summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/52341-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/52341-8.txt')
-rw-r--r--old/52341-8.txt16441
1 files changed, 0 insertions, 16441 deletions
diff --git a/old/52341-8.txt b/old/52341-8.txt
deleted file mode 100644
index 0bf9d91..0000000
--- a/old/52341-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,16441 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Het Leven der Dieren
- Deel 3. Afdeling 2. De Visschen
-
-Author: A. E. Brehm
-
-Release Date: June 15, 2016 [EBook #52341]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER VISSCHEN.
-
-
-De Visschen zijn Gewervelde Dieren, die gedurende geheel hun leven
-uitsluitend door kieuwen ademen. Deze weinige woorden behelzen een
-veel scherper en duidelijker bepaling van de klasse der Visschen
-dan door een nauwkeurige beschrijving van alle organen verkregen kan
-worden. (Niet volkomen toepasselijk is zij voor de 4 soorten omvattende
-groep der Salamander- of Longenvisschen; behalve kieuwen, die ook
-bij hen de belangrijkste ademhalingsorganen zijn, hebben zij longen.)
-
-De bewoner van het binnenland, die geen andere dan zoetwatervisschen
-kent, verkrijgt, door vergelijking van hun zeer uiteenloopende gestalte
-toch slechts een zeer flauwe voorstelling van de menigvuldigheid van
-vormen der Visschen in 't algemeen, die in dit opzicht bij geen der
-andere klassen van Gewervelde Dieren ten achter staan. Hoewel de meeste
-een soortgelijken vorm hebben, als onze gewone Zoetwatervisschen,
-wijken vele er op de meest verschillende wijzen van af en vertoonen
-allerlei vreemdsoortige eigenaardigheden, waarbij ook zulke, die op ons
-den indruk maken van leelijke misvormingen. De romp kan langwerpig zijn
-als die van een Slang of van een Worm, door zijdelingsche afplatting de
-gedaante van een lint aannemen of tevens in de lengterichting inkrimpen
-en zich afronden tot een verticale schijf, ook kan hij van boven naar
-onderen samengedrukt zijn, zich in horizontale richting verbreeden en
-aan de zijden bovendien vleugelvormige aanhangsels verkrijgen; enkele
-lichaamsdeelen zijn soms bovenmatig verlengd, ondergaan allerlei
-wijzigingen, verdraaiingen en misvormingen, andere vereenigen zich
-met elkander, nog andere verdwijnen geheel. Bij geen enkele klasse
-van Gewervelde Dieren is het aantal voorbeelden van vreemdsoortige,
-onbegrijpelijke aanhangselen, die als 't ware toevoegselen zijn aan
-den regelmatigen bouw, zoo groot als bij de Visschen; deze klasse
-overtreft alle overige door de veelzijdigheid van rangschikking der
-ledematen en zintuigen.
-
-De lichaamsvorm van de Visschen kenmerkt zich vooral, doordat de
-geleding, die men bij verreweg de meeste overige Gewervelde Dieren
-opmerkt, bij hen minder duidelijk is; ternauwernood kan men kop, romp
-en staart onderscheiden. De kop is onmiddellijk met den romp verbonden
-en laat meestal geen beweging toe. De beweeglijke hals, die voor het
-zwemmen hinderlijk zou zijn, ontbreekt hier geheel. De romp is van
-voren stijf, wordt verder naar achteren buigzamer en gaat onmerkbaar
-over in den staart, die wegens de beweeglijkheid der wervels, welke
-hier haar grootsten omvang bereikt, als zwemorgaan de belangrijkste
-beteekenis heeft. Deze eigenaardige lichaamsbouw staat in zeer nauw
-verband met de beweging van den Visch, waarbij het zijwaarts buigen
-van de wervelkolom door de sterk ontwikkelde spieren van den romp een
-hoofdrol speelt; tot vermeerdering van de hierdoor beoogde werking
-dienen de vliezige kammen op het midden van rug- en buikzijde, de
-door beenige of kraakbeenige vinstralen gesteunde, onparige vinnen,
-die opgericht en neergelegd kunnen worden. Daarentegen schijnen de
-parige vinnen, de borst- en buikvinnen, die de plaats innemen van de
-voorste en achterste ledematen der overige Gewervelde Dieren, meer voor
-'t sturen geschikt. De onparige vinnen zijn gelegen in het middelvlak
-(waardoor het lichaam in twee symmetrische helften wordt verdeeld) en
-ontstaan gedurende het embryonale leven als een eenvoudige huidplooi,
-die een onafgebroken omlijsting vormt van het achterste deel van den
-stam; soms verlengt deze huidplooi zich zoover naar voren, dat zij
-aan de bovenzijde den kop, aan de onderzijde de aarsopening bereikt;
-tevens ontwikkelen zich daarin kraakbeenige of beenige, verticale
-stralen, die op andere skeletdeelen rusten. Zelden, o. a. bij de
-Aal, blijft de vin op dezen ontwikkelingstrap staan; in den regel
-verdeelt zij zich, zoowel aan de boven- als aan de onderzijde, in
-een voorste en een achterste afdeeling: de rugvin, de staartvin en
-de aarsvin. Niet zelden komt een verdere splitsing van de rugvin in 2
-of 3, van de aarsvin in 2 deelen voor. De vinstralen bestaan soms uit
-twee innig met elkander vereenigde helften (een rechter en een linker),
-die in dwarse richting geen verdeeling vertoonen (ongelede stralen),
-soms uit twee naast elkander gelegen reeksen van stukjes kraakbeen of
-been, die door naden verbonden zijn en zich naar buiten herhaaldelijk
-vorksgewijs kunnen vertakken (gelede vinstralen). De voorste, ongelede
-stralen van de rug- en borst-, soms ook van de buik- en aarsvinnen,
-bereiken bij vele Been- en Ganoïd-visschen een aanzienlijke grootte
-en kunnen wegens hun stevigheid en scherpe spits als wapens dienen;
-zij heeten "stekels". Ook bij de Kraakbeenvisschen (Haaien en Roggen)
-komen zulke wapens voor, die echter nooit uit twee onderling vereenigde
-helften bestaan; wegens hun wijze van ontwikkeling en bevestiging
-aan de huid moeten zij met tanden vergeleken worden.
-
-De stralen van rug- en aarsvin worden gedragen door eigenaardige
-steunbeenderen, die van onderen, waar zij tusschen de spieren eindigen,
-spits toeloopen; zij heeten tusschendoornbeentjes, daar zij tusschen
-de doornuitsteeksels der wervels gelegen, maar er niet direct mede
-verbonden zijn; die van de rugvin liggen tusschen de bovenste,
-die van de aarsvin tusschen de onderste doornuitsteeksels. Zij
-worden door zwakke spieren bewogen en zijn met de stralen door een
-gewricht verbonden, die van de stekels op een bijzonder stevige
-wijze. De steunbeenderen van de staartvinstralen zijn (wegens de
-hier plaats hebbende vergroeiingen) bij de meeste Visschen moeielijk
-te herkennen, doch komen in aanleg met die van de overige onparige
-vinnen overeen. Belangrijke vormverschillen merkt men aan de staartvin
-op. De eenvoudigste inrichting, die bij de hoogere Visschen gedurende
-de eerste tijdperken van het embryonale leven en bij de allerlaagst
-ontwikkelde typen (het Lancetvischje en de Rondbekkigen), blijvend
-voorkomt, is, dat de wervelkolom of de haar voorafgaande ruggestreng
-zich tot aan het achterste uiteinde van het lichaam uitstrekt en
-symmetrisch omgeven wordt door het nog niet door stralen gesteunde
-vinvlies. Zulke Visschen heeten gelijkstaartig (diphycerk). Weinig
-hooger ontwikkeld is de staartvin van de Salamandervisschen en sommige
-Ganoïd-visschen, waar het vinvlies echter vinstralen bevat en de as
-van het geraamte den achterrand van de staartvin bereikt. De staartvin
-is bij de Haaien en Roggen, de meeste Ganoïd-visschen en bij nagenoeg
-alle jonge Beenvisschen in een bovenste en een onderste stuk verdeeld,
-doordat het uiteinde van de wervelkolom zich bovenwaarts buigt: zulke
-Visschen heeten ongelijkstaartig (heterocerk). Bij de Beenvisschen is
-op lateren leeftijd uitwendig van het naar boven gekromde uiteinde van
-de wervelkolom weinig of niets meer te zien: zij zijn gelijkstaartig
-(homocerk) geworden.
-
-De borstvinnen worden gedragen door een (bij de Beenvisschen
-aan 't kopskelet gehechte) boogvormige reeks van beenderen, den
-"schoudergordel", waarmede achtereenvolgens een middelste afdeeling
-van zeer verschillend maaksel en een reeks van kleine, cilindervormige
-steunbeenderen voor de vinstralen verbonden zijn. Als drager voor de
-buikvinnen dient een plat been of kraakbeen, dat niet met het overige
-skelet verbonden is, maar vrij tusschen de buikspieren eindigt. Bij de
-meeste Visschen is het (als bij den Snoek) ongeveer op het midden van
-de lichaamslengte, tamelijk dicht bij de aarsopening, dus op eenigen
-afstand achter de borstvinnen gelegen; deze heeten "buikvinnig";
-bij andere, "Borstvinnigen" genaamd, is het (als bij de Baars)
-meer naar voren onder de borstvinnen geplaatst; bij nog andere,
-veel minder talrijke Visschen (b.v. bij den Kabeljauw) is het nog
-meer naar voren, onder de keel, dus vóór de borstvinnen verschoven;
-deze noemt men "keelvinnig."
-
-De huid van de Visschen bestaat, evenals die van de overige Gewervelde
-Dieren, uit twee lagen: de stevige, vezelige lederhuid en de opperhuid,
-welker buitenste cellen meestal in een taai slijm veranderd zijn. In
-de huid ontstaan de schubben, pantserplaten, schilden en plaatjes
-van zeer verschillende gedaante en samenstelling, die de bekleeding
-van de Visschen vormen. De onderste, tot de lederhuid behoorende
-lagen van deze bekleedende deelen bestaan uit vezelig bindweefsel,
-dat meestal door de daartusschen ingevoegde kalkzouten hard geworden
-en soms in echt been veranderd is, terwijl de bovenste laag als een
-opperhuidsvorming beschouwd moet worden en nog het meest gelijkt op
-het email van onze tanden. Naar hun vorm en samenstelling worden deze
-deelen onderscheiden in kring-, kam-, borstel-, glans- en plaatschubben
-(cycloïde, ctenoïde, sparoïde, ganoïde en placoïde schubben). De
-eerstgenoemde komen het meest voor; aan haar oppervlakte merkt men
-een groot aantal lijnen op, die zich boven de oppervlakte verheffen
-en meer of minder volledige, concentrische kringen vormen om het
-"primitiefveld", dat nader bij den vrijen achterrand dan bij den
-verborgen voorrand gelegen is. De kamschubben onderscheiden zich
-van de vorige, doordat voorbij haar achterrand, bij wijze van
-franje, tanden, stekels of knobbels uitsteken; bovendien ontmoeten
-hare concentrische strepen den vrijen achterrand meestal onder een
-spitsen hoek. De borstelschubben, die men slechts bij enkele Visschen
-aantreft, houden het midden tusschen de kring- en de kamschubben;
-aan den achterrand zijn zij niet getand; haar vrije oppervlakte is
-echter wel met stekeltjes bezet. De glansschubben zijn dik en hard;
-de beenlichaampjes, die bij de vroeger genoemde schubben ontbreken,
-zijn hier duidelijk ontwikkeld; over de beenlaag ligt een laag
-doorzichtig email. De eigenaardige schubben van de Haaien en Roggen,
-waardoor de huid van deze Visschen een korrelig voorkomen verkrijgt,
-of aan een rasp herinnert, worden gewoonlijk plaatschubben genoemd.
-
-Over 't algemeen behoeven de Visschen, wat de pracht, zuiverheid,
-veelzijdigheid en verscheidenheid der kleuren betreft, bij de andere
-leden hunner hoofdafdeeling niet achter te staan. Hun huid vertoont de
-glans van edelgesteenten en metalen en weerspiegelt alle kleuren van
-den regenboog. De indruk door de prachtige kleuren gewekt, wordt nog
-verhoogd door de schoonheid en menigvuldigheid van de teekening. De
-kleurstoffen zijn deels in de lederhuid, deels in de onderste lagen
-van de opperhuid gelegen; de zilverkleur wordt teweeggebracht door
-een laagje van kleine kristallen, die de binnenste oppervlakte der
-schubben bedekken. Een niet gering aantal soorten dankt voorts aan
-het bezit van chromatophoren in de huid het vermogen om van kleur te
-veranderen, dat tot even merkwaardige verschijnselen aanleiding geeft,
-als bij de Reptiliën en Amphibiën waargenomen worden.
-
-Bij de Visschen is het inwendig geraamte vooral hierdoor merkwaardig,
-omdat dit hoofdkenmerk van de Gewervelde Dieren hier in zijn
-oorspronkelijken eenvoud optreedt; bijna alle ontwikkelingsstadiën, die
-het skelet bij hoogere typen doorloopt, worden bij volwassen Visschen
-van verschillende orden als blijvenden toestand aangetroffen. Het
-geheele wordingsproces van het skelet, de allengs voortschrijdende
-geleding van de wervelkolom en van de overige deelen van het
-geraamte, de vervanging van de oorspronkelijk geleiachtige as en
-van hare aanhangselen eerst door kraakbeen, later door been, wordt
-door de systematisch gerangschikte groepen van de klasse der Visschen
-aanschouwelijk voorgesteld. Het allereerste beginsel van het inwendig
-geraamte is bij alle Gewervelde Dieren een staafvormig, veerkrachtig
-deel (de ruggestreng of chorda dorsalis), dat zich rechtlijnig van het
-voorste tot het achterste deel van het lichaam uitstrekt en zoowel hier
-als daar spits eindigt. Het bestaat uit saprijke cellen en is door een
-vliezige scheede (binnenste chordascheede) omhuld. Een tweede scheede
-(de skeletvormende laag) breidt zich boven de ruggestreng uit tot een
-buis, die het ruggemerg bevat en ook daaronder, tot een gewelf over
-de groote bloedvaten en de ingewanden der onderste lichaamsholte. Bij
-de onvolkomenste van alle Visschen, bij het Lancetvischje, blijft het
-geraamte voortdurend op dezen allerlaagsten trap van ontwikkeling
-verkeeren. De veranderingen, waardoor het een grootere stevigheid
-verkrijgt, gaan uit van de skeletvormende laag, die op verscheidene
-plaatsen, welke regelmatig langs de geheele ruggestreng verdeeld zijn,
-eerst kraakbeenige, later beenige ringen vormt, die beginsels vormt,
-die beginsels van wervellichamen zijn: de verharding gaat dus gepaard
-met geleding (segmentatie). De bedoelde ringen ontwikkelen zich ten
-koste van de chorda en treden in verbinding met de kraakbeenige
-of beenige boogstukken, die zich intusschen (eveneens gelijke
-tusschenruimten overlatend) in den wand van het ruggemergskanaal en
-van de onderste lichaamsholte gevormd hebben. Aanvankelijk zijn de
-segmenten onderling gelijk. Een hoogere organisatie komt tot stand,
-doordat in een groep van segmenten (later in meer groepen) afwijkingen
-van den oorspronkelijk gelijken ontwikkelingsgang optreden. Het
-eerst geschiedt dit met de voorste segmenten, die dan gezamenlijk
-den kop vormen. Hiervan is bij het Lancetvischje nog geen sprake;
-bij dit dier heeft het voorste deel van het ruggemerg zich nog niet
-tot hersenen ontwikkeld. De schedel in zijn eenvoudigsten vorm, een
-kraakbeenig omhulsel van de hersenen, ontmoet men voor 't eerst bij
-de Slijmprikken (Myxine), die echter door de geleiachtige chorda met
-de Lancetvischjes overeenstemmen. De hoogst ontwikkelde Rondbekkigen
-(de Lampreien) vertoonen de allereerste aanduiding van wervellichamen,
-n.l. sporen van verdeeling in een kraakbeenige strook, die aan de
-schedelbasis begint. Duidelijker sporen van segmentatie merkt men op
-bij de tot de Haaien behoorende Zeedraken (Chimaera), waar de buitenste
-chorda-scheede verkalkte ringen of korsten bevat, welker aantal echter
-aanmerkelijk grooter is dan dat der kraakbeenige wervelbogen. Ook bij
-de Kraakbeensteuren en de Longvisschen is de eigenlijke ruggestreng
-nog onverdeeld; de bovenste en onderste wervelbogen bereiken echter een
-iets hoogeren trap van ontwikkeling en vertoonen bij de laatstgenoemde
-zelfs een begin van verbeening. Bij de Haaien en Roggen is een
-groot deel van de chorda verdrongen door de vorming van kraakbeenige
-wervellichamen in den vorm van zandloopers of van cilinders, die van
-voren en van achteren uitgehold zijn; dit kraakbeen is gewoonlijk
-verkalkt; in den regel bevat de wervel echter een centrale opening,
-zoodat ook hier nog een doorloopende ruggestreng voorkomt.
-
-Het vervangen van het kraakbeenweefsel door beenweefsel gaat
-van de buitenste chorda-scheede uit; het bepaalt zich bij sommige
-Ganoïdvisschen tot de wervelbogen en breidt zich bij de andere leden
-dezer orde en bij de Beenige Visschen allengs over grootere gedeelten
-van den wervel uit. Slechts bij een enkele thans levende soort--bij
-een Ganoïdvisch; de Kaaimanvisch (Lepidosteus osseus)--schrijdt deze
-verandering bij sommige wervels zoover voort, dat de wervellichamen
-van voren met een ronden gewrichtsknobbel, van achteren met een ronde
-gewrichtsholte voorzien zijn. Bij alle Beenige Visschen echter behoudt
-het wervellichaam steeds een deel van de chorda in onveranderden
-toestand, zoodat het na verwijdering van deze geleiachtige massa
-den vorm heeft van een zandlooper, welks beide kegelvormige holten
-aan den top niet ineenvloeien. Alleen langs hunne randen staan deze
-beenderen onderling in verband.
-
-In den regel zijn ribben aanwezig; deze eindigen echter altijd vrij in
-het vleesch; een borstbeen komt bij de Visschen nooit voor. Het aantal
-paren ribben loopt zeer uiteen; bij sommige Beenige Visschen--bij de
-Koffervisschen (Ostracion)--bepaalt het zich tot 15; bij de meeste
-overige leden dezer onderklasse bedraagt het 70 à 80, bij andere
-(de Alen) stijgt het tot ongeveer 200; veel grooter nog is het bij
-sommige Haaien, n.l. 350 à 400. De vleeschgraten--langwerpige, spitse,
-meestal Y-vormige beenderen, die zich in de peesvliezen tusschen
-de zijdespieren van den romp ontwikkelen--zou men soms licht met de
-ribben kunnen verwarren.
-
-In de krachtige spiermassa, die het inwendig geraamte aan weerszijden
-bedekt, merkt men bij de Visschen een duidelijke segmentatie (een
-opeenvolging van overeenkomstige deelen) op, die bij de hooger
-ontwikkelde Gewervelde Dieren allengs voor een groote verscheidenheid
-van spieren plaats maakt. Het "zijdespierenstelsel" is in een linker-
-en een rechterhelft verdeeld door de lichaamsholte en verder boven-
-en achterwaarts door vliezige platen, die in 't middelvlak tusschen de
-lichaamsas en de huid gelegen zijn, bij de hooger ontwikkelde Visschen
-vooral door de onderste en bovenste doornuitsteeksels. Iedere helft is
-door een peezige strook ter hoogte van de zijdestreep (een van kop tot
-staart reikende reeks van zintuigelijke organen, van buiten kenbaar
-aan de doorboorde schubben) in een rug- en buikafdeeling gesplitst;
-elke afdeeling bestaat uit evenveel afzonderlijke spierlagen als
-er wervels zijn. Deze spierlagen zijn door peesvliezen gescheiden
-en hebben een gebogen vorm; zij zijn als 't ware trechtersgewijs
-ineengeschoven en vertoonen zich daarom op de dwarse doorsneden
-van elk der vier afdeelingen (het duidelijkst in den staart, het
-minst duidelijk aan weerszijden van de lichaamsholte) als min of
-meer volkomene, concentrische kringen. De zijdespieren brengen de
-krachtige, zijwaartsche buigingen teweeg, waardoor de Visch zich in
-'t water voortbeweegt.
-
-Meer dan bij alle overige Gewervelde Dieren overtreft bij de Visschen
-de massa van het ruggemerg die van de hersenen. Deze zijn zeer klein
-en vullen de schedelholte slechts ten deele. Aan de bovenzijde
-onderscheidt men de volgende afdeelingen: de in twee halfronden
-verdeelde "groote" hersenen die van voren twee opzwellingen vertoonen
-(de reuklobben, vanwaar de reukzenuwen uitgaan), de grootere
-gezichtslobben (waarmede aan de onderzijde de gezichtszenuwen
-verbonden zijn) en ten slotte een kleine, onparige afdeeling, die
-met onze kleine hersenen vergeleken wordt.
-
-In den regel zijn bij de Visschen nagenoeg alle zintuigen aanwezig en,
-hoewel over 't algemeen minder ontwikkeld dan bij de hoogere dieren,
-hoogst zelden rudimentair. De meestal zeer groote, van voren afgeplatte
-oogen, die doorgaans de leden missen, zijn slechts bij de Slijmprikken
-(Myxine) met een ondoorzichtige huid bedekt (bij het Lancetvischje zijn
-zij door twee gekleurde vlekjes vervangen); hun regenboogvlies prijkt
-gewoonlijk met buitengewoon levendige, metaalachtige kleuren. Het
-gehoororgaan, dat slechts bij het Lancetvischje ontbreekt, komt overeen
-met ons binnenoor (de doolhof); het bestaat in zijn volkomensten
-toestand uit het eironde blaasje, het ronde zakje, 3 halfcirkelvormige
-kanalen en een zeer weinig ontwikkeld slakkenhuis; het ronde zakje
-bevat 2 of 3 gehoorsteentjes met gekartelden rand (otolithen),
-waarvan één de overige in grootte overtreft (het zoogenaamde
-"geluksbeentje"). Bij de meeste Visschen is het gehoororgaan, door
-vetweefsel omgeven, in de schedelholte gelegen, doch zoo dicht bij
-de oppervlakte, dat de geluidsgolven het deels door de kieuwdeksels,
-deels door het water van de kieuwholte gemakkelijk bereiken kunnen. Bij
-4 familiën van Beenige Visschen--de Karper-, Meerval-, Beefaal- en
-Zaagbekzalmvisschen--bestaat er gemeenschap tusschen het gehoororgaan
-en de zwemblaas door tusschenkomst van 4 beentjes, die als vervormingen
-van doorn- en dwarse uitsteeksels en ribben van de 4 voorste wervels
-moeten worden beschouwd; hierdoor leert de Visch de verschillende
-graden van vulling van zijn zwemblaas kennen. Het reukorgaan, dat bij
-het Lancetvischje ontbreekt (hoewel aan de linkerzijde van het voorste
-deel van 't ruggemerg een bekervormig, met trilharen bekleed groefje
-voorkomt), is bij de Rondbekkigen onparig (buisvormig, met 1 neusgat in
-'t middenvlak aan de bovenzijde van den kop), bij de overigen Visschen
-parig. De Haaien en Roggen hebben twee neusgaten aan de onderzijde
-van den snuit. Alleen bij de Longenvisschen en Slijmprikken staan de
-neusholten met de mondholte in gemeenschap; bij alle overige Visschen
-hebben de neusholten (welker binnenste oppervlakte door plooiing
-van het haar bekleedende slijmvlies aanmerkelijk vergroot wordt)
-geen andere openingen dan neusgaten aan de bovenzijde van den kop:
-bij de Beenige Visschen en de Ganoïd-visschen in den regel ieder twee,
-die soms tamelijk ver uiteenstaan. Het smaakzintuig ontbreekt bij de
-meeste Visschen; de tong (die trouwens dikwijls ontbreekt) kan voor
-dit doel niet dienen; aan het gehemelte heeft men bij de Karperachtige
-Visschen eindtoestellen gevonden, die er blijkbaar wel voor geschikt
-zijn. De lippen met de dikwijls hieraan voorkomende baarddraden
-en de bij sommige Visschen (o.a. bij de Knorhanen) aanwezige vrije
-stralen van de borstvin zijn vermoedelijk tastorganen. Onbekend is de
-verrichting van de zintuigelijke organen, die de zijdestreep vormen,
-en behalve aan den romp en den staart ook aan den kop gevonden worden.
-
-De zuurstof, die de Visschen voor hun ademhaling noodig hebben,
-ontleenen zij aan de in 't water opgeloste lucht; terwijl het bloed
-zuurstof opneemt, staat het koolzuur af. Voor dit doel dienen de
-kieuwen, die in hoofdzaak bestaan uit een zeer vaatrijk slijmvlies,
-welks oppervlakte door plooiing zeer sterk vergroot is en in den
-regel plaatjes of draadjes vormt. De kieuwholten staan steeds met de
-voorste afdeeling van het spijskanaal in gemeenschap.
-
-Bij het Lancetvischje volgt op de mondholte een wijde ruimte,
-welker wanden tot steun 80 à 100 veerkrachtige staven bevatten;
-de spleetvormige tusschenruimten, die zij overlaten, kunnen door
-spieren vernauwd worden. Deze "kieuwkorf", die een groot deel van de
-voorste lichaamshelft inneemt, staat van achteren met een maagvormige
-verwijding van het spijskanaal in gemeenschap en dient dus niet
-slechts voor de ademhaling, maar ook als slokdarm. Aanvankelijk staan
-de openingen van de kieuwkorf direct met de buitenwereld in verbinding;
-later groeit er een huid voor langs, waardoor een buitenste kieuwkamer
-wordt begrensd, die het water, dat voor de ademhaling gediend heeft,
-opneemt, waarna het verwijderd wordt door een opening, die in 't
-middenvlak aan de buikzijde van de achterste lichaamshelft voorkomt.
-
-Alle overige Visschen hebben twee tot een kleiner deel van het lichaam
-beperkte "kieuwholten", die duidelijk van 't spijskanaal gescheiden
-zijn. In elke kieuwholte van de Rondbekkigen vindt men 6 à 7 van
-voren en van achteren afgeplatte kieuwzakjes, welker platte wanden van
-binnen met een groot aantal kieuwplaatjes bezet zijn. Hun wijze van
-verbinding met den slokdarm aan den eenen, met den buitenwereld aan den
-anderen kant is bij de verschillende afdeelingen der "Zakkieuwigen"
-ongelijk. Bij één daarvan--de Lampreien--komt achter de kop aan
-weerszijden een reeks van 7 kieuwspleten voor, zonder eenig spoor
-van kieuwdeksels. Het hierdoor binnentredende en aan de kieuwzakjes
-toegevoerde water wordt na volbrachte werking uitgestort in een
-onder den slokdarm gelegen, blinde buis, de "spuitzak", welke achter
-in de mondholte uitkomt door een opening met een dubbel klepvlies,
-die gesloten blijft, zoolang de Lamprei aan 't zuigen is. Bij alle
-overige Visschen wordt het ademhalingswater door den mond opgenomen,
-door "keelspleten" naar de kieuwholten gevoerd en daarna verwijderd
-door kieuwspleten, die onmiddellijk achter den kop, aan weerszijden
-van den romp gelegen zijn. Bovendien komen bij hen tot steun van de
-weefselstroken, die de keelspleten scheiden, kraakbeenige of beenige
-"kieuwbogen" voor, waarvan de eerste beginselen reeds in het skelet
-van de ademhalingsorganen der lagere Visschen aan te wijzen zijn. Aan
-de bolle zijde van de kieuwbogen--die de keelholte der Visschen
-op soortgelijke wijze omgeven, als de ribben de borstholte van de
-Zoogdieren begrenzen--zijn de "kieuwplaatjes" vastgehecht. Bij de
-meeste Visschen gelijkt hun rangschikking op die van de tanden van een
-haarkam. Elke kieuwboog draagt twee zulke reeksen. Deze zijn bij de
-Haaien en Roggen vergroeid met (en gescheiden door) een vliezig schot,
-dat zich tot aan den buitenwand der kieuwholte uitstrekt en deze in een
-aantal opeenvolgende kamers verdeelt, die ieder door een kieuwspleet
-met de buitenwereld in gemeenschap staan. In den regel komen bij de
-"Vastkieuwigen" vijf kieuwspleten aan iedere zijde voor. Bij de
-"Vrijkieuwigen" (Ganoïden en Beenige Visschen) zijn de bedoelde
-schotten niet aanwezig; hun niet in kamers verdeelde kieuwholte wordt
-aan de buitenzijde door het kieuwdeksel en het kieuwdekselvlies op zulk
-een wijze begrensd, dat er slechts één meer of minder lange kieuwspleet
-aan elke kieuwholte overblijft. Alle Ganoïden en verreweg de meeste
-Beenige Visschen hebben 4 kieuwendragende kieuwbogen. (Daarachter
-komen de onderste keelbeenderen voor.)
-
-Met uitzondering van de Longenvisschen, bezit geen enkel lid van
-de klasse een voor de ademhaling dienenden, met lucht gevulden
-zak, dus zulk een, welks wanden een haarvatenstelsel bevatten,
-dat koolzuurhoudend bloed ontvangt en van waar zuurstofhoudend bloed
-wordt afgevoerd. Daarentegen komt een "zwemblaas" (door onze visschers
-gewoonlijk "zwembalg" genoemd) bij zeer vele Visschen voor. Hoewel
-deze zak lucht bevat, heeft hij voor de ademhaling in 't geheel geen
-beteekenis. De zwemblaas ontstaat gedurende het kiemleven meestal als
-een uitstulping aan de rugzijde van den voordarm en groeit slechts
-bij uitzondering (als de longen) van de buikzijde van den voordarm
-uit. Zij is steeds aan de rugzijde van het spijskanaal gelegen,
-dikwijls even lang als de lichaamsholte, parig (en dan al of niet
-symmetrisch) of onparig (en dan dikwijls door insnoeringen in twee of
-meer afdeelingen verdeeld). Bij alle Ganoïden en vele Beenige Visschen
-(Luchtbuisvisschen) blijft de zwemblaas levenslang door een luchtbuis
-met het spijskanaal verbonden; bij andere Beenige Visschen groeit
-deze buis op lateren leeftijd dicht en kan er alleen uit het bloed
-van den zwemblaaswand nieuwe lucht naar binnen komen. Vermoedelijk
-bevordert de zwemblaas binnen zekere grenzen de geschiktheid van den
-Visch voor het rijzen en dalen in het water.
-
-Het Lancetvischje verschilt van alle overige Gewervelde Dieren, doordat
-het kleurloos bloed heeft en geen andere organen voor de bloedbeweging
-dan kloppende aders, o.a. de groote ader onder de ruggestreng, die
-aanleiding heeft gegeven tot den naam "Smalhartigen". Bij alle overige
-Visschen is het hart samengesteld uit een dunwandige voorkamer en
-een dikwandige kamer en door een hartzakje omgeven; het is ver naar
-voren, onmiddellijk achter de kieuwen gelegen. Het bloed wordt door de
-samentrekkingen van de kamer in den "slagadersteel" en door de hieruit
-ontspringende 4 paren kieuwslagaders door de haarvaten van de kieuwen
-gedreven en komt vervolgens in de rugslagader (neerdalende aorta), die
-het aan de haarvatenstelsels van alle overige lichaamsdeelen toevoert,
-vanwaar het door aders naar de voorkamer terugkeert. Men spreekt hier
-daarom van een "enkelvoudigen kringloop". De slagadersteel is bij de
-Beenige Visschen van twee klepvliezen voorzien, die het terugstroomen
-van het bloed verhinderen. Bij de Kraakbeenvinnigen, Ganoïden en
-Longenvisschen is de kamer op de plaats, waar de slagadersteel
-ontspringt, tot een zoogenaamden "slagaderkegel" uitgetrokken,
-die aan zijn binnenrand verscheidene dwarse reeksen van zakvormige
-klepvliezen draagt.
-
-De spijsverteringswerktuigen, hoewel over 't geheel genomen eenvoudig
-van maaksel, kunnen op zeer verschillende wijze ontwikkeld zijn;
-vooral geldt dit van het tandenstelsel. Van de talrijke beenderen
-van mond- en keelholte is er bijna geen enkele aan te wijzen,
-dat niet bij den eenen of anderen Visch met tanden bedekt wordt
-aangetroffen. Toch zijn eenige, hoewel zeer weinige Visschen (o.a. de
-Troskieuwigen en de Steuren) geheel van tanden verstoken; bij andere
-vindt men ze slechts op enkele, bij sommige echter op alle voor het
-tandendragen geschikte beenderen. Gewoonlijk neemt men aan den zolder
-van de mondholte twee onderling evenwijdige, boogvormige reeksen van
-tanden waar: één op de tusschenkaaks- en een andere op de gehemelte- en
-ploegschaarbeenderen; in den regel dragen de onderkaak en het tongbeen
-een enkele boogvormige reeks. Verderop is het aantal tanden meestal
-zeer groot, daar ze op alle kieuwbogen en op de bovenste en onderste
-keelbeenderen voorkomen. Ondanks hun buitengewone verscheidenheid van
-vorm kan men de tanden in grijp- en maaltanden onderscheiden. Gene zijn
-gewoonlijk spitse, een weinig naar achteren gekromde haken, die aan de
-voorzijde een min of meer scherpen rand hebben. De maaltanden kunnen
-kort, schijfvormig of hoog van kroon, soms ook afgeknot kegelvormig
-zijn. Altijd missen de tanden een eigenlijken wortel. Dikwijls zitten
-zij eenvoudig aan het slijmvlies van de mondholte vast; in den regel
-echter zijn zij er gedeeltelijk in weggedoken en met talrijke vezels
-aan het been bevestigd. De vorming van tanden houdt, naar het schijnt,
-bij alle Visschen levenslang aan.
-
-De grens tusschen den wijden slokdarm en de maag is moeielijk
-waarneembaar. Bij den portier (pylorus), de opening, waardoor de
-maag met den darm in gemeenschap staat, treft men dikwijls, vooral
-bij vele Beenige Visschen, de pylorus-aanhangsels aan, enkelvoudige
-of vertakte, blinde buizen, welker aantal van 1 tot 191 afwisselt;
-hun rol is even weinig bekend als die van de "spiraalplooi" in den
-dunnen darm van de Dwarsbekkigen, Longenvisschen en Ganoïden. Een
-buikspeekselklier komt bij nagenoeg alle, een lever bij alle Visschen
-(beide ook bij alle overige Gewervelde Dieren) voor. Met uitzondering
-van het Lancetvischje hebben alle Visschen twee nieren, die aan
-weerszijden van de wervelkolom in de lichaamsholte gelegen zijn en
-deze dikwijls in lengte evenaren. De opening waardoor de urine geloosd
-wordt, is bij alle Visschen onmiddellijk achter de aarsopening gelegen
-en staat soms in verband met de afvoerbuizen der geslachtsklieren
-(hom en kuit), die bij de meeste Beenige Visschen tusschen de beide
-andere openingen afzonderlijk uitmonden. Bij sommige Beenige Visschen
-(o.a. bij de Zalmen en de Alen) ontbreken de eileiders en verlaten de
-eieren de lichaamsholte door een vóór doch dicht bij de aarsopening
-gelegen buikporie.
-
-Alleen in de klasse van de Visschen treft men electrische organen aan;
-dit zijn geleiachtige zuiltjes, die door vliezige, vaatrijke wanden
-omgeven en door een menigte vliezige dwarsschotjes in vakjes verdeeld
-zijn, over welker tusschenschotten uiterst fijne zenuwvezels zich
-vlechtvormig verbreiden. De Sidderaal van Zuid-Amerika, de Electrische
-Meerval van Afrika en de Sidderroggen van den Atlantischen en den
-Indischen Oceaan zijn met de volkomenste electrische toestellen
-uitgerust en zijn in staat om de hierin opgehoopte electriciteit naar
-verkiezing te laten ontwijken; zij kunnen o.a. om zich te verdedigen
-hevige schokken meedeelen, waardoor trouwens de voorraad electriciteit
-schielijk uitgeput wordt.
-
-Andere soorten van Visschen zijn door stekels of door een pantser
-beschut; eenige bezitten zelfs vergiftige wapens, die ook voor den
-mensch gevaarlijk zijn. Zulke organen vindt men bij de Stekelroggen,
-welker staart met één of meer stevige, met weerhaken voorziene stekels
-gewapend is. Hetzelfde verschijnsel merkt men op bij vele Drakenkoppen
-en bij de Pietermannen, die met de stekels van hun rugvin en van hunne
-kieuwdeksels een wonde toebrengen en vergiftigen kunnen.--Vergiftig
-is trouwens ook het vleesch van verscheidene Visschen, soms gedurende
-een bepaalden tijd, soms voortdurend; het eten van zulke Visschen
-kan hevige ziekten van de spijsverteringsorganen, ontsteking van
-slijmvliezen en dergelijke verschijnselen teweegbrengen, die,
-wanneer niet spoedig een doelmatige geneeswijze wordt toegepast,
-zeer dikwijls den dood ten gevolge hebben. Deze vergiftige Visschen
-bewonen hoofdzakelijk de warme zeeën.
-
-Op den vroeger herhaaldelijk gebezigden maatstaf vertrouwend, kunnen
-wij de Visschen niet onder de begaafde dieren rekenen. De eenige wijze
-van beweging, die bij hen voorkomt, is, strikt genomen, het zwemmen;
-in dit opzicht zijn zij dus zeer eenzijdig ontwikkeld. Verscheidene
-soorten van zeevisschen kunnen zich boven het water verheffen en als
-'t ware over een zekeren afstand vliegen; deze beweging is echter
-eenvoudig een glijden door de lucht, dat door de grootte van de als
-valscherm dienende borstvinnen bevorderd en waarvoor het noodige
-arbeidsvermogen zwemmend verkregen wordt; de hiervoor vereischte
-grootere begaafdheid is dus van geringe beteekenis. Zoo ook kunnen
-verscheidene Visschen over vloeibaar slijk kruipen of er borend in
-doordringen, ook zijn er enkele, die zich op een dergelijke wijze
-over het droge land bewegen en zelfs bij hellende vlakken, wortels
-en dergelijke voorwerpen opklimmen kunnen; hierbij spelen vooral de
-borstvinnen een belangrijke rol. Dit kruipen of klimmen kan echter
-evenmin met het sierlijke voortglijden van een Slang vergeleken worden,
-als het vallen door de lucht met het vliegen der Vogels. Vlug en flink
-bewegen de Visschen zich alleen, zoolang zij zich in 't water bevinden,
-zoolang zij zwemmen. Hierin leggen zij dan ook groote bekwaamheid aan
-den dag. Naar men zegt, kan de Zalm in de seconde 8, in het uur meer
-dan 25000 M. afleggen; het eerstgenoemde getal is waarschijnlijk niet
-overdreven; want werkelijk doorsnijdt deze Visch pijlsnel de golven,
-hoewel zijn snelheid die van een snelvarenden zeestoomboot niet
-overtreft. De buitengewoon dikke zijdespieren die zich aan den tot
-een kolossalen roeiriem vervormden staart hechten en zulk een grooten
-arbeid verrichten, zijn tot een verbazingwekkende krachtsinspanning in
-staat en maken zelfs luchtsprongen van aanzienlijke hoogte mogelijk,
-terwijl de overige vinnen de richting van de beweging regelen. De
-meeste Visschen zwemmen op dezelfde wijze als de Zalm, maar voor 't
-meerendeel minder snel, zoolang zij zich verplaatsen door waterlagen
-van nagenoeg gelijke diepte. Het afdalen tot diepere en het zich
-verheffen tot hoogere lagen wordt waarschijnlijk geregeld door
-samenpersing en uitzetting van de lucht in de zwemblaas. Verscheidene
-Visschen evenwel, vooral die, welke een slangvormig lichaam en kleine
-vinnen hebben, zwemmen op een geheel andere wijze, door slangsgewijze
-bewegingen van hun lichaam of golfvormige buigingen van hunne lange,
-lage rugvinnen. Iets dergelijks valt op te merken bij de van boven
-naar onderen samengedrukte, schijfvormige Visschen, doch met dit
-onderscheid, dat deze, in plaats van zijdelingsche, van boven naar
-onderen gerichte golvingen teweegbrengen. Door de volharding, waarmede
-zij zich bewegen, overtreffen de Visschen alle andere dieren, hoewel
-zij veel minder ademen, d.w.z. veel minder zuurstof verbruiken dan
-deze en de kringloop van hun bloed langzamer plaats heeft. Hier staat
-echter tegenover, dat de wijze van ademhaling, de gemakkelijkheid,
-waarmede de in 't water opgeloste zuurstof in de kieuwen doordringt en
-de stoot, teweeggebracht door het wegstuwen van het water, dat voor de
-ademhaling gediend heeft, uit de kieuwspleten, hun beweging bevorderen.
-
-Een noodzakelijk gevolg van de ademhaling door kieuwen is, dat
-geen enkele Visch een stem bezit. Wel brengen verscheidene leden
-dezer klasse tonen of liever een gedruisch voort, dat op knorren of
-brommen gelijkt; dit wordt echter veroorzaakt door het tegen elkander
-wrijven van de harde kieuwdekselbeenderen of misschien van de vinnen
-en schubben en kan dus op één lijn gesteld worden met het sjirpen
-van de Sprinkhanen. Het spreekwoord "zoo stom als een Visch" is dus
-volkomen juist.
-
-De vermogens van de hersenen zijn geëvenredigd aan haar geringe
-grootte. Toch zijn alle zintuigen in staat om dienst te doen;
-waarschijnlijk zelfs zijn zij scherper en fijner dan gewoonlijk
-aangenomen wordt. Hoewel slechts weinige Visschen hunne oogen kunnen
-bewegen, zien zij zeer goed, zelfs in diepe waterlagen. Het is zeker,
-dat zij geluiden waarnemen, daar men getemde exemplaren door het
-luiden van een klok bijeenlokken kan en andere bij een luid gedruisch
-de vlucht ziet nemen. De reuk en de smaak zijn waarschijnlijk zeer
-weinig ontwikkeld, zonder evenwel geheel te ontbreken. Dat iedere
-aanraking van buiten tot het bewustzijn van de Visschen doordringt,
-blijkt duidelijk; hunne zenuwen zijn echter niet uitsluitend voor
-het geleiden van zulke grove, maar ook van veel fijnere prikkels
-geschikt. Dit wordt voldoende bewezen door de algemeen bekende
-eigenschap der Visschen om van kleur te veranderen. Schollen en andere
-op den bodem vertoevende Visschen nemen, nadat zij een tijdlang op den
-grond gelegen hebben, een kleur aan, die een merkwaardige overeenkomst
-vertoont met die van het zand; deze verandering komt verrassend snel
-tot stand, wanneer het dier op een anders gekleurden grond, b.v. op
-lichtgrijs granietgruis, aankomt of neergelegd wordt. Even gevoelig
-voor de werking van lichtprikkels, die zij door tusschenkomst van
-de oogen en van de huidzenuwen ontvangen, zijn de "kleurstofdragers"
-van andere Visschen, vooral van Forellen: in een dicht beschaduwd en
-dus zeer duister water worden zij donkerder van kleur, daarentegen
-bleeker, wanneer zij in een door de zon beschenen water geraken,
-of door het oplichten van het deksel, dat hun aquarium verduistert,
-aan een sterkere verlichting blootgesteld worden. Voor het tasten
-dienen bij deze dieren de lippen met de dikwijls hieraan voorkomende
-baarddraden en de vinnen.
-
-Hoewel de Visschen zeer weinig verstand hebben, kan men hun dit niet
-geheel ontzeggen. Zij zijn in staat om vijanden te onderscheiden van
-wezens, die voor hen onschadelijk zijn, letten op de vervolging, die
-zij hier en op de bescherming, die zij elders ondervinden, geraken
-gewoon aan hun verzorger, aan voedering op een bepaalden tijd, aan
-de tonen van den klok, waarmede zij bijeengeroepen worden op de voor
-'t voederen bestemde plek, weten op een schrandere wijze de plaatsen
-uit te kiezen, waar zij veel voedsel kunnen vinden, gaan hier op de
-loer liggen om een buit te verschalken, leeren hinderpalen overwinnen
-en zich aan gevaren onttrekken, treden in een meer of minder innige
-betrekking tot hunne soortgenooten, jagen gemeenschappelijk of helpen
-elkander bij dezen arbeid. Andere bewijzen van geesteswerkzaamheid
-geven sommige Visschen door de voorzorgsmaatregelen welke zij bij
-het leggen der eieren nemen en door de wijze, waarop zij hunne jongen
-behandelen.
-
-
-
-Alle Visschen leven voortdurend of bijna voortdurend in het water. Zeer
-gering in getal zijn de soorten, welker leden het vermogen bezitten om
-het vochtige element voor meer of minder langen tijd te verlaten. Het
-eigenlijke gebied van de Visschen is de zee, van de polen tot de
-evenaar, de wereldzee met al hare vertakkingen en inhammen, welken
-naam zij ook dragen. Het aantal soorten en individuën, die zich in
-zoetwater ophouden staat zeer ver beneden dat der zee. Waarschijnlijk
-is slechts het kleinste deel der werkelijk bestaande Visschen ons
-bekend en kunnen wij ons dus van de vormenrijkdom dezer klasse nog
-geen juiste voorstelling vormen. Toch mag men het er voor houden, dat
-het aantal soorten en individuën, die het zoetwater bewonen, even ver
-beneden dat der zee staat, als het eerstgenoemde gebied, wat grootte
-en waterhoeveelheid betreft, door het laatstgenoemde overtroffen wordt.
-
-De geschiktheid van de Visschen om in de meest verschillende
-wateren, onder de meest verschillende omstandigheden te leven, is
-even buitengewoon als het vermogen van de Vogels om zich te voegen
-naar uitwendige invloeden. Er zijn uiterst weinige wateren, waarin
-men geen Visschen vindt. Zij stijgen, tegen den stroom opzwemmend,
-van de vlakte tot op een afstand van 5000 M. boven de oppervlakte
-der zee omhoog en dalen in de zee af tot de grootste, ons bekende
-diepten. Enkele van hen geven de voorkeur aan de bovenste waterlagen,
-andere daarentegen houden zich in de onderste waterlagen op en
-leven hier onder de drukking van een waterkolom, welker gewicht wij
-wel kunnen berekenen, doch waarvan het ons moeielijk is een juiste
-voorstelling te verkrijgen. Volgens de nieuwste onderzoekingen, mag
-men het er voor houden, dat de diepten der zee veel dichter bevolkt
-zijn dan tot dusver ondersteld werd. Ook op hooge breedten wordt
-de zee door een ontzaglijk aantal Visschen bewoond; de heete en de
-gematigde gordels zijn echter rijker aan soorten en individuën.
-
-Het verbreidingsgebied van iedere soort op zich zelf beschouwd, is
-minder uitgestrekt dan men verwachten zou, na bedacht te hebben dat
-deze dieren zich zoo flink bewegen, dat het water hun het reizen
-gemakkelijk maakt en dat iedere Visch min of meer geschikt is om
-in verschillende wateren of althans in verschillende gedeelten
-hiervan te leven. Grenzen zijn er echter ook op de eindeloos groote
-zee. Naarmate men verder in een bepaalde richting voortschrijdt,
-ziet men langzamerhand de eene soort voor de andere, daaraan verwante,
-in de plaats treden en telkens nieuwe soorten verschijnen nevens die,
-welke men reeds vroeger had opgemerkt. Weinige Visschen komen aan alle
-kusten van eenzelfden oceaan voor. Ook deze wezens houden zich binnen
-bepaalde verbreidingskringen op en schijnen aan hun geboorteplaats
-gehecht te zijn met een innigheid, die ons tot dusver onverklaarbaar
-voorkomt. Het is een bijna vaststaand feit, dat de Zalmen terugkeeren
-naar de rivier, waarin zij geboren zijn, zoodra hun voortplantingstijd
-gekomen is,--altijd naar deze, nooit naar een andere, al heeft zij
-haar uitmonding onmiddellijk daarnaast. Bij uitzondering doen echter
-ook Visschen groote reizen met een ander doel. De Haaien b.v. volgen
-schepen of drijvend wrakhout over een afstand van honderden zeemijlen,
-van zuidelijke zeeën tot in noordelijke of omgekeerd. Andere Visschen
-dwalen bij toeval af naar kusten, die voor hen vreemd zijn. Dit
-zijn echter uitzonderingen; over 't algemeen blijven de zeevisschen
-tot bepaalde gordels, ja zelfs tot deelen daarvan beperkt, evenals
-enkele zoetwatervisschen bepaalde stroomen en meren blijven bewonen;
-de reizen, die zij ondernemen, zijn stellig minder uitgestrekt dan
-aangenomen wordt. Jarenlang heeft men gemeend, dat de IJszee ons
-de milliarden van Haringen zendt, die op de kusten van Noorwegen,
-Groot-Brittannië, Duitschland, Nederland en Frankrijk gevangen
-worden; thans evenwel weet men volkomen zeker, dat zij zich niet van
-'t noorden naar 't zuiden begeven, maar wel van diepe zeebodems
-naar ondiepere plaatsen opstijgen. Hoewel vele Visschen door hun
-geschiktheid tot beweging met de Vogels wedijveren, neemt men bij
-geen van hen periodieke verhuizingen waar, welker uitgestrektheid
-vergeleken zou kunnen worden met de reizen der trekvogels.
-
-Het is niet onmogelijk, dat er een zeker verband bestaat tusschen de
-verblijfplaats der Visschen en hun gestalte. Deze is bij de Visschen
-van de tropische zeeën anders dan bij die, welker woonplaats in de
-nabijheid der polen gelegen is, bij de zeevisschen over 't algemeen
-anders dan bij de zoetwaterbewoners. Bij vele Visschen is echter
-dit verband niet duidelijk merkbaar, omdat zij zich zoowel in de
-zee als in de rivieren en meren van het binnenland kunnen ophouden;
-geen enkele van deze "zwerfvisschen" of "trekvisschen", zooals men
-ze zou kunnen noemen, brengt zijn geheele leven hetzij in de zee of
-in het zoetwater door. Van de zee uitgaande, zwemmen zij de rivieren
-op om kuit te schieten, van de rivieren begeven andere soorten zich
-met hetzelfde doel naar de zee. Als zij verhinderd worden om deze
-reis te doen, bereiken zij hun bestemming niet. Ook bij hen kan men
-dus van een bepaalde woonplaats spreken en de zee of het zoetwater
-als zoodanig beschouwen.
-
-Hoe afhankelijk een Visch van het door hem bewoonde water is, blijkt
-bij het nagaan van soorten, die in onze rivieren en meren aangetroffen
-worden en welker levenswijze men om deze reden het gemakkelijkst kan
-leeren kennen. Het komt ons dan voor als iets, dat van zelf spreekt,
-dat de Forel slechts in helder water, de Meerval uitsluitend in
-water met slijkerigen bodem, de Rivierdonderpad niet anders dan op
-steenachtigen grond gedijt, dat de Modderkruiper niet ten onrechte
-dezen naam draagt. Niet minder verklaarbaar wordt het iemand,
-die Zeevisschen met elkander vergelijkt, dat de eene soort, zoo
-niet uitsluitend, dan toch bij voorkeur op den bodem verblijf houdt,
-terwijl de andere liefst in de bovenste waterlagen zich beweegt, dat de
-Platvisschen zich plat op den bodem neervlijen, de Vliegende Visschen
-daarentegen in de nabijheid van den waterspiegel leven. Nauwkeurige
-onderzoekingen, vooral bij gevangen Visschen, leeren, dat ieder
-individu na verloop van eenigen tijd aan een bepaalde verblijfplaats
-gewoon raakt en hier om te rusten en te schuilen hoekjes uitkiest,
-die hij telkens weer opzoekt. Tot dezelfde slotsom als die, welke
-door de beschouwing van een beperkt gebied verkregen wordt, geraakt
-men door een uitgestrekter gebied na te gaan. Ook de Visschen kunnen
-kenmerkende dieren zijn voor bepaalde gewesten of zeeën, hoewel bij
-hen de afhankelijkheid van de woonplaats minder duidelijk in 't oog
-valt dan bij de leden van andere klassen van Gewervelde Dieren. De
-veelvormigheid, die aan de keerkringgewesten eigen is, openbaart zich
-echter ook bij de Visschen op een duidelijk merkbare wijze. Die, welke
-van de voor ons gewone, van oudsher als typisch beschouwde gestalte
-het meest afwijken, zijn voor het meerendeel uit de zeeën tusschen
-de keerkringen afkomstig. Toch ontbreekt het ook in de noordelijke
-zeeën niet aan Visschen van zonderlingen vorm, hoewel ook hier de
-grootste veelvormigheid der klasse op lagere breedten voorkomt.
-
-Slechts schijnbaar zijn de levenswijze, de handelingen en de gewoonten
-der Visschen eenvormig en gelijksoortig, bij nader onderzoek merkt
-men in hunne werkzaamheden een groote afwisseling en verscheidenheid
-op. Bij onze zoetwatervisschen is dit duidelijk gebleken; iedere
-soort, de eene meer, de andere minder, onderscheidt zich door
-eigenaardigheden van levenswijze. Hoewel men van de zeevisschen,
-van hun doen en laten en zelfs van hunne gewoonten, nog zeer weinig
-weet, mag men aannemen, dat zij in dit opzicht een nog veel grooter
-verscheidenheid zullen aanbieden. Toch is het leven der Visschen
-over het algemeen genomen veel eenvoudiger en eentoniger dan dat der
-Zoogdieren, Vogels, Reptiliën en Amphibiën. De werkzaamheden, die
-voor de voeding noodig zijn, staan in vergelijking met alle overige
-duidelijk op den voorgrond; aan haar wijden de Visschen verreweg het
-grootste deel van hun leven. Van een geregelde dagverdeeling kan men
-bij hen niet spreken, hoewel het niet te loochenen valt, dat zij een
-bepaalden tijd aan den arbeid, een anderen aan de rust wijden en dus,
-evenals de andere Gewervelde Dieren, een tijd van jagen en een tijd
-van slapen hebben.
-
-Bijna alle Visschen zijn roofdieren, bijna zonder uitzondering goed
-uitgerust voor dit bedrijf en met ijver hiervoor bezield. Hoewel niet
-weinige soorten ook plantaardig voedsel gebruiken, maken deze van
-bijna geen enkele soort het eenige voedsel uit. De zwakste Visschen
-zoeken van de waterplanten kleine Waterdieren af, of wroeten in
-het slijk om allerlei Wormen te vangen; de sterkere soorten rukken
-Slakken en Mossels los; alle overige leven in de gewone beteekenis
-van 't woord van roof; deze bestaat, zoo niet uit andere Visschen,
-dan toch uit ongewervelde Dieren die zich bewegen. Zij oefenen
-het recht van den sterksten zonder eenige beperking uit: de kleine
-worden door de grootere en deze weer door de nog grootere verslonden;
-geen enkele roofvisch verschoont zijn eigen kroost. Vele Visschen
-zijn gepantserd en zoo zwaar gewapend, dat het voor den heer der
-schepping gevaarlijk is, zich met hen in te laten,--toch worden zij
-opgevreten! Het gebit van den overmachtigen roover vergruist het
-pantser, verbrijzelt en verstompt de doornen, stekels en spitsen;
-de aanvalswapens zijn geëvenredigd aan de middelen van tegenweer. De
-levensloop der Visschen is een aanhoudende rooftocht, waarin geen
-kwartier wordt gegeven, geen barmhartigheid wordt geoefend; iedere
-roofvisch is even vraatzuchtig als driest en stoutmoedig, en uit
-roofvisschen bestaat nagenoeg de geheele klasse. Men meene niet,
-dat alleen Haaien en dergelijke monsters voor groote dieren en voor
-den mensch noodlottig worden; ook dwergachtige Visschen zijn in staat
-om het leven van den beheerscher der aarde in gevaar te brengen; zij
-rukken hem het eene stuk na het andere uit het lichaam en verslinden
-hem, wanneer hij er niet in slaagt buiten hun bereik te komen. Het
-water, de zee levert een tooneel van eindeloozen strijd.
-
-De aandrift tot voortplanting brengt een aanmerkelijke verandering in
-de levenswijze der Visschen teweeg; zij noopt hen tot reizen, maakt,
-dat zeebewoners de rivieren opzwemmen en dat riviervisschen zich naar
-de zee begeven, verwekt bij hen liefde voor de nakomelingschap en
-neiging tot het bouwen van nesten, kortom, wel verre van hen alleen
-met een bruiloftskleed te begiftigen, veroorzaakt zij als 't ware
-een volslagen omkeering van hun gemoed.
-
-Een andere wisseling van levenswijze komt voor bij sommige Visschen
-van de keerkringsgewesten; evenals vele dieren met winterslaap
-zijn zij genoodzaakt zich voor eenigen tijd in den grond te
-verbergen ten einde hun leven, dat anders gevaar zou loopen te
-behouden. Een winterslaap heeft men trouwens reeds bij een niet
-onbelangrijk aantal soorten van Visschen waargenomen, die, als
-het door hen bewoonde water uitdroogt, onder den modder kruipen
-en hier in een staat van verstijving vervallen, welke voortduurt,
-totdat de regentijd aanbreekt, hunne vroegere woonplaatsen weer met
-water vult en hen in het leven terugroept. Ook hier te lande kan dit
-geval zich voordoen. In de binnenlanden van Afrika en in Indië is het
-volstrekt geen zeldzaamheid, dat Visschen gedurende het droge seizoen
-in zulk een rusttoestand verkeeren; dit verschijnsel komt voor in
-alle binnenwateren, die niet met rivieren samenhangen en tijdelijk
-geheel uitdrogen; het is volstrekt niet beperkt tot die soorten,
-welke men onder den naam van Longenvisschen samenvat. Vele van deze
-(in zekeren zin boven de andere leden hunner klasse bevoorrechte)
-dieren begeven zich in sommige gevallen over land naar een andere
-plaats, vanwaar het water nog niet verdampt is en doen dus reizen,
-die eenigermate aan die der zwervende Vogels herinneren. Hiermede
-zou men ook kunnen vergelijken bepaalde veranderingen van woonplaats
-van eenige onzer zoetwater- en zeevisschen, die in verband met de
-wisseling van jaargetijden of met andere omstandigheden een ander
-gebied opzoeken, b.v. uit de meren zich naar de rivieren begeven of
-omgekeerd van hier naar de meren terugkeeren, enz. Daarentegen kan
-het zoogenaamde "trekken" van de Visschen in 't geheel niet met het
-"trekken" der Vogels vergeleken worden, omdat het uitsluitend een
-gevolg is van de aandrift tot voortplanting.
-
-De wisseling der jaargetijden heeft op de Visschen minder invloed dan
-op alle overige Gewervelde Dieren. De jongen van de Zoogdieren, Vogels,
-Reptiliën en Amphibiën worden in den regel in de lente geboren; bij de
-Visschen is dit anders. Hoewel de voortplantingstijd (de "rijtijd") van
-de meeste Visschen in het gunstigste deel van het jaar (hier te lande
-dus in de lente en in den zomer) valt, komen hierop echter, zelfs bij
-de inheemsche zoetwatervisschen, tal van uitzonderingen voor, zoodat
-men in ons binnenwater vischkuit kan vinden in alle maanden van het
-jaar, met uitzondering van Januari, Februari en Augustus; zelfs geldt
-ongetwijfeld voor enkele exemplaren de genoemde uitzondering niet eens,
-daar zij vroeger of later dan hunne verwanten met het kuitschieten
-beginnen. Hieruit vloeit voort, dat de reizen der Visschen, die met
-geen ander doel ondernomen worden dan om de eieren op een geschikte
-plaats te leggen, niet tot een bepaalden tijd beperkt blijven, en dus
-in dit belangrijk opzicht verschillen van het trekken der Vogels. Al
-naar den tijd, waarin de voortplanting plaats heeft, verheffen de
-Visschen zich uit de diepten der zee of uit het koude water bij den
-bodem van binnenzeeën naar hoogere waterlagen, zwemmen zoover mogelijk
-de rivieren op, om op geschikte plaatsen kuit te schieten en keeren
-langzamerhand weer naar hunne vroegere verblijfplaatsen terug. Zooals
-reeds gezegd is, komen ook reizen in tegenovergestelde richting voor
-en begeven zoetwatervisschen zich naar de zee om eieren te leggen;
-de oorzaak van het verschijnsel is dus steeds van denzelfden aard.
-
-De noodige gegevens ontbreken tot dusver voor een verklaring van het
-terugreizen der jongen, van den merkwaardigen trek tot gezelligheid,
-dien de jeugdige zwervelingen bij deze gelegenheid openbaren, van
-de regelmatigheid der door hen gevormde scholen, van de energie,
-waarmede zij pogingen aanwenden om de moeielijkheden van hun weg
-te boven te komen. Eigenaardig is ook de rusteloosheid van alle
-"trekkende" Visschen; het is, alsof zij niet vrijwillig de reis
-aanvaarden, maar er toe gedwongen worden.
-
-De vruchtbaarheid is bij verschillende soorten ongelijk, maar meestal
-ongeloofelijk groot. Bij de Zalmen en Forellen is het aantal eieren
-betrekkelijk gering, daar het niet veel meer dan 25.000 bedraagt;
-de Zeelt brengt er ongeveer 70.000 ter wereld, de Snoek 100.000, de
-Baars 300.000, de Heilbot meer dan 3 millioen, de Kabeljauw over de
-9 millioen, de Meerval, de Steur en de Huso eveneens millioenen. De
-zee zou niet groot genoeg zijn om alle Visschen te bevatten, indien
-de kiemen van al deze eieren tot ontwikkeling kwamen en de grootte
-hunner ouders bereikten. Zeer verschillend is de plaats, die door
-de Visschen geschikt wordt geacht voor het leggen van de eieren: de
-Zalm en de Forel b.v. kiezen hiervoor met grind bedekte ondiepten,
-andere Visschen een slijkerigen bodem, nog andere dicht met planten
-begroeide gedeelten van het water, enz.; enkele soorten bouwen tusschen
-zoetwater- of zeeplanten, in rotsspleten of in dergelijke ruimten een
-echt nest; ook zijn er, die de eieren gedurende hun ontwikkeling in den
-mond of in een uitsluitend voor dit doel bestemden zak medevoeren. Onze
-riviervisschen schieten bij voorkeur 's nachts kuit, het liefst
-bij maanlicht. De Forel graaft door zijwaartsche bewegingen van den
-staart een ondiepe holte, waarin zij hare eieren legt. De Grondels
-zwemmen snel stroomopwaarts door de beek, schuren met den buik
-over het grind en strijken op deze wijze hunne eieren af. De Baars
-en sommige van zijne verwanten hechten de eieren aan waterplanten,
-hout of steenen. Zwemmend en tot dichte scholen vereenigd, schieten
-vele Zeevisschen kuit.
-
-Voor de ontwikkeling der kiemen zijn warmte en vochtigheid en een
-voldoende verversching van de in 't water opgeloste lucht noodig. Voor
-de eene soort wordt hiervoor een betrekkelijk hooge temperatuur
-vereischt, voor andere is een zeer geringe warmtegraad voldoende. Deze
-voorwaarden zijn bij de natuurlijke, niet door den mensch bevorderde
-vischteelt slechts onvolkomen vervuld. Van de millioenen eieren,
-die gelegd worden, blijft een groot deel onbevrucht; duizenden en
-nog eens duizenden worden door den golfslag aan 't strand gespoeld en
-verdrogen; een groot aantal komt in te diep water terecht en zal zich
-eveneens niet ontwikkelen; op de overige loert een tallooze menigte
-van vijanden van allerlei soort, uit alle klassen van de dierenwereld:
-van de ontzaglijk groote hoeveelheid eieren van Visschen wordt geen
-enkele te veel gelegd!
-
-Zoodra het jong zich voldoende ontwikkeld heeft, verbreekt het de
-eischaal; het komt dan te voorschijn als een langwerpig, doorzichtig
-diertje, voorzien met een dooierzak, die door een insnoering van
-den buik gescheiden is, met een magazijn vol voedingsstoffen voor
-de naaste toekomst. Zoolang deze voorraad duurt, blijft de jonge
-Visch meestal onbeweeglijk op den bodem liggen; alleen de borstvinnen
-worden bewogen om een strooming teweeg te brengen, waardoor het voor
-de ademhaling vereischte water vernieuwd wordt. Bij de Forel is de
-inhoud van den dooierzak binnen een maand voor drievierde verbruikt,
-na verloop van 6 weken bijna geheel verdwenen. Nu eerst begint het
-Vischje behoefte aan voedsel te gevoelen; het vangt het leven zijner
-ouders aan en maakt ijverig jacht op alle diertjes, die het meent te
-kunnen overmeesteren. Hoe overvloediger de buit, des te sneller de
-groei; zij die door het jachtgeluk begunstigd worden, overtreffen
-weldra hunne honger lijdende verwanten, niet slechts in grootte,
-maar ook in kracht en vlugheid van beweging. Na een jaar ongeveer,
-bij de kleine soorten eerder, bij de grootere later, hebben de jonge
-Vischjes ook het kleed van hunne ouders aangenomen en zijn dus in
-alle opzichten aan hen gelijk geworden.
-
-Bij verscheidene soorten van Visschen, o.a. bij sommige Roggen en
-Haaien, heeft de ontwikkelingsgang geheel anders plaats. Evenals
-sommige Reptiliën en Amphibiën, zijn zij levendbarend (ovovivipaar),
-d. w. z., zij behouden het ei in hun lichaam, totdat het jong het
-laatste tijdperk van het kiemleven doorloopen heeft; het verbreekt
-de eischaal op het oogenblik, dat het uitgeworpen wordt.
-
-Evenals alle levende wezens worden ook de Visschen soms door
-langzaam plaats hebbende veranderingen in hun omgeving, of
-door natuurverschijnselen, die hen eensklaps overvallen, bij
-massa's vernietigd. Bij vulkanische uitbarstingen en onderzeesche
-gasuitstroomingen komen zij dikwijls in grooten getale om 't leven;
-door groote, binnenlandsche overstroomingen, veroorzaakt, doordat
-rivieren of meren buiten hunne oevers treden, door overstroomingen
-van lage kuststreken bij stormen en aardbevingen worden zij aan hunne
-woonplaatsen ontrukt en op het droge achtergelaten, waar zij ellendig
-bezwijken; hetzelfde lot kan hen treffen door het langzaam uitdrogen
-of het plotseling afleiden van het door hen bewoonde binnenwater. Ook
-heerschen soms onder de Visschen besmettelijke ziekten, die een groote
-sterfte teweegbrengen. De ergste vijand van de Visschen, van deze
-rooverbende, welker leden elkander vermoorden en verslinden, is echter
-de mensch. Middellijk of onmiddellijk beperkt hij hun ontzaglijk snelle
-vermenigvuldiging. De Visschen zijn voor hem onmisbaar. Als zij niet
-bestonden, zouden geheele volken alle middelen van bestaan ontberen;
-de beteekenis van vele staten berust geheel of grootendeels op de
-visscherij en den daaruit voortvloeienden handel.
-
-Vooral als voedingsmiddel zijn de Visschen voor ons van belang;
-zij worden versch gebruikt of verduurzaamd door inpekelen, drogen,
-rooken of inpakken in luchtdicht gesloten bussen. Uit de lever van
-sommige groote soorten van Visschen bereidt men traan; kleinere
-soorten, die bij myriaden in het net raken, worden in hun geheel
-tot olie verwerkt; hunne overblijfselen leveren een uitmuntende
-mestspecie, de vischguano. Uit de zwemblaas van sommige Visschen
-wordt een eigenaardige lijm (vischlijm) bereid. De huid van andere
-is de grondstof voor sommige soorten van leer, o.a. van het segrijn,
-of wordt in gedroogden toestand voor het gladschuren en poetsen van
-houten en metalen voorwerpen gebruikt. De schubben van eenige soorten
-dienen voor de bereiding van een parelmoerglanzige stof, die aan de
-kunstmatige parels een glans geeft, welke zoo weinig van dien der
-echte verschilt. De inboorlingen van de Zuidzee-eilanden maken wapens
-door de tanden van Haaien bij reeksen op een stok te bevestigen; met
-deze speren kunnen zij gevaarlijke wonden toebrengen. De staartstekels
-van de Roggen worden als pijlspitsen gebruikt.
-
-Het is gebleken, dat de opene zee naar evenredigheid armer is aan
-Visschen dan het water langs de kusten en boven ondiepten, die
-dikwijls daarom "vischbanken" of "vischgronden" worden genoemd. Van
-den vischrijkdom dezer plaatsen heeft men zich dikwijls een overdreven
-voorstelling gevormd; onuitputtelijk is hij niet.
-
-De Visschen worden gevangen in verschillende, soms zeer kunstig
-ingerichte vallen (vischwant), netten, korven, die al naar hun
-samenstelling, grootte en wijze van gebruik andere namen dragen. Hier
-te lande hoort men o. a. over de volgende toestellen spreken [1]:
-Zegen, schakel (kleefgaren), werpnet, stalnet, fuik, puit (bong,
-homme, tuimelaar), totebel (kruisnet), ruitwagen, slaghaam, steekhaam
-(gebbe, schepnet, laafnet), aalkorf (kibbe, skibbe, aalskibbe),
-stolpmand, schrobnet, kor (saai), vleet (drijfnet), prikkorf
-(toot), kuil (ankerkuil, staalboomen), schutwant, zalmsteek. De
-hiermede gevangen Visschen dienen ten deele als lokaas voor de
-volgende met haken voorziene vischtuigen; Beug (hoekwant), zetlijn
-(fleur), hengel (topgarde, vischgarde), werplijn, schotgarde, valreep
-(zetangel), botreep, aaldobber. Dikwijls worden de Visschen gestoken;
-hiertoe dient de elger (aalgeer, aalscheer, aalspeer, palingscheer,
-uitsteker). Ook worden zij wel geschoten, hetzij met pijl en boog of
-met vuurwapenen. Middelen, waardoor gelijktijdig Visschen van allerlei
-grootte gedood worden, zijn natuurlijk verboden in alle staten,
-waar de visscherij op behoorlijke wijze geregeld is, zoo b.v. het
-teweegbrengen van ontploffingen in het vischwater en het bezigen van
-vergiften. Wilde volksstammen maken voor het vangen van Visschen soms
-gebruik van plantaardige vergiften, die alle waterbewoners verdooven
-en bereiken hiermede volkomen het beoogde doel.
-
-Groot-Brittannië heeft op het gebied van de visscherij alle overige
-staten overvleugeld. In 1890 werd in Engeland en Wales 305,000 ton,
-in Schotland 268,000 ton, in Ierland 39,950 ton, in het geheele rijk
-dus 613,000 ton zeevisch aan land gebracht, ter waarde van ongeveer
-75 millioen guldens. Uit Schotland alleen gingen in het genoemde
-jaar 14,352 vaartuigen bemand met 47,150 koppen ter vischvangst uit;
-bovendien waren aan land nog 48.384 menschen met het verwerken en
-afleveren van de gevangen visch bezig. In het jaar 1887 waren in
-Frankrijk 24.226 vaartuigen met een bemanning van 82.743 koppen voor
-de zeevisscherij in gebruik; behalve 588 millioen Sardijnen brachten
-zij 128.692 ton andere Visschen aan; de vangst had een totale waarde
-van ruim 36 millioen guldens. Brown Goode berekent de opbrengst van
-de vischvangst voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in het
-jaar 1876 op meer dan 370.000 ton ter waarde van bijna 36 millioen
-gulden; de zeevisschers van dit rijk maakten in 1880 gebruik van
-eene vloot van 6605 groote vaartuigen en 44.804 schuiten; hieronder
-waren trouwens de schepen voor de oestervangst, de robbenslagerij,
-de Walvischjacht enz. begrepen. Volgens andere schrijvers bedroeg de
-opbrengst van de zeevisscherij in 1891 voor de Vereenigde Staten 120,
-Groot-Britannië 90, Japan 84, Canada 48, Frankrijk 48, Noorwegen 15
-millioen guldens. In Nederland bestond de visschersvloot in 1892
-uit 4647 vaartuigen bemand met 16.142 koppen. De opbrengst van de
-haringvangst alleen beliep 5 1/2 millioen gulden. Al deze landen
-voeren veel visch uit; in Duitschland echter overtrof de invoer den
-uitvoer in 1891 met 33 millioen gulden.
-
-Door de zoogenaamde "kunstmatige" vischteelt tracht men den
-vischrijkdom van binnenwateren te doen toenemen; men kan o.a. wat de
-zalmvisscherij betreft, op goede uitkomsten wijzen: in 1892 werden te
-Kralingen 65.481 Zalmen verkocht. Om het aantal Visschen van de een
-of andere soort te vermeerderen worden eenige mannetjes en wijfjes
-(hommers en kuiters) van deze soort ter geschikter tijd gevangen. De
-rijpe eieren worden door zachtjes over den buik van den kuiter te
-strijken in een bak met water ontlast. Door op dezelfde wijze met
-den hommer te handelen worden de eieren bevrucht. De bevruchte eieren
-worden in waterbakken gebracht, waarvan de bodem met kiezelzand bedekt
-is en waardoor aanhoudend een waterstroom geleid wordt. Door alle
-schadelijke invloeden buiten te sluiten, slaagt men er in een groot
-aantal kiemen tot ontwikkeling te brengen. Het vischbroed wordt,
-nadat het den noodigen tijd gekweekt is, in het water gebracht,
-waar men de Visch wil "pooten".
-
-
-
-Men kent ongeveer 9000 soorten van hedendaagsche en meer dan 1000
-soorten van voorwereldlijke Visschen. Volgens Günther wordt de klasse
-verdeeld in 5 onderklassen: Beenige Visschen, Kraakbeenige Visschen,
-Longenvisschen, Rondbekkigen en Smalhartigen.--Haeckel plaatst de
-laatstgenoemde groep--door hem Schedelloozen (Acrania) genoemd--niet
-slechts tegenover alle andere Visschen, maar ook tegenover alle andere
-Gewervelde Dieren, die hij onder den naam van Schedeldieren (Craniota)
-samenvat. Hij verdeelt voorts de Schedeldieren in Rondbekkigen
-en Kaakmondigen, de laatstgenoemde in Visschen, Longenvisschen,
-Amphibiën, Reptiliën, Zoogdieren en Vogels. Waarschijnlijk verdient
-zijn klassificatie de voorkeur. Volgens het thans nog vrij algemeen
-heerschende gebruik vereenigen wij echter voorloopig de Smalhartigen,
-Rondbekkigen en Longenvisschen met de Visschen.
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE ORDE.
-
-DE STEKELVINNIGEN (Acanthopterygii).
-
-
-De belangrijkste onderklasse is die der Beenige Visschen
-of Beenvisschen (Teleostii), daar bijna negen tienden van
-alle hedendaagsche Visschen tot haar behooren; zij hebben een
-verbeende wervelkolom en zijn gelijkstaartig; hun huid is met
-dunne veerkrachtige kringschubben of kamschubben of met beenige
-platen bedekt, zelden naakt; de kieuwen zijn vrij, de kieuwdeksels
-goed ontwikkeld; de slagadersteel heeft slechts twee klepvliezen;
-de gezichtszenuwen kruisen elkander; in den darm bevindt zich geen
-spiraalplooi. Overblijfselen van Beenige Visschen, o. a. van soorten,
-die nog het meest gelijken op onze Haringen, komen reeds in de lagen
-van de triasformatie voor; eerst gedurende de krijtformatie beginnen
-de Ganoïden, die tot dusver de overhand hadden, allengs achter te
-staan bij hunne naaste verwanten uit de eerste onderklasse, n.l. bij
-de orde der Luchtbuisvisschen. Sedert den aanvang van het tertiaire
-tijdvak treden ook vertegenwoordigers van andere orden van Beenige
-Visschen op en spelen ongeveer dezelfde rol als thans.
-
-
-
-De eerste orde der Beenige Visschen--de Stekelvinnigen--bestaat
-uit ongeveer 3000 soorten. Haar wordt de hoogste rang onder de
-Visschen toegekend, omdat hare leden het regelmatigst gebouwd zijn,
-het meest overeenstemmen met den typischen vorm; slechts enkele
-wijken er van af. Hun grootte is middelmatig; slechts weinige
-bereiken een lengte van meer dan 2 M. Het kleed bestaat meestal uit
-kamschubben; bij een betrekkelijk gering aantal soorten is de huid
-met borstel- of kringschubben bedekt, nog zeldzamer is zij naakt; in
-den regel heeft zij een vroolijke kleur. De kieuwen zijn kamvormig,
-de onderste kaakbeenderen niet vergroeid. Hun naam ontleenen deze
-Visschen aan het bezit van ongelede vinstralen: de voorste stralen
-van de rugvin (of, indien er twee rugvinnen zijn, die van de eerste)
-zijn ongeleed, soms vrij (d. w. z. niet tot steun voor een vinvlies
-dienend), stekelig, meestal massief, zelden (bij de Slijmvisschen)
-buisvormig; de buikvinnen zijn eveneens met een stekeligen straal
-gewapend; gewoonlijk bevat de aarsvin meer dergelijke stralen. De
-meeste soorten zijn borstvinnig, sommige keel- of buikvinnig. Een
-zwemblaas is gewoonlijk aanwezig, maar niet door een luchtbuis met
-het spijskanaal verbonden.
-
-Vooral op lagere breedten bereikt deze orde haar grootsten rijkdom aan
-vormen. Hoewel verreweg de meeste Stekelvinnigen zeebewoners zijn,
-behooren hiertoe een betrekkelijk groot aantal zoetwatervisschen,
-waarbij verscheidene zeer bekende, inheemsche soorten. Alle
-Stekelvinnigen zonder uitzondering leven van roof; vele zijn zeer
-vraatzuchtig en moordgierig. Ofschoon verscheidene als voedsel voor
-den mensch op hoogen prijs gesteld worden, valt hun geen bijzondere
-verzorging ten deel; men laat hun vermenigvuldiging geheel aan de
-natuur over.
-
-
-
-De eerste van de 19 onderorden, waarin Günther de Stekelvinnigen
-verdeelt, is die der Baarsvisschen (Perciformes). De verhouding
-tusschen de lengte en de hoogte van hun zijdelings steeds eenigermate
-samengedrukten romp loopt zeer uiteen; de enkelvoudige of in tweeën
-verdeelde rugvin strekt zich uit over het grootste deel van den rug en
-wordt over minstens de helft van haar lengte door stekels gesteund; de
-geleedstralige gedeelten van rug- en aarsvin komen veel met elkander
-overeen; de borststandige buikvinnen bestaan uit één stekel en 4 of
-5 gelede stralen; daarachter, doch niet op een verhevenheid, bevindt
-zich de aarsopening.--
-
-De Baarzen (Percidae), die de eerste familie vormen, hebben een
-langwerpig, sterk samengedrukt lichaam, dat gewoonlijk met harde
-kamschubben bekleed is; de kieuwdekselbeenderen zijn getand of
-gedoornd; tanden komen voor in de beide tusschenkaaksbeenderen,
-aan de onderkaak en aan het gehemelte (zoowel in het midden, op het
-ploegschaarbeen, als daarnevens, op de beide gehemeltebeenderen);
-de kieuwspleet is (evenals de mondspleet) wijd, het kieuwdekselvlies
-aan weerszijden door 6 of 7 stralen gesteund.
-
-Alle zeeën benevens de meeste rivieren en andere binnenwateren van
-de Oude en de Nieuwe Wereld worden door enkele leden dezer familie
-bewoond. Zij onderscheiden zich door fraaie kleuren, vlugge bewegingen
-en roofzucht. Hun voedsel bestaat uit andere Visschen (hunne eigene
-jongen niet uitgezonderd), kuit, Wormen en Insecten. Zij leggen een
-aanzienlijk aantal eieren; door talrijke vijanden wordt echter veel
-afbreuk gedaan aan hun sterke vermenigvuldiging. Voor de vischteelt in
-vijvers zijn de Baarzen niet geschikt, daar het bijna onmogelijk is
-hun het noodige voedsel te verschaffen; in de visscherij spelen zij
-echter geen onbelangrijke rol, daar hun vleesch te recht smakelijk
-en gezond wordt geacht en enkele soorten zelfs tot de uitmuntendste
-artikelen van den vischhandel worden gerekend.
-
-
-
-Het geslacht der Baarzen (Perca) omvat drie soorten van
-Zoetwatervisschen, die in de Oude en de Nieuwe Wereld de noordelijke
-gematigde zone bewonen. Zij hebben twee rugvinnen, die een meer of
-minder kleine tusschenruimte overlaten, soms zelfs door een smal
-vlies verbonden zijn; de achterrand van het voordeksel is getand,
-het eigenlijke kieuwdeksel met een doorn voorzien; de bek is met
-talrijke, kleine, dicht opeengehoopte, "borsteltanden" bezet.
-
-
-
-De messinggele of groenachtige grondkleur van onzen Baars (Perca
-fluviatilis) zweemt op de zijden naar goudgeel, op den buik naar wit
-en heeft op den rug een donkerder tint; de teekening bestaat uit
-5 à 9 dwarsbanden, die van den rug naar den buik loopen, ongelijk
-lang en breed zijn en dikwijls door zwartachtige, uitvloeiende
-vlekken vervangen worden. De eerste rugvin heeft 15 stekels en een
-blauwachtig roodgrijze kleur; tusschen de beide laatste stralen komt
-een donkerder oogvlek voor. De tweede rugvin heeft één ongelede en 13
-gelede stralen; zijn kleur is groenachtig geel. De borstvinnen zijn
-geelrood, de buikvinnen en de aarsvin menie- of vermiljoenrood. Zelden
-wordt dit dier bij ons langer dan 25 cM. en zwaarder dan 1 KG.; in
-sommige meren komen echter exemplaren van 1.5 à 2 KG. voor, b.v. in
-het Zellermeer in Linzgau en in verscheidene vischwaters van Engeland,
-waar, naar men zegt, nog zwaardere Baarzen gevangen zijn.
-
-Het verbreidingsgebied van den Baars omvat geheel Europa en een groot
-deel van Noord-Azië en Noord-Amerika. In geheel ons land wordt hij
-in alle binnenwateren, zelfs in slooten, menigvuldig aangetroffen. In
-Duitschland komt hij in alle stroomen en meren voor met uitzondering
-van die der hoog gelegen bergstreken en enkele gedeelten der lage
-landen; in de Alpen mist men hem bijna alleen in wateren, die meer dan
-1000 M. boven de oppervlakte der zee liggen. Hij houdt zich het liefst
-op en gedijt het best in meren met helder water, maar ontbreekt ook
-niet in rivieren of diepe beken en vijvers, in brak water en zelfs
-in zeeën met gering zoutgehalte, zooals de Oostzee.
-
-In de rivier beweegt hij zich liever langs de oevers en op plaatsen met
-zwakken stroom, dan in het midden en op plaatsen waar de stroom sterker
-is; in de meren treft men hem het meest in de bovenste waterlagen aan;
-toch is hij wel degelijk in staat tot grootere diepten af te dalen en
-wordt van daar niet zelden opgevischt, o.a. in het Bodenmeer. Bij alle
-uit groote diepte opgehaalde Baarzen vond men de mondholte gevuld met
-een stijf, kegelvormig lichaam, dat op een gezwollen tong geleek en
-bij enkele exemplaren zelfs buiten den bek uitpuilde. Dit voorwerp is,
-gelijk bij nader onderzoek bleek, de naar buiten omgestulpte maag. Als
-het dier uit een diepte van 60 à 80 M. snel naar boven wordt getrokken,
-zal de wand van de zwemblaas door de daarbinnen aanwezige lucht, die
-zich bij het plotseling afnemen van de waterdrukking sterk uitzet,
-zeer sterk gespannen worden en ten slotte barsten, waarna deze lucht,
-in de buikholte gerakend, de maag naar voren perst.
-
-Gewoonlijk vindt men de Baarzen tot kleine troepen vereenigd,
-die gezellig met elkander zwemmen en, naar het schijnt, ook
-gemeenschappelijk rooven. In de bovenste waterlagen zwemt de Baars
-zeer snel, maar niet anders dan bij rukken, houdt plotseling op en
-blijft geruimen tijd op dezelfde plaats staan, voordat hij opnieuw
-vooruitschiet. In holen van den oever, onder overhangende steenen en
-in dergelijke schuilhoeken, ziet men hem soms verscheidene minuten
-achtereen blijven, blijkbaar loerend op buit, daar hij, na gestoord
-te zijn, gaarne naar dezelfde plaats terugkeert. Als er een school
-kleinere vischjes in de nabijheid komt, schiet hij eensklaps op
-hen af en grijpt zijn prooi, hetzij onmiddellijk of na langduriger
-vervolging. Soms straft de roofzucht van den Baars zich zelf, n.l. als
-hem het ongeluk overkomt, dat zijn buit, dien hij te haastig wil
-verzwelgen, uit den wijd geopenden bek in een van de zijwaarts gelegen
-keelspleten doordringend, hier blijft steken; zoowel de roover als zijn
-slachtoffer zijn dan ten doode gedoemd. Ook kan het voorkomen, dat een
-Stekelbaars, die onvoorzichtig overvallen werd, hem, door het oprichten
-van de rugstekels, in den bek een doodelijke wonde toebrengt. Op
-dezelfde wijze, n.l. door het oprichten van de stekels, tracht hij,
-naar men beweert, zich zelf tegen den aanval van den vraatzuchtigsten
-van alle Zoetwatervisschen, van den Snoek, te beveiligen, zoodat deze
-hem ongemoeid moet laten, of gewond en zelfs gedood wordt. Bij het
-vangen van Snoek met de "fleur" (of zetlijn), waarbij levende vischjes
-op zulk een wijze aan den haak worden geslagen, dat hunne bewegingen
-zoo weinig mogelijk belemmering ondervinden, worden soms de stekels
-afgeknipt van de vaak voor dit doel dienende baarsjes. Behalve met
-kleinere Visschen, voedt de Baars zich met alle andere waterdieren,
-die hij overweldigen kan: in zijn jeugd met Wormen en larven van
-Insecten, later met Schaaldieren en Amphibiën, ten slotte zelfs met
-kleine Zoogdieren, b.v. Waterratten. Door roofgierigheid en vraatzucht
-verleid, bijt hij in ieder lokaas, zelfs na gezien te hebben, dat
-zijne kameraads zich op deze wijze in het verderf stortten. Gevangen
-Baarzen nemen reeds weinige dagen na het verlies van hun vrijheid uit
-de hand van hun verzorger voedsel aan en worden weldra eenigszins tam.
-
-Op driejarigen leeftijd wordt de Baars voor de voortplanting
-geschikt. Hij is dan ongeveer 15 cM. lang. Het kuitschieten heeft
-gewoonlijk plaats in de maanden Maart, April en Mei; het aantal eieren
-bedraagt omstreeks 300.000. Vele daarvan worden door Watervogels
-en Visschen opgegeten; bovendien is in sommige gewesten het aantal
-hommers aanmerkelijk geringer dan het aantal kuiters. Hieraan is het
-toe te schrijven, dat de Baars zich niet sneller vermenigvuldigt.
-
-Gevaarlijke vijanden van den Baars zijn, behalve de Snoek, ook de
-Otter, de Vischarend, de Reigers en de Ooievaar, bovendien nog de
-Zalmen en andere roofvisschen. Weinig minder schadelijk is voor hem
-een klein Schaaldier, een zoogenaamde Vischluis, die zich in het teere
-weefsel van zijne kieuwen vestigt en deze ten slotte vernielt. Men
-heeft niet minder dan 7 verschillende soorten van Ingewandswormen
-bij hem aangetroffen.
-
-Alle beginnende hengelaars hebben schik aan den Baars, omdat hij hen,
-ondanks hun onervarenheid, dikwijls aan een zoodje visch helpt. Daar
-waar hij veelvuldig voorkomt, kan men met den hengel een goede vangst
-doen. Ook vangt men dezen Visch wel met een naar hem genoemd net
-met schakels, of met den zegen. In den regel is de vraatzucht van
-den Baars zoo groot en hapt hij zoo spoedig toe, dat de hengelaar,
-om goed van de gelegenheid te profiteeren, zich haast om een nieuw
-lokaas aan den haak te slaan en weder in te leggen. "Van twee knapen,"
-schrijft Dr. W. J. Broers in het "Album der Natuur" (1876), "die in
-het klare water aan het visschen waren, verloor de eene zijn haak
-bij het ophalen; een uur daarna ving de andere een Baars, uit welks
-ingewanden bij het schoonmaken de verloren haak, met nog een gedeelte
-van den Worm er aan, te voorschijn kwam. Dezelfde knapen lagen op
-dezelfde plaats met hunne vischtuigen zeer dicht bij elkander, zooals
-onbekwame visschers en jongens wel meer doen. De eene ving een Baars;
-toen hij hem boven water had, bleek het, dat hij ook aan het snoer
-van den anderen vastzat; de Visch had, zonder dat de eene hengelaar
-het bemerkte diens haak ingeslikt en dadelijk daarop het aas van den
-anderen hengel gegrepen; hier deed zich dus het bijna ondenkbare
-geval voor dat twee visschers te gelijker tijd een en denzelfden
-Visch ophaalden." "Soms, ofschoon zelden, kan het voorkomen, dat de
-Baars, evenals de Snoek, het aas boven water grijpt. Zoo heb ik een
-enkele maal, het aas op het flap werpend, gezien, dat de Baars het
-flap op dezelfde wijze als de Snoek doorboorde, en het aas spoedig
-bemachtigde; zelfs gebeurt het een heel enkele maal, dat de Baars in
-den hengeltop bijt, waarmede men een opening in het flap of het kroos
-tracht te maken." "Zijn vraatzucht, vooral wanneer hij honger heeft,
-doet hem vaak, evenals de Snoek, in het dolle op zijn prooi losgaan;
-toch kan men dikwijls waarnemen, dat hij een goed gebruik heeft gemaakt
-van de opgedane ondervinding; soms bekijkt hij zijn prooi een tijd
-lang van alle kanten, voordat hij er toe overgaat haar te grijpen. De
-hengelaars weten zeer goed, dat men zelden een Baars vangt, als er een
-gedeelte van den haak, al is het uiterst klein, uit den Worm steekt
-of er zoogenaamd "doorschijnt"; terwijl Snoek en Voorn zoo nauw niet
-toezien. Een ander bewijs van zijn overleg, wanneer hij tijd van
-nadenken heeft en niet door hevigen honger of vraatzucht gedreven
-wordt, is, dat hij vaak den Worm slechts half inzuigt en hem niet
-inslikt, zooals gewoonlijk. Ik heb echter ook wel eens een Baars zien
-vangen met een haak van glinsterend lood voorzien, waaraan geen aas
-was vastgehecht, en die, gelijk wel eens meer geschiedt, achteloos in
-het water geworpen werd; maar dit zijn zeldzame uitzonderingen." "Hoe
-dicht zij dikwijls bij elkander zwemmen kunnen, bewijst het geval,
-dat, als men beet krijgt en ophaalt, men soms den buik of een
-ander lichaamsdeel, vooral het oog, aan den haak vastgehecht vindt,
-hetgeen niet anders te verklaren is, dan dat men, den bijtenden Visch
-misslaande, een in de nabijheid zwemmenden treft. Hierop grondt zich
-dan ook een wijze van visschen in de meren van Zwitserland, vooral
-tegen muren of kaden aan, waar men niet met aas vischt, maar den vrij
-sterk met lood bezwaarden haak aan het snoer slechts onophoudelijk
-heen en weer beweegt, waarbij men niet zelden een vrij aanzienlijk
-getal betrapt, meestal in den buik getroffen, of ook somwijlen in
-de zijden, tusschen de vrij harde schubben in. Zelden gebeurt het,
-dat men den Baars, dien men ziet, vangt; dit geschiedt in het klare
-water alleen wanneer men het aas over het water heensleept; in dit
-geval zal hij, zijn prooi vervolgend, deze zoo haastig opslikken,
-dat de haak vaak tot in de maag terechtkomt. De hengelaars zeggen dan,
-dat hij "robt". Ook treft men hem niet altijd op dezelfde diepte aan,
-somwijlen aan de oppervlakte, somwijlen in het midden, en ook wel
-eens geheel op den bodem." "In den regel vischt de goede hengelaar in
-wateren die hem niet geheel bekend zijn, het liefst zonder dobber,
-omdat hij dan gemakkelijk alle diepten bereiken kan. Wanneer twee
-of drie bekwame hengelaars achter elkander een sloot afloopen, ziet
-men dikwijls, dat zij, die met Wormen van een hoogroode kleur en
-die veel beweging maken, visschen, spoedig het meest vangen, n.l. de
-zoogenaamde "happers", in den regel de betrekkelijk kleine Baarzen;
-de achteraan komende, die met lange Wormen vischt, betrapt dan nog
-vaak de grootere. Alles hangt hier natuurlijk af van de gretigheid,
-waarmede de Baars aast, en deze wordt door allerlei omstandigheden
-van weer en wind, van warmte of koude bepaald." "Waar Baarzen zich in
-het riet verbergen, kan men ze alleen vangen door schakels, die men
-om den rietkraag heenzet, terwijl men tevens met nauwkeurigheid de
-geheele plek bepolsen moet. Dit geldt eveneens, wanneer zij zich onder
-houtvlotten verbergen, maar dan willen zij er wel eens uitschieten,
-als men met klompen hard op die vlotten loopt. In den regel beloont
-echter het schakelen op Baars de moeite niet, daar zij er zelden mede
-te betrappen zijn."
-
-Het spreekwoord "in troebel water is het goed visschen" is ontleend
-aan een wijze van vischvangst, waarbij stilstaand water opzettelijk
-troebel wordt gemaakt; de modderdeeltjes, die tusschen de kieuwen
-geraken, belemmeren de ademhaling der Visschen, die hierdoor
-flauw worden, stikken en daarna gemakkelijk uit het water gehaald
-kunnen worden. Wegens het groote verschil in samenstelling der
-ademhalingswerktuigen zal de eene Visch spoediger flauw zijn dan de
-andere. De Voorn komt het eerst boven drijven, daarna de Baars, later
-de Zeelt; de Snoek houdt het nog langer in troebel water uit; op de
-Aal heeft het geen merkbare uitwerking. Deze wijze van vischvangst
-is af te keuren, daar zij de oorzaak is van den dood van vele kleine
-Visschen en van het bederven van veel vischkuit (Van den Ende).
-
-De Baars is voor den vischhandel zeer geschikt, omdat hij buiten 't
-water geruimen tijd goed kan blijven en dus ver verzonden kan worden,
-waarbij het echter aanbeveling verdient hem onderweg van tijd tot tijd
-te bevochtigen. Ook kan hij dagen en weken lang in de beperkte ruimte
-van een bun (of vischkaar) in 't leven blijven. Van zijn huid kan
-men een zeer goeden lijm bereiden; hiervoor dienen jonge Visschen,
-die niet geschikt zijn om gegeten te worden. De schubben van den
-Baars zijn wegens hun vorm, glans en stijfheid zeer geschikt als
-materiaal tot versiering van vrouwelijke handwerken. Na zuivering,
-eerst in lauw water, daarna in een slappe oplossing van potasch,
-worden zij in pekel gelegd, met een doek afgeveegd en met drie gaatjes
-voorzien. Met gouddraad op fluweel gehecht, maken zij een prachtige
-vertooning (Van Meerten).
-
-
-
-Van de Baarzen (i. e. z.) verschillen de Wolfsbaarzen (Labrax) door
-een meer langwerpige gestalte, door de kleinere schubben (ook op het
-van achteren met 2 doornen gewapende kieuwdeksel), door den grooteren
-afstand tusschen de beide rugvinnen en door de ruig getande tong.
-
-De eenige vertegenwoordiger van dit geslacht, die aan onze kusten
-soms voorkomt--de Zeebaars of Zeesnoek (Labrax lupus)--was reeds
-aan de ouden goed bekend. Hij bereikt een lengte van 0.5 à 1 M. en
-een gewicht van 10 KG. De fraaie, zilvergrijze kleur heeft op den
-rug een blauwachtige, op den buik een witachtige tint; de vinnen
-zijn lichtbruin.
-
-Behalve in de Middellandsche Zee vindt men hem ook in den Atlantischen
-Oceaan langs de kusten van Portugal, Frankrijk, Engeland en Ierland
-(vooral aan de zuidzijde en in het kanaal van Bristol en St. George,
-doch ook verder noordwaarts); hij wordt (ofschoon zelden) ook in de
-Noordzee en in de Oostzee aangetroffen. Hij houdt zich gaarne in ondiep
-water op, vertoeft daarom gewoonlijk in de nabijheid van de kust, doch
-dringt ook dikwijls in de rivieren door tot op aanzienlijken afstand
-van de zee. Aan de Iersche kusten is hij een gewone verschijning
-en vangt men hem nu en dan in grooten getale in de voor Zalmen en
-dergelijke Visschen bestemde netten.
-
-Daar de Zeebaars even vraatzuchtig is als zijne verwanten, bijt ook
-hij gemakkelijk aan het aas van den hengel; wijl hij daarna al zijne
-krachten inspant om zich los te rukken en met verbazende kracht heen
-en weer zwemt, vereischt het vangen van deze Visch veel overleg.
-
-Zijn voedsel bestaat uit Schaaldieren, Wormen en kleine Visschen. Om
-den eerstgenoemden buit te verkrijgen, zwemt hij bij hevigen storm
-dicht bij de kust, omdat de branding vele Schaaldieren losrukt en
-hem toevoert.
-
-In het midden van den zomer heeft het kuitschieten plaats.
-
-Nauw verwant aan den Zeebaars is de Kaalkop (Lates calcarifer), een
-van de meest geliefde zeevisschen op Java; zijn naam is vermoedelijk
-een verbastering van dien, welken de Maleiers hem geven (Ikan-kakap);
-de aanleiding hiervoor kan ook gezocht worden in de kleine, onderling
-vergroeide schubben op den kop en den nek, die om deze reden naakt
-schijnen.
-
-Roode Kakap of Ikam-kakap-meirah (Diacope metallica) noemt men een
-Visch van 6 dM. lengte, die, evenals vele andere soorten van Diacope
-en Mesoprion, wegens de smakelijkheid van zijn wit en hard vleesch
-zeer gewild is.
-
-
-
-Bij de Possen (Acerina) zijn de beide rugvinnen vereenigd, het
-voordeksel en het eigenlijke kieuwdeksel met stekels bezet, de
-kaakbeenderen en ploegschaarbeenderen met fluweelachtige tanden
-gewapend, de borst en de buik min of meer vrij van schubben.
-
-De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht, de gewone Pos,
-in Groningen en Friesland ook wel Schele Pos of Schele Jongen genoemd
-(Acerina cernua), bereikt een lengte van 20 à 25 cM. en een gewicht
-van 120 à 150 G. Hij heeft een korten, gedrongen romp en een stompen
-snuit, is op den rug en de zijden olijfgroen, hier met onregelmatig
-verspreide, donkerder vlekken en stippels, op de rugvin en de staartvin
-met reeksen van stippels geteekend.
-
-De Pos is over Middel-, West- en Noord-Europa verbreid en komt
-in Siberië buitengewoon veelvuldig voor. Men vindt hem in al onze
-binnenwateren, doch in veel geringer aantal dan de Baars. Ofschoon
-een zoetwatervisch, is hij ook in brak water niet zeldzaam, zooals
-uit het vangen van deze Visch in het Hollandsch diep en in de brakke
-gedeelten en binnenwateren van de westelijke Oostzee blijkt. Ook in
-Duitschland is hij zeer algemeen verbreid; in den bovenloop van den
-Rijn vindt men hem niet, daar de Rijnval bij Schaffhausen het verder
-opzwemmen van den stroom verhindert; ook in andere wateren van de
-Alpen is hij zeldzaam. Zijn levenswijze komt overeen met die van den
-Baars. Aan heldere, diepe meren geeft hij de voorkeur boven ondieper,
-stroomend water, waar men hem echter gedurende den rijtijd, in April
-en Mei, aantreft, in dit geval gewoonlijk bij troepen zwemmend, hoewel
-hij zich overigens meer afgezonderd houdt. In de rivieren en beken
-blijft hij tot in den herfst en keert dan gewoonlijk naar de meren
-terug, daar het diepe water zijn winterverblijf is. Zijn voedsel
-bestaat uit vischjes, Wormen en Insecten; volgens de mededeelingen
-van een ervaren visscher eet hij echter ook gras en riet. De eieren
-worden ook wel aan steenen gehecht. Het kuitschieten heeft in Maart
-en April langs met riet begroeide oevers plaats.
-
-Met den kuil worden deze Visschen op de Beneden-Elbe soms in groote
-hoeveelheid opgehaald; men vangt ze echter gewoonlijk aan den hengel
-met een Worm als aas en in fijnmazige netten, in den regel gedurende
-den zomer, in sommige meren daarentegen vooral in den winter. De Pos
-wordt in vele landen als spijs hooger geschat dan de Baars. Bij ons
-maakt men niet veel werk van de vangst van dezen Visch wegens zijn
-geringe grootte en omdat men hem niet in voldoende hoeveelheid kan
-verkrijgen.
-
-Het fokken van den Pos in vijvers verdient aanbeveling, daar hij
-hier gemakkelijk het noodige voedsel kan vinden; bovendien is hij
-onschadelijk en bezit een groot weerstandsvermogen; hij vermenigvuldigt
-zich echter niet zeer snel en groeit langzaam.
-
-
-
-De Schretser (Acerina schraetzer), die in levenswijze met den Pos
-overeenkomt, is tot het Donaugebied beperkt; hij verschilt van de
-vorige soort door den meer langwerpigen romp, den langeren snuit en
-de grootere lengte van de rugvin, die bijna van den kop tot den staart
-reikt, voorts door de citroengele grondkleur van de zijden, waarlangs 3
-of 4 zwartachtige lijnen loopen. De Schretser is aanmerkelijk grooter
-dan zijn verwant en kan 250 G. zwaar worden.
-
-
-
-Het geslacht der Snoekbaarzen (Lucioperca) kenmerkt zich door twee
-gescheiden rugvinnen, door een reeks van tandvormige uitsteekseltjes
-aan het voordekselbeen en door lange, spitse tanden, die zich
-verheffen boven de fijne borstel- en fluweeltanden, welke de kaak- en
-gehemeltebeenderen bedekken. Vooral door den langwerpigen vorm van het
-lichaam en de scherpe, spitse rooftanden herinneren zij aan de Snoeken.
-
-De Snoekbaars of Zander (Lucioperca sandra), bereikt een lengte van
-100 à 130 cM. en een gewicht van 12 à 25 KG. De rug is groenachtig
-grijs, de buik zilverwit; over den rug en een deel van de zijden
-loopen wolkvormige, bruine dwarsstrepen, die soms echte, donkere
-dwarsbanden worden; de zijden van den kop zijn bruin gemarmerd;
-de huid tusschen de vinstralen is zwartachtig gevlekt.
-
-De Snoekbaars bewoont de groote rivieren van Noord-oost- en
-Middel-Europa, maar vermijdt alle snelvlietende stroompjes; in
-Noord-Duitschland ontmoet men hem in de Elbe, den Oder en den Weichsel
-met hunne bijrivieren en de naburige meren, in Zuid-Duitschland
-in den Donau; men vindt hem daarentegen niet in het stroomgebied
-van den Rijn en van den Wezer en evenmin in de overige deelen van
-West-Europa. Hij houdt van diep, zuiver stroomend water, houdt zich
-meestal in de onderste waterlagen op en verschijnt slechts gedurende
-den rijtijd, die tusschen de maanden April en Juni valt, op ondiepere,
-met waterplanten begroeide plaatsen van den oever om hier kuit te
-schieten. Daar hij buitengewoon roofgierig is, alle kleinere leden van
-zijn klasse vervolgt en zijn eigen nakomelingschap niet spaart, is zijn
-groei bijzonder snel; reeds in het eerste levensjaar bereikt hij een
-gewicht van 0.75 KG., dat in het tweede tot 1 KG. stijgt. In groote
-binnenwateren, kleine meren of vijvers, die rijk zijn aan Visschen
-van geringe kwaliteit, zooals Alvers, Blankvoorns, Ruischvoorns,
-Spieringen en Grondels, zou de moeite besteed aan het fokken van
-dezen Visch rijkelijk beloond worden.
-
-Vóór den rijtijd, dus in den herfst en in den winter, is de Snoekbaars
-het vetst; in verschen toestand bereid, smaakt hij het best, door
-het rooken en inzouten wordt zijn vleesch minder smakelijk.
-
-
-
-De Spoelbaarzen (Aspro) heeten zoo wegens den vorm van hun romp;
-de bovenkaak steekt voorbij de onderkaak uit; het voordeksel is zwak
-getand, het eigenlijke kieuwdeksel gedoornd: de rugvinnen zijn door
-een tusschenruimte gescheiden; fluweelvormige tanden komen aan beide
-kaken en aan de ploegschaar- en gehemelte-beenderen voor.
-
-De Singel (Aspro zingel) wordt 30 cM. lang en 1 KG. zwaar; de rug en
-de zijden zijn grijsgeel, de onderdeelen witachtig; vier bruinzwarte
-strepen loopen scheef van boven naar onderen en voren over de zijden.
-
-De Strever (Aspro streber), die zich van de vorige soort onderscheidt
-door den zeer slanken staart, komt met haar in kleur nagenoeg overeen;
-zijn rug is n.l. bruingeel of roodachtig en de witachtig gele zijden
-prijken met 4 à 5 breede, zwartachtige, scheef naar voren en naar
-onderen gerichte strepen; hij wordt slechts 15 cM. lang en 60 à 100
-G. zwaar.
-
-Tot dusver heeft men den Singel en den Strever uitsluitend in het
-Donaugebied aangetroffen, waar zij zoomin in den hoofdstroom als in
-de bijrivieren veelvuldig voorkomen. Zij houden van zuiver, stroomend
-water, leven op vrij groote diepte, voeden zich met kleine Visschen en
-Wormen en schieten kuit in April. Van beide is het vleesch smakelijk
-en licht verteerbaar.
-
-
-
-Tot de uitmuntendste Visschen van deze familie behooren, zoowel
-wegens hunne fraaie kleuren als wegens hun geschiktheid tot spijs, de
-Zaagbaarzen (Serranus), een soortenrijk geslacht, dat zich kenmerkt
-door de onverdeelde rugvin, het getande voordeksel en het met
-twee of drie stekels gewapende eigenlijke kieuwdeksel, door lange,
-spitse grijptanden tusschen de fijne borsteltandjes en doordat het
-schubbenkleed zich ook over de kieuwdeksels uitstrekt.
-
-Een van de meest bekende soorten is die, welke in Italië Sperga
-(Serranus scriba) wordt genoemd, een prachtige Visch van 20 à 30 cM. en
-300 à 500 Gr. gewicht. Op steenrooden, in de rugstreek donkerder grond
-is hij met breede, zwartblauwe dwarsstrepen en lazuurblauwe, kromme op
-schrijfteekens gelijkende lijnen versierd. De onderzijde is geelachtig;
-vooral aan de onderkaak zijn op den gelen grond roode stippels
-zichtbaar; roodblauw gezoomde vlekken prijken op de gele vinnen.
-
-Bij voorkeur houden de Sperga's verblijf in diep water, langs de
-rotsachtige kusten van de Middellandsche zee, voor zoover zij rijk
-zijn aan Vischjes en Schaaldieren, vooral Garnalen, en aan holen,
-die als schuilplaatsen kunnen dienen. Zij zijn zeer gewild wegens
-hun smakelijk vleesch.
-
-Het geslacht der Zaagbaarzen omvat 140 soorten, die de zeeën
-van den gematigden en meer nog die van den tropischen aardgordel
-bewonen. Verscheidene daarvan worden in Indië gegeten en zijn onder
-den naam Ikan-krapoe bekend. Enkele soorten met een gevlekte huid
-[Serranus (Epinephelus) variolosus en S. (E.) crapas] worden algemeen
-Jacob-Evertsen genoemd, naar den beroemden zeeman; daar deze een
-taankleurig gelaat had, dat door talrijke vlekken geschonden was.
-
-
-
-De Reuzenbaarzen (Polyprion) zijn vooral kenbaar aan een gekartelde,
-overlangsche lijst op het eigenlijke kieuwdeksel; geen der tanden
-is verlengd.
-
-De Wrakvisch (Polyprion cernuum) is driemaal zoo lang als hoog en effen
-bruingrijs van kleur; op jeugdigen leeftijd heeft hij op bruinen grond
-donkerder vlekken, wolkjes en marmerteekeningen, benevens een witten
-rand aan de spits van den staart. Hij kan 2 M. lang en meer dan 50
-KG. zwaar worden, is bij de kusten van Italië en Zuid-Frankrijk
-volstrekt niet zeldzaam en voedt zich met Weekdieren en kleine
-Visschen, bijv. Ansjovis. Zijn vleesch wordt hoog geschat. Uit latere
-berichten blijkt, dat deze Baarzen verder verbreid zijn en o. a. op de
-Engelsche kust niet zelden voorkomen. Dikwijls begeleiden zij wrakken,
-die uit zuidelijker zeeën komen aandrijven; spelend dartelen zij er om
-heen, waarbij soms een van hen, de andere najagend, op het wrak springt
-en hier boven water blijft liggen, tot een golf hem weer vlotmaakt.
-
-
-
-De familie der Schubvinnigen (Squamipennes) omvat ongeveer 130 soorten,
-die in de tropische zeeën thuis behooren. Hare leden wedijveren door
-pracht van kleuren met de schitterendste Vogels en bontste Vlinders
-der keerkringsgewesten. Zij zijn de pronkjuweelen van de bovenste
-waterlagen langs de kust en trekken hierdoor niet minder de aandacht
-dan de Kolibries in de Zuid-Amerikaansche en de Paradijsvogels in
-de Nieuw-Guineesche oerwouden. Zij schijnen deze mededingers naar
-den schoonheidsprijs nog te overtreffen door de zuiverheid en den
-glans der kleuren, die met bewonderingwekkende harmonie over hun
-lichaam verdeeld zijn. Indigokleurige en hemelsblauwe, paarse en
-fluweelachtig zwarte vlekken, banden, strepen en ringen prijken
-op een zuiver gouden of zilveren grond. Het diepe azuur van den
-zuidelijken hemel en het ultramarijn van de golven der tropische
-zeeën vindt men terug in het schubbenkleed van deze Visschen, dat
-als 't ware aan de rozen de zachte tinten en aan den regenboog de
-talrijke kleurschakeeringen ontleende. De prachtige kleuren en de
-door sierlijkheid en afwisseling uitmuntende teekening gaan gepaard
-met hoogst eigenaardige lichaamsvormen, geheel afwijkende van die,
-waaraan wij bewoners van noordelijke gewesten gewoon zijn. De
-romp is zijdelings buitengewoon sterk samengedrukt, van boven
-naar onderen uitgerekt, en komt dus overeen met een meer of minder
-langwerpige schijf; de dikke rug- en aarsvinnen zijn hiervan als 't
-ware voortzettingen; evenals de romp en de kop met schubben bedekt,
-verlengen en vervormen zij zich dikwijls op vreemdsoortige wijze en
-vallen niet zelden door harde of zeer lange stralen bijzonder in 't
-oog; eigenlijk vertoonen dus alleen de borstvinnen en de staartvin de
-gewone gedaante; ook van de buikvinnen geldt dit, tenzij hiervoor
-een enkele stekel in de plaats treedt (zooals bij de leden van
-het geslacht (Psettus). De kop eindigt in den regel in een spitsen
-snuit met kleine mondopening, die bij eenige soorten snavelvormig
-verlengd is, bij andere nagenoeg niet buiten den algemeenen omtrek
-uitsteekt. Hoewel borstelachtige bestanddeelen in het gebit van deze
-Visschen de overhand hebben, treden hiervoor, zoowel op de kaken als op
-het gehemelte, soms hekelachtige of fluweelachtige tanden in de plaats.
-
-
-
-De naam Borsteltandigen (Chaetodon), door Linnaeus aan alle
-Schubvinnigen gegeven, dient tegenwoordig tot aanduiding van een 70
-soorten omvattend geslacht, welks leden op de Molukken Klipvisschen,
-op Réunion Demoiselles heeten. Meer bepaaldelijk wordt de "Klipvisch"
-genoemd. Deze heeft met zijn verwanten de volgende kenmerken gemeen:
-Het langwerpig ronde lichaam eindigt in een slurfvormigen snuit, met
-kleinen, niet vooruitstekenden bek; de beide kaken dragen verscheidene
-dicht opeengedrongen reeksen van borstelachtige tanden, waarvan
-de spitsen naar achteren gericht zijn; het voordeksel is aan den
-achterrand niet getand en, evenals de wangen, met schubben bekleed;
-de afgeknotte rugvin strekt zich langs de geheele bovenzijde uit;
-zijn voorste gedeelte wordt gesteund door dikke stekels; de aarsvin
-is afgerond, de staartvin recht afgesneden en middelmatig lang;
-de schubben zijn groot en aan den achterrand fijn getand.
-
-
-
-De Klipvisch (Chaetodon vittatus) is 11 cM. lang en op citroengelen
-grond met ongeveer 13 zwartachtige, overlangsche strepen
-geteekend. Boogvormige, zwarte dwarsbanden versieren den kop; de
-langste en breedste loopt over het oog, een smallere is er achter
-gelegen, drie of vier dwarslijnen komen op het voorhoofd voor;
-zwart is ook de omgeving van den bek. Het zachte gedeelte van de
-gele rugvin wordt door een zwarte streep van den romp gescheiden
-en is, evenals de donkerzwarte aarsvin, die aan haar wortel een
-lichtgele, overlangsche streep heeft, met een oranjekleurigen eindzoom
-voorzien. De zwarte staartvin prijkt met een breeden, rozerooden
-eindzoom. Het verbreidingsgebied van dezen fraaien Visch reikt van
-Oost-Afrika tot Otaheite.
-
-Aan de groote lengte van den vijfden weeken straal van de rugvin
-herkent men de soort, die door de Arabische visschers van de Roode
-Zee Wimpelvisch (Chaetodon setifer) wordt genoemd; zij is over den
-geheelen Indischen Oceaan en het westelijke deel van de Stille Zuidzee
-verbreid. Op matwitten grond loopen in verschillende richtingen
-donkerder strepen: een zwarte, van achteren wit gezoomde streep,
-die naar onderen breeder wordt, strekt zich van den nek door het
-oog tot aan de keel uit; 5 of 6 zwartachtige, scheef van voren naar
-boven en achteren gerichte strepen gaan van den schoudergordel naar
-het stekelige gedeelte van de rugvin; 8 à 10 van voren naar onderen
-en achteren over het achterste deel van den romp loopende strepen
-ontmoeten de vorige nagenoeg onder een rechten hoek; de streek boven
-het oog prijkt bovendien met vier oranjegele dwarslijnen. Het achterste
-deel van de rugvin, dat dikwijls een zwarte, door een witten rand
-omringde vlek draagt, is citroengeel, van boven echter vuurrood en
-zwart gezoomd; de staartvin is citroengeel, van achteren versierd met
-een roodachtig grijswitten rand, waaraan een spoelvormige, donkerbruine
-dwarsvlek met zwarten zoom en een halvemaanvormige, lichtgele gordel
-met witten zoom voorafgaan; de aarsvin is oranjekleurig met zwarten
-rand en witten zoom; de borstvinnen en de buikvinnen zijn roodachtig
-grijswit.
-
-De Koraalvisch (Chaetodon fasciatus) komt van de Roode Zee tot aan
-de Chineesche kust voor en wordt ongeveer 16 cM. lang. De kop is op
-witten grond versierd met een breeden, zwarten, van de kruin tot aan
-het voordeksel reikende band, de romp op heldergelen grond met 9 à 12
-bruinzwarte, scheef van voren naar boven en achteren loopende strepen,
-die zich tot over de gele vinnen voortzetten; de lippen zijn rozerood;
-het weeke gedeelte van de rugvin en de aarsvin hebben een zwarten
-rand; de eerstgenoemde is aan den wortel met een bruinzwarte booglijn
-geteekend; de staartvin vertoont dicht bij den witachtigen eindzoom
-een lensvormige, zwarte dwarsstreep.
-
-
-
-Bij de Zweepvisschen of Koetsiers (Heniochus) is de vierde stekel van
-de rugvin buitengewoon sterk verlengd; de kop eindigt in een korten
-snuit en de bek is met borstelachtige tanden bezet.
-
-Een 20 cM. lange vertegenwoordiger van dit geslacht--in Indië
-Vaandrager genoemd (Heniochus macrolepidotus)--bewoont den geheelen
-Indischen Oceaan. Grijsgeel is de heerschende kleur, die op de
-borst en de keel in zilverwit overgaat; de kop is van boven geheel
-of gedeeltelijk zwart; de zijden van den snuit zijn licht, de wangen
-donker; twee zeer breede, zwarte banden loopen nagenoeg evenwijdig in
-scheeve richting over de zijden van den romp: de eene van het voorste
-deel van de rugvin tot over de buikvinnen en het voorste deel van de
-aarsvin, de andere van het middelste deel van de rugvin tot over het
-achterste einde van de aarsvin. Overigens zijn de vinnen citroengeel.
-
-
-
-De Keizersvisschen (Holacanthus) zijn kenbaar aan den achterwaarts
-gerichten, door een vliezige scheede omhulden stekel, waarmede de
-benedenhoek van het voordeksel gewapend is, aan de dikkere en stijvere
-tanden met lepelvormig topgedeelte en aan de schubben, die de rugvin
-en de aarsvin over haar geheele lengte bedekken.
-
-De Hertogsvisch (Holacanthus diacanthus) wordt 20 cM. lang; de romp
-is op citroengelen grond met 8 of 9 lichtblauwe, breed zwart gezoomde,
-dikwijls voor een deel gaffelvormige dwarsstrepen, de zwarte rugzijde
-van den kop met blauwe, overlangs en overdwars gerichte strepen
-prachtig geteekend; een blauwe streep omgeeft het oog, een andere
-loopt langs den rand van het voordeksel naar beneden. De borst-
-en buikvinnen en de staartvin zijn citroengeel; het weeke gedeelte
-van de donkerbruine rugvin is aan den rand zwart en blauw, overigens
-dicht bezet met blauwe stippels; de bruine aarsvin prijkt met 6 of
-7 boogvormige, lichtbruine dwarsbanden.
-
-Nog prachtiger kleuren heeft de soort, die door de Nederlanders op
-de Molukken Keizer van Japan, door de Fransch sprekende kolonisten
-van Mauritius Guingam wordt genoemd (Holacanthus imperator). De vuil
-zwavelgele kop is getooid met een bruinzwarten, van voren en van
-achteren helder blauw gezoomden band, die over het voorhoofd en het
-oog achter het voordeksel langs loopt; boven de borstvin komt een
-groote, langwerpige, geel gezoomde vlek voor, die bij het violet
-getinte blauw van den romp even prachtig afsteekt als de smalle,
-boogvormige, gele, overlangsche strepen op de zijden. De buik en de
-borst zijn groenachtig bruin, de vinnen blauwachtig; de kleur van
-de vinstralen is lichter of donkerder; zij wisselt af van oranje tot
-zwart; de bruine aarsvin prijkt met blauwe, overlangsche booglijnen,
-de oranjegele aarsvin met een lichteren rand.
-
-Ook deze beide soorten bewonen den Indischen Oceaan.
-
-
-
-Ten slotte moeten wij nog de Boogschuttervisschen (Toxotes)
-vermelden. Zij hebben in vergelijking met de vorige geslachten een
-langwerpig lichaam, dat, hoewel zijdelings samengedrukt, veel langer
-is dan hoog; vooral zijn zij kenbaar aan hun ver naar achteren gelegen
-rugvin, die deels door zeer dikke, stekelige, deels door gelede stralen
-wordt gesteund. De snuit is eigenaardig door het vooruitsteken van
-de onderkaak. Ook het gehemelte is hier met tanden bezet. Van dit
-geslacht zijn 2 soorten bekend, welker verbreidingsgebied zich van de
-Golf van Bengalen over de Oost-Indische eilanden tot aan de noordkust
-van Australië uitstrekt.
-
-De Boogschutter, de Ikan-Soempit der Maleiers (Toxotes jaculator), is
-reeds lang bekend, omdat hij bij de Javanen niet zelden als huisdier
-voorkomt. Zijn lengte bedraagt ongeveer 20 cM. Hij is groenachtig
-grijs van kleur, aan de rugzijde het donkerst en met 4 of 5 breede,
-donkere dwarsstrepen of vlekken geteekend, aan de buikzijde met
-zilverkleurigen weerschijn.
-
-
-
-Zooals reeds gezegd is, houden alle Schubvinnigen zich in de bovenste
-waterlagen op en in de nabijheid van de kust; enkele gaan ook in de
-rivieren over, terwijl andere nu en dan de schepen volgen tot in
-de volle zee, om het afval te bemachtigen, dat overboord geworpen
-wordt, of om een anderen buit na te jagen. De meeste soorten, vooral
-die, welke zich door prachtige kleuren onderscheiden, worden in
-den regel aangetroffen in de nabijheid van koraalriffen of boven
-ondiepten; hier spelen zij druk met elkander in het door de zon
-beschenen water, alsof het er hun om te doen is hun schoonheid
-goed te doen uitkomen. Daarom noemen de Fransche kolonisten van
-Guadeloupe de eenige bij West-Indië voorkomende soort van Keizersvisch
-(Holocanthus tricolor) Veuve-coquette; haar bovenhelft is zwart, de
-onderhelft goudgeel van kleur, alsof zij een zwartfluweelen mantel
-op een goudlakensch kleed draagt. In de Roode Zee ontwaart men ze
-hoofdzakelijk in de diepe kloven of putvormige tusschenruimten der
-koraalriffen, waarvan het water zelfs bij hoogen golfslag stil en
-helder is en die als 't ware met een woud van vertakte polypenstokken
-gevuld zijn. De reiziger, wiens schip in een donkeren nacht tusschen
-de riffen voor anker ligt, herkent de aanwezigheid van deze Visschen
-aan het door microscopische diertjes veroorzaakte lichten der zee,
-dat bij iedere beweging van het water wordt waargenomen (Heuglin). Men
-ziet dan dikwijls, op aanzienlijke diepte dof glinsterende plekken;
-plotseling schieten deze als vonken uiteen, bewegen zich langzaam
-heen en weer, vereenigen zich na eenigen tijd opnieuw tot groepen,
-die nogmaals uiteenspatten, enz. Alle bekende Schubvinnigen, enkele
-soorten misschien uitgezonderd, voeden zich met andere dieren, de
-meeste waarschijnlijk met weeke zeedieren, dus met kleine Kwallen,
-Zee-anemonen, Koraaldiertjes, enz.; daarentegen maken zij, die zich in
-de nabijheid van boschrijke kusten ophouden, hoofdzakelijk op Insecten
-jacht. Die, welke tusschen de riffen leven, spelen om de polypenstokken
-op soortgelijke wijze als de Boschzangers in de boomen. Bij troepen
-staan zij soms eenige oogenblikken stil voor een vertakten stam,
-schieten daarna eensklaps met een ruk vooruit, boren of bijten in de op
-bloemen gelijkende dieren om en stuiven, alle van een streven bezield,
-naar een andere plaats, waar zij dezelfde jacht opnieuw beginnen. De
-Snavelvisschen (Chelmo), waarvan 4 soorten den Indischen Oceaan en de
-Stille Zuidzee bewonen, gebruiken hun langen, buisvormig verlengden
-snuit om hun buit uit spleten van het gesteente te halen.
-
-Op een andere wijze dan de soorten, die bij de koraalriffen jagen,
-gaat de Boogschutter te werk. Zoodra hij een Vlieg of een ander
-Insect op een over het water hangende plant ziet zitten, nadert
-hij dit diertje tot op een afstand van 1 à 1.5 M. en spuit uit zijn
-eigenaardig gevormden bek eenige waterdroppels naar zijn prooi, die
-hij zoo goed en zoo krachtig weet te treffen, dat zij bijna altijd
-naar beneden in het water valt. Op Java houdt men den Boogschutter
-in een bak met water met een stok in 't midden, die zich ongeveer
-60 cM. boven de oppervlakte verheft; in den stok zijn houten plugjes
-gestoken, dienende tot aanhechtingsplaats voor de Insecten, die tot
-voedsel voor de vischjes bestemd zijn. Deze komen er spoedig op af,
-zwemmen eenige malen om den stok heen, steken vervolgens den kop
-boven water, houden de oogen eenigen tijd op het begeerde Insect
-gevestigd, spuiten eensklaps eenige druppels water naar de prooi, om
-deze naar beneden te doen tuimelen en slikken haar in, als hun toeleg
-gelukt. Als zij misgeschoten hebben, zwemmen zij eenige malen om den
-stok heen, plaatsen zich opnieuw in de juiste positie en herhalen hun
-poging. Het gedruisch, dat men bij het uitwerpen van de waterdruppels
-hoort, gelijkt op dat van een klein waterspuitje. Bewonderenswaardig
-is de wisheid van het oog dezer "schutters".
-
-Op verscheidene Schubvinnigen wordt wegens hun smakelijk vleesch
-ijverig jacht gemaakt. Dit geldt o.a. van sommige soorten van het
-geslacht der Halvemaanvisschen (Platax), die de inlanders onder den
-naam van Ikan-gampret samenvatten. Bij deze dieren zijn de rug- en
-aarsvinnen zeer hoog en zeisvormig, zoodat de hoogte de lengte verre
-overtreft. Een zeer algemeene tafelvisch is ook de Ikan-ketang-ketang
-(Drepane punctata), die 2 rugvinnen heeft en 3 dM. lang kan worden. De
-even algemeene, maar kleinere Ikan-keper (Scatophagus argus) wordt
-zoowel in de riviermonden als in zee aangetroffen: hij aast op de
-uitwerpselen van menschen en dieren, zwemt de schepen na en wordt het
-meest in de nabijheid van privaten gevangen. Hieraan dankt hij den
-naam Strontvisch en den afkeer, die velen voor hem gevoelen, ofschoon
-zij, die zijn vleesch geproefd hebben, het smakelijk vinden. Ook het
-vleesch van den "Keizer van Japan" wordt in Indië hoog geschat en
-met dat van den Zalm vergeleken.--Sommige soorten worden wegens hun
-zonderlingen vorm door de inlanders voor heilig gehouden; o. a. geldt
-dit van den Visch, die op de Molukken den naam van Bezaantje draagt
-(Zanclus cornutus); hij heeft een cirkelronde gedaante, wanneer men
-den snavel en de vinnen wegdenkt, en boven ieder oog een stevigen
-stekel. Volgens Renard haasten de Moluksche visschers zich dezen
-gehoornden Visch met kniebuigingen en andere teekenen van ootmoedige
-vereering weer in zee te werpen, wanneer zij hem in hunne netten
-vinden. Scherpe en omgebogen hoorns heeft de soort, die Chineesche
-Joosje, Chineesche Duivel of Zeekoe, door de inboorlingen Ikankarbau
-(Buffelvisch) wordt genoemd (Taurichthys varius).
-
-
-
-Alle zeeën van den heeten en de gematigde aardgordels van beide
-halfronden worden bewoond door Visschen van fraaien vorm, die men
-Zeebarbeelen, Mullen of Koningspoonen (Mullidae) noemt. Hun lichaam
-is langwerpig, middelmatig hoog en weinig samengedrukt; de snuit helt
-boogvormig af. De ver naar onderen gelegen bek is klein en met zeer
-zwakke tanden gewapend, de kin met 2 meer of minder lange baarddraden
-uitgerust, het voorste deel van den kop, evenals de keel, naakt, het
-overige deel van den kop, evenals het geheele lichaam, met groote,
-fijn getande of ongetande schubben bekleed. De voorste rugvin is
-in een groeve geplaatst en wordt door zwakke stekels, de achterste
-rugvin en de aarsvin daarentegen door 1 of 2 stekels en overigens
-door gelede vinstralen gesteund; het schubbenkleed strekt zich ver
-over de (verderop gegaffelde) staartvin uit; de buikvinnen zijn ver
-naar voren aangehecht, nagenoeg onder de borstvinnen geplaatst. De
-heerschende kleur is fraai dof karmijnrood.
-
-De Zeebarbeelen zijn hoogst gezellige Visschen, die steeds in talrijke
-scholen voorkomen, gewoonlijk in zwermen van verscheidene duizenden;
-zij zwerven weinig rond, maar bezoeken in het midden van den zomer
-vlakke, zandige gedeelten van de kust, waar zij dikwijls in tallooze
-menigte kuitschieten. Hun voedsel, dat uit kleine Schaaldieren en
-Weekdieren en ook uit verrottende, dierlijke en plantaardige stoffen
-schijnt te bestaan, verkrijgen zij door in het slijk te "grondelen";
-de mensch vervolgt hen overal en vangt ze in menigte in engmazige
-netten. Hun vleesch wordt hoog geschat.
-
-De oude Romeinen hechtten groote waarde aan de Zeebarbeelen, niet
-slechts wegens hun kostelijk vleesch, maar ook wegens hun prachtige
-kleur. Levend, in goed gesloten bakken van doorzichtig glas werden
-zij in de eetzaal gebracht en aan de gasten voorgesteld, die met
-belangstelling de opeenvolgende phasen van den doodstrijd dezer dieren,
-hunne angstige bewegingen, de verandering van hunne in goud, zilver
-en allerlei andere tinten spelende kleuren en het daaropvolgende
-verbleeken van de schubben en van de kieuwen nagingen. Zoodra de
-Visschen gestorven waren, werden zij zoo spoedig mogelijk naar
-de keuken gebracht en toebereid. Een Barbeel, die niet levend aan
-de gasten vertoond was, werd als niet frisch beschouwd. Met versch
-zeewater gevulde vijvers waren noodig om deze Visschen, die dikwijls
-van zeer ver aangevoerd moesten worden, te bewaren, totdat men ze
-wenschte te gebruiken. Daar zij de gevangenschap slecht verdroegen,
-bleven van vele duizenden slechts enkele exemplaren in 't leven. De
-voor feestmalen geschikte Barbeelen waren daarom zeer duur; reeds
-voor exemplaren van 1 K.G. werd zulk een hoogen prijs besteed, dat
-alleen vermogende lieden dien konden betalen. Apicius gaf f600 voor
-een exemplaar van 2 K.G., Asinus Celer besteedde er f800 voor. De
-vischprijzen stegen tot zulk een hoogte, dat Keizer Tiberius wetten
-moest uitvaardigen om deze weelde binnen zekere grenzen te beperken. De
-Romeinen van dien tijd hielden den Zeebarbeel voor den uitstekendsten
-van alle Visschen; tegenwoordig is van een bijzondere voorliefde voor
-deze vischsoort niets meer te bespeuren.
-
-
-
-Door het ontbreken van de tanden in de bovenkaak kenmerken zich de
-Echte Mullen (Mullus). Van dit geslacht, welks vertegenwoordigers
-door de ouden zoo hoog geschat werden, leven twee soorten in de
-Europeesche zeeën.
-
-De Roode Zeebarbeel (Mullus barbatus) verschilt van de volgende soort
-o.a. door den bijna loodrecht afhellenden snuit en de betrekkelijk
-smalle schubben. Hij is effen karmijnrood, aan de buikzijde overal
-met zilveren weerschijn; de vinnen zijn geel. Lengte ongeveer 30 c.M.
-
-De Koning van den Poon, ook wel Barbeel, Groote Barbeel en Koning
-van den Haring genoemd (Mullus surmuletus), wordt door sommigen voor
-het wijfje van den vorigen vorm gehouden. Hij is met groote schubben
-bekleed, die ongeveer 10 overlangsche reeksen vormen; op die van de
-zijdestreep merkt men een figuurtje op, dat aan een vertakt boompje
-herinnert. De licht anjelier-roode kleur wordt onder de zijdestreep
-door 3 of 4, vooral in den tijd van 't kuitschieten zeer duidelijke,
-goudgele strepen afgebroken en verkrijgt op den buik een witachtige
-tint; de vinnen zijn rood, de buikvinnen en de staartvin geelachtig
-rood en gewoonlijk ook met 2 gele of bruine strepen geteekend. Daar
-de schubben, vooral die van den kop, licht verschuiven en zelfs
-uitvallen en de daaronder gelegen huid donkerrood is, zijn vele aan
-land gebrachte exemplaren rooder dan hier werd aangegeven.
-
-De Roode Zeebarbeel behoort in de Middellandsche Zee thuis en bewoont
-hier alle plaatsen, waar de bodem leemachtig of slijkerig is; hij
-komt ook langs de Fransche kust in den Atlantischen Oceaan voor, doch
-wordt slechts zelden in de nabijheid van Groot-Brittannië gevangen. De
-Koning van den Poon leeft eveneens in de Middellandsche Zee en is
-hier op sommige plaatsen nog veelvuldiger dan de vorige soort; zijn
-verbreidingsgebied strekt zich echter in den Atlantischen Oceaan verder
-noordwaarts uit; hij komt zelfs in de Noordzee voor tot aan de kust
-van Noorwegen en werd herhaaldelijk in de Oostzee waargenomen. Ook
-aan onze kust worden nu en dan, hoewel vrij zelden, enkele exemplaren
-gevangen. Veel vaker geschiedt dit aan de Engelsche kust, zoodat
-deze Visch gedurende het geheele jaar, het overvloedigst echter in
-de maanden Juni en Juli, op de Londensche markt wordt gebracht. Vele
-exemplaren vangt men in makreelnetten dicht bij de oppervlakte der zee,
-de meeste moeten evenwel van aanzienlijke diepte opgehaald worden. Bij
-uitzondering komt het voor, dat Engelsche visschers hen in het Kanaal
-en zelfs in de Noordzee in zeer grooten getale buit maken: in de
-Weymouth-baai op 8 Augustus 1819 ongeveer 5000 stuks in een enkelen
-nacht; uit Yarmouth werden in Mei 1851 in één week 10.000 van deze zoo
-gezochte Visschen naar Londen ter markt gebracht. In Italië vangt men
-beide soorten van Zeebarbeelen gedurende het geheele jaar met netten,
-fuiken en ook met hengels en lijnen, die met staarten van kreeften als
-lokaas worden voorzien. Daar de gevangen exemplaren spoedig bederven,
-is men gewoon ze dadelijk in zeewater te koken en zóó met meel te
-bestrooien, dat zij door een korst van deeg omgeven zijn; op deze
-wijze toebereid, worden zij verzonden: dezelfde voorzorgsmaatregelen
-werden reeds voor eeuwen toegepast. Het voedsel van de Zeebarbeelen
-schijnt uit zachtschalige Schaaldieren en verschillende Weekdieren te
-bestaan; bij het opsporen van dezen buit hebben zij waarschijnlijk
-veel dienst van de beide kindraden, die in den toestand van rust,
-recht naar achteren gestrekt, in een sleuf tusschen de beide takken
-van den onderkaak verborgen zijn. Het kuitschieten heeft plaats in
-het voorjaar; in October hebben de jongen reeds een lengte van 12
-c.M. bereikt.
-
-
-
-Zeebrasems (Sparidae) noemt men een pl.m. 160 soorten omvattende
-familie van Zeevisschen, die de volgende kenmerken gemeen hebben:
-de romp is langwerpig en sterk zijdelings samengedrukt, op den snuit
-en de kaken naakt, overigens met tamelijk groote, aan den achterrand
-getande, dunne schubben bekleed. Er is slechts één rugvin; deze komt
-uit een groeve te voorschijn en wordt voor de helft door stekels,
-voor de helft door gelede vinstralen gesteund; de borstvinnen zijn
-spits, de staartvin is gevorkt. Hunne tanden zijn soms borstelachtig,
-soms scherp, spits kegelvormig en voor 't grijpen geschikt, soms stomp
-en tepelvormig afgerond, soms breed en beitelvormig als de snijtanden
-van den mensch.
-
-De Zeebrasems zijn in nagenoeg alle zeeën vertegenwoordigd,
-verscheidene soorten komen op sommige plaatsen in zeer grooten getale
-voor. Zij voeden zich met Schelp- en Schaaldieren of zeeplanten;
-eenige maken ook wel jacht op kleine Visschen. Sommige worden als
-spijs hoog geschat, andere weinig geacht.
-
-
-
-Echte planteneters zijn de Boga's (Box), langwerpige Visschen met
-kleinen bek en groote oogen, welker belangrijkste kenmerk gelegen is
-in hun gebit, dat uit slechts één reeks van platte tanden met scherpen,
-snijdenden, gekerfden rand bestaat.
-
-De Boga der Provençalen (Box vulgaris) wordt ongeveer 40 cM. lang en is
-op groenachtig gelen, aan de buikzijde zilverachtig glinsterenden grond
-met 3 of 4 goudkleurige, overlangsche strepen en in den regel ook met
-een zwartbruinen vlek onder den oksel van de borstvin geteekend. De
-rugvin, buikvinnen en aarsvin zijn geel, de groenachtige borstvinnen
-en de staartvin gewoonlijk met een geelachtigen zoom omgeven.
-
-De Boga is een van de meest gewone visschen der Middellandsche
-Zee, maar komt ook in de nabijheid van Madera in grooten getale
-voor; voorts ziet men hem veel aan de kusten van Portugal en van
-noordwestelijk Spanje, van waar hij soms, hoewel zelden, naar de
-kust van Groot-Brittannië afdwaalt. Bij de zuidkust van Frankrijk
-verschijnt hij tweemaal per jaar om kuit te schieten en biedt dan
-aan de visschers gelegenheid tot een rijken vangst; zijn vleesch is
-echter niet bijzonder gezocht. Bij de Fransche visschers bestaat het
-gebruik om hunne scheepjes te versieren met zilveren plaatjes, die
-dezen Visch voorstellen; hiertoe heeft zijn fraaie kleur vermoedelijk
-aanleiding gegeven.
