summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/51869-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/51869-8.txt')
-rw-r--r--old/51869-8.txt5732
1 files changed, 0 insertions, 5732 deletions
diff --git a/old/51869-8.txt b/old/51869-8.txt
deleted file mode 100644
index f538a04..0000000
--- a/old/51869-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5732 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Multatuli, by Lodewijk van Deyssel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Multatuli
- Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen
-
-Author: Lodewijk van Deyssel
-
-Release Date: April 26, 2016 [EBook #51869]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MULTATULI ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
- MULTATULI
-
- MULTATULI EN MR. J. VAN LENNEP
- MULTATULI EN DE VROUWEN
-
-
- DOOR
- A. J. (L. VAN DEYSSEL)
-
-
- TWEEDE HERZIENE DRUK
-
-
- W. L. & J. BRUSSE'S
- UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ
- ROTTERDAM MCMXXII
-
-
-
-
-
-
-
-
- Dit boek bevat mede eene Bibliographische Studie
- betreffende K. J. L. Alberdingk Thijm door
- Benno J. Stokvis. 31 Augustus 1922
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORAF
-
-
-Het jaar 1890 is wel een rijk jaar geweest voor boekhandel en
-letterkunde; rijk aan voor den boekhandel veelbelovende en te
-gelijk--wat maar al te zelden het geval is--voor de letterkunde
-interessante uitgaven. Van de in dat jaar verschenen werken,
-welke betrekking hebben op de geschiedenis der letterkunde, kan er
-ongetwijfeld geen in beteekenis wedijveren met de deelen Brieven [1],
-waaraan het ons een genoegen is eene bespreking te kunnen wijden.
-
-Er zijn drie hoofdsoorten van auteursbrieven. Vooreerst die, waarvan
-de schrijvers er naar streven de minste met hun naam geteekende
-schrifturen tot vlekkeloos grammatikaal-korrekte stukjes te
-fatsoeneeren, waarvan de schrijvers geen onderscheid maken tusschen
-hun voor de drukpers en het publiek en hun voor een post-couvert en
-een enkelen persoon bestemde bladzijden. Hun eenvoudigste briefjes
-zullen glad, netjes en "mooi" zijn als de steeds "aan kant" gehouden
-zitkamer eener Hollandsche vrouw, maar zullen ook geen spoor van
-de charme eener huiselijk-intieme, ongewild-oprechte en pittoresque
-wanorde vertoonen. Het echte intérieur van hun gemoedsleven, bevroren
-in keurige spraakkunstvormen,--zij 't ook met de koude pracht van
-een ijspaleis,--getoiletteerd met eene onberispelijke punktuatie,
-zal voor hun lezers nooit gemakkelijk te betreden en geheel te leeren
-kennen zijn.
-
-De tweede soort auteursbrieven zijn die, wier schrijvers een radikaal
-onderscheid maken tusschen gedrukt en ongedrukt. Als deze de pen ter
-hand nemen om haar gedurende eenige uren in dienst te stellen van
-de drukpers, doen zij hunner gedachte en de uitdrukking daarvan iets
-als een officiëel, konventioneel tuig aan, gebruiken alleen algemeen
-aangenomen en vaststaande zins- en stijlwendingen, die hun overigens
-even gemeenzaam zijn als aan ambtenaren van den Burgerlijken Stand
-en aan Geestelijken de formule der huwelijksplechtigheden. Maar,
-als ware daar toch iets minder aangenaams in, hoe wreken zij zich op
-hunne eigene, in hun schatting verplichte, deftigheid, als, in een
-ander gedeelte van den dag, het uur der gemeenzame korrespondentie
-heeft geslagen! Dan vermeien zij er zich in, zoo gemakkelijk mogelijk,
-ja, meer dan gemakkelijk, achteloos, slordig, zich in hemdsmouwen te
-bewegen. Daardoor ontstaat zulk een buitensporig verschil tusschen
-hun publieke en hun private geschriften, dat eene vergelijking van
-die twee soorten voortbrengselen zou doen wanen, dat men met twee
-menschen te doen heeft in plaats van met een en denzelfden.
-
-De derde soort auteursbrieven gelijken den eerstgenoemden, doch op
-omgekeerde wijze. Het zijn de brieven dier schrijvers, die denken,
-spreken, boeken schrijven, en brieven schrijven, alles op de zelfde
-manier, en wel niet op een vooraf door hen bedachte of aangenomene,
-maar alleen zóo, als hun gemoed en geest het hun op 't oogenblik van
-'t schrijven zelf ingeeft. Van hen kan men met alle recht zeggen,
-dat zij schrijven in den meest ongebonden aller stijlen. Zij bemoeien
-zich niet met stijl, zij laten de kompositie van hun stijl geheel
-aan de spontane werking hunner stemming over.
-
-Multatuli behoorde tot deze laatste schrijvers. Behalve dat de toon in
-zijn publieke werken hier en daar iets hooger is aangezet, heeft hij
-al die werken geschreven alsof het intieme brieven waren. Dát althans
-kunnen wij nu met de meeste stelligheid weten. Wij zijn nu in staat
-de brieven, de huishoudelijkste en innigste brieven naast de openbare
-werken te leggen en te konstateeren: Multatuli heeft nooit kunnen
-vermoeden, dat deze brieven eens openbaar zouden worden, hij schreef,
-zooals hij dacht, en: zijn ander werk is precies als deze brieven. Ook
-in dat andere werk schreef hij dus zooals hij dacht. Deze man heeft
-de o. a. door Zola in Musset als zeldzaam geprezen verdienste van
-nooit te hebben gelogen.
-
-Laat ons dus herhalen: nu wij deze brieven bezitten, nu wij dus
-zonder zweem van twijfel weten, dat Multatuli zich steeds gaf,
-zooals hij was, nú kunnen wij pas degelijk aan de karakteristiek van
-zijn persoon arbeiden, zonder vrees dat later eventueel te ontdekken
-gegevens onze waardeeringen zouden kunnen beschamen. En daarom zijn
-deze Brieven zulk een belangrijke uitgaaf te achten, en daarom behoort
-het Nederlandsch publiek mevr. Dekker dankbaar te zijn, dat zij deze
-uitgave heeft ondernomen.
-
-
-
-Er is een belangrijk verschil in opvatting van hunne taak als
-uitgeefster der Brieven hunner echtgenooten tusschen mevr. Dekker
-en mevr. Huet, belangrijk en zeer eigenaardig. De koele en effen
-brieven van onzen scherpen en kalmen officiëelen kritikus heeft
-zijne vrouw ons gegeven, zoo maar, zooals zij daar lagen, zonder
-eenig kommentaar, zonder emendaties, als archiefstukken ten behoeve
-der letterkundige geschiedenis. De ongedurige, woelige, nooit eens
-even bedaarde maar altijd hartstochtelijke epistolaire uitingen van
-onzen niet-officiëelen philosoof, romanschrijver en prozadichter,
-worden ons voorgelegd als heftige pleidooien in een polemiek, die nog
-maar niet wil uitsterven, en mevr. Dekker omgeeft ze van, wikkelt
-ze als 't ware in, kommentaren, in even intiemen toon gesteld als
-de brieven zelf, en waar zij onophoudelijk zoo nadrukkelijk mogelijk
-partij kiest voor haar beminden en vereerden man. Multatuli's vurige
-ziel werkt na zijn dood nog na, er komt nog vuur uit zijn graf, deze
-brieven zijn als de laatste brandende opwellingen van een vulkaan,
-dien men ten onrechte reeds voor geheel uitgeput hield.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I. LETTERKUNDIGE BETEEKENIS VAN MULTATULI EN ZIJN WERK
-
-
-Het woord "geniaal" meenen wij te mogen gebruiken in den zin van:
-intuïtief in kunst, wetenschap, wijsbegeerte en letterkunde, spontaan
-en helderziend in de hooge zaken van den geest. Geniaal is hij,
-die plotseling, zonder dat hij 't zelf eigenlijk goed weet, doet
-datgene, wat anderen slechts bereiken na lange jaren van oefening en
-voorbereiding, vooral indien hij 't dan zelfs nog beter doet dan die
-anderen het kunnen.
-
-Hechten wij deze beteekenis aan het woord, dan is Multatuli een
-geniaal man geweest bij uitnemendheid. Niet alleen dat hij nooit
-zijn best heeft gedaan om letterkundige te worden, niet alleen dat
-hij zelf steeds is blijven beweren geen letterkundige te zijn, maar
-hij kwam tot het voortbrengen van letterkundige zaken geheel en al
-zonder dat hij 't wist, geheel en al als 't ware buiten zichzelf
-om. Hij was een ambtenaar, die meende verongelijkt te zijn; na
-vruchteloos alle andere, meer gewone, middelen aangewend te hebben
-om in zijn recht hersteld te worden, nam hij nu een middel te baat,
-dat hem het uiterste, het eenig overblijvende, en ook ten slotte
-het meest afdoende, toescheen; hij wenschte namelijk zijn zaak te
-brengen voor de rechtbank der openbare meening. Hij nam dus de pen
-ter hand, om: iets te beweren, om: een pleidooi te houden;--en ziet,
-toevallig, van-zelf, tegen zijn bedoeling in, schreef zijne pen, door
-zijne koude vingers op het Brusselsche zolderkamertje bestuurd, een
-fraai letterkundig kunstwerk, een gedicht in proza, vol onstuimige
-kunst-elementen van hartstochtelijke welsprekendheid, het beste
-Nederlandsche belletristische werk van die jaren.
-
-Van zijne genialiteit is Multatuli zich bewust geweest, althans
-na dat hij Max Havelaar had voltooid. Na de lezing der verschenen
-Brieven, is de veronderstelling niet gewaagd, dat gedurende het in
-schrift stellen van Max Havelaar de bewust-wording der genialiteit
-in Multatuli's binnenste plaats greep. Aandoenlijke bladzijden,
-merkwaardige gegevens voor de letterkundige zielkunde tevens,
-zijn de over zijn boek handelende passages in de brieven, die hij,
-tijdens het opstellen van Max Havelaar, van Brussel uit aan zijn vrouw
-schreef. Men neemt er zooveel als de ontroering in waar, die hem zelf
-vervulde, bij de dagelijksche verrassingen, die het ontdekken van den
-verborgen schat van zijn talent in zijne ziel hem bereidde. Eerst een
-enkele regel over zijn Eerlooze (De Bruid daarboven). Deze is nog koel,
-maar de zelf-ontdekking begint: "Ik heb idee dat ik daarvan iets maak,
-en als ik slaag, schrijf ik meer" (Brieven, 1859, bl. 57). Dit was in
-'t begin van September 1859. Een paar weken later was Multatuli reeds
-aan Max Havelaar begonnen te werken. Hij had zijn Eerlooze aan een
-schouwburgbestuur gezonden en hoopte nu, om zelf moed te hebben om met
-schrijven door te gaan, dat de heeren zijn werk zouden goedkeuren. Zie
-hier wat hij, ongeveer 20 Sept., er over schrijft:
-
-"Ik had te meer het antwoord [2] gaarne gehad omdat dit een goeden
-invloed hebben zou op mijn werk. Ik ben namelijk sedert vele dagen
-bezig met het schrijven van een ding dat misschien wel drie deelen
-groot wordt. Nu is het zonderling zooals ik bij dat werk telkens
-verander van opinie over het zelve. Ik heb oogenblikken dat ik er mee
-tevreden ben en dan weer komt het mij voor als om te verscheuren. Ik
-gis een 100 pagina's druk klaar te hebben. Als nu dat van de Eerlooze
-gedurende dien tijd marcheerde, zou mij dat wat moed geven. Ik heb den
-titel van dat stuk veranderd, het heet nu: De Bruid daarboven! Ik heb
-het netjes overgeschreven en laten inbinden, en nu ligt het daar. Is
-dat niet verdrietig? Zoo gaat het kassian met alles, hoe ik mij
-ook uitsloof.
-
-Als ik het werk waar ik nu mee bezig ben ten einde brengen kan, zou de
-mogelijkheid om er een uitgever voor te vinden, zeker veel afhangen
-van de réussite van den Eerlooze. Als dat een beetje opgang maakte
-zou men er eerder toe overgaan iets te drukken, dan als de naam des
-schrijvers geheel onbekend is.
-
-Ik ben dikwijls mismoedig, en heb buyen dat ik niets kan
-voortbrengen. Ik schrijf zoo weinig omdat ik niets te schrijven heb,
-en mijne vingers zijn moe; ik heb er de kramp in. Het is maar jammer
-dat ik zelf niet weet of mijn werk wat waarde heeft. Het komt me
-telkens zoo onbeduidend voor, en dan weer niet."
-
-Elders (28 Sept. 1859) heet het, na dat hij van de Vrijmetselaars,
-Broeders van 't Rozekruis, door wier bemiddeling hij zijn Bruid
-daarboven! op het tooneel wilde beproeven te brengen, o. a. vernomen
-had, dat tooneel-besturen zich reeds royaal toonden indien zij een stuk
-met vijf-en-twintig gulden betaalden, ook in een brief aan zijne vrouw:
-
-"... ik wil mijn naam niet op de affiches hebben, want daar men in
-Holland, dom genoeg, dikwijls een vooroordeel heeft tegen menschen die
-frivole dingen schrijven, en ik misschien later weêr in betrekking
-komen zal, daarom wil ik onder een anderen naam gedrukt of gespeeld
-worden. Ik noem mij Multatuli, dat is: ik heb veel gedragen. (Deze
-mededeeling is niet onbelangrijk, daar het ontstaan van den pseudoniem
-er in verklaard wordt.) Welnu, als nu mijn stuk gespeeld wordt,... hoop
-ik, niet lang daarna klaar te zijn met mijn boek en als dit dan met den
-naam Multatuli in de wereld komt, die als mijn stuk een beetje lukt,
-gauw in de gedachten komt, omdat hij zoo vreemd en toch welluidend
-klinkt, dan moet dat op mijn boek doen letten. En dat boek, beste
-Tine, moet ons er boven op helpen. God geef radikaal. Want al is dan
-de letterkunde nog zoo schraal beloond in Holland, ik hoop dat men
-voor mijn boek een uitzondering maken zal, omdat het boek zelve eene
-uitzondering wezen zal.
-
-Ik heb u reeds gezegd dat ik zoo dikwijls verander van stemming
-daarover, maar sedert den laatsten tijd ben ik er weer zeer mee
-ingenomen. Ik kan niet zeggen dat ik hard voortga, maar ik ben daarover
-niet zoo verdrietig als gij zoudt meenen, omdat dikwijls als ik niet
-kan werken (eerst de kou en nu, na de warmte, weegluizen die mij
-'s nachts beletten te rusten en dan ben ik 's morgens zoo heet van
-huid en niet dispos) omdat die bezwaren niet van mijn geest komen,
-waarvoor ik toen ik aanving bang was...
-
-Ik ben zeker dat men in recensiën er stukken uit overschrijven zal. En
-dat men zeggen zal: Wie is die Multatuli?..."
-
-De zelf-ontdekking, het langzaam bewustworden der genialiteit,
-komt ook fraai uit in regels als deze. Uitvoerige aanhalingen zijn
-hier voorzeker niet ongepast, daar het de teederste en edelste
-gemoedsbewegingen geldt, die zich in eene menschenziel kunnen voordoen:
-
-"Ik durf na wat ik zelf weet van Holland en wat Van Hasselt
-schrijft, toch beweren dat men mijn boek betalen zal, want ik zal
-de lezers aangrijpen zooals ze nooit aangegrepen zijn. Zeg daarvan
-niets. (Hoe lief naïef, deze laatste woorden) want men noemt dat
-malle verwaandheid... maar ik heb een proef op mijn werk. Als ik
-niet gestoord word door uiterlijke dingen, schrijf ik zoo gauw dat
-ik over twee dagen er niets meer van weet. Dan lees ik hard op, en
-als iets vreemds, wat ik voor weinig tijds maakte, welnu, dat komt
-mij dikwijls heel goed voor.
-
-Nu vraag je wat ik schrijf. Lieve engel 't is zoo'n raar boek. Voor
-ik begon liep ik verdrietig rond en bedacht of ik over onze positie en
-het infame gouvernement aan den koning zou schrijven... ik merk onder
-het schrijven dat ik stof in mijn hoofd heb voor vele boekdeelen...
-
-... Jij komt ook in mijn boek, ik heb je juist gisterenavond een
-ondeugende streek laten uitvoeren, hoor beste lieve Tine, mijn Tine,
-je bent mijn lieve hart. Och, ik las je zoo graag wat voor. Ik geloof
-waarachtig dat er veel geest in is. Het is vroolijk, koddig, men zal
-hoop ik lachen, en dan stuit men op een passage die zeer ernstig is...
-
-... Ik kan niet goed in weinig woorden uitleggen wat het is. Het
-gelijkt naar geen ander boek...
-
-... Is dat dan niet een gek boek? Ik heb buyen, dat ik mijn werk
-afkeur, maar de slotsom is dat het heel goed is. Middelweg is er niet."
-
-Zoo gaat de schrijver nog lang voort, telkens herhalend, dat het
-zoo'n vreemd boek is, dat hij er zijne vrouw zoo graag iets uit
-voorlezen zou, of aan haar het afschrift van een hoofdstuk zenden,
-als de port maar niet zoo hoog was.
-
-"... Och, ik wou je zoo graag de aanspraak voorlezen van een nieuw
-Assistent-Resident die zijne betrekking aanvaardt. Hij heet Max
-Havelaar (dat ben ik)."
-
-"... Ik vind die passage zoo mooi. Ik heb er zelf bij geschreid. Maar
-er liggen vele tranen op mijn handschrift..."
-
-"... Ja, ik moet schrijver zijn, ik heb wel honderd boeken in mijn
-hoofd." (Dit alles in de Brieven, 1859, blz. 60-103 vv.).
-
-
-
-Toen Multatuli zich zijner genialiteit volkomen bewust was, heeft
-hij zich aan die wetenschap, aan die gevoelswetenschap vastgeklampt
-als aan het groote vermogen, dat hem zeker en stellig ééns, als
-hij in 't leven bleef, wanneer dan ook, tot hoogen roem, en als
-gevolg daarvan tot de hooge positie moest brengen, die hij nooit,
-vóor zijn definitief vertrek naar Duitschland althans, gewanhoopt
-heeft te zullen bereiken. Aanhoudend zal hij nu in 't vervolg, in
-'t openbaar, van zijn genie-zijn (dat hij verwarde met genialiteit)
-spreken, zich daarop, en terecht, beroemen, en die genialiteit in zijn
-binnenste als 't ware aankweeken en verzorgen als een kostbare plant.
-
-Men herinnert zich, uit zijn werk, het bezoek aan de Japanners, waar
-hij zich aandiende als zijnde een "genie". Op verschillende plaatsen
-in de Brieven komt voor, dat hij zijne vrouw mededeelt, haar geen
-uitvoerigen brief te kunnen schrijven, omdat hij zich dan te veel
-"epancheert," omdat hij dan "leêg" raakt, hetgeen nadeelig is voor
-"geest, poëzie en alles." Later, te Amsterdam wonende (Brieven, 2e dl.,
-1860) noemt hij datzelfde als de reden, waarom zijn vrouw maar niet
-vooreerst nog met hem moet komen samenwonen. Dit zou nadeelig zijn
-voor zijn werk, daar hij dan tot haar alles zou zeggen, wat hij beter
-deed met op te schrijven voor zijne uitgaven. Hij verpleegde dus zijne
-genialiteit wèl als eene zorgzame moeder haar eenig en nukkig kindje.
-
-Een, voor zijne letterkundige ontwikkeling bedenkelijker maatregel,
-dien hij met het oog op het zelfde doel toepaste, bestond in zijne
-bekende onthouding van lektuur, ten einde zijn oorspronkelijkheid
-niet te verliezen, zoo als hij het ongeveer uitdrukt.
-
-Deze maatregel was dáarom zoo bedenkelijk, om dat die onthouding hem
-het eenige middel uit de hand nam, waarmede hij zijn oorspronkelijkheid
-zoude hebben kunnen kontroleeren. Hij dacht zoo: ik ben nu geniaal,
-ik heb nu eenmaal alles uit mij zelf, als ik dus nu maar voortdurend
-de gedachten en sentimenten noteer, die in mij opwellen als in hun
-oorsprong-bron, dan zal ik van zelf ook noodzakelijk origineel
-blijven. Naar het ons voorkomt, vergiste Multatuli zich met dit
-gevoelen. Want niet alleen had hij dan toch vroeger veel gelezen, en
-las hij, zij 't ook zeer fragmentarisch, in boeken, in tijdschriften,
-in kranten, in brieven zelfs, allerlei zaken, waaruit de geest van zijn
-tijd hem moest blijken (een negentiende-eeuwer, die absoluut zich van
-lektuur zou spenen is schier ondenkbaar, de lektuur is zijn dagelijksch
-voedsel geworden, hij leeft er half van); maar ook, heeft er, door
-wat men hoort, door wat men ziet, door de onophoudelijke aanraking
-met menschen en dingen een nimmer onderbroken opneming van de tijdziel
-in ons plaats, iets als een inzuiging door de poriën des geestes van
-den tijd, waarin wij leven, aan welken invloed ook de sterkste mensch
-zich niet kan onttrekken. En dit eenmaal gegeven zijnde, wordt het
-gevaar duidelijk, dat degene loopt, die zich door zoo min mogelijk
-lektuur te onderhouden, voor den invloed van buiten wil bewaren.
-
-Want terwijl hij, door zoo veel mogelijk kennis te nemen van de
-geestes-voortbrengselen zijner tijdgenooten, elke gedachte, elk
-gevoel, dat in hem opkomt, kan toetsen aan de reeds bestaande en
-volkomen uitgedrukte gedachten en sentimenten, om die te verwerpen,
-welke slechts kopieën blijken te zijn en alleen die te aanvaarden en
-te bewaren, wier nieuwheid zeker zal wezen; zal hij noodlottigerwijze,
-in het tegenovergestelde geval, als hij de kiem eener wijsgeerige
-gedachtenreeks of van poëtische samenstelling in zich waarneemt, hetzij
-die kiem zonder onmiddellijk aanwijsbare oorzaak in hem zelf geworden
-is, hetzij met zijn weten van buiten af tot hem is gekomen, zich aan
-den arbeid zetten om uit de kiem zich het werk te doen ontwikkelen,
-wat er uit groeien moet, niet wetend, dat een dergelijke ontwikkeling
-reeds in hoofd en hart van een ander schrijver heeft plaats gegrepen,
-en dat zijn arbeid dus, zonder dat hij 't zelf gissen kan, niet geheel
-oorspronkelijk zal zijn.
-
-Indien men dit goed in 't oog houdt, zal men ontwaren, dat, in de
-geschiedenis der letterkunde (letterkunde in den zin van kollectieve
-benaming voor wijsbegeerte en kunst genomen) deze twee typen van
-schrijvers scherp tegenover elkander uitkomen: de bewust origineelen
-en de onbewust onorigineelen. Multatuli meende, dat als hij er zich
-maar voor hoedde te behooren tot de bewust onorigineelen, hij van zelf
-tot de origineelen gerekend zou kunnen worden, terwijl het denkbeeld
-van het bestaan der bewust-(d.i.: ten gevolge van lektuur en kontrôle)
-origineelen en de onbewust-(d.i.: door gemis aan lektuur en kontrôle)
-onorigineelen niet bij hem is opgekomen.
-
-Naar onze meening, die wellicht eenigszins gewaagd kan heeten,
-moet Multatuli, wat de algemeene wijze van voorstelling in zijne
-letterkundige en den inhoud zijner wijsgeerige voortbrengselen aangaat,
-tot de onbewust onorigineele schrijvers geacht worden te behooren.
-
-Het is niet wel mogelijk dit gevoelen nader toe te lichten zonder voor
-een oogenblik het onderwerp der letterkundige scholen te behandelen.
-
-In 't algemeen schijnt men er veel gemakkelijker toe te komen het
-bestaan van schilderscholen, dan het bestaan van letterkundige
-scholen te erkennen. Het ligt niet in de bedoeling thans de oorzaak
-van dat verschijnsel na te sporen. Genoeg zij het het verschijnsel te
-konstateeren, bestatigen, zoo als de Vlamingen zeggen. Met de grootste
-gemeenzaamheid spreekt men van de Hollandsche zeventiende-eeuwsche
-schilderschool, van de schilderschool der Italiaansche Renaissance, van
-de Spaansche schilderschool, van de verschillende negentiende-eeuwsche
-Fransche schilderscholen, de akademische van David, de romantische
-van Delacroix, de naturalistische van Millet, de impressionistische
-van Manet, verder van de Duitsche, de Belgische en de Hollandsche
-negentiende-eeuwsche schilderschool.
-
-Maar van letterkunde-scholen, daarvan wil men niet zoo spoedig
-weten. Nu is het waar, dat de schilders-ateliers, zoo als men die in de
-groote centra der beschaving kent, het idee van school meer plastisch
-verwezenlijken en de verbreiding er van dus in de hand werken. Zeker,
-de leerlingen zitten daar in grooten getale ter neder, schilderend
-of teekenend naar het model, en de meester gaat rond, toeziende,
-om zijn goed- en afkeuringen uit te deelen.
-
-Op deze wijze, zeer zeker, bestaan er geen letterkundige scholen. Er
-wordt geen lokaal gebouwd, er worden geene banken getimmerd, er is
-geen zwart bord en geen krijt, er zijn geen oorvegen-uitdeelende
-meester en vingers-opstekende leerlingen vergaderd. Het woord school,
-als men het ter gemeenschappelijke aanduiding van auteurs-groepen
-bezigt, wordt niet aanschouwelijk gemaakt door het voorbeeld van een
-Fröbel-school of een R. H. B. school.
-
-Ook bestaat er, bij den aanvang van elke nieuwe litteratuur-periode,
-geen school. De "school" is een voorstelling, is de naam eener
-rubriceering, die de kritici, de letterkundige geschiedschrijvers,
-later in 't leven roepen, om hun taak te vergemakkelijken, hun
-overzichten van de gebeurtenissen der tijden te vereenvoudigen. En
-er schijnt werkelijk niet de minste reden te bestaan om eerder
-van schilderscholen, van philosophische scholen, van geneeskundige
-en andere wetenschappelijke scholen te spreken, en alleen niet van
-letterkunde-scholen. De school van Shakespeare, de school van Diderot,
-de school van Baudelaire,--waarom niet?
-
-Multatuli was, zoo als men weet,--en dit staat in zeer eigenaardig
-verband met zijne opvatting der genialiteit en de gedragslijn, die
-de bezitter dier zeldzame gave ten haren opzichte te volgen had,
-zoo als wij die boven poogden te schetsen,--een vijand van scholen,
-letterkundige of wijsgeerige, vooral ook theologische, welke laatste
-hij wel eens met de beide voorgaande verwarde. Hij stond buiten alle
-scholen, beweerde hij steeds, ja en bóven alle scholen, dacht hij zelf
-daar in stilte bij (wellicht heeft hij 't wel eens uitgesproken tevens)
-en verkondigden zijn vergoders luide. Deze meening moet o. i. verworpen
-worden. Zij kan onmogelijk worden volgehouden tegenover de duidelijk
-sprekende trekken, die zijn werk vertoont, en die hem op onloochenbare
-wijze zijn plaats in de literatuurgeschiedenis aanwijzen. Het in de
-historie éénige feit, dat een schrijver tot geene school zou behooren,
-en tevens geene school heeft gesticht, kan niet geacht worden zich hier
-te hebben voorgedaan. Want indien beweerd wordt, dat Multatuli's werk
-tot zekere school behoort, zouden de personen, die hem eene matelooze
-vereering toedragen, dit wel willen bevestigen, door te zeggen:
-ongetwijfeld, ge hebt gelijk, Multatuli's werk behoort tot--want het
-heeft den oorsprong gevormd van,--de school van Multatuli. Jawel,
-begrepen, maar zoo is de bedoeling niet. De produkten der weinige
-navolgers, wier werk eenige grove verwantschap met dat van Multatuli
-vertoont, zijn,--hierover bestaat geen verschil van opinie--dermate
-onbeteekenend, dat hun bestaan niet de moeite waard is om erkend
-te worden.
-
-Neen, Multatuli's werken behooren, al naar de verscheidenheid van hun
-aard, tot verschillende letterkundige-scholen, waarvan de meesters,
-of, zoo men wil, de voornaamste vertegenwoordigers, niet moeilijk te
-noemen zijn.
-
-Het is hier niet de plaats om in veel details van vergelijking te
-komen, noch om door een abstrakt theoretisch en te algemeen kritisch
-vertoog deze bewering uitvoerig te staven, daar het alleen te doen
-is om eene omschrijving van Multatuli's genialiteit, in verband met
-zijne beteekenis voor de letterkunde.
-
-Wij willen evenwel eenige voorbeelden noemen. Woutertje Pieterse is
-een der beste voortbrengselen van Multatuli's pen. Er worden zelfs
-vele lezers gevonden, die Woutertje Pieterse boven de Camera obscura
-van Hildebrand verkiezen. Deze novelle wordt geprezen om haar humor
-en melancholie, om haar treffend juist weergeven van wat er omgaat
-in een jongensziel. De heer Swart vindt in de betrekking tusschen
-Woutertje en Juffrouw Laps aanleiding om Multatuli van een overdreven
-penchant voor het lubrieke te beschuldigen. Hij vindt dat hieruit
-een ziekelijke toestand van de sexueele centra in de hersenen des
-schrijvers blijkt. Bij deze inderdaad geheel onverdedigbare meening
-willen wij echter niet stil staan. Want, indien men zich aan zulk een
-oordeel wilde houden, zoude men om dezelfde reden minstens de helft
-der grootste schrijvers van alle tijden als aan dezelfde ziekte lijdend
-moeten beschouwen en hunne voornaamste voortbrengselen verwerpen. Wij
-scharen ons aan de zijde van hen, die, hun oordeel alleen baseerend
-op overwegingen van zuiver letterkundigen aard, Woutertje Pieterse tot
-het schilderachtigste en krachtigste, hartigste zouden we haast zeggen,
-proza rekenen, dat in deze eeuw in ons land is gemaakt. Doch, bij het
-uitspreken van lof, is er meer dan éen voorbehoud te maken. Vooreerst
-paste het wel geheel en al in Multatuli's eigenaardig genre om de
-novelle als eene causerie in te richten en telkens den draad van
-het eigenlijke verhaal, het weefsel der voorstelling, af te breken,
-om zich, naar aanleiding van een in het verhaal voorkomend woord,
-in beschouwingen van allerlei aard te verdiepen, die met het geval,
-waarmede de lezer werd bezig gehouden, eigenlijk niets hoegenaamd
-te maken hadden, of ten minste, door op zijn denkvermogen in plaats
-van op zijn verbeelding te werken, het genot verstoorden, dat hij
-vond in het zich inleven in den toestand, in het medeleven met het
-verhaal als ware het een werkelijkheid, waarin hij, de lezer, zelf
-was geplaatst; vooreerst dus, al paste deze wijze van doen wel in
-Multatuli's intuïtief stelsel, kunnen wij, noch langs den weg van het
-gevoel, noch langs dien der redeneering, eene verontschuldiging voor
-deze arbitraire handelwijze vinden. En ten anderen--hetgeen ons naar
-ons punt van uitgang terugvoert,--is Woutertje Pieterse, in weerwil
-harer betrekkelijke oorspronkelijkheid, in weerwil van het feit,
-dat de krachtige individualiteit van den schrijver zich hier niet
-minder onbetuigd laat dan in welk der overige werken ook, waar men die
-ook openslaat, eene novelle pur sang uit de school van Dickens. Men
-herinnere zich slechts Woutertje op het kantoor en Woutertje in de
-jodenbuurt, om de manier van Dickens, in al haar schilderachtigheid,
-haar humor, haar door de aanschouwelijkheid van het proza als 't
-ware heendringend vrouwelijk, moederlijk gevoel van medelijden met
-de kleinen, zwakken en hulpbehoevenden onder de menschen, te herkennen.
-
-Multatuli heeft zelf Woutertje Pieterse een "epos" genoemd. Deze
-bewering mag evenwel niet als een uitspraak van letterkundige kritiek
-opgevat worden. Multatuli schreef haar zoo maar neder, zonder er
-verder over na te denken. Hij wilde alleen, door het gebruiken van een
-groot, aanzienlijk en geleerd woord, te kennen geven, dat Woutertje
-eene zeer bijzondere en mooie verschijning was in de Vaderlandsche
-letterkunde. Hierin had hij trouwens het grootste gelijk. Maar een
-epos, neen, dát is het niet. Woutertje Pieterse is alleen daarom
-reeds veeleer het tegenovergestelde van een epos, wijl het geheel den
-hoogen, onpersoonlijken, sereinen, d. i. kalm-zuiveren stijl mist,
-die een proza- of dichtstuk tot een epos maakt. Deze novelle derft
-ook het langzame en zekere in de kompositie, het egale, gelijkmatig,
-harmonieus samengestelde, dat epische kunst pleegt te kenmerken. Het
-is een prozawerk met horten en stooten, zeer ongelijk van waarde in de
-verschillende gedeelten, gemaakt door een schrijver, die er maar op
-los schreef zonder vooraf een plan of schema te beramen niet alleen,
-maar ook zonder dat, gelijk b.v. bij George Sand geschiedde, het werk,
-gedurende het schrijven, tot een geheel vol evenwicht zich vormde.
-
-Ongetwijfeld had Multatuli van Dickens, van wiens werken de geheele
-Europeesche en Amerikaansche atmosfeer toenmaals was gesatureerd,
-veel gelezen en voegde zich bij de leerlingen van den grooten
-Engelschman zonder daar zelf iets van te vermoeden, want zoowel uit
-zijn eigen intieme uitlatingen daaromtrent in de Brieven, als uit
-zijn buitensporige zelfverheffing in zijn voor het publiek bestemd
-werk, blijkt, dat hij een critischen blik op zijn eigen arbeid in
-'t geheel niet bezat.
-
-De Multatulianen, voor zoover die van dit opstel kennis mochten nemen,
-zullen wellicht beweren (in welke bewering het niet bepaald onmogelijk
-is, dat zij het volste gelijk hebben): Multatuli heeft juist nooit
-iets van Dickens gelezen. Dit is een bekend antwoord van vrienden van
-groote schrijvers, die rangschikking van het voorwerp hunner vereering
-in eene letterkundige school als eene mishandeling, of verkleining
-ten minste, van hun vereerde beschouwen. Wij zijn echter gevrijwaard
-voor het treffen van zulk eene bewering, door onze, eenige bladzijden
-vroeger uiteengezette theorie omtrent de onbewuste oorspronkelijkheid.
-
-Behoort Woutertje Pieterse en in 't algemeen al het realistische
-novellistische proza van Multatuli, al het proza waarin hij
-beschrijvend optreedt, tot de Engelsche school, zonder dat er
-eenige Fransche invloed in is te bespeuren,--in zijn poëtische,
-lyrische stukken, hetzij in prozavorm, hetzij in versmaat, worden
-sprekende trekken van verwantschap aan de Duitsche letterkunde waar
-genomen. Saïdjah's minnelied, Het gebed van den onwetende zijn uit
-de Duitsche school, waarin Heine de eerste plaats bekleedt. Het is
-dezelfde weemoed, het is dezelfde gevoels-twijfel (in tegenstelling
-tot wijsgeerigen twijfel) aan "God", aan het "bestaan van een God",
-die de Germaansche poëzie en de Germaansche muziek van vóór de
-Wagner-periode, in onvergelijkelijk schoone beelden en geluiden over
-de wereld heeft uitgestort.
-
-Over de oorspronkelijkheid van Multatuli's anti-theologische
-denkbeelden behoeft niet uitgeweid te worden. Het voegt niet, om
-op deze plaats in vraagstukken van godsdienstleer en wijsbegeerte
-zich te verdiepen, en dat Multatuli in dit opzicht aan de wereld een
-nieuw stelsel zou hebben geschonken zal trouwens door geen serieus
-mensch worden volgehouden. Voltaire, Strauss, Renan, in deze namen
-koncentreert zich de historische anti-theologie der laatste anderhalve
-eeuw en Multatuli's onuitwischbare verdienste zal het blijven deze
-polemiek uiterst talentvol in Nederland te hebben gelokaliseerd.
-
-
-
-Nu wij getracht hebben de bewering, dat Multatuli wat "de algemeene
-wijze van voorstelling in zijne letterkundige en den inhoud zijner
-wijsgeerige voortbrengselen" aangaat, niet bij de schrijvers
-geschikt moet worden, in wier persoonlijkheid eene letterkunde
-of wijsbegeerte haar oorsprong of kulminatiepunt vindt, door eenig
-betoog te rechtvaardigen, rijst de vraag ter beantwoording: waarin
-dan wèl Multatuli's originaliteit en dus zijne hooge verdienste en
-bijzondere beteekenis voor de letterkunde gelegen is.
-
-Het antwoord kan niet twijfelachtig zijn: het begrip van het
-individualisme van den letterkundigen kunstenaar als zoodanig heeft
-Multatuli in de Nederlandsche letterkunde gebracht, en de praktijk
-van dat begrip door niets minder of meer te doen dan onze taal te
-hervormen, eene ziel te brengen in onze taal en in onze letterkunde,
-die, ook door mannen als Busken Huet voor ten doode gedoemd werd
-gehouden, onmachtig als zelfs Huet was haar een nieuw leven te geven.
-
-Naar onze meening zoude men zich Multatuli's eerstgenoemde verdienste,
-het essentiëele onderscheid tusschen hem en zijne de pen voerende
-tijdgenooten, en daarom tevens zijne essentiëele grootheid, als volgt
-kunnen voorstellen. De andere schrijvers, de gewone schrijvers, die
-vóór Multatuli's optreden en tijdens zijne gerucht-makende prouesses
-aan het woord waren geweest en aan het woord waren, vroegen zich, toen
-zij de neiging in zich gevoeld hadden om letterkundigen te worden en
-toen de tijd dáar was om aan die neiging gehoor te geven, àf: hoe moet
-ik nu doen? op welke wijze is het gebruikelijk letterkundige te zijn,
-hoe treedt men in 't algemeen op, hoe denkt men, hoe spreekt men,
-hoe schrijft men? hoe wil het vak het? op wat voor manier pleegt het
-vak der letterkunde beoefend te worden? Deze menschen beschouwden de
-letterkunde als eene soort hofhouding, waarvan zij de manieren en de
-étiquette moesten kennen, om er zich behoorlijk te gedragen, anderen,
-van minder allooi, beschouwden haar meer als eene boerenkolonie,
-waarvan zij de gebruiken en den tongval moesten leeren alvorens zich er
-gepast te kunnen voordoen. Niet alzoo Multatuli. Deze voelde zich een
-koning in eigen ziel en de étiquette, regelrecht door die gebiedende
-ziel voorgeschreven, was de eenige, die hij als wettig erkende: naar
-háre voorschriften moest hij zich gedragen, naar háre stem alleen
-luisteren. Zijn tongval regelde zich naar zijn harteslag, en de
-eenige gebruiken, die zijn pen als eerbiedwaardig had na te komen,
-waren de vorstelijke luimen zijner fantasie, en de aanbiddelijke
-grillen zijner gemoedsstemmingen.
-
-Hij vroeg niet naar wat men deed, hoe men dacht, hoe men sprak,
-hoe men schreef, hoe men handelde. Hij schreef zooals hij sprak, hij
-sprak zooals hij dacht, en hij dacht steeds hartstochtelijk. Zijne
-ziel noch zijne taal kon hij kanaliseeren volgens de overgeleverde
-stelregelen, zooals de kalme wateren van anderer ziel en taal dat
-zoo gemakkelijk en bereidwillig konden. Hij nám geen voorzorgen, hij
-nám daarvoor geen maatregelen, maar al had hij ze genomen, ze zouden
-vruchteloos gebleven zijn tegen den machtigen drang der ontembare ziel,
-die als een breede snel vlietende stroom nú, en dán weder als een
-neerdonderende waterval, zich baanbrak door de wetten en konventiën
-van de maatschappij zoo wel als van de orthographie, de grammatica
-en de syntaxis, vergruizelend en verder in zijn vaart meevoerende
-wat waagde hem te weerstaan of hem onwillekeurig in den weg stond.
-
-Een der beste bladzijden van Multatuli is zijn vermaarde
-beschrijving--een gedicht in proza--van de overstrooming van den
-Indischen bergvliet, die, ten bate der slachtoffers van die ramp,
-als vlugschrift afzonderlijk bij Nijgh te Rotterdam uitgegeven,
-hoewel slechts éen vel druks beslaande, in enkele weken in zoo groot
-aantal exemplaren werd verkocht, dat de opbrengst dertienhonderd gulden
-bedroeg. Welnu, men herleze dit stuk,--het is Multatuli's eigen ziel,
-die hij daarin heeft beschreven en geroemd.
-
-En wat de taal in 't bijzonder aangaat,--de taal is gansch het volk
-niet alleen, als omgangsmiddel der gezamenlijke menschen, maar de
-taal is ook gansch de ziel als omgangsmiddel van den kunstenaar met
-zich zelf--de terugkeer tot de natuur, die overal dermate verlangd
-werd, dat dat verlangen zich tot in de meest gemeenzame versregeltjes
-kenbaar maakte als
-
-
- Schrijven moet men, zegt papatje,
- Even zoo, alsof men praat;
- Daarom zeg mij, beste Kaatje,
- Nu maar eerst eens hoe 't u gaat!,
-
-
-die terugkeer tot de natuur werd, ten tijde dat Multatuli debuteerde,
-meer bezongen en gepredikt dan in praktijk gebracht. En dit wel om de
-zeer afdoende reden, dat het maar niet genoeg is naar de stemmen van
-binnen te gaan luisteren in plaats van uitsluitend naar de stemmen,
-die van buiten komen, maar dat er hiervoor ook stemmen van binnen
-moeten zíjn. Ziedaar het vraagstuk. Om in de kunst den terugkeer tot de
-natuur, tot de echte en oprechte menschelijke natuur, zoo in praktijk
-te brengen dat er eenige beteekenis aan is, moeten in den kunstenaar
-twee faktoren aanwezig zijn: een groot fonds van persoonlijkheid
-en eene volledige openhartigheid. Nu was het feit, nu wilde de
-historische toestand, dat Multatuli's voorgangers en tijdgenooten,
-wel zeer ter goeder trouw en vol ijver naar openhartigheid streefden,
-naar een nauwkeurig weêrgeven van hun wezenlijke gedachten en innig
-gevoel, maar die wezenlijke gedachten waren niet schoon, dat innige
-gevoel was niet groot, om dat zij geen groote mannen waren. Daarom
-ontbrak de voornaamste faktor: het fonds van groote persoonlijkheid.
