoe komt hij -er aan? - -Hij hitst nooit de honden op iemand aan, hij scheldt noch noemt ons -„slechte dieven.” Menschen, die vroeger elkander stug voorbij gingen -maakt hij tot vrienden en de welgestelden onder ons leert hij de armen -te helpen en de vrijen niet laag neer te zien op de hoorigen, omdat God -ons allen heeft geschapen.” - -„Hm, hm! Dus gij kiest ook de zijde van dien christen? Gij eert het -geloof van uw voorgeslacht, noch vreest meer zijn vloek, als gij eens -zult verschijnen in Walhalla? Het is ver met u gekomen, Henno. De man -die zijn vaderen vergeet heeft geen recht meer iets te verwachten voor -zijn zonen.” - -De oude Noorsche spreuk, als heilig overgeleverd van geslacht tot -geslacht, was hier zoo behendig aangewend, dat de eenvoudige visscher -van kleur verschoot. Hij verwachtte zooveel van het leven voor zijn -eenig kind! Alles wat dit leven hem zelf had onthouden, hoopte hij voor -zijn zoon. - -Berouwvol zag hij voor zich: - -„Wat wilt gij, dat ik zal doen, Rolfr Jarl?” Deemoedig klonk zijn vraag. -Rolfr beproefde een welwillenden klank te leggen in zijn norsche stem: - -„Henno, luister eens. Gij zijt verkeerd ingelicht en een man van invloed -en gezag in deze streek. Gij behoort tot de oudsten. De raad, dien gij -geeft, wordt gevolgd.” -- Henno glimlachte gevleid -- „En nu weet ge -evengoed als ik, wat er tegenwoordig op den Hohorst gebeurt; ge weet -hoe dat stuk land met den heuvel mij onwettig wordt onthouden.” - -Henno wist niets, maar hij vond het aangenaam gewichtig te schijnen en -knikte daarom veelbeteekenend. - -„Ongelukkig de man, die wordt vervolgd door den haat van een machtige,” -hernam Rolfr bijna vertrouwelijk. „Uit eigenbelang bewerkt de bisschop u -allen met mooie woorden; uit hebzucht, om van zijn heerschzucht te -zwijgen, heeft hij mij bij den keizer belasterd. Hij wil hier heer zijn, -bevelen wil hij op mijn gebied. Daarom vroeg en verkreeg hij den -Hohorst.” Weer knikte Henno. Toch antwoordde hij aarzelend: - -„De bisschop is een goed man, dat blijft waar. Hij helpt ieder, die het -noodig heeft, gevraagd of ongevraagd. De armen uit den omtrek mogen hun -middagmaal komen halen op den Hohorst, iederen dag heer, iederen dag! -En, om hun te kunnen geven onthoudt de bisschop zich zelven het -noodigste. Wie heeft dat voor hem ooit gedaan, wie?” - -Rolfr beet zich op de lippen. Hij zeker niet; als slaven, aan lastdieren -gelijk, hield hij zijn hoorigen. Dikwerf hadden zij geen middagmaal, dat -wist hij, maar als er iets verdween uit spijker of schuur van den -Ravenhorst, dan hield hij een drijfjacht op zijn „menschelijk vee”, -waarbij vaak schuldeloozen met hun leven voor de schuldigen moesten -boeten. Hij drong zijn gedachten terug, en vervolgde streng: - -„Niemand heeft ooit durven doen wat de bisschop waagt, dat is waar. -Niemand heeft ooit getracht op den aan Wodan gewijden Hohorst een -christenkerk te bouwen. Henno, toen Halfr, uw voorvader oud en grijs was -geworden en alle hoop hem begaf, dat de schildmaagden hem zouden voeren -naar Alvaders hal, uit het heetst van den slag, toen liet hij zich -dragen naar den Hohorst. Hij zag de offervlammen opstijgen, hij hoorde -den reizang der priesters, toen kleurde zich zijn speerspits met den -gloed van de vlam: zij zocht en vond zijn hart. Doorstoken had hij zich -met zijn laatste kracht, niet den stroodood wilde hij sterven. Maar toen -zijn zonen zich over hem bogen, treurend om zijn einde, op zijn -heldendaad fier, toen vingen zij zijn laatste woord op: - -„Blijft trouw den goden, trouw onzen Jarl!” - -Met zijn zwaard wees Rolfr naar den Ravenhorst, die forsch en machtig -oprees tusschen de donkere sparren. Het dichte scherm hunner takken -belette zelfs de morgenzon haar gouden lichtsprankels te werpen op het -mos. Het was daar donker. - -„Henno, ik ben het geloof mijner voorvaderen trouw gebleven, maar gij -Henno, gij?” De machtige stem van den Jarl maakte indruk op den -visscher. Hij liet het hoofd op de borst zinken. - -„Jarl, het hamerteeken of het kruis, ’t is haast hetzelfde. En verleden -winter was mijn vrouw ziek en de bisschop gaf haar medicijnen en heeft -voor haar gebeden en toen genas zij. Mijn vader en grootvader waren toch -ook christenen.” - -Als verontschuldigend voegde hij dit er bij. - -„Dan rust op u, Henno, een dubbele plicht. Gij moet de goden verzoenen, -boete doen ook voor de schuld uwer vaderen. Ik handhaaf op den -Ravenhorst het oude geloof en gij, de nakomeling van Halfr, den -schilddrager van Roruk, bidt in een christenkerk.” - -Henno zag voor zich, berouwvol. - -„Dat doen zij tegenwoordig allen. Zij zeggen, dat het oude geloof -voorbij is en dan” -- tot geheimzinnig gefluister daalde zijn stem -- -„als het waar is, dat de wereld moet vergaan”.... - -„Dan is dit het oordeel van Wodan, den oppergod en van Donar, den -Donderaar. Geen wonder is het, dat het koren en vlas drijft op het land -en de schepen vergaan op de kust. ’t Is de straf van Donar voor de -afvalligen. ’t Is de aanvang van de straffen waarmee hij de wereld zal -kastijden. De aanvang.” - -Het gezicht van den visscher werd wit van angst. - -„Zoudt gij dat denken, Jarl! Gelooft gij waarlijk, dat”.... - -„Dat de wereld zal vergaan door den toorn der goden, ja, dat wéet ik. ’t -Is alles leugen wat de christenen zeggen. Donar, de machtige met den -vlammenrooden baard, is mij verschenen. Daarom: doe boete, gij redt niet -uw eigen leven alleen.” - -„Mijn zwakke vrouw en Yglo, mijn zoon! Hij is mijn eenige nu.” - -„Doe boete, als in het bijzijn der goden en Yglo zal eens mijn -schilddrager wezen.” - -„Hij kan zijn ouden vader niet verlaten; scheid ons niet heer, doe ons -dat niet aan!” - -„Dan zal ik hem breede roeden uitmeten, naast zijn vaders land en -Trutha zal vrij zijn om de vrouw te kunnen worden van een vrij man.” - -„Heer! O, Jarl! Wat zijt gij goed!” -- Het was de tweede maal, dat hij -dit hoorde dien morgen. -- „Hoe zal ik dit ooit vergelden”.... - -„Dat zult gij hooren.” - -Toen ontwikkelde de Jarl zijn plan en Henno luisterde en boog het hoofd. -Waarom liep een rilling door zijn leden?.... - -Een gillend gezang klonk Rolfr tegen toen hij het erf opreed van een -welvarende hoeve, kort nadat hij Henno verlaten en diens belofte had -ontvangen. Een stapel honigkoeken lag op den disch van ongeschaafd hout; -groote, ruw bewerkte drinkhoorns schuimden gevuld met bruin gerstebier; -visch roosterde op een walmend kolenvuur. Het gaf een ondraaglijke lucht -in het lage vertrek, waar toch de smook reeds dicht opklom tegen de -bruine balken. Niemand sloeg hier acht op of dacht er aan de tafel naar -buiten te dragen in de schaduw van olm en esch, naast de frissche bron. -Ongeschoeide voeten trappelden dansend op den bodem van vastgestampte -klei; ruwe stemmen zongen krijschend.... - -„Wat is hier te doen?” vroeg de Jarl verwonderd. - -„Vrouw, den grooten hoorn, schenk den hoorn van mijn oudvader vol! Wij -zullen den Jarl toedrinken, voor ’t laatst. Heil Rolfr Jarl! Het verga -hem goed bij Wodan als de Ravenhorst brandt!” - -Weer hetzelfde! Voor de derde maal! Bezwerend maakte Rolfr Jarl het -hamerteeken. - -„Wat voert gij allen uit?” vroeg hij nog eens. - -„Pleizier maken, zoolang de wereld nog staat, waar zij stond. Die barst -nu toch gauw uit mekaar, zeggen ze!” - -Rolfr zag doodsangst flikkeren in de oogen, die hem aanstaarden door het -masker der brooddronkenheid. En weer zong en joelde de dolle bende en -allen dronken en klonken op het vergaan der wereld. - -„Walger, dat geraas moet ophouden, dadelijk! Ik kan mijn eigen woorden -niet verstaan,” beval hij den boer. - -„Vrouw, jongens, scheid uit! Heidaar, jullie meiden!” -- dit tot zijn -dochters en vrouwelijke verwanten -- ransel je met mijn zweep het erf af -als je niet zwijgt! De Jarl heeft wat te zeggen!” - -„Wat geven wij daarom! Laat hij zijn mond houden! ’t Is toch met ons -gedaan!” Onverschillig klonk het terug. - -De diepliggende oogen van Rolfr kregen weer den stekenden blik, dien -ieder in den omtrek kende en vreesde. - -„’t Zal zeker gauw gedaan zijn, maar eer de wereld vergaat, heeft mijn -beul nog wel den tijd u allen te roosteren als nu die visch daar!” - -De vrouw van Walger verschoot van kleur. - -„Jarl, o, Jarl! Doe ons toch geen kwaad! Uit angst zijn wij vroolijk. -Denk toch aan die vreeselijke ster met de roede van vuur! Iederen dag -groeit die aan zeggen ze, en eindelijk steekt zij de wereld in brand. O, -o!”.... - -„Jarl, ik heb een gouden spang. Gevonden heb ik die in....” - -„Gestolen, meent ge!” Grimmig sneed Rolfr aan Imma, de dochter van -Walger, het woord af. - -„Neen, Jarl, waarlijk.... bij de rivier”.... - -„Dan behoort ze mij. Alles wat wordt gevonden op het land of in het -vischwater van den landheer komt hem alleen toe. Branden zult ge -dievegge en hangen er bij!” - -„O, heer, heer! Erbarming, genade!”.... - -De nieuwe schrik maakte den geheelen troep nuchter. Zij kropen voor hem -in het stof. Rolfr zag het met welgevallen. Om ze nu te kunnen -vertrappen, allemaal die ellendige boeren! Maar hij had ze noodig, -vooralsnog. - -„Luistert, gij allen. Of de wereld zal vergaan of behouden blijven, dat -ligt in uw eigen macht.” - -„Wij, wij! Wat zouden wij arme stakkerds daaraan kunnen doen!” - -„Ja, dat kunt gij wèl, als gij doet wat ik zeg. Keert weer tot de oude -goden, dan is alle gevaar voorbij. Om den afval van hun geloof dreigen -zij de wereld met ondergang, de menschen met den dood. - -Komt alzoo hedenavond bij den grafheuvel van Roruk en gij zult allen -hooren wat u te doen staat om eigen leven te redden en de wereld er bij. -Wees niet bang” -- dit tot Imma, die nog altijd voor hem knielde -- „die -spang moogt ge houden, ik vraag niet meer naar de herkomst. Daar hebt ge -nog een ring van roodgoud er bij.” Hij wierp haar een ring toe en -ontving van de gedachtelooze bende de belofte, die hij begeerde. - -Het opnieuw brullend uitgeschreeuwde lied van Wodans wilde jacht dreef -zelfs hem op de vlucht.... - - * * * * * - -Yglo, Henno’s zoon, kwam dien middag thuis van de jacht. Een reebok hing -dwars over zijn schouder. Hij was een kloeke, jonge man, twee heldere -oogen lichtten als sterren in zijn schrander gelaat. Hij vond zijn vader -bezig het oude, roestige zwaard op te poetsen van Halfr, den -schilddrager. - -„Wat zijt gij van plan, vader? Is er een inval van de Denen te vreezen?” - -Henno schudde zuchtend het hoofd: - -„Dat was nog het ergste niet. Maar Yglo, dat andere, je weet wel. -Gisteren zijn wij allen als boetelingen naar de kerk gegaan van den -bisschop en nu zegt Rolfr Jarl, dat het de goden zijn die toornen, en -dat daarom de wereld.... O, Yglo, ik ben oud en afgeleefd en als ik -vergaan moet dan zal ik vergaan, Alvader moge mij richten, maar dat jij, -zoo jong, in den bloei van je leven.... En ik had zoo gehoopt jou -althans gelukkig te zien. - -Je bent de eenige van mijn kinderen, die ik mocht behouden. En, dat is -nu alles om den afval onzer vaderen van het oude geloof.” - -De eerlijke stem van Henno stierf weg, gesmoord in snikken. De -droefheid, die zijn welmeenend, braaf gezicht teekende, was -deerniswaardig. - -Yglo had zwijgend geluisterd, eerst niet recht begrijpend, nu sloeg hij -zijn door verdriet neergebogen vader den arm om den schouder. - -„Vader, bedaar, kom tot u zelven. Wat over ons is besloten kan wanhoop -noch vrees van ons afwenden. Houd echter moed. Heeft bisschop Ansfried -ons niet geleerd, hoe de Heer zelf heeft gezegd: „Van dezen dag en deze -ure weet niemand.” Hoe kunnen dan menschen een gebeurtenis bepalen, die -zelfs verborgen bleef voor Gods eigen Zoon?” - -„Maar omdat ons voorgeslacht, ten tijde van keizer Karel, van de goden -is afgevallen, komt thans het oordeel over ons. Het christendom is het -rechte geloof niet, zegt Rolfr Jarl. En die weet zooveel, hij is overal -geweest in de wereld.” - -„Wat aan koren gelijk is, zou Rolfr van den Ravenhorst gaarne tot -onkruid maken. Vader, kunt gij nog hechten aan de heidensche dwalingen?” - -„Wat zou Rolfr Jarl er dan mee voor hebben om ons te waarschuwen?” - -„Kunnen wij beoordeelen wat hem drijft? Medelijden met ons lot zeker -niet. Daar heeft hij nooit blijk van gegeven.” - -Yglo had met diepen wrok gesproken, zijn vader wist de reden. De blonde -Trutha was hofhoorige op den Ravenhorst. Tevergeefs had de visscher -aangeboden het vereischte losgeld voor haar te betalen: twee koeien en -een weldoorvoed schaap. De eisch van Rolfr Jarl luidde, dat Yglo zich -zou voegen tot dezelfde hoorigheid als Trutha, dan alleen wilde hij -zijn toestemming geven tot het huwelijk[8]. De tranen van Trutha hadden -wellicht bewerkt, dat Yglo zich driemaal boog onder den galg op den -Ravenhorst, dat hij, de vrij geborene, zich daar het hoofd liet scheren, -wat hem voor altijd tot den gelijke zou maken der eigenhoorigen -- de -wanhoop van zijn vader hield hem terug. - -„De gelijke van een lagen knecht, een strik van hennep om den hals, gij! -Wel zijn wij, door den nood der tijden, gedaald, doch onze stamvader -droeg een Viking het schild, hij was hem het naast in den slag. Yglo, -heb geduld tot gij mij ter ruste legt aan den rand van het vrijthof. Het -zal niet lang meer duren.” -- -- - -En Yglo boog het hoofd, met de gelofte zijn vader een smart te besparen, -die zijn leven zou breken, maar somber werd zijn blik, vastopelkaar -geklemd bleven zijn lippen, die tot wit verschoten toen de meier van den -Ravenhorst hem meedeelde, dat Rolfr Jarl op het Midzomerfeest Trutha zou -toewijzen aan een zijner keurmedigen. Wat kon, bij verzet, voor haar -volgen dan de dood? Rolfr Jarl bezat de macht en het recht, zijn -hoorigen te dwingen tot slaafsche gehoorzaamheid. Trutha’s blos -verbleekte, geen lied klonk meer uit haar mond, wellicht was zij dichter -bij het vrijthof dan Yglo’s oude vader.... Hoeveel levensgeluk Rolfr -Jarl verwoestte door éen norsch bevel, hoeveel levensleed hij -veroorzaakte -- wie vroeg daarnaar? Hij bezat de macht.... - -En thans was hij gekomen en Trutha zou vrij zijn, vrij als de vogel in -de struiken, als, als.... Fluisterend, aarzelend schier, deelde Henno -zijn zoon mee wat van hem werd verlangd en, gebroken door den -tweestrijd, die woelde in zijn borst, nam hij eindelijk het zwaard, dat -zijn vader hem reikte en deze zegende hem, maar zijn kranke moeder -- -zwijgend had zij alles aangehoord -- schreide.... - -Van hoeve tot hoeve ging Yglo, bij al de vrijen in den omtrek tot zelfs -naar Bacheforth om hen te nooden, het zwaard in de hand, naar oud -vaderlijke zede, bij den grafheuvel van Roruk, dien avond als de maan -zou zijn gerezen boven de toppen der boomen. - -Hij kwam voorbij den grafheuvel. Hoog lagen de zware steenblokken -opgestapeld. Reuzen hadden hem eenmaal gebouwd, naar het volk geloofde. -De sporen hunner vingers, waar zij de steenen hadden aangevat, waren nog -zichtbaar. - -Streng was door de geestelijken der christelijke kerk daar het offeren -verboden. „Een werk des duivels,” noemden zij die oude grafheuvels. - -En thans ging Yglo de hoevelingen oproepen om zich te verzamelen op die -verboden plaats.... - -Onrustig sloeg zijn hart; een misdadiger voelde hij zich -- hij, een -christen, zou.... Met geweld verdreef hij die gedachte. Het gold immers -zijn levensgeluk, het gold Trutha te redden van een lot wreeder dan de -dood. - -„Wat baat het een mensch of hij de gansche wereld wint en schade lijdt -aan zijn ziel?”.... - -Waarom kon hij dat heilige woord niet vergeten? Stond het te lezen op -het glinsterend watervlak van de Eem, schreef de zon het met gouden -lichtvonken op de bladeren der boomen, las hij het op de steenen aan -zijn voet? - -„Wat baat het een mensch”.... Ook Trutha was een christin, niet slechts -met de lippen, dat wist hij. „Wat baat het een mensch”.... - -Sneller ging hij voort, het zwaard brandde in zijn vuist, heftiger -sloegen zijn polsen, maar verder ging hij, volgens Rolfr Jarls wil en -bevel, verder.... - - [5] - - Karel, hij was de geliefdste - En hij was de beste. - Hij stichtte en stierde - Trouwe en waarheid, - En hij zette der koningen giften,[6] - En aller lieden keuren - En Landrecht - En alle landen elk zijn recht. - - [6] „Hij stelde koninklijke vergunningen vast, gaf ons belangrijke - rechten en vrijheden.” - - In het oude Hunsingoërlandrecht van 1252 vindt men in de voorrede dit - fragment van een oud Friesch volkslied, dat blijkbaar veel ouder is - dan de kronieken en boeken, waarin het voor het eerst werd - opgeteekend. - - [7] Noordewier. Nederl. Rechtsoudheden. - - [8] Noordewier: Ned. Rechtsoudh. 126. - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -Blonde Trutha dwaalde in haar wit geplooid lijfje en zelfgeweven rok van -grof wadmer langs de smalle paden van moeras en bosch. Haar kleine -voeten waren bloot; kortgeknipt -- wat haar als onvrije kenmerkte -- de -kroezende haren. Om kruiden te zoeken was zij uitgezonden door vrouw -Sigrid -- niemand in de gansche streek kon beter artsenijen mengen dan -zij. Het deed de bijgeloovige vrees, die het landvolk voor haar -koesterde, nog toenemen. - -Een zwaren bundel had Trutha reeds bijeengegaard. Een vroolijk lentelied -klonk van haar lippen, het eerste sinds vele maanden. Zij wist reeds van -den omkeer in haar lot: Yglo had haar het groote, gelukkige nieuws -verteld, haperend, vol vreugd en -- vol geheimen angst. - -Trutha zong: de hemel zag zoo lachend blauw en de velden bloeiden. O, -die schoone aarde, zij kòn immers niet vergaan! God was zoo goed, Hij -maakte haar zoo gelukkig. Waarom zou Hij dat niet Zijn heele wereld -doen? - -Een schaduw viel over den rozelaar, waarvan zij de bleekroode bloemen -plukte; met porceleine en honig gekookt zouden zij een veel begeerd -middel schenken voor de gevreesde koorts, waartegen zoo menigmaal -bezweringen noch aderlaten hielpen. - -Zij zag op, een uitroep van eerbied waarin genegenheid zich mengde, -ontsnapte haar: - -„De bisschop!....” - -Bisschop Ansfried glimlachte. Hij droeg weer het eenvoudige, zwarte -ordekleed. Zijn forsche gestalte scheen meer die van een krijgsman dan -van een geestelijke, maar slechts goedheid was in den glimlach, waarmee -hij zich tot het meisje wendde. - -„Uw lied lokte mij hierheen. Ik verheugde mij er over, want een -opgewekte christenzin is God aangenaam. Wat stemt u zoo blij, mijn -kind?” - -Het stralend gezichtje werd tot hem opgeheven, de roode lippen -fluisterden: „Heer bisschop, ik ben zoo gelukkig.” - -„Gelukkig is ieder, die Gods wegen gaat, niet zijn eigen weg. Doet ge -dat ook, mijn dochter?” - -Trutha bloosde, zij dacht aan Yglo’s woorden en aan Rolfr Jarls eisch. -Wist de bisschop?.... Of kon hij lezen in de harten der menschen, zooals -soms werd gefluisterd, en was wat anderen dachten hem bekend? - -Zij geloofde het nu. Antwoordde zij daarom zonder te weten, dat zij dit -deed op haar eigen gedachten: „Niets kan het gemis vergoeden van iemand -dien men zoo echt lief heeft. Ik ben zoo bedroefd geweest, zoo lang, en -nu....” - -„Nu zult ge misschien nog meer tranen storten, arm kind! Als gij God -verlaat om aardsch geluk, dan zal dat geluk u verlaten.” - -Het was waar: bisschop Ansfried wist alles! Dan wist hij ook, dat Yglo -bij den ouden grafheuvel.... - -Het was of er iets schreide in haar hart; zij behoorde tot de -christengemeente evenals Yglo, evenals hij!... Hoe menigmaal had hun bij -het verdriet, dat hen overstelpte, de gedachte kracht ingestort en -nieuwen moed, dat God hun levenslot bestuurde. En thans.... Mochten zij -om aardsch geluk vergeten wat onvergankelijk was en eeuwig? Het -natuurkind kon niet onder woorden brengen, wat zij diep gevoelde, maar -zij wist, dat thans berekening haar daden bestuurde -- brak er iets in -haar binnenste? - -Zacht raakte de hand van den bisschop haar schouder aan. - -„Mijn kind, het leven is maar kort. Het gaat voorbij als een nevel en al -zijn moeiten en teleurstellingen zullen zoo nietig schijnen, als zij -worden gemeten met de maat der eeuwigheid. Thans ligt dat leven nog zoo -lang voor u, maar als gij er eens op terugziet in uw grijsheid zult ge -zeggen: „Het was een schaduw op den wand der oneindigheid.” En al uw -wenschen en uw plannen, gevormd in de jaren, die dan lang, lang voorbij -zijn, zullen zoo onbeduidend lijken bij de groote eeuwigheid, die ons -wacht en allen, die Gods wil deden op aarde, het geluk schenkt, dat geen -einde meer nemen zal. Wie God vasthoudt heeft niets verloren, al -begeeft de geheele wereld hem, doch wie Hem verlaat, verliest alles.” - -Trutha liet het hoofdje hangen, de overgang was zoo groot, zoo -plotseling. Maar, wat haar te doen stond zag zij duidelijk -- al was het -bitter en zwaar -- omdat zij in haar schuldeloos hart voelde wat recht -was en plicht. Eenvoudig en dapper nam zij haar besluit, maar het scheen -ineens donker voor haar oogen en de tranen schoten haar in de keel. - -„O, heer bisschop, ik zal mijn best doen, dat zal ik waarlijk om niet -meer het meest te denken aan Yglo en aan ons geluk. Maar het was zoo -heerlijk en de zon scheen en nu lijkt alles zwart en ’t is of ik loop op -brandnetels of die steken in mijn hart. Het doet zoo’n pijn. Overal is -onkruid waar vroeger bloemen bloeiden. ’t Is zoo erg alles te moeten -opgeven, nu ik dacht, dat het geluk was gekomen. Dan blijf ik een -hoorige en dan is alles verdriet, mijn heele leven!... - -O, maar ik zal doen wat ik kan, om geduldig te wezen; God weet alleen -wat goed voor mij is, als Hij mij dan maar wil helpen.” -- -- - -Snikken braken haar woorden. Meer bewogen dan hij wilde schijnen legde -de bisschop haar de hand op het voorhoofd en het was Trutha of een wolk -van zegen op haar neerdaalde: - -„Mijn kleine heldin, houd moed en wees goed. Gods wegen zijn niet onze -wegen, maar wat ons nu een last lijkt, zal eenmaal wellicht blijken een -licht te zijn geweest, dat ons den weg wees naar huis. - -God geeft niemand te veel om te dragen en als wij ons eenzaam voelen en -zielsbedroefd zijn, is het om ons te brengen tot Hem. Doe wat Hij wil, -niet wat gij wilt, dan is het goed, hier op aarde en in het eeuwige -land.” - -Het werd reeds minder donker voor Trutha’s oogen: ook de nacht bezit -zijn sterren. Zij dacht aan de dwalende lichten, die zij soms had zien -zweven boven het moeras: was zóó het geluk geweest, dat zij had -verwacht? Vluchtig, tijdelijk, verschenen en verdwenen.... - -Haar zachte oogen zochten den hemel waaraan het groote licht straalde, -de flauwe afschaduwing der Onsterfelijke Liefde. Neen, het was niet -alleen duisternis meer. - -„God zal mij helpen, ik wil sterk zijn en goed”.... - -Zij boog het jonge hoofd, evenals de zwakke korenaar, die den storm -voelt naderen. - -Maar de orkaan spaart, als hij den forschen eik ontwortelt, de gouden -garven, die lijdzaam buigen voor zijn macht. - - - - -HOOFDSTUK X. - - -Alleen in het midden van den zomer, als de zon het hoogst aan den hemel -stond, verhelderden haar stralen de geheimzinnige schaduwen, die -zweefden boven den grafheuvel van Roruk. Hier vlochten donkere -beukentakken en dicht eikenloof een verward net, terwijl, schier -verborgen door die groene bladerenzee, een half verdroogde bron murmelde -met gedempt ruischen. Het klonk als geheimzinnige stemmen uit het ver -weleer. - -Een man stond op die plek, door ieder voor wien de overleveringen uit -den heidenschen tijd nog waarde bezaten, gevreesd als een verzamelplaats -der geduchte zwartalven, door de christenen vermeden als een -vereenigingsoord van booze geesten. - -Want donker en vol bijgeloof was de tijd en de geestelijken, waarvan -velen in verlichting en ontwikkeling den leeken slechts weinig vooruit -waren, geloofden zelf aan het bestaan van booze geesten en beschouwden -de voormalige heidensche vrijthoven en offerplaatsen, -- waarheen het -iederen leek streng was verboden zich te begeven, om de herinnering aan -den vroegeren eeredienst te eerder uit te roeien, als hun natuurlijke -verzamelplaats. En thans stond op de plek, waarboven sage en -overlevering hun dichten sluier weefden, die de eenvoudige landbewoners -zelfs vermeden bij lichten dag, de eenzame gestalte van een man in het -geheimzinnig uur, dat de maan haar zilverschijn goot over de toppen der -boomen. Het was Rolfr Jarl. Zijn linker hand leunde op een der -reusachtige steenen, ieder op zich zelf een rotsblok gelijk, de andere -omklemde het zwaard. Over de vlakte zwierven zijn oogen. In een wijden -cirkel had zich, aan den boschrand, zijn lijfwacht opgesteld, tot de -tanden gewapend met schild en speer, met zwaard en heirbijl; dicht -genoeg bij den grafheuvel om elken onbescheiden indringer te weren, op -een voldoenden afstand om geen woord te kunnen opvangen der -beraadslagingen. Zij bleven niet de eenige menschelijke wezens op die -stille plaats bij het weifelend maanlicht: - -Wemelende stralen gloeiden op tusschen de dennen of wierpen vonken over -de slingerende, slechts den ingewijde bekende paden van het moeras. -Omstraald door den glans der toortsen, die zij droegen, naderden de -vrije hoevelingen van den ganschen omtrek. Yglo had zijn taak goed -volbracht. Opontboden in naam van Rolfr Jarl kwamen allen. Uit vrees de -meesten, uit nieuwsgierigheid velen, enkelen uit belangstelling. Hij zag -het. Hooger scheen zijn gestalte te rijzen, terwijl zijn hand zich -vaster legde op den kouden, eens door reuzen gehouwen en opgestapelden -steen. Gevoelde hij, dat ook hij reuzenkracht zou behoeven bij het -waagstuk, dat hij ging volvoeren? Zijn lippen prevelden: - -„Zal ik slagen? De christelijke godsdienst heerscht, dat is een -onloochenbaar feit. De domme menigte ziet met een eerbied, die grenst -aan ontzag, op tot de christenpredikers, als tot lieden van een hoogere -orde. Zij gelooft, dat die God nader staan dan de overige menschheid en -vrees volbrengt vaak wat zachtheid te vergeefs vroeg.” - -Hij balde de vuist: - -„O, kon ik hen evenzoo voor mij doen vreezen, doen kruipen voor mijn -wil. Maar allen zijn verdeeld, weifelachtig de meesten.” - -„Zijt gij een man, die woorden van aarzeling spreekt, in dit uur? Wie -twijfelt aan zich zelven, aan zijn zaak, lijdt de nederlaag.” Een doffe -stem sprak langzaam, doordringend die woorden. Zij gingen hem door merg -en been; verschrikt wendde hij zich om. Een vrouw stond voor hem, -dichtgesluierd, lange, grijze haren zwierden haar ordeloos over den rug, -in de hand hield zij een knoestigen staf door een slangenhuid omwonden, -een eikenkrans ritselde om haar slapen. - -Rolfr Jarl was stoutmoedig gelijk zijn gansche volk, thans echter -beklemde hem het bovennatuurlijke. - -„Wie zijt gij?” vroeg hij ontzet. - -„Een der ziensters van het volk, dat eenmaal gehuld in zijn stierenhuid, -de rosse lokken ongeschoren, trad door de wouden van dit land als -meester en heer.” - -„Een Druïde alzoo!” - -Reeds boog zich de trotsche Jarl aan den voet der witte vrouw. - -Zij ontrukte hem verachtelijk den zoom van haar kleed. - -„Raak mij niet aan, nietige sterveling! Uw weifelen, uw aarzelende -woorden, hier, op deze plaats den voorvaderen heilig, wekten mij uit een -rust van eeuwen her. - -Lafaard! Waad door bloed als het moet, maar bereik uw doel. Zijt gij een -man, die zich zwak voelt op het beslissende oogenblik? Waant gij, dat de -goden zulk een erbarmelijk wezen als gij zijt, zullen steunen?” - -Het gezicht van Rolfr Jarl vertrok van woede bij dien smaad, het scheen -een oogenblik alsof hij zich op de vrouw zou werpen, die waagde hem te -beschimpen, gelijk het roofdier zich werpt op zijn prooi. Slechts éen -oogenblik: het ontzag voor de zienster, dat hij met alle Germaansche -volken deelde, bedwong ook hem. Hij, wiens zwaard uit de scheede vloog -bij het minste verzet van bloedmaag of strijdgenoot, deed, wat hij tot -nu toe voor onmogelijk zou hebben gehouden: opnieuw boog hij zich voor -de onbekende, die hem haar verachting tegenslingerde. - -„Machtige zienster! Wat eischen de goden?” - -Hoe deemoedig klonk die trotsche stem! - -„Dat gij uw jammerklachten staakt en gelooft aan uw roeping. Dit is de -eerste eisch tot welslagen. Spreek tot het volk in naam der goden en -zij, de geduchten, zullen u de kracht leeren kennen van het gevleugeld -woord. Bij u berust de macht om de vereering, die zoo velen koesteren -voor dien christenbisschop op den Hohorst, te doen verkeeren in afschuw -en haat. En kiest gij het rechte woord, zoo verschijn ik ter rechter -tijd, wanneer, onverhoopt, de zege u nog dreigt te ontgaan.” - -Met de hand wees zij naar het struikgewas. Een jong rund zag hij, de -hoornen omwonden met veelkleurige linten, met kransen omstrikt, door -roode koorden gebonden aan een boomstam. „Het offer aan de goden! Breng -het trouw, naar recht en rede, gebruik en zede der vroede vaderen, opdat -de goden geven goede gaven, zegenen in huis en have, wie verwachten -vreugd en voorspoed van hun wil en macht!” - -Haar woorden behelsden alleen een belofte van aardschen voorspoed en -geluk. Maar dat begreep de spreekster evenmin als Rolfr Jarl, die, -terwijl zij met een vluchtig handgebaar verdween tusschen de struiken, -zich voelde aangegord met dubbele kracht. Rechtop stond hij als een -overwinnaar en -- de strijd lag nog voor hem. Door een gebroken wolk -viel het maanlicht op zijn forsche trekken. De landbewoners, die nu in -den kring der eiken traden, zagen tot hem op met schuwe vrees. Zij -gevoelden, dat hij geloofde aan zich zelven en zijn kracht, maar ook, -dat hij zou vertreden en omverwerpen zonder genade of recht wat hem in -den weg stond. - -Als machthebbende hief hij de hand op, zijn woorden dreunden, het was of -de geheimzinnige stemmen van het woud ze terugkaatsten met -onheilspellenden klank: - -„Ik heb u allen hier geroepen, omdat een geweldige beslissing ons wacht. -Voelt gij hem niet op deze heilige plek: Wodans ademtocht; is het u niet -of een bedreiging klinkt in het geluid van den nachtwind? Kan het -anders? Welk licht lokt en vleit, dwalend over de vlakte, heenschemerend -door de boomen als wilde het u allen wenken tot uw verderf?” - -Zijn zwaardspits wees de richting aan, zij zagen allen het licht, dat -blonk op de hoogte, dat straalde in den nacht als een eenzame ster. - -„Daar ligt de Hohorst, de heuvel van Wodan! De eeuwen door werd hij daar -vereerd, de machtige, te midden der plechtige stilte van het ruischende -woud. Daarheen riepen de priesters het volk, om het te brengen, als voor -het aangezicht der goden, wanneer de vlammen rezen bij het plechtig -offer hun gewijd. - -En thans? - -Vergruisd ligt Wodans heilig beeld en wanneer iemand nog hierheen zijn -schreden richt, dan rijst minachting in zijn blik of krult de spot zijn -lippen voor den „heidenschen” afgod! Waar zijn de geloovigen, die in -vroegere eeuwen opgingen met juichend hoorngeschal en plechtige -reizangen Alvader ter eere? Waar zijn zij? - -Is het wonder, dat de goden u willen verdelgen, nu gij hen vergeet en de -wereld hen met u? Door wiens schuld? Wie hebben de beelden der goden -verbrand, de menschen, die hun offerden verdelgd van den aardbodem, te -vuur en te zwaard? De Franken! De belijders van den Gekruisigde, de -Evangeliedienaars, gesteund door het zwaard en de speer der machtige -Frankische vorsten. De dooden uit de geslachten, die u voorgingen, -mochten niet meer worden neergevlijd op den houtmijt, als het leven was -gebluscht in hun blik; begraven werden zij op last van den Frank en -ieder lichaam, dat zij de zuiverende vlammen weigerden, droeg de -bloedige litteekens van de felle worsteling, eens door den levende -gestreden, voor de vrijheid der vaderen, voor hun geloof in de eeuwige -goden. De Franken versloegen de vrije mannen, allen. Op last der -dienaars eener leer, welke zij het Evangelie der liefde en der -barmhartigheid noemen, deden zij dat. Een geheel geslacht roept tot u om -wraak en gij aarzelt nog, gij aarzelt?” - -Als in razenden hartstocht, gedreven door vlammenden toorn, hief hij de -handen op naar den maanlichten avondhemel: - -„Wodan, hoor mij, gij machtige, alwetende! Fosite, rechter der goden en -der menschen richt ook mij! Werp mij Höller, den helgod, voor als aas, -richt uw donderkeil en tref mijn schuldig hoofd, o, Donar, wanneer ik -ooit mijn eed breek! Hoort hem: „Niet rusten zal ik bij dag of bij -nacht, de slaap zal mijn sponde vlieden, spijs noch drank aanraken mijn -lippen, eer ik u heb gewroken aan hen, die zich verbonden tegen u! Weg -met de christenen! Uitgeroeid zullen zij worden als giftig -addergebroed, als het woud, dat opgaat in vuur, wanneer Donar zijn -bliksem slingert in de dichte stammen. Hoort mij, geweldige goden, hoort -mij! Wanneer de vereering voor u is gebluscht in de harten der menschen, -zoo zal ik alleen den strijd wagen, en gij zult mijn arm sterken, opdat -allen erkennen dat gij zijt de machtigste, de hoogste!” Plechtig, -doordringend had zijn stem geklonken, thans zweeg hij uitgeput, maar een -storm van bijval verhief zich onder de ademloos luisterenden, een -loeiende storm. - -Wakker geschud hadden zijn woorden de herinnering aan verdrukking en -onnoemelijk lijden, waarvan het verhaal die eenvoudigen was overgeleverd -van geslacht tot geslacht. Hun voorvaderen hadden den godsdienst der -christenen gehaat, omdat die hun was opgedrongen door vreemdelingen, -welke zij vereenzelvigden met de Franken, hun vreemde overheerschers. In -de tijden van verdrukking en vervolging, die aanvingen met den eersten -inval der Denen in de pas gekerstende, nauwelijks tot rust gekomen -landstreken, hadden zeer velen den nieuwen godsdienst vergeten: slechts -met de lippen waren zij belijders geweest -- uit vrees. Het -geheimzinnige waas, dat den naam Wodan omgeven had, bleef zijn invloed -behouden. Nog altijd luisterden velen, zeer velen vol eerbied naar de -overleveringen, die verhaalden van zijn grootheid en wondermacht. Hij -was de Alvader, de wilde jager, die de aarde zegende als hij -voorbijjoeg, gehuld in zijn wolkenmantel, aan het hoofd van zijn -godenstoet, in den bruisenden storm van den lentenacht. Anderen -vereerden de oude goden onder nieuwe namen. Niet Freya’s beeld werd meer -in de Meimaand met bloemen omvlochten; op het altaar van Maria werden de -geurige bloesemkransen gelegd. Alvader heette voortaan God, Höller, de -helgod, werd vereenzelvigd met den duivel der christelijke leer. Slechts -in weinige harten viel het zaad van het zuivere Evangelie, om opwassend -dikwerf te worden verstikt door het onkruid van het bijgeloof. Somber -was de tijd en duisternis heerschte in de harten der menschen. - -En thans zou de wereld vergaan om hun afval en redden konden zij hun -bedreigd bestaan, en de wereld bewaren voor ondergang als, als.... - -O, verwarring van gedachten, o, aarzeling van plannen en wenschen, -gewekt door radeloozen twijfel en doodsangst voor het dreigend, met -iederen dag meer naderkomend gevaar!.... - -Walger was de eerste die sprak. Met zijn ruwen lach barstte hij los: - -„Wat kunnen wij nog verwachten van Wodan? Hij is dood. Als hij leefde -zou hij reeds lang zijn macht hebben getoond. Sinds twee eeuwen is hij -gezwicht voor de christenen. Wat vermogen de dooden? Hij is dood!”.... - -„Dood!”.... Holle stemmen herhaalden beteekenisvol het ontzagwekkende -woord en het was alsof zij een echo opriepen in de wijde verte, in het -donkere woud. - -Rolfr Jarl hief de hand op. Was het een waarschuwing of een bedreiging? - -„Dood, zegt gij, Wodan dood? Ja, voor u ongeloovige lafaard, maar -herleven zal hij om u te straffen voor dien hoon!” - -„Hoe weet gij dat, edele Jarl?” - -„Voor mij, Wodans gunstgenoot, is niets verborgen.” - -Zegevierend zag de Jarl in het rond, maar Walgers grove stem antwoordde -spottend: - -„Waarom raadpleegt gij dan het offer nog? Ik zie het offerdier reeds -gereed staan.” - -„Om zinneloozen, als gij zijt, te overtuigen, om hen te redden van -Wodans vergelding en van Donars wraak.” - -Maar weer haalde Walger hardnekkig de schouders op: - -„Als gij alles weet, is het u ook bekend of ik nog voor overtuiging -vatbaar ben. Mijn vrouw zegt -- en die wou niet, dat ik hierheen ging -- -als de wereld verbrandt, dan doet ze dat, en als ze blijft bestaan, dan -doet ze dat niet. ’t Is alles zooals ’t is.” - -„Gij spot met Wodans macht. Hij zal zich wreken!” hernam Rolfr Jarl -gestreng. „Ik zie uw noodlot naderen! Wee u! Wee!”.... - -Zijn oogen staarden in de verte, afwerend strekten zich zijn handen uit. - -Opnieuw opende Walger den mond voor een onverschillig antwoord, maar -verschrikte handen trokken hem terug, het verder spreken werd hem belet -door een stem schor van angst, dof van ontzetting. Een der wachten, die -aan den boschrand op post stond, kwam; bijna kermend riep hij: - -„De vlammende roede! Daar is zij weer, dáár!”.... - -Strakke oogen, met levenloozen blik, zochten den nachthemel, waaraan -opnieuw de gevreesde komeet fonkelde. Ter aarde bogen zich de hoofden, -de handen woelden krampachtig in het stof van den bodem en dezelfde -lippen die, een etmaal te voren, hadden gebeden in de kerk der -christenen, riepen thans tot Wodan om bijstand en redding, met stemmen -onverstaanbaar van vrees en wanhoop. - -Een zegevierende glimlach speelde om de dunne lippen van Rolfr Jarl. De -doodsangst van het volk bevorderde zijn plannen.... - -„Vreest niet! Wodan redt wie op hem vertrouwt! Zijn vlammende speer -- -gij ziet haar tusschen Muspelheims vuurvonken -- treft alleen de -ongeloovigen.” - -Zijn luide stem klonk boven het kermen en de radelooze kreten der van -ontzetting schier verstijfde menigte. Maar de uitroep van jubel en -verlossing, die hij verwachtte, bleef uit. Kwam het, doordat Henno, -alles vergetend wat de Jarl had beloofd, plotseling, vastbesloten -- -legde het vlammende zwaard in de wolken hem zijn woorden op de lippen? --- stond te midden van het knielende volk. - -„Gij kunt beweren wat gij wilt, maar ik geloof in Gods almacht, waaraan -iedere macht der wereld is onderworpen, ook Wodans macht, zooals die -vroeger bestond.” - -„Gij zùlt overtuigd worden, willooze twijfelaar. Te laat zult gij uw -aarzeling beklagen! Geen oogenblik blijft gij uzelf gelijk!” - -Als het weerlicht, verzengend wat het aanraakt, was de stem van den -Jarl. - -„Henno! Henno! nog dezen middag kwam Yglo, uw zoon, tot ons met uw -goedkeuring!” - -Bevende stemmen riepen het verbijsterd; allen zagen het vreeselijke -teeken aan de lucht. En weer klonk de stem van Rolfr Jarl met dreunende -klem: - -„Vreest niet, gij allen! Ik weet wat Henno denkt. Voor de twijfelenden -met oprecht hart is vergeving bij den Alvader.” - -„Alvader moest wel blind zijn, als hij niet zag hoe ieder twijfelt of -slechts uit doodsangst zich tot gelooven dwingt,” mompelde Henno. - -Weer scheen een vuurstraal uit de oogen te schieten van den Jarl. - -„Uw ongeloof ontvangt weldra haar loon. Het zal Wodan niet zwaar vallen -u te vernietigen!” - -Zijn stem overheerschte opnieuw elk geluid, en te midden eener nu -invallende doodsche stilte, trad hij toe op het uit graszoden opgehoogde -altaar. Het waren zeer bleeke gelaatstrekken, die tot hem werden -opgeheven en ieder zijner bewegingen volgden. - -„Heer, smeek Alvader voor ons! Wij twijfelen niet langer aan zijn -bestaan!” mompelde een grijsaard, bevend. - -Hij begreep niet welk een waarheid hij uitte in gebrekkigen vorm. Rolfr -antwoordde niet. Hoog zwaaide zijn hand het offermes, het lemmet -weerspiegelde den vuurgloed. Als een bliksemstraal schoot het lemmet -door de keel van het met linten en bloemen versierde rund, dof brullend -stortte het stuiptrekkend neer. Onder het uitstooten van -onsamenhangende, op vreemden, half zingenden toon geuite kreten, wroette -de Jarl met het staal in de lillende ingewanden. Langzaam legde hij ze -bloot, een stroom drabbig bloed vloeide neer, zorgvuldig ving hij dit op -in een glinsterend bekken. Onder ademlooze stilte zag het volk hoe hij -de ingewanden nauwkeurig onderzocht. Het was of zijn oogen hierbij -grooter werden, of zij strak werden in hun staren.... Toen boog hij zich -plotseling neer, de handen in vervoering opgeheven, dwependen gloed in -zijn blik: - -„Heil u allen, heil! Wodan neemt uw offer aan; de teekenen zijn gunstig! -Buigt u voor hem in het stof, herbouwt zijn tempels, Alvader ter eere! - -Wodan, machtige, steun ons, red ons!” - -„Welke redding smeekt Rolfr Jarl af van Wodan?” - -Hoog klonk de onverwachte stem, die dit vroeg, als kwam zij uit de -hoogte. Zware rookwolken dwarrelden op boven het vuur, en hingen boven -de hoofden der knielenden als een donkere nevel, maar daartusschen blonk -de blanke schittering van een wit vrouwenkleed, breed uitwaaiend, en de -glans van een golvenden, zilverkleurigen sluier. Eensklaps verdeelden -zich de rookwolken, het vuur rees, daalde weer, nu opflikkerend, dan -verdoovend. Het was of uit zijn gloed de vrouw verscheen, die thans -stond in den kring der onthutste mannen. Sneller joegen de polsen, -beklemd werd ieders ademhaling, niemand bewoog zich. Alleen het vuur -knetterde, het offervleesch siste, donker dwarrelde de rook. In een -stilte, aan waanzinnigen eerbied grenzend, zagen allen naar de -onbekende, de gevreesde verschijning. - -Was het een der Druïden, der ziensters van weleer, van wie zij bij -overlevering wisten.... Op de vlakte, onder de boomen heerschte doodsche -stilte, zelfs de nachtwind hield zijn adem in, alleen de woorden der -zienster schenen te worden weerkaatst door de echo’s van het woud. De -speren en heirbijlen der opgestelde wachten flikkerden geheimzinnig, en -over de sidderend bijeengedrongen menschen wierp het vuur zijn hellen -gloed. - -Al het opgehoopte sprokkelhout had nu vlam gevat, begeerig lekten de -roode vuurtongen naar buit. - -„Zonen van Wodan!” -- plechtig klonk de stem der als uit den grond -opgerezen zienster -- „kinderen van den Alvader, hoort wat hij u heeft -te zeggen door mij!” - -Een siddering liep door de leden der landbewoners. Vrees voor de -toekomst, de streng door Rolfr van den Ravenhorst gehandhaafde -overlevering, verbonden aan den grafheuvel van Roruk, als plaats van -godsdienstige vereering weleer, het nachtelijk uur en de angst voor het -onbekende, alles werkte mee om den indruk te weeg te brengen, dien de -Druïde verlangde en verwachtte. - -„Wodan, gij eeuwige! schenk mijn tong de taal, die haar voegt, om te -verheffen uw eer en uw lof! - -Alwijze, gij dreigt met ondergang de aarde en de menschen die afvielen -van u. Dan, als de maat is volgemeten stormen razende reuzen op tegen -den regenboogbrug, den toegang tot Alvaders gouden zaal. Goede geesten -hadden hen gesloten in boeien, zij verbraken die ketenen met hun alles -kneuzende kracht. Dan ontbrandt de felle strijd tusschen goden en -reuzen, een worsteling, waarbij ook de wereld moet opgaan in vlammen en -gloed. - -Maar Alvader zal aan zijn zijde voeren, door zijn macht, de goeden en -getrouwen onder de kinderen der menschen. Met zijn hooggehelmde helden -zullen zij kampen tegen de reuzen in de woeste worsteling. En de goden, -de hoogen, de heerlijken, zullen bijstaan de getrouwen, die hen bleven -eeren bij den afval en het verraad eener halve wereld. - -Donar, de oorlogsgod, zal nederstormen uit zijn ijsbergen, met dreunend -gedruisch. Miölner, zijn geduchten hamer, dien boozen noch reuzen kunnen -weerstaan, zwaait hij vuurschietend boven zijn hel flikkerenden helm. -Hoort gij niet het rollen der raderen van zijn wagen in het dreunen van -den donder, ziet gij niet den vuurgloed van zijn golvenden baard in het -flikkeren van het weerlicht? Luistert naar zijn stem, machtig, -meesleepend: - -„Kracht beheerscht het aardrijk, kracht en geweld. Medelijden, liefde is -zwakheid, onverzettelijkheid zegepraalt in den geweldigen wereldstrijd. - -Daarom, laat af van de leer van den bleeken God der christenen, Hij moet -ondergaan, want liefde luidt zijn eisch en slechts kracht kan bestaan!” - -Gordt u aan, gij allen, die mij hoort, om te kampen met de goede, de -heerlijke goden, die spreken uit mijn mond. Dan zal, na strijd en -wereldbrand, verrijzen de nieuwe, goudglanzende aarde en daarop zult gij -leven voor altijd, in voorspoed en heil met de goden, wien gij trouw -bleeft, die hoog zullen loonen uw heldenmoed. - -Maar de slechten en afvalligen, zij vergaan met de oude aarde en -nimmermeer wordt hun naam genoemd, bij de levenden noch bij de dooden. -Ondergang werd hun vloek, vergetelheid hun deel!” - -De onbekende sprak als in geestvervoering, het volmaakte den indruk, die -haar verschijning te weeg bracht. Met verbazing zagen allen hoe de -machtige heer van den Ravenhorst knielend den zoom aanraakte van haar -gewaad, zij zagen de vlammen van het offervuur recht omhoog stijgen, aan -een eerezuil gelijk. Wodan nam het offer aan! - -Opgeheven werden de handen, als gedreven door hetzelfde gevoel riepen -vele stemmen: - -„Wodan, Wodan! Alvader, u zij de eere, u alleen! Wij aanbidden voortaan -slechts u en vervolgen wie u afvalt en veracht!” - -De boomen wierpen trillende schaduwen, omhoog, naar Walhalla wees de -gloeiende vlammenzuil; de stem der onbekende zienster vulde de ruimte: - -„Hoort! Hoort! Muspelheims vonken, de sterren, zingen, de goden zeggen -het! U, Alvader, behoort de macht! Gij redt van ondergang en wereldbrand -wie op u vertrouwt! Wie u weerstaat treedt gij onder den voet, de aarde -is u onderworpen, uw kracht zegeviert over uw vijanden! Alles buigt -zich voor u neer en heerschen zal met u tot het einde der dagen, wie -volbrengt uw wil en houdt uw wet! Wee, wee den afvalligen! Heil den -getrouwen, heil duizendvoud!” - -Zij had als bezwerend de armen opgeheven bij haar laatste woorden. -„Wodan, kom mij te hulp!” smeekte zij nu zacht, toch drong haar stem -door tot aller hart. Nu strooide haar hand de runen, roode en zwarte, in -smalle stukjes eikenhout gesneden op een wit kleed, reeds te voren door -Rolfr gespreid aan haar voet. - -„Urd, Vernandi en Skuld, alwijze Nornen, weefsters van der menschen lot, -wijst mij den weg!” - -Zacht gleed haar hand over de runen: „Goed zijn de goden gezind wie het -goede wenscht, het goede volbrengt volgens Alvaders wil! Wodan, Wodan, -heil!” - -„Wodan heil!” herhaalden schier al de aanwezigen, de speren werden -geschud, vonken schoten de heirbijlen in den gloed van het vuur, -ontroerd drukten vrienden en vreemden elkander de hand. - -Maar toen eindelijk ieders oog opnieuw de zienster zocht, ontdekte -niemand haar meer. - -Verdwenen was de witte gedaante plotseling gelijk zij verscheen, als in -den grond gezonken. - - * * * * * - -Vrouw Sigrid zag Rolfr Jarl keeren in den witten maannacht, die de -toppen der boomen verzilverde. - -Haar langslepend Druïdekleed, de glinsterende sluier met den ruischenden -eikenkrans lagen nog in een hoek. Verachtelijk schopte zij ze weg, toen -vertrad zij met haar voet den groenen krans en het witte gewaad. - -„Zal ik slagen?” prevelden haar dunne lippen. „Zal ik mij kunnen wreken -eindelijk, eindelijk -- op hém?” - -Vele jaren doorvlogen haar gedachten, jaren, die voorbij waren gekropen, -gedrenkt in haat en bitter leed. Zij was weer jong, zij zag zich de -speelnoote van Hereswit van Strijen, zij droomde een droom van geluk en -hij, wien die droom gold, reikte Hereswit de hand voor het leven. Toen -huwde zij Rolfr, den Deen. Onverschillig was hij haar, maar hij zou haar -kunnen wreken, hij alleen. - -Jaren bij jaren had zij haar dag afgewacht. Zou die thans rijzen?.... - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -De man, die moedig droeg den last der jaren en de lasten van zijn ambt, -naast een wicht van wijsheid, van meer waarde dan menige van edelsteenen -flonkerende kroon, bisschop Ansfried van Utrecht, was alleen in zijn -eenvoudig vertrek, in zijn nauwelijks voltooid „zendingshuis” op den -Hohorst. Het scheen weinig geschikt als verblijf voor iemand wien het -oppergezag der christelijke kerk was toevertrouwd in de lage landen, -ombruist door de wilde Noordzee. Voor hem, die eenmaal de eerste was -geweest naast den troon van den keizer, wiens gevleugeld woord menigmaal -den doorslag gaf in den rijksdag, evenals zijn machtig zwaard dikwerf -het gevecht besliste, toen hij als graaf van Teisterbant onafhankelijker -was dan de opperste landheer, eer en roem zijn wapens kroonden, de faam -haar lauwerkrans vlocht om zijn schedel. - -Thans sierde musiefarbeid de wanden noch beeldhouwwerk de vensternis van -zijn kamer; de vloer prijkte niet met in sterren en ruiten gelegde -tegels; geen gebeeldhouwde zetel stond naast den bronzen disch. Slechts -een enkele plank aan den wand verhaalde van weelde. Daar lagen -latijnsche handschriften opgestapeld, het persoonlijk eigendom van den -bisschop, een zeldzame en kostbare schat. - -De vier Evangeliën en een drieledig psalter behoorden er toe, de -Homiliën van Johannes Chrysostomus werden er niet te vergeefs gezocht. -Het Leven van Karel den Groote, door Eginhard beschreven, stond tusschen -de werken van Seneca en Boëthius’ Troost der Wijsbegeerte, daarnaast -lagen de Aphorismen van Hippocrates -- een werk van onschatbare waarde -voor de geneeskunde van den tijd. - -Maar de bisschop had geen van die zeldzame kwartijnen van hun plaats -genomen, zelfs de Walthariuslegende noch het epos van Béowulf trokken -zijn aandacht; „De Thebaansche oorlog” van Statius werd niet aangeraakt, -maar op de perkamenten en brieven, waarmee de tafel als bedekt was, lag -„Het boek der voorspellingen,” van Julianus, den Pelagiaanschen bisschop -uit de vijfde eeuw. De echtheid van dit werk werd toen nog geenszins -betwijfeld, maar het schonk geen licht voor de brandende vragen van den -dag.... - -Met het hoofd in de hand geleund zat bisschop Ansfried neer, vele -oogenblikken. Diepe stilte lag over woud en water, het morgenkoeltje -streek door het geopend venster, de zon deed gouden lichtvonken zweven -over de golven van de Eem. Hij sloeg acht op het eene noch op het -andere. Het was alsof hij het heden vergat, alsof zijn ernstige oogen -niet wat om hem was aanschouwden, maar alsof zij staarden ver in het -verschiet. In het verleden, in dat van zijn eigen leven, wellicht? Hoog -in de kroon der linde floot de merel haar welluidend lied; een flauwe -glimlach speelde om de peinzend geplooide lippen van den eenzamen man, -zijn voorhoofd, dat van den denker en den edeldenkenden mensch, -ontplooide zich. - -Zoo liefelijk, even welluidend had ook de merel gefloten op dien -lachenden Meimorgen, -- meer dan veertig malen was de lente sinds -gekomen en gegaan. Met bloesemgeur was de lucht beladen, seringen en -meidoorns vlochten kransen tusschen het struikgewas, de woudduif gaf -kirrend het antwoord aan den jubelzang der lijsters. Wijdgeopend stonden -de donkere poorten van Keulen, de grijze rijksstad, naar buiten -stroomden edelvrouwen en ridders, poorters en nijvere handwerksgezellen. - -Naar buiten gingen zij in den lachenden zonneschijn van den wolkenloozen -lentedag, om het blijde Meifeest te vieren met zang en rondedans, onder -den bloeienden meidoorn, nu, na harden wintertijd de aarde was gewekt -tot nieuw leven, de menschen als begiftigd met nieuwen levensmoed. Ook -de leerlingen der vermaarde Schola Palatina mengden zich onder de blijde -menigte. Kenbaar waren zij aan hun gewaad, met eerbied werden zij -begroet, terwijl zij verder gingen in lange, vroolijke rij. - -„’t Is een geluk, dat onze aartsbisschop de Kathedraalschool weer heeft -geopend. Die cnapen brengen nog eens wat vertier in de brouwerij,” -merkte een stevige poorter welgevallig aan. - -„Gij slijt er tenminste menig tonneke bier door,” antwoordde zijn -metgezel met lichten spot. De dikke brouwer knikte. - -„Gelukkig, ja. ’t Is ook wel noodig, dat ons de tasch wordt gestijfd bij -al de troebelen en veeten, waarin wij leven. Wanneer zal er toch eens -een eind komen aan al die oorlogen en plundertochten? Alle handel en -welvaart wordt er door vernietigd.” - -„Wanneer alle menschen de goede en wijze dingen doen, die in de -perkamenten staan, zooals de cnapen en clerken, ze nu in de Schola -Palatina leeren, als dat leeren hen brengt tot nadenken en dit hun -handelingen bestuurt. Alleen wanneer de menschen werkelijk beseffen, dat -oorlogvoeren moorden is op groote schaal, zullen zij de schuld gevoelen, -die zij op zich laden, hun krijgsroem verachten en den krijg bannen van -de aarde. En, dat leeren zij uit de perkamenten, waarin de groote -denkers en dichters der oudheid hun edelste gedachten neerlegden.” - -De brouwer zag den ernstigen geestelijke, die zich plotseling mengde in -het gesprek, niet zonder schroom aan. - -„Ik kan niet goed volgen wat gij daar zegt. Gij zijt zelf ook zoo -geleerd, dat is waar. Zeker nog wel meer dan die beide cnapen daar. Zie, -zij groeten u. Wie zijn dat?” - -„Twee van de beste leerlingen der school. Die met de donkere oogen en -het blonde haar zal het ver brengen.” - -„Wie is dat?” - -„Hij heet Ansfried en is de zoon van graaf Lambert van Leuven en -Teisterbant. Zijn moeder, vrouw Gerberga, is een dochter van hertog -Karel van Lotharingen.” - -„Dus behoort hij van moederszijde tot het Fransche koningshuis?” - -Vol ontzag staarde de brouwer naar de bevallige, jonge gestalte. - -Een heldere straal schoot uit de ernstige oogen van den geestelijke. - -„De hoogheid der aarde is hem geen struikelblok, dat hem verhindert den -berg te bestijgen der heiligmaking. Hij draagt het Evangeliewoord in het -hart: - -„Wie de meeste onder u wil zijn, zij aller dienaar. Geen wonder, dat hij -de lieveling is van den aartsbisschop.” - -„Die is ook erg geleerd niet waar?” - -„Aartsbisschop Bruno heet met recht het wonder van onzen tijd. Hij weet -alles wat den mensch gegeven is te weten. Hij is de rechterhand van zijn -broeder, keizer Otto den Groote. - -„Gelukkig voor ons, dat die hooge heeren zoo eensgezind zijn,” zei de -brouwer droog. - -„De keizer volgt bijna altijd zijn raad. Nu heeft de aartsbisschop heer -Otto den jongen graaf Ansfried aanbevolen. Men zegt, dat de keizer hem -zal meenemen op zijn krijgstocht naar Italië. Het doet mij leed. Niet om -den keizer, die zal zelden trouwer volgeling vinden, maar om de school. -Ansfried van Teisterbant belooft haar roem en glorie te worden. Had de -aartsbisschop dien andere maar aangewezen, maar misschien is het ook -beter niet -- voor heer Otto.” - -„Wien meent ge?” - -„De jonge Rolfr, die naast hem loopt.” - -„Wie is dat?” - -„Dat weet ik zelf niet goed. Het is een Deen”.... - -De brouwer deed ontsteld een stap achterwaarts. „Heer, bewaar ons in -onzen bitteren nood, voor de mannen der grimma hjerna!” als mijn -Friesche moeder altijd zei,” prevelde hij zacht. - -De andere glimlachte. - -„Wees gerust. Hij is hier maar alleen: niet aan het hoofd eener -Vikingervloot is hij Keulen binnen gezeild. Ook is hij gedoopt.” - -„Mijn moeder bad dat altijd als zij iets hoorde van de Denen,” hernam de -brouwer verontschuldigend. „Maar hoe komt een Deen hier?” - -„Hij is ouderloos en een verre verwant, ergens in Friesland of in -Kennemerland, laat hem hier opvoeden. Hij moet den Ravenhorst van hem -erven, een groot goed, dat ligt”.... - -„Op den weg naar Utrecht, daar ben ik eens in de verte voorbij gevaren -met een lading bier,” viel de andere in. „Toen huisden daar in de -bosschen ook al weer die vervloekte Denen. Mijn bier zwolgen zij in, mij -sloegen zij bont en blauw, toen lieten zij mij voor dood liggen. O, dat -gespuis! Dat adderengebroedsel!....” Toornig, vol wrok, balde hij -dreigend de vuist. - -„Stil, stil!” hernam de geestelijke vermanend. „Ook wat door de -menschen tot ons komt, komt van God. Kan Hij die beproeving niet over u -hebben gebracht, omdat gij te veel uw vertrouwen steldet op vergankelijk -goed?” - -„Teem niet als een oud wijf, eerwaarde!” gromde de brouwer. „Ik zal de -Denen vervloeken, zoolang ik leef!” - -Velen deden dit als hij en niet zonder reden. Vermanend fluisterde -echter de geestelijke: „Het is lichter, dat een kemel ga door het oog -eener naald”.... en de brouwer beet zich op de lippen. Hij voelde zich -doorzien. Niet den verdelgers van zijn volk en land gold zijn haat, maar -den roovers van zijn goud en goed. - -Met zijn stok sloeg hij naar de meidoorns, met zijn oogen volgde hij de -beide jongelieden, die als aanleiding hadden gegolden tot het gesprek. - -Zij hadden hun tred verhaast en waren nu bijna de eersten, die de -landkapel bereikten waar de plechtige „Mei”-dienst zou worden gehouden. - -De hagerozen bloeiden, hun bleekroode bloesems waren overal, hun groene -doorntwijgen slingerden door het struikgewas, zij omvlochten ook de -kleine kapel als met een net van bloesempracht en lenteglans. Langs de -bogen klommen zij op, zij tikten met hun groene vingers tegen de -kunstelooze glasrosetten, rood en blauw, blauw en rood, gelegd in -eenvoudige sterren. Purperen en azuurkleurige lichtjes wierpen zij op -den ongelijken bodem. Maar ook over het omhoog geheven gelaat van het -jonge meisje, dat knielde op de blauwe zerken van het kleine bedehuis, -viel hun wemelende gloed. Rein als klokgelui klonk zacht haar stem: - -„Heer, leid mij in Uwe waarheid!”