-
-
-
-Bij de Geitbrasems (Sargus) zijn de voortanden op één reeks geplaatst
-en gelijken op snijtanden; verder achterwaarts komen aan de randen
-der kaken twee of meer reeksen van knobbelvormige maaltanden van
-ongelijke grootte voor; het geheele gebit doet eenigszins aan dat
-van de Herkauwers denken.
-
-De Schaapsbrasem, de Sheepshead der Anglo-Amerikanen (Sargus ovis),
-is een zeer smakelijke Visch van 50 à 60 cM. lengte, die aan de
-Atlantische kust van Noord-Amerika, bij Nieuw-York o.a., veel gevangen
-wordt. Zijne snijtanden herinneren aan die van een Schaap. De romp
-is zilverkleurig met 6 of 7 breede, donkere dwarsbanden over den rug
-en de zijden; de vinnen zijn zwartachtig.
-
-
-
-De Goudbrasems (Chrysophrys) hebben voor in den bek kegelvormige
-tanden, daarachter maaltanden met afgeronde spits, die minstens op
-3 reeksen geplaatst zijn.
-
-De Dorade of Goudbrasem, de Aurata der ouden, de Orada der Italianen
-(Chrysophrys aurata), die 30 à 40, bij uitzondering 60 cM. lang en 4 à
-8 KG. zwaar wordt, onderscheidt zich door prachtige kleur en sierlijke
-teekening. De zilvergrijze grondkleur, die een groenachtigen weerschijn
-heeft, wordt op den rug donkerder en op de buikzijde zilverglanzig;
-een langwerpig ronde, verticaal gerichte, goudkleurige vlek versiert
-het kieuwdeksel, een goudgele streep het voorhoofd tusschen de oogen;
-de zijden prijken met 18 à 20 overlangsche strepen van dezelfde kleur;
-de rugvin is blauwachtig, bij de spitsen der stekels met bruine,
-overlangsche strepen, de aarsvin blauwachtig, de staartvin zwart;
-de borst- en buikvinnen zijn violet.
-
-Aan alle kusten van de Middellandsche Zee en aan de Afrikaansche kusten
-van den Atlantischen Oceaan, van Gibraltar tot aan de Kaap de Goede
-Hoop, behoort de Goudbrasem tot de meest gewone verschijningen; verder
-noordwaarts ontmoet men hem zeldzamer, hoewel herhaaldelijk exemplaren
-van deze soort op de Engelsche kust gevangen zijn; misschien was een te
-Scheveningen gevangen Visch, waarvan Gronovius melding maakt, eveneens
-een Goudbrasem. Volgens Rondelet verlaat hij de kust niet, dringt
-zelfs door in de zoutwater-moerassen, die met de zee in gemeenschap
-staan en wordt hier in korten tijd zeer vet. Duhamel verhaalt, dat
-dit dier op ondiepe plaatsen met den staart het zand in beweging
-brengt om de hierin verborgen Schelpdieren bloot te leggen. Op deze
-maakt hij ijverig jacht; 't stukbijten van de schelpen veroorzaakt
-een voor de visschers waarneembaar gedruisch. De juistheid van deze
-mededeeling blijkt uit hetgeen men bij gevangene exemplaren heeft
-opgemerkt. Hoewel deze ook Wormen aten, gaven zij toch duidelijk de
-voorkeur aan Schelpdieren, vooral aan Gewone Mossels.
-
-Een felle koude wordt voor den Goudbrasem noodlottig; bij 't naderen
-van den winter zoekt hij daarom zijn heil in de diepte en vermijdt
-angstvallig alle ondiepe plaatsen; exemplaren, die door een onverwacht
-vroeg invallende vorst verrast worden, bezwijken, naar men zegt,
-altijd.
-
-Aan de Fransche kust vangt men dezen Visch gedurende het geheele jaar
-hetzij met netten of met den hengel; als lokaas dienen Mossels of,
-zoo deze ontbreken, Kreeften of stukken van Tonijnen. Ten tijde van
-de Romeinen werden Goudbrasems in diepe vijvers met zorg gekweekt;
-volgens Martens geschiedt dit ook thans nog in Venetië.
-
-
-
-Door hunne hekelvormige voortanden en de op 2 of meer rijen geplaatste,
-kleine achtertanden verschillen de Zeebrasems i. e. z. (Pagellus)
-van hunne reeds genoemde verwanten.
-
-De Noordsche Zeebrasem (Pagellus centronotus) is op den rug grijsbruin
-met roodachtige tint, op den kop donkerbruin, op de zijden zilvergrijs;
-het voorste deel van de zijdestreep is met één of meer zwartbruine
-vlekken geteekend; hieraan herkent men deze soort ook dan, als haar
-kleur rozerood is met zilverachtigen glans, gelijk soms voorkomt. De
-rugvin en de aarsvin zijn bruinachtig, de borstvinnen en de staartvin
-roodachtig, de buikvinnen lichtgrijs.
-
-Deze in de Middellandsche Zee zeer gewone Visch komt geregeld ook aan
-de kusten van West- en Noord-Frankrijk, van Engeland en van andere
-langs de Noordzee gelegen landen voor. Het kan wel zijn, dat deze
-soort oorspronkelijk uit het zuiden afkomstig is; zij is echter thans
-voor goed in de Noordzee gevestigd. "Aan de westkust van Engeland,"
-zegt Couch, "ziet men den Zeebrasem gedurende het geheele jaar,
-het veelvuldigst echter in den zomer en in den herfst, daar hij zich
-verschuilt, als de koude naakt. Het kuitschieten heeft in het begin
-van den winter en in diep water plaats; in Januari vond men jongen
-(Chads) van ongeveer 2 cM. lengte in de maag van groote Visschen,
-die op een afstand van 2 zeemijlen van de kust gevangen werden. In
-den loop van den zomer hebben zij een lengte van 12 cM. bereikt en
-verschijnen in tallooze menigte aan de kust, ook in de havens en happen
-tot groot vermaak van de hengelaars gretig naar ieder lokaas. Zij
-eten trouwens volstrekt niet uitsluitend dierlijke stoffen, maar
-verslinden ook groen zeegras, dat zij met hun eigenaardig gebit
-gemakkelijk kunnen afbijten."
-
-Voor de keuken wordt de Noordsche Zeebrasem niet bijzonder geacht. Van
-het vangen van dezen Visch aan onze kust zijn slechts twee gevallen
-bekend.
-
-
-
-De Drakenkoppen of Zeeduivels (Scorpaenidae) zijn voor 't meerendeel
-leelijke of althans vreemdsoortige Visschen met zijdelings
-samengedrukten kop en zwakke, borstelvormige tanden; verscheidene
-beenderen van den kop, vooral het voordekselbeen (aan den achterrand)
-en het eigenlijke dekselbeen dragen lange stekels. De romp is
-langwerpig en zijdelings samengedrukt.
-
-De Godenvisschen (Sebastes) missen de afschrikwekkende gestalte van
-hunne verwanten; zij komen in vorm nog het meest met een Zeebaars
-overeen; hun kop is middelmatig groot en (met uitzondering van de
-wangen, de kieuwdeksels, de voordeksels en het achterhoofd, die
-steeds geschubd zijn) soms geschubd, soms met korrelige, op doornen
-gelijkende oneffenheden bekleed, soms naakt; het onderoogkasbeen is
-echter steeds met stekels gewapend.
-
-De Bergilt of Padvisch (Sebastes norwegicus) wordt 50 à 60 cM. lang;
-zijn prachtige, effen karmijnroode kleur wordt naar de rugzijde
-allengs bruinachtiger, naar de buikzijde bleeker. Deze Visch,
-welks naaste verwant (Sebastes imperalis) tot de fauna van de
-Middellandsche Zee behoort, leeft uitsluitend in 't hooge noorden,
-150 à 200 M. beneden de oppervlakte der zee. Aan de bewoners van de
-kuststreken van Skandinavië, IJsland en Groenland is hij sinds lang
-bekend; reeds in de Edda wordt melding van hem gemaakt. Zijn voedsel
-bestaat uit Visschen en Schaaldieren. De voortplanting heeft in de
-lente plaats. Het zijn echter niet de zorgen voor de nakomelingschap,
-die deze dieren noodzaken de veilige diepten te verlaten en de
-visschers in staat stellen hen te vangen; het meest geschiedt dit
-na hevige stormen, die de bewoners van alle waterlagen in beroering
-brengen en althans den Bergilt schijnen te nopen zich snel naar boven
-te begeven. Het gaat hem dan als de van groote diepten opgehaalde
-Baarzen: de zwemblaas zet zich plotseling uit, perst de maag door
-de mondopening naar buiten en maakt de ademhaling onmogelijk. Op
-Groenland en IJsland worden na een storm honderden van deze Visschen
-op het strand gespoeld; de inboorlingen zoeken ze op en gebruiken
-ze meestal in verschen toestand. De scherpe graten bewijzen aan de
-Groenlanders den dienst van naalden. Enkele malen zijn exemplaren
-van deze soort in de Noordzee bij de Engelsche kust waargenomen.
-
-
-
-De Drakenkoppen i. e. z. (Scorpaena) hebben een min of meer
-langwerpigen, zijdelings weinig samengedrukten romp; de groote kop
-is slechts op weinige plaatsen met schubben bedekt en onderscheidt
-zich door een trogvormig uitgehold voorhoofd en een naakte
-groeve op de kruin. Hun groote, breede, meestal scheeve bek is
-met hekel- of fluweelachtige tanden voorzien, die aan de onder-
-en tusschenkaaksbeenderen en op het ploegschaarbeen steeds, op
-de gehemeltebeenderen niet altijd voorkomen. De kop is met vele,
-naar verschillende zijden gerichte doornen en stekels gewapend, de
-romp met middelmatig groote schubben bekleed. Vliezige aanhangsels
-van verschillende gedeelten van den kop en den romp verhoogen nog
-den onbehaaglijken indruk, dien deze dieren maken. Zij hebben geen
-zwemblaas.
-
-De Zeepad (Scorpaena porcus) is in de Middellandsche Zee en den
-Atlantischen Oceaan niet zeldzaam, op sommige plaatsen zelfs zeer
-veelvuldig; zij bereikt een lengte van 20 à 25 cM. en is op bruinen
-(nader bij den buik rozeroodachtigen) grond met talrijke marmervlekken
-geteekend.
-
-Tusschen steenen en klippen, waar zij door hun kleur en door de op
-wieren gelijkende vliezige huidaanhangsels volkomen onzichtbaar zijn,
-loeren de Drakenkoppen bewegingloos op de voorbijzwemmende Visschen,
-komen plotseling uit hun schuilhoek te voorschijn en grijpen hun
-prooi. Behalve Visschen, verslinden zij ook Schaaldieren en allerlei
-Wormen. Waarschijnlijk beschermen hun verborgen levenswijze en hunne
-wapens hen tegen vele vijanden. Door de ouden werden zij voor vergiftig
-gehouden; met hunne stekels kunnen zij den mensch echter wel pijnlijke,
-maar geen gevaarlijke wonden toebrengen. In een aquarium houden zij
-zich goed en wekken belangstelling door hunne kleurveranderingen,
-die hen steeds weinig doen afsteken bij hun omgeving.
-
-
-
-Tot de prachtigste bewoners van den Indischen Oceaan behooren de
-Vleugelpoonen (Pterois). De Nederlanders op de Molukken noemen een
-der meest bekende vertegenwoordigers van dit geslacht Kalkoenvisch
-(Pterois volitans). Hij is 10 à 30 cM. lang; zijn gewicht kan tot 1
-KG. stijgen. Zijn kleur is prachtig. De roodbruine of donkerbruine
-grondkleur van den romp wordt afgebroken door omstreeks 22 nagenoeg
-gordelvormige, rozeroode strepen, die op sommige plaatsen breeder
-zijn dan de haar scheidende, donkere banden, meestal twee aan twee
-tot elkander naderen, als 't ware paren vormen en op den kop een
-schuinsche richting aannemen. Op de kin en de keel ziet men bruine
-golflijnen op donkeren grond, boven den wortel der borstvinnen
-bevindt zich een rondachtige, krijtwitte vlek. De borstvinnen zijn
-grauwzwart met lichtere wolkjes, over hare stralen zijn roodachtige
-vlekken regelmatig verdeeld, de binnenzijde is zwart en met krijtwitte
-vlekken getooid; de buikvinnen zijn bruinzwart en aan weerszijden
-wit gevlekt; op de stralen van de rugvin wisselen rozeroodachtige
-en zwarte ringen elkander af; de daartusschen gelegen vliezen zijn
-op zwarten grond roodachtig gestreept, de overige vinnen bleekgeel
-en zwart getijgerd, de aanhangsels aan den kop zwart, rood en wit
-gemarmerd en geringd. Door het oog loopen, bij wijze van de spaken
-van een wiel, lichte en bruine strepen.
-
-Het verbreidingsgebied van den Kalkoenvisch is zeer uitgestrekt: het
-reikt van de geheele Oost-Afrikaansche kust tot Australië; hier wordt
-hij overal veelvuldig aangetroffen. Aanvankelijk hield men hem voor
-een vliegenden Visch; het is echter gebleken, dat zijne gespletene
-borstvinnen voor het vliegen volstrekt niet geschikt zijn. Hij behoort
-niet tot de snelle zwemmers, maar houdt zich bij voorkeur op in kloven
-van het gesteente, onder overhangende klippen en in de putvormige
-ruimten tusschen de koraalriffen. Een prachtig schouwspel is het,
-dezen Visch met langzame bewegingen van de lang uitgebreide, bonte
-vinnen te zien zwemmen. De wonden, die hij met zijne vinstralen kan
-veroorzaken, worden zeer gevreesd.
-
-Een van de leelijkste Visschen is, volgens Günther, de Toovervisch
-of Laff (Synanceia verrucosa), die door de Arabische visschers even
-vergiftig wordt geacht als de Adder. Hij is van de Roode Zee tot aan
-de Stille Zuidzee verbreid. "Bedekt met een slappe, wrattige huid,
-die de lichaamsdeelen zoo bedekt, dat men ze op 't eerste gezicht
-bijna niet onderscheiden kan, ziet hij er veeleer uit als een der
-Naaktkieuwige Weekdieren, die met hem dezelfde zee bewonen. De
-kleine oogen zijn, evenals de bek, naar boven gericht; daar het
-dier altijd op den bodem blijft en bedolven in het zand of slijk op
-buit loert. De rugstekels zijn dik, scherp als naalden, ieder met
-een diepe groeve voorzien en omhuld door een dikke, slappe huid,
-die aan iedere stekelspits in eenige breede franjes uitloopt. De
-zeer groote, afgeronde borstvinnen dienen als een soort van spade,
-waarmede dit dier zich schielijk in het zand begraaft. De zeer sterk
-varieerende kleur, meestal een mengelmoes van alle schakeeringen van
-bruin, rood, grijs, geel en wit, harmonieert zoozeer met die van de
-omgeving, dat het moeite kost hem te vinden." Het grootste exemplaar,
-dat door Günther gezien werd, was 40 cM. lang.
-
-De Toovervisschen liggen, tusschen steenen en zeegras verborgen,
-onbewegelijk op den bodem; in den regel bemerkt de in 't water wadende
-visscher hun aanwezigheid eerst, als hij op zulk een dier den voet zet
-en dit, plotseling oprijzend, hem met de stekels een uiterst pijnlijke
-wonde toebrengt. Nu vloeit, zoodra van buiten een drukking op een
-der rugstekels wordt uitgeoefend uit een eivormige blaas door de
-groeve, waarmede het wapen voorzien is, gif in de wonde. "De hierdoor
-veroorzaakte pijn," zegt Klunzinger, "houdt verscheidene uren aan en is
-heviger dan die van een scorpioensteek, gelijk mij bij eigen ervaring
-gebleken is. Men verhaalt, dat vele personen na zulk een steek in
-onmacht zijn gevallen en zelfs, dat een sterfgeval er het gevolg van
-is geweest; misschien moet dit niet onmiddellijk aan de werking van
-het gif toegeschreven worden, maar aan de verkeerde behandeling van
-de wonde, die door koudvuur aangetast werd." Dat de Toovervisch een
-zeer gevaarlijk dier is, wordt bevestigd door de uit lateren tijd en
-van Polynesië afkomstige mededeelingen van Wyatt Gill. "Het voorkomen
-van dezen Visch, van den No'oe, is zoo afkeerwekkend, dat men het niet
-licht weer vergeet. Wanneer hij op Purperkoralen ligt, zal zelfs de
-scherpzichtigste waarnemer hem voor een stuk koraal houden. Dit kan des
-te eerder gebeuren; omdat de kop en de rug van volwassen exemplaren
-gewoonlijk met wieren bedekt zijn. Wee iederen kleinen Visch, die in
-zijn nabijheid komt! de bliksemsnelle aanval van den roover geschiedt
-zelden tevergeefs. De naar Schaaldieren zoekende handen, de bloote
-voeten van den achter het net loopenden visscher komen soms toevallig
-met den No'oe in aanraking: een verschrikkelijke pijn is hiervan het
-gevolg. De inboorlingen vangen den No'oe dikwijls aan den hengel. Om
-hem van den haak los te maken, vatten zij hem gewoonlijk bij de
-onderkaak aan, daar dit de eenige ongevaarlijke plaats is. Drie
-inboorlingen van Aitoetaki hebben gedurende mijn verblijf in deze
-streek het leven verloren door toevallig op een No'oe te trappen,
-hoewel alle mogelijke moeite in 't werk gesteld werd om de werking
-van het gif onschadelijk te maken. Merkwaardigerwijs levert de No'oe,
-nadat de stekels en de huid zorgvuldig verwijderd zijn, een uitmuntend
-gerecht. Deze gevaarlijke Visch is in de Stille Zuidzee en in den
-Indischen Oceaan ver verbreid; onze zendelingen hebben hem aan de
-kust van Nieuw-Guinea gegeten."
-
-
-
-Daar het bestek van dit werk niet toelaat, van alle onderorden
-voorbeelden te noemen volgt hier de vijfde groep van dezen rang op
-die der Baarsvisschen.
-
-De onderorde der Ombervisschen (Sciaeniformes) omvat slechts één
-gelijknamige familie (Sciaenidae). Hare leden komen in gestalte veel
-met de Baarzen overeen, meestal echter met dit verschil, dat hun aan
-'t voorhoofd sterk gewelfde kop een weinig vooruitstekenden snuit
-heeft. In het gebit is hun meest in 't oog vallend en belangrijkst
-kenmerk gelegen: de ploegschaar en gehemeltebeenderen zijn altijd
-tandeloos. Hun zwemblaas vertoont meestal merkwaardige vertakkingen.
-
-Daar alle Ombervisschen de zee bewonen, is ons nog zeer weinig van hun
-levenswijze bekend. Over 't algemeen schijnt het, dat zij ook in dit
-opzicht op de Baarzen gelijken, maar in den regel minder roofgierig en
-vraatzuchtig zijn, althans meer dan de Baarzen van een kleinen buit,
-van Ongewervelde dieren, gebruik maken.
-
-
-
-"In April 1860," verhaalt Präger, "lagen wij op den Pontianak (of
-Kapoeas), den grootsten stroom van Borneo's westkust. Hier hoorden
-wij ten tijde van den vloed volkomen duidelijk muziek, nu eens
-hooger, dan weer lager, soms veraf, soms naderbij. De tonen kwamen
-uit de diepte als Sirenengezang, soms geleken zij op volle, krachtige
-orgeltonen, soms op de zachte geluiden van een Aeolusharp. Zij worden
-het duidelijkst gehoord, als men het hoofd in 't water houdt; men
-onderscheidt dan zeer goed verscheidene gelijktijdig weerklinkende
-stemmen. Deze muziek wordt, naar de inboorlingen verhalen en
-zorgvuldige onderzoekers bevestigen, door Visschen voortgebracht."
-
-De hier bedoelde toonkunstenaars zijn de zoogenaamde Trommelvisschen
-(Pogonias), die in verschillende zeeën, vooral echter in den
-Atlantischen en den Indischen Oceaan voorkomen en zeer goed
-waarneembare geluiden laten hooren. In de nabijheid van de
-Noord-Amerikaansche kust heeft men herhaaldelijk Trommelvisschen
-aangetroffen en de soort, tot welke zij behooren, goed kunnen
-onderscheiden. Zij zwemmen bij troepen langzaam en gelijkmatig rond en
-verzamelen zich gaarne om de schepen, zoodat, vooral in stille nachten,
-hun muziek duidelijk en onverpoosd waargenomen kan worden. Hoe zij
-deze tonen voortbrengen, is niet bekend; men vermoedt echter, dat de
-groote en dikke tanden, die de bovenste en de onderste keelbeenderen
-bedekken, hierbij een rol spelen. Daar sommige berichtgevers ook
-spreken van een trillende beweging van het schip, acht A. Günther het
-niet onaannemelijk, dat de Visschen het bedoelde gedruisch veroorzaken
-door met den staart tegen het hol van het schip te slaan en dat zij
-dit doen met het doel om zich van parasieten te bevrijden.
-
-"Gedurende drie stille nachten (in Maart en April)," schrijft
-Pechuel-Loesche van de Loango-kust, "terwijl wij ons binnen het bereik
-van den Guineastroom, op grooten afstand van het strand en van het
-geloei der "calema" (of branding) bevonden, hoorde ik de zoogenaamde
-Trommelvisschen. Het eigenaardige gedruisch, dat zij voortbrengen,
-is anders dan dat van den grooten Amerikaanschen Trommelvisch, maar
-niet minder luid. Ik moet erkennen, dat dit gedruisch mij nooit is
-voorgekomen als een muziekaal geluid; zelfs de veel helderder klinkende
-tonen van den nog onbekenden Trommelvisch van de Zuidzee maakten op mij
-niet dezen indruk. Het heeft geen spoor van overeenkomst met orgel-,
-klok- of harpgeluiden, maar klinkt hierom niet minder vreemd. Als men
-het zeer scherp wil onderscheiden, moet men het oor stijf tegen het
-scheepsboord drukken. Beter is het, in een boot te gaan, een breede
-roeiriem in het water te steken en hiervan het vrije uiteinde met de
-tanden te omvatten. Het best evenwel bereikt men het beoogde doel door
-dadelijk het hoofd tot over de ooren onder water te houden--natuurlijk
-rugwaarts, daar men anders niet zou kunnen ademen. Het donkere water
-brengt dan uit alle richtingen een bonte mengelmoes van knorrende
-en brommende klanken naar het oor van den waarnemer; hiermede gaat
-een eigenaardig geknars en geratel gepaard, ongeveer zooals door
-de bewegingen der Langoesten wordt voortgebracht. Dit eigenaardige
-gedruisch is voor geen beschrijving vatbaar; het is bijna niet mogelijk
-er door vergelijkingen een denkbeeld van te geven; het meest gelijkt
-het nog op het "schroten" der Paarden voor den gevulden voerbak. De
-geluiden, die ieder afzonderlijk onopgemerkt zouden kunnen blijven,
-worden zeer duidelijk waargenomen, doordat zij in zoo grooten getale te
-gelijk weerklinken. Zonder tusschenpoozen, dof, bijna huiveringwekkend
-stijgen zij van alle kanten uit de diepte op, uren achtereen, gedurende
-den geheelen nacht. Het zooeven gezegde heeft meer bepaaldelijk
-betrekking op den Trommelvisch van de Loango-kust. Het geluid van
-den Amerikaanschen Trommelvisch (Pogonias chromis), dat vooral in de
-nabijheid van de Antillen en van Florida en in de Karaïbische Zee wordt
-opgemerkt, klinkt helderder en herinnert aan gorgelen en klokken; dat
-van den Trommelvisch der Zuidzee heeft nog de meeste overeenkomst met
-een samenstel van klanken, die, van dichtbij en uit de verte komend,
-samensmelten tot een gegons, dat, in 't eene oogenblik zich verheffend,
-in 't andere weer verflauwend, niet van welluidendheid ontbloot is."
-
-De Amerikaansche Trommelvisch, de Drumfish der Anglo-Amerikanen
-(Pogonias chromis), bereikt een lengte van 1 à 1.5 M. en een gewicht
-van 40 à 60 KG. Zijn roodachtig loodgrijze kleur heeft op de bovenzijde
-een zwarte tint en is in de okselstreek met donkere vlekken geteekend;
-de vinnen zijn roodachtig. Ongeveer 20 baarddraden hangen aan de
-onderkaak. Deze Visch komt vooral in het westelijk deel van den
-Atlantischen Oceaan voor.
-
-
-
-De even fraaie als smakelijke Corvo of Umbrine (Umbrina cirrhosa)
-draagt een wrat aan de onderkaak; hieraan heeft zijn geslacht
-(Umbrina) den naam van Wratvisschen te danken. Op fraai lichtgelen
-grond is hij geteekend met scheef van onderen en voren naar boven en
-achteren loopende, overlangsche lijnen, die aan de zijden zilverwit,
-in de rugstreek echter blauw zijn; de buik is wit, de eerste rugvin
-bruin, de tweede rugvin op bruinen grond van een witte streep en een
-witten zoom voorzien; de borstvinnen en de buikvinnen en de staartvin
-zijn zwart, de aarsvin is rood. De lengte van dezen Visch kan 66 cM.,
-zijn gewicht 10 à 15 KG. en meer bedragen.
-
-In alle landen om de Middellandsche Zee schat men dezen
-voortreffelijken Visch zeer hoog, minder om zijn prachtige kleur dan
-wegens zijn uitmuntend wit en hoogst smakelijk vleesch. Hij leeft
-op middelmatige diepte, geeft de voorkeur aan een slijkerigen grond,
-zwemt hoogst sierlijk, voedt zich met kleine Visschen, Weekdieren en
-Wormen en eet, naar men zegt, ook zeegras; het kuitschieten heeft
-in Juni en Juli plaats. Men vangt hem gedurende het geheele jaar,
-vooral in de nabijheid van rivieren en het meest wanneer een onweer
-het rivierwater troebel heeft gemaakt.
-
-
-
-De reuzen der familie, de Ombervisschen i. e. z. (Sciaena), kenmerken
-zich door een langwerpigen romp met twee rugvinnen; het vinvlies van
-de eerste is diep uitgesneden om de spitsen der stekels vrij te laten;
-de achterrand van het voordeksel is getand, het achterdeksel loopt
-in een punt uit. Bij de meeste leden van dit geslacht is de voorrand
-van iedere kaak met een reeks van betrekkelijk groote, puntige en
-gekromde tanden gewapend, waartusschen in de onderkaak en waarachter
-in de bovenkaak fluweelachtige tandjes voorkomen. Echte grijptanden
-zijn bij geen dezer Visschen aanwezig; de onderkaak draagt geen
-baarddraden. De zwemblaas is zeer samengesteld; bij sommige langs
-den geheelen omtrek met franjevormige aanhangselen voorzien.
-
-Dit geslacht omvat een groot aantal soorten; slechts enkele komen
-aan de Europeesche kusten voor; de meeste behooren in de heete
-luchtstreek thuis en bewonen gedeelten van den Atlantischen en den
-Indischen Oceaan, voorts de kusten van Californië en van Australië;
-ook in zoetwater (in rivieren en meren van de Vereenigde Staten en
-van Oost-Indië) worden eenige soorten aangetroffen.
-
-De Ombervisch, door onze visschers gewoonlijk (evenals Labrax lupus)
-Zeebaars, door de Franschen Maigre, door de Italianen Ombra genoemd
-(Sciaena aquila), stond bij de ouden in hoog aanzien (vooral de kop
-werd als een kostelijk gerecht beschouwd); zijn vleesch, hoewel grof,
-is aangenaam van smaak. Aan de kusten van Italië, vooral op slijkerigen
-grond en meer bepaaldelijk bij den mond der rivieren, is hij volstrekt
-niet zeldzaam. Gewoonlijk vindt men hem hier in troepen; als zulk een
-school voorbijzwemt, hoort men een luid klinkend gedruisch, dat bijna
-den naam brullen verdient; het klinkt veel krachtiger dan het geknor
-der Poonen en is, naar men zegt, ook dan nog hoorbaar, als de Visschen
-zich op een diepte van 10 à 12 cM. onder den waterspiegel bevinden. Op
-dit geluid gaan de visschers af; met het oor tegen den rand der
-boot trachten zij de plaats te vinden, waar het ontstaat. Groote
-Ombervisschen zijn zoo sterk, dat zij, naar men zegt, door een slag
-met den staart een mensch ter aarde kunnen werpen; om ongelukken te
-voorkomen, worden zij daarom onmiddellijk na de vangst gedood. In de
-Middellandsche Zee beschouwt men deze Visschen als voorboden van de
-komst der Sardijnen (Ansjovis), waaruit valt af te leiden, dat zij
-jacht maken op deze kleinere zeebewoners.
-
-De Ombervisch bereikt soms een lengte van meer dan 2 M. en weegt
-dan meer dan 50 KG. Zijn glanzig zilverwitte kleur heeft op den rug
-een lichtbruine tint en zweemt op den buik naar wit; de vinnen zijn
-roodbruin: de borst- en buikvinnen meer roodachtig, de overige vinnen
-meer bruinachtig; van de 9 stralen der aarsvin is alleen de voorste
-hard. Behalve in de Middellandsche Zee komt deze soort, hoewel in
-kleinen getale, ook bij de noordkust van Frankrijk en de kusten van
-Engeland voor; van tijd tot tijd dwalen enkele exemplaren naar de
-Noordzee af; ook aan onze kust worden zij soms gevangen. Van Bemmelen
-noemt 7 exemplaren op, die tusschen de jaren 1835-1865, alle in de
-maanden Juli tot September, door onze visschers werden buit gemaakt:
-een daarvan woog 43 KG., had een lengte van 1.65 M. en aan den buik
-een omtrek van 1.07 M.
-
-
-
-De leden van het ondergeslacht der Raafvisschen (Corvina) hebben
-in de onderkaak uitsluitend borstelige, geen grootere tanden; de 2
-voorste stralen van de aarsvin zijn ongeleed.
-
-De Raafvisch (Sciaena nigra) die 50 cM. lang en 3 KG. zwaar kan worden
-dankt dezen naam aan zijn eigenaardige donkerbruine kleur, welke naar
-de buikzijde (zooals gewoonlijk) bleeker wordt en hier door zilvergrijs
-vervangen is. Terwijl deze Visch uit het water wordt gehaald,
-vertoont zijn buik, naar men zegt, een goudgele tint met purperen
-weerschijn. De algemeene kleur wordt voortgebracht door een groot
-aantal kleine, donkere vlekken op iedere schub. De vinnen zijn bruin,
-de aarsvin en de staartvin zwart met een nog iets donkerder zoom.
-
-De Raafvisch komt in de Middellandsche Zee en ook bij de Kanarische
-Eilanden overal veelvuldig voor; hij wordt veel gevangen en ter markt
-gebracht, maar als spijs niet bijzonder geacht. Zijn voedsel bestaat
-uit kleine Schaaldieren en wieren. Het kuitschieten heeft in het
-voorjaar plaats op den met grind bedekten bodem van het kustwater.
-
-
-
-Ook de zesde onderorde van de Stekelvinnigen--de Zwaardvisschen
-(Xiphiiformes)--bestaat uit slechts één gelijknamige familie
-(Xiphiidae), waarvan ± 15 soorten beschreven zijn. De romp van deze
-Visschen is lang, een weinig zijdelings samengedrukt, van achteren
-bijna rond. De bovenkaak is verlengd tot een zwaard, tot een breede,
-naar voren slechts weinig smaller wordende, tamelijk stomp eindigende,
-aan den rand scherpe en fijngetande plaat, die ver voorbij de spits van
-de onderkaak uitsteekt en vooral door de sterke ontwikkeling van het
-ploegschaarbeen en van de tusschenkaaksbeenderen wordt gevormd. De
-buitenste, zeer stevige beenlaag omsluit een cellige beenmassa;
-zij bevat, behalve talrijke, kleine holten, ook vier buizen, waarin
-groote bloedvaten voorkomen. De mondspleet reikt tot ver achter de
-groote oogen. De tanden ontbreken bij het volwassen dier of zijn zeer
-onbeduidend. Van de schubben geldt hetzelfde. De samenstelling der
-kieuwen is eigenaardig, doordat de kieuwplaatjes aan iederen kieuwboog
-niet eenvoudig als de tanden van een kam naast elkander geplaatst,
-maar door dwarsplaatjes verbonden zijn; de oppervlakte der kieuw
-gelijkt dus eerder op een net dan op een kam.
-
-
-
-Bij de Zwaardvisschen i. e. z. (Xiphias) is het voorste deel van
-den romp krachtiger gebouwd dan bij hunne naaste verwanten. Bij jonge
-exemplaren ziet men slechts één, vooral aan haar voorste einde tamelijk
-hooge rugvin, die boven de kieuwdeksels begint en op vrij geringen
-afstand van het achterste lichaamsuiteinde ophoudt; de aarsvin is
-lager dan de rugvin, maar strekt zich achterwaarts nagenoeg even
-ver uit. Mettertijd slijten deze beide vinnen gedeeltelijk af; van
-beide blijft slechts het voorste en het achterste stuk over; de beide
-achterste vinnen zijn buitengewoon klein; aan de voorste zijn de eerste
-stralen buitengewoon lang, de achterste daarentegen zeer kort. De
-voorste rugvin en de voorste aarsvin zijn hierdoor halvemaanvormig;
-de buikvinnen worden met een sikkel vergeleken. De tanden zijn
-reeds bij de jonge Visschen zoo klein, dat men ze ternauwernood kan
-onderscheiden; op lateren leeftijd verdwijnen zij geheel.
-
-Bij de Zeilvisschen (Histiophorus) bemerkt men van het afslijten der
-voorste rugvin niets; zij verheft zich als een zeil of een waaier boven
-den rug; de lengte van hare stralen overtreft de middellijn van den
-romp, die van voren niet bijzonder verdikt is, minstens 3 of 4-maal;
-tusschen hare laatste stralen en die van de achterste rugvin bestaat
-nagenoeg geen scheiding; twee lange, draadvormige buikvinnen zijn
-aanwezig; de aarsvin is naar verhouding veel grooter dan bij de Echte
-Zwaardvisschen en bovendien meer halvemaanvormig ontwikkeld. Kleine
-tandjes zijn ook bij het volwassen dier aanwezig. Als voorbeeld
-van dit 6 soorten omvattende geslacht, noemden wij den 6 M. langen
-Zeilvisch (Histiophorus gladius), die den Indischen Oceaan en de
-Stille Zuidzee bewoont.
-
-De Zwaardvisch (Xiphias gladius) die in bijna alle talen met een
-naam van dezelfde beteekenis wordt aangeduid, is een fraai en slank
-gebouwde, kolossale Visch, die geen schubben heeft, maar wiens huid
-ruw aanvoelt. De kleur van de bovenzijde is warm purperblauw met een
-bruinachtigen of roodachtigen weerschijn en gaat naar de buikzijde
-in vuilwit, dikwijls ook in dof blauwachtig wit over, dat vaak een
-fraaien, zilverachtigen glans vertoont. De vinnen zijn leikleurig
-blauw met zilverachtigen weerschijn; de staart is dof zwartblauw; de
-oogen zijn donkerblauw. De gemiddelde lengte bedraagt 2.5 à 3 M. en
-het gewicht 150 à 200 K.G., soms komen ook exemplaren van 4 M. en
-(als zeldzame uitzondering misschien) van nagenoeg 5 M. lengte voor,
-welker gewicht dan tot 350 K.G. gestegen is. Een vierde à een derde
-van de geheele lichaamslengte komt op het zwaard, welk gevaarlijk
-wapen dit dier zeer behendig weet te gebruiken.
-
-Het verbreidingsgebied van den Zwaardvisch omvat een zeer groot deel
-van de oppervlakte der aarde; het is nog niet mogelijk, er nauwkeurig
-de grenzen van op te geven. In den Atlantischen Oceaan reikt het
-ongeveer van de Shetlandsche Eilanden en van Newfoundland tot Kaap
-Hoorn en Kaap de Goede Hoop, in de Stille Zuidzee van de westkust
-van Zuid-Amerika en Beneden-Kalifornië minstens tot aan Nieuw
-Zeeland, misschien door den Indischen Oceaan tot Mauritius, waar
-de Zwaardvisch eveneens werd waargenomen. Geregeld ontmoet men hem
-in de Middellandsche Zee; hij is vooral in de nabijheid van Sicilië
-niet zeldzaam en wordt ook bij Genua en Nizza gedurende het geheele
-jaar gevangen; dikwijls strekken zijne reizen zich in oostelijke
-richting tot Konstantinopel uit. Zeer zelden werd hij aan onze kusten
-waargenomen. In Sept. 1815 werd een exemplaar van bijna 3.5 M. lengte
-(waarvan bijna 0.8 M. op den snavel komt) en 300 K.G. gewicht achter
-Finsterwolde in den Dollart gevangen (Van Bemmelen). In den zomer
-worden ook wel in de Oostzee Zwaardvisschen waargenomen; ook dwalen
-zij nu en dan langs de westkust van Scandinavië tot aan de Noordkaap
-af. Volgens G. Brown Goode verschijnen zij ieder jaar in het begin
-van Juni in grooten getale aan de oostelijke kusten van de Vereenigde
-Staten.
-
-Daar de Zwaardvisch zeer snel en naar verhouding van zijn grootte
-ook zeer behendig zwemt, is hij in staat kleinere Visschen buit te
-maken, die met verschillende soorten van Inktvisschen zijn liefste,
-zoo niet zijn eenige voedsel uitmaken. In de Middellandsche zee valt
-zijn rijtijd grootendeels in Juli en ontmoet men van November tot
-Maart zeer jonge exemplaren.
-
-Volgens alle berichten uit lateren tijd zou de Zwaardvisch eigenlijk
-een goedaardig en vreesachtig dier zijn, maar soms door een zonderlinge
-woede en vernielzucht bevangen worden en dan op grootere zeebewoners
-aanvallen; men meent deze opgewonden stemming te moeten toeschrijven
-aan den last, dien allerlei woekerdieren hem aandoen. Ook zegt men,
-dat de Zwaardvisch een der felste vijanden van de Tonijnen is, en
-zelfs, dat deze Visschen door hem in de Middellandsche Zee en naar
-de kust worden gedreven. Daar de mededeelingen in vele opzichten
-met elkander in tegenspraak zijn, kan men hierover geen beslist
-oordeel uitspreken. De bewering, dat de Zwaardvisch Walvisschen
-aanvalt, moet met eenig voorbehoud aangenomen worden, daar hoogst
-waarschijnlijk hiermede de gelijknamige Cetacee wordt bedoeld. Toch is
-het duidelijk gebleken, dat de echte Zwaardvisch soms groote dieren
-doorboort. Ook verhaalt men, dat dit lot overkomen is aan een man,
-die in den Severn, niet ver van Worcester, aan 't baden was; daar de
-schuldige onmiddellijk daarna gevangen werd, kan er geen twijfel over
-zijn misdrijf bestaan.
-
-Niet zelden komt het voor, dat een schip door een Zwaardvisch
-beschadigd wordt; in verscheidene verzamelingen vindt men stukken
-hout, waarin zich nog het afgebroken zwaard van dit dier (of een stuk
-daarvan) bevindt. "Den 5den Augustus 1824 werd het schip "Fortuna"
-op 31° N.B. en 150° O.L. bijna in zijn middelste gedeelte door een
-Zwaardvisch getroffen. Dit geschiedde met zulk een kracht, dat het
-zwaard door de koperen dubbeling, de 3/4 duim dikke vurenhouten
-spijkerhuid, de 3 1/4 duim dikke eiken vaste huid, een 9 duim dikke
-eiken rib en de 2 1/2 duim dikke eiken wegering in het scheepsruim en
-vervolgens door een 3 1/2 duim dik stuk vurenhout en een 1 duim dikke
-eiken duig nog 1/2 duim in een olievat doorgedrongen was. Het zwaard
-was op een afstand van 7 of 8 duim van de buitenzijde van 't schip
-afgebroken en werd eerst in de haven van Talcuhanna bemerkt."--Toen in
-het jaar 1725 het Engelsche oorlogsschip "Leopard" gerepareerd moest
-worden, stak in het voorste deel van den romp, niet ver van de kiel
-een afgebroken zwaard van een Zwaardvisch; het had de buitenste, 2.5
-cM. dikke huid en een plank van 7.5 cM. doorboord en was bovendien nog
-11 cM. diep in een rib doorgedrongen.--In het houtwerk van het schip
-"Priscilla" was een afgebroken zwaard 45 cM. diep ingeboord.--Uit
-deze betrouwbare berichten, waaraan men nog vele andere zou kunnen
-toevoegen, kan men afleiden, met welk een reuzenkracht de stoot
-plaats heeft, hoe groot de snelheid moet zijn geweest, waarmede de
-Zwaardvisch, zonder opzettelijk getergd te zijn, op het als doel
-gekozen voorwerp toeijlt.
-
-Gelukkig mislukken in den regel de pogingen van den woedenden
-strijder om zijn in het stevige hout stekende wapen los te maken;
-gewoonlijk breekt het af; waarschijnlijk sterft het dier aan de
-gevolgen dezer zelfverminking; anders zou het nog veel meer schade
-kunnen aanrichten. Toch heeft het reeds menig vaartuig lek gestooten
-of zelfs in den grond geboord.
-
-Vooral in Zuid-Italië (aan de kusten van Calabrië en Sicilië) en in de
-oostelijke Vereenigde Staten (aan de kusten van Nieuw-Engeland) houdt
-men zich geregeld met de vangst van den Zwaardvisch bezig. Het vleesch
-van het jonge dier wordt versch gegeten, dat van het oude ingezouten.
-
-
-
-Bij de Poon- en Makreelvisschen (Cottoscombriformes), die de
-8e onderorde van de Stekelvinnigen uitmaken, zijn de rugvinnen
-vereenigd of zeer dicht bijeengeplaatst, de stekelige rugvin,
-voor zoover aanwezig, is steeds kort, soms door tastdraden of een
-hechtschijf vervangen; bij afwezigheid van de stekelige rugvin is de
-weekstralige steeds lang; de aarsvin gelijkt op de weekstralige rugvin;
-de buikvinnen, voor zoover aanwezig, zijn steeds borst- of keelstandig,
-nooit in een hechtorgaan veranderd. Deze onderorde omvat 15 familiën,
-waarvan 9 hieronder genoemd zijn.
-
-
-
-De Leervisschen (Acronuridae) hebben een zijdelings zeer sterk
-samengedrukt lichaam, eivormig van omtrek, met een lederachtige huid
-of met dicht opeengedrongen, geheel vastgehechte, meestal kleine
-schubben bekleed; de mond is klein, de rand van beide kaken met een
-enkele rij van tanden bezet; geen tanden aan het gehemelte. Alle
-soorten hebben één rugvin, vele hebben een aan weerszijden met
-scherpe doornen gewapenden staart. [Bij het in den Indischen Oceaan,
-van Afrika tot Polynesië, voorkomende geslacht der Eenhoornvisschen
-(Naseus) komt tusschen de oogen een op een hoorn gelijkend, lang,
-beenig uitsteeksel voor]. Een belangrijk kenmerk van deze familie
-is de samenstelling van het geraamte der rugvin en der aarsvin. De
-kettinggewrichten van de eerste tusschendoornbeentjes verschillen van
-die der overige Visschen in zooverre, dat de tweede straal zich met
-den eersten kan verbinden. Hierdoor zijn de Leervisschen in staat
-om hunne opgerichte vinnen vast te zetten; voor het neerleggen van
-de vin is dan noodig, dat een spier, die zich vóór aan den tweeden
-straal hecht, dezen naar voren beweegt.
-
-Alle Leervisschen bewonen de zeeën van den heeten aardgordel; voor
-'t meerendeel leven zij in den Indischen Oceaan. Naar het schijnt,
-voeden zij zich uitsluitend met wieren of andere zeeplanten. Hoewel
-hun vleesch niet smakelijk wordt geacht, maken de visschers jacht op
-verscheidene leden van deze familie.
-
-
-
-In de warme zeeën van beide halfronden treft men de Stekelstaarten
-(Acanthurus) aan; deze onderscheiden zich door het bezit van tanden
-met een rechten, snijdenden rand en van een scherpen, beweeglijken
-stekel aan weerszijden van den staart, waarmede zij gevaarlijke wonden
-kunnen toebrengen. Hun kleed bestaat uit kleine schubben.
-
-Een bekende soort van dit geslacht, door de Nederlanders in West-Indië
-gewoonlijk Leervisch, door de Fransche kolonisten in Amerika
-Chirurgien, Barbier en Porte-lancette, door de Engelschen Surgeon
-genoemd (Acanthurus chirurgus), bereikt een lengte van 20 à 30 cM. De
-donkerbruine of geelachtige huid van den romp is aan weerszijden
-met verscheidene van boven naar onder gerichte, donkere strepen,
-de rugvin op lichteren grond met zwartachtige lijnen geteekend;
-de buikvinnen zijn zwart; de aarsvin is geelachtig met donkerder
-zoom. De zeer sterk samengedrukte staartstekel heeft scherpe randen
-en van achteren aan den wortel een doornvormig uitwas; hij is met het
-onderliggende been door een gewricht verbonden en kan dus opgericht
-en ook voorovergebogen (in een groeve of scheede geborgen) worden.
-
-Deze soort is, naar het schijnt, niet ver buiten de Antillen-zee
-verbreid; hier echter is zij overal veelvuldig, aan alle visschers wel
-bekend. De kustbewoners vreezen hem weinig minder dan een Vergiftige
-Slang; de wonden, die hij met zijn stekel slaat, zijn zeer pijnlijk
-en genezen niet spoedig. Met uitzondering van den Barracoeda, die
-wegens zijn vreeselijk gebit de wapens van den Leervisch niet behoeft
-te duchten, schuwen alle overige roofvisschen dezen gevaarlijken
-concurrent; ook met zijns gelijken voert hij strijd; men heeft
-althans van een verwante, in de Roode Zee levende soort dikwijls twee
-exemplaren gevangen, die met de stekels aan elkander vastgehecht waren.
-
-
-
-De Bastaardmakreelen (Carangidae), die men vroeger met de Makreelen
-vereenigde, worden thans door Günther als een afzonderlijke familie
-beschouwd. Het stekelige deel van de rugvin is minder ontwikkeld
-dan het weekstralige en dan de aarsvin; dikwijls is het zeer
-onbeduidend. Ook de borststandige buikvinnen zijn soms rudimentair
-of ontbreken geheel.
-
-
-
-De Horsmakreelen (Caranx) kenmerken zich vooral door hun zijdestreep,
-die geheel of gedeeltelijk bekleed is met gekielde schilden, welke
-voor 't meerendeel ieder tot een stekel verlengd zijn. De beide
-rugvinnen zijn door een kleine tusschenruimte gescheiden; de voorste
-is verreweg de kleinste en wordt door 8 stekels gesteund; vóór de
-aarsvin liggen 2 vrije stekels; achter de rugvin en de aarsvin treft
-men geen bastaardvinnen aan; de schubben, met uitzondering van die
-der zijdestreep, zijn klein.
-
-De Hors, ook Ars, Hars en Marsbanker, in Amsterdam Noorderwind genoemd
-(Caranx trachurus), gelijkt door zijn spoelvormigen romp, spitsen
-kop en dikken staart op een grootvinnigen Makreel; zijn lichaam is
-echter hooger en minder rank. Hij is ongeveer 30 cM. lang, van boven
-blauwgrijs, van onderen zilverkleurig; de vinnen zijn grijsachtig.
-
-Evenals de Makreel, wordt de Hors zoowel in de Middellandsche Zee als
-in den Atlantischen Oceaan (met inbegrip van de Noordzee) gevonden;
-in de Oostzee komt hij zeer zelden voor. Slechts enkele exemplaren
-bezoeken van April tot Augustus de kusten van Nederland en Duitschland,
-de westkust van Denemarken en de zuid-westkust van Scandinavië;
-ter zelfder tijd vindt men ze in groote scholen op de kusten van
-Groot-Brittannië. In Juli 1834 hielden zij zich een week lang in
-ontelbare menigte bij Ierland op. Zoover het oog reikte, scheen de zee
-in kokende beweging te zijn. De school kwam tot in de onmiddellijke
-nabijheid van den oever; lieden, die op een eenigszins vooruitstekende
-rots een plaatsje hadden gevonden, behoefden slechts de handen in 't
-water te steken om Visschen te grijpen; iedere behendige greep bracht
-er 3 of 4 in hun bezit; de bovenste waterlaag scheen meer Visschen
-dan water te bevatten. Het was niet mogelijk de gevangen Visschen te
-tellen of hun aantal te schatten; men rekende bij karrevrachten.
-
-Ongelukkig is deze Visch veel geringer van kwaliteit dan de verwante
-Makreel. De Engelschen en Amerikanen noemen hem Horse-Mackerel
-(Paardenmakreel) om aan te duiden, dat zijn vleesch onbruikbaar of
-althans onsmakelijk is. Zelden wordt hij op de markt gebracht; op vele
-plaatsen van de kust wordt hij zelfs door de armste lieden versmaad.
-
-
-
-Het Loodsmannetje (Naucrates ductor) vertegenwoordigt het slechts
-weinige soorten omvattende geslacht der Loodsvisschen (Naucrates);
-deze hebben een langwerpig eivormige gedaante en een stompen snuit;
-de plaats van de eerste rugvin wordt door een gering aantal vrije
-stralen ingenomen; de staart is aan weerszijden van een kiel voorzien;
-het kleed bestaat uit kleine, ongelijksoortige schubben; de bek is
-met korte, fluweelachtige tanden gewapend.
-
-De blauwachtig zilvergrijze grondkleur van de genoemde soort wordt op
-den rug donkerder en gaat naar den buik allengs in zuivere zilverkleur
-over; de teekening bestaat uit 5 donkerblauwe, breede strepen,
-die den romp ringvormig omgeven en zich ook over de rugvin en de
-aarsvin voortzetten; de borstvinnen zijn zwartblauw, de buikvinnen
-wit; de staartvin is aan den wortel blauw, aan 't einde donkerder
-gezoomd. Lengte 20 à 30 cM.
-
-De oude schrijvers maken melding van een Visch, dien zij "Pompilius"
-noemden en waarvan Geszner zegt, "dat hij uitsluitend de diepe
-zee bewoont en de aarde schijnt te haten, daar hij nooit bij het
-land komt. Deze Visschen toonen een zonderlinge gehechtheid aan de
-schepen, die op de zee drijven en zwemmen onophoudelijk er omheen,
-tot zij den grond en de kust bespeuren. De zeelieden weten dit wel; het
-achterblijven van deze Visschen, die het schip niet verder vergezellen
-willen, is hun een bewijs, dat zij de kust naderen, hoewel deze nog
-niet zichtbaar is. Even groot als de genegenheid dezer Visschen voor
-de schepen, is hun afschuw voor den grond. De zeelieden beschouwen
-de begeleiding van deze Visschen als een teeken van goed weer, van
-een kalme zee en van een gelukkige reis." De meening, dat zij als
-loods dienen voor de Haaien, is van nieuweren oorsprong; de ouden
-gewagen hiervan niet. "Ik heb altijd," zegt Commerson, "dit verhaal
-voor een fabel gehouden; nu ik het feit met eigen oogen gezien heb,
-kan ik er de waarheid niet meer van betwijfelen. Dat deze "loodsen"
-de brokken verslinden, die de Haai laat vallen, is te begrijpen; dat
-hij hen zelf niet verslindt, hoewel zij altijd om zijn kop heenzwemmen,
-begrijpt men niet. Dikwijls heb ik gezien, dat een Loodsmannetje naar
-het stuk spek zwom, dat aan een haak bevestigd over boord geworpen werd
-en daarna terugkeerde naar zijn Haai, die onverwijld zelf kwam. Als
-men den Haai vangt, wordt hij gevolgd door zijne "loodsen", die eerst
-vluchten, als men hem binnen boord hijscht. Als zij echter geen anderen
-Haai vinden, houden zij zich aan het schip zelf en volgen dit dikwijls
-verscheidene dagen lang." Hetzelfde berichten alle andere onderzoekers,
-die van dezen Visch melding maken; Bennett voegt er nog aan toe, dat,
-hoewel men één enkelen Haai geregeld door Loodsmannetjes vergezeld
-ziet, deze even geregeld ontbreken, wanneer verscheidene Haaien te
-zamen zwemmen.
-
-Verschillende redenen zijn opgegeven voor de vriendschappelijke
-betrekking tusschen de beide Visschen. Sommigen meenen, dat het
-Loodsmannetje den Haai zijn prooi aanwijst, in de hoop er ook een
-deel van te krijgen. Een andere, waarschijnlijker verklaring van het
-feit is, dat het vischje zich in gezelschap van den vreeselijken
-roover veilig acht voor de vervolgingen zijner ergste vijanden,
-van behendiger roofvisschen, daar hij, om den Haai te ontkomen,
-vlug en behendig genoeg zwemt. Duidelijk is het in allen gevalle,
-dat er tusschen beide dieren een wederzijdsche betrekking bestaat,
-dat niet alleen het Loodsmannetje op den Haai, maar deze ook op
-zijn gids schijnt te letten. "Gedurende mijn reis naar Egypte,"
-verhaalt Geoffroy Saint-Hilaire, "kwam eens bij windstilte een Haai
-op het schip af; hij had twee Loodsmannetjes bij zich, die altijd op
-een zekeren afstand bleven van hun grooten reisgezel; bij het schip
-gekomen, onderzochten zij dit tweemaal van het eene einde tot het
-andere; niets te bikken vindend, trokken zij af in gezelschap van hun
-Haai. Intusschen had een matroos een stuk spek aan den haak geslagen
-en dezen, aan een lijn bevestigd, in zee geworpen. De Visschen,
-die reeds tamelijk veraf waren, hoorden den plomp, keerden terug en
-begaven zich bij het zien van het spek naar hun geleider, die zich
-intusschen vermaakt had met buitelingen en dergelijke spelen. Dadelijk
-kwam hij nader, aan weerszijden vergezeld door een zijner vriendjes en
-werd door deze letterlijk geleid naar het spek, dat hij niet bespeurd
-scheen te hebben; hij beet eerst een stuk van het lokaas af, hapte
-nogmaals toe, zat aan den haak vast en werd binnenboord getrokken;
-2 uur later ving men ook een van de Loodsmannetjes, die het schip
-nog niet verlaten hadden."
-
-Het is verre van onwaarschijnlijk, dat er langzamerhand een zekere
-gehechtheid tusschen de Loodsmannetjes en den Haai ontstaat,
-daar men ook wel andere bewijzen van verstand bij de Visschen
-heeft opgemerkt en soortgelijke bondgenootschappen onder hooger
-ontwikkelde dieren van geheel verschillenden aard volstrekt niet
-zeldzaam zijn. Ongetwijfeld draagt ook de gewoonte veel bij tot
-versterking van den vriendschapsband, daar het Loodsmannetje met niet
-minder trouw en volharding dan den Haai ook schepen volgt, zeilschepen
-althans, en bovendien allerlei andere drijvende voorwerpen, balken,
-wrakhout, vaten enz.; dit geschiedt waarschijnlijk niet, omdat het van
-zijn Haai afgeraakt is, maar vermoedelijk met dezelfde bedoeling, als
-waarmede deze bij het schip komt, n.l. in de hoop van door de bemanning
-gevoederd te worden. In de noordelijke zeeën komt het Loodsmannetje
-niet geregeld voor; wel heeft het zich herhaaldelijk laten verleiden
-om de schepen tot in het Kanaal te volgen. Bennett verzekert, dat men
-dit vlugge dier alleen na het vangen van een Haai kan bemachtigen. De
-kleine, trouwe gidsen willen hun grooten beschermer niet verlaten,
-zwemmen om hem heen, wanneer hij boven water opgetrokken wordt,
-tot hij bezweken is, komen intusschen nader dan gewoonlijk bij de
-oppervlakte, zoodat het niet veel moeite kost hen met een schepnet
-aan een langen stok op te visschen.
-
-Het vleesch van het Loodsmannetje is volgens hen, die het zeldzame
-voorrecht hadden, het te proeven, niets minder in kwaliteit dan dat
-van de Makreelen.
-
-
-
-Een hoofdkenmerk van de kleine familie der Haanvisschen (Cyttidae)
-is gelegen in de beweeglijkheid der kaken, die naar voren verschoven
-en teruggetrokken kunnen worden; de romp is hoog, sterk zijdelings
-samengedrukt; de buikvinnen zijn aan de borst geplaatst, de tanden
-klein en kegelvormig; de kieuwspleet is zeer wijd.
-
-
-
-Volgens de overlevering verkeerde de apostel Petrus eens, toen hij
-tol moest betalen, in de noodzakelijkheid om niet in de beurs,
-maar in het water te tasten; de bek van den Visch, dien hij er
-uithaalde, bevatte de verlangde penning. Dit mirakel moet in de
-open zee voorgevallen zijn; ook schijnt de apostel den bedoelden
-Middellandsche-zee-visch flink aangepakt te hebben, daar deze op
-elke zijde een zwarte vlek draagt, die, naar het verhaal luidt,
-indruksels van vingers zijn. Vermoedelijk heeft het dier hieraan den
-naam Sint-Pietersvisch te danken. Deze naam, dien men in de havens van
-de Middellandsche Zee en ook wel bij ons hoort, is trouwens niet overal
-in gebruik; op sommige kustplaatsen van Frankrijk heet dezelfde Visch
-Poisson Saint-Christophe, bij de tegenwoordige Grieken Christo-psaro
-(Christusvisch), bij de Spanjaarden Martinsvisch, bij ons wegens zijn
-zijdevlek Zonnevisch of Spiegelvisch, bij de Noordduitschers eindelijk
-Haringkoning, omdat hij op de Sardijnen (een soort van Haringen)
-jacht maakt en hunne scholen volgt. Misschien te recht wordt zijn
-geslacht in de wetenschap aangeduid met den naam van den oppergod
-van den Olympus en stond hij reeds bij de ouden in hoog aanzien.
-
-De Zonnevisch (Zeus faber) heeft twee gescheiden rugvinnen; het
-vinvlies van de eerste wordt gesteund door lange stekels en loopt
-daartusschen in lange draden uit; de beide aarsvinnen zijn minder
-duidelijk gescheiden; de voorste wordt door 4 stekels gesteund;
-onder de kleine, rondachtige borstvinnen staan groote buikvinnen. Aan
-weerszijden van de achterste rugvin en van de aarsvin, voorts op
-het midden van den buik, tusschen de buikvin en de aarsvin, komt
-een reeks van beenplaten voor, die ieder een paar doornen dragen;
-overigens is de romp met kleine schubben bekleed. De kleur is in
-verschillende jaargetijden en zeeën ongelijk. In de Middellandsche
-zee is de Zonnevisch dikwijls zuiver goudgeel (hieraan dankt hij zijn
-Franschen naam Jaune doré, in 't Engelsch verbasterd tot John Dory),
-in het noorden gewoonlijk grijsgeel. Het vinvlies van de voorste
-rug- en aarsvin heeft een zwarte tint. Aan weerszijden komt op het
-midden van den romp een ronde, zwarte vlek voor, die met een witten
-en zwarten kring omzoomd is. Bij oudere dieren zijn deze kringen
-meestal verdwenen en de vlekken zelf onduidelijker. Deze Visch kan
-een lengte van meer dan 1 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. bereiken.
-
-Van de Middellandsche Zee uit verbreidt de Zonnevisch zich over een
-deel van den Atlantischen Oceaan, in noordelijke richting tot aan
-de kusten van Groot-Brittannië, waar hij geregeld aangetroffen en
-soms zelfs in aanzienlijken getale gevangen wordt. Aan onze kusten
-ontmoet men hem zeer zelden en bijna altijd op grooten afstand van
-het strand. In de eerstgenoemde zeeën behoort hij niet tot de gewone
-Visschen, evenmin echter tot de zeldzame, althans gedurende den
-zomer. Ook in de Middellandsche Zee geeft hij de voorkeur aan de open
-zee boven het kustwater en komt hij meestal afgezonderd voor. Wegens
-zijn gestalte zou men kunnen meenen, dat hij langzaam zwemt; toch
-is dit het geval niet; hij beweegt zich zeer vlug en behendig, kan
-de scholen van Sardijnen (Pilchards) goed bijhouden en maakt met
-goed gevolg jacht op de Zeekatten of Gewone Inktvisschen, die zeer
-waakzaam zijn en flink zwemmen. Deze dieren maken nevens kleine of
-jonge Visschen en Schaaldieren zijn liefste voedsel uit. Tegenwoordig
-wordt overal veel prijs gesteld op den Zonnevisch, daar zijn vleesch
-zeer in den smaak valt; men krijgt hem echter meer bij toeval dan door
-list in het net; wegens zijn ongezellige levenswijze is hij voor de
-visscherij van geringe beteekenis.
-
-
-
-Van den Koningsvisch (Lampris luna, L. guttatus) wordt reeds in de
-Edda onder den naam van Gudlags (Godenzalm) melding gemaakt; ook thans
-nog wordt hij in IJsland zoo genoemd en wegens zijn smakelijk vleesch
-hoog geschat. In vorm gelijkt hij eenigszins op den Zonnevisch; de
-omtrek van het zijdelings samengedrukte, maar toch dikke lichaam is
-eirond; het kan een lengte van 2 M. en een gewicht van omstreeks 100
-KG. bereiken. De bek kan minder ver vooruitgestoken worden; de tanden
-en ook de doornen op den staart ontbreken. De rugvin, die boven de
-borstvinnen begint, en zich tot dicht bij de vrij diep gegaffelde
-staartvin uitstrekt, wordt door onduidelijk stekelvormige, buigzame
-stralen gesteund en is grootendeels laag; haar voorste gedeelte verheft
-zich tot een 5-maal zoo hooge punt, die sikkelvormig naar achteren
-gebogen is; de aarsvin komt in vorm en stand overeen met het lage
-gedeelte van de rugvin. De halvemaanvormige buikvinnen zijn ongeveer
-op de helft van de lichaamslengte aangehecht en zijn ongeveer even
-groot als de borstvinnen. De schubben zijn zeer klein en dun en vallen
-zoo licht uit, dat men ze bij gevangen exemplaren zelden aantreft. De
-kleur van den Koningsvisch is niet minder prachtig dan die van vele
-om deze reden beroemde Visschen van zuidelijker zeeën. De staalblauwe,
-met alle tinten van den regenboog schitterende kleur van de bovendeelen
-gaat op de zijden allengs in violet en van onderen in rozerood over;
-op dezen grond prijken talrijke eivormige, vrij regelmatig verdeelde,
-melkwitte, als zilver glinsterende vlekken; de vinnen zijn prachtig
-koraalrood; het oog is glanzig goudgeel.
-
-Deze Visch, van welks levenswijze men bijna niets weet, schijnt vooral
-de noordelijke zeeën te bewonen. Wel werd hij in de Middellandsche Zee,
-aan de noordkust van Frankrijk, bij onze kust (1822, 1840), bij die
-van Denemarken en Noorwegen gevangen; overal is dit echter slechts
-2 of 3 malen geschied; vaker kwam dit voor bij Groot-Brittannië,
-het meest bij IJsland.
-
-
-
-De Braam, dikwijls ook Zeebrasem, in Frankrijk Castagnole genoemd
-(Brama Raii), is minder zeldzaam dan de vorige soort; hij wordt
-in de Middellandsche Zee zelfs vrij menigvuldig gevangen; vooral 's
-winters is zijn vleesch smakelijk. Ook langs de kusten van de Noordzee
-ontmoet men dezen dof zilverkleurigen Visch met bruine rug-, staart-
-en aarsvinnen niet al te zelden (bij ons nu en dan); eenige malen heeft
-men hem zelfs op de Pommersche kust buit gemaakt; zuidwaarts strekt
-zijn verbreidingsgebied zich tot aan de Kaap de Goede Hoop uit. Hij
-kan ongeveer 70 cM. lang worden en is dan ruim half zoo hoog. Het
-geheele lichaam is met schubben bekleed en eivormig van omtrek. De
-mondspleet is schuins naar boven gericht; de onderkaak steekt voorbij
-de bovenkaak uit; beide zijn met tanden gewapend. De rugvin, die geen
-duidelijke stekels bevat, neemt het grootste deel van den rug in en
-vormt naar voren een driehoekige punt, dubbel zoo hoog als het overige
-gedeelte. De aarsvin heeft een soortgelijken vorm, doch is kleiner.
-
-De Goudmakreelen (Coryphaenidae) hebben een langen, zijdelings
-samengedrukten romp; aan hun zeer steil afhellend voorhoofd danken
-zij hun wetenschappelijken naam (die van een woord, dat "bergtop"
-beteekent, is afgeleid en door "Stompkoppen" vertaald zou kunnen
-worden); de rugvin wordt door buigzame, onduidelijk stekelige
-stralen gesteund; zij strekt zich van den kop tot dicht bij de diep
-gevorkte staartvin uit; ook de aarsvin is meestal sterk ontwikkeld;
-de buikvinnen ontbreken soms of zijn klein; de kaken zijn met
-hekelvormige, de tong en de kieuwbogen met fluweelachtige tanden bezet.
-
-
-
-Voor ons doel kunnen wij volstaan met de beschrijving van een
-enkele soort, en die het geslacht der Glinstervisschen (Coryphaena)
-vertegenwoordigt, de oude gaven haar den naam van Delphinus of Dolfijn;
-ook thans nog wordt zij door de zeelieden dikwijls zoo genoemd;
-beter past op haar den naam Dorade, dien zij met den Goudbrasem deelt.
-
-De Goudmakreel of Onechte Dorade (Coryphaena hippuris) bereikt
-een lengte van 1 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. Zijn kleur,
-van welks wonderbaarlijke pracht, volgens het getuigenis van alle
-onderzoekers, een beschrijving slechts een flauwe voorstelling kan
-geven, verschilt al naar de wijze van verlichting. Bennett zegt:
-"Als de Goudmakreel bij windstilte dicht bij de oppervlakte van 't
-water zwemt, schittert zijn prachtig blauwe of purperen kleur met
-alle denkbare metaalachtige tinten, welker afwisseling bij iedere
-beweging met die van licht en schaduw samengaat; alleen de staart
-behoudt zijn goudgele kleur. Nadat de Visch uit het water gehaald
-en op het dek gebracht is, worden deze kleuren door andere, niet
-minder prachtige vervangen: voor het gloeiende purper en het goudgeel
-komt een glanzige zilverkleur in de plaats, die op den rug nog de
-oorspronkelijke purperen en gouden tinten vertoont. Geruimen tijd
-houdt dit kleurenspel aan; langzamerhand vermindert het in sterkte;
-ten slotte verbleekt de huid en wordt dof lederachtig grijs."
-
-De Goudmakreel behoort in de warme zone thuis; van uit de
-keerkringszeeën begeeft hij zich echter zoover noord- of zuidwaarts,
-als de warme zeestroomingen dit veroorloven. De rijtijd en de
-vervolging van de scholen Visschen voeren hem in de nabijheid van
-de kusten; voor 't overige blijft hij op tamelijk grooten afstand
-van het land en in de open zee. Ten onrechte wordt zijn komst in de
-nabijheid van het schip door vele zeelieden als een voorteeken van
-storm beschouwd. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine Visschen,
-vooral uit die, welke de bovenste waterlagen bewonen, voor een groot
-deel dus uit de zoogenaamde Vliegende Visschen. Bennett vond in de
-maag van Goudmakreelen ook Koppootige Weekdieren, n.l. Inktvisschen en
-Argonauten. Hun roofzucht is wel niet de eenige, maar toch een zeer
-dikwijls voorkomende reden van het boven water komen der Vliegende
-Visschen. Behalve dezen buit verslindt de Goudmakreel allerlei afval
-uit de schepen; in vraatzucht doet hij voor een Haai niet onder. De
-maag van een met den speer gestoken exemplaar bevatte eenige ijzeren
-spijkers van 12 cM. lengte.
-
-Tegen den herfst begeven de Glinstervisschen zich naar de kust
-om kuit te schieten. In de Middellandsche Zee zoeken zij hiervoor
-steeds rotsachtige oevers uit, maar vermijden vlakke. Daarom vangt
-men ze wel op de kust van Provence en niet op die van Languedoc;
-hier maakt men bijna uitsluitend gebruik van netten. In de volle zee
-bevestigen de zeelieden als lokaas aan den haak een nabootsing van een
-Vliegenden Visch, in den regel echter eenvoudig een witte of althans
-licht gekleurde lap, dien zij aan een lange lijn achter het schip aan
-laten sleepen, of aan een korte lijn met doelmatige bewegingen van de
-armen naast het schip op en neer laten dansen. Pechuel-Loesche heeft
-exemplaren, die in volle zee gevangen werden, op verschillende wijzen
-toebereid gegeten en vond hun vleesch niet onaangenaam van smaak, maar
-hard, vast en bijzonder droog; volgens hem veroorzaakt het gebruik
-van deze spijs soms om onbekende redenen onaangename en zelfs zeer
-nadeelige gevolgen: hevige en pijnlijke stoornissen in de werking der
-spijsverteringsorganen, die verscheidene dagen lang aanhouden kunnen.
-
-
-
-Een niet onbelangrijk aantal flink gebouwde Visschen met spoelvormig,
-zijdelings samengedrukt lichaam, welks dikte naar het staarteinde
-sterk afneemt, gewoonlijk met kleine, nauwelijks waarneembare schubben
-bekleed is en daarom naakt schijnt, vormen te zamen een natuurlijke
-familie, die men, naar de meest bekende soort, Makreelen (Scombridae)
-noemt.
-
-Daar de Makreelen de open zee van alle lengte- en breedtegordels
-bewonen, is het verbreidingsgebied van iedere soort meestal zeer
-uitgestrekt. Bijna alle bekende soorten, ten getale van meer dan
-100, leven gezellig, enkele in tallooze scholen bijeen, vele op
-aanzienlijke diepte, andere in hoogere waterlagen. Alle Makreelen
-zijn uitmuntende zwemmers en zonder eenige uitzondering ook flinke
-roovers; hun geschiktheid voor de jacht en hun roofzucht zijn echter
-niet evenredig aan hun grootte, daar juist de grootste leden der
-familie dikwijls met een zeer kleinen buit tevreden zijn.
-
-De Makreelen vermenigvuldigen zich voor 't meerendeel snel en zijn
-daarom voor de visscherij van zeer groote beteekenis. Enkele soorten
-worden op sommige kusten als de belangrijkste van alle Visschen
-beschouwd, andere staan in dit opzicht alleen bij de Haringen achter;
-bijna geen enkele soort wordt door de kustbewoners versmaad.
-
-
-
-Een slanke gestalte, twee ver van elkander verwijderde rugvinnen,
-waarvan de achterste zich in een aantal zoogenaamde "valsche" of
-"bastaardvinnen" splitst, een onduidelijke kiel aan weerszijden
-van den staart, kieuwdeksels zonder spitsen, betrekkelijk kleine,
-kegelvormige, puntige tanden, op één rij geplaatst langs een rand
-der kaken, benevens een uit kleine schubben samengesteld kleed zijn
-de kenmerken van het geslacht der Makreelen i. e. z. (Scomber),
-voor welks belangrijksten vertegenwoordiger wij den gewonen Makreel
-(Scomber scomber) houden. Door de kustbewoners wordt hij soms "Jonge
-Tonijn" genoemd en met deze soort verward. Deze Visch is even fraai
-van gestalte als van kleur; hij bereikt een lengte van 40 à 45,
-hoogstens van 50 cM. en een gewicht van gemiddeld 1 KG.; van boven
-is hij op helder blauwen, als goud glinsterenden grond met donkere
-dwarsstrepen geteekend, van onderen zilverwit.
-
-Op een dwaalspoor gebracht door de berichten van visschers en andere
-onderzoekers, meende men vroeger, dat de Makreelen eigenlijk in de
-IJszee thuis behooren en van hier uit ieder jaar groote reizen naar
-lagere breedten ondernemen. Tegenwoordig is men tot een geheel andere
-slotsom geraakt. Op een aanzienlijke diepte vangt men n.l. het geheele
-jaar door Makreelen, zoowel in de Noordzee en de Oostzee als in den
-Atlantischen Oceaan en in de Middellandsche Zee, waarbij echter op
-te merken valt, dat zij naar 't oosten steeds minder overvloedig
-worden en reeds bij Rügen niet meer geregeld voorkomen. Bovendien
-verschijnen zij bijna ter zelfder tijd aan de noordelijke en aan de
-zuidelijke kusten. Uit beide feiten blijkt, dat beide gedeelten van
-de zee hunne eigenlijke woonplaatsen zijn en dat zij alleen met het
-doel om kuit te schieten de diepte verlaten en naar de kust zwemmen,
-gelijk ook de Haringen en vele andere Visschen doen.
-
-De makreelvisscherij was reeds in de oudheid een zeer belangrijk
-bedrijf en heeft ook thans nog een groote beteekenis. De komst van
-deze Visschen aan de kust wordt daarom in de aan zee gelegen steden en
-dorpen door oud en jong, rijk en arm met gejuich begroet. Honderden,
-duizenden booten liggen gereed en vertrekken met den meesten spoed
-om deze kostelijke Visschen te bemachtigen. Overal, in alle baaien
-en inhammen, neemt men een ongewone bedrijvigheid waar. Ieder groot
-visschersvaartuig wordt begeleid door verscheidene kleinere, die de
-vangst zoo schielijk mogelijk ter markt moeten brengen; soms huren een
-aantal visschers met hetzelfde doel voor gemeenschappelijke rekening
-snel varende stoomschepen, die ten spoedigste volgeladen worden en
-de gevangen Makreelen reeds 5 of 6 uren na de vangst op de markt
-afleveren. Daar aan de versche Visschen het meest te verdienen valt,
-gaat men alleen dan tot het inzouten over, als er geen kans bestaat
-ze frisch aan den man te brengen. Op de markt te 's-Gravenhage komen
-zij gedurende de zomermaanden niet zelden voor; zij zijn dan met kuit
-voorzien; hetzelfde merkt men in andere kustplaatsen van Nederland,
-Engeland, Frankrijk en Amerika op. De Makreelen moeten kort na de
-vangst gegeten worden, daar zij spoedig bederven. In sommige jaren is
-deze visscherij zeer, in andere veel minder winstgevend. Voor de eerste
-bezendingen Makreelen kunnen zeer hooge prijzen bedongen worden; later
-moet de visscher met aanmerkelijk lagere tevreden zijn. Soms kan een
-vischschuit voor de vangst van een enkelen nacht f 1200 besommen; als
-de vangst zeer overvloedig is, vermindert de opbrengst echter weldra.
-
-Aan de Engelsche kust maakt men voor de makreelvangst gebruik van een
-grondnet van 6 M. wijdte en 40 M. lengte. Ieder vischvaartuig is met
-12 à 15 zulke netten voorzien, het eene wordt steeds aan het andere
-bevestigd. Zoo zeilt men voor den wind weg en sleept de loodrecht in 't
-water hangende, van voren geopende netten mede. De vangst geschiedt in
-den regel gedurende den nacht. In de nabijheid van het land wordt de
-Makreel ook wel met den hengel gevangen, daar hij gretig aanbijt. De
-visschers aan de Atlantische kusten van de Vereenigde Staten van
-Noord-Amerika bedienen zich bij de makreelenvangst ook veel van het
-zaknet, welks opening dicht getrokken wordt.
-
-Aan de Britsche kusten verschijnt deze Visch reeds in Maart, soms
-zelfs reeds in Februari; de eigenlijke vangst begint echter eerst in
-Mei of in Juni, verder noordwaarts zelfs nog een maand later. "Onze
-visschers vangen den Makreel slechts van tijd tot tijd, in de
-maanden Juli en Augustus, wanneer er enkele scholen aan onze kust
-voorbijtrekken. Hetzelfde heeft plaats aan de kusten van Jutland en
-aan de zuidwestkust van Scandinavië. Hij komt ook in de Oostzee voor
-en wordt er, ofschoon slechts bij uitzondering, in groote scholen
-aangetroffen."
-
-In zuidelijke zeeën heeft het kuitschieten in Juni plaats. Het aantal
-eieren van een kuiter bedraagt ongeveer een half millioen.
-
-De oude Romeinsche schrijvers maken dikwijls gewag van dezen Visch,
-dien zij Scomber noemden. De Romeinen bereidden uit de ingewanden
-en het bloed van den Makreel en andere Visschen of uit den geheelen
-Visch een soort van saus, die zij voor zeer lekker hielden en zeer
-duur betaalden. Zij werd, volgens Plinius "garum" genoemd, omdat de
-Grieken, aan wie dit gebruik ontleend was, den Visch, die voor deze
-bereiding diende, Garon noemden. De bereiding was, naar het schijnt,
-eenvoudig een rottingsproces, waaraan de genoemde grondstoffen met de
-noodige hoeveelheid zout in potten blootgesteld werden; het hierboven
-staande vocht werd afgetapt en voor het gebruik bewaard. De Makreel
-was voor dit praeparaat het best geschikt, omdat hij eerder bederft
-dan andere Visschen.
-
-Het voedsel van den Makreel schijnt uit jonge Haringen, Sprot,
-Ansjovis en andere kleine Visschen te bestaan.
-
-
-
-De Tonijnen (Thynnus) zijn reusachtige Makreelen, die de zuidelijke
-zeeën bewonen; voor sommige kusten, vooral van de Middellandsche Zee,
-was en is hun vangst een zeer belangrijk bedrijf. Van de Makreelen
-i. e. z. onderscheiden zij zich, doordat hunne rugvinnen dicht
-bijeengeplaatst en door een betrekkelijk groot aantal bastaardvinnen
-gevolgd zijn; hun borstpantser is uit groote schubben samengesteld;
-een kielvormig uitsteeksel komt voor aan weerszijden van den staart. De
-Tonijn (Thynnus thynnus) is een der grootste en belangrijkste van zijn
-geslacht; hij wordt gewoonlijk 2 à 3 M. lang en 150 à 200 KG. zwaar,
-maar bereikt soms, naar men zegt, een lengte van 4 M. of zelfs meer en
-een gewicht van 600 KG. De rug is blauwachtig zwart, het borstpantser
-blauwachtig wit; de zijden en de buik hebben op grijsachtigen grond
-zilverwitte vlekken, die zich tot strepen vereenigen; de eerste rugvin
-en de aarsvin zijn vleeschkleurig, de valsche vinnen zwavelgeel met
-zwarten zoom.
-
-De Tonijn bewoont vooral de Middellandsche Zee; in den Atlantischen
-Oceaan schijnt hij schaarscher voor te komen en door verwante
-soorten vervangen te zijn. In vroegere tijden was men een andere
-meening toegedaan en werd het plotseling verschijnen der Tonijnen
-aan de kusten der Middellandsche Zee toegeschreven aan een periodieke
-verhuizing dezer Visschen op ontzaglijk groote schaal. Men meende, dat
-zij ieder jaar in grooten getale van uit den Oceaan door de straat van
-Gibraltar naar de Middellandsche Zee zouden trekken. Volgens de thans
-heerschende zienswijze houden zij zich, evenals zoovele andere leden
-hunner klasse, tijdelijk in de diepte of in het midden van de zee op
-en komen eerst tegen den voortplantingstijd nader bij de kusten. In
-alle opzichten hebben de onderzoekingen van den laatsten tijd deze
-meening bevestigd. Pavesi heeft aangetoond, dat de Middellandsche Zee
-en vooral de Golf van Cadiz als de eigenlijke woonplaats van den Tonijn
-beschouwd moet worden, dat dit dier gewoonlijk in de allergrootste
-diepte verblijf houdt en in den voortplantingstijd omhoog stijgt,
-zich dus hoofdzakelijk in verticale richting verplaatst om het ondiepe
-water langs de kusten op te zoeken. Waarschijnlijk wordt hij door de
-onderzeesche dalen, waardoor zijn weg leidt, genoopt standvastig een
-bepaalde richting te volgen; een verhuizing in de vroeger aangeduide
-horizontale richting komt stellig niet voor. Het kan wel zijn, dat
-een aantal Tonijnen uit den Atlantischen Oceaan in de Middellandsche
-Zee overgaan of van hier naar de Zwarte Zee trekken; het geheele
-jaar door worden evenwel in de Middellandsche Zee Tonijnen gevonden;
-hier komen zij in grooter aantal voor dan elders. Op alle plaatsen
-aan de kust van den Atlantischen Oceaan, waar deze zeer gezochte
-Visch gevangen werd, ontmoet men hem zeldzamer dan aan de oevers
-van de Middellandsche Zee; slechts bij uitzondering dwaalt hij naar
-noordelijker stranden af, vooral naar Groot-Brittannië, waar men hem
-nog het veelvuldigst waargenomen heeft [2].
-
-Wegens het belang, dat zeer te recht in den Tonijn gesteld wordt
-in alle landen, die langs de Middellandsche Zee gelegen zijn,
-heeft men hem nauwkeurig gadegeslagen gedurende den tijd, dat hij
-zich in het kustwater ophoudt en hem in zijn zwerftijd goed leeren
-kennen; toch is er nog veel in de levensgeschiedenis van dezen Visch,
-waarover geen helder licht kan worden verspreid. Men heeft opgemerkt,
-dat de trekkende Tonijnen in meer of minder talrijke troepen, soms
-in scholen van eenige duizenden exemplaren zwemmen, zich zeer snel
-en ook tamelijk behendig bewegen, vooral op Sprotten, Sardijnen en
-andere kleine Visschen, bij uitzondering ook op Makreelen en Vliegende
-Visschen jacht maken en ook wel Schelpdieren eten; men is vrij goed
-bekend met hun voortplanting, heeft ervaren, dat de groote, zoowel als
-de kleine exemplaren door Haaien en Dolfijnen vervolgd en gevangen
-worden, dat zij daarentegen in goede verstandhouding leven met den
-Zwaardvisch en daarom dikwijls met hem gemeenschappelijk reizen:
-dit is echter alles wat wij van hen weten.
-
-Er valt niet aan te twijfelen, dat de Tonijnen met geen ander doel
-bij de kusten verschijnen, dan om kuit te schieten. De eieren van de
-kuiters, die bij hun komst uit de diepte nog slechts weinig ontwikkeld
-zijn, groeien daarna buitengewoon snel. Het aantal eieren is dikwijls
-zeer aanzienlijk.
-
-Een beschrijving van de vangst van den Tonijn mag in een
-levensschets van dit dier niet ontbreken, omdat juist bij deze
-gelegenheid de waarnemingen gedaan werden, waarop nagenoeg al
-wat wij van zijn leven weten, berust. Reeds de Ouden hebben zich
-zeer ijverig met de tonijnenvisscherij bezig gehouden, vooral aan
-de beide eindpunten van de Middellandsche Zee, bij de straat van
-Gibraltar en bij den Hellespont. De Phoeniciërs vingen de Tonijnen
-hoofdzakelijk aan de Spaansche kust; hun winstgevend bedrijf werd
-door de latere bewoners van deze kuststreken voortgezet tot aan den
-tegenwoordigen tijd. Verscheidene vischplaatsen waren zeer beroemd;
-uit eenige daarvan verkregen de Spaansche grandes het grootste deel
-van hunne inkomsten. Langzamerhand is dit bedrijf aan de Spaansche
-kusten achteruitgegaan, vooral na de vreeselijke aardbeving van
-Lissabon in 1755, waardoor, naar men beweert, de toestand van vele
-kustdeelen zoozeer veranderd is, dat de Tonijnen er geen geschikte
-plaatsen voor het kuitschieten meer vinden. Tegenwoordig bestaan nog
-tonijnenvisscherijen in de nabijheid van Cadiz, Tarifa, Gibraltar en
-ook aan den tegenovergestelden oever bij Ceuta; bovendien worden deze
-Visschen bij sommige kustplaatsen van Catalonië gevangen.
-
-Het vangen van de Tonijnen geschiedt op verschillende plaatsen op
-ongelijke wijze, in den eenen tijd van 't jaar zus, in den anderen
-zoo. Op de kusten van Languedoc en ook in Istrië worden in den trektijd
-der Visschen op hooggelegen plaatsen wachten uitgezet, die op de komst
-van de Tonijnen letten en de richting aangeven, volgens welke zij de
-kust naderen. Een groot aantal booten zijn gereed, steken van wal op
-het eerste sein van den wachter, scharen zich onder het bevel van een
-aanvoerder in een uitgestrekte, halvemaanvormige reeks, werpen hunne
-netten uit, omsingelen de Visschen, vernauwen den kring hoe langer hoe
-meer en dwingen de Tonijnen naar de kust te zwemmen. Als deze dicht
-bij het land in ondiep water gekomen zijn, werpt men het laatste net
-uit en trekt het met alle daarin aanwezige Visschen op den wal, waar
-nu een vreeselijk bloedbad onder de gevangen dieren wordt aangericht.
-
-Op veel grooter schaal heeft deze visscherij bij de Italiaansche kusten
-plaats. Hier sluit men de wegen, die de Tonijnen gewoonlijk volgen,
-met verbazend groote netten af en maakt in gunstige omstandigheden
-duizenden Visschen te gelijk buit. De netten, die hiervoor dienen,
-zijn als 't ware gebouwen, welker muren uit touw en mazen bestaan;
-zij heeten "tonnaren" en worden, al naar hun plaatsing, in "voor"- en
-"achter-tonnaren" onderscheiden. De zee moet op de plaats, waar een
-van deze grootsche gebouwen opgericht wordt, een diepte van meer
-dan 30 M. hebben; het net moet zoo breed zijn, dat het een diepte
-van 50 M. zou kunnen bereiken, daar het de muren van een aantal
-kamers moet vormen, die geen bodem hebben; een groot deel van het
-net komt op den grond te liggen en draagt er toe bij om den muur
-onbeweeglijk op dezelfde plaats te doen blijven. Alleen de zoogenaamde
-"doodenkamer" is ook van onderen gesloten, omdat zij met de gevangen
-Tonijnen opgelicht wordt; dit deel van het net is ook veel steviger
-van maaksel, met nauwer mazen, uit dikker hennepkoorden geknoopt,
-om weerstand te kunnen bieden aan het gewicht van de Visschen en aan
-hunne wanhopige pogingen om zich te bevrijden. Aan weerszijden zijn
-de beide zijwanden van het net volgens een buitenwaarts gekromde lijn
-verlengd met het doel om de Tonijnen in het net te leiden. De eene,
-de zoogenaamde "staart", leidt de Visschen, die anders tusschen het
-net en den oever zouden kunnen ontsnappen, in de kamers,--de andere, de
-"sleep", geeft de gewenschte richting aan de beweging van de Visschen,
-die zich verderop in zee bevinden en de vangplaats voorbij zouden
-kunnen zwemmen. Soms is het geheele net meer dan een zeemijl lang.
-
-Op de kusten van Sardinië heerscht door de visscherij met de tonnaren
-gedurende een deel van het jaar een buitengewone bedrijvigheid. Aan
-de oevers bevinden zich overal, waar de vangst sinds lang met goed
-gevolg uitgeoefend wordt, meer of minder groote en gemakkelijk
-ingerichte gebouwen, die als plaatsen van bijeenkomst dienen voor
-de visschers, kooplieden en toeschouwers. Tot in het einde van Maart
-zijn zij ledig en verlaten; in het begin van April echter verandert
-dit punt van de kust in een marktplaats, die door lieden van allerlei
-stand bezocht wordt. Hier komen landzaten en vreemdelingen bijeen;
-terwijl deze de huizen en winkels betrekken, verrijzen vele hutten aan
-den oever en wordt de zee met tal van vaartuigen bedekt. Overal ziet
-men beweging en drukte: hier zijn kuipers en smeden aan den arbeid,
-daar sjouwerlieden, die tonnen voor het inzouten van den visch en alle
-andere benoodigdheden aanbrengen, ginds een hoop volk, dat volop werk
-heeft met het uitspreiden van verbazend groote netten, die opgelapt
-en aaneengevoegd moeten worden. De patroon wordt geholpen door eenige
-betrouwbare personen, die toezicht oefenen op de werkzaamheden en
-voor het bekendmaken der verordeningen zorgen; de hoofdpersoon bij
-de geheele onderneming en de belangrijkste van alle werklieden is
-de "rëis" of opperbevelhebber der visschers. "Rëis", een arabisch
-woord, beteekent "opperste" of "hoofdman"; uit dezen naam kan men
-afleiden, dat de Arabieren zich eertijds druk met de tonijnenvangst
-hebben beziggehouden. Voor alles wat tot dit bedrijf op de een of
-andere wijze in betrekking staat, moet de rëis zorgen. Hij moet
-een man van onkreukbare trouw zijn, buiten staat om zijn meester te
-benadeelen door de belangen van een andere tonnare te bevorderen;
-hij moet kennis van zaken en scherpzinnigheid hebben, volkomen op
-de hoogte zijn van den aard der Tonijnen, van alles en nog wat, van
-alle kuilen of verhevenheden van den zeebodem, van de kleur van den
-grond op verschillende plaatsen, kortom, van alle omstandigheden,
-die op de visscherij invloed kunnen oefenen; dit alles dient hij
-vooraf onderzocht te hebben; bovendien moet hij in staat zijn om
-het kolossale nettengevaarte snel en veilig in de zee op te bouwen,
-zoodat het zelfs bij storm geen gevaar loopt. Na het verrichten van
-dezen arbeid bestaat zijn taak in het houden van een voortdurend
-toezicht op de tonnare, want van hem hangt het af, wanneer de
-eigenlijke visscherij zal aanvangen. Met den voorspellenden blik
-van een loods moet hij komende stormen tijdig kunnen aankondigen,
-om niet gedurende den arbeid op een ongelegen tijdstip door zulk een
-natuurverschijnsel overvallen te worden; bij de eigenlijke vischvangst
-is hij de eenige bevelhebber. De goede uitslag van de onderneming
-hangt grootendeels van zijn juist inzicht af. Hem valt daarom een zeer
-voorkomende behandeling ten deel; zijn naam is dikwijls de eenige,
-dien de vreemdeling hoort noemen. Gewoonlijk hebben zij, die tot zulk
-een verantwoordelijke betrekking geroepen worden, de lessen aan een
-school voor de visscherij gevolgd; die, welke op Sardinië werkzaam
-zijn, komen meestal van Genua of van Sicilië.
-
-De toebereidselen tot de vangst nemen de maand April in beslag. In
-'t begin van Mei wordt de tonnare afgepaald, d. w. z., een lijn in
-de zee getrokken, die bij het plaatsen van het net als richtsnoer zal
-dienen. Dit geschiedt door lange touwen, die in onderling evenwijdige
-richting aan de oppervlakte der zee worden aangebracht. Den daarop
-volgenden dag wordt het net, dat vooraf door de geestelijkheid op
-plechtige wijze ingezegend is, op verscheidene vaartuigen naar zee
-vervoerd en in alle richtingen aan ankers vastgelegd.
-
-De Tonijn houdt zich bij het trekken aan vaste regels. Bij stil weer
-zwerft hij niet en begeeft zich hoogstens om voedsel te zoeken op weg;
-zoodra de wind de oppervlakte van de zee in beweging brengt, aanvaardt
-hij de reis en volgt dan meestal de richting van den wind. Daarom is
-men gedurende de tonijnenvangst zoomin op stormen als op windstilte
-gesteld; iedereen wenscht, dat er wind zal komen en natuurlijk tevens,
-dat deze uit zulk een hoek zal waaien, dat de tonnare waarbij men
-geïnteresseerd is, er wel bij vaart.
-
-De Visch, die op een van de netwanden stoot, komt eerst in de groote
-kamer, waarvan de ingang steeds openstaat. Nooit, althans hoogst
-zelden, komt het in den Visch op om terug te keeren; hij tracht
-integendeel verderop een uitweg te vinden en verdwaalt zoodoende in de
-volgende kamers, waar hij soms reeds eenige lotgenooten aantreft, of,
-zoo dit niet het geval is, spoedig gezelschap zal krijgen. Bepaaldelijk
-hiervoor aangewezen opzichters houden met hunne vaartuigen de wacht in
-de nabijheid van het zoogenaamde "eiland" aan het begin van de kamer
-en letten op het aantal Visschen, die in het net doordringen. Met
-bewonderenswaardige scherpzichtigheid weten zij de Tonijnen onder water
-te onderscheiden, ofschoon deze op zulk een groote diepte zwemmen,
-dat hun beeld hoogst onduidelijk is; zij tellen ze, één voor één,
-gelijk een herder zijne Schapen telt. Soms moeten zij of de rëis,
-die iederen avond bij hen komt, allerlei hulpmiddelen aanwenden om
-het zien onder water mogelijk te maken. Zij bedekken de boot met een
-zwarten doek om de lichtstralen, die het zien zouden bemoeielijken,
-af te schutten, of laten een steen met een wit been van een Tonijn, den
-zoogenaamden "lantaarn", naar de diepte zinken om de hier heerschende
-duisternis eenigermate te verminderen. Als de rëis bespeurt, dat een
-van de voorste kamers te vol is, tracht hij, om plaats te bereiden
-voor de later komende Visschen, de reeds aanwezige in de volgende
-kamer te drijven. Dit geschiedt gewoonlijk door het uitstrooien
-van een handvol zand, waardoor de uiterst vreesachtige Visch zoo
-verschrikt wordt, "alsof de hemel hem op den rug valt." Als het zand
-geen voldoende uitwerking heeft, laat men een als verschrikkingsmiddel
-dienende schapenvacht naar de diepte zakken, en als ook dit niet baat,
-maakt men als laatste redmiddel gebruik van een hiervoor bestemd net,
-waarmede de bedoelde kamer vernauwd en de Tonijn tot het vervolgen
-van zijn weg genoopt wordt.
-
-Als er genoeg Visschen in het net gekomen zijn en de wind over
-dag gaat liggen, is de tijd voor de slachting van de gevangenen
-aangebroken. Alle bewoners van de naburige kust deelen in de spanning
-en de opgewondenheid van de visschers; uit ver afgelegen oorden komen
-voorname lieden om getuigen te zijn van dit opwekkend schouwspel. Op
-alle tonnaren is het regel, dat iedere vreemdeling goedwillig
-toegelaten, op de meest vriendschappelijke wijze behandeld en bij
-zijn vertrek op vrijgevige wijze met geschenken bedeeld wordt. In den
-nacht, die aan de slotscène voorafgaat, drijft de rëis alle Tonijnen,
-die gedood zullen worden, naar de "voorkamer" of "goudkamer", een waar
-voorportaal van het graf, "goudkamer" genoemd, omdat de visscher zich
-van het bezit van den Tonijn, die dit deel van het net bereikt heeft,
-even zeker acht als van het geld in zijn beurs.
-
-Op den dag, die voor de slachting bepaald is, begeeft de rëis zich
-vóór zonsopgang naar het "eiland" om de Tonijnen in de doodenkamer
-te drijven, een arbeid, die soms bezwaren oplevert, en den rëis
-in de grootste verlegenheid brengt, daar het allen schijn heeft,
-dat de Visschen begrijpen, welke belangrijke gevolgen de overgang
-uit de eene kamer in de andere na zich sleept. Intusschen kijken de
-aan land gebleven visschers door verrekijkers voortdurend naar het
-eiland en wachten op een sein van den rëis. Deze steekt een vlag uit,
-zoodra alles gereed is, en veroorzaakt hierdoor aan den oever een
-groote opschudding. Vaartuigen beladen met visschers en toeschouwers
-stooten van wal, waar een bonte menigte dooreenkrioelt. Voordat de
-schuiten het "eiland" bereiken, hebben zij zich geplaatst in de orde,
-die zij bij het omsingelen van de doodenkamer zullen innemen; twee
-vaartuigen, ieder met een onderaanvoerder aan boord, nemen het eerst
-plaats, de overige gaan er tusschen in liggen. Te midden van de kamer
-bevindt zich de rëis; hij voert het commando als een admiraal bij een
-zeeslag. Onder voortdurend geschreeuw van de visschers begint men de
-doodenkamer op te halen; dit geschiedt zoo gelijkmatig mogelijk, maar
-uiterst langzaam. Hoe nader dit net bij de oppervlakte komt, des te
-meer dringen de vaartuigen opeen. De kokende beweging van het water
-in de afgesloten ruimte wordt voortdurend heviger, waaruit blijkt,
-dat binnen kort de Visschen zich zullen vertoonen. Nu wapenen de
-"doodslagers" zich met zware knodsen, aan welker einde een ijzeren
-haak bevestigd is en gaan aan boord van de beide schuiten, van waar
-voornamelijk de aanval op de Tonijnen zal uitgaan. Reeds voordat zij
-dezen arbeid aanvangen, neemt men bij hen een groote opgewondenheid
-waar.
-
-Eindelijk geeft de rëis het bevel tot de slachting. Het is, alsof er
-plotseling een storm losbarst, zoo heftig is de beweging veroorzaakt
-door het rondzwemmen en opspringen der reusachtige Visschen, die,
-aan alle zijden ingesloten en overal bestookt, het doodsgevaar
-opmerken, waarin zij verkeeren; het hoog opschuimende water verheft
-zich boven den rand der booten. Iedere visscher slaat, schreeuwt,
-windt zich op en trekt den gedooden Visch zoo schielijk mogelijk
-uit het water. Zoodra het aantal Visschen eenigermate afgenomen is,
-komt er een oogenblik van rust; de kamer wordt iets verder omhoog
-getrokken, de nog overige buit nauwer ingesloten; een nieuwe storm
-steekt op, een tweede moordtooneel heeft plaats. Zoo wordt bij
-afwisseling gestreden en het net opgehaald, eindelijk wordt de bodem
-zichtbaar van de doodenkamer, waarin nog slechts een klein aantal
-Tonijnen overgebleven is. Tot op grooten afstand heeft het bloed der
-slachtoffers het water rood gekleurd. Na verloop van een uur is de
-slachting afgeloopen. De vaartuigen, door roeiers of door den wind
-bewogen, keeren naar den oever terug, waar zij met vreugdeschoten
-van de aan land geplaatste kanonnetjes ontvangen worden.
-
-Alleen bij het einde van het vischseizoen wordt het net geheel
-geledigd; bij ieder voorafgaande vangst laat men, als 't ware om
-andere Visschen te lokken, een honderdtal of meer Tonijnen er in
-achter. Na verloop van eenigen tijd heeft een nieuwe slachting plaats;
-dit gaat zoo voort, zoolang zich de Tonijnen aan de kust vertoonen,
-bij Sardinië tot het midden van Juni. In sommige tonnaren hebben
-ieder jaar acht slachtingen plaats, die ieder ongeveer 500 Tonijnen
-opleveren; het komt echter ook wel voor, dat men 18-maal de doodenkamer
-kan ophalen en telkens ongeveer 800 Visschen kan dooden; de opbrengst
-aan visch is dus zeer aanzienlijk. Nadat de vischtijd afgeloopen is,
-wordt de doodenkamer weer aan land gebracht; dikwijls laat men de
-overige netten in de zee blijven.
-
-De opbrengst van de vangst wordt dikwijls in verschen toestand
-verkocht aan vreemde kooplieden en door hen gezouten. "Het is
-ongeloofelijk," zegt Cetti, "hoe vele soorten van vleesch aan dezen
-Visch voorkomen. Bijna op iedere plaats, op iedere diepte is het
-spierweefsel verschillend, hier vaster, daar zachter; het eene stuk
-gelijkt op kalfsvleesch, het andere op varkensvleesch." Iedere soort
-wordt afzonderlijk ingelegd; het hoogst schat men het vleesch van den
-buik. Het goed gesorteerde product wordt met zout in tonnen gepakt,
-die men acht dagen lang buiten in de zon laat staan en vervolgens
-weer uitpakt, waarna men het vleesch op hellende planken legt om uit
-te lekken, het nogmaals in de tonnen bergt en hierin stijf vasttrapt;
-nu wordt de ton gesloten, maar af en toe door het spongat met zout en
-pekel aangevuld. Van de beenderen en de huid wordt olie bereid. Vijf
-met verschillende soorten van vleesch gevulde vaten behooren bijeen.
-
-Het versche en behoorlijk gezouten vleesch van den Tonijn is een gezond
-voedsel; soms echter wordt het in bedorven toestand genuttigd en brengt
-dan ziekte, in enkele gevallen zelfs den dood teweeg. Het bedorven
-vleesch heeft roode graten en smaakt scherp, alsof het met peper
-gekruid werd. In verscheidene Italiaansche havensteden heeft daarom van
-overheidswege een keuring plaats van de visch in de schuiten, die zich
-naar de markt begeven; vooral als de scirocco waait, is deze maatregel
-noodig; de afgekeurde waar wordt onmiddellijk in zee geworpen.
-
-Vóór het koken gelijkt het spierweefsel van den Tonijn op rundvleesch;
-door de bereiding verkrijgt het een lichtere kleur. Ik heb het
-herhaaldelijk geproefd, maar vond het niet smakelijk. Het kan de
-vergelijking met de meeste overige voor spijs dienende Visschen van
-de Middellandsche Zee niet doorstaan, daar het hard is en een groven,
-tranigen smaak heeft. De welgestelden Italianen schijnen er ook zoo
-over te denken; zij laten dit voedingsmiddel aan den minderen man
-over; voor dezen is het wegens zijn lagen prijs van groot belang. De
-kookkunst viert echter ook bij de toebereiding van dit artikel hare
-triomfen. Het kan een uitmuntende soep en kostelijk gebraad opleveren;
-het vormt gekookt, gestoofd, gerookt, enz. smakelijke gerechten.
-
-Volgens de berichten van T. Tozzetti waren weinige jaren geleden aan
-de Italiaansche kusten 48 tonnaren in werking. In de 7 tonnaren van
-het visscherijdistrict Trapani (Italië heeft in 't geheel 22 zulke
-districten) werden ieder jaar gemiddeld 19.000 Tonijnen gevangen;
-gemiddeld wordt het gewicht van den Tonijn op 120 KG. geschat.
-
-
-
-Een andere soort van hetzelfde geslacht is de aan alle zeelieden en
-reizigers bekende Bonito (Thynnus pelamys). Deze komt in gestalte
-met den Tonijn overeen, maar is aanmerkelijk kleiner; zelden bereikt
-hij een lengte van meer dan 80 cM. De rug en de zijden hebben een
-staalblauwe kleur met groenen en rooden weerschijn; de buik ziet
-er zilverkleurig uit en vertoont bruine strepen (vier langs iedere
-zijde), die zich van de keel tot aan de staartvin uitstrekken. Het
-is niet mogelijk door een beschrijving een juist denkbeeld te geven
-van den bewonderenswaardigen glans der kleuren van dezen Visch.
-
-Het is niet met zekerheid bekend, of de Bonito ook in de Middellandsche
-Zee voorkomt; in den Atlantischen Oceaan treft men hem veelvuldig
-aan. In gezelschap van de Tonijnen volgt hij dikwijls geruimen tijd
-het schip, dat hij als zijn wegwijzer door den Oceaan schijnt te
-beschouwen, of dartelt, evenals de Dolfijnen, aan weerszijden voor
-den boeg uit; naast zijne verwanten zwemmend, vormt hij regelmatig
-gerangschikte scholen en reeksen. Als een van de ijverigste vervolgers
-der Vliegende Visschen valt hij zeer in 't oog; deze maken het
-hoofddoel van zijn jacht uit, hoewel ook andere leden zijner klasse,
-Inktvisschen, Schaaldieren en zelfs plantaardige stoffen hem tot
-voedsel dienen. De matrozen maken van zijn voorliefde voor Vliegende
-Visschen gebruik als middel om hem te vangen: zij slaan een vischje,
-een schel gekleurde lap of een met veeren beprikte kurk als lokaas aan
-een haak en laten dit aan een touw boven het water zweven, terwijl het
-schip in snelle beweging is; de Bonito springt wel 1 M. hoog naar het
-lokaas en blijft aan den haak hangen. Men noemt het vleesch van dezen
-Visch droog en niet bijzonder smakelijk; ook zegt men, dat het soms
-vergiftige eigenschappen heeft. Van de voortplanting schijnt niets
-anders bekend te zijn, dan dat de rijtijd in Juli valt.
-
-
-
-Aan de Fransche kust, zoowel in de Middellandsche Zee als in den
-Atlantischen Oceaan, vangt men, vaker dan een der andere soorten
-van zijn geslacht, den Langvinnigen Tonijn, ook wel Germon en door
-de zeelieden Albacora of Albicore genoemd (Thynnus alalonga). Van
-den Gewonen Tonijn verschilt hij door de lengte zijner borstvinnen,
-die driemaal op de lichaamslengte gaat; hieraan dankt hij zijn
-wetenschappelijken soortnaam, die hem in Italië ook door het volk
-gegeven wordt. Zelden wordt hij langer dan 1 M. en slechts bij
-uitzondering 50 KG. zwaar. Zijn kleur is minder schitterend dan
-die zijner verwanten: op den rug blauwachtig zwart, op den buik
-zilverkleurig. Zijn verbreidingsgebied omvat de Middellandsche
-Zee en een groot deel van den Atlantischen Oceaan en van de
-Stille Zuidzee. Hier zoowel als daar schijnt hij tot aan den
-voortplantingstijd op groote diepten te blijven. In 't midden van
-Juni begeeft hij zich, bij scholen trekkend, naar de kusten, blijft
-in haar nabijheid tot in October en keert dan naar diepe waterlagen
-terug. Allerlei zeevisschen, die in scholen zwemmen, vooral Sardijnen,
-Zeebarbeelen, Vliegende Visschen, enz., dienen hem tot voedsel. Aan de
-Italiaansche kusten vangt men hem in de tonnaren, aan de Spaansche
-en Fransche hoofdzakelijk met hengels, die met gezouten Aal of
-met stukken doek als lokaas voorzien zijn. Een bewolkte lucht, een
-frissche wind en een bewogen zee worden als bijzonder gunstig voor
-deze vangst beschouwd; zij heeft in Juli en Augustus plaats.
-
-Het vleesch van de Langvinnige Tonijnen is witter en smakelijker dan
-dat van de Gewone. In de Golf van Biscaye worden er ieder jaar 30.000 à
-40.000 buitgemaakt; de visschers verkoopen die, waarvoor liefhebbers te
-vinden zijn, versch en leggen de overige als winterprovisie in 't zout.
-
-
-
-Colombo, Dampier, Commerson en andere reizigers beweren gezien te
-hebben, dat men aan de Afrikaansche en Amerikaansche kusten Visschen,
-die in vaten met zeewater in voorraad gehouden worden, voor de vangst
-van zeedieren gebruikt, door ze aan een lijn te bevestigen en in de
-nabijheid van een Schildpad los te laten. Zij trachten te ontsnappen,
-maar kunnen niet van de lijn loskomen, en hechten zich zoo stevig
-aan de Schildpad, dat men deze zonder moeite op het dek van het schip
-kan trekken. De wijze waarop de hier bedoelde Visch, die reeds aan de
-ouden bekend was, zich aan schepen of groote zeevisschen vastzuigt,
-heeft ongetwijfeld aanleiding gegeven tot het bovengenoemde verhaal.
-
-
-
-Het belangrijkste kenmerk van de Zuigvisschen (Echeneis) is een
-platte, langwerpig ronde schijf, die, boven de neusgaten beginnend,
-zich over de geheele bovenzijde van den kop en ook nog over een deel
-van den rug uitstrekt; deze schijf dient als hechtorgaan; zij heeft
-een buigzamen rand en 12 à 27 beweeglijke, aan den bovenkant met
-fijne tandjes bezette dwarsrimpels.
-
-
-
-De meest bekende soort van dit geslacht, de Schildvisch (Echeneis
-remora), wordt ook in de Middellandsche Zee aangetroffen en werd door
-de ouden "vertrager" (remora) of "tegenhouder" (echeneis) van schepen
-genoemd. Zij is zelden langer dan 20 à 25 cM.; de kleine schubben,
-die haar van bruingeel tot donkerbruin varieerende huid bekleeden,
-onderscheiden zich door haar kleverigen glans; haar zuigschijf heeft
-in den regel 18 dwarsplooien.
-
-Een verwante soort, die alle tropische en in 't algemeen alle niet te
-koude zeeën bewoont, de Kopzuiger (Echeneis naucrates), kan een lengte
-van meer dan 90 cM. bereiken. Zij is aan de bovenzijde olijfgroen
-of bruinachtig grijs, aan de onderzijde witachtig van kleur; haar
-zuigschijf heeft 21 à 25 dwarslijsten.
-
-
-
-Alle Zuigvisschen hebben dezelfde levenswijze: evenals de Snottolven
-en Kringbuiken hechten zij zich vast aan andere voorwerpen, bij
-uitzondering aan rotsen en steenen, in den regel aan schepen en
-Haaien. De laatstgenoemde, die men zelden zonder deze begeleiders ziet,
-zijn er soms letterlijk mede bedekt. Waarschijnlijk verschaft de ruwe
-huid van den Haai aan de Zuigvisschen een veilige aanhechtingsplaats
-en hebben deze aan de beweeglijkheid van het groote dier, dat hen
-medevoert, het voordeel te danken van telkens in ander water te kunnen
-visschen. Met de Haaien en de schepen doorreizen zij uitgestrekte
-gedeelten van de zee; evenals de Loodsmannetjes worden zij op deze
-wijze soms naar zeeën overgebracht, waar zij eigenlijk niet thuis
-behooren. Zoo rekent men den Zuigvisch van de Middellandsche Zee tot
-de dieren van Engeland, omdat hij herhaaldelijk met schepen en Haaien
-naar de kustwateren van Groot-Brittannië is afgedwaald; hierin is
-de verklaring te vinden van de buitengewone uitgestrektheid van het
-verbreidingsgebied dezer Visschen. De reden waarom zij zich aan schepen
-en Haaien vasthechten, is trouwens nog niet volkomen duidelijk. Dat
-zij zich aanhechten, kan men begrijpen, daar alle dieren van hunne
-begaafdheden het juiste gebruik weten te maken; waarom zij echter
-hiervoor beweeglijke voorwerpen uitkiezen, is moeielijk te verklaren;
-zeer waarschijnlijk, maar nog onbewezen is de onderstelling, dat zij
-het doen met het doel om aan hun eigen ongeschiktheid tot zwemmen
-tegemoet te komen. Zelfs na hun dood blijven zij nog stevig aan
-allerlei voorwerpen hangen.
-
-De werking van de zuigschijf komt overeen met die van het bekende
-zuigleertje. Na het neerleggen van de talrijke dwarsplooien wordt
-de nu effene vlakte stevig aangedrukt tegen die, waaraan zij zich
-moet hechten; door vervolgens de dwarsplooien weer op te richten,
-ontstaat er tusschen de beide vlakken een ledige ruimte en wordt hun
-uiteenwijken door de volle drukking van 't water tegengewerkt.
-
-Hoewel de bewegingen van deze Visschen plomp en onbehendig schijnen
-en uitsluitend op de werking van de staartvin berusten, is hun
-zwemvermogen niet onbeduidend. Soms ziet men ze naast of vóór den Haai
-zwemmen, of, wanneer zij aan schepen gehecht waren, betrekkelijk snel
-en behendig er om heen dartelen. Niet licht zal men hen met andere
-Visschen verwarren, want ook gedurende het zwemmen zien zij er uit,
-alsof hun buik naar boven gericht is. Als de scheepskok het spoelwater
-overboord werpt, verlaten zij bij dozijnen de wanden van het schip,
-waaraan zij vastgehecht waren en kronkelen zich zoo vlug als Alen door
-de golven om zich van de op het water drijvende vetdrupjes meester te
-maken. Soms gelukt het, hen met een stuk spek aan een hoek van hunne
-rustplaatsen weg te lokken en te vangen. Hun krachtig gebit wijst
-op een roofzuchtigen aard; Bennett vond in hun maag niets anders dan
-Schaaldieren en kleine Mossels; uit Van Beneden's onderzoekingen is
-echter gebleken, dat zij (althans af en toe) ook Visschen vangen. Nadat
-zij er een hebben buit gemaakt, keeren zij naar hun oude rustplaats
-terug en zitten een oogenblik later weer even vast als vroeger. Wanneer
-de Haai, waaraan zij vastgehecht zijn, gevangen wordt, blijven zij
-gewoonlijk slechts zoo lang op hun plaats, als deze nog onder water
-ligt, laten den Visch los, als deze opgeheschen wordt, en hechten
-zich aan het schip.
-
-De meeste reizigers laten zich door het onaanzienlijke voorkomen
-der Zuigvisschen weerhouden om deze dieren voor de tafel te laten
-toebereiden. Zij die dit vooroordeel trotseerden, noemen den smaak van
-dezen Visch volstrekt niet slecht; sommige zeelieden roemen hem zeer.
-
-
-
-De kenmerken van de Pietervisschen (Trachinidae), waarvan men ongeveer
-100 soorten beschreven heeft, zijn: een mes- of trechtervormig lichaam,
-welks voorste gedeelte, dat de lichaamsholte bevat, zeer kort is in
-verhouding tot den ontzaglijk grooten staart, een ineengeschoven,
-uitpuilenden kop met scheef naar boven gerichten mond en hoog
-geplaatste oogen, fluweelachtige tanden aan beide kaken en aan het
-gehemelte, twee rugvinnen, waarvan de eerste door de tweede als 't
-ware naar voren gedrongen is en soms geheel ontbreekt, de buikvinnen
-gewoonlijk vóór de borstvinnen aangehecht, de tweede rugvin en de
-aarsvin in verband met de lengte van den staart buitengewoon groot.
-
-Alle leden van deze familie bewonen den bodem der zee, bij voorkeur
-vlakke, zandige plaatsen, niet zelden zulke, die bij laag water
-tijdelijk droog vallen; hier loeren zij, tot aan den kop onder 't
-zand bedolven, op dieren, die zwemmend of kruipend binnen hun bereik
-komen. Voor deze wijze van jagen zijn zij door den eigenaardigen stand
-van de oogen uitmuntend geschikt. Bij 't verschijnen van den buit,
-die misschien aangelokt wordt door de beweging van de vinnen of van
-andere aanhangselen, schieten zij plotseling uit hun hinderlaag in
-'t zand omhoog en op het slachtoffer toe, dat bijna nooit tevergeefs
-belaagd wordt. Van de voortplanting dezer Visschen is weinig of niets
-bekend. Ondanks hun smakelijk vleesch worden zij door de visschers
-gehaat en gevreesd wegens hunne wapens; de stekels van de eerste
-rugvin kunnen zulke pijnlijke wonden toebrengen, dat deze organen
-sedert overouden tijd als vergiftig worden beschouwd.
-
-
-
-De Sterrenkijkers (Uranoscopus) vallen zeer in 't oog door hun grooten,
-dikken, wanstaltigen kop en den trechtervormigen, ronden romp. De
-kop is even breed als lang, hard en ruw, als 't ware gepantserd, de
-mondspleet loodrecht naar boven gericht. De borstvinnen onderscheiden
-zich door haar grootte. Aan den schouder staat een dikke, gewoonlijk
-gekerfde stekel. Er zijn soorten bekend uit den Atlantischen Oceaan,
-de Stille Zuidzee en den Indischen Oceaan benevens een soort uit de
-Middellandsche Zee. De laatstgenoemde, die aan het geheele geslacht
-den naam gegeven heeft (Uranoscopus scaber), bereikt een lengte van 30
-cM., heeft twee rugvinnen en een ringvormig uitsteeksel vóór de tong,
-dat als middel tot het lokken van Visschen dient. Op den donkeren,
-grijsbruinen grond, fijn wit gestippeld, alsof er meel op is gestrooid,
-merkt men aan de zijden een reeks van onregelmatige, witte vlekken op;
-de buik is wit, de eerste rugvin donkerzwart, de tweede grijsbruin
-gevlekt; de buikvinnen zijn grijsgeel.
-
-Men vangt dezen op modderige gronden verblijfhoudenden Visch gedurende
-het geheele jaar; zijn onaangenaam riekend vleesch wordt echter alleen
-door arme lieden gegeten.
-
-
-
-In de Noordzee wordt de familie vertegenwoordigd door de Pietermannen
-(Trachinus). Hun mesvormig lichaam is in verhouding tot de lengte,
-zijdelings zeer sterk samengedrukt; de oogen zijn op den kop dicht
-bijeengelegen; de kieuwdeksels dragen stekels, die echter minder te
-vreezen zijn dan de stralen van de eerste rugvin, waaraan men zich
-zoo gevoelig kan kwetsen, dat volgens een indertijd in Frankrijk
-geldig voorschrift alleen Pietermannen met afgesneden rugvin op de
-markt gebracht mochten worden.
-
-In de Europeesche zeeën leven 4 zeer nauw verwante, maar door
-standvastige kenmerken van elkander verschillende soorten, waarvan
-2--de Pieterman (Trachinus draco) en de Kleine Pieterman (Trachinus
-vipera)--ook in het noorden gevonden worden. Bij den eerstgenoemden
-(ook Pietervisch, Groote Pieterman en, evenals de andere soort,
-Steekvisch en Stekeltje genoemd) is het lichaam (zonder de staartvin)
-6 maal zoo lang als hoog; de buik wordt begrensd door een flauw
-buitenwaarts gekromde, de rug door een bijna rechte lijn. Wat
-fraaiheid van kleur betreft, kan de Pieterman met vele andere Visschen
-wedijveren. Zijn grootendeels roodachtig grijze kleur gaat naar de
-rugzijde allengs in bruin, naar den buik in wit over en is overal
-met zwartachtige wolkjes gemarmerd; hierbij komen in de oogstreek,
-op de slapen, kieuwdeksels en schouders nog gekromde strepen van
-hemelsblauwe kleur, op de zijden en den buik geelachtige strepen. Deze
-Visch kan ruim 30 cM. lang worden.
-
-De Kleine Pieterman verschilt van den Grooten door den platteren kop
-en den meer afgeronden buik; bovendien is de eerste rugvin verder
-van de tweede verwijderd. De roodachtig grijze kleur van den rug
-gaat op de zijden en aan den buik in zilverwit over; de rug is bruin
-gevlekt, de eerste rugvin zwart, de tweede, evenals de staartvin,
-zwart gezoomd. Lengte 12 à 15 cM.
-
-
-
-De Pieterman, die op vlakke, zandige plaatsen van den Atlantischen
-Oceaan, de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee gevonden
-wordt, geeft aan diep water de voorkeur boven ondiep; evenals zijn
-kleinere verwant, leeft hij op, of liever in den bodem, tot aan de
-oogen in het zand bedolven. Tegen Juni komt hij dichter bij het vlakke
-strand om kuit te schieten en wordt dan bij eb ook op droog loopende
-plaatsen gevonden. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Garnalen,
-misschien ook uit kleine Visschen, die hij in zijn onmiddellijke
-nabijheid laat komen, voordat hij uit het zand te voorschijn komt. Dit
-geschiedt met verrassende snelheid; het blijkt dan, dat deze zoo traag
-schijnende Visch zich uitmuntend kan bewegen. Niet minder vlug en
-behendig kruipt hij na het vangen van zijn prooi weder onder het zand.
-
-"De Pieterman," schrijft Schlegel, "behoort in ons land onder de
-gewone Visschen, die langs onze kust, vooral in het voor- en najaar,
-echter ook in de zomermaanden, wanneer de wijfjes met rijpe kuit zijn,
-algemeen, ofschoon niet in zeer groot aantal gevangen wordt. Zijn
-vleesch is goed, maar wordt niet bijzonder geacht. De Pieterman
-wordt door elken visscher en kustbewoner gevreesd, uithoofde der
-hoogst smartelijke en ernstige wonden, die hij toebrengt, wanneer men
-hem aanraakt. Daar hij een taai leven heeft, zoo blijft hem, zelfs
-nadat hij uit het water op het strand gebracht is, nog uren lang de
-kracht, om aan de hand, die hem aanraakt, hetzij met den doorn van
-het kieuwdeksel, hetzij met dien der harde rugvin, een steek toe
-te brengen, die hevige pijnen en dikwijls het stijf worden van het
-gewonde deel ten gevolge heeft [3], zooals dit uit vele voorbeelden in
-onze kustdorpen blijkt. De oorzaak van de noodlottige gevolgen dezer
-steken is moeielijk te begrijpen, vermits voornoemde stekels geheel
-glad, niet doorboord zijn, en er ook geen werktuig tot afscheiding van
-vergif aanwezig is, hetzij dan dat men aanneme, dat het slijm van den
-Visch in de verscheuring, die door de met geweld toegebrachte wonde
-ontstaat, zoodanige uitwerkselen teweegbrengt."
-
-"De Kleine Pieterman houdt zich veel op geringen afstand van het
-strand op zandbanken op, en wordt bij het visschen langs de kust,
-met een door een paard getrokken net, met Garnalen en kleinen visch
-aan het strand gebracht. Haar steek wordt evenzeer gevreesd als die
-van de groote soort."
-
-In de Oostzee vangt men de Pietermannen van Augustus tot October in
-haringnetten, in de Noordzee gedurende het geheele jaar; deze Visch
-wordt echter zelden op de markt gebracht, omdat er hier geen loonende
-prijzen voor te bedingen zijn.
-
-
-
-Tot de leelijkste en wanstaltigste leden van de geheele klasse behooren
-de Duivelvisschen (Pediculati). Het belangrijkste kenmerk van deze
-familie, die slechts een twaalftal soorten omvat, is gelegen in de
-verlengde handbeenderen van de borstvinnen, die een soort van poot
-vormen en ook werkelijk tot steun dienen; hierdoor zijn deze Visschen
-in staat om op de wijze der Zoogdieren zich over een slijkerigen
-bodem kruipend voort te bewegen. Voorzoover zij aanwezig is, bestaat
-de voorste rugvin gewoonlijk uit niet door een vinvlies vereenigde
-stralen; de buikvinnen zijn keelstandig. Zonderlinge aanhangselen,
-dienende tot het lokken van andere Visschen, bevinden zich aan den
-meestal kolossaal verbreeden kop; de kieuwdeksels laten voor den
-afvoer van het ademhalingswater slechts een kleine spleet of een ronde
-opening onder de borstvinnen vrij; de huid is in den regel ongeschubd,
-bij enkele geslachten evenwel bezet met beenige knobbels of doornen,
-die op een breede basis rusten. De bek is buitengewoon groot.
-
-In de noordelijke zeeën leven slechts weinige soorten van deze
-vooral in de tropische gewesten vertegenwoordigde familie. Eigenlijk
-heeft men van niet meer dan één soort de levenswijze kunnen nagaan;
-wat hiervan aan 't licht gekomen is, leert, dat het leven van deze
-Visschen overeenstemt met hun gestalte, d. w. z. even vreemdsoortig
-en eigenaardig is als deze.
-
-
-
-Bij het geslacht der Zeeduivels (Lophius) is de kop buitengewoon
-groot, breed, van boven naar onderen samengedrukt en stekelig, de
-bek zeer ver gespleten en met vele spitse, binnenwaarts gebogen
-tanden gewapend, die over de tusschen- en onderkaaksbeenderen,
-de gehemelte- en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn. De eerste
-rugvin bevat slechts drie onderling vereenigde stralen; hierbij
-behooren echter ook nog verscheidene verder naar voren geplaatste
-draden, ieder door een echt gewricht met haar steunbeen verbonden en
-willekeurig beweeglijk. De borstvinnen zijn ver achter de buikvinnen
-aangehecht. Het kieuwdekselvlies begrenst een groote, zakvormige
-kieuwholte, die van achteren onder den steel der borstvinnen een kleine
-opening heeft. Wegens de geringe grootte van de kieuwspleet kunnen deze
-dieren geruimen tijd buiten het water verkeeren. Rondelet verhaalt, dat
-een Zeeduivel, die, boven water liggend, een jongen Vos gegrepen had
-en dezen tot den volgenden dag vasthield, in 't geheel 2 dagen in dezen
-toestand bleef leven. De romp begint onmiddellijk achter den kop dunner
-te worden en is bij het staarteinde sterk zijdelings samengedrukt.
-
-
-
-De Zeeduivel (Lophius piscatorius) draagt allerlei aan zijn
-zonderlingen vorm ontleende namen. De Grieken der oudheid noemden
-hem Kikvorsch, de Romeinen Zeekikvorsch; bij de Engelschen heet hij
-Visschende Kikker, Hengelaar en Wijdmuil; aan de Hollandsche kust
-is hij veelal onder den naam van Hozenmond of Hozenbek bekend. De
-bovenzijde van den kop is uitgehold en aan weerszijden voorzien van
-een lijst, vanwaar, zoowel achter de oogen als bij de neusgaten,
-puntige knobbels uitsteken. Op het midden bevinden zich drie lange,
-vrije stralen: één aan het achterste deel van den kop, de twee andere
-dichter bij elkander en bij den rand van de bovenkaak; de voorste van
-deze loopt in een zacht, gevorkt vlies uit. De oogen zijn groot en
-hoog geplaatst. De huid is glad en ongeschubd; langs de zijden van
-het geheele lichaam en ook langs den rand der onderkaak komen een
-menigte op één rij geplaatste, franjeachtige uitsteeksels voor. De
-effen bruine kleur van de bovenzijde neemt slechts op de vinnen
-een eenigszins donkerder tint aan; de onderzijde, met inbegrip
-van de buikvinnen en de benedenvlakte van de borstvinnen, is wit,
-de staartvin donkerbruin, bijna zwart. Dit dier kan bijna 2 M. lang
-worden; zulke groote exemplaren zijn echter zelden gevangen.
-
-De Zeeduivel komt in alle Europeesche zeeën voor, bijzonder veelvuldig
-echter in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan; ook aan
-de kusten van Groot-Brittannië is hij niet zeldzaam; aan onze kust
-worden ieder jaar, vooral in het voorjaar, enkele exemplaren van
-deze soort in de Buitenlek [4] gevangen. Bovendien heeft men dezen
-Visch aan de Kaap de Goede Hoop en aan de westkust van Noord-Amerika
-waargenomen. Hij ligt op den slijkerigen bodem der zee, heeft zich
-hier met behulp van de borstvinnen onder den grond gewoeld en loert
-te midden van het troebele water op buit. Zoodra deze zich vertoont,
-beweegt hij de vrije stralen van den bovenkop met hunne aanhangselen
-in verschillende richtingen, lokt hiermede het slachtoffer naderbij,
-grijpt het na een vluggen sprong en begraaft het in zijn wijden muil,
-onverschillig tot welke soort het behoort en hoe groot het is. Zelfs
-wanneer hij zich reeds in het net bevindt, toont deze veelvraat
-zijn onverzadelijken honger, door een aantal van zijne lotgenooten,
-vooral Bot, te verzwelgen. Hoewel de visschers hem overigens gaarne
-het leven schenken, omdat zijn vleesch niet bruikbaar is en hij als
-een verdelger van den Hondshaai wordt beschouwd,--na zulk een roof
-vindt hij geen genade; men snijdt hem open en haalt hem de Visschen
-uit de maag. In de kuststreken van de Middellandsche Zee wordt deze
-Visch soms door arme lieden gegeten.
-
-Hoewel de Zeeduivel vele eieren legt en deze met een hard hulsel
-voorzien zijn, vermenigvuldigt hij zich niet sterk, daar andere
-Visschen zijne tot klompen vereenigde eieren verslinden. Volgens
-Spencer F. Baird vindt men zijn kuit dikwijls als een slijmerige massa,
-die een oppervlakte van 6 à 10 M2 bedekt, aan den waterspiegel.
-
-
-
-De Vleermuisvisschen (Malthe) verschillen van de Zeeduivels vooral
-door hunne ver vooruitstekende, als 't ware een slurf vormende
-neusbeenderen, waartusschen in een holte een terugtrekbare tastdraad
-ligt, voorts door het ontbreken van de eerste rugvin, door de harde,
-met knobbels bedekte huid en de meer bovenwaartsche plaatsing van de
-kleine, ronde kieuwopening.
-
-Bij de Zeevleermuis (Malthe vespertilio) is de mondspleet betrekkelijk
-klein, de steel van de borstvinnen echter langer dan bij de Zeeduivels;
-boven ieder neusgat bevindt zich een hoornachtig knobbeltje. De
-bovenzijde is fraai lichtgrijsbruin, de onderzijde helderrood. Men
-vindt dezen 25 à 50 cM. langen Visch tusschen de keerkringen, bij de
-Atlantische kusten van Amerika, vooral op slijkbanken bij riviermonden,
-waar hij, met behulp van de parige vinnen over den modder en de wieren
-kruipend, zijn prooi vervolgt.
-
-
-
-De Scorpioenvisschen (Cottidae) hebben, evenals de leden der volgende
-familie, groote onderoogkasbeenderen, die zich achterwaarts met het
-voordekselbeen vereenigen en de wangen met een schild bedekken. De
-buikvinnen zijn aan of vóór de borst geplaatst. Het stekelige deel van
-de rugvin is minder ontwikkeld dan het geleedstralige; de betrekkelijk
-groote aarsvin wordt uitsluitend door gelede stralen gesteund. De
-huid is naakt of met uiterst kleine schubben bekleed.
-
-
-
-Een van boven naar onderen samengedrukte, breede kop, een gedrongen
-romp, een naakte of zeer weinig geschubde huid, rugvinnen, die door een
-geringe tusschenruimte gescheiden zijn en borststandige buikvinnen,
-benevens fluweelachtige tanden aan de kaken en het ploegschaarbeen
-kenmerken het geslacht der Donderpadden (Cottus).
-
-In onze binnenwateren wordt het vertegenwoordigd door de 12 à 14
-cM. lange Rivierdonderpad (Cottus gobio), die tamelijk algemeen is
-op plaatsen, waar helder water snel over steenachtigen zandgrond
-stroomt. Zij is grijsachtig van kleur met bruine stippels en
-wolkjes, die niet zelden tot dwarsbanden ineenvloeien en soms ook
-nog op de witachtige buikzijde zichtbaar zijn. De vinnen zijn, met
-uitzondering van de meestal ongevlekte buikvinnen, op de stralen
-bruin gestreept. Afwijkingen van deze kleur komen echter veel voor;
-zij staan in verband met de landstreek, den bodem van het water en
-den gemoedstoestand van den Visch. Als wapens heeft hij aan den hoek
-van het voorkieuwdeksel een kleinen, opwaarts gekromden en aan het
-onderdeksel een nog kleineren, neerwaarts gekromden doorn.
-
-De Rivierdonderpad bewoont alle zoete wateren van Middel- en
-Noord-Europa en komt, behalve in enkele beken, bijna overal talrijk
-voor; in bergstreken vindt men haar tot op een hoogte van meer dan 1000
-M. zelfs nog in meren, die bijna 2000 M. boven de oppervlakte der zee
-gelegen zijn, b.v. in het Lunermeer in Tirol, dat uitsluitend door deze
-Vischsoort bewoond wordt. In zuidelijker en zuidoostelijker gewesten
-wordt zij door verwante soorten en variëteiten vervangen. Zooals reeds
-gezegd is, geeft zij de voorkeur aan helder water en een met steenen
-bedekten zandgrond, daar zij zich gaarne onder steenen ophoudt; ter
-wille van de hier voorkomende steenen bewoont zij zelfs zeer kleine,
-weinig water bevattende beekjes. Hare bewegingen zijn buitengewoon
-vlug. In vraatzucht doet zij voor geen enkelen anderen Visch onder,
-want, ofschoon zij zich bij voorkeur met Insecten, vooral met larven
-van Waterjuffers voedt, verschoont zij geen Visch, dien zij meent te
-kunnen bemachtigen, zelfs haar eigen kroost niet. De forellenkweekers
-haten haar zeer, daar zij als een zeer schadelijken vijand van de
-kuit dezer Visschen wordt beschouwd.
-
-Haar voortplanting verschilt van die der meeste andere Visschen,
-doordat het mannetje voor zijn kroost zorgt. Reeds Linnaeus bericht,
-dat de Rivierdonderpad een nest bouwt en eerder zijn leven waagt dan
-de eieren in dit nest aan gevaren blootgesteld te laten. In Maart of
-April schiet het wijfje kuit onder steenen of in een bepaaldelijk
-voor dit doel uitgekozen gat; van nu af houdt het mannetje bij de
-eieren de wacht. Van ervaren visschers aan den Traun vernamen Heckel
-en Kner hierover het volgende: "In den voortplantingstijd kruipt het
-mannetje in een gat tusschen de steenen en verdedigt dezen schuilhoek
-hardnekkig tegen ieder, die er bezit van wil nemen; soms geeft dit
-aanleiding tot een langdurigen strijd, waarbij niet zelden een van
-de strijders het leven verliest. Gedurende den kamptijd worden,
-naar men zegt, dikwijls Donderpadden gevangen, die den kop van hun
-tegenpartij in den bek houden, zonder hem te kunnen verzwelgen. Jegens
-het wijfje is het mannetje zeer voorkomend; zij wordt zonder eenig
-bezwaar in het hol toegelaten, laat hierin haar kuit achter en gaat
-daarna haars weegs. Van nu af neemt het mannetje de plaats van de
-moeder in, beschermt 4 of 5 weken achtereen de eieren en verwijdert
-zich van de broedplaats alleen om het noodige voedsel te zoeken. Even
-bewonderenswaardig als zijn volharding, is zijn moed. Hij bijt in
-het takje of den stok, waarmede men hem wil verjagen, wijkt alleen
-in den uitersten nood en blijft letterlijk tot den dood aan zijn
-plicht getrouw."
-
-Deze vischjes dienen in vele landen als aas bij het vangen van Alen,
-die op dit voedsel zeer verzot zijn. Hun vleesch is smakelijk; bij
-het koken verkrijgt het een roodachtige kleur. Toch worden zij voor
-dit doel niet veel gevangen wegens hun kleinheid en slechts daar,
-waar zij in menigte voorkomen, door arme lieden gegeten.
-
-
-
-De Zeedonderpad, door de visschers eenvoudig Donderpadde genoemd
-(Cottus scorpius), is een leelijke Visch van 15 à 25 cM. lengte; haar
-kleur is roodachtig bruin met donkerder vlekken en wordt naar onderen
-lichter. Veelvuldig ontmoet men haar in den Atlantischen Oceaan en de
-Noordelijke IJszee met alle hiermede in gemeenschap staande zeeën,
-van de Golf van Biscaye tot aan Lapland, in de Oostzee bijna even
-overvloedig als in de Noordzee. Aan onze kust behoort zij onder de
-gewone soorten. Wanneer men haar aanraakt, maakt zij een knorrend
-geluid. Men vangt haar nooit in groote hoeveelheid. Daar zij niet
-gegeten wordt, is zij voor de visscherij van geen belang.
-
-Deze Donderpad houdt bij voorkeur verblijf op steenachtigen grond,
-dikwijls op aanzienlijke diepte, doch ook niet zelden op geringen
-afstand van den waterspiegel; loerend op buit, ligt zij onbeweeglijk op
-een steen, soms er onder, doch met den rug er tegen aan gedrukt. Ieder
-voor prooi geschikt dier, dat haar schuilplaats nadert, lokt haar
-naar buiten; vlug bewegen zich de kolossale vinnen, die haar evenwel
-geen bijzonder groote snelheid verschaffen; toch wordt het slachtoffer
-behendig gegrepen en, al is het bijna even groot als zijn roover, in
-diens buitengewoon grooten muil geborgen. De Donderpad is verbazend
-vraatzuchtig, verzwelgt letterlijk al wat eetbaar is, behalve
-Visschen, Kreeften en Krabben, Wormen, enz., ook allerlei afval
-van de schepen. De meeste Donderpadden schieten kuit in de warmste
-maanden van 't jaar; sommige doen dit eerst laat in den herfst en
-zelfs nog in November. De groote scholen, die in den rijtijd alle
-voor 't eierenleggen geschikte kustwateren bevolken, keeren later
-naar diepere zeebodems terug.
-
-Op dezelfde plaatsen als de vorige soort vindt men soms ook de
-Vierstekelige Zeedonderpad (Cottus bubalis). Van den Ende zag er een,
-die waarschijnlijk uit de Zuiderzee afkomstig was, op de vischmarkt
-te Zutphen. Zij heeft aan het voordeksel 4 doornen (in plaats van 2).
-
-
-
-De Zeehanen (Trigla), die in een tweede geslacht vereenigd worden,
-zijn kleine, hoogstens middelmatig groote, forsch gebouwde Visschen
-met betrekkelijk zeer grooten, bijna vierzijdigen, in een oneffen
-pantser gehulden kop, twee gescheiden rugvinnen, drie vrije, gelede
-stralen vóór de groote borstvinnen, fluweelachtige tanden aan de
-kaken en aan het ploegschaarbeen. Van dit over alle warme en gematigde
-zeeën verbreide geslacht zijn ongeveer 40 soorten bekend. Sinds lang
-hebben zij de aandacht getrokken door het zonderlinge, knorrende
-geluid, dat men van hen hoort, zoodra zij boven water zijn gebracht,
-en dat door het tegen elkander wrijven van de kieuwdekselbeenderen
-veroorzaakt wordt. Naar men zegt, verspreiden enkele soorten een
-phosphoresceerend licht.
-
-
-
-In de Noordzee leeft de Groote Poon, die ook wel Groote Zeehaan,
-Knorhaan, Spoon, Roode Poon, Laurenskop en Hofdiender heet; door
-onze visschers en op de vischmarkten wordt hij bijna altijd Rozet of
-Rozette genoemd (Trigla hirundo). Hij bereikt een lengte van 50 à 60
-cM. en is dus de grootste Europeesche soort van zijn geslacht. De
-rug is roodachtig grijs of bruinachtig, de buik licht rozerood of
-witachtig; het bovenste gedeelte van de eerste rugvin en de staartvin
-zijn rood, de buikvinnen en de aarsvinnen wit; de borstvinnen zijn aan
-de onderzijde zwartblauw met blauwe randen; haar vinvlies is ook aan
-de buitenzijde zwartblauw; de blauwe tinten zijn echter bij sommige
-exemplaren flauw en onduidelijk.