-
-En daarin heeft Multatuli's onuitwischbare, koninklijke verdienste
-bestaan: dat hij zelf een groote, gepassioneerde persoonlijkheid was,
-dat zijne stem door zijn tijdvak weerklonken heeft als die van een
-profeet in de woestijn, en dat hij de schoonste letterkundige kunst
-heeft voortgebracht van zijn tijd en van zijn land.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II. MULTATULI EN "DE MENSCHEN".
-
-
-Nu wij de plaats omschreven hebben, welke Multatuli, naar onze
-opvatting, als openbare persoonlijkheid in de beschavings-geschiedenis
-van Nederland inneemt, rust, met groote duidelijkheid aangewezen,
-de taak op ons, de compositie van het beeld dat wij begonnen zijn te
-schetsen, te vervolledigen, door er de bijzondere trekken aan toe te
-voegen, die Multatuli als mensch in het private leven kenmerkten. En
-hiertoe bieden de Brieven het niet genoeg te waardeeren materiaal. Zoo
-ergens, dan is bij Multatuli de privaat-mensch de aanvulling, de
-wederhelft van de publieke persoon. Niet alleen om dat hij steeds
-uit zijn omgeving, uit zijn eigen lotgevallen, uit zijn toevallige
-omstandigheden en ontmoetingen op reis en te huis, bijna uitsluitend de
-stof putte voor zijne artistieke fantasieën en wij dus de geschiedenis,
-den oorsprong van zijn kunstwerk in zijn partikulier leven moeten
-opsporen; maar ook om dat hij zelf nagenoeg zijn geheele partikuliere
-leven, qua historie, qua belang inboezemende, verontwaardiging wekkende
-lotgevallen, heeft gepubliceerd, maar niet altijd,--en hierop komt
-het aan--met zooveel nauwkeurigheid en algeheele helderheid, dat
-omtrent den waren aard zijner ondervindingen bij den lezer niets meer
-in het duister bleef. Velen ongetwijfeld zullen pas in deze Brieven
-de volkomen opheldering van zoo menigen geestelijken en stoffelijken
-toestand in des schrijvers leven vinden, waarnaar zij in de heftige
-uitlatingen der Ideën en andere geschriften te vergeefs hebben gezocht.
-
-
-
-De vrouwen zijn voorzeker de zachtste, de liefste, de aangenaamste,
-in vele gevallen de meest menschelijke, helft der menschheid. Het
-is dus allerminst om de vrouwen van deze kategorie van wezens uit te
-sluiten, indien wij, na Multatuli in zijne verhouding tot "de menschen"
-beschouwd te hebben, gaarne een afzonderlijk hoofdstuk zouden wijden
-aan Multatuli's verhouding tot "de vrouwen", en in verband met deze
-verklaring moet dus wel de titel der hier aanvangende afdeeling
-van dit opstel eene anticipatie schijnen op dien der volgende. Toch
-zullen wij er ons op toeleggen dit slechts schijn te doen zijn. Want
-het onderscheid moet zijn: dat wij nu Multatuli's bijzondere en
-buitensporige persoonlijkheid in haar gevoelens en gedragingen ten
-opzichte van de menschen in 't algemeen willen nagaan, om vervolgens
-uitsluitend het bijzondere in die persoonlijkheid te overwegen,
-dat haar eigen werd zoodra zij speciaal met vrouwen in kontact kwam.
-
-
-
-Om een juist denkbeeld van Multatuli's karakter te krijgen, zoo als
-het zich in zijn omgang met menschen, in zijn houding tegenover de
-maatschappij, openbaarde, toen hij eenmaal een publiek persoon begon
-te worden, moeten wij aanvangen met zijn karakter te beschouwen
-zoo als het vóor dien tijd was, want het karakter heeft zich wel
-niet veranderd, maar heeft zich uitgedijd, en, om zijn latere
-ontwikkeling te begrijpen, moet men daarvan de oorzaken in de kiem
-naspeuren. Multatuli's karakter, zoo als dat was vóór de verschijning
-van zijn eerstuitgekomen werk, den Max Havelaar, heeft de houding
-bepaald die de maatschappij, vertegenwoordigd door hare met hem in
-betrekking staande leden, tegen hem aannam, en waarvan zijne, latere,
-houding weêr de terugslag was.
-
-Wie was Douwes Dekker vóór dat Multatuli bestond, wat voor een man
-was die Douwes Dekker in de waardeering dergenen, die over hem te
-oordeelen hadden,--ziedaar de vraag, waarvan de beantwoording het
-gedrag der "menschen" jegens hem volkomen zal verklaren.
-
-De waardeering, waarin Dekker bij de menschen, hier in 't bijzonder
-zijne familieleden, bijv. zijn in de Brieven dikwijls genoemden
-broeder Jan Dekker en zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, stond,
-had zich natuurlijk gevormd uit wat zij wisten van zijne handelingen
-en gedachten, van de feiten zijns levens, van zijn gedrag als mensch,
-ambtenaar, echtgenoot, huisvader.
-
-Vóór het geweldige feit, het enorme fait accompli zijner
-ontslagneming als Assistent-Resident te Lebak, had Dekker (naar uit
-de Brieven blijkt) in zijne familie de reputatie van te zijn een
-zeer begaafd man, maar tevens wat zonderling, wat heet-hoofdig,
-en een slecht financier. Vóór Lebak reeds, lezen wij, waren de
-financiëele omstandigheden der familie Douwes Dekker alles behalve
-gunstig. Dekker had zelf van huis uit geen geld, hij was gehuwd met
-eene onbemiddelde baronesse Van Wijnbergen, hij verdiende in 's lands
-dienst wel betrekkelijk veel, maar de verteringen overtroffen steeds
-de inkomsten, zoodat men links en rechts in schulden kwam.
-
-In 1846 was Dekker gehuwd, in 1852 kwam hij met verlof naar Europa,
-om in 1855 weder naar Indië terug te keeren. In die drie jaren
-verloftijd, dus nog vóór zijn zenuwgestel door zijn ontslag en de
-daardoor veroorzaakte ellende den grooten schok had gekregen, toonde
-hij reeds, vooral in uitspannings-tijd, slecht met geldelijk beheer
-overweg te kunnen; want niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij
-zijne Wageningsche tantes, en zelfs bij den hôtelhouder Fuhri in
-'s-Gravenhage maakte hij schulden, die in 1856, het jaar van het
-ontslag, nog lang niet aangezuiverd waren, want jaren later nog
-"maakte", zooals de uitgeefster der Brieven het mededeelt, "Fuhri
-het hem daarover lastig."
-
-Al dat schulden maken wordt natuurlijk in 't algemeen verontschuldigd
-door Dekker's stellige en zeer oprechte voornemens om het geleende
-geld terug te geven, misschien wel met de rente er bij; het leenen
-bij de tantes in 't bijzonder wordt vergoelijkt door het feit,
-dat Dekker deze dames geregeld ondersteunde, zoodat hij niet ten
-onrechte, maar wel wat weinig delikaat, later beweerde: het was zijn
-eigen geld, dat hij van de tantes had geleend; doch het leenen van de
-tantes komt aan den anderen kant weer in een minder fraai daglicht,
-als men verneemt, dat die tantes zelve uiterst onbemiddeld waren, zoo
-onbemiddeld, dat, ter beantwoording van verzoekschriften hunnerzijds,
-prins Frederik hun eens vijftig gulden ten geschenke zond, terwijl zij
-van het ministerie een gratificatie van zestig gulden ontvingen. De
-schuld bij den hôtelhouder is van nog bedenkelijker aard, par ce qu'il
-faut laver son linge sale en famille. (Want Dekker was toen nog niet
-behoeftig, hij had zijn verlofstraktement).
-
-
-
-Zóó was dus de toestand, toen, nadat Dekker 4 Jan. 1856 benoemd was
-tot Assistent-Resident, de familie in de lente van dat jaar plotseling
-verrast en verbaasd en, ja geërgerd werd door het bericht, dat hij,
-in wiens promotie zij zich waarschijnlijk juist zeer verheugde, op 4
-April van die hooge positie had afstand gedaan en uit die lukratieve
-betrekking zijn ontslag had genomen. Waarom, dus vroeg men zich in
-ontsteltenis af, waarom heeft hij dat gedaan? Was het om elders in
-nog betere betrekking te komen, was het om op andere wijze, door het
-beginnen eener partikuliere onderneming, zijne levensomstandigheden en
-die van zijn gezin nog meer te verbeteren, was het wegens onvermogen,
-wegens ziekte? Niets van dat alles. Toen dus de familie de reden
-vernam, kon zij, die natuurlijk naar de algemeen in de maatschappij
-gangbare begrippen oordeelde, er onmogelijk iets anders van vinden,
-dan dat hij, die zoo handelde, rijp was voor de gevangenis of voor het
-krankzinnigen-gesticht. Want wát was er gebeurd, wat was de aanleiding
-geweest, die Dekker tot dezen stap had gebracht? Hij had eene berisping
-van hooger hand ontvangen over Dienstzaken en, meenende zijn plicht
-te hebben gedaan, meenende dat zijne superieuren ongelijk hadden en
-niet hij, meenende dus dat men een andere wijze van dienen van hem
-verlangde dan hij met zijn plichtsbesef kon overeenbrengen, had hij
-voor deze moeilijkheid geen andere oplossing geweten dan eenvoudig
-uit den Dienst te treden.
-
-Hij had berisping ontvangen en daarom zijne demissie genomen. De
-familie, die wij steeds noemen als vertegenwoordigster der
-maatschappij, kon niet anders denken, dan dat Eduard dit uit gekrenkten
-trots had gedaan, dat hij, gekrenkt in zijn trots, daarom zich zelf
-en zijn vrouw en kinderen tot armoede had gebracht, in het ongeluk
-had gestort. Zij kon niet anders denken om drie redenen: ten eerste
-zoude zij, als bestaande uit gewone menschen, zich niet hebben kunnen
-indenken in den geestestoestand van iemand, die het plichtsbesef op
-zulk een eigenaardige heroïeke manier opvatte; ten tweede, al zoude
-zij geweten hebben, dat nog heden ten dage individuën met zulke
-buitensporige begrippen worden gevonden, had zij toch geen enkelen
-grond om te veronderstellen, dat hun familielid Eduard Douwes Dekker,
-dien zij wèl echter als zeer hoogmoedig kenden, tot dit slag fanatici
-zou behooren; ten derde, al waren zij zich bewust geweest van het
-bestaan dezer soort plichtsopvatting en al hadden zij daarbij geweten,
-dat die bestond in den geest van Eduard, dan zouden zij toch nog van
-meening zijn geweest, dat die plichtsopvatting zich in een geheel ander
-gedrag kon uiten dan in het zijne en tot geheel andere handelingen
-leiden dan die, welke zij, met leede oogen, hem zagen bedrijven.
-
-
-
-Gegeven--dus hooren wij de menschen, zoo de derde der genoemde
-beschouwingen de hunne was, redeneeren--gegeven aan den eenen kant,
-dat de bevolking van Lebak verkeerd werd behandeld, zoowel tot haar
-ongeluk als tot nadeel van Nederland, dat de assistent-resident
-dat merkt, dat hij die verkeerde behandeling tracht tegen te gaan,
-en over dat trachten berispt wordt van hooger hand in plaats van
-aangemoedigd; gegeven aan den anderen kant, dat hij het tegengaan
-der verkeerde behandeling, als zijnde plicht, zijn hoogste levenswet
-acht, dat hij dus om zijn eenen plicht te volbrengen, zijn anderen
-plicht--het gehoorzamen aan zijn meerderen,--zoude moeten verzaken,
-dan blijft hem, ook volgens de strengste kasuïstische redeneering,
-nog een vierde weg open, behalve de derde (het ontslagnemen), nog
-een vierde weg om uit dit dilemma te geraken, de weg dien niet alleen
-bijna alle menschen in het gewone leven bewandelen, maar die ook door
-buitengewone, dweepzieke personen in zeer bijzondere gevallen, dikwijls
-wordt ingeslagen: de weg van het schipperen, van het geven-en-nemen.
-
-Want--en hierop komt het aan ter waardeering van Dekker's daad,
-en hierom kunnen wij de menschen, die zoo oordeelen, niet geheel
-ongelijk geven, en in verband hiermede gelooven ook wij dat de
-trotschheid wel deugdelijk in het spel is geweest en het zijne er toe
-bijdroeg om hier het woord plicht zoo eigenaardig te interpreteeren
-(en wij kunnen dit des te eerder doen, daar trotschheid in iemand die
-later blijkt zoo eene schoone ziel te hebben, niet afkeurenswaardig,
-of althans, naast de groote gewrochte dingen, de moeite der afkeuring
-niet waard is),--want, zeggen we, we hebben hier niet te doen met zulk
-een lijnrecht afgebakende vraag van plicht of geen plicht, van deugd of
-zonde, als waarop, bij voorbeeld, in tijden van godsdienstvervolging,
-de Roomsche of de Calvinistische geloovigen te beslissen hadden en
-waaraan zich die van dood of leven onmiddellijk verbond.
-
-De Roomschen, die wij als voorbeeld nemen, moesten hun geloof afzweren
-door het plechtig zeggen van eenige woorden; het uitspreken dier
-formule was, dus leerde de Paus: de zonde, het volstrekt zondige; de
-Calvinisten moesten hun geloof afzweren, het uitspreken der formule
-was, dus leerde Calvijn: het volstrekt zondige. Er was hier dus, even
-als bij alle bekentenissen op de pijnbank, een nauwkeurig afgeperkte
-daad te verrichten of na te laten. Hem, die het deed, wachtte, na
-een leven van wroeging, de eeuwige verdoemenis; hem, die het naliet,
-wachtte, onmiddellijk, de eeuwige gelukzaligheid. De geheele zaak, de
-daad en het doel, bepaalde zich dus tot het uitspreken of verzwijgen
-van eenige woorden.
-
-In Dekker's geval was dat anders. Hij had geen bepaalde daad te
-verrichten, die de stem van het geweten verbood. Hij had zijn gedrag
-alleen een weinig te wijzigen, om niet alleen zijn vrouw en kinderen
-zoo gelukkig te doen blijven als zij waren, maar om tevens,--wat voor
-hem dan de hoofdzaak zoude geweest zijn--zijn zaak beter te dienen,
-zijn doel beter te bereiken, dat, door het nemen van zijn ontslag,
-geheel voor hem verloren ging. Want hij was toen nog niet van plan
-de zaak van Indië door openbare geschriften te bepleiten, en, ware
-hij op zijn post gebleven, dan zoude hij, wat hij toch onmiddellijk
-voorzien kon, de belangen van Nederlanders en Inlanders niet alleen
-hebben kunnen blijven bevorderen, maar tevens zou hij, ware de gedachte
-ook in dat geval bij hem opgekomen, door boeken en artikelen, aan de
-bevordering dier belangen eene meer algemeene uitgebreidheid hebben
-kunnen geven.
-
-Het geval van Multatuli is het best te vergelijken met het geval van
-een menschlievend schoolmeester. Veronderstelt dat een onderwijzer
-op een armenschool, behalve dat hij de wettelijke voorschriften
-ten opzichte der kinderen volbrengt, dien kinderen tevens voedsel
-verstrekt voor zijn eigen rekening, hiervoor een gedeelte van zijn
-traktement gebruikende. Veronderstelt voorts, dat een lid der bevoegde
-autoriteit, het gemeentebestuur of de schoolcommissie, den onderwijzer
-aanschrijft daarmede niet voort te gaan door eene, het doet er niet
-toe welke, administratieve konsideratie hiertoe gebracht. Moet nu
-die onderwijzer, van meening zijnde, dat de kinderen van Staatswege
-zouden moeten worden gevoed, en dat hij in elk geval geheel vrij moest
-gelaten worden om ze voor zijne rekening te voeden, van meening zijnde,
-dat de plicht der menschlievendheid hem die voeding gebiedt,--moet nu
-die onderwijzer zijn ontslag nemen en zeggen: anders dienen dan ik
-thans dien kan ik niet, zoo doende zijn traktement verliezend, zijn
-familie ongelukkig makende, en de kinderen aan de behandelingen van
-zijn opvolger blootstellend, die jegens hen wellicht een veel minder
-zacht gedrag in praktijk zal brengen dan in het onthouden der niet
-voorgeschreven voeding bestaat? Of moet hij op zijn post blijven en
-langs een anderen, minder met de inzichten der autoriteiten strijdenden
-weg, het harde leven voor de kinderen wat zoeken te verzachten?
-
-
-
-Wij wenschen met deze overwegingen te betoogen de redelijkheid van het
-oordeel der maatschappij over Multatuli's daad. En daar wij gaarne
-het gebeuren van zooveel mogelijk heldenmoedige daden aannemen, om
-het genot te kunnen hebben die te bewonderen, willen wij gelooven, wat
-niet absoluut zeker is, want hij was zeer opgewonden--dat Multatuli,
-op het oogenblik zijner ontslagneming, wist, dat hij zich daardoor
-in het ongeluk stortte. Wij erkennen, dat zijn daad dán heldenmoedig
-was, maar wij betoogen daarbij, dat die heldenmoedige daad, evenals
-die van Van Speyk, voortkwam uit trots, en geenszins uit plichtsbesef
-of menschenliefde.
-
-"De menschen", en natuurlijk zijn familieleden in de eerste plaats,
-waren dus--wij herhalen: ook om dat niets nog deed vermoeden dat in den
-naar hunne meening dwazen Douwes Dekker de later te ontluiken auteur
-Multatuli school--ten hoogste ontstemd tegen den man, die, na eerst
-eenigen tijd te Batavia te hebben vertoefd, nu, in het voorjaar van
-1857, per landmail over Singapore, Ceylon, Suez, Kaïro en Marseille,
-naar Europa kwam om ... ja, waarom eigenlijk, waarom anders dan om
-als een avonturier rond te zwerven en hun allerwaarschijnlijkst per
-slot van rekening nog tot overlast te worden, terwijl hij zijn in
-gezegende-omstandigheden verkeerende vrouw en zijn zoontje te Rembang,
-op het goed van zijn broeder Jan, had achtergelaten.
-
-Het gedrag van Dekker, van zijne aankomst te Marseille af tot zijn
-verblijf in Brussel, waar hij een paar jaar later den Max Havelaar
-schreef, toe, was in alle opzichten dat van een losbandig levend
-avonturier, en niemand, die niet in zijne ziel kon lezen, dus
-letterlijk niemand, kon hem bij mogelijkheid voor iets anders houden.
-
-In plaats van naar zijne familie te reizen, eene betrekking te
-zoeken, desnoods, in afwachting van beter, winkelbediende te worden
-(wat ook de familie voor iemand, waarvan zij--wij kunnen dit niet
-genoeg herhalen--hoegenaamd niet wist dat er een kunstenaar in stak,
-beter zou gevonden hebben dan het leven dat hij verkoos te leiden)
-begon hij door Europa te zwerven en schijnt ook nogal eens--men houde
-ons de details ten goede, die uit de Brieven zijn geput en waarvan
-de vermelding noodzakelijk is om een juist en volledig beeld van den
-toestand te krijgen--publieke-huizen bezocht te hebben. Althans uit
-een bordeel "kocht" hij in dien tijd, zekere Eugenie "los", een vrouw,
-die,--naar de naïeve mededeelingen van de uitgeefster der Brieven,
-dl. I, blz. 43--"noch zeer jong, noch zeer schoon, maar fatsoenlijk in
-voorkomen en manieren," buitendien "eenvoudig, bescheiden en zacht"
-was, terwijl Dekker haar "lief" en Eugenie zelf het "een ramp" vond,
-dat zij in dat huis "gebonden" was.
-
-Met deze vrouw reisde Dekker, in den zomer van 1857 (terwijl zijne
-vrouw steeds in Indië bij zijn broeder logeerde) tot Straatsburg,
-waar zij scheidden, hij, om verder Duitschland in te reizen, zij om in
-Fransch land te blijven, waar zij meende, "als française, meer kans
-te hebben om een eerbaar middel van bestaan te vinden". Om haar het
-bereiken van dit doel gemakkelijk te maken, gaf Dekker haar geld. De
-uitgeefster der Brieven gist, in verband met zijn gewone royaliteit,
-een "vrij aanzienlijke som" (van het geld, dat waarschijnlijk zijn
-broeder Jan hem had voorgeschoten om in Europa een positie te zoeken).
-
-Nu was Dekker's geld-voorraad zeer verminderd en, tweede stadium der
-reis door Europa, een tamelijk natuurlijk gevolg van het eerste,
-hij reisde naar Homburg, om daar aan de speelbank zijn fortuin te
-beproeven. De uitgeefster der Brieven zegt er van:
-
-"Multatuli heeft zijn millioenen-studien geschreven, en noemt daarin
-de kansrekening zijn lievelingsstudie. Wie dat boek lazen weten dat dit
-zoo was. (Ongetwijfeld, als het er in staat.) Hoe juichend begroet hij
-daarin de "simple chance" en de "logos, vol van waarachtigheid." Er was
-verband tusschen de kansrekening, zijn millioenen-studien, zijn hooge
-droomen vol ongemeten eerzucht, zijn "rekenen en mijmeren" waarvan
-hij zoo dikwijls sprak, en zijn verder reizen naar Duitschland,
-naar Homburg. Ook het oogenblik drong hem. Nog in het bezit van
-een weinig geld, maar zonder uitzicht op verdere inkomsten, zag
-hij het afzichtelijke fantoom "geldgebrek" dreigend naderen... Nog
-had hij genoeg, nog was het tijd om een kans te wagen, en wie weet,
-als nu... In 't kort, hij ging naar de speelbank! Maar hij verloor
-daar wat hij had, zoo zelfs, dat hij een of twee dagen later zijn
-logementsrekening niet kon voldoen. De hôtelhouder maakte het hem
-lastig, en door nood gedreven telegrafeerde hij naar Straatsburg,
-evenwel vreezende dat Eugenie van daar vertrokken zou zijn, of althans
-dat zij haar geld besteed had. Maar neen. Den ochtend na zijn telegram
-stond zij voor hem. Zij had nog geen uitgaven van belang gedaan, en
-bracht hem nagenoeg al het geld dat hij haar gegeven had, terug. Met
-ingenomenheid kon hij in later jaren vertellen, hoe fier zij den
-lastigen logementhouder haar bankjes had toegeworpen met een kort:
-"payez-vous!""
-
-Nu willen wij niet in eene te uitvoerige appreciatie van deze
-lotgevallen en handelingen treden. Zoo als zij hier vermeld staan
-vernemen de lezers ze op minstens even partijdige wijze voorgesteld,
-als de interpretatie dezer zaken door Dekkers familie partijdig
-was in tegenovergestelden zin. Het is alleen eene zeer beminnelijke
-vooringenomenheid die in al dit gedoe iets anders kan zien dan de lang
-niet buitengewone of fijne gebeurtenissen, die een Welt-Umbummler, een
-Globetrotter, een kosmopolitisch avonturier, zoo al kunnen overkomen.
-
-Wij, hedendaagsche lezers, wij de bewonderaars van Multatuli's werken,
-wij die in Multatuli den man van prachtigen artistieken aanleg, van
-grooten hartstocht en ongemeen talent eeren, wij vinden het thans,--al
-naar mate wij alleen nieuwsgierig, of fatsoenlijk maatschappelijk,
-of zelf eenigszins meer artiestachtig gestemd zijn,--belangrijk,
-betreurenswaardig of aardig, dat een gedeelte der biografie van onzen
-grooten schrijver aldus gekleurd is, wij vinden deze dingen interessant
-om dat zij plaats hadden met den man, die later de schrijver Multatuli
-werd, even zoo als wij er ons voor zouden interesseeren of hij
-'s ochtends bij zijn boterham een gekookt of wel een gebakken ei
-pleegde te nuttigen; maar wij kunnen die avonturen op zich zelf niet
-belangrijk vinden, en--hiermede passen deze zaken in ons betoog--dat
-de familie in Holland, wie alleen de brute mededeeling der feiten ter
-oore kwam, het zeer schandelijk vond, dat deze echtgenoot en vader met
-publieke vrouwen door Europa rondreisde, het geld dat hij gekregen
-had om voor zich en zijn gezin eene broodwinning op te sporen, in
-bordeelen en aan speelbanken verkwanselde en voortging het type van
-"lastig logementhouder" tot een stereotiepe figuur in zijn leven
-te maken,--welnu, wie is er, die dit gevoelen der familie niet zeer
-natuurlijk zal achten?
-
-Mevrouw Dekker, de uitgeefster der Brieven, verhaalt, zeiden we,
-deze dingen op partijdige wijze. Niet dat zij de feiten onnauwkeurig
-opgeeft, maar in den heelen toon van het verhaal is de stem der liefde
-waar te nemen, voor wier schoone blindheid wij den meesten eerbied
-gevoelen, maar omtrent wie wij, in een historische beschouwing als
-deze, ons niet gerechtigd achten te verzwijgen, dat zij in hooge
-mate de, aan de liefde trouwens inherente, eigenschap bezit van ook
-de minste handelingen der geliefden voor edele en groote daden te
-houden, en te meenen, dat de groote en edele geliefde, die onverdiend
-ongelukkig is, nu ook, als ware het door de natuur met opzet zoo er
-op toegelegd, steeds in aanraking zal komen met andere ongelukkigen,
-die zoo al niet groot dan toch óók edel zijn.
-
-Wij zullen, om den wille der waarheid, eenige nuchtere opmerkingen
-wagen aan te voeren, die de feiten in kwestie tot hun zuivere
-anekdoten-waarde zullen terugbrengen. In de wereld van speelbanken,
-bordeelen, en wat dies meer zij, is de uitgeefster der Brieven
-natuurlijk eene vreemdelinge, en al zoude zij, langs den weg der
-philanthropie, misschien wel met gevallen-vrouwen in gevangenissen of
-elders hebben gesproken, dan toch zoude zij van den waren aard der
-bordeelen-wereld niet op de hoogte zijn gebracht. Er zijn gevallen
-bekend van geestelijke zusters, die tien jaar en langer vrouwelijke
-gevangenen hebben bediend, waarbij eene menigte brutale vrouwspersonen,
-die zich niet terughielden alles uit te schreeuwen wat hun in 't
-hoofd opkwam; en tóch hadden de zusters, in al dien tijd, van den
-eigenlijken aard der toestanden, waaruit het verleden dier vrouwen
-bestond, niets begrepen.
-
-De korte zin dezer lange rede moet de bewering wezen, dat in Dekker's
-gedrag, en ook in Eugenie's gedrag, niets bijzonders gevonden
-wordt. Dat een leeglooper, die zijne betrekking is kwijtgeraakt,
-zijn gezin in Indië achterlaat, in Europa "en garçon" uitstapjes
-maakt, publieke huizen bezoekt, en, toevallig veel geld op zak
-hebbende, een vrouw, die hem bevalt, uit een bordeel medeneemt,
-na hare schuld in dat etablissement te hebben betaald, om met haar
-verder te reizen,--hierin is niets bijzonders, hoegenaamd niet. Menig
-gezeten burger, thans huisvader en kapitalist vol respektabiliteit,
-zal zich uit zijn jeugd, toen hij de periode onder het devies "il
-faut que jeunesse se passe" doormaakte, uit eigen ondervinding of van
-hooren zeggen dergelijke gevallen herinneren. Ons is iemand bekend,
-in wiens studenten-vriendenkring alleen reeds, eertijds drie zulke
-"loskoopingen" hebben plaats gehad.
-
-Dat een avonturen-jager in de grensstad van haar land afscheid neemt
-van zijne tijdelijke "mentinee," zooals het plat-Amsterdamsche woord
-luidt, dat hij, bepaald eene "toquade" voor die vrouw hebbende en,
-gewoon hoe kaler hij is hoe royaler met geld om te springen, haar een
-flinken duit als afscheidsgeschenk medegeeft, met de typische vermaning
-nu in 't vervolg op het goede pad te blijven,--dit is wederom eene
-gebeurtenis, in de annalen der Bohême en der demi-monde zoo frequent
-voorkomend als het maar mogelijk is.
-
-Dat iemand, die in goeden doen is geweest en nu op weg naar
-"lager wal", zich aftobt om een snelwerkend middel te vinden, dat
-zijn fortuin herstellen zal, bezoeker van de speelbank wordt en de
-kansrekening zijn lievelingsstudie noemt,--wij zouden haast vragen:
-kan het alledaagscher? De kansrekening, het ploeteren in "systemen",
-die onvermijdelijk doen winnen, is de voortdurende bezigheid der
-stamgasten van speelbanken. Wie, die ooit de speelzalen in Spa of
-Monte-Carlo bezocht, heeft ze niet gezien, de bleeke, reeds bejaarde
-vrouwen in donkere kleêren, de magere mannen in versleten plunje, die
-echter van goeden kom-af nog getuigt,--of wel pas (na een avond van
-winst) in een al te nieuw kostuum gestoken, waarvan de weelderigheid
-schrille tegenstelling vormt met hun vervallen gelaatstrekken,
-waarin de oogen koortsig gloeien? Wie heeft ze niet zien turen en
-mijmeren, en, met zenuwachtige bewegingen, op het vel papier of in hun
-zakboekje notities schrijvend en berekeningen makend? Elken dag ziet
-men er andere, er zijn er te veel dan dat men ze ook maar zou kunnen
-onthouden. (Wij herinneren er nogmaals aan: De millioenen-studiën zijn
-een fraai boek; uit het minste en geringste uit Douwes Dekker's leven,
-zou de kunstenaar Multatuli later iets schoons weten te distilleeren).
-
-En wat nu aangaat Eugenie (hoe men al niet tot den rang van historisch
-persoon verheven kan raken!):
-
-Dat een publieke vrouw noch zeer jong noch zeer schoon is, aan zekere
-mannen voorkomt lief te zijn, en zich eenvoudig, bescheiden en zacht,
-fatsoenlijk in uiterlijk en manieren weet voor te doen,--heeft zij
-gemeen met de groote meerderheid van, dat zij het ellendig vindt in
-een bordeel gebonden zijn, heeft zij gemeen met voor zoover bekend
-is álle hare beroepsgenooten.
-
-Oppervlakkig zoude men zeggen--alle fatsoenlijke vrouwen zullen dit
-dus zeggen--dat de meeste publieke vrouwen, door den afschuwelijken
-en betreurenswaardigen toestand van verval waarin hun moreele smaak
-verkeert, zoo veranderd zijn, dat zij zich heerlijk tehuis gevoelen in
-het kermis-paleis voor beestachtige vermakelijkheden, dat het bordeel
-voor hen is; voorts, dat eene vrouw, die eenmaal zich in een bordeel is
-gaan vestigen, te diep gezonken is om eenvoudig, bescheiden en zacht en
-fatsoenlijk in voorkomen en manieren te zijn. Toch moet dit beslist
-ontkend worden. Het is alleen eene konventioneele, oppervlakkige
-notie van deze personen en zaken, die de oorsprong dezer meening wezen
-kan. Ten huize van een onzer bekenden, een deftig en hoogst ingetogen
-levend gezin, is twee jaar lang een werkmeid in dienst geweest,--die,
-uit eene andere stad, door een misverstand van personenverwisseling
-bij het nemen van informaties, in dien dienst was gekomen--en die
-bijzonder in de gunst stond van hare meesteres, welke laatste aan
-hare kennissen steeds te vertellen had, dat zij nog nooit met zulk
-eene in alle opzichten fatsoenlijke en aanbevelenswaardige dienstbode
-te doen had gehad: en deze werkmeid bleek later de vijftien aan de
-twee voorafgaande jaren als publieke vrouw in bordeelen te hebben
-doorgebracht. En dit is een voorbeeld uit vele.
-
-Doch, om op de ontleding van Dekker's avontuur terug te komen: Dat
-een publieke vrouw zich zoo edelmoedig gedraagt als Eugenie deed
-toen zij, op Dekker's telegram, naar Homburg kwam om hem het geld,
-dat hij haar gegeven had, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid zelf
-best gebruiken kon, terug te geven, nu hij zelf in verlegenheid was,
-schijnt zeker een nog zeldzamer verschijnsel. Ongetwijfeld komen daden
-als deze ook niet zoo veelvuldig voor. Psychologisch echter is dit
-feit niet van belang, daar de karakter-eigenschap, waar de handeling
-uit voortkwam, de goedhartigheid namelijk, de edelmoedigheid, den
-meesten publieken vrouwen eigen is. Leden der hoogere maatschappelijke
-standen weten dat zoo niet; onder het volk echter is de goedhartigheid
-en hulpvaardigheid van publieke vrouwen spreekwoordelijk bekend.
-
-Wat nu,--om met deze opmerking de paragraaf over het tweede stadium van
-Dekker's reis te besluiten--het toewerpen der bankpapieren betreft,
-waarmede Eugenie den hôtelhouder betaalde, wij kunnen dit met Dekker
-niet "fier", en zoo heel fatsoenlijk evenmin, vinden. Deze handeling
-lijkt ons meer "aanstellerig" dan koninklijk. Ook dat mevrouw Dekker
-hôtelhouders, die eenvoudig bij, hun onbekende, gasten op de betaling
-der achterstallige rekening aandringen, telkens "lastig" noemt op
-eene wijze, alsof zij over bedeljongens sprak, die den voorbijganger
-hun lucifers te koop opdringen, achten wij een weinig te studentikoos
-voor eene eerwaardige dame, die optreedt als uitgeefster der brieven
-van een groot auteur.
-
-
-
-Het derde stadium van Dekker's reis bestaat uit zijn tocht naar Brussel
-in het najaar van 1857 en zijn verblijf aldaar tot den volgenden
-zomer in een kleine herberg, den Prince Belge genaamd, waar hij zeven
-maanden den kost schuldig bleef, nu hij geheel van geldelijke middelen
-verstoken was. Ook dit gedeelte zijner lotgevallen past geheel in de
-loopbaan van een avonturier. "Eerst zijn geld opmaken met publieke
-vrouwen en aan speelbanken, daarna, als het geld op is, ergens in een
-kleine herberg blijven hangen en teren op den zak van den goedhartigen
-waard,--er ontbreekt niets meer aan"--onmogelijk kon de familie in
-Holland er anders over denken dan in deze woorden is uitgedrukt.
-
-Het is zeer jammer, dat mevrouw Dekker uit dezen tijd geen brieven
-heeft gepubliceerd, daar die ons verklaard zouden hebben waarom Dekker
-niet naar Holland ging en waarom hij niet voortging te trachten het
-doel, waarmee hij in Europa gekomen was, te bereiken.
-
-
-
-Zoo nu, als wij hier beschreven hebben, ging Dekker voort zich te
-gedragen tot het najaar van 1859, steeds niets van zijn hoogere gaven
-openbarend en zonderling levend, tot voortdurende ergernis der familie.
-
-In Januari 1859 schreef hij, van den Prince Belge uit, zijn brief
-aan den Gouverneur-Generaal in ruste, eindigend met de woorden:
-
-"Het verzoek, dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling
-mijner bede om dezen brief en de daarbij gevoegde stukken aandachtig te
-lezen, en mij wel te willen antwoorden op de vraag of Uwe Exc. daarin
-niet aanleiding vindt mij te ondersteunen in de pogingen die ik wil
-aanwenden om op de meest eervolle wijze weder te mogen intreden in
-Nederlandsch-Indischen dienst.
-
-Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!"
-
-Mevrouw Dekker teekent hierbij aan: "De heer Van Twist heeft niet
-geantwoord."
-
-Men kan er zich al weder niet van onthouden het zwijgen van den heer
-Van Twist zeer verklaarbaar te vinden. De lezer van Multatuli's
-werken,--het is natuurlijk niet uit te maken of juist álle lezers
-hierin overeenstemmen--door de vaste overtuiging en den doordringenden
-stijl van den kunstenaar dermate overreed, dat hij niet eens de
-gelegenheid heeft kalm na te denken, heeft, bij de vele sentimenten
-en gevoelens, die Multatuli u dwingt van hem over te nemen, stellig
-ook bespeurd het gevoelen, dat de heer Van Twist een slecht mensch
-was en het gevoel van bitteren wrevel tegen dien heer. Dit gevoelen
-en dit gevoel zal echter tegen latere, onpartijdige overweging niet
-bestand blijken.
-
-Immers, van tweeën één: òf (wat het waarschijnlijkste is) de heer Van
-Twist dacht dat hij met een halven gek te doen had en achtte het,
-van die veronderstelling uitgaande, niet eens de moeite waard de
-waarachtigheid der overgelegde bescheiden te kontroleeren; òf hij had
-kennis genomen van Dekker's mededeelingen, hield het voor mogelijk,
-dat zij juist waren, hoewel te veel gegeneraliseerd, te voorbarig van
-den bijzonderen toestand te Lebak tot een algemeen Nederl.-Indischen
-toestand gekonkludeerd, maar achtte het nu zijn plicht niet meer
-persoonlijk handelend op te treden, en wenschte bovendien zich niet
-in betrekking te stellen met ambtenaren, nog minder met voormalige
-ambtenaren, die zich op zulk een zonderlinge, ongeregelde, manier
-tot hem wendden.
-
-Stelt u voor, dat een minister op zijn bureau te werken zit, en dat
-een man van de straat het departementsgebouw komt binnengeloopen,
-in weêrwil van portiers en klerken binnendringt en den minister
-toeroept: Excellentie, daar is onrecht gepleegd, zie eens hier, en
-daar, hier heb ik de bewijzen. Elke minister zoude zoo een indringer
-antwoorden: vriend, het is mogelijk dat gij gelijk hebt, maar wil u
-op de gebruikelijke wijze tot mij wenden, dit is geen manier van doen.
-
-Stelt u voor, dat een voormalig minister in zijn buitenverblijf zit
-te dejeuneeren, en er wordt iemand aangediend, die in de gang reeds
-staat te roepen: onrecht gepleegd, daar is onrecht gepleegd, ik moet
-den heer des huizes spreken!
-
-De minister zal zijn huisknecht gelasten dien man den weg naar het hek
-te wijzen met de aanmaning zich op de gepaste wijze tot de bevoegde
-autoriteit te wenden, indien hij meent verongelijkt te zijn.
-
-En nu zeggen wij: ook dán, indien de man, die zich indringt, ware
-grieven heeft mede te deelen, ook dán, indien werkelijk het grootste
-onrecht is gepleegd, zal de minister gelijk hebben met hem de deur te
-wijzen, want: nadat hij één persoon op die wijze zou hebben te woord
-gestaan, die in zijn recht was, zullen er zich negen-en-negentig
-op dezelfde manier aanmelden, wien slechts denkbeeldig onrecht is
-geschied. En de minister zou geen oogenblik tijd meer over hebben om
-'s lands zaken te bestieren, of, in het buitenplaats-geval, om zich
-met zijn voor hem belangrijke partikuliere zaken te bemoeien.
-
-Het is beter dat aan één mensch onrecht geschiedt dan dat, door
-verwaarloozing van 's lands zaken, aan duizenden onrecht zou worden
-gedaan.
-
-
-
-In het voorjaar van 1858 kwam de heer Jan Dekker van Rembang naar
-Europa, bezocht zijn broeder Eduard te Brussel en betaalde de rekening
-in den Prince Belge.
-
-In den herfst van hetzelfde jaar bevond Eduard zich in Cassel, waar
-hij Saïdjah's lied in het Maleisch dichtte, veel op de Casseler Aue
-wandelde, en bij den... logementhouder en vrienden schulden maakte,
-die hij nooit heeft kunnen afdoen.
-
-In het voorjaar van 1859 kwam zijn vrouw, met twee kinderen en eene
-baboe, eveneens naar Europa, en zagen de echtgenooten elkander weder
-te Luik. Den zomer van dat jaar, tot in het laatst van Augustus,
-vertoefde het gezin in den omtrek van Luik en Maastricht, met name
-in het dorp Visé, waar de hoogst onaangename bejegening hen trof,
-dat zij van den burgemeester dier gemeente eene aanzegging kregen om
-binnen tweemaal vier-en-twintig uur zijn grondgebied te verlaten. Het
-was juist kermis in Visé, en de omstandigheid, dat zij er sjofel
-uitzagen, geen geld en geen legitimatiepapieren hadden en in kleine
-herbergen vertoefden, gevoegd bij de donkere gelaatskleur van een
-gedeelte van 't gezin, van de baboe vooral, had de achterdocht van 't
-gemeentebestuur opgewekt en was oorzaak, dat zij voor saltimbanques
-van verdacht allooi werden gehouden en als zoodanig behandeld. Men
-kan begrijpen, hoe zulk een lotgeval den zeer gevoeligen Dekker,
-vooral ook wijl de smaad zijne vrouw niet minder trof dan hem zelven,
-moest aandoen. Gelukkig woonde te Maastricht eene vriend van Dekker,
-de heer J. J. M de Chateleux, dien hij in 1843 had leeren kennen,
-toen Dekker Natal verlaten had en te Padang op Sumatra vertoefde;
-het krediet van dezen heer, die hem toch al reeds naar de betrekkelijk
-helaas geringe krachten van zijn vermogen had bijgestaan, kon hem ook
-nu uit den nood redden. Maar weldra raakte ook die bron uitgeput en
-den 23sten Augustus 1859 trok het gezin, in den toestand der diepste
-armoede, naar Antwerpen, voor welke reis nauwelijks nog het noodige
-geld beschikbaar was.
