summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/51763-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-05 18:12:54 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-05 18:12:54 -0800
commitd1a2c19f785921a894956a24c686b9a1cde22e7c (patch)
tree9fdb303479b6edd2b78e7701daf61af887106374 /old/51763-0.txt
parent911adad2beee2e7aad2119eff4ab9e8020e14f5c (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/51763-0.txt')
-rw-r--r--old/51763-0.txt7160
1 files changed, 0 insertions, 7160 deletions
diff --git a/old/51763-0.txt b/old/51763-0.txt
deleted file mode 100644
index 8d0c377..0000000
--- a/old/51763-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,7160 +0,0 @@
-Project Gutenberg's Noorsche Volksvertellingen, by Peter Christen Asbjørnsen
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Noorsche Volksvertellingen
-
-Author: Peter Christen Asbjørnsen
-
-Translator: T. Terwey
-
-Release Date: April 15, 2016 [EBook #51763]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORSCHE VOLKSVERTELLINGEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Norwegian National Library.)
-
-
-
-
-
-
-
-
- P. CHR. ASBJÖRNSEN.
-
- NOORSCHE VOLKSVERTELLINGEN.
-
- VERTAALD DOOR
- T. TERWEY.
-
-
-
- HAARLEM,
- KRUSEMAN & TJEENK WILLINK.
- 1875.
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
-
- De sage in den molen 4
- Het kroost der Huldren 13
- Een nacht in Nordmarken 24
- De koning van den Egeberg 44
- Van "Fjeld en Saeter" 53
- De vertellingen van den doodgraver 65
- Bertha Tuppenhaug's vertellingen 84
- Een avond in de keuken van den landheer 97
- De bewoners van Lunde 117
- Een ouderwetsche kerstavond 123
- Een zondagavond op een' saeter 137
- Op de vogeljacht in Holleia 173
- Eene tooverheks 196
- Ter zee.
- I. De aalscholvers van Udröst 210
- II. De nikkers op het "Zand" 217
-
-
-
-
-
-
-
-De Noren loopen zeer hoog met het boekske, waarvan hier de fraaiste
-vertellingen den Nederlandschen lezer worden aangeboden. En ze hebben
-reden te over voor die waardeering. Terwijl toch aan den eenen kant
-de belangstelling gewekt wordt door den inhoud der sagen uit "het
-schemerdonker des volkslevens", staat men aan den anderen verrukt
-over "de warme teekening van land en volk", die den aantrekkelijken
-achtergrond der vertellingen uitmaakt. Zou dit dus reeds in staat zijn,
-de ingenomenheid te verklaren, waarmede Asbjörnsen's arbeid bij zijne
-landgenooten werd ontvangen, de dienst, welken hij ook met dit product
-der Noorweegsche litteratuur bewees, wettigt die genegenheid te meer.
-
-De letterkunde van dit volk werd zich hare roeping eerst volkomen
-bewust, toen zij zich aansloot bij het volk zelf; toen zij het
-leven en streven van dat volk zich ten onderwerp koos. Had zij tot
-nog toe aan den leiband harer Deensche zuster geloopen, zij leerde
-op eigen beenen staan, toen hare dichters en prozaïsten een oog
-begonnen te krijgen voor de schatten, welke voor hunne kunst uit
-de natuur, de historie, het volksleven van hun eigen land konden
-gedolven worden. In wat het Noorsche volk zelf gedicht, gedacht
-en gedaan had, vond de litteratuur een' vasten gezonden bodem,
-waaruit zij als nationale kunst kon opwassen. Zoo oordeelden ook
-en daarnaar handelden twee mannen, die een' allerbelangrijksten
-invloed op de letteren van hun vaderland hebben uitgeoefend: Jörgen
-Moe en P. Chr. Asbjörnsen. De eerste verzamelde de volksdeuntjes,
-hier en ginds in omloop; te zamen gaven zij een aanzienlijk getal
-uitstekend vertelde--"Folke-eventyr"--volkssprookjes ten beste,
-en nadat Moe zich geheel aan zijn kerkelijk ambt--hij is "praest" te
-Drammen--en aan de geestelijke poëzie had gewijd, schreef de houtvester
-Asbjörnsen eene nieuwe verzameling Huldersprookjes en Volkssagen,
-schoon op gansch anderen trant, dan toen hij gemeenschappelijk met
-Moe arbeidde. Terwijl toch de "Folke-eventyr" streng objectief zijn
-gehouden en zoo getrouw mogelijk weergeven, wat de vrienden uit den
-mond des volks hadden opgevangen, geeft Asbjörnsen hier, terwijl hij
-zijne lezers deelgenoot maakt van de wijze, waarop hij aan de kennis
-zijner vertellingen is gekomen, eene schildering van natuur en volk,
-die, naar 't oordeel van een landgenoot, aan de dichterlijkste kleur
-eene betooverende getrouwheid paart.
-
-Of de vriendelijke lezer het gunstig oordeel van des auteurs
-landgenooten zal deelen? Afgezien van het belang, dat de Noren als
-zoodanig in dit voortbrengsel hunner letteren moeten stellen, heeft
-de vertaler geen recht tot twijfel. Daar schuilt, meent hij, ook ten
-onzent genoeg belangstelling voor 't volksgeloof eener stamverwante
-natie; genoeg zin voor de poëzie van natuur en volksleven, om eene
-goede ontvangst dezer vertellingen te waarborgen.--Ge hebt Gerard
-Keller's Zomer in het Noorden gelezen en genoten? Welnu, hier wordt
-u stoffe geboden ter aanvulling uwer kennis door iemand, wiens lust
-het jarenlang was, te dwalen door de geurige dennebosschen, te zwerven
-langs de oevers der bergstroomen, te kouten aan den haard der eenzame
-saeters van zijn land. En zijn de voorstellingen, door Keller's boek
-in u gewekt, verflauwd;--men leest in onzen tijd zooveel;--neem zijn
-tweede deel nogmaals ter hand en gij vindt er beter opheldering van
-wat u vreemd mocht dunken, dan eene enkele aanteekening 't zou kunnen.
-
-Toch niet over den inhoud der volkssagen, zegt gij, en de vertaler
-zal ronduit bekennen, dat het denkbeeld hem heeft toegelachen, elke
-vertelling te doen volgen door eenige opmerkingen, die duidelijk in
-'t licht stelden, hoe groot de verwantschap is geweest of nog is
-tusschen 't volksgeloof der Noren en Nederlanders. Maar hij heeft
-begrepen, dat de identiteit op dit punt, behoudens karakteristieke
-verschillen, tusschen de Germanen en Skandinaviërs door Grimm in
-zijne Deutsche Mythologie te klaar is bewezen, dan dat men dit feit
-nog als iets nieuws behoefde mede te deelen. En vervolgens duchtte hij
-niet zonder reden, dat eene uitvoerige aanwijzing der verschijnselen,
-die deze waarheid staven, kwalijk in overeenstemming mocht zijn met
-den bescheiden vorm, waaronder dit boekje optreedt.
-
-De lezer, die in dit onderwerp belang stelt, zal bij Grimm, bij
-Simrock in zijn "Handbuch der Deutschen Mythologie", bij Van den
-Bergh in zijne "Volksoverleveringen", maar vooral in zijn "Kritisch
-Woordenboek der Ned. Mythologie", of uit J. W. Wolf's "Niederländische
-Sagen" kunnen zien, welke treffende familietrekken de overleveringen
-van beide volken vertoonen. Er is bijna geen enkele trek in de
-vertellingen van Asbjörnsen, die men niet hier of daar in Nederland
-terugvindt. Zelfs Holda--de vriendelijke--wier naam ons van de lippen
-glijdt, wanneer wij "hou en trou" zweren aan onzen vriend of onze
-"hulde" brengen aan de min, heeft ook ten onzent hare vereerders
-gehad; al belette haar karakter van berg- en woudgeest natuurlijk,
-dat zij in onze overleveringen eene rol zou spelen, zóó belangrijk,
-als zij met hare volgelingen, de Huldren, in de Noorsche volkssprookjes
-vervult. Schuilt er in onzen bodem geen schat van metalen, die in
-'t Noorden de volksfantazie kon doen ontvlammen, toch wist men ook
-bij ons te verhalen van schatten, hier en daar verborgen, en wier
-bestaan werd verraden door een geheimzinnig schijnsel. En droeg ook
-bij ons de kwaal, die wij "engelsche ziekte" noemen, geen daemonisch
-karakter, wij hadden toch even goed tooveressen, die lood smolten, dat
-plotseling afgekoeld in zonderlinge figuren den aard van verschillende
-krankheden openbaarde.
-
-En zoo zouden wij kunnen voortgaan en doen opmerken, hoe
-ook het Nederlandsche volk zijne vertellingen bezat omtrent de
-gedaanteveranderingen van duivel of heksen in slangen, padden, hazen of
-zwarte katten; hoe ook bij ons "de duivel en zijn grootje" van tijd tot
-tijd feestvierden met hunne getrouwen; hoe ook hier de heksen de kunst
-verstonden op geheimzinnige wijs de koeien van hare melk te berooven,
-tot de beesten er het leven bij inschoten,--om toch ten slotte ons
-"woord vooraf" tot een' onbetamelijken omvang te doen uitdijen.
-
-Den lezer, die onze meening deelt, dat volksoverleveringen en
-volkssprookjes niet bij voorkeur in de kinderkamer thuis behooren,
-heil!
-
-
- Amsterdam, 25 Augustus 1875. T.
-
-
-
-
-
-
-
-DE SAGE IN DEN MOLEN.
-
-
-Wanneer 't mij in de wereld tegenloopt,--en ik kan niet klagen
-dat dit te zelden gebeurt,--heb ik er mij steeds wel bij bevonden,
-een zwerftochtje te ondernemen tot verlichting van mijn vrachtje
-bekommernis en tegenspoed. Wat mij op zekeren tijd in den weg stond,
-herinner ik me niet meer; maar 't staat me nog duidelijk voor den
-geest, hoe ik voor eenige jaren, op een' zomermiddag met de hengelroê
-in de hand, over de velden zwierf langs den oostelijken oever van
-den Akerself.
-
-De frissche lucht, de geur van 't hooi en de bloemen, 't genot der
-beweging, het gekweel der vogels en het frissche windje langs de
-rivier, alles bracht mij in eene opgewekte stemming. Toen ik de brug
-bij Oset over was, begon de zon ter kim te nijgen: nu eens kleurde
-zij de avondwolkjes met haar' schoonsten gloed, alsof ze wou, dat
-deze zich zouden verlustigen in den geleenden tooi, wanneer zij zich
-spiegelden in de klare golven van het meer; dan weer brak zij door
-de wolken heen en zond een' stroom van licht uit, die gulden plekken
-schiep in de donkere bosschen aan de overzijde.
-
-De avondwind voerde na den warmen dag een' verfrisschenden geur uit de
-dennenbosschen met zich en de ver weerklinkende, langzaam wegstervende
-tonen van den koekoek stemden den geest weemoedig. Werktuigelijk
-volgde mijn oog het aas, dat ik uitwierp en dat de stroom der rivier
-meevoerde. Zie, daar sprong een glinsterende visch; snorrend vloog
-het snoer van den hengel, en toen ik dezen stevig vasthield, boog hij
-zich als een hoepel: 't moest een forel zijn van de grootste soort. Nu
-was 't geen tijd meer om te dwepen met dennengeur en koekoekslied;
-'k had al mijne tegenwoordigheid van geest hoog noodig om den visch
-aan land te brengen, want de stroom was snel en 't beest spartelde
-geweldig. Driemaal moest ik 't snoer op- en afwinden, voor 't mij
-gelukte mijn' buit met den stroom mede naar een' kleinen inham te
-krijgen, waar hij gelukkig aan land werd gebracht en een fraaie
-purper-gevlekte visch bleek te zijn van de verwachte grootte.
-
-Ik bleef nog eenigen tijd visschen langs den westelijken oever der
-rivier, maar slechts jonge forellen hapten naar mijn aas en mijne
-gansche vangst bedroeg niet meer dan een tiental visschen. Toen ik
-bij den houtzaagmolen kwam, was de lucht geheel bewolkt. 't Was
-reeds tamelijk duister en slechts aan den noordwestelijken rand
-des horizons bespeurde men nog eene groene strook, die een' zwakken
-lichtglans wierp op de stille vlakte van den vijver. Ik sprong op
-het vlot des vijvers en wierp op nieuw uit, maar mijne vangst bleef
-luttel. 't Was bladstil, de wind scheen ter rust gegaan en slechts
-mijn aas deed het heldere water rimpelen.
-
-Een opgeschoten knaap, die achter mij op den heuvel stond, ried
-mij, eene heele tros wormen aan den angel te hechten en daarmee
-stootsgewijs over de oppervlakte van 't water te slepen, en bood
-aan voor 't noodige aas te zorgen. Ik volgde zijn' raad, en de proef
-gelukte boven verwachting, want een forel van een paar marken beet
-weldra aan den haak en werd niet zonder moeite op den ongemakkelijken
-oever gebracht. Maar hiermee was 't ook uit; geen enkele beet werd
-meer bespeurd, geen enkele visch schoot door den stillen vijver;
-slechts de vleermuizen, die snorrend rondfladderden, brachten nu en
-dan, wanneer zij op insecten neerschoten, trillende kringen op de
-blanke vlakte te voorschijn.
-
-Vóór mij lag de molen, van binnen duidelijk zichtbaar door 't
-vlammend haardvuur. Hij was in vollen gang; toch scheen het, of
-'t rad met zijne schoepen en staken niet door den wil of de hand van
-een' mensch werd bestuurd en geleid, maar of 't ten speelbal strekte
-voor de luimen van een' onzichtbaren molen- of stroomgeest. Maar ja,
-ten laatste vertoonden zich ook menschelijke gedaanten. Hier sloeg
-er een met een grooten haak naar een balk, die in den molen moest
-gebracht worden en zette de geheele vlakte in golvende beweging;
-een ander kwam voorzichtig met eene bijl in de hand naar buiten om
-een balk te effenen of de buitenste planken in den vijver te werpen,
-die krakend in de diepte stortten. Alles suisde en bruiste, knarste en
-kraakte, en nu en dan werd ook buiten den molen--als een reuzenzwaard
-in kamp met de geesten des nachts--eene blinkende zaag in beweging
-gebracht om de knoesten en oneffen uiteinden der balken af te zagen.
-
-Uit het noorden kwam met den stroom der rivier eene kille vlaag,
-die mij deed voelen, dat ik nat en vermoeid was, en ik besloot daarom
-naar binnen te gaan en eene poos uit te rusten aan den haard van den
-molenaar. Ik riep den knaap, die nog aan den oever stond en verzocht
-hem de vischkorf te brengen, die ik had neergezet, en mij te volgen
-over 't vlot, welks gladde balken in 't water schommelden en bij
-elken stap, dien ik deed, onderdoken.
-
-Bij den eenen haard in den molen zat een oud man met een grijzen baard;
-eene roode muts had hij tot over de ooren getrokken. De schaduw van den
-schoorsteen had mij in 't eerst belet hem te zien. Toen hij hoorde,
-dat ik een ommezien wenschte uit te rusten en mij te warmen, maakte
-hij schielijk van een knoestig stuk hout eene zitplaats bij 't vuur.
-
-"Dat is een kostelijke visch," zei de oude, terwijl hij de laatste
-forel, die ik had gevangen in de hand nam, "en dat is een haakvisch;
-die weegt stellig anderhalf pond. Gij hebt hem vast in den vijver
-hier gevangen?"
-
-Op mijn bevestigend antwoord begon de man, een aartsliefhebber
-van visschen naar 't scheen, te verhalen van de groote forellen,
-die hij dertig jaar geleden in den omtrek had gevangen, en slaakte
-daarbij--niet minder dan Sir Humphry Davy in zijne Salmonia--de
-hartroerendste klachten over 't afnemen der visch en 't toenemen van
-het zaagsel in de rivieren.
-
-"De visch gaat weg," zei hij met eene stem, die boven al 't gedruisch
-uit klonk; "'t gebeurt nu zelden dat men zulk eene goudhaak als
-deze vangt, maar 't zaagsel neemt van jaar tot jaar toe. 't Is dan
-ook geen wonder, dat de visschen de rivier verlaten, want doen zij
-de kieuwen open om eene teug zuiver water naar binnen te halen, dan
-krijgen ze den heelen kop vol zaagsel en splinters. Dat vervloekte
-zaagsel!--God vergeve me de zonde--de zaag geeft ons brood, mij en
-mijn gezin; maar ik ben mij zelf niet langer meester, als ik denk
-aan de prachtige visschen, die ik voor jaren heb gevangen."
-
-Intusschen was de knaap met mijn vischkorf binnen gekomen; hij scheen
-kwalijk te moede bij al 't geraas en gedruisch, dat in den zaagmolen
-heerschte. Voorzichtig liep hij over de losse vloerplanken, en op
-zijn gelaat las men duidelijk angst en vrees voor 't bruisen van het
-water op en tusschen de raderen onder zijne voeten.
-
-"'t Is niet alles hier te zijn; ik wou dat ik goed en wel thuis was,"
-zeide hij.
-
-"Hoor je hier niet thuis?" vroeg ik.
-
-"Wie ben je, waar kom-je van daan?" vroeg de oude man.
-
-"Ik kom van Gamleby, en ik ben te Brække geweest met een' brief voor
-den schout; maar ik ben zoo bang in donker alleen te gaan," antwoordde
-de knaap, die zich den heelen tijd dicht in mijne nabijheid hield.
-
-"Schaam je wat, groote jongen, voor zoo iets bang te zijn," zei de
-oude, maar voegde er troostend bij: "zoo aanstonds komt de maan op,
-en de knecht kan wel met je meegaan."
-
-Ik beloofde den vreesachtigen knaap hem tot de Beierbrug te brengen,
-en dit scheen hem eenigermate gerust te stellen. Ondertusschen hield
-het malen op en twee der knechts gingen de zagen vijlen, een arbeid,
-die van zulk een krassend geluid verzeld gaat, dat 't iemand door merg
-en been dringt en des nachts, boven 't bruisen van den waterval uit,
-niet zelden tot in de naaste stad weerklinkt. 't Scheen, dat dit
-geraas de zenuwen van den knaap nog onaangenamer aandeed.
-
-"Hè, 'k zou voor nog zoo veel hier geen nacht willen doorbrengen,"
-zeide hij en staarde om zich heen, of hij aanstonds uit elken hoek
-van den molen een' nikker zou zien oprijzen.
-
-"Ik heb hier al menigen nacht doorgebracht," zei de oude; "toch had ik
-'t er in den beginne ook niet op begrepen."
-
-"Ik heb van mijne moeder gehoord, dat er zooveel hekserij in zoo'n
-molen gebeurt," viel de knaap angstig uit.
-
-"Ik kan niet zeggen, dat ik er ooit iets van gezien heb," hernam de
-molenaar. "'t Water is wel eens plotseling gedaald of gerezen, wanneer
-ik 's nachts maalde, en soms ook hoorde ik wel kloppen in de buitenste
-delen, maar gezien heb ik niets. De menschen gelooven daar tegenwoordig
-niet meer aan," ging hij voort, terwijl hij een vragenden blik op mij
-sloeg, "en daarom durven de geesten niet meer voor den dag komen; de
-menschen zijn te wijs en hebben te veel boeken gelezen in onze dagen."
-
-"Wel mogelijk," zeide ik; want ik merkte duidelijk, dat er meer stak
-achter den blik, dien hij mij toewierp, en ik had liever, dat hij
-mij oude histories vertelde, dan mij af te geven met 't bestrijden
-van zijne bewering, dat de verlichting in onzen tijd de onderaardsche
-geesten zou bang maken. "In zekeren zin kunt ge gelijk hebben. In den
-ouden tijd geloofden de menschen vaster aan elk slag van tooverij; nu
-houden ze zich of ze er niet aan gelooven, om verstandig en verlicht
-te schijnen, zooals gij zegt. Toch hoort men in de bergstreken nog
-wel, dat de geesten zich aan de menschen vertoonen, hen met zich
-voeren en zulke dingen meer. Ik zal je eens," voegde ik er bij, om
-hem goed op gang te krijgen, "ik zal je eens eene historie vertellen,
-die ergens gebeurd moet zijn, maar waar en wanneer, dat herinner ik
-me niet juist meer."
-
-Daar was eens een man, die een' molen bezat, vlak bij een waterval,
-en daar huisde ook een molengeest in. Of de man hem, zooals men hier en
-daar pleegt te doen, geboterd brood en gerstebier gaf, om te maken dat
-zijn meel vermeerderde, weet ik niet, maar 't is niet waarschijnlijk,
-want telkens, als hij malen moest, greep de molengeest den spilbalk
-vast en deed den molen stil staan. Onze man begreep weldra, vanwaar
-dit kwam, en op zekeren avond, dat hij aan 't werk moest, nam hij een'
-ijzeren pot vol pek en teer met zich en lei daaronder vuur aan. Toen
-hij 't water over den wielbalk leidde, raakte deze een oogenblik in
-beweging, maar spoedig stond hij stil, zooals te verwachten was. De
-molenaar stak en sloeg naar den geest in de goot en rondom den balk,
-maar te vergeefs. Eindelijk opende hij de deur, die naar de goot en
-den wielbalk leidde, en daar stond de molengeest midden in de deur en
-gaapte hem aan met een' mond, zóó wijd, dat de onderkaak den drempel
-aanraakte en de bovenkaak aan den zolder reikte.
-
-"Hebt gij ooit zulk gapen gezien?" zei de geest.
-
-De man vloog op den pekpot toe, wierp hem den inhoud in den mond en
-zeide: "Hebt gij ooit zoo iets kokend heets geproefd?"
-
-Toen liet de geest den balk los en stiet een vreeselijk gebrul uit. En
-sedert heeft men hem daar gehoord noch gezien, en nooit heeft hij de
-lui belet te malen.
-
-"Ja," zeide de knaap, die met eene mengeling van angst en
-nieuwsgierigheid mijne vertelling had gevolgd, "dat heb ik ook hooren
-vertellen door mijne grootmoeder, en zij vertelde nog eene andere
-historie van een' molen."
-
-Dat gebeurde een heel eind hier van daan en niemand kon daar zijn
-koren gemalen krijgen, omdat 't er vol was van hekserij. Maar nu
-woonde er ook eene arme vrouw, die op zekeren avond noodzakelijk wat
-koren moest malen, en zij bad daartoe den molen te mogen gebruiken.
-
-"Neen, God beware je," zei de eigenaar, "dat gaat niet, dan mocht
-het eens met dubbel geweld gaan spoken." Maar de vrouw antwoordde,
-dat zij 't zoo hoognoodig had; want zij had geen korrel brijmeel in
-huis en geen brood voor hare kinders. Nu, eindelijk kreeg zij dan
-verlof naar den molen te gaan en dien nacht te malen. Toen ze daar
-kwam, warmde zij een' grooten pot met teer, die daar stond, bracht
-den molen in beweging en zette zich bij den haard om eene kous te
-breien. Na eene poos kwam er een vrouwmensch binnen en groette haar.
-
-"Goeden avond," zei ze tot de vrouw.
-
-"Goeden avond," zei deze en bleef zitten breien.
-
-Maar zooals ze daar zat, begon degene, die binnen gekomen was, het
-vuur over den haard uit te spreiden. De vrouw rakelde het weer samen.
-
-"Hoe heet gij?" vroeg de geest.
-
-"Ik? Ik heet Zelf," zei de vrouw.
-
-Dat leek haar een zonderlinge naam, en nu begon ze op nieuw het vuur
-uiteen te halen. De vrouw werd boos, begon te schelden en rakelde het
-op nieuw samen. Dat duurde zoo eene heele poos, maar toen 't de vrouw
-lang genoeg geduurd had, stortte zij den teerpot over de aardgeest
-uit. Die aan 't huilen en schreeuwen, en zoo ijlde ze naar buiten
-en riep:
-
-"Vader, vader, Zelf heeft me gebrand!"
-
-"Zoo, heb je 't zelf gedaan, dan moet je 't zelf ook maar lijden,"
-hoorde men in den berg.
-
-"'t Liep wondergoed af met die vrouw," zeide de grijze molenaar. 't
-Had kunnen gebeuren, dat de molen verbrand was en zij meteen; toen
-ik nog tehuis was, heb ik iets dergelijks hooren vertellen, dat daar
-in den ouden tijd moet zijn voorgevallen. Daar woonde een boer, die
-ook een molen had en deze brandde twee pinksteravonden na elkander
-af. Toen het derde jaar pinksteren naderde, was er een kleermaker
-bij hem, die kleeren maakte voor 't aanstaande hoogtij.
-
-"Ik ben benieuwd, hoe 't ditmaal met den molen zal gaan," zei de man,
-"ik vrees, dat hij weer zal afbranden."
-
-"'t Heeft geen nood," zei de kleermaker, "geef mij den sleutel,
-dan zal ik op den molen passen."
-
-Dat leek den man niet kwaad toe, en toen 't avond werd, kreeg de
-kleermaker den sleutel en ging naar den molen; er was niets in, want
-hij was pas nieuw opgebouwd. De snijder zette zich midden op den vloer
-neder, nam een stuk krijt en trok een' wijden ring om zich heen en
-buiten om dien ring schreef hij 't Onze Vader: toen was hij nergens
-meer bang voor, zelfs voor den duivel niet. Te middernacht vloog de
-deur eensklaps open en daar kwamen eene menigte zwarte katten binnen,
-om er van te ijzen zoo leelijk. 't Duurde niet lang, of zij zetten
-een ijzeren pot op den haard en legden vuur aan, zoodat 't in den pot
-begon te bruisen en te borrelen, alsof hij vol kokende teer en pek was.
-
-"Ha, ha," dacht de snijder, "zal dat zóó gaan?" en nauwelijks had
-hij dit bij zich zelven gezegd, of een der katten schoot op den pot
-toe en trachtte dien om te werpen.
-
-"St, kat, je zult je branden!" riep de snijder.
-
-"St, kat, je zult je branden! zegt de snijder," riep 't dier den
-anderen katten toe, en nu begonnen zij alle rondom den ring te dansen;
-maar een oogenblik later sprong de kat weer naar den haard en wilde
-den pot omver smijten.
-
-"St, kat, je brandt je!" schreeuwde de snijder en joeg haar van
-den haard.
-
-"St, kat, je brandt je! zegt de snijder," zei de kat tot de andere
-katten, en weer begonnen ze alle te huppelen en te dansen en op eens
-vlogen ze naar den haard en trachtten den pot onderst boven te werpen.
-
-"St, kat, je brandt je!" schreeuwde de snijder en schopte haar, dat
-ze over elkander heen buitelden, en toen begonnen ze weer te dansen
-en te springen als te voren.
-
-Daarop sloten zij een kring om de krijtstreep en begonnen in 't rond
-te dansen, al sneller en sneller, en eindelijk ging 't zoo gauw,
-dat alles voor den kleermaker scheen rond te draaien, en zij keken
-hem aan met oogen, zoo groot en zoo vurig of ze hem wilden verslinden.
-
-Maar terwijl zij hiermee bezig waren, stak de kat, die eerst getracht
-had den pot om te gooien, den bek binnen den ring, als of zij lust
-gevoelde den kleermaker aan te vallen. Zoodra deze 't bemerkt, neemt
-hij zijn knipmes en houdt dit gereed. Weer steekt de kat den bek
-binnen den ring, maar, vlug als de wind, hakt de kleermaker haar dien
-af en toen vluchtten alle katten, zoo snel ze konden, al gillend en
-schreeuwend de deur uit. Maar onze kleermaker legde zich binnen den
-ring neder en sliep, tot de zon hoog aan den hemel stond en zijne
-slaapstee bescheen. Toen stond hij op, sloot den molen en ging naar
-de hoeve.
-
-Toen hij 't woonvertrek binnentrad, lagen man en vrouw nog te bed,
-want 't was pinkstermorgen.
-
-"Goê morgen," zei de kleermaker en gaf den man de hand.
-
-"Goê morgen," zei de man en hij was blij en verbaasd, toen hij den
-snijder weer zag, dat kan men begrijpen.
-
-"Goê morgen, moeder," zei de kleermaker en reikte de vrouw de hand,
-
-"Goê morgen," zei de vrouw; maar zij zag er bleek en verward en
-verschrikt uit, en hare handen verborg zij onder de dekens;--eindelijk
-toch reikte zij hem de linker. Toen begreep de kleermaker, hoe alles
-samenhing, maar wat hij den man zeide en hoe 't sedert de vrouw
-verging, dat heb ik nimmer gehoord."
-
-"De molenaarsche was licht zelf eene heks?" vroeg de knaap, die met
-gespannen aandacht had geluisterd.
-
-"Jij vat het," antwoordde de oude.
-
-'t Was bijna niet mogelijk langer een woord te verstaan; want de
-molen was weer met zijn geraas en geschuur aan den gang. De maan was
-opgekomen en na de korte rust was mijne vermoeidheid geweken. Ik zei
-dus den oude vaarwel en verliet den molen in gezelschap van den bangen
-knaap. Wij volgden het pad over de heuvelen naar Grefsen. Witkleurige
-wolkjes zweefden boven de rivier en de moerassen beneden in 't
-dal. Boven den sluier van rook, die over 't stadje hing, verhief zich
-Akershus met hare torens, die helder uitkwamen tegen den waterspiegel
-van den fjord, waarin eene smalle landspits zich uitstrekte als eene
-groote slagschaduw. De hemel was niet geheel helder en er was weinig
-beweging in de wolken en de lucht; het maanlicht mengelde zich met den
-schemer van den zomernacht en deed de omtrekken van 't landschap op
-den voorgrond slechts flauw uitkomen. Maar boven den fjord straalde 't
-schijnsel der maan blank en klaar, terwijl de Asker- en Baerumtoppen,
-in donkerblauwe schaduwen gehuld, zich boven elkander hoog in de
-lucht verhieven en den verren achtergrond van 't landschap vormden.
-
-Verkwikt door 't koele bad van den avonddauw spreidden de viooltjes
-en hare gezellinnen de levendigste geuren over de velden, maar uit de
-moerassen en van de beekjes stegen kille, doordringende luchtstroomen
-op, die mij soms deden huiveren.
-
-"Oef, 't griezelt mij," riep mijn jonge metgezel dan uit. Hij waande,
-dat deze luchtstroomen werden uitgeademd door de geesten des nachts
-en meende eene heks of eene kat met vurige oogen te zien in elken
-heester, die door den wind werd bewogen.
-
-
-
-
-
-
-
-HET KROOST DER HULDREN.
-
-
-Wij hadden een bezoek afgelegd op Bjerke-hoeve. De landheer en
-grootmama roeiden zondags avonds weer naar huis, maar juffer Marie
-en de jongens hadden zoolang gevleid en gebedeld, tot zij verlof
-kregen den maandagmorgen aftewachten en over de bergen naar huis te
-keeren om "van 't vergezicht te genieten," zoo als 't heette; en ik,
-de huisonderwijzer, had mijne goede redenen om bij hen te blijven. De
-maandag morgen kwam; veel spoediger dan ons lief was. Verzeld van onze
-gastvrouw, de waardige moeder Bjerke en haar' zoon, wandelden wij
-door de bladerrijke boschjes, die tot de hoeve behoorden en in wier
-berkentoppen de kwikstaartjes en goudvinken hun' snellen welluidenden
-slag deden hooren. De vliegenvangers drentelden rond op de takken
-en bleven niet achter in 't groot concert, terwijl de tuinkoning,
-bescheiden in 't loof verborgen, zijne teedere tonen uit de dichte,
-donkere toppen overal heen zond. De ochtend was zoo stil en kalm; de
-berkeblaren bewogen zich nauwelijks, en toen wij 't pad tusschen de
-velden betraden, zagen wij, telkens als er een zonnestraal viel op het
-groen, hoe de paarlen van den morgendauw fonkelden op de klaverplantjes
-en de bladeren van den Mariadistel. De zwaluwen scheerden langs den
-grond; de distelvink zat wiegelend op een' heester of kweelde op
-den akker. Daar verrukte ons het lied van den leeuwerik, hoog in de
-blauwe lucht, die van alle kanten bezaaid was met lichte zomerwolkjes,
-welke ons beschermden tegen de brandende zon.
-
-Toen wij aan gene zijde van den straatweg waren gekomen, deed zich
-een ander tooneel aan ons voor. 't Ging nu bergop; sparren en dennen
-welfden hunne koele bogen over ons heen. Nog klonken de trillers van
-den leeuwerik ons in 't oor; maar de tonen, die hier vernomen werden,
-waren slechts het schel gefluit der mees en 't regenvoorspellend
-geschreeuw van den Geertruidsvogel. Moede van 't klimmen rustten
-wij een ommezien uit op de vlakke, met mos bedekte klippen bij 't
-marschland der pastorie, dronken eene afscheidsteug met onze vrienden
-en verkwikten ons aan 't gezicht der blanke vlakte van 't Oiermeer,
-dat wij tusschen de toppen der sparren zagen schemeren.
-
-De jongens waren al spoedig op 't moerasveld om braambeziën te zoeken
-en jubelden, telkens als zij een roodachtig plekje zagen. De juffer
-en ik volgden hen. Omkranst met sparren- en dennenhout strekte 't
-moeras zich een kwartmijl ver naar 't westen uit; de eentonigheid
-der groote vlakte werd slechts afgebroken door enkele groepen ranke
-biezen of hoopjes lichtgroene kalmus. Hier en daar verhief zich een
-heuvel, en op den top daarvan zag men soms nog eene geel geworden
-hut, die herinnerde aan 't vogelspel in 't voorjaar. Naar 't noorden,
-waarheen de weg ons voerde, hadden wij niet meer dan duizend schreden
-af te leggen. Aan den zoom der vlakte stond het bloeiende heidekruid,
-maar ginder wenkten ons de prachtige gouden bekers der moslelie,
-de gebaarde bloem der bitterklaver en de sierlijke kalla.
-
-Getooid met wuivende rietpluimen, braambeziënbloemen en fijn gras,
-prijkte 't mostapijt met duizend schakeeringen en rees en daalde onder
-onze voeten, of 't op de golven der zee rustte. Ook wij dwaalden een
-oogenblik van den rechten weg af om braambeziën te plukken. Toen wij
-terugkeerden naar den top van een' der met sparren bewassen heuvels,
-zwaaide 't kolfriet zijne groote golvende stengels boven onze hoofden
-heen en weer; een snijdende wind blies ons in 't gelaat, en vlak boven
-ons stonden donkere wolkenmassaas met oneffen randen. Er dreigde eene
-regenbui; reeds voelden wij enkele droppels. Ik troostte mijne gezellin
-met de schuilplaats, die wij in 't oude wachthuisje zouden vinden,
-een overblijfsel uit den oorlogstijd, dat nauw een paar boogscheuten
-van ons verwijderd was. Toen wij den zoom der marschvlakte naderden,
-stortregende het, maar nu was 't bezwaar gering; wij voelden vasten
-grond onder onze voeten, het bosch beschutte ons en binnen een paar
-minuten zouden wij den heuvel hebben beklommen en in 't wachthuisje
-zijn. Maar 't bleek spoedig, dat we daar alles behalve veilig waren
-voor den regen. Het dak was ingestort; slechts een klein deel er van in
-den eenen hoek was overgebleven, zoodat we de vogelen des hemels boven
-ons konden zien vliegen. Doch in dit hoekje, onder dit stuk van het
-dak had een menschlievende jager of houthakker, tusschen de stijlen,
-van een paar planken eene bank gemaakt, maar even groot genoeg voor
-twee personen. Hier moesten we ons dus nederzetten, en nooit, docht
-me, had ik heerlijker zitplaats gevonden. De jongens klauterden met
-levensgevaar boven op de overblijfselen van den ouden schoorsteen in
-den anderen hoek, en stonden daar onder den grauwen hemel zoo lang
-te kibbelen, of zij negen of elf kerken zagen, tot ze eindelijk door
-den regen zelfs de naaste boomen niet meer konden zien.
-
-Men zou kunnen vermoeden, dat ons bijeenzijn in den hoek wederzijdsche
-vertrouwelijkheid en openhartigheid moest aanbrengen. Doch dit was niet
-'t geval; ik zat stilzwijgend te staren op de vlakte van 't Oiermeer,
-dat zich door de deuropening vertoonde, als in een' doffen sluier
-gehuld; ik keek naar de knapen op den bouwval van den schoorsteen
-en naar mijne eigen beenen. Wanneer ik 't een oogenblik waagde een'
-zijdelingschen blik te slaan op mijne schoone gezellin, was 't om dien
-weer met dubbele snelheid af te wenden. Mijn toestand was deerniswaard
-en komiek tegelijk, die van een verliefden huisonderwijzer. Wij
-zaten daar als een paar hoenders op den stok. Grijp de gelegenheid
-aan! fluisterde ik mijzelven toe. Terwijl ik over 't moerasland liep,
-had ik in stilte weer de toespraak herhaald, die ik reeds bij een
-dozijn soortgelijke gelegenheden had denken te houden. Hoe zij luidde,
-herinner ik mij niet meer, maar dit weet ik, dat ze mij altijd in
-de keel bleef steken, als ik wilde beginnen. Nu was 't gewichtige
-oogenblik weer daar. De jongens waren naar beneden geklommen en
-tuimelden rond in de bessenstruiken. Ik achtte het noodzakelijk mijne
-verklaring te beginnen met een stout stuk, en werkelijk waagde ik
-'t den arm om haar middel te slaan; maar spoedig bleek 't, dat de
-juffer veel dapperder was dan ik. Zij sprong op en stond met een
-dreigend gebaar en toch glimlachend voor mij.
-
-"Wat wilt ge van mij? Lieve hemel, weet gij wel wat ge waagt?" sprak
-zij. "Gij kent immers mijne afkomst? Gij weet toch, dat ik van de
-Huldren afstam en dat er heksenbloed door mijne aderen stroomt?"
-
-"Beste juffer," zei ik, terwijl ik inmiddels een weinig tot bezinning
-was gekomen, "ik begrijp u niet,... ik wist niets," voegde ik er bij
-om toch iets te zeggen, "van zulk eene verdachte afkomst."
-
-"Nu, 't is wel vreemd, dat mama, die u zooveel sprookjes en histories
-heeft verteld, u daarvan nooit iets heeft gezegd. Mijne grootmoeder
-of overgrootmoeder was eene echte Hulder. Luister slechts; maar
-als ge niet wilt dat ik doornat zal worden, moet ge mij toestaan
-vredig op de bank naast u te zitten.--Nu dan, mijne overgrootouders
-of bet-overgrootouders--dat weet ik niet recht--hadden op zekeren
-zomer de berghut betrokken. Zij hadden een' zoon, en deze was bij
-hen. Toen 't najaar kwam en zij de berghut moesten verlaten, zeide de
-jongeling, dat hij wilde achterblijven, want hij had lust om te zien,
-of 't waar was, dat de Huldren hun kwartier in de hutten opsloegen,
-wanneer ze ledig stonden. Zijn' ouders beviel dit niet; zij zeiden,
-dat hij niet aan de waarheid daarvan behoefde te twijfelen wanneer
-zoovelen 't vertelden. De zoon hield echter vol en eindelijk gaven
-ze hem hunne toestemming; zij lieten een' grooten schotel melkbrij
-achter en vertrokken.
-
-Juist toen de jongeling in gepeins zat verdiept, begon er leven te
-komen op het erf rondom de hut. Hij hoorde bellen klinken, runderen
-loeien, zwijnen knorren, en daar was een gepraat, een geroep, een
-sturen en stellen, precies als wanneer men in 't voorjaar met 't vee
-naar de hut komt. Allengs werd het stiller, en een oogenblik later
-kwamen er twee vrouwen binnen. De jongste van haar was zóó schoon,
-dat men haarsgelijke onmogelijk zou vinden. Zij gingen aan 't redderen
-en ordenen en begonnen vervolgens melkpap te koken. Inmiddels hield
-de jongeling zich of hij sliep. De Huldren sloegen in den beginne
-geen acht op hem, maar op eens begon de jongste te schreien.
-
-"Wel wat schort je, waarom schreit ge?" zei de andere.
-
-"Ach, dien jongen daar vind ik zoo mooi, dat ik niet zonder hem kan
-leven, en toch zal dat zoo moeten zijn," antwoordde de jongste.
-
-"Stil maar, we zullen een praatje met hem maken," zeide de moeder om
-haar te troosten. Zij gingen zitten eten, en nu deed de jongeling of
-hij ontwaakte, en groette beiden. Zij noodigden hem uit met haar te
-eten, maar hij bedankte en vroeg, of zij niet liever wilden eten van
-zijne roompap.
-
-Ja, dat wilden ze gaarne, want gij moet weten, van roompap houden de
-Huldren 't allermeest. Zij aten nu te zamen en keuvelden over een en
-ander, tot de moeder sprak:
-
-"Jij bent een knappe jongen en mijne dochter heeft een goed oog op
-je; als je wilt beloven met haar naar den predikant te gaan om haar
-te laten doopen, dan kun-je haar krijgen. Maar goed moet je voor
-haar wezen, dan zal een flinke bruidschat je niet ontgaan. Je zult
-alles krijgen, wat je noodig hebt in de hoeve en voor je bedrijf,
-ja, meer dan je behoeft."
-
-Och ja, de jongeling meende, dat hij wel van haar zou kunnen houden,
-en zulk een aanbod werd niet elken dag gedaan. Hij beloofde dus naar
-den predikant te gaan om haar te laten doopen, en--goed voor haar zijn,
-dat zou hij zeker. Zij trokken toen naar huis; de dochter werd gedoopt,
-zij hielden bruiloft en leidden een gelukkig leven, naar men verhaalt.
-
-Eens was hij wat bar tegen haar geweest en had tegen haar' zin
-gehandeld; 's nachts daarop hoorde hij een verschrikkelijk leven en
-geraas. Maar toen hij 's morgens in het voorhuis kwam, zag hij 't
-heele erf vol van allerlei benoodigdheden voor 't boerenbedrijf en
-de huishouding. Daar waren koeien en paarden, ploegen en hooisleden,
-nappen en emmers en alle mogelijke zaken.
-
-Toen de oogsttijd weer naderde en de kool groot werd en de vrouw
-de slacht moest in orde brengen, had zij hakbord noch haktrog. Zij
-verzocht daarom haar' man de bijl te nemen en den berg op te gaan
-om den grooten den te vellen, die op den weg naar de berghut stond;
-daarvan moest hij haar een' haktrog maken.
-
-"Ik zou haast denken, dat je zot waart, mensch," zei de man; "zou
-ik den besten boom in 't bosch vellen, om er een' haktrog van te
-maken? En hoe zou ik dien thuis krijgen in dezen tijd; de stam is
-zoo zwaar, dat geen paard in staat is hem voort te sleepen."
-
-Toch bleef zij aanhouden; maar toen de man stellig bleef weigeren,
-nam zij de bijl, ging naar 't bosch, hieuw den denneboom om, nam
-hem op den schouder en bracht hem naar huis. Toen haar man dat zag,
-verschrok hij zóó, dat hij sedert haar nimmer dorst tegenspreken,
-of iets anders doen dan zij wenschte, en van dien tijd af waren zij
-de eensgezindheid zelf.
-
-"Ziedaar de historie. Welk een sterk en lastig man mijn grootvader
-was, hebt gij zeker vernomen; mijn' vader, den landheer, kent gij,"
-zei ze half dreigend, half schertsend: "gij kunt u dus voorstellen,
-wat u te wachten staat, wanneer ge mij ernstig boos maakt."
-
-"Ge schijnt hier te willen blijven Marie," zeiden de knapen, die
-zich met een' blauwzwarten mond in de deur vertoonden, elk met een'
-verbazenden bessentak in de hand. "De regen heeft al lang opgehouden;
-kom, laat ons nu gaan."
-
-Wij stonden op; het rijke loof der mossen, welke de vochtige wanden
-bedekten, glinsterde, door den regen verfrischt, in den helderen
-zonneschijn. Buiten, in 't bosch, scheen eene nieuwe vreugd op
-planten en vogels neergedaald. De kinderen van Linnaeus zonden ons
-hun' welriekenden adem tegen en de sparren goten hunne geuren over
-ons uit. Het bosch was vol van vogelenzang en gejubel; in elken
-top zat een lijster mij uit te lachen over mijne verliefdheid, de
-tuinkoninkjes zongen om strijd mee en verheugden zich in hun geluk;
-slechts een eenzaam roodborstje zat klagend in 't dichtste loover.
-
-Terwijl wij door 't bosch gaande de berghelling afdaalden, lag
-Opper-Romerike vóór ons in den zonneschijn; boven de westelijke
-heuveltoppen hing nog de regen als een grauwe sluier, maar naar
-'t noorden was de lucht helder als een spiegel. De Mistberg, de
-lieveling dezer streek, hief zijn' ronden top als een azuren koepeldak
-ten hemel; heuvels en bosschen, kerken en landhoeven vertoonden zich
-aan onzen blik, en de jongens herkenden zelfs reeds den rooden stal
-der ouderlijke woning.
-
-'t Ging nu met spoed naar beneden; Marie hield een' wedloop met
-de jongens, ik kwam slenterend achteraan, staarde neerslachtig
-op 't waterlooze landschap en stilde mijn' dorst met sappige
-boschbessen. Weldra waren wij dicht bij de hoeve, maar toen wij
-den tuin naderden, stak de middagzon zoo brandend heet, dat wij een
-oogenblik de schaduw opzochten. Marie zette zich in 't gras neder onder
-den ouden eik, en wij volgden haar voorbeeld. Daar golfde plotseling
-een stroom van klanken boven onze hoofden. Verbaasd leende Marie het
-oor en staarde naar de donkere bladerrijke kroon, alsof zich daarin
-alle gevleugelde zangers des wouds hadden verborgen. Ik herkende die
-tonen; zij kwamen van een' zeldzamen gast in deze streek: 't was de
-goudleeuwerik die dit concert gaf. Hij was in den besten luim; zijn
-toon was doordringend als die van den valk en zoet als de zang van
-'t sijsje. De trillers van den leeuwerik, 't wijsje van de musch,
-het gekweel der zwaluw gaf hij ons beurtelings ten beste; hij kende
-de tonen van den lijster zoo goed, als die van elken anderen zanger in
-'t loof. 't Was eene ware potpourri van vooglenliederen, nu jubelend,
-dan treurig.
-
-"Hoort ge dat?" riep Marie, terwijl zij opsprong en rondom den boom
-danste, "in die tonen herken ik mijn' Huldrenaard; ik voel, dat ik
-hier thuis behoor, evenals gij u te huis gevoelt in de stad en in de
-boeken, bij tooneelvertooningen en draaiorgels."
-
-
-
-
-
-
-
-EEN NACHT IN NORDMARKEN.
-
-
-Een Julidag, zoo doorschijnend helder als een dag in September,
-een zonnestraal boven de bergen van Baerum en de dennengeur, dien
-ik toevallig opsnoof, deden, in 't midden van den heeten zomer en
-in de duffe stad, mijn' zwerflust ontwaken en mijn heimwee naar
-bosch en veld. Ik moest en zou naar buiten om de frissche lucht van
-stroomen en dennen in te ademen. Doch slechts een paar dagen stonden
-te mijner beschikking. Tot een' langen tocht schoot dus de tijd te
-kort; een uitstapje naar Nordmarken, om daar te visschen, was al wat
-ik me mocht veroorloven. De toebereidselen waren spoedig gemaakt;
-aas en vischtuig waren in orde, en na eene wandeling van weinige
-uren was ik den Hammer voorbij, ging langs eene berghelling naar
-Kamphaugen en van deze hoeve verder naar de Björnsjö-rivier. In de
-diepte glinsterde de baai nu en dan tusschen de stammen der boomen
-en de open plekken van 't bosch. De vogels zongen uit volle borst en
-'t werd me zoo vroolijk en vrij, nu 'k weer ademen mocht in den zoeten
-woudgeur. 't Gedruisch van den waterval riep mij tot zich en spoedig
-was ik aan den mond der rivier. Hier stroomde zij helder, maar steil,
-over den kiezelgrond; uit eene woeste kloof, die van haar' uitloop uit
-het Björnmeer af eene kwartmijl lang hare diepe bedding vormt, ijlt ze
-als in gevleugelde vaart in de armen der baai. Zoolang de rotswanden
-en torenhooge steenklompen haar beklemmen, tuimelt zij met pijlsnelle
-drift in den donkeren afgrond neer. Nu eens vormt zij een' bruisenden
-waterval, wit van schuim; dan stuift zij met woeste sprongen hoog boven
-de zwarte rotsmuren uit, terwijl hare wateren in damp verdwijnen; dan
-weer--of hare onbesuisdheid haar rouwde--stroomt ze met donkere, loome
-golven voort. Maar slechts een ommezien rust zij uit, om met frissche
-krachten het dartel spel weer aan te vangen. En toch beteekent al haar
-gedruisch en gebruis in dezen tijd des jaars luttel bij 't geen zij in
-'t najaar te zien en te hooren geeft. Wanneer de dam wordt geopend;
-wanneer de schuimende wateren van 't Björnmeer worden losgelaten en
-het gevelde hout met den stroom wordt meegevoerd, dan overtreft haar
-koken en bruisen elke voorstelling; het gedreun van hare watervallen
-is als 't ratelen van den donder; boomen en rotsblokken sleurt zij
-mede en balken doet ze in stukken vliegen, als waren 't pijpestelen.
-
-De rotshellingen aan de oevers van den stroom heffen zich steil naar
-boven met hare steenblokken, hare massa's omgewaaide stammen en hare
-donkere dennen, die ernstig nederzien op het wilde spel in de diepte
-en verfrischt worden door de dampwolken, die de waterval telkens hun
-in den grauwen, eerbiedwaardigen baard werpt.
-
-En tusschen de elzen en beuken, die beneden aan den oever hunne
-takken boven de rivier uitbreiden, ziet de visscher, die hier
-heen is getogen om buit, slechts eene smalle slip van den blauwen
-hemel, meestal nog verduisterd door de dampen, die van den waterval
-opstijgen en langs de helling zweven. Wie hier wil visschen, moet
-voor water noch rotsen vervaard zijn, want vaak is de klove zoo eng,
-dat de oevers verdwijnen en men den stroom moet doorwaden, en soms
-wordt de bedding plotseling dieper en vormt eene donkere geul met
-steile wanden, waarin de stroom als een schuimende waterval op den
-visscher aanstormt. Dan moet hij tegen de steile wanden opklauteren,
-tusschen steenklompen door, die dikwijls onder zijne voeten uitwijken,
-zoodat hij, indien hij al niet naar beneden stort, tusschen hemel en
-aarde zweeft en zich met de handen moet vastklemmen, die opengereten
-worden en bloedige sporen achterlaten op den steen, dien hij heeft
-aangegrepen. En kent hij niet elken steen en elken struik, dan bevindt
-hij zich spoedig in den wanhopigen toestand, dat hij op noch neer kan;
-"dat hij in den berg is geraakt," zooals 't bij de jagers heet.
-
-Ik sprong van den eenen steen op den anderen, terwijl de hengelroê
-mij tot staf en balanceerstok diende; ik waadde en klauterde en was
-recht vroolijk. In de heldere wielingen en onder de glasgroene golven,
-welke de rivier vormde op die plaatsen, waar zij met mindere woestheid
-voortstroomde, sprongen de jonge forellen vroolijk op en neer; in
-de diepe geulen schoten groote visschen als gouden strepen heen en
-weder, snapten 't aas onder 't water weg, deden 't snoer suizend van
-de roede glijden en sleepten 't mee naar het diep, waaruit ze echter
-spoedig naar boven getrokken en op het droge gebracht werden.
-
-Toen ik uit de kloof trad, waar de rivier uit het Björnmeer ontspringt,
-verwijlde ik een oogenblik op den dam. De zon neeg ter kim en haar
-licht speelde tusschen de boomtoppen, terwijl 't donkerblauw des
-hemels, de gloeiende avondwolkjes en de sombere dennen, die 't meer
-omsluiten, zich afspiegelden op het heldere watervlak. Insecten gonsden
-door de lucht en hielden hun elvendans boven 't water, waaruit, al
-borrelend en plassend, prachtige visschen op hen toe schoten. Boven het
-bosch, naar 't noorden, stond eene loodkleurige wolkbank met geelbruine
-randen. Lauwe luchtstroomen kwamen mij te gemoet en beklemden de borst
-in de eenzaamheid des wouds; in de verte klonk eene fluit, wellicht
-ook de echo daarvan; in de avondstilte naderden hare tonen mijn oor,
-zwevend, wegstervend, verlokkend en klagend tevens.
-
-Ik ging het bosch door langs den meeroever, om te onderzoeken, of
-er op eene der vooruitspringende plekken ook iemand te vinden was,
-die mij naar Bonna zou kunnen overzetten, de eenige plaats, waar hier
-menschen wonen. Weldra traden twee mannen het bosch uit. 't Voorkomen
-des eenen hield het midden tusschen een' patriarch en een' bedelaar;
-hij bezat eene reusachtige gestalte, borstelige wenkbrauwen en een'
-langen, eerwaardigen grijzen baard. Op 't hoofd droeg hij eene blauwe
-wollen muts en over zijn versleten wambuis hing een zak van schapenvel,
-met een' rooden wollen band vastgemaakt. De ander was een visscher,
-dien ik reeds meermalen op mijne zwerftochten door deze streken had
-aangetroffen. Van ouder tot ouder had zijn geslacht hier geleefd en
-gearbeid; in vroegere dagen had het in eeuwigdurende veete geleefd
-met de "boschfinnen," die volgens de sage tot in het midden der
-vorige eeuw zich ophielden in verschillende vlekken van Nordmarken
-en in de groote bosschen, die zich van hier en den Holtsfjord tot
-'t Gudbrandsdal en Valders uitstrekken.