-
-Nauw verwant aan de vorige soort, doch niet meer dan ongeveer half zoo
-groot, is de Kleine Poon, Kleine Zeehaan, Knorhaan, Spoon of Grauwe
-Zeehaan (Trigla gurnardus); hij heeft aan de bovenzijde op bruinachtig
-grijzen grond witte stippels, is op de wangen als met sterretjes
-geteekend, aan de onderzijde zilverwit, heeft de zijdestreep bezet
-met breede schubben, welker scherpe spitsen gezamenlijk op de tanden
-van een zaag gelijken, en een in twee lappen verdeelde zwemblaas. Bij
-den Grooten Poon zijn de schubben van de zijdestreep smal en is de
-zwemblaas drielappig. De schubben van de overige lichaamsdeelen zijn
-bij alle Poonen uiterst klein.
-
-
-
-Beide Poonen bewonen de Middellandsche Zee, den Atlantischen Oceaan,
-de Noordzee en de Oostzee. In het Kanaal en langs de kusten van
-Engeland, België en Nederland ontmoet men ze veel, niet zelden ook
-bij Helgoland, de kusten van Oost-Friesland, Oldenburg en Holstein,
-ook aan die van Denemarken en Noorwegen tot de Lofoden, zeldzamer
-op zandige gedeelten van de kust der zuidelijke Oostzee. "De Groote
-Poon wordt langs onze kust op de banken, zoowel in de Binnen- als
-Buitenlek in menigte gevischt; de jongen worden zelfs dicht langs
-het strand met de saaien gevangen. In Mei en Juni zijn de wijfjes met
-rijpe kuit. Het vleesch wordt in onze steden niet buitengewoon geacht;
-men eet het gekookt. De visschers en de bewoners der zeedorpen eten
-het ook veel gerookt en houden de kuit en de lever voor even smakelijk
-als het vleesch." "De Kleine Poon wordt aan onze kust menigvuldig in
-de Binnenlek gevangen. Als voedsel wordt hij minder geschat dan de
-Groote Poon" (Schlegel). Beide Poonen leven bij voorkeur in de diepte,
-liefst op zandgrond; hun gewone buit bestaat uit Schaaldieren; zij eten
-echter ook Mossels en andere Weekdieren en maken bovendien op Kwallen
-jacht. Op zeer sierlijke, maar niet bijzonder snelle wijze zwemmend,
-worden de groote borstvinnen, als vleugels, afwisselend ontplooid en
-samengevouwen. Bij hunne nachtelijke omzwervingen op ondiepe plaatsen
-stralen zij, naar men zegt, licht uit "als fonkelende sterren", zoodat
-er lichtstrepen ontstaan, die zich ver door het water uitstrekken, nu
-eens langs de oppervlakte dan weer in benedenwaartsche richting. Veel
-opmerkelijker en ongewoner dan hun zwemkunst is echter hun kruipen
-over den grond. Hiervoor dienen de vrije stralen vóór de borstvinnen;
-men kan ze, wat verrichting betreft, geheel als pooten beschouwen;
-ze zijn werkelijk voor 't loopen geschikt.
-
-Jonge Zeehanen van 8 à 10 cM. lengte, die reeds in alle opzichten op
-de oude gelijken, zijn in November te vinden.
-
-In de Noordzee vangt men de meeste Poonen vroeg in het voorjaar en in
-het begin van den zomer hetzij in de schrobnetten op de Buitenlek, of
-dichter bij de kust in de saaien (een soort van schrobnetten met zeer
-kleine mazen, welke vooral voor de garnalenvangst dienen en die door
-paarden langs het strand getrokken of door een boot, die zeil voert
-en iets dieper in zee vischt, gesleept worden). In Italië worden de
-Poonen meestal met den hengel gevischt, doch soms ook, terwijl zij
-in de bovenste waterlaag rondzwemmen, met het geweer geschoten. Deze
-hoogst zonderlinge jacht heeft plaats bij stil weder; de Poonen
-steken dan telkens den kop boven water, maken een knorrend geluid,
-dat, naar men zegt, tot op grooten afstand gehoord wordt, en laten
-zich vervolgens weer tot een diepte van 1/2 M. zakken. Hierdoor is
-men in de gelegenheid om met weinig moeite in korten tijd een groot
-aantal van deze Visschen te schieten.
-
-
-
-Bij de Pantservisschen of Schildwangigen (Cataphracti) is het
-geheele lichaam gepantserd, niet alleen de kop, gelijk bij de vorige
-familie. Overlangsche reeksen van beenplaten, die meestal van een
-uitstekende lijst of kiel voorzien zijn, strekken zich van den kop tot
-de staart uit; soms sluiten de randen der platen zoo volkomen aaneen,
-dat de romp er geheel mede bedekt is.
-
-
-
-In de noordelijke zeeën van den gematigden en in den kouden aardgordel
-ontmoet men het 10 soorten omvattende geslacht der Harnasmannen
-(Aspidophorus), welker langwerpig lichaam met overlangsche reeksen
-van groote, beenige schilden gepantserd en hierdoor veelkantig is. Het
-heeft de grootste hoogte en breedte aan den kop; deze is van boven met
-verscheidene spitse uitsteeksels voorzien, van onderen afgeplat, aan
-den snuit met bovenwaarts gebogen doornen gewapend. Er zijn tandjes
-aan de kaken, maar niet aan het gehemelte.
-
-
-
-Aan de kusten van Engeland, van de Noordzee en de Oostzee, van IJsland
-en Groenland ontmoet men veelvuldig het 15 cM. lange Harnasmannetje
-(Aspidophorus cataphractus), langs onze kusten het best bekend als Oude
-Grootje of Oudewijfskaak, soms ook Geharnaste Zeedonderpad genoemd. Het
-voedt zich met kleine Schaaldieren. Vooral in het voorjaar en in den
-zomer wordt deze Visch in de Binnenlek met den Kleinen Pieterman en
-andere kleine waterdieren gevangen, doch meestal weer in zee geworpen;
-het is de moeite niet waard ze te eten, daar er te weinig voedsel aan
-zit. De huidbeenderen, die op 8 rijen zijn geplaatst, hebben in 't
-midden een hoogen kiel, waardoor het lichaam achtkantig schijnt. Alle
-vinstralen zijn onvertakt. De bovendeelen zijn bruin met vier breede,
-donkerbruine, overlangsche strepen, de beide lichtbruine rugvinnen
-zijn donkerbruin gevlekt, de groote borstvinnen bruin gestreept; de
-onderdeelen zijn deels lichtbruin, deels witachtig. Het kuitschieten
-heeft plaats in Mei en Juni.
-
-
-
-De Pantservisschen i. e. z. (Peristethus) kenmerken zich, behalve
-door hun volledig pantser, door de sterke verlenging van de
-vooroogkasbeenderen, die aan weerszijden van den kop een recht naar
-voren gericht uitsteeksel vormen, zoodat de kop als 't ware in een
-tweetandigen "vork" uitloopt; aan de onderkaak komen baarddraden voor;
-de bek is tandeloos.
-
-
-
-Een vertegenwoordiger van dit geslacht wordt in Marseille en Genua
-Malarmat genoemd (Peristethus cataphractum); ondanks dezen naam mag
-men hem wel den best gepantserden van alle Visschen der Europeesche
-zeeën noemen. Het lichaam is langwerpig, op de dwarse doorsnede bijna
-regelmatig achthoekig. De bovenkaak steekt over de onderkaak uit;
-onder dit vorkvormig uitsteeksel is de halfcirkelvormige mondopening
-gelegen; van de onderkaak hangen verscheidene baarddraden naar beneden;
-één van deze is als 't ware een stam, waaruit takken voortkomen. De
-pantserplaten zijn op 8 reeksen geplaatst, die zich tot 8 kamvormige
-kielen verheffen. De prachtig roode kleur van den rug gaat op de zijden
-in goudgeel, op den buik in zilverwit over; de borstvinnen zijn rood,
-de rugvinnen bruinachtig violet, de aars- en buikvinnen wit. Lengte
-ongeveer 30 cM.
-
-In sommige gedeelten van de Middellandsche Zee is de Malarmat niet
-zeldzaam; geregeld komt hij voor aan de kusten van Provence en van
-Zuid-Italië; ook ontmoet men hem in de Adriatische Zee en langs
-de Atlantische kusten van Zuid-Europa; soms dwaalt hij noordwaarts
-af en bezoekt zelfs Engeland. Deze vreemdsoortige Visch houdt zich
-steeds in de diepte op en nadert de kust alleen om kuit te schieten,
-hetwelk in 't begin van de lente geschiedt. Men ziet hem niet als zijne
-verwanten bij scholen, maar steeds eenzaam zwemmen; zijn snelheid
-is soms zoo groot, dat hij, op een rots stootend, den vorkvormigen
-snuit breekt. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit naakte Weekdieren
-en Kwallen.
-
-Gedurende het geheele jaar vangt men dezen pantservisch aan de
-Spaansche en Provençaalsche kust, waar zijn uitmuntend vleesch zeer
-op prijs gesteld wordt. Daar het pantser aan ieder keukenmes weerstand
-biedt, moeten de ingewanden door de mondopening verwijderd worden. In
-kokend water of door verhitting in een pan geraken de schubben los.
-
-
-
-De Vliegende Zeehanen (Dactylopterus) worden gewoonlijk Vliegende
-Visschen genoemd, evenals eenige leden van de familie der
-Makreelsnoekvisschen. Zij kenmerken zich door de merkwaardige sterke
-ontwikkeling der borstvinnen, welker stralen weinig korter zijn dan het
-lichaam. De vrije stralen, die men bij de leden van het vorige geslacht
-en van de vorige familie vóór de eigenlijke borstvinnen opmerkt,
-zijn hier door een afzonderlijk vinvlies vereenigd en vormen als 't
-ware een kleinen waaier vóór den grooten, waarmede het dier eenigen
-tijd in de lucht kan blijven zweven. Beide rugvinnen zijn klein; vóór
-de eerste staan eenige niet door een vinvlies vereenigde stekels. Het
-kieuwdeksel is ongedoornd; zoowel het schouderblad als het voordeksel
-is met een langen, achterwaarts gerichten doorn gewapend. Het gehemelte
-is tandeloos, de kaken zijn met kleine, knobbelige tandjes voorzien.
-
-
-
-De meest bekende soort, de Gewone Vliegende Zeehaan (Dactylopterus
-volitans), bewoont de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan,
-zoowel in de gematigde als in de tropische zone. De rug is fraai
-lichtbruin, donker gemarmerd en gevlekt; de zijden van den kop zijn
-lichtrood met zilverkleurigen weerschijn, de onderdeelen rozerood;
-de groote borstvinnen hebben op donkeren grond blauwe vlekken, strepen
-en banden, de rugvinnen op grijzen grond bruine, wolkachtige vlekken,
-de staartvin is roodbruin en met reeksen van vlekken geteekend. Bij
-zeer groote exemplaren van 50 cM. lengte bedraagt de afstand tusschen
-de spitsen der zijwaarts gerichte borstvinnen 60 cM.
-
-Deze Visschen voeden zich met kleine Schaaldieren en Weekdieren.
-
-Andere soorten van 't zelfde geslacht komen voor in den Indischen
-Oceaan, van Mauritius tot de Soenda-eilanden, en in de Stille Zuidzee,
-langs de kusten van China en Japan.
-
-Gedurende een reis over de Middellandsche Zee ziet men soms een
-talrijken zwerm van Vliegende Zeehanen plotseling tot een hoogte
-van 4 of 5 M. boven het water opstijgen, met eigenaardige, gonzende
-slagen van de groote borstvinnen zeer snel door de lucht schieten
-en na het afleggen van een 100 à 120 M. langen weg weer in de zee
-verdwijnen. Niet zelden herhaalt zich dit schouwspel verscheidene
-malen achtereen; terwijl de eene zwerm nog zwevende is, begint reeds
-een tweede op dezelfde wijze de lucht te doorklieven en deze is nog
-niet in 't water teruggekeerd, wanneer een derde en een vierde zwerm
-het water verlaten. Als dit omhoogstijgen in een bepaalde richting
-geschiedt mag men het er voor houden, dat de Vliegende Zeehanen door
-roofvisschen vervolgd worden en vliegend, of liever springend, boven de
-golven aan hunne vijanden trachten te ontkomen. Dikwijls echter ziet
-men ze nu eens op de eene, dan weer op een andere plaats verschijnen,
-volstrekt geen bepaalden koers volgen, maar in allerlei elkander
-kruisende richtingen vliegen; waarschijnlijk komen zij dan spelend,
-als 't ware uit dartelheid, boven water, evenals andere Visschen
-ook wel eens doen. In de nabijheid van de kusten trekken dergelijke
-zwermen zeer spoedig de aandacht van de Meeuwen en Stormvogels, die
-er op af komen en nu ook van hun kant jacht beginnen te maken op de
-buiten hun element verkeerende waterbewoners. Dit verhoogt zeer de
-belangwekkendheid van het schouwspel, daar de Vogels wegens de snelle
-beweging der Visschen al hunne krachten moeten inspannen om er een van
-te bemachtigen. De menschen houden zich weinig of niet met de vangst
-van Vliegende Zeehanen bezig, daar hun mager en hard vleesch de moeite
-niet loont en de Middellandsche Zee rijk genoeg is aan betere Visschen.
-
-
-
-De door Cuvier voor 't eerst als familie erkende, tot de onderorde der
-Zeegrondelvisschen (Gobiiformes) behoorende groep der Schijfbuikigen
-(Discoboli), omvat een twaalftal soorten van ongeschubde Visschen,
-welker aaneengegroeide buikvinnen vervormd zijn tot een schijf,
-bestaande uit een eironde beenplaat, die door een vliezigen zoom
-omgeven is; met deze vinschijf zuigen zij zich vast aan steenen en
-andere voorwerpen; door spieren wordt het middelste, flauw uitgeholde
-gedeelte van de schijf opgetrokken, waardoor een ledige ruimte tusschen
-de schijf en de aanhechtingsplaats ontstaat. Andere eigenaardigheden
-van deze Visschen zijn de groote, onder de keel als 't ware
-ineenvloeiende borstvinnen, de min of meer rudimentaire, bij sommige
-zelfs geheel ontbrekende (of althans onder de dikke huid verborgen)
-rugvin en het maaksel van de stralen van het kieuwdekselvlies. De huid
-is slijmerig en glad of met beenknobbeltjes voorzien, het geraamte
-uit week, als kraakbeen snijdbaar been, de schedel zelfs geheel uit
-kraakbeen samengesteld. De kieuwspleet is nauw; de achterste van de
-vier kieuwen bestaat slechts uit één enkele rij van kieuwplaatjes. De
-Schijfbuikigen houden bijna uitsluitend op een rotsachtigen zeebodem
-verblijf, zuigen zich hier vast met hun vinschijf, blijven dagen lang
-op deze wijze vastgehecht en laten zich hoogstens door het naderen
-van een buit bewegen om den bodem te verlaten. Verscheidene soorten
-wijden aan hunne eieren een soortgelijke zorg als de Zeegrondels. Hun
-vleesch wordt slechts op enkele plaatsen gegeten.
-
-
-
-De Snottolven (Cyclopterus) hebben een zonderlinge gedaante; hun kop is
-groot, de snuit kort, de romp kort, doch dik en hoog, de eerste rugvin
-uitsluitend door buigzame stralen gesteund en bij het volwassen dier
-geheel onder de huid van den romp verborgen; deze is dik en slijmerig
-en bevat reeksen van knobbelvormige, beenige schilden; de kaken zijn
-met borstelige tandjes bezet, het gehemelte is tandeloos.
-
-
-
-De Snottolf, ook Steenkruiper, Steenzuiger, Engelsche Lump, Paddevisch,
-Kikvorschvisch en in Zeeland Klieft genoemd (Cyclopterus lumpus), de
-meest bekende vertegenwoordiger van zijn geslacht, bereikt een lengte
-van ongeveer 60 cM. en een gewicht van 3 à 4 KG.; zelden wordt hij 1
-M. lang en 6 à 7 KG. zwaar. Zijn kleur is zeer verschillend, dikwijls
-van boven grijsachtig zwart, van onderen meer geelachtig. Gedurende
-den rijtijd zijn de onderdeelen en de vinnen roodgeel, de overige
-deelen bruingeel, met oranje, purperrood en blauw in verschillende
-tinten geschakeerd, de oogen hoogrood; na den rijtijd zijn al deze
-kleuren flauwer en minder zuiver. Zijn hoog en dik lichaam doet,
-van ter zijde gezien, aan den eivorm denken, maar is onder den
-romp tamelijk vlak en loopt naar boven kielvormig uit. De kop is
-middelmatig groot, de mondopening klein; de oogen zijn tamelijk klein
-en hooggeplaatst. De kaken zijn met kleine, borstelvormige tanden
-gewapend; kleine, afgeronde tanden komen voor op de beenderen, die
-het keelgat omgeven. Behalve kleine, harde korreltjes, die tamelijk
-regelmatig verspreid zijn, ziet men op de huid veel grootere,
-kegelvormige knobbels op 7 rijen: de bovenste rij loopt van het
-achterhoofd tot aan de zachte rugvin; de tweede nagenoeg rechtlijnige
-reeks gaat aan weerszijden van den romp van boven het oog tot den
-wortel van de staartvin; de derde loopt evenwijdig aan de vorige
-langs de zijden van het lichaam en begint achter het kieuwdeksel;
-de onderste eindelijk omzoomt aan weerszijden den buik tusschen de
-aarsvin en de buikschijf. Deze is cirkelvormig en bestaat uit een
-kring van platte, harde schijfjes, omgeven door een vliezigen rand. De
-borstvinnen zijn afgerond en korter dan de kop, maar loopen naar voren
-tot onder de keel voort, zonder zich echter te vereenigen; dit naar
-voren verlengde gedeelte omsluit aan weerszijden de buikschijf. De met
-knobbeltjes gewapende rugkiel, die de eerste rugvin vertegenwoordigt,
-bevat beentjes, die de vinstralen voorstellen. De zachte rugvin en
-de aarsvin beginnen aan 't hellend gedeelte van den staart; deze is
-naar verhouding buitengewoon zwak, zijn vin aan 't einde recht.
-
-De Snottolf bewoont alle noordelijke zeeën en wordt bij alle
-kuststreken van gematigd en noordelijk Europa tot IJsland, Groenland
-en Canada aangetroffen. "In 't voorjaar en in den zomer is deze Visch
-tamelijk algemeen aan onze kust, in de overige tijden zeldzamer" (Van
-Bemmelen). Hij beweegt zich zelden en zwemt zeer slecht, langzaam, met
-slingerende krommingen van den zwakken staart. In den regel blijft hij
-met de buikschijf aan steenen of andere harde voorwerpen vastgehecht
-en wacht hier zijn buit af. Het kost groote moeite hem los te rukken:
-Hannox berekende, dat hiervoor een kracht van 36 KG. vereischt werd
-bij een Snottolf van 20 cM. lengte. Pennant greep een Snottolf, die
-zich aan den bodem van een emmer had vastgehecht; bij het opheffen
-van dit dier bleef de met water gevulde emmer er aan hangen. Een 15
-cM. lange wierrank, die aan het voorhoofd van een ander exemplaar was
-vastgegroeid, maakt het waarschijnlijk, dat de Snottolf soms weken
-lang op dezelfde plaats blijft, wachtend tot de Kwallen en Vischjes,
-die zijn voedsel uitmaken, dicht genoeg bij hem gekomen zijn om ze
-zonder vervolging te grijpen. In gevangen toestand zuigt hij zich
-onmiddellijk vast aan een geschikte plek van den waterbak, die hem tot
-woning dient, zelfs aan den gladsten glazen wand; hij blijft hier uren
-en zelfs halve dagen achtereen, zonder eenig ander lichaamsdeel dan
-de kieuwen te bewegen en verlaat deze plaats alleen om het voedsel,
-dat hem toegeworpen wordt, te grijpen. In het aquarium hapt hij naar
-den inhoud van weekdierschelpen en Wormen, maar laat Vischjes bijna
-altijd onaangeroerd.
-
-Omstreeks Maart komt er in de kleur en het gedrag van de Snottolven een
-groote verandering; zij zoeken dan ondiepere, voor 't kuitschieten
-geschikte plaatsen aan de kust op. Het aantal eieren is zeer
-groot. Fabricius bericht, dat het mannetje in 't zand een kuil maakt
-voor de eieren, hierbij trouw de wacht houdt en bij deze gelegenheid
-een werkelijk verheven moed toont, zelfs met den vreeselijken Zeewolf
-den strijd aanvaardt en, door liefde voor zijn kroost gedreven, dezen
-vijand doodelijke wonden toebrengt. Dit bericht wordt door latere
-onderzoekers volkomen bevestigd. Zoo verhaalt Johnston, op grond van
-hetgeen hem door visschers werd medegedeeld, dat het mannetje de eieren
-met zijn lichaam bedekt en in deze houding volhardt, totdat de jongen
-uitgekomen zijn; deze hechten zich kort daarna aan de zijden en den
-rug van hun vader, die zich met dezen dierbaren last op weg begeeft,
-om een dieperen en veiligeren bodem op te zoeken. Tegen het einde
-van November hebben de jongen een lengte van 10 cM. bereikt.
-
-De mensch maakt niet geregeld jacht op den Snottolf. Hier te lande eet
-men hem niet. De IJslanders en Groenlanders vinden dezen Visch lekker;
-zij vangen hem in netten, of spiesen hem aan een soort van ijzeren
-vork, terwijl hij tusschen de zeeplanten ligt. Een veel gevaarlijker
-vijand van deze soort is de Zeehond.
-
-
-
-De Zeegrondelvisschen (Gobiidae) zijn voor 't meerendeel klein en
-langwerpig van gestalte; hun naakte of geschubde huid is slijmerig;
-de voorste rugvin wordt evenals bij de Snottolven dikwijls door
-buigzame stralen gesteund en is soms met de tweede vereenigd; de ver
-uitstekende buikvinnen zijn bij sommige aan den wortel, bij andere
-over haar geheele lengte verbonden tot een trechter of holle schijf;
-de kieuwspleet is betrekkelijk klein.
-
-Van deze familie zijn nagenoeg 300 soorten bekend. Verreweg de
-meeste zijn zeebewoners; slechts weinige kiezen rivieren of ander
-zoetwater tot voortdurend verblijf. Zij leven bij voorkeur op
-een rotsachtigen bodem en zetten zich hier tusschen steenen vast;
-hun voedsel bestaat uit Wormen en Garnalen, maar ook uit vischkuit
-en wieren; meestal vormen zij scholen, die, na opgejaagd te zijn,
-zich spoedig weer vereenigen, om gemeenschappelijk te vluchten. Zij
-zwemmen zeer behendig; op een modderigen grond stellen de als pooten
-dienst doende borstvinnen hen in staat zich te bewegen. Evenals de
-Longenvisschen en Doolhofvisschen, kunnen zij zich uren en dagen
-lang buiten het water ophouden; niet onmogelijk is het, dat zij dan
-onmiddellijk zuurstof uit de lucht opnemen. Zij vermenigvuldigen zich
-zeer sterk; ook bij deze groep nemen de mannetjes ijverig deel aan de
-zorg voor de nakomelingschap, vooral door de wacht te houden bij de
-eieren. In de huishouding van den mensch spelen zij geen belangrijke
-rol; slechts weinige soorten worden eetbaar geacht; de eigenaardige
-levenswijze dezer dieren bemoeilijkt trouwens hun vangst.
-
-
-
-Bij de Zeegrondels (Gobius)--niet te verwarren met de Grondels
-(Gobio)--zijn de buikvinnen over haar geheele lengte met elkander
-vergroeid tot een trechtervormige schijf, die alleen aan haar
-oorsprong met den buik vereenigd is. Alle zijn in staat om hun kleur
-in overeenstemming te brengen met die van hun omgeving.
-
-
-
-Eén van de ruim 150 soorten van dit geslacht wordt zeer algemeen
-langs onze geheele kust waargenomen. Deze--de 6 à 7 cM. lange Kleine
-Grondel (Gobius minutus)--wordt ook wel Zeegrondel, Kleine Govie
-en Meun genoemd. (De laatste naam is ontstaan door verwarring met
-jonge exemplaren van Motella mustela, die, evenals de Zeegrondel,
-in de onmiddellijke nabijheid van het strand geregeld bij het
-Visschen naar Garnalen met saaien gevangen en aan wal gebracht
-wordt.) De Amsterdamsche vischverkoopers noemen den Zeegrondel wegens
-zijn sterk gekromden snuit Bullekopje. Het lichaam is langwerpig,
-zonder de staartvin 5-maal zoo lang als hoog. De oogen zijn zeer hoog
-geplaatst. De mondspleet strekt zich uit tot onder het oog. De kaken
-zijn met kleine tanden bezet; die van de voorste rij zijn grooter dan
-de overige. De borststandige buikvinnen zijn vergroeid tot een naar
-achteren lang en puntig uitloopenden trechter. De grijsachtig gele
-grondkleur van dit vischje is op de onderdeelen en den kop lichter,
-op de rugzijde bruin gestippeld; dergelijke stipjes vormen op de
-staartvin ongeveer 6 dwarsstrepen. De iris is blauw.
-
-Behalve aan de kusten van de Noordzee, ontmoet men deze soort ook
-veelvuldig in de monden der rivieren (Haringvliet, Hollandsch Diep
-tot aan en boven de Moerdijk, Theems); zij wordt in de ankerkuil
-veel gevangen, heeft als voedsel geen waarde, maar moet tusschen de
-Zeebliek door in de kubben als aas dienst doen. (Hoek.)
-
-
-
-Nauw aan de vorige verwant, vooral door kleur en samenstelling van
-rug- en aarsvin afwijkend, is de nieuwe soort (Gobius Taalmankipii),
-die Hubrecht in 1877 in de Noordzee vond.
-
-Twijfelachtig is de aanwezigheid bij onze kust van den hoogstens 15
-cM. langen Zwarten Zeegrondel (Gobius niger), die in de Middellandsche
-Zee in aanzienlijken getale voorkomt, doch ook in den Atlantischen
-Oceaan met inbegrip van het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee,
-niet ontbreekt. Hij onderscheidt zich door een meer ineengedrongen
-en dikker lichaam, een dikkeren kop, grootere schubben en nagenoeg
-samenstootende rugvinnen; de zwartachtige, aan de buikzijde lichtere
-kleur heeft wolkachtige (meestal donkerbruine) vlekken; de rugvinnen
-en staartvin zijn zwartachtig gestreept; de olijfkleurige borstvinnen
-hebben bruine streepjes. Men vindt hem op rotsachtige zeebodems, waarop
-hij zich eenvoudig neervlijt, zonder zich vast te hechten. Hoewel
-hij zich gaarne in de nabijheid van riviermonden ophoudt, heeft men
-hem in zoetwater nog niet opgemerkt. Zijn voedsel bestaat uit kleine
-Schaaldieren en allerlei andere lagere dieren. De schuilhoek, vanwaar
-hij zijn buit beloert, wordt na iederen uitval geregeld weer opgezocht
-om er de prooi te verslinden. Tegen den tijd van het kuitschieten,
-in Mei of Juni, verlaten de Zwarte Zeegrondels de rotsen, die zij
-tot dusver bewoonden en begeven zich naar de met zeegras begroeide
-gedeelten der kust, om hier voor hunne eieren een diep en ruim
-hol te graven, waarboven de wortels van het zeegras een gewelf
-vormen. Evenals bij Stekelbaarzen, is het mannetje de bouwmeester
-van deze woning. Voor den ingang houdt hij de wacht, lokt de wijfjes,
-die kuit moeten schieten, tot zich, behoedt ongeveer 2 maanden lang
-de hem toevertrouwde eieren en verdedigt ze met moed tegen iederen
-vijand; hij vermagert merkbaar gedurende dezen tijd en schijnt nagenoeg
-uitgeput, als het kroost de ouderlijke woning verlaat en den trouwen
-schildwacht van zijn taak ontheft. Soms leggen zoovele wijfjes hare
-eieren in hetzelfde hol, dat het vergroot moet worden; het heeft dan
-dikwijls verscheidene uitgangen. Een mannetje, dat door de leden der
-andere sekse over 't hoofd wordt gezien, verlaat zijn woning en legt
-een nieuw nest aan op een gunstiger gelegen plaats. In een doelmatig
-ingericht aquarium kan men deze dieren lang in 't leven houden.--
-
-Ook de 4 à 5 cM. lange Tweevlekkige Zeegrondel (Gobius Ruthensparii)
-die het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee bewoont, behoort volgens
-sommige schrijvers tot onze fauna. Hij heeft de aarsvin en de zachte
-rugvin hooger dan de eerste rugvin; hierdoor en door twee zwarte
-vlekken aan iedere zijde (één onder de eerste rugvin en een andere
-aan den wortel der staartvin) verschilt hij van den Kleinen Zeegrondel.
-
-
-
-De Riviergrondel (Gobius fluviatilis) bereikt een lengte van hoogstens
-8 cM.; zijn bleek geelachtig groene kleur wordt op den bovenrug
-donkerder en is op verschillende wijzen gevlekt; de eerste rugvin
-is breed, de aarsvin smal en onduidelijk gezoomd, de tweede rugvin,
-evenals de staartvin, met talrijke zwarte stippels geteekend; het
-kieuwdekselvlies heeft dikwijls een bruinachtig zwarte kleur.
-
-In de meren, rivieren en kanalen van Italië komt de Riviergrondel,
-die daar "Bottola" heet en zeer smakelijk wordt geacht, veelvuldig
-voor. Ook hij bewoont een steenachtigen bodem, ligt meestal onder een
-steen verborgen en verlaat zijn woonplaats niet, tenzij hij verontrust
-of door een prooi naar buiten gelokt wordt. De eieren, die het wijfje
-aan de wanden dezer woning vasthecht, worden, naar het schijnt, door
-het mannetje niet bewaakt; gedurende hun ontwikkeling verkrijgen zij
-een spoelvormige gedaante, drijven als een samenhangende laag op de
-golven rond en worden in Juni door de jongen verlaten.
-
-
-
-In de moerassen en brakke wateren aan en bij de kusten van tropische
-zeeën, vooral bij West- en Oost-Afrika, alsmede op vele kuststreken
-en eilanden van den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee (maar niet
-aan de kusten van de Nieuwe Wereld) leven Zeegrondels, die wegens
-den bouw hunner kieuwen nog langer buiten water kunnen blijven
-dan hunne verwanten; een groot deel van den dag brengen zij op het
-vochtige slijk door, waar zij zich op een zeer vreemdsoortige wijze
-bewegen. Men noemt ze Slijkgrondels (Periophthalmus).
-
-Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de nauwelijks 15 cM. lange
-Slijkspringer (Periophthalmus Koelreuteri), een vischje van zeer
-varieerende kleur en teekening, meestal op lichtbruinen of groenachtig
-grijzen grond met zilveren of blauwe en bruine vlekken geteekend; de
-achterste rugvin prijkt met een zwarte, wit gezoomde, overlangsche
-streep op de bovenste helft en heeft, evenals de voorste rugvin,
-meestal een fraaie, blauwe kleur; voorts tooien vlekken en stippels
-de borst- en buikvinnen. De ver uitpuilende oogen zijn rood. Deze
-soort behoort op de kust van West-Afrika thuis.
-
-Zoo eenige Visch den naam van "Boombeklimmer" verdient, dan is het
-deze; de borstvinnen schijnen geheel voor het klimmen ingericht,
-zijn meer voeten dan vinnen en worden geheel als voeten gebruikt. Alle
-Slijkgrondels jagen minder in het water dan op het land. Zij leven als
-Amphibiën, liggen dikwijls op het slijk, springen hier of op het strand
-bijna als Kikkers rond en overvallen hun uit Schaaldieren en Insecten
-bestaande prooi zoo vlug, dat deze hun zelden ontkomt. Wanneer men
-hen vervolgt, schieten zij pijlsnel voort over den modder en kruipen
-er in om zich te verbergen.
-
-
-
-De Pitvisschen (Callionymus) hebben een zeer slanke gestalte, een
-grooten, platten kop, een korten romp en een langen staart; hunne
-groote vinnen worden door een gering aantal stralen gesteund. De spits
-toeloopende snuit, welks bovenkaak ver vóór de onderkaak uitsteekt,
-heeft een nauwe, horizontale mondspleet; de kaken zijn met zeer kleine
-tanden gewapend; de eerste rugvin wordt gesteund door 30 zeer lange,
-buigzame stralen, die in draadvormige spitsen eindigen; de buikvinnen
-zijn vóór de borstvinnen aangehecht en grooter dan deze; de staartvin
-is afgerond of puntig verlengd. De kieuwspleten zijn klein en dicht
-bij den nek gelegen. De omhoog gerichte oogen zijn dicht bij elkander
-boven op den kop geplaatst. De meestal ongeschubde, gladde huid,
-prijkt bij vele soorten met prachtige kleuren; de mannetjes en wijfjes
-verschillen zoozeer, wat grootte, kleur en vorm van de rugvinnen
-betreft, dat zij vroeger voor afzonderlijke soorten werden gehouden.
-
-
-
-De eenige aan onze kust voorkomende soort, de Pitvisch, ook wel
-Pilatusvischje en Schelvischduivel genoemd (Callionymus lyra), bewoont
-de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan langs de kust van
-West-Europa met inbegrip van het Kanaal en de Noordzee tot aan het
-Kattegat. Hij wordt 30 à 35 cM. lang (het wijfje is 1/4 korter); het
-lichaam is ongeveer 8-maal langer dan hoog. Van de 4 rugvinstralen zijn
-de beide eerste bij het mannetje sterk verlengd; de draadvormige spits
-van de eerste reikt tot aan den staartwortel. In den rijtijd, in de
-laatste maanden van het jaar is de gele, aan den rug bruinachtige,
-aan den buik witachtige grondkleur van het mannetje op den kop,
-langs de zijden, op de buikvin en de staartvin met saffierblauwe
-streepjes en vlekken geteekend. De rugvinnen hebben roodblauwe, tot
-dwarsstrepen vereenigde vlekken; de borstvinnen zijn geelgrijs met
-oranjekleurige stralen, de overige vinnen zijn zwartachtig.
-
-Deze Visch woont in diep water, gewoonlijk op of dicht bij den bodem
-en maakt hier jacht op allerlei kleine dieren. Wanneer hij de eens
-gekozen standplaats verlaat, hetwelk zelden geschiedt, beweegt
-hij zich bliksemsnel, maar gaat niet ver en keert liefst spoedig
-terug. In sleepnetten wordt hij soms gevangen, bij ons in geringen
-getale, doch in alle maanden van het jaar. Zijn vleesch is wit en
-smaakt zeer goed; voor de visscherij is hij echter van geen belang,
-althans in de noordelijke zeeën.
-
-
-
-De 10e onderorde van Stekelvinnigen is die der Slijmvisschen
-(Blenniiformes); deze hebben een lang, laag, cilindervormig of
-zijdelings samengedrukt lichaam, een zeer lange, soms grootendeels
-door stekels, soms geheel door gelijksoortige, ongelede of gelede
-stralen gesteunde rugvin; de aarsvin is verschillend van lengte, de
-staartvin afgeknot of afgerond, of niet van rug- en aarsvin gescheiden;
-de buikvinnen zijn borst- of keelstandig, of ontbreken. Van de 6
-hiertoe behoorende familiën is één voor ons belangrijk.
-
-
-
-De meeste leden van de familie der Slijmvisschen (Blenniidae) hebben
-een naakte of met zeer kleine, ronde schubben bedekte, slijmerige
-huid en dragen dus hun naam te recht. Al deze dieren hebben een
-langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, een grooten, eenigszins
-plompen kop. De buikvinnen zijn keelstandig en worden door niet meer
-dan 2 of 3 buigzame stralen gesteund; de rugvinnen zijn onderling
-vereenigd. Het gebit bestaat uit lange, dicht bijeengeplaatste tanden,
-die in iedere kaak één enkele, zeer regelmatige reeks vormen. Vóór
-de oogen, soms ook aan de neusgaten of aan de wangen, bevinden zich
-voeldraden van verschillenden vorm.
-
-Ook de Slijmvisschen zijn bijna uitsluitend zeebewoners; slechts
-weinige soorten komen tevens in zoetwater voor. Men kent er meer
-dan 200 soorten van, die een 30-tal geslachten vormen en bij de
-zeekusten van alle aardgordels aangetroffen worden; sommige zijn voor
-de visscherij niet zonder beteekenis. Verscheidene soorten zijn flinke
-roovers en worden door de visschers gevreesd wegens het gebruik, dat
-zij van hun gebit maken. Hun voedsel bestaat uit andere Visschen en
-allerlei ongewervelde zeedieren, vooral Wormen en Schelpdieren.
-
-Niet alle, maar toch verscheidene Slijmvisschen brengen levende jongen
-ter wereld; andere wijden een bijzondere zorg aan hunne eieren door
-het bouwen van een nest. Zij vermenigvuldigen zich betrekkelijk sterk;
-in enkele wijfjes heeft men niet minder dan 300 jongen gevonden. Andere
-soorten schieten op de gewone wijze kuit.
-
-In vele opzichten herinneren de Slijmvisschen aan de Zeegrondelvisschen
-en aan de Schijfbuikigen; zij hebben ongeveer dezelfde levenswijze. Ook
-zij bewonen, tot kleine troepen vereenigd, rotsachtige en steenachtige
-gronden, kunnen zonder bezwaar gedurende de eb op het droge blijven,
-verbergen zich gaarne in kloven, waaruit zij plotseling te voorschijn
-komen om den buit te bemachtigen, waarop zij loeren, enz. Sommige
-groote soorten worden wegens haar wit en lekker vleesch gevangen.
-
-
-
-De Zeewolven (Anarrhichas) zijn grooter en beter gewapend dan al hunne
-verwanten. De rugvin strekt zich bijna over de geheele bovenzijde uit;
-de aarsvin begint achter de aarsopening, ongeveer in het midden van de
-onderzijde van het lichaam; de borstvinnen zijn groot, de buikvinnen
-ontbreken geheel. Een kenmerkende eigenaardigheid van dit geslacht
-is het gebit, dat er waarlijk schrikwekkend uitziet. Voor in den bek
-hebben zij eenige zeer groote, gekromde tanden, welke aan de hoektanden
-der groote soorten van Katten herinneren, daarachter eenige kleinere
-tanden van denzelfden vorm, twee rijen van groote, stompe of ronde
-tanden aan de zijden der kaken, aan het ploegschaarbeen, en aan de
-gehemeltebeenderen en kleine, spitse tanden aan de keelbeenderen en
-de kieuwbogen.
-
-
-
-De Zeewolf (Anarrhichas lupus) kan, naar bericht wordt, een lengte
-van 2 M. bereiken; in onze en in zuidelijker zeeën ontmoet men echter
-zelden exemplaren van meer dan 1 M. De onderdeelen zijn grijsachtig
-wit, de bovendeelen, de zijden en de vinnen bruingeel met donkerbruine
-stipjes; groote, donkerbruine vlekken vormen langs de zijden van
-den rug een rij van onregelmatige dwarsbanden; ook op de rugvin en
-de aarsvin kunnen, behalve stippels, een aantal scheef van boven en
-achteren, naar onderen en voren gerichte strepen voorkomen.
-
-Deze soort, waarvan een enkel exemplaar nu en dan bij onze kust
-gevangen wordt, is reeds in het noorden van Schotland niet zeldzaam,
-wordt aan de Duitsche, Deensche en Noorsche kusten hier en daar
-aangetroffen en komt ook in het Kanaal voor. Rondom IJsland en aan
-de kusten van Groenland en Lapland is zij algemeen; voorts strekt
-haar verbreidingsgebied zich van hier door de Beringstraat tot in de
-Stille Zuidzee uit. Op soortgelijke wijze als andere leden van zijn
-familie leeft de Zeewolf op den bodem, bij voorkeur op rotsachtigen
-grond en loert hier in rotsspleten op buit, of rukt deze van de
-rotsen af. Zijn voedsel bestaat namelijk vooral uit Schaaldieren en
-Schelpdieren, welker pantsers en schelpen hij met zijn vreeselijk
-gebit zonder moeite verbrijzelt. Waarschijnlijk maakt hij ook op
-allerlei Visschen jacht, daar hij, zij het dan ook met slangsgewijze
-krommingen, snel genoeg zwemt om het eene of andere lid zijner klasse
-in te halen. Gedurende den winter bewoont hij diepe zeebodems; in Mei
-of Juni echter begeeft hij zich naar het ondiepe kustwater om kuit te
-schieten. Eenige maanden later ziet men zijne groenachtig gekleurde
-jongen in tamelijk groot aantal tusschen de zeewieren.
-
-De Zeewolf dankt zijn naam niet zoozeer aan zijn vreeselijk gebit,
-als wel aan de felle woede, die hij toont, zoodra hij in gevaar
-verkeert. Zijn oog heeft een eenigszins boosaardige uitdrukking en
-zijn aard logenstraft het hierdoor gewekte vermoeden niet. Een gevangen
-exemplaar gedraagt zich, alsof het razend is, maakt heftige bewegingen
-in het net, tracht het te verscheuren en bijt met slangachtige vlugheid
-naar ieder voorwerp, dat in zijn nabijheid wordt gehouden. De visschers
-passen wel op, dat zij deze kwaadaardige dieren niet met de handen
-aanvatten, maar grijpen, zoodra zij bemerken, dat er een in het
-net is gekomen, onmiddellijk een roeiriem of een haak, om het zoo
-schielijk mogelijk af te maken. Wanneer zij dit niet doen, spartelt
-de Zeewolf nog wel halve dagen lang in de boot rond, want ook hij kan
-zonder bezwaar geruimen tijd buiten water verkeeren en blijft razen,
-zoolang hij leeft.
-
-De bewoners van de noordelijke landen eten den Zeewolf eerst, nadat
-zij hem vooraf gevild hebben. Van de huid maken zij zakjes of bereiden
-er vischlijm uit.
-
-
-
-Een fraaie vertegenwoordiger van het geslacht der Slijmvisschen
-i. e. z. (Blennius) komt in de Middellandsche Zee en ook aan de
-Engelsche kust voor; men noemt hem Zeevlinder (Blennius ocellaris). Hij
-wordt 15 cM. lang en heeft een lichtbruine, hier en daar met donkerder
-vlekken geteekende, naakte, slijmerige huid. De borst- en buikvinnen
-zijn donkerder dan de overige. De rugvin, die in het midden een inham
-vertoont en waarvan de 5 voorste stralen draadvormig verlengd zijn
-(vooral de eerste), prijkt op het voorste gedeelte met een ronde,
-donkerbruine vlek, omgeven door een hof, welks kleur lichter is dan
-die van het overige vinvlies. De dikke, aan de wangen gezwollen kop
-is van voren afgeknot; de huid van den bovenrand van 't oog is met
-twee uitwassen voorzien.
-
-De Zeevlinder komt in de Middellandsche Zee bij alle rotsachtige
-kuststreken voor en is daar algemeen bekend. In den Atlantischen
-Oceaan daarentegen schijnen deze Visschen zeldzamer te zijn; alleen
-bij Engeland worden zij nu en dan gevangen. Evenals andere soorten
-van hun familie, vestigen ook zij zich dicht bij den oever op rotsen
-en tusschen wieren en maken hier jacht op kleine Schaaldieren en
-Weekdieren. Het kuitschieten heeft in de lente plaats. Hun week,
-slijmerig vleesch is smakeloos en wordt daarom alleen door niet
-kieschkeurige bewoners van de genoemde kuststreken bij gebrek aan
-andere Visschen gegeten.
-
-
-
-De Steen-slijmvisschen (Pholis) verschillen van de leden van 't
-vorige geslacht vooral ook door het ontbreken van de voor 't tasten
-dienende aanhangsels aan den oogkasrand. Zij verdienen vermelding,
-omdat één soort van dit geslacht, de Gewone Steen-slijmvisch (Pholis
-laevis), enkele malen aan onze kusten tusschen de steenen van de
-zeedijken waargenomen is. Veelvuldiger dan in de Noordzee ontmoet men
-haar in de Middellandsche Zee en in den Atlantischen oceaan langs de
-Iersche kust. Deze 15 cM. lange Visch is zeer veranderlijk van kleur,
-dikwijls op olijfgroenachtigen grond bruin gevlekt en gemarmerd, doch
-ook wel ongevlekt; andere exemplaren waren in 't water lichtbruin,
-maar namen een donkerder kleur aan en vertoonden een reeks van witte
-vlekken langs de zijdestreep, nadat zij een tijdlang aan de lucht
-hadden gelegen. Het schijnt voor dit dier een behoefte te zijn van
-tijd tot tijd op het droge te verkeeren. Een exemplaar, dat van Rosz
-een met zeewater gevulde goudvisschenkom tot woning had gekregen,
-werd na eenige uren zeer onrustig en sprong herhaaldelijk boven
-den waterspiegel uit. Toen de waarnemer, aan den wensch van zijn
-gevangene gevolg gevend, een grooten steen, die gedeeltelijk boven
-water uitstak, in de kom plaatste, maakte de Visch zich dadelijk met
-een sprong meester van dit droge plekje, bleef hier verscheidene uren
-liggen en ging toen weer te water. Uit vele waarnemingen bleek, dat
-er een nauw verband bestond tusschen deze verandering van ligplaats en
-de watergetijden; steeds ging de Visch, als de eb begon, op den steen
-liggen en keerde, als de vloed aanving, naar het water terug. Gevangen
-exemplaren verslonden gretig alle levende dieren, die men hun aanbood,
-ook vleesch van Zoogdieren en Vogels. In de vrije natuur maken Mossels
-en andere Weekdieren hun gewone voedsel uit; de lange snijtanden
-stellen hen in staat dezen buit van de rotsen los te rukken. Bij
-eb worden vele van deze Visschen tusschen de steenen of in kleine,
-met water gevulde holten waargenomen; niet zelden begeven de oude
-exemplaren zich op het droge en leggen hier, kruipend met behulp van
-de borstvinnen, een grooten weg af; merkwaardig vlug en behendig zoekt
-ieder een geschikte holte op, om hier de terugkomst van 't water af
-te wachten.
-
-
-
-De Aalachtige Slijmvisschen (Centronotus) zijn kenbaar aan hun lang,
-zijdelings samengedrukt, lint- of zwaardvormig lichaam, met kleinen
-kop en met een over de geheele rugzijde zich uitstrekkende rugvin;
-iedere buikvin bestaat uit slechts één goed ontwikkelden straal: de
-kaken zijn met hekeltanden, de ploegschaar- en de gehemeltebeenderen
-en de tong met fluweelachtige tanden gewapend.
-
-Een zelden aan onze kust voorkomende bewoner van de Noordelijke IJszee,
-die ook aan de kusten van Scandinavië en Groot-Brittannië aangetroffen
-wordt, is de Botervisch (Centronotus gunnellus). Hij kan een lengte van
-25 cM. bereiken, maar is meestal niet langer dan 20 cM. De onderdeelen
-met de aars- en staartvin zijn bij het levende dier oranjegeel; de
-overige deelen geelbruin of geelgrijs; op den rug bevinden zich 9 à
-12 ronde, zwarte vlekken met witten zoom, die zich ook over de rugvin
-uitbreiden en soms tot deze beperkt blijven; op de zijden ziet men
-meestal stipjes of onduidelijke, bruinachtige dwarsbanden.
-
-Evenals andere leden van zijn familie, geeft de Botervisch aan een
-steenachtigen zeebodem de voorkeur, hoewel hij ook soms aangetroffen
-wordt op plaatsen, die met week slijk bedekt zijn. Hij voedt zich met
-kleine Weekdieren, jonge vischjes en vischkuit. Minder gaarne dan zijne
-verwanten stelt hij zich aan de droge lucht bloot; hoewel een langdurig
-verblijf buiten het water voor hem geen bezwaar oplevert, tracht
-hij zich steeds tusschen steenen en wieren de noodige vochtigheid te
-verschaffen. Zelfs hier kan men hem wegens zijn buitengewoon gladde
-huid en vlugge bewegingen moeielijk grijpen. Voor den mensch is hij
-trouwens wegens zijn geringe grootte als voedsel van geen belang,
-hoewel zijn vleesch bruikbaar is. Vele roofvisschen en Zeevogels maken
-jacht op hem en zijne verwanten: Aalscholvers en Duikers bij vloed,
-verschillende Meeuwvogels bij eb; van de Visschen is de Zeedonderpad
-zijn gevaarlijkste vijand.
-
-
-
-Een van de weinige Visschen, die levende jongen ter wereld brengen,
-de Magaal (Zoarces viviparus), gewoonlijk (evenals Lota vulgaris)
-Kwabaal of Puitaal genoemd, ook wel bekend onder de namen Slijmvisch,
-Snotvisch en Pilatusvischje, op Vlieland Magge geheeten, heeft een 30 à
-40 cM. lang, zijdelings eenigszins samengedrukt lichaam: de hoogte is
-slechts 1/9 van de geheele lengte, die voor 3/5 achter de aarsopening
-gelegen is. De huid is glad en slijmerig; zeer kleine schubjes zijn
-er in verborgen. De rugvin neemt bijna de geheele rugzijde in en gaat,
-evenals de aarsvin, die ruim half zoo lang is als het lichaam, zonder
-afscheiding in de staartvin over. De borstvinnen zijn lang en smal,
-de door 2 of 3 stralen gesteunde buikvinnen keelstandig. De snuit is
-kort, de mondopening klein; de kaken zijn van voren met twee rijen, aan
-de zijden met één rij van kegelvormige tanden gewapend; het gehemelte
-en de tong zijn tandeloos. De onderdeelen zijn roodachtig bruingeel,
-de bovendeelen geelbruin met bruinzwarte marmervlekken aan de rugvin
-en een rij van groote, zwarte vlekken langs de zijdestreep. De iris
-is bruin met een lichtgelen kring om de pupil.
-
-De Magaal werd tot dusver uitsluitend in de noordelijke zeeën en
-wel in de Noordzee, de Oostzee en het Kanaal aangetroffen. Hoewel
-hij aan een steenachtigen bodem de voorkeur geeft, is hij aan onze
-kusten tamelijk algemeen gedurende het geheele jaar, zelfs in de
-Zeeuwsche stroomen, de Zuiderzee en eertijds in het Haarlemmer
-Meer. Vaak wordt hij gedurende het visschen naar Garnalen langs het
-strand in de saaien gevangen. Zijn vleesch, hoewel goed van smaak,
-wordt niet gegeten. De beenderen hebben, evenals die van den Geep,
-reeds in ongekookten toestand een groene kleur en behouden deze na
-het koken. "Hij voedt zich met Garnalen en andere kleine Schaaldieren,
-met vischkuit, Weekdieren en zelfs met kleine vischjes" (Schlegel).
-
-"Er schijnt bij deze soort geen bepaalde tijd ter voortteling te
-zijn, vermits men in alle jaargetijden wijfjes met jongen heeft
-aangetroffen. De eieren van dezen Visch worden n.l. in het moederlijf
-bevrucht en ontwikkelen zich aldaar volkomen, zoodat de jongen volmaakt
-gevormd ter wereld komen; hiertoe is een tijdruimte van ongeveer 4
-maanden noodig. Men vindt deze jongen reeds in wijfjes van niet meer
-dan 15 cM. lengte, en hun getal bedraagt 100 à 200, somtijds zelfs
-250" (Schlegel). Zij zijn bij de geboorte minstens 3 cM. lang, maar
-bereiken bijna het dubbele van deze lengte, indien de moeder zelf
-een aanzienlijke grootte heeft. Zij zijn dan nog zoo doorzichtig,
-dat men met een weinig vergrootende loupe de bloedsomloop bij hen
-kan waarnemen. Zij groeien schielijk en zijn reeds na verloop van 14
-dagen driemaal zoo lang geworden als in den beginne.
-
-
-
-De 11e onderorde van de Stekelvinnigen omvat de Hardervisschen
-(Mugiliformes); deze hebben 2 min of meer van elkander verwijderde
-rugvinnen, waarvan de voorste op de achterste gelijkt door kortheid en
-vorm of geheel uit zwakke stekels bestaat; de buikstandige buikvinnen
-zijn uit 1 stekel en 5 gelede stralen samengesteld; het lichaam is
-met gladde of weinig getande schubben bekleed.
-
-
-
-De Pijlsnoeken, die overal, waar zij voorkomen, door de zeelieden
-en visschers Barracoeda's worden genoemd (Sphyraenidae), gelijken
-werkelijk, zoowel door hun vorm als door hun gebit, eenigszins op
-Snoeken. Hun lange, bijna rolvormige romp is met kleine, gaafrandige
-schubben bekleed; de kop is spits, de bek wijd gespleten en met flinke,
-haakvormig gekromde, spitse tanden gewapend; de twee voorste tanden
-in iedere kaak zijn echte grijptanden. Deze buitengewoon stoutmoedige
-en gevaarlijke roofvisschen, die uitsluitend op levende dieren jacht
-maken, bewonen de zeeën tusschen de keerkringen en die van de gematigde
-aardgordels; zij leven meestal in de open zee, maar vermijden de
-kustwateren niet geheel. De grootste soorten kunnen hun slachtoffer
-met een enkelen beet in stukken verdeelen; ook op den mensch beproeven
-zij maar al te vaak de kracht van hun gebit; zelfs kunnen zij hem
-dooden. Sommige soorten worden wegens hun vleesch gezocht.
-
-
-
-De Pijlsnoek (Sphyraena vulgaris afgebeeld op pag. 217) bewoont
-de Middellandsche Zee en wordt door de visschers kortweg "Snoek"
-genoemd. Op den rug is deze 1 M. lange Visch donker loodkleurig,
-op den buik zilverwit; de vinnen zijn bruin. Zijn slanke gestalte
-en vreeselijk gebit passen bij zijn roofzuchtigen aard; met groote
-snelheid klieft hij de golven; daar hij bijna altijd een lijnrechten
-weg volgt, werd hij reeds door de ouden met een pijl vergeleken. Zijn
-hard vleesch wordt gegeten, maar niet hoog geschat.
-
-
-
-In de zeeën om de Antillen wordt de Pijlsnoek vervangen door den
-Barracoeda (Sphyraena picuda), die, naar men zegt, een lengte van
-3 M. kan bereiken; de bovendeelen zijn groenachtig loodgrijs, de
-onderdeelen zilverkleurig, de zijden dikwijls met groote, bruinzwarte
-vlekken geteekend. Men vreest dezen Visch niet minder dan den Haai,
-daar zijn roofzucht zelfs den mensch niet verschoont; onbeschroomd
-dringt hij in de havens door, grijpt de badende menschen en verslindt
-ze. Zijn vleesch gelijkt eenigszins op dat van onzen Snoek, maar
-schijnt in sommige tijden vergiftig te zijn.
-
-
-
-De familie van de Koornaarvisschen (Atherinidae), die in alle zeeën
-van de tropische en gematigde aardgordels vertegenwoordigd is, omvat
-ongeveer 40 soorten van slank gebouwde, nagenoeg cylindervormige
-vischjes met tamelijk groote, gladde schubben en een uit kleine tanden
-samengesteld gebit in een bek, die vooruitgestoken kan worden. Hun
-meest in 't oog vallende tooi, een breede, zilverkleurige streep aan
-weerszijden van den romp, wordt met een koornaar vergeleken.
-
-
-
-De hoogstens 15 cM. lange Koornaarvisch der Middellandsche Zee
-(Atherina hepsetus), was reeds aan de ouden onder dezen naam
-bekend. Evenals de andere leden van zijn geslacht, heeft hij een
-stompen snuit met schuins naar beneden gerichte mondspleet, die
-zich tot onder den voorrand van het oog uitstrekt, en zeer kleine
-tanden. Zijn doorschijnend lichaam is van boven licht geelachtig
-bruin met zwarte stippels, van onderen roodachtig wit met zwakken
-zilverglans; de glinsterende, zilverkleurige streep strekt zich van de
-onderste helft van de 4e tot de bovenste helft van de 6e overlangsche
-reeks van schubben uit en heeft langs den bovenrand een blauwen zoom.
-
-
-
-Een andere, even groote soort (Atherina presbyter) is zeer menigvuldig
-aan de noordkust van Frankrijk en de zuidkust van Engeland en
-wordt ook bij ons ieder jaar in kleinen getale gevangen. Het gebit
-is duidelijker zichtbaar en de slankheid iets geringer dan bij de
-vorige. Het lichaam is zonder de staartvin ongeveer 5 1/2 maal zoo
-lang als hoog, eenigszins doorschijnend en bij 't levende dier licht
-vleeschkleurig, behalve op de reeds genoemde streep en den eveneens
-zilverkleurigen kop. De bovendeelen zijn zwart gestippeld.
-
-De Koornaarvisschen stemmen in levenswijze zoozeer overeen, dat men,
-één van hen beschouwend, de geheele familie leert kennen. In tallooze
-menigte bevolken de leden van de eerstgenoemde soort den Atlantischen
-Oceaan, benevens de Middellandsche, de Zwarte en de Kaspische Zee;
-langs alle kusten, in alle bochten, havens en met de zee in gemeenschap
-staande moerassen treft men verbazend groote scholen van deze Visschen
-aan. Nooit ziet men ze alleen, altijd zijn zij tot dichte zwermen
-opeengepakt, die uitgestrekte ruimten letterlijk vullen. Milliarden van
-hen worden door menschen, Meeuwen en dergelijke boven de zee vliegende
-Vogels, Eenden, Duikers en roofvisschen buitgemaakt. Hun talrijkheid
-bracht de ouden op het denkbeeld, dat zij zonder tusschenkomst van
-ouders ontstonden. Men voedert er de Zwijnen mede of schept hunne
-reeds tot zwermen vereenigde jongen eenvoudig uit het water op om
-er een eigenaardig gerecht van te bereiden, dat in de kustlanden
-van de Middellandsche Zee in den smaak valt. In volwassen toestand
-leveren zij het gemakkelijkst verkrijgbare lokaas voor de vangst
-van andere Visschen, maar worden ook in groote hoeveelheid, gekookt,
-gezouten of ingelegd tot voedsel voor de kustbewoners, die hen als
-een voortreffelijke spijs beschouwen. Bij ons worden zij echter over
-'t algemeen veel minder geacht dan de Spiering.
-
-
-
-De Harders (Mugilidae) zijn fraai gebouwde zeevisschen met langwerpig,
-afgerond lichaam, groote cycloïde schubben, die ook den kop bekleeden
-en twee door een groote ruimte gescheiden rugvinnen; de buikvinnen
-staan kort achter de borstvinnen; de dwarsgerichte, hoekige,
-diklippige muil is met fijne tandjes gewapend of tandeloos. Bij de
-meeste soorten zijn de spijsverteringsorganen op een zeer eigenaardige
-wijze ingericht: de zeer ontwikkelde keelbeenderen b.v. hebben een
-hoekige gedaante en vernauwen op deze wijze het spijskanaal; hierom en
-wegens de kleinheid van de mondopening kunnen de Harders geen andere
-dan vloeibare verdunde of fijn verdeelde voedingsstoffen gebruiken.
-
-De Harders bewonen zoowel het zoetwater, dat met de zee in gemeenschap
-staat, als ondiepe zeeboezems, havens en andere kustwateren. Ook zij
-vormen in den regel talrijke scholen en leven in gezelschap van de
-Zeebarbeelen en andere verdraagzame Visschen. In de open zee wagen
-zij zich nooit; nooit begeven zij zich op een aanzienlijke diepte,
-maar houden zich, ook als zij het ondiepe water een enkele maal
-verlaten hebben, in de bovenste waterlaag van de zee op. Hun voedsel
-bestaat uit slijk en zand, of liever uit de hierin voorkomende
-plantaardige en dierlijke stoffen. Op plaatsen waar een modderige
-of tijdelijk door den regen troebel geworden beek in zee stort,
-komen zij gewoonlijk in grooten getale voor. Zij "grondelen" als
-onze Karpers en behouden intusschen een horizontalen stand. Vóór het
-kuitschieten vertoonen zij zich altijd in zeer talrijke scholen,
-later meestal slechts in kleine troepjes van ongeveer 10 stuks op
-hunne gewone verblijfplaatsen. Hun vleesch smaakt goed en wordt versch
-zoowel als gezouten gegeten. Voor hun vangst zijn ervaren visschers
-en eigenaardige netten noodig, omdat zij over de voor andere Visschen
-noodlottige schakels dikwijls heenspringen. Behalve door den mensch
-worden zij door alle vischetende roofdieren vervolgd; bovendien hebben
-zij veel te lijden van verschillende woekerdieren.
-
-
-
-Een in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, ook in de
-Noordzee, doch niet aan onze kust voorkomende soort, door de Italianen
-Ramado genoemd (Mugil capito), bereikt een lengte van 40 à 50 cM. en
-is op den rug blauwgrijs, op den buik en aan de zijden zilverwit van
-kleur, overal met zwarte, overlangsche strepen.
-
-
-
-Een verwante vorm, de Harder of Herder van onze visschers, de Cefalo
-der Italianen (Mugil cephalus), bewoont de Middellandsche Zee, maar
-wordt ook veelvuldig aan de Engelsche kust, nu en dan zelfs in groote
-scholen aan onze kusten waargenomen. Hij is gewoonlijk ongeveer 30
-cM. lang, maar kan wel dubbel zoo lang en 8 KG. zwaar worden. Het oog
-is met een slijmerige huid bedekt, de borstvin aan den wortel met een
-lange, gekielde schub gewapend. Gedurende het leven zijn de kop en de
-rug van dezen Visch groenachtig, de overige deelen zilverachtig; aan
-elke zijde ziet men een zestal groenachtige, overlangsche strepen. Na
-den dood gaat de groenachtige kleur in een blauwachtige over.
-
-
-
-De Ramado komt in groote scholen aan de kusten van Cornwallis
-en Devonshire voor en werd ook op allerlei andere plaatsen van de
-Engelsche en Iersche kust gevangen. "Nooit," zegt Couch, "verwijdert
-deze Visch zich ver van het land; hij houdt zich gaarne in ondiep
-water op, vooral bij warm en helder weer; men ziet hem dan dicht bij
-het strand rondzwerven, of merkt de kleine kuiltjes op, die hij bij
-het zoeken van voedsel in den weeken grond maakt. Soms zwemt hij de
-rivieren op, bij eb keert hij echter altijd naar de zee terug." Carew,
-de geschiedschrijver van Cornwallis, bezat een zoutwater-vijver,
-waarin hij zulke Visschen hield. Daar deze iederen avond op dezelfde
-plaats gevoederd werden, geraakten zij aan de voederplaats en aan
-hun verzorger zoozeer gewoon, dat het voldoende was op een bepaalde
-wijze te klepperen om ze bijeen te lokken. Hun verstand blijkt ook
-uit hun waakzaamheid en uit de behendigheid, waarmede zij zich aan
-allerlei gevaren weten te onttrekken. Zoodra zij bemerken, dat een
-tot op den bodem afhangend net hen omgeeft, keeren zij zoo schielijk
-mogelijk terug en springen dan gewoonlijk over den bovenrand van
-het net heen; zoodra één van hen een uitweg heeft gevonden, volgen
-de andere hem onmiddellijk na. Dit opspringen is hun aangeboren,
-zelfs jonge Visschen van geringe grootte springen over de netten
-heen. Couch zag er een van ongeveer 2 cM. lengte herhaaldelijk over
-een net springen, dat 3 cM. ver boven het water zich verhief.
-
-Weeke en vettige, liefst reeds rottende stoffen, vormen het meest
-geliefde voedsel van deze Visschen. In de lippen, waarmede zij het
-meeste voedsel uit den grond halen, schijnt een zeer fijn tastgevoel
-te zetelen. Evenals de Romeinen der oudheid, vangen de Italianen
-ook thans nog vele Harders in de aan zee gelegen vijvers, vooral
-'s winters. Ook de vijvers aan de kusten van Languedoc zijn om deze
-reden beroemd. Dikwijls zwemmen de Harders in zoo grooten getale de
-Garonne, Loire, Seine, Rhône en Somme op, dat de rivier met Visschen
-bedekt schijnt en dat de visschers nauwelijks in staat zijn om de
-met visch gevulde netten op te halen; deze rijkelijke vangst duurt
-echter nooit langer dan 2 of 3 dagen. De Harder wordt wegens zijn
-malschheid, vetheid en aangenamen smaak overal hoog geschat en versch
-of gezouten gegeten. Uit de eierstokken, die men afzonderlijk bewaart,
-perst en zout, wordt een vooral in Provence zeer gewilde spijs bereid,
-een soort van kaviaar, die "botargue" heet.
-
-
-
-Bij de Stekelbaarsvisschen (Gastrosteiformes), die de 12e onderorde van
-de Stekelvinnigen uitmaken, bestaat het stekelige deel van de rugvin
-uit stralen, die niet door een vinvlies verbonden zijn, of ontbreekt
-geheel; de buikvinnen zijn borststandig, of wegens de groote lengte
-van de haar dragende bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel
-vastzitten, buikstandig; de snuit is min of meer verlengd, de mond
-klein.
-
-
-
-De Stekelbaarzen (Gastrosteidae) hebben een spoelvormig, zijdelings
-samengedrukt lichaam met spitsen snuit en zeer dun staartgedeelte; de
-kaken zijn over een smalle strook met fluweelachtige tanden bezet. Vóór
-de rugvin zijn eenige vrije stekels geplaatst; de buikvinnen zijn
-nagenoeg op het midden van den romp met een pantserachtig schild
-geleed; van ieder ziet men weinig meer dan één ongeleden vinstraal,
-in welks oksel echter eenige zachte stralen verborgen zijn. Bij enkele
-soorten is de overigens gladde huid aan de zijden van den romp met
-4 of 5 reeksen van kleine schilden gepantserd.
-
-
-
-Het typische geslacht der Stekelbaarzen of Doornvischjes (Gastrosteus)
-bestaat uit een tiental goed omschreven soorten, die zoowel in
-zoetwater en brak water als in de zeeën van het noordelijk halfrond
-leven; in levenswijze komen zij zoozeer overeen, dat men door de drie
-inheemsche soorten na te gaan ook de overige voldoende leert kennen.
-
-
-
-De Driedoornige Stekelbaars, in Groningen Stekelspoor genoemd
-(Gastrosteus aculeatus) is kenbaar aan de drie vrije stralen vóór
-de rugvin: de eerste is boven den wortel der borstvin aangehecht,
-de derde of kleinste op het midden van den afstand tusschen den kop
-en den wortel van de staartvin, de tweede of grootste iets nader bij
-den eersten dan bij den derden en tegenover de twee nog iets steviger
-doornen, die de buikvinnen vertegenwoordigen. De zijden van den romp
-zijn meer of minder volledig met korte, hooge pantserplaten bedekt;
-in de pantsering en de bewapening met doornen worden verschillende
-afwijkingen opgemerkt, die gedeeltelijk standvastig overerven
-en hierdoor aanleiding hebben gegeven tot het onderscheiden van
-verschillende ondersoorten. Deze soort wordt 7 à 8, hoogstens 9
-cM. lang en is op de bovendeelen groenachtig bruin of zwartblauw, op
-de zijden en den buik zilverkleurig, aan de keel en de borst bleek
-rozerood of bloedrood; ook de kleur varieert zeer en is bovendien
-gedurende den rijtijd veel levendiger dan gewoonlijk.
-
-Dit vischje bewoont geheel Europa met uitzondering van het
-Donau-gebied, waar het tot dusver nog niet waargenomen werd. Overal,
-waar het voorkomt, is het zeer veelvuldig, en in sommige gedeelten
-van de zee niet minder algemeen dan in het zoetwater. Bij ons ontmoet
-men het in grooten getale in alle binnenwateren, sloten, kanalen,
-veenplassen, enz., minder talrijk echter in beken en rivieren. Vooral
-van Januari tot Maart of April wordt het in de Zuiderzee overvloedig,
-te gelijk met de Spiering en de Sprot, gevangen. Zeer algemeen is het
-in het ankerkuilvischwater; letterlijk overal wordt het aangetroffen
-in de Nieuwe Merwede, het Hollandsch Diep en het Haringvliet. Door
-de visschers wordt het zeer gehaat: het is oneetbaar en verslindt
-veel vischkuit; op sommige plaatsen vindt men het in zoo groote
-hoeveelheid, dat het als zwijnenvoer, als mestspecie en voor het
-traankoken kan dienen.
-
-De hoogstens 6 cM. lange Tiendoornige Stekelbaars, ook Zwarte
-Stekelbaars en in Groningen Kleine Stekelspoor genoemd (Gastrosteus
-pungitius), een van de kleinste zoetwatervisschen, is even verbreid
-als de vorige soort, maar op vele plaatsen, ook in ons land, minder
-algemeen en menigvuldig dan deze. Behalve in ons zoetwater wordt hij
-ook langs het zeestrand aangetroffen, waarheen hij waarschijnlijk
-door de rivieren en sluizen geraakt. In den ankerkuil wordt hij
-zelden gevangen; evenmin als de vorige soort, is hij als voedsel
-geschikt. Van deze verschilt hij door een eenigszins ranker gestalte;
-de doornen op den rug, ten getale van 9 à 11, zijn zwakker en
-bijna gelijk van lengte. Pantserplaten komen bij hem niet voor; aan
-weerszijden van den staart bevindt zich soms een reeks van ongeveer
-10 moeielijk waarneembare gekielde schubben. De bovendeelen zijn
-geelachtig olijfgroen, de overige deelen zilverwit, met zeer fijne
-zwarte stipjes geteekend, die onduidelijke dwarsbanden vormen. De
-vinnen zijn witachtig. Gedurende den zomer wordt bij het mannetje de
-zilverwitte kleur van den buik dikwijls door donkerzwart vervangen.
-
-De 15 à 18 cM. lange Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia), het
-grootste lid van zijn geslacht, verschilt aanmerkelijk van de reeds
-genoemde soorten. Zijn romp, maar vooral de twee laatste derden van
-den staart zijn zeer verlengd en rank. Het vijfkantige lichaam is
-langs de zijden met 41 gekielde beenplaten bedekt. De kop eindigt
-in een zeer spitsen snuit en is even lang als de romp, die zelf even
-lang is als het spitse gedeelte van den staart. Op den rug komen 15
-tamelijk kleine, een weinig achterwaarts gekromde stekels voor. De
-bovenkop, de rug en het dunne gedeelte van den staart zijn olijfbruin,
-de zijden geelachtig, de wangen, de kieuwdeksels, de keel en de buik
-zilverachtig wit; de tweede rugvin en de aarsvin zijn soms van voren
-met een zwarte vlek voorzien.
-
-De Noordzee in haar geheelen omvang en de Oostzee worden door den
-Zeestekelbaars bewoond; van hier dwaalt hij zuidwaarts af tot in de
-golf van Biscaye; nooit zwemt hij ver de rivieren op, maar vermijdt
-steeds het zoetwater. Hij werd langs onze geheele kust, van Zeeland tot
-Groningen, en zelfs in de Zuiderzee waargenomen, meestal echter slechts
-in kleinen getale; hij is dus alles behalve gemeen. Hij is als voedsel
-onbruikbaar en, wegens de pantserplaten, zelfs voor aas niet geschikt.
-
-
-
-Er zijn weinige Visschen, die zoovele aantrekkelijke eigenschappen
-in zich vereenigen als de Stekelbaarzen. Zij zijn levendig en
-vlug, behendig, roofzuchtig en tot vechten geneigd, moedig door het
-vertrouwen op hunne voor andere Visschen gevaarlijke wapens, daarom ook
-wel overmoedig, doch vol teedere zorg voor hun nakomelingschap. Wegens
-al deze eigenschappen houdt men ze gaarne in gevangenschap, waarvan
-het gevolg is geweest, dat hun levenswijze vrij nauwkeurig bekend is.
-
-In een ruim aquarium met overvloedigen watertoevoer gelukt het
-altijd hun het verlies van hun vrijheid te doen vergeten; in kleine,
-nauwe bakjes daarentegen brengen heimwee en de groote wijziging der
-levensomstandigheden aanvankelijk een groote sterfte teweeg; het blijkt
-dan duidelijk hoe prikkelbaar en opgewonden deze dieren zijn. In een
-ruime woning zwemmen de Stekelbaarzen, die men er gelijktijdig in heeft
-gebracht, in 't eerst gezellig rond; zij doen een verkenningstocht,
-onderzoeken iederen kant, elken hoek, alle plekjes. Plotseling neemt
-een van hen bezit van een zekeren hoek of van een bepaald deel van den
-bak; een woedende strijd ontbrandt tusschen den overweldiger en ieder,
-die zich verstout, hem zijn verovering te betwisten. Beide kampioenen
-zwemmen met den grootst mogelijken spoed om en naast elkander,
-aanhoudend bijtend en met de vreeselijke doornen schermend. Dikwijls
-is eerst na verscheidene minuten de strijd beslist; zoodra een der
-vechtersbazen achteruitwijkt, zwemt de overwinnaar, die blijkbaar ten
-hoogste verbitterd is, hem achterna; de vervolgde wordt van het eene
-deel van 't aquarium naar het andere gedreven, totdat hij bijna te
-vermoeid is om zich te bewegen. De stekels worden met zooveel kracht
-gebruikt, dat dikwijls een van de kampioenen doorboord en dood naar
-den bodem zinkt. Mettertijd heeft ieder vischje zijn eigen gebied
-en is de ruimte verdeeld tusschen drie of vier kleine despoten,
-die elkander in 't oog houden en bij iedere overschrijding van de
-grenzen den overtreder aanvallen en met hem strijdvoeren. Dit doen
-zoowel de mannetjes als de wijfjes.
-
-De kleur der Stekelbaarzen ondergaat groote veranderingen, die
-in verband staan met hunne verschillende gemoedsaandoeningen. Het
-groenachtige Vischje met zilverkleurige vlekken prijkt, als het van
-strijdlust blaakt, met schitterende kleuren: de buik en de onderkaak
-zijn donkerrood geworden; de rug heeft roodachtig gele en groene tinten
-verkregen; het regenboogvlies, dat in normalen toestand witachtig is,
-vertoont een donkergroenen glans. Even schielijk treedt de reactie in;
-de overwinnaar verbleekt, zoodra hij het onderspit delft.
-
-In zeer wijde bakken of in de vrije natuur, zwemmen de Stekelbaarzen
-snel en behendig, springen dikwijls hoog boven het water uit, vermaken
-zich met allerlei spelen, maar letten intusschen op al wat er om
-hen heen gebeurt, vooral op de jonge vischjes, die hun voornaamste
-voedsel uitmaken. Om sterkere roofvisschen bekommeren zij zich over
-'t algemeen weinig, waarschijnlijk op grond van het bewustzijn van de
-doelmatigheid hunner eigene verweermiddelen: werkelijk worden zij naar
-men zegt, zelfs door machtige roovers gemeden. De Snoek o.a., die alles
-wat eetbaar is, verslindt, deinst af voor hunne stekels. Slechts groote
-zeevisschen, zooals Dorschen en Zalmen, vullen onbezorgd hun maag met
-deze dwergjes. Ondanks hun weerbaarheid en schijnbare achteloosheid
-kennen zij hunne vijanden zeer goed, zooals blijkt uit het oprichten
-van hunne wapens bij de nadering van door hen gevreesde Visschen.
-
-Niet minder onverschrokken dan in tijden van gevaar, zijn de
-Stekelbaarzen bij hun dagelijksch bedrijf. Zij maken jacht op alle
-dieren, die zij kunnen overmeesteren en toonen een verbazenden
-eetlust. Indien zij slechts de grootte van Baarzen hadden, zouden
-zij onze binnenwateren leegmoorden en ons buitengewoon veel nadeel
-toebrengen, hoezeer zij ons ook door hun schoonheid bekoren.
-
-Het merkwaardigste deel van de levensgeschiedenis der Stekelbaarzen
-is ongetwijfeld de wijze, waarop zij hunne eieren verzorgen. Als
-de tijd van kuitschieten nadert, kiest ieder mannetje een bepaalde
-standplaats uit en verdedigt deze met zijn gewone hardnekkigheid en
-strijdlust tegen iederen soortgenoot van zijn sekse, die het wagen
-durft hem te verdringen. De uitverkoren plaats kan zeer verschillend
-zijn. De Stekelbaarzen, die in zoetwater kuitschieten, zoeken
-gewoonlijk een met grind of zand bedekte ondiepte op, waarboven
-het water tamelijk snel vloeit of althans dikwijls bewogen wordt;
-zij bouwen op den grond een nest, dat half in het zand begraven is,
-of bevestigen het vrij-zwevende gebouw tusschen waterplanten. De
-Zeestekelbaarzen kiezen soortgelijke standplaatsen voor hun nest;
-zij hechten het meestal vast aan lange wieren in de nabijheid van
-het strand, waartusschen zij zich over 't algemeen gaarne ophouden:
-een uitgevezeld stuk touw, dat in het water hangt, kan hiervoor ook
-zeer goed dienen. Het mannetje, dat gedurende den voortplantingstijd
-met de prachtigste kleuren prijkt, toont ook op andere wijzen een
-vermeerderde levensenergie; om een nest op den bodem te bouwen moet
-hij in de eerste plaats eenige wortels en andere plantendeelen van
-dezen vorm, die niet zelden langer zijn dan hij zelf, aansleepen,
-soms van een tamelijk grooten afstand; dikwijls rukt hij stukken van
-levende planten los en onderzoekt hun gewicht door ze te laten vallen;
-die, welke snel op den bodem zinken, zijn voor bouwstoffen geschikt,
-de overige zijn te licht en worden weggeworpen. De kleine bouwmeester
-stapelt de steeds met zorg uitgekozen materialen laagsgewijs opeen
-en verandert hun rangschikking, totdat zij naar zijn genoegen is. Het
-vasthechten aan den grond geschiedt door bezwaring met zand of grind;
-om het nest van binnen af te ronden en tevens de noodige stevigheid
-te verschaffen, zwemt de Stekelbaars er langzaam doorheen, de reeds
-aan den bodem gehechte deelen intusschen aan elkander lijmend en
-verbindend. Het aanvoeren van de vereischte bouwstoffen duurt
-ongeveer 4 uren: na verloop van dezen tijd is tevens het nest,
-althans wat de grove omtrekken betreft, voltooid; voor het afwerken,
-voor het uitschiften van de te lichte bestanddeelen, het wijzigen
-van de schikking van sommige halmen, het samenvlechten van hunne
-uiteinden en het bezwaren met zand zijn echter verscheidene dagen
-noodig. Gedurende dezen arbeid denkt de Stekelbaars aan niets anders
-en tracht iedere stoornis te verhinderen. Terwijl hij vlijtig aan
-'t werk is, kijkt hij wantrouwig naar ieder wezen, dat zich in de
-nabijheid vertoont, zoowel naar een andere Stekelbaars als naar een
-Salamander, een Waterkever of een larve, hetzij deze dieren met booze
-of met onschuldige bedoelingen het nest naderen. Een Waterscorpioen
-werd door een nestbouwend mannetje meer dan dertigmaal gegrepen en in
-den bek naar den anderen kant van den waterbak vervoerd! De grootte
-van het nest is zeer verschillend en hangt zoowel van de standplaats
-als van de soort van bouwstoffen af; gemiddeld is het ongeveer
-zoo groot als een vuist. Gewoonlijk is het langwerpig rond en van
-boven volkomen gesloten, aan de zijden echter met een ingang en een
-uitgang voorzien. Aanvankelijk ziet men er slechts één opening aan,
-later hiertegenover ook de tweede. Zoodra n.l. een Stekelbaars zijn
-nest gereed heeft, tracht hij er een wijfje in te lokken. Dit legt
-hier eenige eieren, boort tegenover den ingang een gat in den wand
-en ontsnapt. Daar het nest van nu af twee openingen heeft, kan het
-water er door stroomen, hetgeen voor de ontwikkeling der kiemen noodig
-is. Het mannetje, dat den volgenden dag een tweede wijfje naar het nest
-leidt en hier goedschiks of kwaadschiks kuit laat schieten, gaat op
-deze wijze voort, totdat het noodige aantal eieren bijeen is. Om deze
-tegen elken aanval te vrijwaren en te verdedigen, moet het mannetje
-zijn ijver en waakzaamheid verdubbelen. Iedere andere Stekelbaars,
-die zich in de buurt van het nest vertoont, wordt vol woede besprongen
-en op de vlucht geslagen; deze voorzorgsmaatregel geldt zoowel de
-mannetjes als de wijfjes; deze zijn niet minder gevaarlijk dan gene,
-eer meer dan minder belust op de eieren of de pasgeboren jongen. Tot
-aan het tijdstip van hun geboorte draagt het mannetje ook nog op
-een andere wijze zorg voor het goed gedijen zijner nakomelingen. Met
-den snuit herstelt hij gebreken van het nest, hetzij deze bij toeval
-ontstaan of door een nieuwsgierige hand veroorzaakt zijn; bovendien
-begeeft hij zich dikwijls vóór of in de broedruimte en brengt door een
-trillende beweging van de borstvinnen een verversching van het water
-in het nest teweeg, alsof hij weet, dat aan de eieren versche zuurstof
-toegevoerd moet worden. Afgunstige mannetjes, die zich waarschijnlijk
-van het nest willen meester maken, en snoeplustige wijfjes storen
-telkens weer den trouwen wachter, die, zoolang zijn diensttijd duurt,
-bijna aanhoudend strijd moet voeren. Nieuwe zorgen wachten hem, wanneer
-eindelijk de eieren uitkomen. Hij moet, om de hulpbehoevende jongen te
-beschermen en te verdedigen, vreemde Stekelbaarzen verjagen. Voorloopig
-blijft hij met zijn kroost in de onmiddellijke nabijheid van het
-nest, hoewel hiervan niets anders overgebleven is dan eenige in den
-grond vastzittende halmen. Minder moeielijk wordt zijn taak allengs,
-naarmate de vischjes meer en meer bekwaam worden in 't zwemmen; hij
-bekommert zich niet meer om hen, zoodra zij eindelijk in staat zijn
-om zelfstandig in hun onderhoud te voorzien.
-
-In de vrije natuur is het nest gewoonlijk grootendeels in het slijk
-verborgen; waarschijnlijk is het vooral hieraan toe te schrijven,
-dat men eerst zoo laat begonnen is te letten op de zorgen, die de
-mannelijke Stekelbaars aan zijne jongen wijdt.
-
-Hoewel de Stekelbaarzen niet meer dan ongeveer 60 à 80, dus
-betrekkelijk weinige eieren leggen en, ondanks hunne uitmuntende
-verweermiddelen, door sommige vijanden, vooral door bijzonder groote
-Lintwormen geplaagd en geteisterd worden, hoewel zij, naar men zegt,
-hoogstens drie jaar leven, vermenigvuldigen zij zich soms ongeloofelijk
-sterk, vooral in de zoogenaamde doode armen van een rivier, in
-plassen of meren met stilstaand water en in vestinggrachten. In dit
-geval kunnen zij voor den mensch lastig worden en hem bij sommige
-werkzaamheden hinderen; zelfs leveren zij middellijk wel eens gevaar
-op voor de gezondheid van de menschen in de door hen bewoonde streek,
-n.l. wanneer zij in grooten getale te gelijk om 't leven komen en
-hunne rottende overblijfselen de lucht verpesten. Ook in grootere
-plassen ziet men ze volstrekt niet gaarne, daar hun vraatzucht de
-vermeerdering van het aantal nuttige Visschen zeer in den weg staat;
-op plaatsen, waar zij zich eens genesteld hebben, kan men ze moeielijk
-uitroeien. De oorzaken van de groote talrijkheid dezer dieren, zijn min
-of meer dezelfde als voor de Muizen: het eene of andere troepje broedt
-ongestoord; de jongen worden schielijk geslachtsrijp, vermenigvuldigen
-zich eveneens en zoo kan het voorkomen, dat het na korten tijd van
-Stekelbaarzen wemelt op plaatsen, waar men ze vroeger niet opmerkte,
-totdat eindelijk een groote sterfte onder hen een opruiming houdt.
-
-In Holstein en Sleeswijk, Zweden en Engeland worden de Stekelbaarzen in
-sommige jaren in grooten getale gevangen en als voedsel voor Zwijnen,
-Hoenderen en Eenden gebruikt, tot traan verkookt of als mestspecie
-op den akker gebracht. Hoewel men algemeen de Stekelbaarzen voor
-oneetbaar houdt, leveren zij, volgens sommigen, na behoorlijke
-toebereiding een smakelijke soep.
-
-
-
-Bij de Fluitbekvisschen of Pijlvisschen (Fistulariidae) is het lichaam
-buitengewoon lang en vormen de voorste beenderen van den kop een lange
-buis, die aan haar voorste uiteinde de kleine mondopening heeft; de
-tusschenkaaks- en onderkaaksbeenderen dragen kleine tanden. De schubben
-zijn klein of ontbreken. Het stekelige deel van de rugvin bestaat
-uit zwakke, vrije stralen of ontbreekt geheel. De buikvinnen worden
-door geen andere dan zachte stralen gesteund en zijn borststandig
-of buikstandig, maar in 't laatstgenoemde geval gescheiden van de
-bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel verbonden blijven.
-
-
-
-Bij het geslacht der Fluitbekken (Fistularia) komt slechts één enkele,
-korte, ver naar achteren geplaatste rugvin voor en heeft de in 2
-lobben verdeelde staartvin een eigenaardig verlengstuk; de beide
-middelste stralen zijn n.l. vergroeid tot een borstelachtige draad,
-die bij sommige soorten het overige lichaam in lengte evenaart;
-de huid is wegens het ontbreken der schubben glad.
-
-
-
-De meest bekende vertegenwoordiger van de familie en van het geslacht
-is de Tabakspijp (Fistularia tabaccaria), die meer dan 1 M. lang
-kan worden, waarvan trouwens de helft op de staartdraad komt. De
-bovenzijde is op bruinen grond met 3 reeksen van blauwe vlekken bezet;
-de onderzijde heeft een zilverwitte kleur.
-
-De Fluitbekken zijn beperkt tot de zeeën tusschen de keerkringen,
-bewonen zoowel den Atlantischen als den Indischen Oceaan en komen
-ook in de Stille Zuidzee voor. De Tabakspijp wordt binnen de genoemde
-grenzen langs de oost- en westkust van Amerika aangetroffen. In haar
-maag vond Commerson kleine Visschen; volgens andere onderzoekers
-voedt zij zich ook met verschillende Schaaldieren.
-
-
-
-De kleine onderorde der Schildbuiken (Gobiesociformes) omvat slechts
-één gelijknamige familie (Gobiesocidae) met een 20-tal soorten. Zij is
-kenbaar aan de afwezigheid van het stekelige deel van de rugvin, welker
-geleedstralig deel, evenals de aarsvin, geheel tot den staart beperkt
-blijft; de keelstandige buikvinnen omsluiten een in twee opeenvolgende
-stukken gesplitste hechtschijf van andere samenstelling dan die der
-Snottolven, daar zij niet door vervorming van de buikvinnen ontstaat,
-maar door een kraakbeenig uitgroeisel van het onderste been van den
-schoudergordel gesteund wordt.
-
-
-
-De Slakdolf, Kringbuik of Zeeslakvisch [Lepadogaster (Liparis)
-barbatus] heeft een samengedrongen, langwerpig eivormig lichaam van
-ongeveer 15 cM. lengte. De borstvinnen strekken zich tot onder de keel
-uit en zijn hier tot een punt verlengd. De rugvin en de aarsvin zijn
-laag, lang en met de kleine afgeronde staartvin vereenigd; de rugvin
-begint boven de borstvinnen, de aarsvin is een derde korter. De kleur
-is lichtbruin, op de onderdeelen lichter, op de bovendeelen afgebroken
-door fijne, bruine, overlangsche strepen en op de vinnen door bruine,
-veelal op dwarsrijen geplaatste stippen.
-
-Deze Visch bewoont de IJszee tot aan de kusten der Noord- en
-Oostzee. Hij wordt bij ons zoowel langs de kust als in de Zuiderzee
-en de Zeeuwsche stroomen aangetroffen, maar is er alles behalve
-gemeen. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en kleine vischjes. Naar
-men zegt, heeft het kuitschieten vroeg in het jaar plaats. (Schlegel.)
-
-Van de Slangenkopvisschen (Ophiocephalidae), die een afzonderlijke
-onderorde (Channiformes) vertegenwoordigen, zijn een dertigtal
-soorten bekend; deze hebben een tamelijk langen, van achteren weinig
-samengedrukten, van voren bijna ronden romp, een breeden en platten,
-van boven met schilden bekleeden kop met ver naar voren gelegen
-oogen en een diep gespleten muil; de kaken en het gehemelte dragen
-borstelvormige tanden en eenige grootere grijptanden; de kieuwdeksels
-zijn geschubd, ongetand en ongedoornd. In geen der vinnen komen
-ongelede vinstralen voor. Hoewel zij (in tegenstelling met de leden
-der volgende onderorde) geen eigenlijken "doolhoftoestel" hebben
-ten behoeve van de ademhaling gedurende het verblijf op het land,
-staat hun kieuwholte met een voor 't zelfde doel dienende, bijkomende
-holte in gemeenschap. De rugvin strekt zich bijna over de geheele
-lengte van den romp uit; ook de aarsvin is zeer lang, de staartvin
-afgerond; de borst- en buikvinnen wijken niet van den gewonen vorm
-af. Een zwemblaas is aanwezig.
-
-"De Slangenkopvisschen," zegt F. Day, "kunnen wegens de holten in hun
-kop op de wijze der Amphibiën ademen en langen tijd buiten het water
-verkeeren. Zij wagen zich tamelijk ver op het land, vooral wanneer dit
-eenigszins vochtig is, bewegen zich hier door de borstvinnen en den
-staart achtereenvolgens te verplaatsen en het lichaam slangsgewijs
-te krommen. Zij leven, naar het schijnt, steeds bij paren. Eenige
-soorten bewonen grasrijke moerassen of de met gras begroeide randen
-van de waterreservoirs, die voor de besproeiing der akkers dienen;
-andere houden zich op in bronnen en met water gevulde kuilen, ook
-wanneer deze met steenen wanden zijn voorzien, nog andere in gaten
-aan de oevers van rivieren. De soorten, die in moerassen of in de
-voor de irrigatie dienende watervergaarplaatsen leven, vestigen
-zich bij voorkeur op de ondiepe en met hooge grassen begroeide
-gedeelten dezer plassen. Onder de Visschen, die ik uit het slijk van
-uitgedroogde waterreservoirs heb zien uitgraven, bevonden zich eenige
-Slangenkoppen; de inboorlingen van Indië meenen, dat deze Visschen
-gedurende plasregens uit de lucht komen vallen.
-
-"Het verbreidingsgebied van deze zoetwatervisschen omvat Beloetsjistan,
-Afghanistan, Britsch-Indië, Birma, Ceylon, China, Siam en de Maleische
-Eilanden; zij bewonen vijvers en rivieren in hooge en ver van de zee
-gelegen gewesten zoowel als wateren, die het verschijnsel van ebbe
-en vloed vertoonen. De Moerrels, zooals men ze in het noorden van
-Indië noemt, worden als voedsel gebruikt; de uit rivieren afkomstige
-smaken beter dan die, welke in langzaam stroomend of stilstaand water
-buitgemaakt zijn."
-
-
-
-Tot het geslacht der Slangenkoppen (Ophiocephalus), op Java Ikan-gaboes
-genoemd, behooren eenige soorten, van welker levenswijze men iets weet.
-
-De Slangenkop, de Waral der Indiërs (Ophiocephalus punctatus),
-die het vasteland van Indië en vooral ook Ceylon bewoont, bereikt
-een lengte van 30 à 40 cM.; van boven is hij groenachtig grijs, van
-onderen witachtig grijs; op den romp ziet men donkerder dwarsbanden
-scheef van boven en voren naar achteren en onderen loopen.
-
-De Keitsjel, die door de Europeanen Grondvisch, door de inboorlingen
-van Boetan (het zuidwestelijkste deel van het Himalaja-gebied)
-Boratsjoeng wordt genoemd (Ophiocephalus striatus), heeft een
-nog uitgestrekter verbreiding dan de vorige soort, daar men hem in
-Bengalen, Pegoe, Koromandel, op Java en de Philippijnen, waarschijnlijk
-ook op Celebes (hier nog op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte
-der zee) aangetroffen heeft. Hij kan meer dan 1 M. lang worden. De
-bovendeelen zijn dof groenachtig grijs, de onderdeelen geelachtig wit;
-de teekening bestaat uit onafgebroken strepen, die zich over de vinnen
-als stippels en vlekken voortzetten.
-
-Volgens de berichten der Boetaneezen vindt men dezen Visch niet in
-rivieren, maar op volkomen droge plaatsen te midden van met gras
-begroeide wildernissen, soms op een afstand van 2 of meer Engelsche
-mijlen van het water. Door in de hier voorkomende kuilen te graven,
-bereikt men de waterhoudende laag, waarin deze dieren, in den regel bij
-paren, zich bevinden. Als men den Boratsjoeng uit zijn schuilplaats
-haalt en op den grond werpt, beweegt hij zich met slangsgewijze
-kronkelingen merkwaardig snel. Campbell geeft een eenigszins andere
-voorstelling van de zaak. Volgens hem zijn de holen, die de Boratsjoeng
-bewoont, uitsluitend aan den oever van een langzaam vloeienden stroom
-of van een meer, en is hun ingang gewoonlijk verscheidene cM. onder
-den waterspiegel gelegen, zoodat de Visch onmiddellijk uit verblijf
-te water kan gaan. Deze holen worden door Landkrabben gegraven en door
-den Boratsjoeng in bezit genomen. Toch is het bericht der Boetaneezen,
-dat de Boratsjoeng ook ver van het water in holen voorkomt, verre
-van onwaarschijnlijk, daar men de Slangenkoppen meer dan eens op
-het droge heeft waargenomen, waar zij als Slangen van het eene water
-naar het andere kropen. Misschien hadden de droge plaatsen, waar de
-Boratsjoeng in Boetan gevangen wordt, gedurende den regentijd onder
-water gestaan, en bleef hem bij 't invallen van de droogte, niets
-anders over, dan in gaten van den grond, die vroeger met het water
-in gemeenschap stonden, betere tijden af te wachten. Hij is althans
-uitmuntend geschikt om geruimen tijd op het droge te leven.
-
-Volgens Buchanan heeft deze Visch een buitengewoon taai leven; sommige
-exemplaren kruipen meer dan een half uur lang zonder ingewanden
-rond; hun vleesch is wit en gemakkelijk verteerbaar, hoewel niet
-zeer smakelijk. De meeste Europeanen op Java zijn afkeerig van deze
-slangachtige Visschen; door de Chineezen en inlanders worden zij met
-graagte gegeten.
-
-
-
-Aristoteles spreekt van Visschen in de omstreken van Heraclea Pontica,
-die zich, als het water van de rivieren en meren verdampt, het vocht
-volgend, in den modder begraven, hier, terwijl de bovenste aardlaag
-verhardt, als 't ware in slapenden toestand verkeeren, maar zich bij
-aanraking krachtig bewegen. Diep in het slijk, aldus vult Theophrastus
-het bericht van zijn meester aan, laten deze Visschen hunne eieren
-achter, die zich ontwikkelen, zoodra de bodem weer met water bedekt
-is. Bovendien zeggen de genoemde uitmuntende schrijvers der oudheid,
-dat er in Indië Visschen leven, die soms de rivieren verlaten en
-als Vorschen over land naar een ander water trekken. Waarschijnlijk
-berusten deze volkomen juiste mededeelingen op persoonlijke ervaringen
-van Grieken, die aan den krijgstocht van Alexander den Grooten naar
-Indië deelnamen. Zij leiden tot het vermoeden, dat de bedoelde Visschen
-met eigenaardige, bij andere leden hunner klasse niet voorkomende
-ademhalingswerktuigen voorzien zijn. Longen hebben zij niet, maar wel
-organen, die een soortgelijken dienst kunnen vervullen. Visschen,
-die uit het water genomen worden, sterven, omdat hunne kieuwen
-verdrogen en voor de ademhaling ongeschikt worden, hetwelk een
-storing in den bloedsomloop veroorzaakt: zij stikken, evenals een
-hooger Gewerveld Dier, dat men den hals dichtbindt. Hoe grooter de
-kieuwspleet, hoe fijner de vertakking der kieuwen, des te spoediger
-volgt de dood. Sommige Visschen sterven bijna oogenblikkelijk nadat
-zij boven water gebracht zijn; anderen kunnen uren lang buiten water
-verkeeren: onze Karpers verdragen een mijlenverre verzending over
-land, wanneer zij in vochtige doeken ingepakt zijn. Dezelfde werking
-als de natte doeken heeft het door de bovenste keelbeenderen gevormde
-"doolhoftoestel", waaraan de Doolhofkieuwigen (Labyrinthibranchii)
-hun naam danken. Dit orgaan bestaat uit buitengewoon dunne,
-oorschelpvormige, concentrisch bijeengevoegde beenplaatjes, welker
-aantal mettertijd toeneemt. Zij begrenzen een zeer uitgebreid stelsel
-van fijne tusschenruimten, die bij het ademen met water gevuld worden
-en dit bij kleine hoeveelheden tegelijk aan de kieuwplaatjes afgeven,
-die hierdoor vochtig en voor het opnemen van zuurstof (ook uit de
-lucht) geschikt blijven. Met uitzondering van een enkele soort van
-kleine, op Borneo, Bankan en Billiton voorkomende zoetwatervisschen,
-die de familie van de Snoekkopvisschen (Luciocephalidae) vormen, worden
-alle Doolhofkieuwigen in de familie der Doolhofvisschen (Labyrinthici)
-vereenigd. Ook deze behooren in zoetwater thuis. Alle leden van deze
-familie bewonen de Oude Wereld; zij zijn het talrijkst gevonden in
-Oost-Indië (met de omliggende landen) en Zuid-Afrika.
-
-
-
-De Klimbaarzen (Anabas) kenmerken zich door een langwerpig ronden,
-zijdelings zwak samengedrukten romp; het voordeksel is gaafrandig,
-het kieuwdeksel aan den rand getand; de rugvin en de aarsvin zijn lang,
-haar voorste gedeelte wordt gesteund door vele dikke, spitse stralen;
-de borst- en de buikvinnen en de staartvin zijn betrekkelijk kort.
-
-De Indische Klimbaars, op Java Ikan-betokh genaamd, de Pannei-eri
-of Sennal der Tamils, de Kaweja der Singalezen, de Koi van andere
-Indiërs (Anabas scandens), bereikt soms een lengte van meer dan 20
-cM.; hij is op den rug bruinachtig groen, op den buik geelachtig;
-de rugvin en de aarsvin zijn paars, de buikvinnen en de borstvinnen
-roodachtig; de staartvin heeft dezelfde kleur als de rug. Enkele
-exemplaren zijn met donkerder strepen en lichtere vlekken geteekend,
-andere vrij wel effenkleurig.
-
-Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Indië, Birma, Ceylon, de
-Maleische eilanden en de Philippijnen. Haar woonplaats heeft zij in de
-stroomende en stilstaande wateren dezer landen; stroomafwaarts ontmoet
-men haar echter tot dicht bij den mond der rivier, waar bij vloed
-zeewater binnenstroomt; zij schuwt derhalve het brakke water niet.
-
-Twee Arabische reizigers, die tegen het einde van de 19e eeuw
-Indië bezochten, hoorden hier spreken over een Visch, die, zijn
-element verlatend, zich over land naar de kokospalmen begeeft,
-deze beklimt, om palmwijn te drinken en vervolgens naar het water
-terugkeert. Een zendeling, die in de laatste helft van de vorige eeuw
-Indië doorreisde, nam verscheidene exemplaren van de bedoelde soort
-naar Europa mede en bevestigde het bericht, dat deze Visch met de
-als een zaag getande kieuwdeksels en scherpstekelige vinnen de langs
-den oever groeiende palmen beklimt, terwijl het regenwater bij hun
-stam neervloeit. Verscheidene uren kan hij op het droge leven en door
-vreemdsoortige krommingen van den romp vooruitkomen. Hij houdt zich
-gewoonlijk in modderpoelen op, wordt gevangen en als spijs gebruikt.
-
-De reizigers en onderzoekers uit lateren tijd spreken volstrekt
-niet over een boomen-beklimmenden Pannei-eri; wel bevestigen zij het
-bericht, dat deze Visch nu en dan over land tochten onderneemt en zich
-gedurende het droge jaargetijde in het slijk der uitgedroogde wateren
-verbergt. Hierover heeft Tennent nauwkeurige mededeelingen gedaan,
-die op persoonlijke waarnemingen en op berichten van betrouwbare
-ooggetuigen berusten. Zoo schreef hem o.a. een zekere Morris,
-regeeringsbeambte te Trinkonomali op Ceylon: "Onlangs bezichtigde ik
-den rand van een grooten vijver, welks dam hersteld moest worden. Het
-water was nagenoeg geheel verdwenen; een kleine kolk was al, wat
-er van overbleef. Terwijl wij op een hooger gelegen plek stonden,
-om het voorbijtrekken van een onweer af te wachten, zagen wij aan den
-rand van den ondiepen kolk een Pelikaan, die druk aan 't eten was. Dit
-trok de aandacht van onze Indische begeleiders, die er op afgingen en
-"Visschen, Visschen!" riepen. Ter rechter plaats gekomen, zagen wij
-in de geulen, die de zooeven gevallen regen gevormd had, een menigte
-Visschen voortkrabbelen en door het gras naar boven kruipen. Hoewel
-het water nauwelijks toereikend was om hen te bedekken, kwamen zij
-snel vooruit. De lieden uit ons gevolg raapten er ongeveer 2 schepels
-van op, de meeste op een afstand van 30 M. van den vijver. Alle deden
-hun best om den dam op te klauteren, welks kruin zij waarschijnlijk
-bereikt zouden hebben om zich langs de andere helling naar een
-geschikte waterplas te begeven, indien de Pelikaan en later wij hen
-niet gestoord hadden. Het waren blijkbaar Visschen van dezelfde soort
-als die, welke wij in de uitgedroogde vijvers aantroffen."
-
-"Hoe meer de watervergaarplaatsen uitdrogen, des te meer hoopen
-de hier wonende Visschen zich op in de kleine plassen, die nog
-water bevatten of in den vochtigen modder. Hier ziet men ze
-bij duizenden dooreenkrioelen in het brijachtige slijk. Als ook
-dit verdroogt, begeven zij zich over land naar andere vijvers,
-die nog water bevatten. Eens zag ik er honderden in de nabijheid
-van een zoo even door hen verlaten vijver; zij verspreidden zich
-in verschillende richtingen en vervolgden hun weg ten spijt van
-alle bezwaren en hinderpalen. Daar de bedoelde plas tot dusver als
-drinkplaats gediend had voor de tamme en wilde dieren uit de buurt,
-was de grond hier overal ingetrapt; niet weinige Visschen vielen in de
-diepe, door voetstappen veroorzaakte kuilen, waaruit het voor sommige
-niet mogelijk was weg te komen, zoodat Wouwen en Kraaien een rijke
-vangst deden. Ik kreeg den indruk, dat deze verhuizingen uitsluitend
-'s nachts plaats hadden, want ik heb nooit anders dan gedurende de
-morgenuren trekkende Visschen gezien. Ook heb ik opgemerkt, dat de
-exemplaren, die ik levend opzocht en in een tobbe met water hield,
-over dag rustig bleven, des nachts echter pogingen deden om hun
-gevangenis te verlaten en dikwijls werkelijk ontsnapten."
-
-Deze zelfde Visschen begraven zich zoo noodig in 't slijk; misschien
-doen zij dit, na vooraf getracht te hebben water te vinden; misschien
-geven zij zich deze moeite niet eens, steken dadelijk den snuit in
-den modder en dringen, de vochtigheid volgend, hierin door. Volgens de
-aan Tennent verstrekte opgaven hangt de diepte, waarop men ze vindt,
-van de gesteldheid van den grond af. De aardlaag, die hen bedekt,
-heeft een dikte van 1/2 M. of meer, is dikwijls in alle richtingen
-gebarsten en zoo droog, dat zij bij 't oplichten in stukken valt. De
-Visschen zelf liggen in een laag, die gewoonlijk nog eenigszins vochtig
-is, doch, naar het schijnt, ook wel kan uitdrogen, zonder dat hun
-leven gevaar loopt. De inboorlingen graven gedurende de droogte uit
-de diepste gedeelten van de bedding der vijvers de Visschen op; deze
-liggen bewegingloos in het slijk, dat hen aan alle zijden omgeeft, maar
-beginnen zich dadelijk te bewegen, nadat men ze er uitgehaald heeft.
-
-Onmiddellijk na de eerste regenbuien, als de watervergaarplaatsen sinds
-weinige uren, of hoogstens dagen, gevuld zijn, houden de Singaleezen
-zich ijverig met de vischvangst bezig. Zij maken hiertoe gebruik van
-een korf zonder bodem, die zij, door de plas wadend, voor zich uit
-duwen en met den benedenrand in den grond steken, zoodra er Visschen
-in zijn, die er vervolgens van boven met de hand uitgenomen worden.
-
-Op Java ziet men den Klimbaars soms op aanmerkelijken afstand van
-het water, waar hij uren achtereen over den grond kruipt; ook kan
-hij met de stekels van de buikvinnen en de randen der kieuwdeksels
-bij de dooreengewarde wortels der rhizophoren of wortelboomen, die
-de kust omzoomen, opklimmen en hier zijn prooi belagen.
-
-
-
-Een door fraaie kleur, eigenaardigen vorm en merkwaardige levenswijze
-uitmuntende soort van Doolhofvisschen, die door de Chineezen sinds lang
-gefokt wordt, heeft men in Frankrijk voor 't eerst leeren kennen door
-de exemplaren, die de Fransche consul Simon uit Ningpo overzond. Deze
-Visch, die zich in de gevangenschap zonder bezwaar voortplant en thans
-een sieraad van menig aquarium uitmaakt, is een door kweeking verkregen
-ras van de Grootvin [Polyacanthus (Macropodus) viridi-auratus]
-en wordt door de liefhebbers meestal Paradijsvisch genoemd. Hij
-vertegenwoordigt het geslacht der Veeldoornen (Polyacanthus), dat 7
-soorten van Oost-Indische zoetwatervisschen omvat. Deze hebben een
-langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, talrijke stekels in de
-rugvin en aarsvin, kleine tanden in de kaakbeenderen en een tandeloos
-gehemelte. Zij onderscheiden zich bovendien door een eigenaardige
-inrichting ter beschutting van het doolhoftoestel, bestaande uit
-een kegelvormige holte aan weerszijden van het voorste deel der
-wervelkolom, aan welks vorming de 5 eerste wervels en hunne ribben
-deelnemen. Bij de bedoelde variëteit zijn de achterste gedeelten van
-rugvin en aarsvin zeer groot en van achteren tot een punt uitgetrokken,
-de staartvin zeer groot, tweelobbig, halvemaanvormig. De bruinachtige
-kleur van de bovenzijde gaat naar onderen in grijsgroen over; de
-teekening bestaat uit afwisselende, geelgroene (of blauwachtige)
-en roodachtige dwarsstrepen; het groene kieuwdeksel prijkt met een
-gelen rand. Bij het wijfje zijn de vinnen minder ontwikkeld en de
-kleuren doffer. Lengte: 8 à 9 cM.
-
-Van het leven van den Paradijsvisch in de vrije natuur is ons niets
-bekend; sommige onderzoekers beschouwen hem als het voortbrengsel van
-een lang voortgezette teeltkeus. In China wordt hij algemeen gekweekt
-en nagenoeg op dezelfde wijze als onze Goudvisch behandeld; veel eerder
-dan deze zal hij zich echter in een beperkte ruimte voortplanten. Zijn
-leven in den gevangen staat wordt door Benecke op de volgende wijze
-beschreven: "De dieren kwamen in goeden welstand aan en begonnen,
-toen zij in een bak van ongeveer 40 liter inhoud gebracht waren,
-onmiddellijk de kleine Schaaldieren, larven van Muggen en Wormen
-te verslinden, die tusschen de waterpest (Elodea canadensis)
-rondzwommen. Reeds in de eerste dagen moesten zij hun levenswijze
-veranderen. Toen zij de tot voedsel geschikte dieren verbruikt hadden,
-verving ik deze door 2 soorten van kleine Schaaldieren, Watervlooien
-(Daphnia) en Schelpvlooien (Cypris). De laatstgenoemde diertjes hadden
-zij bij mij en waarschijnlijk evenmin vroeger leeren kennen; zij grepen
-ze zeer dikwijls, maar lieten ze aanvankelijk steeds kopschuddend
-weer los. Na verloop van 2 dagen echter wilden zij niet anders dan
-Schelpvlooien eten en lieten de Watervlooien onaangeroerd, hoewel ik
-vele van deze diertjes in het water bracht; slechts nu en dan hapten
-zij naar een buitengewoon vet exemplaar. Aanvankelijk had ik mij hun
-eetlust minder groot voorgesteld: dit bleek mij, toen ik eens geen
-kleine Schaaldieren of larven van Insecten had kunnen krijgen. Zij
-verslonden toen met smaak niet slechts zeer kleine, maar ook groote
-Regenwormen, zelfs exemplaren, die 5 à 8 cM. lang en 2 mM. dik waren.
-
-"Kort na hun aankomst, vooral in de voormiddaguren, als de stralen van
-de morgenzon af en toe hun woning verlichtten, begonnen deze Visschen
-hun bekoorlijk minnespel. Dit gaat, als naar gewoonte, gepaard met
-het toenemen van de schoonheid en volheid der kleuren, die weer
-verflauwen, wanneer men het paar scheidt. Ongeveer 4 weken later had
-de romp van het wijfje een grooteren omvang verkregen en begon het
-mannetje een nest te bouwen. Met dit doel kwam het telkens aan de
-oppervlakte van 't water, vulde den bek met lucht en liet deze daarna
-onder water in kleine, door een speekselvliesje omhulde bellen weer
-ontwijken; hierdoor ontstond een tamelijk stevig samenhangende laag van
-luchtbellen, die dikwijls door nieuwe vervangen werden. Het mannetje
-stond gewoonlijk onder deze laag in den eenen hoek van den bak, het
-wijfje in den tegenovergestelden hoek; om te spelen begaven beide
-zich echter naar het midden van den bak, waar geen planten waren."
-
-Nu begint het eieren leggen. Deze vallen slechts bij uitzondering op
-den bodem, maar stijgen in den regel naar den waterspiegel en blijven
-hangen of zweven aan de onderzijde van het uit schuim bestaande
-nest, waaronder het kuitschieten steeds plaats vindt. Die, welke op
-den bodem vallen, worden door het mannetje opgezocht en in het nest
-gebracht. Na verloop van eenigen tijd, in 't geheel ongeveer 10-maal
-per dag, herhaalt zich hetzelfde verschijnsel. In de tusschenpoozen
-en ook na afloop van het kuitschieten tot aan het te voorschijn
-komen der jongen, is het mannetje telkens bezig met herstellingen
-aan het nest te verrichten en de eieren zoo te rangschikken, dat
-er één onder iederen schuimbel ligt; tevens waakt het ijverig en
-zorgvuldig voor de veiligheid van eieren en kroost. Ongeveer 24 uren
-na het leggen van het ei, wordt de donkere kiemvlek op den lichtgelen
-dooier zichtbaar; één dag later kan men het hart zien kloppen; 12 à
-18 uren daarna wordt het ei verlaten door het jonge vischje, dat nog
-geen mondopening heeft en op een zeer kleine kikkerlarve gelijkt;
-op den 5den of 6den dag heeft het den vorm zijner ouders verkregen;
-in de 8e levensmaand is het volwassen. Zoolang het nog de hulp van
-de ouders behoeft, is het mannetje vol zelfverloochenende zorg. Op
-gelijke wijze als de mannelijke Stekelbaars houdt ook de Grootvin
-het jonge, onrijpe kroost bijeen en handhaaft streng de orde onder
-zijne kinderen. Zoodra een van de jonge vischjes zich te ver uit de
-buurt begeeft, grijpt hij het met den muil, slikt het in spuwt het
-weder uit in het tot beschutting dienende schuimnest. Op een even
-zonderlinge als doeltreffende wijze toont hij, naar men zegt, zijn
-zorgvuldigheid voor zieke of achterlijke jongen: zulk een schepseltje
-wordt met een vooraf gemaakte luchtbel omhuld en op deze wijze als
-'t ware tot een nieuw leven opgewekt. Zoodra de jongen de hulp van den
-vader niet meer noodig hebben, laat deze hen aan hun lot over, en ziet
-er zelfs, evenals het wijfje, geen bezwaar in, ze te verslinden. De
-jongen voeden zich aanvankelijk met het schuim van het nest, later
-met uiterst kleine Infusiediertjes, vervolgens met verschillende voor
-het ongewapende oog zichtbare lagere dieren en ten slotte op dezelfde
-wijze als hunne ouders.
-
-Zoowel door de hierboven beschreven handelingen en gewoonten, als
-door hun verrassende vruchtbaarheid, verdienen de Paradijsvisschen
-ten zeerste de belangstelling van alle liefhebbers van dieren. Men
-bericht, dat een enkel paar van deze Visschen gedurende één zomer
-6-maal kuitgeschoten, telkens 400 à 600 jongen grootgebracht en
-dus aan niet minder dan 3000 nakomelingen het leven geschonken
-heeft. Waarschijnlijk zal daarom dit dier hoe langer hoe meer voor
-aquariën gebruikt worden en misschien den Goudvisch zoo niet geheel,
-dan toch ten deele verdringen.
-
-
-
-Vermelding verdient nog de Goerami of Ikan-goerami (Osphromneus olfax),
-de koning der Javaansche zoetwatervisschen, wiens smakelijk vleesch
-zoowel door Europeanen als door inlanders hoog geschat wordt. Deze zeer
-groote Visch, die soms meer dan 2 M. lang en ruim 10 KG. zwaar wordt,
-heeft, evenals de andere leden van zijn geslacht, een zijdelings zeer
-sterk samengedrukt lichaam van onregelmatige eivormige gedaante, aan
-den buik sterker buitenwaarts gekromd dan aan den rug, een kleine
-mondopening met naar voren verschuifbare tusschenkaaksbeenderen en
-eenigszins vooruitstekende onderkaak, fijne, fluweelachtige tanden
-in beide kaken, fijne tandjes aan den rand van het voordeksel en
-aan het onderoogkasbeen, een aarsvin, die de rugvin verre in de
-lengte overtreft en buikvinnen, waarvan de eerste straal zeer sterk
-borstelvormig verlengd is. Hij heeft een roodachtig bruine rugzijde
-met donkerder dwarsstrepen; de zilverkleurige buik is als 't ware
-met bruine, halvemaanvormige vlekken geteekend, omdat de overigens
-licht gekleurde schubben een bruinen rand hebben; aan den wortel van
-iedere borstvin bevindt zich een onregelmatige, zwarte vlek.
-
-De Goerami bewoont de Groote Soenda-eilanden. Hier leeft hij op de
-wijze van onze Karpers in stille, overvloedig met planten begroeide
-zoetwaterplassen; hij geeft aan zuiver water de voorkeur, doch gedijt
-ook in modderige vijvers en poelen, verbergt zich gaarne in holen en
-voedt zich met plantaardige stoffen. Wegens zijn vleesch, dat, naar
-gezegd wordt, boven dat van alle overige zoetwater- en zeevisschen te
-verkiezen is, kweekt men hem in en bij Batavia in vijvers of houdt hem
-in groote steenen potten, waarvan het water iederen dag ververscht moet
-worden. De gevangen dieren worden gevoed met een zoetwaterplant (Pista
-natans); deze gewone spijs kan men echter zeer goed vervangen door
-voedsel, dat ook hier verkrijgbaar is: kool, salade, zuring, rapen,
-zemelen, brood, rijst, maïs, boonen en gekookte aardappelen; bovendien
-eet dit dier ook Wormen, Insecten, kleine Visschen en Vorschen,
-zelfs stukjes vleesch, hetzij rauw of toebereid. De pogingen om den
-Goerami, die wegens de taaiheid van zijn leven, de gemakkelijkheid,
-waarmede hij gevoed kan worden en de kwaliteit van zijn vleesch ten
-zeerste aanbeveling verdient, ook in andere landen te acclimatiseeren
-zijn velerwege (Penang, Malakka, Mauritius) uitmuntend geslaagd en
-doen elders (zelfs in Europa) een goeden uitslag verwachten.
-
-Ook de Goerami onderscheidt zich door de zorg, die de ouders voor de
-eieren en de jongen dragen. In een eivormig nest, dat in een hoek
-of tusschen waterplanten gebouwd wordt, legt het wijfje 800 à 1000
-eieren, die zich aanvankelijk met de bestanddeelen van hun nest voeden.
-
-
-
-De 18de onderorde van de Stekelvinnigen is die der Lintvisschen
-(Taeniiformes); zij vormen één gelijknamige familie (Trachypteridae)
-en kenmerken zich door een lang en hoog, zijdelings zeer samengedrukt
-en dus lintvormig lichaam met kleinen kop en groote, uitpuilende oogen;
-de mondopening is klein en kan tot een korten snoet verlengd worden;
-deze is tandeloos of met zwakke tandjes gewapend; de rugvin, die zich
-over de geheele rugzijde uitstrekt, wordt gesteund door ongelede
-stralen, behalve op den kop, waar zich buigzame stekels bevinden,
-die zich door een eigenaardigen vorm en een buitengewone lengte
-onderscheiden; de buikvinnen zijn een weinig achter de meestal zeer
-kleine borstvinnen aangehecht en soms sterk ontwikkeld; de aarsvin
-ontbreekt; de staartvin is onbeduidend en niet in de lengteas van
-het lichaam gelegen, maar naar boven gericht; de wervels zijn zeer
-talrijk. De huid bevat uiterst kleine schubben of is naakt.
-
-De Lintvisschen, waarvan 3 geslachten met 16 soorten onderscheiden
-worden, leven op aanzienlijke diepten en bewonen waarschijnlijk
-alle zeeën; slechts zelden en steeds in dooden toestand wordt er een
-enkel exemplaar van gevonden. Ten gevolge van de vermindering, die op
-de spankracht der gasvormige bestanddeelen van het lichaam bij den
-overgang uit de diepte naar de oppervlakte der zee ondergaat, zijn
-het spierweefsel en het van nature zacht en poreuze beenweefsel zoo
-onsamenhangend, dat het bijna niet mogelijk is dergelijke exemplaren
-onbeschadigd uit het water te halen; zij gaan zeer spoedig tot
-ontbinding over en kunnen dikwijls zelfs in spiritus niet goed bewaard
-worden. Van de levenswijze dezer dieren is niets bekend.
-
-
-
-Chipfish of "Spaanvisch" (Trachypterus arcticus) noemen de Engelschen
-een, naar het schijnt, uit noordelijke zeeën afkomstige Lintvisch,
-die herhaaldelijk aan de kusten van Groot-Brittannië, vaker evenwel
-aan die van Skandinavië en IJsland aangespoeld is, maar zoowel hier
-als daar zelden voorkomt. Deze Visch heeft bij een lengte van 150 een
-hoogte van 20 en een dikte van slechts 2 cM.; hij gelijkt dus werkelijk
-op een houtspaander. De kop en de romp zijn zilverwit, gene grijsachtig
-gemarmerd, deze aan weerszijden met twee schuins geplaatste, eivormige
-vlekken geteekend; de vinnen hebben een lichtroode kleur. De staartvin,
-die bij volwassen exemplaren slechts zelden aangetroffen wordt, is
-waaiervormig naar boven gericht. De buikvinnen zijn goed ontwikkeld,
-uit verscheidene min of meer vertakte stralen samengesteld. Aan de
-kusten van Europa en aan de westkust van Zuid-Amerika heeft men nog
-8 andere soorten van hetzelfde geslacht aangetroffen.
-
-
-
-Den 23en Februari 1788 strandde op de kust van Groot-Brittannië een
-Visch, die 2.5 M. lang, 24 cM. hoog, 6 cM. dik en 20 KG. zwaar was. Men
-noemde dit aan alle visschers onbekende dier Paddlefish (Riemvisch),
-omdat zijn vorm aan een roeiriem herinnerde. Een tweede exemplaar van
-dezelfde soort, ruim 4 M. lang, 30 cM. hoog en 8 cM. dik, werd den
-18en Maart 1796 gevonden. In 't geheel zijn van 1759 tot 1878 zestien
-Riemvisschen op de Britsche kust aangespoeld (één daarvan was 6 M. lang
-en slechts ongeveer 5 cM. dik); het is echter niet uit te maken, of
-zij alle tot dezelfde soort behooren als de eerstgenoemde. Bij deze
-(Regalecus Banksii) bedraagt de lengte van den kop 1/16, de hoogte
-van den romp 1/13 van de totale lengte. De snuit is afgeknot, de mond
-tandeloos, de bovenkaak verschuifbaar. De groote oogen zijn zijdelings
-voor en boven aan den kop gelegen en beslaan niet minder dan 1/6 van
-de lengte van den kop. Een vliezige zoom strekt zich uit langs den
-buik. Van de 264 à 290 rugvinstralen zijn de 12 à 15 eerste sterk
-verlengd, aan den top een weinig achterwaarts gebogen en hier voor
-een deel tot dubbele dikte verbreed; eenige daarvan zijn tot dicht
-bij de spits door een vlies vereenigd, de overige vrij; de korte
-stralen steunen een vinvlies van gelijkmatige hoogte; de borstvinnen
-zijn klein; elke buikvin bestaat uit één zeer langen en spitsen
-straal. De romp is met talrijke beenige schildjes bedekt, waarvan
-de grootste op vier langs de zijden van den romp hoekig uitpuilende
-kanten voorkomen en de overige onregelmatig verstrooid zijn. De teere,
-witte kleur vertoont een zilverachtigen glans; de teekening bestaat
-uit afgebroken, donkere strepen. De vinnen zijn oranjegeel.
-
-De zeldzaamheid van deze Visschen en de toestand, waarin zij bij
-het aanspoelen verkeeren, pleiten ten gunste van de onderstelling,
-dat zij in diepe lagen van de zee leven. In verband met de vroeger
-heerschende onjuiste meening, dat uit de IJszee de haringscholen
-afkomstig zijn, heeft men den Riemvisch ook wel "Haringkoning" genoemd,
-evenals de Zonnevisch.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE ORDE.
-
-DE KEELKAKIGEN (Pharyngognathi).
-
-
-Een betrekkelijk gering aantal Visschen (4 familiën met ongeveer 640
-soorten, die over 75 geslachten verdeeld zijn), onderscheiden zich
-van alle overige, doordat hunne onderste keelbeenderen vergroeid
-of althans door een naad onbeweeglijk verbonden zijn. Evenals bij
-de leden der vorige orde, zijn ook bij deze de voorste stralen
-van rug-, aars- en buikvinnen ongeleed, de tusschenkaaks- en
-bovenkaaksbeenderen beweeglijk, de kieuwen kamvormig. Ook bij hen is
-de zwemblaas steeds gesloten, staat niet door een luchtgang met het
-spijskanaal en dus met de buitenwereld in gemeenschap. Bij sommige,
-o.a. bij de Lipvisschen, zijn alle schubben cycloïd, bij andere
-komen geen andere dan kamschubben, bij nog andere, zoowel kam- als
-kringschubben voor. De meeste bewonen de zee; slechts één familie
-(Chromidae) bestaat uit tropische zoetwatervisschen. De zeebewoners
-geven de voorkeur aan plaatsen met rotsachtigen bodem en weligen
-plantengroei, omdat zij hier hun liefste voedsel, kleine Schaal- en
-Schelpdieren, vinden. Keelkakigen ontmoet men in grooten getale in
-de zeeën van alle aardgordels; bijzonder talrijk zijn zij echter op
-lagere breedten; men kan ze daarom meer bepaaldelijk Visschen van de
-tropische en subtropische zeeën noemen. Een belangrijke economische
-beteekenis hebben zij niet, ofschoon het vleesch van verscheidene
-soorten smakelijk wordt geacht.
-
-
-
-De kern der orde wordt gevormd door de 400 soorten omvattende familie
-der Lipvisschen (Labridae). Deze wijken in vorm weinig af van onze
-zoetwatervisschen, zijn met ronde schubben bekleed, hebben een rugvin,
-welker vinvlies in het (hoofdzakelijk door ongelede stralen gesteunde)
-voorste gedeelte tusschen de stekels gewoonlijk in spits toeloopende
-huidlobjes eindigt, borststandige buikvinnen, stompe, plaveiselvormige
-tanden of dwarsplaten in de kaken, een tandeloos gehemelte en langs de
-kaakranden de vleezige lippen, waaraan zij hun naam ontleenen. Deze
-over alle zeeën verbreide familie bevolkt ook de Europeesche kusten,
-meer bepaaldelijk die van de Middellandsche Zee en van de Noordzee
-op plaatsen waar de bodem rotsachtig en met planten begroeid is. Haar
-grootste vormenrijkdom openbaart zij echter in de heete zone en in de
-aangrenzende deelen van de beide gematigde aardgordels. Evenzeer als
-door hunne prachtige kleuren, waaraan zij den naam van "Zeepapegaaien"
-danken, trekken zij de aandacht door hun opgewektheid en bedrijvigheid,
-hoewel zij weinig rondzwerven, maar liefst in de onderzeesche wouden
-van de eene plant naar de andere zwemmen. De meeste soorten voeden
-zich hoofdzakelijk met Schelpdieren, die met de beweeglijke lippen
-van den zeebodem of van de waterplanten afgeplukt en met het hiervoor
-uitmuntend geschikte gebit zonder moeite verbrijzeld worden. Er zijn
-echter onder hen ook planteneters, die in den letterlijken zin van
-'t woord den zeebodem afgrazen, hoewel ook zij dierlijk voedsel
-niet versmaden. Bij 't naderen van den rijtijd, die gewoonlijk met
-de lente van het door hen bewoonde gebied samenvalt, vertoonen zij
-niet slechts de fraaiste kleuren, maar ook de meeste geschiktheid om
-plotseling van kleur te veranderen. Hun vleesch is buitengewoon en
-wordt weinig geacht.
-
-
-
-Van de 9 soorten van Lipvisschen i. e. z. (Labrus) is één (Labrus
-maculatus) soms (voor zoo ver bekend, slechts éénmaal) aan onze kusten
-gevangen. Deze 30 à 50 cM. lange Lipvisch bewoont de Middellandsche
-zee, de rotsachtige kusten van Groot-Brittannië, het noorden van
-Frankrijk, de Noordzee tot Bergen in Noorwegen en het westelijke
-deel van de Oostzee. Het lichaam, hoewel zijdelings samengedrukt,
-is tamelijk dik en langwerpig en bekleed met 45 dwarsrijen van
-tamelijk groote schubben. De kop heeft ongeveer het derde van de
-lichaamslengte zonder de staartvin. Aan weerszijden van elke kaak
-bevindt zich een reeks van ongeveer 10 kegelvormige, naar achteren in
-grootte afnemende tanden en verder binnenwaarts een geringer aantal
-kleinere. Twee rondachtige platen op het onparige keelgatsbeen zijn met
-kleine tanden geplaveid. De zijdestreep is onder het weekstralige deel
-van de rugvin eensklaps naar beneden gebogen, maar niet afgebroken. De
-fraaie, groenblauwe grondkleur van de bovendeelen wordt aan de zijden
-lichter, gaat op de onderdeelen in parelmoerachtig wit over en is
-op de vinnen door zuiver blauw vervangen. Op al deze deelen is zij
-afgebroken door een netvormige, roode of oranjekleurige teekening; de
-stralen van de borstvin zijn geelrood, de bovenlip en het inwendige
-van den mond rood; de onderkaak is wit. Van deze kleursverdeeling
-komen echter allerlei afwijkingen voor.
-
-
-
-De Veelkleurige Lipvisch (Labrus mixtus) wordt zelden langer dan
-30 cM. en komt, behalve in de Middellandsche Zee, zijn eigenlijk
-woongebied, ook aan de westkust van Europa (in de Noordzee,
-doch niet in de Oostzee) voor; aan onze kust werd hij nog niet
-waargenomen. Eigenaardig is bij deze soort het verschil in kleur
-van de mannetjes en de wijfjes: gene vertoonen op roodachtig bruinen
-grond prachtig blauwe, overlangsche strepen, dikwijls zoo sterk, dat
-deze kleur de overhand heeft; deze zijn op lichtrooden grond aan het
-achterste deel van den rug met drie donkere vlekken geteekend. Ook
-deze Visch kiest onderzeesche rotsen, op verschillende kusten al naar
-het jaargetijde, tot woonplaats uit en vertoeft hier bij voorkeur in
-spleten en gaten tusschen groote waterplanten. Kleine Schaaldieren
-maken zijn voornaamste voedsel uit; hij eet echter ook Visschen
-en lagere dieren. Evenals alle Lipvisschen hapt hij gretig naar
-het lokaas en is dus gemakkelijk te vangen; dit geschiedt evenwel
-nergens op groote schaal, daar zijn vleesch niet in den smaak valt en
-gewoonlijk alleen als lokaas voor het vangen van betere Visschen dient.
-
-In den Indischen Oceaan, o.a. bij Java, Sumatra en de Moluksche
-eilanden, doch ook bij Mauritius, leeft een 25 à 30 cM. lange Lipvisch,
-die zich door de groote verschuifbaarheid der kaken van al zijne
-verwanten onderscheidt: Epibulus insidiator, de eenige bekende
-soort van zijn geslacht, wordt door de Nederlanders in Oost-Indië
-de Roode Bedrieger, door de Franschen op Mauritius Filou genoemd
-wegens de wijze, waarop hij zijn prooi bemachtigt. Tusschen zeeplanten
-verborgen, wacht hij de voorbijzwemmende vischjes op en grijpt ze met
-de plotseling tot een buis verlengde kaken, welke nu langer zijn dan
-de kop. De tusschenkaaksbeenderen hebben namelijk lange stelen, die
-bij het verkorten van den bek in sleuven boven op den schedel liggen,
-doch, vooruitgeschoven, den snuit buisvormig verlengen. De banden, die
-den horizontalen tak van het tusschenkaaksbeen en het hiermede gelede
-jukbeen met het kieuwdeksel verbinden, trekken, zoodra de bovenkaak
-vooruitschuift, ook de onderkaak naar voren; zóó vormen beide de
-buis, aan welker einde zich de mondopening bevindt. Elke kaak is met
-één reeks van kleine tanden en met twee grootere of "hondstanden"
-gewapend. De bovendeelen van dezen Visch zijn rood, de zijden geel,
-wegens de groene randen der schubben met groenachtigen weerschijn,
-de rugvin en de aarsvin geel met groene golflijntjes, de overige
-vinnen geelachtig.
-
-
-
-Te recht heet de, zelden meer dan 18 cM. lange, Zeejonker (Coris
-julis) ook wel Regenboogvisch: de bovendeelen zijn groenachtig blauw,
-aan weerszijden in den regel met breeden, getakten, oranjekleurigen,
-overlangschen band, verder benedenwaarts op zilverwitten grond paars
-overlangs gestreept; de kop is bruingeel met blauwe en zilverwitte
-teekening; de rugvin heeft op marmerrooden grond purperkleurige
-vlekken; de overige vinnen zijn min of meer roodachtig blauw; al
-deze kleuren gaan zonder scherpe grenzen in elkander over. Tusschen
-met waterplanten begroeide klippen van de Middellandsche Zee en van
-den Atlantischen Oceaan algemeen, dwaalt hij soms naar de Britsche
-kusten af, voedt zich met Schaaldieren en jonge Visschen en schiet
-kuit in de lente. Met den hengel kan men hem gemakkelijk vangen.
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE ORDE.
-
-DE WEEKVINNIGEN (Anacanthini).
-
-
-De Weekvinnigen stemmen door hun inwendig maaksel met de Stekelvinnigen
-overeen; voorzoover zij een zwemblaas hebben, mist deze de luchtgang;
-zij hebben echter geen andere dan gelede vinstralen. Hunne buikvinnen,
-voor zoover aanwezig, zijn borst- of keelstandig. Hoewel deze orde
-slechts een gering aantal familiën bevat (6) en geen van deze uit meer
-dan 60 soorten bestaat (uitgezonderd de familie der Platvisschen, die
-er 200 heeft), is toch haar beteekenis voor de visscherij buitengewoon
-groot. Tot de Weekvinnigen behooren de smakelijkste en meest gezochte
-zeevisschen, waarmede de markt het geheele jaar door voorzien wordt;
-duizenden schepen worden uitgerust om deze behoefte te bevredigen;
-honderdduizenden menschen vinden hierdoor een bestaan. De vangst
-van Weekvinnige Visschen brengt ieder jaar grootere visschersvloten
-op bepaalde plaatsen bijeen dan voor eenigen anderen tak van het
-visschersbedrijf noodig zijn; voor haar trotseeren de visschers het
-afschuwelijkste weer. Met de hierdoor verkregen voedingsmiddelen wordt
-sedert eeuwen tusschen de meest van elkander verwijderde volken handel
-gedreven; gedurende dien tijd zijn vischvangst en vischhandel voor
-sommige gewesten en landen de belangrijkste bronnen van inkomsten
-geweest; zij zullen hun welvaart blijven verschaffen, zoolang er
-nog vastenspijzen voorgeschreven en gebruikt worden. De Weekvinnigen
-worden in twee onderorden verdeeld: de Schelvischachtigen (Gadoidei)
-en de Platvischachtigen (Pleuronectoidei).
-
-
-
-Het doolhof van eilandjes en klippen, die langs de kust van Noorwegen,
-als 't ware een dichten krans vormen, maakt op den reiziger, die
-noordwaarts stevent, vooral dan een zeer eigenaardigen indruk,
-als hij de hooge breedten bereikt, waar gedurende de zomermaanden
-de middernachtzon uren achtereen de bergen verlicht, waar gedurende
-de wintermaanden de opkomst van de zon op lagere breedten slechts
-door een schemerlicht in 't zuiden wordt aangekondigd. De verder
-zuidwaarts gelegen groote eilanden, die zelden een hoogte van meer
-dan 100 M. boven den zeespiegel bereiken, hebben in 't noorden plaats
-gemaakt voor eilandjes van aanmerkelijk geringeren omvang, die zich
-1000 M. ver en hooger boven de golven verheffen; reeds op grooten
-afstand ziet men hunne besneeuwde toppen en de van hier als breede
-zilveren banden naar zee afdalende gletschers scherp afsteken bij
-den donker gekleurden rotsachtigen bodem. De mijlenbreede zeearm,
-die deze eilanden, de Lofodden, van het vasteland scheidt, heeft,
-ondanks den sterken stroom die er gaat, het voorkomen van een rustige
-binnenzee in vergelijking met de bijna altoos onstuimige IJszee.
-
-Hoewel deze zee en hare tallooze eilanden de praal van het zuiden
-missen, zijn zij volstrekt niet van schoonheid ontbloot. Vooral in
-de uren omstreeks middernacht oefenen zij een bijna onweerstaanbare
-bekoring uit, wanneer de zon laag, maar groot en bloedrood boven den
-horizon staat en haar als 't ware omsluierde glans zich weerspiegelt in
-de zee en in de ijsmassa's, die de bergen bedekken. Veel dragen hiertoe
-bij de overal verstrooide "hofsteden", houten woningen met muren van
-planken en een dak van zoden, die nu met een zonderlinge, bloedroode
-kleur prijken. Tusschen deze eilanden zijn de rijkste vischgronden
-van Skandinavië gelegen; de bedoelde hofsteden zijn pakhuizen, bestemd
-voor het bergen van de schatten, die aan de zee ontwoekerd worden.
-
-In het midden van den zomer zijn deze streken eenzaam en verlaten;
-gedurende den winter wemelen de eilanden en de zee van schepen en
-booten en van bedrijvige menschen. In den zomer zitten millioenen
-Vogels op de hellingen naar het water te turen; in den winter zijn aan
-den voet van dezelfde hellingen duizenden arbeidzame menschenhanden
-dag en nacht in beweging. Omstreeks de kerstdagen stroomt de
-visschersbevolking van de geheele kust hierheen en kunnen de hofsteden,
-hoe ruim zij ook zijn, alle gasten niet bergen. Deze huizen voor een
-groot deel op de schepen of in kleine, haastig opgeslagen hutten,
-hoewel slechts een beperkt aantal manschappen aan land vertoeft,
-de meeste op zee rondzwalken en zich met de vischvangst bezighouden.
-
-Maandenlang houdt deze bedrijvigheid aan; intusschen wordt op de
-Lofodden voortdurend markt gehouden. Met de visschers zijn hier
-opkoopers en handelaars verschenen; de schepen bestemd voor het
-wegvoeren van den oogst der noordelijke zeeën hebben er de producten
-van het zuiden gebracht. Niet voordat de zon zich op nieuw aan den
-zuidelijken hemel vertoont en ook aan deze gewesten de lente brengt,
-wordt het er stiller. Van de kiel tot aan het dek volgeladen, verlaten
-achtereenvolgens alle schepen de kusten der Lofodden en keeren naar
-het zuiden terug; vóór de komst van de zeevogels op de vogelbergen
-hebben de menschen zich van hun voet verwijderd.
