diff options
Diffstat (limited to 'old/52341-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/52341-8.txt | 16441 |
1 files changed, 0 insertions, 16441 deletions
diff --git a/old/52341-8.txt b/old/52341-8.txt deleted file mode 100644 index 0bf9d91..0000000 --- a/old/52341-8.txt +++ /dev/null @@ -1,16441 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Het Leven der Dieren - Deel 3. Afdeling 2. De Visschen - -Author: A. E. Brehm - -Release Date: June 15, 2016 [EBook #52341] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - -ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER VISSCHEN. - - -De Visschen zijn Gewervelde Dieren, die gedurende geheel hun leven -uitsluitend door kieuwen ademen. Deze weinige woorden behelzen een -veel scherper en duidelijker bepaling van de klasse der Visschen -dan door een nauwkeurige beschrijving van alle organen verkregen kan -worden. (Niet volkomen toepasselijk is zij voor de 4 soorten omvattende -groep der Salamander- of Longenvisschen; behalve kieuwen, die ook -bij hen de belangrijkste ademhalingsorganen zijn, hebben zij longen.) - -De bewoner van het binnenland, die geen andere dan zoetwatervisschen -kent, verkrijgt, door vergelijking van hun zeer uiteenloopende gestalte -toch slechts een zeer flauwe voorstelling van de menigvuldigheid van -vormen der Visschen in 't algemeen, die in dit opzicht bij geen der -andere klassen van Gewervelde Dieren ten achter staan. Hoewel de meeste -een soortgelijken vorm hebben, als onze gewone Zoetwatervisschen, -wijken vele er op de meest verschillende wijzen van af en vertoonen -allerlei vreemdsoortige eigenaardigheden, waarbij ook zulke, die op ons -den indruk maken van leelijke misvormingen. De romp kan langwerpig zijn -als die van een Slang of van een Worm, door zijdelingsche afplatting de -gedaante van een lint aannemen of tevens in de lengterichting inkrimpen -en zich afronden tot een verticale schijf, ook kan hij van boven naar -onderen samengedrukt zijn, zich in horizontale richting verbreeden en -aan de zijden bovendien vleugelvormige aanhangsels verkrijgen; enkele -lichaamsdeelen zijn soms bovenmatig verlengd, ondergaan allerlei -wijzigingen, verdraaiingen en misvormingen, andere vereenigen zich -met elkander, nog andere verdwijnen geheel. Bij geen enkele klasse -van Gewervelde Dieren is het aantal voorbeelden van vreemdsoortige, -onbegrijpelijke aanhangselen, die als 't ware toevoegselen zijn aan -den regelmatigen bouw, zoo groot als bij de Visschen; deze klasse -overtreft alle overige door de veelzijdigheid van rangschikking der -ledematen en zintuigen. - -De lichaamsvorm van de Visschen kenmerkt zich vooral, doordat de -geleding, die men bij verreweg de meeste overige Gewervelde Dieren -opmerkt, bij hen minder duidelijk is; ternauwernood kan men kop, romp -en staart onderscheiden. De kop is onmiddellijk met den romp verbonden -en laat meestal geen beweging toe. De beweeglijke hals, die voor het -zwemmen hinderlijk zou zijn, ontbreekt hier geheel. De romp is van -voren stijf, wordt verder naar achteren buigzamer en gaat onmerkbaar -over in den staart, die wegens de beweeglijkheid der wervels, welke -hier haar grootsten omvang bereikt, als zwemorgaan de belangrijkste -beteekenis heeft. Deze eigenaardige lichaamsbouw staat in zeer nauw -verband met de beweging van den Visch, waarbij het zijwaarts buigen -van de wervelkolom door de sterk ontwikkelde spieren van den romp een -hoofdrol speelt; tot vermeerdering van de hierdoor beoogde werking -dienen de vliezige kammen op het midden van rug- en buikzijde, de -door beenige of kraakbeenige vinstralen gesteunde, onparige vinnen, -die opgericht en neergelegd kunnen worden. Daarentegen schijnen de -parige vinnen, de borst- en buikvinnen, die de plaats innemen van de -voorste en achterste ledematen der overige Gewervelde Dieren, meer voor -'t sturen geschikt. De onparige vinnen zijn gelegen in het middelvlak -(waardoor het lichaam in twee symmetrische helften wordt verdeeld) en -ontstaan gedurende het embryonale leven als een eenvoudige huidplooi, -die een onafgebroken omlijsting vormt van het achterste deel van den -stam; soms verlengt deze huidplooi zich zoover naar voren, dat zij -aan de bovenzijde den kop, aan de onderzijde de aarsopening bereikt; -tevens ontwikkelen zich daarin kraakbeenige of beenige, verticale -stralen, die op andere skeletdeelen rusten. Zelden, o. a. bij de -Aal, blijft de vin op dezen ontwikkelingstrap staan; in den regel -verdeelt zij zich, zoowel aan de boven- als aan de onderzijde, in -een voorste en een achterste afdeeling: de rugvin, de staartvin en -de aarsvin. Niet zelden komt een verdere splitsing van de rugvin in 2 -of 3, van de aarsvin in 2 deelen voor. De vinstralen bestaan soms uit -twee innig met elkander vereenigde helften (een rechter en een linker), -die in dwarse richting geen verdeeling vertoonen (ongelede stralen), -soms uit twee naast elkander gelegen reeksen van stukjes kraakbeen of -been, die door naden verbonden zijn en zich naar buiten herhaaldelijk -vorksgewijs kunnen vertakken (gelede vinstralen). De voorste, ongelede -stralen van de rug- en borst-, soms ook van de buik- en aarsvinnen, -bereiken bij vele Been- en Ganoïd-visschen een aanzienlijke grootte -en kunnen wegens hun stevigheid en scherpe spits als wapens dienen; -zij heeten "stekels". Ook bij de Kraakbeenvisschen (Haaien en Roggen) -komen zulke wapens voor, die echter nooit uit twee onderling vereenigde -helften bestaan; wegens hun wijze van ontwikkeling en bevestiging -aan de huid moeten zij met tanden vergeleken worden. - -De stralen van rug- en aarsvin worden gedragen door eigenaardige -steunbeenderen, die van onderen, waar zij tusschen de spieren eindigen, -spits toeloopen; zij heeten tusschendoornbeentjes, daar zij tusschen -de doornuitsteeksels der wervels gelegen, maar er niet direct mede -verbonden zijn; die van de rugvin liggen tusschen de bovenste, -die van de aarsvin tusschen de onderste doornuitsteeksels. Zij -worden door zwakke spieren bewogen en zijn met de stralen door een -gewricht verbonden, die van de stekels op een bijzonder stevige -wijze. De steunbeenderen van de staartvinstralen zijn (wegens de -hier plaats hebbende vergroeiingen) bij de meeste Visschen moeielijk -te herkennen, doch komen in aanleg met die van de overige onparige -vinnen overeen. Belangrijke vormverschillen merkt men aan de staartvin -op. De eenvoudigste inrichting, die bij de hoogere Visschen gedurende -de eerste tijdperken van het embryonale leven en bij de allerlaagst -ontwikkelde typen (het Lancetvischje en de Rondbekkigen), blijvend -voorkomt, is, dat de wervelkolom of de haar voorafgaande ruggestreng -zich tot aan het achterste uiteinde van het lichaam uitstrekt en -symmetrisch omgeven wordt door het nog niet door stralen gesteunde -vinvlies. Zulke Visschen heeten gelijkstaartig (diphycerk). Weinig -hooger ontwikkeld is de staartvin van de Salamandervisschen en sommige -Ganoïd-visschen, waar het vinvlies echter vinstralen bevat en de as -van het geraamte den achterrand van de staartvin bereikt. De staartvin -is bij de Haaien en Roggen, de meeste Ganoïd-visschen en bij nagenoeg -alle jonge Beenvisschen in een bovenste en een onderste stuk verdeeld, -doordat het uiteinde van de wervelkolom zich bovenwaarts buigt: zulke -Visschen heeten ongelijkstaartig (heterocerk). Bij de Beenvisschen is -op lateren leeftijd uitwendig van het naar boven gekromde uiteinde van -de wervelkolom weinig of niets meer te zien: zij zijn gelijkstaartig -(homocerk) geworden. - -De borstvinnen worden gedragen door een (bij de Beenvisschen -aan 't kopskelet gehechte) boogvormige reeks van beenderen, den -"schoudergordel", waarmede achtereenvolgens een middelste afdeeling -van zeer verschillend maaksel en een reeks van kleine, cilindervormige -steunbeenderen voor de vinstralen verbonden zijn. Als drager voor de -buikvinnen dient een plat been of kraakbeen, dat niet met het overige -skelet verbonden is, maar vrij tusschen de buikspieren eindigt. Bij de -meeste Visschen is het (als bij den Snoek) ongeveer op het midden van -de lichaamslengte, tamelijk dicht bij de aarsopening, dus op eenigen -afstand achter de borstvinnen gelegen; deze heeten "buikvinnig"; -bij andere, "Borstvinnigen" genaamd, is het (als bij de Baars) -meer naar voren onder de borstvinnen geplaatst; bij nog andere, -veel minder talrijke Visschen (b.v. bij den Kabeljauw) is het nog -meer naar voren, onder de keel, dus vóór de borstvinnen verschoven; -deze noemt men "keelvinnig." - -De huid van de Visschen bestaat, evenals die van de overige Gewervelde -Dieren, uit twee lagen: de stevige, vezelige lederhuid en de opperhuid, -welker buitenste cellen meestal in een taai slijm veranderd zijn. In -de huid ontstaan de schubben, pantserplaten, schilden en plaatjes -van zeer verschillende gedaante en samenstelling, die de bekleeding -van de Visschen vormen. De onderste, tot de lederhuid behoorende -lagen van deze bekleedende deelen bestaan uit vezelig bindweefsel, -dat meestal door de daartusschen ingevoegde kalkzouten hard geworden -en soms in echt been veranderd is, terwijl de bovenste laag als een -opperhuidsvorming beschouwd moet worden en nog het meest gelijkt op -het email van onze tanden. Naar hun vorm en samenstelling worden deze -deelen onderscheiden in kring-, kam-, borstel-, glans- en plaatschubben -(cycloïde, ctenoïde, sparoïde, ganoïde en placoïde schubben). De -eerstgenoemde komen het meest voor; aan haar oppervlakte merkt men -een groot aantal lijnen op, die zich boven de oppervlakte verheffen -en meer of minder volledige, concentrische kringen vormen om het -"primitiefveld", dat nader bij den vrijen achterrand dan bij den -verborgen voorrand gelegen is. De kamschubben onderscheiden zich -van de vorige, doordat voorbij haar achterrand, bij wijze van -franje, tanden, stekels of knobbels uitsteken; bovendien ontmoeten -hare concentrische strepen den vrijen achterrand meestal onder een -spitsen hoek. De borstelschubben, die men slechts bij enkele Visschen -aantreft, houden het midden tusschen de kring- en de kamschubben; -aan den achterrand zijn zij niet getand; haar vrije oppervlakte is -echter wel met stekeltjes bezet. De glansschubben zijn dik en hard; -de beenlichaampjes, die bij de vroeger genoemde schubben ontbreken, -zijn hier duidelijk ontwikkeld; over de beenlaag ligt een laag -doorzichtig email. De eigenaardige schubben van de Haaien en Roggen, -waardoor de huid van deze Visschen een korrelig voorkomen verkrijgt, -of aan een rasp herinnert, worden gewoonlijk plaatschubben genoemd. - -Over 't algemeen behoeven de Visschen, wat de pracht, zuiverheid, -veelzijdigheid en verscheidenheid der kleuren betreft, bij de andere -leden hunner hoofdafdeeling niet achter te staan. Hun huid vertoont de -glans van edelgesteenten en metalen en weerspiegelt alle kleuren van -den regenboog. De indruk door de prachtige kleuren gewekt, wordt nog -verhoogd door de schoonheid en menigvuldigheid van de teekening. De -kleurstoffen zijn deels in de lederhuid, deels in de onderste lagen -van de opperhuid gelegen; de zilverkleur wordt teweeggebracht door -een laagje van kleine kristallen, die de binnenste oppervlakte der -schubben bedekken. Een niet gering aantal soorten dankt voorts aan -het bezit van chromatophoren in de huid het vermogen om van kleur te -veranderen, dat tot even merkwaardige verschijnselen aanleiding geeft, -als bij de Reptiliën en Amphibiën waargenomen worden. - -Bij de Visschen is het inwendig geraamte vooral hierdoor merkwaardig, -omdat dit hoofdkenmerk van de Gewervelde Dieren hier in zijn -oorspronkelijken eenvoud optreedt; bijna alle ontwikkelingsstadiën, die -het skelet bij hoogere typen doorloopt, worden bij volwassen Visschen -van verschillende orden als blijvenden toestand aangetroffen. Het -geheele wordingsproces van het skelet, de allengs voortschrijdende -geleding van de wervelkolom en van de overige deelen van het -geraamte, de vervanging van de oorspronkelijk geleiachtige as en -van hare aanhangselen eerst door kraakbeen, later door been, wordt -door de systematisch gerangschikte groepen van de klasse der Visschen -aanschouwelijk voorgesteld. Het allereerste beginsel van het inwendig -geraamte is bij alle Gewervelde Dieren een staafvormig, veerkrachtig -deel (de ruggestreng of chorda dorsalis), dat zich rechtlijnig van het -voorste tot het achterste deel van het lichaam uitstrekt en zoowel hier -als daar spits eindigt. Het bestaat uit saprijke cellen en is door een -vliezige scheede (binnenste chordascheede) omhuld. Een tweede scheede -(de skeletvormende laag) breidt zich boven de ruggestreng uit tot een -buis, die het ruggemerg bevat en ook daaronder, tot een gewelf over -de groote bloedvaten en de ingewanden der onderste lichaamsholte. Bij -de onvolkomenste van alle Visschen, bij het Lancetvischje, blijft het -geraamte voortdurend op dezen allerlaagsten trap van ontwikkeling -verkeeren. De veranderingen, waardoor het een grootere stevigheid -verkrijgt, gaan uit van de skeletvormende laag, die op verscheidene -plaatsen, welke regelmatig langs de geheele ruggestreng verdeeld zijn, -eerst kraakbeenige, later beenige ringen vormt, die beginsels vormt, -die beginsels van wervellichamen zijn: de verharding gaat dus gepaard -met geleding (segmentatie). De bedoelde ringen ontwikkelen zich ten -koste van de chorda en treden in verbinding met de kraakbeenige -of beenige boogstukken, die zich intusschen (eveneens gelijke -tusschenruimten overlatend) in den wand van het ruggemergskanaal en -van de onderste lichaamsholte gevormd hebben. Aanvankelijk zijn de -segmenten onderling gelijk. Een hoogere organisatie komt tot stand, -doordat in een groep van segmenten (later in meer groepen) afwijkingen -van den oorspronkelijk gelijken ontwikkelingsgang optreden. Het -eerst geschiedt dit met de voorste segmenten, die dan gezamenlijk -den kop vormen. Hiervan is bij het Lancetvischje nog geen sprake; -bij dit dier heeft het voorste deel van het ruggemerg zich nog niet -tot hersenen ontwikkeld. De schedel in zijn eenvoudigsten vorm, een -kraakbeenig omhulsel van de hersenen, ontmoet men voor 't eerst bij -de Slijmprikken (Myxine), die echter door de geleiachtige chorda met -de Lancetvischjes overeenstemmen. De hoogst ontwikkelde Rondbekkigen -(de Lampreien) vertoonen de allereerste aanduiding van wervellichamen, -n.l. sporen van verdeeling in een kraakbeenige strook, die aan de -schedelbasis begint. Duidelijker sporen van segmentatie merkt men op -bij de tot de Haaien behoorende Zeedraken (Chimaera), waar de buitenste -chorda-scheede verkalkte ringen of korsten bevat, welker aantal echter -aanmerkelijk grooter is dan dat der kraakbeenige wervelbogen. Ook bij -de Kraakbeensteuren en de Longvisschen is de eigenlijke ruggestreng -nog onverdeeld; de bovenste en onderste wervelbogen bereiken echter een -iets hoogeren trap van ontwikkeling en vertoonen bij de laatstgenoemde -zelfs een begin van verbeening. Bij de Haaien en Roggen is een -groot deel van de chorda verdrongen door de vorming van kraakbeenige -wervellichamen in den vorm van zandloopers of van cilinders, die van -voren en van achteren uitgehold zijn; dit kraakbeen is gewoonlijk -verkalkt; in den regel bevat de wervel echter een centrale opening, -zoodat ook hier nog een doorloopende ruggestreng voorkomt. - -Het vervangen van het kraakbeenweefsel door beenweefsel gaat -van de buitenste chorda-scheede uit; het bepaalt zich bij sommige -Ganoïdvisschen tot de wervelbogen en breidt zich bij de andere leden -dezer orde en bij de Beenige Visschen allengs over grootere gedeelten -van den wervel uit. Slechts bij een enkele thans levende soort--bij -een Ganoïdvisch; de Kaaimanvisch (Lepidosteus osseus)--schrijdt deze -verandering bij sommige wervels zoover voort, dat de wervellichamen -van voren met een ronden gewrichtsknobbel, van achteren met een ronde -gewrichtsholte voorzien zijn. Bij alle Beenige Visschen echter behoudt -het wervellichaam steeds een deel van de chorda in onveranderden -toestand, zoodat het na verwijdering van deze geleiachtige massa -den vorm heeft van een zandlooper, welks beide kegelvormige holten -aan den top niet ineenvloeien. Alleen langs hunne randen staan deze -beenderen onderling in verband. - -In den regel zijn ribben aanwezig; deze eindigen echter altijd vrij in -het vleesch; een borstbeen komt bij de Visschen nooit voor. Het aantal -paren ribben loopt zeer uiteen; bij sommige Beenige Visschen--bij de -Koffervisschen (Ostracion)--bepaalt het zich tot 15; bij de meeste -overige leden dezer onderklasse bedraagt het 70 à 80, bij andere -(de Alen) stijgt het tot ongeveer 200; veel grooter nog is het bij -sommige Haaien, n.l. 350 à 400. De vleeschgraten--langwerpige, spitse, -meestal Y-vormige beenderen, die zich in de peesvliezen tusschen -de zijdespieren van den romp ontwikkelen--zou men soms licht met de -ribben kunnen verwarren. - -In de krachtige spiermassa, die het inwendig geraamte aan weerszijden -bedekt, merkt men bij de Visschen een duidelijke segmentatie (een -opeenvolging van overeenkomstige deelen) op, die bij de hooger -ontwikkelde Gewervelde Dieren allengs voor een groote verscheidenheid -van spieren plaats maakt. Het "zijdespierenstelsel" is in een linker- -en een rechterhelft verdeeld door de lichaamsholte en verder boven- -en achterwaarts door vliezige platen, die in 't middelvlak tusschen de -lichaamsas en de huid gelegen zijn, bij de hooger ontwikkelde Visschen -vooral door de onderste en bovenste doornuitsteeksels. Iedere helft is -door een peezige strook ter hoogte van de zijdestreep (een van kop tot -staart reikende reeks van zintuigelijke organen, van buiten kenbaar -aan de doorboorde schubben) in een rug- en buikafdeeling gesplitst; -elke afdeeling bestaat uit evenveel afzonderlijke spierlagen als -er wervels zijn. Deze spierlagen zijn door peesvliezen gescheiden -en hebben een gebogen vorm; zij zijn als 't ware trechtersgewijs -ineengeschoven en vertoonen zich daarom op de dwarse doorsneden -van elk der vier afdeelingen (het duidelijkst in den staart, het -minst duidelijk aan weerszijden van de lichaamsholte) als min of -meer volkomene, concentrische kringen. De zijdespieren brengen de -krachtige, zijwaartsche buigingen teweeg, waardoor de Visch zich in -'t water voortbeweegt. - -Meer dan bij alle overige Gewervelde Dieren overtreft bij de Visschen -de massa van het ruggemerg die van de hersenen. Deze zijn zeer klein -en vullen de schedelholte slechts ten deele. Aan de bovenzijde -onderscheidt men de volgende afdeelingen: de in twee halfronden -verdeelde "groote" hersenen die van voren twee opzwellingen vertoonen -(de reuklobben, vanwaar de reukzenuwen uitgaan), de grootere -gezichtslobben (waarmede aan de onderzijde de gezichtszenuwen -verbonden zijn) en ten slotte een kleine, onparige afdeeling, die -met onze kleine hersenen vergeleken wordt. - -In den regel zijn bij de Visschen nagenoeg alle zintuigen aanwezig en, -hoewel over 't algemeen minder ontwikkeld dan bij de hoogere dieren, -hoogst zelden rudimentair. De meestal zeer groote, van voren afgeplatte -oogen, die doorgaans de leden missen, zijn slechts bij de Slijmprikken -(Myxine) met een ondoorzichtige huid bedekt (bij het Lancetvischje zijn -zij door twee gekleurde vlekjes vervangen); hun regenboogvlies prijkt -gewoonlijk met buitengewoon levendige, metaalachtige kleuren. Het -gehoororgaan, dat slechts bij het Lancetvischje ontbreekt, komt overeen -met ons binnenoor (de doolhof); het bestaat in zijn volkomensten -toestand uit het eironde blaasje, het ronde zakje, 3 halfcirkelvormige -kanalen en een zeer weinig ontwikkeld slakkenhuis; het ronde zakje -bevat 2 of 3 gehoorsteentjes met gekartelden rand (otolithen), -waarvan één de overige in grootte overtreft (het zoogenaamde -"geluksbeentje"). Bij de meeste Visschen is het gehoororgaan, door -vetweefsel omgeven, in de schedelholte gelegen, doch zoo dicht bij -de oppervlakte, dat de geluidsgolven het deels door de kieuwdeksels, -deels door het water van de kieuwholte gemakkelijk bereiken kunnen. Bij -4 familiën van Beenige Visschen--de Karper-, Meerval-, Beefaal- en -Zaagbekzalmvisschen--bestaat er gemeenschap tusschen het gehoororgaan -en de zwemblaas door tusschenkomst van 4 beentjes, die als vervormingen -van doorn- en dwarse uitsteeksels en ribben van de 4 voorste wervels -moeten worden beschouwd; hierdoor leert de Visch de verschillende -graden van vulling van zijn zwemblaas kennen. Het reukorgaan, dat bij -het Lancetvischje ontbreekt (hoewel aan de linkerzijde van het voorste -deel van 't ruggemerg een bekervormig, met trilharen bekleed groefje -voorkomt), is bij de Rondbekkigen onparig (buisvormig, met 1 neusgat in -'t middenvlak aan de bovenzijde van den kop), bij de overigen Visschen -parig. De Haaien en Roggen hebben twee neusgaten aan de onderzijde -van den snuit. Alleen bij de Longenvisschen en Slijmprikken staan de -neusholten met de mondholte in gemeenschap; bij alle overige Visschen -hebben de neusholten (welker binnenste oppervlakte door plooiing -van het haar bekleedende slijmvlies aanmerkelijk vergroot wordt) -geen andere openingen dan neusgaten aan de bovenzijde van den kop: -bij de Beenige Visschen en de Ganoïd-visschen in den regel ieder twee, -die soms tamelijk ver uiteenstaan. Het smaakzintuig ontbreekt bij de -meeste Visschen; de tong (die trouwens dikwijls ontbreekt) kan voor -dit doel niet dienen; aan het gehemelte heeft men bij de Karperachtige -Visschen eindtoestellen gevonden, die er blijkbaar wel voor geschikt -zijn. De lippen met de dikwijls hieraan voorkomende baarddraden -en de bij sommige Visschen (o.a. bij de Knorhanen) aanwezige vrije -stralen van de borstvin zijn vermoedelijk tastorganen. Onbekend is de -verrichting van de zintuigelijke organen, die de zijdestreep vormen, -en behalve aan den romp en den staart ook aan den kop gevonden worden. - -De zuurstof, die de Visschen voor hun ademhaling noodig hebben, -ontleenen zij aan de in 't water opgeloste lucht; terwijl het bloed -zuurstof opneemt, staat het koolzuur af. Voor dit doel dienen de -kieuwen, die in hoofdzaak bestaan uit een zeer vaatrijk slijmvlies, -welks oppervlakte door plooiing zeer sterk vergroot is en in den -regel plaatjes of draadjes vormt. De kieuwholten staan steeds met de -voorste afdeeling van het spijskanaal in gemeenschap. - -Bij het Lancetvischje volgt op de mondholte een wijde ruimte, -welker wanden tot steun 80 à 100 veerkrachtige staven bevatten; -de spleetvormige tusschenruimten, die zij overlaten, kunnen door -spieren vernauwd worden. Deze "kieuwkorf", die een groot deel van de -voorste lichaamshelft inneemt, staat van achteren met een maagvormige -verwijding van het spijskanaal in gemeenschap en dient dus niet -slechts voor de ademhaling, maar ook als slokdarm. Aanvankelijk staan -de openingen van de kieuwkorf direct met de buitenwereld in verbinding; -later groeit er een huid voor langs, waardoor een buitenste kieuwkamer -wordt begrensd, die het water, dat voor de ademhaling gediend heeft, -opneemt, waarna het verwijderd wordt door een opening, die in 't -middenvlak aan de buikzijde van de achterste lichaamshelft voorkomt. - -Alle overige Visschen hebben twee tot een kleiner deel van het lichaam -beperkte "kieuwholten", die duidelijk van 't spijskanaal gescheiden -zijn. In elke kieuwholte van de Rondbekkigen vindt men 6 à 7 van -voren en van achteren afgeplatte kieuwzakjes, welker platte wanden van -binnen met een groot aantal kieuwplaatjes bezet zijn. Hun wijze van -verbinding met den slokdarm aan den eenen, met den buitenwereld aan den -anderen kant is bij de verschillende afdeelingen der "Zakkieuwigen" -ongelijk. Bij één daarvan--de Lampreien--komt achter de kop aan -weerszijden een reeks van 7 kieuwspleten voor, zonder eenig spoor -van kieuwdeksels. Het hierdoor binnentredende en aan de kieuwzakjes -toegevoerde water wordt na volbrachte werking uitgestort in een -onder den slokdarm gelegen, blinde buis, de "spuitzak", welke achter -in de mondholte uitkomt door een opening met een dubbel klepvlies, -die gesloten blijft, zoolang de Lamprei aan 't zuigen is. Bij alle -overige Visschen wordt het ademhalingswater door den mond opgenomen, -door "keelspleten" naar de kieuwholten gevoerd en daarna verwijderd -door kieuwspleten, die onmiddellijk achter den kop, aan weerszijden -van den romp gelegen zijn. Bovendien komen bij hen tot steun van de -weefselstroken, die de keelspleten scheiden, kraakbeenige of beenige -"kieuwbogen" voor, waarvan de eerste beginselen reeds in het skelet -van de ademhalingsorganen der lagere Visschen aan te wijzen zijn. Aan -de bolle zijde van de kieuwbogen--die de keelholte der Visschen -op soortgelijke wijze omgeven, als de ribben de borstholte van de -Zoogdieren begrenzen--zijn de "kieuwplaatjes" vastgehecht. Bij de -meeste Visschen gelijkt hun rangschikking op die van de tanden van een -haarkam. Elke kieuwboog draagt twee zulke reeksen. Deze zijn bij de -Haaien en Roggen vergroeid met (en gescheiden door) een vliezig schot, -dat zich tot aan den buitenwand der kieuwholte uitstrekt en deze in een -aantal opeenvolgende kamers verdeelt, die ieder door een kieuwspleet -met de buitenwereld in gemeenschap staan. In den regel komen bij de -"Vastkieuwigen" vijf kieuwspleten aan iedere zijde voor. Bij de -"Vrijkieuwigen" (Ganoïden en Beenige Visschen) zijn de bedoelde -schotten niet aanwezig; hun niet in kamers verdeelde kieuwholte wordt -aan de buitenzijde door het kieuwdeksel en het kieuwdekselvlies op zulk -een wijze begrensd, dat er slechts één meer of minder lange kieuwspleet -aan elke kieuwholte overblijft. Alle Ganoïden en verreweg de meeste -Beenige Visschen hebben 4 kieuwendragende kieuwbogen. (Daarachter -komen de onderste keelbeenderen voor.) - -Met uitzondering van de Longenvisschen, bezit geen enkel lid van -de klasse een voor de ademhaling dienenden, met lucht gevulden -zak, dus zulk een, welks wanden een haarvatenstelsel bevatten, -dat koolzuurhoudend bloed ontvangt en van waar zuurstofhoudend bloed -wordt afgevoerd. Daarentegen komt een "zwemblaas" (door onze visschers -gewoonlijk "zwembalg" genoemd) bij zeer vele Visschen voor. Hoewel -deze zak lucht bevat, heeft hij voor de ademhaling in 't geheel geen -beteekenis. De zwemblaas ontstaat gedurende het kiemleven meestal als -een uitstulping aan de rugzijde van den voordarm en groeit slechts -bij uitzondering (als de longen) van de buikzijde van den voordarm -uit. Zij is steeds aan de rugzijde van het spijskanaal gelegen, -dikwijls even lang als de lichaamsholte, parig (en dan al of niet -symmetrisch) of onparig (en dan dikwijls door insnoeringen in twee of -meer afdeelingen verdeeld). Bij alle Ganoïden en vele Beenige Visschen -(Luchtbuisvisschen) blijft de zwemblaas levenslang door een luchtbuis -met het spijskanaal verbonden; bij andere Beenige Visschen groeit -deze buis op lateren leeftijd dicht en kan er alleen uit het bloed -van den zwemblaaswand nieuwe lucht naar binnen komen. Vermoedelijk -bevordert de zwemblaas binnen zekere grenzen de geschiktheid van den -Visch voor het rijzen en dalen in het water. - -Het Lancetvischje verschilt van alle overige Gewervelde Dieren, doordat -het kleurloos bloed heeft en geen andere organen voor de bloedbeweging -dan kloppende aders, o.a. de groote ader onder de ruggestreng, die -aanleiding heeft gegeven tot den naam "Smalhartigen". Bij alle overige -Visschen is het hart samengesteld uit een dunwandige voorkamer en -een dikwandige kamer en door een hartzakje omgeven; het is ver naar -voren, onmiddellijk achter de kieuwen gelegen. Het bloed wordt door de -samentrekkingen van de kamer in den "slagadersteel" en door de hieruit -ontspringende 4 paren kieuwslagaders door de haarvaten van de kieuwen -gedreven en komt vervolgens in de rugslagader (neerdalende aorta), die -het aan de haarvatenstelsels van alle overige lichaamsdeelen toevoert, -vanwaar het door aders naar de voorkamer