.... - -Zij zag de naderkomenden niet, stil vouwde zij de handen, den blik -omhoog gericht, omhóog. - -Als aan den grond gekluisterd stond Ansfried van Teisterbant. Hij zag -niet het blank, zuiver ovaal gelaat, niet de groote donkerblauwe oogen -met hun stralenden blik, hij zag alleen de reine ziel, die blonk uit dat -schoone omhulsel. - -Waarheid! Vol listen en lagen was zijn tijd, vervuld met wreedheid en -ruw geweld, de vorsten waadden door bloed om hun heerschzuchtige plannen -te verwezenlijken, de volken trachtten elkander te verdelgen. -Waarheid.... Zij scheen gebannen van de aarde, wie bad haar nog af van -zijn Schepper, wie smeekte om het licht Zijner waarheid? Met vroegrijp -denken begreep de schranderste leerling van de Schola Palatina hoe -anders de wereld zou zijn, indien de menschen de waarheid zochten, haar -liefhadden als een der hoogste gaven hun van God geschonken. - -Had hij zelf niet dikwerf gewenscht, vurig begeerd om te bezitten de -macht van het woord, gelijk hij de kracht van het geloof in zich voelde, -om de menschen te kunnen wijzen op het eene noodige: waar te zijn en -goed, God lief te hebben boven alles en hun naasten als zich zelven? Zou -dan de wereld niet als een nieuwe gedaante ontvangen? En de menschheid -zelf?.... Maar, wanneer hij soms schuchter zijn denkbeelden onder -woorden bracht, te midden van den woeligen kring zijner medescholieren, -allen jong als hij, in wier hand eens de macht der aarde zou worden -gelegd, vorstenzonen, hertogskinderen als zij door geboorte waren, dan -ontmoette hij hier glimlachend schouderophalen, daar bijtenden spot. Zij -wezen hem op de kerkvaders, op de geschiedenis van vroeger en later -tijd. Wat was geworden van dwepers en wereldverbeteraars? - -„Heerschen door de macht van staal en ijzer, dat is het eenige wat ons -overblijft, Ansfried! Woorden zijn klanken; bespiegelingen slechts -droomen. Wij leven in een ijzeren tijd!” - -Meer dan eens was hem dit spottend geantwoord en dan had hij gedacht, -dat wanneer ieder in zijn eigen kring Gods geboden volgde, deed wat zijn -hand vond om te doen, hoe dan de aarde toch anders zijn zou, de menschen -beter. - -En thans vond hij hier de zusterziel, die smachtte naar waarheid, die -bad zooals hij gebeden had, sinds zijn vroegste jeugd.... - -Hij wenkte zijn vriend met hem terug te gaan, hier mocht geen stoornis -zijn. - -„Kent gij die jonkvrouw, Rolfr?” vroeg hij, toen zij weer buiten -stonden. Met een vreemden, loerenden blik in zijn diepliggende oogen zag -deze hem aan. - -„Het is Hereswit, de dochter van den graaf van Strijen. Haar erfgoed en -het uwe liggen naast elkaar. Dat treft goed.” - -Verwonderd zag Ansfried op. Wat meende hij? Wat -- toen hij hem hoorde -mompelen: - -„Het geluk bestaat, gelijk uw schaduw bestaat. Grijpen kunt gij haar -noch vatten.” Hij zag Ansfrieds vragenden blik, toen klonk het wrevelig: - -„Ik sprak niet van u, erfgraaf van Hoei en Teisterbant. Voor u bestaan -geen schaduwen”.... - -Hoe vele, vele jaren lagen tusschen dien zonnigen Meimorgen en het -heden! Een weemoedige glimlach speelde om de lippen van den grijsaard, -toch was in zijn oogen een herinneringsblik van geluk. De belofte van -die lente was werkelijkheid geworden: weinige jaren later had hij de -schoone Hereswit van Strijen gevoerd naar zijn hechten burcht te -Casallum, als zijn lieve vrouw. - -Maar daartusschen lagen jaren vol onrust en moeite, van zware plichten -en grooter verantwoordelijkheid. - -Een ander tafereel doemde voor hem op: - -Avondwolken met gouden randen omzoomd dreven langs de lucht, het -flikkerlicht der lange flambouwen verdrong den laatsten schijn van het -daglicht in de gewelfde Romaansche zaal van het aartsbisschoppelijk -paleis te Keulen. Aartsbisschop Bruno zat in zijn hoogen zetel, -geplaatst naast den keizerstroon van zijn broeder, Otto den Eerste. - -Banderollen en vlaggen wapperden van de torentin, vroolijk -klaroengeschal klonk op het voorplein, speerknechten waakten in voorhal -en poortgewelf.... Waartoe? Zij behoefden immers geen wachters, de fiere -keizer, de groote kerkvorst, te midden der getrouwen, die hen omgaven. -Ridders hoog van moed, edel van wapen waren het, saamgestroomd uit al de -gouwen van het uitgestrekte Duitsche rijk. Gevolgd door hun stoet van -dienstmannen, stonden zij gereed moedig in ’t harnas te sterven voor de -eer van koning en rijk. - -Want een nieuwe krijgstocht werd door heer Otto voorbereid. Over eenige -weken reeds zou hij zijn leger over schier onbegaanbare bergpassen -voeren naar Italië, het steeds oproerige land. Zou zijn tot nu toe -steeds zegepralende krijgsmacht nieuwe overwinningen tegengaan of -wachtte haar wellicht nederlaag, verraad en dood? Bijna geheel het -verscheurde, verdeelde Italië kantte zich thans, zeldzaam eensgezind, -tegen zijn gezag. Hij zou Lombardije eerst moeten onderwerpen, voor hij -tot koning der Longobarden kon worden gekroond en zijn vijanden zouden -dolk noch gif sparen om hem te beletten zich te Rome de keizerskroon te -verwerven, die eens Karel de Groote bezat. Uit den Italiaanschen hemel, -zoo wolkenloos blauw, schoot menigwerf een doodelijke bliksemschicht, en -de bodem met bloemen bedekt, welfde zich boven meer dan een laaienden -vulkaan.... - -Deed die gedachte menig oog vol zorg staren op de toekomst, die weldra -het heden zou zijn? Legde zij die ernstige wolk over het hooge voorhoofd -van den aartsbisschop? - -Zij hadden elkander lief, de beide groote zonen van Hendrik den -Vogelaar, lief van hun vroegste jeugd, toen reeds het jonge, vurige -bloed hen gloeiend naar het hoofd vloeide met droomen van eer en macht, -tot een teere moederhand dien onstuimigen gedachtenstroom leidde in -kalmer bedding, tot niet langer hun hoofd brandde, doch hun hart gloeide -van verlangen om liefde te vinden, om die te winnen van hun volk door -voorbeeld en daad. En thans lag alle aardsche macht in hun hand en zij -besteedden die tot heil van hun land, tot zegen der kerk, tot -ontwikkeling van hun volk en -- veel tegenkanting, veel miskenning werd -dikwerf hun loon. - -En nu wenkte de tocht naar Italië met de duisternis van onbekende -gevaren en de bliksemschichten van den haat!... - -Ieder feestgedruisch was verstomd in de hooge hallen van het paleis. -Geen harnassen blonken meer half verborgen door met goudborduursel -omzoomde riddermantels. Verstomd waren de tonen van harp en luit. De -bloemfestoenen, liefelijken feesttooi slingerend om pilaren en -vensterboog, hingen verflenst neer; vertreden lagen het dennengroen en -de biezen van den vloer. Stilte heerschte, de nacht gebood. - -Maar in de vermaarde librye van den aartsbisschop -- diens liefste -vertrek -- stond een jongeling met gloeiend gelaat voor heer Otto, wiens -heerschersblik een zachtere uitdrukking ontving, terwijl hij rustte op -het van blijde verrassing stralend gelaat. - -Want, klonk niet de ernstige stem van aartsbisschop Bruno: - -„Mijn broeder, dat is de zanger, wiens schoone stem u trof te midden -van het koor. Ik sta u hem af, mijn meest geliefden leerling, omdat ik -weet, dat gij een zwaarddrager behoeft als hij zich toonen zal. Het is -mij bekend, dat vruchtelooze eerzucht wraakplannen smeedt, die u gelden, -dat list en verraad u omringen. Hij zal trouw zijn bij anderer ontrouw, -waakzaam als ieder sluimert. Spreek, mijn Ansfried, heb ik te veel -gezegd?” - -Een blos brandde op het voorhoofd van den jongeling. Daar was een stem -in zijn hart, die pleitte om te blijven, een andere, die hem wees op -zijn plicht, hem dwong tot gaan. De laatste verwon, zijn lippen spraken: - -„Mijn heer is zeer genadig. Ik zal doen wat ik kan, zoo waarlijk moge -God mij helpen.” - -Welgevallig volgde beider blik hem enkele oogenblikken later, toen hij -het vertrek verliet. - -„Verwacht van hem geen groote woorden; zijn daden zullen spreken, hoe -jong hij ook nog is. Hij zal groot en aanzienlijk worden, omdat hij de -macht slechts begeert om het goede te kunnen doen,” sprak de -aartsbisschop eindelijk. - -Zijn broeder drukte hem de hand: - -„Ik dank u voor wat gij mij afstaat. Gij geeft mij véél.” - -Zijn menschenkennis -- van menige bittere ervaring de vrucht -- zou heer -Otto ook ditmaal niet bedriegen, maar in de welgevulde leerzaal der -Schola Palatina verwekte het nieuws, dat Ansfried was gekozen om den -koning als zwaarddrager te vergezellen op een reis, die dezen de -keizerskroon schenken moest, geen geringe opschudding. Zoowel -toekomstige legeraanvoerders en vorsten, als aanstaande hooge -geestelijken onder de scholieren, verdrongen zich om het nieuws te -hooren. Want de kathedraalschool vormde beiden: Ovidius en Cicero werden -er gelezen, maar ook de Kerkvaders. - -Het was of dezelfde toekomst allen wachtte als zij in koor hun stemmen -vereenden tot een statig psalmgezang. Toch hield de aanstaande ridder, -die zich eenmaal geharnast zou werpen in het dichtste slaggewoel, de -hand aan het gezangboek tegelijk met een vriend, wien het kerkelijk -leven wachtte. Maakte die tweeledige opleiding de laatsten evenzeer -geschikt voor een gewichtige staatsbetrekking? Want mannen van de daad, -die hun tijd noodig had en die hun tijd begrepen, vormde de Schola -Palatina. Zij verlieten het altaar voor het slagveld, die wakkere -kerkvorsten, of verwisselden de ernstige kapittelvergaderingen met een -luidruchtigen rijksdag. Zij verklaarden hun leeken het Evangelie en -drongen hen de hand aan den ploeg te slaan -- in werkelijken zin. De -handel werd door hen beschermd en aangemoedigd, zoover als het mogelijk -was in die onrustige eeuw; burchten en sterkten werden opgericht ter -beveiliging van hun gebied. Aartsbisschop Bruno gaf hierin het -voorbeeld. Zijn practische blik -- een gave door slechts weinige geniaal -aangelegde naturen met hem gedeeld -- had hem ook ditmaal gevoerd tot de -keus met zooveel verbazing of ijverzucht door alle scholieren vernomen. - -Terwijl de vragen en antwoorden elkander kruisten, hier werd gefluisterd -van vorstengunst, en van krijgseer of hofglans elders, was er een enkele -stem, die zich niet mengde in het luidruchtig koor. Zijn eigenaar bleef -gebogen over een perkamentrol. Het scheen, dat ingespannen, geestelijke -arbeid hem geheel in beslag nam. Het was een gelaat, dat zich niet -gemakkelijk doorgronden liet. De wenkbrauwen vormden bijna een enkele -streep op het breede voorhoofd. Van ingehouden hartstocht beefde het om -de hoeken van den mond. Een beschroomde, jonge geleerde scheen hij, in -zich zelf verzonken, in zijn werk verdiept. Doch toen een vroolijke, -jonge Rijnlander hem een slag op den schouder gaf, met een half lachend, -half spottend: „Rolfr, wat zeg jij van de zaak? Ben je de eenige, die -Ansfried niet benijdt? Verdiept ge je daarom zoo vol ijver in de -Homiliën van Chrysostomus? Als het Ovidius nog was, maar die grommige -strafredenaar!”.... Toen werd eensklaps het gebogen hoofd opgeheven, de -oogen met hun ondoorgrondelijken blik zochten den veel benijden jongen -zwaarddrager en in hun diepten gloeide het van wrok. - -De Rijnlander barstte uit in een schaterenden lach: - -„Dat lijkt weinig op vriendschap! En Ansfried is nog wel je kamergenoot -en je waart altijd samen te vinden!” - -„Ik wensch hem gaarne al het geluk, dat hij verdient. Wie de lieveling -der vrouwen is, moet ook wel die der goden zijn,” klonk het bitter terug -en om den mond van den spreker beefde het opnieuw van hevigen, nauw -onderdrukten hartstocht. Verwonderd trad Ansfried op hem toe: - -„Rolfr, heer Otto heeft meer getrouwen noodig, zal ik je ook aanbevelen -in zijn gunst?” - -Norsch stiet Rolfr de hand terug, die de zijne zocht. - -„Mijn daden zullen mijn aanbeveling zijn, de uwe heb ik niet noodig!” - -Toornig stormde hij heen. Plagend riep de jonge Rijnlander hem na: - -„Lees de invectieven van Gregorius er nog eens op na. Je zult er -schimpwoorden genoeg in vinden, als je daar Ansfried liever mee -verblijdt dan met een gelukwensch!” - -Er volgde geen antwoord, maar de kloof dien dag ontstaan tusschen -Ansfried van Teisterbant en Rolfr „den Deen”, zou nimmermeer worden -overwelfd, verbreed wèl.... - - * * * * * - -Een ander beeld uit het ver weleer: - -Weer waren vele maanden voorbijgegaan. De zware tocht over den Brenner -was door Otto den Groote volbracht. Gevaren hadden hem omringd; hij had -ze overwonnen. Iedere strijd had hem nieuwe zegepraal geschonken. Thans -rustte de ijzeren kroon der Longobarden op zijn hoofd, thans wenkte hem -de keizersdiadeem van Karel den Groote. Morgen, over weinige uren reeds, -zou zij neerdalen op zijn golvende lokken, dit symbool der hoogste, -aardsche macht. In de stilte van den nacht bad de jonge heerscher in het -kerkgebouw, dat het stof van den Apostel Petrus bewaarde, om kracht -voor de hooge plichten, onafscheidbaar van de uitgebreide rechten, die -hem zouden worden toevertrouwd. - -Donker was het in het, door marmeren zuilen geschraagde bedehuis, de -eenige, altijd brandende lamp gaf slechts een flauwen schijn. Haar licht -deed de duisternis nog meer uitkomen, die heerschte in de hoeken en als -scheen op te klimmen naar de gewelven, schitterend van zilveren -arabesken en kostbaren mozaïekarbeid. Door een gebroken wolk gleden de -stralen der maan naar binnen. Aan den nachtelijken hemel waakten de -gouden sterrenoogen over het sluimerende Rome. Zagen zij wat gistte en -woelde in de groote stad? Het verraad, dat den dolk ophief in het -duister, de trouweloosheid, die haar offer zocht, de blinde eerzucht, -bereid anderer leven af te snijden ter bereiking van eigen doel? De -gouden sterrenoogen waakten.... Zij niet alleen. In gebed verzonken -knielde koning Otto, God, Die hem had gesteld op zijn hooge plaats, -smeekend hem een heerscher te doen zijn naar Zijn wil, hem in staat te -stellen de rechten zijner volken te handhaven, hun vrijheden te bewaren -voor iedere aanranding. Omhoog geheven was zijn blik, omhoog. Nooit zou -de keizerskroon schitteren boven edeler voorhoofd, noch het purper van -den Cesar zich hebben geplooid om vorstelijker gestalte. Nooit had het -volk van Rome fierder heerscher begroet.... - -Met een warm gevoel, waarin liefde zich aan eerbied paarde, dacht dit -de jongeling, die kloek, rechtop stond achter den knielenden vorst. Een -ontbloot slagzwaard blonk in zijn hand, onbeweeglijk hield hij het -uitgestrekt boven het hoofd van den in het gebed verzonken heerscher. -Want nog schuifelde de adder onder de bloemen van het weelderige Italië, -nog dreigde een bliksemschicht uit de effen blauwe lucht. De adder van -het verraad, de bliksems van den haat, zij zochten hem, die was geroepen -om den keizersschepter te voeren. Daar werd gemompeld van een -samenzwering, die het verijdelen der kroning beoogde, daar werd -gefluisterd, dat „de koning der Duitschers” het gebed niet ten einde zou -brengen aan Petrus’ graf. In navolging van Karel den Groote was hij -verplicht, dat te verrichten in de kerk der Apostelen, wilde hij zich -als diens opvolger zien erkend. - -De groote Karolinger gold nog steeds als de heros van de roemrijkste -historie zijner volken. Iedere belofte van geluk, die het leven voor de -toekomst schenken kon, vlocht zich bij de toenmalige menschheid ineen -met deze herinnering aan het groot verleden. Daar waren er nog zeer -velen, die geloofden aan de wederkomst van „keizer Karel”, dien sage en -legende reeds omvlochten met hun nimbus. Een nieuw rijk zou hij -stichten, waarin vrede en gerechtigheid zouden heerschen, eer de ure -aanbrak, welke het einde zou zien van al wat behoorde tot de aarde. Want -het gerucht deed de rondte, reeds toen, hier aangehoord met heftigen -angst, daar ontvangen met ongeloovig schouderophalen, dat de groote -wereldbrand, de ondergang van al wat ademde zou plaats hebben in het -eerste jaar der komende eeuw. - -Maakte die gedachte het gebed van heer Otto zoo ernstig, zoo langdurig? - -Gevoelde hij geheel den omvang der zware plichten die hem wachtten: tot -het keizerlijk purper geroepen in zijn tijd? - -In schemerschijn gehuld lagen de diepe gewelven; al het licht scheen -zich samen te trekken boven het gebogen hoofd van den knielenden vorst, -boven de zwaardspits van den jongeling, die stond en voor hem waakte. -Deed Ansfried dit inderdaad? Of dwaalden een oogenblik zijn gedachten -ver weg naar den groenen Rijnzoom, naar de woudbeschaduwde landkapel -dicht bij het grijze Keulen? Hij had haar teruggezien, de slanke -Hereswit van Strijen, meermalen, tot hij eindelijk, weinige dagen voor -hij optrok met het leger, zich wendde tot haar vader: „Uw dochter is -mijn levensgeluk, weiger haar mij niet!” - -In spanning wachtte hij, de beslissing vreezend. Maar een welgevallige -glimlach krulde de trotsche lippen van den graaf Van Strijen: - -„Toon u het vertrouwen waardig, dat heer Otto in u stelt, en, na het -einde van zijn tocht naar Italië, wacht u mijn dochter als bruid!” - -Dacht hij aan die belofte, aan de zon van het leven, die zou opgaan voor -hem, waarvan hij reeds de stralen zag rijzen? Vergat hij daarom het -heden met zijn strengen plicht? - -Niemand scheen aanwezig in het eenzaam gewelf, nog waren de deuren niet -geopend, nog was het uur niet daar voor den plechtigen dienst, die -geheel de bevolking van Rome zou zien toestroomen. - -Niemand bewoog zich. Heer Otto bad, zijn zwaarddrager droomde.... - -Toch: er ritselde iets tusschen de pijlers, een voetstap sloop nader met -langzamen, schuifelenden tred, in blauwen staalgloed glinsterde een -hooggeheven dolk.... - -„Sterf!” Het snijdend uitgesproken woord was gericht tot den koning, de -dolk werd gezwaaid boven zijn hoofd, twee oogen waarin het gloeide van -een verterend vuur zochten de plek, bestemd voor den doodelijken stoot. -Met een rauwen kreet ontwaakte Ansfried uit zijn droom. - -Zijn eene hand greep den uitgestrekten arm van den sluipmoordenaar, zijn -zwaard wondde hem in het gelaat.... - -„Vervloekt!” Schor klonk het; maar ondanks den sluier, die de trekken -van den aanvaller onzichtbaar maakte, het geluid dempte, meende Ansfried -de stem te herkennen.... - -„Rolfr!” stiet hij uit. Twee gloeiende oogen boorden in de zijne door de -openingen in het sluierdoek. Een worsteling volgde, slechts enkele -oogenblikken, toen ontrukte zich de aanvaller met de kracht der -vertwijfeling aan zijn greep, toen werden de deuren geopend en begonnen -de klokken te luiden. De bevolking van Rome stroomde binnen voor den -plechtigen dienst en in de verwarring liet men den moordenaar -ontsnappen. Waren tijd en uur van aanval te voren bepaald? Daar liep zoo -menig gerucht.... - -Maar nu juichte het volk den redder toe van den nieuwen keizer en deze -dankte hem met blik en woord.... - -Het eerste morgenlicht deed den glans der sterren verbleeken, de -rijzende zon bescheen een stad, badend in luister en glans; de -kroningsstoet werd opgesteld in feestelijke praal. - -Maar in de tent van heer Otto knielde een jongeling, wien de bitterste -tranen in de oogen gloeiden, tranen van smart, van schaamte over zich -zelven. - -„Heer, gij hebt mij lof gebracht, maar uw vonnis verdien ik. Ver af -dwaalden mijn gedachten, terwijl gij uw leven hadt toevertrouwd aan mijn -waakzaamheid. Niet de daad alleen maakt schuldig. Leg mij de boete op, -die ik verdien en dan.... dat God mij genadig zij!”.... - -In een gesmoorden snik eindigden zijn woorden. Hij zag in den geheelen -omvang de gevolgen, die zijn verzuim na zich had kunnen sleepen voor het -leven van den vorst, voor het bestaan zijner volken. - -De groote schuld en het vluchtig verzuim, de gevolgen afgewend door -Hooger hand, doch de schuld gebleven.... - -Maar heer Otto hief de in het stof gebogen gestalte op, een milde glans -lichtte over zijn heerscherstrekken: - -„Deze schuldbekentenis delgt uw schuld. Wie zijn vergrijp durft -bekennen is een held, wie geen vrees voor de gevolgen doet afwijken van -de waarheid, werd door God begenadigd. Sta op! Voortaan zal uw tent -tegenover de mijne worden geplaatst in het legerkamp, want zelfs wanneer -allen mij mochten begeven zult gij trouw blijven, omdat gij waar -zijt.”.... - - * * * * * - -Weer een ander beeld: - -Reusachtig rees, niet ver van Roermond, boven het laag golvende -heideland de burcht Casallum. Hecht en hoog verhieven zich zijn -torentransen. Ver zagen zijn vensters, als trouwe wachters, over het -omliggende land. Een landstreek, waarin rust en veiligheid heerschten, -bij al het krijgstumult en de verdeeldheid van rijken en staten -onderling, die de wereld in vlam dreigden te zetten. - -Graaf Ansfried van Teisterbant gebood hier als heer, doch geen symbool -van heerschzucht was zijn slot met den versterkten toren en de breede, -dubbele gracht. Wijd werd de voorpoort geopend voor ieder, die hulp -behoefde; de harnasschoen der speerknechten dreunde slechts op de brug, -wanneer de grenzen werden bedreigd van het uitgestrekte graafschap. - -Hier gold het woord, dat de reiziger, die zijn goud verloor, het een -jaar daarna op dezelfde plaats onaangeroerd kon terugvinden; dat geen -koopman het geweld der roofridders had te duchten: onbezorgd kon hij -zijn handelswaren verzenden langs heirweg of stroom. Graaf Ansfried -heerschte door recht; zijn schoone vrouw, gravin Hereswit, deed het -door liefde. Voor haar waren de menschen niet verdeeld in heeren en -slaven, zij beschouwde hen als pelgrims reizend naar één Vaderhuis. Het -beeld der eerste christengemeente, waarvan de leden kwamen en wat zij -bezaten legden aan de voeten der Apostelen, werd haar ideaal. In haar -huis waar geloof en liefde de richtsnoeren waren van gedachten en daden, -heerschte de vrede, welken de wereld niet kent, doch dien zij te midden -van haar zorg en onrust voor wat vergankelijk is, benijdt en -- -vruchteloos zoekt. - -„Kon zooveel geluk, steeds beschenen door de voorspoedszon, van langen -duur zijn?” Soms vroeg „de heer van vijftien graafschappen” -- gelijk -graaf Ansfried werd genoemd, -- zich dit af, wanneer hij zijn levenslot -vergeleek met dat van veel, zéér veel anderen. Vooral bij vroegere -studiegenooten wijlden vaak zijn gedachten, bij dien eenen niet het -minst, dien hij voor het laatst had gezien in de schemering van een -kerkgebouw, den opgeheven moorddolk in de vuist. Met een huivering -herinnerde hij zich steeds dat vreeselijk oogenblik, tot de -onbeantwoorde vraag rees: Wat werd van Rolfr, „den Deen”? Behelsde het -gerucht waarheid, dat hij was gezien op een Vikingervloot, dat hij -opnieuw Thor den beker plengde en zwoer bij Odins speer, in vlammen deed -opgaan de kerken, waarin hij vroeger had gebeden? - -Het werd verhaald op een rijksdag, waar de keizer, gekroond met roem en -eer, omstraald door geheel zijn vorstelijken luister, door de -keurvorsten omstuwd, zat op zijn troon; waar de vrije ridders kwamen, -evenals de rijksgraven, aan het hoofd van hun stoet, waar harnassen -schitterden en de hooge geestelijkheid verscheen in statig plechtgewaad. -En daar was het, dat allen luisterden naar het woord, van den heer der -„vijftien graafschappen”, naar zijn raadgevingen, hoe het best een -nieuwen inval der Noormannen, in de Rijnstreek, te weerstaan, beraamd -- -naar werd gemompeld -- door den geduchten Viking, Rolfr, wiens naam -slechts werd geuit met een rilling van afschuw of een verwensching. En -toen, na het zegevierend einde van den geduchten krijgstocht tegen de -vermetele zeeschuimers, graaf Ansfried oorlof vroeg van den keizer, meer -zijn vriend dan zijn heer, en terugkeerde naar zijn bezittingen, die hij -terugvond aangevallen, verarmd, doch geheel uitgeplunderd, uitgemoord -niet, en hij zijn vrouw zag, bloeiend als hij haar verliet, terwijl zijn -dochtertje hem tegentrippelde met rozige wangen en zonnige oogen, vond -hij zich toen niet opnieuw gezegend boven duizenden? Niet over een pas -gedolven graf, het stof bevattend, van een hem dierbaarder dan eigen -leven, voerde zijn weg naar huis. - -Stoffelijke verliezen had hij geleden door den inval der Denen, zijn -vrienden wendden zich tot hem met deelnemend woord.... Waarom? Het -kostbaarste was hem immers gebleven. Daar was geen leege plaats in zijn -hart.... - -Met purperen rozen was zijn pad bestrooid, zijn levensbeker schuimde van -kristalheldere druppels; maar onder bloemen schuifelt de adder en in -den doorzichtig klaren drank schuilt vaak gif -- niet onder den stralend -blauwen Italiaanschen hemel alleen. - -Eenige weken waren voorbijgegaan. De avondwind klaagde om de hoektorens -van het kasteel; alleen, in zijn bijzonder vertrek, bevond zich de -burchtheer. - -Een perkament met roode koorden omstrikt, voorzien van het groote, -afhangende keizerlijk zegel, lag ontrold voor hem op den eikenhouten -disch. Een woord van hulde, hem gebracht door heer Otto, met den dank -van het rijk voor zijn krijgsbeleid, zijn moed in de zware dagen, nog -zoo nabij voor ieders ontstelde herinnering,... een nieuwe schenking van -land en goed.... - -„Waartoe zooveel zegen? Mijn God, wie ben ik, dat ik dit verdien? Deden -niet allen hun plicht van den geringste tot den hoogste? Wat verrichtte -ik meer?” - -Deemoed overmeesterde hem terwijl de menschen hem verhieven, de -levensrozen voor hem geurden.... Toen schuifelde de slang.... - -„Edele heer, vergunt gij ook uw nederigen dienaar een gelukwensch?” - -Een vleiende stem lispelde het woord. Met den avonddronk kwam Diederik, -sinds enkele jaren zijn hofmeester. Het gezicht van dien man stond hem -tegen, maar Hereswit had hem aanbevolen. Arm, uitgeschud, gebroken door -het leven, had hij eens haar bescherming ingeroepen en bekwaam bleek hij -voor de taak, die hem werd toevertrouwd. Ook ditmaal stond hij in -nederige, bescheiden houding -- afwachtend. Zijn heer nam den beker, met -welwillend woord, om er terstond op te laten volgen: - -„Waar is de gravin?” - -Hereswit was altijd de eerste, die hem tegemoet trad bij vreugde of -rouw. Zij was, zij bleef de eerste voor hem; thans miste hij haar -gelukwensch. - -Een geheimzinnige uitdrukking gleed over Diederiks trekken: - -„Mevrouwe bidt in de kapel bij de rivier, zij bidt daar dikwijls heer, -in den laatsten tijd. Zeer dikwijls.” - -Een sluwe blik begeleidde zijn woorden, een ernstige het antwoord: - -„Voegt het u zoo te spreken van de gravin, die uw redster is geweest?” - -„Ik ben mevrouwe dankbaar, maar, mag ik daarom der waarheid te kort -doen?” - -Twee oogen zagen hem aan, waarschuwend, doordringend: - -„Wat wilt gij zeggen? Er ligt een bedoeling in uw woorden? Spreek!” - -In zijn hart klonk het: - -„Wat kan Hereswit bewegen zoo laat en in ’t geheim haar huis te -verlaten? Heeft zij verdriet, dat zij verbergt?” - -Hij dacht er aan, dat geen zoon hun was geboren, zij leden er door, maar -zij leden samen. - -Maar de oogen van zijn dienaar kregen weer dien zonderlingen blik. En -plotseling kwam een vreemde gewaarwording over hem, gelijk hij eens had -gevoeld in Italië, toen de bodem onder hem wankelde. Het was of een -nevel voor zijn oogen kwam of iets hem werd ontrukt, dat hem dierbaarder -was geweest dan eigen leven. Donker werd die nevel -- nacht. En te -midden der duisternis, verstikkend, beklemmend, drongen woorden tot hem -door zonder samenhang, vol ontzettende beteekenis toch. Woorden, die -behoorden tot den nacht. - -Maar hij beheerschte zich, wees den dienaar terug met een gebiedend: -„Zwijg! Ga!” - -Zoo straf had tot dusver nooit een woord geklonken van zijn lippen. En -Diederik ging onderdanig, sluipend, maar hij glimlachte toen zich de -gesloten deur bevond tusschen zijn heer en hem. - -Deze was alleen achtergebleven, alleen. Verbijsterd zag hij om zich, als -wezenloos. Een rilling liep door zijn leden, het was of hij van zich -schudde wat hij had gehoord, wat hij niet gelooven wilde, nu niet, -nòoit. Hereswit zoo open, zoo waar.... - -Gaan mocht zij waar zij wilde, hij zou haar laten bespieden noch volgen. -De kleine zijpoort zou nu evenmin worden afgesloten als te voren, -- -evenmin. De ridder met gesloten vizier, gezien door de landlieden, door -het burchtgezin, toen hij streed ver van huis, hij zou vragen naar zijn -naam noch blazoen, eer deze dit zelf bekend maakte. Ongehinderd zou hij -de kapel kunnen binnentreden als te voren, ook wanneer zijn vrouw daar -bad -- alleen, in den nacht. - -De duisternis was om hem, de wind loeide. Het scheen hem of zijn keel -werd dichtgeknepen. Bleef hij daarom zwijgen, zwijgen ook toen hij meer -dan een uur later de witte gestalte zag, zoo rank, zoo schoon, die ging -door de kleine zijpoort en stil den voorhof betrad.... - -Hij verried met geen enkelen klank wat schrijnde in zijn borst met -knagende, ondraaglijke pijn, maar het gif van het wantrouwen werkte. Hij -begon Hereswit te bespieden, aan ieder woord, elk gebaar schonk hij -beteekenis. Hij vond haar anders dan te voren. ’s Nachts stond hij aan -het venster, wakend, met bonzende slapen en dan zag hij haar gaan door -de kleine zijpoort en dan zag hij haar terugkeeren bij den eersten, -bleekrooden schijn van den rijzenden dag. De schroeiende pijn, als van -een brandwond, verliet hem geen enkel oogenblik, bij dag noch bij nacht --- maar hij zweeg. - -Toen klonk de lispelende stem opnieuw: - -„Heer, kort recht, goed recht! Is het ditmaal geen plicht uw eigen -rechter te zijn? Behoort gij niet te waken voor de eer van uw naam, als -anderen die vergeten?” - -Een handbeweging wees den hofmeester terug, maar opnieuw alleen gebleven -streek hij zich de klamme druppels van het voorhoofd. Ja, het was zijn -plicht, zijn ijzeren tijd wrong hem het wapen in de vuist; zou hij -echter ooit kunnen vergelden wat hij zelf had doorgeleden? Feller dan -een dolkstoot wondt trouweloosheid. - -Hij zag Hereswit gaan, opnieuw gaan en hij volgde haar langzaam, zonder -omzien of aarzelen. Langs het eenzame veldpad begaf hij zich naar den -boschrand, die zwart scheen in de schaduwen van den nacht. - -In de verte schemerden de golven der rivier. Daar waren de schaduwen -minder dicht, daar verrees met muren, wit glinsterend in de duisternis, -het nederige kerkje, half verborgen onder het breede kroongewelf van een -eik, in wiens ruwe schors vervlogen eeuwen hun stempel drukten. - -De nachtelijke nevel werd uiteengevaagd; dooreen drijvende wolk viel de -zilverschijn der maan. Zij goot haar licht door de geopende kerkdeur, -over de witte gestalte, die nu zacht over den drempel trad. De man, die -roerloos stond, tusschen het struikgewas, smoorde een kreet, waarin -woede, wanhoop en hartstocht samensmolten. Met een ruk trok hij zijn -zwaard, zijn oogen zagen in de leegte, toen hij het boschpad afstormde, -dat hem scheidde van zijn wraak. - -Wild sloeg de deur open, het zwaard zocht zijn doel: het hart van een -mensch en -- werd teruggetrokken, de vlijmende spits omlaag. - -Voor het altaar knielde een vrouw. Haar gelaat was omhoog geheven. In -zacht gebed bewogen zich de lippen. De blanke luister van het maanlicht, -dat door het kleine venster viel, scheen terug te stralen van haar -voorhoofd. - -Zoo als zij had gewis ook eenmaal Hanna gebeden in Jeruzalems tempel... - -[Afbeelding] - -De man, die kwam met dood en vergelding in het hart, stond bewegingloos, -minutenlang. De wolk van bloed, die zoo vele weken had geschemerd voor -zijn oogen, werd uitgewischt door het licht, dat neergleed uit den -hooge. Het was of zijn eigen ik hem ontzonk. Hij zag alleen de bleeke -vrouw, die aan den vluchtenden tijd, aan zich zelve ontvoerd, bad, als -aanschouwde zij reeds de zaligheid van het eeuwige land harer -onsterfelijke toekomst. - -Hij durfde haar bijna niet aanzien; hij waagde niet zich te bewegen. De -haat, het wantrouwen, de ijverzucht, zoo lang door hem gekoesterd, hoe -verdwenen zij nu voor de werkelijkheid, als de nachtelijke nevelen voor -het licht, dat thans blonk door de donkere wolken, ze omzoomde met -zilveren glans. Geen onrustige flikkerschijn van purper en blauw, van -flonkervolle regenboogstralen: alles sereen en puur -- als de in het -witte kleed gehulde, in het gebed verzonken vrouw, wier woorden en daden -steeds voor hem waren geweest doorzichtig als glas, en die hij had -verdacht in zijn ijverzucht van een laaienden hartstocht, donker als de -nacht, waarop geen hemellichten hun helderen glans laten vallen. - -Zijn geweldige, harde tijd had hem het wapen gewrongen in de vuist; het -was zijn goed recht, het was hooge plicht zijn gehoonde eer te wreken, -snel, onherroepelijk te wreken. - -En thans -- het ontbloote zwaard -- schrille tegenstelling met den -gewijden vrede, dien het verbrak, ontzonk de saamgenepen vuist, die het -voerde; kletterend rinkelde het neer op de groote steenen van den bodem. -Op dezen wanklank der aarde wendde de knielende vrouw langzaam het hoofd -om. De blik harer oogen scheen hem een azuren wonder. Als een zachte -ademtocht klonk haar verwonderde stem: - -„O, wat is dat! Waarom een wapen hier?” - -Hij boog het hoofd op de borst, boog zich voor zijn jonge vrouw met haar -kalme onschuld-oogen, voor haar, die stond in het volle licht. - -„Dood mij! Gij hebt er het recht toe! Ik”.... - -Onsamenhangend beefden hem de woorden van de lippen, die haar -verhaalden, hoe diep gezonken hij haar had geloofd. - -Zij luisterde zwijgend, met, o, zulk een droevigen trek om den kleinen -mond! - -„En dat hebt gij kùnnen gelooven! Gij kent mij toch, zooveel jaren -reeds!” - -Het gif van argwaan en ijverzucht werkt snel, hij wist het thans. Het -was of het nu licht werd voor zijn blik. Ook hij trad uit de duisternis --- nog niet volkomen. - -„Ik zal u wreken met bloedig, snel recht. Diederik boet met zijn leven -zijn schuld, nog vóór de dag aanbreekt!” - -Welke oogen zagen hem aan, oogen vol hemelglans! - -„Indien hij waarheid had gesproken, was het uw recht geweest mij te doen -boeten met den dood; nu is het mijn recht hier te beslissen. Er staat -geschreven: „Wreekt uzelven niet!” - -Stil boog zij het hoofd, in haar oogen lag een gebed. Hij wist, dat zij -genade afsmeekte voor den man, die haar meer had pogen te ontnemen, dan -het leven alleen. - -„Mijn lelie, het is te veel!” - -Zijn stem beefde, hij zag tot haar op als tot een hooger wezen, ver -verheven boven alles wat behoorde tot de aarde.... Maar haar glimlach -welsprekender dan een woordenstroom, herhaalde: „Genade!”.... - -En het geschiedde naar haar wil. Maar toen hij Diederik ontsloeg zonder -een woord van verwijt, hem alleen zeggend aan wier voorspraak hij zijn -verachtelijk leven dankte; hem alleen de waarheid afeischend, wat hem -had gedreven tot zijn daad, toen klonk het hem tegen in een angst, te -wanhopig om naar nieuwe uitvluchten te kunnen zoeken: - -„De Deensche aanvoerder, die hier plunderend het land afliep, toen gij, -heer, streedt aan den Rijn, gaf mij goud, veel goud op voorwaarde”.... - -Het heete bloed steeg graaf Ansfried opnieuw naar de bonzende slapen. -Rolfr, altijd Rolfr! Hij had ook eenmaal gedongen naar de gunst der -schoone Hereswit van Strijen -- vruchteloos. Sinds zocht hij zijn wraak. -Zou die thans voldaan zijn of.... - - * * * * * - -Opnieuw waren vele jaren opgeteekend in de geschiedrollen van het -verleden. Aan een stormenden springvloed gelijk bleef het onrustige -jaarhonderd. Veel krachtsinspanning vorderde het van denkende hoofden en -moedige handen, van graaf Ansfried bovenal. Raadsheer van den keizer, -veldheer in den slag, beslechter van meer dan één twist tusschen -naijverige prelaten... het leven stelde hem zware eischen. Doch hij -telde geen moeite, geen dagen van onrust, geen weken van strijd of -overwinning, van bezwaren of nederlaag. Als hooge plicht lag het leven -voor hem. Hij wist wie hem den weg gewezen had. - -Maar eens, toen hij opnieuw terugkeerde, na maandenlang afzijn hijgend -naar rust, naar huis, toen vlamde de avondlucht donkerrood, als laaiend -van wreede zegepraal, daar waar de torenspitsen van zijn slot zich -ophieven aan den horizon. Hoog rezen en daalden de vlammen met den gloed -van een smeltoven. Tot wilder ren spoorde hij zijn paard. Zijn ridders -en speerknechten volgden hem als in wedloop met den wind en toen zij -eindelijk Casallum bereikten, eindelijk! -- in slechts weinig minuten -was het laatste gedeelte van den weg afgelegd, maar dat korte -tijdsverloop besloot het leed van jaren -- toen vond hij zijn vrouw met -Benedicta, zijn oudste dochter, handenwringend om het verlies der -jongste. Gisela was in de vlammen omgekomen, maar vruchteloos werd haar -lijk gezocht.... - -Wie droeg schuld aan de nieuwe misdaad? Een puinhoop was Casallum nu. Of -was alleen een ongeluk oorzaak van de ramp? - -Weer vlogen zijn gedachten naar Rolfr, den Deen. Rolfr Jarl, luidde -thans zijn naam. Hij was de zwaardgenoot geweest van een der Noorsche -koningen, vele jaren, bij menigen woesten krijgstocht. Dat schonk hem -dien titel. Doch sinds eenigen tijd bezat hij de goederen van zijn -bloedverwant. Toen had hij zich laten doopen en de nieuwe keizer, wien -de kracht en onverschrokkenheid van Otto den Groote vreemd waren, -begeerig om een geduchten Viking te herscheppen in een gehoorzamen -onderdaan, had vergeten en zijn hulde en manschap aangenomen. - -Thans leefde Rolfr Jarl op zijn bezittingen eenige uren van Utrecht, -maar er werd gemompeld, dat het beeld van Odin met de opgeheven speer -achter een gordijn was verborgen in zijn vertrek, naast dat van Thor met -den geduchten hamer.... - -Er waren evenwel aanduidingen noch bewijzen omtrent den brand.... - -Casallum was zoo afgelegen, niemand kon beslissen over de oorzaak van -het onheil. Maar de beroofde moeder, in het hart getroffen, treurde -gelijk eenmaal Rachel deed. Welke uitdrukking lag in de diepte van haar -oogen, wat was in elk harer bewegingen, dat wien haar zag de keel als -toesnoerde? - -En eens, toen buiten de zomernacht glansde en de maan een breed tapijt -van zilver ontrolde over weide en woud, stond zij voor hem, een blank -perkament in haar gevouwen witte handen. Haar stille oogen vestigden -zich op hem met ernstigen blik, haar stem klonk schier klankloos, als -van een die heeft geleden en gestreden, maandenlang. - -„Wilt gij dit lezen?” - -Zij gaf hem het perkament. Hij voelde een schok door zijn leden gaan. - -Hij las. Het scheen hem of het maanwitte veld donker werd of de sterren -hun glans verloren. - -„Gij wilt van mij gaan! En Benedicta nam den sluier, en Gisela”.... -Zijn krachtige stem beefde, het scheen hem zoo zwaar, een leven geheel -verlaten, zonder liefde, zonder geluk.... Zij vouwde haar handen om zijn -arm en begroef haar gelaat tegen zijn schouder met smeekend, droevig -gebaar. Maar de vaste overtuiging van haar hart was in haar stem, toen -zij antwoordde: - -„God geeft ons zooveel en wij doen zoo weinig om Hem onze dankbaarheid -te toonen. Soms vraag ik mij af: - -„Leefden wij ook te veel voor ons zelven, voor ons geluk en werd -daarom”.... - -Haar stem brak, zij kòn den naam niet uiten van het kind, dat haar was -ontroofd. - -„God alleen geeft mij kracht om het vreeselijke te dragen. Hij heeft -gegeven, Hij heeft genomen, geloofd zij Zijn naam. Maar o, laat mij de -levensjaren, die mij nog geschonken zullen worden, geheel wijden aan -Zijn dienst, evenals ik eens Hem de uren offerde van mijn nachtelijke -rust. Laat mij mogen bidden voor mijn arm kind. Waar moet ik het zoeken, -bij de levenden, bij de dooden?.... Ik weet het niet. Hem alleen is het -bekend, Die beslist over der menschen leven en lot.” - -Haar denkbeelden waren geheel volgens den geest van den tijd, die het -geestelijke leven stelde ver boven het wereldsche. Zijn hart, zijn -moedig krijgsmanshart, brak van deernis bij haar klacht, brak in -medeleed. Opnieuw zag hij het perkament in. Het behelsde de -schenkingsoorkonde aan het klooster van Thorn, waar Benedicta de -gelofte had afgelegd, der uitgestrekte bezittingen van Hereswit van -Strijen. - - * * * * * - -Rondom was stilte, ook in het vertrek, vele, vele oogenblikken. Ten -laatste hernam hij: - -„Over uw bezittingen kunt gij niet beter beschikken dan ter uitbreiding -van Gods kerk op aarde. Maar gij zelve wilt u afscheiden van de wereld, -mij verlaten voor de dood ons scheidt? Dat pijnt.” - -Haar stem klonk dof van overstelpend leed: - -„Christus gaf Zijn leven voor ons, mogen wij Hem dan niet offeren ons -levensgeluk? Volg mijn voorbeeld, scheid van de wereld, wijd uw verder -leven aan den dienst van God. Wie beslist of de ure niet spoedig zal -daar zijn, waarin Hij ons roept voor Zijn gericht? Nadert niet het jaar -duizend?” - -Hij begreep haar zinspeling. Reeds nu stroomde het volk naar de kerken -en namen met den dag de schenkingen toe, die aanvingen: „Voor de rust -mijner ziel, bij het aanstaande vergaan der wereld....” En velen zagen -in de verwoestende invallen der Denen een teeken der nadering van den -Antichrist.... - -Maar langzaam vloeiden de tranen door de half geloken oogleden der -beroofde moeder, toen zij stil hernam: - -„Geloof niet, dat ik mij wil wijden aan den dienst van God uit angst -voor Zijn naderend oordeel. Het is ook niet, omdat mijn hart ziek is van -leed of omdat ik u niet meer liefheb als uw vrouw. Dat is het niet, -maar de aarde en de hemel hebben met elkander gestreden in mijn hart en -de hemel heeft overwonnen.” - -Hij zweeg een wijle: - -„Geef mij tijd om na te denken, ik zeg u dan later mijn besluit.” - -Toen legde zij haar handen in de zijne, vertrouwend, vol overgave, maar -uit den kus dien zij elkander gaven, eer zij hem verliet, was iedere -hartstocht geweken, alleen de liefde was er in over gebleven, die niet -zich zelve zoekt, die, diep en onpeilbaar als de zee, geen woorden bezit -om zich te uiten. - -Doch, toen na vele dagen van strijd en zelfonderzoek, haar zijn besluit -tegenklonk: - -„Wij zullen elkander niet terugzien in deze wereld. Mogen wij elkander -eens hervinden in hooger bestaan;” toen zweefde de doodsengel over zijn -drempel en diens aanraking was hier de heelende balsem voor een gebroken -moederhart. - -En toen, kort na dien dag, die hem het liefste ontnam wat hij bezat, de -graaf van Teisterbant zich gereed maakte zelf afstand te doen van de -wereld, van aardsche macht en aanzien, toen stonden daar de -afgevaardigden van den keizer en riepen hem tot het hoogste kerkelijk -ambt in zijn vaderland, tot plichten zwaarder dan eenig wereldlijk gezag -kon insluiten. Geroepen werd hij om den ledigstaanden zetel te bekleeden -van den bisschop van Utrecht. - -Niet in stille afzondering, bij bespiegeling en gebed, tusschen -zwijgende kloostermuren; te midden van het volle leven eischte God zijn -toewijding, zijn kracht. - -Hij aanvaardde de gewichtige taak hem toevertrouwd door Hooger hand. - -En thans voerde in zijn nieuwen werkkring het leven hem nogmaals -tegenover zijn ouden tegenstander: Rolfr, den Deen.... - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Dien avond, toen Rolfr Jarl de landbewoners uit den omtrek had bevolen -bij den grafheuvel van Roruk, bleef Yglo’s moeder alleen achter in het -woonvertrek harer hoeve. - -Zij rilde, de koorts steeg met den nacht; een benauwde hoest deed haar -kreunen van pijn. Haar man, haar zoon had zij zien heengaan op bevel van -den gevreesden Jarl. Nu was de eenzaamheid om haar heen. Zij kroop naar -het vuur, klappertandend. - -„Och Heer, help! Geef uitkomst! Doe het nu!” - -Haar stem smoorde in een rauwen hoest, zij zweeg en wachtte, -- wachtte. - -Maar de tijd ging voort, hij duurde zoo lang. Klamme druppels parelden -de kranke op het koude voorhoofd: - -„Als ik nu eens stierf, alleen... en zij bij het offervuur van een -heidenschen afgod! Och, lieve Heer, help!” - -Een voetstap kraakte op het zand. In de deur stond een gebogen gedaante. -Een doffe stem vroeg: - -„Hoe gaat het, moeder Anna? ’k Had een gevoel of ik hier noodig was. Ik -wist er al van. Rolfr Jarl... vloek over hem en de Denen. Sinds zij in -’t land kwamen is mijn woning gelijk aan het hol van een beer of vos, -wordt het voedsel, dat ik zelf verdiende of opgaarde, mij nog betwist.” - -„Lisa, o, Lisa, denk toch niet het meest om de tijdelijke dingen! Dezen -nacht wordt er geofferd aan Wodan! Henno is er bij en Yglo en de -bisschop zegt, dat de Heer gebiedt: „Gij zult geen andere goden voor -mijn aangezicht hebben. O, Lisa!” - -Met bevende hand streek de bleeke vrouw zich het grijze haar uit het -koude gelaat. De hoest verscheurde opnieuw haar borst. Tusschen hijgend -ademhalen klonk het: - -„Ik sterf en zij zijn dààr... bij het vuur”.... - -O, de wanhoop van die uitgemergelde trekken! Oude Lisa’s hart, zoolang -versteend in eigen leed, brak van medelijden. - -Zij zag naar buiten: de nevel hing als een zilveren wade over het veld. -Hoog door de lucht trok een vogelzwerm met vreemde klaagklanken. - -Vogels aan den linkerkant! Angstig sloeg zij een kruis... Toen zag zij -nog eens naar het veld en de kronkelende paden. - -De weg zou lang zijn en zwaar voor iemand als zij met zulk een -strompelenden gang, maar die radelooze vrouw voor haar met het gelaat -van een stervende... „Ik zal gaan en hen halen! Houd je goed, buurvrouw, -houd moed!” - -Zij greep haar stok, maar de kranke trachtte zich op te richten met haar -laatste kracht: - -„Laat me niet alleen sterven, geheel alleen!... Bid; God zal helpen!”... - -En beiden fluisterden, de eene het schier verleerde, de andere het nooit -vergeten gebed: - -„Onze vader, die in de hemelen zijt”... Maar toen Yglo’s moeder sprak -met bezwijkende kracht: „Uw wil geschiede!” toen haperde haar stem en -boog zij het hoofd op de borst en wachtte af wat die wil zijn zou. - -Een zacht gedruisch. In de deuropening stond Trutha, omgolfd door het -zilveren licht der maan, dat den nevel had doen wijken. Aan haar oogen -was het te zien, dat zij had geschreid, maar groote zielevrede rustte op -haar jong gezichtje. Nog voor zij een woord kon zeggen, omknelde oude -Lisa haar hand: - -„Trutha! Trutha! goed dat je komt! Roep Henno en Yglo! Zij zijn bij den -grafheuvel op bevel van den Jarl!” Haar hand wees naar de half bezwijmde -vrouw. Trutha begreep en snelde heen. - -„Zij zal er eerder komen dan ik, rap als een hinde gaat zij over den -weg,” prevelde Lisa. Toen zonk zij op de knieën: - -„Ik zal nooit meer twijfelen aan uw goedheid, Heer! Gij zelf hebt haar -gezonden!” - -Bewusteloos lag Yglo’s moeder, het vredige, witte licht omzweefde haar. - - * * * * * - -Door de velden snelde Trutha. Tusschen de dichte bladerengewelven der -boomen hing de lucht donker en zwaar. Groote schaduwplekken wierpen de -eikenkruinen tot ver over den woudzoom. Behoedzaam verliet zij het -veldpad, dat zich slingerde in het licht als een zilveren lint; -voorzichtig zocht zij de schaduw der boomen. Indien de Jarl eens wachten -had uitgezet en die haar zagen of als zij trapte op een der kringen door -de gevreesde zwartalven achtergelaten op het grazige pad!.... Zij wist -immers, dat men elvenblad mocht afsnijden, noch vee in de weide laten, -na zonsondergang. Want het nachtkruid behoorde aan de alven en wie het -plukte moest sterven.