diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-05 18:12:54 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-05 18:12:54 -0800 |
| commit | d1a2c19f785921a894956a24c686b9a1cde22e7c (patch) | |
| tree | 9fdb303479b6edd2b78e7701daf61af887106374 /old/51763-0.txt | |
| parent | 911adad2beee2e7aad2119eff4ab9e8020e14f5c (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/51763-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/51763-0.txt | 7160 |
1 files changed, 0 insertions, 7160 deletions
diff --git a/old/51763-0.txt b/old/51763-0.txt deleted file mode 100644 index 8d0c377..0000000 --- a/old/51763-0.txt +++ /dev/null @@ -1,7160 +0,0 @@ -Project Gutenberg's Noorsche Volksvertellingen, by Peter Christen Asbjørnsen - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Noorsche Volksvertellingen - -Author: Peter Christen Asbjørnsen - -Translator: T. Terwey - -Release Date: April 15, 2016 [EBook #51763] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORSCHE VOLKSVERTELLINGEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This file was produced from images generously -made available by The Norwegian National Library.) - - - - - - - - - P. CHR. ASBJÖRNSEN. - - NOORSCHE VOLKSVERTELLINGEN. - - VERTAALD DOOR - T. TERWEY. - - - - HAARLEM, - KRUSEMAN & TJEENK WILLINK. - 1875. - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - - De sage in den molen 4 - Het kroost der Huldren 13 - Een nacht in Nordmarken 24 - De koning van den Egeberg 44 - Van "Fjeld en Saeter" 53 - De vertellingen van den doodgraver 65 - Bertha Tuppenhaug's vertellingen 84 - Een avond in de keuken van den landheer 97 - De bewoners van Lunde 117 - Een ouderwetsche kerstavond 123 - Een zondagavond op een' saeter 137 - Op de vogeljacht in Holleia 173 - Eene tooverheks 196 - Ter zee. - I. De aalscholvers van Udröst 210 - II. De nikkers op het "Zand" 217 - - - - - - - -De Noren loopen zeer hoog met het boekske, waarvan hier de fraaiste -vertellingen den Nederlandschen lezer worden aangeboden. En ze hebben -reden te over voor die waardeering. Terwijl toch aan den eenen kant -de belangstelling gewekt wordt door den inhoud der sagen uit "het -schemerdonker des volkslevens", staat men aan den anderen verrukt -over "de warme teekening van land en volk", die den aantrekkelijken -achtergrond der vertellingen uitmaakt. Zou dit dus reeds in staat zijn, -de ingenomenheid te verklaren, waarmede Asbjörnsen's arbeid bij zijne -landgenooten werd ontvangen, de dienst, welken hij ook met dit product -der Noorweegsche litteratuur bewees, wettigt die genegenheid te meer. - -De letterkunde van dit volk werd zich hare roeping eerst volkomen -bewust, toen zij zich aansloot bij het volk zelf; toen zij het -leven en streven van dat volk zich ten onderwerp koos. Had zij tot -nog toe aan den leiband harer Deensche zuster geloopen, zij leerde -op eigen beenen staan, toen hare dichters en prozaïsten een oog -begonnen te krijgen voor de schatten, welke voor hunne kunst uit -de natuur, de historie, het volksleven van hun eigen land konden -gedolven worden. In wat het Noorsche volk zelf gedicht, gedacht -en gedaan had, vond de litteratuur een' vasten gezonden bodem, -waaruit zij als nationale kunst kon opwassen. Zoo oordeelden ook -en daarnaar handelden twee mannen, die een' allerbelangrijksten -invloed op de letteren van hun vaderland hebben uitgeoefend: Jörgen -Moe en P. Chr. Asbjörnsen. De eerste verzamelde de volksdeuntjes, -hier en ginds in omloop; te zamen gaven zij een aanzienlijk getal -uitstekend vertelde--"Folke-eventyr"--volkssprookjes ten beste, -en nadat Moe zich geheel aan zijn kerkelijk ambt--hij is "praest" te -Drammen--en aan de geestelijke poëzie had gewijd, schreef de houtvester -Asbjörnsen eene nieuwe verzameling Huldersprookjes en Volkssagen, -schoon op gansch anderen trant, dan toen hij gemeenschappelijk met -Moe arbeidde. Terwijl toch de "Folke-eventyr" streng objectief zijn -gehouden en zoo getrouw mogelijk weergeven, wat de vrienden uit den -mond des volks hadden opgevangen, geeft Asbjörnsen hier, terwijl hij -zijne lezers deelgenoot maakt van de wijze, waarop hij aan de kennis -zijner vertellingen is gekomen, eene schildering van natuur en volk, -die, naar 't oordeel van een landgenoot, aan de dichterlijkste kleur -eene betooverende getrouwheid paart. - -Of de vriendelijke lezer het gunstig oordeel van des auteurs -landgenooten zal deelen? Afgezien van het belang, dat de Noren als -zoodanig in dit voortbrengsel hunner letteren moeten stellen, heeft -de vertaler geen recht tot twijfel. Daar schuilt, meent hij, ook ten -onzent genoeg belangstelling voor 't volksgeloof eener stamverwante -natie; genoeg zin voor de poëzie van natuur en volksleven, om eene -goede ontvangst dezer vertellingen te waarborgen.--Ge hebt Gerard -Keller's Zomer in het Noorden gelezen en genoten? Welnu, hier wordt -u stoffe geboden ter aanvulling uwer kennis door iemand, wiens lust -het jarenlang was, te dwalen door de geurige dennebosschen, te zwerven -langs de oevers der bergstroomen, te kouten aan den haard der eenzame -saeters van zijn land. En zijn de voorstellingen, door Keller's boek -in u gewekt, verflauwd;--men leest in onzen tijd zooveel;--neem zijn -tweede deel nogmaals ter hand en gij vindt er beter opheldering van -wat u vreemd mocht dunken, dan eene enkele aanteekening 't zou kunnen. - -Toch niet over den inhoud der volkssagen, zegt gij, en de vertaler -zal ronduit bekennen, dat het denkbeeld hem heeft toegelachen, elke -vertelling te doen volgen door eenige opmerkingen, die duidelijk in -'t licht stelden, hoe groot de verwantschap is geweest of nog is -tusschen 't volksgeloof der Noren en Nederlanders. Maar hij heeft -begrepen, dat de identiteit op dit punt, behoudens karakteristieke -verschillen, tusschen de Germanen en Skandinaviërs door Grimm in -zijne Deutsche Mythologie te klaar is bewezen, dan dat men dit feit -nog als iets nieuws behoefde mede te deelen. En vervolgens duchtte hij -niet zonder reden, dat eene uitvoerige aanwijzing der verschijnselen, -die deze waarheid staven, kwalijk in overeenstemming mocht zijn met -den bescheiden vorm, waaronder dit boekje optreedt. - -De lezer, die in dit onderwerp belang stelt, zal bij Grimm, bij -Simrock in zijn "Handbuch der Deutschen Mythologie", bij Van den -Bergh in zijne "Volksoverleveringen", maar vooral in zijn "Kritisch -Woordenboek der Ned. Mythologie", of uit J. W. Wolf's "Niederländische -Sagen" kunnen zien, welke treffende familietrekken de overleveringen -van beide volken vertoonen. Er is bijna geen enkele trek in de -vertellingen van Asbjörnsen, die men niet hier of daar in Nederland -terugvindt. Zelfs Holda--de vriendelijke--wier naam ons van de lippen -glijdt, wanneer wij "hou en trou" zweren aan onzen vriend of onze -"hulde" brengen aan de min, heeft ook ten onzent hare vereerders -gehad; al belette haar karakter van berg- en woudgeest natuurlijk, -dat zij in onze overleveringen eene rol zou spelen, zóó belangrijk, -als zij met hare volgelingen, de Huldren, in de Noorsche volkssprookjes -vervult. Schuilt er in onzen bodem geen schat van metalen, die in -'t Noorden de volksfantazie kon doen ontvlammen, toch wist men ook -bij ons te verhalen van schatten, hier en daar verborgen, en wier -bestaan werd verraden door een geheimzinnig schijnsel. En droeg ook -bij ons de kwaal, die wij "engelsche ziekte" noemen, geen daemonisch -karakter, wij hadden toch even goed tooveressen, die lood smolten, dat -plotseling afgekoeld in zonderlinge figuren den aard van verschillende -krankheden openbaarde. - -En zoo zouden wij kunnen voortgaan en doen opmerken, hoe -ook het Nederlandsche volk zijne vertellingen bezat omtrent de -gedaanteveranderingen van duivel of heksen in slangen, padden, hazen of -zwarte katten; hoe ook bij ons "de duivel en zijn grootje" van tijd tot -tijd feestvierden met hunne getrouwen; hoe ook hier de heksen de kunst -verstonden op geheimzinnige wijs de koeien van hare melk te berooven, -tot de beesten er het leven bij inschoten,--om toch ten slotte ons -"woord vooraf" tot een' onbetamelijken omvang te doen uitdijen. - -Den lezer, die onze meening deelt, dat volksoverleveringen en -volkssprookjes niet bij voorkeur in de kinderkamer thuis behooren, -heil! - - - Amsterdam, 25 Augustus 1875. T. - - - - - - - -DE SAGE IN DEN MOLEN. - - -Wanneer 't mij in de wereld tegenloopt,--en ik kan niet klagen -dat dit te zelden gebeurt,--heb ik er mij steeds wel bij bevonden, -een zwerftochtje te ondernemen tot verlichting van mijn vrachtje -bekommernis en tegenspoed. Wat mij op zekeren tijd in den weg stond, -herinner ik me niet meer; maar 't staat me nog duidelijk voor den -geest, hoe ik voor eenige jaren, op een' zomermiddag met de hengelroê -in de hand, over de velden zwierf langs den oostelijken oever van -den Akerself. - -De frissche lucht, de geur van 't hooi en de bloemen, 't genot der -beweging, het gekweel der vogels en het frissche windje langs de -rivier, alles bracht mij in eene opgewekte stemming. Toen ik de brug -bij Oset over was, begon de zon ter kim te nijgen: nu eens kleurde -zij de avondwolkjes met haar' schoonsten gloed, alsof ze wou, dat -deze zich zouden verlustigen in den geleenden tooi, wanneer zij zich -spiegelden in de klare golven van het meer; dan weer brak zij door -de wolken heen en zond een' stroom van licht uit, die gulden plekken -schiep in de donkere bosschen aan de overzijde. - -De avondwind voerde na den warmen dag een' verfrisschenden geur uit de -dennenbosschen met zich en de ver weerklinkende, langzaam wegstervende -tonen van den koekoek stemden den geest weemoedig. Werktuigelijk -volgde mijn oog het aas, dat ik uitwierp en dat de stroom der rivier -meevoerde. Zie, daar sprong een glinsterende visch; snorrend vloog -het snoer van den hengel, en toen ik dezen stevig vasthield, boog hij -zich als een hoepel: 't moest een forel zijn van de grootste soort. Nu -was 't geen tijd meer om te dwepen met dennengeur en koekoekslied; -'k had al mijne tegenwoordigheid van geest hoog noodig om den visch -aan land te brengen, want de stroom was snel en 't beest spartelde -geweldig. Driemaal moest ik 't snoer op- en afwinden, voor 't mij -gelukte mijn' buit met den stroom mede naar een' kleinen inham te -krijgen, waar hij gelukkig aan land werd gebracht en een fraaie -purper-gevlekte visch bleek te zijn van de verwachte grootte. - -Ik bleef nog eenigen tijd visschen langs den westelijken oever der -rivier, maar slechts jonge forellen hapten naar mijn aas en mijne -gansche vangst bedroeg niet meer dan een tiental visschen. Toen ik -bij den houtzaagmolen kwam, was de lucht geheel bewolkt. 't Was -reeds tamelijk duister en slechts aan den noordwestelijken rand -des horizons bespeurde men nog eene groene strook, die een' zwakken -lichtglans wierp op de stille vlakte van den vijver. Ik sprong op -het vlot des vijvers en wierp op nieuw uit, maar mijne vangst bleef -luttel. 't Was bladstil, de wind scheen ter rust gegaan en slechts -mijn aas deed het heldere water rimpelen. - -Een opgeschoten knaap, die achter mij op den heuvel stond, ried -mij, eene heele tros wormen aan den angel te hechten en daarmee -stootsgewijs over de oppervlakte van 't water te slepen, en bood -aan voor 't noodige aas te zorgen. Ik volgde zijn' raad, en de proef -gelukte boven verwachting, want een forel van een paar marken beet -weldra aan den haak en werd niet zonder moeite op den ongemakkelijken -oever gebracht. Maar hiermee was 't ook uit; geen enkele beet werd -meer bespeurd, geen enkele visch schoot door den stillen vijver; -slechts de vleermuizen, die snorrend rondfladderden, brachten nu en -dan, wanneer zij op insecten neerschoten, trillende kringen op de -blanke vlakte te voorschijn. - -Vóór mij lag de molen, van binnen duidelijk zichtbaar door 't -vlammend haardvuur. Hij was in vollen gang; toch scheen het, of -'t rad met zijne schoepen en staken niet door den wil of de hand van -een' mensch werd bestuurd en geleid, maar of 't ten speelbal strekte -voor de luimen van een' onzichtbaren molen- of stroomgeest. Maar ja, -ten laatste vertoonden zich ook menschelijke gedaanten. Hier sloeg -er een met een grooten haak naar een balk, die in den molen moest -gebracht worden en zette de geheele vlakte in golvende beweging; -een ander kwam voorzichtig met eene bijl in de hand naar buiten om -een balk te effenen of de buitenste planken in den vijver te werpen, -die krakend in de diepte stortten. Alles suisde en bruiste, knarste en -kraakte, en nu en dan werd ook buiten den molen--als een reuzenzwaard -in kamp met de geesten des nachts--eene blinkende zaag in beweging -gebracht om de knoesten en oneffen uiteinden der balken af te zagen. - -Uit het noorden kwam met den stroom der rivier eene kille vlaag, -die mij deed voelen, dat ik nat en vermoeid was, en ik besloot daarom -naar binnen te gaan en eene poos uit te rusten aan den haard van den -molenaar. Ik riep den knaap, die nog aan den oever stond en verzocht -hem de vischkorf te brengen, die ik had neergezet, en mij te volgen -over 't vlot, welks gladde balken in 't water schommelden en bij -elken stap, dien ik deed, onderdoken. - -Bij den eenen haard in den molen zat een oud man met een grijzen baard; -eene roode muts had hij tot over de ooren getrokken. De schaduw van den -schoorsteen had mij in 't eerst belet hem te zien. Toen hij hoorde, -dat ik een ommezien wenschte uit te rusten en mij te warmen, maakte -hij schielijk van een knoestig stuk hout eene zitplaats bij 't vuur. - -"Dat is een kostelijke visch," zei de oude, terwijl hij de laatste -forel, die ik had gevangen in de hand nam, "en dat is een haakvisch; -die weegt stellig anderhalf pond. Gij hebt hem vast in den vijver -hier gevangen?" - -Op mijn bevestigend antwoord begon de man, een aartsliefhebber -van visschen naar 't scheen, te verhalen van de groote forellen, -die hij dertig jaar geleden in den omtrek had gevangen, en slaakte -daarbij--niet minder dan Sir Humphry Davy in zijne Salmonia--de -hartroerendste klachten over 't afnemen der visch en 't toenemen van -het zaagsel in de rivieren. - -"De visch gaat weg," zei hij met eene stem, die boven al 't gedruisch -uit klonk; "'t gebeurt nu zelden dat men zulk eene goudhaak als -deze vangt, maar 't zaagsel neemt van jaar tot jaar toe. 't Is dan -ook geen wonder, dat de visschen de rivier verlaten, want doen zij -de kieuwen open om eene teug zuiver water naar binnen te halen, dan -krijgen ze den heelen kop vol zaagsel en splinters. Dat vervloekte -zaagsel!--God vergeve me de zonde--de zaag geeft ons brood, mij en -mijn gezin; maar ik ben mij zelf niet langer meester, als ik denk -aan de prachtige visschen, die ik voor jaren heb gevangen." - -Intusschen was de knaap met mijn vischkorf binnen gekomen; hij scheen -kwalijk te moede bij al 't geraas en gedruisch, dat in den zaagmolen -heerschte. Voorzichtig liep hij over de losse vloerplanken, en op -zijn gelaat las men duidelijk angst en vrees voor 't bruisen van het -water op en tusschen de raderen onder zijne voeten. - -"'t Is niet alles hier te zijn; ik wou dat ik goed en wel thuis was," -zeide hij. - -"Hoor je hier niet thuis?" vroeg ik. - -"Wie ben je, waar kom-je van daan?" vroeg de oude man. - -"Ik kom van Gamleby, en ik ben te Brække geweest met een' brief voor -den schout; maar ik ben zoo bang in donker alleen te gaan," antwoordde -de knaap, die zich den heelen tijd dicht in mijne nabijheid hield. - -"Schaam je wat, groote jongen, voor zoo iets bang te zijn," zei de -oude, maar voegde er troostend bij: "zoo aanstonds komt de maan op, -en de knecht kan wel met je meegaan." - -Ik beloofde den vreesachtigen knaap hem tot de Beierbrug te brengen, -en dit scheen hem eenigermate gerust te stellen. Ondertusschen hield -het malen op en twee der knechts gingen de zagen vijlen, een arbeid, -die van zulk een krassend geluid verzeld gaat, dat 't iemand door merg -en been dringt en des nachts, boven 't bruisen van den waterval uit, -niet zelden tot in de naaste stad weerklinkt. 't Scheen, dat dit -geraas de zenuwen van den knaap nog onaangenamer aandeed. - -"Hè, 'k zou voor nog zoo veel hier geen nacht willen doorbrengen," -zeide hij en staarde om zich heen, of hij aanstonds uit elken hoek -van den molen een' nikker zou zien oprijzen. - -"Ik heb hier al menigen nacht doorgebracht," zei de oude; "toch had ik -'t er in den beginne ook niet op begrepen." - -"Ik heb van mijne moeder gehoord, dat er zooveel hekserij in zoo'n -molen gebeurt," viel de knaap angstig uit. - -"Ik kan niet zeggen, dat ik er ooit iets van gezien heb," hernam de -molenaar. "'t Water is wel eens plotseling gedaald of gerezen, wanneer -ik 's nachts maalde, en soms ook hoorde ik wel kloppen in de buitenste -delen, maar gezien heb ik niets. De menschen gelooven daar tegenwoordig -niet meer aan," ging hij voort, terwijl hij een vragenden blik op mij -sloeg, "en daarom durven de geesten niet meer voor den dag komen; de -menschen zijn te wijs en hebben te veel boeken gelezen in onze dagen." - -"Wel mogelijk," zeide ik; want ik merkte duidelijk, dat er meer stak -achter den blik, dien hij mij toewierp, en ik had liever, dat hij -mij oude histories vertelde, dan mij af te geven met 't bestrijden -van zijne bewering, dat de verlichting in onzen tijd de onderaardsche -geesten zou bang maken. "In zekeren zin kunt ge gelijk hebben. In den -ouden tijd geloofden de menschen vaster aan elk slag van tooverij; nu -houden ze zich of ze er niet aan gelooven, om verstandig en verlicht -te schijnen, zooals gij zegt. Toch hoort men in de bergstreken nog -wel, dat de geesten zich aan de menschen vertoonen, hen met zich -voeren en zulke dingen meer. Ik zal je eens," voegde ik er bij, om -hem goed op gang te krijgen, "ik zal je eens eene historie vertellen, -die ergens gebeurd moet zijn, maar waar en wanneer, dat herinner ik -me niet juist meer." - -Daar was eens een man, die een' molen bezat, vlak bij een waterval, -en daar huisde ook een molengeest in. Of de man hem, zooals men hier en -daar pleegt te doen, geboterd brood en gerstebier gaf, om te maken dat -zijn meel vermeerderde, weet ik niet, maar 't is niet waarschijnlijk, -want telkens, als hij malen moest, greep de molengeest den spilbalk -vast en deed den molen stil staan. Onze man begreep weldra, vanwaar -dit kwam, en op zekeren avond, dat hij aan 't werk moest, nam hij een' -ijzeren pot vol pek en teer met zich en lei daaronder vuur aan. Toen -hij 't water over den wielbalk leidde, raakte deze een oogenblik in -beweging, maar spoedig stond hij stil, zooals te verwachten was. De -molenaar stak en sloeg naar den geest in de goot en rondom den balk, -maar te vergeefs. Eindelijk opende hij de deur, die naar de goot en -den wielbalk leidde, en daar stond de molengeest midden in de deur en -gaapte hem aan met een' mond, zóó wijd, dat de onderkaak den drempel -aanraakte en de bovenkaak aan den zolder reikte. - -"Hebt gij ooit zulk gapen gezien?" zei de geest. - -De man vloog op den pekpot toe, wierp hem den inhoud in den mond en -zeide: "Hebt gij ooit zoo iets kokend heets geproefd?" - -Toen liet de geest den balk los en stiet een vreeselijk gebrul uit. En -sedert heeft men hem daar gehoord noch gezien, en nooit heeft hij de -lui belet te malen. - -"Ja," zeide de knaap, die met eene mengeling van angst en -nieuwsgierigheid mijne vertelling had gevolgd, "dat heb ik ook hooren -vertellen door mijne grootmoeder, en zij vertelde nog eene andere -historie van een' molen." - -Dat gebeurde een heel eind hier van daan en niemand kon daar zijn -koren gemalen krijgen, omdat 't er vol was van hekserij. Maar nu -woonde er ook eene arme vrouw, die op zekeren avond noodzakelijk wat -koren moest malen, en zij bad daartoe den molen te mogen gebruiken. - -"Neen, God beware je," zei de eigenaar, "dat gaat niet, dan mocht -het eens met dubbel geweld gaan spoken." Maar de vrouw antwoordde, -dat zij 't zoo hoognoodig had; want zij had geen korrel brijmeel in -huis en geen brood voor hare kinders. Nu, eindelijk kreeg zij dan -verlof naar den molen te gaan en dien nacht te malen. Toen ze daar -kwam, warmde zij een' grooten pot met teer, die daar stond, bracht -den molen in beweging en zette zich bij den haard om eene kous te -breien. Na eene poos kwam er een vrouwmensch binnen en groette haar. - -"Goeden avond," zei ze tot de vrouw. - -"Goeden avond," zei deze en bleef zitten breien. - -Maar zooals ze daar zat, begon degene, die binnen gekomen was, het -vuur over den haard uit te spreiden. De vrouw rakelde het weer samen. - -"Hoe heet gij?" vroeg de geest. - -"Ik? Ik heet Zelf," zei de vrouw. - -Dat leek haar een zonderlinge naam, en nu begon ze op nieuw het vuur -uiteen te halen. De vrouw werd boos, begon te schelden en rakelde het -op nieuw samen. Dat duurde zoo eene heele poos, maar toen 't de vrouw -lang genoeg geduurd had, stortte zij den teerpot over de aardgeest -uit. Die aan 't huilen en schreeuwen, en zoo ijlde ze naar buiten -en riep: - -"Vader, vader, Zelf heeft me gebrand!" - -"Zoo, heb je 't zelf gedaan, dan moet je 't zelf ook maar lijden," -hoorde men in den berg. - -"'t Liep wondergoed af met die vrouw," zeide de grijze molenaar. 't -Had kunnen gebeuren, dat de molen verbrand was en zij meteen; toen -ik nog tehuis was, heb ik iets dergelijks hooren vertellen, dat daar -in den ouden tijd moet zijn voorgevallen. Daar woonde een boer, die -ook een molen had en deze brandde twee pinksteravonden na elkander -af. Toen het derde jaar pinksteren naderde, was er een kleermaker -bij hem, die kleeren maakte voor 't aanstaande hoogtij. - -"Ik ben benieuwd, hoe 't ditmaal met den molen zal gaan," zei de man, -"ik vrees, dat hij weer zal afbranden." - -"'t Heeft geen nood," zei de kleermaker, "geef mij den sleutel, -dan zal ik op den molen passen." - -Dat leek den man niet kwaad toe, en toen 't avond werd, kreeg de -kleermaker den sleutel en ging naar den molen; er was niets in, want -hij was pas nieuw opgebouwd. De snijder zette zich midden op den vloer -neder, nam een stuk krijt en trok een' wijden ring om zich heen en -buiten om dien ring schreef hij 't Onze Vader: toen was hij nergens -meer bang voor, zelfs voor den duivel niet. Te middernacht vloog de -deur eensklaps open en daar kwamen eene menigte zwarte katten binnen, -om er van te ijzen zoo leelijk. 't Duurde niet lang, of zij zetten -een ijzeren pot op den haard en legden vuur aan, zoodat 't in den pot -begon te bruisen en te borrelen, alsof hij vol kokende teer en pek was. - -"Ha, ha," dacht de snijder, "zal dat zóó gaan?" en nauwelijks had -hij dit bij zich zelven gezegd, of een der katten schoot op den pot -toe en trachtte dien om te werpen. - -"St, kat, je zult je branden!" riep de snijder. - -"St, kat, je zult je branden! zegt de snijder," riep 't dier den -anderen katten toe, en nu begonnen zij alle rondom den ring te dansen; -maar een oogenblik later sprong de kat weer naar den haard en wilde -den pot omver smijten. - -"St, kat, je brandt je!" schreeuwde de snijder en joeg haar van -den haard. - -"St, kat, je brandt je! zegt de snijder," zei de kat tot de andere -katten, en weer begonnen ze alle te huppelen en te dansen en op eens -vlogen ze naar den haard en trachtten den pot onderst boven te werpen. - -"St, kat, je brandt je!" schreeuwde de snijder en schopte haar, dat -ze over elkander heen buitelden, en toen begonnen ze weer te dansen -en te springen als te voren. - -Daarop sloten zij een kring om de krijtstreep en begonnen in 't rond -te dansen, al sneller en sneller, en eindelijk ging 't zoo gauw, -dat alles voor den kleermaker scheen rond te draaien, en zij keken -hem aan met oogen, zoo groot en zoo vurig of ze hem wilden verslinden. - -Maar terwijl zij hiermee bezig waren, stak de kat, die eerst getracht -had den pot om te gooien, den bek binnen den ring, als of zij lust -gevoelde den kleermaker aan te vallen. Zoodra deze 't bemerkt, neemt -hij zijn knipmes en houdt dit gereed. Weer steekt de kat den bek -binnen den ring, maar, vlug als de wind, hakt de kleermaker haar dien -af en toen vluchtten alle katten, zoo snel ze konden, al gillend en -schreeuwend de deur uit. Maar onze kleermaker legde zich binnen den -ring neder en sliep, tot de zon hoog aan den hemel stond en zijne -slaapstee bescheen. Toen stond hij op, sloot den molen en ging naar -de hoeve. - -Toen hij 't woonvertrek binnentrad, lagen man en vrouw nog te bed, -want 't was pinkstermorgen. - -"Goê morgen," zei de kleermaker en gaf den man de hand. - -"Goê morgen," zei de man en hij was blij en verbaasd, toen hij den -snijder weer zag, dat kan men begrijpen. - -"Goê morgen, moeder," zei de kleermaker en reikte de vrouw de hand, - -"Goê morgen," zei de vrouw; maar zij zag er bleek en verward en -verschrikt uit, en hare handen verborg zij onder de dekens;--eindelijk -toch reikte zij hem de linker. Toen begreep de kleermaker, hoe alles -samenhing, maar wat hij den man zeide en hoe 't sedert de vrouw -verging, dat heb ik nimmer gehoord." - -"De molenaarsche was licht zelf eene heks?" vroeg de knaap, die met -gespannen aandacht had geluisterd. - -"Jij vat het," antwoordde de oude. - -'t Was bijna niet mogelijk langer een woord te verstaan; want de -molen was weer met zijn geraas en geschuur aan den gang. De maan was -opgekomen en na de korte rust was mijne vermoeidheid geweken. Ik zei -dus den oude vaarwel en verliet den molen in gezelschap van den bangen -knaap. Wij volgden het pad over de heuvelen naar Grefsen. Witkleurige -wolkjes zweefden boven de rivier en de moerassen beneden in 't -dal. Boven den sluier van rook, die over 't stadje hing, verhief zich -Akershus met hare torens, die helder uitkwamen tegen den waterspiegel -van den fjord, waarin eene smalle landspits zich uitstrekte als eene -groote slagschaduw. De hemel was niet geheel helder en er was weinig -beweging in de wolken en de lucht; het maanlicht mengelde zich met den -schemer van den zomernacht en deed de omtrekken van 't landschap op -den voorgrond slechts flauw uitkomen. Maar boven den fjord straalde 't -schijnsel der maan blank en klaar, terwijl de Asker- en Baerumtoppen, -in donkerblauwe schaduwen gehuld, zich boven elkander hoog in de -lucht verhieven en den verren achtergrond van 't landschap vormden. - -Verkwikt door 't koele bad van den avonddauw spreidden de viooltjes -en hare gezellinnen de levendigste geuren over de velden, maar uit de -moerassen en van de beekjes stegen kille, doordringende luchtstroomen -op, die mij soms deden huiveren. - -"Oef, 't griezelt mij," riep mijn jonge metgezel dan uit. Hij waande, -dat deze luchtstroomen werden uitgeademd door de geesten des nachts -en meende eene heks of eene kat met vurige oogen te zien in elken -heester, die door den wind werd bewogen. - - - - - - - -HET KROOST DER HULDREN. - - -Wij hadden een bezoek afgelegd op Bjerke-hoeve. De landheer en -grootmama roeiden zondags avonds weer naar huis, maar juffer Marie -en de jongens hadden zoolang gevleid en gebedeld, tot zij verlof -kregen den maandagmorgen aftewachten en over de bergen naar huis te -keeren om "van 't vergezicht te genieten," zoo als 't heette; en ik, -de huisonderwijzer, had mijne goede redenen om bij hen te blijven. De -maandag morgen kwam; veel spoediger dan ons lief was. Verzeld van onze -gastvrouw, de waardige moeder Bjerke en haar' zoon, wandelden wij -door de bladerrijke boschjes, die tot de hoeve behoorden en in wier -berkentoppen de kwikstaartjes en goudvinken hun' snellen welluidenden -slag deden hooren. De vliegenvangers drentelden rond op de takken -en bleven niet achter in 't groot concert, terwijl de tuinkoning, -bescheiden in 't loof verborgen, zijne teedere tonen uit de dichte, -donkere toppen overal heen zond. De ochtend was zoo stil en kalm; de -berkeblaren bewogen zich nauwelijks, en toen wij 't pad tusschen de -velden betraden, zagen wij, telkens als er een zonnestraal viel op het -groen, hoe de paarlen van den morgendauw fonkelden op de klaverplantjes -en de bladeren van den Mariadistel. De zwaluwen scheerden langs den -grond; de distelvink zat wiegelend op een' heester of kweelde op -den akker. Daar verrukte ons het lied van den leeuwerik, hoog in de -blauwe lucht, die van alle kanten bezaaid was met lichte zomerwolkjes, -welke ons beschermden tegen de brandende zon. - -Toen wij aan gene zijde van den straatweg waren gekomen, deed zich -een ander tooneel aan ons voor. 't Ging nu bergop; sparren en dennen -welfden hunne koele bogen over ons heen. Nog klonken de trillers van -den leeuwerik ons in 't oor; maar de tonen, die hier vernomen werden, -waren slechts het schel gefluit der mees en 't regenvoorspellend -geschreeuw van den Geertruidsvogel. Moede van 't klimmen rustten -wij een ommezien uit op de vlakke, met mos bedekte klippen bij 't -marschland der pastorie, dronken eene afscheidsteug met onze vrienden -en verkwikten ons aan 't gezicht der blanke vlakte van 't Oiermeer, -dat wij tusschen de toppen der sparren zagen schemeren. - -De jongens waren al spoedig op 't moerasveld om braambeziën te zoeken -en jubelden, telkens als zij een roodachtig plekje zagen. De juffer -en ik volgden hen. Omkranst met sparren- en dennenhout strekte 't -moeras zich een kwartmijl ver naar 't westen uit; de eentonigheid -der groote vlakte werd slechts afgebroken door enkele groepen ranke -biezen of hoopjes lichtgroene kalmus. Hier en daar verhief zich een -heuvel, en op den top daarvan zag men soms nog eene geel geworden -hut, die herinnerde aan 't vogelspel in 't voorjaar. Naar 't noorden, -waarheen de weg ons voerde, hadden wij niet meer dan duizend schreden -af te leggen. Aan den zoom der vlakte stond het bloeiende heidekruid, -maar ginder wenkten ons de prachtige gouden bekers der moslelie, -de gebaarde bloem der bitterklaver en de sierlijke kalla. - -Getooid met wuivende rietpluimen, braambeziënbloemen en fijn gras, -prijkte 't mostapijt met duizend schakeeringen en rees en daalde onder -onze voeten, of 't op de golven der zee rustte. Ook wij dwaalden een -oogenblik van den rechten weg af om braambeziën te plukken. Toen wij -terugkeerden naar den top van een' der met sparren bewassen heuvels, -zwaaide 't kolfriet zijne groote golvende stengels boven onze hoofden -heen en weer; een snijdende wind blies ons in 't gelaat, en vlak boven -ons stonden donkere wolkenmassaas met oneffen randen. Er dreigde eene -regenbui; reeds voelden wij enkele droppels. Ik troostte mijne gezellin -met de schuilplaats, die wij in 't oude wachthuisje zouden vinden, -een overblijfsel uit den oorlogstijd, dat nauw een paar boogscheuten -van ons verwijderd was. Toen wij den zoom der marschvlakte naderden, -stortregende het, maar nu was 't bezwaar gering; wij voelden vasten -grond onder onze voeten, het bosch beschutte ons en binnen een paar -minuten zouden wij den heuvel hebben beklommen en in 't wachthuisje -zijn. Maar 't bleek spoedig, dat we daar alles behalve veilig waren -voor den regen. Het dak was ingestort; slechts een klein deel er van in -den eenen hoek was overgebleven, zoodat we de vogelen des hemels boven -ons konden zien vliegen. Doch in dit hoekje, onder dit stuk van het -dak had een menschlievende jager of houthakker, tusschen de stijlen, -van een paar planken eene bank gemaakt, maar even groot genoeg voor -twee personen. Hier moesten we ons dus nederzetten, en nooit, docht -me, had ik heerlijker zitplaats gevonden. De jongens klauterden met -levensgevaar boven op de overblijfselen van den ouden schoorsteen in -den anderen hoek, en stonden daar onder den grauwen hemel zoo lang -te kibbelen, of zij negen of elf kerken zagen, tot ze eindelijk door -den regen zelfs de naaste boomen niet meer konden zien. - -Men zou kunnen vermoeden, dat ons bijeenzijn in den hoek wederzijdsche -vertrouwelijkheid en openhartigheid moest aanbrengen. Doch dit was niet -'t geval; ik zat stilzwijgend te staren op de vlakte van 't Oiermeer, -dat zich door de deuropening vertoonde, als in een' doffen sluier -gehuld; ik keek naar de knapen op den bouwval van den schoorsteen -en naar mijne eigen beenen. Wanneer ik 't een oogenblik waagde een' -zijdelingschen blik te slaan op mijne schoone gezellin, was 't om dien -weer met dubbele snelheid af te wenden. Mijn toestand was deerniswaard -en komiek tegelijk, die van een verliefden huisonderwijzer. Wij -zaten daar als een paar hoenders op den stok. Grijp de gelegenheid -aan! fluisterde ik mijzelven toe. Terwijl ik over 't moerasland liep, -had ik in stilte weer de toespraak herhaald, die ik reeds bij een -dozijn soortgelijke gelegenheden had denken te houden. Hoe zij luidde, -herinner ik mij niet meer, maar dit weet ik, dat ze mij altijd in -de keel bleef steken, als ik wilde beginnen. Nu was 't gewichtige -oogenblik weer daar. De jongens waren naar beneden geklommen en -tuimelden rond in de bessenstruiken. Ik achtte het noodzakelijk mijne -verklaring te beginnen met een stout stuk, en werkelijk waagde ik -'t den arm om haar middel te slaan; maar spoedig bleek 't, dat de -juffer veel dapperder was dan ik. Zij sprong op en stond met een -dreigend gebaar en toch glimlachend voor mij. - -"Wat wilt ge van mij? Lieve hemel, weet gij wel wat ge waagt?" sprak -zij. "Gij kent immers mijne afkomst? Gij weet toch, dat ik van de -Huldren afstam en dat er heksenbloed door mijne aderen stroomt?" - -"Beste juffer," zei ik, terwijl ik inmiddels een weinig tot bezinning -was gekomen, "ik begrijp u niet,... ik wist niets," voegde ik er bij -om toch iets te zeggen, "van zulk eene verdachte afkomst." - -"Nu, 't is wel vreemd, dat mama, die u zooveel sprookjes en histories -heeft verteld, u daarvan nooit iets heeft gezegd. Mijne grootmoeder -of overgrootmoeder was eene echte Hulder. Luister slechts; maar -als ge niet wilt dat ik doornat zal worden, moet ge mij toestaan -vredig op de bank naast u te zitten.--Nu dan, mijne overgrootouders -of bet-overgrootouders--dat weet ik niet recht--hadden op zekeren -zomer de berghut betrokken. Zij hadden een' zoon, en deze was bij -hen. Toen 't najaar kwam en zij de berghut moesten verlaten, zeide de -jongeling, dat hij wilde achterblijven, want hij had lust om te zien, -of 't waar was, dat de Huldren hun kwartier in de hutten opsloegen, -wanneer ze ledig stonden. Zijn' ouders beviel dit niet; zij zeiden, -dat hij niet aan de waarheid daarvan behoefde te twijfelen wanneer -zoovelen 't vertelden. De zoon hield echter vol en eindelijk gaven -ze hem hunne toestemming; zij lieten een' grooten schotel melkbrij -achter en vertrokken. - -Juist toen de jongeling in gepeins zat verdiept, begon er leven te -komen op het erf rondom de hut. Hij hoorde bellen klinken, runderen -loeien, zwijnen knorren, en daar was een gepraat, een geroep, een -sturen en stellen, precies als wanneer men in 't voorjaar met 't vee -naar de hut komt. Allengs werd het stiller, en een oogenblik later -kwamen er twee vrouwen binnen. De jongste van haar was zóó schoon, -dat men haarsgelijke onmogelijk zou vinden. Zij gingen aan 't redderen -en ordenen en begonnen vervolgens melkpap te koken. Inmiddels hield -de jongeling zich of hij sliep. De Huldren sloegen in den beginne -geen acht op hem, maar op eens begon de jongste te schreien. - -"Wel wat schort je, waarom schreit ge?" zei de andere. - -"Ach, dien jongen daar vind ik zoo mooi, dat ik niet zonder hem kan -leven, en toch zal dat zoo moeten zijn," antwoordde de jongste. - -"Stil maar, we zullen een praatje met hem maken," zeide de moeder om -haar te troosten. Zij gingen zitten eten, en nu deed de jongeling of -hij ontwaakte, en groette beiden. Zij noodigden hem uit met haar te -eten, maar hij bedankte en vroeg, of zij niet liever wilden eten van -zijne roompap. - -Ja, dat wilden ze gaarne, want gij moet weten, van roompap houden de -Huldren 't allermeest. Zij aten nu te zamen en keuvelden over een en -ander, tot de moeder sprak: - -"Jij bent een knappe jongen en mijne dochter heeft een goed oog op -je; als je wilt beloven met haar naar den predikant te gaan om haar -te laten doopen, dan kun-je haar krijgen. Maar goed moet je voor -haar wezen, dan zal een flinke bruidschat je niet ontgaan. Je zult -alles krijgen, wat je noodig hebt in de hoeve en voor je bedrijf, -ja, meer dan je behoeft." - -Och ja, de jongeling meende, dat hij wel van haar zou kunnen houden, -en zulk een aanbod werd niet elken dag gedaan. Hij beloofde dus naar -den predikant te gaan om haar te laten doopen, en--goed voor haar zijn, -dat zou hij zeker. Zij trokken toen naar huis; de dochter werd gedoopt, -zij hielden bruiloft en leidden een gelukkig leven, naar men verhaalt. - -Eens was hij wat bar tegen haar geweest en had tegen haar' zin -gehandeld; 's nachts daarop hoorde hij een verschrikkelijk leven en -geraas. Maar toen hij 's morgens in het voorhuis kwam, zag hij 't -heele erf vol van allerlei benoodigdheden voor 't boerenbedrijf en -de huishouding. Daar waren koeien en paarden, ploegen en hooisleden, -nappen en emmers en alle mogelijke zaken. - -Toen de oogsttijd weer naderde en de kool groot werd en de vrouw -de slacht moest in orde brengen, had zij hakbord noch haktrog. Zij -verzocht daarom haar' man de bijl te nemen en den berg op te gaan -om den grooten den te vellen, die op den weg naar de berghut stond; -daarvan moest hij haar een' haktrog maken. - -"Ik zou haast denken, dat je zot waart, mensch," zei de man; "zou -ik den besten boom in 't bosch vellen, om er een' haktrog van te -maken? En hoe zou ik dien thuis krijgen in dezen tijd; de stam is -zoo zwaar, dat geen paard in staat is hem voort te sleepen." - -Toch bleef zij aanhouden; maar toen de man stellig bleef weigeren, -nam zij de bijl, ging naar 't bosch, hieuw den denneboom om, nam -hem op den schouder en bracht hem naar huis. Toen haar man dat zag, -verschrok hij zóó, dat hij sedert haar nimmer dorst tegenspreken, -of iets anders doen dan zij wenschte, en van dien tijd af waren zij -de eensgezindheid zelf. - -"Ziedaar de historie. Welk een sterk en lastig man mijn grootvader -was, hebt gij zeker vernomen; mijn' vader, den landheer, kent gij," -zei ze half dreigend, half schertsend: "gij kunt u dus voorstellen, -wat u te wachten staat, wanneer ge mij ernstig boos maakt." - -"Ge schijnt hier te willen blijven Marie," zeiden de knapen, die -zich met een' blauwzwarten mond in de deur vertoonden, elk met een' -verbazenden bessentak in de hand. "De regen heeft al lang opgehouden; -kom, laat ons nu gaan." - -Wij stonden op; het rijke loof der mossen, welke de vochtige wanden -bedekten, glinsterde, door den regen verfrischt, in den helderen -zonneschijn. Buiten, in 't bosch, scheen eene nieuwe vreugd op -planten en vogels neergedaald. De kinderen van Linnaeus zonden ons -hun' welriekenden adem tegen en de sparren goten hunne geuren over -ons uit. Het bosch was vol van vogelenzang en gejubel; in elken -top zat een lijster mij uit te lachen over mijne verliefdheid, de -tuinkoninkjes zongen om strijd mee en verheugden zich in hun geluk; -slechts een eenzaam roodborstje zat klagend in 't dichtste loover. - -Terwijl wij door 't bosch gaande de berghelling afdaalden, lag -Opper-Romerike vóór ons in den zonneschijn; boven de westelijke -heuveltoppen hing nog de regen als een grauwe sluier, maar naar -'t noorden was de lucht helder als een spiegel. De Mistberg, de -lieveling dezer streek, hief zijn' ronden top als een azuren koepeldak -ten hemel; heuvels en bosschen, kerken en landhoeven vertoonden zich -aan onzen blik, en de jongens herkenden zelfs reeds den rooden stal -der ouderlijke woning. - -'t Ging nu met spoed naar beneden; Marie hield een' wedloop met -de jongens, ik kwam slenterend achteraan, staarde neerslachtig -op 't waterlooze landschap en stilde mijn' dorst met sappige -boschbessen. Weldra waren wij dicht bij de hoeve, maar toen wij -den tuin naderden, stak de middagzon zoo brandend heet, dat wij een -oogenblik de schaduw opzochten. Marie zette zich in 't gras neder onder -den ouden eik, en wij volgden haar voorbeeld. Daar golfde plotseling -een stroom van klanken boven onze hoofden. Verbaasd leende Marie het -oor en staarde naar de donkere bladerrijke kroon, alsof zich daarin -alle gevleugelde zangers des wouds hadden verborgen. Ik herkende die -tonen; zij kwamen van een' zeldzamen gast in deze streek: 't was de -goudleeuwerik die dit concert gaf. Hij was in den besten luim; zijn -toon was doordringend als die van den valk en zoet als de zang van -'t sijsje. De trillers van den leeuwerik, 't wijsje van de musch, -het gekweel der zwaluw gaf hij ons beurtelings ten beste; hij kende -de tonen van den lijster zoo goed, als die van elken anderen zanger in -'t loof. 't Was eene ware potpourri van vooglenliederen, nu jubelend, -dan treurig. - -"Hoort ge dat?" riep Marie, terwijl zij opsprong en rondom den boom -danste, "in die tonen herken ik mijn' Huldrenaard; ik voel, dat ik -hier thuis behoor, evenals gij u te huis gevoelt in de stad en in de -boeken, bij tooneelvertooningen en draaiorgels." - - - - - - - -EEN NACHT IN NORDMARKEN. - - -Een Julidag, zoo doorschijnend helder als een dag in September, -een zonnestraal boven de bergen van Baerum en de dennengeur, dien -ik toevallig opsnoof, deden, in 't midden van den heeten zomer en -in de duffe stad, mijn' zwerflust ontwaken en mijn heimwee naar -bosch en veld. Ik moest en zou naar buiten om de frissche lucht van -stroomen en dennen in te ademen. Doch slechts een paar dagen stonden -te mijner beschikking. Tot een' langen tocht schoot dus de tijd te -kort; een uitstapje naar Nordmarken, om daar te visschen, was al wat -ik me mocht veroorloven. De toebereidselen waren spoedig gemaakt; -aas en vischtuig waren in orde, en na eene wandeling van weinige -uren was ik den Hammer voorbij, ging langs eene berghelling naar -Kamphaugen en van deze hoeve verder naar de Björnsjö-rivier. In de -diepte glinsterde de baai nu en dan tusschen de stammen der boomen -en de open plekken van 't bosch. De vogels zongen uit volle borst en -'t werd me zoo vroolijk en vrij, nu 'k weer ademen mocht in den zoeten -woudgeur. 't Gedruisch van den waterval riep mij tot zich en spoedig -was ik aan den mond der rivier. Hier stroomde zij helder, maar steil, -over den kiezelgrond; uit eene woeste kloof, die van haar' uitloop uit -het Björnmeer af eene kwartmijl lang hare diepe bedding vormt, ijlt ze -als in gevleugelde vaart in de armen der baai. Zoolang de rotswanden -en torenhooge steenklompen haar beklemmen, tuimelt zij met pijlsnelle -drift in den donkeren afgrond neer. Nu eens vormt zij een' bruisenden -waterval, wit van schuim; dan stuift zij met woeste sprongen hoog boven -de zwarte rotsmuren uit, terwijl hare wateren in damp verdwijnen; dan -weer--of hare onbesuisdheid haar rouwde--stroomt ze met donkere, loome -golven voort. Maar slechts een ommezien rust zij uit, om met frissche -krachten het dartel spel weer aan te vangen. En toch beteekent al haar -gedruisch en gebruis in dezen tijd des jaars luttel bij 't geen zij in -'t najaar te zien en te hooren geeft. Wanneer de dam wordt geopend; -wanneer de schuimende wateren van 't Björnmeer worden losgelaten en -het gevelde hout met den stroom wordt meegevoerd, dan overtreft haar -koken en bruisen elke voorstelling; het gedreun van hare watervallen -is als 't ratelen van den donder; boomen en rotsblokken sleurt zij -mede en balken doet ze in stukken vliegen, als waren 't pijpestelen. - -De rotshellingen aan de oevers van den stroom heffen zich steil naar -boven met hare steenblokken, hare massa's omgewaaide stammen en hare -donkere dennen, die ernstig nederzien op het wilde spel in de diepte -en verfrischt worden door de dampwolken, die de waterval telkens hun -in den grauwen, eerbiedwaardigen baard werpt. - -En tusschen de elzen en beuken, die beneden aan den oever hunne -takken boven de rivier uitbreiden, ziet de visscher, die hier -heen is getogen om buit, slechts eene smalle slip van den blauwen -hemel, meestal nog verduisterd door de dampen, die van den waterval -opstijgen en langs de helling zweven. Wie hier wil visschen, moet -voor water noch rotsen vervaard zijn, want vaak is de klove zoo eng, -dat de oevers verdwijnen en men den stroom moet doorwaden, en soms -wordt de bedding plotseling dieper en vormt eene donkere geul met -steile wanden, waarin de stroom als een schuimende waterval op den -visscher aanstormt. Dan moet hij tegen de steile wanden opklauteren, -tusschen steenklompen door, die dikwijls onder zijne voeten uitwijken, -zoodat hij, indien hij al niet naar beneden stort, tusschen hemel en -aarde zweeft en zich met de handen moet vastklemmen, die opengereten -worden en bloedige sporen achterlaten op den steen, dien hij heeft -aangegrepen. En kent hij niet elken steen en elken struik, dan bevindt -hij zich spoedig in den wanhopigen toestand, dat hij op noch neer kan; -"dat hij in den berg is geraakt," zooals 't bij de jagers heet. - -Ik sprong van den eenen steen op den anderen, terwijl de hengelroê -mij tot staf en balanceerstok diende; ik waadde en klauterde en was -recht vroolijk. In de heldere wielingen en onder de glasgroene golven, -welke de rivier vormde op die plaatsen, waar zij met mindere woestheid -voortstroomde, sprongen de jonge forellen vroolijk op en neer; in -de diepe geulen schoten groote visschen als gouden strepen heen en -weder, snapten 't aas onder 't water weg, deden 't snoer suizend van -de roede glijden en sleepten 't mee naar het diep, waaruit ze echter -spoedig naar boven getrokken en op het droge gebracht werden. - -Toen ik uit de kloof trad, waar de rivier uit het Björnmeer ontspringt, -verwijlde ik een oogenblik op den dam. De zon neeg ter kim en haar -licht speelde tusschen de boomtoppen, terwijl 't donkerblauw des -hemels, de gloeiende avondwolkjes en de sombere dennen, die 't meer -omsluiten, zich afspiegelden op het heldere watervlak. Insecten gonsden -door de lucht en hielden hun elvendans boven 't water, waaruit, al -borrelend en plassend, prachtige visschen op hen toe schoten. Boven het -bosch, naar 't noorden, stond eene loodkleurige wolkbank met geelbruine -randen. Lauwe luchtstroomen kwamen mij te gemoet en beklemden de borst -in de eenzaamheid des wouds; in de verte klonk eene fluit, wellicht -ook de echo daarvan; in de avondstilte naderden hare tonen mijn oor, -zwevend, wegstervend, verlokkend en klagend tevens. - -Ik ging het bosch door langs den meeroever, om te onderzoeken, of -er op eene der vooruitspringende plekken ook iemand te vinden was, -die mij naar Bonna zou kunnen overzetten, de eenige plaats, waar hier -menschen wonen. Weldra traden twee mannen het bosch uit. 