-
-In Antwerpen was het gezin nog slechts enkele dagen vereenigd. Den
-27sten Augustus bleef Dekker alleen met hun koffers en de onbetaalde
-rekening in het Hôtel du Temple aldaar achter, terwijl zijne vrouw
-met de kinderen en de baboe den laatsten uitweg insloeg, die hun nog
-overbleef en op reis ging naar Den Haag, naar hare zuster Henriëtte
-van Heeckeren van Waliën. Dit waren, voor zoover wij kunnen nagaan, de
-bitterste dagen, die Dekker en de zijnen doorleefden. Want,--inderdaad
-deze toestand was vreeselijk--er was letterlijk volstrekt geen
-geld meer over, zoodat Dekker's echtgenoote met de haren met ledige
-portemonnaie zich op de Rotterdamsche boot inscheepte. Om zich uit
-de verlegenheid te redden, had zij--arme vrouw!--een list bedacht,
-die gelukte. Zij veinsde namelijk, toen de bootbeambte rondging
-om de passagegelden op te halen, met voorgewenden schrik, hare
-portemonnaie te hebben vergeten en zeide in Rotterdam hem het geld
-te zullen bezorgen. In Rotterdam was een hôtel waar Dekker vroeger
-eens gelogeerd had, en toen, daar aangekomen, de bootbeambte mevrouw
-Dekker ter aangeduide plaatse vergezelde, leende de logementhouder
-haar vijftien gulden om haar passage te betalen en met de haren de
-reis naar Den Haag voort te zetten.
-
-In 's Gravenhage werd zij ten huize harer zuster ontvangen. Men gaf
-haar daar "een maal eten", en twintig gulden om de reis voort te zetten
-naar Brummen, waar de heer Jan Dekker een buiten, "De Buthe" genaamd,
-bewoonde. Tevens liet men haar daar (te 's Gravenhage; wij volgen de
-mededeelingen van de uitgeefster der Brieven) een brief aan haar man
-schrijven, die geheel tegen haar hart moet geweest zijn, waarin zij hem
-de noodzakelijkheid eener scheiding betoogde en hem in overweging gaf
-ergens op een schip een betrekking als matroos of hofmeester te zoeken.
-
-Deze daad van de familie schijnt een oogenblik bijzonder
-wreedaardig. Wij herinneren er aan, dat Dekker,--van wiens hoogere
-gaven nog niets gebleken was--door zijn gedrag der laatste jaren zich
-de allerafschuwelijkste reputatie bij die menschen had gemaakt; voorts
-dat de Van Heeckerens geen bloedverwanten van hém waren, alleen van
-zijn vrouw; dat zijn persoonlijk lot hun dus nagenoeg onverschillig
-was, en zij het als de eenige uitkomst voor hunne zuster moesten
-beschouwen, dat zij van zulk een echtgenoot als den haren ontslagen
-raakte. Hadd' Dekker nog een vader of moeder gehad, nooit zoude hij
-van die eene dergelijke behandeling hebben ondervonden. De hulp, hem
-telkens en telkens door zijn broeder Jan verschaft, bewijst dat de
-verwanten van zijn kant zich nooit geheel van hem afgekeerd hebben. Die
-broeder Jan was zelfs een zeer goedhartig en hulpvaardig mensch.
-
-Kort na het ontvangen van dezen brief van zijne vrouw, toen hij haar
-hare koffers op haar verzoek had nagezonden, dus in het begin van
-September 1859, vertrok Dekker van Antwerpen naar Brussel; hij nam
-daar weder zijn intrek in den "Prince Belge", de eenige gelegenheid,
-waar hij krediet had. Daar voltooide hij in dien tijd zijn Bruid
-daarboven en schreef er zijn Max Havelaar.
-
-De brieven, die den inhoud van het eerste deel der korrespondentie
-uitmaken, zijn geschreven in Augustus-November, de allereerste van
-Antwerpen, al de overige van Brussel uit.
-
-Voor zoover uit die Brieven Dekker's geestestoestand, het volkomen
-bewust worden in hem van zijn talentvollen aanleg, blijkt, hebben wij
-er in het eerste hoofdstuk van dit opstel, de passages uit aangehaald,
-die ons voorkwamen de meest welsprekende te zijn. Wat Dekker's overige
-stoffelijke, levensomstandigheden betreft, brengen zij ons verder
-bijzonderheden, waaruit dezelfde toestand blijkt, dien wij reeds
-hebben leeren kennen, toen van zijn eerste verblijf in deze herberg
-werd melding gemaakt.
-
-Het publiek bestond daar uit ondergeschikte beambten van het aan de
-overzijde der straat staande postkantoor en uit "mannen in blousen",
-die daar hun faro kwamen drinken. Dekker wist zich in het huis zelf
-en in de geheele buurt bemind te maken. Pauline, een gevallen vrouw
-met haar zuigeling, die daar ook op kosten van den menschlievenden
-waard in de herberg habituée was, de slager Deprez en diens gezin,
-waren er zijn vrienden.
-
-Dekker had het er aller-armoedigst. Het koopen van schoenen, van inkt,
-van een lampje, waren vraagstukken van belang, die eerst na rijp
-beraad konden worden opgelost. Men at in die herberg een "burgerpot";
-naar zijn getuigenis was Dekker hiervan overigens een liefhebber;
-als zij wist, dat iets hem goed smaakte, maakte de waardin dat voor
-hem klaar. Deze tijd was echter in onze schatting, en ongetwijfeld
-ook in zijn eigen schatting, de smartelijkste, maar tegelijk de
-schoonste, tijd zijns levens. Men kan hem zich voorstellen daar op dat
-zolderkamertje gezeten, de vingers krom getrokken van schrijfkramp en
-van kou niet zelden, de oogen ontstoken van het bovenmatig werken,
-ten prooi aan de hevigste zenuwopwinding, aan de meest verregaande
-exaltatie, en zoo het schoone werk voortbrengend, waarmede hij zich
-aan zich zelf en aan zijn land ontdekte.
-
-Den 14den September reeds had hij zich voor het eerst in letterkundige
-betrekking met eenige zijner landgenooten gesteld. Hij was,
-door bemiddeling der logemannen van het Rozekruis, met eene
-schouwburgdirektie in onderhandeling getreden over de opvoering van
-zijn Bruid daarboven. Zes jaar geleden, in zijn verloftijd,--dus
-verhaalt de uitgeefster der Brieven--was Dekker te Gorcum in die orde
-opgenomen, "en had er in snelle opvolging vele rangen doorloopen
-tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot
-Prins van het Rozekruis". (Arme Prins!) De heer Eduard de Vries,
-schouwburg-bestuurder, was Dekker komen spreken. Deze had zich met
-het stuk uiterst ingenomen betoond, zich terstond bereid verklaard
-tot de opvoering. Maar van droits d'auteur kon voorloopig weinig of
-geen sprake zijn. Bij gelegenheid van dat bezoek las Dekker den heer
-De Vries eenige bladzijden voor uit Max Havelaar, waardoor de heer De
-Vries zeer getroffen werd. Hij ried Dekker evenwel ten sterkste aan
-het handschrift naar den koning te zenden, vóór hij tot openbaarmaking
-overging.
-
-Toen Dekker Max Havelaar had voltooid, zond hij het handschrift den
-5den November, naar zijne vrouw en broeder te Brummen. Ofschoon zij
-het eerst den 9den ontvingen, had hij den 11den 's avonds reeds twee
-brieven van zijn vrouw ontvangen, waaruit bleek, dat zij het werk
-toen reeds gelezen hadden en er hoog mee ingenomen waren. Aandoenlijk
-is de brief, dien Dekker, toen Multatuli geworden, als antwoord
-op den haren, den 11den November aan zijne vrouw schreef (1e dl.,
-blz. 125). Op hare bewering, dat hij haar, in de persoon van Tine,
-te veel geprezen had, antwoordde hij bijv.:
-
-"Neen, neen, waarachtig niet, ik heb u niet in de hoogte
-gestoken. Integendeel, je staat veel te veel op den achtergrond. Ik
-heb mij dat al verweten, doch ik werd daartoe geleid omdat Max
-hoofdpersoon blijven moet (om het doel van 't boek) en voorts dat ik
-goed van mijzelf spreek heb ik u vroeger al uitgelegd."
-
-En verder deze regelen, die de geschiedenis van den Max Havelaar
-belangrijk toelichten:
-
-"Het was mijn plan Jan te verzoeken naar Van Hasselt (de Br. R + die
-met Dekker het eerst over De bruid daarboven had gecorrespondeerd)
-en Van Lennep te gaan, of naar den eersten alleen, dan krijgt Van
-Lennep het ook...
-
-Maar nu het delicate punt. Als men komt met een boek met de vraag
-"wil je dat afkoopen?" dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de
-bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel:
-namelijk verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne
-positie. De zaak is dus niet dat ik zeg: geef mij zooveel of zooveel,
-dan zwijg ik; want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor
-die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De
-vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij
-alle andere uitwegen afsloot.
-
-Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen,
-namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met eene considerans dat
-Z. M. mijne wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig
-bestuur desavoueert. Dat is eene zedelijke triomf van 't principe, en
-eene materieele zegepraal voor mij, die ik, God weet het, noodig heb.
-
-Van Hasselt is lid van de kamer (Van Lennep ook.) [3]
-
-Willen zij met Jan samenzweren om mij dien dubbelen triomf te bezorgen,
-goed. Doch er moet goed vermeden worden er op te doelen als of ik
-voor mij alleen winst vraag. Want behalve dat dit onedel wezen zou,
-komt hier nog bij dat ik meer winst behaal door mijn boek te laten
-drukken. Jan kan aan Van Hasselt zeggen (niet als bedreiging maar
-als eenvoudige waarheid) dat ik mijn boek in 't Fransch, Duitsch en
-Engelsch vertalen zal. Als mijn oogen het toelieten was ik al begonnen.
-
-
-
-Hoe het zij, ik vind goed dat Jan naar Van Hasselt gaat. Doch dit
-staat vast, als Van Hasselt of Van Lennep niet willen of kunnen
-bewerken, dat aan mijn dubbel verlangen koninklijk wordt voldaan,
-dan zal het gedrukt worden, en als ik daartoe geen geld heb, dan zal
-ik het afschrijven en rondzenden in manuscript. Doch in Frankrijk
-zal ik de vertaling wel gedrukt kunnen krijgen, en in Duitschland ook."
-
-Den 20sten November daaraanvolgende kende Dekker het oordeel van
-Van Lennep over zijn werk, aan wien Van Hasselt het had gegeven. Hij
-schrijft op dien datum:
-
-"Maar nu ben ik in grooten tweestrijd wat ik doen moet. Jan namelijk
-zendt mij f50, en stelt voor het boek aan Rochussen (den toenmaligen
-minister van koloniën, opdat die de uitgave nog zou kunnen voorkomen)
-te vertoonen. Van Lennep zegt: ik moet zoo dwaas niet zijn het voor
-niet aan een boekverkooper te geven. Hij maakt zich sterk een prijs
-te bedingen. Nu moet ik kiezen tusschen schrijven in Holland of eene
-betrekking in Indië.
-
-Zooals de zaken nu staan houd ik het er voor dat ik slaag in wat ik
-ook kies.
-
-Maar ik ben in vreeselijken tweestrijd.
-
-Jan vraagt antwoord met ommegaande en ik kàn van avond niet
-antwoorden. Ik wilde u zoo gaarne spreken. De schulden jagen mij naar
-Indië, de kinderen houden mij in Europa. Je begrijpt de spanning.
-
-Ik heb nagedacht. Ik hel over naar Rochussen, doch conditiën:
-
-1 Resident op Java. Speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen.
-
-2 Herstel van diensttijd, voor 't pensioen.
-
-3 Een ruim voorschot.
-
-4 Ned. Leeuw.
-
-Doch ik zal deze conditiën niet zeggen, eerst wil ik zien wat hij
-biedt."
-
-Den 22sten November ontving Dekker twee honderd gulden van zijn
-broêr, om zijn schuld bij den Brusselschen waard af te doen en naar
-Amsterdam te reizen. Den 23sten vertrok hij en kwam dienzelfden dag
-te Amsterdam aan.
-
-Tot zoover de opeenvolging der feiten, die wij thans hebben nagegaan
-tot het punt, waar het eerste deel der Brieven en de eerste faze
-van Dekker's lijdensgeschiedenis eindigt. Want, al hebben wij
-er niet telkens en telkens de aandacht op gevestigd, daar uit de
-feiten zelf genoeg het lijden bleek, dat er in gelegen was voor hem,
-wiens geschiedenis zij uitmaken, en daar het ons er hier vooral om te
-doen was, helder te doen blijken, welken indruk de vijandig gezinde
-familieleden en kennissen, die ver af woonden en natuurlijk alleen
-oordeelden naar den uiterlijken schijn der dingen, ontvingen; want,
-herhalen wij, geleden heeft Dekker in deze jaren waarschijnlijk
-meer, dan wie ook, die niet uit eigen ondervinding weet hoe hevig
-het doorleven van zulke toestanden menschen van Dekker's geëxalteerd
-temperament aandoen, zoude kunnen beseffen.
-
-Want behalve door het, niemand buiten hem en hem zelf ternauwernood
-toen nog bekende, letterkundig talent, onderscheidde Dekker's persoon
-in de woeste levensperiode, welke wij hem hebben zien doorloopen, zich
-ook nog hierdoor van gewone avonturiers, dat, terwijl deze lieden zich
-juist plegen te kenmerken door de grijnslachende onverschilligheid,
-waarmede zij alle tegenspoeden doorleven, mits die hun maar geen
-onmiddellijke physieke pijn of ongemakken veroorzaken,--Dekker's
-buitengewoon zenuwgestel door dat onregelmatig en koortsachtig leven
-ten eenenmale werd van streek gebracht.
-
-Maar,--en zoo keeren wij tot ons uitgangspunt terug--de feiten blijven
-de feiten, en niemand, vermoeden wij, die er zich verwonderd over zal
-betoonen, dat "de menschen" niet veel goeds, maar alles slechts in
-Dekker's gedragingen vonden, van het oogenblik af dat hij zijn vrouw
-alleen in Indië achterliet tot dat waarop zij te Brummen vertoefde
-en hij in Brussel geheel aan lagerwal was geraakt.
-
-Twee zaken waren er,--dus zullen sommigen oordeelen,--waardoor
-Dekker zich dan toch gunstig van gewone avonturiers onderscheidde en
-die in het oog moesten springen; te weten: zijn beminnelijkheid en
-edelmoedigheid, èn zijn hoogere geestesaanleg, die wel in de verste
-verte niet de allerbuitengewoonste hoogte kon doen vermoeden, waarop
-zijn talent later zou schitteren, maar waaruit toch bleek, dat hij,
-in den gewonen zin des woords, een begaafd man was. En deze twee
-zaken,--dus zal men konkludeeren--zouden het oordeel en de houding
-der familie hebben moeten wijzigen.
-
-Wij zullen repliceeren met eene verwijzing naar hetgeen wij omtrent
-publieke vrouwen in 't algemeen in 't midden hebben gebracht. Evenals
-publieke vrouwen meestal enkele zeer goede eigenschappen hebben, zijn
-de meeste avonturiers daarvan ook niet verstoken, en de eigenaardigheid
-van hun bestaan, het voortdurend leven op plaatsen van openbaar
-vermaak, het dagelijks den heelen dag luieren in koffiehuizen,
-speelzalen en diergelijke, het voortdurend in aanraking zijn met
-gezelschappen van menschen van allerlei slag, ontwikkelt de deugden
-in hen, die men de eigenaardige deugden van den Gesellschafter
-noemen kan: de beminnelijkheid en daaraan verwante goedhartigheid en
-edelmoedigheid. Avonturiers b.v. zijn in 't algemeen veel goedhartiger
-en edelmoediger dan parvenu's, die zich met verwaande deftigheid
-van armen en on gelukkigen afkeeren, dan vele gezeten burgers,
-wier deugden eerder in spaarzaamheid, zedelijkheid, zindelijkheid en
-stiptheid in handel en wandel bestaan. Avonturiers: drinkers, spelers,
-hoereerders, gewoon hun leven te verdeelen of liever verdeeld te zien
-in tijdperken van weelde en losbandigheid, en van armoede en gebrek,
-tot gewoonte hebbend hun zóo-gewonnen geld dadelijk te verkwisten,
-vinden het gooien met groote sommen iets zoo natuurlijks, dat zij
-ook in hun aalmoezen-geven buitensporig zijn en zij even graag
-een tientje in de hand eens armen doen glijden, als meer bezadigde
-menschen daarin een kwartje zouden deponeeren. Dus de edelmoedigheid
-in dezen zin maakte Dekker niet tot een uitzondering onder de lieden,
-waarmede zijn verwanten hem gelijk stelden.
-
-En wat de begaafdheid, het vernuftige, aangaat, ook hierin hebben vele
-chevaliers d'industrie het tamelijk ver gebracht. Niet alleen heeft
-het avontuurlijke leven, het leven van reizen en trekken, van hotels,
-koffiehuizen en kroegen, van spoorweg-coupé's, stoombootdekken en
-kajuiten, van stadstrammen en dorpsdiligences, het leven in gewesten
-van allerlei klimaat en aspekt, het omgaan met menschen van allerlei
-ras, stand en karakter, eene dagelijks gevoed wordende ongewone
-vatbaarheid voor indrukken in hen doen ontstaan, en een vernuftig
-gemak van beweging en konversatie, waardoor eenvoudige lieden worden
-overbluft en meer ontwikkelde aangenaam beziggehouden; maar het is of
-hun vernuft zich,--daar zij toch allen een vaag besef hebben van de
-groote lakune, het gemis aan degelijkheid, in hun leven--bij uitstek
-gescherpt heeft op het punt, dat het recht-praten van hun eigen kromme
-leven betreft.
-
-Er bestaat bijna geen min of meer toonbaar avonturier, die u, in
-oogenblikken van gemoedelijkheid als zijne stem week wordt en zelfs
-zijn oog vochtig, niet fraai en breedvoerig weet uit te leggen, òf dat
-hij het slachtoffer is der vervolgingen van het noodlot, dat hij heel
-anders terecht had kunnen komen indien alles hem maar niet zoo ware
-tegengeloopen, en dat hij zich, door losbandig en onwaardig te leven,
-nu wreekt op de meêdoogenloosheid van het leven jegens hem; òf hij
-neemt de tegenovergestelde houding aan, en overreedt u, in een kunstig
-samengesteld pleidooi, opgeluisterd door geschiedkundige voorbeelden
-en spitsvondige redeneeringen, dat zijn manier van leven de slimste,
-de beste, de prettigste is. Zij die arbeiden en een goed geregeld
-maatschappelijk leven leiden, nu ja, dat zijn de sukkels, de domooren,
-hij en de zijnen begrijpen het leven eerst op de goede manier. Wat de
-geregelde lieden in een jaar tijds van hoofdbrekens en moeilijk werk
-winnen,--wèl, dat wint hij in éen avond aan een speeltafel. Overigens,
-leven de meeste aanzienlijken, de hoogst-aanzienlijken, zij die niets
-behòeven te doen om den broode, niet even als hij, met alleen een
-verschil in de onderdeelen, een verschil van minder of meer; bestaat
-niet het leven van vele vorsten en prinsen uit een aaneenschakeling
-van vermaken, van reizen en feestvieren, van dansen en jagen en eten
-en drinken?... Zoo zijn de redeneeringen dezer menschen.
-
-Vele avonturiers buitendien maken een aardig gezelschapsvers, zitten
-vol woordspelingen en behendige replieken.
-
-Dus, konkludeeren wij, noch de beminnelijkheid, noch wat men in den
-gewonen zin vernuftigheid noemt, kon ten opzichte van Dekker de oogen
-der menschen openen en hen in hem iets anders dan een niet van het
-type afwijkend avonturier doen zien.
-
-Er kwam nog bij,--wat in dit geval een buitengewoon gewicht in de
-schaal legde, daar Dekkers verwanten van zijn vrouws kant tot de
-zeer vrome geloovigen behoorden,--dat hij in hunne schatting een
-brutaal godloochenaar was. Hij vereenigde dus in zich ongeveer alle
-eigenschappen, die hem in hunne oogen tot het afschuwelijkste individu
-moesten maken, dat men zich denken kan. Hij was hun tegenvoeter, in
-alles; en omdat hij tot hunne familie behoorde en zij dus beducht
-waren dat zijn leelijke reputatie ook hunnen naam zou smetten,
-groeide hun afkeer tot haat.
-
-Doch wij willen dat alles slechts beschouwen als een vraagstuk
-ondergeschikt aan dat andere, dat de geheele verhouding van Dekker
-tegenover "de menschen" beheerschte, dat de kern vormt van het groote
-misverstand van zijn leven, met de behandeling waarvan wij te gelijk in
-het tweede deel der Brieven en in de tweede faze van zijn leven komen.
-
-Wij willen namelijk beweren, dat,--een waarheid die trouwens
-duidelijk blijkt uit de houding der familie ná het verschijnen van
-Max Havelaar en den door den schrijver verworven naam,--al ware de
-familie van den beginne af aan op de hoogte geweest van Dekker's
-buitengewone schrijversgaven (iets, dat niets te maken heeft met het
-soort vernuftigheid, waarvan wij boven spraken)--zij toch zich niet
-wezenlijk anders jegens hem zou gedragen hebben dan zij nu deed. Zij
-zou hem dan misschien wel niet matroos of hofmeester op een schip
-willen maken, maar toch zou zij zich geheel van hem vervreemd hebben
-en God gebeden hem nooit te mogen ontmoeten.
-
-Voor wij nu verder gaan om deze bewering te staven en toe te lichten,
-willen wij den geestestoestand van Dekker zelven beschouwen, zooals
-die geworden was in deze jaren van wild leven buiten de Hollandsche
-maatschappij, om daardoor des te duidelijker te doen uitkomen het
-schrille kontrast tusschen hem aan den eenen en die maatschappij
-aan den anderen kant, dat de oorzaak werd der mislukking van zijn
-leven. Want zijn leven, hoe vorstelijk geslaagd een gedeelte van het
-thans levend geslacht het moge achten,--is mislukt in wat hij zelf
-er van had willen maken. Op menige plaats in zijn werk kan men het
-bewijs van deze stelling vinden.
-
-Indien er een schril kontrast bestaat tusschen Multatuli aan den
-eenen en de maatschappij aan den anderen kant,--een kontrast ook,
-dat weinig minder opvallend is, wordt waargenomen tusschen Dekker's
-uiterlijke omstandigheden en het zelf-gevoel in zijn binnenste, in
-den tijd van zijn vertrek uit Indië af tot lang na het verschijnen van
-Max Havelaar toe. Dit zelf-gevoel zou door de prikkels van buiten al
-grooter en grooter worden, tot hij, eenmaal in het publiek getreden,
-het geheel van onder zijne beheersching zal hebben verloren en het
-te pas en te onpas op de geweldigste wijze zal uiten.
-
-Was hij naar het uiterlijke een avonturier, behoorde hij
-oogenschijnlijk tot een der minst eerbiedwaardige klassen van
-personen,--innerlijk gevoelde hij zich groot en verheven boven alle
-menschen, innerlijk droeg hij de wetenschap met zich van bij de
-meest eerbiedwaardige aller menschen te behooren. Wel was hij zich in
-'t minst niet van letterkundige bekwaamheden bewust, wel moest zijn
-letterkundige genialiteit nog geheel aan hem zelf ontdekt worden, maar,
-juist door de weinige bepaaldheid, door de vaagheid, sterker, droeg
-hij het bewustzijn in zich van een kracht, een grootheid, datgene wat
-iemand een groot man maakt, eene groote en schoone ziel, te bezitten.
-
-Nu, met de kracht van de verontwaardiging, met de kracht van het
-protest, groeide tegen de verdrukking in, tegen de verdrukking van
-den uiterlijken schijn in, het zelf-gevoel in zijn binnenste, dat
-later tot zelf-verheerlijking uitdijen zoude, en hoe lager hij zonk
-hoe hooger hij zich gevoelde.
-
-Hij was voortdurend onder vreemdelingen en kon aan niemand openbaren
-wat er in hem omging. Hieraan moet het worden toegeschreven, dat
-de zelf-verheerlijking in hem vastgroeide hoe langer hoe hechter,
-en voor goed onuitroeibaar zou worden. Hij was geheel alleen, van
-allen verlaten, daarom klemde hij zich met alle macht vast aan den
-eenigen steun die hem overbleef: het geloof aan zich zelf.
-
-Nu, nu dit zoo was, nu allen hem hadden verlaten, nu hij door
-iedereen voor een ellendeling werd gehouden, nu de menschen en de
-omstandigheden, nu de geheele wereld om zoo te zeggen tegen hem was
-gekeerd en hem verachtte,--nu, zoo kan men zich het spreken der stem in
-zijn binnenste voorstellen, nu zou hij ook álles doen en álles zijn,
-nu zou er ook niets zijn wat hij niet bereiken zou, nu zou hij tot
-de hoogste hoogte klimmen, waartoe ooit menschen waren gekomen, neen,
-hooger nog, de grootste droom, die ooit het onderwerp van menschelijke
-eerzucht was, zou hij verwezenlijken.
-
-Wie of wat hem daartoe in staat stelde? Wel hij, hij zelf, zijn
-kracht, zijn eigenschap van de grootste aller menschen te zijn, was
-'t die hem er toe in staat stelde. En wat dan de nadere aanduiding
-was van wat hij eigenlijk doen zou? Wel, hij zou zijn land tot het
-beroemdste der landen, hij zou zijn volk tot het gelukkigste der,
-tot een voorbeeld voor alle volken maken, en zijn gezin zou hij uit
-de diepste ellende tot de hoogste sport van eer en aanzien voeren...
-
-Zoo bruiste en brandde het in zijn gedachte.
-
-Het resultaat was, dat hij een schoon letterkundig werk maakte. Nooit
-heeft hij een zweem van het vermoeden gehad, dat zijn zelf-gevoel,
-zoo ongekontroleerd, zoo in 't wilde weg als het was, uit niets anders
-bestond dan uit de universeele grootheidsfantazieën die menschen met
-veel artistieken aanleg niet zelden in zich omdragen, en die geheel
-verkeerd uitkomen zoodra zij ze bij vergissing eens in de werkelijkheid
-beproeven toe te passen.
-
-Gelijk bekend is, wilde hij later van de letterkundige schoonheid
-van Max Havelaar niets hooren. Want,--zoo droomde hij,--een boek,
-dat daar voor u ligt, een stapel papier; en ... woorden van lof
-daarover uit de monden van menschen, van eenige in burgerkleêren
-gestoken menschen, die men zoo nu en dan ontmoet, en voorts in de
-kolommen van dagbladen, op de bladzijden van tijdschriften, regels van
-zwarte letters op wit papier,--wat was díe realiteit in vergelijking
-met die, welke een buitengewoon mensch van zíjn grootheid omgeven
-moest! Wat hadden díe zaken uit te staan met de heerschappij en de
-glorie, die hem wachtte, hem, Multatuli, den éersten man eener natie,
-den wereldhervormer, den machthebber, die zich al zag gedragen in een
-gouden draagkoets met purperen gordijnen, voorafgegaan van muzikanten
-en zonneschermdragers in scharlaken livrei, met een gevolg van
-militairen in schitterende uniformen, omgeven, op eerbiedigen afstand,
-van de menigte des volks, hoogen en lagen in aanzien en stand, die
-allen hem bewonderende blikken toewierpen en hem liefhadden als hun
-weldoener en de beschermheer hunner landen. Wat was er voor verband
-tusschen die onnoozele kleinigheden en hem, den toekomstigen vorst,
-den onderkoning, die in marmeren paleizen het rijke Insulinde zou
-bewonen, nadat hij Amsterdam tot de hoofdstad der wereld zou hebben
-gemaakt, die in gebeeldhouwde ledikanten onder troonhemels 's nachts
-zou slapen en bij dag loopen over kostbaar ingelegde vloeren tusschen
-zijn onderdanigen hofstoet, die des avonds schitterende feesten zou
-geven, waarop hij de hoogstgeplaatsten des lands zou nooden en hun dan
-wel genadiglijk een oogenblik te woord zou willen staan. Hij zag zijne
-zalen reeds prachtig verlicht, stralend van weelde, gevuld met vrouwen
-in satijnen gewaden en in bloementooi, gevuld met mannen, wier borsten
-glinsterden van ridderkruisen. En rondom in den lande, tot zoover zijn
-gebied reikte buiten de balustraden zijner parken, zou nergens gemor
-zijn in de woningen der lagere bevolking en geen nijdigen blik zou
-hij ooit in de oogen van den minsten zijner onderdanen zien flikkeren,
-want zijn edel en wijs beleid zou allen gelukkig hebben gemaakt.
-
-Dat alles voorzag hij reeds, als, op het geroep van zijn alvermogende
-stem, het rechtsgevoel der natie ontwaakt zou zijn en zij als éen man
-zou zijn opgestaan om het bittere onrecht den edelsten harer zonen
-aangedaan, schitterend te wreken.
-
-Dat alles voorzag hij, en, als hij om zich heen keek, wat?... Een
-armelijke kamer, eenige brieven met volzinnen van ingenomenheid, een
-stad, waar bijna niemand op hem lette, op de enkelen na, die hem met
-verbazing bekeken of met sympathie begroetten en verder gingen.... Het
-was om krankzinnig te worden.
-
-Deze geestestoestand van Dekker heeft op al het werk van Multatuli
-zijn stempel gedrukt.
-
-
-
-Beschouwen wij thans de appreciatie, welke de maatschappij, de
-maatschappij grosso modo, voor personen als Dekker heeft. Wij spreken
-dus niet van het betrekkelijk kleine gedeelte der maatschappij,
-dat hooger intellektueel en artistiek ontwikkeld is en een bijna
-uitsluitende vereering koestert voor het talent in den mensch. Dit
-gedeelte integendeel zonderen wij nadrukkelijk uit, en spreken dan
-voor 't overige van de maatschappij in 't algemeen, in haar geheel,
-met al hare standen en graden van ontwikkeling.
-
-De kunst dan staat niet zoo allerhoogst aangeschreven bij die
-maatschappij. Het gevoel van Lodewijk den XIVden, de inkarnatie en
-verpersoonlijking van het begrip "aanzienlijkheid" in de maatschappij,
-voor Molière b.v., dien hij zonder twijfel voor den grootsten
-blijspeldichter zijner eeuw hield, en dien hij, ten blijk daarvan,
-tot den rang van hof ... kamerdienaar bevorderde,--dat gevoel leeft,
-hoezeer ook door de veranderde toestanden gewijzigd en in andere vormen
-zich openbarend, nog steeds voort in de hoogere standen, voor zoover
-althans hunne kerkschheid de kunst niet geheel en al tot een verboden
-artikel voor hen maakt. De vorsten en prinsen, en in hun gevolg de
-geld-aristokraten, en in dier gevolg wederom de deftige en minder
-deftige burgerij, beschouwen de kunstenaars nog altijd min of meer als
-de lieden, wier taak is hun amusement te verschaffen, hun eenigen tijd
-aangenaam of lachwekkend bezig te houden, die zij daarvoor betalen,
-de musici en muzikanten om hun gehoor streelend aan te doen als zij
-aan tafel zitten en zelf de zorg voor het genot van hun verhemelte op
-zich hebben moeten nemen (diner), en om hun het dansen gemakkelijk
-te maken (bal), om hun een voorwendsel te geven bijeen te komen, de
-dames om elkanders toiletten te bewonderen en te benijden, de heeren
-om deze dames te courtiseeren en elkander hun dekoraties of andere
-voornaamheid te toonen (soirée, koncert); de schilders, zoo al niet om
-hun woningen fraaier te verven dan rijtuigschilders daartoe in staat
-zijn, dan toch om hun wanden te behangen met kostbaarder voorwerpen dan
-Delftsch aardewerk of gobelintapijten; de letterkundige kunstenaars,
-ja, het moet gezegd worden, dat deze nog het minst in aanzien staan.
-
-Vroeger had men aan de hoven den nar, dien geestigheden te zeggen, den
-poëet, dien de cither te bespelen en roerende liederen te zingen of te
-deklameeren als hunne taak was opgedragen. Zij waren de bedienden,
-die met de zorg voor het humeur van den vorst en zijne omgeving
-waren belast, zooals anderen in de keuken, met de zorg voor zijn
-maag, anderen met het reinigen en optooien zijner vertrekken belast
-waren. Heden ten dage treft men, in gewijzigden vorm, hetzelfde
-verschijnsel aan, als de gastvrouwen op hunne soirées een dichter
-noodigen om het gezelschap wat van zijne verzen voor te dragen en de
-liefhebberij-vertooning van een zijner tooneelstukken te leiden. Maar
-dat deze gezelschappen, de dragers der algemeene maatschappelijke
-opvattingen, den dichter bepaald als hun meerdere beschouwen om zijn
-talent, hem als zoodanig de voornaamste plaats in hun midden aanbieden,
-hem eeren en eerbiedigen, dit komt niet voor.
-
-O zeker, er zijn vele uitzonderingen op dezen regel. Het gebeurt wel,
-dat menschen, vooral dames, dwepend ingenomen zijn met een schrijver en
-hem om zijn talent boven andere menschen stellen in hun hoogachting,
-dat vermaarde auteurs aan middagmalen worden genoodigd en hun de
-eereplaats aan de zijde der gastvrouw wordt aangeboden. Deze laatste
-gevallen zijn vooreerst zeldzaam, in de tweede plaats geldt de eer aan
-den auteur bewezen veeleer zijn roem, zijn vermaardheid, en--dit is een
-gewichtig punt--de karakterdeugden, die hij moet bezitten naast zijn
-talent om zich tot zulk eene vermaardheid te hebben kunnen opwerken.
-
-In het algemeen kan men zeggen, dat in de maatschappij, in haar
-geheel genomen, het letterkundig talent an und für sich zeer weinig
-in aanzien staat, en dat het talent in een persoon zonder karakter
-zelfs in het geheel niet wordt geëerd.
-
-"Nu ja,"--dacht of zeide de maatschappij van Douwes Dekker, toen,
-wat wij zijn enorm talent noemen, eenmaal gebleken was, "nu ja, veel
-talent, veel "macht over de taal," maar overigens een man zonder
-karakter, een slecht mensch, die zijn talent misbruikt in dienst
-der booze neigingen van zijn hart. Wat heeft men aan een talent,
-wat beteekent al talent, indien het niet gebruikt wordt in dienst
-van God of van de maatschappij, om er ernstige en stichtelijke werken
-mede tot stand te brengen. En wat is een man waard, welke aanspraken
-kan een man op onzen eerbied doen gelden, indien hij al mooie boeken
-schrijft zoo hij zelf door zijn leven een slecht voorbeeld geeft aan
-zijn medemenschen."
-
-Dus luiden de typisch maatschappelijke redeneeringen over het
-talent. Men ziet, wij zijn hier ver van de meer artistieke opvatting,
-die het talent als de hoogste en alles overheerschende eigenschap
-beschouwt, die het spreekwoord huldigt "le talent excuse tout."
-
-Ver ook, ja lijnrecht tegenover, de verwachting, waarmede Multatuli
-als erkend talent-vol man het openbaar leven in de maatschappij betrad.
-
-Hij ondervond dus twee ontgoochelingen, die hem des te heviger
-aangrepen, naardien in zijn geëxalteerden toestand zijne verwachtingen
-zich hooger hadden gespannen. Hij werd niet tot onderkoning
-onmiddellijk verheven; maar de maatschappij, zijn talent nu kennend,
-behandelde hem zelfs in veel opzichten als een gewoon medeburger,
-wiens karakter door velen gewogen en te licht bevonden werd.
-
-Dit was te veel voor zijn zoo licht ontvlambaar en nu ontvlamd
-gemoed. Zoolang hij nog niet getoond had wie hij was, zoolang hij
-zijne ziel nog niet had geopenbaard, kon hij ten minste nog denken,
-als hij zat te peinzen over al zijne vernederingen: ja, wacht maar,
-wacht gij lieden maar, ééns zal ik u beschamen en de wereld versteld
-voor mij doen staan, eens zult gij allen naar mij opzien als ik mij
-boven u allen zal hebben verheven.
-
-Doch nu kon dat niet meer, nu ontzonk hem ook de laatste hoop en
-troost, in 't groote namelijk, waartegen de verbetering van zijn
-levenstoestand in 't kleine niet kon opwegen. Hem bleef niets over
-dan groote, woedende bitterheid. Uitlatingen als die in zijne Ideën,
-waar hij de geheele natie nu voor een troep schelmen uitmaakt, waren
-van deze bitterheid de openbaringen.
-
-Openbaringen van dien alles beheerschenden wrevel waren ook zijn
-zonderlinge en heftige handelwijzen tegenover bijzondere personen. Zijn
-prikkelbaarheid had haar toppunt bereikt.
-
-Beschouwen wij met onpartijdige bedaardheid zijne houding tegenover
-zijn broeder Jan Dekker, zooals die vooral in het tweede deel der
-Brieven uitkomt. Aan dien broeder had hij voor zoover uit de zeer
-volledige gegevens, die nu tot ons gekomen zijn ten duidelijkste
-blijkt, groote verplichtingen, terwijl niets er op wijst, dat die
-broeder ook aan hem, Eduard, iets te danken zoude hebben gehad. Het
-geld, waarvan Dekker te Batavia leefde in 1857, vóór hij naar Europa
-vertrok, zal hem wel grootendeels door dien broeder zijn verstrekt;
-het was dezelfde broeder, die te Rembang Dekker's gezin bij zich
-noodde toen hij eindelijk op reis ging, dezelfde, die, in het voorjaar
-van 1858, Dekker's rekening over zeven maanden in het Brusselsche
-logement betaalde, zeer waarschijnlijk was 't dezelfde gulle man,
-die hem in staat stelde in dat zelfde jaar verder naar Cassel te komen
-en daar hem van het noodige voorzag (al kwam Dekker er niet mee toe,
-zoodat hij te Cassel andere schulden maakte); dezelfde die, in het
-voorjaar van 1859, de passage van Dekker's vrouw en de haren naar
-Europa bekostigde; dezelfde die gedurende de tweede helft van 1859
-aan Dekker's gezin weder een gastvrij dak bood op zijn buitengoed
-te Brummen; dezelfde eindelijk, die in November 1859, voor de tweede
-maal zijne logementsrekening te Brussel voldeed en hem in staat stelde
-naar Amsterdam te komen.
-
-Indien men in het oog wil houden, dat de meeste dezer gewichtige
-diensten door den heer Jan Dekker aan zijn broeder bewezen werden, in
-een tijd dat deze van zijn hoogere gaven nog niets had doen blijken,
-terwijl de heer Jan over de handeling van Dekker's ontslag-nemen geen
-ander gevoelen kon hebben dan hetgeen wij als het algemeen gevoelen
-der menschen hebben leeren kennen,--dan zal ongetwijfeld een ieder
-van meening zijn, dat de heer Jan Dekker een bijzonder goedhartig
-en edelmoedig mensch was, Eduard in hem een voortreflijk en hem te
-benijden broeder bezat; en het jammer vinden, dat Eduard zich niet in
-deze kleinigheid meester kon blijven, dat hij zóó'n broeder ten minste
-dan alléén in aanraking liet komen met de beminnelijke zijden van
-zijn karakter (waar hij elders, naar wij lezen, zoo mede te woekeren
-wist,) zorgvuldig de minder aangename kanten voor hem verbergend,
-opdat hij zich daar aan niet stooten kon.
-
-Reeds uit Brussel schreef Dekker aan zijn vrouw over zijn broeder als
-over iemand, die eigenlijk verplicht was hem te onderhouden. "Voor
-de tiende maal vraag ik u: hoe denkt Jan toch dat ik leef" (dl. 1,
-blz. 133) enz. Reeds in dien tijd, dus vóór het verschijnen van
-Max Havelaar, is Dekker verbitterd tegen of allerliefst voor zijn
-broeder in zijn uitlatingen. Toen de heer Jan zoo ingenomen was met
-Max Havelaar, dat hij in handschrift gelezen had, en Eduard in staat
-had gesteld naar Amsterdam te komen, was het tusschen hen tweeën al
-"botertje tot den boôm" en schrijft Dekker aan zijne vrouw (dl. 2,
-blz. 11 en volgende):
-
-"Beste beste Tine! Heerlijke tijding! Van avond hier gekomen. Jan
-opgezocht in de Variété. Hartelijk en verzoend, en ik kom meê naar
-De Buthe......" "Hartelijke ontmoeting, verzoening, afspraak om niet
-meer te kibbelen" (tusschen de broeders)... "Jan heeft mij een mooie
-overjas gekocht" ...
-
-Spoedig doet de heer Jan echter al weder dingen, die den opgewonden
-Douwes mishagen: "Wat de zending van Jan naar Rochussen aangaat, ze
-is compleet mislukt. Toen hij (maar ik vrees niet op de goede manier)
-gesproken had over Raad van Indië, was R. opgesprongen. Dát kan mij
-niet schelen, maar wat me wel kan schelen is dat Jan zelf die mij,
-na mijn uitlegging, had toegestemd dat dit de eenige wijze was om
-mij te herstellen, nu ook vond dat ik te veel vraagde. Dus alweer de
-ambassadeur die zijn eigen zaak verlaat.
-
-Van morgen wou hij dat ik vragen zou om directeur te worden van eene
-school te Batavia. Dat was juist iets voor mij, zeide hij en dan was
-zijn contract gesauveerd! Hij drukt gedurig op zijn contract dat door
-mijn hoofdigheid, door mijn te veel vragen kon geknepen worden."
-
-Mevrouw Dekker teekent hierbij aan, dat de heer Jan een tabakskontrakt
-had in Rembang (dat gevaar scheen te kunnen loopen).
-
-Dekker vervolgt: "Ik laat me niet buigen. Noch door Fuhri (den
-'s-Gravenhaagschen hôtelhouder), noch door geldgebrek, noch door
-schijnbare schande, noch door Jan. Als jij me afviel zou ik buigen,
-maar dat kan niet."