[9] Evenmin als een der overige landbewoners zou -zij daarom ooit hebben gewaagd in een weide te slapen. Wanne Thekla, de -alvenkoningin zou uit haar luchtschip -- de drijvende wolken -- een -onzichtbaren pijl hebben afgeschoten op den vermetele, die den alven -belette hun rijen te dansen bij helderen nacht. Lokken zouden zij hem in -het moeras met hun dwalende lichten. - -Bevreesd voor de geheimzinnige wezens, die haar ook nu gewis omgaven, -ging Trutha verder. De eene angstige gedachte verdrong de andere, tot -zij eensklaps werden vervangen door een herinnering, die met zich voerde -een wonder gevoel van vrede en rust; het was of het suizen van een -zachte koelte haar omgaf na het branden van den gloeienden middaggloed. -Klonk inderdaad de stem van bisschop Ansfried of rees een vervlogen, -nooit vergeten uur op voor haar geest: „De Heer is mijn herder”.... - -Zoo had hij eens gezegd. - -De Heer! De Schepper van het eindeloos heelal, Die zonnen en sterren hun -banen voorschreef, die werelden te voorschijn riep uit het niet, Hij was -haar herder, Hij vergat ook haar, Zijn arm kind niet, dat dwaalde door -nacht en nevel, alleen. Hij was haar nabij. Mocht zij dan nog vreezen -voor nachtgeesten en zwartalven? - -Diep ademhalend, herademend verhaastte zij haar tred. In de schaduw door -de forsche stammen geworpen slingerde nu de weg, dien zij gaan moest, -dien zij ging zonder vrees of aarzeling. En toch hoe donker was het nu -weer. Zij kon op kringen trappen.... Nu glimlachte zij er bijna om: als -de alven die hadden achtergelaten, waren zij toch niet dè machtigsten. -Eén”.... - -Plotseling stond zij stil, met een uitroep van schrik. Wat lag daar voor -haar, dwars op den weg? Een mensch, een boomstam.... beiden? Zij boog -zich voorover om te zien en haar ademhaling ging gejaagd en krampachtig -klemde zij de handen ineen. In de nabijheid ruischt een beekje met zacht -geklater, de trillers van den nachtegaal klinken wonderzoet, het licht -rijst hooger, dat de duisternis verdrijft en in haar hart is het nacht. -Want daar ligt hij voor haar, Yglo, bloedend, bewusteloos, dood -misschien, klaarblijkelijk gestruikeld over den boomstam, dien de storm -had geworpen op het pad, slechts weinige dagen te voren. - -Trutha weende noch wrong de handen. Zij deed wat haar hand vond om te -doen. En het verband, dat zij legde om het voorhoofd van den gewonde, -dat zij verkreeg door een stuk af te scheuren van haar eigen kleed; het -water, dat zij voor hem schepte uit de beek, koel, reddend water, -brachten hem bij, na vele oogenblikken, waarin de levende meer leed dan -hij die schijnbaar neerlag als een doode. - -Langzaam opende Yglo de oogen. Voor de spanning van Trutha’s zielsangst -scheen het, dat uren voorbij waren gegaan, sinds zij hem vond. - -Nog altijd drong geen geluid over zijn lippen, weer verdubbelde zij haar -pogingen, ook toen hij opnieuw neerlag, strak en roerloos. En de -frissche waterdruppels brachten ook hier redding aan, nog een korte -poos, toen zag hij met bewustzijn om zich heen, zocht zijn blik zijn -redster, met klaar begrip. - -Trutha’s oogen lichtten, haar stem had den diepen klank van een -dankbaarheid, die moeite heeft om woorden te vinden, toen zij snikte: - -„O, God hoe zal ik U danken, hoe kan ik het ooit!” - -Zij stond rechtop, de handen gevouwen, haar blik zag omhoog. Toen -doortrilde haar een schok; in de wazige verte begon het te kleuren van -rosachtig licht en lichtend rood, de blanke nevel vlamde. Nu hief Rolfr -Jarl gewis de van bloed druipende handen op bij het onheilig offervuur. -De roode schijn in de verte wees Yglo den weg en herinnerde haar waarom -zij hier was gekomen. Zij hielp hem zich oprichten in haar krachtige, -jonge armen. - -„Yglo, kom mee, je moeder roept je! Zij is erg ziek.” - -Hij schudde het hoofd, zijn hand hief zich op naar den weerschijn van -den vuurgloed in de verte. - -„Ik moet dáárheen. Je weet het, Trutha. Anders blijven wij gescheiden, -ons gansche leven.” - -Zij zag hem aan, ernstig, droevig, met de rust van een groot besluit in -haar schuchtere oogen. Toen verhaalde zij hem alles wat de bisschop had -gezegd. Diep bedroefd had hij geluisterd: - -„Rolfr Jarl vergeeft nooit iets. Vader is daar en Walger en al de vrijen -uit den omtrek. Als ik ontbreek dan”.... - -Zij vouwde de handen om zijn arm met hartstochtelijk smeekgebaar: - -„Laat alles komen zoo als het moet. Doe wat God wil, denk niet langer om -wat wij zelf wenschen. Dan zal alles goed wezen, misschien niet hier, -maar zeker toch in het andere leven. God alleen weet wat best is. Doe -nooit -- al denkt gij er ook alles bij te verliezen -- wat gij weet, dat -Hij afkeurt. Dat heeft de bisschop mij gezegd.” - -Het was hem of een engel tot hem sprak door haar mond: - -„Denk je, dat het toeval was, die boomstam op den weg, waardoor je bent -gestruikeld? - -Kom mee naar huis, uw moeder is erg ziek, heel erg. Zij roept om je”.... - -Met een schok leunde Yglo op haar arm. Zijn oogen brandden van angst. Nu -begreep hij -- een vaste trek kwam op zijn jong gezicht. Zij vingen den -terugweg aan. Rondom was stilte en het suizen van het woud. De roode -schijn van het offervuur verglom in de verte.... - - * * * * * - -Een nieuwe morgen lichtte. Rozeroode wolkjes dreven langs de lucht. De -velden ontvingen glans en kleur. Maar uit de hoeve van Henno klonken -droeve klaagzangen. In den donkersten hoek van het woonvertrek lichtte -iets, schemerwit: een laken gespreid over een strooleger, over een -roerlooze gestalte. Twee kaarsen ontstoken aan het hoofdeinde, dienden -om de booze geesten te verjagen. Aan het voeteneinde zaten de -klaagvrouwen. Met oogen overwolkt van droefheid knielden Trutha en Yglo -naast de doode. Zij had beiden gezegend met haar laatste kracht en tot -haar zoon gefluisterd: - -„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op”.... om te -vervolgen met schier onhoorbare stem: - -„Mijne kinderen, gij behoeft uw kruisweg niet alleen te gaan. Een -Machtige leidt u en gaat u voor. Volgt den Heer, dan komt gij waarheen -ik nu ga, in Zijn eeuwig huis.” - -Tranen hadden beider stem verstikt, maar een glimlach, verhalend van een -vrede, die niet behoorde tot dèze wereld, speelde over het gelaat der -doode. Kende zij de stille gelofte, afgelegd in twee diep bewogen jonge -harten? Snelle voetstappen knarsten op het zand, een vaalbleek gelaat -verscheen in de deuropening. Radeloos wrong Henno de handen op het -gezicht der doode, op dat der levenden. - -„O, vrouw! o, kinderen! o, vrouw!”.... Hopeloos herhaalde hij aldoor -hetzelfde, toen sprong hij toe op de deur om den grendel er voor te -schuiven, om den schutbalk in de opening van de haag te leggen, als -wilde hij een dreigend gevaar buiten sluiten. Maar met een schreeuw -deinsde hij terug: - -„Daar is het al! Daar komt het! Genade, o, genade!” - -Verbaasd zag Swanwitha, die nu binnentrad, naar den man, die zich in ’t -stof wrong aan haar voet. Waarom deed haar komst hem zoo ontstellen? - -„Henno, bedaar toch! Ik kwam nog eens naar moeder Anna zien, ik wist -niet dat zij reeds”.... - -Haar zachte blik, rustend op het witte leger in den donkeren hoek, vulde -haar woorden aan, haar gelaat scheen bijna even kleurloos als dat der -ontslapene. Henno kermde: - -„Komt gij dan niet op last van den Jarl? Yglo was niet bij het offer, -dezen nacht. Toen heeft de Jarl gezworen hem levend te zullen spietsen. -O, Yglo, mijn zoon, mijn zoon! Eerst mijn vrouw, mijn kind nu.... mijn -eenige.... o, Yglo, Yglo!” - -Die hartbrekende jammer op dat van smart verteerde gezicht! Tranen -druppelden door Swanwitha’s oogleden. - -„Henno, zeg mij alles; misschien weet ik nog een middel,” sprak zij -zacht. In korte, afgebroken woorden werd haar alles meegedeeld. Eentonig -zongen daar tusschen de klaagvrouwen haar refrein, zacht flikkerden de -kaarsen, wit was het gelaat der doode. Maar toen Henno zweeg, sloeg -Swanwitha de oogen naar hem op en haar blik glansde door haar tranen -heen. Beslist sprak zij: - -„Yglo en Trutha, gij moet terstond vluchten. Mijn heer grootvader heeft -mij vier eigenhoorige maagden afgestaan om mij te volgen, na mijn -huwelijk” -- hoe aarzelend klonk dit laatste woord -- „waar ik ga. Gij, -Trutha behoort er toe. Ik schenk u de vrijheid. Ga waar de weg en de zon -u voeren, als vrije vrouw. - -Laat lang groeien uw lokken, ten teeken, dat niemand het recht heeft de -hand op u te leggen, om u te verklaren voor belmundig of eigenhoorig.” - -Maar terwijl Yglo zijn verbaasden dank stamelde, en Trutha zich -neerwierp om den zoom te kussen van het gewaad der jonkvrouw, ging -Henno’s ademhaling hijgend. Zijn oogen waren op zijn zoon gericht, vol -angst: - -„Jonkvrouw, wij weten het allen hier in den omtrek, hoe velen gij hebt -bijgestaan in dagen van ziekte en tegenspoed. Zij leven op aarde om u te -zegenen of zullen u eens welkom heeten in -- het andere land.” -- -Aarzelend werden de laatste woorden geuit. Dien nacht had hij -verloochend, waarin hij eens had geloofd. -- Maar weer waren zijn oogen -op zijn zoon, en hij hernam: - -„Thans doet gij meer dan een van ons zou kunnen hopen of wenschen. -Trutha geeft gij de vrijheid, hooger gift dan het leven, maar o, -bloedbloemen vlecht gij haar als bruidskrans door het haar!” - -„Bloedbloemen?” -- De jongelieden herhaalden het verschrikt, schuw -fluisterden de klaagvrouwen, die nog steeds de wacht hielden bij het -lijk. - -„Zal Rolfr Jarl hen verschoonen, haar en hem? Nooit zal hij uw besluit -goedkeuren, beweren zal hij, dat Yglo zijn bruid heeft ontvoerd en -dan”.... Zijn doffe blik week niet van zijns zoons gezicht, al de -verschrikkingen, die de folterkelder van den Ravenhorst verborg in zijn -donkere diepte, zag hij voor zich. Koude druppels gleden langs zijn -grijze haren af langs zijn slapen. - -„Vader, kom tot u zelven! De Jarl zal ons niets doen, als gij hem tot -erfgenaam maakt uwer vrije, vererfbare hoeve.” Liefkoozend streek Yglo -hem het vochtige haar van het voorhoofd, ook zijn krachtige hand beefde. - -„Ons huis, onze eigen vrije woning! Mijn moeder stierf er in, zooals nu -de uwe en gij werdt hier geboren.” - -O, die wanhoop op dat dierbare, oude gelaat! Het was meer dan Yglo kon -dragen! Toch was het de eenige uitweg. Vastbesloten nam hij een -stroohalm van den vloer en wierp dien ver van zich. - -„Hier doe ik afstand van mijns vaders huis en goed, volgens de zede der -vaderen,” sprak hij overluid. Zijn oogen volgden den kring, dien de -stroohalm beschreef, ver van hem verwijderd viel hij neer. Hij had zich -losgemaakt van zijn erfdeel. Henno zag het, nu was het beslist. Hij hief -de hand op: - -„Zoo zijt gij vrij van huis en hof, van vliet en veld. Ga waar de wind u -voert en de weg u leidt.” - -„Houdt u schuil te Utrecht een jaar en een dag. Dan kan geen enkele -rechtsvordering meer tegen u gelden. Stadrecht breekt landrecht.[10] De -bisschop zal u beschermen.” - -In de stilte, die volgde op Swanwitha’s woorden, die vooraf gingen aan -het bitter vaarwel, mengde zich het gedruisch van vele paardenhoeven, -het zwol aan, kwam nader... - -„De speerruiters van den Ravenhorst rijden! Yglo, zij zoeken u! De Jarl -heeft het gedreigd, dezen nacht: Hij zag te vergeefs naar u uit!” - -Bijna zinneloos van schrik, kwamen Henno hortend en stootend de woorden -over de lippen. - -Luid jammerend wierp hij zich op den grond. - -„Vlucht naar den Hohorst, door kreupelbosch en moeras. Daar kunnen zij u -niet volgen. Het altaar is een vrijplaats. Haast u! Verlaat de hoeve aan -de achterzijde, daar staan de boomen dicht!” - -De beide vluchtelingen konden slechts snikken tot Swanwitha: - -„O, onze redster, onze redster! Wees gezegend met den zegen dien gij -verspreidt!”... Toen omarmden zij krampachtig den levende en de doode en -gingen het onbekende tegen. - -Slechts weinige uren later brandde het dak boven Henno’s hoofd. En, toen -hij zich naar buiten sleepte, in de armen het levenloos overschot zijner -vrouw, toen stonden daar de speerruiters als een ijzeren haag en wierpen -haar terug in de vlammen en voerden hem mee naar den Ravenhorst. -Gesnoerd met koorden, die scherp sneden in zijn lichaam, werd hij aan -„de kaeck” gesteld op den blauwen steen. Hoelang zou deze eerste -foltering duren? „Tot regen en zon uw gebeente verbleeken,” had Rolfr -Jarl gezegd, met zijn wreeden lach en verschrikkelijk was zijn gelaat -geweest om aan te zien bij dat woord. Hij was niet de eenige, die werd -getuchtigd. De vrouw van Walger werd, tot straf, dat zij zich had verzet -tegen den gang van haar man naar het offervuur, achterwaarts op een ezel -gebonden, geleid van hoeve tot hoeve. De smadelijkste tocht, die bestond -voor een vrijgeboren vrouw. Eigenhoorigen van den Ravenhorst braken de -helft van het dak af harer woning; de straf voor een tweedrachtig -echtpaar. - -Walger zelf hing onderwijl in een mand boven de gracht van den -Ravenhorst. Hij zou de touwen van die mand zelf moeten afsnijden en, na -zijn val in het water -- als hij nog levend den oever bereikte -- -vernemen welke straf hem verder wachtte. - -Op Yglo’s hoofd was een bloedprijs gesteld, veroordeeld tot de put werd -Trutha... - -Rolfrs lippen krulden zich zegevierend, terwijl hij op en neer ging in -zijn hooge hal. Hij zag zijn slachtoffers en was voldaan. - -„Kort recht, goed recht! Ik heb er nu den schrik in, allen doen wat ik -wil! De geheele streek is als was in mijn hand.” - -Hij dacht aan de berichten hem door den aanvoerder zijner ruiters -gebracht, hoe vrijen en onvrijen sidderend bogen voor zijn bevelen, -indien slechts hun ellendig leven, en hun schamel eigendom bleven -gespaard. - -Rolfr kneep zijn oogen half toe, als een op de loer liggend roofdier. - -„Als Yglo en die deern naar den Hohorst zijn gevlucht, komt het mij goed -te stade. Dan heb ik het recht haar op te eischen en de bisschop zal -haar willen beschermen. Uitstekend!” - -Swanwitha kwam. Zij was zeer bleek, van droefheid vertrokken waren haar -lippen. - -„Grootvader, wees barmhartig voor”.... Zij zag in een aschgrauw, -verwrongen gezicht. Een zweepslag striemde haar. - -„Ga weg! Ik wil niets meer met je te doen hebben!” Zijn razende drift -overmeesterde hem, rood wolkte het voor zijn oogen, het benam hem schier -de bezinning, zijn geregeld denken stond stil. - -„Weg! Weg!” - -De zweep zwiepte opnieuw door de lucht, voort dreef hij zijn -kleindochter door hal en hof, de poort sloeg achter haar toe.... - -In haar torenvertrek wierp vrouw Sigrid de runen. Wat las zij? Haar -trekken werden vaal. - -Op den heirweg reed Olaf met zijn gewapenden stoet. Hij ging de vloot -zoeken -- zij moest nu reeds zijn geankerd -- om de bemanning te voeren -in het hart van het land. - -Bewusteloos lag Swanwitha op den drempel van haar huis. Zij wist niet, -dat oude Lisa haar hoofd ophief, dat de klaagvrouwen, die met haar -Henno’s brandende woning waren ontvlucht, haar behoedzaam voortdroegen. - -De avondwind huiverde over het land, rood ging de zon onder. - - [9] Wolf: Niederländische Sagen. - - [10] Noordewier Ned. rechtsoudheden. - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - - „Gelukkig Utrecht, uitverkoren moeder der steden, - gij bezit nu een heer, die aller lofspraak verdient, - Ansfried is door zijn verdienste uw sieraad, uw bisschop, - hij is de aan deugden rijke belijder des Heeren. - - Voorheen beschermde hij met zijn zwaard het land en zijne bewoners - nu is hij de wachter der kerk, de heilige priester -- - De drager des zwaards bestuurt nu de harten des volks; - de fiere soldaat is verkeerd in een man des gebeds. - - Zoo is het gewoel des krijgs in beter veranderd, - Van geduchten krijger werd hij minnaar des vredes, - van aanvoerder der strijdmacht, leider der zielen.” - -Twee jonge leekebroeders zongen met heldere stem de Leonische strofen, -een beeld der vreugde waarmee eenmaal de benoeming door den keizer van -graaf Ansfried van Teisterbant tot bisschop van Utrecht was begroet. Met -moeite -- zij kwamen terug van de vischvangst -- stuurden de zangers hun -bootje door belemmerende rietbosschen en lischstruiken, naar de -landingsplaats van den Hohorst. - -Roerloos als gesmolten metaal lag het water, schitterend in den -zonnegloed, waar het riet geen donkere schaduwplekken wierp op zijn -effen vlak. Bisschop Ansfried, weer alleen in zijn werkkamer, zag de -moeitevolle pogingen der visschers en hoorde hun zang. Een flauwe -glimlach speelde om zijn ernstigen mond. - -„Nog vóór de dam gemaakt is, die mijn Hohorst verbindt met het land, zal -ik toonen, dat ik nog niet geheel den tijd ben vergeten, toen ik mij het -zwaard aangordde. Ditmaal echter zal het een heiligen strijd gelden, een -zwaren tevens.” - -Zijn doordringende blik zocht nogmaals het ontrolde perkament, dat voor -hem lag. Hij las: - -„In den naam der Heilige en onverdeelbare drie-eenigheid, Otto III door -Gods verzoenende goedertierenheid Koning. Dat het kennelijk zij aan al -onze getrouwen zoo tegenwoordige als toekomende, dat wij alle -grondgebied, dat Poppo, zoon van Walger voorheen bezat, ook dat in het -graafschap Teisterbant en de heerlijkheid Arclo in eeuwig eigendom -afstaan aan het bisdom Utrecht”....[11] - -De bisschop las niet verder: tol en muntrecht te Arclo, het jachtrecht -in geheel Drenthe werden hem tevens verleend. Zij liet hem niet -onverschillig, die nieuwe, onverwachte keizerlijke gunst, maar geen -bevordering van eigen belangen zocht hij. - -In het vertrekje naast het zijne bevond Unruoch zich. Hij riep hem. Hij -zag hem binnenkomen werktuiglijk, het gelaat strak, recht voor zich -uitstarend de oogen: - -„Unruoch, weet ge wat er heden nacht is gebeurd?” - -„Ik heb niets gehoord.” Gedempt klonk zijn steeds zoo klankvolle stem, -lusteloos bleef zijn houding. - -„Rolfr van den Ravenhorst, heeft, gebruik makend van den angst voor den -ondergang der wereld, die in ieder hart bijna stijgt met den dag, het -landvolk van den geheelen omtrek bijeen geroepen bij den grafheuvel van -Roruk. Daar heeft hij geofferd aan de oude goden en allen gedrongen -terug te keeren tot het heidensche wangeloof. - -Unruoch, die grafheuvel moet met den grond worden gelijk gemaakt. - -Die taak draag ik u op. Laat uw paard zadelen en rijd zoo snel mogelijk -naar den Stuthenborch, mijn sterkte bij de Hoeve Lake. Doe de helft der -speerruiters, die haar bewaken, opzitten en draag zorg, dat het werk -volbracht wordt eer de dag is gedaald. - -De grafheuvel behoort nu tot mijn gebied. Alzoo bezit ik het recht hier -handelend op te treden om de verdere verspreiding van bijgeloof te -beletten. Draag echter zorg de urnen mee te voeren, wij zullen ze in -stilte teruggeven aan het stof der aarde.” - -Een verbaasde blik trof hem. Bezorgd klonk Unruochs stem: - -„Ik vrees, dat geen enkele speerknecht te bewegen zal zijn naar een -hunnebed te gaan. Liever zullen zij zich in ketenen laten klinken. Het -algemeene geloof is immers, dat in die grafheuvels de duivel huist. - -Met welke strenge straffen bedreigde voorheen bisschop Radboud niet -ieder, die waagde er te offeren. Thans durft zelfs bijna niemand er -voorbijgaan.”[12] - -Bisschop Ansfried glimlachte met zijn fijnen, weemoedigen glimlach: - -„Zoo gaat het, mijn zoon! Toen ik mijn kerkelijk ambt ontving, hoopte ik -in mijn geliefd Utrecht een kerkgebouw te stichten, waarin plaats zou -zijn voor allen, die in mijn bisdom den Heer zochten met een geloovig -hart. Thans bezit ik niet eens genoeg macht om een zandhoop te doen -verdwijnen, die toch terecht een rots der ergernis en een steen des -aanstoots mag heeten.” - -„En die geslecht zal worden, heden nog. Wanneer bevel noch overreding -baten, zal ik het alleen doen.” - -„Ik zal u een bevelschrift meegeven. Ik wil gehoorzaamd worden. Het is -een zaak van gering belang, maar die in deze dagen beteekenis heeft.” - -„Gij bedoelt nu Rolfr Jarl”.... - -„Rolfr Jarl is slechts een schakel in den keten, die ons dreigt te -omspannen: er is weer een Deensche vloot gezien bij Lammersvliet.” - -Het bleek der ontzetting streek over Unruochs trekken. Maar bedaard ging -de bisschop voort: - -„Daarom moet ik handelen. Wie vrees toont is reeds half verloren. Zwijg -er echter tegen ieder over. Morgen vertrekken wij allen van hier naar -Utrecht. De stad moet in staat van tegenweer worden gesteld. - -Neem dezen brief mede aan den kastelein van den Stuthenborch. Nog heden -moet gij hier terug zijn. Wij zullen werken zoolang het dag is en niet -steunen op eigen kracht alleen. Moge God ons volk behoeden voor een -herhaling der jammertooneelen, waarvan bisschop Balderic in den aanvang -dezer eeuw getuige was.” - -Beiden kenden de deerniswaardige schets, gegeven door Balderic van Cleve -in het jaar negen honderd zeventien. Naar Daventre had hij de wijk -moeten nemen voor het geweld der Denen, en toen zij eindelijk waren -weggezeild, beladen met roof onder hun buit gekromd, toen schreef -bisschop Balderic, bij zijn terugkeer uit zijn ballingschap in zijn -geliefd Utrecht: - -„Toen ik die stad voor het eerst binnentrad, en haar door de Denen -vernield en geheel verwoest aanschouwde; de kerken van St. Martinus en -St. Salvator vernield en verbrand, heb ik, door den diepsten weemoed des -harten geroerd, mijn tranen op geenerlei wijze kunnen weerhouden; en, de -hulp des Hemels afgesmeekt hebbende, heb ik onder een vloed van tranen -gebeden, dat Hij, die Zijn heilige kerk op een hechten rotssteen, welke -Christus is, gebouwd heeft, tot den wederopbouw en het herstel der kerk, -mij aanbevolen, zich mocht verwaardigen mede te werken. - -Met Zijn hulp heb ik dan ook de brug over de gracht, de stad met haar -poorten, den muur met zijn bolwerken, tegen vijandelijke aanvallen -gebouwd en opgericht; en de Gode gewijde plaats van vrede, de kerken -namelijk, door de heidenen verwoest en verbrand, heb ik -- niet zooals -ik het behoorde te doen, maar zoo goed ik het kon -- eenigszins -hersteld”....[13] - -Beider onuitgesproken gedachten hadden elkander gevonden, toen bisschop -Ansfried voortging: - -„Balderic van Cleve liet het niet bij woorden en klachten. Nehemia was -zijn voorbeeld, als deze riep hij uit: „Hoe zoude mijn aangezicht niet -treurig zijn, daar de stad, de plaats der grafstede mijner vaderen, -woest is, en hare poorten met vuur verteerd zijn?” Maar evenals de -profeet greep hij naar hamer en houweel om het puin weg te ruimen, -gebruikte hij passer en troffel, hout en metselsteen om te vernieuwen -wat nog herstelbaar, om te herstellen wat verwoest was. Het was als -Nehemia schrijft: „De eene hand was bezig aan het werk, de andere hield -de spies,” want weer liepen geruchten eener nieuwe landing door de Denen -beraamd, maar ondanks den nood der tijden werd de stad herbouwd. De -stevige muren, die thans Utrecht omringen, bewijzen evenals de -Baldericstoren[14] dat de arbeid met evenveel kracht werd voortgezet als -aangevangen. De kerken verrezen uit hun asch, hersteld werd de Rijnbrug. -Wij zullen dit voorbeeld volgen: als de Denen ook ònze brug mochten -afbreken, dan heffen wij op de slappe handen en bouwen een nieuwe.” - -Veelbeteekenend zag hij den jongen man aan. „Verstaat gij mij, mijn -zoon? Menigeen bouwt zich een brug en waant, dat zij voor hem de -afgronden van leed en tegenspoed zal overwelven en hem regelrecht voeren -in het geluksland. Maar dan komen er houtwormen, die het paalwerk -doorknagen, een orkaan werpt de bogen neer, of de geheele bouw gaat op -in vlammen en rook -- in rook Unruoch -- door de hand van een vijand. En -dan buigt de mensch, die reeds de overwinning voor zich zag en het -geluksland waande binnen te treden, het hoofd. De hoop ontvlucht zijn -hart en daarin is het zoo vol van knagend, radeloos leed. Dan wijkt de -glimlach van zijn gelaat, hij noemt zijn leven mislukt, gebroken. -Waarom? Omdat de heldere vlammen zijner verwachtingen opgingen in rook, -omdat hij leefde voor zijn eigen geluk, vertrouwde op eigen kracht, op -den weg die leidde naar zijn doel. Hij dacht zijn leven vol heil en hij -wist niet hoe leeg het was, omdat hij bij al zijn plannen God vergeten -had, Die ieders levensbeker mengt, ieders levenslot bestuurt. Indien de -menschen in Hem geloofden, zou hun nederlaag in zegepraal verkeeren, -want dan zouden zij zich een nieuwe brug bouwen en haar schragen met de -onwankelbare pijlers van plicht en geloof. Menschelijk geweld noch -eenige aardsche macht zouden in staat blijken haar te vergruizen, en die -brug zou haar bouwer voeren in het eeuwige land van zalig aanschouwen, -bereid voor ieder, die hier moedig zijn kruis heeft getorst en de -lessen van ervaring en zelfkennis hem door zijn levensleed geleerd, -gebruikte om de wereld beter te maken en om het levensgeluk van anderen -te vermeerderen. - -Vaarwel, Unruoch, hier is mijn schrijven. Ik hoop, dat uw levensbrug u -zal voeren in het land, waaruit eenmaal uw ziel haar oorsprong nam!” - -Unruoch ging zwijgend, getroffen. Hij had zijn brug gebouwd, en -- aan -zijn geluksdroomen dacht hij nu en aan hun uitkomst. Swanwitha voor hem -verloren, een vreemde noemde haar zijn bruid. Met zijn groote liefde had -hij haar willen omringen, de weg naar hun geluksland leidde immers over -een met bloemen bedekt pad en thans... Ruw en met steenen bezaaid was -het veld van zijn werken en strijden, dat hij voor zich zag en zijn moed -en hoop waren van hem geweken, zijn voetstap voorheen zoo vast, sleepte, -wankelde.... - -Niet meer. De woorden van den grijzen bisschop, wien zijn -levenservaringen wijsheid hadden geleerd en gevormd tot denker, wien ’s -levens rouw en ontgoochelingen dichter hadden gebracht bij God, toonden -hem zijn beeld in onmiskenbaar scherpe lijnen. - -„Wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen.” Wie fluisterde -hem dit toe, nu, juist nu? Had hij niet het eerst, het meest zijn eigen -leven gezocht -- zijn geluk? En daar was een wereld om hem die leed en -streed, fel en zwaar, aldoor, aldoor. Had hij ooit gepoogd den last van -anderen te verlichten? Jonge vriendschap, jonge liefde, waren gevolgd -op zijn leerjaren in de kapittelschool, samengevloeid met de jacht van -hair met hair en veer met veer. Soms had de gedachte hem bedroefd, dat -hij niet wist wie zijn ouders waren: uit de rookende puinhoopen van het -ten tweeden male door de Denen verwoeste Wiedelham was hij gered, door -arme lieden wier eenige woning, sinds dien inval der gevreesde -zeeschuimers, bestond in hun krakenden ossenwagen. In die armelijke -omgeving had hij zijn eerste levensjaren gesleten, met zijn pleegouders -zwervend door het verwoeste land. Toen -- zeven jaren na den brand van -Wiedelham -- klopte een bijna stervende vrouw aan het klooster te Thorn, -waar Benedicta, graaf Ansfried van Teisterbant’s dochter, de wijding had -ontvangen tot abdis. - -„Mevrouwe, ach, zorg voor dit kind. Ik sterf van gebrek en in een -gevecht met de Denen is mijn man gevallen. Dit kind, het is van edelen -stam.... het is”.... - -In onverstaanbaar fluisteren stierf haar stem weg, heen ging zij naar -het eeuwige land voor zij den naam had geuit van het kind, dat zich -schreiend aan haar vast klemde, als gevoelde het welk een schat van -liefde het verloor met die verlaten, nooddruftige vrouw. - -Maar vol medelijden had de jeugdige abdis zich het lot aangetrokken van -den kleinen wees. Zij beval hem haar vader aan en deze -- voor zoo -menigen ouderloozen knaap zorgde hij -- kreeg zijn schranderen pupil -lief; aan het schuldelooze kind, met zijn warmvoelend hartje hechtte -zich de sterke, eenzame man. Thans was hij zijn verklaarde lieveling, -thans wees de hand van den vergrijsden bisschop hem den weg, dien hij -gaan moest, hem, die een steun behoefde in zijn volle, jeugdige kracht. - -Een gevoel van beschaming sloop het hart binnen van den jongeling: - -„Ik zal mijn best doen, met Gods hulp,” prevelde hij voor zich heen. -„Niet meer zal ik het eerst mijn eigen geluk zoeken, maar beproeven -anderen tot heil te zijn.” - -Er kwam weer glans in zijn oogen. Hij voelde nu, dat de steenen geworpen -op zijn weg, als zooveel hindernissen, hem zouden helpen om hooger te -stijgen, om zich te zien met ruimer blik op het heden, naar de toekomst -het meest. - -Toen hij uit de boot stapte, die hem wegvoerde van den Hohorst en hij -zijn paard besteeg, dat hem reeds tegenhinnikte uit den, op den anderen -oever gebouwden stal, volgde de bisschop ieder zijner bewegingen en nog -stond hij hem voor het venster na te staren, terwijl reeds een stofwolk -hem onttrok aan zijn blik. - -„De weg zal moeilijk voor hem zijn. Het is hard levensheil en levenshoop -reeds in zijn jeugd te moeten opgeven. Toch wanhoop ik niet voor hem. -Ieder vindt den weg, die zich zelven leert vergeten voor de menschheid -en haar weedom, voor haar lijden en strijden, haar inspanning en denken, -die in zich voelt gloren een sprank van het Hoogere door God in ieder -hart gelegd, dat lichtend opvoert tot Hem. Zelfvergetelheid, dat is -geluk. Alleen door te arbeiden voor anderen rusteloos, ingespannen, vol -liefde, wordt deze levensles geleerd.” - -Hij verliet zijn vertrek: nog een anderen, moeden zwerveling had hij den -weg te wijzen. - - [11] Diploma bij Heda. - - [12] Picardt: Vergetene en verborgene antiquiteiten van ’t oude - Vrieslant. - - [13] Het geheele schrijven is te vinden bij Heda: „Balderico.” - - [14] De latere Bollaerts-toren tusschen de Waard en Catharynepoort. - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - -Troostend en verkwikkend ruischte de linde voor het geopende venster, -waaraan graaf Frethibold stond. Hij zelf staarde roerloos in de verte, -zonder iets te zien. De bisschop had hem een onderhoud verzocht, nu -wachtte hij -- droomend. De zomerwind speelde ritselend met de -perkamentbladen, die op de tafel lagen. Het was een afschrift van Cesars -Gallische oorlogen. Hij had er in gelezen, nu maakte hij een beweging, -als wilde hij een lans grijpen, als wenkte hem een zwaard. - -Hij bemerkte het binnenkomen van den bisschop niet, zwijgend bleef deze -hem eenige oogenblikken aanstaren. - -„Frethibold!” sprak hij ten laatste met zijn klankvolle stem. - -„Heer bisschop!” Met een hoofdbuiging begroette hij opstaande zijn -bezoeker. - -„Wat deert je? Je ziet zoo bedrukt.” - -„Wat mij altijd vervolgt: mijn verdriet.” - -Hij wees op de perkamenten. „Ik zat straks te lezen en vond opnieuw -nood en ellende, jammer en gebrek de grondslag van het menschelijk -bestaan, zoowel nu als in Cesars tijd. Hongersnood en pest, slagvelden, -gevangenschap, dooden en verminkten, verdrukte volken, macht boven -recht, ontevredenheid, verdeeldheid, afgunst, zoo was het toen, zoo is -het nu, en zal het wel blijven, zoolang de wereld bestaat. Ik moest mij -eigenlijk gelukkig prijzen, dat ik nu gouwgraaf ben van het Bovensticht. -’t Is als een klein, groen eiland te midden eener bulderende zee. Hier -tenminste heerscht vrede. Maar wat baat zelfs dit, als men steeds in de -leegte ziet, in den nacht!”... - -Hij zweeg, maar een bittere glimlach vulde zijn woorden aan. - -Zijn bezoeker schudde het hoofd. Welk een tegenstelling vormde beider -gelaat: Het eene aangeraakt door den engel van den vrede, het andere -donker als sprak de demon der vertwijfeling uit iedere lijn. Frethibold -ging voort: - -„Er lag een blad met vertaalde aanhalingen tusschen de perkamenten. Een -was er bij met een klein vers van Sophokles. Zie, hier is het. Ik heb -nooit een meer waar woord gelezen.” - -De bisschop nam het blad, overluid las hij: „Niet geboren te zijn is -voor alles het beste, ten tweede is verreweg het beste, terstond als men -geboren is, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, van waar men kwam.” - -Langzaam legde bisschop Ansfried het blad neer, het had gebeefd in zijn -hand. Toen stond hij vele oogenblikken zwijgend, den blik gericht op -het hopelooze gelaat voor hem: - -„Frethibold!” sprak hij eindelijk ernstig, „weet gij wel, dat gij met -zoo te spreken uw Schepper hoont, Die u in het leven riep om dit te -besteden tot Zijn eer?” - -De andere haalde de schouders op en ging voort, als had hij niet -verstaan, als dacht hij overluid: - -„Ik vraag mij zelven af: wat is mannelijker, waardiger, steeds te -dulden, te dragen al de giftige pijlen, die het lot ons toezendt of ze -te doen eindigen door een beslissenden dolkstoot, in eigen hart!” - -Ontzet legde de bisschop hem de hand op den arm, het was als wilde hij -hem wakker schudden: „Frethibold! kom tot u zelven! Gij zijt ziek, uw -hoofd en uw hart zijn het beide!” - -„Neen, neen! Alleen ellendig, rampzalig ben ik!” - -„En gij noemt u een volgeling van den Heer, Die heeft gezegd: - -„In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb -de wereld overwonnen.” Gij klaagt over den last, die Zijn wijsheid u -oplegt. Hij woog niemands kruis ooit te zwaar, buig uw wil voor den -Zijne en gij zult in staat zijn ùw kruis te dragen.” - -„Geheel alleen! Verlaten door alles wat ik liefhad, alles weg, -dood!”.... - -„Die gij liefhadt zijn u alleen voorgegaan naar het eeuwige land, uw -wegbereiders zijn zij, uw goede gidsen. Aan de aarde kluisterde u het -aardsche geluk en God wil, dat wij menschen ons hier voelen als -vreemdelingen, op weg naar Zijn vaderhuis. Ik geloof, dat God velen de -eenzaamheid zendt, die Hem misschien zouden vergeten te midden van het -geluk, doch nu door hun leed tot Hem worden gebracht. - -„Die is Mijns niet waardig.” Herinnert gij u welk tekstwoord hiermee -eindigt, Frethibold?” - -„Wie anderen lief heeft boven Mij”.... - -In een zucht klonk het: - -„En dat deedt gij!” - -„Ja, dat deed ik! Mijn lieve vrouw met de zachte oogen en het gouden -haar, mijn lachend kind!.... Ik had ze lief, boven alles en ieder en nu -zijn zij dood, verbrand.... Zelfs hun verkoold overschot mocht ik niet -begraven!” - -Welk een droefheid beefde in die woorden, een leed, diep en onmetelijk -als de zee! Het hart van den grijzen bisschop brak van medelijden. Rezen -ook in zijn borst herinneringen aan het weleer? - -„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij -geloofd! Frethibold, zeg dat den zwaar beproefde na van het Oude -Verbond, zeg het met uw hart, niet met uw lippen, beproef het biddend, -mèt uw hart!” - -„O, als ik kon, als ik kòn! Maar onmogelijk is het mij, onmogelijk!”.... - -„Niets is onmogelijk voor wie bidt met een oprecht hart. God beproeft -niet zonder reden of noodzaak. God is liefde en met Zijn liefde vormen -Zijn grootheid en almacht éen geheel. Kunt gij inderdaad gelooven, dat -Hij klein kan zijn in straf en toorn, Hij de Schepper van het heelal? -Hier zien wij in een duisteren spiegel, eenmaal zullen wij helder zien -in het eeuwig licht, indien wij slechts op Hem vertrouwen, niet vragen, -niet vertwijfelen, maar volgen, volgen Hèm na.” - -„O, kon ik dat! kon ik!” - -„Ik denk aan een ander woord van een denker der grijze oudheid, Plato -heette hij. Hij vergeleek de menschheid met gevangenen, vastgeketend in -een rotsholte. Zij zagen de voetgangers niet, die achter hen voorbij -gingen, zij zagen evenmin de zon. Zij aanschouwden alleen de schaduwen -op den muur geworpen door beiden en hun ketenen, die hen dwongen -onbeweeglijk te blijven. - -Is het zoo niet met velen, met zéér velen? Hun levenslast ketent hen aan -de aarde, zij zien slechts schaduwen en verborgen blijft voor hen het -licht, omdat zij niet omhoog zien, omhóóg!” - -„Ach, dat ik mijn ketenen van mij kon werpen, die mij neerbuigen met hun -looden wicht!” - -„Gij kunt het, zoodra Gods wil de uwe wordt. Dan zal uw last u licht -toeschijnen, berusting uw wanhoop vervangen en overgave u brengen tot -den vasten grond der dingen, die men niet ziet -- het geloof.” - -„Als dat nog mogelijk kon zijn! God moge mij er toe helpen!” - -„Maar gij moet zelf meehelpen. Niet alleen uit bidden en zuchten bestaat -het leven, ook uit arbeiden zoolang het dag is. Het mijmeren en peinzen -in de eenzaamheid is niet goed voor u. Het verlamt u, het volle leven -hebt gij noodig, het leven van inspanning en van de daad. - -Verhef u met uw vroegere kracht, Frethibold! - -Ik heb een dringende taak voor u en een dringender verzoek. Vertrek nog -heden naar den keizer, naar Aken.” - -Frethibold wankelde terug. - -„Een gebroken man als ik! Pas ik aan het hof van heer Otto!” - -„Uw plicht roept u daarheen en, die is te allen tijde de veiligste gids. -Ik vertrouw er op, dat gij spoed maakt en zal in uw afzijn uw taak op -mij nemen; zelf moet gij heer Otto spreken, op brieven slaat hij geen -acht. Haast u, de Denen kruisen aan de kust!” - -Een brandende gloed steeg in Frethibolds gelaat, zijn oogen vlamden -- -hoog richtte hij zich op, zijn hand balde zich tot een vuist.... - -„De Denen!” - -Donkere golven van haat verrezen bij den klank van dit woord uit een zee -van ellende en leed. - -„Frethibold! Hoe ver zijt gij nog van Gods koninkrijk. Niet ù komt de -wraak toe, gij moet vergeven. Als gij dat niet kunt, niet tracht te -doen, zijt gij niet waardig te gaan. - -Bericht heer Otto den nood, die opnieuw dit arme volk dreigt, smeek hem -in te grijpen met de macht zijner speren, de kracht zijner lansen. Leer -ùw levensles, ook op dezen tocht. Zij heet: zelfvergetelheid.” - -„Ik zal het beproeven! Ik zal het beproeven. Dat zal ik waarlijk!”.... - -„En hij zal slagen,” fluisterde de bisschop, toen hij eenige uren later -ook dezen afgezant naoogde. „Wie heeft het recht hem te veroordeelen? -Zijn wij niet allen zwak?” - -„Homo sum!”.... - -Aan zijn eigen verleden dacht hij, aan de dagen toen ook de levensreis -voor hem bergopwaarts ging, schrede voor schrede, en de weg hem zwaar -viel en hij dien zag met steenen bezaaid. - -Hij zag bij die gedachte om zich als zocht, als miste hij iets. Een -zucht ontsnapte hem; hij wist, dat hij niet zou vinden wat hij zocht. -Hij voelde zich als een reiziger, die afgemat van het klimmen op een -woesten rotsweg, verlangend opwaarts blikt naar den bergtop, het eind -van zijn reis, die vol heimwee uitziet naar een trouwe hand, welke de -zijne zal vatten om door haar druk den laatsten, zwaren gang te -verzachten. - -Ook zijn leven was bergopwaarts gegaan en aan het einde stond hij -alleen. - -„Het uitnemendste is moeite en verdriet” -- hij wist het bij ervaring. -En nu die nieuwe, zware moeilijkheid, terwijl hij zich oud voelde en -zwak, terwijl zijn kracht hem ontzonk en hij wist welk een -verantwoording op hem rustte bij den inval, die dreigde van het -vermetelste volk der wereld, het dapperste en het wreedste. - -„Voorwaar, ik heb het recht Frethibold te vermanen! Zelf gevoel ik mij -even verlaten als hij,” klonk het in zijn borst. Hij zonk op de knieën; -hoelang hij geknield lag wist hij niet, maar toen hij weer oprees -fluisterden opnieuw zijn lippen: „Homo Sum,” maar voegde zijn hart er -bij: „Fiat voluntas!” - -Zijn gelaat glansde. Het ruischen van den luwen wind door de linde voor -het venster verkwikte hem met zijn zachte koelte. Hij begaf zich naar -buiten. Weldra kliefde het bootje, dat hem overvoerde, den klaren -waterspiegel. Aan de overzijde wachtte zijn muildier; slechts door een -enkelen leekebroeder vergezeld ving hij zijn dagelijkschen tocht aan -naar de kranken in den wijden omtrek, die hulp behoefden en zelf niet -tot hem konden komen. - -Maar dezen dag klopte hij tevergeefs aan menige deur -- zij waren alle -gegrendeld en het landvolk scheen huis en hof te hebben verlaten. Was -het uit angst voor Rolfr Jarl of uit vrees voor zijn Denen? - -Hij zou het spoedig weten. De vrouw van Walger zag hij op haar -smadelijken tocht. Met een vloed van woorden -- niet te weerhouden door -de bedreigingen der speerdragers, die haar omringden, riep zij gillend -alles wat was geschied, van de straf, die haar man moest ondergaan, van -Henno, aan de kaeck gesteld, van Yglo en Trutha.... - -„Laat die vrouw vrij. Uw heer heeft geen recht haar te straffen. Zij en -haar huis staan onder mijn rechtsgebied,” beval de bisschop den -speerknechten. Hun aanvoerder haalde de schouders op: - -„Edele Ansfried, wij volgen onzen last, het kost ons anders zelf onze -huid. Doe uw beklag bij Rolfr Jarl!” Voort dreven zij het grauwtje, -krijschend gilde en schold Walgers vrouw.... - -De bisschop reed zwijgend verder. Hij ging over een grond, hem -onvervreemdbaar in leen gegeven. Het welzijn der bewoners hing van hem -af, het was hem toevertrouwd en wat vermocht hij tegen de -onbeschaamdheid van het ruw geweld, dat gezag verachtte, het recht -hoonde? - -De middagzon wierp haar gouden glorie over het veld. De beek kabbelde -rustig verder. Hoog bloeiden de bloemen op aan den groenen oeverkant. -Rust en liefelijken vrede ademde de aarde, overal waar de menschen niet -kwamen met hun jammer en tweedracht. - -Een vrouw richtte zich op tusschen het lisch, een ellendig, erbarmelijk -wezen, met een schootsvel en sandalen van boombast, nauwelijks voldoende -gekleed met een hemd en rok van grof hennipgaren. Met haar doffen blik -zocht zij den bisschop, eenige eendeneieren hield zij in de magere hand. - -„Die breng ik aan Lisa, zij heeft mij van haar boonen gegeven en -jonkvrouw Swanwitha ligt ziek in haar hut, zoo bleek als een geest. -- -Geen wonder: haar eigen grootvader, die helhond, heeft haar uit zijn -huis gejaagd.” - -Zoo snel hij kon ging de bisschop naar oude Lisa’s vervallen hut. Hij -zag het bleeke hoofdje rustend op den vloer tegen een kussen van -boomschors en dorre bladeren. Ingezonken waren de oogen. Tooverspreuken -prevelend wreef Lisa met de palm harer hand Swanwitha de gekneusde -leden. - -„Is het geen gruwel, heer bisschop? - -Op den drempel van den Ravenhorst lag zij als een bloedend lam. O, ’k -wou, dat ik hem zelf daar zoo zag liggen, dien duivel”.... - -„Stil, Lisa! Gij moet uw vijand vergeven, zeventig maal zeven maal, de -Heer wil het!” - -„Dat kan ik later in den hemel misschien doen, maar hier niet.” - -„Gij zult den hemel niet binnengaan, als ge het hier niet leert.” - -Zij zweeg en boog zich over Swanwitha. - -De flauwe ademhaling werd een weinig dieper. Geduldig wachtte ook de -bisschop. Eindelijk sloeg de half bewustelooze de oogen op, die hun -glans hadden verloren, evenals haar gelaat zijn blos. Vol nameloozen -angst, iederen polsslag trillend van vrees, hief zij het hoofd op. Haar -gloeiende vingers grepen de hand van bisschop Ansfried: - -„O, help mij! Breng mij ver weg van hier, ver weg! Ik wil nooit meer -naar huis, nóóit meer!”.... - -Onder snikken en tranen vertelde zij alles, om toen, met dubbelen nadruk -te herhalen: „Nooit meer!” - -Hij had haar zwijgend aangehoord en nu, terwijl haar oogen vol angst, -smeekend de zijne zochten, kwam weer die zonderlinge ontroering over -hem: geleken twee sterren, twee witte leliën zoo op elkander als dit -kind op zijn verloren dochter? En weer dacht hij aan al het leed, dat -Rolfr over zijn leven had gebracht. - -„Hoe heette uw moeder, mijn kind?” vroeg hij plotseling, zonder eenigen -overgang. - -„Gisela.” Verwonderd klonk het. Swanwitha had een ander antwoord -verwacht op haar droeve klacht, maar het hart van den bisschop hield -bijna op te kloppen. - -„Zij was gehuwd met den eenigen zoon van.... van”.... - -Zij knikte. „Ja, en nu heeft hij mij geslagen, zooals vroeger haar. O, -toen zij leefde was alles anders. Een boek van den goeden Herder had zij -ook. Grootmoeder wou het mij afnemen, maar ik”.... - -„Waar is het nu?” - -Vol belangstelling werd het gevraagd. - -Toch verwierp de bisschop als een hersenschim -- wat hij hoopte. Zijn -kind de vrouw van Rolfr Jarl’s zoon.... Te ongerijmd was die gedachte. -Hij hoorde Swanwitha vervolgen: - -„Het boek is th -- daar waar ik niet meer heen wil.” - -Zij richtte zich op. Een flauw rood kleurde haar wangen. Het was of haar -kracht keerde met haar vast besluit. En dringender klonk haar zachte -stem: - -„O, neem mij mee! Verberg mij! Ik kán niet meer naar h -- daarheen!” - -O, hoe gaarne, hoe gaarne had hij haar beschermd voor de gansche wereld, -tegen de ruwheid van dien enkele! Met zijn leven had hij haar geluk -willen koopen. Maar beslist klonk zijn stem: - -„Neen, mijn kind, dat kan niet!” - -Zij liet het hoofdje hangen en barstte uit in tranen, die gloeiden op -zijn hart. - -„O, waarom niet, waarom niet! ’t Is daar zoo vreeselijk!” - -„Omdat Rolfr Jarl uw grootvader is en uw ouders u toevertrouwden aan -hem. Volgens de wet en van rechtswege is hij uw voogd en momboir. Alleen -als gij andere verwanten bezat u even na bestaande”.... - -Weer trilde zijn stem en weer zweeg hij; neen, het was onmogelijk. Had -hij niet overal gevraagd en gezocht, na het groote onheil zijns -levens?.... - -De zoon van Rolfr was toen zelfs niet gezien in het land en verscheidene -jaren daarna nog niet. Hij mocht dit kind niet afbrengen van haar -plicht, hoe ook zijn hart hem drong haar te helpen. - -„Als het leven u zwaar valt, waarom zoekt gij dan geen steun bij hem, -wien gij u hebt toevertrouwd voor het leven?” - -Toen zocht zij tevergeefs naar woorden, vele oogenblikken. Eindelijk -klonk het nauw verstaanbaar: - -„Dat is het ergste! Ik wil zijn vrouw niet worden en ik moet!” - -Opnieuw verstikten tranen haar stem. Maar de bisschop legde de hand op -haar schouder met ernstig gebaar. - -„Als gij hem niet liefhebt, dan moogt gij zijn vrouw niet worden, nooit, -wie het u ook gebiedt, wat zich tegen u kant. Gij mòogt niet. Het is -doodzonde. Wie om hoogheid en eer bij de menschen, om goud of goed, door -dwang of bevel zich laat verbinden voor het leven, zonder diep te dragen -in het hart de liefde, „die alles gelooft, hoopt en verdraagt,” de -liefde „die nooit wordt verbitterd en nooit zich zelve zoekt,” -- die is -een zelfmoordenaar gelijk. Want hij doodt zijn eigen eer met alles wat -hoog en edel, en voor de eeuwigheid is geschapen in zijn hart. - -Swanwitha, gij moet openlijk spreken en zonder vrees met hem, die u als -bruidegom werd opgedrongen, met hen, die u dwongen tot die verloving. -Het is uw hoogste plicht. Ik zal met u naar Rolfr Jarl gaan en -trachten”.... - -„Haar nog verder van den rechten weg te brengen. Naar buiten, zeg ik u!” - -Een scherpe vrouwenstem sprak het woord, een harde hand schudde -Swanwitha bij den schouder. - -„Grootmoeder!” - -Welk een wanhoop lag in dat eene woord! Streng zag vrouw Sigrid haar -aan: - -„In het kot van een oude tooverkol vind ik je dus, in gezelschap van een -christenpriester, eervergeten wezen! Er uit, zeg ik je, weg! En wat jou -betreft” dit tot de bevende Lisa -- „je zult gauw genoeg gerookt worden -uit je hol en -- heksen moeten branden, ha, ha!” - -Zij dreef Swanwitha naar buiten, zij versperde den bisschop den uitgang. -Hij trad haar in den weg, hoog, bevelend. - -„Vrouw, zie toe wat gij doet! Gij brengt het oordeel over u zelve!” - -Een uitdagende blik trof hem, zij hief haar hand op tot een slag. Lisa -kroop naderbij op de knieën. - -„Vrouw Sigrid, o, vrouw Si”.... - -De slag trof haar, het oude, stramme lichaam kromp ineen. Swanwitha -schreide. - -„Vrouw Sigrid, ik daag u voor mijn gericht. Gij kent de straf door wet -en recht voor ieder bepaald, die een vrijgeborene tuchtigt.” - -„Ik lach om uw wetten en rechten; bij mij geldt alleen het recht van den -sterkste. Wat laat gij u in met de zaken van mijn kleindochter? Zij is -niet meerderjarig, ik heb hier te bevelen, niet gij.” - -„Gij zult zien, wat ik vermag. Ik zal niet rusten....” - -Zij liet hem niet uitspreken, met een zwaai had zij Swanwitha voor zich -op het paard geworpen. Nu reed zij met haar weg, zoo snel de ongelijke -weg het toeliet. - -Machteloos moest de bisschop het aanzien. Zijn hart bloedde. Een flauw -kreunen klonk in zijn nabijheid. De slag, die oude Lisa had getroffen, -was aangekomen. - -Toen zag hij den plicht, die het dichtste bij was. Hij richtte haar op: - -„Lisa, ga naar den Hohorst, eer de speerruiters komen. Ge hebt de -bedreiging gehoord. Ge zult het daar beter hebben dan hier en ik zal je -beschermen.” - -Zij kuste zijn hand, een traan rolde over haar gebruinde wang. Sinds -vele jaren had niemand zich om haar bekommerd of naar haar omgezien, bij -verdriet en rouw. Beschermd, zij.... Een weldadig gevoel sloop haar in -leed verstijfd hart binnen. - - - - -HOOFDSTUK XV. - - -Trutha en Yglo vluchtten door het woud. De dienstmannen van den -Ravenhorst zochten hen. Zij droegen den leeren kap over een ijzeren -kruis gespannen en den ongelooiden kolder. Sommigen hielden hun ijfel -vast en hadden gepunte en gevederde bouten aan den gordelriem -- -boogschutters alzoo. Anderen waren gewapend met kolf en speer, een -drietal slingeraars met wollen kap en overkleed, voerd den stokslinger -mee -- het zou een felle jacht worden. - -Yglo hield het meisje bij de hand; zoo snel zij konden, liepen zij -voort, maar de meesten der jagers op dit menschelijk wild waren te -paard, en de overigen drongen tusschen het struikgewas -- de kans van -ontkomen was gering. Toch troostte Yglo haar zoo goed mogelijk: - -„Houd je maar goed, Trutha! ’t Wordt al gauw avond en dan zullen wij wel -uit het bosch weten te raken. Wij moeten ons op den Hohorst maar niet -ophouden; recht door naar Utrecht. „Stadrecht breekt landrecht,” zooals -de jonkvrouw zei. Als de weg je maar niet te lang valt! Wij zijn geheel -zonder teerkost.” Zij trachtte hem op haar beurt te bemoedigen. - -„Daarvoor is geen zorg! Iedere reiziger mag immers visschen in het water -langs zijn weg, als hij maar terstond zijn vangst braadt aan den oever. -Drie rapen is ’t elk vergund in ’t voorbijgaan te roden van den akker, -drie vruchten te plukken van elken dragenden boom.[15] Als wij de -speerruiters slechts kunnen ontkomen!” - -Als!.... Het geluid van snelle schreden kwam dichter bij; vloeken en -verwenschingen klonken, wanneer een laag hangende tak een der vervolgers -in het gelaat zwiepte. Tusschen het groene scherm der boomen glinsterden -wapens.... - -„Zij komen! Zij zien ons! Gauw! Voort!” - -Met haastige, ongelijke schreden trok Yglo zijn gezellin mee. Zijn voet -bleef steken in den drassigen grond, aan een doornstruik haakte Trutha’s -rok. Yglo liet zijn plompen, houten schoen in den steek, zij een breeden -rand van haar kleedje.... Voort snelden zij, voort!.... - -Niet lang meer: - -Na enkele minuten zagen zij, op nauwelijks een boogschot afstands, de -speerknechten. Met gestrekte wapens trokken zij om de vluchtelingen een -kring; opgewonden hitste een der voorsten met stem en gebaren een -bulhond op hen aan: - -„Daar, daar! Pak ze, Snel! Daar!” Huilend en blaffend sprong de hond -voorwaarts, zijn scherpe tanden blikkerden. „Pak ze, Snel! Pak ze!”.... - -Radeloos zag Yglo om zich heen. Aan de eene zij waren de vervolgers, aan -den anderen kant stuwde de stroom zijn breede golven door het verlaten -landschap. Hij bedacht zich geen oogenblik. Met een ruk trok hij Trutha -in zijn sterke armen. Met wilde sprongen bereikte hij den oeverkant. -Vlak achter hem huilde de hond. Pijlen snorden van den boog boven zijn -hoofd. Een sprong, een plons -- hij lag in het water. Krampachtig hield -hij Trutha vast met de eene hand, met de andere trachtte hij zwemmende -den tegenovergestelden oever te bereiken. - -„Pak ze, Snel! Hij wil overzwemmen! Pak ze!” - -Jankend en keffend sprong de hond de vluchtelingen achterna. Weer snorde -een pijl van den kruisboog. Trutha, half wezenloos van angst, slaakte -een gil. Rood werden de zilveren golfjes, die zich om haar sloten als -wilden zij haar met hun blanke kracht beschermen tegen het geweld der -menschen. - -„Vooruit! Snel, na! In het water!” schreeuwde een boogschutter aan den -kant. Weer gonsde een pees van den boog. Yglo voelde een stekende pijn -in zijn schouder, als verlamd viel de arm neer, die Trutha omknelde. Zij -zonk in den stroom, de glanzende sluier van zilveren waterdruppels sloot -zich boven haar. Zouden de wateralven haar dragen naar hun zuilenhal van -doorzichtig kristal? - -Die gedachte deed Yglo een zucht van verlichting slaken; geen -menschelijk wezen kon haar dan meer bereiken of leed doen: de wateralven -beschermden haar, voerden haar veilig.... Bloeiende struiken, lisch en -rozelaren bogen ver over den oeverrand en vlochten hun taaie en doornige -twijgen tot een ondoordringbaar net. Yglo had nog even tijd dit te zien, -toen grepen ruwe vuisten hem bij de schouders, toen voelde hij den -scherpen beet van een hond in zijn ongewonden arm. - -„Trutha! Vaarwel!” In een snik klonk het. Een slag op zijn mond smoorde -zijn stem. Aan land voelde hij zich gesleurd door vier gespierde -vuisten. - -„Laat het vrouwspersoon maar liggen! Zij behoort aan de wateralven. Zij -zouden hun pijlen op ons afschieten, als wij haar meenamen. ’t Is -genoeg, dat wij hem hebben!” - -Het waren de laatste woorden, die Yglo verstond; als hij weer bij kwam -zou hij met ketenen zijn gekluisterd aan den wand in den kerker van den -Ravenhorst.... - -De golven schuimden over Trutha heen, zacht hieven zij haar roerlooze -gestalte op en droegen haar verder in hun witte waterarmen tot zij tegen -een met mos bedekten boomstam stieten, die aan de eene zijde den stroom -stremde in zijn loop. De golfjes bekommerden zich niet om het beletsel, -dat die boomstam gaf aan hun reis naar de zee; klaterend sprongen zij -verder een man te gemoet, die de rivier oproeide in zijn plompe boot. -Trutha bleef alleen achter, de avondhemel was met een smalle streep nog -even zichtbaar boven haar hoofd. De rozelaar bewaakte haar met zijn -groene doorntwijgen en het slanke lisch bloeide als een wacht van speren -om haar heen. De azuren luchtstreep wierp zijn glans in de groene -duisternis en de witte schuimdruppels geleken een snoer van parelen op -een koningsmantel van blauw sameet. - - [15] Noordewier: Ned. Rechtsoudh. - - - - -HOOFDSTUK XVI. - - -Bisschop Ansfried was teruggekeerd van zijn dagelijkschen tocht. Het -geheele verhaal van Rolfr Jarls strafoefeningen en bedreigingen was hem -door het ontstelde landvolk meer dan eens gedaan. Allen die den Noorman -vreesden, wellicht meer nog dan de macht die hij bezat, had de bisschop -een schuilplaats aangeboden op den Hohorst. Gelast had hij hun vrienden -en verwanten te zoeken, die nu voor hem vluchtten of den balk legden in -de haag. Vol aandrang waren allen door hem vermaand om te blijven bij -het geloof, waarin zij waren opgegroeid en, dat zij eens hadden beleden, -zich niet uit vrees te laten meesleepen door voorstellingen van -heidensche dwalingen. - -De zon ging onder, het water vlamde op in purperschijn, alleen tusschen -de dennenstammen glinsterde nog het scheidend licht als vloeibaar goud. - -De bisschop maakte zijn laatste beschikkingen. Broeder Johannes was bij -hem, de eerste, die hem bericht had gegeven van het tooneel bij den -grafheuvel. Hij had dien nacht gebeden bij een stervende en werd zoo de -onwillekeurige getuige van de komst der Druïde: ondanks het streng -verbod had geen der wachten hem den weg versperd. Zoo had hij gestaan -achter de haag van eikenhakhout en elzenstruiken, zoo had hij gezien en -gehoord. Het zaad, door de bewoners van den Hohorst uitgestrooid met -milde hand, was liefde geweest, het was ontloken in de harten. De -doornen van machtsvertoon noch bevel konden het verstikken: geen der -wachters had hem gegrepen of teruggewezen. - -„Broeder Johannes, zorg dat de pakpaarden beladen worden en de -muildieren gezadeld. Zoodra jonker Unruoch terugkeert, vertrekken wij, -onder bedekking zijner ruiters, allen naar Utrecht. Melden zich nog -landbewoners aan, die vluchten voor Rolfr van den Ravenhorst, neem ze op -in den trein. ’t Is hier niet veilig meer.” - -„Uw Hoogeerwaarde weet dus stellig, dat de Denen”.... - -Broeder Johannes bleef steken; een rilling liep door zijn tengere leden; -doodsangst sprak uit ieder gebaar. - -„Helaas, ja! Gisteren zond de kustwachter van Witlam mij een bode. -Negentig zeilen waren door hem geteld, maar tegenwind had de vloot het -ankeren of het land in te zeilen belet tot nu toe. Tot nu toè. Wie weet -hoe het thans reeds is. Het zal een zware strijd worden. En nog is bijna -geen enkele sterkte, die ik liet bouwen om de grenzen te verdedigen van -het bisdom, gereed, slecht bemand zijn zij alle. Indien de landzaten -slechts kodde en dorschvlegel grijpen, zoodra de nood daar is, maar -Rolfr Jarl verlamt hun kracht. - -Moge de onze echter door het gevaar worden verdubbeld. Voor geloof en -geboorteland hoop ik te waken, als droeg ik nog pantser en zwaard. Houd -ook gij u kloek en manhaftig, broeder. En als gij geen kracht in u voelt -een speer te grijpen, doe dan uw plicht bij de gewonden en stervenden, -ook dan wanneer de gevallenen Denen zijn.” - -„Bij de Denen! Die duivels, die man, vrouw, noch kind ontzien?” - -„Wilt gij een christen heeten en door geen daden toonen, dat gij het -zijt? - -Zelfverloochening en barmhartige liefde tot vijanden eischt de Heer.” - -„En wie beslist hoe spoedig wij allen staan voor Zijn aangezicht! St. -Jan is nabij!” - -Broeder Johannes verborg het bleek gelaat in de magere handen, zijn -tanden klapperden op elkaar: - -„Heer, heer, gij wilt niet, dat wij er over spreken of er geloof aan -slaan, maar ieder zegt het, iedereen, de geheele wereld, heer! Gij -herinnert u toch ook de beide broeders uit Parijs, die te Utrecht in ons -klooster kwamen, nog geen maand geleden? Zij keerden terug van een -pelgrimstocht naar het graf van den apostel Petrus te Rome, zij -verhaalden hoe ieder in Frankrijk en Italië geloofde, dat het einde van -alle dingen aanstaande is. Alle bedrijven en zaken staan daar stil, -alle schenkingen aan de kerk beginnen met: Appropinquante mundi termine. - -Schrik en rouw vervullen ieder gemoed en de godsvrucht neemt toe met de -vrees.” - -„Is dàt godsvrucht ontweld uit reine bron, broeder Johannes? De liefde -sluit de vrees buiten.” - -Broeder Johannes zweeg enkele oogenblikken, toen klonk het opnieuw -gedempt: - -„Ach, heer bisschop, wij zijn allen zondige menschen, tastend en dwalend -zoo lang wij leven. Maar is het duizendjarig rijk niet weldra ten einde, -en staat er niet uitdrukkelijk in de Openbaring: - -„En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satanas uit -zijne gevangenis ontbonden worden”.... - -„En zijn bij God niet duizend jaren als éen dag, en éen dag als duizend -jaren? Waant gij, dat de Eeuwige rekent met aardsche tijden en uren? -Jezus zeide: Die dag en die ure kent niemand, en zich grondend op Zijn -woord heeft geen der kerkvaders het ooit gewaagd den dag te bepalen van -het jongste gericht. Wat God verborgen houdt in Zijn ondoorgrondelijke -wijsheid, mogen menschen daarvan den sluier trachten op te lichten?” - -„Gewis niet, maar het geloof aan den aanstaanden ondergang bestaat nu -eenmaal bij klein en groot, bij vorsten en dienstmannen, bij vrijen en -hoorigen. In de kerken te Parijs wordt openlijk gepredikt, dat de -wereldbrand aanstaande is, dat eerst de Antichrist zal verschijnen en, -dat daarna het oordeel komt. „Als Maria boodschap en Goede Vrijdag op -een dag samentreffen, is het einde daar!”