-
-Maar de oude Elias is niet altijd visscher geweest. In zijne jeugd
-was hij een kloek zeeman, die evenmin een' storm als 't donderen
-der kartouwen vreesde. Hij lag voor Göteborg in 1788; hij was
-bootsmansmaat op de Prövest, den 2den April 1801. Hij heeft de geuren
-der oranjeboschjes aan de kusten der Middellandsche zee ingeademd
-en de palmboomen van Indië aanschouwd. In Nordmarken heet hij Elias,
-de visscher, of Elias, de Zweed, naar' zijn eersten tocht. Nu is hij
-gebrekkig en wordt grootendeels onderhouden uit de armenkas. Maar de
-breede schouders en de krachtige armen tuigen nog van zijn verleden,
-en wanneer zijn tong los komt en hij aan 't vertellen raakt over
-kapitein Larsen, zijn' bevelhebber, over de zee, over den 2den April
-en zijne vischtochten in Nordmarken, dan komt er leven in die oogen,
-dan spant zich elke spier van dat ingevallen en behaard gelaat. Oud
-en jong luistert gaarne naar zijne vertellingen en Elias is overal
-een welkome gast, zelfs bij die kleinzielige schepselen, die hem zijn
-geluk bij 't visschen misgunnen. Want vóór alles is hij met hart en
-ziel visscher, en zijne ervaring, zijne veeljarige kennis van de
-gewoonten en levenswijze der visschen in deze rivieren en wateren
-maken, dat zijne pogingen in den regel met een zeldzaam geluk worden
-bekroond. In den besten vischtijd ziet men Elias, den visscher,
-zelfs nu nog, in zijn vier-en-tachtigste jaar, iedere week met eene
-reusachtige mand vol visch op den rug naar de stad gaan. Maar één
-zwak heeft hij; al te vaak tracht hij de klove tusschen 't voorheen en
-thans te doen verdwijnen onder de wateren der Noorsche Lethe. Wanneer
-hij van de stad terugkeert, zijn zijne schreden wankelend en is zijn
-hoofd zwaar, en schoon zijne woning niet ver is--de kleine hut op een'
-heuvel ter linkerzijde van den weg, even voor men aan de Skjærvenbrug
-in 't Mariadal komt--gebeurt het maar al te dikwijls, dat hij aan
-den kant van den weg zijne slaapstee vindt.
-
-"Welkom, mannen!" zei ik.
-
-"Goên avond," was 't bescheid van beiden, terwijl zij op de hengelroê
-leunden.
-
-"Goên avond, Elias; moeten we elkaar al weer hier vinden?"
-
-"Ja, 't gaat met mij als met eene donderwolk," zeide Elias, "men
-vindt mij altijd, waar ik 't minst verwacht word."
-
-"Denkt ge hier van nacht te visschen?" vroeg ik.
-
-"Wij meenen het ten minste te probeeren," zei Elias, "'t is nog wel
-wat vroeg in 't jaar, maar als er regen en wind komt, kan 't licht
-meeloopen.
-
-"Ja, dat denk ik ook, Elias."
-
-"Hebt ge eene goede vangst gehad in de rivier?" vroeg Elias met een'
-nieuwsgierigen blik op mijne vischkorf.
-
-"Och, ik heb wel wat gevangen, maar er is niet veel bij, dat meer
-dan twee marken weegt," zei ik en opende het deksel.
-
-"Er is meer dan anderhalf pond; kijk, dat is een prachtig stuk,
-en die ook... drommels, 't zijn mooie visschen," zei Elias.
-
-"Vischt hij met vliegen?" vroeg de ander.
-
-"Jij raadt het," zei Elias, terwijl hij te vergeefs een paar malen
-zijne hengelroê uitwierp: "jij raadt het; ik heb naast hem gestaan
-aan de Hakklo en kreeg niet eens tuk, terwijl hij met een half pond
-ging strijken, en dat schielijk ook."
-
-Ik vroeg, waar zijn kameraad vandaan was en vernam, dat hij zich des
-zomers op de bergen van Hadeland ophield. Hij moest nu naar stad om
-zout te koopen; maar hij zou ook graag wat brandewijn en tabak willen
-opdoen, en daartoe trachtte hij zich de middelen te verschaffen door
-de vischvangst.
-
-Tegen 't invallen der duisternis brak 't onweder los; het donderde en
-bliksemde in de verte; de donkere wolkenmassa's breidden zich steeds
-verder uit, hare omtrekken werden telkens minder scherp, en eindelijk
-hingen de regenwolken als een grijs gordijn boven de bergen.
-
-Vóór onweer en regen uit streek een frissche wind over 't water. Nu was
-'t de rechte tijd om te visschen. Enkele groote visschen hapten toe
-en werden nu en dan gevangen, maar meestal schoten ze 't aas voorbij.
-
-"Zij hebben nog den rechten zin niet om toe te bijten, daarom is het
-zoo dikwijls mis," zeide Elias, terwijl hij bezig was een visch op
-'t droge te trekken.
-
-Bij de eerste regendroppelen sprongen de visschen slag op slag naar
-het aas; maar toen de bui terdege los brak en 't aanving te hagelen
-en te stortregenen, was 't geheel voorbij.
-
-"Morgen zullen we 't misschien beter treffen," zei de Hadelander.
-
-"Wat dunkt je van 't weer," zei ik na eenige oogenblikken. "Boven de
-bergen klaart het op."
-
-"Als de lucht daar helder wordt, komt er nog meer regen; maar 't kan
-wel een' enkelen dag droog blijven," antwoordde de Hadelander. "Luister
-maar, die kerel ziet ook naar regen uit," voegde hij er bij, toen
-in de verte een akelig geschreeuw weerklonk, juist of iemand in
-doodsgevaar om hulp riep.
-
-"Is dat de nikker?" vroeg ik.
-
-"In Jezus naam, zeg dat niet,--'t was de watervogel." [1]
-
-Wij gaven 't visschen voorloopig op en besloten vuur aan te leggen,
-want we waren doornat. De oudjes zochten takken en twijgen bij een,
-ik verschafte vuur, en spoedig vlamde op den top des heuvels een vuur,
-dat, geholpen door mijne teerkost, niet naliet zijn' opwekkenden
-invloed op mijne genooten te openbaren door een levendig gesprek over
-de visscherij, de gewoonten der forellen in Nordmarken en der visschen
-in de rivieren van Hadeland. Elias weidde met voorliefde uit over de
-vischtochten, die hij in zijne jonge jaren in Nordmarken had gemaakt,
-als hij van eene reis tehuis was gekomen.
-
-"Toen kon men hier nog eens visch vangen," zeide hij, terwijl hij
-zijn kort pijpje aanstak, "maar 't gaf ook niet zoo'n gesukkel met
-'t water, en 't was niet gevaarlijk, al raakten er 's nachts een paar
-balken uit den dam, zoodat de visch in de rivier kon komen. Ja, ja,
-bij den dam was 't in dien tijd eene beste plaats om te visschen, want
-hij stond toen voorbij de twee bergen en de diepe geul, waar ge weet,
-dat hij nu staat. Ik ving daar op één' nacht acht pond, en daar was er
-geen onder, die minder dan drie marken woog. Maar nu weten de visschen
-niet meer hoe ze 't hebben; nooit kunnen zij vrij hun gang gaan."
-
-"'t Moet vast prettig geweest zijn hier te visschen in dien tijd,"
-zeide ik, "maar 't gebeurde toch ook weleens, dat gij slib vingt?"
-
-"Maar zelden, dat ik niets ving; iets kreeg ik altijd," antwoordde
-hij. "'t Is waar, éénmaal was ik bijna platzak thuis gekomen, maar toch
-liep 't nog goed af. Dit ging zoo verwonderlijk toe, dat ik er nooit
-iets van heb begrepen. Zóó ben ik nooit weer uit visschen geweest."
-
-"Wat gebeurde er dan?" vroeg ik.
-
-"Vertel ons dat, Elias," zei de Hadelander; "je kunt voor 't oogenblik
-niets beters doen."
-
-"Dat geloof ik ook," zei Elias.
-
-"'t Was in 1806. Ik lag destijds in Christiania, maar de orders
-waren zoo streng, dat geen matroos langer dan één' dag verlof kon
-krijgen en niet verder mocht gaan dan eene halve mijl van de stad,
-of hij moest het kapitein Larsen melden. Ik zette mij in 't hoofd
-in Nordmarken te gaan visschen, ik meldde mij aan en sneed uit met
-wat teerkost in den eenen en eene flesch brandewijn in den anderen
-zak. 't Ging slecht. In de Björnsjö-rivier kreeg ik geen enkele maal
-tuk. Toen ik bij den dam kwam, lag daar eene boot; ik roeide er mee
-naar Smalström, maar ook daar was geen enkele visch te zien. Zoo toog
-'k noordwaarts naar de Hakklo.
-
-"Onderweg ontmoette ik Per Piber, een van de beste visschers hier
-destijds. "Je hoeft niet verder te gaan, Elias," zei hij, "ik
-ben noordop naar de Katnose geweest, maar heb haast geen graatje
-gevangen. Kijk maar hier," zei hij en haalde zijn' korf voor den
-dag. Daar zullen misschien een dozijn kleine dingen in geweest zijn,
-zoo lang als mijn vinger.
-
-"Kom ik over den hond, zoo kom ik over den staart, beste Per," hernam
-ik en schonk hem een paar borrels. Ja, God beware me, ik nam er zelf
-ook een. "'t Mocht gebeuren, dat ze bij mij toehapten, al deden ze
-'t niet bij jou," voegde ik er bij.
-
-"Zeker," zei Piber. "Zoo scheidden wij.
-
-"Dadelijk zocht ik de diepste plaats in de Katnose op, want krijgt
-men daar geen tuk, dan krijgt men 't nergens. Neen, 't wou niet
-lukken. Ik maakte mij daarom een nachtleger gereed, nam nog eene
-teug uit de veldflesch om mij te verwarmen, en sliep een gat in den
-dag. Nog eens beproefde ik 't in de Katnose, doch daar was geen visch
-te zien en ik moest onverrichter zake terugkeeren. Maar toen ik bij
-'t wagenhuis op Sandungen kwam, zag ik daar een meertje, dat men
-'t wagenhuismeertje noemde. Ik had altijd hooren vertellen, dat
-men daar nooit iets ving, schoon er visschen zwommen, zoo dik als
-balken. Maar 't was een Huldermeertje en niemand dorst er in die dagen
-visschen. "Je kunt 't probeeren, Elias," dacht ik, "misschien zal de
-Huldervisch toebijten, als de andere niet thuis zijn." Ik liep over
-den lossen veengrond heen, en wierp mijn aas uit bij de kleine beek,
-die naar Sandungen stroomt en wier water, wanneer de dam afgesloten
-is, zich onder den lossen bodem door in 't meertje stort. Op eens
-beet een visch toe en schoot onder den drijvenden grond; hij leek
-zoo zwaar als een gebakerd wicht, en ik merkte wel, dat 't geen forel
-was. Toen ik hem boven bracht, bleek 't een baars van acht marken. Een
-weinig verder op zag ik eene menigte rimpels in 't water. Daar wierp
-ik uit. Nauwelijks was 't aas in het water, of een visch beet aan;
-maar dat gaf een gespartel en geplas van belang, en ik had heel wat te
-doen, voor ik hem boven kreeg. 't Was dan ook eene forel van tusschen
-de zeven en acht marken, van de kostelijke soort, die men alleen bij
-Sandungen vindt, vet en breed, met een kleinen kop en zoo geel als
-was, maar over den rug donkerder dan de visch, die men er gewoonlijk
-vangt. Ik bleef daar natuurlijk en haalde den een na den ander op,
-van vier, vijf, zes marken en zwaarder. Maar terwijl ik bij toeval
-eens omkijk, daar liggen achter mij twee prachtige visschen en een
-derde er dwars overheen. Ik wist niet, wat ik daarvan moest denken:
-of een visscher ze er had neergelegd of hoe ze er gekomen waren;
-ik zag toch niemand. Een eind verder, waar ik weer beweging in
-'t water bespeurde, wierp ik op nieuw uit. De visschen beten toe,
-en spoedig had ik wel twee pond gevangen. Maar terwijl ik omzie,
-liggen daar alweer vijf groote, prachtige visschen achter mij. Ja,
-ik begreep wel volstrekt niet waar ze vandaan kwamen, maar ik nam
-ze toch op en legde ze in de vischben bij de drie, die ik eerst had
-gevonden. Doch daar verhief zich eensklaps zulk een hevige storm en
-'t kletterde en kraakte zoo vreeselijk, dat ik niet anders dacht, of
-'t heele bosch zou zoo aanstonds op mij neerstorten. "Neen, 't is hier
-niet richtig," dacht ik, "ik zal veiliger plek moeten opzoeken," en zoo
-nam ik de acht visschen en legde ze op een' boomstam naast elkander,
-opdat de eigenaar ze kon wegnemen, of een vogel of ander dier ze
-kon opeten. Ik ging naar Sandungen, dat weinige schreden verder
-lag. Maar eer ik hier kwam, was er geen wind meer te bespeuren, en
-'t spiegelgladde watervlak weerkaatste bergen en wolken. Toen begreep
-ik, dat er een Hulder buiten was geweest."
-
-Aan deze vertelling knoopte nu de Hadelander verschillende verhalen
-vast over Huldervijvers en wateren met dubbelen bodem, waarin de
-visschen den Huldren behooren en alleen op St. Jan boven mogen
-komen,--maar op eens brak hij zijne vertelling af met den uitroep:
-
-"In Jezus' naam, wat is dat voor licht daar ginds? Dat ziet blauw!"
-
-Elias meende, dat het niet ver van den Smalström was. Mij scheen
-'t licht meer rood dan blauw, en ik vermoedde, zooals later ook
-bleek, dat een paar visschers zich daar hadden gelegerd en een vuur
-aangelegd. 't Gesprek kwam naar aanleiding hiervan op schatten en
-schatgravers en 't blauwe licht, dat boven verborgen schatten gezien
-wordt. Elias vertelde, dat zijn grootvader of overgrootvader--ik
-herinner mij niet meer, wie van deze twee geloofwaardige personen
-'t was, maar ik geloof de eerste--een' zilverader had gezien op den
-bodem van een' helderen vloed, zoo dik als een boomstam, en hieruit
-ontsponnen zich verschillende vertellingen, die ik zoo goed mogelijk
-wil trachten weer te geven.
-
-Zijn grootvader dan, vertelde Elias, bracht hout van Nordmarken
-naar 't Sörkedal. 't Liep reeds naar den zomer, zoodat sneeuw en
-ijzel verdwenen waren. Hij had zijn dochtertje bij zich. Toen zij
-tusschen Vindern-Saeter en Blankvandsveld gekomen waren, gleed 't
-kind uit. "Kijk, vader, daar ligt nog ijzel," zei ze. Hij keek waar
-ze uitgegleden was, maar bemerkte aanstonds, dat 't zilver en geen
-ijzel was. Hij hieuw er met de bijl in.
-
-"Ja, je hebt gelijk, kind; 't is zonderling, dat de ijzel 't zoo
-lang kan uithouden," zeide hij en deed of hij niets merkte. Van dit
-oogenblik af reed hij dikwijls naar de stad en bracht dan telkens
-veel geld mee.
-
-Maar als hij daarheen ging, koos hij noch 't pad voorbij
-Maridalshammer, noch door 't Sörkedal; hij ging zijn' eigen weg,
-dwars door bosch en veld en over de bergen heen. Eens was hij weer
-in de stad en had een beetje te veel gedronken;--'t was in de oude
-hoeve van Ramstad bij Graensen--daar zat hij op te snijden!
-
-"Als ik maar wou, kon ik mijne paarden wel met zilver beslaan,"
-zei hij.
-
-Daar zaten veel luiden en sommigen schreven die woorden op. Maar vóór
-bestevaar thuis kwam, was hij dood en sedert dien tijd heeft niemand
-een spoor van zilver gezien, schoon men in 't omliggende veld druk
-ging spitten en graven.
-
-"Ik heb hooren zeggen, dat die kerel zijn leven lang naar schatten
-heeft gezocht," merkte de Hadelander aan, terwijl hij een' drogen
-tak op 't vuur legde.
-
-"Gij zoudt zeker meer van hem kunnen vertellen, als gij wildet,"
-voegde ik er bij.
-
-"Niemand gelooft meer aan die dingen in onze dagen," antwoordde Elias;
-"maar ik kan nog wel wat vertellen.
-
-"Toen mijn grootvader nog een knaap was, ging hij met nog iemand op
-'t veld aan 't spitten; wellicht hadden ze een blauw licht gezien;
-misschien ook wisten ze, dat daar geld lag. Twee donderdagnachten waren
-ze bezig, en in dien tijd zagen ze zooveel monsters en ondieren, als
-ze nooit hadden vermoed dat er bestonden: beren en andere wilde beesten
-en ossen met groote horens en allerlei vreeselijke schepsels. De angst
-maakte zich van hen meester en elk oogenblik stonden ze op 't punt het
-hazenpad te kiezen; toch bleven zij en hielden zich doodstil. Zoo
-kwam de avond van den derden donderdag; toen werd het nog veel
-erger. Maar zij groeven en spraken geen woord, en niet lang duurde
-het, of zij stieten op een' koperen ketel. Op 't zelfde oogenblik kwam
-er, snel als de wind, een wagen voorbijrijden met zes zwarte paarden
-bespannen. Een eind achter den wagen aan voer een oud wijf in een'
-trog; haar mond ging op en neer als een ratel. "Ik neem ze toch mee,
-ik neem ze toch mee, ik neem ze toch mee!" riep ze onophoudelijk en
-reed voort. "Ja, naar de hel neem-je ze meê," zei grootvader, maar
-op eens was 't wijf verdwenen en de ketel met geld weggezonken.
-
-"Een andermaal zal ik zwijgen," dacht grootvader, en 't duurde niet
-lang, of hij was al weer bezig. Ditmaal was er een oud wijf, dat
-een' grooten koperen ketel vol geld had gezien, terwijl zij over
-'t veld ging bij Greffen in 't kerspel van Akers. Drie dagen vóór
-Sint Jan ligt het geld bloot, moet ge weten, maar hij dorst er niet
-aankomen, omdat eene groote slang zich boven in den ketel heen en weer
-kronkelde. Nu waren er twee kerels uit Christiania: de een was een
-winkelier, die in goeden doen zat; de ander was onderofficier; dezen
-sloegen met grootvader de handen ineen om den ketel op te graven. Zij
-aan 't spitten,--drie donderdagavonden achtereen; den derden avond
-stieten ze op de hengsels, dat zij 't geld konden hooren rammelen;
-zij hoopten 't dus spoedig meester te zullen worden. Maar luister nu,
-wat wonderlijks er gebeurde! Op eens scheen 't den winkelier, dat zijn
-huis in de stad in lichterlaaie vlam stond, en schoon 't zoo'n eind
-ver was--ge weet, 't is eene halve mijl van Greffen af--verbeeldde hij
-zich duidelijk te zien, dat zijne vrouw midden in de vlammen stond met
-een kind in de armen. "Nu wordt 't voor mij tijd om te vertrekken,"
-zeide hij, wierp zijne spade neer en wilde heensnellen; maar op eens
-was de vlam verdwenen en met haar 't geld; de ketel was weggezonken.
-
-"Maar, zooals ik zei, 't was een kerel, mijn grootvader, voor geen
-klein geruchtje vervaard! Ten slotte ging hij op zekeren donderdagavond
-geheel alleen naar eene plek, waar hij wist dat geld verborgen lag. Hij
-groef den ganschen avond en den volgenden donderdag ook; niemand dorst
-hem ergens naar vragen, zoo ontzettend barsch keek hij elkeen aan. Maar
-den derden donderdag, te middernacht, schoot er een razende stier
-uit de groeve, met lange horens, waarmee 't dier hem scheen te willen
-doorboren. Hij greep den stier bij de horens, en zóó bleef hij staan,
-tot de zon onderging. Toen was de stier in een' grooten ketel vol geld
-veranderd, en de horens, die hij in de hand hield, waren de hengsels."
-
-"Ik hoor niet graag zoo'n vertelling," zei de Hadelander, "vooral
-in dezen tijd niet, nu een goed christenmensch zooveel moeite heeft
-een' enkelen schelling te verdienen. Want dit geloof ik vast: wie nog
-aan zijn' catechismus en onzen Lieven Heer gelooft, zal nimmer een'
-schat vinden."
-
-"Naar 't geen ge van uw grootvader hebt verteld, Elias, zou men niet
-vermoeden, dat ge elke week naar stad behoefdet te gaan om visch te
-verkoopen," merkte ik op.
-
-"Wat dat betreft," antwoordde Elias, "God moge mij zoo zeker genadig
-zijn, als mijn vader niets anders ten erf kreeg dan armoê: 't zij,
-dat mijn grootvader alles had doorgebracht wat hij had gevonden, 't
-zij, dat hem alles weer was ontnomen door degenen, die 't hem hadden
-gegeven. En mijne heele erfenis bestond uit eene linnen buis en een'
-houten lepel."
-
-"'t Is zooals ik zeg," zei de Hadelander, "daar is geen zegen bij
-zulk geld; 't vliegt even snel heen als 't water in den val."
-
-Intusschen scheen de slaap zijne rechten te willen doen gelden en
-het gesprek begon nu en dan te haperen. Maar in den toestand, waarin
-wij verkeerden: droog aan de zijde, die naar 't vuur was gekeerd,
-en doornat aan de andere, achtte ik 't minder raadzaam mij aan den
-slaap over te geven, waaruit wij stellig klappertandend van koude
-en met verstijfde leden zouden ontwaken. Ik schonk daarom mijn'
-gezellen nog een borrel, stak mijn pijpje aan en noodigde hen uit,
-den slaap te verdrijven door nog 't een of ander te vertellen. Elias
-gaf daarop verscheiden histories ten beste. Hij verhaalde, hoe
-een nikker in den ouden tijd op Sandungen had gewoond;--men kon
-nog de bloedvlekken in den stal zien, nadat hij op zekeren nacht
-den schimmel van Paul Sandungen had gedood;--hoe de oude Jo Hakklo
-een dienstmeisje had gehad, dat ook bij de Huldren in dienst was;
-hoe Lukas Finne, die op Fortjernbraaten woonde, de kunst verstond om
-zijn vee voor alle aanvallen van booze geesten te bewaren, zoodat er
-nooit een enkel stuk gedood of geroofd werd--en nog veel meer dingen,
-die in Nordmarken waren geschied.
-
-Eindelijk begon ook de Hadelander te verhalen van 't geen zijn'
-verwanten en vrienden gebeurd was. Daar was een eigenaardig pathos in
-zijne manier van vertellen, die 't vergeefs zou zijn hier te willen
-weergeven. Het stellig geloof aan 't bestaan der natuurmachten
-waarvan hij verhaalde, zette zijn' vertellingen eene bijzondere
-aantrekkelijkheid bij, die nog vergroot werd, zoowel door den diepen
-bastoon zijner stem als door zijne sleepende maar geregelde voordracht.
-
-"In den tijd, toen onze soldaten in Holstein lagen,"--zoo begon
-hij--"die tijd heugt je nog wel, Elias? was mijn oom, die op
-Ringerike woonde, met eenige anderen in 't bosch. Zij waren ten
-zuiden van den weg bij de berghutten bezig met hout te vellen voor
-de kolenbranders. 's Avonds bereidden zij zich een nachtleger op
-eene beschutte plek aan de berghelling. Maar nauwelijks zijn ze daar
-ingeslapen, of zij hooren 't gekrijt van een wicht. Mijn oom keek op,
-en op eene bergspits tegenover hen zat eene Hulder met een schreiend
-kind; de moeder zong 't allerlei liedjes voor en trachtte het zoo
-goed mogelijk tot bedaren te brengen.
-
-"Waarom zit gij daar?" vroeg mijn oom.
-
-"Ach, mijn man is weg," antwoordde zij, "en nu meende ik niet beter te
-kunnen doen, dan hierheen te komen en mijne toevlucht tot u te nemen."
-
-"Waar is uw man dan?" vroeg de ander.
-
-"Hij is ten oorlog getrokken met de andere soldaten," antwoordde
-de Hulder.
-
-Maar 't kind begon al heftiger te schreien en kreet en schreeuwde en
-gilde, dat 't onmogelijk was een oog toe te doen. Dat leek mijn oom al
-te gek, hij werd boos, stoof op, nam het eene stuk brandhout na het
-ander en slingerde het naar de Hulder met haar kind. Toen verdween
-ze, maar op alle toppen en hoogten hoorde men een akelig gegil en
-gelach, en eene stem weerklonk: "Dat was nu de hulp, die de menschen
-u schonken, Gyri Haugen!"
-
-"Maar nu zal ik u wat vertellen, dat een' mijner kennissen op Ringerike
-gebeurde," zei de Hadelander.
-
-"Hij was molenaar te Vial en heette Peter Pauwelsen; later werd
-hij meesterknecht op den molen in Vasdraget Vaela, aan 't eind van
-'t Aadal.
-
-Vaak zwierf hij rond in 't gebergte om te visschen, en zoo bevond
-hij zich op zekeren avond bij 't Buttenmeertje aan den voet van
-den Hofsæterberg tusschen 't bosch van Marigaard en Bergermoen. Daar
-maakte hij zich eene legerstee, legde zich neder en sliep den ganschen
-nacht. Anderhalf jaar later was hij daar weer om te visschen. 's Nachts
-kwam er een vrouwelijk wezen tot hem met een klein kind op den arm.
-
-"Daar hebt ge uw kind, Peter," zeide zij.
-
-"Mijn kind? Dat zou wat moois worden! Hoe zou ik aan dat kind
-komen?" vroeg Peter Pauwelsen.
-
-"U heugt toch nog wel de vorige maal, toen ge hier waart, anderhalf
-jaar geleden?" zeide de Hulder.
-
-Hij vertelde echter aan niemand iets hiervan, maar jaren daarna--hij
-placht 's zomers altijd in 't gebergte te visschen en altijd liep
-dezelfde Hulder hem na--verhaalde hij aan menigeen, dat hij eene
-dochter had onder de Huldren, die al zoo oud was als de kinderen,
-die hun' catechismus leeren. Mij heeft hij 't nooit verteld, schoon
-ik hem heel goed heb gekend; maar ik heb 't gehoord van iemand,
-wien hij 't zelf had gezegd. Eens was de Hulder weer bij hem gekomen
-en had hem gevraagd, of hij zijne dochter wilde zien. Toen had zij
-eene deur in den berg geopend, en daar binnen was alles van zilver,
-wat men zag. Ja, nu en dan nam Peter Pauwelsen anderen met zich naar
-'t gebergte en dan zagen zij de beide Huldren aan den overkant van
-'t Buttenmeertje bezig met visschen. En in dit meer ving Peter ook de
-meeste visch, terwijl niemand anders er zoo gelukkig was. Maar eens,
-terwijl hij zich daar weer bevond, hoorde hij eene stem: "Gij kunt
-wel naar huis gaan, Peter; wij hebben zelf de visch noodig, want
-er is gebrek in den berg." Op zekeren dag ging een man, Halvor van
-Marigaard, met hem mede. Peter had hem beloofd, dat hij de Hulder zou
-zien. Toen Halvor haar echter met hare kudde hoorde naderen, werd hij
-zoo bevreesd, dat hij hard wilde wegloopen. Maar Peter verzocht hem te
-blijven en zich stil te houden; dan zou hem niets deren. En toen zagen
-zij ook werkelijk hoe de Hulder haar vee voor zich uitdreef. Zij zagen
-'t duidelijk, alle twee!
-
-Elias luisterde niet meer naar die verhalen; hij sliep als eene roos
-op de harde rots en snorkte, dat het door 't bosch weerklonk.
-
-"Hij slaapt al," zei de Hadelander; "maar nu zal ik u eene historie
-vertellen, die me al heel wonderbaar lijkt. We kunnen intusschen
-wel wat gemakkelijker gaan liggen, anders zijn we tegen den morgen
-heelemaal verstijfd.
-
-"Er was eens een boer, die in Thelemarken woonde, waar mijn vader
-vandaan kwam en eene groote hoeve bezat. Maar die man was heel
-ongelukkig met zijn vee, telkens verloor hij beesten aan allerlei
-ziekten en kwalen en eindelijk moest hij huis en hof verkoopen. Slechts
-weinig hield hij over, en daarvoor kocht hij eene kleine plaats, in een
-afgelegen oord, ver van de stad, bij dichte bosschen en woestenijen. Op
-zekeren dag toen hij zijn erf rondging, ontmoette hij een' man.
-
-"Goeden dag, buur," zei de man.
-
-"Goeden dag," zeide de boer, "zijt gij mijn gebuur? Ik meende, dat
-ik hier alleen woonde."
-
-"Daar ginds ziet ge mijne hoeve," zeide de man, "die is niet zoo ver
-van de uwe." En zie, daar lag ook werkelijk eene hoeve, die hij nooit
-te voren had opgemerkt, groot en fraai en nieuw gebouwd. Toen begreep
-onze man, dat hij met een' aardgeest te doen had, maar 't vervaardde
-hem niet, hij verzocht den buurman binnen te komen en eene kroes bier
-met hem te drinken, en deze liet zich 't brouwsel wel smaken.
-
-"Hoor eens," sprak de buurman, "in één ding moest gij mijn' zin doen."
-
-"Laat mij eerst hooren, wat gij wenscht," zei de boer.
-
-"Gij moet uw' koestal afbreken, want die staat mij in den weg,"
-antwoordde de buurman.
-
-"Neen, dat doe ik niet," zei de boer. "Ik heb hem dezen zomer pas
-gebouwd en nu komt de winter aan. Waar moest ik dan mijn vee bergen?"
-
-"Ja, doe wat ge wilt, maar breekt gij den stal niet af, dan vrees ik,
-dat 't u nog eens zal rouwen," zeide de buurman. En met ging hij heen.
-
-Onze man zag hem verbaasd na en wist niet, wat hij zou doen. Een'
-nieuwen stal tegen 't begin van den winter af te breken, leek hem al
-te dwaas, en waar zou hij hulp vandaan krijgen?
-
-Een dag of wat later stond hij in den koestal en--daar zonk hij op eens
-door den vloer in de diepte. Op de plaats, waar hij terecht kwam, zag
-'t er wondermooi uit. Alles was van goud en zilver. Eensklaps stond
-de man, die zich zijn' buurman had genoemd, vóór hem en verzocht hem
-te gaan zitten. Weldra werden er spijzen in zilveren vaten en bier
-in zilveren kroezen binnen gebracht en de boer werd uitgenoodigd
-toe te tasten. Hij dorst natuurlijk niet weigeren en zette zich aan
-tafel, maar op 't zelfde oogenblik, dat hij den lepel in den schotel
-wou steken, viel er iets van boven neer in de spijs, dat hem allen
-eetlust benam.
-
-"Ja," zeide de Hulderman, "nu kunt gij eens zien, hoe vriendelijk
-uwe koeien voor ons zijn. Nooit kunnen wij rustig eten, want telkens
-als we aan tafel zitten, komt er ontuig van boven, en als we dan niet
-heelemaal uitgehongerd zijn, is onze eetlust voor goed verdwenen. Maar
-wilt ge mij nu gehoorzamen en uw' stal naar eene andere plek brengen,
-dan zal 't u nooit aan iets ontbreken. Weigert gij echter, dan zult
-ge, uw leven lang, niets ondervinden dan ramp en onspoed."
-
-Toen de boer dit gehoord had, was hij spoedig bezig met den stal omver
-te halen en hem op eene andere plaats weer op te bouwen. Maar hij
-behoefde dit niet alleen te doen, want des nachts, als alles sliep,
-werd er even druk getimmerd als des daags, en hij begreep zeer goed,
-dat niemand anders dan zijn buurman hem zoo goed bijstond. Ook later
-rouwde 't hem volstrekt niet, dat hij den Hulder had gehoorzaamd;
-want altijd had hij voeder en koren in overvloed en zijn vee gedijde
-uitstekend. Eens--'t was toen een zeer onvruchtbaar jaar--had hij zoo
-weinig voeder, dat hij er ernstig aan dacht, de helft van zijn vee
-te verkoopen of te slachten. Maar op zekeren morgen, toen de meid in
-den stal kwam, was de hond verdwenen en alle koeien en al 't jonge
-vee met hem. Gij kunt denken, hoe zij schrok en hoe snel ze naar
-haar meester liep om het te vertellen. Doch deze vermoedde dadelijk,
-dat zijn buurman 't vee in den kost had genomen. En zoo was 't ook,
-want toen 't voorjaar aankwam en 't weer groen werd in 't bosch,
-hoorde men op zekeren morgen den hond vroolijk blaffende van den
-boschkant naderen, en achter hem aan kwam al 't vee, oud en jong, en
-'t was een lust op te merken, hoe flink 't er uitzag."
-
-
-
-Bij 't schijnsel van 't vuur legden we ons ter ruste en genoten
-een paar uur lang een' verkwikkenden slaap op de naakte rots. Toen
-de dageraad over de bergen aanbrak, voeren we reeds rond op 't
-meer. Want de Hadelander, die de onzekere kans op eene voordeelige
-vangst had opgegeven, om mij behulpzaam te zijn en korf en vischtuig
-voor mij te dragen, had den ouden Christiaan Hakklo met zijne boot
-gehaald. Wij roeiden over 't Björnmeer en ik vischte in den Smalström
-en de Hakklo. 't Weer was ons gunstig, want zonneschijn en regen
-wisselden elkander af. Eerst laat in den avond kwam ik in de stad
-terug met de vischkorf vol forellen en 't hoofd vol histories.
-
-
-
-
-
-
-
-DE KONING VAN DEN EGEBERG.
-
-
-In mijne jeugd plachten wij--eenige makkers en ik--elken zondagmiddag
-naar den Egeberg te gaan. De heele week verlangden we met ongeduld
-naar dien achtermiddag, den eenigen, dien we in de open lucht konden
-doorbrengen; naar de geurige hagedoorntakken, die we zouden afbreken;
-naar de wilgen fluitjes, die wij zouden maken; naar de blinkende
-bergkristallen, die wij zouden vinden, en de zoete aardbeziën, die
-wij zouden plukken. Toen wij ouder werden, lieten we wel de wilgen
-vredig staan en ontroofden den heggen haar sieraad niet meer; maar nu
-en dan herhaalden we toch onze uitstapjes, en op de velden van den
-Egeberg maakten we vroolijk jacht op den fraaigevleugelden Apollo,
-of wij snelden de dorre vlakte om den bouwvalligen wachttoren rond,
-om den ridderlijken Machaon te vangen, die in zijne luchte vaart
-meermalen ons geduld op eene zware proef stelde. Wat intusschen
-den Egeberg vooral zoo aantrekkelijk voor mij maakte, waren noch de
-geurige hagen, noch de purperkleurige Apollo of de zwavelgele Machaon,
-maar de romantische geheimzinnigheid, die van mijne vroegste jeugd af
-aan mij in dit oord omzweefde; de wensch, hier ook iets wonderbaars
-te zien en te hooren; de gedachte aan al de heerlijkheid, die binnen
-deze ruwe steenklompen was verborgen, aan de geheimzinnige wezens,
-welke de sage in 't binnenste van den berg hield opgesloten en waarvan
-ik niet recht wist, of ze al dan niet bestonden.
-
-De verhalen omtrent den koning van den Egeberg, zijn slot en zijn hof,
-zijn meer en meer verstomd, maar van 't geen ik in mijne kindsheid
-hoorde, leeft nog een en ander in mijne herinnering. In de volgende
-vertelling heb ik 't een nieuw leven trachten te schenken.
-
-
-
-Een halve eeuw geleden was de Egeberg niet zoo bebouwd als in onzen
-tijd. Hij was bedekt met bosschen en struiken, en men zag er geene
-andere woningen dan de oude gebouwen van de Egeberghoeve tegen den
-top, en eene kleine roode hut nabij den voet, aan de linkerzijde van
-den weg, waar deze zich rechts naar de hoeve wendt. Die hut heette de
-Sving. Tegenwoordig ziet men er een veel voornamer gebouw, waar des
-zomers danspartijen worden gegeven en waarin men ververschingslokalen
-vindt voor de "jongeheeren", die in 't begin van den zomer tegen den
-avond hierheen trekken "om den koekoek te hooren."
-
-In die kleine hut woonde in den tijd, waarvan ik sprak, eene oude
-vrouw, die boodschappen deed voor de menschen en moeite had op die
-wijze door de wereld te komen. Eens, toen zij water had gehaald,
-zat er eene groote, dikke padde op den weg, dien zij langs kwam.
-
-"Ga uit den weg voor mij, dan zal ik vroêmoer zijn, als je in 't
-kinderbed ligt," zei ze schertsend tot de padde, en--oogenblikkelijk
-kroop 't dier heen, zoo spoedig 't maar kon.
-
-Eenigen tijd later, toen de oude vrouw 's avonds uit de stad was
-gekomen en bij den haard zat te spinnen, kwam er een vreemde man
-binnen.
-
-"Hoor eens," zei hij, "mijne vrouw is zwanger en 't zal gauw haar
-tijd zijn. Wilt gij haar helpen, zooals ge beloofd hebt, dan zal
-'t u niet berouwen."
-
-"De hemel beware me," zei de best, "dat kan ik niet; ik weet er
-niets van."
-
-"Ja, ge kunt het wel; want gij hebt 't haar beloofd," zei de man.
-
-De best kon zich maar niet herinneren, dat zij aan iemand ter wereld
-beloofd had, vroêmoer te zijn; dat verzekerde zij hem, maar de
-man hernam:
-
-"Beloofd hebt gij 't, want de padde, die vóór u op den weg zat,
-toen ge om water uitwaart, was mijne vrouw. Wilt ge haar helpen,"
-vervolgde de man, die zij nu begreep, dat niemand anders was dan de
-koning van den Egeberg, "dan zal 't u niet rouwen; ik zal u goed
-betalen, maar gij moogt het geld, dat ik u geef, niet verkwisten;
-aan niemand moogt gij 't wegschenken, wie er u ook om vraagt, en gij
-moogt er in 't geheel niet van spreken; geen woord moogt gij er u
-van laten ontvallen, tegen wien ook."
-
-"Neen, drommels!" zei ze, "zwijgen kan ik zoo goed als de beste;
-bericht mij maar wanneer ik moet komen, en ik zal haar helpen zoo
-goed ik kan."
-
-Daar verliep eenige tijd, totdat de man op zekeren nacht de best vroeg
-hem te volgen. Zij stond op en maakte zich gereed; hij liep voor haar
-uit, en eer zij recht wist, waar ze was of waarheen ze ging, was zij
-binnen in den berg, waar de koningin in barensnood lag. Het vertrek
-zag er zeer voornaam uit, 't leek wel de groote zaal van een kasteel,
-en nooit in haar leven had de oude zooveel pracht gezien.
-
-Maar toen zij goed en wel binnen waren, zette de man zich op een'
-stoel en kneep de handen samen over de knieën, en wanneer een man
-zoo gaat zitten, kan eene vrouw onmogelijk verlost worden; dat wist
-de oude zeer goed. Daarom beproefden zoowel zij als de koningin hem
-tot opstaan te bewegen; telkens verzochten zij hem, nu dit, dan dat
-te gaan halen; maar waar hij zat, daar zat hij en verroerde zich
-niet. Eindelijk kreeg de vroêmoer een' inval.
-
-"Ze is gelukkig verlost," zei ze op eens tot den koning. "Hoe is dat
-mogelijk?" borst deze uit en sprong vol verbazing op. Op 't zelfde
-oogenblik legde de christenvrouw de hand op de koningin, en dadelijk
-was zij verlost.
-
-Terwijl de man naar buiten ging om waschwater voor 't wicht te halen,
-zei de kraamvrouw tot de best:
-
-"Mijn gemaal is u nu zeer erkentelijk, maar, wanneer gij heengaat, zal
-hij u trachten te dooden, want hij kan zijn aard niet verloochenen;
-trek daarom snel de deur achter u toe, als gij vertrekt; dan mislukt
-zijn plan."
-
-Nadat het kind was gewasschen en gekleed, zond de koningin de oude
-naar de keuken om eene kruik met zalf te halen, ten einde het de ooren
-te smeren. Maar van zulk eene keuken en van zulk keukengeraad had
-zij nog nooit de wedergade gezien! Langs den wand hingen in rekken
-de prachtigste schotels en borden, en aan den zolder hingen pannen,
-ketels en potten, alles van louter zilver en zoo blank. dat de wanden
-er van schitterden.
-
-Maar men kan zich niet voorstellen hoe verbaasd zij stond te kijken,
-toen zij hier haar eigen dienstmeisje zag staan, die in een' handmolen
-koren fijnmaalde. Zij nam eene schaar en knipte een stuk uit het
-schort der dienstmaagd, zonder dat deze 't merkte, en verborg dit.
-
-Toen zij zou vertrekken, herinnerde zij zich wat de kraamvrouw had
-gezegd en smeet de deur achter zich toe. Op 't zelfde oogenblik wierp
-de koning haar een' gloeienden bezemsteel na, waar 't vuur afvloog.
-
-"Trof ik u?" schreeuwde hij.
-
-"Neen," riep de best.
-
-"Dat is gelukkig!" klonk het antwoord.
-
-De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen de oude thuis kwam,
-maar het dienstmeisje, dat altijd klaagde over pijn in den rug en
-vermoeidheid, sliep nog en kreunde in den slaap. Zij wekte haar
-en vroeg:
-
-"Waar zijt gij van nacht geweest?"
-
-"Ik, vrouw?" zei 't meisje; "ik ben nergens geweest, zoover ik weet,
-dan hier in mijn bed."
-
-"Neen, dat weet ik beter," hernam de oude vrouw; "dezen lap heb ik van
-nacht in den berg uit uw schort geknipt; gij ziet, dat hij nauwkeurig
-past. Maar zoo is tegenwoordig de jonkheid; vroeger lazen de menschen
-hun avondgebed en zongen een' psalm, eer zij naar bed gingen: dan
-hadden de booze geesten geen macht over hen;--en gij moogt onzen Lieven
-Heer ook wel beter voor oogen houden, want ge begrijpt, dat ge wel
-zwak en klein moet blijven en pijn in den rug lijden, en dat ik niet
-veel dienst van u kan hebben, als gij 's nachts voor hen moet werken."
-
-Van den dag af, dat de oude vrouw vroêmoer was geweest bij de koningin,
-vond zij elken morgen een hoop zilvergeld voor hare deur, en 't ging
-haar nu zoo goed, dat ze er weldra warmpjes in zat. Maar eens geviel
-het, dat eene heel arme vrouw haar heur' nood klaagde.
-
-"Och wat!" zei ze, "dat heeft zoo veel niet te beteekenen; als ik maar
-wilde, dan kostte 't mij volstrekt geen moeite u te helpen; want die
-wat doet, die wat wint; dien ik geholpen heb, helpt mij ook weer." Maar
-sinds dien dag vond zij geen' enkelen schelling meer voor hare deur en
-'t geld, dat zij bezat, was als weggeblazen. Op nieuw moest zij nu den
-korf op den rug nemen en naar de stad loopen in zonneschijn en regen.
-
-Niet altijd intusschen ging de koning van den Egeberg uit ter wille
-van zijne vrouw; soms had hij eigen zaken te verrichten. Dan liep
-hij de meisjes uit de stad na, wanneer zij op zon- en feestdagen
-in de kloven en op de velden van den berg zich vermaakten of
-'t bosch ingingen om bessen te zoeken. Meestal zag hij er uit
-als een onoogelijk verschrompeld mannetje met roode oogen, maar
-als hij fortuin wilde maken, nam hij de gedaante aan van Bernt
-Ankers en vertoonde zich als een knap bejaard man met eene ster op
-de borst. Dat was intusschen niets dan gezichtsbedrog; hij was en
-bleef de oude, leelijke, roodoogige toovenaar, en dit bleek ook wel
-uit zijn kroost: hij kreeg nooit anders dan de mismaaktste kinderen,
-echte schreeuwleelijkerds met groote hoofden en roode oogen, die de
-ouders zoo spoedig mogelijk zochten kwijt te raken en die dan door
-de berggeesten, de gehoorzame dienaren en onderzaten van dit waardige
-koninklijke paar, te vondeling werden gelegd.
-
-Te dien tijde stonden namelijk de geesten van den Egeberg in den
-kwaden roep, dat zij welgemaakte, mooie menschenkinderen stalen van
-de bewoners van Grönland, Enerhaug en voornamelijk van Gamleby, en
-dan wisselwichten daarvoor in de plaats legden, en die kinderroof
-en kinderruil ging zoover, dat ze geen hulp genoeg hadden ze alle
-op te kweeken; daarom stalen zij ook kindermeiden en vaak hielden
-ze die altijd bij zich. Maar eens hadden zij een meisje van Gamleby
-weggevoerd, dat gelukkiger was dan hare zusters. Een jaar lang was
-zij in den berg geweest en had al dien tijd een lief menschenkind
-verzorgd, toen zij wist te ontsnappen. Of men de klokken voor haar
-had geluid, of ze hare schoenen verkeerd om had neergezet; of ze
-zich had verpraat of eene naald in haar hemd gevonden, dat herinner
-ik me niet meer; genoeg, zij liep weg en sinds vertelde zij aan Jan
-en alleman, hoe fraai en ruim 't in den Egeberg was, hoeveel knappe
-lui daar woonden, hoe ze hun best hadden gedaan haar daar te houden,
-en welk een' lieven jongen zij had opgepast.
-
-Elken morgen, hadden de berggeesten gelast, moest zij de oogen van
-'t kind bestrijken met eene zalf, waarvan eene kruik vol in de keuken
-hing; maar, hadden zij er bijgevoegd, zij moest zich wel wachten de
-zalf te dicht bij hare eigen oogen te brengen. Zij begreep echter
-volstrekt niet, waartoe dit moest dienen, want 't kind bezat de
-mooiste oogen, die men ooit had gezien, en eens, toen de meesteres
-niet in de keuken was, had zij daarom wat van de zalf over haar
-rechter oog gesmeerd.
-
-Een halfjaar nadat zij den berg had verlaten, moest dit meisje een
-of ander koopen in den winkel van Bjerkenbusch op den hoek van de
-hoofdstraat en de markt. En zie--daar stond het oude wijf uit den berg,
-bij wie ze kindermeid was geweest, bij de toonbank en stal rijst uit
-eene lade, zonder dat iemand haar scheen op te merken.
-
-"Goên dag, moeder, moet ik je hier weer zien?" zei 't meisje; "hoe
-gaat het met uw kind?"
-
-"Kun-je mij zien?" vroeg de vrouw verbaasd.
-
-"Wel ja, waarom niet?" antwoordde 't meisje.
-
-"Met welk oog zie-je me dan?" vroeg het bergwijf.
-
-"Wacht eens--met het rechter," hernam 't meisje, terwijl ze met de
-oogen knipte.
-
-Op eens spuwde 't wijf haar in 't oog en van dien tijd af kon 't
-meisje haar noch iemand anders daarmee zien; zij was en bleef blind
-aan 't rechter oog.
-
-Schoon er in onzen tijd gewis geen gebrek is aan dikhoofdige kinders,
-in Grönland zoo min als in Gamleby, hoort men toch niet meer van
-den kinderroof der geesten van den Egeberg. Vooreerst namelijk is de
-verlichting zoo hoog gestegen, dat men, in plaats van de wisselkinderen
-drie donderdagavonden achtereen op de vuilnishoop te geeselen of ze met
-eene gloeiende tang in den neus te knijpen, zooals in vroeger dagen
-de gewoonte was, nu door moeder Torgersen of eene andere vrouwelijke
-duivelbanner lood laat smelten boven 't wicht, om het te vrijwaren
-tegen de engelsche ziekte of andere hekserij. Of ook, men zendt
-een van de doeken waarmee 't gebakerd wordt, naar Stine Bredvolden,
-die zoo knap is, dat ze daaruit de kwalen, ja de heele toekomst van
-'t kind kan lezen en zoo uitspraak doet over leven en dood. En voor
-'t overige is de koning van den Egeberg met zijne onderdanen verhuisd;
-want het onophoudelijk trommelen en schieten in den laatsten oorlog,
-het rammelen der geschut- en bagagewagens, die met donderend geraas
-over het dak van 't paleis rolden en de zilveren vaten langs de wanden
-deden rinkelen, maakten hem 't verblijf in den berg moede.
-
-Op zekeren nacht van het jaar '14 werd hij voor 't laatst gezien;
-hij voerde al zijne roerende have en eene groote kudde bonte koeien
-met zich.
-
-"Hemel, waar moet gij nog zoo laat heen in dezen gevaarlijken tijd
-met zooveel huisraad en zoo'n groote kudde?" vroeg de man, die hem
-ontmoette.
-
-"Ik ga verhuizen naar den Kongsberg, bij mijn broeder," antwoordde
-de koning; "want ik kan dat schieten en dat geraas niet langer
-uitstaan,"--en sedert heeft men hem nimmer meer gezien.
-
-
-
-
-
-
-
-VAN "FJELD EN SAETER."
-
-
-Ditmaal zult gij mij niet ontkomen, mejuffer. Reeds lang hebt ge
-beloofd mij uw uitstapje naar den Saeter te verhalen en thans zijt gij
-er te eer toe gehouden, daar het onze in het water dreigt te vallen.
-
-Een blik uit het venster der pastorie bekrachtigde maar al te zeer
-deze laatste opmerking. De hemel, die ons in den vroegen morgen het
-prachtigste weer had voorspeld, bevestigde mijne oude ervaring,
-dat er alleen op een' helderen avond te rekenen valt. De eene
-bui na de andere viel kletterend neer op de hooge boomen, en naar
-alle waarschijnlijkheid zou de regen den ganschen dag aanhouden,
-al verzekerde ook de kleine Trine, die gedurig uit- en invloog, dat
-de lucht, nu eens in 't oosten en dan weer in 't westen, opklaarde,
-en dat we nog wel vóór den middag zouden kunnen uitgaan.
-
-"En daarom, beste juffer,--ik ben louter gehoor."
-
-"Meent gij dan, dat ik u iets zal vertellen, mijnheer Asbjörnsen? Ik
-ben er achter gekomen, dat gij u niet, als iedereen, vergenoegt
-met te luisteren naar wat men u vertelt, maar dat ook opschrijft en
-'t laat drukken. Daarom behoef ik mijne belofte niet te houden."
-
-"Ik zweer u, dat ik, wat ge mij nu zult vertellen, nergens zal laten
-drukken," antwoordde ik.
-
-"Buitendien gebeurde er niets bijzonders op dat uitstapje. 't Was
-aardig, 't was verrukkelijk--ziedaar alles. Maar nu spijt 't mij
-geducht, dat ik er u ooit van gesproken heb."
-
-"Uw toestand is zeker deerniswaard genoeg; intusschen, daar ge uw
-woord hebt gegeven....
-
-"Daarenboven," viel ze mij in de rede, "wat beteekent eene schrale
-herinnering, nu gij zelf de hoop koestert zulk een uitstapje te doen;
-wat is een flauw beeld bij de levende werkelijkheid? 't Is alsof
-men, in plaats van een concert te hooren, eene recensie van eene
-muziekuitvoering leest. En 't zou mij niet verwonderen, als de nikker,
-die ons vandaag zulk eene poets speelt, het hoofd uit de proviandkorf
-stak en ons uitlachte.
-
-Ik slaakte eene zucht over de vasthoudendheid der dames aan een eenmaal
-opgevat voornemen, terwijl ik heimelijk den overvloed van argumenten
-moest bewonderen, die haar steeds ten dienste staan en die, zoolang
-men ten minste tegenover haar zit, overtuigend genoeg zijn.
-
-"Zulke vertellingen," vervolgde zij, terwijl ze Marat op den hals
-klopte, die, niet minder mismoedig dan wij, met hangende ooren aan
-onze voeten lag, "zulke vertellingen behooren buitendien in 't hoekje
-van den haard te huis."
-
-"Maar, lieve hemel, mejuffer, toen ik u verleden winter er om
-verzocht, beweerdet gij juist, dat zij alleen 's zomers moesten
-verhaald worden. Maar, laten wij, in plaats van hierover te kibbelen,
-ons vereenigen tegen de booze geesten, die ons plagen. Wij willen hen
-met rust laten en van ons uitstapje afzien, dan zult gij merken, dat
-'t weder opklaart, eer wij er aan denken."
-
-"Ja, en wanneer de regen over is, toch heen gaan, niet waar?" vervolgde
-zij lachend. "'t Kon werkelijk de moeite waard zijn, uw' raad te
-beproeven!--Welnu, 't zou dwaas van mij zijn, me langer te laten
-bidden; luister dus, en gij zult hooren, dat uw verlangen naar mijn
-verhaal kwalijk gerechtvaardigd wordt."
-
-"Op een' zomerdag, terwijl ik op den Saeter logeerde, gingen Trine en
-ik met een der Saetermeisjes naar buiten om braambeziën te zoeken. Het
-was een heldere dag en geen windje deed zich hooren. 't Had den
-vorigen dag geregend en de lucht om den berg was zuiver en klaar. In de
-kloven en tusschen de steenen wiesen eene menigte planten met groote,
-witte, welriekende bloemtrossen. Woudhoenders vlogen op voor onze
-voeten en zochten angstig naar hunne jongen tusschen de wilgen en
-'t jonge berkenhout.