't Voorkomen -des eenen hield het midden tusschen een' patriarch en een' bedelaar; -hij bezat eene reusachtige gestalte, borstelige wenkbrauwen en een' -langen, eerwaardigen grijzen baard. Op 't hoofd droeg hij eene blauwe -wollen muts en over zijn versleten wambuis hing een zak van schapenvel, -met een' rooden wollen band vastgemaakt. De ander was een visscher, -dien ik reeds meermalen op mijne zwerftochten door deze streken had -aangetroffen. Van ouder tot ouder had zijn geslacht hier geleefd en -gearbeid; in vroegere dagen had het in eeuwigdurende veete geleefd -met de "boschfinnen," die volgens de sage tot in het midden der -vorige eeuw zich ophielden in verschillende vlekken van Nordmarken -en in de groote bosschen, die zich van hier en den Holtsfjord tot -'t Gudbrandsdal en Valders uitstrekken. - -Maar de oude Elias is niet altijd visscher geweest. In zijne jeugd -was hij een kloek zeeman, die evenmin een' storm als 't donderen -der kartouwen vreesde. Hij lag voor Göteborg in 1788; hij was -bootsmansmaat op de Prövest, den 2den April 1801. Hij heeft de geuren -der oranjeboschjes aan de kusten der Middellandsche zee ingeademd -en de palmboomen van Indië aanschouwd. In Nordmarken heet hij Elias, -de visscher, of Elias, de Zweed, naar' zijn eersten tocht. Nu is hij -gebrekkig en wordt grootendeels onderhouden uit de armenkas. Maar de -breede schouders en de krachtige armen tuigen nog van zijn verleden, -en wanneer zijn tong los komt en hij aan 't vertellen raakt over -kapitein Larsen, zijn' bevelhebber, over de zee, over den 2den April -en zijne vischtochten in Nordmarken, dan komt er leven in die oogen, -dan spant zich elke spier van dat ingevallen en behaard gelaat. Oud -en jong luistert gaarne naar zijne vertellingen en Elias is overal -een welkome gast, zelfs bij die kleinzielige schepselen, die hem zijn -geluk bij 't visschen misgunnen. Want vóór alles is hij met hart en -ziel visscher, en zijne ervaring, zijne veeljarige kennis van de -gewoonten en levenswijze der visschen in deze rivieren en wateren -maken, dat zijne pogingen in den regel met een zeldzaam geluk worden -bekroond. In den besten vischtijd ziet men Elias, den visscher, -zelfs nu nog, in zijn vier-en-tachtigste jaar, iedere week met eene -reusachtige mand vol visch op den rug naar de stad gaan. Maar één -zwak heeft hij; al te vaak tracht hij de klove tusschen 't voorheen en -thans te doen verdwijnen onder de wateren der Noorsche Lethe. Wanneer -hij van de stad terugkeert, zijn zijne schreden wankelend en is zijn -hoofd zwaar, en schoon zijne woning niet ver is--de kleine hut op een' -heuvel ter linkerzijde van den weg, even voor men aan de Skjærvenbrug -in 't Mariadal komt--gebeurt het maar al te dikwijls, dat hij aan -den kant van den weg zijne slaapstee vindt. - -"Welkom, mannen!" zei ik. - -"Goên avond," was 't bescheid van beiden, terwijl zij op de hengelroê -leunden. - -"Goên avond, Elias; moeten we elkaar al weer hier vinden?" - -"Ja, 't gaat met mij als met eene donderwolk," zeide Elias, "men -vindt mij altijd, waar ik 't minst verwacht word." - -"Denkt ge hier van nacht te visschen?" vroeg ik. - -"Wij meenen het ten minste te probeeren," zei Elias, "'t is nog wel -wat vroeg in 't jaar, maar als er regen en wind komt, kan 't licht -meeloopen. - -"Ja, dat denk ik ook, Elias." - -"Hebt ge eene goede vangst gehad in de rivier?" vroeg Elias met een' -nieuwsgierigen blik op mijne vischkorf. - -"Och, ik heb wel wat gevangen, maar er is niet veel bij, dat meer -dan twee marken weegt," zei ik en opende het deksel. - -"Er is meer dan anderhalf pond; kijk, dat is een prachtig stuk, -en die ook... drommels, 't zijn mooie visschen," zei Elias. - -"Vischt hij met vliegen?" vroeg de ander. - -"Jij raadt het," zei Elias, terwijl hij te vergeefs een paar malen -zijne hengelroê uitwierp: "jij raadt het; ik heb naast hem gestaan -aan de Hakklo en kreeg niet eens tuk, terwijl hij met een half pond -ging strijken, en dat schielijk ook." - -Ik vroeg, waar zijn kameraad vandaan was en vernam, dat hij zich des -zomers op de bergen van Hadeland ophield. Hij moest nu naar stad om -zout te koopen; maar hij zou ook graag wat brandewijn en tabak willen -opdoen, en daartoe trachtte hij zich de middelen te verschaffen door -de vischvangst. - -Tegen 't invallen der duisternis brak 't onweder los; het donderde en -bliksemde in de verte; de donkere wolkenmassa's breidden zich steeds -verder uit, hare omtrekken werden telkens minder scherp, en eindelijk -hingen de regenwolken als een grijs gordijn boven de bergen. - -Vóór onweer en regen uit streek een frissche wind over 't water. Nu was -'t de rechte tijd om te visschen. Enkele groote visschen hapten toe -en werden nu en dan gevangen, maar meestal schoten ze 't aas voorbij. - -"Zij hebben nog den rechten zin niet om toe te bijten, daarom is het -zoo dikwijls mis," zeide Elias, terwijl hij bezig was een visch op -'t droge te trekken. - -Bij de eerste regendroppelen sprongen de visschen slag op slag naar -het aas; maar toen de bui terdege los brak en 't aanving te hagelen -en te stortregenen, was 't geheel voorbij. - -"Morgen zullen we 't misschien beter treffen," zei de Hadelander. - -"Wat dunkt je van 't weer," zei ik na eenige oogenblikken. "Boven de -bergen klaart het op." - -"Als de lucht daar helder wordt, komt er nog meer regen; maar 't kan -wel een' enkelen dag droog blijven," antwoordde de Hadelander. "Luister -maar, die kerel ziet ook naar regen uit," voegde hij er bij, toen -in de verte een akelig geschreeuw weerklonk, juist of iemand in -doodsgevaar om hulp riep. - -"Is dat de nikker?" vroeg ik. - -"In Jezus naam, zeg dat niet,--'t was de watervogel." [1] - -Wij gaven 't visschen voorloopig op en besloten vuur aan te leggen, -want we waren doornat. De oudjes zochten takken en twijgen bij een, -ik verschafte vuur, en spoedig vlamde op den top des heuvels een vuur, -dat, geholpen door mijne teerkost, niet naliet zijn' opwekkenden -invloed op mijne genooten te openbaren door een levendig gesprek over -de visscherij, de gewoonten der forellen in Nordmarken en der visschen -in de rivieren van Hadeland. Elias weidde met voorliefde uit over de -vischtochten, die hij in zijne jonge jaren in Nordmarken had gemaakt, -als hij van eene reis tehuis was gekomen. - -"Toen kon men hier nog eens visch vangen," zeide hij, terwijl hij -zijn kort pijpje aanstak, "maar 't gaf ook niet zoo'n gesukkel met -'t water, en 't was niet gevaarlijk, al raakten er 's nachts een paar -balken uit den dam, zoodat de visch in de rivier kon komen. Ja, ja, -bij den dam was 't in dien tijd eene beste plaats om te visschen, want -hij stond toen voorbij de twee bergen en de diepe geul, waar ge weet, -dat hij nu staat. Ik ving daar op één' nacht acht pond, en daar was er -geen onder, die minder dan drie marken woog. Maar nu weten de visschen -niet meer hoe ze 't hebben; nooit kunnen zij vrij hun gang gaan." - -"'t Moet vast prettig geweest zijn hier te visschen in dien tijd," -zeide ik, "maar 't gebeurde toch ook weleens, dat gij slib vingt?" - -"Maar zelden, dat ik niets ving; iets kreeg ik altijd," antwoordde -hij. "'t Is waar, éénmaal was ik bijna platzak thuis gekomen, maar toch -liep 't nog goed af. Dit ging zoo verwonderlijk toe, dat ik er nooit -iets van heb begrepen. Zóó ben ik nooit weer uit visschen geweest." - -"Wat gebeurde er dan?" vroeg ik. - -"Vertel ons dat, Elias," zei de Hadelander; "je kunt voor 't oogenblik -niets beters doen." - -"Dat geloof ik ook," zei Elias. - -"'t Was in 1806. Ik lag destijds in Christiania, maar de orders -waren zoo streng, dat geen matroos langer dan één' dag verlof kon -krijgen en niet verder mocht gaan dan eene halve mijl van de stad, -of hij moest het kapitein Larsen melden. Ik zette mij in 't hoofd -in Nordmarken te gaan visschen, ik meldde mij aan en sneed uit met -wat teerkost in den eenen en eene flesch brandewijn in den anderen -zak. 't Ging slecht. In de Björnsjö-rivier kreeg ik geen enkele maal -tuk. Toen ik bij den dam kwam, lag daar eene boot; ik roeide er mee -naar Smalström, maar ook daar was geen enkele visch te zien. Zoo toog -'k noordwaarts naar de Hakklo. - -"Onderweg ontmoette ik Per Piber, een van de beste visschers hier -destijds. "Je hoeft niet verder te gaan, Elias," zei hij, "ik -ben noordop naar de Katnose geweest, maar heb haast geen graatje -gevangen. Kijk maar hier," zei hij en haalde zijn' korf voor den -dag. Daar zullen misschien een dozijn kleine dingen in geweest zijn, -zoo lang als mijn vinger. - -"Kom ik over den hond, zoo kom ik over den staart, beste Per," hernam -ik en schonk hem een paar borrels. Ja, God beware me, ik nam er zelf -ook een. "'t Mocht gebeuren, dat ze bij mij toehapten, al deden ze -'t niet bij jou," voegde ik er bij. - -"Zeker," zei Piber. "Zoo scheidden wij. - -"Dadelijk zocht ik de diepste plaats in de Katnose op, want krijgt -men daar geen tuk, dan krijgt men 't nergens. Neen, 't wou niet -lukken. Ik maakte mij daarom een nachtleger gereed, nam nog eene -teug uit de veldflesch om mij te verwarmen, en sliep een gat in den -dag. Nog eens beproefde ik 't in de Katnose, doch daar was geen visch -te zien en ik moest onverrichter zake terugkeeren. Maar toen ik bij -'t wagenhuis op Sandungen kwam, zag ik daar een meertje, dat men -'t wagenhuismeertje noemde. Ik had altijd hooren vertellen, dat -men daar nooit iets ving, schoon er visschen zwommen, zoo dik als -balken. Maar 't was een Huldermeertje en niemand dorst er in die dagen -visschen. "Je kunt 't probeeren, Elias," dacht ik, "misschien zal de -Huldervisch toebijten, als de andere niet thuis zijn." Ik liep over -den lossen veengrond heen, en wierp mijn aas uit bij de kleine beek, -die naar Sandungen stroomt en wier water, wanneer de dam afgesloten -is, zich onder den lossen bodem door in 't meertje stort. Op eens -beet een visch toe en schoot onder den drijvenden grond; hij leek -zoo zwaar als een gebakerd wicht, en ik merkte wel, dat 't geen forel -was. Toen ik hem boven bracht, bleek 't een baars van acht marken. Een -weinig verder op zag ik eene menigte rimpels in 't water. Daar wierp -ik uit. Nauwelijks was 't aas in het water, of een visch beet aan; -maar dat gaf een gespartel en geplas van belang, en ik had heel wat te -doen, voor ik hem boven kreeg. 't Was dan ook eene forel van tusschen -de zeven en acht marken, van de kostelijke soort, die men alleen bij -Sandungen vindt, vet en breed, met een kleinen kop en zoo geel als -was, maar over den rug donkerder dan de visch, die men er gewoonlijk -vangt. Ik bleef daar natuurlijk en haalde den een na den ander op, -van vier, vijf, zes marken en zwaarder. Maar terwijl ik bij toeval -eens omkijk, daar liggen achter mij twee prachtige visschen en een -derde er dwars overheen. Ik wist niet, wat ik daarvan moest denken: -of een visscher ze er had neergelegd of hoe ze er gekomen waren; -ik zag toch niemand. Een eind verder, waar ik weer beweging in -'t water bespeurde, wierp ik op nieuw uit. De visschen beten toe, -en spoedig had ik wel twee pond gevangen. Maar terwijl ik omzie, -liggen daar alweer vijf groote, prachtige visschen achter mij. Ja, -ik begreep wel volstrekt niet waar ze vandaan kwamen, maar ik nam -ze toch op en legde ze in de vischben bij de drie, die ik eerst had -gevonden. Doch daar verhief zich eensklaps zulk een hevige storm en -'t kletterde en kraakte zoo vreeselijk, dat ik niet anders dacht, of -'t heele bosch zou zoo aanstonds op mij neerstorten. "Neen, 't is hier -niet richtig," dacht ik, "ik zal veiliger plek moeten opzoeken," en zoo -nam ik de acht visschen en legde ze op een' boomstam naast elkander, -opdat de eigenaar ze kon wegnemen, of een vogel of ander dier ze -kon opeten. Ik ging naar Sandungen, dat weinige schreden verder -lag. Maar eer ik hier kwam, was er geen wind meer te bespeuren, en -'t spiegelgladde watervlak weerkaatste bergen en wolken. Toen begreep -ik, dat er een Hulder buiten was geweest." - -Aan deze vertelling knoopte nu de Hadelander verschillende verhalen -vast over Huldervijvers en wateren met dubbelen bodem, waarin de -visschen den Huldren behooren en alleen op St. Jan boven mogen -komen,--maar op eens brak hij zijne vertelling af met den uitroep: - -"In Jezus' naam, wat is dat voor licht daar ginds? Dat ziet blauw!" - -Elias meende, dat het niet ver van den Smalström was. Mij scheen -'t licht meer rood dan blauw, en ik vermoedde, zooals later ook -bleek, dat een paar visschers zich daar hadden gelegerd en een vuur -aangelegd. 't Gesprek kwam naar aanleiding hiervan op schatten en -schatgravers en 't blauwe licht, dat boven verborgen schatten gezien -wordt. Elias vertelde, dat zijn grootvader of overgrootvader--ik -herinner mij niet meer, wie van deze twee geloofwaardige personen -'t was, maar ik geloof de eerste--een' zilverader had gezien op den -bodem van een' helderen vloed, zoo dik als een boomstam, en hieruit -ontsponnen zich verschillende vertellingen, die ik zoo goed mogelijk -wil trachten weer te geven. - -Zijn grootvader dan, vertelde Elias, bracht hout van Nordmarken -naar 't Sörkedal. 't Liep reeds naar den zomer, zoodat sneeuw en -ijzel verdwenen waren. Hij had zijn dochtertje bij zich. Toen zij -tusschen Vindern-Saeter en Blankvandsveld gekomen waren, gleed 't -kind uit. "Kijk, vader, daar ligt nog ijzel," zei ze. Hij keek waar -ze uitgegleden was, maar bemerkte aanstonds, dat 't zilver en geen -ijzel was. Hij hieuw er met de bijl in. - -"Ja, je hebt gelijk, kind; 't is zonderling, dat de ijzel 't zoo -lang kan uithouden," zeide hij en deed of hij niets merkte. Van dit -oogenblik af reed hij dikwijls naar de stad en bracht dan telkens -veel geld mee. - -Maar als hij daarheen ging, koos hij noch 't pad voorbij -Maridalshammer, noch door 't Sörkedal; hij ging zijn' eigen weg, -dwars door bosch en veld en over de bergen heen. Eens was hij weer -in de stad en had een beetje te veel gedronken;--'t was in de oude -hoeve van Ramstad bij Graensen--daar zat hij op te snijden! - -"Als ik maar wou, kon ik mijne paarden wel met zilver beslaan," -zei hij. - -Daar zaten veel luiden en sommigen schreven die woorden op. Maar vóór -bestevaar thuis kwam, was hij dood en sedert dien tijd heeft niemand -een spoor van zilver gezien, schoon men in 't omliggende veld druk -ging spitten en graven. - -"Ik heb hooren zeggen, dat die kerel zijn leven lang naar schatten -heeft gezocht," merkte de Hadelander aan, terwijl hij een' drogen -tak op 't vuur legde. - -"Gij zoudt zeker meer van hem kunnen vertellen, als gij wildet," -voegde ik er bij. - -"Niemand gelooft meer aan die dingen in onze dagen," antwoordde Elias; -"maar ik kan nog wel wat vertellen. - -"Toen mijn grootvader nog een knaap was, ging hij met nog iemand op -'t veld aan 't spitten; wellicht hadden ze een blauw licht gezien; -misschien ook wisten ze, dat daar geld lag. Twee donderdagnachten waren -ze bezig, en in dien tijd zagen ze zooveel monsters en ondieren, als -ze nooit hadden vermoed dat er bestonden: beren en andere wilde beesten -en ossen met groote horens en allerlei vreeselijke schepsels. De angst -maakte zich van hen meester en elk oogenblik stonden ze op 't punt het -hazenpad te kiezen; toch bleven zij en hielden zich doodstil. Zoo -kwam de avond van den derden donderdag; toen werd het nog veel -erger. Maar zij groeven en spraken geen woord, en niet lang duurde -het, of zij stieten op een' koperen ketel. Op 't zelfde oogenblik kwam -er, snel als de wind, een wagen voorbijrijden met zes zwarte paarden -bespannen. Een eind achter den wagen aan voer een oud wijf in een' -trog; haar mond ging op en neer als een ratel. "Ik neem ze toch mee, -ik neem ze toch mee, ik neem ze toch mee!" riep ze onophoudelijk en -reed voort. "Ja, naar de hel neem-je ze meê," zei grootvader, maar -op eens was 't wijf verdwenen en de ketel met geld weggezonken. - -"Een andermaal zal ik zwijgen," dacht grootvader, en 't duurde niet -lang, of hij was al weer bezig. Ditmaal was er een oud wijf, dat -een' grooten koperen ketel vol geld had gezien, terwijl zij over -'t veld ging bij Greffen in 't kerspel van Akers. Drie dagen vóór -Sint Jan ligt het geld bloot, moet ge weten, maar hij dorst er niet -aankomen, omdat eene groote slang zich boven in den ketel heen en weer -kronkelde. Nu waren er twee kerels uit Christiania: de een was een -winkelier, die in goeden doen zat; de ander was onderofficier; dezen -sloegen met grootvader de handen ineen om den ketel op te graven. Zij -aan 't spitten,--drie donderdagavonden achtereen; den derden avond -stieten ze op de hengsels, dat zij 't geld konden hooren rammelen; -zij hoopten 't dus spoedig meester te zullen worden. Maar luister nu, -wat wonderlijks er gebeurde! Op eens scheen 't den winkelier, dat zijn -huis in de stad in lichterlaaie vlam stond, en schoon 't zoo'n eind -ver was--ge weet, 't is eene halve mijl van Greffen af--verbeeldde hij -zich duidelijk te zien, dat zijne vrouw midden in de vlammen stond met -een kind in de armen. "Nu wordt 't voor mij tijd om te vertrekken," -zeide hij, wierp zijne spade neer en wilde heensnellen; maar op eens -was de vlam verdwenen en met haar 't geld; de ketel was weggezonken. - -"Maar, zooals ik zei, 't was een kerel, mijn grootvader, voor geen -klein geruchtje vervaard! Ten slotte ging hij op zekeren donderdagavond -geheel alleen naar eene plek, waar hij wist dat geld verborgen lag. Hij -groef den ganschen avond en den volgenden donderdag ook; niemand dorst -hem ergens naar vragen, zoo ontzettend barsch keek hij elkeen aan. Maar -den derden donderdag, te middernacht, schoot er een razende stier -uit de groeve, met lange horens, waarmee 't dier hem scheen te willen -doorboren. Hij greep den stier bij de horens, en zóó bleef hij staan, -tot de zon onderging. Toen was de stier in een' grooten ketel vol geld -veranderd, en de horens, die hij in de hand hield, waren de hengsels." - -"Ik hoor niet graag zoo'n vertelling," zei de Hadelander, "vooral -in dezen tijd niet, nu een goed christenmensch zooveel moeite heeft -een' enkelen schelling te verdienen. Want dit geloof ik vast: wie nog -aan zijn' catechismus en onzen Lieven Heer gelooft, zal nimmer een' -schat vinden." - -"Naar 't geen ge van uw grootvader hebt verteld, Elias, zou men niet -vermoeden, dat ge elke week naar stad behoefdet te gaan om visch te -verkoopen," merkte ik op. - -"Wat dat betreft," antwoordde Elias, "God moge mij zoo zeker genadig -zijn, als mijn vader niets anders ten erf kreeg dan armoê: 't zij, -dat mijn grootvader alles had doorgebracht wat hij had gevonden, 't -zij, dat hem alles weer was ontnomen door degenen, die 't hem hadden -gegeven. En mijne heele erfenis bestond uit eene linnen buis en een' -houten lepel." - -"'t Is zooals ik zeg," zei de Hadelander, "daar is geen zegen bij -zulk geld; 't vliegt even snel heen als 't water in den val." - -Intusschen scheen de slaap zijne rechten te willen doen gelden en -het gesprek begon nu en dan te haperen. Maar in den toestand, waarin -wij verkeerden: droog aan de zijde, die naar 't vuur was gekeerd, -en doornat aan de andere, achtte ik 't minder raadzaam mij aan den -slaap over te geven, waaruit wij stellig klappertandend van koude -en met verstijfde leden zouden ontwaken. Ik schonk daarom mijn' -gezellen nog een borrel, stak mijn pijpje aan en noodigde hen uit, -den slaap te verdrijven door nog 't een of ander te vertellen. Elias -gaf daarop verscheiden histories ten beste. Hij verhaalde, hoe -een nikker in den ouden tijd op Sandungen had gewoond;--men kon -nog de bloedvlekken in den stal zien, nadat hij op zekeren nacht -den schimmel van Paul Sandungen had gedood;--hoe de oude Jo Hakklo -een dienstmeisje had gehad, dat ook bij de Huldren in dienst was; -hoe Lukas Finne, die op Fortjernbraaten woonde, de kunst verstond om -zijn vee voor alle aanvallen van booze geesten te bewaren, zoodat er -nooit een enkel stuk gedood of geroofd werd--en nog veel meer dingen, -die in Nordmarken waren geschied. - -Eindelijk begon ook de Hadelander te verhalen van 't geen zijn' -verwanten en vrienden gebeurd was. Daar was een eigenaardig pathos in -zijne manier van vertellen, die 't vergeefs zou zijn hier te willen -weergeven. Het stellig geloof aan 't bestaan der natuurmachten -waarvan hij verhaalde, zette zijn' vertellingen eene bijzondere -aantrekkelijkheid bij, die nog vergroot werd, zoowel door den diepen -bastoon zijner stem als door zijne sleepende maar geregelde voordracht. - -"In den tijd, toen onze soldaten in Holstein lagen,"--zoo begon -hij--"die tijd heugt je nog wel, Elias? was mijn oom, die op -Ringerike woonde, met eenige anderen in 't bosch. Zij waren ten -zuiden van den weg bij de berghutten bezig met hout te vellen voor -de kolenbranders. 's Avonds bereidden zij zich een nachtleger op -eene beschutte plek aan de berghelling. Maar nauwelijks zijn ze daar -ingeslapen, of zij hooren 't gekrijt van een wicht. Mijn oom keek op, -en op eene bergspits tegenover hen zat eene Hulder met een schreiend -kind; de moeder zong 't allerlei liedjes voor en trachtte het zoo -goed mogelijk tot bedaren te brengen. - -"Waarom zit gij daar?" vroeg mijn oom. - -"Ach, mijn man is weg," antwoordde zij, "en nu meende ik niet beter te -kunnen doen, dan hierheen te komen en mijne toevlucht tot u te nemen." - -"Waar is uw man dan?" vroeg de ander. - -"Hij is ten oorlog getrokken met de andere soldaten," antwoordde -de Hulder. - -Maar 't kind begon al heftiger te schreien en kreet en schreeuwde en -gilde, dat 't onmogelijk was een oog toe te doen. Dat leek mijn oom al -te gek, hij werd boos, stoof op, nam het eene stuk brandhout na het -ander en slingerde het naar de Hulder met haar kind. Toen verdween -ze, maar op alle toppen en hoogten hoorde men een akelig gegil en -gelach, en eene stem weerklonk: "Dat was nu de hulp, die de menschen -u schonken, Gyri Haugen!" - -"Maar nu zal ik u wat vertellen, dat een' mijner kennissen op Ringerike -gebeurde," zei de Hadelander. - -"Hij was molenaar te Vial en heette Peter Pauwelsen; later werd -hij meesterknecht op den molen in Vasdraget Vaela, aan 't eind van -'t Aadal. - -Vaak zwierf hij rond in 't gebergte om te visschen, en zoo bevond -hij zich op zekeren avond bij 't Buttenmeertje aan den voet van -den Hofsæterberg tusschen 't bosch van Marigaard en Bergermoen. Daar -maakte hij zich eene legerstee, legde zich neder en sliep den ganschen -nacht. Anderhalf jaar later was hij daar weer om te visschen. 's Nachts -kwam er een vrouwelijk wezen tot hem met een klein kind op den arm. - -"Daar hebt ge uw kind, Peter," zeide zij. - -"Mijn kind? Dat zou wat moois worden! Hoe zou ik aan dat kind -komen?" vroeg Peter Pauwelsen. - -"U heugt toch nog wel de vorige maal, toen ge hier waart, anderhalf -jaar geleden?" zeide de Hulder. - -Hij vertelde echter aan niemand iets hiervan, maar jaren daarna--hij -placht 's zomers altijd in 't gebergte te visschen en altijd liep -dezelfde Hulder hem na--verhaalde hij aan menigeen, dat hij eene -dochter had onder de Huldren, die al zoo oud was als de kinderen, -die hun' catechismus leeren. Mij heeft hij 't nooit verteld, schoon -ik hem heel goed heb gekend; maar ik heb 't gehoord van iemand, -wien hij 't zelf had gezegd. Eens was de Hulder weer bij hem gekomen -en had hem gevraagd, of hij zijne dochter wilde zien. Toen had zij -eene deur in den berg geopend, en daar binnen was alles van zilver, -wat men zag. Ja, nu en dan nam Peter Pauwelsen anderen met zich naar -'t gebergte en dan zagen zij de beide Huldren aan den overkant van -'t Buttenmeertje bezig met visschen. En in dit meer ving Peter ook de -meeste visch, terwijl niemand anders er zoo gelukkig was. Maar eens, -terwijl hij zich daar weer bevond, hoorde hij eene stem: "Gij kunt -wel naar huis gaan, Peter; wij hebben zelf de visch noodig, want -er is gebrek in den berg." Op zekeren dag ging een man, Halvor van -Marigaard, met hem mede. Peter had hem beloofd, dat hij de Hulder zou -zien. Toen Halvor haar echter met hare kudde hoorde naderen, werd hij -zoo bevreesd, dat hij hard wilde wegloopen. Maar Peter verzocht hem te -blijven en zich stil te houden; dan zou hem niets deren. En toen zagen -zij ook werkelijk hoe de Hulder haar vee voor zich uitdreef. Zij zagen -'t duidelijk, alle twee! - -Elias luisterde niet meer naar die verhalen; hij sliep als eene roos -op de harde rots en snorkte, dat het door 't bosch weerklonk. - -"Hij slaapt al," zei de Hadelander; "maar nu zal ik u eene historie -vertellen, die me al heel wonderbaar lijkt. We kunnen intusschen -wel wat gemakkelijker gaan liggen, anders zijn we tegen den morgen -heelemaal verstijfd. - -"Er was eens een boer, die in Thelemarken woonde, waar mijn vader -vandaan kwam en eene groote hoeve bezat. Maar die man was heel -ongelukkig met zijn vee, telkens verloor hij beesten aan allerlei -ziekten en kwalen en eindelijk moest hij huis en hof verkoopen. Slechts -weinig hield hij over, en daarvoor kocht hij eene kleine plaats, in een -afgelegen oord, ver van de stad, bij dichte bosschen en woestenijen. Op -zekeren dag toen hij zijn erf rondging, ontmoette hij een' man. - -"Goeden dag, buur," zei de man. - -"Goeden dag," zeide de boer, "zijt gij mijn gebuur? Ik meende, dat -ik hier alleen woonde." - -"Daar ginds ziet ge mijne hoeve," zeide de man, "die is niet zoo ver -van de uwe." En zie, daar lag ook werkelijk eene hoeve, die hij nooit -te voren had opgemerkt, groot en fraai en nieuw gebouwd. Toen begreep -onze man, dat hij met een' aardgeest te doen had, maar 't vervaardde -hem niet, hij verzocht den buurman binnen te komen en eene kroes bier -met hem te drinken, en deze liet zich 't brouwsel wel smaken. - -"Hoor eens," sprak de buurman, "in één ding moest gij mijn' zin doen." - -"Laat mij eerst hooren, wat gij wenscht," zei de boer. - -"Gij moet uw' koestal afbreken, want die staat mij in den weg," -antwoordde de buurman. - -"Neen, dat doe ik niet," zei de boer. "Ik heb hem dezen zomer pas -gebouwd en nu komt de winter aan. Waar moest ik dan mijn vee bergen?" - -"Ja, doe wat ge wilt, maar breekt gij den stal niet af, dan vrees ik, -dat 't u nog eens zal rouwen," zeide de buurman. En met ging hij heen. - -Onze man zag hem verbaasd na en wist niet, wat hij zou doen. Een' -nieuwen stal tegen 't begin van den winter af te breken, leek hem al -te dwaas, en waar zou hij hulp vandaan krijgen? - -Een dag of wat later stond hij in den koestal en--daar zonk hij op eens -door den vloer in de diepte. Op de plaats, waar hij terecht kwam, zag -'t er wondermooi uit. Alles was van goud en zilver. Eensklaps stond -de man, die zich zijn' buurman had genoemd, vóór hem en verzocht hem -te gaan zitten. Weldra werden er spijzen in zilveren vaten en bier -in zilveren kroezen binnen gebracht en de boer werd uitgenoodigd -toe te tasten. Hij dorst natuurlijk niet weigeren en zette zich aan -tafel, maar op 't zelfde oogenblik, dat hij den lepel in den schotel -wou steken, viel er iets van boven neer in de spijs, dat hem allen -eetlust benam. - -"Ja," zeide de Hulderman, "nu kunt gij eens zien, hoe vriendelijk -uwe koeien voor ons zijn. Nooit kunnen wij rustig eten, want telkens -als we aan tafel zitten, komt er ontuig van boven, en als we dan niet -heelemaal uitgehongerd zijn, is onze eetlust voor goed verdwenen. Maar -wilt ge mij nu gehoorzamen en uw' stal naar eene andere plek brengen, -dan zal 't u nooit aan iets ontbreken. Weigert gij echter, dan zult -ge, uw leven lang, niets ondervinden dan ramp en onspoed." - -Toen de boer dit gehoord had, was hij spoedig bezig met den stal omver -te halen en hem op eene andere plaats weer op te bouwen. Maar hij -behoefde dit niet alleen te doen, want des nachts, als alles sliep, -werd er even druk getimmerd als des daags, en hij begreep zeer goed, -dat niemand anders dan zijn buurman hem zoo goed bijstond. Ook later -rouwde 't hem volstrekt niet, dat hij den Hulder had gehoorzaamd; -want altijd had hij voeder en koren in overvloed en zijn vee gedijde -uitstekend. Eens--'t was toen een zeer onvruchtbaar jaar--had hij zoo -weinig voeder, dat hij er ernstig aan dacht, de helft van zijn vee -te verkoopen of te slachten. Maar op zekeren morgen, toen de meid in -den stal kwam, was de hond verdwenen en alle koeien en al 't jonge -vee met hem. Gij kunt denken, hoe zij schrok en hoe snel ze naar -haar meester liep om het te vertellen. Doch deze vermoedde dadelijk, -dat zijn buurman 't vee in den kost had genomen. En zoo was 't ook, -want toen 't voorjaar aankwam en 't weer groen werd in 't bosch, -hoorde men op zekeren morgen den hond vroolijk blaffende van den -boschkant naderen, en achter hem aan kwam al 't vee, oud en jong, en -'t was een lust op te merken, hoe flink 't er uitzag." - - - -Bij 't schijnsel van 't vuur legden we ons ter ruste en genoten -een paar uur lang een' verkwikkenden slaap op de naakte rots. Toen -de dageraad over de bergen aanbrak, voeren we reeds rond op 't -meer. Want de Hadelander, die de onzekere kans op eene voordeelige -vangst had opgegeven, om mij behulpzaam te zijn en korf en vischtuig -voor mij te dragen, had den ouden Christiaan Hakklo met zijne boot -gehaald. Wij roeiden over 't Björnmeer en ik vischte in den Smalström -en de Hakklo. 't Weer was ons gunstig, want zonneschijn en regen -wisselden elkander af. Eerst laat in den avond kwam ik in de stad -terug met de vischkorf vol forellen en 't hoofd vol histories. - - - - - - - -DE KONING VAN DEN EGEBERG. - - -In mijne jeugd plachten wij--eenige makkers en ik--elken zondagmiddag -naar den Egeberg te gaan. De heele week verlangden we met ongeduld -naar dien achtermiddag, den eenigen, dien we in de open lucht konden -doorbrengen; naar de geurige hagedoorntakken, die we zouden afbreken; -naar de wilgen fluitjes, die wij zouden maken; naar de blinkende -bergkristallen, die wij zouden vinden, en de zoete aardbeziën, die -wij zouden plukken. Toen wij ouder werden, lieten we wel de wilgen -vredig staan en ontroofden den heggen haar sieraad niet meer; maar nu -en dan herhaalden we toch onze uitstapjes, en op de velden van den -Egeberg maakten we vroolijk jacht op den fraaigevleugelden Apollo, -of wij snelden de dorre vlakte om den bouwvalligen wachttoren rond, -om den ridderlijken Machaon te vangen, die in zijne luchte vaart -meermalen ons geduld op eene zware proef stelde. Wat intusschen -den Egeberg vooral zoo aantrekkelijk voor mij maakte, waren noch de -geurige hagen, noch de purperkleurige Apollo of de zwavelgele Machaon, -maar de romantische geheimzinnigheid, die van mijne vroegste jeugd af -aan mij in dit oord omzweefde; de wensch, hier ook iets wonderbaars -te zien en te hooren; de gedachte aan al de heerlijkheid, die binnen -deze ruwe steenklompen was verborgen, aan de geheimzinnige wezens, -welke de sage in 't binnenste van den berg hield opgesloten en waarvan -ik niet recht wist, of ze al dan niet bestonden. - -De verhalen omtrent den koning van den Egeberg, zijn slot en zijn hof, -zijn meer en meer verstomd, maar van 't geen ik in mijne kindsheid -hoorde, leeft nog een en ander in mijne herinnering. In de volgende -vertelling heb ik 't een nieuw leven trachten te schenken. - - - -Een halve eeuw geleden was de Egeberg niet zoo bebouwd als in onzen -tijd. Hij was bedekt met bosschen en struiken, en men zag er geene -andere woningen dan de oude gebouwen van de Egeberghoeve tegen den -top, en eene kleine roode hut nabij den voet, aan de linkerzijde van -den weg, waar deze zich rechts naar de hoeve wendt. Die hut heette de -Sving. Tegenwoordig ziet men er een veel voornamer gebouw, waar des -zomers danspartijen worden gegeven en waarin men ververschingslokalen -vindt voor de "jongeheeren", die in 't begin van den zomer tegen den -avond hierheen trekken "om den koekoek te hooren." - -In die kleine hut woonde in den tijd, waarvan ik sprak, eene oude -vrouw, die boodschappen deed voor de menschen en moeite had op die -wijze door de wereld te komen. Eens, toen zij water had gehaald, -zat er eene groote, dikke padde op den weg, dien zij langs kwam. - -"Ga uit den weg voor mij, dan zal ik vroêmoer zijn, als je in 't -kinderbed ligt," zei ze schertsend tot de padde, en--oogenblikkelijk -kroop 't dier heen, zoo spoedig 't maar kon. - -Eenigen tijd later, toen de oude vrouw 's avonds uit de stad was -gekomen en bij den haard zat te spinnen, kwam er een vreemde man -binnen. - -"Hoor eens," zei hij, "mijne vrouw is zwanger en 't zal gauw haar -tijd zijn. Wilt gij haar helpen, zooals ge beloofd hebt, dan zal -'t u niet berouwen." - -"De hemel beware me," zei de best, "dat kan ik niet; ik weet er -niets van." - -"Ja, ge kunt het wel; want gij hebt 't haar beloofd," zei de man. - -De best kon zich maar niet herinneren, dat zij aan iemand ter wereld -beloofd had, vroêmoer te zijn; dat verzekerde zij hem, maar de -man hernam: - -"Beloofd hebt gij 't, want de padde, die vóór u op den weg zat, -toen ge om water uitwaart, was mijne vrouw. Wilt ge haar helpen," -vervolgde de man, die zij nu begreep, dat niemand anders was dan de -koning van den Egeberg, "dan zal 't u niet rouwen; ik zal u goed -betalen, maar gij moogt het geld, dat ik u geef, niet verkwisten; -aan niemand moogt gij 't wegschenken, wie er u ook om vraagt, en gij -moogt er in 't geheel niet van spreken; geen woord moogt gij er u -van laten ontvallen, tegen wien ook." - -"Neen, drommels!" zei ze, "zwijgen kan ik zoo goed als de beste; -bericht mij maar wanneer ik moet komen, en ik zal haar helpen zoo -goed ik kan." - -Daar verliep eenige tijd, totdat de man op zekeren nacht de best vroeg -hem te volgen. Zij stond op en maakte zich gereed; hij liep voor haar -uit, en eer zij recht wist, waar ze was of waarheen ze ging, was zij -binnen in den berg, waar de koningin in barensnood lag. Het vertrek -zag er zeer voornaam uit, 't leek wel de groote zaal van een kasteel, -en nooit in haar leven had de oude zooveel pracht gezien. - -Maar toen zij goed en wel binnen waren, zette de man zich op een' -stoel en kneep de handen samen over de knieën, en wanneer een man -zoo gaat zitten, kan eene vrouw onmogelijk verlost worden; dat wist -de oude zeer goed. Daarom beproefden zoowel zij als de koningin hem -tot opstaan te bewegen; telkens verzochten zij hem, nu dit, dan dat -te gaan halen; maar waar hij zat, daar zat hij en verroerde zich -niet. Eindelijk kreeg de vroêmoer een' inval. - -"Ze is gelukkig verlost," zei ze op eens tot den koning. "Hoe is dat -mogelijk?" borst deze uit en sprong vol verbazing op. Op 't zelfde -oogenblik legde de christenvrouw de hand op de koningin, en dadelijk -was zij verlost. - -Terwijl de man naar buiten ging om waschwater voor 't wicht te halen, -zei de kraamvrouw tot de best: - -"Mijn gemaal is u nu zeer erkentelijk, maar, wanneer gij heengaat, zal -hij u trachten te dooden, want hij kan zijn aard niet verloochenen; -trek daarom snel de deur achter u toe, als gij vertrekt; dan mislukt -zijn plan." - -Nadat het kind was gewasschen en gekleed, zond de koningin de oude -naar de keuken om eene kruik met zalf te halen, ten einde het de ooren -te smeren. Maar van zulk eene keuken en van zulk keukengeraad had -zij nog nooit de wedergade gezien! Langs den wand hingen in rekken -de prachtigste schotels en borden, en aan den zolder hingen pannen, -ketels en potten, alles van louter zilver en zoo blank. dat de wanden -er van schitterden. - -Maar men kan zich niet voorstellen hoe verbaasd zij stond te kijken, -toen zij hier haar eigen dienstmeisje zag staan, die in een' handmolen -koren fijnmaalde. Zij nam eene schaar en knipte een stuk uit het -schort der dienstmaagd, zonder dat deze 't merkte, en verborg dit. - -Toen zij zou vertrekken, herinnerde zij zich wat de kraamvrouw had -gezegd en smeet de deur achter zich toe. Op 't zelfde oogenblik wierp -de koning haar een' gloeienden bezemsteel na, waar 't vuur afvloog. - -"Trof ik u?" schreeuwde hij. - -"Neen," riep de best. - -"Dat is gelukkig!" klonk het antwoord. - -De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen de oude thuis kwam, -maar het dienstmeisje, dat altijd klaagde over pijn in den rug en -vermoeidheid, sliep nog en kreunde in den slaap. Zij wekte haar -en vroeg: - -"Waar zijt gij van nacht geweest?" - -"Ik, vrouw?" zei 't meisje; "ik ben nergens geweest, zoover ik weet, -dan hier in mijn bed." - -"Neen, dat weet ik beter," hernam de oude vrouw; "dezen lap heb ik van -nacht in den berg uit uw schort geknipt; gij ziet, dat hij nauwkeurig -past. Maar zoo is tegenwoordig de jonkheid; vroeger lazen de menschen -hun avondgebed en zongen een' psalm, eer zij naar bed gingen: dan -hadden de booze geesten geen macht over hen;--en gij moogt onzen Lieven -Heer ook wel beter voor oogen houden, want ge begrijpt, dat ge wel -zwak en klein moet blijven en pijn in den rug lijden, en dat ik niet -veel dienst van u kan hebben, als gij 's nachts voor hen moet werken." - -Van den dag af, dat de oude vrouw vroêmoer was geweest bij de koningin, -vond zij elken morgen een hoop zilvergeld voor hare deur, en 't ging -haar nu zoo goed, dat ze er weldra warmpjes in zat. Maar eens geviel -het, dat eene heel arme vrouw haar heur' nood klaagde. - -"Och wat!" zei ze, "dat heeft zoo veel niet te beteekenen; als ik maar -wilde, dan kostte 't mij volstrekt geen moeite u te helpen; want die -wat doet, die wat wint; dien ik geholpen heb, helpt mij ook weer." Maar -sinds dien dag vond zij geen' enkelen schelling meer voor hare deur en -'t geld, dat zij bezat, was als weggeblazen. Op nieuw moest zij nu den -korf op den rug nemen en naar de stad loopen in zonneschijn en regen. - -Niet altijd intusschen ging de koning van den Egeberg uit ter wille -van zijne vrouw; soms had hij eigen zaken te verrichten. Dan liep -hij de meisjes uit de stad na, wanneer zij op zon- en feestdagen -in de kloven en op de velden van den berg zich vermaakten of -'t bosch ingingen om bessen te zoeken. Meestal zag hij er uit -als een onoogelijk verschrompeld mannetje met roode oogen, maar -als hij fortuin wilde maken, nam hij de gedaante aan van Bernt -Ankers en vertoonde zich als een knap bejaard man met eene ster op -de borst. Dat was intusschen niets dan gezichtsbedrog; hij was en -bleef de oude, leelijke, roodoogige toovenaar, en dit bleek ook wel -uit zijn kroost: hij kreeg nooit anders dan de mismaaktste kinderen, -echte schreeuwleelijkerds met groote hoofden en roode oogen, die de -ouders zoo spoedig mogelijk zochten kwijt te raken en die dan door -de berggeesten, de gehoorzame dienaren en onderzaten van dit waardige -koninklijke paar, te vondeling werden gelegd. - -Te dien tijde stonden namelijk de geesten van den Egeberg in den -kwaden roep, dat zij welgemaakte, mooie menschenkinderen stalen van -de bewoners van Grönland, Enerhaug en voornamelijk van Gamleby, en -dan wisselwichten daarvoor in de plaats legden, en die kinderroof -en kinderruil ging zoover, dat ze geen hulp genoeg hadden ze alle -op te kweeken; daarom stalen zij ook kindermeiden en vaak hielden -ze die altijd bij zich. Maar eens hadden zij een meisje van Gamleby -weggevoerd, dat gelukkiger was dan hare zusters. Een jaar lang was -zij in den berg geweest en had al dien tijd een lief menschenkind -verzorgd, toen zij wist te ontsnappen. Of men de klokken voor haar -had geluid, of ze hare schoenen verkeerd om had neergezet; of ze -zich had verpraat of eene naald in haar hemd gevonden, dat herinner -ik me niet meer; genoeg, zij liep weg en sinds vertelde zij aan Jan -en alleman, hoe fraai en ruim 't in den Egeberg was, hoeveel knappe -lui daar woonden, hoe ze hun best hadden gedaan haar daar te houden, -en welk een' lieven jongen zij had opgepast. - -Elken morgen, hadden de berggeesten gelast, moest zij de oogen van -'t kind bestrijken met eene zalf, waarvan eene kruik vol in de keuken -hing; maar, hadden zij er bijgevoegd, zij moest zich wel wachten de -zalf te dicht bij hare eigen oogen te brengen. Zij begreep echter -volstrekt niet, waartoe dit moest dienen, want 't kind bezat de -mooiste oogen, die men ooit had gezien, en eens, toen de meesteres -niet in de keuken was, had zij daarom wat van de zalf over haar -rechter oog gesmeerd. - -Een halfjaar nadat zij den berg had verlaten, moest dit meisje een -of ander koopen in den winkel van Bjerkenbusch op den hoek van de -hoofdstraat en de markt. En zie--daar stond het oude wijf uit den berg, -bij wie ze kindermeid was geweest, bij de toonbank en stal rijst uit -eene lade, zonder dat iemand haar scheen op te merken. - -"Goên dag, moeder, moet ik je hier weer zien?" zei 't meisje; "hoe -gaat het met uw kind?" - -"Kun-je mij zien?" vroeg de vrouw verbaasd. - -"Wel ja, waarom niet?" antwoordde 't meisje. - -"Met welk oog zie-je me dan?" vroeg het bergwijf. - -"Wacht eens--met het rechter," hernam 't meisje, terwijl ze met de -oogen knipte. - -Op eens spuwde 't wijf haar in 't oog en van dien tijd af kon 't -meisje haar noch iemand anders daarmee zien; zij was en bleef blind -aan 't rechter oog. - -Schoon er in onzen tijd gewis geen gebrek is aan dikhoofdige kinders, -in Grönland zoo min als in Gamleby, hoort men toch niet meer van -den kinderroof der geesten van den Egeberg. Vooreerst namelijk is de -verlichting zoo hoog gestegen, dat men, in plaats van de wisselkinderen -drie donderdagavonden achtereen op de vuilnishoop te geeselen of ze met -eene gloeiende tang in den neus te knijpen, zooals in vroeger dagen -de gewoonte was, nu door moeder Torgersen of eene andere vrouwelijke -duivelbanner lood laat smelten boven 't wicht, om het te vrijwaren -tegen de engelsche ziekte of andere hekserij. Of ook, men zendt -een van de doeken waarmee 't gebakerd wordt, naar Stine Bredvolden, -die zoo knap is, dat ze daaruit de kwalen, ja de heele toekomst van -'t kind kan lezen en zoo uitspraak doet over leven en dood. En voor -'t overige is de koning van den Egeberg met zijne onderdanen verhuisd; -want het onophoudelijk trommelen en schieten in den laatsten oorlog, -het rammelen der geschut- en bagagewagens, die met donderend geraas -over het dak van 't paleis rolden en de zilveren vaten langs de wanden -deden rinkelen, maakten hem 't verblijf in den berg moede. - -Op zekeren nacht van het jaar '14 werd hij voor 't laatst gezien; -hij voerde al zijne roerende have en eene groote kudde bonte koeien -met zich. - -"Hemel, waar moet gij nog zoo laat heen in dezen gevaarlijken tijd -met zooveel huisraad en zoo'n groote kudde?" vroeg de man, die hem -ontmoette. - -"Ik ga verhuizen naar den Kongsberg, bij mijn broeder," antwoordde -de koning; "want ik kan dat schieten en dat geraas niet langer -uitstaan,"--en sedert heeft men hem nimmer meer gezien. - - - - - - - -VAN "FJELD EN SAETER." - - -Ditmaal zult gij mij niet ontkomen, mejuffer. Reeds lang hebt ge -beloofd mij uw uitstapje naar den Saeter te verhalen en thans zijt gij -er te eer toe gehouden, daar het onze in het water dreigt te vallen. - -Een blik uit het venster der pastorie bekrachtigde maar al te zeer -deze laatste opmerking. De hemel, die ons in den vroegen morgen het -prachtigste weer had voorspeld, bevestigde mijne oude ervaring, -dat er alleen op een' helderen avond te rekenen valt. De eene -bui na de andere viel kletterend neer op de hooge boomen, en naar -alle waarschijnlijkheid zou de regen den ganschen dag aanhouden, -al verzekerde ook de kleine Trine, die gedurig uit- en invloog, dat -de lucht, nu eens in 't oosten en dan weer in 't westen, opklaarde, -en dat we nog wel vóór den middag zouden kunnen uitgaan. - -"En daarom, beste juffer,--ik ben louter gehoor." - -"Meent gij dan, dat ik u iets zal vertellen, mijnheer Asbjörnsen? Ik -ben er achter gekomen, dat gij u niet, als iedereen, vergenoegt -met te luisteren naar wat men u vertelt, maar dat ook opschrijft en -'t laat drukken. Daarom behoef ik mijne belofte niet te houden." - -"Ik zweer u, dat ik, wat ge mij nu zult vertellen, nergens zal laten -drukken," antwoordde ik. - -"Buitendien gebeurde er niets bijzonders op dat uitstapje. 't Was -aardig, 't was verrukkelijk--ziedaar alles. Maar nu spijt 't mij -geducht, dat ik er u ooit van gesproken heb." - -"Uw toestand is zeker deerniswaard genoeg; intusschen, daar ge uw -woord hebt gegeven.... - -"Daarenboven," viel ze mij in de rede, "wat beteekent eene schrale -herinnering, nu gij zelf de hoop koestert zulk een uitstapje te doen; -wat is een flauw beeld bij de levende werkelijkheid? 't Is alsof -men, in plaats van een concert te hooren, eene recensie van eene -muziekuitvoering leest. En 't zou mij niet verwonderen, als de nikker, -die ons vandaag zulk eene poets speelt, het hoofd uit de proviandkorf -stak en ons uitlachte. - -Ik slaakte eene zucht over de vasthoudendheid der dames aan een eenmaal -opgevat voornemen, terwijl ik heimelijk den overvloed van argumenten -moest bewonderen, die haar steeds ten dienste staan en die, zoolang -men ten minste tegenover haar zit, overtuigend genoeg zijn. - -"Zulke vertellingen," vervolgde zij, terwijl ze Marat op den hals -klopte, die, niet minder mismoedig dan wij, met hangende ooren aan -onze voeten lag, "zulke vertellingen behooren buitendien in 't hoekje -van den haard te huis." - -"Maar, lieve hemel, mejuffer, toen ik u verleden winter er om -verzocht, beweerdet gij juist, dat zij alleen 's zomers moesten -verhaald worden. Maar, laten wij, in plaats van hierover te kibbelen, -ons vereenigen tegen de booze geesten, die ons plagen. Wij willen hen -met rust laten en van ons uitstapje afzien, dan zult gij merken, dat -'t weder opklaart, eer wij er aan denken." - -"Ja, en wanneer de regen over is, toch heen gaan, niet waar?" vervolgde -zij lachend. "'t Kon werkelijk de moeite waard zijn, uw' raad te -beproeven!