... - -Gij kent toch ook die voorspelling heer bisschop, gij toch ook! En is -die dit jaar niet in vervulling gekomen? - -O, er is geen hoop meer, geen hoop, geen enkele lichtsprank in den -nacht!” - -Met een gevoel van innig medelijden zag de bisschop neer op den jongen -man, wien folterende angst klamme druppels op het gelaat deed parelen. -Hij wist, dat duizenden en tienduizenden dachten, geloofden als hij, dat -vijanden zich verzoenden en koningen zich verootmoedigden... Ried -broeder Johannes zijn gedachten toen hij voortging: - -„Koning Robert van Frankrijk is door paus Gregorius, nu juist twee jaar -geleden, in den ban gedaan, omdat hij zich niet wilde laten scheiden van -zijn vrouw, koningin Bertha, die hem te na in den bloede bestaat. En -thans is de koning tot die scheiding besloten, „omdat nu toch de wereld -zal vergaan, nù!” - -„Maar paus Gregorius heeft den koning in 998 -- wegens zijn weigering -- -veroordeeld tot een _zevenjarige boetedoening_. Wijst dit op den -ondergang der wereld in dit jaar?” - -„Ik weet het niet, ik kàn niet meer! Mijn hoofd, mijn hoofd!”... - -Meewarig schudde de bisschop het hoofd. Van hoeveel zielsangst, -nachtwaken en vasten verhaalde dat ontvleesde gelaat! - -„Broeder Johannes, gij zoekt het op een verkeerden weg. Dien uw God door -liefde tot uw naasten, door te vertrouwen op Hem en op de reddende -genade van den Zaligmaker, Die ook voor u heeft geleden en is -gestorven.” - -Hij nam een klein, in francyn gebonden boekdeeltje van het rek aan den -wand. - -„Lees opmerkzaam, zoodra wij te Utrecht zijn aangekomen, dezen „Libellus -de Antichristo.” Het is reeds bijna een halve eeuw oud en geschreven -door Adson, den geleerden abt van Mons-Dervense, in Champagne.” - -Begeerig strekte broeder Johannes de hand uit. - -De bisschop hernam: „Koningin Gerberga was destijds even bekommerd als -gij nu. Op haar verzoek -- zij wenschte zoo vurig te weten wat de Bijbel -zegt omtrent den Antichrist en zijn gevreesde macht -- werd het boekje -geschreven. De laatste regels luiden: „Ik geloof, dat niemand weet, -hoeveel tijd er zal voorbijgaan tusschen de komst van den Antichrist en -het Laatste Oordeel, maar dit blijft ter beschikking Gods, Die de -menschheid zal oordeelen in het uur, dat Hij daartoe voor eeuwen heeft -bepaald.” -- - -„Moge de lezing ook u tot kalmte brengen, broeder, gelijk zij dit eens -koningin Gerberga deed en dit geschrift u tevens leeren berusten in Gods -wil door te gelooven in Zijn heilig woord. Ga echter nu de plichten -volbrengen, die thans op u wachten. Ook het aardsche leven stelt den -mensch zijn eischen.” - -Zegenend legde de bisschop hem de hand op het hoofd; een groot gevoel -van rust kwam in het gefolterde hart van den jongen broeder, toen hij -in het opgeheven gelaat zag voor hem, door leed veredeld, door geloof -gewijd, rust bezittend en rust gevend. - -„Ach, dat allen waren als hij! De wereld zou anders zijn, beter!” -fluisterde het in zijn hart, toen hij heenging om een der kleine -plichten te volbrengen van het leven, allen schakels van een groot -geheel. En hij dacht nogmaals, hoe verklaarbaar het was, dat door zijn -volgelingen de grijze kerkvorst zoo hoog werd vereerd. Zijn christendom -bestond niet alleen uit bidden, zijn daden toonden zijn geloof. - -Bisschop Ansfried zag den jongen broeder zich naar het boothuis begeven -langs de kerk. - -Onwillekeurig ontsnapte ook hem een zucht. De muren van tufsteen van het -kleine kerkgebouw waren nauwelijks opgetrokken. In den eenvoudigen -vierkanten toren met een spits tusschen twee brandgevels, hing nog geen -maand de klok, die met zilveren klank de omwonenden riep tot het gebed. -Hoe had hij gehoopt hier dikwerf eenige dagen van verademende rust te -vinden, wanneer de zorgen voor zijn uitgestrekt Bisdom geheel zijn -kracht hadden gevraagd en overspannen. Hoe had hij gewenscht zijn verder -leven te wijden aan den dienst van God en de uitbreiding van Zijn rijk. -En thans -- de klanken der aarde stegen tot hem op met stemmen van bloed -en haat. - -De Denen aan de kust! Rolfr Jarl hun bondgenoot, het volk opwekkend tot -afval van zijn geloof.... - -Ook hij wist hoe diep de overleveringen van het heidendom nog, vaak -onbewust, leefden in menig eenvoudig hart. Want een algemeen verbreid -geloof was het onder het volk, toen dit het Christendom aannam, -gedwongen meestal, dat de goden waren gevlucht voor den God der -christenen, doch dat zij daarom niet waren gestorven: Zij hielden zich -slechts schuil in eenzame wouden of in woeste landstreken, om terug te -keeren als de nood op het hoogst was geklommen voor het volk, welks -voorgeslacht hen had vereerd. Wodan wachtte met zijn Einheriar den -laatsten strijd af, diep verborgen in een berg der Duitsche gouwen. Maar -als die strijd ontbrandde, zou hij te voorschijn treden, zijn -godenmantel van schitterend blauw om de trotsche schouders. Slingeren -zou hij zijn geduchte speer naar de afvalligen, maar zijn getrouwen zou -hij, de „zegenschenker”, veilig voeren in zijn vernieuwd rijk, dat was -verrezen uit den wereldbrand, bloeiend, wonderschoon. - -Eens -- hoe goed herinnerde de bisschop het zich! -- had hij op een reis -door Duitschland zijn gids gevraagd, op een bergtop wijzend, die statig -oprees boven het omliggende land: - -„Dat is de Kyffhäuser, nietwaar?” - -Maar tersluiks had de gids op zijn voorhoofd een teeken gevormd, dat -geen kruis was, terwijl hij schuw mompelde, met een zijblik op het -berggevaarte, waarboven de grijze wolken laag dreven en de raven -geheimvol krasten: - -„Het is de Wodansberg, heer. Zie, zijn raven vliegen om den top, -gehoorzaam lettend op zijn bevelen en de wolken wachten of hij, door -hen omsluierd ongezien wil rijden over de aarde. - -Hij slaapt nu in den berg met zijn getrouwen, heer! In den marmeren -disch voor hem groeit zijn baard, maar als de nood dreigt en het einde -komt, zal hij ontwaken en dan, en dan”.... - -Met verbazing zag de spreker zich het zwijgen opgelegd door den -onbekende. Waarom? Ieder wist immers, dat het zoo was en eenmaal zoo -zijn zou? Zijn grootvader had het hem verhaald, die had het van zijn -voorganger gehoord en die.... - -Graaf Ansfried leerde dien dag opnieuw, hoe zwaar het valt, -volksoverleveringen uit te roeien, die eenmaal wortelden in volksgeloof. -Voorwaar, Rolfr Jarl had ditmaal geen zware taak! Hoe dikwijls was hij --- gedurende de korte jaren zijner kerkelijke waardigheid -- niet -genoodzaakt geweest krachtig op te treden tegen heidensche gebruiken, -ingeslopen in den christelijken eeredienst, of gehandhaafd ondanks -verbod en bevel. Het land was gekerstend sinds meer dan twee eeuwen, -maar velen zijner bewoners waren daarom nog geen christenen. - -Gespannen zag de bisschop naar den landweg. Het was hoog tijd om te -vertrekken. Er zou te Utrecht veel te doen zijn. De stad moest versterkt -en in staat van tegenweer worden gebracht, de heirban worden opgeroepen, -boden gezonden door het land om het volk aan te manen zich te wapenen. -Scherp wacht moest worden gehouden op den toren van ieder landkasteel, -zoowel als op de heidehoogten, terwijl op de duinen roodgloeiende -wachtvuren hoog opvlammend, elkander het teeken moesten geven van de -landing der gevreesde vijanden. - -Of de gravin-weduwe van Kennemerland reeds was gewaarschuwd of op haar -hoede? De graven van die landstreek waren door den keizer belast met de -kustwacht en de kustverdediging tegen de invallen der Noormannen. Maar -de krachtige graaf Aernout was enkele jaren geleden gesneuveld op de -made van Winckel in een zijner veelvuldige veeten met de woeste -West-Friezen; zijn zoon Dirc nog een kind. En het berokkende zijner -weduwe, de schoone Luitgarde, reeds zooveel zorgen, om het van alle -zijden aangevochten erfdeel van haar zoon te beschermen, dat reeds nu -diepe lijnen zich hadden gegroefd in haar blank voorhoofd, dat zich -welfde onder den sluierkroon en den weelderigen diadeem harer golvende -haren. - -Neen, van die zijde was niet op hulp te rekenen. Had de bedrukte -regentes nog niet kort geleden de tusschenkomst verzocht zijner -gewapenden om het burggraafschap van Gent terug te verwerven, dat voor -goed verloren dreigde te gaan van haar zoon, evenals dit reeds zijn -vader was ontroofd? - -Bisschop Ansfried wist zich aangewezen op eigen krachtsontwikkeling. Hij -moest handelen, terstond naar Utrecht vertrekken en -- nog kwam Unruoch -niet. - -De avond viel snel en bij dit schemerlicht volbracht de bisschop zijn -plicht van het oogenblik. Hij zocht eerst naar een kussen voor oude -Lisa om haar den tocht wat gemakkelijker te maken in den zadel van een -muildier op den weg vol kuilen en gaten en borg toen de kwartijnen, die -de werken van Augustinus, de Topica van Aristoteles, de Aphorismen van -Hippocrates en de godgeleerde beschouwingen van Athanasius bevatten in -een leeren tasch. - -Dichter werd de schemering, vale schaduwen wierpen de boomen, tot -loodkleur verdofte het watervlak. Plotseling klonk het gedruisch van -vele paardenhoeven door de suizende stilte. Zij kwamen! De bisschop -greep zijn mantel. De eerste sterren glinsterden, avondrust was rondom. -Nu kon de tocht aanvangen. Zij kwamen.... Maar, als overwinnaars niet. - -Snel als de wind renden de bisschoppelijke ruiters over de bruine heide, -Unruoch aan het hoofd, maar als een huilende Novemberstorm volgde hen -Rolfr Jarl met zijn Denen. Pijlen snorden van den boog -- met lossen -teugel reden de Denen -- wonden bijtende speren zochten hun wit. Reeds -meer dan een angstig hinnikend paard zonder ruiter toonde, dat zij doel -hadden getroffen. Nu bereikten de bisschoppelijke ruiters den waterkant. -Slechts op een tiental schreden afstands waren de vervolgers. Hoog -richtte Unruoch zich op in den zadel. Ver in ’t rond klonk zijn stem tot -de ruiters: - -„Redt u! Hier is het water ons behoud. Werpt u in den stroom, op den -Hohorst zijt gij veilig!” - -Ver in de meerderheid waren de Noorsche ruiters. Langer verzet was de -dood. De mannen van St. Maarten begrepen het. Een sprong, een plons, de -paarden voelden het water opspatten boven hun manen. Zwemmend poogden -zij den tegenovergestelden oever te bereiken. Maar ondiep was de stroom. -De modder van den bodem kleefde en trok omlaag. Het was een hachelijk -oogenblik. Met stem en teugel vuurden de ruiters hun paarden aan. -Vruchteloos arbeidden de vermoeide dieren, en de bende door Rolfr Jarl -zelf aangevoerd, had hen bereikt. Thans trof iedere pijl zijn doel. Op -den heuvel stonden de kloosterbroeders met den bisschop, hun eigen leven -niet vreezend voor de snorrende pijlen, toch tot helpen machteloos. - -Unruoch zag het. Hij stond nog alleen aan den oever, met zijn zwaard den -overtocht der zijnen dekkend. De pijlen kletterden tegen zijn schild; -als ijzeren veeren bleven zij er trillend in steken. Met smeekend gebaar -wendde hij zich tot den bisschop: - -„Blijf daar niet! Het bestaan van dit volk hangt af van uw leven. Met u -staat en valt zijn vrijheid! De Denen!”.... Hij kon niet verder. Een -pijl drong door de voegen van zijn helmkap. Bloed druppelde op zijn -pantser. Het zwaard ontglipte zijn vuist. - -„Grijpt hem! Grijpt hem levend!” dreunde de stem van Rolfr Jarl. -„Dan”.... - -De belooning door hem toegezegd ging verloren in rumoer en geschreeuw, --- het antwoord op zijn bevel. Als honden op een gewond hert wierpen -zich de Denen op Unruoch. Zij trachtten hem van het paard te rukken, -hij verweerde zich als een wanhopige, de heirbijl in de ongewonde hand. -Maar zijn krachten begaven hem, hij voelde het. Nog éen oogenblik en zij -zouden hem op den grond werpen, hem sleuren over heide en boomstronken -naar hun heer, die hem ten tweeden male niet zou vrijgeven -- door -overmacht gedwongen. Krampachtig omknelden hem de gespierde armen in de -harde lederen kolders, nog éen oogenblik.... Toen gaf hij zijn paard een -slag met de heirbijl, die doordrong diep in de flank van het moedige -dier. Een scherp, snijdend geluid, hoog steigerde het paard op zijn -achterbeenen, in den wind fladderden de lange manen, met een ruk van -getergde kracht, uit felle pijn ontstaan, wierp hij het verwarde -menschelijke kluwen van zich, trappend, bijtend in schier razende -woestheid. Toen nogmaals een sprong en neer ploften ruiter en ros in den -stroom. Geen eigen gevaar meer achtend, waadden de enkele nog ongewond -gebleven ruiters -- het was hun eindelijk gelukt den wal te bereiken -- -terug. Na eenige oogenblikken zag Rolfr Jarl, met trekken donker van -woede en drift zijn prooi ontsnapt. Tevergeefs dreigde hij met gebalde -hand de ruiters; vruchteloos vergat hij den afstand, die hem van hen -scheidde, door zijn teleurstelling te uiten in een woordenvloed, die hem -tot gelijke stempelde zijner ruwste eigenhoorigen. Ten laatste zweeg hij -met droge keel, naar adem snakkend. Met een ruk wendde hij zijn paard. -Een pijl suisde hem voorbij, een tweede trof zijn hand, toen keerde hij -zich opnieuw naar den Hohorst met een plotselingen inval: - -„Des te beter! Ik rook den beer uit zijn hol!” - -Norsch wendde hij zich tot zijn ruiters. Zij verwachtten zijn bevelen, -sidderend, deemoedig. Hij wees naar de loodsen, den stal en het -boothuis: - -„Steekt die kotten in brand, maar bewaar de boot en houdt scherp wacht. -Ieder die tracht over te steken zingt gij de lansenmis. Wij zullen ze -uithongeren of van de aardsche jammeren verlossen, die verheven -christenen! Vlammende pekkransen op het dak en geen teerkost -binnenshuis! Past op, dat gij niemand doorlaat! Gij boet het met uw -leven!” - -Rolfr Jarl reed heen, de ruiters bleven. Van voldoening hamerde zijn -hart met versnelden slag. Bisschop Ansfried zijn gevangene op den -Hohorst en de Denen tot den inval gereed! - - * * * * * - -Oude Lisa strompelde dien avond door de velden. De sterren verlichtten -haar pad, ook de ster met de gevreesde vurige roede. Zij klopte aan de -huisdeuren -- van binnen versperd door een balk als waren er vijanden in -’t gezicht; op een kier werden zij geopend om haar in te laten. En dan -zag zij: - -In het eene gezin alle huisgenooten knielen voor de alruinen. - -„Boer, boer! sta op! De bisschop is gevangen als een muis in de val!” -klonk haar bevende stem. En zij verstond het antwoord: - -„Is dat mijn schuld? Hij heeft ons die willen afnemen” -- met een -gebaar naar de alruinen -- „en gij weet, wie een alruin uit den grond -trekt moet sterven.[16] Zij waren de machtigsten, lang voordat keizer -Karel leefde of nu de bisschop. Had hij de alruinen maar met rust -gelaten, maar hij ging rond door het land om alle overblijfselen uit te -roeien van het heidendom. Nu hebben zij hun wraak!” - -De deur sloeg toe, de wachthond blafte, oude Lisa stond weer alleen -buiten, onder den sterrenhemel. Zij ging met moeite het erf af, het -vonder over, als een groet uit het Paradijs drong de lindengeur tot haar -door. Doch geen paradijsvrede heerschte in de volgende woning waar zij -aanklopte. Geknield lagen ook hier allen, maar doodsangst sprak uit den -starren blik der oogen, radelooze wanhoop uit de saamgewrongen, omhoog -geheven handen: - -„Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons! Het is aanstaande, het oordeel -komt! Heer, erbarm u onzer!” - -„Menschen, komt tot je zelven! Let op het heden: onze bisschop!”.... - -„Vrouw, wat hebben wij met je noodig? Houd ons niet op: Het einde is -nabij. Op Midzomer -- ik meen met St.-Jan is de groote, geweldige dag -daar. En wij verbranden mee! Heer, erbarm u! Erbarm u!”.... - -Zwijgend ging Lisa. Allen dachten alleen aan eigen behoud, niemand -scheen zich meer te herinneren, wat de grijze kerkvorst was geweest -voor hen; hij, die zoo hoog in aanzien en macht, hier rondging als de -minste der broeders om te raden, te helpen, te redden bij iederen nood. -Wie zijn leven zal willen behouden zal het verliezen.... - -Lisa’s voetstappen stierven weg. - -Henno kruiste haar pad. Hij zag haar niet voor zij hem staande hield. -Toen trof haar een blik vol doodsangst uit oogen, door droefheid -verduisterd: - -„Weet ge ’t al, Lisa? Mijn Yglo ligt in den slangenkelder van den -Ravenhorst en verdronken is Trutha! Mijn vrouw dood, gevangen om te -sterven mijn zoon! O, dat het einde ook voor mij kwam! nu, nù! Ik ben -weggegeeseld van den Ravenhorst. Hadden zij mij maar dood geslagen! -Waarom duurt het nog zoo lang, dat de wereld vergaat! Zoolang!” - -Het was of de gebogen gestalte voor hem, rees. Beschikte inderdaad die -oude, doffe stem over zooveel kracht? - -„Omdat er nog veel te doen is in die wereld, ook voor jou visscher, ook -voor jou!” - -„Wat meen je, moeder Lisa? Wat meen je?” Zij verhaalde hem wat er op den -Hohorst was gebeurd: - -„Ik stond en zag het uit de verte. Een onderkomen was mij daar beloofd -door onzen bisschop. Nu moet ik zwerven door ’t land, naar mijn hutje -durf ik niet meer. Henno, hij was goed voor ieder van ons; niemand, die -hulp behoefde, werd ooit door hem afgewezen en nu laten allen hem -alleen. Allen, Henno!” De visscher verborg het hoofd in de handen. - -„Ik deed het ook. God vergeve mij en rekene het mij niet toe! Ook ik -vergat hem en nu is de straf gekomen! Ik was bij het offervuur, in -vlammen ging mijn hoeve op. Den bisschop werd door Rolfr Jarl de dood -gezworen en nu.... mijn vrouw, mijn kind!”.... - -„Maak het goed, Henno, maak het goed!” - -„Hoe zou ik, arme man, dat kunnen?” - -Toen ontwikkelde Lisa haar plan. Wat maakte die oude, onwetende vrouw -zoo vindingrijk? - -Een blik in het verleden: - -Door de velden rende Rolfr Jarl met zijn stoet. De middagzon brandde; -naar verademing hijgde geheel de natuur. Onvoordeelig was de jacht -geweest; een zijner beste brakken had een jachtspriet in ’t lijf -gekregen door de schuld van een drijver -- hij was op last van zijn heer -dadelijk opgehangen. Nu reed Rolfr huiswaarts; wie de uitdrukking van -zijn gezicht zag, sidderde. - -Dietmer, den koeherder, zag hij van verre. Het vel eener koe met kop en -horens er nog aan, slingerde hem over den rug. Rolfr spande den boog, -terwijl de herder naderkwam. Grauwend klonk het: - -„Wat waag je nu weer, aartsdief! Een van mijn koeien heb je dood -gestoken om”.... - -Drift belette hem verder te spreken. Het gaf Dietmer gelegenheid -smeekend uit te roepen: - -„Heer, spaar mij! Het dier is zijn natuurlijken dood gestorven! Huid en -kop lever ik u immers onbeschadigd, dan is de herder vrij van -schuld.[17] Met zijn boog sloeg Rolfr den herder in het gezicht. Dat -was zijn antwoord. Toen wees hij de Denen van zijn gevolg op een groepje -hoorigen, dat het noenmaal verorberde: boonen, een stuk grof, zwart -brood, na de zware morgentaak. - -„Wij hebben heden een slechte jacht gehad. Jaagt op dat vee! Ik zal ze -leeren, te luieren en te stelen!” - -Met wilde bijvalskreten volgden de woeste Denen het bevel. Jacht werd -gemaakt op de hoorigen als op de hazen en konijnen der heide. Gewond -lagen zij weldra. De herder stierf door een boogschot van den Jarl. Lisa -kwam van den molen. Ook haar trof een pijl in den arm. - -„En ik ben vrijgeboren! Niet mijns heeren eigendom, met lijf en huid, -als de hoorigen!” - -Als de stervenskreet van het gehoonde recht klonk haar uitroep den -geestelijke in de ooren, die de ongelukkigen vond in het veld, -gekwetsten en dooden, nadat de jachtstoet onder hoorngeschal en lustig -hondgebas verder was gerend. - -Zij kenden hem geen van allen, dien man met het ernstig, denkend gelaat -en het zilveren haar, de arme hoorigen. Hij droeg het eenvoudige, zwarte -kleed der Benedictijner kloosterbroeders. Maar hij had de dooden -begraven en gebeden bij hun lijk. Hij had de gewonden verpleegd met -eigen hand, ze gebracht naar den Hohorst en gelijk eerst voor de dooden -bad hij nu met de levenden. En terwijl hij hen tot lijdzaamheid -aanspoorde in hun lot en hen wees op den Gekruisigden Heer, Wiens last -den hunnen had overtroffen tien- en honderdvoud, daalde berusting in -menig tot weerwraak getergde borst en werden klachten en verwenschingen -omgeschapen in gebeden tot God, Die eenmaal alle tranen zou afwisschen -van de vermoeide oogen. - -„Niet Hooge Horst, Heilige berg, moest deze plek heeten!”.... - -Het was het laatste woord van een stervende, die het eeuwige leven had -gevonden op de plaats waar hij het aardsche liet, maar het ging van mond -tot mond en het werd nooit meer vergeten in geheel den omtrek -- -nimmermeer. Ook door oude Lisa niet. En daarom wist zij heden een -uitweg, nu allen versaagden.... - -Mistroostig zaten Walger en zijn vrouw op den grond voor hun half -verwoeste woning. Nu was er vuur noch visch, gejoel noch bruin bier. In -wanhoop had hij eindelijk zich zelven verlost uit den schandkorf, met -het touw door te snijden. Met veel moeite, doornat aan wal gekropen, na -zijn plons in het water, was hij terstond gegrepen en op den „blauwen -steen” voor het gehate heerenhuis te pronk gesteld, tot de avond viel. -Toen werd hij den Ravenhorst afgejaagd en thuiskomend had hij zijn vrouw -gevonden als een waanzinnige gillend in zijn bijna geheel omgetrokken -woning. De kinderen waren weggeloopen, waarheen wist niemand. Nu zaten -zij en staarden in den nacht. - -„Vloek over Rolfr Jarl!”.... - -„Voltrek dien! Hij houdt onzen bisschop opgesloten op den Hohorst. Dàt -doet hij nu!” - -Lisa’s stem drong aan, maar Walger kroop weg van angst onder een -wilgenstruik. - -„Ik een geringe, arme man? Hoe zou ik de hand durven opheffen tegen den -Jarl, die machtig is en groot?” - -„Zijt gij niet evenzeer vrij geboren als hij?” - -Uit den wilgenstruik klonk geen antwoord, maar de vrouw mompelde -- op -welk een anderen toon dan de vorige maal! -- „De dagen zijn geteld, -waarin de wereld nog bestaat. Wat zullen menschen elkander richten? Het -oordeel komt!”.... - -Zij zweeg en Lisa met haar. Hier was geen hulp te wachten. Angst en -moedeloosheid voerden deze menschen tot radeloos afwachten. Zij hieven -hen niet op tot zelfvergetelheid door mede-lijden met anderen, even -zwaar of meer nog getroffen dan zij zelven. - - [16] Van den Bergh: Ned. volksoverleveringen. - - [17] Noordewier: Ned. rechtsoudh. - - - - -HOOFDSTUK XVII. - - -Olaf Erikson had zijn zending niet behoeven te volbrengen. Het zwerven -door het land en langs de kust, gevaarvolle taak, waarbij zijn leven op -het spel stond, indien iemand den Noorman in hem herkende, was hem -bespaard. Nog had hij het Goye niet verlaten toen hem, bij het -oversteken der Vecht, zijn oude schilddrager Holger, dien hij op de -vloot had achtergelaten, begroette met handslag en vreugdewoord. Want, -goede tijding bracht hij: - -Een kleine bende was, begunstigd door den nacht, met eenige booten -geland niet ver van Noortic. De weinige kustwachters waren door hen -overrompeld en de seinvuren gedoofd. Holger zelf had deel genomen aan -dit eerste heldenfeit. - -„Gestoken in de plunje der kustwachters nemen nu de onzen hun plaats in. -Geen seinvuren zullen dus vlammen op de toppen der duinen. Ongehinderd -kan de vloot bij Leithen landen om zoo door te dringen in het hart van -het land. In Kennemerland en in Masaland heerscht evenwel reeds de -grootste verdeeldheid, naar mij werd verhaald. De heeren strijden tegen -elkander, de gravin voor het erfland van haar zoon en het volk loopt de -slagen op van beide zijden. Dáár zullen wij geen tegenstand ontmoeten; -ieder is vervuld met zijn eigen belangen en verschanst zich in burcht of -toren of kiest het hazenpad.” - -„Maar het algemeen gevaar kon de bijzondere veeten doen vergeten. Dat -zou niet voor de eerste maal zijn. Keer daarom terug, zoo snel gij kunt -en vraag Harald Sigvatr uit mijn naam de vloot bijeen te houden en er -voor te waken, dat het volk zich niet verspreidt en in de kustplaatsen -aan het plunderen raakt om onze macht te verbrokkelen. Spoedt u allen -naar Utrecht. Daar ontvangen wij versterking en vinden een bondgenoot in -Rolfr Jarl.” - -De schilddrager knikte: - -„Ik volbreng uw last, Olaf Erikson.” - -„Het is nu niet meer noodig, dat ik verder ga. Twee dienstmannen van -Rolfr Jarl zullen de vloot ten gids strekken.” - -Zoo betrad Olaf opnieuw den Ravenhorst. Het onstuimig verlangen naar -zijn jonge bruid dreef hem voort. Rolfr Jarl was afwezig. Vrouw Sigrid -verscheen niet. Onaangediend ging hij de nauwe, kronkelende steenen trap -naar de hal. Door de halfronde vensters -- alle in dubbelvorm -- vielen -de zonnestralen met gouden tintelgloed. Uit den hof klonk de stem van -den Skald; met strofen in eindrijm gedicht: - - „Waar Walhalla’s hooge halle, - Glinstert in den glans van goud, - Daar kiest Wodan iedren morgen - Helden zich, ’t zij jong of oud. - Wie hier viel zijn naam ter eer - Groet bij hem den morgen weer”.... - -Onwillekeurig zocht Olafs hand het kleine, zilveren godenbeeld, dat aan -een gouden snoer op zijn borst hing, onder den met franje omzetten -rooden mantel. Hij wenschte vurig te leven; met versnelde slagen joeg -zijn hart. Wat kon hem het schitterende Glansheim en Alvaders godenzaal -baten als hij geluk en liefde moest achterlaten op aarde? - -Uit het afgescheiden gedeelte der zaal trad door het breed neerplooiend -gordijn Swanwitha. Zij kwam uit den huistempel, waar zij het -dagelijksche offer van brood en vleesch had neergelegd voor Wodans -beeld. Ernstig en droevig was haar schoon gelaat. Zij scheen het -tegendeel van gelukkig. Hij snelde naar haar toe en omvatte haar in zijn -armen. Met een gebaar vol wanhoop weerde zij hem af: - -„Laat mij gaan. ’t Is ’t eenige wat ik u vraag.” - -„Ge zijt mijn bruid, Swanwitha. Gij draagt mijn ring.” - -Zij zag neer op den smallen, gouden band met een blik vol afkeer. - -„Door dwang. Zóó zou ik geen bruid begeeren. Wij kenden elkander niet -eens. Hoe kunnen wij dan”.... - -Zij sloeg de handen voor het gelaat en zweeg in een snik. - -Getroffen zag hij haar aan. „Ik had je lief in ’t zelfde oogenblik, dat -ik je zag,” sprak hij gesmoord. Verstikt in hartstocht beefde zijn stem. - -„Maar ik niet! Olaf, geef mij mijn vrijheid weer! Wees barmhartig voor -mij! Liever sterf ik dan.... Liefde, dat groote, machtige gevoel kan -niet worden gedwongen, dan wordt wat verheffen moest verpletterd door -laagheid. Olaf, neem dien ring terug, geef mij vrij!” - -Zij sloeg de oogen tot hem op, dringend, radeloos. Spanning en angst -joegen haar een blos op het gelaat. Nooit had zij hem zoo schoon -toegeschenen als in dit oogenblik. Welke reden had zij? Gesmade liefde -deed ijverzucht ontbranden, gloeiend in schrijnende pijn. - -„Ge hebt een ander lief!” barstte hij uit. Verward wendde zij zich af, -schier vluchtend uit de hal. Toen wist hij zijn vermoeden juist. Een -heete gloed steeg hem in ’t gelaat bij de vraag: „Wie, wie!”.... - -Was zij misschien betooverd? De nagelbloemen bloeiden. Had een vijand -die misschien in ’t geheim gebakken in het brood, dat zij at? Dan was de -betoovering ongeneeslijk. Maar zij droeg immers een gedroogden -brandneteltak tusschen de voering van haar mantel. Vrouw Sigrid had hem -dit zelf gezegd. Dit bewaarde haar tegen alle tooverij. Hij verwierp -daarom zijn eerste denkbeeld. Er was dus iets anders. „Wie -- wat?” Het -martelde hem. Hij was gewoon, dat maagdenblikken schuchter zijn gelaat -zochten, om zich dan snel weer te verbergen achter de lange wimpers en -thans was de schaduw der onverschilligheid tusschen hem en de vrouw, die -hij liefhad vol hartstocht en zelfzucht. Wie, wat scheidde hen? Als een -warrelende duizeling, éen met den maalstroom der gedachten, die hamerden -in zijn hoofd, zwermde een breede vlucht van raven om den toren. Het was -hem of zij een zwarte schaduw wierpen over het in licht badend -landschap, of hun krijschende schreeuw de echo vormde van zijn wanhoop. -Hij knarsetandde en beet zich de lippen tot bloed. Zijn hartstocht -begeerde haar, hij wilde haar bezitten, gelukkig zijn.... Gelukkig -- -zij ontvluchtte hem, smeekte om haar vrijheid.... Nooit zou hij haar die -hergeven, nooit!.... Een zware tred dreunde op de steenen treden, een -harnasschoen ratelde. Rolfr Jarl kwam. Hij was uitgereden om den -Stuthenborch plat te branden. In weinig woorden deelde Olaf hem mee, dat -de vloot in aantocht was. Rolfr lachte, hard en snerpend -- volgens zijn -gewoonte. Een zegevierende trek speelde om zijn vastgesloten lippen. - -„Als de laatste lansenmis gezongen is voor het christengebroed zal -Miölners bruidszang voor u weerklinken, Olaf!” - -Hij trok de schouders op, neerslachtig: „Misschien. Swanwitha wil niet.” - -„Wat? Dat kind? Zij heeft geen wil, ik wil voor haar.” - -„Wanneer een vrouw iets niet wil, wie dwingt haar dan? Swanwitha is in -staat zich van den toren te werpen, eerder dan onder mijn zwaard door -te treden als mijn bruid. Ik verliet een kind, een vrouw vind ik terug. -Wat is er gebeurd?” - -Rolfr smoorde een verwensching tusschen de tanden. - -„Heeft zij niet gezegd wat zij wil?” - -„Neen, alleen wat zij niet wil.” - -„Echt vrouwelijk. Gij behoeft u er niet aan te storen. Hij zit als een -rat in de val en de klep is dicht.” - -„Ik begrijp u evenmin als straks Swanwitha.” - -„Zij is de speelbal van Unruoch, maar heb geen zorg: met den bisschop en -zijn aanhang zit hij in de klem op den Hohorst.” - -Rolfr verhaalde wat gebeurd was gedurende zijn afwezigheid en Olaf -luisterde zonder te verstaan. De raven krasten boven zijn hoofd en het -scherm hunner zwarte vlerken scheen hem als een rouwsluier, die zich -verstikkend zou leggen over al zijn hoop en geluk -- eigen geluk. Hij -begreep niet volkomen wat in hem omging, maar hij voelde, hoe woede en -jaloerschheid bezit van hem namen, geheel. Zijn wenkbrauwen trokken -samen, diep groeven zich zijn tanden in de onderlip; in stilte deed hij -zich zelf een gelofte... - -Het was waar wat Rolfr Jarl zei, volkomen! Waarom had hij het niet -eerder verstaan? Had hij niet meer dan eens een snellen blos zien komen -en gaan, wanneer de naam van Unruoch werd uitgesproken in haar bijzijn? -En als hij zelf onverwacht binnentrad bleef zij stil, neerslachtig voor -zich uitstaren. Hij vond haar dan met de naald in de hand naast haar -grootmoeder, die haar bestrafte omdat zij niet werkte. Schuw wendde zij -de oogen af als hij haar naderde... Zijn ijverzucht steeg tot brandende -physieke pijn. Vergelding zou hij zoeken en ook weten te vinden. Met een -slag zette hij den beker, hem door den hofmeester geboden, neer op den -bronzen disch. Zijn vingers hadden het fijn bewerkte metaal gedeukt. Van -hartstocht trilden zijn lippen toen hij mompelde: „Ik zal mij wreken.” - -Hij vroeg zich niet af met welk recht hij was gedrongen in haar leven, -hij, de onbekende, wien zij gedwongen was geweest haar hand te reiken op -bevel. Hij wilde alleen bezitten zijn eigen, zelfzuchtig geluk, evenals -hij nu zocht zijn eigen zelfzuchtige wraak... - -De heldere dag met den blauwen hemel, waaraan witte wolken dreven, waar -leeuweriken opstegen zingend, jubelend, was voorbij. Nieuwen moed, -dubbele kracht had de frissche wind getracht te wekken in de harten; het -was alsof hij de menschen wilde opnemen, ze voort dragen, ver weg op -vleugelen van zonnegoud en bloesemgeur. - -Nu viel de avond en eentonig, grijs lagen de velden en lusteloos -stroomde het water. - -Ach, frissche wind noch leeuwerikenzang hadden een echo kunnen wekken in -de borst van dienstman of hoorige, die scherp wacht hielden en waakten -om den Hohorst, nu vele dagen reeds. Alle uitgangen en wegen, in heide -en woud, waren afgezet op bevel van Rolfr Jarl; door schuiten was de -rivier versperd. Elke reiziger of koopman, die onbewust van wat plaats -greep zich vertoonde in den omtrek, werd als gevangene naar den -Ravenhorst gebracht. - -Hoe menige bittere klacht, hoe veler gloeiende wraakgelofte vingen de -kille muren op van het trotsche landkasteel! - -Zijn eigenaar glimlachte. Geen boogschot mocht worden gedaan, geen pijl -geslingerd naar een der ingeslotenen op den Hohorst. Door honger -uitgeput wilde hij den voormaligen graaf van Teisterbant, nu bisschop -van Utrecht, zien voor zich buigen als vernederde, machtelooze -gevangene. En dan zou de Deensche vloot daar zijn om zijn zegepraal -volkomen te maken, ook op het weerlooze Utrecht, dat geheel onbewust -bleef van den naderenden ramp; waar hij zou ontbreken als de Denen storm -liepen, die door zijn bezielend woord steeds de harten nieuwen moed wist -te schenken, de handen aanvuurde tot daden van zelfopoffering en kracht. - -De duisternis nam toe met ieder oogenblik. Met hellen schijn gloeiden de -wachtvuren om den Hohorst. - -Twee hofhoorigen van den Ravenhorst spraken fluisterend met elkander. -Hun blik zocht de kleine kerk en het half voltooide houten woonhuis. Een -flauw licht gleed door een der smalle vensters, over den zilveren -avonddauw. - -„Het is een vreeselijk middel,” mompelde de eene. „Hoe durft onze heer -het wagen! En wij -- „gehoorzamen of de dood” -- luidde zijn woord, maar -zullen wij den toorn niet uitlokken van God? En wat dan? Het einde is -nabij. Dat zegt iedereen.” - -Dof klonk de stem van den andere: - -„Bisschop Ansfried heeft nooit gezegd, dat hoorigen geen ziel bezitten -en gedoemd zijn na hun dood tot het eeuwig niet. „Komt tot Mij allen die -vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven,” dat was de troost, -dien hij mij eens gaf toen ik neerlag, bloedend en krimpend, nadat -honderd geeselslagen waren neergestriemd op mijn rug. Te rotten lag het -koren op het veld in den regenachtigen zomer. Den geheelen dag had ik -gewerkt om den oogst binnen te halen voor onzen heer. „Dat moest het -eerst geschieden,” beval de meier. Maar ’s nachts dacht ik hoe mijn -vrouw en kinderen in den naderenden winter misschien zouden omkomen van -gebrek. Ik stond op en sloeg den sikkel in het graan op mijn eigen -hoekje grond. Dat hoorde de Jarl. Als ik voor mij zelf werkte had ik -geen kracht om voor hem te arbeiden, zei hij. En toen.... o, de woorden -van den bisschop waren als balsem voor mijn ziel, meer dan de -geneeskruiden waarmee hij mijn wonden zalfde. En nu vergelden wij hem -dit zóó.” - -Beiden zwegen en zagen naar het licht, dat blonk in de duisternis. - -„Is er nog een boot hier?” - -Een bevelende stem vroeg het. Bij den glans van het wachtvuur -- een -licht van verwoesting en dood -- zagen zij den jongen vreemdeling die -eens hun heer zou zijn door zijn huwelijk met de kleindochter van hun -meester. Menigeen had toen hij dit vernam gedacht met een gevoel van -verlichting, dat zijn kinderen betere tijden tegemoet gingen dan hij -zelf had doorleefd. Swanwitha was geliefd en haar bruidegom boezemde -geen angst in, maar thans -- - -Was hij dat werkelijk? Wat beteekende die sombere gloed in zijn oog, die -dreigende uitdrukking op zijn trekken? - -„De boot is nog gaaf, edele Olaf. De Jarl beval haar niet te verbranden; -zij moest bewaard blijven om er de gevangenen mee af te halen, na de -overgave.” - -„Zet mij dan over, terstond.” - -„Alleen? Edele Olaf, de jonge Unruoch is daar en nog enkele speerruiters -van den Stuthenborch. Zij hebben allen wapens.” - -„Zet mij over!” Zijn stem knarste bij dat woord! Nauw verkropte haat -gloeide er in. - -Hij werd gehoorzaamd, onhoorbaar stiet het bootje af -- -- -- - -Wapentrofeeën glinsterden noch heirbijlen blonken in den eenvoudigen -refter van den Hohorst, waarin hij nu den blik wierp. Geen wachter had -hem tegengehouden met lans of zwaard. Slechts een klein aantal mannen -was daar bijeen, sommigen reeds bejaard, in de kracht van het leven de -meesten; de eenige, die een pantser droeg, was Unruoch. Met groote -schreden mat hij het vertrek. Zijn gelaat zag nog bleek, maar strijdlust -fonkelde uit zijn oogen toen hij bitter uitriep: - -„De aarde moest zich openen om Rolfr van den Ravenhorst te verslinden -met het duivelsgebroed, dat hem dient. Hier zijn wij machteloos tot -eenig verzet, aangewezen op den hongerdood en intusschen gaat het -heiligste wat wij bezitten verloren: vrijheid en geloof!” - -Hij rukte zijn zwaard uit de scheede: „O, laat mij gaan en u allen een -doortocht banen! Nog blijft ons een zestal ruiters, hun wonden zullen -niet beletten, dat zij overzwemmen en u den weg vrij maken met hun -wapens om”.... - -„Te vallen zooals bij den grafheuvel hun strijdmakkers, die Rolfr -neerstiet met drievoudige overmacht. Unruoch, deze menschenlevens wegen -zwaar op mijn ziel. Waarom verliet gij met zulk een klein aantal den -Stuthenborch? Gij weet, wat ik u had gezegd.” - -„Er waren geen ruiters meer te vinden. De angst voor den wereldbrand -breekt alle tucht. Zonder verlof waren de meesten naar Utrecht. Daar -stroomt alles naar de kerken. Verlaten zijn woningen en werkplaatsen. -Zelfs bij de poorten houdt niemand de wacht meer, naar men zei.” - -De trek van overgevende berusting, die steeds het gelaat van bisschop -Ansfried stempelde, week bij dit antwoord. Zielsverdriet wierp donkere -schaduwen over zijn voorhoofd; een zucht ontsnapte hem: - -„O, mijn arm, aan uw doodvijanden overgeleverd volk, kon ik u slechts -redden met mijn leven! Wie moedeloos neerzinkt is reeds half verloren. -„Volhardt ten einde toe!”.... Waarom begrijpt schier niemand, dat dit -een eisch is ook aan het leven gesteld met al zijn moeite en leed? Kon -ik slechts iets doen, maar deze machteloosheid!”.... - -Hij zweeg, op de borst, die hijgde naar daden, zonk het hoofd, dat -steeds dacht voor anderen, dat altijd een uitweg vond waar ieder -versaagde. Niet lang. - -„God zal helpen en uitkomst geven als Zijn tijd daar is. Hij wijst den -weg, dien wij gaan moeten. Dat daarom ramp noch tegenspoed ons het -vertrouwen op Hem ontneme, Die alle dingen doet medewerken ten goede!” - -Als een belofte uit beter, heiliger oord klonken zijn woorden allen -tegen. Zij stortten nieuwe kracht in harten, gebogen door een ramp, even -onverwacht als onoverkomelijk, zooals altijd waar geweld optreedt als -heerscher. Maar nu werd de deur met een ruk opengeslagen. Een vaste stem -sprak: - -„Ik bied u een uitweg, hoort mij.” Op den drempel stond Olaf, het -getrokken zwaard glinsterde in zijn vuist, in zijn oogen blonk een -vreemde glans. Met een hoofdbuiging groette hij de aanwezigen, maar aan -Unruoch hechtte zich zijn blik, tot hem waren zijn woorden gericht: - -„Unruoch van Teisterbant, ik daag u uit tot een kampstrijd op leven en -dood. Overwint gij, dan ben ik in uw handen en door mij kunt gij van -Rolfr Jarl uw aller vrijheid eischen. Dit zal de prijs zijn van mijn -nederlaag. Zegevier ik, dan zult ook gij allen” -- nu wierp hij een -vluchtigen blik in het rond -- „moeten toestemmen, dat de goden hebben -geoordeeld.” - -„Dat het een godsoordeel was,” sprak de bisschop vermanend. - -Olaf haalde de schouders op: - -„Ik kan mij geen God denken, die zich, als een weerloos slachtoffer, -laat nagelen aan het kruis, terwijl de macht der aarde en van den hemel -Hem behoorden, volgens de leer der christenen. Indien iemand waagde Thor -aan te randen, zou hij zijn vijand verpletteren met één slag van zijn -donderkeil. Dat is godenwraak!” - -„Zoo denkt gij. En toch zal de godsdienst van den Gekruisigde eenmaal de -wereld overwinnen en heerschen als uw goden reeds eeuwenlang zijn -vergeten, omdat Zijn leer liefde en zelfverloochening tot grondvesten -heeft en uw godendienst zich verheft op den hoeksteen van zelfzucht en -geweld.” - -Olaf was niet in staat den grijzen dienaar van het Evangelie te -antwoorden. In zijn oogen flikkerde het opnieuw met verterenden gloed. --- In zijn glinsterend ringpantser, met zijn hooge gestalte en fraai -gevormd gelaat, de rosblonde lokken vrij vallend over het voorhoofd, -geleek hij inderdaad een der fiere godengestalten van zijn volk, -hartstochtelijk, onverschrokken, tot ieder middel bereid waar het gold -zijn doel te bereiken, dat hem zou schenken -- vergelding. - -„Ik neem uw uitdaging aan.” - -De stem van Unruoch klonk hard en vast, ook in zijn blik gloeide het. - -„Unruoch, uw wond is nog niet geheeld!” Bisschop Ansfried riep het -bezorgd. - -„Dat zal mij niet beletten, mijn zwaard te kruisen met het zijne. Mag ik -als een eerlooze handelen? Eisch geen woordbreuk. Ik heb de uitdaging -aangenomen. Moge het hier gelden: - -„Wee den overwonnene!” - -Hoog richtte hij zich op, nu ook zijn tegenstander groetend: - -„Tref goed, edele Olaf, bepaal het uur van den strijd en buig u voor het -godsoordeel!” - -Met instemming werden zijn woorden aangehoord. Overwinnaar noch -verwonnene zou ooit wagen zich te kanten tegen de uitspraak van het -godsoordeel, dat zoo menigwerf besliste, waar de meening der rechters -verschilde of de beschuldigde zijn onschuld betuigen bleef. Mocht hij -- -de bisschop vroeg het zich in stilte af, -- hier tegenwerpingen maken, -waar een uitweg werd geboden aan allen, die met hem waren? Want -verlossing zou het hun schenken uit een toestand, die met ieder uur -noodlottig dreigde te worden voor het gansche volk. - -Het godsoordeel zou ook hier richten; zonder vrees konden zij het -afwachten. - -Toch kon bisschop Ansfried een beklemmend gevoel niet onderdrukken, maar -alle aanwezigen slaakten een zucht van verlichting, toen zij hem zijn -toestemming hoorden geven tot het tweegevecht. Rechtvaardig was hun -zaak.... - -Olaf wendde zich tot Unruoch: „Keurt gij goed, dat morgen, bij het -rijzen der zon, de kampstrijd zal worden gestreden volgens recht en rede -en oude zede? Tot dat uur geef ik mij over aan uw beschikking. -Ongevraagd ben ik gekomen, zonder oorlof zal ik niet heengaan. Ben ik uw -gevangene?” - -De bisschop strekte de hand uit: „Vrij zijt gij gekomen, ga als een vrij -man. Als de ochtend aanlicht boven de toppen der boomen, keer dan en gij -zult het perk vinden afgepaald, vijf ellen in het vierkant, op de vier -hoeken de palen. Geen der toeschouwers mag beweren dat den beiden -kampioenen geen paal werd gezet, wanneer een van hen het perk -overschrijdt. Ga alzoo en zorg ook van uw zijde voor bijzitters en -kamprechters.” - -Olaf dacht aan de wijze, waarop Unruoch eenmaal werd verlost uit Rolfr -Jarls geweld en den kerker van den Ravenhorst. Een gevoel van -vernedering kwam over hem: hij kon vrij komen en gaan -- zoo handelden -de verachte christenen! - -Toch had hij geen deel aan Rolfrs verraderlijke handelwijze; maar wie -edel denkt, lijdt onder onrecht, dat hij anderen bedrijven ziet, als -beging hij het zelf. - -Olaf kon heftig zijn, vol bruisenden hartstocht, laag nooit. - -De boot -- geroepen op zijn horensein -- kliefde het donkere water. Hij -ging en boog zich voor den christenbisschop, dieper boog hij voor hem -dan ooit te voren voor den zegevierenden aanvoerder bij een stouten -Vikingertocht. - -Het zou voor de bewoners van den Hohorst gemakkelijk zijn geweest zich -meester te maken van roeier en boot. Vrij waren zij dan, vrij! - -Maar zij bleven. Trouw bleven zij het aan Olaf gegeven woord, afwachtend -het godsoordeel. - -De morgen rees, een stille ochtend; geen windvlaag schudde de boomen, -alleen door de oude eikenkruinen ruischte het zacht, alsof geheimzinnige -stemmen fluisterden. En daar, op dien „Hoogen horst” werd het strijdperk -afgepaald, ver zichtbaar in den omtrek. De landbevolking was -toegestroomd, op het door de speerknechten verspreid gerucht, schuw ter -zijde wijkend, toen Rolfr Jarl verscheen aan het hoofd zijner -gewapenden. - -Vrouw Sigrid reed naast hem aan de spits van den tot de tanden -gewapenden stoet. Haar oogen staken als twee dolken toen zij zich tot -Swanwitha wendde met het kort bevel: „Hef uw sluier op!” Zwijgend werd -zij gehoorzaamd. - -Een stil, droevig gezichtje werd nu zichtbaar, omplooid door de -glinsterende vouwen van het doorzichtig sindaal. - -Voor wiens leven vreesde zij het meest? - -Het duurde vele oogenblikken, eer allen den overkant bereikten. - -Harald, de Skald, vergezelde Olaf met Sven Persen, den aanvoerder van -Rolfr Jarls ruiters, als kamprechters. Samen stapten zij in de boot. Aan -wal gekomen haastte Sven Persen zich de pennen met glinsterende koppen, -de „tjösnur”, in de palen te slaan, volgens Noorsch gebruik. Langzaam, -het formulier prevelend, dat ook den priesters was voorgeschreven als -zij offerden, ging hij van paal tot paal op de voorgeschreven wijze: -het gelaat opwaarts, de handen rustend op de ooren. Toen begaf hij zich -naar zijn plaats, terwijl Erik Rafnrson, een van Olafs volgelingen, als -bijzitter de wetten herhaalde van het godsgericht. - -Hij bracht in herinnering, dat ieder der kampioenen verplicht was drie -schilden met zich te voeren. Wanneer die waren „doorhouen en gheen -slagen meer conden ontfaen” hadden zij het recht zich te verdedigen met -zwaard en heirbijl. „De uitgedaagde doet den eersten slag. Wanneer het -bloed van een der beide kampioenen vloeit en den bodem kleurt met roode -druppels, is de strijd beslecht, -- doch indien een van hen buiten het -afgepaalde perk treedt, wordt hij beschouwd als vluchteling en heeft hij -de nederlaag geleden. Elk der beide kampvechters bezit het recht zich -door een weerbaar man van wapenen te doen begeleiden, die hem gedurende -het gevecht dekt met zijn schild”.... - -Met schellen klank dreunden de horens boven de hoofden der ademlooze -menigte, toen de bijzitter zweeg. Bisschop Ansfried strekte zegenend de -handen uit over Unruochs hoofd: - -„Strijd als een dapper held! Het is van groote beteekenis als kampioen -in het perk te treden bij een godsoordeel. Het recht zal zegevieren en -Hooger hand uw zwaard voeren en tot beukelaar strekken.” - -Meer bewogen dan hij wilde laten blijken zonk hij terug in zijn -eenvoudigen, tegen den kerkmuur geplaatsten zetel. - -Gold die ontroering voor een deel de tegenwoordigheid van Rolfr Jarl? -De wetten van het godsoordeel gaven hem vrijgeleide om te komen en te -gaan. Hij maakte er gebruik van. Maar wat den bisschop de oogen deed -afwenden, deed hem staren in de verte. En dan zag hij in den donkeren -nacht, waarin de vlammen laaiend knetterden. Hij zag een hechten toren -aan een vuurzuil gelijk. Hij zag bij dien gloed twee vrouwenoogen, wier -blik hem de zijne deed neerslaan, een blik dien hij heden, na zooveel -jaren terug vond in de oogen zijner kleindochter. - -Maar hij werd teruggevoerd tot het heden, uit het verleden van -verschrikking en schuld, waarheen zijn gedachten hem dreven, ondanks -zelfbeheersching en verzet. - -Luid en vast klonk Unruochs uitdaging tot den strijd. Olaf liet niet op -zich wachten. Met forsche schreden betraden beiden het perk. Terwijl -opnieuw de horens schetterden en de klaroenen werden gestoken, hief -Unruoch het zwaard op in afwachting van den eersten stoot dien hij moest -toebrengen. Ook Olaf stond onbeweeglijk, als uit erts gehouwen, alleen -zijn arm trok krampachtig, de arm die het wapen ophief. Met overspanning -zijner kracht beheerschte hij het noodlottige beven, dat door geen vrees -veroorzaakt werd. Onzichtbaar waren zijn trekken onder den ijzeren helm -en, dat was goed, want hartstocht en brandende smart trokken hun groeven -en wischten de edele lijnen van zijn bewolkt voorhoofd en om de -vastgesloten lippen. Geen enkele maal wendde hij het hoofd naar -Swanwitha’s zijde. Wilde hij haar niet zien, die hem onbewust had -gedreven tot de beslissing, waarvan hij nu den uitslag duchtte? Daar is -een geheime stem in ieders borst, die richt, onverbiddelijk en waar, die -soms fluistert van nederlaag wanneer een juichende menigte den -overwinnaar lauwert. Olaf hoorde die stem en het deed hem, den -onversaagden held, sidderen. - -En nog een ander hart dan het zijne beefde. Het was Swanwitha als zag -zij door een vochtigen sluier, diep boog zij het hoofd. Welken uitslag -gold die vrees? - -„Gij hadt uw verloofde het zwaard behooren aan te gorden, in plaats -daarvan trilt gij als een espenblad, zijt gij een Vikingerbruid?” - -Smadelijk, bevelend als altijd, klonk de stem van vrouw Sigrid. Zij -vergat dat macht en geweld veel vermogen, maar geen liefde kunnen -dwingen. - -Het antwoord bleef Swanwitha bespaard. Het vreeselijk geluid: het -kletteren van staal tegen staal, klonk haar tegen. De kampstrijd was -aangevangen. In ademloos zwijgen werd hij gevolgd, niet slechts door -kamprechters en bijzitters, maar bovenal door bisschop Ansfried en de -zijnen, door Rolfr Jarl en zijn stoet wellicht het meest. - -Maar de gespannen aandacht van den heer van den Ravenhorst veranderde -ras in een ontevreden wenkbrauwfronsen. Hij zag, dat Unruoch de stooten -wist af te slaan, door uit te wijken of ze voorzichtig af te weren. Hij -bleef bedaard en Olaf stiet in ’t wilde toe of gaf zich onvoorzichtig -bloot. Soms scheen het of hij zijn tegenstander wilde dooden, maar meer -nog of hij zelf den dood zocht. - -En voortgezet werd onafgebroken de strijd; het eerste doorboorde schild -was -- door de schilddragers -- reeds verwisseld voor het tweede, weldra -zou ook dit geen slagen meer „connen ontfaen”. - -De zwaardspitsen stieten de maliën van de pantsers, vol deuken en -blutsen waren de helmen. De zwaardhouwen dreunden; met doffen weerklank -gaven de schilden het geluid terug. - -En steeds duidelijker werd het ieder, dat Unruoch als overwinnaar uit -het krijt zou treden, maar ook, dat hij wilde zegevieren over een -levenden tegenstander. - -Met een flikkering van haat gloeide Olafs blik hem tegen. - -Krampachtig balde hij de linkerhand tot een vuist, want hij bespeurde, -dat Unruoch ditmaal zijn zwaardslag een weinig op zijde had gericht, om -hem geen doodelijken stoot toe te brengen. - -„Unruoch, tref mij, raak mij goed! Of zijt gij bang om bloed te zien? -Het is gelukkig, dat gij geen Viking zijt! Onder de Noormannen vindt men -geen lafaards!” - -Het heftige bloed steeg Unruoch heet in het gelaat, nu beefde ook zijn -hand van drift. Zijn blik sprak, waar zijn mond zweeg. Olaf zag het met -een gevoel van verlichting, uit wanhoop