-
-"Toen wij bij de marschvlakte kwamen, waar de bessen groeien, zagen
-wij den grond bedekt met roode en gele vruchten, en aan de kanten en
-op de heuvels stonden eene menigte bloemen met zulke fraaie kleuren,
-als ik nog nooit had gezien; zij vervulden de lucht met de heerlijkste
-geuren. O, 't was zoo zoet, die lucht in te ademen en de kleine Trine
-was zoo blij: ze vloog van de eene bloem naar de andere en klapte in de
-handjes en werd niet moede de bloemen te plukken en te bewonderen. En
-Brita praatte over hare koeien en geiten en over de rendieren, die zij
-had gezien, en vertelde eene menigte sprookjes en wonderlijke dingen
-van fjeld en saeter. Onder hare vertellingen en haar vriendelijk gesnap
-waren onze korfjes van berkenschors spoedig gevuld met braambessen
-en bloemen, en weldra begonnen wij aan terugkeeren te denken. Eerst
-nog zetten we ons wat neder in 't frissche gras bij een wachttoren
-op een' kleinen heuvel. Ter linkerzijde, een weinig achter ons, lag
-eene groep hooge bergspitsen met glinsterende sneeuw bedekt. Trine
-zei heel aardig, dat ze precies blauwe zakjes met suiker geleken, met
-gaten er in om de suiker te laten doorschijnen. Brita vertelde ons,
-dat het de Rondertoppen waren, en toen ik voorsloeg er heen te gaan,
-dat ze meer dan eene mijl van ons verwijderd lagen; mij schenen ze
-nog geen duizend el ver.
-
-Naar 't westen en noorden stapelde zich bergrug op bergrug, altijd
-hooger, in allerlei grillige vormen, met blauwe en violette toppen
-van de meest verschillende gedaante. Brita kende ze alle bij name
-en vertelde ons, dat ze in Valders, Lom en naar den kant van Sogn
-lagen. Maar aan onzen voet strekte zich tot op verren afstand
-een landschap uit van een gansch ander voorkomen: groote, bruine
-en grauwgroene vlakten, met heidekruid en mos bedekt, verlaten,
-eentonig, door geen' enkelen heuvel afgebroken, door geen enkel
-levend wezen bewoond. Nooit had ik zulk eene grootsche woestenij,
-zulk eene verheven armoede aanschouwd. Toch stemde mij 't gezicht
-daarvan treurig, ja bijna neerslachtig. Een bruin gespikkelde vogel
-vloog naar den heuvel in onze nabijheid en begon te fluiten. Maar
-zijne tonen klonken zóó klagend, zóó weemoedig, als of het dier wilde
-weergeven, wat ik op dat oogenblik gevoelde.
-
-Brita en Trine hadden den heelen tijd te zamen gesnapt. Ik begon nu
-naar haar gekeuvel te luisteren.
-
-"Hoe heet dit wachthuis, Brita?" vroeg Trine, "noemt men het niet
-de heksenwacht?"
-
-"Ja, zoo noemen de menschen het gewoonlijk; eenige mannen hebben het
-gebouwd, omdat zij hier al heel wonderlijke dingen zagen gebeuren."
-
-"'t Waren Paul Braekke, een boerenknecht bij Sell vandaan en eenige
-andere arbeiders. De melksters hadden allen, tegen 't najaar, met
-het vee den Saeter verlaten en de arbeiders moesten nu mos halen tot
-wintervoeder. Terwijl ze 't mos naar de berghelling brachten, kwamen
-er op eens tal van jonkvrouwen aanzweven, zoo heerlijk uitgedost, dat
-zij een' bruidsstoet waanden te zien en de oogen bijna niet dorsten
-opslaan. Hare lange slepende kleederen glinsterden in de zon, of ze
-van zijde waren, en op 't hoofd droegen zij zilveren kronen en andere
-sieraden. Zoolang de mannen haar stonden aan te staren, stonden ook
-zij stil of zweefden heen en weer, maar toen zij voortgingen met hun'
-arbeid, volgden de jonkvrouwen hun voorbeeld. Of de mannen haar met
-mos wierpen, daar stoorden ze zich niet aan. En telkens als Paul en
-zijne makkers de plek naderden, waar zij de jonkvrouwen zagen, waren
-ze verdwenen, maar als zij dan weer op de plaats waren gekomen, waar
-'t mos werd verzameld, dan zagen ze haar op nieuw en zoo duurde dit
-den ganschen dag.
-
-In 't voorjaar waren twee dezer mannen met nog een' derden even
-benoorden Valfjeld geweest om rijshout te hakken. In 't middaguur,
-nadat zij hadden gegeten, vielen twee van hen in slaap, terwijl de
-derde nog zijn middagmaal zat te gebruiken. Daar hoorden ze op eens
-zulk een verrukkelijk vioolspel, als ze nog nooit hadden vernomen; zij
-spraken er met elkander over en hielden zich dus stellig overtuigd,
-dat ze niet langer sliepen. Meer dan eens klonken hun die heerlijke
-tonen in het oor en een van hen "neuriede", naar Brita verzekerde, "nog
-lang daarna de wijs van 't lied zoodat men niet aan de werkelijkheid
-van 't gebeurde kon twijfelen."
-
-Nog veel meer wist Brita te verhalen van de aardgeesten en de Huldren,
-maar in zooverre stond ze reeds onder de macht der zoogenaamde
-verlichting, dat zij niet gaarne uitkwam voor haar geloof aan deze
-natuurmachten. Wanneer eene van ons beiden tegenwerpingen maakte,
-verdroot haar dit; dan beriep ze zich soms op hare eigene ervaring
-en vertelde daarvan een of ander, maar meestal zweeg ze stil! 't
-Was er verre vandaan, dat ik de opgeruimdheid, die hare vertellingen
-eene frissche levendigheid bijzette, wilde verjagen; daarom gaf ik
-Trine een wenk met de oogen en zei: "Maar wie zou er twijfelen aan
-de waarheid van dat alles? Wil ik eens wat vertellen, dat nog veel
-zonderlinger schijnt? 't Heugt je wis nog, dat ik voor twee jaar
-mijn' oom in 't Hallingdal heb bezocht? Daar ontmoette ik een oud man
-van bijna honderd jaar, van wien men verhaalde, dat hij in de macht
-der Huldren stond. Hij had eene zwakke borst en zag er vervallen en
-gebrekkig uit. Zijn blik was dof en wezenloos en soms scheen het,
-dat hem alle bewustzijn ontbrak. In zijne jonge jaren was hij eens
-bij den aanvang des zomers naar den Saeter getrokken. Nu geviel 't,
-dat hij op zekeren dag onder boos weer den berg op moest in plaats van
-den veehoeder. 's Avonds kwam de kudde naar den stal terug, maar Ole
-was verdwenen. Men ging hem zoeken, heinde en ver, men loste schoten
-en luidde de kerkklok, maar hij kwam niet terug. Hij was door de
-berggeesten weggevoerd en dezen wilden hem niet loslaten. Vooral eene
-jonge schoone Hulder hing hem met trouwe liefde aan. Zij was altijd
-vriendelijk jegens hem, deed alles om hem te behagen en leerde hem
-op de mondharp spelen. Zoo fraai heeft gewis nimmer iemand op dit
-eenvoudige instrument gespeeld als de oude Ole. En hij bracht die
-heerlijke tonen niet, als gewoonlijk, voornamelijk met de vingers
-voort, maar alleen met den mond. Eens heb ik hem gehoord. Zijn spel
-herinnerde mij nu eens aan 't gekweel der vogelen, dan weer aan 't
-klagend gefluit van de bergvink of aan de tonen van de herdersfluit
-op een' zomeravond, en zoo sterk greep 't mij aan, dat de tranen mij
-in de oogen schoten.
-
-Maar Ole meende, dat de mooie Hulder een' afschuwelijken koestaart
-had, en daarom wilde hij niet bij haar blijven. Eens borst hij uit:
-"Wanneer, in Jezus' naam, zal ik toch weer onder christenmenschen
-komen?" Toen begon de Hulder te schreien en zei, dat hij nu een' naam
-had genoemd, dien zij niet kon uitspreken en 't haar nu ook onmogelijk
-was hem langer vast te houden;--"maar houd u wat ter zijde van de deur,
-als ge heengaat, anders doet vader u kwaad," voegde zij er bij.
-
-In de blijdschap over zijne verlossing, lette hij daar niet op en
-terwijl hij zich heenspoedde, werd hem een brandend bos rijshout
-nageworpen, waar vuur en vonken uitvlogen. Toen was 't hem, of al
-zijne leden werden stuk geslagen. En sinds dien dag was hij nimmer
-meer gezond en was hij ook niet recht bij 't hoofd. Maar waar hij
-ging of stond, overal volgde hem 't mooie Huldermeisje. Wanneer hij
-'s avonds alleen bij den haard zat, zag hij haar dikwijls.
-
-"Gyri Arendshoofd, ik zie u wel!" riep hij dan. "Daar is zij, ziet
-ge haar niet?" vroeg hij den kinderen. Dezen bespeurden niets; maar
-eene huivering voer hun dan door de leden.
-
-"En nu is 't uwe beurt, Brita," zei Trine, die mijn wenk had
-begrepen. "Gij zult toch ook wel eens de Huldren hebben gezien of
-gehoord. Vertel ons daar wat van."
-
-"Ja, dat heb ik," antwoordde Brita; "ik spreek er liefst niet van, maar
-u kan ik 't wel vertellen. Ik was nog bij mijne ouders tehuis en vader
-was op den molen in 't gebergte. Ik was eene kleine dreumes en had nog
-niet eens leeren lezen. Moeder had mij gelast eten naar den molen te
-brengen. Ik was zoo dartel als een geitje en wanneer ik den berg maar
-op mocht, al was 't niet verder dan tot het einde van 't bosch, dan
-was ik overgelukkig. Ik vertrok en sprong door de weiden de helling op;
-'t was heel warm en toen ik een goed eind weegs had afgelegd, werd ik
-moede. Ik wierp mij op eene groene plek neder, in de koele schaduw,
-en had tusschen de boomen door een ruim uitzicht. 't Was achtermiddag
-en de zon was bijna achter den berg verdwenen. Op eens werd ik heel
-slaperig, maar deed mijn best wakker te blijven. Daar hoorde ik een'
-hond blaffen en klokjes luiden, zoo helder of ze van zilver waren, en
-heel in de verte werd op de herdersfluit geblazen, dat 't weerklonk in
-'t bosch en op den berg.
-
-Eene poos daarna zag ik verscheidene lastdieren naderen met ketels,
-melkvaten, boterkruiken en gereedschappen van allerlei slag op den rug,
-en daar achter eene kudde grijskleurige ossen en groote bonte koeien,
-zoo mooi en vet, als ik ze nimmer had gezien. En op de horens droegen
-zij gouden knoppen en om den hals zilveren bellen en vooraan liep
-eene groote vrouw met eene herdersfluit in de hand en eene melknap
-met zilveren banden; zij praatte met de koeien en noemde ze bij den
-naam. Maar zulke koeienamen had ik van mijn leven nog niet gehoord! Zóó
-begon ze te zingen:
-
-
- HULDERLIED.
- Niet te snel. Uit het Foldal.
-
-
- Zomerloof en Koel - te, En Bont - van - rug en
- Zwoel - te, En Stum - per en Stak - ker, En Blauwtje-
- klein, Snapper en Rakker, Nachtmuts en Wak - ker,
- En Ver - van - daan en Spring-in - 't- veld, Lu - lo,
-
- Langzamer.
-
- Lu - - lo - - lo, Lu - - lo, Lu - - lo,
- Lu - - lo, Lu - - lo, Lu - lo, Lu - lo.
-
-
-Toen de kudde voorbij was, stond ik op om te zien, waar zij heen trok,
-maar ik zag niets dan den herdershond en een meisje, dat juist achter
-'t lage sparrehout verdween. 't Meisje had een blauw kleedje aan, maar
-daaronder bemerkte ik duidelijk den staart eener koe. Toen begreep ik,
-dat het eene Hulder was.
-
-De tweede maal, dat ik de Huldren zag, was geruimen tijd later. Ik
-was toen reeds een volwassen meisje. 'k Was vroolijk van aard en
-waar de vedel ging, kon men mij altijd vinden. Terwijl ik 's zomers
-op den saeter lag, zou er gedanst worden op de bergvlakte. 'k Ging
-er heen en niet vóór den morgen keerde ik naar de hut terug. Ik
-ging naar bed en meende een uurtje te slapen. Maar--hoe 't kwam,
-weet ik niet--ik versliep mij, zoodat de koeien over haar' tijd in
-den stal bleven. Toen ik ontwaakte, stond de zon reeds hoog aan den
-hemel.--Buiten op 't veld hoorde ik een vroolijk liedje zingen. Ik
-sprong het bed uit om te melken en 't vee naar de weide te brengen,
-maar zooals ik de deur uitkom, zie ik eene Hulder verdwijnen in het
-bosch. En over de bergvlakten weerklonk dit
-
-
- LIEDJE.
- Vroolijk. Uit het Österdal.
-
-
- Ka - ri en Ma - ri, staat toch op, Neemt het licht,
- Gaat naar stal, Daar bracht de koe het zwar - te kalf;
- 't Beest moet hee - ten Mooist-van-al. Kalft een koe,
- bigt een zeug, werpt een geit, jongt een schaap:
- 't Vee, dat blijft in de weide; Hei Halvorsen, Halvor
- Dar - sen, Dei Dy - ringen, Dyring Bramsen, Bram
- Börresen, Böring Bundersen, Dunder Dangsen en Sommer
- Ningsen en Somme Dromlingen!
-
- Langzamer.
-
- Zoo lok - ken wij 't vee naar de wei - de, Hoe-
- ra, hoera, hoe - ra uit het woud; Komt, laten wij spelen naar
- Val-dris' wijs! In Val - dris, in Val - dris, daar
- is 't zoo goed te wei - den, Daar is 't zoo goed te weiden
- Ja - a . . . . . . . . . . . . . . . .
- . . . Ja. . . . . . . . . Ja . . .
- . . . . . . . . O, kom, o, kom! Och, arme!
-
-
-Hier eindigen Brita's vertellingen en tevens 't verhaal van mijn
-uitstapje.
-
-
-
-Terwijl de juffer vertelde, was 't weer werkelijk opgeklaard, zonder
-dat wij er acht op hadden geslagen. De zon scheen met al hare warmte
-en pracht en nu werd 't een gejubel en drukte zonder einde. "Naar
-den Saeter, naar den Saeter!" klonk het en met 't verrukkelijkst
-uitstapje werd de dag besloten.
-
-Ik heb mijn woord tegenover de schoone vertelster van dit
-Huldersprookje niet gehouden en kan er tot heden maar geen spijt
-over gevoelen.
-
-
-
-
-
-
-
-DE VERTELLINGEN VAN DEN DOODGRAVER.
-
-
-Een badgast te Eidsvold beeft niet veel meer te doen dan zich voldoende
-beweging te verschaffen. Reeds den dag na mijne aankomst ging ik
-daarom Peter, den doodgraver, opzoeken, die in Store Finstad woonde,
-een kwartier ten zuiden van de rivier. Met groote moeite kwam ik in
-dit ordelooze nest van dicht opeengebouwde winkel- en woonhuizen,
-'s mans verblijf op 't spoor. In het voorhuis vond ik niemand, maar
-in een armelijk kamertje zat eene oude vrouw op een' stoel zonder rug
-te spinnen. Ik deed haar eenige vragen, waarvan de eerste slechts
-werd beantwoord met een' uitvorschenden blik, de tweede en derde
-met een "Hè?" Toen ik eindelijk voor de vierde maal vroeg, of ze
-mij ook kon zeggen, waar Peter, de doodgraver, was, antwoordde zij:
-"O, Graven, ligt hier nog een goed kwartier vandaan."--"Neen, Peter,
-de doodgraver," schreeuwde ik. "Ja Graven ligt naar 't oosten; ga
-'t dal maar door, dan kom-je er van zelf."--Sedert vernam ik, dat de
-naaste hoeve "Graven" heette.
-
-"Grootmoeder is wat hardhoorend," zei eene stem uit den donkeren hoek,
-waarin ik eerst niets had kunnen onderscheiden. Daar zat een jong
-meisje met een klein kind op den arm.
-
-"Kun-je mij ook zeggen, waar ik Peter, den doodgraver, kan
-vinden?" vroeg ik nu aan haar.
-
-"Hij is niet te huis," kreeg ik ten antwoord.
-
-"Weet-je niet waar hij is?"
-
-"Misschien wel op Styri bij tante."
-
-"Waar ligt Styri?"
-
-"Aan den oostkant."
-
-"Is 't ver weg?" vroeg ik weer.
-
-"Dat weet ik niet."
-
-"Is er niemand anders te huis?"
-
-"Neen, zij zijn te bruiloft."
-
-"Hiernaast?"
-
-"Ik weet het niet."
-
-Hier kreeg ik intusschen de noodige opheldering. Er zat inderdaad
-niet anders op dan naar Styri te gaan. In 't voorhuis aldaar vond ik
-werkelijk de tante, waarvan men mij had gesproken, in de gedaante
-van eene lange, bejaarde vrouw, met de grijze haren weggestreken
-onder de zwarte muts. Ze kwam me vriendelijk te gemoet en zeide:
-"Wees zoo goed binnen te komen."
-
-Deze ontvangst deed mijne ergernis over de eerste heel wat afnemen;
-ik vroeg, of Peter, de doodgraver, hier ook was.
-
-"Moet hij misschien een graf maken voor iemand?" vroeg tante.
-
-"Neen, dat niet; maar ik heb gehoord, dat hij zooveel oude sprookjes
-en vertellingen kent, en daarvan zou ik graag wat hooren," zei ik.
-
-"Ja, zoo!--Ja, als oude Andries, Peter zijn vader, hier was, ja--dat
-was eerst een baas in 't vertellen! Als die begon, kwam er geen
-einde aan."
-
-"Maar, lieve hemel, kun-je dan ouden Andries niet hier laten komen?"
-
-"Ja, die kon nog eens vertellen! Maar oude Andries is al twee jaren
-dood! Peter kent er ook wel; maar hem kan men niet zoo gemakkelijk
-aan de praat krijgen; hij is heel karig met zijne vertellingen,
-moet-je weten! Neen, oude Andries, die kende eene hoop histories! En
-hij liet zich nooit lang bidden! Och ja, 't zal nu met kerstmis twee
-jaar worden.
-
-"Maar, dat baat mij niets," viel ik haar in de rede, gebelgd omdat
-de hooggeprezen Andries niet meer leefde. "Is Peter hier dan niet?"
-
-"Ja, hij is hier wel geweest, maar hij moest naar den
-klokkeluider. Daar zult ge hem stellig vinden, en mocht hij daar
-niet zijn, dan is hij zeker op den heuvel, of in de pastorie, als hij
-ten minste niet op 't kerkhof is om een graf te delven, want de oude
-vrouw Habberstad is gestorven."
-
-Mijn geduld was zoo goed als uitgeput; maar wijl 't te voorzien stond,
-dat ik er tegenover Peter, den doodgraver, nog zeer groote behoefte aan
-zou gevoelen, besloot ik de rest maar te sparen. Ik wilde vertrekken,
-maar onder 't laatste antwoord had de vrouw uit een kastje een niet
-heel zindelijk glas gehaald, dat zij met brandewijn vulde en mij met
-een stukje kandijsuiker op een bord aanbood, terwijl zij niet ophield
-in een' stroom van uitroepen hare bewondering lucht te geven voor de
-weergalooze wijze, waarop de oude Andries sprookjes kon vertellen.
-
-"Peter zal stellig bij den klokkeluider zijn, en is hij daar niet,
-dan is hij op den heuvel of in de pastorie, als hij ten minste niet
-naar 't kerkhof is gegaan," riep ze mij nog na, terwijl ik 't erf
-af ging. 't Klonk me als spotternij in 't oor, want straks was ik al
-die plaatsen voorbijgekomen.
-
-Ik besloot intusschen hem 't eerst op de laatste plaats te gaan zoeken,
-als de minst waarschijnlijke naar tante's gevoelen.
-
-'t Was koud, droevig zomerweer, toen ik door de donkere lanen van
-den tuin der pastorie mijne schreden naar de kerk richtte. De regen
-had opgehouden, maar met iederen rukwind klaterden de droppels uit
-de toppen der boomen op de bladeren onder hen. De wolken dreven laag
-tusschen de boomen door. Mat en grauw viel het licht op de graven en
-eenvoudige gedenkteekens van het kerkhof; de wind voer klagend door
-de takken en geen vogel zong in 't loof. 't Was of een voorgevoel van
-'t najaar alles in dit eenzaam oord deed huiveren; alleen het kerkje
-wees, als een troostende engel, met zijne torenspits ten hemel.
-
-In den verst verwijderden hoek van 't kerkhof hoorde ik den klank
-der spade. De doodgraver was dus bezig een graf te delven. Op een
-heuveltje in zijne nabijheid stond de groote, prachtige bok van
-den klokkeluider met zijn' langen baard en fraaie horens te grazen;
-ik kende hem reeds van een vroeger bezoek.
-
-Een oogenblik bleef ik staan om den doodgraver op te nemen. Hij was
-een man op jaren, maar men kon niet zeggen, dat 't een vriendelijk
-oud man was. Zijn beroep scheen geen' verzachtenden of verzoenenden
-invloed op zijn' geest te hebben uitgeoefend; hij zag de wereld aan
-met een' somberen blik en een norsch gelaat. Zijne trekken kwamen
-mij bekend voor, later herinnerde ik mij hunne groote gelijkenis met
-een koppig paard, dat 't mij eenmaal geducht lastig had gemaakt. Toen
-hij een ommezien met zijn' arbeid ophield om uit te rusten, viel zijn
-oog op mij, dien hij nog niet had bemerkt.
-
-"Goeden avond, doodgraver," zei ik.
-
-Hij mat mij van 't hoofd tot de voeten, spuwde in de holle hand en
-ging voort met spitten.
-
-"Dat is zwaar werk in dit natte weer," ging ik onverdroten voort.
-
-"Als de zon schijnt, is 't niet lichter," antwoordde hij met een'
-azijnzuren grimlach, en ging voort met delven.
-
-"Voor wien maakt ge dit graf?" vroeg ik, in de hoop, dat zich wellicht
-uit deze vraag een gesprek zou kunnen ontspinnen.
-
-"Voor den duivel en de kerk," antwoordde de doodgraver.--Ik begreep
-dat niet recht, en vroeg nadere verklaring.
-
-"De duivel krijgt de ziel en de kerk het geld," antwoordde hij.
-
-"Zoo bedoelde ik het niet, ik meende, voor wien dat graf bestemd is?"
-
-"Voor een oud wijf," antwoordde de man.
-
-Die brug was afgebroken. Ik begreep, dat ik op deze wijs tot geen
-bevredigende uitkomst zou geraken. Ongeduldig over den regen,
-die met vernieuwde hevigheid neerviel, en korzelig, wijl naar alle
-waarschijnlijkheid mijne expeditie zou mislukken, vertelde ik den
-doodgraver, dat ik hem had opgezocht om sproken en vertellingen van
-hem te hooren uit den ouden tijd. Ik zei, dat ik 't niet voor niemendal
-verlangde, maar dat 't hem toch plezier moest doen, nu eens iemand te
-ontmoeten, die aan deze dingen geloofde, wat zoo zelden meer gebeurde
-in onze dagen.
-
-Onder deze toespraak keek de doodgraver mij nu en dan met zijn'
-hoofdigen paardeblik aan, die al mijne hoop den bodem insloeg.
-
-"Of de lui gelooven, wat ik vertel, of niet, dat is mij om 't even,"
-zeide hij. "Maar wat ik heb gehoord en wat ik weet, dat weet ik, en
-ik wil niet voor zot spelen en zitten vertellen als eene babbelzieke
-best. Zelfs voor den koning niet," voegde hij er bij, om de zaak
-buiten allen twijfel te stellen.
-
-Ik was reeds voornemens heen te gaan, toen hij op nieuw stilstond,
-half van mij afgekeerd. Na den hoed op één oor te hebben gezet, begon
-hij eerst in den eenen, toen in den anderen zak van zijn wambuis
-te zoeken; maar 't scheen, dat hij niet kon vinden, wat hij zocht,
-hij was blijkbaar teleurgesteld, vooral toen een nieuw onderzoek even
-vruchteloos was gebleken.
-
-Ik giste spoedig, dat zijne tabak op was en dacht vergenoegd:
-"nu is de beurt aan mij." In mijne botaniseerdoos had ik eene van
-Tidemand's beroemde rollen tabak geborgen, en terwijl ik den schijn
-aannam van naar mijn' zakdoek te zoeken, wist ik 't behendig zóó
-aan te leggen, dat de rol juist op den rand van den grafkuil viel,
-waarin hij stond. Heel kalm bukte ik mij om de tabak op te rapen,
-maar 't zonneschijntje, dat op eens 't gelaat van den doodgraver deed
-ophelderen, ontging mij niet. Als in gedachten maakte ik de rol open,
-lokte mijn' gehoornden vriend, die dicht bij 't graf stond, tot mij
-en liet hem een groot stuk van de rol afbijten.
-
-"Hoe ver is Tönsager hier van daan?" vroeg ik.
-
-De doodgraver mompelde iets over 't misbruiken van Gods gaven, maar
-antwoordde toch beleefder dan te voren, dat 't omstreeks een half
-uur aan de andere zijde der baai lag.
-
-"En Guldvaerket?" vroeg ik.
-
-"Eene mijl," zei de doodgraver. "Maar waar komt ge toch
-vandaan?" voegde hij er bij met het potsierlijkste gezicht ter wereld.
-
-"'t Laatst ben ik in Store Finstad geweest, waar ik naar Peter, den
-doodgraver, heb gevraagd," antwoordde ik en borg de rol weer in de
-doos, na den bok nog een stuk daarvan te hebben gegeven.
-
-Er volgde geen antwoord; Peter begon met nieuwen ijver te
-delven. Behalve aarde en steenen wierp zijne spade ook vermolmde
-houtsplinters en halfvergane beenderen naar boven. Onder de laatste
-rolde ook een vrouwenschedel voor mijne voeten, zoo schoon en volkomen
-van vorm, dat Retzius hem voor het ideaal der skandinavische type
-zou hebben aangezien. Ik nam hem op en beschouwde hem opmerkzaam.
-
-"Die schedel is van geen oud wijf afkomstig," begon de doodgraver
-op nieuw.
-
-"Dat zie ik," gaf ik ten antwoord.
-
-"'t Was de vrouw van een' landbouwer hier in 't dorp; zij was geacht
-en geëerd," merkte hij verder op.
-
-"Zoo."
-
-Had de doodgraver zich in zijn slecht humeur gelijk kunnen blijven,
-dan zou hij ongetwijfeld hebben gezwegen, maar reeds de hoop op eene
-rol tabak heeft een' verwonderlijken invloed op 's menschen gemoed.
-
-"Van buiten blank, van binnen krank," ging hij voort.
-
-Hierop volgde in 't geheel geen antwoord.
-
-"Dat was beste tabak, die ge daar in die blikken doos hebt."
-
-"Zoo schijnt onze vriend er ook over te denken," antwoordde ik,
-terwijl ik den bok weer naar mij toelokte en mij geliet, of ik hem
-nog meer wilde geven.
-
-"Neen, als oude Andries, mijn vader, nog leefde," zei Peter haastig,
-terwijl hij zijn' gelukkigen mededinger zocht te beletten, de goede
-gaven deelachtig te worden, die ik hem had toegedacht, "hij kon nog
-eens vertellen. Wat ik kan, heeft niet veel om 't lijf."
-
-"Nu merk ik, dat gij ook wel een stuk tabak zoudt willen hebben,
-Peter. Zie, daar hebt gij al wat de bok heeft overgelaten. Waart gij
-eerst williger geweest, dan hadt ge de heele rol gekregen. Maar vertel
-mij nu wat."
-
-"Dat kan ik wel doen, want ik zie, dat ik met een verstandig man te
-doen heb, en niet met een' zotskap," zei Peter, terwijl hij zijne
-gereedschappen bijeenzocht en uit den kuil steeg. "Vervloekt vee,"
-riep hij toornig en sloeg naar den bok, "zulke bokken zijn 't ergste
-ongedierte, dat ik ken; ze moesten doodgeslagen worden, dat er niet
-één overbleef."
-
-Nadat hij door deze ontboezeming zijn gemoed wat had verlicht, zette
-hij zich op eene zerk neder en begon te verhalen.
-
-"Gij zijt niet de eerste, wien ik 't vertel," zoo ving hij aan. "Wilt
-gij 't gelooven--goed; gelooft ge 't niet--laat het dan voor 't geen
-het is.--Daar leefde eens in 't dorp hier een boer, die gehoord had,
-dat de heksen allerlei spel dreven in de kerk op den avond vóór de
-feestdagen. Hij geloofde er niets van, maar voelde toch den lust bij
-zich opkomen, eens te zien of 't waar was; hij kon dan tevens te weten
-komen, wie zich met hekserij ophielden. Op Paaschavond zette hij zich
-neder op de lijkbaar in 't kerkportaal, en, ja wel, daar verzamelde
-zich een heele stoet wijven voor de kerkdeur, met een' grooten zwarten
-hond aan 't hoofd. De hond ging op de achterpooten staan, krabde
-tegen de deur en--open sprong die, schoon ze stevig gesloten was.
-
-"Zaagt gij dat?" zei 't wijf, dat 't dichtst achter den hond liep
-tot een ander;--"en dat was deze," voegde Peter er bij, terwijl hij
-op den schedel wees.
-
-"Neen, dat had ik niet gedacht, al hadt gij 't me zelf gezegd,"
-antwoordde de ander, die naast haar liep en die ook in 't dorp
-voor eene brave vrouw doorging. En achter die beiden kwamen er nog
-zoovelen, dat hij ze bijna niet meer kon tellen. Hij kende ze allen
-en had nooit gedacht, dat er zooveel heksen in heel Romerike waren
-als er alleen in 't kerspel van Eidsvold bleken. Zij sprongen en
-dansten en maakten allerlei bespottelijke gebaren op den preekstoel
-en voor het altaar. Toen ze niets meer wisten te bedenken, brachten
-ze door hekserij eene koe boven in den toren en hingen haar boven
-den trap op met alle vier de pooten in de lucht. De boer meende in
-'t beest eene koe van de pastorie te herkennen, en toen de heksen
-waren vertrokken en alles weer stil was in de kerk, ging hij naar de
-pastorie. Daar stond de koe weer in den stal, maar ze trilde nog en
-'t schuim stond haar om den bek.
-
-Geruimen tijd daarna geviel 't, dat dezelfde man, die dit alles
-op Paaschavond had gezien, als hofmeester was genoodigd op eene
-bruiloft. En daar was nu ook de vrouw, die vooraan ging in den
-heksenstoet. Toen men aan tafel wilde gaan, verzocht men haar 't eerst
-te gaan zitten; want zij werd door elk geëerd, moet ge weten. Maar
-zij wilde nu eens de bloode spelen en men kon 't niet van haar gedaan
-krijgen. Herhaaldelijk noodigde de hofmeester haar uit zich aan tafel
-te zetten, maar eindelijk werd hij 't bidden moê en fluisterde haar in
-'t oor:
-
-"Ga maar eerst zitten; ge zijt 't immers wel gewend. Toen ik u op
-Paaschavond zag, waart gij niet zoo verlegen; toen waart' ge de
-eerste in den dans met Ouden-Erik, [2] voor 't altaar zoowel als op
-den preekstoel."
-
-Op die woorden viel de vrouw in zwijm en sinds dat oogenblik heeft
-ze geen gezond uur meer gehad."
-
-De doodgraver zweeg en zijn gelaat nam weer de gewone barsche,
-gemelijke uitdrukking aan; maar ik hield niet op met vragen en vorschen
-naar heksen, hare reizen en daden, tot ik ten slotte de belofte van
-hem verkreeg, dat hij mij alles zou vertellen, wat hij daarvan wist.
-
-"Daar waren eens eenige jagers, die op zekeren Paaschnacht uit jagen
-gingen. Terwijl zij in de jachthut zaten, bij 't grauwen van den
-morgen, hoorden zij zulk een geruisch en geraas in de lucht, dat
-zij niet anders dachten, of er was een heele vlucht groote vogels
-in aantocht, gereed om in 't moeras neer te strijken. Maar 't waren
-vogelen des duivels! Toen zij boven het bosch kwamen, bleek het een
-vlucht heksen te zijn. die haar Paaschfeest hadden gevierd. Zij reden
-op bezemstelen, harken en mestvorken, op bokken en geiten en de zotste
-dingen, die men kan bedenken. Weldra herkende een der jagers onder
-haar zijne naaste geburin.
-
-"Maren Myra!" schreeuwde hij. Plotseling viel ze neder op eene spar en
-brak een scheenbeen; want, wanneer iemand eene heks herkent en haar
-bij den naam roept, moet zij naar beneden, al is zij nog zoo hoog
-gestegen. De jagers namen haar op en brachten haar voor den rechter,
-en deze besliste, dat zij levend verbrand zou worden. Maar eer zij op
-den brandstapel kwam, verzocht zij nog, dat men even den blinddoek
-van hare oogen zou nemen. Dat deed men ook, doch eerst plaatste men
-haar zóó, dat haar oog niet op weide en akker, maar alleen op den
-berg kon vallen. En dit was goed ook; want op eens was 't bosch, aan
-den kant waarheen ze had gezien, geheel zwart geblakerd en verschroeid!
-
-Deze tooverheks liet eene dochter na, die later in huis kwam bij een'
-predikant in 't Gudbrandsdal. Zij mag negen jaar oud zijn geweest,
-maar ze was reeds geheel verdorven en zat vol heksenstreken. Eens
-gelastte haar de predikant eenige spaanders, die op 't erf lagen,
-naar de keuken te dragen.
-
-"Och," zei ze, "ik kan ze wel binnen brengen, zonder dat ik ze behoef
-te dragen."
-
-"Zoo," zei de predikant, "laat mij dat eens zien."
-
-Oogenblikkelijk maakte zij wind en daar vlogen de spaanders de
-keuken binnen. De predikant vroeg, of ze nog meer dergelijks kon
-uitrichten. Ja wel: ze kon ook melken, maar deed het liever niet,
-want 't was nadeelig voor 't vee. De predikant drong er echter op
-aan; ze was noode over te halen, maar eindelijk zou ze 't doen. Ze
-stak nu een knipmes in den wand en zette eene melknap daaronder, en
-nauwelijks raakte zij 't mes aan of de melk stroomde in de nap. Na
-eene poos wilde zij ophouden.
-
-"O, neen, melk voort, kind," zei de predikant.
-
-Eerst weigerde ze, maar de predikant praatte zoolang, tot zij op
-nieuw begon.
-
-"Nu moet ik ophouden," zei ze een oogenblik later, "anders komt er
-niets dan bloed."
-
-"Och, melk maar voort, kind," zei de predikant, "en stoor je nergens
-aan."
-
-Op nieuw weigerde zij, maar gaf ten slotte weer toe en ging voort.
-
-Een ommezien daarna hernam zij: "Ja, houd ik nu niet op, dan valt
-straks de beste koe op stal dood neder."
-
-"Melk maar, kind, en stoor je nergens aan," zeide weer de predikant,
-want hij wilde zien, waartoe zij in staat was.
-
-Eerst weigerde zij hardnekkig, maar na veel moeite wist de predikant
-haar toch weer over te halen.
-
-"Daar valt de koe," riep ze op eens, en toen men den stal binnentrad,
-lag daar de beste koe, die de predikant bezat, morsdood op hare
-plaats. En de deerne werd verbrand even als hare moeder.
-
-"Ja, 't was eene booze heks, waar ik u van vertelde," voer de
-doodgraver voort, "maar er was er eene, die mij nog boosaardiger
-dunkt. Zij tilde op een' Paaschavond haar' man uit het bed en reed op
-zijn rug uit 't Gudbrandsdal naar de kerk van Bergen, en terwijl zij
-boven in den toren met de andere heksen en Ouden-Erik het Paaschfeest
-vierde, moest de man moedernaakt tegen de kerkmuur blijven liggen in
-den langen, kouden voorjaarsnacht. 't Was een verschrikkelijk weer; de
-gure wind drong hem door merg en been en de sneeuwvlokken stoven rond,
-zoodat de arme man half bewusteloos was van koude. Toen de dageraad
-aanbrak, trachtte hij op te staan, maar hij was geheel verstijfd en
-zijne tanden klapperden. Juist kwam er iemand de kerk voorbij.
-
-"Zeg mij toch in Gods naam, waar ik ben?" vroeg de man.
-
-"Wel, gij zijt bij de kerk van Bergen," antwoordde de voorbijganger;
-maar toen hij den buikriem bespeurde, dien de man om 't lijf had,
-begreep hij, waarom hem die vraag was gedaan;--want de heksen kwamen
-daar in dien tijd met Kerstmis en Paschen. Hij zeide tot den man:
-
-"Wanneer zij uit de kerk komt, met wie gij hier zijt gekomen, neem
-dan maar den buikriem en geef haar een duchtig pak op den rug, dan
-kunt gij op haar naar huis rijden, anders houdt gij 't onmogelijk uit."
-
-En toen de heks naar buiten kwam, deed de man zooals hem gezegd was;
-en zoo reed hij naar huis op haar' rug, zoo snel als de wind."
-
-"Had zij geen' smeerhoren bij zich?" vroeg ik.
-
-"Neen dien had zij niet noodig; zij had zich reeds 't heele lichaam
-ingesmeerd, eer zij van huis ging," zei de doodgraver. "Maar nu gij
-van smeerhorens praat, schieten mij nog eenige histories te binnen,
-die hier in den ouden tijd moeten gebeurd zijn."
-
-"Laat hooren," zei ik.
-
-"Op eene hoeve te Ringebu," vertelde Peter, "woonde eene heks, die
-buitengewoon boosaardig was. Maar daar woonde ook iemand, die wist,
-dat zij hekserij bedreef; hij ging op een' heiligavond naar de hoeve
-en vroeg om nachtverblijf en 't werd hem verleend ook.
-
-"Gij moet niet bang worden, als ik met open oogen lig te slapen,"
-zeide hij, "ik ben dat gewoon en kan er niets tegen doen."
-
-O, neen, zij was niet gauw vervaard.
-
-Spoedig lag de knaap te snorken met open oogen, en nauwelijks zag de
-heks dit, of zij haalde een' smeerhoren onder den haardsteen vandaan
-en smeerde den bezemstok in:
-
-"Nu op en dan neer, naar Jönsaas, zei ze en steeg door den schoorsteen
-op en reed naar Jönsaas, eene groote bergvlakte, waar veel saeters
-staan.
-
-Onzen knaap docht het nu heel grappig, als hij haar voorbeeld eens
-volgde om te zien, wat zij uitvoerde, want hij meende, dat zij had
-gezegd: "nu op en dan neer, naar Mönsaas" [3]. Hij haalde daarom ook
-den horen onder den steen vandaan en wreef met den inhoud daarvan een'
-stok in.
-
-"Nu op en dan neer, naar Mönsaas," zei hij toen, en nu voer hij op
-en neder, altijd tusschen den schoorsteen en de dakvorst, den heelen
-nacht door, en toen de stok eindelijk stil hield, was hij half dood.
-
-Sedert kwam hij bij de heks in dienst en zat een jaar later 's avonds
-eene slede in orde te maken. Toen hij dien arbeid moede werd, legde
-hij zich op eene bank neder om te slapen en lag eene poos met de
-oogen open. Weer haalde 't wijf den horen voor den dag, smeerde den
-bezemsteel in en voer den schoorsteen uit. De knaap merkte goed op,
-waar zij den horen borg, en nadat zij vertrokken was, nam hij dien en
-smeerde een weinig van de zalf aan de slede; maar hij zeide niets. En
-de slee vloog heen, en niemand heeft ooit meer den knaap noch zijn
-voertuig gezien. De hoeve, waar dit voorviel heette Kjaestad, en
-tot op den huidigen dag weet oud en jong te verhalen van den horen
-van Kjaestad.
-
-Zoo woonde er ook eene heks op eene hoeve in 't Dovregebergte. Nu
-geviel 't op een' Kerstavond, dat haar dienstmeisje bezig was een'
-brouwketel te schuren. Intusschen haalde 't wijf den horen voor den
-dag, wreef den bezemsteel in en vloog den schoorsteen uit. Dit leek
-de dienstmaagd eene prachtige kunst; zij smeerde ook wat zalf om den
-ketel. En nu was ook zij weldra op reis en vloog zonder ophouden voort
-naar Blauwkoll. Hier vond zij eene groote schaar heksen en Ouden-Erik
-zelf, die voor haar zou preeken. Toen allen zich hadden neergezet,
-ging hij den kring rond, om te zien of er niemand ontbrak. Zoo kwam
-hij ook bij het meisje, dat in den ketel zat; haar kende hij niet,
-want zij had zich niet onder zijne dienaressen laten opnemen. Hij
-vroeg daarom aan 't wijf, waarmee zij was gekomen, of de dienstmaagd
-ook haar' naam in 't groote boek wilde zetten. De meesteres meende
-van ja. Oude-Erik gaf nu de maagd het boek en verzocht haar daarin
-te schrijven, hij bedoelde natuurlijk haar' naam.
-
-Maar zij schreef, wat de schoolkinderen plegen te schrijven, wanneer
-zij de pen probeeren: "Die mij voedsel geeft, is God, in Jezus' naam,"
-en--nu mocht zij 't boek houden, want Oude-Erik was niet zóó boud, dat
-hij 't dorst terugnemen. Plotseling ontstond er een vreeselijk alarm
-op den berg. De heksen namen de zweep, en sloegen op hare voertuigen
-los, en aanstonds vlogen ze heen door weer en wind. Ook 't meisje nam
-eene zweep, sloeg daarmede op den ketel en snelde de anderen na. Op
-eene hooge rots hielden alle heksen stil om een oogenblik uit te
-rusten. Aan hare voeten lag een breed dal, waardoor zich een breede
-stroom kronkelde en aan gene zijde daarvan weer eene hooge rots. Toen
-zij waren uitgerust, vlogen zij naar den overkant. 't Meisje twijfelde
-er sterk aan, of zij ook daarheen zou kunnen komen. Eindelijk gaf
-zij den ketel een' fikschen slag en kwam behouden aan de overzij.
-
-"Dat was een duivelsch mooie sprong voor een' ketel," zei ze; maar
-op 't zelfde oogenblik verloor zij 't boek, viel naar beneden en kon
-niet verder komen: zij had hem genoemd, wien zij geene gehoorzaamheid
-had willen beloven. 't Overige van den weg moest zij door de dikke
-sneeuw waden, want thans had zij alle hulp verbeurd, schoon zij nog
-menig uur te gaan had."
-
-"'t Moet niet onaardig zijn met de heksen op bezemstelen en in
-ketels te rijden," merkte ik op. "Maar 't kan soms nog al gevaarlijk
-zijn, want de noordenwind is scherp daar boven en men kan den hals
-breken, eer men 't weet. Dan gaat het beter met de samenkomsten op
-de kerktorens; daar kan men ze zien, wanneer men slechts op eene
-doorgesneden graszode gaat zitten, niet waar, Peter?"
-
-"Niet op eene doorgesneden zoô," verbeterde de doodgraver; "in
-elke hand moet men er eene omhoog houden, en de snede moet tegen de
-zon in zijn getrokken. Wie zoo gaat staan, met een psalmboek op de
-borst en drie gerstekorrels in den mond--waarvan de eene den Vader,
-de ander den Zoon en de derde den H. Geest beteekent--tegen dien kan
-noch Oude-Erik, noch eene tooverheks iets uitrichten. Had zeker man,
-van wien ik eens hoorde vertellen, hieraan gedacht, dan ware hij er
-beter afgekomen. Ja, hij kwam er toch wel goed af, maar 't was "bij
-'t kantje langs," als men zegt.
-
-Men had dien man verteld, dat de heksen op heiligavonden zoo
-verschrikkelijk huis hielden in den kerktoren. Hij kon nu den lust niet
-bedwingen daar eens bij te wezen en zoo ging hij er op een' Kerstavond
-heen en zette zich in een' hoek neder. Wel had hij eene groote graszoô
-bij zich, maar deed niet alles naar behooren, zoo 't schijnt. Daar
-kwamen de heksen aangereden; de een na de ander sloop de torengaten
-binnen, sommige op bezemstokken, andere op harken, enkele op geiten,
-nog andere op bokken of op allerlei wonderlijke dingen gezeten. Onder
-haar bevond zich ook eene buurvrouw van hem. Zoodra deze hem zag,
-liep zij op hem toe, stak hare pink in zijn' neus en hield hem zoo,
-als een' zalm bij de kieuwen, buiten den toren.
-
-"Wilt gij beloven aan niemand te zeggen, dat ge mij hier hebt
-gezien?" zei ze. "Zoo niet, dan laat ik u vallen."
-
-"Neen, dat doe ik niet!" antwoordde hij; want 't was een dwarskop. En
-toen zij hem werkelijk liet vallen, schreeuwde hij: "hel en duivel,
-komt mij te hulp!" en dadelijk kwam de duivel in eene slede aanrijden
-en ving hem zoo knaphandig op, dat hij zelfs de knieschijf niet
-verstuikte. Nu wou de duivel hem ook naar huis brengen. Maar de man
-schopte en sloeg en maakte zulk misbaar, dat de duivel 't bijna te
-kwaad kreeg. En toen zij bij zijne hoeve gekomen waren, reed hij
-onvoorziens tegen een watervat aan, zoodat de slede kantelde en de
-duivel aan de eene zijde, onze man aan den anderen kant van 't watervat
-terecht kwam. Ware dit niet gebeurd, dan zou hij niet aan de klauwen
-des duivels zijn ontkomen; maar nu had deze geen macht meer over hem.
-
-"Loop heen, schelm!" riep de duivel, "had ik vermoed, dat ge mij zoudt
-bedriegen, dan had ik om uwe ellendige ziel te winnen, zoo'n lange
-reis niet gemaakt. Toen ge mij riept, was ik twintig mijl benoorden
-Throndhjem om eene deerne aan te moedigen, die op 't punt stond haar
-kind den hals om te draaien."
-
-Thans beweerde Peter, dat hij geene enkele vertelling van heksen
-meer kende. Maar wijl hij zoo goed op gang was, meende ik van de
-gelegenheid gebruik te moeten maken en vroeg hem, of hij dan niets
-had hooren verhalen van de aardgeesten.
-
-"Hm," antwoordde hij, "misschien wel; laat eens zien:--mijne
-grootmoeder heeft mij daarvan wel een en ander verteld.--Toen die een
-meisje was, diende ze bij den predikant van Modum; Teilmann heette hij,
-geloof ik.
-
-"'t Gebeurde eens in 't voorjaar, dat de mest naar 't land moest
-gebracht worden. De predikant bezat uitgestrekte akkers en riep van
-heinde en ver arbeiders te zamen om dit werk te verrichten. Nu diende
-er bij een' boer in de nabijheid een jongen, die erg verzot was op
-uitgaan. Ook hem had men verzocht te komen helpen. De boer gaf hem
-verlof, mits hij 't zoo aanlegde, dat hij 's morgens om acht uur kon
-vertrekken. Den ganschen nacht look nu de knaap geen oog, en daar de
-boer geene klok in huis had, stond hij reeds kort na middernacht op,
-spande de paarden voor de kar en reed naar de pastorie. Maar hier was
-nog geene levende ziel te bespeuren, en de knaap liep nu wat rond
-om den tijd te verdrijven. Zoo kwam hij ook op 't kerkhof, en hier
-wiesch hij zich den slaap uit de oogen in eene grafkuil, die halfvol
-water stond, want 't had pas geregend. Sinds dien tijd bezat hij
-'t vermogen de aardgeesten te zien, maar hij had er ook 't verstand
-bij ingeboet: hij was simpel geworden. Of hij zijn' tijd uitdiende
-of zijn' dienst verliet, zou ik niet kunnen zeggen, maar later zwierf
-hij in den omtrek rond, en overal waar gasten gevraagd waren of iets
-bijzonders te doen viel, bood hij aan de aardgeesten te bannen.
-
-"Eens zou er bruiloft worden gehouden op eene hoeve, die Praesterud
-heette, en op den zelfden dag was er doopfeest op Komperud. Toen
-stond hij lang besluiteloos, wat hij zou kiezen, maar ten slotte
-ging hij naar de bruiloft. Nauwelijks was hij daar gekomen en had
-eens rondgekeken, of hij ging op den hofmeester los.
-
-"Gij past slecht op uwe zaken," zeide hij. "Ziet gij niet, dat de
-aardgeesten uit de bierkan drinken, die gij daar in den hoek hebt
-gezet? De voorraad neemt onophoudelijk af, maar mag ik hier blijven,
-zoolang de bruiloft duurt, dan zal ik ze wel 't hazenpad doen kiezen."
-
-"Och, dat moogt gij wel! maar hoe zult gij ze verjagen?" vroeg de
-hofmeester.
-
-"Dat zult gij eens zien," antwoordde de knaap. Hij nam de kan, zette
-haar midden op den grond en trok er met krijt een' wijden kring om
-heen. "Nu neemt gij een' knuppel," zeide hij tot den hofmeester,
-"en als ik u een' wenk geef, slaat gij daarmede midden in den kring;
-let niet op 't geen ik doe, maar zoodra ik ze alle binnen den kring
-heb, dan slaat gij er uit alle macht op los."
-
-Nadat hij dit had gezegd, begon hij om den kring heen te rennen;
-hij sprong nu hoog, dan laag, en schopte en joeg met inspanning
-van alle krachten. De hofmeester viel haast om van pret over al de
-dwaze gebaren, welke de knaap maakte, en allen, die 't aanzagen,
-geloofden stellig, dat hij niet bij zijne zinnen was. Maar toen hij
-den afgesproken wenk had gegeven, bemerkten ze, dat hij niet zóó gek
-was, als ze meenden; want toen de hofmeester er flink op los sloeg,
-hoorde men een verschrikkelijk geschrei en gejammer door 't heele huis,
-en sommigen, die later ter bruiloft kwamen van den kant van Komperud,
-verhaalden, dat zij een gedruisch in de lucht hadden gehoord, of
-er eene groote schaar vogels boven hun hoofd vloog, en stemmen,
-die riepen: "Naar Komperud, naar 't doopfeest, naar 't doopfeest
-op Komperud!"
-
-Hier eindigde Peter, de doodgraver, zijne vertellingen. Hij verklaarde
-dien avond volstrekt niets meer te weten en ging heen, nadat hij
-eerst nog den bok van den klokkeluider het kerkhof had afgejaagd.
-
-
-
-
-
-
-
-BERTHA TUPPENHAUG'S VERTELLINGEN.
-
-
-Reintje was uit zijn hol gejaagd en geschoten; wij dronken bier ter
-eere van den doode bij den schout en sloten 't rouwmaal met een'
-vroolijken dans.
-
-Met 't oog op den vermoeienden dag, welken wij achter den rug
-hadden, den roem, dien wij hadden ingeoogst, en, wat mij betreft,
-de drie kwartier, welke ik had af te leggen, namen wij kort na
-elven afscheid. De schout bood aan mij zijn paard te leenen. 'k
-Was erkentelijk voor deze heuschheid, maar wijl de rijweg dubbel
-zoo lang was, verkoos ik te gaan, zooals ik was gekomen, langs den
-kortsten weg en op sneeuwschoenen. Met den vossehuid en 't geweer
-over den schouder en den staf in de hand, reed ik heen. De weg was
-uitmuntend: den heelen dag had de zon geschenen en de koude van den
-avond had de sneeuw met eene harde korst bedekt; de maan stond klaar
-aan den hemel en de sterren tintelden. Wat kon ik meer verlangen? Vlug
-gleed ik heen over de heuvels en vlakten en tusschen de ranke berken
-door, wier kronen als zilveren koepels in de lucht schenen te zweven
-en waarin de uilen in den stillen nacht akelige histories zaten te
-vertellen. De haas klaagde over de koude en 't vervelend gebeuzel der
-uilen; de vos was op liefdesavonturen uit, zocht zijne medeminnaars
-'t veld te doen ruimen en stiet een hoonend geschreeuw uit.
-
-Een tijdlang moest ik mij dicht aan den grooten weg houden; hier
-kwam een man, in een wambuis van berevel gekleed, in zijne slede mij
-achterop rijden. Toen hij uit mijn geweer en mijn' buit bespeurde,
-dat ik jager was, knoopte hij een gesprek met mij aan en zeide,
-dat wanneer ik naar den oever der rivier wilde gaan, ik daar eene
-kudde wolven zou ontmoeten; toen hij de heuvels bij de baai had
-bestegen, had hij ze de ijsvlakte zien naderen. Ik dankte hem voor
-zijne mededeeling en beklom een' heuvel. Van hier strekte zich een
-dennenboschje naar den stroom uit, zoodat het vrije uitzicht werd
-belet. De wolven zag ik niet. Wellicht waren ze echter aan genen
-kant van het boschje, en suizend ging het weer voort in de schaduw
-van het dennenhout, terwijl de elzenstruiken, waartusschen ik door
-schoot, mij om de ooren klapperden. Maar in mijne pijlsnelle vaart
-was 't onmogelijk de voorwerpen te onderscheiden; eer ik 't wist,
-vloog ik tegen een' struik aan; een mijner sneeuwschoenen brak,
-en daar lag ik met 't hoofd half onder de sneeuw bedolven. Toen ik
-trachtte op te staan, voelde ik zulk eene pijn in den eenen voet,
-dat ik dien nauwelijks kon gebruiken; ik moest eene poos op de knieën
-rondkruipen en vond zoo eindelijk mijn geweer terug met den loop vol
-sneeuw. Pas had ik mij aan den oever der rivier in hinderlaag gelegd,
-of eene kudde wolven kwam langzaam nader; daar waren er in 't geheel
-vijf. Ik wachtte ze met jagersongeduld af, en toen ze tachtig schreden
-van mij verwijderd waren, legde ik aan. 't Eerste schot weigerde; bij
-'t tweede gaf ik vuur; maar de kogels troffen de dennetoppen aan den
-overkant der rivier, en de wolven kozen in allerijl het hazenpad.