-
-Een soortgelijke drukte verlevendigt ongeveer terzelfder tijd aan de
-tegenovergestelde zijde van den Oceaan de Bank van Newfoundland, met
-dit onderscheid echter, dat hier alle volken van het noorden, die zich
-met de vischvangst bezighouden, bijeenkomen, terwijl de vischvangst
-tusschen de Lofodden hoofdzakelijk alleen door Skandinaviërs wordt
-uitgeoefend. Van Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland,
-Noord-Amerika, enz. zetten ieder jaar vele duizenden vaartuigen
-koers naar de Bank van Newfoundland, waar zich een leger van meer
-dan 100.000 stoere zeelieden verzamelt.
-
-Terwijl de visschers in de nabijheid van de Lofodden en van
-Newfoundland op deze wijze hun bedrijf uitoefenen, zijn hunne
-beroepsgenooten met nog grooter ijver dan in de andere maanden
-van het jaar bezig op de westkust van Frankrijk, bij de kusten
-van België, Nederland, Duitschland, Jutland, de Britsche eilanden
-en in het noorden van den Atlantischen Oceaan bij de bank, die de
-Rockall-rotsen, ten westen van de Hebriden, omgeeft. Overal, waar
-uitzicht op winst bestaat, nu eens hier, dan weer daar, met meer of
-minder succes, verrichten deze tegen weer en wind geharde menschen,
-aan tal van gevaren en ontberingen blootgesteld, een moeitevollen
-arbeid ter wille van de vangst van een enkele vischsoort. Deze hoogst
-belangrijke zeevisch, de Kabeljauw, wordt sedert meer dan 3 eeuwen
-onophoudelijk met ijver vervolgd; zijn vangst heeft aanleiding gegeven
-tot bloedige oorlogen; hoewel er ieder jaar meer dan honderd millioen
-exemplaren worden buitgemaakt, is hij nog steeds talrijk, daar zijn
-ongeloofelijke vruchtbaarheid de gapingen, die de menschen te midden
-van zijne voor geen schatting vatbare heirscharen teweegbrengen,
-tot dusver altijd weder gevuld heeft.
-
-De familie der Schelvisschen (Gadidae), waarin aan den Kabeljauw
-wegens zijn belangrijkheid voor de visscherij de eereplaats toekomt,
-kenmerkt zich door een meer of minder langwerpig lichaam, met kleine,
-zachte, aan den rand getande schubben bekleed, uitgerust met 1, 2 of 3
-rugvinnen, met kleine keelstandige buikvinnen, met 1 of 2 aarsvinnen en
-een breede, min of meer uitgesnedene, zelden afgeronde staartvin. De
-kaken, de top van het ploegschaarbeen, bij enkele soorten ook de
-gehemeltebeenderen zijn met kleine, hekelvormige tanden gewapend.
-
-
-
-Een middelmatig lang, met kleine schubben bekleed lichaam, een
-smalle, tandendragende streep aan de bovenkaak, geen tanden aan
-de gehemeltebeenderen, maar vooral het bezit van drie rug- en twee
-aarsvinnen, die duidelijk gescheiden zijn van de staartvin, zijn de
-kenmerken van het geslacht der Schelvisschen (Gadus), dat wij in twee
-ondergeslachten verdeelen. Door het bezit van één voeldraad achter de
-spits van de onderkaak, welke een weinig korter is dan de bovenkaak,
-kenmerkt zich het ondergeslacht der Dorschen (Morrhua) en dus ook de
-Kabeljauw of Dorsch (Gadus morrhua). Deze Visch kan 1 à 1.5 M. lang en
-40 KG. zwaar worden; hij is op grijsachtig olijfkleurigen grond met
-talrijke, kleine, onregelmatige en dikwijls onduidelijke, bruine of
-geelachtige vlekken gestippeld; de vinnen zijn bruin; de zijdestreep
-is wit en de witte buik ongevlekt.
-
-De genoemde kleursverdeeling is de meest gewone bij de exemplaren,
-die in de Noordzee en aan de Britsche kusten gevangen worden. Verder
-noordwaarts hebben donkerder kleuren, dikwijls zonder eenige vlekken,
-de overhand. De teekening is bij de oude dieren veel minder duidelijk
-en bepaald dan bij de jongen, die daarom soms met een bijzonderen
-naam (Dorsch) bestempeld worden (maar aan onze kust niet menigvuldig
-voorkomen). Bovendien merkt men vele kleursverscheidenheden op, die,
-evenals de streek, waar de Visch gevangen wordt, aanleiding gegeven
-hebben tot verschillende namen; in Noorwegen b.v. spreekt men van
-"Grauwtorsch", "Zwarttorsch", "Bergtorsch", enz. Kolvisch heeten bij
-ons de exemplaren, die ver van de kust gevangen worden; Dogge is een
-verouderde naam van dit dier.
-
-De Kabeljauw bewoont het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan
-en de aangrenzende gedeelten van de IJszee en komt vooral tusschen
-50 en 75° N.B. in zeer grooten getale voor; de zuidgrens van zijn
-verbreidingsgebied ligt ongeveer op 40° N.B.; in de Middellandsche
-Zee ontbreekt hij dus geheel. Als zijne eigenlijke verblijfplaatsen in
-de genoemde zeeën moet men de onderste waterlagen tot op ongeveer 120
-vademen diepte aanmerken; naar ondiepere bochten en naar banken, die
-betrekkelijk dicht bij den waterspiegel gelegen zijn, zooals die van
-Newfoundland en Rockall, begeeft hij zich alleen ter voortplanting. Ook
-dan echter vermijdt hij ondiepten en kiest bij voorkeur plaatsen van
-25 à 40 (of 50) M. diepte voor het kuitschieten uit. Misschien is geen
-enkele Visch vruchtbaarder dan de Kabeljauw; Leeuwenhoek berekende het
-aantal eieren door hem in één kuiter gevonden op 9 millioen; Braydley
-schat het op minstens 4 millioen. De rijtijd van dezen Visch valt
-in het oostelijk gedeelte van zijn verbreidingsgebied vroeg in het
-voorjaar, n.l. in Februari; reeds in het begin van Januari beginnen
-de Kabeljauwen hier naar de kusten te zwemmen. Aan de westzijde van
-den Atlantischen Oceaan geschiedt dit eerst later, in Mei en Juni; de
-oorzaak van dit verschijnsel is ongetwijfeld, dat hier niet, gelijk bij
-ons, de Golfstroom zijn opwekkenden invloed op de zeedieren uitoefent
-en de ontwikkeling hunner jongen bespoedigt. Deze zijn een half jaar
-later ongeveer 20 cM. lang en in het derde levensjaar geslachtsrijp. De
-kuitschietende Visschen verschijnen in tallooze menigte, "bij bergen",
-zegt de Noor op kernachtige wijze, d. w. z., in dicht opeengedrongen
-scholen, die verscheidene meters hoog boven elkander zwemmen en een
-ruimte van 1 zeemijl of meer innemen; zij trekken naar de kust of naar
-een zandbank, vertoeven hier verscheidene dagen, worden aanhoudend
-door nieuwe exemplaren vervangen en verdwijnen daarna allengs weer.
-
-Gedurende den voortplantingstijd heeft de vangst plaats, die wegens de
-vraatzucht van den Kabeljauw een rijke opbrengst levert. Deze Visch,
-wiens gewone voedsel uit Visschen, Schaal- en Schelpdieren bestaat,
-verslindt al wat hij meent te kunnen bemachtigen, hapt er althans naar,
-zelfs naar volkomen oneetbare voorwerpen, die door hun glinsteren
-of op andere wijze zijn aandacht trekken. In de Oostzee verschijnt
-de Dorsch overal in 't gevolg van den Haring; hij vult echter zijn
-steeds hongerige maag in geval van nood ook wel tot barstens toe
-met Stekelbaarzen, zoekt Schaal- en Schelpdieren op, verzwelgt zelfs
-planten en spaart zijne eigene jongen niet.
-
-"De kabeljauwvangst der Nederlanders wordt langs de kust, op
-Doggersbank en in het algemeen in de Noordzee uitgeoefend, slechts
-eenige schepen gaan thans tot de Fär-eilanden en IJsland. De vaart op
-Kabeljauw naar laatstgenoemde gewesten draagt den naam van "IJslandsche
-visscherij", die in het ruime sop der Noordzee heet de "beug"- en
-"kolvaart". De "beugvaart" of "beugvisscherij", die men gemeenlijk
-ook de "winter-kabeljauwvisscherij" noemt, omdat zij in den winter
-uitgeoefend wordt, ontleent haar naam aan het daarbij gebruikelijke
-"hoekwant" (de "beug"). De "kolvaart" of "kolvisscherij", die in het
-voorjaar plaats heeft, werd oorspronkelijk zoo genoemd, omdat men den
-Kabeljauw aan lijnen vangt, die van Hollandschen "kol", een soort van
-hennep, gemaakt zijn. De zoogenaamde "versche vischvangst" heeft in de
-nabijheid van de kust plaats. De kabeljauwvaart levert ook, ofschoon
-in veel geringere hoeveelheid, Schelvisch, Leng, Koolvisch en Bot"
-(Schlegel).
-
-Op de Noorsche kust maakt men voor de kabeljauwvangst gebruik van
-netten; op alle overige plaatsen daarentegen bezit men hiervoor
-niet anders dan de "grondlijn" en de "handlijn", die beide ook op de
-Lofodden een belangrijke rol spelen. De "grondlijn" is een dik touw
-van ongeveer 200 M. lengte, waaraan zich ongeveer 1200 hengelsnoeren
-met haken bevinden. Zij wordt uitgeworpen en om de 6 uren opgehaald,
-de gevangene Visschen er afgenomen, het verbruikte aas vervangen en
-de lijn opnieuw gelegd. In den tusschentijd wordt met de handlijn
-gevischt; iedere visscher heeft er één in de hand, die hij schielijk
-ophaalt, zoodra het blijkt, dat er een Visch aanzit, en onmiddellijk
-weer uitwerpt. Wegens de ontzaglijke groote menigte Visschen komt het
-niet zelden voor, dat iedere hengelaar in de boot 300 à 400 exemplaren
-op één dag vangt.
-
-Onmiddellijk na de vangst wordt de buit toebereid. In de eerste
-plaats wordt de kop afgesneden en in een afzonderlijke ton of tobbe
-geworpen, daarna de ingewanden er uitgehaald en het overblijvende
-met eenige vlugge en behendige sneden tot aan de staartvin in twee
-helften verdeeld; zeer groote exemplaren splitst men ook wel in 4
-deelen. De lever komt in een afzonderlijk vat, de kuit in een ander;
-de overige ingewanden worden stukgesneden en hetzij dadelijk of
-althans spoedig als lokaas gebruikt. Gedurende de wintervisscherij
-wordt alle Kabeljauw, op de Lofodden althans, in den eersten tijd tot
-"stokvisch" verwerkt, d. i. gedroogd. Met de talrijke stokken en aan 't
-einde gevorkte palen, die ieder groot schip aan boord heeft, worden de
-reeds aan land aanwezige, vaste stellages uitgebreid. De Kabeljauwen,
-in zeewater gewasschen en tot aan de staartvin doorgesneden, worden
-hieraan te drogen gehangen, op de meeste eilanden in de open lucht,
-hier en daar ook wel onder afdaken, die aan de luchtstroomen vrijen
-doorgang verleenen. Als de weersgesteldheid niet bijzonder gunstig is
-geweest, ziet men de stellages nog in Juli volgeladen. Eerst nadat
-de stokvisch zoo droog als hout geworden is, brengt men hem in de
-pakhuizen, als brandhout tot bundels gebonden, die hier opeengestapeld
-blijven tot den tijd der verzending. In buitengewoon gunstige jaren,
-als alle stellages vol hangen, verwerkt men de laatst gevangen
-exemplaren tot "klipvisch". Te dien einde worden de Kabeljauwen
-langs de ruggegraat middendoor gedeeld, eerst eenige dagen in groote
-kuipen gezouten en daarna op de klippen neergelegd om te drogen;
-soms worden zij ook wel versch op de klippen uitgespreid en hier met
-zout bestrooid. Als men vaten genoeg aan boord heeft, maakt men van
-een groot deel van de vangst "labberdaan" of "zoutevisch", door de
-vaten te vullen met afwisselende lagen van stukgesneden Kabeljauw
-in zout en vervolgens dicht te kuipen. In het noorden van Noorwegen
-of in Finland komen gedurende de vangst geregeld Russische schippers
-uit Archangel, die op echt Russische wijze, alle tonnen versmadend,
-de door hen gekochte Kabeljauwen en andere Visschen zonder eenige
-toebereiding in het ruim van hun vaartuig werpen, zout strooien
-tusschen de opeenvolgende lagen en de geheele massa met hunne
-juchtleeren laarzen vaststampen.
-
-"De zoogenaamde "wangen", gevormd door de slaapspier en de uitwendige
-laag der kauwspier worden afzonderlijk ingezouten en onder den naam
-van "kibbelen" of "kibbeling" in den handel gebracht. Hetzelfde heeft
-plaats met de zoogenaamde "lippen" en "kelen", zijnde de lippen het
-paar kintongbeenspieren, de kelen het paar borsttongbeenspieren. De
-kibbeling is minder geacht dan de gewone labberdaan; de lippen en de
-kelen gelden voor de fijnste deelen van de Kabeljauw" (Schlegel). De
-koppen dienen in Noorwegen bijna uitsluitend als veevoeder. De levers
-worden bij het einde van de vangst in groote kuipen overgebracht,
-die dikwijls midden in de steden staan, tot verdriet van de bewoners
-van zuidelijker landen, die een teergevoeliger reukorgaan schijnen te
-hebben dan de Noren. Terwijl de inhoud der kuipen onder het verbreiden
-van een ondragelijken stank verrot, scheidt een olieachtig vet, de
-"levertraan", zich uit de rottende massa af en wordt van tijd tot
-tijd er afgeschept; men zuivert het, door het te laten bezinken
-en te filtreeren, en pakt het, naar gelang van de kwaliteit, in
-verschillende vaten. De beste levertraan is natuurlijk die, welke
-zich gedurende de eerste dagen van het rottingsproces afscheidt;
-de slechtste wordt door het afkoken van de overblijfselen verkregen.
-
-"De kuit van den Kabeljauw gebruikt men aan de noordkust van Frankrijk
-tot de vangst der Sardijn (Clupea sardina); er worden te dien
-einde uit ons land, maar vooral uit Bergen in Noorwegen, jaarlijks
-duizenden tonnen van deze kuit naar Nantes gezonden, welker waarde
-een niet onaanzienlijk deel van de opbrengst der kabeljauwvisscherij
-uitmaakt. In IJsland, Schotland, Engeland en Newfoundland wordt uit
-de zwemblaas van den Kabeljauw een uitstekende vischlijm gekookt"
-(Schlegel).
-
-Ook nog na den eigenlijken vangtijd worden op de Lofodden nog
-voortdurend Kabeljauwen of, zooals men daar zegt, Dorschen buitgemaakt
-en al naar de weersgesteldheid op de eene of andere der bovengenoemde
-wijzen toebereid. Op de vangst en de toebereiding van den Visch
-op de Newfoundlansche Bank is de bovenstaande beschrijving, wat de
-hoofdzaken betreft, eveneens toepasselijk.
-
-In het jaar 1861 werden op de Lofodden door meer dan 20000 menschen,
-die ongeveer 5000 vaartuigen bemanden, meer dan 9 millioenen
-Kabeljauwen gedroogd, even zoovele werden tot klipvisch en labberdaan
-verwerkt en omstreeks 1 millioen in verschen toestand gegeten. De
-beste vischplaatsen van Europa zijn gelegen bij de twee grootste der
-6 groote Lofoddeneilanden, n.l. bij Oost- en West-Vaagö (die samen
-een oppervlakte van bijna 1000 KM2 hebben). Reeds ten tijde van Olaf
-den Heiligen (in 1020) kwamen alle Noorsche visschers hier Kabeljauw
-(Skrei) en Haring vangen. Toch is geen vermindering van den rijkdom
-van dit vischwater waar te nemen. In 1892 werd het bezocht door 30092
-visschers in 7148 booten, die in 't geheel 16 millioen Kabeljauwen
-vingen; in 1888 was dit getal 26 millioen. Geheel Noorwegen leverde
-in 1890 63 1/2 millioen Kabeljauwen: in de laatste 24 jaren gemiddeld
-52 millioen per jaar; de waarde van den uitvoer van de producten der
-kabeljauwvisscherij uit Noorwegen bedroeg 35 millioen kronen. Jaarlijks
-komen op de wereldmarkt gemiddeld 150 millioen gedroogde en gezouten
-Kabeljauwen. In Europa houden zich meer dan 100000 menschen met deze
-vischvangst bezig, terwijl in Noorwegen alleen 125000 menschen direct
-of indirect hierdoor in hun onderhoud voorzien.
-
-Nog veel belangrijker is de kabeljauwvisscherij in de buurt van
-Newfoundland. De groote bank, die aan de oost- en zuidoostzijde
-van dit eiland ligt, heeft een oppervlakte van 120000 KM2. en is
-bedekt met een waterlaag van 45 à 175 M. diepte. Reeds in het begin
-van deze eeuw werden hier meer dan 300 millioen Kabeljauwen gevangen
-(bovendien in de Golf van St. Laurens 100 millioen). De waarde van alle
-uitvoerartikelen van Newfoundland bedroeg in 1891 7.4 millioen dollars,
-waarbij voor 5.3 millioen dollars aan Kabeljauw. 54755 van de 202040
-inwoners van dit eiland houden zich met de vischvangst bezig. De totale
-opbrengst van de kabeljauwvisscherij in Canada bedroeg in 1891 3.82
-millioen dollars, waarvan het grootste deel op Nieuw-Schotland komt.
-
-Hiermede vergeleken, is de kabeljauwvangst in de Noordzee van geringe
-beteekenis. In de Oostzee is men eerst in den laatsten tijd begonnen
-den Dorsch, die hier soms in aanzienlijke getale voorkomt, de aandacht
-te schenken, die hij verdient; tot dusver is deze visscherij hier
-van weinig belang.
-
-Geen zeevisch geraakt gemakkelijker gewoon aan het opgesloten zijn in
-een beperkte ruimte en neemt eerder het voedsel voor lief, dat hem
-hier gegeven wordt; geen zeevisch eet meer en groeit sneller dan de
-Kabeljauw. Als men hem een voldoende hoeveelheid voedsel verschaft
-en het water in den als aquarium dienenden bak koel en frisch houdt,
-gedijt hij voortreffelijk en blijft verscheidene jaren leven, al is
-zijn woning hem blijkbaar te klein. In den laatsten tijd heeft de
-commissie voor de visscherij in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika
-van de kunstmatige vischteelt gebruik gemaakt om den Kabeljauw ook
-in zuidelijker zeeën te acclimatiseeren, o.a. in de Chesapeake-baai
-tusschen Virginia en Maryland.
-
-
-
-Onze Schelvisch (Gadus aeglefinus) onderscheidt zich van den Kabeljauw
-door geringere grootte, een meer langwerpige gedaante, het spitser
-toeloopen van de eerste rugvin en een andere kleur. De rug is
-bruinachtig; de zijden zijn zilvergrijs, de zijdestreep en een vlek
-tusschen de borstvin en de eerste rugvin zwart. Op onze breedtegraad
-wordt hij 50 à 60 cM. lang en 6 à 8 K.G. zwaar; in noordelijker zeeën
-komen exemplaren voor, die de helft grooter zijn.
-
-Het verbreidingsgebied van den Schelvisch komt over 't geheel genomen
-overeen met dat van den Kabeljauw. In de Noordzee is hij nergens
-zeldzaam, op vele plaatsen zelfs zeer overvloedig; in de Oostzee
-daarentegen ontmoet men hem betrekkelijk zeer zelden. Ook deze soort
-vormt tallooze scholen, die bijna voortdurend rondzwerven. De reden
-hiervan schijnt te zijn, dat iedere school den voedselvoorraad van
-een bepaald gedeelte der zee geheel uitput, hier even verwoestend te
-werk gaat als sommige landdieren op het door hen bewoonde terrein;
-zij blijft rooven in een betrekkelijk kleinen kring, totdat alle hier
-aanwezige, vastzittende Schaal- en Schelpdieren verbruikt en alle voor
-haar voeding geschikte vischjes gedood of verjaagd zijn. Gewoonlijk
-blijven de Schelvisschen op een afstand van 4 à 5 zeemijlen van de
-kust; in Februari en Maart, hun rijtijd, komen zij echter ook dicht
-bij het strand voor en worden dan in grooten getale gevangen. Vooral in
-sommige jaren is deze vangst zeer overvloedig, o. a. in 1850 en 1851,
-toen alleen bij Zoutkamp in de provincie Groningen in het eerste jaar
-300,000, in het tweede 250,000 Schelvisschen gevangen werden.
-
-Voor de vangst van Schelvisch gebruikt men in de Noordzee hoofdzakelijk
-de handlijn en de beug, bij uitzondering ook groote sleepnetten. In
-de Groenlandsche zee echter vangt men hem dikwijls met geringe moeite
-na het hakken van gaten in het ijs, die door dezen Visch opgezocht
-worden, omdat het water hier meer lucht bevat en dus geschikter is voor
-de ademhaling. Zijn vleesch is wit, vast, smakelijk en gemakkelijk
-verteerbaar; het wordt boven dat van den Kabeljauw gesteld, maar is
-voor de stokvischbereiding minder geschikt. Toch drogen onze visschers
-de Schelvisschen soms, zoowel voor eigen gebruik als voor den uitvoer
-naar België. Ook door het "strippen" maken zij ze bij overvoerde markt
-voor de verzending naar binnen- en buitenland geschikt; in dit geval
-wordt de Visch na het opensnijden van den buik en het uithalen van
-de ingewanden, met zout bestrooid (Van den Ende).
-
-
-
-Veel zeldzamer dan de beide vorige soorten, en nooit, zooals deze, in
-groote scholen, vertoont de (kleinere) Steenbolk, ook Bolk of Boelk
-genaamd (Gadus luscus), zich aan onze kusten. Hij wordt ongeveer 35
-cM. lang en is gemakkelijk te herkennen aan de zwarte vlek op den
-wortel van de borstvinnen. De naar geelrood zweemende, bruine kleur
-der bovendeelen wordt op de zijden allengs lichter en op den buik wit.
-
-Nauw verwant aan deze soort, maar nog kleiner is de Dwergbolk (Gadus
-minutus), die eveneens in de Noordzee, doch aan onze kust, naar het
-schijnt, niet voorkomt, zelden langer dan 18 cM. of zwaarder dan 200
-gram wordt en de genoemde zwarte vlek mist. In de Middellandsche Zee
-vangt men hem soms in zeer grooten getale. Ofschoon eetbaar, zijn
-deze beide soorten als voedsel voor den mensch van weinig beteekenis;
-soms gebruikt men ze als lokaas voor het vangen van andere Visschen.
-
-
-
-Door het gemis van den voeldraad aan den snuit onderscheidt zich het
-ondergeslacht der Wijtingen (Merlangus).
-
-De Wijting (Gadus merlangus), waaraan deze groep haar naam ontleent, is
-vrij veelvuldig aan onze kust en wordt dikwijls in de nabijheid van het
-strand gevangen. De visschers langs de kust van Noord- en Zuid-Holland
-noemen de niet geheel volwassen exemplaren van deze soort Mooie Meisjes
-en de jongen Molenaar. Ten onrechte heet de Wijting ook wel "Bolk"
-(Van Bemmelen). Evenals bij de leden van het vorige ondergeslacht
-steekt ook bij hem de bovenkaak voorbij de onderkaak uit. Zijn
-lengte bedraagt 30 à 40 cM.; zelden wordt hij 3 KG. zwaar. De bleek
-roodachtig bruine, naar aschgrauw zweemende kleur van de bovendeelen
-gaat op de zijden en aan den buik in zilverwit over. Aan en boven
-den wortel der buikvinnen komt een zwarte vlek voor. Deze Visch is
-aanmerkelijk slanker gebouwd dan de andere leden van zijn geslacht.
-
-In de West-Europeesche zeeën is de Wijting nergens zeldzaam; toch
-wordt hij in de Noordzee en de Oostzee minder overvloedig gevonden
-dan de Schelvisch en de Kabeljauw, en nooit in zoo groote scholen als
-deze. De Orkaden liggen, naar het schijnt, op de noordelijke grens
-van zijn verbreidingsgebied, dat zuidwaarts tot aan de Portugeesche
-kust reikt. Gedurende den voortplantingstijd, in Januari en Februari,
-vormen de Wijtingen scholen, die tot op een afstand van een halve
-zeemijl de kust naderen. Hun voedsel bestaat uit Schaaldieren, Wormen,
-vischkuit, vischbroed en vischjes tot aan de grootte van den Pelser
-(Clupea pilchardus). Om de laatstgenoemde prooi te verkrijgen,
-verlaten zij zelfs hunne lievelingsplaatsen op zandige gronden. Ook
-zij worden hoofdzakelijk aan de lijn, zelden met netten gevangen. In
-Groot-Brittannië geschiedt dit het geheele jaar door opzettelijk,
-vooral gedurende den rijtijd. Hun vleesch is wit en smakelijk, wordt
-bij voorkeur versch gegeten en dan boven dat van den Schelvisch
-verkozen. Daar men hen soms in zoo grooten overvloed vangt, dat het
-niet mogelijk is koopers voor de versche visch te vinden, wordt deze
-veelvuldig gedroogd of gezouten; hierdoor verliest zij hare goede
-eigenschappen in nog hoogere mate dan de Kabeljauw. In Engeland wordt
-dit product veel als scheepskost gebruikt; het vindt dus onder de
-zeelieden, zoo niet liefhebbers, dan toch eters.
-
-
-
-De naaste verwanten van den Wijting, de Koolvisch (Gadus carbonarius),
-en de Pollak (Gadus pollachius), hebben beide de onderkaak langer
-dan de bovenkaak; vooral bij den Pollak is dit duidelijk. Deze heeft
-zwartgroene of donkergrijsbruine bovendeelen, welke kleur bovenaan op
-de zijden in wolkvormige vlekken eindigt en verder naar beneden plaats
-maakt voor het geelachtige zilverwit der overige lichaamsdeelen;
-de vinnen zijn roodbruin, de oogen roodgeel. De donker gekleurde
-zijdestreep is tegenover het einde van de eerste rugvin eensklaps
-naar beneden gebogen.
-
-Daar de Pollak aan rotsachtige kusten de voorkeur geeft en zijn
-standplaats niet dikwijls verlaat, komt hij bij ons zelden voor,
-hoewel men hem langs de geheele kust waargenomen heeft. Hij bewoont de
-Noordzee, de kust van Noorwegen tot in het Kattegat en is het geheele
-jaar door menigvuldig aan de kusten van Groot-Brittannië. Zijn voedsel
-bestaat uit allerlei kleine Visschen. Bij ons bereikt hij in den regel
-geen grootere lengte dan 50 cM.; hij kan echter 1.2 M. lang worden.
-
-De Koolvisch behoort in meer noordelijke zeeën thuis, hoewel hij ook
-nog in den Atlantischen Oceaan, de Noordzee en zelfs in de Oostzee
-aangetroffen wordt. Bij IJsland, Groenland en Finland is hij niet
-zeldzaam, bij Spitsbergen wel niet de eenige, maar toch de meest in
-'t oog vallende en veelvuldigste vischsoort. In westelijke richting
-strekt zijn verbreidingsgebied zich tot aan de Vereenigde Staten
-uit. "Gedurende de "kolvaart" in de Noordzee en de zoogenaamde
-IJslandsche visscherij, die beide Kabeljauw als hoofdproduct leveren,
-worden ook Koolvisschen door onze visschers gevangen, maar slechts
-in naar evenredigheid geringen getale. Aan onze kust treft men in den
-regel slechts enkele niet volwassen exemplaren aan" (Schlegel). Deze
-jongen zijn bekend onder den naam van Groene Schelvisch. De bovendeelen
-van den volwassen Koolvisch zijn zwartbruin, min of meer zweemend
-naar olijfgroen, de zijden donkergrijs, de onderdeelen wit; de
-nagenoeg rechte zijdestreep is wit en komt op de donkere grondkleur
-duidelijk uit. De buik- en aarsvinnen zijn licht grijsachtig, alle
-overige vinnen blauwachtig zwart. Het oog is zilverwit, de huid in de
-mondholte zwart. Bij de jongen zijn alle kleuren lichter en zweemen
-meer naar olijfgroen.
-
-Het vleesch van dezen 40 à 100 cM. langen Visch is veel geringer van
-kwaliteit dan dat van de meeste andere leden van zijn geslacht; vooral
-dat van de oude dieren wordt zeer weinig geacht en daarom in den regel
-tot stokvisch of klipvisch verwerkt. Op de kusten van Nordland zijn
-zij zeer talrijk en gemakkelijk te vangen; het is voorgekomen, dat
-de vangst van 4 visschers binnen weinige uren 24 centenaars bedroeg.
-
-Als verblijfplaats kiest de Koolvisch liefst een rotsachtigen
-grond van niet al te groote diepte, o.a. klippen te midden van de
-branding. Evenals sommige andere roofvisschen, komt hij aan den
-kost door op eene beschutte plaats te wachten tot de stroom hem een
-levenden of dooden buit toevoert. Gedurende den rijtijd van kleinere
-Visschen, vooral van Haringen, heeft zijn jacht bijna uitsluitend de
-vangst van deze dieren ten doel; voor 't overige eet hij hoofdzakelijk
-Schaaldieren, soms ook Schelpdieren.
-
-
-
-De naam Stokvisschen, die men in 't dagelijksch leven alleen gebruikt
-tot aanduiding van gedroogde Kabeljauwen, wordt ook gegeven aan een 3
-soorten omvattend geslacht van zeebewoners, die aan de Schelvisschen
-nauw verwant zijn (Merluccius). Zij hebben een platten kop; het
-langwerpige lichaam is bedekt met grootere schubben dan bij de andere
-inheemsche familieleden voorkomen; het draagt twee rugvinnen, waarvan
-de achterste, evenals de onverdeelde aarsvin, meer dan de helft van
-den romp inneemt; de tanden zijn betrekkelijk groot en nagenoeg op
-één rij geplaatst; de voeldraden ontbreken. De meest bekende (en
-eenige inheemsche) vertegenwoordiger van dit geslacht is de Stokvisch
-(Merluccius vulgaris). Hij kan ongeveer 120 cM. lang en 16 KG. zwaar
-worden. De bruingrijze kleur van den rug wordt op de zijden lichter en
-gaat aan den buik in zilverwit over; de bovenste vinnen zijn donker-,
-de onderste lichtbruin.
-
-De Stokvisch behoort tot de algemeenste en belangrijkste Visschen van
-de Middellandsche Zee, maar is ook over het noordelijke deel van den
-Atlantischen Oceaan verbreid; in de nabijheid van de Europeesche
-kusten, vooral in de Britsche en Scandinavische wateren, komt
-hij veelvuldig voor. Daar hij zich bij voorkeur op zandbanken aan
-rotsachtige kusten ophoudt, ontmoet men hem zeer zelden in de zee, die
-Nederland bespoelt. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Makreelen
-en Haringen. De rijtijd duurt van Januari tot April.
-
-Het vleesch van de Stokvisschen wordt niet hoog geschat; het is week,
-maar zou misschien door een doelmatige toebereiding veel smakelijker
-gemaakt kunnen worden. Vooral aan de zuidkust van Engeland en aan
-de kusten van Ierland vangt men ze 's winters en in het voorjaar in
-grooten getale; deze komen echter slechts voor een zeer klein deel in
-verschen toestand in de keuken; de meeste worden gedroogd of gezouten,
-als stokvisch of klipvisch, in den handel gebracht.
-
-Het eenige lid van de familie der Schelvisschen, dat in zoetwater
-leeft, is de wijd en zijd verbreide Kwabaal of Kwabbe (Lota vulgaris),
-die ook wel (evenals Zoarces vivipara) Puitaal wordt genoemd,
-in Friesland Aalpad, in het land van Kuik Merkor heet. Hij is de
-eenige vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht en heeft een
-langwerpig, cilindervormig, aan den staart zijdelings samengedrukt,
-met zeer kleine schubben bedekt lichaam, een kleinen kop, een zeer
-lange aarsvin, twee rugvinnen, waarvan de tweede de aarsvin in lengte
-overtreft, terwijl de eerste zeer kort is, een tamelijk kleine, puntig
-afgeronde staartvin, één voeldraad aan de kin en een breede streep
-van borstelvormige tandjes aan de randen van beide kaken en aan het
-ploegschaarbeen. De Kwabaal is op den rug, de zijden en de vinnen meer
-of minder donker olijfgroen van kleur en met zwartbruine, wolkachtige
-marmervlekken geteekend; de keel en de buik zijn witachtig. Hij kan
-60 cM. lang en 8 KG. zwaar worden; zulke groote exemplaren worden
-echter alleen in diepe meren gevonden.
-
-Weinige soorten van zoetwatervisschen hebben zulk een uitgestrekt
-verbreidingsgebied als de Kwabaal. Hij bewoont de stroomende en
-stilstaande wateren van geheel Middel-Europa en Noord-Amerika,
-ook die van Middel-Azië, voor zoover zij niet zout zijn; naar men
-zegt, komt hij zelfs in Indië voor. Bij voorkeur houdt hij zich in
-tamelijk diep water op en vestigt zich daarom alleen dan in kleine
-stroomen, als hun bed betrekkelijk vele diepe plaatsen bevat;
-in de meren zoekt hij liefst de diepste gedeelten op, waar 40, 60
-of meer M. water staat. Bovendien verlangt hij helder water en is
-daarom in bergstreken veelvuldiger aanwezig dan in de vlakte. In
-Groot-Brittannië is hij, evenals bij ons, niet algemeen; in het
-Bovenrijn- en in het Donau-gebied daarentegen ontmoet men hem overal
-op geschikte plaatsen. In Zwitserland vindt men hem nog op een hoogte
-van meer dan 700 M., in Tirol zelfs in wateren, die 1200 M. boven de
-oppervlakte der zee gelegen zijn. Hij is een van de vraatzuchtigste
-roovers van het zoetwater, houdt zich over dag schuil onder steenen
-en andere in 't water liggende voorwerpen en maakt vooral 's nachts
-jacht op waterinsecten en kleine Visschen, de jongen van zijn eigen
-soort niet uitgezonderd. Wanneer de Kwabalen in een aquarium niet
-genoeg voedsel krijgen, vreten zij elkander op; de sterkste zal alle
-overige verslinden, indien hij ze kan bemachtigen.
-
-De voortplanting heeft waarschijnlijk, al naar de landstreek en de
-weersgesteldheid, in verschillende jaargetijden plaats, daar men in
-de maanden November tot Maart versche eieren heeft gevonden. Hoewel de
-Kwabalen in de overige tijden van 't jaar ongezellig leven, vereenigen
-zij zich, als de aandrift tot voortplanting hen bezielt, tot scholen,
-die soms uit omstreeks 100 individuën bestaan, welke zich als Alen
-dooreengestrengeld hebben en een kluwen vormen. Hoewel iedere kuiter
-ongeveer 130,000 eieren bevat, vermenigvuldigt de Kwabaal zich niet
-sterk, daar de jongen voor 't meerendeel opgevreten worden.
-
-Het meeste voordeel levert de vangst van den Kwabaal in den rijtijd
-op; hiervoor dienen netten, zetlijnen en fuiken.
-
-Als lokaas gebruikt men vischjes en Kreeften. Over de waarde van dezen
-Visch voor de keuken wordt verschillend geoordeeld. In sommige streken
-wordt hij gezocht, in andere gering geschat; in Engeland b.v. heeft
-men over 't algemeen niet veel met hem op, in Zwitserland daarentegen
-wordt hij boven alle andere zoetwatervisschen verkozen. Hiernaar
-regelt zich natuurlijk de prijs.--Bij de Boerjeten vervangt de huid
-van den Kwabaal ons vensterglas; bij de Kawassische Joerten dragen
-mannen en vrouwen kleedingstukken (rok, broek en laarzen), die van
-deze huid vervaardigd zijn.
-
-
-
-De Lengen (Molva), waarvan 3 soorten bij de kusten van Noord-Europa,
-IJsland en Groenland gevonden worden, verschillen vooral door het
-bezit van tamelijk groote, kegelvormige tanden aan de onderkaak en
-het ploegschaarbeen van de Kwabalen. Zij zijn nog slanker gebouwd
-dan deze en hebben een minder afgeronde staartvin.
-
-
-
-De Leng (Molva vulgaris), een bewoner van de rotsachtige kusten van
-de IJszee en van het noordelijkste deel van den Atlantischen Oceaan
-wordt in menigte langs de kusten van Noorwegen, Groot-Brittannië en
-Newfoundland gevangen; een deel wordt in verschen toestand gebruikt,
-het overige gedroogd of gezouten in den handel gebracht; uit de
-lever wordt traan verkregen. Bij onze kust komt deze Visch zelden
-voor. Vooral voor de bewoners van de Shetlandsche en Orkney-eilanden,
-van IJsland en Noorwegen is hij van groot belang. Zijn lengte, welke
-die van alle overige leden zijner familie overtreft, bedraagt meestal
-1 à 1.5 M., maar kan tot 2 M., het gewicht tot 25 KG. stijgen. De rug
-en de zijden zijn bruinachtig grijs, meestal met olijfkleurige tint,
-de onderdeelen zilverwit; de aarsvin, de staartvin en de twee rugvinnen
-hebben een witten zoom, die op de staartvin voorafgegaan wordt door
-een zwarten dwarsband. Gewoonlijk bewoont de Leng aanzienlijke diepten,
-waar hij op Schaaldieren en Visschen jacht maakt, vooral op Schollen,
-Knorhanen en dergelijke, op den bodem vertoevende dieren. In de
-lentemaanden nadert hij de kust om kuit te schieten en stelt hierdoor
-de visschers in staat hem te vangen. Op de kusten van Cornwallis
-is de vangst in de maanden Januari en Februari het overvloedigst,
-op Shetland tusschen Mei en Augustus.
-
-
-
-De Meunen (Motella) hebben een lang, aalvormig lichaam, 3 of meer
-voeldraden aan den kop, een zeer lange aarsvin en een nog langere
-rugvin; beide bereiken, als bij den Kwabaal, den wortel van den staart;
-de eerste rugvin is wel lang, maar door zeer korte en haarfijne
-stralen gesteund en dus ternauwernood zichtbaar.
-
-
-
-De Driedradige Meun (Motella tricirrhata) heeft 3 voeldraden (1 aan
-de kin en 2 aan de voorste neusopeningen) en wordt 35 à 40 cM. lang;
-de bovendeelen (met borstvinnen, rugvin en staartvin) zijn geelbruin
-met groote, donkerbruine vlekken, de onderdeelen (met inbegrip van
-de buikvinnen en de aarsvin) bleek geelbruin, soms geelachtig wit,
-met lichtere vlekken. Deze op onze kust weinig voorkomende, evenals
-zijne verwanten veel op den Kwabaal gelijkende Visch wordt in alle
-Europeesche zeeën gevangen, vooral in de Middellandsche Zee, minder
-langs de kust van Groot-Brittannië, ofschoon hij ook hier volstrekt
-niet zeldzaam is. Bij voorkeur houdt hij zich op in de nabijheid van
-een met planten bedekten zeebodem en ligt hier gewoonlijk bewegingloos
-uitgestrekt; alleen de voeldraden en de fijne vinstralen van de eerste
-rugvin schommelen heen en weer; ongetwijfeld lokt hij op deze wijze
-zijn buit, die uit vischjes, Schaaldieren en dergelijke wezens bestaat.
-
-
-
-Vrij algemeen ontmoet men dicht bij ons strand de Vijfdradige
-Meun (Motella mustela), die behalve de reeds genoemde voeldraden,
-er ook nog twee aan het einde der bovenkaak heeft. De bronsachtig
-bruine kleur van de bovendeelen wordt op de zijden lichter en op de
-onderdeelen allengs witachtig. Deze aan de kusten van Europa en IJsland
-(ook in de Noordzee) niet zeldzame, doch in de Oostzee ontbrekende,
-30 à 50 cM. lange Visch wordt bij ons nagenoeg aanhoudend, hoewel in
-kleinen getale, in de saaien gevangen, maar wegens de weekheid van
-zijn vleesch niet gegeten. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en
-vischjes en schiet kuit in den winter.
-
-
-
-De Slangvisschen (Ophididae) heeten zoo wegens hun langwerpig,
-zijdelings sterk samengedrukt lichaam; de buikvinnen ontbreken of
-zijn door een paar tweedeelige voeldraden aan het tongbeen vervangen;
-de rugvin en de aarsvin zijn laag en vormen dikwijls met de staartvin
-een geheel; de huid is naakt of bevat kleine, verborgen schubben;
-de kieuwspleet is wijd; de zwemblaas ontbreekt.
-
-
-
-De Smelten of Zandalen (Ammodytes) hebben een zeer langwerpige,
-lancetvormige gedaante; de lange, lage, nagenoeg over de geheele
-bovenzijde zich uitstrekkende rugvin en de bijna half zoo lange
-aarsvin zijn niet vereenigd met de goed ontwikkelde, gevorkte
-staartvin; de aarsopening is kort voor het begin van de aarsvin
-gelegen; de buikvinnen ontbreken geheel. De onderkaak steekt ver
-voorbij de bovenkaak uit; beide zijn tandeloos; aan de keelbeenderen
-komen steeds tanden voor, bij sommige ook aan het ploegschaarbeen;
-de huid is met zeer dunne schubben bedekt.
-
-
-
-De bij onze kust levende Smelten worden in twee soorten onderscheiden,
-die echter zeer weinig van elkander verschillen. De Groote Smelt
-(Ammodytes lancea) wordt 20 à 25, zelden 40 cM. lang; de rugvin
-begint tegenover het einde der borstvinnen; de spits van het
-ploegschaarbeen draagt scherpe tanden.--De Kleine Smelt (Ammodytes
-Tobianus) bereikt een lengte van 10 à 15 cM., heeft een iets verder
-naar voren verlengde rugvin, en kan de tusschenkaaksbeenderen ver
-naar voren verschuiven. Beide zijn op den rug bruinachtig, op de
-zijden en den buik zilverwit.
-
-Beide bewonen het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan en
-houden zich bij vlakke, zandige kusten van Europa en Amerika op; bij
-vloed zwemmen zij, dikwijls in grooten getale, zeer schielijk dicht
-bij de oppervlakte rond en maken jacht op allerlei kleine zeedieren,
-vooral ook op jonge vischjes; op warme avonden ziet men ze dikwijls
-boven het water uitspringen; bij eb begraven zij zich in het zand en
-wachten hier de terugkomst van den vloed af. "In Zeeland," schrijft
-Schlegel, "waar het verschil van waterstand, tusschen eb en vloed,
-veel aanmerkelijker is dan langs onze overige kuststreken, spit of
-ploegt men, bij laag water, het strand om, teneinde deze vischjes,
-die de gewoonte hebben, zich daarin tot één voet diep te begraven,
-voor den dag te halen, en op deze wijze voor de tafel een gerecht
-te verzamelen, dat voor zeer lekker wordt gehouden [5]. Hetzelfde
-geschiedt ook aan sommige plaatsen der kust van Groot-Brittannië." Hier
-wordt voor dit doel een soort van hark gebruikt.--Langs de Hollandsche
-kust worden de Smelten dicht langs het strand bij het visschen met
-de saaien vrij veelvuldig gevangen, doch niet gebruikt. Een in de
-Middellandsche Zee levende soort wordt gegeten, een andere, bij de
-Groenlandsche kust voorkomende soort evenzeer.--Op vele plaatsen vangt
-men de Smelten om lokaas te verkrijgen voor de vangst van Makreelen
-en Kabeljauwen. Bij ons dienen zij met de Zeebliek (Clupea sprattus)
-voor het azen der korven. Naar men zegt, maken zij een belangrijk
-deel van het voedsel der Dolfijnen uit.
-
-
-
-De symmetrische rangschikking der lichaamsdeelen wordt te recht als een
-der belangrijkste kenmerken van de Gewervelde Dieren beschouwd. Hoe
-gedrochtelijk de gedaante van sommige soorten ons voorkomt, toch is
-de linkerhelft steeds een meer of minder zuiver spiegelbeeld van de
-rechterhelft. Een uitzondering op dezen regel vormen de Schollen of
-Platvisschen (Pleuronectidae), de eenige familie van de gelijknamige
-onderorde (Pleuronectoidei). Aan hun sterk zijdelings afgeplat lichaam
-is de kop derwijze verdraaid, dat beide oogen aan dezelfde zijde
-voorkomen. De stand der oogen is nu eens links, dan weer rechts,
-bij verschillende soorten en zelfs bij verschillende individuën
-van één soort ongelijk. Steeds echter wijkt de oogen dragende, naar
-boven gerichte zijde in verschillende opzichten aanmerkelijk af van de
-"blinde", die gewoonlijk op den grond rust. Deze heeft een minder goed
-ontwikkelde (bij Monachir zelfs in 't geheel geen) borstvin; ook haar
-skelet is minder volkomen. Soms is de blinde zijde met kringschubben
-bedekt, terwijl de andere zijde kamschubben draagt; gewoonlijk echter
-is het geheele lichaam met kamschubben bekleed. De blinde zijde is
-niet, de naar het licht gekeerde verschillend, bij eenige tropische
-soorten zelfs levendig gekleurd. Verreweg het grootste deel van het
-lichaam wordt gevormd door den sterk gespierden staart. De buikholte is
-zeer klein, de aarsopening ligt onder of vóór de borstvinnen. Hieruit
-vloeit voort, dat de (dikwijls onderling vereenigde) buikvinnen zich
-aan de keel bevinden; zij zijn klein, evenals de borstvinnen, die bij
-één geslacht (Achirus) geheel ontbreken. De rugvin strekt zich van
-den kop tot aan de staartvin uit en omzoomt dus den geheelen, scherp
-toeloopenden rugrand van den schijfvormigen romp op gelijke wijze als
-de buitengewoon lange aarsvin den scherpen buikrand omgeeft. De kleur
-van deze vinnen en van de overigens regelmatig gevormde, afgeronde of
-recht afgeknotte, hoogst zelden gevorkte staartvin is aan weerszijden
-ongelijk. Al deze vinnen worden door zachte, meestal niet vertakte,
-dicht bijeenstaande en daarom zeer talrijke stralen gesteund. De
-zwemblaas ontbreekt. De tanden zijn verschillend, in den regel echter
-òf dik òf borstelvormig.
-
-De Platvisschen, waarvan men bijna 200 soorten onderscheidt, bewonen
-de zee; eenige zwemmen soms de rivieren op; hier zoowel als daar leven
-zij op den bodem. Met de blinde zijde tegen den grond aangedrukt en
-de oogen naar boven gericht; liggen zij gedurende het grootste deel
-van hun leven op de loer en bewegen zich bijna niet anders dan om hun
-uit Wormen, Schelp- en Schaaldieren en kleine Visschen bestaanden
-buit te grijpen of om grootere roovers te ontwijken. Dan schieten
-zij plotseling vooruit, zwemmen met een golvende beweging van het
-lichaam, waarbij steeds de rug en de buik zijwaarts gericht zijn,
-maar laten zich spoedig weer zakken. Soms ondernemen zij gezamenlijk
-groote tochten en zwemmen dan, tijdelijk althans, ook wel in de
-bovenste waterlaag. Dit geschiedt bij het geregeld wegtrekken van de
-Platvisschen uit de Buitenlek en gedeeltelijk ook uit de Binnenlek,
-waarop Van den Ende voor 't eerst meer algemeen de aandacht heeft
-gevestigd. "In het begin van Juli begint de Schol in beweging te
-komen en geeft hiervan blijken, zelfs als zij in het schrobnet is
-gevangen. De Schol, die gewoonlijk in den kuil van dit vischwant zich
-stil houdt, toont zich nu onrustig; de visschers zeggen dan, dat zij
-"rad" begint te worden en maken hieruit op, dat de visscherij in de
-Buitenlek weldra een einde zal nemen. Bij het wegtrekken schijnt
-zij niet den bodem der zee te houden, maar op eenigen afstand van
-daar te zwemmen, niet zelden zoo hoog, dat men geheele scholen
-aan de oppervlakte waarneemt. De bruine zijde blijft gedurende de
-beweging evenwijdig met de oppervlakte der zee. De Schol neemt bij het
-wegzwemmen de richting naar het noorden; bij haar terugkomst in October
-neemt zij, naar het schijnt, haar weg over den bodem der zee; men ziet
-haar althans niet aan de oppervlakte zwemmen. Het wegtrekken der Schol,
-waaraan ook de overige Platvisschen, en zelfs de Roggen, deelnemen,
-kan met het kuitschieten in geen verband staan, daar dit in de maanden
-Februari en Maart geschiedt; het is ook niet aan toevallige oorzaken
-te wijten, daar het jaarlijks geregeld plaats vindt. De visschers
-schrijven het toe aan een verschijnsel, dat zij "koelucht" noemen en
-dat veroorzaakt wordt door de groote menigte groene of groenachtige,
-draadvormige en glibberige waterplanten (algen), die des zomers in
-menigte in de Noordzee voorkomen. Vele van deze planten schijnen zich
-vooral in de bovenste waterlagen te ontwikkelen en later naar den
-bodem der zee te zakken, waar zij zich o. a. aan de schrobnetten
-in belangrijke hoeveelheid hechten. De bedoelde zelfstandigheid
-onderscheidt zich door een sterken, onaangenamen reuk, die zelfs
-op eenigen afstand, somtijds tot achter het dorp Katwijk aan Zee,
-bemerkt kan worden en zoo doordringend is, dat vrouwen, die langs het
-strand liepen, er verschijnselen van zeeziekte door ondervonden. De
-ervaring leert, dat men bij sterke "koelucht" een slechte visscherij
-van Schol heeft te verwachten. Het zou kunnen zijn, dat de "koelucht"
-op de Visschen een onaangenamen indruk teweegbrengt en hen noopt
-voor eenigen tijd dit water te verlaten. Ook is het mogelijk, dat
-hun hierdoor de gelegenheid om op den bodem der zee voedsel te vinden
-benomen wordt. De stof, die zich op den bodem heeft afgezet, doet hen
-bij 't wegtrekken hooger water kiezen. Vermoedelijk begeven zij zich
-naar den Grooten Visschersbank, waar de zee een diepte heeft van 40, 50
-en meer vademen. De Visschen hebben in October van de koelucht weinig
-meer te vreezen en zwemmen daarom over den bodem naar de Buitenlek
-terug.--Uit de Binnenlek heeft het wegtrekken in veel mindere mate
-plaats, zoodat de visscherij hier (hoewel met weinig voordeel) kan
-worden voortgezet, nadat zij in de Buitenlek heeft opgehouden. De
-Platvisschen, die in den zomer in de Binnenlek achterblijven, worden
-gezamenlijk "zomervisch" genoemd. De van hier wegtrekkende Visch volgt
-een bijna zuidwestelijke richting en zwemt waarschijnlijk door de
-hoofden naar de diepten van het Kanaal. Van hier in het begin of het
-midden van September terugkeerend, is hij weldoorvoed en vet en heet
-dan "herfstvisch"; wegens de richting, die hij volgt, vangt men hem
-in Scheveningen eerder dan in Katwijk. Misschien kan de Binnenleksche
-Schol, die jonger is dan de Buitenleksche, haar voedsel in 't zuiden
-beter bekomen dan in 't noorden, waar de Buitenleksche heentrekt."
-
-"Daar de Visschen op de Hollandsche kusten niet dan een effen bodem
-vinden, waarop slechts zeer weinige voorwerpen gevonden worden,
-waaraan zij hun kuit zouden kunnen bevestigen, worden zij er toe
-genoopt, dit op den bodem zelf te doen. Zij maken zich gewoonlijk
-daartoe een kuil, dien zij, na daarin kuit geschoten te hebben,
-niet zelden weder met wat grond bedekken. Daar de Visschen echter
-voor het maken van deze kuiltjes slechts geringe middelen bezitten,
-is het hun geenszins onverschillig, of zij dit in een harden of in een
-weeken grond doen moeten, en kan het dus niet verwonderen, dat de weeke
-grond der Binnenlek hen bijzonder aanlokt. Bovendien vinden zij in dit
-water bij een gemiddelde diepte van omstreeks 11 vademen overvloedig
-voedsel. Daarom heeft gedurende eeuwen een verbazende menigte van
-visch dit water vervuld; eeuwen lang werd alleen hier gevischt,
-waarom de visscherij met volle recht den naam van "kustvisscherij"
-droeg. Zeer langen tijd werden uitsluitend kleine schuiten van 25
-voet lengte voor de visscherij gebruikt; deze lieten niet toe,
-dat men zich verder in zee begaf. Later, toen men met grootere
-vaartuigen de steurharingvisscherij op de Engelsche kust begon uit
-te oefenen (bomschuiten van 45 voet lengte tusschen de stevens en 31
-voet op den bodem) ontstond de visscherij in de Buitenlek.--De Schol
-wordt, naar gelang van de grootte, in 8 soorten onderscheiden, die,
-te beginnen met de kleinste, de volgende namen dragen: kleine keu,
-groote keu, kleine braad, groote braad, kleinschol, kleine kantschol,
-groote kantschol en groote schol. In de Binnenlek worden, misschien
-op geringe uitzonderingen na, alleen de 4 kleinste van de genoemde
-"scholsoorten" (en bovendien "kleinschol", in geringe hoeveelheid)
-gevangen. In de Buitenlek vindt men weinig "groote braad" en nooit
-kleinere soorten, maar wel de grootere. Misschien is het voedsel in
-de Buitenlek voor de Schol op gevorderden leeftijd beter."
-
-De Platvisschen zijn bij het verlaten van het ei volkomen symmetrisch
-gebouwd en hebben één oog aan iedere zijde van den kop; de asymmetrie
-openbaart zich eerst later allengs gedurende den verderen groei. Hoe
-en waardoor deze verandering tot stand komt, is nog niet met zekerheid
-bekend. Eenige onderzoekers meenen te mogen aannemen, dat het oog,
-om zijn as draaiend, zich door de terugwijkende skeletdeelen heen
-een weg baant naar de tegenovergestelde zijde. Andere beweren, dat,
-zoodra de Visch op een zijde begint te rusten, het oog van deze zijde
-bij zijn streven om zich naar het licht te keeren ook de omliggende
-deelen van den kop een verplaatsing doet ondergaan. Het voorste deel
-is dan ook werkelijk ten opzichte van de gekleurde zijde gedraaid. Dat
-deze vormsverandering slechts geringen tegenstand ontmoet, zoolang
-het skelet nog kraakbeenig is, ligt voor de hand. De larven van
-Platvisschen zijn aanvankelijk geheel doorschijnend en zwemmen op
-dezelfde wijze als de andere Visschen met den rug naar boven en
-den buik naar onderen. Opmerkelijkerwijze worden zij veelvuldiger
-aangetroffen in het ruime sop dan in de nabijheid der kust.
-
-De Platvisschen bewonen alle zeeën met uitzondering van die der hoogste
-breedten en die, welke rotsachtige, steile kusten bespoelen. Naar den
-evenaar neemt hun aantal toe; de grootste soorten ontmoet men echter
-in de gematigde luchtstreek. Aan zandgrond geven zij de voorkeur;
-zij dalen niet tot aanzienlijke diepten af. Eenige bezoeken dikwijls
-het zoetwater; enkele hebben zich zelfs volkomen gewend aan het leven
-in plassen en rivieren.
-
-
-
-Wanneer men het gebit als maatstaf aanneemt, moeten de Platvisschen,
-welker kaken en tanden aan beide zijden nagenoeg op gelijke wijze
-ontwikkeld zijn, bovenaan geplaatst worden. Van deze komt aan de
-Heilbotten (Hippoglossus) de voorrang toe. Door de visschers worden
-zij wegens hun meerdere dikte niet onder de Platvisschen geteld. Zij
-hebben, als de Tarbot, een wijden bek, doch een krachtiger gebit dan
-hare verwanten, in de bovenkaak een dubbele, in de onderkaak een enkele
-reeks van tanden: de middelste van de bovenkaak en de zijdelingsche
-van de onderkaak zijn dik, lang, spits en gekromd. Het gehemelte is
-tandeloos; de keelbeenderen daarentegen zijn met een dubbele reeks
-van dikke tanden gewapend. De rugvin begint niet vóór het oog (op den
-snuit), zooals bij de meeste andere geslachten, maar boven het oog,
-gelijk bij de Schollen. Evenals bij deze en de Tongen, zijn de oogen
-rechts geplaatst. De beide bekende soorten van dit geslacht bewonen
-de zeeën van het noordelijk halfrond.
-
-
-
-De Heilbot (Hippoglossus vulgaris) is de grootste Platvisch van Europa
-en misschien van de geheele wereld, daar zij een lengte van meer dan 2
-M. en een gewicht van meer dan 200 KG. kan bereiken. Zonder de vinnen
-is het lichaam eigenlijk lancetvormig; eenigszins ruitvormig wordt
-het, doordat de rugvin en de aarsvin in 't midden aanmerkelijk hooger
-zijn dan aan de einden. De staartvin is uitgesneden of flauw gevorkt
-en niet recht of afgerond, zooals bij alle overige Platvisschen. De
-schubben zijn zeer klein en glad. De kleur van de bovenzijde wisselt
-af tusschen licht- en donkerbruin; de blinde zijde is zuiver wit. De
-IJszee is waarschijnlijk het eigenlijke gebied van de Heilbot; zij komt
-echter langs de noordelijke kusten van Europa overal, hier en daar
-zelfs geregeld en op sommige plaatsen veelvuldig voor. Dit laatste
-is het geval aan de kusten van Newfoundland, Groenland en IJsland,
-bij de Fär- en Orkney-eilanden en aan de westkust van Scandinavië tot
-aan het Kattegat. Ook vindt men haar bij Kamtsjatka en Californië. In
-de zuidelijke gedeelten van de Noordzee en ook aan onze kusten is
-zij naar verhouding minder talrijk. Toch is zij bij al onze visschers
-wel bekend, vooral in den winter en in het voorjaar in hun vaarwater
-vrij algemeen; groote exemplaren worden nu en dan in menigte bijeen
-gevangen. In de Oostzee heeft men haar alleen in de Kieler bocht
-aangetroffen. Bij voorkeur bezoekt zij banken, die op eenigen afstand
-van het land gelegen zijn en waar het water 50 à 120 vademen diep
-is. Gedurende den winter leeft zij in de diepte, maar nadert veelal
-reeds vroeg in het jaar de kust en ligt dan het liefst op modder-
-en kleigronden. In den zomer schiet zij kuit op een rotsachtigen of
-zandigen bodem. Haar vleesch is wit en hard, maar eenigszins droog
-en wordt daarom op vele plaatsen minder geschat dan dat van de Tarbot.
-
-
-
-De Lange Schar (Hippoglossoides limandoides), die slechts een enkele
-maal aan onze kust gevangen werd en ook aan de kusten van Engeland
-en Frankrijk zelden voorkomt, bewoont de noordelijke kusten van den
-Atlantischen Oceaan en is niet zeldzaam aan de westkust van Zweden,
-in den Sond en het Kattegat, waar zij in April en Mei kuit schiet. Zij
-verschilt van de vorige soort vooral, doordat de bovenkaak slechts
-één rij van tanden bevat; de zijdestreep is nagenoeg recht; door de
-scherpe punten aan den rand der schubben, is de huid ruw op het gevoel,
-evenals die van de Schar (deze is echter kenbaar aan den grooteren kop,
-het minder langwerpige lichaam en de sterk gekromde zijdestreep). De
-bovenzijde van de Lange Schar is roodachtig of geelachtig bruin. Lengte
-30 à 40 cM.
-
-
-
-De Grieten (Rhombus) zijn de breedste van alle Platvisschen. Zij
-kenmerken zich door een vóór de oogen, op het midden van den
-snuit aanvangende rugvin; de wijde bek is voorzien met talrijke,
-kleine, op verscheidene rijen gerangschikte (fluweelachtige en
-hekelvormige) tanden aan de kaken en een veld met puntige tanden op het
-ploegschaarbeen. De oogen zijn links (soms, doch zeer zelden rechts)
-geplaatst, de vinstralen voor 't meerendeel vertakt, de schubben
-afwezig of klein. De staartvin is afgerond.
-
-
-
-Bij de Tarbot (Rhombus maximus), die de eer van tot de lekkerste
-Platvisschen te behooren, met de Heilbot deelt en gewoonlijk boven
-deze wordt verkozen, merkt men aan de bovenzijde talrijke, stompe
-beenknobbeltjes op, (bij jonge exemplaren niet). Op de bruine huid, die
-verschillende tinten kan hebben, deels uitvloeiend of gemarmerd, deels
-scherper begrensd, komen lichte vlekken van ongelijke grootte voor;
-de vinnen zijn een weinig lichter van kleur dan het overige lichaam;
-de blinde zijde is effen wit. Het lichaam zonder de staartvin, doch
-met de rugvin en de aarsvin (die in het midden aanmerkelijk hooger
-zijn dan elders), is nagenoeg even hoog als lang; geen der overige
-Platvisschen is zoo zuiver ruitvormig. De lengte bedraagt soms meer
-dan 1 M. bij een gewicht van 35 KG. (Yarrell maakt melding van een
-exemplaar van bijna 2 M., dat 86 KG. zwaar was. Rondelet zegt, er
-één gezien te hebben van 3 M. lang, 2 M. breed en 1 M. dik.)
-
-Behalve in de Noordzee (tot Helgoland) en in het Kanaal (in de
-Oostzee alleen in de Kieler-bocht geregeld), wordt de Tarbot (hoewel
-in geringe hoeveelheid) ook in de Middellandsche Zee gevangen. Evenals
-de meeste Platvisschen, vestigt zij zich op zandbanken in ondiep water
-en ligt hier op den grond; allerlei kleine Visschen, Schaaldieren en
-Weekdieren verschaffen haar voedsel. Langs de zuidkust der Noordzee
-treft men haar van April tot Augustus aan; zij vertoont zich het
-eerst in het zuidwestelijkste deel van dit gebied; naarmate zij
-van hier verdwijnt, ziet men haar op verder noordwestwaarts gelegen
-vischgronden verschijnen. Op de groote zandbanken langs onze kust
-duurt de tarbotvangst van April tot Juli, bij Helgoland van Juli tot
-half Augustus.
-
-
-
-De Griet, ook Kaan en Snoever genoemd (Rhombus laevis), heeft een
-gladde huid en verschilt bovendien van de Tarbot door het minder sterk
-afnemen van de hoogte der rugvinstralen van het midden naar voren en
-achteren, waardoor het lichaam meer van den ruitvorm afwijkt. Haar
-kleur is gewoonlijk roodachtig grijsbruin, donkerbruin gemarmerd en met
-parelvormige, lichte vlekken geteekend, bij jonge exemplaren echter
-bleek roodachtig bruin met donkerbruine en zwarte vlekken. Zij is
-zelden langer dan 40 cM. en weegt slechts bij uitzondering 4 KG. De
-Middellandsche Zee, de Atlantische Oceaan en de Noordzee herbergen
-haar; tot in den mond der rivieren dringt zij door. De Griet wordt
-minder geacht dan de Tarbot en de Tong, doch hooger dan de Schol. Langs
-onze kust is zij vrij algemeen.
-
-Twee soorten, die den naam Tongschar of Scharretong, welke haar door
-onze visschers gegeven wordt, met de Lange Schar en de Gemarmerde Schol
-gemeen hebben en die men door de bepalingen Naakt en Dun onderscheidt
-(Rhombus arnoglossus en R. megastomus), hebben een veel dunner lichaam
-dan de andere soorten van Grieten. De Naakte Tongschar wordt zelden,
-de Dunne slechts nu en dan, gewoonlijk alleen in jeugdigen toestand,
-aan onze kust gevangen. Voor de visscherij zijn zij van geen belang.
-
-
-
-In een tweede afdeeling vereenigt men die Platvisschen, welker kaken
-en tanden aan de blinde zijde veel sterker ontwikkeld zijn dan aan
-de gekleurde.
-
-Het geslacht der Schollen (Pleuronectes), waaraan de geheele familie
-haar naam dankt, omdat Platvisschen met één rij van kleine, scherpe
-tanden in de kaken, tandelooze ploegschaar- en gehemeltebeenderen
-en plaveiselvormige tanden op de keelbeenderen. De rugvin begint
-niet vóór, doch boven het oog; de mondopening is klein en reikt
-hoogstens tot onder de oogen; deze zijn door een uitpuilende lijst
-gescheiden en bij de inheemsche soorten rechts geplaatst (linksche
-exemplaren zijn zeldzame uitzonderingen). De afgeronde staartvin is
-duidelijk gescheiden van de rugvin en de aarsvin; deze zijn breed,
-hare vinstralen bijna zonder uitzondering ongedeeld. De steeds zeer
-kleine schubben zijn meestal glad, soms getand, soms geheel afwezig.
-
-
-
-De belangrijkste soort van dit geslacht is de Schol, in Zeeland Plaat
-genoemd (Pleuronectes platessa). Hare leden dragen naar hunne grootte,
-bij de visschers verschillende namen; de allerkleinste heeten Weggooi
-of Kraat; de groote (die in de bun van de bomschuit levend aan den wal
-gebracht en niet bij de mandvol verkocht, maar bij den afslag op het
-strand uitgespreid worden) noemt men Bunschol of Spreischol. Slechts
-bij uitzondering zijn zij 60 cM. lang en 7 KG. zwaar. Op de harde lijst
-tusschen de oogen komt een reeks van 4 à 7 (meestal 6) beenknobbeltjes
-voor. In den regel is de Schol op de bruine, naar grijs zweemende
-bovenzijde grijs gemarmerd en met groote, rondachtige, geelroode
-vlekken geteekend, die zich dikwijls ook over de rug- en aarsvin
-en zelfs over de staartvin uitstrekken. De blinde zijde is effen
-geelachtig wit of grijsachtig wit. Het oog heeft een zilverwitte
-en metaalachtig gele iris. Kleursverscheidenheden, ten deele van de
-woonplaats afhankelijk, komen niet zelden voor. Bij de Bonte Schollen
-is de blinde zijde geheel of ten deele gekleurd; de Witte Schollen
-hebben beide zijden ongekleurd. Het lichaam is langwerpig ruitvormig;
-sommige exemplaren zijn nagenoeg even hoog als lang; men noemt ze
-Ronde Schollen en hield ze vroeger voor een afzonderlijke soort.
-
-De Schol bewoont een groot deel van den Atlantischen Oceaan (tot
-IJsland), de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee (tot
-bij Stockholm). Zij is een der gewoonste soorten langs onze kust;
-men ontmoet haar ook in de Zuiderzee en, vooral 's winters, in de
-Zeeuwsche stroomen en de Schelde. Zij vestigt zich vooral op de
-zandbanken, doch vermijdt modderige gronden niet. Evenals de Bot,
-kan zij zoowel in zoet- als in zoutwater leven. Vooral in Mei en
-Juni wordt deze voor de tafel zeer geschikte Visch in grooten getale
-gevangen, meestal versch gegeten, doch in tijden van overvloed ook
-wel gedroogd. Zeer overvloedig was de vangst o.a. in 1850 en 1851,
-toen alleen te Zoutkamp (prov. Groningen) 40,000 korven Schol aan
-wal werden gebracht.
-
-De Bot (Pleuronectes flesus) bewoont dezelfde zeeën als de Schol en
-is niet minder algemeen dan deze. Zij leeft op zandbanken, doch zoekt
-bij voorkeur modderige gronden op. Bij ons wordt zij niet alleen langs
-de Noordzeekust, maar ook in de Zuiderzee en de Zeeuwsche stroomen
-in menigte gevangen. Zij zwemt de rivieren op; men vindt haar zelfs
-in singels en dergelijke kleine binnenwateren. In vijvers kan zij
-even goed leven als in de zee. De namen IJbot, Amsterdamsche Bot en
-Rivierschol doelen op de plaats, waar de Bot gevangen werd.
-
-De Bot stemt in vorm nagenoeg volkomen overeen met de Schol; zij
-is kenbaar aan de doornachtige knobbeltjes, die langs de nagenoeg
-rechte zijdestreep en aan den wortel der rugvin en aarsvin voorkomen;
-de staartvin is zeer weinig afgerond. De oogen staan meestal rechts,
-vaker dan bij de Schol echter links. De bruinachtige of olijfgroene
-bovenzijde is veelal met donkerbruine vlekken gemarmerd (en vooral
-bij jonge exemplaren) dikwijls met roestkleurige vlekken geteekend,
-die echter minder fraai, minder scherp begrensd en onregelmatiger zijn
-dan bij de Schol. De blinde zijde is geelachtig wit met kleine, zwarte
-stippeltjes. De lengte bedraagt zelden meer dan 30 (hoogstens 50) cM.,
-het gewicht slechts bij uitzondering iets meer dan 3 KG. Haar vleesch,
-hoewel smakelijk, is veel minder vast dan dat van de Schol.
-
-
-
-De Schar of Ruwe Schol (Pleuronectes limanda) is gemakkelijk te
-herkennen aan de ruwheid van haar huid, welke veroorzaakt wordt door
-den scherp getanden achterrand van de kleine, dicht bijeenstaande
-schubben, die den romp en zelfs de stralen van de rug- en aarsvin
-bedekken. De Schar heeft een eenigszins langwerpiger lichaam en
-grootere oogen dan hare verwanten; de zijdestreep maakt boven
-de borstvin een halfcirkelvormige bocht. De bovenzijde is effen
-lichtbruin, de blinde zijde witachtig. Zij kan 25 à 30 cM. lang
-en 2 à 3 KG. zwaar worden. Haar verbreidingsgebied is minder
-uitgestrekt dan dat van hare verwanten, daar zij in de Oostzee minder
-veelvuldig voorkomt en minder ver doordringt, in de Middellandsche
-Zee ontbreekt. Zij houdt van zandgrond en vermijdt den modder. Aan de
-kusten van IJsland, Noorwegen, Groot-Brittannië en de Noordzee, ook
-aan de onze, vangt men haar in menigte. Naar de grootte gesorteerd,
-heeten de Scharren bij onze visschers Kok, Groote Klap, Handgroot en
-Krit. In ons land worden zij veel gedroogd; de Engelschen en Franschen
-verkiezen haar boven de Bot en Schol.
-
-
-
-De Gemarmerde Schol (Pleuronectes microcephalus), zoo genoemd wegens
-de donkerbruine vlekken, waarmede haar op sommige plaatsen naar geel
-zweemende, roodachtig bruine, gladde, slijmerige huid gemarmerd
-is--door onze visschers, evenals andere soorten met langwerpig
-eirond, dun lichaam, "Tongschar" of "Scharretong" geheeten--komt op
-de zandbanken langs de kusten der Noordzee, doch nergens in grooten
-getale voor. Enkele exemplaren van dezen 25 à 40 cM. langen Visch
-worden nu en dan in de Buitenlek gevangen.
-
-
-
-De Tongen (Solea)--zoo genoemd wegens haar meestal zeer langwerpig
-eironde gestalte en naar aanleiding van den Franschen naam
-Sole--verschillen van de overige Platvisschen vooral door de
-halvemaanvormige mondopening; deze is gelegen onder den van voren
-afgeronden, snavelvormigen snuit, welker kaken slechts aan de
-blinde of linkerzijde met kleine, op verscheidene rijen geplaatste,
-borstelvormige tanden gewapend zijn. De rugvin, die reeds vóór de
-oogen begint, en de weinig minder groote aarsvin strekken zich uit
-tot aan den wortel van de afgeronde staartvin. De huid is ruw door
-de fijne, harde puntjes, waarmede de buitenrand der talrijke, zeer
-kleine schubben bezet is. De zijdestreep is recht, het gehemelte
-tandeloos. De Tongen zijn niet, als de vroeger genoemde geslachten,
-geheel tot de noordelijke gematigde en koude aardgordels beperkt,
-maar in ongeveer 40 soorten over de tropische en gematigde zeeën
-verbreid. Slechts één soort komt aan onze kust voor.
-
-
-
-De Tong (Solea vulgaris) wordt hoogstens 60 cM. lang en 4 KG. zwaar; de
-oogen zijn rechts gelegen, hoewel men ook enkele linksche exemplaren
-aangetroffen heeft; de bovenzijde is min of meer grijsachtig
-donkerbruin, de achterhelft van de hier voorkomende borstvin zwart,
-de onderzijde witachtig, de iris geel. Van de Middellandsche Zee
-tot aan den poolcirkel ontmoet men deze soort aan alle kusten van
-West-Europa, in de Oostzee echter niet voorbij de Kieler bocht, waar
-niet anders dan zeer kleine exemplaren gevangen worden. Langs onze
-geheele kust is zij buitengewoon talrijk, vooral in het voorjaar; des
-zomers vindt men haar, hoewel in veel geringer aantal, in de Schelde
-en ook in de andere Zeeuwsche stroomen, daar zij het zoetwater niet
-schuwt en, evenals de Bot, in zoetwatervijvers in 't leven gehouden
-kan worden. Op geringen afstand van het strand wordt zij in menigte
-in schrobnetten en saaien gevangen. Naar de grootte onderscheiden
-de visschers Noordsche of Groote Tong, Lassen en Baktong; voor
-eigen gebruik drogen zij de in saaien gevangen kleine exemplaren;
-de grootere zijn zeer gezocht. Bij ons zijn de wijfjes in Maart vol
-kuit, aan de Engelsche kust reeds in 't laatst van Februari, aan de
-kust van Scandinavië eerst in het einde van Mei en het begin van Juni.
-
-
-
-De familie der Platvisschen is zoowel aan soorten als aan individuën
-zeer rijk; deze bewonen in buitengewoon groote menigte de zeeën van
-de gematigde en tropische zonen. Naar het noorden neemt het aantal
-soorten schielijk af. Daarentegen openbaart deze familie op den
-bonteren bodem der keerkringszeeën, vooral wat de kleur betreft,
-een zeer groote verscheidenheid. Zoo leeft b.v. in de Indische
-(misschien ook in de Chineesche) wateren--die zoo verbazend ruim
-voorzien zijn van allerlei Visschen, welke zich door eigenaardige
-vormen en prachtige kleuren onderscheiden--een soort van Tong, die
-door den naam Zebra-tong (Synaptura zebra) zeer goed gekenmerkt wordt,
-daar de grijsachtig bruine bovenzijde van het geheele lichaam geteekend
-is met tien dwars gerichte strepen, die voor 't meerendeel roodbruin,
-doch bij den staart donkerder, bijna zwart zijn.
-
-Met uitzondering van de Heilbot, bewonen alle hierboven beschreven
-Platvisschen ondiepe gedeelten van den zeebodem; zij geven de voorkeur
-aan zandige of althans niet slijkerige gronden; deze moeten dus
-niet met een dikke laag van weeken modder bedekt zijn. Verscheidene
-soorten, vooral de Bot en de Tong, houden zich gaarne op aan den
-mond van rivieren; de eerstgenoemde bereikt zelfs nu en dan, tegen
-den stroom op zwemmend, plaatsen, die diep in het binnenland gelegen
-zijn. In de Engelsche rivieren, in den benedenloop van Elbe en Weser
-en ook in den Rijn tot aan de Duitsche grenzen komen geregeld Botten
-voor; men heeft ze echter ook reeds herhaalde malen in den bovenloop
-van dezelfde rivieren, in de Elbe b.v. nog boven Maagdenburg, in den
-Rijn nog in de nabijheid van Mainz, in den Moezel bij Metz en Trier
-en ook in den Main gevangen. Hoe traag de Platvisschen ook schijnen,
-toch trekken zij gaarne. Wegens de buitengewone veelvuldigheid van de
-meeste soorten wordt op dit verschijnsel minder acht geslagen dan het
-eigenlijk verdient. Van de Heilbot, een voor de voeding der bewoners
-van noordelijke streken zeer belangrijke Visch, weet men reeds sinds
-lang, dat zij gedurende den winter meer in de diepte vertoeft en,
-als de lente nadert, zich naar zeeboezems begeeft.
-
-Door zeden en gewoonten, maar vooral door de wijze van beweging,
-gelijken de Platvisschen volkomen op elkander; men heeft althans
-tot dusver nog geen feiten leeren kennen, die met deze bewering in
-strijd zijn. Bewegingloos en, met uitzondering van de voortdurend
-rondwarende oogen, min of meer in 't zand verborgen, liggen zij op
-den grond, tot een buit hen te voorschijn lokt, of een roofvisch
-hen verdrijft. Merkwaardig snel woelen zij zich onder het zand door
-golfsgewijze trillingen van de rugvin en de aarsvin, waardoor zeer
-spoedig een ondiep gat uitgegraven en tevens de bovenzijde een
-weinig met zand bedekt wordt. Een enkele krachtige beweging is
-voldoende om de zandlaag af te schudden en het lichaam omhoog te
-heffen. Terwijl de Platvisch door het aanhoudend bewegen der beide
-voornaamste onparige vinnen en der krachtige staartvin voortzwemt,
-blijft steeds de blinde zijde naar onderen, de gekleurde zijde naar
-boven gericht. Bij het plotseling versnellen van de beweging speelt
-de staartvin de belangrijkste rol; dan dienen de aarsvin en de rugvin
-vooral voor het behouden van het evenwicht.
-
-Bij het beschouwen van een half in 't zand begraven Platvisch
-zou men bijna geneigd zijn om de uitdrukking zijner zeer levendig
-gekleurde en meestal ongelijk groote oogen schrander en listig te
-noemen. In tegenstelling met andere Visschen beweegt hij zijne oogen
-onophoudelijk; hij kan ze niet slechts in alle richtingen draaien,
-maar ook, evenals de Kikkers, vooruitschuiven en weer terugtrekken
-en dus de optische as iederen stand ten opzichte van de oppervlakte
-van 't lichaam doen aannemen. Een echt ooglid, het zeer ontwikkelde
-wenkvlies, kan deze schitterend gekleurde organen in geval van nood
-beschutten. Eigenlijk zijn zij bij den in 't zand verborgen Platvisch,
-de eenige lichaamsdeelen, die de aandacht trekken. De kleur van de
-overige bovendeelen harmonieert n.l. niet minder met die van den
-zeebodem dan de vacht van den Haas met den akker of het kleed van het
-Sneeuwhoen met het Alpen-landschap; evenals bij 't laatstgenoemde
-dier, wisselt de kleur af naar gelang van 't jaargetijde en van 't
-omgevende terrein; de verandering blijft echter niet tot twee tijden
-van 't jaar beperkt, maar treedt bij iedere verplaatsing op. Al wat op
-dit gebied den Kameleon wordt toegeschreven, komt bij den Platvisch
-werkelijk voor. Als hij zich op zandgrond neervleit, zullen kleur en
-teekening binnen korten tijd gelijk zijn aan die van deze ligplaats: de
-geelachtige tinten treden op den voorgrond, de donkere verdwijnen. Als
-dezelfde Visch, gelijk in kleine waterbakken dikwijls geschiedt,
-een oogenblik later op een anderen grond, b.v. op grauw granietgruis,
-gaat liggen, zal de kleur weldra opnieuw een verandering ondergaan:
-de Schol, Bot of Tong, die zoo even geelachtig was, wordt grijs. Ook
-dan nog zijn de bij iedere soort voorkomende eigenaardigheden van
-menging en verdeeling der kleuren merkbaar, hoewel de kleurswijzigingen
-sterk genoeg zijn om iedereen tot het inzicht te voeren, dat bij deze
-Visschen aan de kleur als kenmerk weinig waarde gehecht mag worden.
-
-De merkwaardige geschiktheid om het kleed in overeenstemming te
-brengen met de omgeving levert de meest aannemelijke verklaring
-van de buitengewone veelvuldigheid der Platvisschen. Zij zijn
-niet vruchtbaarder dan andere Visschen; zelfs kunnen zij zich wat
-het aantal eieren betreft, met vele hunner verwanten niet meten;
-veel meer jongen echter dan over 't algemeen vermoedelijk regel
-is, ontkomen aan de roofzucht hunner vijanden en bereiken dus een
-grootte, die hen in staat stelt om zichzelf te beschermen. Want
-ook de Platvisschen zijn roovers: de grootste soorten durven zelfs
-Visschen zoo groot als een Kabeljauw aanvallen; ook de kleine
-evenwel, die zich met allerlei Schaal- en Schelpdieren en Wormen
-voeden, zijn buitengewoon vraatzuchtig. Wat roofzucht en moordlust
-betreft, stemmen alle overeen. Zij maken jacht op elken buit, dien
-zij meenen te kunnen overmeesteren en schromen zelfs niet zwakkere
-soortgenooten aan te vallen. De Noorsche visschers zijn overtuigd,
-dat de kwetsuren aan de boven- en onderzijde van de staartstreek, die
-men zoo dikwijls bij hen opmerkt, door groote exemplaren van hun eigen
-soort veroorzaakt zijn. Zelfs de ergste vijanden van deze familie,
-de Zeewolven en de Roggen, vinden in de groote Platvisschen wrekers,
-die de misdrijven aan hunne verwanten gepleegd, vergelden. De Roggen,
-die nagenoeg dezelfde levenswijze hebben als de Platvisschen, worden,
-naar men zegt, vooral door de Heilbot ijverig vervolgd.
-
-De voortplanting van de Platvisschen heeft plaats in verschillende
-maanden, over 't algemeen echter in den mooisten tijd van 't jaar,
-n.l. in de lente en in den voorzomer. Zij schieten kuit op de gronden,
-die hun in dezen tijd tot verblijfplaats dienen, bij voorkeur dus op
-zandgrond, bovendien tusschen zeegras en andere waterplanten, ook
-wel op vischnetten, die lang in 't water worden gelaten. De jongen
-ontmoet men tegen het einde van den zomer, vooral bij laag water,
-omdat zij, evenals hunne ouders, dikwijls te lui zijn om bij den
-aanvang van den ebstroom de ondiepten te verlaten en diepere plekken
-in de zee op te zoeken, maar liever, onder het zand bedolven, de
-terugkomst van den vloed afwachten. Een sierlijker diertje dan zulk
-een jonge Platvisch kan men zich bijna niet voorstellen. Behoudens de
-grootte, is hij in ieder opzicht, wat kleur, teekening en levenswijze,
-aard en gewoonten betreft, het evenbeeld van het volwassen dier;
-hij heeft echter een veel fraaier, vlugger en daarom bevalliger
-uiterlijk. Weinige Zeevisschen zijn beter voor het leven in de
-gevangenschap geschikt; daar zij niet eens zeewater noodig hebben,
-maar gemakkelijk gewoon geraken aan het water van onze vijvers
-en rivieren en hier, wanneer het hun niet aan voedsel ontbreekt,
-uitmuntend gedijen. Dierenliefhebbers kan ik deze Visschen, dus onze
-Schollen, Botten en Tongen, ten zeerste aanbevelen.
-
-Zeer belangrijk zijn de Platvisschen voor de huishouding van den
-mensch. Van alle soorten is het vleesch smakelijk, van sommige zelfs
-uitmuntend; het blijft dagen lang goed en is daarom voor verzending
-over groote afstanden (dus voor een zeer ruimen kring van gebruikers)
-zeer geschikt. Op de meeste kustplaatsen eet men geen andere dan
-versche Platvisschen; in het hooge noorden evenwel, waar de vangst
-van den zomer als proviand voor den winter moet dienen, ondergaan
-althans de grootste exemplaren een toebereiding om ze langer te kunnen
-bewaren; zij worden aan reepen gesneden en gezouten, als stokvisch
-aan de lucht gedroogd of ook wel gerookt. Vooral Schollen, Scharren
-en Tarbotten zijn zeer gezocht; ook de overige soorten worden nergens
-gering geschat. Te Londen brengen de Nederlanders, die veel werk maken
-van deze visscherij, ieder jaar voor ongeveer 1,200,000 gulden aan
-Tarbot op de markt; toch is dit hoogstens het vierde gedeelte van de
-geheele hoeveelheid, daar ook de Denen voor eenige tonnen gouds en
-de Engelsche visschers zelf een nog veel grootere hoeveelheid Visch
-op deze markt leveren. De genoemde som vertegenwoordigt trouwens
-alleen de waarde van de Tarbot, die de Nederlandsche visschers zelf
-naar Engeland brengen, maar niet van die, welke zij reeds op zee aan
-de Engelschen verkoopen. De hoeveelheid Tarbot, die in Nederland,
-Duitschland, Frankrijk en Jutland gegeten wordt, is niet te bepalen;
-gerust kan men echter aannemen, dat de totale waarde van dit deel
-der vischvangst verscheidene millioenen guldens bedraagt. Nog hooger
-is waarschijnlijk de waarde van de vangst van andere Platvisschen,
-b.v. van Schollen, Scharren en Tongen, daar deze, hoewel zij op de
-vischmarkten van alle kuststeden betrekkelijk goedkoop van de hand
-gaan, soms in ongeloofelijk grooten getale gevangen worden.
-
-Met de Nederlandsche, Engelsche en Deensche visschers kunnen
-de Duitsche zich niet meten, wat de opbrengst van hun arbeid
-betreft. Heilbot vangen zij bijna in 't geheel niet: wel verzenden
-zij jaarlijks ongeveer 3000 Tarbotten, ongeveer 20,000 Schollen,
-evenveel Botten en omstreeks 10,000 KG. Tong naar het buitenland.
-
-De Platvisschen worden in verband met de plaatselijke gesteldheid,
-de veelvuldigheid en de aard van iedere soort op zeer verschillende
-wijze gevangen. Aan de wijze waarop de wilden visschen, herinnert het
-op sommige kustplaatsen bestaande gebruik om bij eb blootsvoets door
-de waterplassen op het strand te loopen, de intusschen waargenomen
-Visschen met de voeten dood te trappen en daarna in te zamelen. Toch
-wordt hierdoor op gunstig gelegen plaatsen dikwijls een rijken buit
-verkregen. Een grooter opbrengst levert trouwens het "steken": de
-visscher zoekt bij stil weer de met water bedekte ondiepten af en
-spiest de Platvisschen, die hij opmerkt, met een lans of weet hen
-te treffen met een aan een touw bevestigd, door lood bezwaard wapen,
-waaraan zich vele weerhaakvormige spitsen bevinden en dat met den Visch
-wordt opgehaald. Op vlakken grond maakt men gebruik van bepaaldelijk
-voor dit doel bestemde sleepnetten (schrobnetten en saaien), in diep
-water van zetlijnen of van beugen.
-
-Het is gebleken, dat Platvisschen in zoetwater zeer goed kunnen leven;
-ook daarom is het volstrekt niet moeielijk ze levend te verzenden. In
-een beperkte ruimte kan men ze even goed als eenig ander lid hunner
-klasse in 't leven houden; spoedig zijn zij hier gewend, kiezen in
-hun eigen woning een bepaalde plek tot ligplaats, kennen weldra hun
-verzorger en zelfs den voor 't voederen bepaalden tijd en schromen
-niet uit de hand te eten van den persoon, die hen met voedsel voorziet.
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE ORDE.
-
-DE LUCHTBUISVISSCHEN (Physostomi).
-
-
-Bij een nauwkeurig onderzoek van de Visschen, die Cuvier onder den naam
-"Weekvinnigen" samenvatte, vond Johannes Müller, dat deze zich voor
-'t meerendeel onderscheiden door het bezit van een luchtbuis, die,
-van de zwemblaas uitgaande, in het spijskanaal uitmondt. Op dit kenmerk
-grondde hij de orde der Luchtbuisvisschen of Edelvisschen. Deze hebben
-gescheiden keelbeenderen, kamvormige kieuwen en weekstralige vinnen;
-de buikvinnen, voor zoover aanwezig, zijn achter de borstvinnen
-aangehecht en de schubben cycloïd. De Luchtbuisvisschen zijn fraai
-van vorm en evenredig gebouwd; hun romp is langwerpig, rolvormig
-of zijdelings samengedrukt; de kop en de pooten staan in de juiste
-verhouding tot de grootte van 't lichaam. Niet door zeer in 't
-oog vallende eigenaardigheden van het schubbenkleed en evenmin door
-schitterende kleuren trekken zij de aandacht, wel door hun sierlijkheid
-en bevalligheid.
-
-Wat rijkdom van vormen betreft, staat deze orde weinig ten achter bij
-de grootste van alle, bij die der Stekelvinnigen; het aantal soorten
-is geringer, maar zal waarschijnlijk door toekomstige ontdekkingen
-aanmerkelijk toenemen. Nagenoeg alle eigenaardigheden der Visschen
-zijn bij de leden dezer orde op te merken. Sommige zijn streng aan
-het water gebonden, andere ondervinden geen nadeel van een langdurig
-verblijf op het land. Sommige doen verre reizen te water, andere
-zoeken soms over land een nieuwe woonplaats op. Nevens koene roovers
-bevat deze orde onschuldige wormen- en planteneters, soorten, die
-zich door een buitengewone vruchtbaarheid onderscheiden en andere,
-welker voortplantingsvermogen betrekkelijk gering is. Niet alle leggen
-eieren; eenige brengen levende jongen ter wereld. De kostelijkste
-tafelvisschen behooren tot deze groep en ook Visschen, die als voedsel
-geheel ongeschikt geacht worden.
-
-Voor de bewoners van het binnenland is deze orde van Visschen
-belangrijker dan eenige andere afdeeling hunner klasse; opmerkelijk
-is het, dat ook de kostelijkste van alle zeevisschen, de Haring,
-tot de Luchtbuisvisschen behoort. Hun economische beteekenis zal nog
-toenemen door een algemeenere toepassing van maatregelen om deze
-Visschen, die zoolang zonder eenige verschooning vervolgd zijn,
-te rechter tijd een altijd zorgvuldig gehandhaafde bescherming te
-verleenen, hun gedurende de jeugd de veiligheid te verschaffen, die
-een verdere ontwikkeling waarborgt, en eindelijk ook door zooveel
-mogelijk op doelmatige wijze, o.a. door kunstmatige vischteelt,
-de vermenigvuldiging van deze belangrijke Visschen te bevorderen.
-
-
-
-Dezelfde redenen, die vermoedelijk de vogelkenners bewogen hebben
-om met de grootste Roofvogels de systematische beschrijving der
-Vogelklasse te beginnen, zullen wel bij de vischkundigen gegolden
-hebben, toen zij aan de Vallen (Siluridae) de eerste plaats in de
-orde der Luchtbuisvisschen inruimden. De voortreffelijkste of edelste
-leden van deze groep zijn zij zeker niet, hoogstens de grootste
-en plompste. Zij kenmerken zich door een loggen, kolossalen, nooit
-geschubden, maar met een naakte huid of met beenige schilden bekleeden
-romp, door een grooten kop met wijden bek, door bovenkaaksbeenderen,
-die op geringe sporen na verdwenen, of tot voeldraden verlengd zijn,
-voorts door baarddraden, welker aantal, plaatsing en lengte aan veel
-afwisseling onderhevig is. Bij vele soorten is de eerste straal van
-de borstvin zeer dik, getand en door zijn gewrichtsverbinding met
-de schouderbeenderen geschikt om willekeurig bewogen, tegen den romp
-aangelegd en opgericht te worden; met dit krachtig wapen kunnen zij
-gevaarlijke wonden toebrengen. Bij vele leden van de familie zijn de
-achterkop en de nek met een schild bedekt, dat aan een helm herinnert.
-
-De Vallen vormen een meer dan 550 soorten omvattende familie; deze is
-in Amerika, Azië en Afrika door een groot aantal soorten en individuën,
-in Europa slechts door één soort vertegenwoordigd. Hare leden houden
-van langzaam stroomend of stilstaand water met modderigen bodem,
-ontbreken echter in sneller stroomende wateren niet, vestigen zich
-zelfs in beken van bergstreken en worden hier op even groote hoogte
-aangetroffen als eenige andere vischsoort. Met deze uitgestrekte
-verbreiding staat het bewonen van velerlei verblijfplaatsen in
-verband. Sommige komen het veelvuldigst voor in de nabijheid
-van riviermonden en liggen hier op een zandigen en slijkerigen
-bodem; andere vindt men op rotsachtige gronden, waar zij zich, als
-Kwabalen, tusschen en onder steenen verbergen; terwijl deze, naar
-het schijnt, uitsluitend rivieren bewonen, worden gene niet anders
-dan in binnenzeeën gevonden, andere nu eens hier, dan weer daar. De
-groote soorten zijn even log van beweging als plomp van lichaamsbouw,
-de kleinere daarentegen zwemmen vlug en behendig; sommige zijn in
-zooverre boven de andere leden harer klasse bevoorrecht, dat zij
-op soortgelijke wijze als de Doolhofvisschen en Slangenkoppen over
-een vochtigen of modderigen en zelfs over een drogen bodem reizen
-ondernemen, zoo noodig zich ook in het slijk verbergen en hier de
-terugkomst van het water afwachten kunnen. Alle zonder uitzondering
-zijn roovers van beroep. De meeste liggen bewegingloos op de loer en
-weten door de beweging hunner voel- of baarddraden andere Visschen
-aan te lokken en te rechter tijd te grijpen; enkele zijn in staat
-electrische schokken voort te brengen, waarmede zij hunne slachtoffers
-verdooven. Zij vermenigvuldigen zich niet sterk, hoewel de kuiter een
-groot aantal eieren voortbrengt; naar het schijnt, ontwikkelen deze
-Visschen zich langzaam, maar kunnen een hoogen ouderdom bereiken. Voor
-ons is hun economische beteekenis zeer gering; in sommige gewesten van
-Afrika, Azië en Amerika echter worden zij als voedsel voor den mensch
-veelvuldig gebruikt en hoog geschat. De jongen en de kleine soorten
-zijn inderdaad voortreffelijk van smaak; de oude dieren daarentegen
-vereischen een zeer zorgvuldige toebereiding om bruikbaar te worden.
-
-
-
-Het typische geslacht der Vallen (Silurus), dat een gelijknamige
-onderfamilie (Silurinae) vormt, bestaat uit de Europeesche soort
-en hare 5 Aziatische verwanten. Zij hebben een gladde huid, een
-korte, uitsluitend door gelede stralen gesteunde rugvin, een zeer
-lange aarsvin, een wijden muil met tot velden vereenigde reeksen
-van hekelvormige tandjes op de tusschen- en de onderkaak en op de
-ploegschaarbeenderen.
-
-Fraai of sierlijk gebouwd kan men onzen Val, Meerval of Vischduivel
-(Silurus glanis, afgebeeld op p. 247) niet noemen. Met eenig recht
-vergeleken o.a. Ausonius en Geszner hem met een Walvisch, daar hij,
-op den Huso na, alle overige Europeesche zoetwatervisschen in grootte
-overtreft. In den Donau ontmoet men niet zelden exemplaren van 3
-M. lengte en 200 à 250 KG. gewicht; hun dikste deel kan door twee
-mannen ternauwernood omspannen worden. In verband met de breedte
-van den tamelijken korten, van voren halfcirkelvormigen snuit, is de
-mondopening zeer ruim. Het voorste derde deel van 't lichaam wordt voor
-meer dan de helft gevormd door den kop, overigens door den zeer dikken,
-een weinig samengedrukten romp, die even achter zijn midden de zeer
-kleine, 3- of 4-stralige rugvin draagt. De langzaam in hoogte afnemende
-staart is sterk zijdelings samengedrukt en draagt aan het afgeronde
-einde, doch grootendeels aan den onderkant, de middelmatig groote,
-van achteren nagenoeg rechte staartvin; aan haar wortel eindigt de
-aarsvin, die over haar geheele lengte gelijkvormig is en onmiddellijk
-achter de aarsopening begint; een weinig er voor bevindt zich het punt
-van aanhechting der kleine buikvinnen, dat bijna bereikt wordt door
-den top der betrekkelijk groote, afgeronde borstvinnen. De bovenkop,
-de rug en de randen der vinnen zijn blauwachtig, de zijden groenachtig
-zwart, verder naar onderen op lichteren grond met olijfgroene vlekken
-geteekend; de onderzijde is wit met rood- of geelachtigen tint en
-blauwachtig zwarte marmervlekken; de buikvinnen en de aarsvin hebben
-in 't midden een lichtere, geelachtige streep. De onderkaak draagt
-aan weerszijden twee roodachtige voeldraden, die korter zijn dan
-de kop. Aan weerszijden van de bovenkaak, bij het neusgat, komt een
-witachtige voeldraad voor, die tot aan het einde der borstvinnen reikt.
-
-De Meerval, die, volgens Gronovius, in het midden van de vorige
-eeuw veelvuldig voorkwam in het Haarlemmermeer en de hiermede in
-gemeenschap staande wateren, doch reeds een halve eeuw vóór de
-droogmaking (in 1836) minder algemeen was, is sedert dien tijd
-zeldzaam geworden. In de Ringsloot van den Haarlemmermeerpolder,
-in het Kagermeer en den Amstelveenschen poel heeft men hem later
-nog waargenomen (o. a. in 1864 en 1865 exemplaren van 1.2 à 1.5
-M. lengte). Ook in het Uddeler-meer (tusschen Garderen en Apeldoorn)
-zijn exemplaren van deze vischsoort gevangen, die hierheen echter, naar
-men zegt, ten tijde van Prins Willem V, uit Hongarije werd overgeplant
-(Van Bemmelen). Van 't zuiden van Zweden af is de Meerval over geheel
-Middel- en Oost-Europa en ook over een deel van West-Azië verbreid;
-hier en daar (o. a. in het Rijn- en Wezer-gebied) ontbreekt hij echter
-bijna geheel; over 't algemeen vindt men hem uitsluitend in de ten
-oosten van den Rijn gelegen wateren; in Groot-Brittannië werd hij,
-naar men zegt, slechts een enkele maal gevangen. Zeer talrijk is
-deze Visch in den benedenloop van den Donau, hoewel hij ook in den
-bovenloop en de bijrivieren van dezen stroom en de hiermede verbonden
-meren aangetroffen wordt. Zeer zelden ziet men hem in den Rijn; in het
-Bodenmeer echter vangt men hem nu en dan. Hij vestigt zich in stille,
-diepe wateren met modderigen bodem, verbergt zich, traag loerend op
-buit, achter steenen, gezonken boomstammen, wrakken van schepen en
-dergelijke voorwerpen, beweegt zijne voeldraden en vangt de hiernaar
-happende Visschen; bovendien verslindt hij Schaaldieren, Kikvorschen,
-Watervogels, kortom al wat hij krijgen en verzwelgen kan. In de maag
-van een bij Presburg gevangen Meerval vond men de overblijfselen van
-een knaap, in een andere die van een Poedel, in een derde exemplaar
-Ganzen, die door dezen Visch eerst onder water getrokken en daarna
-ingeslikt waren. De bewoners van het Donau-gebied vreezen hem daarom;
-volgens een eertijds onder de visschers verbreid bijgeloof zou ieder,
-die er een gevangen had, spoedig sterven. Op andere plaatsen beoordeelt
-men hem gunstiger en beschouwt hem als een weerprofeet, waarschijnlijk
-omdat hij alleen bij het naderen van een onweer de diepte verlaat en
-hoogere waterlagen opzoekt.
-
-Het kuitschieten heeft plaats in de maanden Mei tot Juli. Zoolang
-dit duurt, vindt men de Vallen gewoonlijk bij paren. Zij naderen
-dan den oever om tusschen riet en andere waterplanten eieren te
-leggen en blijven in dezen tijd over dag in ondiep water liggen,
-hetwelk anders hun gewoonte niet is. Het is gebleken, dat een kuiter
-niet meer dan ongeveer 17000 eieren legt, waaruit na 7 à 9 dagen de
-jongen te voorschijn komen; deze hebben een zonderling voorkomen en
-gelijken werkelijk veel op larven van Amphibiën. Het is misschien
-een geluk voor ons vischwater, dat slechts weinige Vallen een hoogen
-ouderdom bereiken. De jongen, die uit de gespaard gebleven eieren
-komen, worden voor 't meerendeel in den eersten tijd van hun leven
-door Kwabalen en andere roofvisschen, de grootere waarschijnlijk ook
-wel door hun eigen ouders verslonden, vele bovendien in de kracht
-van hun leven door visschers gevangen.
-
-Hoewel het vleesch van den jongen Meerval zeer vet, vast en niet
-onsmakelijk, dat der ouden daarentegen taai en tranig, dat van beide
-dus niet bijzonder geacht is, maakt men toch jacht op dezen Visch,
-omdat zijn vleesch als spek of bij de lederbereiding gebruikt
-kan worden, terwijl men zijn zwemblaas tot lijm verwerkt en als
-een geringere kwaliteit van vischlijm in den handel brengt. Jonge
-Meervallen vangt men meestal met den hengel, oude het meest des
-nachts gedurende den rijtijd, gewoonlijk met de werpspies. Zeer
-groote exemplaren geven den visscher veel werk. Richter verzekert,
-zelf gezien te hebben, dat een groote, aan den haak gevangen Meerval
-door het slaan met den staart een boot deed omkantelen.
-
-Evenals de meeste Vallen in 't algemeen, kan ook de Europeesche zonder
-bezwaar geruimen tijd buiten het water vertoeven, daarom gemakkelijk
-verzonden en naar wateren, waar hij ontbreekt, overgebracht worden. In
-een beperkte ruimte houden jonge Meervallen zich tamelijk goed,
-indien men hun slechts behoorlijk voedsel verschaft.
-
-
-
-De vuurspuwende bergen van Zuid-Amerika, en meer bepaaldelijk die van
-Quito, werpen niet slechts, zooals dit van vulkanen te verwachten is,
-asch, slakken en lava uit, maar nu en dan ook modder en water en tevens
-een ontelbare menigte Visschen, die door hun bederf reeds menigmaal
-de lucht over een grooten afstand verpest en bij de bewoners van de
-omliggende gewesten ziekten veroorzaakt hebben. De Visschen, die de
-Cotopaxi uitwerpt, en die, naar men meende, uit het onbekende binnenste
-der aarde afkomstig zijn, worden door het volk Preñadilla's genoemd;
-zij zijn weinig verminkt en vertoonen evenmin andere verschijnselen,
-waaruit zou blijken, dat zij aan vulkanische hitte blootgesteld
-zijn geweest. Volgens de verzekering der inboorlingen behooren deze
-Visschen tot dezelfde soort als de Vallen, die in de beken aan den
-voet van den vulkaan, maar ook in de overige wateren van het gebergte
-tot op een hoogte van ongeveer 3000 M., volstrekt niet zeldzaam
-zijn. De reden waarom zij bij sommige vulkanische uitbarstingen in
-zoo grooten getale gedood worden, is gelegen in het binnendringen
-van vergiftige gassen in de door hen bewoonde wateren; behalve van
-de Visschen, die in lager gelegen streken den dood vonden, zijn deze
-lijken ook nog afkomstig van die, welke in de hoogere bergstreken om
-'t leven komen en naar beneden worden gevoerd door de bergstroomen,
-welke gedurende de uitbarsting door de hiermede gepaard gaande,
-hevige wolkbreuken gevormd worden. Hoewel de geslachtsnaam van
-eenige dezer tot verschillende onderfamiliën behoorende Visschen
-(Stygogenes) op haar ontstaan in een rivier van de onderwereld, in
-den Styx, doelt, en één hunner hieraan een naam verbindt (cyclopum),
-die aan de éénoogige Giganten herinnert, welke door Jupiter naar
-onderaardsche werkplaatsen verbannen werden, leven alle in stroomend
-of stilstaand water aan de oppervlakte der aarde, tot hun ongeluk
-echter in een gebied, waar soms groote gevaren hen bedreigen.
-
-De Vulkaanval (Stygogenes cyclopum) wordt slechts 10 cM. lang, heeft
-een zeer plat gedrukt, zwart gestippeld, olijfgroen lichaam met een
-middelmatig lang, niet door vinstralen gesteund uitwas (vetvin) achter
-de rugvin, welker eerste vinstraal, evenals die van de borstvin, een
-scherpen doorn vormt, een gespleten staartvin en twee voeldraden aan
-'t einde van den breeden muil, die met zeer kleine tanden gewapend is.
-
-De Prenadilla (Brontes preñadilla) verschilt van de vorige soort
-vooral door het ontbreken van de vetvin.
-
-
-
-Een tot de Vallen behoorende bewoner van den Nijl dankt den naam Raasj,
-dien hij bij de Arabieren draagt en die in beteekenis overeenkomt
-met den bij ons gebruikelijken naam van Beefvisch (Malapterurus
-electricus), aan de merkwaardige eigenschap van electrische schokken
-te geven. De leden van zijn geslacht houden zich in de Afrikaansche
-rivieren op, maar worden nergens in grooten getale gevonden. Van de
-overige Vallen verschillen zij naar het uitwendige vooral door het
-ontbreken van de rugvin, die als 't ware vervangen is door de kort voor
-den wortel van de staartvin gelegen vetvin, welk kenmerk uitgedrukt
-wordt door den wetenschappelijken geslachtsnaam, die "weeke vin op
-den staart" beteekent. Bovendien missen zij de bij andere Vallen
-als wapens dienende doornen, ook die der borstvinnen. Inwendig zijn
-zij kenbaar aan een dun, op een vetlaag gelijkend weefsel, dat zich
-tusschen de huid en de spieren over het geheele lichaam uitstrekt en
-uit 6 of meer boven elkander gelegen vliezen bestaat, waartusschen
-ruimten overblijven, gevuld met een geleiachtige, vele bloedvaten en
-zenuwen bevattende massa. De gladde, zeer slijmerige, volkomen naakte
-huid van de genoemde, in den Nijl levende soort heeft een moeielijk
-te beschrijven grijze kleur; de teekening bestaat uit onregelmatige,
-zwarte vlekken, die langs de zijdestreep dichter opeengehoopt zijn
-en ook op de vinnen voorkomen. Dit dier wordt gewoonlijk 30 à 50,
-soms echter meer dan 100 cM. lang.
-
-Deze Visch kan willekeurig electrische schokken uitdeelen, welker
-sterkte zeer uiteenloopt. Soms kan men hem aanvatten, zonder een schok
-te krijgen; in andere tijden echter toont hij op deze wijze bij de
-geringste aanraking duidelijk zijn ontevredenheid. Zelfs gebeurt het
-wel eens, dat hij geruimen tijd geen gebruik maakt van zijn middel
-om zich te verweren, terwijl eenige personen hem in de hand houden
-en onmiddellijk daarna een volgenden onderzoeker hiermede lastig
-valt. Bijzonder pijnlijk is zulk een schok echter niet; ongetwijfeld
-worden alleen kleine dieren er door verdoofd of gedood.
-
-Het vleesch van den Beefvisch wordt gegeten, maar niet zeer geacht;
-daarentegen schrijft men aan het celweefsel, waardoor de electriciteit
-wordt voortgebracht, een geneeskrachtige werking toe; terwijl het op
-gloeiende kolen verbrandt, stelt men den patiënt bloot aan de hierdoor
-gevormde gassen en dampen. "De Beefvisch van het Beneden-Congo-gebied,"
-verhaalt Pechuel-Loesche, "een log dier, dat ruim 1 M. lang kan worden,
-hapt gretig naar het lokaas, maar is wegens de soms zeer hevige
-electrische schokken, die hij geeft, meestal een zeer ongewenschte
-buit, hoewel zijn vleesch geroemd wordt. O. Lindner deed in zijn
-faktorij de onaangename ervaring op, dat een schijnbaar doode, groote
-Visch van deze soort door de kracht van zijn electrische ontlading een
-mensch op den grond kan werpen; maar zag ongeveer 10 minuten later tot
-zijn voldoening, dat een andere, niets kwaads vermoedende Europeaan
-door denzelfden Visch op dezelfde wijze behandeld werd. Met groote
-exemplaren van deze soort neemt men natuurlijk liefst geen proeven op
-zichzelf; de slagen van de kleine, ongeveer 3 dM. lange Beefvisschen
-zijn zeer goed te verdragen; dikwijls worden zij 15 à 20 seconden lang
-zonder ophouden uitgedeeld. De gewaarwording, die zij veroorzaken,
-gelijkt op een lichte, neuralgische kramp."
-
-
-
-De Gekielde Vallen of Doraden (Doradinae) bewonen de rivieren
-van tropisch Zuid-Amerika, die naar den Atlantischen Oceaan
-afvloeien. Behalve een pantser, dat kop en nek bedekt en uit beenplaten
-bestaat, die ieder een met doornen bezette lijst dragen, hebben zij
-ook aan weerszijden van het lichaam een reeks van gedoornde schilden,
-die tot aan den wortel van de staartvin reikt. De eerste straal van de
-rugvin en van de borstvinnen vormt een dikken, langen, aan weerszijden
-getanden doorn. Achter de rugvin komt een korte vetvin voor.
-
-Een in Guyana en Brazilië levende, 30 à 50 cM. lange soort--Matacaiman
-(Doras costatus) genoemd, omdat zijne doornen, naar men zegt,
-de keelholte en den slokdarm van den Kaaiman verscheuren,
-wanneer deze hem inslikt--heeft een blauwachtig rooden kop,
-overigens bruine bovendeelen, en gele, overlangsche streep op de
-zijden, een zwartachtige vlek op de rugvin en lichter gekleurde
-onderdeelen. Volgens Hancock en Schomburgk ziet men deze Visschen en
-hunne verwanten in het droge seizoen soms in groote troepen over land
-trekken om op uren afstands van de door hen verlaten waterlooze poel
-of rivier een andere woonplaats op te zoeken. Toch komt bij hen geen
-bijzondere inrichting tot het vochtig houden der kieuwen voor. Hancock
-verhaalt, dat hij eens op een afstand van 3 uur gaans van de kust een
-troep van deze Visschen met krommingen van den staart zag kruipen;
-als tweepootige Hagedissen op de schouderstekels en borstvinnen
-steunend, bewogen zij zich met de snelheid van een langzaam gaanden
-mensch. Zij waren zoo talrijk, dat de negers uit het gevolg van den
-reiziger verscheidene korven met Visschen konden vullen. Schomburgk
-voegt hierbij, dat deze dieren, geen water vindend, zich in den
-weeken modder verbergen en hier in een toestand van verstijving
-blijven verkeeren, totdat er weer water valt.
-
-
-
-Bij de Pantservallen (Hypostomatinae) zijn de romp en de staart aan
-weerszijden bedekt met 2 overlangsche reeksen van dakpansgewijs over
-elkander schuivende, smalle, doch zeer hooge, beenachtige schilden;
-die van de bovenste reeks zijn met die van de onderste volgens een
-zigzaglijn op de zijdestreep verbonden; ook de kop is met beenplaten
-bekleed; naakt is de huid alleen aan het einde van den staart en
-tusschen de borstvinnen aan de buikzijde van den romp. De rugvin is
-aan den voorrand met een dikken stekel gewapend, zoo ook de korte
-vetvin en iedere borstvin. Andere kenmerken van deze groep zijn de
-fijnheid der tanden en het bezit van twee aan den wortel vereenigde
-bovenkaaksvoeldraden aan weerszijden van den snuit.
-
-
-
-Gedurende zijn reis door Guyana ontdekte Schomburgk een tot deze
-onderfamilie behoorende Visch van 10 à 15 cM. lengte. Dit dier,
-de Hassar of Hardrug der kolonisten (Chaetostomus pictus), heeft
-gele vlekken op de borst, den buik en de zijden van het lichaam,
-overigens bruine boven- en witte onderdeelen; fijne stekeltjes
-bedekken de bovenzijde van den kop, de schouderbeenderen, de borst
-en de pantserplaten aan de zijden van 't lichaam.
-
-"De Hassar" zegt Schomburgk, "bouwt voor zijne nakomelingen een
-volslagen nest van allerlei waterplanten, handhaaft zich dapper in
-het bezit van deze woning, waarbij hij de wacht houdt en geeft bij de
-verdediging van de eieren tegen iederen aanval de sterkst sprekende
-bewijzen van energie en moederlijke zorgvuldigheid. Dit nest is
-werkelijk kunstig gebouwd en gelijkt veel op dat van den Ekster. In
-April tijgt de bouwmeester aan 't werk; de op korten afstand van
-den waterspiegel tusschen biezen en andere waterplanten aangebrachte
-grashalmen worden aaneengevoegd tot een hollen, platgedrukten bol,
-waarvan het hoogste punt de oppervlakte van 't water bereikt. De
-moeder, die om kuit te schieten door een opening geëvenredigd aan de
-grootte van den Visch in het nest komt, verlaat dit vóór het uitkomen
-der jongen niet anders dan om haar honger te stillen. De moederliefde
-voert haar trouwens dikwijls in 't verderf; zij laat zich in dezen
-tijd gemakkelijk vangen. Het is voldoende een mandje te houden vóór de
-opening van het zonder moeite herkenbare nest en hier zachtjes tegen
-te kloppen; de Visch, die vol woede de vinstralen, waarmede hij niet
-onbelangrijke wonden kan toebrengen, opricht, schiet dan onmiddellijk
-naar buiten en komt in het mandje terecht.--Bij voorkeur houdt de
-Hassar zich op in het stilstaand water van de kuststreken, vooral
-in de besproeiingskanalen der plantages. Een andere eigenaardigheid
-van dezen Visch is, dat hij, op soortgelijke wijze als de Doraden,
-gedurende het droge seizoen over land trekt."
-
-
-
-Bij de Harnasvallen (Loricaria) is het lichaam met 3 à 5 overlangsche
-reeksen van betrekkelijk kleine beenplaatjes volledig gepantserd. Aan
-de onderzijde van den platten, spatelvormigen snuit bevindt zich de
-mondopening, welker randen uitgegroeid zijn tot een vliezigen zoom,
-die, bij wijze van franje, met voeldraden voorzien is. Zoowel de
-tusschenkaaksbeenderen als de onderkaakshelften zijn in 't midden
-gescheiden; zij dragen lange tanden met een haakje naast de spits. De
-eerste straal van de borstvinnen, van de buikstandige buikvinnen en
-van de tegenover deze geplaatste rugvin is een lange, aan den rand
-gekerfde doorn; de vetvin ontbreekt; de staart is plat en lang, zijn
-vin gegaffeld. Dit geslacht omvat 25 soorten van kleine Visschen,
-die de rivieren van tropisch Zuid-Amerika bewonen.
-
-
-
-De 20 à 25 cM. lange Kolderman (Loricaria cataphracta) is op den
-rug effen bruin, soms met onduidelijk begrensde dwarsbanden, op den
-buik lichter van kleur. De tanden zijn bij hem zeer duidelijk, aan de
-tusschenkaak minder talrijk, maar veel langer dan aan de onderkaak. De
-bovenste straal van de staartvin is tot een draad uitgegroeid,
-die het lichaam in lengte overtreft. In steenachtige bergbeken en
-rivieren van Zuid-Amerika, vooral in Suriname en Noord-Brazilië,
-schijnt deze Visch nergens zeldzaam te zijn. Schomburgk vond hem in
-grooten getale op zandbanken in den Roepoenoeni, dikwijls op eenige
-meters afstand van den waterkant; hij lag hier stil op het vochtige
-zand en kon gemakkelijk gevangen worden. Hieruit leidt men af, dat
-ook deze soort, evenals zijne verwanten, soms het water verlaat en
-over land een andere woonplaats opzoekt. Naar het schijnt, dienen de
-lange staartdraad en de voeldraden aan den mondrand tot het lokken van
-den buit, die uit kleine in of op den bodem levende diertjes bestaat.
-
-
-
-Verreweg de meeste Zuid-Europeesche zoetwatervisschen en een groot
-aantal van die, welke de binnenwateren van Azië, van een deel van
-Afrika en van Noord-Amerika bewonen, behooren tot de familie der
-Karpervisschen (Cyprinidae), zoo genoemd naar haar belangrijksten
-vertegenwoordiger. Hun langwerpig eirond lichaam is met groote, ronde
-schubben bekleed; de kleine mondopening heeft zwakke, tandelooze kaken;
-de onderste keelbeenderen zijn met tanden bezet en werken op den
-zoogenaamden "karpersteen," een uitwas van den schedel, dat meestal
-een hoornplaat draagt. De zwemblaas is in den regel verdeeld in een
-voorste en een achterste afdeeling en met het gehoororgaan verbonden
-door een keten van gehoorbeentjes. Voor de indeeling van de familie
-zijn de inrichting van den mond en de keelbeenderen van groot belang.
-
-Men onderscheidt ongeveer 800 soorten van Karpervisschen; zij houden
-van stilstaand water, welks weeken, modderigen of zandigen bodem
-hun gewone voedsel, Wormen, insectenlarven en rottende plantaardige
-stoffen, bevat. Ook bewonen zij langzaam stroomend water, maar
-vermijden daarentegen bergstroomen min of meer. De meeste leven
-gezellig en vereenigen zich gaarne tot talrijke scholen, die, naar
-het schijnt, geruimen tijd gemeenschappelijk zwemmen en jagen en ook
-gedurende het ruwe jaargetijde dicht bij elkander in het slijk kruipen
-en hier een soort van winterslaap houden. Zij halen het grootste deel
-van hun voedsel uit den modder, dien zij zorgvuldig doorzoeken, door
-er dikwijls den kop in te steken en lang achtereen in deze houding te
-blijven. Als de rijtijd nadert, splitsen de scholen zich in kleinere
-troepen: de kuiters zwemmen in 't eerste gelid, de hommers volgen
-hen trouw; gewoonlijk begeleiden 2 of 3 mannetjes één wijfje. In de
-eierstokken van een wijfje van 1.5 KG. vond men 337000, in die van
-een volwassen kuiter 700000 eieren. Verscheidene soorten worden sinds
-lang gefokt en hebben dus reeds vele eeuwen onder den invloed van
-den mensch gestaan; het verschil in de inrichting der fokvijvers, de
-ongelijke behandeling, enz. hebben aanleiding gegeven tot het ontstaan
-van vele afwijkingen, die in den loop der tijden standvastig zijn
-geworden. Dientengevolge is het aantal spelingen en verscheidenheden
-in de familie der Karpers grooter dan in eenige andere.
-
-De Karpervisschen hebben, met uitzondering van slechts weinige
-soorten, een zacht, sappig en zeer smakelijk vleesch, kunnen
-wegens hun taai leven zonder bijzondere voorzorgen ver verzonden en
-gemakkelijker dan alle overige Visschen in allerlei verschillende
-wateren geacclimatiseerd worden; zij vermenigvuldigen zich zeer sterk,
-stellen geringe eischen, groeien snel, worden spoedig vet en bezitten
-dus alle goede eigenschappen, die men bij een voor 't kweeken bestemden
-Visch verlangen kan. Op plaatsen, waar de mensch toezicht over hen
-houdt, hebben zij wel veel van ziekten, maar niet veel van vijanden
-te lijden; in de vrije natuur echter worden de jonge Karpervisschen
-door nagenoeg alle overige waterdieren vervolgd. Daarom geeft hun
-teelt zelden aanleiding tot groote teleurstelling en zijn zij beter
-dan andere Visschen voor algemeen gebruik geschikt.
-
-
-
-Bij de Karpers i. e. z. (Cyprinus) is de mondopening vóór aan den
-snuit geplaatst en draagt de bovenkaak vier voeldraden: een korte en
-dikke dicht bij iederen mondhoek, een andere, nog kleinere iets verder
-naar voren. Op ieder der onderste keelbeenderen komen 5 keelbanden
-voor op drie rijen: de beide voorste ieder met één tand, de achterste
-rij met 3 tanden. De 4 voorste stralen van de rugvin en de 3 voorste
-van de aarsvin onderscheiden zich van de overige door hun dikte en
-stevigheid; de achterste van deze "doornen" is de langste en aan den
-achterrand van grove zaagtanden voorzien.
-
-
-
-De eenige vertegenwoordiger van dit geslacht, de Karper, in Groningen
-ook wel Blauwkarper genoemd (Cyprinus carpio), bereikt--wanneer
-men enkele reuzen, die 1.5 M. lang, 60 cM. breed en 35 KG. zwaar
-geworden zijn, buiten rekening laat--een lengte van ongeveer 1 M. en
-een gewicht van 15 à 20 KG. Hij heeft een grooten bek met dikke lippen
-en een diep halvemaanvormig uitgesneden staartvin. Zoowel wat gestalte
-als wat kleur betreft, komen vele verscheidenheden voor. De zijden
-zijn gewoonlijk fraai olijfgroen met goudgelen glans, de rug en de
-rugvin zwartachtig grijs of zwartachtig bruin, de lippen en de buik
-geelachtig, de borst- en buikvinnen, aars- en staartvin roodachtig
-of geelachtig paars. De schubben vertoonen in 't midden dikwijls een
-donkere vlek en niet zelden aan den achterrand een zwartachtigen zoom.
-
-Tot aan den laatsten tijd heeft men verscheidene bastaarden en
-afwijkingen van den Karper als echte soorten beschouwd; de onjuistheid
-van deze meening is echter na zorgvuldige onderzoekingen met
-nagenoeg volkomen zekerheid gebleken. Van deze verdienen vermelding:
-de Spiegelkarper of Karperkoning, die slechts 2 of 3 rijen van
-buitengewoon groote schubben aan weerszijden van het lichaam en voor
-het overige een naakte huid heeft; deze werd uit Duitschland naar
-de Belgische vijvers overgebracht en komt ook in onze wateren soms
-voor. De Lederkarpers, die in 't geheel geen schubben hebben, zijn bij
-ons nog zeldzamer. Een langwerpige, bijna cilindervormige gedaante,
-hebben de Meer- of Theisskarpers, die men op de vischmarkten van Weenen
-en München aantreft. De Karperkoningin houdt, wat den vorm betreft,
-het midden tusschen de vorige verscheidenheid en den gewonen Karper
-en kenmerkt zich voorts door een meer goudgele tint, breederen bek,
-dikkere baarddraden, langere lippen, enz.; zij wordt in Zwaben,
-Beieren en Bohemen aangetroffen. De Spitskarper eindelijk is meer
-gedrongen gebouwd en hooger van rug dan de gewone; hij bewoont den
-Donau, het Neusiedler meer en het Plattenmeer.
-
-De Karper was reeds aan de oude Grieken en Romeinen bekend, maar werd
-door hen minder geschat dan door ons. Eenige onderzoekers hebben
-hieruit afgeleid, dat deze Visch uit Zuid-Europa naar Frankrijk
-en Duitschland overgebracht is; men kan echter even goed aannemen,
-dat hij sommige groote rivieren van Middel-Europa, althans de Donau,
-van oudsher heeft bewoond. In aanzienlijke hoeveelheid komt hij voor
-in de Kaspische Zee en de hiermede in gemeenschap staande wateren,
-daar hij ook in veel zout bevattende moerassen kan leven; niet minder
-talrijk ontmoet men hem in de rivieren van de Zwarte Zee, zeldzamer in
-deze zelf. Gedurende den zomer houdt hij zich in groote menigte op in
-het ondiepe water van de Wadden; in den herfst zwemt hij de rivieren
-op tot in hooggelegen streken om hier te overwinteren. Naar men zegt,
-ontbreekt hij in Noord-Rusland. In Siberië hebben wij hem als een
-bewoner van het Ob-gebied, vooral van den Irtisch leeren kennen;
-evenzeer treft men hem aan in de Siberische stroomen, die in de
-Stille Zuidzee uitmonden. In Oud-Pruissen werd hij, naar men zegt,
-eerst omstreeks 1769 ingevoerd, naar de Oostzeeprovinciën van Rusland
-nog later overgebracht. Van Duitschland en Denemarken uit heeft men
-hem naar Engeland en Zweden overgeplant; naar 't eerstgenoemde rijk
-omstreeks 1496 of, naar anderen beweren, in 1521, of zelfs eerst
-in 1614. Tegenwoordig ontbreekt hij in nagenoeg geen der meren en
-rivieren van Middel-Europa; in kleine hoeveelheid bewoont hij ook
-die van ons land; men vindt hem dikwijls in zeer groote menigte in
-de zoogenaamde veenplassen, waar vooral in vroegeren tijd soms zeer
-groote en zware exemplaren gevangen werden. Belangrijk is de Karper
-echter vooral hierdoor, dat hij zich niet minder gemakkelijk of nog
-beter dan eenige andere Visch laat fokken. In vele streken houdt
-men hem in bepaaldelijk voor dit doel ingerichte vijvers, waardoor
-een beekje stroomt. Gewoonlijk worden deze kweekplaatsen eens in
-de 6 jaren bevischt, vooral door het water daaruit af te tappen en
-de Karpers met de handen of schepnetten te vangen. In Duitschland,
-waar deze karpervijvers vrij algemeen zijn, geeft men aan de daarin
-gehouden Visschen den bijnaam van "tamme", in tegenstelling met die,
-welke in rivieren en meren leven en "wilde" genoemd worden.
-
-"Voorheen werden in ons land in vele vijvers Karpers aangefokt, die
-als 't ware in tammen staat, tot ontelbare massa's vermeerderden;
-onder deze vijvers was die van het huis te Swieten bij Leiden zeer
-beroemd; men zegt, dat hierin exemplaren van 200 à 300 jaar oud geleefd
-hebben. Tegenwoordig zijn er slechts weinige eigenlijke karpervijvers
-overgebleven; op den huize Baak bij Zutphen zag ik voor eenige jaren,"
-schrijft Van Bemmelen in 1866, "nog zeer oude exemplaren van zeer
-verschillenden vorm in een dergelijken vijver; in de vijvers van het
-Haagsche Bosch komt de Karper ook voor. Daar hij een zeer taai leven
-heeft, worden enkele exemplaren soms in kleine ruimten aangetroffen,
-zoo vond men in een afgesloten moerput te Kapelle (Prov. Noordbrabant),
-in November 1856, een Karper, die 14,7 KG. zwaar was."
-
-Ondiepe, modderige, zoo weinig mogelijk beschaduwde, hier en daar
-met waterplanten dicht bedekte vijvers of meren zijn het best voor
-den Karper geschikt; niet minder goed gedijt hij in de doode armen
-van rivieren of in deze zelf, wanneer zij rustig stroomen en een
-slijkerigen bodem hebben; snel stroomend, helder water vermijdt
-hij steeds. Gedurende den zomer, na den voortplantingstijd, mest
-hij zich vet voor den winter en doorkruist met dit doel meestal in
-dichte scholen de ondiepe gedeelten van het door hem bewoonde water,
-tusschen de waterplanten rondkijkend naar Insecten en Wormen en
-ook naar allerlei plantaardige stoffen, of den modder doorzoekend
-met hetzelfde doel. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine
-dieren, vooral uit Wormen, larven van Insecten of zelfs Amphibiën
-en dergelijke waterbewoners; hij bepaalt zich echter volstrekt niet
-tot dit voedsel, maar eet ook gaarne plantaardige stoffen, rottende
-deelen van waterplanten, bedorven vruchten, gekookte aardappels,
-brood, enz. In de vijvers is men gewoon de Karpers met schapenmest te
-voederen, hetgeen eigenlijk beteekent, dat men door de mest Insecten
-en Wormen aanlokt, want deze en niet de mest verschaffen aan deze
-Visschen voedsel, hoewel zij de mest ook verzwelgen. Bij 't wroeten in
-den modder slikken zij ook aardachtige stoffen door; naar het schijnt
-hebben zij deze noodig voor de spijsvertering. In de zee voeden zij
-zich waarschijnlijk vooral met Wormen en kleine Schelpdieren.
-
-Bij voldoende voeding wordt de Karper reeds in het derde levensjaar
-geslachtsrijp. Een 5-jarig wijfje legt reeds 300000 eieren; op hoogeren
-leeftijd kan dit aantal meer dan dubbel zoo groot worden. Zoodra de
-Karper zijn bruiloftskleed verkregen heeft, ontwaakt in hem de lust
-tot trekken; hij tracht nu zoover mogelijk de rivier op te zwemmen en
-overwint bij deze gelegenheid dikwijls belangrijke hinderpalen. Voor
-het kuitschieten kiest hij ondiepe, met waterplanten dicht begroeide
-plaatsen op; slechts als hij deze vindt, levert de voortplanting een
-voor den fokker gewenscht resultaat op. In de meren en rivieren vangt
-men de Karpers in sleepnetten, vaste netten en fuiken; vooraf werpt
-men op sommige plekken gekookte erwten als lokaas; ook plaatst men
-er wel eens zetlijnen, welker haken met kleine stukjes vleesch of
-gedroogde vruchten voorzien zijn.
-
-Voor de karperteelt heeft men minstens tweeërlei vijvers noodig,
-n.l. ondiepe en diepere; de zoogenaamde mest- en fokvijvers en de
-winter- of verkoopvijvers. De eerstgenoemde moeten een kegelvormige
-uitholling hebben, waarin de Visschen, zonder door de vorst te
-lijden, den winter kunnen doorbrengen, maar mogen overigens niet
-dieper zijn dan 2 M., ook is het volstrekt noodig, dat zij ondiepere,
-met gras begroeide plekken hebben, om de Karpers de meest gewenschte
-gelegenheid tot kuitschieten te bieden. Een geregelde toevoer van
-"zacht" water is evenzeer een noodzakelijk vereischte; in vijvers met
-"hard" water gedijt de Karper niet, het minst goed in die, waarin
-krachtige wellen voorkomen of die hun water hieruit ontvangen. Als
-men verscheidene vijvers heeft, worden de ondiepste voor broedvijvers
-gekozen, de diepere en grootere voor mestvijvers; steeds moet er
-evenwel voor gezorgd worden, dat er in iederen vijver diepe plaatsen
-voorkomen, die in alle omstandigheden vorstvrij blijven, omdat men
-anders genoodzaakt is om tegen den winter de Karpers naar een dieperen
-vijver over te brengen. In den regel worden voor een broedvijver van 2
-HA. 5 fokkarpers van 4- à 12-jarigen leeftijd (1 hommer en 4 kuiters)
-voldoende geacht; om het onbevrucht blijven van een deel der eieren
-te voorkomen, is het natuurlijk nog beter nagenoeg evenveel hommers
-als kuiters in den vijver te plaatsen. Hoewel de Karper buitengewoon
-vruchtbaar is, levert iedere kuiter slechts in gunstige omstandigheden
-1000 à 2000 jongen, waarschijnlijk omdat er nog altijd te weinig
-zorg wordt besteed aan een behoorlijke inrichting van de voor 't
-kuitschieten bestemde plaatsen. Sommige vischfokkers verschaffen aan
-de Karpers een uitmuntende gelegenheid voor het leggen van de eieren,
-door op een afstand van 20 cM. onder den waterspiegel in horizontale
-richting horden of matten aan te brengen, die van wilgentwijgen
-gevlochten en aan de bovenzijde met een groot aantal bundeltjes van
-swarretakjes voorzien zijn. De ervaring heeft geleerd, dat door dezen
-maatregel een aanmerkelijk grooter aantal bevruchte eieren en jonge
-vischjes wordt verkregen. Zoolang de ontwikkeling van de kiem duurt,
-moet het water in den broedvijver zooveel mogelijk op dezelfde hoogte
-gehouden worden, daar de eieren bederven, indien zij tijdelijk bloot
-komen te liggen. Zoodra de jonge vischjes het ei verlaten hebben,
-bestaat de taak van den vischfokker voornamelijk in het nemen van
-maatregelen om de diertjes tegen allerlei vijanden te beschermen. De
-vermenigvuldiging van de Waterkikkers, die nadeelig zijn door het
-verslinden van eieren en jongen, wordt door het wegnemen van het
-kikkerrit tegengegaan. Bovendien hebben de Karpers veel te lijden van
-Waterspitsmuizen en Waterratten, Zwarte Ooievaars, Eenden en Duikers;
-hunne ergste vijanden zijn echter de Vischotters, Vischarenden, en vele
-soorten van Reigers, om van allerlei roofvisschen niet eens te spreken.
-
-Om aan de jonge vischjes een voldoende hoeveelheid voedsel te
-verschaffen is men in den laatsten tijd begonnen hen reeds weinige
-weken na de geboorte in grootere, zoogenaamde "broedgroeivijvers" over
-te brengen; verscheidene malen in den zomer worden met dit doel de
-broedvijvers leeggevischt; hierdoor wordt een veel grootere opbrengst
-aan jonge Visschen verkregen. Deze brengen hun tweede levensjaar
-in den eersten eigenlijken groeivijver door en bereiken hier bij
-gunstige weersgesteldheid, vooral bij warm weer, een lengte van 8 à
-12 cM. De tweejarige Karpers brengen den derden zomer in den tweeden
-groeivijver door en kunnen hier meer dan 30 cM. lang worden, als de
-bevolking niet te groot en het voedsel dus niet te schaarsch is. In
-den derden zomer eindelijk komen de Karpers in de "mestvijvers",
-waar zij in den loop van 1 of 2 jaar 1 à 1.5 KG. zwaar en dus voor
-de markt geschikt worden. Deze vijvers zijn grooter dan de vorige;
-men kan er, tegelijk met de Karpers, Zeelten en Alen in houden en
-ook een beperkt aantal Snoeken of andere roofvisschen; deze zijn
-nuttig door het verslinden van waardelooze kleine Witvisschen, zooals
-Voorns, Ruischvoorns, enz., en van de jongen der te vroeg rijpe,
-voor de markt bestemde Karpers, ook bevorderen zij de ontwikkeling
-dezer trage dieren en voorkomen het ontstaan van de ziekten, waaraan
-zij onderhevig zijn, door hen in beweging te houden. De Snoeken
-komen in den Karpervijver gemakkelijk aan den kost en bereiken
-binnen korten tijd zulk een grootte, dat het hun niet moeielijk zou
-zijn onder de niet voor hen bestemde Visschen een groote slachting
-aan te richten; te rechter tijd moet men deze dienaren afdanken en
-vervangen door jongere exemplaren, die nog tevreden zijn met Visschen,
-welke voor ons niet slechts waardeloos, maar zelfs schadelijk zijn,
-daar zij zich voeden met de spijzen, waarvan de Karpers vet moeten
-worden. Het is noodig, dat in de mestvijvers moddervrije diepten
-voorkomen, die tot winterleger voor de Visschen kunnen dienen. Men
-moet er voor zorgen, dat de vijver nooit geheel met ijs bedekt is;
-steeds moeten er openingen in de ijskorst zijn ten behoeve van de
-luchtverversching. Vóór den aanvang van den winter worden ook de één-
-en tweejarige Karpers dikwijls naar bepaalde, voor winterverblijf
-geschikte vijvers overgebracht. Voor het bewaren van de Visschen,
-die gereed zijn om afgeleverd te worden, dienen de kleine "verkoop-"
-of "voorraadvijvers".
-
-De Karperteelt in vijvers was in vroegere eeuwen in Duitschland
-wegens het meer algemeene gebruik van vastenspijzen van grootere
-beteekenis dan thans. Toch bestaan ook nog in den tegenwoordigen tijd
-groote inrichtingen voor het vischfokken. De grootste zijn die van het
-domein Wittingau en Boheme, waar 187 vijvers een oppervlakte van 5564
-HA. innemen; belangrijk zijn ook die van het vorstendom Trachenberg in
-Silezië (1173 HA.) en van het domein Peitz bij Cottbus in de Lausitz
-(1176 HA.). De vijvers worden naar den oorsprong van het water dat
-zij bevatten, onderscheiden in: "stroom-" of "beekvijvers", die
-onmiddellijk of door tusschenkomst van kanalen met stroomend water
-in gemeenschap staan, "bronvijvers", die door wellen aan den bodem of
-bij den rand gevoed worden, en "regenvijvers", waarin zich het direct
-neervallende of van de omliggende gronden afvloeiende regenwater
-verzamelt. Ieder dezer vijvers heeft eigenaardige voordeelen. Alle
-zijn voorzien van inrichtingen om ze te ledigen en weer vol te laten
-loopen en den waterstand te regelen; met dit doel omgeeft hen een met
-zorg aangelegde dam, die geen water mag doorlaten; in de onmiddellijke
-nabijheid van de hierin aangebrachte aftaptoestellen komt meestal een
-zoogenaamde "vischkuil" voor, de diepst uitgegraven plek, waarheen
-verschillende kanalen in den bodem leiden, zoodat bij het droogleggen
-van den vijver alle Visschen zich hier verzamelen. Voor de vischteelt
-moet het terrein bij voorkeur uit vette leem of klei bestaan, daar
-deze geen water doorlaat en voor de ontwikkeling van dierlijke en
-plantaardige voedingsstoffen het meest geschikt is. In den regel
-gebruikt men den vijver afwisselend voor de vischfokkerij en als bouw-
-of weiland, d. w. z. de grond wordt na het droogleggen met klaver,
-haver of gras bezaaid; na twee jaar laat men den vijver opnieuw vol
-loopen. Door dezen wisselbouw wordt partij getrokken van het slijk,
-dat zich op den bodem heeft verzameld, daar het als mestspecie voor
-de uitgezaaide gewassen dient, terwijl aan den anderen kant door de
-bebouwing de ontwikkeling van het dierlijk leven in den opnieuw met
-water bedekten bodem bevorderd wordt. Merkwaardig gunstige uitkomsten
-levert de karperteelt in Californië. Wegens het zachte klimaat en den
-overvloed van voedsel groeien de Visschen hier buitengewoon snel. Kort
-na 1880 heeft men de meeste gewesten in de Vereenigde Staten uit de
-fokvijvers te Washington met Karpers kunnen voorzien.
-
-Karpers, die in een kleinen parkvijver geregeld gevoederd worden,
-geraken spoedig aan hun woonplaats en aan hun verzorger gewoon;
-zoodra hij zijn stem laat hooren, of hen op een andere wijze roept,
-b.v. door een klokje te luiden of te fluiten, komen zij van alle
-kanten aanzwemmen en scholen samen op de plaats, waar zij gewoon zijn
-hun voedsel te ontvangen.