--Welnu, 't zou dwaas van mij zijn, me langer te laten -bidden; luister dus, en gij zult hooren, dat uw verlangen naar mijn -verhaal kwalijk gerechtvaardigd wordt." - -"Op een' zomerdag, terwijl ik op den Saeter logeerde, gingen Trine en -ik met een der Saetermeisjes naar buiten om braambeziën te zoeken. Het -was een heldere dag en geen windje deed zich hooren. 't Had den -vorigen dag geregend en de lucht om den berg was zuiver en klaar. In de -kloven en tusschen de steenen wiesen eene menigte planten met groote, -witte, welriekende bloemtrossen. Woudhoenders vlogen op voor onze -voeten en zochten angstig naar hunne jongen tusschen de wilgen en -'t jonge berkenhout. - -"Toen wij bij de marschvlakte kwamen, waar de bessen groeien, zagen -wij den grond bedekt met roode en gele vruchten, en aan de kanten en -op de heuvels stonden eene menigte bloemen met zulke fraaie kleuren, -als ik nog nooit had gezien; zij vervulden de lucht met de heerlijkste -geuren. O, 't was zoo zoet, die lucht in te ademen en de kleine Trine -was zoo blij: ze vloog van de eene bloem naar de andere en klapte in de -handjes en werd niet moede de bloemen te plukken en te bewonderen. En -Brita praatte over hare koeien en geiten en over de rendieren, die zij -had gezien, en vertelde eene menigte sprookjes en wonderlijke dingen -van fjeld en saeter. Onder hare vertellingen en haar vriendelijk gesnap -waren onze korfjes van berkenschors spoedig gevuld met braambessen -en bloemen, en weldra begonnen wij aan terugkeeren te denken. Eerst -nog zetten we ons wat neder in 't frissche gras bij een wachttoren -op een' kleinen heuvel. Ter linkerzijde, een weinig achter ons, lag -eene groep hooge bergspitsen met glinsterende sneeuw bedekt. Trine -zei heel aardig, dat ze precies blauwe zakjes met suiker geleken, met -gaten er in om de suiker te laten doorschijnen. Brita vertelde ons, -dat het de Rondertoppen waren, en toen ik voorsloeg er heen te gaan, -dat ze meer dan eene mijl van ons verwijderd lagen; mij schenen ze -nog geen duizend el ver. - -Naar 't westen en noorden stapelde zich bergrug op bergrug, altijd -hooger, in allerlei grillige vormen, met blauwe en violette toppen -van de meest verschillende gedaante. Brita kende ze alle bij name -en vertelde ons, dat ze in Valders, Lom en naar den kant van Sogn -lagen. Maar aan onzen voet strekte zich tot op verren afstand -een landschap uit van een gansch ander voorkomen: groote, bruine -en grauwgroene vlakten, met heidekruid en mos bedekt, verlaten, -eentonig, door geen' enkelen heuvel afgebroken, door geen enkel -levend wezen bewoond. Nooit had ik zulk eene grootsche woestenij, -zulk eene verheven armoede aanschouwd. Toch stemde mij 't gezicht -daarvan treurig, ja bijna neerslachtig. Een bruin gespikkelde vogel -vloog naar den heuvel in onze nabijheid en begon te fluiten. Maar -zijne tonen klonken zóó klagend, zóó weemoedig, als of het dier wilde -weergeven, wat ik op dat oogenblik gevoelde. - -Brita en Trine hadden den heelen tijd te zamen gesnapt. Ik begon nu -naar haar gekeuvel te luisteren. - -"Hoe heet dit wachthuis, Brita?" vroeg Trine, "noemt men het niet -de heksenwacht?" - -"Ja, zoo noemen de menschen het gewoonlijk; eenige mannen hebben het -gebouwd, omdat zij hier al heel wonderlijke dingen zagen gebeuren." - -"'t Waren Paul Braekke, een boerenknecht bij Sell vandaan en eenige -andere arbeiders. De melksters hadden allen, tegen 't najaar, met -het vee den Saeter verlaten en de arbeiders moesten nu mos halen tot -wintervoeder. Terwijl ze 't mos naar de berghelling brachten, kwamen -er op eens tal van jonkvrouwen aanzweven, zoo heerlijk uitgedost, dat -zij een' bruidsstoet waanden te zien en de oogen bijna niet dorsten -opslaan. Hare lange slepende kleederen glinsterden in de zon, of ze -van zijde waren, en op 't hoofd droegen zij zilveren kronen en andere -sieraden. Zoolang de mannen haar stonden aan te staren, stonden ook -zij stil of zweefden heen en weer, maar toen zij voortgingen met hun' -arbeid, volgden de jonkvrouwen hun voorbeeld. Of de mannen haar met -mos wierpen, daar stoorden ze zich niet aan. En telkens als Paul en -zijne makkers de plek naderden, waar zij de jonkvrouwen zagen, waren -ze verdwenen, maar als zij dan weer op de plaats waren gekomen, waar -'t mos werd verzameld, dan zagen ze haar op nieuw en zoo duurde dit -den ganschen dag. - -In 't voorjaar waren twee dezer mannen met nog een' derden even -benoorden Valfjeld geweest om rijshout te hakken. In 't middaguur, -nadat zij hadden gegeten, vielen twee van hen in slaap, terwijl de -derde nog zijn middagmaal zat te gebruiken. Daar hoorden ze op eens -zulk een verrukkelijk vioolspel, als ze nog nooit hadden vernomen; zij -spraken er met elkander over en hielden zich dus stellig overtuigd, -dat ze niet langer sliepen. Meer dan eens klonken hun die heerlijke -tonen in het oor en een van hen "neuriede", naar Brita verzekerde, "nog -lang daarna de wijs van 't lied zoodat men niet aan de werkelijkheid -van 't gebeurde kon twijfelen." - -Nog veel meer wist Brita te verhalen van de aardgeesten en de Huldren, -maar in zooverre stond ze reeds onder de macht der zoogenaamde -verlichting, dat zij niet gaarne uitkwam voor haar geloof aan deze -natuurmachten. Wanneer eene van ons beiden tegenwerpingen maakte, -verdroot haar dit; dan beriep ze zich soms op hare eigene ervaring -en vertelde daarvan een of ander, maar meestal zweeg ze stil! 't -Was er verre vandaan, dat ik de opgeruimdheid, die hare vertellingen -eene frissche levendigheid bijzette, wilde verjagen; daarom gaf ik -Trine een wenk met de oogen en zei: "Maar wie zou er twijfelen aan -de waarheid van dat alles? Wil ik eens wat vertellen, dat nog veel -zonderlinger schijnt? 't Heugt je wis nog, dat ik voor twee jaar -mijn' oom in 't Hallingdal heb bezocht? Daar ontmoette ik een oud man -van bijna honderd jaar, van wien men verhaalde, dat hij in de macht -der Huldren stond. Hij had eene zwakke borst en zag er vervallen en -gebrekkig uit. Zijn blik was dof en wezenloos en soms scheen het, -dat hem alle bewustzijn ontbrak. In zijne jonge jaren was hij eens -bij den aanvang des zomers naar den Saeter getrokken. Nu geviel 't, -dat hij op zekeren dag onder boos weer den berg op moest in plaats van -den veehoeder. 's Avonds kwam de kudde naar den stal terug, maar Ole -was verdwenen. Men ging hem zoeken, heinde en ver, men loste schoten -en luidde de kerkklok, maar hij kwam niet terug. Hij was door de -berggeesten weggevoerd en dezen wilden hem niet loslaten. Vooral eene -jonge schoone Hulder hing hem met trouwe liefde aan. Zij was altijd -vriendelijk jegens hem, deed alles om hem te behagen en leerde hem -op de mondharp spelen. Zoo fraai heeft gewis nimmer iemand op dit -eenvoudige instrument gespeeld als de oude Ole. En hij bracht die -heerlijke tonen niet, als gewoonlijk, voornamelijk met de vingers -voort, maar alleen met den mond. Eens heb ik hem gehoord. Zijn spel -herinnerde mij nu eens aan 't gekweel der vogelen, dan weer aan 't -klagend gefluit van de bergvink of aan de tonen van de herdersfluit -op een' zomeravond, en zoo sterk greep 't mij aan, dat de tranen mij -in de oogen schoten. - -Maar Ole meende, dat de mooie Hulder een' afschuwelijken koestaart -had, en daarom wilde hij niet bij haar blijven. Eens borst hij uit: -"Wanneer, in Jezus' naam, zal ik toch weer onder christenmenschen -komen?" Toen begon de Hulder te schreien en zei, dat hij nu een' naam -had genoemd, dien zij niet kon uitspreken en 't haar nu ook onmogelijk -was hem langer vast te houden;--"maar houd u wat ter zijde van de deur, -als ge heengaat, anders doet vader u kwaad," voegde zij er bij. - -In de blijdschap over zijne verlossing, lette hij daar niet op en -terwijl hij zich heenspoedde, werd hem een brandend bos rijshout -nageworpen, waar vuur en vonken uitvlogen. Toen was 't hem, of al -zijne leden werden stuk geslagen. En sinds dien dag was hij nimmer -meer gezond en was hij ook niet recht bij 't hoofd. Maar waar hij -ging of stond, overal volgde hem 't mooie Huldermeisje. Wanneer hij -'s avonds alleen bij den haard zat, zag hij haar dikwijls. - -"Gyri Arendshoofd, ik zie u wel!" riep hij dan. "Daar is zij, ziet -ge haar niet?" vroeg hij den kinderen. Dezen bespeurden niets; maar -eene huivering voer hun dan door de leden. - -"En nu is 't uwe beurt, Brita," zei Trine, die mijn wenk had -begrepen. "Gij zult toch ook wel eens de Huldren hebben gezien of -gehoord. Vertel ons daar wat van." - -"Ja, dat heb ik," antwoordde Brita; "ik spreek er liefst niet van, maar -u kan ik 't wel vertellen. Ik was nog bij mijne ouders tehuis en vader -was op den molen in 't gebergte. Ik was eene kleine dreumes en had nog -niet eens leeren lezen. Moeder had mij gelast eten naar den molen te -brengen. Ik was zoo dartel als een geitje en wanneer ik den berg maar -op mocht, al was 't niet verder dan tot het einde van 't bosch, dan -was ik overgelukkig. Ik vertrok en sprong door de weiden de helling op; -'t was heel warm en toen ik een goed eind weegs had afgelegd, werd ik -moede. Ik wierp mij op eene groene plek neder, in de koele schaduw, -en had tusschen de boomen door een ruim uitzicht. 't Was achtermiddag -en de zon was bijna achter den berg verdwenen. Op eens werd ik heel -slaperig, maar deed mijn best wakker te blijven. Daar hoorde ik een' -hond blaffen en klokjes luiden, zoo helder of ze van zilver waren, en -heel in de verte werd op de herdersfluit geblazen, dat 't weerklonk in -'t bosch en op den berg. - -Eene poos daarna zag ik verscheidene lastdieren naderen met ketels, -melkvaten, boterkruiken en gereedschappen van allerlei slag op den rug, -en daar achter eene kudde grijskleurige ossen en groote bonte koeien, -zoo mooi en vet, als ik ze nimmer had gezien. En op de horens droegen -zij gouden knoppen en om den hals zilveren bellen en vooraan liep -eene groote vrouw met eene herdersfluit in de hand en eene melknap -met zilveren banden; zij praatte met de koeien en noemde ze bij den -naam. Maar zulke koeienamen had ik van mijn leven nog niet gehoord! Zóó -begon ze te zingen: - - - HULDERLIED. - Niet te snel. Uit het Foldal. - - - Zomerloof en Koel - te, En Bont - van - rug en - Zwoel - te, En Stum - per en Stak - ker, En Blauwtje- - klein, Snapper en Rakker, Nachtmuts en Wak - ker, - En Ver - van - daan en Spring-in - 't- veld, Lu - lo, - - Langzamer. - - Lu - - lo - - lo, Lu - - lo, Lu - - lo, - Lu - - lo, Lu - - lo, Lu - lo, Lu - lo. - - -Toen de kudde voorbij was, stond ik op om te zien, waar zij heen trok, -maar ik zag niets dan den herdershond en een meisje, dat juist achter -'t lage sparrehout verdween. 't Meisje had een blauw kleedje aan, maar -daaronder bemerkte ik duidelijk den staart eener koe. Toen begreep ik, -dat het eene Hulder was. - -De tweede maal, dat ik de Huldren zag, was geruimen tijd later. Ik -was toen reeds een volwassen meisje. 'k Was vroolijk van aard en -waar de vedel ging, kon men mij altijd vinden. Terwijl ik 's zomers -op den saeter lag, zou er gedanst worden op de bergvlakte. 'k Ging -er heen en niet vóór den morgen keerde ik naar de hut terug. Ik -ging naar bed en meende een uurtje te slapen. Maar--hoe 't kwam, -weet ik niet--ik versliep mij, zoodat de koeien over haar' tijd in -den stal bleven. Toen ik ontwaakte, stond de zon reeds hoog aan den -hemel.--Buiten op 't veld hoorde ik een vroolijk liedje zingen. Ik -sprong het bed uit om te melken en 't vee naar de weide te brengen, -maar zooals ik de deur uitkom, zie ik eene Hulder verdwijnen in het -bosch. En over de bergvlakten weerklonk dit - - - LIEDJE. - Vroolijk. Uit het Österdal. - - - Ka - ri en Ma - ri, staat toch op, Neemt het licht, - Gaat naar stal, Daar bracht de koe het zwar - te kalf; - 't Beest moet hee - ten Mooist-van-al. Kalft een koe, - bigt een zeug, werpt een geit, jongt een schaap: - 't Vee, dat blijft in de weide; Hei Halvorsen, Halvor - Dar - sen, Dei Dy - ringen, Dyring Bramsen, Bram - Börresen, Böring Bundersen, Dunder Dangsen en Sommer - Ningsen en Somme Dromlingen! - - Langzamer. - - Zoo lok - ken wij 't vee naar de wei - de, Hoe- - ra, hoera, hoe - ra uit het woud; Komt, laten wij spelen naar - Val-dris' wijs! In Val - dris, in Val - dris, daar - is 't zoo goed te wei - den, Daar is 't zoo goed te weiden - Ja - a . . . . . . . . . . . . . . . . - . . . Ja. . . . . . . . . Ja . . . - . . . . . . . . O, kom, o, kom! Och, arme! - - -Hier eindigen Brita's vertellingen en tevens 't verhaal van mijn -uitstapje. - - - -Terwijl de juffer vertelde, was 't weer werkelijk opgeklaard, zonder -dat wij er acht op hadden geslagen. De zon scheen met al hare warmte -en pracht en nu werd 't een gejubel en drukte zonder einde. "Naar -den Saeter, naar den Saeter!" klonk het en met 't verrukkelijkst -uitstapje werd de dag besloten. - -Ik heb mijn woord tegenover de schoone vertelster van dit -Huldersprookje niet gehouden en kan er tot heden maar geen spijt -over gevoelen. - - - - - - - -DE VERTELLINGEN VAN DEN DOODGRAVER. - - -Een badgast te Eidsvold beeft niet veel meer te doen dan zich voldoende -beweging te verschaffen. Reeds den dag na mijne aankomst ging ik -daarom Peter, den doodgraver, opzoeken, die in Store Finstad woonde, -een kwartier ten zuiden van de rivier. Met groote moeite kwam ik in -dit ordelooze nest van dicht opeengebouwde winkel- en woonhuizen, -'s mans verblijf op 't spoor. In het voorhuis vond ik niemand, maar -in een armelijk kamertje zat eene oude vrouw op een' stoel zonder rug -te spinnen. Ik deed haar eenige vragen, waarvan de eerste slechts -werd beantwoord met een' uitvorschenden blik, de tweede en derde -met een "Hè?" Toen ik eindelijk voor de vierde maal vroeg, of ze -mij ook kon zeggen, waar Peter, de doodgraver, was, antwoordde zij: -"O, Graven, ligt hier nog een goed kwartier vandaan."--"Neen, Peter, -de doodgraver," schreeuwde ik. "Ja Graven ligt naar 't oosten; ga -'t dal maar door, dan kom-je er van zelf."--Sedert vernam ik, dat de -naaste hoeve "Graven" heette. - -"Grootmoeder is wat hardhoorend," zei eene stem uit den donkeren hoek, -waarin ik eerst niets had kunnen onderscheiden. Daar zat een jong -meisje met een klein kind op den arm. - -"Kun-je mij ook zeggen, waar ik Peter, den doodgraver, kan -vinden?" vroeg ik nu aan haar. - -"Hij is niet te huis," kreeg ik ten antwoord. - -"Weet-je niet waar hij is?" - -"Misschien wel op Styri bij tante." - -"Waar ligt Styri?" - -"Aan den oostkant." - -"Is 't ver weg?" vroeg ik weer. - -"Dat weet ik niet." - -"Is er niemand anders te huis?" - -"Neen, zij zijn te bruiloft." - -"Hiernaast?" - -"Ik weet het niet." - -Hier kreeg ik intusschen de noodige opheldering. Er zat inderdaad -niet anders op dan naar Styri te gaan. In 't voorhuis aldaar vond ik -werkelijk de tante, waarvan men mij had gesproken, in de gedaante -van eene lange, bejaarde vrouw, met de grijze haren weggestreken -onder de zwarte muts. Ze kwam me vriendelijk te gemoet en zeide: -"Wees zoo goed binnen te komen." - -Deze ontvangst deed mijne ergernis over de eerste heel wat afnemen; -ik vroeg, of Peter, de doodgraver, hier ook was. - -"Moet hij misschien een graf maken voor iemand?" vroeg tante. - -"Neen, dat niet; maar ik heb gehoord, dat hij zooveel oude sprookjes -en vertellingen kent, en daarvan zou ik graag wat hooren," zei ik. - -"Ja, zoo!--Ja, als oude Andries, Peter zijn vader, hier was, ja--dat -was eerst een baas in 't vertellen! Als die begon, kwam er geen -einde aan." - -"Maar, lieve hemel, kun-je dan ouden Andries niet hier laten komen?" - -"Ja, die kon nog eens vertellen! Maar oude Andries is al twee jaren -dood! Peter kent er ook wel; maar hem kan men niet zoo gemakkelijk -aan de praat krijgen; hij is heel karig met zijne vertellingen, -moet-je weten! Neen, oude Andries, die kende eene hoop histories! En -hij liet zich nooit lang bidden! Och ja, 't zal nu met kerstmis twee -jaar worden. - -"Maar, dat baat mij niets," viel ik haar in de rede, gebelgd omdat -de hooggeprezen Andries niet meer leefde. "Is Peter hier dan niet?" - -"Ja, hij is hier wel geweest, maar hij moest naar den -klokkeluider. Daar zult ge hem stellig vinden, en mocht hij daar -niet zijn, dan is hij zeker op den heuvel, of in de pastorie, als hij -ten minste niet op 't kerkhof is om een graf te delven, want de oude -vrouw Habberstad is gestorven." - -Mijn geduld was zoo goed als uitgeput; maar wijl 't te voorzien stond, -dat ik er tegenover Peter, den doodgraver, nog zeer groote behoefte aan -zou gevoelen, besloot ik de rest maar te sparen. Ik wilde vertrekken, -maar onder 't laatste antwoord had de vrouw uit een kastje een niet -heel zindelijk glas gehaald, dat zij met brandewijn vulde en mij met -een stukje kandijsuiker op een bord aanbood, terwijl zij niet ophield -in een' stroom van uitroepen hare bewondering lucht te geven voor de -weergalooze wijze, waarop de oude Andries sprookjes kon vertellen. - -"Peter zal stellig bij den klokkeluider zijn, en is hij daar niet, -dan is hij op den heuvel of in de pastorie, als hij ten minste niet -naar 't kerkhof is gegaan," riep ze mij nog na, terwijl ik 't erf -af ging. 't Klonk me als spotternij in 't oor, want straks was ik al -die plaatsen voorbijgekomen. - -Ik besloot intusschen hem 't eerst op de laatste plaats te gaan zoeken, -als de minst waarschijnlijke naar tante's gevoelen. - -'t Was koud, droevig zomerweer, toen ik door de donkere lanen van -den tuin der pastorie mijne schreden naar de kerk richtte. De regen -had opgehouden, maar met iederen rukwind klaterden de droppels uit -de toppen der boomen op de bladeren onder hen. De wolken dreven laag -tusschen de boomen door. Mat en grauw viel het licht op de graven en -eenvoudige gedenkteekens van het kerkhof; de wind voer klagend door -de takken en geen vogel zong in 't loof. 't Was of een voorgevoel van -'t najaar alles in dit eenzaam oord deed huiveren; alleen het kerkje -wees, als een troostende engel, met zijne torenspits ten hemel. - -In den verst verwijderden hoek van 't kerkhof hoorde ik den klank -der spade. De doodgraver was dus bezig een graf te delven. Op een -heuveltje in zijne nabijheid stond de groote, prachtige bok van -den klokkeluider met zijn' langen baard en fraaie horens te grazen; -ik kende hem reeds van een vroeger bezoek. - -Een oogenblik bleef ik staan om den doodgraver op te nemen. Hij was -een man op jaren, maar men kon niet zeggen, dat 't een vriendelijk -oud man was. Zijn beroep scheen geen' verzachtenden of verzoenenden -invloed op zijn' geest te hebben uitgeoefend; hij zag de wereld aan -met een' somberen blik en een norsch gelaat. Zijne trekken kwamen -mij bekend voor, later herinnerde ik mij hunne groote gelijkenis met -een koppig paard, dat 't mij eenmaal geducht lastig had gemaakt. Toen -hij een ommezien met zijn' arbeid ophield om uit te rusten, viel zijn -oog op mij, dien hij nog niet had bemerkt. - -"Goeden avond, doodgraver," zei ik. - -Hij mat mij van 't hoofd tot de voeten, spuwde in de holle hand en -ging voort met spitten. - -"Dat is zwaar werk in dit natte weer," ging ik onverdroten voort. - -"Als de zon schijnt, is 't niet lichter," antwoordde hij met een' -azijnzuren grimlach, en ging voort met delven. - -"Voor wien maakt ge dit graf?" vroeg ik, in de hoop, dat zich wellicht -uit deze vraag een gesprek zou kunnen ontspinnen. - -"Voor den duivel en de kerk," antwoordde de doodgraver.--Ik begreep -dat niet recht, en vroeg nadere verklaring. - -"De duivel krijgt de ziel en de kerk het geld," antwoordde hij. - -"Zoo bedoelde ik het niet, ik meende, voor wien dat graf bestemd is?" - -"Voor een oud wijf," antwoordde de man. - -Die brug was afgebroken. Ik begreep, dat ik op deze wijs tot geen -bevredigende uitkomst zou geraken. Ongeduldig over den regen, -die met vernieuwde hevigheid neerviel, en korzelig, wijl naar alle -waarschijnlijkheid mijne expeditie zou mislukken, vertelde ik den -doodgraver, dat ik hem had opgezocht om sproken en vertellingen van -hem te hooren uit den ouden tijd. Ik zei, dat ik 't niet voor niemendal -verlangde, maar dat 't hem toch plezier moest doen, nu eens iemand te -ontmoeten, die aan deze dingen geloofde, wat zoo zelden meer gebeurde -in onze dagen. - -Onder deze toespraak keek de doodgraver mij nu en dan met zijn' -hoofdigen paardeblik aan, die al mijne hoop den bodem insloeg. - -"Of de lui gelooven, wat ik vertel, of niet, dat is mij om 't even," -zeide hij. "Maar wat ik heb gehoord en wat ik weet, dat weet ik, en -ik wil niet voor zot spelen en zitten vertellen als eene babbelzieke -best. Zelfs voor den koning niet," voegde hij er bij, om de zaak -buiten allen twijfel te stellen. - -Ik was reeds voornemens heen te gaan, toen hij op nieuw stilstond, -half van mij afgekeerd. Na den hoed op één oor te hebben gezet, begon -hij eerst in den eenen, toen in den anderen zak van zijn wambuis -te zoeken; maar 't scheen, dat hij niet kon vinden, wat hij zocht, -hij was blijkbaar teleurgesteld, vooral toen een nieuw onderzoek even -vruchteloos was gebleken. - -Ik giste spoedig, dat zijne tabak op was en dacht vergenoegd: -"nu is de beurt aan mij." In mijne botaniseerdoos had ik eene van -Tidemand's beroemde rollen tabak geborgen, en terwijl ik den schijn -aannam van naar mijn' zakdoek te zoeken, wist ik 't behendig zóó -aan te leggen, dat de rol juist op den rand van den grafkuil viel, -waarin hij stond. Heel kalm bukte ik mij om de tabak op te rapen, -maar 't zonneschijntje, dat op eens 't gelaat van den doodgraver deed -ophelderen, ontging mij niet. Als in gedachten maakte ik de rol open, -lokte mijn' gehoornden vriend, die dicht bij 't graf stond, tot mij -en liet hem een groot stuk van de rol afbijten. - -"Hoe ver is Tönsager hier van daan?" vroeg ik. - -De doodgraver mompelde iets over 't misbruiken van Gods gaven, maar -antwoordde toch beleefder dan te voren, dat 't omstreeks een half -uur aan de andere zijde der baai lag. - -"En Guldvaerket?" vroeg ik. - -"Eene mijl," zei de doodgraver. "Maar waar komt ge toch -vandaan?" voegde hij er bij met het potsierlijkste gezicht ter wereld. - -"'t Laatst ben ik in Store Finstad geweest, waar ik naar Peter, den -doodgraver, heb gevraagd," antwoordde ik en borg de rol weer in de -doos, na den bok nog een stuk daarvan te hebben gegeven. - -Er volgde geen antwoord; Peter begon met nieuwen ijver te -delven. Behalve aarde en steenen wierp zijne spade ook vermolmde -houtsplinters en halfvergane beenderen naar boven. Onder de laatste -rolde ook een vrouwenschedel voor mijne voeten, zoo schoon en volkomen -van vorm, dat Retzius hem voor het ideaal der skandinavische type -zou hebben aangezien. Ik nam hem op en beschouwde hem opmerkzaam. - -"Die schedel is van geen oud wijf afkomstig," begon de doodgraver -op nieuw. - -"Dat zie ik," gaf ik ten antwoord. - -"'t Was de vrouw van een' landbouwer hier in 't dorp; zij was geacht -en geëerd," merkte hij verder op. - -"Zoo." - -Had de doodgraver zich in zijn slecht humeur gelijk kunnen blijven, -dan zou hij ongetwijfeld hebben gezwegen, maar reeds de hoop op eene -rol tabak heeft een' verwonderlijken invloed op 's menschen gemoed. - -"Van buiten blank, van binnen krank," ging hij voort. - -Hierop volgde in 't geheel geen antwoord. - -"Dat was beste tabak, die ge daar in die blikken doos hebt." - -"Zoo schijnt onze vriend er ook over te denken," antwoordde ik, -terwijl ik den bok weer naar mij toelokte en mij geliet, of ik hem -nog meer wilde geven. - -"Neen, als oude Andries, mijn vader, nog leefde," zei Peter haastig, -terwijl hij zijn' gelukkigen mededinger zocht te beletten, de goede -gaven deelachtig te worden, die ik hem had toegedacht, "hij kon nog -eens vertellen. Wat ik kan, heeft niet veel om 't lijf." - -"Nu merk ik, dat gij ook wel een stuk tabak zoudt willen hebben, -Peter. Zie, daar hebt gij al wat de bok heeft overgelaten. Waart gij -eerst williger geweest, dan hadt ge de heele rol gekregen. Maar vertel -mij nu wat." - -"Dat kan ik wel doen, want ik zie, dat ik met een verstandig man te -doen heb, en niet met een' zotskap," zei Peter, terwijl hij zijne -gereedschappen bijeenzocht en uit den kuil steeg. "Vervloekt vee," -riep hij toornig en sloeg naar den bok, "zulke bokken zijn 't ergste -ongedierte, dat ik ken; ze moesten doodgeslagen worden, dat er niet -één overbleef." - -Nadat hij door deze ontboezeming zijn gemoed wat had verlicht, zette -hij zich op eene zerk neder en begon te verhalen. - -"Gij zijt niet de eerste, wien ik 't vertel," zoo ving hij aan. "Wilt -gij 't gelooven--goed; gelooft ge 't niet--laat het dan voor 't geen -het is.--Daar leefde eens in 't dorp hier een boer, die gehoord had, -dat de heksen allerlei spel dreven in de kerk op den avond vóór de -feestdagen. Hij geloofde er niets van, maar voelde toch den lust bij -zich opkomen, eens te zien of 't waar was; hij kon dan tevens te weten -komen, wie zich met hekserij ophielden. Op Paaschavond zette hij zich -neder op de lijkbaar in 't kerkportaal, en, ja wel, daar verzamelde -zich een heele stoet wijven voor de kerkdeur, met een' grooten zwarten -hond aan 't hoofd. De hond ging op de achterpooten staan, krabde -tegen de deur en--open sprong die, schoon ze stevig gesloten was. - -"Zaagt gij dat?" zei 't wijf, dat 't dichtst achter den hond liep -tot een ander;--"en dat was deze," voegde Peter er bij, terwijl hij -op den schedel wees. - -"Neen, dat had ik niet gedacht, al hadt gij 't me zelf gezegd," -antwoordde de ander, die naast haar liep en die ook in 't dorp -voor eene brave vrouw doorging. En achter die beiden kwamen er nog -zoovelen, dat hij ze bijna niet meer kon tellen. Hij kende ze allen -en had nooit gedacht, dat er zooveel heksen in heel Romerike waren -als er alleen in 't kerspel van Eidsvold bleken. Zij sprongen en -dansten en maakten allerlei bespottelijke gebaren op den preekstoel -en voor het altaar. Toen ze niets meer wisten te bedenken, brachten -ze door hekserij eene koe boven in den toren en hingen haar boven -den trap op met alle vier de pooten in de lucht. De boer meende in -'t beest eene koe van de pastorie te herkennen, en toen de heksen -waren vertrokken en alles weer stil was in de kerk, ging hij naar de -pastorie. Daar stond de koe weer in den stal, maar ze trilde nog en -'t schuim stond haar om den bek. - -Geruimen tijd daarna geviel 't, dat dezelfde man, die dit alles -op Paaschavond had gezien, als hofmeester was genoodigd op eene -bruiloft. En daar was nu ook de vrouw, die vooraan ging in den -heksenstoet. Toen men aan tafel wilde gaan, verzocht men haar 't eerst -te gaan zitten; want zij werd door elk geëerd, moet ge weten. Maar -zij wilde nu eens de bloode spelen en men kon 't niet van haar gedaan -krijgen. Herhaaldelijk noodigde de hofmeester haar uit zich aan tafel -te zetten, maar eindelijk werd hij 't bidden moê en fluisterde haar in -'t oor: - -"Ga maar eerst zitten; ge zijt 't immers wel gewend. Toen ik u op -Paaschavond zag, waart gij niet zoo verlegen; toen waart' ge de -eerste in den dans met Ouden-Erik, [2] voor 't altaar zoowel als op -den preekstoel." - -Op die woorden viel de vrouw in zwijm en sinds dat oogenblik heeft -ze geen gezond uur meer gehad." - -De doodgraver zweeg en zijn gelaat nam weer de gewone barsche, -gemelijke uitdrukking aan; maar ik hield niet op met vragen en vorschen -naar heksen, hare reizen en daden, tot ik ten slotte de belofte van -hem verkreeg, dat hij mij alles zou vertellen, wat hij daarvan wist. - -"Daar waren eens eenige jagers, die op zekeren Paaschnacht uit jagen -gingen. Terwijl zij in de jachthut zaten, bij 't grauwen van den -morgen, hoorden zij zulk een geruisch en geraas in de lucht, dat -zij niet anders dachten, of er was een heele vlucht groote vogels -in aantocht, gereed om in 't moeras neer te strijken. Maar 't waren -vogelen des duivels! Toen zij boven het bosch kwamen, bleek het een -vlucht heksen te zijn. die haar Paaschfeest hadden gevierd. Zij reden -op bezemstelen, harken en mestvorken, op bokken en geiten en de zotste -dingen, die men kan bedenken. Weldra herkende een der jagers onder -haar zijne naaste geburin. - -"Maren Myra!" schreeuwde hij. Plotseling viel ze neder op eene spar en -brak een scheenbeen; want, wanneer iemand eene heks herkent en haar -bij den naam roept, moet zij naar beneden, al is zij nog zoo hoog -gestegen. De jagers namen haar op en brachten haar voor den rechter, -en deze besliste, dat zij levend verbrand zou worden. Maar eer zij op -den brandstapel kwam, verzocht zij nog, dat men even den blinddoek -van hare oogen zou nemen. Dat deed men ook, doch eerst plaatste men -haar zóó, dat haar oog niet op weide en akker, maar alleen op den -berg kon vallen. En dit was goed ook; want op eens was 't bosch, aan -den kant waarheen ze had gezien, geheel zwart geblakerd en verschroeid! - -Deze tooverheks liet eene dochter na, die later in huis kwam bij een' -predikant in 't Gudbrandsdal. Zij mag negen jaar oud zijn geweest, -maar ze was reeds geheel verdorven en zat vol heksenstreken. Eens -gelastte haar de predikant eenige spaanders, die op 't erf lagen, -naar de keuken te dragen. - -"Och," zei ze, "ik kan ze wel binnen brengen, zonder dat ik ze behoef -te dragen." - -"Zoo," zei de predikant, "laat mij dat eens zien." - -Oogenblikkelijk maakte zij wind en daar vlogen de spaanders de -keuken binnen. De predikant vroeg, of ze nog meer dergelijks kon -uitrichten. Ja wel: ze kon ook melken, maar deed het liever niet, -want 't was nadeelig voor 't vee. De predikant drong er echter op -aan; ze was noode over te halen, maar eindelijk zou ze 't doen. Ze -stak nu een knipmes in den wand en zette eene melknap daaronder, en -nauwelijks raakte zij 't mes aan of de melk stroomde in de nap. Na -eene poos wilde zij ophouden. - -"O, neen, melk voort, kind," zei de predikant. - -Eerst weigerde ze, maar de predikant praatte zoolang, tot zij op -nieuw begon. - -"Nu moet ik ophouden," zei ze een oogenblik later, "anders komt er -niets dan bloed." - -"Och, melk maar voort, kind," zei de predikant, "en stoor je nergens -aan." - -Op nieuw weigerde zij, maar gaf ten slotte weer toe en ging voort. - -Een ommezien daarna hernam zij: "Ja, houd ik nu niet op, dan valt -straks de beste koe op stal dood neder." - -"Melk maar, kind, en stoor je nergens aan," zeide weer de predikant, -want hij wilde zien, waartoe zij in staat was. - -Eerst weigerde zij hardnekkig, maar na veel moeite wist de predikant -haar toch weer over te halen. - -"Daar valt de koe," riep ze op eens, en toen men den stal binnentrad, -lag daar de beste koe, die de predikant bezat, morsdood op hare -plaats. En de deerne werd verbrand even als hare moeder. - -"Ja, 't was eene booze heks, waar ik u van vertelde," voer de -doodgraver voort, "maar er was er eene, die mij nog boosaardiger -dunkt. Zij tilde op een' Paaschavond haar' man uit het bed en reed op -zijn rug uit 't Gudbrandsdal naar de kerk van Bergen, en terwijl zij -boven in den toren met de andere heksen en Ouden-Erik het Paaschfeest -vierde, moest de man moedernaakt tegen de kerkmuur blijven liggen in -den langen, kouden voorjaarsnacht. 't Was een verschrikkelijk weer; de -gure wind drong hem door merg en been en de sneeuwvlokken stoven rond, -zoodat de arme man half bewusteloos was van koude. Toen de dageraad -aanbrak, trachtte hij op te staan, maar hij was geheel verstijfd en -zijne tanden klapperden. Juist kwam er iemand de kerk voorbij. - -"Zeg mij toch in Gods naam, waar ik ben?" vroeg de man. - -"Wel, gij zijt bij de kerk van Bergen," antwoordde de voorbijganger; -maar toen hij den buikriem bespeurde, dien de man om 't lijf had, -begreep hij, waarom hem die vraag was gedaan;--want de heksen kwamen -daar in dien tijd met Kerstmis en Paschen. Hij zeide tot den man: - -"Wanneer zij uit de kerk komt, met wie gij hier zijt gekomen, neem -dan maar den buikriem en geef haar een duchtig pak op den rug, dan -kunt gij op haar naar huis rijden, anders houdt gij 't onmogelijk uit." - -En toen de heks naar buiten kwam, deed de man zooals hem gezegd was; -en zoo reed hij naar huis op haar' rug, zoo snel als de wind." - -"Had zij geen' smeerhoren bij zich?" vroeg ik. - -"Neen dien had zij niet noodig; zij had zich reeds 't heele lichaam -ingesmeerd, eer zij van huis ging," zei de doodgraver. "Maar nu gij -van smeerhorens praat, schieten mij nog eenige histories te binnen, -die hier in den ouden tijd moeten gebeurd zijn." - -"Laat hooren," zei ik. - -"Op eene hoeve te Ringebu," vertelde Peter, "woonde eene heks, die -buitengewoon boosaardig was. Maar daar woonde ook iemand, die wist, -dat zij hekserij bedreef; hij ging op een' heiligavond naar de hoeve -en vroeg om nachtverblijf en 't werd hem verleend ook. - -"Gij moet niet bang worden, als ik met open oogen lig te slapen," -zeide hij, "ik ben dat gewoon en kan er niets tegen doen." - -O, neen, zij was niet gauw vervaard. - -Spoedig lag de knaap te snorken met open oogen, en nauwelijks zag de -heks dit, of zij haalde een' smeerhoren onder den haardsteen vandaan -en smeerde den bezemstok in: - -"Nu op en dan neer, naar Jönsaas, zei ze en steeg door den schoorsteen -op en reed naar Jönsaas, eene groote bergvlakte, waar veel saeters -staan. - -Onzen knaap docht het nu heel grappig, als hij haar voorbeeld eens -volgde om te zien, wat zij uitvoerde, want hij meende, dat zij had -gezegd: "nu op en dan neer, naar Mönsaas" [3]. Hij haalde daarom ook -den horen onder den steen vandaan en wreef met den inhoud daarvan een' -stok in. - -"Nu op en dan neer, naar Mönsaas," zei hij toen, en nu voer hij op -en neder, altijd tusschen den schoorsteen en de dakvorst, den heelen -nacht door, en toen de stok eindelijk stil hield, was hij half dood. - -Sedert kwam hij bij de heks in dienst en zat een jaar later 's avonds -eene slede in orde te maken. Toen hij dien arbeid moede werd, legde -hij zich op eene bank neder om te slapen en lag eene poos met de -oogen open. Weer haalde 't wijf den horen voor den dag, smeerde den -bezemsteel in en voer den schoorsteen uit. De knaap merkte goed op, -waar zij den horen borg, en nadat zij vertrokken was, nam hij dien en -smeerde een weinig van de zalf aan de slede; maar hij zeide niets. En -de slee vloog heen, en niemand heeft ooit meer den knaap noch zijn -voertuig gezien. De hoeve, waar dit voorviel heette Kjaestad, en -tot op den huidigen dag weet oud en jong te verhalen van den horen -van Kjaestad. - -Zoo woonde er ook eene heks op eene hoeve in 't Dovregebergte. Nu -geviel 't op een' Kerstavond, dat haar dienstmeisje bezig was een' -brouwketel te schuren. Intusschen haalde 't wijf den horen voor den -dag, wreef den bezemsteel in en vloog den schoorsteen uit. Dit leek -de dienstmaagd eene prachtige kunst; zij smeerde ook wat zalf om den -ketel. En nu was ook zij weldra op reis en vloog zonder ophouden voort -naar Blauwkoll. Hier vond zij eene groote schaar heksen en Ouden-Erik -zelf, die voor haar zou preeken. Toen allen zich hadden neergezet, -ging hij den kring rond, om te zien of er niemand ontbrak. Zoo kwam -hij ook bij het meisje, dat in den ketel zat; haar kende hij niet, -want zij had zich niet onder zijne dienaressen laten opnemen. Hij -vroeg daarom aan 't wijf, waarmee zij was gekomen, of de dienstmaagd -ook haar' naam in 't groote boek wilde zetten. De meesteres meende -van ja. Oude-Erik gaf nu de maagd het boek en verzocht haar daarin -te schrijven, hij bedoelde natuurlijk haar' naam. - -Maar zij schreef, wat de schoolkinderen plegen te schrijven, wanneer -zij de pen probeeren: "Die mij voedsel geeft, is God, in Jezus' naam," -en--nu mocht zij 't boek houden, want Oude-Erik was niet zóó boud, dat -hij 't dorst terugnemen. Plotseling ontstond er een vreeselijk alarm -op den berg. De heksen namen de zweep, en sloegen op hare voertuigen -los, en aanstonds vlogen ze heen door weer en wind. Ook 't meisje nam -eene zweep, sloeg daarmede op den ketel en snelde de anderen na. Op -eene hooge rots hielden alle heksen stil om een oogenblik uit te -rusten. Aan hare voeten lag een breed dal, waardoor zich een breede -stroom kronkelde en aan gene zijde daarvan weer eene hooge rots. Toen -zij waren uitgerust, vlogen zij naar den overkant. 't Meisje twijfelde -er sterk aan, of zij ook daarheen zou kunnen komen. Eindelijk gaf -zij den ketel een' fikschen slag en kwam behouden aan de overzij. - -"Dat was een duivelsch mooie sprong voor een' ketel," zei ze; maar -op 't zelfde oogenblik verloor zij 't boek, viel naar beneden en kon -niet verder komen: zij had hem genoemd, wien zij geene gehoorzaamheid -had willen beloven. 't Overige van den weg moest zij door de dikke -sneeuw waden, want thans had zij alle hulp verbeurd, schoon zij nog -menig uur te gaan had." - -"'t Moet niet onaardig zijn met de heksen op bezemstelen en in -ketels te rijden," merkte ik op. "Maar 't kan soms nog al gevaarlijk -zijn, want de noordenwind is scherp daar boven en men kan den hals -breken, eer men 't weet. Dan gaat het beter met de samenkomsten op -de kerktorens; daar kan men ze zien, wanneer men slechts op eene -doorgesneden graszode gaat zitten, niet waar, Peter?" - -"Niet op eene doorgesneden zoô," verbeterde de doodgraver; "in -elke hand moet men er eene omhoog houden, en de snede moet tegen de -zon in zijn getrokken. Wie zoo gaat staan, met een psalmboek op de -borst en drie gerstekorrels in den mond--waarvan de eene den Vader, -de ander den Zoon en de derde den H. Geest beteekent--tegen dien kan -noch Oude-Erik, noch eene tooverheks iets uitrichten. Had zeker man, -van wien ik eens hoorde vertellen, hieraan gedacht, dan ware hij er -beter afgekomen. Ja, hij kwam er toch wel goed af, maar 't was "bij -'t kantje langs," als men zegt. - -Men had dien man verteld, dat de heksen op heiligavonden zoo -verschrikkelijk huis hielden in den kerktoren. Hij kon nu den lust niet -bedwingen daar eens bij te wezen en zoo ging hij er op een' Kerstavond -heen en zette zich in een' hoek neder. Wel had hij eene groote graszoô -bij zich, maar deed niet alles naar behooren, zoo 't schijnt. Daar -kwamen de heksen aangereden; de een na de ander sloop de torengaten -binnen, sommige op bezemstokken, andere op harken, enkele op geiten, -nog andere op bokken of op allerlei wonderlijke dingen gezeten. Onder -haar bevond zich ook eene buurvrouw van hem. Zoodra deze hem zag, -liep zij op hem toe, stak hare pink in zijn' neus en hield hem zoo, -als een' zalm bij de kieuwen, buiten den toren. - -"Wilt gij beloven aan niemand te zeggen, dat ge mij hier hebt -gezien?" zei ze. "Zoo niet, dan laat ik u vallen." - -"Neen, dat doe ik niet!" antwoordde hij; want 't was een dwarskop. En -toen zij hem werkelijk liet vallen, schreeuwde hij: "hel en duivel, -komt mij te hulp!" en dadelijk kwam de duivel in eene slede aanrijden -en ving hem zoo knaphandig op, dat hij zelfs de knieschijf niet -verstuikte. Nu wou de duivel hem ook naar huis brengen. Maar de man -schopte en sloeg en maakte zulk misbaar, dat de duivel 't bijna te -kwaad kreeg. En toen zij bij zijne hoeve gekomen waren, reed hij -onvoorziens tegen een watervat aan, zoodat de slede kantelde en de -duivel aan de eene zijde, onze man aan den anderen kant van 't watervat -terecht kwam. Ware dit niet gebeurd, dan zou hij niet aan de klauwen -des duivels zijn ontkomen; maar nu had deze geen macht meer over hem. - -"Loop heen, schelm!" riep de duivel, "had ik vermoed, dat ge mij zoudt -bedriegen, dan had ik om uwe ellendige ziel te winnen, zoo'n lange -reis niet gemaakt. Toen ge mij riept, was ik twintig mijl benoorden -Throndhjem om eene deerne aan te moedigen, die op 't punt stond haar -kind den hals om te draaien." - -Thans beweerde Peter, dat hij geene enkele vertelling van heksen -meer kende. Maar wijl hij zoo goed op gang was, meende ik van de -gelegenheid gebruik te moeten maken en vroeg hem, of hij dan niets -had hooren verhalen van de aardgeesten. - -"Hm," antwoordde hij, "misschien wel; laat eens zien:--mijne -grootmoeder heeft mij daarvan wel een en ander verteld.--Toen die een -meisje was, diende ze bij den predikant van Modum; Teilmann heette hij, -geloof ik. - -"'t Gebeurde eens in 't voorjaar, dat de mest naar 't land moest -gebracht worden. De predikant bezat uitgestrekte akkers en riep van -heinde en ver arbeiders te zamen om dit werk te verrichten. Nu diende -er bij een' boer in de nabijheid een jongen, die erg verzot was op -uitgaan. Ook hem had men verzocht te komen helpen. De boer gaf hem -verlof, mits hij 't zoo aanlegde, dat hij 's morgens om acht uur kon -vertrekken. Den ganschen nacht look nu de knaap geen oog, en daar de -boer geene klok in huis had, stond hij reeds kort na middernacht op, -spande de paarden voor de kar en reed naar de pastorie. Maar hier was -nog geene levende ziel te bespeuren, en de knaap liep nu wat rond -om den tijd te verdrijven. Zoo kwam hij ook op 't kerkhof, en hier -wiesch hij zich den slaap uit de oogen in eene grafkuil, die halfvol -water stond, want 't had pas geregend. Sinds dien tijd bezat hij -'t vermogen de aardgeesten te zien, maar hij had er ook 't verstand -bij ingeboet: hij was simpel geworden. Of hij zijn' tijd uitdiende -of zijn' dienst verliet, zou ik niet kunnen zeggen, maar later zwierf -hij in den omtrek rond, en overal waar gasten gevraagd waren of iets -bijzonders te doen viel, bood hij aan de aardgeesten te bannen. - -"Eens zou er bruiloft worden gehouden op eene hoeve, die Praesterud -heette, en op den zelfden dag was er doopfeest op Komperud. Toen -stond hij lang besluiteloos, wat hij zou kiezen, maar ten slotte -ging hij naar de bruiloft. Nauwelijks was hij daar gekomen en had -eens rondgekeken, of hij ging op den hofmeester los. - -"Gij past slecht op uwe zaken," zeide hij. "Ziet gij niet, dat de -aardgeesten uit de bierkan drinken, die gij daar in den hoek hebt -gezet? De voorraad neemt onophoudelijk af, maar mag ik hier blijven, -zoolang de bruiloft duurt, dan zal ik ze wel 't hazenpad doen kiezen." - -"Och, dat moogt gij wel! maar hoe zult gij ze verjagen?" vroeg de -hofmeester. - -"Dat zult gij eens zien," antwoordde de knaap. Hij nam de kan, zette -haar midden op den grond en trok er met krijt een' wijden kring om -heen. "Nu neemt gij een' knuppel," zeide hij tot den hofmeester, -"en als ik u een' wenk geef, slaat gij daarmede midden in den kring; -let niet op 't geen ik doe, maar zoodra ik ze alle binnen den kring -heb, dan slaat gij er uit alle macht op los." - -Nadat hij dit had gezegd, begon hij om den kring heen te rennen; -hij sprong nu hoog, dan laag, en schopte en joeg met inspanning -van alle krachten. De hofmeester viel haast om van pret over al de -dwaze gebaren, welke de knaap maakte, en allen, die 't aanzagen, -geloofden stellig, dat hij niet bij zijne zinnen was. Maar toen hij -den afgesproken wenk had gegeven, bemerkten ze, dat hij niet zóó gek -was, als ze meenden; want toen de hofmeester er flink op los sloeg, -hoorde men een verschrikkelijk geschrei en gejammer door 't heele huis, -en sommigen, die later ter bruiloft kwamen van den kant van Komperud, -verhaalden, dat zij een gedruisch in de lucht hadden gehoord, of -er eene groote schaar vogels boven hun hoofd vloog, en stemmen, -die riepen: "Naar Komperud, naar 't doopfeest, naar 't doopfeest -op Komperud!" - -Hier eindigde Peter, de doodgraver, zijne vertellingen. Hij verklaarde -dien avond volstrekt niets meer te weten en ging heen, nadat hij -eerst nog den bok van den klokkeluider het kerkhof had afgejaagd. - - - - - - - -BERTHA TUPPENHAUG'S VERTELLINGEN. - - -Reintje was uit zijn hol gejaagd en geschoten; wij dronken bier ter -eere van den doode bij den schout en sloten 't rouwmaal met een' -vroolijken dans. - -Met 't oog op den vermoeienden dag, welken wij achter den rug -hadden, den roem, dien wij hadden ingeoogst, en, wat mij betreft, -de drie kwartier, welke ik had af te leggen, namen wij kort na -elven afscheid. De schout bood aan mij zijn paard te leenen. 'k -Was erkentelijk voor deze heuschheid, maar wijl de rijweg dubbel -zoo lang was, verkoos ik te gaan, zooals ik was gekomen, langs den -kortsten weg en op sneeuwschoenen. Met den vossehuid en 't geweer -over den schouder en den staf in de hand, reed ik heen. De weg was -uitmuntend: den heelen dag had de zon geschenen en de koude van den -avond had de sneeuw met eene harde korst bedekt; de maan stond klaar -aan den hemel en de sterren tintelden. Wat kon ik meer verlangen? Vlug -gleed ik heen over de heuvels en vlakten en tusschen de ranke berken -door, wier kronen als zilveren koepels in de lucht schenen te zweven -en waarin de uilen in den stillen nacht akelige histories zaten te -vertellen. De haas klaagde over de koude en 't vervelend gebeuzel der -uilen; de vos was op liefdesavonturen uit, zocht zijne medeminnaars -'t veld te doen ruimen en stiet een hoonend geschreeuw uit. - -Een tijdlang moest ik mij dicht aan den grooten weg houden; hier -kwam een man, in een wambuis van berevel gekleed, in zijne slede mij -achterop rijden. Toen hij uit mijn geweer en mijn' buit bespeurde, -dat ik jager was, knoopte hij een gesprek met mij aan en zeide, -dat wanneer ik naar den oever der rivier wilde gaan, ik daar eene -kudde wolven zou ontmoeten; toen hij de heuvels bij de baai had -bestegen, had hij ze de ijsvlakte zien naderen. Ik dankte hem voor -zijne mededeeling en beklom een' heuvel. Van hier strekte zich een -dennenboschje naar den stroom uit, zoodat het vrije uitzicht werd -belet. De wolven zag ik niet. Wellicht waren ze echter aan genen -kant van het boschje, en suizend ging het weer voort in de schaduw -van het dennenhout, terwijl de elzenstruiken, waartusschen ik door -schoot, mij om de ooren klapperden. Maar in mijne pijlsnelle vaart -was 't onmogelijk de voorwerpen te onderscheiden; eer ik 't wist, -vloog ik tegen een' struik aan; een mijner sneeuwschoenen brak, -en daar lag ik met 't hoofd half onder de sneeuw bedolven. Toen ik -trachtte op te staan, voelde ik zulk eene pijn in den eenen voet, -dat ik dien nauwelijks kon gebruiken; ik moest eene poos op de knieën -rondkruipen en vond zoo eindelijk mijn geweer terug met den loop vol -sneeuw. Pas had ik mij aan den oever der rivier in hinderlaag gelegd, -of eene kudde wolven kwam langzaam nader; daar waren er in 't geheel -vijf. Ik wachtte ze met jagersongeduld af, en toen ze tachtig schreden -van mij verwijderd waren, legde ik aan. 