en ijverzucht geboren. - -Hij had gezien, een oogwenk slechts, die een tijdperk van knagende smart -voor hem insloot, wiens bewegingen Swanwitha volgde met stijgenden -angst, dat zij -- indien mogelijk -- nog bleeker werd bij iederen slag, -die tegen Unruoch gericht werd. - -Olaf wenschte te vallen: en de vrouw, die hij liefhad, vreesde niet voor -zijn leven... - -„Ondervind of dit de stoot is van een lafaard!” Heesch klonk Unruochs -stem. Het smadelijk woord had doel getroffen, het schrijnde. - -Met een houw sloeg hij Olaf het zwaard uit de vuist, hoog boven de -hoofden der kamprechters viel het ver buiten perk en paal. Maar in -hetzelfde oogenblik voelde ook Unruoch zijn bloed vloeien. Het matte hem -niet af. Met kracht uit overspanning geboren, prikkelde het hem schier -tot razernij. - -„Unruoch, tref beter! Kunt gij dan niet raken?” beet Olaf hem opnieuw -toe. - -Reeds vele oogenblikken vroeger had Unruoch ook zijn eigen zwaard -weggeslingerd, toen hij dat van Olaf wegsloeg. Thans streden beiden met -den heirbijl, thans trof -- getergd tot het uiterste door Olafs uitval --- Unruoch diens schedel tot zijn helmkap spleet en hij met een slag -neerstortte. - -Het scheen alsof de grond dreunde van zijn val. - -„Houdt op! Staakt den strijd! Hij is beslist!” beval Harald, de oudste -kamprechter. Want Olaf had zich weer opgericht, wankelend, struikelend, -om zich tastend naar een steun, dien hij vond in een der hoekpalen van -het perk. Hij hief de armen op, wild; het scheen alsof hij zich op -Unruoch zou werpen in razende drift, maar duizelend, om zich grijpend -struikelde hij opnieuw en klemde zich vast aan het struikgewas, dat -groeide op den rand der hoogte, waar die tamelijk steil afliep naar -den stroom. Het bood Olaf geen steun, nog éen oogenblik en hij zou naar -beneden zijn geslagen, toen Unruoch het gevaar ziende, toesprong en hem -wegdroeg in zijn armen. Behoedzaam legde hij den nu bijna geheel -bezwijmde neer binnen het perk. Hij zag zijn bloed den grond kleuren. -Een schetterend hoorngeschal klonk. Van zijn zetel verhief zich Harald, -plechtig de hand uitstrekkend riep hij Unruoch als overwinnaar uit in -den kampstrijd. - -[Afbeelding] - -Luid gejuich overstemde zijn woorden. Swanwitha hief den krans van -eikenloof op, haar gegeven door vrouw Sigrid voor hem, die de zegepraal -wegdroeg, thans sloeg zij haar de ruischende bladerenkroon uit de hand. - -„Weg er mee! Niet dezen uitslag had ik verwacht!” - -Zij vertrapte de saamgestrengelde groene twijgen: „Dat is niet voor -hem”.... - -„Hij behoeft uw krans niet, zijn daden kronen hem.” - -Wanhoop en vreugde streden om den voorrang in den klank van Swanwitha’s -woorden. - -„Zwijg!” Vrouw Sigrids stem dreigde nog meer dan de rijzweep in haar -toegeknepen hand. - -Maar boven hoorngeschal en juichkreten klonk thans de stem van den Jarl, -hoorbaar ver in ’t rond. Hij had zijn paard voortgedreven tot vlak aan -den waterkant. Nu hief hij de hand op waarin een wapen glinsterde. Het -was of hij zou neerstooten wie hem weerstond. - -„Hoort mij, gij allen! Hier op den Hohorst, mijn wettig erf, -wederrechtelijk mij ontroofd, verklaar ik de uitspraak der kamprechters -voor onrechtvaardig en onwettig. Buiten de tjösnur zette Unruoch van -Teisterbant den voet, eer de strijd was beslist. Volgens de wetten van -den kampstrijd, zooeven nog in herinnering gebracht, is hij daarom te -beschouwen als vluchteling. Geen enkel recht heeft hij zich overwinnaar -te noemen, hij is buiten paal en perk gegaan. Onbeslist bleef alzoo de -strijd. Ik gelast daarom Olaf Erikson met mij van hier te vertrekken. -Ditmaal zal geen slag meer worden geslagen, later misschien, later!” - -„Als de Denen komen,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wisselde een snellen -blik van begrijpen met haar man. Maar met zijn laatste kracht hief Olaf -zich een weinig op, in de armen van broeder Johannes, die hem steunde. -Mat sprak hij: - -„Ik was overwonnen, eer hij” -- naar Unruoch wees zijn hand met flauw -gebaar -- „toeschoot om mij te redden van een misschien doodelijken val. -Weigert gij hem den naam van overwinnaar, dan blijf ik hier als -gevangene.” - -Onhoorbaar stierf zijn stem weg, maar broeder Johannes bracht zijn -woorden over aan Rolfr Jarl. Vaalwit werden diens trekken. Hij kende -Olaf genoeg om te weten, dat hij woord zou houden en hij had hem noodig, -als de Denen kwamen. - -Hij zag, hoe op bevel van den bisschop het opnieuw roerlooze lichaam van -den gewonde naar binnen werd gedragen. Met een gesmoorde verwensching -wendde hij zijn paard en wilde, den Hohorst afrennend, het drijven door -de rivier, zonder dat een der speerknechten het voerde bij den teugel, -toen de bisschop hem in den weg trad: - -„Rolfr van den Ravenhorst, een enkel woord.” - -Zij stonden tegenover elkander; Rolfrs oogen rustten op den kerkvoogd -met sombere dreiging: - -„Gij wilt mij het heengaan beletten?” - -„Ik schend gastrecht noch vrijgeleide.” - -Rolfr beet zich op de lippen, met toornigen tred ging hij naast den -bisschop voort, zijn vrouw trad hen in den weg. Met haar langzame, -statige gebaren, omplooid door een dichten, donkeren sluier, haar staf, -waarom een kunstig bewerkte bronzen Midgardslang zich kronkelde, in de -hand, geleek zij een der sombere Noorsche Schikgodinnen. -Wenkbrauwfronsend zag zij den bisschop in het gelaat: - -„Bisschop van Utrecht, indien gij Olaf Erikson hier houdt als gijzelaar, -zal onze wraak grooter zijn dan uw onrecht. Wees voorzichtig!” - -„Ik houd hier niemand tegen zijn wil, vrouw Sigrid. Olaf Erikson is vrij -zoodra hij vervoerd kan worden, nu echter eischt zijn wond zorg en -verpleging. Werd hij thans weggebracht, het werd misschien zijn dood en -ik zou het betreuren indien ik een misdadiger -- scheen.” - -Zij wendde zich af met een verwoeden blik. - -„Swanwitha, volg mij!” - -Zwijgend werd zij ook ditmaal gehoorzaamd, weldra kliefde de boot, die -beide vrouwen droeg, den stroom. - -„In memoria aeterna erit justus....” - -Dat waren de woorden, sierlijk afgewerkt, meer geteekend dan geschreven -met purperinkt op zilverkleurig francyn, die Rolfr las bij het -binnentreden van bisschop Ansfrieds vertrek. Als met magisch geweld trok -hem die aan den wand opgehangen spreuk. Hij herinnerde zich uit zijn -leertijd in de Schola Palatina nog genoeg latijn om de beteekenis te -vatten: - -„De rechtvaardige zal in eeuwige herinnering blijven....” - -Geërgerd wendde hij zich af. Waarom? Voelde hij, dat hij zijn oordeel in -zich zelven droeg? - -„Dat was een der eerste lessen, die wij van aartsbisschop Bruno -ontvingen. Weet gij nog hoe hij zei: „Laat uw daden, uw leven voor u -spreken. Dat is de maatstaf, waarmee het nageslacht hen meet die het -voorgingen. En om uw levenstaak goed te verrichten, wil daartoe nooit uw -eigen weg kiezen, maar tracht Gods wegen te gaan.” - -Zoo eindigde hij. Herinnert gij het u nog? Als hij sprak werd het vrede -en zwegen de klachten door afgunst of wrok aangeheven. Dan was iedere -veete vergeten en trachtte elk zijn naaste recht te doen”.... - -„Waarom betracht gij, die alles zoo goed hebt onthouden, zelf die -levensles niet?” - -Rolfr sprak op bitteren toon, maar gejaagder dan hij vermoedde: hij zag -de roode vlammen in den donkeren nacht..... - -„Van welk onrecht beschuldigt gij mij?” - -Bisschop Ansfrieds stem ging door merg en been en Rolfr hóórde nu ook de -vlammen knetteren. Viel hij daarom hevig uit: - -„Het leen van Walger is mij wederrechtelijk door u ontroofd. Het grenst -aan, het behoort tot mijn bezittingen.” - -Zwijgend op dien uitval opende de bisschop een donker houten, met zilver -en ivoor ingelegd kistje. - -„Lees dit,” sprak hij toen bedaard, Rolfr een perkament, waarvan het -groote rijkszegel afhing, overreikend. En deze deed, wat hij in vele -jaren niet had gedaan -- lezen. - -„In den naam der Heylige en onverdeelbare Drie-eenigheyd, Otto door Gods -verzoenende goedertierenheyd Koning. - -Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen, zoo tegenwoordige als -toekomende, dat wij, thans, in den wensch van onzen achtbaren en -beminden bisschop Balderic bewilligende eenige goederen van ons recht -aan de kerk van Sint-Maarten, die gesticht is in de plaats Trecht -genaamd, en alwaar kennelijk is, dat de voorgemelde bisschop Balderic -het opperbestier heeft, in eygendom vergund hebben; te weten al hetgene -wij hadden in het dorp Amude, als ook den tol die aan het zelve -gerechtelijk dorp toebehoort, welke wij voorheen te leen aan Walger -gegeven hadden, aan de voornoemde kerk eeuwiglijk in eygendom geschonken -hebben....” - -Rolfr liet den giftbrief zinken: - -„Welnu, wat zou dat?” vroeg hij scherp. - -„Lees verder, Rolfr van den Ravenhorst, lees verder.” - -En Rolfr las hoe de visscherij in het Almeere „als onze kroon toebehoord -hebbende,” de goederen, die Hatto, graaf te Loene had bezeten, de -landstreek bespoeld door de Vecht en het land „dat Hatto hadde, liggende -op den boord des Rijns,” en „dat om deszelfs misdrijf naar rechtswege -onder onze koninklijke macht aangeslagen was, aan de meergemelde kerk -was gegeven”.... - -„Wat bedoelt gij met mij dit voor te leggen?” vroeg Rolfr weer. - -Langzaam las, tot antwoord, bisschop Ansfried den slotzin: - -„En opdat het gezag van deze onze gunst vaster en zekerder in Gods naam -onder onze getrouwen blijve, hebben wij deezen met onze eijgen hand -onder bevestigd en met onzen ring bevoolen te zegelen. - -Gedaan te Quedlinburg in den Heer gelukkig. Amen. - -Teken van den heer Otto onoverwinnelijksten Koning”.... - -Toen hief hij het hoofd op en zag den Noorman recht in de oogen: - -„Durft gij nu nog beweren, dat het leen van Walger u wederrechtelijk -werd onthouden? - -Reeds ten tijde van bisschop Balderic werd het aan de kerk gegeven. En -wèl behoefde zij toen die schenking, want braak lagen de velden, -verwoest waren steden en sterkten, hoeve en heem. Toen bestond er geen -volkswelvaart meer, er was slechts volksellende. Landbouw en veeteelt -waren verdwenen, nijverheid en handel dood. Dat hadden de Noormannen -gedaan. Inval op inval deden zij en de gieren volgden het spoor hunner -krijgsbenden. Schuw verborg zich het uitgeschudde landvolk in moeras en -veen bij hun nadering, want de vrees volgde de verwoesting op den voet. - -Thiel, Wiedelham, Dorestad en Utrecht gingen op in vlammen, Daventre lag -in puin, het bloeiende Friesland was bedolven onder zwarte sintels en -grauwe asch, met doodsbeenderen als bezaaid en de golven van het Almeri -waren rood gekleurd, wanneer zij vloeiden over de vlakke kust. - -In Niumage, in keizer Karels hooge burcht, stalden zij hun paarden, tot -zij dien, bij hun aftocht, in brand staken toen zij zagen, dat een -vliegende storm den vuurgloed zou overdragen naar de stad. - -En als de lente, vol toekomstbeloften streek over de velden, werden zij -niet bezaaid, en als de oogsttijd daar was lagen zij braak. - -Hoog schoot het gras op, maar geen sikkel werd er in geslagen om -voorraad te vergaren voor den komenden winter. Slechts enkele jagers en -visschers zwierven door het woud of langs poelen en plassen. Wie dacht -aan zaaien? De Denen maaiden of verbrandden immers den oogst? De Denen, -Rolfr, altijd de Denen. Er moest orde en gezag worden hersteld onder het -verwilderde volk, in het uitgeplunderde land. Steden en sterkten waren -verwoest, heeren en vrijen streden in het leger. Wie kon hier beter -handelend optreden dan zij die genoodzaakt waren thuis te blijven, -omdat de zorg voor de zielen hun was toevertrouwd en zij het volk wezen -op het eeuwige, zonder dat zij daarom het tijdelijke vergaten? Waren -toen deze schenkingen aan de kerk niet noodig? Wie zelf niets bezit kan -hij anderen helpen? Het volk moest terug worden gebracht tot den arbeid -van weleer, uit zijn midden moest de kracht voortkomen die in eigen land -het geweld der Denen breidelde. En, Rolfr, werd door bisschop Balderic -en zijn opvolgers hun zware taak niet begrepen en tot een goed einde -gebracht? Zie thans de bloeiende steden, het van de felle schokken -herstelde volk en land. Als nu de Denen kwamen, zouden zij met goed -gevolg worden weerstaan. Zij mogen daarom op hun hoede zijn, Rolfr, op -hun hoede.” - -Vol argwaan, met geheime vrees vervuld, trachtte Rolfr zich te -beheerschen. Was het reeds bekend? Als de vloot nog langer uitbleef, als -het gerucht harer nadering zich verspreidde en het volk had tijd zich te -wapenen.... De stem van den bisschop brak zijn wilden gedachtenstroom -af. - -„Kunt gij nu nog langer ontkennen, dat de Hohorst en het omliggende land -reeds sinds heer Otto den Eerste behoorde tot de kerkelijke goederen? -Graaf Walger liet een kleinzoon na, die, lang dood gewaand, na veel -omzwervens eindelijk moe en vergrijsd terugkeerde in zijn land. Kon hem -geheel het voorvaderlijk goed worden onthouden? Maar als het geslacht -uitstierf, wie trad dan opnieuw in zijn rechten? Dat is nu gebeurd, -Rolfr.” - -„En toch zal ik mij verzetten, zij het tegen keizer en kerk en rijk te -zamen. Kunt gij beslissen wie de sterkste zal blijken in ’t eind?” - -Waarschuwend zag de bisschop hem aan: - -„Gij hebt den keizer trouw gezworen, gij hebt dien eed afgelegd „up ten -heiligen.” - -Wrevelig haalde Rolfr de breede schouders op: „Een afgedwongen eed”... - -„Blijft een eed. Gij hadt kunnen weigeren. Denk aan de schuld, die gij -op u laadt bij eedbreuk. God laat niet spotten met het heiligste.” - -Hevig stampte Rolfr met den voet: - -„Ik ben hier niet gekomen om een sermoen aan te hooren, noch om uw -spitsvondigheid om oude rechten te ontdekken of nieuwe te scheppen te -bewonderen. Eens waart gij de machtigste in den staat, nu wilt gij het -in de kerk worden. Het wordt u wèl vergolden, dat gij eenmaal de -hechtste steun zijt geweest der schoone keizerin Theophano, wier zoon, -de jonge Otto, dien wij nu als keizer moeten eeren, haar werd ontroofd -door haar neef, den Beierschen bisschop. Weerloos stond toen de jonge -weduwe, dat moet ik erkennen, want vele rijksgrooten in kerk en staat -kozen tegen haar partij. Gij hebt het gezag gered voor de regentes en de -moeder haar kind hergeven, dat is even waar. Gelooft gij echter niet, -dat ik dit ook had kunnen doen? Alleen het grillige lot heeft mij belet -als bemiddelaar op te treden.” - -„God bestuurt de daden en het leven der menschen, niet het blinde lot. -En daarom, Rolfr, kan ik mij buigen voor mijn lot, want ook wat tot ons -komt door de menschen, komt van Hem. Dit stelt mij in staat u al het -leed, dat gij over mij hebt gebracht te vergeven.” - -De vlammen knetterden, en de storm loeide, twee oogen zagen hem aan vol -jammer en wee... - -Deed de nooit uitgewischte herinnering Rolfr uitroepen, meer verward dan -hij zelf wist: - -„Wat bedoelt gij?” - -„Wat ik niet nauwkeuriger behoef te verklaren. Wat mij bekend werd, is u -niet vreemd en -- vrienden waren wij in onze jeugd. „Wie op harten -bouwt, wat blijft hem als de stormvloed komt?” heeft een wijze gezegd. -Rolfr, waarom bracht gij den stormvloed over mij? Eenmaal zwoeren wij -elkander houw en trouw, op den tocht naar Italië, in het schitterende -legerkamp van heer Otto den Groote. Ik geloofde aan uw woorden, nu weet -ik, dat het een leugen was, waarin ik geloofde.” - -Rolfr Jarl trok zijn spieren samen als wilde hij zich werpen op den -vermetele, die hem zulk een beschuldiging waagde tegen te slingeren, -- -maar hij zweeg en bleef roerloos, beheerscht door zijn blik. - -„Laat uw daden voor u spreken. En het leven, waarop gij, Rolfr, -terugziet is als een dorre heide, waar geen boom schaduw, geen bron -lafenis, geen bloem vreugde biedt”... - -Hevig viel Rolfr hem in ’t woord: - -„Mijn leven was steeds een woestenij; kon daaruit voor anderen een -paradijs opbloeien? Reeds op de Schola Palatina begon het: -achteruitgezet, vergeten. Toen, op den tocht naar Italië, gij waart in -het leger als heer Otto’s bevoorrechte zwaardjonker, ik werd -onopgemerkt, ongeacht, ingedeeld bij een der huurbenden.” - -„Zou het een geluk zijn geweest voor keizer en rijk, als gij het zwaard -hadt opgeheven boven het hoofd van heer Otto -- toen hij bad?” - -Rolfr wendde onwillekeurig de oogen af. - -„Ik zal u niet aanklagen,” ging de bisschop voort, „noch met een beroep -op het verleden, noch met betrekking tot dit heden. Ik herinner u niet -wat gij tegen het geloof, dat gij eens hebt beleden, wat gij den keizer -of mij misdeedt. Ik vraag u niet, waar mijn jongste dochter is, al -gelijkt ook geen enkele witte lelie zoo op de andere als uw -kleindochter, Swanwitha, op mijn kind toen dit haar leeftijd had. Spot -zou uw eenig antwoord zijn en die hoon zou ik op zulk een vraag niet -kunnen verdragen.” - -O, de felle smart op dat bleeke gelaat, nog bleeker in schijn door de -zilveren lokken, die het omlijstten! - -Voelde in dit oogenblik Rolfr het wicht zijner schuld? - -Hij boog het hoofd. Maar weer dwong de machtige stem van den vriend -zijner jeugd hem tot luisteren: - -„Ik zal niet langer lijden door u, dan God het toelaat. Dien troost kunt -gij mij niet ontrooven, en zij stelt mij in staat het zwaarste te -dragen. Doch” -- hoog richtte de spreker zich op -- „hier, waar wij van -aangezicht tot aangezicht staan tegenover elkander -- waar niemand ons -hoort -- daag ik u voor de vierschaar van uw geweten, tegen u zelven -klaag ik u aan. Gaven en talenten waren u geschonken, gij hebt ze in -dienst gesteld van het kwade. De kracht van uw arm hebt gij gebruikt om -een moordwapen op te heffen, tegen hem die verdiende de hoogste te zijn, -omdat hij de edelste was; door de macht van uw geest zijt gij anderen -ten vloek geworden. Toen de koning van het Noorden u den gouden -hoofdband reikte van den Jarl en u den hertogsmantel om de schouders -deed slaan, toen strekte deze slechts om de smetten uwer schande te -bedekken, evenals de schitterende diadeem onzichtbaar moest maken het -Kaïnsbrandmerk van misdaad en verraad, dat brandt op uw voorhoofd.” - -Met een uitroep schor van drift sprong Rolfr toe op zijn aanklager, zijn -tot een vuist gebalde hand dreigde boven diens hoofd; bisschop Ansfried -greep die vuist en dwong den opgeheven arm neer te zinken. Nog bezat hij -zijn oude kracht, hij voelde het, maar ook, dat verontwaardiging haar -verdubbelde. - -„Rolfr Jarl, ga nu. Ik heb u gezegd wat ik moest. Verlaat vrij dit huis, -waar gij mij gevangen houdt, terwijl de Denen in aantocht zijn, geroepen -door u, om opnieuw dit volk ten ondergang te brengen, het land te -herscheppen in een woestenij.” - -Een brullende kreet stiet Rolfr uit, vreemd aan iederen menschelijken -klank. Als een roofdier wilde hij zich werpen op den onversaagden -spreker, twee sterke armen trokken hem terug met een ruk. Unruoch was -binnengetreden. - -„Jarl!” riep hij forsch. „Loont gij vrijgeleide met een moord?” - -Rolfr deinsde terug, aschgrauw werden zijn trekken. - -„Ga!” herhaalde de bisschop, „en weet dat God mij vrij kan maken, -wanneer Hij dit wil, al haalt gij de mazen van het net nog tienvoud -enger toe. Hij, die de macht bezit om dit arme volk te redden, dat gij -prijs geeft aan ellende en ondergang. Ga!” - -Zijn opgeheven arm wees naar de deur en Rolfr ging thans inderdaad, -tandenknersend, geslagen. Nooit te voren in zijn van bittere ervaringen -en teleurstellingen overvloeiend leven, was hij vernederd als in dit -uur, nu bisschop Ansfried hem een blik had doen slaan in den spiegel der -zelfkennis en hij daarin zijn verafschuwd beeld had gezien met -onmiskenbaar scherpe lijnen, nu deze hem zoo diep verachtte, hem en zijn -drijven, dat hij het zelfs versmaadde hem -- in wiens macht hij zich -bevond -- te houden als gijzelaar of gevangene. - -En heimelijk vroeg de Jarl zich af: - -„Vanwaar de wondere kracht van dien bisschop der christenen? Hij kent -vrees noch angst waar allen zouden versagen, hij verwacht redding, waar -ieder zou vertwijfelen. Zou zijn God dan toch de machtigste zijn en -hooren en uitredden wie Hem aanroept, geloovend in zijn sterkte, op Zijn -hulp vertrouwend?” - - - - -HOOFDSTUK XVIII. - - -Den avond na dit onderhoud, toen het eentonig geroep van den koekoek -zweeg en de wolken verder dreven, goud en karmozijn omzoomd door het -avondrood, lag Trutha moe en zwak in een kuil op de heide. Een man had -haar gered uit den stroom, een vreemde man met grijzende haren, het -gebruind gelaat doorgroefd van naden en rimpels, een versleten kolder om -de magere leden. Hij had de drenkelinge in zijn armen genomen als de -herder een verdwaald lam, met de dankbare gewaarwording, welke hem -bezielt, die door de wereld heeft gezworven vele lange, eenzame jaren, -verlaten en alleen en wie nu een warm geluksgevoel doortintelt, omdat -hij weer een menschelijk wezen vond om voor te zorgen. - -Een kuil in de heide was ras gevonden, een beschuttend dak van -dennentakken en zoden dra gereed. Nu waakte hij bij het zwakke kind en -bracht haar het karig rantsoen, dat hij op zijn smeeken ontving aan de -verspreide hutten. - -Zoo vond hen Lisa, terwijl zij voortsukkelde over de heide. In weinige -woorden deelde zij hem de gebeurtenissen mee van den laatsten tijd, om -te eindigen: - -„Vlucht achter de wallen van Utrecht als uw leven u lief is: Gij hebt -beschermd wie Rolfr Jarl vervolgt met zijn haat. Neem Trutha mee en -verhaal te Utrecht hoe het hier met den bisschop staat, dan zullen de -burgensen komen om hem te bevrijden. Zeg toch, dat zij zich haasten.” -Plotseling hield zij in, beducht.... „Vreemdeling, wie zijt gij?” - -„Een vrije speerknecht, wien het slecht genoeg ging in de wereld. -Gerlach heet ik en voor den bisschop en dat kind daar zal ik doen wat ik -kan, al was het alleen, omdat zij vervolgd worden door Rolfr, den Deen.” - -Over zijn lippen kwam die naam op schorren toon, een toon van wrok, maar -er was geen woord meer uit hem te krijgen. - -„Gegroet, moeder! Met het eerste morgengrauwen breng ik het kind in -veiligheid, en drijf de Utrechtsche poorters tot handelen. Nu moet ik -zorgen voor haar avondbrood. De boerin van het Hooge land heeft gezegd, -dat ik het dezen avond bij haar mocht halen.” - -Weldra werd zijn lange gestalte slechts een stip op de eenzame heide; -Trutha, uitgeput, was blijven doorslapen. Moeder Lisa dekte haar -zorgvuldig toe met den doek, dien Swanwitha haar eens had gegeven. Toen -ging ook zij verder. - -Een man stond onder de dennen aan den voet van een heuvel. Moede leunde -hij op zijn staf van knoestig eikenhout. Zij slaakte een kreet: - -„Henno! Hebt gij gedaan wat ik zei?” - -Hij knikte zwijgend, twee groote tranen rolden uit zijn holle oogen. - -„Ja! Maar zij durven niet, niemand durft! En mijn kind sterft in den -kerker van den Ravenhorst.” - -Ongeduldig trok zij hem bij zijn mouw. - -„Denk niet het eerst aan je zelf. Is Yglo meer dan de bisschop? Henno, -wat heb je gedaan?” - -„Wat je mij hebt geraden. Gegaan ben ik van hoeve tot hoeve, van heem -tot heem om iederen vrije te vragen, te dringen, gewapend op te trekken -tegen Rolfr Jarl. Maar zij sloegen de deur dicht met een schamper: - -„Eerst was uw zoon bode voor den Jarl, nu gij tègen hem. Henno, wij -vertrouwen je niet meer!” - -„En o, Lisa, mijn kind sterft, mijn eenig kind!” - -Strak zag Henno voor zich en voelde, dat hij gestraft werd in de zonde, -die hij beging. - -Lisa hernam: - -„Dan het laatste middel: naar Aken, naar heer Otto, onzen jongen keizer! -Hij moet de Utrechtsche burgensen aanvoeren.” - -Henno maakte een verschrikte beweging: - -„Ik, een arme visscher!” - -„Maar een vrij geboren man. En Henno, „voor God zijn wij allen gelijk,” -zegt de bisschop. Vreest gij dan voor een mensch? Help ons allen en red -Yglo!” - -Henno wischte zich de klamme druppels van het voorhoofd: - -„Ik zal het doen; ik zal het! O, mijn kind, mijn kind!” - -Zij hief de hand op: - -„Ginds, op den heuvel ligt Trutha, zwak en ziek, gered door een vreemden -speerknecht, die haar naar Utrecht zal brengen. Verberg u over dag, want -Rolfr Jarl laat scherp wacht houden op iederen kruisweg; ga bij nacht -over hei en veld en verhaal overal te Utrecht wat hier voorvalt. Dring -er toch bij ieder op aan, dat de burgensen uittrekken den bisschop te -hulp en als gij ze daartoe bereid weet, zie dan een paard te krijgen en -haast je naar Aken. Maar zeg niets van dit plan, omdat het een goed plan -is, want dan wordt gij tegengewerkt door menschen, die niet van zins -zijn zelf te handelen, maar die toch niet kunnen verdragen, dat een -ander verricht waarmee hij misschien de eer zal behalen, die zij voor -zich zelven wenschen zonder de inspanning. - -Zorg nu echter eerst voor Trutha. Altijd is het best te doen wat het -eerst voor de hand ligt.” - -Lisa begreep in haar eenvoud niet welke levenslessen zij had verkondigd, -maar Henno knikte en beloofde nogmaals haar raad te volgen. -- -- -- - -En de Hohorst bleef scherp bewaakt en iedere weg, die er heenleidde -afgezet. Rolfr Jarl hield zijn volk in strenge tucht en de landbewoners -verscholen zich reeds vol angst, als een boogschutter, die de rondte -deed met zijn gevreesd wapen, zichtbaar werd. Lang kon die toestand -echter niet voortduren. Rolfr Jarl begreep dit zelf het best, maar -iedere dag was voordeel: de Denenvloot zou nu niet lang meer uitblijven -en den bisschop werd belet maatregelen ter verdediging te nemen. Of nog -anderen dan hij wisten van den beraamden inval? Met bezorgdheid vroeg -Rolfr zich dit af en opnieuw rees zijn verlangen naar zegepraal niet het -meest, doch naar vergelding. Nooit zou hij het uur vergeten toen hij -vrij heenging van den Hohorst en bijna wenschte gevangen te worden -gehouden om zoo groot een smaad te ontgaan. Het met zooveel onverholen -minachting geuite woord: „Ga!” klonk hem in de ooren bij het gewoel van -den dag als in de stilte van den nacht. Te verachtelijk zelfs om -gevangen te blijven!.... Het denkbeeld prikkelde hem schier tot -razernij. Dat Olaf, herstellend van zijn vleeschwond, weigerde den -Hohorst te verlaten, wanneer het den bewoners niet werd vergund om te -gaan waar zij wilden, maakte zijn stemming slechts meer verbitterd. - -En verscheidene dagen gingen en kwamen zonder eenige verandering te -brengen. De stroom vloeide om den Hohorst, vele visschen droeg hij aan, -ook fraaie zilverzalmen, die de glinsterende koppen omhoog staken boven -het effen watervlak. Unruoch en broeder Johannes wierpen haken en netten -uit, zoodat het den door een sperenhaag omringden niet geheel aan -voedsel ontbrak, ofschoon de teerkost steeds schaarscher werd en weldra -het gebrek zou nijpen. - -„O, om mij te mogen meten met Rolfr Jarl bij het schallen der hoorns, -het flikkeren der zwaarden en het stooten der speren!” mompelde Unruoch -meer dan eens met een onstuimig verlangen naar een daad, die de -beslissing brengen zou. - -„Wij zullen misschien hier wel blijven tot de bazuin klinkt van het -jongste gericht en dan zijn wij te uitgevast om te strijden tegen den -Antichrist en zijn heir van booze geesten,” steunde broeder Johannes. - -De overige broeders vielen hem bij, de ruiters kozen Unruoch’s zijde. - -De eenige, die kalm bleef bij de naderende of reeds aanwezige gevaren, -was de grijze bisschop. Hij leidde zelf de godsdienstoefeningen in de -kleine kerk, verpleegde Olaf met eigen hand en las kalm of er niets -dreigde, in zijn weer op hun plaats gestelde boeken, op deze wijze -opnieuw de spreuk bevestigend, dat een zuiver geweten en een rustig -gemoed meer waarde bezitten dan alles wat de wereld kan nemen of geven. - - - - -HOOFDSTUK XIX. - - -De witte en roode hagedoorn op den Hohorst stonden in vollen bloei. -Bonte vlinders met den gloed van het zonnegoud op hun teere vleugels -zweefden boven de geurige bloesems. Uit de takken klonk het kirren van -de woudduif. Zacht wiegelend bewogen linden en zilverkleurige berken, -die een klein plantsoen vormden om het kerkje, hun gekruiste twijgen. -Bedwelmend zoet was de meidoorngeur, liefelijk de zang der vogels, -vredeademend het ruischen van den wind. Olaf Erikson ademde diep de -verkwikkende morgenlucht in terwijl hij langzaam op en neer ging in de -groene schaduw der boomen. Zijn wond genas snel bij de zorgvuldige -verpleging, die hij genoot, maar terwijl lichamelijke schokken zich -herstelden, schrijnden zielewonden feller met iederen dag. - -Die menschen welke hem verzorgden met opoffering van eigen rust en tijd --- hoe zou hij hun dit vergelden -- als de vloot kwam? Hij wist nu -genoeg van Rolfr Jarl, van zijn plannen en daden. - -Maar -- waar bleef de vloot? Bijna verwonderd gleed zijn blik over den -stroom, zocht hij de torenspits van den Ravenhorst tusschen het groen om -te ontdekken of daar Odins ravenvaan nog niet wapperde als welkomstgroet -aan de drakenschepen, die naderden, den paardenkop aan den steven, de -glinsterende schilden langs het scheepsboord. En dan -- dan zouden -strijdgerucht en wapengekletter den heerschenden vrede storen. -Wegvluchten zouden de zangvogels, de meidoornbloesems vallen op de -graven van helden, op veel nieuwe graven. - -Waarom dacht hij daaraan? Alleen de verachte christenen gaven immers hun -dooden terug aan het stof? Hoog vlamde de brandstapel, die de lijken -ontving van Odins zonen; herrijzen zouden zij als zijn Einheriar om in -zijn glanzende zaal te strijden, te vallen en weer terug te worden -geroepen in het leven om dan opnieuw te sneuvelen. Strijd en bloed tot -het einde. Tot welk einde? Zou inderdaad weldra een nieuwe aarde -verrijzen uit de asch der oude en Odin voor eeuwig heerschen met zijn -trouwe volgelingen, Odin en -- bloed en strijd. - -Olaf streek zich met de hand over het voorhoofd. Waartoe die kwellende -gedachten? Sinds wanneer begreep hij, dat de roem behaald bij zwaardslag -en strijdleus, niet het hoogste was wat het leven kon bieden? - -Andere tonen dan het gekweel der vogelen mengden zich thans in den -warrelstroom zijner overleggingen. Gedragen door het morgenkoeltje -drong een plechtige zang tot hem door. „Gloria in excelsis!” Eere zij -God in de hoogste hemelen! Een klein koor van goed geschoolde stemmen, -helder klinkend als de snaren eener zuiver gestemde harp, droeg de -ochtendwind tot hem over. Het was of de tonen hoog, uit den hemel zelf -tot hem neerdaalden. Hij ging af op de heldere klanken. In de kerkdeur -stond hij en zag de broeders, die door het land waren gegaan het -Evangelie predikend, zieken troostend en helpend, ongelukkigen steunend -met woord en daad. Hij zag den grijzen bisschop wiens geheele bestaan -zelfverloochening was. Als gevangenen zag hij ze van zijn woesten -bondgenoot en kalm als de rots te midden der schuimende branding hoorde -hij hen een lofzang aanheffen, den God ter eere, in Wien zij geloofden. - -Wie was toch de God, Die zijn volgelingen bedeelde met zoo groot een -geloofsvertrouwen, met een gerustheid te midden der grootste rampen, -wortelend in de gewisheid, dat Hij alles wel zou maken, op Zijn tijd? - -Olaf zag menig tooneel verrijzen voor zijn geest, vroeger onverschillig -aanschouwd, als, bij een woesten plundertocht, kerken opgingen in -vlammen en christenen de trouw aan hun geloof bezegelden met den dood. - -En weer klonk het plechtig loflied, als een opwelling van zalig -verlangen naar den tijd, waarin hun geloof zou overgaan in aanschouwen. -Het geloof, dat de zangers voor al de macht, die de aarde hen bieden -kon niet zouden willen derven. Olaf bleef als gekluisterd aan zijn -plaats in de schaduw van het kerkportaal en terwijl hij zich herinnerde -hoe hij menigmaal met eigen hand de brandfakkel had geslingerd in een -bedehuis der christenen, maakte een weemoedig verlangen zich meester van -zijn ziel om meer te weten van hun leer, meer van hun godsdienst. Voor -het eerst, sinds hij had leeren nadenken over zijn daden, werd zijn -borst beklemd bij de vraag: - -„Heb ik goed gehandeld met hen te vervolgen?” - -„Ik zal den bisschop vragen, mij alles te verhalen van zijn geloof. Ik -wil het weten en”.... - -Hij voleindde den zin niet, maar zijn oogen werden vochtig en een gevoel -van verademing welde op in zijn hart gelijk de koele dauw het veld -verkwikt na laaienden zonnebrand. - -Hij zag, dat de kerkdienst ten einde liep, hij verliet zijn plaats, maar -nog omzweefde hem de zang: „Eere zij God in den hooge!” en weerklank -vonden die woorden in zijn ziel. - -Over het water speelde de ochtendkoelte en de zonnestralen -weerspiegelden zich in de speren van Rolfr Jarls wapenknechten, die -zorgvuldig iederen toegang tot den Hohorst bleven bewaken -- onwillig -wendde hij zich af.... - -En het uur kwam, waarin hij bisschop Ansfried alleen vond gebogen over -zijn psalter en schier bitter klonk zijn vraag: - -„Indien de Gekruisigde God, waarin gij gelooft, zoo goed is en -rechtvaardig en vol van macht, gelijk gij zegt, waarom laat Hij dan -toe, dat gij hier zijt ingesloten om den hongerdood te sterven of om -dien te vinden in de kerkers van den Ravenhorst?” - -Ernstig zag de bisschop hem aan en het was Olaf alsof zijn gelaat blonk -van licht, toen hij antwoordde: - -„Indien onze God dit einde voor ons heeft bepaald, dan zullen wij het -aannemen uit Zijn hand. Want wij weten dat Hij ons niet zal verlaten, -zelfs in het dal der schaduwen des doods en, dat het sterven ons tot -gewin zal worden, omdat het ons uit dit moeitevol leven voert in Zijn -eeuwig huis.” - -„In berusting draagt gij dus ieder onheil, dat u treft. Vanwaar die -wondere kracht? Het is mij een raadsel. Gij vreest zelfs den stroodood -niet. Onze helden vervloeken hun lot, wanneer zij niet mogen vallen in -’t gevecht bij zwaardhouw of hamerslag, want dan wacht hen, na den -verachten stroodood, het sombere Nevelheim of het slangenhol van Hel, -met de duisternis en de koude waaraan geen einde meer is. En onze -vrouwen? Ook zij gaan naar Nevelheim. In Walhalla is voor hen geen -plaats en een andere uitweg bestaat niet. Vaak heb ik gedacht waarom de -goden zoo machtig, zoo wijs, dulden dat zooveel leed weerlooze wezens -treft. „Indien er geen goden waren, zou dan het lot der menschen anders -zijn, minder zwaar?” Meer dan eens heb ik mij zelven die vraag gedaan, -als ik stond onder de heilige eiken, de vlammen van het offervuur zag -opstijgen en de rook opwolken tegen het donkerblauwe gewelf, waaraan de -vuurvonken schitterden van Muspelheim, dat voor ons gezicht bedekt -Alvaders gouden zaal. En dan was het mij of de adem der godheid mij -tegenwoei, zooals die mij tegenklinkt uit de zangen en sagen van mijn -volk. Geheimzinnig ruischte het in mijn ziel: „de goden bestaan!” Maar -zijn zij zoo wijs en goed, zoo machtig en edel als onze Skalden zingen -bij harpslag en loflied, de priesters getuigen met zangen en offers? En -indien de goden leven, zijn dan de goeden in Walhalla en Loki, de -leugengeest, geketend in Hel?” - -Hij zweeg en staarde peinzend voor zich en een groot verlangen lag in -zijn glanzenden blik, een smachten naar waarheid. - -Maar nu wendde het indrukwekkend gelaat zich tot hem, dat niemand meer -vergat, die ooit het aanschouwde, en de stem van bisschop Ansfried, -doordringend en zacht tegelijk, klonk ten antwoord: - -„De goden bestaan niet Olaf Erikson, maar er is één God, de Almachtige -Schepper van hemel en aarde, gebonden aan ruimte, plaats noch tijd.” - -„Ruimte? Wat verstaat gij daaronder?” - -„Daarmee bedoel ik de oneindigheid. Was zij dit niet, dan moest de -ruimte een grens bezitten, die op zich zelve weer een zelfstandig -lichaam vormde of uit ledige ruimte bestond. Alzoo weer ruimte of een -andere wereld. En even eindeloos als de ruimte is God. Ware dit niet het -geval dan zou Hij een begin of een einde hebben en niet de Eeuwige -kunnen worden genoemd, voor Wien de tijd, zooals de menschen zich dien -hebben gedacht als verleden, heden en toekomst, niet bestaat. Wat is, -was en wat was, zal worden.” - -„God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest -en in waarheid,” leert ons het Evangelie, dat is: Zijn heilig woord.” - -„Mijn volk heeft de Edda, die leert van de goden en hun eeredienst. Met -offers en reizangen bewijzen de priesters hun eer,” viel Olaf in. - -„Ook met menschenoffers.” - -„Zij strekken ten zoen voor bedreven kwaad: Hebt gij dan geen vergeving -noodig?” - -„Neen, want onze zonden zijn vergeven door het lijden en sterven van -Christus, den Heer, indien wij slechts in Hem gelooven.” - -„Ik begrijp u niet!” - -Hoe verwonderd klonk die uitroep en hoe vol verlangen! - -Toen verhaalde de grijze dienaar van het Evangelie hem op zijn -eenvoudige wijze, -- die zooveel indruk maakte omdat zij waar was en -voortsproot uit een hart, dat geloofde -- van het leven van den -Christus. Van Zijn geboorte te Bethlehem, toen de engelenzang ruischte: -„Eere zij God in de hoogste hemelen!” Van zijn dood te Jeruzalem, toen -de menschen riepen: „Kruist Hem!”.... Van Zijn opstanding en hemelvaart, -de kroon van Hem, die stervend overwon.... - -Verbaasd luisterde Olaf, met gloeiend voorhoofd: Was dàt de bleeke -Christus, waarop de Noormannen steeds met zulk een diepe verachting -neerzagen? - -„Hij was een held,” mompelde hij voor zich heen en een groote -bewondering welde op in zijn hart. - -En de bisschop sprak verder en verhaalde van het leven en werken der -Apostelen, van de eerste christengemeenten, waarvan schier alle leden de -martelaren werden van hun geloof, door den wil van de machtige keizers -van Rome, die waanden de wereld te beheerschen, doch machteloos bleken -tegenover een geloofsmoed uit de kracht eener overtuiging geboren, welke -geheel een vijandige wereld overwon. En Olaf vroeg zich af wat voor een -God het zijn moest, die zijn volgelingen wist te bezielen met zulk een -heldenmoed en doodsverachting, standvastig bij de zwaarste rampen, -volhardend ondanks vervolging en dood, omdat zij gloeiden van liefde -voor Hem en geloofden in de waarheid van Zijn woord. Door bisschop -Ansfrieds eenvoudige voordracht trad geen dogma, geen ingewikkeld -leerstelsel op den voorgrond, waaraan reeds toen de kerk zoo rijk was en -die zoo menigwerf aanleiding gaf tot twist en verdeeldheid. Zijn -zachtzinnige beschouwingen ontnamen aan zelfkwellingen en boetedoening -hun afschrikwekkend voorkomen, aan de mystiek haar dweepzucht. Hij -verhaalde van den Heer, Die zalig spreekt de reinen van hart, Die -eenmaal in Zijn eeuwig huis allen zal vereenen, welke hier op aarde Hem -volgden en geduldig hun kruis droegen evenals Hij. - -„Op welke wijze kunnen zij dat?” - -„Door eigen wenschen en begeerten op te geven voor het geluk van -anderen, doordat zij niet meer hun eigen weg zoeken te gaan, maar alleen -begeeren te volbrengen wat God van hen eischt, door geheelen afstand te -doen van eigen ik. Zelfverloochening, dat is de grondtoon, de hoogste -eisch van het christendom.” - -„Maar dat is een onmogelijke eisch. Hoe kan iemand leven, die nooit mag -denken aan zich zelven of aan eigen geluk?” - -„Dat wordt niet van den mensch geëischt, wel, dat hij niet het meest en -het eerst denkt aan zich zelf en wie gevoelt, dat dit aardsche leven -slechts een voorbereiding is voor hooger bestaan, vindt dit geen te -zwaren plicht. Uit rechtvaardigheid, liefde en opoffering is -zelfverloochening gevormd. Wie rechtvaardig is grijpt niet storend in -anderer bestaan, noch doet iemand onrecht. Doch vaak heeft deze -rechtvaardigheid geen zedelijke waarde, omdat zij zelfzucht ten -grondslag hebben kan, die geen misdrijf wil bedrijven om niet zelf als -misdadiger te worden gebrandmerkt.” - -„Hoe kan zij dan met zelfverloochening gemeenschap bezitten?” - -„Er is nog een andere rechtvaardigheid, die uit hooger beginsel ontstaat -en ontspruit uit het medelijden, dat mede-gevoelt met anderer leed. Wie -deze rechtvaardigheid bezit, tracht het geluk te bevorderen zijner -medemenschen. Uit deze bron ontwelt de ware rechtvaardigheid, die -beschouwd mag worden als de eerste schrede op den weg der -zelfverloochening, welke voert tot heiligmaking. Doch hoog daarboven -staat de liefde tot den naaste, die eigen rust en vreugde opoffert om -het levensheil van anderen te vergrooten. De rechtvaardige veroorzaakt -niemand leed, de liefdevolle handelt jegens zijn medemenschen als ware -het voor zich zelven, geeft hem die zijn rok eischt ook den mantel, zet -zelfs zijn leven voor zijn vrienden. Op deze wijze moet de liefde tot -den naaste overgaan in geheele verloochening van eigen ik om den -hoogsten trap van zelfopoffering te kunnen bereiken, die de volmaking is -der rechtvaardigheid en der liefde in haar hooge beteekenis, gelijk de -Apostel Paulus zegt: - -„En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen -uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik -verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geen -nuttigheid geven”.... - -Aldus leeft wie de ware liefde bezit voor het geluk zijner medemenschen, -zooals hij dit voorheen deed voor zich zelven. Het is de zwaarste taak -voor den mensch, die tracht „volmaakt te zijn, gelijk ook zijn Vader in -de hemelen volmaakt is”, want het zondig beginsel blijft en werkt, -zoolang hij hier op aarde leeft en brengt hem in onafgebroken strijd. -„Indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij -leven,” zegt wederom de Apostel. Want, Olaf, al vormt het menschelijk -lichaam met zijn verschillende onderdeden éen geheel, en lijden, als een -lid pijn heeft, al de leden, toch kan men het splitsen in twee deelen: -ziel en lijf. Het laatste behoort aan dit leven, aan de onsterfelijkheid -de eerste. Het is het inwendige bewustzijn, dat onzichtbaar toch de -handelingen van het zichtbare lichaam bestuurt, handelingen wier -beteekenis ver over het graf heenreikt. Aan de vruchten kent men den -boom, den mensch aan zijn daden, waarvan eenmaal de eeuwigheid de vrucht -schenkt in onvergankelijk geluk of in eindelooze smart. Want de mensch -bewijst wie hij is, uit zijn werken en evenals het geloof zonder de -werken slechts een luid klinkende schel is, toonen werken, die niet uit -het geloof, niet uit liefde tot God hun oorsprong nemen, dat zij -ontwellen aan onzuivere bron, die der zelfzucht, niet achtend Christus’ -woord: - -„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op!”.... - -De bisschop zweeg, en Olaf verborg het hoofd in de handen. Hij wilde -niet zien wat om hem was, maar den blik slaan in zijn binnenste, tot -ernstig zelfonderzoek, en nadenken, voor de eerste maal. Het warrelde in -zijn hoofd. De nieuwe gedachten, die ongekende voorstellingen wekten, -lieten zich niet in enkele oogenblikken verwerken. Welk een volkomen -tegenstelling vormde de godsdienst der christenen, waarop hij tot nu toe -met zooveel geringschatting had neergezien -- met het geloof aan de -goden, waarin hij was opgevoed! Een schare van kloeke helden vormden -dezen, tuk op eer en roem en macht. Uit vreemde, verre streken heetten -zij eenmaal te zijn aangekomen in het hooge Noorden. Hun stamboomen -bezaten zij evenals aardsche vorsten. Een strijdros, dat een naam droeg, -was hun eigendom. Verschillende dieren en vogels waren hun gewijd. En -het Walhalla -- was het niet gelijk aan een strijdperk van ruwe -krijgers, krijgers vol ontembare kracht, vervuld met woeste -doodsverachting? - -Wel moest een veroveraar, begeerig een aardsche wereld te winnen, het -eerst den volken het bestaan dezer goden hebben geleerd, om hen te -lokken tot krijgstochten, die de geheime voorbereiding waren van zijn -eerzuchtige heerschersdroomen. - -En de leer der christenen!.... - -Eer, noch macht, noch roem begeerden zijn aanhangers. Zelfverloochening! -luidde de eisch van hun Heer, den eenigen Almachtigen Schepper van hemel -en aarde. Zalig sprak Hij niet hen die groote, roemvolle, maar die -goede, edele daden verrichtten, uit liefde tot Hem en hun medemenschen. -En wanneer hun aardsche loopbaan was geloopen, dan nam Hij allen, die -Hem liefhadden en Zijn geboden hadden volbracht, zoover hun zwakke -kracht dit toeliet, op in Zijn eeuwig huis. Geen woest strijdperk van -een tot god verheven verdelger, als Odin, maar een hemel badend in -heilig licht waar liefde en vrede heerschten en de zegepalmen werden -gereikt, ieder die hier op aarde zijn goeden strijd had gestreden ten -einde toe.... - -Vaster drukte Olaf de handen tegen het gloeiend gelaat. Hij voelde -tranen branden achter zijn gesloten oogleden -- de eerste, sinds zijn -kinderjaren. Het was of een geheele omkeer plaats greep in zijn voelen, -wenschen, denken, plotseling met een schok, als of hij werd vervoerd -door een wonderbare macht, die alles deed verzinken waar hij tot nu toe -tegen op had gezien, dat hij gewijd had geloofd en waar. Een macht, die -hem dwong zich in eerbied te buigen voor denkbeelden, te voren slechts -met een verachtelijk schouderophalen begroet. - -„Wat is waarheid?” Niet langer beefde die vraag op zijn lippen; hij wist -waar zij werd gevonden en -- - -En toen rees hij op, verwilderd. Zacht was de deur geopend en gesloten, -terwijl hij neerzat en met zich zelven worstelde en streed. Hij had het -niet opgemerkt, evenmin als hij zich thans alleen wist. Zijn blik -staarde in het verleden, in het zijne. Hij zag een bloedig slagveld. -Hoog wapperde Odins zegevierend vaandel tegen het blauw der lucht, luid -schetterden de horens, juichend werden als overwinnaars gehuldigd door -hun strijdgezellen, allen even dapper als woest, Rolfr Jarl en Olaf -Erikson... - -Rolfr Jarl en hij! Een rilling liep door zijn leden. Want hij zag een -strook lang wuivend gras, hooggehouden op de spits van glinsterende -speren en daaronder traden de overwinnaars der christenen: Rolfr Jarl en -hij. En toen reten beiden den rechterarm open en zij vermengden hun -bloed, dat afdruppelde op de groene zode, gespreid voor hun voet. De -legerdrommen juichten... Bloedsbroeders waren thans de beide -aanvoerders, de een zette zijn leven voor den andere, trouw tot in den -dood, zelfs tegenover eigen verwanten en vrienden. Want wie zijn -bloedsbroeder verliet in voor- of in tegenspoed, gaf zich zelven den -goden der benedenwereld prijs in de toekomst, die werd geschuwd als -eerloos, als meineedig veracht door strijder en Skald, bij hamerworp en -harpslag te zee en te land. En thans: De Denen kwamen, om te verwoesten -en te verkeeren der christenen land, om te dooden wie de leer beleed van -den Gekruisigde. En trouw tot in, tot over het graf, dat eischte de -bloedsbroeders-eed!... - -Plotseling rees hij op, met een kreet. Want, daar buiten glinsterden -speren, daar sloeg een banier haar banen uit, hoog tegen ’s hemels -blauw, maar niet van de drakenschepen flikkerden de doodelijke wapens, -niet Odins bloedroode vaan zag hij. - -Hij zag een banier wapperen, met het beeld van den held, die eenmaal -zijn mantel deelde met een armen voetknecht. - -De mannen van Sint Maarten kwamen, in rechtmatigen toorn ontstoken, nu -hun bisschop en heer de gevangene was van een tuchteloozen vasal. De -overgang was zoo plotseling, zoo snel, dat hij Olaf als bedwelmde, vele -oogenblikken. - -Wie hen had gewaarschuwd, wakker geschud uit hun doffen angst voor eigen -lot, wie allen had gewezen op hun plicht, behoefde hij evenwel niet te -vragen. - -Aan de spits der kloeke schaar reed een boer, blootshoofds, gekleed in -grof wadmer, met oogen donker van zorg en angst -- Henno. - -„Te hulp! Onzen heer te hulp!” riep hij luid. Van alle zijden werd die -kreet herhaald. Hij klonk uit den mond der mannen van Utrecht, het -landvolk ving hem op en droeg hem van hoeve tot hoeve, hij werd -teruggekaatst door de gevels van het slot Bacheforth, tegen de half -verbrande muren van den Stuthenborch, verder golfde hij met den breeden -stroom langs weide en woud. - -„Te hulp tegen Rolfr Jarl! Te hulp!” Het was of plotseling de vrees -verdween, die den geduchten Jarl zijn kracht schonk. De mannen van Sint -Maarten waren gekomen, in de schaduw der banier van hem, dapper en -edelmoedig krijgsoverste -- eer hij zich wijdde aan den dienst der kerk --- waren zij veilig. - -„Te hulp! Redt onzen bisschop!” Want, was ook deze niet aan Sint-Maarten -gelijk, deelde hij niet evenzóó met de armen en lijdenden wat hij bezat? - -„Redding voor bisschop Ansfried!” - -Oorverdoovend werd de kreet, kodde en herdersstaf, sikkel en -dorschvlegel werden gegrepen door gespierde, bruine handen, dreigend -werden zij opgeheven naast de flikkerende speren der wapenknechten. - -Als een springvloed door dijken noch dammen te stuiten viel het landvolk --- nu sterk, omdat het werd gesteund, aan op de boogschutters van den -Ravenhorst. Overrompeld werden de ruiters, die de wacht hielden op de -kruiswegen, doorschoten de voorbeenen der paarden van aanvallers of -vluchtelingen, met pijlen even scherp als wel gericht. - -Een vreeselijk treffen ving aan, niet reusachtig door het getal der -strijders, doch moorddadig in zijn woestheid en ontzettenden ernst. - -Toen, reeds bijna een uur duurde de kamp, drong een man hoog te paard -door den warrelklomp der strijders, een geheel geharnaste forsche -gestalte: - -„Hier, laffe wapenknechten! Uw heer beveelt! Graaf Ansfried vrij!.... -Dat nooit! De dood hale hem! Slaat u door of ik vel u met eigen hand!” - -Rolfr Jarl brulde het meer dan hij sprak in razenden toorn. Hij streed -vol woeste doodsverachting als nimmer te voren, zijn bijlslag suisde, in -zijn vuist blonk het zwaard, zijn werpspies trof wien hij koos tot zijn -wit. Verdubbelen deed zijn komst het geroep en gedruisch, de wilde -strijdkreten, de doodelijke slagen. Tot waanzin schier steeg de woede -aan beide zijden. Henno stiet terwijl hij trachtte den Jarl te bereiken -op Sven Persen. Als roofdieren stortten zij op elkander en vielen, na -een moorddadig tweegevecht, bloedend, kreunend naast elkaar, de een zijn -verwenschingen slingerend naar den andere met bezwijmende kracht. - -„Sterf, hond!” brulde in het eigen oogenblik Walger, zijn dorschvlegel -zwaaiend. De doodelijke stoot, die hem trof als antwoord, kwam van -Harald, den Skald; met bloedig schuim op de lippen zonk hij neer om niet -meer op te staan. - -„Een boot! Een plank slechts om den stroom over te zwemmen!” riep -Unruoch. Als voortgezweept ging hij op en neer op den Hohorst, hij wierp -zijn rusting af om zonder wapen of verweermiddel zich van de hoogte in -de golven te storten. De weinige ruiters, die waren ontkomen aan het -bloedbad bij den grafheuvel, wilden hem volgen. Slechts door een streng -bevel kon de bisschop allen terughouden: want diep was de stroom, hun -dood gewis, indien zij er zich in wierpen. - -„De Heer kastijdt ons met een zeer zware beproeving!” jammerde broeder -Johannes met opgeheven handen. Toen, ze als een roeper aan den mond -brengend, gillend tot de mannen van Sint Maarten: - -„Slaat dood! Slaat dood! Vraagt niet naar heiden of christen! De Heer -beschermt de zijnen, slaat toe!” - -„Broeder, zwijg!” Bevelend klonk bisschop Ansfrieds ernstige stem. „Dit -is godslastering. Het zijn menschen! Bid voor de dwalenden, die Wodan -aanroepen en zijn heir van booze geesten. Vervloek ze niet!” - -In zijn vertrek wrong Olaf de handen: - -„Mijn bloedsbroeder delft het onderspit en ik lijd niet om hem, en geen -droefheid is in mijn hart, omdat ik hier machteloos, weerloos sta! Een -meineedige -- ik!” - -Zijn hoofd zonk op de borst, zijn lippen fluisterden: - -„Alvader vergeef!... Wijs mij den weg dien ik gaan moet.... eeuwig -God!”... - -Op de hoogte verscheen opnieuw de bisschop, voor iederen pijl een -weerlooze prooi, niet achtend het gevaar, dat hem dreigde: - -„Vrede! Vrede! Staakt dit moorden! Houdt op! Ik wil het!”.... - -Als een roepende in de woestijn was zijn stem, overstemd door -strijdgerucht en wapengekletter, door het wraakgehuil, dat den smaad -gold hem aangedaan. - -„Berg uw lijf! De pijlen der Denen worden alle op u gericht!” - -Heesch stiet Unruoch de woorden uit; tegen diens wil sleepte hij zijn -vaderlijken vriend mee. Olaf zag het met een zucht van verlichting. - -Maar opnieuw drong een kreet in zijn ooren van smart en van toorn, door -merg en been ging de snijdende klank. Hij klemde zich aan het kleine -venster, hij zag Rolfr Jarl wegdragen, zag Unruoch zegevierend -- zijn -pijl had gemikt en doel getroffen -- over het breede golvenvlak. - -Nog eenmaal vlogen links en rechts de pijlen, en sloegen opnieuw de -speren hun bijtende wonden. Menige krijger zonk ineen op het veld. Wild -door elkaar warrelden, streden de laatst overgebleven Denen tot zij hun -Jarl en heer zagen wegdragen. Toen klonk een gehuil aan het brullen van -een wouddier gelijk, toen vluchtten „de zonen van Odin” en wapperde -zegepralend de banier van Sint Maarten boven de hoofden der -overwinnaars, knielend op het veld: - -„Heer, U zij de eere! Heil onzen bisschop”.... Hoe ras was de boot -bemand, die hem veilig droeg in hun midden, veilig en vrij! - -Met jubelenden heilzang, met vochtige oogen begroetten hem de stoere -strijders van daareven. In hoog aanzien stond hij bij allen, maar de -eerbied en liefde, die hem werden gewijd, overtroffen het ontzag, omdat -hij heerschte door goedheid en ieder zijner daden een zegening was. - -„Naar Utrecht voeren wij u! Wij brengen u in veilige rust!” - -Doch waarschuwend hief hij de hand op: „Staakt dien jubel! Hier voegt de -stilte: onze gebeden vragen de dooden, de gewonden onzen bijstand!”