-
-
-
-De Steenkarpers (Carassius) zijn kenbaar aan het ontbreken van de
-voeldraden aan den eindstandigen mond, hoewel bij hen, evenals bij
-de leden van het vorige geslacht, de zachte vinstralen van rugvin en
-aarsvin voorafgegaan worden door een beenigen, aan den achterrand
-gezaagden doorn. Ieder van de onderste keelbeenderen draagt vier
-spatelvormige tanden, die op één reeks geplaatst zijn. Tot dit geslacht
-behoort slechts één ook in Nederland voorkomende soort, de Steenkarper,
-oudtijds ook wel Hamburger genoemd (Carassius carassius). De donker
-olijfbruine kleur van de bovendeelen gaat op de zijden in geelgroen
-over. De borst- en buikvinnen hebben een roodachtige tint; de overige
-vinnen zijn donkerbruin. Dikwijls zweemen alle tinten min of meer
-naar geelrood. Bijzonder groot wordt de Steenkarper niet, daar hij
-slechts zelden een lengte van meer dan 20 cM. en een gewicht van meer
-dan 0.7 KG. bereikt. De grootte en de kleur vertoonen echter veel
-afwisseling bij deze soort. Aan hare talrijke verscheidenheden werd
-vroeger een hoogeren rang toegekend. Uit nauwkeurige onderzoekingen
-is n.l. gebleken, dat de Giebel (Cyprinus gibelio), die door onze
-visschers veelal onder de namen Kroeskarper, Kruiskarper en Jonge
-Karper op de markt wordt gebracht, niet als een afzonderlijke soort mag
-worden beschouwd, hoewel bij hem de hoogte van het lichaam slechts een
-derde, bij den Gewonen Steenkarper daarentegen soms niet minder dan
-de helft van de lengte (zonder de staartvin) bedraagt. Bij beide is
-het aantal schubben gelijk. De Giebel is kleiner dan de gewone vorm
-en fraai bronskleurig in plaats van olijfgroen. Ook bastaarden van
-den Karper en den Steenkarper zijn soms als echte soorten beschreven,
-b.v. de Bastaardkarper (Cyprinus Kollari).
-
-De Steenkarper wordt in ons land vrij algemeen aangetroffen,
-vooral in stilstaande wateren, zooals meren, veenplassen, vaarten
-en slooten. Zijn verbreidingsgebied omvat het midden, noorden en
-oosten van Europa en het noorden van Azië. Veelvuldig komt hij voor
-in rivieren, vijvers en meren van de Rijn- en Donaulanden, Oost-
-en West-Pruisen, geheel Rusland en Siberië. Hij bewoont overal
-bij voorkeur stilstaand water, zooals meren met moerassige oevers
-of de zoogenaamde doode armen van rivieren. Men vindt hem echter
-ook in kleine vijvers, poelen, plassen en moerassen; het deert hem
-niet, dat het water in zijn omgeving vuil is; zelfs het smerigste,
-modderigste voedsel neemt hij voor lief en vaart er wel bij. Evenals de
-Karper, voedt hij zich hoofdzakelijk met Wormen, larven en rottende
-plantaardige stoffen en brengt daarom het grootste deel van zijn
-leven op den bodem van 't water door. Hier verkeert hij gedurende
-het koude jaargetijde in een staat van verstijving; zelfs kan hij,
-naar men zegt, in het ijs vastvriezen, zonder dat dit zijn leven in
-gevaar brengt. Alleen gedurende den rijtijd, die in Zuid-Europa in
-Juni, in Noord-Europa in Juli plaats heeft, ziet men hem dikwijls
-aan de oppervlakte van 't water verschijnen, vooral op ondiepe, met
-planten begroeide plaatsen; hier dartelen dan geheele scholen van deze
-Visschen rond, die met de lippen smakkend aan den waterspiegel voedsel
-zoeken en elkander spelend najagen, totdat de tijd van kuitschieten
-aanbreekt.--Hoewel de Steenkarper een betrekkelijk gering aantal eieren
-legt, n.l. omstreeks 100000, vermenigvuldigt hij zich zeer sterk.
-
-In vijvers, welker water voor de karperteelt te modderig is, kan
-het fokken van Steenkarpers voordeel opleveren. Zulk water heeft
-geen nadeeligen invloed op den smaak van hun vleesch, terwijl het
-dat van den Karper bijna oneetbaar maakt. Ook zijn de Steenkarpers
-indirect nuttig, als men ze kweekt in denzelfden vijver als Forellen,
-omdat zij aan deze edele roofvisschen, die hen in waarde vele malen
-overtreffen, tot voedsel dienen. De Steenkarper kan uren lang buiten
-het water in leven blijven en, in sneeuw of vochtige bladen verpakt, in
-ieder jaargetijde over groote afstanden verzonden worden. In Rusland,
-waar hij alle wateren van de steppe bevolkt, schat men hem hoog.
-
-
-
-Engelbert Kämpfer (1651-1716), een Duitsche arts, die in 1683 als
-secretaris aan het Zweedsche gezantschap in Perzië verbonden was, nam
-in 1685 als scheepsdokter dienst op de vloot van onze Oost-Indische
-Compagnie, die destijds in de Perzische golf kruiste en bezocht
-in deze kwaliteit Arabië, Hindostan, Java, Sumatra, Siam, China en
-Japan. Aan dezen geleerde dankt men, behalve een "Geschiedenis van
-Japan" en een plaatwerk over Japansche planten, de eerste berichten
-over een rooden pronkvisch met fraaien, goudgelen staart, King-Jo
-genaamd, die in Japan en China in vijvers gehouden en in zekeren zin
-als huisdier beschouwd wordt. Dit dier, bij ons onder den naam van
-Goudvisch bekend, is vermoedelijk voor 't eerst door de Portugeezen uit
-China naar de Kaap de Goede Hoop, vervolgens naar Portugal en van hier
-naar de andere landen van Europa overgebracht. Over het jaar, waarin
-hij voor 't eerst in ons werelddeel verscheen, heerscht verschil van
-meening: sommige schrijvers spreken van 1611, andere van 1691, nog
-andere van 1728. In ons vaderland bezaten, naar men zegt, Bentinck
-en Clifford de eerste Goudvisschenvijvers, welker bewoners evenwel,
-volgens Baster, in 1765 nog geen kuit geschoten hadden. De eerste
-Goudvisschen, die men in Frankrijk te zien kreeg, dienden als geschenk
-aan de beruchte Madame de Pompadour. Tegenwoordig zijn deze Visschen
-bij alle beschaafde volken gewenschte huisgenooten en in de warme
-landen van den gematigden aardgordel werkelijk inheemsch geworden. Op
-het eiland Mauritius, waar zij door de Franschen werden ingevoerd,
-bewonen zij thans alle rivieren, vijvers en meren; ook in Portugal
-schijnen zij verwilderd te zijn. Vooral in het zuiden en westen van
-Frankrijk werden en worden zij in aanzienlijken getale gekweekt;
-de fokvijvers in de omstreken van Havre voorzien een groot deel van
-Engeland met Goudvisschen; ook in Duitschland bestaan hier en daar
-inrichtingen van dezen aard. Over 't algemeen komt deze vischteelt
-met die van den Karper overeen, met dit verschil, dat de hiervoor
-noodige vijvers talrijker en kleiner zijn en een nauwkeuriger toezicht
-vereischen. De Goudvisschen kunnen door doelmatige behandeling er toe
-gebracht worden in den loop van één zomer drie- of zelfs viermaal kuit
-te schieten en zeer vroegtijdig hunne prachtige kleuren aan te nemen;
-ook kan men binnen zekere grenzen hunne kleuren wijzigen.
-
-Binnenshuis houdt men de Goudvisschen gewoonlijk in halfbolvormige
-glazen kommen; beter geschikt hiervoor zijn echter grootere glazen
-bakken, die ruimschoots voorzien en versierd zijn met waterplanten. Als
-voedsel werpt men iederen dag eenige stukgewreven mierenpoppen,
-broodkruimels of stukjes ouwel in het water; men moet dat echter niet
-overdrijven omdat het weinigje water dat een goudvisschenkom bevat,
-ook buitendien weldra zoo zeer bederft dat Visschen van geringer
-weerstandsvermogen er niet in zouden kunnen leven; door een overmaat
-van voedsel wordt het zelfs voor Goudvisschen te slijmerig. Om hen
-lang te behouden, is het volstrekt noodig van tijd tot tijd het water
-te ververschen en er iederen dag verscheidene malen door een blaasbalg
-met fijn uitloopende pijp lucht door te persen. Voor een groote, met
-planten bezette waterbak is het toepassen van dezen maatregel minder
-noodig, omdat de planten zuurstof afscheiden. Het aanraken of op een
-andere wijze storen van de Goudvisschen moet vermeden worden. Het is
-wegens den gezelligen aard van deze dieren raadzaam minstens 2 of 3
-in een kom en verscheidene in een grooter aquarium te houden, omdat
-zij het verlies van metgezellen, waaraan zij gewoon zijn geraakt,
-in den regel niet lang overleven. Door zorgvuldige behandeling worden
-de Goudvisschen weldra zoo tam, dat zij hun verzorger het voedsel uit
-de hand nemen, of, wanneer zij in grootere ruimten, in fonteinen of
-kleine vijvers verblijf houden, bij het hooren van een met een klok
-gegeven sein komen aanzwemmen.
-
-De Goudvisch (Carassius auratus) heeft ongeveer denzelfden vorm
-als de Karper en kan 25 à 30, hoogstens 40 cM. lang worden; op
-vermiljoenrooden grond schittert zijn huid met een prachtigen
-goudglans. Er bestaan vele verscheidenheden van deze soort,
-o.a. een zilverkleurige (de Zilvervisch) en een zwart gevlekte; door
-lang voortgezette teeltkeus kan men trouwens allerlei min of meer
-standvastige rassen verkrijgen; de Chineezen zijn hierin zeer bedreven
-en reeds sinds eeuwen in deze richting werkzaam. Een zeer in 't oog
-vallende, zonderlinge monstruositeit is de zoogenaamde Teleskoopvisch,
-die reusachtig groote, ver buiten den kop uitpuilende oogen en een
-zeer groote staartvin heeft.
-
-
-
-De Barbeelen (Barbus), die het soortenrijkste geslacht van de geheele
-familie vormen, hebben, evenals de Karpers, vier voeldraden aan de
-bovenkaak; deze steekt voor de onderkaak uit, zoodat de mondopening
-zich aan de benedenzijde van den snuit bevindt. In de korte rugvin
-is een der stralen, gewoonlijk de derde, een tamelijk dikke doorn;
-de aarsvin is eveneens kort, maar bevat geen doorn. Elk der onderste
-keelbeenderen draagt 3 rijen van tanden (in de buitenste 2, in de
-middelste 3, in de binnenste 5); deze zijn kegelvormig, naar achteren
-haakvormig omgebogen en aan de achterzijde lepelvormig uitgehold.
-
-
-
-Onze Rivierbarbeel, gewoonlijk eenvoudig Barbeel en, evenals
-de Gebaarde Modderkruiper, ook wel Berm of Barm genoemd (Barbus
-fluviatilis), kan 60 à 70 cM. lang en 4 à 5 KG., bij uitzondering 9 à
-12 KG. zwaar worden; zijn lichaam is veel langwerpiger dan dat van den
-Karper, tamelijk dik, hoewel zijdelings samengedrukt, ongeveer 5-maal
-zoo lang als hoog, op den rug olijfkleurig groen, aan de zijden en
-aan den buik lichter, n.l. groenachtig wit, aan de keel wit van kleur;
-de rugvin is blauwachtig, de aarsvin evenzeer, doch met zwartachtigen
-zoom; de overige vinnen zijn min of meer roodachtig.
-
-De Rivierbarbeel verdient dezen naam, omdat hij uitsluitend heldere
-en stroomende, nooit stilstaande wateren bewoont; bij voorkeur leeft
-hij op een steenachtigen of zandigen bodem. Bij ons wordt hij in
-stroomende wateren vrij algemeen gevonden, o. a. in den IJsel,
-de Lek, den Rijn bij Arnhem en de Maas, slechts zelden echter
-bij de monden der rivieren. Met uitzondering van Skandinavië,
-Denemarken en andere noordelijke landen behoort geheel Europa tot
-zijn verbreidingsgebied. De Barbeelen, die zich gedurende den zomer
-gaarne tusschen waterplanten ophouden, begeven zich, zoodra deze in den
-herfst sterven, naar de diepere gedeelten der rivieren en verschuilen
-zich hier onder steenen, in holten en gaten, of verbergen zich bij
-den oever in den grond. In zeer gunstig gelegen schuilhoeken komen
-zij soms in zeer grooten getale bijeen om, letterlijk op en naast
-elkander liggend, winterslaap te houden. In het jaar 1811 vond men,
-volgens Schinz, het kanaal van het waterrad bij den overdekten brug
-van Zurich zoo vol Barbeelen, dat er binnen weinige uren meer dan
-10 centenaars van verzameld konden worden. Ook op andere plaatsen,
-b.v. in den Rijn bij Laufen, aan den mond van den Main en in de Theems,
-vangt men ze soms in groote menigte.
-
-De Barbeel is de vlugste en bedrijvigste van alle inheemsche
-Karpervisschen, hoewel men ook hem niet geheel van traagheid
-vrijpleiten kan. Over dag ligt hij gewoonlijk stil op den bodem;
-des nachts evenwel beweegt hij zich veel om zijn voedsel te zoeken,
-dat uit allerlei zachte plantendeelen, larven van Insecten, slakjes en
-zelfs uit vischjes en krengen bestaat. De voortplanting heeft plaats
-in de maanden Mei en Juli; omstreeks dezen tijd ziet men scholen van
-100 of meer Barbeelen, die in een lange reeks achter elkander aan
-zwemmen; bij hen sluiten zich de minder oude aan; de jongen vormen
-de achterhoede. Naar het schijnt, vermenigvuldigen zij zich niet snel.
-
-Het vleesch van den Barbeel bevat zeer vele graten en valt niet
-in ieders smaak; daarom worden deze Visschen soms als veevoeder of
-mestspecie gebruikt. Merkwaardig en tot dusver nog onverklaard is de
-vergiftige werking van hun kuit.
-
-In de karpervijvers kan de Barbeel den Snoek vervangen, in zoover
-als ook hij de trage Visschen tot meer bedrijvigheid aanspoort. In
-een kleine ruimte houdt hij zich goed en vermaakt den toeschouwer
-door vlugge bewegingen en speelschheid.
-
-
-
-De Grondels (Gobio), niet te verwarren met de Zeegrondels en de
-Grundels verschillen van de Barbeelen door het bezit van slechts twee
-voeldraden (in elken mondhoek één tamelijk lange), den hoogeren stand
-der oogen, het ontbreken van den doorn in de rugvin, de groote schubben
-en de plaatsing der haakvormige tanden der onderste keelbeenderen op
-2 rijen (3 of 2 in de buitenste, 5 in de binnenste rij).
-
-
-
-De Grondel, die ook Riviergrondel, Grundje, Govie of Riviergovie heet
-(Gobio fluviatilis), bereikt een lengte van 12 à 15, hoogstens 18
-cM.; hij heeft op de zwartachtig grijze bovendeelen donkergroene
-of zwartblauwe vlekken, die vooral langs de zijdestreep duidelijk
-uitkomen; de onderdeelen zijn wit met zilverachtigen glans; de rugvin
-en staartvin vertoonen op geelachtigen grond zwartbruine vlekken;
-de overige vinnen zijn effen lichtgeel of rood. Over een groot deel
-van Europa en West-Azië verbreid, bewoont de Grondel bij voorkeur
-meren, rivieren en beken, maar komt ook voor in moerassen en zelfs
-in onderaardsche wateren, b. v. in de Adelsberger grot. De Grondels
-worden in onze rivieren en stilstaande wateren vrij algemeen gevonden,
-zijn zeer menigvuldig in de Meierij van 's Hertogenbosch, vrij talrijk
-in den Berkel, den IJsel, den Rijn bij Arnhem. In de Duitsche stroomen
-behooren zij tot de gewone Visschen; in Groot-Brittannië en Ierland
-zijn zij even algemeen als op het vasteland, in Rusland evenmin
-zeldzaam, in West-Siberië en Mongolië buitengewoon overvloedig. Bij
-voorkeur bewonen zij zuiver water met een zandigen of met grind
-bedekten bodem en komen daarom op sommige plaatsen zeldzaam, op andere
-in buitengewoon grooten getale voor. Bijna altijd ziet men ze in
-talrijke, dicht opeengedrongen scholen, daar de gezelligheid voor hen
-een behoefte schijnt te zijn. Hun voedsel bestaat uit jonge vischjes,
-Wormen, rottende dierlijke stoffen en weeke plantendeelen. Wegens zijn
-groote voorliefde voor krengen, noemt men hem in Duitschland wel eens
-"Doodgraver".
-
-In de lente zwemt de Grondel in grooten getale uit de meren de
-rivieren op om hier kuit te schieten. Het eierleggen begint in Mei,
-geschiedt met tusschenpoozen en duurt ongeveer 4 weken.
-
-In het noordoosten van Duitschland, b.v. in Pommeren, wordt de
-Grondel in het najaar geregeld in aanzienlijke hoeveelheid gevangen
-en gegeten. Des zomers vangt men hem bij voorkeur met den hengel,
-daar hij zelfs van den onervaren visscher de verwachting niet
-teleurstelt. In Engeland is men gewoon om vooraf op de plaats, waar
-men visschen wil den bodem met een ijzeren werktuig open te krabben,
-omdat de Grondel gaarne op dergelijke plaatsen, die hem een rijken buit
-van kleine dieren beloven, eenigen tijd vertoeft. Wanneer men eenige
-vaardigheid in 't hengelen bezit, is het niet moeielijk binnen korten
-tijd verscheidene dozijnen van deze sierlijke vischjes buit te maken.
-
-De Grondel is een smakelijke Visch, die echter wegens zijn geringe
-grootte en vele graten niet hoog geschat wordt. In Noord-Duitschland
-is hij zeer laag, in Zuid-Duitschland veel hooger in prijs. Een zeer
-geschikt voedsel levert hij aan de bewoners der forellenvijvers. Tegen
-gevangenschap in een nauwe ruimte is hij zeer goed bestand, indien
-het water op behoorlijke wijze ververscht wordt.
-
-
-
-Door het bezit van slechts één paar voeldraden en het gemis van
-doornen komen de Zeelten (Tinca) met de Grondels overeen; aan deze
-en aan de Barbeelen herinneren zij door de kortheid van de rugvin
-en de aarsvin, aan den Karper door de verhouding tusschen de lengte
-en de hoogte van den stam. Van alle reeds genoemde Karpervisschen
-verschillen zij echter door de kleinheid der schubben, die stevig
-bevestigd zijn in de dikke slijmerige huid en door de van achteren
-nagenoeg rechtlijnig begrensde staartvin. De voor aan den kop gelegen
-mondspleet draagt aan iederen hoek een zeer korte voeldraad; ieder
-keelbeen draagt een rij van 4 of 5 knotsvormige tanden.
-
-De Zeelt (Tinca tinca), de eenige soort van haar geslacht, is een
-van de meest algemeen verbreide Europeesche Karpervisschen; in ons
-land ontmoet men haar in alle stilstaande wateren, zelfs in slooten,
-doch bijna nooit in stroomend water. In Gelderland en Overijsel noemt
-men haar Louw of Lauw, in Friesland Muithond of Muudhon (Muwdhoun),
-in Groningen Slei, in Cadzand Tinker. In de vorige eeuw werd zij in
-Noord- en Zuid-Holland ook Schoenmaker genoemd, wegens de dikte van
-haar huid. Volgens Gronovius beschouwde men haar als "Dokter van de
-Visschen"; volgens Yarrel kende men haar ook in Groot-Brittannië deze
-waardigheid toe en was bij het volk de meening verbreid, dat de Snoek
-haar om deze reden spaart.
-
-De Zeelt wordt hoogstens 70 cM. lang en 3 à 4, zelden 5 à 6
-KG. zwaar. Meer dan bij andere Karpervisschen wisselt haar
-kleur in verband met haar verblijfplaats af. Gewoonlijk is zij
-fraai olijfgroen met een glans als van gepolijst geelkoper, op de
-bovendeelen met grijsachtig zwarte, op de onderdeelen met geelachtig
-witte tint. De lippen, de aars en de oksel der borstvinnen vertoonen
-een vleeschkleurige tint. De zwartachtige kleur van de vinnen gaat
-naar den wortel in donkergrijs over. Bij sommige exemplaren zijn deze
-tinten donker, bij andere lichter, sterk naar roodachtig geel zweemend
-of zelfs met goudgelen glans. In sommige gewesten, vooral in Bohemen en
-Opper-Silezië, wordt een verscheidenheid gefokt, waarbij de goudglans
-zich nagenoeg over het geheele lichaam heeft verbreid; deze zoogenaamde
-Goudzeelten behooren tot de prachtigste Europeesche Visschen en werden
-vroeger als een afzonderlijke soort (Tinca chrysitis) beschouwd; bij
-ons komen zij zelden voor; vaker ontmoet men hier een verscheidenheid
-van meer langwerpigen vorm (Tinca italica).
-
-Men vindt de Zeelt in het grootste deel van Europa, van Zuid-Italië
-tot Zuid- en Middel-Zweden; ook in Rusland is zij een van de meest
-algemeene bewoners van poelen en plassen, zoo ook in West-Siberië,
-waar, meer bepaaldelijk in het stroomgebied van den Ob, buitengewoon
-groote exemplaren gevangen worden. Hoewel men haar in bergstreken
-nog ontmoet op een hoogte van 1000 M., behoort zij eigenlijk in de
-vlakten thuis. Van rivieren houdt zij minder dan van stilstaand water;
-de voorkeur geeft zij aan meren, vijvers en moerassen met modderigen
-of leemachtigen bodem, waar riet groeit, zonder dat dit er de overhand
-heeft gekregen. In de rivieren zoekt zij altijd plaatsen op, waar
-weinig stroom gaat en de bodem bedekt is met een voldoende hoeveelheid
-slib, daar de hierin voorkomende diertjes en plantaardige stoffen haar
-tot voedsel dienen. Uitmuntend gedijt zij in verlaten leemgroeven,
-die zich met water gevuld hebben. Traag en kalm van aard, houdt zij
-zich in den regel in de nabijheid van den bodem op en komt alleen bij
-zeer mooi weer en gedurende den voortplantingstijd aan de oppervlakte
-van 't water. Evenals de Modderkruipers, kan zij nog leven in water,
-dat voor andere Visschen, zelfs voor Karpers, te modderig is, omdat
-voor haar ademhaling zeer weinig zuurstof wordt vereischt.
-
-Gedurende den winter zijn de Zeelten, evenals vele andere
-Karpervisschen, in den modder verborgen en verkeeren in een half
-bewusteloozen toestand. Soms geschiedt iets dergelijks ook in den
-zomer.
-
-Het kuitschieten heeft, al naar de landstreek en de weersgesteldheid,
-vroeger of later plaats, tusschen Maart en Juli, gewoonlijk als
-de tarwe bloeit. Veelal gevolgd door twee mannetjes, legt het
-wijfje eieren, terwijl het langs de met riet begroeide oevers
-zwemt. Het aantal eieren van een kuiter wordt op 300,000 geschat; de
-vermenigvuldiging is dus zeer snel. De jongen groeien tamelijk snel,
-maar zijn toch eerst op vierjarigen leeftijd geslachtsrijp.
-
-De Zeelt wordt als spijs voor den mensch niet hoog geschat; hoewel
-weinig duurder dan de Steenkarper, verdient zij zeer zeker in alle
-opzichten boven dezen de voorkeur. Daar waarschijnlijk geen enkele
-Visch beter dan de Zeelt in vuil en modderig water kan leven, is zij,
-met uitzondering van de Aal, het best van allen geschikt om gepoot te
-worden in moerassen, die anders hoogstens alleen aan den minder goed
-verkoopbaren Steenkarper tot woonplaats zouden kunnen dienen; ook
-met dit doel verdient het kweeken van Zeelten in vijvers ten zeerste
-aanbeveling; op enkele plaatsen geschiedt dit reeds op groote schaal.
-
-
-
-Met den algemeenen naam van Witvisch, Katvisch of Braadvisch duidt
-men dikwijls een aantal Karpervisschen aan, die zich, door het gemis
-van voeldraden en van doornen aan de vinnen onderscheiden. Voorns
-of Vorens noemt men die Witvisschen, welke een helder zilverglanzig,
-meestal langwerpig lichaam hebben, met een door 8 à 12 (hoogstens 14)
-stralen gesteunde aarsvin van middelmatige lengte. Meer bepaaldelijk
-worden onder den naam van Voorns (Leuciscus) in één geslacht samengevat
-de soorten, bij welke het begin van de aarsvin gelegen is achter dat
-van de rugvin, terwijl deze een geringe lengte heeft en tegenover
-(zelden achter) de buikvinnen aanvangt. De keeltanden zijn kegelvormig
-of zijdelings samengedrukt en op 1 of 2 rijen geplaatst. Alle 90
-soorten van dit geslacht bewonen de noordelijk gematigde zone: 40 die
-van de Oude, 50 die van de Nieuwe Wereld. Zij worden over verscheidene
-ondergeslachten verdeeld, die ook wel als geslachten worden beschouwd.
-
-
-
-De Windvoorn of Winde, ook Wind, Winden en in Groningen Meeuw
-geheeten (Leuciscus idus, Idus melanotus) vertegenwoordigt een
-gelijknamig ondergeslacht (Idus), dat zich kenmerkt door een tamelijk
-langwerpig, slechts weinig samengedrukt lichaam, een breed voorhoofd,
-een eindstandige, eenigszins naar beneden hellende mondspleet,
-een achter het einde van de rugvin beginnende aarsvin en op ieder
-keelbeen 2 reeksen van gladde tanden (5 op de buitenste, 3 op de
-binnenste reeks), welker kroon zijdelings samengedrukt en aan de
-spits haakvormig omgebogen is. De Windvoorn kan 50 à 55 cM. lang en
-meer dan 3 KG. zwaar worden, maar blijft gewoonlijk kleiner. De kleur
-verschilt aanmerkelijk al naar de verblijfplaats, het jaargetijde,
-den leeftijd, enz. In de lente en gedurende den voortplantingstijd
-is de rug grauwzwart met gelen metaalglans; de zijden zijn lichter,
-de onderdeelen zilverkleurig, de kop en de kieuwdeksels goudkleurig;
-de rugvin en de staartvin hebben een van grijsblauw tot violet
-afwisselende tint, de overige vinnen zijn rood. In den herfst wordt
-de kleur donkerder en verdwijnt de metaalglans.
-
-De naam Orf wordt gegeven aan een goudachtig roode variëteit, die in
-ons land nog niet waargenomen werd, maar die men wegens zijn prachtige
-kleur op soortgelijke wijze als de Goudvisch in sommige oorden van
-Oostenrijk, Middel- en Zuid-Duitschland in vijvers kweekt. Men gebruikt
-den Orf ook wel in de keuken of plaatst hem in karpervijvers, welker
-bewoners hij door zijn waakzaamheid tegen den Vischarend beveiligt.
-
-De Windvoorn wordt in onze rivieren tamelijk algemeen, doch zelden in
-stilstaand water aangetroffen. Hij bewoont alle groote en middelmatig
-groote meren van Europa en Noordwest-Azië en volgens Eckström ook
-de zee; o.a. is hij tusschen de rotsachtige eilanden van Noorwegen
-even algemeen als in het heldere water van de Skandinavische
-meren en rivieren. Zuiver, koud en diep water schijnt voor hem een
-levensbehoefte te zijn. Zelden komt hij aan den ondiepen oever,
-alleen 's avonds aan den kalmen waterspiegel. Gedurende den winter
-houdt hij zich in de diepte op. Zijn voedsel bestaat uit Insecten
-en andere kleine waterdieren, misschien ook uit vischjes. In den
-rijtijd, meestal in Mei, soms echter vroeger, zelfs reeds in Maart,
-of later, tot in Augustus, begeeft de Windvoorn zich uit de meren
-naar de rivieren om bij zandige of met waterplanten begroeide oevers
-kuit te schieten. Gedurende dezen tijd vangt men hem in netten of aan
-den hengel, met een Sprinkhaan, Mestkever of vischje als lokaas. Zijn
-vleesch smaakt goed; het wordt, in weerwil van de vele graten, gaarne
-gegeten, maar nergens duur betaald.
-
-
-
-De Ruischvoorn, Rietvoorn of Roetvoorn [Leuciscus (Scardinius)
-erythrophthalmus] en zijne verwanten onderscheiden zich door een
-hooger, meer gedrongen lichaam, sterker hellende mondspleet en verder
-naar beneden gebogen zijdestreep van de Windvoorns. Hunne keeltanden
-zijn op dezelfde wijze gerangschikt, maar aan de binnenzijde diep
-gekorven. De Ruischvoorn, die ook in ons land tot de zeer algemeene
-Visschen behoort en in al onze rivieren, meren, plassen, kanalen en
-sloten aangetroffen wordt, bewoont bijna alle landen van Europa, van
-Lapland tot Zuid-Italië en van Ierland tot den Oeral, bovendien het
-stroomgebied van den Ob in Noord-Azië. Hij kan 25 à 30 cM. lang en
-500 à 800 gram zwaar worden. Ook van deze soort is de kleur aan veel
-variatie onderhevig. De bovendeelen zijn gewoonlijk donker bronsgroen,
-de zijden glanzig messinggeel, de onderdeelen zilverwit met goud- en
-roodachtigen weerschijn. Elke schub is aan haar wortel donkergroen;
-bovendien hebben die van de zijdestreep ieder een olijfkleurig
-stipje. De rugvin, de staartvin en de borstvinnen zijn groenachtig,
-veelal met karmijnroode spits. De aarsvin en de buikvinnen zijn geheel
-karmijnrood; de oogen hebben een goudkleurige iris, die meestal aan
-de bovenzijde een roode vlek vertoont. Bij sommige exemplaren komen
-echter lichtere kleuren voor, de karakteristieke roode kleur van de
-vinnen kan meer of minder verbleekt of ook wel donkerder zijn, de
-vinnen en alle overige lichaamsdeelen zijn soms donker zwartblauw, enz.
-
-Aan langzaam stroomend water en aan meren en plassen, zoowel in
-vlakke, als in bergachtige streken, tot op een hoogte van 1600 M.,
-geeft deze Visch de voorkeur; zijn levenswijze komt overeen met die
-van de Steenkarpers en de Zeelten, die dikwijls in zijn nabijheid
-waargenomen worden. Hij is vlug van beweging, voorzichtig en schuw
-van aard; zijn voedsel bestaat uit waterplanten, Insecten en Wormen,
-die meestal uit den modder afkomstig zijn. Uit de eieren, die in April,
-Mei en Juni bij partijen op met gras begroeide plaatsen worden gelegd,
-komen de jongen binnen weinige dagen te voorschijn.
-
-De Ruischvoorn wordt wegens zijne vele graten slechts door niet
-kieschkeurige menschen gegeten, door alle overige en zelfs door vele
-vischetende Vogels versmaad.
-
-
-
-De Blankvoorn, ook wel eenvoudig Voorn genoemd [Leuciscus (Leuciscus)
-rutilus], gelijkt in vele opzichten op de vorige soort; zijn romp
-is echter lager en dikker, de zijdestreep minder gekromd, de snuit
-sterker afgerond en een weinig grooter, de mondspleet meer horizontaal
-gericht, de rugvin verder naar voren geplaatst; ieder keelgatsbeen
-draagt een enkele rij van 5 of 6 tanden. Zoowel in den lichaamsvorm
-als in de kleur kunnen vele afwijkingen voorkomen, waarvan sommige
-met de woonplaats en de voedingswijze in verband staan, andere
-standvastig overerven en aanleiding geven tot de onderscheiding van
-variëteiten. De gewoonlijk blauwe of groenzwarte kleur van den rug
-is op de zijden helderder, op den buik zilverkleurig; de buikvinnen
-en de aarsvin zijn dikwijls even rood als die van den Ruischvoorn;
-het oog is echter goudgeel met groenen kring, zeer zelden rood; de
-borstvinnen zijn grijsachtig wit, de rugvin en de staartvin grijs
-met roodachtige tint. De lengte bedraagt zelden meer dan 50 cM.,
-het gewicht hoogstens 1.5 KG.
-
-De Blankvoorn is een van de meest voorkomende bewoners van al onze
-stroomende en stilstaande wateren, zelfs in kleine slooten treft
-men hem aan; bij voorkeur houdt hij zich op tusschen het riet en aan
-oevers, waar het water met kroos en andere planten bedekt is. Zijn
-verbreidingsgebied omvat geheel Middel-Europa met inbegrip van
-Groot-Brittannië en een groot deel van Oost-Europa, bovendien het
-noordwestelijke deel van Azië; hij bewoont hier meren, plassen,
-groote en kleine rivieren en zeeën met gering zoutgehalte. In de
-Noordzee ontmoet men hem zelden, in de Oostzee daarentegen buitengewoon
-veelvuldig. Hij heeft nagenoeg dezelfde levenswijze als de Ruischvoorn,
-leeft gezellig, voedt zich met Wormen, Insecten, vischkuit, vischjes en
-waterplanten, wroet in den grond om de eerstgenoemde dieren te vinden,
-zwemt vlug, maakt plotselinge bewegingen, is voorzichtig en schuw,
-maar laat zich licht verschalken. Het kuitschieten heeft plaats in
-Mei of Juni, dikwijls reeds in Maart of April, soms eerst in Juli. Met
-dit doel verlaten de Voorns in dichte scholen de diepe gedeelten der
-meren, waar zij den winter doorbrachten, zwemmen de rivieren op en
-laten op met gras begroeide plaatsen hunne eieren achter. Intusschen
-plassen zij druk in de bovenste waterlaag rond en springen vaak omhoog.
-
-De Voorn wordt als spijs nergens hoog geschat, maar toch in groote
-hoeveelheid gevangen en in de keuken of voor het voederen van andere
-Visschen of van Zwijnen gebruikt.
-
-
-
-De Hesseling, Kopvoorn of Dikkop [Leuciscus (Squalius) cephalus], en de
-Serpeling [Leuciscus (Squalius) vulgaris] zijn beide vertegenwoordigers
-van het ondergeslacht der Dikkoppen (Squalius), dat Europa, benevens
-een groot deel van Azië en Noord-Amerika bewoont en zich onderscheidt
-door den met tamelijk groote schubben bedekten, zoowel aan den buik
-als aan den rug afgeronden romp, den betrekkelijk grooten kop, de
-kortheid der achterste stralen van rugvin en aarsvin en de plaatsing
-der zijdelings samengedrukte, aan de spits haakvormig omgebogen
-keelgatstanden op 2 reeksen (2, zelden 3, in de buitensten, 5 in de
-binnenste). De mondspleet helt slechts weinig af; de rugvin begint
-boven het voorste deel van de buikvinnen.
-
-De Hesseling of Esseling, ook wel meer bepaaldelijk Dikkop, en
-evenals zijn naaste verwant, Viesvisch, in Groningen, evenals de
-Windvoorn, Meeuw genoemd, is bij de riviervisschers bekend onder den
-naam van Meune, Munne, Meuning of Meun (dien de zeevisschers ook aan
-eenige Gadoïden geven). Zij kan 60 cM. lang en meer dan 4 KG. zwaar
-worden, is op den rug zwartachtig groen, op de zijden goudgeel of
-zilverwit, op den buik wit met lichtrooden weerschijn; de wangen
-en de kieuwdeksels hebben op rozenrooden grond een goudgelen glans;
-de lippen zijn roodachtig, de rugvin en de staartvin zwartachtig met
-roodachtige tint, de borstvinnen oranje, de buikvinnen en de aarsvin
-rood. Bij vele exemplaren zijn de roode tinten echter onduidelijk of
-afwezig en de bovendeelen minder zwartachtig.
-
-De Hesseling, een van de meest gewone bewoners van alle rivieren
-en meren van Middel-Europa, wordt ook bij ons vrij menigvuldig in
-stroomend, zelden echter in stilstaand water aangetroffen. De jongen
-houden zich meestal op in beekjes of riviertjes met kiezeligen of
-zandigen bodem, waar men ze op plaatsen met geringe stroomsnelheid bij
-honderden ronddartelen en bij ieder gedruisch pijlsnel vluchten ziet;
-op lateren leeftijd bewonen deze Visschen rivieren en meren, zoowel die
-van de vlakte als die van het middelgebergte. Aanvankelijk bestaat hun
-voedsel uit Wormen en uit Insecten, die in het water zwemmen, op den
-waterspiegel verkeeren of op korten afstand daarboven vliegen. Later
-zoeken zij diepere plaatsen op of begeven zich naar grootere rivieren
-en meren, worden roofvisschen in de volste beteekenis van 't woord
-en maken jacht op kleinere Visschen, Schaaldieren, Kikkers en zelfs
-Muizen, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam "Muizenvreters",
-die zij op sommige plaatsen dragen. Overal waar zij een overvloed van
-voedsel kunnen verkrijgen, groeien zij zeer snel en worden, volgens
-berichten van ervaren visschers, ieder jaar wel 500 gram zwaarder. Als
-spijs voor den mensch zijn zij niet zeer gezocht; wel worden zij als
-voedsel voor betere Visschen gebruikt. De rijtijd valt in de maanden
-Mei tot Juli.
-
-In heldere, zachtstroomende beken zeer algemeen, in alle overige zoete
-wateren bijna even veelvuldig, in stilstaand water even zeldzaam
-als de vorige soort, ontmoet men bij ons de Serpeling, soms meer
-bepaaldelijk Witvisch en ook wel Hesseling, Esseling en Viesvisch
-genoemd. Zij is kleiner dan de Dikkop, wordt slechts zelden langer
-dan 25 cM. en onderscheidt zich van haar naasten verwant, doordat
-de kop en de romp een weinig meer zijdelings samengedrukt zijn; de
-mondspleet is nauwer en niet geheel aan 't voorste deel van den snuit,
-maar iets verder naar achteren gelegen; de neusgaten zijn halverwege
-de spits van den snuit, dus minder dicht bij de oogen geplaatst; de
-aarsvin is een weinig uitgesneden. De kleur van beide soorten vertoont
-veel overeenkomst: de rug is zwartblauw, dikwijls met metaalachtigen
-weerschijn; de zijden en de buik zijn soms geelachtig, soms zilverwit,
-de parige vinnen lichtgeel of oranje; de rugvin en de aarsvin hebben
-een donkere kleur. Kleursverscheidenheden met lichtere tinten en meer
-rood op de vinnen komen veelvuldig voor. Dikwijls wordt deze soort met
-de vorige verward. Men vindt haar behalve in Middel-, ook in Noord-
-en een deel van Zuid-Europa; zij bewoont niet slechts rivieren en
-beken, maar ook meren en haffen. Wat levenswijze betreft, gelijkt
-de Serpeling op den jongen Dikkop. Voor de keuken is zij weinig,
-als lokaas voor groote Zalmvisschen zeer geschikt.
-
-
-
-Een van de kleinste Middel-Europeesche Karpervisschen is de
-Grondelvoorn [Leuciscus (Phoxinus) laevis], daar hij in den regel
-hoogstens 9, zelden 12 cM. lang wordt. Het door hem vertegenwoordigde
-ondergeslacht kenmerkt zich door een krachtig gebouwd, afgerond
-lichaam met stompen snuit, kleinen mond en kleine schubben, met
-korte, achter de buikvinnen aanvangende rugvin en korte aarsvin;
-de keelgatstanden, welker kroon zijdelings samengedrukt en aan de
-spits haakvormig omgebogen is, zijn op 2 reeksen geplaatst (2 in de
-buitenste, 4 of 5 in de binnenste). Daar dit vischje in Duitschland en
-ook in België zeer algemeen voorkomt, opperde Schlegel het vermoeden,
-dat het ook in onze grensstreken zou leven, waar het echter tot dusver
-nog niet gevonden werd. Zijn kleur kan zeer verschillend zijn. De soms
-olijfgroene, soms vuilgrauwe grondkleur van den rug wordt door donkere
-vlekjes min of meer verduisterd; deze vloeien soms vrij volledig
-ineen tot een zwarte streep, die zich over het midden van den rug
-tot aan de staartvin uitstrekt; de groenachtig gele zijden hebben
-een sterken, metaalachtigen glans; de mondhoeken zijn karmijnrood,
-de keel is zwart, de borst scharlakenrood, de buik geelachtig of wit,
-soms oranje- of purperkleurig. Een als goud glinsterende, overlangsche
-streep begint achter ieder oog en strekt zich aan weerszijden van
-den rug tot aan den wortel van de staartvin uit; de vinnen hebben een
-bleekgele grondkleur, die echter op de onparige door ophoopingen van
-een donkere kleurstof verdonkerd wordt en op de parige vinnen (bij
-uitzondering ook op de aarsvin) in schitterend purperrood kan overgaan.
-
-De Grondelvoorns bewonen heldere, stroomende wateren met een uit zand
-of grind bestaanden bodem van hun oorsprong in 't gebergte tot aan
-hun uitmonding; in sommige beken zijn zij de eenige vertegenwoordigers
-hunner klasse, daar zij nog geregeld verblijf houden en goed gedijen
-op plaatsen, die door andere Visschen gemeden worden of voor hen niet
-toegankelijk zijn. Alleen ziet men ze hoogst zelden, daarentegen bijna
-altijd in groote scholen, die dicht bij den waterspiegel ronddartelen,
-er merkwaardig vlug boven uit springen en schuw voor ieder gedruisch
-vluchten. Bij zeer heet weer verlaten zij soms een plaats, waar zij
-geruimen tijd vertoefd hebben; door den stroom of een harer bijrivieren
-op te zwemmen trachten zij dan een frisscher oord te bereiken. Bij
-deze reizen springen zij over beletselen heen, die schijnbaar in geen
-verhouding staan tot hun geringe grootte en kracht; zoodra een hunner
-de hinderpaal te boven gekomen is, volgen alle andere hem na.
-
-Hun voedsel bestaat uit plantaardige stoffen, Wormen en Insecten,
-ook wel uit andere dierlijke spijzen. In weerwil van zijn geringe
-grootte wordt de Grondelvoorn overal gevangen, omdat zijn vleesch,
-hoewel het bitter smaakt, door velen gezocht wordt. Bovendien wordt
-dit Vischje door hengelaars veel als lokaas gebruikt en dient het
-in fokvijvers als voedsel voor grootere roofvisschen. Zelfs in een
-beperkte ruimte kan men het een paar jaar lang in 't leven houden;
-voor dit doel beveelt het zich aan door de geringe eischen die het
-stelt, ook door zijne behendige en vlugge bewegingen.
-
-
-
-Het geslacht der Neusvoorns (Chondrostoma), die uit een zevental
-Europeesche en West-Aziatische soorten bestaat, dankt zijn naam aan
-den meer of minder langen, breeden, afgeronden, kraakbeenigen snuit,
-die bij wijze van een neus vóór de zeer korte onderkaak uitsteekt;
-ook deze is met een op kraakbeen gelijkende scheede bedekt; de zeer
-kleine dwars gerichte mondspleet, die dus aan de benedenzijde van den
-kop gelegen is, wordt begrensd door dikke, harde lippen, die met een
-scherpen rand voorzien zijn. Ieder keelgatsbeen draagt één rij van 6 à
-7 tanden. De rugvin is kort en begint boven den wortel der buikvinnen;
-de aarsvin is tamelijk lang.
-
-
-
-Inheemsch is de Sneep (Chondrostoma nasus), ook Tabaksrooker,
-Schoorsteenveger, Snijderssnoek, Neusvisch en (in Groningen)
-Steenmeeuw genoemd. "De naam Dolhein, die in gebruik is bij de
-Arnhemsche visschers, schijnt mij toe tot deze soort te behooren"
-(Van Bemmelen). Het lichaam is met kleine schubben bekleed, langwerpig,
-(ongeveer 4-maal zoo lang als hoog), afgerond, aan de zijden weinig
-samengedrukt. Buiten den rijtijd zijn de bovendeelen zwartachtig groen,
-de zijden en de buik glinsterend zilverwit, de vinnen, met uitzondering
-van de donkere rugvin, roodachtig. Gedurende de voortplantingsperiode
-hebben alle lichaamsdeelen helderder kleuren. De Sneep kan 50 cM. lang
-en 1.5 KG. zwaar worden; zulke groote exemplaren zijn echter zeldzaam.
-
-Deze Visch bewoont stroomend water in de warme en gematigde landen
-van Europa, doch ontbreekt reeds in Groot-Brittannië en Scandinavië;
-hij is weinig bekend in het noorden van Duitschland, wordt vrij
-algemeen gevonden in het stroomgebied van den Weichsel en den Oder en
-komt veelvuldig voor in de rivieren en meren van Zuid-Duitschland en
-Zwitserland, zoowel in het stroomgebied van den Donau als in dat van
-den Rijn; bij ons ontmoet men hem in alle rivieren. Hij leeft gezellig,
-vormt meestal groote scholen, houdt zich bijna voortdurend in de
-nabijheid van den bodem op, blijft lang achtereen op dezelfde plaats,
-wentelt zich hier dikwijls het onderste boven en is dan (wegens den
-niet zelden zilverwitten buik) op een afstand zichtbaar. In den zomer
-komt hij vaak dicht bij de muren, die den oever begrenzen en vervolgt
-hier zijn weg over steenen, die slechts met een dunne waterlaag bedekt
-zijn. Men ziet deze Visschen over de onderste treden van trappen aan
-den waterkant zoo geregeld heen schieten, dat zij de aandacht trekken
-van de Katten, die op zulke plaatsen met meer of minder goed gevolg
-gaan visschen. Het voedsel van den Sneep bestaat uit plantaardige
-stoffen, vooral uit de korst van algen, die de steenen en andere in
-'t water liggende voorwerpen bedekt en met de scherpe, harde randen
-der kaken gemakkelijk losgemaakt kan worden.
-
-Als de tijd van 't kuitschieten nadert, in de maanden Maart en April,
-vereenigen de Sneepen zich tot tallooze scholen en begeven zich uit
-den hoofdstroom naar de bijrivieren, vervolgens naar de kleinere
-stroompjes en beken (ook naar die, welke troebel water bevatten)
-en laten hier op met grint bedekte plaatsen, waarover de stroom snel
-heenschiet, hunne talrijke eieren achter.
-
-Meer tot tijdverdrijf dan voordeelshalve vangt men den Sneep aan een
-hengel, die met een gewone Huisvlieg als lokaas voorzien is. In den
-rijtijd geeft de talrijkheid der scholen aanleiding tot een rijke
-vangst. Uit de Wertach bij Augsburg worden dikwijls binnen 2 of
-3 weken 15,000 of meer KG. visch opgehaald. Ook aan de uitmonding
-van de Birs en de Glatte in den Rijn vangt men ieder jaar een groote
-hoeveelheid van deze Visschen. Als spijs worden zij niet hoog geschat,
-daar hun vleesch week is en zoetachtig smaakt.
-
-
-
-De Bittervoorns (Rhodeus) zijn met middelmatig groote schubben
-bekleed; hun gedrongen gebouwde romp is sterk zijdelings samengedrukt
-en heeft een hoogen rug; de niet volkomen eindstandige mond mist de
-voeldraden. De rugvin begint boven de buikvinnen en komt in lengte met
-de aarsvin overeen. De tweede straal van de rugvin en van de aarsvin is
-glad en tamelijk hard en herinnert hierdoor eenigermate aan den doorn
-van den Karper en den Steenkarper. De gladde, zijdelings samengedrukte,
-aan de kroon schuins afgeslepen tanden zijn op ieder keelgatsbeen
-ten getale van 5 op één rij geplaatst. De zijdestreep is zeer kort.
-
-Weinige inheemsche zoetwatervisschen zijn even sierlijk van vorm
-en fraai van kleur als de Bittervoorn (Rhodeus amarus), zelfs is er
-grond voor de bewering, dat deze ongeveer 5 cM. lange, dwergachtige
-Karpervisch, den beroemden Goudvisch in schoonheid overtreft. Van
-alle Voorns heeft zijn lichaam de grootste hoogte; hij herinnert in
-dit opzicht eenigzins aan den Brasem en de Kolblei. Zijn kleur is
-verschillend al naar het geslacht en het jaargetijde.
-
-"Buiten den rijtijd," zegt Von Siebold, die de uitvoerigste
-beschrijving van dit vischje gegeven heeft, "is er weinig verschil
-van kleur tusschen het mannetje en het wijfje; beide hebben een
-grijsgroenen rug en zilverwitte zijden. Zeer eigenaardig is een groene,
-glanzige, overlangsche streep, die op het midden van den romp begint
-en zich aan weerszijden tot aan de staartvin uitstrekt. De vinnen zijn
-licht roodachtig van kleur, de rugvin is geheel, de staartvin aan den
-wortel met een zwartachtige kleurstof bedekt. Bij den mannelijken
-Bittervoorn wordt dit eenvoudige kleed in den voortplantingstijd
-vervangen door een prachtig bruiloftsgewaad, waarvan men moeielijk
-een nauwkeurige beschrijving kan geven. De geheele oppervlakte van 't
-lichaam van 't mannetje is versierd met alle kleuren van den regenboog:
-vooral metaalachtig blauw en paarsch treden bijzonder duidelijk op den
-voorgrond en doen de smaragdgroene zijdestreep nog glanziger uitkomen;
-de borst- en de buikvinnen prijken met een fraaie, oranjegele kleur;
-de rugvin en de aarsvin zijn helder rood met zwarten zoom. Het wijfje,
-dat de eenvoudige kleuren behoudt, die het (nu zoo prachtig getooide)
-mannetje vóór en na den voortplantingstijd vertoont, heeft echter een
-eigenaardige, duidelijke in 't oog vallende verandering ondergaan. Na
-het begin van den rijtijd ontwikkelt zich allengs een legbuis; deze
-bereikt haar grootste lengte (soms wel 19 mM.), zoodra de eieren in
-den eierstok rijp geworden zijn en hangt dan als een roodachtige,
-wormvormige streng aan het achterlijf. De spits van dit orgaan reikt
-dikwijls voorbij het uiteinde van de staartvin. Hierdoor verkrijgt
-dit vischje gedurende het zwemmen een vreemd uitzicht; het is, alsof
-de darm of een doorgeslikte Worm door de aarsopening naar buiten komt."
-
-F. C. Noll heeft de beteekenis en de verrichting van deze
-buis nagegaan. "Een hoogst merkwaardige betrekking tusschen den
-Stroommossel en de overige dierenwereld," schrijft hij, "is eerst
-in den laatsten tijd volkomen duidelijk gebleken. Zij levert een
-nieuw voorbeeld van het innige verband, dat soms tusschen wezens van
-zeer verschillenden aard bestaat. Men kan er tevens uit zien, hoe
-langzaam onze wetenschap zich ontwikkelt: gedurende tientallen van
-jaren moet de eene waarneming bij de andere gevoegd worden, voordat
-een onderzoek eindelijk de gewenschte uitkomst oplevert. Reeds lang
-had men in de holle, plaatvormige kieuwen van den Verfmossel (Unio
-pictorum) eieren van Visschen opgemerkt. Deze zijn geel van kleur,
-langwerpig van vorm en 3 mM. lang. Zij komen in ongelijk aantal voor:
-soms zijn er slechts weinige, soms vindt men er wel 40 in de kieuwen
-van een enkelen Mossel. Van het begin van April tot in het midden van
-Juli van 1869 heb ik geregeld iedere week een aantal Mossels uit den
-Main onderzocht, in 't geheel verscheidene honderden. Het bleek mij,
-dat vooral in de Verfmossels eieren van Visschen te vinden zijn;
-in de door dunnere schelpkleppen beschutte Eendenmossels kwamen zij
-minder veelvuldig voor. Van week tot week nam het aantal dezer in
-'t oog vallende, dooiergele voorwerpen in de Mossels toe. Reeds
-den 8en Mei hadden zich uit sommige eieren vischjes ontwikkeld,
-die lang uitgestrekt in de kieuwkamers lagen: de dikke kop met
-de zwarte oogen waren duidelijk door het weefsel der kieuwen heen
-zichtbaar en altijd naar den vrijen rand der kieuwen gekeerd (zoodat
-de lengteas van 't vischje van den romp van het Weekdier naar buiten
-was gericht). Bij het voorzichtig opensplijten der kieuwen kwamen de
-aardige vischjes onbeschadigd uit hun schuilplaats te voorschijn;
-zij droegen een langwerpigen, gelen dooierzak als bergplaats van
-voorraad aan den buik en onderscheidden zich door een helderen,
-zilverachtigen glans. De vischjes van denzelfden Mossel verkeerden
-echter in verschillende ontwikkelingsperioden: sommige zaten nog
-in het ei, anderen waren reeds geschikt om hun geboorteplaats te
-verlaten. Hieruit blijkt duidelijk, dat de eieren op verschillende
-tijdstippen in den Mossel aangekomen moeten zijn."
-
-Door proeven heeft F. C. Noll de gegrondheid aangetoond van zijn
-onderstelling, dat de legbuis het werktuig is, waarmede de Bittervoorn
-eieren in de kieuwkamers van den Mossel kan leggen. Verfmossels,
-die eieren van Visschen in hunne kieuwen hadden, werden geplaatst
-in afzonderlijke waterbakken; na geruimen tijd zwommen hier tal van
-jonge Bittervoorns rond, welke tot aan dien tijd in de kieuwholten
-tegen alle nadeelige invloeden beschut waren gebleven. Door gevangen
-Visschen, die aan 't kuitschieten toe waren, te rechter tijd bij de
-Verfmossels te brengen en nauwkeurig na te gaan, totdat zij hunne
-eieren hadden gelegd, werd alle twijfel uit den weg geruimd.
-
-Voor zoover men weet, omvat het verbreidingsgebied van den Bittervoorn
-geheel Middel- en Oost-Europa (met uitzondering van Groot-Brittannië
-en Scandinavië) en ook een deel van Azië. In den Donau en zijne
-bijrivieren, in den Rijn, in het stroomgebied van de Elbe en van
-den Weichsel komt hij op sommige plaatsen veelvuldig voor, eveneens
-in voor hem geschikte wateren van Taurië. Uit de vlakten begeeft hij
-zich naar heuvelachtige gewesten en zelfs naar de middelgebergten. Hij
-heeft een zeer taai leven en is zoowel tegen de kou als tegen hitte
-bestand. Aan zuiver stroomend water met een steenachtigen bodem,
-vooral aan de zoogenaamde doode armen van rivieren en beken geeft
-hij de voorkeur. Ook in ons land heeft men hem in geringen getale
-in de Maas bij Rotterdam en in andere rivieren, sloten en kanalen
-aangetroffen. "Zijn vleesch," schrijft Schlegel, "heeft evenmin een
-bitteren smaak als dat van andere soorten; maar het vischje is niet
-talrijk genoeg en te klein om als gerecht in aanmerking te komen." Het
-wordt weinig gevangen en gewoonlijk alleen als lokaas bij het hengelen
-naar andere Visschen gebruikt. Uit de bovenstaande beschrijving blijkt
-echter voldoende, dat de Bittervoorn aan liefhebbers van aquariën
-ten zeerste aanbevolen kan worden.
-
-
-
-Een drietal inheemsche Karpervisschen behooren tot het geslacht der
-Brasems (Abramis). Hun romp is hoog en sterk zijdelings samengedrukt;
-de scheef geplaatste mond mist de voeldraden; de rugvin is kort,
-helt van boven naar achteren en onderen sterk af, heeft geen doorn
-en is tegenover de ruimte tusschen buikvinnen en aarsvin geplaatst;
-de buik heeft in deze tusschenruimte een ongeschubden kant, ook het
-voorste deel van den rug mist in het midden de schubben. De aarsvin
-is zeer lang. De keeltanden hebben een zijdelings samengedrukte,
-schuin afgesloten kroon en staan op ieder keelgatsbeen op 1 of 2 rijen.
-
-
-
-De verst verbreide en talrijkst vertegenwoordigde soort van dit
-geslacht is de Brasem (Abramis brama); zijn jongen worden gewoonlijk
-"Blei" of "Bliek" genoemd en dikwijls met de Kolblei verward. Met
-deze komt hij door de gedaante van zijn ruitvormig lichaam overeen;
-behalve aan de langere, iets dieper gevorkte staartvin, herkent men
-hem het best aan de veel sterker benedenwaarts gebogen zijdestreep en
-de zwartachtige aarsvin. Hij kan 50 à 70 cM. lang en 4 à 6 KG. zwaar
-worden. De bovenkop en de rug zijn zwartachtig, de zijden geelachtig
-wit met zilverglans; de keel is roodachtig, de buik wit, aan de zijden
-zwart gestippeld; de vinnen zijn zwartachtig blauw.
-
-De Brasem bewoont zoet- en brakwater in Middel-, Noord- en Oost-Europa;
-ten zuiden van de Alpen ontmoet men hem evenmin als zijne verwanten;
-wel komt hij voor in 't Rhône-gebied. Bij ons vindt men hem in alle
-rivieren, meren, plassen, vaarten en slooten, het meest in veenplassen,
-breede dicht begroeide slooten of rietvelden langs de oevers. Ook in
-het Hollandsch diep is hij waarschijnlijk niet zeldzaam (Hoek). In
-zeer grooten getale bevolkt hij alle Duitsche hoofdrivieren, vooral de
-hiermede in gemeenschap staande, diepe meren, het meest die plaatsen,
-welke een leemachtigen bodem hebben. Bij Zweden en Noorwegen vangt
-men hem ook in de zee, die hem echter slechts bij uitzondering tot
-woonplaats dient. Gedurende den zomer blijft hij in de diepte, liefst
-op met planten begroeide plaatsen, en wroet hier in het slijk, waardoor
-het water ver in het rond troebel wordt. Waarschijnlijk doorzoekt hij
-den modder met het doel om hier zijn voedsel te vinden, dat uit Wormen,
-larven van Insecten, waterplanten (o. a. het zoogenaamde Brasemkruid =
-Isoëtes lacustris) en rottende stoffen bestaat.
-
-Bijna altijd zijn de Brasems tot groote gezelschappen vereenigd,
-die in 't begin van den rijtijd, welke in de maanden April tot
-Juni valt, tot ontzaglijke scholen aangroeien. In de nabijheid
-van den oever, op ondiepe, met gras begroeide plaatsen, ziet men
-eerst verscheidene mannetjes en later de wijfjes verschijnen. Het
-kuitschieten heeft gewoonlijk des nachts plaats en gaat gepaard
-met een ver hoorbaar gedruisch, veroorzaakt door het slaan met den
-staart op het water. Bij mooi weer is het kuitschieten in 3 of 4 dagen
-afgeloopen; wanneer echter de weersgesteldheid plotseling ongunstig
-wordt, keeren de Visschen naar de diepte terug zonder eieren gelegd
-te hebben. Op dezelfde wijze handelen zij na een andere storing,
-b. v. wanneer men hen verschrikt maakt; daarom is, naar men zegt, in
-Zweden gedurende den rijtijd zelfs het klokluiden in de nabijheid der
-meren verboden. Weinige dagen na het vertrek der Visschen krioelen in
-het ondiepe water bij den oever millioenen pas uitgekomen jongen rond,
-die nog eenigen tijd bij hun geboorteplaats vertoeven en daarna hunne
-ouders naar de diepte volgen. Waarschijnlijk rusten ook de Brasems
-gedurende een deel van den winter onder den modder.
-
-Sommigen houden den Brasem na den Karper voor den besten onzer
-zoetwatervisschen, anderen noemen zijn vleesch wegens de talrijke
-graten nagenoeg oneetbaar. Waarschijnlijk is de reden van dit verschil
-te vinden in de ongelijke grootte der beoordeelde exemplaren en in
-de plaats, waar zij leefden. De groote Brasems zijn beter voor spijs
-geschikt dan kleinere; door een langdurig verblijf in moerassen of
-in zeer modderige wateren verkrijgen deze Visschen een "grondigen"
-smaak. In het noorden en oosten van Duitschland wordt hun vleesch
-minder geacht dan in Zuid-Duitschland en Oostenrijk. Toch maakt men
-hier zoowel als daar, en eigenlijk overal, veel werk van de vangst van
-den Brasem. In Groot-Brittannië is hij bij de hengelaars zeer gezien,
-omdat hij gretig naar 't lokaas hapt. In Noord- en Oost-Duitschland
-bezigt men gewoonlijk groote netten voor deze vangst, die in den
-regel een flinke winst oplevert. De Visschen, waarvoor zich niet
-dadelijk koopers aanbieden, worden vaak voor bederf bewaard door ze
-te zouten en te rooken. Dikwijls verzendt men ze in verschen toestand
-naar ver afgelegen oorden, daar zij even goed als Karpers tegen een
-lange reis bestand zijn, het best, wanneer zij met een in brandewijn
-gedoopt stuk brood in den bek, in sneeuw verpakt worden. In vijvers
-kweekt men ze niet.
-
-
-
-De Lange Brasem (Abramis vimba), die, volgens Maitland's "Prodrome",
-ook wel eens naar Nederland is afgedwaald, is over een groot deel van
-Europa verbreid, behoort hoofdzakelijk in 't noorden thuis en komt
-niet slechts in zoet-, maar ook in brak- en zoutwater voor. Sommige
-binnenwateren bewoont hij voortdurend zonder te trekken; andere leden
-dezer soort vertoeven buiten den voortplantingstijd in de zee, of in
-een meer, zwemmen in de lente om kuit te schieten de rivieren op,
-blijven hier gedurende den zomer en keeren daarna terug naar hunne
-winterkwartieren. In de meren bewoont de Lange Brasem gewoonlijk
-plaatsen van 10 à 20 vademen diepte, in den regel die, welker bodem met
-modder bedekt is, daar ook hij op gelijke wijze als zijne verwanten in
-het slijk wroet om er voedsel uit te halen en hierdoor het water zoo
-troebel maakt, dat men zijn verblijfplaats zonder moeite ontdekt. In
-den rijtijd vormen deze Visschen zeer groote scholen en kan men ze
-gemakkelijk in grooten getale vangen. Zij zijn aanmerkelijk kleiner
-dan de Brasems; een lengte van 40 cM. en een gewicht van meer dan
-0.5 KG. komt bij hen slechts zelden voor. De snuit, die neusvormig
-voor de onderkaak uitsteekt, en de rug zijn groenachtig blauw, in den
-rijtijd bij het mannetje en het wijfje donkerzwart, de zijden en de
-buik zilverachtig grijs, de lippen, de parige vinnen en de aarsvin
-geelachtig, in den rijtijd donkeroranje.
-
-
-
-Een andere Brasem, die het grootste deel van zijn leven in de zee
-doorbrengt en zich alleen in den voortplantingstijd naar de rivieren
-begeeft, wordt in Zweden Balleer, in Duitschland Zope of Pleinze
-genoemd (Abramis ballerus). De grootste exemplaren worden 30 à 40
-cM. lang en ongeveer 1 KG. zwaar. Hij onderscheidt zich van de vorige
-soort door de kleinheid van den kop, die de mondopening scheef naar
-boven gericht heeft, en door de grootte van de aarsvin, die vóór het
-einde van de rugvin aanvangt. In kleur gelijkt hij op den Brasem: de
-bovendeelen zijn blauwachtig, de zijden en de buik zilverwit, de parige
-vinnen geelachtig, de overige vinnen witachtig, alle met zwartachtigen
-zoom. Gedurende zijn rijtijd, in April en Mei, ontmoet men dezen Visch
-in de voornaamste rivieren van Middel-Europa, vooral in de nabijheid
-van haar uitmonding, minder dikwijls in haar bovenloop. Den Donau
-zwemt hij niet verder op dan tot in Opper-Oostenrijk; men vindt hem
-dus niet in Beieren; in den Rijn schijnt hij, althans op Nederlandsch
-grondgebied, niet voor te komen; in de Elbe vangt men hem soms nog
-in de nabijheid van Maagdenburg. Bijzonder overvloedig is hij langs
-de Oostzee-kust, zoowel in de haffen als in de zoetwatermeren, die
-dicht bij de kust gelegen zijn en door beken of rivieren met de
-zee in gemeenschap staan. In levenswijze stemt hij met de vorige
-soort overeen. Zijn vleesch wordt wegens de talrijke graten niet
-hoog geschat.
-
-
-
-De Blei, Bliek, Kolblei of Kolbliek, wegens hare groote oogen ook
-Koloog, Kolfoog en Kalfoog, in Groningen Platter genoemd (Abramis
-blicca), kan 20 à 30 cM. lang en hoogstens 1 KG. zwaar worden; zij
-is op den rug blauw met bruinachtigen weerschijn, op de zijden blauw
-met zilverglans, op den buik wit; de aarsvin en de staartvin zijn
-grijsblauw, de borst- en buikvinnen rood of roodachtig, althans aan
-den wortel. Vaak wordt zij verwisseld met den Brasem, van wien zij zich
-onderscheidt door de minder gekromde zijdestreep, de kortere aarsvin,
-den stomperen snoet, den hoogeren en korteren staart. Bovendien zijn
-de kop en de schubben grooter; de ongeschubde strook op het midden van
-den voorrug is minder duidelijk; de parige vinnen zijn geheel of ten
-deele rood, de keelgatstanden op twee rijen geplaatst (2 of 3 op de
-buitenste). De visscher onderscheidt deze beide soorten op het eerste
-gezicht aan de grootte der oogen en noemt de Bleien daarom Puiloogen
-(Hoek). De Blei is een van onze meest gewone zoetwatervisschen,
-bewoont in hetzelfde gebied als de Brasem ongeveer dezelfde plaatsen,
-n.l. een zandigen of kleiachtigen bodem in meren, vijvers en langzaam
-stroomende rivieren. Evenals deze, houdt zij zich gaarne in de diepte
-op en voedt zich met kleine dieren, vischkuit en plantaardige stoffen,
-welk voedsel zij ten deele uit den modder verkrijgt. In de maanden
-Mei en Juni ziet men haar in ondiep water bij den oever zwemmen om,
-bij voorkeur op plaatsen die met grassen en dergelijke planten begroeid
-zijn, kuit te schieten; zij is dan even beweeglijk als onvoorzichtig,
-zoodat men haar soms zelfs met de hand kan grijpen.
-
-De Blei is de vraatzuchtigste van alle Karpervisschen; het is volstrekt
-niet moeielijk haar te vangen; ieder lokaas is haar welkom.
-
-Nergens geschiedt dit op groote schaal, daar deze Visch als spijs
-nog minder hoog geschat wordt dan de Brasem; als voedsel voor de in
-vijvers gekweekte Forellen kan men hem evenwel met voordeel gebruiken.
-
-
-
-Ook van de laatstgenoemde Karpervisschen heeft men verscheidene
-bastaarden of hybriden leeren kennen en gedurende eenigen tijd als
-afzonderlijke soorten beschouwd. Van deze verdienen als inheemsch
-vermelding: de Lange Blei (Cyprinus Heckelii), ook wel Amelom of
-Amelong en Half-blei-half-voorn genoemd (gevormd door kruising van
-Leuciscus rutilus en Abramis brama), de Koloog (Cyprinus Bugenhagii,
-een kruisingsproduct van Leuciscus erythrophthalmus en Abramis brama),
-de Gekartelde Blei (Cyprinus isognathus, hybride van Leuciscus
-erythrophthalmus en Abramis blicca) en de Half-voorn-half-alvertje
-(Cyprinus dolabratus, bastaard van Leuciscus cephalus en Alburnus
-alburnus).
-
-Hoewel de Karpervisschen over 't geheel genomen een zeer
-vreedzame levenswijze hebben, komen toch onder hen enkele roovers
-voor. Een daarvan is de Muizenbijter (Aspius rapax). Het door hem
-vertegenwoordigde geslacht der Roofkarpers, kenmerkt zich door een
-langwerpig lichaam, dat zijdelings eenigermate samengedrukt, maar
-zoowel langs den rug als aan den buik afgerond is, een naar boven
-gerichte mondopening, vooruitstekende onderkaak en op twee rijen (van
-3 en 5) geplaatste keelgatstanden, welker kegelvormige verlengde,
-haakvormig omgebogen kroon geen inkervingen vertoont, voorts door
-een korte aarsvin en kleine schubben. De genoemde soort kan 60 à 70
-cM. lang en 6 KG. zwaar worden; zij heeft een zwartachtig blauwen
-rug, blauwachtig witte zijden en een zuiver witten buik; de rugvin
-en de staartvin zijn blauw; de parige vinnen en de aarsvin hebben
-een roodachtige tint.
-
-In alle groote rivieren en meren van Middel-Europa, tot in
-Lapland, heeft men deze soort waargenomen; in Nederland en ook in
-Groot-Brittannië schijnt zij niet voor te komen. In aanzienlijke getale
-bewonen hare leden de Beiersche en Oostenrijksche meren; in den Donau
-zijn zij veelvuldig, in geheel Noord-Duitschland bekend; ook in de
-haffen treft men hen aan, bovendien verder oostwaarts in Rusland, waar
-zij soms een reusachtige grootte bereiken. In den regel houden zij zich
-op in zuiver, langzaam stroomend water. Hun voedsel bestaat zoowel uit
-plantaardige als uit dierlijke stoffen, niet slechts uit kleine dieren,
-maar ook uit Visschen. Naar men zegt, worden vooral de Alvertjes den
-buit van deze roovers, die "Muizenbijters" heeten, omdat zij, naar men
-beweert, ook wel eens Muizen en Waterratten verslinden. Wegens hun wit
-en smakelijk vleesch vangt men ze veel in netten en aan den hengel,
-vooral in den rijtijd, omdat zij dan minder schuw zijn dan gewoonlijk.
-
-
-
-De Alvers of Alvertjes (Alburnus) onderscheiden zich van de Roofkarpers
-vooral door den scherpen hoek, dien de zijden van het lichaam naar
-onderen vormen en doordat ieder keelgatsbeen een buitenste reeks van 2
-en een binnenste reeks van 5 tanden draagt. De achterste binnentanden
-zijn haakvormig gekromd en gelijken dus op grijptanden; soms zijn
-zij glad, soms met inkervingen voorzien. De ruglijn is minder sterk
-gebogen dan de buiklijn; de korte rugvin begint achter de buikvinnen,
-de lange aarsvin achter of onder de rugvin; de schubben vertoonen
-een sterken zilverglans en uitpuilende, straalsgewijs van een
-middelpunt uitgaande lijsten; de mondopening is naar boven gericht
-en de eenigszins verdikte spits van de onderkaak wordt, evenals bij
-het vorige geslacht, in een inkerving van de tusschenkaak opgenomen.
-
-
-
-Het Alvertje, ook wel Alfertje, Halvertje, Alvenaar, Alft, Alvertien
-en Alver genoemd (Alburnus alburnus), bewoont nagenoeg alle zoete
-wateren van Europa ten noorden van de Alpen, vooral die met weinig
-strooming. Deze Visch komt in ons land zeer algemeen voor, het
-meest in de rivieren, ook in die gedeelten van haar benedenloop,
-waar ebbe en vloed heerschen. In werken uit de vorige eeuw vindt
-men hem aangeduid met den naam "Alphenaar," die, volgens Gronovius
-(1741), ontleend is aan het dorp Alphen, "waar hij in de maand Augustus
-veelvuldig in den Rijn gevangen wordt." Evenals Leuciscus vulgaris en
-Leuciscus cephalus noemt men het Alvertje soms Hesseling, Esseling en
-Witvisch, ook wel Moertje of Nesteling, in Overijsel meestal Over-
-of Bovenleupertien. Bij de vischverkoopers heet het Panharing,
-daar het door den algemeenen vorm van zijn sterk samengedrukt, met
-glanzige schubben bekleed lichaam aan een kleine soort van Haring
-herinnert. Oude exemplaren worden als Koning van den Nesteling (of van
-den Asterling) betiteld. De lengte bedraagt 10 à 18 cM. De blauwachtige
-of groenachtige kleur van de bovendeelen maakt op de zijden plaats
-voor het fraaie zilverwit der buikzijde; de rugvin en de staartvin zijn
-grijsachtig, de overige vinnen geelachtig. Een nadere omschrijving kan
-niet gegeven worden, daar zoowel de kleur als de vorm bij deze soort
-aan veel afwisseling onderhevig is; bijna iedere rivier, ieder meer
-herbergt verschillende exemplaren. Verscheidene van deze afwijkingen
-zijn zoo standvastig, dat men ze als soorten heeft aangemerkt.
-
-
-
-Belangrijker echter is het verschil tusschen de gewone soort en het
-nagenoeg even groote Zwartgestipte Alvertje (Alburnus bipunctatus),
-welks eindstandige mondopening een minder scheeve mondspleet en een
-minder sterk verdikte, minder vooruitstekende spits aan de onderkaak
-heeft; het lichaam is meer ineengedrongen en hooger; de kroon van
-de tanden der binnenste reeks heeft geen inkervingen, zooals bij
-de vorige soort; de aarsvin begint achter het einde van de rugvin
-en neemt naar achteren niet noemenswaard in hoogte af. De kleur,
-die op den rug donkergrijs is, wordt op de zijden lichter en gaat
-op den buik in zuiver zilverwit over; boven en onder de zijdestreep
-komt een reeks van zwarte stipjes voor, die aanleiding heeft gegeven
-tot den naam der soort. Deze werd in de Maas bij Rotterdam, in den
-Krommen Rijn bij Utrecht, in den Rijn bij Leiden, over 't algemeen
-in rivieren met zandigen bodem waargenomen. Haar verbreidingsgebied
-kan nog niet nauwkeurig omschreven worden. In de meeste rivieren en
-meren van Middel-Europa komt zij zeer veelvuldig voor, voor zoover
-het water er helder en niet te woelig is.
-
-
-
-De Alvertjes zijn gezelliger van aard dan vele andere Visschen,
-vormen altijd groote, soms ontzaglijke scholen en maken bij warm,
-stil weer veel beweging in de nabijheid van den waterspiegel, waar
-zij Insecten en dergelijke diertjes vangen. Zij zijn niet zeer schuw,
-maar nieuwsgierig en vraatzuchtig; als men in hun nabijheid iets in het
-water werpt, vluchten zij aanvankelijk, maar keeren dadelijk terug om
-te kijken wat er gebeurd is, happen naar het voorwerp dat hun schrik
-aanjoeg en spuwen het uit, wanneer het hun niet bevalt. De hengelaar,
-wien het er slechts om te doen is zooveel mogelijk te vangen,
-rekent hen daarom onder de prettigste Visschen, daar zij zonder
-eenig voorbehoud happen naar ieder lokaas, dat men hen toewerpt. De
-voortplanting heeft in de maanden Mei en Juni plaats, maar begint soms
-reeds in Maart en duurt vaak tot in Augustus. Zij vermenigvuldigen
-zich buitengewoon sterk; hun levensduur is echter betrekkelijk kort;
-daar zij wegens hun gezelligen aard en hun voorliefde voor de bovenste
-waterlagen dikwijls de prooi worden van de roofvisschen en watervogels,
-die hunne scholen voortdurend volgen.
-
-Hoewel aan de Alvers in 't algemeen, ook aan de onze, als voedsel
-geen waarde wordt gehecht, houdt men zich toch op sommige plaatsen
-geregeld met de vangst dezer Visschen bezig, omdat zij, behalve als
-voedsel voor den mensch en als lokaas bij de vischvangst, voor de
-bereiding van de "Essence d'Orient" dienst doen. Met behulp van de
-bedoelde "essence", welker samenstelling langen tijd geheim werd
-gehouden, worden de valsche parels gemaakt, die, zooals bekend is,
-soms zeer moeielijk van de echte te onderscheiden zijn, hetgeen
-den prijs van deze aanmerkelijk heeft doen dalen. In het midden van
-de vorige eeuw kwam een fabrikant van bidsnoeren of "rozekransen"
-in Frankrijk op het denkbeeld holle, glazen bolletjes van binnen met
-fijngestooten vischschubben te bedekken en hen op deze wijze den glans
-van parels te verschaffen; sedert dien tijd wordt deze uitvinding
-op vrij groote schaal toegepast. De Alvertjes (die men daarom ook
-wel Schrapvisch noemt) worden afgeschubd, de schubben in een bak
-met water geworpen en hierin zoo fijn mogelijk stukgewreven. Het
-water, dat op deze wijze spoedig de kleur van zilver verkrijgt,
-wordt in een groot glas overgegoten, en blijft hierin verscheidene
-uren achtereen op een stille plaats staan, om het zilverachtige
-poeder te laten bezinken. Zoodra dit zich op den bodem heeft afgezet,
-wordt het daarboven staande water, door het glas scheef te houden,
-voorzichtig afgegoten van de olieachtige, dikke, vloeibare massa, die
-"Essence d'Orient" heet. Het gebruik, dat hiervan gemaakt wordt, berust
-op de eigenschap der als zilver glinsterende, fijne plaatjes van in
-ammoniak geen verandering te ondergaan. Met ammoniak vermengd, wordt de
-"essence" in de holle, glazen bolletjes gegoten, aan welker binnenste
-oppervlakte de plaatjes zich hechten, terwijl de vloeistof, voor zoover
-zij er niet uitgegoten kan worden, verdampt.--50 KG. Alvertjes leveren
-2 KG. schubben; voor 500 gram "essence" zijn wel 20,000 Visschen
-noodig. Deze soort is trouwens zoo veelvuldig, dat men niet zelden
-de genoemde hoeveelheid bij één vangst buit maakt. In het meer van
-Constanz b.v. heeft men soms met één trek van het net 10 "Eimer"
-(à 65 L.) Alvertjes gevangen. "De Alver," schrijft Dr. Hoek, "is op
-het Hollandsch Diep een zeer gewoon vischje, echter niet het geheele
-jaar, maar voornamelijk in de zomermaanden. In dien tijd visschen de
-kantoren stelselmatig op Alver. De beste markt voor dit vischje schijnt
-Parijs te zijn: een goede prijs--zooal geen hooge--is het, wanneer van
-elk mandje (een zoogenaamd rond mandje van 120 à 130 stuks) een franc
-schoon geld komt. Dit vischje heeft de eigenaardige gewoonte groote
-scholen te vormen en zich in zulke scholen te verplaatsen; dergelijke
-scholen schijnen met groote onregelmatigheid rond te dolen over het
-bovengedeelte der benedenrivieren; vandaag zitten zij hier, morgen
-daar. Komt een dergelijke school voor of in een ankerkuil, dan stroomt
-het want letterlijk vol; dit geschiedt hoofdzakelijk bij vloed. Soms is
-de visscher dan genoodzaakt zijn kuil te lichten, voordat het tij "af"
-is, wil hij het gevaar niet loopen, het net te zien scheuren onder
-het gewicht der persing van de opdringende Alvers. Een dergelijke
-overvloedige vischvangst woonden wij bij op 30 Juli 1886, zoowel
-'s ochtends in de vroegte om 3 uur, als met het volgende vloedtij
-'s namiddags nabij het Havenhoofd van Lage Zwaluwe. Twee groote
-roeibooten zagen wij uit één kuil geheel met Alver vullen, een
-hoeveelheid Visch, die zeker op eenige honderden mandjes geschat kan
-worden." De Alvertjes zijn uitstekend geschikt voor een aquarium; meer
-dan andere kleine Visschen onderscheiden zij zich door speelschheid,
-zoodat zij den toeschouwer een aangenaam tijdverdrijf verschaffen;
-onophoudelijk in beweging, op alles acht gevend, springen zij toe op
-ieder vliegje of in 't algemeen naar ieder voorwerp, dat men in het
-water werpt en schijnen even tevreden als onvermoeid te zijn.
-
-
-
-De Meskarper (Pelecus cultratus), de eenige vertegenwoordiger van
-een gelijknamig geslacht, heeft een langwerpig, sterk zijdelings
-samengedrukt lichaam met rechtlijnigen rug- en scherpen, sterk
-benedenwaarts gebogen buikkant, een bijna loodrecht geplaatste
-mondspleet met naar boven gerichte opening, buitengewoon lange,
-smalle, spitse, eenigszins sikkelvormige borstvinnen, kleine
-buikvinnen, een zeer korte rugvin, welker aanhechtingsplaats ver
-naar achteren tegenover het begin van de lange aarsvin is gelegen,
-een golfsgewijs gekromde zijdestreep, licht afvallende schubben en
-op ieder keelgatsbeen tanden met zaagvormig ingesneden kroon op 2
-reeksen (2 op de buitenste, 5 op de binnenste). De nek is staalblauw
-of blauwgroen, de rug grijsbruin; de zijden zijn zilverwit met
-rooskleurigen weerschijn, de rugvin en de staartvin grijsachtig, alle
-overige vinnen roodachtig of geelachtig. Deze Visch kan 46 cM. lang
-en 1 KG. zwaar worden.
-
-Opmerkelijk is het verbreidingsgebied van den Meskarper; hij bewoont in
-het noorden van Europa alleen de Oostzee en de met haar in gemeenschap
-staande zoetwatermeren en rivieren; bovendien treft men hem in de
-Zwarte Zee en de hierin uitmondende stroomen aan. Een echte zeevisch
-is hij niet, een riviervisch evenmin; naar het schijnt, bevalt het hem
-in zoutwater even goed als in zoet. Zijn verblijfplaats is gelegen in
-de nabijheid van den oever van een helder stroomend water. Door aard,
-gewoonten en voedingswijze stemt hij met de overige Karpervisschen
-overeen. Als spijs heeft deze Visch weinig waarde, daar zijn vleesch
-week en rijk aan graten is; de vangst loont daarom de moeite niet.
-
-
-
-De Modderkruipers zijn kleine Karpervisschen met een zeer langwerpig,
-min of meer zijdelings samengedrukt lichaam, dat nagenoeg overal
-gelijk van dikte en met een slijmerige, op den kop naakte, op den
-romp en den staart van zeer kleine schubben voorziene huid bedekt is;
-de kieuwspleten zijn nauw; de kop is klein, de mondopening omgeven
-door zuiglippen met 6 à 10 voeldraden; de rand van de bovenkaak
-wordt alleen door de tusschenkaaksbeenderen gesteund; de buikvinnen
-en de rugvin zijn tamelijk ver naar achteren geplaatst; de staartvin
-is, bij de Europeesche soorten althans, afgerond; de zwemblaas is,
-voorzoover aanwezig, in een rechter en een linker helft verdeeld.
-
-Deze afdeeling is zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld
-vertegenwoordigd, in Europa door drie geslachten. De 3 inheemsche
-soorten komen ook in de overige landen van Middel-Europa voor, één
-van hen (de grootste) ontbreekt echter in Groot-Brittannië. Sommige
-houden van modderig en stilstaand, andere van zuiver en stroomend
-water. Alle verkeeren gewoonlijk op den bodem, rusten, in den
-modder of onder steenen verborgen, gedurende den dag en beginnen
-met zonsondergang of bij donker weer op allerlei kleine waterdieren
-jacht te maken. Twee soorten zijn zeer teer, de derde daarentegen is
-beter bestand tegen ongunstige omstandigheden en meer bepaaldelijk
-tegen vervuiling van het water. Zij kunnen leven in water, waarin
-weinig zuurstof opgelost is, omdat zij, behalve door kieuwen,
-ook nog op een andere wijze ademen dan de meeste overige Visschen,
-n.l. door het spijskanaal. Met dit doel begeven zij zich naar den
-waterspiegel, slikken, terwijl zij den snuit boven het water uitsteken,
-een zekere hoeveelheid lucht in, die zij door sterke samendrukking
-van de kieuwdeksels in het korte, rechtlijnige darmkanaal stuwen;
-tevens worden door de aarsopening eenige luchtbellen met gedruisch
-naar buiten geperst. In frisch, zuurstofrijk water maken zij zelden
-gebruik van de laatstgenoemde wijze van ademhaling, die in de vrije
-natuur nog niet bij hen waargenomen werd; in de gevangenschap zijn
-zij weldra genoodzaakt van dit redmiddel gebruik te maken, wanneer
-het water in hun woning niet dikwijls ververscht wordt. Men vermoedt,
-dat zij op hunne natuurlijke verblijfplaatsen alleen dan door den darm
-ademen, als zij door het wegvloeien en verdampen van het water in hun
-omgeving gedwongen worden zich in het slijk of den modder te begraven.
-
-Ondanks hun geringe grootte zijn minstens twee van de inheemsche
-Modderkruipers als spijs zeer gezocht en worden zelfs in voor hen
-bestemde vijvers gekweekt. Lekker smaken deze vischjes, wanneer
-men zoo weinig mogelijk tijd laat verloopen tusschen de vangst en
-de toebereiding.
-
-
-
-Bij den ongeveer 30 cM. langen Modderkruiper, in Noord- en Zuidholland
-gewoonlijk Weeraal en Donderaal, soms Stootvisch, in Gelderland en
-Overijsel Meerpoet, in Groningen Weervisch en Poetaal, in Friesland
-Aalpieper genoemd (Misgurnus fossilis), is de mond door 10 voeldraden
-omgeven, waarvan 4 aan de boven- en 6 aan de onderlip; de romp is
-op zwartachtigen grond met 5 gele en bruine, overlangsche strepen,
-de buik op lichten grond met zwarte stippels geteekend.
-
-Deze Visschen, die bij ons in kleine hoeveelheid in stilstaande,
-modderige wateren voorkomen en soms in rivieren, b.v. in den IJsel en
-den Berkel, aangetroffen worden, zijn over een groot deel van Noord- en
-Oost-Europa verbreid. Men vindt ze uitsluitend in rivieren en meren met
-modderigen bodem, eigenlijk nergens in grooten getale. Gedurende den
-winter en ook wanneer des zomers het water van de door hen bewoonde
-plas verdampt is, verbergen zij zich in het slijk, waar zij eenige
-maanden achtereen zonder bezwaar kunnen vertoeven, zonder in een
-toestand van verstijving of van slaap te verkeeren. Zoodra men hen
-in het water terugbrengt, toonen zij door vlugge bewegingen, dat
-het gedwongen verblijf in een oogenschijnlijk voor hen ongeschikte
-schuilplaats in het geheel geen nadeelige gevolgen heeft gehad. Hieraan
-danken zij hun gewonen en hun wetenschappelijken soortnaam. In den
-zomer kan men deze Visschen in sommige uitgedroogde moerassige oorden
-uit den grond graven. Varkens, die in zulke moerassen gedreven worden,
-verkrijgen hierdoor soms een lekker maal.
-
-Zeer gevoelig is de Modderkruiper voor electrische verschijnselen. Bij
-het naderen van een onweer toont hij zich zeer onrustig, komt aan
-de oppervlakte van 't water en zwemt hier met kenteekenen van angst
-en voortdurend lucht happend rond. Daar hij reeds 24 uur voordat het
-onweer losbarst, op deze wijze te keer gaat, geeft men hem te recht
-de namen Weervisch, Weeraal en Donderaal. In vele streken houdt men
-hem daarom als weervoorspeller gevangen in een glazen bak, welks bodem
-met een zandlaag van eenige cM. dikte bedekt is; hij kan het hier lang
-in uithouden, wanneer het water minstens één-, liever tweemaal per
-week ververscht wordt; als voedsel zijn eenige broodkruimels voldoende.
-
-Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine, in 't water en in den
-modder levende lagere en jonge dieren en uit vischkuit, doch ook
-uit rottende plantaardige stoffen. Het vleesch van dit dier smaakt
-grondig en wordt daarom door den mensch niet gegeten.
-
-
-
-De Gebaarde Modderkruiper (Nemachilus barbatulus), ook wel Bermpje
-genoemd (evenals Barbus fluviatilis), bereikt een lengte van 10
-(hoogstens 15) cM. Van de vorige soort onderscheidt hij zich vooral
-door het bezit van slechts 6 voeldraden, die alle aan de bovenlip
-voorkomen. Het lichaam is nagenoeg rolvormig, de kleur van den rug
-donkergroen, van de zijden geelachtig, van de onderdeelen lichtgrijs;
-de kop, de rug en de zijden zijn met onregelmatige, bruinzwarte
-stippels, vlekken en strepen geteekend, de rug-, staart- en borstvinnen
-gevlekt, de aars- en buikvinnen geelachtig wit en ongevlekt. Bij
-de vischsoorten, die Schlegel en Van den Ende in ons land hebben
-waargenomen, komt de Gebaarde Modderkruiper niet voor; volgens andere
-schrijvers is hij inheemsch. Evenals zijne verwanten treft men hem in
-een groot deel van Europa aan, oostwaarts tot bij den Oeral, zuidwaarts
-tot aan de Alpen; naar Zweden werd deze Visch, die als zeer smakelijk
-wordt geroemd, door Koning Frederik I (1720-1751) uit Duitschland
-overgebracht. Vooral in Saksen, Brandenburg, Hessen, Zwitserland en
-Tirol vindt men hem in grooten getale, maar ook in de overige landen
-ten noorden van de Alpen (o. a. in België en Groot-Brittannië)
-is hij niet zeldzaam. In tegenstelling met zijn grootere verwant
-bewoont hij, zoo niet uitsluitend, dan toch bij voorkeur stroomend
-water, liefst ondiepe beken met steenachtigen of zandigen bodem en
-snellen stroom. Over dag houdt hij zich hier verborgen in een holte
-onder een steen; men ziet hem slechts bij uitzondering vrijwillig uit
-deze veilige rustplaats te voorschijn komen, n.l. als een gemakkelijk
-verkrijgbare buit hem tot dit waagstuk verleidt. Tegen zonsondergang
-begint voor hem de tijd van jagen; waarschijnlijk blijft hij gedurende
-den geheelen nacht in beweging. De groote staartvin stelt hem tot zeer
-goed zwemmen in staat; hij doet dit echter steeds bij rukken en niet
-gaarne lang achtereen. Na het voorzichtig optillen van den steen,
-die zijn schuilhoek bedekt, ziet men hem eerst eenige oogenblikken
-rustig op dezelfde plaats blijven, daarna pijlsnel voortschieten en,
-door plotseling te zwenken of onverhoeds naar den grond te zinken,
-een nieuwe schuilplaats bereiken. Bij 't naderen van een onweer
-geeft ook hij bewijzen van onrust, alsof de electrische spanning
-ook hem onaangenaam aandoet. De Gebaarde Modderkruiper heeft een
-veel geringer weerstandsvermogen dan zijn grootere verwant en sterft
-buiten het water na weinige minuten. Zijn voedsel bestaat uit allerlei
-kleine waterdieren, Insecten van verschillenden leeftijd en vischkuit,
-waarschijnlijk ook uit plantaardige stoffen. (Die, welke men in vijvers
-kweekt, worden althans met lijnkoeken en papaverzaad gevoederd.) Het
-kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente; in Maart
-en April zijn de eierstokken overvuld met tallooze eitjes; van Mei
-tot Juli wemelt het op sommige plaatsen van jongen, die sinds kort het
-ei verlieten. Het wijfje legt de eieren in een gat, dat het mannetje
-graaft en waarbij het de wacht houdt, totdat de jongen uitkomen.
-
-Deze Vischsoort wordt wegens haar smakelijk vleesch in sommige landen,
-vooral in Bohemen, in bepaaldelijk voor haar bestemde vijvers gekweekt;
-in den regel zijn dit kleine kuilen van 3 M. lengte, 1 M. diepte en
-verschillende breedte; men bekleedt ze met mandewerk en vult de ruimte,
-die hiertusschen en den wand van den kuil overblijft, met schapenmest
-om de ontwikkeling van insectenlarven te bevorderen. Een voortdurende
-toevoer van versch water is volstrekt noodig voor het goed gedijen van
-deze half-gevangen Modderkruipers, die zich in gunstige omstandigheden
-buitengewoon snel vermenigvuldigen; de onderneming levert in dit geval
-voordeel op, hoewel slechts op weinige plaatsen een flinke prijs voor
-de vischjes betaald wordt.
-
-Behalve de mensch maken ook Waterspitsmuizen en Waterratten, Eenden
-en vele Moerasvogels jacht op de Modderkruipers; vooral de IJsvogel
-verkrijgt waarschijnlijk het grootste deel van zijn voedsel door
-het vangen van deze dieren, die bovendien veel te lijden hebben van
-Visschen, die, evenals zij, op den bodem leven.
-
-In goed ingerichte aquariën kunnen de Modderkruipers lang in 't
-leven blijven. Veel tijdverdrijf verschaffen zij trouwens niet. Zij
-verslinden een ongeloofelijk groote hoeveelheid Wormen en dergelijke
-dieren, waarbij zij een beweging maken, alsof zij bezig zijn een
-kolossalen buit te overweldigen.
-
-
-
-De Kleine Modderkruiper, vroeger ook wel Grundel genoemd (Cobitis
-taenia), onderscheidt zich van zijne reeds genoemde verwanten vooral
-door het bezit van een gevorkt stekeltje, dat opgericht en neergelegd
-kan worden, boven ieder oog. De bovenkaak is voorzien van 6 zeer korte
-voeldraden. Het lichaam is zijdelings sterk samengedrukt, vooral aan
-den kop, heeft overal nagenoeg denzelfden vorm en is met buitengewoon
-kleine schubben geheel bedekt. Dit vischje wordt hoogstens 10 cM. lang
-en is op oranjegelen grond zeer fraai geteekend met overlangsche
-reeksen van afgeronde, zwarte vlekken; die van de onderste reeks zijn
-de grootste en op het midden van den afstand tusschen de ruglijn en
-de buiklijn gelegen; een tweede reeks van kleinere vlekken strekt
-zich boven de eerste van kop tot staart uit; de zijden en de staart
-zijn bovendien nog met kleine, onregelmatige vlekken en stippels
-versierd, die op de keel, de borst en den buik geheel ontbreken;
-een bruinzwarte streep gaat van het oog naar de bovenlip en zet
-zich naar achteren voort tot aan de spits van het kieuwdeksel; een
-andere loopt evenwijdig aan de vorige over de wangen. Bij de meeste
-exemplaren vindt men een donkere, gitzwarte, scherp begrensde vlek
-aan den wortel van het bovenste deel van de staartvin. De donkere
-stippels vormen op de rugvin overlangsche, op de staartvin dwarse
-reeksen. De parige vinnen en de aarsvin zijn lichtgeel.
-
-De Kleine Modderkruiper is de eenige soort van zijn onderfamilie,
-die ook ten zuiden van de Alpen tot in Dalmatië voorkomt. Naar het
-noorden strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan de zeekust,
-oostwaarts tot Rusland, westwaarts tot Groot-Brittannië. Voorts bewoont
-hij Siberië en Japan. Bij ons komt hij in stilstaand en stroomend
-water in kleine hoeveelheid voor op plaatsen, waar de grond zandig of
-steenachtig is. In Duitschland en Engeland is hij overal zeldzamer
-dan de vorige soort. Zijne levenswijze en gewoonten zijn nog weinig
-bekend; men weet althans niet recht, in welke opzichten deze zich
-van die der Gebaarde Modderkruipers onderscheiden. Rivieren, beken
-en slooten, plassen en meren worden door hem bewoond; hij verschuilt
-zich hier onder steenen en maakt jacht op Wormen, larven, Insecten
-en dergelijke kleine dieren. Deze Visschen, hoewel klein, mager en
-taai van vleesch, worden in sommige streken van Duitschland vóór den
-rijtijd, die in Mei valt, gevangen en gegeten.
-
-
-
-Verscheidene eigenaardigheden van andere groepen van Luchtbuisvisschen,
-treft men vereenigd aan bij de Characinen (Characinidae). Zij
-gelijken op de leden der beide vorige familiën door het bezit van
-een keten van gehoorbeentjes tusschen het in de schedelholte gelegen
-gehoororgaan en de zwemblaas, die, evenals bij de Karpervisschen
-in twee opeenvolgende kamers is verdeeld. Zij verschillen van de
-reeds genoemde leden der vierde orde en naderen tot de Zalmvisschen
-door de sterkere ontwikkeling der bovenkaaksbeenderen; deze nemen
-deel aan de begrenzing van de mondspleet, welker bovenrand bij
-de Vallen en Karpervisschen alleen door de tusschenkaaksbeenderen
-wordt gesteund. Een vetvin achter de rugvin, gelijk bij de meeste
-Vallen en alle Zalmvisschen gevonden wordt, is bij hen geen ongewoon
-verschijnsel. De rudimentaire (voor hun oorspronkelijke verrichting
-in den loop der tijden ongeschikt geworden) ademhalingsorganen,
-de zoogenaamde "valsche" kieuwen aan het gehemelte, waardoor de
-Zalmvisschen gekenmerkt zijn, ontbreken bij de Characinen. Daarentegen
-hebben verscheidene leden dezer familie, evenals sommige Vallen en
-eenige Haringvisschen, een met de kieuwholte samenhangend, op een
-spiraalsgewijs gewonden buis gelijkend toestel, dat hen in staat
-stelt om tijdelijk buiten het water te ademen. Het lichaam is, met
-uitzondering van den kop, geschubd; de voeldraden ontbreken.
-
-Deze familie, die meer dan 300 soorten van Zuid-Amerikaansche
-en Afrikaansche zoetwatervisschen omvat, is in Europa niet
-vertegenwoordigd. Hare leden, die op sommige plaatsen in tallooze
-menigte de rivieren bevolken, zijn bijna zonder uitzondering tot
-voedsel voor den mensch zeer geschikt; eenige vormen het voornaamste
-deel van den buit der van vischvangst levende oeverbewoners, die
-echter door sommige dezer Visschen in hooge mate lastig gevallen
-en gekweld worden. Vooral geldt dit van eenige Characinen, die
-zich kenmerken door den op een zaag gelijkenden buikkant van het
-zijdelings samengedrukte lichaam en die men in de onderfamilie van
-de Zaagbuikzalmen (Serrasalmonina) samenvat. Deze soorten, die men
-gewoonlijk Karaïbenvisschen noemt, worden, ondanks hun geringe grootte,
-wegens hun toomelooze vraatzucht niet minder gevreesd dan de Haaien
-en andere reusachtige zeedieren; zij richten meer onheil aan dan
-de Krokodillen, die dezelfde wateren bewonen; gevaarlijk worden zij
-zelfs voor deze roofzuchtige Reptiliën, hoewel deze vooral Visschen
-als voedsel gebruiken.
-
-
-
-Tot het geslacht der Zaagbuikzalmen (Serrasalmo) brengt men die leden
-der gelijknamige onderfamilie, welker groote, driehoekige, snijdende,
-spitse tanden zoowel aan de tusschen- als aan de onderkaak op één
-rij zijn geplaatst, terwijl meestal ook het gehemelte met één reeks
-van soortgelijke tanden gewapend is. De met zeer kleine schubben
-bekleede romp en ook de naakte kop zijn hoog en smal. De hooge,
-tamelijk lange, met één doorn gewapende rugvin is aan de achterste
-helft van het lichaam gehecht en wordt gevolgd door een kleine vetvin;
-de aarsvin is lang en wordt voorafgegaan door twee doornen.
-
-
-
-Een der meest bekende hiertoe behoorende soorten is de ongeveer 30
-cM. lange Piraya (Serrasalmo piraya), die een tandeloos gehemelte heeft
-en wiens tanden langs den rand niet gezaagd zijn; de ineengedrongen
-romp is zeer hoog, de snuit kort en stomp; zoowel de blauwachtige
-bovendeelen als de geelachtige onderdeelen zijn met donkerder vlekken
-geteekend. De zaagvormige buikkant bestaat uit 24 à 27 gedoornde
-platen.
-
-
-
-Alle Karaïbenvisschen bewonen stroomende wateren van Middel- en
-Zuid-Amerika. Naar het schijnt, vertoeven zij zelden of nooit in de
-nabijheid der zee, in het mondingsgebied der stroomen, maar vertoonen
-zich eerst hooger op, het meest houden zij van diepe riviergedeelten
-met weinig strooming, vooral van bochten, die door rotsachtige oevers
-omgeven en door steenklompen afgebroken zijn. Deze gewoonlijk op den
-bodem levende dieren, verschijnen bij duizenden aan de oppervlakte van
-'t water, zoodra zij hier een buit opmerken. Op bevaarbare stroomen
-begeleiden of omringen zij de vaartuigen om op het juiste oogenblik
-bij de hand te zijn. "Wanneer hun niets wordt toegeworpen," verhaalt
-Bates, "blijven zij op den bodem; hoogstens ziet men enkele exemplaren
-hier en daar verspreid, die alle vol verwachting den kop naar den
-bezoeker keeren. Zoodra echter het een of andere afval overboord
-wordt geworpen, neemt het water plotseling een donkere kleur aan
-door de menigte Visschen, die zich rondom den buit verzamelen. Een
-woedende strijd vangt aan; dikwijls gelukt het een der strijders
-een brok te vermeesteren, dat door een ander reeds half verzwolgen
-was. Als een Vlieg of een Bij dicht bij den waterspiegel vliegt,
-springen de Visschen alle te gelijk er als razenden op af, zoo
-plotseling, alsof zij door een electrischen schok in beweging worden
-gebracht." Alexander von Humboldt had reeds veel vroeger dergelijke
-ervaringen opgedaan. "Het werpen van een paar druppels bloed in 't
-water," zegt hij, "is voldoende om in den volkomen helderen stroom
-op een plaats waar geen levend wezen te zien was, eensklaps duizende
-Visschen uit de diepte naar boven te lokken. Om de kleine, bloederige
-stukjes vleesch, die wij in 't water wierpen, waren binnen weinige
-minuten talrijke zwermen van Karaïbenvisschen verzameld, die elkander
-den buit betwistten."
-
-Te recht worden zij door Schomburgk de gulzigste roofvisschen van
-het zoetwater genoemd en met Hyenas vergeleken. Zij overtreffen zelfs
-de Hyenas in roofzucht, de Gieren in gulzigheid. Van hun vraatzucht
-kan men trouwens door een vergelijking met andere dieren geen juiste
-voorstelling verkrijgen. Ieder dier, dat zich in hun nabijheid waagt,
-wordt door hen aangevallen, zelfs Visschen, die tienmaal grooter
-zijn dan zij zelf. Geen zoogdier, dat de rivier overzwemt, ontkomt
-aan hun roofzucht, zelfs de pooten der watervogels, de Schildpadden
-en de teenen van den Alligator zijn niet veilig voor hen.
-
-Niet zelden wordt, naar men verhaalt, een Rund, een Tapir of een ander
-groot dier, dat zwemmend te midden van een school dezer vreeselijke
-Visschen geraakt, door hen opgevreten. Door tallooze beten geteisterd,
-door bloedverlies verzwakt, kan het slachtoffer den oever niet
-meer bereiken en verdrinkt. De dieren, die aan de oevers der door
-Karaïbenvisschen bewoonde rivieren leven, kennen het gevaar, waaraan
-zij bloot staan; zij durven bij het drinken het water niet in beweging
-te brengen of troebel te maken, uit vrees van hunne afschuwelijke
-vijanden aan te lokken. De Paarden en Honden maken van de volgende
-list gebruik: zij brengen het water op één plaats in hevige beweging,
-vluchten ten spoedigste zoodra de Karaïbenvisschen hier op afgekomen
-zijn en gaan drinken op een andere plaats, die nu veilig is wegens het
-vertrek der Visschen, die zich hier vroeger ophielden. Toch worden
-hun, ondanks deze voorzorgsmaatregel, maar al te vaak stukken uit
-den neus en de lippen gebeten. Een van de onderzoekers uit lateren
-tijd, Karl Sachs, zegt van deze Visschen: "Moeielijk kan men zich een
-voorstelling vormen van de krachtige werking hunner op een scherpe
-zaag gelijkende tanden; een hardhouten stok ter dikte van een vinger,
-dien ik een reeds afgemat exemplaar voor den bek hield, werd in een
-oogwenk doorgebeten; zelfs dikke, stalen hengelhaken zijn tegen hun
-gebit niet bestand. Hoewel het aantal en de gevaarlijkheid dezer
-Visschen in sommige reisbeschrijvingen met al te schelle kleuren
-zijn afgeschilderd, is het toch een feit, dat waarschijnlijk geen
-der Llanero's, die zich met vischvangst bezig houden, vrij is van
-litteekens van door Zaagbuikzalmen toegebrachte beten. Gelukkig hij,
-die in een dergelijk geval dicht genoeg bij den oever is, om dezen
-schielijk te kunnen bereiken! Want het bloed, dat in het water wordt
-uitgestort, lokt dadelijk een groote school van deze Visschen aan, die
-in ongeloofelijk korten tijd hun slachtoffer op de vreeselijkste wijze
-verminken. Menschen of dieren, die bij het overtrekken van een rivier,
-op grooten afstand van den oever door Karaïbenvisschen overvallen
-worden, zijn reddeloos verloren, want zelfs indien de toegebrachte
-wonden niet doodelijk zijn, kan het slachtoffer niet aan zijne
-vijanden ontkomen, daar het wegens bloedverlies niet vlug zwemmen
-kan. Dergelijke gevallen komen echter niet dikwijls voor. Ondanks
-het zooeven geschilderde gevaar worden aanhoudend vele rivieren
-overgetrokken, waarin zich, naar men zeker weet, een groot aantal
-Karaïbenvisschen ophouden; ook bestaan hier groote visscherijen,
-waar vele menschen voor een karig loon verscheidene dagen achtereen
-naakt in het water werkzaam zijn."
-
-Het kost natuurlijk niet veel moeite zulke vraatzuchtige Visschen te
-vangen. Ieder lokaas is hiervoor geschikt; zelfs door een rooden lap
-in 't water te werpen, kan men duizenden van Zaagbuikzalmen op één
-plaats bijeenlokken en zooveel vangen als men wil.
-
-
-
-De Tandkarpers (Cyprinodontidae), die een meer dan 100 soorten
-omvattende familie vormen, worden zoo genoemd, omdat zij over 't
-geheel genomen op Karpers gelijken, evenals deze, een uitsluitend
-door de tusschenkaaksbeenderen gesteunden bovensten mondrand
-en slechts één rugvin hebben. Het gebit is echter op een geheel
-andere wijze ingericht: de onderste keelbeenderen zijn niet met een
-betrekkelijk gering aantal vrij groote, maar met talrijke, kleine,
-hekelvormige tanden bezet; zulke tandjes vindt men ook aan de bovenste
-keelbeenderen, in plaats van den zoogenaamden "karpersteen"; de
-kaken zelf zijn niet tandeloos, maar met kleine tandjes gewapend. De
-zwemblaas is enkelvoudig en niet door een keten van beentjes met het
-gehoororgaan verbonden. Schubben bedekken niet slechts den geheelen
-romp, maar ook den kop, de kieuwdeksels en de wangen.
-
-In Europa, n.l. in Spanje, wordt deze familie slechts door één geslacht
-van zoetwatervisschen (Fundulus) vertegenwoordigd, terwijl een ander
-geslacht (Cyprinodon) in de Middellandsche Zee gevonden wordt. Haar
-eigenlijk gebied is Amerika. Hier bewonen hare leden de zee, zoowel
-als de rivieren en meren; in de Andes komen zij tot op een hoogte van
-4000 M. boven den zeespiegel voor. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk,
-zoo niet uitsluitend, uit dierlijke stoffen. Eenige soorten brengen
-levende jongen ter wereld. Voor de huishouding van den mensch zijn
-zij zonder beteekenis.
-
-
-
-De Vieroogige Hoogkijker der kolonisten (Anableps tetrophthalmus), die
-in vorm eenigszins op een Modderkruiper gelijkt, trekt zeer de aandacht
-door het zonderlinge maaksel der bovenwaarts gerichte oogen. Deze
-puilen uit boven een aan weerszijden van den kop gelegen opzwelling
-van het onderste voorhoofdsbeen; hun bol, doorschijnend gedeelte wordt
-door een nagenoeg horizontale strook van het bindvlies in twee bijna
-gelijke stukken verdeeld, waarvan het bovenste het grootste is: het is,
-alsof dit vischje vier oogen heeft. Het hoornvlies is niet slechts van
-buiten, maar ook van binnen in tweeën gescheiden; het regenboogvlies
-vertoont in het midden een van den omtrek uitgaande insnoering,
-zoodat er een dubbele pupil ontstaat; aan den kristallens en aan het
-glaslichaam is echter geen verdeeling op te merken. Bij geen enkel
-ander dier treft men een dergelijke inrichting van het oog aan.--Deze
-Visch wordt 15 à 20 cM. lang. Op vuil groenachtig gelen grond, vertoont
-zijn lichaam aan weerszijden 5 smalle, zwartbruine strepen. Hoewel men
-hem reeds kort na de ontdekking van Amerika heeft leeren kennen, zijn
-de berichten over zijn levenswijze nog zeer onvolledig. Hij bewoont
-Guyana en Noord-Brazilië, vooral de slijkbanken langs de kust en den
-mond der hier in zee stroomende rivieren. Op sommige plaatsen, vooral
-op ondiepten, die in de onmiddellijke nabijheid van de kust gelegen
-zijn, komen niet zelden tallooze scholen van deze Visschen voor. Zij
-worden in de naburige dorpen en steden veelvuldig te koop aangeboden,
-hoewel hun vleesch niet als smakelijk bekend staat.
-
-Naar men zegt, zwemt deze Visch zóó, dat de bovenste helft van het
-oog boven, de onderste helft onder den waterspiegel ziet.--Reeds voor
-lang werd opgemerkt, dat het wijfje levendbarend is.
-
-
-
-De familie der Makreelsnoekvisschen (Scomberesocidae) omvat ongeveer
-140 voor 't meerendeel langwerpige Visschen met geen andere dan gelede
-vinstralen, welker onderste keelbeenderen op soortgelijke wijze als
-bij de Lipvisschen tot één stuk vergroeid zijn; aan weerszijden van
-den buik hebben zij een reeks van gekielde schubben; de rugvin is
-tegenover de aarsvin aan den betrekkelijken korten staart gehecht. Door
-het laatstgenoemde kenmerk en doordat de bovenkaaksbeenderen aan de
-vorming van den bovenrand der mondspleet deelnemen, stemmen zij met
-de Snoeken overeen.
-
-
-
-Ongeveer 50 soorten vormen het geslacht der Geepen (Belone); het
-onderscheidt zich door een zeer lang, aalvormig lichaam en een
-snavelvormigen bek, gevormd door de sterk verlengde tusschenkaak
-en de nog langere onderkaak; beide zijn met scherpe tanden gewapend
-(een dubbele rij zeer kleine aan den buitenrand, verder binnenwaarts
-grootere, kegelvormige); op de keelbeenderen komen plaveiselvormige
-tanden voor. De schubben vallen, met uitzondering van die, welke bij
-alle familieleden aan weerszijden van den buik voorkomen, weinig in
-'t oog.
-
-
-
-De Geep (Belone belone), die over alle Europeesche zeeën en ook
-verder verbreid is, kan een lengte van meer dan 1 M. bereiken, maar
-weegt zelden meer dan 1 KG. De bovendeelen zijn blauwachtig groen,
-de onderdeelen zilverwit.
-
-De Geepen komen van Maart tot Juni gewoonlijk zeer overvloedig, in
-andere tijden van het jaar zeer zeldzaam in onze zeeën voor. Bij
-andere Europeesche kusten verschijnen zij in den regel met de
-Makreelenscholen, als welker aanvoerders de visschen haar velerwege
-beschouwen. In de Middellandsche Zee treft men haar veelvuldig, in de
-Britsche wateren niet zelden, o.a. aan de kust van Cornwallis dikwijls
-in grooten getale aan. Behalve in de Noordzee, worden zij ook in de
-Oostzee in sommige maanden veelvuldig gevangen. Meestal komen zij
-bij groote scholen op het land af en bewegen zich met slangsgewijze
-kronkelingen zeer levendig op korten afstand van de oppervlakte,
-waarboven zij zich gaarne met kolossale sprongen verheffen; soms
-geschiedt dit vele malen achtereen. Opmerkelijkerwijze valt de Geep,
-na loodrecht boven het water uit geschoten te zijn, er steeds op den
-staart weer in. De drijvende voorwerpen, die zij op haar weg ontmoet,
-maken haar nieuwsgierig of wekken haar toorn.
-
-Volgens Benecke en Heincke voedt de Geep zich voornamelijk met jonge
-Haringen, Sprotten en Stekelbaarsjes en maakt jacht op ieder levend
-wezen, dat zij, al is het dan ook na groote inspanning, in haar
-spijskanaal kan stuwen. Zelden gelukt het haar den buit onmiddellijk
-te verzwelgen. Omdat zij niet in staat is er een stuk af te bijten,
-wordt het voedsel meestal geruimen tijd in den bek gehouden, voordat
-het in den slokdarm verdwijnt; het is vaak voorgekomen, dat zij een
-lokaas letterlijk in vezeltjes verdeelde. Terwijl zij aan den haak
-spartelt, wordt de inhoud van de maag in den regel uitgebraakt; zoo
-is men te weten gekomen, dat kleine Vischjes, b.v. Zeestekelbaarzen,
-het meest door haar verslonden worden. Nauwkeurige berichten over
-de voortplanting der Geepen ontbreken tot dusver; het kuitschieten
-heeft plaats in de laatste maanden van de lente.
-
-Hoewel de Geep, nadat zij uit het water is gehaald, een zeer
-onaangenamen reuk verbreidt, hoewel onze visschers haar mager en
-dor vleesch gering schatten en het bij voorkeur als lokaas voor
-betere Visschen gebruiken, wordt zij bij vele kusten, ook bij de
-onze, in groote hoeveelheid gevangen. Op de Londensche markt komen
-geregeld scheepsladingen van deze Visch, die door liefhebbers deels
-uit nieuwsgierigheid, deels om haar lagen prijs gekocht wordt. Hare
-beenderen hebben, evenals die van den Magaal, een fraaie, groene
-kleur. Ook in ons land worden versche en gerookte Geepen in sommige
-jaren veelvuldig te koop aangeboden. Een hoogeren prijs besteedt
-men er echter voor in de landen om de Oostzee. Men vangt ze hier in
-haringnetten of aan den hengel of steekt ze met een soort van elger met
-vele spitsen; het steken van de Geep geschiedt echter alleen des nachts
-bij fakkellicht, welks ongewoon schijnsel deze Visschen bijeenlokt.
-
-
-
-De Makreelsnoeken of Makreelgeepen (Scomberesox) gelijken door vorm
-en lichaamsbouw het meest op de leden van het vorige geslacht; aan de
-Makreelen herinneren zij echter door het maaksel van de rugvin en de
-aarsvin, welker achterste vinstralen een bovenste en een onderste reeks
-van kleine vinnen vormen, die zich tot aan de staartvin uitstrekken. De
-kaken bezitten slechts één rij van tandjes.
-
-
-
-De Makreelgeep (Scomberesox saurus) wordt 30 à 40 cM. lang,
-heeft glinsterend zilverwitte wangen en kieuwdeksels, donkerblauwe
-bovendeelen, lichter gekleurde, groen glinsterende zijden, zilverwitte
-onderdeelen en dofbruine vinnen. Op de rugvin volgen 5, op de aarsvin
-6 kleinere vinnen. Volgens Prof. Van Swinderen ("Initia faunae
-Groninganae," 1826) wordt deze soort van tijd tot tijd aan de kust
-van Groningen gevangen. Zij behoort eigenlijk in den Atlantischen
-Oceaan tehuis, maar verschijnt in de maand Juni bij scholen in het
-Kanaal, aan de geheele westkust van Groot-Brittannië en ook aan de
-oostkust van dit rijk. Van hier verdwalen van tijd tot tijd enkele
-exemplaren meer oostelijk tot bij onze kust en tot in den Sond. Dit
-schijnt echter hoogst zelden te gebeuren. Na 1826 is geen enkel geval
-van het vinden van dezen Visch aan onze kust bekend geworden. In de
-Middellandsche Zee treft men hem niet aan, wel een verwante soort (of
-verscheidenheid). Tegen het einde van het najaar keert de Makreelgeep
-naar de diepten der zee terug en wordt dan tot in den volgenden zomer
-niet meer bij de kust waargenomen. Soms worden deze Visschen bij
-storm in menigte aan de kust gedreven; ook blijven zij soms bij eb
-tusschen de zandbanken achter; zij zitten dan met den langen snuit in
-het zand of de slib vast. Wanneer Bruinvisschen, Bonito's of Tonijnen
-de dicht opeengedrongen scholen van Makreelgeepen vervolgen, trachten
-deze zich niet slechts door sprongen boven het water te redden, maar
-schieten zelfs eenige tientallen Meters ver boven de oppervlakte van
-het water voort, zonder onder te duiken. Deze beweging, die men met
-vliegen vergeleken heeft, levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op,
-en is des te opmerkelijker, daar de vinnen dezer Visschen zich niet
-door buitengewone grootte onderscheiden.
-
-Het vleesch van de Makreelgeepen is vet en gelijkt op dat van de
-Makreelen. Zij worden daarom door alle visschers gaarne gezien en
-ijverig vervolgd. Om deze Visschen te vangen, maakt men van netten
-gebruik, daar zij slechts zelden aan een lokaas bijten.
-
-
-
-De Vliegende Visschen, die de reiziger in het ruime sop te zien krijgt,
-behooren bijna uitsluitend tot het geslacht der Hoogvliegende Visschen
-(Exocoetus). Zij onderscheiden zich hoofdzakelijk door de buitengewoon
-sterke ontwikkeling hunner vinnen, vooral van de spits toeloopende
-borstvinnen, welker lengte ongeveer twee derden en welker breedte
-omstreeks een derde van de lichaamslengte bedraagt en die ten opzichte
-van den zeer forschen, onder een dikke spierlaag gelegen schoudergordel
-een vrijer beweging hebben, dan bij de overige Visschen voorkomt. Door
-hun gestalte komen de Hoogvliegende Visschen, wanneer men de vinnen
-buiten rekening laat, eenigermate met de Haringen overeen; de naam
-Vliegende Haring, die hun soms gegeven wordt, is dus niet slecht
-gekozen. Zij hebben echter een meer gedrongen lichaamsbouw, zijn op
-den rug en in de borststreek sterker afgerond, hebben een dikken en
-stompen snuit, zijn dus over 't geheel genomen plomper van gedaante
-en onderscheiden zich ook door de buitengewone grootte der oogen.
-
-Van de inwendige deelen valt op te merken, dat de zwemblaas kolossaal
-groot is, de helft van de lichaamsholte inneemt en dus veel bijdraagt
-tot de lichtheid van dezen Visch. Er is reden voor de bewering,
-dat deze luchtzak een veel belangrijker rol speelt bij het vliegen
-dan bij het zwemmen; proefnemingen hebben geleerd, dat de Visschen,
-die dit orgaan bezitten, volstrekt niet beter geschikt zijn om uit
-de diepte naar de oppervlakte te stijgen, dan zij, die het missen.
-
-Tusschen de Vliegende Haringen is de overeenkomst zoo groot, dat
-men tot voor betrekkelijk korten tijd er slechts weinige soorten
-van onderscheidde. Valenciennes heeft een 30-tal beschreven; latere
-onderzoekers hebben eenige nieuwe vormen ontdekt, zoodat het aantal
-soorten van dit geslacht thans 44 bedraagt. Alle hebben nagenoeg
-dezelfde levenswijze. In ontzaglijke menigte bevolken zij de zeeën
-en vooral den Oceaan van de heete luchtstreek en van de aangrenzende
-gedeelten der gematigde aardgordels; zij houden zich hier volstrekt
-niet uitsluitend langs de kust, maar letterlijk overal op; ver van het
-land ontmoet men ze zelfs in grooter aantal dan op korten afstand van
-de kust. Zelden dwalen zij naar onze breedten af: aan de Engelsche
-kust heeft men twee soorten eenige malen waargenomen. Van hun leven
-in 't water, van de wijze waarop zij zwemmen, van hun voortplanting
-is tot dusver niets bekend; alle waargenomen feiten hebben strikt
-genomen alleen betrekking op hun leven in de lucht, op de beweging
-die met vliegen vergeleken wordt en waardoor zij aan hunne vijanden
-trachten te ontkomen.
-
-De boven water verkeerende Vliegende Haringen leveren een zeer
-eigenaardig schouwspel op. De reiziger ziet, zoodra hij het door
-deze Visschen bewoonde gebied bereikt, het schip aan alle zijden
-door hen omringd; zoo ver het oog reikt, ziet hij ze voortdurend in
-meer of minder groot aantal boven het water opstijgen en er weer in
-afdalen. A. von Humboldt zegt, dat men hun beweging zeer goed kan
-vergelijken met die van een over het water scheerenden platten steen,
-die, neervallend en weer teruggekaatst, een paar meter hoog boven de
-golven voortschiet. De Vliegende Haringen springen n.l. in den regel,
-zoolang er geen bijzondere reden voor een hoogeren sprong bestaat,
-slechts 1.5 à 2 M. hoog boven den waterspiegel op; ook bewegen zij
-zich niet ver ineens, maar vallen spoedig weer neer; de eene Visch
-volgt echter zoo schielijk op den anderen, dat oogenschijnlijk de
-eerste telkens slechts even met het water in aanraking komt, zich een
-nieuwen stoot geeft en een tweeden sprong doet, hoewel in werkelijkheid
-het eene exemplaar over het andere heenspringt. Niet zelden komt het
-voor, dat een talrijke school van honderden of duizenden Visschen
-zich gelijktijdig boven het water verheft. Dan merkt men op, dat
-steeds een groot aantal van de naar boven gestegen exemplaren na een
-korten sprong in het water terugvallen, terwijl de overige hun weg
-vervolgen en eerst op veel grooteren afstand van hun uitgangspunt
-weer met de golven in aanraking komen. De op deze wijze gevolgde baan
-kan zeer verschillend zijn. In gewone omstandigheden verheffen de
-Vliegende Visschen zich ongeveer één meter boven den zeespiegel; over
-de toppen der golven heenglijdend, vallen zij in het water terug na het
-afleggen van een korten weg; groote exemplaren kunnen door buitengewone
-krachtsinspanning bij uitzondering een hoogte van 4 of 5 M., misschien
-wel van 6 M. bereiken, om daarna langs een zwak gebogen lijn naar een
-punt dat 100 à 150 M. verder gelegen is, in zeldzame gevallen misschien
-tweemaal zoo ver, voort te schieten. Voor den wind af, in den wind op
-en bij windstilte beschrijven zij gewoonlijk een rechtlijnigen weg, bij
-zijwind heeft altijd een afwijking in zijdelingsche richting plaats.
-
-"De Hoogvliegende Visschen," zegt Alexander von Humboldt, "brengen
-een groot deel van hun leven in de lucht door; dit maakt hun ellendig
-bestaan echter niet gemakkelijker. Wanneer zij de zee verlaten om
-aan de vraatzucht der Goudmakreelen te ontkomen, ontmoeten zij in
-de lucht Fregatvogels, Albatrossen en andere Zeevogels, die hen in
-de vlucht vangen."--"Het vliegen," zegt Baron Von Kittlitz, "schijnt
-het laatste redmiddel te zijn, waarvan deze Visschen gebruik maken
-om te ontkomen aan hunne vijanden, die men aanhoudend boven het
-water ziet opspringen om hen te vangen. Niet minder opmerkelijk dan
-het aantal der Vliegende Haringen is de ijver, die de roofvisschen
-toonen bij het vervolgen van deze prooi. Wel moeten deze dieren zich
-buitengewoon sterk vermenigvuldigen, om bij zulk een felle vervolging
-nog zoo talrijk te zijn."
-
-Möbius vat al hetgeen werkelijk van de bewegingen der Vliegende
-Visschen waargenomen werd, in de volgende beschrijving samen: "Zonder
-te letten op de richting van den wind en den loop der golven verlaten
-de Vliegende Visschen met groote snelheid het water. Gedurende het
-zweven maken zij geen geregelde fladderende bewegingen met hunne
-borst- en buikvinnen, maar spannen deze eenvoudig uit. De uitgebreide
-borstvinnen kunnen zeer snelle trillingen vertoonen. Terwijl de
-Visschen zweven, is het achterste deel van 't lichaam iets lager
-geplaatst dan het voorste. Tegen den wind op vliegen zij gewoonlijk
-verder dan voor den wind af, of als hun baan en de windrichting een
-hoek vormen. De meeste Vliegende Visschen, die in den wind op of
-voor den wind af zweven, behouden gedurende hun geheele vluchtbaan de
-richting, die zij bij het opstijgen uit het water hadden; bij zijwind
-ondergaat hun oorspronkelijke baan een wijziging, totdat zijn richting
-gelijk is aan die van den wind. Over dag komt het zelden voor, dat
-Vliegende Visschen op een schip neervallen, meestal geschiedt dit 's
-nachts en nooit bij windstilte. Het meest vallen zij neer op schepen,
-die niet hooger dan 2 à 3 M. boven het water liggen, terwijl deze voor
-den wind of met halven wind zeilen en een goede vaart maken. Nooit
-komen de Vliegende Visschen van de lijzijde, steeds van de windzijde
-aan boord. Niet zelden beschrijven zij, zoodra hun staartvin in het
-water doordringt, in het horizontale vlak van hun baan een boog naar
-links of naar rechts. Bij winderig weer en onstuimige zee verschijnen
-zij veelvuldiger boven het water dan bij stilte. Voor schepen, die
-door de zwemmende scholen heen varen, vluchten de Vliegende Visschen
-evenzeer in de lucht als voor roofvisschen en Cetaceën.
-
-A. Seitz, die de Vliegende Visschen in alle zeeën en dus waarschijnlijk
-alle soorten opmerkzaam heeft nagegaan, is voor weinige jaren weder
-opgetreden als verdediger van de stelling, dat deze Visschen niet
-slechts zweven maar gedurende een deel van hun baan ook werkelijk
-fladderen. Door de werking hunner zijdespieren verheffen zij zich
-boven het water en ondersteunen dezen sprong door een buitengewoon
-vlugge, fladderende beweging, waarvan de slagwijdte op het hoogste
-punt van de baan 10 à 12 cM. kan bedragen. Vervolgens worden de
-borstvinnen in horizontale richting uitgebreid, of, vaker nog,
-een weinig naar boven gericht; het neerdalende gedeelte van de
-buitengewoon lang uitgerekte boogvormige baan wordt op deze wijze
-zonder eenige regelmatige beweging afgelegd. Het fladderen wordt
-hervat, zoodra de Visch opnieuw gaat stijgen. Ook Pechuel-Loesche
-heeft telkens als hij, hetzij van 't schip of van de boot of van
-'t land op de Vliegende Visschen lette, steeds den indruk gekregen,
-dat deze dieren, terwijl zij uit het water oprijzen en als zij er
-toevallig mede in aanraking komen, zich duidelijk fladderend bewegen
-op de door Seitz beschreven wijze. Toch is en blijft dit "vliegen"
-niets anders dan een kunstmatig verlengde sprong en komt eenigermate
-overeen met het omhoogstijgen van de Sprinkhanen op de weide. Het
-meer of minder duidelijke trillen der vinnen, dat door sommigen aan
-de drukking van de lucht, door anderen aan de werking van den op het
-water rustende staart wordt toegeschreven, heeft plaats, terwijl de
-dieren zwevend een groot deel van hun baan afleggen, maar kan niet
-met het eigenlijke fladderen op een lijn gesteld worden.
-
-De Hoogvliegende Visschen worden overal, ongetwijfeld op goeden grond,
-als een uitmuntend gerecht beschouwd; daar zij in sommige tijden en
-op bepaalde plaatsen in verbazend groot aantal voorkomen, houden soms
-vele visschers in booten zich met de vangst van deze Visschen bezig.
-
-
-
-De meest bekende soort van deze familie is de Zwaluwvisch (Exocoetus
-volitans), die in de Middellandsche Zee aangetroffen wordt. Hij is
-ongeveer 30 cM. lang. De bovendeelen zijn hemelsblauw, de onderdeelen
-zilverwit; het vlies van de borstvinnen heeft een fraaie, doorschijnend
-blauwe kleur.
-
-
-
-De familie der Snoeken (Esocidae) omvat een tiental soorten van
-geschubde zoetwatervisschen, zonder vetvin, met klierachtig gezwollen
-valsche kieuwen; de bovenrand van de mondspleet wordt in 't midden door
-de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door de bovenkaaksbeenderen
-gesteund.
-
-
-
-Bijna alle leden der familie behooren tot hetzelfde geslacht en
-gelijken in levenswijze op onzen Snoek (Esox lucius), den meest
-gevreesden roover van de Europeesche meren en rivieren, die te recht
-door Antonides "Vijverwolf", door Lacépède de "Haai van het zoetwater"
-wordt genoemd. Bij de leden van dit geslacht zijn niet slechts
-de tusschen- en onderkaaksbeenderen, maar ook de ploegschaar-,
-gehemelte- en keelbeenderen en zelfs de tong met tanden bezet;
-alleen de bovenkaaksbeenderen zijn tandeloos; op de tusschenkaak
-zijn zij klein, op de onderkaak lang; groote hekeltanden bedekken
-het gehemelte. De kleine, cycloïde schubben zijn stevig in de huid
-bevestigd, de valsche kieuwen uitwendig niet zichtbaar, de buikvinnen
-op het midden van den buik, de rugvin en de aarsvin aan het einde van
-'t lichaam op korten afstand van de zeer groote, gegaffelde staartvin
-aangehecht. Zeer kenmerkend voor den Snoek zijn voorts de van boven
-naar onderen afgeplatte kop, de breede, snavelvormige snuit en de
-groote mondspleet. De kleur en de teekening van de bovengenoemde
-inheemsche soort, den eenigen Europeeschen vertegenwoordiger van zijn
-geslacht, loopen zeer uiteen: het eenige wat er in 't algemeen van
-gezegd kan worden, is, dat de bovendeelen zwartachtig, de zijden grijs
-en de onderdeelen wit zijn; de rug is min of meer effen van kleur;
-de zijden zijn gemarmerd of met dwarse vlekken geteekend; de buik is
-zwart gestippeld. De parige vinnen hebben een roodachtige, de rugvin
-en de aarsvin een bruinachtige tint; de staartvin vertoont aan haar
-bovenrand gewoonlijk zwarte vlekken. In het eerste levensjaar hebben
-groenachtige tinten de overhand. Wat lengte betreft, staat de Snoek
-bij geen der Zalmvisschen achter; alleen de Gewone Zalm en de Donauzalm
-kunnen misschien soms iets zwaarder worden. Men heeft Snoeken gevangen
-van 2 M. lengte en 35 KG. gewicht; exemplaren van 1.3 M. lengte en
-25 KG. gewicht behooren echter reeds tot de uitzonderingen; bij ons
-zijn Snoeken van meer dan 20 KG. reeds zeer schaarsch. De grootste
-Snoeken treft men tegenwoordig in Zuid-Rusland, vooral in den Wolga,
-aan; er zijn niet zelden exemplaren van 15 à 20 KG. bij.
-
-De Snoek bewoont nagenoeg alle Europeesche binnenwateren en ook
-Azië en Amerika, voor zoover deze werelddeelen met het onze in
-klimaat overeenkomen; naar men zegt, ontbreekt hij in Spanje, en
-op IJsland. In de Alpen ontmoet men hem nog op een hoogte van 1500
-M., in de gebergten van Zuid-Europa vermoedelijk op nog grootere
-hoogte. Zeldzaam is hij nergens, in de meeste gewesten veeleer talrijk;
-waarschijnlijk is echter geen enkel water zoo talrijk aan Snoeken als
-de Ob en zijne bijrivieren, waar alle voor het gedijen dezer Visschen
-gunstige omstandigheden vereenigd voorkomen. De Snoek weet zich
-echter te schikken naar de plaatselijke gesteldheid en schijnt zich
-in ondiepe moerassen even goed op zijn plaats te gevoelen als in een
-diep meer met helder water. In ons land is hij een zeer gewone Visch,
-die nog in de kleinste slooten aangetroffen wordt, onverschillig of
-hun bodem uit veen, modder of zand bestaat, hetzij het water zoet
-is of halfbrak; een enkele maal heeft men hem zelfs bij 't visschen
-met den ankerkuil bij den Moerdijk gevangen (Hoek). Onze visschers
-onderscheiden "Smalbekken" en "Breedbekken"; volgens sommigen moet
-dit verschil aan den leeftijd toegeschreven worden, volgens anderen
-heeft men hier met standvastige variëteiten te doen. Merkwaardig
-zijn de kracht en behendigheid, die de Snoek bij 't zwemmen toont en
-de groote scherpte van zijne zintuigen, welke eigenschappen hem in
-staat stellen als een geweldigen roover op te treden. Voortgestuwd
-door een krachtig roeiorgaan, aan welks vorming alle onparige vinnen
-deelnemen, schiet hij als een pijl uit den boog door 't water, kijkt
-intusschen opmerkzaam in alle richtingen en overvalt zijn buit met
-een zelden falende zekerheid van beweging. Bij zonnig weer "staat"
-hij dikwijls geruimen tijd achtereen, d. i. blijft onbeweeglijk
-op dezelfde plaats loeren. Hij is vraatzuchtiger dan eenige andere
-zoetwatervisch; geen buit is hem te gering. Hij verslindt Visschen
-van allerlei slag, ook leden van zijn eigen soort, bovendien alle
-Vorschen, Vogels en Zoogdieren, die hij met zijn wijd gapenden muil
-kan omvatten. In Engeland heeft men hem den kop van een slobberenden
-Zwaan zien vastgrijpen; hij liet dit lichaamsdeel niet los, ondanks het
-geweldig tegenspartelen van den grooten, krachtigen Vogel, die er het
-leven bij inschoot. Hij aanvaardt den strijd met den Vischotter, hapt
-naar de hand of den voet van de in 't water staande of zich wasschende
-vrouw en valt, door gulzigheid verblind, zelfs op groote Zoogdieren
-aan. Jonge Ganzen, Eenden, Waterhoenderen heeft men dikwijls in zijn
-maag gevonden, ook Slangen, nooit echter Padden. Visschen met stekelige
-rugvin, zooals de Baars, slikt hij niet dadelijk door, maar houdt
-ze tusschen de tanden, totdat zij dood zijn; den in zijn nabijheid
-zwemmenden Stekelbaars daarentegen laat hij ongemoeid en waagt het
-niet hem aan te vallen. Voor deze voorzichtigheid bestaat een goede
-reden, gelijk o.a. blijkt uit een door Van den Ende medegedeeld geval:
-"Langs het water wandelend, dat mijn huis omgeeft, zagen wij een dood
-vischje aan den kant liggen. Bij nader onderzoek bleek het een Snoek
-te zijn van ongeveer een vinger lang; het had in den bek een jong
-Stekelbaarsje (Gasterosteus aculeatus), waarvan alleen de staart nog
-zichtbaar was. De twee stekels van de buikvinnen van den Stekelbaars
-waren den roover gedurende het verslinden van den buit in en door
-het kieuwdekselvlies gedrongen. Bovendien had het slachtoffer de 3
-rugstekels opgericht, zoodat deze vastzaten in het gehemelte van den
-Snoek, die nu zijn prooi evenmin doorslikken als weer uitspuwen kon
-en in de onmogelijkheid verkeerde om adem te halen. Uit den gaven
-toestand, waarin de Stekelbaars verkeerde, bleek, dat de Snoek kort
-na den mislukten aanslag gestorven was."
-
-Als men een Snoek gevangen houdt en zijn nooit verminderenden
-honger tracht te stillen, kan men zich een denkbeeld vormen van de
-ontzaglijke hoeveelheid voedsel, die deze Visch verbruikt. "Acht
-Snoeken," verhaalt Jesse, "die ieder 2 KG. zwaar waren, verslonden
-binnen 3 weken ongeveer 800 Grondels en waren werkelijk niet te
-verzadigen. Op een morgen wierp ik een van hen achtereenvolgens 5
-gewone Voorns van ongeveer 10 cM. lengte toe. Hij verzwolg er 4 van,
-greep toen den vijfden, hield dezen eenigen tijd in den bek en liet
-hem daarna eveneens door het keelgat glijden." Het is dan ook niet te
-verwonderen, dat deze vraatzuchtige dieren buitengewoon snel groeien,
-reeds in 't eerste jaar 1, in 't volgende 2 en bij rijkelijke voeding
-zelfs 4 of 5 KG. zwaar kunnen worden.
-
-Het kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente,
-dikwijls reeds in het begin van Maart, maar wordt soms uitgesteld
-tot in Mei. In een wijfje van 4 KG. vond men ongeveer 150000
-eieren. Deze worden op ondiepe, met riet en andere waterplanten
-begroeide plaatsen in het water gelegd en reeds na weinige dagen door
-de jongen verlaten. Deze vinden voor een groot deel hun graf in de
-maag van oudere Snoeken; niet veel geringer is waarschijnlijk het
-aantal jongen, die als voedsel voor hunne broers en zusters dienen;
-deze groeien des te sneller, naarmate zij beter in de gelegenheid
-zijn hun honger te stillen. Naar men zegt, kunnen zij een zeer hoogen
-ouderdom bereiken. Zeer oude en zware exemplaren worden in Zuid-Holland
-Mossnoeken genoemd.