-
-Betrekkelijk geruimen tijd blijft nu de verhouding tusschen de twee
-broeders zoo goed als men maar wenschen kan. Een enkele maal krijgt de
-heer Jan nog een standje omdat hij niet spoedig genoeg geld zendt, maar
-de vriendschap wordt niet verstoord. 16 Juni 1860, schrijft Dekker,
-die toen toevallig in Rotterdam was: "Begrijp eens, Jan is hier, en
-alles heel wel. God geve dat het zoo blijft," en dd. 17 Juni: "Jan
-is van morgen vertrokken. Wij zijn tot het laatst wèl gebleven. Hij
-is uiterst ingenomen met het éclat van M. H., en spreekt er gedurig
-van. Het is of hij voelt dat hij mij een beetje respecteeren moet,
-omdat de menschen zoo hoog met mij loopen, en ik dus een soort van
-renommée van den dag ben." 18 Juni (Dekker's gezin was toen in Brussel,
-hij zelf in Amsterdam) begint hij een weinig ontevreden te worden
-tegen den heer Jan: "Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar
-neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz." Er is
-echter eene verontschuldiging: "Nu ontken ik niet dat thans bij de
-intrekking van den Vrijen arbeid de zaak beroerd wordt"... Op 2 Juli
-hoopte Dekker dat de heer Jan geld zou zenden, "de geest was goed."
-
-16 Juli was Dekker naar Spa gereisd, plotseling naar het schijnt,
-en bevond zich daar weer aan de speelbank. Hij schrijft zijn vrouw
-te Brussel, hem duizend francs te zenden. 22 Juli was hij weder te
-Amsterdam terug en bericht zijn vrouw de ontvangst van haar brief,
-waarin zij hem van haar vergeefsche reis naar "Uccle" verhaalde. De
-uitgeefster der Brieven heldert dit geheimzinnige woord op, door
-als haar stellig vermoeden te kennen te geven, dat Tine óok naar
-Spa was geweest en daar haar geld had verloren. "In zijne en hare
-omstandigheden vond Multatuli zoo'n tochtje zoo al niet positief goed
-dan toch zeer verschoonbaar." Om echter de zaak verborgen te houden,
-ging hij zoover in zijne voorzichtigheid van het woord Uccle, den
-naam van een dorp bij Brussel, te gebruiken, als pseudoniem voor het
-woord Spa.
-
-In den loop der korrespondentie vernemen wij nog eenige malen,
-dat Dekker den heer Jan verzoekt geld te zenden, zijne vrouw "boven
-water te houden," enz. De heer Jan ging voort hem onophoudelijk bij
-te staan. Hij deed bijna alle démarches bij den minister Rochussen,
-bij vrienden, bij allerlei personen, die Dekker moesten helpen zijn
-doel te bereiken. In een niet gedateerden brief, van Augustus 1860,
-blijkt echter dat de heer Jan het weder bijna geheel bij zijn broeder
-verkorven heeft. Deze schrijft aan Tine: "Ik ga nog eens aan Jan
-schrijven en zal probeeren hem uit te leggen dat ik geen partij
-kan dienen,..." enz., verder: "In het briefje van Jan dat je mij
-toezendt komt voor dat hij zoo blijde is dat ik wil treden in de
-voorstellen. Ook aan mij heeft hij iets dergelijks geschreven! Hij
-schijnt dus van het komplot te weten en er aan getwijfeld te hebben
-dat ik de voorwaarden zou aannemen. Na mij sedert weken te hebben
-opgehouden met praatjes komt nu de zaak neer op eene schandelijke
-omkooperij. 't Is infaam!"
-
-Het komplot en de omkooperij, waarvan hier sprake is, hebben betrekking
-op de pogingen, die de staatkundige partijen aanwendden om Dekker in
-hunne gelederen op te nemen. Dat hij niet wilde weten van de enkel
-letterkundige verdienste van Max Havelaar, omdat het boek alleen als
-een pleidooi in een zaak, een zaak van landsbestier, moest beschouwd
-worden naar zijne opvatting,--en dat hij tévens weigerde in de praktijk
-te treden en zich aan te sluiten bij eene partij, die de wijze van
-bestuur voorstond, die ook hij zelf de beste achtte,--kwam iedereen,
-dus ook den heer Jan, onbegrijpelijk voor. Ons is het nu wel duidelijk,
-wat Dekker wenschte: dadelijk eene invloedrijke positie, maar daar
-nog nooit iemand op die wijze daartoe gekomen was, begreep men niets
-van deze ongeziene wijze van denken en handelen. De heer Jan wilde,
-om velerlei redenen, zijn broeder zoo spoedig mogelijk uit den nood
-geholpen zien. Reeds bij den aanvang der Havelaar-zaak had hij aan
-Eduard geschreven: "om godswil, verschop niets." De heer Bekking had
-"het masker" afgeworpen en "medewerking aan zijne partij, dat is de
-tabakskontrakten" als voorwaarde voor hulp bedongen. Van zulk een
-overeenkomst wilde Dekker niet weten.
-
-Eene brouille tusschen Dekker en den heer Jan had tegen het eind van
-Augustus plaats.
-
-Hij schrijft (do. 27 Aug.) "... Ieder is meer dan beleefd... behalve
-Jan. Hij is hier, en na het ontmoeten dat eerst vriendschappelijk was,
-begon hij, of wilde hij weer beginnen te schelden.
-
-1o. Omdat ik niet had toegegeven in de voorstellen van Bekking.
-
-2o. Omdat ik aan Cath. en Sietske wat papeterie had cadeau gedaan.
-
-'t Was in het café restaurant. Veenstra was er bij.
-
-Ik stond dadelijk op en ging heen. Ik heb hem door Abrahamsz laten
-zeggen dat ik niets meer met hem wil te maken hebben, en dat ik hem
-verbied zich met mijne zaken te bemoeijen. Uit!"
-
-In een daarop volgenden brief schijnt hij de ware toedracht der zaak
-weêr vergeten te zijn, want hij schrijft: "De hoofdzaak is dat Veenstra
-inziet dat Jan verkeerd doet mij in den steek te laten." Of hij moet
-de verwijten door den heer Jan hem gedaan gelijk gesteld hebben met
-een "in den steek laten." Verder in denzelfden brief schrijft hij, na
-van het steeds toenemend succes van Max Havelaar te hebben gewaagd:
-"Maar heb ik nu ook niet gelijk, dat ik het schelden van Jan niet
-meer verdraag? Bodenheim (die N.B. een woekeraar is) is beleefd en
-zelfs hartelijk, en mijn eigen broer is grof. Ik ben er dan ook glad
-overheen en verdraag het niet meer."
-
-In een lateren brief, van 28 September, heet het: "Als ik aan zoo
-iets (het schrijven in den Tijdspiegel om geld te verdienen) denk,
-kookt het mij dadelijk tegen Jan. Die had mij voor zoo iets moeten
-vrijwaren. Kassian, ik hoor nu bepaald dat ze met Mei in Den Haag
-gaan wonen, die arme menschen! Liefje, ik vind niet goed dat je Mary
-(de echtgenoot van den heer Jan) schrijft. Het zou schijnen alsof
-ik weer wou aanknoopen, en dat wil ik niet. Je weet niet hoe Jan mij
-traitert. Ik had aan de meisjes A. wat papeterie gegeven (dat hij mij
-in een koffiehuis verweten heeft) en kort daarop kreeg ik van Kees
-(vader der meisjes A[brahamsz]) een briefje met verzoek aan zijne
-kinderen geen geschenken te geven "wijl ik mijn geld beter besteden
-kon aan mijn vrouw en kinderen." Dat had Jan mij bezorgd. Ik noem
-zoo iets vervloekt laag.
-
-De zaak staat zoo dat ik niet den minsten twijfel heb om te slagen,
-als ik maar van die vervloekte dagelijksche zorg bevrijd was. Zoo'n
-Jan die in Den Haag gaat wonen. Hij kan zijn geld beter aan mij
-besteden. Maar dat is nu uit. Al wilde hij nu, nu ben ik er moe van."
-
-Do. 20 Oktober lezen wij nu over deze zaak: "En nu Jan! Ik ben er regt
-verdrietig over. Heden nog schreef ik aan Pieter: "Met Jan wil ik niet
-meer te doen hebben! Daar blijf ik bij. Dat weet je, en je gaat met hem
-naar de opera. Hij heeft mij in een publiek koffiehuis... (enz. over
-de papeterie)--dat was zijn geld! En nu neemt gij geld van hem aan! Ik
-moet er nu rijp over denken hoe te doen... (nog lang wordt hierover
-uitgeweid)... moet ik nu de eerste keer dat ik Jan ontmoet--maar 't
-zal niet gebeuren!--hooren dat je van zijn geld naar de komedie bent
-geweest? Je wist toch alles. Tine, Tine! Hoe kon je zoo doen! 't Was
-mij wel fr. 500 waard geweest als je gezegd hadt:
-
-"Jan, na alles wat er is voorgevallen heb je het regt verbeurd ons
-te helpen!"
-
-Wij zullen de laatsten zijn om de handeling van het verwijt omtrent
-de kleinigheid van het papeterie koopen, in den heer Jan een voorbeeld
-van delicatesse te noemen, maar de heer Jan was in 't algemeen ontstemd
-tegen zijn broer omdat deze zich niet bij de partij-Bekking c.s. wilde
-aansluiten, en verborg daarom ook deze kleine grief niet. Niets
-zeldzamer dan zóo edele en kiesche menschen, die diensten bewijzen en
-zich zoo gedragen als deed degene, wien zij bewezen werden, hun een
-weldaad door ze aan te nemen. Zulke menschen bestaan, maar behooren
-tot de groote zeldzaamhed en er is niet de minste reden, om er den
-heer Jan een verwijt van te maken, dat hij het zoo buitensporig ver
-niet gebracht had in zeldzaamheid van karakter-deugden. Trouwens, daar
-moet dan ook van den anderen kant eene hoffelijkheid en bescheidenheid
-in het aanvaarden der diensten tegenover staan, die Eduard Dekker
-zelf nagenoeg vreemd schijnt geweest te zijn. De zinsnede, waarin
-Eduard schrijft, dat Jan (die reeds zooveel voor hem gedaan had)
-beter zou doen zijn geld aan Eduard te besteden dan er voor in Den
-Haag te gaan wonen, is karakteristiek en licht zoo goed als wij maar
-wenschen konden, de trekken onzer karakterschets toe, waar wij,
-in verband met de algemeene appreciatie van kunst en talent in de
-Maatschappij, Multatuli's ontgoocheling bespraken over het, dat men
-hem in vele opzichten als een gewoon sterveling bleef behandelen.
-
-Van de verhouding tusschen de twee broeders vernemen wij verder in de
-tot nu toe verschenen deelen der korrespondentie niets. Waarschijnlijk
-zal die wel steeds geen effene, doch eene geaccidenteerde verhouding
-zijn gebleven van brouilles en verzoeningen.
-
-
-
-Welk een verschil tusschen het eerste deel Brieven en het tweede
-deel in 't algemeen! Een verschil dat in den text der gedrukte
-bladzijden uitkomt met de helderheid der twee schril kontrasteerende
-levensperioden zelf. Is het eerste deel vol van het diepe leed, in
-de stilte van het Brusselsche zolderkamertje, als in een kloostercel,
-gedragen, waar Dekker's leven slechts zeer weinig uiterlijke afleiding
-vond in den omgang met zijn enkele plebejische vrienden daar uit de
-buurt; nemen wij in het eerste deel Dekker waar,--onder den zwaren
-druk van het wreede leven, dat hem daar opgesloten hield,--in
-een tête-à-tête met zijn smart, waarin hij zijn talent als een
-lijdensbloem zag ontluiken;--het tweede deel voert hem en ons
-plotseling als in de drukte en in het gekrioel van een marktplein;
-het is of er in den stijl der Brieven iets is doorgedrongen van het
-gedruisch op de Botermarkt, waar Dekker boven den winkel van Lobo,
-den Israëlietischen boekverkooper, die ook met een "stalletje" op
-de markt zelf was geposteerd, zijn kamer had en zijne geschriften
-samenstelde. Uit de eenzaamheid is hij met de grootste snelheid
-midden in het woeligste maatschappelijk leven overgeplaatst. Van
-onbekend is hij als met tooverslag beroemd geworden, van geschuwd
-gezocht, van geminacht hoog-geprezen. Hij komt in betrekking met de
-staatkundige partijen, de eene trekt hem hier, de ander daarheen;
-binnen eenige maanden tijds worden dertien honderd exemplaren van
-zijn Max Havelaar verkocht, overal waar hij zich vertoont, op straat,
-in hotels, in publieke vermakelijkheden, wordt hij met belangstellende
-nieuwsgierigheid bekeken, vreemden spreken hem aan, een onbekend meisje
-in het park, bij eene muziekuitvoering, komt hem haar handje reiken;
-van links en rechts wordt hij uitgenoodigd om lezingen te komen houden,
-tijdschrift-redaktiën en uitgevers schrijven hem, komen hem opzoeken,
-telegrafeeren hem, loopen hem na om eenige bladzijden van zijn hand
-voor hun orgaan of hun drukpers machtig te worden. De uitgever Thieme
-wil al aanstonds zijn partikuliere briefjes uitgeven, waarmede hij
-uitstekende zaken denkt te maken, de bezadigde redakteur van het
-Nederlandsch-Indische tijdschrift verzint totaal ongebruikelijke
-opschriften om boven de bijdrage van Dekker te plaatsen, die hij
-wenscht op te nemen: "Van den genialen Multatuli" zal hij er boven
-zetten. Kortom het is, zooals Dekker zelf in de brieven schrijft,
-een "rage".
-
-De persoon met wien Dekker nu in de eerste plaats te doen kreeg en
-met wien hij in belangrijke betrekking zou blijven gedurende het
-geheele tijdperk, dat wij in het tweede deel der Brieven afgespiegeld
-vinden, was de heer mr. J. van Lennep, rijksadvokaat, een der leiders
-der oud-konservatieve partij, Amsterdamsch patriciër. Tusschen de
-menigte menschen, die wij, als wij in onze verbeelding een résumé
-vormen van Dekker's leven uit dezen tijd, hem zien omringen, staat
-Van Lennep vooraan; op hem valt het meeste licht. En geen wonder! Van
-Lennep toch bezorgde de uitgave van Max Havelaar, stelde Dekker in de
-gelegenheid de eerste helft van 't jaar 1860 met zijn gezin als een
-rustige tusschen-periode door te brengen, en bleef voortdurend met
-hem in relatie over financiën en andere, wellicht nog gewichtiger,
-de uitgave rakende zaken. Wij zullen deze geschiedenis, als zijnde
-een der belangrijkste perioden in Dekker's leven, volgen zoo als de
-Brieven ons geleidelijk met haar bekend maken. Er zal onder meer nog
-een deel Brieven verschijnen, getiteld Multatuli en Busken Huet. Nu,
-met evenveel recht, had de uitgeefster dit, tweede, deel, kunnen
-betitelen: Multatuli en Van Lennep.
-
-
-
-Den 23sten Nov. 1859 reisde, gelijk wij gezien hebben, Dekker voor
-het eerst van Brussel naar Amsterdam. Reeds had hij van den heer
-Jan vernomen, dat Van Lennep met Max Havelaar, door Van Lennep
-na Tine en Jan, als de derde begunstigde, in handschrift gelezen,
-uiterst ingenomen was. Van Lennep had aan Van Hasselt geschreven:
-"In weêrwil van de bleeke inkt, klein schrift, donkere lucht en
-toenemende verzwakking mijner oogen, heb ik het boek verslonden,
-"pectus est quod disertos facit" en "facit indignatio verbum" worden
-ook hier bewaarheid... 't Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of
-neen, de gebreken, waarover ik klagen zou, zoo 't een gewonen roman
-gold, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends,
-meer schokkends aan 't verhaal. 't Is bl.... mooi, ik weet het niet
-anders uit te drukken." De heer Jan had aan Eduard geschreven, toen
-hij hem deed overkomen: "Hij (v. L.) wil met handen en voeten uwe zaak
-voorstaan, en verzekerde mij onuitgenoodigd dat hij al zijn invloed in
-uw belang zal aanwenden. Hij zeide mij zijn zoon (aspt. ambt. eerste
-klasse) met een en ander bekend te hebben gemaakt, en hem gezegd
-te hebben: "Ik wenschte mij die zaak aan te trekken met klem, maar
-misschien zal men later u daarvoor donderen." Zijn zoon antwoordde:
-"Pak het aan.""
-
-De eerste brief, dien Dekker uit Amsterdam schreef, aan zijn vrouw,
-bevatte deze hoopvolle zinsnede: "Morgen tien uur naar Van Lennep,
-die volgens Jan, dol ingenomen is met mijn zaak, en mij absoluut wil
-helpen. Dus heerlijke vooruitzigten." En in den tweeden, na het bezoek
-bij Van Lennep, heet het: "Maar Van Lennep! Daar ben ik geweest,
-en ik kan je niet uitdrukken hoe die man mij ontvangen heeft. 't Is
-kompleet een schadeloosstelling voor al de miskenningen. Nooit had
-ik op zooiets durven hopen..." enz.
-
-Dekker begon dus Van Lennep te beschouwen, en Van Lennep begon
-zich ook werkelijk te gedragen als: Dekker's beste vriend. In
-een brief van 6 Dec. '59 lezen wij dat De Bull, met wien Dekker
-ook in konnektie kwam, na den plotseling voorgevallen dood van het
-Kamerlid Stolte, Dekker in diens plaats wilde doen verkiezen, en dat
-Van Lennep zelfs zoover gegaan was op eigen houtje over Dekker te
-spreken met de kiesvereenigingen. Als de voormalige minister Baud,
-dien ook Dekker zeer waardeerde, zich bij die gelegenheid niet ook
-kandidaat had gesteld, zou Dekker kamerlid of althans kandidaat zijn
-geworden. Hij had dit trouwens alleen willen worden om R[ochussen,
-den minister] te dwingen hem Raad van Indië te maken (zie 2e dl.,
-blz. 20). Ten dien einde, om Rochussen te doen voelen dat hij
-wakker was en werkte, schreef Dekker toen ook een paar staatkundige
-dagbladopstelletjes, die 9 en 10 December in de Amsterdamsche Courant
-verschenen en onderteekend waren: "Eduard Douwes Dekker, op verzoek
-eervol ontslagen Assistent-Resident." Wij lezen in dezen tijd van de
-korrespondentie niet anders dan dat De Bull, Tydeman en vooral Van
-Lennep dagelijks voor Dekker in de weer waren. Dato 8 Dec. lezen wij:
-"Gister zond ik een brief aan V. L., en hij, die een perfecte kerel is,
-zond dien aan R[ochussen] met een flink bijschrift. Hij zegt: "pas op,
-vriendje, ik verzeker je dat D. D. een man is, en als je hem wat lang
-laat wachten maak je hem ongeduldig en dat raad ik je niet aan.""
-
-Van Lennep, Hartsen en De Bull (Amsterd. Courant) en Tydeman
-(Handelsblad) vertegenwoordigende de twee staatkundige partijen,
-wilden allen Dekker in de Kamer hebben. Daarop stelde Baud zich op de
-rij, aan wien de eerstgenoemde partij zedelijke verplichtingen had
-en dien zij dus, vóór alles, nu moesten steunen. Tydeman was echter
-tegen Baud en wilde Dekker als den tegenkandidaat poseeren. Daar
-Tydeman echter door Van Lennep zelf zoo voor Dekker was opgewarmd,
-vond Dekker het onedelmoedig door met Tydeman mede te gaan Van Lennep
-in het vaarwater te zitten. Hij kon dit dus niet doen.
-
-Reeds bij dezen brief, van 8 December 1859, biedt de uitgeefster ons
-een exposé van den toestand, waarop al deze zaken betrekking hebben.
-
-Van Lennep was een der leiders van de konservatieve partij, waartoe
-ook de minister Rochussen behoorde. Door het ministerie, waarvan
-ook Rochussen deel uitmaakte, was juist nu echter een spoorwegwet
-voorgesteld, waar de Amsterdammers, met o. a. Van Lennep aan 't hoofd,
-sterk tegen waren. Van Lennep en De Bull met zijn Amsterdamsche Courant
-ageerden dus tegen het ministerie. Toen de zaken juist zóo stonden,
-kreeg Van Lennep het handschrift van Max Havelaar in handen. Hij
-begreep terstond de portée van dit werk en welke waarde het als wapen
-in het arsenaal der ministeriebestrijders hebben kon. Van Lennep's
-ingenomenheid met Max Havelaar op zich zelf was oorspronkelijk
-oprecht. Maar, "hetzij dan gaandeweg, hetzij reeds terstond" zegt
-de uitgeefster der Brieven, kwam bij Van Lennep de gedachte op, Max
-Havelaar vooral als strijdmiddel tegen het ministerie te gebruiken. De
-uitgeefster gebruikt niet het woord "vooral" maar uit haar toon valt
-op te maken, dat zóo toch haar bedoeling is. Wij zijn het daarmede
-niet eens. De bespiegelende ingenomenheid van Van Lennep met Max
-Havelaar kon zeer goed met zijn inzicht in het praktische nut, dat
-het boek voor hem en de zijnen hebben kon, samengaan, zonder dat
-het éene in zijne waardeering zwaarder woog dan het andere. Maar
-verder is de voorstelling, door de uitgeefster aan de zaak gegeven,
-naar ons voorkomt juist,--tot aan de eindkonklusie. Zij zegt dan, dat
-Van Lennep, die volgens Dekker's beschrijving een joviaal, aangenaam
-mensch was, schik had in den strijd en er dus een soort van schalksch
-genoegen in vond den minister Rochussen uit de verte met dat boek,
-den M. H., te dreigen. Maar zijne partijgenooten vermaanden hem tot
-kalmte en ingetogenheid. Vooral zijn schoonzoon Hartsen, deftig man
-van den eersten graad, lid der Eerste Kamer, van wien de uitgeefster
-eenigszins ironisch vermeldt, dat hij "ontzaggelijk ingenomen"
-met Max Havelaar was, maar ondertusschen het manuscript weken lang
-onder zijne berusting hield, zonder aan den schrijver eenig blijk
-te geven van geestdrift of waardeering. De spoorwegwet werd in de
-Eerste Kamer afgestemd, en de uitgeefster zegt, dat Van Lennep zich
-toen "liet sussen". Hij had toen den Max Havelaar niet meer noodig
-als wapen tegen het ministerie, hij bezorgde dus wel de uitgaaf van
-het boek, "maar in zijn, in 1862 uitgegeven brochure, staat toch met
-ronde woorden te lezen, dat het zijn doel was de verspreiding van
-het werk te belemmeren." Hieruit zou men dus moeten konkludeeren,
-dat, indien de spoorwegwet niet afgestemd geworden ware, Van Lennep
-den Max Havelaar uitvoeriger zoude hebben doen verspreiden. Met deze
-opvatting kunnen wij ons slechts gedeeltelijk vereenigen.
-
-Doch wij zeggen met de uitgeefster "later meer daarover", en
-willen eerst de geschiedenis van Dekker's betrekking tot Van Lennep
-voortzetten waar wij haar geschorst hebben.
-
-Van Lennep dan, vernemen wij nog, had aan Rochussen geschreven:
-"Indië heeft een man noodig en Dekker is die man." Intusschen
-maakte Dekker zich steeds zeer bekommerd over de "bijzaken" en
-begon de vreeselijke drukte van zijn leven, waaraan hij niet gewoon
-was, hem zeer te vermoeien; zoodat wij, do. 10 December, lezen,
-dat, nu Rochussen eindelijk geantwoord had in afwijzenden zin op
-het voorstel om Dekker Raad van Indië te maken, Dekker er naar
-verlangde uit Holland weer weg te komen en in Brussel op zijn gemak
-wat te rusten en te werken. 11 Dec., toen hij nog niet wist, wat het
-"ontzaggelijk ingenomen" van Hartsen beduidde, wilde hij weer wèl in
-Amsterdam blijven, enthousiast als hij was over Van Lennep's brief,
-waarin dat oordeel van Hartsen werd medegedeeld.
-
-Tusschen 11 December 1859 en 11 Januari 1860, vernemen wij nog alleen,
-dat de heer Jan een voorloopige bijdrage van vier honderd gulden wil
-geven om Dekker in staat te stellen zich met zijn gezin in Brussel
-te etablisseeren, waar hij dan door werken zelf verder ook geld zou
-verdienen; maar dat Dekker, rekenende met zijn familie vier honderd
-gulden per maand noodig te hebben, zich op dié verbintenis alleen niet
-durfde verlaten om de expatriëering te ondernemen. Ook hooren we,
-dat de heer Hartsen wel duizend gulden op de Max Havelaar-uitgave
-zou willen voorschieten, maar dat Dekker dit voorstel repugneerde
-daar het zooveel overeenkomst had met "beleenen op pand."
-
-Vóór den éénigen brief, die uit deze periode beschikbaar was en
-waarvan wij hier den inhoud mededeelden, heeft de uitgeefster der
-Brieven een aanteekening geplaatst, die, indien men bedenkt in welke
-verhouding zij zelve gestaan heeft tot Dekker's eerste echtgenoote,
-niet onaardig karakteristiek is, in hoe bezadigde en kroniek-achtige
-termen dan ook vervat. "De brieven," schrijft zij, "sluiten nu niet
-meer zoo geregeld aan elkaar als vroeger. Eenigen zullen verloren
-zijn gegaan, anderen opzettelijk vernietigd. Dit laatste durf ik
-veronderstellen omdat ik dikwijls in later jaren heb bijgewoond
-(wij wisten niet, dat de dames elkaar zóo intiem hadden gekend, dat
-de eene in bijzijn der andere handelingen volbracht, die anders bij
-uitstek behooren tot die, ter volvoering waarvan men een oogenblik van
-eenzaamheid afwacht) dat Tine een brief van Dek ontvangende, zoodra
-zij bemerkte dat er iets in stond wat haar onaangenaam zou aandoen,
-dien verscheurde en in de kachel wierp."
-
-Men kan begrijpen welk een gevoel zulk een handeling van Dekker's
-eerste vrouw opwekte in Dekker's tweede vrouw. Zij, die Dekker zoo
-vereerde, moet deze handeling wel afgrijselijk hebben gevonden, en
-indien, waaraan na haar eigen mededeeling natuurlijk niet te twijfelen
-valt, mevrouw Douwes Dekker-Hammink Schepel er in levenden lijve bij
-tegenwoordig is geweest, dat mevrouw Douwes Dekker-Van Wijnbergen
-Dekkers brieven, als teeken van afschuw, in de kachel wierp zonder ze
-gelezen te hebben, mag men wel aannemen, dat al haar wél-opgevoedheid
-haar op zoo'n oogenblik ten dienste heeft moeten staan om haar te
-beletten als eene furie op hare voorgangster aan te vliegen en haar
-de kostbare papieren te ontrukken, die zij snood aan de vernietiging
-wilde prijs geven.
-
-Intusschen moeten wij met de uitgeefster van meening verschillen,
-waar zij uit het feit, dat Dekker's eerste echtgenoote, toen de
-verhouding tusschen haar en haar man ten uiterste gespannen geworden
-was, zijne brieven in woede en verdriet vernielde, het gevolg trekt,
-dat Tine zich ook reeds in een vroegere periode, toen de verhouding,
-in vergelijking met later, nog weinig te wenschen overliet, zich aan
-soortgelijke handelingen zou hebben schuldig gemaakt. Wij gelooven
-eerder dat de brieven die hier ontbreken "verloren zijn gegaan",
-dan dat zij "opzettelijk vernietigd" zouden zijn.
-
-De eerstvolgende brief, welken wij nu te lezen krijgen, is van 10
-of 11 Januari 1860. Wij vernemen daaruit, dat Dekker met zijn gezin
-den 15en Januari naar Brussel zal gaan, om eenige maanden rust te
-genieten. De heer Jan gaf f400 als voorloopig voorschot, waarvan
-echter f100 afgetrokken zou worden, naar wij uit den brief meenen te
-begrijpen, voor de passage van de baboe, die naar Indië teruggezonden
-werd. En de heer Van Lennep--daarom passen deze mededeelingen hier
-noodzakelijk in dit historisch overzicht--zou f200 per maand geven,
-waarvan echter f50 zou worden afgetrokken ten bate der Wageningsche
-tantes. Tijdens Dekker's afwezigheid zoude dan Van Lennep de uitgaaf
-van Max Havelaar bezorgen.
-
-Zeer juist merkt de uitgeefster op, dat het, met het oog op het, later
-gevolgde, bekende rechtsgeding tusschen Dekker en Van Lennep, over het
-eigendom van Max Havelaar, niet weinig belangrijk geweest zoude zijn,
-indien zij ook de tijdens Dekker's verblijf te Brussel in dezen tijd
-tusschen hem en Van Lennep gewisselde brieven had kunnen opnemen in de
-korrespondentie. Doch de pogingen, in 1871 door Dekker zelf, en nú,
-bij de voorbereiding dezer uitgave der Brieven, door de uitgeefster
-aangewend, om die brieven machtig te worden, zijn mislukt. Tijdens het
-rechtsgeding had Dekker ze, ter vervollediging der geding-bescheiden,
-aan zijn advokaat, Mr. J. G. A. Faber, ter hand gesteld. Doch deze heer
-wist later niet waar zij gebleven waren, en Mr. Mouthaan, de opvolger
-van Mr. Faber, had ze ook niet, bij den overgang van het kantoor, van
-dezen overgenomen. Ook de heer Willem van Lennep, zoon van Mr. Jacob,
-door de uitgeefster daarnaar gevraagd, kon zich niet herinneren bij
-de papieren zijns vaders brieven van Dekker te hebben gevonden. De
-uitgeefster neemt dus aan dat die vernietigd zijn. (Zie Br. 2e dl.,
-blz. 61, 62.)
-
-Eenige maanden leefde Dekker nu vereenigd met zijn gezin te
-Laeken (Brussel). De uitgeefster merkt aan, dat dit een tijd van
-betrekkelijke rust voor het gezin was. De uitstapjes, van hier uit
-naar Spa ondernomen, hebben wij reeds vermeld. In Mei verscheen de
-Havelaar, 14 Juni reisde Dekker terug naar Holland.
-
-Wij vestigen er de aandacht op, dat Dekker dus, toen de voorbereidende
-maatregelen ter uitgave werden genomen en toen de uitgave plaats
-had, niet ter plaatse aanwezig was. Wij vestigen hierop nadrukkelijk
-de aandacht, omdat Dekker op die wijze verzuimde den persoonlijken
-invloed op de wijze van uitgeven te oefenen, waardoor wellicht de
-verkeerde praktijken voorkomen hadden kunnen worden, waarover hij zich
-later vruchteloos beklaagde. Was deze onthouding van onmiddellijk
-persoonlijk beheer niet wijs, niet verstandig,--zij was daarentegen
-zeer natuurlijk en verklaarbaar. Dekker had de grootste behoefte aan
-rust, na al het tobben en zwerven en de druktes der laatste jaren,
-en: Dekker beschouwde Van Lennep als zijn besten vriend en vertrouwde
-hem volkomen; dat wil zeggen: vertrouwde volkomen, dat Van Lennep
-Dekker's belang begreep, precies zooals Dekker dat zelf begreep,
-en dat hij dit op die wijze begrepen belang, zonder eenige andere
-konsideratie, tot richtsnoer van zijn handelingen zoude nemen.
-
-Dekker reisde naar Rotterdam, van waar uit hij de korrespondentie met
-zijne vrouw hervatte. Hoofdzakelijk vernemen wij nu vooreerst alleen
-Dekker's blijde uitingen over het steeds grooter en grooter wordend,
-en hem zelf verbazend, welslagen van zijn werk. Do. 17 Juni (1860)
-spreekt Dekker reeds van eene "nationale inschrijving," waar hij
-toen zekeren Van Prehw zich aan 't hoofd van wilde zien stellen. Dit
-schijnt dus geen denkbeeld van later geweest te zijn, maar tijdens
-of even vóor de Havelaar-uitgave bij hem te zijn opgekomen. Waar wij
-echter op 't oogenblik, met betrekking tot de kwestie-Van Lennep
-meer belang in stellen, is de reeds in dienzelfden brief van 17
-Juni voorkomende uitlating: "Maar uit alles blijkt dat die De R. een
-slaapmuts is." Hiermede werd bedoeld: de door Van Lennep voor deze
-onderneming aangezochte uitgever De Ruyter. Tels, de hoofdredacteur der
-N. Rott. Crt., had namelijk gezegd, dat er nú reeds (na pl. m. vier
-weken) een derde druk van het werk had moeten zijn, en Nijgh, de
-uitgever der N. Rott. Crt., dat er duizend exemplaren naar Indië
-hadden behooren te worden gezonden.
-
-"Is dat nu niet gloeiend jammer," schrijft Dekker, "dat door zulke
-slaperigheid mijn boek minder effect maakt dan het bij een flinken
-boekverkooper maken zou? Het is om te schreien. En je begrijpt dat
-als de furore eens voorbij is zooals alle fureurs en enthousiasmes
-voorbijgaan,--dat het dan te laat is."
-
-Wij spatiëeren deze laatste woorden. Hierop, zal men zien, komt het
-aan, hierop is het geschil tusschen Dekker en Van Lennep gegrondvest;
-namelijk op het antwoord, dat de vraag uitlokt: waarvoor het "dan te
-laat" zoude zijn.
-
-Maar wij zien verder. Blz. 71 lezen wij: alles zou goed gaan... "maar
-die vervloekte De Ruyter". "Ik klaag bij V. L. steen en been over De
-Ruyter. 't Is een ware schande," do. 25 Juni: "Ik begin hoe langer
-hoe meer in te zien, dat men wel mijn boek verheft als boek, maar
-verder niets. 't Is wel hard!"
-
-Voortdurend houdt hij zich nu bezig met de recensiën, die
-achtereenvolgens de verschillende tijdschriften over Max Havelaar
-publiceerden. De brieven aan Tine zijn daar vol van. Hij had toen
-nog niet de verachting voor het publiek en de publieke opinie, die
-zich langzamerhand van hem zou meester maken. Hij genoot er nog even
-kinderlijk als buitensporig van zijn naam overal gedrukt te zien--iets
-volstrekt ongewoons--en al de verschillende meeningen en uiteenloopende
-waardeeringen over zijn, hem zoo innig van nabij bekend, geesteskind
-te lezen. Men kan dit genot vergelijken bij dat van eene moeder,
-die een eenig teér bemind zoontje heeft, dat eenige jaren lang met
-de uiterste zorg door haar is verpleegd en opgevoed, altijd in het
-stille huiselijk intérieur, waar alle leed en elke harde aanraking met
-de buitenwereld ver van hem werd gehouden; en die nu, voor het eerst,
-hem een kinderpartij laat bezoeken. Hoe leeg voelt zij hare hand als
-zij hem loslaat, opdat hij zich alleen en vrij onder de speelgenootjes
-zal gaan bewegen. Zie, daar gaat hij, zij kijkt hem na. Ja, hoe kijkt
-ze hem nu na, hoe spitst ze nu het oor, om te zien en te hooren, wat
-die en wat die en wat die derde zal zeggen van haar schat, van haar
-kind! Wèl luistert zij aandachtig naar wat men dáarvan zal zeggen,
-en wát dáarvan, wat van zijn oogjes, wat van zijn heele gezichtje,
-wat van zijn blonde haar, wat van zijn lieve kleertjes, die zij met
-zooveel zorg en oplettendheid heeft gekozen en geschikt...
-
-Nu, zóo volgde Multatuli de appreciaties, die zijn eerste boek ten
-deel vielen.
-
-De eerste uiting van ontevredenheid tegen Van Lennep treffen wij aan
-in een brief van 23 Juni:
-
-"Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne
-gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan, want als de M. H. het aan
-mij verstrekte geld niet dekt, dan is dat de schuld van den beroerden
-boekverkooper waar hij mij gebracht heeft."
-
-De Ruyter had maar dertig ex. van M. H. naar Indië gezonden. "Is
-dat niet om te schreien?" roept Dekker uit. "En dan praat V. L. van
-ondankbaar [-heid jegens De Ruyter.]" Do. 22 Juli lezen wij: "Ik zoek
-geld om baas te worden over de uitgave, want die de R. is ellendig. De
-vent heeft geen verstand van de zaak, maar Van Lennep zit mij in den
-weg"; 29 Aug.: "Ik ben dol op dien De Ruyter! V. L. is weer in stad
-gekomen, maar ik heb hem niet te huis gevonden. 't Is bedroevend!" 1
-Sept. lezen we, dat Dekker nog bij V. L. geweest was, waar allen
-hem heel hartelijk ontvingen. Een paar dagen later: "Die vervloekte
-zaak met Van Lennep. Nog ben ik daarmee niet klaar." Op 12 Oktober:
-"[ik heb] ruzie met Van Lennep" en "Van Lennep is... ja ik weet niet
-wat ik er van zeggen moet." Van Lennep had namelijk, eindelijk, na lang
-talmen, op Dekker's voortdurend aandringen, dat er van Max Havelaar een
-goedkoope uitgaaf zou bezorgd worden, geantwoord: "Wie een huis koopt
-heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen."
-
-Dit antwoord van Van Lennep bracht het tusschen hem en Dekker tot
-een uitbarsting. Op 20 Oktober lezen wij: "Misschien zal ik moeten
-overgaan tot de treurige noodzakelijkheid om V. L. een proces aan
-te doen. Dat zal mij zeer hard vallen. Prof. Veth is het met mij
-eens dat hij mij infaam behandeld heeft. De opgang van M. H. stijgt
-nog. 't Is ongehoord. De eerste druk is zoo goed als uitverkocht en
-V. L. wil de volgende drukken voor zich houden!" 3 November 1860:
-"Ik lig overhoop met Van Lennep. Ik moet gelooven dat hij mij bedrogen
-heft. 't Is schande."
-
-13 November vernemen wij dat de kogel door de kerk is in deze lakonieke
-woorden: "Proces met Van Lennep."
-
-Zes maanden later, 15 Mei 1861, werd in dit proces voor de eerste
-maal gepleit.
-
-In een brief van 2 Juni schrijft Dekker: "Proces Van Lennep eerste
-instantie, heb ik verloren. Never mind! appel! Ik zal 't behandelen."
-
-Dekker of zijn advokaat hebben geäppelleerd van het vonnis van de
-arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en den 22sten Mei 1862 kwam
-de zaak voor het provinciaal gerechtshof.
-
-In het schrijven van 24 Mei 1862 heet het: "Verleden Donderdag heb ik
-gepleit voor 't Hof. Had je 't gelezen in de courant? Maar er staat
-niets bij, alleen dat ik gepleit heb. Die zaak met V. L. verveelt mij."
-
-Het Hof heeft toen het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Wij
-teekenen hierbij terstond aan, dat Dekker zich in dit proces misschien
-meer dan bij welke gelegenheid ook, door zijn zenuwachtigheid en
-ongestadigheid heeft laten beheerschen. Hij verloor het proces in
-eerste instantie en keurde de rechterlijke uitspraak goed, omdat het
-punt, waar het op aankwam, niet in behandeling was geweest; ja maar,
-zeggen wij, als hij wat bedaarder was geweest, zoude hij zelf gezorgd
-hebben, van te voren, dat het in behandeling kwam. Maar goed, dit
-was dus een afgedane zaak, en hij had besloten te appelleeren. Voor
-het provinciaal gerechtshof, een jaar later, pleitte hij zelf. Men
-moet naar alle redelijkheid veronderstellen, dat hij persoonlijk
-heeft willen pleiten, om des te zekerder te zijn van te overwinnen,
-nú zéker te overwinnen. En ziet, toen het op stuk van zaken kwam,
-verwaardigde hij zich niet te pleiten, zoodat hij, ten tweeden male,
-erkennen moest, dat ook het provinciaal gerechtshof goed had gehandeld
-met hem in het ongelijk te stellen. In Idee 289a leest men hierover:
-
-"Wat mij zelf aangaat, voor 't hof betuigde ik kortelijk dat boek
-niet aan den heer V. L. verkocht te hebben. Betoogd, bewezen, gepleit
-heb ik niet. Vóór de zitting reeds ontwaarde ik dat de voorzitter
-stokdoof was, en bovendien ik wist... kortom, ik was misselijk van
-de zaak en dat ben ik nog. Toch voel ik mij verplicht te erkennen
-dat het Hof, na mijn dédain om de zaak behoorlijk uit te leggen,
-niet anders beslissen kon dan het gedaan heeft."
-
-Indien men de toedracht dezer zaak goed overweegt, zal men in dit
-geval een zoo duidelijk en plastisch mogelijk gegeven vinden van
-den voorraad, waaruit de heer Swart Abrahamsz heeft geput, om tot
-zijne kenschetsing van Dekker als neurasthenicus te komen. Dit is
-zoo echt neurasthenisch mogelijk. Men doorziet den toestand van
-hier, daghelder, zoo als hij zich heeft voorgedaan. Dekker was
-bepaald voornemens persoonlijk voor het provinciaal gerechtshof
-te pleiten. Wie weet of hij zelf geen uitvoerige rede op papier
-had geprojekteerd. Maar toen de zitting aanving, had hij bemerkt,
-dat de voorzitter hem en zijner zaak antipathiek gezind was, hij
-stond daar tegenover lieden, die hij wist dat verreweg zijn minderen
-waren, hij las op hun gelaat een dom en onherroepelijk misnoegen
-jegens hem,... toen kwam, onwederstaanbaar, een hevige wrevel in
-hem op, nooit was het kontrast schriller geweest tusschen hem en de
-maatschappij, nooit pijnlijker onmiddellijk merkbaar, schier stoffelijk
-voelbaar,... wat! hij de van God gezondene, hij met zijn koninklijke
-ziel (in bruisende fantasieën leefden de grootheids-verbeeldingen
-in hem op), hij stond hier tegenover ordinaire menschen, die hem
-aankeken zooals fatsoenlijke burgermenschen een ploert aankijken in
-wiens gezelschap zij genoodzaakt zijn eenige oogenblikken door te
-brengen,... en zij, in welke hoedanigheid bevonden zij zich tegenover
-hem... als rechters, die hij goedgunstig voor zijn zaak moest trachten
-te stemmen... het was te erg, ziet, zij zagen hem aan, minachting
-bespeurde hij in hunne fysionomie, als hij gepleit had zouden ze hem
-openlijk veroordeelen en... in hun binnenkamers, in hun gezin, wellicht
-heimelijk... bespotten... Het was te vreeselijk... déze wrevel kòn hij
-niet overwinnen, in zich zelf dacht hij: laten ze naar de weêrlicht
-loopen, liever het grootste nadeel, dan déze vernedering! Hij moest
-zich nog inhouden om hun geen stoel naar 't hoofd te werpen; het was
-al wél; hij beheerschte zich reeds voldoende met hun nog een oogenblik
-te woord te willen staan. Maar méer zou hij ook niet doen.