-
-Vol ergernis stond ik op; de pijn in den voet was nog heviger dan
-straks en, leunende op mijn geweer, sleepte ik mij een eindweegs op
-de bevrozen rivier voort om te zien, waar ik eigenlijk was. Tot mijne
-blijdschap steeg eene rookzuil boven de boomtoppen aan den overkant
-op; nu wist ik waar ik mij bevond: nabij Tuppenhaug, eene hoeve niet
-ver van mijne woonplaats. Met veel moeite klauterde ik den steilen,
-meer dan tweehonderd schreden hoogen heuvel op, maar smaakte toen ook
-de voldoening het schijnsel van een vroolijk vuur door 't venster der
-hoeve te zien schitteren. Ik hinkte naar de deur, lichtte de klink
-op en trad binnen, zoo wit als een molenaar.
-
-"In 's Hemels naam, wie is daar?" riep de oude Bertha, terwijl zij
-van schrik een gepekeld stuk vleesch liet vallen, dat zij bezig was
-te snijden.
-
-"Goeden avond; schrik maar niet, gij kent mij toch, Bertha?" zeide ik.
-
-"Hé, is mijnheer de student nog zoo laat buiten; ik schrok werkelijk
-van u; ge zijt wit van de sneeuw en 't is middernacht," antwoordde
-Bertha, terwijl zij opstond. Ik vertelde 't ongeval, dat mij was
-overkomen, en verzocht haar een' der jongens te wekken en dien naar
-mijn huis te zenden om een paard en eene slede.
-
-"Ja, 't komt wel uit, wat ik altijd zeg: de grauwpooten nemen wraak,"
-mompelde zij bij zich zelven.
-
-"Ze wilden 't niet gelooven, toen ze verleden jaar jacht op hen maakten
-en Per zijn been brak; nu kan men alweer zien, dat ze zich wreken."
-
-"Ja, zie-je," zei ze, terwijl ze naar de bedstede liep, waar de familie
-in koor lag te snorken, "ze hebben den heelen dag voor Nordigaard
-hout bij de rivier vandaan gehaald. Kleine Ola, sta op en haal een
-paard voor mijnheer den student! Sta dan op, Ola!"
-
-"Hè..." zeide Ola met een akelig neusgeluid, terwijl hij zich
-bewoog. De slaap was hem echter een al te groot genot, dan dat
-hij zich zoo gemakkelijk daarvan liet aftrekken, en er verliep eene
-eeuwigheid, die hij besteedde met de oogen uit te wrijven, te geeuwen
-en te gapen, en allerlei zotte vragen te doen, eer hij zich uit
-den saamgeraapten hoop dekens en vellen in de bedsteê losgewikkeld,
-buis en broek aangeschoten had en recht begreep, wat hij nu eigenlijk
-moest doen. De belofte van een' drinkpenning scheen intusschen zijn
-begrip wat te doen opklaren en verjoeg zelfs alle vrees voor den berk,
-waarin Ole Askerudsbraaten zich had opgehangen en dien hij voorbij
-moest. Onder de overleggingen tusschen den witharigen Ola en de oude
-Bertha had ik gelegenheid den inventaris van 't vertrek op te nemen,
-die bestond uit een weefgetouw, een spinrokken, stoelen met houten
-ruggen, bezemstokken, melkemmers en half afgemaakte bijlstelen, eenige
-kippen op den balk achter de deur, een oud musket aan den zolder,
-latten, die zuchtten onder een' last van dampende kousen en duizend
-andere dingen, met wier opsomming ik den lezer niet zal vervelen.
-
-Toen de knaap eindelijk vertrokken was, zette Bertha zich bij den
-haard neder. Zij was in feestdos, dat wil zeggen, in de gewone dracht
-der oude vrouwen uit hare geboortestreek Hadeland, vanwaar zij naar
-Romerike was verhuisd: een blauw jak met geweven band omboord,
-een zwart schort met plooien en eene huif met strikken, die van
-achteren over den nek hing. Glinsterende oogen, die onophoudelijk in
-beweging waren, en eenigszins scheef in 't hoofd stonden, uitstekende
-jukbeenderen, een breede neus en eene bruine kleur gaven Bertha's
-gelaat eene vreemde, oostersche uitdrukking; men kon haar niet zien,
-zonder aan eene tooverheks te denken, en dat was zij ook: zij was de
-vermaardste tooveres uit den omtrek.
-
-Ik gaf mijne verwondering te kennen, dat zij nog op was en vroeg,
-of zij nog vreemden wachtte, daar zij zoo sierlijk was uitgedost.
-
-"Neen, dat nu wel niet," antwoordde zij, "maar mijnheer de student
-moet weten, dat ik naar 't kerspel van Ullen ben geweest, om eene
-vrouw te belezen, die de tering heeft; en daarna ben ik gehaald bij
-een knaapje, dat aan de engelsche ziekte lijdt; toen moest ik nog lood
-boven 't hoofd van 't kind smelten, en zoo was ik pas tehuis gekomen,
-schoon men mij met de slede tot aan het posthuis had gebracht."
-
-"Maar, Bertha," zeide ik zoo ernstig mogelijk, "zoudt ge dan ook
-niets kunnen doen tegen de pijn in mijn' voet?"
-
-"Och ja, daar weet ik wel raad voor; Siri Nordigaards been werd
-ook niet gezond, eer ik er bijkwam, schoon de dokter zoowel als
-vrouw Nedigaard er aan hadden gekunsteld," antwoordde ze met een'
-minachtenden trek om den mond, "en wanneer mijnheer de student er
-aan gelooft," voer ze voort, terwijl ze een' twijfelenden blik op
-mij sloeg, "dan kan 't niet schaden een glas brandewijn te belezen en
-'t vocht op den voet te gieten."
-
-"Welnu doe dat, 't zal stellig helpen," zeide ik, in de hoop wellicht
-in een of ander geheim der heksen te worden ingewijd. Bertha haalde
-een klein fleschje en een glas op drie pootjes uit eene beschilderde
-kist, vulde 't glas met brandewijn, zette het op den haard, knoopte
-den sneeuwsok los en hielp mij den schoen uittrekken. Nu sloeg zij
-eenige malen een kruis over den brandewijn en begon tooverspreuken
-op te zeggen; zij meende ze te fluisteren, maar daar zij tamelijk
-doof was, kon ik 't gansche formulier van woord tot woord verstaan;
-zóó luidde het:
-
-
- Ik wilde eens spoedig aan d' overkant zijn:
- Daar hinkte mijn zwarte veulen van pijn;
- Toen gaf ik vleesch voor vleesch en bloed voor bloed,
- En spoedig liep mijn beest weer goed.
-
-
-Nu ging hare stem over in een onverstaanbaar gemompel. Aan 't slot der
-tooverspreuk kwam een herhaald: "Verdwijn, verdwijn," dat uitgezonden
-werd naar de vier hoeken der wereld.
-
-In 't vuur der bezwering was zij opgesprongen; nu zette zij zich op
-nieuw aan den rand van den haard neder. Het koude vocht, dat verdampte,
-naarmate zij 't over mijn' brandenden, opgezwollen voet uitgoot,
-bracht eene aangename verkoeling te weeg.
-
-"'t Schijnt reeds te helpen, Bertha," zeide ik; "maar zeg mij eens,
-welke woorden hebt gij toch over den brandewijn uitgesproken?"
-
-"Ik zal wel oppassen, dat ik dit niet vertel;--dan zoudt gij me
-wellicht verklagen bij den predikant of den dokter," zei ze met een'
-grijnslach, die moest beteekenen dat zij om den een zooveel gaf als
-om den ander; "en die mij de kunst leerde," vervolgde zij, "moest ik
-beloven 't geheim aan geen enkel christenmensch te openbaren, behalve
-aan mijn eigen vleesch en bloed; en daarop heb ik zoo duur gezworen,
-dat God mij moge bewaren voor 't schenden van dien eed."
-
-"Dan zal 't mij niet baten, indien ik er naar vraag, Bertha," zeide ik,
-"maar vertel mij toch eens: hebt gij die kunst van een' mensch geleerd
-of van een' geest?"
-
-"Neen, van een' mensch; van een' oom van mij, Mads, in 't Hurdal,"
-antwoordde zij. "Hij kende allerlei tooverspreuken en wist raad voor
-jicht en andere pijnen; hij kon bloed stelpen en lood koken--ja,
-'k geloof zelfs, dat hij iemand kon beheksen en betooveren. Van hem
-heb ik alles geleerd. Maar hoe knap hij ook was, zich zelven kon hij
-toch niet voor hekserij behoeden."
-
-"Hoe zoo? Werd hij dan zelf behekst; kostte 't hem misschien 't
-leven?" vroeg ik.
-
-"Neen, zoover kwam 't niet," antwoordde Bertha. "Maar toch sedert
-was hij nooit recht in orde; lange jaren was hij "huldrin." [4]
-Mijnheer de student zal wel denken, dat 't niet waar is," zei ze
-met een' vorschenden blik, "maar 't was mijn moeders broeder, en men
-heeft mij gezegd, dat hij 't meer dan honderdmaal heeft verteld en
-zelfs bezworen.
-
-"Oom Mads woonde op Knae in 't Hurdal. Vaak was hij in 't gebergte om
-boomen te vellen en hout te hakken, en wanneer hij daar was, placht hij
-er ook des nachts te blijven; hij bouwde dan eene hut en maakte daarin
-eene legersteê. Eens bevond hij zich met twee anderen in het woud;
-juist toen hij een' zwaren boom had geveld en een ommezien zat uit te
-rusten, kwam een kluwen garen langs de helling vlak voor zijne voeten
-rollen. Hij begreep er niets van en dorst het kluwen niet opnemen;
-had hij 't ook later maar niet gedaan dan ware 't beter voor hem
-afgeloopen! Intusschen keek hij toch op, want hij wilde weten, waar
-'t vandaan kwam. En ja wel, hooger op den berg zat eene jonkvrouw te
-naaien; zij was zoo schoon en zag er zoo vriendelijk uit, dat hij de
-oogen niet van haar kon afwenden.
-
-"Neem het kluwen op," zei ze. Hij deed het en bleef als geboeid aan
-de plek, waar hij stond en werd niet moede haar aan te staren, zoo
-lief zag zij er uit. Eindelijk moest hij toch den bijl weer opnemen
-en zijn' arbeid voortzetten; toen hij een oogenblik bezig was geweest
-en weer opkeek, was zij verdwenen. Den heelen dag kwam zij hem niet
-uit de gedachte; hij wist niet, wat hij er van denken moest, maar
-vergeten kon hij haar niet. 's Avonds gingen zijne makkers naar bed;
-hij volgde hun voorbeeld en legde zich tusschen hen in; maar eer nog
-de middernacht kwam, verscheen de jonkvrouw en gelastte hem haar te
-volgen, of hij wilde of niet. Zij voerde hem binnen in den berg, en
-daar was alles zoo fraai, als hij nog nooit iets had gezien; hij kon
-zich niet verzadigen aan alle pracht en weelde. Drie etmalen bleef hij
-bij haar. Toen de morgen van den vierden dag aanbrak, ontwaakte hij,
-en daar lag hij weer tusschen zijne makkers. Dezen meenden, dat hij om
-proviand uit was geweest, en hij sprak hun niet tegen. Maar sinds was
-'t nooit richtig met hem; pas zat hij of hij maakte allerlei vreemde
-sprongen en vloog heen; hij was "huldrin," dat was hij.
-
-"Eene heele poos later was hij in 't veld bezig met hout te
-kloven. Juist had hij de wig in een' boomstam gedreven, zoodat deze
-overlangs was gespleten, toen zijne vrouw hem 't middagmaal kwam
-brengen;--zoo dacht hij ten minste. 't Was roompap; zoo vet, als hij
-ze nooit had gegeten, en in eene pan, die blonk, of ze van louter
-zilver was. De vrouw gaat op den boomstam zitten; en hij legt den
-bijl weg en zet zich op een houtblok dicht bij haar. Daar bespeurt
-hij op eens eene koestaart in de spleet van den stam. Ge begrijpt,
-dat hij nu de spijs niet aanraakte; ongemerkt wrong hij de wig uit
-het hout, de spleet sloot zich toe, en vast zat de staart. Daarop
-schreef hij den naam Jezus op de pan, en nu moest de Hulder--want dat
-was ze--weg: zij vloog op, met zooveel kracht, dat de staart dwars
-afbrak en in den stam bleef zitten. Weg was zij; waar ze gebleven
-was, wist hij niet. Pan en spijs waren niets dan een stuk boomschors,
-gevuld met koemest. Sedert durfde hij bijna nimmer het bosch ingaan,
-uit vrees dat zij zich zou wreken.
-
-"Maar vier of vijf jaren later was er een paard van hem verdwenen,
-en nu moest hij 't toch gaan zoeken. Pas was hij 't bosch in, of hij
-bevond zich op eens in eene hut; hoe hij er kwam, dat begreep hij
-zelf niet. Een leelijk wijf liep heen en weer, en in een' hoek zat
-een kleine jongen, die een jaar of vijf oud scheen; 't wijf nam de
-bierkan en gaf haar den knaap. "Ga vader een teug bier brengen," zei
-ze. Vol schrik ging deze op de vlucht, en sedert heeft hij nimmer iets
-gezien of gehoord, van haar noch den knaap; maar vreemd en zonderling
-bleef hij altijd."
-
-"Hij was zeker niet wel bij 't hoofd, Bertha, die Mads Knae," zeide
-ik, "en een echte duivelbanner kan hij, dunkt mij, niet zijn geweest;
-dan had hij zich beter kunnen verweren. Maar voor 't overige is die
-historie met 't kluwen garen heel vreemd." Dat meende Bertha ook,
-maar aan de echtheid van Mads tooverkunsten kon toch onmogelijk
-getwijfeld worden. Terwijl wij hierover nog praatten, verzocht ik
-Bertha mijne weitasch te brengen, en nadat ik eene pijp had gestopt,
-reikte zij me een brandend stuk hout en begon eene nieuwe vertelling:
-
-"Lang, heel lang geleden--'t was in den zomer--had de eigenaar der
-hoeve Melbustad in Hadeland zijn volk met 't vee naar den saeter
-gezonden. Nog slechts korten tijd was men er, of 't vee begon zoo
-onrustig te worden, dat niemand 't langer kon regeeren. De eene
-meid na de andere werd er mee uitgezonden, maar geen van haar wou
-'t gehoorzamen. Eindelijk kwam de beurt aan een meisje, dat onlangs
-haar verlovingsfeest had gevierd. Nu kwam op eens de kudde tot rust,
-en 't kostte haar volstrekt geen moeite het vee te hoeden. Men liet
-haar alleen op den saeter achter; geen ander levend wezen had ze bij
-zich dan den hond. Terwijl ze op zekeren namiddag in de hut zat,
-verbeeldde zij zich, dat haar liefste binnentrad, naast haar ging
-zitten en zeide, dat ze nu bruiloft moesten houden. Maar zij antwoordde
-niets, want zij werd zoo wonderlijk te moede! Langzamerhand kwamen er
-eene menigte menschen binnen; zilveren borden en schotels met spijzen
-gevuld werden op de tafel gezet, en bruidsmeisjes droegen eene kroon en
-allerlei sieraden en een prachtig bruidskleed. Zij trokken 't haar aan
-en zetten haar de bruidskroon op 't hoofd en staken ringen aan hare
-vingers. En geen van allen kwam haar onbekend voor; 't leken allen
-vrouwen en meisjes, die op de hoeve dienden. Maar de hond begreep
-wel, dat de zaken niet zuiver stonden. Hij liep, zoo snel hij kon,
-naar Melbustad en blafte en jankte en huilde en hield niet op, eer
-de meeste bewoners hem volgden.
-
-De jongeling, die naar de deerne vrijde, nam zijn geweer en snelde
-naar den saeter; toen hij daar aankwam, stond het heele erf vol
-gezadelde paarden.
-
-Hij sloop weg, gluurde door eene reet van de deur en zag den ganschen
-stoet daar binnen. Dadelijk begreep hij, dat alles tooverij en 't
-werk van de aardgeesten was; daarom schoot hij zijn geweer af over het
-dak. Op 't zelfde oogenblik vloog de deur open, en 't eene kluwen garen
-na 't andere rolde naar buiten en wikkelde zich om zijne voeten. Zoo
-werd hij de hut ingetrokken, en daar zag hij zijne liefste zitten,
-in volle bruidsstaatsie; alleen een kleine ring aan de pink ontbrak
-nog aan haar' tooi.
-
-"In Jezus' naam, wat is hier te doen?" vroeg hij, terwijl hij
-rondkeek. Oogenblikkelijk waren al de heerlijke spijzen veranderd in
-mos en paddestoelen, in koemest en padden en krekels en meer van dien
-aard; alleen 't zilverwerk stond nog op de tafel.
-
-"Wat beteekent dat alles?" zeide hij, "ge zit opgeschikt als eene
-bruid?"
-
-"Hoe kunt ge dat vragen?" antwoordde 't meisje, "gij hebt hier den
-heelen namiddag gezeten en over niets anders gesproken, dan over
-bruiloft houden."
-
-"Neen, nu eerst kom ik; maar 't zal iemand zijn geweest, die mijne
-gedaante heeft aangenomen," hernam de jongeling.
-
-Langzamerhand begon nu ook 't meisje tot zichzelve te komen; maar 't
-duurde lang eer zij weer volkomen bij haar zinnen was. Toen vertelde
-zij, hoe ze duidelijk had meenen te zien, dat haar minnaar en al
-'t volk van Melbustad en al de buren op den saeter waren geweest. De
-jongeling nam haar dadelijk mede naar 't dorp, en opdat geen nieuwe
-betoovering haar zoude overvallen, hielden zij dienzelfden avond nog
-bruiloft. De bruid droeg de kroon en de sieraden, die de aardgeesten
-haar hadden geschonken, en later hing men alles op in de hoeve. Daar
-moet men 't nog kunnen zien tot op den dag van heden."
-
-"Wat gij daar verteld hebt, moet in Valders zijn gebeurd, Bertha,"
-merkte ik op.
-
-"Neen, in Hadeland is 't geschied, juist zooals ik verteld heb,"
-zeide zij; "maar toen ik nog te huis was, hoorde ik iemand uit Valders
-eene historie verhalen, die daar gebeurd moet wezen en die er sterk
-op gelijkt. Luister maar.
-
-"Daar diende op eene hoeve ergens in Valders een meisje, dat Barbara
-heette; zij lag 's zomers op den saeter.
-
-"Op zekeren dag vernam zij eene stem, die uit den heuvel scheen
-te komen:
-
-"Koning Haakon, koning Haakon!"
-
-"Ja," schreeuwde koning Haakon, dat 't langs alle heuvelen weergalmde.
-
-"Koning Haakon, mijn zoon, wilt gij trouwen?" klonk 't op nieuw.
-
-"Ja, dat wil ik wel," antwoordde koning Haakon, "als ik Barbara kan
-krijgen, die op gindschen saeter is, anders--"
-
-"O, dat kunt gij wel," hoorde Barbara zeggen, en zij ontstelde er
-zoo van, dat zij niet wist, wat zij deed.
-
-"Op eens trad er nu eene groote schaar den saeter binnen, met spijzen
-en dranken en zilveren vaten en kroezen, met kleederen en sieraden,
-met eene bruidskroon en zilveren gespen. De tafels werden gedekt en de
-bruid gekleed, en deze was buiten staat zich ergens tegen te verzetten.
-
-"Dit meisje had ook een' minnaar; hij was op de jacht. Maar plotseling
-werd hij door een hevigen angst overvallen, die hem naar den saeter
-dreef. Toen hij dezen naderde, stond het erf vol zwarte paarden met
-ouderwetsche zadels en teugels, zoodat hij onmiddellijk begreep,
-wat er aan de hand was. Hij tuurde door eene reet en zag den heelen
-bruidsstoet: koning Haakon was de bruidegom, en de bruid zat fraai
-uitgedost aan zijne zijde.
-
-"Ja, nu is er niets meer te doen, dan haar de oogen uit te steken,"
-zeide een der bruidsmeisjes.
-
-"Dan wordt het tijd," dacht de jongeling, "dat ik tusschen beiden
-kom." Hij nam een' zilveren knoop, een erfstuk, laadde daarmee zijn
-geweer en mikte op koning Haakon, die getroffen nederstortte.
-
-"Onmiddellijk toog de gansche stoet op de vlucht; de koning werd
-opgenomen en meegevoerd, en de spijzen veranderden in spinnen, wormen
-en padden, die van de tafel sprongen en in allerlei hoeken en gaten
-wegkropen. Niets bleef er over dan de bruidssieraden en een zilveren
-schotel; tot op den huidigen dag moeten ze op de hoeve te zien zijn."
-
-Nog vele andere histories vertelde Bertha. Eindelijk hoorde ik de
-sneeuw kraken onder de slede en 't paard hinneken voor de deur. Ik
-stopte Bertha eenige schellingen in de hand voor hare verpleging,
-en binnen een kwartier was ik tehuis. Omslagen met azijn en frisch
-water deden den voet weldra genezen; maar toen Bertha eens in
-de keuken verscheen en, pochend op hare kunst, zich de eer mijner
-spoedige genezing wilde toeëigenen, konden de jongens zich niet langer
-bedwingen; zij schreeuwden haar de tooververzen in 't oor, die ik hun
-had geleerd, en vroegen spottend of eene teug brandewijn en eenige
-onzinnige woorden een geneesmiddel waren tegen kneuzingen. Dit maakte
-haar wantrouwend; schoon ze mij ook na dien tijd nog veel zonderlinge
-histories verhaalde, is 't mij, ondanks alle list en overreding,
-nimmer gelukt een tipje van den sluier op te lichten, waarmede zij
-de geheimen harer tooverkunst bedekt hield.
-
-
-
-
-
-
-
-EEN AVOND IN DE KEUKEN VAN DEN LANDHEER.
-
-
-'t Was een treurige avond. Buiten stoven de sneeuwvlokken u om de
-ooren; binnen, bij den landheer, brandde 't licht zoo flauw, dat
-ge geen andere voorwerpen kondt onderscheiden dan eene ouderwetsche
-klok met chineesche figuurtjes, een' grooten spiegel in eene antieke
-vergulde lijst en een' zilveren beker, een erfstuk, dat in hooge
-waarde werd gehouden. In de kamer bevond zich niemand dan de landheer
-en ik. Ik zat in den eenen hoek der sofa met een boek in de hand,
-terwijl de landheer in den anderen had plaats genomen en verdiept was
-in de lectuur van een pak "zure en zoete staatsburgers," zooals hij de
-couranten noemt in zijne Verhandeling, getiteld: "Proeve over eenige
-oprechte vaderlandsche ontboezemingen tot welzijn des vaderlands. Uit
-bescheidenheid door een' anonymus."
-
-Uit de grondige studie van deze goudmijn voor zijne denkbeelden,
-putte hij, zooals bekend is, verscheidene kluchtige meeningen. Dat
-hij zelf echter volkomen overtuigd was van hare voortreffelijkheid,
-scheen de diepzinnige blik te moeten aanduiden, welken hij mij uit
-zijne grijze oogen toewierp; en weldra werd ik dan ook overstelpt met
-"oprechte vaderlandsche ontboezemingen", over wier gehalte hij 't
-best kan oordeelen, die aanleiding mocht hebben gevonden een kijkje
-te nemen in bovengemelde Proeve of in zijne uitvoerige Verhandeling,
-in manuscript, over de tienden. Maar al deze wijsheid werd aan een'
-ondankbare verspild; ik kende haar reeds op mijn duimpje, want ik
-vernam haar nu voor de twintigste maal. Ik ben niet begiftigd met
-engelengeduld, maar wat zou ik doen? Mij terugtrekken op mijne kamer,
-ging niet; zij werd schoon gemaakt voor den Zondag. Nadat ik eenige
-vruchtelooze pogingen had aangewend, om mij in mijn boek te verdiepen,
-moest ik mij dus wel laten meevoeren op den veelbewogen stroom van
-'s landheers welsprekendheid. Deze bereed thans zijn stokpaardje;
-zijn mutsje, dat van ouderdom geheel rood was geworden, had hij naast
-zich op de sofa gelegd, zoodat zijn hoog voorhoofd en zijne weinige
-grijze haren in al hunne eerwaardigheid voor den dag kwamen; hij
-sprong op en sloeg met de armen om zich heen, of 't molenwieken waren;
-met haastige schreden liep hij de kamer op en neer, zoodat de vlam
-der lamp heen en weer woei en de zwaaiende panden van zijne grijze,
-gevoerde huisjas van "vadmel" groote kringen beschreven, telkens
-als hij zich op zijn langste been ronddraaide; want als Tyrtaeus was
-hij kreupel. Zijne gevleugelde woorden suisden mij om de ooren als
-meikevers in een' lindeboom. Telkens kwam er een nieuwe stroom over
-processen en staatsburgerlijke rechten, twisten over oppervoogdijschap
-en 't vellen van hout of de toenemende weelde, over de handelingen
-der regeering en over mijnontginning, over belasting op 't koren en
-grondontginning, over industrie en centralisatie, over bureaucratie
-en ambtenaarsaristocratie, en over alle cratiën, satiën en triën,
-die ooit bestaan hebben of nog bestaan van Nebukadnezar's tijden tot
-op den dag van heden.
-
-De scherpzinnigheid en 't pathos van den landheer waren niet langer
-om uit te staan. Uit de keuken klonk telkens in koor een schaterend
-gelach; daar voerde Christiaan, de smid, het woord; juist zweeg hij
-stil, en daar klonk op nieuw een hartelijk lachen.
-
-"Ja," zeide ik, "nu moet ik toch eens de vertellingen van den smid gaan
-hooren," liep regelrecht de kamer uit en liet den landheer alleen met
-zijne half duistere lamp en zijne niet minder duistere redeneeringen.
-
-"Kinderpraat en logenachtig gebeuzel!" bromde hij, terwijl ik de
-deur achter mij toesloot; "'t is schande voor een gestudeerd mensch;
-maar oprechte vaderlandsche ontboezemingen--" meer verstond ik niet.
-
-Licht en leven en vroolijkheid schitterden in de hooge ruime
-keuken. Een vuur, dat zelfs den donkersten hoek verlichtte, vlamde
-aan den haard. Daar troonde, naast den schoorsteen, de echtgenoot
-van den landheer met haar spinnewiel. Ofschoon zij sinds vele jaren
-aan jicht leed en zich tegen de aanvallen dezer kwaal had verschanst
-binnen een' berg van jakken en rokken en als buitenwerk daaroverheen
-een reusachtig grijs kleed van "vadmel" had aangetrokken, glinsterde
-toch haar gelaat van onder de huif als de volle maan. In hare nabijheid
-zaten de jongens en lachten en kraakten noten. In 't rond zat een
-kring van dienstmeisjes en vrouwen van daglooners; "zij bewogen het
-spinnewiel met vlijtigen voet of hanteerden de scherpe kaarde." In
-het voorhuis stampten de houthakkers de sneeuw van hunne voeten,
-traden binnen met de spaanders nog in de haren en zetten zich aan de
-lange tafel neder, waar de keukenmeid het avondmaal voor hen gereed
-zette: eene nap melk en een schotel gestampte grutten. Tegen den
-schoorsteen leunde de smid; hij rookte zijn kort pijpje, en op zijn
-gelaat, dat zijne vertrouwdheid met den oven verried, lag een droge,
-ernstige trek, die bewees, dat hij verteld en goed verteld had.
-
-"Goeden avond, smid," zeide ik; "wat vertelt gij toch, dat zoo den
-lachlust gaande maakt?"
-
-"Hi, hi, hi," lachten de jongens, en men kon 't hun aanzien, hoe
-zij genoten. "Christiaan heeft verteld van den smid en den duivel,
-en van den jongen, die den duivel in een' notendop had, en nu zal
-hij vertellen van Peter Sannum, dien de aardgeesten met zijn paard
-vasthielden op den Asmyr-heuvel."
-
-"Ja," begon de smid, "die Per Sannum woonde op een der Sannum-hoeven
-ten noorden van de kerk. Hij was een toovenaar, en vaak werd hij met
-paard en slede gehaald om menschen of vee te genezen, evenals oude
-Bertha Tuppenhaug. Maar wat hiervan zij, hij was nog niet knap genoeg,
-want op zekeren keer lieten de aardgeesten hem een' ganschen nacht
-in zijn' tuin staan, met den mond scheef getrokken en wijd open, en
-'t ging hem evenmin naar den zin bij de gelegenheid, waarvan ik nu wil
-vertellen. Die Peter kon 't nooit met iemand vinden, precies als--hm,
-hm--nu ja, 't was een echte ruziezoeker! Zoo had hij eens eene zaak,
-die beslist moest worden door de stiftsrechtbank te Christiania;
-'s morgens om negen uur moest hij daar verschijnen. Hij rekende
-er bijtijds te kunnen zijn, wanneer hij den vorigen avond van huis
-ging, en zoo deed hij ook; maar toen hij op den Asmyr-heuvel kwam,
-werd zijn paard vastgehouden, zoodat hij niet verder kon komen. Ge
-moet weten, dat 't daar alles behalve richtig is; zeer lang geleden
-heeft iemand zich daar opgehangen en vaak hoorde men er muziek van
-violen, klarinetten, fluiten en andere blaasinstrumenten. Ja wel,
-oude Bertha weet er alles van; zij heeft 't zelve gehoord en zegt, dat
-'t even prachtige muziek was als bij den schout in 1814. Niet waar,
-Bertha?" vroeg de smid.
-
-"Ja dat 's waar; zoo zeker als er Één hier boven is," antwoordde de
-aangesprokene, die bij den haard wol zat te kaarden.
-
-"Nu dan, 't paard werd vastgehouden," ging de smid voort, "en wilde
-niet van de plek, waar 't stond. Hoe hij dreigde en schreeuwde en
-sloeg, 't beest danste in een' kring rond, maar wilde voor- noch
-achteruit. Het eene uur na 't ander verliep, maar het werd niet
-anders. Zoo ging het den ganschen nacht; 't was duidelijk dat er een
-was, die het dier vasthield, want wat Sannum ook vloekte en schold,
-hij kwam niet verder. Maar toen 't daglicht aanbrak, steeg hij af
-en liep naar Ingebret Asmyrhaugen en verzocht hem mee te gaan en een
-brandend stuk hout met zich te nemen. En nadat Per zich in den zadel
-had gezet liet hij Ingebret het stuk hout boven den rug van 't paard
-houden. En ziet, daar stoof 't eensklaps heen, in zulk een' dollen ren,
-dat Per zich aan de manen moest vastklemmen om te blijven zitten, en
-'t kwam niet tot staan, eer het de stad had bereikt, maar toen ook
-viel het dood neder."
-
-"Die historie heeft men mij ook wel verteld," zei oude Bertha, terwijl
-zij haren arbeid staakte, "maar ik heb nooit willen gelooven, dat
-Per Sannum zoo iets niet kon beletten; intusschen daar gij 't zegt,
-Christiaan, zal 't wel zoo zijn."
-
-"Dat is 't ook, "hernam de smid; "Ingebret Asmyrhaugen, die 't brandend
-stuk hout boven den rug van 't paard hield, heeft 't mij zelf verteld."
-
-"Hij had door 't hoofdstel moeten kijken, niet waar, Bertha?" vroeg
-een der knapen.
-
-"Dat had hij juist," antwoordde deze, "want dan had hij kunnen zien,
-wie 't paard vasthield, en dan ware de betoovering verbroken. Dat heb
-ik van iemand, die van dergelijke dingen meer wist dan anderen, van
-Hans Durf-al, zooals hij bij ons in Hadeland werd genoemd. De menschen
-noemden hem ook wel Hans Overleg, want hij had tot spreekwoord:
-"Alles met overleg." Hem hadden de aardgeesten weggevoerd en
-verscheidene jaren bleef hij bij hen, tot ze eindelijk eischten,
-dat hij eene Huldermaagd, die op hem verliefd was, tot vrouw zou
-nemen. Dit weigerde hij echter standvastig, en daar men gedurig de
-klokken voor hem luidde, wierpen de geesten hem van een' verbazend
-hoogen bergtop in de diepte, zoodat 't weinig scheelde, of hij ware in
-een fjord terecht gekomen. Van dien tijd af was hij simpel. Hij werd
-van de armenkas onderhouden en zwierf van hoeve tot hoeve en vertelde
-daar allerlei wonderlijke histories. Maar vaak, als hij rustig zat
-te vertellen, riep hij plotseling: "Hi, hi, hi, Kari Karina, ik zie
-je wel," want overal volgde hem 't Huldermeisje.
-
-"Terwijl hij onder de aardgeesten verkeerde, zoo verhaalde hij, moest
-hij hen altijd vergezellen, wanneer zij zich gingen voorzien van spijs
-en melk, want alles, waarover het teeken des kruises was gemaakt of
-wat in Jezus' naam was gezegend, moesten zij laten liggen. Dan zeiden
-ze tot Hans: "Haal gij dit weg, want daar is over "gekrabbeld," en dan
-moest Hans zulke vrachten in de korven stapelen, die zij op den rug
-droegen. En zoo goed werden de korven gevuld, dat ze haast onder den
-last bezweken. Maar wanneer zij een' donderslag hoorden, liepen ze zoo
-snel heen, dat Hans hen onmogelijk kon volgen. Een der aardgeesten,
-Vaatt geheeten, moest Hans altijd verzellen, en deze was zoo sterk,
-dat hij, zoodra er een onweder losbrak, bij zijn' vracht ook Hans van
-den grond tilde en met hem op den loop ging. Eens ontmoetten zij den
-Voogd van Ringerike in een diep dal van Halland; Vaatt pakte het paard
-van den Voogd beet en hield het staande, ofschoon de Voogd schreeuwde
-en sloeg uit alle macht en 't dier verschrikkelijk mishandelde. Maar
-toen de staljongen van de naburige hoeve er bijgekomen was en door
-'t hoofdstel keek, moest Vaatt het paard onmiddellijk loslaten. "En
-weg vloog nu 't beest," zei Hans, "maar 't scheelde niet veel, of de
-staljongen had er 't hachje bij ingeschoten. En Vaatt en ik hieven
-zulk een akelig gelach aan, dat de Voogd zich in zijne slede omkeerde,
-maar hij zag niets."
-
-"Ja" zei een der knechts, die elders thuis hoorde, "zoo wat hoorde
-ik ook vertellen van een' predikant hier. Hij moest naar eene oude
-vrouw, die op sterven lag, en heel slecht had geleefd. Toen hij door
-'t bosch reed, bleef zijn paard plotseling stilstaan, maar hij wist
-raad, want 't was een wakkere kerel, die predikant. In één' sprong
-was hij de slede uit op den rug van 't paard. Hij tuurde tusschen
-'t hoofdstel door en zag een oud, leelijk man, met de hand aan de
-toomen--waarschijnlijk de duivel zelf.
-
-"Laat maar los, gij krijgt haar toch niet," zei de predikant. De duivel
-moest den teugel wel laten slippen, maar hij gaf tevens 't paard een'
-schop, dat het in woeste vaart heenstoof; 't knetterde onder de hoeven
-en scheen te weerlichten in de boomtoppen, en de stalknaap dreigde
-elk oogenblik van achter de slede weggeslingerd te worden. Zoo kwam
-de predikant bij de stervende vrouw aan."--
-
-"Neen, de drommel hale mij, als ik begrijp, hoe 't met de koe moet
-gaan," zeide Mari, de melkmeid, die met eene nap binnenkwam, "ze zal
-stellig nog doodhongeren; zie eens, vrouw, hoe weinig melk ze geeft."
-
-"Maar dan moet-je meer hooi uit de schuur halen, Mari," zei de vrouw
-des huizes.
-
-"Ja wel!" antwoordde Mari, "als ik in de schuur kom, vliegen de
-knechts om mij heen als wilde ganzen."
-
-"Ik zal je een' goeden raad geven, Mari," zei een der jongens met
-een guitig gezicht, "je moet roompap koken en die donderdagavonds
-in de schuur zetten, dan zal de nikker je wel helpen, terwijl de
-knechts slapen."
-
-"Als er hier maar een was, dan deed ik 't zeker," antwoordde de
-melkmeid trouwhartig; "maar hier op de hoeve is geen enkele nikker te
-vinden, omdat men er niet aan gelooft; neen, op Naes, bij den kapitein,
-daar was een nikker!"
-
-"Hoe weet je dat, Mari?" vroeg de meesteres. "Heb-je hem gezien?"
-
-"Of ik hem gezien heb? Wel wis en zeker heb ik," antwoordde Mari.
-
-"O, vertel dat eens, vertel ons dat!" riepen de jongens.
-
-"Zooals ge wilt," zei de melkmeid en begon:
-
-"In den tijd, dat ik bij den kapitein diende, zei de stalknecht op
-zekeren vrijdagavond tot mij:
-
-"Wil-je wel zoo goed zijn, van avond de paarden voor mij te voederen,
-Mari? Dan zal ik je ook helpen, als je mij noodig hebt."
-
-"Och ja," zei ik, "waarom niet?" want hij moest naar zijne liefste.
-
-Toen 't donker was geworden, voederde ik eerst de beide trekpaarden;
-daarop haalde ik een' armvol hooi voor 't rijpaard van den kapitein,
-dat zoo vet was en glimmend, dat men er zich wel in kon spiegelen, maar
-zooals ik de afgeschoten ruimte, waar 't dier stond, wil binnengaan,
-daar ploft hij eensklaps op 't hooi neder.
-
-"Wie, wie? Het paard?" vroegen de knapen.
-
-"Neen, neen, de nikker;--en zoo schrok ik, dat ik 't hooi liet vallen
-en maakte, dat ik weg kwam. Toen Per thuis kwam, zei ik: "Hoor eens,
-beste Per, dat 's eenmaal, maar nooit geef ik den paarden weer voeder
-voor je; de bruin van den kapitein heeft zelfs geen strootje gehad,"
-en nu vertelde ik hem, wat er gebeurd was.
-
-"Och, de bruin heeft geen nood," zei Per, "die krijgt genoeg!"
-
-"Hoe zag de nikker er uit, Mari?" vroeg een der knapen.
-
-"Denk-je dat ik dit kon zien?" antwoordde zij: "'t was zoo donker,
-dat ik mijn eigen handen niet zag, maar ik voelde hem zoo duidelijk
-als wat: hij was ruig en zijne oogen glinsterden."
-
-"O, dan was 't zeker eene kat," riep er een uit den hoop.
-
-"Eene kat?" zei ze met de diepste verachting. "Ik voelde elken vinger
-van hem; hij had er niet meer dan vier, en alle droegen ze lange haren;
-als 't de nikker niet was, dan mag ik niet levend hier vandaan komen."
-
-"Ja, ja; 't was stellig de nikker," zei de smid; "want eene pink mist
-hij en zijne handen moeten ruig zijn. Ik heb hem nooit aangeraakt,
-maar men heeft mij altijd zoo verteld. En dat hij goed voor de paarden
-zorgt en de beste bouwknecht is, dien men maar kan hebben, dat weten
-wij allen. Daar is menigeen, die veel nut van hem trekt, en van hem
-niet alleen, want in Ullensaker," zoo begon hij eene nieuwe vertelling,
-"woonde eens een man, die evenzoo geholpen werd door de aardgeesten,
-als anderen door den nikker; hij woonde op Rögli. Deze man wist, dat
-er zich bij zijne hoeve Huldren ophielden; immers, eens terwijl hij in
-'t voorjaar naar stad ging en in de Skjaellebeek zijne paarden had
-gedrenkt, kwam er eene groote kudde bonte koeien den heuvel over;
-alle dieren zagen er even welgedaan uit, en flinke, sterke paarden
-volgden hen met allerlei gereedschappen voor de boerderij op karren
-geladen. Voorop liep eene wakkere deerne met eene glimmende, witte
-melknap in de hand.
-
-"Waar moet ge toch heen in dezen tijd van 't jaar?" vroeg de landman
-verbaasd.
-
-"Wel," antwoordde 't meisje, dat voorop liep: "wij gaan naar den
-saeter van Rögli in Ullensaker; daar zijn kostelijke weiden.
-
-"Men kan zich voorstellen, hoe de man opkeek, toen hij vernam, dat zij
-naar zijn eigen veld trokken; elk dien hij op zijn' weg, ontmoette,
-vroeg hij naar den optocht, maar niemand dan hij had er ook maar
-'t geringste van gehoord of gezien.
-
-"Op de hoeve van dezen man ging 't dan ook somwijlen wonderlijk
-toe. Al de arbeid, die na zonsondergang was verricht, bleek 's morgens
-vernield, zoodat hij eindelijk besloot niets meer te laten doen,
-als de zon was ondergegaan.
-
-"Eens--'t was in den oogsttijd--ging hij naar den akker, om te zien,
-of 't graan droog genoeg was om binnen gehaald te worden. Schoon
-'t reeds wat ver in den tijd was, begreep hij het nog een paar dagen
-op den akker te moeten laten; maar op eens hoort hij duidelijk eene
-stem uit den berg komen:
-
-"Haal het graan binnen, want morgen sneeuwt het."
-
-"En hij aan 't binnenhalen, zoo spoedig hij kon; tot laat na
-middernacht was men bezig, maar men kreeg 't toch in de schuur;--en
-'s morgens lag de sneeuw een voet dik op 't veld.--
-
-"Niet altijd zijn de aardgeesten zoo vriendelijk," merkte een der
-knapen tot den smid op; "hoe ging 't de Hulder, die de bruiloftskost
-stal en op Eldstad haar' hoed verloor?"
-
-"Dat zal ik u vertellen," zei de smid, die gretig dezen wenk opving
-om een nieuw verhaal te beginnen.
-
-"Op Eldstad in Ullensaker werd eens bruiloft gehouden; maar men had er
-geen' bakoven en zag zich dus genoodzaakt het gebraad naar de naaste
-hoeve te brengen, waar men wel zulk een' oven bezat. Tegen den avond
-werd er een jongen uitgezonden om het terug te halen. Toen hij over
-eene der vlakten daar kwam, hoorde hij duidelijk roepen:
-
-"Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in
-'t vuur is gevallen."
-
-"De knaap schrok en joeg zijn paard steeds harder voort; hij reed,
-dat zijne neus bijna bevroor, want 't was vinnig koud en de slede vloog
-over de sneeuw. En telkens weer hoorde hij duidelijk dezelfde woorden
-achter zich. Toen hij goed en wel met 't gebraad thuis gekomen was,
-ging hij aan 't lager einde der tafel, waar de knechts en meiden heen
-en weer liepen, en vroeg iets te eten.
-
-"Wel jongen, heeft de duivel de slee gemend, of ben-je niet om 't
-gebraad uit geweest?" vroeg een der knechts.
-
-"Zeker ben ik," zeide hij, "daar wordt het al binnen gebracht, maar
-ik heb gereden, dat 't paard er haast bij neerviel, want toen ik op
-de vlakte kwam, werd er achter mij geroepen:
-
-"Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in
-'t vuur is gevallen!"
-
-"Ah, dat was mijn kind!" hoorden zij op 't zelfde oogenblik gillen,
-en een der gasten vloog op, of zij waanzinnig was en liep den een na
-den ander omver en baande zich met stooten en slagen een' weg naar
-buiten. In hare vaart viel de hoed van haar hoofd, en nu bemerkte men,
-dat er eene Hulder onder de gasten geweest was. Al wat zij maar kon
-gebruiken, had zij weggekaapt: vleesch en boter, koeken en bier en
-brandewijn; maar zoo was zij geschrokken door 't ongeval van haar
-kind, dat zij eenen zilveren lepel in de bierkan liet vallen en
-niet eens voelde, dat haar hoed van 't hoofd vloog. Men bewaarde op
-Eldstad lepel en hoed zeer zorgvuldig, en wie den hoed opzette, was
-onzichtbaar voor alle stervelingen, behalve voor iemand, die betooverd
-was. Of de hoed er nog wordt gevonden, kan ik niet stellig verzekeren,
-want ik heb hem niet gezien en evenmin op 't hoofd gehad."
-
-"Ja, de aardgeesten moeten slimme dieven zijn," zei de oude Bertha
-Tuppenhaug, "maar 't ergst te duchten zijn ze in den saetertijd;
-dat is als 't ware één lang hoogtij voor de Huldren en aardgeesten;
-want als de saetermeisjes dan aan hare afwezige vrijers denken,
-vergeten zij een kruis te slaan over de melk of de boter, en dan
-neemt 't Huldervolk al wat het wil. Niet vaak vertoonen ze zich aan
-de menschen, maar somwijlen gebeurt dit toch, zooals eens een op
-Neberg-saeter hier in 't kerspel.
-
-"Daar waren eens eenige houthakkers in 't bosch aan 't werk. Toen zij
-des avonds naar den saeter wilden gaan, hoorden zij achter zich roepen:
-
-"Zeg aan Kilde, dat hare beide kinderen een ongeluk hebben gekregen;
-zij zijn in een' ziedenden ketel gevallen."
-
-"Te huis gekomen, vertelden zij den melksters hun wedervaren en wat
-zij achter zich in 't woud hadden hooren roepen.
-
-"Ah, dat waren mijne kinderen," hoorden zij opeens in de melkkamer,
-en te gelijker tijd kwam daar eene Hulder uitstuiven met eene nap in
-de hand, die zij weg smeet, zoodat allen de melk om de ooren spatte.
-
-"De menschen vertellen zooveel," zei de smid met een' spotachtigen
-trek op 't gelaat, precies alsof hij twijfel koesterde aangaande de
-geloofwaardigheid der vertelling. Intusschen was 't waarschijnlijk
-niets dan ergernis, omdat Bertha hem in de rede was gevallen, toen
-hij zoo goed op gang was. Stellig vond men niemand in 't gansche
-dorp, die zooveel wonderlijke vertellingen over de Huldren en de
-aardgeesten kende, als hij, en niemand ook geloofde vaster aan 't
-bestaan dezer wezens.
-
-"De menschen vertellen zooveel," zeide hij, "men kan niet alles
-gelooven. Maar wanneer 't in iemands eigen familie is voorgevallen,
-dan mag men er niet aan twijfelen. Laat mij u iets verhalen, dat mijn'
-eigen grootvader gebeurd is; dat was een ernstig en geloofwaardig
-man; wat hij heeft gezegd, kan niet betwijfeld worden. Hij woonde
-op Skroperud in Ullingsaker en heette Jo. Hij had zich eene nieuwe
-woning gebouwd en bezat een stuk of drie koeien, mooie beesten, en een
-paard, welks wederga men niet licht zal vinden. Met dit paard reed
-hij vaak van Mo naar Trögstad en, wanneer 't zoo uitkwam, van hier
-naar Skrimstad en weer terug naar Mo; en hoe ver hij zijne reizen
-ook uitstrekte, 't beest bleef even wakker en sterk. Hij was ook
-jager en speelman. Vaak speelde hij bij anderen, maar thuis kon men
-hem er niet toe brengen den vedel ter hand te nemen; al was ook 't
-gansche vertrek vol jongelieden, altijd weigerde hij te spelen. Maar
-eens kwamen er eenige jongelui, die veldflesschen met brandewijn bij
-zich hadden. Toen zij den oude eerst hadden overgehaald één' borrel
-te nemen, volgden er meer; en, schoon hij aanvankelijk weigerde,
-eindelijk zocht hij toch den vedel op. Maar nadat hij eene poos
-had gespeeld, legde hij hem weg, want hij wist, dat de aardgeesten
-zich in zijne nabijheid bevonden en dat zij zulk een spektakel niet
-konden dulden. Toch wisten de jongelieden hem weer over te halen,
-en zoo ging 't twee-, driemaal; telkens legde hij de viool weg en
-zocht hij haar op. Eindelijk hing hij haar aan den wand, en zwoer,
-dat hij dien avond geen' enkelen streek meer zou doen, en hij joeg
-allen, knapen en meisjes, de deur uit. Toen hij was begonnen zich te
-ontkleeden en in 't hemdrok bij den haard stond en een laatste pijpje
-wilde aansteken, kwam er een heele drom binnen, grooten en kleinen;
-'t gansche vertrek was in een oogwenk vol.
-
-"Wat," zeide Jo, "komt gij nu terug?" Hij meende, dat 't de gasten van
-straks waren, maar toen hij zijne vergissing bemerkte, verschrok hij,
-liep naar de bedstede, waarin zijne dochters sliepen, tilde ze uit
-'t bed en zette ze op den grond--'t was een groote, sterke man,--en
-vroeg: "Wat is dit voor volk? kent gij ze?"
-
-De meisjes waren slaapdronken en begrepen er niets van. Jo nam nu
-zijn geweer van den wand, keerde zich naar den stoet en dreigde hen
-met den tromp. "Als ge u niet dadelijk wegpakt,"--schold hij--"dan
-zal ik u met mijn geweer om de ooren slaan, dat ge niet weet, of ge
-op 't hoofd of de beenen staat." En hals over kop vluchtten allen
-de deur uit met groot misbaar. Jo echter scheen 't, alsof een heele
-hoop kluwens garen naar buiten rolde. Maar toen hij 't geweer had
-weggezet en weer naar den haard ging, om zijn pijpje, dat uitgegaan
-was, aan te steken, daar zat een oud man op zijn' stoel, met een'
-baard zóó lang, dat hij tot op den grond reikte; ja, langer dan eene
-el was hij stellig. De grijsaard had ook een pijpje in den mond en
-hield een stuk hout in de vlam om het aan te steken, evenals Jo;
-maar telkens, als hij 't naar zijne pijp bracht, ging het uit; dan
-hield hij 't op nieuw in 't vuur, en zoo ging het aldoor.
-
-"Behoort gij ook tot dien duivelenstoet?" vroeg Jo; "waar komt gij
-vandaan?"
-
-"Ik woon niet ver van hier," antwoordde de man, "en ik raad u nooit
-weer zulk een alarm en spektakel te maken, anders zult gij spoedig
-een arm man zijn."
-
-"Zoo, en waar woont gij dan?" vroeg Jo.
-
-"Ik woon hier onder het stookhuis, en waren wij er niet geweest,
-dan zou 't reeds lang zijn ingestort; gij hebt er veel te hard
-gestookt. Ik heb er slechts met den vinger tegen te duwen en 't valt
-ineen. Nu weet gij het," zeide hij, "pas dus in 't vervolg op."
-
-"Nooit speelde Jo meer een deuntje bij den dans; hij verkocht zijne
-viool, en niets ter wereld kon hem bewegen eene andere ook maar aan
-te raken."
-
-Onder 't laatste gedeelte dezer vertelling had men in de huiskamer een
-aanhoudend gestommel gehoord; kastdeuren werden open- en toegesloten;
-men hoorde 't gerammel van sleutels en 't gerinkel van zilveren
-huisraad. De landheer was bezig zijne verhandeling voor te lezen
-aan alle roerende goederen, van de zilveren schenkkan tot de blikken
-tabaksdoos. Juist toen de smid zweeg, stak hij 't hoofd, met de muts
-op één oor, binnen de keukendeur en zeide:
-
-"Heb-je nu gedaan met je zotheden en leugens, smid?"
-
-"Leugens?" vroeg de smid, verontwaardigd; "leugens vertel ik niet,
-'t is de zuivere waarheid. Met een der meisjes ben ik getrouwd, en
-Dorthe, mijne vrouw, lag zelf te bed en zag den oude, met den langen
-baard; de meisjes waren wel half gek van schrik, maar dat kwam,
-omdat zij de aardgeesten hadden gezien," voegde hij er bij met een'
-verwijtenden blik op den landheer.
-
-"Half gek," zei de landheer, "nu ja, dat geloof ik wel; dat ben-jij
-ook, wanneer je ten minste nuchter bent; anders ben-je stapelgek. Komt,
-jongens, staat op en gaat naar bed; zit niet langer te luisteren naar
-zijn' onzin."
-
-"Onzin," zei de smid op geraakten toon, "de laatste maal dat ik
-van onzin hoorde spreken, was, toen gij op Neberg-Haugen preekte,
-den zevenden Mei."
-
-"Vervloekte babbelaar!" bromde de landheer en liep stampvoetend door
-de keuken met 't licht in de hand en een pak schrifturen en couranten
-onder den arm.
-
-"Kom, kom, ga ook zitten, grootvader," zei de smid half spottend,
-"en laten de jongens nog een ommezien mogen blijven, dan zal ik nog
-eene mooie historie vertellen. 't Is niet goed voor u, altijd in die
-wetboeken te zitten snuffelen."
-
-"Ik wil u wat vertellen van een' dragonder, die met eene Hulder
-trouwde. 't Is stellig waar, want ik heb 't van oude Bertha, en
-'t is voorgevallen in 't dorp, waar zij voorheen woonde."
-
-De landheer sloeg met drift de deur achter zich toe, en men hoorde
-hem haastig den trap opgaan.
-
-"Ja, als de oude niet wil luisteren, dan zal ik 't jelui maar
-vertellen," zei de smid tot de knapen, over wie 't grootvaderlijk
-gezag al zijn' invloed verloor, zoodra de smid hun beloofde sprookjes
-te vertellen.