.... - -Een draagstoel werd aangebracht, toen deze eerste plicht was vervuld. De -bisschop steeg in. - -In ’t zelfde oogenblik sloeg een hand het gordijn terug: „Ik ben uw -gevangene. Beschik over mijn lot!” - -Bisschop Ansfried schudde het hoofd en zag den spreker meewarig aan: „Ga -in vrede, mijn zoon! Gij zijt vrij!” - -Twee groote tranen sprongen Olaf uit de oogen. Aan zijn bloedseed -gedachtig moest hij terugkeeren, zijn bloedsbroeder te hulp. En hij wist -thans wat dat beduidde! - -En het werd stil in zijn hart, dat daar even nog jagend geklopt had -- -verstijvend stil. - - - - -HOOFDSTUK XX. - - -Het was nog vroeg in den morgen. De hanen begroetten met luid gekraai de -zon en de torenwachter van den Sint Maarten wekte de slapers uit hun -rust. - -Door middel van zijn langen horen verkondigde hij schetterend het -aanbreken van den nieuwen dag. Met meer genoegen dan de sluimeraars, -hoorden de wachters aan de stadspoorten die schelle tonen. Ongeduldig -zagen zij uit naar de morgenwacht, die hen moest komen aflossen. - -Een verren weg had deze daartoe niet af te leggen. Utrecht was nog klein -van omvang, al had bisschop Balderic gedaan wat in zijn vermogen was, om -de stad eenigszins te herstellen van de verwoesting der Denen. Een met -keien geplaveide steenweg leidde door het benedengedeelte naar de -bovenstad, over de brug der Oude gracht. Daar verhief zich het statige -gebouw, waarvan de grondslagen reeds waren gelegd door de Friesche -vorsten, die eenmaal „Trecht” hadden beheerscht en er een koninklijken -burcht stichtten. - -Thans waren -- naar luid der kroniek -- „deselfs muren niet min cierlyck -als constigh en sterck.” Het Friesche koningsslot was een keizerlijk -paleis geworden, dat keizer Otto „ter handhaving van zijn staat en -recht” den trouwen vriend van zijn huis, bisschop Ansfried, tot verblijf -had geschonken. - -Statig verhieven zich gevel en torentransen van het hechte gebouw. Hun -breede schaduw werd opgevangen door de kroongewelven der zware boomen in -den hof; ter zijde rees de Sint Maarten, de dom bij uitnemendheid, niet -ver van de kerk van Sint Salvator, die het stof bewaarde van dezen -grooten geloofsheld. Want alle eer van menschen, alle macht verbonden -aan zijn rang, wierp hij van zich. Naar Friesland trok hij langs -onherbergzame paden, omringd door een vijandige bevolking, om ieder, die -daar den god Stavo eerde met menschenoffers, de leer der liefde te -prediken: het Evangelie. Hij ging en won de gloriekroon van den -martelaar: onder de knotsslagen der Friezen viel hij, stervend zijn God -nog lovend. Naast den vromen Gregorius, die, toen zijn doodsstrijd -aanving, met zijn laatste kracht fluisterde, hem te brengen naar des -Heeren huis om daar te sterven, werd hij ter ruste gelegd. De tombe van -bisschop Frederic, getroffen terwijl hij bad, door het staal van een -Deenschen sluipmoordenaar, rees niet ver van de zijne... - -Uit het bloed der martelaren was ook hier de bloem van het geloof -ontsproten. Want geweld noch machtsvertoon der Noorsche vijanden bleken -ooit meer in staat het volk, dat zulke voorbeelden bezat, tot afval te -brengen van het christendom. - -En thans hoopte Rolfr Jarl, dat hem zou gelukken wat zijn voorgangers in -een vroegere eeuw tevergeefs hadden gewenscht, als hij de oorlogsfakkel -slingerde in de met stroo gedekte woningen van Utrecht. Want de houten -of met rieten daken voorziene huizen der stad hadden nog geheel den -bouwvorm behouden van vroegere eeuwen. - -De ringmuur en bolwerken mochten hecht zijn en hoog, de Tolsteegpoort -reeds van verre schitteren door haar roode kleur, de huizen zonder -dakgoten of waterafleidingen vormden nog even zelden straten, als zij -zich rondden tot een plein. Gelijk de hoeven buiten de poort, hadden zij -een laagafhangend dak en werd ieder erf door een boomgaard of akkers -omringd, op hun beurt door stevig paalwerk ingesloten. Slechts enkele -der voornaamste huizingen bezaten een steenen onderbouw en eenige -traptreden van blauwe zerken, die naar de hoog aangebrachte voordeur -voerden. In den hof wroetten ongehinderd de varkens, daar kakelden -kippen en snaterden ganzen. - -Naast de hooischelf strekte een kleine hoogte, vereerd met den naam van -„’t land verbeteren”, niet zeer tot verfraaiing van het geheel. - -Doch dezen ochtend, terwijl de dagwacht zich grommig gereed maakte voor -zijn taak en de nachtwacht ongeduldig werd, omdat hij nog niet was -afgelost, liet de horenblazer het niet bij een enkel sein. Korte stooten -wisselden de langschetterende tonen af. De wachter op den -Baldericstoren begreep het eerst, dat er iets buitengewoons plaats vond. -Spiedend, de hand boven de oogen, zag hij den Rijn af en den weg, die -kronkelde met den stroom. Toen klonk een kreet van vreugde, weldra -voortgeplant van wacht tot wacht. Als op den adem van den storm vloog -het bericht door de stad, dat ginds, op den heirweg, het vaandel van -Sint Maarten wapperde, dat zij kwamen, de mannen van Utrecht met den -bisschop, in het midden, met Unruoch, zijn pleegzoon, met de broeders -van den Hohorst, allen gered uit den ijzeren greep van Rolfr, den -- -Antichrist. - -Want zoo was, niet zonder schroom, Rolfr Jarl fluisterend genoemd in -Utrecht, toen Henno ademloos den vorigen dag het bericht bracht wat deze -had gewaagd. - -Geen der drie jaarmarkten -- het recht der stad -- was aangekondigd, het -roode kruis niet aangeslagen bij de brug aan de Tolsteegpoort tot een -bewijs, dat iedere reiziger vrijgeleide had om te komen en te gaan. -Alzoo was het geen vreemdeling veroorloofd zijn nachtverblijf binnen de -omwalling der stad te houden, zonder dat hij twee borgen stelde -- -niemand dacht hier ditmaal aan. Ademloos werd Henno omringd en -aangehoord, tot een dichte menigte hem voerde naar den proost van Sint -Maarten. Het bleeke kind en de verweerde wapentuur, die bij hem waren -- -om strijd boden de burgensen aan, zonder te vragen vanwaar zij kwamen, -hen te herbergen. - -De bisschop was in gevaar en nood. Hij, de goede, edele, vader -Ansfried... Wie behalve de Antichrist zou durven wagen de hand aan den -gezalfde des Heeren te slaan?... Werd hiermee opnieuw niet de profetie -vervuld uit het boek der Openbaring: - -„Het duizend-jarig rijk -- de Antichrist omgaande als een brullende -leeuw, vervuld met plannen van schuld en misdaad -- dan het -bazuingeschal der engelen en de Heer komend op de wolken om te richten -de levenden en de dooden!”.... - -Een plotselinge angst, angst reeds zoo menigwerf gewekt, dikwerf slechts -met geweld onderdrukt, overviel allen. Als schapen zonder herder voelden -zij zich... Gegrepen werd speer en boog, schild en scharmsax -- de -geduchte knots met ijzeren spits. Nauwelijks bleef een voldoende -bezetting achter ter bewaking van brug en poort. Voort stormden Utrechts -weerbare mannen -- voort. En thans, na een nacht van vrees en -onzekerheid, zagen zij hem keeren, gered, ongedeerd.... Als zilver -glinsterden in de morgenzon de langgolvende lokken, die het eerwaardige -gelaat omlijstten van den grijsaard. En toen ratelend de brug omlaag -ging en hij reed door de breede poort en de oogen op hen rustten, wier -blik onvergeetlijk bleef voor ieder, die hem eenmaal zag, toen losten -vrees en vreugde zich op in een snik, die een zegenbede insloot. - -Zij omringden hem met jubelende woorden. In triomf omgaven de dichte -drommen zijn draagstoel, voerden zij hem naar het bisschopshof: - -Zonder vragen of verlof waren vele burgensen de groote zaal mee -binnengegaan -- in oogenblikken van diepe ontroering verliezen -wereldsche vormen hun kracht. Nu verdrongen de inwoners zich in de meer -lange dan hooge zaal met haar Romaansche rondbogen en de dubbele rij -houten, kleurrijk beschilderde pilaren. Op zijn hoogzetel, door een -kunstig besneden, door zuilen gesteunden baldakijn overwelfd, had de -bisschop plaats genomen. - -Thans drong Petrus, de proost van Sint Maarten, naar voren uit de zacht -fluisterende groepen. - -„Hoogeerwaarde, voor deze grove beleediging u aangedaan geldt slechts -een woord: wraak!” - -De diep beleedigde grijsaard schudde het hoofd: - -„Laat de wraak aan God over en aan den keizer, dien Hij heeft gesteld op -zijn hooge plaats om het wereldrijk recht te beschermen met de scherpte -van het zwaard. Mij voegt alleen te waken voor rust en recht door de -kracht van woord en gebed.” - -„Wat baten die tegenover Rolfr, den Deen?” De scherpe oogen van den -proost flikkerden. „Heer, was hij niet te allen tijde uw bitterste -vijand?” - -De ernstige blik van bisschop Ansfried rustte op hem waarschuwend, -vermanend: - -„Gij weet, dat die man veel leed over mij bracht en wilt mij thans wraak -als plicht voorstellen, door den hartstocht te prikkelen, die vergelding -heet en sluimert in iedere door onrecht getroffen ziel. Maar zwaar zou -ik zondigen, indien ik hier vergelding zocht, mijn vergelding.” - -„Maar uw ambtsplicht, heer! Werd de handhaving van het recht in het -bisdom u niet toevertrouwd?” - -„Waar plicht en lust samen strijdvoeren, is het plicht te doen wat ons -het minst behaagt. En daar het mij zwaar valt hier werkeloos af te -wachten, zoo beschouw ik dit als wereldsche zin, als strijdlust, die ik -boet door te wachten.” - -Hij drukte de hand tegen de borst, hoe heftig klopte nog het hart van -den ridder onder de breede plooien van zijn geestelijk kleed! - -„Nog is de oude mensch niet dood, éen woord en hij wordt gewekt in mijn -binnenste. Heer, vergeef!” klonk het in zijn hart. - -Het was of de storm, ontketend in zijn ziel, hem schudde. Hij trad aan -een venster en zag naar buiten met dwalenden blik. Niet lang. Een man -stormde over de brug, ademloos, het stof van den heirweg bedekte zijn -versleten kolder. Zijn paard struikelde bij iederen tred, toch dreef hij -het voort, voort. Hij was reeds de zaal binnen gedrongen, eer nog het -gemurmel van teleurstelling zweeg, uitgelokt door de beslissing van den -bisschop. - -„Dat is de vreemde wapentuur, die gisteren met den visscher van den -Ravenhorst hier kwam. Hij is straks niet teruggekeerd van den Hohorst -met onze mannen,” mompelden verscheidene stemmen. Barrevoets, -blootshoofds, hijgend naar adem viel de onbekende den bisschop te voet: - -„Heer, heer! Wapen u! Laat uw dienstmannen zich gorden ten strijde! -Odins bloedroode vaan wappert van den Ravenhorst als welkomstgroet aan -de Vikingervloot, die de rivier opzeilt, reeds nu met buit beladen!” - -Toen hief de bisschop beide handen op, gevouwen: - -„Heer, nu ken ik Uw wil! Dat is Uw vingerwijzing! Wie zijn aardschen -vorst niet bijstaat in nood en dood, pleegt félonie, wie niet pal staat -als een rots, waar het geldt het geloof aan U, den Heer van hemel en -aarde, en de eer Uwer kerk te verdedigen, is een afvallige gelijk!” Zijn -oogen vlamden als in vroegere jaren toen hij zich tot de burgensen -wendde: - -„Mijne kinderen, gordt u het zwaard aan! Op Gods bevel ten strijd! Het -is voor Zijn kerk, voor de vrijheid van dit land! Het zij zege of -ondergang ons deel wordt, weerstaat de Deensche roovers, die het -heiligste vertreden in grimmigen haat. Deze strijd is zondig noch -misdadig, hij geldt ons hoogste goed, geldt vrijheid, geloof en recht! -Te wapen!” - -Een doffe stem brak zijn woorden af, een stem met sidderenden klank. Een -bejaard man trad naar voren, een der invloedrijkste inwoners der stad. -Sneeuwwit was zijn kruin, moede van het staren op véél onrecht zijn -oogen: - -„Hoogeerwaarde, waartoe thans nog bloed en strijd? Over eenige weken, -dagen wellicht -- wie beslist het -- is het immers met alles voorbij. -Ach, laat ons biddend ondergaan, niet bloedvergietend!” - -De bisschop maakte een afwerend gebaar. De oude moed van den held, die -eenmaal gansche legerscharen bezielde door zijn voorbeeld, lichtte uit -zijn oogen. In zijn volle lengte richtte hij zich op: - -„Zwijg over deze geruchten en wacht af, wat God over ons beslist, niet -alleen biddend, maar ook wakend, hetzij, dat de groote, geweldige dag -komt, of dat de Heer in Zijn oneindige goedheid de wereld nog laat -voortbestaan. Geschiedt het eerste, zorgt dan, dat uw laatste daad op -aarde niets met lafhartigheid gemeen heeft. Beschermt de kerken, opdat -God u vinden moge biddend in Zijn huis. Doch, drijven deze dagen van -angst en onzekerheid voorbij gelijk stormwolken en wordt de aarde als -gewekt tot nieuw leven, bewaart dan u zelven voor de wroeging, dat gij -niet hebt volhard ten einde toe tegen de Deensche heiligschenners, dat -ook door uw toedoen de asch werd verstrooid van geloofshelden en -martelaren en vrees ketenen klonk voor ons vrije volk! - -Ten strijde alzoo! De Heer trekt ons voor! God wil het!” - -Met honderdvoudige echo werd dit woord herhaald. Haastig verspreidde -zich de menigte. Allen wilden het eerst gereed zijn om tegen de Denen op -te trekken. Terwijl de bisschop, op Unruoch leunend, terugkeerde naar -zijn bijzonder vertrek en eenigen der voornaamste burgers hem op zijn -verzoek volgden, -- plannen moesten worden gemaakt voor de verdediging -der stad -- rustte de blik van den „vreemden wapentuur” lang op beiden. - -„Wie is die jonge ridder?” vroeg hij broeder Johannes. Het was of hij in -Unruochs regelmatige trekken een gelijkenis zocht en die ook vond. - -„Hij heet Unruoch van Teisterbant. Door bisschop Ansfried werd hij -aangenomen als zoon, maar hij is hem niet verwant, naar men zegt. Vrouwe -Benedicta, de dochter van den bisschop, heeft hem opgenomen als -vondeling.” - -De andere schudde het hoofd: - -„Een vondeling? Neen, dat is hij niet. Mijn vrouw heeft stervend het -kind toevertrouwd aan de abdis van Thorn. Dat heb ik veel jaren later -gehoord”.... - -De proost van Sint Maarten liet hem niet uitspreken. Hij had -verstaan.... „Volg mij!” beval hij kort. - - - - -HOOFDSTUK XXI. - - -De zon was ondergegaan, de eerste sterren zouden weldra schijnen uit een -donkere wolkenlijst, de avondwind begroette ruischend de slotbron, toen -Olaf Swanwitha vond in den hof. Het was slechts een klein plekje, haar -afgestaan binnen de omheining van den Ravenhorst, maar zorgvuldig was -iedere voet gronds gebruikt om den kruidtuin te vormen, waaruit de -geneeskunst de middelen trok om kwalen en ziekten te bestrijden. De -witte lelies -- waarvan vrouw Sigrid de bladeren in azijn bewaarde om -wonden te genezen of van de bloemen een zalf kookte als een onschatbaar -middel bij kneuzingen, bloeiden er naast de verwarmende venkel en de -donkergroene rosmarijn. Haar lichtblauwe bloemen werden gebruikt om het -verstand te verhelderen en de zinnen scherp te maken. De ruite vormde -een onschatbaar middel tegen besmetting en heette, met zout vermengd, -onfeilbaar tegen vergif. De purperen gladiolen-wortel werd met wijn -gezoden voor pijlwonden gebezigd en de bladeren der rozen dienden niet -slechts om hart en leven te versterken, maar waren ook een uitstekend -middel tegen de koorts. Zij bloeiden in een groot aantal, iedere struik -prijkte met zijn mantel van groen en een bedwelmend zoete geur steeg op -uit de wijdgeopende knoppen. Op de doornige twijgen wiegelde zich de -kleine, bruine nachtegaal, door de Noren hun god Balder toegewijd, den -zachtzinnigen god van lente en licht. Zijn zilveren zang vervulde -trillend de lucht. Of Swanwitha dacht aan een anderen avond, toen ook de -nachtegaal zong? - -Langzaam ging Olaf voort. Het zachte mos dempte zijn tred. Hij zag haar, -die zijn bruid heette, op een kunstmatig aangelegd, met rozen begroeid -heuveltje. Weer dacht hij, dat zij zelve een witte bloem geleek tusschen -de rozen, weer omgolfden haar de gouden haren als een glinsterende -mantel, juist als op den morgen toen hij haar voor het eerst zag. - -Hij streek zich met de hand over de oogen -- alles was gelijk het -geweest was, alleen hij zelf was een andere geworden. Toen hij Swanwitha -in het liefelijk gelaat zag, had hij met onstuimigen hartslag begeerd -haar de zijne te noemen, zonder daarbij te onderzoeken of zijn wenschen -de hare ontmoetten -- alleen aan zijn eigen geluk had hij gedacht. En -thans had een machtige stem geklonken, die doordrong tot zijn ziel: - -„Zelfverloochening eischt de godsdienst der Christenen. Wie eigen -wenschen het zwijgen weet op te leggen, waar het geldt het geluk te -bevorderen van anderen, die alleen is een held.” - -Van dat oogenblik wist hij, dat het Christendom stond boven zijn geloof -aan de goden, even hoog als de zon schitterde boven de grijze zee. - -„Wraak, vergelding, zoek de vervulling uwer eigen wenschen”.... - -Dit waren de levenslessen, tot nu toe door hem opgedolven uit de -spreuken en sagen der Edda.... Gelijk ieder hooggestemd karakter voelde -Olaf diepen eerbied voor alles wat verheven was en groot. Met ontzag -begon hij, denkend, steeds denkend over alles wat de bisschop hem had -gezegd, op te zien tot een leer, die zulke hooge eischen stelde, eer hij -nog geleerd had Hem aan te hangen, in Wiens leven van liefde en -erbarming, in Wiens kruisdood van lijden en overwinning, de -zelfverloochening zich had belichaamd, den Christus, Die de -verschrikkingen der hel had te niet gedaan, gezegepraald op een lauwe of -vijandige wereld en de hemelen geopend, voor wie trachtten Hem na te -volgen met oprecht gemoed. - -Voorzichtig boog Olaf de takken der „gelukbrengende” berken en de -twijgen van den „heiligen” vlier, uit elkaar. Hij glimlachte nu om dit -geloof van zijn volk. Een boom of heester door menschen den goden -gewijd, en daarna de stichter van hun geluk!.... En als de oude wereld -was voorbijgegaan zou Odin een nieuw menschengeslacht scheppen op de -nieuwe aarde, de man uit den esch, de vrouw uit elzenhout! - -Een donkere blos steeg in zijn gelaat. Dàt had hij geloofd! Was hij tot -nu toe een kind gelijk geweest in zijn denken en droomen? Indien Gods -toorn den ondergang beval eener in zonden verzonken wereld, dan was -alleen de eindelooze liefde van den gekruisigden Christus in staat, de -menschheid veilig te voeren door de loeiende vlammenzee naar de nieuwe -aarde van zegepralend geloof, dat werd tot zalig aanschouwen, waar het -witte kleed zou bekleeden het verheerlijkte lichaam en de van iedere -smet gereinigde ziel.... - -Hij vergat opnieuw bijna, meegesleept door zijn gloeiende gedachten, -waarvoor hij was gekomen. Doch nu wendde Swanwitha het hoofd om en in -den glans van het zinkend avondrood zag hij haar oogen vochtig. Hij -gevoelde, dat het geen lenigende tranen waren, verkwikkend als de -zilveren dauw voor de velden, na den zonnebrand van den dag. Brandend, -een verterenden gloed gelijk, moesten zij voor haar zijn, want met een -plotselinge beweging van schrik stond zij op, krampachtig trokken haar -lippen -- zij zag hèm. - -Hij stak haar beide handen toe en toen zij aarzelde er de hare in te -leggen, greep hij ze. De angstige blik, waarmee zij hem aanzag, zonk tot -in zijn ziel. Welke kluisters hij haar had aangelegd begreep hij in zijn -geheelen omvang, thans, voor de eerste maal, nu hij niet aan zich zelven -dacht. - -„Schrik niet voor mij terug, Swanwitha! Ik kom niet meer om u Freya’s -minne toe te drinken uit den zilveren hoorn. Neem uw ring weer” -- hij -gaf haar den smallen, glinsterenden band. -- „Ik weet nu, dat liefde -niet door dwang wordt verkregen, dat de ring niet het onderpand van -verkoop is, maar die der trouw behoort te zijn. - -Wie liefde dwingen wil zoekt de zon bij nacht, dat heb ik ingezien, -gelukkig nog niet te laat. Niet wie alleen is op aarde, maar wie werd -gescheiden van wat hij liefhad, is eenzaam en verlaten. Vergeef daarom -wat ik u aandeed. Ik zal u niet scheiden van hem naar wien uw hart -verlangt. Vind eenmaal het geluk, dat”.... - -Hij wendde zich af, haperend. Zijn kloeke gestalte beefde. - -Wèl stelde de „witte Christus”, op Wien Odins zonen met zooveel -minachting neerzagen, hóoge eischen aan Zijn volgelingen. Zich zelven -overwinnen in ernstigen, stillen strijd met eigen wenschen of den vijand -tegenstormen met heirbijl en speer te midden van het opwindend -strijdgewoel -- hij wist nu wat het zwaarst viel. Maar hij hoorde een -snik van verlossing, schier van bevrijding.... - -„Vaarwel!” mompelde hij nog eens, „vaarwel!” - -Nu omklemde zij zijn hand, met haar gloeiende vingers. - -„Olaf, dank, o dank! Wat ben ik u dankbaar! Vrij!”.... Als een -jubelkreet klonk het. Toen vervolgde zij aarzelend: - -„Maar, weet mijn grootvader”.... - -„Ik zal hem alles zeggen, wees niet bang. Niemand heeft het recht u te -verkoopen naar ziel en lichaam. Ik begrijp het nu. ’t Is of mij een -blinddoek is ontvallen, of ik van een last, die mijn denken benevelde, -ben bevrijd. Zie, Witha, op den Hohorst was ik gevangen en daar werd ik -waarlijk vrij! Wel mag die plaats de „Heilige berg” heeten, sinds -bisschop Ansfried daar heerscht, niet door het geweld van den sterkste -maar door de macht der hoogste liefde, die niet zich zelve zoekt.” - -Welk een ongeveinsde verbazing las hij op haar trekken! - -Eenvoudig en eerlijk volgens zijn karakter, hernam hij: - -„Ik ben nog geen christen, maar ik hoop het eenmaal te worden, als God -mij helpen wil. O, Witha, welk een geluk van Hem kracht te ontvangen, om -den Gekruisigden Christus te kunnen navolgen! Alleen kan ik het niet, -het is een zware weg.” - -„O, Olaf, wat zijt ge toch goed!” - -Zij schreide om hem! -- Een gevoel sloop zijn hart binnen, dat geen -geluk was, zooals hij dit vroeger had begrepen, maar, dat daar ver boven -was verheven. - -„De God, die mijn moeder liefhad, zegene u! Hij zal ook ùw God worden!” -fluisterde zij opnieuw in een grooten snik. - -Toen legde zij nog eenmaal haar hand in de zijne en terwijl zij -scheidden voor het leven, wisten zij, dat zij elkander hadden begrepen --- voor het eerst. - - - - -HOOFDSTUK XXII. - - -Een nieuwe dag was verrezen. Gouden pijlen schoten naar de witte -nevelen. Rood gloeiend werden zij, als waren zij gewond, in bloed -gedoopt, tot zij eindelijk zich oplosten in licht en glans. De dag had -gezegepraald. Waarop zouden zijn stralen vallen? Op een lachend tafreel -van vrede en geluk, op een gruwzaam tooneel van strijd en verwoesting? - -Op een schouwspel van trotsche macht en wemelende kleuren-schittering -viel de eerste zonnegloed. De golven van de breede Eem rezen en daalden -met goudvonken overstrooid. De Ravenhorst weerspiegelde zijn transen in -het effen vlak -- hij niet alleen. - -Een welbewapende vloot dreef nader. Ronde schilden blonken langs het -scheepsboord en weerkaatsten den gloed der zon; gouden leeuwen met -opgeheven klauwen, als gereed tot den beslissenden sprong, prijkten op -den achtersteven. Banieren en vaandels wapperden van mast en stengen. -Breed spreidde een zilveren adelaar de trotsche vleugels uit op den top -van elke groote mast. Door de wendingen hunner wieken waren zij in staat -iedere verandering van den wind aan te geven. Met fiere voldoening hing -het oog van den vervaardiger aan zijn kunstwerk -- nu droeg hij pijl en -boog en berekende, welk deel van het land, dat de dichtbemande vloot -ging veroveren, zijn loon zou wezen. - -Toch moest de bewondering, welke zijn arbeid vond, wijken voor die welke -den draak ten deel viel op het grootste schip. Als een visioen van -dreigende macht gleed hij voorbij, vlammend goud blonk het geschubde -lijf, hel opgloeiend tegen een bloedrood zeil. De draak -- de groote -Midgardslang, die de wereld omkronkelde, waren zij niet één? Was het -niet als verrees het verleden -- het geloof aan de goden -- dat den -strijd wagen ging met den godsdienst der toekomst -- het Christendom. -Vreesaanjagend, zelfs voor die stoere krijgers, was het verschrikkelijke -dier, vuur schoot uit zijn muil, dreigend rekten zich door een kunstig, -inwendig samenstel zijn klauwen.... - -Maar een volgend vaartuig vroeg de aandacht. Een stier met blanken -zilverglans stond, als levend, op de voorplecht. Een bloedige flikkering -gleed lichtuitstralend uit de oogen van karbonkels, opgeheven was de -breede kop als ten doodelijken stoot. Zou hij den strijd winnen of zelf -zinken in den afgrond van het niets -- dien der vergetelheid. - -Als een reuzenbloem uit een ver wonderland dreef ieder schip op de klare -golven. Hier verscheen een vurig roode roos, ginds dreef een lelie met -donkeren oranjegloed. De kleurschakeeringen waren met zorg gekozen. -Tintelend van licht blonk de glans der verf van dek en boord, de -tapijten werden er in weerkaatst, waarmee de banken waren belegd langs -de verschansing. - -Opgehouden door vergulde lansen, saamgesnoerd onder een gouden kroon, -rees op ieder achterdek een paviljoen van karmozijnroode zijde. Hier -bevond zich de gezaghebber met zijn bloedsbroeders en schildgenooten, -hier sloegen de Skalden hun harpen en het was of op het dek in een -golvende en dalende zee dolfijnen van electrum de koppen ophieven, -luisterend naar den wonderen zang, aangeheven ter eere van goden en -helden. Een zee van zijde was het, blauw als de wateren, die de -geheimzinnige, altijd groene eilanden omruischten, in het verre -Grecaland.[18] - -En op het dek schaarden zich de weerbare strijders. Hun schilden -glinsterden in den zonneschijn. Ieder harnas omgaf een held, elke -zwaardknop kletterde tegen een maliënpantser en een onverschrokken hart. - -Verder zeilde de trotsche vloot, versierd om den hoogtijd der zegepraal -te vieren. Reeds kwamen de torentransen van den Ravenhorst in het -gezicht, waar boogschutters en dienstmannen, hun wapen in de vuist, -gereed stonden, om, als het bevel klonk uit den mond van hun Jarl, met -hem de vloot tegemoet te gaan. Den soudenieren, die in een der beide -houten torens op den muur naast de poort de wacht hielden, was gelast -het sein te geven. - -„Zouden de schepen hier alle voor anker komen?” vroeg een der beide -schildwachten zijn makker. Deze haalde de schouders op: - -„Dan zal, in ieder geval, het oponthoud hier niet lang duren, wij zullen -wel gauw gezamenlijk naar Utrecht oprukken.” - -„Als er nog meer krijgers noodig zijn! Ieder verdek wemelt van helmen en -harnassen.” - -„En van pracht en praal! ’t Is, uit de verte gezien of de schepen in -vlam staan! De kleurengloed overtreft nog het geflikker der blanke -wapens, van gouden beeldwerk op den voorsteven en van zilver op het -achterdek der schepen.[19] Als de Denen het onderspit delven doen de -onzen een goede vangst.” - -Verachtelijk zag de andere -- een woeste Wend -- hem aan: - -„Hoe durf je zoo iets alleen maar dènken! Wie zou die verschrikkelijke, -van goud schitterende leeuwen, die metalen menschenbeelden met hun -dreigende houding, die draken van zuiver goud, kunnen, zelfs durven -weerstaan!” - -„Om van de stieren met gouden hoornen en bliksemende oogen, niet eens te -spreken! Hoort, hoe ze brullen!”[20] viel een derde in. - -„Laat je niet verblinden door den schijn! Als die je reeds zooveel -schrik aanjaagt wat moet dan de werkelijkheid zijn. Die ziet gij dáár!” - -De oude speerknecht wees naar een kleine groep aanvoerders, in ernstig -gesprek op de voorplecht van het grootste schip. Hun wapens schoten -vonken in het helle ochtendlicht, breed uitgespreide vleugels van den -zilvergier vormden hun helmtooi. De scharlaken mantels waren als een -vlam, boven hun door den zonneglans als met vurige vonken overstrooide -ringkragen. - -„En gij denkt, dat zulke reuzen door het landvolk hier overwonnen zullen -worden, diè!”.... - -De ongeveinsde verbazing van den schildwacht evenaarde zijn -verontwaardiging en weer hingen zijn oogen als geboeid aan het -schitterend schouwspel. - -Hij was de eenige niet. Geheel in ’t rinkelend harnas, gewapend tot de -tanden, stond Rolfr Jarl voor het middelvenster der hal en fronste -ongeduldig de wenkbrauwen: - -„Waar blijft Olaf?” -- Over den kronkelenden stroom gleed zijn blik. -- -„De vloot ankert, eer gindsche waskaars is opgebrand, wij moeten haar -tegemoet. Het is hoog tijd.” - -Hij zette zijn zilveren fluitje aan de lippen, voor zijn lijfdienaar een -welbekend teeken, maar eer hij het sein kon geven stond de met zooveel -ongeduld verwachte voor hem. Onhoorbaar was de deur open gegaan, ook -Olafs blik zocht de brandende kaars, waarmee de tijd werd afgemeten. - -„Hebben wij nog eenige oogenblikken tijd?” Dof klonk zijn stem, bleek -waren zijn trekken. - -„Wat scheelt je, Olaf?” - -Wrevelig klonk het antwoord van den Jarl. - -„Verbleek je op het gezicht der drakenschepen? Mag zoo een aanvoerder -den strijd tegengaan, waarin hij mòet zegevieren?” - -Olaf tastte met de hand naar zijn voorhoofd. - -„Dat kleurgewemel schrijnt, het is of die wapens mij alle in het hart -treffen.” - -„Olaf!”.... - -Deze streek zich met de hand over de oogen. - -„Het is alles uitgekomen, zooals ik voorgevoelde, toen ik dit vredige -landschap zag -- voor de eerste maal. Herinnert gij u nog wat ik zei?” - -„Ja, en ik hoop, dat gij mijn antwoord niet zijt vergeten!” - -Hoe bijtend klonk het! - -„Voorheen, Olaf, waart gij altijd de eerste, die op den vijand -instormde, zonder te vragen wat zijn lot worden zou.” - -Met snelle schreden mat de jonge Viking het vertrek. Zwaar legde een -hand zich op zijn arm, een forsche hand. - -„Olaf, laat ons gaan! Voor de eer van Alvader en van alle Asen trekken -wij het zwaard!” - -„Neen!” klonk het in hevige gemoedsbeweging terug. „Het is tegen Zijn -wil en leer. God is liefde. Vrede gebiedt Hij. Vrede op aarde.” - -„God!” -- Rolfr Jarl herhaalde dat woord en dof gaf de holle zaal den -klank terug. Het klonk als een waarschuwing. Een oogenblik zagen beiden -elkander aan, als wilde de een de gedachten peilen van den andere. Toen -barstte Rolfr los: - -„Ha! Nu begrijp ik! Gij waart op den Hohorst!.... Vervloekt zij”.... - -„Gezegend moge de geest zijn, die van daar uitgaat. Daar klinkt het: -„Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een -welbehagen!” - -Is dat geloof niet bergen hoog verheven boven Odins leer? Zijn zonen -strijden om macht en goud, en brengen verschrikking, verwoesting en dood -waar zij verschijnen. Ik weet niet of de geweldige dag, waarin ieder zal -geoordeeld worden naar zijn werken, aanstaande is, maar dit weet ik: dat -ieder zijn onsterfelijke ziel moet redden en, dat dit nooit kan -geschieden langs den weg van bloed en moord.” - -„Gij, een christen! Gij!” - -Kort en beslist klonk het bevestigend antwoord van twee lippen, die -beefden -- niet van vrees. - -Toen weergalmde een dreunend gekraak. Met een slag had Rolfr zijn vuist -laten neerkomen op de tafel -- het blad was gespleten. Woeste haat -flikkerde Olaf tegen onder de borstelige wenkbrauwen. Grauw werd de -kleur van zijn gezicht. Met van toorn half verstikte stem barstte hij -los: - -„Dan vloek ik de hand, die eens de uwe drukte als bloedsbroeder, dan -roep ik Odins vergelding in over uw hoofd! Verlamme uw kracht, verwarre -uw brein, vergeten zij uw leven en uw dood! Odin is rechtvaardig, hij -zal uw afval richten. Ga dan naar uw nieuwe vrienden, laat mij alleen, -laat mij alleen! Overwinnen zal ik toch, mij de zege, u de verachting -voor uw meineed en verraad! Als de bazuinen schallen mij ter eer dan -verslinde u de diepte van Hel!”... - -Olaf had hem zijn woede laten uitrazen. Te midden van den overstelpenden -woordenvloed trok, als in een visioen, het geweld van den slag, de macht -der aarde hem voorbij. Banieren wapperden, klaroenen werden gestoken, -paarden trappelden en brieschten bij den woesten wedloop hunner ruiters -om het eerst hun doel te bereiken: de gouden kroon, het symbool der -macht, opgeheven door de hand der schoonste vrouw, die den overwinnaar -zou toebehooren met het schier tot de wolken rijzende burchtslot, -waaruit hij zou beheerschen het aan zijn wil en wet onderworpen land. - -Over dooden en gewonden ging hun weg, gruwelen, de ellende van duizenden -waren hun trawanten, niemand sloeg er acht op. Aller oog hing in -deemoedigen eerbied aan hem, die de macht had veroverd voor zich alleen. -Voor hem bogen de heerschers en knielden de volken. - -Slechts een enkele vrouw niet, een enkele, stille, fiere vrouw. Verlaten -stond zij aan een hoek van den heirweg, droevig rustten haar oogen op de -weegschaal in haar hand: „Gewogen en te licht bevonden,” sprak haar -ernstige stem. Maar in Olafs hart klonk het: „Ik wil u dienen, u: het -Recht, vertrapt zoo dikwerf en veracht. Nimmermeer buig ik mij voor het -geweld, al wordt dit door de macht gekroond met de overwinningslauweren -der aarde.” - -En weer dacht hij aan dien gloeienden zomerdag, toen hij op een zijner -zwerftochten in het Italiaansche land het beeld der vrouw, met de -weegschaal van het recht, in steen gehouwen had aanschouwd in den -trotschen Romaburg. Een waarschuwing scheen het hem, dat zij thans -voorbij zijn geestesoog trok -- als in een visioen. Hij dacht aan den -christen-bisschop, wiens woorden vol ontzagwekkenden ernst van zoo -grooten invloed waren geweest op zijn zieleleven -- hij wist nu waar hij -het recht zou vinden, door wien het werd gediend. - -Dreef die wetenschap hem tot het antwoord: meer een antwoord op zijn -eigen gedachten dan op de woorden van Rolfr Jarl: - -„Verwacht niet te veel, roem niet te vroeg. Gij kent uw tegenstander. De -hand van den graaf van Teisterbant voerde steeds een wapen van ijzer al -is zijn hart van goud. Hij zal strijden voor geloof en recht tot zijn -laatsten ademtocht.” - -„De strijd dien gij, meineedige, weigert. Ook wij kampen voor ons -geloof!” - -„Maar wat wij beoogen is ongerecht en laag. Ik weiger daarom echter niet -uw leven te beschermen met het mijne. Uw schilddrager wil ik zijn, -iederen slag zal ik opvangen, die op u is gemunt. Zoo volbreng ik de -gelofte eens aan u als bloedsbroeder afgelegd en schiet ik niet te kort -waar het mijn hoogsten plicht geldt. Geen zwaardslag sla ik, maar ook -geen helm behoede mijn hoofd, geen harnas mijn hart.” - -Toen klonk weer die harde lach: - -„Dichterlijk en schoon, mijn jonge Skald, alleen -- onuitvoerbaar, -gelijk alles wat tot dat gebied behoort. De eene aanvoerder is nooit de -schilddrager van den anderen. Ook zou uw strijdbende wanen, dat ik u -blootstelde aan de pijlen om niet met u macht en buit te moeten deelen.” - -„Op een andere voorwaarde weiger ik u te vergezellen!” - -„Dat is weer zijn werk! Vervloekt! Ansfried, altijd Ansfried! Het is -zijn invloed!” - -Hij drukte de handen tegen het hoofd en mompelde, alleen voor zich -zelven verstaanbaar: „Ha! Ik hoor ze lachen, de wraakgodinnen! Die hoon -geldt mij! Ik waande hem te treffen en het wapen wondde de hand, die het -voerde.” - -De toorn, die in hem woelde en bruiste, maakte plaats voor een ander -gevoel; een smart ongeneeslijk en brandend, na zoovele jaren nog, -schrijnde en dreef hem tot den uitroep: - -„Gij vraagt of ik zijn hand ken? Ja, reeds lang voor gij geboren werdt -greep die storend in mijn leven en verwoestte wat in waarheid dien naam -verdiende. O, noch het dreunend geraas van den slag, noch het bruisen -der zee te midden van den orkaan konden voor mij de gelofte van trouw -verdooven, die Hereswit van Strijen aflegde voor het altaar met haar -zachte, zilveren stem aan de zijde van graaf Ansfried van Teisterbant. -Hoor, hoe ik mij wreekte! Of ik hem ken? Jà, en hij mij!” - -Toen verdrongen zich de woorden op zijn lippen, een gloeiende -vuurstroom geleken zij, waaruit de vlammen opstegen van den haat. - -Olaf luisterde zwijgend, maar in zijn hart klonk het: - -„Vergeef uw vijand zeventig maal zevenmaal”.... - -Het was hem of engelenhanden gouden harpen sloegen, of hun gestalten hem -omzweefden, blinkend wit, terwijl hun lippen fluisterend herhaalden dat -ééne woord: - -„Zeventig maal zevenmaal!”.... - -O, hoe hoog stond de godsdienst der christenen boven dien zijner -vaderen! Zeventig maal zevenmaal... Wreekt u zelven niet.”.... - -En, was hier gezondigd? Bestond de schuld, die Rolfr Jarl vervolgd had -en gewroken gedurende zijn gansche bestaan, niet in zijn verbeelding, in -zijn gekwetste eigenliefde en teleurgestelde wenschen? - -Die gedachte deed Olaf vragen: - -„En áls het oordeel daar is, gelijk zoovelen gelooven met den -aanstaanden zonnestilstand en de eeuwige Rechter, dien gij Alvader -noemt, verschijnt op de wolken, durft gij dan voor hem bestaan, bezwaard -met den last van zulk een schuld, met zooveel haat in uw hart? Want, was -het recht wat gij deedt? Kan Alvader uw daden goedkeuren, of Balder de -liefelijke, zachtzinnige, en Thor, de vreeselijke maar rechtvaardige -god? De Edda verbiedt alle onrecht. Gij hebt het bedreven, uw gansche -leven en waar een rechter verschijnt oefent hij recht.” - -De aderen aan Rolfrs slapen zwollen. - -„Dat wil wijsheid opdisschen! Wel zeker! Wij schenden den bloedseed, -wij vertreden eer en trouw en janken met christenhonden over het vergaan -der wereld op den avond van den langsten dag! Nu, gij zult uw langsten -dag gezien hebben!” - -Hij rukte een verborgen deur open en stiet Olaf, voor deze er op -verdacht was, in de diepte. „Hier ongeluksprofeet, haal je -profetenloon!” - -De deur dreunde dicht. Een horensein schalde. - -„De vloot is daar! Thans voorwaarts ten strijd en ten zege!” - -Hij gordde zich het zwaard dichter en toen was het hem eensklaps als -werd het vuurvlammend heden, de in gouden glorie gehulde toekomst bedekt -door een grijzen sluier -- dien van het verleden. Veertig jaren weken -terug, hij zag zich weer, als jongeling zonder macht of aanzien in de -Schola Palatina te Keulen. De ernstige stem van aartsbisschop Bruno -waarschuwde: - -„Den dwaze brengt de toorn om en de ijver doodt den slechte.”[21] - -Waarom kwamen die woorden thans terug in zijn geheugen, na zooveel jaren -van vergetelheid, waarom? - -Vrouw Sigrid stond voor hem. Op den toren had zij gewacht en gestaard in -de verte, vele uren sinds vele dagen. - -De raven hadden gezweefd boven haar hoofd, hun krijschende kreten -uitstootend, de wind haar de grijze lokken losgewoeld, de regen haar -geslagen in het onbewogen gelaat; zij had het eene bemerkt noch het -andere. Thans echter kwam een zegevierende trek om de dunne lippen, -bijna het eenige wat van haar gelaat te zien was; een zwarte mantel hing -haar van den hals tot de voeten, somber als de nachtzwarte vlerken der -raven; de kap verborg haar hoofd. - -„De vloot nadert. Laat thans de vergelding de schuld evenaren. Triomfeer -en leef. Van de zwakke eischt Odin den dood, in uw hand legt hij de -wraak. Grijp den bisschop levend, hij sterve op het toppunt zijner macht -aan den Noorderboom als een ellendige slaaf.” - -Zij hief de armen omhoog en sloeg de kap terug, de grijze haren zwierden -haar om hals en schouders, in de holle oogen gloeide het als een -verterend vuur. - -Rolfr Jarl, die nooit had gevreesd, huiverde. Het was hem als werd hij -voortgedreven door de geduchte schikgodinnen van zijn volk -- waarheen, -waarheen? - - [18] Wat hierboven gaat, is een nauwkeurige beschrijving der - Denenvloot waarmee Canut van Denemarken in 1017 koers zette naar - Engeland. - - [19] Vloot van Canut. - - [20] Idem (Bolhuis). - - [21] Job, K. 5. - - - - -HOOFDSTUK XXIII. - - -Op de muren en wallen van Utrecht stonden de bisschoppelijke -boogschutters en hielden scherp wacht. Op het plein voor den Dom -oefenden zich de burgensen met schild en speer. De tijding van de -nadering der Denen had nieuwe, hevige onrust gewekt in de gemoederen, -waarin reeds zooveel angst heerschte. Een renbode bracht het bericht, -dat reeds meer dan één kustplaats door hen was geplunderd en het platte -land bij Leithen afgestroopt. Niemand bood tegenstand, rillend van vrees -vluchtte het landvolk reeds op het eerste gezicht der drakenschepen. -Duchtten allen, dat de riemen met ijzeren roeipennen zouden worden -omgevormd tot doodelijke wapens, gericht op hun hart? Waanden zij, dat -de schilden, opgehangen langs het scheepsboord, de vijanden zouden -beschermen voor iederen aanval, dat de geheimzinnige runen gegrift in -elken boeg zooveel tooverteekenen zouden blijken?.... - -Verwenschingen golden de regentes van Kennemerland, die steeds in veete -met West-Friezen of Vlamingen onbeschermd de kusten en vaste plaatsen -liet van eigen gebied. Wat baatte het? De Denen waren gelijk aan de zee -bij stormvloed, wie kon hun macht keeren? Heeren, vrije boeren en -eigenhoorigen uit den wijden omtrek vluchtten naar Utrecht om achter de -stevige wallen het lijf te bergen, om -- de heerschende onrust en -verwarring nog tienvoud te vergrooten. - -Maar daar waren nog anderen dan radelooze vluchtelingen of in boete en -gebed verzonken vrouwen, die zelfs boven de Denen den wereldbrand -vreesden. Krachtige mannen, uit wier mond een kreet van woede en wraak -opging, toen zij hoorden van een nieuwen inval der gehate Noormannen. -Want de lijdenskelk sinds twee eeuwen den landzaten door dit volk -gereikt, was boordevol. De oogen der mannen gloeiden van toorn, de -gebalde hand omklemde een wapen. Een oproeping tot den strijd weerklonk -en werd alom herhaald. Boden renden door het land, van stad tot stad, -over velden en door wouden. Van de hoogten der Kennemerduinen klonk die -krijgskreet, voort rolde hij over de bosschen en weiden van Masaland. -Over de Drenthsche heidevelden dreunde hij, in kracht aan den stormwind -gelijk. Te wapen riep hij de stoere Friezen aan gene zij van het Almere, -dat even rusteloos knaagde aan hun land, als de Denen aan zijn welvaart. - -Pas negen jaren vroeger had koning Sven van Denemarken al hun -kustplaatsen geplunderd zonder onderscheid, en Staverun, de bloeiende -stad, gelijk gemaakt met den grond. Ongewroken bleef, tot nu toe, die -inval. Waren de nakomelingen verbasterd van het heldenras, dat een eeuw -te voren den geesel der christenen, den geduchten Bioern, „met de -ijzeren rib” neersloeg en zijn ontembare legerdrommen verwon? - -Van Bioern, die altijd ongeharnast ten strijde trok, ging de mare, dat -hij door de toovermiddelen zijner moeder onkwetsbaar was, behalve aan de -rechterzijde, daarom bedekt met een ijzeren plaat. Toch hadden zij die -plek weten te treffen, toen hij uit Italië keerend, Friesland trachtte -uit te plunderen. De Friezen herinnerden zich dien dag van zegepraal, -zij grepen schild en speer en verlieten hun ontoegankelijke moerassen om -den vijand op te zoeken eer hij hen vond, om zich op Sven te wreken -gelijk zij dit eenmaal deden op Bioern.[22] - -Thiel, de rijke koopstad sloot haar poorten en hield scherp wacht, maar -de geringe bevolking, die te Wyc leefde op de puinhoopen van het eens -zoo machtige Dorestad, vluchtte weeklagend naar Utrecht. Heeren waakten -op hun burcht en spijker en lieten de pekpannen -- waarschuwend sein -- -vlammen bij dag en bij nacht; velen beloofden hun eigenhoorigen de -vrijheid, indien zij moedig stand hielden in den komenden strijd. En de -hoop op vrijheid, met den wensch om de gehate indringers te verdrijven, -vormde zelfs die verachte door hun meesters met voeten getreden -eigenhoorigen tot helden, die onverschrokken zouden standhouden, gevaren -schuwend noch den dood vreezend. Maar uit iedere landstreek rende bode -op bode naar Utrecht, naar den bisschop, die, nu graaf Frethibold -afwezig was, de zorgen van den staat droeg met die der kerk. - -Het was bijna of de vrees voor het eene gevaar de gedachte aan het -andere op den achtergrond drong. Bisschop Ansfried zag het met -voldoening. Boven iedere uitlegging van het Evangelie gold bij hem -steeds het woord van Christus: „Deze dag en deze ure weet niemand.” En, -waar hij zich niet geheel kon losmaken van het ontroerende denkbeeld, -dat zijn tijd beheerschte, bleef hij het echter veroordeelen: Gods woord -was hem meer dan de meening der menschen. - -Nauwkeurig zag hij toe, dat ieder de plichten vervulde, die zijn hand -vond om te doen. Zelf gaf hij het voorbeeld om, schier zonder zich bij -dag of nacht rust te gunnen, alle maatregelen te nemen, die noodig waren -om de geduchte vijanden te weerstaan. En de verweermiddelen waren even -beperkt als de tijd kort: indien de Denen niet door nieuwe strooptochten -den tijd lieten voorbijgaan, konden er nauwelijks drie dagen verloopen -tusschen het eerste bericht hunner nadering en hun komst voor Utrechts -poorten. Iederen ochtend predikte hij intusschen in den Dom, voor een -elkander verdringende menigte, allen vermanend te vertrouwen op Gods -liefde en erbarming, Die uitkomst kan geven uit elk gevaar en nooit -verlaat wie op Hem vertrouwen. Waar hij hoofden van bleeke boetelingen -zag met asch bestrooid, sidderend voor het jongste gericht, vermaande -hij tot werken zoolang het dag was, moedig het kruis te dragen tot het -einde toe; waar hij krachtige mannen aanschouwde met van wrok verwrongen -gelaatstrekken, die den naderenden vijand gold, drong hij hun het -gewijde woord niet te vergeten: „Mij komt de wraak toe, Ik zal het -vergelden,” ook als zij hun leven waagden voor het hoogste aardsche -goed: vrijheid van volk en land. - -En dan, als te midden der zorgen van den dag: onderhandelingen met den -stadstimmerman of den wapensmid over het versterken der poorten of de -levering van stormkappen -- angstige gestalten het Bisschopshof -binnenwankelden en smeekende stemmen fluisterden: - -„Vraag voor mij een oogenblik gehoor! Ik wenschte mijn goederen en -eigenhoorigen aan de kerk te schenken tot rust mijner ziel, nu het einde -nadert,” dan vergat hij alle aardsche zorgen om met gloeiende -welsprekendheid de milde gevers te wijzen op hun dwaalbegrippen: - -„Gelooft gij uw Schepper te kunnen omkoopen, door Hem aan te bieden, wat -Hij u hier op aarde leende? Denkt gij door zoogenaamde goede werken den -hemel te verdienen, vergetend, dat geschreven staat: - -„Wij worden uit genade zalig, opdat niemand roeme.” Ik zeg u, dat het -geloof zonder de werken dood is en de werken zonder waar geloof met -zonde zijn besmet. Of ontspruit uw vroomheid uit zuivere bron? Angst -voor het komend oordeel maakt u mild, geen zelfverloochenende liefde, -die wil ontberen om het geluk van anderen te verhoogen. Gaat en -onderzoekt u zelven, voor gij hier terugkeert!” - -Menigeen ging met gebogen hoofd, beschaamd door de woorden van hem, die -de menschen kende en de roerselen peilde hunner daden, maar broeder -Johannes mompelde meer dan eens voor zich heen: - -„Goed, dat volgens de kerkelijke wet de bisschop geen schenkingen mag -weigeren. Het schijnt of hij besmet is met ketterij. Mogen wij dan -heilige stichtingen geen goed en goud geven, om daardoor de voorspraak -der heiligen te verwerven bij den Hemelheer?” - -Welke verkeerde voorstellingen hij zich vormde en welk een ergerlijke -zedenleer hij voorstond, begreep broeder Johannes evenmin als zijn tijd, -die deze denkbeelden huldigde. - -Intusschen zag de bisschop vol ongeduld uit naar den terugkeer van graaf -Frethibold. Waarom bleef hij zoo lang uit? Reeds was hem een renbode -tegemoet gezonden. Hulp van den keizer moèst komen, kón immers niet -uitblijven. Dan zouden de mannen van Sint Maarten zelf aanvallend kunnen -optreden tegen de Denen, die hij nu genoodzaakt was af te wachten achter -de muren van Utrecht, dat, werd het bestormd, misschien opnieuw zou -worden verwoest. Zijn macht was te zwak om de stoute aanvallers met -eenige hoop op goeden uitslag te kunnen weerstaan. - -En terwijl zoo vele leden zijner gemeente zich in de kerken verdrongen, -kermend, biddend, gelaten afwachtend wat komen zou of in doodsangst de -handen wringend bij de gedachte aan het snel naderend einde, deed de -bisschop zijn plicht. Niet alleen zorgde hij voor de geestelijke zaken -van zijn ambt, ook de wereldsche kwam hij nauwgezet na. - -„Wie trouw blijft ook in het kleine, alledaagsche, is Gode meer -welgevallig dan hij die vast en zich op de borst slaat, zonder te doen -wat hij moet verrichten,” luidde steeds zijn woord. - -En zijn voorbeeld gaf velen de beradenheid en kalmte van geest terug, -die zoo noodig waren in deze dagen van angst en spanning. Zijn vast -vertrouwen op Gods vergevende liefde hergaf de rust aan fel geschokte -gemoederen, zijn onvermoeide ijver wekte in de harten van allen, die -zijn gloedvolle predikingen hoorden in den Dom, het vurig verlangen om -te helpen, te redden, de hand aan den ploeg te slaan als hij. - -Zoo herstelde het voorbeeld van een enkele de rust in een door de meest -tegenovergestelde gevoelens geslingerde menigte, die thans de overvolle -stad herbergde. - -Maar de tijd drong. Nieuwe vluchtelingen brachten nieuwe -onheilstijdingen. Roovend en plunderend trokken de Denen door het land. -Tevergeefs had Rolfr Jarl, zoodra hij zich aan hun hoofd stelde, -aangedrongen in den krijgsraad om terstond naar Utrecht op te rukken. - -Over den ganschen omtrek scheen de adem des doods te zijn heengestreken: -platgebrande velden, het gezaaide en bloeiende vertreden, de woningen -verwoest, de menschen verjaagd of gedood.... Het deed den bisschop met -stijgend verlangen uitzien naar den terugkeer van graaf Frethibold. Hij -moest immers komen aan het hoofd van een welgewapend heir.... - -De toppen van beuk en linde in den tuin van het Bisschopshof werden rood -gekleurd door het licht der scheidende zon, toen de vurig verwachte -eindelijk keerde -- slechts door zijn lijfwacht vergezeld. In hevige -gemoedsbeweging zag bisschop Ansfried hem komen, met uitgestrekte hand -ging hij hem tegemoet. Men zag het noch aan zijn uiterlijk noch aan zijn -bewegingen, dat hij de laatste dagen zelfs bij nacht geen rust had -gekend. - -„Frethibold, gij zijt alleen? Welke tijding brengt gij? Volgt u een -leger? Het is hoog tijd, zal dit land niet geheel verwoest en deze stad -behouden blijven.” - -Frethibold schudde het hoofd. Nieuwe kracht rustte op zijn gelaat. -Blijkbaar had de afwisseling der reis hem gestaald. De blik zijner oogen -echter werd grenzeloos weemoedig bij ’s bisschops vraag. - -„Heer, al mijn pleiten, mijn aandringen op hulp bleef tevergeefs. De -jonge keizer gelooft vast, dat weldra de wereld in vlammen zal opgaan. -Zijn hofgezin gelijkt een schare boetelingen, hijzelf, de eigen -kleinzoon van Otto den Groote, geeselt zich driemaal daags ten bloede -toe en bidt aan het graf van keizer Karel te Aken. - -Kluizenaars en pelgrims uit Italië, waaruit hij sinds enkele weken -terugkeerde, wisten tot hem door te dringen, nadat zij op de straten van -Rome en Parijs de onheilsmare hadden verkondigd. Mannen, vrouwen en -kinderen volgen in onafzienbare rijen, met gescheurde kleederen, de -hoofden met asch bestrooid, huilend, kermend of biddend. Iedereen denkt, -vol angst, alleen aan de naaste toekomst; het heden heeft voor allen -zijn beteekenis verloren. - -„Hulp vraagt gij mij tegen de Denen? Weet gij dan niet, hoe in mijn -Duitsche gouwen boeren en hoorigen roovend en moordend het land -afloopen, zonder dat ik mijn krijgsbenden tegen hen uitzend? Waarvoor -zou het baten? Over enkele dagen is alles voorbij.... Red daarom uw -ziel, graaf Frethibold! Schud van u de wereld en haar zorgen! - -Gij wilt tegen de Denen optrekken? Ik zeg u, dat het de duivel met zijn -booze geesten zelf is, die zich vermommen in hun gedaante! Weersta hen -niet, vlied hen en doe boete!.... Red uw ziel!”.... Zijn oogen, de -schitterende blauwe oogen, die ook Otto de Groote bezat, gloeiden mij -tegen als twee vurige kolen, diep lagen zij gezonken in de kassen. -Geeselslagen striemden onafgebroken zijn rug, in stroomen vloeide zijn -bloed, tot zijn brandende oogleden zich sloten en hij nog eenmaal -fluisterde met bezwijkende, klanklooze stem: - -„Het oordeel komt, graaf Frethibold! Doe boete!”