terugkeert. Men spreekt hier -daarom van een "enkelvoudigen kringloop". De slagadersteel is bij de -Beenige Visschen van twee klepvliezen voorzien, die het terugstroomen -van het bloed verhinderen. Bij de Kraakbeenvinnigen, Ganoïden en -Longenvisschen is de kamer op de plaats, waar de slagadersteel -ontspringt, tot een zoogenaamden "slagaderkegel" uitgetrokken, -die aan zijn binnenrand verscheidene dwarse reeksen van zakvormige -klepvliezen draagt. - -De spijsverteringswerktuigen, hoewel over 't geheel genomen eenvoudig -van maaksel, kunnen op zeer verschillende wijze ontwikkeld zijn; -vooral geldt dit van het tandenstelsel. Van de talrijke beenderen -van mond- en keelholte is er bijna geen enkele aan te wijzen, -dat niet bij den eenen of anderen Visch met tanden bedekt wordt -aangetroffen. Toch zijn eenige, hoewel zeer weinige Visschen (o.a. de -Troskieuwigen en de Steuren) geheel van tanden verstoken; bij andere -vindt men ze slechts op enkele, bij sommige echter op alle voor het -tandendragen geschikte beenderen. Gewoonlijk neemt men aan den zolder -van de mondholte twee onderling evenwijdige, boogvormige reeksen van -tanden waar: één op de tusschenkaaks- en een andere op de gehemelte- en -ploegschaarbeenderen; in den regel dragen de onderkaak en het tongbeen -een enkele boogvormige reeks. Verderop is het aantal tanden meestal -zeer groot, daar ze op alle kieuwbogen en op de bovenste en onderste -keelbeenderen voorkomen. Ondanks hun buitengewone verscheidenheid van -vorm kan men de tanden in grijp- en maaltanden onderscheiden. Gene zijn -gewoonlijk spitse, een weinig naar achteren gekromde haken, die aan de -voorzijde een min of meer scherpen rand hebben. De maaltanden kunnen -kort, schijfvormig of hoog van kroon, soms ook afgeknot kegelvormig -zijn. Altijd missen de tanden een eigenlijken wortel. Dikwijls zitten -zij eenvoudig aan het slijmvlies van de mondholte vast; in den regel -echter zijn zij er gedeeltelijk in weggedoken en met talrijke vezels -aan het been bevestigd. De vorming van tanden houdt, naar het schijnt, -bij alle Visschen levenslang aan. - -De grens tusschen den wijden slokdarm en de maag is moeielijk -waarneembaar. Bij den portier (pylorus), de opening, waardoor de -maag met den darm in gemeenschap staat, treft men dikwijls, vooral -bij vele Beenige Visschen, de pylorus-aanhangsels aan, enkelvoudige -of vertakte, blinde buizen, welker aantal van 1 tot 191 afwisselt; -hun rol is even weinig bekend als die van de "spiraalplooi" in den -dunnen darm van de Dwarsbekkigen, Longenvisschen en Ganoïden. Een -buikspeekselklier komt bij nagenoeg alle, een lever bij alle Visschen -(beide ook bij alle overige Gewervelde Dieren) voor. Met uitzondering -van het Lancetvischje hebben alle Visschen twee nieren, die aan -weerszijden van de wervelkolom in de lichaamsholte gelegen zijn en -deze dikwijls in lengte evenaren. De opening waardoor de urine geloosd -wordt, is bij alle Visschen onmiddellijk achter de aarsopening gelegen -en staat soms in verband met de afvoerbuizen der geslachtsklieren -(hom en kuit), die bij de meeste Beenige Visschen tusschen de beide -andere openingen afzonderlijk uitmonden. Bij sommige Beenige Visschen -(o.a. bij de Zalmen en de Alen) ontbreken de eileiders en verlaten de -eieren de lichaamsholte door een vóór doch dicht bij de aarsopening -gelegen buikporie. - -Alleen in de klasse van de Visschen treft men electrische organen aan; -dit zijn geleiachtige zuiltjes, die door vliezige, vaatrijke wanden -omgeven en door een menigte vliezige dwarsschotjes in vakjes verdeeld -zijn, over welker tusschenschotten uiterst fijne zenuwvezels zich -vlechtvormig verbreiden. De Sidderaal van Zuid-Amerika, de Electrische -Meerval van Afrika en de Sidderroggen van den Atlantischen en den -Indischen Oceaan zijn met de volkomenste electrische toestellen -uitgerust en zijn in staat om de hierin opgehoopte electriciteit naar -verkiezing te laten ontwijken; zij kunnen o.a. om zich te verdedigen -hevige schokken meedeelen, waardoor trouwens de voorraad electriciteit -schielijk uitgeput wordt. - -Andere soorten van Visschen zijn door stekels of door een pantser -beschut; eenige bezitten zelfs vergiftige wapens, die ook voor den -mensch gevaarlijk zijn. Zulke organen vindt men bij de Stekelroggen, -welker staart met één of meer stevige, met weerhaken voorziene stekels -gewapend is. Hetzelfde verschijnsel merkt men op bij vele Drakenkoppen -en bij de Pietermannen, die met de stekels van hun rugvin en van hunne -kieuwdeksels een wonde toebrengen en vergiftigen kunnen.--Vergiftig -is trouwens ook het vleesch van verscheidene Visschen, soms gedurende -een bepaalden tijd, soms voortdurend; het eten van zulke Visschen -kan hevige ziekten van de spijsverteringsorganen, ontsteking van -slijmvliezen en dergelijke verschijnselen teweegbrengen, die, -wanneer niet spoedig een doelmatige geneeswijze wordt toegepast, -zeer dikwijls den dood ten gevolge hebben. Deze vergiftige Visschen -bewonen hoofdzakelijk de warme zeeën. - -Op den vroeger herhaaldelijk gebezigden maatstaf vertrouwend, kunnen -wij de Visschen niet onder de begaafde dieren rekenen. De eenige wijze -van beweging, die bij hen voorkomt, is, strikt genomen, het zwemmen; -in dit opzicht zijn zij dus zeer eenzijdig ontwikkeld. Verscheidene -soorten van zeevisschen kunnen zich boven het water verheffen en als -'t ware over een zekeren afstand vliegen; deze beweging is echter -eenvoudig een glijden door de lucht, dat door de grootte van de als -valscherm dienende borstvinnen bevorderd en waarvoor het noodige -arbeidsvermogen zwemmend verkregen wordt; de hiervoor vereischte -grootere begaafdheid is dus van geringe beteekenis. Zoo ook kunnen -verscheidene Visschen over vloeibaar slijk kruipen of er borend in -doordringen, ook zijn er enkele, die zich op een dergelijke wijze -over het droge land bewegen en zelfs bij hellende vlakken, wortels -en dergelijke voorwerpen opklimmen kunnen; hierbij spelen vooral de -borstvinnen een belangrijke rol. Dit kruipen of klimmen kan echter -evenmin met het sierlijke voortglijden van een Slang vergeleken worden, -als het vallen door de lucht met het vliegen der Vogels. Vlug en flink -bewegen de Visschen zich alleen, zoolang zij zich in 't water bevinden, -zoolang zij zwemmen. Hierin leggen zij dan ook groote bekwaamheid aan -den dag. Naar men zegt, kan de Zalm in de seconde 8, in het uur meer -dan 25000 M. afleggen; het eerstgenoemde getal is waarschijnlijk niet -overdreven; want werkelijk doorsnijdt deze Visch pijlsnel de golven, -hoewel zijn snelheid die van een snelvarenden zeestoomboot niet -overtreft. De buitengewoon dikke zijdespieren die zich aan den tot -een kolossalen roeiriem vervormden staart hechten en zulk een grooten -arbeid verrichten, zijn tot een verbazingwekkende krachtsinspanning in -staat en maken zelfs luchtsprongen van aanzienlijke hoogte mogelijk, -terwijl de overige vinnen de richting van de beweging regelen. De -meeste Visschen zwemmen op dezelfde wijze als de Zalm, maar voor 't -meerendeel minder snel, zoolang zij zich verplaatsen door waterlagen -van nagenoeg gelijke diepte. Het afdalen tot diepere en het zich -verheffen tot hoogere lagen wordt waarschijnlijk geregeld door -samenpersing en uitzetting van de lucht in de zwemblaas. Verscheidene -Visschen evenwel, vooral die, welke een slangvormig lichaam en kleine -vinnen hebben, zwemmen op een geheel andere wijze, door slangsgewijze -bewegingen van hun lichaam of golfvormige buigingen van hunne lange, -lage rugvinnen. Iets dergelijks valt op te merken bij de van boven -naar onderen samengedrukte, schijfvormige Visschen, doch met dit -onderscheid, dat deze, in plaats van zijdelingsche, van boven naar -onderen gerichte golvingen teweegbrengen. Door de volharding, waarmede -zij zich bewegen, overtreffen de Visschen alle andere dieren, hoewel -zij veel minder ademen, d.w.z. veel minder zuurstof verbruiken dan -deze en de kringloop van hun bloed langzamer plaats heeft. Hier staat -echter tegenover, dat de wijze van ademhaling, de gemakkelijkheid, -waarmede de in 't water opgeloste zuurstof in de kieuwen doordringt en -de stoot, teweeggebracht door het wegstuwen van het water, dat voor de -ademhaling gediend heeft, uit de kieuwspleten, hun beweging bevorderen. - -Een noodzakelijk gevolg van de ademhaling door kieuwen is, dat -geen enkele Visch een stem bezit. Wel brengen verscheidene leden -dezer klasse tonen of liever een gedruisch voort, dat op knorren of -brommen gelijkt; dit wordt echter veroorzaakt door het tegen elkander -wrijven van de harde kieuwdekselbeenderen of misschien van de vinnen -en schubben en kan dus op één lijn gesteld worden met het sjirpen -van de Sprinkhanen. Het spreekwoord "zoo stom als een Visch" is dus -volkomen juist. - -De vermogens van de hersenen zijn geëvenredigd aan haar geringe -grootte. Toch zijn alle zintuigen in staat om dienst te doen; -waarschijnlijk zelfs zijn zij scherper en fijner dan gewoonlijk -aangenomen wordt. Hoewel slechts weinige Visschen hunne oogen kunnen -bewegen, zien zij zeer goed, zelfs in diepe waterlagen. Het is zeker, -dat zij geluiden waarnemen, daar men getemde exemplaren door het -luiden van een klok bijeenlokken kan en andere bij een luid gedruisch -de vlucht ziet nemen. De reuk en de smaak zijn waarschijnlijk zeer -weinig ontwikkeld, zonder evenwel geheel te ontbreken. Dat iedere -aanraking van buiten tot het bewustzijn van de Visschen doordringt, -blijkt duidelijk; hunne zenuwen zijn echter niet uitsluitend voor -het geleiden van zulke grove, maar ook van veel fijnere prikkels -geschikt. Dit wordt voldoende bewezen door de algemeen bekende -eigenschap der Visschen om van kleur te veranderen. Schollen en andere -op den bodem vertoevende Visschen nemen, nadat zij een tijdlang op den -grond gelegen hebben, een kleur aan, die een merkwaardige overeenkomst -vertoont met die van het zand; deze verandering komt verrassend snel -tot stand, wanneer het dier op een anders gekleurden grond, b.v. op -lichtgrijs granietgruis, aankomt of neergelegd wordt. Even gevoelig -voor de werking van lichtprikkels, die zij door tusschenkomst van -de oogen en van de huidzenuwen ontvangen, zijn de "kleurstofdragers" -van andere Visschen, vooral van Forellen: in een dicht beschaduwd en -dus zeer duister water worden zij donkerder van kleur, daarentegen -bleeker, wanneer zij in een door de zon beschenen water geraken, -of door het oplichten van het deksel, dat hun aquarium verduistert, -aan een sterkere verlichting blootgesteld worden. Voor het tasten -dienen bij deze dieren de lippen met de dikwijls hieraan voorkomende -baarddraden en de vinnen. - -Hoewel de Visschen zeer weinig verstand hebben, kan men hun dit niet -geheel ontzeggen. Zij zijn in staat om vijanden te onderscheiden van -wezens, die voor hen onschadelijk zijn, letten op de vervolging, die -zij hier en op de bescherming, die zij elders ondervinden, geraken -gewoon aan hun verzorger, aan voedering op een bepaalden tijd, aan -de tonen van den klok, waarmede zij bijeengeroepen worden op de voor -'t voederen bestemde plek, weten op een schrandere wijze de plaatsen -uit te kiezen, waar zij veel voedsel kunnen vinden, gaan hier op de -loer liggen om een buit te verschalken, leeren hinderpalen overwinnen -en zich aan gevaren onttrekken, treden in een meer of minder innige -betrekking tot hunne soortgenooten, jagen gemeenschappelijk of helpen -elkander bij dezen arbeid. Andere bewijzen van geesteswerkzaamheid -geven sommige Visschen door de voorzorgsmaatregelen welke zij bij -het leggen der eieren nemen en door de wijze, waarop zij hunne jongen -behandelen. - - - -Alle Visschen leven voortdurend of bijna voortdurend in het water. Zeer -gering in getal zijn de soorten, welker leden het vermogen bezitten om -het vochtige element voor meer of minder langen tijd te verlaten. Het -eigenlijke gebied van de Visschen is de zee, van de polen tot de -evenaar, de wereldzee met al hare vertakkingen en inhammen, welken -naam zij ook dragen. Het aantal soorten en individuën, die zich in -zoetwater ophouden staat zeer ver beneden dat der zee. Waarschijnlijk -is slechts het kleinste deel der werkelijk bestaande Visschen ons -bekend en kunnen wij ons dus van de vormenrijkdom dezer klasse nog -geen juiste voorstelling vormen. Toch mag men het er voor houden, dat -het aantal soorten en individuën, die het zoetwater bewonen, even ver -beneden dat der zee staat, als het eerstgenoemde gebied, wat grootte -en waterhoeveelheid betreft, door het laatstgenoemde overtroffen wordt. - -De geschiktheid van de Visschen om in de meest verschillende -wateren, onder de meest verschillende omstandigheden te leven, is -even buitengewoon als het vermogen van de Vogels om zich te voegen -naar uitwendige invloeden. Er zijn uiterst weinige wateren, waarin -men geen Visschen vindt. Zij stijgen, tegen den stroom opzwemmend, -van de vlakte tot op een afstand van 5000 M. boven de oppervlakte -der zee omhoog en dalen in de zee af tot de grootste, ons bekende -diepten. Enkele van hen geven de voorkeur aan de bovenste waterlagen, -andere daarentegen houden zich in de onderste waterlagen op en -leven hier onder de drukking van een waterkolom, welker gewicht wij -wel kunnen berekenen, doch waarvan het ons moeielijk is een juiste -voorstelling te verkrijgen. Volgens de nieuwste onderzoekingen, mag -men het er voor houden, dat de diepten der zee veel dichter bevolkt -zijn dan tot dusver ondersteld werd. Ook op hooge breedten wordt -de zee door een ontzaglijk aantal Visschen bewoond; de heete en de -gematigde gordels zijn echter rijker aan soorten en individuën. - -Het verbreidingsgebied van iedere soort op zich zelf beschouwd, is -minder uitgestrekt dan men verwachten zou, na bedacht te hebben dat -deze dieren zich zoo flink bewegen, dat het water hun het reizen -gemakkelijk maakt en dat iedere Visch min of meer geschikt is om -in verschillende wateren of althans in verschillende gedeelten -hiervan te leven. Grenzen zijn er echter ook op de eindeloos groote -zee. Naarmate men verder in een bepaalde richting voortschrijdt, -ziet men langzamerhand de eene soort voor de andere, daaraan verwante, -in de plaats treden en telkens nieuwe soorten verschijnen nevens die, -welke men reeds vroeger had opgemerkt. Weinige Visschen komen aan alle -kusten van eenzelfden oceaan voor. Ook deze wezens houden zich binnen -bepaalde verbreidingskringen op en schijnen aan hun geboorteplaats -gehecht te zijn met een innigheid, die ons tot dusver onverklaarbaar -voorkomt. Het is een bijna vaststaand feit, dat de Zalmen terugkeeren -naar de rivier, waarin zij geboren zijn, zoodra hun voortplantingstijd -gekomen is,--altijd naar deze, nooit naar een andere, al heeft zij -haar uitmonding onmiddellijk daarnaast. Bij uitzondering doen echter -ook Visschen groote reizen met een ander doel. De Haaien b.v. volgen -schepen of drijvend wrakhout over een afstand van honderden zeemijlen, -van zuidelijke zeeën tot in noordelijke of omgekeerd. Andere Visschen -dwalen bij toeval af naar kusten, die voor hen vreemd zijn. Dit -zijn echter uitzonderingen; over 't algemeen blijven de zeevisschen -tot bepaalde gordels, ja zelfs tot deelen daarvan beperkt, evenals -enkele zoetwatervisschen bepaalde stroomen en meren blijven bewonen; -de reizen, die zij ondernemen, zijn stellig minder uitgestrekt dan -aangenomen wordt. Jarenlang heeft men gemeend, dat de IJszee ons -de milliarden van Haringen zendt, die op de kusten van Noorwegen, -Groot-Brittannië, Duitschland, Nederland en Frankrijk gevangen -worden; thans evenwel weet men volkomen zeker, dat zij zich niet van -'t noorden naar 't zuiden begeven, maar wel van diepe zeebodems -naar ondiepere plaatsen opstijgen. Hoewel vele Visschen door hun -geschiktheid tot beweging met de Vogels wedijveren, neemt men bij -geen van hen periodieke verhuizingen waar, welker uitgestrektheid -vergeleken zou kunnen worden met de reizen der trekvogels. - -Het is niet onmogelijk, dat er een zeker verband bestaat tusschen de -verblijfplaats der Visschen en hun gestalte. Deze is bij de Visschen -van de tropische zeeën anders dan bij die, welker woonplaats in de -nabijheid der polen gelegen is, bij de zeevisschen over 't algemeen -anders dan bij de zoetwaterbewoners. Bij vele Visschen is echter -dit verband niet duidelijk merkbaar, omdat zij zich zoowel in de -zee als in de rivieren en meren van het binnenland kunnen ophouden; -geen enkele van deze "zwerfvisschen" of "trekvisschen", zooals men -ze zou kunnen noemen, brengt zijn geheele leven hetzij in de zee of -in het zoetwater door. Van de zee uitgaande, zwemmen zij de rivieren -op om kuit te schieten, van de rivieren begeven andere soorten zich -met hetzelfde doel naar de zee. Als zij verhinderd worden om deze -reis te doen, bereiken zij hun bestemming niet. Ook bij hen kan men -dus van een bepaalde woonplaats spreken en de zee of het zoetwater -als zoodanig beschouwen. - -Hoe afhankelijk een Visch van het door hem bewoonde water is, blijkt -bij het nagaan van soorten, die in onze rivieren en meren aangetroffen -worden en welker levenswijze men om deze reden het gemakkelijkst kan -leeren kennen. Het komt ons dan voor als iets, dat van zelf spreekt, -dat de Forel slechts in helder water, de Meerval uitsluitend in -water met slijkerigen bodem, de Rivierdonderpad niet anders dan op -steenachtigen grond gedijt, dat de Modderkruiper niet ten onrechte -dezen naam draagt. Niet minder verklaarbaar wordt het iemand, -die Zeevisschen met elkander vergelijkt, dat de eene soort, zoo -niet uitsluitend, dan toch bij voorkeur op den bodem verblijf houdt, -terwijl de andere liefst in de bovenste waterlagen zich beweegt, dat de -Platvisschen zich plat op den bodem neervlijen, de Vliegende Visschen -daarentegen in de nabijheid van den waterspiegel leven. Nauwkeurige -onderzoekingen, vooral bij gevangen Visschen, leeren, dat ieder -individu na verloop van eenigen tijd aan een bepaalde verblijfplaats -gewoon raakt en hier om te rusten en te schuilen hoekjes uitkiest, -die hij telkens weer opzoekt. Tot dezelfde slotsom als die, welke -door de beschouwing van een beperkt gebied verkregen wordt, geraakt -men door een uitgestrekter gebied na te gaan. Ook de Visschen kunnen -kenmerkende dieren zijn voor bepaalde gewesten of zeeën, hoewel bij -hen de afhankelijkheid van de woonplaats minder duidelijk in 't oog -valt dan bij de leden van andere klassen van Gewervelde Dieren. De -veelvormigheid, die aan de keerkringgewesten eigen is, openbaart zich -echter ook bij de Visschen op een duidelijk merkbare wijze. Die, welke -van de voor ons gewone, van oudsher als typisch beschouwde gestalte -het meest afwijken, zijn voor het meerendeel uit de zeeën tusschen -de keerkringen afkomstig. Toch ontbreekt het ook in de noordelijke -zeeën niet aan Visschen van zonderlingen vorm, hoewel ook hier de -grootste veelvormigheid der klasse op lagere breedten voorkomt. - -Slechts schijnbaar zijn de levenswijze, de handelingen en de gewoonten -der Visschen eenvormig en gelijksoortig, bij nader onderzoek merkt -men in hunne werkzaamheden een groote afwisseling en verscheidenheid -op. Bij onze zoetwatervisschen is dit duidelijk gebleken; iedere -soort, de eene meer, de andere minder, onderscheidt zich door -eigenaardigheden van levenswijze. Hoewel men van de zeevisschen, -van hun doen en laten en zelfs van hunne gewoonten, nog zeer weinig -weet, mag men aannemen, dat zij in dit opzicht een nog veel grooter -verscheidenheid zullen aanbieden. Toch is het leven der Visschen -over het algemeen genomen veel eenvoudiger en eentoniger dan dat der -Zoogdieren, Vogels, Reptiliën en Amphibiën. De werkzaamheden, die -voor de voeding noodig zijn, staan in vergelijking met alle overige -duidelijk op den voorgrond; aan haar wijden de Visschen verreweg het -grootste deel van hun leven. Van een geregelde dagverdeeling kan men -bij hen niet spreken, hoewel het niet te loochenen valt, dat zij een -bepaalden tijd aan den arbeid, een anderen aan de rust wijden en dus, -evenals de andere Gewervelde Dieren, een tijd van jagen en een tijd -van slapen hebben. - -Bijna alle Visschen zijn roofdieren, bijna zonder uitzondering goed -uitgerust voor dit bedrijf en met ijver hiervoor bezield. Hoewel niet -weinige soorten ook plantaardig voedsel gebruiken, maken deze van -bijna geen enkele soort het eenige voedsel uit. De zwakste Visschen -zoeken van de waterplanten kleine Waterdieren af, of wroeten in -het slijk om allerlei Wormen te vangen; de sterkere soorten rukken -Slakken en Mossels los; alle overige leven in de gewone beteekenis -van 't woord van roof; deze bestaat, zoo niet uit andere Visschen, -dan toch uit ongewervelde Dieren die zich bewegen. Zij oefenen -het recht van den sterksten zonder eenige beperking uit: de kleine -worden door de grootere en deze weer door de nog grootere verslonden; -geen enkele roofvisch verschoont zijn eigen kroost. Vele Visschen -zijn gepantserd en zoo zwaar gewapend, dat het voor den heer der -schepping gevaarlijk is, zich met hen in te laten,--toch worden zij -opgevreten! Het gebit van den overmachtigen roover vergruist het -pantser, verbrijzelt en verstompt de doornen, stekels en spitsen; -de aanvalswapens zijn geëvenredigd aan de middelen van tegenweer. De -levensloop der Visschen is een aanhoudende rooftocht, waarin geen -kwartier wordt gegeven, geen barmhartigheid wordt geoefend; iedere -roofvisch is even vraatzuchtig als driest en stoutmoedig, en uit -roofvisschen bestaat nagenoeg de geheele klasse. Men meene niet, -dat alleen Haaien en dergelijke monsters voor groote dieren en voor -den mensch noodlottig worden; ook dwergachtige Visschen zijn in staat -om het leven van den beheerscher der aarde in gevaar te brengen; zij -rukken hem het eene stuk na het andere uit het lichaam en verslinden -hem, wanneer hij er niet in slaagt buiten hun bereik te komen. Het -water, de zee levert een tooneel van eindeloozen strijd. - -De aandrift tot voortplanting brengt een aanmerkelijke verandering in -de levenswijze der Visschen teweeg; zij noopt hen tot reizen, maakt, -dat zeebewoners de rivieren opzwemmen en dat riviervisschen zich naar -de zee begeven, verwekt bij hen liefde voor de nakomelingschap en -neiging tot het bouwen van nesten, kortom, wel verre van hen alleen -met een bruiloftskleed te begiftigen, veroorzaakt zij als 't ware -een volslagen omkeering van hun gemoed. - -Een andere wisseling van levenswijze komt voor bij sommige Visschen -van de keerkringsgewesten; evenals vele dieren met winterslaap -zijn zij genoodzaakt zich voor eenigen tijd in den grond te -verbergen ten einde hun leven, dat anders gevaar zou loopen te -behouden. Een winterslaap heeft men trouwens reeds bij een niet -onbelangrijk aantal soorten van Visschen waargenomen, die, als -het door hen bewoonde water uitdroogt, onder den modder kruipen -en hier in een staat van verstijving vervallen, welke voortduurt, -totdat de regentijd aanbreekt, hunne vroegere woonplaatsen weer met -water vult en hen in het leven terugroept. Ook hier te lande kan dit -geval zich voordoen. In de binnenlanden van Afrika en in Indië is het -volstrekt geen zeldzaamheid, dat Visschen gedurende het droge seizoen -in zulk een rusttoestand verkeeren; dit verschijnsel komt voor in -alle binnenwateren, die niet met rivieren samenhangen en tijdelijk -geheel uitdrogen; het is volstrekt niet beperkt tot die soorten, -welke men onder den naam van Longenvisschen samenvat. Vele van deze -(in zekeren zin boven de andere leden hunner klasse bevoorrechte) -dieren begeven zich in sommige gevallen over land naar een andere -plaats, vanwaar het water nog niet verdampt is en doen dus reizen, -die eenigermate aan die der zwervende Vogels herinneren. Hiermede -zou men ook kunnen vergelijken bepaalde veranderingen van woonplaats -van eenige onzer zoetwater- en zeevisschen, die in verband met de -wisseling van jaargetijden of met andere omstandigheden een ander -gebied opzoeken, b.v. uit de meren zich naar de rivieren begeven of -omgekeerd van hier naar de meren terugkeeren, enz. Daarentegen kan -het zoogenaamde "trekken" van de Visschen in 't geheel niet met het -"trekken" der Vogels vergeleken worden, omdat het uitsluitend een -gevolg is van de aandrift tot voortplanting. - -De wisseling der jaargetijden heeft op de Visschen minder invloed dan -op alle overige Gewervelde Dieren. De jongen van de Zoogdieren, Vogels, -Reptiliën en Amphibiën worden in den regel in de lente geboren; bij de -Visschen is dit anders. Hoewel de voortplantingstijd (de "rijtijd") van -de meeste Visschen in het gunstigste deel van het jaar (hier te lande -dus in de lente en in den zomer) valt, komen hierop echter, zelfs bij -de inheemsche zoetwatervisschen, tal van uitzonderingen voor, zoodat -men in ons binnenwater vischkuit kan vinden in alle maanden van het -jaar, met uitzondering van Januari, Februari en Augustus; zelfs geldt -ongetwijfeld voor enkele exemplaren de genoemde uitzondering niet eens, -daar zij vroeger of later dan hunne verwanten met het kuitschieten -beginnen. Hieruit vloeit voort, dat de reizen der Visschen, die met -geen ander doel ondernomen worden dan om de eieren op een geschikte -plaats te leggen, niet tot een bepaalden tijd beperkt blijven, en dus -in dit belangrijk opzicht verschillen van het trekken der Vogels. Al -naar den tijd, waarin de voortplanting plaats heeft, verheffen de -Visschen zich uit de diepten der zee of uit het koude water bij den -bodem van binnenzeeën naar hoogere waterlagen, zwemmen zoover mogelijk -de rivieren op, om op geschikte plaatsen kuit te schieten en keeren -langzamerhand weer naar hunne vroegere verblijfplaatsen terug. Zooals -reeds gezegd is, komen ook reizen in tegenovergestelde richting voor -en begeven zoetwatervisschen zich naar de zee om eieren te leggen; -de oorzaak van het verschijnsel is dus steeds van denzelfden aard. - -De noodige gegevens ontbreken tot dusver voor een verklaring van het -terugreizen der jongen, van den merkwaardigen trek tot gezelligheid, -dien de jeugdige zwervelingen bij deze gelegenheid openbaren, van -de regelmatigheid der door hen gevormde scholen, van de energie, -waarmede zij pogingen aanwenden om de moeielijkheden van hun weg -te boven te komen. Eigenaardig is ook de rusteloosheid van alle -"trekkende" Visschen; het is, alsof zij niet vrijwillig de reis -aanvaarden, maar er toe gedwongen worden. - -De vruchtbaarheid is bij verschillende soorten ongelijk, maar meestal -ongeloofelijk groot. Bij de Zalmen en Forellen is het aantal eieren -betrekkelijk gering, daar het niet veel meer dan 25.000 bedraagt; -de Zeelt brengt er ongeveer 70.000 ter wereld, de Snoek 100.000, de -Baars 300.000, de Heilbot meer dan 3 millioen, de Kabeljauw over de -9 millioen, de Meerval, de Steur en de Huso eveneens millioenen. De -zee zou niet groot genoeg zijn om alle Visschen te bevatten, indien -de kiemen van al deze eieren tot ontwikkeling kwamen en de grootte -hunner ouders bereikten. Zeer verschillend is de plaats, die door -de Visschen geschikt wordt geacht voor het leggen van de eieren: de -Zalm en de Forel b.v. kiezen hiervoor met grind bedekte ondiepten, -andere Visschen een slijkerigen bodem, nog andere dicht met planten -begroeide gedeelten van het water, enz.; enkele soorten bouwen tusschen -zoetwater- of zeeplanten, in rotsspleten of in dergelijke ruimten een -echt nest; ook zijn er, die de eieren gedurende hun ontwikkeling in den -mond of in een uitsluitend voor dit doel bestemden zak medevoeren. Onze -riviervisschen schieten bij voorkeur 's nachts kuit, het liefst -bij maanlicht. De Forel graaft door zijwaartsche bewegingen van den -staart een ondiepe holte, waarin zij hare eieren legt. De Grondels -zwemmen snel stroomopwaarts door de beek, schuren met den buik -over het grind en strijken op deze wijze hunne eieren af. De Baars -en sommige van zijne verwanten hechten de eieren aan waterplanten, -hout of steenen. Zwemmend en tot dichte scholen