-
-De Romeinen der oudheid stelden geen hoogen prijs op het vleesch van
-den Snoek. Later begon men er anders over te denken; eeuwen lang werd
-in Engeland althans het vleesch van den Snoek als beter beschouwd
-dan dat van den Zalm. Ook thans nog wordt een goed toebereide Snoek
-in eere gehouden; men maakt voortdurend jacht op dezen roofvisch,
-niet alleen wegens de schade, die hij aanricht, maar ook wegens
-zijn vleesch. Voor plaatsen, waar veel Snoek voorkomt, zooals langs
-den Oder, de Spree, den Havel en bij de Duitsche Oostzeekusten vormt
-gezouten Snoek een niet onbelangrijk handelsartikel. Hij wordt behalve
-in netten en fuiken, ook gevangen in een strik van koperdraad, die
-hem gedurende het "staan" voorzichtig om het lichaam wordt geschoven
-en vervolgens dicht getrokken, voorts met den hengel, zeer dikwijls
-ook met de zoogenaamde zetlijn of fleur. In Zwitserland is men gewoon
-de Snoeken gedurende den rijtijd te schieten. Ook worden zij wel des
-nachts bij fakkellicht geharpoeneerd. Men kan de Snoeken zeer goed
-en met voordeel in vijvers fokken, mits er voor gezorgd worde, dat
-zij geen slachting onder duurdere Visschen aanrichten en steeds over
-een voldoenden voorraad van voor ons waardelooze Visschen beschikken
-kunnen. Zij gedijen zoowel in hard (veel kalkzouten bevattend) als in
-zacht (zuiverder) water; maar mogen er niet gedurende den rijtijd in
-gebracht worden, omdat zij dan licht ziek worden en sterven. Zooals
-reeds gezegd werd, houdt men ze in karpervijvers om de trage Karpers
-tot beweging te nopen; men kan hiervoor echter geen andere dan kleine
-Snoeken gebruiken, die geen kwaad kunnen doen, en moet ze bij 't
-leegvisschen van den vijver zorgvuldig opzoeken en verwijderen.
-
-
-
-De Borstplooivisschen (Sternoptychidae) zijn merkwaardig door het
-bezit van fosforesceerende (licht voortbrengende) organen aan de
-buikzijde van het lichaam. Hierdoor zijn deze kleine of middelmatig
-groote zeebewoners geschikt om in de duisternis te leven. De bedoelde
-organen worden vooral gevonden bij dieren, die verblijf houden op de
-ontzaglijk groote diepten, waar geen lichtstraal doordringt. Dat
-verscheidene Borstplooivisschen niet voortdurend in de diepte
-vertoeven, maar althans 's nachts aan de oppervlakte verkeeren,
-blijkt uit de vangst van verscheidene vertegenwoordigers dezer
-groep met het plankton-net (waardoor de bovenste waterlaag wordt
-afgevischt). Een daarvan is de Fosforvisch (Photichthys argenteus),
-die in de Cooks-straat bij Nieuw-Zeeland aangetroffen werd.
-
-
-
-Op zeer groote diepten leven de Stekelbekvisschen (Stomiatidae),
-die zich onderscheiden door een voeldraad aan het tongbeen en een
-zeer sterk ontwikkeld gebit. Evenals bij de leden der vorige familie,
-vindt men bij den Gebaarden Egelbek (Echiostoma barbatum) een groot
-aantal licht voortbrengende organen.
-
-
-
-De Zalmvisschen (Salmonidae) mag men de edelste leden van de orde der
-Luchtbuisvisschen noemen. Zij hebben een ongeschubden kop, een met
-schubben bekleeden, langwerpigen, afgeronden romp en een niet door
-stralen gesteunde vin (vetvin) achter de rugvin; de kieuwspleet is
-groot, strekt zich uit tot aan de keel; de bek, welks bovenrand in 't
-midden door de tusschenkaaks- en verderop door de bovenkaaksbeenderen
-gesteund wordt, is op zeer verschillende wijze gewapend; aan het
-gehemelte komen steeds kamvormige "valsche" kieuwen voor.
-
-Naar het gebit worden de Zalmvisschen in twee scherp begrensde groepen
-verdeeld: die, welker kleine bek tandeloos of althans geen andere dan
-gebrekkige, spoedig uitvallende tanden draagt en die, welke een goed
-ontwikkeld tandenstelsel bezitten. De eerstgenoemde herinneren aan
-de Karpers en de Haringen, de overige, die de kern van de familie
-uitmaken, zijn echte roovers. Tusschen het maaksel van 't gebit en
-de bedekking van het lichaam bestaat in zooverre verband, dat bij
-de leden der eerste groep de schubben gewoonlijk groot, bij die der
-tweede in den regel klein zijn; van dit onderscheidend kenmerk maken
-de visschers gebruik bij de bepaling van de waarde der voor voedsel
-dienende Zalmvisschen. De kleur varieert bij leden van dezelfde soort
-niet slechts met den leeftijd, maar wijzigt zich ook bij den aanvang
-en bij het einde van de voortplantingsperiode.
-
-Van de inwendige organen verdienen vooral de eierstokken vermelding. De
-eieren ontwikkelen zich n.l. niet in gesloten zakken, zooals bij de
-meeste overige Visschen, maar op huidplooien, die aan de binnenste
-oppervlakte van den wand der buikholte uitpuilen. Deze inrichting is
-voor den zalmkweeker van groot belang, daar zij hem het verkrijgen van
-eieren door het uitoefenen van een zachte drukking op den lichaamswand
-van den rijpen kuiter gemakkelijk maakt; hierdoor zijn de Zalmen zoo
-bijzonder geschikt voor de kunstmatige vischteelt.
-
-Met uitzondering van zes geslachten, waarvan 5 den Oceaan bewonen
-en één de binnenwateren van Nieuw-Zeeland bevolkt, behooren de
-Zalmvisschen uitsluitend op het noordelijk halfrond thuis. Zij
-leven in zee en ook in zoet water, voor zoo ver dit zuiver is,
-en komen in noordelijke gewesten in grooter aantal voor dan in
-zuidelijke. In aanzienlijke hoeveelheid vindt men ze in de IJszee;
-buitengewoon talrijk zijn zij vooral in het noordelijke deel van den
-Stillen Oceaan, minder talrijk in de Noordzee en de Oostzee en in het
-noordelijkste deel van den Atlantischen Oceaan. Enkele leden van deze
-familie schijnen slechts een beperkten verbreidingskring te hebben;
-zelfs worden sommige soorten (b.v. Salmo lacustris) uitsluitend in
-één of in eenige weinige, dicht bijeen gelegen meren aangetroffen;
-zij worden dan echter in andere meren vervangen door verwanten,
-waarvan ook nu nog niet met zekerheid kan worden beslist, of zij
-niet met de reeds genoemde tot één soort behooren en op geen hoogeren
-rang dan dien van variëteiten aanspraak kunnen maken. Zoodra de tijd
-van kuitschieten nadert, zwemmen alle Zalmvisschen de stroomen,
-rivieren en beken op, ten einde zich voort te planten in hoogerop
-gelegen gedeelten van het door hen bewoonde water; om eieren te
-leggen keert iedere Visch terug naar de rivier of althans naar het
-stroomgebied, waarin hij geboren werd. De Zalmvisschen worden door
-zulk een machtigen aandrift tot trekken voortgedreven, dat zij bij 't
-opzwemmen van de rivier voor geen hindernissen afdeinzen en zich zelfs
-aan levensgevaar blootstellen om die, welke werkelijk onoverkomelijk
-zijn, te overwinnen. Alle Zalmvisschen, die de rivieren opzwemmen,
-schieten kuit in een vooraf door hen gevormden, ondiepen kuil in 't
-zand of 't grint en weten de hiervoor geschikte plaats op schrandere
-wijze uit te kiezen. Andere leden dezer familie verlaten gedurende
-den rijtijd slechts bij uitzondering de door hen bewoonde meren (in
-welk geval zij de rivieren opzwemmen, die in het meer uitmonden),
-maar zoeken in den regel ondiepe gedeelten van den oever van het
-meer op om er eieren te leggen. Andere eindelijk vertoonen zich
-gedurende den voortplantingstijd in verbazend grooten getale aan de
-oppervlakte van het water, zonder zich er om te bekommeren, of de
-diepte beneden hen weinige cM. of vele Meters bedraagt; terwijl zij
-hier dicht opeendringen, en vaak hoog boven het water uitspringen,
-worden de kuit en de hom uitgeworpen, die over een grooten afstand
-het water troebel maken.
-
-De Zalmvisschen met zwak gebit voeden zich meer op de wijze der Karpers
-dan op die der roofvisschen, d. w. z., zij gebruiken allerlei soorten
-van lagere dieren, Slakken, Mossels, enz., en ook wel plantaardige
-stoffen. Hunne met een krachtig gebit gewapende verwanten daarentegen
-zijn alleen in hun prille jeugd met Weekdieren, Wormen, Insecten en
-larven tevreden en maken op lateren leeftijd jacht op alle andere
-Visschen, waartegen zij opgewassen zijn.
-
-De beteekenis van de Zalmen voor de huishouding van den mensch is zeer
-groot. Wat de bruikbaarheid van hun vleesch betreft, behoeven zij bij
-geen enkelen Visch achter te staan. Hun vleesch is vrij van graten,
-smakelijk en licht verteerbaar, zoodat het zelfs als ziekenkost kan
-dienen. Ongelukkig behoort het in ons vaderland, dat betrekkelijk
-zeer arm aan zoetwatervisschen geworden is, tot de zeldzame
-lekkernijen. Ditzelfde geldt voor de meeste gewesten van Duitschland,
-althans voor die, welke niet in de onmiddellijke nabijheid van rivieren
-of bergstroomen en bergmeren gelegen zijn. Reeds in Skandinavië,
-Rusland en Siberië daarentegen maakt het een belangrijk deel uit van
-de voeding der bevolking. Het speelt zelfs een hoofdrol op den disch
-van de bewoners der kustlanden van de Stille Zuidzee en van de IJszee,
-welker voornaamste bezigheid in het vangen van Zalmvisschen bestaat.
-
-De klachten over de verarming onzer vischwateren hebben hoofdzakelijk
-betrekking op de vermindering van het aantal leden der Zalmenfamilie,
-die zich van jaar tot jaar duidelijker doet gevoelen en ondanks
-alle hiertegen genomen maatregelen slechts moeielijk te verhelpen
-is. Berichten uit vroegere eeuwen leeren, dat eertijds de vischrijkdom
-van ons zoetwater te groot was om er naar behooren partij van te
-trekken; bovendien gewagen deze mededeelingen van nog vroegere tijden,
-waarin het aantal Visschen nog grooter moet zijn geweest. Reeds
-eeuwen geleden werden wetten uitgevaardigd tot bescherming van deze
-belangrijke Visschen, die gemakkelijker dan alle overige uit de
-binnenwateren, althans uit sommige rivieren weggevangen en verjaagd
-konden worden. Nog beter blijkt echter de overvloed, waarover men
-destijds beschikte, uit bepalingen, die noodig werden geacht tot
-bescherming van hen, die de Visschen moesten eten, vooral van de
-bedienden der oeverbewoners en eigenaars van vischwateren, die vaker
-dan hun lief was met de thans zoo hooggeschatte Visschen hun maal
-moesten doen. De verordeningen in het belang van de Visschen hebben
-niet den gunstigen invloed gehad, dien men er van verwachtte. Eerst
-in den laatsten tijd is de toestand aanmerkelijk verbeterd, deels door
-wettelijke bepalingen, deels doordat ijverige mannen en vereenigingen
-voor een geregelde exploitatie van de vischwateren zorg gedragen
-hebben en zich vele opofferingen getroostten om den verminderden schat
-langzamerhand weder te doen aangroeien. Voor deze bemoeiingen was
-en is het van 't grootste belang, dat men de kunstmatige vischteelt
-heeft leeren uitoefenen, waardoor het mogelijk geworden is stroomende
-en stilstaande wateren weder met visch te voorzien. Welke uitkomsten
-men op deze wijze bereiken kan, valt af te leiden uit het welslagen
-van de proefneming om bevruchte eieren van verschillende soorten van
-Zalmen te verzenden naar werelddeelen, waar geen Zalmen voorkomen
-(o.a. Australië) en de Visschen, die uit deze eieren geboren worden,
-in verschillende gewesten te acclimatiseeren, zelfs in zulke, die
-in belangrijke opzichten afwijken van het oorspronkelijke woongebied
-der soort. Ook in dit opzicht is dus vooruitgang waar te nemen.
-
-
-
-De soorten, die in het geslacht der Zalmen (Salmo) samengevat worden,
-hebben den edelsten vorm, waarin men zich den Visch kan denken; zij
-zijn met kleine schubben bekleed; hun tot onder het oog gespleten
-muil is gewapend met een goed ontwikkeld gebit, samengesteld uit
-kegelvormige tanden, die over tusschen- en onderkaaks-, gehemelte-
-en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn en zelfs de tong bedekken. De
-vleugelbeenderen zijn tandeloos. De aarsvin is kort.
-
-Het bepalen van de soort en het nagaan van haar levenswijze levert
-bij geen andere groep van Visschen zooveel moeielijkheden op als
-bij de Zalmen. Sekse en leeftijd, verblijfplaats en voedingswijze,
-geslachtsdrift en ziekte hebben op de eigenaardigheden dezer Visschen
-een buitengewoon grooten invloed; hun neiging om gemeenschappelijk met
-andere soorten kuit te schieten, de geschiktheid tot het vormen van
-hybriden, die misschien (om niet te zeggen waarschijnlijk) onderling
-of met een der stamsoorten vruchtbaar zijn, geven ook in hooge mate
-aanleiding tot het ontstaan van vormen, voor welker rangschikking een
-zeer volledige zaakkennis vereischt wordt. Om deze redenen heerscht
-nog tegenwoordig onder deskundigen en leeken, natuuronderzoekers
-en visschers een groote spraakverwarring met betrekking tot de
-Zalmsoorten, ondanks den grooten overvloed van berichten, die over
-dit onderwerp gepubliceerd zijn. De kleur en de teekening van sommige
-lichaamsdeelen, zelfs hun vorm (die, naar men zou denken, bij leden
-van dezelfde soort niet aan verandering onderhevig is), vertoonen in
-verband met sekse, leeftijd, seizoen, verblijfplaats en voedingswijze
-aanmerkelijke afwijkingen; de verhoudingen tusschen de verschillende
-lichaamsdeelen zijn evenmin standvastig als de grootte en het gewicht.
-
-
-
-De Zalm (Salmo salar), het beroemdste lid van het naar hem genoemde
-geslacht is kenbaar aan den zeer langwerpigen, zijdelings meer
-of minder samengedrukten romp, den naar verhouding zeer kleinen
-kop met slanken, ver vooruitstekenden snuit en den vorm van
-het ploegschaarbeen, dat uit een tandelooze, korte, vijfhoekige
-plaat en een steel met één rij van vroegtijdig uitvallende tanden
-samengesteld is. Op den rug is hij blauwachtig grijs, op de zijden
-glanzig zilverwit, op de onderdeelen wit en glinsterend; de teekening
-van den geslachtsrijpen Visch bestaat uit een klein aantal zwarte
-vlekken. De rugvin, vetvin en staartvin zijn donkergrijs, de overige
-vinnen bleek van kleur; zelden ziet men op de rugvin enkele zwarte
-vlekken. Bij de oude mannetjes is de onderkaak in den rijtijd soms
-een weinig langer en haakvormig naar boven gekromd. Vandaar de naam
-"haken", dien deze dieren bij onze visschers dragen, terwijl de rijpe
-wijfjes "geepen" heeten. De Zalm kan 1.5 M. lang en 45 KG. zwaar
-worden; exemplaren van deze grootte vindt men tegenwoordig nergens
-anders dan in stroomen van Noord-Rusland; in de overige Europeesche
-wateren laat men deze dieren den tijd niet zich tot zulke reuzen
-te ontwikkelen. Bij ons wordt een Zalm van 1 M. lengte en 15 of 16
-KG. gewicht reeds voor zeer groot gehouden.
-
-De Zalm heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij houdt
-zich langer in het zoetwater op dan in de zee, brengt in de rivieren
-den eersten tijd van zijn leven door en begeeft zich vervolgens
-ieder jaar uit de zee naar een rivier, die hij zoo ver mogelijk
-opzwemt. Men vindt hem in de zeeën van den kouden en een deel van
-den gematigden aardgordel van het geheele noordelijke halfrond. In
-het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem bij
-Amerika nog iets zuidelijker dan de kust van New-York, bij Europa
-tot aan de noordkust van Spanje. Voorts bewoont hij de Noordzee en de
-Oostzee. In de Middellandsche Zee en de hierin uitmondende stroomen
-komt hij niet voor, evenmin in de Kaspische Zee en de Zwarte Zee. De
-Europeesche rivieren bezoekt hij tot op 43, de Amerikaansche tot op
-41° N.B. Gedurende het grootste deel van den winter en het begin
-van het voorjaar ontmoet men hem aan onze kusten; in den overigen
-tijd tot laat in het najaar is hij meer of minder talrijk in onze
-rivieren. In Duitschland bezoekt hij hoofdzakelijk den Rijn en zijne
-bijrivieren, den Oder en den Weichsel, maar ook den Wezer en de
-Elbe. Bij het trekken verschijnt hij in alle belangrijke bijrivieren
-van de genoemde stroomen, tenzij versperringen of watervallen hem
-hier den weg afsnijden. Veelvuldiger dan in Duitschland treft men
-hem aan in de rivieren van Groot-Brittannië, Rusland, Skandinavië,
-IJsland, Groenland en Noord-Amerika, zeldzamer in die van het westen
-van Frankrijk en het noorden van Spanje. In Groot-Brittannië, waar
-de Zalmen vroeger zoo overvloedig waren, dat aan hun vleesch weinig
-waarde werd gehecht, is hun aantal door de onophoudelijke vervolging
-zoozeer verminderd, dat er zelfs voor de toekomst van de belangrijke
-visscherijen in de Schotsche rivieren (de Tay, de Tweed, de Spey en
-de Esk) reden van bezorgdheid bestaat en men strenge bepalingen tot
-beperking van de zalmvangst noodig heeft geacht. In Skandinavië,
-zoowel als op IJsland en Groenland is de Zalm ook thans nog een
-van de algemeenste riviervisschen. In Frankrijk bezoekt hij alle
-rivieren en stroomen, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. In
-Spanje treft men hem nog veelvuldig aan in alle wateren die zich in
-de Golf van Biscaye storten; hij ontbreekt echter in de rivieren,
-die door Portugal zich naar de zee begeven, of wordt er slechts door
-enkele exemplaren vertegenwoordigd.
-
-Van de levenswijze der Zalmen gedurende hun verblijf in de zee
-kan nog niets met volkomen zekerheid gezegd worden, hoeveel moeite
-men zich ook heeft gegeven om met de zeden en gewoonten van dezen
-allerbelangrijksten zoetwatervisch goed bekend te worden. In de
-duizenden "trawls" en andere vischnetten, die voortdurend de Noordzee
-doorkruisen, den zeebodem als 't ware doorploegend, wordt nooit een
-Zalm gevonden. Het is echter zoo goed als zeker, dat deze Visch zich
-nooit ver verwijdert van de rivier, in welks bovenloop hij het eerste
-levenslicht aanschouwde, althans volstrekt niet, zooals men vroeger
-meende, reizen naar de noordpool onderneemt; hoogstens begeeft hij zich
-van den mond der rivier naar de naastbij gelegene, diepe gedeelten der
-zee en mest zich hier vet, neemt in gewicht toe op een wijze, waarvan
-zelfs onder de Visschen geen tweede voorbeeld bekend is. Volgens de
-berichten van Zweedsche onderzoekers houdt hij zich gedurende zijn
-verblijf in de zee bezig met de vangst van allerlei Schaaldieren en
-verschillende soorten van Visschen; vermoedelijk komen dan ook nog
-wel andere gerechten op zijn spijskaart voor. Geheel anders gedraagt
-hij zich in het zoetwater, waar men hem iets beter heeft kunnen
-nagaan. Over 't algemeen verschilt het leven, dat hij hier leidt,
-weinig van dat zijner verwanten, althans van dat der beide groote
-soorten van Forellen, waarmede hij ook in lichamelijk opzicht veel
-overeenkomst vertoont.
-
-In alle maanden van 't jaar komen Zalmen uit de zee onze rivieren
-binnenvallen om stroomopwaarts te zwemmen; in den zomer is hun aantal
-echter grooter dan in eenig ander seizoen. Zij naderen bij troepen
-van 30 of 40 stuks de kust en den mond der rivier: als 't ware
-om aan 't zoetwater te gewennen, vertoeven zij hier eenigen tijd,
-bij vloed den stroom opzwemmend en bij eb naar zee terugkeerend,
-totdat eindelijk de reis voor goed een aanvang neemt. Naar men
-beweert, bevordert een aanlandige wind (een zoogenaamde "zalmwind")
-den overgang uit de zee in de rivier; ook schrijft men aan de
-weersgesteldheid en aan het verschil in temperatuur van het zeewater
-en van het rivierwater een vertragenden invloed toe op den aanvang
-van den tocht. De Zalmen, die sinds kort de zee verlieten en de
-stroomopwaarts reizende exemplaren in 't algemeen zijn met tamelijk
-groote zekerheid kenbaar aan hun zilverwitte kleur en aan de niet zeer
-stevige vasthechting der schubben aan de huid. De reizigers schikken
-zich bij 't zwemmen in een bepaalde orde, vormen twee reeksen, die
-van voren onder een scherpen hoek ineenvloeien; een oude, krachtige
-Visch treedt als aanvoerder op en wordt door de overige leden van
-het gezelschap op meer of minder grooten afstand gevolgd. Naar den
-aard van de Zalmen, die bij ons binnenvallen, onderscheidt men in
-het jaar twee perioden. In het eerste, dat van November tot Mei
-duurt, houden onze zalmvisschers zich met de vangst van de meer
-dan 10 KG. zware "Winterzalmen" bezig; bij hen is de ontwikkeling
-der voorttelingsorganen nog niet ver voortgeschreden, des te verder
-echter naarmate het opzwemmen van de rivier later plaats vindt. De
-zoogenaamde "Kleine Zomerzalmen" zijn hoogstens 7 1/2 KG. zwaar. Zij
-beginnen soms reeds in den aanvang, soms eerst in 't einde van Mei ons
-voorbij te trekken. Met de laatste Winterzalmen komen zij overeen,
-wat het ontwikkelingsstadium van de hom en de kuit betreft; ook zij
-zijn des te rijper, naarmate zij later de zee verlaten. In den regel
-hebben onder hen aanvankelijk de hommers de overhand. Gemiddeld tegen
-het einde van Juni komen met de Kleine Zomerzalmen nog kleinere,
-2 KG. zware Zalmpjes de rivier opzwemmen. Niet slechts het aantal,
-maar ook de zwaarte van de later verschijnende exemplaren wordt
-al grooter en grooter; de laatsten hebben een gewicht van ongeveer
-3 1/2 KG. Zij zijn gewoonlijk het talrijkst omstreeks St. Jacobus
-(25 Juli) en heeten daarom "Jacobzalmen" of "Jacobjes". Verreweg
-de meeste zijn van 't mannelijke geslacht; ook bij hen verkeeren de
-voortplantingsorganen op een des te hoogeren trap van ontwikkeling
-naarmate het seizoen verder gevorderd is. De "Groote Zomerzalmen",
-die reeds in zee nagenoeg geslachtsrijp geworden zijn en gemiddeld
-in den loop van Juni (soms reeds in Mei, soms eerst in Juli) in
-gezelschap van hunne kleinere soortgenooten naar boven reizen,
-zijn meer dan 10 KG. zwaar. In den herfst vermindert allengs het
-aantal Zomerzalmen, hoewel het een enkele maal voorkomt, dat er in
-ons vischwater nog laat in 't jaar, zelfs in 't begin van December,
-exemplaren met rijpe of nagenoeg rijpe eieren gevangen worden. Voor
-het grootste deel bereiken onze Rijnzalmen het einddoel van hun tocht
-niet op den hoofdstroom, maar in zijne zijrivieren, deels in die van
-den bovenloop, deels in die van den middelloop; de Ruhr, de Sieg,
-de zijrivieren van den Moezel (o. a. in den Sauer), den Dreisam,
-enz. Hier wijden zij zich aan de zorgen voor de nakomelingschap.
-
-De trekkende Zalmen geven zich alle mogelijke moeite om de bezwaren
-van de reis, de van nature bestaande of door den mensch hun in den weg
-gelegde beletselen en gevaren te boven te komen: onder de netten door
-of er langs te zwemmen, of ze te verscheuren, over stroomversnellingen,
-watervallen en versperringen heen te springen. Bewonderenswaardig
-zijn de kracht, behendigheid en volharding, die zij hierbij ten
-toon spreiden. Met groote inspanning dringen zij door tot de plaats
-onder den waterval, waar de stroom het sterkst is, oefenen een
-zeer krachtige drukking met de staartvin op het water uit, waarbij
-zij soms een steen als steunpunt gebruiken, verheffen zich tot een
-hoogte van 2 of 3 M. boven den waterspiegel onder het beschrijven
-van een boog van 4 à 6 M. spanwijdte. Door het missen van hun doel
-niet afgeschrikt, herhalen zij hunne pogingen, totdat zij slagen,
-of totdat hun hardnekkig volhouden hun het leven kost, hetgeen
-dikwijls geschiedt, o.a. als zij, na een vergeefsche poging om over
-de kunstmatige versperring te springen, die de eigenaar van een
-"zalmsteek" in de rivier heeft aangebracht, bij het zoeken van een
-beter overgangspunt in de daarnaast voorkomende, voor de Zalmvangst
-bestemde fuiken geraken,--of als zij, na een ongelukkigen sprong
-over een waterval op de kale rotsen neerstortend, verpletterd
-worden. Loodrecht oprijzende rotsmassa's van aanzienlijke hoogte
-vormen natuurlijk een onoverkomelijk beletsel voor het verder opwaarts
-zwemmen; de door kleinere steenklompen veroorzaakte watervallen worden
-echter geregeld overschreden; de plaatsen waar dit geschiedt, heeten
-"zalmsprongen". Om de Zalmen tot den overgang van watervallen en van de
-zoogenaamde "stuwen" der gekanaliseerde rivieren (b.v. van de Belgische
-en Fransche Maas) in staat te stellen, heeft men velerwege zoogenaamde
-"vischtrappen" of "vischpassen" aangebracht. In de wanden van den
-natuurlijken of door menschenhanden gevormden watergeul worden nl.,
-afwisselend ter linker- en ter rechterzijde, houten of ijzeren lijsten
-stevig in de rots bevestigd; deze op treden van een trap gelijkende
-uitsteeksels breken de kracht van het naar beneden stortende water
-en kunnen tot tijdelijke rustplaatsen voor de opspringende Visschen
-dienen. Nadat zij de meren doorgezwommen zijn, die zich op den weg van
-den stroom bevinden, bereiken de Zalmen de hierin uitmondende wateren
-en eindelijk het bronnengebied. Zij reizen op hun gemak en langzaam,
-hoewel zij zeer snel zwemmen kunnen. Het duurt daarom geruimen tijd,
-voordat zij in den bovenloop van den stroom aankomen; die, welke
-b.v. reeds in April in den Rijn doordringen, verschijnen eerst in
-Mei bij Bazel en zelden vóór het einde van Augustus in de kleinere
-Zwitsersche bijrivieren. Zeer geregeld bezoeken eenige scholen den
-Limmat, komen zoo in het Zuricher meer, dat zij doorzwemmen om in
-de Linth over te gaan, het Wallenmeer over te steken en in de Seetz
-den weg naar boven te vervolgen. Andere scholen begeven zich in de
-Reusz en de Aar, zwemmen door het Vierwaldstädter en het Thuner meer
-en gaan verder stroomopwaarts, hoewel de genoemde rivieren in dit
-deel van haar loop tallooze watervallen en draaikolken hebben. In
-het stroomgebied van den Wezer eindigt de tocht van de Zalmen eerst
-in de Fulda en de Werra en hare zijrivieren. Ook in het stroomgebied
-van de Elbe stijgen zij zeer ver omhoog, aan den eenen kant tot in
-de nabijheid van het Fichtelgebergte, aan den anderen tot in de
-Moldau en hare bijrivieren. Evenzoo zwemmen zij de stroomen op,
-die zich in de Oostzee storten; vooral de Memel wordt door een
-groot aantal Zalmen bezocht. Nieuw opgerichte versperringen zonder
-"vischpassen" kunnen een groote verandering in den bestaanden toestand
-teweegbrengen; dit is o.a. gebleken bij het kanaliseeren van de Maas
-op Belgisch en Fransch grondgebied met behulp van "stuwen"; hierdoor
-hebben de Zalmen, die vroeger in vrij grooten getale in dit deel der
-rivier doordrongen, zich genoodzaakt gezien een ander paaigebied te
-kiezen; de vischpassen, die men in dergelijke versperringen aanbrengt,
-worden dikwijls niet dadelijk, misschien wel het eerst door Visschen,
-die daarlangs stroomafwaarts gaan (en afkomstig zijn van hoogerop
-"gepoote" jongen), in gebruik genomen.
-
-Bij 't naderen van den paartijd ondergaan de Zalmen ook uitwendig
-duidelijk waarneembare veranderingen: hun bruiloftskleed onderscheidt
-zich door een donkerder kleur en dikwijls ook door roode vlekken op de
-zijden van den romp en op de kieuwdeksels. Om kuit te schieten, begeeft
-het wijfje zich in gezelschap van verscheidene mannetjes, waarbij één
-volwassen exemplaar, naar een stille, ondiepe plek en graaft hier met
-den staart in den uit zand of steentjes bestaanden bodem een breede,
-doch niet diepe groeve. Dit geschiedt in verschillende tijden van
-'t jaar: sommige doen het reeds in Juli; de meeste echter eerst in de
-maanden October tot Februari (vooral echter in November en in de eerste
-helft van December). De oranjeroode eieren hebben de grootte van een
-erwt; zij worden niet alle te gelijk, maar met tusschenpoozen gelegd
-en telkens na de bevruchting met een laagje zand bedekt. Volgens
-sommigen is het kuitschieten in 3 of 4 dagen afgeloopen; volgens
-anderen zijn er 8 à 10 dagen mede gemoeid. Het aantal eieren wordt
-geschat op 2000 à 4000 per KG. van het totaal gewicht van den kuiter.
-
-De duur van den kiemtoestand is tot op zekere hoogte afhankelijk van
-de temperatuur van het omgevende water; de in November gelegde eieren
-ontwikkelen zich althans iets sneller dan die, welke in Januari
-bevrucht worden. In den regel komen de jongen eerst na 4 maanden
-uit. Zij zijn dan ongeveer 1 cM. lang; de kop en de oogen hebben een
-aanzienlijke grootte; de dooierzak heeft een grooten omvang. Totdat
-deze voorraad verbruikt is, blijven zij zonder andere beweging dan
-van de borstvinnen op de broedplaats liggen. Na 6 weken zijn zij
-genoodzaakt zelf voedsel te gaan zoeken; zij verkeeren nu in het
-zoogenaamde Forellen- of Parr-stadium; op het kieuwdeksel bevinden zich
-2 (soms 3) duidelijke zwarte vlekken. De romp heeft een lichtbruine
-kleur en is op de zijden geteekend met 9 of 10 eenigszins schuins
-van boven en achteren naar onderen en voren gerichte dwarsreeksen
-van donkergrijze vlekken, waartusschen roode stipjes voorkomen. Men
-ziet deze zalmpjes veel op diepe plaatsen in beken van het gebergte,
-het meest daar, waar het water helder is en waar de over den bodem
-verspreide steenen een rijke verscheidenheid van schuilplaatsen
-aanbieden. Verbazend vlug weten zij zich te verbergen; gaat men in
-de beek staan en licht men voorzichtig een steen op, dan vindt men
-er talrijke exemplaren onder verborgen. Gaarne "staan" zij in 't
-stroomend water met den kop naar den stroom gekeerd; vóór zij zich
-verplaatsen, wachten zij steeds op hoog water. Gedurende den eersten
-zomer kan de Parr, naar men bij gevangen exemplaren heeft opgemerkt,
-een lengte van hoogstens 10 cM. bereiken. De jonge Zalmen blijven in 't
-geheel minstens één jaar op hun geboorteplaats en zijn dan (d.w.z. 16
-maanden nadat zij als ei het lichaam van de moeder verlieten) ongeveer
-40 cM. lang. Omstreeks dezen tijd wordt het parr-kleed vervangen door
-het zoogenaamde smolt-kleed (gekenmerkt door zilverwitte kleur zonder
-dwarsbanden of roode stippen; de borstvinnen zijn geheel, de rugvin
-en de staartvin gedeeltelijk zwart) en openbaart zich bij hen de lust
-tot trekken. De meeste Smolts begeven zich op éénjarigen leeftijd naar
-zee. Langzaam zwemmen zij den stroom af en blijven daarna nog weken
-lang in den mond der rivier, voordat zij zich in het zoutwater begeven:
-een te snelle overgang schijnt voor hen gevaarlijk te zijn. Volstrekt
-noodig is het tijdelijk verblijf in de zee voor de Zalmen niet,
-ofschoon het hun een groot voordeel verschaft. Ongetwijfeld vinden
-zij hier een buitengewoon grooten overvloed van voedsel, daar hun
-lengte en gewicht in zeer korten tijd merkwaardig snel toenemen. Dit is
-gebleken door jonge Zalmen, na ze gemerkt te hebben (b.v. met een ring
-aan een der vinnen of door het afsnijden van de vetvin), de vrijheid
-te hergeven; die, welke na hun terugkomst uit zee op nieuw gevangen
-werden, waren in den tusschentijd 2 à 7 KG. zwaarder geworden, hoewel
-de meeste niet langer dan 8 weken afwezig waren geweest.
-
-Naar het schijnt, begeven niet alle éénjarige Zalmen zich naar
-zee; sommige Smolts blijven nog een jaar langer in het zoetwater
-en zwemmen dan--met die van de volgende voortplantingsperiode (of
-iets vroeger)--in 't voorjaar de rivier af. De eerstbedoelde komen
-na een tweejarig verblijf in de zee als Groote Zomerzalmen in het
-zoetwater terug; de laatstbedoelde blijven slechts één jaar in de
-zee en begeven zich dan als Kleine Zomerzalmen stroomopwaarts. De
-jongen uit de eieren, die in 't laatst van den paartijd (in Januari)
-gelegd worden, zijn bij het vertrek van de overige Smolts, in Maart of
-April van 't volgende jaar, nog niet bestand tegen de vermoeienissen
-van de reis; zij trekken eerst in 't najaar naar zee en komen op
-ruim tweejarigen leeftijd, na een verblijf van ruim 8 maanden in het
-zoutwater, in Juli of Augustus als Jakobjes in de rivier terug. Bij
-'t opstijgen in 't volgende jaar zijn zij Zomerzalmen geworden. Dit
-is althans de aannemelijkste verklaring, die men van het bestaan van
-de genoemde drieërlei vormen kan geven [6].
-
-Tal van gevaren bedreigen de Zalmen gedurende alle tijdperken van hun
-leven. Geheel weerloos zijn de eieren en de vischjes, die nog een
-dooierblaas bezitten. De Forellen en de Zalmen, die reeds gepaaid
-hebben, verslinden er een menigte van; andere gaan door ijsgang,
-droogte enz. te gronde. De Parrs, hoe goed zij zich ook verbergen
-kunnen, worden voor een groot deel de prooi van allerlei visschenetende
-dieren. Niet minder groot zijn de bezwaren, die de Smolts bij hun
-reis naar zee te overwinnen hebben en die aan vele dezer vischjes
-het leven kosten, hoeveel haast zij ook maken om het einddoel van hun
-reis te bereiken. Hun vlugge beweging kan niet verhoeden, dat vóór hun
-aankomst in zee onder hen een groote slachting wordt aangericht door
-verschillende roofvisschen, dezelfde als die, welke op onze andere
-riviervisschen jacht maken. Vooral geldt dit van den Snoek, eenigszins
-misschien ook van den Snoekbaars, welke in Oder en Weichsel thuis
-behoorende, zeer goed smakende en niet trekkende Visch eenige jaren
-geleden in den Rijn gepoot werd, een proefneming, die later gestaakt
-is, op grond van het gevaar, dat men er voor de Zalmen van duchtte. Het
-zal misschien zelden voorkomen, dat meer dan 10 van de 100 gelegde
-Zalmeieren zich tot Visschen van behoorlijke grootte ontwikkelen. De
-ergste vijand van den Zalm is natuurlijk de mensch. Verreweg de
-meeste visschers kunnen er maar niet toe komen om te rechter tijd
-hun bedrijf te staken, dat in de rivieren van bergstreken juist
-gedurende den voortplantingstijd het grootste voordeel oplevert. De
-kuitschietende wijfjes, die zich zonder moeite uit het water laten
-lichten, worden soms niet eens gespaard. In Groot-Brittannië hebben de
-groote grondeigenaars zich beijverd een overeenkomst te treffen om de
-Zalmen gedurende den daar wettelijk vastgestelden gesloten tijd (1o
-September tot 1o Januari) een degelijker bescherming te verschaffen,
-dan de bestaande wetten hen konden verleenen; algemeen is men daar
-echter tot de overtuiging gekomen, dat een volslagen staking van de
-zalmvisscherij gedurende vijf opeenvolgende jaren noodig zou zijn
-om de rivieren weder op een behoorlijke wijze te bevolken. Zulk een
-maatregel zou echter nagenoeg onuitvoerbaar zijn, o. a. ook, omdat
-verscheidene van de belanghebbenden een zeer groot deel van hunne
-inkomsten aan de zalmvisscherij ontleenen; enkelen zouden hierdoor
-niet minder dan 20000 pond sterling per jaar schade lijden.
-
-De Zalm wordt te recht als een van de voortreffelijkste inheemsche
-Visschen beschouwd, hoewel hij minder hoog geschat wordt dan de
-Meerforel en de Zalmforel, die op hun beurt achterstaan bij de
-Rivierforel, de Houting en den Vlagzalm, terwijl over 't algemeen
-aan de Roode Forel de eerste rang wordt toegekend. Het vleesch van
-de Zalmen, die de rivier opzwemmen, is roodachtig van kleur en vet,
-dat der naar zee terugkeerende exemplaren heeft een witte kleur en
-een geringe waarde; door sommige wordt het zelfs voor de gezondheid
-schadelijk genoemd.
-
-De Zalm was vroeger (met de Elft en de Steur) te Dordrecht, Gorkum,
-Schoonhoven en andere plaatsen waar de riviervisscherij op groote
-schaal werd uitgeoefend, bekend onder den naam van "Roode Visch". Als
-een bewijs, dat deze Visch in het midden van de vorige eeuw op
-de genoemde plaatsen veelvuldig en laag in prijs was, wordt vaak
-aangehaald een mededeeling voorkomende in Beverwijck's "Beschrijving
-van Dordrecht", volgens welke dienstboden destijds, als zij zich
-verhuurden, het beding maakten, dat haar niet meer dan tweemaal per
-week "Roode Visch" zou worden voorgezet. Betrouwbare opgaven omtrent
-de zalmvangst in vroegeren tijd ontbreken echter ten eenenmale. "Voor
-de zalm-statistiek", schrijft Dr. Hoek, "duurt de vóórhistorische tijd
-ongeveer tot het jaar 1870. Gaan wij verder terug, dan komen wij in
-den tijd der mythen, den tijd der legendarische dienstmeid, die zich
-niet alleen in Dordrecht en Gorkum, maar ook in Keulen, in Danzig
-en andere plaatsen van Duitschland verhuurde op voor den zalmvangst
-van dien tijd--niet voor de zalmprijzen van die dagen--zoo gunstig
-getuigende voorwaarden." Sedert 1870 is dit echter anders geworden;
-er wordt nauwkeurig aanteekening gehouden van de ter markt aangevoerde
-Visschen. Verreweg de voornaamste markt voor Zalm en andere Zalmachtige
-Visschen is en blijft het Kralingsche Veer. Deze markt geeft een trouw
-beeld van de zalmvangsten op onze beneden-rivieren. Bovendien worden
-echter ook op andere plaatsen, met name te Ammerstol, Dordrecht,
-Gorinchem, Hardinxveld en Woudrichem, een niet onbeteekenende
-hoeveelheid van de bedoelde Visschen aangebracht, waarbij echter niet
-uit het oog moet worden verloren, dat er onder de op bovengenoemde
-plaatsen aangevoerde Zalmen een aantal zijn, die op het Kralingsche
-Veer andermaal verkocht worden; hoe groot dit aantal is kan niet worden
-nagegaan. "Gedurende de jaren 1883-1888," schrijft Dr. Hoek, "werden
-aan de genoemde markt 511934 Zalmen afgeslagen, gemiddeld per jaar
-dus (gedurende deze 6 jaren) meer dan 85000. Dat waren buitengewoon
-gunstige jaren, zooals aanstonds blijkt, wanneer wij het gemiddelde
-berekenen van het aantal dat in de jaren 1870-1896 aan die markt is
-aangevoerd: dit gemiddelde bedraagt ruim 56000 stuks. Het gemiddelde
-aantal werd slechts gedurende 11 jaar door den aanvoer overtroffen,
-was gedurende 3 jaren er aan gelijk en bleef gedurende 13 jaar er
-beneden." Van de laatste jaren leverde 1893 het grootste aantal
-Zalmen (ruim 75000); dit bleef echter nog aanmerkelijk beneden het
-voordeeligste van de laatste 27 jaren, n.l. 1885, met een aanvoer van
-ruim 104000 Zalmen. In 1896 was de aanvoer te Kralingen 48264 stuks,
-gezamenlijk wegende 359877 KG., te weten: 25991 Kleine Zomerzalmen,
-12029 Winterzalmen, 4739 Groote Zomerzalmen en 5505 St. Jakobszalmen
-en Hengsten. De grootste aanvoeren hadden plaats in Juni en Juli. De
-hoogste prijs per 1/2 KG. bedroeg f4. Te Ammerstol bedroeg in 1896
-de aanvoer van Zalmen 3845, te Dordrecht 1204, te Gorinchem 1588,
-te Hardinxveld 1885, te Woudrichem 470 stuks.
-
-Voor de zalmvangst dienen bij ons vooral drijfnetten (die niet
-dieper mogen zijn dan 2 1/2 M.), treknetten of zegens (handzegens
-en zalmzegens met vaste spil) en zalmsteeken, in andere landen ook
-eigenaardige vallen. Soms zijn deze van een schel voorzien, die de
-vangst van een Visch aankondigt; vaak worden zij aangebracht aan
-de stroomopwaartsche zijde van een versperring en geraakt de Visch
-er in bij zijne pogingen om over de versperring heen te springen;
-de val moet dan zóó ingericht zijn, dat de Visch er krom in komt
-te liggen, wijl hij dan bij het opspringen niet zooveel kracht kan
-ontwikkelen. Elders wordt de Zalm des nachts gestoken met een speer,
-waaraan verscheidene spitsen voorkomen, na eerst gelokt te zijn door
-het op de visschersboot brandende vuur. In alle gevallen is trouwens
-de nacht de geschiktste tijd om deze Visschen te verschalken; over dag
-weten zij dikwijls het gevaar te vermijden en onder de netten door
-of er bij langs te zwemmen; bij helderen zonneschijn is de vangst
-gewoonlijk gering. De bepaling van het Kon. Besl. van 10 Oct. 1871,
-waarbij gedurende 6 uren van iederen nacht de vangst verboden is,
-redt dan ook aan vele Zalmen het leven. Bovendien strekt tot het
-tegengaan van het doodvisschen van het vischwater, de sluiting van
-de zalmvisscherij met de zegen gedurende 2 1/2 maand in ieder jaar,
-n.l. van half Augustus tot half October en van Zaterdagavond 6 uur tot
-Zondagavond 6 uur. Van niet minder belang is het weren van sommige
-vischtuigen. Terecht staat b.v. de kleine vischzegen onder den naam
-van "moordzegen" bekend, daar de mazen van dit net zoo eng zijn, dat
-men er zelfs de kleinste vischjes mede vangt. Dat ook in de ankerkuil
-menige naar zee terugkeerende Smolt het leven verliest, blijkt uit
-het door Dr. Hoek in 1896 uitgebracht "Rapport." Zeer nadeelig is
-voorts voor het vischwater de schutwantvisscherij: Een bij eb geheel
-of gedeeltelijk droogvallend terrein wordt door een aaneenschakeling
-van netten bij hoog water afgezet, zoodat de Visch, die hier met den
-vloed gekomen is, niet weg kan en op het droge achterblijft of zich
-verzamelt in de met water gevuld blijvende kuilen, waaruit men ze met
-de handzegen opschept. De verkoopbare vischjes worden bijeengezocht,
-de overige (dus verreweg de meeste) blijven liggen en sterven, voordat
-het reddende vloedtij aangebroken is.--De meeningen zijn nog verdeeld
-over de vraag, in hoeverre de ontvolking van het zalmvischwater kan
-worden tegengegaan door het loslaten van door kunstmatige vischteelt
-verkregen éénjarige Zalmen in den bovenloop der rivieren. Dat dit niet
-in haar benedenloop moet geschieden en dat jongere vischjes voor dit
-doel ongeschikt zijn, heeft de ervaring vrij duidelijk aangetoond.
-
-
-
-Meerforel (Salmo lacustris) noemt men een Zalmvisch, die zich nooit
-naar de zee begeeft, maar alle groote en diepe meren der Alpen en
-Vooralpen tot op 1500 M. hoogte bewoont en de hierin uitmondende
-rivieren opzwemt. De romp van het geslachtsrijpe dier is bijna
-cilindervormig; de snuit kort en stomp; de voorste plaat van het
-ploegschaarbeen is kort, driehoekig en met 3 of 4 tanden op den
-dwarsgerichten achterrand bezet; de zeer lange steel van dit been is
-aan zijn ondiep uitgeholde benedenvlakte van een hooge, tandendragende,
-overlangsche lijst voorzien; de hierop voorkomende tanden zijn zeer
-dik: de voorste staan meestal op één rij, de achterste meestal op 2
-rijen. De groengrijze of blauwgrijze rug en de zilverglanzige zijden
-zijn meer of minder sterk gevlekt; de vlekken zijn rond of hoekig en
-zwart van kleur; soms hebben zij een uitvloeienden, oranjegelen rand;
-de onderdeelen zijn zilverwit. De rugvin en de staartvin zijn grijs of
-nog donkerder; gene is steeds (en duidelijk) met vele zwarte vlekken
-geteekend; deze is effen, soms echter van enkele uitvloeiende stippels
-voorzien. De overige vinnen zijn lichter van kleur. Exemplaren van
-12 à 15 KG. (80 cM. lang) zijn niet zeldzaam; soms bereiken zij een
-lengte van 1 M. en een gewicht van 25 à 30 KG. Naar het schijnt,
-komt dezelfde soort in de grootste en diepste meren van Schotland
-voor; ook rekent men hiertoe een kleinere, anders gekleurde vorm in
-de Bodensee en eenige andere meren (Meiforellen, Zweefforellen).
-
-In de Alpenmeren houdt de Meerforel zich in den regel in waterlagen
-van aanzienlijke diepte op, omdat de Houtingen, die zij hier vindt, op
-een zekeren leeftijd haar liefste voedsel uitmaken; zelden verschijnt
-zij op een afstand van minder dan 40 M. van den waterspiegel. Jongere
-exemplaren voeden zich hoofdzakelijk met Alvertjes.
-
-Tegen het begin van September verlaten zij de meren en zwemmen de
-rivieren op om kuit te schieten. Hoewel deze reis langzaam plaats
-heeft, strekt zij zich ver uit: in het Rijngebied tot op een hoogte van
-800 M. boven den zeespiegel, in het gebied van den Inn nog verder, daar
-zij hier nog leven in meren, die bijna 1600 M. hoog liggen. Geruimen
-tijd na het eieren leggen keeren zij naar de meren terug en brengen
-hier den winter en den zomer door. De jongen, die in dit of in het
-vorige jaar geboren werden, blijven gedurende de lente en den zomer
-in de rivieren en begeven zich eerst in den tweeden winter van hun
-leven naar de meren.
-
-Deze Visch heeft in vergelijking met de Rivierforel een taai leven,
-sterft buiten het water niet zoo spoedig als deze en is daarom beter
-geschikt om verzonden en in andere wateren overgeplant te worden;
-hij gedijt zeer goed in vijvers met talrijke wellen en een uit grint
-bestaanden bodem.
-
-De Meerforellen worden wegens hun smakelijk vleesch zeer hoog geschat
-en in groote hoeveelheid gevangen.
-
-
-
-De Zalmforel (Salmo trutta) vertoont zeer veel overeenkomst met de
-vorige soort, doch is eenigszins plomper gebouwd; de muil is niet
-verder dan tot onder de oogen gespleten en heeft minder krachtige
-tanden; de schubben zijn grooter. De zwarte vlekken op den blauwgrijzen
-rug en de zilverkleurige zijden zijn minder talrijk en ontbreken soms
-geheel; de buikzijde is zuiver wit; de parige vinnen en de aarsvin
-zijn kleurloos, de borstvinnen bij oude dieren grijs; op de rugvin,
-die, evenals de staartvin, donkergrijs is, komen enkele zwarte vlekken
-voor. Deze Visch kan 1 M. lang en 15 KG. zwaar worden.
-
-In den nazomer houdt de Zalmforel zich in de zee op, van hier begeeft
-zij zich stroomopwaarts in de rivieren om kuit te schieten. Haar
-verbreidingsgebied is veel uitgestrekter dan dat van de Meerforel. Zij
-bewoont de Oostzee, het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan,
-met inbegrip van de Britsche zeeëngten en kanalen, de Noordzee
-en de IJszee tot aan de Witte Zee. Aan onze kust komt zij niet
-voor, wel bij die van Duitschland; in buitengewoon grooten getale
-ontmoet men haar echter aan de Skandinavische, Engelsche, Schotsche,
-Iersche, Laplandsche en Russische kusten en in de hier uitmondende
-rivieren. Gewoonlijk zwemt zij in Mei, Juni en Juli stroomopwaarts,
-doch minder ver dan de Zalm: in den bovenloop der rivieren treft
-men haar zelden aan. Het kuitschieten heeft in November en December,
-de terugreis naar de zee na het smelten van het ijs plaats.
-
-In Duitschland wordt de Zalmforel minder hoog geschat, althans minder
-duur betaald dan de Zalm; in Skandinavië is men (en, mijns inziens,
-te recht) een andere meening toegedaan. De vangst van dezen Visch is
-daarom een niet onbelangrijk en ook winstgevend bedrijf. Hierbij komt
-nog, dat de Zalmforel bijna even gemakkelijk als de Rivierforel in
-groote meren of zelfs in diepe vijvers overgeplant of door kunstmatige
-vischteelt aangekweekt kan worden, zoodat zij waarschijnlijk mettertijd
-een grootere rol in het visschersbedrijf zal spelen dan thans.
-
-
-
-Van alle inheemsche Zalmvisschen heeft de Gewone Forel of Rivierforel
-(Salmo fario) den meest ineengedrongen lichaamsbouw. Haar romp is min
-of meer zijdelings samengedrukt, de snuit kort en zeer stomp. Het
-is volstrekt onmogelijk van de kleur dezer Visschen een algemeen
-geldige beschrijving te geven. Tschudi vergelijkt de Forel in dit
-opzicht met een Kameleon, maar had hierbij kunnen voegen, dat zij
-nog veel meer kleurswisselingen vertoont dan dit uit dien hoofde
-beroemd Reptiel. Waarschijnlijk is men niet ver van de waarheid
-verwijderd, als men aanneemt, dat de zoo uiteenloopende kleur van
-de Forel niets anders is dan een nabootsing van de heerschende kleur
-van haar omgeving, dat men dus bij dezen Visch hetzelfde verschijnsel
-waarneemt als bij de Schol, die haar kleur wijzigt in verband met die
-van den zeebodem. Dikwijls is de met zwartachtige vlekken geteekende
-rug olijfkleurig grijs, de rugvin gestippeld en met een witten rand
-omgeven, terwijl de zijden groenachtig geel zijn met roode stippels
-en goudkleurigen weerschijn, de onderdeelen witachtig grijs, de
-buikvinnen hooggeel. Dikwijls heeft over 't geheele lichaam een donkere
-(zelden een geheel zwarte) kleur de overhand. Dikwijls, o.a. bij vele
-exemplaren, die in de meren der Alpen gevangen worden, zijn de stippels
-zwart, rood en wit, waarmede trouwens een wijziging van den vorm van
-'t lichaam en van de kleur der oogringen gepaard gaat. Soms is de
-kleur grootendeels geelachtig, soms witachtig. Deze afwijkingen hebben
-aanleiding gegeven tot verschillende namen, zonder dat het mogelijk
-geweest is de hierdoor aangeduide verscheidenheden scherp te begrenzen
-wegens de tallooze overgangsvormen, die er nevens voorkomen. In den
-regel echter is de Forel op den rug donker, op de zijden lichter en
-gestippeld, op den buik het lichtst van kleur. De visschers meenen,
-dat de kleur hoofdzakelijk afhangt van het water, waarin de Forel
-zich ophoudt en in hetzelfde water tamelijk standvastig is: in de
-Engelberger Aa b.v. vindt men geregeld Forellen met blauwe vlekken,
-terwijl die van de hierin uitmondende Erlenbach rood gevlekt zijn. Hoe
-zuiverder het water, des te helderder is meestal de kleur. Ook aan
-het vleesch merkt men verschil van kleur op: bij de licht gekleurde,
-goudgeel en rood gestippelde "Goudforellen" is het roodachtig, bij
-andere verscheidenheden geelachtig, in den regel echter sneeuwwit;
-deze kleur ondergaat bij 't koken geen verandering. De grootte staat,
-evenals de kleur, met de verblijfplaats in verband. In kleine,
-snel stroomende beken, waar de Forel zich met weinig water behelpen
-moet, bereikt zij ternauwernood een lengte van 40 cM. en een gewicht
-van hoogstens 1 KG. In diepe wateren, in meren en vijvers, kan de
-lengte van onze Forel toenemen tot meer dan 90 cM. en haar gewicht
-tot 5 of 6 KG. Yarrell maakt melding van verscheidene reusachtige
-vertegenwoordigers van deze soort: van een mannetje, dat bij 73
-cM. lengte slechts 5.5 KG. zwaar was, van een wijfje, welks lengte
-88 cM. bedroeg en dat een gewicht van 15 KG. bereikt. Valenciennes
-spreekt zelfs van een exemplaar, dat 104 cM. lang was. Dat zulke
-reuzen een hoogen leeftijd hebben bereikt, staat vast. De visschers
-zeggen gewoonlijk, dat de hoogste leeftijd van de Forel 20 jaar is;
-men kent evenwel feiten, waaruit blijkt, dat zij veel ouder kan worden.
-
-Tot dusver is men nog niet in staat om het verbreidingsgebied van den
-Forel nauwkeurig te omschrijven; men weet echter, dat zij op voor
-haar geschikte plaatsen in geheel Europa, van de Noordkaap tot aan
-Kaap Tarifa, te vinden is, zoo ook in Klein-Azië en waarschijnlijk
-bovendien in andere Aziatische landen. Helder, stroomend, zuurstofrijk
-water is een noodzakelijke voorwaarde voor haar aanwezigheid en haar
-leven. Men treft haar daarom in alle wateren van het gebergte aan,
-het meest in rivieren en beken, doch ook in meren, die met versch
-water voorzien worden door rivieren, die er doorstroomen, of door
-rijke wellen, die er in ontspringen. Hier komt n.l. een groot deel
-van het water door de sterke beweging die het heeft, telkens weer
-met de buitenlucht in aanraking, waardoor het beter dan elders in de
-gelegenheid is om koolzuur af te staan en zuurstof op te nemen. Uit
-de kweekingsproeven, die in den laatsten tijd op zoovele plaatsen
-genomen zijn, is voldoende gebleken, dat gefiltreerd water, wanneer het
-geregeld in beweging gebracht wordt, geschikt is om tot woonplaats te
-dienen voor de Forel, en dat het er niet op aan komt, of dit water aan
-frissche bronnen of aan beken en zelfs aan vijvers ontleend wordt. In
-de hooge bergstreken stijgt zij tot in den Alpengordel omhoog. Op
-een hoogte van meer dan 2100 M. boven de oppervlakte der zee vindt
-men haar buiten Grauwbunderland niet; hier echter komt zij nog op een
-hoogte van 2400 M. voor. In Tirol stijgt zij nog 300 à 500 M. hooger
-en in de beken van den Sierra Nevada heeft men haar nog op een hoogte
-van 3000 M. gevonden, omdat hier de sneeuwgrens hooger ligt.
-
-Bij ons komt zij tegenwoordig nog slechts in enkele beken
-van Gelderland voor; zij is hier hoogst zeldzaam, doch was in
-vroegeren tijd algemeener. Ook vindt men haar in het riviertje de
-Geul bij Maastricht. Door het overbrengen van de jonge vischjes
-uit de inrichtingen voor kunstmatige vischteelt naar onze rivieren
-worden echter ook in andere deelen van Nederland nu en dan Forellen
-gevangen. Deze zijn bij de visschers onder den naam van "Schotsche
-Zalmpjes" bekend.
-
-Wat behendigheid en snelheid van beweging betreft, wordt de Rivierforel
-hoogstens door enkele van hare verwanten, misschien echter door geen
-anderen riviervisch overtroffen. Waarschijnlijk moet men haar tot
-de Visschen met nachtelijke levenswijze rekenen; alle waargenomen
-feiten pleiten althans ten gunste van de stelling, dat zij eerst tegen
-den avond haar hoogste mate van beweeglijkheid openbaart en vooral
-gedurende den nacht haar belangrijksten arbeid verricht, d. w. z.,
-voor haar voeding zorgt. Over dag verschuilt zij zich gaarne onder
-overhangende steenen aan den oever of in andere holen en schuilhoeken,
-die door de steenmassa's van het door haar bewoonde water gevormd
-worden. Wanneer echter op dien tijd in haar omgeving een volslagen
-stilte heerscht, vertoont zij zich ook dan in 't open water. Steeds
-den kop stroomopwaarts gericht houdend, "staat" zij soms een kwartier
-of langer op dezelfde plaats, schijnbaar bewegingloos, hoewel zij in
-werkelijkheid door beweging van de vinnen zich op dezelfde plaats
-moet houden. Soms schiet zij plotseling pijlsnel door het water,
-met bewonderenswaardige behendigheid steeds den hoofdstroom vindend,
-zoodat zij in ondiepe beken haar weg kan vervolgen, zelfs op plaatsen
-waar het zwemmen onmogelijk schijnt te zijn. Wanneer zij opgeschrikt
-wordt, tracht zij, voor zoover hiertoe gelegenheid bestaat, steeds
-weer een schuilhoek te bereiken en zich hierin te verbergen: zij is
-een van de voorzichtigste en schuwste Visschen. Om stroomafwaarts
-te komen, laat zij zich soms, den kop tegenstroom gericht, langzaam
-drijven; soms echter schiet zij met inspanning van al hare krachten
-zoo vlug door het water, dat de snelheid van haar beweging die van
-den stroom ver overtreft. Zoolang zij stil staat, loert zij op buit
-en overziet zorgvuldig haar jachtgebied, het water naast en vóór
-haar, de waterspiegel of de lucht boven haar. Wanneer een Insect,
-hetzij klein of groot, haar uitkijkplaats nadert, wacht zij, zonder
-eenige beweging te maken, totdat het op den gewenschten afstand
-gekomen is, doet dan buitengewoon snel één of meer krachtige slagen
-met de staartvin en springt, door het water voortschietend of boven
-de oppervlakte zich verheffend, op den begeerden buit toe. De jonge
-Forel maakt bij voorkeur jacht op Insecten, Wormen, Bloedzuigers,
-Slakken, Vischlarven, kleine Visschen en Kikvorschen. Zoodra zij
-echter 1 à 1.5 KG. zwaar geworden is, wedijvert zij in vraatzucht
-met iederen roofvisch van haar grootte, doet althans voor den Snoek
-weinig onder en overvalt ieder levend wezen, dat zij overmeesteren kan,
-haar eigen kroost niet uitgezonderd.
-
-De voortplantingsverrichtingen van de Forel nemen een aanvang in het
-midden van October en houden soms aan tot in December. Het kuitschieten
-heeft plaats in ondiep water op grintgrond of achter groote steenen,
-voor zoover hier een snelle strooming voorkomt. Vóór het leggen maakt
-het wijfje door vlugge beweging van den staart een meer of minder
-groote, ondiepe kuil in den bodem, laat hierin de eieren vallen,
-bedekt ze door opnieuw den staart te bewegen en laat ze vervolgens aan
-hun lot over. De jongen, die na ongeveer 6 weken uitkomen, blijven
-in het eerst eenigen tijd bewegingloos liggen op de broedplaats;
-hoogstens bewegen zij hunne kleine borstvinnen; dit duurt totdat zij
-den inhoud van den dooierzak verbruikt hebben en behoefte aan ander
-voedsel beginnen te gevoelen. Aanvankelijk zijn zij tevreden met
-de allerkleinste waterdiertjes, later maken zij ook wormpjes buit,
-vervolgens Insecten en pas geboren vischjes. Met hun grootte neemt ook
-hun roofzucht toe. Drie maanden nadat zij als vormelooze schepseltjes
-uit het ei kwamen, zijn zij welgevormde, sierlijke vischjes geworden,
-die, evenals de meeste overige Zalmvisschen, een jeugdkleed dragen,
-waarop donkerbruine dwarsbanden zichtbaar zijn. Omstreeks dezen tijd
-gaan de broers en zusters uiteen, om plaatsen op te zoeken waar zij
-op dezelfde wijze werkzaam kunnen zijn als hunne ouders.
-
-De jonge Forellen worden door vele vijanden bedreigd en in gevaar
-gebracht. Nog voordat zij het ei verlaten hebben, richten de op den
-bodem levende Visschen, vooral de Kwabben, een groote slachting onder
-hen aan; de Waterspreeuw pikt er ook wel een aantal van op; zelfs de
-onschuldige Kwikstaart zal er vermoedelijk eenige verslinden. Van
-de zelfstandig geworden jongen vallen er verscheidene ten buit aan
-de reeds genoemde Kwabben en aan andere roofvisschen, vooral aan de
-oudere Forellen. Als het vischje zoo ver ontwikkeld is, dat het zelf
-rooven kan, heeft het nog in de Waterspitsmuis, de Waterrat en den
-Vischotter vijanden, waartegen het niet opgewassen is.
-
-De gegronde klachten over de vermindering van het aantal onzer
-zoetwatervisschen, hebben ongelukkig ook betrekking op de Forellen; de
-mogelijkheid bestaat echter om wateren, die voor deze Visschen geschikt
-zijn, er weder mede te bevolken: men kan ze op doeltreffende wijze
-kweeken en opvoeden. Geen andere soort van Zalmvisch is zoo goed als de
-Forel geschikt om gefokt te worden; zij gedijt in bronnenrijke vijvers
-even goed als in beken, groeit snel en brengt een hoogen prijs op.
-
-
-
-Een te recht buitengewoon hoog geschat lid van het Zalmengeslacht--de
-Roode Forel (Salmo salvelinus)--bewoont in meer of minder groot aantal
-de meren van de Middel-Europeesche, Noord-Russische en Skandinavische
-bergstreken. Haar langwerpige en zijdelings eenigszins samengedrukte
-romp is in verband met verschil van leeftijd, sekse en verblijfplaats
-zeer ongelijk van vorm; de vinnen zijn tamelijk lang, de buikvinnen
-onder de rugvin aangehecht. Ook de kleur is aan veel afwisseling
-onderhevig. Bij vele exemplaren gaat de blauwgrijze kleur van den rug
-op de zijden langzamerhand in wit over, dat meer of minder geelachtig
-kan zijn en op den buik vervangen wordt door een levendig oranjeroode
-kleur, die vooral gedurende den paaitijd duidelijk uitkomt; aan de
-zijden van den romp bevinden zich dikwijls ronde, lichte plekken,
-die in de nabijheid van den buik, al naar de kleur die deze heeft,
-soms witachtig, soms geelachtig, soms oranjerood zijn; zulke vlekken
-treft men soms ook op het onderste deel van de rugvin aan. Bij jonge
-exemplaren raken deze vlekken elkander soms, waardoor een gemarmerde
-teekening ontstaat. Ook donkerder kleuren komen voor; de buik kan
-vermiljoenrood, de rug bruinachtig groen zijn. De Roode Forel kan een
-lengte van 80 cM. bereiken en 10 KG. zwaar worden; gewoonlijk is haar
-lengte niet grooter dan 30 cM., haar gewicht ongeveer O.5 KG.
-
-Deze soort bewoont uitsluitend meren van echte bergstreken; in de Alpen
-wordt zij op geen geringer hoogte dan 2000 M. boven den waterspiegel
-aangetroffen; in den regel bezoekt zij de rivieren, die in deze meren
-uitmonden, niet eens gedurende den paaitijd. Evenals de Houtingen
-brengt de Roode Forel in diepe waterlagen het grootste deel van haar
-leven door; evenals deze voedt zij zich hoofdzakelijk met kleine
-wezens, vooral met verschillende Schaaldieren. Ook kleine Visschen
-worden trouwens niet door haar versmaad; waarschijnlijk voeden
-de zeer groote exemplaren zich grootendeels met deze prooi. Het
-kuitschieten neemt tegen het einde van October een aanvang en
-duurt tot in het einde van November; in enkele meren misschien
-nog langer. In dezen tijd stijgen de Roode Forellen omhoog naar
-het minder diepe water bij den oever, waar de broedplaats is van
-hare eieren. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk, maar groeien
-minder snel dan de Gewone Forellen. Beide soorten bewonen dikwijls
-hetzelfde meer; toch heeft er in de vrije natuur nooit kruising
-plaats. In de inrichtingen voor kunstmatige vischteelt evenwel
-is het in de laatste jaren dikwijls gelukt van Forellen en Roode
-Forellen hybriden te verkrijgen, die, naar men zegt, zich door
-voortreffelijke eigenschappen onderscheiden, sneller groeien dan
-de Roode Forel en smakelijker zijn dan de Gewone. Door kunstmatige
-vischteelt heeft men het aantal van deze Visschen in enkele meren
-aanmerkelijk doen toenemen. Men vangt de Roode Forel hoofdzakelijk
-gedurende den paaitijd, meestal in groote vleugelnetten, die door
-vier mannen in twee schuiten aan land getrokken worden en dikwijls
-een groote hoeveelheid visch opleveren. Het vleesch van deze soort
-wordt hooger geschat dan dat van eenigen anderen Zalmvisch.
-
-
-
-De Donau-zalm (Salmo hucho), heeft een langwerpigen, rolvormigen
-romp; de groenachtige, donkerbruine of blauwachtig grijze kleur van
-den bovenkop en den rug gaat op de zijden langzamerhand over in de
-zilverwitte kleur van den buik; de kop en de romp zijn in meerdere
-of mindere mate met kleine donkergrijze of zwartachtige stippeltjes
-bezet, waartusschen (vooral op den kruin, het kieuwdeksel en den rug)
-grootere, zwarte vlekken voorkomen; deze vlekken nemen verder naar
-achteren en naar onderen een halvemaanvormige gedaante aan. Bij zeer
-oude Visschen is de grondkleur lichtrood. De vinnen zijn witachtig
-en ongevlekt, de rugvin en de staartvin onzuiver van kleur. De lengte
-bedraagt 1.5 à 2 M., het gewicht 20 à 50 KG.
-
-Hoewel de Donauzalm, volgens Pallas, ook de stroomen, die in de
-Kaspische Zee uitmonden, bewoont, hebben latere onderzoekers hem
-uitsluitend in het stroomgebied van den Donau waargenomen; het is
-trouwens twijfelachtig, of hij zich wel naar de zee begeeft, veel
-waarschijnlijker daarentegen, dat hij voortdurend in den hoofdstroom
-en zijne uit de Alpen afkomstige bijrivieren blijft. Wel heeft men
-soms ook in de rivieren, die uit het noorden naar den Donau stroomen,
-enkele Donauzalmen gevangen; dergelijke gevallen moeten echter als
-uitzonderingen worden beschouwd. Het is wel mogelijk, dat hij gedurende
-den paaitijd uit den hoofdstroom in de bijrivieren overgaat en deze
-opzwemt, waarschijnlijk begeeft hij zich echter niet tot grooter
-hoogte dan 1000 M. Zijn aard is die van een echten Zalm; in verband
-met zijn aanzienlijke grootte is hij echter vraatzuchtiger dan al
-zijne verwanten. In tegenstelling met deze besteedt hij de maanden
-April en Mei aan de voortplanting; bij gunstige weersgesteldheid neemt
-het kuitschieten echter reeds in Maart een aanvang. Tegen dezen tijd
-verlaten de Donauzalmen het sterk stroomend water, waarin zij zich
-bij voorkeur ophouden, zoeken ondiepe plaatsen op, welker bodem met
-grint bedekt is, en maken hierin met den staart een groeve, die tot
-bergplaats dient van de eieren. Gedurende het leggen letten zij zoo
-weinig op hetgeen er in hun omgeving voorvalt, dat men met een boot
-over hen heen kan varen zonder ze te verjagen.
-
-Het witachtige vleesch van dezen Visch is veel minder smakelijk dan
-dat van den Zalm en wordt lager geschat dan dat van de Zalmforel. Men
-vangt den Donauzalm in groote netten of met den hengel; soms kan
-men hem, terwijl hij rustig in een diepe waterlaag staat, met een
-harpoen of met een kogel dooden. Indien hij niet zoo vraatzuchtig
-was en niet zoo dikwijls te lijden had van een bij de Visschen veel
-voorkomende huidziekte, zou het zeer wel mogelijk zijn hem te kweeken
-in vijvers, die een aanhoudenden toevoer van zacht water ontvangen,
-daar hij hierin goed gedijt.
-
-
-
-De Spieringzalmen (Osmerus) hebben kleine of middelmatig groote,
-glanslooze, spoedig losgerakende schubben op hun doorschijnend lichaam;
-de lange bovenkaaksbeenderen reiken tot onder den achterrand van het
-oog; de mondspleet is dus zeer wijd; alle beenderen van den bek,
-ook de vleugelbeenderen en de tong, dragen tanden; deze zijn het
-grootst op het voorste uiteinde van het zeer korte ploegschaarbeen en
-van het tongbeen, zeer fijn aan den rand van tusschen- en bovenkaak,
-waar zij op een enkele rij staan; de ver vooruitstekende onderkaak
-heeft, behalve een buitenste rij zeer fijne, een binnenste rij van
-grootere tanden. De valsche kieuwen zijn aanwezig, maar rudimentair.
-
-
-
-Bij de belangrijkste soort van dit geslacht, die de Spiering
-of Spierling, in Friesland Spjirring wordt genoemd (Osmerus
-eperlanus), zijn de omtrek van romp en kop, de grootte en de kleur
-zeer verschillend. De bovendeelen zijn gewoonlijk grijs, de zijden
-zilverkleurig met blauwachtigen of groenachtigen weerschijn, de
-onderdeelen roodachtig. De lengte bedraagt meestal 13 tot 20 cM.,
-bij uitzondering 25 à 30 cM.
-
-Vele kuststreken van Noord-Europa en de oostkust van Noord-Amerika
-zijn zeer rijk aan Spieringen. In Europa schijnen zij zich
-voornamelijk op te houden in de Noordzee en de Oostzee; men vindt
-hen echter ook in het Kanaal niet zelden; ook bewonen zij de haffen
-en groote zoetwatermeren langs de Oostzeekust in meer of minder
-grooten getale. Sommige dierkundigen onderscheiden een Zee- en een
-Zoetwater-spiering. Gene zwemt om kuit te schieten de rivieren op,
-waar zijne jongen geruimen tijd blijven. Volgens Van den Ende zwemmen
-de Spieringen van de Zuiderzee den IJsel op in Februari en Maart; in
-de lente en den zomer worden zij op deze rivier tot voorbij Zutfen,
-doch nooit hooger dan Doesburg gevangen; na een zeer langdurigen
-winter treft men niet voor April te Zutfen Spiering aan. Dat er het
-geheele jaar door op het Hollandsch Diep Spiering wordt gevischt,
-schijnt te pleiten voor de opvatting, dat men hier met een in zoetwater
-blijvenden vorm te doen heeft; het is althans nooit gebleken, dat hij
-een uit zee binnenvallende trekvisch zou zijn. Bijzonder overvloedig
-verschijnt de zoogenaamde Zeespiering in de monden van de Elbe en
-den Wezer, zelden op de kusten van Holstein, Mecklenburg en Pommeren,
-in buitengewoon groot aantal daarentegen in het Kurische Haf. Dit haf
-wordt ook bewoond door de Zoetwaterspiering, die nergens anders de
-zee bezoekt en vooral in de zoetwatermeren van Oost-Pruisen, Pommeren,
-Brandenburg, Mecklenburg en Holstein voorkomt. Beide vormen zijn steeds
-tot talrijke gezelschappen vereenigd, die zich gedurende den winter
-in de diepte verborgen houden en zich eerst in Maart en April in de
-bovenste waterlagen vertoonen, om met het oog op de voortplanting
-stroomopwaarts te reizen. De Spieringscholen trekken nooit zoover als
-de overige Zalmvisschen, hoewel zij zich tot diep in het binnenland
-begeven, in de Elbe tot Anhalt en Saksen, in den Wezer tot Minden,
-in de Seine tot Parijs den stroom opzwemmen. Nadat zij in het begin
-van April hunne kleine, gele eieren op zandige plaatsen hebben gelegd,
-keeren zij naar de zee of de meren terug.
-
-"Gedurende vele maanden van het jaar," schrijft Dr. Hoek, "is op het
-Hollandsch Diep en Haringvliet voor den ankerkuil en de staalboomen
-de vangst van Spiering hoofdzaak: met name is dit het geval in den
-winter en voorjaarsmaanden, terwijl gedurende de zomermaanden, althans
-voor de "eigen" schokkers, de aasvisscherij de spieringvangst geheel
-verdringt. De kantoren blijven echter het geheele jaar door--de
-maanden van den gesloten tijd (1 April tot 15 Juni) natuurlijk
-uitgezonderd--Spiering vangen en ten verkoop opzenden. Hoewel
-van Mei tot Juli of Augustus het aantal Spieringen niet groot is,
-ontbreken zij echter ook in dezen tijd niet. De grootste op het
-Hollandsch Diep gevangen Spieringen, die wij zagen, waren 25 à 26
-cM. lang. De waarde van de Spiering is aan zeer groote schommelingen
-onderhevig. Bij zeer hooge markt, zoowel te Parijs als te Londen,
-maakten de kantoren voor één grooten Spiering 6 à 8, soms zelfs 10 à
-12 cents. Als de hoeveelheid Spiering niet aanzienlijk genoeg is om
-ze te verzenden, wordt zij in de plaatsen, waar de visschers thuis
-behooren, verkocht. Ook dan wisselt de prijs zeer sterk af. Als de
-prijs laag is, brengt de groote Spiering 60 à 75 cents de honderd op,
-terwijl voor een mandje van ongeveer 100 stuks kleine Spiering (10 à
-12 cM. lang) 10 à 15 cents wordt betaald." Van Juni tot Februari is de
-Spiering zeer menigvuldig in de Zuiderzee, waar in sommige jaren meer
-dan 1 millioen KG. van dezen Visch gevangen wordt, o.a. in 1895 toen
-de opbrengst van de Zuiderzee-spieringvisscherij ruim f55000 bedroeg.
-
-Den naam Osmerus en ook den Duitschen naam "Stint" dankt de Spiering
-aan zijn eigenaardige lucht, welke met die van bedorven augurken
-vergeleken wordt. Toch wordt dit vischje als zeer smakelijk geroemd
-en is op vele plaatsen zeer gezocht. Soms vangt men de Spieringen in
-zulk een ontzaglijke hoeveelheid te gelijk, dat men ze voor een groot
-deel als mestspecie moet gebruiken. Men geeft ze ook wel aan kostbare,
-in vijvers gekweekte Visschen als voedsel.
-
-
-Een van de kleinste Zalmvisschen, de Kapelaan (Mallotus villosus),
-bewoont in ontzaglijke hoeveelheid de IJszee en is van zeer
-groot belang voor de visscherij aldaar. Het geslacht der Lodden,
-waarvan hij de eenige vertegenwoordiger is, kenmerkt zich door een
-slanke gestalte, kleine schubben, zeer groote, ronde borstvinnen,
-ver naar achteren verschoven rugvinnen en zwakke, borstelvormige
-tanden op de kaken, het gehemelte en de tong. De kleur van den rug
-is donkergroen met bruinachtigen weerschijn, die van de zijden en van
-den buik zilverwit met vele zwarte stippels; de vinnen zijn grijs en
-hebben een zwarten rand. De mannetjes en wijfjes vertoonen een vrij
-aanzienlijk verschil. De lengte wisselt af van 14 tot 18 cM.
-
-Het verbreidingsgebied van den Kapelaan ligt tusschen 64 en 75°
-N.B. Men vindt hem bij de kust van Finmarken, IJsland en Groenland; in
-wonderbaarlijke menigte verschijnt hij echter gedurende den paaitijd op
-de Bank van Newfoundland. Evenals hunne verwanten houden deze Visschen
-zich gedurende den winter in de diepten der zee op en beginnen eerst
-in Maart op te stijgen naar de ondiepere paaiplaatsen. Zij vereenigen
-zich daarbij tot scholen, die 50 zeemijlen lang en breed zijn. Deze
-dringen met gesloten gelederen in alle bochten en riviermonden door,
-zoodat de bovenste waterlagen geel gekleurd worden door hunne eieren,
-die dikwijls bij hoopen op het strand worden geworpen; met korte
-netten kan men ze letterlijk bij millioenen uit de zee scheppen;
-voor de arme bewoners van Groenland zijn zij nagenoeg even belangrijk,
-als voor ons het brood is. In Noorwegen wordt de Kapelaan in 't geheel
-niet gebruikt wegens zijn geringe grootte en zijn onaangename lucht;
-op IJsland eet men hem in verschen toestand, wanneer er geen andere
-Visschen zijn: in Groenland echter vormen deze Visschen, na in de
-lucht gedroogd te zijn, een belangrijk deel van den leeftocht voor
-den winter. Nog belangrijker is de Kapelaan als aas voor de vangst
-van Kabeljauwen. Behalve door Meeuwen, Zeezwaluwen en Zeehonden
-worden zijne scholen gevolgd door allerlei roofvisschen, die zich met
-dezen buit voeden en zoolang de paaitijd van de Lodden duurt, niets
-anders eten. Voor de helft van de Kabeljauw, die men op de Bank van
-Newfoundland vangt, dient de Kapelaan als lokaas; millioenen Visschen
-zijn hiervoor noodig; bovendien worden er millioenen gezouten, in de
-zon gedroogd, in tonnen gepakt en later voor 't zelfde doel gebruikt.
-
-
-
-De middelmatig groote en kleine Zalmvisschen, die men in het geslacht
-van de Houtingen (Coregonus) samenvat, hebben een zijdelings
-eenigermate samengedrukten romp, een kleinen, nauwen mond, die
-tandeloos is of met zeer fijne, licht uitvallende tanden gewapend,
-middelmatig groote, spoedig uitvallende schubben, een kleine vetvin en
-een hooge rugvin, waarvan de aanhechtingsplaats een weinig vóór die van
-de buikvinnen gelegen is. De 40 soorten van dit geslacht bewonen de zee
-langs de kust en het zoetwater van het noordelijk halfrond en komen in
-gestalte en levenswijze zoozeer overeen, dat het in vele gevallen zeer
-moeielijk is voor deze vormen en hunne verscheidenheden kenmerken op te
-geven, waardoor men ze met zekerheid kan onderscheiden. In Nederland
-vindt men twee, in Duitschland minstens 6 soorten van dit geslacht;
-de Houtingen, die de meren van Groot-Brittannië, Skandinavië en
-Rusland bewonen, worden meestal tot andere soorten gebracht.
-
-
-
-De Blauwe Houting, het Blaufelchen (Coregonus Wartmanni), is slanker
-gebouwd dan al zijne Duitsche verwanten. De bovenloop en de rug
-vertoonen op lichtblauwen grond een zilveren weerschijn; de zijden
-van kop en romp zijn zilverwit; de zijdestreep is zwart gestippeld;
-de vinnen zijn geelachtig wit met breeden, zwarten zoom. Gemiddeld,
-wordt hij 30 à 50 cM. lang en 2 à 3 KG. zwaar; hij kan echter een
-lengte van 60 cM. bereiken. Zoowel de vorm als de kleur varieeren
-zeer sterk.
-
-De Blauwe Houting bewoont de meeste groote Zwitsersche, Beiersche
-en Oostenrijksche meren, die aan de noordzijde van de Alpen gelegen
-zijn. In den regel houden deze Visschen zich, evenals de meeste van
-hunne verwanten, in de diepste plaatsen der meren op, niet zelden op
-een diepte van 200 M. onder den waterspiegel, slechts bij uitzondering
-in waterlagen van 40 à 100 M. diepte. Bij onweders en warme regenbuien
-naderen zij, naar men zegt, de oppervlakte tot op een afstand van
-20 of nog minder M., om zich, zoodra het koeler wordt, weer naar de
-diepte te begeven. In de rivieren gaan zij nimmer over en trekken
-dus ook niet van het eene meer naar het andere. Hun voedsel bestaat
-hoofdzakelijk uit zeer kleine waterdieren, die op groote diepte leven
-en die de natuuronderzoekers voor een deel eerst door het onderzoek
-van den inhoud der maag dezer Visschen hebben leeren kennen. Bovendien
-eten de Blauwe Houtingen de slijmerige stof, die den bodem van het
-meer bedekt en uit allerlei lagere dieren en planten in hunne eerste
-ontwikkelingstoestanden bestaat. Tot hun buit behooren ook vele kleine
-Schaaldieren, Waterslakken, Wormen en larven van Insecten.
-
-Gedurende den paartijd gedragen de Blauwe Houtingen zich op
-soortgelijke wijze als de Haringen. Van het midden van November
-(iets vroeger of iets later, al naar de weersgesteldheid) tot in
-December, dus gedurende een tijdperk van 3 weken, verschijnen zij in
-tallooze scholen aan de oppervlakte der meren; soms begeven zij zich
-zoo ver naar boven, dat hunne rugvinnen zichtbaar zijn; soms blijven
-zij, afgeschrikt door de lage temperatuur der bovenste waterlagen,
-door sneeuwvlagen, ijsschotsen, enz., verscheidene meters onder den
-waterspiegel. Zij dringen er zoo dicht opeen, dat hun huid door het
-tegen elkander schuren beschadigd wordt, een deel van haar buitenste
-laag en zelfs een aantal schubben verliest, welke huidwoekeringen
-het water over een aanmerkelijke uitgestrektheid bedekken en troebel
-maken. Zelfs loopt het leven dezer dieren gevaar door de drukking,
-die zij van elkander ondervinden.
-
-De Blauwe Houting is voor het Bodenmeer, wat de Haring is voor
-de Noordzee. Beider vangst brengt een groote bedrijvigheid
-teweeg. Gedurende den zomer varen dagelijks een groot aantal
-uitsluitend voor de vangst van dezen Visch bestemde booten het meer
-op; waarschijnlijk maakt iedere boot gemiddeld wel 100 Houtingen
-buit. Bij koud weder is trouwens de opbrengst aanmerkelijk minder;
-zeer slecht weder maakt deze visscherij geheel onmogelijk, omdat de
-Blauwe Houtingen zich dan begeven naar diepten, waarvoor men nog geen
-geschikte netten heeft vervaardigd. In den paaitijd maakt men gebruik
-van groote diepgaande netten, waarmede deze Visschen bij honderden
-in één trek worden opgehaald. De prijs van deze vischsoort mag in
-verhouding tot haar kwaliteit gering heeten.
-
-
-
-De Witte Houting of Bodenrenke (Coregonus fera) bewoont dezelfde
-meren als de vorige soort; zij onderscheidt zich van deze door een
-stomperen, korteren snuit en een korteren, meer gedrongen staart;
-de kleur stemt over 't geheel genomen met die van de Blauwe Houting
-overeen, met dit verschil, dat de donkere kleur van den rug niet zoo
-levendig is en minder ver op de zijden afdaalt. Deze soort kan een
-lengte van minstens 60 cM. en een gewicht van meer dan 3 KG. bereiken
-en wordt dus aanmerkelijk grooter dan de vorige.
-
-De Witte Houting is een van de beste Visschen, die in de Zwitsersche
-meren leven; van groot belang is hij ook door zijn veelvuldigheid;
-men kan hem het geheele jaar door vangen, ook in den winter, als er
-geen Blauwe Houtingen gevischt worden. In den winter maakt men voor
-dit doel gebruik van netten; in den zomer, vooral in Mei en Juni,
-van den hengel. De gevangen exemplaren sterven bijna oogenblikkelijk,
-zelfs wanneer men ze zorgvuldig uit het water schept.
-
-Over de kwaliteit van dezen Visch zijn de meeningen verdeeld. Eenigen
-geven aan den Witten Houting de voorkeur boven den Blauwen; anderen
-oordeelen juist andersom.
-
-
-
-Nog heeft men niet met zekerheid kunnen uitmaken of de Marene
-(Caregonus maraena), die het Madu-meer tusschen Stettin en Stargard en
-het Schaalmeer in Lauenburg bewoont en die uit het eerstgenoemde water
-in verscheidene meren van Brandenburg en Pommeren is overgeplant,
-als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd of slechts een
-verscheidenheid van den Witten Houting is. De overeenkomst in vorm
-en levenswijze schijnt voor de laatstgenoemde meening te pleiten;
-het verschil tusschen deze beide verwante Visschen is gering en
-bepaalt zich hoofdzakelijk tot den vorm van den snuit. Beide hebben
-nagenoeg dezelfde kleur: de rug is blauwachtig, de buik zilverwit,
-de zijdestreep met witte stippels geteekend. De lengte bedraagt 60
-of meer cM., het gewicht 7 à 8 KG.
-
-Evenals de Witte Houting leeft de Marene steeds op zeer aanzienlijke
-diepten, die zij eerst in 't midden van November, haar paartijd,
-verlaat; ook zij kiest voor 't kuitschieten betrekkelijk ondiepe
-plaatsen op geringen afstand van den oever. Haar voedsel bestaat uit
-soortgelijke dieren als door de andere Houtingen gegeten worden.
-
-Het meest vangt men dezen Visch des winters onder het ijs in zeer
-groote netten; in sommige jaren is deze visscherij ook in de lente,
-in andere in den herfst van beteekenis. Hoewel de Marenen sterven,
-zoodra zij uit het water gehaald zijn, kan men ze in sneeuw en
-ijs gepakt tamelijk ver verzenden; ook worden zij wel, evenals de
-Witte Houting, gezouten en gerookt. In de lente wordt deze Visch als
-bijzonder lekker geprezen.
-
-
-
-In de Zuid-Duitsche meren leeft ook de Winterhouting of Kilch
-(Caregonus hiemalis), zoo geheeten, omdat hij in den winter
-kuitschiet. Zijn lengte bedraagt hoogstens 40 cM., meestal minder,
-en is dus aanmerkelijk geringer dan die van zijne reeds genoemde
-verwanten, van welke hij zich bovendien onderscheidt door de kortheid
-van den romp en de sterkere kromming van den rug. De kleur van den
-bovenkop is geelachtig wit, die van de zijden en van de kieuwdeksels
-zilverwit; de overige deelen van den romp zijn licht bruinachtig
-grijs, de vinnen kleurloos, maar, met uitzondering van de borstvinnen,
-zwartachtig gezoomd.
-
-Vóór de onderzoekingen van Von Siebold kende men den Winterhouting
-alleen als bewoner van de Bodensee; de genoemde onderzoeker vond
-hem ook in de Ammersee en is van oordeel, dat men hem ook in andere
-Alpenmeren zal aantreffen. Verklaarbaar wordt onze onbekendheid
-met dezen Visch, als men bedenkt, dat hij zich steeds op een diepte
-van 70 à 90 M. ophoudt en slechts tegen het einde van September in
-hoogere lagen komt om kuit te schieten. Zijn voedsel stemt, naar uit
-het onderzoek van den inhoud van maag en darm gebleken is, volkomen
-overeen met deze levenswijze. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit
-Slakjes, Mossels en slijmerige stoffen, die hij van den bodem van
-het meer opneemt.
-
-"Daar de Winter-houting," zegt Von Siebold, "naar het schijnt, diepere
-gedeelten van de meren bewoont dan onze Houtingen, zal hij eerder dan
-deze in opgeblazen toestand verkeeren, wanneer men hem met een net uit
-zijne diepe verblijfplaatsen ophaalt. Wegens deze eigenschap is hij
-in de omstreken van de Bodensee bekend onder den naam van Krophouting
-(Kropffelchen). Op een diepte van 80 M. is de Winterhouting en zijn
-met lucht gevulde zwemblaas aan een waterdrukking van ongeveer 7 1/2
-atmospheren blootgesteld. Gedurende het ophalen van den Visch neemt
-deze drukking zeer schielijk af om geheel op te houden, zoodra hij
-aan den waterspiegel is gekomen, waar alleen de dampkringsdrukking
-op hem werkt. In dezelfde reden als de spanning van de lucht in de
-zwemblaas vermindert, zal haar volume toenemen, daar de zwemblaas en
-de voor een deel zeer dunne wanden van de buikholte geen weerstand
-kunnen bieden aan de uitzetting. Hierdoor zal de buik van den Visch
-een wanstaltige vervorming ondergaan; het rekken en verschuiven van de
-buikingewanden en de vermeerderde drukking op de bloedvaten veroorzaken
-den schielijken dood van den trommelzuchtig geworden Visch."
-
-Aan het vooruitsteken van de onderkaak, waardoor de kin de spits van
-den snuit vormt, onderscheidt men de Kleine Marene (Coregonus albula)
-van al hare Middel-Europeesche verwanten. In kleur stemt zij er mede
-overeen: de bovendeelen zijn blauwachtig grijs, de zijden en de buik
-glanzig zilverwit, de rugvin en de staartvin grijs, de overige vinnen
-witachtig. Haar lengte bedraagt gewoonlijk slechts 15 à 20, maar kan
-bij uitzondering stijgen tot 25 cM. en nog iets hooger.
-
-In Duitschland wordt de Kleine Marene vooral in de meren van Posen,
-Oost- en West-Pruisen, Silezië, Brandenburg, Mecklenburg en Holstein
-gevonden; hoogst waarschijnlijk behoort echter de Houting, die op
-het Skandinavische schiereiland en in Noord-Rusland aangetroffen
-wordt, ook tot deze soort. In enkele meren van Schotland, die zij
-eveneens bewoont, werd zij, volgens de overlevering, door Maria Stuart
-ingevoerd. In de Oostzee vindt men haar, volgens Möbius en Heincke,
-niet zelden in de Stockholmer Scheren en in de Botnische Golf. In
-de Finsche Golf komt zij weinig voor. Een exemplaar werd in de haven
-van Kiel gevangen. Door Dr. Hoek werd er in 't laatst van Nov. 1886
-één aangetroffen in den ankerkuil van een schokker, die in de Nieuwe
-Merwede vischte.
-
-Door levenswijze en gewoonten gelijkt de Kleine Marene op de Houtingen,
-die, evenals zij, de meren bewonen. Buiten den paaitijd houdt zij zich
-steeds in diepe waterlagen van de meren op; in de maanden November en
-December verschijnen deze Visschen in dicht opeengedrongen scholen aan
-de oppervlakte, bewegen zich met ver hoorbaar gedruisch; ook trekken
-zij wel, door de grootere watervlakte aangetrokken, van het eene meer
-naar het andere. Hunne eieren laten zij in het open water vallen.
-
-Te recht wordt de kleine Marene als een buitengewoon smakelijke Visch
-beschouwd, welks vangst wel eenige moeite waard is. In Pommeren
-en Mecklenburg wordt zij gewoonlijk 's winters van onder het ijs
-opgehaald, in Masuren meestal bij 't trekken van het eene meer naar
-het andere opgevischt.
-
-
-
-De Houting, die bij verscheidene Nederlandsche schrijvers den
-naam Adelvisch draagt (Coregonus oxyrhynchus), leeft in de zee
-en begeeft zich van hier gedurende den paaitijd geregeld naar de
-rivieren. Hij is gemakkelijk te herkennen aan de ver vóór de onderkaak
-uitstekende, van voren in een weeken, kegelvormig verlengden snuit
-overgaande bovenkaak. Hij is 40 à 50, hoogstens 60 cM. lang en O.7
-à 1 KG. zwaar. Zijn kleur is blauwachtig, gedurende den paaitijd
-blauwachtig zwart.
-
-De Noordzee en de Oostzee moeten als het woongebied van den Houting
-beschouwd worden. Van hier begeeft hij zich in Mei, dus reeds lang
-voor het begin van den paaitijd, die, naar gezegd wordt, in de maanden
-September tot December valt, in meer of minder grooten getale in de
-haffen, stroomen en rivieren, die met de zee in gemeenschap staan, en
-zwemt stroomopwaarts. Naar het schijnt, geschiedt dit trekken met een
-zekere regelmatigheid en plaatsen de reizigers zich als Kraanvogels
-in den vorm van een driehoek, komen zeer langzaam vooruit, zoodat de
-weg, die door een school wordt afgelegd, in 24 uur weinig meer dan
-4 KM. bedraagt. Bij ongunstige weersgesteldheid zoeken de Houtingen
-de diepte op om uit te rusten en vereenigen zich later weer om de
-reis voort te zetten. Deze strekt zich veel minder ver uit dan die
-der Zalmen; in de Elbe komen de Houtingen hoogstens tot in de buurt
-van Maagdenburg en Torgau, in den Wezer tot aan het vereenigingspunt
-van Werra en Fulda, in den Rijn tot op de hoogte van Spiers. Na
-het kuitschieten keeren zij vroeger of later naar de zee terug;
-als de jongen een lengte van 8 cM. bereikt hebben, volgen zij hunne
-ouders en verschijnen eerst in geslachtsrijpen toestand weer in de
-rivier. Bij ons is de Houting menigvuldig in de Zeeuwsche stroomen
-en in de Beneden-Maas; hij gaat de Merwede, den Rijn en de Waal op,
-komt ook in den Dollard, de Zuiderzee en den IJsel voor en verdwaalt
-soms in geringen getale door de sluizen tot in den Rijn bij Leiden.
-
-Het witte, malsche en smakelijke vleesch van den Houting wordt zeer
-geschat en versch zoowel als gezouten en gerookt gegeten. Voor de
-visscherij met de handzegen is deze soort niet onbelangrijk; zij begint
-op onze rivieren, zoodra de elftvisscherij heeft opgehouden; ook in
-Noord-Duitschland houdt men zich overal ijverig met deze vangst bezig.
-
-
-
-De zeer groote, ver vóór de buikvinnen beginnende, opmerkelijk
-hooge en lange rugvin, de middelmatig groote, stijve, vastzittende
-schubben, de kleine mondspleet en de fijne tandjes op de kaakranden
-en op de ploegschaar- en gehemeltebeenderen worden beschouwd als de
-kenteekenen van de Vlagzalmen (Thymallus). De vijf soorten van dit
-geslacht bewonen de rivieren van de noordelijke koude en gematigde
-aardgordels. In onze wateren wordt het vertegenwoordigd door den ver
-verbreiden Vlagzalm of Esch (Thymallus vulgaris). Zijn kop is klein,
-de bovenkaak steekt voorbij de onderkaak uit; de rugvin is tweemaal zoo
-lang als de aarsvin. De kleur wisselt in verband met verblijfplaats,
-jaargetijde en leeftijd aanmerkelijk af. Het groenachtig bruin, dat
-op de bovenzijde gewoonlijk de overhand heeft, gaat op de zijden in
-grijs, op den buik in glinsterend zilverwit over; de kop is van boven
-bruinachtig, aan de zijden op geelachtigen grond zwart gevlekt; deze
-teekening breidt zich van voren ook over een deel van den romp uit
-of vormt met de reeksen van schubben bruinachtig grijze, overlangsche
-strepen. De rugvin prijkt met prachtige kleuren en draagt aanmerkelijk
-bij tot verfraaiing van dezen Visch; haar grondkleur is schitterend
-purperrood; dit vormt als 't ware een spiegel, die door 3 of 4 reeksen
-van zwarte vlekken nog duidelijker uitkomt; de parige vinnen hebben een
-vuil geelroode, de aarsvin en de staartvin een paarse kleur. Meestal
-bedraagt de lengte weinig meer dan 30 cM.; zij kan echter tot 60
-cM. toenemen. Het gewicht wisselt af van 0.7 tot 1.5 KG.
-
-De Vlagzalm is onder de Europeesche Zalmvisschen een van de meest
-verbreide soorten; in geheel Middel- en Oost-Europa, in de wateren van
-de Alpen, zoowel als in die van de Noordduitsche en Russische vlakte,
-op het vasteland en in Groot-Brittannië en ook in het Ob-gebied treft
-men hem aan. Hij kiest ongeveer dezelfde wateren tot verblijf als die,
-waaraan de Forel de voorkeur geeft; toch komen niet in alle beken,
-die Forellen bevatten, Vlagzalmen voor, en omgekeerd. In Zwitserland
-zegt men, dat de Vlagzalm de Forel verdrijft. In Nederland heeft men
-hem alleen in het Limburgsche riviertje de Geul aangetroffen.
-
-De Vlagzalm is een echte riviervisch, die meren en groote vijvers
-vermijdt en zelfs volgens proeven, die in Engeland genomen zijn, in
-stilstaand water volstrekt niet gedijt, althans niet geslachtsrijp
-wordt. In de wateren van het gebergte ontbreekt hij zelden; in
-de vlakte daarentegen ontmoet men hem alleen in heldere, niet al
-te diepe rivieren of beken met steenachtigen bodem. Hij houdt van
-rivieren, welker water zoo min te koud is als te warm, waarin plaatsen
-met snellen stroom en met stil water onderling afwisselen. Zijne
-gewoonten gelijken veel op die van de Rivierforel. Evenals deze
-zwemt hij buitengewoon snel, als hij zich beweegt; evenals deze
-blijft hij vaak uren achtereen op dezelfde plaats en houdt dan den
-kop tegen stroom gericht; dikwijls "staat" hij hier zoo rustig, dat
-men hem met de handen uit het water kan nemen. Zijn voedsel bestaat
-uit allerlei waterinsecten en hunne larven; bovendien verslindt
-hij kleine Slakken en Mossels, versmaadt Wormen niet en eet met
-smaak pasgeboren vischjes. Evenals de Forel ziet men hem boven den
-waterspiegel opspringen om voorbijsnorrende Insecten te grijpen; hij
-kan daarom zonder moeite met den hengel gevangen worden. Gedurende
-den paaitijd prijkt hij met een bruiloftskleed, dat zich onderscheidt
-door den hoogeren gloed van alle kleuren en den goudgroen iriseerenden
-glans van de geheele lichaamsoppervlakte. In een vroeg warme lente
-begint hij reeds in Maart eieren leggen; bij ongunstig weer geschiedt
-dit eerst in het laatst van April. Het mannetje en het wijfje, die
-thans meestal bijeenblijven en in een betrekkelijk klein gebied op
-en af zwemmen, graven op zandgrond met den staart een groeve, waarin
-het wijfje eieren legt, die door beide gemeenschappelijk met zand en
-kleine steentjes bedekt worden. De jongen komen gewoonlijk in Juni
-uit en vertoeven aanvankelijk op de ondiepste plaatsen van het water,
-waarin zij geboren zijn, groeien echter zeer snel en nemen spoedig
-de levenswijze van hunne ouders aan.
-
-Vele vijanden maken jacht op de Vlagzalmen; vooral de grootere leden
-van hun eigen soort en verscheidene watervogels vervolgen hen bijna
-even ijverig als de mensch, die hun vleesch met dat van de Forel
-gelijk stelt en het te recht als een buitengewone lekkernij beschouwt.
-
-
-
-"Behalve een groot aantal andere Visschen," verhaalt Schomburgk,
-"brachten de Indianen ons ook den reusachtigsten zoetwatervisch
-van Guyana, den Arapaima; met verbazing maakten wij kennis met dit
-ontzaglijke dier, dat bijna den geheelen corial (of boot) vulde,
-omstreeks 3 M. lang en stellig 100 KG. zwaar was. De eenige rivier
-van Britsch-Guyana, die door de bedoelde Visschen bewoond wordt, is de
-Roepoenoeni; hier echter ontmoet men ze in aanzienlijken getale. Naar
-men zegt, zijn zij eveneens veelvuldig in de Rio Branco, de Rio Negro
-en den Amazonenstroom.
-
-"De Arapaima wordt met den hengel gevangen of met boog en pijl
-gedood. De vangst van deze Visschen is een zeer aantrekkelijk en
-opwekkend jachtbedrijf; meestal komen met dit doel verscheidene
-corials bijeen, die dan over de rivier verdeeld worden. Zoodra de
-gezochte buit zich vertoont, wordt een teeken gegeven, waarop de
-corial, die met de beste schutters bemand is, zonder gedruisch tot
-op een boogschot afstands nadert; de pijl vliegt van het koord en
-verdwijnt met den Visch. Nu begint de algemeene jacht. Zoodra de
-vaan van de pijl aan den waterspiegel zichtbaar wordt, zijn alle
-armen gereed tot het spannen van den boog; de Visch verschijnt en
-begeeft zich weer naar de diepte na nogmaals gewond te zijn door
-een aantal pijlen; een kortere tijdruimte verloopt, voordat hij
-zich opnieuw vertoont en weder door eenige pijlen getroffen wordt;
-eindelijk valt hij den jagers ten buit. Deze vlotten hem nu naar een
-ondiepte, schuiven den corial onder het logge lichaam, scheppen het
-water, dat tegelijkertijd naar binnen drong, uit de boot en keeren
-met gejuich naar de nederzetting terug." Het vleesch van dit dier
-is, volgens Schomburgk, in verschen toestand zeer smakelijk. Andere
-reizigers oordeelen er minder gunstig over. Gezouten en gedroogd wordt
-het bij duizenden van centenaars langs den Amazonenstroom vervoerd
-en van Para tot aan de Peruaansche grens algemeen door Indianen,
-Mestiezen en blanken gegeten. Daar de middelen tot het voorkomen
-van bederf in den regel niet het gewenschte gevolg hebben, wordt
-deze spijs te recht door sommigen afschuwelijk genoemd. Het lange,
-met scherpe tanden bezette tongbeen wordt als rasp gebruikt.
-
-
-
-De Arapaima (Arapaima gigas) behoort tot de slechts 5 bekende soorten
-omvattende familie der Beentongvisschen (Osteoglossidae). Deze is tot
-de keerkringsgewesten beperkt; hare leden hebben een reusachtigen romp,
-welks mozaïekvormig kleed uit harde schubben bestaat; de kop is met
-beenige schilden bedekt; de rugvin en de aarsvin zijn op den staart
-geplaatst en reiken bijna tot aan de staartvin; de kieuwspleet is wijd.
-
-De Arapaima is, volgens Schomburgk, zeer bont van kleur; niet slechts
-de schubben, maar ook de vinnen iriseeren en glinsteren, waardoor
-de meest verschillende tinten en overgangen van donkergrijs, rood en
-blauwachtig rood ontstaan. Sommige exemplaren zijn meer dan 4 M. lang
-en wegen bijna 200 KG.
-
-
-
-Het woord Haring is voldoende om ieder de belangrijkheid van de
-Visschen voor de huishouding van den mensch duidelijk voor den geest
-te doen komen. Zonder stokvisch kan men leven; van de Schollen en de
-meeste andere zeevisschen hebben in den regel alleen de kustbewoners
-genot en voordeel; de zoetwatervisschen leveren op den disch van
-den bewoner van het binnenland een betrekkelijk zeldzaam gerecht; de
-Haring en zijne verwanten echter brengen den zegen van den oogst der
-zee tot in de eenzaamste hut. Zoo eenige Visch als voedsel voor den
-arme aangemerkt kan worden, dan mag de Haring zoo heeten, daar hij,
-wegens zijn lagen prijs voor den behoefstigste nog bereikbaar, in vele
-woningen het vleesch moet vervangen. Geen Visch is onontbeerlijker
-dan deze.
-
-Naar hem is de 60 soorten omvattende familie der Haringvisschen
-(Clupeidae) benoemd. Deze hebben een langwerpig, veelal zeer sterk
-zijdelings samengedrukt lichaam, dat aan den buik meestal scherp
-uitloopt en, behalve aan den kop, met dunne, licht uitvallende schubben
-bedekt is. Alle vinnen worden door gelede stralen gesteund; een vetvin
-komt bij hen niet voor; de rugvin neemt gewoonlijk het midden van den
-rugrand in; de hieronder geplaatste buikvinnen zijn klein en ontbreken
-bij sommige uitheemsche soorten zelfs geheel. De kieuwspleten zijn
-wijd, de oogen groot; de bovenrand van de meestal ver achterwaarts
-verlengde mondspleet wordt in het midden door de tusschenkaaks-,
-aan de zijden door de bovenkaaksbeenderen gesteund. De graten zijn
-fijn en talrijk, de zwemblaas is groot.
-
-Niet alle Haringvisschen bewonen uitsluitend de zee; sommige leden
-van deze familie zwemmen geregeld van zee uit de rivieren op om hier
-kuit te schieten en hebben dus een andere levenswijze dan hunne
-verwanten. Van de belangrijkste vertegenwoordigers der groep kan
-men zeggen, dat zij in hoofdzaken met de Houtingen overeenkomen,
-die in de meren tot op zekere hoogte hetzelfde leven leiden als de
-Haringen in de zee. Buiten den paartijd leven zij op groote diepten;
-de geslachtsdrift noopt hen naar de bovenste waterlagen op te
-stijgen. Alle zonder uitzondering schijnen roofvisschen te zijn, die
-niet slechts kleine waterdieren, maar ook Visschen buitmaken. Hoewel
-zij niet zeer vruchtbaar zijn, is, wegens hun buitengewone talrijkheid,
-het aantal geboorten in ieder jaar zeer groot. Een niet minder
-belangrijke slachting staat hier echter tegenover, zoodat er thans
-reeds voldoende reden bestaat om te overwegen, op welke wijze de mensch
-kan medewerken om de gevolgen, die van het ontzaglijk groote verbruik
-van deze Visschen te duchten zijn, af te wenden door maatregelen tot
-bevordering van hun vermenigvuldiging. Inderdaad bestaan er goede
-gronden voor de vrees, dat de rijkdom van de zee, waaraan wij sedert
-eeuwen voortdurend zulk een overvloedigen oogst ontleenen, verminderen
-zal, en zelfs dat wij, op dezelfde wijze voortgaande als tot dusver,
-weldra met een steeds afnemende opbrengst tevreden zullen moeten zijn.
-
-Ook aan de Haringen--die hun naam ontleenen aan de ontzaglijke heiren
-(legers), welke zij vormen--zullen wij door de instelling van een
-voor de vischvangst gesloten tijd de gelegenheid moeten schenken
-om zich ongestoord te vermenigvuldigen; zoodoende kan het kapitaal,
-welks renten wij noode zouden missen, behouden worden.
-
-Bij de Haringen i. e. z. (Clupea) is de buikkant van den zijdelings
-sterk samengedrukten romp, bij wijze van een zaag getand, daar
-de vrije rand der hier aanwezige kielvormige schubben in een
-achterwaartsgerichten stekel uitloopt; de buitenrand van de breede
-bovenkaak is flauw gebogen. De tanden zijn talrijk en verschillend
-van vorm: de tusschen-, boven- en onderkaaksbeenderen dragen een
-groot aantal zeer kleine, de ploegschaarbeenderen en de tong een
-reeks van grootere tanden; ook op elk gehemeltebeen staan er 2 of 3,
-die spoedig uitvallen. De binnenzijde van de kieuwbogen is met vele
-fijngetakte uitsteeksels bezet, die gezamenlijke als een engmazige
-zeef de keelspleten bedekken en het doordringen van het uit kleine
-diertjes bestaande voedsel in de kieuwholten voorkomen.
-
-
-
-De Haring (Clupea harengus), bereikt, zooals men weet, zelden een
-grootere lengte dan 30 cM., heeft kleine, smalle borst- en buikvinnen,
-een op 't midden van het lichaam aangehechte rugvin, een ver naar
-achteren verschoven, smalle aarsvin, een diep gegaffelde staartvin
-en groote, gemakkelijk losgerakende schubben. De bovendeelen zijn
-fraai zeegroen of groenachtig blauw, de onderdeelen zilverkleurig
-en iriseeren met verschillende tinten, al naar de wijze waarop het
-licht invalt; de rugvin en de staartvin zijn donker, de overige vinnen
-licht van kleur.
-
-Het verbreidingsgebied van den Haring omvat, behalve het noordelijke
-deel van den Atlantischen Oceaan, van Amerika tot Europa, met
-inbegrip van de Oostzee en de Noordzee, ook de zee ten noorden van
-Europa en Azië. De vroeger algemeen heerschende meening, dat deze
-Visch ieder jaar van uit de IJszee naar de Europeesche kusten zou
-trekken, mist allen grond: de Haring houdt zich niet hoofdzakelijk
-in de IJszee op en maakt geen groote reizen. Om het tooneel van zijn
-werkzaamheid te leeren kennen, beschouwe men een dieptekaart van
-de Noordzee; het blijkt dan, welk een ontzaglijk verschil in diepte
-er bestaat tusschen dit voor ons zoo belangrijke vischwater en den
-Oceaan. Groot-Brittannië verheft zich als 't ware boven een hoogvlakte,
-die dit rijk met Frankrijk, België, Nederland, Noord-Duitschland en
-Denemarken verbindt. Deze vlakte, die met het Europeesche vasteland
-een samenhangend geheel zou uitmaken, indien het peil van de zee 200
-M. lager gelegen was, strekt zich van de oostzijde van Engeland tot
-dicht bij Skandinavië uit, maar is van dit steil boven den Oceaanbodem
-oprijzende gebied gescheiden door een diepen en smallen zeearm,
-die zich op eenigen afstand van de kust om het zuidelijke deel van
-Noorwegen kronkelt. De westelijke rand van het Noordzee-plateau is
-echter niet meer dan ongeveer 10 mijlen van de kust van 't Vereenigd
-Koninkrijk en van Bretagne verwijderd; verderop neemt de diepte van
-den Oceaan schielijk tot duizenden meters toe. In deze afgronden houdt
-de Haring zich op, hier zou men hem ten allen tijde kunnen vinden met
-toestellen, die voor het onderzoek van groote diepten geschikt zijn;
-van hier begeeft hij zich in den paartijd naar het Noordzee-plateau om
-eieren te leggen in de nabijheid van de kust, daar voor de ontwikkeling
-zijner jongen water van betrekkelijk geringe diepte vereischt wordt. In
-den eigenaardigen vorm van den zeebodem is een verklaring te vinden
-van het feit, dat de haringvangst op de oostkust van Engeland van
-veel minder beteekenis is dan bij de kusten van Schotland, Ierland,
-Noorwegen en het Kanaal.
-
-Door vergelijking van den vorm, de grootte en den voortplantingstijd
-van de Haringen, die op verschillende paaiplaatsen aangetroffen
-worden, zijn vele onderzoekers tot de overtuiging gekomen, dat
-in deze soort een zeker aantal stammen of rassen moeten worden
-aangenomen, die zich door erfelijke eigenaardigheden onderscheiden. De
-waarschijnlijkheid van het bestaan dezer rassen wordt bevestigd door
-de waarneming, dat zij, gelijk de dieren in 't algemeen doen, naar
-de plaats waar zij geboren zijn, terugkeeren om voort te telen. Elk
-van deze rassen bewoont een gebied van betrekkelijk zeer geringe
-uitgestrektheid, dat nooit overschreden wordt. Met veel zorg heeft
-Nilsson deze verschijnselen nagegaan op de kust van Skandinavië. Aan
-de noordwestkust van Noorwegen beginnend, ontmoet men het eerst het
-paaistation van den Noorschen Zomerharing, die zich kenmerkt door
-een gedrongen vorm, een korten kop en een middelmatige lengte (28
-cM.). Hij komt in Juli en Augustus bij de kust en paait in September
-en October. Verder zuidwaarts, bij Bergen o. a., bevindt zich het
-paaigebied van den Noorschen Winterharing (Vaarsild), de grootste
-van alle, daar hij een lengte van 38 cM. en een hoogte van 6 cM. kan
-bereiken; de lichaamsbouw is minder gedrongen en de kop langwerpiger
-dan bij het vorige ras. Nog verder zuidwaarts, langs de kust van het
-Zweedsche district Götheborg, dus over een uitgestrektheid van nog
-geen 30 uur gaans, treft men den Götheborgschen of Bohus-haring aan,
-die door geringere grootte en anderen vorm van den Vaarsild afwijkt,
-doch denzelfden rijtijd heeft als deze. Het zuidelijkste, 50 uren lange
-gedeelte van Zwedens westkust is het paaigebied van den Kulla-haring,
-wiens grootte en vorm nagenoeg volkomen overeenstemmen met die van
-den Noorschen Zomerharing, terzelfder tijd als deze de kust nadert
-en denzelfden rijtijd heeft. Aan de kust van Zweden komt de Abeka-
-of Kivik-haring voor, die 20 à 23 cM. lang en 3 1/2 à 4 cM. hoog is;
-de mannetjes zijn over 't algemeen kleiner en hebben een korteren kop
-dan de wijfjes. De meeste exemplaren schieten kuit in October, zelden
-in November; er zijn er echter ook (en deze zijn kleiner van stuk),
-die dit reeds in Mei of Juni doen. De Haring, die de zuidoostkust
-van Zweden tot paaiplaats heeft, wordt Strömming genoemd en heeft
-slechts 15 à 20 cM. lengte, hoewel men ook van tijd tot tijd aan de
-noordkust van het district Stockholm exemplaren van geheel denzelfden
-vorm aantreft, die 27 à 33 cM. lang zijn. In de zuidelijkste gedeelten
-van zijn gebied paait de Strömming zoowel van Mei tot in het begin
-van Juni als van Augustus tot half September. In de Botnische Golf
-evenwel, o. a. bij Umea, schiet hij kuit in 't midden van Juni. "Ook
-aan andere kuststreken," schrijft Schlegel, "merkt men verschillen
-op in de grootte der Haring, o. a. is die der Fransche kusten kleiner
-dan die, welke in de Noordzee aan de kusten van Groot-Brittannië door
-onze en andere visschers gevangen wordt. De rijtijd van de Haringen
-van de oost- en zuidkust der Noordzee is evenmin dezelfde in alle
-streken. Bij die, welke op onze Groote- of Pekelharingvisscherij van de
-Shetlandsche eilanden tot aan de noordelijke gedeelten der oostkust van
-Groot-Brittannië gevangen worden, begint de rijtijd in Juli; bij den
-zoogenaamden Steurharing, die gevangen wordt ten oosten der Engelsche
-kust, waarheen onze bomschuiten in September vertrekken, begint hij
-tegen October. De Panharing der Zuiderzee, die zich in sommige jaren,
-gelijk dit b.v. in 1825 tot 1836 het geval was, in ontzaglijke menigte
-vertoont, verzamelt zich daarentegen tot dat einde reeds in de laatste
-maanden van het jaar, tot in het volgende voorjaar."
-
-Naast de Spieringen zijn, volgens Dr. Hoek, Haringen--jongen
-(Zeebliek) en larven (kaf)--in het Hollandsch Diep de meest voorkomende
-Visschen. Beide soorten worden in menigte in den ankerkuil gevangen om
-als aas voor de aalkorven te dienen. De weinige volwassen Haringen,
-die hier aangetroffen worden, verschillen van den Noordzeeharing
-door geringere grootte en door den iets kleineren afstand van rug- en
-buikvin tot den snuit. Zij komen in dit opzicht met den Götheborgschen
-Haring en waarschijnlijk ook met den Zuiderzeeharing overeen. In het
-Hollandsch Diep en het Haringvliet zijn geen paaiplaatsen van den
-Haring bekend. De hier voorkomende exemplaren zijn waarschijnlijk,
-evenals die van de Theems, de Southampton-rivier en den mond der
-rivieren van de Fransche kust geboren uit in zee gelegde eieren;
-als larven zwemmen zij den riviermond op. In dit stadium, dat 2 à 3
-maanden duurt, zijn zij wit, ongeschubd en min of meer doorzichtig,
-in verhouding tot de lengte zeer smal. Onder haar merkt men tweeërlei
-vormen op: lange larven (48 mM.) van "Winterharingen" en korte larven
-(38 1/2 mM.) van "Voorjaarsharingen." Het volgende (of overgangs-)
-stadium kenmerkt zich door een zilverkleed; de vischjes krijgen kleine
-schubben en een naar verhouding grootere breedte. Op het overgangskleed
-volgt het volwassen kleed. Vischjes, die in dezen toestand verkeeren en
-gemiddeld 55 à 60 mM. lang zijn, gelden te Londen onder den naam van
-Whitebait als een lekkernij; als zoodanig hebben de grootere vischjes
-(die van Juli en Augustus) geen waarde meer. "De meeste Zeebliek
-(van 60-80 mM. lengte) wordt op onze benedenrivieren gevangen in den
-eersten tijd na de sluiting." (Van 1 April tot 15 Juni is het visschen
-met de ankerkuil op een bepaald deel van de benedenrivier verboden,
-maar wordt in het zeegat voortgezet.) "Dat men ze bijkans het geheele
-jaar door aantreft en dat er van Maart tot in Juni voortdurend larven
-gevangen worden, verklaart zich uit het feit, dat, ook al paaien de
-meeste Haringen in een bepaalden tijd van het jaar (stel voor onzen
-Kustharing Maart of in 't algemeen het voorjaar), het door Cossar Ewart
-waargenomen feit, dat de Haring op de kust van Aberdeenshire gedurende
-10 van de 12 maanden (Augustus 1883-Juli 1884) met paaien voortgaat,
-ook wel in meerdere of mindere mate voor onze kuststreken gelden zal."
-
-Men rangschikt de haringrassen in twee groepen: de Oceaanrassen
-en de Kustrassen. Tot de eerstgenoemde behooren o.a. de Schotsche
-Oceaanharing en de Noorsche Vaarsild; zij leven buiten den paaitijd
-in den Oceaan op een afstand van 200 à 400 KM. van de kust. Tot
-ontzaglijke scholen vereenigd, verlaten zij de diepte om kuit te
-schieten op ondiepe gronden in de nabijheid van de kust, hetgeen
-aanleiding geeft tot hoogst belangrijke visscherijen. Een voorbeeld
-van een Kustras is o.a. de Winterharing van het westelijk deel der
-Oostzee; deze leeft steeds in de onmiddellijke nabijheid van de kust
-en kiest tot paaiplaats ondiepe, stille bochten, liefst zulke, die
-brak water bevatten.
-
-Het leven, dat de Haringen in de diepte leiden, is ons nog altijd
-nagenoeg onbekend. Zeker weet men echter, dat zij zich hoofdzakelijk
-voeden met nietig kleine Schaaldieren (Copepoden), waarvan zij
-ontzaglijke hoeveelheden verslinden, ook eten zij soms kleine Visschen,
-vooral Sprot, bovendien eieren en larven van hun eigen soort.--Hoewel
-verreweg de meeste Haringen door de aandrift tot voortplanting genoopt
-worden zich uit de diepten naar de bovenste waterlagen te begeven,
-ontmoet men hier ieder jaar ook een groote menigte exemplaren met
-onontwikkelde hom en kuit; deze worden Maatjesharing genoemd en zijn
-wegens hun vet en smakelijk vleesch in gezouten toestand zeer gezocht.
-
-Voor de haringvangst is natuurlijk de bekendheid met den paaitijd
-van het ras, welks paaiplaatsen men bevisschen zal, van 't grootste
-belang. Door verschillende oorzaken, die ons nagenoeg volkomen onbekend
-zijn, kan echter de komst van de haringschool weken en zelfs maanden
-vertraagd of vervroegd worden. De verschijnselen, die bij de visschers
-als voorteeken van de komst of van het wegblijven der Visschen gelden,
-zijn zeer onbetrouwbaar. Te recht wordt daarom de haringvisscherij
-evenals de walvischvangst met een hazardspel vergeleken. In het eene
-jaar levert zij groot voordeel op, in het andere dekt zij de onkosten
-niet. Jaren achtereen verschijnen de Haringen op een bepaald gedeelte
-van de kust bij milliarden; plotseling blijven zij uit en de visschers
-keeren met ledige vaartuigen terug. Verderop in de zee is de richting,
-die de school neemt, natuurlijk nog wisselvalliger; soms trekt zij
-voorbij op de plaats waar men haar verwachtte, soms gaat zij eenige
-zeemijlen buiten haar gewone koers. Raadselachtig is het feit, dat op
-de vermindering van omvang of het geheel wegblijven van de scholen van
-Haringen of andere nuttige Visschen op plaatsen waar deze tot dusver
-geregeld ieder jaar verschenen, soms na verloop van zeer langen tijd
-de terugkomst van de zegenaanbrengende zwermen van zeebewoners gevolgd
-is. In Skandinavië waar dit herhaaldelijk voorgekomen is, wordt het
-aangeduid met den naam van "Fiskeperioden." Geschiedkundige nasporingen
-in de archieven van dit rijk hebben het bewijs geleverd, dat deze
-perioden een duur van ongeveer 60 jaren hebben. Zoo zijn de groote
-haringscholen, die sedert 1808 uit het Skagerrak nagenoeg geheel waren
-weggebleven, in 1877 teruggekeerd. Door het wegblijven van de Visschen
-zijn dikwijls bloeiende visscherssteden in verval geraakt en hebben
-duizenden van menschen armoede geleden. Het is zeer waarschijnlijk,
-dat de oorzaak van dit verschijnsel niet gezocht moet worden in het
-zoogenaamde "doodvisschen" van het bedoelde gebied door den mensch,
-maar in periodieke veranderingen van de zeestroomingen; de hierdoor
-teweeggebrachte wijziging van de temperatuur van 't water oefent op de
-voeding en de voortplanting der Visschen een grooten invloed uit. De
-geschiktheid van een kuststreek voor paaiplaats wordt ook verminderd
-door het uitroeien van de hier groeiende waterplanten; hieraan of aan
-steenen hechten zich n.l. de bevruchte eieren; de afwezigheid van zulke
-voorwerpen vermindert de kans, dat uit de eieren jongen voortkomen,
-die in 't volgende jaar op deze plaats zullen kuitschieten. De
-voortplanting der Haringen geschiedt op soortgelijke wijze als die
-der Houtingen en andere in de diepte levende Visschen. In tallooze
-menigte zwemmen de mannetjes en wijfjes twee of drie dagen lang dicht
-bij den waterspiegel rond, dringen bont dooreengemengd tot een dichten
-hoop bijeen, vooral als er stormweer in aantocht is, snellen vooruit
-en laten intusschen de hom en de kuit in 't water vallen.
-
-De bewoner van het binnenland kan zich moeielijk een denkbeeld
-vormen van de haringscholen; de berichten van ooggetuigen komen
-hem overdreven en ongeloofelijk voor. Deze berichten stemmen echter
-zoo volkomen overeen, dat er aan hun geloofwaardigheid niet valt te
-twijfelen. "Ervaren visschers," zegt Schilling, "waarmede ik naar
-de vischgronden voer, toonden mij bij flauw schemerlicht scholen van
-mijlen lengte en breedte, niet, zooals men zou kunnen denken, aan de
-oppervlakte der zee, maar aan den weerschijn van de door haar verlichte
-lucht. De Haringen zijn gedurende het trekken zoo dicht opeengedrongen,
-dat de booten, die te midden van zulk een school komen, in gevaar
-geraken; men kan de Visschen met de schop uit het water scheppen en
-in het vaartuig werpen; een lange roeiriem, die in deze levende massa
-wordt gestoken, blijft er rechtop in staan." Leverkus Leverkusen,
-die bij het eiland Hitteren aan de westkust van Noorwegen bij 't
-oversteken van een zeearm een haringschool ontmoette, schrijft:
-"Aan 't roer zittend, ontwaarde ik bij 't schemerlicht van den
-ontwakenden dag tallooze groote Vogels, die aanhoudend krijschend
-boven de oppervlakte der zee zweefden, met korte tusschenpoozen er
-telkens op dezelfde plaats in neerschoten en weer opvlogen. In het
-water onder de Vogels was een bijna huivering-wekkende woeling waar
-te nemen; nu eens spoot het schuimend omhoog, dan weer zag men lange
-voren ontstaan in de door 't sterrengeflonker beschenen oppervlakte,
-terwijl de jagers der lucht in bonte verwarring door elkander heen
-zwierden. Al nader en nader kwam de boot bij dezen heksensabbat,
-daar ik, ten hoogste geboeid door het schouwspel, waarvan de oorzaak
-mij onbekend was, op de plek afstuurde. Niet voordat wij in de
-onmiddellijke nabijheid van den roofzuchtigen zwerm waren gekomen,
-die tot dusver met gulzige haast schatting had geheven van een in
-den zeearm doorgedrongen haringschool, werden wij opgemerkt door
-de Haringmeeuwen, die nu alle onder wanluidend gekrijsch op een
-eerbiedigen afstand omhoogstegen, boven onze hoofden rondzwierden
-en ons uit de lucht een regen van schitterend witte visitekaartjes
-toezonden, zoodat wij binnen weinige minuten als Zebra's gestreept
-waren. Bij honderdtallen zwierden de Vogels boven ons, terwijl in
-het zilte nat onder en naast ons Haringen van allerlei grootte door
-hunne opeendringende buren naar boven werden geperst.
-
-"Het was een merkwaardig schouwspel! Nooit te voren had ik het
-van zoo nabij waargenomen! Langzaam drong de kiel van de boot in
-de opeenhooping van Visschen door en drukte de naar boven geperste
-Haringen, wien het aan ruimte ontbrak om zich te bewegen, met geweld
-in het natte element terug. Zoo voeren wij eenige minuten lang
-onder zwaren arbeid door de school heen, terwijl de roeiriemen meer
-Haringen schepten dan water." Soortgelijke ervaringen hebben andere
-onderzoekers opgedaan; eenigen verzekeren zelfs, dat hun boot door
-de daaronder wemelende menigte van Visschen omhoog geheven werd.
-
-Ontelbaar als iedere haringschool is ook het aantal der haar volgende
-vijanden. Zoo lang de Haringen in de bovenste waterlagen vertoeven,
-voeden alle hier levende roofvisschen, alle zeevogels en bijna
-alle zeezoogdieren zich uitsluitend met hen. De Noren worden van
-de komst der Haringen onderricht door het toestroomen van tal van
-Cetaceeën. Hoewel de grootte van de verliezen, die de roovers der
-zee aan de haringscholen toebrengen, niet eens bij benadering geschat
-kan worden, is de bewering, dat de mensch een nog grootere slachting
-onder de Haringen aanricht, niet van allen grond ontbloot.
-
-Sedert de Middeleeuwen heeft de haringvisscherij een belangrijke rol
-gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandsche gewesten. Zooals
-uit verscheidene wetten en keuren van Vlaamsche graven blijkt, was
-dit bedrijf reeds in de 10e en 11e eeuw een bron van welvaart voor de
-groote Vlaamsche steden. In Vlaanderen is het geheel te niet gegaan,
-evenals later ook in Zeeland, welks bewoners in de 12e eeuw schepen
-voor de haringvangst begonnen uit te rusten en waar Zierikzee tot in de
-18e eeuw een belangrijken haringhandel heeft behouden. Daar de Zeeuwen
-gedurende de Spaansche en Fransche oorlogen meer voordeel hadden
-van de kaapvaart, verminderde op het gebied der visscherij allengs
-hun concurrentie met de verder noordwaarts wonende kustbevolking. De
-eerste geregelde vaarten van Hollandsche haringvisschers werden in
-1164 van uit den Briel ondernomen. In 1285 kregen de Hollanders en
-Friezen van den Engelschen koning Eduard het privilegie om langs
-de kusten van zijn rijk te visschen. Reeds vóór de 13e eeuw genoten
-de burgers van Kampen en Harderwijk dezelfde vrijheid op de kusten
-van Skandinavië. De Amsterdammers bevischten de zee ten zuiden van
-Zweden en kregen in 1390 van den Hollandschen graaf, hertog Albrecht
-van Beieren, verlof om in Schonen een voogd voor hun bedrijf aan te
-stellen. Toen in 1472 de haringscholen eensklaps ophielden in groote
-menigte aan deze kust te verschijnen, kozen de Hollandsche visschers
-algemeen de Shetlandsche eilanden (Hitland), de Orkaden en de kust van
-Schotland en Engeland als arbeidsveld. Op een afstand van 10 mijlen van
-de kust was hun het visschen geoorloofd. Hier verschijnen de parende
-Visschen in Juni, enkele voorloopers reeds in April of Mei. Voor
-deze reizen maakten onze landslieden gebruik van een eigenaardig
-soort van kielvaartuigen (buizen of tweemasthoekers). Gewoonlijk
-wordt de haringvloot vergezeld van een aantal "jagers", meestal één
-op elke 10 buizen; dikwijls zijn dit oude buizen of éénmasthoekers,
-die voor de visscherij niet deugen en alleen dienen om een deel van
-de gevangen Haringen met den grootst mogelijken spoed naar land te
-brengen om er den hoogst mogelijken prijs voor te maken.
-
-Met ijver hebben de Nederlanders zich toegelegd op het aanbrengen
-van verbeteringen in de wijze van vangst en bereiding van den
-zoozeer gewilden Visch. In 1416 werd het eerste groote haringnet
-te Hoorn gebreid. Willem Beukelszoon te Biervliet vond in 1386 het
-"kaken" uit, waardoor een veel smakelijker en duurzamer product werd
-verkregen dan vóór dien tijd op de markt kwam. De Haring sterft
-n.l. kort na het ophalen van het net; terstond wordt hem de keel
-opengesneden en onmiddellijk de kieuwen en de darmen verwijderd,
-die anders een spoedig bederf zouden veroorzaken; de dus toebereide
-Visch wordt voorloopig in met zeewater gevulde tonnen geworpen en den
-volgenden dag bij lagen, met grof zout er tusschen, in andere tonnen
-(kantjes) overgepakt, die in 't ruim van 't schip worden weggezet. Het
-kaken wordt door een geoefend visscher zeer snel gedaan: 15 à 20 ton
-Haring per uur. Doorgaans worden 100 ton Haring vóór zonsondergang
-gereedgemaakt. Voor het behoorlijk zouten zijn 4 ton (530 KG.) zout
-op 14 ton Haring noodig. De aan land gebrachte pekelharing wordt in de
-haringpakkerijen onder nauwkeurige controle in de open lucht uitgepakt
-en zorgvuldig nagezien; alle Visschen, die eenig gebrek vertoonen
-(onzuiver, wanzout, wrak, ijl, kuitziek, melkziek zijn), worden van
-de volle en zuivere afgescheiden en deze opnieuw met zout in andere
-tonnen overgepakt, die, al naar de grootte der Haringen, 900 à 1100
-stuks bevatten. Een last van 12 "gepakte" tonnen weegt 1800 à 2000
-KG. Al naar de soort van Visch, die zij bevatten, worden de tonnen
-met verschillende ingebrande keuren voorzien. De goede naam, dien de
-Hollandsche Haring, ondanks de steeds scherper wordende concurrentie
-tot heden toe heeft behouden, werd door het zorgvuldig toepassen van
-deze maatregelen gevestigd.
-
-De belangrijkheid van de Nederlandsche haringvisscherij in de 16e eeuw
-blijkt uit den haar toegekenden naam "Groote Visscherij," die voor
-'t eerst voorkomt in een plakkaat van Prins Willem I, gedagteekend
-27 April 1582, en sinds dien tijd gebezigd werd in alle plakkaten
-van de Staten van Holland, welker doel was "de maintenue van de
-hoofdnering, welvaart en principaalste mijne dezer landen." Dit
-doel trachtte men te bereiken door de visscherij en den vischhandel
-te dwingen in een nauw keurslijf van bepalingen en reglementen,
-die voor 't grootste gedeelte in de eerste helft van deze eeuw nog
-bestonden en eerst bij de wet van 12 Mei 1857 zijn afgeschaft. Eén
-van deze bepalingen was, dat zoomin de buizen als de jagers eenige
-andere kustplaats mochten aandoen dan de vaderlandsche haven, van
-waar zij waren uitgezeild; het aan land brengen van de vangst op een
-andere plaats was den visscher uitdrukkelijk verboden, evenals ook het
-koopen en verkoopen van Haring in zee of het buitenland. Geen reeder
-van een haringbuis mocht daarin deel geven aan een vreemdeling, geen
-Nederlander mocht medereeder zijn in een ter haringvangst uitgerust,
-buitenlandsch schip, geen Nederlandsch visscher voor buitenlandsche
-reeders varen, enz. Ook de tijd waarop de vangst moest aanvangen,
-was nauwkeurig voorgeschreven: Geen net mocht in zee geworpen worden
-vóór den middernacht volgende op St. Jan (24 Juni). De haringvisschers
-zorgden er dus voor, omstreeks dien tijd bij Fairhill (een eilandje
-tusschen de Shetlandsche en Orkadische eilanden) te zijn om te
-rechter tijd den arbeid te kunnen beginnen. Voor de vangst dienen
-zoogenaamde drijfnetten van 40 M. lengte en 10 M. diepte, die,
-ten getale van 50, 60 of meer aaneenverbonden, de "haringvleet"
-vormen. Deze heeft dikwijls een lengte van honderden meters en is van
-boven verbonden aan een touw (dolreep of vleetreep), die tusschen twee
-buizen uitgespannen wordt. Deze liggen door het zware net zoo vast,
-dat zij geen ankers noodig hebben. De bovenrand van de vleet wordt
-drijvende gehouden door de hieraan bevestigde ledige tonnen; aan
-den onderrand bevindt zich de "loodreep," die, behoorlijk bezwaard,
-de vleet als een rechtstandige muur in het water doet drijven. De
-bij reglement voorgeschreven grootte van de mazen is zoodanig, dat
-een jonge Haring er door kan; de volwassen Visch blijft bij zijne
-poging om er door te sluipen met den kop er in steken en wordt
-door de kieuwdeksels verhinderd terug te keeren. Het net wordt na
-zonsondergang te water gelaten; 's nachts kan men de haringschool
-gewoonlijk op een afstand duidelijk onderscheiden, daar de glanzig
-zilverwitte schubben van de onderdeelen, die door het opdringen en
-zwenken dikwijls boven komen, door weerkaatsing van het licht een
-helder schijnsel ("zilverblik" genaamd) veroorzaken. De visschers zijn
-dus in de gelegenheid om het net dwars voor de school te spannen. Door
-het licht der schepen aangelokt, zwemmen de Haringen op het net af,
-dat zij wegens de duisternis niet opmerken. Den volgenden morgen,
-in den regel omstreeks 5 of 6 uur, een uur of twee na zonsopgang,
-wordt het net opgehaald. Dit is een moeielijke arbeid, die wel drie
-uren duurt. De hoeveelheid visch, die in gunstige omstandigheden door
-een "schot" of networp wordt buit gemaakt, wisselt af van 3 tot 8 last
-(sommige berichten gewagen van 10 en zelfs van 14 last). In Sept. 1898
-heeft één schot soms 100 ton Haring opgebracht. Het gebeurt wel eens,
-dat men het net wegens den grooten aandrang van Visch reeds na 2 uren
-moet ophalen. De zorgvuldige behandeling van de vangst levert werk
-genoeg voor den volgenden dag. Als de vangst meer dan 5 last bedraagt,
-is het niet mogelijk haar geheel te verwerken; het overschot (de
-"slabbers") wordt ook wel gekaakt, doch licht gezouten en veeltijds in
-bijzondere schuiten geworpen en vervoerd. Gedurende de 3 eerste weken
-(25 Juni tot 15 Juli) wordt al de gevangen Haring ongesorteerd (doch
-gekaakt en gezouten) in tonnen gepakt en door de jagers naar Holland
-vervoerd; dit is de z.g. Jagersharing of St. Jansharing. Na 15 Juli
-worden alle Visschen, zoodra zij gekaakt zijn, zorgvuldig uitgezocht
-en in 3 soorten onderscheiden, n.l. Maatjesharing, Volle Haring
-(die rijpe hom of kuit bevat en het langst duren kan) en Schoot-
-of Holharing (ook wel IJle Haring genoemd, die de kuit of hom reeds
-uitgeworpen heeft, veel geringer van kwaliteit is en minder lang kan
-duren dan de Volle Haring). Kuit- en Melkziek noemt men den Visch,
-die op het punt is van te schieten en dus de kuit en de hom geheel los
-heeft zitten; ook deze is van geringe kwaliteit. Ook naar den tijd en
-de plaats van vangst wordt de Haring gesorteerd en het fust later door
-een ingebrand merk aangeduid. Die, welke tusschen 15 Juli en St. Jacob
-(25 Juli) bij Fairhill en Hitland gevangen is, heet Grofzoutharing. Van
-St. Jacob tot St. Bartholomeus (24 Aug.) en daarna tot Kruisverheffing
-(14 Sept.) of St. Lambertus (17 Sept.) werpt men de netten onder
-Schotland, bij Bockeney en Sereniat uit; de merken van de hier
-gevangen Visch heeten Jacobi-brand (Fijnzoutharing) en Bartholomeïbrand
-(Kleine brand, Keulsche brand). De buizen keeren één- of tweemaal (of
-vaker, wanneer de vangst overvloedig is geweest) naar het vaderland
-terug om zoo spoedig mogelijk (voor zoover het vischseizoen nog niet
-afgeloopen is) hun arbeid in zee te hervatten. De Haring, die men na
-14 Sept. tot St. Catharina (25 Nov.) vangt, is afkomstig uit de zee
-beoosten Yarmouth en van nog zuidelijker gedeelten der Engelsche kust;
-dit is de Kruisbrandharing (Groote of Rouaansche brand).