... Terwijl de artsen -kwamen om den keizer bij te brengen werd ik naar buiten gevoerd. Ook -daar klonken slechts geween en jammerkreten; de Dom en de kruisgangen -waren overvol door een saamgedrongen, wanhopige menigte. - -De zendeling Athanasius predikte: uit Italië is hij te voet alle -Duitsche gouwen, waardoor zijn weg voerde, doorgetrokken om het naderend -oordeel te verkondigen. Vele honderden zijn hem gevolgd, biddend, -kermend, honger en dorst verdurend, zware ketenen achter zich aan -sleepend bij dag, psalmen zingend in den donkeren nacht. Sommigen -kruipen op de knieën langs den weg, barrevoets, bloothoofds zijn allen. -Zij gaan tot hun voeten hen niet meer kunnen dragen, zij zingen tot de -stem hun den dienst weigert, zij staren biddend omhoog tot hun slapen -bonzen en het hun duizelt voor de oogen. - -„Boet uw zonden! Bekeert u! Het laatste oordeel naakt!” luidt de kreet -duizendmaal herhaald, voortgeplant langs de wegen door alle boetelingen, -wier stemmen smoren in krampachtig snikken. En hoe verder men komt in -Duitschland, hoe dieper men in Frankrijk doordringt, hoe grooter ook de -tooneelen van angst en wanhoop worden, naar men mij verhaalde. In Italië -stijgt de vrees schier tot razernij, evenals bij den jongen keizer. In -onze landstreken is het betrekkelijk rustig vergeleken bij de -radeloosheid, die in de zuidelijke landen allen heeft bevangen. Sinds -daar de schrikmare werd verspreid, hebben de volken zich op het einde -voorbereid en gebeden bij dag en bij nacht. Elders trekken troepen -gewapende boeren en weggeloopen hoorigen rond. Zij rooven en plunderen -wat zij begeeren en geven zich aan de meest uitgelaten brooddronkenheid -over. - -„Genieten, eer wij vergaan!” luidt hun leus en de ergerlijkste tooneelen -verdringen elkander. - -Dat zijn de berichten en ervaringen die ik meebreng van mijn reis. -Treurig zijn zij gewis.” Peinzend zag hij voor zich: „Een keizer, die -zijn kracht verteert in boetedoeningen, een radelooze menigte, die zijn -voorbeeld volgt, kluizenaars schier waanzinnig van dweepzucht, -brooddronken plunderaars, aan alle uitspattingen overgegeven -- daaruit -bestaat thans de wereld, die haar plichten vergeet en haar schuld -vergroot. O, was ik slechts in staat die verblinden de oogen te openen! -Mijn leven zou ik er voor willen geven!” - -Opmerkzaam zag bisschop Ansfried hem aan. Zijn gelaat was gebruind door -wind en weer, kloek hield hij het hoofd opgeheven, een heldere blik -tintelde in zijn oogen. - -De bisschop trad op hem toe en legde de hand op zijn arm: - -„Frethibold, vruchteloos schijnt uw reis en toch was zij een gezegende. -Gij hebt bij het zien der ellende van anderen uw eigen leed leeren -vergeten. Omgord met nieuwe kracht heeft u dit gevoel. Dank God -daarvoor. Wie zijn leven zal willen verliezen zal het behouden, wie zich -zelven kan verloochenen wordt door God gezocht. Gij zijt als gewekt tot -nieuw leven. Dank den Heer!” - -Bewogen drukte graaf Frethibold den spreker de hand: - -„Gij hebt gelijk, God is goed. Hij heeft mij het beste gegeven: -zelfvergetelheid. Nu kan ik Hem danken als het einde daar is.” - -„En tot die ure komt, waarvan niemand weet dan de Vader alleen” -- hoe -beteekenisvol werd het opnieuw gezegd -- „zullen wij allen volharden -zoowel in onze kleine, dagelijksche plichten als in de groote, die het -leven van ons eischt. Wie waagt te beslissen wat bij God groot is of -klein? - -Niet uit waken en bidden alleen bestaat het leven. God vraagt onze daden -zoolang Hij ons hier op aarde laat. En wie zijn bestaan wil geven voor -de vrijheid van het volk waartoe hij behoort, wie bereid is te vallen -voor zijn aardsch vaderland, vervult een hoogen plicht. - -„Volhardt ten einde toe!” luidt de eisch van den Heer. Laat ons dit -woord opvolgen met Zijn hulp, alsof ons nog vele jaren wachten op aarde, -zonder echter Hem te vergeten, Die ons wellicht oproept uit den strijd -nog voor het einde komt voor alle levens. Zijn wij te midden van het -leven niet altijd in den dood? Waartoe dan die onrust: geheel ons lot is -in Zijn hand.” Hij voerde Frethibold naar het venster: een donkerroode -gloed kleurde aan den horizon den avondhemel. - -„Ginds rooven en moorden de Denen. Bij Leithen zijn zij Kennemerland -binnengevallen, Aemstelland en Amuda werden door hen gebrandschat, -daarna zijn zij door het Almeri langs de kust van Nardengerland de Eem -opgezeild naar den Ravenhorst, waar Rolfr Jarl zich met zijn soudenieren -bij hen heeft aangesloten. - -Vurig had ik gehoopt hen met voldoende heirkracht te kunnen tegentrekken --- het was tevergeefs. Misschien hechtte ik te veel aan hulp van -menschen. Moge thans God ons schild zijn, ons wapen ons goed recht. - -Morgen bij het rijzen der zon dagen wij hen in het open veld uit tot den -strijd. Ik heb mijn ridderzwaard neergelegd op het altaar, toen ik tot -den dienst der kerk werd gewijd, thans echter in dezen grooten nood -gevoel ik, dat God mij terugroept in het leger. Maak dus uw -toebereidselen; op u rust de plicht de krijgsbenden aan te voeren. - -„Heer bisschop, u behoort die eer!” - -„Mij zult gij vinden waar het gevaar het grootst is. Laat mij thans -echter alleen: straks moet ik de gemeente voorgaan in den Dom; ik hoop -ook u daar niet te missen.” - -Terwijl Frethibold ging zag de bisschop hem ernstig na: - -„Is het mijn plicht het hem nu te zeggen?” Zware tweestrijd deed hem -weifelen, vele oogenblikken, toen was zijn besluit genomen: „Neen, thans -niet. Na den strijd. Het zou hem nu aftrekken van zijn plicht.” - - [22] - - Var Bier sen volt returner - E vers Danemarche sigler - Kar oies aveit noveles - De le qui mult li erent beles - Un mult gros vent e une bise - Le rameine tut dreit en Frise - La ariva la pristrent proz - Là dit l’estorie quil fu morz. - - (Chronique M. S. de Normandie de Benoit de Saint Maur.) - - - - -HOOFDSTUK XXIV. - - -De nacht was voorbijgekropen onder angstig bidden en berouwvolle -klachten of doorgebracht met lofzangen van vast vertrouwen en geloof. -Vergeten was alles wat behoorde tot de aarde. De overtalrijke bevolking, -die Utrecht thans omsloot met haar paalwal en poorten, was opnieuw -saamgestroomd in de verschillende kerken der stad, de Dom kon niet allen -bevatten. Thans rees de nieuwe morgen -- de laatste welke de oude aarde -zou aanschouwen. - -Want de langste dag was aangebroken! - -„Ik zal heden ingaan in Gods heerlijkheid! Geprezen zij Zijn naam!” -prevelde oude Lisa. Zij lag geknield in het voorportaal van den Dom. -Trutha bevond zich naast haar. - -„Lisa, o, Lisa.... Zal de Heer ook Yglo verlossen uit den kerker?” - -„Zeker doet Hij dat, kind! Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen.” - -„Dan” -- fluisterde de bleeke Trutha, „ben ik blij, dat het einde komt!” -Een weinig verder hief Henno de gevouwen handen op: - -„Laat mij niet zoo sterven, Heer! gescheiden van mijn kind! Wees -barmhartig, laat mij hem mogen verlossen uit dat donkere -burchtverlies.... Hand in hand wachten wij dan uw komst af bij het -bazuingeschal der engelen”.... - -Weerklonk dat reeds nu? Luid schetterende tonen deden de knielende -menigte ontsteld overeind rijzen, in de grootst mogelijke spanning, in -verbijsterende verwarring. Het snikken der vrouwen en kinderen vermengde -zich met de gebeden van geestelijken en leeken. Maar in de geopende -kerkdeur klonk een vaste stem: - -„Mannen van Utrecht, te wapen! De bisschop beveelt het! Grijpt schild en -speer! Op! De Denen tegemoet!” - -Verbaasd richtten zich aller blikken op den spreker: Unruoch van -Teisterbant. Zijn oogen schitterden hun tegen onder den glanzenden helm, -zijn ijzeren rusting rinkelde, het breede slagzwaard blonk in zijn vuist -als het wapen van het recht. - -„Op, wakkere mannen! De soudenieren van het Sticht scharen zich reeds in -slagorde, de bisschop zelf stelt zich aan hun hoofd. Komt, om de -vijanden van ons geloof, de belagers van ons volksbestaan te helpen -verdrijven uit ons land!” - -Zij zagen zijn bezielden, van strijdlust gloeienden blik en -- -ontstelden schier. - -„Jonker Unruoch!” riep een oud man, -- „strijden op den laatsten dag! -Laat ons in vrede bidden, eer wij sterven!....” - -Tot eenig antwoord hief Unruoch zijn zwaard op, helle vonken schoot het -in het morgenlicht. - -„Bidden wilt gij? Waarvoor? Om vergeving af te smeeken voor uw lauwheid -en plichtverzuim? Ginds” -- met zijn zwaard wees hij de richting aan -- -„plunderen en stroopen de Denen. Indien zij het platte land niet hadden -afgeloopen en verwoest, lagen zij reeds voor de poort. Voorwaarts alzoo! -Hun macht vernietigd eer zij hier de kerken in een vuurgloed doen -verteren en ons de lansenmis zingen! God ziet u! En, wanneer gij de -Denen verslaat, wie zegt, dat gij dan niet den Antichrist velt met zijn -heir van booze geesten?” - -Als een schok doortintelde ieder dit laatste woord. De Antichrist zou -verschijnen eer het einde kwam, zoo was het voorspeld.... Door hem te -weerstaan werd zonde en schuld geboet. God wilde het! Was niet reeds -door menigeen de woeste Rolfr Jarl vereenzelvigd met den Antichrist? -Vastberaden, als gewekt uit een verdooving, stormden de mannen naar -buiten. Het zou een ontembare schaar zijn, die Unruoch in het veld -voerde. Graaf Frethibold zag hem zijn manschappen opstellen voor het -Bisschopshof. Het was een zonderlinge strijdbende: ieder voerde het -wapen, dat hij bezat, zonder eenige regelmaat of orde, maar dezelfde -moed en strijdlust blonk uit aller oog. - -Hij zag den slanken jongeling vol gloeienden ijver, allen bezielend door -voorbeeld en woord.... - -„Zoo als hij zou thans mijn zoon zijn geweest! Ach, waarom word ik -steeds opnieuw herinnerd aan mijn verlies!” Een gesmoorde zucht -ontsnapte zijn lippen, toen richtte hij het gebogen hoofd op: - -„Het was Gods wil. Ik had mij moeten buigen en ik liet mij breken door -het lot, dat mij door Hem werd opgelegd. Heer, vergeef, en laat mij -weldra mijn lieve vrouw, mijn dierbaar kind hervinden bij U!”.... - -Hij wendde zich af en gaf den boogschutters zijn bevelen. - -Aan de spits der ridders en ruiters van het bisdom verscheen de bisschop -zelf. Niet als een held die heenrijdt naar het slagveld. Harnas noch -pantser omgordde zijn leden, uit geen blinkenden helm golfden de -zilveren haren van den grijsaard, die fier en ongebogen zijn ros in toom -hield met vaste hand. In breede plooien viel het violetkleurig -opperkleed van satijndamast met goud passement geboord hem over de -schouders, zijn rechterhand hield den kromstaf, zijn vinger droeg den -gewijden ring. Langzaam reed hij langs de opgestelde gelederen. - -„Mijne kinderen, ik groet en zegen u in des Heeren naam! Denkt aan het -woord van Joab: Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor -de steden onzes Gods!”[23] Volbrengt uw plicht tot uw laatsten -ademtocht, maar koestert haat noch oefent wraak! Gerechtigheid zij uw -wapen, het geloof in Gods albestuur uw schild. Voorwaarts thans! Ik -voer u niet aan in den strijd, maar ga u voor in den slag!” - -„Heer bisschop, zonder wapen! U treffen de Denen het eerst!” - -„Wie door God wordt beschermd is welbewaard. Bekommert u niet om mij. -Laat God zorgen en doet uw plicht. Voorwaarts kinderen! Te hulp hen, die -vergaan! Wyc staat in brand, bewaart Utrecht voor hetzelfde lot! God -bescherme onzen tocht!” - -„God bescherme ons!” herhaalden allen. Over de ratelend neergelaten brug -volgden soudenieren en burgensen bisschop Ansfried in het vrije veld. -Wonderbare kracht, die uitging van een enkel man, welke zijn plicht -hooger stelde dan het leven! Terneer gebogenen richtte hij op, van -vreesachtigen vormde hij helden, zij, die daareven sidderden voor den -dood, deed hij thans den dood in het aangezicht zien, onverschrokken, -vast besloten stand te houden tot het uiterste voor de heiligdommen en -voor huis en haard. - - [23] 2 Samuel 10 vers 12. - - - - -HOOFDSTUK XXV. - - -Ondanks het heftig verzet van Rolfr Jarl was het gansche platte land om -Wyc en ten laatste die stad zelf, door de Denen geplunderd en -gebrandschat. Tevergeefs had hij geraden, gedrongen om terstond naar -Utrecht op te rukken, had hij gewaarschuwd voor de voortvarendheid van -bisschop Ansfried. Niemand der strijders, brooddronken van roof en -gemakkelijk vergaarden buit, sloeg acht op zijn woorden. Zelfs de voor -dezen tocht door hen gekozen „zeekoning”, Viking Harald Sigvatr, haalde -de forsche schouders op. - -„Laat hen! Wij zijn sterk genoeg om over eenige dagen ook Utrecht in te -nemen en plat te branden. Nu Wyc in puin ligt kunnen wij het immers -gemakkelijk bereiken, zegt gij. Gun hun dus dit tijdverdrijf, zij hebben -een zware zeereis doorgemaakt.” - -Rolfr Jarl was genoodzaakt toe te geven. Het kostte hem reeds moeite -genoeg den Viking te doen gelooven, dat Olaf door ongesteldheid werd -weerhouden zich bij het leger te voegen. - -„Een Noorman is niet ziek, maar strijdt tot hij sterft om door Walküren -te worden gevoerd in Alvaders hal.” - -Met verstoord wenkbrauwfronsen had Harald Sigvatr zich afgewend, terwijl -hij dit antwoord gaf en ten tweeden male was Rolfr verplicht te zwijgen. - -Zoo waren drie dagen voorbijgegaan. Thans verrees de zon omgolfd door -breede stralenbundels van purper en goud, een wonderschoone dag was -verrezen. De Noormannen juichten. Midzomer was daar. Nog dien eigen -avond zouden ruiters en rossen den sprong wagen over het hoogvlammende -vuur. Gelukte die sprong, een jaar van heil wachtte den voorspoedigen -ruiter. Bij harpslag en bekerklank werd hij gehuldigd, heil hem -toegedronken bij het schallen der horens. Maar eerst zou de rijzende dag -allen voeren ten bloedigen wapendans.... - -De laatste hoeven gingen in vlammen op, nog een enkel uur was allen -toegestaan om de waarderobe te vergrooten, die reeds in het scheepsruim -was geborgen, dan gold voor het leger Utrecht als eerste doel van den -verderen tocht, terwijl de vloot verder zou opzeilen. Reeds werden de -ankers gelicht, ongeduldig wachtte de man aan het roer op het sein van -vertrek.... „De wind, die den wil der goden weet, wijst den weg, -welgevallig blaast hij bollend de zeilen”.... zong bij zijn harp Rolfrs -grijze Skald... - -Eenige uren waren voorbijgegaan, weldra zou de zon haar hoogste punt -bereiken, gloeiend als een gouden brand waren haar stralen, zij -verzengden het gras, en bedwelmden de menschen. Keerde daarom een kleine -bende, die had gezwermd door het veld, zoo overhaast terug? Zocht zij de -schaduw der boomen bij den middaggloed, of was daar een andere reden? - -Onder de groene bladerzee van een breeden eik ging Rolfr Jarl ongeduldig -op en neer. Ademloos berichtte hem de aanvoerder der bende: - -„Jarl, een talrijke krijgsmacht rukt aan op den heirweg. Zij komt van de -zijde waar Utrecht ligt. Een grijsaard rijdt aan de spits naast een -gepantserden ridder, boven hun hoofd wordt de banier van Sint Maarten -geheven, violetkleurig is de mantel van den grijsaard”.... - -Een met moeite bedwongen kreet ontsnapte Rolfr. - -„Hij of ik! Lang geleden heb ik het gezworen, nu is het uur -aangebroken!” - -Het was of hij voor het laatst zijn woest, teugelloos leven langs zich -zag voorbij trekken, met de eenige taak, die hij zich ooit had gesteld. -Medelijden met den man, dien hij reeds zooveel leed had berokkend, kende -hij niet. De schande die hij, bij nederlaag, over zijn eigen hoofd -bracht deerde hem evenmin, de verachting der menschen was hem -onverschillig. Wraak riep hem en voor die roepstem was hij nooit doof -geweest of had hij geaarzeld met zijn antwoord. - -Ook thans zette hij zijn horen aan den mond, ver in het rond schalde de -toon. Hij wist, dat de Denen hun tegenstanders ver in aantal -overtroffen, hij voelde zijn macht, dàt was leven.... „Rolfr Jarl -geneest heden zijn wonden, al bekoopt hij het met den dood,” mompelde -hij voor zich heen. Toen zond hij zijn ruiters weg om plunderaars op te -vangen, om anderen, die mondvoorraad roofden, te zoeken. De bewakers der -vloot werden gewaarschuwd, de voetknechten in slagorde gesteld. Weldra -zetten zij den weg af of lagen verborgen tusschen het kreupelhout, -waardoor de heirbaan werd omzoomd. Zoo wachtten de Denen de mannen van -Sint Maarten af. Nog enkele oogenblikken en een plechtige zang golfde -hun tegen. Door de geestelijken werd hij aangeheven, die de banier hoog -hielden boven het hoofd van den bisschop. Voor zoover zij latijn -verstonden vielen de leeken mee in: - - „Media vita in morte sumus, - quem quaerimus adjutorem, - nisi te domine, qui pro peccatis - nostris juste irasceris - Sancte Deus[24] - -Terwijl ruiters en voetknechten in dichte gelederen naderkwamen, zagen -zij de donkere menschenschaduwen op het groene veld. Wapens flikkerden -en daarboven straalde de zon en weerkaatste haar glans in die werktuigen -des doods. - -„Unruoch, hoe groot schat gij den vijand?” vroeg de bisschop. - -Unruoch hief zich op in de stijgbeugels: - -„Het kreupelhout glinstert van wapens, de heirweg en de stroom zijn vol -helmen en houwers, vele honderden in aantal, gewis. En ginds rent een -dicht aaneengesloten bende het veld in en vele schepen der vloot varen -met hun bemanning rustig verder. Daar wordt geen boogschot gedaan, geen -pees gespannen. Willen de Denen ons omsingelen of den terugweg -afsluiten?” - -„Dat moet hun worden belet!” - -De stem van den bisschop klonk boven gedruisch en wapengekletter als -vele jaren vroeger, toen zij haar bevelen gaf in het ruitergevecht. Hij -wenkte graaf Frethibold aan zijn zijde. Zacht maar zakelijk klonken zijn -woorden. Toen werd Henno, wiens reis naar Aken niet noodig was geweest, -met Gerlach, waarmee hij groote vriendschap had gesloten, teruggezonden -naar Utrecht. - -„Het is hoog tijd, dat wij komen!” riep Unruoch weer. „Ziet dien rooden -gloed in de verte! Weer branden er hoeven!” - -„Daar ligt, geloof ik de Hohorst; heer bisschop, red uw stichting!” viel -graaf Frethibold in. - -Bisschop Ansfried schudde het hoofd: „Wij mogen onze geringe strijdmacht -niet verbrokkelen. God zelf zal haar beschermen, redden wij de vrouwen -en kinderen, die te Utrecht weerloos achterbleven voor het geweld der -Denen! - -„Ziet, daar rennen reeds de voorste ruiters!” hernam Unruoch. Hij rukte -zijn zwaard uit de scheede en zwaaide de kling boven zijn hoofd. - -Graaf Frethibold smoorde een bitteren uitroep: in hun aanvoerder had hij -Rolfr, „den Deen” herkend. - -„Groote God, sta ons bij in den ongelijken strijd!” fluisterde bisschop -Ansfried. Want de vijanden overtroffen ver in aantal zijn geringe macht -van te voet vechtende soudenieren en den slechts half voltalligen -heerban. - -„Wij strijden voor vrijheid en recht. Die wetenschap schenkt iederen arm -tienvoudige kracht!” riep Unruoch, met gloeiende trekken. - -„Steekt de horens, zwaait de banier! Laat een zang van zege en glorie -weerklinken!” klonk het bevel van den bisschop. - -„Wie weet hoe ras overstemd door de bazuin van het jongste gericht,” -mompelde graaf Frethibold zacht. Maar hij gaf het verlangde teeken. Van -beide zijden suisden de eerste pijlen, zij troffen geen wit. Als -verbijsterd was de kleine ruiterbende, hiermee ook het voetvolk in -verwarring brengend, teruggedrongen op het gezicht van de breede -gevechtslinie der Denen. Toch zagen zij die niet geheel. De -linkervleugel werd verborgen door bosch en kreupelhout, zoodat het -gedeelte, door graaf Frethibold als uiterste stelling aangezien, alleen -het centrum vormde. Een derde der tegenstanders bleef zijn geringe macht -op deze wijze onbekend -- tot haar geluk. - -„Voorwaarts kinderen! Waarvoor zoudt gij vreezen? Met dien ongeregelden -hoop komen wij spoedig klaar!” - -Door Unruoch en zijn onmiddellijk gevolg omringd snelde hij zoo -onstuimig voorwaarts, dat de aarzelende ruiters, die nu weer stand -hielden, zich nauwelijks bij hem konden aansluiten. - -Zonder zich te verroeren wachtten de in kamp en strijd vergrijsde Denen --- Harald Sigvatr en Rolfr Jarl bevonden zich aan hun hoofd -- de -naderstormenden af. Zonder een speer te werpen of een boog te richten, -lieten voetvolk en ruiters -- het waren meest in ’t land geroofde -paarden, die de Denen bezaten -- hun tegenstanders naderen. - -„Schiet nu! Stoot toe!” beval Harald. En met de snelheid van het -weerlicht wierp zich het geheele centrum op ruiters en rossen. De schok -was geweldig; de voetknechten sneden de pezen der paarden door, om -daarna handgemeen te worden, de ruiters bekampten elkander met het -zwaard. Maar kloek hielden de burgensen stand. - -„Vooruit kinderen! Houdt u goed! De zege is ons!” riep hun aanvoerder. -Zijn blinkend zwaard schoot vonken, allen vooruit drong hij in op den -vijand. Met verbazing zag de bisschop het. Was dat de sombere, hopelooze -gouwgraaf van weleer? Dicht aaneengesloten volgden hem de soudenieren, -als een hagelstorm bij winternacht snorden hun pijlen van den boog. -Eensklaps dreef een gepantserde gestalte zijn paard door den warrelklomp -van strijders. Het was Rolfr Jarl. Hij had den veel gehate, lang -gezochte in het oog gekregen. Trotsch strekte hij zijn hand uit, het -was als wilde hij haar leggen niet op den man, voor hem, maar op de -macht, die dezen behoorde. Zijn stem klonk hijgend: - -„Laat mij door! Een zwaardslag moge eindelijk tusschen ons beslissen! -Laat zien of zijn witte afgod hem beschermt!” - -Met een forschen sprong van zijn vurig paard brak hij zich baan en -bereikte den bisschop, die hem afwachtte ongewapend, onbevreesd. - -„Sterf christen!” hoonde de Noorman, en hief met beide handen zijn breed -slagzwaard op. - -„Maar gij het eerst!” dreigde graaf Frethibold, naderspringend op zijn -zwarten hengst. Meteen stiet hij zijn zwaard in de okselholte van Rolfrs -pantser, waar dit onbeschermd was door den hoogopgeheven arm, die het -zwaard richtte. Het wapen ontviel de geweldige vuist van den Noorman, -kermend stortte hij uit den zadel, paardenhoeven gingen over hem heen. -Verbijsterd van schrik zagen zijn ruiters hem vallen. - -„Rolfr Jarl, de onkwetsbare en reeds nu, bij het eerste treffen!” - -In verwarring wendden zij hun paarden, sleepten anderen mee. Het gevecht -dreigde te ontaarden in een wilde vlucht. - -Harald Sigvatr zag het. Hoog zijn reusachtige gestalte opheffend, -trachtte hij de vluchtelingen tot staan te brengen met beloften en -dreigende woorden. - -„Vernietigt hen of zij doen het u! Op! Den vijand tegen! Hij vlucht -reeds op uw gezicht!” - -„Zegevader, bij u is de overwinning!” juichten vele stemmen. Terwijl op -zijn bevel het beweginglooze lichaam van Rolfr Jarl naar een der schepen -werd gedragen, volgden de Denen opnieuw hun onverschrokken Viking. Uit -het kreupelhout vloog thans een wolk van pijlen. - -„Knielt! Dan snorren zij over uw hoofden heen! Mikt op het kreupelhout, -daar glinstert het van stormkappen en wapens!” beval graaf Frethibold. -Het was of hij in zijn borst al de pijlen wilde opvangen, die zijn -soudenieren moesten treffen. - -Te midden der wilde, vernieuwde worsteling stormde een kleine drom -Deensche voetknechten onstuimig op hem in. De beide eersten reed hij -omver met zijn paard, doch in het eigen oogenblik suisde een speer: op -de voegen van zijn rusting, bij den halsberg was zij gericht. De stoot -zou doodelijk zijn geweest, indien Unruochs zwaardhouw de spits niet had -gescheiden van de schacht. Hoog wierp hij haar over de rijen der -strijders, toen stiet hij den voorsten aanvaller terug en reed diens -makkers onder den voet. Verschrikt vluchtten de overigen, graaf -Frethibold greep de hand van Unruoch: - -„Hoe zal ik u ooit kunnen danken, gij hebt mijn leven gered!” - -„Spreek daar niet over! Gij zoudt hetzelfde voor mij hebben gedaan!” - -Beider oogen ontmoetten elkaar en de gouwgraaf verbleekte. Moest hij -zelfs te midden van het rumoer van den slag worden herinnerd aan zijn -verloren geluk? Lang geleden had hij dien zelfden blik gezien -- in de -zielvolle oogen zijner vrouw. - -Maar thans gonsden opnieuw uit het kreupelhout aan weerszijden van den -weg de pijlen in zulk een dichte menigte, dat zij vriend en vijand -tegelijk troffen. Onafgebroken klonk het snorren der pezen, het suizen -der pijlen. Menige strijder viel, de ruiters met hun paarden, de -voetknechten waar zij stonden. - -Rondom de banier, die nog steeds boven het hoofd van den bisschop haar -breede banen uitsloeg, had zich een uitgelezen groep geschaard. Het werd -een zware kamp. Met woord en voorbeeld moedigde Harald Sigvatr zijn -Denen aan, zelf stormde hij aan hun hoofd los op de ijzeren haag van -schilden en speren. De levenlooze lichamen der neergehouwen helden van -beide zijden lagen dooreen in groot aantal. Het bracht niemand aan het -wankelen. De dooden hadden hun plicht gedaan. Vol mannenmoed volgden de -levenden hun voorbeeld. Het zwaard van Harald deed opnieuw een -bloedstroom vloeien, zijn oog en doel bleef de verachte bisschop der -christenen, en de banier met het kruis. Tot nu toe was zijn aanval op -dit symbool der christenheid tevergeefs geweest, het zou niet langer -zijn. Zijn hand greep de gewijde vaan, een krakende slag spleet reeds de -schacht, toen een luid geschreeuw op den heirweg hem het hoofd deed -omwenden. Die beweging, vluchtig als een ademtocht, besliste den strijd. -Met beide handen zijn geweldig zwaard opheffend, scheidde de gouwgraaf -met een enkelen dreunenden slag hem het hoofd van den romp en terwijl -de Denen, in verbijstering over den dood van hun aanvoerder, de wapens -neerwierpen, greep Unruoch het paard van den bisschop in den teugel en -voerde hem weg uit het woest tumult naar veiliger, vrediger oord: den -Hohorst. Op den heirweg vertrapten in wilde vlucht de Denen elkander in -hun waanzinnige haast om op de schepen hun leven te redden. Want de -achterste gelederen keerden zich tegen de voorste en versperden dezen -den doortocht. Als een verward kluwen betwistten de Denen elkander -iedere schrede, het dreigend geroep herhaalde zich: een kleine bende -landbewoners uit den omtrek, door Henno aangevoerd, stormde onder luide -verwenschingen in op de achterste gelederen. Sommigen van hen waren -tegenwoordig geweest bij het offer, door Rolfr Jarl gebracht. Zij -herinnerden zich de woorden, door hem bij den grafheuvel van Roruk -gesproken -- dat was dan de uitkomst van zijn voorzeggingen en beloften! -Een nieuwe inval der moordende en plunderende Deensche benden!.... Haat -en woede maakte van geringe vrijen, van de meest verachte eigenhoorigen -helden. Zij volgden Henno, die zich aan hun hoofd stelde zonder beraad. -Zwervend door het veld, beroofd van hun ellendige woning of geringe -have, hadden zij, zonder aanvoerder zelf geen aanvallers durven zijn. -Blootshoofds, barrevoets volgden zij hem, gewapend met kodde en -herdersstaf, met woesten wrok in het hart. En hun aanval bracht de -verwarring te weeg -- die hier de aanvang werd van de volkomen -nederlaag der Denen: beroofd van hun dapperen aanvoerder kozen zij de -vlucht als eenige uitkomst. - -Voort joegen zij, voort, naar de schepen, thans hun redding; vergetend, -dat hun nederlaag in zegepraal zou kunnen eindigen, als zij Utrecht, het -nu geheel van verdedigers ontbloote Utrecht konden bereiken. Voort -renden zij, voort, hun laatsten pijl afschietend, zich met de vuisten -een weg banend, elkander iederen duimbreed gronds betwistend. Dwars over -de velden stormden zij, vluchtend door het rietgras, dat menigmaal met -zijn sierlijk wuivende pluimen het verraderlijk moeras bedekte, waardoor -ieder, die waagde zijn vrijen grond te drukken, werd meegesleurd naar de -diepte. Geduchter ketenen voor den vermetele dan boeien van ijzer ooit -konden zijn. Het moeras voerde de vluchtenden in den dood en die achter -hen waren snelden over hen heen of zonken, om een gelijk lot te vinden, -in de taaie modder, waar hun de genadeslag wachtte der mannen van -Utrecht. - -Anderen, gelukkiger, slaagden er in over den heirweg naar de schepen te -ontkomen. Zij waadden door den stroom, riemen werden hun toegestoken, -zij werkten zich aan boord... „Gered!” klonk de schorre juichkreet -honderdwerf herhaald. Zij grepen roer en touwen, spanden de zeilen, -nieuwe vluchtelingen kwamen... „Naar Utrecht!” luidde de algemeene -kreet, door een nieuwen pijlenzwerm gevolgd, nu afgeschoten van het -veilige dek. - -Graaf Frethibold zag het rustig aan, de pijlen troffen geen doel en de -wind blies niet in de zeilen in de gewenschte richting. Zwaar zou het -den afgematten strijders vallen alleen met behulp der riemen eerst het -Almere en dan, door de Vecht, Utrecht te bereiken; àls zij dit -bereikten. Want reeds moest Gerlach, op zijn last teruggekeerd, daar -over den heirweg zijn aangekomen. En de weinige achtergebleven wachters -hadden thans gewis zijn bevel reeds volvoerd om alle beschikbare -schuiten en koggen dwars in de rivier te laten zinken. Dit zou de -nadering onmogelijk maken voor iederen vijand. - -Een woest gehuil, opklinkend van een der grootste schepen, voerde zijn -gedachten terug, een kreet van ontzetting ontsnapte ook zijn lippen. -Rolfr Jarl, ontwaakt uit zijn bezwijming, stond bij het roer van het -bevelhebbersschip. Zijn eigenaar, de gevallen Viking, verbloedde -verlaten op het veld. Vertrapt was zijn lichaam door vluchtende menschen -en steigerende paarden. In ongeregelde drommen, met opgeheven armen, de -wapens wegwerpend, vluchtten nog altijd de Denen verder landwaarts in of -bestormden zij de schepen, over lijken of met bloed doorweekt slijk, -achtervolgd door een schier razende menigte. Tusschen de angstkreten der -vluchtenden en het gekerm der gewonden rezen de juichkreten der -overwinnaars. - -Rolfr ving beide op. Sloeg de gewisheid, dat alles verloren was voor -zijn volk, voor hem, ook zijn geregeld denken in boeien? - -Met een brandende toorts rende hij langs het scheepsboord, de helm was -hem ontvallen, wild zwierden de dichte haren hem langs het woest -gelaat. - -„Lafaards! Vluchtende gezellen, gaat! Van hier! Vlucht ook van hier! Ik -wil het! Laat mij alleen, ook in den dood alleen!” - -Als een razende zwaaide hij de brandende pijnhoutspaan. De spattende -vonken vielen overal, weldra dansten vurige vlammentongen om het droge -touwwerk en over de opgetaste waarderobe op het dek. Tevergeefs -trachtten de schepelingen hem de brandende fakkel te ontrukken, of de -vlammen, die de opstekende wind aanwakkerde, te dooven. Met de -reuzenkracht van den waanzinnige sloeg hij de helpende handen van zich, -zengde hij met de gloeiende toorts zijn redders haren en gelaat. Zij -moesten het allen opgeven tegen dien eene, die niets menschelijks meer -bezat, die hen vervolgde, voortdreef over het schip in stormende vaart, -onder het uitstooten van rauwe kreten, een roofdier der wouden gelijk. - -De in den krijg geharde mannen zwichtten voor deze overmacht, zij -sprongen over boord, om zwemmend een der overige schepen te bereiken of -bij hun vernieuwde vlucht te vallen onder de pijlen der Utrechtsche -burgensen. - -Nog eenmaal klonk Rolfrs honende schaterlach. Hij stond op de voorplecht -alleen, om hem sloegen reeds de vlammen, die hoog opkringelden om den -mast. - -„Lafaards, gij allen! Weest vervloekt! Ik blijf en ga onder in den -vuurdood. Dan stijg ik op tot de goden, doch gij, nietswaardige -vluchtelingen, daalt af in den nacht! In hel zinkt gij, in hel!” - -Weer zwaaide hij in krankzinnige woede zijn toorts, hooger verhieven -zich de rosse vlammen, vleugels van vuur geleken de strakgespannen -zeilen. De wind wakkerde aan; met scherpen ademtocht blies en huilde -hij, driftige storm wolken met een eigenaardigen rooden gloed, joegen -donker langs het zwerk. Voort, op de vleugelen van den wind dreef het -drakenschip, voort.... Onbeweeglijk met door bloed beloopen oogen zag -Rolfr het aan. De gouden dolfijnen werden tot een vormloozen klomp, de -blinkende schilden langs het scheepsboord zwart van den rook, de zeilen -van zeehondenvel een hoogslaande vuurzuil, de geroofde schatten -verbrandden tot asch. - -Hij lachte, als het huilen van een demon klonk het. Want de vonkenregen -spatte over op de andere schepen, en de strijders van daareven met hun -bloedende handen, hun gewonde, van vermoeidheid bevende armen haastten -zich te blusschen, te redden wat nog te redden scheen. - -Rolfr Jarl lachte, zegevierend. Hij alleen stond in de vlammen, hij -vreesde noch bluschte ze. Nog eenmaal, toen de wind het gordijn van vuur -en rook terugsloeg, werd zijn forsche gestalte zichtbaar. Weggeworpen -had hij de vonkenspattende toorts, zijn geweldigen hamer met de -zegerunen zwaaide hij boven zijn hoofd als daagde hij een geheele -vijandige wereld uit ten kamp en strijd -- nog een oogenblik, toen viel -krakend de brandende mast neer met dof gedreun. De Noorman wankelde en -plofte voorover in den gloed, de vlammende zeilen bedekten hem -geheel.... Op de vleugelen van den wind vloog de vurige scheepsromp -verder, altijd verder naar de zijde van den Ravenhorst. - -Het landvolk uit den omtrek, wier ingrijpen de zege had beslist, die -terstond verder waren getrokken naar den gehaten dwangburcht en nu de -breede, gesloten poort rameiden van het schijnbaar verlaten slot, -snelden toe. Met haken en kodden gelukte het hun, na menige vergeefsche -poging, het gloeiende, half uitgedoofde wrak aan land te trekken en den -brand geheel te blusschen. Zij riepen en vroegen, maar aan boord gaf -niemand antwoord. - -In de verte zagen zij het overschot der ontredderde vloot. De gedunde -bemanning roeiend met al de kracht, die haar restte om het land te -ontvluchten, dat zij hadden willen maken tot hun roof en buit, tot een -vernederd wingewest. - - [24] - - Ons leven is, op aard ten deel slechts leven, - Wij zien den dood gestadig ons omgeven, - Wie schenkt ons kracht in ’t uur der scheidingssmart, - Dan Gij, o, Heer, gij rechter van ons hart? - Heilig God!” - - - - -HOOFDSTUK XXVI. - - -De avond daalde over de heide, scherp teekenden zich de bruine lijnen -van het landschap af tegen het koepelgewelf der lucht. Het laatste, -gloeiend purper was reeds lang uitgewischt, thans werden de wolken -gekleurd door een vreemden, rossen gloed. Het was alsof het uitspansel -plotseling zou worden verduisterd, bloedig scheen de hemel door een -opkomenden lichten nevel. - -Niemand der bestormers van den Ravenhorst sloeg er acht op. De breede -voorpoort van de buitenste gracht werd, na veel inspanning, -opengerammeid, neergelaten de onverdedigde brug. Thans was het -zegevierende landvolk de tweede gracht overgetrokken en dreunde onder -zijn bijlslagen de zware haldeur, waarachter de geringe bezetting -bescherming had gezocht, die met een flauwe poging tot verweer, haar -geringen voorraad pijlen afschoot door de smalle muuropeningen, meer -schietgaten dan vensters. - -De bestormers waren aanmerkelijk versterkt. Graaf Balderik van Hamalant, -de bewindvoerder van Drenthe, had zich met een gedeelte zijner -wapenknechten bij hen gevoegd, de overigen vervolgden op koggen en -schuiten het overschot der Denenvloot, dat door de Eem het Almere -trachtte te bereiken. - -Vrouw Sigrid zag het eene aan en het andere -- krampachtig waren haar -handen saamgewrongen, haar scherpe tanden knersten op elkaar. Zij stond -op den toren van het landkasteel, dat zoo menige bange klacht had -gesmoord achter zijn zware kerkermuren. Den wachter had zij weggedreven -met een snerpend: - -„Ga naar beneden! Verdedig je lijf, als je niet even laf bent als die -daar!” - -Haar hand wees naar de ontredderde, vluchtende Denenvloot. Met een -woeste beweging streek zij zich de grijze haren uit het gezicht, zij zag -de golven van de Eem, wonderlijk rood in de weerkaatsing der vreemd -gekleurde lucht. - -„Ik wou, dat ze allen verbrandden!” Haar stem werd verstikt door -machtelooze woede, zij zag, dat alles verloren was. - -Langzaam ging zij de steenen trap af, naar beneden, duizelend, tastend -naar een steun, zij, de vrouw, wier geestkracht steeds die van menigen -man had overtroffen. Zij had alles verwacht van de aarde en nu de -aardsche macht haar ontzonk, blikte zij in de leege ruimte, zocht zij -tevergeefs naar een staf om op te steunen. - -Zij begreep, dat het volk algemeen in opstand was gekomen tegen de -vermetele indringers. Plotseling zag zij allen, op wier bijstand zij -vast had gerekend, tegen zich gekant. Van een gravinnekroon had zij -gedroomd, als de regentes Luitgarde van Kennemerland sierde en de -werkelijkheid zou haar aanschouwen als gevangene of vervolgde -vluchtelinge.... - -Het was haar eensklaps of zij door vlammen werd omringd, een verterend -vuur, dat zij zelf had ontstoken. Een donkere gloed trok bij dit -denkbeeld over haar strenge trekken -- wees het haar een uitweg? - -Zij trad in de hal, waar zij de verdedigers vond van haar huis, -moedeloos, tot onderhandelen met de bestormers bereid -- hun laatste -pijlen waren verschoten. - -Swanwitha zag zij er bleek, gelaten tusschen de jammerende vrouwen. -Olaf, ernstig en kalm, bevond zich aan haar zijde. Hij had de -kortstondige verdediging bestuurd, nadat de aanval, op last van vrouw -Sigrid zelf, zijn kerker had ontsloten. Nu beraadslaagde hij zacht met -Lars, den ouden slotvoogd. - -Zij zag hem aan zooals een jager dat een gewonden wolf zou doen. Moet -hij den genadestoot nog hebben of heeft hij dien al beet?.... - -Maar geen radeloosheid, wel berusting las zij op zijn trekken. Het zou -dus aan haar zijn, hem dien stoot te geven. - -Zij wenkte hem met den slotvoogd haar te volgen, Swanwitha nam zij bij -de hand. Naar het kleine torenvertrek ging zij hen voor. Het eenige -venster gaf het uitzicht op het voorplein, zij aanschouwden den dichten -drom der bestormers. Weldra zou de poort bezwijken. - -„Ik heb heden een brandend schip gezien” -- ving zij aan. „Ik benijdde -allen, die zich er op bevonden. Zij vallen niet in de handen van dàt -gespuis.” - -Verachtelijk wees haar hand naar beneden. Zij wist niet wie zich had -bevonden op dat brandende schip! Bitter ging zij voort: - -„Ik kon hun dood niet deelen, maar ik wensch voor mijzelve een gelijk -einde. Ik zal nooit als gevangene staan voor dien christen-bisschop. Er -zijn pekkransen en teertonnen en ontvlambare stoffen genoeg in de -kelders.” - -Zij wendde zich tot Lars, gebogen door de jaren, door den druk der -dienstbaarheid. - -„Hoop ze op en steek ze aan. Gelast allen hier bijeen te komen. De -christenen mogen ervaren, dat niet slechts Odins zonen dapper en -onversaagd weten te sterven, maar, dat ook de vrouwen der Noormannen de -kracht bezitten om kloekmoedig hun lot tot het hare te maken.” - -Zij was altijd een onverschrokken vrouw geweest, zij bleef zichzelve -gelijk tot het bitter einde. Olaf voelde de bewondering, die moed altijd -verwekt, maar met meewarigheid vermengd -- het was een wanhoopsdaad uit -trots en zelfzucht geboren. Ernstig zag hij haar aan: - -„Wat gij van plan zijt is misdadig. Gij hebt u zelve het leven niet -gegeven, het behoort u niet toe. Zegt de stem van uw geweten u dan -nooit, dat het leven u werd toevertrouwd als een gift van omhoog, als -een ernstige plicht, die vervuld moet worden tot den laatsten -ademtocht, die u wordt geschonken! Geleend goed is ons aardsch bestaan, -wie heeft recht het te beschouwen als zijn eigendom? De Almachtige, die -den mensch het leven gaf snijdt het af, als Hij de ure gekomen acht, en -Hij, die de ziel terugeischt voor hooger bestaan, zal ook eenmaal zijn -schepselen oordeelen naar hun daden.” - -Sprakeloos had zij hem aangestaard, hem laten uitspreken, als verstond -zij de woorden niet, die in haar oor drongen. Met een schier -waanzinnigen blik zag zij op tot de hooge gestalte van den jongen -Viking. Op Olafs edel gevormd voorhoofd las zij met den moed om pal te -staan voor zijn overtuiging, onwrikbare wilskracht. Hier zou bedreiging -baten noch bede, zij begreep het. Woede over het mislukken van haar plan -met den eigenzinnigen trots, die nadenkt noch denkt aan toegeven, namen -bezit van haar geheel. - -Minachtend zag zij Olaf aan: - -„U veracht ik, want gij zijt een christen. Eerder had ik verwacht, dat -Muspelheims vuurvonken zouden neervallen om ons allen in vlammen te doen -opgaan, dan, stoute Viking van weleer, dit te vernemen van u! Gij een -slaaf van den witten Christus, gij!” - -Zij slingerde hem haar woorden tegen, als wilde zij hem geeselen met het -scherpste wapen, dat bestaat: de tong. - -Maar hij hief de hand op ernstig, waardig: - -„Geen slaaf, maar een mensch van eerbied doordrongen voor de hooge, -edele leer van den Gekruiste. Wat acht gij meer verheven: het leven te -ontvluchten door een lafhartigen zelfmoord of boete te doen voor begaan -onrecht en het aardsche bestaan te maken tot voorbereiding voor de -onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die God liefhebben boven alles -en hun naasten als zich zelven?” - -Geen antwoord keurde zij hem waardig, den slotvoogd dreef zij voort met -een kort bevel. Olaf trad haar in den weg: - -„Het zal niet geschieden! Gij moogt deze menschenlevens, -- de meesten -zijn vrouwen en kinderen -- niet opofferen aan uw waanzinnigen trots!” - -„Wat deren mij die wezens! Alles heb ik gewaagd om groot te zijn en de -heerschappij ontvalt mij nu ik haar gegrepen waande. Men zal mij -bespotten, en -- vergeten. En, dàt duld ik niet -- nòòit! -- Ik zal mij -gehaat maken in den dood, meer dan ooit in het leven. Zoo zal ik -voortbestaan in de herinnering van dit volk. Mijn naam zal slechts met -afgrijzen worden geuit, maar hij zal worden meegedeeld aan de -geslachten, die thans nog niet zijn. Voortleven zal ik, beladen met een -vloek en -- dat is de onuitwischbaarste herinnering.” - -Welk een verschrikkelijk gesprek in dit vreeselijk oogenblik! Het was te -veel! - -Schreiend klemde Swanwitha zich aan haar vast: - -„Grootmoeder! Grootmoeder, heb medelijden met ons -- met u zelve!” - -Met een ruk stiet vrouw Sigrid haar terug: - -„Ga weg! Smoor in de vlammen mijnentwege. Hoe heb ik je altijd gehaat! -Je te zien was een onafgebroken marteling, want in iedere lijn van je -wit gezicht geleek je háár. Weg, kleindochter van Hereswit van Strijen! -Weg!”.... - -Haar laatste woorden smoorden in een oorverdoovend gekraak. - -Een dichte wolk van smook dwarrelde naar boven. In het vertrek werd het -tot stikkens toe benauwd, de hitte kwam nader.... - -„Lars heeft mijn bevel volvoerd! Weldra verbranden wij met dit geheele -onzalige ravennest tot asch!” - -Een krijschende lach vergezelde haar woorden. Vastbesloten greep Olaf -Swanwitha’s hand. - -„Kom mee, naar beneden! Ik zal u trachten te redden!” - -Toen keerde hij zich nog eens, reeds bijna op den drempel van het -vertrek, tot vrouw Sigrid. - -„Gij zult geen nieuwe schuld op u laden! Ik zal het voorkomen!” - -„Mij belet niemand wat ik wil!” - -Zij was hem voor geweest bij de deur, nu werd die met een slag -dichtgeworpen. - -„Verbrandt dan samen! Voor de Denen is alleen de naam van christen reeds -een doodvonnis!” - -In een schamperen lach smoorden haar woorden. Haar vaste schreden -klonken op de steenen wenteltrap. Zij ging om te zien haar triomf, de -zegepraal van een demon. - -Ook Swanwitha hoorde het knappen van hout, het knetteren van het vuur, -zij wist, dat haar dood nabij was en, dat zij dan zou staan tegenover -God. Zij voelde wel de hitte naderkomen, de laaiende hitte maar het -verschrikte haar bijna niet, zij dacht alleen aan het einde, dat zoo -snel naderde, dacht, dat zij dan haar ziel zou teruggeven aan Hem, Die -haar had geroepen in het leven. En zij voelde zich als een slaaf, die -zijn ketenen afwerpt, als een vlinder jubelend opstijgend in het -zonlicht, na duisternis en winterkou. - -„Het scheiden is niet zwaar,” fluisterde zij voor zich heen. „Waarom -vreezen wie God liefhebben den dood? Zij gaan toch uit de duisternis -naar het licht?” - -Door haar gedachtenstroom drongen de verwarde strijdkreten, het -kletteren der wapens, vermengd met triomfgeroep en wraakgeschreeuw -- de -droevige klanken der aarde. Het was haar of al dat tumult ineenvloeide -en zich vormde tot een enkelen kreet: die der gehoonde menschheid en zij -dacht, dat het leven veel zwaarder was dan het sterven. Waarom was dit -zoo, waarom? - -Dichtbij, héél dicht, hoorde zij nu al het woeste gedruisch, dat gevecht -en dood vergezelde, maar daartusschen klonk iets anders. - -Het was of een plechtige stem tot haar sprak, langzaam, duidelijk, of -zij het verstond boven het geraas van den strijd: - -„Wat het leven zoo zwaar en bitter maakt is, dat de menschen elkander -haten in plaats van liefhebben. En wanneer iemand sterft, dan wordt alle -haat uitgewischt; daarom is de dood minder hard dan het leven, daarom is -de liefde sterker dan de dood, want zij alleen is het die hem heeft -overwonnen.” - -Toen zij dat zachte woord had verstaan, werd een plank der deur -ingetrapt, splinters en spaanders stoven rond, een bijlslag vergrootte -de gemaakte opening, gepantserde gestalten drongen binnen, Unruoch -bevond zich aan hun hoofd. Met een snelle beweging nam hij Swanwitha in -zijn sterke armen en droeg haar de nog veilige steenen trap af naar -beneden, waar zijn strijdbende trachtte de vlammen te dooven. - -Naar buiten bracht hij haar. Onder zijn bijlslagen was de voor poort -bezweken -- zij was gered. - -Unruoch zag om zich heen, de weinige verdedigers van den burcht, allen -gewond, drongen op elkaar, de vrouwen klemden hun schreiende kinderen -vaster in de armen. - -Uit de groep trad Olaf naar voren, recht toe op den aanvoerder: - -„Schenk jonkvrouw Swanwitha goed geleide en de vrijheid om te gaan waar -zij wil. Zij is onschuldig aan al deze gruwelen. Wat mij betreft: ik -geef mij aan u over. Het is niet mannelijk, maar lafhartig -menschenlevens of zich zelven noodeloos op te offeren voor een verloren -zaak. Wie beslist welke taak mij nog is bereid in het leven? Ik zal het -afwachten.” - -Een stem schor van haat en woede brak zijn woorden af. - -„Ontvang je loon nog voor je taak aanvangt. Daar, dáár!” - -Vrouw Sigrid had een weggeworpen mes gegrepen; wit van drift slingerde -zij het Olaf naar het hoofd. Het trof zijn hals, zijn bloed vloeide. -Swanwitha strekte de armen naar hem uit, vrijwillig voor de eerste maal. - -„Mijn lieve zuster, heb dank.” Fluisterend klonk het, en het was Olaf -bij die woorden, alsof hij nu in waarheid geheelen afstand van haar had -gedaan. Maar in de droefheid, die opnieuw bezit van hem nam, mengde zich -nog een ander gevoel. Hij wist nu, dat de godsdienst der christenen niet -alleen groot, maar ook dat hij goed was. Want wie, die zich zelven -zocht, was dit ooit? En deze godsdienst eischte geheelen afstand van -eigen ik, van alle aardsche verwachtingen en wenschen. „De liefde zoekt -zichzelve niet.” Eens had hij die woorden gehoord, nú begreep hij ze -geheel. - -Maar de opschudding door vrouw Sigrids woeste daad ontstaan, voerde hem -terug tot de bittere werkelijkheid. - -Met een vasten greep had Unruoch haar hand omklemd. Want weer had zij -het mes opgeraapt van den grond. - -„Bind haar!” klonk nu zijn kort bevel; zij verweerde zich met vuisten en -tanden, wit schuim beefde op haar vertrokken lippen. - -„Geef mij een mes, een zwaard! Doorsteek mij, laat mij het mij zelve -doen! Ik wil niet als gevangene naar.... Ik wíl niet!”... - -„Zij is razend!” mompelden de speerknechten, die haar in hun midden -namen en trachtten weg te brengen op Unruochs last. - -Niemand sloeg langer acht op haar woorden of bevelen! Dit deed den -beker overloopen voor de trotsche vrouw, bewusteloos sloeg zij neer. - -Unruoch had intusschen bevel gegeven de kerkers te openen. Onder de -bevrijden was ook Yglo. -- Nu wendde hij zich tot de droevige groep, -waarvan Swanwitha en Olaf het middelpunt vormden. Ook in zijn borst -streden plichten en wenschen om den voorrang. De eerste verwonnen. - -„Ik zal voor hem doen wat ik kan bij den bisschop. Gaat nu beiden mee, -mijn boogschutters zullen hem dragen,” sprak hij tot Swanwitha. - -Hij wilde haar met geen enkel woord herinneren aan de eens in een -wonderzalig uur afgelegde gelofte. Was voor haar slechts kinderlijk spel -geweest, wat voor hem hooge levensernst was geworden? Hij wist het niet, -hij vroeg het niet, hij voelde de hand van den plicht, die hem voerde op -zijn levensweg.... - -De sombere stoet van menschen met gezengde haren, bloedend uit meer dan -één wond, of afgemat door kamp en strijd, trok over de brug van den -Ravenhorst. Aan het hoofd reed Unruoch; op zijn bevel was ook voor -Swanwitha een paard gebracht, zwijgend ging zij voort aan zijn zijde. Op -een baar, gevormd door gekruiste speren, met een wijden mantel bedekt, -rustte Olaf. Een ruiter had vrouw Sigrid, nog steeds bewusteloos, voor -zich op het paard gelegd. Diep haalde menige vrouw van het burchtgezin -adem, toen zij zich bevrijd zag uit het verschrikkelijk verblijf, waar -soms nog kleine vlammen opflikkerden als zooveel vurige tongen. - -„Hij alleen heeft ons gered van den vuurdood!” fluisterde er een op -Unruoch wijzend. - -„Maar hij wilde het ook doen,” hernam een ander en dankbare blikken -gleden over Olafs kleurloos gelaat. - -Ja, gered waren zij, gered! - -Zij stonden en zagen het welbekende landschap, zoo rustig nu en vredig: -de heidehoogten met donkere dennen begroeid, het zilveren water van de -Eem. Een overweldigend gevoel van verlossing en bevrijding rees in aller -hart. Slechts enkele vluchtige oogenblikken. - -Eensklaps begon het te druppelen uit de wolken met hun vreemden rossen -gloed. Ruischend viel plotseling de regen neer, een regen rood als -bloed. De doodsverf der ontzetting streek zelfs over de aangezichten der -ruwste krijgers, een steunend geluid drong uit menige dappere borst, het -vreeselijk wonder deed het bloed stollen in ieders aderen. - -De ondergang der wereld! Zij hadden de steeds met zooveel angst -aangehoorde voorspelling vergeten in de hitte van het gevecht, bij de -woede der vervolging. - -Doch zoo was het dan waar, wààr! Zoo was thans het uur aangebroken, -juist als werd voorspeld, met den langsten dag, die ten einde neigde. -Als middernacht aanbrak dan.... Doodsangst vereende zich in één enkelen, -door merg en been dringenden kreet. Het was of een schot vloog uit -ieders keel. En de regen ruischte, ruischte aldoor.... de bloedregen! -Steeds grooter werden de druppels, rood verfden zij heide en -struikgewas, rood de sidderende aangezichten en angstvol opgeheven -handen der menschen. Op de knieën zonken allen, snikkend, kermend, -rillend van vrees meer dan ooit te voren. Wanhoopskreten met tranen en -afgebroken gebeden vermengd stegen op naar de wolken: - -„O, Heer, wees ons genadig! Erbarm u onzer, o, Heer!” - -Een gedaante, als uit den grond opgerezen, stond eensklaps tusschen de -knielende, in radeloozen angst saamgedrongen menigte. - -Niemand herkende in het eerste oogenblik de oude Lisa, die altijd zoo -gebogen en droevig rondsloop. Zij droeg een schoonen hoofddoek en stond -rechtop vol kalmen ernst. Haar oogen, anders meestal neergeslagen, -zochten nu de door doodsangst verwrongen trekken van het knielende volk. -Een ongewoon zachte uitdrukking lag op haar gerimpeld gezicht, toen zij -sprak -- sommigen meenden, dat zij tranen in de oogen had: - -„Ik ben gekomen om u allen te zeggen, dat gij niet bang behoeft te zijn, -want de Heer Jezus leeft en Hij zal over ons waken. Hij zal in het -verschrikkelijke oogenblik zijn engelen zenden om ons te voeren naar een -betere wereld. Komt, gaat allen mee, dáárheen! Daar bidden zij en wie -bidt heeft niets te vreezen, want onze God is de hoorder der gebeden!” - -Zij hief de hand op en aller oog volgde zonder onderscheid, die -beweging. Hoog op den heuvel zagen zij den Hohorst met de kleine kerk, -geblakerd en zwart geschroeid door een plunderende Denenhorde, maar -toch onaangetast door het vuur, dat het woongebouw verteerd had. Helder -licht straalde uit de kleine vensters, de klok begon te kleppen met -zilveren klank.... - -„Daarheen! Daarheen!”.... - -Met hijgend verlangen, als zagen zij een vluchthaven ter redding en -veiligheid in den uitersten nood, richtten de in ’t stof gebogenen zich -op. - -Van enkele op de Denen veroverde schepen was reeds te voren een brug -gevormd, dwars in de rivier, op Unruochs bevel, toen hij bisschop -Ansfried in veiligheid bracht uit het krijgstumult van het slagveld. -Over die wiegelende bodems stroomden thans allen.... - - - - -HOOFDSTUK XXVII. - - -De zware strijd was volstreden, de kamp, met zooveel zorg tegemoet -gezien, beslecht, maar geen juichtoon werd aangeheven, geen -overwinningskreet geslaakt door de kloeke krijgers. En de ouderen van -jaren, van wie meer dan een neerzonk van vermoeidheid -- zij dachten aan -rust noch sluimering. - -De roode regen viel, het begin van het einde, de laatste nacht van het -laatste jaar was daar. -- -- - -Snel had zich door de gansche landstreek het gerucht verspreid van den -ondergang der gevreesde Denenvloot. De vrouwen riepen het elkander toe -met hijgende stem, zij brachten het verder -- want strijdend waren nog -de mannen -- en zoo bereikte de blijmare ook Utrecht. De wachters bij -brug en poort vernamen haar het eerst, in overweldigende blijdschap -wierpen zij schild en speer van zich: „Daar was immers niets meer te -vreezen, niets meer!”