vereenigd, schieten -vele Zeevisschen kuit. - -Voor de ontwikkeling der kiemen zijn warmte en vochtigheid en een -voldoende verversching van de in 't water opgeloste lucht noodig. Voor -de eene soort wordt hiervoor een betrekkelijk hooge temperatuur -vereischt, voor andere is een zeer geringe warmtegraad voldoende. Deze -voorwaarden zijn bij de natuurlijke, niet door den mensch bevorderde -vischteelt slechts onvolkomen vervuld. Van de millioenen eieren, -die gelegd worden, blijft een groot deel onbevrucht; duizenden en -nog eens duizenden worden door den golfslag aan 't strand gespoeld en -verdrogen; een groot aantal komt in te diep water terecht en zal zich -eveneens niet ontwikkelen; op de overige loert een tallooze menigte -van vijanden van allerlei soort, uit alle klassen van de dierenwereld: -van de ontzaglijk groote hoeveelheid eieren van Visschen wordt geen -enkele te veel gelegd! - -Zoodra het jong zich voldoende ontwikkeld heeft, verbreekt het de -eischaal; het komt dan te voorschijn als een langwerpig, doorzichtig -diertje, voorzien met een dooierzak, die door een insnoering van -den buik gescheiden is, met een magazijn vol voedingsstoffen voor -de naaste toekomst. Zoolang deze voorraad duurt, blijft de jonge -Visch meestal onbeweeglijk op den bodem liggen; alleen de borstvinnen -worden bewogen om een strooming teweeg te brengen, waardoor het voor -de ademhaling vereischte water vernieuwd wordt. Bij de Forel is de -inhoud van den dooierzak binnen een maand voor drievierde verbruikt, -na verloop van 6 weken bijna geheel verdwenen. Nu eerst begint het -Vischje behoefte aan voedsel te gevoelen; het vangt het leven zijner -ouders aan en maakt ijverig jacht op alle diertjes, die het meent te -kunnen overmeesteren. Hoe overvloediger de buit, des te sneller de -groei; zij die door het jachtgeluk begunstigd worden, overtreffen -weldra hunne honger lijdende verwanten, niet slechts in grootte, -maar ook in kracht en vlugheid van beweging. Na een jaar ongeveer, -bij de kleine soorten eerder, bij de grootere later, hebben de jonge -Vischjes ook het kleed van hunne ouders aangenomen en zijn dus in -alle opzichten aan hen gelijk geworden. - -Bij verscheidene soorten van Visschen, o.a. bij sommige Roggen en -Haaien, heeft de ontwikkelingsgang geheel anders plaats. Evenals -sommige Reptiliën en Amphibiën, zijn zij levendbarend (ovovivipaar), -d. w. z., zij behouden het ei in hun lichaam, totdat het jong het -laatste tijdperk van het kiemleven doorloopen heeft; het verbreekt -de eischaal op het oogenblik, dat het uitgeworpen wordt. - -Evenals alle levende wezens worden ook de Visschen soms door -langzaam plaats hebbende veranderingen in hun omgeving, of -door natuurverschijnselen, die hen eensklaps overvallen, bij -massa's vernietigd. Bij vulkanische uitbarstingen en onderzeesche -gasuitstroomingen komen zij dikwijls in grooten getale om 't leven; -door groote, binnenlandsche overstroomingen, veroorzaakt, doordat -rivieren of meren buiten hunne oevers treden, door overstroomingen -van lage kuststreken bij stormen en aardbevingen worden zij aan hunne -woonplaatsen ontrukt en op het droge achtergelaten, waar zij ellendig -bezwijken; hetzelfde lot kan hen treffen door het langzaam uitdrogen -of het plotseling afleiden van het door hen bewoonde binnenwater. Ook -heerschen soms onder de Visschen besmettelijke ziekten, die een groote -sterfte teweegbrengen. De ergste vijand van de Visschen, van deze -rooverbende, welker leden elkander vermoorden en verslinden, is echter -de mensch. Middellijk of onmiddellijk beperkt hij hun ontzaglijk snelle -vermenigvuldiging. De Visschen zijn voor hem onmisbaar. Als zij niet -bestonden, zouden geheele volken alle middelen van bestaan ontberen; -de beteekenis van vele staten berust geheel of grootendeels op de -visscherij en den daaruit voortvloeienden handel. - -Vooral als voedingsmiddel zijn de Visschen voor ons van belang; -zij worden versch gebruikt of verduurzaamd door inpekelen, drogen, -rooken of inpakken in luchtdicht gesloten bussen. Uit de lever van -sommige groote soorten van Visschen bereidt men traan; kleinere -soorten, die bij myriaden in het net raken, worden in hun geheel -tot olie verwerkt; hunne overblijfselen leveren een uitmuntende -mestspecie, de vischguano. Uit de zwemblaas van sommige Visschen -wordt een eigenaardige lijm (vischlijm) bereid. De huid van andere -is de grondstof voor sommige soorten van leer, o.a. van het segrijn, -of wordt in gedroogden toestand voor het gladschuren en poetsen van -houten en metalen voorwerpen gebruikt. De schubben van eenige soorten -dienen voor de bereiding van een parelmoerglanzige stof, die aan de -kunstmatige parels een glans geeft, welke zoo weinig van dien der -echte verschilt. De inboorlingen van de Zuidzee-eilanden maken wapens -door de tanden van Haaien bij reeksen op een stok te bevestigen; met -deze speren kunnen zij gevaarlijke wonden toebrengen. De staartstekels -van de Roggen worden als pijlspitsen gebruikt. - -Het is gebleken, dat de opene zee naar evenredigheid armer is aan -Visschen dan het water langs de kusten en boven ondiepten, die -dikwijls daarom "vischbanken" of "vischgronden" worden genoemd. Van -den vischrijkdom dezer plaatsen heeft men zich dikwijls een overdreven -voorstelling gevormd; onuitputtelijk is hij niet. - -De Visschen worden gevangen in verschillende, soms zeer kunstig -ingerichte vallen (vischwant), netten, korven, die al naar hun -samenstelling, grootte en wijze van gebruik andere namen dragen. Hier -te lande hoort men o. a. over de volgende toestellen spreken [1]: -Zegen, schakel (kleefgaren), werpnet, stalnet, fuik, puit (bong, -homme, tuimelaar), totebel (kruisnet), ruitwagen, slaghaam, steekhaam -(gebbe, schepnet, laafnet), aalkorf (kibbe, skibbe, aalskibbe), -stolpmand, schrobnet, kor (saai), vleet (drijfnet), prikkorf -(toot), kuil (ankerkuil, staalboomen), schutwant, zalmsteek. De -hiermede gevangen Visschen dienen ten deele als lokaas voor de -volgende met haken voorziene vischtuigen; Beug (hoekwant), zetlijn -(fleur), hengel (topgarde, vischgarde), werplijn, schotgarde, valreep -(zetangel), botreep, aaldobber. Dikwijls worden de Visschen gestoken; -hiertoe dient de elger (aalgeer, aalscheer, aalspeer, palingscheer, -uitsteker). Ook worden zij wel geschoten, hetzij met pijl en boog of -met vuurwapenen. Middelen, waardoor gelijktijdig Visschen van allerlei -grootte gedood worden, zijn natuurlijk verboden in alle staten, -waar de visscherij op behoorlijke wijze geregeld is, zoo b.v. het -teweegbrengen van ontploffingen in het vischwater en het bezigen van -vergiften. Wilde volksstammen maken voor het vangen van Visschen soms -gebruik van plantaardige vergiften, die alle waterbewoners verdooven -en bereiken hiermede volkomen het beoogde doel. - -Groot-Brittannië heeft op het gebied van de visscherij alle overige -staten overvleugeld. In 1890 werd in Engeland en Wales 305,000 ton, -in Schotland 268,000 ton, in Ierland 39,950 ton, in het geheele rijk -dus 613,000 ton zeevisch aan land gebracht, ter waarde van ongeveer -75 millioen guldens. Uit Schotland alleen gingen in het genoemde -jaar 14,352 vaartuigen bemand met 47,150 koppen ter vischvangst uit; -bovendien waren aan land nog 48.384 menschen met het verwerken en -afleveren van de gevangen visch bezig. In het jaar 1887 waren in -Frankrijk 24.226 vaartuigen met een bemanning van 82.743 koppen voor -de zeevisscherij in gebruik; behalve 588 millioen Sardijnen brachten -zij 128.692 ton andere Visschen aan; de vangst had een totale waarde -van ruim 36 millioen guldens. Brown Goode berekent de opbrengst van -de vischvangst voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in het -jaar 1876 op meer dan 370.000 ton ter waarde van bijna 36 millioen -gulden; de zeevisschers van dit rijk maakten in 1880 gebruik van -eene vloot van 6605 groote vaartuigen en 44.804 schuiten; hieronder -waren trouwens de schepen voor de oestervangst, de robbenslagerij, -de Walvischjacht enz. begrepen. Volgens andere schrijvers bedroeg de -opbrengst van de zeevisscherij in 1891 voor de Vereenigde Staten 120, -Groot-Britannië 90, Japan 84, Canada 48, Frankrijk 48, Noorwegen 15 -millioen guldens. In Nederland bestond de visschersvloot in 1892 -uit 4647 vaartuigen bemand met 16.142 koppen. De opbrengst van de -haringvangst alleen beliep 5 1/2 millioen gulden. Al deze landen -voeren veel visch uit; in Duitschland echter overtrof de invoer den -uitvoer in 1891 met 33 millioen gulden. - -Door de zoogenaamde "kunstmatige" vischteelt tracht men den -vischrijkdom van binnenwateren te doen toenemen; men kan o.a. wat de -zalmvisscherij betreft, op goede uitkomsten wijzen: in 1892 werden te -Kralingen 65.481 Zalmen verkocht. Om het aantal Visschen van de een -of andere soort te vermeerderen worden eenige mannetjes en wijfjes -(hommers en kuiters) van deze soort ter geschikter tijd gevangen. De -rijpe eieren worden door zachtjes over den buik van den kuiter te -strijken in een bak met water ontlast. Door op dezelfde wijze met -den hommer te handelen worden de eieren bevrucht. De bevruchte eieren -worden in waterbakken gebracht, waarvan de bodem met kiezelzand bedekt -is en waardoor aanhoudend een waterstroom geleid wordt. Door alle -schadelijke invloeden buiten te sluiten, slaagt men er in een groot -aantal kiemen tot ontwikkeling te brengen. Het vischbroed wordt, -nadat het den noodigen tijd gekweekt is, in het water gebracht, -waar men de Visch wil "pooten". - - - -Men kent ongeveer 9000 soorten van hedendaagsche en meer dan 1000 -soorten van voorwereldlijke Visschen. Volgens Günther wordt de klasse -verdeeld in 5 onderklassen: Beenige Visschen, Kraakbeenige Visschen, -Longenvisschen, Rondbekkigen en Smalhartigen.--Haeckel plaatst de -laatstgenoemde groep--door hem Schedelloozen (Acrania) genoemd--niet -slechts tegenover alle andere Visschen, maar ook tegenover alle andere -Gewervelde Dieren, die hij onder den naam van Schedeldieren (Craniota) -samenvat. Hij verdeelt voorts de Schedeldieren in Rondbekkigen -en Kaakmondigen, de laatstgenoemde in Visschen, Longenvisschen, -Amphibiën, Reptiliën, Zoogdieren en Vogels. Waarschijnlijk verdient -zijn klassificatie de voorkeur. Volgens het thans nog vrij algemeen -heerschende gebruik vereenigen wij echter voorloopig de Smalhartigen, -Rondbekkigen en Longenvisschen met de Visschen. - - - - - - - -EERSTE ORDE. - -DE STEKELVINNIGEN (Acanthopterygii). - - -De belangrijkste onderklasse is die der Beenige Visschen -of Beenvisschen (Teleostii), daar bijna negen tienden van -alle hedendaagsche Visschen tot haar behooren; zij hebben een -verbeende wervelkolom en zijn gelijkstaartig; hun huid is met -dunne veerkrachtige kringschubben of kamschubben of met beenige -platen bedekt, zelden naakt; de kieuwen zijn vrij, de kieuwdeksels -goed ontwikkeld; de slagadersteel heeft slechts twee klepvliezen; -de gezichtszenuwen kruisen elkander; in den darm bevindt zich geen -spiraalplooi. Overblijfselen van Beenige Visschen, o. a. van soorten, -die nog het meest gelijken op onze Haringen, komen reeds in de lagen -van de triasformatie voor; eerst gedurende de krijtformatie beginnen -de Ganoïden, die tot dusver de overhand hadden, allengs achter te -staan bij hunne naaste verwanten uit de eerste onderklasse, n.l. bij -de orde der Luchtbuisvisschen. Sedert den aanvang van het tertiaire -tijdvak treden ook vertegenwoordigers van andere orden van Beenige -Visschen op en spelen ongeveer dezelfde rol als thans. - - - -De eerste orde der Beenige Visschen--de Stekelvinnigen--bestaat -uit ongeveer 3000 soorten. Haar wordt de hoogste rang onder de -Visschen toegekend, omdat hare leden het regelmatigst gebouwd zijn, -het meest overeenstemmen met den typischen vorm; slechts enkele -wijken er van af. Hun grootte is middelmatig; slechts weinige -bereiken een lengte van meer dan 2 M. Het kleed bestaat meestal uit -kamschubben; bij een betrekkelijk gering aantal soorten is de huid -met borstel- of kringschubben bedekt, nog zeldzamer is zij naakt; in -den regel heeft zij een vroolijke kleur. De kieuwen zijn kamvormig, -de onderste kaakbeenderen niet vergroeid. Hun naam ontleenen deze -Visschen aan het bezit van ongelede vinstralen: de voorste stralen -van de rugvin (of, indien er twee rugvinnen zijn, die van de eerste) -zijn ongeleed, soms vrij (d. w. z. niet tot steun voor een vinvlies -dienend), stekelig, meestal massief, zelden (bij de Slijmvisschen) -buisvormig; de buikvinnen zijn eveneens met een stekeligen straal -gewapend; gewoonlijk bevat de aarsvin meer dergelijke stralen. De -meeste soorten zijn borstvinnig, sommige keel- of buikvinnig. Een -zwemblaas is gewoonlijk aanwezig, maar niet door een luchtbuis met -het spijskanaal verbonden. - -Vooral op lagere breedten bereikt deze orde haar grootsten rijkdom aan -vormen. Hoewel verreweg de meeste Stekelvinnigen zeebewoners zijn, -behooren hiertoe een betrekkelijk groot aantal zoetwatervisschen, -waarbij verscheidene zeer bekende, inheemsche soorten. Alle -Stekelvinnigen zonder uitzondering leven van roof; vele zijn zeer -vraatzuchtig en moordgierig. Ofschoon verscheidene als voedsel voor -den mensch op hoogen prijs gesteld worden, valt hun geen bijzondere -verzorging ten deel; men laat hun vermenigvuldiging geheel aan de -natuur over. - - - -De eerste van de 19 onderorden, waarin Günther de Stekelvinnigen -verdeelt, is die der Baarsvisschen (Perciformes). De verhouding -tusschen de lengte en de hoogte van hun zijdelings steeds eenigermate -samengedrukten romp loopt zeer uiteen; de enkelvoudige of in tweeën -verdeelde rugvin strekt zich uit over het grootste deel van den rug en -wordt over minstens de helft van haar lengte door stekels gesteund; de -geleedstralige gedeelten van rug- en aarsvin komen veel met elkander -overeen; de borststandige buikvinnen bestaan uit één stekel en 4 of -5 gelede stralen; daarachter, doch niet op een verhevenheid, bevindt -zich de aarsopening.-- - -De Baarzen (Percidae), die de eerste familie vormen, hebben een -langwerpig, sterk samengedrukt lichaam, dat gewoonlijk met harde -kamschubben bekleed is; de kieuwdekselbeenderen zijn getand of -gedoornd; tanden komen voor in de beide tusschenkaaksbeenderen, -aan de onderkaak en aan het gehemelte (zoowel in het midden, op het -ploegschaarbeen, als daarnevens, op de beide gehemeltebeenderen); -de kieuwspleet is (evenals de mondspleet) wijd, het kieuwdekselvlies -aan weerszijden door 6 of 7 stralen gesteund. - -Alle zeeën benevens de meeste rivieren en andere binnenwateren van -de Oude en de Nieuwe Wereld worden door enkele leden dezer familie -bewoond. Zij onderscheiden zich door fraaie kleuren, vlugge bewegingen -en roofzucht. Hun voedsel bestaat uit andere Visschen (hunne eigene -jongen niet uitgezonderd), kuit, Wormen en Insecten. Zij leggen een -aanzienlijk aantal eieren; door talrijke vijanden wordt echter veel -afbreuk gedaan aan hun sterke vermenigvuldiging. Voor de vischteelt in -vijvers zijn de Baarzen niet geschikt, daar het bijna onmogelijk is -hun het noodige voedsel te verschaffen; in de visscherij spelen zij -echter geen onbelangrijke rol, daar hun vleesch te recht smakelijk -en gezond wordt geacht en enkele soorten zelfs tot de uitmuntendste -artikelen van den vischhandel worden gerekend. - - - -Het geslacht der Baarzen (Perca) omvat drie soorten van -Zoetwatervisschen, die in de Oude en de Nieuwe Wereld de noordelijke -gematigde zone bewonen. Zij hebben twee rugvinnen, die een meer of -minder kleine tusschenruimte overlaten, soms zelfs door een smal -vlies verbonden zijn; de achterrand van het voordeksel is getand, -het eigenlijke kieuwdeksel met een doorn voorzien; de bek is met -talrijke, kleine, dicht opeengehoopte, "borsteltanden" bezet. - - - -De messinggele of groenachtige grondkleur van onzen Baars (Perca -fluviatilis) zweemt op de zijden naar goudgeel, op den buik naar wit -en heeft op den rug een donkerder tint; de teekening bestaat uit -5 à 9 dwarsbanden, die van den rug naar den buik loopen, ongelijk -lang en breed zijn en dikwijls door zwartachtige, uitvloeiende -vlekken vervangen worden. De eerste rugvin heeft 15 stekels en een -blauwachtig roodgrijze kleur; tusschen de beide laatste stralen komt -een donkerder oogvlek voor. De tweede rugvin heeft één ongelede en 13 -gelede stralen; zijn kleur is groenachtig geel. De borstvinnen zijn -geelrood, de buikvinnen en de aarsvin menie- of vermiljoenrood. Zelden -wordt dit dier bij ons langer dan 25 cM. en zwaarder dan 1 KG.; in -sommige meren komen echter exemplaren van 1.5 à 2 KG. voor, b.v. in -het Zellermeer in Linzgau en in verscheidene vischwaters van Engeland, -waar, naar men zegt, nog zwaardere Baarzen gevangen zijn. - -Het verbreidingsgebied van den Baars omvat geheel Europa en een groot -deel van Noord-Azië en Noord-Amerika. In geheel ons land wordt hij -in alle binnenwateren, zelfs in slooten, menigvuldig aangetroffen. In -Duitschland komt hij in alle stroomen en meren voor met uitzondering -van die der hoog gelegen bergstreken en enkele gedeelten der lage -landen; in de Alpen mist men hem bijna alleen in wateren, die meer dan -1000 M. boven de oppervlakte der zee liggen. Hij houdt zich het liefst -op en gedijt het best in meren met helder water, maar ontbreekt ook -niet in rivieren of diepe beken en vijvers, in brak water en zelfs -in zeeën met gering zoutgehalte, zooals de Oostzee. - -In de rivier beweegt hij zich liever langs de oevers en op plaatsen met -zwakken stroom, dan in het midden en op plaatsen waar de stroom sterker -is; in de meren treft men hem het meest in de bovenste waterlagen aan; -toch is hij wel degelijk in staat tot grootere diepten af te dalen en -wordt van daar niet zelden opgevischt, o.a. in het Bodenmeer. Bij alle -uit groote diepte opgehaalde Baarzen vond men de mondholte gevuld met -een stijf, kegelvormig lichaam, dat op een gezwollen tong geleek en -bij enkele exemplaren zelfs buiten den bek uitpuilde. Dit voorwerp is, -gelijk bij nader onderzoek bleek, de naar buiten omgestulpte maag. Als -het dier uit een diepte van 60 à 80 M. snel naar boven wordt getrokken, -zal de wand van de zwemblaas door de daarbinnen aanwezige lucht, die -zich bij het plotseling afnemen van de waterdrukking sterk uitzet, -zeer sterk gespannen worden en ten slotte barsten, waarna deze lucht, -in de buikholte gerakend, de maag naar voren perst. - -Gewoonlijk vindt men de Baarzen tot kleine troepen vereenigd, -die gezellig met elkander zwemmen en, naar het schijnt, ook -gemeenschappelijk rooven. In de bovenste waterlagen zwemt de Baars -zeer snel, maar niet anders dan bij rukken, houdt plotseling op en -blijft geruimen tijd op dezelfde plaats staan, voordat hij opnieuw -vooruitschiet. In holen van den oever, onder overhangende steenen en -in dergelijke schuilhoeken, ziet men hem soms verscheidene minuten -achtereen blijven, blijkbaar loerend op buit, daar hij, na gestoord -te zijn, gaarne naar dezelfde plaats terugkeert. Als er een school -kleinere vischjes in de nabijheid komt, schiet hij eensklaps op -hen af en grijpt zijn prooi, hetzij onmiddellijk of na langduriger -vervolging. Soms straft de roofzucht van den Baars zich zelf, n.l. als -hem het ongeluk overkomt, dat zijn buit, dien hij te haastig wil -verzwelgen, uit den wijd geopenden bek in een van de zijwaarts gelegen -keelspleten doordringend, hier blijft steken; zoowel de roover als zijn -slachtoffer zijn dan ten doode gedoemd. Ook kan het voorkomen, dat een -Stekelbaars, die onvoorzichtig overvallen werd, hem, door het oprichten -van de rugstekels, in den bek een doodelijke wonde toebrengt. Op -dezelfde wijze, n.l. door het oprichten van de stekels, tracht hij, -naar men beweert, zich zelf tegen den aanval van den vraatzuchtigsten -van alle Zoetwatervisschen, van den Snoek, te beveiligen, zoodat deze -hem ongemoeid moet laten, of gewond en zelfs gedood wordt. Bij het -vangen van Snoek met de "fleur" (of zetlijn), waarbij levende vischjes -op zulk een wijze aan den haak worden geslagen, dat hunne bewegingen -zoo weinig mogelijk belemmering ondervinden, worden soms de stekels -afgeknipt van de vaak voor dit doel dienende baarsjes. Behalve met -kleinere Visschen, voedt de Baars zich met alle andere waterdieren, -die hij overweldigen kan: in zijn jeugd met Wormen en larven van -Insecten, later met Schaaldieren en Amphibiën, ten slotte zelfs met -kleine Zoogdieren, b.v. Waterratten. Door roofgierigheid en vraatzucht -verleid, bijt hij in ieder lokaas, zelfs na gezien te hebben, dat -zijne kameraads zich op deze wijze in het verderf stortten. Gevangen -Baarzen nemen reeds weinige dagen na het verlies van hun vrijheid uit -de hand van hun verzorger voedsel aan en worden weldra eenigszins tam. - -Op driejarigen leeftijd wordt de Baars voor de voortplanting -geschikt. Hij is dan ongeveer 15 cM. lang. Het kuitschieten heeft -gewoonlijk plaats in de maanden Maart, April en Mei; het aantal eieren -bedraagt omstreeks 300.000. Vele daarvan worden door Watervogels -en Visschen opgegeten; bovendien is in sommige gewesten het aantal -hommers aanmerkelijk geringer dan het aantal kuiters. Hieraan is het -toe te schrijven, dat de Baars zich niet sneller vermenigvuldigt. - -Gevaarlijke vijanden van den Baars zijn, behalve de Snoek, ook de -Otter, de Vischarend, de Reigers en de Ooievaar, bovendien nog de -Zalmen en andere roofvisschen. Weinig minder schadelijk is voor hem -een klein Schaaldier, een zoogenaamde Vischluis, die zich in het teere -weefsel van zijne kieuwen vestigt en deze ten slotte vernielt. Men -heeft niet minder dan 7 verschillende soorten van Ingewandswormen -bij hem aangetroffen. - -Alle beginnende hengelaars hebben schik aan den Baars, omdat hij hen, -ondanks hun onervarenheid, dikwijls aan een zoodje visch helpt. Daar -waar hij veelvuldig voorkomt, kan men met den hengel een goede vangst -doen. Ook vangt men dezen Visch wel met een naar hem genoemd net -met schakels, of met den zegen. In den regel is de vraatzucht van -den Baars zoo groot en hapt hij zoo spoedig toe, dat de hengelaar, -om goed van de gelegenheid te profiteeren, zich haast om een nieuw -lokaas aan den haak te slaan en weder in te leggen. "Van twee knapen," -schrijft Dr. W. J. Broers in het "Album der Natuur" (1876), "die in -het klare water aan het visschen waren, verloor de eene zijn haak -bij het ophalen; een uur daarna ving de andere een Baars, uit welks -ingewanden bij het schoonmaken de verloren haak, met nog een gedeelte -van den Worm er aan, te voorschijn kwam. Dezelfde knapen lagen op -dezelfde plaats met hunne vischtuigen zeer dicht bij elkander, zooals -onbekwame visschers en jongens wel meer doen. De eene ving een Baars; -toen hij hem boven water had, bleek het, dat hij ook aan het snoer -van den anderen vastzat; de Visch had, zonder dat de eene hengelaar -het bemerkte diens haak ingeslikt en dadelijk daarop het aas van den -anderen hengel gegrepen; hier deed zich dus het bijna ondenkbare -geval voor dat twee visschers te gelijker tijd een en denzelfden -Visch ophaalden." "Soms, ofschoon zelden, kan het voorkomen, dat de -Baars, evenals de Snoek, het aas boven water grijpt. Zoo heb ik een -enkele maal, het aas op het flap werpend, gezien, dat de Baars het -flap op dezelfde wijze als de Snoek doorboorde, en het aas spoedig -bemachtigde; zelfs gebeurt het een heel enkele maal, dat de Baars in -den hengeltop bijt, waarmede men een opening in het flap of het kroos -tracht te maken." "Zijn vraatzucht, vooral wanneer hij honger heeft, -doet hem vaak, evenals de Snoek, in het dolle op zijn prooi losgaan; -toch kan men dikwijls waarnemen, dat hij een goed gebruik heeft gemaakt -van de opgedane ondervinding; soms bekijkt hij zijn prooi een tijd -lang van alle kanten, voordat hij er toe overgaat haar te grijpen. De -hengelaars weten zeer goed, dat men zelden een Baars vangt, als er een -gedeelte van den haak, al is het uiterst klein, uit den Worm steekt -of er zoogenaamd "doorschijnt"; terwijl Snoek en Voorn zoo nauw niet -toezien. Een ander bewijs van zijn overleg, wanneer hij tijd van -nadenken heeft en niet door hevigen honger of vraatzucht gedreven -wordt, is, dat hij vaak den Worm slechts half inzuigt en hem niet -inslikt, zooals gewoonlijk. Ik heb echter ook wel eens een Baars zien -vangen met een haak van glinsterend lood voorzien, waaraan geen aas -was vastgehecht, en die, gelijk wel eens meer geschiedt, achteloos in -het water geworpen werd; maar dit zijn zeldzame uitzonderingen." "Hoe -dicht zij dikwijls bij elkander zwemmen kunnen, bewijst het geval, -dat, als men beet krijgt en ophaalt, men soms den buik of een -ander lichaamsdeel, vooral het oog, aan den haak vastgehecht vindt, -hetgeen niet anders te verklaren is, dan dat men, den bijtenden Visch -misslaande, een in de nabijheid zwemmenden treft. Hierop grondt zich -dan ook een wijze van visschen in de meren van Zwitserland, vooral -tegen muren of kaden aan, waar men niet met aas vischt, maar den vrij -sterk met lood bezwaarden haak aan het snoer slechts onophoudelijk -heen en weer beweegt, waarbij men niet zelden een vrij aanzienlijk -getal betrapt, meestal in den buik getroffen, of ook somwijlen in -de zijden, tusschen de vrij harde schubben in. Zelden gebeurt het, -dat men den Baars, dien men ziet, vangt; dit geschiedt in het klare -water alleen wanneer men het aas over het water heensleept; in dit -geval zal hij, zijn prooi vervolgend, deze zoo haastig opslikken, -dat de haak vaak tot in de maag terechtkomt. De hengelaars zeggen dan, -dat hij "robt". Ook treft men hem niet altijd op dezelfde diepte aan, -somwijlen aan de oppervlakte, somwijlen in het midden, en ook wel -eens geheel op den bodem." "In den regel vischt de goede hengelaar in -wateren die hem niet geheel bekend zijn, het liefst zonder dobber, -omdat hij dan gemakkelijk alle diepten bereiken kan. Wanneer twee -of drie bekwame hengelaars achter elkander een sloot afloopen, ziet -men dikwijls, dat zij, die met Wormen van een hoogroode kleur en -die veel beweging maken, visschen, spoedig het meest vangen, n.l. de -zoogenaamde "happers", in den regel de betrekkelijk kleine Baarzen; -de achteraan komende, die met lange Wormen vischt, betrapt dan nog -vaak de grootere. Alles hangt hier natuurlijk af van de gretigheid, -waarmede de Baars aast, en deze wordt door allerlei omstandigheden -van weer en wind, van warmte of koude bepaald." "Waar Baarzen zich in -het riet verbergen, kan men ze alleen vangen door schakels, die men -om den rietkraag heenzet, terwijl men tevens met nauwkeurigheid de -geheele plek bepolsen moet. Dit geldt eveneens, wanneer zij zich onder -houtvlotten verbergen, maar dan willen zij er wel eens uitschieten, -als men met klompen hard op die vlotten loopt. In den regel beloont -echter het schakelen op Baars de moeite niet, daar zij er zelden mede -te betrappen zijn." - -Het spreekwoord "in troebel water is het goed visschen" is ontleend -aan een wijze van vischvangst, waarbij stilstaand water opzettelijk -troebel wordt gemaakt; de modderdeeltjes, die tusschen de kieuwen -geraken, belemmeren de ademhaling der Visschen, die hierdoor -flauw worden, stikken en daarna gemakkelijk uit het water gehaald -kunnen worden. Wegens het groote verschil in samenstelling der -ademhalingswerktuigen zal de eene Visch spoediger flauw zijn dan de -andere. De Voorn komt het eerst boven drijven, daarna de Baars, later -de Zeelt; de Snoek houdt het nog langer in troebel water uit; op de -Aal heeft het geen merkbare uitwerking. Deze wijze van vischvangst -is af te keuren, daar zij de oorzaak is van den dood van vele kleine -Visschen en van het bederven van veel vischkuit (Van den Ende). - -De Baars is voor den vischhandel zeer geschikt, omdat hij buiten 't -water geruimen tijd goed kan blijven en dus ver verzonden kan worden, -waarbij het echter aanbeveling verdient hem onderweg van tijd tot tijd -te bevochtigen. Ook kan hij dagen en weken lang in de beperkte ruimte -van een bun (of vischkaar) in 't leven