-
-"Voor vele jaren," zoo ving hij aan, "woonden er een paar oude luidjes
-in goeden doen op eene hoeve in Hadeland. Zij haddden een' zoon,
-die dragonder was; een groote, wakkere kerel. Op den berg bezaten
-zij een' saeter, die, wat men niet vaak ziet, net en stevig gebouwd
-was, met een dak en een' schoorsteen en vensters in de wanden. Zij
-bewoonden dien den ganschen zomer, maar wanneer zij tegen 't najaar
-weer naar huis trokken, namen de Huldren met hunne kudde er hun'
-intrek. Houthakkers en jagers en visschers, die in dezen tijd van
-'t jaar in 't bosch rondzwerven, hadden dit meermalen opgemerkt. En
-onder de Huldren was een meisje, zoo betooverend mooi, dat men
-nooit haarsgelijke had gezien. Meermalen had de zoon dezer menschen
-dit hooren vertellen, en toen 't najaar was verschenen en de saeter
-verlaten was, kleedde hij zich in groot tenue, legde den zadel met de
-pistoolholsters en pistolen op zijn paard en reed den berg op. Toen hij
-in de nabijheid der hut was gekomen, bemerkte hij, dat daar een groot
-vuur was aangelegd; de vlam scheen door de reten der met mos bedekte
-wanden. Dadelijk begreep hij, dat de Huldren reeds hun winterkwartier
-hadden betrokken. Hij bond zijn paard aan een' boom, nam een pistool
-uit den holster en sloop zacht naar 't venster. Binnen bemerkte hij
-nu een' grijsaard en eene vrouw, krom en gebrekkig van ouderdom en
-zoo leelijk, dat hij nooit iets afzichtelijkers had gezien; maar
-bij hen was een meisje, zoo verrukkelijk schoon, dat hij dadelijk in
-liefde voor haar ontbrandde. Alle drie hadden zij een' koestaart; ook
-'t mooie meisje miste dien niet. De dragonder kon aan alles merken,
-dat zij nog sinds kort de hut hadden betrokken; alles stond nog op
-de rechte plaats. 't Meisje hield zich bezig met wasschen; de oude
-vrouw stookte 't haardvuur op onder den ketel.
-
-"Plotseling stiet nu de dragonder de deur open en schoot zijn pistool
-af, vlak boven 't hoofd van 't meisje, dat op den grond tuimelde. Maar
-op 't zelfde oogenblik werd zij even leelijk, als ze vroeger schoon
-was geweest, en ze kreeg eene neus, zoo lang als de pistoolholster.
-
-"Nu kunt ge haar krijgen; nu is zij de uwe," zei de grijsaard. De
-dragonder stond als versteend; hij was niet in staat een' voet voor-
-of achteruit te zetten. De oude man begon haar te wasschen, en nu
-bekwam zij een weinig; de neus kromp in tot op de helft, en de leelijke
-koestaart werd opgebonden, maar mooi was zij niet meer, dat's zeker.
-
-"Nu is zij de uwe, dappere dragonder," zeide de oude leelijke vent,
-die haar vader scheen, "zet haar nu in den zadel en rijd naar het
-dorp en houd bruiloft. Maar voor ons moet gij 't feestmaal gereed
-zetten in 't kleine vertrekje naast de huiskamer, want we willen
-niet met de overige bruiloftsgasten samenzijn; als de beker rondgaat,
-kom dan eens naar ons zien."
-
-"De dragonder dorst niet weigeren; hij zette 't Huldermeisje in den
-zadel en liet alles gereed maken voor de bruiloft. Maar eer men ter
-kerk ging, bad de bruid een der bruidsmeisjes vlak achter haar te
-staan, opdat niemand zou bemerken, dat haar de koestaart ontviel,
-zoodra de priester haar de handen oplegde.
-
-"De bruiloft begon, en toen de beker rondging, stond de jonge man op,
-verwijderde zich en trad 't vertrekje binnen, waar de tafel voor de
-oude Hulders stond aangericht. Op dat oogenblik bespeurde hij daar
-niets bijzonders, maar toen de bruiloftsgasten waren vertrokken,
-lag er zooveel goud en zilver op de tafel, als hij nog nimmer bij
-elkaar had gezien.
-
-"Zoo verliep er een geruime tijd; telkens als er gasten kwamen, maakte
-de vrouw van den dragonder ook den disch gereed in 't kamertje voor
-hare ouders, en telkens vonden zij na hun vertrek zooveel geld, dat
-ze ten laatste niet meer wisten, wat ze er mee zouden aanvangen. Maar
-leelijk was de Hulder en leelijk bleef ze; haar man was haar lang
-moede, ja, soms was hij onvriendelijk genoeg om haar te dreigen met
-een pak slaag.
-
-"Eens moest de man naar stad; 't was najaar, de weg was glad en 't
-paard moest dus nieuwe hoefijzers hebben. Hij ging naar de smidse,
-want hij was zelf een bekwame smid, maar hoe hij zijn best deed,
-nu eens was 't ijzer te groot en dan weer te klein; passen wilde
-'t niet. Een ander paard bezat hij niet, en zoo hield hij niet op,
-eer de middag voorbij was.
-
-"Kunt gij niet eens een hoefijzer maken?" zeide zijne vrouw; "ik
-wist, dat er als man veel aan u ontbrak, maar als smid beteekent
-gij nog minder. Er zit niets op, dan dat ik zelf naar de smidse ga;
-is 't hoefijzer te klein, dan kan 't grooter gemaakt worden, en is
-'t te groot, welnu, maak 't kleiner."
-
-En zij ging naar de smidse, vatte het ijzer met beide handen aan en
-rekte het uit.
-
-"Zie eens," zei ze, "zóó moet ge doen." En ze boog het samen, of
-'t een stuk lood was. "Houd nu den poot op," en 't hoefijzer paste
-zoo nauwkeurig, als de beste smid maar kon wenschen.
-
-"'t Schijnt, dat ge heel wat kracht in de vingers hebt," merkte de
-man vol verbazing op.
-
-"Vindt ge?" vroeg zij. "En als gij nu eens zoo sterk in de vingers
-waart, hoe zou 't mij dan wel gegaan zijn? Maar ik houd te veel van u,
-om mijne krachten aan u te toonen," voegde ze er bij.
-
-"Van dien dag af was hij een man uit duizend voor haar."
-
-"Nu hebben we voor van avond genoeg gehoord, dunkt me," sprak de
-vrouw des huizes, toen de vertelling uit was, terwijl zij opstond.
-
-"Ja, en we mogen wel op de teenen vertrekken, want de oude is reeds
-naar bed," zeide de smid en wenschte ieder goeden nacht, maar niet voor
-hij den jongens beloofd had, den volgenden avond nog meer te vertellen,
-en in onderhandeling met hen was getreden over een rol tabak.
-
-Toen ik 's namiddags den smid in zijne werkplaats had bezocht, was
-hij druk bezig met tabak kauwen: dit was altijd een bewijs, dat hij
-brandewijn had gedronken; des avonds was hij eerst nog het dorp in
-geweest, om meer te halen. Verscheidene dagen later vond ik hem somber
-gestemd en kon niemand een woord uit hem krijgen, schoon de jongens hem
-beide tabak en brandewijn beloofden. Maar de dienstmaagden fluisterden,
-dat de aardgeesten hem beet gepakt en hem op den Asmyr-heuvel ter aarde
-hadden geworpen. Daar had een voerman hem tegen den morgen gevonden,
-terwijl hij onverstaanbare woorden mompelde.
-
-
-
-
-
-
-
-DE BEWONERS VAN LUNDE.
-
-
-Eenige jaren geleden was ik op weg naar 't Gudbrandsdal, over Hadeland
-en Toten, langs den westelijken oever van het Mjösenmeer. Te Sveen,
-een station in Biri, kreeg ik een' luien knol, en een' hoog bejaarden,
-praatzieken voerman.
-
-'t Een noch 't ander bracht mij intusschen uit mijn humeur. Ik had
-geen haast; Svennaes, waar ik als gewoonlijk gastvrijheid en een
-nachtkwartier hoopte te vinden, kon ik toch bijtijds bereiken, en de
-ongewone levendigheid en de treffende opmerkingen van mijn' voerman
-over verscheidene bewoners van 't vlek, konden mij licht verzoenen
-met zijne buitengewone spraakzaamheid. Daarbij kwam, dat het een
-heerlijke lenteavond was. De zonnestralen verguldden de oppervlakte
-van het Mjösenmeer, kleurden de wolken en speelden tusschen 't jonge
-groen. De vlakten van den Faaberg, die ver in 't noorden het landschap
-begrensde, werden al donkerder en verloren zich in donkerblauwe en
-violette tinten, terwijl de avondzon haar' gouden glans wierp over
-de vruchtbare velden van Ringsaker aan de oostzijde van den fjord.
-
-Toen wij een eind weegs de "Odden" voorbij waren, kreeg het paard
-den inval op een' heuvel te blijven staan. Bijna recht voor ons uit
-lag de kerk van Biri op eenigen afstand, en ter linkerzijde verderop
-lag op eene hoogte eene hoeve, met een' donkeren bergtop op den
-achtergrond. Ik herinnerde mij den naam dier hoeve niet en vroeg
-er naar.
-
-"Dat is Lunde," zeide de voerman. "'t Is zonderling, dat gij, die
-hier zoo goed bekend zijt, dit niet weet. Ge hebt toch zeker hooren
-spreken van "Lunde-bloed en Lunde-dol," dat zijn welbekende woorden
-hier in Biri."
-
-Neen, ik kende ze niet en vroeg hem de verklaring daarvan, die hij
-aanstonds bereid was mij te geven.
-
-"Op Lunde heeft altijd een vreemd slag van volk gehuisd; men zegt,
-dat de Huldren daar gewoond hebben, en geheel anders dan gewone
-menschen waren zij zeker; daarom spreekt men nog van "Lunde-bloed"
-en "Lunde-streken."
-
-"Eens woonde er eene oude vrouw op de hoeve, die Aase heette. Terwijl
-zij in 't kraambed lag, was zij op eens verdwenen, en een eikenblok
-lag op hare plaats. Sedert dien tijd pleegt men hier een mes boven
-de deur te steken, wanneer eene vrouw in arbeid gaat, opdat ze niet
-betooverd worde. De aardgeesten hadden haar weggevoerd, en 't was
-niet de eerste maal, dat zij haar hadden vervolgd; reeds in hare
-bruidsdagen hadden zij haar met 't hoofd voorover in een watervat
-gedompeld, maar er waren toen verscheiden menschen op 't erf en zoo
-werd ze dadelijk gered. En terwijl ze er uit werd gehaald, hoorde men
-eene stem op den heuvel bij 't kookhuis, dat 't kwam, wijl ze geen'
-trouwring aan den vinger had. Sinds dien tijd draagt ook 't armste
-meisje, dat een' vrijer heeft, een' trouwring.
-
-"Aase had een' zoon, die Dagfin heette; 't was een onbarmhartige
-kerel. Zoo gierig was hij, dat 't niet te zeggen valt. Wanneer hij naar
-'t bosch moest, om hout te hakken, zette hij een groot blok voor de
-keukendeur en zei tot de arme menschen: "Ga maar niet naar binnen, want
-mijne vrouw is zoo karig, dat ge toch niets van haar krijgt." Maar dat
-was gelogen. Eli was een goedhartig mensch; doch met den gierigaard
-liep 't slecht af: hij hing zich op aan een' berk, die vlak bij
-'t woonvertrek stond. Een' stomp van den boom kan men nog zien.
-
-"Deze Dagfin had drie kinderen: Aase, Per en Arnund; de laatste leeft
-nog. Ellendiger lui heeft men nooit gezien. Aase was zoo mager en
-leelijk, dat zelfs de duivel bang voor haar zou geworden zijn. Bijna
-altijd lag ze in eene groote kist; ja, de ritmeester zou 't kunnen
-bevestigen, want hij wilde eens 't deksel toeslaan, maar als eene
-haviksklauw sloeg ze hare dorre hand uit, greep 't deksel en deed
-'t den ritmeester tegen den neus vliegen.
-
-"Per was geheel en al behekst. Hij spitte overal diepe groeven in
-zijne akkers en haalde er alle frambozenstruiken en aardbeiplanten uit,
-opdat de kinderen ze er niet zouden komen plukken. Des zomers zwierf
-hij op de bergvlakten rond om naar de paarden te kijken. Hij kende dan
-ook alle paarden van 't vlek en verscheiden uit andere dorpen. Zelf had
-hij ook altijd sterke en flinke paarden, en hij maakte ze nooit tam eer
-ze zes, zeven jaar oud waren; dan nam hij ze met zich naar 't bosch,
-velde een' grooten den, spande hen er voor en liet ze den boom naar
-huis sleepen; zoo kreeg hij ze wel mak. Wanneer hij paarden of koeien
-wou verkoopen, had hij ook eene zonderlinge gewoonte. Dan boorde hij
-een gat in den wand van den stal, stak het eind van den staart er in
-en sloeg eene houten pen in de opening. Wanneer 't beest dan werd
-weggehaald, bleven er eenige haren in 't gat zitten. Dit deed hij,
-opdat 't verkochte vee niet het geluk uit de hoeve zou meenemen. De
-gansche zuidelijke wand zit vol pennen en haren tot op den huidigen
-dag. Per Lunde ging dikwijls naar de kerk, maar er in kwam hij nooit,
-of 't Avondmaal moest worden gevierd.
-
-"Terwijl de andere menschen naar Gods woord luisterden, zwierf hij
-rond op de hoeven en praatte met de paarden. En wanneer het Avondmaal
-zou worden gevierd, dan sloop hij in den grafkelder en bleef daar,
-tot de gemeente naar het altaar ging. Dan kwam hij te voorschijn,
-maar zoodra hij 't sacrament had genoten, ging hij weer in den kelder,
-tot de menigte de kerk had verlaten. Per mocht ook gaarne alles met
-teer bestrijken; soms deed hij 't zich zelven en dikwijls 't vleesch
-in 't kookhuis en sloeg dit dan vol met schoenmakerspennen. Na zijn'
-dood vond men een heel vertrek vol ongehekeld vlas en wol, en vleesch
-en vet, dat daar jaren lang had gelegen en geheel bedorven was; met
-planken en latten had hij 't vertrek van alle kanten afgesloten en
-toegespijkerd. Ja, 't was een rechte zonderling, die Per; toen onze
-vorige schout nog leefde, verkocht hij hem eens een stuk van een'
-paardepoot voor versch vleesch. Natuurlijk stierf de man daaraan,
-maar later zeide de menschen, dat hij zich zelven van kant had gemaakt.
-
-"Na Per kreeg Armund de hoeve; hij leeft nog en doet niet zoo dwaas
-als de beide anderen. Hij heeft dan ook onder de menschen verkeerd
-en in 't leger gediend als dragonder. 't Is een groote, sterke,
-zware man, maar hij ziet zoo bleek als de dood. Soms doet hij nog
-wel vreemde dingen; toen de ritmeester eens inspectie kwam houden,
-paradeerde Armund met een' voederbak onder den arm in plaats van
-zijne fouriersmuts. En zoozeer was hij aan den drank verslaafd, dat
-hij, naar men zegt, elken dag een paar kan brandewijn naar binnen
-sloeg. Verleden jaar begon hij rooden wijn te drinken, maar daar
-hield hij spoedig mee op; die was hem te zuur. Nu drinkt hij elken
-dag vier potten koffie, en bijna den ganschen dag zit hij in zijne
-badkamer, die hij ontzettend heet stookt, in eenige schapenvachten
-gewikkeld. Des zomers keert hij den wolligen kant naar binnen, want
-hoe warmer het is, des te dikker gaat hij gekleed.
-
-"Maar om op de oude Aase Lunde terug te komen. Langen tijd, nadat
-zij was verdwenen, bevond Hans Sigstad zich eens op 't veld om zijne
-paarden te zoeken. Eer hij er aan dacht, kwam hij bij de Dingsteenen,
-en daar zag hij op eens zooveel pracht en heerlijkheid, of hij zich
-in een kasteel bevond. Eene oude vrouw liep er op en neer; wel kwam
-zij Hans bekend voor, maar hij kon haar niet thuis brengen.
-
-"Kent ge me niet?" vroeg de vrouw.
-
-"Ja, mij dunkt, ik heb u meer gezien," antwoordde Hans.
-
-"Wel zeker, ik ben Aase Lunde, die verdween, toen zij in 't kraambed
-lag," zeide ze. "Ik kende u, toen ge nog een kleine jongen waart;
-jaren lang ben ik hier reeds geweest. Had men na mijn verdwijnen de
-kerkklokken maar een beetje langer geluid, dan zou ik wel ontsnapt
-zijn; ik had reeds 't eene been buiten den berg; maar toen hield men op
-en moest ik weer terug. Gij zoekt naar uwe paarden," vervolgde zij,
-"laat mij u zeggen, dat mijn man en zijne buren ze elk oogenblik
-gebruiken. En dat is de schuld van uwe staljongens; wanneer zij de
-dieren naar 't veld brengen, slaan zij ze met de leidsels. Maak
-nu spoedig, dat ge weg komt; aanstonds keert mijn man naar huis,
-en wanneer hij u hier aantrof, liep 't slecht met u af."
-
-"Sigstad ging heen en vond weldra zijne paarden terug. Sedert heeft
-hij Aase Lunde gehoord noch gezien; als zij niet gestorven is, dan
-leeft zij nog en woont in 't Hulderslot bij de Dingsteenen.
-
-Meer en meer breidden de schaduwen zich uit over de velden van
-Biri en 't Mjösenmeer; de koelte van den avond daalde op de velden
-neder. Suizend en fluisterend streek de wind door de toppen der
-boomen en bracht een' vriendelijken groet van de bloeiende hagen en de
-geurige bloemen der velden en wouden mee voor de vogels, die, sinds
-kort uit het zuiden teruggekeerd, in 't lommer verscholen droomden
-van de wonderen, die zij op hunne reizen in Griekenland en Marokko
-hadden aanschouwd.
-
-Naarmate wij ons doel naderbij kwamen, scheen mijn paard vlugger
-te worden. Op Svennaes ontving ik de bevestiging van al wat ik had
-vernomen: dat Per Lunde den schout een stuk paardepoot in plaats van
-versch vleesch had bezorgd; dat hij zijne paarden met den staart in
-den wand vastklopte, wanneer hij ze ging verkoopen, en wat al meer
-geloofwaardige dingen mijn voerman had verhaald.
-
-
-
-
-
-
-
-EEN OUDERWETSCHE KERSTAVOND.
-
-
-De wind floot door de oude ahornen en linden tegenover mijn raam;
-de sneeuwvlokken stoven door de straat, en de hemel was zoo donker
-als een Decemberlucht in Christiania kan zijn. Niet minder somber
-was de stemming, waarin ik verkeerde. 't Was kerstavond, de eerste,
-dien ik niet aan den ouderlijken haard mocht doorbrengen. Niet lang
-geleden was ik officier geworden, en 'k had gehoopt mijne bejaarde
-ouders met mijne tegenwoordigheid te verblijden, en al den glans en de
-heerlijkheid van mijn' nieuwen rang te laten schitteren in 't oog der
-dames van mijne geboorteplaats. Maar eene zenuwkoorts bracht mij in 't
-hospitaal, dat ik pas sinds eene week had verlaten, en thans bevond ik
-mij in den hooggeprezen toestand van een' reconvalescent. Ik had naar
-huis geschreven om een rijpaard en den dikken mantel mijns vaders,
-maar de brief kon 't ouderlijke huis stellig niet voor den tweeden
-kerstdag bereiken, en eerst tegen nieuwjaar mocht ik 't paard dus
-verwachten. Mijne kameraden waren uit de stad en ik kende geen enkele
-familie, waar ik de feestdagen kon doorbrengen. De twee oude juffers,
-bij welke ik in huis was, waren zeker goedhartige en vriendelijke
-menschen, en met treffende zorgvuldigheid en hartelijkheid hadden
-ze mij in 't begin mijner ziekte opgepast. Maar de geheele denk- en
-levenswijze dezer dames behoorden te goed in den ouden tijd tehuis,
-om bijzonder in den smaak te kunnen vallen van een' jong mensch. 't
-Liefst dwaalden hare gedachten om in 't verleden, en wanneer zij,
-zooals vaak gebeurde, mij eene of andere historie, die in de stad was
-voorgevallen, verhaalden, herinnerden zoowel de inhoud daarvan als de
-naïeve voorstelling aan een' tijd, die reeds lang tot 't verledene
-behoorde. Met dit ouderwetsche karakter mijner dames stond ook het
-huis, dat zij bewoonden, in volmaakte overeenstemming. 't Was een
-dier oude gebouwen, zooals men ze nog in de Toldbodstraat vindt, met
-diepe vensters, lange, donkere gangen en trappen, sombere kamers en
-zolders, die iemand dadelijk doen denken aan nikkers en heksen. Hier
-kwam nog bij, dat de kring harer kennissen zeer beperkt was; behalve
-eene gehuwde zuster kwam er nooit iemand, dan een paar vervelende oude
-vriendinnen. Slechts een aardig nichtje en een stuk of wat dartele
-kleinen, de kinderen van een' broeder, die mij altijd plaagden om
-sprookjes en heksenvertellingen, brachten soms eenig leven in mijne
-doodsche omgeving.
-
-Ik trachtte mijn gevoel van verlatenheid en neerslachtigheid eenigszins
-af te leiden door naar de vele menschen te zien, die in de straat
-heen en weer gingen, in sneeuwjacht en wind, met paarse neuzen en half
-gesloten oogen. Langzamerhand begon ik merkwaardig veel belangstelling
-te koesteren voor de drukte in de apotheek aan den overkant. Geen
-oogenblik stond de deur stil; dienstmeisjes en boeren stroomden er uit
-en in en gaven zich alle moeite, zoodra zij weer op straat kwamen,
-de opschriften der fleschjes en potjes te ontcijferen. Enkelen
-scheen dit te gelukken, maar meestal bewees de lange duur van 't
-onderzoek, gevolgd door een bedenkelijk hoofdschudden, dat de taak
-te moeielijk was. De schemering viel in; weldra kon ik de gezichten
-der voorbijgangers niet meer onderscheiden en staarde 'k nog slechts
-op de ouderwetsche apotheek. Met hare donkere roodbruine muren, hare
-in lood gevatte vensterruiten, haar' spitsen gevel en hare torentjes
-met windwijzers, stond zij daar als een eerwaardig gedenkstuk der
-bouwkunst uit den tijd van Christiaan den Vierde. En de zwaan in den
-gevel met den gouden ring om den hals, de rijlaarzen aan de pooten en
-de vleugels uitgespreid ter vlucht, keek met dezelfde onverstoorbare
-deftigheid, die hem voor eeuwen reeds moet gekenmerkt hebben, op de
-bezoekers neer. Juist was ik bezig mij te verdiepen in 't lot der arme
-vogels, die in een' kerker zijn opgesloten, toen ik gestoord werd door
-gedruisch en gelach in de zijkamer en een bescheiden jonkvrouwelijk
-getik aan de deur.
-
-Op mijn "binnen!" trad de oudste mijner hospita's, juffrouw Mette,
-de kamer in, groette mij met eene ouderwetsche nijging, vroeg naar
-mijn' welstand en verzocht mij onder een' grooten omhaal van woorden,
-den avond bij de familie door te brengen.
-
-"'t Is niet goed voor u, hier zoo alleen in donker te zitten, beste
-luitenant," voegde zij er bij, "ge moest liever bij ons komen. De
-oude juffrouw Skau en de kinderen van mijn' broer zijn gekomen, dat
-zal u misschien wat afleiding bezorgen; gij houdt immers zooveel van
-de lieve kleinen?"
-
-Ik nam de vriendelijke uitnoodiging aan. Toen ik binnentrad,
-wierp de vlam van 't vuur in de groote vierkante kachel, wier deur
-wijd openstond, een' flikkerenden gloed in 't ruime vertrek, dat
-naar den ouden trant was gemeubeld met stoelen, voorzien van hooge
-ruggen en leeren zittingen, en eene kanapee, berekend op de dracht
-van hoepelrokken en de houding van een' rekruut. De wanden waren
-versierd met schilderijen in olieverf, portretten van stijve dames
-met gepoederde kapsels, van gildemeesters en andere beroemde personen,
-met pantser en harnas bedekt of in roode mantels gehuld.
-
-"Wij mogen u wel verschooning vragen, heer luitenant, dat we u zoo
-in donker ontvangen," zeide juffer Cecilia, de jongste zuster, die
-door iedereen moeder Cile werd genoemd en mij met eene buiging, de
-wederga van die harer zuster, te gemoet trad; "maar 't jonge volkje
-speelt en stoeit graag tusschen licht en donker, en jufvrouw Skau
-mag ook wel zoo'n schemeruurtje in 't hoekje van den haard."
-
-"Schemeruurtje, schemeruurtje....kijk eens aan, of ge daar zelf niet
-van houdt, moeder Cile! Maar wij moeten de schuld krijgen, niet
-waar?" merkte de bejaarde aamborstige dame op, die juffrouw Skau
-getiteld werd. En daarop zich tot mij richtende:
-
-"Wel, wel, goeden avond, man; ga zitten en vertel mij eens, hoe 't
-gaat;--ge zijt, op mijn woord, duchtig aan 't aftakelen geweest,"
-voegde ze er bij, in 't volle besef van den ontzagwekkenden omvang
-harer eigen gestalte.
-
-Ik moest nu een nauwkeurig verslag geven van mijne fata, maar werd
-ook rijkelijk beloond door 't omstandig verhaal van de kwellingen,
-die jicht en asthma en wat niet al haar aandeden. Gelukkig werd de
-stroom harer jammerklachten gestuit door 't joelend binnenstormen
-der meisjes, die in de keuken een bezoek hadden afgelegd bij 't oude
-familiestuk, dat Stine heette.
-
-"Tante, weet ge wat Stine zegt," riep een klein, luidruchtig ding
-met bruine kijkers; "zij zegt, dat ik van avond mee moet naar den
-hooizolder om den nikker kerstpap te geven. Maar ik wil niet, ik ben
-bang voor den nikker!"
-
-"Och, dat zegt Stine maar om van je af te komen, kind; ze durft zelf
-niet in donker naar den zolder gaan, want ze weet wel, dat de nikker
-haar eenmaal terdeeg heeft beet gehad," zei juffer Mette. "Maar groet
-ge den luitenant niet, kinderen?"
-
-"Och heden, is dat mijnheer de luitenant? Ik kende u niet; wat ziet
-ge bleek en wat hebben we u in lang niet gezien," riepen de kleinen
-als uit één' mond, terwijl ze elkaar verdrongen, om 't dichtst bij
-mij te zijn. "Nu moet ge ons wat moois vertellen; we hebben zoolang
-niets van u gehoord; och, toe, beste luitenant, vertel ons wat van
-den geitebok, och, toe, van den geitebok en Goudtand!" Spoedig was ik
-nu aan 't vertellen: van den geitebok en den hond Goudtand en van de
-twee nikkers, die hooi van elkander stalen en die elkaar ontmoetten,
-elk met een bos hooi op den nek, en aan 't vechten raakten, tot ze
-beiden in eene wolk verdwenen, en van den nikker op Hesselberg, die
-den hofhond sarde, tot de eigenaar der hoeve hem over de leuning der
-brug smeet. De kinderen klapten in de handen en schaterden. "Dat had
-hij verdiend, de leelijke nikker," riepen ze en bedelden om meer.
-
-"Neen, nu plaagt ge den luitenant al te erg, kinders," zei juffer
-Cecilia, "nu zal tante Mette wel eene historie willen verhalen."
-
-"O, ja, nu tante Mette!" was de algemeene uitroep.
-
-"Maar wat zal ik vertellen, kinderen?" vroeg tante Mette. "Welnu;
-daar we toch met den nikker bezig zijn, zal ik van dien nikker maar
-wat verhalen. Ge zijt oude Kari Gusdal immers nog niet vergeten, die
-ons tarwebrood bracht en altijd zooveel sprookjes en histories wist
-te vertellen?"--"Wel neen," riepen de kinderen.--"Nu, Kari vertelde
-eens, dat zij voor jaren hier in 't weeshuis diende. Toen was 't aan
-dien kant der stad nog leeger en eenzamer dan tegenwoordig, en 't
-weeshuis is een donker, somber gebouw. Nu, Kari was daar in dienst
-genomen als keukenmeid en zij was zeer wakker en bij de hand. Op
-zekeren nacht moest zij vroeg opstaan, om bier te gaan brouwen. Hare
-kameraden zeiden: "Zorg maar, dat ge niet al te vroeg opstaat; vóór
-tweeën moogt ge 't deeg niet klaar maken." "Waarom niet?" vroeg zij.
-
-"Weet ge dan niet, dat hier een nikker huist? Hij wil niet zoo vroeg
-gestoord worden, en daarom moogt ge niet aan 't werk gaan, vóór de
-klok twee heeft;" antwoordden zij.
-
-"Dat zou wat!" zei Kari, die lang niet van gisteren was, zooals men
-zegt; "ik heb niets met den nikker te maken, en komt hij binnen,
-dan zal ik hem wel even de deur uitsmijten."
-
-De anderen waarschuwden haar ernstig, maar zij wilde nergens van weten,
-en eer de klok van éénen koud was, stond zij op, legde vuur aan onder
-den brouwketel en begon het deeg gereed te maken. Maar telkens ging het
-vuur uit, en telkens was 't, of iemand het brandhout uit de vlam trok
-en over den haard spreidde; toch bespeurde zij niemand. Herhaaldelijk
-stapelde zij 't hout weer op, maar 't baatte haar niet, en ook 't
-deeg wilde niet vlotten. Eindelijk werd ze dit tobben moê, nam een
-stuk brandhout, zwaaide er mee in 't rond en riep:
-
-"Pak je weg, of ik zal je leeren!... Meen-je me te plagen, dan heb je
-'t mis!"
-
-"Wee over u!" hoorde ze nu eene stem uit een' donkeren hoek; "ik heb
-zeven zielen gewonnen op deze hoeve; moet nu de achtste mij ontgaan?"
-
-"Sedert dien tijd heeft niemand in 't weeshuis ooit van den nikker
-gehoord, zei Kari Gusdal."
-
-"Ik word bang; vertel gij maar weer, luitenant; als gij vertelt,
-word ik nooit bang, gij kent veel prettiger histories!" riep een der
-kleinen. Een ander sloeg voor, dat ik zou verhalen van den nikker,
-die den Halling danste met een meisje.
-
-Met dit plan was ik echter niet bijzonder ingenomen, want daar
-moest bij gezongen worden. Maar 't jonge volkje liet niet los, en
-reeds had ik eenige malen gekucht, om mijne barbaarsche stem voor
-de wijs van den Hallingdans te stemmen, toen de lieve nicht, waarvan
-ik boven sprak, tot vreugde der kleinen en mij tot reddenden engel,
-de kamer binnentrad.
-
-"Ja, kinderen, ik wil de historie wel vertellen, mits nicht Lise zoo
-vriendelijk is, de wijs voor u te zingen," zeide ik, terwijl ze plaats
-nam, "en dan zult gij zelf dansen, niet waar?" De kleinen bestormden
-nu nicht zoolang, tot ze beloofde de dansmuziek te zingen en ik begon
-mijn verhaal:
-
-"Daar was 'reis ergens, ik geloof haast in 't Hallingdal, een meisje,
-dat den nikker pap moest brengen; of 't op een' donderdagavond of op
-kerstmis gebeurde, dat herinner ik me niet meer, maar ik geloof vast,
-dat 't kerstavond was.
-
-"Zij achtte 't zonde de heerlijke brij aan den leelijken nikker te
-geven, at ze daarom zelf op en ging naar de schuur met havermeelpap en
-zure melk in een' varkenstrog. "Daar heb-je eten, leelijkerd!" zei ze.
-
-Maar nauwelijks waren de woorden haar den mond uit, of de nikker
-vloog op haar aan, pakte haar om 't lijf en begon met haar rond te
-zwieren; en hij hield niet op, voor ze uitgeput nederzeeg. Toen men
-'s morgens in de schuur kwam, lag zij daar, meer dood dan levend. En
-zoolang de dans duurde, zong de nikker maar aldoor:--hier nam juffer
-Lise mijne taak over en zong in de maat van den Hallingdans:
-
-
- En eet gij de pap van den nikker, mijn kind,
- Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind.
-
- En eet gij de pap van den nikker, mijn kind,
- Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind.
-
-
-Ondertusschen gaf ik met beide voeten de maat aan, terwijl de kleinen,
-al jubelend en schaterend, over den grond rolden.
-
-"Ge zet waarlijk het huis op stutten, kinders, ik krijg er hoofdpijn
-van," zei juffer Skau. "Weest thans wat bedaard, dan zal ik nog eenige
-histories vertellen." Oogenblikkelijk werd 't stil in de kamer en de
-juffrouw nam het woord:
-
-"De menschen vertellen zooveel van nikkers en Huldren en zulk slag;
-maar ik geloof daar niet veel van. Nog nooit heb ik van den een of
-den ander iets gezien;--'t is waar, ik ben in mijn leven nog niet ver
-van huis geweest--maar toch geloof ik, dat het meerendeels praatjes
-voor den vaak zijn. Maar wat oude Stine vertelt: dat zij eens den
-nikker heeft gezien, dat moet toch wel waar zijn. Toen ik nog mijn'
-catechismus leerde, was Stine bij mijne ouders in dienst. Voor dien
-tijd had ze bij een schipper gediend, die niet meer voer.
-
-"'t Was daar heel rustig en stil in huis; de menschen gingen nooit uit
-en niemand kwam hen opzoeken. En den ouden schipper zelf kon men bijna
-den ganschen dag aan 't havenhoofd vinden. 's Avonds gingen allen
-zeer tijdig naar bed. Nu wou 't gerucht, dat er bij dien schipper
-een nikker huisde. Eens, zeide Stine, zaten de keukenmeid en ik op
-zekeren avond in 't meidenkamertje voor ons zelven te naaien; 't was
-hoog tijd om naar bed te gaan, want de nachtwacht had reeds "tien"
-geroepen. 't Wilde niet vlotten met ons naaien en stoppen, want elk
-oogenblik verscheen Klaas Vaak, en zoodra hij achter mij kwam, begon
-ik te knikkebollen, en zoodra hij achter de keukenmeid ging staan,
-begon deze te knikkebollen, want we waren 's morgens vroeg op geweest
-en hadden waschdag gehouden. Maar terwijl we zoo bij elkaar zaten,
-hoorden we op eens een verschrikkelijk leven in de keuken; 't was,
-zei Stine, of iemand alle borden en schotels uit de kast haalde en ze
-op den vloer in stukken smeet. Verschrikt vlogen we op, zei ze, en ik
-schreeuwde: "God beware ons, dat is de nikker!" en ik was zoo bang,
-dat ik geen' voet in de keuken dorst zetten. De keukenmeid was ook
-huiverig, maar sprak zich zelve moed in en opende de keukendeur. Daar
-lagen alle borden over den grond verspreid, maar geen er van was
-stuk en bij de deur stond de nikker met eene roode muts op 't hoofd
-en glimlachte vriendelijk. Nu had de keukenmeid wel eens hooren
-zeggen, dat de nikker zich soms liet beet nemen, en naar een ander
-huis vertrok, wanneer men hem diets maakte, dat 't daar rustiger
-was. En daar ze nu den nikker gaarne eene poets wilde spelen, bad
-ze hem--hare stem beefde nog, terwijl ze 't zeide--aan den overkant
-der straat bij den koperslager, zijn' intrek te nemen; daar was 't
-veel stiller en rustiger, want men ging er klokke-negen naar bed. En
-dat was waar ook, vertelde Stine, maar ge weet wel, was met al zijn
-volk, van 's morgens drie uur af, aan 't kloppen en slaan, dat iemand
-hooren en zien verging. Sedert dien dag bespeurden wij niets meer
-van den nikker. En bij den koperslager was hij recht in zijn schik;
-wel werd er den ganschen dag geklopt en gehamerd, maar men vertelde,
-dat 's koperslagers vrouw hem elken donderdagavond pap bracht op den
-zolder--en, zei Stine, men behoeft zich dan ook niet te verbazen, dat
-'t den koperslager goed ging, ja, dat hij een rijk man werd, want de
-nikker beschermde hem. Nu 't is waar, dat 't hem buitengewoon meeliep,
-en hij er spoedig warmpjes in zat, maar of dit kwam, door de hulp van
-den nikker, dat zou ik niet durven beweren," besloot juffrouw Skau,
-al kuchend en hoestend na de inspanning, welke de buitengewoon lange
-vertelling haar had gekost.
-
-Nadat zij zich met een snuifje had verfrischt, voelde zij lust op
-nieuw te beginnen:
-
-"Mijne moeder was eene vrouw als goud; zij vertelde eens eene historie,
-die hier in de stad is voorgevallen. 't Gebeurde op een' kerstnacht,
-en voor de waarheid sta ik borg, nooit kwam er een onwaar woord uit
-haar' mond."
-
-"Laat hooren, juffrouw Skau, laat hooren!" zei ik. En de kleinen
-riepen: "Toe vertel ons dat, juffrouw."
-
-De juffer hoestte eenige malen, nam nog eene prise en begon:
-"Toen mijne moeder nog een meisje was, kwam ze somwijlen bij eene
-weduwe.... ja, hoe heette ze ook weer? Juffrouw... de naam wil me niet
-te binnen schieten, maar dat komt er minder op aan, zij woonde in
-de Molenaarsstraat en was al een bejaarde vrouw. 't Was kerstavond,
-zooals nu. Ze dacht zoo bij zich zelve: "morgen ochtend ga ik naar
-de vroegpreek", want ze was eene trouwe kerkgangster; ik zal dan
-eerst wat koffie zetten, dan heb ik wat warms te drinken, eer ik er
-heenga. Toen zij ontwaakte scheen de maan in 't vertrek. Ze stond op
-om te zien, hoe laat het was, maar de klok was blijven staan en wees
-op half twaalf. Zij ging naar 't raam en keek naar de kerk. Door alle
-vensters scheen reeds licht. Zij wekte haar dienstmeisje, liet haar
-koffie zetten, terwijl ze zich aankleedde, nam haar psalmboek en ging
-ter kerk. In de straat was alles doodstil, geen sterveling was er te
-bespeuren. In de kerk gekomen, zocht ze de bank op, waar ze placht
-te zitten en keek eens rond. Maar wat zagen de menschen er bleek en
-akelig uit; 't leken wel lijken! En niemand van de schare kende zij;
-schoon meer dan één gezicht haar niet vreemd voorkwam, wou haar maar
-volstrekt niet invallen, waar zij ze kon gezien hebben. De predikant,
-die den kansel beklom, was ook geen dominee uit de stad, maar een lang,
-bleek man, dien ze toch ook wel eens meende ontmoet te hebben.
-
-'t Was een lust hem te hooren preeken, en men hoorde ook niet zoo'n
-gestommel en gekuch en gehoest, als gewoonlijk onder de vroegpreek op
-kerstmorgen; 't was zoo stil, dat men eene speld kon hooren vallen,
-zoo doodstil, dat 't de vrouw angstig en bang om 't harte werd.
-
-Toen de gemeente voor de tweede maal begon te zingen, boog zich eene
-vrouw, die naast haar zat, tot haar over en fluisterde haar in 't oor:
-"Werp uw' mantel losjes om en ga heen, want blijft gij tot de preek
-uit is, dan is 't met u gedaan. De dooden houden kerstfeest!"
-
-"Oef, ik word bang, ik word bang, juffrouw Skau," riep een der kleinen
-vol angst, terwijl ze op een' stoel kroop.
-
-"Och, stel je gerust, kind; 't loopt nog goed met haar af; luister maar
-naar 't vervolg," zei de juffrouw. De vrouw bevielen deze woorden ook
-slecht; toen zij de stem vernam en de spreekster in 't gelaat zag,
-herkende zij eene buurvrouw, die voor vele jaren gestorven was, en
-nu ze nog eens rondkeek, herinnerde zij zich klaar, dat ze zoowel den
-predikant als 't grootste gedeelte der gemeente voorheen had gekend;
-allen waren voor langen tijd overleden. Ze ijsde er van. Losjes
-sloeg ze den mantel om zich heen, zooals de vrouw haar had geraden en
-snelde heen; maar 't was haar, of al de dooden haar volgden, en haar
-zochten terug te houden: hare knieën knikten en bijna was ze op den
-vloer neergezegen. Toen zij in 't kerkportaal kwam, voelde zij haar'
-mantel grijpen; zij maakte den gesp los, liet den mantel in den steek
-en vlood, zoo snel de beenen haar dragen wilden, naar huis. 't Sloeg
-één uur, toen zij hare huisdeur opende en half dood van schrik naar
-binnen wankelde. 's Morgens vonden de kerkgangers haar' mantel op den
-stoep, in duizend stukken gereten. Mijne moeder kende den mantel zeer
-goed en ik meen ook, dat zij een der stukken heeft gezien; maar wat
-hiervan zij, 't was een korte mantel van eene lichtroode stof, met
-bont gevoerd en geboord, precies zooals de menschen in mijne jeugd
-plachten te dragen. Nu ziet men ze zelden meer; slechts enkele oude
-vrouwtjes hier in de stad en uit het gesticht in de oude stad komen
-op kerstmis nog in zulke mantels ter kerk."
-
-De kinderen, die onder 't laatste gedeelte der vertelling zich nauw
-hadden weten te bergen van angst en schrik, verklaarden thans, dat ze
-van zulke leelijke, akelige histories niets meer wilden hooren. Zij
-waren in 't hoekje van de kanapee of op een' stoel gekropen en
-beweerden, dat er iemand onder de tafel zat, die hen van hunne plaats
-zocht te trekken.
-
-Intusschen werden de lichten op de ouderwetsche standaards
-binnengebracht, en nu ontdekte men, onder algemeen gelach, dat
-ze met de beenen boven op de tafel zaten. Weldra deden de lichten
-en de kerstkoeken, geholpen door confituren, gebak en wijn, alle
-spookhistories en angst verdwijnen, en plaats maken voor een levendig
-gekeuvel over allerlei zaken, die minder ver aflagen. De rijstekoek
-en 't ribstuk brachten eindelijk de denkbeelden nog nader bij huis,
-en vroegtijdig nam men afscheid en wenschte elkander een gelukkig
-kerstfeest. Voor mij volgde er echter een zeer onrustige nacht.
-
-Ik weet niet, of de vertellingen, de genoten lekkernijen, mijne
-zwakheid, of dit alles te zamen daarvan de schuld moet dragen; maar
-vergeefs legde ik mij nu zus dan zoo; den ganschen nacht maalden
-allerlei nikker-, Hulder- en spookhistories in mijne verwarde
-hersenen rond. Eindelijk vloog ik onder klokgelui door de lucht naar
-de kerk. Zij was geheel verlicht, en toen ik er binnentrad, zag ik,
-dat het de kerk van mijne geboorteplaats was. De gemeente bestond
-uit enkele boeren met roode mutsen op, soldaten in vollen dos,
-en dorpsmeisjes met linnen huiven en frissche wangen. De dominee,
-die op den preekstoel stond, was mijn grootvader, dien ik slechts als
-kleine jongen had gekend. Terwijl hij goed en wel aan 't preeken is,
-neemt hij op eens een' sprong en staat midden onder de schaar, terwijl
-zijne toga naar den eenen en de kraag naar den anderen kant vliegt.
-
-"Daar ligt de dominee en hier ben ik," zeide hij met zijne geliefkoosde
-spreekwijs, "en laat ons nu eens in 't rond dansen." Oogenblikkelijk
-tuimelde de gansche gemeente in den wildsten dans rond en een lange
-kerel pakte mij bij de schouders en zeide: "Kom, doe maar mee, Kar!"
-
-Ik wist niet, wat ik er van denken moest, toen ik te gelijker tijd
-ontwaakte en 't zelfde gezicht aanschouwde, dat ik in den droom had
-gezien. Met de muts diep over de ooren en een' rijmantel over den arm,
-boog zich iemand over mij heen en keek mij met twee groote oogen aan.
-
-"Gij waart zeker aan 't droomen, Kar," zeide hij; "'t zweet parelt u op
-'t voorhoofd en gij sliept zoo vast als een beer in den winter. Den
-Vrede van Boven en een gelukkig kerstfeest wenscht u uw vader en
-'t gezin. Hier is een brief en de reismantel, en 't paard staat in
-den stal.
-
-"Maar in 's hemels naam, ben-jij dat Thor?" 't Was de knecht van mijn'
-vader, een kerel als een boom. "Hoe kom-jij hier?"
-
-"Wel, dat zal ik u zeggen, antwoordde Thor; "ik ben met bruin hier heen
-gekomen; want, ziet ge, ik was met uw' vader op Naes en toen zeide
-hij: "Thor," zei hij, "we zijn nu niet ver van de stad; neem bruin
-en rijd er mee naar stad en zie eens, hoe de luitenant het maakt,
-en is hij wèl genoeg, neem hem dan mee naar huis."
-
-Toen wij de stad uitreden, was de lucht helder en de weg
-uitmuntend. Bruin repte zijne oude pooten zoo hard hij kon, en nimmer
-heb ik, vroeger of later, zulk een prettig ritje gemaakt als op dien
-eersten Kerstdag.
-
-
-
-
-
-
-
-EEN ZONDAGAVOND OP EEN' SAETER.
-
-
-In gezelschap van een' Engelschman, Sir John Tottenbroom, een
-rendierjager en zijn broeder, die ons zouden vergezellen op de jacht
-in 't gebergte tusschen Sell en het Osterdal, verliet ik ....hoeve
-op een' Zondagmiddag in Augustus. De jonge Brit had reeds een kijkje
-genomen in Noorwegen, hij verstond onze taal en kon zich daarin des
-noods doen verstaan, maar wijl hij, als de meeste Engelsche toeristen,
-voornamelijk met boeren had omgegaan, sprak hij een zeer zonderling,
-gebroken boersch dialect. Toch was dit niet altijd toereikend; wanneer
-zijne gedachten elkaar wat snel volgden, en meestal deden ze dit
-op eene tamelijk verwarde wijze, dan bediende hij zich plotseling
-van zijne moedertaal, of bleef steken in een koeterwaalsch, zóó
-wonderlijk, dat men vergeefs zou trachten het weer te geven. De jager
-Thor Ulvsvolden was een man van middelbare lengte, met donkere oogen
-en scherp geteekend, verweerd gelaat, waarop ernst en nadenken te lezen
-stonden. Hij was breed van schouders, maar overigens mager; toch bewees
-zijn vlugge, zekere tred, dat de kracht zijner spieren niet licht
-moest geteld worden. Daar lag eene eigenaardige kalmte in 't geheele
-wezen van dezen man; zijn bedrijf, dat hem elk oogenblik blootstelde
-aan allerlei gevaren en ongevallen, had alle onbedachtzaamheid bij
-hem doen verdwijnen en hem een rustig vertrouwen doen veroveren,
-dat op elk zijner uitspraken onwillekeurig den stempel van echtheid
-en oorspronkelijkheid drukte. Zij broeder Andries was blond, lang
-en sterk. Hij was even wakker als plomp, een ruwe schors om eene
-gezonde kern. Zonder zich lang te bedenken, volgde hij zijn' weg;
-luttel bekommerde hij er zich om, waar hij de voeten zette. Vaak
-moest hij dan ook de armen te baat nemen, om het noodige evenwicht
-te bewaren en zijne houding geleek dan sprekend op die van een' beer,
-die op de achterpooten tracht te gaan. Beiden hadden eene roode muts op
-'t hoofd en eene peper- en zoutkleurige broek aan. Andries was verder
-gekleed in eene soort van jas van dezelfde kleur met lange panden, die
-hem om de dijen sloegen, terwijl Thor zijn wambuis van rendiervel bij
-de overige bagage had gelegd en in 't kortarmig onderkleed ging. In de
-hand had hij een zwaar jachtgeweer. Andries droeg eene prachtige buks.
-
-'t Was stil in 't bosch; men hoorde niets dan den klank van het met
-ijzer beslagen bergschoeisel der jagers en den gestadigen stap der
-lastdieren, die den trein volgden met de proviand, de weitasschen
-en de vischkorven op den rug. Ook de natuur scheen de rust van den
-Zondag te deelen. Tegen 't vallen van den avond begon een enkele vogel
-zachtkens te kweelen; sparren en dennen kruidden de lucht met hunne
-geuren; over de toppen der lager staande boomen bespeurden wij nu en
-dan een' bergstroom, die zoo diep onder ons zijne schuimende wateren
-naar beneden stortte, dat zijn ruischen en bruisen ons oor niet kon
-bereiken. Al langer werden de schaduwen; de duisternis breidde zich
-uit over het dal, terwijl de nevelen omhoog stegen; maar nog speelde
-'t zonnelicht met rooden schijn tusschen de sparren der berghelling
-door en wierp zijn' glans op de blauwachtige Lesjetoppen in de
-verte. Naarmate wij hoogerop kwamen, werd het bosch minder dicht; de
-sparren werden al kleiner en zeldzamer, berken en struiken daarentegen
-weliger, heideplanten en grasvelden menigvuldiger. Weldra naderden
-wij de dertig saeters, die hier bijeen liggen: weide aan weide,
-ingesloten door kreupelhout en rotsblokken, heidekruid en grasrijke
-heuvelen strekten zich voor ons uit en daarachter teekenden de hooge
-toppen der Ronderbergen met hunne schilderachtige omtrekken zich
-af tegen den oostelijken hemel. Vriendelijk klonken de deuntjes der
-melksters in den stillen avondstond, terwijl 't vee zich al loeiend
-en onder het klinken der klokjes verzamelde.
-
-Een der eerste saeters, die wij voorbijkwamen, behoorde aan Thor. Hij
-verzocht ons binnen te komen en melk te drinken; maar wij wenschten zoo
-spoedig mogelijk ons nachtkwartier te bereiken, en Thor beloofde ons
-zoo aanstonds te volgen. Aan 't venster zag ik een lief meisjesgezicht
-en een paar nieuwsgierige manlui. Andries zeide ons, dat 't meisje
-eene zustersdochter van Thor's vrouw was. Een der beide anderen was de
-schoolmeester, die zijne vacantie gebruikte om haar het hof te maken;
-zij wilde echter niets van hem weten, schoon hij in goeden doen zat
-en bekwaam voor zijn werk was. 't Meisje had veel meer op met een'
-opgeschoten knaap, die ook naar haar vrijde.
-
-Toen wij bij Laurgaard-saeter kwamen, stond de melkmeid op den drempel
-voor de halfgeopende deur. Zij was rank, maar tevens krachtig van
-bouw; hare witte hemdsmouwen, een rood jak en eene donkere huif deden
-hare flinke gestalte voordeelig uitkomen. Zij stond met den rug naar
-ons toegekeerd; wij zagen slechts den blanken nek en het welgevormde
-hoofd met blond haar, welks rosse tint door de avondzon nog sterker
-werd gekleurd. Ze was bezig eene zwartbonte geit tot zich te lokken,
-die op het met gras begroeide dak was geklauterd, waar zij aan de
-schors van een' jongen berk knabbelde, die op 't erf stond.
-
-"Texa, Texa, Texa, kom beestje, kom dan--wacht jou kleine schelm,
-ik zal je leeren 't dak te vernielen en den berk af te knabbelen;
-pas op!" riep ze.
-
-"Goeden avond Brit," zeide Andries.
-
-"God zegen' je," antwoordde zij, en toen zij zich had omgewend en
-onder de hand door, waarmee ze de laatste zonnestralen afweerde,
-ons had opgemerkt, voegde ze er vriendelijk bij: "Gods vrede! Dat
-zijn zeker vreemden, die hier hun' intrek zullen nemen?"
-
-"Ja," zeide Andries; "en wat flinker kerels, dan die je hier op de
-saeters hebt;--ze zullen je daarom geen kwaad doen," voegde hij er
-vergoelijkend bij.
-
-"Men kan wel zien, dat het ferme lui zijn," zei Brit, maar kon
-toch een' glimlach niet weerhouden, terwijl ze ons uitvorschend
-bekeek. Vooral de figuur van Sir John en zijne lange lokken schenen
-zeer hare opmerkzaamheid te trekken.
-
-"En die--is dat ook een kerel? Hij lijkt meer op eene vrouw in
-manskleeren," voegde ze er spottend bij.
-
-"Heb-je dan wel vrouwvolk gezien, dat zoo lang was en bakkebaarden
-had?" vroeg Andries.
-
-"Neen, neen, je hebt gelijk, Andries," antwoordde ze met een'
-hartelijken lach. "Maar, gaat naar binnen, die vreemden kunnen toch
-niet buiten blijven staan; zij zullen wel raar opkijken, maar we hebben
-hier wel meer vreemde lui gehad," voegde zij er bij en snapte voort
-tegen Andries op een' goedigen, ondeugenden, soms half ironischen toon.
-
-In de saeterhut, een groot vertrek met balken en binten van sparrehout,
-in welks eenen hoek zich een wijde schoorsteen bevond, heerschte de
-weergalooze orde en reinheid, welke de berghutten in 't Gudsbrandsdal
-kenmerkt, vooral wanneer men er vreemdelingen verwacht. Langs den
-lagen wand, op borden en rekken, stond de kaas; op den grond lagen
-emmers en nappen opgestapeld, en zoowel deze als de banken en de tafel
-waren helder wit of blinkend geschuurd. Door 't verbazende vuur, dat
-op den haard onder den ketel vlamde, werd de lucht telkens ververscht;
-men ademde hier niet, als op zoovele saeters, in eene duffe, bedorven
-atmospheer; eene aangename geur kwam ons tegen van de pijnnaalden,
-waarmee de grond was bestrooid en van de vriendelijke, witte bergbloem,
-[5] die op hare breede, vleezige, lichtgroene bladerkroon aan
-'t venster prijkte, omgeven door kransen en figuren van hooggele,
-geurige goudsbloemen, alles ter eere van ons bezoek.