-
-Zóo stellen wij ons de toedracht dezer zaak voor. Ware Dekker beter
-geéquilibreerd geweest, hij hadd' zijn wrevel onderdrukt, hij hadd'
-zijn oogen gesloten voor de stemming van het Hof, zooals die op
-het gelaat der leden voor zijn scherpzienden blik te lezen stond,
-en hij hadd' eene zoo vernuftige rede gehouden, dat hij de rechters
-te gelijk in bewondering ontstak voor zijn talent en overtuigde
-van de rechtvaardigheid zijner zaak. Maar Dekker kón niet, hij was
-een prediker maar geen advokaat, hij had hartstocht maar geen takt,
-en hij werd het slachtoffer van de eigenschappen van zijn gestel,
-zoo als die zijn gedragingen influenceerden.
-
-Later, 2 October 1863, heeft Dekker vrede gemaakt met Van Lennep;
-de uitgeefster der Brieven vermoedt dat geldverlegenheid hiervoor de
-hoofdzakelijke reden is geweest.
-
-Na de bescheiden betreffende het proces, behelst het 2e deel ten
-slotte de brieven van den heer Van Lennep aan Dekker van de jaren
-1863-67, waarbij telkens de aan Dekker komende gelden wegens den
-verkoop van den Havelaar per assignatie worden overgemaakt. De laatste
-brief betreft het voorstel van Dekker, dat De Ruyter het kopierecht
-van M. H. zoude verkoopen, hetgeen Van Lennep ontraadt. Een jaar
-later, 25 Augustus 1868, overleed Van Lennep; in Augustus 1870 is
-het kopierecht werkelijk verkocht, in den zomer van 1871 hebben
-de erven van Van Lennep de helft van de opbrengst dier verkooping
-(zijnde dit hun geheele aandeel, daar de andere helft den uitgever
-toekwam), aan Dekker uitgekeerd. De termen, waarin Dekker, ten einde
-het piëteits-gevoel der Erven V. L. jegens hun vader niet te kwetsen,
-om die uitkeering vroeg, luidden: het "op welwillende wijze ten
-behoeve van den schrijver door wijlen den heer Mr. J. van Lennep
-gereserveerde aandeel in den Havelaar."
-
-De uitgeefster besluit deze episode en het 2e Brievendeel, met deze
-woorden:
-
-"In armoede was de Havelaar ontstaan, en in armoede zocht de gemartelde
-schrijver naar een term om bij den eersten verkoop van het copyrecht
-van zijn boek, de helft der opbrengst in handen te krijgen. Want òf hem
-dat gelukken zou, was, toen hij de woorden samenvoegde, nog een vraag.
-
-Kassian over hem!
-
-En over die anderen..."
-
-De uitgeefster dezer Brieven heeft den beoordeelaar voor een
-moeilijk vraagstuk gesteld. Tusschen de regelen bevat dit tweede
-deel de uitnoodiging een oordeel uit te spreken in de zaak, welke
-ons hier voorgesteld wordt. Het heele boek bevat één doorloopende
-aanklacht tegen Van Lennep. Het is alsof er tusschen de nagedachtenis
-van Van Lennep en die van Dekker beslist moet worden. Het is eene
-beschuldiging van Van Lennep wegens verraad (dit woord wordt in de
-Brieven herhaaldelijk gebruikt), verraad aan de vriendschap, die hij
-met Dekker had aangegaan, eene beschuldiging, die, in de schatting der
-volbloed-Multatulianen zich ongetwijfeld vergroot tot een van verraad
-jegens het vaderland, omdat, zoo redeneeren zij, had de Havelaar
-uitgewerkt hetgeen Dekker er mede bedoelde, dan zoude Dekker het
-bestuur der koloniën of iets dergelijks in handen hebben gekregen
-en zou het vaderland tot bloei en grootheid zijn gebracht. Ja, het
-jongere, radikale, geslacht in Nederland zal er eene beschuldiging te
-meer in zien tegen het oude régime, vertegenwoordigd door een zijner
-leiders, Van Lennep.
-
-Er is echter nog een andere zijde aan dit vraagstuk, en als wij het
-van die zijde bezien ontwaren we, dat wij dubbel voorzichtig en vooral
-niet voorbarig moeten zijn met het formuleeren eener opinie. Wij
-bedoelen: als wij den blik wenden naar Van Lennep's nakomelingen. Al
-achten wij, naar onze persoonlijke meening, karakterdeugden van een
-sekundair belang waar het de appreciatie van verbijsterend groote
-talenten geldt (uitdrukking van Huet),--wij achten Van Lennep, gelijk
-reeds werd aangemerkt, volstrekt niet een talent van die grootte
-te zijn. Opdat hij eenigszins eene reputatie behoude, moet zijn
-karakter onaangetast blijven. Dit meenen wij niet alleen, dit meenen
-ongetwijfeld zijne nakomelingen evenzeer, en hij zelf was niet minder
-van die meening. 2 October 1863 schrijft Van Lennep aan Multatuli:
-".... ik ben herhaaldelijk door u in openbaren druk beschuldigd,
-gespeculeerd te hebben op uw boek. Niet voor het publiek, waar ik
-mij evenmin aan stoor als gij het doet, maar voor mijn kinderen en
-kindskinderen, wien ik gaarne het bewijs wilde nalaten, dat geen
-vlek van baatzucht op mij kleeft, verlang ik van u een schriftelijke
-retractatie van die beschuldiging."
-
-Laat ons, voor we ons eene meening over deze zaak vormen, met aandacht
-en kalmte nagaan wat er eigenlijk was geschied. Om met juistheid en
-volledigheid Dekker's eigen interpretatie der feiten te doen kennen,
-zouden wij den brief, waarin hij aan zijn advokaat, Mr. Faber, een
-exposé van den toestand geeft, geheel en al moeten aanhalen; doch
-wegens de te groote uitgebreidheid van dien brief moeten wij daarvan
-afzien. Dit stuk bevat trouwens bijzonderheden over de armoede en het
-ongeluk, waarin Dekker verkeerde toen hij tot den heer Van Lennep kwam,
-die wel zeer geschikt zijn om den heer Faber een juiste waardeering van
-den toestand te geven, naar moreelen maatstaf; maar die ons vooreerst
-reeds meer dan bekend zijn en ten andere tot de feiten als zoodanig
-niets afdoen.
-
-Laat ons zien, wat was er gebeurd, waarover liep het proces?
-
-Toen Dekker in het voorjaar van 1860 in Brussel was gaan wonen met
-zijn gezin om eenige rust te genieten, daartoe in staat gesteld door
-Van Lennep's voorschot op de opbrengst van Max Havelaar (zoo als de
-heer Van Lennep het later volhield), daartoe in staat gesteld door
-een voorschot van den heer Van Lennep buiten verband met de eventueele
-opbrengst van M. H. (zooals Dekker steeds bleef beweren); toen Dekker
-dus in Brussel vertoefde, ontving hij van Van Lennep een schrijven,
-waarin de volgende alinea:
-
-"Om nu met De Ruyter een contract te kunnen maken dien ik bewijs
-te hebben, dat ik daartoe recht heb. Noch hij, noch eenig uitgever
-zal natuurlijk drukken, veelmin geld geven zonder overdracht van
-het copyrecht, en dat kan ik hem niet overdragen, zonder te kunnen
-aantoonen dat ik het bezit. Wees daarom zoo goed mij met het adres
-aan Sire een stuk op zegel (Belgisch) te zenden, waarbij gij verklaart
-mij het copyrecht over het werk, getiteld enz., te hebben afgestaan,
-en daarvoor te zijn voldaan naar uw genoegen. Ik kan dan in de
-overeenkomst die ik met De Ruyter maak..."
-
-Dekker voldeed aan dit verlangen door aan Van Lennep de volgende akte
-van cessie te zenden:
-
-
- "De ondergeteekende Eduard Douwes Dekker, schrijver van het werkje,
- getiteld: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche
- Handelmaatschappij, door Multatuli, verklaart het copyrecht over
- gezegd werk te hebben afgestaan aan den heere Mr. J. van Lennep,
- zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen
- voldaan.
-
- Douwes Dekker."
-
- Brussel, 25 Januari 1860.
-
-
-Toen, in zijn "Vrije Arbeid", Dekker, nadat hij het proces in eerste
-instantie verloren had, Van Lennep over deze zaak, "voor de rechtbank
-der publieke opinie" daagde en hem nogmaals toeriep dat hij, Dekker,
-en niet Van Lennep, eigenaar van den Havelaar was, en o. a. zeide:
-"Het voorgeven van den heer Van Lennep dat hij eigenaar was van "'t
-copyrecht, is van later datum en van later uitvinding",--antwoordde
-Van Lennep hierop in een openbaren Brief aan den heer E. Douwes
-Dekker, waarin hij o. a. repliceert:... "Maar zoo werkelijk dat
-systeem van latere uitvinding is, dan komt niet mij, maar u zelven
-de eer dier uitvinding toe. Reeds op 7 April 1860 schreeft ge mij:
-"Het boek behoort u. Mag ik het vertalen?"
-
-Hiermede hebben wij een beknopt maar volledig overzicht van het geding.
-
-Nu komt, naar onze meening, de geheele zaak hierop neder: Indien de
-heer Van Lennep, Dekker's meening deelende, dat er van den Havelaar
-een goedkoope en zooveel mogelijk te verspreiden uitgaaf in de wereld
-gezonden moest worden, opdat er zoo iets als een algemeen nationaal
-adres met honderdduizenden handteekeningen voorzien, aan de Kamers
-der Staten-Generaal of aan den Koning zou gezonden worden, en opdat
-er, mocht zulk een adresbeweging zonder de gewenschte uitwerking
-blijven, zelfs een burgeroorlog zou losbarsten (zie de brochure Swart
-Abrahamsz-Multatuli door F. v. d. Goes), met het doel Dekker tot zulk
-een hoogen post te doen bevorderen, dat hij het bestuur der koloniën
-naar zijn inzicht kon hervormen;--indien de heer Van Lennep, van die
-meening zijnde, met Dekker afgesproken had, dat er een goedkoope
-uitgaaf zou komen; en hij later, van meening veranderd zijnde, om
-het ministerie te believen, waarmede hij toen op goeden voet was,
-de goedkoope uitgaaf heeft tegengehouden, daarvoor gebruik makende
-van een eigendomsbewijs, dat hij vroeger voor een formaliteit van
-ondergeschikt belang van den schrijver had gekregen;--indien het zóó
-met de zaak gesteld is, dan moet de heer Van Lennep veroordeeld worden.
-
-Maar: zoo is het niet met de zaak gesteld. Wij nemen aan, dat de heer
-Van Lennep, omdat hij met het ministerie weêr vrede had gesloten, nu
-Max Havelaar eenigszins in zijn macht wilde houden. Wij nemen aan, dat
-hij dáarvoor het bewijs van eigendom in handen wilde hebben, dat hij,
-om het gemakkelijk te krijgen, aan Dekker een onware doch in Dekker's
-belang klinkende reden opgaf, waarom hij het moest hebben,--dan is
-hierin wel een zekere veinzerij te bespeuren, maar dan is dat daarom
-geen laaghartige bedriegerij, die een klad op iemand's nagedachtenis
-kan werpen.
-
-Wij herhalen: de quaestie is alléen of Van Lennep èn in Dekker's
-belang èn in het belang van het nederlandsche volk een goedkoope
-uitgaaf wenschelijk achtte, en haar terughield om een bijreden,
-in casu om het ministerie te believen.
-
-Van Lennep schrijft: "In confesso. Dat ik de acte van cessie gevraagd
-heb, om met een uitgever een kontrakt te kunnen sluiten, dat is
-volkomen waar, en, voeg ik er bij, volkomen natuurlijk."
-
-De uitgeefster der Brieven repliceert hierop: "Neen, natuurlijk is dat
-niet. De heer Van Lennep had hoogstens een volmacht van den auteur
-noodig om namens dezen een contract te sluiten met een uitgever. De
-heer Van Lennep wist als rechtsgeleerde natuurlijk zeer goed, dat
-daartoe geen acte van cessie vereischt werd."
-
-Zeer wel, dat is ook onze meening. De advokaat Feisser heeft in
-zijn brief aan Dekker volkomen gelijk, waar hij aantoont hoe listig
-het briefje, waarmede de heer Van Lennep de acte van cessie vroeg,
-is opgesteld. Van Lennep wist dat hij met Dekker voorzichtig moest
-omgaan, hij vond dat hij Dekker met f1200.- voor de eerste uitgave goed
-betaalde (ook al heette het verstrekken dier gelden niet betaling van
-het werk), hij wilde de macht over Max Havelaar in handen hebben,--en
-nu schreef hij een wat draaierig briefje om dat gedaan te krijgen,
-over welk briefje hij zich later vruchteloos poogde te verdedigen,--dat
-alles is heel eenvoudig. Daar Van Lennep een goedkoope uitgaaf noch
-in het belang van uitgever en schrijver, noch in het belang van het
-land achtte te zijn, hield hij die, door listig bedachte middelen,
-tegen. De uitgeefster der Brieven had in haar pleidooi eene uiting
-van den heer Van Lennep moeten kunnen bijbrengen, waarbij deze heer
-zich ten sterkste vóór een goedkoope uitgaaf verklaarde. Dan had zij
-haar zaak gewonnen; nú moet zij geacht worden haar, wat de hoofdzaak
-betreft, te hebben verloren.
-
-Er is buitendien iets tegenstrijdigs in Dekker's beweringen. Immers
-zijn éene bewering luidt, dat Van Lennep's voorgeven eigenaar van
-'t kopierecht te zijn, "van later datum en van later uitvinding"
-is; maar indien dát zoo ware, dan zou de beschuldiging als hadde de
-heer Van Lennep zijn briefje, waarin hij het cessiebewijs vraagt,
-met een niet daarin uitgedrukt doel geschreven, niet kunnen blijven
-bestaan. Het beweren eigenaar te zijn was niet van later datum en
-het briefje was met eene bijbedoeling geschreven, zóó is de waarheid.
-
-Ook doet de uitgeefster, op grond van Dekker's eigen mededeelingen
-natuurlijk, het voorkomen als hadd' Dekker er zelf geen oogenblik
-aan gedacht, dat hij met dat bewijs van cessie af te geven het
-eigendomsrecht aan Van Lennep overdroeg. Zelfs Dekker's volzin:
-"Het boek behoort u, mag ik het vertalen?" interpreteert zij als volgt:
-
-"Ik, die Multatuli zoo goed kende in de exuberantie van zijn indrukken
-en uitingen, kan me denken hoe hij in April '60, toen nog in de
-overmaat van zijn dankbaar en hartelijk gevoel voor Van Lennep, die
-vraag stelde met kinderlijk genot. Zeker, daar was een toespeling
-in op dat bewijsje van cessie, dat hij gegeven had, zonder erg. Ook
-deze vraag was spelerij. Een deftig toestemmend antwoord zou hem zeker
-wakker hebben gemaakt, maar nu... hij vond het prettig alle eigendom
-weg te werpen. Wat kwam het er ook op aan wien dat boek behoorde? Aan
-dien flinken vriend, aan dien trouwen helper Van Lennep, of aan hem,
-of aan beide? Wat deed het er toe? Was het niet gelijk? Ja, was 't
-niet heerlijk dat boek, zijn boek, de eindvorm van zijn gedragen leed,
-zijnen trouwen bondgenoot toe te werpen als behoorde het hem?"
-
-De uitgeefster heeft gelijk in hare beschouwing, maar ongelijk in de
-gevolgtrekking. Zeker, Dekker vond het pleizierig het eigendomsrecht
-weg te werpen, daarom deed hij het, en wist zeer goed wat hij
-deed. Hij deed het, hij stond het eigendomsrecht af omdat hij meende,
-dat Van Lennep juist zoo over zijn (Dekker's) belang dacht en over het
-nederlandsche volk als Dekker daar zelf over dacht. Daarin vergiste
-hij zich, dit merkte hij toen het te laat was, en toen, in zijn
-ontsteltenis, zonder zich precies te herinneren hoe het gegaan was,
-riep hij uit, dat hij het eigendomsrecht nooit had afgestaan.
-
-Nu wij de zaak Multatuli-Van Lennep van naderbij hebben bekeken en
-tot een besluit daaromtrent gekomen zijn, blijft ons, ter volledige
-kenschetsing van Dekker's toestand, toen hij, in volle levensdrukte,
-plotseling "onder de menschen" was geplaatst, de vermelding van eenige
-buitensporige bijzonderheden over, die de gedachte doen ontstaan:
-met dien Dekker moesten nu ook álle zonderlinge dingen te gelijk
-gebeuren. De eerst te vermelden dier gebeurtenissen, moet tevens
-dienen om de bewering te staven, dat Dekker nagenoeg voortdurend
-zonder nagedachte en zelfbeheersching handelde.
-
-In Juni 1860, kreeg Dekker, die te Rotterdam vertoefde, een brief van
-Van Lennep, waarin deze onder anderen een geval vertelde, dat hem een
-dier dagen was overkomen. Hij had namelijk op zekeren dag plotseling
-bezoek gekregen van... Barbier, den beroemden dichter der Jambes, die
-om staatkundige reden uit Frankrijk verbannen was en nu, hulpbehoevend
-zijnde, hulp kwam vragen bij een Hollandschen kollega. Daar Van Lennep,
-zooals hij schreef, juist aan tafel was, kon hij tot zijn genoegen den
-armen kunstbroeder een kotelet en een glas wijn aanbieden. Bovendien
-gaf hij hem wat oude kleeren en eenig reisgeld om verder te gaan. Het
-was Barbier's bedoeling zich naar Baden te begeven, waar hij hoopte
-vrienden te zullen aantreffen. Toen Dekker dit vernam, begon zijn
-bloed te koken. Hij was een vereerder van Barbier, wiens Jambes zijn
-lievelingsgedichten waren; in gloed en kracht stelde hij Barbier bóven
-Victor Hugo. En dat het voorwerp zijner vurige bewondering een oude
-broek zou dragen, kon hij niet velen. Zonder zich te bedenken, zonder
-in 't minst onderzoek in te stellen, wist hij dadelijk raad. Hij
-vraagt aan Tels, hoofdredakteur der Nieuwe Rotterdamsche Courant,
-waar hij hier ergens een lokaal zou kunnen krijgen. Tels verwijst
-hem naar het Notarishuis. Dekker brengt daar de zaak in orde en dien
-avond verschijnt in de courant eene advertentie, waarin Dekker het
-"fatsoenlijk Rotterdamsch publiek" uitnoodigt den volgenden middag in
-het Notarishuis bijeen te komen, tegen vrijen toegang. Om twee uur,
-den aangegeven tijd, kon Dekker waarnemen dat aan zijne oproeping zoo
-goed mogelijk gehoor was gegeven. Er was een volte, waardoor heen hij
-zich nauwelijks een weg kon banen. Dekker beklimt het spreekgestoelte,
-leest Van Lennep's brief voor zonder den schrijver te noemen, en
-zegt: Mijne Heeren, ik kom u vragen u te vereenigen om iets voor dien
-armen grooten dichter te doen. Misschien kent gij hem niet. Dan zal
-ik zoo vrij zijn u hem te doen kennen. Daarop draagt hij het schoone
-fragment uit Barbier voor, waarin deze Napoléon vergelijkt bij een
-ruiter die zijn paard dooddrukt:
-
-
- O Corse à cheveux plats, que ta France était belle
- Au grand soleil de messidor;
- C'était une cavale indomptable et rebelle.
-
-
-De uitgeefster der Brieven geeft dit citaat niet, doch wie kent
-deze regelen niet van buiten! Goed; na de voordracht neemt Dekker
-afscheid van het publiek. Tels doet hem opmerken, dat hij het ijzer
-had moeten smeden terwijl het heet was en van de geestdrift gebruik
-maken om een kollekte te houden; maar beiden zijn van gevoelen, dat
-dit verzuim nog verholpen kan worden. In de N. Rott. Crt. zal een
-bericht worden geplaatst, waarbij het bestuur zich bereid verklaart
-giften in ontvangst te nemen, die de menschen, welke onder Dekker's
-gehoor zijn geweest, bereid mochten zijn voor het door Dekker besproken
-doel af te zonderen.
-
-Nu keert Dekker terug naar zijn hôtel en een uur later komt er, buiten
-adem, een employé der N. Rott. Crt. binnengeloopen. Stotterend brengt
-hij uit: mijnheer, wij kunnen dat... dat bericht niet plaatsen. "Wat
-drommel wat is er dan met die zaak?" vraagt Dekker. En het bleek
-dat Barbier Barbier niet was, maar een valsche Barbier, een listige
-oplichter, die in België en Nederland, door zich uit te geven voor den
-dichter der Jambes, menigen letterkundige reeds wat geld uit den zak
-had geklopt. Het was op een grappige manier uitgelekt. Onze Barbier
-had zich namelijk ook vervoegd bij den dichter Bogaers te Rotterdam,
-maar deze was ongelukkigerwijze... doof! In plaats van een kotelet,
-schrijft Dekker, bood hij Barbier een leitje aan, waarop deze zou
-gelieven te schrijven wat hij mede te deelen had. Toen heeft het
-schrift en de spelling onzen slimmerik verraden. Het gevolg was, dat
-de heer Bogaers informaties nam aan het konsulaat, en dat de valsche
-Barbier in allerijl de goede stad Rotterdam van zijn beminnelijke
-tegenwoordigheid bevrijdde.
-
-Dekker maakte dus eigenlijk een mal figuur, maar hij merkte er weinig
-van, daar hij niet meer in aanraking kwam met zijn publiek van het
-Notarishuis.
-
-De overige buitensporige bijzonderheden vallen meer voor in Multatuli's
-omgang met het schoone geslacht. Daarom zullen wij de behandeling er
-van in ons nieuw hoofdstuk opnemen, over: Multatuli en de vrouwen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III. MULTATULI EN DE VROUWEN.
-
-
-Multatuli en Tine, Max Havelaar en Tine,--deze namen klinken ons in
-de ooren als die van een paar belangrijke historische personen, als
-van een paar figuren uit Homerus' Ilias. Er is zooveel geschreven
-en gekeven over het lot en de verhouding dier twee, dat hunne
-geschiedenis ons eenigszins een gedeelte der vaderlandsche historie
-lijkt te zijn. Kenau Hasselaar, Tine Havelaar,--hun rol was wel zeer
-verschillend maar het onderscheid in belangrijkheid niet groot,--voor
-ónze ooren.
-
-Er zijn Multatulianen (of Multatulisten), die het huiselijk leven
-van Multatuli en de lotgevallen van zijn gezin tot onderwerp hunner
-vrome overwegingen hebben gekozen, zooals de orthodoxe Christenen
-het familieleven van Jozef, Maria en Jezus overdenken.... Was
-Jozef een goed huisvader?--Voorzeker, want er staat geschreven,
-dat Jozef werkte aan de schaafbank. Hij verdiende dus het geld
-(of liever: de levensmiddelen) voor zijn gezin. Ieder Christelijk
-huisvader moet Jozef als voorbeeld nemen. Enz.... Was Maria een
-goede huismoeder?--Voorzeker, want zij verzorgde haar kind, legde
-het in windselen om het tegen weer en wind te beschutten. Enz. Iedere
-huismoeder moet zich styleeren op het voorbeeld van Maria.
-
-Er is trouwens grooter verband tusschen de legende omtrent Jozef, Maria
-en Jezus en het oordeel, vooral van niet-Multatulisten, over Multatuli
-in zijne verhouding tot zijn gezin, dan men oppervlakkig geneigd zoude
-zijn te meenen. Immers tot grondslag aan de algemeene misprijzing, die
-Multatuli's gedrag tegenover de zijnen heeft ondervonden, ligt niets
-anders dan die eeuwenoude Christelijke moraal van het familiebegrip,
-die in de tot goddelijk type verheven legende omtrent de Heilige
-Familie haar oorsprong heeft gevonden.
-
-De menschen, die niet Multatulist zijn, keuren éene groote zaak in
-hem af, waartoe al de overige in hunne waardeering afkeurenswaardige
-handelingen en eigenschappen terug te brengen zijn, namelijk: dat
-Multatuli de zijnen heeft verlaten en niet als zijn éerste plicht
-beschouwde voor hén te werken.
-
-De Multatulisten zeggen: hij had iets hoogers te doen, een hoogere
-stem riep hem naar elders, ver van de zijnen, hij moest in de
-woestijn gaan om tot God (d. i. zijne ziel in haar hoogste uiting)
-te komen. De meer matige bewonderaars antwoorden: goed, maar mag men
-den naastbijliggenden plicht verzaken om een hoogeren te volbrengen,
-mag iemand om met het geld van zijn vader een weeshuis te bouwen,
-in eene gemeente waar vele noodlijdende kinderen zijn en waar geen
-gesticht is om die op te nemen,--zijn vader vermoorden?
-
-Multatuli zelf heeft in zijn Ideën meermalen dit vraagstuk
-aangeroerd en het voorgesteld als gaf Tine hem gelijk in al zijn
-doen en laten. Waar hij in zijne Minnebrieven de verhouding tusschen
-man en vrouw bespreekt, zooals die uiterst zelden is, maar zoo als
-die altijd zoude móeten zijn, en de vrouw "officieel zelfs.... een
-certificaat van onbruikbaarheid" noemt, omdat gehuwde mannen niet
-tot de eerste militielichtingen behooren, welke in geval van oorlog
-worden opgeroepen--brengt hij er Hector en Andromache bij te pas:
-
-"Dat was anders in Troje.... zie maar dat afscheid van Hector en
-Andromache.... 't hoeveelste boek weet ik niet.... de kleine jongen
-wordt bang voor Hectors pluim.... maar Hector gaat....
-
---'t Staat in 't zesde boek, zei de bezoeker, die Doctor in de
-Letteren was.
-
---Goed, maar Andromache wilde dat hij niet zou gaan....
-
---Dat was infaam van Andromache!... En als 't mij gebeurd was.... maar
-zóó iets gebeurt mij niet! Zie hier...." En hij citeert eenige regels
-uit een brief van Tine, waarin ze hem schrijft liever met hem te
-sterven dan goed te vinden, dat hij zijn denkbeelden, stijl en ziel
-zou "verkoopen".
-
-Wij mogen veilig aannemen, althans uit de tot nu toe uitgegeven Brieven
-blijkt nergens het tegendeel, dat Tine van het begin tot het einde, of
-liever van het begin tot dicht bij het einde, Multatuli's handelingen
-heeft goedgekeurd. Het moet nadrukkelijk gezegd worden, dat dit, ten
-minste voor de eerste jaren na het ontslag, als volstrekt zeker mag
-worden aangenomen. Want in de Brieven, waarin de geheele toestand,
-tot in de minste en intiemste bijzonderheden bloot ligt, is nergens
-sprake van eenig verzet van Tine tegen Multatuli's gedrag. En als
-zij ook maar heel even er op gezinspeeld had, dat Multatuli niet in
-alles volkomen naar haar wensch handelde, zou hij ongetwijfeld in een
-stortvloed van verontwaardigde woorden daarop geantwoord hebben. Er is
-alleen die eerste brief, door Tine uit 's Gravenhage naar Antwerpen
-geschreven, waarin ze hem aanraadt van haar te scheiden en zich als
-matroos of hofmeester op een schip te verhuren. Maar onder-aan dien
-zelfden brief, schrijft zij, dat zij hem uit "politiek" zoo geschreven
-heeft als zij daarin deed.
-
-Overigens wordt Multatuli's handelwijze ook door Tine's goedkeuring
-niet schoon gewasschen. De meeste predikers die een kemelsvel
-gingen verslijten in de woestijn, waren niet getrouwd. Jezus, dien
-Multatuli steeds als voorbeeld neemt, was niet getrouwd. Kluizenaars
-en kloosterlingen hebben altijd geweten, dat de levensstaat, dien zij
-wenschten, met het huwelijk niet vereenigbaar was. Zij hebben daarom
-bij den aanvang van hun loopbaan gekozen, in de volle wetenschap van
-wat zij deden, en dusdoende zijn zij nooit voor het dilemma gekomen,
-dat Multatuli's leven heeft beheerscht.
-
-Maar nu is het ons niet te doen om eene nadere waardeering dezer genoeg
-besproken handelwijze, maar alleen om een psychologische kenschetsing
-van Multatuli's verhouding tegenover Tine.
-
-Wat blijkt hieromtrent uit de Brieven? In de Brieven leeren wij wat dit
-betreft, Multatuli kennen als een hartelijk echtgenoot en vader. Uit
-de hartelijkheid, waarmee hij over zijn kinderen schrijft en nooit
-vergeet dat te doen, maakt ons voorstellingsvermogen als van zelve de
-gevolgtrekking, dat hij zich met losse vroolijkheid en oningehouden
-vriendelijkheid onder de zijnen bewoog als hij thuis was, spelend met
-de kinderen als een oudere makker, schertsend met zijne vrouw als een
-verknochte vriend. "Dag, pierewieten!" schrijft hij op 't eind van
-veel zijner brieven aan zijn tweetal. "Dag, Nonnie en Edu-Max" (dit
-laatste een verkorting der samenvoeging van "Eduard", zoo als Dekker
-zelf en ook zijn zoontje heette, en "Max", zoo als Dekker's ideaal-type
-Havelaar en ook diens zoontje heette); of "kus de pierewieten voor me,"
-"ziet mijn kèrel zoo bleek?" "kus het menschdom." Het "menschdom"
-waren de kinderen. Dekker, vroolijk en uitgelaten van natuur zijnde,
-als ten minste de bitterheid van zijn lot hem niet ter neder drukte,
-moet een opgewekt en onderhoudend huisgenoot zijn geweest. Men kan
-hem zich voorstellen, met zijn levendig en uitdrukkingsvol gezicht,
-spelend met de kinderen, hen na-zittend door kamers en portalen, hen
-"krijgend" en opheffend hoog in de lucht, lachend van vadertrots en
-vadervreugd, als de kleinen juichten en kraaiden. Een anderen keer ging
-hij er met een op zijn schouder voor den spiegel staan en zei dan:
-"kijk je vader nu eens goed aan, Edu, en dan je zelf ook. Zie je ons
-alle bei? Zie je wel, dat je op me lijkt? Nu, wat ik in het leven
-heb willen doen, dat moet jij ook zien te doen hoor! En dan hoop ik,
-dat je beter zult slagen!"
-
-Zijn vrouw had hij lief als een zeldzaam goede zuster, met dankbaarheid
-en aanhankelijkheid, het eenige wezen op de geheele wereld, waarvan
-hij wist dat zij, het gansche leven door, geluk èn leed met hem zou
-willen deelen. Hij had haar lief als degene, die altijd in hem geloofd
-had en zou blijven gelooven.
-
-Multatuli was de eerste persoon in deze echtvereeniging. In de
-eerste jaren van hun huwelijk beschouwde zijn vrouw hem als een halve
-godheid. Gelijk hij later, naar het gerucht wil, door zijne tweede
-vrouw zoo goed als ten huwelijk is gevraagd, lijdt het ook geen
-twijfel, of het huwelijk met zijn eerste vrouw is tot stand gekomen
-en heeft, enkele jaren althans, harmonisch geduurd door dwepende
-vereering van de zijde der vrouw en hartelijke toegenegenheid van de
-zijde van den man.
-
-Multatuli heeft niet voor zijne eerste vrouw een van die overweldigende
-passiën gehad, zooals de biografieën van dichters en kunstenaars er
-soms vermelden, een van die passiën voor een geestelijk geheel gewone
-of minder dan gewone vrouw, of voor een geestelijk zéér buitengewone
-vrouw, zooals de Mathilde van Heine, die een naaistertje was, of
-Mrs. Browning, die eene dichteres is. Hij heeft die ook vóór zijn
-huwelijk noch in de allereerste jaren gehad, want nergens wordt in de
-intiemste passages der brieven daarop gezinspeeld. Als Tine zich eens
-uit gekheid beklaagt over zijn minnekoozerijen met andere vrouwen
-of meisjes, dan antwoordt hij, dat zij toch wel weet, dat zij zijn
-liefste engel en schat is, en daarmede is alles gezegd.
-
-Tine schijnt tot die zeer zeldzame vrouwen behoord te hebben, in
-wier inborst een groote lijdzaamheid vereenigd met moed en flinkheid
-wordt aangetroffen. Tot lang na Dekker's ontslagneming bleef zij
-niet alleen alles goedkeuren, ja alles bewonderenswaardig achten,
-wat hij verkoos te doen of na te laten, maar door de omstandigheden,
-waarmede zij dientengevolge te strijden kreeg, wist zij zich met een
-zekere vastberadenheid heen te slaan, die ons niet zelden niet de
-grootste waardeering voor haar vervult.
-
-"C'est un emploi assez difficile que d'être la femme d'un poète,"
-zegt de Pène, en dat "emploi" heeft Tine met zeldzame volharding en
-zeldzaam geduld jaren en jaren volgehouden. Toen zij, als freule Van
-Wijnbergen, den begaafden Indischen ambtenaar, die zich bevond aan
-het begin van een veel voor de toekomst belovende loopbaan, haar hand
-schonk, kon zij van het volgend leven allerlei lotgevallen verwachten,
-behalve juist die, welke haar beschoren zouden zijn. Haar man, die als
-zoo bekwaam bekend stond, zou spoedig op bevordering kunnen rekenen,
-zou al hooger en hooger in rang en aanzien stijgen, zij zouden lieve
-kinderen krijgen en door velen worden benijd. O, wel schoon spiegelde
-zich de toekomst voor haar af. En mocht het hun al eens tegenloopen,
-mocht al het leven niet de zoo hoog gespannen verwachtingen vervullen,
-die Dekker zelf koesterde en door zijn beminde reeds spoedig wist te
-doen deelen, als hij met zijn levendig woord de toekomst voor haar in
-beeld bracht,--ook al bracht Eduard het nooit verder dan Resident,
-of zelfs maar Assistent-Resident,--zou haar daaraan weinig gelegen
-zijn, want ook in die omstandigheden zou zij, altijd aan de zijde van
-den aangebeden man, altijd samen met hun geliefde kinderen, het leven
-een hemel op aarde vinden. O, hoe vlekkeloos gelukkig moest het leven
-aan het door den geestdriftigen man beminde meisje schijnen! Maar
-ach, hoeveel te bitterder moet juist daarom later de vreeselijke,
-geheel onvoorziene, teleurstelling voor haar geweest zijn. Er is geen
-reden om te veronderstellen dat de eerste huwelijksjaren niet geheel
-aan de verwachtingen zouden hebben beantwoord. Integendeel. Al de
-voorspellingen en illusiën schenen werkelijkheid te zullen worden.
-
-Heerlijke uren, onvergetelijke tijden moeten dat geweest zijn--later
-vooral onvergetelijk helaas--als, na volbrachte dagtaak, het jeugdige
-gezin in de galerij hunner woning van den schoonen avond zat te
-genieten, Eduard zijn schoone gedachten en groote droomen aan zijne
-gretig luisterende vrouw mededeelend, Tine hem, met een enkel zacht
-gesproken woord, altijd gelijk gevend, altijd bewonderend, en ook,
-als vrucht der opvoeding door haar man zelf haar gegeven, toonend hem
-beter te begrijpen dan wie anders ook daartoe in staat zoude zijn:
-en de kleine spring-in-'t-velden, hun schat en hun hoop, spelend aan
-hun voeten. Welk een blijde gewaarwording, welk een welkome storing,
-als de vader den hoogen ernst zijner woorden onderbroken hoorde door
-een lachend, juichend, kraaiend kinderstemmetje.
-
-Terwijl de onmetelijke hemel zich, als met zoovele flonkerende
-edelsteenen, met sterrenmyriaden bezette, terwijl een warme wind,
-die de hooge donkere boomen deed wuiven en deinen in de nachtelijke
-atmosfeer, de weemoedige klanken van den gamelan uit de dessa's
-helderder in hun ooren deed klinken, zag Tine daar haren man bij zich,
-het hoofd een weinig naar achteren geleund, en hoorde met juichend
-hart de schoone woorden aan, waarin hij zijne droomen voor haar
-vertolkte. Zij was meestal met hem alleen, zij zagen weinig menschen
-en wat zij van de andere menschen zag en hoorde, hoe werd zij dáardoor
-juist het groote onderscheid tusschen die anderen en háar grooten man
-gewaar! Hare liefde maakte natuurlijk het onderscheid veel grooter dan
-het in werkelijkheid was. De gewoonheid der anderen maakte nu op haar
-den indruk van laagheid te zijn, in vergelijking met de buitengewone
-hoogheid van haar eenigen beminde. Wat waren die anderen meer dan
-kooplieden, schacheraars, zwendelaars, roovers, ja,--had hij zelf het
-haar niet geleerd?--die om voor zich een, dikwijls zoo gewonnen zoo
-geronnen, rijkdom te verwerven, de arme inlandsche bevolking onrecht
-aandeden, verdrukten en aan haar ellendig lot overlieten! Wat waren
-zij meer dan spelers en drinkers, die na zoo snel fortuin te hebben
-gemaakt, Indië Indië lieten, hun rug toekeerden aan de donkerkleurige
-loonslaven, die zij valschelijk door hun godsdienst-leeraars als
-broeders deden begroeten, om in hun vaderland van de door afpersing
-verworven schatten een weelderig leventje te gaan leiden? En haar man,
-haar aangebeden echtgenoot?--Als die zich eens te buiten ging, dan
-was 't om zijn door geestdrift en overmatigen arbeid geschokt gemoed
-afleiding te geven, dan was 't om zooveel als een veiligheidsklep te
-openen voor de overvloedige krachten van zijn buitensporig ontwikkeld
-zenuwgestel. Hoe gelukkig moest zij zich niet gevoelen de vrouw te zijn
-van een dichter, van een man, van een zóo zeldzaam mensch, die niet
-slechts een dichterlijke ziel had, maar die van zijn loopbaan, van
-zijn praktisch beheer, een poëem van rechtvaardige wijsheid bedoelde
-te maken. Wat de jonge meisjes droomen als zij op haar balkon staan
-en de eerste lentegeuren bespeuren in de lucht, wat de jonge meisjes
-mijmeren als zij in den zomernacht, op haar vensterkozijn geleund,
-de schuchtere verlangens bespieden, die rijzen in hare ziel,--was voor
-haar, zeldzaam gelukkige vrouw, werkelijkheid geworden. Zij behoefde
-hem niet als eene onwezenlijke gestalte, als een geheimzinnigen,
-alleen in de verbeelding bestaanden, minnaar, in stilte te begeeren,
-met de zekerheid hem nooit in haar armen te zullen sluiten,--neen, zij
-was vereenigd, zij was voor altijd vereenigd, zij was voor het geheele
-leven één, met den dichter, met den held, met den koning harer droomen.
-
-Deze overtuiging, deze gelukkige zekerheid, was zoo vast geworden in
-Tine's ziel, was dermate tot een gedeelte van haar zieleleven, tot
-een gedeelte van haar bestaan geworden, dat die niet wankelde bij haar
-man's ontslagneming en de daaropvolgende jaren van bitteren kommer. Men
-kan zeggen, dat het hoogere bestanddeel van hun huwelijk, het huwelijk
-in zijn geestelijke beteekenis, voor de hoofdzaak juist hierin bestond,
-dat Tine deelde in den grootheidsdroom van haar man. Als Multatuli
-later verhaalt hoe hij met woeker oogst hetgeen hij gezaaid had in
-de ziel zijner vrouw, moet dat beduiden, dat hij wist hoe eindeloos
-trouw Tine hem was toegedaan--in het gelooven, in het steeds blijven
-gelooven, aan de glorierijke toekomst, die hen wachtte. Dáardoor had
-hij haar in de hoogste beteekenis tot zíjne vrouw gemaakt, dat ook
-in háar de schoone dwaasheid had wortel geschoten, even vast als in
-hem zelf, die hen het ideaal met de werkelijkheid deed verwarren.
-
-Zij hadden zoo lang gewacht, nietwaar, op het groote geluk, dat in
-aantocht was, zoo vele uren en uren hadden zij het in hun eenzame
-woningen in stilte verbeid, dat, toen Multatuli, ten toppunt van
-exaltatie, de groote daad deed die hem buiten de werkelijkheid in het
-rijk der idealen verplaatste, het ook háar niet anders kon schijnen
-of nú was de groote slag geslagen, de tooverslag, die hen tot de
-glorie zou brengen, door haar dichter-echtgenoot altijd voorspeld en
-voorzien. Zij kende het leven betrekkelijk zoo weinig! Was zij niet
-als argeloos jong meisje, in de netten van zijn schoone minnetaal
-gevangen, hem in de Indische eenzaamheid gevolgd, toen hij haar
-gevraagd had zijne levensgezellin te worden? Had zij niet jaren
-lang schier dag aan dag hem de groote, de wondervolle toekomst hooren
-prijzen, waarheen het leven hen zonder twijfel voerde?... Men ziet haar
-van hier, toen er van Lebak weg verhuisd moest worden, in opgewonden
-drukte de toebereidselen tot de afreis makend, het hoofd gebukt over
-de open koffers en kisten, de oogen schitterend, de wangen gloeiend,
-in de angstig-verheugde zekerheid, dat nú het oogenblik gekomen was
-voor de groote reis, die hen brengen zou... ja, waarheen?, waar anders
-heen dan in het levenstijdperk van macht en roem, dat haar man op de
-plaats zou brengen, die hem toekwam, krachtens zijn hooge gaven en
-zeldzamen geest?