't Eerste schot weigerde; bij -'t tweede gaf ik vuur; maar de kogels troffen de dennetoppen aan den -overkant der rivier, en de wolven kozen in allerijl het hazenpad. - -Vol ergernis stond ik op; de pijn in den voet was nog heviger dan -straks en, leunende op mijn geweer, sleepte ik mij een eindweegs op -de bevrozen rivier voort om te zien, waar ik eigenlijk was. Tot mijne -blijdschap steeg eene rookzuil boven de boomtoppen aan den overkant -op; nu wist ik waar ik mij bevond: nabij Tuppenhaug, eene hoeve niet -ver van mijne woonplaats. Met veel moeite klauterde ik den steilen, -meer dan tweehonderd schreden hoogen heuvel op, maar smaakte toen ook -de voldoening het schijnsel van een vroolijk vuur door 't venster der -hoeve te zien schitteren. Ik hinkte naar de deur, lichtte de klink -op en trad binnen, zoo wit als een molenaar. - -"In 's Hemels naam, wie is daar?" riep de oude Bertha, terwijl zij -van schrik een gepekeld stuk vleesch liet vallen, dat zij bezig was -te snijden. - -"Goeden avond; schrik maar niet, gij kent mij toch, Bertha?" zeide ik. - -"Hé, is mijnheer de student nog zoo laat buiten; ik schrok werkelijk -van u; ge zijt wit van de sneeuw en 't is middernacht," antwoordde -Bertha, terwijl zij opstond. Ik vertelde 't ongeval, dat mij was -overkomen, en verzocht haar een' der jongens te wekken en dien naar -mijn huis te zenden om een paard en eene slede. - -"Ja, 't komt wel uit, wat ik altijd zeg: de grauwpooten nemen wraak," -mompelde zij bij zich zelven. - -"Ze wilden 't niet gelooven, toen ze verleden jaar jacht op hen maakten -en Per zijn been brak; nu kan men alweer zien, dat ze zich wreken." - -"Ja, zie-je," zei ze, terwijl ze naar de bedstede liep, waar de familie -in koor lag te snorken, "ze hebben den heelen dag voor Nordigaard -hout bij de rivier vandaan gehaald. Kleine Ola, sta op en haal een -paard voor mijnheer den student! Sta dan op, Ola!" - -"Hè..." zeide Ola met een akelig neusgeluid, terwijl hij zich -bewoog. De slaap was hem echter een al te groot genot, dan dat -hij zich zoo gemakkelijk daarvan liet aftrekken, en er verliep eene -eeuwigheid, die hij besteedde met de oogen uit te wrijven, te geeuwen -en te gapen, en allerlei zotte vragen te doen, eer hij zich uit -den saamgeraapten hoop dekens en vellen in de bedsteê losgewikkeld, -buis en broek aangeschoten had en recht begreep, wat hij nu eigenlijk -moest doen. De belofte van een' drinkpenning scheen intusschen zijn -begrip wat te doen opklaren en verjoeg zelfs alle vrees voor den berk, -waarin Ole Askerudsbraaten zich had opgehangen en dien hij voorbij -moest. Onder de overleggingen tusschen den witharigen Ola en de oude -Bertha had ik gelegenheid den inventaris van 't vertrek op te nemen, -die bestond uit een weefgetouw, een spinrokken, stoelen met houten -ruggen, bezemstokken, melkemmers en half afgemaakte bijlstelen, eenige -kippen op den balk achter de deur, een oud musket aan den zolder, -latten, die zuchtten onder een' last van dampende kousen en duizend -andere dingen, met wier opsomming ik den lezer niet zal vervelen. - -Toen de knaap eindelijk vertrokken was, zette Bertha zich bij den -haard neder. Zij was in feestdos, dat wil zeggen, in de gewone dracht -der oude vrouwen uit hare geboortestreek Hadeland, vanwaar zij naar -Romerike was verhuisd: een blauw jak met geweven band omboord, -een zwart schort met plooien en eene huif met strikken, die van -achteren over den nek hing. Glinsterende oogen, die onophoudelijk in -beweging waren, en eenigszins scheef in 't hoofd stonden, uitstekende -jukbeenderen, een breede neus en eene bruine kleur gaven Bertha's -gelaat eene vreemde, oostersche uitdrukking; men kon haar niet zien, -zonder aan eene tooverheks te denken, en dat was zij ook: zij was de -vermaardste tooveres uit den omtrek. - -Ik gaf mijne verwondering te kennen, dat zij nog op was en vroeg, -of zij nog vreemden wachtte, daar zij zoo sierlijk was uitgedost. - -"Neen, dat nu wel niet," antwoordde zij, "maar mijnheer de student -moet weten, dat ik naar 't kerspel van Ullen ben geweest, om eene -vrouw te belezen, die de tering heeft; en daarna ben ik gehaald bij -een knaapje, dat aan de engelsche ziekte lijdt; toen moest ik nog lood -boven 't hoofd van 't kind smelten, en zoo was ik pas tehuis gekomen, -schoon men mij met de slede tot aan het posthuis had gebracht." - -"Maar, Bertha," zeide ik zoo ernstig mogelijk, "zoudt ge dan ook -niets kunnen doen tegen de pijn in mijn' voet?" - -"Och ja, daar weet ik wel raad voor; Siri Nordigaards been werd -ook niet gezond, eer ik er bijkwam, schoon de dokter zoowel als -vrouw Nedigaard er aan hadden gekunsteld," antwoordde ze met een' -minachtenden trek om den mond, "en wanneer mijnheer de student er -aan gelooft," voer ze voort, terwijl ze een' twijfelenden blik op -mij sloeg, "dan kan 't niet schaden een glas brandewijn te belezen en -'t vocht op den voet te gieten." - -"Welnu doe dat, 't zal stellig helpen," zeide ik, in de hoop wellicht -in een of ander geheim der heksen te worden ingewijd. Bertha haalde -een klein fleschje en een glas op drie pootjes uit eene beschilderde -kist, vulde 't glas met brandewijn, zette het op den haard, knoopte -den sneeuwsok los en hielp mij den schoen uittrekken. Nu sloeg zij -eenige malen een kruis over den brandewijn en begon tooverspreuken -op te zeggen; zij meende ze te fluisteren, maar daar zij tamelijk -doof was, kon ik 't gansche formulier van woord tot woord verstaan; -zóó luidde het: - - - Ik wilde eens spoedig aan d' overkant zijn: - Daar hinkte mijn zwarte veulen van pijn; - Toen gaf ik vleesch voor vleesch en bloed voor bloed, - En spoedig liep mijn beest weer goed. - - -Nu ging hare stem over in een onverstaanbaar gemompel. Aan 't slot der -tooverspreuk kwam een herhaald: "Verdwijn, verdwijn," dat uitgezonden -werd naar de vier hoeken der wereld. - -In 't vuur der bezwering was zij opgesprongen; nu zette zij zich op -nieuw aan den rand van den haard neder. Het koude vocht, dat verdampte, -naarmate zij 't over mijn' brandenden, opgezwollen voet uitgoot, -bracht eene aangename verkoeling te weeg. - -"'t Schijnt reeds te helpen, Bertha," zeide ik; "maar zeg mij eens, -welke woorden hebt gij toch over den brandewijn uitgesproken?" - -"Ik zal wel oppassen, dat ik dit niet vertel;--dan zoudt gij me -wellicht verklagen bij den predikant of den dokter," zei ze met een' -grijnslach, die moest beteekenen dat zij om den een zooveel gaf als -om den ander; "en die mij de kunst leerde," vervolgde zij, "moest ik -beloven 't geheim aan geen enkel christenmensch te openbaren, behalve -aan mijn eigen vleesch en bloed; en daarop heb ik zoo duur gezworen, -dat God mij moge bewaren voor 't schenden van dien eed." - -"Dan zal 't mij niet baten, indien ik er naar vraag, Bertha," zeide ik, -"maar vertel mij toch eens: hebt gij die kunst van een' mensch geleerd -of van een' geest?" - -"Neen, van een' mensch; van een' oom van mij, Mads, in 't Hurdal," -antwoordde zij. "Hij kende allerlei tooverspreuken en wist raad voor -jicht en andere pijnen; hij kon bloed stelpen en lood koken--ja, -'k geloof zelfs, dat hij iemand kon beheksen en betooveren. Van hem -heb ik alles geleerd. Maar hoe knap hij ook was, zich zelven kon hij -toch niet voor hekserij behoeden." - -"Hoe zoo? Werd hij dan zelf behekst; kostte 't hem misschien 't -leven?" vroeg ik. - -"Neen, zoover kwam 't niet," antwoordde Bertha. "Maar toch sedert -was hij nooit recht in orde; lange jaren was hij "huldrin." [4] -Mijnheer de student zal wel denken, dat 't niet waar is," zei ze -met een' vorschenden blik, "maar 't was mijn moeders broeder, en men -heeft mij gezegd, dat hij 't meer dan honderdmaal heeft verteld en -zelfs bezworen. - -"Oom Mads woonde op Knae in 't Hurdal. Vaak was hij in 't gebergte om -boomen te vellen en hout te hakken, en wanneer hij daar was, placht hij -er ook des nachts te blijven; hij bouwde dan eene hut en maakte daarin -eene legersteê. Eens bevond hij zich met twee anderen in het woud; -juist toen hij een' zwaren boom had geveld en een ommezien zat uit te -rusten, kwam een kluwen garen langs de helling vlak voor zijne voeten -rollen. Hij begreep er niets van en dorst het kluwen niet opnemen; -had hij 't ook later maar niet gedaan dan ware 't beter voor hem -afgeloopen! Intusschen keek hij toch op, want hij wilde weten, waar -'t vandaan kwam. En ja wel, hooger op den berg zat eene jonkvrouw te -naaien; zij was zoo schoon en zag er zoo vriendelijk uit, dat hij de -oogen niet van haar kon afwenden. - -"Neem het kluwen op," zei ze. Hij deed het en bleef als geboeid aan -de plek, waar hij stond en werd niet moede haar aan te staren, zoo -lief zag zij er uit. Eindelijk moest hij toch den bijl weer opnemen -en zijn' arbeid voortzetten; toen hij een oogenblik bezig was geweest -en weer opkeek, was zij verdwenen. Den heelen dag kwam zij hem niet -uit de gedachte; hij wist niet, wat hij er van denken moest, maar -vergeten kon hij haar niet. 's Avonds gingen zijne makkers naar bed; -hij volgde hun voorbeeld en legde zich tusschen hen in; maar eer nog -de middernacht kwam, verscheen de jonkvrouw en gelastte hem haar te -volgen, of hij wilde of niet. Zij voerde hem binnen in den berg, en -daar was alles zoo fraai, als hij nog nooit iets had gezien; hij kon -zich niet verzadigen aan alle pracht en weelde. Drie etmalen bleef hij -bij haar. Toen de morgen van den vierden dag aanbrak, ontwaakte hij, -en daar lag hij weer tusschen zijne makkers. Dezen meenden, dat hij om -proviand uit was geweest, en hij sprak hun niet tegen. Maar sinds was -'t nooit richtig met hem; pas zat hij of hij maakte allerlei vreemde -sprongen en vloog heen; hij was "huldrin," dat was hij. - -"Eene heele poos later was hij in 't veld bezig met hout te -kloven. Juist had hij de wig in een' boomstam gedreven, zoodat deze -overlangs was gespleten, toen zijne vrouw hem 't middagmaal kwam -brengen;--zoo dacht hij ten minste. 't Was roompap; zoo vet, als hij -ze nooit had gegeten, en in eene pan, die blonk, of ze van louter -zilver was. De vrouw gaat op den boomstam zitten; en hij legt den -bijl weg en zet zich op een houtblok dicht bij haar. Daar bespeurt -hij op eens eene koestaart in de spleet van den stam. Ge begrijpt, -dat hij nu de spijs niet aanraakte; ongemerkt wrong hij de wig uit -het hout, de spleet sloot zich toe, en vast zat de staart. Daarop -schreef hij den naam Jezus op de pan, en nu moest de Hulder--want dat -was ze--weg: zij vloog op, met zooveel kracht, dat de staart dwars -afbrak en in den stam bleef zitten. Weg was zij; waar ze gebleven -was, wist hij niet. Pan en spijs waren niets dan een stuk boomschors, -gevuld met koemest. Sedert durfde hij bijna nimmer het bosch ingaan, -uit vrees dat zij zich zou wreken. - -"Maar vier of vijf jaren later was er een paard van hem verdwenen, -en nu moest hij 't toch gaan zoeken. Pas was hij 't bosch in, of hij -bevond zich op eens in eene hut; hoe hij er kwam, dat begreep hij -zelf niet. Een leelijk wijf liep heen en weer, en in een' hoek zat -een kleine jongen, die een jaar of vijf oud scheen; 't wijf nam de -bierkan en gaf haar den knaap. "Ga vader een teug bier brengen," zei -ze. Vol schrik ging deze op de vlucht, en sedert heeft hij nimmer iets -gezien of gehoord, van haar noch den knaap; maar vreemd en zonderling -bleef hij altijd." - -"Hij was zeker niet wel bij 't hoofd, Bertha, die Mads Knae," zeide -ik, "en een echte duivelbanner kan hij, dunkt mij, niet zijn geweest; -dan had hij zich beter kunnen verweren. Maar voor 't overige is die -historie met 't kluwen garen heel vreemd." Dat meende Bertha ook, -maar aan de echtheid van Mads tooverkunsten kon toch onmogelijk -getwijfeld worden. Terwijl wij hierover nog praatten, verzocht ik -Bertha mijne weitasch te brengen, en nadat ik eene pijp had gestopt, -reikte zij me een brandend stuk hout en begon eene nieuwe vertelling: - -"Lang, heel lang geleden--'t was in den zomer--had de eigenaar der -hoeve Melbustad in Hadeland zijn volk met 't vee naar den saeter -gezonden. Nog slechts korten tijd was men er, of 't vee begon zoo -onrustig te worden, dat niemand 't langer kon regeeren. De eene -meid na de andere werd er mee uitgezonden, maar geen van haar wou -'t gehoorzamen. Eindelijk kwam de beurt aan een meisje, dat onlangs -haar verlovingsfeest had gevierd. Nu kwam op eens de kudde tot rust, -en 't kostte haar volstrekt geen moeite het vee te hoeden. Men liet -haar alleen op den saeter achter; geen ander levend wezen had ze bij -zich dan den hond. Terwijl ze op zekeren namiddag in de hut zat, -verbeeldde zij zich, dat haar liefste binnentrad, naast haar ging -zitten en zeide, dat ze nu bruiloft moesten houden. Maar zij antwoordde -niets, want zij werd zoo wonderlijk te moede! Langzamerhand kwamen er -eene menigte menschen binnen; zilveren borden en schotels met spijzen -gevuld werden op de tafel gezet, en bruidsmeisjes droegen eene kroon en -allerlei sieraden en een prachtig bruidskleed. Zij trokken 't haar aan -en zetten haar de bruidskroon op 't hoofd en staken ringen aan hare -vingers. En geen van allen kwam haar onbekend voor; 't leken allen -vrouwen en meisjes, die op de hoeve dienden. Maar de hond begreep -wel, dat de zaken niet zuiver stonden. Hij liep, zoo snel hij kon, -naar Melbustad en blafte en jankte en huilde en hield niet op, eer -de meeste bewoners hem volgden. - -De jongeling, die naar de deerne vrijde, nam zijn geweer en snelde -naar den saeter; toen hij daar aankwam, stond het heele erf vol -gezadelde paarden. - -Hij sloop weg, gluurde door eene reet van de deur en zag den ganschen -stoet daar binnen. Dadelijk begreep hij, dat alles tooverij en 't -werk van de aardgeesten was; daarom schoot hij zijn geweer af over het -dak. Op 't zelfde oogenblik vloog de deur open, en 't eene kluwen garen -na 't andere rolde naar buiten en wikkelde zich om zijne voeten. Zoo -werd hij de hut ingetrokken, en daar zag hij zijne liefste zitten, -in volle bruidsstaatsie; alleen een kleine ring aan de pink ontbrak -nog aan haar' tooi. - -"In Jezus' naam, wat is hier te doen?" vroeg hij, terwijl hij -rondkeek. Oogenblikkelijk waren al de heerlijke spijzen veranderd in -mos en paddestoelen, in koemest en padden en krekels en meer van dien -aard; alleen 't zilverwerk stond nog op de tafel. - -"Wat beteekent dat alles?" zeide hij, "ge zit opgeschikt als eene -bruid?" - -"Hoe kunt ge dat vragen?" antwoordde 't meisje, "gij hebt hier den -heelen namiddag gezeten en over niets anders gesproken, dan over -bruiloft houden." - -"Neen, nu eerst kom ik; maar 't zal iemand zijn geweest, die mijne -gedaante heeft aangenomen," hernam de jongeling. - -Langzamerhand begon nu ook 't meisje tot zichzelve te komen; maar 't -duurde lang eer zij weer volkomen bij haar zinnen was. Toen vertelde -zij, hoe ze duidelijk had meenen te zien, dat haar minnaar en al -'t volk van Melbustad en al de buren op den saeter waren geweest. De -jongeling nam haar dadelijk mede naar 't dorp, en opdat geen nieuwe -betoovering haar zoude overvallen, hielden zij dienzelfden avond nog -bruiloft. De bruid droeg de kroon en de sieraden, die de aardgeesten -haar hadden geschonken, en later hing men alles op in de hoeve. Daar -moet men 't nog kunnen zien tot op den dag van heden." - -"Wat gij daar verteld hebt, moet in Valders zijn gebeurd, Bertha," -merkte ik op. - -"Neen, in Hadeland is 't geschied, juist zooals ik verteld heb," -zeide zij; "maar toen ik nog te huis was, hoorde ik iemand uit Valders -eene historie verhalen, die daar gebeurd moet wezen en die er sterk -op gelijkt. Luister maar. - -"Daar diende op eene hoeve ergens in Valders een meisje, dat Barbara -heette; zij lag 's zomers op den saeter. - -"Op zekeren dag vernam zij eene stem, die uit den heuvel scheen -te komen: - -"Koning Haakon, koning Haakon!" - -"Ja," schreeuwde koning Haakon, dat 't langs alle heuvelen weergalmde. - -"Koning Haakon, mijn zoon, wilt gij trouwen?" klonk 't op nieuw. - -"Ja, dat wil ik wel," antwoordde koning Haakon, "als ik Barbara kan -krijgen, die op gindschen saeter is, anders--" - -"O, dat kunt gij wel," hoorde Barbara zeggen, en zij ontstelde er -zoo van, dat zij niet wist, wat zij deed. - -"Op eens trad er nu eene groote schaar den saeter binnen, met spijzen -en dranken en zilveren vaten en kroezen, met kleederen en sieraden, -met eene bruidskroon en zilveren gespen. De tafels werden gedekt en de -bruid gekleed, en deze was buiten staat zich ergens tegen te verzetten. - -"Dit meisje had ook een' minnaar; hij was op de jacht. Maar plotseling -werd hij door een hevigen angst overvallen, die hem naar den saeter -dreef. Toen hij dezen naderde, stond het erf vol zwarte paarden met -ouderwetsche zadels en teugels, zoodat hij onmiddellijk begreep, -wat er aan de hand was. Hij tuurde door eene reet en zag den heelen -bruidsstoet: koning Haakon was de bruidegom, en de bruid zat fraai -uitgedost aan zijne zijde. - -"Ja, nu is er niets meer te doen, dan haar de oogen uit te steken," -zeide een der bruidsmeisjes. - -"Dan wordt het tijd," dacht de jongeling, "dat ik tusschen beiden -kom." Hij nam een' zilveren knoop, een erfstuk, laadde daarmee zijn -geweer en mikte op koning Haakon, die getroffen nederstortte. - -"Onmiddellijk toog de gansche stoet op de vlucht; de koning werd -opgenomen en meegevoerd, en de spijzen veranderden in spinnen, wormen -en padden, die van de tafel sprongen en in allerlei hoeken en gaten -wegkropen. Niets bleef er over dan de bruidssieraden en een zilveren -schotel; tot op den huidigen dag moeten ze op de hoeve te zien zijn." - -Nog vele andere histories vertelde Bertha. Eindelijk hoorde ik de -sneeuw kraken onder de slede en 't paard hinneken voor de deur. Ik -stopte Bertha eenige schellingen in de hand voor hare verpleging, -en binnen een kwartier was ik tehuis. Omslagen met azijn en frisch -water deden den voet weldra genezen; maar toen Bertha eens in -de keuken verscheen en, pochend op hare kunst, zich de eer mijner -spoedige genezing wilde toeëigenen, konden de jongens zich niet langer -bedwingen; zij schreeuwden haar de tooververzen in 't oor, die ik hun -had geleerd, en vroegen spottend of eene teug brandewijn en eenige -onzinnige woorden een geneesmiddel waren tegen kneuzingen. Dit maakte -haar wantrouwend; schoon ze mij ook na dien tijd nog veel zonderlinge -histories verhaalde, is 't mij, ondanks alle list en overreding, -nimmer gelukt een tipje van den sluier op te lichten, waarmede zij -de geheimen harer tooverkunst bedekt hield. - - - - - - - -EEN AVOND IN DE KEUKEN VAN DEN LANDHEER. - - -'t Was een treurige avond. Buiten stoven de sneeuwvlokken u om de -ooren; binnen, bij den landheer, brandde 't licht zoo flauw, dat -ge geen andere voorwerpen kondt onderscheiden dan eene ouderwetsche -klok met chineesche figuurtjes, een' grooten spiegel in eene antieke -vergulde lijst en een' zilveren beker, een erfstuk, dat in hooge -waarde werd gehouden. In de kamer bevond zich niemand dan de landheer -en ik. Ik zat in den eenen hoek der sofa met een boek in de hand, -terwijl de landheer in den anderen had plaats genomen en verdiept was -in de lectuur van een pak "zure en zoete staatsburgers," zooals hij de -couranten noemt in zijne Verhandeling, getiteld: "Proeve over eenige -oprechte vaderlandsche ontboezemingen tot welzijn des vaderlands. Uit -bescheidenheid door een' anonymus." - -Uit de grondige studie van deze goudmijn voor zijne denkbeelden, -putte hij, zooals bekend is, verscheidene kluchtige meeningen. Dat -hij zelf echter volkomen overtuigd was van hare voortreffelijkheid, -scheen de diepzinnige blik te moeten aanduiden, welken hij mij uit -zijne grijze oogen toewierp; en weldra werd ik dan ook overstelpt met -"oprechte vaderlandsche ontboezemingen", over wier gehalte hij 't -best kan oordeelen, die aanleiding mocht hebben gevonden een kijkje -te nemen in bovengemelde Proeve of in zijne uitvoerige Verhandeling, -in manuscript, over de tienden. Maar al deze wijsheid werd aan een' -ondankbare verspild; ik kende haar reeds op mijn duimpje, want ik -vernam haar nu voor de twintigste maal. Ik ben niet begiftigd met -engelengeduld, maar wat zou ik doen? Mij terugtrekken op mijne kamer, -ging niet; zij werd schoon gemaakt voor den Zondag. Nadat ik eenige -vruchtelooze pogingen had aangewend, om mij in mijn boek te verdiepen, -moest ik mij dus wel laten meevoeren op den veelbewogen stroom van -'s landheers welsprekendheid. Deze bereed thans zijn stokpaardje; -zijn mutsje, dat van ouderdom geheel rood was geworden, had hij naast -zich op de sofa gelegd, zoodat zijn hoog voorhoofd en zijne weinige -grijze haren in al hunne eerwaardigheid voor den dag kwamen; hij -sprong op en sloeg met de armen om zich heen, of 't molenwieken waren; -met haastige schreden liep hij de kamer op en neer, zoodat de vlam -der lamp heen en weer woei en de zwaaiende panden van zijne grijze, -gevoerde huisjas van "vadmel" groote kringen beschreven, telkens -als hij zich op zijn langste been ronddraaide; want als Tyrtaeus was -hij kreupel. Zijne gevleugelde woorden suisden mij om de ooren als -meikevers in een' lindeboom. Telkens kwam er een nieuwe stroom over -processen en staatsburgerlijke rechten, twisten over oppervoogdijschap -en 't vellen van hout of de toenemende weelde, over de handelingen -der regeering en over mijnontginning, over belasting op 't koren en -grondontginning, over industrie en centralisatie, over bureaucratie -en ambtenaarsaristocratie, en over alle cratiën, satiën en triën, -die ooit bestaan hebben of nog bestaan van Nebukadnezar's tijden tot -op den dag van heden. - -De scherpzinnigheid en 't pathos van den landheer waren niet langer -om uit te staan. Uit de keuken klonk telkens in koor een schaterend -gelach; daar voerde Christiaan, de smid, het woord; juist zweeg hij -stil, en daar klonk op nieuw een hartelijk lachen. - -"Ja," zeide ik, "nu moet ik toch eens de vertellingen van den smid gaan -hooren," liep regelrecht de kamer uit en liet den landheer alleen met -zijne half duistere lamp en zijne niet minder duistere redeneeringen. - -"Kinderpraat en logenachtig gebeuzel!" bromde hij, terwijl ik de -deur achter mij toesloot; "'t is schande voor een gestudeerd mensch; -maar oprechte vaderlandsche ontboezemingen--" meer verstond ik niet. - -Licht en leven en vroolijkheid schitterden in de hooge ruime -keuken. Een vuur, dat zelfs den donkersten hoek verlichtte, vlamde -aan den haard. Daar troonde, naast den schoorsteen, de echtgenoot -van den landheer met haar spinnewiel. Ofschoon zij sinds vele jaren -aan jicht leed en zich tegen de aanvallen dezer kwaal had verschanst -binnen een' berg van jakken en rokken en als buitenwerk daaroverheen -een reusachtig grijs kleed van "vadmel" had aangetrokken, glinsterde -toch haar gelaat van onder de huif als de volle maan. In hare nabijheid -zaten de jongens en lachten en kraakten noten. In 't rond zat een -kring van dienstmeisjes en vrouwen van daglooners; "zij bewogen het -spinnewiel met vlijtigen voet of hanteerden de scherpe kaarde." In -het voorhuis stampten de houthakkers de sneeuw van hunne voeten, -traden binnen met de spaanders nog in de haren en zetten zich aan de -lange tafel neder, waar de keukenmeid het avondmaal voor hen gereed -zette: eene nap melk en een schotel gestampte grutten. Tegen den -schoorsteen leunde de smid; hij rookte zijn kort pijpje, en op zijn -gelaat, dat zijne vertrouwdheid met den oven verried, lag een droge, -ernstige trek, die bewees, dat hij verteld en goed verteld had. - -"Goeden avond, smid," zeide ik; "wat vertelt gij toch, dat zoo den -lachlust gaande maakt?" - -"Hi, hi, hi," lachten de jongens, en men kon 't hun aanzien, hoe -zij genoten. "Christiaan heeft verteld van den smid en den duivel, -en van den jongen, die den duivel in een' notendop had, en nu zal -hij vertellen van Peter Sannum, dien de aardgeesten met zijn paard -vasthielden op den Asmyr-heuvel." - -"Ja," begon de smid, "die Per Sannum woonde op een der Sannum-hoeven -ten noorden van de kerk. Hij was een toovenaar, en vaak werd hij met -paard en slede gehaald om menschen of vee te genezen, evenals oude -Bertha Tuppenhaug. Maar wat hiervan zij, hij was nog niet knap genoeg, -want op zekeren keer lieten de aardgeesten hem een' ganschen nacht -in zijn' tuin staan, met den mond scheef getrokken en wijd open, en -'t ging hem evenmin naar den zin bij de gelegenheid, waarvan ik nu wil -vertellen. Die Peter kon 't nooit met iemand vinden, precies als--hm, -hm--nu ja, 't was een echte ruziezoeker! Zoo had hij eens eene zaak, -die beslist moest worden door de stiftsrechtbank te Christiania; -'s morgens om negen uur moest hij daar verschijnen. Hij rekende -er bijtijds te kunnen zijn, wanneer hij den vorigen avond van huis -ging, en zoo deed hij ook; maar toen hij op den Asmyr-heuvel kwam, -werd zijn paard vastgehouden, zoodat hij niet verder kon komen. Ge -moet weten, dat 't daar alles behalve richtig is; zeer lang geleden -heeft iemand zich daar opgehangen en vaak hoorde men er muziek van -violen, klarinetten, fluiten en andere blaasinstrumenten. Ja wel, -oude Bertha weet er alles van; zij heeft 't zelve gehoord en zegt, dat -'t even prachtige muziek was als bij den schout in 1814. Niet waar, -Bertha?" vroeg de smid. - -"Ja dat 's waar; zoo zeker als er Één hier boven is," antwoordde de -aangesprokene, die bij den haard wol zat te kaarden. - -"Nu dan, 't paard werd vastgehouden," ging de smid voort, "en wilde -niet van de plek, waar 't stond. Hoe hij dreigde en schreeuwde en -sloeg, 't beest danste in een' kring rond, maar wilde voor- noch -achteruit. Het eene uur na 't ander verliep, maar het werd niet -anders. Zoo ging het den ganschen nacht; 't was duidelijk dat er een -was, die het dier vasthield, want wat Sannum ook vloekte en schold, -hij kwam niet verder. Maar toen 't daglicht aanbrak, steeg hij af -en liep naar Ingebret Asmyrhaugen en verzocht hem mee te gaan en een -brandend stuk hout met zich te nemen. En nadat Per zich in den zadel -had gezet liet hij Ingebret het stuk hout boven den rug van 't paard -houden. En ziet, daar stoof 't eensklaps heen, in zulk een' dollen ren, -dat Per zich aan de manen moest vastklemmen om te blijven zitten, en -'t kwam niet tot staan, eer het de stad had bereikt, maar toen ook -viel het dood neder." - -"Die historie heeft men mij ook wel verteld," zei oude Bertha, terwijl -zij haren arbeid staakte, "maar ik heb nooit willen gelooven, dat -Per Sannum zoo iets niet kon beletten; intusschen daar gij 't zegt, -Christiaan, zal 't wel zoo zijn." - -"Dat is 't ook, "hernam de smid; "Ingebret Asmyrhaugen, die 't brandend -stuk hout boven den rug van 't paard hield, heeft 't mij zelf verteld." - -"Hij had door 't hoofdstel moeten kijken, niet waar, Bertha?" vroeg -een der knapen. - -"Dat had hij juist," antwoordde deze, "want dan had hij kunnen zien, -wie 't paard vasthield, en dan ware de betoovering verbroken. Dat heb -ik van iemand, die van dergelijke dingen meer wist dan anderen, van -Hans Durf-al, zooals hij bij ons in Hadeland werd genoemd. De menschen -noemden hem ook wel Hans Overleg, want hij had tot spreekwoord: -"Alles met overleg." Hem hadden de aardgeesten weggevoerd en -verscheidene jaren bleef hij bij hen, tot ze eindelijk eischten, -dat hij eene Huldermaagd, die op hem verliefd was, tot vrouw zou -nemen. Dit weigerde hij echter standvastig, en daar men gedurig de -klokken voor hem luidde, wierpen de geesten hem van een' verbazend -hoogen bergtop in de diepte, zoodat 't weinig scheelde, of hij ware in -een fjord terecht gekomen. Van dien tijd af was hij simpel. Hij werd -van de armenkas onderhouden en zwierf van hoeve tot hoeve en vertelde -daar allerlei wonderlijke histories. Maar vaak, als hij rustig zat -te vertellen, riep hij plotseling: "Hi, hi, hi, Kari Karina, ik zie -je wel," want overal volgde hem 't Huldermeisje. - -"Terwijl hij onder de aardgeesten verkeerde, zoo verhaalde hij, moest -hij hen altijd vergezellen, wanneer zij zich gingen voorzien van spijs -en melk, want alles, waarover het teeken des kruises was gemaakt of -wat in Jezus' naam was gezegend, moesten zij laten liggen. Dan zeiden -ze tot Hans: "Haal gij dit weg, want daar is over "gekrabbeld," en dan -moest Hans zulke vrachten in de korven stapelen, die zij op den rug -droegen. En zoo goed werden de korven gevuld, dat ze haast onder den -last bezweken. Maar wanneer zij een' donderslag hoorden, liepen ze zoo -snel heen, dat Hans hen onmogelijk kon volgen. Een der aardgeesten, -Vaatt geheeten, moest Hans altijd verzellen, en deze was zoo sterk, -dat hij, zoodra er een onweder losbrak, bij zijn' vracht ook Hans van -den grond tilde en met hem op den loop ging. Eens ontmoetten zij den -Voogd van Ringerike in een diep dal van Halland; Vaatt pakte het paard -van den Voogd beet en hield het staande, ofschoon de Voogd schreeuwde -en sloeg uit alle macht en 't dier verschrikkelijk mishandelde. Maar -toen de staljongen van de naburige hoeve er bijgekomen was en door -'t hoofdstel keek, moest Vaatt het paard onmiddellijk loslaten. "En -weg vloog nu 't beest," zei Hans, "maar 't scheelde niet veel, of de -staljongen had er 't hachje bij ingeschoten. En Vaatt en ik hieven -zulk een akelig gelach aan, dat de Voogd zich in zijne slede omkeerde, -maar hij zag niets." - -"Ja" zei een der knechts, die elders thuis hoorde, "zoo wat hoorde -ik ook vertellen van een' predikant hier. Hij moest naar eene oude -vrouw, die op sterven lag, en heel slecht had geleefd. Toen hij door -'t bosch reed, bleef zijn paard plotseling stilstaan, maar hij wist -raad, want 't was een wakkere kerel, die predikant. In één' sprong -was hij de slede uit op den rug van 't paard. Hij tuurde tusschen -'t hoofdstel door en zag een oud, leelijk man, met de hand aan de -toomen--waarschijnlijk de duivel zelf. - -"Laat maar los, gij krijgt haar toch niet," zei de predikant. De duivel -moest den teugel wel laten slippen, maar hij gaf tevens 't paard een' -schop, dat het in woeste vaart heenstoof; 't knetterde onder de hoeven -en scheen te weerlichten in de boomtoppen, en de stalknaap dreigde -elk oogenblik van achter de slede weggeslingerd te worden. Zoo kwam -de predikant bij de stervende vrouw aan."-- - -"Neen, de drommel hale mij, als ik begrijp, hoe 't met de koe moet -gaan," zeide Mari, de melkmeid, die met eene nap binnenkwam, "ze zal -stellig nog doodhongeren; zie eens, vrouw, hoe weinig melk ze geeft." - -"Maar dan moet-je meer hooi uit de schuur halen, Mari," zei de vrouw -des huizes. - -"Ja wel!" antwoordde Mari, "als ik in de schuur kom, vliegen de -knechts om mij heen als wilde ganzen." - -"Ik zal je een' goeden raad geven, Mari," zei een der jongens met -een guitig gezicht, "je moet roompap koken en die donderdagavonds -in de schuur zetten, dan zal de nikker je wel helpen, terwijl de -knechts slapen." - -"Als er hier maar een was, dan deed ik 't zeker," antwoordde de -melkmeid trouwhartig; "maar hier op de hoeve is geen enkele nikker te -vinden, omdat men er niet aan gelooft; neen, op Naes, bij den kapitein, -daar was een nikker!" - -"Hoe weet je dat, Mari?" vroeg de meesteres. "Heb-je hem gezien?" - -"Of ik hem gezien heb? Wel wis en zeker heb ik," antwoordde Mari. - -"O, vertel dat eens, vertel ons dat!" riepen de jongens. - -"Zooals ge wilt," zei de melkmeid en begon: - -"In den tijd, dat ik bij den kapitein diende, zei de stalknecht op -zekeren vrijdagavond tot mij: - -"Wil-je wel zoo goed zijn, van avond de paarden voor mij te voederen, -Mari? Dan zal ik je ook helpen, als je mij noodig hebt." - -"Och ja," zei ik, "waarom niet?" want hij moest naar zijne liefste. - -Toen 't donker was geworden, voederde ik eerst de beide trekpaarden; -daarop haalde ik een' armvol hooi voor 't rijpaard van den kapitein, -dat zoo vet was en glimmend, dat men er zich wel in kon spiegelen, maar -zooals ik de afgeschoten ruimte, waar 't dier stond, wil binnengaan, -daar ploft hij eensklaps op 't hooi neder. - -"Wie, wie? Het paard?" vroegen de knapen. - -"Neen, neen, de nikker;--en zoo schrok ik, dat ik 't hooi liet vallen -en maakte, dat ik weg kwam. Toen Per thuis kwam, zei ik: "Hoor eens, -beste Per, dat 's eenmaal, maar nooit geef ik den paarden weer voeder -voor je; de bruin van den kapitein heeft zelfs geen strootje gehad," -en nu vertelde ik hem, wat er gebeurd was. - -"Och, de bruin heeft geen nood," zei Per, "die krijgt genoeg!" - -"Hoe zag de nikker er uit, Mari?" vroeg een der knapen. - -"Denk-je dat ik dit kon zien?" antwoordde zij: "'t was zoo donker, -dat ik mijn eigen handen niet zag, maar ik voelde hem zoo duidelijk -als wat: hij was ruig en zijne oogen glinsterden." - -"O, dan was 't zeker eene kat," riep er een uit den hoop. - -"Eene kat?" zei ze met de diepste verachting. "Ik voelde elken vinger -van hem; hij had er niet meer dan vier, en alle droegen ze lange haren; -als 't de nikker niet was, dan mag ik niet levend hier vandaan komen." - -"Ja, ja; 't was stellig de nikker," zei de smid; "want eene pink mist -hij en zijne handen moeten ruig zijn. Ik heb hem nooit aangeraakt, -maar men heeft mij altijd zoo verteld. En dat hij goed voor de paarden -zorgt en de beste bouwknecht is, dien men maar kan hebben, dat weten -wij allen. Daar is menigeen, die veel nut van hem trekt, en van hem -niet alleen, want in Ullensaker," zoo begon hij eene nieuwe vertelling, -"woonde eens een man, die evenzoo geholpen werd door de aardgeesten, -als anderen door den nikker; hij woonde op Rögli. Deze man wist, dat -er zich bij zijne hoeve Huldren ophielden; immers, eens terwijl hij in -'t voorjaar naar stad ging en in de Skjaellebeek zijne paarden had -gedrenkt, kwam er eene groote kudde bonte koeien den heuvel over; -alle dieren zagen er even welgedaan uit, en flinke, sterke paarden -volgden hen met allerlei gereedschappen voor de boerderij op karren -geladen. Voorop liep eene wakkere deerne met eene glimmende, witte -melknap in de hand. - -"Waar moet ge toch heen in dezen tijd van 't jaar?" vroeg de landman -verbaasd. - -"Wel," antwoordde 't meisje, dat voorop liep: "wij gaan naar den -saeter van Rögli in Ullensaker; daar zijn kostelijke weiden. - -"Men kan zich voorstellen, hoe de man opkeek, toen hij vernam, dat zij -naar zijn eigen veld trokken; elk dien hij op zijn' weg, ontmoette, -vroeg hij naar den optocht, maar niemand dan hij had er ook maar -'t geringste van gehoord of gezien. - -"Op de hoeve van dezen man ging 't dan ook somwijlen wonderlijk -toe. Al de arbeid, die na zonsondergang was verricht, bleek 's morgens -vernield, zoodat hij eindelijk besloot niets meer te laten doen, -als de zon was ondergegaan. - -"Eens--'t was in den oogsttijd--ging hij naar den akker, om te zien, -of 't graan droog genoeg was om binnen gehaald te worden. Schoon -'t reeds wat ver in den tijd was, begreep hij het nog een paar dagen -op den akker te moeten laten; maar op eens hoort hij duidelijk eene -stem uit den berg komen: - -"Haal het graan binnen, want morgen sneeuwt het." - -"En hij aan 't binnenhalen, zoo spoedig hij kon; tot laat na -middernacht was men bezig, maar men kreeg 't toch in de schuur;--en -'s morgens lag de sneeuw een voet dik op 't veld.-- - -"Niet altijd zijn de aardgeesten zoo vriendelijk," merkte een der -knapen tot den smid op; "hoe ging 't de Hulder, die de bruiloftskost -stal en op Eldstad haar' hoed verloor?" - -"Dat zal ik u vertellen," zei de smid, die gretig dezen wenk opving -om een nieuw verhaal te beginnen. - -"Op Eldstad in Ullensaker werd eens bruiloft gehouden; maar men had er -geen' bakoven en zag zich dus genoodzaakt het gebraad naar de naaste -hoeve te brengen, waar men wel zulk een' oven bezat. Tegen den avond -werd er een jongen uitgezonden om het terug te halen. Toen hij over -eene der vlakten daar kwam, hoorde hij duidelijk roepen: - -"Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in -'t vuur is gevallen." - -"De knaap schrok en joeg zijn paard steeds harder voort; hij reed, -dat zijne neus bijna bevroor, want 't was vinnig koud en de slede vloog -over de sneeuw. En telkens weer hoorde hij duidelijk dezelfde woorden -achter zich. Toen hij goed en wel met 't gebraad thuis gekomen was, -ging hij aan 't lager einde der tafel, waar de knechts en meiden heen -en weer liepen, en vroeg iets te eten. - -"Wel jongen, heeft de duivel de slee gemend, of ben-je niet om 't -gebraad uit geweest?" vroeg een der knechts. - -"Zeker ben ik," zeide hij, "daar wordt het al binnen gebracht, maar -ik heb gereden, dat 't paard er haast bij neerviel, want toen ik op -de vlakte kwam, werd er achter mij geroepen: - -"Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in -'t vuur is gevallen!" - -"Ah, dat was mijn kind!" hoorden zij op 't zelfde oogenblik gillen, -en een der gasten vloog op, of zij waanzinnig was en liep den een na -den ander omver en baande zich met stooten en slagen een' weg naar -buiten. In hare vaart viel de hoed van haar hoofd, en nu bemerkte men, -dat er eene Hulder onder de gasten geweest was. Al wat zij maar kon -gebruiken, had zij weggekaapt: vleesch en boter, koeken en bier en -brandewijn; maar zoo was zij geschrokken door 't ongeval van haar -kind, dat zij eenen zilveren lepel in de bierkan liet vallen en -niet eens voelde, dat haar hoed van 't hoofd vloog. Men bewaarde op -Eldstad lepel en hoed zeer zorgvuldig, en wie den hoed opzette, was -onzichtbaar voor alle stervelingen, behalve voor iemand, die betooverd -was. Of de hoed er nog wordt gevonden, kan ik niet stellig verzekeren, -want ik heb hem niet gezien en evenmin op 't hoofd gehad." - -"Ja, de aardgeesten moeten slimme dieven zijn," zei de oude Bertha -Tuppenhaug, "maar 't ergst te duchten zijn ze in den saetertijd; -dat is als 't ware één lang hoogtij voor de Huldren en aardgeesten; -want als de saetermeisjes dan aan hare afwezige vrijers denken, -vergeten zij een kruis te slaan over de melk of de boter, en dan -neemt 't Huldervolk al wat het wil. Niet vaak vertoonen ze zich aan -de menschen, maar somwijlen gebeurt dit toch, zooals eens een op -Neberg-saeter hier in 't kerspel. - -"Daar waren eens eenige houthakkers in 't bosch aan 't werk. Toen zij -des avonds naar den saeter wilden gaan, hoorden zij achter zich roepen: - -"Zeg aan Kilde, dat hare beide kinderen een ongeluk hebben gekregen; -zij zijn in een' ziedenden ketel gevallen." - -"Te huis gekomen, vertelden zij den melksters hun wedervaren en wat -zij achter zich in 't woud hadden hooren roepen. - -"Ah, dat waren mijne kinderen," hoorden zij opeens in de melkkamer, -en te gelijker tijd kwam daar eene Hulder uitstuiven met eene nap in -de hand, die zij weg smeet, zoodat allen de melk om de ooren spatte. - -"De menschen vertellen zooveel," zei de smid met een' spotachtigen -trek op 't gelaat, precies alsof hij twijfel koesterde aangaande de -geloofwaardigheid der vertelling. Intusschen was 't waarschijnlijk -niets dan ergernis, omdat Bertha hem in de rede was gevallen, toen -hij zoo goed op gang was. Stellig vond men niemand in 't gansche -dorp, die zooveel wonderlijke vertellingen over de Huldren en de -aardgeesten kende, als hij, en niemand ook geloofde vaster aan 't -bestaan dezer wezens. - -"De menschen vertellen zooveel," zeide hij, "men kan niet alles -gelooven. Maar wanneer 't in iemands eigen familie is voorgevallen, -dan mag men er niet aan twijfelen. Laat mij u iets verhalen, dat mijn' -eigen grootvader gebeurd is; dat was een ernstig en geloofwaardig -man; wat hij heeft gezegd, kan niet betwijfeld worden. Hij woonde -op Skroperud in Ullingsaker en heette Jo. Hij had zich eene nieuwe -woning gebouwd en bezat een stuk of drie koeien, mooie beesten, en een -paard, welks wederga men niet licht zal vinden. Met dit paard reed -hij vaak van Mo naar Trögstad en, wanneer 't zoo uitkwam, van hier -naar Skrimstad en weer terug naar Mo; en hoe ver hij zijne reizen -ook uitstrekte, 't beest bleef even wakker en sterk. Hij was ook -jager en speelman. Vaak speelde hij bij anderen, maar thuis kon men -hem er niet toe brengen den vedel ter hand te nemen; al was ook 't -gansche vertrek vol jongelieden, altijd weigerde hij te spelen. Maar -eens kwamen er eenige jongelui, die veldflesschen met brandewijn bij -zich hadden. Toen zij den oude eerst hadden overgehaald één' borrel -te nemen, volgden er meer; en, schoon hij aanvankelijk weigerde, -eindelijk zocht hij toch den vedel op. Maar nadat hij eene poos -had gespeeld, legde hij hem weg, want hij wist, dat de aardgeesten -zich in zijne nabijheid bevonden en dat zij zulk een spektakel niet -konden dulden. Toch wisten de jongelieden hem weer over te halen, -en zoo ging 't twee-, driemaal; telkens legde hij de viool weg en -zocht hij haar op. Eindelijk hing hij haar aan den wand, en zwoer, -dat hij dien avond geen' enkelen streek meer zou doen, en hij joeg -allen, knapen en meisjes, de deur uit. Toen hij was begonnen zich te -ontkleeden en in 't hemdrok bij den haard stond en een laatste pijpje -wilde aansteken, kwam er een heele drom binnen, grooten en kleinen; -'t gansche vertrek was in een oogwenk vol. - -"Wat," zeide Jo, "komt gij nu terug?" Hij meende, dat 't de gasten van -straks waren, maar toen hij zijne vergissing bemerkte, verschrok hij, -liep naar de bedstede, waarin zijne dochters sliepen, tilde ze uit -'t bed en zette ze op den grond--'t was een groote, sterke man,--en -vroeg: "Wat is dit voor volk? kent gij ze?" - -De meisjes waren slaapdronken en begrepen er niets van. Jo nam nu -zijn geweer van den wand, keerde zich naar den stoet en dreigde hen -met den tromp. "Als ge u niet dadelijk wegpakt,"--schold hij--"dan -zal ik u met mijn geweer om de ooren slaan, dat ge niet weet, of ge -op 't hoofd of de beenen staat." En hals over kop vluchtten allen -de deur uit met groot misbaar. Jo echter scheen 't, alsof een heele -hoop kluwens garen naar buiten rolde. Maar toen hij 't geweer had -weggezet en weer naar den haard ging, om zijn pijpje, dat uitgegaan -was, aan te steken, daar zat een oud man op zijn' stoel, met een' -baard zóó lang, dat hij tot op den grond reikte; ja, langer dan eene -el was hij stellig. De grijsaard had ook een pijpje in den mond en -hield een stuk hout in de vlam om het aan te steken, evenals Jo; -maar telkens, als hij 't naar zijne pijp bracht, ging het uit; dan -hield hij 't op nieuw in 't vuur, en zoo ging het aldoor. - -"Behoort gij ook tot dien duivelenstoet?" vroeg Jo; "waar komt gij -vandaan?" - -"Ik woon niet ver van hier," antwoordde de man, "en ik raad u nooit -weer zulk een alarm en spektakel te maken, anders zult gij spoedig -een arm man zijn." - -"Zoo, en waar woont gij dan?" vroeg Jo. - -"Ik woon hier onder het stookhuis, en waren wij er niet geweest, -dan zou 't reeds lang zijn ingestort; gij hebt er veel te hard -gestookt. Ik heb er slechts met den vinger tegen te duwen en 't valt -ineen. Nu weet gij het," zeide hij, "pas dus in 't vervolg op." - -"Nooit speelde Jo meer een deuntje bij den dans; hij verkocht zijne -viool, en niets ter wereld kon hem bewegen eene andere ook maar aan -te raken." - -Onder 't laatste gedeelte dezer vertelling had men in de huiskamer een -aanhoudend gestommel gehoord; kastdeuren werden open- en toegesloten; -men hoorde 't gerammel van sleutels en 't gerinkel van zilveren -huisraad. De landheer was bezig zijne verhandeling voor te lezen -aan alle roerende goederen, van de zilveren schenkkan tot de blikken -tabaksdoos. Juist toen de smid zweeg, stak hij 't hoofd, met de muts -op één oor, binnen de keukendeur en zeide: - -"Heb-je nu gedaan met je zotheden en leugens, smid?" - -"Leugens?" vroeg de smid, verontwaardigd; "leugens vertel ik niet, -'t is de zuivere waarheid. Met een der meisjes ben ik getrouwd, en -Dorthe, mijne vrouw, lag zelf te bed en zag den oude, met den langen -baard; de meisjes waren wel half gek van schrik, maar dat kwam, -omdat zij de aardgeesten hadden gezien," voegde hij er bij met een' -verwijtenden blik op den landheer. - -"Half gek," zei de landheer, "nu ja, dat geloof ik wel; dat ben-jij -ook, wanneer je ten minste nuchter bent; anders ben-je stapelgek. Komt, -jongens, staat op en gaat naar bed; zit niet langer te luisteren naar -zijn' onzin." - -"Onzin," zei de smid op geraakten toon, "de laatste maal dat ik -van onzin hoorde spreken, was, toen gij op Neberg-Haugen preekte, -den zevenden Mei." - -"Vervloekte babbelaar!" bromde de landheer en liep stampvoetend door -de keuken met 't licht in de hand en een pak schrifturen en couranten -onder den arm. - -"Kom, kom, ga ook zitten, grootvader," zei de smid half spottend, -"en laten de jongens nog een ommezien mogen blijven, dan zal ik nog -eene mooie historie vertellen. 't Is niet goed voor u, altijd in die -wetboeken te zitten snuffelen." - -"Ik wil u wat vertellen van een' dragonder, die met eene Hulder -trouwde. 