blijven. Van zijn huid kan -men een zeer goeden lijm bereiden; hiervoor dienen jonge Visschen, -die niet geschikt zijn om gegeten te worden. De schubben van den -Baars zijn wegens hun vorm, glans en stijfheid zeer geschikt als -materiaal tot versiering van vrouwelijke handwerken. Na zuivering, -eerst in lauw water, daarna in een slappe oplossing van potasch, -worden zij in pekel gelegd, met een doek afgeveegd en met drie gaatjes -voorzien. Met gouddraad op fluweel gehecht, maken zij een prachtige -vertooning (Van Meerten). - - - -Van de Baarzen (i. e. z.) verschillen de Wolfsbaarzen (Labrax) door -een meer langwerpige gestalte, door de kleinere schubben (ook op het -van achteren met 2 doornen gewapende kieuwdeksel), door den grooteren -afstand tusschen de beide rugvinnen en door de ruig getande tong. - -De eenige vertegenwoordiger van dit geslacht, die aan onze kusten -soms voorkomt--de Zeebaars of Zeesnoek (Labrax lupus)--was reeds -aan de ouden goed bekend. Hij bereikt een lengte van 0.5 à 1 M. en -een gewicht van 10 KG. De fraaie, zilvergrijze kleur heeft op den -rug een blauwachtige, op den buik een witachtige tint; de vinnen -zijn lichtbruin. - -Behalve in de Middellandsche Zee vindt men hem ook in den Atlantischen -Oceaan langs de kusten van Portugal, Frankrijk, Engeland en Ierland -(vooral aan de zuidzijde en in het kanaal van Bristol en St. George, -doch ook verder noordwaarts); hij wordt (ofschoon zelden) ook in de -Noordzee en in de Oostzee aangetroffen. Hij houdt zich gaarne in ondiep -water op, vertoeft daarom gewoonlijk in de nabijheid van de kust, doch -dringt ook dikwijls in de rivieren door tot op aanzienlijken afstand -van de zee. Aan de Iersche kusten is hij een gewone verschijning -en vangt men hem nu en dan in grooten getale in de voor Zalmen en -dergelijke Visschen bestemde netten. - -Daar de Zeebaars even vraatzuchtig is als zijne verwanten, bijt ook -hij gemakkelijk aan het aas van den hengel; wijl hij daarna al zijne -krachten inspant om zich los te rukken en met verbazende kracht heen -en weer zwemt, vereischt het vangen van deze Visch veel overleg. - -Zijn voedsel bestaat uit Schaaldieren, Wormen en kleine Visschen. Om -den eerstgenoemden buit te verkrijgen, zwemt hij bij hevigen storm -dicht bij de kust, omdat de branding vele Schaaldieren losrukt en -hem toevoert. - -In het midden van den zomer heeft het kuitschieten plaats. - -Nauw verwant aan den Zeebaars is de Kaalkop (Lates calcarifer), een -van de meest geliefde zeevisschen op Java; zijn naam is vermoedelijk -een verbastering van dien, welken de Maleiers hem geven (Ikan-kakap); -de aanleiding hiervoor kan ook gezocht worden in de kleine, onderling -vergroeide schubben op den kop en den nek, die om deze reden naakt -schijnen. - -Roode Kakap of Ikam-kakap-meirah (Diacope metallica) noemt men een -Visch van 6 dM. lengte, die, evenals vele andere soorten van Diacope -en Mesoprion, wegens de smakelijkheid van zijn wit en hard vleesch -zeer gewild is. - - - -Bij de Possen (Acerina) zijn de beide rugvinnen vereenigd, het -voordeksel en het eigenlijke kieuwdeksel met stekels bezet, de -kaakbeenderen en ploegschaarbeenderen met fluweelachtige tanden -gewapend, de borst en de buik min of meer vrij van schubben. - -De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht, de gewone Pos, -in Groningen en Friesland ook wel Schele Pos of Schele Jongen genoemd -(Acerina cernua), bereikt een lengte van 20 à 25 cM. en een gewicht -van 120 à 150 G. Hij heeft een korten, gedrongen romp en een stompen -snuit, is op den rug en de zijden olijfgroen, hier met onregelmatig -verspreide, donkerder vlekken en stippels, op de rugvin en de staartvin -met reeksen van stippels geteekend. - -De Pos is over Middel-, West- en Noord-Europa verbreid en komt -in Siberië buitengewoon veelvuldig voor. Men vindt hem in al onze -binnenwateren, doch in veel geringer aantal dan de Baars. Ofschoon -een zoetwatervisch, is hij ook in brak water niet zeldzaam, zooals -uit het vangen van deze Visch in het Hollandsch diep en in de brakke -gedeelten en binnenwateren van de westelijke Oostzee blijkt. Ook in -Duitschland is hij zeer algemeen verbreid; in den bovenloop van den -Rijn vindt men hem niet, daar de Rijnval bij Schaffhausen het verder -opzwemmen van den stroom verhindert; ook in andere wateren van de -Alpen is hij zeldzaam. Zijn levenswijze komt overeen met die van den -Baars. Aan heldere, diepe meren geeft hij de voorkeur boven ondieper, -stroomend water, waar men hem echter gedurende den rijtijd, in April -en Mei, aantreft, in dit geval gewoonlijk bij troepen zwemmend, hoewel -hij zich overigens meer afgezonderd houdt. In de rivieren en beken -blijft hij tot in den herfst en keert dan gewoonlijk naar de meren -terug, daar het diepe water zijn winterverblijf is. Zijn voedsel -bestaat uit vischjes, Wormen en Insecten; volgens de mededeelingen -van een ervaren visscher eet hij echter ook gras en riet. De eieren -worden ook wel aan steenen gehecht. Het kuitschieten heeft in Maart -en April langs met riet begroeide oevers plaats. - -Met den kuil worden deze Visschen op de Beneden-Elbe soms in groote -hoeveelheid opgehaald; men vangt ze echter gewoonlijk aan den hengel -met een Worm als aas en in fijnmazige netten, in den regel gedurende -den zomer, in sommige meren daarentegen vooral in den winter. De Pos -wordt in vele landen als spijs hooger geschat dan de Baars. Bij ons -maakt men niet veel werk van de vangst van dezen Visch wegens zijn -geringe grootte en omdat men hem niet in voldoende hoeveelheid kan -verkrijgen. - -Het fokken van den Pos in vijvers verdient aanbeveling, daar hij -hier gemakkelijk het noodige voedsel kan vinden; bovendien is hij -onschadelijk en bezit een groot weerstandsvermogen; hij vermenigvuldigt -zich echter niet zeer snel en groeit langzaam. - - - -De Schretser (Acerina schraetzer), die in levenswijze met den Pos -overeenkomt, is tot het Donaugebied beperkt; hij verschilt van de -vorige soort door den meer langwerpigen romp, den langeren snuit en -de grootere lengte van de rugvin, die bijna van den kop tot den staart -reikt, voorts door de citroengele grondkleur van de zijden, waarlangs 3 -of 4 zwartachtige lijnen loopen. De Schretser is aanmerkelijk grooter -dan zijn verwant en kan 250 G. zwaar worden. - - - -Het geslacht der Snoekbaarzen (Lucioperca) kenmerkt zich door twee -gescheiden rugvinnen, door een reeks van tandvormige uitsteekseltjes -aan het voordekselbeen en door lange, spitse tanden, die zich -verheffen boven de fijne borstel- en fluweeltanden, welke de kaak- en -gehemeltebeenderen bedekken. Vooral door den langwerpigen vorm van het -lichaam en de scherpe, spitse rooftanden herinneren zij aan de Snoeken. - -De Snoekbaars of Zander (Lucioperca sandra), bereikt een lengte van -100 à 130 cM. en een gewicht van 12 à 25 KG. De rug is groenachtig -grijs, de buik zilverwit; over den rug en een deel van de zijden -loopen wolkvormige, bruine dwarsstrepen, die soms echte, donkere -dwarsbanden worden; de zijden van den kop zijn bruin gemarmerd; -de huid tusschen de vinstralen is zwartachtig gevlekt. - -De Snoekbaars bewoont de groote rivieren van Noord-oost- en -Middel-Europa, maar vermijdt alle snelvlietende stroompjes; in -Noord-Duitschland ontmoet men hem in de Elbe, den Oder en den Weichsel -met hunne bijrivieren en de naburige meren, in Zuid-Duitschland -in den Donau; men vindt hem daarentegen niet in het stroomgebied -van den Rijn en van den Wezer en evenmin in de overige deelen van -West-Europa. Hij houdt van diep, zuiver stroomend water, houdt zich -meestal in de onderste waterlagen op en verschijnt slechts gedurende -den rijtijd, die tusschen de maanden April en Juni valt, op ondiepere, -met waterplanten begroeide plaatsen van den oever om hier kuit te -schieten. Daar hij buitengewoon roofgierig is, alle kleinere leden van -zijn klasse vervolgt en zijn eigen nakomelingschap niet spaart, is zijn -groei bijzonder snel; reeds in het eerste levensjaar bereikt hij een -gewicht van 0.75 KG., dat in het tweede tot 1 KG. stijgt. In groote -binnenwateren, kleine meren of vijvers, die rijk zijn aan Visschen -van geringe kwaliteit, zooals Alvers, Blankvoorns, Ruischvoorns, -Spieringen en Grondels, zou de moeite besteed aan het fokken van -dezen Visch rijkelijk beloond worden. - -Vóór den rijtijd, dus in den herfst en in den winter, is de Snoekbaars -het vetst; in verschen toestand bereid, smaakt hij het best, door -het rooken en inzouten wordt zijn vleesch minder smakelijk. - - - -De Spoelbaarzen (Aspro) heeten zoo wegens den vorm van hun romp; -de bovenkaak steekt voorbij de onderkaak uit; het voordeksel is zwak -getand, het eigenlijke kieuwdeksel gedoornd: de rugvinnen zijn door -een tusschenruimte gescheiden; fluweelvormige tanden komen aan beide -kaken en aan de ploegschaar- en gehemelte-beenderen voor. - -De Singel (Aspro zingel) wordt 30 cM. lang en 1 KG. zwaar; de rug en -de zijden zijn grijsgeel, de onderdeelen witachtig; vier bruinzwarte -strepen loopen scheef van boven naar onderen en voren over de zijden. - -De Strever (Aspro streber), die zich van de vorige soort onderscheidt -door den zeer slanken staart, komt met haar in kleur nagenoeg overeen; -zijn rug is n.l. bruingeel of roodachtig en de witachtig gele zijden -prijken met 4 à 5 breede, zwartachtige, scheef naar voren en naar -onderen gerichte strepen; hij wordt slechts 15 cM. lang en 60 à 100 -G. zwaar. - -Tot dusver heeft men den Singel en den Strever uitsluitend in het -Donaugebied aangetroffen, waar zij zoomin in den hoofdstroom als in -de bijrivieren veelvuldig voorkomen. Zij houden van zuiver, stroomend -water, leven op vrij groote diepte, voeden zich met kleine Visschen en -Wormen en schieten kuit in April. Van beide is het vleesch smakelijk -en licht verteerbaar. - - - -Tot de uitmuntendste Visschen van deze familie behooren, zoowel -wegens hunne fraaie kleuren als wegens hun geschiktheid tot spijs, de -Zaagbaarzen (Serranus), een soortenrijk geslacht, dat zich kenmerkt -door de onverdeelde rugvin, het getande voordeksel en het met -twee of drie stekels gewapende eigenlijke kieuwdeksel, door lange, -spitse grijptanden tusschen de fijne borsteltandjes en doordat het -schubbenkleed zich ook over de kieuwdeksels uitstrekt. - -Een van de meest bekende soorten is die, welke in Italië Sperga -(Serranus scriba) wordt genoemd, een prachtige Visch van 20 à 30 cM. en -300 à 500 Gr. gewicht. Op steenrooden, in de rugstreek donkerder grond -is hij met breede, zwartblauwe dwarsstrepen en lazuurblauwe, kromme op -schrijfteekens gelijkende lijnen versierd. De onderzijde is geelachtig; -vooral aan de onderkaak zijn op den gelen grond roode stippels -zichtbaar; roodblauw gezoomde vlekken prijken op de gele vinnen. - -Bij voorkeur houden de Sperga's verblijf in diep water, langs de -rotsachtige kusten van de Middellandsche zee, voor zoover zij rijk -zijn aan Vischjes en Schaaldieren, vooral Garnalen, en aan holen, -die als schuilplaatsen kunnen dienen. Zij zijn zeer gewild wegens -hun smakelijk vleesch. - -Het geslacht der Zaagbaarzen omvat 140 soorten, die de zeeën -van den gematigden en meer nog die van den tropischen aardgordel -bewonen. Verscheidene daarvan worden in Indië gegeten en zijn onder -den naam Ikan-krapoe bekend. Enkele soorten met een gevlekte huid -[Serranus (Epinephelus) variolosus en S. (E.) crapas] worden algemeen -Jacob-Evertsen genoemd, naar den beroemden zeeman; daar deze een -taankleurig gelaat had, dat door talrijke vlekken geschonden was. - - - -De Reuzenbaarzen (Polyprion) zijn vooral kenbaar aan een gekartelde, -overlangsche lijst op het eigenlijke kieuwdeksel; geen der tanden -is verlengd. - -De Wrakvisch (Polyprion cernuum) is driemaal zoo lang als hoog en effen -bruingrijs van kleur; op jeugdigen leeftijd heeft hij op bruinen grond -donkerder vlekken, wolkjes en marmerteekeningen, benevens een witten -rand aan de spits van den staart. Hij kan 2 M. lang en meer dan 50 -KG. zwaar worden, is bij de kusten van Italië en Zuid-Frankrijk -volstrekt niet zeldzaam en voedt zich met Weekdieren en kleine -Visschen, bijv. Ansjovis. Zijn vleesch wordt hoog geschat. Uit latere -berichten blijkt, dat deze Baarzen verder verbreid zijn en o. a. op de -Engelsche kust niet zelden voorkomen. Dikwijls begeleiden zij wrakken, -die uit zuidelijker zeeën komen aandrijven; spelend dartelen zij er om -heen, waarbij soms een van hen, de andere najagend, op het wrak springt -en hier boven water blijft liggen, tot een golf hem weer vlotmaakt. - - - -De familie der Schubvinnigen (Squamipennes) omvat ongeveer 130 soorten, -die in de tropische zeeën thuis behooren. Hare leden wedijveren door -pracht van kleuren met de schitterendste Vogels en bontste Vlinders -der keerkringsgewesten. Zij zijn de pronkjuweelen van de bovenste -waterlagen langs de kust en trekken hierdoor niet minder de aandacht -dan de Kolibries in de Zuid-Amerikaansche en de Paradijsvogels in -de Nieuw-Guineesche oerwouden. Zij schijnen deze mededingers naar -den schoonheidsprijs nog te overtreffen door de zuiverheid en den -glans der kleuren, die met bewonderingwekkende harmonie over hun -lichaam verdeeld zijn. Indigokleurige en hemelsblauwe, paarse en -fluweelachtig zwarte vlekken, banden, strepen en ringen prijken -op een zuiver gouden of zilveren grond. Het diepe azuur van den -zuidelijken hemel en het ultramarijn van de golven der tropische -zeeën vindt men terug in het schubbenkleed van deze Visschen, dat -als 't ware aan de rozen de zachte tinten en aan den regenboog de -talrijke kleurschakeeringen ontleende. De prachtige kleuren en de -door sierlijkheid en afwisseling uitmuntende teekening gaan gepaard -met hoogst eigenaardige lichaamsvormen, geheel afwijkende van die, -waaraan wij bewoners van noordelijke gewesten gewoon zijn. De -romp is zijdelings buitengewoon sterk samengedrukt, van boven -naar onderen uitgerekt, en komt dus overeen met een meer of minder -langwerpige schijf; de dikke rug- en aarsvinnen zijn hiervan als 't -ware voortzettingen; evenals de romp en de kop met schubben bedekt, -verlengen en vervormen zij zich dikwijls op vreemdsoortige wijze en -vallen niet zelden door harde of zeer lange stralen bijzonder in 't -oog; eigenlijk vertoonen dus alleen de borstvinnen en de staartvin de -gewone gedaante; ook van de buikvinnen geldt dit, tenzij hiervoor -een enkele stekel in de plaats treedt (zooals bij de leden van -het geslacht (Psettus). De kop eindigt in den regel in een spitsen -snuit met kleine mondopening, die bij eenige soorten snavelvormig -verlengd is, bij andere nagenoeg niet buiten den algemeenen omtrek -uitsteekt. Hoewel borstelachtige bestanddeelen in het gebit van deze -Visschen de overhand hebben, treden hiervoor, zoowel op de kaken als op -het gehemelte, soms hekelachtige of fluweelachtige tanden in de plaats. - - - -De naam Borsteltandigen (Chaetodon), door Linnaeus aan alle -Schubvinnigen gegeven, dient tegenwoordig tot aanduiding van een 70 -soorten omvattend geslacht, welks leden op de Molukken Klipvisschen, -op Réunion Demoiselles heeten. Meer bepaaldelijk wordt de "Klipvisch" -genoemd. Deze heeft met zijn verwanten de volgende kenmerken gemeen: -Het langwerpig ronde lichaam eindigt in een slurfvormigen snuit, met -kleinen, niet vooruitstekenden bek; de beide kaken dragen verscheidene -dicht opeengedrongen reeksen van borstelachtige tanden, waarvan -de spitsen naar achteren gericht zijn; het voordeksel is aan den -achterrand niet getand en, evenals de wangen, met schubben bekleed; -de afgeknotte rugvin strekt zich langs de geheele bovenzijde uit; -zijn voorste gedeelte wordt gesteund door dikke stekels; de aarsvin -is afgerond, de staartvin recht afgesneden en middelmatig lang; -de schubben zijn groot en aan den achterrand fijn getand. - - - -De Klipvisch (Chaetodon vittatus) is 11 cM. lang en op citroengelen -grond met ongeveer 13 zwartachtige, overlangsche strepen -geteekend. Boogvormige, zwarte dwarsbanden versieren den kop; de -langste en breedste loopt over het oog, een smallere is er achter -gelegen, drie of vier dwarslijnen komen op het voorhoofd voor; -zwart is ook de omgeving van den bek. Het zachte gedeelte van de -gele rugvin wordt door een zwarte streep van den romp gescheiden -en is, evenals de donkerzwarte aarsvin, die aan haar wortel een -lichtgele, overlangsche streep heeft, met een oranjekleurigen eindzoom -voorzien. De zwarte staartvin prijkt met een breeden, rozerooden -eindzoom. Het verbreidingsgebied van dezen fraaien Visch reikt van -Oost-Afrika tot Otaheite. - -Aan de groote lengte van den vijfden weeken straal van de rugvin -herkent men de soort, die door de Arabische visschers van de Roode -Zee Wimpelvisch (Chaetodon setifer) wordt genoemd; zij is over den -geheelen Indischen Oceaan en het westelijke deel van de Stille Zuidzee -verbreid. Op matwitten grond loopen in verschillende richtingen -donkerder strepen: een zwarte, van achteren wit gezoomde streep, -die naar onderen breeder wordt, strekt zich van den nek door het -oog tot aan de keel uit; 5 of 6 zwartachtige, scheef van voren naar -boven en achteren gerichte strepen gaan van den schoudergordel naar -het stekelige gedeelte van de rugvin; 8 à 10 van voren naar onderen -en achteren over het achterste deel van den romp loopende strepen -ontmoeten de vorige nagenoeg onder een rechten hoek; de streek boven -het oog prijkt bovendien met vier oranjegele dwarslijnen. Het achterste -deel van de rugvin, dat dikwijls een zwarte, door een witten rand -omringde vlek draagt, is citroengeel, van boven echter vuurrood en -zwart gezoomd; de staartvin is citroengeel, van achteren versierd met -een roodachtig grijswitten rand, waaraan een spoelvormige, donkerbruine -dwarsvlek met zwarten zoom en een halvemaanvormige, lichtgele gordel -met witten zoom voorafgaan; de aarsvin is oranjekleurig met zwarten -rand en witten zoom; de borstvinnen en de buikvinnen zijn roodachtig -grijswit. - -De Koraalvisch (Chaetodon fasciatus) komt van de Roode Zee tot aan -de Chineesche kust voor en wordt ongeveer 16 cM. lang. De kop is op -witten grond versierd met een breeden, zwarten, van de kruin tot aan -het voordeksel reikende band, de romp op heldergelen grond met 9 à 12 -bruinzwarte, scheef van voren naar boven en achteren loopende strepen, -die zich tot over de gele vinnen voortzetten; de lippen zijn rozerood; -het weeke gedeelte van de rugvin en de aarsvin hebben een zwarten -rand; de eerstgenoemde is aan den wortel met een bruinzwarte booglijn -geteekend; de staartvin vertoont dicht bij den witachtigen eindzoom -een lensvormige, zwarte dwarsstreep. - - - -Bij de Zweepvisschen of Koetsiers (Heniochus) is de vierde stekel van -de rugvin buitengewoon sterk verlengd; de kop eindigt in een korten -snuit en de bek is met borstelachtige tanden bezet. - -Een 20 cM. lange vertegenwoordiger van dit geslacht--in Indië -Vaandrager genoemd (Heniochus macrolepidotus)--bewoont den geheelen -Indischen Oceaan. Grijsgeel is de heerschende kleur, die op de -borst en de keel in zilverwit overgaat; de kop is van boven geheel -of gedeeltelijk zwart; de zijden van den snuit zijn licht, de wangen -donker; twee zeer breede, zwarte banden loopen nagenoeg evenwijdig in -scheeve richting over de zijden van den romp: de eene van het voorste -deel van de rugvin tot over de buikvinnen en het voorste deel van de -aarsvin, de andere van het middelste deel van de rugvin tot over het -achterste einde van de aarsvin. Overigens zijn de vinnen citroengeel. - - - -De Keizersvisschen (Holacanthus) zijn kenbaar aan den achterwaarts -gerichten, door een vliezige scheede omhulden stekel, waarmede de -benedenhoek van het voordeksel gewapend is, aan de dikkere en stijvere -tanden met lepelvormig topgedeelte en aan de schubben, die de rugvin -en de aarsvin over haar geheele lengte bedekken. - -De Hertogsvisch (Holacanthus diacanthus) wordt 20 cM. lang; de romp -is op citroengelen grond met 8 of 9 lichtblauwe, breed zwart gezoomde, -dikwijls voor een deel gaffelvormige dwarsstrepen, de zwarte rugzijde -van den kop met blauwe, overlangs en overdwars gerichte strepen -prachtig geteekend; een blauwe streep omgeeft het oog, een andere -loopt langs den rand van het voordeksel naar beneden. De borst- -en buikvinnen en de staartvin zijn citroengeel; het weeke gedeelte -van de donkerbruine rugvin is aan den rand zwart en blauw, overigens -dicht bezet met blauwe stippels; de bruine aarsvin prijkt met 6 of -7 boogvormige, lichtbruine dwarsbanden. - -Nog prachtiger kleuren heeft de soort, die door de Nederlanders op -de Molukken Keizer van Japan, door de Fransch sprekende kolonisten -van Mauritius Guingam wordt genoemd (Holacanthus imperator). De vuil -zwavelgele kop is getooid met een bruinzwarten, van voren en van -achteren helder blauw gezoomden band, die over het voorhoofd en het -oog achter het voordeksel langs loopt; boven de borstvin komt een -groote, langwerpige, geel gezoomde vlek voor, die bij het violet -getinte blauw van den romp even prachtig afsteekt als de smalle, -boogvormige, gele, overlangsche strepen op de zijden. De buik en de -borst zijn groenachtig bruin, de vinnen blauwachtig; de kleur van -de vinstralen is lichter of donkerder; zij wisselt af van oranje tot -zwart; de bruine aarsvin prijkt met blauwe, overlangsche booglijnen, -de oranjegele aarsvin met een lichteren rand. - -Ook deze beide soorten bewonen den Indischen Oceaan. - - - -Ten slotte moeten wij nog de Boogschuttervisschen (Toxotes) -vermelden. Zij hebben in vergelijking met de vorige geslachten een -langwerpig lichaam, dat, hoewel zijdelings samengedrukt, veel langer -is dan hoog; vooral zijn zij kenbaar aan hun ver naar achteren gelegen -rugvin, die deels door zeer dikke, stekelige, deels door gelede stralen -wordt gesteund. De snuit is eigenaardig door het vooruitsteken van -de onderkaak. Ook het gehemelte is hier met tanden bezet. Van dit -geslacht zijn 2 soorten bekend, welker verbreidingsgebied zich van de -Golf van Bengalen over de Oost-Indische eilanden tot aan de noordkust -van Australië uitstrekt. - -De Boogschutter, de Ikan-Soempit der Maleiers (Toxotes jaculator), is -reeds lang bekend, omdat hij bij de Javanen niet zelden als huisdier -voorkomt. Zijn lengte bedraagt ongeveer 20 cM. Hij is groenachtig -grijs van kleur, aan de rugzijde het donkerst en met 4 of 5 breede, -donkere dwarsstrepen of vlekken geteekend, aan de buikzijde met -zilverkleurigen weerschijn. - - - -Zooals reeds gezegd is, houden alle Schubvinnigen zich in de bovenste -waterlagen op en in de nabijheid van de kust; enkele gaan ook in de -rivieren over, terwijl andere nu en dan de schepen volgen tot in -de volle zee, om het afval te bemachtigen, dat overboord geworpen -wordt, of om een anderen buit na te jagen. De meeste soorten, vooral -die, welke zich door prachtige kleuren onderscheiden, worden in -den regel aangetroffen in de nabijheid van koraalriffen of boven -ondiepten; hier spelen zij druk met elkander in het door de zon -beschenen water, alsof het er hun om te doen is hun schoonheid -goed te doen uitkomen. Daarom noemen de Fransche kolonisten van -Guadeloupe de eenige bij West-Indië voorkomende soort van Keizersvisch -(Holocanthus tricolor) Veuve-coquette; haar bovenhelft is zwart, de -onderhelft goudgeel van kleur, alsof zij een zwartfluweelen mantel -op een goudlakensch kleed draagt. In de Roode Zee ontwaart men ze -hoofdzakelijk in de diepe kloven of putvormige tusschenruimten der -koraalriffen, waarvan het water zelfs bij hoogen golfslag stil en -helder is en die als 't ware met een woud van vertakte polypenstokken -gevuld zijn. De reiziger, wiens schip in een donkeren nacht tusschen -de riffen voor anker ligt, herkent de aanwezigheid van deze Visschen -aan het door microscopische diertjes veroorzaakte lichten der zee, -dat bij iedere beweging van het water wordt waargenomen (Heuglin). Men -ziet dan dikwijls, op aanzienlijke diepte dof glinsterende plekken; -plotseling schieten deze als vonken uiteen, bewegen zich langzaam -heen en weer, vereenigen zich na eenigen tijd opnieuw tot groepen, -die nogmaals uiteenspatten, enz. Alle bekende Schubvinnigen, enkele -soorten misschien uitgezonderd, voeden zich met andere dieren, de -meeste waarschijnlijk met weeke zeedieren, dus met kleine Kwallen, -Zee-anemonen, Koraaldiertjes, enz.; daarentegen maken zij, die zich in -de nabijheid van boschrijke kusten ophouden, hoofdzakelijk op Insecten -jacht. Die, welke tusschen de riffen leven, spelen om de polypenstokken -op soortgelijke wijze als de Boschzangers in de boomen. Bij troepen -staan zij soms eenige oogenblikken stil voor een vertakten stam, -schieten daarna eensklaps met een ruk vooruit, boren of bijten in de op -bloemen gelijkende dieren om en stuiven, alle van een streven bezield, -naar een andere plaats, waar zij dezelfde jacht opnieuw beginnen. De -Snavelvisschen (Chelmo), waarvan 4 soorten den Indischen Oceaan en de -Stille Zuidzee bewonen, gebruiken hun langen, buisvormig verlengden -snuit om hun buit uit spleten van het gesteente te halen. - -Op een andere wijze dan de soorten, die bij de koraalriffen jagen, -gaat de Boogschutter te werk. Zoodra hij een Vlieg of een ander -Insect op een over het water hangende plant ziet zitten, nadert -hij dit diertje tot op een afstand van 1 à 1.5 M. en spuit uit zijn -eigenaardig gevormden bek eenige waterdroppels naar zijn prooi, die -hij zoo goed en zoo krachtig weet te treffen, dat zij bijna altijd -naar beneden in het water valt. Op Java houdt men den Boogschutter -in een bak met water met een stok in 't midden, die zich ongeveer -60 cM. boven de oppervlakte verheft; in den stok zijn houten plugjes -gestoken, dienende tot aanhechtingsplaats voor de Insecten, die tot -voedsel voor de vischjes bestemd zijn. Deze komen er spoedig op af, -zwemmen eenige malen om den stok heen, steken vervolgens den kop -boven water, houden de oogen eenigen tijd op het begeerde Insect -gevestigd, spuiten eensklaps eenige druppels water naar de prooi, om -deze naar beneden te doen tuimelen en slikken haar in, als hun toeleg -gelukt. Als zij misgeschoten hebben, zwemmen zij eenige malen om den -stok heen, plaatsen zich opnieuw in de juiste positie en herhalen hun -poging. Het gedruisch, dat men bij het uitwerpen van de waterdruppels -hoort, gelijkt op dat van een klein waterspuitje. Bewonderenswaardig -is de wisheid van het oog dezer "schutters". - -Op verscheidene Schubvinnigen wordt wegens hun smakelijk vleesch -ijverig jacht gemaakt. Dit geldt o.a. van sommige soorten van het -geslacht der Halvemaanvisschen (Platax), die de inlanders onder den -naam van Ikan-gampret samenvatten. Bij deze dieren zijn de rug- en -aarsvinnen zeer hoog en zeisvormig, zoodat de hoogte de lengte verre -overtreft. Een zeer algemeene tafelvisch is ook de Ikan-ketang-ketang -(Drepane punctata), die 2 rugvinnen heeft en 3 dM. lang kan worden. De -even algemeene, maar kleinere Ikan-keper (Scatophagus argus) wordt -zoowel in de riviermonden als in zee aangetroffen: hij aast op de -uitwerpselen van menschen en dieren, zwemt de schepen na en wordt het -meest in de nabijheid van privaten gevangen. Hieraan dankt hij den -naam Strontvisch en den afkeer, die velen voor hem gevoelen, ofschoon -zij, die zijn vleesch geproefd hebben, het smakelijk vinden. Ook het -vleesch van den "Keizer van Japan" wordt in Indië hoog geschat en -met dat van den Zalm vergeleken.