-
-Langzamerhand, zeer langzaam aan, ontwaakte zij uit hare droomen, door
-de nawerkingen van de groote botsing waarin zij met de werkelijkheid
-waren gekomen; toen zij van haar heer en haar God, ver van haar
-aangebeden man, alleen in kommer en verdriet moest leven met de
-kinderen, die tevergeefs om hun vader riepen, toen kwam zij zachtjesaan
-tot het bittere besef, dat zij in ijdelen waan had verkeerd, dat zij nu
-onverbiddelijk de slachtoffers werden van de edele dwaling, waaraan zij
-zich hadden overgegeven, dat zij het leven verkéerd hadden begrepen.
-
-Voorzeker is het hier de plaats de nagedachtenis te eeren van
-eene vrouw, die martelares werd door het te ver gedreven schoonste
-gevoel, dat eene gehuwde vrouw kan bezielen: het onbeperkte geloof en
-vertrouwen in de verwezenlijking van het ideaal, dat haar man zich in
-het leven heeft gesteld. Want wat moest Tine nu ondervinden, nu haar
-man tot de eenige voor hem mogelijke grootheid inderdaad scheen te
-komen! Ziet, nu geschiedde het, nu erkende ieder het buitengewone,
-dat zij altijd in hem had gezien, nu was de schat, waarvan zij zoo
-lang alléen geweten had, de schat, dien zij alleen zoo lang had
-bemind en vereerd, openbaar eigendom geworden. Nu kon een ieder vrij
-de bloemen plukken, die zoo lang voor haar alleen hadden gebloeid in
-de verborgenheid van haars geliefden ziele-rijkdom. Maar had zíj nu,
-in den oogst van erkenning en roem, het aandeel, waarvan hij haar
-altijd gesproken had en voorzegd, dat het bijna niet geringer dan het
-zijne wezen zou? Al viel de oogst geheel anders en in hun schatting
-schraler uit, dan zij hadden verwacht, deelde hij dien nu dan toch ten
-minste met haar, opdat hun huwelijk, zij 't op deze onvoorziene wijze,
-de bekroning zou geworden, aan wier verschijning zij nimmer hadden
-gewanhoopt?... Neen, het tegendeel geschiedde. Nu de tijd dáár was,
-nu was hij altijd verre van haar, nu kreeg zij van den schitterenden
-maaltijd niets dan de bittere brokken te eten, nu moest zij telkens
-in zijne brieven lezen, dat hij niet bij haar kon komen, dat hij
-nog wat toeven moest, verre van haar, dat hij alleen zijnde beter
-werken kon, dat hij haar aan dit niet kon helpen en aan dát niet,
-dat zij zich maar alleen moest zien te behelpen en tevreden te stellen.
-
-Groot moet het leed van deze vrouw geweest zijn, toen zij langzamerhand
-tot de ontdekking kwam, dat haar ziel zich al de huwelijksjaren lang
-gevoed had met eene illuzie. Niet in hare waardeering van haren
-man was de illuzie gelegen, want al had zijne buitengewoonheid
-ook andere uitkomsten dan zij beiden er van hadden verondersteld,
-die buitengewoonheid bléek dan toch nu voor de oogen der geheele
-wereld. Maar hare illuzie was geweest dat zij in die buitengewoonheid
-deelen zou op de dubbele wijze; niet alleen zou zij er met hem de
-vruchten van plukken en de blijdschap van hebben, neen, er was nog
-een inniger aandeel, dat zij altijd gehoopt had het hare te zullen
-kunnen noemen; al durfde zij het zich zelve ternauwernood bekennen,
-tóch bewaarde zij die hoop in hare ziel als haar kostbaarst kleinood:
-het was de gedachte, dat hij, om buitengewoon te zijn, om met zijne
-buitengewoonheid te werken, háar aanwezigheid en hare medewerking
-behoefde. Had hij het haar niet dikwijls ingefluisterd, had hij het
-haar niet honderd maal verzekerd, dat hij aan haar lieve oogen zijn
-beste inspiratiën dankte, dat hij aan haar moedvol woord de volharding
-verschuldigd was, die hem in zijn loopbaan zou doen slagen? Hoe
-verlangde zij, nu hij het werk, het groote werk, dat werk, waarin
-alleen hij toch eigenlijk bleek uit te schitteren, begonnen was,
-hoe verlangde zij nu bij hem te zijn. Hoe vurig begeerde zij met
-hem te bespreken de bladzijden, die hij dìen dag schrijven zou,
-zijne tevredenheid te vernemen over de taak, die was volbracht,
-zijne bitterheid te verzachten, als hij eens mocht meenen dat zijn
-genius hem minder goed dan gewoonlijk had ter zijde gestaan.
-
-Hoezeer wenschte zij met hem te wonen onder één dak, met hem de
-maaltijden te deelen, met hem gezien te worden ook vooral, op de
-wandeling, op de plaatsen van openbaar vermaak! Welk een tintelende
-gloed van fierheid zou haar doorstroomd hebben, als zij overal had
-mogen hooren fluisteren: kijk, daar loopt de schitterende schrijver
-Multatuli met zijn vrouw. En nu, nu zag zij in, dat deze vurige hoop
-nooit verwezenlijkt zoude worden... Was het dan niet waar geweest, als
-hij haar zijn tweede ik noemde, was het dan maar leugen of vleierij of
-zelfbedrog geweest, als hij zoo menigmaal gezegd had, dat zíj alleen
-in zijne ziel kon lezen, dat zíj alleen hem begreep! En als zij er
-ooit iets toe mocht hebben bijgedragen om hem dat vast geloof in zich
-zelf te geven, waaraan hij voor een groot gedeelte te danken had,
-dat zijne verve hem nooit in den steek liet, ja, als zij de éenige
-was, die daartoe ooit iets bijgedragen had, was zij dan niet als van
-zelve de aangewezen persoon om, door voortdurende en onmiddellijke
-tegenwoordigheid, te zien wat dat geloof uitwerkte en hoe die verve
-hem de meest schitterende resultaten opleverde!
-
-Tine kwam tot het besef dat haar man haar niet noodig had. Wat de
-stoffelijke zijden van het bestaan aanging, was zij hem tot last,
-en zij kon dien last niet kompenseeren door hem in het geestelijke
-behulpzaam te zijn, want zijn geest bleek juist beter te kunnen werken
-buiten haar aanwezigheid.
-
-Hoe wreed moet het leven haar toegeschenen hebben, als zij haren
-kinderen de afwezigheid van hun vader te verklaren had, als de
-kleinen, die haar telkens hoorden spreken van vader die dit deed of
-vader daar dát meê gebeurd was, haar ietwat angstig de vraag stelden,
-waarom vader niet bij hen was, waarom zij vader nimmer zagen!
-
-Aan deze wetenschap, die zij thans omtrent haren man opdeed, sloot die
-andere, wellicht nog pijnlijker, zich onmiddellijk aan, dat haar man
-ook nooit den grooten hartstocht voor haar gehad had, waarvan zij zich
-altijd gevleid had het voorwerp te zijn. Nu begreep zij het ten volle
-en besefte het met groot verdriet, dat hij alleen zich zelf steeds
-gezocht had, niet in grof zelfzuchtige beteekenis, maar in zich zelf
-zijn Muze, zijne godheid, die hem meer waard was dan alle aardsche
-dingen. Zij begreep, dat hij haar had liefgehad, dat hij haar liefhad,
-met hartelijke genegenheid, maar geenszins met de onbevredigde passie,
-waarvan eene vrouw droomt in den geheimsten schuilhoek harer ziel.
-
-Ja, hij schreef wel telkenmale aan het einde zijner brieven aan haar:
-"Ik verlang dol, ik verlang dol [om bij u te zijn]," maar als dat
-verlangen werkelijk zoo onstuimig in zijn binnenste had gewoed,
-zou hij, die zich zelf zoo weinig meester was, zich niet hebben
-kunnen dwingen van haar gescheiden te leven. Hij zou haar geschreven
-hebben: kom Tine, kom bij mij, ik heb het wel niet breed, ik ben
-wel klein behuisd, en met de kinderen zal het wel wat lastig zijn,
-maar buiten ù kan ik niet! Ik hoop en vertrouw, dat we het met de
-kinderen zullen weten te schikken, maar mócht het niet lukken, nu,
-dan zullen wij ze ergens uitbesteden of iets dergelijks; liever dàt,
-dan uwe tegenwoordigheid te missen. Als ik zoo veel meesterschap over
-mij zelf heb, dat ik mij maanden en maanden heb kunnen weêrhouden
-naar u toe te snellen niettegenstaande mijn groot verlangen,--nu,
-dan zal ik ook, als het moet, mijn neiging om mij tegenover u zóo uit
-te storten, dat er niets meer voor mijn pen en inkt te doen blijft,
-wel weten te beteugelen. (Immers, dàt was zijn bijzondere reden om
-zich niet met zijne vrouw te vereenigen.)
-
-Dit is een der leelijke zaken in Multatuli's loopbaan, dat hij eenmaal
-het huwelijk als levensstaat gekozen hebbende, zich niet verplicht
-heeft gevoeld, van die keuze de onvermijdelijke konsequenties te
-dragen.
-
-Heeft Multatuli al niet de groote passie voor de vrouw, voor ééne
-vrouw, gekend,--toch had hij in zijn persoon iets dat de vrouwen
-sterk aantrok en ook eene onmiskenbare behoefte aan omgang met vrouwen.
-
-Tot de opvoeding, welke hij zijne eigene vrouw gegeven had, tot
-hetgene, wat hij in hare ziel had "gezaaid", behoorden onder andere
-de denkbeelden over liefde en godsdienst, tegenovergesteld aan die,
-welke zij van huis uit had medegebracht. Want Tine was van huis
-uit vroom, in den ouderwetschen, kerkschen zin van het woord. Wij
-weten dat niet alleen omdat zij tot eene familie van ouden adel
-behoorde, maar van hare zuster Henriëtte van Heeckeren vinden wij
-herhaaldelijk vermeld dat zij zoo erg godvruchtig was en steeds maar
-riep van Heere! Heere! Nu, zooals de éene zuster, met een kerkschen
-man gehuwd zijnde, haar geheele leven gebleven is, zoo zal de andere
-natuurlijk ook geweest zijn, vóor zij met een onkerkschen man in het
-huwelijk trad.
-
-Dekker nu veranderde de denkbeelden zijner vrouw over godsdienst en
-liefde. Van den godsdienst, zooals hare familieleden die opvatten,
-maakte hij haar afkeerig op velerlei manier. Gedurende de eerste jaren
-van hun huwelijk was dit zeker vaak het onderwerp van hun gesprek;
-maar na de ontslagneming, gedurende zijn lijdensperiode te Brussel
-vooral, was meer dan ooit deze zaak aan de orde van den dag in zijn
-brieven. Dubbel ergerde hem nu, dat menschen, die altijd van God
-en Gods liefde spraken, naar zijn indruk zoo weinig liefde voor hun
-evenmensch bleken te hebben. Uitlatingen als de volgende zijn daarom
-niet zeldzaam:
-
-"Geloof me, lieve beste, waar een zeker soort van godsdienst in 't spel
-is, is het altijd zoo. 't Is phariseesche huichelarij die altijd een
-sabbath bij de hand heeft om 't schaap niet te helpen dat in de groeve
-ligt. Ook zij zouden den Christus kruisigen, mits 't maar geschieden
-kon onder beschutting van vreemd gezag. Ook zij zouden de handen vies
-terugtrekken van tollenaren, slagters en mijn arme Eugénie."
-
-Toen Tine te Brummen vertoefde, op het buitengoed van den heer Jan
-Dekker, had deze haar naar haar geloof gevraagd. Zij schijnt niet
-goed geweten te hebben wat daarop te antwoorden, en geantwoord,
-dat zij 't zelfde geloofde wat haar man geloofde, maar dat díe
-het beter uit kon leggen. Toen moet de heer Jan geantwoord hebben,
-dat zij haar man dan maar eens moest verzoeken zich daarover uit
-te spreken. En in een zijner brieven uit dien tijd geeft Dekker dan
-een geloofsbelijdenis. Hij, die door het minste en geringste hevig
-geraakt werd in die maanden vooral, begint echter met te zeggen dat
-hij 't een schande vindt dat zijn broeder Jan daarnaar nú juist heeft
-gevraagd. De aanleiding voor dat vragen moet geweest zijn dat de
-kleine Eduard Dekker, Multatuli's zoon, al spelend gezegd had: "die
-stok is onze lieve Heer." Als hij (de kleine Eduard) weêr onder ons
-dak is, schrijft Dekker, mag hij zeggen: onze lieve Heer is Grietje
-of pierewiet. En op Jan's vragen had Tine moeten antwoorden: "Jan,
-mijn plicht is te gelooven wat de man gelooft, die de macht heeft
-mijn arme kinderen op straat te zetten. De arme heeft geen recht
-op een eigen geloof." Want stond Jan, in deze omstandigheden die
-vraag doende, niet gelijk met een Algerijnschen zeeroover, die een
-christengevangene vraagt wat hij van Mahomed denkt? Niettegenstaande
-dat alles, wilde Multatuli toch wel antwoorden. Zijn vrouw moet
-daarover een "opstelletje" hebben, en zij zàl het hebben, ofschoon hij
-het liever niet gaf omdat Tine's en zijn geloof zoo negatief is. Hij
-vervolgt met te zeggen, dat hun geloof is niet te weten wat zij te
-gelooven hebben. Zij zijn nog altijd aan het zoeken, en het eenige,
-waarvan zij nagenoeg zeker zijn, is: nooit te zullen vinden. Niet omdat
-zij minder goed dan een ander zouden gezocht hebben, maar omdat zij
-minder spoedig tevreden zijn met het gevondene. Vervolgens schrijft
-hij, dat veel hem zegt dat er een God is, omdat alles niet uit niets
-kan voortgekomen zijn; maar daartegenover zegt ook veel hem, dat er
-geen God is. Voornamelijk: de volmaaktheid van de natuurwetten, die
-aan het heelal iets machinaals geven, dat de gedachte aan Almacht
-buitensluit. Vervolgens zoude, indien er een God was, die zich wel
-aan hem geopenbaard hebben. Noch onderzoek noch de ingevingen van
-zijn hart hebben hem een God geopenbaard. De slotsom is, dat hij niet
-weet of er een God is, dat, als hij er is, hij goed moet zijn, dat hij
-Multatuli's diensten niet behoeft, dat hij hem dient door te trachten
-goed te zijn, en dat hij als eenig richtsnoer daarvoor zijn hart heeft.
-
-Ziedaar de gedachten, die de lektuur der in dien tijd populaire wijze
-van oplossing van het wereldraadsel in Dekkers geest had achtergelaten,
-en die hij in zijne vrouw had overgeplant. Met wijsbegeerte of
-natuurkunde heeft dat al heel weinig te maken. Het is ongeveer de
-formuleering van een atheïsme, zooals elke onkerksche die min of meer
-bewust in zich omdraagt.
-
-Nu rijst de vraag: was het goed van Multatuli gehandeld, hoorde het bij
-de nog al kalme liefde, bij de eenvoudig hartelijke toegenegenheid,
-welke hij zijne vrouw toedroeg, om haar godsdienst-gevoel te fnuiken
-zonder er iets anders voor in de plaats te kunnen geven, dan de vage
-redeneeringen eener praktische wijsbegeerte, die nauwelijks een man
-tevreden kan stellen?
-
-Men kan zich tegenwoordig schier niet meer indenken in den toestand der
-gemoederen van dien tijd, toen menschen, die tot de meest ontwikkelden
-en besten van hun geslacht behoorden, er hun edelste bezigheid in
-vonden bij alle mogelijke gelegenheden hartstochtelijk tegen den
-godsdienst te ageeren. Er is iets griezeligs, iets al te kouds en
-buitensporigs in den spot van een vader, die zijn zoontje leert
-spreken met hoonwoorden gericht tot een wezen, dat zooveel honderden
-jaren door geheele geslachten, ook van kunstenaars en denkers, als
-het meest eerbiedwaardige is beschouwd en behandeld.
-
-"Kom, Eduardje, zeg nu: die stok is onze lieve Heer"--waarom dat,
-zouden wij geneigd zijn te vragen. Wilt gij uw kind buiten den
-godsdienst opvoeden, begin dan met er hem in 't geheel niet over
-te spreken, doe hem dien naderhand kennen als een historisch
-verschijnsel, dat, als oorzaak van honderden daden, waarbij de
-ontslagneming te Lebak nog maar kinderspel lijkt, reeds daarom eenigen
-eerbied schijnt te verdienen; maar erger niet de geloovige menschen
-en daarbij de ongeloovigen van goeden smaak, door kinderlippen te
-gewennen godslasteringen te stamelen. Er is iets kinderachtigs en iets
-verdachts, iets zwaks eigenlijk gezegd, in dezen hevigen haat tegen een
-wezen, dat niet bestaat. Het doet denken aan de grenzenlooze gevoelens
-van haat en wrok, die de boerenfamiliën tegen elkander kunnen hebben,
-zoodat als de buurman-vijand b.v. een ongelukkige krankzinnige zuster
-in huis heeft, de andere buurman zijn kinderen reeds zoo jong mogelijk
-leert haar na te roepen: de malle, kijk, daar loopt de malle.
-
-Doch, wij herhalen, wij die al deze verschijnselen historisch hebben
-leeren waardeeren, die ons niet meer van afkeer tegen de bestaande
-godsdienstvormen bewust zijn, eenvoudig omdat ze ons op zich zelf
-onverschillig zijn geworden, terwijl buitendien hun aspekt ons door
-zijn pittoresque eigenschappen artistiek doet genieten,--wij kunnen ons
-in den toestand nauwelijks meer denken van iemand, die om zoo te zeggen
-pas aan den godsdienst is ontgroeid en nu uit kwaadheid hierover,
-dat hij zijn eerste twintig levensjaren zoo onnoozel heeft gedwaald,
-aan het voorwerp dier dwaling zooveel als haat heeft gezworen. Het
-waren niet alleen de algemeene tijdsomstandigheden, de atheïstische
-gedachtenstrooming die over de wereld was gekomen, het waren ook
-waarschijnlijk Dekker's bijzondere levensomstandigheden, die, als
-een toestand van reaktie, den God-haat in hem hadden doen geboren
-geworden. In zijn jeugd was hij vermoedelijk langdurig in aanraking
-geweest met menschen, in wier zeden en gewoonten het "Geloof" zich van
-zijn minst beminnelijke zijde openbaarde. Men had hem, de wilde natuur,
-het opbruisende karakter, wellicht jaren en jaren in bedwang gehouden
-door verwijzingen naar allerlei harde leerstukken en onvermurwbare
-zedenwetten. Wie weet welke strenge gezichten, welke droge zielen van
-in der tijd geduchte katechizeermeesters en schoolvossen nog in zijne
-herinnering leefden, die hij of hij wilde of niet naar hartelust moest
-verachten en bespotten toen hij eenmaal aan den band ontsprongen was.
-
-Bedenkelijker dan de spot met den godsdienst, die aan de kinderen
-werd geleerd, was het uitroeien van het godsdienstige gevoel uit het
-hart van de vrouw. Op zich zelf reeds bedenkelijk, werd het bepaald
-huiveringwekkend, toen Dekker aan de vrouw, die hij ontnomen had
-wat tot zekeren tijd wellicht haar kostbaarste schat was geweest,
-ten slotte niets in de plaats kon geven dan verdriet en ellende.
-
-Zeker, kunt gij, gehuwd man, als gij ontdekt dat uw vrouw zonderlinge
-en voor hare rust en gezondheid gevaarlijke eigenaardigheden heeft,
-b.v. een groote vrees voor spoken, voor voorteekenen, of andere
-gemeenlijk met den naam van "bijgeloof" aangeduide affekties,--zeker
-kunt gij niet beter doen, dan zooveel mogelijk trachten haar die dingen
-uit het hoofd te praten. Als uw vrouw dus een nerveus persoontje is,
-die het godsdienstig gevoel als een schrik-aanjagende fataliteit in
-hare ziel heeft, die het u den heelen dag lastig maakt met allerlei
-scrupules en naargeestige gemoedsbezwaren omtrent de eenvoudigste
-zaken en voorvallen des levens, die aanhoudend voorstellingen van
-"de hel" ontwaart in haar ontstelde verbeelding en weigert u naar
-den schouwburg te vergezellen omdat zij den vorigen avond Gods
-waarschuwende stem heeft vernomen, die haar dat verboden heeft,--dan
-zult gij haar een weldaad bewijzen met het licht der waarheid voor haar
-te doen opgaan, en haar, door het ongeloof, de gerustheid des gemoeds
-te schenken. Vooral indien gij er zeker van meent te zijn dat er maar
-een heel klein of in 't geheel geen lichthoekje zich naast de groote
-schaduwen bevindt, die de godsdienst geworpen heeft in de ziel uwer
-vrouw; en indien gij 't hoogst waarschijnlijk acht, dat gij steeds,
-het geheele leven door, met uwe liefde daar aan hare zijde aanwezig
-zult zijn om te voldoen aan de behoefte aan troost en verlichting,
-die uw levensgezellin wellicht menigmaal zal gevoelen.
-
-Maar indien de godsdienst zich meest van hare lichtzijden aan uw
-vrouw heeft vertoond, indien zij de gerustheid en de blijdschap haars
-levens juist dáaruit voor een groot gedeelte put,--dan zult gij,
-al dwaalt zij naar uw meening, u toch twee keer moeten bedenken voor
-gij de hand aan die, voor haar schoone, dwaling slaat.
-
-Multatuli had meer dan één reden, meer redenen dan gewone ongeloovigen
-kunnen hebben, om den godsdienst in den boezem zijner vrouw te smoren,
-want hij wilde dat daarin geen andere god dan hij zelf zou wonen. Men
-vatte dit niet op als dolzinnigen hoogmoed. Hij vond zich zelf, dat
-wil zeggen, de groote, nieuwe waarheden in zich zelf en den schoonen,
-bezielden vorm, dien hij daaraan wist te geven, een beter, grooter
-en meer levende god, dan dien der oude voorstellingen, waarbij zijn
-vrouw was opgevoed.
-
-Hij stond zoo veel boven haar, dat zij zich de wijziging, welke
-hij hare denkbeelden wilde doen ondergaan, met gretigheid liet
-wèlgevallen. Zooveel hechtte zij niet aan haar godsgevoel en
-godsdienstbegrip of zij wilde die wel vaarwel zeggen voor de nieuwe
-leer door haar man haar verkondigd. En als zij zich bedrukt voelde
-of neerslachtig door ziekte of ander levensleed, zou hij daar dan
-niet altijd wezen om haar op te beuren en moed in te spreken; was
-zijn trouwe borst niet voor het geheele leven onder haar bereik,
-om er haar hoofd tegen te laten rusten als zij moede was?
-
-Toen Dekker later zijne vrouw aan haar zelve alleen overliet in
-allesbehalve heuglijke omstandigheden, zullen er misschien wel
-oogenblikken zijn geweest, dat hij er berouw over voelde eertijds den
-geloofsboom in haar binnenste te hebben geveld, waaraan zij zich nu in
-haar nood had kunnen vastklemmen. Wat moet die vrouw zich ongelukkig
-hebben gevoeld! Met hoeveel angst en wanhoop moet zij zich nu het
-geloof harer jonge jaren en de vertroostende kracht, die dit in der
-tijd voor haar bezat, te binnen hebben gebracht! Daar stond zij nu,
-zooveel als met ledige armen! Maar moest zij nu heen, waaraan zich
-steunen? De sterke man, in wien alleen zij al haar vertrouwen had
-gesteld, had haar verlaten, die steun was onherroepelijk voor haar
-verloren gegaan, en tot God kon zij zich niet meer wenden, omdat
-hij 't geloof aan dien God uitgeroeid had uit hare ziel. Hoe moet
-zij verzucht hebben: ach, kón ik nog maar gelooven, bezat ik het
-vertrouwen nog maar in God als in een liefderijk vader, dan was ten
-minste de toekomst nu niet voor mij zoo geheel grijs, donker en ledig!
-
-Had Multatuli het huwelijk en zijne betrekking tot zijn vrouw anders
-opgevat, had hij, zij 't met opoffering van de grootere innigheid
-in den band, die noodzakelijk moest ontstaan waar ook de innigste
-en hoogste gedachten van man en vrouw hun gemeenschappelijk goed
-worden,--had hij haar godsdienstige gevoelens ontzien, zoodat die
-als een verborgen schat in haar binnenste konden blijven bestaan,
-hij zoude later de grievende verwijten nimmer hebben vernomen, die
-ongetwijfeld zijn geweten hem op sommige oogenblikken deed.
-
-In verband met zijne godsdienstige, of liever ongodsdienstige,
-begrippen, had Dekker ook zijne opvatting van het huwelijk en de liefde
-gewijzigd. Hij had polygamische neigingen; en niet alleen had hij die
-"zoo maar" gelijk zoovele gehuwde mannen, maar hij bezat daar allerlei
-theorieën en redeneeringen over, die het oude, van het christendom
-afkomstige, gevoel daarover in hem moesten dood-praten. Evenals hij
-met het godsdienstige had gedaan, wordt het uit verscheidene passages
-in de brieven duidelijk, dat hij ook op dit punt de hoogere opvoeding
-zijner vrouw op zich had genomen.
-
-Van de vier relaties, waarvan wij in de brieven hooren: die met
-Pauline, die met Eugénie, die met Sietske Abrahamsz, die met het
-ongenoemde meisje, dat later een soort oplichtster bleek te zijn,--vier
-relaties, waaronder slechts twee, of wellicht maar één, van anders
-dan oppervlakkigen aard,--hield hij getrouwelijk zijn vrouw op de
-hoogte; zoodat, indien men in aanmerking neemt dat Multatuli bijna
-niets deed of hij had een stel redeneeringen ter rechtvaardiging
-zijner daden bij de hand, indien men er op let dat hij in 't algemeen
-theoretisch zeer ontwikkeld was en alles vastknoopte aan eene theorie,
-het meer dan waarschijnlijk wordt, dat hij zijne vrouw had beduid,
-dat zij op grond hiervan en op grond dáarvan, het behoorde goed te
-keuren indien haar man nog met andere vrouwen intiemen omgang had,
-nog andere vrouwen liefhad, dan met haar, en haar alleen.
-
-Hiermede bevinden wij ons in aanraking met het onderdeel der
-korrespondentie, dat vele lezers vermoedelijk minder aangenaam zal
-hebben getroffen. Want al hebt ge vrij uw vrouw overreed, dat God niet
-bestaat, en dat de verschillende godsdiensten ouderwetsche larie zijn,
-waarmede verstandige menschen, die de negentiende-eeuwsche beschaving
-mede maken, zich niet meer behooren op te houden, dat dus ook zij van
-den godsdienst, waarin zij geboren is en opgegroeid, afstand behoort
-te doen,--daarom zoudt gij toch tevergeefs trachten haar ook aan 't
-verstand te brengen, dat uit de stelling, dat wij geen God kennen,
-die ons een leer- en zedenwet zou hebben geopenbaard, eene andere
-stelling afgeleid moet worden, inhoudende dat aan den man een zekere
-vrijheid van liefde of keus moet gelaten worden, geheel in strijd met
-het oude huwelijksbegrip, waarbij de vrouw een éénig recht op haar
-man had, of waarbij ten minste het den man als een eerste plicht was
-opgelegd de trouw ongeschonden te handhaven, die hij zijner vrouw
-bij den aanvang hunner verbintenis had gezworen of beloofd.
-
-Het is mogelijk dat menschen, die gevoelen gelijk wij, als
-laat-negentiende-eeuwers min of meer een mal figuur maken; het is
-mogelijk dat wij, om konsequent te zijn, nu wij het oude geloof aan
-één God hebben verlaten, met de geheele levensbeschouwing, die daarvan
-afhankelijk was, ook ons begrip omtrent den echt zouden dienen te
-wijzigen, en, in samenhang met dat begrip, de sentimenten die er de
-uitvloeiselen of de basis van zijn; maar wij kúnnen dat niet, en,
-konsequentie of geen konsequentie, daarmede is alles gezegd. Ons
-begrip kunnen wij wel wijzigen, met genoegen zelfs indien het iemand
-aangenaam kan zijn, maar ons gevóel, zie, dat is een heele andere
-zaak, dat kan veel minder gemakkelijk gewijzigd worden. Bewijst
-ons nu maar met a plus b, dat het christendom heeft uitgediend, en
-dat men dientengevolge, het eene logisch afleidend uit het andere,
-tot het besluit moet komen, dat wij de oude christelijke sentimenten
-omtrent de heiligheid van het huwelijk en de schoonheid der smettelooze
-trouw tusschen man en vrouw moeten laten varen, om vervolgens ook
-onze praktijk naar de nieuwe begrippen te regelen, gij zult met de
-meest spitsvondige bewijsvoeringen ons gevoel, dat wij als de erfenis
-van achttien eeuwen in ons bloed dragen, niet omverpraten. En tot dat
-gevoel behoort, dat wij het bepaald wreed, afschuwelijk wreed vinden,
-de hand van het koele moderne gezond-verstand te slaan aan de schoone
-en teedere bloemen van christelijke huwelijkstrouw, die daar bloeien
-op die verborgen plekjes in het hart der vrouw, waar het woord van
-den man niet ontwijdend mag binnendringen.
-
-Wij kunnen niet aannemen, dat Tine in haar hart toegejuicht zou
-hebben, dat haar man zich met andere vrouwen afgaf; wij kunnen ons
-wel voorstellen, dat zij eene zoo onbegrensde vereering koesterde
-voor Multatuli's inzichten, dat zij trachtte, wijl hij het goedvond,
-het zelve ook goed te vinden, indien hij haar ontrouw was, maar
-ongetwijfeld is haar dit nooit gelukt en deden zijne mededeelingen
-over zijn avonturen haar grievend leed, hoezeer ze dit ook voor hem
-geheim poogde te houden.
-
-Indien Multatuli dit zelf niet inzag, moet zulks aan gebrek aan
-menschenkennis geweten worden; zag hij het wèl in, dan komt ons zijn
-gedrag in dezen geheel en al onverschoonbaar voor. En, alles in
-aanmerking genomen, vreezen wij, dat hij 't half en half begreep,
-zonder zich volledig van den toestand rekenschap te geven; en nu,
-uit een soort van goedig-plagerige dwingelandij, haar geen enkel der
-berichten spaarde, die haar wellicht hinderden, maar die haar dan
-hinderden tengevolge van eene opvatting, welke zij, om zijnentwil,
-reeds lang had behooren prijs te geven. Zoo denken wij ons zijn
-standpunt.
-
-Stelt u voor een man, een echtgenoot, die zijne vrouw in de
-kommervolste omstandigheden van hem gescheiden moet doen leven, eerst
-in een zeer ver afgelegen land, later nog steeds in een ander land,
-op eene dagreize van hem verwijderd, en dat die echtgenoot dan aan zijn
-vrouw, die hem liefheeft en aanbidt, onophoudelijk dingen schrijft als
-(van vreemde of haar nauwelijks bekende jonge vrouwen schrijvend):
-Lieve Tine, beste trouwe Tine, ik heb Pauline weêr gezien, zij had haar
-onecht kind op haar schoot... lieve Tine, ik heb vruchteloos gepoogd
-Eugénie hier weêr te ontmoeten, je herinnert je, dat is dat meisje dat
-ik in der tijd uit een publiek huis heb medegenomen,... lieve Tine,
-ik ben verliefd op Sietske Abrahamsz, je weet wel, dat mooie lieve
-nichtje van ons... lieve Tine, elken ochtend komt er een meisje bij
-mij ontbijten... lieve Tine, ik heb allerlei amourettes, te veel om
-te vertellen... Enz. Enz.
-
-... Je wordt nu wel een opwelling van wrevel daarover gewaar,
-lieve Tine, maar herinner je maar, dat wij afgesproken hebben,
-dat ik je duidelijk heb gemaakt, dat ik je heb doen inzien: je moet
-dat goedvinden, je moet daarin berusten... ik blijf altijd van jóu
-het méest houden, dat weet je wel... op die Sietske ben ik puur
-verliefd,... die arme Eugénie, je moest haar kennen... neen, neen,
-kind, bedwing nu je afkeer; ik, weet je wel, ik, die zoo ontzettend
-veel wijzer, rechtvaardiger en beter ben dan jij, die zooveel als je
-opvoeder in alles ben geweest, ik zeg je: je moet je meester blijven,
-je moet je niet door je gevoel laten medeslepen, maar je verstand
-raadplegen; ...ik vertel je opzettelijk zooveel van mijn relatiën met
-andere vrouwen om je op de proef te stellen, om te zien of het goede
-inzicht niet bij je zal zegevieren,... wees dus nu verstandig en trek
-het je niet aan... je zult nog wel meer hooren, gisteren ontmoette
-ik nog een dame, die...
-
-Dit zijn in 't geheel geen citaten, wij bedoelen alleen, dat men dien
-geest en dien toon bespeurt in de brieven. En wij willen de vrouw
-beklagen, die daaraan blootstond. Ach, met hoeveel bitterheid moet zij
-zich later deze korrespondentie herinnerd hebben, toen zij merkte,
-dat haar man voor altijd van haar scheiden zou. Dáarvoor had zij
-zich dan deze gruwelijke plagerijen getroost, dáarvoor had zij een
-vriendelijk gezicht gezet als zij leed gevoelde van binnen, dáarvoor
-had zij de stem van haar gevoel gesmoord, wijl zij het hooge verstand
-van haar man over haar vrouwelijk gevoel wilde doen zegevieren--om
-nu te zien dat hij ten slotte geheel van haar vervreemdde... Wie had
-gelijk gehad? Zijn verstand of háar gevoel? O, die stille stem van
-binnen had het haar wel altijd gezegd... Zij had altijd, wel flauw, een
-wanhopig vermoeden gehad, dat het onvermijdelijk eens zóó worden zou...
-
-
-
-Beschouwen wij thans Multatuli in zijne verhouding tot de opeenvolgende
-minnaressen, die een plaats konden innemen in zijn hart, dat niet
-geheel alleen door Tine ingenomen bleek te zijn.
-
-Vóór de genegenheid, welke Multatuli opvatte voor mejuffrouw
-Hamminck Schepel, die later zijn tweede echtgenoote werd, treffen
-wij de meergemelde Eugénie aan, als de eerste en voornaamste
-vertegenwoordigster dergenen, die Tine's deelgenooten werden in zijn
-omgang en liefde.
-
-De betrekking van Multatuli met Eugénie hebben wij bekeken: vooreerst
-wat aangaat den indruk, dien Multatuli's verwanten en in 't algemeen
-de maatschappij daarvan moest ontvangen; vervolgens wat aangaat het
-gevoel dat de mededeelingen daaromtrent bij Tine moesten gaande maken;
-thans geldt onze overweging het geval op zich zelf, de verklaring van
-dezen toestand zooals die zijn aanleiding vond en zich weêrspiegelde
-in Multatuli's gemoed zelf.
-
-Het is ons niet te doen een absoluut en leerstellig standpunt in
-te nemen ter beoordeeling van het gedrag van een gehuwd man, die
-publieke vrouwen frequenteert of op andere wijze buiten het huwelijk
-liefdesbetrekkingen onderhoudt. Dit standpunt zij overgelaten aan
-moralisten en staathuishoudkundigen. Wij willen vooropstellen, dat wij
-het laakbare in Multatuli's handelwijze thans slechts hierin vinden,
-dat hij zijne vrouw van zijn faits et gestes op de hoogte hield,
-en haar onzes inziens daardoor ten diepste moest grieven.
-
-Het is een bekende stelling van den hertog De Richelieu, dat men met
-het grootste gemak en zonder gevaar voor onze gemoedsrust meer dan
-éene vrouw tegelijk kan beminnen. Maar eene dergelijke stelling kan
-alleen ontstaan in het brein van en als psychologische kuriositeit
-geformuleerd worden door lieden, die van de liefde eene opvatting
-hebben, zooals aan de Bourbonhoven van vóór Lodewijk den XVIden in
-zwang was en een paar eeuwen in zwang is gebleven. Zij bedoelden met
-het woord liefde, noch de groote passie, die de werkelijkheid voor
-hem die haar ondervindt als 't ware van gedaante doet veranderen en
-aan het voorwerp der liefde zooveel als een bovennatuurlijken glans
-en ook macht verleent, zoodat hij letterlijk door het voorwerp dier
-liefde "betooverd" lijkt en dus dat veel gebruikte woord nu tot
-eene wezenlijke waarheid maakt; evenmin hadden zij er de innige,
-in haar eenvoud groote, trouwe, genegenheid meê voor, zooals het
-christendom ons die heeft doen koncipiëeren en die het eigenaardig
-huwelijkssentiment is van ons, westersche, monogamische volken;
-maar zij bedoelden er meê eene liefde, die wel eenige oppervlakkige
-overeenkomst vertoont met de oostersche liefde, maar toch het
-eigenaardig beestachtig wilde van den haremwellust mist, en van een
-kleiner, een wel fijner, wel beschaafder, maar tegelijk nietiger
-opvatting getuigt; zij beschouwden de liefde als een gril, een
-caprice, eene toquade, een aangename tijdelijke manie, meer niet;
-en inderdaad, indien men haar aldus opvat, is er een reden om, zich
-in een tijdverdrijvend spel van intrigue en coquetterie werpend,
-meer dan éene vrouw tegelijk te courtiseeren. Of men dan met een dier
-verschillende vrouwen toevallig gehuwd is, doet er niet toe; dat is
-in zulk een geval een bijkomende omstandigheid zonder beteekenis of
-waarde, want van het huwelijk eigenlijk gezegd en de gevoelens van
-eerbied, trouw en bescherming, die het in onze ziel onderhoudt, is
-daarbij in 't geheel geen sprake meer. Dit is geen werkelijk beminnen,
-en meer dan éene vrouw te gelijk waarlijk lief te hebben, past niet
-in onze westersche psychologie en is een onmogelijkheid.
-
-Niet alleen dus, dat Dekker de groote verterende passie niet kende,
-maar uit het feit, dat hij, alleen op zijn gemak door Europa reizende,
-bordeelen bezocht en langdurige betrekkingen aanknoopte, is op te
-maken, dat de hartelijke genegenheid, welke hij koesterde voor zijn
-vrouw, er in alle opzichten een was van de allergewoonste soort,
-en dat die genegenheid volstrekt geen poëtisch teeder en religieus
-karakter in zijn gemoed had aangenomen.
-
-Als een getrouwd man en garçon uit is met vrienden van vroeger,
-en men is wat gemonteerd doordat men den kelder een weinig te veel
-heeft aangesproken, en men sukkelt, om het feest voort te zetten,
-zulk een huis binnen en vermaakt zich daar tot het krieken van
-den ochtend--nu, dát wordt door eenigen als eene vrij vergeeflijke
-gebeurtenis beschouwd. De bewoonsters blijven bij haar beroep, men
-vermaakt haar en zichzelf, en laat ze wat verdienen.
-
-Dekker vond het buitendien in beginsel goed: Wat zou het? Genot
-is deugd, vermaak is gezond, ieder man, gescheiden van zijn vrouw
-levende, heeft daar behoefte aan, het is een hygiënische gymnastiek,
-en, de alles beheerschende rechtvaardiging: niemand lijdt er immers
-schade door, niemand immers wordt er ook maar een greintje leed door
-berokkend. Hij vond het, voor personen zooals hij, zelfs bijzonder
-aanbevelenswaardig: omdat het goed is voor publieke vrouwen, die arme,
-medelijden-wekkende schepselen, die zoo algemeen veracht worden door
-vromen en schijnheiligen, die zoo weinig het voorwerp zijn der elders
-dikwijls zoo ruimschoots bestede naastenliefde, die meestal slechts
-met gemeene, liederlijke mannen in aanraking komen,--omdat het voor
-dezulken heel goed is eens een man te ontmoeten, die haar ten minste
-nog als menschen beschouwt, die het oprecht goed met haar meent, haar
-een vriendelijk woord zal toespreken en op beschaafde, edele wijze met
-haar zal verkeeren. Ja, dus redeneerde hij, geholpen door zijn steeds
-dadelijk bij de hand zijnde fantasie, waarschijnlijk door: het was
-een weldaad, die hij haar bewees, het was een hoogere plicht, dien hij
-vervulde, hij dacht aan vele groote namen uit de wereldgeschiedenis,
-wier dragers met courtisanes omgang hadden gehad, hij vergeleek zich,
-ook nu weder, met Christus, die immers Maria Magdalena toeliet zijn
-voeten te wasschen en vergaf aan de overspelige vrouw. En zoo voorts,
-en zoo voorts.
-
-Dit is alles goed en wel. Wij herhalen, dat wij niet partij wenschen te
-kiezen in de beoordeeling van het geval in 't algemeen van een gehuwd
-man, die en garçon uitgaat. Er komt altijd belofte-breuk bij te pas,
-de breuk namelijk van de belofte, die men zijn vrouw heeft gedaan van
-háar alléen tot den dood toe getrouw te zullen zijn. Maar er zijn tal
-van argumenten beschikbaar om in zekere gevallen een belofte-breuk
-te wettigen, en wij zullen ons niet in eene moralistische uitpluizing
-van deze zaken verdiepen. De hoofdzaak is ongetwijfeld, dat er niemand
-leed worde gedaan.