't Is stellig waar, want ik heb 't van oude Bertha, en -'t is voorgevallen in 't dorp, waar zij voorheen woonde." - -De landheer sloeg met drift de deur achter zich toe, en men hoorde -hem haastig den trap opgaan. - -"Ja, als de oude niet wil luisteren, dan zal ik 't jelui maar -vertellen," zei de smid tot de knapen, over wie 't grootvaderlijk -gezag al zijn' invloed verloor, zoodra de smid hun beloofde sprookjes -te vertellen. - -"Voor vele jaren," zoo ving hij aan, "woonden er een paar oude luidjes -in goeden doen op eene hoeve in Hadeland. Zij haddden een' zoon, -die dragonder was; een groote, wakkere kerel. Op den berg bezaten -zij een' saeter, die, wat men niet vaak ziet, net en stevig gebouwd -was, met een dak en een' schoorsteen en vensters in de wanden. Zij -bewoonden dien den ganschen zomer, maar wanneer zij tegen 't najaar -weer naar huis trokken, namen de Huldren met hunne kudde er hun' -intrek. Houthakkers en jagers en visschers, die in dezen tijd van -'t jaar in 't bosch rondzwerven, hadden dit meermalen opgemerkt. En -onder de Huldren was een meisje, zoo betooverend mooi, dat men -nooit haarsgelijke had gezien. Meermalen had de zoon dezer menschen -dit hooren vertellen, en toen 't najaar was verschenen en de saeter -verlaten was, kleedde hij zich in groot tenue, legde den zadel met de -pistoolholsters en pistolen op zijn paard en reed den berg op. Toen hij -in de nabijheid der hut was gekomen, bemerkte hij, dat daar een groot -vuur was aangelegd; de vlam scheen door de reten der met mos bedekte -wanden. Dadelijk begreep hij, dat de Huldren reeds hun winterkwartier -hadden betrokken. Hij bond zijn paard aan een' boom, nam een pistool -uit den holster en sloop zacht naar 't venster. Binnen bemerkte hij -nu een' grijsaard en eene vrouw, krom en gebrekkig van ouderdom en -zoo leelijk, dat hij nooit iets afzichtelijkers had gezien; maar -bij hen was een meisje, zoo verrukkelijk schoon, dat hij dadelijk in -liefde voor haar ontbrandde. Alle drie hadden zij een' koestaart; ook -'t mooie meisje miste dien niet. De dragonder kon aan alles merken, -dat zij nog sinds kort de hut hadden betrokken; alles stond nog op -de rechte plaats. 't Meisje hield zich bezig met wasschen; de oude -vrouw stookte 't haardvuur op onder den ketel. - -"Plotseling stiet nu de dragonder de deur open en schoot zijn pistool -af, vlak boven 't hoofd van 't meisje, dat op den grond tuimelde. Maar -op 't zelfde oogenblik werd zij even leelijk, als ze vroeger schoon -was geweest, en ze kreeg eene neus, zoo lang als de pistoolholster. - -"Nu kunt ge haar krijgen; nu is zij de uwe," zei de grijsaard. De -dragonder stond als versteend; hij was niet in staat een' voet voor- -of achteruit te zetten. De oude man begon haar te wasschen, en nu -bekwam zij een weinig; de neus kromp in tot op de helft, en de leelijke -koestaart werd opgebonden, maar mooi was zij niet meer, dat's zeker. - -"Nu is zij de uwe, dappere dragonder," zeide de oude leelijke vent, -die haar vader scheen, "zet haar nu in den zadel en rijd naar het -dorp en houd bruiloft. Maar voor ons moet gij 't feestmaal gereed -zetten in 't kleine vertrekje naast de huiskamer, want we willen -niet met de overige bruiloftsgasten samenzijn; als de beker rondgaat, -kom dan eens naar ons zien." - -"De dragonder dorst niet weigeren; hij zette 't Huldermeisje in den -zadel en liet alles gereed maken voor de bruiloft. Maar eer men ter -kerk ging, bad de bruid een der bruidsmeisjes vlak achter haar te -staan, opdat niemand zou bemerken, dat haar de koestaart ontviel, -zoodra de priester haar de handen oplegde. - -"De bruiloft begon, en toen de beker rondging, stond de jonge man op, -verwijderde zich en trad 't vertrekje binnen, waar de tafel voor de -oude Hulders stond aangericht. Op dat oogenblik bespeurde hij daar -niets bijzonders, maar toen de bruiloftsgasten waren vertrokken, -lag er zooveel goud en zilver op de tafel, als hij nog nimmer bij -elkaar had gezien. - -"Zoo verliep er een geruime tijd; telkens als er gasten kwamen, maakte -de vrouw van den dragonder ook den disch gereed in 't kamertje voor -hare ouders, en telkens vonden zij na hun vertrek zooveel geld, dat -ze ten laatste niet meer wisten, wat ze er mee zouden aanvangen. Maar -leelijk was de Hulder en leelijk bleef ze; haar man was haar lang -moede, ja, soms was hij onvriendelijk genoeg om haar te dreigen met -een pak slaag. - -"Eens moest de man naar stad; 't was najaar, de weg was glad en 't -paard moest dus nieuwe hoefijzers hebben. Hij ging naar de smidse, -want hij was zelf een bekwame smid, maar hoe hij zijn best deed, -nu eens was 't ijzer te groot en dan weer te klein; passen wilde -'t niet. Een ander paard bezat hij niet, en zoo hield hij niet op, -eer de middag voorbij was. - -"Kunt gij niet eens een hoefijzer maken?" zeide zijne vrouw; "ik -wist, dat er als man veel aan u ontbrak, maar als smid beteekent -gij nog minder. Er zit niets op, dan dat ik zelf naar de smidse ga; -is 't hoefijzer te klein, dan kan 't grooter gemaakt worden, en is -'t te groot, welnu, maak 't kleiner." - -En zij ging naar de smidse, vatte het ijzer met beide handen aan en -rekte het uit. - -"Zie eens," zei ze, "zóó moet ge doen." En ze boog het samen, of -'t een stuk lood was. "Houd nu den poot op," en 't hoefijzer paste -zoo nauwkeurig, als de beste smid maar kon wenschen. - -"'t Schijnt, dat ge heel wat kracht in de vingers hebt," merkte de -man vol verbazing op. - -"Vindt ge?" vroeg zij. "En als gij nu eens zoo sterk in de vingers -waart, hoe zou 't mij dan wel gegaan zijn? Maar ik houd te veel van u, -om mijne krachten aan u te toonen," voegde ze er bij. - -"Van dien dag af was hij een man uit duizend voor haar." - -"Nu hebben we voor van avond genoeg gehoord, dunkt me," sprak de -vrouw des huizes, toen de vertelling uit was, terwijl zij opstond. - -"Ja, en we mogen wel op de teenen vertrekken, want de oude is reeds -naar bed," zeide de smid en wenschte ieder goeden nacht, maar niet voor -hij den jongens beloofd had, den volgenden avond nog meer te vertellen, -en in onderhandeling met hen was getreden over een rol tabak. - -Toen ik 's namiddags den smid in zijne werkplaats had bezocht, was -hij druk bezig met tabak kauwen: dit was altijd een bewijs, dat hij -brandewijn had gedronken; des avonds was hij eerst nog het dorp in -geweest, om meer te halen. Verscheidene dagen later vond ik hem somber -gestemd en kon niemand een woord uit hem krijgen, schoon de jongens hem -beide tabak en brandewijn beloofden. Maar de dienstmaagden fluisterden, -dat de aardgeesten hem beet gepakt en hem op den Asmyr-heuvel ter aarde -hadden geworpen. Daar had een voerman hem tegen den morgen gevonden, -terwijl hij onverstaanbare woorden mompelde. - - - - - - - -DE BEWONERS VAN LUNDE. - - -Eenige jaren geleden was ik op weg naar 't Gudbrandsdal, over Hadeland -en Toten, langs den westelijken oever van het Mjösenmeer. Te Sveen, -een station in Biri, kreeg ik een' luien knol, en een' hoog bejaarden, -praatzieken voerman. - -'t Een noch 't ander bracht mij intusschen uit mijn humeur. Ik had -geen haast; Svennaes, waar ik als gewoonlijk gastvrijheid en een -nachtkwartier hoopte te vinden, kon ik toch bijtijds bereiken, en de -ongewone levendigheid en de treffende opmerkingen van mijn' voerman -over verscheidene bewoners van 't vlek, konden mij licht verzoenen -met zijne buitengewone spraakzaamheid. Daarbij kwam, dat het een -heerlijke lenteavond was. De zonnestralen verguldden de oppervlakte -van het Mjösenmeer, kleurden de wolken en speelden tusschen 't jonge -groen. De vlakten van den Faaberg, die ver in 't noorden het landschap -begrensde, werden al donkerder en verloren zich in donkerblauwe en -violette tinten, terwijl de avondzon haar' gouden glans wierp over -de vruchtbare velden van Ringsaker aan de oostzijde van den fjord. - -Toen wij een eind weegs de "Odden" voorbij waren, kreeg het paard -den inval op een' heuvel te blijven staan. Bijna recht voor ons uit -lag de kerk van Biri op eenigen afstand, en ter linkerzijde verderop -lag op eene hoogte eene hoeve, met een' donkeren bergtop op den -achtergrond. Ik herinnerde mij den naam dier hoeve niet en vroeg -er naar. - -"Dat is Lunde," zeide de voerman. "'t Is zonderling, dat gij, die -hier zoo goed bekend zijt, dit niet weet. Ge hebt toch zeker hooren -spreken van "Lunde-bloed en Lunde-dol," dat zijn welbekende woorden -hier in Biri." - -Neen, ik kende ze niet en vroeg hem de verklaring daarvan, die hij -aanstonds bereid was mij te geven. - -"Op Lunde heeft altijd een vreemd slag van volk gehuisd; men zegt, -dat de Huldren daar gewoond hebben, en geheel anders dan gewone -menschen waren zij zeker; daarom spreekt men nog van "Lunde-bloed" -en "Lunde-streken." - -"Eens woonde er eene oude vrouw op de hoeve, die Aase heette. Terwijl -zij in 't kraambed lag, was zij op eens verdwenen, en een eikenblok -lag op hare plaats. Sedert dien tijd pleegt men hier een mes boven -de deur te steken, wanneer eene vrouw in arbeid gaat, opdat ze niet -betooverd worde. De aardgeesten hadden haar weggevoerd, en 't was -niet de eerste maal, dat zij haar hadden vervolgd; reeds in hare -bruidsdagen hadden zij haar met 't hoofd voorover in een watervat -gedompeld, maar er waren toen verscheiden menschen op 't erf en zoo -werd ze dadelijk gered. En terwijl ze er uit werd gehaald, hoorde men -eene stem op den heuvel bij 't kookhuis, dat 't kwam, wijl ze geen' -trouwring aan den vinger had. Sinds dien tijd draagt ook 't armste -meisje, dat een' vrijer heeft, een' trouwring. - -"Aase had een' zoon, die Dagfin heette; 't was een onbarmhartige -kerel. Zoo gierig was hij, dat 't niet te zeggen valt. Wanneer hij naar -'t bosch moest, om hout te hakken, zette hij een groot blok voor de -keukendeur en zei tot de arme menschen: "Ga maar niet naar binnen, want -mijne vrouw is zoo karig, dat ge toch niets van haar krijgt." Maar dat -was gelogen. Eli was een goedhartig mensch; doch met den gierigaard -liep 't slecht af: hij hing zich op aan een' berk, die vlak bij -'t woonvertrek stond. Een' stomp van den boom kan men nog zien. - -"Deze Dagfin had drie kinderen: Aase, Per en Arnund; de laatste leeft -nog. Ellendiger lui heeft men nooit gezien. Aase was zoo mager en -leelijk, dat zelfs de duivel bang voor haar zou geworden zijn. Bijna -altijd lag ze in eene groote kist; ja, de ritmeester zou 't kunnen -bevestigen, want hij wilde eens 't deksel toeslaan, maar als eene -haviksklauw sloeg ze hare dorre hand uit, greep 't deksel en deed -'t den ritmeester tegen den neus vliegen. - -"Per was geheel en al behekst. Hij spitte overal diepe groeven in -zijne akkers en haalde er alle frambozenstruiken en aardbeiplanten uit, -opdat de kinderen ze er niet zouden komen plukken. Des zomers zwierf -hij op de bergvlakten rond om naar de paarden te kijken. Hij kende dan -ook alle paarden van 't vlek en verscheiden uit andere dorpen. Zelf had -hij ook altijd sterke en flinke paarden, en hij maakte ze nooit tam eer -ze zes, zeven jaar oud waren; dan nam hij ze met zich naar 't bosch, -velde een' grooten den, spande hen er voor en liet ze den boom naar -huis sleepen; zoo kreeg hij ze wel mak. Wanneer hij paarden of koeien -wou verkoopen, had hij ook eene zonderlinge gewoonte. Dan boorde hij -een gat in den wand van den stal, stak het eind van den staart er in -en sloeg eene houten pen in de opening. Wanneer 't beest dan werd -weggehaald, bleven er eenige haren in 't gat zitten. Dit deed hij, -opdat 't verkochte vee niet het geluk uit de hoeve zou meenemen. De -gansche zuidelijke wand zit vol pennen en haren tot op den huidigen -dag. Per Lunde ging dikwijls naar de kerk, maar er in kwam hij nooit, -of 't Avondmaal moest worden gevierd. - -"Terwijl de andere menschen naar Gods woord luisterden, zwierf hij -rond op de hoeven en praatte met de paarden. En wanneer het Avondmaal -zou worden gevierd, dan sloop hij in den grafkelder en bleef daar, -tot de gemeente naar het altaar ging. Dan kwam hij te voorschijn, -maar zoodra hij 't sacrament had genoten, ging hij weer in den kelder, -tot de menigte de kerk had verlaten. Per mocht ook gaarne alles met -teer bestrijken; soms deed hij 't zich zelven en dikwijls 't vleesch -in 't kookhuis en sloeg dit dan vol met schoenmakerspennen. Na zijn' -dood vond men een heel vertrek vol ongehekeld vlas en wol, en vleesch -en vet, dat daar jaren lang had gelegen en geheel bedorven was; met -planken en latten had hij 't vertrek van alle kanten afgesloten en -toegespijkerd. Ja, 't was een rechte zonderling, die Per; toen onze -vorige schout nog leefde, verkocht hij hem eens een stuk van een' -paardepoot voor versch vleesch. Natuurlijk stierf de man daaraan, -maar later zeide de menschen, dat hij zich zelven van kant had gemaakt. - -"Na Per kreeg Armund de hoeve; hij leeft nog en doet niet zoo dwaas -als de beide anderen. Hij heeft dan ook onder de menschen verkeerd -en in 't leger gediend als dragonder. 't Is een groote, sterke, -zware man, maar hij ziet zoo bleek als de dood. Soms doet hij nog -wel vreemde dingen; toen de ritmeester eens inspectie kwam houden, -paradeerde Armund met een' voederbak onder den arm in plaats van -zijne fouriersmuts. En zoozeer was hij aan den drank verslaafd, dat -hij, naar men zegt, elken dag een paar kan brandewijn naar binnen -sloeg. Verleden jaar begon hij rooden wijn te drinken, maar daar -hield hij spoedig mee op; die was hem te zuur. Nu drinkt hij elken -dag vier potten koffie, en bijna den ganschen dag zit hij in zijne -badkamer, die hij ontzettend heet stookt, in eenige schapenvachten -gewikkeld. Des zomers keert hij den wolligen kant naar binnen, want -hoe warmer het is, des te dikker gaat hij gekleed. - -"Maar om op de oude Aase Lunde terug te komen. Langen tijd, nadat -zij was verdwenen, bevond Hans Sigstad zich eens op 't veld om zijne -paarden te zoeken. Eer hij er aan dacht, kwam hij bij de Dingsteenen, -en daar zag hij op eens zooveel pracht en heerlijkheid, of hij zich -in een kasteel bevond. Eene oude vrouw liep er op en neer; wel kwam -zij Hans bekend voor, maar hij kon haar niet thuis brengen. - -"Kent ge me niet?" vroeg de vrouw. - -"Ja, mij dunkt, ik heb u meer gezien," antwoordde Hans. - -"Wel zeker, ik ben Aase Lunde, die verdween, toen zij in 't kraambed -lag," zeide ze. "Ik kende u, toen ge nog een kleine jongen waart; -jaren lang ben ik hier reeds geweest. Had men na mijn verdwijnen de -kerkklokken maar een beetje langer geluid, dan zou ik wel ontsnapt -zijn; ik had reeds 't eene been buiten den berg; maar toen hield men op -en moest ik weer terug. Gij zoekt naar uwe paarden," vervolgde zij, -"laat mij u zeggen, dat mijn man en zijne buren ze elk oogenblik -gebruiken. En dat is de schuld van uwe staljongens; wanneer zij de -dieren naar 't veld brengen, slaan zij ze met de leidsels. Maak -nu spoedig, dat ge weg komt; aanstonds keert mijn man naar huis, -en wanneer hij u hier aantrof, liep 't slecht met u af." - -"Sigstad ging heen en vond weldra zijne paarden terug. Sedert heeft -hij Aase Lunde gehoord noch gezien; als zij niet gestorven is, dan -leeft zij nog en woont in 't Hulderslot bij de Dingsteenen. - -Meer en meer breidden de schaduwen zich uit over de velden van -Biri en 't Mjösenmeer; de koelte van den avond daalde op de velden -neder. Suizend en fluisterend streek de wind door de toppen der -boomen en bracht een' vriendelijken groet van de bloeiende hagen en de -geurige bloemen der velden en wouden mee voor de vogels, die, sinds -kort uit het zuiden teruggekeerd, in 't lommer verscholen droomden -van de wonderen, die zij op hunne reizen in Griekenland en Marokko -hadden aanschouwd. - -Naarmate wij ons doel naderbij kwamen, scheen mijn paard vlugger -te worden. Op Svennaes ontving ik de bevestiging van al wat ik had -vernomen: dat Per Lunde den schout een stuk paardepoot in plaats van -versch vleesch had bezorgd; dat hij zijne paarden met den staart in -den wand vastklopte, wanneer hij ze ging verkoopen, en wat al meer -geloofwaardige dingen mijn voerman had verhaald. - - - - - - - -EEN OUDERWETSCHE KERSTAVOND. - - -De wind floot door de oude ahornen en linden tegenover mijn raam; -de sneeuwvlokken stoven door de straat, en de hemel was zoo donker -als een Decemberlucht in Christiania kan zijn. Niet minder somber -was de stemming, waarin ik verkeerde. 't Was kerstavond, de eerste, -dien ik niet aan den ouderlijken haard mocht doorbrengen. Niet lang -geleden was ik officier geworden, en 'k had gehoopt mijne bejaarde -ouders met mijne tegenwoordigheid te verblijden, en al den glans en de -heerlijkheid van mijn' nieuwen rang te laten schitteren in 't oog der -dames van mijne geboorteplaats. Maar eene zenuwkoorts bracht mij in 't -hospitaal, dat ik pas sinds eene week had verlaten, en thans bevond ik -mij in den hooggeprezen toestand van een' reconvalescent. Ik had naar -huis geschreven om een rijpaard en den dikken mantel mijns vaders, -maar de brief kon 't ouderlijke huis stellig niet voor den tweeden -kerstdag bereiken, en eerst tegen nieuwjaar mocht ik 't paard dus -verwachten. Mijne kameraden waren uit de stad en ik kende geen enkele -familie, waar ik de feestdagen kon doorbrengen. De twee oude juffers, -bij welke ik in huis was, waren zeker goedhartige en vriendelijke -menschen, en met treffende zorgvuldigheid en hartelijkheid hadden -ze mij in 't begin mijner ziekte opgepast. Maar de geheele denk- en -levenswijze dezer dames behoorden te goed in den ouden tijd tehuis, -om bijzonder in den smaak te kunnen vallen van een' jong mensch. 't -Liefst dwaalden hare gedachten om in 't verleden, en wanneer zij, -zooals vaak gebeurde, mij eene of andere historie, die in de stad was -voorgevallen, verhaalden, herinnerden zoowel de inhoud daarvan als de -naïeve voorstelling aan een' tijd, die reeds lang tot 't verledene -behoorde. Met dit ouderwetsche karakter mijner dames stond ook het -huis, dat zij bewoonden, in volmaakte overeenstemming. 't Was een -dier oude gebouwen, zooals men ze nog in de Toldbodstraat vindt, met -diepe vensters, lange, donkere gangen en trappen, sombere kamers en -zolders, die iemand dadelijk doen denken aan nikkers en heksen. Hier -kwam nog bij, dat de kring harer kennissen zeer beperkt was; behalve -eene gehuwde zuster kwam er nooit iemand, dan een paar vervelende oude -vriendinnen. Slechts een aardig nichtje en een stuk of wat dartele -kleinen, de kinderen van een' broeder, die mij altijd plaagden om -sprookjes en heksenvertellingen, brachten soms eenig leven in mijne -doodsche omgeving. - -Ik trachtte mijn gevoel van verlatenheid en neerslachtigheid eenigszins -af te leiden door naar de vele menschen te zien, die in de straat -heen en weer gingen, in sneeuwjacht en wind, met paarse neuzen en half -gesloten oogen. Langzamerhand begon ik merkwaardig veel belangstelling -te koesteren voor de drukte in de apotheek aan den overkant. Geen -oogenblik stond de deur stil; dienstmeisjes en boeren stroomden er uit -en in en gaven zich alle moeite, zoodra zij weer op straat kwamen, -de opschriften der fleschjes en potjes te ontcijferen. Enkelen -scheen dit te gelukken, maar meestal bewees de lange duur van 't -onderzoek, gevolgd door een bedenkelijk hoofdschudden, dat de taak -te moeielijk was. De schemering viel in; weldra kon ik de gezichten -der voorbijgangers niet meer onderscheiden en staarde 'k nog slechts -op de ouderwetsche apotheek. Met hare donkere roodbruine muren, hare -in lood gevatte vensterruiten, haar' spitsen gevel en hare torentjes -met windwijzers, stond zij daar als een eerwaardig gedenkstuk der -bouwkunst uit den tijd van Christiaan den Vierde. En de zwaan in den -gevel met den gouden ring om den hals, de rijlaarzen aan de pooten en -de vleugels uitgespreid ter vlucht, keek met dezelfde onverstoorbare -deftigheid, die hem voor eeuwen reeds moet gekenmerkt hebben, op de -bezoekers neer. Juist was ik bezig mij te verdiepen in 't lot der arme -vogels, die in een' kerker zijn opgesloten, toen ik gestoord werd door -gedruisch en gelach in de zijkamer en een bescheiden jonkvrouwelijk -getik aan de deur. - -Op mijn "binnen!" trad de oudste mijner hospita's, juffrouw Mette, -de kamer in, groette mij met eene ouderwetsche nijging, vroeg naar -mijn' welstand en verzocht mij onder een' grooten omhaal van woorden, -den avond bij de familie door te brengen. - -"'t Is niet goed voor u, hier zoo alleen in donker te zitten, beste -luitenant," voegde zij er bij, "ge moest liever bij ons komen. De -oude juffrouw Skau en de kinderen van mijn' broer zijn gekomen, dat -zal u misschien wat afleiding bezorgen; gij houdt immers zooveel van -de lieve kleinen?" - -Ik nam de vriendelijke uitnoodiging aan. Toen ik binnentrad, -wierp de vlam van 't vuur in de groote vierkante kachel, wier deur -wijd openstond, een' flikkerenden gloed in 't ruime vertrek, dat -naar den ouden trant was gemeubeld met stoelen, voorzien van hooge -ruggen en leeren zittingen, en eene kanapee, berekend op de dracht -van hoepelrokken en de houding van een' rekruut. De wanden waren -versierd met schilderijen in olieverf, portretten van stijve dames -met gepoederde kapsels, van gildemeesters en andere beroemde personen, -met pantser en harnas bedekt of in roode mantels gehuld. - -"Wij mogen u wel verschooning vragen, heer luitenant, dat we u zoo -in donker ontvangen," zeide juffer Cecilia, de jongste zuster, die -door iedereen moeder Cile werd genoemd en mij met eene buiging, de -wederga van die harer zuster, te gemoet trad; "maar 't jonge volkje -speelt en stoeit graag tusschen licht en donker, en jufvrouw Skau -mag ook wel zoo'n schemeruurtje in 't hoekje van den haard." - -"Schemeruurtje, schemeruurtje....kijk eens aan, of ge daar zelf niet -van houdt, moeder Cile! Maar wij moeten de schuld krijgen, niet -waar?" merkte de bejaarde aamborstige dame op, die juffrouw Skau -getiteld werd. En daarop zich tot mij richtende: - -"Wel, wel, goeden avond, man; ga zitten en vertel mij eens, hoe 't -gaat;--ge zijt, op mijn woord, duchtig aan 't aftakelen geweest," -voegde ze er bij, in 't volle besef van den ontzagwekkenden omvang -harer eigen gestalte. - -Ik moest nu een nauwkeurig verslag geven van mijne fata, maar werd -ook rijkelijk beloond door 't omstandig verhaal van de kwellingen, -die jicht en asthma en wat niet al haar aandeden. Gelukkig werd de -stroom harer jammerklachten gestuit door 't joelend binnenstormen -der meisjes, die in de keuken een bezoek hadden afgelegd bij 't oude -familiestuk, dat Stine heette. - -"Tante, weet ge wat Stine zegt," riep een klein, luidruchtig ding -met bruine kijkers; "zij zegt, dat ik van avond mee moet naar den -hooizolder om den nikker kerstpap te geven. Maar ik wil niet, ik ben -bang voor den nikker!" - -"Och, dat zegt Stine maar om van je af te komen, kind; ze durft zelf -niet in donker naar den zolder gaan, want ze weet wel, dat de nikker -haar eenmaal terdeeg heeft beet gehad," zei juffer Mette. "Maar groet -ge den luitenant niet, kinderen?" - -"Och heden, is dat mijnheer de luitenant? Ik kende u niet; wat ziet -ge bleek en wat hebben we u in lang niet gezien," riepen de kleinen -als uit één' mond, terwijl ze elkaar verdrongen, om 't dichtst bij -mij te zijn. "Nu moet ge ons wat moois vertellen; we hebben zoolang -niets van u gehoord; och, toe, beste luitenant, vertel ons wat van -den geitebok, och, toe, van den geitebok en Goudtand!" Spoedig was ik -nu aan 't vertellen: van den geitebok en den hond Goudtand en van de -twee nikkers, die hooi van elkander stalen en die elkaar ontmoetten, -elk met een bos hooi op den nek, en aan 't vechten raakten, tot ze -beiden in eene wolk verdwenen, en van den nikker op Hesselberg, die -den hofhond sarde, tot de eigenaar der hoeve hem over de leuning der -brug smeet. De kinderen klapten in de handen en schaterden. "Dat had -hij verdiend, de leelijke nikker," riepen ze en bedelden om meer. - -"Neen, nu plaagt ge den luitenant al te erg, kinders," zei juffer -Cecilia, "nu zal tante Mette wel eene historie willen verhalen." - -"O, ja, nu tante Mette!" was de algemeene uitroep. - -"Maar wat zal ik vertellen, kinderen?" vroeg tante Mette. "Welnu; -daar we toch met den nikker bezig zijn, zal ik van dien nikker maar -wat verhalen. Ge zijt oude Kari Gusdal immers nog niet vergeten, die -ons tarwebrood bracht en altijd zooveel sprookjes en histories wist -te vertellen?"--"Wel neen," riepen de kinderen.--"Nu, Kari vertelde -eens, dat zij voor jaren hier in 't weeshuis diende. Toen was 't aan -dien kant der stad nog leeger en eenzamer dan tegenwoordig, en 't -weeshuis is een donker, somber gebouw. Nu, Kari was daar in dienst -genomen als keukenmeid en zij was zeer wakker en bij de hand. Op -zekeren nacht moest zij vroeg opstaan, om bier te gaan brouwen. Hare -kameraden zeiden: "Zorg maar, dat ge niet al te vroeg opstaat; vóór -tweeën moogt ge 't deeg niet klaar maken." "Waarom niet?" vroeg zij. - -"Weet ge dan niet, dat hier een nikker huist? Hij wil niet zoo vroeg -gestoord worden, en daarom moogt ge niet aan 't werk gaan, vóór de -klok twee heeft;" antwoordden zij. - -"Dat zou wat!" zei Kari, die lang niet van gisteren was, zooals men -zegt; "ik heb niets met den nikker te maken, en komt hij binnen, -dan zal ik hem wel even de deur uitsmijten." - -De anderen waarschuwden haar ernstig, maar zij wilde nergens van weten, -en eer de klok van éénen koud was, stond zij op, legde vuur aan onder -den brouwketel en begon het deeg gereed te maken. Maar telkens ging het -vuur uit, en telkens was 't, of iemand het brandhout uit de vlam trok -en over den haard spreidde; toch bespeurde zij niemand. Herhaaldelijk -stapelde zij 't hout weer op, maar 't baatte haar niet, en ook 't -deeg wilde niet vlotten. Eindelijk werd ze dit tobben moê, nam een -stuk brandhout, zwaaide er mee in 't rond en riep: - -"Pak je weg, of ik zal je leeren!... Meen-je me te plagen, dan heb je -'t mis!" - -"Wee over u!" hoorde ze nu eene stem uit een' donkeren hoek; "ik heb -zeven zielen gewonnen op deze hoeve; moet nu de achtste mij ontgaan?" - -"Sedert dien tijd heeft niemand in 't weeshuis ooit van den nikker -gehoord, zei Kari Gusdal." - -"Ik word bang; vertel gij maar weer, luitenant; als gij vertelt, -word ik nooit bang, gij kent veel prettiger histories!" riep een der -kleinen. Een ander sloeg voor, dat ik zou verhalen van den nikker, -die den Halling danste met een meisje. - -Met dit plan was ik echter niet bijzonder ingenomen, want daar -moest bij gezongen worden. Maar 't jonge volkje liet niet los, en -reeds had ik eenige malen gekucht, om mijne barbaarsche stem voor -de wijs van den Hallingdans te stemmen, toen de lieve nicht, waarvan -ik boven sprak, tot vreugde der kleinen en mij tot reddenden engel, -de kamer binnentrad. - -"Ja, kinderen, ik wil de historie wel vertellen, mits nicht Lise zoo -vriendelijk is, de wijs voor u te zingen," zeide ik, terwijl ze plaats -nam, "en dan zult gij zelf dansen, niet waar?" De kleinen bestormden -nu nicht zoolang, tot ze beloofde de dansmuziek te zingen en ik begon -mijn verhaal: - -"Daar was 'reis ergens, ik geloof haast in 't Hallingdal, een meisje, -dat den nikker pap moest brengen; of 't op een' donderdagavond of op -kerstmis gebeurde, dat herinner ik me niet meer, maar ik geloof vast, -dat 't kerstavond was. - -"Zij achtte 't zonde de heerlijke brij aan den leelijken nikker te -geven, at ze daarom zelf op en ging naar de schuur met havermeelpap en -zure melk in een' varkenstrog. "Daar heb-je eten, leelijkerd!" zei ze. - -Maar nauwelijks waren de woorden haar den mond uit, of de nikker -vloog op haar aan, pakte haar om 't lijf en begon met haar rond te -zwieren; en hij hield niet op, voor ze uitgeput nederzeeg. Toen men -'s morgens in de schuur kwam, lag zij daar, meer dood dan levend. En -zoolang de dans duurde, zong de nikker maar aldoor:--hier nam juffer -Lise mijne taak over en zong in de maat van den Hallingdans: - - - En eet gij de pap van den nikker, mijn kind, - Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind. - - En eet gij de pap van den nikker, mijn kind, - Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind. - - -Ondertusschen gaf ik met beide voeten de maat aan, terwijl de kleinen, -al jubelend en schaterend, over den grond rolden. - -"Ge zet waarlijk het huis op stutten, kinders, ik krijg er hoofdpijn -van," zei juffer Skau. "Weest thans wat bedaard, dan zal ik nog eenige -histories vertellen." Oogenblikkelijk werd 't stil in de kamer en de -juffrouw nam het woord: - -"De menschen vertellen zooveel van nikkers en Huldren en zulk slag; -maar ik geloof daar niet veel van. Nog nooit heb ik van den een of -den ander iets gezien;--'t is waar, ik ben in mijn leven nog niet ver -van huis geweest--maar toch geloof ik, dat het meerendeels praatjes -voor den vaak zijn. Maar wat oude Stine vertelt: dat zij eens den -nikker heeft gezien, dat moet toch wel waar zijn. Toen ik nog mijn' -catechismus leerde, was Stine bij mijne ouders in dienst. Voor dien -tijd had ze bij een schipper gediend, die niet meer voer. - -"'t Was daar heel rustig en stil in huis; de menschen gingen nooit uit -en niemand kwam hen opzoeken. En den ouden schipper zelf kon men bijna -den ganschen dag aan 't havenhoofd vinden. 's Avonds gingen allen -zeer tijdig naar bed. Nu wou 't gerucht, dat er bij dien schipper -een nikker huisde. Eens, zeide Stine, zaten de keukenmeid en ik op -zekeren avond in 't meidenkamertje voor ons zelven te naaien; 't was -hoog tijd om naar bed te gaan, want de nachtwacht had reeds "tien" -geroepen. 't Wilde niet vlotten met ons naaien en stoppen, want elk -oogenblik verscheen Klaas Vaak, en zoodra hij achter mij kwam, begon -ik te knikkebollen, en zoodra hij achter de keukenmeid ging staan, -begon deze te knikkebollen, want we waren 's morgens vroeg op geweest -en hadden waschdag gehouden. Maar terwijl we zoo bij elkaar zaten, -hoorden we op eens een verschrikkelijk leven in de keuken; 't was, -zei Stine, of iemand alle borden en schotels uit de kast haalde en ze -op den vloer in stukken smeet. Verschrikt vlogen we op, zei ze, en ik -schreeuwde: "God beware ons, dat is de nikker!" en ik was zoo bang, -dat ik geen' voet in de keuken dorst zetten. De keukenmeid was ook -huiverig, maar sprak zich zelve moed in en opende de keukendeur. Daar -lagen alle borden over den grond verspreid, maar geen er van was -stuk en bij de deur stond de nikker met eene roode muts op 't hoofd -en glimlachte vriendelijk. Nu had de keukenmeid wel eens hooren -zeggen, dat de nikker zich soms liet beet nemen, en naar een ander -huis vertrok, wanneer men hem diets maakte, dat 't daar rustiger -was. En daar ze nu den nikker gaarne eene poets wilde spelen, bad -ze hem--hare stem beefde nog, terwijl ze 't zeide--aan den overkant -der straat bij den koperslager, zijn' intrek te nemen; daar was 't -veel stiller en rustiger, want men ging er klokke-negen naar bed. En -dat was waar ook, vertelde Stine, maar ge weet wel, was met al zijn -volk, van 's morgens drie uur af, aan 't kloppen en slaan, dat iemand -hooren en zien verging. Sedert dien dag bespeurden wij niets meer -van den nikker. En bij den koperslager was hij recht in zijn schik; -wel werd er den ganschen dag geklopt en gehamerd, maar men vertelde, -dat 's koperslagers vrouw hem elken donderdagavond pap bracht op den -zolder--en, zei Stine, men behoeft zich dan ook niet te verbazen, dat -'t den koperslager goed ging, ja, dat hij een rijk man werd, want de -nikker beschermde hem. Nu 't is waar, dat 't hem buitengewoon meeliep, -en hij er spoedig warmpjes in zat, maar of dit kwam, door de hulp van -den nikker, dat zou ik niet durven beweren," besloot juffrouw Skau, -al kuchend en hoestend na de inspanning, welke de buitengewoon lange -vertelling haar had gekost. - -Nadat zij zich met een snuifje had verfrischt, voelde zij lust op -nieuw te beginnen: - -"Mijne moeder was eene vrouw als goud; zij vertelde eens eene historie, -die hier in de stad is voorgevallen. 't Gebeurde op een' kerstnacht, -en voor de waarheid sta ik borg, nooit kwam er een onwaar woord uit -haar' mond." - -"Laat hooren, juffrouw Skau, laat hooren!" zei ik. En de kleinen -riepen: "Toe vertel ons dat, juffrouw." - -De juffer hoestte eenige malen, nam nog eene prise en begon: -"Toen mijne moeder nog een meisje was, kwam ze somwijlen bij eene -weduwe.... ja, hoe heette ze ook weer? Juffrouw... de naam wil me niet -te binnen schieten, maar dat komt er minder op aan, zij woonde in -de Molenaarsstraat en was al een bejaarde vrouw. 't Was kerstavond, -zooals nu. Ze dacht zoo bij zich zelve: "morgen ochtend ga ik naar -de vroegpreek", want ze was eene trouwe kerkgangster; ik zal dan -eerst wat koffie zetten, dan heb ik wat warms te drinken, eer ik er -heenga. Toen zij ontwaakte scheen de maan in 't vertrek. Ze stond op -om te zien, hoe laat het was, maar de klok was blijven staan en wees -op half twaalf. Zij ging naar 't raam en keek naar de kerk. Door alle -vensters scheen reeds licht. Zij wekte haar dienstmeisje, liet haar -koffie zetten, terwijl ze zich aankleedde, nam haar psalmboek en ging -ter kerk. In de straat was alles doodstil, geen sterveling was er te -bespeuren. In de kerk gekomen, zocht ze de bank op, waar ze placht -te zitten en keek eens rond. Maar wat zagen de menschen er bleek en -akelig uit; 't leken wel lijken! En niemand van de schare kende zij; -schoon meer dan één gezicht haar niet vreemd voorkwam, wou haar maar -volstrekt niet invallen, waar zij ze kon gezien hebben. De predikant, -die den kansel beklom, was ook geen dominee uit de stad, maar een lang, -bleek man, dien ze toch ook wel eens meende ontmoet te hebben. - -'t Was een lust hem te hooren preeken, en men hoorde ook niet zoo'n -gestommel en gekuch en gehoest, als gewoonlijk onder de vroegpreek op -kerstmorgen; 't was zoo stil, dat men eene speld kon hooren vallen, -zoo doodstil, dat 't de vrouw angstig en bang om 't harte werd. - -Toen de gemeente voor de tweede maal begon te zingen, boog zich eene -vrouw, die naast haar zat, tot haar over en fluisterde haar in 't oor: -"Werp uw' mantel losjes om en ga heen, want blijft gij tot de preek -uit is, dan is 't met u gedaan. De dooden houden kerstfeest!" - -"Oef, ik word bang, ik word bang, juffrouw Skau," riep een der kleinen -vol angst, terwijl ze op een' stoel kroop. - -"Och, stel je gerust, kind; 't loopt nog goed met haar af; luister maar -naar 't vervolg," zei de juffrouw. De vrouw bevielen deze woorden ook -slecht; toen zij de stem vernam en de spreekster in 't gelaat zag, -herkende zij eene buurvrouw, die voor vele jaren gestorven was, en -nu ze nog eens rondkeek, herinnerde zij zich klaar, dat ze zoowel den -predikant als 't grootste gedeelte der gemeente voorheen had gekend; -allen waren voor langen tijd overleden. Ze ijsde er van. Losjes -sloeg ze den mantel om zich heen, zooals de vrouw haar had geraden en -snelde heen; maar 't was haar, of al de dooden haar volgden, en haar -zochten terug te houden: hare knieën knikten en bijna was ze op den -vloer neergezegen. Toen zij in 't kerkportaal kwam, voelde zij haar' -mantel grijpen; zij maakte den gesp los, liet den mantel in den steek -en vlood, zoo snel de beenen haar dragen wilden, naar huis. 't Sloeg -één uur, toen zij hare huisdeur opende en half dood van schrik naar -binnen wankelde. 's Morgens vonden de kerkgangers haar' mantel op den -stoep, in duizend stukken gereten. Mijne moeder kende den mantel zeer -goed en ik meen ook, dat zij een der stukken heeft gezien; maar wat -hiervan zij, 't was een korte mantel van eene lichtroode stof, met -bont gevoerd en geboord, precies zooals de menschen in mijne jeugd -plachten te dragen. Nu ziet men ze zelden meer; slechts enkele oude -vrouwtjes hier in de stad en uit het gesticht in de oude stad komen -op kerstmis nog in zulke mantels ter kerk." - -De kinderen, die onder 't laatste gedeelte der vertelling zich nauw -hadden weten te bergen van angst en schrik, verklaarden thans, dat ze -van zulke leelijke, akelige histories niets meer wilden hooren. Zij -waren in 't hoekje van de kanapee of op een' stoel gekropen en -beweerden, dat er iemand onder de tafel zat, die hen van hunne plaats -zocht te trekken. - -Intusschen werden de lichten op de ouderwetsche standaards -binnengebracht, en nu ontdekte men, onder algemeen gelach, dat -ze met de beenen boven op de tafel zaten. Weldra deden de lichten -en de kerstkoeken, geholpen door confituren, gebak en wijn, alle -spookhistories en angst verdwijnen, en plaats maken voor een levendig -gekeuvel over allerlei zaken, die minder ver aflagen. De rijstekoek -en 't ribstuk brachten eindelijk de denkbeelden nog nader bij huis, -en vroegtijdig nam men afscheid en wenschte elkander een gelukkig -kerstfeest. Voor mij volgde er echter een zeer onrustige nacht. - -Ik weet niet, of de vertellingen, de genoten lekkernijen, mijne -zwakheid, of dit alles te zamen daarvan de schuld moet dragen; maar -vergeefs legde ik mij nu zus dan zoo; den ganschen nacht maalden -allerlei nikker-, Hulder- en spookhistories in mijne verwarde -hersenen rond. Eindelijk vloog ik onder klokgelui door de lucht naar -de kerk. Zij was geheel verlicht, en toen ik er binnentrad, zag ik, -dat het de kerk van mijne geboorteplaats was. De gemeente bestond -uit enkele boeren met roode mutsen op, soldaten in vollen dos, -en dorpsmeisjes met linnen huiven en frissche wangen. De dominee, -die op den preekstoel stond, was mijn grootvader, dien ik slechts als -kleine jongen had gekend. Terwijl hij goed en wel aan 't preeken is, -neemt hij op eens een' sprong en staat midden onder de schaar, terwijl -zijne toga naar den eenen en de kraag naar den anderen kant vliegt. - -"Daar ligt de dominee en hier ben ik," zeide hij met zijne geliefkoosde -spreekwijs, "en laat ons nu eens in 't rond dansen." Oogenblikkelijk -tuimelde de gansche gemeente in den wildsten dans rond en een lange -kerel pakte mij bij de schouders en zeide: "Kom, doe maar mee, Kar!" - -Ik wist niet, wat ik er van denken moest, toen ik te gelijker tijd -ontwaakte en 't zelfde gezicht aanschouwde, dat ik in den droom had -gezien. Met de muts diep over de ooren en een' rijmantel over den arm, -boog zich iemand over mij heen en keek mij met twee groote oogen aan. - -"Gij waart zeker aan 't droomen, Kar," zeide hij; "'t zweet parelt u op -'t voorhoofd en gij sliept zoo vast als een beer in den winter. Den -Vrede van Boven en een gelukkig kerstfeest wenscht u uw vader en -'t gezin. Hier is een brief en de reismantel, en 't paard staat in -den stal. - -"Maar in 's hemels naam, ben-jij dat Thor?" 't Was de knecht van mijn' -vader, een kerel als een boom. "Hoe kom-jij hier?" - -"Wel, dat zal ik u zeggen, antwoordde Thor; "ik ben met bruin hier heen -gekomen; want, ziet ge, ik was met uw' vader op Naes en toen zeide -hij: "Thor," zei hij, "we zijn nu niet ver van de stad; neem bruin -en rijd er mee naar stad en zie eens, hoe de luitenant het maakt, -en is hij wèl genoeg, neem hem dan mee naar huis." - -Toen wij de stad uitreden, was de lucht helder en de weg -uitmuntend. Bruin repte zijne oude pooten zoo hard hij kon, en nimmer -heb ik, vroeger of later, zulk een prettig ritje gemaakt als op dien -eersten Kerstdag. - - - - - - - -EEN ZONDAGAVOND OP EEN' SAETER. - - -In gezelschap van een' Engelschman, Sir John Tottenbroom, een -rendierjager en zijn broeder, die ons zouden vergezellen op de jacht -in 't gebergte tusschen Sell en het Osterdal, verliet ik ....hoeve -op een' Zondagmiddag in Augustus. De jonge Brit had reeds een kijkje -genomen in Noorwegen, hij verstond onze taal en kon zich daarin des -noods doen verstaan, maar wijl hij, als de meeste Engelsche toeristen, -voornamelijk met boeren had omgegaan, sprak hij een zeer zonderling, -gebroken boersch dialect. Toch was dit niet altijd toereikend; wanneer -zijne gedachten elkaar wat snel volgden, en meestal deden ze dit -op eene tamelijk verwarde wijze, dan bediende hij zich plotseling -van zijne moedertaal, of bleef steken in een koeterwaalsch, zóó -wonderlijk, dat men vergeefs zou trachten het weer te geven. De jager -Thor Ulvsvolden was een man van middelbare lengte, met donkere oogen -en scherp geteekend, verweerd gelaat, waarop ernst en nadenken te lezen -stonden. Hij was breed van schouders, maar overigens mager; toch bewees -zijn vlugge, zekere tred, dat de kracht zijner spieren niet licht -moest geteld worden. Daar lag eene eigenaardige kalmte in 't geheele -wezen van dezen man; zijn bedrijf, dat hem elk oogenblik blootstelde -aan allerlei gevaren en ongevallen, had alle onbedachtzaamheid bij -hem doen verdwijnen en hem een rustig vertrouwen doen veroveren, -dat op elk zijner uitspraken onwillekeurig den stempel van echtheid -en oorspronkelijkheid drukte. Zij broeder Andries was blond, lang -en sterk. Hij was even wakker als plomp, een ruwe schors om eene -gezonde kern. Zonder zich lang te bedenken, volgde hij zijn' weg; -luttel bekommerde hij er zich om, waar hij de voeten zette. Vaak -moest hij dan ook de armen te baat nemen, om het noodige evenwicht -te bewaren en zijne houding geleek dan sprekend op die van een' beer, -die op de achterpooten tracht te gaan. Beiden hadden eene roode muts op -'t hoofd en eene peper- en zoutkleurige broek aan. Andries was verder -gekleed in eene soort van jas van dezelfde kleur met lange panden, die -hem om de dijen sloegen, terwijl Thor zijn wambuis van rendiervel bij -de overige bagage had gelegd en in 't kortarmig onderkleed ging. In de -hand had hij een zwaar jachtgeweer. Andries droeg eene prachtige buks. - -'t Was stil in 't bosch; men hoorde niets dan den klank van het met -ijzer beslagen bergschoeisel der jagers en den gestadigen stap der -lastdieren, die den trein volgden met de proviand, de weitasschen -en de vischkorven op den rug. Ook de natuur scheen de rust van den -Zondag te deelen. Tegen 't vallen van den avond begon een enkele vogel -zachtkens te kweelen; sparren en dennen kruidden de lucht met hunne -geuren; over de toppen der lager staande boomen bespeurden wij nu en -dan een' bergstroom, die zoo diep onder ons zijne schuimende wateren -naar beneden stortte, dat zijn ruischen en bruisen ons oor niet kon -bereiken. Al langer werden de schaduwen; de duisternis breidde zich -uit over het dal, terwijl de nevelen omhoog stegen; maar nog speelde -'t zonnelicht met rooden schijn tusschen de sparren der berghelling -door en wierp zijn' glans op de blauwachtige Lesjetoppen in de -verte. Naarmate wij hoogerop kwamen, werd het bosch minder dicht; de -sparren werden al kleiner en zeldzamer, berken en struiken daarentegen -weliger, heideplanten en grasvelden menigvuldiger. Weldra naderden -wij de dertig saeters, die hier bijeen liggen: weide aan weide, -ingesloten door kreupelhout en rotsblokken, heidekruid en grasrijke -heuvelen strekten zich voor ons uit en daarachter teekenden de hooge -toppen der Ronderbergen met hunne schilderachtige omtrekken zich -af tegen den oostelijken hemel. Vriendelijk klonken de deuntjes der -melksters in den stillen avondstond, terwijl 't vee zich al loeiend -en onder het klinken der klokjes verzamelde. - -Een der eerste saeters, die wij voorbijkwamen, behoorde aan Thor. Hij -verzocht ons binnen te komen en melk te drinken; maar wij wenschten zoo -spoedig mogelijk ons nachtkwartier te bereiken, en Thor beloofde ons -zoo aanstonds te volgen. Aan 't venster zag ik een lief meisjesgezicht -en een paar nieuwsgierige manlui. Andries zeide ons, dat 't meisje -eene zustersdochter van Thor's vrouw was. Een der beide anderen was de -schoolmeester, die zijne vacantie gebruikte om haar het hof te maken; -zij wilde echter niets van hem weten, schoon hij in goeden doen zat -en bekwaam voor zijn werk was. 't Meisje had veel meer op met een' -opgeschoten knaap, die ook naar haar vrijde. - -Toen wij bij Laurgaard-saeter kwamen, stond de melkmeid op den drempel -voor de halfgeopende deur. Zij was rank, maar tevens krachtig van -bouw; hare witte hemdsmouwen, een rood jak en eene donkere huif deden -hare flinke gestalte voordeelig uitkomen. Zij stond met den rug naar -ons toegekeerd; wij zagen slechts den blanken nek en het welgevormde -hoofd met blond haar, welks rosse tint door de avondzon nog sterker -werd gekleurd. Ze was bezig eene zwartbonte geit tot zich te lokken, -die op het met gras begroeide dak was geklauterd, waar zij aan de -schors van een' jongen berk knabbelde, die op 't erf stond. - -"Texa, Texa, Texa, kom beestje, kom dan--wacht jou kleine schelm, -ik zal je leeren 't dak te vernielen en den berk af te knabbelen; -pas op!" riep ze. - -"Goeden avond Brit," zeide Andries. - -"God zegen' je," antwoordde zij, en toen zij zich had omgewend en -onder de hand door, waarmee ze de laatste zonnestralen afweerde, -ons had opgemerkt, voegde ze er vriendelijk bij: "Gods vrede! Dat -zijn zeker vreemden, die hier hun' intrek zullen nemen?" - -"Ja," zeide Andries; "en wat flinker kerels, dan die je hier op de -saeters hebt;--ze zullen je daarom geen kwaad doen," voegde hij er -vergoelijkend bij. - -"Men kan wel zien, dat het ferme lui zijn," zei Brit, maar kon -toch een' glimlach niet weerhouden, terwijl ze ons uitvorschend -bekeek. Vooral de figuur van Sir John en zijne lange lokken schenen -zeer hare opmerkzaamheid te trekken. - -"En die--is dat ook een kerel? Hij lijkt meer op eene vrouw in -manskleeren," voegde ze er spottend bij. - -"Heb-je dan wel vrouwvolk gezien, dat zoo lang was en bakkebaarden -had?" vroeg Andries. - -"Neen, neen, je hebt gelijk, Andries," antwoordde ze met een' -hartelijken lach. "Maar, gaat naar binnen, die vreemden kunnen toch -niet buiten blijven staan; zij zullen wel raar opkijken, maar we hebben -hier wel meer vreemde lui gehad," voegde zij er bij en snapte voort -tegen Andries op een' goedigen, ondeugenden, soms half ironischen toon. - -In de saeterhut, een groot vertrek met balken en binten van sparrehout, -in welks eenen hoek zich een wijde schoorsteen bevond, heerschte de -weergalooze orde en reinheid, welke de berghutten in 't Gudsbrandsdal -kenmerkt, vooral wanneer men er vreemdelingen verwacht. Langs den -lagen wand, op borden en rekken, stond de kaas; op den grond lagen -emmers en nappen opgestapeld, en zoowel deze als de banken en de tafel -waren helder wit of blinkend geschuurd. Door 't verbazende vuur, dat -op den haard onder den ketel vlamde, werd de lucht telkens ververscht; -men ademde hier niet, als op zoovele saeters, in eene duffe, bedorven -atmospheer; eene aangename geur kwam ons tegen van de pijnnaalden, -waarmee de grond was bestrooid en van de vriendelijke, witte bergbloem, -[5] die op hare breede, vleezige, lichtgroene bladerkroon aan -'t venster prijkte, omgeven door kransen en figuren van hooggele, -geurige goudsbloemen, alles ter eere van ons bezoek. - -"Maar wat willen de lui toch hier in 't gebergte; ze hebben 't wis -beter thuis dan op de saeters bij 't vee," zei Brit, toen 't gesprek -een ommezien haperde, niet zonder een beetje nieuwsgierigheid. - -"We wilden eens zien, hoe 't er hier in 't gebergte uitziet, en dan -wilden we ook rendieren schieten," antwoordde Sir John. - -"Ja wel, rendieren schieten, als er maar rendieren zijn! Ik vrees, -dat je 't zult opgeven en je kameraad ook, vóór je er één hebt -gezien. In 't voorjaar had-je hier moeten zijn, toen we den saeter -betrokken, toen zwierven hier eene menigte mooie beesten rond. Op -een' der Vaage-saeters is een meisje, dat Barbro heet; 't is nog -eene jonge deern, maar die heeft er een geschoten. 