--Sommige soorten worden wegens hun -zonderlingen vorm door de inlanders voor heilig gehouden; o. a. geldt -dit van den Visch, die op de Molukken den naam van Bezaantje draagt -(Zanclus cornutus); hij heeft een cirkelronde gedaante, wanneer men -den snavel en de vinnen wegdenkt, en boven ieder oog een stevigen -stekel. Volgens Renard haasten de Moluksche visschers zich dezen -gehoornden Visch met kniebuigingen en andere teekenen van ootmoedige -vereering weer in zee te werpen, wanneer zij hem in hunne netten -vinden. Scherpe en omgebogen hoorns heeft de soort, die Chineesche -Joosje, Chineesche Duivel of Zeekoe, door de inboorlingen Ikankarbau -(Buffelvisch) wordt genoemd (Taurichthys varius). - - - -Alle zeeën van den heeten en de gematigde aardgordels van beide -halfronden worden bewoond door Visschen van fraaien vorm, die men -Zeebarbeelen, Mullen of Koningspoonen (Mullidae) noemt. Hun lichaam -is langwerpig, middelmatig hoog en weinig samengedrukt; de snuit helt -boogvormig af. De ver naar onderen gelegen bek is klein en met zeer -zwakke tanden gewapend, de kin met 2 meer of minder lange baarddraden -uitgerust, het voorste deel van den kop, evenals de keel, naakt, het -overige deel van den kop, evenals het geheele lichaam, met groote, -fijn getande of ongetande schubben bekleed. De voorste rugvin is -in een groeve geplaatst en wordt door zwakke stekels, de achterste -rugvin en de aarsvin daarentegen door 1 of 2 stekels en overigens -door gelede vinstralen gesteund; het schubbenkleed strekt zich ver -over de (verderop gegaffelde) staartvin uit; de buikvinnen zijn ver -naar voren aangehecht, nagenoeg onder de borstvinnen geplaatst. De -heerschende kleur is fraai dof karmijnrood. - -De Zeebarbeelen zijn hoogst gezellige Visschen, die steeds in talrijke -scholen voorkomen, gewoonlijk in zwermen van verscheidene duizenden; -zij zwerven weinig rond, maar bezoeken in het midden van den zomer -vlakke, zandige gedeelten van de kust, waar zij dikwijls in tallooze -menigte kuitschieten. Hun voedsel, dat uit kleine Schaaldieren en -Weekdieren en ook uit verrottende, dierlijke en plantaardige stoffen -schijnt te bestaan, verkrijgen zij door in het slijk te "grondelen"; -de mensch vervolgt hen overal en vangt ze in menigte in engmazige -netten. Hun vleesch wordt hoog geschat. - -De oude Romeinen hechtten groote waarde aan de Zeebarbeelen, niet -slechts wegens hun kostelijk vleesch, maar ook wegens hun prachtige -kleur. Levend, in goed gesloten bakken van doorzichtig glas werden -zij in de eetzaal gebracht en aan de gasten voorgesteld, die met -belangstelling de opeenvolgende phasen van den doodstrijd dezer dieren, -hunne angstige bewegingen, de verandering van hunne in goud, zilver -en allerlei andere tinten spelende kleuren en het daaropvolgende -verbleeken van de schubben en van de kieuwen nagingen. Zoodra de -Visschen gestorven waren, werden zij zoo spoedig mogelijk naar -de keuken gebracht en toebereid. Een Barbeel, die niet levend aan -de gasten vertoond was, werd als niet frisch beschouwd. Met versch -zeewater gevulde vijvers waren noodig om deze Visschen, die dikwijls -van zeer ver aangevoerd moesten worden, te bewaren, totdat men ze -wenschte te gebruiken. Daar zij de gevangenschap slecht verdroegen, -bleven van vele duizenden slechts enkele exemplaren in 't leven. De -voor feestmalen geschikte Barbeelen waren daarom zeer duur; reeds -voor exemplaren van 1 K.G. werd zulk een hoogen prijs besteed, dat -alleen vermogende lieden dien konden betalen. Apicius gaf f600 voor -een exemplaar van 2 K.G., Asinus Celer besteedde er f800 voor. De -vischprijzen stegen tot zulk een hoogte, dat Keizer Tiberius wetten -moest uitvaardigen om deze weelde binnen zekere grenzen te beperken. De -Romeinen van dien tijd hielden den Zeebarbeel voor den uitstekendsten -van alle Visschen; tegenwoordig is van een bijzondere voorliefde voor -deze vischsoort niets meer te bespeuren. - - - -Door het ontbreken van de tanden in de bovenkaak kenmerken zich de -Echte Mullen (Mullus). Van dit geslacht, welks vertegenwoordigers -door de ouden zoo hoog geschat werden, leven twee soorten in de -Europeesche zeeën. - -De Roode Zeebarbeel (Mullus barbatus) verschilt van de volgende soort -o.a. door den bijna loodrecht afhellenden snuit en de betrekkelijk -smalle schubben. Hij is effen karmijnrood, aan de buikzijde overal -met zilveren weerschijn; de vinnen zijn geel. Lengte ongeveer 30 c.M. - -De Koning van den Poon, ook wel Barbeel, Groote Barbeel en Koning -van den Haring genoemd (Mullus surmuletus), wordt door sommigen voor -het wijfje van den vorigen vorm gehouden. Hij is met groote schubben -bekleed, die ongeveer 10 overlangsche reeksen vormen; op die van de -zijdestreep merkt men een figuurtje op, dat aan een vertakt boompje -herinnert. De licht anjelier-roode kleur wordt onder de zijdestreep -door 3 of 4, vooral in den tijd van 't kuitschieten zeer duidelijke, -goudgele strepen afgebroken en verkrijgt op den buik een witachtige -tint; de vinnen zijn rood, de buikvinnen en de staartvin geelachtig -rood en gewoonlijk ook met 2 gele of bruine strepen geteekend. Daar -de schubben, vooral die van den kop, licht verschuiven en zelfs -uitvallen en de daaronder gelegen huid donkerrood is, zijn vele aan -land gebrachte exemplaren rooder dan hier werd aangegeven. - -De Roode Zeebarbeel behoort in de Middellandsche Zee thuis en bewoont -hier alle plaatsen, waar de bodem leemachtig of slijkerig is; hij -komt ook langs de Fransche kust in den Atlantischen Oceaan voor, doch -wordt slechts zelden in de nabijheid van Groot-Brittannië gevangen. De -Koning van den Poon leeft eveneens in de Middellandsche Zee en is -hier op sommige plaatsen nog veelvuldiger dan de vorige soort; zijn -verbreidingsgebied strekt zich echter in den Atlantischen Oceaan verder -noordwaarts uit; hij komt zelfs in de Noordzee voor tot aan de kust -van Noorwegen en werd herhaaldelijk in de Oostzee waargenomen. Ook -aan onze kust worden nu en dan, hoewel vrij zelden, enkele exemplaren -gevangen. Veel vaker geschiedt dit aan de Engelsche kust, zoodat -deze Visch gedurende het geheele jaar, het overvloedigst echter in -de maanden Juni en Juli, op de Londensche markt wordt gebracht. Vele -exemplaren vangt men in makreelnetten dicht bij de oppervlakte der zee, -de meeste moeten evenwel van aanzienlijke diepte opgehaald worden. Bij -uitzondering komt het voor, dat Engelsche visschers hen in het Kanaal -en zelfs in de Noordzee in zeer grooten getale buit maken: in de -Weymouth-baai op 8 Augustus 1819 ongeveer 5000 stuks in een enkelen -nacht; uit Yarmouth werden in Mei 1851 in één week 10.000 van deze zoo -gezochte Visschen naar Londen ter markt gebracht. In Italië vangt men -beide soorten van Zeebarbeelen gedurende het geheele jaar met netten, -fuiken en ook met hengels en lijnen, die met staarten van kreeften als -lokaas worden voorzien. Daar de gevangen exemplaren spoedig bederven, -is men gewoon ze dadelijk in zeewater te koken en zóó met meel te -bestrooien, dat zij door een korst van deeg omgeven zijn; op deze -wijze toebereid, worden zij verzonden: dezelfde voorzorgsmaatregelen -werden reeds voor eeuwen toegepast. Het voedsel van de Zeebarbeelen -schijnt uit zachtschalige Schaaldieren en verschillende Weekdieren te -bestaan; bij het opsporen van dezen buit hebben zij waarschijnlijk -veel dienst van de beide kindraden, die in den toestand van rust, -recht naar achteren gestrekt, in een sleuf tusschen de beide takken -van den onderkaak verborgen zijn. Het kuitschieten heeft plaats in -het voorjaar; in October hebben de jongen reeds een lengte van 12 -c.M. bereikt. - - - -Zeebrasems (Sparidae) noemt men een pl.m. 160 soorten omvattende -familie van Zeevisschen, die de volgende kenmerken gemeen hebben: -de romp is langwerpig en sterk zijdelings samengedrukt, op den snuit -en de kaken naakt, overigens met tamelijk groote, aan den achterrand -getande, dunne schubben bekleed. Er is slechts één rugvin; deze komt -uit een groeve te voorschijn en wordt voor de helft door stekels, -voor de helft door gelede vinstralen gesteund; de borstvinnen zijn -spits, de staartvin is gevorkt. Hunne tanden zijn soms borstelachtig, -soms scherp, spits kegelvormig en voor 't grijpen geschikt, soms stomp -en tepelvormig afgerond, soms breed en beitelvormig als de snijtanden -van den mensch. - -De Zeebrasems zijn in nagenoeg alle zeeën vertegenwoordigd, -verscheidene soorten komen op sommige plaatsen in zeer grooten getale -voor. Zij voeden zich met Schelp- en Schaaldieren of zeeplanten; -eenige maken ook wel jacht op kleine Visschen. Sommige worden als -spijs hoog geschat, andere weinig geacht. - - - -Echte planteneters zijn de Boga's (Box), langwerpige Visschen met -kleinen bek en groote oogen, welker belangrijkste kenmerk gelegen is -in hun gebit, dat uit slechts één reeks van platte tanden met scherpen, -snijdenden, gekerfden rand bestaat. - -De Boga der Provençalen (Box vulgaris) wordt ongeveer 40 cM. lang en is -op groenachtig gelen, aan de buikzijde zilverachtig glinsterenden grond -met 3 of 4 goudkleurige, overlangsche strepen en in den regel ook met -een zwartbruinen vlek onder den oksel van de borstvin geteekend. De -rugvin, buikvinnen en aarsvin zijn geel, de groenachtige borstvinnen -en de staartvin gewoonlijk met een geelachtigen zoom omgeven. - -De Boga is een van de meest gewone visschen der Middellandsche -Zee, maar komt ook in de nabijheid van Madera in grooten getale -voor; voorts ziet men hem veel aan de kusten van Portugal en van -noordwestelijk Spanje, van waar hij soms, hoewel zelden, naar de -kust van Groot-Brittannië afdwaalt. Bij de zuidkust van Frankrijk -verschijnt hij tweemaal per jaar om kuit te schieten en biedt dan -aan de visschers gelegenheid tot een rijken vangst; zijn vleesch is -echter niet bijzonder gezocht. Bij de Fransche visschers bestaat het -gebruik om hunne scheepjes te versieren met zilveren plaatjes, die -dezen Visch voorstellen; hiertoe heeft zijn fraaie kleur vermoedelijk -aanleiding gegeven. - - - -Bij de Geitbrasems (Sargus) zijn de voortanden op één reeks geplaatst -en gelijken op snijtanden; verder achterwaarts komen aan de randen -der kaken twee of meer reeksen van knobbelvormige maaltanden van -ongelijke grootte voor; het geheele gebit doet eenigszins aan dat -van de Herkauwers denken. - -De Schaapsbrasem, de Sheepshead der Anglo-Amerikanen (Sargus ovis), -is een zeer smakelijke Visch van 50 à 60 cM. lengte, die aan de -Atlantische kust van Noord-Amerika, bij Nieuw-York o.a., veel gevangen -wordt. Zijne snijtanden herinneren aan die van een Schaap. De romp -is zilverkleurig met 6 of 7 breede, donkere dwarsbanden over den rug -en de zijden; de vinnen zijn zwartachtig. - - - -De Goudbrasems (Chrysophrys) hebben voor in den bek kegelvormige -tanden, daarachter maaltanden met afgeronde spits, die minstens op -3 reeksen geplaatst zijn. - -De Dorade of Goudbrasem, de Aurata der ouden, de Orada der Italianen -(Chrysophrys aurata), die 30 à 40, bij uitzondering 60 cM. lang en 4 à -8 KG. zwaar wordt, onderscheidt zich door prachtige kleur en sierlijke -teekening. De zilvergrijze grondkleur, die een groenachtigen weerschijn -heeft, wordt op den rug donkerder en op de buikzijde zilverglanzig; -een langwerpig ronde, verticaal gerichte, goudkleurige vlek versiert -het kieuwdeksel, een goudgele streep het voorhoofd tusschen de oogen; -de zijden prijken met 18 à 20 overlangsche strepen van dezelfde kleur; -de rugvin is blauwachtig, bij de spitsen der stekels met bruine, -overlangsche strepen, de aarsvin blauwachtig, de staartvin zwart; -de borst- en buikvinnen zijn violet. - -Aan alle kusten van de Middellandsche Zee en aan de Afrikaansche kusten -van den Atlantischen Oceaan, van Gibraltar tot aan de Kaap de Goede -Hoop, behoort de Goudbrasem tot de meest gewone verschijningen; verder -noordwaarts ontmoet men hem zeldzamer, hoewel herhaaldelijk exemplaren -van deze soort op de Engelsche kust gevangen zijn; misschien was een te -Scheveningen gevangen Visch, waarvan Gronovius melding maakt, eveneens -een Goudbrasem. Volgens Rondelet verlaat hij de kust niet, dringt -zelfs door in de zoutwater-moerassen, die met de zee in gemeenschap -staan en wordt hier in korten tijd zeer vet. Duhamel verhaalt, dat -dit dier op ondiepe plaatsen met den staart het zand in beweging -brengt om de hierin verborgen Schelpdieren bloot te leggen. Op deze -maakt hij ijverig jacht; 't stukbijten van de schelpen veroorzaakt -een voor de visschers waarneembaar gedruisch. De juistheid van deze -mededeeling blijkt uit hetgeen men bij gevangene exemplaren heeft -opgemerkt. Hoewel deze ook Wormen aten, gaven zij toch duidelijk de -voorkeur aan Schelpdieren, vooral aan Gewone Mossels. - -Een felle koude wordt voor den Goudbrasem noodlottig; bij 't naderen -van den winter zoekt hij daarom zijn heil in de diepte en vermijdt -angstvallig alle ondiepe plaatsen; exemplaren, die door een onverwacht -vroeg invallende vorst verrast worden, bezwijken, naar men zegt, -altijd. - -Aan de Fransche kust vangt men dezen Visch gedurende het geheele jaar -hetzij met netten of met den hengel; als lokaas dienen Mossels of, -zoo deze ontbreken, Kreeften of stukken van Tonijnen. Ten tijde van -de Romeinen werden Goudbrasems in diepe vijvers met zorg gekweekt; -volgens Martens geschiedt dit ook thans nog in Venetië. - - - -Door hunne hekelvormige voortanden en de op 2 of meer rijen geplaatste, -kleine achtertanden verschillen de Zeebrasems i. e. z. (Pagellus) -van hunne reeds genoemde verwanten. - -De Noordsche Zeebrasem (Pagellus centronotus) is op den rug grijsbruin -met roodachtige tint, op den kop donkerbruin, op de zijden zilvergrijs; -het voorste deel van de zijdestreep is met één of meer zwartbruine -vlekken geteekend; hieraan herkent men deze soort ook dan, als haar -kleur rozerood is met zilverachtigen glans, gelijk soms voorkomt. De -rugvin en de aarsvin zijn bruinachtig, de borstvinnen en de staartvin -roodachtig, de buikvinnen lichtgrijs. - -Deze in de Middellandsche Zee zeer gewone Visch komt geregeld ook aan -de kusten van West- en Noord-Frankrijk, van Engeland en van andere -langs de Noordzee gelegen landen voor. Het kan wel zijn, dat deze -soort oorspronkelijk uit het zuiden afkomstig is; zij is echter thans -voor goed in de Noordzee gevestigd. "Aan de westkust van Engeland," -zegt Couch, "ziet men den Zeebrasem gedurende het geheele jaar, -het veelvuldigst echter in den zomer en in den herfst, daar hij zich -verschuilt, als de koude naakt. Het kuitschieten heeft in het begin -van den winter en in diep water plaats; in Januari vond men jongen -(Chads) van ongeveer 2 cM. lengte in de maag van groote Visschen, -die op een afstand van 2 zeemijlen van de kust gevangen werden. In -den loop van den zomer hebben zij een lengte van 12 cM. bereikt en -verschijnen in tallooze menigte aan de kust, ook in de havens en happen -tot groot vermaak van de hengelaars gretig naar ieder lokaas. Zij -eten trouwens volstrekt niet uitsluitend dierlijke stoffen, maar -verslinden ook groen zeegras, dat zij met hun eigenaardig gebit -gemakkelijk kunnen afbijten." - -Voor de keuken wordt de Noordsche Zeebrasem niet bijzonder geacht. Van -het vangen van dezen Visch aan onze kust zijn slechts twee gevallen -bekend. - - - -De Drakenkoppen of Zeeduivels (Scorpaenidae) zijn voor 't meerendeel -leelijke of althans vreemdsoortige Visschen met zijdelings -samengedrukten kop en zwakke, borstelvormige tanden; verscheidene -beenderen van den kop, vooral het voordekselbeen (aan den achterrand) -en het eigenlijke dekselbeen dragen lange stekels. De romp is -langwerpig en zijdelings samengedrukt. - -De Godenvisschen (Sebastes) missen de afschrikwekkende gestalte van -hunne verwanten; zij komen in vorm nog het meest met een Zeebaars -overeen; hun kop is middelmatig groot en (met uitzondering van de -wangen, de kieuwdeksels, de voordeksels en het achterhoofd, die -steeds geschubd zijn) soms geschubd, soms met korrelige, op doornen -gelijkende oneffenheden bekleed, soms naakt; het onderoogkasbeen is -echter steeds met stekels gewapend. - -De Bergilt of Padvisch (Sebastes norwegicus) wordt 50 à 60 cM. lang; -zijn prachtige, effen karmijnroode kleur wordt naar de rugzijde -allengs bruinachtiger, naar de buikzijde bleeker. Deze Visch, -welks naaste verwant (Sebastes imperalis) tot de fauna van de -Middellandsche Zee behoort, leeft uitsluitend in 't hooge noorden, -150 à 200 M. beneden de oppervlakte der zee. Aan de bewoners van de -kuststreken van Skandinavië, IJsland en Groenland is hij sinds lang -bekend; reeds in de Edda wordt melding van hem gemaakt. Zijn voedsel -bestaat uit Visschen en Schaaldieren. De voortplanting heeft in de -lente plaats. Het zijn echter niet de zorgen voor de nakomelingschap, -die deze dieren noodzaken de veilige diepten te verlaten en de -visschers in staat stellen hen te vangen; het meest geschiedt dit -na hevige stormen, die de bewoners van alle waterlagen in beroering -brengen en althans den Bergilt schijnen te nopen zich snel naar boven -te begeven. Het gaat hem dan als de van groote diepten opgehaalde -Baarzen: de zwemblaas zet zich plotseling uit, perst de maag door -de mondopening naar buiten en maakt de ademhaling onmogelijk. Op -Groenland en IJsland worden na een storm honderden van deze Visschen -op het strand gespoeld; de inboorlingen zoeken ze op en gebruiken -ze meestal in verschen toestand. De scherpe graten bewijzen aan de -Groenlanders den dienst van naalden. Enkele malen zijn exemplaren -van deze soort in de Noordzee bij de Engelsche kust waargenomen. - - - -De Drakenkoppen i. e. z. (Scorpaena) hebben een min of meer -langwerpigen, zijdelings weinig samengedrukten romp; de groote kop -is slechts op weinige plaatsen met schubben bedekt en onderscheidt -zich door een trogvormig uitgehold voorhoofd en een naakte -groeve op de kruin. Hun groote, breede, meestal scheeve bek is -met hekel- of fluweelachtige tanden voorzien, die aan de onder- -en tusschenkaaksbeenderen en op het ploegschaarbeen steeds, op -de gehemeltebeenderen niet altijd voorkomen. De kop is met vele, -naar verschillende zijden gerichte doornen en stekels gewapend, de -romp met middelmatig groote schubben bekleed. Vliezige aanhangsels -van verschillende gedeelten van den kop en den romp verhoogen nog -den onbehaaglijken indruk, dien deze dieren maken. Zij hebben geen -zwemblaas. - -De Zeepad (Scorpaena porcus) is in de Middellandsche Zee en den -Atlantischen Oceaan niet zeldzaam, op sommige plaatsen zelfs zeer -veelvuldig; zij bereikt een lengte van 20 à 25 cM. en is op bruinen -(nader bij den buik rozeroodachtigen) grond met talrijke marmervlekken -geteekend. - -Tusschen steenen en klippen, waar zij door hun kleur en door de op -wieren gelijkende vliezige huidaanhangsels volkomen onzichtbaar zijn, -loeren de Drakenkoppen bewegingloos op de voorbijzwemmende Visschen, -komen plotseling uit hun schuilhoek te voorschijn en grijpen hun -prooi. Behalve Visschen, verslinden zij ook Schaaldieren en allerlei -Wormen. Waarschijnlijk beschermen hun verborgen levenswijze en hunne -wapens hen tegen vele vijanden. Door de ouden werden zij voor vergiftig -gehouden; met hunne stekels kunnen zij den mensch echter wel pijnlijke, -maar geen gevaarlijke wonden toebrengen. In een aquarium houden zij -zich goed en wekken belangstelling door hunne kleurveranderingen, -die hen steeds weinig doen afsteken bij hun omgeving. - - - -Tot de prachtigste bewoners van den Indischen Oceaan behooren de -Vleugelpoonen (Pterois). De Nederlanders op de Molukken noemen een -der meest bekende vertegenwoordigers van dit geslacht Kalkoenvisch -(Pterois volitans). Hij is 10 à 30 cM. lang; zijn gewicht kan tot 1 -KG. stijgen. Zijn kleur is prachtig. De roodbruine of donkerbruine -grondkleur van den romp wordt afgebroken door omstreeks 22 nagenoeg -gordelvormige, rozeroode strepen, die op sommige plaatsen breeder -zijn dan de haar scheidende, donkere banden, meestal twee aan twee -tot elkander naderen, als 't ware paren vormen en op den kop een -schuinsche richting aannemen. Op de kin en de keel ziet men bruine -golflijnen op donkeren grond, boven den wortel der borstvinnen -bevindt zich een rondachtige, krijtwitte vlek. De borstvinnen zijn -grauwzwart met lichtere wolkjes, over hare stralen zijn roodachtige -vlekken regelmatig verdeeld, de binnenzijde is zwart en met krijtwitte -vlekken getooid; de buikvinnen zijn bruinzwart en aan weerszijden -wit gevlekt; op de stralen van de rugvin wisselen rozeroodachtige -en zwarte ringen elkander af; de daartusschen gelegen vliezen zijn -op zwarten grond roodachtig gestreept, de overige vinnen bleekgeel -en zwart getijgerd, de aanhangsels aan den kop zwart, rood en wit -gemarmerd en geringd. Door het oog loopen, bij wijze van de spaken -van een wiel, lichte en bruine strepen. - -Het verbreidingsgebied van den Kalkoenvisch is zeer uitgestrekt: het -reikt van de geheele Oost-Afrikaansche kust tot Australië; hier wordt -hij overal veelvuldig aangetroffen. Aanvankelijk hield men hem voor -een vliegenden Visch; het is echter gebleken, dat zijne gespletene -borstvinnen voor het vliegen volstrekt niet geschikt zijn. Hij behoort -niet tot de snelle zwemmers, maar houdt zich bij voorkeur op in kloven -van het gesteente, onder overhangende klippen en in de putvormige -ruimten tusschen de koraalriffen. Een prachtig schouwspel is het, -dezen Visch met langzame bewegingen van de lang uitgebreide, bonte -vinnen te zien zwemmen. De wonden, die hij met zijne vinstralen kan -veroorzaken, worden zeer gevreesd. - -Een van de leelijkste Visschen is, volgens Günther, de Toovervisch -of Laff (Synanceia verrucosa), die door de Arabische visschers even -vergiftig wordt geacht als de Adder. Hij is van de Roode Zee tot aan -de Stille Zuidzee verbreid. "Bedekt met een slappe, wrattige huid, -die de lichaamsdeelen zoo bedekt, dat men ze op 't eerste gezicht -bijna niet onderscheiden kan, ziet hij er veeleer uit als een der -Naaktkieuwige Weekdieren, die met hem dezelfde zee bewonen. De -kleine oogen zijn, evenals de bek, naar boven gericht; daar het -dier altijd op den bodem blijft en bedolven in het zand of slijk op -buit loert. De rugstekels zijn dik, scherp als naalden, ieder met -een diepe groeve voorzien en omhuld door een dikke, slappe huid, -die aan iedere stekelspits in eenige breede franjes uitloopt. De -zeer groote, afgeronde borstvinnen dienen als een soort van spade, -waarmede dit dier zich schielijk in het zand begraaft. De zeer sterk -varieerende kleur, meestal een mengelmoes van alle schakeeringen van -bruin, rood, grijs, geel en wit, harmonieert zoozeer met die van de -omgeving, dat het moeite kost hem te vinden." Het grootste exemplaar, -dat door Günther gezien werd, was 40 cM. lang. - -De Toovervisschen liggen, tusschen steenen en zeegras verborgen, -onbewegelijk op den bodem; in den regel bemerkt de in 't water wadende -visscher hun aanwezigheid eerst, als hij op zulk een dier den voet zet -en dit, plotseling oprijzend, hem met de stekels een uiterst pijnlijke -wonde toebrengt. Nu vloeit, zoodra van buiten een drukking op een -der rugstekels wordt uitgeoefend uit een eivormige blaas door de -groeve, waarmede het wapen voorzien is, gif in de wonde. "De hierdoor -veroorzaakte pijn," zegt Klunzinger, "houdt verscheidene uren aan en is -heviger dan die van een scorpioensteek, gelijk mij bij eigen ervaring -gebleken is. Men verhaalt, dat vele personen na zulk een steek in -onmacht zijn gevallen en zelfs, dat een sterfgeval er het gevolg van -is geweest; misschien moet dit niet onmiddellijk aan de werking van -het gif toegeschreven worden, maar aan de verkeerde behandeling van -de wonde, die door koudvuur aangetast werd." Dat de Toovervisch een -zeer gevaarlijk dier is, wordt bevestigd door de uit lateren tijd en -van Polynesië afkomstige mededeelingen van Wyatt Gill. "Het voorkomen -van dezen Visch, van den No'oe, is zoo afkeerwekkend, dat men het niet -licht weer vergeet. Wanneer hij op Purperkoralen ligt, zal zelfs de -scherpzichtigste waarnemer hem voor een stuk koraal houden. Dit kan des -te eerder gebeuren; omdat de kop en de rug van volwassen exemplaren -gewoonlijk met wieren bedekt zijn. Wee iederen kleinen Visch, die in -zijn nabijheid komt! de bliksemsnelle aanval van den roover geschiedt -zelden tevergeefs. De naar Schaaldieren zoekende handen, de bloote -voeten van den achter het net loopenden visscher komen soms toevallig -met den No'oe in aanraking: een verschrikkelijke pijn is hiervan het -gevolg. De inboorlingen vangen den No'oe dikwijls aan den hengel. Om -hem van den haak los te maken, vatten zij hem gewoonlijk bij de -onderkaak aan, daar dit de eenige ongevaarlijke plaats is. Drie -inboorlingen van Aitoetaki hebben gedurende mijn verblijf in deze -streek het leven verloren door toevallig op een No'oe te trappen, -hoewel alle mogelijke moeite in 't werk gesteld werd om de werking -van het gif onschadelijk te maken. Merkwaardigerwijs levert de No'oe, -nadat de stekels en de huid zorgvuldig verwijderd zijn, een uitmuntend -gerecht. Deze gevaarlijke Visch is in de Stille Zuidzee en in den -Indischen Oceaan ver verbreid; onze zendelingen hebben hem aan de -kust van Nieuw-Guinea gegeten." - - - -Daar het bestek van dit werk niet toelaat, van alle onderorden -voorbeelden te noemen volgt hier de vijfde groep van dezen rang op -die der Baarsvisschen. - -De onderorde der Ombervisschen (Sciaeniformes) omvat slechts één -gelijknamige familie (Sciaenidae). Hare leden komen in gestalte veel -met de Baarzen overeen, meestal echter met dit verschil, dat hun aan -'t voorhoofd sterk gewelfde kop een weinig vooruitstekenden snuit -heeft. In het gebit is hun meest in 't oog vallend en belangrijkst -kenmerk gelegen: de ploegschaar en gehemeltebeenderen zijn altijd -tandeloos. Hun zwemblaas vertoont meestal merkwaardige vertakkingen. - -Daar alle Ombervisschen de zee bewonen, is ons nog zeer weinig van hun -levenswijze bekend. Over 't algemeen schijnt het, dat zij ook in dit -opzicht op de Baarzen gelijken, maar in den regel minder roofgierig en -vraatzuchtig zijn, althans meer dan de Baarzen van een kleinen buit, -van Ongewervelde dieren, gebruik maken. - - - -"In April 1860," verhaalt Präger, "lagen wij op den Pontianak (of -Kapoeas), den grootsten stroom van Borneo's westkust. Hier hoorden -wij ten tijde van den vloed volkomen duidelijk muziek, nu eens -hooger, dan weer lager, soms veraf, soms naderbij. De tonen kwamen -uit de diepte als Sirenengezang, soms geleken zij op volle, krachtige -orgeltonen, soms op de zachte geluiden van een Aeolusharp. Zij worden -het duidelijkst gehoord, als men het hoofd in 't water houdt; men -onderscheidt dan zeer goed verscheidene gelijktijdig weerklinkende -stemmen. Deze muziek wordt, naar de inboorlingen verhalen en -zorgvuldige onderzoekers bevestigen, door Visschen voortgebracht." - -De hier bedoelde toonkunstenaars zijn de zoogenaamde Trommelvisschen -(Pogonias), die in verschillende zeeën, vooral echter in den -Atlantischen en den Indischen Oceaan voorkomen en zeer goed -waarneembare geluiden laten hooren. In de nabijheid van de -Noord-Amerikaansche kust heeft men herhaaldelijk Trommelvisschen -aangetroffen en de soort, tot welke zij behooren, goed kunnen -onderscheiden. Zij zwemmen bij troepen langzaam en gelijkmatig rond en -verzamelen zich gaarne om de schepen, zoodat, vooral in stille nachten, -hun muziek duidelijk en onverpoosd waargenomen kan worden. Hoe zij -deze tonen voortbrengen, is niet bekend; men vermoedt echter, dat de -groote en dikke tanden, die de bovenste en de onderste keelbeenderen -bedekken, hierbij een rol spelen. Daar sommige berichtgevers ook -spreken van een trillende beweging van het schip, acht A. Günther het -niet onaannemelijk, dat de Visschen het bedoelde gedruisch veroorzaken -door met den staart tegen het hol van het schip te slaan en dat zij -dit doen met het doel om zich van parasieten te bevrijden. - -"Gedurende drie stille nachten (in Maart en April)," schrijft -Pechuel-Loesche van de Loango-kust, "terwijl wij ons binnen het bereik -van den Guineastroom, op grooten afstand van het strand en van het -geloei der "calema" (of branding) bevonden, hoorde ik de zoogenaamde -Trommelvisschen. Het eigenaardige gedruisch, dat zij voortbrengen, -is anders dan dat van den grooten Amerikaanschen Trommelvisch, maar -niet minder luid. Ik moet erkennen, dat dit gedruisch mij nooit is -voorgekomen als een muziekaal geluid; zelfs de veel helderder klinkende -tonen