.... - -Ademloos berichtten zij het vrouw en kinderen, die baden in den Dom. -Maar dof sprak een der vrouwen: - -„Waartoe die vreugde, als de aarde toch vergaat, over enkele uren -reeds?” Toen liep opnieuw een rilling ieder, die het verstond door de -leden. Zij zagen om zich als misten zij iets. De diepe Romaansche -gewelven, waarin het flikkerde van wemelend kaarslicht, schenen -eensklaps duister. - -„Onze bisschop!.... Wij moeten zijn waar hij is, als het bazuingeschal -der engelen weerklinkt! Hij zal ons voorgaan in het gebed en genade voor -ons afsmeeken van den Heer!” - -„En hij zal Gods barmhartige liefde over ons inroepen, door Wiens hulp -heden ook de Denen werden verslagen”.... - -„En de Antichrist.” Onhoorbaar bijna was het gefluisterd, maar het werd -herhaald en geloofd. - -Toen was het eensklaps of een schok voer door de geheele schare. - -Alles verhief zich, mannen, vrouwen en kinderen en in plechtigen optocht -trokken allen de stadspoort uit om bisschop Ansfried op te zoeken. Hij -wist immers steeds een uitweg wanneer allen versaagden, hij had woorden -van opbeuring en troost als ieder vertwijfelde, ook nu zou hij kalmte en -vertrouwen weten te storten in harten, die sloegen tot berstens toe. - -„Naar hem! Naar onzen bisschop!” - -Niemand dacht aan den langen weg, die voor hen lag. Naar den Hohorst -stroomden Utrechts inwoners te paard, op wagens of te voet om daar het -einde af te wachten. Voelden zij instinctmatig, dat de man bij wien zij -schuts zochten en steun voor de vreeselijke ontknooping, die naderde -onverbiddelijk en snel, zoo hoog boven hen stond, omdat het leed der -wereld hem niet meer kon deren, nadat hij zijn zwaarste leed geleden had -en de woorden uit de Bekentenissen van Augustinus gemaakt tot de zijne: - -„De mensch keert zich naar alle zijden, naar hier en daar, en alle -dingen zijn hard en bitter voor hem. Want alleen in U o, God, is ruste. -Waarheen de ziel des menschen zich wendt, overal vindt zij smart dan bij -U alleen”.... - -En zoo, biddend, psalmzingend, de kracht overspannend uit vrees van te -laat te komen, soms rustend als de angst sterker bleek dan zelfs die -opgeschroefde kracht, bereikten zij de hoogte door de Eem bespoeld, -schier ter zelfder tijd, dat van de andere zijde de zegevierende -overwinnaars in den slag naderstormden als sidderende vluchtelingen. -Vluchtelingen voor den rooden regen, waarvan de eerste neervallende -druppels ook de naderende burgensen het bloed hadden doen stollen in de -aderen. - -Het was een verwarde, van ontzetting verbijsterde menigte, die de kleine -kerk bereikte, die elkander verdrong om daarbinnen een plaats te -bemachtigen, waarin slechts het geringste gedeelte slaagde. Toen -schoolden de overigen samen tusschen de geblakerde ten deele daklooze -muren van het woongebouw, allen trachtend om door de deuropening, -verwijd door het vuur, een blik, slechts één enkelen op te vangen van -den bisschop. Maar velen, zeer velen moesten buiten blijven, waar de -duisternis zonk op de aarde en de roode regen teekende hen als met -bloed. - -Dachten zij toen aan hen die geworpen zouden worden in de buitenste -duisternis, omdat zij Gods wil hadden veracht in het leven, dat hun was -geschonken als een voorbereiding tot hooger bestaan? - -Het waren zeer bleeke aangezichten, die het gelaat van bisschop Ansfried -zochten, want hij bezat het geloof, dat velen nu begeerden, die vroeger, -bij de beslommeringen van het dagelijksche leven, geen tijd hadden -gevonden om te trachten het te verwerven. - -„Zoekt den Heer terwijl Hij te vinden is!”.... Klonk dit ernstig woord -hun waarschuwend tegen uit den ruischenden waterstroom? - -Het dichte wolkendak had zich opgestapeld tot reuzenhooge berggevaarten --- nu scheurden zij vaneen, plotseling. Het was of vlammende lemmetten -elkander kruisten, een schorre donderslag, hol nadreunend met dof -geluid, volgde op het oogverblindend licht. De aangewakkerde wind -verhief zich tot een storm, huilend, bulderend.... In stijgenden angst -werden de handen opgeheven naar den dreigenden hemel. Waanden de -gespitste ooren reeds het schallen te vernemen der bazuinen van het -jongste gericht? Maar alles werd weer stil toen de geweldige slag was -weggestorven, alleen de stemmen der menschen klonken, samensmeltend in -denzelfden zielskreet: - -„Heer, ontferm U onzer! Erbarm U onzer, o, Heer!” - -Vrouwen schreiden, mannen sloegen zich op de borst, vreemden bekenden -elkander zonden, steeds verborgen gehouden als een streng geheim. Hun -ringen van rood goud -- het kostbaarste wat zij bezaten -- beloofden de -vrouwen van welvarende hoevenaars aan de kerk op den Hohorst, de mannen -voegden er al hun landbezit bij.... Wat baatte het? Wat kòn het nog -baten? De boeken zouden immers worden geopend? Wenschte thans menigeen, -dat zijn levensboek een anderen inhoud mocht bezitten? - -Maar niet bij allen had de vertwijfeling den boventoon. Enkelen -knielden, de oogen omhoog geslagen, de bleeke aangezichten rustig, in -groot vertrouwen, in vast geloof. - -Onder dezen bevonden zich Trutha en Yglo, hand in hand knielden zij. - -„God is goed,” fluisterde het meisje. „Hij zal ons niet scheiden in Zijn -eeuwig huis, nu Hij ons hier vereenigd heeft, in ons laatste levensuur.” - -Yglo drukte haar hand zonder te kunnen spreken. Hij voelde zich zwak en -duizelig, de kerker van den Ravenhorst was hard en diep geweest, maar te -midden der duisternis, die hem omringde, was het licht geworden voor -zijn ziel. Hij vreesde den dood minder dan het leven. Zijn vader en oude -Lisa baden, geknield naast hem, en de kleine, bruine hand van Trutha -hield hij in de zijne. Hij gevoelde den grooten zegen, die hem werd -geschonken: niet alleen en verlaten behoefde hij te sterven. Door liefde -omringd zou hij gaan naar de plaats van eeuwige liefde en eindelooze -zaligheid. - -De roode regen had opgehouden neer te druppelen, maar de storm loeide en -de bliksem teekende de duistere wolken met zijn gloeiend schrift. -Opnieuw liep een siddering, die zich oploste in dof angstgeschrei, door -de neergebogen schare. Daar klonk op eenmaal een stem, de bekende, -geliefde stem, in den aanvang zacht als harpgesuis, dan zich verheffend, -aanzwellend gelijk plechtig psalmgezang, rust schenkend, vrede brengend -ook aan het felst geschokt gemoed. Op het door teer waslicht overgoten -altaar stond de bisschop en het was alsof het licht, dat hem omgaf van -hemzelf afstraalde, of het blonk van zijn gelaat, waarop zielevrede -zetelde, dat door onwrikbaar geloofsvertrouwen werd gestempeld. - -En het was allen of zijn stem de ruimte vulde met de gewijde belofte: -„Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.” - -Vreest niet nu de duisternis dreigt, gelooft alleenlijk!” - -Had hij dien ochtend meer geleken op den krijgsaanvoerder van weleer, -toen hij in vlammende woorden de burgensen aanvuurde om hun plicht te -volbrengen mannelijk, onversaagd, ten einde toe in den naderenden -strijd, thans, wachtende op de hemelsche heirscharen, bereidde hij zijn -gemeente met waardigen ernst voor om moedig, geloovend den dood tegen te -gaan, pleitend op Gods beloften op den zoendood van Christus.... - -Een zucht van ontspanning ontwelde aan menige borst, van angst -verduisterde oogen vulden zich met tranen, handen, eerst krampachtig -saamgewrongen, werden zacht gevouwen ten gebede. Buiten scheen het -onweer af te nemen, plechtig psalmgezang verhief zich in de kleine kerk -na de woorden van den bisschop, die waren geweest als het suizen eener -zachte koelte te midden van den storm. Het kaarslicht flikkerde zacht, -rooden gloed wierpen de ontstoken toortsen, fluisterend klonken de -gebeden der menschen. - -Zoo ging meer dan een uur voorbij, middernacht kwam nader, ongedacht -snel, nog enkele oogenblikken, dan.... - -Unruoch boog zich tot Swanwitha en zag haar onderzoekend in het gelaat. - -„Zijt ge bang?” vroeg hij zacht. - -Zij opende het in perkament gebonden boek, waarom zij de handen vouwde -en wees hem een teekening op matgouden grond. Het was die van den Goeden -herder. Toen glimlachte zij o, zoo vertrouwend en berustend door haar -tranen heen.... - -Hij klemde haar hand in de zijne, hij zag aan de uitdrukking van haar -gelaat, dat zij afstand had gedaan van alle levenshoop en hoop op -levensgeluk, maar als een ademtocht gleed het van haar lippen: „God is -barmhartig, wij mogen samen sterven. Wat verder komen zal ligt in Zijn -hand.” - -Een felle bliksemstraal, die de donkere wolken kliefde deed haar -zwijgen. De stormwind zwiepte opnieuw de takken der boomen, kletterend -stoven de regendruppels tegen de ramen der kerk. - -Unruoch had een gevoel of de aarde zich voor zijn voeten zou openen. -Met geweld bedwong hij zijn ontroering. Als beschermend sloeg hij den -arm om Swanwitha heen, zij leunde haar blond hoofd tegen zijn schouder. -Zoo wachtten zij. Zacht bewogen zich beider lippen in stil gebed.... - -Olaf staarde strak omhoog naar de zwarte wolken, zonder acht te slaan op -wat geschiedde om hem heen. - -„Heer, ik ben bereid om te sterven, maar laat mij mogen strijden met de -booze machten ten einde toe. Een Noorman draagt niet tevergeefs zijn -zwaard!” - -Het flitste langs de sterrenlooze lucht. Was het een antwoord uit den -hooge? In vervoering trok hij zijn wapen. - -„Olaf, doorsteek mij! Ik wil naar Nevelheim! Daar is mijn gansche -voorgeslacht. Bij de christenen wil ik niet wezen, nooit! In hun hemel -noch in hun hel!” mompelde vrouw Sigrid. Zij zag zich, ontwaakt uit haar -verdooving, omringd door krijgsknechten. Ontsnappen was onmogelijk. Haar -mond verwrong zich van machtelooze woede. - -Het antwoord bleef Olaf, in wiens hart afkeer streed met medelijden, -bespaard. - -Met statigen galm klonk een heldere slag, plechtig, langzaam. Als een -mes doorsneed hij de ruimte en de ademlooze stilte waarmee zijn geluid -werd aangehoord. De eerste der twaalf slagen van zoo ontzaglijke -beteekenis, in schier verstikkend zwijgen verbeid!.... - -Nog een oogenblik heerschte de looden stilte, toen klonk een tweede -slag, een derde, toen blonk een roode gloed door de boomen als een kolom -van vlammen. Een zacht suizen verhief zich, dat toenam in kracht, dat -naderkwam met snelle vaart, met schier huilend geluid. Schrik en -verlammende ontsteltenis teekende ieders aangezicht: de ure was daar! - -Tusschen de boomen nam de vurige gloed toe met ieder oogenblik; was het -de naderende wereldbrand? Dichter drong de menigte opeen, vijanden -drukten elkander als vrienden de hand, moeders klemden hun kinderen in -de armen, allen baden overluid.... - -Tusschen de snikkend geuite gebeden, mengden zich radeloos hulpgeroep, -woeste jammertonen, toen viel plotseling een nieuwe stilte in. Het was -of de verstijvende adem des doods reeds ieder beroerde. - -„Bidden, laat ons bidden!” hijgde, snakkend naar adem een vrouw. Het was -haar laatste woord. Voorover plofte zij, levenloos van schrik. - -Maar niemand verroerde zich, zelfs niet bij dit vreeselijk gezicht. -Allen zwegen en wachtten met gebogen hoofd, want het huilend geluid werd -tot een razenden storm, de boomtakken schudden wild heen en weer, schor -rolde de donder. Door de lucht klonken lang aangehouden, snerpende -kreten.... Henno mompelde op hollen toon: - -„Nù komt het!” - -„Stil! Stil!” werd hem toegefluisterd van allen kant. Een man hief de -vuist tegen hem op, hem dreigend met een slag. En al het volk zweeg, -ademloos. Maar buiten weergalmde opnieuw het jankend gehuil, -waartusschen schel blaffen, gillend krijschen zich mengde. Het was alsof -het voortstoof door de lucht, in wedstrijd met de jagende wolken, hoog -boven de hoofden der in ’t stof gebogen menschen. - -„Wodans wilde jacht! Zijn gehelmde helden, de razende reuzen!” -schreeuwde een oude boer. Zijn gezicht was vertrokken, zijn oogen -staarden, zonder eenig geluid meer te kunnen geven viel hij als een paal -op den grond. Maar Lisa riep: - -„De overste der duivelen is het met zijn gansche heir!” - -Want weer joeg het over hen heen met gillen en fluiten en de menschen -trokken de schouders op als kinderen, die een doodelijken slag vreezen -en de kinderen zochten een schuilplaats bij hen. Maar plechtig als -psalmgezang boven het razen van den storm, klonk de stem van bisschop -Ansfried: - -„Roept Hem aan in den dag der benauwdheid”.... - -En opnieuw verdrongen gebeden de angstkreten. En daartusschen dreunde de -donder en schoot de bliksem neer in verblindend licht. En geen oogenblik -bedaarde het loeien van den orkaan, het gillen der duivels met suizenden -vleugelslag in de wolken, het stampen, razen en kermen van het heir der -booze geesten. Hun hoeven sloegen tegen het dak der kerk tot zij werden -verdrongen door een nieuwe schaar demonen, wier vlerken schier zwiepend -klapwiekten tusschen het gebulder van den wind. Het scheen of de lucht -dreunde, alsof de kerkmuren wankelden en de aarde beefde.... - -„Waar blijven de reddende engelen? Opent alleen de hel zijn kaken om ons -te verslinden?” - -Vraag vol doodsangst, die te lezen stond op van ontzetting schier -verstijfde aangezichten. En buiten antwoordden vleermuizen en katuilen -met krijschende kreten, met gillend lachen. - -Verlamd, verbijsterd, als wezenloos knielden allen op den grond, die -onder hen scheen te trillen. - -„Nu worden wij verpletterd, nu komt de groote brand, de sulfer en de -vuurregen!” - -De vrouw van Bachevorth kermde het, haar bevende hand wees naar den -rooden gloed in het verschiet, achter de nachtzwarte boomen, heller van -gloor met ieder oogenblik. Zij rukte haar gouden ketenen, de -schitterende spang, die haar mantel bijeenhield, af en slingerde ze ver -van zich: - -„Daar, duivels, dáár! God, ik voel Uw gericht! Het rust op mij, zwaar -als lood, als lood! Wees mijn arme ziel genadig!” In snikken smoorde -haar klacht. - -„Ik dacht altijd het meest aan mijn eigen verdriet, omdat Yglo gevangen -was!” kreunde Henno met zijn gezicht stijf tegen den bodem. „Als ik -verpletterd moet worden, laat het dan niet lang meer duren! Ik sterf, ik -sterf van angst!” - -„In de hel zal altijd die angst wezen,” mompelde iemand aan zijn oor en -Henno wrong de handen en verdubbelde zijn gebeden, terwijl de storm -raasde en het weer was alsof het over hen heentrok met gillen en -fluiten, paardenhoeven dreunden, zwartalven stoven krijschend voorbij -en wolven jankten met schel geblaf. - -Gerlach boog het hoofd, hijgend, zijn gezicht was vaal, krampachtig -trokken zijn lippen. - -„Dat is de dood!” - -En weer ruischten als liefelijk harpgesuis te midden van den orkaan, -terwijl de kleine kerkvensters in gloed werden gezet door het licht van -den bliksem, dat flitste langs het donkere gewelf, de zachte woorden, -die toch drongen in ieders hart: - -„Mijne kinderen, het sterven is gewin. Wie in God gelooft stijgt op tot -Hem, ook al dreigt duisternis en dood. Daar zal geen duivelenheir u meer -deren. Wat uw ondergang scheen, kan uw redding worden in Zijn hand.” - -De grijze bisschop stond daar zoo kalm, er ging zulk een rust van hem -uit, het was of de zielevrede die blonk op zijn gelaat nogmaals de van -vertwijfeling verwrongen trekken der aanwezigen effende, er kwam weer -een weinig licht in de doffe oogen. Een zucht van verademing ontwelde -aller borst, de lucht scheen nu niet meer vervuld met een duivelenheir -aan den zwavelpoel ontstegen, dat hun ondergang zocht, om hen te kunnen -pijnigen. - -En in volle kracht verhief zich nogmaals de stem van bisschop Ansfried -en zijn woorden gloeiden thans in hun hart, brandend als het laaiend -vuur, waarvan zij den gloed zagen in de verte, te midden der zwijgende -duisternis, maar louterend tevens. Hij wees op de verschrikkingen, die -ieder wachtten, welke thans berouw toonde alleen uit angst voor wat -komen ging, hij toonde het heil weggelegd voor allen, die niet met de -lippen maar uit den grond huns harten beleden: - -„De Heer is mijn Herder!”.... - -Het was hun bij die woorden of zij uit het bulderen van den orkaan, uit -de zengende hitte der vlammen, die reeds naar hen grepen, kwamen in de -liefelijke stilte van het koele woud, waar de lofzang der vogelen trilde -en de reukoffers der bloemen omhoog stegen, waar de Gekruiste Christus -de armen uitbreidde naar allen, die vermoeid en beladen vluchtten tot -Hem, die alleen der gejaagde menschheid veiligheid kon geven en redding -uit ieder gevaar, waarmee haar het leven bedreigde of de dood. - -Tranen stroomden over de wangen der vrouwen, hooger gloeiden de -gelaatstrekken der mannen, stemmen bevend van ontroering zegenden -bisschop Ansfried, die allen den rechten weg had gewezen, die ieders -leidsman wilde zijn. - -„Niet mij! Kiest Christus tot uw Leidsman! „Ik ben de weg, de waarheid -en het leven!” Zoo luiden Zijn heilige woorden. Wat zoekt gij dan bij -menschen heul?” - -Het was of een groote beweging ging door gansch de saamgedrongen schare. -Allen schenen gevonden te hebben wat zij zochten, ieder wilde zich -bekeeren tot God. Menig roodgeweend oog zocht opnieuw den bisschop. - -„Vader Ansfried,”.... fluisterde veler trillende stem. En toen dachten -allen aan het verleden; aan het hunne. Hij had hun de leer der liefde -gepredikt en zij hadden zoo menigwerf niet geluisterd, hij had hun -zachtheid geleerd -- wanneer had die hemelgave hun woorden en daden -bestuurd? Barmhartigheid ook jegens vijanden luidde zijn eisch, haat en -wrok gaven hem het antwoord. En thans, nu zij ieder oogenblik -verwachtten de bazuin te hooren weerklinken van het jongste gericht, nu -de boeken zouden worden geopend en elk zich geoordeeld zou zien naar -zijn werken, de gloeiende zwavelstroom dreigde en het vuur en sulfer, -die de gansche aarde zouden verzwelgen, gelijk eenmaal Sodom en Gomorrha -werden weggevaagd, nu de vertwijfeling over hen kwam van het -onherroepelijk: „Te laat!”.... klonk zijn stem boven het bulderen van -den orkaan en het rollen van den donder als een lied van vrede en hope, -een psalm van heilig gelooven te midden van den zwarten nacht: - -„Het is niet te laat! Het is nooit te laat! Gods hand rust zwaar op de -zondaren, maar opent zich mild voor allen, die Zijn zegen vragen, die in -Hem gelooven, en weten, dat wij allen uit genade zalig worden, opdat -niemand roeme! Hebt Hem lief, hebt Hem lief, zoekt alleen in Hem uw rust -en gij zult haar zeker vinden tot in alle eeuwigheid!” - -Bisschop Ansfrieds woorden zwegen, maar het was allen of het plechtig -psalmgezang voortduurde, hymne van zielevrede en geloof, stammend uit -beter, heiliger oord, die het woest geweld der aarde breidelde, vredig -als de zilverschijn van het maanlicht, wanneer dit valt door -voortgezweepte stormwolken. - -Een groote kalmte daalde in de harten der fel geschokte menschen. - -„Heilige woorden, ruischend van den Heiligen berg,” fluisterde -Swanwitha’s zachte stem en het diep bewogen woord repte zich als -gevleugeld door het gansche kerkgebouw. Stil werd het binnen, waar allen -zich voelden beschermd en bewaard door de tegenwoordigheid van een -enkele die -- als eenmaal Henoch -- wandelde met God, die voor hen bad. -Stil werd het buiten, waar de storm zich legde en het gerommel van het -onweer nog slechts uit de verte werd gehoord. - -Geruime tijd ging onder dezelfde ademlooze stilte voorbij... Was het -duivelenheir overwonnen door de engelen, die zouden komen en de -menschheid voeren ten gericht? - -Maar geen bazuingeschal weerklonk, geen geruisch van blanke serafwieken -werd vernomen... - -Stil bleef het, ademloos stil. Bisschop Ansfried zag neer op een in -gebed verzonken gemeente... - -Niemand waagde zich te verroeren, maar toen eindelijk, eindelijk Olaf -moedig de deur openstiet, waarbij hij zoolang had geknield op den grond, -ontdekte ieders verbaasde blik de zon, die langzaam en statig zich -losmaakte uit de nevelen, welke haar glans onderschepten. Zij zagen den -bodem vast, onbewogen -- zij zagen, dat de aarde nog bestond. - -Naar buiten snelden allen, wankelend, -- als in een droom. Zij zagen de -verwoesting aangericht door den storm, de gevallen boomen, de doode -vogels, vleermuizen met uitgespreide vlerken, katuilen met ronde, -starende oogen, zij zagen een wolf, gewond, soms nog flauw jankend en -blazend, waarschijnlijk vluchtend voor het weer, getroffen door een -vallenden boomstam, op den grond liggen met gebroken poot... Dat waren -de krijschende geluiden geweest, die zij hadden toegeschreven aan -helsche geesten, voortgebracht hadden hen de dieren van het woud, en de -uit angst voor het noodweer opgejaagde vogels. En toen gleed de door -dankbare tranen gesluierde blik der geredden over het glanzend -golvenvlak van de Eem en zij zagen het overschot der voor weinige dagen -zoo machtige Denenvloot teruggeslagen door den storm, ontredderd drijven --- iedere bodem thans een wrak. Waren nog enkele schepen ontkomen? Zij -wisten het niet, zij vroegen het niet, zij zagen eigen leven gered, maar -meer dan dit, bevrijd hun volk en vaderland. Toen zocht menig oog de -plek, van waar zooveel onheil was uitgegaan, waar de eerste schakel -gesmeed was van den keten, die hen moest omknellen voor altijd -- en zij -zagen den Ravenhorst, zwart verbrand, een vormlooze steenklomp. - -Had de bliksem zijn hooge transen neergeslagen, was het vuur op last van -vrouw Sigrid ontstoken, opnieuw aangewakkerd door den vliegenden storm -en had dit zijn werk verricht? - -Niemand vroeg het. Met lippen, die een dankgebed stamelden, zagen vrijen -en hoorigen den dwangburcht vernietigd, die een schaduw des doods had -geworpen op geheel het omliggende land. - -In het oosten kleurde een roode gloed den hemel en deed zijn -koepelgewelf opvlammen en stralen van licht. - -Gezegend, heilig licht! Het gloeide op de kroongewelven der eiken, het -straalde tusschen de donkere takken der dennen, het glansde over weide -en veld. De schaduwplekken baadden in gloed, de wolken werden omzoomd -met een gouden glorie, en de golven der rivier weerkaatsten het -vlekkeloos blauw van den hemel. Licht was alles, enkel licht... - -De grijze bisschop hief beide handen op, zegenend. Ook zijn gelaat -straalde als verheerlijkt, toen hij omgolfd door het licht, dat -neergleed van omhoog uitriep: - -„De donkere nacht van vrees en verschrikkingen is voorbij, het is of de -aarde werd herboren. Mijne kinderen, houdt de gelofte afgelegd in het -geweldig uur, toen gij dacht weldra te zullen staan voor uw eeuwigen -Rechter, toen de buitenste duisternis dreigde en gij Zijn genade hebt -ingeroepen om Jezus Christus’ wil. Hecht nimmermeer geloof aan -menschenwoord, zoekt steeds uw rust in dat van God: „Deze dag en deze -ure weet niemand.” - -En thans, dankt allen met mij onzen God, Die ons als een nieuw leven -schenkt op een nieuwe aarde.” Op de knieën zonken allen overweldigd door -wonderbare aandoening. Met een huivering van ontzag gevoelde ieder de -wijding van het oogenblik, niemand waagde bijna zich te bewegen. Weer -was het een oogenblik ademloos stil als dien eigen nacht. Toen echter -heerschte het zwijgen van den doodsangst, nu een onbeschrijfelijk gevoel -van verlossing en redding. - -Aangezichten bleek van aandoening zochten den hemel, waaraan de zon -opging, eerst wemelend in teere ochtendtinten van opaal en rozerood, dan -opgloeiend in glanzend lila, in stralenbundels van vlammend karmozijn. -Het was alsof het rijzend licht in waarheid een nieuwen hemel deed baden -in gloed, of zijn goudglans viel op een nieuwe aarde. - -En onder dien hemel, schitterend blauw met zacht verder drijvende -zilverwolken boog zich de gansche saamgestroomde menigte met tranen van -een geluk, dat de woorden miste om zich te uiten. Maar in vervoering -hief bisschop Ansfried de rechterhand op, omhoog wees hij, omhóóg. - -„Ziet daarheen! Aanschouwt het licht! Geloofd hebt gij allen, dat de -aarde ten ondergang was gedoemd, een rilling van ontzetting, die de -voorbode scheen des doods, ging door uw leden en -- nu!.... Ziet -daarheen! - -Thans is ieder hart een tempel des gebeds, en de hemelen schijnen -geopend. Het is of de wolken als zilveren booten zeilen langs de -stralende lucht. Engelen omzweven ons, hoort hun wiekslag! Neer dalen -zij terwille van allen, die bereid zijn hun goeden strijd te strijden -ten einde toe, wier namen zijn geschreven in het boek des levens. - -Mijn verloste kinderen, toen de duisternis dreigde, hebt gij God -gezocht; vergeet Hem niet, vergeet Hem nimmermeer, nu het licht voor u -werd en gij Zijn eindelooze liefde ervaart met zijn grenzenlooze -erbarming. Houdt Hem vast, houdt Hem vast in leven en dood, Hij verlaat -nooit wie op Hem vertrouwen. Dan dragen u eenmaal de engelen in Zijn -eeuwig huis, waar de onsterfelijkheid uw deel, de oneindigheid uw woning -en de eindelooze gelukzaligheid uw toekomst zal zijn!” - -Slechts tranen gaven hem het antwoord, zwijgende gelofte afgelegd in het -onvergeetlijk levensuur van allen, die de heilige woorden van geloof en -liefde en hope opvingen, ruischend als met engelenstem van den Heiligen -berg. - -Tot die zwijgende gelofte overging in stil gebed, zich oploste in den -als bij ingeving door allen, die de woorden machtig waren, aangeheven -jubelzang: - - „Te Deum laudamus: te Dominum confitemur - Te aeternum Patrem omnis terra veneratur. - Tibi omnes Angeli, tibi coeli et universae potestates: - Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant: - Sanctus, Sanctus, Sanctus!”....[25] - - [25] Gezang 3 vers 1. - - - - -HOOFDSTUK XXVIII. - - -Het was de avond van dienzelfden dag. Het volk verspreidde zich, de -koortsachtige opgewondenheid week met de geweldige spanning, maar nog -lang zou blijven nagloeien in de harten het gevoel van redding en -overstelpend geluk, waarvoor ieders mond vruchteloos woorden zocht. - -Stilte daalde over de velden. Van de linde, die haar zoeten bloesemgeur -zond in bisschop Ansfrieds vertrek, ritselde geen blad, geen vogel zong -in de twijgen. Het was of geheel de schepping nog steeds zwijgend -aanbad, bij het wonder dat zij aanschouwd had: het licht van den -dageraad opgaande over de als herboren aarde.... - -Groote dankbaarheid, heilige vrede, heerschten in menig hart, -beheerschte geheel dat van graaf Frethibold, wiens geluksgevoel thans -zijn vroegere radeloosheid evenaarde, haar zelfs volkomen in de schaduw -stelde. - -Gerlach had gesproken, op ’s bisschops bevel. Hij wist nu, dat zijn zoon -leefde, dien hij als dood had betreurd, den nooit vergeten oogopslag -zijner vrouw vond hij thans terug bij zijn kind -- bisschop Ansfrieds -dappersten ridder -- zijn redder uit doodsgevaar te midden van het wilde -slaggedruisch.... - -„Frethibold, heeft God het nu wèlgemaakt, ook met u?” - -De stem van den bisschop was zacht en vriendelijk als die van een vader, -wanneer hij een dwaasheid vergeeft aan zijn kind. - -De krachtige man drukte de handen voor de oogen, zij waren vochtig van -ongeschreide tranen, tranen van geluk. - -„O, heer, heer! Nimmer zal ik meer klagen, nooit meer! God vergeve mijn -morren en wanhoop; ik heb Hem verlaten en Hij heeft mij gezocht en -overstelpt met Zijn grootste zegening. Wat zal ik Hem ooit kunnen -vergelden voor zulk een weldaad! God is goed, Hem looft mijn ziel!”.... - -„God is altijd dezelfde, Frethibold, in vreugde en in rouw, bij dag en -bij nacht, in voorspoed en leed. Alleen de menschen vergeten Hem vaak te -midden van hun geluk, dan trekt Hij hen tot zich met liefdekoorden -gevlochten uit ramp en tegenspoed. Dàn klagen zij en Hij vergeeft en -zegent.” - -„Ja, zoo is het! Ach, had ik dit toch vroeger begrepen, vroeger. Hij -geeft mij zooveel!” - -Zijn blik zocht de vensternis aan de tegenovergestelde zijde van het -vertrek, hij bleef rusten op twee jonge, bloeiende gestalten, die -stonden hand in hand, alles om zich heen vergetend, alleen elkander -ziende en hun geluk. - -„Mijn, voor altijd mijn!” fluisterden Unruochs lippen. - -Swanwitha, zijn jonge bruid nu, zag hem aan met een blik vol glans: - -„Toen de duisternis mijn leven bedreigde, de ijzige koude van een -bestaan zonder liefde, een verbintenis gesloten uit dwang, toen heb ik -tot God gebeden en Hij heeft mij verhoord. Hij was het die Olaf zijn -edelmoedige woorden op de lippen legde, die mij vrij maakten van mijn -afgedwongen gelofte. Nu is uw God ook de mijne. ’t Is zoo heerlijk, -alles is licht!” - -Zij stond daar zoo kalm en vredig in haar wit kleed, met zulk een -gelukkigen glimlach op het liefelijk gelaat, het avondrood tintte met -zijn glorie haar lang golvend haar, ook in haar oogen welden groote -tranen van onuitsprekelijk geluk. - -Was het wonder, dat graaf Frethibold plotseling de armen uitbreidde met -een teer: - -„Mijn lieve dochter, door mijn zoon nu ook mijn kind!”.... - -„Neen, het uwe niet, niet het uwe!” Een stem snerpte het, schor van -machtelooze woede, nog genietend tot het laatste oogenblik van haar -macht om geluk te kunnen verkeeren in leed, vreugde in rouw. - -Het was vrouw Sigrid, die alleen de laatste woorden had opgevangen, -terwijl zij binnensnelde, op den voet gevolgd door haar beide wachters. -Te vergeefs hadden zij beproefd haar in bedwang te houden en te doen -blijven in het vertrek, haar aangewezen als voorloopige kerker. Zij had -de deur weten open te rukken terwijl de bewaker haar het avondbrood -bracht, toen was zij de wacht voorbijgestormd en nu stond zij hier. Een -flauw gerucht was tot haar doorgedrongen, dat graaf Frethibold zijn kind -had hervonden, wie dat was wist zij niet. Maar nu ving zij enkele zijner -woorden op, zag zij hem Swanwitha liefkoozen.... Zij zou hem doen -ontwaken uit zijn geluksdroom. Weer voelde zij haar macht, zij hield het -heft in handen.... En dit gevoel dreef haar een geheim van de lippen, -dat zij anders met zich zou hebben genomen in het graf. - -„Uw dochter, zegt gij? Ha, ha! Waart gij dan gehuwd met Gisela van -Teisterbant? Die was haar moeder, haar vader -- mijn zoon.” - -Een dubbele kreet weerklonk. Bisschop Ansfried drukte Swanwitha aan zijn -hart, hij snikte als een kind: - -„Heb ik het niet altijd geweten, altijd! Dochter mijner dochter, wees -gezegend, wees tot zegen! Hoe zal ik den Heer loven Die mij u deed -hervinden!” - -Hij wendde zich tot vrouw Sigrid: - -„Wèl mag ik hier de woorden herhalen eenmaal in Egypteland door Jozef -gesproken tot zijn broeders: - -„Gij hebt kwaad tegen mij gedacht doch God heeft dat ten goede gedacht!” -Hij wees op Unruoch: „Daar staat de zoon van den gouwgraaf, de -toekomstige graaf van Teisterbant en zijn bruid -- het is mijn eigen -kleindochter, mijn lieve Swanwitha!” - -Zijn lippen liefkoosden den naam, zijn hand het gouden haar. Die -gelukkige in elkaar als verzonken groep.... Het gezicht maakte vrouw -Sigrid bijna razend. Met een verwensching trok zij haar langen, zwarten -mantel om zich heen; als een visioen van den nacht, die rouw en jammer -opriep, was zij verschenen, als een schaduw wilde zij verdwijnen uit het -vertrek, uit de herinnering dezer menschen. - -Maar de bisschop trad haar in den weg: - -„Vrouw Sigrid, waarheen wilt gij? Gij zijt een gevangene, vergeet gij -dat?” - -Zij barstte uit in een tergenden lach: - -„Gevangen, ik? Misschien zoolang ik dit zelf wil, maar ook geen -oogenblik langer. Als ik het verkies verlaat ik uw kerker evenals ik het -nu deed, dwars door de wachten heen.” - -„Gij zult slechts weinig dagen een gevangene blijven, op deze wijze. In -een stil, afgelegen vrouwenklooster zal u tijd worden gegeven tot boete -en nadenken, die, God geve het, eenmaal ook bij u mogen worden gevolgd -door bekeering en berouw.” - -Weer die verachtelijke lach, die tartende blik: - -„Berouw, ik? Ha, ha! Ik zie de tuchtroede reeds geheven boven mijn -hoofd! Nu, deze handen zullen nog krachtig genoeg blijken om haar te -breken. - -Hoor, wat ik u zeg: Als gij mij opsluit, zal ik ontsnappen, als gij mij -opnieuw weet te vinden weiger ik alle voedsel, dan sterf ik den -hongerdood door uw toedoen, vrome bisschop, door ùw schuld! Voor mij -bestaat er altijd een uitweg. Gezworen heb ik terug te keeren naar mijn -Noorsch vaderland, en ik houd dien eed. Daar tusschen de zwijgende -bosschen, in wier schors de eeuwen hun runen schreven, zal ik mijn leven -voortsleepen in herinnering, die mij ten vloek zal zijn, door uw -toedoen. Want de ongerepte sneeuw, die daar zwaar ligt en dicht, die de -takken der dennen doet breken onder haar last, zal nooit in staat wezen -den hellebrand te blusschen, die gloeit in mijn hart aan een verterend -vuur gelijk, nu ik u heb zien zegevieren, terwijl mijn grootsche plannen -faalden -- alle!” - -„Ongelukkige, misdadige vrouw, ik laat u niet gaan, nooit! Ook uw ziel -is kostbaar in het oog van God, Die alleen haar kan redden van het -eeuwige verderf.” - -„Red u zelven van het verderf! Daar, dáár! Zie of gij er toe in staat -zijt! Dáár!” - -Als een furie gilde, krijschte zij. Zij hief den arm op. De manshooge -luchter, die reeds was ontstoken in de nis voor het kleine huisaltaar, -kantelde, viel om met een slag. Vuur vatten de drooge biezen op den -vloer, weldra zou de vlam zich verspreiden.... - -„Redt! Helpt!” klonk het uit ieders mond. - -„Onzalige vrouw! Gij, die steeds speelt met vuur, in vlammen zult gij -eenmaal vergaan!” - -Graaf Frethibolds stem klonk bitter van rechtmatigen toorn, een even -bittere lach gaf hem het antwoord, daartusschen siste reeds het brandend -stroo. - -Terwijl allen zich beijverden om den brand te blusschen, sloeg de deur -toe. Zij hoorden er den grendel voorschuiven aan de buitenzijde, zij -moesten de vluchtende overlaten aan zich zelve om eigen leven, om het -bedreigde kerkgebouw en het kleine gedeelte, dat nog over was van het -zendingshuis te redden. - -Toen die zware arbeid eindelijk was volbracht en door een toesnellenden -speerknecht de deur ontgrendeld, lagen de vale schaduwen van den nacht -over het land, waarin vrouw Sigrid nimmermeer zou worden gezien. - -Over haar verder leven, over haar dood bleef de sluier rusten der -vergetelheid. - -Daar waren geen werken verricht door haar hand, die haar konden volgen. -Zij behoorden tot den nacht en gingen onder in den nacht, beladen met -smaad en verachting. - -Of de trotsche vrouw nooit gevoelde, dat zij de straf harer schuld droeg -in zich zelve? Haar verder leven zou zijn verlatenheid en wroeging. -Verteerd door vruchtelooze wenschen naar voormalige macht, zou haar deel -zijn de te late erkenning, dat ieder verantwoordelijk is voor eigen -daden en, dat die daden hem het antwoord geven in de vergelding, welke -zijn leven treft. - - - - -HOOFDSTUK XXIX. - - -„Vaarwel, God zegene u! Schenk mij uw zegen, mijn vader! Vaarwel, -vaarwel!”... - -Olaf Erikson stond voor den bisschop -- het was de laatste maal. Buiten, -aan de overzij van het water, hinnikte zijn paard reeds ongeduldig de -thuisreis tegen -- het was voor de laatste maal. - -Als geboeid hing zijn oog aan het gelaat van den grijsaard, dat zoo kalm -en verheven neerzag op het woelen en drijven der menschen, dat zoo zacht -en geduldig bleef bij smaad en hoon, waarvan de lippen een gebed -fluisterden voor zijn vijanden -- met woorden wellend uit het hart. - -„Vaarwel!” stamelde Olaf nog eens, „vaarwel, voor altijd!” - -Het scheen of hij geen ander woord wist te vinden. - -Doch bisschop Ansfried had een beteren afscheidsgroet: - -„Geen vaarwel voor altijd, Olaf! Dit leven is slechts kort van duur. -Pelgrims zijn wij allen, op weg naar huis. Dáár, in het eeuwige land der -onsterfelijkheid zullen eenmaal allen elkander hervinden, die God -liefhadden, al werden zij hier beneden gescheiden door het aardsche -leven en de wisselende lotgevallen der menschen.” - -Het zachte suizen van den ochtendwind begeleidde zijn woorden, het klonk -als een liefelijk gezang, dat aanzweefde uit de wijde verte. - -„Hoe goed zal het daar de verlosten zijn, Olaf, in het heilige land van -vrede en rust. Daar vloeien geen tranen meer, daar kent het hart, dat -moedig volhardde in den levensstrijd, zijn goeden strijd streed ten -einde toe, smart noch rouw. Olaf, is deze eindelooze vrede, dit geluk, -dat ons wacht in het land onzer toekomst, niet waard, dat men er hier op -aarde voor lijdt en draagt, dat men strijdt om in te gaan? - -Laat het daarom niet langer uw wensch zijn het christendom te belijden, -omdat gij het verhevene voelt van zijn leerstellingen, maar omdat het -een godsdienst is, die de menschen edel maakt en rein en goed, omdat het -de openbaring is van Gods Woord en wil, allen tot zaligheid gegeven. - -Treur daarom niet langer zoo bang, zoo zwaar om wat het leven u -ontneemt. Ik weet welke onvervulde wenschen gij hier achterlaat, ik -weet, dat het hard is alleen door het leven te gaan, zonder liefde, -zonder geluk. Maar draag het, moedig en sterk, omdat het God is, die -ieder zijn kruis geeft. Voorwaar, het is geen lichte taak een christen -te zijn. Het is een heldenleven, dat geduld eischt onder de zwaarste -slagen, levensmoed bij het bitterste zieleleed, een onwrikbaar -vertrouwen op de liefde en wijsheid van God, wanneer de zon van ons -bestaan ondergaat in nacht. Wie een christen wil wezen, moet geheel zijn -eigen ik loslaten, met al zijn wenschen, droomen en plannen voor dit -leven. Hij moet alleen willen wat God wil en met Paulus getuigen: „Het -leven is mij Christus, het sterven gewin.” - -Want, wat hier ons kruis was, wordt dáár onze kroon. Omstraald door het -licht der eeuwigheid zullen wij Gods wondere leidingen leeren begrijpen, -die wij hier slechts aanschouwen in een duisteren spiegel. Hoop slechts, -Olaf, geloof en vertrouw.” - -Olaf sloot de oogen. - -Het was bijna te schoon, te heerlijk om te kunnen gelooven, toch voelde -hij de hoop van den christen en het geloof, „den vasten grond der dingen -die men niet ziet,” rijzen in zijn hart en een groot vertrouwen nam -bezit van hem geheel. - -Mocht dan donker de zee zijn waarop zijn levensboot zou drijven in -zwarten, sterrenloozen nacht, terwijl al de baren over hem heengingen en -de wateren klotsten tegen de kiel, toch zou hij wankelen noch -vertwijfelen. Want héél ver in het verschiet, aan het einde der reis -lichtte het met blinkenden glans tegen de donkere wolken, dáár aan de -grens der levenszee, waar het eeuwige land der toekomst den zwerver -wachtte.... - -Helderder en schooner wordt het licht, het rijst, het verheft zich, -neemt toe in kracht, het doet de donkere golven baden in gloed, en -omstraald door die gouden glorie zweven lichtende gestalten nader, hun -gelaat blinkt, hun serafwieken schitteren wonderschoon. Hun stemmen -vereenen zich tot een koor met klanken, die niet meer behooren tot deze -aarde, die zich aaneensnoeren tot een hemelschen zang. Welkom heeten zij -de bevrijde ziel, die nadert om de palmen te ontvangen der overwinning, -om hun gelukzaligheid te deelen, in eeuwig, onvergankelijk heil. De -donkere zee -- thans baadt zij in licht; de ontredderde kiel -- hij rust -in veilige haven. - -Kon het vluchtige, aardsche leven, hoe vol moeiten en ontgoochelingen, -ooit meer een beeld der verschrikking worden met zulk een toekomst in -het verschiet? - -Olaf hief de hand op als ten plechtigen eed: - -„Gij hebt over mij gezegevierd geheel, over de laatste wenschen van mijn -hart, die nog riepen om levensgeluk. Voortaan zal ik alleen vragen en -zoeken naar een levensdoel. Dat God mij de kracht verleene het te vinden -en te besteden tot Zijn eer, opdat wij eenmaal elkander mogen terugzien -in het eeuwig licht.” - -„Uw levensdoel behoeft gij niet te zoeken. Het werd u reeds geschonken, -het ligt voor u bereid.” - -Een verwonderde, vragende blik trof den spreker. Deze vervolgde: - -„De toekomstige koning van uw groot en machtig vaderland is een kind, -opgegroeid te midden van het heidendom, omringd van alle zijden door het -geloof aan de woeste, geweldige goden van uw onverschrokken volk. - -Hij draagt uw naam, ik weet, dat koning Harald u liefheeft, hem heeft -genoemd naar u, wenscht, hoe hij eens u zal gelijken. Tracht daarom het -hart van den jongen Olaf, den opperkoning van Upsala, te winnen voor het -christendom, toon hem, dat de leer van den Christus machtiger is dan de -ruwe kracht der heidensche goden, omdat zij haar oorsprong nam uit de -eeuwige liefde. - -Wijs hem op het wisselvallige van aardsche macht, op het vluchtige van -het leven der menschen, dat wel mag worden vergeleken met de vallende -bladeren in den herfst, als in de purperen en goudgele wouden de boomen -onbeweeglijk staan en de bladeren neerdwarrelen in den stillen, grijzen -najaarsmorgen. Zij worden niet meer gekend, als het gras vallen zij neer -of verwelken gelijk de bloem op haar stengel. Dat is het einde. Alleen -God blijft tot in eeuwigheid, wèl is het hem, die in dat geloof zijn -rust vond: tot nieuw leven zal hij worden gewekt in Zijn eeuwig huis. - -Dit, Olaf, is de levensles, die gij den jongen koning eenmaal zult -leeren. Eenmaal, zeg ik, nu is de tijd nog niet daar. Gij zelf moet nog -leeren in de school van het leven, in die van het christendom, eer gij -anderen tot gids kunt zijn. Zelfs Paulus had een tijd van voorbereiding -noodig, eer hij waardig werd gekeurd te gaan tot de heidenen. - -Ook gij werdt wonderlijk getrokken, maar ook gij behoeft tijd en -nadenken en véél gebed om te worden wat gij zijn moet, om de levenstaak -te kunnen vervullen, die u wenkt. - -Hier kunt gij niet blijven. Het volk weet wie gij waart, met welk doel -gij in dit land zijt gekomen. Wantrouwen zou uw deel zijn van allen -kant en wantrouwen doodt en verstikt wat goed en edel is in het -menschelijk hart. Ga daarom, -- waar ik de lessen leerde, waarvan mijn -leven de vrucht werd -- naar Keulen, naar de Schola Palatina, de groote -leerschool bij uitnemendheid. Daar zult gij vrienden vinden in -leermeesters en denkers, ik zal u aanbevelen en hoewel verwijderd van -elkander, zullen wij niet gescheiden zijn. Weldra zult gij de -letterteekens weten te ontcijferen, dan zullen onze brieven verhalen wat -wij elkander niet kunnen zeggen. Leef en werk, heb vertrouwen in uw -toekomst, dat is leven voor de toekomst. - -En als gij u bereid voelt voor uw taak, ga dan tot den jongen koning. -Erken hoe wonderlijk God u heeft geleid: Gij zijt hier gekomen om dit -volk te verderven, gij wordt geroepen om, in hooger kracht, een ander te -behouden.” - -Een nieuwe glans lichtte in Olafs blik; om zijn mond speelde een -glimlach, die de trek van berusting uitwischte, welke er nu sinds -zoovele dagen zetelde, die verhaalde wat eens zegepraal wezen zou, als -de goede strijd gestreden was en de loop voleindigd. - -Bisschop Ansfried zag het, hij was voldaan. Zegenend legde hij Olaf de -rechterhand op het hoofd, met de andere reikte hij hem een perkamentrol, -beschreven met zijn eigen vast, duidelijk schrift. Het was het Evangelie -van Johannes. - -„Ziedaar Olaf, de beste gids, dien ik u geven kan voor het leven, nu -gij, als mijn eerste zendeling, mijn zendingshuis verlaat. Neem het, -lees dit boek zoodra gij het kunt en heb het lief, iederen dag meer en -meer. Heilig zij u het rein en verheven woord, opgeteekend onder de -ingeving van den Heiligen Geest door den Apostel dien Jezus liefhad.” - -Hand in hand herhaalden beiden nog eenmaal hun afscheidsgroet -- thans -niet meer een „vaarwel!”.... - -Buiten straalde de aarde in den luister van zonlicht en zomerglans. Olaf -wendde zijn paard. Een moeilijke leerschool wachtte hem, eer hij terug -ging naar het land der trotsche bergen, wier duizelingwekkende -rotstoppen, wier onbegaanbare sneeuwkloven zich omhullen met grijze -wolken, met nevelen dicht en zwaar. - -Vele jaren moesten verloopen in den vreemde eer hij weer zou keeren naar -de schitterende koningshal, waar hij voorheen als bloedsbroeder en -schildgenoot werd welkom geheeten, bij het plengen van den Bragibeker, -bij zwaardslag en harpslag, waar hij dan als vijand zou worden gehouden, -al de tegenkanting zou ondervinden, ingegeven door het wantrouwen en den -haat tegen het christendom, die geheel zijn volk beheerschten. - -Zijn volk, even krachtig, onoverwinnelijk en woest als de trotsche -natuur van zijn land. - -Zou hij slagen in zijn levenstaak? - - * * * * * - -De geschiedrollen, die de wereld richten, die blijven tot een onwrikbare -getuigenis, zelfs als het erts vergruist en het hechtste arduin in puin -valt, zouden het antwoord geven op die vraag. - -Zij zouden eenmaal den jongen opperkoning van Upsala den naam schenken -van „Olaf, de Heilige.” - -Zij zouden vermelden, dat hij de eerste heerscher was van het ruwe -Noorden, die koning van Zweden heette, die orde en recht wist te -scheppen in de verwilderde Staten, welke hij vereende onder zijn gezag. -Hij zou het heldenras, waarover hij den schepter hield geheven, vormen -tot een christenvolk, dat hij door zijn heerschersgaven binnen voerde in -de gewijde rijken der historie, door zijn voorbeeld en woorden bracht -tot het geloof in het eeuwige land der onsterfelijkheid, weggelegd voor -allen, die leven in dit geloof, dat eens zal worden tot zalig -aanschouwen. - - * * * * * - -Nog eenmaal wendde Olaf het hoofd om, voor de laatste maal, want -voorwaarts ligt de weg door het leven. Hij wist, hij gevoelde het, -gelijk ieder, die zijn roeping begrijpt, de taak hem door God op aarde -toevertrouwd. - -Het klare, levenwekkende zonlicht stroomde over het landschap en tintte -het water om den Hohorst met zijn schitterenden gloed. Het was of -gewijde stemmen zegeningen fluisterden, of de gouden stralenbundels een -lichtweg wilden vormen, die rechtstreeks voerde van de donkere aarde -naar den hoogen hemel. Het scheen alsof al het licht, dat aan dien -wijden hemel glansde, ineenvloeide boven den „Heiligen berg.” - - - - -AANTEEKENINGEN. - - -Van Ansfried, graaf van Teisterbant, getuigt zijn levensbeschrijver: - -„dat hij vijf en twintig jaar stond aan het hoofd van zijn graafschap, -wijd en zijd beroemd als een uitstekend regent, een dienaar der hoogste -gerechtigheid, die zich noch door groote giften noch door gunsten van -den weg des rechts liet afbrengen, een oprecht en wijs raadsman zijner -vorsten en een moedig verdediger van de belangen zijner onderdanen.” - - ALPERTUS en PERTZ VI. - - * * * * * - -„Wij meenen hem (Ansfried) zeker een plaats te moeten toekennen, onder -de broeders en zusters, die wij met Paulus vrijmoediglijk geheiligden in -Christus Jezus heeten.” - - Prof. MOLL, in den Kalender voor Protestanten in Nederland. 1856. - - * * * * * - -Van den oprechten godsdienstzin zijner vrouw, Hereswit, gravin van -Strijen, worden door Giesebrecht en Thietmar in hun kronieken -verscheidene mededelingen gedaan. Ook de hierboven vermelde gebeurtenis -in de kapel bij Casallum is geheel historisch. - - * * * * * - -Stichtingsoorkonde van de abdij van Thorn, 992. - -In den naam der Heilige en onverdeelde Drievuldigheid. - -Ik Hereswit van Strijen, wensch den bruidegom der Maagden te volgen en -heb daarom in overleg met Ansfried, mijn heer, een kerk gesticht op mijn -bezittingen te Thorn, waar ik en mijn dochter Benedicta dit sterfelijk -leven zullen slijten onder den regel der heilige gehoorzaamheid, opdat -wij verdienen in de toekomstige eeuw, met witte kleederen aangedaan -onder de engelen te verschijnen voor den rechtvaardigen rechter. - -Ik bezweer mijn erfgenamen, de heeren van Strijen, bij Hem, die was en -komen zal, dat zij deze schenking niet bemoeilijken, maar mijne dochter -en hare communauteit in rechtvaardigheid verdedigen. - - Zie Diploma bij HABERTS. - - * * * * * - -Hereswit stichtte met goedvinden van Ansfried de kerk en het klooster -van Thorn, bij Maaseik. Zij werd er begraven. Hun dochter Benedicta was -er abdis. - -Vergrijsd en vermoeid van de vele wisselingen zijns levens werd Ansfried -in 994 gekozen tot bisschop van Utrecht. Het Sticht, dat zooveel had -geleden van de invallen der Noormannen, behoefde een verstandigen -regent. Toen Otto III hem tot die hooge waardigheid riep, trad graaf -Ansfried in diepe verslagenheid voor den keizer en gebruikte hij al zijn -welsprekendheid, om den landsheer te overtuigen dat zulk een eer voor -hem te groot en zulk een ambt voor hem, den veldheer, ongepast was. Toen -niets baatte verzocht hij tijd om zich te beraden en te bidden. - - Prof. MOLL, Kerkgeschiedenis. - - * * * * * - -Ook als bisschop blonk hij uit door wijsheid en godsvrucht. Hij -gebruikte al zijn inkomsten ten behoeve der kerk en was zoo sober in -zijn leefwijze, dat zijn tegenstanders hem er om bespotten. - - ALPERTUS. - - * * * * * - -Zijn gesprekken kruidde hij met het bijbrengen van voorbeelden uit den -bijbel. Hij predikte, deed visitatie-reizen, sprak verstandig op de -rijksdagen, zocht de overblijfselen van het heidendom uit te roeien en -schonk zijn bezittingen „ad restaurandum ib idem Dei servitium.” - -De schenkingsacte vindt men in zijn geheel bij HEDA. - - * * * * * - -Het voorbeeld van Ansfried werd gevolgd door zijn vriend, graaf -Frethibold. Deze gaf aanzienlijke bezittingen aan den Dom van St. -Maarten. - -ROYAARDS vermeldt, dat bisschop Ansfried in persoon tegen de Noormannen -optrok. - -Zelf wijdde hij de door hem gestichte kerk op den Hohorst bij -Amersfoort, dat toen nog alleen bestond uit het slot Bachevorth en -eenige omliggende hutten. De Hohorst was destijds een heuvel, die -tusschen een breeden stroom (de Eem) en een moerassigen poel lag en -alleen met een boot kon worden genaderd. - - Zie THIERMAR en HEDA. - - * * * * * - -Sinds bisschop Ansfried er verblijf hield, heet de Hohorst „de Heilige -berg.” In gezelschap van eenige vrome monniken wenschte hij daar van -tijd tot tijd uit te rusten van zijn zware plichten en zich voor te -bereiden op zijn naderenden sterfdag. Zoo dikwijls het hem mogelijk was -trok hij er heen en dan was de machtige kerkvoogd, die als jongeling de -banier droeg en de zwaarddrager was der Ottonen en nu nog dikwerf nevens -den keizer zijn plaats innam, een eenvoudige monnik, in niets van de -broeders onderscheiden, dan door hoogeren ijver voor den godsdienst en -door dieperen ootmoed. Alle dagen kwamen twee en zeventig armen uit den -omtrek tot hem en hij spijsde ze met eigen hand, en als er kranken waren -werden zij door hem verzorgd en opgenomen. - - MOLL. Kerkgeschiedenis. - - * * * * * - -Het was een algemeen verbreid geloof, dat in het jaar 1000 de wereld zou -vergaan. - -Met angst en beving had men het aanbreken van die eeuw afgewacht, want -tal van sombere voorspellingen schenen het jaar duizend als het einde -der wereld aan te duiden. - - DE ROEVER: Het leven onzer voorouders. - - * * * * * - -„Het jaar 1000, dat bange tijdstip, waarop onkunde en bijgeloof -samenspanden om den menschelijken geest te doen sidderen voor de -gevreesde ure van den met zekerheid in dat jaar geprofeteerden -oordeelsdag.” - - HOFDIJK, Het Ned. volk. - - * * * * * - -Het Concilie in Rome gehouden in 998 houdt er zich echter evenmin mee -bezig als dat van Poitiers in 999. - - * * * * * - -Koning Robert van Frankrijk, vroeg bisschop Fulbert van Chartres naar -een verklaring van den bloedregen, die toen op de aarde was gevallen. -Fulbert antwoordde: „dat het geen voorspelling van ramp of onheil kon -zijn.” - - VICTOR DURAY; Hist. de France. - -„Robert begon zijn regeering te midden eener alom heerschende vrees.” -(Idem.) - - * * * * * - -Toen in 909 het Concilie van Trosby werd gehouden eindigde Heriveüs, -aartsbisschop van Reims, zijn klacht over het verval van den godsdienst -bij geestelijken en leeken met de woorden: - -„Het herderlijk ambt wordt een onduldbare last, wanneer het oogenblik -nadert om rekenschap af te leggen van de taak, die ons is toevertrouwd, -want hij nadert in zijn verschrikkelijke majesteit, die dag, waarop alle -herders met hun kudden voor den Opperheer zullen staan.” - -De abt Abbo van Fleury meldt daarentegen in 990: - -In mijn jeugd heb ik te Parijs een prediking gehoord, dat zoodra het -jaar 1000 daar zou zijn, de wereld zou vergaan, dat eerst de Antichrist -zou verschijnen en niet lang daarna het oordeel zou volgen. Met een -beroep op de Evangeliën heb ik deze prediking met al de kracht, die ik -bezat weersproken.” - - * * * * * - -Ontelbare charters, stukken en schenkingen aan de kerk vangen in dien -tijd -- volgens Plaine reeds sinds de 7^{de} en 8^{ste} eeuw -- aan met -de woorden: - -„Waar alles voor onze voeten ten ondergang neigt, waar de -verschrikkelijke dag, het einde der wereld nadert” enz. - -Tegen het einde der 10^{de} eeuw komt die aanhef niet meer voor. - - * * * * * - -„Der Glaube dass mit der Sommersonnenwende des Jahres 1000 die Welt -untergehen und das jüngste Gericht hereinbrechen werde, galt während -jenes Jahres im Abendland als unfehlbare Wahrheit.” - - FELIX DAHN. - - * * * * * - -„In het jaar 1003 werden over de geheele christenheid maar vooral in -Italië en Gallië, de hoofdkerken vernieuwd, ofschoon de meesten het -volstrekt niet noodig hadden. Alle volken wedijverden met elkander. Het -was alsof de wereld zich zelve uitschudde en haar lompen wegwierp om een -nieuw, blinkend wit gewaad aan te trekken. - - GABLER, de kroniekschrijver van Cluny. - -Het is niet met juistheid op te geven in welk jaar de gouwgraven van het -Sticht plaats maakten voor de castellani (burggraven) van Utrecht. - -De eerste castellano komt voor in 1105 tijdens bisschop Burchard. Tot -1156 waren de castellani dienstmannen, van 1164-1178 edelen. De -bisschoppen bezaten zelf wereldlijke rechten in de gouw Nifterlake en -Fleheti, die het Neder Sticht vormden. De gouwgraaf stond onder den -bisschop. - - * * * * * - -Volgens Bondam is Bacheforth en Stuthenborch beide de naam van het -tegenwoordige Amersfoort. Anderen zoeken den Stuthenborch bij -Hoevelaken. (Stoutenburg). - -Wie recht heeft valt moeilijk te beslissen. Want ook hier -- en nog voor -meerdere bijzonderheden in dit boek, o. a. over den hier beschreven -inval der Noormannen, dien sommige kronieken eenigen tijd vóór, andere -nà het jaar duizend vermelden -- geldt het woord van den ouden -kroniekschrijver, Claas Kolyn: - - „Ik moet u rond uyt zeggen - Dat ons de schiedenissen ontbreeken - Om duydelyker te spreeken.” - - - - - Opmerkingen van de bewerker. - - - Enkele duidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. - - Overbodige, ontbrekende en inconsistent geplaatste aanhalingstekens - zijn niet gecorrigeerd. - - Inconsistente spellingen, woordafbrekingen e.d. zijn niet - genormaliseerd. - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Toen de duisternis dreigde, by -Alida van der Vlier (ps. A. van Redich) - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TOEN DE DUISTERNIS DREIGDE *** - -***** This file should be named 51753-0.txt or 51753-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/1/7/5/51753/ - -Produced by Frank van Drogen, Harry Lamé and the Online -Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