-
-Maar,--hierop willen wij neêrkomen--Dekker wás niet op een
-dronkemanspartij en met vrienden uit; hij reisde geheel alleen, en
-ging, in koelen bloede, dat zelf in alle opzichten goedvindend,
-daarheen. En nu zeggen wij alléén, dat dáaruit blijkt, dat
-zijne genegenheid voor zijn vrouw niet van ongemeen teederen aard
-was. Immers al deed hij hier geen leed (op dat oogenblik ten minste
-niet, later deed hij haar dat wel door zijne op theorie berustende
-zonderlinge opvatting van het echtgenootschap, welke hem haar van al
-zijn avonturen op de hoogte deed houden), al deed hij háar dus geen
-leed, noch Eugénie, en al deed hij zich zelf een genoegen, dus het
-tegendeel van leed, en al schijnen dus al de bij het geval betrokken
-personen veilig voor leed,--tóch zou hij, ware zijn genegenheid voor
-Tine van hoogeren aard geweest, het edelste gevoel in eigen borst
-door zoo eene handeling een kwetsuur hebben toegebracht, waarvan de
-schrijnende pijn het genoegen dat hij er op andere wijze van had,
-ten zeerste beperken moest, zoo al niet geheel vernietigen.
-
-Want, indien de gehuwde man, die zijn vrouw met vrome trouw bemint,
-op de purperen sofa heeft plaats genomen, en daar in eene weelderige
-afzondering zich opsluit met eene vreemde, kleurrijk uitgedoste, vrouw,
-wier mond met den beroepsglimlach hem tegenlacht, wier oogen, boven de
-half weggeblankette vale kringen schel schitteren van de nachtelijke
-vreugden, wier adem riekt naar den professioneelen feestwijn van elken
-dag--en hij moet dan liefkoozingen ontvangen, en hij moet liefkoozingen
-geven, dezelfde, ja werktuiglijk dezelfde liefkoozingen, welke hij
-anders in een stillere, meer zedige eenzaamheid alleen voor zijn
-eenige vrouw overheeft,--dan komt er een groot, pijnigend, wanhopig
-verdriet, en een spijt vol wrok en wrevel in hem op, die hem al het
-hier aanwezige ruwe en bonte genot zal vergallen.
-
-Vooreerst is het de ontwijding der liefde, die een niet onderdrukbaar
-gevoel van groote neerslachtigheid over hem zal brengen, waar de
-stralen van de schitterende lichtkroon noch het gefonkel van het
-door den wijn goud gekleurd kristal iets tegen vermogen. Niet de
-ontwijding der liefde, omdat hij leerstellig het huwelijk voor eene
-vereening der zielen zou houden, en de vereeniging zonder liefde,
-zonder ziel, dus voor eene profanatie van dat huwelijksbegrip; veel
-minder eene ontwijding der liefde omdat hij het in beginsel iets
-slechts zou vinden, er aan toe te geven zonder dat een geestelijk of
-burgerlijk ambtenaar van te voren daartoe een brevet van bevoegdheid
-heeft uitgereikt; want wij spreken van een modern gewoon menschelijk
-gevoelend man; maar eene ontwijding der liefde omdat hetzelfde wat
-alleen waarde en beteekenis scheen te hebben in het verkeer met de
-eenige, ziels-vertrouwde, voor het geheele leven uitverkoren éénige
-vrouw, hetzelfde, wat een onmisbaar schijnend teeder mysterieus
-karakter verkreeg, als de verwezenlijking van lang gekoesterde slechts
-half bewuste verlangens, waar het, niet nader ontleed, zich in zoo een
-dronkenschap van reine zaligheid voltrok, dat men alleen den indruk
-kreeg dat het wezen op zijn innigst met het éénig geliefde wezen één
-werd, waarbij het lichaam werd vergeten en het scheen als hoorde men
-nu alleen duidelijker elkanders harteklop, als waren de harten nu
-slechts op een bijzonder innige wijze tot elkaar genaderd; omdat dit
-zelfde, anders een mysterie dat een langzaam gegroeide vervoering
-bekroonde, nu zijn hooge charme verliest door de brutaliteit,
-waarmede het eenvoudig als pikant tijdverdrijf aangewend blijkt te
-kunnen worden. Eene ontwijding der liefde, omdat zij ontnuchtert
-van de edelste aller dronkenschappen. Omdat zij van een poëem eene
-machinerie maakt, van een visioen een fysiologisch experiment.
-
-Ten tweede zal het genot van den bovenomschreven echtgenoot
-verbitterd worden, omdat zijn verbeelding hem zal beginnen te plagen;
-onophoudelijk zal de figuur zijner kuische vrouw zich in zijne
-gedachten dringen, als eene die hem zacht droevig zijn schennis
-van hun vertrouwelijken omgang verwijt. Hij zal zich het diepe
-verdriet voorstellen, dat haar zou vervullen indien zij hem hier
-eens zag. Hij zal vergelijkingen gaan maken, hij zal dat móeten,
-hoe weinig gaarne hij 't ook doet, zijn geweten zal er hem toe
-dwingen,--tusschen zijne vrouw en degene, die thans naast hem is. In
-de geheele afschuwelijkheid harer grimeering, van haren weelderigen
-verleidingstooi, harer geveinsde lachjes en gespeelde minzaamheid zal
-zijn tijdelijke gezellin hem plotseling voor oogen komen; zijn blik zal
-zich verscherpen, hij zal achter haar masker van cold-cream en rouge
-impérial de sporen van het vroegtijdig jeugd-verlies en der aanhoudend
-walgelijke vermoeienissen zien, en hij zal zich verwenschen, dat hij
-tot deze sjacheraarster van genoegens gelijkluidende liefde-woorden
-sprak als anders slechts de intieme stilte binnen de zedige wanden
-van zijn huiselijk geluk van zijn lippen hoorde komen. Hij zal daar,
-als een aangeleerde manoeuvre, gebaren zien maken, en ze herkennen
-als de zelfde, welke hij als eene argelooze, spontane, naïeve,
-kinderlijke beweging heeft gezien. En als hij dan zijn hoed niet
-neemt en wegsnelt, is hij een man zonder ziel en zonder smaak, of
-liever,--wat wij hier van Multatuli betoogen--bemint hij zijne vrouw
-met eene vulgaire koele genegenheid.
-
-Zien wij nu, hoe Dekker, eenmaal er aan gewend die huizen te
-bezoeken, zijne langdurige betrekking met Eugénie tegenover zich zelf
-verontschuldigde en tot iets zoo moois maakte, dat bij de overdenking
-dier betrekking de edelste neigingen zijner ziel niet uitgesloten
-behoefden te blijven.
-
-'t Moge zijn dat Dekker in lang geen publiek huis bezocht had, toen hij
-Eugénie leerde kennen, en dus niet goed besefte, dat hare mededeelingen
-overeenkwamen met de gewone praatjes dier zeer tijdelijke geliefden,
-die haar bezoeker bijna altijd een in hoofdzaak gelijkluidend verhaal
-doen, waarin steeds dezelfde episoden voorkomen: 1o. zijn zij dochters
-van boeren of arme werklieden en verleid en ongelukkig gemaakt door
-een vrijer, die beloofd had haar te trouwen en aan wiens woorden zij
-geloof hadden geslagen; 2o. hebben zij éens, toen zij figurante in
-den een of anderen kleinen schouwburg waren, of ook, toen zij het
-wilde leven reeds waren begonnen, eene schitterende relatie gehad
-met een schatrijk of hoogst voornaam jongmensch, die haar gedurende
-eenige maanden als eene prinses heeft doen leven, welke relatie voor
-altijd eene glansrijke herinnering bij haar heeft achtergelaten;
-3o. zijn zij daarna van het eene huis in het andere gekomen en hebben
-nu hetzij de flauwe hoop dat een zéér jonge man nog eens de een of
-andere dwaasheid om harentwil zal begaan door haar als maîtresse te
-nemen, hetzij de ambitie met een flinken kellner of kappersbediende een
-"net" huwelijk aan te gaan, hetzij de hoogere eerzucht zelf eens aan
-'t hoofd van een dergelijk etablissement te staan als waaraan zij nu
-ondergeschikt zijn verbonden en op hare beurt te kommandeeren;--òf 't
-moge zijn, dat Eugénie tot de niet zoo frequent voorkomende vrouwen
-van dat slag behoorde, die gouvernante, kamenier of juffrouw van
-gezelschap geweest zijn, dat hare konversatie dientengevolge iets
-meer gesoigneerd was en zij een weinig betere manieren had, dat bij
-haar sterker dan bij hare beroepsgenooten het verlangen sprak om
-van het leven aldaar verlost te worden;--zéker is, dat Dekker zich
-tot haar aangetrokken gevoelde door de verwantschap die hij tusschen
-haar toestand en den zijnen bespeurde. De geheimzinnige sympathie,
-die tusschen de rassen van paria's bestaat en door De Goncourt ter
-sprake wordt gebracht, waar hij het intieme verkeer van soldaten en
-dergelijke vrouwen behandelt in La fille Elisa,--die zelfde sympathie
-was het, welke Dekker er toe dreef, zich in een ongewoon intiem kontakt
-met Eugénie te begeven. Hij bevond zich daar tegenover eene vrouw van
-oorspronkelijk goeden en fatsoenlijken aanleg, die, eigenlijk buiten
-hare schuld, en niet alleen buiten hare schuld maar tengevolge van het
-uit goedheid, uit edelmoedigheid, toegeven aan eischen, door een man,
-dien zij het meest vertrouwde, haar gesteld,--door de maatschappij was
-uitgestooten en genoodzaakt met het uitoefenen van een ellendig beroep,
-op een niet te avouëeren wijze, in haar onderhoud te voorzien. Nu, was
-er dan niet een treffende overeenkomst tusschen haar lotgeval en het
-zijne? Was ook hij niet ongelukkig geworden en door de maatschappij
-uitgestooten, omdat hij een te goedgeloovig vertrouwen in de leden
-dier maatschappij had gesteld? Hij óok had, zonder voorzichtigheid,
-zonder om te zien, geluisterd naar de stem van zijn hart, denkend
-dat de maatschappij hem daarvoor zou loven en beloonen.
-
-Hij dacht nu van zich zelf: ik ben goed, de maatschappij is slecht;
-ik heb de ware liefde, den waren harteadel; en nu wilde hij samengaan
-met die andere verstootene, wijl ook zij de ware liefde, den waren
-harteadel had, of althans gehad had, hoezeer die nu ook schuil was
-gegaan in hare verworpenheid.
-
-Dekker vond het in alle opzichten iets schoons en edels om deze vrouw
-te beschermen en bij te staan; in die handeling was een protest,
-een protest van menschenliefde en zielegrootheid tegen al het laffe,
-lauwe en kleinzielige der maatschappelijke opvattingen.
-
-Behalve eenige zinnelijke liefde, waarvan overigens weinig blijkt,
-maar die toch zeer waarschijnlijk met het andere gevoel vermengd was,
-was het dus een algemeen, half en half theoretisch, gevoelen, een
-revolutionair gevoelen, gericht tegen maatschappelijke denkbeelden,
-èn een bijzonder gevoel van medelijden, dat Dekker zich het lot van
-Eugénie dermate deed aantrekken.
-
-Zonder dat hij 't zich ten volle bewust was, werd, zoo stellen wij het
-ons voor, het gevoel medelijden in Dekker één met de zinnelijke liefde,
-evenals dit bij vele vrouwen het geval is. Vele vrouwen toch, die zich
-overgeven aan een man, doen dat veeleer uit goedheid, uit medelijden,
-uit zucht om hulp te bieden, dan uit zinnelijke aandrift. Zij willen
-dien armen minnaar tevreden stellen, zij willen hem gelukkig maken,
-en het besef der voldoening harer eigen zinnen gaat te loor in haar
-wetenschap van een groote weldaad te bewijzen, van het hoogste weg
-te schenken, van het kostbaarste afstand te doen, waarover zij te
-beschikken hebben. Hier neemt de liefde het karakter aan van hoogste
-menschlievendheid.
-
-Dekker vond het geval buitendien interessant. Hij had behoefte,
-een koortsige behoefte, aan interessante ontmoetingen en
-lotgevallen. Daarom drong hij zich op, dat Eugénie een veel
-buitengewoner persoon was, dan zij in werkelijkheid zal geweest zijn,
-daarom verfantazeerde hij haar tot een soort heldin, aan wier zijde het
-hem voegde te treden. Zij gaf hem eene soortgelijke gewaarwording als
-iemand, die voor het eerst in een ver van zijn geboortegrond gelegen
-centraalwereldverkeerstation komt, van de zich daar bevindende in
-vreemde engelsche reisdracht gestoken gebasaneerde medereizigers
-ontvangt. Hij ziet een man met vaste trekken, donkere gelaatskleur,
-groote, strenge, zwarte oogen, die zich met een beteuterende kalmte
-door wachtzalen en perrons beweegt. Dit moet wel een zeer gewichtig en
-belangrijk personage zijn, denkt hij dan. Later blijkt het te wezen
-de gewoonste aller scheepskapiteins, die wel zijn beroep goed kent,
-maar overigens in niets uitmunt en het heen- en wedervaren tusschen
-Europa en Amerika met dezelfde werktuiglijkheid jaar aan jaar verricht,
-als een vaderlandsche schoolmeester dagelijks zijn klassen bestuurt.
-
-Dekker achtte de ontmoeting van Eugénie bepaald een uitnemende
-vondst. Hij had nu gezelschap, een in alle opzichten aantrekkelijk
-gezelschap, op reis. Wat was daar niet een delicieuze afleiding voor
-zijn kommer en zorg in, om met die belang inboezemende fransche dame
-op reis te zijn, steeds in vriendschappelijke gesprekken met haar
-gewikkeld, haar begeleidend in hotels en stations, haar steunend bij
-het instijgen van rijtuigen, bespied, in stilte gelukgewenscht en
-benijd door die omstanders, welke iets van de verhouding begrepen!
-
-Toen Dekker later Tine met Eugénie in kennis bracht, zoodat er, indien
-wij onze oogen en de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven mogen
-gelooven, eenige vriendschap tusschen de vrouwen ontstond en Tine jaren
-lang met Eugénie eene briefwisseling onderhield,--toen volvoerde hij
-alleen tot de alleruiterste konsequentie, wat zijne theorie hem dwong
-in deze dingen goed te vinden. Ons is dit te machtig, wij zouden er
-schier benauwd van worden; ons kan dit volkomen ten ondergaan van
-het gevoel van waardigheid in de eene der vrouwen niet anders dan
-pijnlijk aandoen.
-
-Uit het feit dier briefwisseling blijkt voorts ten overvloede nog eens
-verrassend duidelijk, welk een alles beheerschenden invloed Dekker op
-zijne vrouw oefende. Niet dat zij zich tegen haar zin met Eugénie in
-verkeer zou hebben begeven, maar dat zij, tegen alle modern Europeesch
-vrouwelijk gevoel in, er behagen in vond met de gewezen maîtresse van
-haar man om te gaan, bewijst dat haar gevoel zich, door het voortdurend
-aanhooren der denkbeelden van haar man, verbazend vervormd had.
-
-Over Pauline, Dekker's tweede beschermeling, waarvan in de brieven
-sprake is, vernemen wij weinig meer dan het volgende (dl. I, blz. 50):
-
-"En toen ik bij die Pauline kwam, die zich verstout een kind te
-hebben vóór 't huwelijk, en toen zij mij zeide dat zij altijd eten
-kreeg van de Prince Belge zonder te betalen, omdat "le vieux n'osait
-pas refuser, car, voyez vous, il savait bien que vous reviendriez"
-en dat dit zoo gelukkig was, want zij zoogde haar kind en had dus
-eten noodig... Kijk, dat deed mij toch pleizier dat men eene zoogende
-moeder eten had gegeven om mijnentwille."
-
-Uit deze regelen valt niet rechtstreeks op te maken, dat Dekker met
-Pauline intiemen omgang heeft gehad. Wij meenen ook dat hij elders als
-iets zots verhaalt, dat iemand gevraagd had of Pauline zijne maîtresse
-was. Maar wellicht vond hij alleen het woord maîtresse ten opzichte
-van Pauline gebruikt, dwaas of spotte hij om een andere, dergelijke
-reden, met die vraag. In aanmerking genomen Dekker's denkwijze over
-dit onderwerp en daarbij de eigenaardigheden van Pauline, zooals wij
-die uit bovenstaande beschrijving leeren kennen, wint het vermoeden
-aan waarschijnlijkheid, dat er tusschen hen meer is voorgevallen
-dan de wisseling van een enkelen dankbaarheidshanddruk. Immers, dat
-men aan Pauline kosteloos voeding verstrekte, wijl men wel wist, dat
-Dekker eens terug zou komen, toont dat er eene innige verstandhouding
-tusschen die twee bestond, waarvan de herbergiers-familie wist.
-
-Pauline behoorde blijkbaar tot de laagste volksklasse. Indien wij dus
-mogen veronderstellen, dat er eene relatie tusschen haar en Dekker
-bestaan heeft, vinden wij daarin zooveel als een vervolg op en eene
-konsequentie van zijne betrekking met Eugénie. In den tijd toch, dat
-Dekker met Pauline zou geleefd hebben, in den tijd ook dat hij haar
-later weder ontmoette, had hij 't zelf veel armoediger dan gedurende
-zijne minnarij met Eugénie. Hij was dus in alle opzichten een trede
-lager gegaan. En zeker was hier het medelijden nog meer versmolten
-met het andere gevoel.
-
-Pauline, een geheel onbeschaafde vrouw waarschijnlijk, en die dus
-b.v. ook aan haar toilet slechts uiterst geringe zorg besteedde, was
-het meest geschikte schepsel, in wier omarming Multatuli zijn groot
-verdriet en zijn hevig protest tegen de maatschappij kon uitsnikken.
-
-
-
-De derde vriendin van Dekker, die ons weder een trede opwaarts voert
-naar een geheel andere schakeering van het verkeer met vrouwen,
-is degene, die men niet beter kan aanduiden dan met den naam van
-"het stomme ontbijtstertje."
-
-In een brief van 17 September 1860, schrijft Dekker: "Alle morgen
-om negen uur komt er een meisje bij mij ontbijten. Zij mag een uur
-blijven, maar niet praten, dat is een komieke geschiedenis."
-
-Van deze geschiedenis vernemen wij (dl. 1. blz. 151) het volgende:
-Dekker liep eens door Amsterdam te kuieren, toen hij op het Damrak
-werd aangesproken door een jong, als dame gekleed, meisje, dat hem
-vertelde dat zij zoo'n honger had. Zij voegde er bij, dat zij deze
-mededeeling aan niemand anders dan aan hem alleen zou durven doen. Hij
-gaf er zich op dat oogenblik geen rekenschap van of zij bedoelde, dat
-zijn uiterlijk haar zooveel vertrouwen inboezemde of dat zij zijn naam
-en reputatie kende. Het was precies iets voor zijn royale, genereuse
-natuur, het paste daarbij uitnemend in zijn lust tot weêrstreving
-van maatschappelijke gewoonten, om het meisje niet af te schepen met
-een zwijgende weigering noch haar het adres van Liefdadigheid naar
-Vermogen op te geven, maar om haar welwillend te woord te staan. Hij
-had in dat geval ook kunnen volstaan met haar eenig geld in de hand
-te stoppen; maar hij vond er al weder eene belangrijke ontmoeting in;
-hij wilde wel eens kennis maken met deze ongelukkige, vermoedelijk,
-naar hem docht, weder een slachtoffer van de wanverhoudingen der
-maatschappij, en, waarschijnlijk om tevens zeker te zijn dat zij hem
-niet bedroog, besloot hij haar te vergezellen om haar in de een of
-andere gelegenheid naar haar genoegen zich te laten verzadigen. Hij
-stak daarom het IJ met haar over en liet haar aan het Tolhuis zich te
-goed doen aan broodjes met vleesch. Zij vertelde hem hare geschiedenis:
-dat zij, in 's-Gravenhage te huis hoorend, hier tijdelijk een kamer
-had gehuurd om zaken voor haar vader te doen, maar dat al haar
-geld op was, enz. Het gevolg was, dat hij, die ook op dat oogenblik
-geen geld had om dagelijks een middagmaal voor haar te bekostigen,
-voor haar wenschte te doen al wat in zijn vermogen was en haar
-daarom uitnoodigde elken ochtend op zijn kamer op de Botermarkt te
-komen ontbijten. Zij nam dit gretig en dankbaar aan. Nu was echter
-het grappige van den toestand, dat Dekker in het begin van den dag
-liever geen gesprekken hield (waarschijnlijk wijl hij vreesde zich
-dan te veel te epancheeren, zoodat zijn aandacht zich niet genoeg
-meer koncentreerde op het schrijfwerk, dat hij wilde verrichten en
-hij vreesde zijn kracht te verpraten in plaats van haar alleen voor
-zijne schrifturen aan te wenden). Zij kreeg dus verlof bij hem te
-komen en een uur te blijven, maar zij mocht geen woord zeggen. Deze
-zonderlinge omgang duurde eenige weken. Eindelijk kon Dekker haar het
-benoodigde geld verschaffen om naar 's-Gravenhage terug te keeren,
-en zij bewees hem hare dankbaarheid, door hem van daar uit een paar
-door haar geborduurde pantoffels ten geschenke te zenden.
-
-
-Eenige maanden later ontving Multatuli het bezoek van dien zekeren
-dokter in de Letteren, waarvan wij in de Minnebrieven lezen. Om het
-in nood verkeerende gezin, waarvoor de dokter zich interesseerde,
-te helpen, stond Multatuli toen het voor de Minnebrieven bedongen
-honorarium af. Na dien tijd vernam hij dat de dokter in de Letteren
-verloofd was met eene dochter uit het gezin, dat hem zooveel belang
-inboezemde, en dat hij hem met zijne aanstaande zou komen bezoeken. En
-toen Multatuli dat bezoek ontving, toevallig geschoeid met de gemelde
-pantoffels, herkende hij in de bruid van den dokter zijn zwijgend
-ontbijtstertje. Zij deed, alsof zij hem nog niet kende, bedankte hem
-ten zeerste voor wat hij voor hare familie had gedaan en vroeg hem
-of zij hem niet eens eene kleine oplettendheid zou mogen bewijzen,
-door b.v. 't een of ander voor hem te borduren. "Pantoffels heeft
-u al, zie ik" voegde zij er bij. Nu werd Dekker, die op eens het
-stellige vermoeden kreeg, dat het meisje zelf, ontevreden met wat zij
-persoonlijk van hem had kunnen halen, den dokter op hem had afgestuurd,
-boos en dreef zijne bezoekers met zachten dwang de deur uit. Hij wist
-zich echter genoeg in te houden om niet te doen merken, dat hij haar
-herkende en daarmede eene onaangenaamheid tusschen de twee verloofden
-te weeg te brengen, indien de dokter soms van het ontbijten niets
-afwist. Ons komt het evenwel waarschijnlijker voor, dat de dokter,
-die zich professioneel met de letterkunde bezighield en dus eerder
-dan het burgermeisje met Dekker's, uit zijn geschriften blijkend,
-medelijdend karakter bekend geweest zal zijn, reeds met het meisje zoo
-goed als verloofd was ten tijde dat zij Dekker het eerst aansprak en
-dat de dokter haar op Dekker af zal hebben gestuurd, meenende dat een
-bede om hulp uit den mond eener vrouw nog zekerder onweêrstaanbaar
-voor Multatuli zou wezen dan het verzoek van een litterator. Toen
-nu echter de verleende hulp niet aan de verwachtingen beantwoordde,
-trok de dokter toch zelf maar de stoute schoenen aan, en slaagde ook
-werkelijk, gelijk wij gezien hebben, beter.
-
-
-
-De vierde vrouwenfiguur, tot wie Dekker zich, in deze periode
-zijns levens, bijzonder aangetrokken gevoelde, was Sietske
-Abrahamsz. Wij voegen hier aanstonds bij, dat wij met de bespreking
-der genegenheidsbetrekking, welke eenigen tijd tusschen Sietske en
-Multatuli bestond, een totaal van de vorige verschillende sfeer van
-maatschappelijk verkeer en gemoedsaandoeningen betreden. Daarover
-mag geen misverstand mogelijk zijn. Een muur scheidt deze in alle
-opzichten reine, ideale, relatie van de zooeven behandelde drie andere.
-
-Wij keuren er niettemin even sterk, ja nog sterker, om af, dat Dekker
-zijne vrouw zoo voortdurend berichten zond over zijne liefde voor
-Sietske en Sietske's verliefdheid op hem. Nog sterker keuren wij het
-af, omdat, mocht Tine al van Dekker's andere relaties kunnen denken,
-dat zij te hoog stond om daarover jaloersch te kunnen worden, dat die
-van een soort waren zonder eenige overeenkomst met de liefde welke
-haar man aan háar verbond, van een aard, die 't haar onmogelijk maakte
-zich zelve te bekennen, dat zij er zich iets van aantrok,--zij over
-de betrekking met Sietske onmogelijk zoo kon denken. Sietske was een
-allerliefst jong meisje, van den zelfden stand als zij, ja veel wat
-Dekker in Tine vóór hun huwelijk gecharmeerd moet hebben, vond hij
-nu in Sietske terug.
-
-Tine had dus dubbel reden om zich door deze genegenheid, juist wijl zij
-rein was en volkomen vrij van alle minder edele bedoelingen, juist wijl
-het 't bijzondere in Dekker's persoon was, dat Sietske in hem beminde,
-gegriefd te gevoelen. Als Dekker's herinnering opleefde, herinnering
-aan den lang vervlogen, en nog lánger vervlogen schíjnenden,
-zaligen engagementstijd, en hij maakte vergelijkingen, dan moesten
-die wel, zonder dat hij zelf misschien zich bewust werd wat daarvan
-de oorzaak was, ten voordeele van Sietske uitvallen. Immers Tine
-had, de gewone menschelijke liefde, welke van die andere slechts de
-grondslag was, daargelaten, in Dekker vereerd den man, die uitmuntend,
-die buitengewoon beloofde te wórden, terwijl Sietske in hem liefhad
-den man die buitengewoon gebleken was te zíjn. Het kon niet anders
-of Dekker moest in Sietske's fysionomie eene wolkelooze bewondering
-lezen, die hij bij Tine nimmer had kúnnen waarnemen, omdat de reden
-er toe toen nog niet aanwezig was. In der daad zijn er weinig dingen
-zoo pijnlijk voor de vrouw, die in eendrachtig huwelijk met haar man
-de middaghoogte des levens heeft bereikt, dan te bemerken hoe er zich
-eene genegenheid tusschen dien man en een hem vereerend jong meisje
-begint te openbaren. Zij toch, zijne vrouw, heeft hem bemind alleen
-om zijns zelfs wille, toen hij nog geheel onbekend en onberoemd was;
-zij is het leven met hem ingegaan vol moed, hoop en vertrouwen, met
-het zeer geprononceerde verlangen alle vreugd, maar ook alle leed met
-hem te deelen. En nu de boom zijns levens tot vollen wasdom is gekomen
-en vruchten draagt, is 't een jong meisje zooals zij vroeger was,
-die, met den blos en den glimlach der jeugd op het gelaat, de hand
-uitstrekt om die vruchten te plukken.
-
-Indien wij voor een oogenblik Multatuli's vrouw en de kinderen
-willen vergeten,--het is echter juist de eigenaardigheid van ons
-westersch huwelijksbegrip, dat dit zoo ontzettend moeilijk is,
-zoo bij uitstek moeilijk ons den man te denken zonder de vrouw,
-den vader zonder de kinderen, daar wij gewend zijn den gehuwden man
-niet meer als een geheel op zichzelf te beschouwen maar alleen als
-een deel van het familiegeheel;--indien wij ons Multatuli denken
-als veertigjarig ongehuwd man of als weduwnaar, dan rijst zijne
-vriendschapsbetrekking met Sietske voor ons oog als een der teederst
-genuanceerde verhoudingen, die tusschen een man en een vrouw kunnen
-bestaan, een der schoonste, der fijnste banden, die tusschen die twee
-zielen gelegd kunnen worden.
-
-Deze betrekking staat hoegenaamd niet eenigszins uitvoerig in de
-Brieven beschreven, met enkele woorden wordt zij slechts nu en dan
-aangeduid: het is als Multatuli aan Tine schrijft, dat Sietske toch
-zoo lief is, dat hij "puur verliefd" op haar is, dat zij hem gezegd
-heeft om harentwille toch vooral geen greintje minder van Tine te
-houden, en aan Tine verlof te vragen háar, Sietske, een weinig te
-mogen beminnen; het is als Multatuli aan Tine bericht van het verlof
-dat hij, in Tine's naam, aan Sietske gegeven heeft om hem een beetje
-lief te hebben; maar door die weinige woorden heen, is het hem, die
-nu in den toestand is ingeleefd, mogelijk een kijkje te doen in deze
-charmante betrekking.
-
-Sietske was de dochter van Kees Abrahamsz., de zuster, meenen wij,
-van den zelfden Theodoor, die na Dekker's dood een goed gemeend,
-weinig letterkundig en zeer geruchtmakend artikel over Dekker zou
-schrijven. Zij moet een buitengewoon bekoorlijk meisje geweest zijn,
-want bijna iedereen, dus lezen wij, was op haar verliefd. Zij moet
-niet zoozeer eene buitengewone schoonheid als wel in de hoogste
-mate innemend geweest zijn: bijzonder zachtzinnig, vriendelijk,
-vlug, en bovenal begaafd met die echt vrouwelijke en taktvolle
-hoffelijkheid, die de wenschen weet te voorkomen der menschen met
-wie zij in gezelschap is en een gesprek weet te voeren zóo, dat de
-overeenstemming der meeningen geen vervelende eentonigheid wordt en het
-verschil in meening geen enkel minder aangenaam oogenblik veroorzaakt.
-
-Voor Dekker moeten die uren, welke hij in de woning van Sietske's
-familie en in haar gezelschap ging doorbrengen, een genot bevat hebben,
-waarop hij uren en dagen lang vlaste.
-
-Zoo eene verhouding, die meer dan vriendschap is en die geen liefde mag
-worden, had al het weemoedig aantrekkelijke eener schemering van licht
-en donker. Het meisje en de man onderscheiden niet nauwkeurig meer
-wat er in hun binnenste omgaat, zij bemerken alleen met zekerheid,
-dat het iets heel moois en voor hen heel gelukkigs is. Allerlei
-tweestrijd doet zich voor in hun gemoed. Zij durven de liefde niet
-aan, zij zijn er bang voor als voor de duisternis, en het heldere,
-maar koele, licht van de vriendschap zien zij toch tanen voor hun
-innerlijken blik. Dan sluiten zij de oogen om aan de weifeling en aan
-de smart van den tweestrijd te ontkomen; maar als zij ze weer openen
-zijn de donkere wolken verdwenen en zien zij klaar en stil de sterren
-blinken, als de teedere seinlichten der sentimenten tusschen liefde
-en vriendschap, in wier glans zij hun omgang mogen koesteren...
-
-In dezen tijd van dagelijksche onrust en koortsige levenshaast, moeten
-de bezoeken aan de woning, waarvan Sietske het bloeiend middelpunt
-was, de bekoring als van eene oase op Dekker hebben uitgeoefend. Als
-hij de trap opkwam, in eene stemming nog verhit door de moeitevol
-ten einde gebrachte dagtaak, hoorde hij reeds hare welluidende
-stem, wier klank als eene verfrissching in zijn koortsig binnenste
-viel. Een minuut later was hij in hare tegenwoordigheid en had hij
-bij de begroeting haar hand, als een bemind vogeltje, in de zijne
-gevangen. Hun blikken ontmoetten elkaâr en lazen er weder de blijde
-boodschap der innige, der teedere, maar reine verstandhouding. En
-dan begonnen de gesprekken. Zij vroeg hem naar zijn werk, met warme
-belangstelling, met eene belangstelling welke zich zoo uitte, dat
-hij aan ieder woord en aan haar geheelen toon bemerken kon, dat er
-niets in voorgewend of overdreven was.
-
-Sietske's genegenheid voor Dekker was oorspronkelijk ontstaan uit
-een zelfden door haar van hem ontvangen indruk, als dien vele vrouwen
-van hem hadden ontvangen. Zij was in hem gaan vereeren den zeldzamen,
-den éénigen vaderlander met een hartstochtelijke kunstenaarsnatuur,
-den man die, voor één groote edelmoedige gedachte, zijn leven en zijn
-loopbaan aan volslagen ondergang blootstelde, den man, die zijn geluk
-prijsgaf, die al zijn tijd, kracht, moed en werk dienstbaar maakte aan
-de najaging van het ideaal, dat hij zich had gesteld. Zij bewonderde
-hem als een held, strevend naar het groote, als de figuur, die, meer
-dan wie zijner tijdgenooten ook, geschikt was om de rol van Koning
-te vervullen in de liefelijke feërieën der schuchtere meisjesdroomen.
-
-Maar daarna had zich, als een kostbare edelsteen op een gouden sieraad,
-de genegenheid, die het gevolg was van hun vertrouwelijk verkeer,
-in die nog vage vereering gevoegd. En waar in zulke gevallen de
-toenadering van beide kanten komt, bewaarheidt het spreekwoord "nul
-n'est grand homme pour son valet de chambre" zich niet. Sietske was
-wel niet Dekker's kamermeisje, maar het gezegde beduidt, meenen wij,
-dat de aureool, die eene vereering uit de verte om de slapen van
-den vereerden heeft gekranst, meest verbleekt door de prozaïsche
-ontdekkingen, die de werkelijkheid eener persoonlijke kennismaking
-medebrengt. En dit geschiedde hier niet. De bewondering verloor wat er
-nog koel en op-een-afstand in was. De vrees, de bedeesdheid verdween,
-en eene bewondering vol warme genegenheid stelde zich in de plaats.
-
-Want Dekker was iemand, wiens persoon de indrukken bevestigde, die
-de lezing zijner werken had doen geboren worden. Zijne ziel stond op
-zijn gelaat te lezen, zijn hooge natuur wachtte niet op pen en papier
-om zich te doen gelden, maar schitterde ook in het gesproken woord,
-in de aanhoudende improvisatie van vernuftige gedachten, die zijn
-gesprekken waren.
-
-De genegenheid van Multatuli en Sietske Abrahamsz is in deze drukke
-en bonte periode het fijnst gekleurde en liefelijkste lotgeval. En
-als wij niet gedwongen waren steeds het droeve beeld van Tine op den
-achtergrond van Dekker's leven te zien, zouden wij met nog langduriger
-aandacht en meer onvermengde appreciatie in de beschouwing dezer hooge,
-mooie betrekking blijven verwijlen.
-
-In 't algemeen kan men zeggen, dat van de vijf zeer uiteenloopende
-betrekkingen met vrouwen, (Tine, Eugénie, Pauline, het ontbijtstertje
-en Sietske,) waarin wij Multatuli hebben beschouwd, die met Sietske
-de meest ongemeene en meest typische was, omdat hoofdzakelijk
-den kunstenaar in Multatuli hare genegenheid gold en omdat hij
-in haar eene vertegenwoordigster aantrof van de sympathieën, die
-Nederlandsche lezeressen meer nog dan Nederlandsche lezers voor zijn
-werken gevoelden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV. POLEMIEK. KONKLUZIE.
-
-
-Na de verschijning van Multatuli's Brieven zijn er twee geschriften
-in het licht gekomen, in welke beide Multatuli's nagedachtenis ten
-zeerste is betrokken. Het eene is de brochure, getiteld Multatuli en
-Spiritisme ("naar de oorspronkelijke Handschriften uitgegeven door
-S. F. W. Roorda van Eysinga, Emeritus Predikant"), het andere is de
-brief over de uitgave der korrespondentie zijns vaders door den heer
-E. Douwes Dekker Junior, te Sarronno, gepubliceerd in een weekblad,
-de Tribune, van 3 Maart 1891.
-
-De brochure over Multatuli en Spiritisme is een zonderlinge en niet
-weinig eigenaardige uitgave. De schrijver daarvan is ... Multatuli,
-namelijk Multatuli's "geest", die zich van de hand eens anderen
-bedient, om ons zijn laatste producten aan te bieden. Die andere wordt
-ons door den uitgever, den heer Roorda van Eysinga, voorgesteld als
-"een Nederlander, ernstig beoefenaar van het spiritisme, begaafd
-magnetizeur en schrijvend medium." Forster is zijn verdichte naam,
-Manstede de pseudoniem van de stad zijner inwoning. Mejuffrouw E. K. is
-eene begaafde clairvoyante, met wie hij werkt.
-
-Indien het waar was, dat de heer Forster het vermogen had om den
-geest van Douwes Dekker op te roepen en dien nieuwe gedachten
-te doen produceeren, zou dat een zaakje zijn, waarmede de heer
-Forster zich schatrijk zou kunnen maken. De heer Forster zal hier
-niet tegen aanvoeren, dat hij rijkdom minacht en er dus niet naar
-streven zal dien te verwerven, want wilde hij dien rijkdom dan niet
-ten zijnen persoonlijken bate aanwenden, dan kon hij, ijveraar voor
-het spiritisme als hij zich betoont, dien aanwenden om op groote
-schaal propaganda voor het spiritisme te maken, hij kon er voorts
-liefdadigheidsinstellingen mede stichten, enz.
-
-Indien de heer Forster ook nog andere geesten van overleden groote
-mannen kon oproepen, zou dat inderdaad in de eerste plaats de meest
-reëele onsterfelijkheid aan die mannen verzekeren en zoude op die
-wijze de onsterfelijkheid waarvan de dichters steeds gewagen op een
-verrassende, geheel onvoorziene, wijze waarheid blijken te zijn; in
-de tweede plaats zou ons vaderland zich op deze unieke vinding van
-een zijner zonen kunnen verhoovaardigen, en de heer Forster zoude,
-als impressario van geesten van gestorven groote mannen, eene reis
-om de wereld kunnen doen, die hem weldra eene algemeene vermaardheid
-zoude doen verwerven. Hij zou buitendien niet eens voor honoraria of
-reiskosten voor de geesten behoeven te zorgen...
-
-De heer Forster intusschen, wiens goede trouw wij natuurlijk
-boven elken zweem van verdenking verheven achten, heeft zeer wel
-ingezien, dat hij met deze zaak de waardeering van velen voor het
-spiritisme,--waardeering van hen, die in het spiritisme gelooven,
-waardeering ook van de eenigszins reaktionaire moderne geleerden,
-die het spiritisme wetenschappelijk onderzocht willen zien--aan een
-gevaarlijke vuurproef onderwierp, waartegen zij alle kans had niet
-bestand te blijken. Immers, men kende Multatuli's zeer van alle andere
-geesten verschillenden geest, zoo als die zich tijdens Multatuli's
-stoffelijk leven uitte. Men had dus een zeker middel bij de hand
-om te kontroleeren, of het werkelijk Multatuli's geest was, die in
-den heer Forster sprak en of de heer Forster niet de dupe was der
-grappen van den een of anderen schalkschen spotgeest. Hierop is de
-heer Forster bedacht geweest en de bezwaren, die tegen zijn stelsel
-zouden te berde worden gebracht ten gevolge der voor iederen lezer
-der brochure verblindend duidelijke waarheid, dat de in die brochure
-zich openbarende geest hoegenaamd niets gemeen heeft met Multatuli's
-geest,--die bezwaren heeft hij van te voren meenen te weerleggen door
-een werkelijk niet weinig spitsvondig bedachte argumenteering. Het is
-de geest van Multatuli zelf, die deze argumenten ten beste geeft. Laat
-het u niet verwonderen, zegt hij ongeveer tot zijn medium Forster,
-dat gij in wat ik u thans dikteer, mijn eigenaardigen stijl en
-uitdrukkingswijze mist. De oorzaak daarvan is, dat ik nu niet meer het
-tot mijn stoffelijk omhulsel behoorend instrument tot mijn beschikking
-heb, dat mij als mensch diende om mijne gedachten te vertolken. Ik
-bedien mij thans van úw hersenen, van úw instrument, vandaar dat
-mijn gedachten thans geheel anders klinken dan voorheen. Men moet dit
-vergelijken bij een zelfde door zekeren komponist ontworpen melodie,
-die op een orgel of piano gespeeld geheel anders klinkt dan op een
-viool of fluit. Men behoort dus, zegt de geest, alleen acht te geven
-op de essence van het medegedeelde.
-
-Ons komt het evenwel voor, dat deze argumentatie, in weêrwil harer
-oogenschijnlijk bewijzende kracht, geen steek houdt, want juist
-de essence, de gedachte op zich zelve, van Multatuli's geest, was
-zoo bijzonder en eigenaardig, dat wij haar zouden herkennen van
-welk herseninstrument zij zich ook mocht bedienen om tot uiting te
-komen. Wij herkennen immers in de geschriften der Multatulianen,--in
-die van den heer Engelbert de Chateleux b.v.--onmiddellijk den geest
-van Multatuli, hoe zeer van het zijne verschillend het instrument
-ook is, dat hem ten gehoore brengt?... De gevolgtrekking ligt voor de
-hand, dat, daar juist de essence van hetgeen de aan den heer Forster
-verschenen geest vertelt geheel en al verschillend is van de essence
-van Multatuli's gedachten, slechts deze twee gevallen mogelijk zijn:
-òf de heer Forster is beetgenomen door een dier ondeugende gnomen,
-gelijk er zoovelen door het heelal rondzwerven en die zich onder
-den naam Douwes Dekker bij hem heeft aangediend, òf de essence van
-Multatuli's gedachten is veranderd. En in het laatste geval is het
-onmogelijk te kontroleeren of het werkelijk Multatuli is, die zich
-aan den heer Forster heeft geopenbaard.
-
-De geheel éénige gelegenheid om de pretentiën van het spiritisme
-te toetsen heeft dus geenerlei resultaat opgeleverd. Als de heer
-Forster niet anders tot onze kennis brengt dan eenige ouderwetsche
-godsdienstvoorstellingen, vermengd met een weinig natuurkunde,
-uit een vulgarisatie-werk opgedaan, en geuit in den eersten stijl
-den besten, ons daarbij verzekerende, dat het Multatuli is, die zoo
-schrijft met eens anders hand, dat wij hem wel aan niets herkennen,
-maar dat Multatuli's algeheele verandering daarvan de oorzaak is,
-nu ja, dan heeft hij natuurlijk goed praten. Maak dat nu maar eens uit.