van den nog onbekenden Trommelvisch van de Zuidzee maakten op mij -niet dezen indruk. Het heeft geen spoor van overeenkomst met orgel-, -klok- of harpgeluiden, maar klinkt hierom niet minder vreemd. Als men -het zeer scherp wil onderscheiden, moet men het oor stijf tegen het -scheepsboord drukken. Beter is het, in een boot te gaan, een breede -roeiriem in het water te steken en hiervan het vrije uiteinde met de -tanden te omvatten. Het best evenwel bereikt men het beoogde doel door -dadelijk het hoofd tot over de ooren onder water te houden--natuurlijk -rugwaarts, daar men anders niet zou kunnen ademen. Het donkere water -brengt dan uit alle richtingen een bonte mengelmoes van knorrende -en brommende klanken naar het oor van den waarnemer; hiermede gaat -een eigenaardig geknars en geratel gepaard, ongeveer zooals door -de bewegingen der Langoesten wordt voortgebracht. Dit eigenaardige -gedruisch is voor geen beschrijving vatbaar; het is bijna niet mogelijk -er door vergelijkingen een denkbeeld van te geven; het meest gelijkt -het nog op het "schroten" der Paarden voor den gevulden voerbak. De -geluiden, die ieder afzonderlijk onopgemerkt zouden kunnen blijven, -worden zeer duidelijk waargenomen, doordat zij in zoo grooten getale te -gelijk weerklinken. Zonder tusschenpoozen, dof, bijna huiveringwekkend -stijgen zij van alle kanten uit de diepte op, uren achtereen, gedurende -den geheelen nacht. Het zooeven gezegde heeft meer bepaaldelijk -betrekking op den Trommelvisch van de Loango-kust. Het geluid van -den Amerikaanschen Trommelvisch (Pogonias chromis), dat vooral in de -nabijheid van de Antillen en van Florida en in de Karaïbische Zee wordt -opgemerkt, klinkt helderder en herinnert aan gorgelen en klokken; dat -van den Trommelvisch der Zuidzee heeft nog de meeste overeenkomst met -een samenstel van klanken, die, van dichtbij en uit de verte komend, -samensmelten tot een gegons, dat, in 't eene oogenblik zich verheffend, -in 't andere weer verflauwend, niet van welluidendheid ontbloot is." - -De Amerikaansche Trommelvisch, de Drumfish der Anglo-Amerikanen -(Pogonias chromis), bereikt een lengte van 1 à 1.5 M. en een gewicht -van 40 à 60 KG. Zijn roodachtig loodgrijze kleur heeft op de bovenzijde -een zwarte tint en is in de okselstreek met donkere vlekken geteekend; -de vinnen zijn roodachtig. Ongeveer 20 baarddraden hangen aan de -onderkaak. Deze Visch komt vooral in het westelijk deel van den -Atlantischen Oceaan voor. - - - -De even fraaie als smakelijke Corvo of Umbrine (Umbrina cirrhosa) -draagt een wrat aan de onderkaak; hieraan heeft zijn geslacht -(Umbrina) den naam van Wratvisschen te danken. Op fraai lichtgelen -grond is hij geteekend met scheef van onderen en voren naar boven en -achteren loopende, overlangsche lijnen, die aan de zijden zilverwit, -in de rugstreek echter blauw zijn; de buik is wit, de eerste rugvin -bruin, de tweede rugvin op bruinen grond van een witte streep en een -witten zoom voorzien; de borstvinnen en de buikvinnen en de staartvin -zijn zwart, de aarsvin is rood. De lengte van dezen Visch kan 66 cM., -zijn gewicht 10 à 15 KG. en meer bedragen. - -In alle landen om de Middellandsche Zee schat men dezen -voortreffelijken Visch zeer hoog, minder om zijn prachtige kleur dan -wegens zijn uitmuntend wit en hoogst smakelijk vleesch. Hij leeft -op middelmatige diepte, geeft de voorkeur aan een slijkerigen grond, -zwemt hoogst sierlijk, voedt zich met kleine Visschen, Weekdieren en -Wormen en eet, naar men zegt, ook zeegras; het kuitschieten heeft -in Juni en Juli plaats. Men vangt hem gedurende het geheele jaar, -vooral in de nabijheid van rivieren en het meest wanneer een onweer -het rivierwater troebel heeft gemaakt. - - - -De reuzen der familie, de Ombervisschen i. e. z. (Sciaena), kenmerken -zich door een langwerpigen romp met twee rugvinnen; het vinvlies van -de eerste is diep uitgesneden om de spitsen der stekels vrij te laten; -de achterrand van het voordeksel is getand, het achterdeksel loopt -in een punt uit. Bij de meeste leden van dit geslacht is de voorrand -van iedere kaak met een reeks van betrekkelijk groote, puntige en -gekromde tanden gewapend, waartusschen in de onderkaak en waarachter -in de bovenkaak fluweelachtige tandjes voorkomen. Echte grijptanden -zijn bij geen dezer Visschen aanwezig; de onderkaak draagt geen -baarddraden. De zwemblaas is zeer samengesteld; bij sommige langs -den geheelen omtrek met franjevormige aanhangselen voorzien. - -Dit geslacht omvat een groot aantal soorten; slechts enkele komen -aan de Europeesche kusten voor; de meeste behooren in de heete -luchtstreek thuis en bewonen gedeelten van den Atlantischen en den -Indischen Oceaan, voorts de kusten van Californië en van Australië; -ook in zoetwater (in rivieren en meren van de Vereenigde Staten en -van Oost-Indië) worden eenige soorten aangetroffen. - -De Ombervisch, door onze visschers gewoonlijk (evenals Labrax lupus) -Zeebaars, door de Franschen Maigre, door de Italianen Ombra genoemd -(Sciaena aquila), stond bij de ouden in hoog aanzien (vooral de kop -werd als een kostelijk gerecht beschouwd); zijn vleesch, hoewel grof, -is aangenaam van smaak. Aan de kusten van Italië, vooral op slijkerigen -grond en meer bepaaldelijk bij den mond der rivieren, is hij volstrekt -niet zeldzaam. Gewoonlijk vindt men hem hier in troepen; als zulk een -school voorbijzwemt, hoort men een luid klinkend gedruisch, dat bijna -den naam brullen verdient; het klinkt veel krachtiger dan het geknor -der Poonen en is, naar men zegt, ook dan nog hoorbaar, als de Visschen -zich op een diepte van 10 à 12 cM. onder den waterspiegel bevinden. Op -dit geluid gaan de visschers af; met het oor tegen den rand der -boot trachten zij de plaats te vinden, waar het ontstaat. Groote -Ombervisschen zijn zoo sterk, dat zij, naar men zegt, door een slag -met den staart een mensch ter aarde kunnen werpen; om ongelukken te -voorkomen, worden zij daarom onmiddellijk na de vangst gedood. In de -Middellandsche Zee beschouwt men deze Visschen als voorboden van de -komst der Sardijnen (Ansjovis), waaruit valt af te leiden, dat zij -jacht maken op deze kleinere zeebewoners. - -De Ombervisch bereikt soms een lengte van meer dan 2 M. en weegt -dan meer dan 50 KG. Zijn glanzig zilverwitte kleur heeft op den rug -een lichtbruine tint en zweemt op den buik naar wit; de vinnen zijn -roodbruin: de borst- en buikvinnen meer roodachtig, de overige vinnen -meer bruinachtig; van de 9 stralen der aarsvin is alleen de voorste -hard. Behalve in de Middellandsche Zee komt deze soort, hoewel in -kleinen getale, ook bij de noordkust van Frankrijk en de kusten van -Engeland voor; van tijd tot tijd dwalen enkele exemplaren naar de -Noordzee af; ook aan onze kust worden zij soms gevangen. Van Bemmelen -noemt 7 exemplaren op, die tusschen de jaren 1835-1865, alle in de -maanden Juli tot September, door onze visschers werden buit gemaakt: -een daarvan woog 43 KG., had een lengte van 1.65 M. en aan den buik -een omtrek van 1.07 M. - - - -De leden van het ondergeslacht der Raafvisschen (Corvina) hebben -in de onderkaak uitsluitend borstelige, geen grootere tanden; de 2 -voorste stralen van de aarsvin zijn ongeleed. - -De Raafvisch (Sciaena nigra) die 50 cM. lang en 3 KG. zwaar kan worden -dankt dezen naam aan zijn eigenaardige donkerbruine kleur, welke naar -de buikzijde (zooals gewoonlijk) bleeker wordt en hier door zilvergrijs -vervangen is. Terwijl deze Visch uit het water wordt gehaald, -vertoont zijn buik, naar men zegt, een goudgele tint met purperen -weerschijn. De algemeene kleur wordt voortgebracht door een groot -aantal kleine, donkere vlekken op iedere schub. De vinnen zijn bruin, -de aarsvin en de staartvin zwart met een nog iets donkerder zoom. - -De Raafvisch komt in de Middellandsche Zee en ook bij de Kanarische -Eilanden overal veelvuldig voor; hij wordt veel gevangen en ter markt -gebracht, maar als spijs niet bijzonder geacht. Zijn voedsel bestaat -uit kleine Schaaldieren en wieren. Het kuitschieten heeft in het -voorjaar plaats op den met grind bedekten bodem van het kustwater. - - - -Ook de zesde onderorde van de Stekelvinnigen--de Zwaardvisschen -(Xiphiiformes)--bestaat uit slechts één gelijknamige familie -(Xiphiidae), waarvan ± 15 soorten beschreven zijn. De romp van deze -Visschen is lang, een weinig zijdelings samengedrukt, van achteren -bijna rond. De bovenkaak is verlengd tot een zwaard, tot een breede, -naar voren slechts weinig smaller wordende, tamelijk stomp eindigende, -aan den rand scherpe en fijngetande plaat, die ver voorbij de spits van -de onderkaak uitsteekt en vooral door de sterke ontwikkeling van het -ploegschaarbeen en van de tusschenkaaksbeenderen wordt gevormd. De -buitenste, zeer stevige beenlaag omsluit een cellige beenmassa; -zij bevat, behalve talrijke, kleine holten, ook vier buizen, waarin -groote bloedvaten voorkomen. De mondspleet reikt tot ver achter de -groote oogen. De tanden ontbreken bij het volwassen dier of zijn zeer -onbeduidend. Van de schubben geldt hetzelfde. De samenstelling der -kieuwen is eigenaardig, doordat de kieuwplaatjes aan iederen kieuwboog -niet eenvoudig als de tanden van een kam naast elkander geplaatst, -maar door dwarsplaatjes verbonden zijn; de oppervlakte der kieuw -gelijkt dus eerder op een net dan op een kam. - - - -Bij de Zwaardvisschen i. e. z. (Xiphias) is het voorste deel van -den romp krachtiger gebouwd dan bij hunne naaste verwanten. Bij jonge -exemplaren ziet men slechts één, vooral aan haar voorste einde tamelijk -hooge rugvin, die boven de kieuwdeksels begint en op vrij geringen -afstand van het achterste lichaamsuiteinde ophoudt; de aarsvin is -lager dan de rugvin, maar strekt zich achterwaarts nagenoeg even -ver uit. Mettertijd slijten deze beide vinnen gedeeltelijk af; van -beide blijft slechts het voorste en het achterste stuk over; de beide -achterste vinnen zijn buitengewoon klein; aan de voorste zijn de eerste -stralen buitengewoon lang, de achterste daarentegen zeer kort. De -voorste rugvin en de voorste aarsvin zijn hierdoor halvemaanvormig; -de buikvinnen worden met een sikkel vergeleken. De tanden zijn -reeds bij de jonge Visschen zoo klein, dat men ze ternauwernood kan -onderscheiden; op lateren leeftijd verdwijnen zij geheel. - -Bij de Zeilvisschen (Histiophorus) bemerkt men van het afslijten der -voorste rugvin niets; zij verheft zich als een zeil of een waaier boven -den rug; de lengte van hare stralen overtreft de middellijn van den -romp, die van voren niet bijzonder verdikt is, minstens 3 of 4-maal; -tusschen hare laatste stralen en die van de achterste rugvin bestaat -nagenoeg geen scheiding; twee lange, draadvormige buikvinnen zijn -aanwezig; de aarsvin is naar verhouding veel grooter dan bij de Echte -Zwaardvisschen en bovendien meer halvemaanvormig ontwikkeld. Kleine -tandjes zijn ook bij het volwassen dier aanwezig. Als voorbeeld -van dit 6 soorten omvattende geslacht, noemden wij den 6 M. langen -Zeilvisch (Histiophorus gladius), die den Indischen Oceaan en de -Stille Zuidzee bewoont. - -De Zwaardvisch (Xiphias gladius) die in bijna alle talen met een -naam van dezelfde beteekenis wordt aangeduid, is een fraai en slank -gebouwde, kolossale Visch, die geen schubben heeft, maar wiens huid -ruw aanvoelt. De kleur van de bovenzijde is warm purperblauw met een -bruinachtigen of roodachtigen weerschijn en gaat naar de buikzijde -in vuilwit, dikwijls ook in dof blauwachtig wit over, dat vaak een -fraaien, zilverachtigen glans vertoont. De vinnen zijn leikleurig -blauw met zilverachtigen weerschijn; de staart is dof zwartblauw; de -oogen zijn donkerblauw. De gemiddelde lengte bedraagt 2.5 à 3 M. en -het gewicht 150 à 200 K.G., soms komen ook exemplaren van 4 M. en -(als zeldzame uitzondering misschien) van nagenoeg 5 M. lengte voor, -welker gewicht dan tot 350 K.G. gestegen is. Een vierde à een derde -van de geheele lichaamslengte komt op het zwaard, welk gevaarlijk -wapen dit dier zeer behendig weet te gebruiken. - -Het verbreidingsgebied van den Zwaardvisch omvat een zeer groot deel -van de oppervlakte der aarde; het is nog niet mogelijk, er nauwkeurig -de grenzen van op te geven. In den Atlantischen Oceaan reikt het -ongeveer van de Shetlandsche Eilanden en van Newfoundland tot Kaap -Hoorn en Kaap de Goede Hoop, in de Stille Zuidzee van de westkust -van Zuid-Amerika en Beneden-Kalifornië minstens tot aan Nieuw -Zeeland, misschien door den Indischen Oceaan tot Mauritius, waar -de Zwaardvisch eveneens werd waargenomen. Geregeld ontmoet men hem -in de Middellandsche Zee; hij is vooral in de nabijheid van Sicilië -niet zeldzaam en wordt ook bij Genua en Nizza gedurende het geheele -jaar gevangen; dikwijls strekken zijne reizen zich in oostelijke -richting tot Konstantinopel uit. Zeer zelden werd hij aan onze kusten -waargenomen. In Sept. 1815 werd een exemplaar van bijna 3.5 M. lengte -(waarvan bijna 0.8 M. op den snavel komt) en 300 K.G. gewicht achter -Finsterwolde in den Dollart gevangen (Van Bemmelen). In den zomer -worden ook wel in de Oostzee Zwaardvisschen waargenomen; ook dwalen -zij nu en dan langs de westkust van Scandinavië tot aan de Noordkaap -af. Volgens G. Brown Goode verschijnen zij ieder jaar in het begin -van Juni in grooten getale aan de oostelijke kusten van de Vereenigde -Staten. - -Daar de Zwaardvisch zeer snel en naar verhouding van zijn grootte -ook zeer behendig zwemt, is hij in staat kleinere Visschen buit te -maken, die met verschillende soorten van Inktvisschen zijn liefste, -zoo niet zijn eenige voedsel uitmaken. In de Middellandsche zee valt -zijn rijtijd grootendeels in Juli en ontmoet men van November tot -Maart zeer jonge exemplaren. - -Volgens alle berichten uit lateren tijd zou de Zwaardvisch eigenlijk -een goedaardig en vreesachtig dier zijn, maar soms door een zonderlinge -woede en vernielzucht bevangen worden en dan op grootere zeebewoners -aanvallen; men meent deze opgewonden stemming te moeten toeschrijven -aan den last, dien allerlei woekerdieren hem aandoen. Ook zegt men, -dat de Zwaardvisch een der felste vijanden van de Tonijnen is, en -zelfs, dat deze Visschen door hem in de Middellandsche Zee en naar -de kust worden gedreven. Daar de mededeelingen in vele opzichten -met elkander in tegenspraak zijn, kan men hierover geen beslist -oordeel uitspreken. De bewering, dat de Zwaardvisch Walvisschen -aanvalt, moet met eenig voorbehoud aangenomen worden, daar hoogst -waarschijnlijk hiermede de gelijknamige Cetacee wordt bedoeld. Toch is -het duidelijk gebleken, dat de echte Zwaardvisch soms groote dieren -doorboort. Ook verhaalt men, dat dit lot overkomen is aan een man, -die in den Severn, niet ver van Worcester, aan 't baden was; daar de -schuldige onmiddellijk daarna gevangen werd, kan er geen twijfel over -zijn misdrijf bestaan. - -Niet zelden komt het voor, dat een schip door een Zwaardvisch -beschadigd wordt; in verscheidene verzamelingen vindt men stukken -hout, waarin zich nog het afgebroken zwaard van dit dier (of een stuk -daarvan) bevindt. "Den 5den Augustus 1824 werd het schip "Fortuna" -op 31° N.B. en 150° O.L. bijna in zijn middelste gedeelte door een -Zwaardvisch getroffen. Dit geschiedde met zulk een kracht, dat het -zwaard door de koperen dubbeling, de 3/4 duim dikke vurenhouten -spijkerhuid, de 3 1/4 duim dikke eiken vaste huid, een 9 duim dikke -eiken rib en de 2 1/2 duim dikke eiken wegering in het scheepsruim en -vervolgens door een 3 1/2 duim dik stuk vurenhout en een 1 duim dikke -eiken duig nog 1/2 duim in een olievat doorgedrongen was. Het zwaard -was op een afstand van 7 of 8 duim van de buitenzijde van 't schip -afgebroken en werd eerst in de haven van Talcuhanna bemerkt."--Toen in -het jaar 1725 het Engelsche oorlogsschip "Leopard" gerepareerd moest -worden, stak in het voorste deel van den romp, niet ver van de kiel -een afgebroken zwaard van een Zwaardvisch; het had de buitenste, 2.5 -cM. dikke huid en een plank van 7.5 cM. doorboord en was bovendien nog -11 cM. diep in een rib doorgedrongen.--In het houtwerk van het schip -"Priscilla" was een afgebroken zwaard 45 cM. diep ingeboord.--Uit -deze betrouwbare berichten, waaraan men nog vele andere zou kunnen -toevoegen, kan men afleiden, met welk een reuzenkracht de stoot -plaats heeft, hoe groot de snelheid moet zijn geweest, waarmede de -Zwaardvisch, zonder opzettelijk getergd te zijn, op het als doel -gekozen voorwerp toeijlt. - -Gelukkig mislukken in den regel de pogingen van den woedenden -strijder om zijn in het stevige hout stekende wapen los te maken; -gewoonlijk breekt het af; waarschijnlijk sterft het dier aan de -gevolgen dezer zelfverminking; anders zou het nog veel meer schade -kunnen aanrichten. Toch heeft het reeds menig vaartuig lek gestooten -of zelfs in den grond geboord. - -Vooral in Zuid-Italië (aan de kusten van Calabrië en Sicilië) en in de -oostelijke Vereenigde Staten (aan de kusten van Nieuw-Engeland) houdt -men zich geregeld met de vangst van den Zwaardvisch bezig. Het vleesch -van het jonge dier wordt versch gegeten, dat van het oude ingezouten. - - - -Bij de Poon- en Makreelvisschen (Cottoscombriformes), die de -8e onderorde van de Stekelvinnigen uitmaken, zijn de rugvinnen -vereenigd of zeer dicht bijeengeplaatst, de stekelige rugvin, -voor zoover aanwezig, is steeds kort, soms door tastdraden of een -hechtschijf vervangen; bij afwezigheid van de stekelige rugvin is de -weekstralige steeds lang; de aarsvin gelijkt op de weekstralige rugvin; -de buikvinnen, voor zoover aanwezig, zijn steeds borst- of keelstandig, -nooit in een hechtorgaan veranderd. Deze onderorde omvat 15 familiën, -waarvan 9 hieronder genoemd zijn. - - - -De Leervisschen (Acronuridae) hebben een zijdelings zeer sterk -samengedrukt lichaam, eivormig van omtrek, met een lederachtige huid -of met dicht opeengedrongen, geheel vastgehechte, meestal kleine -schubben bekleed; de mond is klein, de rand van beide kaken met een -enkele rij van tanden bezet; geen tanden aan het gehemelte. Alle -soorten hebben één rugvin, vele hebben een aan weerszijden met -scherpe doornen gewapenden staart. [Bij het in den Indischen Oceaan, -van Afrika tot Polynesië, voorkomende geslacht der Eenhoornvisschen -(Naseus) komt tusschen de oogen een op een hoorn gelijkend, lang, -beenig uitsteeksel voor]. Een belangrijk kenmerk van deze familie -is de samenstelling van het geraamte der rugvin en der aarsvin. De -kettinggewrichten van de eerste tusschendoornbeentjes verschillen van -die der overige Visschen in zooverre, dat de tweede straal zich met -den eersten kan verbinden. Hierdoor zijn de Leervisschen in staat -om hunne opgerichte vinnen vast te zetten; voor het neerleggen van -de vin is dan noodig, dat een spier, die zich vóór aan den tweeden -straal hecht, dezen naar voren beweegt. - -Alle Leervisschen bewonen de zeeën van den heeten aardgordel; voor -'t meerendeel leven zij in den Indischen Oceaan. Naar het schijnt, -voeden zij zich uitsluitend met wieren of andere zeeplanten. Hoewel -hun vleesch niet smakelijk wordt geacht, maken de visschers jacht op -verscheidene leden van deze familie. - - - -In de warme zeeën van beide halfronden treft men de Stekelstaarten -(Acanthurus) aan; deze onderscheiden zich door het bezit van tanden -met een rechten, snijdenden rand en van een scherpen, beweeglijken -stekel aan weerszijden van den staart, waarmede zij gevaarlijke wonden -kunnen toebrengen. Hun kleed bestaat uit kleine schubben. - -Een bekende soort van dit geslacht, door de Nederlanders in West-Indië -gewoonlijk Leervisch, door de Fransche kolonisten in Amerika -Chirurgien, Barbier en Porte-lancette, door de Engelschen Surgeon -genoemd (Acanthurus chirurgus), bereikt een lengte van 20 à 30 cM. De -donkerbruine of geelachtige huid van den romp is aan weerszijden -met verscheidene van boven naar onder gerichte, donkere strepen, -de rugvin op lichteren grond met zwartachtige lijnen geteekend; -de buikvinnen zijn zwart; de aarsvin is geelachtig met donkerder -zoom. De zeer sterk samengedrukte staartstekel heeft scherpe randen -en van achteren aan den wortel een doornvormig uitwas; hij is met het -onderliggende been door een gewricht verbonden en kan dus opgericht -en ook voorovergebogen (in een groeve of scheede geborgen) worden. - -Deze soort is, naar het schijnt, niet ver buiten de Antillen-zee -verbreid; hier echter is zij overal veelvuldig, aan alle visschers wel -bekend. De kustbewoners vreezen hem weinig minder dan een Vergiftige -Slang; de wonden, die hij met zijn stekel slaat, zijn zeer pijnlijk -en genezen niet spoedig. Met uitzondering van den Barracoeda, die -wegens zijn vreeselijk gebit de wapens van den Leervisch niet behoeft -te duchten, schuwen alle overige roofvisschen dezen gevaarlijken -concurrent; ook met zijns gelijken voert hij strijd; men heeft -althans van een verwante, in de Roode Zee levende soort dikwijls twee -exemplaren gevangen, die met de stekels aan elkander vastgehecht waren. - - - -De Bastaardmakreelen (Carangidae), die men vroeger met de Makreelen -vereenigde, worden thans door Günther als een afzonderlijke familie -beschouwd. Het stekelige deel van de rugvin is minder ontwikkeld -dan het weekstralige en dan de aarsvin; dikwijls is het zeer -onbeduidend. Ook de borststandige buikvinnen zijn soms rudimentair -of ontbreken geheel. - - - -De Horsmakreelen (Caranx) kenmerken zich vooral door hun zijdestreep, -die geheel of gedeeltelijk bekleed is met gekielde schilden, welke -voor 't meerendeel ieder tot een stekel verlengd zijn. De beide -rugvinnen zijn door een kleine tusschenruimte gescheiden; de voorste -is verreweg de kleinste en wordt door 8 stekels gesteund; vóór de -aarsvin liggen 2 vrije stekels; achter de rugvin en de aarsvin treft -men geen bastaardvinnen aan; de schubben, met uitzondering van die -der zijdestreep, zijn klein. - -De Hors, ook Ars, Hars en Marsbanker, in Amsterdam Noorderwind genoemd -(Caranx trachurus), gelijkt door zijn spoelvormigen romp, spitsen -kop en dikken staart op een grootvinnigen Makreel; zijn lichaam is -echter hooger en minder rank. Hij is ongeveer 30 cM. lang, van boven -blauwgrijs, van onderen zilverkleurig; de vinnen zijn grijsachtig. - -Evenals de Makreel, wordt de Hors zoowel in de Middellandsche Zee als -in den Atlantischen Oceaan (met inbegrip van de Noordzee) gevonden; -in de Oostzee komt hij zeer zelden voor. Slechts enkele exemplaren -bezoeken van April tot Augustus de kusten van Nederland en Duitschland, -de westkust van Denemarken en de zuid-westkust van Scandinavië; -ter zelfder tijd vindt men ze in groote scholen op de kusten van -Groot-Brittannië. In Juli 1834 hielden zij zich een week lang in -ontelbare menigte bij Ierland op. Zoover het oog reikte, scheen de zee -in kokende beweging te zijn. De school kwam tot in de onmiddellijke -nabijheid van den oever; lieden, die op een eenigszins vooruitstekende -rots een plaatsje hadden gevonden, behoefden slechts de handen in 't -water te steken om Visschen te grijpen; iedere behendige greep bracht -er 3 of 4 in hun bezit; de bovenste waterlaag scheen meer Visschen -dan water te bevatten. Het was niet mogelijk de gevangen Visschen te -tellen of hun aantal te schatten; men rekende bij karrevrachten. - -Ongelukkig is deze Visch veel geringer van kwaliteit dan de verwante -Makreel. De Engelschen en Amerikanen noemen hem Horse-Mackerel -(Paardenmakreel) om aan te duiden, dat zijn vleesch onbruikbaar of -althans onsmakelijk is. Zelden wordt hij op de markt gebracht; op vele -plaatsen van de kust wordt hij zelfs door de armste lieden versmaad. - - - -Het Loodsmannetje (Naucrates ductor) vertegenwoordigt het slechts -weinige soorten omvattende geslacht der Loodsvisschen (Naucrates); -deze hebben een langwerpig eivormige gedaante en een stompen snuit; -de plaats van de eerste rugvin wordt door een gering aantal vrije -stralen ingenomen; de staart is aan weerszijden van een kiel voorzien; -het kleed bestaat uit kleine, ongelijksoortige schubben; de bek is -met korte, fluweelachtige tanden gewapend. - -De blauwachtig zilvergrijze grondkleur van de genoemde soort wordt op -den rug donkerder en gaat naar den buik allengs in zuivere zilverkleur -over; de teekening bestaat uit 5 donkerblauwe, breede strepen, -die den romp ringvormig omgeven en zich ook over de rugvin en de -aarsvin voortzetten; de borstvinnen zijn zwartblauw, de buikvinnen -wit; de staartvin is aan den wortel blauw, aan 't einde donkerder -gezoomd. Lengte 20 à 30 cM. - -De oude schrijvers maken melding van een Visch, dien zij "Pompilius" -noemden en waarvan Geszner zegt, "dat hij uitsluitend de diepe -zee bewoont en de aarde schijnt te haten, daar hij nooit bij het -land komt. Deze Visschen toonen een zonderlinge gehechtheid aan de -schepen, die op de zee drijven en zwemmen onophoudelijk er omheen, -tot zij den grond en de kust bespeuren. De zeelieden weten dit wel; het -achterblijven van deze Visschen, die het schip niet verder vergezellen -willen, is hun een bewijs, dat zij de kust naderen, hoewel deze nog -niet zichtbaar is. Even groot als de genegenheid dezer Visschen voor -de schepen, is hun afschuw voor den grond. De zeelieden beschouwen -de begeleiding van deze Visschen als een teeken van goed weer, van -een kalme zee en van een gelukkige reis." De meening, dat zij als -loods dienen voor de Haaien, is van nieuweren oorsprong; de ouden -gewagen hiervan niet. "Ik heb altijd," zegt Commerson, "dit verhaal -voor een fabel gehouden; nu ik het feit met eigen oogen gezien heb, -kan ik er de waarheid niet meer van betwijfelen. Dat deze "loodsen" -de brokken verslinden, die de Haai laat vallen, is te begrijpen; dat -hij hen zelf niet verslindt, hoewel zij altijd om zijn kop heenzwemmen, -begrijpt men niet. Dikwijls heb ik gezien, dat een Loodsmannetje naar -het stuk spek zwom, dat aan een haak bevestigd over boord geworpen werd -en daarna terugkeerde naar zijn Haai, die onverwijld zelf kwam. Als -men den Haai vangt, wordt hij gevolgd door zijne "loodsen", die eerst -vluchten, als men hem binnen boord hijscht. Als zij echter geen anderen -Haai vinden, houden zij zich aan het schip zelf en volgen dit dikwijls -verscheidene dagen lang." Hetzelfde berichten alle andere onderzoekers, -die van dezen Visch melding maken; Bennett voegt er nog aan toe, dat, -hoewel men één enkelen Haai geregeld door Loodsmannetjes vergezeld -ziet, deze even geregeld ontbreken, wanneer verscheidene Haaien te -zamen zwemmen. - -Verschillende redenen zijn opgegeven voor de vriendschappelijke -betrekking tusschen de beide Visschen. Sommigen meenen, dat het -Loodsmannetje den Haai zijn prooi aanwijst, in de hoop er ook een -deel van te krijgen. Een andere, waarschijnlijker verklaring van het -feit is, dat het vischje zich in gezelschap van den vreeselijken -roover veilig acht voor de vervolgingen zijner ergste vijanden, -van behendiger roofvisschen, daar hij, om den Haai te ontkomen, -vlug en behendig genoeg zwemt. Duidelijk is het in allen gevalle, -dat er tusschen beide dieren een wederzijdsche betrekking bestaat, -dat niet alleen het Loodsmannetje op den Haai, maar deze ook op -zijn gids schijnt te letten. "Gedurende mijn reis naar Egypte," -verhaalt Geoffroy Saint-Hilaire, "kwam eens bij windstilte een Haai -op het schip af; hij had twee Loodsmannetjes bij zich, die altijd op -een zekeren afstand bleven van hun grooten reisgezel; bij het schip -gekomen, onderzochten zij dit tweemaal van het eene einde tot het -andere; niets te bikken vindend, trokken zij af in gezelschap van hun -Haai. Intusschen had een matroos een stuk spek aan den haak geslagen -en dezen, aan een lijn bevestigd, in zee geworpen. De Visschen, -die reeds tamelijk veraf waren, hoorden den plomp, keerden terug en -begaven zich bij het zien van het spek naar hun geleider, die zich -intusschen vermaakt had met buitelingen en dergelijke spelen. Dadelijk -kwam hij nader, aan weerszijden vergezeld door een zijner vriendjes en -werd door deze letterlijk