-
-"Maar wat willen de lui toch hier in 't gebergte; ze hebben 't wis
-beter thuis dan op de saeters bij 't vee," zei Brit, toen 't gesprek
-een ommezien haperde, niet zonder een beetje nieuwsgierigheid.
-
-"We wilden eens zien, hoe 't er hier in 't gebergte uitziet, en dan
-wilden we ook rendieren schieten," antwoordde Sir John.
-
-"Ja wel, rendieren schieten, als er maar rendieren zijn! Ik vrees,
-dat je 't zult opgeven en je kameraad ook, vóór je er één hebt
-gezien. In 't voorjaar had-je hier moeten zijn, toen we den saeter
-betrokken, toen zwierven hier eene menigte mooie beesten rond. Op
-een' der Vaage-saeters is een meisje, dat Barbro heet; 't is nog
-eene jonge deern, maar die heeft er een geschoten. 't Dier was op de
-weide onder de kudde geraakt en liep rustig te grazen. Nu hing er
-in de hut een geweer aan den zolder; zij wist, dat 't geladen was
-voor de grauwpooten; dat nam ze, sloop weg en lei 't den os over
-den rug. Ze mikte voorzichtig, heel behoedzaam; maar toen 't schot
-afging, tuimelden ze alle drie neer: de deerne, 't rendier en de os;
-de laatste stiet een hevig gebrul uit van schrik, maar 't rendier
-stond niet meer op, en de predikant kreeg een heerlijken rendierbout."
-
-"We hebben hier nog wat te doen, Brit," voegde ik er bij; "we zouden
-gaarne sprookjes hooren. Weet-je iemand, die flink kan vertellen?"
-
-"Er zijn hier een paar meisjes in de nabuurschap; 'k zal een boodschap
-zenden, dat ze van avond hier komen," antwoordde zij; "die kunnen,
-als ze willen, wel wat vertellen. Maar de schoolmeester, die kent
-eerst eene menigte histories. Gisteren was hij bij Marit, en als de
-hemel niet is ingevallen, zal hij er nog wel wezen, ten minste als
-Hans nog niet weg is.
-
-"Ik heb den schoolmeester reeds verzocht hier te komen, en Hans en
-Marit ook," zeide Thor, die nu binnentrad en zijn geweer tegen den wand
-zette; "ik wist, dat ge veel van sproken houdt, en zij kennen er wel."
-
-"Als de schoolmeester begint, dan komt er geen eind aan de
-geschiedenissen en vertelsels uit den Bijbel en allerlei geleerdheid,"
-zei Brit; "maar toch is hij te beklagen, de stumperd; 't moet niet
-alles zijn zoo alleen te branden als een harstige dennetak."
-
-'t Duurde niet lang of het gezelschap uit den saeter van Thor
-kwam binnen. Marit was een door- en doorgezonde deerne, met eene
-kleur als melk en bloed, een paar levendige kijkers en eene slanke
-gestalte. Uit 't gezicht van Hans sprak eene frissche onbedorven
-natuur, een rondborstige aard en de overmoed der jonkheid. De derde was
-de schoolmeester; schoon hij de drie kruisjes nog niet lang achter den
-rug had, was zijn gelaat reeds vol kreuken en rimpels, die voornamelijk
-te wijten schenen aan de voortdurende zorg, om zich met de noodige
-deftigheid voor te doen. Ook zijne kleeding verried het streven, om
-zich van de overige boeren te onderscheiden. Hij had eene donkerbruine
-jas met ontzettend lange panden aan; om den hals droeg hij eene witte
-das en opstaande boorden, die hem bijna tot den neus reikten. Ter
-hoogte van zijn' rechter vestzak zag men een' zonderlingen knubbel,
-dien ik eerst voor een monstergezwel hield; later merkte ik, dat het
-een groote inktkoker was, dien hij overal met zich voerde. Zijn geheele
-voorkomen maakte op den vreemdeling een' zeer onbehagelijken indruk,
-die nog verergerd werd door de geaffecteerde wijze, waarop hij den
-mond samentrok, als hij sprak. De weetgierigheid en belangstelling
-van den bergbewoner tegenover den vreemdeling, dien hij voor zich
-ziet, zijne openhartige, naïeve, somwijlen ook ongepaste vragen zijn
-bekend. Maar hier vertoonde zich onder een vernis van beschaving eene
-onverdragelijke indringende nieuwsgierigheid, die nog onuitstaanbaarder
-werd door den triomfanten blik, welken hij bij iedere vraag om zich
-heen wierp. 't Was, of hij zich onder de schooljeugd van Vaage bevond,
-en op zijn gelaat lag een trek, om zijne saamgetrokken lippen een
-grimlach, die allen aanwezigen scheen toe te roepen: "Heb ik dat niet
-goed gezeid? Ja, ik weet zulke kerels wel op den tand te voelen!"
-
-Tot nu had ik bijna alleen 't gesprek met den schoolmeester
-gevoerd. Den stroom van nieuwsgierige vragen, op gemaakten toon gedaan,
-in schoolvossenstijl, eene op stelten gaande navolging van verouderde
-boekentaal, waartusschen van tijd tot tijd plotseling plompe staaltjes
-van 't Gudbrandsdalsche dialect voor den dag kwamen, had ik deels
-beantwoord, deels afgekeerd. Maar eindelijk verloor mijn reismakker,
-die nog minder dan ik gesticht was over 't onderzoek, waarvan wij
-'t voorwerp waren, zijn geduld en viel tamelijk barsch uit in zijne
-moedertaal:
-
-"De duivel hale dien vent en zijne oogen en zijne tong en zijne
-onbeschaamdheid!"
-
-"Ah!" zeide de schoolmeester met een gezicht, alsof hij een som uit den
-regel-van-drieën had gevonden: "thans is het mij op eenmaal duidelijk,
-dat de heeren reizigers zijn uit vreemde landen; wellicht uit Engeland
-of Frankrijk, of misschien wel uit Spanje; voor korten tijd kwam hier
-immers een graaf uit laatstgenoemd land!"
-
-"Nu zijt ge in de war, schoolmeester," antwoordde ik. "Ge kunt toch
-wel hooren, dat 't Noorsch mijne moedertaal is; en mijn reisgezel,
-Sir John Tottenbroom, komt uit Engeland."
-
-"Zoo, zoo--is die geëerde heer uit 't Britsche rijk gekomen?" zei
-de schoolmeester, terwijl hij een' blik in 't rond sloeg, om de
-opmerkzaamheid te vestigen op de geographische kennis, die hij nu
-dacht ten toon te spreiden: "En is hij hierheen gereisd te water over
-de wijde zee, welke de Noordzee wordt geheeten, of heeft hij den weg
-te land gekozen door Frankrijk, Holland, Duitschland, Denemarken en
-Zweden? En tot welk doeleinde is hij hierheen getogen, indien 't mij
-vergund zij zulks te vragen?"
-
-"Vraag maar, schoolmeester," antwoordde ik aanmoedigend. "Uwe eerste
-vraag kan ik beantwoorden; hij is over de Noordzee gekomen. Wat de
-tweede betreft, moogt ge u tot hem zelven wenden."
-
-"Uit hem zul-je wel wijs worden, schoolmeester," merkte zijn
-medeminnaar op, die behagelijk zat te rooken uit een meerschuimen
-pijpje met zilveren beslag, een hoornen roer met koperdraad omslingerd
-en een lang mondstuk; "de vent brabbelt niets anders dan Engelsch."
-
-"Ja, indien hij de Duitsche taal meester ware," zeide de schoolmeester
-op een' toon van gewicht, "dan zoude ik wel met hem kunnen spreken;
-want daarin ben ik redelijk wel ervaren--ik heb Geddike's Leesboek
-en Hübner's Geographie in die taal bestudeerd."
-
-"Spreek hem maar in 't Duitsch aan, schoolmeester," zeide ik, "dan
-zal hij u wel antwoorden."
-
-"Damyou," viel Sir John uit, die ondanks zijne ergernis zich
-niet kon weerhouden te lachen over de verlegen houding van den
-schoolmeester. "Ge wilt weten, waarom ik hier ben?" ging hij voort
-in niet al te slecht Duitsch. "Onder andere reis ik om de zotheden
-der menschen te bestudeeren, en naar 't schijnt, zal ik er hier eene
-uitstekende gelegenheid voor vinden."
-
-"Dat is Engelsch, dat versta ik niet;" zeide de schoolmeester,
-"maar," ging hij voort in een afschuwelijk mengelmoes van Noorsch
-en Duitsch, terwijl hij 't eerste onderwerp het beste, dat hij in
-'t kastje zijner kundigheden kon vinden, te voorschijn haalde,
-"wat is uw oordeel aangaande het feit, dat geschreven staat van den
-Pontus Euxinus, die in 't jaar 715 dicht vroor tot op eene diepte van
-40 ellen, en toen het ijs smolt, zulk eene verbazingwekkende warmte
-uitdampte, dat er eene pestilentie ontstond, waardoor alle menschen
-te Konstantinopel stierven?"
-
-'t Schaterend gelach, dat losbarstte over dit "feit" uit Hübners
-Geographie, maakte een einde aan de Duitsche conversatie en een'
-tijd lang was de schoolmeester innerlijk verontwaardigd over onzen
-spot. Hij scheen echter niet heel onverzoenlijk van aard; toen wij
-al dichter om den haard schoven, naderde hij den kring. De meisjes,
-die vertellen zouden, waren gekomen; zij zagen er net en vriendelijk
-uit. Eéne van haar had zelfs eene bevallige houding en een fijn
-besneden gezichtje, dat echter in bleekheid de bergbloem evenaarde.
-
-Toen Brit mijne uitnoodiging om sprookjes te vertellen ondersteunde,
-verzekerden ze lachend, dat ze er geene kenden. Allen waren ze wat
-bloode en niemand wilde beginnen.
-
-"Neen, de schoolmeester, de schoolmeester," riepen ze, "die kan
-vertellen, die kent wel mooie histories."
-
-"Ja," zeide de schoolmeester, "ik zou wel iets kunnen verhalen uit de
-bijbelsche historie, of ook bijv. van keizer Octavianus. Bovendien
-ken ik eene zeer droeve liefdeshistorie van den manhaften ridder
-Tristand en de deugzame prinses Indiana, en zoo voort, etcetera."
-
-"Neen, mijn waarde schoolmeester," viel ik hem in de rede, "de
-histories, die ge daar noemt, ken ik al op mijn duimpje; wat ik wensch
-te hooren, zijn vertellingen over Huldren en heksen, sprookjes van
-Asschepoester en dergelijke, die nooit gedrukt zijn, maar alleen in
-den mond van 't volk leven."
-
-"Zulke nesterijen kan ik niet vertellen," zei de schoolmeester op
-geraakten toon, "dat past geen' leermeester der jeugd en allerminst een
-lid van 't dorpsbestuur, als ik, die de constitutie heb bezworen. Wat
-zou ik moeten zeggen, indien men mij vroeg of 't waar was, dat Halsten
-Röen sprookjes had zitten vertellen als eene oude baker?"
-
-"En wat heb-je dan wel gezegd, toen je die sprookjes van je-weet-wel
-opgedischt en het avondliedje hebt gezongen op Ulvsvolden, verleden
-jaar op kerstmis?" vroeg zijn medeminnaar met een spottend lachje.
-
-"Wat ik antwoordde, komt thans niet te pas," zeide de schoolmeester;
-"maar wat goed is voor u en andere eenvoudige lieden, is dit nog niet
-voor reizigers, die het karakter en de zeden der volkeren bestudeeren;
-ik acht het beter wijsheid te putten uit de scherpzinnige opmerkingen
-van zoodanige mannen, dan dwaze en onbeduidende boerenvertellingen te
-doen hooren; want reizigers zijn wereldwijzen en ik zal hun daarom
-ernstelijk verzoeken mij iets te willen mededeelen van de schatten
-hunner kennis."
-
-Ik zocht hem te beduiden, dat ik in de stad genoeg te doen had met
-onderwijzen, om ten minste op een toertje door het gebergte van de
-lasten dier taak ontslagen te zijn.
-
-"Als dan niemand wat wil vertellen," begon Andries, "dan zal ik
-de historie mededeelen van een' man, die in de buurt van het Hedal
-woonde. Hij heette Hogner; maar later noemde de menschen hem Hogner
-Duivelkloover. Hij was een jaar of wat zeeman geweest; maar toen hij
-een aardig duitje had verdiend, zoodat hij de hoeve van zijn' vader
-kon overnemen, besloot hij thuis te blijven en ging uit vrijen naar
-een meisje uit Vaage, dat als melkster op een' saeter diende.
-
-Eens toen hij den saeter opzocht, was de melkster verdwenen en de
-hoedster kwam schreiend met het vee naar huis.
-
-"Wat scheelt er aan, en waar is de melkster?" vroeg Hogner.
-
-"Daar zijn drie berggeesten gekomen en hebben haar weggevoerd," snikte
-'t meisje.
-
-Hogner vloog dadelijk heen om zijne liefste op te zoeken en zich op
-de berggeesten te wreken; hij nam iemand met zich mee, die Haarek
-Langbein heette. Zij zochten wijd en zijd, in bosch en veld, op
-hooge bergtoppen en in diepe dalen, maar noch de berggeesten, noch
-het meisje waren ergens te vinden. Eindelijk, toen zij bij de weiden
-van Stuttgang waren, daar ontmoetten zij een' berggeest.
-
-"Wacht even," zeide Hogner en bracht den geest met zijn zwaard eene
-wond toe; daarop trok hij een' kring in den grond om hem heen, maakte
-een kruis in de lucht boven zijn hoofd en bande daardoor den boozen
-geest op de plek, waar hij stond.
-
-"Waar is de melkster van Rönnaas gebleven?" vroeg hij den geest. Deze
-wilde niet antwoorden, maar Hogner dreigde hem zoo lang, tot hij
-bekende, dat zijn makker Platneus, die in 't veld bij Stuttgang huisde,
-het meisje had weggevoerd.
-
-"Morgen viert men bruiloft," zeide hij, "en ik moet naar Skulen en
-naar den Reuzenberg om zijne familie uit te noodigen."
-
-"Sta daar tot ik weerom kom," zei Hogner en hieuw nog eenige malen
-kruiselings in de lucht, en de menschen zeggen, dat de berggeest nog
-altijd op dezelfde plek bij Stuttgang staat, maar ik heb hem nooit
-gezien. Of Hogner zijne liefste terug kreeg of niet, zou ik niet
-kunnen zeggen, maar sinds noemde men hem altijd Hogner Duivelkloover."
-
-"Dat is eene onzedelijke vertelling uit den paapschen tijd, 't welk
-duidelijk blijkt uit het teeken des kruises, en zulke verhalen
-heeft de Duivel bedacht," zeide de schoolmeester op zalvenden
-toon. "Vermoedelijk hebben eenige struikroovers, die zich daar schuil
-hielden, de melkster weggevoerd, die klaarblijkelijk een lichtzinnig
-vrouwmensch was, zooals er vele op de saeters worden gevonden; later
-heeft men de berggeesten er bij gehaald. Ik zal thans eene waarachtige
-historie verhalen, waarvan mede de Huldren en berggeesten de schuld
-kregen, terwijl men de gansche gebeurtenis alleen moest wijten aan
-de slinksche streken van een' slimmen vogel."
-
-"In het hoofdkerspel Vaage," zoo begon hij, terwijl hij eenige
-malen kuchte en hoestte en langzaam den blik liet weiden over alle
-aanwezigen, "leefden voor langen tijd een paar echtelieden, Steingrim
-en Jöda, die in deze bergstreek hun bestaan vonden in veehoeden
-en het vangen van wild. De man, Steingrim, vond den dood bij een'
-sneeuwval in Jöndalsbraatom. In 't zelfde jaar werd hun volwassen
-zoon, Ivar, tot den krijgsdienst geroepen, en Jöda bleef de eenige
-verzorgster van vele kinderen. De tweede zoon, Björn, was, schoon
-nog jong, reeds eenigszins de steun zijner moeder. Hij was zeer
-groot voor zijne jaren, vlug en waagziek, en overtrof elkeen in 't
-loopen op de sneeuwschoenen, in 't vangen van wild en op de jacht. In
-'t bijzonder legde hij zich toe op de kennis van de plaatsen, waar de
-rendieren zich in de verschillende seizoenen en bij verschillend weder
-ophouden, waar zij een toevluchtsoord zoeken, of die zij ontvlieden,
-en hierdoor vermoedelijk kwam hij tot de ontdekking van de fijne en
-scherpe reuk der rendieren, die hem, naar men verhaalt, leidde tot
-de uitvinding der "blinde schutters." [6] Meestal was Björn door
-menschenschuwheid bevangen en zocht bij elke gelegenheid alleen op
-de jacht te gaan, en zijn geluk bij dit handwerk deed ieder verbaasd
-staan. Sommigen meenden, dat hij door tooverij vogels en dieren aan
-ééne plek kon boeien, zoodra hij ze in 't oog kreeg; anderen, dat hij
-in bondgenootschap stond met de berggeesten en in sommige gevallen
-hulp en onderricht van hen verkreeg in de voordeeligste wijze van
-jagen. In dezen waan werd het volk versterkt door de omstandigheid,
-dat men hem kuilen zag graven voor de rendieren en eene hut opslaan
-op plaatsen, waar te dier tijd niemand, ook zelfs een' enkelen
-nacht, durfde doorbrengen uit vrees voor de berggeesten, die er zich
-ophielden. Nu en dan verhaalde hij bovendien zelf, hoe de reuzen hem
-eene poets hadden gespeeld en hem in ongelegenheid hadden gebracht,
-maar dat hij dan ook altijd geholpen was door den reus van Skulen,
-den Skul-reus geheeten." -- -- --
-
-Het was duidelijk, dat de vertelling van den schoolmeester even lang
-en vervelend zou worden, als de lijkebiddersstijl, waarin hij haar
-voordroeg, bespottelijk was. Met genoegen merkte ik dan ook op, hoe
-onrustig hij werd, toen hij bespeurde, dat zijne uitverkorene was
-verdwenen. Door 't venster ziende, bemerkte hij, dat ze naar een'
-van de naastbijgelegen saeters ging. Zijne onrust nam nog toe, toen
-hij zijn' medeminnaar haar spoor zag volgen. Hij werd verstrooid,
-begon te stotteren en moest elk oogenblik naar zijne woorden zoeken.
-
-"Met verlof," zeide hij eindelijk, "ik kan mij alles niet goed meer
-herinneren en heb ook nog eenige zaken te verrichten. Wees gij zoo
-goed, Thor, en verhaal het overige; ge weet het wel," en ijlings
-verliet hij het vertrek.
-
-De meisjes schaterden het uit en beklaagden den armen schoolmeester
-om zijne jaloerschheid. Op mijn verzoek nam nu Thor het woord op en
-ging voort:
-
-"In 't kerspel ligt eene hoeve, Öst-Eng geheeten; daar woonde een man,
-die Baard heette. Hij was ook jager en kon niet velen, dat Björn altijd
-zoo gelukkig was op de jacht. Deze Baard Öst-Eng had eene dochter,
-die Rundborg heette. Naar haar vrijde Björn ter sluiks, maar zoodra
-haar vader dit merkte, zwoer hij, als hij hem ooit op zijne hoeve
-vond, dat hij hem dan precies zou behandelen als een wild rendier;
-op staanden voet zou hij hem doodschieten.
-
-"Mijne dochter zal zich nooit verslingeren aan een' landlooper,"
-voegde hij er bij. Hij bestemde 't meisje nu voor iemand uit
-Skaarvangen. Dit was Selvor Oppistuen; hij was half simpel en
-een monster van leelijkheid. Rundborg smeekte wel, dat haar vader
-haar niet tot dit huwelijk zou dwingen, maar het baatte niets. Toch
-bracht ze het zoover, dat zij niet vóór de bruiloft, die met St. Jan
-zou worden gevierd, den bruidegom behoefde op te zoeken. De bruigom
-ging zelf de gasten te bruiloft noodigen en zoo kwam hij ook in 't
-boschvlek bij de familie en de buren der bruid. Op Sönste-Eng was
-hij reeds de deur uit, toen de eigenaar hem naliep en vroeg:
-
-"Maar op welken dag moeten we komen? Dat hebt ge vergeten te zeggen."
-
-"Ik weet het nog niet; 't zou morgen kunnen zijn, maar 't kan ook best
-eerst vandaag over eene week wezen; maar we zullen op de fluit spelen,
-als we voorbijkomen, wees dan zoo goed ons te volgen," antwoordde hij.
-
-Dit hoorde een broer van Björn en liet het dezen dadelijk
-weten. Björn had spoedig zijn plan gemaakt; hij liet zijne moeder
-en zijn' broer voor de zaken zorgen en ging naar Skaarvangen. Eerst
-wilde hij 't gevolg van den bruidegom beletten het huis der bruid
-te bereiken. Daartoe ging hij 's nachts naar eene bergkloof bij
-Skaarvangen en wilde de brug vernielen, die er voor 't vee over de
-kloof was geslagen, maar de vader van Selvor en een paar vrienden
-beletten hem dit. Toen wou hij eene brug afbreken, die een eindweegs
-verder op eene lagere plaats lag, en dit gelukte hem. Den volgenden dag
-vertrok Selvor met zijne vrienden tegen den middag van Skaarvangen;
-maar onderweg vernamen zij, dat de brug, die zij over moesten,
-vernield was; nu moesten zij een' grooten omweg maken en bovendien
-de ondiepte bij Sandbo doorwaden. Toen zij in 't boschvlek kwamen,
-reden sommigen uit den stoet verder, om de bruid af te halen; de
-overigen bleven achter. Dezen dronken tot tijdverdrijf uit hunne
-veldflesschen en bliezen op de fluit, maar ondertusschen zat de broer
-van Björn een eind van den weg af in 't kreupelhout neergehurkt;
-en toen men opstond, volgde hij van verre.
-
-'t Duurde echter geruimen tijd, eer de gasten klaar waren en zich bij
-de overigen voegden, omdat de dag van de bruiloft niet nauwkeurig
-was bepaald. Eindelijk kwamen ook de bruid en hare familie met den
-bruidegom en zijn gevolg. De kerk stond destijds ten zuiden van Sandbo,
-en toen men hier kwam, was de avond reeds gevallen. Dienzelfden dag
-nog naar 't huis der bruid terug te keeren, bleek ondoenlijk; daarom
-namen Bottolf Holen en Alf Svare elk een deel van den bruidsstoet
-in huis. Zij gaven den gasten rijkelijk te eten en te drinken en
-deden hun daar geen' ondienst mee, want behalve een' droppel of wat
-uit de veldflesch, hadden zij den heelen dag niets genoten. Toen ze
-zich wat verkwikt hadden, noodigden Bottolf en Alf hen uit zich wat
-te vermaken. De jonggetrouwden zouden slapen op den zolder boven het
-proviandhuis van Svare. Laat in den avond kwam Björn's broer bij dezen
-en vertelde hem, dat de bruid den nacht op Svare-hoeve doorbracht.
-
-"'t Zou me verwonderen, als ze daar morgenavond nog was," zei
-Björn. Maar toen het nacht was geworden en de gasten allen ter rust
-waren gegaan, sloop er door de zolderdeur eene groote, forsche
-vrouwengestalte binnen, in een groen overkleed en met een groot
-blank mes in de hand. Zij scheurde de bruid uit de armen van den
-bruidegom. Deze greep nog naar haar, maar op 't zelfde oogenblik sneed
-de Hulder met het mes in den wand, dat de splinters er afvlogen. Toen
-dorst de bruigom de oogen niet meer opslaan, maar hij vloog 't vertrek
-binnen, waar zijne vrienden lagen, en kreet met groot misbaar, dat
-de Hulder van 't Jöndal op den zolder was geweest en zijne bruid had
-weggeroofd, om haar tot vrouw te geven aan haar' zoon. En hij mompelde,
-dat hij zich van kant wou maken.
-
-"Waren we maar beneden gebleven, dan had misschien de Hulder haar
-niet durven rooven!" jammerde hij.
-
-Allen deden hun best, om hem zoo goed mogelijk te troosten, maar toen
-hij dit zeide, schaterden zij 't uit. Selvor wou dadelijk naar huis,
-naar zijne moeder; maar toen men bij de Skjaervenbrug kwam, waren
-de palen doorgehakt, de brug was weggedreven en men kon onmogelijk
-aan den overkant komen. Aan den anderen oever stonden menschen uit
-Skaarvangen, die schreeuwden, dat ook zij de rivier niet over konden;
-maar hoe men schreeuwde en riep, men kon elkander niet eens verstaan:
-de rivier was buiten hare oevers getreden en stortte zich met donderend
-geraas naar beneden.
-
-Nu zond men een' bode naar den predikant. Deze ried aan, de kerkklokken
-uit den toren van Vaage te nemen, die naar 't Jöndal te brengen en daar
-drie etmalen lang te luiden. Dat deed men; over den Reuzenberg voerde
-men de klokken naar een groot veld in 't Jöndal, en sedert dien dag
-draagt die vlakte ook den naam van 't Klokkeveld. Drie etmalen lang
-luidde men, maar te vergeefs: de bruid was weg. Nu gaf een oud man
-den raad, drie donderdagavonden achtereen te luiden, maar dit hielp
-evenmin. Eindelijk verscheen Björn en vertelde, hoe hij had gedroomd,
-dat Rundborg door de berggeesten heel slecht werd behandeld. Maar de
-Skulreus had hem zijne hulp beloofd, als hij haar wilde verlossen,
-want de reus was gebeten op de Huldren van 't Jöndal. En niemand
-anders kon Rundborg bevrijden, want op hem had ze hare zinnen gezet;
-maar kreeg hij haar niet tot vrouw, dan wilde hij geen' stap doen om
-haar uit den berg te halen. Toen Baard en Selvor dit vernamen, waren
-ze woedend op Björn, en dreigden hem met al wat ze konden bedenken,
-zoo hij Rundborg niet verloste. Maar Björn hield het been stijf en
-draalde zoo lang, tot hij haar ten slotte kreeg.
-
-"Ja, zóó is 't gegaan," zeide Brit, toen Thor zijne vertelling had
-geëindigd, waarvan menige trek herinnerde aan den ruwen sagentijd.
-
-"Als de schoolmeester 't vertelt," ging zij voort, "dan brabbelt hij
-wat, dat geen mensch kan begrijpen van den predikant en den duivel,
-en dan zegt hij, dat Björn de bruid van den zolder wegvoerde; maar
-dat is niet waar: hij verloste haar juist, maar de Jöndals-Hulder,
-die had haar geroofd."
-
-Geen van ons viel 't in, deze bewering van Brit te bestrijden; maar
-de vele namen en plaatsen, welke in Thor's vertelling voorkwamen,
-gaven ons, in dezen omtrek onbekend, aanleiding tot een nader
-onderzoek naar de geographie van Vaage. Lang en breed werd er nu
-gesproken over 't dal, de rivieren, bergtoppen, meren, visschen,
-vogels, 't wild en de menschen. Onder dit gesprek, voor mij in
-'t bijzonder zoo leerrijk en onderhoudend, zette Brit ons een
-welsmakend en voor een' saeter zelfs kostelijk maal voor. Tegen
-'t einde daarvan kwam Marit, de aangebedene van den schoolmeester,
-binnen en fluisterde den anderen meisjes, al giggelend en lachend
-iets in 't oor. Brit nam van harte deel in de vroolijkheid, en toen
-Andries vroeg, waar Hans en de schoolmeester waren gebleven, vertelde
-zij, dat de eerste den schoolmeester bij den neus gehad en hem van
-den eenen saeter naar den ander had laten loopen. Eerst was hij zelf
-daar rondgegaan en had den meiden ingeblazen, wat ze moesten zeggen,
-wanneer de schoolmeester kwam; en overal, waar deze toen de klink
-oplichtte en naar Marit vroeg, antwoordden ze: "Wel zeker, Marit
-en Hans zijn beiden zoo pas de deur uit; ze zeiden, dat ze naar den
-naasten saeter wilden." Maar eindelijk had hij eenige lui ontmoet,
-die hem duchtig hadden onthaald op brandewijn; "en nu," besloot Brit
-op medelijdenden toon "nu praat hij als eene kip zonder kop."
-
-"Ja," voegde Marit er bij, "en hij is nu in zoo'n best humeur, dat
-zijn hoed op één haartje staat; maar op Hans is hij woedend. Hij zal
-stellig gauw hier zijn en dan zult ge eene grap zien gebeuren."
-
-'t Duurde niet lang, of we vernamen de stem van Hans, die een aardig
-liedje zong. Eenige oogenblikken bleef hij buiten staan en liet zijne
-diepe basstem hooren, klaarblijkelijk met 't doel, om door iemand,
-die ook den saeter naderde, te worden verstaan. Hij zong 't deuntje
-van den vos, die een hoen zoekt te verschalken, maar die, van den
-meester der hen een' steen en een aantal krachtige verwenschingen na
-zich krijgt. Wie aan 't rosse haar van den schoolmeester en aan zijne
-verliefdheid dacht, zag dadelijk in, op wien het gemunt was. Toen 't
-liedje uit was, trad hij kleurende binnen en ging in een' hoek van 't
-vertrek zijn pijpje zitten rooken. Spoedig kwam ook de schoolmeester,
-door een' vreemde gevolgd. Hij had den halsboord hoog opgetrokken en
-zocht zich zooveel vertoon van waardigheid te geven, als maar mogelijk
-was; maar zijne stijve houding en zijn glazige blik verrieden zijn'
-toestand reeds eer hij den mond opendeed.
-
-"Ik vraag u vergiffenis, hooggeëerde heeren," zei hij met eene dikke
-tong en eene bespottelijke buiging, "'t was niet hoffelijk van mij,
-dat ik zoo plotseling de deur uitstoof en de taak, om u te onderhouden,
-overliet aan dezen waardigen rendierjager, die toch altijd een leek
-blijft, en aan deze beminnelijke verzorgsters der kudde. Maar ik ben
-een leermeester der jeugd, en met godsvrucht en deugd laat ik niet
-spotten. En daar ik als 't ware een deel der geestelijkheid uitmaak,
-die gehouden is de tucht en het zevende gebod te handhaven, kan ik
-zoo iets niet dulden. Neen, dulden zal ik 't nooit! En ik moet er rond
-voor uitkomen, 't is eene afschuwelijke gewoonte, dat jonge knapen de
-meisjes naloopen, eer zij nog dons op de bovenlip voelen. En daar ik
-nu dezen lichtzinnigen Hans eene maagd zag vervolgen... foei!..." hier
-spuwde de schoolmeester in edelen toorn en ging voort: "want, zoo
-als ik zei, ik ben een gezworen vijand van allerlei bedrog, van
-lichtzinnige praatjes en handelingen, van dobbelen, dronkenschap en
-den goddeloozen dans."
-
-"Nu maakt ge 't wezenlijk al te erg, schoolmeester," viel Marit uit,
-"ik vind 't wat prettig, als de veel gaat; 'k word dan haast zoo
-vroolijk, als de vedel zelf."
-
-"Dat is waar, mijn kind," antwoordde de schoolmeester ontwijkend
-en met zijn' zoetsten glimlach, "ik sprak dan ook slechts van den
-lichtzinnigen dans. Ook ik ben van oordeel, dat het een genot is,
-lieftallige meisjes te zien dansen, namelijk, wanneer zij ten dans
-gaan met een eerbaar man, die eene gepaste deftigheid nooit uit het
-oog verliest."
-
-Maar meegesleept door de macht der beminnelijkheid, die hij prees,
-begon hij plotseling met de noodige trillers en eene heesche stem een
-loflied vol geestdrift aan te heffen op den wijn en de schoonheid,
-dat kwalijk in overeenstemming kon gebracht worden met de strenge
-beginselen, die hij zoo even had beleden.
-
-
- "Wat mag alle vreugde baten,
- Alle schatten van deze aard?
- Zonder wijn en mooie meisjes
- Zijn ze mij geen oortje waard.
- Elk is graag,
- Waar meisjes zijn,
- Ieder prijst
- Den eedlen wijn!"
-
-
-"Dat was een aardig wijsje, schoolmeester," zeide Hans, terwijl hij met
-den pijp in den mond uit zijn' hoek te voorschijn kwam, "maar nu zal
-ik eens een deuntje zingen, dat ge misschien nog nooit hebt gehoord.
-
-
- "Och, arme sul, och, groote kwast,
- Je haalde 't fleschjen uit de kast,
- Maar wat je hieldt voor brandewijn,
- Dat was juist bitt're terpentijn,
- Dat was juist bitt're terpentijn!"
-
-
-Men kon duidelijk zien, hoe dit rijmpje, dat, naar ik later hoorde,
-zinspeelde op een voorval uit 't leven van den schoolmeester, zijn'
-toorn deed ontvlammen. Daar kwam nog bij, dat hij zijn' medeminnaar
-elders had gewaand; hij wischte zich den mond met een pand van zijne
-lange jas en borst uit:
-
-"De jeugd heeft alle schaamte uitgeschud in onze dagen; dat komt
-daar vandaan, dat zij niet genoeg kennis maakt met den stok. Zoo'n
-onbeschofte melkmuil! Dat zit pijpjes te rooken, dat gaat heimelijk
-uit vrijen, dat ontziet zich niet, eerwaardige mannen te beleedigen,
-die al hun leven wijsheid hebben gegaard! Sta op, zeg ik je, wanneer
-ik spreek," voer hij voort, "zooals de Spartaansche jongelingen deden
-in 't bijzijn van ervaren mannen en grijsaards. Weet, dat ik twintig
-jaar lang heb gestudeerd bij den ouden predikant Grönbeck. Sta op,
-zeg ik je!"
-
-Maar Hans bleef rustig zitten, glimlachte even en liet twee rijen
-blinkend witte tanden zien. 's Schoolmeesters roes was klaarblijkelijk
-verergerd, en wie weet, wat het einde der historie zou geweest zijn,
-zoo Marit niet tusschen beiden ware gekomen. Zij reikte hem eene
-schaal met melk en zeide:
-
-"Och, laat den jongen loopen, schoolmeester. Wees niet boos, en denk,
-dat er vreemd volk bij is."
-
-Toen hij had gedronken, wendde hij zich weder tot ons. 't Scheen,
-dat hij zich wilde verontschuldigen over den toestand, waarin
-hij verkeerde en de ongunstige meening, die wij door de herhaalde
-toespelingen van Hans van hem moesten opvatten, wenschte uit te
-wisschen. Hij zeide daarom:
-
-"Die verderfelijke alkohol! Wel is zij de moeder der dwaasheid! Ik
-leef anders altijd zeer matig, als ik me zelven dit getuigenis
-mag geven, en over 't algemeen ben ik geenszins verslaafd aan een
-onmatig gebruik van dat afschuwelijke vocht. Maar ik moet me bij
-u verontschuldigen, hooggeëerde heeren en waardige dorpsgenooten,
-over mijn lang wegblijven. De weg naar de deur valt iemand zoolang,
-wanneer hij onder vrienden is. Eenige goede kennissen en buren hebben
-me namelijk van hun' brandewijn laten proeven. En hier in 't gebergte
-doet een borrel 't lichaam goed. Ja, ik zal 't ronduit bekennen, als
-mij een borrel wordt geboden, veroorloof ik mij de weelde, dien aan
-te nemen, maar--nooit te veel."--En onwillekeurig viel hij weer uit:
-
-
- "Laat ons klinken, laat ons klinken,
- Brandewijn smaakt altijd goed;
- Wie slechts water heeft te drinken,
- Is voorwaar een arme bloed!"
-
-
-"Neen," ging hij voort, "nooit te veel, de hemel beware me daarvoor! Ik
-weet nog heel goed, wat ik heb gezegd en gedaan en wat ik nu nog te
-zeggen en te doen heb ook; maar 't is toch verderfelijk vocht. Maar wat
-ik zeggen wou, ik was bezig met de belangwekkende historie van Björn
-Praeststulen, toen ik, met verlof, heenging in 't vast vertrouwen,
-dat zij nauwkeurig zou worden vervolgd. Mijn waardige vriend, Thor
-Ulvsgaarden, ge hebt toch wel verhaald, hoe de geestelijkheid daarin
-betrokken werd en hoe ten slotte de burgerlijke rechter 't geding
-moest beslissen?"
-
-"Zie-je, ik heb 't wel gezegd," zei Brit. "Gij haalt er altijd zooveel
-dingen bij, dat niemand er iets van begrijpt. Thor heeft er geen
-woord van gezeid."
-
-"Gebrek aan kennis, kind; gebrek aan kennis," hernam de schoolmeester
-op een' toon van gewicht; "wat Thor heeft weggelaten, is juist 't
-merkwaardigste van de gansche historie, want dat betreft de twisten
-en 't proces. Ja, ziet ge, dat ging op deze wijze toe: toen die lui,
-namelijk Selvor Oppistuen en Baard Östeng met beloften en bedreigingen
-Björn Praeststulen zochten over te halen om het meisje te bevrijden,
-of hun te openbaren hoe dit zou kunnen geschieden, toen begon bij Björn
-twijfel te rijzen aangaande 't geen hem te doen stond; want weldra
-zou de hooioogst beginnen en dan had hij natuurlijk heel wat anders
-te doen, dan Rundborg verscholen te houden in jagershutten en andere
-schuilhoeken van 't gebergte. Hij zeide, dat ze zich vruchteloos tot
-de berggeesten zouden wenden, en dat hij zelf dit niet waagde, eer hij
-den bijstand van den Skulreus had ingeroepen. Intusschen deed hij hun
-den voorslag met hun drieën naar den predikant te gaan en dezen tot
-scheidsman te kiezen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Björn verklaarde zeer
-breedvoerig, hoe een geest tot hem gesproken had in den droom en hem
-had bevolen, Rundborg te huwen. De predikant wilde de zaak opschorten,
-tot de maagd zelf getuigenis zou kunnen afleggen, en toen Björn een
-etmaal later met haar verscheen, verklaarde zij, hoeveel zij had
-te lijden gehad bij de Hulder; hoe deze op een huwelijk met haar'
-zoon had aangedrongen, waardoor zij haar voor goed in hare macht zou
-krijgen, en hoe Björn en de Skulreus haar uit den berg verlost en
-haar bewaard hadden voor de schande van eene heks te worden. Terwijl
-hij nauwkeurig de beweringen en bewijzen van beide partijen wikte en
-woog, werd de predikant eindelijk 't spoor geheel bijster; hij was
-in een labyrinth geraakt, waaruit hij vruchteloos den weg trachtte te
-vinden. De openbaring, aan Björn geschied, was wellicht eene bestiering
-des Allerhoogsten, die de predikant niet durfde wraken. Maar Selvor en
-Rundborg waren in den echt vereenigd door den priester en op 't woord
-van God, en 't gewicht dier beiden kon evenmin worden geloochend. Björn
-bezat de liefde van Rundborg als het ware van kindsbeen af. Selvor kon
-niet roemen op hare min, maar wel op de toestemming der ouders, welke,
-doordien zij ouder en gevolgelijk verstandiger waren, beter wisten wat
-hunne dochter tot geluk en zegen kon strekken dan zij zelve. Maar de
-onbeperkte uitoefening van de rechten der ouders tegenover de kinderen
-maakt de eersten vaak tot beulen, zeide de predikant--bij zich zelven,
-wel te verstaan. Na veel peinzen kwam hij tot het volgende besluit:
-Ik spreek geen oordeel uit in deze ingewikkelde zaak; zij behoort voor
-den burgerlijken rechter te worden gebracht. Middelerwijl mag Björn,
-die haar heeft bevrijd, haar ook behouden. Maar door de rechtbank werd
-'t volgende vonnis gewezen:
-
-"Björn Praeststulen mag zonder eenig voorbehoud huwen met Rundborg
-Baardsdochter Östeng; Selvor Oppistuen en Baard Östeng moeten het
-land ruimen, omdat zij dit huwelijk hebben willen beletten."
-
-"Van dit laatste kwam echter niets; want Björn verwierf genade voor
-zijn' schoonvader en sedert werden zij beste vrienden."
-
-Zoo werd de sage van Björn Praeststulen door den schoolmeester
-aangevuld. Maar woorden zijn dood en machteloos. Daar was iets
-onbeschrijfelijk komieks in zijn heele manier van vertellen, in zijn'
-toon, zijne gebaren, in 't rijzen en dalen zijner stem, en niet
-het minst wanneer nu en dan de eigenaardige toestand, waarin hij
-verkeerde, zich nog duidelijk deed bespeuren. Sir John kreeg telkens
-zulk eene hevige lachbui, dat hij van de bank dreigde te vallen. En
-van tijd tot tijd verhief zich van alle kanten een homerisch geschater,
-waaraan zelfs de ernstige Thor zich niet kon onttrekken.
-
-De schoolmeester echter begreep de oorzaak dezer pret volstrekt
-niet. Hij lachte mee en hield ons gelach voor teekenen van bijval. Toen
-Brit hem dan ook op nieuw eene nap melk had gebracht, ving hij met
-frisschen moed weer aan:
-
-"Nu wil ik u," zeide hij, "eene zeer geloofwaardige historie verhalen
-uit den nieuweren tijd, die ook daarom merkwaardig is, wijl zij
-eene profetie bevat van toekomende tijden en gebeurtenissen. Op
-de hoeve Flytty in 't hoofdkerspel Lesje leefde een man met name
-Jens Ivarszoon, wiens voorvaderen sedert onheugelijken tijd deze
-hoeve hadden bewoond. Jens was een nadenkend man, voor iedereen even
-gedienstig, altijd bescheiden, en niemand wist ook maar het geringste
-op zijn' handel of wandel aan te merken. Op zekeren dag sloeg hij den
-weg in naar zijn' saeter in 't Lordal; hij wilde zijne paarden halen
-om ze op den akker te gebruiken en hout te vervoeren. Maar waar hij
-kwam--op den saeter niet, en hoe lang men ook zocht, hij was nergens
-te vinden. Acht jaar na zijn verdwijnen huwde zijne vrouw op nieuw,
-en terwijl de bruidstoet zich in de kerk bevond, vertoonde Jens
-zich eensklaps op de hoeve, zonder dat iemand had gezien, vanwaar
-hij kwam. Hij bleef er slechts een oogenblik en vertrok weer zonder
-iemand een woord te hebben gezegd. Van degenen die hem hadden gezien,
-zeide nu de een dat het deze, de ander dat 't gene was geweest; maar
-allen waren het hierin eens, dat hij precies op Jens geleek. Eer
-nog de bruidstoet was teruggekeerd, onttrok Jens zich echter aan
-aller nieuwsgierige blikken en vragen, maar toen zijn oudste zoon
-met eenige vrienden de paarden naar de weide bracht, liep hij op hem
-toe. De knaap herkende zijn' vader niet, en ging voort de beesten
-vast te zetten. Nu sprak Jens:
-
-"Zoo moet ge niet doen, mijn jongen! Ge moet altijd den strik om den
-linker voorpoot slaan, anders is 't paard genoodzaakt tegen zijn'
-aard in te loopen."
-
-Dadelijk begreep nu de knaap, wie daar voor hem stond; hij verzocht
-zijn' vader hem naar huis te volgen. Jens deed dit, en nauwelijks was
-hij 't bruiloftsvertrek binnen getreden, of alle gasten zaten stom van
-schrik; want allen hadden hem herkend, en zijne vrouw borst in tranen
-uit, smeekte hem om vergiffenis en wierp zich in zijne armen. Jens
-troostte haar zoo goed hij vermocht en zeide, dat hij niet gekomen was
-om haar verwijten te doen over haar' nieuwen echt; op arglistige wijze
-voegde hij er bij, dat hij niet meer deugde voor 't huwelijk en ook
-niet op de hoeve kon blijven; zijn doel was alleen de noodzakelijkste
-schikkingen te treffen voor zijne onmondige kinderen. Nadat hij dit
-had gezegd, verzocht hij het nieuwe echtpaar hunne plaatsen weer in
-te nemen. En nu deelde hij, in tegenwoordigheid van al de verbaasde
-bruiloftsgasten, mede, wat zijn laatste wil was omtrent het verdeelen
-van have en erf onder zijne kinderen, voor zoover dezen daar recht
-op hadden, en dit alles werd met hand en mond bezegeld. Daarop wilde
-Jens vertrekken, maar men hield niet op, hem te bestormen met allerlei
-vragen, waarop hij meerendeels een ontwijkend antwoord gaf. Onder
-andere zeide zijne vrouw: "God zij dank, dat gij hier gekomen zijt,
-om uw' laatsten wil mede te deelen en te zien, dat uwe afkomst op de
-hoeve kan blijven."
-
-"Ja," antwoordde Jens, "mijne afstammelingen zullen hier blijven
-wonen, zoolang dit land bestaat. Maar er zal een slag geleverd worden
-op Lillehammer, de hevigste kamp, die ooit op Noorschen grond werd
-gestreden: 't bloed der helden zal stroomen over de vlakte, en de
-duivel van 't Gudbrandsdal zal beslissen, of Noorwegen langer een
-koninkrijk zal heeten. In Frankrijk is den boeren de strijdkolf
-ontvallen, maar daar zal hij 't eerst op nieuw worden gezwaaid,
-en met zijne verpletterende slagen zal hij overal den toestand der
-volkeren omkeeren."
-
-"En wanneer zal die slag worden geleverd?" klonk de vraag.
-
-"Wanneer breede wegen door de dalkloven den vijand het binnendringen
-licht maken," antwoordde Jens, "en wanneer 't geweld de wetten des
-lands zal schrijven, dan zal de vonk van den oorlog tot eene vlam
-worden, en Noorwegen en Zweden zullen onder één' schepter komen. Maar
-eer dit geschiedt, zal de vuurgloed de schoone vlakte van Sell
-verteren en de wateren der Skotte zullen haar bedekken. Dan zullen
-de bergen van Noorwegen sidderen en een ekster zal zijn nest bouwen
-op den haardsteen van Flytty."
-
-Na deze en dergelijke opmerkelijke voorspellingen verliet Jens
-Ivardszoon de hoeve, en niemand heeft hem ooit meer aanschouwd."
-
-Onder de laatste vertelling scheen de schoolmeester meer en meer
-tot zich zelven te komen. Tegen 't slot sprak hij zelfs beter
-dan gewoonlijk, en zijne tong bleek volkomen hare vaardigheid
-herkregen te hebben; maar toen hij nu wilde opstaan, begon hij tot
-onze verwondering te waggelen. Hij nam afscheid, drukte ons onder
-vervaarlijke buigingen allen de hand en ging zijns weegs, "daar hij
-zich niet al te wel gevoelde."
-
-Nadat hij zich had verwijderd, en zijne levenswijze, zijne omgeving en
-zijne zonderlinge manieren ruimschoots waren bepraat, noodigde Andries
-het vreemde, vriendelijke meisje uit, wat te vertellen. "Ik weet, dat
-je heel wat vertellingen kent, Borghild," zeide hij, "en als je wilt,
-kun-je goed vertellen ook; kom, vertel eens eene historie. Hoe ging
-'t ook weer met de dochter van Steven Aaseng?"
-
-"Dat is gauw genoeg verteld," zei ze vriendelijk; en een blos van
-verlegenheid kleurde het fijne, bleeke gezichtje, terwijl ze zich
-tot ons wendde en dus begon:
-
-"Die Steven kwam van Rolfstad en trouwde de dochter van Aaseng in
-'t Hedal. Ze kregen een dochtertje. Maar terwijl ze op zekeren
-zomer op den saeter lagen, werd 't kind geroofd en in den berg
-gesleept. 't Meisje zal niet ouder geweest zijn dan een jaar of
-acht, en de ouders waren bitter bedroefd, want o, 't was zoo'n
-lief, vriendelijk kind! Ge moet weten, de Rolfstads zijn nog zoo wat
-familie van mij, en grootvader kwam vaak op de hoeve; hij had altijd
-den mond vol van haar. Toen ze weg was, zocht men dagen achtereen;
-men luidde de klokken voor haar, maar ze was weg en bleef weg, en
-kwam niet weerom. Verscheiden jaren later waren eens twee mannen aan
-'t visschen in 't Heimdalgebergte, twee mijlen van Valders. Ze hadden
-eene hut opgezocht en een vuur aangelegd. Terwijl ze 's avonds laat
-nog bij elkaar zaten, kwam er eene vrouw de hut binnen, groot van
-stal en vriendelijk van uitzicht. Zij vertelde, dat zij de dochter
-was van Steven Aaseng en dat zij vóór vele jaren door de berggeesten
-in den berg was gesleept en sedert daar altijd had gehuisd.
-
-"Maar morgen moet ik trouwen met den reus van Raanaaskamp," sprak zij,
-"en nu zou ik zoo graag willen, dat gij een bosje hooi over mijn hoofd
-gooidet om mij te verlossen, want word ik morgen niet verlost, dan
-moet ik voor altijd in den berg blijven. Wanneer gij op de heuvels
-bij de rivier gaat staan, dan kunt gij ons zien, want ik kom van
-Trosstemkamp en ga naar Raanaaskamp. Den bruidegom kunt ge dadelijk
-herkennen; hij rijdt vooraan op een zwart paard en heeft eene neus
-zóó lang, dat ze tot op den zadelknop hangt."
-
-De visschers beloofden, dat ze den bruidstoet zouden opwachten en een
-bos hooi over haar hoofd werpen, en de bruid vertrok. Den volgenden dag
-waren de mannen op hun post. Tegen den middag naderde de stoet. Nooit
-hadden ze zulke voorname lui gezien, zoo mooi gekleed, en zooveel
-vrouwen en jonkvrouwen, in zijde gedost en met zilveren sieraden
-getooid. Ze zaten allen op prachtige rossen en voorop reed de bruid,
-en de bruidegom had een neus, die tot op den zadelknop reikte. De
-visschers stonden als betooverd, want zooveel staatsie en heerlijkheid
-hadden ze nog nooit gezien. Toen de stoet vlak bij hen was, keek
-de bruid ter zijde. Nu kwamen ze tot zich zelven, maar--ongelukkig
-hadden ze vergeten hooi mee te nemen en konden dus niet doen, wat
-ze hadden beloofd. Zoo moest de bruid wel met de berggeesten meegaan
-naar Raanaaskamp in 't bosch van Lesje, naar den kant van 't Foldal;
-en misschien is ze daar nog, als ze niet van verdriet is gestorven.
-
-"Ja," zeide 't saetermeisje, dat 't laatst was binnengekomen,
-"zoo'n historie heb ik ook hooren vertellen van een meisje, dat
-Kari heette. Ze lag op den saeter van Graven bij Oier en werd ook
-binnen den berg gesleept, maar wist er gelukkig weer uit te komen. 't
-Gebeurde op een' avond dat ze 't vee naar huis bracht. Ze was reeds
-vlak bij de hut, toen ze een' kleinen jongen tegenkwam, die aanstonds
-de beesten naar 't bosch begon terug te jagen, want ze hebben daar een
-bosch op den berg. Kari verzocht hem vriendelijk op te houden, maar
-'t baatte niet. Nu werd ze boos, begon hem uit te schelden, vloog
-op hem toe en wierp hem hals over kop op een hoop waschgoed. Maar
-tegelijkertijd struikelde ze, viel en zonk met hem in de diepte. Bij
-een groot kasteel kwamen ze terecht; de knaap, dien ze nu begreep dat
-onder de berggeesten thuis hoorde, nam haar bij de hand en voerde
-haar door verscheiden vertrekken, zóó prachtig, dat Kari nimmer
-iets dergelijks had gezien. En muziek hoorde men er, zóó fraai,
-als men hier boven nooit verneemt. Men noodigde haar uit te dansen,
-bracht haar wijn en dranken en gebak, dat er uitzag als houtspaanders
-bij ons, maar Kari weigerde alles en men kreeg niets uit haar dan:
-
-"Neen, dank-je wel."
-
-Zoodra Kari verdwenen was en men haar op den saeter miste, zond men
-bericht daarvan naar de hoeve. Toen hare ouders dit hoorden, kunt ge
-begrijpen, dat ze bitter bedroefd waren. Eerst meenden ze, dat zij
-in 't gebergte verdwaald was geraakt en lieten haar overal zoeken,
-maar te vergeefs. Nu begonnen ze te begrijpen, wat er van haar was
-geworden en luidden de klokken uit den toren van Oier.
-
-Terwijl ze druk aan 't luiden waren, sprong er in 't bergslot een
-oud man met een' langen, langen baard van zijn rustbed op en riep
-met eene donderende stem, die door den ganschen berg weerklonk:
-
-"Smijt haar naar buiten! de belhamels van Oier luiden de klokken,
-dat me de kop er van berst!"
-
-Onmiddellijk werd Kari van een' hoogen zolder uit het kasteel geworpen
-en kwam op een moerasland terecht.