-
-De haringvangst op de Engelsche kust geschiedt voor een groot deel
-met bomschuiten. De door hen aangebrachte Visch mocht volgens een
-bepaling uit de vorige eeuw niet gekaakt worden; men bepaalde
-zich er toe haar zwak te zouten of te "steuren"; hieraan is de
-naam Steurharing ontleend. Gedeeltelijk was deze Visch voor de
-bokkingrookerijen bestemd, gedeeltelijk werd zij onmiddellijk verbruikt
-(Schakelharing, Zoete Haring). Omgekeerd werd in 1826 aan de bemanning
-der buizen verboden Haring te "steuren" of ongekaakt aan den wal te
-brengen. Beide beperkende bepalingen zijn in 1857 afgeschaft, zoodat
-nu alle ter haringvangst uitzeilende vaartuigen zoowel pekelharing als
-steurharing mogen aanvoeren. Vroeger moest de voor uitvoer bestemde
-pekelharing door van hoogerhand aangestelde keurmeesters gekeurd en
-door een officieel merk op het fust gewaarborgd worden. Deze wijze
-van keuring werd bij de wet van 1857 facultatief gesteld en in 1878
-geheel afgeschaft.
-
-In de 17e eeuw bereikte onze haringvisscherij haar hoogsten trap van
-bloei. Gemiddeld voeren toen ieder jaar 1000 (in 1601 zelfs 1500)
-buizen uit onze havens naar Hitland, en verschafte dit bedrijf,
-naar men berekende, aan ongeveer 100000 menschen een bestaan. De
-aanzienlijke vermindering van onze haringvloot in de 18e eeuw werd
-voor een deel veroorzaakt door de steeds toenemende mededinging
-van andere volken. Sinds lang werden ons de schatten van de zee
-betwist door de Hanseaten en de Noren; de sterke uitbreiding van de
-vischvangst der Engelschen en Schotten, die thans op dit gebied alle
-overige Europeesche volken overvleugeld hebben, is ruim twee eeuwen
-geleden begonnen. Wel herleefde onze haringvisscherij (die in 1812 en
-1813 slechts door 3 buizen werd uitgeoefend) eenigszins na het herstel
-onzer onafhankelijkheid, maar toch is in de eerste helft dezer eeuw het
-aantal voor dit bedrijf uitzeilende kielschepen nooit grooter geweest
-dan 173 (in 1830); in 1856 was het tot 82 gedaald (bovendien voeren
-147 bomschuiten ter vangst van versche en steurharing uit). Sinds 1857
-heeft echter onze haringvloot een aanmerkelijke uitbreiding ondergaan,
-niet alleen wat het aantal, maar ook wat het model, de bouwstof, de
-grootte en de uitrusting der kielschepen betreft. Een belangrijke
-verbetering was het vervangen van de hennep als materiaal voor de
-netten door katoen (dat voor 't eerst in 1852 in Schotland voor
-dit doel gebruikt werd). Netten van hennep kunnen niet langer dan 1
-jaar dienst doen; indertijd verving men daarom de hennep ook wel door
-Perzische zijde en verkreeg op deze wijze netten, die minstens 3 jaar
-konden duren. Hun lichte kleur, die den Haring schuw zou maken, werd
-weggenomen door het tanen of het in den rook hangen. De herhaaldelijk
-met cachou getaande katoenen netten zijn niet slechts duurzamer,
-maar ook buigzamer en goedkooper; zij drogen spoediger; de mazen,
-waarin de Visschen vastgeraken, blijven beter geopend.
-
-Tot in 1866 waren hoekers en sloepen de eenige voor de haringvangst
-dienende kielschepen; in 1867 kwam de eerste vischlogger naar
-Fransch model in gebruik; in 1886 voer de laatste hoeker naar de
-vischgronden. In 1896 was het aantal loggers, sloepen en kotters voor
-de haringvangst gestegen tot 296, voor 't meerendeel thuis behoorend in
-Vlaardingen, Maassluis en Scheveningen. Hoe langer hoe meer worden deze
-vaartuigen (welker bemanning gemiddeld uit 14 of 15 personen bestaat)
-van ijzer of staal vervaardigd en met stoomspillen voor het ophalen
-der netten voorzien. Het aantal reizen van ieder schip bedroeg in
-1896 minstens 3, meestal 4, voor één zelfs 7. In 't geheel hebben
-de kielschepen in genoemd jaar 273114 tonnen pekelharing en ruim 6
-millioen stuks steurharing uit zee aangebracht.
-
-In 1896 zeilden 324 bomschuiten (ieder bemand met 8 à 10 personen)
-ter haringvangst langs de kust uit (n.l. van Scheveningen 231, Katwijk
-74, Noordwijk 18, Egmond 1); zij brachten 212531 tonnen pekelharing
-en ruim 25 millioen steurharing aan.--De geheele haringvangst van
-1896 (bijna 208 millioen Haringen) vertegenwoordigt een waarde van
-omstreeks 5 millioen gulden.--Bovendien leverde de Zuiderzeevisscherij
-ruim 60 millioen Haringen op (ter waarde van bijna 340000 gulden);
-deze worden meerendeels tot "bokking" gerookt; het overige wordt als
-"panharing" versch gegeten.
-
-"De vangst van Haringen, Pelsers en Sprotten," zegt Bertram, "wordt
-in Engeland met een korten tusschentijd bijna het geheele jaar
-door uitgeoefend, de haringvangst echter hoofdzakelijk van Augustus
-tot October. Dan is de zee langs de kusten van Schotland, Ierland
-en Engeland met visschersvaartuigen als bedekt; iederen zeeboezem
-heeft zijn eigen kleine vloot, iedere inham zijn visscherij; op de
-voornaamste vischgronden zijn zeer aanzienlijke vloten bijeen. De
-zouters hebben in de steden, die in de nabijheid van de vischgronden
-gelegen zijn, ruime pakhuizen en terreinen, gevuld met tonnen,
-zout en andere benoodigdheden. Minder bemiddelde zouters vestigen
-hunne werkplaatsen aan de kust; tegenover de hiervoor gekozen punten
-verzamelt zich weldra in de zee een meer of minder talrijke vloot;
-terwijl aan den vasten wal een bonte menigte van allerlei menschen,
-zouthandelaars, verkoopers van vatduigen, kuipers, meisjes uit den
-omtrek, mannen uit de Hooglanden en anderen, hunne diensten komen
-aanbieden. In den eigenlijken vischtijd heerscht op deze plaats een
-zenuwachtige bedrijvigheid: alle werkzaamheden, alle gesprekken,
-alle gedachten hebben uitsluitend betrekking op de Haringen. Ouden
-van dagen komen de toebereidselen in oogenschouw nemen en disschen,
-door geestdrift verjongd, verhalen op over gebeurtenissen van 20 of
-meer jaren her; de jongere lieden bezichtigen de booten, zeilen en
-netten. Langs de geheele kust ziet men overal dezelfde tooneelen;
-ieder is bezield door de hoop op een gelukkige vangst.
-
-"Slechts voor een klein deel zijn de lieden, die de Haringen helpen
-vangen, visschers van beroep; verreweg de meeste zijn huurlingen,
-een samenraapsel van boeren, handwerkslieden, matrozen en landloopers;
-dit is de voorname reden van het groot aantal ongelukken, dat gedurende
-elk vischseizoen voorvalt. Voor de vischvangst gebruikt men veelal een
-vleet; groote vaartuigen kunnen over een afstand van een Engelsche
-mijl het water afzetten. De gevangen Visch wordt zoo schielijk
-mogelijk naar de werkplaats van den zouter op het strand vervoerd,
-omdat de Haring des te beter wordt, hoe eerder hij in den pekel komt."
-
-Voor een paar jaren heeft een Aberdeensche reederij een nieuw soort
-haringvisschersvaartuig in gebruik gesteld. Het is ongeveer 20 voet
-lang en 8 voet diep van de reeling tot de kiel. Het eigenaardige van
-dit vaartuig is, dat het bestaat uit twee afzonderlijke, 2 à 3 voet
-van elkander verwijderde heften, onderling verbonden door ijzeren
-staven. Aan den voorsteven zijn twee netten bevestigd, die in den
-vorm van een V van het schip uitgaan. Twee sleepbooten nemen ieder
-het einde van één der netten en sleepen het vaartuig daarmede naar
-de visscherijgronden. Zoodra men nu bij een haringschool gekomen is,
-is 't de kunst te zorgen, dat deze tusschen de twee netten in geraakt
-en zóó in de opening tusschen de twee helften van het schip gedreven
-wordt. Een draadtraliewerk belet aldaar de ontsnapping en de visch
-wordt door twee man aan boord gehaald.
-
-In 't geheel werd in het Vereenigd Koninkrijk (met inbegrip van het
-eiland Man en de Kanaal-eilanden) de zeevischvangst in 1895 uitgeoefend
-door 24046 vaartuigen (waarbij 4803 roeibooten) met een bemanning
-van 114320 koppen (7120 schepen met 41224 man in Engeland en Wales,
-9798 schepen met 43373 man in Schotland, 6060 schepen met 26910 man
-in Ierland). De hoeveelheid gevangen zeevisch bedroeg ruim 14 1/2
-millioen centenaars, ter waarde van ruim 7 millioen pond sterling,
-waarvan 5634891 centenaars Haring, ter waarde van 1083307 pond sterling
-(n.l. in Engeland ruim 1 1/2 millioen, in Schotland bijna 4 millioen
-en in Ierland ruim 155 duizend centenaars). Aan elkander bevestigd
-zouden de netten van de 7000 voor de haringvangst dienende Schotsche
-vaartuigen een lengte van 20000 KM. hebben; ieder jaar worden hiermede
-minstens 1000 millioen Haringen gevangen. De voornaamste plaatsen
-voor de haringvangst aan de oostkust van Schotland en Engeland zijn
-Great-Yarmouth, Wick, Peterhead en Fraserburg.
-
-Langs het middelste gedeelte van de kust van Noorwegen maakt
-men in den zomer en den herfst, voor de zeer belangrijke vangst
-van den zoogenaamden Zomerharing of Vetten Haring, behalve van de
-gewone netten, ook gebruik van zoogenaamde "waden", welke dienen om
-fjorden en bochten af te sluiten, zoodra hierin een haringschool is
-doorgedrongen. Op deze wijze worden soms ongeloofelijke hoeveelheden
-visch te gelijk buit gemaakt. In de bochten laat men de Haringen,
-die men den terugtocht heeft afgesneden, zoo lang blijven, totdat
-men den tijd heeft om ze te bergen en in te zouten; dit moet zoo
-vlug mogelijk geschieden, omdat de ingesloten Visch hoe langer hoe
-meer uitteert en aan waarde verliest. Dikwijls is de hoeveelheid
-Haring zoo groot, dat de bedoelde werkzaamheden 2 of 3 weken lang
-aanhouden; daar in dezen tijd vele Haringen uitteren en sterven,
-wordt het water in de bocht stinkend, hetwelk ten gevolge heeft, dat
-de Haring deze voor hem zoo aantrekkelijke paaiplaats 3 à 4 jaren
-achtereen vermijdt. Langs het zuidelijke deel van de Noorsche kust
-(hoofdplaats Stavanger) wordt van het einde van Januari tot April de
-Vaarsild gevangen, meestal met drijfnetten. In de provinciën Norrland
-en Zuid-Finmarken eindelijk vangt men van November tot Januari een
-derde soort, de zoogenaamde Groote of Noordharing (Storsild). In 1895
-bedroeg de totale opbrengst van de Noorsche haringvisscherij 1235000
-HL. ter waarde van ongeveer 4 millioen gulden.
-
-In Duitschland worden ieder jaar ruim 1 millioen tonnen pekelharing
-ingevoerd ter waarde van omstreeks 18 millioen gulden, daar de vangst
-van de Duitsche haringvisschers niet meer dan 35000 tonnen ter waarde
-van 600000 gulden bedraagt. Het grootste deel hiervan komt op rekening
-van de Emder haringvisscherijmaatschappij, die met 29 loggers de
-Noordzee bevischt. De visscherijmaatschappijen van Bremen-Vegesack
-(13 loggers) en van Glückstadt zijn van minder beteekenis. De Duitsche
-haringvisscherij op de Oostzee is niet zeer belangrijk; de vangst
-wordt grootendeels versch of gerookt verbruikt.
-
-In een aquarium kan de Haring slechts op zeer jeugdigen leeftijd eenige
-dagen in 't leven gehouden worden. De volwassen Haringen verliezen
-in de gevangenschap dadelijk bijna alle schubben en sterven binnen
-weinige uren.
-
-
-
-De naaste verwante van den Haring, die in de Noordzee aangetroffen
-wordt, is de Sprot (Clupea sprattus), een vischje van ongeveer 15
-cM. lengte. Onze visschers en kustbewoners noemen haar in verschen
-toestand gewoonlijk Schardijn of Sardijn (door verwarring met Clupea
-pilchardus), en eerst nadat zij gerookt is, Sprot. Zij heet ook
-Bliek, evenals de Blei en de jongen van den Brasem, of Zeebliek,
-evenals de jonge Haring. De kielvormige buik is duidelijk getand, de
-rug donkerblauw met groenen weerschijn, de romp overigens zilverwit;
-de rugvin en de staartvin zijn donker, de aarsvin benevens de borst-
-en buikvinnen wit van kleur.
-
-Ofschoon de beteekenis van de Sprot voor de huishouding van den mensch
-veel geringer is dan die van den Haring, behoort zij toch tot de
-belangrijkste Visschen van de Noordzee en de Oostzee, aan welker kusten
-zij in grooten getale leeft. Zij heeft ongeveer dezelfde levenswijze
-als de Haring, bewoont, evenals deze, aanzienlijke diepten en bezoekt
-ieder jaar, tot ontzaglijke scholen vereenigd, kustwateren of ondiepe
-gedeelten der zee. Evenals bij den Haring, onderscheidt men ook bij de
-Sprot een aantal rassen. Volgens de waarnemingen van V. Hensen heeft
-in de Oostzee het kuitschieten van de Sprot in Mei en Juni plaats;
-ongeveer te zelfder tijd geschiedt dit op de Schotsche kust, elders
-in Augustus en September, bij andere kusten in October en November. De
-aanwezigheid van de Sprot in de bovenste waterlaag schijnt echter niet
-altijd met het paaien in verband te staan. Gewoonlijk vertoeft zij
-hier in gezelschap van andere kleine en jonge Visschen, vooral jonge
-Haringen, die op vele plaatsen te gelijk met haar in onnoemelijken
-getale in fijnmazige netten gevangen worden. Alle vischjes, die in
-het net geraken, worden, zonder onderscheid van soort, op dezelfde
-wijze toebereid, onder den naam van Sprot in den handel gebracht. "De
-gewoonte om den riviermond op te zwemmen", schrijft Dr. Hoek, "schijnt
-zij met den Haring gemeen te hebben. Terwijl echter de Zeebliek
-(Whitebait), die op den Theems gevangen wordt, gedurende de winter- en
-voorjaarsmaanden voor verreweg het grootste deel uit Sprotten en voor
-een veel geringer deel uit jonge Haringen bestaat en deze alleen in
-Juni en Juli in grooter aantal schijnen voor te komen, zijn de jonge
-Haringen op het Hollandsch Diep het geheele jaar door veel talrijker
-dan de Sprotten. Ik geloof niet, dat er op het Hollandsch Diep en
-het Haringvliet door elkander genomen één Sprotje op honderd jonge
-Haringen of Zeeblieken gevangen wordt." In de Zuiderzee en langs onze
-kust is de Sprot in veel geringer hoeveelheid voorhanden dan aan de
-zuid- en oostkust van Engeland, waar zich gedurende den winter 400
-à 500 Engelsche visschersvaartuigen voortdurend met de Sprotvangst
-bezig houden. Dit bedrijf levert in het geheele Vereenigd Koninkrijk
-een opbrengst van ruim 135 duizend centenaars ter waarde van bijna
-22 duizend pond sterling. Bij ons vangt men de Sprot dicht bij de
-kust met groote saaien, die door een vaartuig gesleept worden. Men
-eet haar deels versch (vooral in Engeland), deels gerookt.
-
-Ook aan de Duitsche kust, vooral aan die van de Oostzee, worden ieder
-jaar groote hoeveelheden Sprot gevangen, bij Eckernförde alleen
-gemiddeld ongeveer 16 millioen per jaar, die meestal, na gerookt
-te zijn, onder den naam "Kieler Sprot" overal heen gezonden worden;
-in Noorwegen wordt dezelfde Visch ingemaakt (gemarineerd) en onder
-den naam van "Ansjovis" in den handel gebracht.
-
-
-
-De Elft (Clupea alosa) (Alosa vulgaris) is nauw verwant aan den Haring,
-gelijk reeds na een vluchtige beschouwing blijkt. Zijn romp is echter
-hooger, de aarsvin een weinig langer; de rugvin en de buikvinnen
-zijn verder naar voren geplaatst, de schubben kleiner, die van den
-buikkant scherper. De rug heeft een fraaie, metaalachtig glinsterende,
-olijfgroene kleur; de zijden en de onderdeelen zijn zilverwit, op de
-zijden met goudachtigen weerschijn; een groote, donkere, onduidelijk
-begrensde vlek, die aan den bovenhoek van de wijde kieuwspleet
-staat (op de zijden gewoonlijk niet gevolgd door kleinere vlekken),
-iriseert met olijfgroene kleur. De kieuwbogen zijn op de holle, naar
-voren gerichte zijde bezet met een rij zeer smalle, lange en fijne
-uitloopers, welker aantal met den leeftijd toeneemt, aan den voorsten
-kieuwboog vindt men er 50 tot 120. De uitloopers aan de kieuwbogen
-zijn zelf weer met tandjes of stekeltjes bezet. De keelspleten zijn
-op deze wijze van een soort van zeeftoestel voorzien, die bij 't
-openen van den bek zichtbaar wordt en welks oppervlakte aan die van
-een borstel herinnert. Hierdoor worden de als voedsel dienende kleine
-diertjes, die in het water voorkomen, in de mondholte achtergehouden,
-terwijl het ademhalingswater naar de kieuwholte stroomt. De vinnen
-zijn in mindere of meerdere mate zwartachtig. Deze Visch kan meer
-dan 80 cM. lang en 1.5 à 3.5 KG. zwaar worden.
-
-
-
-De Fint [Clupea (Alosa) finta] bereikt een aanmerkelijk geringere
-lengte dan de Elft; hij wordt zelden langer dan 40 cM. of zwaarder dan
-1 KG. De verhouding tusschen hoogte en lengte is bij beide soorten in
-volwassen toestand nagenoeg dezelfde (1 : 3 1/2). De jonge Elften zijn
-echter hooger dan de jonge Finten: beide worden door onze visschers
-Plasjes genoemd. De plaatjes op de holle, naar voren gerichte zijde
-van de kieuwbogen zijn bij den Fint korter en steviger dan bij den
-Elft en steeds op eenigen afstand van elkander geplaatst; hun aantal op
-den voorsten kieuwboog is bij volwassen exemplaren steeds geringer dan
-50. De kleur komt met die van den Elft overeen; achter de schoudervlek
-vindt men echter op de zijden een reeks van 5 à 6 dergelijke vlekken.
-
-
-
-De levenswijze van de beide laatstgenoemde Visschen biedt weinig
-verschil aan. Zij bewonen alle zeeën, die de Europeesche kusten
-bespoelen, houden hier verblijf op tamelijk groote diepte en zwemmen de
-rivieren op om kuit te schieten. Zij doen dit soms vroeger, soms later,
-daar zij wachten moeten, totdat het rivierwater, door het bezinken van
-het slib, dat bij hoogen waterstand wordt medegevoerd, eenigermate
-geklaard is. Gewoonlijk gaan de Finten 4 weken later op reis dan de
-Elften, welker reizen zich nagenoeg over het geheele gebied van den
-stroom uitstrekken, ook over de zijrivieren, den Moezel, den Main, den
-Neckar, zelfs over die, welke boven Bazel in den Rijn uitmonden. Voor
-een deel paaien de Elften echter reeds in lagere gedeelten van den
-hoofdstroom: bij Coblenz, bij Bonn en, volgens de onderzoekingen
-van Dr. Hoek, waarschijnlijk reeds op Nederlandsch grondgebied. De
-paaiplaatsen van de Finten, die in het voorjaar de rivier opzwemmen,
-zijn weinig boven den grens van het zoetwater gelegen; de Visschen,
-die later (tot in September) uit zee komen, begeven zich verder
-stroomopwaarts om kuit te schieten. Den Duitschen naam "Maifische"
-danken de Elften aan de regelmatigheid van hun komst in de hoogerop
-gelegen stroomgedeelten. Aan de riviervisschers zijn zij zeer goed
-bekend, omdat zij zich op een meer hoorbare wijze bewegen dan de
-andere Visschen, dicht bij de oppervlakte van het water zwemmen en
-soms een gedruisch veroorzaken, dat met het geknor van een kudde
-Zwijnen vergeleken wordt. De Visschen maken deze geluiden door
-het slaan met den staart, terwijl zij dicht bij den waterspiegel
-paaien. Na het kuitschieten keeren zij langzaam naar de zee terug;
-de meeste zijn dan opmerkelijk verzwakt en zoo mager, dat zij als
-voedsel voor den mensch bijna geen waarde hebben. Vele bezwijken
-ten gevolge van de vermoeienissen; doode exemplaren van deze soort
-ziet men soms in menigte den stroom afdrijven. Jonge Elften van
-ongeveer 5 à 7 cM. lengte komen reeds in de tweede helft van Juli in
-onze benedenrivieren voor; in October zijn zij reeds 8 à 13, in het
-volgende voorjaar 10 à 16 cM. lang; dan begeven zij zich naar zee. Hun
-voedsel bestaat uit kleine Visschen en weekhuidige Schaaldieren.
-
-De vangst van Elft op onze benedenrivieren is niet onbelangrijk
-en heeft hoofdzakelijk met het drijfnet plaats. Op de vischmarkt
-te Kralingen werden in 1897 ruim 34 duizend exemplaren van deze
-vischsoort aangevoerd, die gemiddeld een waarde hebben van meer dan
-een gulden. De Finten zijn kleiner en minder smakelijk; hun waarde
-is veel geringer: 1/5 à 1/10 van die der Elften. Deze zijn in sommige
-jaren veel menigvuldiger dan gewoonlijk. In April 1852 b.v. werden op
-de Merwede voor Gorkum in 24 uren tijds 23000 stuks Elften gevangen,
-in een enkelen trek 3573. Deze Visch wordt voornamelijk gerookt
-verzonden en gegeten.
-
-In Amerika heeft men een in de noordelijke Staten voorkomende
-Elftsoort, de Alewife of Mentraden [Clupea (Alosa) tyrannus], met
-goed gevolg door kunstmatige vischteelt naar zuidelijker rivieren,
-o. a. naar den Connecticut en de Alabama, overgebracht.
-
-
-
-Belangrijker dan de Elft en de Fint is de 18 à 20, hoogstens 25
-cM. lange Pelser [Clupea (Alosa) pilchardus], die in gestalte met den
-Haring overeenkomt, doch er door zijn geringere grootte en betrekkelijk
-grootere dikte van verschilt. De bovendeelen zijn blauwachtig groen,
-de zijden en de buik zilverwit; de met donkerder streepjes geteekende
-kieuwdeksels hebben een goudgelen weerschijn. Het is gebleken, dat de
-Sardijn van de Fransche kust, die men vroeger voor een afzonderlijke
-soort hield, zich alleen door geringere grootte onderscheidt van het
-vischje, dat in Engeland "Pilchard" wordt genoemd.
-
-De Pelser behoort hoofdzakelijk thuis in de zee ten westen van Europa,
-komt veelvuldig voor ten zuiden van Engeland en langs de geheele
-Fransche en Noord-Spaansche kust tot aan de straat van Gibraltar. Aan
-de kust van Cornwallis houdt hij zich gedurende het geheele jaar
-op, tijdelijk in ondiep water. Zijn vraatzucht is zeer groot;
-hij voedt zich echter bijna uitsluitend met kleine Schaaldieren,
-bij voorkeur met een dwergachtige soort van Garnaal, waarvan men
-dikwijls vele duizenden stuks in zijn tot barstens toe gevulde maag
-aantreft. Om deze te verkrijgen, vertoeft hij op den bodem der zee en
-doorzoekt op de wijze van de Karpers het zand of de tusschenruimten
-van den steenachtigen bodem in ondiep water. Zijn paaitijd valt in
-de herfstmaanden; in sommige jaren ontmoet men echter reeds in Mei
-vele Pelsers met rijpe kuit; van een bepaalden voortplantingstijd
-kan dus eigenlijk geen sprake zijn.
-
-Aan de Britsche kusten is de vangst van Pelsers van groote
-beteekenis. Met één trek van het net wordt soms een ongeloofelijk
-groote hoeveelheid van deze visch uit het water gehaald. Couch
-sprak een visscher, die bij een tocht tegenwoordig was geweest,
-welke 2200 tonnen Pelsers opleverde; zelfs is het eens voorgekomen,
-dat bij één tocht 10000 tonnen of ten naastenbij 25 millioen van deze
-Visschen gevangen werden. Een eigenaardigheid van deze visscherij
-is, dat men slechts een betrekkelijk gering aantal Pelsers gedurende
-den paaitijd vangt, de meeste evenwel met groote grondnetten van den
-bodem ophaalt. In sommige opzichten herinnert de vangst van Sardijnen
-aan die van Tonijnen. Vele Pelsers worden gezouten, verreweg de
-meeste echter eerst eenigen tijd in de pekel gelegd, daarna in olie
-gekookt, in blikken busjes gepakt en onder den naam van "Sardijnen"
-in den handel gebracht. Vooral te Nantes, Bordeaux, La Rochelle en op
-verschillende kustplaatsen van Saintonge wordt dit bedrijf uitgeoefend.
-
-
-
-De Ouden kenden zoomin den Haring als den Pelser of de Sprot, wel
-echter de Ansjovis (Engraulis encrasicholus), die o.a. wegens haar
-in een kegelvormige punt uitloopenden, ver voorbij de onderkaak
-uitstekenden snuit met ver achter de oogen reikenden mondspleet,
-als een vertegenwoordigster van een afzonderlijk geslacht wordt
-beschouwd. Zij wordt hoogstens 15 cM. lang en heeft een bruinachtig
-blauwen rug, de zijden en den buik wit, den kop goudkleurig.
-
-In ontzaglijke menigte bewoont deze soort de Middellandsche Zee;
-voorts is zij langs de Europeesche kusten van den Atlantischen Oceaan
-tot aan het noordelijke deel van de Noordzee verbreid; in de Oostzee
-wordt zij slechts zelden, en uitsluitend in het westelijke deel,
-waargenomen. Van Mei tot Juli begeeft zij zich om kuit te schieten in
-groote scholen naar de monden der rivieren, waar zij in menigte wordt
-buitgemaakt. Bij ons heeft de ansjovisvangst voornamelijk plaats in
-de Zuiderzee. De voornaamste zouterijen bevinden zich te Monnikendam
-en Marken, Enkhuizen, Medemblik, Huizen en Naarden, Urk en Bunschoten.
-
-Daar door de wet van 14 Juni 1890 het verbod van de vischvangst met
-den wonderkuil werd ingetrokken, is op de Zuiderzee het gebruik van
-alle vischtuigen geoorloofd. De ansjovisvangst wordt voornamelijk
-uitgeoefend met den wonderkuil, den kwakkuil en den dwarskuil:
-grondnetten, die nagenoeg alleen door de wijze van aanspanning
-verschillen; het eerstgenoemde wordt tusschen twee botters of
-schokkers in over den zeebodem getrokken; voor de beweging van de beide
-laatstgenoemde soorten van netten is slechts één visschersvaartuig
-noodig.
-
-De vroeger zoo belangrijke ansjovisvangst op de Zeeuwsche stroomen,
-die aanleiding gaf tot een belangrijke zouterij te Bergen-op-Zoom,
-heeft in de laatste jaren, ten gevolge van den toenemenden bloei
-der oesterkultuur, bijna niets beteekend. Over het algemeen zijn de
-uitkomsten van deze visscherij zeer wisselvallig. De totale vangst,
-die in 1890 190000 ankers (à 50 KG.) bedroeg, was in 1896 13500 ankers
-en is in vele jaren beneden de 10000 ankers gebleven (27 maal in de
-laatste 57 jaren). De geldelijke opbrengst is niet minder verschillend
-(ruim f 45000 in 1892, bijna f 560000 in 1894, bijna f 220000 in 1896).
-
-In zuidelijke landen is de ansjovis-visscherij van veel grooter belang;
-reeds in Bretagne brengt zij millioenen op; voor de bewoners van vele
-oeverlanden der Middellandsche Zee is zij een even gewichtig middel
-van bestaan als de haringvisscherij voor de bewoners van de kusten
-der Noordzee.
-
-
-
-Sedert het einde van de 17e eeuw, toen Richter Guyana bereisde,
-hebben verscheidene geneeskundigen en natuuronderzoekers hunne
-ervaringen medegedeeld over een Visch, wiens vermogen om electrische
-schokken te geven, dat van alle overige tot dusver bekende Visschen,
-die electrische organen bezitten, overtreft. Aan Alexander von
-Humboldt danken wij de eerste nauwkeurige berichten over den Beef-
-of Sidderaal; voor een twintigtal jaren heeft Carl Sachs deze
-mededeelingen aangevuld.
-
-"De Spanjaarden," zegt A. von Humboldt, "geven den naam van
-"Trembladores" (Siddervisschen) aan alle electrische Visschen. Sommige
-vindt men in de Antillen-zee, aan de kusten van Coemana. Andere
-Beefvisschen, echte Naakte Alen of Sidderalen, komen voor in de
-Rio Colorado, in de Guarapiche en in verscheidene kleine beken
-van de zendingsposten onder de Chaymas-Indianen. Ook in de groote
-Zuid-Amerikaansche stroomen, in den Orinoko, in den Amazonenstroom,
-in den Meta zijn zij talrijk, maar kunnen wegens den sterken stroom
-en de diepte van 't water moeielijk gevangen worden. Bij 't baden en
-zwemmen worden de Indianen niet zelden getroffen door de electrische
-ontladingen dezer Visschen; minder dikwijls komt het voor, dat zij hen
-te zien krijgen. In de Llanos, vooral in de nabijheid van Calabozo,
-tusschen Morichal en de hooger en lager gelegen zendingsposten,
-zijn de Sidderalen in stilstaande wateren en in de bijrivieren van
-den Orinoko zeer veelvuldig.
-
-"Aanvankelijk waren wij voornemens in ons huis te Calabozo proeven
-met deze Visschen te doen; bij het volk is de vrees voor de schokken
-van de Sidderalen echter zoo overdreven groot, dat wij in de drie
-eerste dagen er geen konden krijgen, ofschoon het niet moeielijk
-is ze te vangen en wij de Indianen 2 piasters hadden beloofd voor
-iederen behoorlijk grooten en krachtigen Visch.
-
-"Daar het lange wachten ons begon te vervelen (en nadat de proeven met
-een levenden, maar zeer afgematten Sidderaal, die men ons gebracht
-had, zeer twijfelachtige uitkomsten hadden opgeleverd), gingen wij
-naar den Cañon de Bera, een stroomend water, dat gedurende het droge
-jaargetijde in een modderigen plas verandert, om onze onderzoekingen
-te doen in de vrije natuur, aan den rand van een door Sidderalen
-bewoonden poel. Met netten kan men deze Visschen moeielijk vangen,
-daar zij zich buitengewoon vlug bewegen en zich, evenals de Slangen,
-in het slijk begraven. De Indianen zeiden, dat zij "met Paarden"
-gingen visschen. Weldra kwamen eenige mannen uit de steppe terug,
-een dertigtal ongetemde Paarden en Muildieren voor zich uit drijvend,
-die zij dwongen te water te gaan.
-
-"Door het stampen der paardenhoeven en het ongewone getier worden
-de Visschen uit het slijk opgejaagd en tot den aanval geprikkeld. De
-strijd tusschen deze zoo verschillende dieren levert een schilderachtig
-schouwspel op. De Indianen, met werpspiesen en lange, dunne rietstokken
-gewapend, plaatsen zich in een gesloten rij om den vijver, eenige
-klimmen in de boomen, welker takken zich in horizontale richting
-over het water uitbreiden. Door een woest geschreeuw en door
-slagen met de lange rietstokken drijven zij de Paarden, die naar
-den oever willen vluchten, in het water terug. Door dit geraas
-verschrikt, verdedigen de Sidderalen zich door telkens herhaalde
-electrische ontladingen. Gedurende geruimen tijd schijnt het, dat
-zij de zege zullen behalen. Verscheidene Paarden bezwijken door de
-werking van de onzichtbare slagen, die hunne edelste organen in alle
-richtingen doorvlijmen; bedwelmd door de telkens herhaalde krachtige
-schokken, verdwijnen zij onder den waterspiegel. Met buitengewone
-krachtsinspanning trachten andere, snuivend van angst, met overeind
-staande manen, terwijl de uitdrukking der oogen van grooten schrik
-getuigt, aan het onweder dat om hen heen woedt, te ontkomen: de meeste
-worden door de Indianen teruggedreven; aan eenige echter gelukt het
-de waakzaamheid der visschers te verschalken; zij weten den oever
-te bereiken, struikelen echter bij iederen pas en storten, doodelijk
-vermoeid, met verstijfde ledematen ter aarde. In minder dan 5 minuten
-waren reeds twee Paarden verdronken. De 1 1/2 M. lange Aal legt zich
-tegen den buik van het Paard aan, zoodat dit dier de lading van het
-geheele electrische orgaan in 't lichaam krijgt en een krachtige schok
-gelijktijdig het hart, de ingewanden en de buikzenuwen treft. In dit
-geval is de werking natuurlijk veel heviger, dan wanneer een mensch
-met de hand of den voet den Sidderaal aanraakt. Ongetwijfeld worden
-de Paarden niet direct door den schok gedood, maar slechts verdoofd;
-zij verdrinken, omdat zij niet meer opstaan kunnen, zoolang de strijd
-tusschen de overige Paarden en de Sidderalen voortduurt.
-
-"Onze meening, dat alle dieren, die voor deze vischvangst gebruikt
-werden, er het leven bij zouden verliezen, blijkt ongegrond
-te zijn. Langzamerhand vermindert de hevigheid van den ongelijken
-strijd en verlaten de uitgeputte Sidderalen de kampplaats. Zij hebben
-behoefte aan een langdurige rust en een rijkelijke voeding om het
-geleden verlies aan galvanische kracht te herstellen. De Muildieren
-en de Paarden beginnen minder angst te toonen; zij zetten hunne manen
-niet meer op; de uitdrukking van hunne oogen wordt kalmer. De visschen
-zwemmen schuw naar den oever van den vijver, waar zij met kleine,
-aan een lang touw bevestigde werpspiesen gevangen worden. Na weinige
-minuten hebben wij vijf groote Sidderalen in ons bezit, die voor
-'t meerendeel slechts licht gewond zijn. Andere exemplaren werden
-tegen den avond op dezelfde wijze gevangen."
-
-Zoo luidt het verhaal van den wonderbaarlijken strijd tusschen Paarden
-en Visschen. Waarschijnlijk zijn weinige natuurbeschrijvingen zoo
-beroemd geworden als deze. "Sedert een menschenleeftijd," schrijft Carl
-Sachs, "staat deze beschrijving in bijna ieder Duitsch schoolboek;
-zij is een van de eerste mededeelingen, die het opkomende geslacht
-van de levende natuur ontvangt. Voor het buitenland geldt dit in niet
-mindere mate dan voor Duitschland; ieder, die iets van Sidderalen
-gehoord heeft, kent het verhaal van hun strijd met de Paarden der
-steppe. Toen ik te Berlijn het plan voor mijn reis ontwierp, scheen
-het dus van zelf te spreken, dat ook ik, evenals Humboldt, Paarden
-in het moeras zou drijven om de Sidderalen te vangen, die ik voor
-mijne onderzoekingen noodig had. Gedurende de geheele reis naar
-het bij Calabozo gelegen dorp Rastro-de-arriba was geen spoor van
-twijfel hieraan in mij opgekomen; het eenige bezwaar, dat ik tegen
-deze vangst had, was de hooge prijs, die tegenwoordig in de Llanos
-voor Paarden en Muildieren geëischt wordt. De kosten van één enkele
-dergelijke vischvangst zou allicht een groot deel van het reisgeld,
-waarover ik beschikken kon, in beslag genomen hebben; ik had daarom
-het plan opgevat om te beproeven, de Paarden of Muildieren, die voor
-deze onderneming noodig heeten te zijn, door Ezels te vervangen,
-daar de prijs van deze dieren slechts ongeveer het vierde deel van
-die der vroeger genoemde bedraagt; mij bekroop echter de vrees,
-dat het schouwspel, waarvan ik getuige wenschte te zijn, door deze
-verandering veel minder grootsch en schilderachtig zou worden."
-
-"De vooruitzichten voor het welslagen van mijn voornemen waren
-overigens zoo goed, als ik maar wenschen kon; volgens allen, die mij
-hierover konden inlichten, bevat de Cañon Rastro, die op korten afstand
-van mijn woonplaats gelegen is, een groot aantal Sidderalen. Ik liet
-daarom reeds op den dag van mijn aankomst door mijn huisgenoot Juan
-Babtista eenige onvervaarde mannen bij mij ontbieden, als welker
-woordvoerder een bruine kerel, Rafael Maria Arma genaamd, optrad. Ik
-stelde aan deze lieden voor om den volgenden morgen met Paarden uit
-visschen te gaan, waarbij dan beproefd zou worden, of men niet in
-plaats van Paarden Ezels zou kunnen gebruiken. Tot mijn verwondering
-begrepen de menschen in 't eerst volstrekt niet, wat ik bedoelde;
-ik was dus wel verplicht om hun het geheele verhaal van Humboldt
-uitvoerig mede te deelen. Toen het hun duidelijk was geworden, wat ik
-wilde, barstte het geheele gezelschap in een uitbundig gelach uit. Het
-denkbeeld om op deze wijze Trembladores te vangen, kwam deze lieden
-zoo kolossaal grappig voor, dat het mij moeite kostte hen weer in een
-andere stemming te brengen. Zoomin als andere, die ik er later naar
-vroeg, zelfs geen der oudste bewoners van de streek, hadden ooit iets
-van een strijd tusschen Paarden en Visschen gehoord. Een zonderlinge
-samenloop van omstandigheden schijnt aanleiding te hebben gegeven,
-dat een enkel voorval als een vaste gewoonte, als een merkwaardig
-staaltje van de eigenaardige natuur van een land werd opgevat. Het is
-volstrekt onmogelijk, dat de gewoonte om Sidderalen te vangen door
-Paarden te drijven in het door deze Visschen bewoonde water ooit in
-de Llanos heeft bestaan, anders zou bij de bewoners van dit gewest,
-bij de zonen van de menschen, die Humboldt er aantrof, wel eenig
-spoor van herinnering aan deze wijze van vangst overgebleven zijn.
-
-"Later echter hoorde ik van lieden uit het stroomgebied van den Apoere
-een verhaal, dat misschien met dat van Humboldt in verband gebracht kan
-worden. Bij 't overtrekken van een rivier, die vele Trembladorus bevat,
-jaagt men de kudden vooraf in het water, om de Alen, die zich meestal
-op den bodem bevinden, door het getier en geplas op te schrikken
-en te verjagen. Een schrandere bol onder de Indianen, die Humboldt
-vergezelden, is hierdoor misschien op het denkbeeld gekomen, om op de
-reeds genoemde wijze te werk te gaan. Het drijven van Paarden in den
-poel heeft waarschijnlijk eigenlijk ten doel gehad de Sidderalen van
-den bodem van 't water te verjagen en de Indianen de gelegenheid te
-verschaffen ze te harpoeneeren, en niet om door veelvuldige ontladingen
-een verzwakking van de electrische kracht te veroorzaken. Dit laatste
-zou volkomen overbodig zijn geweest, omdat het lange, droge touw,
-waaraan de harpoen is vastgehecht, den visscher tegen de electrische
-schokken beveiligt. Hoe dit ook zij, het geheele voorval was en is
-stellig slechts een bij uitzondering voorkomende gebeurtenis. Een
-bepaalde wijze van Sidderalenvangst kent men in de Llanos niet; de
-inboorlingen gevoelen vrees en afschuw voor deze Visschen en gaan
-hun zooveel mogelijk uit den weg. Alleen toevallig geraken bij groote
-visscherijen in de rivieren ook Trembladores in het net." Zoo luidt het
-bericht van Carl Sachs, die op dezelfde plaats als A. von Humboldt,
-maar 76 jaren later, onderzoek deed naar den merkwaardigen strijd
-tusschen de electrische Visschen en de Paarden.
-
-De Sidderaal of Beefaal, door de Spanjaarden Tremblador genoemd
-(Gymnotus electricus), behoort tot de familie der Naakte Alen
-(Gymnotidae) en vertegenwoordigt het geslacht der Beefvisschen
-(Gymnotus). De bovenrand van de mondopening wordt bij alle leden der
-familie van voren door de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door
-kleine bovenkaaksbeenderen gesteund; de schoudergordel is onmiddellijk
-aan den kop gehecht. De ribben, die bij de echte Alen ontbreken, zijn
-hier aanwezig. De rugvin en de buikvinnen ontbreken. De borstvinnen
-zijn steeds aanwezig en goed ontwikkeld. De aarsvin is zeer lang,
-begint altijd dicht bij (bij sommige reeds onder) de keel, waar dan
-ook de aarsopening voorkomt. De staartvin is bij verreweg de meeste
-soorten een rechtstreeksche voortzetting van de aarsvin. De zwemblaas
-is dubbel, bij één soort zelfs in drie afdeelingen gescheiden: de
-achterste is de grootste en zeer lang, de voorste is peervormig
-en staat, behalve met den slokdarm, ook met het gehoororgaan in
-verband. De Beefvisschen verschillen van hunne verwanten door de
-ongeschubde huid, die ook de borstvinnen en de aarsvin bedekt (en
-hier dik is), voorts door het gebit, dat uit een groot aantal fijne,
-spitse tanden in de kaken, een kleine reeks van tanden aan het voorste
-deel van het gehemelte en twee reeksen van tanden achter de voortanden
-van de onderkaak bestaat.
-
-De Sidderaal kan een lengte van 2 M. en een gewicht van 15 à 20
-KG. bereiken. De bovenzijde is fraai olijfgroen, op vele plaatsen
-donkerder genuanceerd; de onderdeelen (van de spits van de onderkaak
-tot aan de aarsvin) zijn fraai oranjerood; de lange aarsvin is
-leikleurig met witten, bij enkele exemplaren echter met rooden
-zoom; twee of meer reeksen van kersgroote, lichtgele vlekken, die
-gelijkstandig over den rug, van den kop tot aan het einde van den
-staart loopen, versieren den rug en de zijden. Ieder vlek omgeeft een
-afvoeropening van een klier; de huid is voortdurend bedekt met het
-hieruit afkomstige slijm, dat de electriciteit 20- à 30-maal beter
-geleidt dan zuiver water.
-
-Ongeveer vier vijfde deelen van de lichaamslengte worden ingenomen
-door de electrische organen, die zich van het achterste uiteinde
-der lichaamsholte tot aan de spits van den staart uitstrekken,
-de beide onderste afdeelingen van het zijdespierenstelsel van den
-staart nagenoeg geheel vervangen en ruim een derde deel van het
-lichaamsgewicht uitmaken. Gezamenlijk vormen zij een licht roodachtig
-gele, doorschijnende, geleiachtige massa. Deze bestaat uit twee paar
-langwerpige lichamen of bundels: het bovenste bevindt zich onmiddellijk
-onder de huid; het onderste is door spieren omhuld en boven de aarsvin
-gelegen. Men zou ze kunnen vergelijken met spierbundels, waarin de
-spiervezels vervangen zijn door reeksen van "electrische elementen",
-ieder samengesteld uit een vliezig dwarsschot, aan de voorzijde
-bedekt met een zoogenaamde "electrische plaat", die in aanraking is
-met een dunne laag van een eiwitachtig vocht. Elke reeks of "zuil"
-bevat ongeveer 4000 dergelijke elementen, ieder ongeveer 0.1 mM. lang
-en 0.8 mM. hoog, en reikt van het staarteinde (de positieve pool)
-tot het kopeinde van het electrische orgaan. In elke electrische
-plaat bevindt zich het eindtoestel van een bewegingszenuwvezel,
-van een der vertakkingen van de electrische zenuwen, die ten getale
-van omstreeks 200 uit het voorste (naar de buikzijde gerichte) deel
-van het ruggemerg ontspringen. Aan de oppervlakte van de plaat, die
-naar de negatieve pool (naar den kop) is gekeerd, treft men geen
-zenuwvertakkingen aan, wel haarvaten, die in de uithollingen der
-plaat bochten vormen.--Naar het schijnt, moet de werking van dit
-orgaan langs electro-capillaire wijze verklaard worden. Onder den
-invloed van de zenuwen heeft een samentrekking plaats: de elementen
-verminderen in lengte en nemen toe in doorsnede, wat voldoende is om
-een klein verschil in electrische spanning tusschen de beide zijden
-van het element te doen ontstaan. Wegens talrijkheid der elementen is
-de som van deze verschillen zeer groot en zal een krachtige stroom
-van achteren naar voren het lichaam van het dier doorloopen, zoodra
-het electrisch orgaan door tusschenkomst van de zenuwen prikkels van
-de centrale deelen ontvangt. Raadselachtig is het merkwaardige feit,
-dat het dier volkomen ongevoelig is voor zijne eigene schokken, er geen
-nadeel van ondervindt, hoewel de ontlading, zooals uit de proeven van
-Carl Sachs gebleken is, met volle kracht het geheele lichaam doorloopt.
-
-Over de werking van de electrische ontladingen en hare eigenaardigheden
-hebben de onderzoekers uit vroegeren tijd vele juiste berichten
-medegedeeld. Zeer spoedig kwam men tot de overtuiging, dat
-het uitdeelen van schokken door den Visch geheel willekeurig
-geschiedt. Bajon raakte een Sidderaal met den vinger aan, zonder
-iets te gevoelen, maar kreeg zwakke schokken, toen hij den vinger op
-den rug legde. Toen deze Visch bij het ververschen van het water op
-den bodem was gevallen en, daar geen neger het dier wilde opheffen,
-door hem zelf bij den staart gepakt werd, kreeg hij zulk een hevigen
-schok, dat hij bijna omviel en een tijdlang geheel bedwelmd was. Een
-Kat, die een bijna dooden Sidderaal wilde pakken, sprong onder hevig
-geschreeuw terug; een Hond, die aan zulk een dier likte, ondervond
-dezelfde onaangename gevolgen.
-
-De eerste schokken, die een volkomen ontwikkelde, gezonde, groote
-Sidderaal door goede geleiders van de electriciteit kan uitdeelen,
-zijn zeer krachtig. Een mensch of een ander groot Zoogdier wordt
-daardoor wel niet gedood, maar kan, als de lading bijzonder gevoelige
-lichaamsdeelen treft, in sommige gevallen bedwelmd worden; kleine
-dieren worden licht bedwelmd, of vallen zelfs dood neer, als door
-den bliksem getroffen. A. Kappler kreeg, toen hij langs den oever
-van een rivier in Suriname waadde, van een tusschen zijne beenen
-door zwemmenden Sidderaal een zoo hevigen schok, dat hij, als door
-den bliksem getroffen, in 't water viel en nog juist gelegenheid
-vond om zich aan een boomwortel vast te houden. "Wel 2 minuten lang
-waren mijne voeten als verlamd en was ik niet in staat ze te bewegen,
-langzamerhand verdween dit zonderlinge gevoel en kon ik verder gaan."
-
-De Sidderaal is over een groot deel van Zuid-Amerika, vooral over
-het noordoosten van Brazilië, over Guyana en Venezuela verbreid;
-hij bewoont echter alleen zeer warme wateren, vermijdt derhalve
-bergstreken, in welker kouder water zijn electrisch vermogen, naar men
-zegt, aanmerkelijk vermindert en zoo goed als geheel verdwijnt. Het
-door hem bewoonde gebied is, naar het schijnt, grootendeels tot
-de wateren van de Llanos beperkt. Volgens Sachs is een smalle,
-modderige, in donkere schaduw gehulde beek of poel zijn liefste
-verblijfplaats. Hier ligt hij, althans over dag, op den bodem van 't
-water, maar stijgt met tusschenpoozen van gemiddeld een halve minuut
-naar de oppervlakte, houdt den bek boven water en slikt met hoorbaar
-gedruisch lucht in; hij duikt dadelijk weer onder; en laat intusschen
-de opgenomen lucht door de kieuwspleten ontsnappen. De inboorlingen
-worden de aanwezigheid van een Sidderaal gewaar door deze wijze van
-ademhaling, die duidelijk de aandacht trekt. Zoodra het duister begint
-te worden, vangt deze Visch aan zich te bewegen en te jagen. Door zijn
-electrische batterij is hij een veel vreeselijker vijand van zijne
-geschubde klassegenooten dan de vraatzuchtigste roofvisch zou kunnen
-zijn. Hij voedt zich met iederen buit, dien hij verzwelgen kan en
-in het door hem bewoonde water aantreft, met Visschen zoowel als met
-Krabben en in 't water vallende Insecten. Zoodra hij in de nabijheid
-van een door hem begeerd slachtoffer is aangekomen, maakt hij gebruik
-van zijn electrisch orgaan; de ontlading van de electriciteit brengt
-zulk een hevige werking teweeg, dat een oogenblik later alle Visschen
-en Krabben, die er door getroffen worden, met den buik naar boven
-gekeerd bewegingloos in 't water ronddrijven. Hij zoekt vervolgens de
-prooi uit, die hem het best aanstaat en verzwelgt haar door een hevige
-zuigwerking, die een duidelijk hoorbaar gedruisch veroorzaakt. Bij
-den aanvang van het droge seizoen, wroet de Sidderaal een diep,
-rond gat in den modder, door zich voortdurend in een kring rond te
-draaien. In dit gat kruipt hij weg, wanneer de door hem bewoonde
-poel op het punt is van uit te drogen en het hem niet mogelijk was
-te rechter tijd de wijk te nemen naar een deel van den poel, dat het
-water langer behoudt. Op de laatstgenoemde wijze redt hij zich steeds
-uit den nood, indien hiertoe gelegenheid bestaat: de reis moet steeds
-te water geschieden; hij kan niet over land trekken en zelfs niet over
-het vochtige slijk zich bewegen; evenals andere Visschen, zal hij om
-'t leven komen, als hij geen anderen poel kan bereiken.
-
-Een groote, door hem ondernomen en bij uitzondering zeer gelukkige
-vischvangst met schutnetten, waardoor vele honderden Trembladores
-ingesloten waren, beschrijft Carl Sachs op een zeer aanschouwelijke
-wijze. Na het plaatsen van een der schutnetten begaven de aangeworven
-mannen zich "met stokken gewapend te water, vormden een rij, die
-zich van den eenen oever naar den anderen uitstrekte en gingen onder
-vreeselijk geschreeuw langzaam vooruit, terwijl zij voortdurend met
-de stokken op het water sloegen. Ik had een plaats ingenomen in de
-nabijheid van het schutnet en keek zonder groote verwachting naar de
-oppervlakte van het water; plotseling zag ik met verrukking de mij
-welbekende groene en roode koppen boven water komen. Een groot aantal
-Trembladores was op een bepaalde plaats van den poel verzameld geweest;
-vluchtend voor het geraas, dat mijne helpers maakten, waren zij bij
-het schutnet gekomen en trachtten nu met slangsgewijze kronkelingen
-van het lichaam er over heen te komen, hetgeen echter aan geen hunner
-gelukte. Dadelijk riep ik mijne metgezellen toe het andere net ook te
-water te laten; toen dit geschied was, bleef de geheele troep tusschen
-de beide netten in een nauwe ruimte opeengedrongen. Daar het te vreezen
-was, dat de Trembladores, wanneer men ze al te veel in 't nauw bracht,
-met geweld door de tamelijk wijde mazen van het net zouden sluipen,
-liet mijn gastheer, Don Guancho Rodriguez, de mannen halt maken en nam
-het medegebrachte werpnet ter hand. Naakt in 't water staande, wierp
-hij het zoo behendig, dat het, ontplooid door de levende kracht van
-de looden gewichten die het bezwaarden, radvormig in 't water neerkwam.
-
-"Intusschen trok ik de caoutchouc-handschoenen aan, die ik uit Berlijn
-medegenomen had, om de gevangen dieren te kunnen grijpen. Daar
-zoowel Don Guancho als de voor 't bergen der Visschen bestemde,
-met water gevulde ton, die in der haast ter plaatse was gebracht,
-zich aan den anderen oever bevonden, moest ik mij eveneens daarheen
-begeven; om het nat worden van mijne kleederen te verhoeden, liet
-ik mij door een der mannen dragen. Deze struikelde echter over een
-verborgen boomwortel of over een ander voorwerp en viel met mij in
-'t water. Hoewel ik schielijk weer opstond, kwam ik doornat aan
-den anderen oever. Op hetzelfde oogenblik ving Don Guancho met het
-werpnet een der Sidderalen. Door de handschoenen tegen de electrische
-schokken beschut, lichtte ik het forsche, meer dan 1.5 M. lange,
-geweldig tegenspartelende dier op en was voornemens het schielijk in
-den ton te werpen. Maar het gleed mij door de handen en viel voor mijne
-voeten, zoodat het juist met den kop en den staart mijne beide beenen
-aanraakte. Dit had ten gevolge, dat ik de krachtigste schokken kreeg,
-die een volkomen frissche Sidderaal geven kan. Eenige seconden bleef
-de Visch op de genoemde plaats en was ik door den schrik buiten staat
-mij te bewegen, want het hoogst opgewonden monster joeg mij een ware
-hagelbui van vreeselijke schokken door het lichaam; ik schreeuwde luid,
-overweldigd door de pijn, totdat eindelijk het dier van mijne voeten
-afgleed en in het niet door netten ingesloten deel van 't water te
-recht kwam.
-
-"Het was voor 't eerst, dat ik de volle kracht van een pas gevangen,
-groote Sidderaal ondervond. Ik kan verzekeren, dat het geen kleinigheid
-is. A. von Humboldt schrijft, dat hij na zulk een voorval den geheelen
-dag een hevige pijn in alle leden gevoelde. Dergelijke gevolgen heb
-ik niet ondervonden; het is echter niet onwaarschijnlijk, dat de
-verschijnselen van minder voorbijgaanden aard geweest zouden zijn,
-als ik de schokken in den romp of in het hoofd had gekregen, in plaats
-van in de voeten."
-
-Onze zegsman noemt den Sidderaal den sierlijksten zwemmer van alle
-hem bekende Visschen; hij was verrukt over de bewegingen van zijne
-gevangenen. Als de Sidderaal in een nauwen bak wordt geplaatst, zwemt
-hij onrustig in een kring rond en doet zijn best om over den rand heen
-te ontvluchten, hetwelk hem niet zelden gelukt. Wanneer hij echter in
-een wijden, goed ingerichten bak wordt gebracht, berust hij in zijn
-lot, vleit zich, lang uitgestrekt, op den bodem neer en blijft hier in
-den regel den geheelen dag liggen, zonder eenige andere bewegingen te
-maken, dan voor de ademhaling noodig zijn; bovendien zoekt hij steeds
-de donkerste plaats op. Als de nacht begint, wordt hij onrustig. Door
-plotselinge verlichting van den door hem bewoonden bak geraakt hij
-in een hoogst opgewonden toestand. Hoewel hij weken lang honger
-kan lijden, leert men hem als een zeer vraatzuchtig dier kennen,
-wanneer men hem een overvloed van voedsel geeft. Het werpen van jonge
-Visschen of Kreeften in de woning van de Sidderalen gaf onmiddellijk
-aanleiding tot een vreemdsoortige jacht. Meestal was een enkele slag
-voldoende om de vervolgde dieren te verlammen; soms slaagden zij er
-echter in, zich met een sprong boven den waterspiegel te verheffen;
-dan schoot niet zelden ook de vervolger bliksemsnel uit het water om
-springend zijn buit te grijpen en dezen vervolgens, als naar gewoonte,
-zonder voorafgaande toebereiding te verslinden.
-
-
-
-De Aalvisschen (Muraenidae) vormen een talrijke, meer dan 230 soorten
-omvattende familie; zij hebben een slangvormigen, meer of minder
-afgeronden romp met een meestal zijdelings samengedrukten staart; de
-buikvinnen ontbreken; de huid is naakt of met fijne, elkander niet
-aanrakende schubben bekleed; de bovenrand van de mondspleet wordt
-over zijn geheele lengte uitsluitend door de tusschenkaaksbeenderen
-gesteund; de rudimentaire bovenkaaksbeenderen bereiken de mondspleet
-niet; de schoudergordel is niet aan den kop, maar verder achterwaarts
-aan de wervelkolom gehecht. Het gebit en de vinnen kunnen, zooals
-later zal blijken, zeer verschillend zijn. De aarsopening is ver
-achter den kop gelegen. De ribben ontbreken. De Aalvisschen behooren
-in de warme en gematigde aardgordels thuis. De weinige soorten, die
-den poolcirkel overschrijden, zijn reeds op korten afstand van daar
-zeldzame verschijningen, en komen eenige graden verder noordwaarts in
-'t geheel niet meer voor. Zij leven in de zee, zoowel als in zoetwater;
-verscheidene soorten trekken, evenals onze Alen, van de rivieren naar
-de zee en begeven zich van uit de zee naar de rivieren terug. Bij
-voorkeur kiezen zij water met modderigen bodem tot verblijfplaats,
-omdat zij hier hun gewone voedsel vinden en schuilplaatsen, waar
-zij beveiligd zijn tegen de vervolging van groote roofvisschen. Alle
-Aalvisschen zonder eenige uitzondering leven van roof; verscheidene
-behooren tot de flinkste en vraatzuchtigste roovers, hoewel de
-meeste zich tevredenstellen met kleine dieren. Voor de menschelijke
-huishouding hebben zij sinds overouds een niet geringe beteekenis
-gehad; overal wordt daarom veel werk gemaakt van hun vangst. De
-Aalvisschen worden algemeen als een uitmuntend voedsel beschouwd
-en voldoen als zoodanig aan hooge eischen, daar zij zich zeer sterk
-vermenigvuldigen, een uitgestrekt gebied bewonen, een buitengewoon
-taai leven hebben en hierdoor geschikt zijn om na de een of andere
-wijze van toebereiding, maar ook in verschen toestand wijd en zijd
-verzonden te worden.
-
-
-
-De Aal (Anguilla anguilla, Anguilla vulgaris) vertegenwoordigt het
-geslacht der Echte Alen; deze hebben kleine, ronde kieuwopeningen;
-de rugvin en de aarsvin zijn niet gescheiden van de staartvin; deze
-eindigt spits; de tusschen- en onderkaak en ook de ploegschaarbeenderen
-zijn met fluweelachtige tanden bezet. De rugvin neemt nagenoeg
-twee derde van de lichaamslengte in, de borstvinnen zijn kort en
-langwerpig. De uiterst fijne, doorzichtige, lange, smalle schubben zijn
-in de dikke, slijmerige huid weggedoken, hebben twee verschillende
-richtingen, die met elkander een rechten hoek vormen en laten dus
-vrije tusschenruimten over.
-
-De donkere, groenachtige kleur van de bovendeelen is boven op den kop
-het donkerst en vertoont hier een bruinachtige tint; de onderzijde
-is wit met doffen zilverglans: de rugvin, de staartvin en het
-achterste deel van de aarsvin zien er nog donkerder uit dan de rug;
-de borstvinnen zijn bruinachtig zwart met donkerzwarten zoom. Gemiddeld
-bereikt de Aal een lengte van 1 M.; exemplaren van meer dan 1.3 M. zijn
-zeldzaam; hun gewicht gaat slechts bij uitzondering 6 KG. te boven.
-
-De leden van deze soort kunnen in sommige opzichten van elkander
-verschillen, o. a. wat den vorm van den kop betreft, die soms spits,
-soms stomp eindigt. Deze afwijkingen en andere die van den leeftijd en
-van den tijd van 't jaar afhangen, hebben aanleiding gegeven tot het
-gebruik van verschillende benamingen. Volgens Van den Ende onderscheidt
-men te Arnhem den Aal in "Fijnkoppen" en "Grofaal" of "Jankoppen". De
-namen "Aal" en "Paling" worden zelfs door onze visschers veelal
-geheel willekeurig toegepast. Volgens Van Bemmelen worden in Noord- en
-Zuid-Holland de oude voorwerpen "Paling", de jongen meer bepaaldelijk
-"Aal" en de zeer kleine exemplaren "Bakaal" genoemd. Houttuijn zegt,
-dat de "Paling" een spitseren kop heeft, van boven bruiner, van
-onderen geler en bovendien ronder en vetter is, dat de Aal, die in
-'t voorjaar in 't IJ gevangen wordt en "Nebbeling" heet, een lichtere
-kleur heeft, doch in 't najaar zoo bruin wordt als de Paling. Ook in
-Overijsel spreekt men van Nebbeling en Nebaal. In Friesland en enkele
-andere provinciën noemt men de kleine exemplaren met bruinachtig
-gelen buik "Roode Aal", de groote met witten of witachtigen buik
-"Schiere Aal". Een andere kleursverscheidenheid is de "Oranje-aal".
-
-Vooral door de onderzoekingen van Jacoby [7] is het mogelijk geworden
-de mannetjes en de wijfjes van den Aal met voldoende zekerheid
-te onderscheiden: De mannetjes zijn kenbaar aan hun veel geringere
-grootte (tot dusver heeft men er nog geen gevonden, die langer was dan
-48 cM.), aan hun aanmerkelijk smalleren snuit (die soms lang gerekt
-is, soms kort en spits uitloopt), aan hun donkerder kleur (de rug is
-donkerder groen, dikwijls zelfs zwart, de zijden vertoonen een sterken
-metaalglans, de buik is wit); bovendien is de middellijn van het oog
-bij de wijfjes in den regel kleiner, de rugvin daarentegen veel hooger.
-
-Bezuiden 64 à 65° N.B. bewoont de Aal alle zoete wateren van Europa
-met uitzondering van die, welke naar de Zwarte en de Kaspische
-Zee vloeien. In den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem zoowel bij
-Noord-Amerika als bij Europa. In Azië treft men hem niet aan; in
-'t Ob-gebied althans is hij zoo goed als onbekend. Aan diep water
-met modderigen bodem geeft de Aal de voorkeur boven iedere andere
-verblijfplaats; hij houdt zich echter niet uitsluitend in zulke
-wateren op, maar bezoekt, reislustig als hij is, ook die, welke juist
-de tegenovergestelde eigenschappen hebben. Gedurende den winter ligt
-hij in 't slijk verborgen en houdt winterslaap of zwerft althans
-niet jagend rond. Zoodra het warme jaargetijde aanvangt, begint zijn
-zomerleven. Met slangsgewijze kronkelingen zwemt hij zeer vlug in
-waterlagen van verschillende diepte, sluipt met bewonderenswaardige
-behendigheid door holen of buizen, komt b.v. geregeld voor in de
-waterleidingen van steden, waar het water niet behoorlijk gezuiverd
-wordt en bereikt op deze wijze zelfs de bovenste verdiepingen van
-gebouwen. Ook woelt hij zich door half verstopte buizen heen en
-ontsnapt op deze wijze uit vijvers, waarin men meende hem te kunnen
-behouden. Nog altijd beweren sommigen, dat hij 's nachts aan land
-gaat om in de erwten- en wikkenakkers op Slakken en Wormen jacht
-te maken. Onmogelijk is het niet, dat de Aal tochten maakt, daar,
-zooals ons reeds gebleken is, ook andere Visschen zich over het
-land bewegen. Zelfs de ervarenste visschers weten echter van deze
-uitstapjes van den Aal op grond van eigen ervaring niets mede te
-deelen; wel moeten zij dus, zoo ooit, zeer zeldzaam voorkomen. Zelfs
-indien men het voor bewezen houdt, dat er Alen op het land gevonden
-werden, moet men niet uit het oog verliezen, dat deze dieren licht
-na een overstrooming daar achtergebleven kunnen zijn. Volkomen juist
-is het, dat de Aal in de lucht kan ademen en dus een dag of langer
-buiten het water kan leven; hieruit blijkt echter nog volstrekt niet,
-dat hij reizen over land onderneemt.
-
-Als voedsel gebruikt de Aal hoofdzakelijk lagere dieren, vooral Wormen
-en Schaaldieren; bovendien maakt hij soms Vorschen en kleine Visschen
-buit; naar men zegt, vreet hij ook aas. Hoewel hij om zijn vraatzucht
-en gulzigheid in Friesland "Ropper", in Gelderland "Happer" heet,
-staat de kleinheid van de mondopening hem bij het rooven en happen
-zeer in den weg.
-
-Tot voor zeer korten tijd was de voortplanting der Alen zelfs voor den
-natuuronderzoeker in een ondoordringbaar duister gehuld; nog altijd
-worden over dit deel van hun levensgeschiedenis zeer vreemdsoortige
-meeningen uitgesproken. Aristoteles was van oordeel, dat de Alen zich
-uit Wormen ontwikkelen en dat deze zonder tusschenkomst van ouders
-uit modder ontstaan. Op sommige plaatsen achten de visschers het ook
-thans nog waarschijnlijk, dat Alen met Slangen paren. Vele van hunne
-beroepsgenooten beweren, dat de Alen niet uit Dieren van hun eigen
-soort, maar uit andere Visschen geboren worden. Hieraan dankt de Magaal
-den naam "Aalmoeder", dien hij in Duitschland draagt. De visschers van
-Sardinië schrijven algemeen aan een Zwemkever (Dytiscus Roselli) de
-voortbrenging der Alen toe. Dikwijls is beweerd, dat de Alen levende
-jongen ter wereld brengen. De onwaarschijnlijkheid van deze meening
-springt in het oog, wanneer men bedenkt, dat levendbarende dieren
-steeds een betrekkelijk gering aantal jongen ter wereld brengen,
-terwijl uit allerlei verschijnselen zeer duidelijk blijkt, dat
-de Alen zich buitengewoon sterk vermenigvuldigen. Dikwijls heeft
-men Alen gevangen, welker lichaam een meer of minder groot aantal
-wormvormige diertjes bevatte, die door onkundigen voor jongen werden
-gehouden van het dier, waarin men ze aantrof, maar bij nader onderzoek
-ingewandswormen bleken te zijn.
-
-De eierstokken van den Aal werden eerst in 1777 door Mondini ontdekt;
-zij vertoonen zich aan weerszijden van de zwemblaas in den vorm van
-een tamelijk breeden, vetrijken witten of eenigszins geelachtigen
-band, die door zijne plooien aan een dames-manchet herinnert en een
-onnoemelijk aantal zeer kleine eieren bevat. In rijperen toestand heeft
-men ze bij onze Alen nog niet waargenomen, wel bij de Zee-aal, wiens
-voortplanting en ontwikkeling tot voor weinige jaren eveneens volkomen
-onbekend was. Herhaaldelijk, vooral aan de Zoölogische Stations te
-Napels en te Plymouth, heeft men opgemerkt, dat Zee-alen, die in een
-aquarium maanden lang volkomen gezond waren gebleven, vrij plotseling
-een eigenaardige verandering ondergingen; hun omvang nam sterk toe;
-alsof het lichaam door inwendige gasontwikkeling was uitgezet,
-dreven zij op zijde liggend aan de oppervlakte van 't water rond,
-gebruikten geen voedsel meer en stierven. In de buikholte van deze
-Visschen vond men de kuit of de hom zoo verbazend sterk ontwikkeld, dat
-alle overige ingewanden er als 't ware door verdrongen waren. Hieruit
-heeft Cunningham afgeleid, dat de Zee-aal slechts éénmaal in zijn
-leven paait en kort daarna sterft, een verschijnsel, dat ook wel
-bij andere dieren voorkomt. Dat men nooit in zee geslachtsrijpe
-Zee-alen gevangen heeft, is licht te verklaren, wanneer men bedenkt,
-dat hunne soortgenooten, die in een aquarium den genoemden trap van
-ontwikkeling bereikten, geruimen tijd te voren ophielden voedsel te
-gebruiken en zich zooveel mogelijk trachtten te verbergen. Visschen,
-die niet naar 't lokaas happen, worden niet aan den haak gevangen;
-het verblijf in rotsspleten en dergelijke schuilplaatsen vrijwaart
-hen tegen het gevaar van in een net te geraken.
-
-De mannelijke geslachtsorganen van den Aal zijn voor 't eerst
-waargenomen in 1874 door Syrski, die tevens de onjuistheid aantoonde
-van de kort te voren verkondigde meening, dat de Aal "hermaphrodiet"
-zou zijn (d. w. z., dat mannelijke en vrouwelijke organen bij
-hetzelfde individu zouden voorkomen). Evenals de wijfjes, blijven ook
-de mannetjes onrijp, zoo lang zij in 't zoetwater vertoeven. Zooals
-reeds lang bekend is, begeven zij zich naar zee; dit geschiedt van
-October tot Januari, bij voorkeur bij stormachtig weer en in donkere
-nachten. Jacoby vond te Comacchio de maag van alle Alen, die gedurende
-het trekken naar zee gevangen werden, volkomen ledig, welk verschijnsel
-ook bij andere Visschen gedurende den paaitijd wordt opgemerkt. In zee
-worden de Alen geslachtsrijp en paaien zij; dat dit op grooten afstand
-van de kust op den diepen zeebodem geschiedt, mag men op grond van een
-groot aantal feiten voor zeker houden. In de laatste jaren (en wel
-tusschen November en Juni) zijn herhaaldelijk in zee Alen gevangen,
-welker geslachtsorganen veel verder ontwikkeld waren, dan bij het
-begin van den trek. Ook hadden zij in den tusschentijd een uitwendig
-waarneembare verandering ondergaan, een bruiloftskleed verkregen,
-dat zich kenmerkt door den zilverachtigen glans van den buik, de
-zwarte kleur der borstvinnen en vooral door de grootte der oogen. De
-laatstgenoemde eigenaardigheid is zeer merkwaardig, daar groote oogen
-een kenmerk zijn van Visschen, die groote diepten bewonen. De bedoelde
-exemplaren werden door Grassi gevangen in de nauwe straat van Messina,
-waar de watergetijden een sinds overouden tijd befaamde, sterke
-strooming teweeg brengen, die allerlei bewoners van de diepte medevoert
-naar gemakkelijker voor ons bereikbare waterlagen. Volkomen rijpe Alen
-zijn echter niet waargenomen, waardoor het vermoeden bevestigd wordt,
-dat deze, door de snelle ontwikkeling der geslachtsproducten uitgeput,
-kort na het paaien sterven. De door hen voortgebrachte bevruchte eieren
-zijn waarschijnlijk die, welk Raffaeli van Augustus tot Januari aan
-de oppervlakte der zee drijvend aangetroffen heeft. Dat de jongen
-van den Aal een gedaantewisseling doorloopen, is gebleken uit de
-onderzoekingen, die Grassi sinds 1892 deed, met behulp van materiaal,
-dat in de straat van Messina verkregen was. Reeds in 1864 had Gill als
-larve van den Zee-aal herkend een diertje, dat honderd jaar vroeger
-door Morris voor 't eerst werd opgemerkt en daarna onder den naam van
-Glasaal (Leptocephalus Morrisii) als een vertegenwoordiger van een
-afzonderlijke familie van Visschen was beschouwd. Dit diertje heeft
-een doorschijnend, ongeschubd, zijdelings lintvormig samengedrukt
-lichaam met kleinen en smallen kop (waaraan het zijn geslachtsnaam
-dankt, die "Dunkop" beteekent. De oogen zijn groot, de kaken met
-spitse tandjes gewapend; de parige vinnen ontbreken, evenals de
-zwemblaas en de geslachtsorganen; het geraamte is kraakbeenig, het
-bloed kleurloos; het spijskanaal strekt zich tot aan het laatste
-derde deel van het lichaam uit. In het aquarium ontwikkelt zich deze
-hoogstens 12 1/2 cM. lange larve in een maand tijds tot een 7 1/2
-cM. langen Zee-aal. Grassi heeft van deze en verscheidene andere
-Leptocephalen de ontwikkeling nagegaan, o.a. ook van Leptocephalus
-brevirostris (zoo genoemd wegens zijn korten snuit), een hoogstens
-8 cM. lang diertje, dat als larve van de Aal werd herkend. In een
-aquarium ontwikkelden zich deze larven tot jonge aaltjes van 5 à
-6 cM. lengte, van gelijken vorm als die, welke tegen het einde van
-April, uiterlijk in Mei, de rivieren opzwemmen. Milliarden aaltjes,
-hoogstens 9 cM. lang en zoo dik als een penneschacht, begeven zich
-stroomopwaarts, zonder zich te laten weerhouden door hinderpalen, die
-men voor hen onoverkomelijk zou achten: de waterval van Schaffhausen
-belet hen niet het meer van Constanz te bereiken, de Rhône-waterval
-verhindert evenmin het voortzetten van den tocht naar alle in dit
-stroomgebied gelegen wateren. Volgens Crespon vormen de jonge Alen, die
-in den mond van de Rhône doordringen om stroomopwaarts te zwemmen (welk
-verschijnsel hier "la montée" genoemd wordt) een aaneengesloten massa,
-welker middellijn die van een dikken ton evenaart. In den regel bemerkt
-men aan iederen oever zulk een school. Op vele plaatsen worden zij,
-naar Karl Vogt bericht, met zeeven en mandjes uit het water geschept en
-(meestal met eieren gemengd) als pannekoeken gebakken en gegeten. Dat
-op deze wijze en de bezwaren van de reis honderdduizenden het leven
-verliezen, brengt geen belangrijke vermindering teweeg van het door
-milliarden gevormde leger. "Ik bevond mij," verhaalt Davy, "tegen het
-einde van Juli te Ballyshannon in Ierland aan den mond van de rivier,
-waarin de waterstand gedurende de vorige maand hoog was geweest. In
-de nabijheid van een waterval was het water troebel door millioenen
-kleine Alen, die onophoudelijk de natte rotsen langs de oevers van
-den waterval trachtten te beklimmen; de vochtige, slijmerige lijken
-van de honderdduizenden, die bij deze pogingen om 't leven kwamen,
-werden door de overige als een ladder gebruikt, die hun het voortzetten
-van de reis gemakkelijker maakte. Ik zag ze zelfs loodrechte rotsen
-beklimmen; zij kronkelden zich door het vochtige mos of hielden zich
-vast aan de lijken van hen, die bij deze onderneming den dood hadden
-gevonden. Hun volharding was zoo groot, dat een verbazend groote
-school er in slaagde het Arno-meer te bereiken." In de lagunen van
-Comacchio worden van Februari tot April de sluizen geopend, waardoor
-de jonge Alen in de door dammen omringde kweekvijvers kunnen geraken,
-waaruit zij na een verblijf van 5 of 6 jaar trachten te ontsnappen, om
-zich naar zee te begeven, bij welker gelegenheid zij gevangen worden.
-
-Alle groote vischetende dieren maken ijverig jacht op de Alen, maar
-hebben dikwijls heel wat met hen te stellen. Een grappig tooneeltje
-krijgt men te zien, wanneer men in den waterbak van een hongerigen
-gevangen Vischotter eenige dozijnen kleine levende Alen werpt. Het
-Roofdier springt in zijn badkuip, haalt er een Aal uit, bijt hem in
-den kop, legt hem op de bank, begeeft zich opnieuw te water, pakt
-een tweede prooi, keert terug naar zijn vroegere plaats en is niet
-weinig verbaasd, dat hij er den vorigen, dood gewaanden buit niet meer
-aantreft; deze is reeds sinds lang weer te water gegaan en kronkelt
-hierin rond, alsof hem niets deert. Hierdoor uit het veld geslagen,
-bijt het vertoornde Roofdier zijn tweede gevangene herhaaldelijk en
-gaat vervolgens den eersten achterna; intusschen ontvlucht de tweede
-op zijn beurt, en zoo gaat het voort, totdat de Otter het eindelijk
-raadzaam acht een paar van de Wormvisschen, die zich maar niet
-laten dooden, dadelijk te verslinden. Hem gelukt dit; bij Vogels,
-die hun prooi verzwelgen, zonder haar vooraf te verscheuren, komt
-er aan het tegenstribbelen ook dan nog geen einde. "De Aal," zegt
-Geszner, "wordt door allerlei slag van Vogels verslonden, o.a. door
-den Schollevaar. De Visch, die in zijn geheel naar binnen gaat,
-kruipt spoedig door de geheele darmbuis heen en komt van achteren
-weer uit den Vogel te voorschijn, die den weerspannigen buit terstond
-opnieuw inslikt en dit dikwijls tot 9-maal toe moet herhalen, voordat
-de Aal door vermoeidheid gedwongen wordt in het lichaam van den
-Vogel te blijven en hier sterft." Dit verhaal is volkomen juist; het
-geldt echter alleen voor jonge Vogels: oude Reigers en Aalscholvers,
-welbekend met de purgeerende eigenschappen van de Alen, pikken hen vóór
-het inslikken steeds stuk.--Dat niet slechts de dieren, maar ook de
-menschen soms last hebben van het taaie leven van den Aal, ondervindt
-iedere huisvrouw, iedere keukenmeid, die deze Visch moet toebereiden.
-
-In Nederland wordt veel werk gemaakt van de Aal- of
-Palingvangst. Alleen in de Zuiderzee werd in 1896 bijna 1/4 millioen
-KG. Aal gevangen, die ruim 70000 gulden opbracht. In sommige jaren
-is de vangst bijna dubbel zoo groot en bedraagt de opbrengst meer
-dan 100000 gulden. Ook in de rivieren en andere binnenwateren
-is deze visscherij niet onbelangrijk, volledige opgaven hierover
-ontbreken. Zeer verschillend vischtuig wordt voor dit doel gebruikt,
-o.a. aalfuiken, aalkorven en tjoelen, aalreepen, aaldobbers en
-werplijnen; men plaatst voor sluizen raamnetten, in de toevoerkanalen
-van watermolens molenzakken en aalkasten, in de benedenrivieren kubben
-en korven, waarvoor de ankerkuil het noodige aas moet leveren. Ook in
-den ankerkuil zelf wordt Aal gevangen, vooral in October en November,
-het meest bij ruw weer en in donkere nachten, bij nieuwe maan dus. Men
-vischt dan de zoogenaamde "Drijfpaling"; deze onderscheidt zich door
-een witten buik en veelal ook door een scherpen snuit; hij is op weg
-naar de in zee gelegen paaiplaatsen, vanwaar hij niet terugkeert.
-
-Tot de merkwaardigste inrichtingen voor de aalvisscherij behooren de
-lagunen van Comacchio in de Po-delta, tusschen de Reno en de Penaro
-gelegen. Een woest moeras is hier herschapen in een stelsel van goed
-onderhouden vischvijvers, die met sluizen, kanalen en "dwaalgangen"
-voorzien zijn. Reeds sedert eeuwen bestaat hier een visscherij op
-groote schaal; het stadje Comacchio aan de Adriatische zeekust,
-dat er het middelpunt van is, wordt bijna uitsluitend bewoond door
-palingvisschers of althans door lieden, die direct of indirect
-in de aalvangst een bestaan vinden. De levensgeschiedenis van den
-Aal is hun beter bekend dan aan hunne beroepsgenooten. Hun geheele
-leven draait om dezen Visch, die al hunne gedachten en werkzaamheden
-beheerscht. Ten tijde van de "montata", als de jonge Alen zich uit de
-zee naar de binnenwateren begeven, komt er leven in dit eigenaardige
-gewest. Ouden en jongen geven acht op de scholen van dunne vischjes,
-met het doel om ze naar bepaalde fokvijvers te leiden, die reeds
-vroeger door het "pooten" van andere vischjes met een voldoende
-hoeveelheid voedsel zijn voorzien. De tweede Februari wordt als de
-aanvang van de "montata" beschouwd; dit verschijnsel herhaalt zich
-(of duurt voort) tot aan het einde van April. Nadat de kanalen,
-die toegang tot de vijvers verleenen, afgesloten zijn, bestaat de
-voornaamste werkzaamheid van de aalkweekers in het regelen van den
-toevoer van 't water, dat gedeeltelijk uit de zee, gedeeltelijk
-uit de naburige Po afkomstig is. In Augustus beginnen de Alen, die
-reeds 5 of 6 jaar in de vijvers geweest zijn, pogingen te doen om
-naar de zee terug te keeren en worden de maatregelen genomen voor
-hun vangst. Door de opzettelijk hiervoor bestemde "dwaalgangen"
-worden deze Visschen naar bepaalde, kleine goed afgesloten ruimten
-geleid, waaruit men ze met geringe moeite opscheppen kan. Een deel
-van den buit wordt levend naar de naburige dorpen en steden vervoerd;
-een ander deel vóór de verzending gekookt, het overige gezouten of
-gerookt. Venetië, Rome, Napels en andere groote steden van Italië
-worden bijna uitsluitend van uit Comacchio met Aal voorzien. Deze
-visscherij levert zeer aanzienlijke voordeelen op.
-
-De Aal is een van onze beste zoetwatervisschen en daarom zeer
-gezocht. Versch, gerookt of ingemaakt, vormt hij een belangrijk
-handelsartikel voor vele kuststreken. Wegens hun stevigheid en
-duurzaamheid worden de aalvellen veelvuldig gebruikt als "worgels"
-(zoo noemt men den band, waardoor de "klop" aan den stok van den
-dorschvlegel verbonden is).
-
-
-
-De Zee-alen (Conger) gelijken over 't geheel genomen veel op de Alen;
-zij verschillen er van door de grootere lengte van de rugvin, die
-zich bijna over de geheele bovenzijde uitstrekt en waarvan het voorste
-uiteinde boven of weinig achter den wortel der borstvinnen gelegen is;
-bovendien bestaat bij hen een andere verhouding tusschen bovenkaak
-en onderkaak: gene steekt voorbij deze uit; beide zijn, behalve met
-kleine tanden, ook met een reeks van groote tanden gewapend; de gladde,
-slijmerige huid bevat geen schubben.
-
-
-
-De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht, de Zee-aal
-of Zee-paling (Conger conger, Conger vulgaris), wordt ook bij de
-Europeesche kusten aangetroffen; hij kan een lengte van meer dan
-3 M. bereiken en meer dan 50 KG. zwaar worden. Aan onze kust komt
-hij zeer zelden voor; toch zijn hier eenige malen exemplaren van
-aanzienlijke grootte gevangen: in 808 en 1520 bij Stavoren, in 1084
-bij Ameland, in het voormalige Haarlemmermeer, in de Zeeuwsche
-stroomen, aan de Groningsche kust. De laatste vangst, waarvan
-melding wordt gemaakt, had plaats op 1 Mei 1816 op de buitenslikken
-bij Roxenisse. Dit exemplaar was 1.83 M. lang, 14 à 16 cM. dik en
-ongeveer 27 KG. zwaar. Ook verderop in de Noordzee is de Zee-aal
-zeldzaam. De effen grijsbruine kleur van de bovendeelen wordt op de
-zijden lichter en gaat op den buik in vuil wit over. De rugvin en
-de aarsvin zijn witachtig met zwartachtigen zoom; door haar lichtere
-kleur komt de zijdestreep goed uit.
-
-Naar het schijnt, is de Zee-aal bijna rondom de geheele wereld in alle
-zeeën van de gematigde en tropische aardgordels verbreid. Bij Europa,
-doch ook bij St. Helena, rondom Tasmanië en ook langs de kusten van
-Japan wordt hij in grooten getale gevangen. Hij houdt van rotsachtige
-kusten, zoekt althans aan vlakke kusten rotsachtige gronden op,
-verbergt zich hier in holen en kloven van het gesteente en zoekt op
-zandgrond een schuilplaats in de door hen zelf gegraven gangen. Evenals
-andere roofvisschen, spaart dit buitengewoon vraatzuchtige dier de
-zwakkere leden van zijn eigen soort niet: uit de maag van een exemplaar
-van 12 KG. gewicht haalde Yarrel drie Schollen en een jongen Zee-aal
-van 1 M. lengte. De kracht van zijne kaken is zoo groot, dat hij
-Mossels zonder moeite verbrijzelt. Niet zelden onderzoekt deze roover
-de korven, die voor de vangst van Zeekreeften bestemd zijn en maakt
-zich van den inhoud meester, voor welk bedrijf hij met zijn vrijheid
-en leven moet boeten. De mannetjes en wijfjes vertoonen, althans
-gedurende den paaitijd, een duidelijk waarneembaar verschil. Het
-kuitschieten heeft plaats in December of Januari. Jongen ter lengte van
-een mansvinger merkt men gedurende den zomer bij rotsachtige kusten
-op. Zooals reeds gezegd is doorloopt dit dier een larvetoestand; het
-wordt op dezen trap van ontwikkeling Glasaal (Leptocephalus Morrisii),
-genoemd wegens zijn doorzichtigheid; men kan de letters van een boek
-door zijn lichaam heen, duidelijk lezen.
-
-Hoewel het vleesch van den Zee-aal niet bijzonder hoog geschat wordt,
-maakt men veel werk van de vangst van dezen Visch, daar hij aan velen
-een goedkoop voedsel verschaft.
-
-Zelfs in een kleinen bak geraakt de Zee-aal in korten tijd aan
-de gevangenschap gewoon, kiest een geschikten schuilhoek tot
-verblijfplaats uit en brengt hier den dag in trage rust door, terwijl
-hij gedurende den nacht bijna onophoudelijk in beweging is. Zijn nooit
-geheel bevredigd verlangen naar voedsel geeft aanleiding tot een
-vriendschappelijke verhouding tusschen hem en zijn verzorger, wien
-hij de hem voorgehouden spijs ten slotte zonder vrees te toonen uit
-de hand neemt. Bij rijkelijke voeding groeit hij buitengewoon sterk.
-
-
-
-Hoogen prijs stelden de Oude Romeinen op het vleesch van de Murene
-(Muraena helena). Om deze Aalvisschen steeds in voldoende hoeveelheid
-voor hunne gastmalen beschikbaar te hebben, hielden zij ze in
-met zeewater gevulde vijvers. Volgens Plinius was Hirius de eerste
-eigenaar van een Murenen-vijver, die zoo goed voorzien was met deze
-kostbare vischsoort, dat hij bij een feest ter eere van Caesar's
-triumftocht aan zijne vrienden 6000 stuks kon voorzetten. Volgens een
-ander bericht begingen sommige Romeinen bij het vetmesten van hunne
-Murenen afschuwelijke wreedheden. Vidius Pollio n.l. meende te weten,
-dat menschenvleesch het beste voedsel voor deze Visschen is en offerde
-aan dit bijgeloof verscheidene van zijne slaven op, d. w. z. hij
-bestrafte hunne misdrijven met den dood in den Murenenvijver.
-
-De Murene onderscheidt zich van zijne verwanten door het ontbreken
-van de borstvinnen. Haar plomp gebouwd lichaam is van rug-, aars-
-en staartvin voorzien; de kieuwspleten zijn zeer klein, de tanden
-lang en spits, in boven- en onderkaak op een reeks geplaatst; de
-huid is ongeschubd. Het voorste deel van den romp heeft een fraaie,
-levendig gele grondkleur, die op het achterste deel bruinachtig wordt;
-de teekening bestaat uit bruine, gemarmerde vlekken, die door een
-donkeren zoom omgeven en van elkander gescheiden zijn. De Murene
-kan, naar men zegt, 1,5 M. lang en 6 KG. zwaar worden. Zij bewoont
-de Middellandsche zee, het zuidelijke deel van den Atlantischen
-Oceaan en den Indischen Oceaan; ook vindt men haar langs de kusten
-van Australië. Soms dwaalt zij tot bij de kusten van Groot-Brittannië
-af. Zij houdt zich op in diep water en verschijnt in 't voorjaar bij
-de kust om kuit te schieten. Schaaldieren en Inktvisschen maken haar
-voornaamste voedsel uit. Zij is, naar men zegt, zoo vraatzuchtig, dat
-zij bij gemis aan een voldoende hoeveelheid voedsel hare soortgenooten
-den staart afbijt. De gevangen exemplaren verdedigen zich vol woede
-en brengen onervaren visschers gevaarlijke wonden toe. Men vangt ze
-met den hengel en in korven. Haar vleesch wordt ook thans nog als
-hoogst smakelijk beschouwd.
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE ORDE.
-
-DE TROSKIEUWIGEN (Lophobranchii).
-
-
-Voor de menschelijke huishouding zonder eenige beteekenis, trekken
-de Troskieuwigen onze aandacht door hun vreemdsoortigen vorm. Zij
-ontleenen hun naam aan den eigenaardigen vorm der kieuwen; deze
-vertoonen zich als kleine, ronde trosjes of bundeltjes, die paarsgewijs
-aan de kieuwbogen zijn gehecht. Bij nauwkeuriger beschouwing blijkt,
-dat die bundeltjes in werkelijkheid overdwars geplooide, als 't
-ware in elkander gevouwen plaatjes zijn en ieder een der kamsgewijs
-gerangschikte kieuwplaatjes van andere Visschen vertegenwoordigt. Het
-kieuwdeksel is groot, bedekt met een huid, waardoor het met den
-schoudergordel verbonden wordt en slechts een kleine spleet voor het
-uitademen van het water overlaat. De snuit is tot een buis verlengd;
-de bovenkaaksbeenderen zijn, evenals bij alle reeds genoemde Visschen,
-beweegbaar. Het lichaam is in den regel langwerpig van vorm, kantig
-en met beenige platen bedekt.
-
-Alle Troskieuwigen bewonen de zee; in de zuidelijker zeeën komen zij
-in grooteren getale voor en vertoonen een grootere verscheidenheid
-van vormen dan in de noordelijke; zij houden zich in den regel dicht
-bij het strand, bij voorkeur tusschen zeeplanten op en voeden zich
-met kleine Schaaldieren, Wormen, misschien ook met de eieren van
-andere Visschen.
-
-Eigenaardig is de voortplanting dezer dieren: de eieren ontwikkelen
-zich bij nagenoeg alle soorten in een aan den buik gelegen broedzak,
-waarmede bij de Naaldvisschen (Syngnathidae) de mannetjes, bij de
-Buisbekkigen (Solenostomidae) de wijfjes voorzien zijn; bij deze
-wordt de broedzak door de buikvinnen, bij gene (die de buikvinnen
-missen) door een zijdelingsche uitbreiding van de huid gevormd. De
-laatstgenoemde familie omvat slechts één geslacht met 3 soorten,
-die den Indischen Oceaan bewonen. De overige 15 geslachten (met 120
-soorten) zijn in de eerstgenoemde familie samengevat.
-
-
-
-De Naaldvisschen (Syngnathidae) bewonen alle zeeën van de heete
-luchtstreek en van de beide gematigde aardgordels; hun zeer lange romp
-wordt naar achteren dunner; de snuit is buisvormig en van voren met
-een bijna loodrecht naar boven gerichte mondspleet voorzien; de kleine
-kieuwspleet bevindt zich in den nek; de onmiddellijk daarachter gelegen
-borstvinnen (bij enkele ontbrekend) zijn klein maar goed ontwikkeld;
-de buikvinnen ontbreken geheel; de rugvin is grooter dan alle overige
-vormen; de staartvin ontbreekt bij de soorten, welker staart geschikt
-is om zich om een voorwerp te kronkelen (grijpstaart) en heeft bij de
-overige den vorm van een kleinen waaier aan 't uiteinde van den langen,
-dunnen staart. De broedzak, die zich aan den buik of aan den staart
-van het mannetje bevindt, is voorzien met een overlangsche spleet,
-waardoor de jongen ontwijken.
-
-Het soortenrijkste geslacht is dat der Zeenaalden (Syngnathus),
-die zich kenmerken door het bezit van borstvinnen en van een goed
-ontwikkelde staartvin aan 't einde van den niet voor 't vasthouden
-geschikten staart; het lichaam is kantig; de schouderbeenderen zijn
-onbeweeglijk met elkander verbonden.
-
-Een van de talrijkst vertegenwoordigde en meest verbreide soorten
-is de Groote Zeenaald, door onze visschers gewoonlijk Windsteur en,
-evenals de andere soorten, Zandspiering genoemd (Syngnathus acus), een
-uiterst slank vischje, met 7-kantigen romp en van voren 6-kantigen,
-verderop 4-kantigen staart, dat op lichtbruinen grond met een 20 tal
-duidelijke, donkerbruine banden geteekend is en 60 cM. lang kan worden;
-haar romp is dan zoo dik als een manspink.
-
-Het verbreidingsgebied van deze tamelijk veelvuldig bij onze kusten
-voorkomende Visch omvat alle oostelijke deelen van den Atlantischen
-Oceaan, van Noord-Europa tot aan de Kaap de Goede Hoop, met inbegrip
-van de Middellandsche, Zwarte, Noord- en Oostzee. Zijne liefste
-verblijfplaatsen zijn de op onderzeesche weiden gelijkende, ondiepe
-strandmeren en strandmoerassen, waar het langbladige zeegras welig
-groeit. Hier ziet men hem tusschen de zeeplanten, waar hij dikwijls
-talrijke scholen vormt, in de meest verschillende houdingen rusten
-of langzaam voortzwemmen. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine
-diertjes, jonge, dunschalige Schaaldieren, kleine Weekdieren,
-Wormen, enz., steeds dus uit zeer zwakke diertjes. Hierdoor wordt
-de kunstmatige voeding dezer vischjes uiterst moeielijk, zoo niet
-onmogelijk.
-
-De broedzak strekt zich over twee derden van den staart van het
-mannetje uit en is dus nagenoeg even lang als de romp; hij bestaat uit
-een driehoekige groeve met eenigszins buitenwaarts gebogen zijwanden,
-gesloten door twee overlangsche, vliezige kleppen (huidlappen), welker
-randen nauw tegen elkander aan sluiten. Tegen Mei legt het wijfje in
-deze groeve eieren, die snoervormig bijeenliggen; de jongen blijven
-tot het einde van Juli in deze door de huidlappen afgesloten ruimte.
-
-
-
-Vrij algemeen, hoewel in kleinen getale, vindt men aan onze kust
-de Kleine Zeenaald (Syngnathus rostellatus), die veel op de vorige
-soort gelijkt, doch een dunneren en betrekkelijk korteren snuit
-heeft en slechts 15 cM. lang wordt; de bovendeelen zijn bruin, soms
-met onduidelijke, donkere dwarsbanden, de onderdeelen witachtig. Bij
-het visschen van Garnalen met saaien wordt zij soms aan het strand
-gebracht.
-
-
-
-Onder de inheemsche soorten rekent Van Swinderen ook het hoogstens
-30 cM. lange Kousenbandje (Syngnathus pelagicus), dat gemakkelijk te
-herkennen is aan de kleur, daar bruine en zilverkleurige dwarsbanden
-het geheele lichaam bedekken. Geen der latere onderzoekers heeft deze
-soort hier gevonden.
-
-
-
-De Adderzeenaald (Nerophis aequoreus), die met de Kleine Zeenaald
-soms aan onze kust gevangen wordt, behoort tot het geslacht der
-Slangzeenaalden (Nerophis), dat zich van het vorige o.a. onderscheidt
-door het gemis van borstvinnen en aarsvin, de zeer geringe ontwikkeling
-van de (bij vele soorten ontbrekende) staartvin bij het mannetje
-en het gemis van een door huidlappen beschutten broedzak. De eieren
-worden door het wijfje aan de buikzijde van den romp van het mannetje
-(vóór de aarsopening) gehecht. Bij de genoemde soort is het lichaam
-zeer langwerpig en dun, de romp zeer onduidelijk 8-kantig, bruingeel
-met zwarte, witgezoomde dwarsstrepen.
-
-
-
-Twijfelachtig is de aanwezigheid op onze kust van de Kleine en de
-Wormvormige Slangzeenaald (Nerophis ophidion en N. lumbriciformis),
-die van de vorige soort verschillen door het volslagen gemis van de
-staartvin en de geringere lengte.
-
-
-
-Het Zeepaardje (Hippocampus antiquorum) is zeer gemakkelijk te
-herkennen aan den stand van den kop, die een hoek vormt met den
-zijdelings sterk samengedrukten romp, en aan den geheel van vinnen
-verstoken grijpstaart. De kleine mond bevindt zich nagenoeg op
-'t midden van den top van den betrekkelijk korten snuit. De breede
-schilden, die het lichaam bekleeden, dragen matig scherpe stekels;
-eenige stekels aan den kop en den nek loopen uit in onverdeelde,
-draadvormige aanhangsels. De kleur is bruin met blauwachtig witte
-vlekjes, de rugvin heeft dicht bij haar vrijen rand een zwartachtige
-streep. Lengte: 10 à 18 cM.
-
-Deze soort komt voor in de Middellandsche Zee, voorts in de
-Atlantischen Oceaan tot boven de Golf van Biscaye en wordt
-nu en dan aan de kust van Groot-Brittannië en in de Noordzee
-aangetroffen. "Meermalen," schrijft Van Bemmelen, "is mij door onze
-zeevisschers verzekerd, dat de Zeepaardjes in de Noordzee en nabij
-onze kusten gevonden worden; zelfs zijn mij twee exemplaren op het
-eiland Texel vertoond, die aldaar zouden gevangen zijn."
-
-Evenals de Zeenaalden, houdt het Zeepaardje uitsluitend verblijf op
-plaatsen, waar een welige plantengroei den zeebodem bedekt. Tusschen
-deze planten zoekt en vindt het zijn voedsel, dat grootendeels,
-zoo niet uitsluitend bestaat uit zeer kleine, voor het bloote
-oog onzichtbare Schaaldieren en Weekdieren, die het van de planten
-afzoekt. Dikwijls blijft het geruimen tijd bewegingloos en heeft dan
-den staart om een plant gekronkeld.
-
-De voortplanting geschiedt als bij de Zeenaalden.
-
-
-
-Bij de kusten van Australië ziet men, behalve soorten van het vorige
-geslacht, ook de zoogenaamde Rafelvisschen (Phyllopteryx), die zich
-vooral kenmerken door den buitengewoon grooten overvloed van doorn-
-en bandvormige uitsteeksels, waarmede bijna alle schilden voorzien
-zijn en die als de rafels van een kleed aan alle zijden van het
-lichaam uitsteken. De rugvin is geheel op den staart gezeten. Door
-hunne aanhangsels gelijken deze dieren veel op zeeplanten. De eieren
-zijn met een week bindmiddel aan de onderzijde van den staart gehecht;
-een echte broedzak ontbreekt.
-
-
-
-De Rafelvisch (Phyllopteryx eques) heeft een groenachtige
-lederkleur, en wordt 30 à 35 cM. lang. Over zijn levenswijze is
-niets bekend. Waarschijnlijk slingert hij, evenals de Zeepaardjes,
-den staart om zeewieren. Te midden van deze planten is hij moeielijk
-te vinden, daar hij er door den vorm der huidaanhangselen en de kleur
-van de huid mede overeenkomt.
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE ORDE.
-
-DE VASTKAKIGEN (Plectognathi).
-
-
-De laatste orde van de Beenige Visschen bestaat uit zeer zonderlinge
-wezens. Nuttig voor den mensch zijn zij volstrekt niet: hun vleesch
-smaakt slecht; zelfs wordt dat van sommige soorten in bepaalde tijden
-voor vergiftig gehouden; ook in de huishouding van de natuur spelen
-zij een zeer ondergeschikte rol, daar geen hunner de te sterke
-vermenigvuldiging van sommige dieren tegengaat of voor andere
-een belangrijk voedsel oplevert; hun levenswijze is niet minder
-vreemdsoortig dan hun gedaante en geheel hun uitwendig voorkomen;
-alleen omdat zij zoo geheel anders zijn dan andere Visschen trekken
-zij onze aandacht. De naam Vastkakigen berust op het maaksel van den
-bek: de bovenrand van de kleine mondopening wordt uitsluitend door
-de tusschenkaaksbeenderen gevormd; deze laten geen beweging toe, zijn
-met de bovenkaaksbeenderen en met den schedel stevig verbonden. Deze
-eigenaardigheid is echter niet het belangrijkste kenmerk der orde; de
-bedoelde vergroeiing komt bij haar in verschillende mate en ook wel bij
-andere Visschen voor. Zeer karakteristiek is echter de bekleeding van
-het lichaam, waardoor de Vastkakigen van alle andere leden der klasse
-afwijken. Bij enkele is de huid volkomen naakt en glad, bij andere is
-zij met ruitvormige schilden en stekels bedekt, die een belangrijken
-invloed oefenen op den indruk, dien de beschouwing dezer Visschen
-maakt. De kieuwdeksels zijn door de huid bedekt en laten slechts een
-nauwe, vóór de borstvinnen gelegen kieuwspleet over. Vreemdsoortig als
-de geheele Visch, is ook zijn gebit. De kaken zijn bij sommige met
-krachtige tanden van het gewone maaksel gewapend. Bij andere is het
-voorste gedeelte van het kaakbeen en van den kaak als 't ware zelf een
-tand geworden, doordat een laag email het bedekt. Ook het vinnenstelsel
-wijkt af van dat der andere Visschen; de onparige vinnen zijn steeds
-aanwezig, de borstvinnen eveneens; de buikvinnen daarentegen ontbreken.
-
-Alle Vastkakigen behooren tusschen de keerkringen of althans in hun
-nabijheid thuis en dwalen zelden af naar andere deelen van de beide
-gematigde aardgordels. Zij leven in de zee; enkele soorten zwemmen
-echter ook wel de rivieren op; sommige brengen hier misschien zelfs
-het grootste deel van hun leven door. De wijze waarop zij zich in 't
-water bewegen, verschilt aanmerkelijk van die der overige Visschen,
-maar is in overeenstemming met hun zonderlinge gestalte. Zij voeden
-zich met Schaaldieren en Weekdieren, doch ook wel met waterplanten. De
-buit van enkele soorten bestaat gedurende eenigen tijd geheel of
-grootendeels uit Kwallen en Koraaldieren; waarschijnlijk verkrijgt
-haar vleesch hierdoor vergiftige eigenschappen.
-
-Van de voortplanting dezer Visschen is ons slechts zeer weinig bekend,
-hoewel van enkele soorten tamelijk uitvoerige beschrijvingen bestaan.
-
-De 177 soorten van deze orde worden vereenigd tot 17 geslachten en
-deze vormen 2 familiën van ongeveer gelijken omvang.
-
-
-
-De Hoornvisschen (Sclerodermi) hebben een met duidelijke tanden
-gewapenden bek; hun huid is bekleed met korrelige schubjes of met
-hoekige, beenige plaatjes, die soms tot een pantser vereenigd zijn;
-bij de meeste bevat de rugvin 1 à 6 doornen. Een zwemblaas (zonder
-luchtbuis) is bij de meeste aanwezig.
-
-
-
-Het eenige lid van de familie, dat de Europeesche zeeën bewoont, is
-de Drukkervisch (Balistes capriscus), een vertegenwoordiger van het
-geslacht der Hoornvisschen i. e. z., welker zijdelings samengedrukt
-lichaam bekleed is met een pantser van schubvormige beenplaatjes. De
-voorste van de beide rugvinnen bestaat uit 1 à 3 stekels; de eerste
-is verreweg de grootste, kan opgericht en in een groeve van het hem
-dragende steunbeen neergelegd worden, heeft een zaagsgewijs gekerfden
-rand en vormt een krachtig wapen.
-
-De Drukkervisch is bij zijn leven blauw met roodachtige wolkjes; na
-den dood effen lichtbruin, op den rug, als naar gewoonte, donkerder
-dan op de borst en den buik. Lengte 30 à 40 cM. Men vindt hem in
-de Middellandsche Zee, doch ook in den Atlantischen Oceaan tot bij
-de Britsche kusten, hier echter zelden. Evenals al zijne verwanten,
-staat hij bij de zeelieden en kustbewoners der warme gewesten in een
-kwaden reuk, daar het eten van deze Visschen soms zeer bedenkelijke
-verschijnselen teweegbrengt. Met hun krachtig gebit openen zij de
-schelpen van de Weekdieren en vergruizen het skelet van de Polypen,
-die hun tot voedsel dienen. Door het verdelgen van een groot aantal
-Pareloesters zijn zij nadeelig voor de parelvisscherij.
-
-
-
-Van alle overige Visschen onderscheiden zich de Koffervisschen of
-Strijkijzervisschen (Ostracion) door den eigenaardigen vorm van hun
-betrekkelijk hoog en kort lichaam, welks dwarse doorsnede een driehoek
-(met naar boven of naar onderen gerichten top), een vierhoek of een
-vijfhoek kan zijn. Het is gehuld in een pantser, dat uit mozaïeksgewijs
-aaneengevoegde, onbeweeglijke, meestal 6-hoekige platen bestaat en
-alleen de lippen, de oogen, de nauwe kieuwspleet en het wortelgedeelte
-der vinnen vrijlaat. Bij sommige is dit pantser boven de oogen en langs
-de kanten van den buik gewapend met onbeweeglijke, meestal bij paren
-geplaatste stekels, die soms een aanmerkelijke lengte hebben en dan
-veel bijdragen tot het vreemde voorkomen dezer Visschen. De kleine mond
-bevindt zich aan 't einde van den snuit en is van boven en van onderen
-gewapend met een enkele rij van 10 à 12 spitse, kegelvormige tanden.
-
-De Vierhoornige Koffervisch (Ostracion quadricornis), die 30 à 35
-cM. lang wordt, heeft een driehoekig, aan de buitenzijde afgeplat
-lichaam. Het pantser, dat uit 6-hoekige, met kleine knobbeltjes
-bezette schilden bestaat, is fraai roodachtig bruin van kleur, met
-donkerder vlekken van langwerpigen, onbepaalden vorm; de bruine kleur
-van den staart heeft een meer geelachtige tint met rondachtige vlekken;
-de vinnen zijn geelachtig.
-
-Alle Koffervisschen behooren thuis in zeeën van den tropischen
-aardgordel, waar zij steenachtige of rotsachtige ondiepten bewonen,
-zwemmen zoo slecht, dat men ze met de hand vangen kan, komen zelden
-in de bovenste waterlagen en sterven schielijk nadat zij uit het water
-opgehaald zijn. Hun voedsel schijnt uit Schaaldieren en Weekdieren te
-bestaan. Eenige soorten worden gevangen om hun vette tranige lever,
-andere worden met smaak gegeten, van nog andere wordt het vleesch
-voor vergiftig gehouden.
-
-
-
-Bij de Kogelvisschen of Naaktkakigen (Gymnodontes = Naakttandigen)
-hebben de kaken van voren een scherpen rand, daar de kaakbeenderen
-met een op ivoor gelijkende stof bedekt zijn; gezamenlijk vormen zij
-een soort van snavel, welke, evenals die van een Papegaai of anderen
-Vogel, even sterk weer aangroeit, als hij door 't kauwen afslijt. Hunne
-kieuwdeksels zijn zeer klein. De meeste hebben een zwemblaas, die
-zeer groot is, doch niet door een luchtbuis met het spijskanaal in
-gemeenschap staat. Ook kunnen zij door het inslikken van lucht den
-zeer dunwandigen en rekbaren slokdarm opblazen, waardoor het geheele
-lichaam den vorm aanneemt van een bol. (De uitzetting van de huid
-is mogelijk door de plooien, die zij in niet uitgezetten toestand
-vertoont.) Hierdoor wordt het buikgedeelte van den Visch lichter en
-drijft deze op het water met den rug naar beneden gericht. De stekels,
-waarmede de huid bezet is, gaan bij het opblazen overeind staan,
-evenals de pennen van een Egel, zoodat het dier zijne vijanden de in
-alle richtingen uitstralende, spitse doornen en stekels toont. De
-Klompvisschen (Orthagoriscus) missen de zwemblaas en tevens het
-vermogen om het lichaam op te blazen.
-
-
-
-De Egelvisschen of Pennevisschen (Diodon) heeten ook wel Tweetandigen,
-omdat de snijdende rand van elke kaak in 't midden geen verdeeling
-vertoont. Aan weerszijden van iedere kaak bezitten zij ook nog een
-soort van kies. De staart en de staartvinnen hebben den gewonen
-vorm. Ieder beenschild van de huid bestaat uit een doorn, die van
-onderen met twee zijwaarts gerichte, in de huid verborgen uitsteeksels
-voorzien is; dit maakt, dat de stekels, die in den toestand van
-rust tegen het lichaam aanliggen met de spits naar achteren, bij het
-opblazen overeind gaan staan.
-
-Du Tertre bericht, dat men op de Antillen de Egelvisschen niet om
-ze te eten, maar tot tijdverdrijf vangt aan een hengel, waarvan
-de haak van een kreeftenstaart als lokaas voorzien is. Uit vrees
-voor de lijn, zwemt de Visch een tijdlang om het lekker hapje heen,
-proeft er eindelijk van, wordt stoutmoediger door de opmerking, dat
-de hengelsnoer zich niet beweegt, schiet toe en verzwelgt het lokaas
-met den haak. Bespeurend, dat hij gevangen is, blaast hij zich op,
-neemt den vorm van een bol aan, waarbij de stekels opgericht worden en
-het lichaam een averechtschen stand verkrijgt, gedraagt zich als een
-Kalkoen, die geplaagd wordt, en tracht ieder die binnen zijn bereik
-komt, te wonden. Geen baat vindend bij deze wijze van tegenspartelen,
-neemt hij zijn toevlucht tot een andere list: door het uitspuiten
-van lucht en water verslapt de huid en worden de stekels neergelegd;
-het dier maakt zich soortelijk zwaarder, ongetwijfeld met het doel om
-zich naar de diepte te laten zakken; ook dit gelukt hem niet. Opnieuw
-blaast hij zich op en dreigt met de stekels. Daar hij een zeer taai
-leven heeft, worden deze pogingen tot bevrijding lang voortgezet tot
-vermaak van de toeschouwers, die hem eindelijk aan land trekken. Nog
-altijd blijft hij hier dapper weerstand bieden; na eenige uren echter
-geraakt hij uitgeput en sterft.
-
-
-
-Meer bepaaldelijk wordt de naam van Egelvisch (Diodon hystrix) gegeven
-aan een soort van 40 à 70 cM. lengte, die alle tropische zeeën bewoont
-en op roestbruinen grond van boven en langs de zijden met vele kleine,
-ronde, zwarte of bruine vlekken geteekend is.
-
-
-
-Bij de Stekelbuiken zijn de stekels kleiner dan bij de Egelvisschen
-en zet het lichaam zich bij het opblazen vooral naar onderen uit; de
-staart en de staartvin hebben en behouden den gewonen vorm. Dit komt
-voor bij de Viertandigen (Tetrodon), waar de snijdende rand van de
-onderkaak zoowel als die van de bovenkaak door een overlangsche groeve
-of naad middendoor gedeeld is, ook bij de Drietandigen (Triodon),
-waar de onderkaak deze verdeeling niet vertoont. Van één soort van
-Stekelbuik (Tetrodon Pennantii) heeft men verscheidene exemplaren
-aan de kust van Cornwallis waargenomen. Bij sommige soorten zijn de
-neusgaten aan 't einde van een tastervormige buis gelegen.
-
-
-
-De soort, die door de Arabieren Fahak wordt genoemd (Tetrodon fahaka),
-is ongeveer 25 cM. lang. De rug heeft een zwartachtig blauwe kleur,
-de zijden vertoonen oranjegele strepen, de buik is geelachtig, de
-keel sneeuwwit, de staartvin oranjegeel.
-
-De Fahak verlaat van tijd tot tijd de Middellandsche Zee en zwemt den
-Nijl op. Hier ziet men deze Visschen bij lagen waterstand dikwijls
-in grooten getale dood op het droog gevallen rivierbed liggen. Voor
-oud en jong zijn zij een bron van vermaak; de kinderen spelen er
-mede, zooals bij ons met Meikevers, laten de bolvormig opgeblazen
-dieren op het water drijven en gebruiken ze in gedroogden toestand
-als ballen. Zulke voorwerpen nemen de reizigers dikwijls mede als
-herinnering aan het land der Pharaonen.
-
-De levenswijze en gewoonten van de Fahaks komen waarschijnlijk in
-de meeste opzichten met die van de Engelschen overeen. In diep water
-zwemmen zij, hoewel eenigszins onbeholpen, op de wijze van de andere
-Visschen; als een gevaar hen bedreigt stijgen zij schielijk omhoog
-naar den waterspiegel, slikken lucht in en blazen hun lichaam,
-dat tot dusver rimpels aan de oppervlakte vertoonde, zoo ver op,
-dat de huid gespannen is; zij drijven dan met den buik naar boven
-als een stekelige bal aan de oppervlakte. In dezen toestand kunnen
-zij niet zwemmen en zouden een buit worden van de roofvisschen,
-indien deze zulk een bal konden vatten en inslikken. Geen hunner is
-hiertoe in staat; hun streven heeft geen ander gevolg, dan dat de
-Fahak over den waterspiegel wordt voortgestuwd en dat zij zich aan
-zijne stekels kwetsen. Als men een opgeblazen Fahak in de hand neemt,
-ziet men hem vol angst pogingen doen om nog meer lucht in zijn lichaam
-op te pompen, waaruit blijkt dat hij de waarde van het opblazen als
-middel van afweer beseft. Zoodra hij meent, dat het gevaar voorbij
-is, laat hij de opgenomen lucht gedeeltelijk ontsnappen, waardoor
-een sissend gedruisch wordt voortgebracht. Buiten het water kan hij
-geruimen tijd in 't leven blijven.
-
-Het vleesch van den Fahak wordt alleen door de armste bewoners van
-het Nijlland gegeten; zij houden de kuit echter voor vergiftig.
-
-
-
-Bijna in alle talen draagt de hoogst zonderlinge Klompvisch, ook
-wel Maanvisch, Zonnevisch, Zwemmende Kop en Molensteenvisch genoemd
-(Orthagoriscus mola), dezelfde namen: de hierdoor uitgedrukte
-vergelijking komt allicht in iemand op. Zijn lichaam heeft van ter
-zijde gezien de gedaante van een eironde schijf, aan het achtereinde,
-tusschen de ver naar achteren geplaatste rug- en aarsvin, voorzien
-van een dikken zoom, dien men niet dadelijk als de staartvin
-herkent, omdat de tot steun dienende stralen onder de huid verborgen
-zijn. De rugvin en de aarsvin zijn veel hooger dan lang en hebben
-een driehoekige gedaante. De borstvinnen zijn klein en rond. Evenals
-bij de Egelvisschen is de snijdende rand van de kaken onverdeeld. De
-huid is met scherpe, harde lichaampjes bezet, welke haar ruw voor het
-gevoel maken. De blauwachtig grijze kleur van de bovendeelen wordt
-naar onderen lichter. Deze Visch is grooter dan al zijne verwanten;
-men heeft exemplaren gevangen, die 2.5 M. lang en 300 KG. zwaar
-waren. Zijn vleesch wordt niet gegeten.
-
-Deze Visch, die over alle zeeën tusschen de keerkringen en van de
-beide gematigde aardgordels verbreid is, wordt in de Middellandsche
-Zee het veelvuldigst aangetroffen. Toch was hij, naar het schijnt, aan
-de ouden onbekend. Van tijd tot tijd vindt men hem echter ook aan de
-kusten van de Noordzee. Aan de Nederlandsche kust verdwaalt hij slechts
-zelden: in de Zuiderzee, bij Middelburg (Dec. 1863), bij Katwijk (1836,
-Dec. 1839), Zandvoort (Dec. 1858, Dec. 1864), Nieuwediep (Dec. 1856)
-werden exemplaren van deze vischsoort gevangen. Het weinige, dat
-ons van haar leven bekend is, danken wij aan de Engelschen, die
-den Klompvisch bij de zuid- en westkust van Engeland en Ierland nu
-en dan waargenomen hebben. "Bij mooi weer," zegt Yarrel, "zien de
-zeelieden hem niet zelden in het Kanaal, oogenschijnlijk slapend
-aan de oppervlakte der zee, daar hij op zijde ligt en door de golven
-wordt voortbewogen, zoodat men zou kunnen meenen een dooden visch voor
-zich te hebben." Couch meent, dat de Klompvisch over een uitgestrekt
-gebied rondzwerft, zich in den regel in tamelijk diep water dicht
-bij den bodem ophoudt tusschen de waterplanten, die hem tot voedsel
-dienen en slechts bij zeer stil weer naar de oppervlakte stijgt om
-een middagslaapje te houden. Wanneer men zulk een slapenden visch
-voorzichtig nadert, kan men hem zonder moeite uit het water lichten,
-daar hij in den regel geen pogingen doet om te ontsnappen of althans
-niet erg tegenspartelt.
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE ORDE.
-
-DE GLANSSCHUBBIGEN (Ganoidei).
-
-
-De tweede onderklasse van de Visschen is die der Oervisschen
-(Palaeichthyes). Zij heeft tot kenmerken het bezit van een hart
-met contractielen slagaderkegel, van een spiraalplooi in den darm
-en van gezichtszenuwen, die elkander niet of slechts gedeeltelijk
-kruisen. Zij wordt gesplitst in de orden van de Glansschubbigen en
-van de Kraakbeenvinnigen.
-
-
-
-De Glansschubbigen of Ganoïd-visschen (Ganoidei) hebben in vroegere
-tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde (vooral in
-het primaire of palaeozoïsche en het secundaire of mesozoïsche) een
-belangrijke rol gespeeld, zooals blijkt uit het vinden van versteende
-overblijfselen van een groot aantal thans uitgestorven leden dezer
-orde in de aardlagen der genoemde tijdperken. Tot in het laatste
-gedeelte van het Jura-tijdperk waren zij met de Kraakbeenvinnigen
-en waarschijnlijk ook met de Schedelloozen, Rondbekkigen en
-Salamandervisschen de eenige vertegenwoordigers van hun klasse. Eerst
-in 't begin van de krijtperiode traden de Beenige Visschen op; spoedig
-vermeerderde het aantal geslachten en soorten van deze orde; gelijken
-tred hiermede hield de vermindering van het aantal Ganoïd-visschen,
-waarvan thans slechts eenige weinige, ver verbreide soorten overig
-zijn, die alle voortdurend of tijdelijk het zoetwater bewonen.
-
-De Glansschubbigen ontleenen hun naam aan de plaatvormige of
-rondachtige, met email bedekte schubben, die het lichaam van de
-meeste (voor 't meerendeel thans niet meer bestaande) leden dezer
-orde bekleeden. Andere dragen beenige schilden (zooals de meeste
-hedendaagsche Ganoïd-visschen), nog andere hebben een volkomen naakte
-huid. Bij vele soorten zijn de boven- en de onderrand van de staartvin
-en de voorrand van de overige vinnen bezet met een enkele of dubbele
-rij van zoogenaamde vinsteunsels (fulcra), d.i. een middelvorm tusschen
-vinstralen en schubben, die met de spitse punt naar boven en achteren
-gericht, schuins op en vóór de stralen zijn ingeplant. Bij de meeste
-bevat de bovenste lob van de staartvin het laatste gedeelte van de
-wervelkolom, die zich tot in de spits van deze lob kan voortzetten:
-zulke Visschen heeten heterocerk of ongelijkstaartig. De dubbele
-neusgaten gelijken op die van de leden der vorige onderklasse. Evenals
-bij deze zijn de kamvormige "vrije" kieuwen gelegen in kieuwholten,
-die door een kieuwdeksel zijn afgesloten en door één kieuwspleet met
-de buitenwereld in gemeenschap staan. Verscheidene bezitten aan den
-binnenkant van het kieuwdeksel een hulporgaan voor de ademhaling,
-een halve kieuw of "bijkieuw". Verscheidene hebben aan den bovenrand
-van de kieuwdeksel een zoogenaamd "spuitgat", dat met de kieuwholte
-in verband staat en herinneren hierdoor aan de Haaien. Bij alle komt
-een zwemblaas voor; deze staat altijd door een luchtbuis in gemeenschap
-met de maag of met den slokdarm. Het geraamte is beenig of gedeeltelijk
-kraakbeenig. De buikvinnen zijn ver achterwaarts aan den buik gehecht.
-
-
-
-Van de 10 onderorden, waarin Zittel de orde der Ganoïd-visschen
-verdeelt, zijn slechts 4 tot op heden blijven bestaan. De belangrijkste
-van deze wordt gevormd door de Kraakbeensteuren (Chondrostei), zoo
-genoemd wegens hun gedeeltelijk kraakbeenig skelet: de ruggestreng is
-bij hen nog week, niet in wervels verdeeld; de schedel is kraakbeenig
-en met huidbeenderen bedekt. De stralen van het kieuwdekselvlies zijn
-weinig talrijk of ontbreken geheel. Voor zoover zij tanden bezitten,
-zijn deze nietig klein. De huid is naakt of met schilden bedekt. De
-staartvin is heterocerk en draagt vinsteunsels. Elke neusholte
-heeft 2 neusgaten; deze zijn op korten afstand van en vóór de oogen
-gelegen.--In vroegere tijdperken bood ook deze onderorde een groote
-verscheidenheid van vormen aan; thans omvat zij slechts een 25-tal
-soorten, die over 4 geslachten verdeeld zijn en in twee familiën
-worden vereenigd.
-
-
-
-De Steuren (Accipenseridae) hebben een langwerpigen romp, een
-slurfvormigen, min of meer spits eindigenden, onbeweeglijken snuit, aan
-welks onderzijde zich de mondopening bevindt; de kieuwdeksels bedekken
-de kieuwholte niet volkomen; het kieuwdekselvlies heeft geen stralen;
-de lichaamsbekleeding bestaat uit groote, op vijf overlangsche reeksen
-geplaatste beenschilden. De kop is min of meer vierzijdig en tot een
-soms smallen, soms breeden, slurfvormigen snuit verlengd. Deze draagt
-aan de onderzijde op een beenige dwarslijst vier baarddraden, die als
-tastorganen dienst doen; haar vorm en plaatsing is bij verscheidene
-soorten ongelijk. Daarachter ligt de dwarsgerichte mondspleet in een
-uitholling; de bovenrand wordt meestal gevormd door een dikke, vleezige
-lip, die zich naar de onderkaak voortzet en gewoonlijk slechts aan de
-mondhoeken weinig ontwikkeld is. De oogen zijn aan weerszijden van
-den schedel achter de neusopeningen gelegen en hebben dikwijls bij
-hetzelfde exemplaar een verschillende middellijn. De huid tusschen de
-5 overlangsche reeksen van schilden is gedeeltelijk naakt en glad,
-gedeeltelijk meer of minder dicht bedekt met kleinere schildjes of
-korrelige beenstukjes van afwisselende gedaante en grootte; het
-staarteinde en de bovenste lob van de staartvin zijn bekleed met
-vierhoekige, dicht aaneensluitende, kleine, beenige schubben. Alle
-schilden ondergaan bij toenemenden leeftijd een groote verandering;
-hunne kammen en spitsen worden stomp; de buikschilden verdwijnen
-dikwijls bijna geheel. Hierdoor wordt de vorm van de dwarse doorsnede
-van 't lichaam gewijzigd en verliest deze min of meer haar vijfhoekige
-gedaante. De rugvin is ver naar achteren geplaatst; de aarsvin staat
-er nagenoeg tegenover; de staartvin onderscheidt zich door grootte;
-haar bovenste lob is zeisvormig naar beneden gekromd.
-
-De Steuren behooren in den noordelijken gematigden aardgordel thuis;
-hun gebied strekt zich zoomin zuidwaarts als noordwaarts ver uit. Op
-bepaalde tijden van 't jaar verlaten zij de door hen bewoonde zeeën
-of groote binnenzeeën en zwemmen de hierin uitmondende rivieren op,
-waar zij maanden lang blijven. Alle Steuren zijn zeer vraatzuchtige
-roofvisschen; alleen die, welke minstens half volwassen zijn, vallen
-betrekkelijk groote dieren aan; de kleinere Steuren zijn met Wormen,
-Weekdieren, eieren van Visschen en dergelijk voedsel tevreden. Zij
-vermenigvuldigen zich zeer sterk. Toch neemt hun aantal van jaar
-tot jaar af, omdat de visschers bij de steurenvangst hun gewone,
-onverstandige onbezorgdheid voor de toekomst niet laten varen.
-
-
-
-De Steur (Accipenser sturio) het meest bekende lid van het
-gelijknamige, 20 soorten omvattende geslacht, heeft een middelmatig
-langen snuit met onvertakte baarddraden; de bovenlip is smal, de
-onderlip gezwollen en in 't midden verdeeld; de mond, die in geopenden
-toestand ringvormig is, kan naar buiten geschoven en teruggetrokken
-worden. De 26 à 31 zijschilden zijn groot en dicht opeengedrongen,
-de 11 à 13 rugschilden van voren en van achteren laag, in 't midden
-hoog. De bovenzijde is bruin, bruingrijs of bruingeel, soms donker,
-soms lichter van kleur; de onderdeelen zijn glanzig zilverwit,
-de schilden vuilwit. Dit dier kan 6 M. lang worden, doch bereikt
-gewoonlijk geen grootere lengte dan 2 M.
-
-De Steur komt vrij algemeen aan onze Noordzeekusten, in de Zuiderzee
-en vooral des winters in onze rivieren voor. Van tijd tot tijd worden
-hier betrekkelijk groote exemplaren gevangen: op 20 Mei 1863 werd er
-een in den IJsel bij Wijhe buitgemaakt, die ongeveer 100 KG. zwaar was;
-een in Augustus 1858 in de Noordzee gevangen Steur had een gewicht van
-meer dan 300 KG.; op de markt te Delfzijl werd er een aangebracht op
-15 Juni 1851, die 2.7 M. lang en 200 KG. zwaar was. Voor de vangst
-van Steur dient op onze benedenrivieren een drijfnet, dat bij eb
-wordt geplaatst gedurende de maanden April, Mei en Juni. In 1896
-werden de meeste Steuren aangebracht te Hardinxveld (440), Moddergat
-(432), Wierum (240), Kralingen (134), in ons geheele land omstreeks
-1300. De prijs bedraagt ± f O.40 per KG.
-
-Het verbreidingsgebied van den Steur omvat den Atlantischen Oceaan
-langs de kust van Europa en Noord-Amerika met inbegrip van de
-Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee. In de Zwarte Zee en
-de Kaspische Zee en de hierin uitmondende stroomen treft men hem
-niet aan. Den Rijn zwemt hij hoogst zelden tot Mainz en slechts bij
-uitzondering tot Bazel op; in den Wezer bereikt hij ternauwernood
-de samenvloeiing van de Werra en de Fulda; in de Elbe begeeft hij
-zich tot in Boheme stroomopwaarts en dringt zelfs in de Moldau en
-hare bijrivieren door; van de Oostzee uit bezoekt hij den Oder,
-den Weichsel en hunne bijrivieren.
-
-
-
-De Sterlet (Accipenser ruthenus), die soms met de zooeven beschreven
-soort verward werd, is aan zijn langwerpigen, dunnen snuit gemakkelijk
-kenbaar; bovendien zijn de tamelijk lange baarddraden aan de
-binnenzijde van franjes voorzien. De rug is donkergrijs, de buik
-lichter van kleur; de borstvinnen, de rugvin en de staartvin zijn
-grijs, de buikvinnen en de aarsvin vuilwit; de rugschilden hebben
-dezelfde kleur als de rug, zijn van achteren het hoogst en loopen hier
-in een spits uit; de zijschilden en de buikschilden zijn witachtig. De
-lengte bedraagt zelden meer dan 1 M., het gewicht hoogstens 12 KG.
-
-De Sterlet bewoont de Zwarte Zee; hij zwemt alle hierin
-uitmondende stroomen, dus ook den Donau, op en bezoekt bijna al
-hunne bijrivieren. Bij Weenen komt hij geregeld voor, bij Linz is
-hij niet bijzonder zeldzaam, zelfs heeft men hem nog bij Ulm in den
-Donau gevangen. Evenals in de Zwarte Zee, vindt men hem ook in de
-Kaspische Zee en de rivieren, die haar met water voorzien, voorts in
-de Siberische stroomen, vooral in den Ob. Herhaaldelijk heeft men
-getracht hem in de Noord-Duitsche rivieren over te planten, in den
-Oder schijnt het gelukt te zijn.
-
-
-
-Belangrijker dan de beide vorige soorten is de Huso (Accipenser
-huso), het reusachtigste lid van zijn geslacht en van zijn familie;
-hij kan 15 M. lang en 1000 à 1600 K.G. zwaar worden. Hij is kenbaar
-aan zijn korten, driehoekigen snuit met platte baarddraden; de 12 of 13
-rugschilden zijn in 't midden het hoogst; de 40 à 45 kleine zijschilden
-laten tusschenruimten over. De bovenzijde is gewoonlijk donkergrijs,
-de buikzijde vuilwit, de snuit geelachtig wit; de schilden komen in
-kleur met de buikzijde overeen.
-
-De Huso is beperkt tot de Zwarte en de Kaspische Zee met de hierin
-uitmondende stroomen.
-
-
-
-Vermoedelijk hebben alle Steuren nagenoeg dezelfde levenswijze. Zij
-zijn eigenlijk zeebewoners, die in de rivieren slechts tijdelijk
-vertoeven om hier te paaien of winterslaap te houden. In de zee zoowel
-als in de rivier geven zij aan een weeken, zandigen of slikkerigen
-bodem de voorkeur boven iedere andere verblijfplaats. Terwijl
-zij, half in den bodem verborgen, eerder kruipend dan zwemmend,
-zich langzaam voortbewegen, doorploegt de spitse snuit den grond,
-waaruit de onderzoekend uitgestoken lippen het voedsel opnemen. Dit
-bestaat vermoedelijk uitsluitend uit dieren; ongetwijfeld moeten alle
-Steuren als roofvisschen beschouwd worden: van onzen Steur weet men,
-dat hij zich voornamelijk met Visschen voedt, o. a. vele Haringen
-verslindt; vele Steuren leven gedurende hun paaitijd bijna uitsluitend
-van de Karpervisschen, die dan eveneens de rivier opzwemmen om kuit
-te schieten. Bij het trekken houden de Steuren zich in de bovenste
-waterlagen op en zwemmen hier betrekkelijk snel. De verschillende
-soorten begeven zich ter zelfder tijd op weg, n.l. van Maart tot
-Mei, en keeren tegelijk, n.l. in het laatst van den herfst, naar
-zee terug. De Steuren behooren tot de vruchtbaarste van alle bekende
-Visschen. Bij een Huso van 1400 KG. woog de kuit 400 KG. De jongen
-schijnen nog lang in de rivieren te blijven; misschien brengen zij
-hier de beide eerste levensjaren door.
-
-Hoewel het vleesch van alle soorten van Steuren goed smaakt,
-worden deze Visschen minder om hun vleesch dan wel ter wille van de
-eieren en de zwemblaas gevangen; van gene wordt kaviaar, van deze
-een uitmuntende lijm gemaakt. De kuit, die voor de bereiding van de
-kaviaar moet dienen, wordt eerst met stokjes geslagen en vervolgens
-door een zeef gedrukt, waarop de vliezen achterblijven; de gezuiverde
-eieren worden meer of minder sterk gezouten en daarna in vaten gepakt.
-
-In Duitschland is de steurvisscherij naar verhouding even onbelangrijk
-als bij ons: aan de monden van de Elbe en van den Wezer worden ieder
-jaar hoogstens eenige duizenden Steuren gevangen. In den benedenloop
-van den Donau, van waar vroeger Hongarije en Oostenrijk met kaviaar
-werden voorzien, zijn de nadeelige gevolgen van een onverstandige
-vangst thans reeds duidelijk merkbaar. De ontzaglijk sterke
-vermenigvuldiging van de Steuren is niet meer voldoende om hunne
-door den mensch gedunde gelederen voltallig te houden. Het invoeren
-van een gesloten tijd of het staken van de visscherij gedurende een
-paar jaren zal noodig zijn om ook in 't vervolg dezelfde voordeelen
-te genieten als tot dusver.
-
-Op de grootste schaal werd van oudsher in Rusland de steurvisscherij
-uitgeoefend; in de Zwarte Zee zijn de monden van den Dnjestr, den
-Dnjepr, den Donau en de zeeëngte van Jenikale of Kertsj, de groote
-toegangspoorten, waarvoor de Visschen, welker levensverrichtingen
-zoowel zoutwater als zoetwater vereischen, zich verzamelen. Op al
-deze punten bevinden zich derhalve hetzij blijvende visschersdorpen
-of tijdelijke vestigingen, die in de lente opgericht en in den
-herfst weder verlaten worden. De Rus of Griek, die een visscherij
-wil ondernemen, huurt van den naburigen grondeigenaar een kuststreek,
-bouwt een ruime rieten hut aan het strand, koopt vischschuiten, netten
-en al wat verder noodig is, verbindt aan zijn onderneming andere
-Russen of Grieken, Tataren, Moldaviërs of Polen, al naar het eene of
-het andere volk in de nabijheid woont, en vestigt zich met hen voor
-een zomer aan het strand. De hutten van deze lieden zijn zeer ruim
-en groot, dicht bij het lage zeestrand, maar boven het peil van den
-hoogsten waterstand gelegen. Zij bevatten bedden voor de bemanning der
-vischschuiten, die soms uit 12 à 20 koppen bestaat, voorts vischtonnen,
-groote vaten met zout en molens, waarin dit fijngemaakt wordt. Buiten
-de hut is in den grond een stookplaats uitgegraven; een oudgediende,
-die niet mede ter vischvangst gaat, is voortdurend bezig met koken,
-waterdragen, zoutmalen, enz. Als het bedrijf goede uitkomsten oplevert,
-schaffen de visschers zich ook andere benoodigdheden aan: Honden voor
-het bewaken van hun eigendom, een toom kippen, welker gekakel zich
-met het geklots van de golven vermengt, Schapen voor het feestmaal
-op Zondag, enz. Gewoonlijk echter is de zee de proviandkamer, die hun
-alles verschaft, wat op den disch verschijnt. Dicht bij den rand van
-de branding richten zij een hoogen mastboom op, eenigszins hellend
-ten opzichte van den waterspiegel, van boven voorzien met een soort
-van mastkorf; hierin zit een van de manschappen op den uitkijk en
-kondigt tijdig de nadering van de scholen Visschen aan, opdat de
-visschers hen tegemoet kunnen gaan. Reeds op grooten afstand merken
-zij de Visschen op en weten ze te onderscheiden. Zij verdeelen ze in
-twee hoofdafdeelingen: roode en witte Visschen; de eerstgenoemde omvat
-de Steuren. Voor de vangst maakt men op deze plaatsen hoofdzakelijk
-gebruik van netten.
-
-Geheel anders gaat men daarentegen in den winter te werk, als de
-rivieren met ijs bedekt zijn en de Steuren om winterslaap te houden
-den kop in 't slijk gestoken en de staarten als een dicht bosch van
-palissaden omhoog gericht hebben. De visschers kennen de diepste
-gedeelten van den stroom, waar de Steuren zich in den herfst op
-rijen geplaatst ter ruste begeven; zij komen in Januari bijeen om,
-ieder voorzien van een bewijs, dat hun het visschen veroorloofd is,
-onderling te bespreken waar, wanneer en op welke wijze de vangst zal
-plaats hebben. Een kanonschot geeft het sein, waarna de visschers
-zich zoo schielijk mogelijk in sleden naar de hun aangewezen plaats
-begeven. Hun vischtuig bestaat uit een ijzeren haak, die aan een
-met ijzer bezwaarden stok van 6, 10 of zelfs 20 M. lengte bevestigd
-is. Te rechter plaatse aangekomen, hakt ieder een gat in 't ijs;
-de hierdoor in hun rust gestoorde Visschen beginnen den stroom af te
-zwemmen; wanneer zij tegen den in 't water gestoken staak stooten,
-tracht de visscher door een plotselingen ruk den haak in 't lichaam
-van den Visch te doen doordringen. Dikwijls gelukt het hem op één
-dag 10 groote Steuren buit te maken; het kan echter ook voorkomen,
-dat hij verscheidene dagen op het ijs moet staan, voordat hij er
-in slaagt een enkelen Visch te vangen. Dan is een maand arbeid
-te nauwernood voldoende om de kosten van de uitrusting goed te
-maken. Hansteen, die deze wijze van visschen op den Oeralstroom
-heeft leeren kennen, verhaalt, dat ongeveer 4000 Kozakken hierdoor
-binnen 2 uren voor meer dan 40 000 roebels Visch vingen. In den regel
-acht men zich verplicht den eersten Visch aan de kerk te schenken;
-de overige worden zoo schielijk mogelijk op sleden vervoerd. Van
-heinde en ver zijn kooplieden aangekomen, die de gevangen Steuren
-dadelijk opkoopen, het vleesch en de kuit toebereiden, afzonderlijk
-inpakken en met den meesten spoed verzenden. Als de vorst aanhoudt,
-is het inzouten overbodig; zoodra echter de dooi invalt, moet zulks
-dadelijk geschieden.
-
-Deze visscherij levert zeer aanzienlijke voordeelen op. De jaarlijksche
-opbrengst van de Steurvangst in de Zwarte en de Kaspische Zee werd
-ten tijde van Pallas (1741-1801) op 2 millioen roebels geschat en is
-sinds dezen tijd minstens verdubbeld.
-
-Twee Steuren met naakte of nagenoeg naakte huid, zeer wijden, onder
-den kop geplaatsten bek en kaken met talrijke kleine tandjes vormen
-de familie der Veeltandigen (Polyodontidae). De eene heet wegens den
-zeer langen, spatel- of lepelvormigen snuit met dunne en buigzame
-randen Lepelsteur (Polyodon folium) en bewoont den Mississippi. Hij
-kan 2 M. lang worden; hiervan komt 1/4 op den snuit. Zijn vleesch
-wordt gegeten, zoo ook dat van den meer dan 6 M. langen Zwaardsteur
-(Psephurus gladius), die zijn naam ontleent aan den buitengewoon
-langen, zwaardvormigen snuit. Hij bewoont de Chineesche stroomen
-Hoangho en Jangtsekiang.