geleid naar het spek, dat hij niet bespeurd -scheen te hebben; hij beet eerst een stuk van het lokaas af, hapte -nogmaals toe, zat aan den haak vast en werd binnenboord getrokken; -2 uur later ving men ook een van de Loodsmannetjes, die het schip -nog niet verlaten hadden." - -Het is verre van onwaarschijnlijk, dat er langzamerhand een zekere -gehechtheid tusschen de Loodsmannetjes en den Haai ontstaat, -daar men ook wel andere bewijzen van verstand bij de Visschen -heeft opgemerkt en soortgelijke bondgenootschappen onder hooger -ontwikkelde dieren van geheel verschillenden aard volstrekt niet -zeldzaam zijn. Ongetwijfeld draagt ook de gewoonte veel bij tot -versterking van den vriendschapsband, daar het Loodsmannetje met niet -minder trouw en volharding dan den Haai ook schepen volgt, zeilschepen -althans, en bovendien allerlei andere drijvende voorwerpen, balken, -wrakhout, vaten enz.; dit geschiedt waarschijnlijk niet, omdat het van -zijn Haai afgeraakt is, maar vermoedelijk met dezelfde bedoeling, als -waarmede deze bij het schip komt, n.l. in de hoop van door de bemanning -gevoederd te worden. In de noordelijke zeeën komt het Loodsmannetje -niet geregeld voor; wel heeft het zich herhaaldelijk laten verleiden -om de schepen tot in het Kanaal te volgen. Bennett verzekert, dat men -dit vlugge dier alleen na het vangen van een Haai kan bemachtigen. De -kleine, trouwe gidsen willen hun grooten beschermer niet verlaten, -zwemmen om hem heen, wanneer hij boven water opgetrokken wordt, -tot hij bezweken is, komen intusschen nader dan gewoonlijk bij de -oppervlakte, zoodat het niet veel moeite kost hen met een schepnet -aan een langen stok op te visschen. - -Het vleesch van het Loodsmannetje is volgens hen, die het zeldzame -voorrecht hadden, het te proeven, niets minder in kwaliteit dan dat -van de Makreelen. - - - -Een hoofdkenmerk van de kleine familie der Haanvisschen (Cyttidae) -is gelegen in de beweeglijkheid der kaken, die naar voren verschoven -en teruggetrokken kunnen worden; de romp is hoog, sterk zijdelings -samengedrukt; de buikvinnen zijn aan de borst geplaatst, de tanden -klein en kegelvormig; de kieuwspleet is zeer wijd. - - - -Volgens de overlevering verkeerde de apostel Petrus eens, toen hij -tol moest betalen, in de noodzakelijkheid om niet in de beurs, -maar in het water te tasten; de bek van den Visch, dien hij er -uithaalde, bevatte de verlangde penning. Dit mirakel moet in de -open zee voorgevallen zijn; ook schijnt de apostel den bedoelden -Middellandsche-zee-visch flink aangepakt te hebben, daar deze op -elke zijde een zwarte vlek draagt, die, naar het verhaal luidt, -indruksels van vingers zijn. Vermoedelijk heeft het dier hieraan den -naam Sint-Pietersvisch te danken. Deze naam, dien men in de havens van -de Middellandsche Zee en ook wel bij ons hoort, is trouwens niet overal -in gebruik; op sommige kustplaatsen van Frankrijk heet dezelfde Visch -Poisson Saint-Christophe, bij de tegenwoordige Grieken Christo-psaro -(Christusvisch), bij de Spanjaarden Martinsvisch, bij ons wegens zijn -zijdevlek Zonnevisch of Spiegelvisch, bij de Noordduitschers eindelijk -Haringkoning, omdat hij op de Sardijnen (een soort van Haringen) -jacht maakt en hunne scholen volgt. Misschien te recht wordt zijn -geslacht in de wetenschap aangeduid met den naam van den oppergod -van den Olympus en stond hij reeds bij de ouden in hoog aanzien. - -De Zonnevisch (Zeus faber) heeft twee gescheiden rugvinnen; het -vinvlies van de eerste wordt gesteund door lange stekels en loopt -daartusschen in lange draden uit; de beide aarsvinnen zijn minder -duidelijk gescheiden; de voorste wordt door 4 stekels gesteund; -onder de kleine, rondachtige borstvinnen staan groote buikvinnen. Aan -weerszijden van de achterste rugvin en van de aarsvin, voorts op -het midden van den buik, tusschen de buikvin en de aarsvin, komt -een reeks van beenplaten voor, die ieder een paar doornen dragen; -overigens is de romp met kleine schubben bekleed. De kleur is in -verschillende jaargetijden en zeeën ongelijk. In de Middellandsche -zee is de Zonnevisch dikwijls zuiver goudgeel (hieraan dankt hij zijn -Franschen naam Jaune doré, in 't Engelsch verbasterd tot John Dory), -in het noorden gewoonlijk grijsgeel. Het vinvlies van de voorste -rug- en aarsvin heeft een zwarte tint. Aan weerszijden komt op het -midden van den romp een ronde, zwarte vlek voor, die met een witten -en zwarten kring omzoomd is. Bij oudere dieren zijn deze kringen -meestal verdwenen en de vlekken zelf onduidelijker. Deze Visch kan -een lengte van meer dan 1 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. bereiken. - -Van de Middellandsche Zee uit verbreidt de Zonnevisch zich over een -deel van den Atlantischen Oceaan, in noordelijke richting tot aan -de kusten van Groot-Brittannië, waar hij geregeld aangetroffen en -soms zelfs in aanzienlijken getale gevangen wordt. Aan onze kusten -ontmoet men hem zeer zelden en bijna altijd op grooten afstand van -het strand. In de eerstgenoemde zeeën behoort hij niet tot de gewone -Visschen, evenmin echter tot de zeldzame, althans gedurende den -zomer. Ook in de Middellandsche Zee geeft hij de voorkeur aan de open -zee boven het kustwater en komt hij meestal afgezonderd voor. Wegens -zijn gestalte zou men kunnen meenen, dat hij langzaam zwemt; toch -is dit het geval niet; hij beweegt zich zeer vlug en behendig, kan -de scholen van Sardijnen (Pilchards) goed bijhouden en maakt met -goed gevolg jacht op de Zeekatten of Gewone Inktvisschen, die zeer -waakzaam zijn en flink zwemmen. Deze dieren maken nevens kleine of -jonge Visschen en Schaaldieren zijn liefste voedsel uit. Tegenwoordig -wordt overal veel prijs gesteld op den Zonnevisch, daar zijn vleesch -zeer in den smaak valt; men krijgt hem echter meer bij toeval dan door -list in het net; wegens zijn ongezellige levenswijze is hij voor de -visscherij van geringe beteekenis. - - - -Van den Koningsvisch (Lampris luna, L. guttatus) wordt reeds in de -Edda onder den naam van Gudlags (Godenzalm) melding gemaakt; ook thans -nog wordt hij in IJsland zoo genoemd en wegens zijn smakelijk vleesch -hoog geschat. In vorm gelijkt hij eenigszins op den Zonnevisch; de -omtrek van het zijdelings samengedrukte, maar toch dikke lichaam is -eirond; het kan een lengte van 2 M. en een gewicht van omstreeks 100 -KG. bereiken. De bek kan minder ver vooruitgestoken worden; de tanden -en ook de doornen op den staart ontbreken. De rugvin, die boven de -borstvinnen begint, en zich tot dicht bij de vrij diep gegaffelde -staartvin uitstrekt, wordt door onduidelijk stekelvormige, buigzame -stralen gesteund en is grootendeels laag; haar voorste gedeelte verheft -zich tot een 5-maal zoo hooge punt, die sikkelvormig naar achteren -gebogen is; de aarsvin komt in vorm en stand overeen met het lage -gedeelte van de rugvin. De halvemaanvormige buikvinnen zijn ongeveer -op de helft van de lichaamslengte aangehecht en zijn ongeveer even -groot als de borstvinnen. De schubben zijn zeer klein en dun en vallen -zoo licht uit, dat men ze bij gevangen exemplaren zelden aantreft. De -kleur van den Koningsvisch is niet minder prachtig dan die van vele -om deze reden beroemde Visschen van zuidelijker zeeën. De staalblauwe, -met alle tinten van den regenboog schitterende kleur van de bovendeelen -gaat op de zijden allengs in violet en van onderen in rozerood over; -op dezen grond prijken talrijke eivormige, vrij regelmatig verdeelde, -melkwitte, als zilver glinsterende vlekken; de vinnen zijn prachtig -koraalrood; het oog is glanzig goudgeel. - -Deze Visch, van welks levenswijze men bijna niets weet, schijnt vooral -de noordelijke zeeën te bewonen. Wel werd hij in de Middellandsche Zee, -aan de noordkust van Frankrijk, bij onze kust (1822, 1840), bij die -van Denemarken en Noorwegen gevangen; overal is dit echter slechts -2 of 3 malen geschied; vaker kwam dit voor bij Groot-Brittannië, -het meest bij IJsland. - - - -De Braam, dikwijls ook Zeebrasem, in Frankrijk Castagnole genoemd -(Brama Raii), is minder zeldzaam dan de vorige soort; hij wordt -in de Middellandsche Zee zelfs vrij menigvuldig gevangen; vooral 's -winters is zijn vleesch smakelijk. Ook langs de kusten van de Noordzee -ontmoet men dezen dof zilverkleurigen Visch met bruine rug-, staart- -en aarsvinnen niet al te zelden (bij ons nu en dan); eenige malen heeft -men hem zelfs op de Pommersche kust buit gemaakt; zuidwaarts strekt -zijn verbreidingsgebied zich tot aan de Kaap de Goede Hoop uit. Hij -kan ongeveer 70 cM. lang worden en is dan ruim half zoo hoog. Het -geheele lichaam is met schubben bekleed en eivormig van omtrek. De -mondspleet is schuins naar boven gericht; de onderkaak steekt voorbij -de bovenkaak uit; beide zijn met tanden gewapend. De rugvin, die geen -duidelijke stekels bevat, neemt het grootste deel van den rug in en -vormt naar voren een driehoekige punt, dubbel zoo hoog als het overige -gedeelte. De aarsvin heeft een soortgelijken vorm, doch is kleiner. - -De Goudmakreelen (Coryphaenidae) hebben een langen, zijdelings -samengedrukten romp; aan hun zeer steil afhellend voorhoofd danken -zij hun wetenschappelijken naam (die van een woord, dat "bergtop" -beteekent, is afgeleid en door "Stompkoppen" vertaald zou kunnen -worden); de rugvin wordt door buigzame, onduidelijk stekelige -stralen gesteund; zij strekt zich van den kop tot dicht bij de diep -gevorkte staartvin uit; ook de aarsvin is meestal sterk ontwikkeld; -de buikvinnen ontbreken soms of zijn klein; de kaken zijn met -hekelvormige, de tong en de kieuwbogen met fluweelachtige tanden bezet. - - - -Voor ons doel kunnen wij volstaan met de beschrijving van een -enkele soort, en die het geslacht der Glinstervisschen (Coryphaena) -vertegenwoordigt, de oude gaven haar den naam van Delphinus of Dolfijn; -ook thans nog wordt zij door de zeelieden dikwijls zoo genoemd; -beter past op haar den naam Dorade, dien zij met den Goudbrasem deelt. - -De Goudmakreel of Onechte Dorade (Coryphaena hippuris) bereikt -een lengte van 1 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. Zijn kleur, -van welks wonderbaarlijke pracht, volgens het getuigenis van alle -onderzoekers, een beschrijving slechts een flauwe voorstelling kan -geven, verschilt al naar de wijze van verlichting. Bennett zegt: -"Als de Goudmakreel bij windstilte dicht bij de oppervlakte van 't -water zwemt, schittert zijn prachtig blauwe of purperen kleur met -alle denkbare metaalachtige tinten, welker afwisseling bij iedere -beweging met die van licht en schaduw samengaat; alleen de staart -behoudt zijn goudgele kleur. Nadat de Visch uit het water gehaald -en op het dek gebracht is, worden deze kleuren door andere, niet -minder prachtige vervangen: voor het gloeiende purper en het goudgeel -komt een glanzige zilverkleur in de plaats, die op den rug nog de -oorspronkelijke purperen en gouden tinten vertoont. Geruimen tijd -houdt dit kleurenspel aan; langzamerhand vermindert het in sterkte; -ten slotte verbleekt de huid en wordt dof lederachtig grijs." - -De Goudmakreel behoort in de warme zone thuis; van uit de -keerkringszeeën begeeft hij zich echter zoover noord- of zuidwaarts, -als de warme zeestroomingen dit veroorloven. De rijtijd en de -vervolging van de scholen Visschen voeren hem in de nabijheid van -de kusten; voor 't overige blijft hij op tamelijk grooten afstand -van het land en in de open zee. Ten onrechte wordt zijn komst in de -nabijheid van het schip door vele zeelieden als een voorteeken van -storm beschouwd. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine Visschen, -vooral uit die, welke de bovenste waterlagen bewonen, voor een groot -deel dus uit de zoogenaamde Vliegende Visschen. Bennett vond in de -maag van Goudmakreelen ook Koppootige Weekdieren, n.l. Inktvisschen en -Argonauten. Hun roofzucht is wel niet de eenige, maar toch een zeer -dikwijls voorkomende reden van het boven water komen der Vliegende -Visschen. Behalve dezen buit verslindt de Goudmakreel allerlei afval -uit de schepen; in vraatzucht doet hij voor een Haai niet onder. De -maag van een met den speer gestoken exemplaar bevatte eenige ijzeren -spijkers van 12 cM. lengte. - -Tegen den herfst begeven de Glinstervisschen zich naar de kust -om kuit te schieten. In de Middellandsche Zee zoeken zij hiervoor -steeds rotsachtige oevers uit, maar vermijden vlakke. Daarom vangt -men ze wel op de kust van Provence en niet op die van Languedoc; -hier maakt men bijna uitsluitend gebruik van netten. In de volle zee -bevestigen de zeelieden als lokaas aan den haak een nabootsing van een -Vliegenden Visch, in den regel echter eenvoudig een witte of althans -licht gekleurde lap, dien zij aan een lange lijn achter het schip aan -laten sleepen, of aan een korte lijn met doelmatige bewegingen van de -armen naast het schip op en neer laten dansen. Pechuel-Loesche heeft -exemplaren, die in volle zee gevangen werden, op verschillende wijzen -toebereid gegeten en vond hun vleesch niet onaangenaam van smaak, maar -hard, vast en bijzonder droog; volgens hem veroorzaakt het gebruik -van deze spijs soms om onbekende redenen onaangename en zelfs zeer -nadeelige gevolgen: hevige en pijnlijke stoornissen in de werking der -spijsverteringsorganen, die verscheidene dagen lang aanhouden kunnen. - - - -Een niet onbelangrijk aantal flink gebouwde Visschen met spoelvormig, -zijdelings samengedrukt lichaam, welks dikte naar het staarteinde -sterk afneemt, gewoonlijk met kleine, nauwelijks waarneembare schubben -bekleed is en daarom naakt schijnt, vormen te zamen een natuurlijke -familie, die men, naar de meest bekende soort, Makreelen (Scombridae) -noemt. - -Daar de Makreelen de open zee van alle lengte- en breedtegordels -bewonen, is het verbreidingsgebied van iedere soort meestal zeer -uitgestrekt. Bijna alle bekende soorten, ten getale van meer dan -100, leven gezellig, enkele in tallooze scholen bijeen, vele op -aanzienlijke diepte, andere in hoogere waterlagen. Alle Makreelen -zijn uitmuntende zwemmers en zonder eenige uitzondering ook flinke -roovers; hun geschiktheid voor de jacht en hun roofzucht zijn echter -niet evenredig aan hun grootte, daar juist de grootste leden der -familie dikwijls met een zeer kleinen buit tevreden zijn. - -De Makreelen vermenigvuldigen zich voor 't meerendeel snel en zijn -daarom voor de visscherij van zeer groote beteekenis. Enkele soorten -worden op sommige kusten als de belangrijkste van alle Visschen -beschouwd, andere staan in dit opzicht alleen bij de Haringen achter; -bijna geen enkele soort wordt door de kustbewoners versmaad. - - - -Een slanke gestalte, twee ver van elkander verwijderde rugvinnen, -waarvan de achterste zich in een aantal zoogenaamde "valsche" of -"bastaardvinnen" splitst, een onduidelijke kiel aan weerszijden -van den staart, kieuwdeksels zonder spitsen, betrekkelijk kleine, -kegelvormige, puntige tanden, op één rij geplaatst langs een rand -der kaken, benevens een uit kleine schubben samengesteld kleed zijn -de kenmerken van het geslacht der Makreelen i. e. z. (Scomber), -voor welks belangrijksten vertegenwoordiger wij den gewonen Makreel -(Scomber scomber) houden. Door de kustbewoners wordt hij soms "Jonge -Tonijn" genoemd en met deze soort verward. Deze Visch is even fraai -van gestalte als van kleur; hij bereikt een lengte van 40 à 45, -hoogstens van 50 cM. en een gewicht van gemiddeld 1 KG.; van boven -is hij op helder blauwen, als goud glinsterenden grond met donkere -dwarsstrepen geteekend, van onderen zilverwit. - -Op een dwaalspoor gebracht door de berichten van visschers en andere -onderzoekers, meende men vroeger, dat de Makreelen eigenlijk in de -IJszee thuis behooren en van hier uit ieder jaar groote reizen naar -lagere breedten ondernemen. Tegenwoordig is men tot een geheel andere -slotsom geraakt. Op een aanzienlijke diepte vangt men n.l. het geheele -jaar door Makreelen, zoowel in de Noordzee en de Oostzee als in den -Atlantischen Oceaan en in de Middellandsche Zee, waarbij echter op -te merken valt, dat zij naar 't oosten steeds minder overvloedig -worden en reeds bij Rügen niet meer geregeld voorkomen. Bovendien -verschijnen zij bijna ter zelfder tijd aan de noordelijke en aan de -zuidelijke kusten. Uit beide feiten blijkt, dat beide gedeelten van -de zee hunne eigenlijke woonplaatsen zijn en dat zij alleen met het -doel om kuit te schieten de diepte verlaten en naar de kust zwemmen, -gelijk ook de Haringen en vele andere Visschen doen. - -De makreelvisscherij was reeds in de oudheid een zeer belangrijk -bedrijf en heeft ook thans nog een groote beteekenis. De komst van -deze Visschen aan de kust wordt daarom in de aan zee gelegen steden en -dorpen door oud en jong, rijk en arm met gejuich begroet. Honderden, -duizenden booten liggen gereed en vertrekken met den meesten spoed -om deze kostelijke Visschen te bemachtigen. Overal, in alle baaien -en inhammen, neemt men een ongewone bedrijvigheid waar. Ieder groot -visschersvaartuig wordt begeleid door verscheidene kleinere, die de -vangst zoo schielijk mogelijk ter markt moeten brengen; soms huren een -aantal visschers met hetzelfde doel voor gemeenschappelijke rekening -snel varende stoomschepen, die ten spoedigste volgeladen worden en -de gevangen Makreelen reeds 5 of 6 uren na de vangst op de markt -afleveren. Daar aan de versche Visschen het meest te verdienen valt, -gaat men alleen dan tot het inzouten over, als er geen kans bestaat -ze frisch aan den man te brengen. Op de markt te 's-Gravenhage komen -zij gedurende de zomermaanden niet zelden voor; zij zijn dan met kuit -voorzien; hetzelfde merkt men in andere kustplaatsen van Nederland, -Engeland, Frankrijk en Amerika op. De Makreelen moeten kort na de -vangst gegeten worden, daar zij spoedig bederven. In sommige jaren is -deze visscherij zeer, in andere veel minder winstgevend. Voor de eerste -bezendingen Makreelen kunnen zeer hooge prijzen bedongen worden; later -moet de visscher met aanmerkelijk lagere tevreden zijn. Soms kan een -vischschuit voor de vangst van een enkelen nacht f 1200 besommen; als -de vangst zeer overvloedig is, vermindert de opbrengst echter weldra. - -Aan de Engelsche kust maakt men voor de makreelvangst gebruik van een -grondnet van 6 M. wijdte en 40 M. lengte. Ieder vischvaartuig is met -12 à 15 zulke netten voorzien, het eene wordt steeds aan het andere -bevestigd. Zoo zeilt men voor den wind weg en sleept de loodrecht in 't -water hangende, van voren geopende netten mede. De vangst geschiedt in -den regel gedurende den nacht. In de nabijheid van het land wordt de -Makreel ook wel met den hengel gevangen, daar hij gretig aanbijt. De -visschers aan de Atlantische kusten van de Vereenigde Staten van -Noord-Amerika bedienen zich bij de makreelenvangst ook veel van het -zaknet, welks opening dicht getrokken wordt. - -Aan de Britsche kusten verschijnt deze Visch reeds in Maart, soms -zelfs reeds in Februari; de eigenlijke vangst begint echter eerst in -Mei of in Juni, verder noordwaarts zelfs nog een maand later. "Onze -visschers vangen den Makreel slechts van tijd tot tijd, in de -maanden Juli en Augustus, wanneer er enkele scholen aan onze kust -voorbijtrekken. Hetzelfde heeft plaats aan de kusten van Jutland en -aan de zuidwestkust van Scandinavië. Hij komt ook in de Oostzee voor -en wordt er, ofschoon slechts bij uitzondering, in groote scholen -aangetroffen." - -In zuidelijke zeeën heeft het kuitschieten in Juni plaats. Het aantal -eieren van een kuiter bedraagt ongeveer een half millioen. - -De oude Romeinsche schrijvers maken dikwijls gewag van dezen Visch, -dien zij Scomber noemden. De Romeinen bereidden uit de ingewanden -en het bloed van den Makreel en andere Visschen of uit den geheelen -Visch een soort van saus, die zij voor zeer lekker hielden en zeer -duur betaalden. Zij werd, volgens Plinius "garum" genoemd, omdat de -Grieken, aan wie dit gebruik ontleend was, den Visch, die voor deze -bereiding diende, Garon noemden. De bereiding was, naar het schijnt, -eenvoudig een rottingsproces, waaraan de genoemde grondstoffen met de -noodige hoeveelheid zout in potten blootgesteld werden; het hierboven -staande vocht werd afgetapt en voor het gebruik bewaard. De Makreel -was voor dit praeparaat het best geschikt, omdat hij eerder bederft -dan andere Visschen. - -Het voedsel van den Makreel schijnt uit jonge Haringen, Sprot, -Ansjovis en andere kleine Visschen te bestaan. - - - -De Tonijnen (Thynnus) zijn reusachtige Makreelen, die de zuidelijke -zeeën bewonen; voor sommige kusten, vooral van de Middellandsche Zee, -was en is hun vangst een zeer belangrijk bedrijf. Van de Makreelen -i. e. z. onderscheiden zij zich, doordat hunne rugvinnen dicht -bijeengeplaatst en door een betrekkelijk groot aantal bastaardvinnen -gevolgd zijn; hun borstpantser is uit groote schubben samengesteld; -een kielvormig uitsteeksel komt voor aan weerszijden van den staart. De -Tonijn (Thynnus thynnus) is een der grootste en belangrijkste van zijn -geslacht; hij wordt gewoonlijk 2 à 3 M. lang en 150 à 200 KG. zwaar, -maar bereikt soms, naar men zegt, een lengte van 4 M. of zelfs meer en -een gewicht van 600 KG. De rug is blauwachtig zwart, het borstpantser -blauwachtig wit; de zijden en de buik hebben op grijsachtigen grond -zilverwitte vlekken, die zich tot strepen vereenigen; de eerste rugvin -en de aarsvin zijn vleeschkleurig, de valsche vinnen zwavelgeel met -zwarten zoom. - -De Tonijn bewoont vooral de Middellandsche Zee; in den Atlantischen -Oceaan schijnt hij schaarscher voor te komen en door verwante -soorten vervangen te zijn. In vroegere tijden was men een andere -meening toegedaan en werd het plotseling verschijnen der Tonijnen -aan de kusten der Middellandsche Zee toegeschreven aan een periodieke -verhuizing dezer Visschen op ontzaglijk groote schaal. Men meende, dat -zij ieder jaar in grooten getale van uit den Oceaan door de straat van -Gibraltar naar de Middellandsche Zee zouden trekken. Volgens de thans -heerschende zienswijze houden zij zich, evenals zoovele andere leden -hunner klasse, tijdelijk in de diepte of in het midden van de zee op -en komen eerst tegen den voortplantingstijd nader bij de kusten. In -alle opzichten hebben de onderzoekingen van den laatsten tijd deze -meening bevestigd. Pavesi heeft aangetoond, dat de Middellandsche Zee -en vooral de Golf van Cadiz als de eigenlijke woonplaats van den Tonijn -beschouwd moet worden, dat dit dier gewoonlijk in de allergrootste -diepte verblijf houdt en in den voortplantingstijd omhoog stijgt, -zich dus hoofdzakelijk in verticale richting verplaatst om het ondiepe -water langs de kusten op te zoeken. Waarschijnlijk wordt hij door de -onderzeesche dalen, waardoor zijn weg leidt, genoopt standvastig een -bepaalde richting te volgen; een verhuizing in de vroeger aangeduide -horizontale richting komt stellig niet voor. Het kan wel zijn, dat -een aantal Tonijnen uit den Atlantischen Oceaan in de Middellandsche -Zee overgaan of van hier naar de Zwarte Zee trekken; het geheele -jaar door worden evenwel in de Middellandsche Zee Tonijnen gevonden; -hier komen zij in grooter aantal voor dan elders. Op alle plaatsen -aan de kust van den Atlantischen Oceaan, waar deze zeer gezochte -Visch gevangen werd, ontmoet men hem zeldzamer dan aan de oevers -van de Middellandsche Zee; slechts bij uitzondering dwaalt hij naar -noordelijker stranden af, vooral naar Groot-Brittannië, waar men hem -nog het veelvuldigst waargenomen heeft [2]. - -Wegens het belang, dat zeer te recht in den Tonijn gesteld wordt -in alle landen, die langs de Middellandsche Zee gelegen zijn, -heeft men hem nauwkeurig gadegeslagen gedurende den tijd, dat hij -zich in het kustwater ophoudt en hem in zijn zwerftijd goed leeren -kennen; toch is er nog veel in de levensgeschiedenis van dezen Visch, -waarover geen helder licht kan worden verspreid. Men heeft opgemerkt, -dat de trekkende Tonijnen in meer of minder talrijke troepen, soms -in scholen van eenige duizenden exemplaren zwemmen, zich zeer snel -en ook tamelijk behendig bewegen, vooral op Sprotten, Sardijnen en -andere kleine Visschen, bij uitzondering ook op Makreelen en Vliegende -Visschen jacht maken en ook wel Schelpdieren eten; men is vrij goed -bekend met hun voortplanting, heeft ervaren, dat de groote, zoowel als -de kleine exemplaren door Haaien en Dolfijnen vervolgd en gevangen -worden, dat zij daarentegen in goede verstandhouding leven met den -Zwaardvisch en daarom dikwijls met hem gemeenschappelijk reizen: -dit is echter alles wat wij van hen weten. - -Er valt niet aan te twijfelen, dat de Tonijnen met geen ander doel -bij de kusten verschijnen, dan om kuit te schieten. De eieren van de -kuiters, die bij hun komst uit de diepte nog slechts weinig ontwikkeld -zijn, groeien daarna buitengewoon snel. Het aantal eieren is dikwijls -zeer aanzienlijk. - -Een beschrijving van de vangst van den Tonijn mag in een -levensschets van dit dier niet ontbreken, omdat juist bij deze -gelegenheid de waarnemingen gedaan werden, waarop nagenoeg al -wat wij van zijn leven weten, berust. Reeds de Ouden hebben zich -zeer ijverig met de tonijnenvisscherij bezig gehouden, vooral aan -de beide eindpunten van de Middellandsche Zee, bij de straat van -Gibraltar en bij den Hellespont. De Phoeniciërs vingen de Tonijnen -hoofdzakelijk aan de Spaansche kust; hun winstgevend bedrijf werd -door de latere bewoners van deze kuststreken voortgezet tot aan den -tegenwoordigen tijd. Verscheidene vischplaatsen waren zeer beroemd; -uit eenige daarvan verkregen de Spaansche grandes het grootste deel -van hunne inkomsten. Langzamerhand is dit bedrijf aan de Spaansche -kusten achteruitgegaan, vooral na de vreeselijke aardbeving van -Lissabon in 1755, waardoor, naar men beweert, de toestand van vele -kustdeelen zoozeer veranderd is, dat de Tonijnen er geen geschikte -plaatsen voor het kuitschieten meer vinden. Tegenwoordig bestaan nog -tonijnenvisscherijen in de nabijheid van Cadiz, Tarifa, Gibraltar en -ook aan den tegenovergestelden oever bij Ceuta; bovendien worden deze -Visschen bij sommige kustplaatsen van Catalonië gevangen. - -Het vangen van de Tonijnen geschiedt op verschillende plaatsen op -ongelijke wijze, in den eenen tijd van 't jaar zus, in den anderen -zoo. Op de kusten van Languedoc en ook in Istrië worden in den trektijd -der Visschen op hooggelegen plaatsen wachten uitgezet, die op de komst -van de Tonijnen letten en de richting aangeven, volgens welke zij de -kust naderen. Een groot aantal booten zijn gereed, steken van wal op -het eerste sein van den wachter, scharen zich onder het bevel van een -aanvoerder in een uitgestrekte, halvemaanvormige reeks, werpen hunne -netten uit, omsingelen de Visschen, vernauwen den kring hoe langer hoe -meer en dwingen de Tonijnen naar de kust te zwemmen. Als deze dicht -bij het land in ondiep water gekomen zijn, werpt men het laatste net -uit en trekt het met alle daarin aanwezige Visschen op den wal, waar -nu een vreeselijk bloedbad onder de gevangen dieren wordt aangericht. - -Op veel grooter schaal heeft deze visscherij bij de Italiaansche kusten -plaats. Hier sluit men de wegen, die de Tonijnen gewoonlijk volgen, -met verbazend groote netten af en maakt in gunstige omstandigheden -duizenden Visschen te gelijk buit. De netten, die hiervoor dienen, -zijn als 't ware gebouwen, welker muren uit touw en mazen bestaan; -zij heeten "tonnaren" en worden, al naar hun plaatsing, in "voor"- en -"achter-tonnaren" onderscheiden. De zee moet op de plaats, waar een -van deze grootsche gebouwen opgericht wordt, een diepte van meer -dan 30 M. hebben; het net moet zoo breed zijn, dat het een diepte -van 50 M. zou kunnen bereiken, daar het de muren van een aantal -kamers moet vormen, die geen bodem hebben; een groot deel van het -net komt op den grond te liggen en draagt er toe bij om den muur -onbeweeglijk op dezelfde plaats te doen blijven. Alleen de zoogenaamde -"doodenkamer" is ook van onderen gesloten, omdat