't Dier was op de -weide onder de kudde geraakt en liep rustig te grazen. Nu hing er -in de hut een geweer aan den zolder; zij wist, dat 't geladen was -voor de grauwpooten; dat nam ze, sloop weg en lei 't den os over -den rug. Ze mikte voorzichtig, heel behoedzaam; maar toen 't schot -afging, tuimelden ze alle drie neer: de deerne, 't rendier en de os; -de laatste stiet een hevig gebrul uit van schrik, maar 't rendier -stond niet meer op, en de predikant kreeg een heerlijken rendierbout." - -"We hebben hier nog wat te doen, Brit," voegde ik er bij; "we zouden -gaarne sprookjes hooren. Weet-je iemand, die flink kan vertellen?" - -"Er zijn hier een paar meisjes in de nabuurschap; 'k zal een boodschap -zenden, dat ze van avond hier komen," antwoordde zij; "die kunnen, -als ze willen, wel wat vertellen. Maar de schoolmeester, die kent -eerst eene menigte histories. Gisteren was hij bij Marit, en als de -hemel niet is ingevallen, zal hij er nog wel wezen, ten minste als -Hans nog niet weg is. - -"Ik heb den schoolmeester reeds verzocht hier te komen, en Hans en -Marit ook," zeide Thor, die nu binnentrad en zijn geweer tegen den wand -zette; "ik wist, dat ge veel van sproken houdt, en zij kennen er wel." - -"Als de schoolmeester begint, dan komt er geen eind aan de -geschiedenissen en vertelsels uit den Bijbel en allerlei geleerdheid," -zei Brit; "maar toch is hij te beklagen, de stumperd; 't moet niet -alles zijn zoo alleen te branden als een harstige dennetak." - -'t Duurde niet lang of het gezelschap uit den saeter van Thor -kwam binnen. Marit was een door- en doorgezonde deerne, met eene -kleur als melk en bloed, een paar levendige kijkers en eene slanke -gestalte. Uit 't gezicht van Hans sprak eene frissche onbedorven -natuur, een rondborstige aard en de overmoed der jonkheid. De derde was -de schoolmeester; schoon hij de drie kruisjes nog niet lang achter den -rug had, was zijn gelaat reeds vol kreuken en rimpels, die voornamelijk -te wijten schenen aan de voortdurende zorg, om zich met de noodige -deftigheid voor te doen. Ook zijne kleeding verried het streven, om -zich van de overige boeren te onderscheiden. Hij had eene donkerbruine -jas met ontzettend lange panden aan; om den hals droeg hij eene witte -das en opstaande boorden, die hem bijna tot den neus reikten. Ter -hoogte van zijn' rechter vestzak zag men een' zonderlingen knubbel, -dien ik eerst voor een monstergezwel hield; later merkte ik, dat het -een groote inktkoker was, dien hij overal met zich voerde. Zijn geheele -voorkomen maakte op den vreemdeling een' zeer onbehagelijken indruk, -die nog verergerd werd door de geaffecteerde wijze, waarop hij den -mond samentrok, als hij sprak. De weetgierigheid en belangstelling -van den bergbewoner tegenover den vreemdeling, dien hij voor zich -ziet, zijne openhartige, naïeve, somwijlen ook ongepaste vragen zijn -bekend. Maar hier vertoonde zich onder een vernis van beschaving eene -onverdragelijke indringende nieuwsgierigheid, die nog onuitstaanbaarder -werd door den triomfanten blik, welken hij bij iedere vraag om zich -heen wierp. 't Was, of hij zich onder de schooljeugd van Vaage bevond, -en op zijn gelaat lag een trek, om zijne saamgetrokken lippen een -grimlach, die allen aanwezigen scheen toe te roepen: "Heb ik dat niet -goed gezeid? Ja, ik weet zulke kerels wel op den tand te voelen!" - -Tot nu had ik bijna alleen 't gesprek met den schoolmeester -gevoerd. Den stroom van nieuwsgierige vragen, op gemaakten toon gedaan, -in schoolvossenstijl, eene op stelten gaande navolging van verouderde -boekentaal, waartusschen van tijd tot tijd plotseling plompe staaltjes -van 't Gudbrandsdalsche dialect voor den dag kwamen, had ik deels -beantwoord, deels afgekeerd. Maar eindelijk verloor mijn reismakker, -die nog minder dan ik gesticht was over 't onderzoek, waarvan wij -'t voorwerp waren, zijn geduld en viel tamelijk barsch uit in zijne -moedertaal: - -"De duivel hale dien vent en zijne oogen en zijne tong en zijne -onbeschaamdheid!" - -"Ah!" zeide de schoolmeester met een gezicht, alsof hij een som uit den -regel-van-drieën had gevonden: "thans is het mij op eenmaal duidelijk, -dat de heeren reizigers zijn uit vreemde landen; wellicht uit Engeland -of Frankrijk, of misschien wel uit Spanje; voor korten tijd kwam hier -immers een graaf uit laatstgenoemd land!" - -"Nu zijt ge in de war, schoolmeester," antwoordde ik. "Ge kunt toch -wel hooren, dat 't Noorsch mijne moedertaal is; en mijn reisgezel, -Sir John Tottenbroom, komt uit Engeland." - -"Zoo, zoo--is die geëerde heer uit 't Britsche rijk gekomen?" zei -de schoolmeester, terwijl hij een' blik in 't rond sloeg, om de -opmerkzaamheid te vestigen op de geographische kennis, die hij nu -dacht ten toon te spreiden: "En is hij hierheen gereisd te water over -de wijde zee, welke de Noordzee wordt geheeten, of heeft hij den weg -te land gekozen door Frankrijk, Holland, Duitschland, Denemarken en -Zweden? En tot welk doeleinde is hij hierheen getogen, indien 't mij -vergund zij zulks te vragen?" - -"Vraag maar, schoolmeester," antwoordde ik aanmoedigend. "Uwe eerste -vraag kan ik beantwoorden; hij is over de Noordzee gekomen. Wat de -tweede betreft, moogt ge u tot hem zelven wenden." - -"Uit hem zul-je wel wijs worden, schoolmeester," merkte zijn -medeminnaar op, die behagelijk zat te rooken uit een meerschuimen -pijpje met zilveren beslag, een hoornen roer met koperdraad omslingerd -en een lang mondstuk; "de vent brabbelt niets anders dan Engelsch." - -"Ja, indien hij de Duitsche taal meester ware," zeide de schoolmeester -op een' toon van gewicht, "dan zoude ik wel met hem kunnen spreken; -want daarin ben ik redelijk wel ervaren--ik heb Geddike's Leesboek -en Hübner's Geographie in die taal bestudeerd." - -"Spreek hem maar in 't Duitsch aan, schoolmeester," zeide ik, "dan -zal hij u wel antwoorden." - -"Damyou," viel Sir John uit, die ondanks zijne ergernis zich -niet kon weerhouden te lachen over de verlegen houding van den -schoolmeester. "Ge wilt weten, waarom ik hier ben?" ging hij voort -in niet al te slecht Duitsch. "Onder andere reis ik om de zotheden -der menschen te bestudeeren, en naar 't schijnt, zal ik er hier eene -uitstekende gelegenheid voor vinden." - -"Dat is Engelsch, dat versta ik niet;" zeide de schoolmeester, -"maar," ging hij voort in een afschuwelijk mengelmoes van Noorsch -en Duitsch, terwijl hij 't eerste onderwerp het beste, dat hij in -'t kastje zijner kundigheden kon vinden, te voorschijn haalde, -"wat is uw oordeel aangaande het feit, dat geschreven staat van den -Pontus Euxinus, die in 't jaar 715 dicht vroor tot op eene diepte van -40 ellen, en toen het ijs smolt, zulk eene verbazingwekkende warmte -uitdampte, dat er eene pestilentie ontstond, waardoor alle menschen -te Konstantinopel stierven?" - -'t Schaterend gelach, dat losbarstte over dit "feit" uit Hübners -Geographie, maakte een einde aan de Duitsche conversatie en een' -tijd lang was de schoolmeester innerlijk verontwaardigd over onzen -spot. Hij scheen echter niet heel onverzoenlijk van aard; toen wij -al dichter om den haard schoven, naderde hij den kring. De meisjes, -die vertellen zouden, waren gekomen; zij zagen er net en vriendelijk -uit. Eéne van haar had zelfs eene bevallige houding en een fijn -besneden gezichtje, dat echter in bleekheid de bergbloem evenaarde. - -Toen Brit mijne uitnoodiging om sprookjes te vertellen ondersteunde, -verzekerden ze lachend, dat ze er geene kenden. Allen waren ze wat -bloode en niemand wilde beginnen. - -"Neen, de schoolmeester, de schoolmeester," riepen ze, "die kan -vertellen, die kent wel mooie histories." - -"Ja," zeide de schoolmeester, "ik zou wel iets kunnen verhalen uit de -bijbelsche historie, of ook bijv. van keizer Octavianus. Bovendien -ken ik eene zeer droeve liefdeshistorie van den manhaften ridder -Tristand en de deugzame prinses Indiana, en zoo voort, etcetera." - -"Neen, mijn waarde schoolmeester," viel ik hem in de rede, "de -histories, die ge daar noemt, ken ik al op mijn duimpje; wat ik wensch -te hooren, zijn vertellingen over Huldren en heksen, sprookjes van -Asschepoester en dergelijke, die nooit gedrukt zijn, maar alleen in -den mond van 't volk leven." - -"Zulke nesterijen kan ik niet vertellen," zei de schoolmeester op -geraakten toon, "dat past geen' leermeester der jeugd en allerminst een -lid van 't dorpsbestuur, als ik, die de constitutie heb bezworen. Wat -zou ik moeten zeggen, indien men mij vroeg of 't waar was, dat Halsten -Röen sprookjes had zitten vertellen als eene oude baker?" - -"En wat heb-je dan wel gezegd, toen je die sprookjes van je-weet-wel -opgedischt en het avondliedje hebt gezongen op Ulvsvolden, verleden -jaar op kerstmis?" vroeg zijn medeminnaar met een spottend lachje. - -"Wat ik antwoordde, komt thans niet te pas," zeide de schoolmeester; -"maar wat goed is voor u en andere eenvoudige lieden, is dit nog niet -voor reizigers, die het karakter en de zeden der volkeren bestudeeren; -ik acht het beter wijsheid te putten uit de scherpzinnige opmerkingen -van zoodanige mannen, dan dwaze en onbeduidende boerenvertellingen te -doen hooren; want reizigers zijn wereldwijzen en ik zal hun daarom -ernstelijk verzoeken mij iets te willen mededeelen van de schatten -hunner kennis." - -Ik zocht hem te beduiden, dat ik in de stad genoeg te doen had met -onderwijzen, om ten minste op een toertje door het gebergte van de -lasten dier taak ontslagen te zijn. - -"Als dan niemand wat wil vertellen," begon Andries, "dan zal ik -de historie mededeelen van een' man, die in de buurt van het Hedal -woonde. Hij heette Hogner; maar later noemde de menschen hem Hogner -Duivelkloover. Hij was een jaar of wat zeeman geweest; maar toen hij -een aardig duitje had verdiend, zoodat hij de hoeve van zijn' vader -kon overnemen, besloot hij thuis te blijven en ging uit vrijen naar -een meisje uit Vaage, dat als melkster op een' saeter diende. - -Eens toen hij den saeter opzocht, was de melkster verdwenen en de -hoedster kwam schreiend met het vee naar huis. - -"Wat scheelt er aan, en waar is de melkster?" vroeg Hogner. - -"Daar zijn drie berggeesten gekomen en hebben haar weggevoerd," snikte -'t meisje. - -Hogner vloog dadelijk heen om zijne liefste op te zoeken en zich op -de berggeesten te wreken; hij nam iemand met zich mee, die Haarek -Langbein heette. Zij zochten wijd en zijd, in bosch en veld, op -hooge bergtoppen en in diepe dalen, maar noch de berggeesten, noch -het meisje waren ergens te vinden. Eindelijk, toen zij bij de weiden -van Stuttgang waren, daar ontmoetten zij een' berggeest. - -"Wacht even," zeide Hogner en bracht den geest met zijn zwaard eene -wond toe; daarop trok hij een' kring in den grond om hem heen, maakte -een kruis in de lucht boven zijn hoofd en bande daardoor den boozen -geest op de plek, waar hij stond. - -"Waar is de melkster van Rönnaas gebleven?" vroeg hij den geest. Deze -wilde niet antwoorden, maar Hogner dreigde hem zoo lang, tot hij -bekende, dat zijn makker Platneus, die in 't veld bij Stuttgang huisde, -het meisje had weggevoerd. - -"Morgen viert men bruiloft," zeide hij, "en ik moet naar Skulen en -naar den Reuzenberg om zijne familie uit te noodigen." - -"Sta daar tot ik weerom kom," zei Hogner en hieuw nog eenige malen -kruiselings in de lucht, en de menschen zeggen, dat de berggeest nog -altijd op dezelfde plek bij Stuttgang staat, maar ik heb hem nooit -gezien. Of Hogner zijne liefste terug kreeg of niet, zou ik niet -kunnen zeggen, maar sinds noemde men hem altijd Hogner Duivelkloover." - -"Dat is eene onzedelijke vertelling uit den paapschen tijd, 't welk -duidelijk blijkt uit het teeken des kruises, en zulke verhalen -heeft de Duivel bedacht," zeide de schoolmeester op zalvenden -toon. "Vermoedelijk hebben eenige struikroovers, die zich daar schuil -hielden, de melkster weggevoerd, die klaarblijkelijk een lichtzinnig -vrouwmensch was, zooals er vele op de saeters worden gevonden; later -heeft men de berggeesten er bij gehaald. Ik zal thans eene waarachtige -historie verhalen, waarvan mede de Huldren en berggeesten de schuld -kregen, terwijl men de gansche gebeurtenis alleen moest wijten aan -de slinksche streken van een' slimmen vogel." - -"In het hoofdkerspel Vaage," zoo begon hij, terwijl hij eenige -malen kuchte en hoestte en langzaam den blik liet weiden over alle -aanwezigen, "leefden voor langen tijd een paar echtelieden, Steingrim -en Jöda, die in deze bergstreek hun bestaan vonden in veehoeden -en het vangen van wild. De man, Steingrim, vond den dood bij een' -sneeuwval in Jöndalsbraatom. In 't zelfde jaar werd hun volwassen -zoon, Ivar, tot den krijgsdienst geroepen, en Jöda bleef de eenige -verzorgster van vele kinderen. De tweede zoon, Björn, was, schoon -nog jong, reeds eenigszins de steun zijner moeder. Hij was zeer -groot voor zijne jaren, vlug en waagziek, en overtrof elkeen in 't -loopen op de sneeuwschoenen, in 't vangen van wild en op de jacht. In -'t bijzonder legde hij zich toe op de kennis van de plaatsen, waar de -rendieren zich in de verschillende seizoenen en bij verschillend weder -ophouden, waar zij een toevluchtsoord zoeken, of die zij ontvlieden, -en hierdoor vermoedelijk kwam hij tot de ontdekking van de fijne en -scherpe reuk der rendieren, die hem, naar men verhaalt, leidde tot -de uitvinding der "blinde schutters." [6] Meestal was Björn door -menschenschuwheid bevangen en zocht bij elke gelegenheid alleen op -de jacht te gaan, en zijn geluk bij dit handwerk deed ieder verbaasd -staan. Sommigen meenden, dat hij door tooverij vogels en dieren aan -ééne plek kon boeien, zoodra hij ze in 't oog kreeg; anderen, dat hij -in bondgenootschap stond met de berggeesten en in sommige gevallen -hulp en onderricht van hen verkreeg in de voordeeligste wijze van -jagen. In dezen waan werd het volk versterkt door de omstandigheid, -dat men hem kuilen zag graven voor de rendieren en eene hut opslaan -op plaatsen, waar te dier tijd niemand, ook zelfs een' enkelen -nacht, durfde doorbrengen uit vrees voor de berggeesten, die er zich -ophielden. Nu en dan verhaalde hij bovendien zelf, hoe de reuzen hem -eene poets hadden gespeeld en hem in ongelegenheid hadden gebracht, -maar dat hij dan ook altijd geholpen was door den reus van Skulen, -den Skul-reus geheeten." -- -- -- - -Het was duidelijk, dat de vertelling van den schoolmeester even lang -en vervelend zou worden, als de lijkebiddersstijl, waarin hij haar -voordroeg, bespottelijk was. Met genoegen merkte ik dan ook op, hoe -onrustig hij werd, toen hij bespeurde, dat zijne uitverkorene was -verdwenen. Door 't venster ziende, bemerkte hij, dat ze naar een' -van de naastbijgelegen saeters ging. Zijne onrust nam nog toe, toen -hij zijn' medeminnaar haar spoor zag volgen. Hij werd verstrooid, -begon te stotteren en moest elk oogenblik naar zijne woorden zoeken. - -"Met verlof," zeide hij eindelijk, "ik kan mij alles niet goed meer -herinneren en heb ook nog eenige zaken te verrichten. Wees gij zoo -goed, Thor, en verhaal het overige; ge weet het wel," en ijlings -verliet hij het vertrek. - -De meisjes schaterden het uit en beklaagden den armen schoolmeester -om zijne jaloerschheid. Op mijn verzoek nam nu Thor het woord op en -ging voort: - -"In 't kerspel ligt eene hoeve, Öst-Eng geheeten; daar woonde een man, -die Baard heette. Hij was ook jager en kon niet velen, dat Björn altijd -zoo gelukkig was op de jacht. Deze Baard Öst-Eng had eene dochter, -die Rundborg heette. Naar haar vrijde Björn ter sluiks, maar zoodra -haar vader dit merkte, zwoer hij, als hij hem ooit op zijne hoeve -vond, dat hij hem dan precies zou behandelen als een wild rendier; -op staanden voet zou hij hem doodschieten. - -"Mijne dochter zal zich nooit verslingeren aan een' landlooper," -voegde hij er bij. Hij bestemde 't meisje nu voor iemand uit -Skaarvangen. Dit was Selvor Oppistuen; hij was half simpel en -een monster van leelijkheid. Rundborg smeekte wel, dat haar vader -haar niet tot dit huwelijk zou dwingen, maar het baatte niets. Toch -bracht ze het zoover, dat zij niet vóór de bruiloft, die met St. Jan -zou worden gevierd, den bruidegom behoefde op te zoeken. De bruigom -ging zelf de gasten te bruiloft noodigen en zoo kwam hij ook in 't -boschvlek bij de familie en de buren der bruid. Op Sönste-Eng was -hij reeds de deur uit, toen de eigenaar hem naliep en vroeg: - -"Maar op welken dag moeten we komen? Dat hebt ge vergeten te zeggen." - -"Ik weet het nog niet; 't zou morgen kunnen zijn, maar 't kan ook best -eerst vandaag over eene week wezen; maar we zullen op de fluit spelen, -als we voorbijkomen, wees dan zoo goed ons te volgen," antwoordde hij. - -Dit hoorde een broer van Björn en liet het dezen dadelijk -weten. Björn had spoedig zijn plan gemaakt; hij liet zijne moeder -en zijn' broer voor de zaken zorgen en ging naar Skaarvangen. Eerst -wilde hij 't gevolg van den bruidegom beletten het huis der bruid -te bereiken. Daartoe ging hij 's nachts naar eene bergkloof bij -Skaarvangen en wilde de brug vernielen, die er voor 't vee over de -kloof was geslagen, maar de vader van Selvor en een paar vrienden -beletten hem dit. Toen wou hij eene brug afbreken, die een eindweegs -verder op eene lagere plaats lag, en dit gelukte hem. Den volgenden dag -vertrok Selvor met zijne vrienden tegen den middag van Skaarvangen; -maar onderweg vernamen zij, dat de brug, die zij over moesten, -vernield was; nu moesten zij een' grooten omweg maken en bovendien -de ondiepte bij Sandbo doorwaden. Toen zij in 't boschvlek kwamen, -reden sommigen uit den stoet verder, om de bruid af te halen; de -overigen bleven achter. Dezen dronken tot tijdverdrijf uit hunne -veldflesschen en bliezen op de fluit, maar ondertusschen zat de broer -van Björn een eind van den weg af in 't kreupelhout neergehurkt; -en toen men opstond, volgde hij van verre. - -'t Duurde echter geruimen tijd, eer de gasten klaar waren en zich bij -de overigen voegden, omdat de dag van de bruiloft niet nauwkeurig -was bepaald. Eindelijk kwamen ook de bruid en hare familie met den -bruidegom en zijn gevolg. De kerk stond destijds ten zuiden van Sandbo, -en toen men hier kwam, was de avond reeds gevallen. Dienzelfden dag -nog naar 't huis der bruid terug te keeren, bleek ondoenlijk; daarom -namen Bottolf Holen en Alf Svare elk een deel van den bruidsstoet -in huis. Zij gaven den gasten rijkelijk te eten en te drinken en -deden hun daar geen' ondienst mee, want behalve een' droppel of wat -uit de veldflesch, hadden zij den heelen dag niets genoten. Toen ze -zich wat verkwikt hadden, noodigden Bottolf en Alf hen uit zich wat -te vermaken. De jonggetrouwden zouden slapen op den zolder boven het -proviandhuis van Svare. Laat in den avond kwam Björn's broer bij dezen -en vertelde hem, dat de bruid den nacht op Svare-hoeve doorbracht. - -"'t Zou me verwonderen, als ze daar morgenavond nog was," zei -Björn. Maar toen het nacht was geworden en de gasten allen ter rust -waren gegaan, sloop er door de zolderdeur eene groote, forsche -vrouwengestalte binnen, in een groen overkleed en met een groot -blank mes in de hand. Zij scheurde de bruid uit de armen van den -bruidegom. Deze greep nog naar haar, maar op 't zelfde oogenblik sneed -de Hulder met het mes in den wand, dat de splinters er afvlogen. Toen -dorst de bruigom de oogen niet meer opslaan, maar hij vloog 't vertrek -binnen, waar zijne vrienden lagen, en kreet met groot misbaar, dat -de Hulder van 't Jöndal op den zolder was geweest en zijne bruid had -weggeroofd, om haar tot vrouw te geven aan haar' zoon. En hij mompelde, -dat hij zich van kant wou maken. - -"Waren we maar beneden gebleven, dan had misschien de Hulder haar -niet durven rooven!" jammerde hij. - -Allen deden hun best, om hem zoo goed mogelijk te troosten, maar toen -hij dit zeide, schaterden zij 't uit. Selvor wou dadelijk naar huis, -naar zijne moeder; maar toen men bij de Skjaervenbrug kwam, waren -de palen doorgehakt, de brug was weggedreven en men kon onmogelijk -aan den overkant komen. Aan den anderen oever stonden menschen uit -Skaarvangen, die schreeuwden, dat ook zij de rivier niet over konden; -maar hoe men schreeuwde en riep, men kon elkander niet eens verstaan: -de rivier was buiten hare oevers getreden en stortte zich met donderend -geraas naar beneden. - -Nu zond men een' bode naar den predikant. Deze ried aan, de kerkklokken -uit den toren van Vaage te nemen, die naar 't Jöndal te brengen en daar -drie etmalen lang te luiden. Dat deed men; over den Reuzenberg voerde -men de klokken naar een groot veld in 't Jöndal, en sedert dien dag -draagt die vlakte ook den naam van 't Klokkeveld. Drie etmalen lang -luidde men, maar te vergeefs: de bruid was weg. Nu gaf een oud man -den raad, drie donderdagavonden achtereen te luiden, maar dit hielp -evenmin. Eindelijk verscheen Björn en vertelde, hoe hij had gedroomd, -dat Rundborg door de berggeesten heel slecht werd behandeld. Maar de -Skulreus had hem zijne hulp beloofd, als hij haar wilde verlossen, -want de reus was gebeten op de Huldren van 't Jöndal. En niemand -anders kon Rundborg bevrijden, want op hem had ze hare zinnen gezet; -maar kreeg hij haar niet tot vrouw, dan wilde hij geen' stap doen om -haar uit den berg te halen. Toen Baard en Selvor dit vernamen, waren -ze woedend op Björn, en dreigden hem met al wat ze konden bedenken, -zoo hij Rundborg niet verloste. Maar Björn hield het been stijf en -draalde zoo lang, tot hij haar ten slotte kreeg. - -"Ja, zóó is 't gegaan," zeide Brit, toen Thor zijne vertelling had -geëindigd, waarvan menige trek herinnerde aan den ruwen sagentijd. - -"Als de schoolmeester 't vertelt," ging zij voort, "dan brabbelt hij -wat, dat geen mensch kan begrijpen van den predikant en den duivel, -en dan zegt hij, dat Björn de bruid van den zolder wegvoerde; maar -dat is niet waar: hij verloste haar juist, maar de Jöndals-Hulder, -die had haar geroofd." - -Geen van ons viel 't in, deze bewering van Brit te bestrijden; maar -de vele namen en plaatsen, welke in Thor's vertelling voorkwamen, -gaven ons, in dezen omtrek onbekend, aanleiding tot een nader -onderzoek naar de geographie van Vaage. Lang en breed werd er nu -gesproken over 't dal, de rivieren, bergtoppen, meren, visschen, -vogels, 't wild en de menschen. Onder dit gesprek, voor mij in -'t bijzonder zoo leerrijk en onderhoudend, zette Brit ons een -welsmakend en voor een' saeter zelfs kostelijk maal voor. Tegen -'t einde daarvan kwam Marit, de aangebedene van den schoolmeester, -binnen en fluisterde den anderen meisjes, al giggelend en lachend -iets in 't oor. Brit nam van harte deel in de vroolijkheid, en toen -Andries vroeg, waar Hans en de schoolmeester waren gebleven, vertelde -zij, dat de eerste den schoolmeester bij den neus gehad en hem van -den eenen saeter naar den ander had laten loopen. Eerst was hij zelf -daar rondgegaan en had den meiden ingeblazen, wat ze moesten zeggen, -wanneer de schoolmeester kwam; en overal, waar deze toen de klink -oplichtte en naar Marit vroeg, antwoordden ze: "Wel zeker, Marit -en Hans zijn beiden zoo pas de deur uit; ze zeiden, dat ze naar den -naasten saeter wilden." Maar eindelijk had hij eenige lui ontmoet, -die hem duchtig hadden onthaald op brandewijn; "en nu," besloot Brit -op medelijdenden toon "nu praat hij als eene kip zonder kop." - -"Ja," voegde Marit er bij, "en hij is nu in zoo'n best humeur, dat -zijn hoed op één haartje staat; maar op Hans is hij woedend. Hij zal -stellig gauw hier zijn en dan zult ge eene grap zien gebeuren." - -'t Duurde niet lang, of we vernamen de stem van Hans, die een aardig -liedje zong. Eenige oogenblikken bleef hij buiten staan en liet zijne -diepe basstem hooren, klaarblijkelijk met 't doel, om door iemand, -die ook den saeter naderde, te worden verstaan. Hij zong 't deuntje -van den vos, die een hoen zoekt te verschalken, maar die, van den -meester der hen een' steen en een aantal krachtige verwenschingen na -zich krijgt. Wie aan 't rosse haar van den schoolmeester en aan zijne -verliefdheid dacht, zag dadelijk in, op wien het gemunt was. Toen 't -liedje uit was, trad hij kleurende binnen en ging in een' hoek van 't -vertrek zijn pijpje zitten rooken. Spoedig kwam ook de schoolmeester, -door een' vreemde gevolgd. Hij had den halsboord hoog opgetrokken en -zocht zich zooveel vertoon van waardigheid te geven, als maar mogelijk -was; maar zijne stijve houding en zijn glazige blik verrieden zijn' -toestand reeds eer hij den mond opendeed. - -"Ik vraag u vergiffenis, hooggeëerde heeren," zei hij met eene dikke -tong en eene bespottelijke buiging, "'t was niet hoffelijk van mij, -dat ik zoo plotseling de deur uitstoof en de taak, om u te onderhouden, -overliet aan dezen waardigen rendierjager, die toch altijd een leek -blijft, en aan deze beminnelijke verzorgsters der kudde. Maar ik ben -een leermeester der jeugd, en met godsvrucht en deugd laat ik niet -spotten. En daar ik als 't ware een deel der geestelijkheid uitmaak, -die gehouden is de tucht en het zevende gebod te handhaven, kan ik -zoo iets niet dulden. Neen, dulden zal ik 't nooit! En ik moet er rond -voor uitkomen, 't is eene afschuwelijke gewoonte, dat jonge knapen de -meisjes naloopen, eer zij nog dons op de bovenlip voelen. En daar ik -nu dezen lichtzinnigen Hans eene maagd zag vervolgen... foei!..." hier -spuwde de schoolmeester in edelen toorn en ging voort: "want, zoo -als ik zei, ik ben een gezworen vijand van allerlei bedrog, van -lichtzinnige praatjes en handelingen, van dobbelen, dronkenschap en -den goddeloozen dans." - -"Nu maakt ge 't wezenlijk al te erg, schoolmeester," viel Marit uit, -"ik vind 't wat prettig, als de veel gaat; 'k word dan haast zoo -vroolijk, als de vedel zelf." - -"Dat is waar, mijn kind," antwoordde de schoolmeester ontwijkend -en met zijn' zoetsten glimlach, "ik sprak dan ook slechts van den -lichtzinnigen dans. Ook ik ben van oordeel, dat het een genot is, -lieftallige meisjes te zien dansen, namelijk, wanneer zij ten dans -gaan met een eerbaar man, die eene gepaste deftigheid nooit uit het -oog verliest." - -Maar meegesleept door de macht der beminnelijkheid, die hij prees, -begon hij plotseling met de noodige trillers en eene heesche stem een -loflied vol geestdrift aan te heffen op den wijn en de schoonheid, -dat kwalijk in overeenstemming kon gebracht worden met de strenge -beginselen, die hij zoo even had beleden. - - - "Wat mag alle vreugde baten, - Alle schatten van deze aard? - Zonder wijn en mooie meisjes - Zijn ze mij geen oortje waard. - Elk is graag, - Waar meisjes zijn, - Ieder prijst - Den eedlen wijn!" - - -"Dat was een aardig wijsje, schoolmeester," zeide Hans, terwijl hij met -den pijp in den mond uit zijn' hoek te voorschijn kwam, "maar nu zal -ik eens een deuntje zingen, dat ge misschien nog nooit hebt gehoord. - - - "Och, arme sul, och, groote kwast, - Je haalde 't fleschjen uit de kast, - Maar wat je hieldt voor brandewijn, - Dat was juist bitt're terpentijn, - Dat was juist bitt're terpentijn!" - - -Men kon duidelijk zien, hoe dit rijmpje, dat, naar ik later hoorde, -zinspeelde op een voorval uit 't leven van den schoolmeester, zijn' -toorn deed ontvlammen. Daar kwam nog bij, dat hij zijn' medeminnaar -elders had gewaand; hij wischte zich den mond met een pand van zijne -lange jas en borst uit: - -"De jeugd heeft alle schaamte uitgeschud in onze dagen; dat komt -daar vandaan, dat zij niet genoeg kennis maakt met den stok. Zoo'n -onbeschofte melkmuil! Dat zit pijpjes te rooken, dat gaat heimelijk -uit vrijen, dat ontziet zich niet, eerwaardige mannen te beleedigen, -die al hun leven wijsheid hebben gegaard! Sta op, zeg ik je, wanneer -ik spreek," voer hij voort, "zooals de Spartaansche jongelingen deden -in 't bijzijn van ervaren mannen en grijsaards. Weet, dat ik twintig -jaar lang heb gestudeerd bij den ouden predikant Grönbeck. Sta op, -zeg ik je!" - -Maar Hans bleef rustig zitten, glimlachte even en liet twee rijen -blinkend witte tanden zien. 's Schoolmeesters roes was klaarblijkelijk -verergerd, en wie weet, wat het einde der historie zou geweest zijn, -zoo Marit niet tusschen beiden ware gekomen. Zij reikte hem eene -schaal met melk en zeide: - -"Och, laat den jongen loopen, schoolmeester. Wees niet boos, en denk, -dat er vreemd volk bij is." - -Toen hij had gedronken, wendde hij zich weder tot ons. 't Scheen, -dat hij zich wilde verontschuldigen over den toestand, waarin -hij verkeerde en de ongunstige meening, die wij door de herhaalde -toespelingen van Hans van hem moesten opvatten, wenschte uit te -wisschen. Hij zeide daarom: - -"Die verderfelijke alkohol! Wel is zij de moeder der dwaasheid! Ik -leef anders altijd zeer matig, als ik me zelven dit getuigenis -mag geven, en over 't algemeen ben ik geenszins verslaafd aan een -onmatig gebruik van dat afschuwelijke vocht. Maar ik moet me bij -u verontschuldigen, hooggeëerde heeren en waardige dorpsgenooten, -over mijn lang wegblijven. De weg naar de deur valt iemand zoolang, -wanneer hij onder vrienden is. Eenige goede kennissen en buren hebben -me namelijk van hun' brandewijn laten proeven. En hier in 't gebergte -doet een borrel 't lichaam goed. Ja, ik zal 't ronduit bekennen, als -mij een borrel wordt geboden, veroorloof ik mij de weelde, dien aan -te nemen, maar--nooit te veel."--En onwillekeurig viel hij weer uit: - - - "Laat ons klinken, laat ons klinken, - Brandewijn smaakt altijd goed; - Wie slechts water heeft te drinken, - Is voorwaar een arme bloed!" - - -"Neen," ging hij voort, "nooit te veel, de hemel beware me daarvoor! Ik -weet nog heel goed, wat ik heb gezegd en gedaan en wat ik nu nog te -zeggen en te doen heb ook; maar 't is toch verderfelijk vocht. Maar wat -ik zeggen wou, ik was bezig met de belangwekkende historie van Björn -Praeststulen, toen ik, met verlof, heenging in 't vast vertrouwen, -dat zij nauwkeurig zou worden vervolgd. Mijn waardige vriend, Thor -Ulvsgaarden, ge hebt toch wel verhaald, hoe de geestelijkheid daarin -betrokken werd en hoe ten slotte de burgerlijke rechter 't geding -moest beslissen?" - -"Zie-je, ik heb 't wel gezegd," zei Brit. "Gij haalt er altijd zooveel -dingen bij, dat niemand er iets van begrijpt. Thor heeft er geen -woord van gezeid." - -"Gebrek aan kennis, kind; gebrek aan kennis," hernam de schoolmeester -op een' toon van gewicht; "wat Thor heeft weggelaten, is juist 't -merkwaardigste van de gansche historie, want dat betreft de twisten -en 't proces. Ja, ziet ge, dat ging op deze wijze toe: toen die lui, -namelijk Selvor Oppistuen en Baard Östeng met beloften en bedreigingen -Björn Praeststulen zochten over te halen om het meisje te bevrijden, -of hun te openbaren hoe dit zou kunnen geschieden, toen begon bij Björn -twijfel te rijzen aangaande 't geen hem te doen stond; want weldra -zou de hooioogst beginnen en dan had hij natuurlijk heel wat anders -te doen, dan Rundborg verscholen te houden in jagershutten en andere -schuilhoeken van 't gebergte. Hij zeide, dat ze zich vruchteloos tot -de berggeesten zouden wenden, en dat hij zelf dit niet waagde, eer hij -den bijstand van den Skulreus had ingeroepen. Intusschen deed hij hun -den voorslag met hun drieën naar den predikant te gaan en dezen tot -scheidsman te kiezen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Björn verklaarde zeer -breedvoerig, hoe een geest tot hem gesproken had in den droom en hem -had bevolen, Rundborg te huwen. De predikant wilde de zaak opschorten, -tot de maagd zelf getuigenis zou kunnen afleggen, en toen Björn een -etmaal later met haar verscheen, verklaarde zij, hoeveel zij had -te lijden gehad bij de Hulder; hoe deze op een huwelijk met haar' -zoon had aangedrongen, waardoor zij haar voor goed in hare macht zou -krijgen, en hoe Björn en de Skulreus haar uit den berg verlost en -haar bewaard hadden voor de schande van eene heks te worden. Terwijl -hij nauwkeurig de beweringen en bewijzen van beide partijen wikte en -woog, werd de predikant eindelijk 't spoor geheel bijster; hij was -in een labyrinth geraakt, waaruit hij vruchteloos den weg trachtte te -vinden. De openbaring, aan Björn geschied, was wellicht eene bestiering -des Allerhoogsten, die de predikant niet durfde wraken. Maar Selvor en -Rundborg waren in den echt vereenigd door den priester en op 't woord -van God, en 't gewicht dier beiden kon evenmin worden geloochend. Björn -bezat de liefde van Rundborg als het ware van kindsbeen af. Selvor kon -niet roemen op hare min, maar wel op de toestemming der ouders, welke, -doordien zij ouder en gevolgelijk verstandiger waren, beter wisten wat -hunne dochter tot geluk en zegen kon strekken dan zij zelve. Maar de -onbeperkte uitoefening van de rechten der ouders tegenover de kinderen -maakt de eersten vaak tot beulen, zeide de predikant--bij zich zelven, -wel te verstaan. Na veel peinzen kwam hij tot het volgende besluit: -Ik spreek geen oordeel uit in deze ingewikkelde zaak; zij behoort voor -den burgerlijken rechter te worden gebracht. Middelerwijl mag Björn, -die haar heeft bevrijd, haar ook behouden. Maar door de rechtbank werd -'t volgende vonnis gewezen: - -"Björn Praeststulen mag zonder eenig voorbehoud huwen met Rundborg -Baardsdochter Östeng; Selvor Oppistuen en Baard Östeng moeten het -land ruimen, omdat zij dit huwelijk hebben willen beletten." - -"Van dit laatste kwam echter niets; want Björn verwierf genade voor -zijn' schoonvader en sedert werden zij beste vrienden." - -Zoo werd de sage van Björn Praeststulen door den schoolmeester -aangevuld. Maar woorden zijn dood en machteloos. Daar was iets -onbeschrijfelijk komieks in zijn heele manier van vertellen, in zijn' -toon, zijne gebaren, in 't rijzen en dalen zijner stem, en niet -het minst wanneer nu en dan de eigenaardige toestand, waarin hij -verkeerde, zich nog duidelijk deed bespeuren. Sir John kreeg telkens -zulk eene hevige lachbui, dat hij van de bank dreigde te vallen. En -van tijd tot tijd verhief zich van alle kanten een homerisch geschater, -waaraan zelfs de ernstige Thor zich niet kon onttrekken. - -De schoolmeester echter begreep de oorzaak dezer pret volstrekt -niet. Hij lachte mee en hield ons gelach voor teekenen van bijval. Toen -Brit hem dan ook op nieuw eene nap melk had gebracht, ving hij met -frisschen moed weer aan: - -"Nu wil ik u," zeide hij, "eene zeer geloofwaardige historie verhalen -uit den nieuweren tijd, die ook daarom merkwaardig is, wijl zij -eene profetie bevat van toekomende tijden en gebeurtenissen. Op -de hoeve Flytty in 't hoofdkerspel Lesje leefde een man met name -Jens Ivarszoon, wiens voorvaderen sedert onheugelijken tijd deze -hoeve hadden bewoond. Jens was een nadenkend man, voor iedereen even -gedienstig, altijd bescheiden, en niemand wist ook maar het geringste -op zijn' handel of wandel aan te merken. Op zekeren dag sloeg hij den -weg in naar zijn' saeter in 't Lordal; hij wilde zijne paarden halen -om ze op den akker te gebruiken en hout te vervoeren. Maar waar hij -kwam--op den saeter niet, en hoe lang men ook zocht, hij was nergens -te vinden. Acht jaar na zijn verdwijnen huwde zijne vrouw op nieuw, -en terwijl de bruidstoet zich in de kerk bevond, vertoonde Jens -zich eensklaps op de hoeve, zonder dat iemand had gezien, vanwaar -hij kwam. Hij bleef er slechts een oogenblik en vertrok weer zonder -iemand een woord te hebben gezegd. Van degenen die hem hadden gezien, -zeide nu de een dat het deze, de ander dat 't gene was geweest; maar -allen waren het hierin eens, dat hij precies op Jens geleek. Eer -nog de bruidstoet was teruggekeerd, onttrok Jens zich echter aan -aller nieuwsgierige blikken en vragen, maar toen zijn oudste zoon -met eenige vrienden de paarden naar de weide bracht, liep hij op hem -toe. De knaap herkende zijn' vader niet, en ging voort de beesten -vast te zetten. Nu sprak Jens: - -"Zoo moet ge niet doen, mijn jongen! Ge moet altijd den strik om den -linker voorpoot slaan, anders is 't paard genoodzaakt tegen zijn' -aard in te loopen." - -Dadelijk begreep nu de knaap, wie daar voor hem stond; hij verzocht -zijn' vader hem naar huis te volgen. Jens deed dit, en nauwelijks was -hij 't bruiloftsvertrek binnen getreden, of alle gasten zaten stom van -schrik; want allen hadden hem herkend, en zijne vrouw borst in tranen -uit, smeekte hem om vergiffenis en wierp zich in zijne armen. Jens -troostte haar zoo goed hij vermocht en zeide, dat hij niet gekomen was -om haar verwijten te doen over haar' nieuwen echt; op arglistige wijze -voegde hij er bij, dat hij niet meer deugde voor 't huwelijk en ook -niet op de hoeve kon blijven; zijn doel was alleen de noodzakelijkste -schikkingen te treffen voor zijne onmondige kinderen. Nadat hij dit -had gezegd, verzocht hij het nieuwe echtpaar hunne plaatsen weer in -te nemen. En nu deelde hij, in tegenwoordigheid van al de verbaasde -bruiloftsgasten, mede, wat zijn laatste wil was omtrent het verdeelen -van have en erf onder zijne kinderen, voor zoover dezen daar recht -op hadden, en dit alles werd met hand en mond bezegeld. Daarop wilde -Jens vertrekken, maar men hield niet op, hem te bestormen met allerlei -vragen, waarop hij meerendeels een ontwijkend antwoord gaf. Onder -andere zeide zijne vrouw: "God zij dank, dat gij hier gekomen zijt, -om uw' laatsten wil mede te deelen en te zien, dat uwe afkomst op de -hoeve kan blijven." - -"Ja," antwoordde Jens, "mijne afstammelingen zullen hier blijven -wonen, zoolang dit land bestaat. Maar er zal een slag geleverd worden -op Lillehammer, de hevigste kamp, die ooit op Noorschen grond werd -gestreden: 't bloed der helden zal stroomen over de vlakte, en de -duivel van 't Gudbrandsdal zal beslissen, of Noorwegen langer een -koninkrijk zal heeten. In Frankrijk is den boeren de strijdkolf -ontvallen, maar daar zal hij 't eerst op nieuw worden gezwaaid, -en met zijne verpletterende slagen zal hij overal den toestand der -volkeren omkeeren." - -"En wanneer zal die slag worden geleverd?" klonk de vraag. - -"Wanneer breede wegen door de dalkloven den vijand het binnendringen -licht maken," antwoordde Jens, "en wanneer 't geweld de wetten des -lands zal schrijven, dan zal de vonk van den oorlog tot eene vlam -worden, en Noorwegen en Zweden zullen onder één' schepter komen. Maar -eer dit geschiedt, zal de vuurgloed de schoone vlakte van Sell -verteren en de wateren der Skotte zullen haar bedekken. Dan zullen -de bergen van Noorwegen sidderen en een ekster zal zijn nest bouwen -op den haardsteen van Flytty." - -Na deze en dergelijke opmerkelijke voorspellingen verliet Jens -Ivardszoon de hoeve, en niemand heeft hem ooit meer aanschouwd." - -Onder de laatste vertelling scheen de schoolmeester meer en meer -tot zich zelven te komen. Tegen 't slot sprak hij zelfs beter -dan gewoonlijk, en zijne tong bleek volkomen hare vaardigheid -herkregen te hebben; maar toen hij nu wilde opstaan, begon hij tot -onze verwondering te waggelen. Hij nam afscheid, drukte ons onder -vervaarlijke buigingen allen de hand en ging zijns weegs, "daar hij -zich niet al te wel gevoelde." - -Nadat hij zich had verwijderd, en zijne levenswijze, zijne omgeving en -zijne zonderlinge manieren ruimschoots waren bepraat, noodigde Andries -het vreemde, vriendelijke meisje uit, wat te vertellen. "Ik weet, dat -je heel wat vertellingen kent, Borghild," zeide hij, "en als je wilt, -kun-je goed vertellen ook; kom, vertel eens eene historie. Hoe ging -'t ook weer met de dochter van Steven Aaseng?" - -"Dat is gauw genoeg verteld," zei ze vriendelijk; en een blos van -verlegenheid kleurde het fijne, bleeke gezichtje, terwijl ze zich -tot ons wendde en dus begon: - -"Die Steven kwam van Rolfstad en trouwde de dochter van Aaseng in -'t Hedal. Ze kregen een dochtertje. Maar terwijl ze op zekeren -zomer op den saeter lagen, werd 't kind geroofd en in den berg -gesleept. 't Meisje zal niet ouder geweest zijn dan een jaar of -acht, en de ouders waren bitter bedroefd, want o, 't was zoo'n -lief, vriendelijk kind! Ge moet weten, de Rolfstads zijn nog zoo wat -familie van mij, en grootvader kwam vaak op de hoeve; hij had altijd -den mond vol van haar. Toen ze weg was, zocht men dagen achtereen; -men luidde de klokken voor haar, maar ze was weg en bleef weg, en -kwam niet weerom. Verscheiden jaren later waren eens twee mannen aan -'t visschen in 't Heimdalgebergte, twee mijlen van Valders. Ze hadden -eene hut opgezocht en een vuur aangelegd. Terwijl ze 's avonds laat -nog bij elkaar zaten, kwam er eene vrouw de hut binnen, groot van -stal en vriendelijk van uitzicht. Zij vertelde, dat zij de dochter -was van Steven Aaseng en dat zij vóór vele jaren door de berggeesten -in den berg was gesleept en sedert daar altijd had gehuisd. - -"Maar morgen moet ik trouwen met den reus van Raanaaskamp," sprak zij, -"en nu zou ik zoo graag willen, dat gij een bosje hooi over mijn hoofd -gooidet om mij te verlossen, want word ik morgen niet verlost, dan -moet ik voor altijd in den berg blijven. Wanneer gij op de heuvels -bij de rivier gaat staan, dan kunt gij ons zien, want ik kom van -Trosstemkamp en ga naar Raanaaskamp. Den bruidegom kunt ge dadelijk -herkennen; hij rijdt vooraan op een zwart paard en heeft eene neus -zóó lang, dat ze tot op den zadelknop hangt." - -De visschers beloofden, dat ze den bruidstoet zouden opwachten en een -bos hooi over haar hoofd werpen, en de bruid vertrok. Den volgenden dag -waren de mannen op hun post. Tegen den middag naderde de stoet. Nooit -hadden ze zulke voorname lui gezien, zoo mooi gekleed, en zooveel -vrouwen en jonkvrouwen, in zijde gedost en met zilveren sieraden -getooid. Ze zaten allen op prachtige rossen en voorop reed de bruid, -en de bruidegom had een neus, die tot op den zadelknop reikte. De -visschers stonden als betooverd, want zooveel staatsie en heerlijkheid -hadden ze nog nooit gezien. Toen de stoet vlak bij hen was, keek -de bruid ter zijde. Nu kwamen ze tot zich zelven, maar--ongelukkig -hadden ze vergeten hooi mee te nemen en konden dus niet doen, wat -ze hadden beloofd. Zoo moest de bruid wel met de berggeesten meegaan -naar Raanaaskamp in 't bosch van Lesje, naar den kant van 't Foldal; -en misschien is ze daar nog, als ze niet van verdriet is gestorven. - -"Ja," zeide 't saetermeisje, dat 't laatst was binnengekomen, -"zoo'n historie heb ik ook hooren vertellen van een meisje, dat -Kari heette. Ze lag op den saeter van Graven bij Oier en werd ook -binnen den berg gesleept, maar wist er gelukkig weer uit te komen. 't -Gebeurde op een' avond dat ze 't vee naar huis bracht. Ze was reeds -vlak bij de hut, toen ze een' kleinen jongen tegenkwam, die aanstonds -de beesten naar 't bosch begon terug te jagen, want ze hebben daar een -bosch op den berg. Kari verzocht hem vriendelijk op te houden, maar -'t baatte niet. Nu werd ze boos, begon hem uit te schelden, vloog -op hem toe en wierp hem hals over kop op een hoop waschgoed. Maar -tegelijkertijd struikelde ze, viel en zonk met hem in de diepte. Bij -een groot kasteel kwamen ze terecht; de knaap, dien ze nu begreep dat -onder de berggeesten thuis hoorde, nam haar bij de hand en voerde -haar door verscheiden vertrekken, zóó prachtig, dat Kari nimmer -iets dergelijks had gezien. En muziek hoorde men er, zóó fraai, -als men hier boven nooit verneemt. Men noodigde haar uit te dansen, -bracht haar wijn en dranken en gebak, dat er uitzag als houtspaanders -bij ons, maar Kari weigerde alles en men kreeg niets uit haar dan: - -"Neen, dank-je wel." - -Zoodra Kari verdwenen was en men haar op den saeter miste, zond men -bericht daarvan naar de hoeve. Toen hare ouders dit hoorden, kunt ge -begrijpen, dat ze bitter bedroefd waren. Eerst meenden ze, dat zij -in 't gebergte verdwaald was geraakt en lieten haar overal zoeken, -maar te vergeefs. Nu begonnen ze te begrijpen, wat er van haar was -geworden en luidden de klokken uit den toren van Oier. - -Terwijl ze druk aan 't luiden waren, sprong er in 't bergslot een -oud man met een' langen, langen baard van zijn rustbed op en riep -met eene donderende stem, die door den ganschen berg weerklonk: - -"Smijt haar naar buiten! de belhamels van Oier luiden de klokken, -dat me de kop er van berst!" - -Onmiddellijk werd Kari van een' hoogen zolder uit het kasteel geworpen -en kwam op een moerasland terecht. - -Weg was nu 't kasteel met al zijne pracht. Dicht bij den saeter -vond men haar terug; ze had een' met gras bedekten heuvel bestegen, -toen de menschen, die haar zochten, bij haar kwamen. Zij kreeg nu een -paard om daarop naar Graven te rijden; maar terwijl men op weg was, -sprong ze eensklaps op den grond en begon allerlei vreemde dansen -uit te voeren en wondermooie liedjes te zingen. Zoo mooi zong ze, -dat allen de tranen er van in de oogen schoten. Zij had ze in 't -Hulderslot van de berggeesten geleerd, vertelde ze.