-
-Weg was nu 't kasteel met al zijne pracht. Dicht bij den saeter
-vond men haar terug; ze had een' met gras bedekten heuvel bestegen,
-toen de menschen, die haar zochten, bij haar kwamen. Zij kreeg nu een
-paard om daarop naar Graven te rijden; maar terwijl men op weg was,
-sprong ze eensklaps op den grond en begon allerlei vreemde dansen
-uit te voeren en wondermooie liedjes te zingen. Zoo mooi zong ze,
-dat allen de tranen er van in de oogen schoten. Zij had ze in 't
-Hulderslot van de berggeesten geleerd, vertelde ze.--
-
-"Nu moet-jij ook iets vertellen, Brit," zeide Andries, die 't er
-op scheen gezet te hebben, dat elk eene bijdrage zou leveren tot
-'t algemeene onderhoud. "Je weet nog wel wat van Marit Klemmedorn,
-de zuster van je grootmoeder; wat gebeurde daar ook mee, toen ze als
-veehoedster diende op den saeter van Val, hier in 't gebergte?"
-
-"Ja, dat heugt me nog best," antwoordde Brit; "toen ik nog klein
-was, heeft ze 't vaak verteld en nooit kon ze 't met droge oogen
-doen. Eens dan moest ze, vroeg in 't voorjaar, met de kudde naar den
-saeter. Nauwelijks was ze daar aangekomen, of er kwam een kerel binnen,
-die eene heg moest maken om een' saeter in de nabuurschap; 't was hem
-echter te laat geworden en zoo bleef hij daar dien nacht. Marit was
-wat blij, want ze was een beetje bang en er was niemand dan zij in
-de hut. Eene week of wat later hadden ze al zoo goed kennis gemaakt,
-dat ze verloofd waren. Nu gebeurde 't op zekeren morgen, dat ze 't
-vee naar de weide moest brengen. Ze gaf eerst de melkkoe te drinken
-en maakte toen het jonge vee los. Daarop boog ze zich over 't schot,
-dat 't jonge vee van de melkkoe scheidde, heen, om ook deze los te
-maken. De koe stond met den kop in den voederbak, maar op eens scheen
-ze razend 't worden; ze sprong en schopte van belang. 't Schuim stond
-haar om den bek en vruchteloos zocht Marit haar los te maken. En aan
-de andere zijde van 't schot stond een groote, vreemde kerel, die
-den wijsvinger dreigend naar haar uitstak. Marit schrok natuurlijk
-hevig, toen ze dien reusachtigen vent zag, zette 't op een loopen en
-riep Gudbrand, die op 't erf bezig was eene schutting te maken, te
-hulp. Deze kwam ook oogenblikkelijk, maar hij zag niemand; alleen de
-koe was nog razend en 't schuim stond haar om den bek. Na veel moeite
-wist hij haar los te krijgen, maar Marit was bewusteloos neergezegen,
-en dit kwam, omdat ze Gudbrand alles dadelijk verteld en niet tot den
-volgenden dag had gezwegen. Gudbrand moest haar nu naar huis brengen,
-maar bij elke beek, die ze over moesten, kreeg ze een' nieuwen aanval
-van razernij. Langzamerhand werd ze wel beter, maar nooit kan ze
-'t vertellen, zonder dat haar nog de tranen in de oogen kwamen.
-
-Nu werden er twee oudere veehoedsters naar den saeter gezonden,
-Myr-Rönnaug en Gekke-Kari. Die zeiden, dat ze niet bang waren voor de
-berggeesten, ze mochten gerust komen. Intusschen had ook de hoedster
-van Loms-saeter de berghut betrokken. Deze drie vriendinnen weidden
-nu dagelijks met elkander 't vee en waren zoo dartel en dwaas, dat er
-geen voorbeeld van was; in dolle vaart joegen ze elkander na over de
-heuvels, haalden nesten uit en sloegen de jonge vogels dood. En wanneer
-ze op den Valberg waren, riepen ze, dat Tron, die in den berg woonde,
-maar op een' Vrijdagavond moest komen, dan zouden ze hem op hare
-armen in slaap wiegen; en als ze in 't Kvaernstudal waren, riepen ze
-'t zelfde tegen Tjöstul, die daar in den berg huisde, en wanneer ze in
-de nabijheid van de bergspits bij Slethö kwamen, riepen ze 't alweer
-tegen Kristoffel Pungen, die daar zijn verblijf had gekozen. En als
-'s avonds 't werk gedaan was, gingen ze bij elkander zitten op de lage
-schutting om 't erf en riepen: "Tron Valberg, Kristoffel Eldförpungen,
-Tjöstul Aaheuvel, komt nu maar, we gaan naar bed!" Want geen van
-drieën geloofde wat de menschen vertelden, dat er geesten in de bergen
-woonden, die zoo heetten. Maar ze zouden wel anders gewaar worden! Op
-een' donderdagavond, laat in den herfst, toen alle andere saeters reeds
-verlaten waren, zaten de drie vriendinnen bij elkander om den haard en
-keuvelden misschien wel over hare vrijers. Op eens vloog de deur open
-en daar kwamen drie kleine kereltjes binnen. Zij zeiden geen woord,
-de meisjes evenmin, maar met verbazing zagen ze, dat de drie dwergen
-op de banken naast haar gingen zitten. Ze hadden lange, blauwe mantels
-om en groote roode oogen en lange neuzen. Na een uurtje gingen ze weer
-heen, maar den volgenden avond kwamen ze terug en werden al stouter
-en stouter; Myr-Rönnaug en de hoedster van Loms-saeter begonnen bang
-voor hen te worden en deden menig schietgebedje, maar Gekke-Kari
-bleef nog onvervaard. Op een' vrijdagavond verschenen ze op nieuw
-en hielden nu zoo verschrikkelijk huis, dat 't niet te zeggen valt;
-want 't waren sterke kerels, al waren ze klein. Maar onverwacht kwam
-een jager, Per Gynt, de beangste deernen te hulp. Hij schoot Aaheuvel
-dood en brak Tron Valberg de ribben; maar Eldförpungen ontkwam door
-den schoorsteen."
-
-Terwijl we na Brit's vertellingen nog eenigen tijd praatten over de
-gewoonte, die in deze streek heerscht, om de hoedsters met 't jonge
-vee tot laat in 't najaar eenzaam op de saeters achter te laten,
-opdat de beesten het ingezamelde mos en het bergvoeder kunnen opmaken,
-kwamen een paar van de meisjes, die ons reeds verlaten hadden, lachend
-terug en vertelden, dat de schoolmeester tusschen eenige rotsblokken
-in was geraakt en op noch neer kon.
-
-"Dan zal ik hem wel moeten helpen," sprak Hans; "maar ik zou wel
-lust hebben met de paarden mee te gaan naar de Ulsöhut, om te zien,
-of ge morgen ook rendieren onder schot krijgt."
-
-"Och, kom, als je dat meent, begrijp ik er niemendal van," zei Brit
-lachend. "Marit verlaten, als de schoolmeester hier is?"
-
-"De schoolmeester zal morgen wel aan geen vrijen denken en overmorgen
-evenmin. Hij zou zich liever voor den kop schieten, na zoo'n avondje
-als hij achter den rug heeft. Laat ons maar eens gaan zien, hoe
-'t met hem staat."
-
-"Ja, drommels, dat's goed bedacht; ga-jij met de paarden mee," zei
-Andries, "dan kan ik bij Thor blijven; we zullen eens zien, of ik
-dan geen rendier schiet."
-
-"Afgesproken," zei Hans, die nu, door Marit gevolgd, den saeter
-verliet, om den schoolmeester op de been te helpen.
-
-Wij schoven de banken naar den haard, maakten hoofdkussens van onze
-weitasschen, ransels en kappen, en waren weldra in diepen slaap.
-
-
-
-
-
-
-
-OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.
-
-
-Op een' der eerste dagen van Mei, lang voor de jachtwet werd ingevoerd,
-togen wij van Tyristrand 't gebergte in, om den volgenden morgen
-boschhoenders te schieten op den Skjaersjöheuvel, waar deze jacht
-'t voordeeligst beloofde te zijn. We waren met ons vieren, mijn
-vriend, de kapitein, ik, een oude jager, met name Per Sandaker uit
-het Sognedal, en een vlugge knaap, die twee koppels honden met zich
-voerde; na de vogeljacht wilden we op de hazenjacht gaan. Beneden in
-'t vlek was 't reeds lente; maar toen we de berghellingen beklommen,
-vonden we overal dikke sneeuw in de spleten en kloven. Toch hadden
-we een' milden avond en de vogels zongen hun voorjaarslied in het
-bosch. In de nabijheid van Ask-saeter, waar wij den nacht meenden
-door te brengen, beklommen wij den heuvel, bij alle jagers, die
-in deze bosschen rondzwerven, welbekend, om te hooren, waar de
-vogels dien nacht hunne slaapsteê hadden opgeslagen. Toen wij den
-top bereikt en een ruim verschiet gewonnen hadden, neeg de zon ter
-kim, maar schoot nog hare gulden stralen in vollen luister langs den
-helderen westelijken hemel. Geen vroolijk en vriendelijk landschap
-echter bescheen ze: donkere, eindelooze bosschen en bergvlakten,
-slechts afgebroken door bevrozen meertjes en groote moerasvelden,
-breidden zich naar alle kanten tot den horizon uit.
-
-Nog slechts eene korte poos was de zon ondergegaan of we hoorden een
-sterk gesuis door de lucht en de zware vleugelslagen van een' vogel,
-die zijne rustplaats opzocht.
-
-"Dat was geen oude vogel," zei de kapitein, toen het dier zich,
-zonder eenig geluid te geven, op een' tak nederzette.
-
-Weldra kwamen nog twee vogels suizend aangevlogen; ook deze zwegen
-stil. Maar nu hoorden we nog zwaarder vleugelslag, en nauwelijks had de
-vogel zijn' tak opgezocht, of we hoorden hem met den snavel klepperen.
-
-"Die kerel is niet van gisteren. Die speelt de tweede viool," zei Per
-Sandaker, "zoo 't de oude zelf niet is; en dat zou ik haast meenen."
-
-Daar kwamen nog drie vogels, en voor elk, die den boom opzocht,
-klepperde de oude met den snavel. Twee van de drie gaven geen geluid,
-maar de derde antwoordde op dezelfde wijs.
-
-"Dat was een vreempje," merkte Per op; "hij kende den oude niet, anders
-had hij den snavel wel toegehouden. Morgen ochtend zal 't hem rouwen,
-want, geloof me, de oude weet hem wel te vinden, en hij is niet malsch,
-als hij recht op zijn dreef is. Ik heb eens gezien, hoe hij een'
-stumper toetakelde, die 't gewaagd had hem tegen te klepperen."
-
-Terwijl hij dit zeide, schoot er over het open, verweerd gelaat van den
-jager een zeer eigenaardige glimlach, die scheen te zinspelen op eene
-of andere geheimzinnige historie. Want volgens de korte mededeeling,
-die de kapitein mij omtrent hem had gedaan, toen Per Sandaker op onzen
-tocht een ommezien achtergebleven was, moest hij zeer sterk zijn in
-vertellingen van heksevogels en aardgeesten, en mocht hij graag tot
-in de minste bijzonderheden vertellen van de achttien beren, die hij
-van zijn leven had geveld. Daarentegen zweeg hij liefst van 't even
-groote aantal, dat hij, naar booze tongen zeiden, had laten ontkomen.
-
-"Maar, wat is dat voor een' oude, daar ge van spreekt?" vroeg ik.
-
-"Dat zal ik u zeggen," viel de kapitein haastig in, terwijl wij
-den weg naar den saeter insloegen. Klaarblijkelijk vreesde hij,
-dat mijne overijlde en ontijdige vraag, na zoo korte kennismaking,
-Per wantrouwend zou maken en hem een slot op den mond leggen. "Dat
-zal ik u zeggen," herhaalde hij. "Daar is een oude boschhaan in deze
-buurt, die bij alle jagers uit den omtrek als een toovervogel bekend
-staat. Ze noemen hem den "blater"; want in plaats van zich rustig
-op een' tak neer te zetten, vliegt hij dikwijls rond tusschen
-de boomtoppen, blatende als eene geit. Eerst wanneer hij deze
-manoeuvre heeft uitgevoerd, zet hij zich neder om te klepperen en
-te slijpen. Maar daardoor ook mist elk het rechte oogenblik om hem
-onder schot te krijgen. Hij gebruikt intusschen nog een' tweeden
-kunstgreep, die veel erger is. Soms zit hij vreedzaam te klepperen,
-maar als men denkt dat hij zal gaan slijpen, vliegt hij op eens naar
-een' anderen boom. En brandt men eindelijk los, dan wil 't schot nooit
-treffen. De oude Per heeft met zout en zilver op hem geschoten, maar,
-stoven hem ook de veeren, hij sloeg er even weinig acht op, als op een
-saluutschot. Den volgenden morgen zong hij even snel en even valsch."
-
-"Ge zoudt even goed op een' steen kunnen mikken," zeide Per op den
-toon der volste overtuiging. "Eens trof ik hem aan in den paartijd,
-op de vlakten ginds bij Kloppen, midden op den weg, die naar Skoug
-leidt; daar zat hij met eene gansche schaar hennen om zich: ik telde
-er wel zeven, en nog veel meer zaten er in het bosch; achter iederen
-struik hoorde men ze kakelen. En de zeven vlogen om hem heen en rekten
-den hals naar hem uit en deden alle moeite om hem te lokken; maar hij
-bleef statig zitten, zoo trotsch als een spaansche graaf. Eensklaps
-steekt hij den staart op, keert zich om, laat de vleugels om de pooten
-sleepen, en springt wel drie voet van den grond. Ik wist toen nog niet,
-dat het de oude was, anders had ik hem dadelijk zijn deel gegeven; nu
-had ik er plezier in naar hem te kijken. Nauwelijks heeft hij zijne
-hen uitgekozen, of daar komt een andere boschhaan--niet half zoo
-groot--neerstrijken en werpt zich op hem. Toen ving de grap aan! De
-oude stak den staart in de lucht, zijne kam stond rechtop als eene
-torenspits, en hij klepperde met den snavel, dat het overal weerklonk,
-en de ander antwoordde hem niet minder krachtig--die was ook voor
-geen kleintje vervaard! De oude vloog hem in de veeren, en snavels
-en vleugels sloegen tegen elkaar, dat het een' aard had. Plotseling
-sprongen ze beide op en tegen elkander in, en staken met den snavel
-en scheurden met de pooten en sloegen met de vleugels en maakten
-'t zoo bont, dat geen van tweeën meer wist, waar hem de kop zat;
-makkelijk had ik ze met de handen kunnen grijpen. Maar ten slotte
-kreeg de oude de overhand; hij sloeg en havende zijn' vijand, tot
-deze het uitgierde van pijn. 't Was zonde van 't wakkere hoen; de
-oude wist het onder te krijgen en drukte het tegen den grond, tot het
-beest half dood vlak voor mijne voeten kwam rollen. Ik legde aan en
-'t hoen lag geveld; maar de oude bleef bedaard zitten en verroerde
-zelfs de vleugels niet. Ja, zoo, dacht ik, ben-je zoo zeker van je
-zaak, dan zal ik je gauw anders leeren. Ik laadde op nieuw, legde aan,
-maar op eens vloog hij op en was verdwenen--maar 'k zal nooit een'
-enkelen vogel meer schieten, als hij verder dan tien schreden van
-mij af was geweest! Een andermaal was ik weer hier op den berg en
-hoorde hem 's avonds zijne slaapsteê opzoeken. Op een' tak van eene
-oude spar zette hij zich neder. Ik ging er in 't holste van den nacht
-heen, lang vóór een enkele vogel in het bosch ontwaakt was. En toen
-hij nu begon te balderen, ontbrak er geklepper noch geslijp aan, en
-rustig bleef hij zitten. Toen hij voor de vierde maal zich deed hooren,
-naderde ik--hij zat een eindweegs in het bosch. Nu zul-je mijn worden,
-dacht ik, want ik had een zilveren tweeschellingstuk half doorgesneden
-en daarmee mijn geweer geladen. Maar ja wel, toch was 't mis. Toen
-ik losgebrand had, zag ik hem nog even snel wegvliegen, schoon de
-veeren er afvlogen. Daar is niets, dat vat heeft op dien kerel!"
-
-"Toch zullen we hem morgen zoeken beet te nemen, Per; we weten nu,
-waar hij zit," zei de kapitein met een spottend lachje.
-
-"Ja, als er niet één vogel meer in 't bosch was," antwoordde Per,
-half boos. "Wil de kapitein hem naloopen, best--maar ik verspil
-geen korrel kruit meer aan hem. Want één ding staat vast," ging hij
-trouwhartig voort, "zulk balderen heeft nooit iemand meer gehoord. En
-dan zoo'n vogel! Kijk, 't is het wonderlijkste dier, dat ik ooit
-zag. Hij is niet eens geschapen als een ordentelijke boschhaan,
-want hij is stellig anderhalf maal zoo groot, ja, dat is hij zeker."
-
-"Ge hebt gelijk, Per, 't is een oude bedrieger, die geen schot
-kruit waard is," zei de kapitein. "En zijn vleesch is wis zoo taai
-en droog als de dennetak waarop hij zit te balderen. Intusschen zou
-'k hem toch met plezier zien neertuimelen; dan kwam er een eind aan
-dat wonderlijk geklepper, waardoor hij ons zoo vaak bij den neus heeft
-gehad. Ik ben hem dikwijls achtervolgd, zonder dat ik iets van zijne
-manoeuvres begreep. En een paar malen heb ik zelfs op hem geschoten,
-maar op zoo grooten afstand, dat ik hem onmogelijk kon treffen. 't
-Is inderdaad, zooals Per zegt, een wonderbare vogel," voer hij voort;
-"maar," voegde hij er bij, met een' wenk, dien ik alleen kon opvangen
-en die zijn streven verried om Per aan 't vertellen te krijgen,
-"als we op den saeter zijn, zal ik een geval vertellen, dat ik gehad
-heb met een betooverd haas, dat nog veel krommer sprongen maakte dan
-onze boschhaan."
-
-Weldra hadden wij de eenzame saeterhut bereikt, waar de knaap,
-die ons vergezelde, reeds vroeger was aangekomen. Op last van den
-kapitein had hij voor luchtverversching gezorgd en een flink vuur
-op den haard aangelegd. Toen we onze geweren hadden neergezet, de
-weitasschen afgelegd, en ons te goed gedaan aan de voortreffelijke
-proviand van den kapitein, begon deze met zooveel ernst in uiterlijk
-en toon als hem mogelijk was te vertellen van het betooverde haas.
-
-"Toen ik nog luitenant was, had ik in zekeren zomer exercitie op
-Toten. Ik had honden bij mij om op de jacht te kunnen gaan. Eens
-op een' achtermiddag stond ik in de keuken gereed om te gaan jagen,
-toen een der knechts binnentrad."
-
-"Zijn er veel hazen hier in den omtrek?" vroeg ik.
-
-"Dat gaat wel," antwoordde de knecht. "Maar op de vlakte van Sukkestad
-loopt een oude schelm; al heel wat honden en jagers hebben hem
-nagezeten, maar 't baat niet, want hij is niet te vangen!"
-
-En bedenkelijk schudde hij het hoofd.
-
-"Is hij niet te vangen? Wat is dat voor geleuter? Er zal hier wis
-niet één ordentelijke hond zijn. Als mijne hazewinden maar de lucht
-van hem krijgen, dan zullen we eens zien," zei ik en klopte mijne
-beesten op den rug, die vol jachtlust aan het zeel trokken.
-
-"Ja wel! We zullen zien," zei de knecht met een' ongeloovigen
-grijnslach.
-
-Onmiddellijk toog ik naar de vlakte van Sukkestad, en nauwelijks
-had ik de honden losgelaten, of het haas kwam voor den dag. Nu ging
-'t er op los; maar elk oogenblik was het verdwenen, en de honden
-noch ik konden er vat op krijgen. Een tijd lang duurde dit spel;
-eindelijk verschool het zich in het kreupelhout. Ik zocht overal--daar
-verscheen 't weer; ik schoot en schoot, maar 't baatte niets. Nu zette
-'t zich bij eene jonge spar neder, tachtig schreden van mij af. Weer
-brandde ik los, ik trof en liep heen om het op te rapen; maar toen ik
-bij de spar kwam, was er geen haas te zien: ik vond niets dan een'
-stok en eene huid. Toen ik den volgenden dag mijn geweer reinigde,
-kwam de knecht op mij toe.
-
-"Hoe is het gegaan met het haas, luitenant?" vroeg hij, terwijl hij
-een' spottenden glimlach niet kon weerhouden.
-
-Ik vertelde hem het geval.
-
-"Al heel wat honden en jagers hebben hem nageloopen; maar hij is niet
-te vangen, geloof mij," zei hij op nieuw op geheimzinnigen toon. "Gij
-maakt uw geweer schoon, maar 't zal u niet baten, zou ik meenen;
-hij weet zijn lijf wel te bergen."
-
-"Maar voor den drommel, wat steekt er dan achter met dat haas; heeft
-kruit noch lood er dan vat op?" vroeg ik.
-
-"Wel mogelijk," antwoordde hij; "laat me u zeggen, dat het een
-betooverd haas is; maar wat gij gisteren gezien hebt, was slechts zijn
-dubbelganger; want zelf verschuilt het zich nooit. Wil ik u een' goeden
-raad geven? Neem een' worm--ik zal er wel een voor u zoeken--doe dien
-in den loop van uw geweer en schiet het af, dan kunnen we probeeren,
-of kruit en lood vat op het haas kunnen krijgen."
-
-Ik volgde zijn' raad; hij bezorgde mij een' levenden worm, dien ik
-in den loop wierp; ik legde aan op den wand, en--daar was niets te
-zien dan eene vochtige plek.
-
-Eenige dagen daarna zwierf ik over de vlakte van Sukkestad. 't Was
-vroeg in den morgen. Pas had ik mijne hazewinden losgelaten, of daar
-verscheen weer het haas. Ditmaal gaven de honden niet het minste
-geluid; in volle vaart vlogen ze het haas na, en nog geen half uur
-was er verloopen, of daar kwam 't over de vlakte huppelend recht op
-mij af. Ik lei aan en schoot. 't Viel dood op de plek neer en bleek
-een groote oude rammelaar, vol litteekens en schrammen; de helft van
-'t eene oor was het kwijt."--
-
-"Van zulk een haas heb ik ook eens hooren vertellen," zeide Per,
-die met de grootste opmerkzaamheid het verhaal van den kapitein
-had gevolgd. "Het hield zich hier in Holleia op, naar den kant van
-Granbo; men vertelde mij, dat het bijna pikzwart zag. Menigeen had het
-nagezeten en er op geschoten, maar niemand wist er raad voor, behalve
-Sara-Anders. Hij velde het; maar--hij is ook een kerel uit duizend!"
-
-"Dat geloof ik wel," zei de kapitein, terwijl hij den knevel
-opstreek. "Hij staat overal voor een stout jager te boek. Maar, zeg
-eens, Per, was hij 't ook, die dat betooverde haas bij Christiania
-schoot, waarvan ge vroeger verteld hebt?"
-
-"O, ja, dat 's waar ook! Neen, dat was een jager, daar uit den omtrek;
-Brandte-Lars, heette hij. Gij zult hem wel kennen," voegde hij er bij,
-zich tot mij wendende.
-
-Neen, ik kende hem niet.
-
-"Hé, kent gij hem niet? Hij woont toch in een hutje aan den voet van
-den berg, vlak bij Greffen. Ik heb hem eens aangetroffen in Halland,
-terwijl hij met een stuk of wat groote heeren uit de stad op de jacht
-was. 't Was een rare sijs, maar een kerel van een' jager. Op een haas
-miste hij zelden of nooit, en een' vogel schoot hij in de vlucht,
-zoo goed als de kapitein. Maar we praatten daar over een haas. Dat
-geval heeft hij me verteld, en nog veel meer.
-
-"Eens moest ik, zoo verhaalde hij, met de honden van den ouden
-Simensen, op de Kleine Markt, uit, om wild te bezorgen. Hij
-had drie honden; de eene heette Rapp; dat was er een, waar de
-aardgeesten hoegenaamd geene macht over hebben, want zijn haar was
-rood; nu, de andere twee waren ook brave honden, waarachtig! 't
-Was op een' Hemelvaartsdag, 's morgens; ik sloeg den weg in naar
-Linderud-saeter. Eensklaps stoof Rapp heen; hij maakte een leven,
-dat iemand hooren en zien verging. Ik vatte post op eene hoogte. 't
-Duurde niet lang, of daar vluchtte een haas vlak langs mij heen. Ik
-schoot, maar 't was mis, en Rapp stoof het weer na. Na eene korte poos
-vloog het me weer voorbij; ik zag dat het over den rug pikzwart was,
-en op nieuw schoot ik mis.
-
-"Maar, voor den duivel, wat beduidt dat, waarom doen de andere honden
-niet mee?" zeide ik; "want Rapp alleen vervolgde het haas. 't Zit
-niet richtig hier. Maar nog eens geprobeerd. En voor de derde maal
-schoot ik, en voor de derde maal was 't mis, en de beide andere honden
-stonden er bij, maar ze verroerden geen' poot. Maar toen heb ik den
-haan en het lood gezegend," zeide hij.
-
-"Hoe deed hij dat?" vroeg ik.
-
-"Vertel het maar, Per," zei de kapitein.
-
-"Ja, hij wou er eerst niet voor uitkomen," antwoordde Per, "maar
-toen ik hem een paar borrels en eene rol tabak had gegeven, vertelde
-hij het."
-
-"Dan neemt ge een stuk bast van een' sorbeboom," zeide hij, "dat
-legt ge tegen den haan, en dan schraapt ge drie spaantjes zilver van
-een' schelling; maar 't moet een erfstuk zijn, een van de echte oude
-munten, die mee geweest zijn in den oorlog; dan schraapt ge driemaal
-den nagel van uw linker pink af, neemt daarna drie gerstekorrels, of,
-hebt ge die niet, drie broodkruimels, en stopt dat alles in uw geweer,
-dan moet alles dood, wat ge onder schot krijgt, al ware 't de duivel
-zelf," zeide hij. "Dat deed ik ook dien keer bij Linderud-saeter,"
-zei hij, "en toen het haas voor de vierde maal verscheen, schoot
-ik en--daar tuimelde het waarachtig neer," zei hij. "En wat was
-het? Een klein, mager beestje, zwart van ouderdom. Ik nam het op
-en hing het bij de achterpooten aan een' berk en begon het villen,
-maar de Heere bewaar' me," zeide hij, "het bloedde als een jonge os,
-en mijne hazewinden lekten het bloed van den grond. Ik nam het mee,
-maar hoe ik liep, telkens liep ik verkeerd, en altijd bloedde het
-beest; tweemaal kwam ik weer bij denzelfden berk te land. 't Is of
-daar de drommel mee speelt, dacht ik"--zei hij--"ben ik hier dan
-niet zoo goed bekend als thuis? Maar, als 't eenmaal tegenloopt,
-dan loopt alles tegen. Ik dacht bij mezelven: ik zal de honden den
-weg laten vinden, en dat deed ik; maar, zooals ik een' hoek omsla,
-daar zie ik bestemoer staan! Waarachtig, daar stond ze bij een'
-kleinen berk, bovenop een' heuvel, met eene huif op het hoofd, een
-jak en een' zwarten rok aan 't lijf; ze leunde op een' stok en zag
-er precies uit als elke andere vrouw."
-
-"Lars," sprak ze, "ge hebt heel wat hazen van me gekregen, want ik
-mocht je wel lijden. Maar mijn saeterhaas had-je nu moeten laten
-loopen. Had-je rooden Rapp niet gehad, je zoudt het ook niet hebben
-gevangen."
-
-"Ik gaf taal noch teeken weerom," zei Lars, "maar toog over het
-marschland van Maerre naar Bamsebraaten. Daar liet ik de honden
-los. Blaffend vloog Rapp heen en de andere hem na; ik luisterde
-een oogenblik, of ook zij zouden blaffen, want 't ging weer naar
-Linderud-saeter en ik was niet op mijn gemak. En ja wel, daar hoorde ik
-ze alle drie; nu wist ik, dat ze een echt haas nazaten. 't Duurde eene
-heele poos, maar eindelijk kwam het haas toch aanzetten. 't Stampte
-over den heuvel als een jong veulen, en toen ik 't in het oog kreeg,
-leek het wel zoo groot als een geitebok. Ik schoot en trof. Nu ging
-ik zuidwaarts naar 't Alunmeer. Daar vlogen mijne beesten weer heen,
-en in dollen ren ging het op nieuw naar Linderud-saeter. Want daar
-moesten ze nu eenmaal wezen. Eindelijk--'t duurde lang--kwamen ze
-terug. Weer trof ik. Nu had ik er drie en dacht: beste Lars, zoo is 't
-genoeg voor vandaag, en ik ging naar huis en hing ze op in den kelder
-van Simensen. Maar 'k mag zelf zwart worden, als dat kleine zwarte ding
-geen drie dagen lang bloedde, zoodat de kelder half vol bloed stond."
-
-"Ge zeidet straks, dat hier in Holleia een tooverhaas moet zijn
-geweest,--'t gerucht wil ook, dat er een groote schat aan edel metaal
-hier in de bergen steekt. 't Zou niet kwaad zijn, daar wat van machtig
-te worden, wel, Per?" zei de kapitein, die nog meer vertellingen los
-wou krijgen.
-
-"Kom, wat zou de kapitein daarmee doen?" antwoordde Per
-hoofdschuddend. "Ge hebt geld genoeg. Een' armen stakker zou 't goed
-komen; maar geloof me, men mag er gerust afblijven."
-
-"Ik vind 't toch vreemd, dat ge er nooit naar gezocht hebt," ging de
-kapitein voort.
-
-"Och, wat zou dat gebaat hebben?" vroeg Per. "Om in de bergen te
-wroeten en te spitten, zooals oude Jon Haugen door heel Holleia deed,
-daar houd ik niet van."
-
-"Daar zijn andere middelen om rijk te worden," sprak de kapitein met
-een' geheimzinnigen wenk. "Als ge eens goede vrinden werdt met de
-bergwijven? Je waart in je jonge jaren waarachtig geen onknap kerel,
-Per Sandaker! Wie weet, waar je geluk had gelegen."
-
-"Ha, ha, ha!" lachte Per, kennelijk ingenomen met den lof, schertsend
-door den kapitein aan zijn uiterlijk gegeven. "'k Heb er nooit wat
-van geloofd, want ik heb nooit berggeesten of Huldren gezien."
-
-"Maar er heeft toch in den ouden tijd een bergwijf in Holleia gehuisd,"
-zei de kapitein.
-
-"Bah, niets dan kinderpraat. Men heeft 't mij ook meermalen verteld,
-maar een zot, die 't gelooft," antwoordde Per.
-
-"Ja, maar gij kunt ons dan toch wel op de hoogte daarvan brengen;
-ge hebt hier toch zoolang rondgezworven. Vertel ons eens, wat ge
-daarvan weet; deze stadsman is verzot op zulke histories."
-
-"Zoo? Nu, ik kan 't wel vertellen, maar gelooven doe ik het niet,"
-verzekerde Per nogmaals en begon:
-
-"Ten zuiden van den Hollei-top--ze noemen 't tegenwoordig Holleia,
-tusschen Tyristrand en het Sognedal," merkte hij op tot onderricht voor
-mij--"zijn er twee bergspitsen, de Groote Spits en de Kleine Spits;
-hier, waar ge zit, kunt ge nog even den hoogsten top om het bosch
-heen zien. En daar zit zooveel goud en zilver in die bergen, dat er
-geen eind aan komt, zooals men zegt. Maar niemand durft er aankomen,
-want er huist een oud bergwijf in. Alle schatten zijn haar eigendom
-en zij bewaakt ze als een draak, zeggen de lui. Nog veel rijker is
-zij dan de koning van den Kongsberg; want eens, toen er heel veel
-zilver uit den Kongsberg was gehaald, kwam de koning naar buiten en
-zei tegen de gravers:
-
-"Neen, nu kan ik jelui niet langer beneden dulden, want als je zoo
-voortgaat, houd ik niets over. Je plundert me geheel uit. Gaat nu
-maar naar mijne zuster, Guri Knutan in Holleia, die is tienmaal rijker
-dan ik."
-
-"Dus is Guri Knutan ook de zuster van den Egeberg-koning," merkte
-ik op.
-
-"Den Egeberg-koning? Wat is dat voor een? Is die misschien uit
-Christiania?" vroeg Per.
-
-Ik vertelde hem nu de sage omtrent den koning van den Egeberg en zijn'
-uittocht in 1814.
-
-"Ja, zoo; ja, die was dan een broer van 't wijf, daar ik van sprak,"
-zei Per trouwhartig.
-
-"Ik heb ook wel hooren vertellen van een'," ging hij voort, "die
-zijne bergwoning verliet, omdat hij het schieten en geraas niet
-kon uitstaan. Maar die hoorde in dezen omtrek thuis. Of dat nu de
-man van deze Guri was of een ander, dat weet ik niet, maar 't moet
-ook een van de lui zijn geweest, die in de bergen huizen en daar
-hunne schatten hebben opgestapeld. Dat ging zóó toe. In den tijd,
-toen men de eerste groeven ontgon in Skoug-marken, woonde er eene
-vrouw bij de Langesjö-beek, die tusschen 't Sognedal en Tyristrand
-stroomt. Die vrouw heette Rönnau en daarom noemde men haar Rönnau
-Skougen. Omstreeks St. Jan, 's morgens in de vroegte, wiesch ze kleeren
-in de beek en zag op eens een verbazenden hoop zilveren voorwerpen,
-borden en schotels, lepels en vorken en allerlei keukengeraad; al
-die dingen lagen op den bodem der beek en blonken en schitterden
-in de zon onder het water. Op 't gezicht van al dien rijkdom werd
-ze als betooverd; ze ijlde naar huis, om eene mand te halen, ten
-einde daar alles in te bergen. Maar toen ze terugkwam, was alle
-pracht en pronk verdwenen. Zelfs geen blanke zilverschelling was
-overgebleven; ze bespeurde niets dan het heldere water, dat met
-zilveren weerschijn over de steenen huppelde. Eene poos later begon
-men daar in Skoug-marken de kopergroeven te ontginnen; toen was er
-voortdurend zulk een verschrikkelijk geklop en gehamer, zulk een
-vervaarlijk leven, dat iemand hooren en zien verging. Op zekeren
-avond, laat, ging Rönnau van de beek naar huis. Daar ontmoette ze een'
-stevig man op een groot, zwart paard. Voor hem uit gingen karren met
-allerlei goederen en kudden zwijnen en ander vee.
-
-"Goeden avond, Rönnau," zeide de man, "ik ga weg."
-
-"Dat zie ik, vader, maar waarom?" vroeg Rönnau.
-
-"Och, ze houden zoo vreeselijk huis in de groeven, dat mij 't hoofd
-er schier van berst. Ik kan 't niet langer uitstaan; daarom trek ik
-naar mijn' broeder in Thelemarken. Maar hoor eens, Rönnau," zeide hij,
-"waarom woudt ge juist al mijn keukengeraad hebben, toen ge zooveel
-zilver op den bodem der beek zaagt liggen? Hadt ge u tevreden gesteld
-met zooveel als ge in uw' schoot kondt bergen, dan ware 't u niet
-ontgaan!"
-
-"Sinds dien tijd," zeide Per, "heb ik, noch iemand, iets dergelijks
-gehoord of gezien, 't zij ze inderdaad zijn gevlucht of zich schuil
-houden. Want ze durven zich niet meer vertoonen, nu de menschen niet
-meer aan hunne duivelskunsten gelooven."
-
-"Daar zegt ge eene grooter waarheid, dan gij zelf vermoedt, beste
-Per," viel de kapitein uit. "Menschen, die voor wijzer doorgaan dan
-gij of ik, zeggen precies 't zelfde. Intusschen moogt ge er wel wat
-van vertellen."
-
-Op herhaald aandringen van den kapitein kortte Per ons den ganschen
-nacht den tijd met sagen, sprookjes en jachtvertellingen. Af en toe
-gaf ook de kapitein een jachtavontuur ten beste, waarin meestal eene
-vrij duidelijke zinspeling voorkwam op Per's ongelukkige berenjachten;
-deze zette dan zijn gezicht in de onnoozelste plooi en krabde zich
-achter het oor. Soms ook kneep hij schalks het eene oog toe en zeide:
-"Die was voor jou, Per Sandaker, steek hem in den zak."
-
-Tegen middernacht legden we ons op een paar banken aan den haard ter
-rust en genoten een' korten sluimer. Toen wij ontwaakten, zeide Per,
-dat het tijd was te vertrekken. 't Was tamelijk koud; de sneeuw was
-door de vorst hard geworden en kraakte onder onze voeten. De lucht
-was donkerblauw en zoo helder, als men op een' voorjaarsdag slechts
-verlangen kon; eenige witgekleurde wolken, die zachtkens uit het zuiden
-kwamen aandrijven, spelden de kilheid des nachts een spoedig einde.
-
-De maan stond dicht aan de kim. In stede van ons pad te verlichten op
-den nachtelijken tocht, wierp zij slechts haar' vriendelijk schijnsel
-op de toppen der bergen en boomen in 't verschiet; tusschen de sparren
-heerschte een geheimzinnig half-donker, dat de schaduwen tot in 't
-oneindige verlengde, allerlei fantastische vormen schiep tusschen de
-stammen, en het bosch dubbel verlaten, eenzaam en huiveringwekkend
-deed zijn.
-
-Alleen het roodborstje brak met zijne zachte tonen de doodsche stilte
-des wouds.
-
-"Daar zingt de vogel, die 's morgens 't eerst ontwaakt," zeide Per. "Nu
-zal 't niet lang meer duren, of er komt leven in het bosch; we mogen
-ons wel wat haasten."
-
-"We hebben nog tijds genoeg, beste Per," sprak de kapitein;
-"het bosschhoen paart het liefst op de hoogten tusschen ons en het
-Löndal-moeras, en ik denk, dat er niet veel van 't minnespel zal komen;
-het is te koud."
-
-"Straks wordt het zachter," antwoordde Per op stelligen toon. "De
-wind loopt zuidelijk en 't paren zal te drokker gaan, naarmate de
-vorige nachten kouder zijn geweest. We krijgen nog een' heerlijken
-zonneschijn. Hoor maar, hoe vroolijk de houtsnip kweelt! Zij verwacht
-mooi weer. En daar hoor ik de watersnip. Ja, wis wordt het goed weer,"
-besloot hij op den toon der overtuiging.
-
-Wij vernamen nu het eigenaardig geluid der houtsnip, niet ongelijk
-aan 't herhaald gekwaak van een' kikvorsch, gevolgd door een scherp,
-snijdend gefluit, en zagen bij de zwakke stralen der ondergaande
-maan de eene schaduw na de andere over de boomtoppen glijden. Wij
-hoorden het onaangenaam geblaat van de watersnip of het bokje, nu
-eens nabij, dan weer ver weg, nu eens hoog in de lucht, dan weder
-vlak boven ons, nu plotseling, naar 't scheen, aan ons oor, dan van
-allen kant, zonder dat we den vogel zelf echter in 't oog konden
-krijgen. Op eens overstemde de wilde, doordringende kreet van den
-reiger alle andere vogelen. 't Was of een schrik allen beving, want
-eensklaps zwegen ze en de plotselinge stilte deed ons zijn geschreeuw
-nog onaangenamer in de ooren klinken. Daar hief de leeuwerik zijn
-helder, vroolijk morgenlied aan, dat in den nachtelijken schemer aan
-'t rijzende daglicht deed denken en een blij contrast vormde met de
-spookachtige vlucht en 't krijschend geluid der nachtvogels.
-
-"Daar luidt reeds de klok voor de boschhoenders," sprak de kapitein;
-"als de leeuwerik zijn lied aanheft, begint de boschhaan zijn'
-morgenpsalm te zingen op den tak. Laat ons hier nu een weinig toeven;
-we zijn niet ver meer van de vogels, die gisteren 't laatst zijn
-aangekomen. Als we dichterbij kwamen, zouden wij ze licht verjagen."
-
-Nadat er luttel minuten waren verloopen, hoorden wij een' vogel op
-een paar honderd schreden van ons af.
-
-"'t Zou me verwonderen, als dat niet de kerel was, waar 'k van sprak,"
-zeide Per. "Stellig zal hij boeten; de oude pleegt niet kort van
-memorie te zijn."
-
-De kapitein liet mij de keus, of ik naar den kant wilde gaan vanwaar
-wij 't geluid hoorden, of meer noordop, waar hij onderstelde, dat
-jonge vogels genesteld waren. Ik koos het eerste. De kapitein trok
-noordwaarts. Per en ik slopen zachtkens in de richting, waar wij 't
-geluid hadden vernomen, en zochten met de uiterste behoedzaamheid de
-sneeuw en de krakende takken te vermijden. Toen wij voor 't eerst weer
-het eigenaardig geslijp hoorden, hielden we ons een ommezien stil,
-maar onder elk volgend slijpen, onmiddellijk na het geratel, kwamen
-wij twee, drie schreden nader. Onder het ratelen zelf stonden we
-natuurlijk onbewegelijk. Nadat we zoo den boom, waarin de boschhaan
-zat, tot op veertig of vijftig schreden waren genaderd, hoorden
-wij, dat een vogel met veel geraas daarheen vloog en zich op een'
-tak neerzette. 't Klepperen der snavels en 't slaan met de vleugels
-verkondigde, dat de oude het voorspelde vijandelijk bezoek bij zijn'
-vreemden medeminnaar aflegde. Onder den strijd sprongen wij eenige
-passen vooruit; krachtige vleugelslagen bewezen ons spoedig, dat de
-oude eene gemakkelijke zege behaald en den vreemden indringer op de
-vlucht had gejaagd. Een ommezien was 't stil; daar kakelde een wijfje
-en dadelijk begon de boschhaan te balderen; hij klepperde en gorgelde,
-maar nauwelijks hadden we den voet opgelicht om naderbij te springen,
-of hij sloeg de vleugels uit en vloog naar een' anderen boom, waar
-zijn hernieuwd gebalder ons scheen uit te lachen.
-
-"Ik wist het wel," zeide Per wrevelig. "De oude is weer bezig. 't
-Baat niets ter wereld, hem te vervolgen; men zou even goed jacht
-kunnen maken op eene wolk bij stormweer. Laat ons verder noordop
-gaan, daar zitten verscheiden vogels; licht is er één onder, die
-den bek durft opendoen, schoon ze alle bang zijn voor dat ondier,
-dat de duivel hale!"
-
-"Weet ge, waar de oude pleegt te paren?" vroeg ik.
-
-"Ja, dat weet ik wel," antwoordde Per. "Hij paart altijd in eene
-spar op een' kleinen heuvel, hier beneden ons; maar ge krijgt hem
-daar toch niet onder schot, want de spar is veel te hoog."
-
-"Daar moeten we heen," zeide ik; "maar we kunnen eerst wel wat
-noordwaarts gaan."
-
-We trokken een eindweegs in de voorgenomen richting, voorbij een'
-reusachtigen steen, dien Per Mjölne-Ragnhild noemde, langs den
-zuidelijken zoom van 't Löndal-moeras. Doch we hoorden geen' enkelen
-vogel. Per Sandaker begreep volstrekt niet, waar ze mochten gestoven
-zijn, maar kwam eindelijk op het vermoeden, dat het gevecht van den
-oude met het vreemde hoen ze alle had verjaagd. Reeds begon 't te
-dagen, toen wij een schot hoorden in het noorden op den Sandtjaernberg,
-waar Per vertelde, dat de kapitein en hij hun aas plachten neer te
-leggen, wanneer ze op de berenjacht waren en vanwaar men spoedig
-'s mans saeter en zijne woonplaats in 't Sognedal kon bereiken. Een
-oogenblik later hoorden wij een tweede schot, dat, naar Per verzekerde,
-evenals het vorige uit de buks van den kapitein kwam. Terwijl wij
-over 't moerasland naar de aangewezen spar gingen, waarheen Per
-mij met tegenzin volgde, kon hij niet langer zijne ergernis over
-onze ongelukkige jacht verkroppen, maar mompelde bij zich zelven:
-"Alles kruit verspillen--neen, neen--de kapitein--dat 's eerst een
-kerel--hij heeft er al een--twee misschien--Sara-Anders was het
-niet--neen, stellig kwam 't van den kapitein."
-
-"Troost je, Per," sprak ik. "Als 't ons eens lukte, den oude te
-schieten? Die is meer waard dan alle andere te zamen."
-
-"Dan moest ge een duizendkunstenaar zijn," antwoordde Per. "Maar hij
-is te slim en geen kruit kan hem deren, geloof mij."
-
-Toen wij, het bevroren moeras over, den heuvel hadden beklommen,
-deed ik, met 't oog op de moeite, die 't kon inhebben, den vogel te
-treffen, wanneer hij naar alle waarschijnlijkheid zich in den top der
-spar nederzette, de hagelkorrels uit mijne buks en laadde op nieuw
-met een hagelpatroon, van ijzerdraad omwoeld. Per ontging dit niet,
-maar hij schudde het hoofd en merkte twijfelend op:
-
-"Ge meent zeker, dat dit helpen zal!"
-
-"We zullen zien," antwoordde ik even kortaf.
-
-De heuvel, waarop wij ons bevonden, lag als een eilandje midden in het
-uitgestrekte moeras. Op den top verhief zich de spar, een ontzettend
-hooge mastboom, vol knoesten van afgehouwen takken. Aan den oostkant
-stond eene andere, die wis even reusachtig was geweest, maar zich thans
-over 't moerasland heen kromde; de stormen hadden zijn' top vernield,
-slechts de onderste, bijna naakte takken waren overgebleven en strekten
-zich als forsch gespierde reuzenarmen naar den helderen hemel uit. De
-zon was opgekomen; zij verguldde de bergruggen en wierp haar' glans
-op de donkere pijnbosschen. Maar nog lag 't Skjaersjö-moeras, dat
-zich naar 't zuiden uitstrekte, zoover het oog kon reiken, in donkere
-schaduwen gehuld. De houtsnip, het bokje en alle nachtvogels waren
-ter rust gegaan; de vroolijke boschzangers daarentegen deden in den
-klaren morgenstond hunne jubeltonen weerklinken, de sparrevink liet
-zijn' eentonigen slag hooren, beukvinken en winterkoninkjes kweelden
-boven ons hoofd, de boschhanen balderden lustig, de lijster zong
-uit volle borst spotliedjes op al zijne makkers, doch viel soms ook
-plotseling in 't sentimenteele en kweelde zacht en zoetelijk eenige
-weemoedige strofen. Aan gene zijde van 't moeras zat een boschhaan
-uit alle macht in een' boomtop te balderen. Eenige hennen trachtten
-hem al kakelend tot zich te lokken en deden een heesch neusgeluid
-hooren, dat den woudgangers even liefelijk in 't oor moest klinken,
-alsof bestemoer ons de jonge liefde en de teedere aandoeningen harer
-kleindochter wilde vertolken.
-
-Wij stonden in 't dichte kreupelhout op den kleinen heuvel verborgen
-en verwachtten elk oogenblik den vermaarden boschhaan. Maar de oude
-verliet noode zijn' harem. Eindelijk, toen de zonnestralen den top der
-spar beschenen, kondigde het gesuis van zware vleugelslagen zijne komst
-aan, doch hij zette zich niet, zooals we hadden vermoed, in den hoogen
-boom boven ons hoofd, maar in de toplooze spar, die over 't moerasland
-helde. 't Was inderdaad een prachtige vogel, een stout kampioen, zooals
-hij daar op den naakten tak zat, met zijne glinsterende, lichtgroene
-borst, schitterend in den zonneschijn. Eene hen vloog hem na en zette
-zich in den top boven ons. Op 'tzelfde oogenblik maakte de oude zich
-tot het spel gereed, hief de keelvederen omhoog, liet de vleugels
-over de pooten vallen, deed onder golvende bewegingen met den hals
-statig eenige schreden voorwaarts op den tak en begon te balderen,
-waarbij hij den breeden staart uitsloeg als een rad. Ik stond met den
-vinger tegen den haan en wachtte gespannen het beslissend oogenblik,
-dat hij zijne vleugels ter vlucht zou uitspreiden; de groote vlakte,
-die zich voor ons uitstrekte, schonk mij voortreffelijk gelegenheid
-tot een zeker schot. Maar onder 't gekakel der hen balderde de oude
-lustig door en was reeds op nieuw met zijn geratel begonnen, toen er
-een tak kraakte onder mijn' voet. De hen stiet een scherp, waarschuwend
-geluid uit; maar de oude was thans zoozeer in vervoering, dat hij den
-welmeenenden raad in den wind sloeg en voortging met slijpen, tot zijne
-trouwe minnares hare rustplaats verliet, hem te gemoet vloog en hem
-van den tak naar beneden scheen te willen stooten. Opmerkzaam geworden
-op hare waarschuwing, bereidde nu ook hij zich ter vlucht. Maar mijne
-buks was gericht en, met den kop omlaag, stortte de trotsche vogel
-neder op 't moerasland. Zijn doodstrijd was licht; slechts een paar
-malen bewoog hij de vleugels.
-
-Per sprong heen en nam den vogel op; over zijn gelaat vloog eene
-schaduw van ontzetting, die echter spoedig plaats maakte voor een'
-blijden glimlach van bewondering. Hij schudde met het hoofd en zeide:
-
-"Neen, dat zou 'k niet geloofd hebben, al had de kapitein zelf
-'t gezeid, want 't is wel de rechte. Ik ken hem aan den bek: zoo'n
-gelen, krommen, mooien snavel heeft geen enkele vogel in den ganschen
-omtrek. Zie eens, hoe groen zijne borst is; hoe ze glinstert en
-glanst! En wat is hij stevig en zwaar!" voer hij voort, terwijl hij
-onder bijna kinderachtige uitbarstingen van blijdschap den vogel op
-de handen woog. "Ik lieg niet, als ik zeg, dat hij dertig marken
-weegt. Drommels, dat was een schot! Wat zal de kapitein in zijn
-schik zijn! Ho! ho, hierheen!" schreeuwde hij, dat 't overal tusschen
-de bergen weerklonk. Weldra verscheen de kapitein op 't marschland,
-gevolgd door den knaap, die zich met de honden bij hem had gevoegd. Zij
-droegen elk een boschhoen. Zegepralend hief Per onzen buit omhoog en
-riep reeds van verre:
-
-"Daar hebben we den ouden schelm, kapitein!"
-
-"Wat zeg-je, kerel?" riep deze en kwam vol drift naar ons toe. "Is
-dat de oude? Dat is een prachtig schot geweest; daar kan een hartige
-dronk op staan."
-
-"Vivant alle vogel-republieken, pereant de tirannen!" riep hij uit,
-toen hij de veldflesch en een' zilveren beker uit zijne weitasch had
-gehaald en ons eene teug bood.
-
-"Nu, heb ik niet gezegd, dat de kapitein schik zou hebben?" zeide
-Per lachend en grijnzend, terwijl hij, met de oogen knippend, eene
-stevige teug nam uit den beker, die hem werd gereikt. "Nu kan de
-jacht eerst goed worden, nu we dat duivelskind kwijt zijn."
-
-Nadat wij van weerszijden onze ontmoetingen hadden verhaald, werden de
-honden losgelaten. Vroolijk jachtgeroep weergalmde door 't woud. Weldra
-hadden wij dit bereikt, en nu ging 't voorwaarts met verlangen en
-lust. Duizendvoudig deed de echo het hondgeblaf weerklinken door
-'t gebergte, en 't hart zwol van vreugde bij de genotvolle jacht in
-den zonnigen morgenstond.
-
-
-
-
-
-
-
-EENE TOOVERHEKS.
-
-
-Een eind van den straatweg, midden in het Gudbrandsdal, lag voor eenige
-jaren op eene hoogte eene hut. Misschien ligt zij er nog. 't Was
-een zachte Aprildag; de sneeuw begon te smelten; de beken stroomden
-bruisend door de dalen; de velden werden zichtbaar; de lijsters
-sprongen van den eenen tak op den ander; alle bosschen waren vol van
-het gekweel der vogels: kortom, alles gaf hoop op eene voorspoedige
-lente. In den reusachtigen beuk en de hooge sorbeboomen, wier naakte
-takken zich boven 't dak der hut uitstrekken, hadden eenige meezen het
-verbazend druk, en een beukvink zat in den top van den beuk uit volle
-borst te zingen. Maar binnen in de berookte hut zag het er somber
-en armoedig uit. Eene boerin van middelbaren leeftijd, die er zeer
-gewoon en dom uitzag, was bezig het vuur aan te blazen, dat bestond
-uit eenige takken en ruwe stukken brandhout, die onder den koffiepot
-op den haard lagen opgestapeld. Toen haar dit zoo goed als gelukt was,
-stond zij op, wreef zich de rook en asch uit de oogen en sprak:
-
-"De lui zeggen, dat lood smelten niet baat, want het kind, zeggen
-ze, heeft de engelsche ziekte niet; het is een wisselkind. We hadden
-hier dezer dagen een' leerlooier, die dat ook zeide, want toen hij
-nog een jongen was, had hij in Ringebu eens zoo'n kind gezien, en
-dat was even mager en gebrekkig als dit."
-
-Terwijl ze dit zeide, las men op haar gelaat eene uitdrukking van
-bekommernis, die bewees, welk een' indruk de uitspraak van den
-leerlooier op haar' bijgeloovigen geest had gemaakt.