-
-
-
-De eenige thans nog levende vertegenwoordiger van de onderorde der
-Kwastvinnigen (Crossopteroidei) en van de familie der Veelvinnigen
-(Polypteridae) is de Snoeksteur (Polypterus bichir). Hij heeft een
-langwerpige, bijna cilindervormige gedaante. De korte snuit heeft aan
-zijn voorste uiteinde een groote mondopening; de kaken en het gehemelte
-dragen tanden. De borstvinnen zijn kwastvormig: zij hebben een korte,
-geschubde as; de buikvinnen zijn er ver van verwijderd; de rugvinnen
-zijn zeer talrijk (10 à 16) en bestaan ieder uit een sterken stekel,
-aan welks achterrand eenige buigzame stralen zijn gehecht; de staartvin
-is diphycerk: zij omgeeft dus het einde van den staart; haar bovenste
-helft komt met de onderste in vorm overeen; de aarsvin is er slechts
-door een smalle tusschenruimte van gescheiden. De beenige, met email
-bekleede schubben zijn zeer groot, vierhoekig en op reeksen geplaatst,
-die scheef van voren naar achteren loopen; de kop is met groote,
-harde schilden bekleed. De groenachtige kleur van de bovendeelen,
-die met eenige zwarte vlekken geteekend zijn, gaat aan den buik in
-vuilwit over. Lengte 1.2 M.
-
-De Snoeksteur bewoont de tropische gewesten van Afrika; zoowel in de
-rivieren van West-Afrika als in den Boven-Nijl is hij niet zeldzaam. In
-het gebied van den Witten Nijl vindt men hem zeer dikwijls in plassen,
-die soms later geheel uitdrogen. Het is zoo goed als zeker, dat hij,
-als zoovele Visschen van Centraal-Afrika, zich bij den aanvang van
-het droge jaargetijde in het slijk verbergt en hier (in den op zekere
-diepte nog vochtigen bodem) den volgenden regentijd afwacht. Zijn
-voedsel bestaat uit Visschen en andere waterdieren.
-
-
-
-In de rivieren en meren van de zuidelijke Staten van Noord-Amerika
-ontmoet men niet zelden een vreemdsoortigen Ganoïdvisch, die daar
-Kaaimanvisch (Lepidosteus osseus) wordt genoemd en het geslacht der
-Beensteuren (Lepidosteus) vertegenwoordigt, dat slechts 3 soorten omvat
-en deel uitmaakt van de gelijknamige familie (Lepidosteidae). Zijn
-langwerpig lichaam bevat een volledig verbeende wervelkolom en is met
-steenharde ganoïd-schubben bekleed, die op de onderste en bovenste
-straal van de duidelijk heterocerke staartvin en op den eersten straal
-van de overige vinnen in spitse vinsteunsels overgaan. De rugvin en
-de aarsvin zijn ver achterwaarts, de buikvinnen in 't midden van
-'t lichaam geplaatst. De schubben vormen sterk hellende reeksen,
-zijn op den rug hartvormig, op de zijden langwerpig vierhoekig, aan
-de buik ruitvormig. De lange, snavelvormige snuit herinnert sterk aan
-dien van een Krokodil; de kaken en het gehemelte dragen raspvormige
-velden van hekeltanden, de kaken bovendien een reeks van kegelvormige
-tanden. De bovendeelen zijn groenachtig, de zijden geelachtig, de
-onderdeelen en de vinnen roodachtig, deze aan de achterzijde met
-zwarte vlekken. Lengte 1 à 1.7 M.
-
-Van de levenswijze van dezen Visch weet men niet veel meer, dan dat
-hij zeer gulzig en vraatzuchtig is en gretig naar het lokaas aan den
-hengel hapt. Zijn vet, welsmakend vleesch gelijkt, naar men zegt,
-op dat van den Snoek en wordt op gelijke wijze toebereid.
-
-
-
-De Amerikanen geven den naam van Moddervisch (Mudfish) aan een
-Glansschubbige (Amia calva), die zich door het uit cycloïde schubben
-samengestelde kleed van alle overige leden zijner orde onderscheidt
-en met een aantal fossiele soorten tot een onderorde (Amioidei)
-vereenigd is. Zijn skelet is volledig verbeend. Het achterste gedeelte
-van het tamelijk langwerpige, gelijkstaartige lichaam is zijdelings
-samengedrukt. De korte snuit heeft een tamelijk wijde mondspleet;
-de kaken en het gehemelte dragen spitse, kegelvormige, een weinig
-achterwaarts gekromde tanden; die van de onderkaak zijn betrekkelijk
-groot; daarachter bevindt zich een met hekelvormige tandjes bezette
-strook. De rugvin is zeer lang, de staartvin afgerond, de overige
-vinnen zijn middelmatig groot. Deze hoogstens 60 cM. lange Visch
-bewoont bij voorkeur moerassige wateren in de Vereenigde Staten en
-leeft van kleine Visschen, Schaaldieren en waterinsecten. Gedurende
-het heete jaargetijde verschuilt hij zich in den modder. De groote
-hoeveelheid lucht, die hij nu en dan inslikt, dient vermoedelijk voor
-de ademhaling.
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE ORDE.
-
-DE KRAAKBEENVINNIGEN (Chondropterygii).
-
-
-Nevens de reusachtige Kruipende Dieren, die in vroegere geologische
-tijdperken het zoetwater en de zee bevolkt hebben, kwamen ontzaglijk
-groote Visschen voor, behoorende tot groepen, waarvan slechts weinige
-tot heden zijn blijven bestaan. Uit de talrijke overblijfselen dezer
-wezens, vooral uit hunne zeer veelvuldige versteende tanden, kan men
-afleiden, dat er van deze Visschen vele soorten bestonden; bovendien
-meent men te mogen aannemen, dat zij hunne thans levende verwanten
-aanmerkelijk in grootte overtroffen, in dit opzicht zelfs bijna of
-geheel onze Walvisschen evenaarden. Wat hun vorm en uitwendige of
-inwendige organisatie betreft, verschilden zij, naar het schijnt,
-niet aanmerkelijk van de nog overgebleven soorten; in meerdere of
-mindere mate vertoonden alle de kenmerken van onze tegenwoordige
-Kraakbeenvinnigen.
-
-De schedel van deze dieren bestaat slechts uit een enkel stuk
-kraakbeen; dit vormt een onverdeelde doos, die de hersenen
-omhult, het gehoororgaan omsluit; zijdelings en van voren komen er
-bekervormige uithollingen aan voor, waarin de oogen en de meestal
-zeer samengestelde neuszakken zich bevinden. Met deze doos is een
-met tanden bezette onderkaak, die uit een enkelen, beenigen boog
-bestaat, beweegbaar verbonden. De wervelkolom dezer Oervisschen
-staat op zeer verschillende trappen van ontwikkeling. Bij sommige
-komt nog een onverdeelde ruggestreng voor, welker scheede zich
-naar boven uitbreidt tot een buis, die het ruggemerg omhult; bij
-andere vertoont deze streng inwendig dwarsschotten, die de eerste
-aanduidingen van wervellichamen zijn; bij de overige treft men
-volslagen wervellichamen aan, schijfvormig van gedaante, van voren en
-van achteren bekervormig uitgehold en meestal onvolledig verbeend. De
-buikvinnen zijn bij alle aanwezig en zonder eenige uitzondering ver
-achterwaarts, in de nabijheid van den aars, aangehecht. Steeds zijn
-bij hen de onparige en (behalve bij de Roggen) ook de parige vinnen
-gesteund door buitengewoon talrijke hoornachtig-vezelige stralen,
-die niet de minste overeenkomst vertoonen met de vinstralen der
-overige Visschen. Bovendien komen aan de rugvinnen stekelige stralen
-voor van hoogst eigenaardigen bouw; elke vin bezit er slechts één;
-deze is groot, dik, spits, meestal sabelvormig gekromd en aan den
-achterrand zaagsgewijs getand; de kern van den stekel bestaat uit een
-met tandbeen geheel overeenkomende stof en bevat, evenals de tanden,
-een overlangsche holte, waarin zich de tandbeenvormende pulpa bevonden
-heeft; het bovenste, vrije gedeelte is met een dunne laag email bedekt,
-het onderste, in de huid bevestigde stuk met een groeve voorzien.
-
-De huid is bij sommige geheel naakt, bij andere met eigenaardige,
-harde deelen bekleed, waardoor deze Visschen zich van alle overige
-onderscheiden. Bij enkele zijn deze huidproducten klauwvormig gekromde
-doornen, welker samenstelling met die van tanden overeenkomt;
-bij andere is de geheele huid als bezaaid met harde plaatjes of
-knobbeltjes, die op verschillende wijzen ingesneden en met spitse
-uitsteekseltjes voorzien kunnen zijn, zoodat de huid op het aanvoelen
-ruw is; ook deze lichaampjes gelijken door hun maaksel volkomen op
-tanden; van tijd tot tijd vallen zij uit en worden vervangen door
-nieuwe, die, wegens den groei van het dier, talrijker zijn dan de oude.
-
-Op zeer verschillende wijze is de bek met tanden gewapend. Van het
-gebit der meeste Haaien en Roggen kan men een denkbeeld verkrijgen
-door zich voor te stellen, dat de kaken aan den bovenrand voorzien
-zijn met een soort van rol, op zulk een wijze met tanden bezet,
-dat de oude, versletene een buitenwaartsche, de nu in gebruik
-zijnde een bovenwaartsche en de jonge in meerdere of mindere mate
-een binnenwaartsche richting hebben. De laatstgenoemde zijn in een
-groeve verborgen. Op een dwarse doorsnede van de kaak zijn de tanden
-kringsgewijs geplaatst als aan een kamrad.
-
-Zeer eigenaardig is voorts de inrichting van den ademhalingstoestel. Op
-de kieuwbogen staan kieuwplaten, welke niet alleen met haar basis
-aan de kieuwbogen vastzitten, maar ook over haar geheele lengte
-verbonden zijn met tusschenschotten, welker aantal met dat der
-kieuwbogen overeenstemt; slechts de naar de kieuwspleet gekeerde rand
-van het kieuwplaatje is vrij; de vliezige, door kraakbeen gesteunde
-tusschenschotten, die op de genoemde wijze aan weerszijden met een
-reeks van kieuwplaatjes bezet zijn, verdeelen elke kieuwholte in een
-rij van zakken, die ieder binnenwaarts door een spleetvormige opening
-(keelspleet) met de keelholte in gemeenschap staan en meestal ook door
-een spleet in de huid (kieuwspleet) zich buitenwaarts openen. Bij
-de Haaien vindt men aan weerszijden van den hals, bij de Roggen
-aan de buikvlakte, vóór iedere borstvin 5, zelden 6 of 7 dergelijke
-kieuwspleten. Daar de dwarsschotten in de kieuwholte bij de Zeedraken
-niet met hun geheelen buitenrand aan de huid vastzitten, komt bij hen
-slechts één kieuwspleet voor, waardoor het gebruikte ademhalingswater
-uit alle kieuwzakken wegvloeit; in de huidplooi, die de kieuwspleet
-bedekt, wordt een rudimentair, kraakbeenig kieuwdeksel aangetroffen.
-
-De Kraakbeenvinnigen verschillen ook door hun voortplanting van
-alle overige Visschen. Slechts weinige leggen eieren: eigenaardige,
-meestal platte, door een harde, hoornachtige schaal omgeven zakjes,
-welker vier punten uitloopen in een lange, schroefsgewijs gekronkelde
-draad. De meeste daarentegen brengen levende jongen ter wereld, die
-zich in een hiervoor bestemde verwijding van den eileider ontwikkelen.
-
-De orde der Kraakbeenvinnigen wordt in twee onderorden verdeeld:
-de Dwarsbekkigen (Plagiostomata) en de Zeedraken (Holocephala). Bij
-de laatstgenoemde, die op weinige soorten na uitgestorven is, komt
-een onbeweeglijke verbinding van de bovenkaak en het gehemelte met
-den schedel voor en vervangt een uitsteeksel van den schedel den
-kaaksteel. Verreweg de meeste thans nog levende Kraakbeenvinnigen
-behooren tot de Dwarsbekkigen, deze bezitten het vermogen om beide
-kaken buitenwaarts te bewegen en dus, gelijk de meeste Visschen,
-de mondopening naar voren te verplaatsen. Zij hebben een zeer
-wijden, boogvormigen, dwars gerichten muil, die ver naar achteren,
-aan de onderzijde van den snuit geplaatst is, spuitgaten, die in de
-keelholte beginnen en welker uitwendige openingen meestal achter de
-oogen voorkomen, kieuwen, die over haar geheele lengte aan vliezige
-schotten zijn vastgehecht, zoodat er geen gemeenschap tusschen de
-kieuwzakken bestaat en deze ieder door een afzonderlijke kieuwspleet
-hun inhoud uitstorten, voorts is de huid zelden naakt, meestal op de
-reeds aangeduide wijze bekleed. De wervelkolom is steeds duidelijk
-in wervels verdeeld. Deze onderorde omvat de beide groepen van de
-Haaien en de Roggen.
-
-
-
-De Haaien (Selachoidei) zijn Dwarsbekkigen met spoelvormig, dikstaartig
-lichaam en kieuwspleten aan de zijden van den hals; hunne borstvinnen
-zijn niet met den kop vergroeid; zij leven in de zee, zijn over alle
-aardgordels verbreid, voeden zich uitsluitend met andere dieren en
-brengen voor 't meerendeel levende jongen ter wereld. Eenige soorten
-mijden het zoetwater niet en begeven zich af en toe, door groote
-stroomen, zooals de Ganges en de Tigris, op te zwemmen, tot ver in
-het binnenland. Te recht worden zij schadelijk genoemd en boezemt hun
-verschijning schrik in. Zij en eenige weinige Koppootige Weekdieren,
-die door hun grootte aanleiding gegeven schijnen te hebben tot het
-sprookje van den Kraken, zijn de eenige echte zeeroofdieren, die den
-mensch aanvallen met het doel om hem te verslinden. Wraakzucht is
-de drijfveer van den onverbiddelijken strijd, die de mensch met de
-Haaien voert. Andere Visschen worden gevangen, omdat zij ons nuttig
-zijn: tot de vangst van de groote Haaien noopt ons niet zoozeer het
-voordeel, dat zij kunnen opleveren, als wel de zucht om het grootst
-mogelijk aantal vijanden te verdelgen. Vele volken houden zich evenwel
-geregeld met de jacht op Haaien bezig wegens het nuttig gebruik, dat
-zij van deze dieren weten te maken. In het hooge noorden o.a. vangt men
-den IJshaai om uit zijn lever traan te bereiden; voor de bewoners van
-vele kuststreken tusschen de keerkringen zijn de Haaien een gewenschte
-buit, omdat deze als grondstof voor lijm dienen, of als lekkernij op
-den disch verschijnen. Van de huid van vele soorten van Haaien wordt
-een zeer goed leder, dat segrijn heet, gemaakt.
-
-De thans levende Haaien verdeelt men gewoonlijk in 9 familiën, die
-140 soorten omvatten.
-
-
-
-Meer dan alle overige leden hunner orde worden de Menschenvreters
-(Carchariidae) gevreesd wegens hun kracht en koenheid, roofgierigheid
-en vraatzucht. Volgens vele berichten, die men evenwel niet altijd
-vrij kan pleiten van overdrijving en die zeer dikwijls op bloote
-geruchten berusten, zijn zij in het door hen bewoonde gebied de schrik
-van de zeelieden en de kustbevolking. Hun oog is met een wenkvlies
-voorzien. Voor geen van beide rugvinnen treft men een stekel aan:
-de eerste staat min of meer boven 't midden van den afstand tusschen
-de borst- en de buikvinnen, de tweede boven de kleine-aarsvin.
-
-
-
-De Menschenvreters i. e. z. (Carcharias) hebben een platten kop met
-vooruitstekenden snuit; de spuitgaten ontbreken; de neusgaten zijn
-sterk ontwikkeld. De wijde bek is gewapend met verscheidene reeksen
-van groote, driehoekige tanden met spitsen top en scherpen, meestal
-gezaagden rand. Op den rug van den staart, aan den wortel van den
-staartvin, bevindt zich een dwarse groeve; de onderste lob van de
-staartvin is goed ontwikkeld.
-
-
-
-Een van de meest bekende leden van dit geslacht is de Blauwe Haai
-(Carcharias glancus). Hij bereikt een lengte van 3 à 4 M., en wordt
-soms misschien nog langer. Zijn snuit is zeer spits; de tanden zijn
-langs den rand gezaagd, in de bovenkaak breed en op 4 schuinsche
-reeksen geplaatst, in de onderkaak slanker, bij het jonge dier
-driehoekig, op lateren leeftijd lansvormig. De borstvinnen zijn lang
-en sikkelvormig. De eerste rugvin is iets nader bij de buikvinnen dan
-bij de borstvinnen geplaatst; de tweede rugvin overtreft de aarsvin
-in grootte. De bovenzijde van den kop, de rug met inbegrip van de
-rugvinnen, het grootste deel van den staart en de bovenvlakte van de
-parige vinnen zijn wit.
-
-
-
-De Jonashaai (Carcharias lamia) komt in de meeste opzichten met de
-vorige soort overeen, doch is kleiner, hoogstens 2.25 M. lang. Als
-kenmerken worden opgegeven: de geringere lengte van den stompen,
-afgeronden snuit, de grootere lengte van de borstvinnen, die bijna
-het einde van de eerste rugvin bereiken; deze is iets nader bij
-de borstvinnen dan bij de buikvinnen geplaatst; de tweede rugvin is
-kleiner dan de aarsvin. De bovendeelen zijn grijsbruin, de onderdeelen
-witachtig.
-
-
-
-Beide soorten behooren, naar men meent, eigenlijk in de Middellandsche
-Zee thuis, doch komen ook in een groot deel van den Atlantischen
-Oceaan voor. De Blauwe Haai verschijnt gedurende den zomer zelfs vrij
-geregeld aan de kusten van Groot-Brittannië en Skandinavië. Naar men
-zegt, dwaalt hij soms naar de Belgische kust af; volkomen zeker is het
-niet, dat men hem een enkele maal ook bij onze kust heeft waargenomen.
-
-Alle groote Menschenvreters komen met elkander in levenswijze
-overeen. Zij houden zich bij voorkeur, maar geenszins uitsluitend,
-in de nabijheid van de kusten op en zwemmen in den regel in de
-bovenste waterlaag. Meestal krijgt men ze reeds op tamelijk grooten
-afstand te zien, omdat gedurende het zwemmen gewoonlijk een groot
-stuk van de rugvin boven het water uitsteekt, zoodat het zeer goed
-mogelijk is hen met een geweerkogel te treffen. Zoolang zij geen
-bepaalden buit op 't oog hebben, zwemmen zij gelijkmatig en tamelijk
-vlug; bij 't vervolgen van een dier is de snelheid van hun beweging
-echter veel grooter. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat zij, wat
-lenigheid betreft, bij vele Visschen achterstaan, b.v. niet zulke
-plotselinge wendingen kunnen maken, zijn zij toch veel behendiger
-dan men gewoonlijk meent; de onverwachte snelheid van hun aanval
-vergoedt het werkelijk bij hen bestaande gemis van lenigheid. Hunne
-zintuigen schijnen goed ontwikkeld te zijn, het staat althans vast,
-dat zij zeer goed kunnen zien; ook mag men als vrij zeker aannemen,
-dat hun reuk fijner is dan bij andere Visschen.
-
-Uit de handelingen van de Haaien blijkt volkomen duidelijk, dat hunne
-geestvermogens meer ontwikkeld zijn dan die van alle overige Visschen,
-hoewel hun onstuimige roofzucht en de onbedachtzaamheid, die zij bij
-het opmerken van een buit toonen, dikwijls in tegenspraak schijnen
-te zijn met dit gunstig oordeel. Zij jagen volgens een vast plan,
-bezoeken geregeld plaatsen, waar zij bij vroegere gelegenheden voedsel
-hebben gevonden en geven hierdoor bewijzen van een goed geheugen,
-weten partij te trekken van de aanwijzingen van het Loodsmannetje,
-hebben door ervaring geleerd, dat veel van 't geen er overboord valt,
-voor hen bruikbaar is en volgen daarom hardnekkig de schepen. Uit deze
-en andere feiten blijkt, dat de verstandelijke vermogens van de Haaien
-niet gering zijn; dit vloeit ook voort uit de liefde, die zij, volgens
-sommige berichten, voor hunne jongen toonen. Het valt echter niet te
-loochenen, dat deze eigenschappen dikwijls sterk op den achtergrond
-worden gedrongen door hun onverzadelijke honger, hun ongeloofelijke
-vraatzucht, die hen dikwijls tot werkelijk zinnelooze handelingen
-verleidt. Vraatzucht is stellig een van de meest in 't oog loopende
-eigenschappen der Visschen in 't algemeen; de Haaien zijn echter
-zonder eenigen twijfel de vraatzuchtigste van deze veelvraten. Zij
-worden gekweld door een werkelijk nooit verminderende begeerte naar
-voedsel. Alle voedingsmiddelen, die zij verzwelgen, worden steeds
-half verteerd weer uitgeworpen, waardoor zij genoopt worden om
-hun schielijk geledigde maag onophoudelijk opnieuw te vullen. Zij
-vreten al wat eetbaar is en zelfs al wat eetbaar schijnt: dikwijls
-heeft men bij 't openen van hun spijskanaal hierin onverteerbare
-voorwerpen gevonden. De maag van een Witten Haai bevatte een halve ham,
-eenige schapenbeenderen, het achterdeel van een Zwijn, den kop en de
-voorpooten van een Bulhond, een groote hoeveelheid paardenvleesch,
-een stuk zaklinnen en een stuk gereedschap voor het schoonkrabben van
-het schip. Andere Haaien zag men de meest verschillende voorwerpen
-verzwelgen, die men hun van het schip toewierp, kleedingstukken zoowel
-als spek of stokvisch en dergelijke dingen, plantaardige voedingstoffen
-niet minder gretig dan dierlijke.
-
-Hoewel de Haaien ook menschen aanvallen en verslinden, gebeuren
-dergelijke ongelukken minder veelvuldig dan men gewoonlijk meent. De
-reeds gevestigde overtuiging van de groote gevaarlijkheid van den Haai,
-bevordert de neiging om allerlei verschrikkelijke berichten over dit
-dier te gelooven en zonder nauwgezet voorafgaand onderzoek tot hun
-verbreiding mede te werken. Indien men zich de moeite wilde geven
-om naar de waarheid van ieder dergelijk verhaal een onderzoek in te
-stellen door het hooren van ooggetuigen of het nagaan van andere
-vermeende bewijsgronden, zou men vele, zoo niet de meeste van de
-ontvangen berichten, misschien zelfs alle, als onvoldoende gestaafd,
-ter zijde moeten stellen. Pechuel-Loesche heeft in het twintigtal
-jaren, die hij reizend heeft doorgebracht en meer bepaaldelijk
-gedurende zijn langdurige zwerftochten over verschillende zeeën
-nooit iemand door een Haai zien dooden of kwetsen of eenvoudig in een
-gevaarlijke positie zien verkeeren; ook is hem bij de vele gesprekken
-over dit onderwerp nooit iemand onder de oogen gekomen, die getuige was
-van een door een Haai gepleegde menschenroof. Menschen, die zich met
-een onverantwoordelijk schijnende lichtzinnigheid te midden van deze
-roofvisschen begaven, met het doel om hen aan te vallen en te vangen,
-of die zonder eenige vrees den een of anderen arbeid in hun nabijheid
-verrichtten, zag hij zeer dikwijls. Bekend is het, dat b.v. de bewoners
-van vele Zuidzee-eilanden het zwemmen en duiken te midden van de Haaien
-als een spel beschouwen en zich zonder aarzeling te water begeven om
-deze of andere Visschen te vangen. "De Haaien," verhaalt Wyatt Gill,
-"zijn zeer talrijk in de buurt van het eiland Penrhyn. In April ziet
-men hier zulke groote scholen van kleine Visschen, dat de geheele
-oppervlakte der zee er van schijnt te wemelen. De inboorlingen kunnen
-dan gemakkelijk de Haaien, die in de bovenste waterlaag rondzwemmen
-en een menigte Visschen verslinden, tot op korten afstand naderen;
-het gelukt hun, nu eens hier dan weer daar, een Haai een strik om den
-staart te schuiven en hem vervolgens naar hun boot te trekken." F. Day,
-die jaren lang in Indië gewoond heeft om gegevens te verzamelen voor
-zijn werk over de Visschen, houdt de Grondhaaien in de rivieren voor
-de gevaarlijkste van alle Haaien. Hoewel zij, naar hij zegt, zelden
-de gelegenheid om badende menschen aan te vallen laten voorbijgaan,
-is hem, naar hij uitdrukkelijk verzekert, in een lange reeks van
-jaren slechts één volkomen betrouwbaar bericht van menschenroof ter
-oore gekomen. De Haaien grijpen onmiddellijk de lijken, die men in
-de rivier werpt, maar veroorzaken alleen dan ongelukken, wanneer
-zij gevangen en nog levend aan boord van een vischschuit worden
-geheschen. In zulk een geval verweert het dier zich waarschijnlijk
-door hevige slagen met den staart, misschien soms ook door beten en
-brengt dikwijls allerlei verwondingen en beenbreuken teweeg.
-
-Hoewel men in vele gewesten, waar ontmoetingen tusschen Haaien en
-menschen veelvuldig voorkomen, deze Visschen niet gevaarlijk acht
-en zich weinig om hen bekommert, worden zij in vele andere streken,
-b.v. op de reede van Lagos, het strand van Natal en andere plaatsen
-van de Afrikaansche kust, zeer gevreesd, vermoedelijk niet zonder
-reden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Haaien, evenals de
-Tijgers, allengs menscheneters worden: sommige van hen nemen de
-gewoonte aan om op menschen jacht te maken en worden langzamerhand
-zeer stoutmoedig. Waarschijnlijk heeft een flinke zwemmer, die
-opzettelijk te water ging of er toevallig in geraakte, geen aanval van
-het roofdier te vreezen, althans niet, zoolang hij koelbloedig blijft
-en zich krachtig beweegt; daarentegen zal een vreesachtig, vermoeid,
-of verdrinkend mensch misschien overal, waar Haaien voorkomen,
-blootgesteld zijn aan het gevaar van hun slachtoffer te worden.
-
-De eieren ontwikkelen zich ten getale van 30 à 50 in het lichaam van
-de moeder; de jongen zijn reeds bij hun geboorte aan de ouden gelijk
-en geschikt om zelf voedsel te zoeken; toch worden zij, naar men zegt,
-nog geruimen tijd door de moeder geleid.
-
-Voor het verdelgen van de Haaien blijken de handvuurwapenen bijna
-ongeschikt. Als een dezer Visschen door een geweerkogel gewond is,
-vlucht hij met razenden spoed, zoodat men niet met zekerheid kan
-uitmaken, of hij door het schot doodelijk gewond werd of niet. Voor
-de vangst van Haaien maakt men met goed gevolg gebruik van netten,
-vooral daar, waar deze visscherij, zooals in Indië, Oost-Afrika, enz.,
-als een bedrijf wordt uitgeoefend. Voor de vangst van een enkel dier
-is een stevige hoek, die aan een ketting bevestigd moet zijn, het
-meest geschikt. Als lokaas dient een Visch of een stuk spek; desnoods
-kan men ook een bos werk of een glimmenden blikken ketel gebruiken;
-want het monster hapt naar alles wat hem van uit het schip wordt
-toegeworpen. Op deze wijze worden de Haaien ook door Europeesche
-visschers gevangen. Het dier wordt zoover boven den waterspiegel
-opgeheschen, dat de kieuwspleten droog komen te liggen en, nadat het
-door ademnood afgemat is, op het dek gehaald, waar men het eerst den
-staart afhouwt en vervolgens opensnijdt. Zoodra een Haai den haak
-voelt, stelt hij zich aan, alsof hij razend is. Soms draait hij zich
-met verwonderlijke snelheid zoolang om zijn eigen as, dat het touw
-verslijt of erg in de war geraakt. Visschers, die met kleine booten
-op de vangst van groote Haaien uitgaan, moeten zeer voorzichtig te
-werk gaan, omdat men in een zwak bemand vaartuig van deze soort niet
-in staat is, om weerstand te bieden aan de kracht van den Visch.
-
-
-
-De Ruwe Roofhaaien (Galeus) hebben een afgeplatten, kegelvormigen
-snuit, die, al naar men hem van boven of van ter zijde beziet,
-stomp of spits toeloopt; de boven den mond gelegen neusgaten zijn
-half door de huid bedekt; achter ieder oog komt een klein spuitgat
-voor; de tamelijk kleine, driehoekige tanden zijn aan den voor- of
-buitenrand met kleine kerfjes voorzien, aan den achter- of binnenrand
-slechts van onderen gezaagd, overigens glad. De staartvin is groot,
-mist de groeve aan de rugzijde van haar wortel, heeft niet slechts aan
-'t boveneinde, maar ook aan het ondereinde een driehoekige lap. De
-overige vinnen zijn betrekkelijk klein.
-
-De Ruwe Haai, door onze kustbewoners eenvoudig Haai genoemd (Galeus
-canis), is 1 à 2 M. lang, van boven leikleurig of donkergrauw met
-eenigszins blauwachtige of bruinachtige tint; deze kleur gaat op de
-zijden in zilverachtig, op den buik in wit over. Lengte 1.25 à 1.75
-M. Hij komt niet slechts aan de kusten van Europa voor, maar is ook
-bij de kust van Californië en om Tasmanië algemeen; eigenlijk vindt
-men hem in alle zeeën met uitzondering van de koude; bij voorkeur leeft
-hij op den grond. In de Noordzee is hij niet zeldzaam, maar toch minder
-algemeen dan in warmere streken. Dikwijls worden exemplaren van 4 à 6
-dM. lengte langs de kust gevangen (vooral vroeg in 't voorjaar tot in
-'t begin van den zomer), enkele malen echter ook drachtige wijfjes,
-in de 2e helft van Dec. 1853 b.v. bij Oosterbierum in Friesland een
-exemplaar van ruim 1.5 M. lengte en 25 K.G. gewicht, dat 10 jongen
-wierp, ieder O.5 KG. zwaar. In den regel is echter het aantal jongen
-grooter: 30 of meer. Deze groeien zoo verbazend snel, dat zij reeds
-in het tweede jaar hun volle grootte bereiken. Hoewel het vleesch van
-den Ruwen Haai beter heet te zijn dan dat van andere Haaien, gebruikt
-men er niets anders van dan de lever (waarvan traan wordt verkregen),
-de huid (die door meubelmakers als middel om hout glad te maken wordt
-gebruikt) en de vinnen (waarvan lijm wordt gekookt).
-
-
-
-Afwijkingen van den typischen vischvorm, die ons als misvormingen
-voorkomen, zijn bij de Haaien niet zeldzaam; de zonderlingste van alle
-is ongetwijfeld die, welke men bij de Hamerhaaien (Zygaena) opmerkt,
-en waarvan in de geheele hoofdafdeeling van de Gewervelde Dieren geen
-tweede voorbeeld voorkomt. Deze wonderbaarlijke Visschen hebben van
-de vroegste tijden af de algemeene aandacht getrokken. Zij gelijken
-op de Menschenvreters door het aantal en den stand der vinnen,
-door het bezit van een wenkvlies en het gemis van spuitgaten, maar
-verschillen van hen (en van alle overige Gewervelde Dieren) door
-het zijwaarts uitgroeien van den schedel en meer bepaaldelijk van de
-oogkaskraakbeenderen. Hierdoor heeft de kop den vorm van een hamer,
-welks beide eindvlakken de oogen dragen. De neusgaten zijn ver van daar
-verwijderd; zij bevinden zich aan de benedenvlakte van den kop vóór
-den hoefijzervormigen, met 3 of 4 reeksen van tanden bezetten muil.
-
-Van de 5 soorten van dit geslacht wordt één de Gewone Hamerhaai
-(Zygaena malleus) genoemd, omdat zij niet slechts in bijna alle
-warme zeeën gevonden wordt, maar ook naar de noordelijke kusten van
-Europa afdwaalt. Deze Visch bereikt soms een lengte van 3 à 4 M. en
-een gewicht van 200 à 300 KG. of meer. Zijn kop is 3-maal zoo breed
-als lang. Het lichaam is met een zwak gekorrelde huid bedekt, op de
-bovendeelen grijsachtig bruin, op de onderdeelen vuilwit van kleur;
-de groote, door leden beschutte oogen zijn goudgeel. De tanden zijn
-lang, scherp, bijna driehoekig; sommige hebben gezaagde, andere
-gladde randen.
-
-De handelingen van de Hamerhaaien verschillen niet van die der overige
-groote leden der onderorde; hoogstens zou men kunnen zeggen, dat zij
-aan den slijkerigen bodem van de zee de voorkeur geven boven andere
-verblijfplaatsen, naar men onderstelt, omdat zij hoofdzakelijk jacht
-maken op Roggen en Platvisschen. Zij bepalen zich echter geenszins
-tot deze en andere op den zeebodem levende Visschen, maar stijgen
-ook tot den waterspiegel op, zwemmen bedelend bij de schepen op de
-reede rond en kunnen gevaarlijk worden voor drenkelingen. De jongen
-komen in betrekkelijk groot aantal volkomen ontwikkeld ter wereld.
-
-Voor de vangst van Hamerhaaien dienen uitsluitend grondlijnen, daar
-slechts toevallig een enkel exemplaar in de schrobnetten verdwaalt. Het
-vleesch wordt niet gebruikt; van de lever wordt traan bereid.
-
-
-
-De Gladde Roofhaaien (Mustelus), zoo genoemd wegens hun huid,
-onderscheiden zich vooral door het gebit van alle overige leden
-der familie: evenals bij de Roggen, zijn alle (of althans verreweg
-de meeste) tanden plat en vormen een plaveisel. Bovendien zijn de
-spuitgaten iets grooter dan bij de Ruwe Roofhaaien, de neusgaten met
-een klep voorzien. De driehoekige lob onder aan de staartvin ontbreekt.
-
-Tot dit geslacht behoort de 1 à 1.5 M. lange Toonhaai (Mustelus
-vulgaris). De parelgrijze bovendeelen zijn bezaaid met ronde,
-witte vlekjes, die echter op lateren leeftijd onduidelijk worden
-of verdwijnen; de onderdeelen zijn geelachtig wit. Deze Visch heeft
-een uitgestrekt verbreidingsgebied, wordt aan de meeste kusten van
-Europa en bovendien bij Zuid-Afrika en bij Japan gevonden; bij ons
-ontmoet men hem minder veelvuldig dicht bij het land dan op de ver
-in zee gelegen zandbanken. Zijne stompe tanden stellen hem in staat
-tot het vergruizen van de Krabben en andere Schaaldieren, die zijn
-gewone voedsel uitmaken. In verband met deze levenswijze is hij traag,
-vreedzaam en gezellig van aard en blijft meestal dicht bij den grond,
-liefst op tamelijk groote diepte. In November brengt het wijfje
-een twaalftal goed ontwikkelde jongen ter wereld, die zich weldra
-naar den diepen zeebodem begeven, van waar zij eerst in Mei naar de
-banken terugkeeren.
-
-Hoewel de Toonhaaien niet bijzonder vraatzuchtig zijn, laten
-zij zich licht verschalken door het lokaas aan den haak; vooral
-bij de Italiaansche kust is de vangst van deze dieren van eenige
-beteekenis. Men ziet ze daar dikwijls op de vischmarkt. Hun vleesch
-is even weinig geacht als dat van hunne verwanten en wordt alleen
-door arme lieden gegeten.
-
-
-
-De Dolfijnhaaien (Lamnidae) verschillen van de leden der vorige familie
-vooral door het ontbreken van het wenkvlies. Aan de onderzijde van
-den min of meer verlengden snuit bevindt zich de halvemaanvormige
-mondopening, waarmede de neusgaten niet ineenvloeien. De spuitgaten
-ontbreken of zijn zeer klein, de kieuwspleten groot.
-
-
-
-De Neushaaien (Lamna) herinneren door aard en gestalte aan sommige
-Dolfijnen. De tweede rugvin en de aarsvin zijn zeer klein. De
-onderste lob van de staartvin is goed ontwikkeld, de staartwortel
-aan weerszijden met een overlangsche kiel voorzien. De wijde bek is
-gewapend met groote, lanspuntvormige tanden, die langs den rand niet
-gezaagd zijn, maar soms aan de basis nevenspitsen dragen.
-
-De Gewone Neushaai (Lamna cornubica) kan meer dan 3 M. lang worden
-en groeit zeer snel. De huid is glad; de bovendeelen zijn effen
-grauwzwart, de onderdeelen wit; een uit stippels bestaande streep
-strekt zich over het voorste deel van den snuit tot aan het oog uit,
-daarachter merkt men donkere stippels, vóór de neusgaten driehoekige
-donkere vlekken op. Deze Haai bewoont de Middellandsche Zee en het
-noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, bezoekt dikwijls de
-kusten van Engeland, zelfs die van Skandinavië, soms ook de Noordzee:
-twee exemplaren werden gevangen bij den Helder (23 Oct. 1863 en
-20 Nov. 1863). Hij kenmerkt zich door gezelligheid, vlugheid van
-bewegingen en vraatzucht. Verwoed vallen deze dikwijls troepsgewijs
-jagende roovers alle Visschen aan, die zij inhalen kunnen. De Tonijnen,
-waarmede men ze wegens den vorm van 't lichaam en in zekeren zin
-ook wegens de plaatsing der vinnen zeer goed kan vergelijken, hebben
-veel van hun roofzucht te lijden. Risso heeft een dezer Haaien een
-Zwaardvisch zien verscheuren, die even groot was als zijn moordenaar.
-
-Naar men zegt, is het vleesch van den Neushaai beter dan dat van
-andere Haaien en wordt, in de landen om de Middellandsche Zee althans,
-werkelijk op prijs gesteld.
-
-
-
-De Voshaai of Dorscher (Alopecias vulpes) valt zeer in 't oog door
-de opmerkelijke lengte van de bovenste lob van de staartvin en wordt
-daarom te recht in een afzonderlijk geslacht geplaatst, waarvan hij
-de eenige vertegenwoordiger is. Het voorste deel van den romp is
-naar verhouding buitengewoon krachtig ontwikkeld; de eerste rugvin
-is hoog en, evenals de nog grootere borstvinnen, sikkelvormig; de
-tweede rugvin, de buikvinnen en de aarsvin daarentegen zijn zeer
-klein. De snuit is kort en kegelvormig; de spuitgaten zijn klein, de
-kieuwspleten kort, zooals bij de Menschenvreters. Het gebit bestaat
-uit driekantige, gladrandige tanden, die 3 of 4 reeksen vormen; de
-voorste staan rechtop, terwijl de overige een weinig naar buiten of
-naar de zijden gericht zijn. Deze Haai kan 5 M. lang worden, waarvan
-echter ongeveer de helft op de bovenste staartlob komt. De rug en de
-zijden zijn donkerblauw, de onderdeelen wit gestippeld en gevlekt.
-
-In de Middellandsche Zee is de Voshaai een van de meest veelvuldig
-voorkomende soorten, op de Engelsche kusten treft men hem overvloediger
-aan dan een zijner verwanten. Ook in den Atlantischen Oceaan en
-in de Stille Zuidzee ontmoet men hem zeer dikwijls, vooral aan de
-kust van Californië en bij Nieuw-Zeeland. De karakteristieke naam
-van Dorscher is hem gegeven wegens het eigenaardige gebruik, dat
-hij van den langen staart maakt op het oogenblik van den aanval op
-zijn prooi. De krachtige slagen, die hij uitdeelt, zijn op een verren
-afstand hoorbaar. Niet zelden komt het voor, dat een school van niets
-kwaads vermoedende Dolfijnen, die rustig jagend hun weg vervolgen,
-door een enkelen staartslag van den hen overvallenden Voshaai, zelfs
-wanneer deze eenvoudig in het water treft, zoo verschrikt wordt, dat
-alle op de vlucht gaan als Hazen bij de nadering van een Hond. Tallooze
-slachtoffers maakt deze roover bij het vervolgen van de scholen van
-Haringen, Pelsers en Sprotten, die naar de paaiplaatsen trekken of
-van daar terugkeeren.
-
-
-
-De grootste Haaien zijn Carcharodon Rondeletii, die 12 à 15,
-en Rhinodon typicus, die meer dan 15 M. lang kan worden. Beide
-evenaren dus nagenoeg den 15 M. langen Huso, die als de grootste
-van alle bekende Visschen wordt beschouwd. Het noordelijke deel
-van den Atlantischen Oceaan wordt bewoond door een Haai, die met
-uitzondering van de genoemde soorten alle overige bekende leden zijner
-orde overtreft en daarom Reuzenhaai heet. Hij vertegenwoordigt een
-afzonderlijk geslacht (Selache), dat zich kenmerkt door een korten,
-stompen snuit, kleine spuitgaten, zeer groote, bijna den geheelen
-hals omgevende kieuwspleten, kleine, eenigszins naar binnen gekromde
-tanden en eene met vele spitse knobbeltjes bedekte huid. De lengte van
-den Reuzenhaai, den Basking-Shark der Engelschen (Selache maxima),
-kan, naar men zegt, 10 à 12 M., zijn gewicht verscheidene duizenden
-KG. bedragen. De bruinachtig zwarte bovendeelen hebben blauwachtige
-tint, de onderdeelen zijn witachtig.
-
-De grenzen van het verbreidingsgebied van den Reuzenhaai zijn nog
-niet nauwkeurig bekend; in den laatsten tijd heeft men hem ook bij
-Zuid-Australië aangetroffen. Dikwijls werd hij waargenomen aan de
-kusten van Wales, Cornwallis, Devonshire en Sussex; ook aan de Fransche
-kust heeft men hem herhaaldelijk gevangen. Soms dwaalt hij uit den
-Atlantischen Oceaan naar de Noordzee af; dit schijnt echter zelden te
-geschieden. Aan onze kust althans is slechts éénmaal, n.l. in 1821,
-een jong exemplaar van 2.2 M. lengte gevangen. De grootste van de
-Reuzenhaaien, die aan de zuid- en westkust van Engeland gedood zijn,
-was 11 M. lang. Die, welke men in den zomer aan de kust van Noorwegen
-harpoeneert met het doel om uit de lever traan te koken, zijn langer
-dan de bij deze vangst gebruikelijke schuiten, dus langer dan 12 M.;
-de grootte van deze dieren blijkt ook hieruit, dat men met hun lever,
-die 1000 KG. weegt, 10 à 14 tonnen vult. In berichten uit vroegere
-eeuwen wordt melding gemaakt van veel grootere exemplaren.
-
-Men meent, dat de Reuzenhaai in de IJszee op groote diepte verblijf
-houdt, hier op de wijze van de Walvisschen jacht maakt op allerlei
-kleine zeedieren, vooral Kwallen, doch ook de overblijfselen van doode
-Walvisschen verslindt, waardoor het niet moeielijk is hem met lokaas
-aan een haak te vangen. De Reuzenhaai heeft volstrekt niet den wilden
-aard van de andere leden zijner orde, maar is integendeel een volkomen
-onschadelijke Visch, die een verbazende traagheid, onverschilligheid
-en domheid toont. Het gebeurt niet zelden, dat hij volstrekt geen
-haast maakt om een boot, die hem vervolgt, te ontwijken; zelfs kan men
-dicht genoeg bij hem komen, om hem met een harpoen te treffen. Op een
-zonnigen dag ziet men hem dikwijls zonder beweging aan de oppervlakte
-van 't water liggen; dan is hij veelal zoo weinig schuw, dat men
-hem naderen en aanraken kan. Zoodra hij echter den harpoen voelt,
-heft hij den staart op en duikt overhaast naar de diepte. Soms moeten
-de Visschers de jacht daarna nog wel 20 à 24 uur lang voortzetten,
-voordat zij het dier bemachtigen kunnen. Nu en dan, misschien wel op
-bepaalde tijden van 't jaar, ziet men de Reuzenhaaien tot troepen of
-scholen vereenigd, evenals de Walvisschen, aan de oppervlakte van de
-zee ronddartelen of, vooral op stille, zonnige dagen, zonder beweging
-dichtbij elkander drijvend, zich koesteren in de zonnestralen.
-
-Hoewel het vleesch van dezen Visch door taaiheid leder evenaart en
-een onaangenamen smaak heeft, wordt het in noordelijke gewesten niet
-zelden gegeten of althans in reepen gesneden, gedroogd en als lokaas
-voor de vangst van andere Visschen gebruikt.
-
-
-
-Tot de Kraakbeenvinnigen, die geen levende jongen ter wereld brengen,
-maar eieren leggen, behooren de Asschelhaaien (Scyllidae); bij hen
-is de eerste rugvin boven de ruimte tusschen de buikvinnen en de
-aarsvin, de tweede boven de ruimte tusschen de aarsvin en de staartvin
-aangehecht. De huid is met scherpe, met de punt naar achteren gerichte
-korreltjes bedekt. Twee van de 8 soorten van dit geslacht komen in
-nagenoeg alle Europeesche zeeën voor en gelijken veel op elkander:
-beide hebben roodachtig grijze bovendeelen en vuilwitte onderdeelen. De
-hoogstens 70 cM. lange Hondshaai, aan onze kust gewoonlijk, evenals
-alle gevlekte Haaien, Asschelhaai, Haschhaai, Aschhaai of Bonte Haai
-genoemd (Scyllium canicula), is van boven met donkere roodachtige
-vlekjes bezaaid. Grootere, ronde, bruine vlekken treft men aan op
-de bovendeelen van den 1 M. langen Kathaai (Scyllium catulus), die,
-volgens Gronovius (1730-1777), soms langs onze kusten voorkomt,
-maar die door latere schrijvers niet onder de inheemsche Visschen
-wordt vermeld.
-
-Beide soorten ziet men bij alle Europeesche kusten, nergens echter
-veelvuldiger dan in de zee die het noorden van Groot-Brittannië,
-de Hebriden en de Orkney-eilanden bespoelt. Zij houden gewoonlijk
-op den bodem verblijf en vallen hier alle Visschen aan, die zij
-verzwelgen kunnen, voeden zich bovendien ook met Schaaldieren en
-misschien met velerlei Weekdieren. Beide Haaien behooren tot de
-ergste vijanden van de Haringen, welker scholen zij volgen. Op de
-plaatsen waar deze scholen geregeld verschijnen, vermenigvuldigen de
-Asschelhaaien zich weldra buitengewoon sterk. Zij veroorzaken groote
-schade aan de visschers, omdat zij vele nuttige Visschen verslinden
-en met hunne scherpe tanden of door hunne onstuimige bewegingen vele
-netten verscheuren. Men verhaalt, dat deze roovers, wanneer zij zich
-te midden van een school Haringen bevinden, er zooveel mogelijk van
-verzwelgen, deze vervolgens uitbraken, opnieuw beginnen te vreten en
-gedurende geruimen tijd voortgaan met beurtelings hun spijskanaal te
-vullen en te ledigen. Als vele Asschelhaaien zich op een vischplaats
-met de haringvangst bezig houden, neemt men tot op grooten afstand
-een duidelijke traanlucht waar; de effene waterspiegel glinstert,
-alsof hij met een laag olie bedekt is.
-
-De voortplantingstijd begint in den herfst, maar houdt, naar het
-schijnt, gedurende den geheelen winter aan. De eischalen, die men,
-hoewel veel minder veelvuldig dan die van Roggen, ledig op ons
-zeestrand aantreft, zijn, evenals deze, bekend onder den naam van
-"zeemuizen". De zwarte, hoornachtige schaal heeft den vorm van een
-ongeveer 6 cM. langen, zeer langwerpigen vierhoek, welks hoekpunten
-in zeer lange gekronkelde draden uitloopen; aan ieder van de smalle
-uiteinden der schaal komt een spleetvormige opening voor, waardoor
-het water kan binnendringen. Tegen den aanvang van den winter
-legt het wijfje eieren in de nabijheid van de kust, waarschijnlijk
-steeds tusschen waterplanten, die door de aanvankelijk weeke draden
-omstrengeld worden. De kiem is bij het leggen van het ei reeds zoo
-ver ontwikkeld, dat men den vorm van het diertje onderscheiden kan
-en er bewegingen aan opmerkt. Als de kiemtoestand afgeloopen is,
-verlaat het jong de eischaal, nog voorzien met een dooierzak, die
-door een steel met de buikholte in gemeenschap staat en welks inhoud,
-die voor de verdere ontwikkeling van het vischje dient, langzamerhand
-in het spijskanaal wordt opgenomen.
-
-Het vleesch van deze Haaien is buitengewoon wit, maar eenigszins
-vezelig en droog. Op de Orkney-eilanden worden de gevangen exemplaren
-gevild, opengesneden en nadat de ingewanden er uitgehaald zijn, op de
-rotsen gedroogd, om als proviand voor den winter te dienen. De huid
-wordt hoofdzakelijk voor het gladmaken en afschuren van houten of
-ijzeren voorwerpen gebruikt. Uit de lever wordt uitmuntende traan
-bereid.
-
-
-
-De familie der Stekelhaaien (Spinacidae)heet zoo, omdat bij de meeste
-harer leden elk der beide rugvinnen van voren met een scherpen
-stekel gewapend is. Bij alle ontbreekt de aarsvin. Zij bezitten
-spuitgaten. Hunne tanden hebben een enkelvoudige, meestal driehoekige,
-dunne, zijdelings samengedrukte kroon met scherpe, snijdende randen.
-
-De Doornhaai, ook wel Gewone Haai en Speerhaai genoemd (Acanthias
-vulgaris), heeft een langwerpig lichaam met platten, wigvormigen, van
-voren smallen, aan de spits afgeronden kop; de neusgaten zijn even ver
-van de mondspleet als van de spits van den snuit verwijderd; groote
-spuitgaten bevinden zich onmiddellijk achter de oogen. De volkomen
-ronde muil heeft een halvemaanvormige mondspleet en is gewapend met
-3 reeksen van lange, spitse, aan den rand weinig gezaagde tanden. De
-borstvinnen zijn zeer groot, de buikvinnen klein. De bovendeelen zijn
-effen leikleurig grijs, de onderdeelen geelachtig wit. De jongen hebben
-gewoonlijk witte vlekjes op den rug. In den regel bereikt de Doornhaai
-geen grootere lengte dan 1 M. en geen grooter gewicht dan 10 KG.
-
-Onder de Haaien der Europeesche zeeën is deze een der meest
-veelvuldige. In zeer grooten getale bewoont hij de Noordzee; na hevige
-stormen vindt men soms vele duizenden exemplaren op het strand; geheele
-scholen van deze roovers ontmoet men in de nabijheid van de kust,
-vooral bij hoog water; zij volgen de kleine Visschen, die zich naar
-hunne paaiplaatsen begeven en brengen aan de visscherij veel nadeel
-toe. De haringvisschers zien hen zeer ongaarne, daar zij met hunne
-stekels de netten verscheuren. Deze wapens gebruikt de Doornhaai ook
-tegen zijne vijanden; hij verwondt ze er mede door het lichaam te
-krommen, als 't ware gelijk een boog te spannen, en het vervolgens
-plotseling te strekken; deze beweging kan hij zoowel naar de eene als
-naar de andere zijde zoo nauwkeurig regelen, dat hij de hand treft,
-die zijn kop aanraakt, zonder zijn eigen huid te beschadigen. Hoewel
-het vleesch van den Doornhaai hard en niet bijzonder smakelijk is,
-wordt het gedroogd en als voedsel gebruikt, zelfs in Schotland; uit
-de lever kookt men traan; de huid wordt als middel om te schuren
-en te polijsten gebruikt; het afval dient als mestspecie. Van de
-stekels, die men wegens de pijnlijke wonden, die zij veroorzaken,
-voor vergiftig houdt, maakte men vroeger tandenstokers.
-
-Het wijfje brengt 6 à 20 goed ontwikkelde jongen ter wereld, welker
-vleesch als zeer smakelijk wordt geroemd; nog meer waarde hecht men op
-sommige plaatsen aan de eieren, waarin de kiem zich reeds eenigermate
-ontwikkeld heeft.
-
-
-
-De Noordsche Haai of IJshaai (Laemargus borealis) is de eenige
-vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht, dat zich van het
-vorige door het gemis van stekels aan de rugvinnen onderscheidt. Hij
-kan 6 à 8 M. lang worden, is effen aschgrauw van kleur, bewoont de
-Noordelijke IJszee, houdt hier verblijf op groote diepten en blijft
-steeds ver verwijderd van de kust, behalve wanneer hij een prooi
-vervolgt of door visschers wordt nagejaagd. Enkele malen verdwaalt
-hij in zuidelijker zeeën, o. a. werd hij aan de Engelsche kust en,
-volgens Maitland, ook aan de onze waargenomen.
-
-De Noordsche Haai is niet minder koen, moedig en vraatzuchtig dan
-de andere leden zijner familie. Hij verslindt al wat binnen zijn
-bereik komt, allerlei soorten van Visschen, vooral Platvisschen,
-Kabeljauwen en andere Schelvischachtigen, jonge Roggen, groote en
-kleine Walvisschen, maar valt, naar men zegt, nooit of uiterst zelden
-menschen aan. Volgens Scoresby is de IJshaai "een van de felste
-vijanden van den Groenlandschen Walvisch, wiens lijk hij verslindt
-en die ook levend veel van hem te lijden heeft. De halfbolvormige
-stukken vleesch, die hij met zijn krachtig gebit het reusachtige
-Zoogdier uit het lijf scheurt, zijn grooter dan een menschenhoofd;
-het eene stuk na het andere wordt losgerukt en verzwolgen, totdat de
-roover verzadigd is. Bij 't slachten van den gevangen Walvisch is hij
-een ijverige concurrent van den mensch; terwijl deze het vette lichaam
-aan de bovenzijde afspekt, kluift hij het van onderen af." Het vangen
-van dit vraatzuchtige dier kost weinig moeite. Men bindt, volgens
-Fabricius, een zak met bedorven vleesch of een kop van een Zeehond
-aan een haak en laat dezen, aan een ketting bevestigd, achter het
-schip aan slepen. De IJshaai zwemt om het lokaas heen, proeft er van,
-maar laat het weer los. Door te rechter tijd een ruk aan den ketting
-te geven, weet men de begeerte van den roover voor de prooi, die hem
-schijnt te zullen ontgaan, opnieuw te doen ontwaken; de Haai schiet
-plotseling op het lokaas toe en verzwelgt het. Met welgevallen kijkt
-de bemanning van het schip naar de woeste sprongen van den gevangen
-Visch. Zijne woedende pogingen om den ketting te breken of los te
-rukken hebben geen ander gevolg, dan dat de ingeslikte haak hem de
-ingewanden verscheurt. Nadat de matrozen zich lang genoeg met de
-nuttelooze worsteling van het dier vermaakt hebben, trekken zij het
-omhoog, bevestigen een touw om het zware lichaam en hijschen het aan
-boord, na vooraf den kop en den staart afgehouwen te hebben, daar
-zelfs de koplooze romp gevaarlijk slagen met den staart kan toebrengen.
-
-De Groenlanders en IJslanders noemen het vleesch van den IJshaai beter
-eetbaar dan dat van zijne verwanten. Van de lever wordt traan bereid;
-dit geschiedt met behulp van stoom, waardoor men een zeer goede
-lampolie verkrijgt; het overschot wordt uitgekookt en levert bruine
-looierstraan. De huid, die met een menigte spitse beenknobbeltjes
-bezet is, dient voor het polijsten van allerlei gereedschappen of
-als grondstof voor schoenen en paardentuigen.
-
-
-
-De Zeeëngel, ook Schoerhaai, Schoorhaai, Pakhaai en Paddehaai genoemd
-(Rhina squatina), de eenige vertegenwoordiger van de familie der
-Zeeëngelhaaien (Rhinidae), dankt zijn naam aan de zeer groote,
-vleugelachtige, aan de zijden van den romp gehechte borstvinnen;
-hun voorste lap sluit tegen de onderzijde van den achterkop aan;
-door hun achterste lap worden de eveneens groote, horizontale, aan
-de zijden van den buik gehechte buikvinnen gedeeltelijk overdekt. De
-buitengewoon breede, platte, van voren zeer stomp eindigende kop
-heeft de gedaante van een dikke, ronde schijf, die met den van boven
-naar onderen afgeplatten, door de parige vinnen verbreeden romp en den
-langwerpigen, rolronden staart een duidelijke toenadering vertoont tot
-den lichaamsvorm van de Roggen. Aan het voorste uiteinde van den zeer
-breeden, korten snuit bevindt zich de zeer wijde mondspleet, welker
-hoekpunten gelegen zijn ter hoogte van de groote, halvemaanvormige
-spuitgaten, die op korten afstand van en achter de tamelijk kleine,
-sterk naar boven gerichte oogen voorkomen. De neusgaten zijn voorzien
-van kleppen, welker randen als 't ware franjes dragen. In de nauwe
-ruimte tusschen de onderzijde van den achterkop en den voorsten lap
-der borstvin vindt men de 5 kieuwspleten, die slechts door vliezen
-vaneengescheiden zijn. De staart is langs de bovenzijde voorzien
-van twee kleine rugvinnen en aan het einde van een staartvin, die
-door een flauwe insnijding verdeeld wordt in twee lappen, waarvan de
-onderste langer is dan de bovenste. De kaken zijn met kegelvormige,
-puntige tanden gewapend, die verscheidene reeksen vormen. De huid
-van de bovendeelen is ruw door de talrijke, kegelvormig eindigende
-beenkorreltjes, die zij bevat; de onderdeelen hebben een gladde huid;
-deze zijn geelachtig wit, gene chocoladebruin met zwartachtige,
-onduidelijk begrensde vlekjes. Dit dier bereikt een lengte van 2 M.
-
-Naar het schijnt, strekt het verbreidingsgebied van deze soort zich
-uit over alle zeeën van den noordelijken en den zuidelijken gematigden
-aardgordel. In de Middellandsche Zee komt de Zeeëngel algemeen voor,
-zoo ook bij vele kusten van West-Europa, aan de oostkust en de westkust
-van Noord-Amerika, weinig minder veelvuldig treft men hem aan in de
-zee rondom Japan en Australië. Ook in de Noordzee vindt men hem hier
-en daar in aanzienlijken getale; over 't algemeen trouwens behoort hij
-in de door hem bewoonde wateren tot de gewone Haaien. Aan onze kust
-is hij niet zeldzaam, hoewel men hem er niet in menigte vangt. Zooals
-reeds uit den vorm van zijn lichaam valt af leiden, leeft de Zeeëngel
-op of op korten afstand boven den zeebodem en maakt hier jacht op
-allerlei soorten van Roggen, Schollen, enz., die zijn voornaamste
-voedsel uitmaken. Evenals deze, ligt hij half in het zand verborgen,
-houdt de vurige oogen naar boven gericht en komt bij het waarnemen
-van een buit eensklaps te voorschijn.
-
-Volgens sommige berichtgevers brengt deze Visch in den herfst, volgens
-andere in het voorjaar 10 à 20 volkomen ontwikkelde jongen ter wereld.
-
-Daar de Zeeëngel even vraatzuchtig is als de andere Haaien, is het niet
-moeielijk hem met behulp van een lokaas te vangen. Naar men bericht,
-verweren groote exemplaren zich soms zoo krachtdadig, dat de visschers
-zich schrap moeten zetten om niet door hen gewond te worden. Het
-lederachtige, taaie vleesch van deze dieren heeft een onaangenamen
-smaak; de huid wordt voor het raspen en polijsten van hout gebruikt,
-of tot degengevesten, messcheeden en dergelijke voorwerpen verwerkt.
-
-
-
-De tweede afdeeling van de onderorde der Dwarsbekkigen omvat de
-Rogvisschen (Batoidei), Kraakbeenige Visschen, welker plat lichaam
-door de buitengewoon sterke ontwikkeling der borstvinnen, die reeds
-aan den achterkop beginnen, de gedaante van een schijf bezit, aan
-welker onderzijde 5 paar kieuwspleten voorkomen en die uitloopt in
-een meestal zeer langen, dunnen, ronden, zweepvormigen staart, waarop
-gewoonlijk de beide rugvinnen geplaatst zijn, voor zoover deze niet
-ontbreken. De aarsvin ontbreekt altijd. De oogen en, dicht achter
-deze, de steeds aanwezige, wijde spuitgaten liggen op de bovenzijde
-van den kop. De onderstandige mondopening heeft de gedaante van een
-dwarse spleet; de kaken zijn met een plaveisel van tanden gewapend. De
-kraakbeenige ring, die de borstvinnen ondersteunt, is van boven aan
-de wervelkolom bevestigd.
-
-Als voorbeeld van de innige verwantschap tusschen de Haaien en de
-Roggen kan, behalve de Zeeëngel, die men een Haai in de gedaante
-van een Rog zou mogen noemen, ook de Zaagvisch (Pristis antiquorum)
-dienen, een Rog met de gestalte van een Haai. Het langwerpige, alleen
-van voren afgeplatte lichaam, de lange snuit, de plaatsing der vinnen
-en de vleezige, niet scherp van het lichaam gescheiden staart heeft
-deze Visch met de Haaien gemeen; zijn verwantschap met de Roggen
-verraadt zich door den breeden, dwars onder den snuit gelegen bek
-en het gebit, dat uit platte, plaveiselvormige tanden bestaat. Een
-eigenaardigheid van dit dier en zijne verwanten is de verlenging van
-den bovensnuit tot een lang, zwaardvormig uitsteeksel, waarin aan
-weerszijden platte, snijdende, spitse tanden in tandholten bevestigd
-zijn. Deze zoogenaamde "zaag" stelt als 't ware de snuitkraakbeenderen
-van de andere Dwarsbekkigen op hun hoogsten trap van ontwikkeling
-voor. Twee kleine spuitgaten, die door klepjes gesloten kunnen worden,
-zijn achter de oogen gelegen; de aarsvin ontbreekt. De lengte van
-den Zaagvisch kan tot 4 of 5 M. stijgen, waarvan ongeveer 1/3 op den
-zaag komt. De huid is glad met zeer kleine, een plaveisel vormende,
-rondachtige of zeshoekige knobbeltjes. De bovendeelen zijn nagenoeg
-effen bruingrijs, de onderdeelen hebben een lichtere kleur.
-
-De genoemde soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied;
-men heeft haar in bijna alle zeeën van beide halfronden, het meest
-echter in de warme zeeën gevonden; in grooten getale komt zij ook in
-de Middellandsche Zee voor, vanwaar zij soms noordwaarts afdwaalt.
-
-Met de levenswijze van den Zaagvisch zijn wij zeer onvoldoende bekend,
-daar de vele staaltjes, die van zijn woestheid en bloedgierigheid
-verhaald worden, geen volkomen vertrouwen verdienen. De stand van
-den bek en het gebit wijzen er op, dat de Zaagvisch, evenals andere
-Rogvisschen, dicht bij den bodem zijn gewone verblijf heeft en hier op
-kleine Visschen, Schaaldieren, Weekdieren en dergelijke wezens jacht
-maakt. Toch is het niet onmogelijk, dat hij werkelijk, zooals verhaald
-wordt, in blinde woede op groote Cetaceeën of Visschen toeschiet en
-hun zijn zaag in 't lichaam boort.
-
-Evenals de meeste leden zijner orde, brengt ook de Zaagvisch volkomen
-ontwikkelde jongen ter wereld.--Zijn vleesch is hard en onsmakelijk;
-het wordt slechts in geval van nood gegeten. De huid wordt gebruikt
-voor 't zelfde doel als die der Haaien.
-
-
-
-De Trilroggen of Sidderroggen (Torpedinidae), reeds sinds overouden
-tijd berucht wegens hun vermogen om electrische schokken uit te
-deelen, vormen een uit 20 soorten bestaande familie en bewonen,
-zooals van dergelijke dieren te verwachten is, vooral de tropische
-zeeën. De buitengewoon groote borstvinnen zijn met de zijden van
-kop en romp vergroeid tot een ronde schijf, die zoomin schubben als
-stekels draagt. De buikvinnen zijn onmiddellijk achter de borstvinnen
-gelegen. De korte, vleezige staart is van voren breeder dan hoog,
-verderop rolrond, aan de zijde met een kielvormige huidplooi, aan
-het einde met een driehoekige staartvin van boven met twee rugvinnen
-voorzien (sommige soorten hebben er slechts één, nog andere geen). Het
-electrisch orgaan is tusschen den kop, de borstvinnen en de kieuwen
-gelegen; het wordt gevormd door meer dan 500 verticale, zeszijdige
-zuiltjes, die als de cellen van een honigraat aaneengevoegd zijn,
-en, wat samenstelling en werking betreft, overeenkomen met die der
-vroeger genoemde electrische Visschen. In verband met de richting der
-zuiltjes bevindt de positieve pool van het geheele orgaan zich aan
-de buikzijde van 't lichaam en is de richting van den electrischen
-stroom dus verticaal, van de buikzijde naar de rugzijde gericht. De
-zenuwen, die bij het electrisch orgaan behooren, staan met de hersenen
-in directe verbinding.
-
-De spuitgaten zijn op korten afstand achter de oogen geplaatst. De
-tanden zijn bij de meeste soorten spits.
-
-
-
-De meest bekende van de 6 soorten van het geslacht der Trilroggen
-i. e. z. (Torpedo) is de Gemarmerde Trilrog (Torpedo marmorata), die
-den Atlantischen en den Indischen Oceaan bewoont. Hij kan een lengte
-van 1.5 bij een breedte van bijna 1 M. bereiken en is dan 25 à 30
-KG. zwaar. De bruine bovendeelen zijn bruinachtig en wit gemarmerd;
-soms heeft de eene, soms de andere kleur de overhand; de onderdeelen
-zijn wit, de spuitgaten met franjes voorzien.
-
-Hoewel de werking van het electrisch orgaan van dezen Visch
-aanmerkelijk zwakker is dan van den Sidderaal, kan hij toch zeer
-pijnlijke schokken geven; eerst nadat herhaalde ontladingen hem
-afgemat hebben, kan men hem veilig uit het water nemen, daar men
-dan slechts een lichte trilling zal gevoelen. Onder water zijn de
-schokken het hevigst en des te duidelijker waarneembaar, naarmate
-men een grootere oppervlakte aanraakt. Dit vermogen is onderworpen
-aan den wil van het dier, dat zich door plagerijen laat bewegen,
-vele schokken achtereenvolgens uit te deelen. Deze kunnen bij kleine
-dieren bedwelming of zelfs den dood veroorzaken; ook is het wel eens
-voorgekomen, dat krachtige mannen door de ontladingen van groote
-Trilroggen verlamd werden en neerstortten; men heeft dus alle reden
-om voorzichtig te zijn bij het baden en zwemmen op plaatsen waar deze
-dieren leven. Zij gebruiken hun electrisch orgaan als middel om hun
-prooi te vangen en om vijanden af te weren.
-
-Alle bekende leden der familie brengen levende jongen ter wereld,
-ten getale van 8 à 14.
-
-Het voordeel dat de Trilroggen aan de huishouding van den mensch
-kunnen leveren, is van geringe beteekenis; zij worden niet eens
-geregeld gevangen.
-
-
-
-Bij de Echte Roggen (Rajidae) eindigt het tot een ruitvormige schijf
-verbreede lichaam van voren in een kielvormig verlengden snuit, van
-achteren in een dunnen, zweepvormigen staart, welke van boven voorzien
-is met twee ver naar achteren geplaatste rugvinnen, aan weerszijden met
-een overlangsche huidplooi en aan het einde met een kleine staartvin,
-die echter bij een geslacht (Uraptera) geheel ontbreekt. De buikvinnen
-zijn in den regel door een diepe insnijding ieder in twee lobben
-verdeeld. De huid is bij sommige soorten nagenoeg glad, bij andere meer
-of minder dicht bezet met kleine, achterwaarts gekromde stekeltjes,
-afgewisseld door eenige grootere stekels. Deze komen het meest voor
-op het midden van den rug, bovenop en langs de zijden van den staart,
-vóór en achter de oogen, op de kiel van den snuit. Op den voorrand van
-de borstvinnen komen zij vooral bij de mannetjes gedurende den paaitijd
-voor. Het gebit bestaat uit spitse of uit platte, plaveiselvormige
-tanden. In den paaitijd worden bij de mannetjes van soorten met platte
-tanden deze tijdelijk door spitse vervangen.
-
-Men kent omstreeks 40 soorten van Echte Roggen; deze zijn over alle
-zeeën verspreid, maar komen het meest voor in die van de gematigde
-aardgordels en veelvuldiger in het noordelijke dan in het zuidelijke
-halfrond. Hun levenswijze verschilt niet onbelangrijk van die der
-verwante Trilroggen, daar zij niet, gelijk deze, buitengewone middelen
-tot aanval en verdediging bezitten, en dus bij den strijd alleen op
-hun behendigheid of, zoo men wil, op hun list moeten vertrouwen. Ook
-hun voortplantingswijze is anders, daar zij eieren leggen, waaruit
-zich eerst na geruimen tijd jongen ontwikkelen. Hoewel het vleesch van
-de Roggen droog en hard is, spelen enkele soorten geen onbelangrijke
-rol in de visscherij. Van 1 Juli 1896 tot 1 Juli 1897 werden aan de
-Rijks-vischhal te IJmuiden 5369 manden (à 25 KG.) Rog verkocht.
-
-
-
-De Vleet (Raja batis), een Rog, waarvan de schijf een lengte van 1
-en een breedte van 1.3 M. kan bereiken, en die dan met den staart
-2 M. lang en 100 KG. zwaar is, heeft een aan 't einde versmalden en
-tamelijk spitsen snuit, puntige tanden (zoowel het mannetje als het
-wijfje), een met zeer scherpe stekeltjes bezette en hierdoor ruwe
-huid, drie rijen tanden van doornen op den staart. Deze draagt dicht
-bij haar uiteinde twee kleine rugvinnen, doch mist de staartvin; de
-buikvinnen zijn door een diepe insnijding in 2 lobben verdeeld. De
-bovendeelen zijn grijsgeel, de onderdeelen vuilgrijs en vooral
-van voren als bezaaid met zwarte stipjes. Deze soort wordt in de
-Noordzee en in het noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan
-tot Noord-Amerika aangetroffen. Aan onze kust is zij zeer algemeen;
-haar vleesch is bij ons niet geacht.
-
-
-
-Nog overvloediger ontmoet men bij onze kust den Gewonen Rog, ook
-Stekelrog, Doornrog, Driestaart en Rooden Rog genoemd (Raja clavata);
-zij bewoont de zeeën van Europa, maar ontbreekt in het oostelijke
-gedeelte van de Oostzee. In de noordelijke zeeën bereikt hij zelden
-een lengte van meer dan 1.5 M, de schijf is dan 1 M. breed. Naar
-men bericht, wordt hij in zuidelijker zeeën 3 à 4 M. lang, 2 à 3
-M. breed en 200 K.G. zwaar. De staart is iets langer dan de schijf,
-van onderen afgeplat en bij het einde met twee kleine vinnen
-voorzien; iedere buikvin is in twee ongelijke lobben verdeeld. De
-schijf is plat, van boven of van onderen gezien bijna vierzijdig met
-nagenoeg rechte hoeken, zoowel aan de boven- als aan de ondervlakte
-met harde en puntige doorntjes bezaaid. De staart draagt drie rijen
-van groote doornen, van welke de middelste tot over het achterhoofd
-voortloopt. Ook op andere plaatsen van het lichaam merkt men zulke
-groote doornen op; in den paaitijd is soms het geheele lichaam bezet
-met buitengewoon groote doornen, die op een breed voetstuk rusten. De
-mannetjes hebben puntige, de wijfjes platte tanden. Het olijfgroen van
-de bovendeelen gaat naar den rand der schijf allengs in bruin over;
-soms vindt men hierop bruine vlekken met witten zoom, soms lichte
-vlekken met bruinen zoom; sommige van deze vlekken, vooral die op de
-borstvinnen dichtbij het achterhoofd, munten niet zelden door grootte
-uit. De onderdeelen zijn witachtig. Het vleesch van dezen Rog is beter
-dan dat van zijne verwanten, maar wordt toch bij ons niet geacht;
-het best is het in de laatste maanden van 't jaar. Men eet het veel
-in gedroogden, maar ook in verschen toestand. Uit de lever wordt traan
-gekookt, die vroeger door de visschers veel als lampolie werd gebruikt.
-
-
-
-De Gladde Rog (Raja maculata) gelijkt veel op den Gewonen; de huid
-van de onderdeelen is bij hem echter glad; dit geldt ook van de
-bovenvlakte van de schijf behoudens een overlangsche reeks van groote
-doornen op het midden en verscheidene reeksen van kleine doornen
-langs den voorrand; zoowel bij het wijfje als bij het mannetje is de
-bek met spitse tanden gewapend. De bovenzijde is geel- of roodachtig
-grijsbruin met vele kleine, ronde, donkere vlekken.
-
-Deze soort bewoont nagenoeg dezelfde zeeën als de vorige en is vrij
-algemeen op de zandbanken langs onze kust vooral in den zomer.
-
-
-
-De Spiegelrog (Raja miraletus) dankt zijn naam aan de twee (zelden
-vier) groote, roode, blauwe, zwart en wit gezoomde vlekken, die op
-de rugzijde van de schijf, een weinig dichter bij den achterrand dan
-bij den zijrand, voorkomen. De bovendeelen zijn overigens geelbruin
-met talrijke kleine, ronde vlekken, de onderdeelen wit. De groote
-doornen op het midden van den rug verdwijnen meestal vroegtijdig. De
-tanden zijn bij de oude mannetjes puntig, bij de wijfjes en de jonge
-mannetjes plat.
-
-De Spiegelrog is zeer zeldzaam aan onze kust en schijnt aan de kust
-van Skandinavië niet voor te komen. In de Middellandsche zee komt
-hij veelvuldig, aan de Engelsche kust vrij algemeen voor.
-
-
-
-Volgens sommige schrijvers worden nog twee andere soorten van Roggen
-soms dicht bij onze stranden in de Noordzee aangetroffen, n.l. de
-Kaardrog (Raja fullonica) en de Scherpsnuit (Raja oxyrhyncha), beide
-het naast verwant aan den Gladden Rog, met wien zij door den aan 't
-einde versmalden, puntigen snuit overeenstemmen. Bij den eerstgenoemden
-is de bovenvlakte van de schijf effen bruin, bij den laatstgenoemden
-gitzwart van kleur.
-
-
-
-Alle Roggen bewonen den zandigen of slijkerigen zeebodem, waar
-zij, grootendeels in 't zand verborgen, letten op hetgeen er in 't
-water boven hen voorvalt; zoodra een buit nadert, wordt deze door
-den plotseling te voorschijn schietenden Rog gegrepen. Hun gebit
-laat niet toe, dat zij groote dieren aanvallen; zij rooven daarom
-kleine Visschen en allerlei Schaaldieren, vooral jonge Schollen en
-Garnalen. In 't begin van de lente, misschien nog iets vroeger, vangt
-de voortplantingstijd aan; tegen het einde van de lente of in den zomer
-worden de eieren gelegd, ten getale van 6, 8 of meer. Deze gelijken
-op die van de Hondshaaien, maar hebben een meer vierhoekigen vorm en
-kortere draden aan de hoekpunten. Binnen de eischaal ontwikkelt het
-jong zich zoover, dat bij het uitkomen de inhoud van den dooierzak
-reeds grootendeels verbruikt is. Zoodra deze geheel verdwenen is,
-nemen de jongen de levenswijze van hunne ouders aan.
-
-In sommige streken wordt het vleesch van den Rog zeer weinig
-geacht, elders wordt het als een smakelijke spijs beschouwd. In
-Londen worden ieder jaar honderdduizenden Roggen verbruikt en door
-liefhebbers gezocht; in het noorden van Engeland gebruikt men deze
-Visch uitsluitend als lokaas voor de vangst van Garnalen en andere
-Schaaldieren.
-
-Voor het vangen van Roggen maakt men gebruik van een beug, die met
-Kreeften, Weekdieren en Visschen als lokaas wordt voorzien, ook wel
-van schrobnetten.
-
-In een aquarium trekken de Roggen zeer de aandacht. Zij geraken niet
-licht gewoon aan de gewijzigde omstandigheden, nemen niet altijd
-voedsel aan en verhongeren dan ellendig. Wanneer zij echter eens aan
-'t eten gebracht zijn, kan men ze jaren lang in 't leven houden en
-wekken dan veel belangstelling, omdat men hun levenswijze kan nagaan.
-
-
-
-De Pijlstaartroggen (Trygonidae) bewonen voor 't meerendeel de
-tropische zeeën; sommige soorten treft men echter in de zeeën van de
-gematigde aardgordels, enkele in zoetwater in de tropische gewesten
-van het oosten van Zuid-Amerika aan. Van al deze Visschen komt de
-vorm in hoofdzaken met dien der Roggen overeen, met dit verschil,
-dat de staart zeer lang, dun en spits is, geen huidkielen heeft,
-bij de meeste soorten geen eigenlijke rugvinnen of staartvin draagt,
-maar van boven gewapend is met één of meer lange, aan weerszijden
-van weerhaken voorziene stekels; de borstvinnen vloeien vóór den kop
-ineen en vormen dus de voorste spits van de schijf; de buikvinnen zijn
-niet ingesneden. De tanden zijn overdwars elliptisch of ruitvormig en
-hebben een verhevenheid, die stomp of scherp, soms in spitsen verdeeld
-is. De huid is nu eens glad, dan weer bezet met knobbels of stekels,
-die echter niet op de borstvinnen voorkomen. De staartstekel van deze
-dieren wordt te recht zeer gevreesd, daar hij leelijke wonden kan
-veroorzaken en het slijm, dat te gelijker tijd in de wonde doordringt,
-vergiftige eigenschappen heeft.
-
-
-
-De Pijlstaart (Trygon pastinaca), over wiens misdrijven reeds bij de
-schrijvers der oudheid berichten voorkomen, bewoont den Atlantischen,
-den Indischen en den Stillen Oceaan (tot bij Japan). Hij wordt
-veelvuldig aangetroffen in de Middellandsche Zee en langs de kust van
-West-Europa tot in het Kanaal en bij het zuiden van Engeland, minder
-talrijk in de Noordzee, zeer zelden aan de kust van Skandinavië en
-nooit in de Oostzee. Gedurende een groot deel van 't jaar vindt men hem
-op en nabij de zandbanken langs onze kust, doch bijna nooit in grooten
-getale. De schijf is langs het midden van den rug aanmerkelijk dikker
-en hooger dan bij de Roggen; het deel, dat vóór de zijwaarts gerichte
-hoeken ligt, is grooter dan het achterste deel. De staart is langer
-dan de helft van de schijf en aan het einde van het eerste derde deel
-gewapend met een stevigen, beenigen, aan weerszijden van weerhaakjes
-voorzienen doorn, waarvan de lengte gelijk kan zijn aan een derde
-of een vierde deel van die van den staart. Deze draagt van boven en
-van onderen een smallen huidzoom en loopt uit in een zweepvormige
-punt. De huid is glad, op de bovendeelen donker olijfgroen, naar de
-zijden met geel- of roodachtige tint; de onderdeelen zijn wit. Dit
-dier kan ongeveer 1 M. lang en 5 à 6 KG. zwaar worden.
-
-
-
-De Pijlstaart ligt meestal op den zandigen zeebodem in de nabijheid
-van de kust, begeeft zich in den zomer dikwijls naar ondiep water,
-waarvan bij eb slechts weinige plassen overblijven en maakt hier jacht
-op kleine Visschen, Schaaldieren en Wormen. Uit de wijze, waarop hij
-zich verdedigt, blijkt, dat hij met de gevaarlijkheid van zijn wapen
-goed bekend is. Wanneer men hem aanvat of verschrikt maakt, is hij
-gewoon den langen, buigzamen staart om het lichaam te slingeren,
-dat hem vrees inboezemt en intusschen den stekel in de wonde te
-drukken; ook slaat hij soms eenvoudig met den staart. Velen hebben
-waargenomen, dat hij met den stekel een bepaald doel zeer goed weet
-te treffen. Alle visschers weten dit en wachten zich wel het levende
-dier aan te raken. De staartdoorn wordt, wanneer hij afbreekt, door een
-nieuwen vervangen, die dikwijls reeds vroeger in weinig ontwikkelden
-toestand vóór den volwassen doorn zichtbaar is. Wilde volken gebruiken
-de stekels van deze en andere Pijlstaarten als pijlpunten; reeds de
-oude Grieken deden dit; de Zuid-Amerikaansche Indianen doen het ook
-thans nog. Het vleesch van den Pijlstaart is vet, hard, tranig en
-onaangenaam van smaak; bij ons wordt het niet gegeten, in sommige
-andere streken wel. Van de lever wordt traan bereid. Het vleesch van
-de Javaansche Pijlstaartroggen schijnt smakelijker en gemakkelijker
-verteerbaar te zijn dan dat van de inheemsche. De meest gewone soort
-is daar de reusachtige Ikan-Paré (Trygon lymma).
-
-
-
-Zeevleermuizen noemt men in onze Oost de leden van de geslachten
-Pteroplatea en Aëtoplatea, omdat de schijf wegens de sterke
-ontwikkeling der borstvinnen dubbel zoo breed is als lang. Hun staart
-is kort. Een soort van Zeevleermuis (Pteroplatea altavela) bewoont
-de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan.
-
-
-
-Bij de vroeger genoemde Roggen breiden zich de borstvinnen langs
-de zijden van den kop uit tot over den snuit; de hierdoor gevormde
-"kopvinnen" zijn bij de Molenroggen (Myliobatidae) van de eigenlijke
-borstvinnen door een inham gescheiden, zoodat de schijf duidelijk
-verdeeld is in kop en romp en beide van vleugelvormige vinnen voorzien
-zijn. Aan den wortel van den langen, zweepvormigen staart komt een
-rugvin voor, waarachter zich één of twee stekels bevinden. Het gebit
-bestaat uit zeer platte tanden of liever tandplaten, die overlangsche
-reeksen vormen. De bek is zeer wijd.
-
-
-
-In alle zeeën tusschen de keerkringen en van de beide gematigde
-aardgordels, ook in de Noordzee bij de kust van Engeland, doch niet
-bij de onze, treft men den Molenrog (Myliobatis aquila) aan. Deze is in
-den regel niet langer dan 1 à 1.5 M. en niet zwaarder dan 8 à 12 KG.;
-naar men zegt, bereikt hij soms een reusachtige grootte en een gewicht
-van 200 à 300 KG. De bovendeelen zijn donkerbruin, aan de zijden iets
-lichter van kleur, de onderdeelen vuilwit. De groote, uitpuilende
-oogen hebben een grijsachtig groen regenboogsvlies en een zwarte pupil.
-
-De wonden, die dit dier met zijn staartstekel kan veroorzaken,
-worden zeer gevreesd; in Italië is het zelfs wettelijk verboden een
-van deze Visschen op de markt te brengen, wanneer men hem niet vooraf
-den stekel heeft ontnomen. Hun vleesch wordt alleen door den minderen
-man gegeten; de lever daarentegen beschouwt men als een lekkernij.
-
-
-
-"Daar is de Duivel! Groote opschudding onder het scheepsvolk! Ieder
-grijpt een wapen; overal ziet men lansen, harpoenen en geweren. Spoedig
-was ik bij de hand en zag een grooten Visch, die op een Rog geleek,
-maar twee hoornen had als een os. Voortdurend vergezelde hem een
-witte Visch, die af en toe op verkenning uitging en zich vervolgens
-weer onder den reus verschool. Tusschen zijne hoornen droeg hij een
-kleinen, grijzen Visch, die men den "Loods" van den Duivel noemt,
-omdat hij hem tot gids dient en hem knijpt, zoodra hij Visschen
-bespeurt; op deze schiet de Duivel dan pijlsnel toe."
-
-Zoo luidt het verhaal van een reiziger, die tegen het einde van de
-17e eeuw Siam bezocht en de beschrijving van deze reis in 1685 in 't
-licht gaf. Na hem wordt door andere reizigers en natuuronderzoekers
-van dezelfde Duivels melding gemaakt; een uitvoerig bericht geeft
-Levaillant, die op 10° ZB. drie van deze dieren waargenomen heeft. Ook
-deze waren door Loodsmannetjes omgeven en bij elk van hen zat op den
-hoorn, die vóór den kop uitstak, een witte, lange Visch ter dikte
-van een menschenarm, die tot gids scheen te dienen. Men slaagde er
-in den kleinsten Duivel te vangen en vond, dat hij op een Rog geleek,
-9 M. breed en zonder den staart 7 M. lang was. De bek was zoo groot,
-dat een mensch er gemakkelijk door verzwolgen kon worden; de rug was
-bruin, de buik wit.
-
-Men zou geneigd zijn, deze verhalen te wantrouwen, indien in den
-laatsten tijd niet herhaaldelijk dergelijke reusachtige Visschen gezien
-en gevangen waren. Bij New-York doodde men er een, wiens gewicht
-ongeveer 5000 KG. bedroeg. De vereenigde krachten van 2 span ossen,
-2 paarden en 22 menschen waren ter nauwernood voldoende om dit monster
-uit het water te halen. Elliot geeft een zeer uitvoerige beschrijving
-van een door hem bijgewoonde jacht op een dezer Zeeduivels, en
-verhaalt, dat zij in de Golf van Mexico wel niet veelvuldig, maar toch
-geregeld voorkomen, buitengewoon snel en sierlijk zwemmen, zich op een
-vreemdsoortige wijze (als 't ware springend) door 't water bewegen en
-dikwijls een van de vinnen boven de oppervlakte verheffen. Als zulk
-een Visch in den ankerketting verward geraakt, kan hij het vaartuig
-losrukken en dit vervolgens, verwoed over de last van het aan hem
-hangende anker, met demonisch geweld heen en weer sleepen. "Soms,
-hoewel niet dikwijls," zegt Elliot, "is men in de gelegenheid dezen
-reus van nabij te bespieden, terwijl hij in ondiep water jacht maakt
-op de Garnalen en vischjes, die hem tot voedsel dienen; men moet dan
-echter voortdurend op zijn hoede zijn, daar dit dier door de snelheid
-zijner bewegingen een Vogel evenaart." Onze zegsman verhaalt verder
-zeer uitvoerig hoe de jacht zich heeft toegedragen, hoe na veel moeite
-eindelijk een der vervolgde dieren geharpoeneerd, na langen strijd
-gedood, gelukkig aan land gebracht en gemeten werd: de breedte van
-de schijf, van de eene vinspits tot de andere, bedroeg omstreeks 6
-M. De jacht op Duivelvisschen van deze grootte is gevaarlijk, omdat
-zij in hun woede op het vaartuig aanvallen, zoodat het gevaar loopt
-om te kantelen; naar het schijnt, heeft men den meesten tegenstand
-te duchten, als zij hun jong bij zich hebben.
-
-Uit de bovenstaande beschrijving blijkt, dat men met den naam van
-Duivelvisschen leden van het geslacht der Vleugelroggen (Dicerobatis)
-bedoelt. Deze onderscheiden zich door hun vorm zoowel als door hun
-grootte; de omtrek van hun lichaam herinnert veeleer aan een Vleermuis
-met uitgespreide vleugels, dan aan een Visch. Ook bij hem zijn de
-buitengewoon breede zijstukken van de schijf duidelijk gescheiden in
-(puntige, soms min of meer zeisvormige) eigenlijke borstvinnen en in
-(oorvormige) kopvinnen. Deze ontspringen uit den wortel der borstvinnen
-ter hoogte van de oogen, zijn aan den buitenrand boven- en binnenwaarts
-opgerold en eindigen in spitsen, die bij wijze van hoornen ver voor
-den snoet uitsteken. De dunne, lange, ronde, zweepachtige staart,
-draagt bij den wortel een rugvin en daarachter een stevigen stekel;
-de oogen zijn ver zijwaarts geplaatst; de mondopening is vóór den
-oorsprong der zoogenaamde hoornen gelegen en met verscheidene reeksen
-zeer kleine, spitse of knobbelige tanden gewapend. Zij brengen slechts
-één jong ter wereld.
-
-
-
-De Gehoornde Rog (Dicerobatis Giornae) is voor ons de belangrijkste
-soort en was waarschijnlijk reeds aan de ouden bekend. Hij leeft in
-de Middellandsche Zee, maar is ook enkele malen op de Engelsche kust
-waargenomen. Zijn lengte bedraagt gewoonlijk 1 à 1.5 M., zonder den
-staart, die driemaal zoo lang is als kop en romp te zamen genomen;
-naar het schijnt, wordt hij zelden zwaarder dan 25 KG. Soms heeft
-men echter veel grootere, minstens 4 M. breede exemplaren gevangen,
-o.a. te Nizza één van 600 KG. De bovendeelen zijn donkerbruin,
-aan de zijden olijfgroen, de onderdeelen wit; de vinnen hebben een
-zwartachtige kleur. Het voedsel van dit dier bestaat hoofdzakelijk
-uit Koppootige Weekdieren (Inktvisschen), bovendien ook uit Visschen.
-
-In tegenstelling met de overige platte Visschen sterven de Gehoornde
-Roggen onmiddellijk nadat zij uit het water zijn gehaald en zelfs,
-wanneer men ze in gevangen toestand in de zee laat blijven; het
-schijnt, dat zij de gevangenschap niet kunnen verdragen. Hun vleesch
-is rood, hard en taai, moeielijk verteerbaar en weinig geschat; toch
-wordt het op sommige plaatsen gegeten. Uit de lever wordt traan bereid.
-
-
-
-In de noordelijke zeeën leeft een zonderlinge Visch, die in vele
-opzichten op de Haaien gelijkt, maar toch zoovele eigenaardigheden
-vertoont, dat men hem tot een andere onderorde brengt. Verwante
-Kraakbeenvinnigen bewonen het zuidelijke deel van den Atlantischen
-en den Stillen Oceaan. Alle soorten van Zeedraken of Draakvisschen
-(Holocephala) hebben een langwerpigen, rolronden romp, een langen,
-dunnen staart, een dikken, kegelvormigen kop; voor het verwijderen
-van het ademhalingswater dient een enkele, door een vingervormig,
-kraakbeenig kieuwdeksel gesloten opening, waarin de vier kieuwspleten
-uitkomen. De borstvinnen zijn zeer groot; de hooge, eerste rugvin is
-van voren met een sabelvormig gekromden stekel gewapend; de tweede
-rugvin strekt zich uit over een groot deel van den langen staart, welks
-uiteinde van boven en van onderen (of alleen van onderen) van een vin
-voorzien is, die echter soms vóór de spits ophoudt. De kleine, onder
-den kop gelegen mondopening, welker randen niet uitgestoken kunnen
-worden, is gewapend met snavelvormig vooruitstekende beenplaten (4
-aan de bovenkaak, 2 aan de onderkaak); deze zijn van achteren plat,
-van voren scherp en kunnen, evenals die der Vastkakigen beschouwd
-worden als samengesteld uit onderling vergroeide tanden.
-
-In vroegere tijdperken was het aantal soorten van Draakvisschen,
-naar het schijnt, veel aanzienlijker dan thans: men vindt een vrij
-groote verscheidenheid van versteende tandplaten dezer dieren in
-verschillende aardlagen van het Jura-tijdperk af. De 4 thans nog
-levende soorten vormen twee geslachten, die men in één familie--die
-der Spoken of Zeekatten (Chimaeridae)--samenvat.
-
-Een vertegenwoordiger van deze onderorde wordt door onze visschers
-Haringkoning (Chimaera monstrosa) genoemd en is door hen in de
-Noordzee, doch niet aan onze kusten waargenomen. De Selys maakt
-melding van de vangst van zulk een Visch bij Ostende; volgens
-Yarrell dwaalt hij soms naar de Shetlandsche eilanden af. Wegens het
-zweepvormig uiteinde van den staart wordt hem soms den naam "Zeerat"
-gegeven. De snuit is kegelvormig; de achterste rugvin zeer lang en
-niet (of bijna niet) van de bovenste helft van de (eveneens lange)
-staartvin gescheiden. Bij het mannetje merkt men op het voorhoofd
-tusschen de oogen een dun, aan den top afgerond, en hier met doornen
-bezet, naar voren gericht uitsteeksel op, dat aanleiding heeft
-gegeven tot den naam "Koningsvisch", dien hem door Noren gegeven
-wordt. De huid is bij het volwassen dier naakt en vertoont allerlei
-overgangen van goudgeel, bruin en wit, die aan het dier een fraai
-uitzicht verschaffen; de groote oogen hebben een wit regenboogsvlies
-en een groene pupil. De Haringkoning wordt 1 à 1 1/2 M. lang. Men
-heeft hem bij vele Europeesche kusten gevonden, ook in de zee van
-Japan en bij de zuidspits van Afrika; het schijnt, dat hij de diepte
-zelden verlaat, maar met de Haringen naar de oppervlakte stijgt; bij
-deze gelegenheid wordt hij soms gevangen. Zijn voedsel bestaat uit
-Weekdieren, Schaaldieren en kleine Visschen, die op diepe zeebodems
-leven. De voortplanting geschiedt door eieren, deze worden als een
-lekkernij beschouwd; het vleesch is taai en oneetbaar. In Noorwegen
-wordt vooral aan de lever van dit dier waarde gehecht; aan de hieruit
-bereide traan schrijft men geneeskrachtige eigenschappen toe.
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE ORDE.
-
-DE LONGENVISSCHEN (Dipnoi).
-
-
-In het jaar 1835 werden in Zuid-Amerika en West-Afrika twee Gewervelde
-Dieren ontdekt en vele jaren later (1870) nog twee in Australië,
-waaraan men zulk een vreemdsoortige samenvoeging van verscheidene
-gewoonlijk niet vereenigd voorkomende eigenaardigheden opmerkte,
-dat de dierkundigen het niet eens konden worden over de plaats, die
-deze wezens in het stelsel behooren in te nemen. Door hun lichaamsbouw
-gelijken zij op Visschen, door hun ademhaling, die men uit het maaksel
-der hiervoor dienende organen kon afleiden, op Salamanders. Door hun
-levenswijze, hun aard en hunne handelingen, herinneren zij zoowel
-aan deze als aan gene. Johannes Müller en andere onderzoekers hebben
-uitgemaakt, dat de kenmerken der Visschen bij deze dieren de overhand
-hebben en wezen hun daarom een plaats aan in de klasse, waarmede wij
-ons nu bezig houden.
-
-De Longenvisschen, waarvan men 3 geslachten met slechts 4 soorten kent,
-vormen slechts één familie, waaraan men den naam van Salamandervisschen
-(Lepidosirenidae) kan geven. Naar het uitwendige gelijken zij op
-Visschen; de driezijdig piramidale kop is breed, de mondspleet
-buitengewoon groot; de oogen zijn klein als die der Salamanders, de
-wangen, evenals de geheele romp, met schubben bekleed, de kieuwspleten
-klein en loodrecht geplaatst, de kieuwen bij sommige inwendig, bij
-andere uitwendig. De uitwendige kieuwen zijn 3 kleine, boogvormig
-vertakte organen, welker takken met vedervormige franjes bedekt
-zijn en die buiten de kieuwspleet uitpuilen; de inwendige zijn in de
-kieuwspleet gelegen. Hierachter treft men de voorste ledematen aan,
-op welker verschillende ontwikkeling voor een deel de onderscheiding
-van de drie geslachten berust; de achterste ledematen, die met de
-voorste in bouw overeenstemmen, bevinden zich aan weerszijden van
-de aarsopening. De plaats van de rugvin wordt ingenomen door een
-verticalen huidzoom met hoornachtige stralen tot steun, die ongeveer in
-'t midden van den rug begint en zich tot aan de staartvin uitstrekt;
-een dergelijk orgaan bevindt zich aan de buikzijde en neemt bij
-de aarsopening een aanvang. Het geheele lichaam is met breede,
-afgeronde schubben bekleed, die elkander dakpansgewijs bedekken en
-een mozaïek vormen.
-
-De tot dusver genoemde eigenschappen wijzen alle op verwantschap
-met de Visschen; bij nader onderzoek ontdekt men echter belangrijke
-verschillen. De neusgaten staan n.l. in gemeenschap met een wijde
-neusholte, welker beide gangen naar onderen in de mondholte uitkomen
-op korten afstand van de spits van den snuit. Achter de keelspleten
-bevindt zich aan den voorsten wand van den slokdarm een spleetvormige
-opening, die toegang verleent tot een ruim, door kraakbeenderen
-gesteund strottenhoofd en twee goed ontwikkelde longzakken, welker
-binnenste oppervlakte van talrijke lijstvormige plooien voorzien
-is, die als 't ware cellen vormen; de bloedvaten in den op deze
-wijze sterk vergrooten wand ontvangen uit het hart zuiver aderlijk
-(koolzuurhoudend, zuurstofvrij) bloed, dat, na in slagaderlijk
-(koolzuurvrij, zuurstofhoudend) bloed veranderd te zijn, naar de aorta
-stroomt. Bij gesloten bek vormen dus de neusgaten met de neusholte,
-mondholte, luchtpijp en longen den volledigen luchtweg. Bij geen
-anderen Visch treft men zulke organen voor ademhaling en bloedsomloop
-aan. Deze stemmen daarentegen volkomen overeen met die van de larven
-van Amphibiën, zoodra zich bij haar nevens kieuwen ook longen hebben
-ontwikkeld.
-
-
-
-De meest bekende van de vier soorten van Longenvisschen is
-de Afrikaansche Slijkvisch (Protopterus annectens), die bijna 2
-M. lang kan worden. Zijn lichaamsbouw herinnert aan dien van den Aal,
-maar is meer gedrongen; de plaats van de borst- en buikvinnen wordt
-ingenomen door lange, eenigszins samengedrukte, priemvormige organen,
-ter lengte van een span, aan de voorzijde voorzien van een smallen
-huidzoom, gesteund door korte stralen; een smalle rugvin begint
-ongeveer op het midden van het bovenlijf en is, evenals de aarsvin,
-met de staartvin vereenigd. De neus steekt vóór den eerder kleinen
-dan grooten, dwars gerichten bek uit; deze is gewapend met 4 dikke,
-kegelvormige, eenigszins beweeglijke tanden. Het met kleine schubben
-bekleede lichaam is op donkerbruinen, naar onderen lichter wordenden
-grond geteekend met een groot aantal rondachtige, uitvloeiende vlekken
-van grijze kleur. De oogen zijn kastanjebruin.
-
-De Slijkvisch bewoont in tropisch Afrika alle binnenwateren, in
-sommige, o.a. ook in die van 't westen, komt hij in groote menigte
-voor. "De Doko," schrijft Von Heuglin, "leeft ook in den Witten Nijl
-en zijne bijrivieren ten zuiden van 9° NB. en schijnt hier overal
-veelvuldig te zijn. Men vindt dezen vreemdsoortigen Visch in den
-modder, zelden in 't open water; des nachts echter komt hij dikwijls
-dichtbij de vaartuigen, waarschijnlijk om het afval, dat overboord
-geworpen is, te verslinden. Gedurende het droge jaargetijde houdt hij
-zich op in een horizontaal of verticaal gat van meer dan 1 M. lengte,
-waarschijnlijk door hem zelf gegraven in den hoogen oever van een
-door den regen gevormden plas, of verschuilt zich tusschen vochtige,
-afgevallen bladen; hij verlaat zijn woning niet anders dan 's nachts
-en vangt dan de Visschen, Weekdieren en Krabben, die zijn voornaamste
-voedsel uitmaken. Gedurende het regenseizoen baant hij zich echte
-wegen door den modder. Zijne bewegingen op den bodem getuigen niet van
-behendigheid, maar wel van spierkracht: met opgeheven kop overschrijdt
-hij niet zonder moeite oneffenheden van eenige beteekenis door het
-lichaam aalvormig naar rechts en links te kronkelen. Zelden ziet men
-verscheidene van deze dieren bijeen; in de hoogste mate onverdraagzaam,
-gaan zij bij een toevallige ontmoeting elkander dadelijk te lijf en
-strijden in den regel met zooveel woede, dat men zelden exemplaren
-vindt met gaven staart. Ook tegen den mensch maakt de Doko gebruik
-van zijn gebit; wanneer men toevallig op hem trapt, sist hij als een
-Slang, waarop hij ook door zijn beweging gelijkt. De negers houden
-veel van zijn vleesch en dooden hem met de werpspies. Men kan hem
-echter ook aan den hengel vangen."
-
-De Slijkvisch omgeeft zich met een laag slijk, wanneer het door hem
-bewoonde water uitdroogt en blijft op deze wijze verborgen gedurende
-het regenlooze seizoen. In zulke nesten worden de Slijkvisschen sedert
-eenige jaren niet zelden levend naar Europa overgebracht. Den kop
-met den staart bedekkend, hebben zij zich zoo sterk ineengekronkeld,
-dat men met verwondering de kleine ruimte aanschouwt, waarin zulk een
-groot dier opgesloten is. De wand van het nest bestaat uit gewone
-klei, maar is van binnen met een slijmerige stof bekleed. Hoe lang
-het in vrijheid levende dier in zijn rusttoestand volhardt, is niet
-bekend; wel weet men, dat het maanden achtereen zonder bezwaar in
-zijn nauwe gevangenis kan blijven. Wanneer het nest in een bak met
-water wordt gelegd en de temperatuur overeenkomt met die, waaraan
-het dier in Middel-Afrika gewoon is, verlaat het de weldra verweekte
-kleilaag. In den eersten tijd na het ontwaken uit den schijndood, is
-het buitengewoon traag, als 't ware slaapdronken; reeds na verloop
-van een uur is het volkomen wakker en geschikt om zich te bewegen,
-maar zoekt nog steeds de donkerste gedeelten van den waterbak op
-en ligt zeer dikwijls op den bodem. Om zijn eetlust te bevredigen,
-die na eenige dagen terugkeert, let het op iedere beweging van den
-waterspiegel; zoodra het hier een prooi ontwaart, kronkelt het
-zich vlug en sierlijk, beurtelings de vinnen en den huidzoom op
-den rug bewegend, als een Slang naar de oppervlakte, grijpt den
-hier aanwezigen buit of het aangeboden stuk vleesch en keert, na
-het verslonden te hebben, naar zijn vorige ligplaats terug. In het
-Kristallen Paleis te Londen heeft men jaren lang Slijkvisschen in
-een aquarium gehouden en hun levenswijze nauwkeurig nagegaan. Een
-dezer Visschen bleef 3 jaar in leven en zou nog wel langer geleefd
-hebben, indien men niet genoodzaakt was geweest hem naar een andere
-woning over te brengen. Aanvankelijk werd hij gevoederd met stukken
-vleesch, die men hem toewierp, na vooraf door een snelle beweging
-van den waterspiegel zijn aandacht te hebben getrokken; later gaf
-men hem Visschen en Kikvorschen te eten. Terwijl hij het vleesch met
-de scherpe voortanden stevig vasthield, merkte men vlugge bewegingen
-van alle deelen van den snuit op, alsof hij het sap er uitzoog; na
-eenigen tijd werd het stuk eensklaps uitgespuwd, opnieuw gegrepen,
-nogmaals uitgezogen en eindelijk doorgeslikt. Toen men den Slijkvisch
-in een bak bracht, waarin zich Goudvisschen bevonden, begon hij
-onmiddellijk zijne metgezellen te vervolgen, niet slechts de kleine
-exemplaren, maar ook die, welke hem in grootte overtroffen. Ondanks
-de langzaamheid van zijne bewegingen gelukte het hem iederen Visch
-buit te maken, dien hij als prooi had uitgekozen. Daar men hem naar
-hartelust liet rooven, groeide hij zeer schielijk; gedurende zijn
-driejarig verblijf in den goudvisschenkom, nam zijn lengte van 25
-tot bijna 100 cM. toe en bereikte hij een gewicht van meer dan 3 KG.
-
-Een tweede soort van Salamandervisch, die zeer weinig bekend is, omdat
-hij in de diergaarden uiterst zelden voorkomt, werd door Natterer
-in 't gebied van den Amazonenstroom ontdekt en heet daar Caramoeroe
-(Lepidosiren paradoxa). Hij kan 1.3 M. lang worden; men zegt, dat zijn
-stem op die van een Kat gelijkt. Volgens sommige berichten voedt hij
-zich met planten; wegens den vorm van zijn gebit beschouwt Günther
-hem echter als een diereneter.
-
-
-
-Het geslacht der Hoorntandigen (Ceratodus) omvat twee soorten:
-de eene, in 1870 door Krefft ontdekt, wordt door de inboorlingen
-van Queensland Barramoenda (Ceratodus Forsteri) genoemd en wegens
-haar op Zalm gelijkend vleesch ijverig gevischt. (De andere heet
-Ceratodus miolepus.) De Barramoenda bereikt een lengte van 2 M. en
-een gewicht van bijna 10 KG.; zijn maag werd volgepropt gevonden met
-bladen van langs den oever groeiende planten, die in 't water waren
-gevallen. "De Barramoenda," schrijft Günther, "kan naar verkiezing
-hetzij alleen door longen, óf alleen door kieuwen, óf door beide te
-gelijk ademen. Het is niet waarschijnlijk, dat hij vrijwillig het
-water verlaat, daar zijne ledematen veel te buigzaam zijn om het
-zware en lompe lichaam te dragen."
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE ORDE.
-
-DE RONDBEKKIGEN (Cyclostomata).
-
-
-De Rondbekkigen staan op zulk een lagen trap van ontwikkeling, dat er
-reden is om hen, in navolging van Haeckel, van alle vroeger genoemde
-Gewervelde Dieren te onderscheiden en als een met deze gelijkwaardige
-groep te beschouwen. Hun wormvormig lichaam, dat geen spoor van
-ledematen (van parige vinnen) bezit, is nagenoeg overal even dik en
-met een taaie, slijmerige, ongeschubde huid bekleed. Het kraakbeenig
-skelet bevat in den romp geen andere bestanddeelen dan een wervelkolom
-van zeer eenvoudig maaksel, waarmede geen ribben verbonden zijn; het
-kopskelet blijft op een even lagen ontwikkelingstrap verkeeren, als
-die, welken het bij de vroeger genoemde Gewervelde Dieren gedurende een
-der eerste tijdperken van den kiemtoestand vertoont. De kaakbeenderen
-ontbreken geheel; hun plaats wordt ingenomen door de zoogenaamde
-lipkraakbeenderen, die tot steun dienen van de meer of minder
-ontwikkelde lip; de hierdoor begrensde holte, "zuigbek" geheeten,
-ligt vóór de eigenlijke of achterste mondopening, waarin de tong als
-de zuiger van een pomp naar voren en naar achteren bewogen wordt. In
-gesloten toestand is de voorste mondopening (zuigmond) een overlangsche
-spleet. Aan het voorste uiteinde van den schedel, dus op het midden van
-de bovenzijde van den kop, bevindt zich de onparige neusopening. De
-Rondbekkigen heeten ook wel Zakkieuwigen (Marsipobranchiata) naar
-hun eigenaardige wijze van ademhaling. De kieuwzakken zijn gelegen
-aan weerszijden van den slokdarm; bij de Prikvisschen ontvangen zij
-het water ieder door een afzonderlijke opening en staan het weer af
-aan een gemeenschappelijke, onparige, onder 't voorste deel van den
-slokdarm uitmondende buis; bij de Slijmprikken geschiedt de toevoer
-van 't ademhalingswater door één opening voor iedere reeks van zakken
-en staan deze zoowel met de hier aanvangende toevoerbuis als met den
-voor het uitademen dienenden slokdarm door afzonderlijke openingen
-in gemeenschap. Een andere eigenaardigheid van de Rondbekkigen is,
-dat zij een echte gedaantewisseling ondergaan. De huid is glad en
-slijmerig, niet met schubben bedekt; de zwemblaas ontbreekt. Deze orde
-wordt verdeeld in twee familiën: de Prikvisschen en de Slijmprikken.
-
-
-
-De Prikvisschen (Petromyzontidae)--waarvan men een twaalftal goed
-omschreven soorten kent, die tot 4 geslachten worden gebracht--zijn
-over de geheele wereld verbreid. Zij onderscheiden zich van de
-Slijmprikken door het bezit van onparige, door vele kraakbeenige
-stralen gesteunde vinnen, van 7 ronde ademgaten aan weerszijden
-van den hals, van een reukorgaan, dat in een blinden zak eindigt
-en dus niet met de mondholte in gemeenschap staat. Bij hen is de
-zuigbek van voren wijd, van achteren trechtervormig vernauwd en
-meer samengesteld dan bij de overige leden der orde; de kleine,
-spitse, kegelvormige tanden, waarmede de binnenste oppervlakte van
-de kringvormige lip (de mondschijf of zuigschijf) bezet is, bestaan
-ieder uit een slijmvlies-papil, die met een geelachtig bruine, harde,
-hoornachtige scheede bedekt is; deze valt licht af en wordt dan door
-een daaronder liggende, weldra verhoornende huidlaag vervangen.
-
-
-
-Het eenige Europeesche geslacht dezer familie omvat de (tot het
-noordelijk halfrond beperkte) Prikken of Negenoogen (Petromyzon). Zij
-hebben 2 rugvinnen: de tweede is met de staartvin vereenigd, waarmede
-ook de aarsvin een geheel uitmaakt. De zuigmond is cirkelvormig; de
-spitse hoorntandjes van de mondschijf dragen, naar de plaats die zij
-innemen, verschillende namen; die van de "bovenkaak" (2) en van de
-"onderkaak" (7) zijn uitsteeksels van 2 hoornplaatjes: één aan den
-bovenrand, één aan den onderrand van de binnenste mondopening. De
-middelmatig groote oogen zijn bedekt door de huid, die op deze plaats
-dun en doorzichtig is. De 7 wijd uiteenstaande kieuwgaten zijn niet
-door een overlangsche groeve verbonden.
-
-
-
-De grootste van de beide inheemsche soorten van dit geslacht is
-de Zeeprik, Bonte Negenoog of Zeelamprei (Petromyzon marinus),
-die 1 M. lang en 3 KG. zwaar kan worden. Van zijne naaste verwanten
-onderscheidt hij zich door een meer langwerpigen romp en door een krans
-van fijne, korte franjes aan de binnenzijde van den dikken rand van
-den zuigmond; iets verder binnenwaarts komen op de zuigschijf eenige
-reeksen van enkelvoudige, spitse tandjes voor; de ruimte van hier
-tot de "kaken" wordt ingenomen door 40 plaatjes, die ieder 2 grootere
-tanden dragen. De eerste rugvin verheft zich achter het midden van den
-rug tot een langwerpige, boogvormige plooi; de tweede rugvin is er
-door een vrij groote tusschenruimte van gescheiden, bereikt spoedig
-haar grootste hoogte en wordt daarna langzaam lager, totdat zij zich
-met de staartvin vereenigt. De huid is groenachtig wit op den rug en
-de zijden met zwartbruine of donker olijfgroene vlekken gemarmerd.
-
-Met uitzondering van de Zwarte Zee bewoont deze Visch alle Europeesche
-zeeën; bovendien komt hij aan de kusten van West-Afrika en van
-Noord-Amerika voor. Hij brengt het grootste deel van zijn leven
-in het zeewater door, maar zwemt tegen het voorjaar de rivieren op
-(den Rijn o.a. tot bij Bazel) om kuit te schieten. Aan onze kust is
-hij vrij algemeen.
-
-
-
-De Gewone Prik, Negenoog, Rivierlamprei of Rivierprik (Petromyzon
-fluviatilis) wordt zelden meer dan 40, bij uitzondering echter 50
-cM. lang en omstreeks 100 Gram zwaar. Hij is ranker van gestalte dan de
-Zeeprik; het voorste deel van 't lichaam is naar evenredigheid langer,
-de rugvin begint dus veel verder naar achteren; de bovenkaakstanden
-zijn niet, zooals bij de vorige soort, naast, maar op eenigen afstand
-van elkander geplaatst; de hen dragende hoornplaat is halvemaanvormig;
-de 7 onderkaakstandjes zijn zeer scherp, de buitenste grooter dan
-de overige; aan weerszijden van de mondopening komen 3 plaatjes
-voor, die ieder 2 betrekkelijk groote tanden dragen; de rand van de
-zuigschijf draagt een enkelvoudige reeks van zeer kleine tandjes;
-tusschen deze en die van de bovenkaak komen eenige grootere tanden
-voor. De glanzig groenachtig blauwe kleur van de bovendeelen gaat op
-de zijden in geelachtig wit, op den buik in zilverwit over; de vinnen
-zijn paars. Ook deze Prik bewoont de zee; men vindt hem langs de kusten
-van Europa, Noord-Amerika en Japan; ook hij zwemt de rivieren op om
-kuit te schieten; soms echter vestigt hij zich, naar het schijnt,
-voor goed in meren of groote rivieren. Bij ons treft men hem (vooral
-in den winter en in het voorjaar) in de groote rivieren veelvuldig aan;
-ook in de meeste andere zoete wateren, zelfs in slooten komt hij voor;
-van Mei tot Juli vindt men hem dikwijls in de zee dicht bij het strand.
-
-
-
-Sommigen beschouwen den Zandprik of Kleinen Negenoog (Petromyzon
-Planeri) als een variëteit van de vorige soort; hij is echter veel
-kleiner, 20 à 40 cM. lang; de tweede rugvin begint onmiddellijk achter
-de eerste; de bovenkaaks- en onderkaakstanden zijn stomp.
-
-De Zandprik bewoont Europa en Amerika en komt, volgens Yarrell,
-ook in de zee voor. Veelvuldiger is deze soort echter in zoetwater;
-men vindt haar in den regel in zeer grooten getale zelfs in de
-kleinste binnenwateren, voor zoover hun bodem uit week zand of slijk
-bestaat. Volgens Maitland wordt zij, ofschoon zelden, ook hier te
-lande gevonden.
-
-In weerwil van de geringe ontwikkeling hunner vinnen, bewegen de
-Prikken zich snel en behendig in 't water. Dit geschiedt overal,
-waar de strooming niet sterk is, door zijdelingsche kronkelingen van
-het lichaam; in snel stroomend water daarentegen verplaatsen zij zich
-bij rukken, zuigen zich na iederen sprong vast aan een onbeweeglijk
-voorwerp, rusten eenigen tijd en schieten vervolgens opnieuw vooruit;
-op deze wijze kunnen zij zelfs snelvlietende bergbeken opzwemmen. Dat
-Zeeprikken zich ook door Visschen van de eene plaats naar de andere
-laten brengen, blijkt uit het vangen van Zalmen, waaraan zij zich
-vastgezogen hadden, in den middelloop van den Rijn. De Zeeprik komt
-slechts bij uitzondering in den bovenloop van een stroom voor;
-zijne verwanten daarentegen bezoeken, zooals reeds gezegd is,
-zelfs de kleinste bijrivieren en planten zich hier bij voorkeur,
-zoo niet uitsluitend voort. Uit de wijze, waarop dit geschiedt, valt
-af te leiden, dat het stroomopwaarts reizen voor de voortplanting
-niet volstrekt noodig is. Alle Prikvisschen zijn parasieten, die zich
-hoofdzakelijk voeden met het vleesch en bloed van andere dieren. In den
-regel geschiedt het vastzuigen met dit doel. Nadat de Prik zich met den
-zuigmond stevig vastgehecht heeft aan een Visch, brengt hij zijne als
-een rasp werkende tanden in beweging, schaaft en vijlt de huid stuk,
-dringt, al borend, steeds dieper door, verslindt de afgeschaafde
-lichaamsbestanddeelen en vreet op deze wijze langzamerhand diepe
-gaten in het lichaam van zijn slachtoffer, ook wanneer hij reeds dood
-is. Het meest geschiedt dit bij Visschen, die zich door een op den
-grond liggend lokaas hebben laten verschalken; waarschijnlijk vallen
-echter niet zelden ook volkomen gave Visschen aan de Prikken ten buit.
-
-Het kuitschieten heeft plaats in de eerste lentemaanden en gaat
-met eigenaardige handelingen gepaard. De Prikken zijn niet gelijk
-andere in zoetwater paaiende Visschen uitgerust met organen om een
-kuiltje als bergplaats voor hunne eieren te graven; dit gemis wordt
-hun echter vergoed door den zuigmond, waarmede zij steenen kunnen
-verplaatsen. Zij toonen hierbij een verbazende spierkracht, lichten
-steenen van aanzienlijke grootte op en vormen op deze wijze schielijk
-groote holten. In zulk een hol begeeft zich het paaiende paar en houdt
-zich intusschen aan een van de grootste steenen vast. Reeds voor lang
-had men op de paaiplaatsen van den Zandprik een wormvormigen Visch
-opgemerkt, die Kieuwworm (Ammocoetes branchialis) werd genoemd. Dit
-dier heeft bij een lengte van 18 cM. in den regel slechts de
-dikte van een penneschacht, een zeer kleinen kop, met nauwelijks
-zichtbare oogen en een halfcirkelvormige mondschijf zonder tanden,
-kieuwopeningen, die in een diepe, overlangsche groeve gelegen zijn,
-onderling vereenigde vinnen, een duidelijk in ringen verdeelde, dof,
-zilverkleurige huid; de vinnen zijn geelachtig wit. Het is zeer wel
-mogelijk, dat de Kieuwworm, die in België in den Moezel, de Schelde
-en de Maas gevonden wordt, ook ons land bewoont, ofschoon men hem
-hier nog niet waargenomen heeft. Hij leeft in den modderigen of
-zandigen bodem van binnenwateren en herinnert door zijn levenswijze
-meer aan een Worm dan een Visch; eerst door ontleding leert men
-hem als een Gewerveld dier kennen. De gangen, die hij evenals de
-Aardworm, in den grond boort, verlaat hij vrijwillig bijna nooit;
-alleen om een andere schuilplaats op te zoeken maakt hij gebruik van
-zijne vinnen. De Kieuwwormen houden zich gaarne op in bundels vlas,
-die in 't water liggen en worden gemakkelijk verzameld, terwijl
-men de op deze wijze "gerote" stengels op de weide uitspreidt om te
-drogen. Van deze zoogenaamde "Vlasalen" wordt op sommige plaatsen
-een smakelijk gerecht bereid door ze, zonder den kop, met wijn,
-boter en citroensap te stoven. De mindere man versmaadt deze dieren,
-omdat zij zooveel op Wormen gelijken; de visscher gebruikt ze in den
-regel alleen als lokaas, omdat zij een buitengewoon taai leven hebben
-en zelfs na ernstige verwondingen nog dagen lang zich bewegen. Sinds
-lang werd de Kieuwworm door de dierkundigen beschouwd als een Visch,
-die veel op de Prikken gelijkt; eerst in 1856 heeft August Müller de
-nadere betrekking ontdekt, die tusschen deze beide wezens bestaat. Om
-de ontwikkeling van de eieren van den Zandprik na te gaan, welker
-bevruchting hij had waargenomen, plaatste hij de bevruchte eieren in
-een aquarium en zag er na verloop van 18 dagen vischjes uitkomen, die
-tot zijn groote verbazing van jonge Kieuwwormen in geen enkel opzicht
-verschilden; uit hunne verdere ontwikkeling bleek duidelijk, dat zij
-larven van den Zandprik zijn. Müller heeft de verschillende phasen van
-de ontwikkeling van den blinden Kieuwworm tot den geslachtsrijpen,
-grootoogigen Zandprik nagegaan. De gedaantewisseling der overige
-Negenoogen heeft op dezelfde wijze plaats. Uit alle eieren ontstaan
-in de eerste plaats Kieuwwormen, die in 3 of 4 jaar een lengte van
-18 à 20 cM. bereiken en daarna in zeer korten tijd, in weinige dagen
-n.l., zich tot volkomen Visschen ontwikkelen. Het schijnt, dat de
-Negenoogen kort na den paaitijd sterven. Indien deze onderstelling
-juist is, zou bij de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren, evenals
-bij zoovele Ongewervelde, een kortstondig leven in geslachtsrijpen
-toestand op een langdurigen larvetoestand volgen.
-
-Voor de vangst van Prikken (vooral Rivierprikken), die geregeld op
-onze rivieren bij Arnhem, Nijmegen en Tiel van October tot Maart
-plaats heeft, voor zoover de waterstand dit gedoogt, dienen meestal
-"korven" of "toten". Deze zijn nagenoeg cilindervormig, van teenen
-gevlochten, hebben een lengte van 47 à 50 en een middellijn van 24
-cM.; elke korf bevat 2 "kelen". Een "keel" gelijkt op een korf zonder
-bodem van afgeknot kegelvormige gedaante; de wijdste rand past juist
-in de korf en is aan deze bevestigd; de nauwste rand is naar den bodem
-(den "kop") van de korf gekeerd: die van de voorste "keel" heeft een
-middellijn van 10 à 11, die van de achterste van 7 1/2 à 8 cM. Achter
-de laatste keel bevindt zich in den zijwand van de korf een opening,
-die gedurende de vangst met een "klep" gesloten is; hierdoor kan de
-gevangen Visch uit de korf geschud worden. Door tusschenkomst van een
-aan den "kop" vastgehechten "staart" zijn de korven aan het "weel",
-een van teenen gedraaiden kabel bevestigd; het "weel" zit met het
-eene einde aan een in den rivieroever geslagen paal, met het andere
-aan een op den rivierbodem rustend anker vast. Het "weel" is met
-daaraan gehechte baksteenen, iedere korf met hierin geworpen grint
-zoodanig geballast, dat het geheele toestel in de nabijheid van den
-rivierbodem drijft; de korven hebben een min of meer horizontalen
-stand met stroomafwaarts gerichte opening. Door den kop van de korf
-gestuit, verandert de stroom van richting, verkrijgt een ronddraaiende
-beweging om de korf en zal, aan haar uiteinde gekomen, al draaiend in
-de kelen doordringen. De Prikken, die dicht bij de korven zwemmen,
-worden hierdoor medegesleept. Hier te lande worden deze Visschen
-gewoonlijk niet gegeten, maar als lokaas voor de Kabeljauwvangst
-gebruikt en daarom levend naar Vlaardingen gezonden, waar ook vele
-Prikken uit Engeland worden aangevoerd. Om voor de zeevisscherij
-geschikt te zijn moet de Prik (die in dit geval door onze visschers
-"Zeeprik" wordt genoemd) een zekere lengte hebben en "rond" (niet
-"plat") zijn; exemplaren van behoorlijke grootte hebben een waarde
-van ongeveer 10 cent. Men verzendt ze ook wel eens naar Duitschland,
-waar zij als een lekkernij gezocht zijn en veel gevangen worden. Op
-plaatsen waar veel stroom gaat, bezigt men hiertoe veelal een soort van
-fuiken (van biezen gevlochten) met verscheidene "kelen" of "inken",
-elders ook wel netten. De Prikken, die zich aan den bodem hebben
-vastgehecht, brengt men met speren of haken aan de oppervlakte. Deze
-vangst heeft vooral in de lente plaats, als de Zeeprikken de rivier
-opzwemmen. Rivierprikken worden echter ook in den herfst in menigte
-buit gemaakt, daar zij zich in dezen tijd naar zee begeven.
-
-
-
-Wormen onder de Visschen zijn de naaste verwanten van de Lampreien,
-de Slijmprikken (Myxinidae), zij vormen een familie, die 2 geslachten
-met slechts 5 soorten omvat. Het dunnere staartgedeelte van hun
-rolrond lichaam is voorzien met een smallen huidzoom, waaraan geen
-scheiding in staartvin, rugvin en aarsvin valt waar te nemen. De
-weinig ontwikkelde lip van den zuigmond draagt grove, door kraakbeen
-gesteunde baarddraden; de tong heeft een gering aantal op twee
-kamvormige reeksen geplaatste tanden; het gehemelte, waaraan één
-tand voorkomt, wordt doorboord door een buis, die met de neusholte
-in gemeenschap staat. Rudimentaire, uitwendig niet zichtbare oogen
-liggen onder de huid en de spieren verborgen. De kieuwzakken staan
-ieder door een afzonderlijk buisje met den slokdarm in gemeenschap
-en ontvangen hun water door één enkele opening voor iedere reeks
-(Myxine) of ieder door een afzonderlijke opening (Bdellostoma).
-
-Linnaeus hield de meest bekende soort van deze familie, de Slijmprik
-of Blinde Prik (Myxine glutinosa), voor een Ingewandsworm, waarmede
-dit zonderlinge dier werkelijk naar het uitwendige meer overeenkomst
-vertoont dan met een Visch. De rondachtige mond draagt 8 baarddraden,
-de tong 2 reeksen ieder van 8 of 9 beenharde tandjes, het gehemelte
-één hollen, eenigszins gekromden, kraakbeenigen tand; de huid scheidt
-een overvloed van slijm af. De Slijmprik wordt ongeveer 40 cM. lang
-en heeft een moeielijk te omschrijven, blauwachtig witte kleur.
-
-De Slijmprik bewoont op hooge breedten de zeeën van het noordelijk
-en zuidelijk halfrond en wordt o.a. aan de kusten van Groenland,
-Noorwegen, Zweden en Groot-Brittannië gevangen; hij komt echter ook
-in de Noordzee voor, maar werd aan onze kust nog niet gevonden. In
-den regel vertoeft hij op groote diepten en, naar het schijnt,
-bij voorkeur op slijkerigen grond. Parasitisch leeft hij op en in
-het lichaam van Visschen, borend dringt hij door in de spieren en
-ingewanden van Dorschen, Lengen, Heilbotten, Steuren en Neushaaien
-en laat er ten slotte alleen de huid en beenderen van over. Het
-gemis van oogen wordt ongetwijfeld vergoed door de voor 't tasten
-dienende baarddraden; men onderstelt, dat hij hiermede zijn prooi
-opspoort, bij voorkeur een dier, dat in een net of aan een hoek
-gevangen werd. Door den bek, den aars of een door hem zelf geboord gat
-sluipt hij naar binnen. Tot voor korten tijd was de voortplanting der
-Slijmprikken zeer onvoldoende bekend, daar men nagenoeg uitsluitend
-wijfjes vond. De noordpoolreiziger Fridtjof Nansen heeft in 1887
-aangetoond, dat deze dieren, zooals men reeds lang vermoedde,
-tweeslachtig (hermaphrodiet) zijn. De mannelijke geslachtsorganen
-zijn eerder rijp dan de vrouwelijke, zoodat zelfbevruchting niet kan
-plaats hebben. Zoodra de Slijmprik de lengte van 32 à 33 cM. heeft
-overschreden, verdwijnen de mannelijke organen allengs en ontwikkelen
-de vrouwelijke zich hoe langer hoe meer. De groote Slijmprikken zijn
-dus in werkelijkheid wijfjes, terwijl die, waarvan de lengte nog
-33 cM. bedraagt, feitelijk mannetjes zijn. De hoornachtige schaal
-van de gele, betrekkelijk groote eieren draagt aan de beide einden
-aanhangsels, die op ankers met drie spitsen gelijken en uit verhard
-slijm bestaan. Hierdoor hechten zij zich aan allerlei voorwerpen vast.
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE ORDE.
-
-DE SMALHARTIGEN (Leptocardii).
-
-
-Wij zijn nu in ons overzicht van het dierenrijk gevorderd tot de laagst
-ontwikkelde Gewervelde Dieren, tot de familie der Lancetvischjes
-(Branchiostomiidae). Door hen Visschen te noemen en als een orde
-in deze klasse op te nemen, overschat men nog hun zeer geringe
-verwantschap met de echte Visschen. Deze is zelfs zoo gering, dat het
-aanbeveling verdient de Lancetvischjes--de "Schedelloozen"--in een
-afzonderlijke afdeeling te plaatsen naast die der "Schedeldieren",
-welke alle hoogere Gewervelde Dieren omvat. Ook zij hebben echter
-een inwendig geraamte, hoewel dit eenvoudig uit een geleiachtige
-ruggestreng (chorda dorsalis) bestaat, welker buitenste omhulsel (de
-skeletvormende laag) een buisvormige holte begrenst, die de centrale
-deelen van het zenuwstelsel (het ruggemerg) bevat.
-
-Het Lancetvischje (Branchiostoma lanceolatum, Amphioxus lanceolatus)
-is ongeveer 5 cM. lang en heeft een langwerpigen, smallen, kantigen
-romp, die naar beide einden tamelijk gelijkmatig spitser wordt. Een
-vinvormige huidzoom breidt zich langs het grootste gedeelte van den
-rug uit, omgeeft als een lancetvormige lap de spits van den staart
-en zet zich langs den buikrand voort tot aan den aars. Andere vinnen
-zijn niet aanwezig. Op korten afstand van de voorste spits, aan de
-ondervlakte, bevindt zich de mondopening. Deze overlangsche spleet
-is omgeven door een aantal tamelijk stijve, kraakbeenige draden (12
-à 15 aan iedere zijde), die binnenwaarts gebogen kunnen worden om
-den mond te sluiten. Zij zijn gehecht aan een krans van kraakbeenige,
-onderling gelede strookjes, die tevens tot steun dienen voor den rand
-der mond. Deze gaat onmiddellijk over in de wijde kieuwkorf, welker
-wand uit vele (meer dan 100) naast elkander liggende, schuins van boven
-naar onderen en naar achteren gerichte kraakbeenstaafjes bestaat,
-waartusschen even zoovele smalle spleten voorkomen, waardoor het
-ademhalingswater, dat door den mond is opgenomen, in de lichaamsholte
-geraakt om vervolgens door een aan de buikzijde ver voor den aars
-gelegen "buikporie" weggevoerd te worden. De strooming van dit water
-wordt evenals de voortbeweging van de hierin aanwezige voedseldeeltjes,
-veroorzaakt door de tallooze, microscopisch fijne trilharen, die de
-geheele oppervlakte van het slijmvlies bekleeden, zoowel dat van het
-ademhalingstoestel als dat van het voor de vertering dienende deel van
-het spijskanaal. Dit begint aan het achterste uiteinde van de kieuwkorf
-en is er door een ringvormige plooi van gescheiden. Het loopt nagenoeg
-recht, en heeft geen verwijding, maar wordt achterwaarts nauwer. Een
-zijdelingsche groenachtige uitstulping van het voorste gedeelte van
-'t spijskanaal wordt als lever beschouwd; de aars is een weinig ter
-linkerzijde van het middenvlak gelegen. Het bloed is kleurloos; een
-eigenlijk hart is niet aanwezig; een groote, kloppende ader, die het
-bloed naar voren stuwt, bevindt zich onder de ruggestreng en staat
-in gemeenschap met een boven het midden van de kieuwkorf gelegen
-zoogenaamd "kieuwhart", dat bloedvaten (kieuwslagaders) zendt naar
-de kieuwen, die eveneens met kloppende verwijdingen voorzien zijn;
-door kieuwaders geraakt het door ademhaling veranderde bloed in de
-groote lichaamsslagader, die onder de ruggestreng voorkomt. Deze
-strekt zich uit van de spits van den snuit tot aan het einde van den
-staart. De buitenste chordascheede vormt het ruggemergskanaal, dat
-van voren een kleine opzwelling vertoont. Boven het voorste uiteinde
-van het ruggemerg treft men twee gekleurde vlekjes aan, die als oogen
-worden beschouwd. Gehoororganen zijn niet aanwezig, evenmin schedel,
-hersenen, kaken, tanden, ledematen. De voortplantingsorganen openen
-zich in de lichaamsholte; hunne producten worden door de reeds genoemde
-"buikporie" naar buiten gevoerd.
-
-Van de levenswijze dezer allerlaagst ontwikkelde Gewervelde Dieren is
-slechts zeer weinig bekend. Hun noordelijk verbreidingsgebied omvat de
-Europeesche en Amerikaansche stranden van den Noordelijken Atlantischen
-Oceaan en Middellandsche Zee; tot het zuidelijke behooren de kusten
-van de West-Indische eilanden, van Zuid-Amerika, van Borneo, van de
-Bass-straat (tusschen Nieuw-Holland en Tasmanië) en andere deelen van
-Australië. Zij houden zich op te midden van het fijne zand en stemmen
-hiermede door hun kleur zoozeer overeen, dat men het zand door een
-fijne zeef moet spoelen om hen te vinden. Waarschijnlijk zijn zij
-op alle door hen bewoonde plaatsen veel overvloediger aanwezig dan
-gewoonlijk aangenomen wordt; het is althans niet moeielijk om op
-plaatsen waar men de aanwezigheid van deze dieren kan verwachten,
-er binnen weinige uren een groot aantal buit te maken. Wanneer zij
-genoodzaakt worden het zand te verlaten, schieten zij bij rukken met
-korte kronkelingen van het lichaam pijlsnel door het water en kruipen
-een oogenblik later weder onder het zand. Zeer te recht zegt Gouch,
-dat men bij 't zwemmen den kop en den staart niet of nagenoeg niet
-kan onderscheiden. Wilde hield Lancetvischjes in een glas gevangen;
-zij bewogen zich als Alen met snelle kronkelingen; hoewel het
-gezichtsorgaan bij hen zeer weinig ontwikkeld is (en misschien niet
-eens bestaat), ontweken zij den vinger of andere belemmeringen op
-hun weg, door in de nabijheid van zulk een voorwerp stil te houden
-en zich om te keeren. Zij hebben de merkwaardige gewoonte van zich
-aan elkander te hechten. Soms vereenigen zij zich tot een kluwen,
-soms tot een reeks van 15 à 20 cM. lengte, die zich als één dier
-met slangsgewijze kronkelingen beweegt. De leden van de reeks zijn
-altijd met de breede zijden aaneengekleefd; het kopeinde van ieder
-dier bevindt zich ongeveer bij den aanvang van het laatste derde deel
-der lichaamslengte van zijn voorganger.
-
-Evenals alle dieren met rudimentaire oogen, is het Lancetvischje zeer
-lichtschuw. Door een felle verlichting wordt het zeer onrustig.
-
-Kowalewsky heeft bij het nagaan van de ontwikkelingsgeschiedenis
-der Lancetvischjes de opzienbarende ontdekking gedaan, dat zij
-gedurende het kiemleven in hoofdzaken overeenstemmen met de tot de
-Manteldieren behoorende Ascidiën of Zakpijpen. Van alle Ongewervelde
-Dieren zijn de Ascidiën door het bouwplan van hun lichaam het naast
-aan de Gewervelde Dieren verwant. Ook de embryologie leert ons dus,
-dat de Lancetvischjes de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] W. D. van den Ende. Verslag van de Vereeniging tot
-bevordering van de Nederlandsche Ichthyologie.--C. J. Bottemanne
-en Dr. P. P. C. Hoek. Tijdschrift van de Nederlandsche Dierkundige
-Vereeniging. Supplementdeel II.
-
-[2] Over het voorkomen van Tonijnen aan de Nederlandsche kust wordt
-door Van Bemmelen het volgende aangeteekend: "Houttuijn zegt, dat
-hem verhaald is dat onlangs (in 1765) een Tonijn, wel 10 voet lang in
-het Wijkermeer (een gedeelte van het IJ) zou gevangen zijn. Volgens
-mededeeling van een ooggetuige (den heer Jacobze) aan den heer
-Maitland is in het jaar 1810 een school van een honderdtal Tonijnen
-in het Hollandsch Diep voor de Willemstad gezien, waaronder sommige
-4 à 5 voet lang waren. Het is onzeker, tot welke der 2 Europeesche
-soorten--de Gewone Tonijn en de Langvinnige Tonijn--deze voorwerpen
-behoorden. Prof. Schlegel meent, dat ze met meer recht tot de
-laatstgenoemde kunnen gebracht worden. Intusschen meldt Yarrell,
-dat de Gewone Tonijn in de Noordzee aan de Engelsche kusten meermalen
-is gevangen, doch zoover hem bekend is, slechts 2 exemplaren van de
-Langvinnige soort zijn waargenomen in het Kanaal en nimmer één in de
-Noordzee is gezien. Het schijnt mij dus waarschijnlijker, dat onze
-exemplaren tot de Gewone soort behooren."
-
-[3] Om de nadeelige gevolgen van een door den Pieterman toegebrachte
-wonde af te wenden, leggen de bewoners van sommige onzer kuststreken
-(o.a. van Texel), na het maken van insnijdingen en het uitzuigen
-van het gewonde lichaamsdeel, hierop de lever van den Visch, die het
-misdrijf pleegde.
-
-[4] De "Buitenlek" of "Buitenzee" wordt door onze visschers genoemd
-dat gedeelte der Noordzee, dat verder dan 4 à 6 uur van het strand
-verwijderd is; tot op dien afstand van het strand heet de Noordzee
-"Binnenlek" of "Binnenzee". In het algemeen genomen, kan men stellen,
-dat aan de kusten der provinciën Noord- en Zuid-Holland, de zandbank
-genaamd de Breeveertien de grens is tusschen de Binnen- en Buitenlek;
-deze Breeveertien wordt gewoonlijk gerekend zich te bevinden op 3 of
-4 uur afstand van het strand; noordelijker dan Holland is de grens
-tusschen Buiten- en Binnenlek zeer onzeker en wordt zij wel tot op
-6 uur afstand van het strand genomen. (Van Bemmelen.)
-
-[5] Deze vischvangst heeft Bellamy de stof verschaft voor zijn
-gedicht "Roosje" (Proeven voor het "Verstand, den Smaak en het
-Hart." Dordrecht. 1790).
-
-[6] Vergelijk: Dr. P. P. C. Hoek "De Zalm op onze rivieren" (1891),
-waaraan het bovenstaande voor een deel ontleend is.
-
-[7] "Der Fischfang in der Lagune von Comacchio nebst einer Darstellung
-der Aalfrage" von Dr. L. Jacoby (mit zwei Tafeln). Berlin 1880. Verlag
-von A. Hirschwald.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
-
-***** This file should be named 52341-8.txt or 52341-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/2/3/4/52341/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-