-- - -"Nu moet-jij ook iets vertellen, Brit," zeide Andries, die 't er -op scheen gezet te hebben, dat elk eene bijdrage zou leveren tot -'t algemeene onderhoud. "Je weet nog wel wat van Marit Klemmedorn, -de zuster van je grootmoeder; wat gebeurde daar ook mee, toen ze als -veehoedster diende op den saeter van Val, hier in 't gebergte?" - -"Ja, dat heugt me nog best," antwoordde Brit; "toen ik nog klein -was, heeft ze 't vaak verteld en nooit kon ze 't met droge oogen -doen. Eens dan moest ze, vroeg in 't voorjaar, met de kudde naar den -saeter. Nauwelijks was ze daar aangekomen, of er kwam een kerel binnen, -die eene heg moest maken om een' saeter in de nabuurschap; 't was hem -echter te laat geworden en zoo bleef hij daar dien nacht. Marit was -wat blij, want ze was een beetje bang en er was niemand dan zij in -de hut. Eene week of wat later hadden ze al zoo goed kennis gemaakt, -dat ze verloofd waren. Nu gebeurde 't op zekeren morgen, dat ze 't -vee naar de weide moest brengen. Ze gaf eerst de melkkoe te drinken -en maakte toen het jonge vee los. Daarop boog ze zich over 't schot, -dat 't jonge vee van de melkkoe scheidde, heen, om ook deze los te -maken. De koe stond met den kop in den voederbak, maar op eens scheen -ze razend 't worden; ze sprong en schopte van belang. 't Schuim stond -haar om den bek en vruchteloos zocht Marit haar los te maken. En aan -de andere zijde van 't schot stond een groote, vreemde kerel, die -den wijsvinger dreigend naar haar uitstak. Marit schrok natuurlijk -hevig, toen ze dien reusachtigen vent zag, zette 't op een loopen en -riep Gudbrand, die op 't erf bezig was eene schutting te maken, te -hulp. Deze kwam ook oogenblikkelijk, maar hij zag niemand; alleen de -koe was nog razend en 't schuim stond haar om den bek. Na veel moeite -wist hij haar los te krijgen, maar Marit was bewusteloos neergezegen, -en dit kwam, omdat ze Gudbrand alles dadelijk verteld en niet tot den -volgenden dag had gezwegen. Gudbrand moest haar nu naar huis brengen, -maar bij elke beek, die ze over moesten, kreeg ze een' nieuwen aanval -van razernij. Langzamerhand werd ze wel beter, maar nooit kan ze -'t vertellen, zonder dat haar nog de tranen in de oogen kwamen. - -Nu werden er twee oudere veehoedsters naar den saeter gezonden, -Myr-Rönnaug en Gekke-Kari. Die zeiden, dat ze niet bang waren voor de -berggeesten, ze mochten gerust komen. Intusschen had ook de hoedster -van Loms-saeter de berghut betrokken. Deze drie vriendinnen weidden -nu dagelijks met elkander 't vee en waren zoo dartel en dwaas, dat er -geen voorbeeld van was; in dolle vaart joegen ze elkander na over de -heuvels, haalden nesten uit en sloegen de jonge vogels dood. En wanneer -ze op den Valberg waren, riepen ze, dat Tron, die in den berg woonde, -maar op een' Vrijdagavond moest komen, dan zouden ze hem op hare -armen in slaap wiegen; en als ze in 't Kvaernstudal waren, riepen ze -'t zelfde tegen Tjöstul, die daar in den berg huisde, en wanneer ze in -de nabijheid van de bergspits bij Slethö kwamen, riepen ze 't alweer -tegen Kristoffel Pungen, die daar zijn verblijf had gekozen. En als -'s avonds 't werk gedaan was, gingen ze bij elkander zitten op de lage -schutting om 't erf en riepen: "Tron Valberg, Kristoffel Eldförpungen, -Tjöstul Aaheuvel, komt nu maar, we gaan naar bed!" Want geen van -drieën geloofde wat de menschen vertelden, dat er geesten in de bergen -woonden, die zoo heetten. Maar ze zouden wel anders gewaar worden! Op -een' donderdagavond, laat in den herfst, toen alle andere saeters reeds -verlaten waren, zaten de drie vriendinnen bij elkander om den haard en -keuvelden misschien wel over hare vrijers. Op eens vloog de deur open -en daar kwamen drie kleine kereltjes binnen. Zij zeiden geen woord, -de meisjes evenmin, maar met verbazing zagen ze, dat de drie dwergen -op de banken naast haar gingen zitten. Ze hadden lange, blauwe mantels -om en groote roode oogen en lange neuzen. Na een uurtje gingen ze weer -heen, maar den volgenden avond kwamen ze terug en werden al stouter -en stouter; Myr-Rönnaug en de hoedster van Loms-saeter begonnen bang -voor hen te worden en deden menig schietgebedje, maar Gekke-Kari -bleef nog onvervaard. Op een' vrijdagavond verschenen ze op nieuw -en hielden nu zoo verschrikkelijk huis, dat 't niet te zeggen valt; -want 't waren sterke kerels, al waren ze klein. Maar onverwacht kwam -een jager, Per Gynt, de beangste deernen te hulp. Hij schoot Aaheuvel -dood en brak Tron Valberg de ribben; maar Eldförpungen ontkwam door -den schoorsteen." - -Terwijl we na Brit's vertellingen nog eenigen tijd praatten over de -gewoonte, die in deze streek heerscht, om de hoedsters met 't jonge -vee tot laat in 't najaar eenzaam op de saeters achter te laten, -opdat de beesten het ingezamelde mos en het bergvoeder kunnen opmaken, -kwamen een paar van de meisjes, die ons reeds verlaten hadden, lachend -terug en vertelden, dat de schoolmeester tusschen eenige rotsblokken -in was geraakt en op noch neer kon. - -"Dan zal ik hem wel moeten helpen," sprak Hans; "maar ik zou wel -lust hebben met de paarden mee te gaan naar de Ulsöhut, om te zien, -of ge morgen ook rendieren onder schot krijgt." - -"Och, kom, als je dat meent, begrijp ik er niemendal van," zei Brit -lachend. "Marit verlaten, als de schoolmeester hier is?" - -"De schoolmeester zal morgen wel aan geen vrijen denken en overmorgen -evenmin. Hij zou zich liever voor den kop schieten, na zoo'n avondje -als hij achter den rug heeft. Laat ons maar eens gaan zien, hoe -'t met hem staat." - -"Ja, drommels, dat's goed bedacht; ga-jij met de paarden mee," zei -Andries, "dan kan ik bij Thor blijven; we zullen eens zien, of ik -dan geen rendier schiet." - -"Afgesproken," zei Hans, die nu, door Marit gevolgd, den saeter -verliet, om den schoolmeester op de been te helpen. - -Wij schoven de banken naar den haard, maakten hoofdkussens van onze -weitasschen, ransels en kappen, en waren weldra in diepen slaap. - - - - - - - -OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA. - - -Op een' der eerste dagen van Mei, lang voor de jachtwet werd ingevoerd, -togen wij van Tyristrand 't gebergte in, om den volgenden morgen -boschhoenders te schieten op den Skjaersjöheuvel, waar deze jacht -'t voordeeligst beloofde te zijn. We waren met ons vieren, mijn -vriend, de kapitein, ik, een oude jager, met name Per Sandaker uit -het Sognedal, en een vlugge knaap, die twee koppels honden met zich -voerde; na de vogeljacht wilden we op de hazenjacht gaan. Beneden in -'t vlek was 't reeds lente; maar toen we de berghellingen beklommen, -vonden we overal dikke sneeuw in de spleten en kloven. Toch hadden -we een' milden avond en de vogels zongen hun voorjaarslied in het -bosch. In de nabijheid van Ask-saeter, waar wij den nacht meenden -door te brengen, beklommen wij den heuvel, bij alle jagers, die -in deze bosschen rondzwerven, welbekend, om te hooren, waar de -vogels dien nacht hunne slaapsteê hadden opgeslagen. Toen wij den -top bereikt en een ruim verschiet gewonnen hadden, neeg de zon ter -kim, maar schoot nog hare gulden stralen in vollen luister langs den -helderen westelijken hemel. Geen vroolijk en vriendelijk landschap -echter bescheen ze: donkere, eindelooze bosschen en bergvlakten, -slechts afgebroken door bevrozen meertjes en groote moerasvelden, -breidden zich naar alle kanten tot den horizon uit. - -Nog slechts eene korte poos was de zon ondergegaan of we hoorden een -sterk gesuis door de lucht en de zware vleugelslagen van een' vogel, -die zijne rustplaats opzocht. - -"Dat was geen oude vogel," zei de kapitein, toen het dier zich, -zonder eenig geluid te geven, op een' tak nederzette. - -Weldra kwamen nog twee vogels suizend aangevlogen; ook deze zwegen -stil. Maar nu hoorden we nog zwaarder vleugelslag, en nauwelijks had de -vogel zijn' tak opgezocht, of we hoorden hem met den snavel klepperen. - -"Die kerel is niet van gisteren. Die speelt de tweede viool," zei Per -Sandaker, "zoo 't de oude zelf niet is; en dat zou ik haast meenen." - -Daar kwamen nog drie vogels, en voor elk, die den boom opzocht, -klepperde de oude met den snavel. Twee van de drie gaven geen geluid, -maar de derde antwoordde op dezelfde wijs. - -"Dat was een vreempje," merkte Per op; "hij kende den oude niet, anders -had hij den snavel wel toegehouden. Morgen ochtend zal 't hem rouwen, -want, geloof me, de oude weet hem wel te vinden, en hij is niet malsch, -als hij recht op zijn dreef is. Ik heb eens gezien, hoe hij een' -stumper toetakelde, die 't gewaagd had hem tegen te klepperen." - -Terwijl hij dit zeide, schoot er over het open, verweerd gelaat van den -jager een zeer eigenaardige glimlach, die scheen te zinspelen op eene -of andere geheimzinnige historie. Want volgens de korte mededeeling, -die de kapitein mij omtrent hem had gedaan, toen Per Sandaker op onzen -tocht een ommezien achtergebleven was, moest hij zeer sterk zijn in -vertellingen van heksevogels en aardgeesten, en mocht hij graag tot -in de minste bijzonderheden vertellen van de achttien beren, die hij -van zijn leven had geveld. Daarentegen zweeg hij liefst van 't even -groote aantal, dat hij, naar booze tongen zeiden, had laten ontkomen. - -"Maar, wat is dat voor een' oude, daar ge van spreekt?" vroeg ik. - -"Dat zal ik u zeggen," viel de kapitein haastig in, terwijl wij -den weg naar den saeter insloegen. Klaarblijkelijk vreesde hij, -dat mijne overijlde en ontijdige vraag, na zoo korte kennismaking, -Per wantrouwend zou maken en hem een slot op den mond leggen. "Dat -zal ik u zeggen," herhaalde hij. "Daar is een oude boschhaan in deze -buurt, die bij alle jagers uit den omtrek als een toovervogel bekend -staat. Ze noemen hem den "blater"; want in plaats van zich rustig -op een' tak neer te zetten, vliegt hij dikwijls rond tusschen -de boomtoppen, blatende als eene geit. Eerst wanneer hij deze -manoeuvre heeft uitgevoerd, zet hij zich neder om te klepperen en -te slijpen. Maar daardoor ook mist elk het rechte oogenblik om hem -onder schot te krijgen. Hij gebruikt intusschen nog een' tweeden -kunstgreep, die veel erger is. Soms zit hij vreedzaam te klepperen, -maar als men denkt dat hij zal gaan slijpen, vliegt hij op eens naar -een' anderen boom. En brandt men eindelijk los, dan wil 't schot nooit -treffen. De oude Per heeft met zout en zilver op hem geschoten, maar, -stoven hem ook de veeren, hij sloeg er even weinig acht op, als op een -saluutschot. Den volgenden morgen zong hij even snel en even valsch." - -"Ge zoudt even goed op een' steen kunnen mikken," zeide Per op den -toon der volste overtuiging. "Eens trof ik hem aan in den paartijd, -op de vlakten ginds bij Kloppen, midden op den weg, die naar Skoug -leidt; daar zat hij met eene gansche schaar hennen om zich: ik telde -er wel zeven, en nog veel meer zaten er in het bosch; achter iederen -struik hoorde men ze kakelen. En de zeven vlogen om hem heen en rekten -den hals naar hem uit en deden alle moeite om hem te lokken; maar hij -bleef statig zitten, zoo trotsch als een spaansche graaf. Eensklaps -steekt hij den staart op, keert zich om, laat de vleugels om de pooten -sleepen, en springt wel drie voet van den grond. Ik wist toen nog niet, -dat het de oude was, anders had ik hem dadelijk zijn deel gegeven; nu -had ik er plezier in naar hem te kijken. Nauwelijks heeft hij zijne -hen uitgekozen, of daar komt een andere boschhaan--niet half zoo -groot--neerstrijken en werpt zich op hem. Toen ving de grap aan! De -oude stak den staart in de lucht, zijne kam stond rechtop als eene -torenspits, en hij klepperde met den snavel, dat het overal weerklonk, -en de ander antwoordde hem niet minder krachtig--die was ook voor -geen kleintje vervaard! De oude vloog hem in de veeren, en snavels -en vleugels sloegen tegen elkaar, dat het een' aard had. Plotseling -sprongen ze beide op en tegen elkander in, en staken met den snavel -en scheurden met de pooten en sloegen met de vleugels en maakten -'t zoo bont, dat geen van tweeën meer wist, waar hem de kop zat; -makkelijk had ik ze met de handen kunnen grijpen. Maar ten slotte -kreeg de oude de overhand; hij sloeg en havende zijn' vijand, tot -deze het uitgierde van pijn. 't Was zonde van 't wakkere hoen; de -oude wist het onder te krijgen en drukte het tegen den grond, tot het -beest half dood vlak voor mijne voeten kwam rollen. Ik legde aan en -'t hoen lag geveld; maar de oude bleef bedaard zitten en verroerde -zelfs de vleugels niet. Ja, zoo, dacht ik, ben-je zoo zeker van je -zaak, dan zal ik je gauw anders leeren. Ik laadde op nieuw, legde aan, -maar op eens vloog hij op en was verdwenen--maar 'k zal nooit een' -enkelen vogel meer schieten, als hij verder dan tien schreden van -mij af was geweest! Een andermaal was ik weer hier op den berg en -hoorde hem 's avonds zijne slaapsteê opzoeken. Op een' tak van eene -oude spar zette hij zich neder. Ik ging er in 't holste van den nacht -heen, lang vóór een enkele vogel in het bosch ontwaakt was. En toen -hij nu begon te balderen, ontbrak er geklepper noch geslijp aan, en -rustig bleef hij zitten. Toen hij voor de vierde maal zich deed hooren, -naderde ik--hij zat een eindweegs in het bosch. Nu zul-je mijn worden, -dacht ik, want ik had een zilveren tweeschellingstuk half doorgesneden -en daarmee mijn geweer geladen. Maar ja wel, toch was 't mis. Toen -ik losgebrand had, zag ik hem nog even snel wegvliegen, schoon de -veeren er afvlogen. Daar is niets, dat vat heeft op dien kerel!" - -"Toch zullen we hem morgen zoeken beet te nemen, Per; we weten nu, -waar hij zit," zei de kapitein met een spottend lachje. - -"Ja, als er niet één vogel meer in 't bosch was," antwoordde Per, -half boos. "Wil de kapitein hem naloopen, best--maar ik verspil -geen korrel kruit meer aan hem. Want één ding staat vast," ging hij -trouwhartig voort, "zulk balderen heeft nooit iemand meer gehoord. En -dan zoo'n vogel! Kijk, 't is het wonderlijkste dier, dat ik ooit -zag. Hij is niet eens geschapen als een ordentelijke boschhaan, -want hij is stellig anderhalf maal zoo groot, ja, dat is hij zeker." - -"Ge hebt gelijk, Per, 't is een oude bedrieger, die geen schot -kruit waard is," zei de kapitein. "En zijn vleesch is wis zoo taai -en droog als de dennetak waarop hij zit te balderen. Intusschen zou -'k hem toch met plezier zien neertuimelen; dan kwam er een eind aan -dat wonderlijk geklepper, waardoor hij ons zoo vaak bij den neus heeft -gehad. Ik ben hem dikwijls achtervolgd, zonder dat ik iets van zijne -manoeuvres begreep. En een paar malen heb ik zelfs op hem geschoten, -maar op zoo grooten afstand, dat ik hem onmogelijk kon treffen. 't -Is inderdaad, zooals Per zegt, een wonderbare vogel," voer hij voort; -"maar," voegde hij er bij, met een' wenk, dien ik alleen kon opvangen -en die zijn streven verried om Per aan 't vertellen te krijgen, -"als we op den saeter zijn, zal ik een geval vertellen, dat ik gehad -heb met een betooverd haas, dat nog veel krommer sprongen maakte dan -onze boschhaan." - -Weldra hadden wij de eenzame saeterhut bereikt, waar de knaap, -die ons vergezelde, reeds vroeger was aangekomen. Op last van den -kapitein had hij voor luchtverversching gezorgd en een flink vuur -op den haard aangelegd. Toen we onze geweren hadden neergezet, de -weitasschen afgelegd, en ons te goed gedaan aan de voortreffelijke -proviand van den kapitein, begon deze met zooveel ernst in uiterlijk -en toon als hem mogelijk was te vertellen van het betooverde haas. - -"Toen ik nog luitenant was, had ik in zekeren zomer exercitie op -Toten. Ik had honden bij mij om op de jacht te kunnen gaan. Eens -op een' achtermiddag stond ik in de keuken gereed om te gaan jagen, -toen een der knechts binnentrad." - -"Zijn er veel hazen hier in den omtrek?" vroeg ik. - -"Dat gaat wel," antwoordde de knecht. "Maar op de vlakte van Sukkestad -loopt een oude schelm; al heel wat honden en jagers hebben hem -nagezeten, maar 't baat niet, want hij is niet te vangen!" - -En bedenkelijk schudde hij het hoofd. - -"Is hij niet te vangen? Wat is dat voor geleuter? Er zal hier wis -niet één ordentelijke hond zijn. Als mijne hazewinden maar de lucht -van hem krijgen, dan zullen we eens zien," zei ik en klopte mijne -beesten op den rug, die vol jachtlust aan het zeel trokken. - -"Ja wel! We zullen zien," zei de knecht met een' ongeloovigen -grijnslach. - -Onmiddellijk toog ik naar de vlakte van Sukkestad, en nauwelijks -had ik de honden losgelaten, of het haas kwam voor den dag. Nu ging -'t er op los; maar elk oogenblik was het verdwenen, en de honden -noch ik konden er vat op krijgen. Een tijd lang duurde dit spel; -eindelijk verschool het zich in het kreupelhout. Ik zocht overal--daar -verscheen 't weer; ik schoot en schoot, maar 't baatte niets. Nu zette -'t zich bij eene jonge spar neder, tachtig schreden van mij af. Weer -brandde ik los, ik trof en liep heen om het op te rapen; maar toen ik -bij de spar kwam, was er geen haas te zien: ik vond niets dan een' -stok en eene huid. Toen ik den volgenden dag mijn geweer reinigde, -kwam de knecht op mij toe. - -"Hoe is het gegaan met het haas, luitenant?" vroeg hij, terwijl hij -een' spottenden glimlach niet kon weerhouden. - -Ik vertelde hem het geval. - -"Al heel wat honden en jagers hebben hem nageloopen; maar hij is niet -te vangen, geloof mij," zei hij op nieuw op geheimzinnigen toon. "Gij -maakt uw geweer schoon, maar 't zal u niet baten, zou ik meenen; -hij weet zijn lijf wel te bergen." - -"Maar voor den drommel, wat steekt er dan achter met dat haas; heeft -kruit noch lood er dan vat op?" vroeg ik. - -"Wel mogelijk," antwoordde hij; "laat me u zeggen, dat het een -betooverd haas is; maar wat gij gisteren gezien hebt, was slechts zijn -dubbelganger; want zelf verschuilt het zich nooit. Wil ik u een' goeden -raad geven? Neem een' worm--ik zal er wel een voor u zoeken--doe dien -in den loop van uw geweer en schiet het af, dan kunnen we probeeren, -of kruit en lood vat op het haas kunnen krijgen." - -Ik volgde zijn' raad; hij bezorgde mij een' levenden worm, dien ik -in den loop wierp; ik legde aan op den wand, en--daar was niets te -zien dan eene vochtige plek. - -Eenige dagen daarna zwierf ik over de vlakte van Sukkestad. 't Was -vroeg in den morgen. Pas had ik mijne hazewinden losgelaten, of daar -verscheen weer het haas. Ditmaal gaven de honden niet het minste -geluid; in volle vaart vlogen ze het haas na, en nog geen half uur -was er verloopen, of daar kwam 't over de vlakte huppelend recht op -mij af. Ik lei aan en schoot. 't Viel dood op de plek neer en bleek -een groote oude rammelaar, vol litteekens en schrammen; de helft van -'t eene oor was het kwijt."-- - -"Van zulk een haas heb ik ook eens hooren vertellen," zeide Per, -die met de grootste opmerkzaamheid het verhaal van den kapitein -had gevolgd. "Het hield zich hier in Holleia op, naar den kant van -Granbo; men vertelde mij, dat het bijna pikzwart zag. Menigeen had het -nagezeten en er op geschoten, maar niemand wist er raad voor, behalve -Sara-Anders. Hij velde het; maar--hij is ook een kerel uit duizend!" - -"Dat geloof ik wel," zei de kapitein, terwijl hij den knevel -opstreek. "Hij staat overal voor een stout jager te boek. Maar, zeg -eens, Per, was hij 't ook, die dat betooverde haas bij Christiania -schoot, waarvan ge vroeger verteld hebt?" - -"O, ja, dat 's waar ook! Neen, dat was een jager, daar uit den omtrek; -Brandte-Lars, heette hij. Gij zult hem wel kennen," voegde hij er bij, -zich tot mij wendende. - -Neen, ik kende hem niet. - -"Hé, kent gij hem niet? Hij woont toch in een hutje aan den voet van -den berg, vlak bij Greffen. Ik heb hem eens aangetroffen in Halland, -terwijl hij met een stuk of wat groote heeren uit de stad op de jacht -was. 't Was een rare sijs, maar een kerel van een' jager. Op een haas -miste hij zelden of nooit, en een' vogel schoot hij in de vlucht, -zoo goed als de kapitein. Maar we praatten daar over een haas. Dat -geval heeft hij me verteld, en nog veel meer. - -"Eens moest ik, zoo verhaalde hij, met de honden van den ouden -Simensen, op de Kleine Markt, uit, om wild te bezorgen. Hij -had drie honden; de eene heette Rapp; dat was er een, waar de -aardgeesten hoegenaamd geene macht over hebben, want zijn haar was -rood; nu, de andere twee waren ook brave honden, waarachtig! 't -Was op een' Hemelvaartsdag, 's morgens; ik sloeg den weg in naar -Linderud-saeter. Eensklaps stoof Rapp heen; hij maakte een leven, -dat iemand hooren en zien verging. Ik vatte post op eene hoogte. 't -Duurde niet lang, of daar vluchtte een haas vlak langs mij heen. Ik -schoot, maar 't was mis, en Rapp stoof het weer na. Na eene korte poos -vloog het me weer voorbij; ik zag dat het over den rug pikzwart was, -en op nieuw schoot ik mis. - -"Maar, voor den duivel, wat beduidt dat, waarom doen de andere honden -niet mee?" zeide ik; "want Rapp alleen vervolgde het haas. 't Zit -niet richtig hier. Maar nog eens geprobeerd. En voor de derde maal -schoot ik, en voor de derde maal was 't mis, en de beide andere honden -stonden er bij, maar ze verroerden geen' poot. Maar toen heb ik den -haan en het lood gezegend," zeide hij. - -"Hoe deed hij dat?" vroeg ik. - -"Vertel het maar, Per," zei de kapitein. - -"Ja, hij wou er eerst niet voor uitkomen," antwoordde Per, "maar -toen ik hem een paar borrels en eene rol tabak had gegeven, vertelde -hij het." - -"Dan neemt ge een stuk bast van een' sorbeboom," zeide hij, "dat -legt ge tegen den haan, en dan schraapt ge drie spaantjes zilver van -een' schelling; maar 't moet een erfstuk zijn, een van de echte oude -munten, die mee geweest zijn in den oorlog; dan schraapt ge driemaal -den nagel van uw linker pink af, neemt daarna drie gerstekorrels, of, -hebt ge die niet, drie broodkruimels, en stopt dat alles in uw geweer, -dan moet alles dood, wat ge onder schot krijgt, al ware 't de duivel -zelf," zeide hij. "Dat deed ik ook dien keer bij Linderud-saeter," -zei hij, "en toen het haas voor de vierde maal verscheen, schoot -ik en--daar tuimelde het waarachtig neer," zei hij. "En wat was -het? Een klein, mager beestje, zwart van ouderdom. Ik nam het op -en hing het bij de achterpooten aan een' berk en begon het villen, -maar de Heere bewaar' me," zeide hij, "het bloedde als een jonge os, -en mijne hazewinden lekten het bloed van den grond. Ik nam het mee, -maar hoe ik liep, telkens liep ik verkeerd, en altijd bloedde het -beest; tweemaal kwam ik weer bij denzelfden berk te land. 't Is of -daar de drommel mee speelt, dacht ik"--zei hij--"ben ik hier dan -niet zoo goed bekend als thuis? Maar, als 't eenmaal tegenloopt, -dan loopt alles tegen. Ik dacht bij mezelven: ik zal de honden den -weg laten vinden, en dat deed ik; maar, zooals ik een' hoek omsla, -daar zie ik bestemoer staan! Waarachtig, daar stond ze bij een' -kleinen berk, bovenop een' heuvel, met eene huif op het hoofd, een -jak en een' zwarten rok aan 't lijf; ze leunde op een' stok en zag -er precies uit als elke andere vrouw." - -"Lars," sprak ze, "ge hebt heel wat hazen van me gekregen, want ik -mocht je wel lijden. Maar mijn saeterhaas had-je nu moeten laten -loopen. Had-je rooden Rapp niet gehad, je zoudt het ook niet hebben -gevangen." - -"Ik gaf taal noch teeken weerom," zei Lars, "maar toog over het -marschland van Maerre naar Bamsebraaten. Daar liet ik de honden -los. Blaffend vloog Rapp heen en de andere hem na; ik luisterde -een oogenblik, of ook zij zouden blaffen, want 't ging weer naar -Linderud-saeter en ik was niet op mijn gemak. En ja wel, daar hoorde ik -ze alle drie; nu wist ik, dat ze een echt haas nazaten. 't Duurde eene -heele poos, maar eindelijk kwam het haas toch aanzetten. 't Stampte -over den heuvel als een jong veulen, en toen ik 't in het oog kreeg, -leek het wel zoo groot als een geitebok. Ik schoot en trof. Nu ging -ik zuidwaarts naar 't Alunmeer. Daar vlogen mijne beesten weer heen, -en in dollen ren ging het op nieuw naar Linderud-saeter. Want daar -moesten ze nu eenmaal wezen. Eindelijk--'t duurde lang--kwamen ze -terug. Weer trof ik. Nu had ik er drie en dacht: beste Lars, zoo is 't -genoeg voor vandaag, en ik ging naar huis en hing ze op in den kelder -van Simensen. Maar 'k mag zelf zwart worden, als dat kleine zwarte ding -geen drie dagen lang bloedde, zoodat de kelder half vol bloed stond." - -"Ge zeidet straks, dat hier in Holleia een tooverhaas moet zijn -geweest,--'t gerucht wil ook, dat er een groote schat aan edel metaal -hier in de bergen steekt. 't Zou niet kwaad zijn, daar wat van machtig -te worden, wel, Per?" zei de kapitein, die nog meer vertellingen los -wou krijgen. - -"Kom, wat zou de kapitein daarmee doen?" antwoordde Per -hoofdschuddend. "Ge hebt geld genoeg. Een' armen stakker zou 't goed -komen; maar geloof me, men mag er gerust afblijven." - -"Ik vind 't toch vreemd, dat ge er nooit naar gezocht hebt," ging de -kapitein voort. - -"Och, wat zou dat gebaat hebben?" vroeg Per. "Om in de bergen te -wroeten en te spitten, zooals oude Jon Haugen door heel Holleia deed, -daar houd ik niet van." - -"Daar zijn andere middelen om rijk te worden," sprak de kapitein met -een' geheimzinnigen wenk. "Als ge eens goede vrinden werdt met de -bergwijven? Je waart in je jonge jaren waarachtig geen onknap kerel, -Per Sandaker! Wie weet, waar je geluk had gelegen." - -"Ha, ha, ha!" lachte Per, kennelijk ingenomen met den lof, schertsend -door den kapitein aan zijn uiterlijk gegeven. "'k Heb er nooit wat -van geloofd, want ik heb nooit berggeesten of Huldren gezien." - -"Maar er heeft toch in den ouden tijd een bergwijf in Holleia gehuisd," -zei de kapitein. - -"Bah, niets dan kinderpraat. Men heeft 't mij ook meermalen verteld, -maar een zot, die 't gelooft," antwoordde Per. - -"Ja, maar gij kunt ons dan toch wel op de hoogte daarvan brengen; -ge hebt hier toch zoolang rondgezworven. Vertel ons eens, wat ge -daarvan weet; deze stadsman is verzot op zulke histories." - -"Zoo? Nu, ik kan 't wel vertellen, maar gelooven doe ik het niet," -verzekerde Per nogmaals en begon: - -"Ten zuiden van den Hollei-top--ze noemen 't tegenwoordig Holleia, -tusschen Tyristrand en het Sognedal," merkte hij op tot onderricht voor -mij--"zijn er twee bergspitsen, de Groote Spits en de Kleine Spits; -hier, waar ge zit, kunt ge nog even den hoogsten top om het bosch -heen zien. En daar zit zooveel goud en zilver in die bergen, dat er -geen eind aan komt, zooals men zegt. Maar niemand durft er aankomen, -want er huist een oud bergwijf in. Alle schatten zijn haar eigendom -en zij bewaakt ze als een draak, zeggen de lui. Nog veel rijker is -zij dan de koning van den Kongsberg; want eens, toen er heel veel -zilver uit den Kongsberg was gehaald, kwam de koning naar buiten en -zei tegen de gravers: - -"Neen, nu kan ik jelui niet langer beneden dulden, want als je zoo -voortgaat, houd ik niets over. Je plundert me geheel uit. Gaat nu -maar naar mijne zuster, Guri Knutan in Holleia, die is tienmaal rijker -dan ik." - -"Dus is Guri Knutan ook de zuster van den Egeberg-koning," merkte -ik op. - -"Den Egeberg-koning? Wat is dat voor een? Is die misschien uit -Christiania?" vroeg Per. - -Ik vertelde hem nu de sage omtrent den koning van den Egeberg en zijn' -uittocht in 1814. - -"Ja, zoo; ja, die was dan een broer van 't wijf, daar ik van sprak," -zei Per trouwhartig. - -"Ik heb ook wel hooren vertellen van een'," ging hij voort, "die -zijne bergwoning verliet, omdat hij het schieten en geraas niet -kon uitstaan. Maar die hoorde in dezen omtrek thuis. Of dat nu de -man van deze Guri was of een ander, dat weet ik niet, maar 't moet -ook een van de lui zijn geweest, die in de bergen huizen en daar -hunne schatten hebben opgestapeld. Dat ging zóó toe. In den tijd, -toen men de eerste groeven ontgon in Skoug-marken, woonde er eene -vrouw bij de Langesjö-beek, die tusschen 't Sognedal en Tyristrand -stroomt. Die vrouw heette Rönnau en daarom noemde men haar Rönnau -Skougen. Omstreeks St. Jan, 's morgens in de vroegte, wiesch ze kleeren -in de beek en zag op eens een verbazenden hoop zilveren voorwerpen, -borden en schotels, lepels en vorken en allerlei keukengeraad; al -die dingen lagen op den bodem der beek en blonken en schitterden -in de zon onder het water. Op 't gezicht van al dien rijkdom werd -ze als betooverd; ze ijlde naar huis, om eene mand te halen, ten -einde daar alles in te bergen. Maar toen ze terugkwam, was alle -pracht en pronk verdwenen. Zelfs geen blanke zilverschelling was -overgebleven; ze bespeurde niets dan het heldere water, dat met -zilveren weerschijn over de steenen huppelde. Eene poos later begon -men daar in Skoug-marken de kopergroeven te ontginnen; toen was er -voortdurend zulk een verschrikkelijk geklop en gehamer, zulk een -vervaarlijk leven, dat iemand hooren en zien verging. Op zekeren -avond, laat, ging Rönnau van de beek naar huis. Daar ontmoette ze een' -stevig man op een groot, zwart paard. Voor hem uit gingen karren met -allerlei goederen en kudden zwijnen en ander vee. - -"Goeden avond, Rönnau," zeide de man, "ik ga weg." - -"Dat zie ik, vader, maar waarom?" vroeg Rönnau. - -"Och, ze houden zoo vreeselijk huis in de groeven, dat mij 't hoofd -er schier van berst. Ik kan 't niet langer uitstaan; daarom trek ik -naar mijn' broeder in Thelemarken. Maar hoor eens, Rönnau," zeide hij, -"waarom woudt ge juist al mijn keukengeraad hebben, toen ge zooveel -zilver op den bodem der beek zaagt liggen? Hadt ge u tevreden gesteld -met zooveel als ge in uw' schoot kondt bergen, dan ware 't u niet -ontgaan!" - -"Sinds dien tijd," zeide Per, "heb ik, noch iemand, iets dergelijks -gehoord of gezien, 't zij ze inderdaad zijn gevlucht of zich schuil -houden. Want ze durven zich niet meer vertoonen, nu de menschen niet -meer aan hunne duivelskunsten gelooven." - -"Daar zegt ge eene grooter waarheid, dan gij zelf vermoedt, beste -Per," viel de kapitein uit. "Menschen, die voor wijzer doorgaan dan -gij of ik, zeggen precies 't zelfde. Intusschen moogt ge er wel wat -van vertellen." - -Op herhaald aandringen van den kapitein kortte Per ons den ganschen -nacht den tijd met sagen, sprookjes en jachtvertellingen. Af en toe -gaf ook de kapitein een jachtavontuur ten beste, waarin meestal eene -vrij duidelijke zinspeling voorkwam op Per's ongelukkige berenjachten; -deze zette dan zijn gezicht in de onnoozelste plooi en krabde zich -achter het oor. Soms ook kneep hij schalks het eene oog toe en zeide: -"Die was voor jou, Per Sandaker, steek hem in den zak." - -Tegen middernacht legden we ons op een paar banken aan den haard ter -rust en genoten een' korten sluimer. Toen wij ontwaakten, zeide Per, -dat het tijd was te vertrekken. 't Was tamelijk koud; de sneeuw was -door de vorst hard geworden en kraakte onder onze voeten. De lucht -was donkerblauw en zoo helder, als men op een' voorjaarsdag slechts -verlangen kon; eenige witgekleurde wolken, die zachtkens uit het zuiden -kwamen aandrijven, spelden de kilheid des nachts een spoedig einde. - -De maan stond dicht aan de kim. In stede van ons pad te verlichten op -den nachtelijken tocht, wierp zij slechts haar' vriendelijk schijnsel -op de toppen der bergen en boomen in 't verschiet; tusschen de sparren -heerschte een geheimzinnig half-donker, dat de schaduwen tot in 't -oneindige verlengde, allerlei fantastische vormen schiep tusschen de -stammen, en het bosch dubbel verlaten, eenzaam en huiveringwekkend -deed zijn. - -Alleen het roodborstje brak met zijne zachte tonen de doodsche stilte -des wouds. - -"Daar zingt de vogel, die 's morgens 't eerst ontwaakt," zeide Per. "Nu -zal 't niet lang meer duren, of er komt leven in het bosch; we mogen -ons wel wat haasten." - -"We hebben nog tijds genoeg, beste Per," sprak de kapitein; -"het bosschhoen paart het liefst op de hoogten tusschen ons en het -Löndal-moeras, en ik denk, dat er niet veel van 't minnespel zal komen; -het is te koud." - -"Straks wordt het zachter," antwoordde Per op stelligen toon. "De -wind loopt zuidelijk en 't paren zal te drokker gaan, naarmate de -vorige nachten kouder zijn geweest. We krijgen nog een' heerlijken -zonneschijn. Hoor maar, hoe vroolijk de houtsnip kweelt! Zij verwacht -mooi weer. En daar hoor ik de watersnip. Ja, wis wordt het goed weer," -besloot hij op den toon der overtuiging. - -Wij vernamen nu het eigenaardig geluid der houtsnip, niet ongelijk -aan 't herhaald gekwaak van een' kikvorsch, gevolgd door een scherp, -snijdend gefluit, en zagen bij de zwakke stralen der ondergaande -maan de eene schaduw na de andere over de boomtoppen glijden. Wij -hoorden het onaangenaam geblaat van de watersnip of het bokje, nu -eens nabij, dan weer ver weg, nu eens hoog in de lucht, dan weder -vlak boven ons, nu plotseling, naar 't scheen, aan ons oor, dan van -allen kant, zonder dat we den vogel zelf echter in 't oog konden -krijgen. Op eens overstemde de wilde, doordringende kreet van den -reiger alle andere vogelen. 't Was of een schrik allen beving, want -eensklaps zwegen ze en de plotselinge stilte deed ons zijn geschreeuw -nog onaangenamer in de ooren klinken. Daar hief de leeuwerik zijn -helder, vroolijk morgenlied aan, dat in den nachtelijken schemer aan -'t rijzende daglicht deed denken en een blij contrast vormde met de -spookachtige vlucht en 't krijschend geluid der nachtvogels. - -"Daar luidt reeds de klok voor de boschhoenders," sprak de kapitein; -"als de leeuwerik zijn lied aanheft, begint de boschhaan zijn' -morgenpsalm te zingen op den tak. Laat ons hier nu een weinig toeven; -we zijn niet ver meer van de vogels, die gisteren 't laatst zijn -aangekomen. Als we dichterbij kwamen, zouden wij ze licht verjagen." - -Nadat er luttel minuten waren verloopen, hoorden wij een' vogel op -een paar honderd schreden van ons af. - -"'t Zou me verwonderen, als dat niet de kerel was, waar 'k van sprak," -zeide Per. "Stellig zal hij boeten; de oude pleegt niet kort van -memorie te zijn." - -De kapitein liet mij de keus, of ik naar den kant wilde gaan vanwaar -wij 't geluid hoorden, of meer noordop, waar hij onderstelde, dat -jonge vogels genesteld waren. Ik koos het eerste. De kapitein trok -noordwaarts. Per en ik slopen zachtkens in de richting, waar wij 't -geluid hadden vernomen, en zochten met de uiterste behoedzaamheid de -sneeuw en de krakende takken te vermijden. Toen wij voor 't eerst weer -het eigenaardig geslijp hoorden, hielden we ons een ommezien stil, -maar onder elk volgend slijpen, onmiddellijk na het geratel, kwamen -wij twee, drie schreden nader. Onder het ratelen zelf stonden we -natuurlijk onbewegelijk. Nadat we zoo den boom, waarin de boschhaan -zat, tot op veertig of vijftig schreden waren genaderd, hoorden -wij, dat een vogel met veel geraas daarheen vloog en zich op een' -tak neerzette. 't Klepperen der snavels en 't slaan met de vleugels -verkondigde, dat de oude het voorspelde vijandelijk bezoek bij zijn' -vreemden medeminnaar aflegde. Onder den strijd sprongen wij eenige -passen vooruit; krachtige vleugelslagen bewezen ons spoedig, dat de -oude eene gemakkelijke zege behaald en den vreemden indringer op de -vlucht had gejaagd. Een ommezien was 't stil; daar kakelde een wijfje -en dadelijk begon de boschhaan te balderen; hij klepperde en gorgelde, -maar nauwelijks hadden we den voet opgelicht om naderbij te springen, -of hij sloeg de vleugels uit en vloog naar een' anderen boom, waar -zijn hernieuwd gebalder ons scheen uit te lachen. - -"Ik wist het wel," zeide Per wrevelig. "De oude is weer bezig. 't -Baat niets ter wereld, hem te vervolgen; men zou even goed jacht -kunnen maken op eene wolk bij stormweer. Laat ons verder noordop -gaan, daar zitten verscheiden vogels; licht is er één onder, die -den bek durft opendoen, schoon ze alle bang zijn voor dat ondier, -dat de duivel hale!" - -"Weet ge, waar de oude pleegt te paren?" vroeg ik. - -"Ja, dat weet ik wel," antwoordde Per. "Hij paart altijd in eene -spar op een' kleinen heuvel, hier beneden ons; maar ge krijgt hem -daar toch niet onder schot, want de spar is veel te hoog." - -"Daar moeten we heen," zeide ik; "maar we kunnen eerst wel wat -noordwaarts gaan." - -We trokken een eindweegs in de voorgenomen richting, voorbij een' -reusachtigen steen, dien Per Mjölne-Ragnhild noemde, langs den -zuidelijken zoom van 't Löndal-moeras. Doch we hoorden geen' enkelen -vogel. Per Sandaker begreep volstrekt niet, waar ze mochten gestoven -zijn, maar kwam eindelijk op het vermoeden, dat het gevecht van den -oude met het vreemde hoen ze alle had verjaagd. Reeds begon 't te -dagen, toen wij een schot hoorden in het noorden op den Sandtjaernberg, -waar Per vertelde, dat de kapitein en hij hun aas plachten neer te -leggen, wanneer ze op de berenjacht waren en vanwaar men spoedig -'s mans saeter en zijne woonplaats in 't Sognedal kon bereiken. Een -oogenblik later hoorden wij een tweede schot, dat, naar Per verzekerde, -evenals het vorige uit de buks van den kapitein kwam. Terwijl wij -over 't moerasland naar de aangewezen spar gingen, waarheen Per -mij met tegenzin volgde, kon hij niet langer zijne ergernis over -onze ongelukkige jacht verkroppen, maar mompelde bij zich zelven: -"Alles kruit verspillen--neen, neen--de kapitein--dat 's eerst een -kerel--hij heeft er al een--twee misschien--Sara-Anders was het -niet--neen, stellig kwam 't van den kapitein." - -"Troost je, Per," sprak ik. "Als 't ons eens lukte, den oude te -schieten? Die is meer waard dan alle andere te zamen." - -"Dan moest ge een duizendkunstenaar zijn," antwoordde Per. "Maar hij -is te slim en geen kruit kan hem deren, geloof mij." - -Toen wij, het bevroren moeras over, den heuvel hadden beklommen, -deed ik, met 't oog op de moeite, die 't kon inhebben, den vogel te -treffen, wanneer hij naar alle waarschijnlijkheid zich in den top der -spar nederzette, de hagelkorrels uit mijne buks en laadde op nieuw -met een hagelpatroon, van ijzerdraad omwoeld. Per ontging dit niet, -maar hij schudde het hoofd en merkte twijfelend op: - -"Ge meent zeker, dat dit helpen zal!" - -"We zullen zien," antwoordde ik even kortaf. - -De heuvel, waarop wij ons bevonden, lag als een eilandje midden in het -uitgestrekte moeras. Op den top verhief zich de spar, een ontzettend -hooge mastboom, vol knoesten van afgehouwen takken. Aan den oostkant -stond eene andere, die wis even reusachtig was geweest, maar zich thans -over 't moerasland heen kromde; de stormen hadden zijn' top vernield, -slechts de onderste, bijna naakte takken waren overgebleven en strekten -zich als forsch gespierde reuzenarmen naar den helderen hemel uit. De -zon was opgekomen; zij verguldde de bergruggen en wierp haar' glans -op de donkere pijnbosschen. Maar nog lag 't Skjaersjö-moeras, dat -zich naar 't zuiden uitstrekte, zoover het oog kon reiken, in donkere -schaduwen gehuld. De houtsnip, het bokje en alle nachtvogels waren -ter rust gegaan; de vroolijke boschzangers daarentegen deden in den -klaren morgenstond hunne jubeltonen weerklinken, de sparrevink liet -zijn' eentonigen slag hooren, beukvinken en winterkoninkjes kweelden -boven ons hoofd, de boschhanen balderden lustig, de lijster zong -uit volle borst spotliedjes op al zijne makkers, doch viel soms ook -plotseling in 't sentimenteele en kweelde zacht en zoetelijk eenige -weemoedige strofen. Aan gene zijde van 't moeras zat een boschhaan -uit alle macht in een' boomtop te balderen. Eenige hennen trachtten -hem al kakelend tot zich te lokken en deden een heesch neusgeluid -hooren, dat den woudgangers even liefelijk in 't oor moest klinken, -alsof bestemoer ons de jonge liefde en de teedere aandoeningen harer -kleindochter wilde vertolken. - -Wij stonden in 't dichte kreupelhout op den kleinen heuvel verborgen -en verwachtten elk oogenblik den vermaarden boschhaan. Maar de oude -verliet noode zijn' harem. Eindelijk, toen de zonnestralen den top der -spar beschenen, kondigde het gesuis van zware vleugelslagen zijne komst -aan, doch hij zette zich niet, zooals we hadden vermoed, in den hoogen -boom boven ons hoofd, maar in de toplooze spar, die over 't moerasland -helde. 't Was inderdaad een prachtige vogel, een stout kampioen, zooals -hij daar op den naakten tak zat, met zijne glinsterende, lichtgroene -borst, schitterend in den zonneschijn. Eene hen vloog hem na en zette -zich in den top boven ons. Op 'tzelfde oogenblik maakte de oude zich -tot het spel gereed, hief de keelvederen omhoog, liet de vleugels -over de pooten vallen, deed onder golvende bewegingen met den hals -statig eenige schreden voorwaarts op den tak en begon te balderen, -waarbij hij den breeden staart uitsloeg als een rad. Ik stond met den -vinger tegen den haan en wachtte gespannen het beslissend oogenblik, -dat hij zijne vleugels ter vlucht zou uitspreiden; de groote vlakte, -die zich voor ons uitstrekte, schonk mij voortreffelijk gelegenheid -tot een zeker schot. Maar onder 't gekakel der hen balderde de oude -lustig door en was reeds op nieuw met zijn geratel begonnen, toen er -een tak kraakte onder mijn' voet. De hen stiet een scherp, waarschuwend -geluid uit; maar de oude was thans zoozeer in vervoering, dat hij den -welmeenenden raad in den wind sloeg en voortging met slijpen, tot zijne -trouwe minnares hare rustplaats verliet, hem te gemoet vloog en hem -van den tak naar beneden scheen te willen stooten. Opmerkzaam geworden -op hare waarschuwing, bereidde nu ook hij zich ter vlucht. Maar mijne -buks was gericht en, met den kop omlaag, stortte de trotsche vogel -neder op 't moerasland. Zijn doodstrijd was licht; slechts een paar -malen bewoog hij de vleugels. - -Per sprong heen en nam den vogel op; over zijn gelaat vloog eene -schaduw van ontzetting, die echter spoedig plaats maakte voor een' -blijden glimlach van bewondering. Hij schudde met het hoofd en zeide: - -"Neen, dat zou 'k niet geloofd hebben, al had de kapitein zelf -'t gezeid, want 't is wel de rechte. Ik ken hem aan den bek: zoo'n -gelen, krommen, mooien snavel heeft geen enkele vogel in den ganschen -omtrek. Zie eens, hoe groen zijne borst is; hoe ze glinstert en -glanst! En wat is hij stevig en zwaar!" voer hij voort, terwijl hij -onder bijna kinderachtige uitbarstingen van blijdschap den vogel op -de handen woog. "Ik lieg niet, als ik zeg, dat hij dertig marken -weegt. Drommels, dat was een schot! Wat zal de kapitein in zijn -schik zijn! Ho! ho, hierheen!" schreeuwde hij, dat 't overal tusschen -de bergen weerklonk. Weldra verscheen de kapitein op 't marschland, -gevolgd door den knaap, die zich met de honden bij hem had gevoegd. Zij -droegen elk een boschhoen. Zegepralend hief Per onzen buit omhoog en -riep reeds van verre: - -"Daar hebben we den ouden schelm, kapitein!" - -"Wat zeg-je, kerel?" riep deze en kwam vol drift naar ons toe. "Is -dat de oude? Dat is een prachtig schot geweest; daar kan een hartige -dronk op staan." - -"Vivant alle vogel-republieken, pereant de tirannen!" riep hij uit, -toen hij de veldflesch en een' zilveren beker uit zijne weitasch had -gehaald en ons eene teug bood. - -"Nu, heb ik niet gezegd, dat de kapitein schik zou hebben?" zeide -Per lachend en grijnzend, terwijl hij, met de oogen knippend, eene -stevige teug nam uit den beker, die hem werd gereikt. "Nu kan de -jacht eerst goed worden, nu we dat duivelskind kwijt zijn." - -Nadat wij van weerszijden onze ontmoetingen hadden verhaald, werden de -honden losgelaten. Vroolijk jachtgeroep weergalmde door 't woud. Weldra -hadden wij dit bereikt, en nu ging 't voorwaarts met verlangen en -lust. Duizendvoudig deed de echo het hondgeblaf weerklinken door -'t gebergte, en 't hart zwol van vreugde bij de genotvolle jacht in -den zonnigen morgenstond. - - - - - - - -EENE TOOVERHEKS. - - -Een eind van den straatweg, midden in het Gudbrandsdal, lag voor eenige -jaren op eene hoogte eene hut. Misschien ligt zij er nog. 