-
-De vrouw, tot wie zij 't woord richtte, mag omtrent zestig jaar zijn
-geweest en was grof van lijf en leden. Zij was buitengewoon groot
-van stal, maar terwijl ze zat, scheen ze eer klein dan middelmatig
-van lengte, en aan deze eigenschap had zij 't te danken, dat men
-bij haren naam Gubjör den scheldnaam Langpoot had gevoegd. Grijze
-haren kwamen onder hare muts vandaan, die een donker gelaat omlijstte
-met borstelige wenkbrauwen en een lange aan de spits sterk gekromde
-neus. De bekrompenheid van geest, die sprak uit het lage voorhoofd
-en het breede aangezicht, stond in lijnrechte tegenstelling met
-den onmiskenbaar listigen blik harer kleine, scherpe oogen en de
-terugstootende valsche trekken van haar rimpelig gelaat. Uit hare
-kleeding bleek, dat zij uit eene noordelijker streek afkomstig was;
-haar gezicht en geheel haar doen verrieden de tooverheks, of ten
-minste de landloopster, die, naar omstandigheden, nu eens stout
-en onbeschaamd, dan weer vleiend en kruipend kon zijn. Terwijl de
-boerin sprak en met het bereiden der koffie bezig was, hield Gubjör
-eene soort van hangmat, waarin een wicht van ziekelijk voorkomen lag,
-in beweging, door er nu en dan met de hand een' stoot aan te geven.
-
-Met vaste stem en op een' toon van gezag beantwoordde zij de opmerking
-der boerin, schoon hare fonkelende oogen en de trillende spieren om
-den mond bewezen, dat ze alles behalve ingenomen was met de verklaring
-van den leerlooier. "De menschen," zei ze, "kallen zoo dikwijls over
-dingen, die zij niet verstaan, beste Marit Rognehaugen; ze praten
-over al, wat los en vast is; en de leerlooier weet misschien veel
-van schapenleer, maar van engelsche ziekte en wisselwichten weet hij
-niemendal--dat zeg ik, en daar blijf ik bij. Ik zou meenen, dat ik
-wel weet, hoe wisselkinderen er uit zien, 'k heb ze vaak genoeg onder
-handen gehad. Dat kind, waar hij van praatte, was zeker het kind van
-Brit Briskebraaten van Fron, want die bezat er zoo een en....ja,
-'t zal wel zoo wezen--daar had de leerlooier 't over. Zij kreeg
-'t spoedig na haar trouwen, want eerst had ze een heel lief kind;
-maar dat werd verruild met een heksenkind, zoo leelijk en woest
-als de duivel zelf. Nooit kon men 't een woord uit de keel krijgen;
-'t deed niets dan eten en schreeuwen. Toch dorst Brit het niet slaan,
-of het ook maar 't geringste leed doen; maar de een of ander, wie weet
-ik niet, leerde haar eenige middeltjes, die van krachtige uitwerking
-moesten zijn, en werkelijk bereikte zij hiermee haar doel. Zij dreigde
-het kind, dat de reus het naar de hel zou sleepen, noemde het een
-hellewicht en een' heksenjongen, wenschte het waar het vandaan was
-gekomen, ja, waagde 't eindelijk het duchtig met den bezemsteel om
-de ooren te slaan. Maar terwijl ze dit deed, werd de deur wijdwagen
-opengesmeten en binnen vloog--ja, ze zag niets--maar toch kwam er
-een binnen en pakte 't wisselkind mee en wierp haar eigen kind zoo
-onzacht op den vloer, dat het kreet van pijn.
-
-"Of misschien was 't het kind van Siri Strömhugget? Dat was zoo mager
-als een tachtiger; 't mocht ook kreupel zijn, maar op uw kind leek
-'t evenmin als op mijne oude muts. Ik herinner 't mij zoo goed als
-de dag van gisteren; toen ik nog bij den klokkemaker diende heb ik
-'t meer dan eens gezien, en mij heugt ook nog heel goed, hoe ze er
-aan kwam en hoe ze 't kwijt raakte. Ieder had er den mond vol van;
-want Siri kwam uit den vreemde. Toen zij nog eene deerne was, diende
-zij op Kvam, en 't heugt me nog klaar, hoe ze dan naar Gaupeskjelplads
-ging, waar hare ouders woonden. Sedert kwam zij op Strömhugget in
-dienst en trouwde met Ola, den zoon van den meester der hoeve.
-
-"Toen ze de eerste maal in 't kinderbed lag, kwam er een vreemd wijf
-het vertrek binnen, nam het kind weg--dat pas een paar dagen oud
-was--en lei er een ander voor in de plaats. Siri wilde 't bed uit om
-haar kind te redden; ze spande alle krachten in, maar te vergeefs:
-zij kon zich niet verroeren, want ze was behekst. Zij wilde hare
-schoonmoeder, die buiten was, te hulp roepen, maar de woorden bleven
-haar in de keel steken en zoo benauwd werd ze, of men haar het mes
-op de keel had gezet. 't Schepseltje, dat 't wijf had achtergelaten,
-was een wisselkind, dat bleek zoo klaar als de dag. Want het was
-gansch anders als gewone kinderen: het deed niets dan schreeuwen en
-krijten, of men 't met messen stak, en het schopte en sloeg om zich
-heen als eene Hulderkat. 't Was een recht duivelskind. Eten weigerde
-'t hardnekkig. En de arme moeder wist volstrekt geen raad om het van
-den hals te krijgen. Maar nu deed men haar eene vrouw aan de hand, die
-in zulke zaken ervaren was. Die ried haar, het wicht op den mesthoop te
-leggen en 't dan met een' dikken berketak duchtig te rossen. Dat moest
-ze drie donderdagavonden aaneen doen. Ze deed het ook en ziet--den
-derden donderdagavond kwam er een wijf over het dak aanvliegen; het
-smeet een kind op den mesthoop en scheurde haar eigen daar af. Maar
-op 't zelfde oogenblik sloeg zij Siri op de vingers, dat deze er nog
-litteekens van draagt; en die litteekens heb ik met mijne eigen oogen
-gezien," voegde Gubjör er bij tot bevestiging van haar verhaal. "Neen,
-dit kind heeft net zooveel van een wisselwicht als ik zelf;--en hoe
-zou het ook mogelijk zijn geweest het te ruilen?" vroeg zij.
-
-"Ja, dat zou 'k evenmin weten," zei de boerin trouwhartig, "want
-ik heb bevergeil in de wieg gehad; ik heb er vuur boven gebrand; ik
-heb er 't teeken des kruises over gemaakt; ik heb eene gesp in het
-hemd van mijn kind genaaid, en dat mes, daar, heeft boven de deur
-gezeten. Zoodat ik niet weet, hoe 't zou kunnen gestolen zijn."
-
-"Wel neen, dan zijn ze machteloos; bij mijne ziel, geloof me," voer de
-tooverheks voor, "ik weet dat wel. Ik had voorheen eene goede kennis op
-een dorp bij Christiania. Die had ook een kind, dat ze door allerlei
-middelen zocht te beveiligen: zij sloeg een kruis boven de wieg,
-lei er vuur boven aan, deed bevergeil er in--alles naar haar beste
-weten, want men hoorde vaak van tooverij en duivelskunsten daar in
-den omtrek. Op zekeren nacht lag ze met het kind vóór zich te bed;
-haar man lag tegen den wand der bedsteê. Pas zijn ze ingeslapen,
-of de man ontwaakt en ziet een' rooden schijn in 't vertrek, juist
-of er iemand met de asschop het vuur samenrakelde. En daar was er
-ook werkelijk een aan het vuurrakelen; want toen de man een' blik
-op den haard sloeg, zag hij een oud man zitten, zóó leelijk, als hij
-nog nooit iemand had gezien, met een' baard, die hem tot op de knieën
-hing. Toen het vuur helder opflikkerde, begon de oude de armen naar
-het kind uit te strekken, maar wat hij deed, hij kon 't niet bereiken,
-en van zijn stoel rijzen kon hij evenmin. Zijne armen werden zóó lang,
-zóó lang, dat ze tot midden in het vertrek reikten; maar van zijne
-plaats kwam hij niet. Dat duurde eene heele poos; de man lag stom
-van schrik en wist geen raad. Nu hoorde hij aan het venster tikken.
-
-"Kom dan, Per," sprak eene stem.
-
-"Houd den bek!" zei de oude, die aan den haard zat.
-
-"Ze hebben het kind gezegend; daardoor kan ik het niet krijgen."
-
-"Kom dan maar mee!" klonk het weer buiten. Dat was 't wijf van den
-oude, die het wicht zou rooven.
-
-"Neen, kijk me dat lieve schaap eens aan!" zei de tooverheks vleiend,
-terwijl ze het kind, dat ontwaakt was, uit de wieg nam. 't Knaapje
-scheen intusschen niet zeer ingenomen met hare liefkoozingen,
-want het toonde zich zeer weerbarstig en begon te krijten, als ze
-'t onder een akelig gegrijns wilde streelen. "Het is zoo blank en
-mooi als een engeltje; een beetje mager is 't wel--dat moet gezegd
-worden--maar wie het een wisselwicht noemt, is voor zijne eerste logen
-niet opgehangen! Neen, moeder, de engelsche ziekte is het," zei ze
-met den klem der overtuiging, terwijl ze zich tot de moeder keerde;
-"'t is de engelsche ziekte, anders niet."
-
-"Stil, stil! hoor 'k daar geen geklop tegen den wand? De hemel sta
-me bij, als dat Truls eens ware!" riep de boerin op eens, terwijl ze
-beefde van schrik op 't denkbeeld, dat haar man haar mocht verrassen
-onder het koffiepraatje met de tooverheks. IJlings sprong ze op de
-deur toe, opende die en keek naar buiten; maar er was niemand, dan de
-cypersche kat, die op de jacht was geweest in de vochtige elzenstruiken
-en nu de natte pootjes afdroogde. Truls was 't dus niet; maar tegen
-den zonnekant van 't huis zat eene specht te tikken, om de insekten
-uit haar winterslaap te wekken. Elk oogenblik draaide zij den kop om,
-of ze naar iemand keek, maar ze wachtte slechts op eene regenbui.
-
-"Is er iemand?" vroeg de tooverheks. "Zoo," ging ze voort, toen er
-een ontkennend antwoord was gevolgd, "laat dan de deur openstaan en
-kom hier zitten; dan kunnen we uw' man zien aankomen; ge wacht hem
-immers van dezen kant?"
-
-"Hij is met de slee uit om blaren te halen voor de geiten," antwoordde
-de boerin. "Maar ik ben zoo bang, dat hij ons zal overvallen. Onlangs
-merkte hij, dat gij hier geweest waart; er was toen geen huis met hem
-te houden, zoo stoof hij op. Hij vroeg me, of ik dan geen' schelling
-meer in den zak had om naar den dokter te gaan, en zwoer, dat hij van
-zulke kwakzalverij en bovennatuurlijke kunsten nooit meer wou hooren;
-want hij gelooft aan niets meer, sedert hij met den schoolmeester van
-'t dorp heeft omgegaan."
-
-"Naar den dokter gaan? Bah!" zei de tooverheks met een verachtelijk
-gebaar. "'t Baat ook wat, als de armoê den dokter haalt. Kan men
-niet diep in de beurs tasten, dan wordt men behandeld als een hond,
-maar niet als een mensch! Hoe ging 't, toen Geertruid Kostebakken met
-den dood op de kaken lag, nadat ze reeds twee etmalen lang in arbeid
-was geweest? De dokter vierde het kerstfeest bij den secretaris, en
-naar de arme ziel keek hij niet om, voor men dreigde hem te zullen
-aanklagen bij den bisschop en den schout. Hij had wel heelemaal
-weg kunnen blijven, want toen hij kwam, was ze reeds dood. Naar
-den dokter gaan, als 't kind de engelsche ziekte heeft; ge kunt er
-evengoed den duivel bijroepen. Neen, God beware me", ging ze spottend
-voort, "ik houd u niet tegen--ga er gerust heen! Maar als hij u, zie
-zóóveel helpt--dan mag ik geen enkel mensch meer gezond maken in mijn
-leven. Och, ze weten niets van de engelsche ziekte, want daar staat
-niets van in de boeken; voor die kwaal is geen kruid gewassen, dat
-weten ze wel, en daarom geven ze er dan ook geen poeiers of drankjes
-of zulk duivelsgoed tegen. Neen, geen andere raad is er voor dan lood
-smelten, maar die kunst verstaat geen dokter.
-
-"Zet dus den lepel maar op 't vuur, moedertje," begon ze op een' gansch
-anderen toon, "want de zon staat reeds dicht bij 't zuiden. Tweemaal
-hebben we 't reeds gedaan, laat ons nu voor de derdemaal beginnen,
-anders zou 't verkeerd afloopen. 't Kind heeft de engelsche ziekte,
-maar daar zijn negen soorten van die kwaal. Ja, ja, ik heb 't u
-gezegd en ge hebt 't zelf gezien, dat 't kind reeds verlost is
-van de nikkerkwaal en de waterkwaal. Den eersten donderdag werd
-'t een man met twee groote horens en een' langen staart. Dat was
-de nikkerkwaal. Later werd het eene meermin. Zaagt ge 't niet zoo
-duidelijk, of het geschilderd was? Dat was de waterkwaal. Maar nu is
-'t weer donderdag, en thans zal de vraag zijn, wat er van komt, zoo
-we opnieuw aan 't smelten gaan. Op den derden keer komt het vooral
-aan, moet ge weten. Daar hebt gij 't kind," zei ze en reikte het de
-vrouw over.
-
-"Schenk me eerst nog een teugje koffie; dan beginnen we."
-
-Toen de koffie gedronken en de blinkende spoelkom weggezet was, ging
-ze met bedachtzamen tred naar den haard en haalde eene snuifdoos voor
-den dag.
-
-"Sinds verleden donderdag," zei ze "ben ik in zeven kerspelen geweest
-om te middernacht lood te schrapen van de kerkramen, want mijn
-voorraad was uitgeput. 't Is een geneesmiddel voor lijf en ziel,"
-mompelde zij voor zich heen, terwijl ze eene kleine hoeveelheid van
-'t met zooveel moeite verzamelde lood in den lepel stortte.
-
-"Ge hebt toch wel in 't holst van den nacht water gehaald, dat naar
-'t noorden stroomde?" vroeg zij verder.
-
-"Ja, ik ben gisteren nacht naar de molenbeek geweest; dat is 't
-eenige water, dat, uren ver in den omtrek, naar 't noorden vloeit,"
-antwoordde de boerin en haalde eene goed gesloten nap te voorschijn,
-waaruit zij water schepte in eene bierkroes. Hierover legde zij eene
-snee gerstebrood, waarin met eene stopnaald een gat was gemaakt. Nadat
-het lood was gesmolten, ging Gubjör in de deur staan, zag naar de zon,
-nam daarop den lepel en goot het gesmolten metaal door de opening
-langzaam in het water, onder het mompelen der volgende woorden:
-
-
- Zoo drijf ik de duivelsche kwaal uit het wicht,
- Ik drijf haar naar buiten, tot ze eindelijk zwicht;
- Ik drijf haar door weer en ik drijf haar door wind;
- Ik drijf haar steeds verder, tot ze eindlijk verzwindt;
- Ik drijf haar naar 't zuiden; ik drijf haar naar 't noord;
- Ik drijf naar het oosten en westen haar voort;
- Ik drijf haar den grond in; ik drijf haar naar 't strand;
- Ik drijf haar den berg in; ik drijf haar in 't zand;
- Ik drijf haar, waar de elzenstruik wortelt in de aard;
- Ik drijf in den poot haar van 't moedige paard;
- Ik drijf haar ter helle naar d'eeuwigen gloed;
- Ik drijf naar den stroom haar, die noordwaarts zich spoedt;
- Daar moog' zij knagen en daar moog' zij teren,
- Maar 't vriendelijke kind zal zij nimmer er deren.
-
-
-Zooals natuurlijk was, siste en spatte het gloeiende lood, toen 't in
-'t water kwam.
-
-"Hoor, nu verdwijnt de betoovering," zei de tooverheks tot de boerin,
-die met eene mengeling van angst en eerbied op 't gelaat luisterde en
-toezag, terwijl ze haar jongske op den arm hield. Toen de snede was
-weggenomen, vertoonden zich in het water een paar figuren, door het
-gesmolten metaal gevormd. De tooverheks bekeek ze lang en aandachtig;
-daarop knikte zij en sprak:
-
-"De lijkkwaal, de lijkkwaal!--eerst de nikkerkwaal, toen de
-waterkwaal, nu de lijkkwaal.--Eéne van drieën ware reeds meer dan
-genoeg geweest," voegde zij er hoofdschuddend bij.--"Ja, nu zie ik,
-hoe 't is toegegaan," voer ze luider voort, terwijl zij zich tot
-de boerin wendde: "Eerst zijt ge door een bosch en voorbij een'
-berg gegaan, waarin de nikkers huisden; toen hebt ge den naam Jezus
-uitgesproken. Daarna moest ge eene rivier over; weer hebt ge den
-knaap beveiligd, door den naam van Jezus over hem uit te spreken;
-maar toen ge voorbij het kerkhof kwaamt, nog vóór het hanengekraai,
-hebt gij 't vergeten, en toen is het kind door de lijkkwaal bevangen."
-
-"In Jezus' naam, hoe kunt ge dat weten?" borst de boerin, bleek van
-schrik en verbazing uit. "Elk woord, dat gij zegt, is waar! Toen wij
-den saeter verlieten, liepen er eenige schapen weg; daardoor werden
-wij opgehouden. De duisternis overviel ons, terwijl we nog den berg
-niet waren afgedaald, en toen scheen 't mij op eens, dat ik een licht
-zag in 't bosch en een geluid hoorde, of er eene poort werd geopend. Ik
-schrok hevig, want men zegt, dat er berggeesten huizen, en ik riep uit:
-"In Jezus' naam, behoed mijn kind!" En toen wij de rivier overtrokken,
-hoorde ik een' kreet, zoo afgrijselijk, dat ik weer riep: "In Jezus'
-naam, mijn kind!" Maar de anderen zeiden, dat het een zeeduiker was,
-die om onweer riep."
-
-"En al ware 't een zeeduiker geweest," sprak de tooverheks, "wanneer
-die tegen een kind schreeuwt, krijgt het de engelsche ziekte."
-
-"Dat heeft men mij ook verteld; ik meende toen, dat het ergste voorbij
-was," voer de ander voort. "Maar toen wij voorbij het kerkhof kwamen,
-scheen 't op eens of onze stier razend werd, en de koeien van de lui
-daar begonnen ook uit alle macht te schreeuwen, en we kregen zooveel
-met de kudde te stellen, dat ik geheel vergat het kind te zegenen."
-
-"Daar hebt gij 't, moedertje; toen heeft 't kind de lijkkwaal
-gekregen. Zie zelf maar in de kroes: daar staat eene kist, en hier een
-kerktoren, en in de kist ligt een lijk, met de vingers uitgespreid,"
-sprak de tooverheks op zalvenden toon, terwijl ze de zonderlinge
-gedaanten, door 't gesmolten lood gevormd, verklaarde.
-
-"Hm, hm, hm, dat zou kunnen helpen!" mompelde zij een ommezien later,
-maar luid genoeg, dat de ander het kon verstaan.
-
-"Wat zou kunnen helpen?" vroeg de boerin blij en nieuwsgierig.
-
-"'k Zeg niet, dat het zal helpen--maar 't valt te probeeren," zei
-de tooverheks. "Ik zal een bakerkindje maken, en dat op 't kerkhof
-begraven; dan wanen de dooden, dat zij 't wicht hebben gewonnen,
-en God verhoede, dat ze ooit merken, wie hen bij den neus heeft
-gehad! Maar daarvoor heb ik zilver van doen. Hebt gij oud zilver?"
-
-"Ja, ik heb nog een paar oude zilveren munten van mijn' vader geërfd;
-nooit heb ik ze willen aanroeren, maar nu het leven van mijn kind
-er mee gemoeid is...." zei de vrouw en was reeds bezig om in de lâ
-eener ouderwetsche kist te gaan zoeken.
-
-"Eén stuk zal ik in den berg stoppen, het tweede in 't water werpen,
-en het derde op 't kerkhof begraven;--drie moet ik er dus hebben,"
-zei het wijf, "en dan wat oude plunje, om het kind na te bootsen."
-
-Wat zij verlangde; werd haar gebracht. Eenige doeken waren spoedig
-samengenaaid, tot ze eene pop vormden. De tooverheks stond nu op,
-nam een en ander mee en zeide:
-
-"Nu ga ik naar het kerkhof, om het te begraven. Vandaag over drie weken
-kom ik terug--dan zullen wij zien, of 't middel heeft geholpen. Blijft
-het leven, dan ziet ge uw beeld in den oogappel van uw kind, maar
-moet het sterven, eer de blâren vallen, dan ziet gij slechts den
-donkeren appel en niets dan dezen. Dan ga ik naar 't noorden, naar
-Joramo. Daar ben ik sinds lang niet geweest; maar men heeft er mij
-geroepen bij een knaapje, dat de nikkerkwaal heeft: dat heeft dus
-niet veel te beduiden. Ik zal het kind tegen de zon in laten loopen
-met eene graszoo boven zich, dan zal 't wel gezond worden."
-
-"Wat ge zegt, wat ge zegt!" riep de boerin vol bewondering
-uit. "Joramo? dat ligt immers in Lesje? Hemel, zoo ver weg?"
-
-"Ja, 't is een heel eind ver; maar ik ben er geboren en getogen,"
-antwoordde de tooverheks. "Ik heb veel gezworven, maar weinig
-verworven, sedert ik van daar ben gegaan. Toen waren 't beter tijden
-voor Gubjör," zei ze met een zucht, terwijl ze zich weer op eene bank
-liet vallen. "Maar daar op Joramo was wel een wisselwicht," ging ze
-voort, terwijl een verhaal uit den ouden tijd haar te binnen schoot,
-nu ze harer jonkheid gedacht.
-
-"Mijne overgrootmoeder, die op Joramo in Lesje woonde, had een
-wisselkind. Ik heb het nooit gezien, want zij was dood en 't kind
-weg, lang vóór 'k werd geboren, maar vaak heeft mijne moeder het mij
-verteld. De jongen zag er uit als een verschrompelde tachtiger. Zijne
-oogen zagen zoo rood als karmijn en gloeiden in het duister als de
-oogen eener katuil. Hij had een hoofd, zoo lang als een paardekop
-en zoo dik als eene kool; maar zijne beenen waren zoo mager als
-schapepootjes en zijn gansche lichaam zag er uit als pekelvleesch
-van twee jaar oud. Nooit deed hij anders dan huilen en krijten en
-schreeuwen, en kreeg hij iets in de hand, dan wierp hij 't de moeder
-vierkant in 't gezicht. En hongerig was hij als een stadshond; al wat
-hij zag, wou hij eten, en niemand in huis at zooveel als hij. Hoe
-ouder hij werd, des te onhandelbaarder werd hij ook; niemand wist
-hem te regeeren, en nooit kon men hem het minste woord uit de keel
-krijgen, schoon hij oud genoeg was om te kunnen praten. Het was het
-afschuwelijkste hellewicht, dat men ooit heeft gezien en nacht noch
-dag liet hij iemand met rust. Iedereen vroeg men om raad, maar niets
-baatte. Hem frisch afrossen dorst de moeder niet, zonder volkomen zeker
-te zijn, dat het een wisselwicht was. Maar op zekeren dag gaf iemand
-haar dezen raad. Zij moest den jongen zeggen, dat de Koning zou komen;
-dan moest zij een groot vuur aanleggen en een ei stuk slaan. De schaal
-moest ze op 't vuur zetten. Zoo deed ze, en toen de jongen het zag,
-ging hij rechtop in de wieg zitten en keek er oplettend naar. De vrouw
-verliet het vertrek en keek door het sleutelgat. En de jongen kroop
-op de handen uit de wieg, maar de beenen bleven er in, en hij rekte
-zich uit en werd zóó lang, dat zijn lichaam tot aan den haard reikte.
-
-"Neen," zeide hij "nu heb ik al zevenmaal het hout zien vellen in het
-bosch van Lesje, maar nog nooit zag ik zoo'n grooten lepel in zoo'n
-kleine pan."
-
-"Toen de moeder dit alles zag en hoorde, was zij overtuigd. Ze wist
-thans, dat het een wisselwicht was. Nauwelijks had ze de klink
-opgelicht, of de jongen kroop weg in de wieg als een worm. Zijne
-beste dagen waren nu uit; op een' donderdagavond sleurde de vrouw
-hem naar den mesthoop en ranselde hem duchtig af; maar ze hoorde een
-geknetter en geknap in 't rond van belang. Den volgenden donderdag
-ging het evenzoo, maar toen de vrouw vond, dat hij genoeg had, hoorde
-zij eene stem naast haar--de stem van haar eigen kind--zeggen:
-
-"Telkenmaal, als gij Tjöstul Gautstigen slaat, krijg ik dubbel in
-den berg."
-
-"Maar den derden donderdag sneed de vrouw hem van 'tzelfde laken een
-pak. Daar kwam een oud wijf met een jongske aanvliegen, of ze uit
-den brand was gevlucht.
-
-"Geef Tjöstul hier, daar hebt gij uw' jongen terug!" riep ze en wierp
-haar het kind voor de voeten. De vrouw strekte de hand uit om het
-op te vangen en greep ook het eene been. Maar van de rest heeft ze
-nooit iets gezien, zoo hard had het bergwijf het kind neergesmeten."--
-
-Onder deze vertelling had men op 't gelaat der boerin de
-onmiskenbaarste teekenen van angst kunnen lezen. Tegen het einde
-vielen zij zoo duidelijk in het oog, dat de vertelster, die weggesleept
-scheen door hare eigen woorden, ze opmerkte.
-
-"Wat schort u?" vroeg ze. "O, uw man komt zeker," ging ze voort,
-terwijl ze een' blik naar de deur wierp, en besloot met nadruk:
-"'t Is niet geraden voor Gubjör dat ze uw' man in den weg loopt;
-maar wees niet bezorgd, moedertje: ik zal beneden het kerkhof omgaan,
-dan ziet hij me niet."
-
-
-
-
-
-
-
-TER ZEE.
-
-
-I.
-
-DE AALSCHOLVERS VAN UDRÖST.
-
-Op de thuisreis gebeurt het niet zelden den Nordlandschen visschers,
-dat zij tarwestroo vinden aan het roer of gerstekorrels in de maag der
-visschen. Dan heet het, dat zij over Udröst zijn heengevaren of over
-een ander der Hulderlanden, waarvan de sage weet te verhalen. Deze
-onderzeesche streken vertoonen zich enkel aan vrome of profetische
-visschers, die op zee zich in levensgevaar bevinden, en zij duiken
-op, waar anders volstrekt geen land te zien is. De aardgeesten,
-die daar wonen, beoefenen akkerbouw en veeteelt als andere menschen;
-maar hier schijnt de zon over heerlijker grasvelden en vruchtbaarder
-akkers dan ergens elders in Nordland, en gelukkig hij, die een dezer
-eilanden, door den rijksten zomerglans beschenen, te zien krijgt;
-"hij is geborgen", zeggen de Nordlanders. Een oud liedje bevat eene
-volledige schilderij van een eiland, in de nabijheid van Helgoland,
-"het Zand" geheeten, met vischrijke kusten en overvloed van wild. Zoo
-moet zich ook in het Westfjord van tijd tot tijd eene groote vlakte
-vertoonen, die intusschen nooit hooger komt, dan dat de aren zich even
-boven het zeevlak kunnen verheffen; en buiten Röst, aan de zuidpunt
-der Lofoten, vertelt men van een dergelijk Hulderland met groene
-heuvels en goudgele akkers: men noemt het Udröst. De eigenaar van
-dit land heeft zijn jacht zoo goed als de andere boeren in Nordland;
-visschers en schippers ontmoeten hem somwijlen met het zeil in top,
-maar op 't oogenblik, als ze meenen dat zij tegen hem aan zullen varen,
-is hij eensklaps verdwenen.
-
-
-
-Op Vaer-eiland, in de onmiddellijke nabijheid van Röst, woonde eens
-een arme visscher, die Izaak heette; al wat hij bezat, was eene boot
-en een paar geiten, die zijne vrouw in het leven hield met wat afval
-van visch en het gras, dat zij op de bergen in den omtrek inzamelde;
-daarentegen had zij eene hut vol hongerige kinderen. Toch was de
-visscher tevreden met het lot, dat hem was toebedeeld. 't Eenige,
-waar hij over tobde, was, dat hij altijd in onmin leefde met zijn'
-naasten buur. Dit was een rijk man, die zich in 't hoofd had gezet,
-dat hij alles beter moest hebben dan de arme Izaak, en die daarom
-wilde dat Izaak zou verhuizen; dan kon hij de haven krijgen, die bij
-de hut van den arme lag.
-
-Op zekeren dag, terwijl Izaak een paar mijlen ver in zee was om te
-visschen, werd de hemel eensklaps door zwarte wolken bedekt en stak
-er zulk een hevige storm op, dat hij al zijne visch over boord moest
-werpen, om de boot te verlichten en het lijf te bergen. Met inspanning
-van alle krachten stuurde hij de boot tusschen en over de stortzeeën
-heen, die elk oogenblik kwamen aanrollen om hem in den afgrond te
-werpen. Nadat hij zoo vijf of zes uur had gevaren, meende hij niet ver
-van de kust meer te zijn. Maar hoe hij tuurde, het land bleef weg en
-de storm en de duisternis namen steeds toe. Nu overviel hem de vrees,
-dat de wind gedraaid was en hij zich al verder van de kust verwijderde,
-en ten slotte begon hij te begrijpen dat zijne vrees werkelijkheid was;
-want hoe snel hij zeilde, het land naderde niet. Daar hoorde hij op
-eens een' akeligen schreeuw aan den steven en hij dacht niet anders,
-of 't was een watergeest, die zijn' lijkzang zong. Hij bad den Heer
-voor vrouw en kinderen, want hij meende stellig, dat zijn laatste uur
-geslagen was. Terwijl hij zoo zat te bidden, zag hij eene zwarte schim,
-die al dichter bijkwam; maar 't bleken drie aalscholvers, die op een
-stuk drijfhout zaten; in een oogwenk was hij hen voorbij. Zoo verliep
-het eene uur na het andere; de arme man werd zoo dorstig en hongerig en
-vermoeid, dat hij geen' raad wist; hij zat met de roerpen in de hand,
-tot de oogen hem toevielen. Maar op 't zelfde oogenblik schuurde de
-boot tegen 't strand en bleef vastzitten. Verschrikt sloeg Izaak de
-oogen op. De zon brak door de wolken en verlichtte een heerlijk land:
-heuvels en bergen waren groen tot den top, akkers en weiden bedekten de
-hellingen, en er stroomde een geur van bloemen en gras hem te gemoet,
-als hij nog nooit had geroken.
-
-"Goddank, nu ben ik gered; dat is Udröst," zeide Izaak bij zich
-zelven. Vlak vóór hem lag een gerstakker met aren, zóó vol en zwaar,
-als hij ze nog nooit had gezien, en door den akker heen liep een smal
-pad den heuvel op naar een frisch groen weivlak, en op den top graasde
-eene witte geit met horens van goud en uiers zoo groot als de grootste
-koe. En aan den voet des heuvels zat een klein mannetje met een blauw
-kleed aan op een' stoel zonder rug uit een kort pijpje te rooken;
-hij had een' baard, zóó lang, dat hij tot ver over de borst hing.
-
-"Welkom op Udröst, Izaak," zei het mannetje.
-
-"Den zegen van Boven," antwoordde Izaak. "Kent gij mij?"
-
-"Wel mogelijk," sprak het mannetje, "ge komt hier zeker nachtverblijf
-zoeken?"
-
-"Ge zoudt er wel aan doen, mij dat te verschaffen, vader," zeide Izaak.
-
-"'t Is het slimste met mijne zonen; die kunnen de lucht van
-christenmenschen niet verdragen," zeide het mannetje. "Hebt gij ze
-niet ontmoet?"
-
-"Neen, ik ben niemand tegengekomen dan drie aalscholvers, die zaten
-te schreeuwen op een drijfhout," antwoordde Izaak.
-
-"Juist, dat waren mijne zonen," viel het mannetje in; hij klopte zijn
-pijpje uit en ging voort: "ge kunt wel zoo lang naar binnen gaan;
-eene volle maag zal u zeker niet plagen."
-
-"Toch niet," antwoordde Izaak.
-
-Maar nauwelijks had het kleine mannetje de deur geopend, of Izaak stond
-stom van verbazing. Zoo iets had hij nooit gezien. De tafel was bedekt
-met de heerlijkste gerechten: schotels met roompap en visch en wild
-en leverbrood met stroop en kaas, Bergsche krakelingen bij hoopen,
-brandewijn en bier en mee en al wat maar lekker smaakt.
-
-Izaak at naar hartelust, en toch werd de schotel niet leeger, en
-hoeveel hij ook dronk, zijn glas bleef even vol. De oude man at niet
-veel en sprak nog minder; toen hij buiten hoorde schreeuwen en aan
-de deur rammelen, verliet hij 't vertrek. Na eenige oogenblikken kwam
-hij weer binnen met zijne drie zoons bij zich. Izaak was maar weinig
-in zijn schik, toen hij ze zag binnenstappen; doch naar 't scheen,
-had de oude man hun' afkeer van christenmenschen weten te overwinnen,
-want ze waren heel vriendelijk en voorkomend.
-
-Toen Izaak van de tafel opstond en verklaarde dat hij verzadigd was,
-wilden zij, dat hij zou blijven zitten en eens met hen drinken. Izaak
-schikte zich zoo goed mogelijk in de omstandigheden, en nu dronken
-en klonken ze met elkander en lieten zich het bier en de mee wel
-smaken. En ze werden heel goede vrienden, en de drie jongelingen
-drongen er op aan, dat Izaak een paar tochten met hen zou doen,
-om ook wat mede naar huis te kunnen nemen. Op den eersten tocht,
-dien ze samen deden, overviel hun een vreeselijke storm. Een der drie
-jongelingen zat aan 't roer, de ander stond voorop, de derde hield
-zich op 't middeldek, en Izaak stond aan de groote pomp en werkte,
-dat hem 't zweet van 't voorhoofd gudste. Ze vlogen over de golven,
-of ze bezeten waren; aan reven dachten ze niet, en als de boot vol
-water stond, stuurden ze haar tegen eene hooge baar op, zoodat het
-water schuimend en bruisend over den achtersteven heenvloog. Zoo
-mochten ze een uur hebben gevaren, toen het weder bedaarde en ze aan
-het visschen konden gaan. En zooveel visch vonden ze, dat de bodem
-der zee er geheel door bedekt was en de loodjes der vischnetten op de
-bergen van visch bleven liggen. De jongelingen van Udröst haalden slag
-op slag een net vol op; maar Izaak, schoon hij zijn handwerk verstond
-als de beste, kreeg geen graatje; telkens als hij zijne netten--'t was
-zijn eigen tuig--ophaalde, waren de visschen verdwenen. Toen ze de boot
-vol hadden, keerden ze naar Udröst terug; de jongelingen hingen hun'
-buit in 't drooghuis op, maar Izaak beklaagde zich bij den ouden man,
-dat het zoo slecht met zijne vangst was gegaan.
-
-De oude verzekerde hem, dat het eene volgende maal beter zou lukken en
-gaf hem een paar netten, en toen ze weer uit visschen gingen haalde
-Izaak evenveel op als de anderen, en bij het verdeelen der visch
-kreeg hij wel drie droogschuren vol visch.
-
-Nu begon Izaak naar huis te verlangen, en toen hij zou vertrekken,
-schonk hem de oude man eene nieuwe visschersboot met tuig en klaverdoek
-en andere nuttige dingen. Izaak dankte hem voor zijne goede gaven,
-en de oude zeide, dat hij maar terug moest komen, als het jacht onder
-zeil ging; het zou een reisje maken naar Bergen, en dan kon Izaak
-meegaan en zelf zijne visch verkoopen. Nu, dat wou Izaak graag doen;
-daarom vroeg hij, welken koers hij moest houden, als hij weer naar
-Udröst wilde komen. "Volg den aalscholver, wanneer hij zeewaarts
-vliegt, dan zeilt ge vlak op Udröst aan," zei de oude. "Goede reis!"
-
-Maar toen Izaak in de boot was geklommen en eens omkeek, zag hij
-niets meer van Udröst; wijd en zijd was niets te bespeuren dan de zee.
-
-Toen de bepaalde tijd om was, voer Izaak op nieuw naar Udröst, om
-met het jacht naar Bergen te gaan. Maar zulk een jacht had men nooit
-gezien: 't was zoo lang, dat de stuurman, die op den uitkijk stond aan
-den voorsteven, onmogelijk den kerel te roer kon beroepen; daarom had
-men midden op 't vaartuig nog een' man gezet, vlak bij de mast, die
-de bevelen van den stuurman naar den achtersteven overbracht, en nog
-moesten beiden uit alle macht schreeuwen, wilden ze zich doen verstaan.
-
-De visch van Izaak was voorin gelegd; zelf haalde hij ze van de speten,
-maar,--hoe 't kwam, daar begreep hij niets van,--zoo snel kon hij
-ze er niet aftrekken, of telkens kwamen er weer andere visschen voor
-in de plaats, en toen hij ophield, waren de speten even vol als toen
-hij begon. Te Bergen aangekomen, verkocht hij zijne visch en zooveel
-geld kreeg hij er voor, dat hij zich een nieuw jacht kocht met zeil
-en treil en lading en al; zoo had de oude man hem geraden. Eer hij
-onder zeil ging, 's avonds laat, kwam de oude bij hem aan boord en
-drukte hem op 't hart, dat hij de kinderen van zijn' buurman niet
-zou vergeten, want de buurman zelf was gestorven, naar hij zeide,
-en hij spelde Izaak zegen en voorspoed met het jacht.
-
-"Al wat in den wind staat, is goed en zal 't wel uithouden," zeide hij,
-en daarmede bedoelde hij, dat er één aan boord was, dien niemand zag,
-maar die met den rug de mast steunde in storm en noodweer. Sinds dien
-tijd was 't geluk altijd met Izaak. Hij wist wel waar dit vandaan kwam
-en vergat nimmer wat af te zonderen voor hem, die de wacht hield, als
-hij in 't najaar met het jacht was thuis gekomen. En elken kerstavond
-zag men licht in het schip, en werd er de veêl gestreken en gedanst
-en hoorde men gelach en gescherts in het ruim van het jacht.
-
-
-
-
-II.
-
-DE NIKKERS OP HET "ZAND."
-
-Een eind zee in, tegenover het eiland Helgoland, ligt een kleine
-zandbank het "Zand" geheeten; 't is eene beste plek voor de
-vischvangst, maar ze is moeilijk te vinden, want ze verandert gedurig
-van plaats. Maar, wien 't geluk wil dienen en wie haar vindt, is zeker
-van eene goede vangst, en buigt hij zich over den rand zijner boot
-heen, dan ziet hij bij stil, helder weder, eene kleine inzinking van
-den zeebodem, niet ongelijk aan het spoor, dat een groot, Nordlandsch
-jacht op de vaart achter zich laat, en eene groote rotsklomp in
-den vorm van eene droogschuur. Deze zandbank heeft niet altijd op
-den bodem der zee gelegen. In den ouden tijd was zij een eiland,
-dat aan een' rijken Helgolandschen boer toebehoorde; deze had er,
-tot eene schuilplaats onder het visschen bij opkomend onweer, eene
-hut gebouwd, grooter en beter dan de meeste elders. Sommige menschen
-meenen, dat deze zandbank zich somwijlen boven het zeevlak verheft
-als een vriendelijk eiland. Wat hiervan zij, zeker is 't, dat het
-in ouden tijd niet richtig was op dit onbewoonde eiland. Visschers
-en zeelui verzekerden, dat zij vaak onder 't voorbijvaren gelach en
-scherts, muziek en dans hadden gehoord en een geklop en getik, of er
-een jacht op stapel stond. Daarom bleven ze liefst op een' afstand,
-en zoo was er niemand, die er ooit eene levende ziel had aanschouwd.
-
-De rijke boer, waar ik van sprak, had twee zoons, die den naam droegen
-van Hans Nikolai en Luk-Andries. De oudste was een knaap, uit wien men
-moeielijk wijs kon worden. Daar was bijna niemand, die behoorlijk met
-hem over weg kon komen, schoon hij, op 't punt van geld verdienen,
-handiger was dan de meeste Nordlanders, die anders in dit opzicht
-voor niemand behoeven onder te doen.
-
-De ander, Luk-Andries, was driftig en onbezonnen, maar altijd goed
-geluimd; al liep 't hem nog zoo tegen, altijd zei hij, dat 't geluk
-hem diende. Als hij maar met een arendsjong thuis kwam, deerde 't hem
-niet of het bloed hem langs de wangen liep van de wonden, hem door den
-ouden toegebracht; sloeg zijne boot om, zooals niet zelden gebeurde,
-en vond men hem op den bodem zitten, doornat en stram van koude,
-dan antwoordde hij op de vraag, hoe hij 't had: "Al wel, al wel;
-het geluk dient me: ik ben gered."
-
-Toen de vader stierf, waren de broeders reeds volwassen. Op
-zekeren dag, niet lang daarna, moesten zij naar 't Zand om eenig
-vischtuig te halen, dat men er bij den terugkeer van de vischvangst
-had achtergelaten. Luk-Andries had zijne buks bij zich; die verzelde
-hem overal, waar hij heenging. 't Was reeds laat in 't najaar en geen
-enkele visscher zwierf meer op zee. Hans Nikolai sprak niet veel onder
-de vaart, maar hij dacht zooveel te meer. De avond was reeds gevallen,
-toen zij voor de terugreis gereed waren.
-
-"Wil ik je 'reis wat zeggen, Luk-Andries: 't wordt noodweer van
-avond," sprak Hans Nikolai, terwijl hij zeewaarts tuurde; "ik meen,
-dat we best zullen doen, hier te blijven tot morgen."
-
-"Noodweer wordt het niet;" antwoordde Andries, "want de zeven zusters
-hebben de stormmutsen niet op. 't Zal wel gaan."
-
-Maar nu begon de ander te klagen over vermoeidheid, en eindelijk
-werden zij 't eens, dat zij den nacht daar zouden overblijven.
-
-Toen Andries ontwaakte, was hij alleen; noch zijn broeder, noch de
-boot waren ergens te zien; eerst toen hij den top van het eiland
-had beklommen, bespeurde hij beide heel ver weg; de boot scheen
-niet grooter dan eene meeuw. Luk-Andries begreep er niets van. De
-proviandkist was achtergelaten; daarnaast stonden een vat met zure
-melk, de buks en eenige andere dingen. Andries bekommerde zich niet
-lang over 't geval. "Van avond zal hij wel terug komen," dacht hij en
-maakte de proviandkist open; "een dwaas, die den moed laat zakken,
-zoo lang hij nog wat te bikken heeft." Maar de avond kwam en Hans
-bleef weg, en Luk-Andries wachtte vergeefs dag aan dag en week aan
-week. Eindelijk begon hij te vermoeden, dat Hans hem opzettelijk
-had achtergelaten, om zich zijn erfdeel te kunnen toeëigenen. En zoo
-was 't; want toen Hans Nikolai dicht bij huis was gekomen, wist hij
-'t zoo aan te leggen, dat de boot omsloeg, en hij vertelde nu, dat
-Luk-Andries verdronken was.
-
-Maar Andries liet den moed niet zinken; hij zamelde drijfhout op
-het strand, schoot zeevogels, zocht mosselen en kruiden, maakte zich
-een vlot van balken en planken en vischte met een' hengel, dien hij
-toevallig vond. Op zekeren dag, terwijl hij aan 't visschen was,
-bespeurde hij eene kloof of spleet in het zand, alsof daar een groot
-Nordlandsch jacht had gestaan, en duidelijk ook zag hij sporen van
-gewonden touwwerk, van de zee tot op den top des heuvels. Zoo, dacht
-hij bij zich zelven, nu is alle gevaar voorbij; want hij wist thans,
-dat men geene onwaarheid had gesproken, toen men hem vertelde dat
-er nikkers op 't eiland woonden, die er een prachtig jacht op na
-hielden. "Goddank, dat is goed gezelschap! Ja, 't is als ik zeg:
-'t geluk dient mij," dacht Andries bij zich zelven; misschien zei
-hij het ook wel, want hij moest wel behoefte gevoelen nu en dan wat
-te praten. Zoo leefde hij voort, tot de winter inviel. Eens zag hij
-eene boot; hij zette eene vlag op een' stok en zwaaide er mee; maar op
-'t zelfde oogenblik liet men het zeil vallen, de bootslui zetten zich
-aan de riemen en roeiden heen, zoo spoedig ze konden. Ze meenden,
-dat het nikkers waren, die hen daar met de vlag wenkten.
-
-Op kerstavond hoorde Andries vioolspel en allerlei muziek ver in zee;
-toen hij naar buiten trad, zag hij een licht schijnen: het bevond
-zich op een groot Nordlandsch jacht, dat het strand naderde. Maar zulk
-een jacht had niemand ooit gezien! Het had een reusachtig razeil, zoo
-glinsterend of het van zijde was; takels en touwen, zoo dun of ze van
-ijzerdraad waren gemaakt, en zoo was 't al pracht en heerlijkheid,
-wat men er aan zag. Het dek stond vol mannetjes en vrouwtjes, met
-blauwe kleeren aan, en aan het roer zag hij eene vrouw, zoo sierlijk
-uitgedost als eene bruid of eene koningin; ze droeg eene kroon op
-het hoofd en had de kostelijkste kleederen aan. Maar één ding zag
-Andries duidelijk: dat zij een mensch was; want zij was veel grooter
-en ook veel mooier dan de nikkers; ja, Luk-Andries vond haar mooier
-dan alle meisjes, die hij van zijn leven had gezien. 't Jacht zeilde
-regelrecht op de plek af, waar Andries stond; maar zonder zich lang
-te bedenken, liep hij naar de hut, rukte het geweer van den wand,
-kroop boven in het drooghuis, en wist zich hier zoo te verschuilen,
-dat niemand hem kon bemerken, terwijl hij alles kon waarnemen, wat
-er voorviel. Weldra was het gansche vertrek gevuld; maar de stroom
-van bezoekers ging nog altijd voort. Nu begonnen de wanden te kraken,
-en de hut zette zich uit, en alles begon er van binnen zóó prachtig
-uit te zien, of men bij den rijksten koopman in huis komt; 't was er
-haast zoo mooi, als in het slot van een' koning. Daar werden tafels
-aangericht met de kostelijkste spijzen, en borden en schotels, alles
-was van louter zilver of goud. Na het eten ging men dansen. Toen
-kroop Luk-Andries door het rookgat, aan den eenen kant van 't dak,
-naar buiten en klauterde omlaag. Daarop snelde hij naar 't jacht,
-wierp zijn vuurstaal er overheen en sneed er, tot meerdere zekerheid,
-met zijn zakmes een kruis in. Toen hij terugkeerde, was de dans in
-vollen gang: zelfs de tafels dansten, en de banken en de stoelen en
-al wat er in het vertrek was danste mee. De eenige, die niet danste,
-was de bruid; zij zat stil rond te kijken, en wanneer de bruidegom
-haar in den kring wilde voeren, stiet ze hem van zich. Maar overigens
-ontbrak er niets; de speelman hield niet op, om den vedel te stemmen
-of zoo iets, maar speelde onafgebroken voort en trapte de maat met den
-voet, tot het zweet hem langs het gelaat gudste en hij door stof en
-rook zijn eigen veêl niet meer kon zien. Toen Andries voelde, dat ook
-hij de voeten niet meer stil kon houden, zeide hij bij zich zelven:
-"Nu dien ik los te branden, anders speelt hij mij ook nog van den
-grond." Daarop stak hij het geweer door een vensterraam en schoot het
-af boven het hoofd der bruid, maar verkeerdom: anders had de kogel
-hem zelf getroffen. Zoodra het schot werd gehoord, tuimelden alle
-nikkers over elkander heen en de deur uit, maar toen zij zagen dat
-het jacht vastlag, begonnen zij vreeselijk te jammeren en kropen in
-eene opening van den heuvel. Maar al het gouden en zilveren geraad
-lieten ze achter en de bruid ook; die zat nog altijd op hare plaats,
-maar scheen langzamerhand tot zich zelve te komen. Zij vertelde nu
-aan Luk-Andries, dat de nikkers haar in den berg hadden gesleept,
-toen ze nog een klein kind was.
-
-Eens ging hare moeder uit, om de koeien te melken en nam haar
-mede. Toen de moeder naar huis moest om iets te halen, was zij alleen
-op het veld blijven zitten bij eene bessenstruik; daarvan mocht ze
-zooveel eten als haar lustte, mits ze telkens driemaal achtereen zeide:
-
-
- "Blauwe bessen eet ik,
- Door Jezus' kruis behoed;
- Roode bessen eet ik.
- Geverfd door Jezus' bloed."
-
-
-Maar toen moeder weg was, vond zij zooveel bessen, dat zij het
-rijmpje vergat, en toen verschenen de nikkers, die haar in den
-berg sleepten. Geen leed hadden ze haar gedaan, dan dat ze haar het
-laatste lid van de linkerpink afsneden, en ze kon krijgen wat haar
-hart begeerde; maar toch was ze nooit op haar gemak geweest, zeide ze;
-'t was of ze altijd pijn voelde, en vooral was ze geplaagd en gekweld
-door de genegenheid van den nikker, wiens vrouw ze moest worden. Toen
-Andries vernam, wie hare moeder was en waar ze thuis hoorde, bemerkte
-hij dat ze nog familie van hem was, en--"weldra wisten ze 't met
-hun beidjes," als men zegt. Toen mocht Andries met recht zeggen,
-dat het geluk hem had gediend. En ze gingen naar huis en namen het
-jacht mede en al het goud en zilver en de kostbaarheden, die in de
-hut waren achtergebleven, zoodat Andries veel en veel rijker werd
-dan zijn broeder.
-
-Maar Hans, die wel vermoedde hoe Andries aan al dien rijkdom was
-gekomen, wou niet minder rijk zijn. Hij wist, dat de heksen en nikkers
-op kerstavond voor den dag plegen te komen, en daarom trok hij tegen
-dien tijd naar het Zand. Op den bepaalden avond zag hij dan ook vlammen
-en licht, maar het leken wel dwaallichtjes. Toen de nikkers naderbij
-kwamen, hoorde hij geplas in het water en een afschuwelijk gehuil en
-gebrul, terwijl een kille zeewind hem in het gezicht woei. Verschrikt
-vloog hij naar de hut, terwijl de nikkers aan land stapten. Ze waren
-kort en dik als hooiroken, hadden mantels om van vellen en groote
-wanten aan, die bijna op den grond hingen. In plaats van een hoofd
-en haren zag men niets dan een bos zeetang. Terwijl zij het strand
-overliepen, dansten er eene menigte dwaallichtjes achter hen aan, en
-als ze zich maar even bewogen, spatten er vonken om hen heen. Eer ze
-nog bij de hut waren gekomen, zat Hans reeds in het drooghuis, evenals
-zijn broeder had gedaan. De nikkers droegen een' grooten steen naar
-binnen en sloegen daarop hunne wanten droog, terwijl ze nu en dan
-zoo akelig schreeuwden, dat Hans er van huiverde. Daarna begon een
-van hen vuur aan te maken, terwijl de anderen ruwe stukken drijfhout
-binnenbrachten, zoo zwaar als lood. Hans kreeg 't zoo benauwd door
-den rook en de hitte, dat hij dreigde te stikken; om frissche lucht
-te krijgen, beproefde hij door het rookgat naar buiten te komen,
-maar daar hij grover van lijf en leden was dan zijn broeder, bleef
-hij in de opening vastzitten, zoodat hij op noch neer kon. Nu had
-hij het nog minder naar zijn' zin; hij begon te schreeuwen dat het
-een' aard had, maar de nikkers schreeuwden nog harder en huilden
-en dansten en klopten van binnen en van buiten. Maar zoodra de haan
-begon te kraaien, waren ze verdwenen, en nu raakte Hans ook los. Toen
-hij van zijn reisje thuis kwam was hij zinneloos geworden, en sinds
-dien tijd hoorden de menschen hem vaak op zolders of in schuren, waar
-hij zich alleen bevond, dezelfde akelige, huiveringwekkende kreten
-slaken, die men in Nordland aan de nikkers toeschrijft. Vóór zijn'
-dood kreeg hij nogtans het verstand terug en, naar men zegt, werd
-hij ook in gewijden grond begraven. Maar na Hans heeft niemand weer
-een' voet gezet op 't Zand. Het zonk weg in de diepte, en de nikkers
-moeten naar de Lekangeilanden zijn verhuisd. Andries bleef 't welgaan;
-geen jacht deed voorspoediger reizen dan het zijne, maar zoodra hij
-bij de Lekangeilanden kwam, werd het bladstil; dan kwamen de nikkers
-naar het strand of aan boord met hunne waren. Eene poos later stak
-er dan altijd een voorspoedige wind op, 't zij hij naar Bergen of
-naar huis voer. Hij kreeg een huis vol kinderen, en ze waren allen
-gezond en sterk, maar allen misten het laatste lid van de linkerpink.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Colymbus septentrionalis.
-
-[2] Zoo wordt de Duivel in Noorwegen genoemd. Vert.
-
-[3] De vorst van het dak, namelijk. Vert.
-
-[4] Een lichte graad van waanzin, toegeschreven aan den invloed der
-Huldren. Vert.
-
-[5] Saxifraga Cotyledon.
-
-[6] Kleeren en pelzen, doortrokken met menschelijke uitwasemingen,
-die tegen den wind in worden opgezet, om de rendieren terug te drijven.
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Noorsche Volksvertellingen, by
-Peter Christen Asbjørnsen
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOORSCHE VOLKSVERTELLINGEN ***
-
-***** This file should be named 51763-0.txt or 51763-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/1/7/6/51763/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Norwegian National Library.)
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.