-
-Daarom zeggen wij: door een vlugschrift als dit wint de bewering
-der spiritisten geenszins aan waarschijnlijkheid; doch wordt hare
-geloofwaardigheid er integendeel eerder door geschaad dan gebaat.
-
-De heer Forster schijnt eene benijdenswaardige zekerheid te hebben
-omtrent het goed recht van zijn zaak. Hij is zoo zeker van hetgeen
-zijne mededeelingen zullen uitwerken, dat hij met eenigen overmoed
-de door den geest Douwes Dekker gevulde bladzijden doet voorafgaan
-door een uitspraak door Dekker bij zijn leven over het spiritisme
-gedaan. Zij is vervat in een brief dien Dekker in 1876 aan den heer
-Forster schreef. Hij zegt daarin o.a.:
-
-"Een schoonzuster van me, die zich geheel en al aan spiritisme wijdde
-en die NB. op velerlei gebied 'n heftige tegenstandster van mij was,
-zóó zelfs dat ik vele jaren lang taal noch teeken van haar ontving,
-schreef me op eens dat "de geesten" (wie weet ik niet) haar gezegd
-hadden:
-
-"Multatuli is 'n apostel der waarheid."
-
-Ik antwoordde: "in m'n hoedanigheid van apostel der waarheid ontken ik
-'t bestaan van geesten."
-
-Nooit heb ik vernomen hoe "de geesten" zich gered hebben uit het
-(cretenser leugenaars-) dilemma, dat hieruit voortspruit."
-
-En daarna volgen dan de veertig, door Multatuli's geest den heer
-Forster voorgezegde, bladzijden, waarin hij bovenstaanden uitval
-geheel en al terugneemt en begint met te zeggen, dat het spiritisme
-de eenvoudigste zaak ter wereld is en gelijk staat met tweemaal twee
-is gelijk vier. Vervolgens beschrijft Multatuli zijn verbranding in
-den lijkoven en zijne lotgevallen in hoogere gewesten. Daarbij keurt
-hij de meeste zijner levenshandelingen van vroeger nu ten sterkste af
-en neemt het meeste terug van al wat hij geschreven heeft. Hij vindt
-zijn leven nu één leugen, ééne komedievertooning, en zijne geschriften
-zeer slecht van strekking. Toen wij lazen van zijne ontmoeting met
-Tine in de geestenwereld, vroegen wij ons onwillekeurig af, hoe het
-gaan moet als al de andere geliefde vrouwen daar later ook bij zullen
-komen. Van monogamische liefdesbegrippen schijnt in de geestenwereld
-ook al heel weinig meer over te blijven. Het einde der mededeelingen
-is, dat Multatuli's geest nogmaals geïnkarneerd zal worden en wel in
-een jongeling, die goed zal maken wat Multatuli vroeger als volwassen
-man misdreven heeft...
-
-Wij herhalen, wij kunnen in dit alles niet anders zien dan eene
-onschuldige tijdpasseering voor goedgeloovige geestenbezweerders. Wel
-moge het hun bekomen, zouden wij zeggen.
-
-
-
-De brief van den jongen Eduard Douwes Dekker is ook een eigenaardig
-dokument.
-
-Het schijnt wel dat de nagedachtenis van Multatuli een even rumoerig
-lot moet hebben als gedurende zijn leven Multatuli's deel is
-geweest. Dat wil maar niet tot rust komen. De opschudding door dezen
-held met zijn geweldige ziel in het rustige vaderland veroorzaakt,
-duurt nog maar steeds voort.
-
-De jonge Dekker behandelt in dien zeer onbezadigd gestelden brief
-zijne stiefmoeder op alles behalve eerbiedige wijze. Hij verhaalt
-hoe zijn vader háar alles (!) bij testament gemaakt heeft, dat zij
-daarom ook het recht tot de uitgave der Brieven meent te hebben,
-dat hij er aan wanhoopt om, mocht hij de zaak voor een Nederlandsche
-rechtbank brengen, door de rechters in 't gelijk gesteld te worden,
-en dat hij derhalve de zaak maar voor die rechtbank zal brengen,
-waarvan zijn vader ook zoo dikwijls gebruik heeft gemaakt, namelijk
-de rechtbank der openbare meening.
-
-Il faut laver son linge sale en famille, zegt het spreekwoord. Zelden
-werd dit spreekwoord zoo weinig in toepassing gebracht als door
-Dekker's familie, zelden werd een vuile wasch zoo volledig in 't
-publiek behandeld. Wij vernemen ook dat Tine's familie "een en al
-verontwaardiging" is. Nu, dit is geen wonder, de Van Wijnbergens,
-de Van Heeckerens, enz. maken in die Brieven niet juist een bijzonder
-luisterrijk figuur.
-
-Wat echter de voornaamste grief van Multatuli's vereerders tegen de
-uitgeefster der Brieven aangaat, luidende dat zij haar man op die
-wijze "van zijn voetstuk haalt"--hiermede kan men zich, dunkt ons,
-niet vereenigen. Het zoude een weinig soliede voetstuk genoemd moeten
-worden, dat smelten zou in het licht door de Brieven op Multatuli's
-leven en karakter geworpen. Neen, in deze voelen wij ons genoopt
-ons geheel aan de zijde der uitgeefster te scharen, die zeer juist
-heeft ingezien, dat het eene zwakke en verwerpelijke vereering is,
-een vereering op wier bestaan men niet den minsten prijs behoeft te
-stellen,--die door de lektuur der Brieven zou verminderen. Zouden
-wij dan omtrent sommige zaken in Multatuli's leven in dwaling moeten
-verkeeren of in het onzekere moeten gelaten worden, om Multatuli de
-achting en de bewondering te blijven schenken, waarop hij recht heeft
-bij de gratie van zijn ontzaglijk talent? Is het niet beter dat wij
-hem ook van de klein-menschelijke zijde leeren kennen? Zullen wij
-hem niet inniger waardeeren en waarachtiger liefhebben indien wij
-den echten mensch in hem zien, die bij al zijn grootheid toch steeds
-mensch bleef en als mensch ook zijne zwakheden had;--dan indien wij
-hem als een soort van onnatuurlijken half-god moesten beschouwen?
-
-Neen zeker, de bewondering en liefde, die op halve kennis berusten,
-kunnen nooit de ware en aanbevelenswaardige zijn.
-
-Daarom herhalen wij den bij den aanvang dezer beschouwing aan mevrouw
-Douwes Dekker geboren Hamminck Schepel gebrachten dank, voor den
-belangrijken dienst, welken zij met de uitgave dezer Brieven aan de
-Nederlandsche Letteren heeft bewezen.
-
-
-Jan.-Maart. 1891.
-
-
-
-
-
-
-
-
- Dit boek is voor het eerst verschenen in 1891 bij J. C. Loman Jr.
- te Bussum onder den titel Multatuli door A. J. Deze tweede,
- herziene, druk werd gezet uit de Gravure letter, gedrukt
- op de persen van G. J. Thieme te Nijmegen. De
- versiering van band en omslag even als de
- schutbladen zijn ontworpen door
- S. H. de Roos
-
-
-
-
-
-
-
-
-BIBLIOGRAPHIE BETREFFENDE
-K. J. L. ALBERDINGK THIJM
-DOOR BENNO J. STOKVIS.
-
-
-
-
-A.
-
-ALBERDINGK THIJMS WERKEN
-
-Chronologisch gerangschikte lijst tot het jaar 1922.
-
-[Gooi- en Eemlander, Juni of Juli 1880] [4].
-
-De eer der Fransche Meesters, 1881--Dietsche Warande N. R., IV, 483.
-
-Een wederwoord voor Dr. H. J. A. M. Schaepman, 1882--Amsterdam,
-Jan D. Brouwer.
-
-Wederzien, 1883--Amsterdam, Van Langenhuysen [5].
-
-Over Literatuur, 1886--Amsterdam, Brinkman & van der Meulen.
-
-Een Liefde, 1887--Amsterdam, Brinkman [6].
-
- 2de druk (zeer belangrijk gewijzigd)--Amsterdam, Scheltema &
- Holkema, 1899.
-
- 3de druk--Amsterdam, Scheltema & Holkema, 1919 (tevens Deel I
- der Verzamelde Werken).
-
-De Kleine Republiek, 1889--Deventer, Beitsma.
-
- 2de druk 1919--Amsterdam, Scheltema & Holkema (tevens Deel II
- der Verzamelde Werken).
-
-Multatuli, 1891--Bussum, J. C. Loman Jr.
-
- 2de druk 1922--Rotterdam, W. L. & J. Brusse.
-
-J. A. Alberdingk Thijm, 1893--Amsterdam, Loman & Funke.
-
-Akëdysséril (met etsen van Bauer), 1893--Amsterdam, Scheltema &
-Holkema [7].
-
-Blank en Geel, 1894--Amsterdam, L. J. Veen.
-
- 2de druk, 1923--Amsterdam, Meulenhoff.
-
-Verzamelde Opstellen (elf bundels), 1894-1911--Amsterdam, Scheltema
-& Holkema.
-
-Prozastukken, 1895--bij dezelfden.
-
- Herdruk 1896, als 3de Bund. Verzamelde Opstellen.
-
-Matthijs Maris-Album, 1896--Haarlem, Kleinmann & Co.
-
-Bezoek aan den Dom van Keulen, 1899--Haarlem, Enschedé; niet in
-den handel.
-
-De onschuld van den Socialist Van der Goes, 1903--Amsterdam, Scheltema
-& Holkema.
-
-Frans Coenen Jr., 1903--Amsterdam, L. J. Veen.
-
-Het Rembrandt-Feest (Open brief aan F. Coenen)--De Kroniek, 27
-Mei 1905.
-
-Verbeeldingen, 1908--Amsterdam, Scheltema & Holkema.
-
-Over de Bewegingen des Levens--Gedenkboek De Nieuwe Gids, 1910,
-pag. XLIII.
-
-Frank Rozelaar, 1911--Amsterdam, P. N. van Kampen.
-
-In Memoriam Prof. Mr. H. P. G. Quack, 1917--Niet in den handel.
-
-De Negentigjarige--Bouwkundig Weekblad, 19 Mei 1917.
-
-Verzamelde Werken (6 deelen), 1920--Amsterdam, Scheltema & Holkema.
-
-Verzamelde Werken, Nieuwe Reeks (2 deelen), 1922--Amsterdam,
-Em. Querido.
-
-
-
-Werk der laatste jaren, 1922--Amsterdam, Meulenhoff.
-
-
-
-Tijdschriftpublicaties 1 Jan. 1918-1 Oct. 1922.
-
-
-De Nieuwe Gids.
-
- Bij "Arti et Amicitiae"--1918, I, 875.
-
- Letterkundige Kritiek--1918, II, 12.
-
- Causerie over Haarlem--1918, II, 173, 323, 467.
-
- Haverman in "Pulchri Studio"--1919, I, 418.
-
- Futurisme--1920, I, 703.
-
- Muziek- en Schilderkunst--1920, I, 889.
-
- De gerestaureerde Hals--1920, I, 895.
-
- Eenig gephilosopheer--1920, II, 42.
-
- Van Oudshoorn's "Zondag"--1920, II, 223.
-
- Frans Mijnssen's "Ida Wahl"--1920, II, 371.
-
- Proza van J. A. Alberdingk Thijm--1920, II, 655.
-
- Kleine Boekbeoordeelingen (Top Naeff's "Vriendin", G. van Hulzens
- "Aan 't lichtende Strand")--1920, II, 782.
-
- Kleine Beoordeelingen ("Frühlingserwachen")--1921, I, 277.
-
- In Memoriam Dr. P. J. H. Cuypers--1921, I, 463.
-
- Neo-Plasticisme--1921, I, 523.
-
- In Memoriam Dr. Alphons Diepenbrock--1921, I, 736.
-
- Over Diepenbrock--1921, II, 677.
-
- Toorop-Tentoonstelling--1921, II, 692.
-
- Losse gedachten--1921, II, 934 en 1922, I, 18.
-
- Einsteins Relativiteitstheorie--1922, I, 153.
-
- In Memoriam Prof. G. J. P. J. Bolland--1922, I, 305.
-
- Kleine Beoordeelingen (Marie Schmitz "Marietje")--1922, I, 312.
-
- Kleine Beoordeelingen (Dr. J. L. Walch "In een laaiende
- lente")--1922, I, 492.
-
- Kleine Beoordeelingen (H. Teirlinck "De wonderbare wereld";
- Rembrandt; De zangeres Joy Mac Arden)--1922, I, 793.
-
- Felix Timmermans' Anna-Marie--1922, II, 93.
-
- Kleine Beoordeelingen [De zangeres Joy Mac Arden;
- Dostoïevsky]--1922, II, 105.
-
- Manderscheid in de Eifel, Natuurbeschrijving--1922, II.
-
-
-De Gids.
-
- Prof. Dr. J. A. Alberdingk Thijm te Mont-lez-Houffalize.--1920,
- III, 237.
-
- In Memoriam Ary Prins.--1922, II, 502.
-
-
-De Beiaard. 1920, II, 25.
-
-
- Een Vioolstruik-avond in 1881.
-
-
-Van onzen Tijd. 1920, 181.
-
- De Dietsche Warande.
-
-
-De Tijd. 13 Augustus 1920.
-
- Reconstructie van Thijm's Eetkamer, 1880.
-
-
-Het Algemeen Handelsblad. 12 Augustus 1920, Av.
-
- Charles Boissevain en J. A. Alberdingk Thijm.
-
-
-De Amsterdammer (Weekblad). 14 Augustus 1920.
-
- J. A. Alberdingk Thijm en het Weekblad De Amsterdammer. Varia
- betreffende Prof. Dr. J. A. Alberdingk Thijm.
-
-
-De Oprechte Haarl. Crt. 29 September 1920, Av.
-
- De Alberdingk Thijm-Tentoonstelling [8].
-
-
-Elseviers Maandschrift.
-
- Uit mijn Gedenkschriften, Londen, 1894.--1922, Deel LXIII,
- pag. 110 en 171.
-
- Uit mijn Gedenkschriften, Laroche, 1884.--1922, Deel LXIV,
- pag. 248.
-
-
-De Haagsche Post.
-
- Manderscheid in de Eifel.--12 Augustus 1922.
-
-
-Groot-Nederland.
-
- Naar het Dal--1922, II, 381.
-
-
-Voorredenen bij:
-
- P. C. Boutens, Verzen, 1898--Amsterdam.
-
- Catalogue de la collection de M. Ph. Zilcken [9], 1902--Den Haag,
- Mart. Nijhoff en R. W. P. de Vries.
-
- Henri Hartog, Sjofelen, 1904--Rotterdam.
-
- L. J. Baronesse van der Borch, vertaling van Oscar Wilde's "De
- Profundis", 1905--Amsterdam.
-
- Jan Hofker, Gedachten en verbeeldingen, 1906--Amsterdam.
-
- Philippe Zilcken, Drie maanden in Algerië, 1909--Den Haag.
-
- H. Laman Trip-de Beaufort, Vondel, 1920--Arnhem.
-
- Coers Lied--Inleiding tot het textboekje bij de liederen-uitvoering
- der Utrechtsche Studenten-Zangvereeniging "Coers' lied" op 20
- Juni 1921.
-
- Henriette Mooy, Acht dagen, Wieltocht, 1921.--Bussum.
-
-
-Verder verschenen nog:
-
- Albert Verwey, Ludwig van Deyssel: "Aufsätze über Stefan George
- und die jüngste dichterische Bewegung", 1905--Berlin, Karl Schnabel
- [10].
-
- Of Prose, Transl. by A. Teixeira de Mattos--The London Mercury,
- April 1920.
-
- Prosagedichte von Lodewijk van Deyssel, Uebers. von Benno
- J. Stokvis--De Tijdspiegel, 15 Mei 1921.
-
- Prosagedichte von Lodewijk van Deyssel, Uebers. von Benno
- J. Stokvis--Deutsche Wochenzeitung für die Niederlande, 28 Januari,
- 4 Februari 1922.
-
- Prosagedichte von Lodewijk van Deyssel, Einzig
- autorisierte Uebersetzung aus dem Holländischen von Benno
- J. Stokvis--Leipzig-Amsterdam, 1923.
-
-
-
-
-
-B.
-
-OVER K. J. L. ALBERDINGK THIJM
-
-Lijst van tot op October 1922 verschenen beschouwingen.
-
-
-Acket, J. M., "Lodewijk van Deyssel", 1897--Amsterdam, Scheltema &
-Holkema (ook: De Gids, 1896, IV, 37).
-
-Beer, T. H. de, "L. van Deyssel's Wederzien"--De Portefeuille, V,
-pag. 33 (cf. pag. 62).
-
-Beer, T. H. de, "Het boek over Alberdingk Thijm"--De Portefeuille,
-XV, pag. 297.
-
-Boeken, H. J., "Naar aanleiding van Van Deyssel's Vijfden Bundel"--De
-Kroniek, VII, 365 (16 November 1901).
-
-[Boissevain, Ch.], "L. van Deyssel's Verzamelde Opstellen"--Algemeen
-Handelsblad, 11 November 1894, Av.
-
-Brink, J. ten, "Letterkundige stormvlagen" (F. Netscher en L. van
-Deyssel)--Weekblad De Amsterdammer, 1886, No. 466 (30 Mei).
-
-Brom, G., "Lodewijk van Deyssel"--Annuarium R. K. Stud., 1902.
-
-Brom, G., "Alberdingk Thijm en Van Deyssel"--De Beiaard, 1921, II, 460.
-
-Coenen, Fr., "De Kleine Republiek" in "Studiën over de
-Tachtiger-Beweging"--Groot-Nederland, November 1920.
-
-Deventer, Ch. M. van, "Lodewijk van Deyssel beschuldigd"--De Kroniek
-II, pag. 4 [11].
-
-Deventer, Ch. M. van, "Een tweede druk"--Hollandsche Belletrie van
-den Dag I, 130; Haarlem, 1901.
-
-Deventer, Ch. M. van, "Bevangen kritiek"--ibid. II, 54; Haarlem, 1904.
-
-Deventer, Ch. M. van, "Een geniaal schrijver"--ibid. II, 211.
-
-Diepenbrock, A., "Over L. van Deyssel"--De Kroniek II, pag. 19.
-
-Eckeren, G. van, "Lodewijk van Deyssel's Frank Rozelaar"--Den gulden
-Winckel 1911, pag. 88.
-
-Eeden, Fred. van, "Een onzedelijk boek", 1888--Studies I, 28;
-Amsterdam 1890.
-
-Eckeren, G. van, "L. van Deyssel", 1902--Studies IV, 348; Amsterdam
-1904.
-
-Eckeren, G. van, "L. van Deyssel" (De kleine Republiek), 1889--Studies
-IV, 363. (passim: Studies IV, 292-379: "Over Woordkunst").
-
-Erens, F., "L. van Deyssel" (5de Bund. Verzamelde Opstellen),
-1901--Litteraire Wandelingen, pag. 167; Amsterdam 1906.
-
-Erens, F., "Twee schrijvers" (van Deyssel en Couperus)--Gangen en
-Wegen, Bussum 1912.
-
-Ginneken, Jac. van, Handboek I, 328--Nijmegen, 1913.
-
-Goes, F. van der, "Over Socialistische Aesthetiek" I, II--Nieuwe Gids,
-Jaargang VI, Deel I, pag. 369 en Jaargang VII, Deel II, pag. 113 [12].
-
-Gorter, H., "Een Liefde" en "De Kleine Republiek" in "Kritiek op de
-Litteraire Beweging van 1880"--De Nieuwe Tijd, III, 603.
-
-Gouwetor, D. J., "Lodewijk van Deyssel"--School en Leven, V, pag. 23,
-42, 52.
-
-Graaf, A. de, "Ongevraagd pleidooi, Lodewijk van Deyssel verdedigd"--De
-Kroniek II, pag. 12.
-
-Hall, J. N. van, (aankond. "De Kleine Republiek")--De Gids 1889,
-I, 177.
-
-Hall, J. N. van, (aankond. "J. A. Alberdingk Thijm")--ibid. 1893,
-II, 550.
-
-Hall, J. N. van, (aankond. "Eerste Bund. Verzamelde
-Opstellen")--ibid. 1894, IV, 550.
-
-Hall, J. N. van, (aankond. "Blank en Geel")--ibid. 1894, IV, 561.
-
-Hall, J. N. van, (aankond. "Prozastukken")--ibid. 1895, IV, 572.
-
-Hall, J. N. Van, (aankond. "Vijfde Bund. Verzamelde
-Opstellen")--ibid. 1900, IV, 587.
-
-Hallema, Anne, "L. van Deyssel's Verbeeldingen"--Groot-Nederland,
-1909, II, 230.
-
-Hamel, A. G. Van, "De vertaling van Akëdysséril"--De Gids, 1897, II,
-139 en 1897, II, 567.
-
-Havelaar, Just., "Lodewijk van Deyssel"--De Gids 1912, IV, 115.
-
-Heyermans, H., "Eene Antikritiek"--De Jonge Gids, II, pag. 50, 200
-[13].
-
-Kloos, W., "Frans Netscher en Lodewijk van Deyssel", 1886.--Nieuwere
-Litt. Gesch. I, 182; Amsterdam, 1904.
-
-Kloos, W., "L. van Deyssel" (Een Liefde), 1888--ibid. II, 87.
-
-Kloos, W., "L. van Deyssel" (De Kleine Republiek) 1889--ibid. II, 121.
-
-Kloos, W., "L. van Deyssel's Uit het leven van Frank Roz."--De Nieuwe
-Gids 1911, II, 711.
-
-Kloos, W., "De epische kunst van Van Deyssel"--De Nieuwe Gids 1920,
-II, 417.
-
-Koo, J. De, "Een Liefde en de kritiek"--Weekblad De Amsterdammer,
-1888 (Nos 565, 566, 567).
-
-Koster, Edw. B., "Van Deyssel's jongste boek"--Los en Vast, 1896,
-pag. 69.
-
-Kranendonk, A. G. van, "George Gissings Rycroft en Frank
-Roz."--Groot-Nederland 1918, II, 77.
-
-Langenhuysen, C. L. van, "Waarschuwing of...?" [14]--Het Dompertje
-van den ouden Valentijn, 1 Juli 1893.
-
-Lapidoth, F., "Van Deyssel als Criticus"--Los en Vast, 1894, pag. 417.
-
-Lohman, Anna de Savornin, "Lodewijk van Deyssel"--Over Boeken en
-Schrijvers, pag. 89, Amsterdam, 1903.
-
-Lohman, Anna de Savornin, "Van Deyssel en Van Nievelt"--ibid. pag. 99.
-
-Mandele, Egb. C. van der, "Van Deyssel's Een Liefde"--De Tijdspiegel
-1920, pag. 182.
-
-Meester, Johan. de, "Lodewijk van Deyssel"--Woord en Beeld, 1897,
-pag. 361.
-
-Meester, Johan. de, "Lodewijk van Deyssel"--Nw. Rott. Ct., 23 Mei
-1911, Av.
-
-[Netscher, F.], "K. J. L. Alberdingk Thijm"--De Hollandsche Revue,
-1903, pag. 687.
-
-Nouhuys, W. G. van, "Lodewijk van Deyssel"--Studiën en Critieken,
-pag. 146; Amsterdam, 1897.
-
-Nouhuys, W. G. van, "Lodewijk van Deyssel's vierde bundel"--De
-Nederl. Spectator, 1899, pag. 202.
-
-Nouhuys, W. G. van, "Lodewijk van Deyssel's vijfde bundel"--De
-Nederl. Spectator, 1901, pag. 54.
-
-Nouhuys, W. G. van, "L. van Deyssel's Bund. VIII en
-IX"--Groot-Nederland, 1906, II, 116.
-
-Oliveira, E. d', "Lodewijk van Deyssel"--De mannen van 80, pag. 15;
-Amsterdam (W. B.), 2de dr. z. j.
-
-Oude, J. van den [15], "Lodewijk van Deyssel"--Literarische Interludiën
-II, 193; Leiden 1902.
-
-Persijn, J., "Lodewijk van Deyssel"--Dietsche War. en Belfort, 1906,
-pag. 85.
-
-Prinsen, J., "Lodewijk van Deyssel"--Handboek, pag. 686; Den Haag 1916.
-
-Prinsen, J., "Lodewijk van Deyssel's Verzamelde Werken"--De
-Amsterdammer 19 Febr. 1921.--cf. ibid. 4 Maart 1922.
-
-[Proost, K. F.], "Van Deyssel"--De Hervorming, 6 December 1919.
-
-[Proost, K. F.], "Van Deyssel's Kunst en Kritiek"--ibid., 2 September
-1922.
-
-Querido, Is., "L. van Deyssel's achtste Bund. Verzamelde Opstellen
-en Verbeeldingen"--Letterkundig Leven I, 99; Amsterdam 1916.
-
-Querido, Is., "L. van Deyssel's negende Bund. Verzamelde
-Opstellen"--Studiën I, 187; Amsterdam (W. B.), 2de druk 1910.
-
-Querido, Is., "L. van Deyssel's elfde Bund. Verzamelde Opstellen"--
-Studiën II, 262; Amsterdam (W. B.), z. j.
-
-Querido, Is., "Lodewijk van Deyssel"--Geschreven Portretten, pag. 29;
-Amsterdam, 1912 (ook: De Ploeg III, 211).
-
-Querido, Is., "Lodewijk van Deyssel"--Nieuwe Rotterdamsche Courant
-21 December 1912--cf. Algemeen Handelsblad 3 Dec. 1921.
-
-Querido, Is., "Lodewijk van Deyssel"--Het Leven, 6 Februari 1922.
-
-Querido, Is., "Kunst en Kritiek, door L. van Deyssel"--Algemeen
-Handelsblad, 30 September 1922.
-
-Raaf, K. H. de en J. J. Griss. "Lodewijk van Deyssel"--Zeven Eeuwen
-IV, 457; Rotterdam, 1920.
-
-Reuth, Norbert van, "Lodewijk van Deyssel"--De Katholieke Gids, 1895,
-pag. 207 en 1896, pag. 98.
-
-Reuth, Norbert van, "Lodewijk van Deyssel en nog wat"--De Katholieke
-Gids, 1897, pag. 141.
-
-Ritter, P. H., "Lodewijk van Deyssel"--Serie: Mannen en vrouwen van
-beteekenis, deel XLII, afl. 12, Haarlem, 1910--2de druk 1921, Baarn.
-
-Robbers, H., "L. van Deyssel's zevende bundel"--Elsevier, 1905,
-Deel XXIX, pag. 69.
-
-Robbers, H., "L. van Deyssel's achtste bundel"--ibid., 1906, Deel XXXI,
-pag. 213.
-
-Robbers, H., "L. van Deyssel's Verzam. werken",--ibid., 1920, Deel LX,
-pag. 428 en 1921, Deel LXI, pag. 419.
-
-Robbers, H., De Ned. Litt. na 1880, pag. 30 (en passim)--Amsterdam,
-1922.
-
-Schaepman, H. J. A. M., "Het goed recht der Katholieke Kritiek"--Onze
-Wachter, 1882, I, 20.
-
-Schaepman, H. J. A. M., "Deysseliana"--ibid. pag. 271.
-
-Schaepman, H. J. A. M., "Nog over de Tooneelkwestie"--ibid. pag. 286.
-
-Schaepman, H. J. A. M., "Het sterfbed van Bossuet"--ibid. pag. 345.
-
-Scharten, Carel, "Over Prozakunst"--De krachten der Toekomst, I, 95;
-Amsterdam, 1909.
-
-Scharten, Carel, "L. van Deyssel's Verbeeldingen"--De Gids, 1909,
-I, 206.
-
-Scharten, Carel, "L. van Deyssel's elfde Bund. Verzamelde
-Opstellen"--ibid. 1912, I, 569.
-
-Scharten, Carel, "L. van Deyssel's Frank Roz."--ibid. 1912, I, 361.
-
-Scharten, Carel, "Van Deyssel de sublieme..."--De Telegraaf, 12
-Augustus 1922.
-
-[Smit-Kleine, F.], "L. van Deyssel's Over Literatuur"--Nederland,
-1886, II, 224.
-
-Stokvis, Benno J., "Lodewijk van Deyssel"--De Tijdspiegel, 15 April
-1921.
-
-Stokvis, Benno J., "L. van Deyssel, Een samenvattende studie",
-1921--Amsterdam.
-
-Stokvis, Benno J., "Bibliographie Van Deyssel"--Het Boek 1921,
-pag. 235 en 373.
-
-Stokvis, Benno J., "Lodewijk van Deyssel"--Deutsche Wochenzeitung
-für die Niederlande, 20 Mei 1922.
-
-Verwey, Alb., "Mijn meening over L. van Deyssel's roman Een Liefde",
-1888 (oorspr. brochure, herdrukt in) De oude strijd, pag. 245;
-Amsterdam, 1905.
-
-Verwey, A., "Frank Rozelaar"--De Beweging, 1911, III, pag. 91.
-
-Verwey, A., "L. van Deyssel's Prozastukken"--De Kroniek I, pag. 388.
-
-Veth, J., "Album Thijs Maris"--De Kroniek, VI, 344, (27 October 1900).
-
-Vooys, C. G. N. de, "K. J. L. Alberdingk Thijm"--Historische Schets
-van de Nederl. Letterk. pag. 159; Groningen 8ste druk, 1916.
-
-Wal, H. van der, "Een opmerking"--De Kroniek, 5 November 1904.
-
-Wal, H. van der, "L. van Deyssel's Frank Rozelaar"--Groot-Nederland,
-1912, I, 129.
-
-Winkel, J. Te., "L. van Deyssel" in "Letteren en Taal"--Een Halve Eeuw,
-gedenkboek Nieuws van den Dag, 1898, II, 309 (en passim).
-
-Wijck, J. van der, "L. van Deyssel's zevende Bund. Verzamelde
-Opstellen"--Onze Eeuw, IV, 4, 469 (1904).
-
-Wijck, J. van der, "L. van Deyssel's negende Bund. Verzamelde
-Opstellen"--Onze Eeuw, VI, 4, 302, (1906).
-
-Wolfgang, "A. J.'s Multatuli"--De Nederlandche Spectator, 1891,
-pag. 344.
-
-
-
-Anonieme beschouwingen.
-
-"L. van Deyssel's over Literatuur"--De Portefeuille, VIII, pag. 97.
-
-"Van Deyssel's Ommekeer"--Noord en Zuid, XXIII, 219 (cf. XXIV, 156).
-
-"Vallende sterren"--ibid. XXV, 446.
-
-"Van Deyssel's Een Liefde"--De Lantaarn, 1 Jan. 1888 [16].
-
-"Groote Woorden"--ibid., 1 April 1888 [17].
-
-"Een ander inzicht"--ibid., 15 September 1888.
-
-"J. A. Alberdingk Thijm door A. J."--De Dietsche Warande, 1893,
-pag. 417.
-
-"Waarschuwing"--Het Dompertje van den Ouden Valentijn, 15 Juni 1893.
-
-"Blank en Geel door A. J."--De Tijdspiegel, 1895, I, 422.
-
-"Blank en Geel door A. J."--Elseviers Maandschrift, 1895, Deel IX,
-pag. 235.
-
-"Gedurfde Beweringen", in "Terugblik"--Ons Tijdschrift 1907, pag. 176.
-
-"L. van Deyssel"--Zelfkeur I, 23; Amsterdam (W. B.), 1907.
-
-"Lodewijk van Deyssel"--De Nieuwe Rotterdamsche Courant, 21 September
-1914, Av.
-
-"L. van Deyssel's Verzamelde Werken"--Het Nieuws van den Dag, 18
-Nov. 1919, Av.
-
-"Lodewijk van Deyssel"--De Haagsche Post, 25 December 1920.
-
-"Een zuiveraar onzer cultuur"--Nieuwe Rotterdamsche Courant 10
-Dec. 1921.
-
-"Van Deyssels Verzamelde Werken, Nieuwe Reeks"--De Haagsche Post,
-9 September 1922.
-
-
-
-Anonieme beschouwingen in de jaargangen van:
-
-Nederland.
-
-"Multatuli door A. J."--1891, III, 366.
-
-"A. J., J. A. Alberdingk Thijm"--1893, II, 233.
-
-"A. J., Blank en Geel"--1894, III, 460.
-
-"L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen Bund. II"--1896, III, 505.
-
-"L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen Bund. IV"--1898, III, 502.
-
-"Een Liefde, 2de druk"--1899, III, 510.
-
-"L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen Bund. V"--1900, III, 498.
-
-"L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen Bund. IX"--1906, III, 126.
-
-"L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen Bund. X"--1908, II, 120.
-
-"Verbeeldingen door L. van Deyssel"--1908, III, 484.
-
-"Frank Rozelaar door L. van Deyssel"--1911, III, 118.
-
-"L. van Deyssel's Elfde Bundel"--1912, I, 235.
-
-
-De Tijdspiegel.
-
-"L. van Deyssel's Verzamelde Opstellen Bund. I en Een Liefde 2de
-druk"--1900, I, 263 (M. S.).
-
-"L. van Deyssel's Vijfde Bund."--1901, II, 112.
-
-"Frans Coenen Jr. door L. van Deyssel"--1903, III, 95.
-
-"L. van Deyssel's Zevende Bund."--1904, III, 463.
-
-"L. van Deyssel's Negende Bund."--1906, III, 126.
-
-"L. van Deyssel's Tiende Bund."--1908, II, 215.
-
-"L. van Deyssel's Verbeeldingen"--1909, I, 313.
-
-"L.van Deyssel's Elfde Bund."--1912, I, 402 (J.Gr.).
-
-
-Parodieën.
-
-Ikkink, C. A., "Lodewijk van Deyssel treedt op als acteur"--Een Nacht
-vol Dwaasheden, I, 129; Breda, z. j.
-
-Paap, W. A., "Vincent Haman", 1898--Amsterdam. (2de druk 1908).
-
-
-
-Beschouwingen passim belangrijk [18].
-
-Adama van Scheltema, C. S., "De grondslagen eener nieuwe poëzie"
-(pag. 17, 35, 108, etc. etc.)--Rotterdam, 1907.
-
-Beer, T. H. de, "Geschiedenis der Nederl. Letteren 1880-1890",
-(pag. 63)--Kuilenburg, 1892.
-
-Binnewiertz, A. M. J. I., "Letterkundige Opstellen I"--Utrecht, 1905.
-
-Boer, J. de, "De Geestelijke bloei van Holland"--Gedenkboek de Nieuwe
-Gids 1910.
-
-Brink, J. ten, "De oude Garde en de jongste School", II, 9--Amsterdam,
-1891.
-
-Chantepie de la Saussaye, P. D., "Het mystieke in onze nieuwste
-letteren"--Geestelijke stroomingen, pag. 346; Haarlem, 2de druk, 1914.
-
-Erens, F., "De Navolging Christi" (Voorrede, pag. IV)--Amsterdam, 1907.
-
-Goes, F. van der, "Welke Beweging?"--De Kroniek, 5 Nov., 12 Nov.,
-26 Nov., 27 Dec. 1904.
-
-Gorter, H., "Kritiek op de Literaire Beweging van 1880 in Holland"--De
-Nieuwe Tijd, II (pag. 214, 215, etc).
-
-Gorter, H., "School der Poëzie" (Voorrede)--Amsterdam, 1897.
-
-Hartog, H., "Een eigenwijs Schrijfster" (Anna de Savornin
-Lohman)--Brusse, Letterkundige Vlugschriften I, Rotterdam, 1903.
-
-Hoogstraten, P. F. Th. van, "Pater Jonckbloet over Multatuli"--Studiën
-en Kritieken, III, 7; Nijmegen, Malmberg, 1897.
-
-Jonckbloet, G., "Multatuli" (vooral Hoofdstuk II)--Amsterdam, 1894.
-
-Kuyper, R., "Het Proletariaat en de Kunst"--Marxistische Beschouwingen
-I, pag. 126, 127; Amsterdam, 1920.
-
-Moltzer, H. E., "Het kunstbegrip der Nieuwe-Gidsschool", 1896--Niet
-in den handel.
-
-Noach, S. M., De Camera en Van Deyssel's Badplaatsschetsen--De Nieuwe
-School, 1912, pag. 170.
-
-Nouhuys, W. G. van, "Het jongste Nederlandsche Proza"--Los en Vast,
-1890, pag. 27.
-
-Poort, H., "Literatuur"--Amsterdam (W. B.), 1918.
-
-Roland Holst--van der Schalk, H., "Middeneeuwsche en moderne
-Mystiek"--De Nieuwe Tijd, III (o. a. pag. 129).
-
-Roland Holst--van der Schalk, H., "Socialisme en Literatuur"
-(pag. 61)--Amsterdam, 2de druk, 1900.
-
-Valkhoff, P., "Over Vertaalkunst"--De Gids, 1909, II.
-
-Verhoef, Toon, "Over Socialistische Kunst"--De Socialistische Gids,
-1922.
-
-Walcheren, P. van der Meer de, Kritiek Stokvis, "L. van Deyssel"--De
-Nieuwe Eeuw, 10 Dec. 1921.
-
-Wessem, C. van, "Onze hedendaagsche Letterkunde"--Den Gulden Winckel,
-November 1913.
-
-
-
-
-TOELICHTING
-
-Ondanks nauwgezetten naspeuringsarbeid blijft een bibliographische
-schets als deze, uitteraard steeds voor vervollediging
-vatbaar. Opgemerkt zij intusschen, dat naar een bijeenbrengen der
-talloos vele kleine dagblad-aankondigingen van publicaties door Van
-Deyssel in dit overzicht niet werd getracht.
-
-De lijst van Van Deyssel's eigen werken is volledig voor zooveel
-betreft de opgave van de door hem geschreven boeken en de opsomming
-zijner tijdschrift-artikels na het jaar 1918. Het was nog niet mogelijk
-een lijst samen te stellen van Van Deyssel's niet in de "Verzamelde
-Opstellen" gebundeld jeugd- en later werk: de vele bijdragen in de
-eerste jaren van zijn optreden onder allerlei schuilnamen en letters
-gepubliceerd in "De Dietsche Warande", "Weekblad De Amsterdammer",
-"De Portefeuille" etc., zijn niet in deze Bibliographie te vinden.
-
-
-30 September 1922.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD
-
-
- Vooraf. Bladz. 5
-
- I. Letterkundige beteekenis van Multatuli en zijn werk. 11
- II. Multatuli en "De Menschen" 41
- III. Multatuli en de Vrouwen. 167
- IV. Polemiek. Konkluzie. 247
-
- Bibliographie betreffende K. J. L. Alberdingk Thijm door
- Benno J. Stokvis. I
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Brieven van Multatuli. Bijdragen tot de kennis van zijn
-leven. Gerangschikt en toegelicht door Mevr. Douwes Dekker,
-geb. Hamminck Schepel. Het ontstaan van den Havelaar, 1859. Amsterdam,
-W. Versluys. 1890. Brieven van Multatuli, enz. De Havelaar verschenen,
-1860. Amsterdam, W. Versluys, 1890.
-
-[2] Op zijne aanbieding van den Eerlooze.
-
-[3] De uitgeefster teekent hierbij aan, dat dit onjuist is.
-
-[4] Daar alle oude jaargangen van dit blad eenige jaren geleden
-verbrand zijn, is het onmogelijk den juisten datum en titel van dit
-"ingezonden stuk" (?) op te sporen.
-
-[5] 30 exemplaren; niet in den handel geweest.
-
-[6] 550 exemplaren.
-
-[7] 100 exemplaren.
-
-[8] Ingezonden stuk.
-
-[9] "Dont la vente aura lieu les 13e, 14e et 15e mai, 1902".
-
-[10] Uebersetzt von Fr. Gundolf.
-
-[11] Polemiek. Van Deventer wordt aangevallen door A. de Graaf
-(De Kroniek II, pag. 12). Ook Diepenbrock treedt in het strijdperk
-(pag. 19). De Graaf antwoordt (pag. 29). Van Deyssel schrijft "Een
-woord van verklaring" (pag. 35). Van Deventer neemt de pen op tegen
-Diepenbrock (pag. 36). Ten slotte De Graaf tegen Diepenbrock (pag. 46).
-
-[12] Naar aanleiding van Van der Goes' vertaling van Bellamy's "In het
-jaar 2000" schrijft Van Deyssel "Gedachte, Kunst, Socialisme" (Nieuwe
-Gids, Jaarg. VI, I, pag. 249, en Verzamelde Opstellen, Bund. III,
-pag. 41). Van der Goes antwoordt met "Over Socialistische Aesthetiek
-I", (Nieuwe Gids, l. c. pag. 369). Van Deyssel publiceert daarop
-"Socialisme" (Nieuwe Gids, Jaarg. VII, I, pag. 365, en Verzamelde
-Opstellen, Bund. III, pag. 275). Ten slotte Van der Goes met
-"Socialistische Aesthetiek II" (Nieuwe Gids, Jaarg. VII, II, pag. 113).
-
-[13] Dit polemiekje tusschen Heyermans en Van Deyssel betreffende den
-roman "Diamantstad" is later in het voorbericht tot dat boek opgenomen.
-
-[14] Naar aanleiding van een anoniem stuk, zie hierna.
-
-[15] C. van Nievelt.
-
-[16] Antwoordend ingezonden stuk door Van Deyssel (onder opschrift
-"Een Liefde") en repliek door J. H. Rössing: De Lantaarn, 1 Maart 1888.
-
-[17] cf. Ingezonden stuk, Weekblad De Amsterdammer, 15 Jan. 1888.
-
-[18] Slechts eenige der meer onbekende, doch belangwekkende, niet
-speciaal over Alberdingk Thijm geschreven, maar toch hem behandelende
-beschouwingen, zijn hier genoemd.
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Multatuli, by Lodewijk van Deyssel
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MULTATULI ***
-
-***** This file should be named 51869-8.txt or 51869-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/1/8/6/51869/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.