't Was -een zachte Aprildag; de sneeuw begon te smelten; de beken stroomden -bruisend door de dalen; de velden werden zichtbaar; de lijsters -sprongen van den eenen tak op den ander; alle bosschen waren vol van -het gekweel der vogels: kortom, alles gaf hoop op eene voorspoedige -lente. In den reusachtigen beuk en de hooge sorbeboomen, wier naakte -takken zich boven 't dak der hut uitstrekken, hadden eenige meezen het -verbazend druk, en een beukvink zat in den top van den beuk uit volle -borst te zingen. Maar binnen in de berookte hut zag het er somber -en armoedig uit. Eene boerin van middelbaren leeftijd, die er zeer -gewoon en dom uitzag, was bezig het vuur aan te blazen, dat bestond -uit eenige takken en ruwe stukken brandhout, die onder den koffiepot -op den haard lagen opgestapeld. Toen haar dit zoo goed als gelukt was, -stond zij op, wreef zich de rook en asch uit de oogen en sprak: - -"De lui zeggen, dat lood smelten niet baat, want het kind, zeggen -ze, heeft de engelsche ziekte niet; het is een wisselkind. We hadden -hier dezer dagen een' leerlooier, die dat ook zeide, want toen hij -nog een jongen was, had hij in Ringebu eens zoo'n kind gezien, en -dat was even mager en gebrekkig als dit." - -Terwijl ze dit zeide, las men op haar gelaat eene uitdrukking van -bekommernis, die bewees, welk een' indruk de uitspraak van den -leerlooier op haar' bijgeloovigen geest had gemaakt. - -De vrouw, tot wie zij 't woord richtte, mag omtrent zestig jaar zijn -geweest en was grof van lijf en leden. Zij was buitengewoon groot -van stal, maar terwijl ze zat, scheen ze eer klein dan middelmatig -van lengte, en aan deze eigenschap had zij 't te danken, dat men -bij haren naam Gubjör den scheldnaam Langpoot had gevoegd. Grijze -haren kwamen onder hare muts vandaan, die een donker gelaat omlijstte -met borstelige wenkbrauwen en een lange aan de spits sterk gekromde -neus. De bekrompenheid van geest, die sprak uit het lage voorhoofd -en het breede aangezicht, stond in lijnrechte tegenstelling met -den onmiskenbaar listigen blik harer kleine, scherpe oogen en de -terugstootende valsche trekken van haar rimpelig gelaat. Uit hare -kleeding bleek, dat zij uit eene noordelijker streek afkomstig was; -haar gezicht en geheel haar doen verrieden de tooverheks, of ten -minste de landloopster, die, naar omstandigheden, nu eens stout -en onbeschaamd, dan weer vleiend en kruipend kon zijn. Terwijl de -boerin sprak en met het bereiden der koffie bezig was, hield Gubjör -eene soort van hangmat, waarin een wicht van ziekelijk voorkomen lag, -in beweging, door er nu en dan met de hand een' stoot aan te geven. - -Met vaste stem en op een' toon van gezag beantwoordde zij de opmerking -der boerin, schoon hare fonkelende oogen en de trillende spieren om -den mond bewezen, dat ze alles behalve ingenomen was met de verklaring -van den leerlooier. "De menschen," zei ze, "kallen zoo dikwijls over -dingen, die zij niet verstaan, beste Marit Rognehaugen; ze praten -over al, wat los en vast is; en de leerlooier weet misschien veel -van schapenleer, maar van engelsche ziekte en wisselwichten weet hij -niemendal--dat zeg ik, en daar blijf ik bij. Ik zou meenen, dat ik -wel weet, hoe wisselkinderen er uit zien, 'k heb ze vaak genoeg onder -handen gehad. Dat kind, waar hij van praatte, was zeker het kind van -Brit Briskebraaten van Fron, want die bezat er zoo een en....ja, -'t zal wel zoo wezen--daar had de leerlooier 't over. Zij kreeg -'t spoedig na haar trouwen, want eerst had ze een heel lief kind; -maar dat werd verruild met een heksenkind, zoo leelijk en woest -als de duivel zelf. Nooit kon men 't een woord uit de keel krijgen; -'t deed niets dan eten en schreeuwen. Toch dorst Brit het niet slaan, -of het ook maar 't geringste leed doen; maar de een of ander, wie weet -ik niet, leerde haar eenige middeltjes, die van krachtige uitwerking -moesten zijn, en werkelijk bereikte zij hiermee haar doel. Zij dreigde -het kind, dat de reus het naar de hel zou sleepen, noemde het een -hellewicht en een' heksenjongen, wenschte het waar het vandaan was -gekomen, ja, waagde 't eindelijk het duchtig met den bezemsteel om -de ooren te slaan. Maar terwijl ze dit deed, werd de deur wijdwagen -opengesmeten en binnen vloog--ja, ze zag niets--maar toch kwam er -een binnen en pakte 't wisselkind mee en wierp haar eigen kind zoo -onzacht op den vloer, dat het kreet van pijn. - -"Of misschien was 't het kind van Siri Strömhugget? Dat was zoo mager -als een tachtiger; 't mocht ook kreupel zijn, maar op uw kind leek -'t evenmin als op mijne oude muts. Ik herinner 't mij zoo goed als -de dag van gisteren; toen ik nog bij den klokkemaker diende heb ik -'t meer dan eens gezien, en mij heugt ook nog heel goed, hoe ze er -aan kwam en hoe ze 't kwijt raakte. Ieder had er den mond vol van; -want Siri kwam uit den vreemde. Toen zij nog eene deerne was, diende -zij op Kvam, en 't heugt me nog klaar, hoe ze dan naar Gaupeskjelplads -ging, waar hare ouders woonden. Sedert kwam zij op Strömhugget in -dienst en trouwde met Ola, den zoon van den meester der hoeve. - -"Toen ze de eerste maal in 't kinderbed lag, kwam er een vreemd wijf -het vertrek binnen, nam het kind weg--dat pas een paar dagen oud -was--en lei er een ander voor in de plaats. Siri wilde 't bed uit om -haar kind te redden; ze spande alle krachten in, maar te vergeefs: -zij kon zich niet verroeren, want ze was behekst. Zij wilde hare -schoonmoeder, die buiten was, te hulp roepen, maar de woorden bleven -haar in de keel steken en zoo benauwd werd ze, of men haar het mes -op de keel had gezet. 't Schepseltje, dat 't wijf had achtergelaten, -was een wisselkind, dat bleek zoo klaar als de dag. Want het was -gansch anders als gewone kinderen: het deed niets dan schreeuwen en -krijten, of men 't met messen stak, en het schopte en sloeg om zich -heen als eene Hulderkat. 't Was een recht duivelskind. Eten weigerde -'t hardnekkig. En de arme moeder wist volstrekt geen raad om het van -den hals te krijgen. Maar nu deed men haar eene vrouw aan de hand, die -in zulke zaken ervaren was. Die ried haar, het wicht op den mesthoop te -leggen en 't dan met een' dikken berketak duchtig te rossen. Dat moest -ze drie donderdagavonden aaneen doen. Ze deed het ook en ziet--den -derden donderdagavond kwam er een wijf over het dak aanvliegen; het -smeet een kind op den mesthoop en scheurde haar eigen daar af. Maar -op 't zelfde oogenblik sloeg zij Siri op de vingers, dat deze er nog -litteekens van draagt; en die litteekens heb ik met mijne eigen oogen -gezien," voegde Gubjör er bij tot bevestiging van haar verhaal. "Neen, -dit kind heeft net zooveel van een wisselwicht als ik zelf;--en hoe -zou het ook mogelijk zijn geweest het te ruilen?" vroeg zij. - -"Ja, dat zou 'k evenmin weten," zei de boerin trouwhartig, "want -ik heb bevergeil in de wieg gehad; ik heb er vuur boven gebrand; ik -heb er 't teeken des kruises over gemaakt; ik heb eene gesp in het -hemd van mijn kind genaaid, en dat mes, daar, heeft boven de deur -gezeten. Zoodat ik niet weet, hoe 't zou kunnen gestolen zijn." - -"Wel neen, dan zijn ze machteloos; bij mijne ziel, geloof me," voer de -tooverheks voor, "ik weet dat wel. Ik had voorheen eene goede kennis op -een dorp bij Christiania. Die had ook een kind, dat ze door allerlei -middelen zocht te beveiligen: zij sloeg een kruis boven de wieg, -lei er vuur boven aan, deed bevergeil er in--alles naar haar beste -weten, want men hoorde vaak van tooverij en duivelskunsten daar in -den omtrek. Op zekeren nacht lag ze met het kind vóór zich te bed; -haar man lag tegen den wand der bedsteê. Pas zijn ze ingeslapen, -of de man ontwaakt en ziet een' rooden schijn in 't vertrek, juist -of er iemand met de asschop het vuur samenrakelde. En daar was er -ook werkelijk een aan het vuurrakelen; want toen de man een' blik -op den haard sloeg, zag hij een oud man zitten, zóó leelijk, als hij -nog nooit iemand had gezien, met een' baard, die hem tot op de knieën -hing. Toen het vuur helder opflikkerde, begon de oude de armen naar -het kind uit te strekken, maar wat hij deed, hij kon 't niet bereiken, -en van zijn stoel rijzen kon hij evenmin. Zijne armen werden zóó lang, -zóó lang, dat ze tot midden in het vertrek reikten; maar van zijne -plaats kwam hij niet. Dat duurde eene heele poos; de man lag stom -van schrik en wist geen raad. Nu hoorde hij aan het venster tikken. - -"Kom dan, Per," sprak eene stem. - -"Houd den bek!" zei de oude, die aan den haard zat. - -"Ze hebben het kind gezegend; daardoor kan ik het niet krijgen." - -"Kom dan maar mee!" klonk het weer buiten. Dat was 't wijf van den -oude, die het wicht zou rooven. - -"Neen, kijk me dat lieve schaap eens aan!" zei de tooverheks vleiend, -terwijl ze het kind, dat ontwaakt was, uit de wieg nam. 't Knaapje -scheen intusschen niet zeer ingenomen met hare liefkoozingen, -want het toonde zich zeer weerbarstig en begon te krijten, als ze -'t onder een akelig gegrijns wilde streelen. "Het is zoo blank en -mooi als een engeltje; een beetje mager is 't wel--dat moet gezegd -worden--maar wie het een wisselwicht noemt, is voor zijne eerste logen -niet opgehangen! Neen, moeder, de engelsche ziekte is het," zei ze -met den klem der overtuiging, terwijl ze zich tot de moeder keerde; -"'t is de engelsche ziekte, anders niet." - -"Stil, stil! hoor 'k daar geen geklop tegen den wand? De hemel sta -me bij, als dat Truls eens ware!" riep de boerin op eens, terwijl ze -beefde van schrik op 't denkbeeld, dat haar man haar mocht verrassen -onder het koffiepraatje met de tooverheks. IJlings sprong ze op de -deur toe, opende die en keek naar buiten; maar er was niemand, dan de -cypersche kat, die op de jacht was geweest in de vochtige elzenstruiken -en nu de natte pootjes afdroogde. Truls was 't dus niet; maar tegen -den zonnekant van 't huis zat eene specht te tikken, om de insekten -uit haar winterslaap te wekken. Elk oogenblik draaide zij den kop om, -of ze naar iemand keek, maar ze wachtte slechts op eene regenbui. - -"Is er iemand?" vroeg de tooverheks. "Zoo," ging ze voort, toen er -een ontkennend antwoord was gevolgd, "laat dan de deur openstaan en -kom hier zitten; dan kunnen we uw' man zien aankomen; ge wacht hem -immers van dezen kant?" - -"Hij is met de slee uit om blaren te halen voor de geiten," antwoordde -de boerin. "Maar ik ben zoo bang, dat hij ons zal overvallen. Onlangs -merkte hij, dat gij hier geweest waart; er was toen geen huis met hem -te houden, zoo stoof hij op. Hij vroeg me, of ik dan geen' schelling -meer in den zak had om naar den dokter te gaan, en zwoer, dat hij van -zulke kwakzalverij en bovennatuurlijke kunsten nooit meer wou hooren; -want hij gelooft aan niets meer, sedert hij met den schoolmeester van -'t dorp heeft omgegaan." - -"Naar den dokter gaan? Bah!" zei de tooverheks met een verachtelijk -gebaar. "'t Baat ook wat, als de armoê den dokter haalt. Kan men -niet diep in de beurs tasten, dan wordt men behandeld als een hond, -maar niet als een mensch! Hoe ging 't, toen Geertruid Kostebakken met -den dood op de kaken lag, nadat ze reeds twee etmalen lang in arbeid -was geweest? De dokter vierde het kerstfeest bij den secretaris, en -naar de arme ziel keek hij niet om, voor men dreigde hem te zullen -aanklagen bij den bisschop en den schout. Hij had wel heelemaal -weg kunnen blijven, want toen hij kwam, was ze reeds dood. Naar -den dokter gaan, als 't kind de engelsche ziekte heeft; ge kunt er -evengoed den duivel bijroepen. Neen, God beware me", ging ze spottend -voort, "ik houd u niet tegen--ga er gerust heen! Maar als hij u, zie -zóóveel helpt--dan mag ik geen enkel mensch meer gezond maken in mijn -leven. Och, ze weten niets van de engelsche ziekte, want daar staat -niets van in de boeken; voor die kwaal is geen kruid gewassen, dat -weten ze wel, en daarom geven ze er dan ook geen poeiers of drankjes -of zulk duivelsgoed tegen. Neen, geen andere raad is er voor dan lood -smelten, maar die kunst verstaat geen dokter. - -"Zet dus den lepel maar op 't vuur, moedertje," begon ze op een' gansch -anderen toon, "want de zon staat reeds dicht bij 't zuiden. Tweemaal -hebben we 't reeds gedaan, laat ons nu voor de derdemaal beginnen, -anders zou 't verkeerd afloopen. 't Kind heeft de engelsche ziekte, -maar daar zijn negen soorten van die kwaal. Ja, ja, ik heb 't u -gezegd en ge hebt 't zelf gezien, dat 't kind reeds verlost is -van de nikkerkwaal en de waterkwaal. Den eersten donderdag werd -'t een man met twee groote horens en een' langen staart. Dat was -de nikkerkwaal. Later werd het eene meermin. Zaagt ge 't niet zoo -duidelijk, of het geschilderd was? Dat was de waterkwaal. Maar nu is -'t weer donderdag, en thans zal de vraag zijn, wat er van komt, zoo -we opnieuw aan 't smelten gaan. Op den derden keer komt het vooral -aan, moet ge weten. Daar hebt gij 't kind," zei ze en reikte het de -vrouw over. - -"Schenk me eerst nog een teugje koffie; dan beginnen we." - -Toen de koffie gedronken en de blinkende spoelkom weggezet was, ging -ze met bedachtzamen tred naar den haard en haalde eene snuifdoos voor -den dag. - -"Sinds verleden donderdag," zei ze "ben ik in zeven kerspelen geweest -om te middernacht lood te schrapen van de kerkramen, want mijn -voorraad was uitgeput. 't Is een geneesmiddel voor lijf en ziel," -mompelde zij voor zich heen, terwijl ze eene kleine hoeveelheid van -'t met zooveel moeite verzamelde lood in den lepel stortte. - -"Ge hebt toch wel in 't holst van den nacht water gehaald, dat naar -'t noorden stroomde?" vroeg zij verder. - -"Ja, ik ben gisteren nacht naar de molenbeek geweest; dat is 't -eenige water, dat, uren ver in den omtrek, naar 't noorden vloeit," -antwoordde de boerin en haalde eene goed gesloten nap te voorschijn, -waaruit zij water schepte in eene bierkroes. Hierover legde zij eene -snee gerstebrood, waarin met eene stopnaald een gat was gemaakt. Nadat -het lood was gesmolten, ging Gubjör in de deur staan, zag naar de zon, -nam daarop den lepel en goot het gesmolten metaal door de opening -langzaam in het water, onder het mompelen der volgende woorden: - - - Zoo drijf ik de duivelsche kwaal uit het wicht, - Ik drijf haar naar buiten, tot ze eindelijk zwicht; - Ik drijf haar door weer en ik drijf haar door wind; - Ik drijf haar steeds verder, tot ze eindlijk verzwindt; - Ik drijf haar naar 't zuiden; ik drijf haar naar 't noord; - Ik drijf naar het oosten en westen haar voort; - Ik drijf haar den grond in; ik drijf haar naar 't strand; - Ik drijf haar den berg in; ik drijf haar in 't zand; - Ik drijf haar, waar de elzenstruik wortelt in de aard; - Ik drijf in den poot haar van 't moedige paard; - Ik drijf haar ter helle naar d'eeuwigen gloed; - Ik drijf naar den stroom haar, die noordwaarts zich spoedt; - Daar moog' zij knagen en daar moog' zij teren, - Maar 't vriendelijke kind zal zij nimmer er deren. - - -Zooals natuurlijk was, siste en spatte het gloeiende lood, toen 't in -'t water kwam. - -"Hoor, nu verdwijnt de betoovering," zei de tooverheks tot de boerin, -die met eene mengeling van angst en eerbied op 't gelaat luisterde en -toezag, terwijl ze haar jongske op den arm hield. Toen de snede was -weggenomen, vertoonden zich in het water een paar figuren, door het -gesmolten metaal gevormd. De tooverheks bekeek ze lang en aandachtig; -daarop knikte zij en sprak: - -"De lijkkwaal, de lijkkwaal!--eerst de nikkerkwaal, toen de -waterkwaal, nu de lijkkwaal.--Eéne van drieën ware reeds meer dan -genoeg geweest," voegde zij er hoofdschuddend bij.--"Ja, nu zie ik, -hoe 't is toegegaan," voer ze luider voort, terwijl zij zich tot -de boerin wendde: "Eerst zijt ge door een bosch en voorbij een' -berg gegaan, waarin de nikkers huisden; toen hebt ge den naam Jezus -uitgesproken. Daarna moest ge eene rivier over; weer hebt ge den -knaap beveiligd, door den naam van Jezus over hem uit te spreken; -maar toen ge voorbij het kerkhof kwaamt, nog vóór het hanengekraai, -hebt gij 't vergeten, en toen is het kind door de lijkkwaal bevangen." - -"In Jezus' naam, hoe kunt ge dat weten?" borst de boerin, bleek van -schrik en verbazing uit. "Elk woord, dat gij zegt, is waar! Toen wij -den saeter verlieten, liepen er eenige schapen weg; daardoor werden -wij opgehouden. De duisternis overviel ons, terwijl we nog den berg -niet waren afgedaald, en toen scheen 't mij op eens, dat ik een licht -zag in 't bosch en een geluid hoorde, of er eene poort werd geopend. Ik -schrok hevig, want men zegt, dat er berggeesten huizen, en ik riep uit: -"In Jezus' naam, behoed mijn kind!" En toen wij de rivier overtrokken, -hoorde ik een' kreet, zoo afgrijselijk, dat ik weer riep: "In Jezus' -naam, mijn kind!" Maar de anderen zeiden, dat het een zeeduiker was, -die om onweer riep." - -"En al ware 't een zeeduiker geweest," sprak de tooverheks, "wanneer -die tegen een kind schreeuwt, krijgt het de engelsche ziekte." - -"Dat heeft men mij ook verteld; ik meende toen, dat het ergste voorbij -was," voer de ander voort. "Maar toen wij voorbij het kerkhof kwamen, -scheen 't op eens of onze stier razend werd, en de koeien van de lui -daar begonnen ook uit alle macht te schreeuwen, en we kregen zooveel -met de kudde te stellen, dat ik geheel vergat het kind te zegenen." - -"Daar hebt gij 't, moedertje; toen heeft 't kind de lijkkwaal -gekregen. Zie zelf maar in de kroes: daar staat eene kist, en hier een -kerktoren, en in de kist ligt een lijk, met de vingers uitgespreid," -sprak de tooverheks op zalvenden toon, terwijl ze de zonderlinge -gedaanten, door 't gesmolten lood gevormd, verklaarde. - -"Hm, hm, hm, dat zou kunnen helpen!" mompelde zij een ommezien later, -maar luid genoeg, dat de ander het kon verstaan. - -"Wat zou kunnen helpen?" vroeg de boerin blij en nieuwsgierig. - -"'k Zeg niet, dat het zal helpen--maar 't valt te probeeren," zei -de tooverheks. "Ik zal een bakerkindje maken, en dat op 't kerkhof -begraven; dan wanen de dooden, dat zij 't wicht hebben gewonnen, -en God verhoede, dat ze ooit merken, wie hen bij den neus heeft -gehad! Maar daarvoor heb ik zilver van doen. Hebt gij oud zilver?" - -"Ja, ik heb nog een paar oude zilveren munten van mijn' vader geërfd; -nooit heb ik ze willen aanroeren, maar nu het leven van mijn kind -er mee gemoeid is...." zei de vrouw en was reeds bezig om in de lâ -eener ouderwetsche kist te gaan zoeken. - -"Eén stuk zal ik in den berg stoppen, het tweede in 't water werpen, -en het derde op 't kerkhof begraven;--drie moet ik er dus hebben," -zei het wijf, "en dan wat oude plunje, om het kind na te bootsen." - -Wat zij verlangde; werd haar gebracht. Eenige doeken waren spoedig -samengenaaid, tot ze eene pop vormden. De tooverheks stond nu op, -nam een en ander mee en zeide: - -"Nu ga ik naar het kerkhof, om het te begraven. Vandaag over drie weken -kom ik terug--dan zullen wij zien, of 't middel heeft geholpen. Blijft -het leven, dan ziet ge uw beeld in den oogappel van uw kind, maar -moet het sterven, eer de blâren vallen, dan ziet gij slechts den -donkeren appel en niets dan dezen. Dan ga ik naar 't noorden, naar -Joramo. Daar ben ik sinds lang niet geweest; maar men heeft er mij -geroepen bij een knaapje, dat de nikkerkwaal heeft: dat heeft dus -niet veel te beduiden. Ik zal het kind tegen de zon in laten loopen -met eene graszoo boven zich, dan zal 't wel gezond worden." - -"Wat ge zegt, wat ge zegt!" riep de boerin vol bewondering -uit. "Joramo? dat ligt immers in Lesje? Hemel, zoo ver weg?" - -"Ja, 't is een heel eind ver; maar ik ben er geboren en getogen," -antwoordde de tooverheks. "Ik heb veel gezworven, maar weinig -verworven, sedert ik van daar ben gegaan. Toen waren 't beter tijden -voor Gubjör," zei ze met een zucht, terwijl ze zich weer op eene bank -liet vallen. "Maar daar op Joramo was wel een wisselwicht," ging ze -voort, terwijl een verhaal uit den ouden tijd haar te binnen schoot, -nu ze harer jonkheid gedacht. - -"Mijne overgrootmoeder, die op Joramo in Lesje woonde, had een -wisselkind. Ik heb het nooit gezien, want zij was dood en 't kind -weg, lang vóór 'k werd geboren, maar vaak heeft mijne moeder het mij -verteld. De jongen zag er uit als een verschrompelde tachtiger. Zijne -oogen zagen zoo rood als karmijn en gloeiden in het duister als de -oogen eener katuil. Hij had een hoofd, zoo lang als een paardekop -en zoo dik als eene kool; maar zijne beenen waren zoo mager als -schapepootjes en zijn gansche lichaam zag er uit als pekelvleesch -van twee jaar oud. Nooit deed hij anders dan huilen en krijten en -schreeuwen, en kreeg hij iets in de hand, dan wierp hij 't de moeder -vierkant in 't gezicht. En hongerig was hij als een stadshond; al wat -hij zag, wou hij eten, en niemand in huis at zooveel als hij. Hoe -ouder hij werd, des te onhandelbaarder werd hij ook; niemand wist -hem te regeeren, en nooit kon men hem het minste woord uit de keel -krijgen, schoon hij oud genoeg was om te kunnen praten. Het was het -afschuwelijkste hellewicht, dat men ooit heeft gezien en nacht noch -dag liet hij iemand met rust. Iedereen vroeg men om raad, maar niets -baatte. Hem frisch afrossen dorst de moeder niet, zonder volkomen zeker -te zijn, dat het een wisselwicht was. Maar op zekeren dag gaf iemand -haar dezen raad. Zij moest den jongen zeggen, dat de Koning zou komen; -dan moest zij een groot vuur aanleggen en een ei stuk slaan. De schaal -moest ze op 't vuur zetten. Zoo deed ze, en toen de jongen het zag, -ging hij rechtop in de wieg zitten en keek er oplettend naar. De vrouw -verliet het vertrek en keek door het sleutelgat. En de jongen kroop -op de handen uit de wieg, maar de beenen bleven er in, en hij rekte -zich uit en werd zóó lang, dat zijn lichaam tot aan den haard reikte. - -"Neen," zeide hij "nu heb ik al zevenmaal het hout zien vellen in het -bosch van Lesje, maar nog nooit zag ik zoo'n grooten lepel in zoo'n -kleine pan." - -"Toen de moeder dit alles zag en hoorde, was zij overtuigd. Ze wist -thans, dat het een wisselwicht was. Nauwelijks had ze de klink -opgelicht, of de jongen kroop weg in de wieg als een worm. Zijne -beste dagen waren nu uit; op een' donderdagavond sleurde de vrouw -hem naar den mesthoop en ranselde hem duchtig af; maar ze hoorde een -geknetter en geknap in 't rond van belang. Den volgenden donderdag -ging het evenzoo, maar toen de vrouw vond, dat hij genoeg had, hoorde -zij eene stem naast haar--de stem van haar eigen kind--zeggen: - -"Telkenmaal, als gij Tjöstul Gautstigen slaat, krijg ik dubbel in -den berg." - -"Maar den derden donderdag sneed de vrouw hem van 'tzelfde laken een -pak. Daar kwam een oud wijf met een jongske aanvliegen, of ze uit -den brand was gevlucht. - -"Geef Tjöstul hier, daar hebt gij uw' jongen terug!" riep ze en wierp -haar het kind voor de voeten. De vrouw strekte de hand uit om het -op te vangen en greep ook het eene been. Maar van de rest heeft ze -nooit iets gezien, zoo hard had het bergwijf het kind neergesmeten."-- - -Onder deze vertelling had men op 't gelaat der boerin de -onmiskenbaarste teekenen van angst kunnen lezen. Tegen het einde -vielen zij zoo duidelijk in het oog, dat de vertelster, die weggesleept -scheen door hare eigen woorden, ze opmerkte. - -"Wat schort u?" vroeg ze. "O, uw man komt zeker," ging ze voort, -terwijl ze een' blik naar de deur wierp, en besloot met nadruk: -"'t Is niet geraden voor Gubjör dat ze uw' man in den weg loopt; -maar wees niet bezorgd, moedertje: ik zal beneden het kerkhof omgaan, -dan ziet hij me niet." - - - - - - - -TER ZEE. - - -I. - -DE AALSCHOLVERS VAN UDRÖST. - -Op de thuisreis gebeurt het niet zelden den Nordlandschen visschers, -dat zij tarwestroo vinden aan het roer of gerstekorrels in de maag der -visschen. Dan heet het, dat zij over Udröst zijn heengevaren of over -een ander der Hulderlanden, waarvan de sage weet te verhalen. Deze -onderzeesche streken vertoonen zich enkel aan vrome of profetische -visschers, die op zee zich in levensgevaar bevinden, en zij duiken -op, waar anders volstrekt geen land te zien is. De aardgeesten, -die daar wonen, beoefenen akkerbouw en veeteelt als andere menschen; -maar hier schijnt de zon over heerlijker grasvelden en vruchtbaarder -akkers dan ergens elders in Nordland, en gelukkig hij, die een dezer -eilanden, door den rijksten zomerglans beschenen, te zien krijgt; -"hij is geborgen", zeggen de Nordlanders. Een oud liedje bevat eene -volledige schilderij van een eiland, in de nabijheid van Helgoland, -"het Zand" geheeten, met vischrijke kusten en overvloed van wild. Zoo -moet zich ook in het Westfjord van tijd tot tijd eene groote vlakte -vertoonen, die intusschen nooit hooger komt, dan dat de aren zich even -boven het zeevlak kunnen verheffen; en buiten Röst, aan de zuidpunt -der Lofoten, vertelt men van een dergelijk Hulderland met groene -heuvels en goudgele akkers: men noemt het Udröst. De eigenaar van -dit land heeft zijn jacht zoo goed als de andere boeren in Nordland; -visschers en schippers ontmoeten hem somwijlen met het zeil in top, -maar op 't oogenblik, als ze meenen dat zij tegen hem aan zullen varen, -is hij eensklaps verdwenen. - - - -Op Vaer-eiland, in de onmiddellijke nabijheid van Röst, woonde eens -een arme visscher, die Izaak heette; al wat hij bezat, was eene boot -en een paar geiten, die zijne vrouw in het leven hield met wat afval -van visch en het gras, dat zij op de bergen in den omtrek inzamelde; -daarentegen had zij eene hut vol hongerige kinderen. Toch was de -visscher tevreden met het lot, dat hem was toebedeeld. 't Eenige, -waar hij over tobde, was, dat hij altijd in onmin leefde met zijn' -naasten buur. Dit was een rijk man, die zich in 't hoofd had gezet, -dat hij alles beter moest hebben dan de arme Izaak, en die daarom -wilde dat Izaak zou verhuizen; dan kon hij de haven krijgen, die bij -de hut van den arme lag. - -Op zekeren dag, terwijl Izaak een paar mijlen ver in zee was om te -visschen, werd de hemel eensklaps door zwarte wolken bedekt en stak -er zulk een hevige storm op, dat hij al zijne visch over boord moest -werpen, om de boot te verlichten en het lijf te bergen. Met inspanning -van alle krachten stuurde hij de boot tusschen en over de stortzeeën -heen, die elk oogenblik kwamen aanrollen om hem in den afgrond te -werpen. Nadat hij zoo vijf of zes uur had gevaren, meende hij niet ver -van de kust meer te zijn. Maar hoe hij tuurde, het land bleef weg en -de storm en de duisternis namen steeds toe. Nu overviel hem de vrees, -dat de wind gedraaid was en hij zich al verder van de kust verwijderde, -en ten slotte begon hij te begrijpen dat zijne vrees werkelijkheid was; -want hoe snel hij zeilde, het land naderde niet. Daar hoorde hij op -eens een' akeligen schreeuw aan den steven en hij dacht niet anders, -of 't was een watergeest, die zijn' lijkzang zong. Hij bad den Heer -voor vrouw en kinderen, want hij meende stellig, dat zijn laatste uur -geslagen was. Terwijl hij zoo zat te bidden, zag hij eene zwarte schim, -die al dichter bijkwam; maar 't bleken drie aalscholvers, die op een -stuk drijfhout zaten; in een oogwenk was hij hen voorbij. Zoo verliep -het eene uur na het andere; de arme man werd zoo dorstig en hongerig en -vermoeid, dat hij geen' raad wist; hij zat met de roerpen in de hand, -tot de oogen hem toevielen. Maar op 't zelfde oogenblik schuurde de -boot tegen 't strand en bleef vastzitten. Verschrikt sloeg Izaak de -oogen op. De zon brak door de wolken en verlichtte een heerlijk land: -heuvels en bergen waren groen tot den top, akkers en weiden bedekten de -hellingen, en er stroomde een geur van bloemen en gras hem te gemoet, -als hij nog nooit had geroken. - -"Goddank, nu ben ik gered; dat is Udröst," zeide Izaak bij zich -zelven. Vlak vóór hem lag een gerstakker met aren, zóó vol en zwaar, -als hij ze nog nooit had gezien, en door den akker heen liep een smal -pad den heuvel op naar een frisch groen weivlak, en op den top graasde -eene witte geit met horens van goud en uiers zoo groot als de grootste -koe. En aan den voet des heuvels zat een klein mannetje met een blauw -kleed aan op een' stoel zonder rug uit een kort pijpje te rooken; -hij had een' baard, zóó lang, dat hij tot ver over de borst hing. - -"Welkom op Udröst, Izaak," zei het mannetje. - -"Den zegen van Boven," antwoordde Izaak. "Kent gij mij?" - -"Wel mogelijk," sprak het mannetje, "ge komt hier zeker nachtverblijf -zoeken?" - -"Ge zoudt er wel aan doen, mij dat te verschaffen, vader," zeide Izaak. - -"'t Is het slimste met mijne zonen; die kunnen de lucht van -christenmenschen niet verdragen," zeide het mannetje. "Hebt gij ze -niet ontmoet?" - -"Neen, ik ben niemand tegengekomen dan drie aalscholvers, die zaten -te schreeuwen op een drijfhout," antwoordde Izaak. - -"Juist, dat waren mijne zonen," viel het mannetje in; hij klopte zijn -pijpje uit en ging voort: "ge kunt wel zoo lang naar binnen gaan; -eene volle maag zal u zeker niet plagen." - -"Toch niet," antwoordde Izaak. - -Maar nauwelijks had het kleine mannetje de deur geopend, of Izaak stond -stom van verbazing. Zoo iets had hij nooit gezien. De tafel was bedekt -met de heerlijkste gerechten: schotels met roompap en visch en wild -en leverbrood met stroop en kaas, Bergsche krakelingen bij hoopen, -brandewijn en bier en mee en al wat maar lekker smaakt. - -Izaak at naar hartelust, en toch werd de schotel niet leeger, en -hoeveel hij ook dronk, zijn glas bleef even vol. De oude man at niet -veel en sprak nog minder; toen hij buiten hoorde schreeuwen en aan -de deur rammelen, verliet hij 't vertrek. Na eenige oogenblikken kwam -hij weer binnen met zijne drie zoons bij zich. Izaak was maar weinig -in zijn schik, toen hij ze zag binnenstappen; doch naar 't scheen, -had de oude man hun' afkeer van christenmenschen weten te overwinnen, -want ze waren heel vriendelijk en voorkomend. - -Toen Izaak van de tafel opstond en verklaarde dat hij verzadigd was, -wilden zij, dat hij zou blijven zitten en eens met hen drinken. Izaak -schikte zich zoo goed mogelijk in de omstandigheden, en nu dronken -en klonken ze met elkander en lieten zich het bier en de mee wel -smaken. En ze werden heel goede vrienden, en de drie jongelingen -drongen er op aan, dat Izaak een paar tochten met hen zou doen, -om ook wat mede naar huis te kunnen nemen. Op den eersten tocht, -dien ze samen deden, overviel hun een vreeselijke storm. Een der drie -jongelingen zat aan 't roer, de ander stond voorop, de derde hield -zich op 't middeldek, en Izaak stond aan de groote pomp en werkte, -dat hem 't zweet van 't voorhoofd gudste. Ze vlogen over de golven, -of ze bezeten waren; aan reven dachten ze niet, en als de boot vol -water stond, stuurden ze haar tegen eene hooge baar op, zoodat het -water schuimend en bruisend over den achtersteven heenvloog. Zoo -mochten ze een uur hebben gevaren, toen het weder bedaarde en ze aan -het visschen konden gaan. En zooveel visch vonden ze, dat de bodem -der zee er geheel door bedekt was en de loodjes der vischnetten op de -bergen van visch bleven liggen. De jongelingen van Udröst haalden slag -op slag een net vol op; maar Izaak, schoon hij zijn handwerk verstond -als de beste, kreeg geen graatje; telkens als hij zijne netten--'t was -zijn eigen tuig--ophaalde, waren de visschen verdwenen. Toen ze de boot -vol hadden, keerden ze naar Udröst terug; de jongelingen hingen hun' -buit in 't drooghuis op, maar Izaak beklaagde zich bij den ouden man, -dat het zoo slecht met zijne vangst was gegaan. - -De oude verzekerde hem, dat het eene volgende maal beter zou lukken en -gaf hem een paar netten, en toen ze weer uit visschen gingen haalde -Izaak evenveel op als de anderen, en bij het verdeelen der visch -kreeg hij wel drie droogschuren vol visch. - -Nu begon Izaak naar huis te verlangen, en toen hij zou vertrekken, -schonk hem de oude man eene nieuwe visschersboot met tuig en klaverdoek -en andere nuttige dingen. Izaak dankte hem voor zijne goede gaven, -en de oude zeide, dat hij maar terug moest komen, als het jacht onder -zeil ging; het zou een reisje maken naar Bergen, en dan kon Izaak -meegaan en zelf zijne visch verkoopen. Nu, dat wou Izaak graag doen; -daarom vroeg hij, welken koers hij moest houden, als hij weer naar -Udröst wilde komen. "Volg den aalscholver, wanneer hij zeewaarts -vliegt, dan zeilt ge vlak op Udröst aan," zei de oude. "Goede reis!" - -Maar toen Izaak in de boot was geklommen en eens omkeek, zag hij -niets meer van Udröst; wijd en zijd was niets te bespeuren dan de zee. - -Toen de bepaalde tijd om was, voer Izaak op nieuw naar Udröst, om -met het jacht naar Bergen te gaan. Maar zulk een jacht had men nooit -gezien: 't was zoo lang, dat de stuurman, die op den uitkijk stond aan -den voorsteven, onmogelijk den kerel te roer kon beroepen; daarom had -men midden op 't vaartuig nog een' man gezet, vlak bij de mast, die -de bevelen van den stuurman naar den achtersteven overbracht, en nog -moesten beiden uit alle macht schreeuwen, wilden ze zich doen verstaan. - -De visch van Izaak was voorin gelegd; zelf haalde hij ze van de speten, -maar,--hoe 't kwam, daar begreep hij niets van,--zoo snel kon hij -ze er niet aftrekken, of telkens kwamen er weer andere visschen voor -in de plaats, en toen hij ophield, waren de speten even vol als toen -hij begon. Te Bergen aangekomen, verkocht hij zijne visch en zooveel -geld kreeg hij er voor, dat hij zich een nieuw jacht kocht met zeil -en treil en lading en al; zoo had de oude man hem geraden. Eer hij -onder zeil ging, 's avonds laat, kwam de oude bij hem aan boord en -drukte hem op 't hart, dat hij de kinderen van zijn' buurman niet -zou vergeten, want de buurman zelf was gestorven, naar hij zeide, -en hij spelde Izaak zegen en voorspoed met het jacht. - -"Al wat in den wind staat, is goed en zal 't wel uithouden," zeide hij, -en daarmede bedoelde hij, dat er één aan boord was, dien niemand zag, -maar die met den rug de mast steunde in storm en noodweer. Sinds dien -tijd was 't geluk altijd met Izaak. Hij wist wel waar dit vandaan kwam -en vergat nimmer wat af te zonderen voor hem, die de wacht hield, als -hij in 't najaar met het jacht was thuis gekomen. En elken kerstavond -zag men licht in het schip, en werd er de veêl gestreken en gedanst -en hoorde men gelach en gescherts in het ruim van het jacht. - - - - -II. - -DE NIKKERS OP HET "ZAND." - -Een eind zee in, tegenover het eiland Helgoland, ligt een kleine -zandbank het "Zand" geheeten; 't is eene beste plek voor de -vischvangst, maar ze is moeilijk te vinden, want ze verandert gedurig -van plaats. Maar, wien 't geluk wil dienen en wie haar vindt, is zeker -van eene goede vangst, en buigt hij zich over den rand zijner boot -heen, dan ziet hij bij stil, helder weder, eene kleine inzinking van -den zeebodem, niet ongelijk aan het spoor, dat een groot, Nordlandsch -jacht op de vaart achter zich laat, en eene groote rotsklomp in -den vorm van eene droogschuur. Deze zandbank heeft niet altijd op -den bodem der zee gelegen. In den ouden tijd was zij een eiland, -dat aan een' rijken Helgolandschen boer toebehoorde; deze had er, -tot eene schuilplaats onder het visschen bij opkomend onweer, eene -hut gebouwd, grooter en beter dan de meeste elders. Sommige menschen -meenen, dat deze zandbank zich somwijlen boven het zeevlak verheft -als een vriendelijk eiland. Wat hiervan zij, zeker is 't, dat het -in ouden tijd niet richtig was op dit onbewoonde eiland. Visschers -en zeelui verzekerden, dat zij vaak onder 't voorbijvaren gelach en -scherts, muziek en dans hadden gehoord en een geklop en getik, of er -een jacht op stapel stond. Daarom bleven ze liefst op een' afstand, -en zoo was er niemand, die er ooit eene levende ziel had aanschouwd. - -De rijke boer, waar ik van sprak, had twee zoons, die den naam droegen -van Hans Nikolai en Luk-Andries. De oudste was een knaap, uit wien men -moeielijk wijs kon worden. Daar was bijna niemand, die behoorlijk met -hem over weg kon komen, schoon hij, op 't punt van geld verdienen, -handiger was dan de meeste Nordlanders, die anders in dit opzicht -voor niemand behoeven onder te doen. - -De ander, Luk-Andries, was driftig en onbezonnen, maar altijd goed -geluimd; al liep 't hem nog zoo tegen, altijd zei hij, dat 't geluk -hem diende. Als hij maar met een arendsjong thuis kwam, deerde 't hem -niet of het bloed hem langs de wangen liep van de wonden, hem door den -ouden toegebracht; sloeg zijne boot om, zooals niet zelden gebeurde, -en vond men hem op den bodem zitten, doornat en stram van koude, -dan antwoordde hij op de vraag, hoe hij 't had: "Al wel, al wel; -het geluk dient me: ik ben gered." - -Toen de vader stierf, waren de broeders reeds volwassen. Op -zekeren dag, niet lang daarna, moesten zij naar 't Zand om eenig -vischtuig te halen, dat men er bij den terugkeer van de vischvangst -had achtergelaten. Luk-Andries had zijne buks bij zich; die verzelde -hem overal, waar hij heenging. 't Was reeds laat in 't najaar en geen -enkele visscher zwierf meer op zee. Hans Nikolai sprak niet veel onder -de vaart, maar hij dacht zooveel te meer. De avond was reeds gevallen, -toen zij voor de terugreis gereed waren. - -"Wil ik je 'reis wat zeggen, Luk-Andries: 't wordt noodweer van -avond," sprak Hans Nikolai, terwijl hij zeewaarts tuurde; "ik meen, -dat we best zullen doen, hier te blijven tot morgen." - -"Noodweer wordt het niet;" antwoordde Andries, "want de zeven zusters -hebben de stormmutsen niet op. 't Zal wel gaan." - -Maar nu begon de ander te klagen over vermoeidheid, en eindelijk -werden zij 't eens, dat zij den nacht daar zouden overblijven. - -Toen Andries ontwaakte, was hij alleen; noch zijn broeder, noch de -boot waren ergens te zien; eerst toen hij den top van het eiland -had beklommen, bespeurde hij beide heel ver weg; de boot scheen -niet grooter dan eene meeuw. Luk-Andries begreep er niets van. De -proviandkist was achtergelaten; daarnaast stonden een vat met zure -melk, de buks en eenige andere dingen. Andries bekommerde zich niet -lang over 't geval. "Van avond zal hij wel terug komen," dacht hij en -maakte de proviandkist open; "een dwaas, die den moed laat zakken, -zoo lang hij nog wat te bikken heeft." Maar de avond kwam en Hans -bleef weg, en Luk-Andries wachtte vergeefs dag aan dag en week aan -week. Eindelijk begon hij te vermoeden, dat Hans hem opzettelijk -had achtergelaten, om zich zijn erfdeel te kunnen toeëigenen. En zoo -was 't; want toen Hans Nikolai dicht bij huis was gekomen, wist hij -'t zoo aan te leggen, dat de boot omsloeg, en hij vertelde nu, dat -Luk-Andries verdronken was. - -Maar Andries liet den moed niet zinken; hij zamelde drijfhout op -het strand, schoot zeevogels, zocht mosselen en kruiden, maakte zich -een vlot van balken en planken en vischte met een' hengel, dien hij -toevallig vond. Op zekeren dag, terwijl hij aan 't visschen was, -bespeurde hij eene kloof of spleet in het zand, alsof daar een groot -Nordlandsch jacht had gestaan, en duidelijk ook zag hij sporen van -gewonden touwwerk, van de zee tot op den top des heuvels. Zoo, dacht -hij bij zich zelven, nu is alle gevaar voorbij; want hij wist thans, -dat men geene onwaarheid had gesproken, toen men hem vertelde dat -er nikkers op 't eiland woonden, die er een prachtig jacht op na -hielden. "Goddank, dat is goed gezelschap! Ja, 't is als ik zeg: -'t geluk dient mij," dacht Andries bij zich zelven; misschien zei -hij het ook wel, want hij moest wel behoefte gevoelen nu en dan wat -te praten. Zoo leefde hij voort, tot de winter inviel. Eens zag hij -eene boot; hij zette eene vlag op een' stok en zwaaide er mee; maar op -'t zelfde oogenblik liet men het zeil vallen, de bootslui zetten zich -aan de riemen en roeiden heen, zoo spoedig ze konden. Ze meenden, -dat het nikkers waren, die hen daar met de vlag wenkten. - -Op kerstavond hoorde Andries vioolspel en allerlei muziek ver in zee; -toen hij naar buiten trad, zag hij een licht schijnen: het bevond -zich op een groot Nordlandsch jacht, dat het strand naderde. Maar zulk -een jacht had niemand ooit gezien! Het had een reusachtig razeil, zoo -glinsterend of het van zijde was; takels en touwen, zoo dun of ze van -ijzerdraad waren gemaakt, en zoo was 't al pracht en heerlijkheid, -wat men er aan zag. Het dek stond vol mannetjes en vrouwtjes, met -blauwe kleeren aan, en aan het roer zag hij eene vrouw, zoo sierlijk -uitgedost als eene bruid of eene koningin; ze droeg eene kroon op -het hoofd en had de kostelijkste kleederen aan. Maar één ding zag -Andries duidelijk: dat zij een mensch was; want zij was veel grooter -en ook veel mooier dan de nikkers; ja, Luk-Andries vond haar mooier -dan alle meisjes, die hij van zijn leven had gezien. 't Jacht zeilde -regelrecht op de plek af, waar Andries stond; maar zonder zich lang -te bedenken, liep hij naar de hut, rukte het geweer van den wand, -kroop boven in het drooghuis, en wist zich hier zoo te verschuilen, -dat niemand hem kon bemerken, terwijl hij alles kon waarnemen, wat -er voorviel. Weldra was het gansche vertrek gevuld; maar de stroom -van bezoekers ging nog altijd voort. Nu begonnen de wanden te kraken, -en de hut zette zich uit, en alles begon er van binnen zóó prachtig -uit te zien, of men bij den rijksten koopman in huis komt; 't was er -haast zoo mooi, als in het slot van een' koning. Daar werden tafels -aangericht met de kostelijkste spijzen, en borden en schotels, alles -was van louter zilver of goud. Na het eten ging men dansen. Toen -kroop Luk-Andries door het rookgat, aan den eenen kant van 't dak, -naar buiten en klauterde omlaag. Daarop snelde hij naar 't jacht, -wierp zijn vuurstaal er overheen en sneed er, tot meerdere zekerheid, -met zijn zakmes een kruis in. Toen hij terugkeerde, was de dans in -vollen gang: zelfs de tafels dansten, en de banken en de stoelen en -al wat er in het vertrek was danste mee. De eenige, die niet danste, -was de bruid; zij zat stil rond te kijken, en wanneer de bruidegom -haar in den kring wilde voeren, stiet ze hem van zich. Maar overigens -ontbrak er niets; de speelman hield niet op, om den vedel te stemmen -of zoo iets, maar speelde onafgebroken voort en trapte de maat met den -voet, tot het zweet hem langs het gelaat gudste en hij door stof en -rook zijn eigen veêl niet meer kon zien. Toen Andries voelde, dat ook -hij de voeten niet meer stil kon houden, zeide hij bij zich zelven: -"Nu dien ik los te branden, anders speelt hij mij ook nog van den -grond." Daarop stak hij het geweer door een vensterraam en schoot het -af boven het hoofd der bruid, maar verkeerdom: anders had de kogel -hem zelf getroffen. Zoodra het schot werd gehoord, tuimelden alle -nikkers over elkander heen en de deur uit, maar toen zij zagen dat -het jacht vastlag, begonnen zij vreeselijk te jammeren en kropen in -eene opening van den heuvel. Maar al het gouden en zilveren geraad -lieten ze achter en de bruid ook; die zat nog altijd op hare plaats, -maar scheen langzamerhand tot zich zelve te komen. Zij vertelde nu -aan Luk-Andries, dat de nikkers haar in den berg hadden gesleept, -toen ze nog een klein kind was. - -Eens ging hare moeder uit, om de koeien te melken en nam haar -mede. Toen de moeder naar huis moest om iets te halen, was zij alleen -op het veld blijven zitten bij eene bessenstruik; daarvan mocht ze -zooveel eten als haar lustte, mits ze telkens driemaal achtereen zeide: - - - "Blauwe bessen eet ik, - Door Jezus' kruis behoed; - Roode bessen eet ik. - Geverfd door Jezus' bloed." - - -Maar toen moeder weg was, vond zij zooveel bessen, dat zij het -rijmpje vergat, en toen verschenen de nikkers, die haar in den -berg sleepten. Geen leed hadden ze haar gedaan, dan dat ze haar het -laatste lid van de linkerpink afsneden, en ze kon krijgen wat haar -hart begeerde; maar toch was ze nooit op haar gemak geweest, zeide ze; -'t was of ze altijd pijn voelde, en vooral was ze geplaagd en gekweld -door de genegenheid van den nikker, wiens vrouw ze moest worden. Toen -Andries vernam, wie hare moeder was en waar ze thuis hoorde, bemerkte -hij dat ze nog familie van hem was, en--"weldra wisten ze 't met -hun beidjes," als men zegt. Toen mocht Andries met recht zeggen, -dat het geluk hem had gediend. En ze gingen naar huis en namen het -jacht mede en al het goud en zilver en de kostbaarheden, die in de -hut waren achtergebleven, zoodat Andries veel en veel rijker werd -dan zijn broeder. - -Maar Hans, die wel vermoedde hoe Andries aan al dien rijkdom was -gekomen, wou niet minder rijk zijn. Hij wist, dat de heksen en nikkers -op kerstavond voor den dag plegen te komen, en daarom trok hij tegen -dien tijd naar het Zand. Op den bepaalden avond zag hij dan ook vlammen -en licht, maar het leken wel dwaallichtjes. Toen de nikkers naderbij -kwamen, hoorde hij geplas in het water en een afschuwelijk gehuil en -gebrul, terwijl een kille zeewind hem in het gezicht woei. Verschrikt -vloog hij naar de hut, terwijl de nikkers aan land stapten. Ze waren -kort en dik als hooiroken, hadden mantels om van vellen en groote -wanten aan, die bijna op den grond hingen. In plaats van een hoofd -en haren zag men niets dan een bos zeetang. Terwijl zij het strand -overliepen, dansten er eene menigte dwaallichtjes achter hen aan, en -als ze zich maar even bewogen, spatten er vonken om hen heen. Eer ze -nog bij de hut waren gekomen, zat Hans reeds in het drooghuis, evenals -zijn broeder had gedaan. De nikkers droegen een' grooten steen naar -binnen en sloegen daarop hunne wanten droog, terwijl ze nu en dan -zoo akelig schreeuwden, dat Hans er van huiverde. Daarna begon een -van hen vuur aan te maken, terwijl de anderen ruwe stukken drijfhout -binnenbrachten, zoo zwaar als lood. Hans kreeg 't zoo benauwd door -den rook en de hitte, dat hij dreigde te stikken; om frissche lucht -te krijgen, beproefde hij door het rookgat naar buiten te komen, -maar daar hij grover van lijf en leden was dan zijn broeder, bleef -hij in de opening vastzitten, zoodat hij op noch neer kon. Nu had -hij het nog minder naar zijn' zin; hij begon te schreeuwen dat het -een' aard had, maar de nikkers schreeuwden nog harder en huilden -en dansten en klopten van binnen en van buiten. Maar zoodra de haan -begon te kraaien, waren ze verdwenen, en nu raakte Hans ook los. Toen -hij van zijn reisje thuis kwam was hij zinneloos geworden, en sinds -dien tijd hoorden de menschen hem vaak op zolders of in schuren, waar -hij zich alleen bevond, dezelfde akelige, huiveringwekkende kreten -slaken, die men in Nordland aan de nikkers toeschrijft. Vóór zijn' -dood kreeg hij nogtans het verstand terug en, naar men zegt, werd -hij ook in gewijden grond begraven. Maar na Hans heeft niemand weer -een' voet gezet op 't Zand. Het zonk weg in de diepte, en de nikkers -moeten naar de Lekangeilanden zijn verhuisd. Andries bleef 't welgaan; -geen jacht deed voorspoediger reizen dan het zijne, maar zoodra hij -bij de Lekangeilanden kwam, werd het bladstil; dan kwamen de nikkers -naar het strand of aan boord met hunne waren. Eene poos later stak -er dan altijd een voorspoedige wind op, 't zij hij naar Bergen of -naar huis voer. Hij kreeg een huis vol kinderen, en ze waren allen -gezond en sterk, maar allen misten het laatste lid van de linkerpink. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Colymbus septentrionalis. - -[2] Zoo wordt de Duivel in Noorwegen genoemd. Vert. - -[3] De vorst van het dak, namelijk. Vert. - -[4] Een lichte graad van waanzin, toegeschreven aan den invloed der -Huldren. Vert. - -[5] Saxifraga Cotyledon. - -[6] Kleeren en pelzen, doortrokken met menschelijke uitwasemingen, -die tegen den wind in worden opgezet, om de rendieren terug te drijven. - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Noorsche Volksvertellingen, by -Peter Christen Asbjørnsen - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORSCHE VOLKSVERTELLINGEN *** - -***** This file should be named 51763-0.txt or 51763-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/1/7/6/51763/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This file was produced from images generously -made available by The Norwegian National Library.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