zij met de gevangen -Tonijnen opgelicht wordt; dit deel van het net is ook veel steviger -van maaksel, met nauwer mazen, uit dikker hennepkoorden geknoopt, -om weerstand te kunnen bieden aan het gewicht van de Visschen en aan -hunne wanhopige pogingen om zich te bevrijden. Aan weerszijden zijn -de beide zijwanden van het net volgens een buitenwaarts gekromde lijn -verlengd met het doel om de Tonijnen in het net te leiden. De eene, -de zoogenaamde "staart", leidt de Visschen, die anders tusschen het -net en den oever zouden kunnen ontsnappen, in de kamers,--de andere, de -"sleep", geeft de gewenschte richting aan de beweging van de Visschen, -die zich verderop in zee bevinden en de vangplaats voorbij zouden -kunnen zwemmen. Soms is het geheele net meer dan een zeemijl lang. - -Op de kusten van Sardinië heerscht door de visscherij met de tonnaren -gedurende een deel van het jaar een buitengewone bedrijvigheid. Aan -de oevers bevinden zich overal, waar de vangst sinds lang met goed -gevolg uitgeoefend wordt, meer of minder groote en gemakkelijk -ingerichte gebouwen, die als plaatsen van bijeenkomst dienen voor -de visschers, kooplieden en toeschouwers. Tot in het einde van Maart -zijn zij ledig en verlaten; in het begin van April echter verandert -dit punt van de kust in een marktplaats, die door lieden van allerlei -stand bezocht wordt. Hier komen landzaten en vreemdelingen bijeen; -terwijl deze de huizen en winkels betrekken, verrijzen vele hutten aan -den oever en wordt de zee met tal van vaartuigen bedekt. Overal ziet -men beweging en drukte: hier zijn kuipers en smeden aan den arbeid, -daar sjouwerlieden, die tonnen voor het inzouten van den visch en alle -andere benoodigdheden aanbrengen, ginds een hoop volk, dat volop werk -heeft met het uitspreiden van verbazend groote netten, die opgelapt -en aaneengevoegd moeten worden. De patroon wordt geholpen door eenige -betrouwbare personen, die toezicht oefenen op de werkzaamheden en -voor het bekendmaken der verordeningen zorgen; de hoofdpersoon bij -de geheele onderneming en de belangrijkste van alle werklieden is -de "rëis" of opperbevelhebber der visschers. "Rëis", een arabisch -woord, beteekent "opperste" of "hoofdman"; uit dezen naam kan men -afleiden, dat de Arabieren zich eertijds druk met de tonijnenvangst -hebben beziggehouden. Voor alles wat tot dit bedrijf op de een of -andere wijze in betrekking staat, moet de rëis zorgen. Hij moet -een man van onkreukbare trouw zijn, buiten staat om zijn meester te -benadeelen door de belangen van een andere tonnare te bevorderen; -hij moet kennis van zaken en scherpzinnigheid hebben, volkomen op -de hoogte zijn van den aard der Tonijnen, van alles en nog wat, van -alle kuilen of verhevenheden van den zeebodem, van de kleur van den -grond op verschillende plaatsen, kortom, van alle omstandigheden, -die op de visscherij invloed kunnen oefenen; dit alles dient hij -vooraf onderzocht te hebben; bovendien moet hij in staat zijn om -het kolossale nettengevaarte snel en veilig in de zee op te bouwen, -zoodat het zelfs bij storm geen gevaar loopt. Na het verrichten van -dezen arbeid bestaat zijn taak in het houden van een voortdurend -toezicht op de tonnare, want van hem hangt het af, wanneer de -eigenlijke visscherij zal aanvangen. Met den voorspellenden blik -van een loods moet hij komende stormen tijdig kunnen aankondigen, -om niet gedurende den arbeid op een ongelegen tijdstip door zulk een -natuurverschijnsel overvallen te worden; bij de eigenlijke vischvangst -is hij de eenige bevelhebber. De goede uitslag van de onderneming -hangt grootendeels van zijn juist inzicht af. Hem valt daarom een zeer -voorkomende behandeling ten deel; zijn naam is dikwijls de eenige, -dien de vreemdeling hoort noemen. Gewoonlijk hebben zij, die tot zulk -een verantwoordelijke betrekking geroepen worden, de lessen aan een -school voor de visscherij gevolgd; die, welke op Sardinië werkzaam -zijn, komen meestal van Genua of van Sicilië. - -De toebereidselen tot de vangst nemen de maand April in beslag. In -'t begin van Mei wordt de tonnare afgepaald, d. w. z., een lijn in -de zee getrokken, die bij het plaatsen van het net als richtsnoer zal -dienen. Dit geschiedt door lange touwen, die in onderling evenwijdige -richting aan de oppervlakte der zee worden aangebracht. Den daarop -volgenden dag wordt het net, dat vooraf door de geestelijkheid op -plechtige wijze ingezegend is, op verscheidene vaartuigen naar zee -vervoerd en in alle richtingen aan ankers vastgelegd. - -De Tonijn houdt zich bij het trekken aan vaste regels. Bij stil weer -zwerft hij niet en begeeft zich hoogstens om voedsel te zoeken op weg; -zoodra de wind de oppervlakte van de zee in beweging brengt, aanvaardt -hij de reis en volgt dan meestal de richting van den wind. Daarom is -men gedurende de tonijnenvangst zoomin op stormen als op windstilte -gesteld; iedereen wenscht, dat er wind zal komen en natuurlijk tevens, -dat deze uit zulk een hoek zal waaien, dat de tonnare waarbij men -geïnteresseerd is, er wel bij vaart. - -De Visch, die op een van de netwanden stoot, komt eerst in de groote -kamer, waarvan de ingang steeds openstaat. Nooit, althans hoogst -zelden, komt het in den Visch op om terug te keeren; hij tracht -integendeel verderop een uitweg te vinden en verdwaalt zoodoende in de -volgende kamers, waar hij soms reeds eenige lotgenooten aantreft, of, -zoo dit niet het geval is, spoedig gezelschap zal krijgen. Bepaaldelijk -hiervoor aangewezen opzichters houden met hunne vaartuigen de wacht in -de nabijheid van het zoogenaamde "eiland" aan het begin van de kamer -en letten op het aantal Visschen, die in het net doordringen. Met -bewonderenswaardige scherpzichtigheid weten zij de Tonijnen onder water -te onderscheiden, ofschoon deze op zulk een groote diepte zwemmen, -dat hun beeld hoogst onduidelijk is; zij tellen ze, één voor één, -gelijk een herder zijne Schapen telt. Soms moeten zij of de rëis, -die iederen avond bij hen komt, allerlei hulpmiddelen aanwenden om -het zien onder water mogelijk te maken. Zij bedekken de boot met een -zwarten doek om de lichtstralen, die het zien zouden bemoeielijken, -af te schutten, of laten een steen met een wit been van een Tonijn, den -zoogenaamden "lantaarn", naar de diepte zinken om de hier heerschende -duisternis eenigermate te verminderen. Als de rëis bespeurt, dat een -van de voorste kamers te vol is, tracht hij, om plaats te bereiden -voor de later komende Visschen, de reeds aanwezige in de volgende -kamer te drijven. Dit geschiedt gewoonlijk door het uitstrooien -van een handvol zand, waardoor de uiterst vreesachtige Visch zoo -verschrikt wordt, "alsof de hemel hem op den rug valt." Als het zand -geen voldoende uitwerking heeft, laat men een als verschrikkingsmiddel -dienende schapenvacht naar de diepte zakken, en als ook dit niet baat, -maakt men als laatste redmiddel gebruik van een hiervoor bestemd net, -waarmede de bedoelde kamer vernauwd en de Tonijn tot het vervolgen -van zijn weg genoopt wordt. - -Als er genoeg Visschen in het net gekomen zijn en de wind over -dag gaat liggen, is de tijd voor de slachting van de gevangenen -aangebroken. Alle bewoners van de naburige kust deelen in de spanning -en de opgewondenheid van de visschers; uit ver afgelegen oorden komen -voorname lieden om getuigen te zijn van dit opwekkend schouwspel. Op -alle tonnaren is het regel, dat iedere vreemdeling goedwillig -toegelaten, op de meest vriendschappelijke wijze behandeld en bij -zijn vertrek op vrijgevige wijze met geschenken bedeeld wordt. In den -nacht, die aan de slotscène voorafgaat, drijft de rëis alle Tonijnen, -die gedood zullen worden, naar de "voorkamer" of "goudkamer", een waar -voorportaal van het graf, "goudkamer" genoemd, omdat de visscher zich -van het bezit van den Tonijn, die dit deel van het net bereikt heeft, -even zeker acht als van het geld in zijn beurs. - -Op den dag, die voor de slachting bepaald is, begeeft de rëis zich -vóór zonsopgang naar het "eiland" om de Tonijnen in de doodenkamer -te drijven, een arbeid, die soms bezwaren oplevert, en den rëis -in de grootste verlegenheid brengt, daar het allen schijn heeft, -dat de Visschen begrijpen, welke belangrijke gevolgen de overgang -uit de eene kamer in de andere na zich sleept. Intusschen kijken de -aan land gebleven visschers door verrekijkers voortdurend naar het -eiland en wachten op een sein van den rëis. Deze steekt een vlag uit, -zoodra alles gereed is, en veroorzaakt hierdoor aan den oever een -groote opschudding. Vaartuigen beladen met visschers en toeschouwers -stooten van wal, waar een bonte menigte dooreenkrioelt. Voordat de -schuiten het "eiland" bereiken, hebben zij zich geplaatst in de orde, -die zij bij het omsingelen van de doodenkamer zullen innemen; twee -vaartuigen, ieder met een onderaanvoerder aan boord, nemen het eerst -plaats, de overige gaan er tusschen in liggen. Te midden van de kamer -bevindt zich de rëis; hij voert het commando als een admiraal bij een -zeeslag. Onder voortdurend geschreeuw van de visschers begint men de -doodenkamer op te halen; dit geschiedt zoo gelijkmatig mogelijk, maar -uiterst langzaam. Hoe nader dit net bij de oppervlakte komt, des te -meer dringen de vaartuigen opeen. De kokende beweging van het water -in de afgesloten ruimte wordt voortdurend heviger, waaruit blijkt, -dat binnen kort de Visschen zich zullen vertoonen. Nu wapenen de -"doodslagers" zich met zware knodsen, aan welker einde een ijzeren -haak bevestigd is en gaan aan boord van de beide schuiten, van waar -voornamelijk de aanval op de Tonijnen zal uitgaan. Reeds voordat zij -dezen arbeid aanvangen, neemt men bij hen een groote opgewondenheid -waar. - -Eindelijk geeft de rëis het bevel tot de slachting. Het is, alsof er -plotseling een storm losbarst, zoo heftig is de beweging veroorzaakt -door het rondzwemmen en opspringen der reusachtige Visschen, die, -aan alle zijden ingesloten en overal bestookt, het doodsgevaar -opmerken, waarin zij verkeeren; het hoog opschuimende water verheft -zich boven den rand der booten. Iedere visscher slaat, schreeuwt, -windt zich op en trekt den gedooden Visch zoo schielijk mogelijk -uit het water. Zoodra het aantal Visschen eenigermate afgenomen is, -komt er een oogenblik van rust; de kamer wordt iets verder omhoog -getrokken, de nog overige buit nauwer ingesloten; een nieuwe storm -steekt op, een tweede moordtooneel heeft plaats. Zoo wordt bij -afwisseling gestreden en het net opgehaald, eindelijk wordt de bodem -zichtbaar van de doodenkamer, waarin nog slechts een klein aantal -Tonijnen overgebleven is. Tot op grooten afstand heeft het bloed der -slachtoffers het water rood gekleurd. Na verloop van een uur is de -slachting afgeloopen. De vaartuigen, door roeiers of door den wind -bewogen, keeren naar den oever terug, waar zij met vreugdeschoten -van de aan land geplaatste kanonnetjes ontvangen worden. - -Alleen bij het einde van het vischseizoen wordt het net geheel -geledigd; bij ieder voorafgaande vangst laat men, als 't ware om -andere Visschen te lokken, een honderdtal of meer Tonijnen er in -achter. Na verloop van eenigen tijd heeft een nieuwe slachting plaats; -dit gaat zoo voort, zoolang zich de Tonijnen aan de kust vertoonen, -bij Sardinië tot het midden van Juni. In sommige tonnaren hebben -ieder jaar acht slachtingen plaats, die ieder ongeveer 500 Tonijnen -opleveren; het komt echter ook wel voor, dat men 18-maal de doodenkamer -kan ophalen en telkens ongeveer 800 Visschen kan dooden; de opbrengst -aan visch is dus zeer aanzienlijk. Nadat de vischtijd afgeloopen is, -wordt de doodenkamer weer aan land gebracht; dikwijls laat men de -overige netten in de zee blijven. - -De opbrengst van de vangst wordt dikwijls in verschen toestand -verkocht aan vreemde kooplieden en door hen gezouten. "Het is -ongeloofelijk," zegt Cetti, "hoe vele soorten van vleesch aan dezen -Visch voorkomen. Bijna op iedere plaats, op iedere diepte is het -spierweefsel verschillend, hier vaster, daar zachter; het eene stuk -gelijkt op kalfsvleesch, het andere op varkensvleesch." Iedere soort -wordt afzonderlijk ingelegd; het hoogst schat men het vleesch van den -buik. Het goed gesorteerde product wordt met zout in tonnen gepakt, -die men acht dagen lang buiten in de zon laat staan en vervolgens -weer uitpakt, waarna men het vleesch op hellende planken legt om uit -te lekken, het nogmaals in de tonnen bergt en hierin stijf vasttrapt; -nu wordt de ton gesloten, maar af en toe door het spongat met zout en -pekel aangevuld. Van de beenderen en de huid wordt olie bereid. Vijf -met verschillende soorten van vleesch gevulde vaten behooren bijeen. - -Het versche en behoorlijk gezouten vleesch van den Tonijn is een gezond -voedsel; soms echter wordt het in bedorven toestand genuttigd en brengt -dan ziekte, in enkele gevallen zelfs den dood teweeg. Het bedorven -vleesch heeft roode graten en smaakt scherp, alsof het met peper -gekruid werd. In verscheidene Italiaansche havensteden heeft daarom van -overheidswege een keuring plaats van de visch in de schuiten, die zich -naar de markt begeven; vooral als de scirocco waait, is deze maatregel -noodig; de afgekeurde waar wordt onmiddellijk in zee geworpen. - -Vóór het koken gelijkt het spierweefsel van den Tonijn op rundvleesch; -door de bereiding verkrijgt het een lichtere kleur. Ik heb het -herhaaldelijk geproefd, maar vond het niet smakelijk. Het kan de -vergelijking met de meeste overige voor spijs dienende Visschen van -de Middellandsche Zee niet doorstaan, daar het hard is en een groven, -tranigen smaak heeft. De welgestelden Italianen schijnen er ook zoo -over te denken; zij laten dit voedingsmiddel aan den minderen man -over; voor dezen is het wegens zijn lagen prijs van groot belang. De -kookkunst viert echter ook bij de toebereiding van dit artikel hare -triomfen. Het kan een uitmuntende soep en kostelijk gebraad opleveren; -het vormt gekookt, gestoofd, gerookt, enz. smakelijke gerechten. - -Volgens de berichten van T. Tozzetti waren weinige jaren geleden aan -de Italiaansche kusten 48 tonnaren in werking. In de 7 tonnaren van -het visscherijdistrict Trapani (Italië heeft in 't geheel 22 zulke -districten) werden ieder jaar gemiddeld 19.000 Tonijnen gevangen; -gemiddeld wordt het gewicht van den Tonijn op 120 KG. geschat. - - - -Een andere soort van hetzelfde geslacht is de aan alle zeelieden en -reizigers bekende Bonito (Thynnus pelamys). Deze komt in gestalte -met den Tonijn overeen, maar is aanmerkelijk kleiner; zelden bereikt -hij een lengte van meer dan 80 cM. De rug en de zijden hebben een -staalblauwe kleur met groenen en rooden weerschijn; de buik ziet -er zilverkleurig uit en vertoont bruine strepen (vier langs iedere -zijde), die zich van de keel tot aan de staartvin uitstrekken. Het -is niet mogelijk door een beschrijving een juist denkbeeld te geven -van den bewonderenswaardigen glans der kleuren van dezen Visch. - -Het is niet met zekerheid bekend, of de Bonito ook in de Middellandsche -Zee voorkomt; in den Atlantischen Oceaan treft men hem veelvuldig -aan. In gezelschap van de Tonijnen volgt hij dikwijls geruimen tijd -het schip, dat hij als zijn wegwijzer door den Oceaan schijnt te -beschouwen, of dartelt, evenals de Dolfijnen, aan weerszijden voor -den boeg uit; naast zijne verwanten zwemmend, vormt hij regelmatig -gerangschikte scholen en reeksen. Als een van de ijverigste vervolgers -der Vliegende Visschen valt hij zeer in 't oog; deze maken het -hoofddoel van zijn jacht uit, hoewel ook andere leden zijner klasse, -Inktvisschen, Schaaldieren en zelfs plantaardige stoffen hem tot -voedsel dienen. De matrozen maken van zijn voorliefde voor Vliegende -Visschen gebruik als middel om hem te vangen: zij slaan een vischje, -een schel gekleurde lap of een met veeren beprikte kurk als lokaas aan -een haak en laten dit aan een touw boven het water zweven, terwijl het -schip in snelle beweging is; de Bonito springt wel 1 M. hoog naar het -lokaas en blijft aan den haak hangen. Men noemt het vleesch van dezen -Visch droog en niet bijzonder smakelijk; ook zegt men, dat het soms -vergiftige eigenschappen heeft. Van de voortplanting schijnt niets -anders bekend te zijn, dan dat de rijtijd in Juli valt. - - - -Aan de Fransche kust, zoowel in de Middellandsche Zee als in den -Atlantischen Oceaan, vangt men, vaker dan een der andere soorten -van zijn geslacht, den Langvinnigen Tonijn, ook wel Germon en door -de zeelieden Albacora of Albicore genoemd (Thynnus alalonga). Van -den Gewonen Tonijn verschilt hij door de lengte zijner borstvinnen, -die driemaal op de lichaamslengte gaat; hieraan dankt hij zijn -wetenschappelijken soortnaam, die hem in Italië ook door het volk -gegeven wordt. Zelden wordt hij langer dan 1 M. en slechts bij -uitzondering 50 KG. zwaar. Zijn kleur is minder schitterend dan -die zijner verwanten: op den rug blauwachtig zwart, op den buik -zilverkleurig. Zijn verbreidingsgebied omvat de Middellandsche -Zee en een groot deel van den Atlantischen Oceaan en van de -Stille Zuidzee. Hier zoowel als daar schijnt hij tot aan den -voortplantingstijd op groote diepten te blijven. In 't midden van -Juni begeeft hij zich, bij scholen trekkend, naar de kusten, blijft -in haar nabijheid tot in October en keert dan naar diepe waterlagen -terug. Allerlei zeevisschen, die in scholen zwemmen, vooral Sardijnen, -Zeebarbeelen, Vliegende Visschen, enz., dienen hem tot voedsel. Aan de -Italiaansche kusten vangt men hem in de tonnaren, aan de Spaansche -en Fransche hoofdzakelijk met hengels, die met gezouten Aal of -met stukken doek als lokaas voorzien zijn. Een bewolkte lucht, een -frissche wind en een bewogen zee worden als bijzonder gunstig voor -deze vangst beschouwd; zij heeft in Juli en Augustus plaats. - -Het vleesch van de Langvinnige Tonijnen is witter en smakelijker dan -dat van de Gewone. In de Golf van Biscaye worden er ieder jaar 30.000 à -40.000 buitgemaakt; de visschers verkoopen die, waarvoor liefhebbers te -vinden zijn, versch en leggen de overige als winterprovisie in 't zout. - - - -Colombo, Dampier, Commerson en andere reizigers beweren gezien te -hebben, dat men aan de Afrikaansche en Amerikaansche kusten Visschen, -die in vaten met zeewater in voorraad gehouden worden, voor de vangst -van zeedieren gebruikt, door ze aan een lijn te bevestigen en in de -nabijheid van een Schildpad los te laten. Zij trachten te ontsnappen, -maar kunnen niet van de lijn loskomen, en hechten zich zoo stevig -aan de Schildpad, dat men deze zonder moeite op het dek van het schip -kan trekken. De wijze waarop de hier bedoelde Visch, die reeds aan de -ouden bekend was, zich aan schepen of groote zeevisschen vastzuigt, -heeft ongetwijfeld aanleiding gegeven tot het bovengenoemde verhaal. - - - -Het belangrijkste kenmerk van de Zuigvisschen (Echeneis) is een -platte, langwerpig ronde schijf, die, boven de neusgaten beginnend, -zich over de geheele bovenzijde van den kop en ook nog over een deel -van den rug uitstrekt; deze schijf dient als hechtorgaan; zij heeft -een buigzamen rand en 12 à 27 beweeglijke, aan den bovenkant met -fijne tandjes bezette dwarsrimpels. - - - -De meest bekende soort van dit geslacht, de Schildvisch (Echeneis -remora), wordt ook in de Middellandsche Zee aangetroffen en werd door -de ouden "vertrager" (remora) of "tegenhouder" (echeneis) van schepen -genoemd. Zij is zelden langer dan 20 à 25 cM.; de kleine schubben, -die haar van bruingeel tot donkerbruin varieerende huid bekleeden, -onderscheiden zich door haar kleverigen glans; haar zuigschijf heeft -in den regel 18 dwarsplooien. - -Een verwante soort, die alle tropische en in 't algemeen alle niet te -koude zeeën bewoont, de Kopzuiger (Echeneis naucrates), kan een lengte -van meer dan 90 cM. bereiken. Zij is aan de bovenzijde olijfgroen -of bruinachtig grijs, aan de onderzijde witachtig van kleur; haar -zuigschijf heeft 21 à 25 dwarslijsten. - - - -Alle Zuigvisschen hebben dezelfde levenswijze: evenals de Snottolven -en Kringbuiken hechten zij zich vast aan andere voorwerpen, bij -uitzondering aan rotsen en steenen, in den regel aan schepen en -Haaien. De laatstgenoemde, die men zelden zonder deze begeleiders ziet, -zijn er soms letterlijk mede bedekt. Waarschijnlijk verschaft de ruwe -huid van den Haai aan de Zuigvisschen een veilige aanhechtingsplaats -en hebben deze aan de beweeglijkheid van het groote dier, dat hen -medevoert, het voordeel te danken van telkens in ander water te kunnen -visschen. Met de Haaien en de schepen doorreizen zij uitgestrekte -gedeelten van de zee; evenals de Loodsmannetjes worden zij op deze -wijze soms naar zeeën overgebracht, waar zij eigenlijk niet thuis -behooren. Zoo rekent men den Zuigvisch van de Middellandsche Zee tot -de dieren van Engeland, omdat hij herhaaldelijk met schepen en Haaien -naar de kustwateren van Groot-Brittannië is afgedwaald; hierin is -de verklaring te vinden van de buitengewone uitgestrektheid van het -verbreidingsgebied dezer Visschen. De reden waarom zij zich aan schepen -en Haaien vasthechten, is trouwens nog niet volkomen duidelijk. Dat -zij zich aanhechten, kan men begrijpen, daar alle dieren van hunne -begaafdheden het juiste gebruik weten te maken; waarom zij echter -hiervoor beweeglijke voorwerpen uitkiezen, is moeielijk te verklaren; -zeer waarschijnlijk, maar nog onbewezen is de onderstelling, dat zij -het doen met het doel om aan hun eigen ongeschiktheid tot zwemmen -tegemoet te komen. Zelfs na hun dood blijven zij nog stevig aan -allerlei voorwerpen hangen. - -De werking van de zuigschijf komt overeen met die van het bekende -zuigleertje. Na het neerleggen van de talrijke dwarsplooien wordt -de nu effene vlakte stevig aangedrukt tegen die, waaraan zij zich -moet hechten; door vervolgens de dwarsplooien weer op te richten, -ontstaat er tusschen de beide vlakken een ledige ruimte en wordt hun -uiteenwijken door de volle drukking van 't water tegengewerkt. - -Hoewel de bewegingen van deze Visschen plomp en onbehendig schijnen -en uitsluitend op de werking van de staartvin berusten, is hun -zwemvermogen niet onbeduidend. Soms ziet men ze naast of vóór den Haai -zwemmen, of, wanneer zij aan schepen gehecht waren, betrekkelijk snel -en behendig er om heen dartelen. Niet licht zal men hen met andere -Visschen verwarren, want ook gedurende het zwemmen zien zij er uit, -alsof hun buik naar boven gericht is. Als de scheepskok het spoelwater -overboord werpt, verlaten zij bij dozijnen de wanden van het schip, -waaraan zij vastgehecht waren en kronkelen zich zoo vlug als Alen door -de golven om zich van de op het water drijvende vetdrupjes meester te -maken. Soms gelukt het, hen met een stuk spek aan een hoek van hunne -rustplaatsen weg te lokken en te vangen. Hun krachtig gebit wijst -op een roofzuchtigen aard; Bennett vond in hun maag niets anders dan -Schaaldieren en kleine Mossels; uit Van Beneden's onderzoekingen is -echter gebleken, dat zij (althans af en toe) ook Visschen vangen. Nadat -zij er een hebben buit gemaakt, keeren zij naar hun oude rustplaats -terug en zitten een oogenblik later weer even vast als vroeger. Wanneer -de Haai, waaraan zij vastgehecht zijn, gevangen wordt, blijven zij -gewoonlijk slechts zoo lang op hun plaats, als deze nog onder water -ligt, laten den Visch los, als deze opgeheschen wordt, en hechten -zich aan het schip. - -De meeste reizigers laten zich door het onaanzienlijke voorkomen -der Zuigvisschen weerhouden om deze dieren voor de tafel te laten -toebereiden. Zij die dit vooroordeel trotseerden, noemen den smaak van -dezen Visch volstrekt niet slecht; sommige zeelieden roemen hem zeer. - - - -De kenmerken van de Pietervisschen (Trachinidae), waarvan men ongeveer -100 soorten beschreven heeft, zijn: een mes- of trechtervormig lichaam, -welks voorste gedeelte, dat de lichaamsholte bevat, zeer kort is in -verhouding tot den ontzaglijk grooten staart, een ineengeschoven, -uitpuilenden kop met scheef naar boven gerichten mond en hoog -geplaatste oogen, fluweelachtige tanden aan beide kaken en aan het -gehemelte, twee rugvinnen, waarvan de eerste door de tweede als 't -ware naar voren gedrongen is en soms geheel ontbreekt, de buikvinnen -gewoonlijk vóór de borstvinnen aangehecht, de tweede rugvin en de -aarsvin in verband met de lengte van den staart buitengewoon groot. - -Alle leden van deze familie bewonen den bodem der zee, bij voorkeur -vlakke, zandige plaatsen, niet zelden zulke, die bij laag water -tijdelijk droog vallen; hier loeren zij, tot aan den kop onder 't -zand bedolven, op dieren, die zwemmend of kruipend binnen hun bereik -komen. Voor deze wijze van jagen zijn zij door den eigenaardigen stand -van de oogen uitmuntend geschikt. Bij 't verschijnen van den buit, -die misschien aangelokt wordt door de beweging van de vinnen of van -andere aanhangselen, schieten zij plotseling uit hun hinderlaag in -'t zand omhoog en op het slachtoffer toe, dat bijna nooit tevergeefs -belaagd wordt. Van de voortplanting dezer Visschen is weinig of niets -bekend. Ondanks hun smakelijk vleesch worden zij door de visschers -gehaat en gevreesd wegens hunne wapens; de stekels van de eerste -rugvin kunnen zulke pijnlijke wonden toebrengen, dat deze organen -sedert overouden tijd als vergiftig worden beschouwd. - - - -De Sterrenkijkers (Uranoscopus) vallen zeer in 't oog door hun grooten, -dikken, wanstaltigen kop en den trechtervormigen, ronden romp. De -kop is even breed als lang, hard en ruw, als 't ware gepantserd, de -mondspleet loodrecht naar boven gericht. De borstvinnen onderscheiden -zich door haar grootte. Aan den schouder staat een dikke, gewoonlijk -gekerfde stekel. Er zijn soorten bekend uit den Atlantischen Oceaan, -de Stille Zuidzee en den Indischen Oceaan benevens een soort uit de -Middellandsche Zee. De laatstgenoemde, die aan het geheele geslacht -den naam gegeven heeft (Uranoscopus scaber), bereikt een lengte van 30 -cM., heeft twee rugvinnen en een ringvormig uitsteeksel vóór de tong, -dat als middel tot het lokken van Visschen dient. Op den donkeren, -grijsbruinen grond, fijn wit gestippeld, alsof er meel op is gestrooid, -merkt men aan de zijden een reeks van onregelmatige, witte vlekken op; -de buik is wit, de eerste rugvin donkerzwart, de tweede grijsbruin -gevlekt; de buikvinnen zijn grijsgeel. - -Men vangt dezen op modderige gronden verblijfhoudenden Visch gedurende -het geheele jaar; zijn onaangenaam riekend vleesch wordt echter alleen -door arme lieden gegeten. - - - -In de Noordzee wordt de familie vertegenwoordigd door de Pietermannen -(Trachinus). Hun mesvormig lichaam is in verhouding tot de lengte, -zijdelings zeer sterk samengedrukt; de oogen zijn op den kop dicht -bijeengelegen; de kieuwdeksels dragen stekels, die echter minder te -vreezen zijn dan de stralen van de eerste rugvin, waaraan men zich -zoo gevoelig kan kwetsen, dat volgens een indertijd in Frankrijk -geldig voorschrift alleen Pietermannen met afgesneden rugvin op de -markt gebracht mochten worden. - -In de Europeesche zeeën leven 4 zeer nauw verwante, maar door -standvastige kenmerken van elkander verschillende soorten, waarvan -2--de Pieterman (Trachinus draco) en de Kleine Pieterman (Trachinus -vipera)--ook in het noorden gevonden worden. Bij den eerstgenoemden -(ook Pietervisch, Groote Pieterman en, evenals de andere soort, -Steekvisch en Stekeltje genoemd) is het lichaam (zonder de staartvin) -6 maal zoo lang als hoog; de buik wordt begrensd door een flauw -buitenwaarts gekromde, de rug door een bijna rechte lijn. Wat -fraaiheid van kleur betreft, kan de Pieterman met vele andere Visschen -wedijveren. Zijn grootendeels roodachtig grijze kleur gaat naar de -rugzijde allengs in bruin, naar den buik in wit over en is overal -met zwartachtige wolkjes gemarmerd; hierbij komen in de oogstreek, -op de slapen, kieuwdeksels en schouders nog gekromde strepen van -hemelsblauwe kleur, op de zijden en den buik geelachtige strepen. Deze -Visch kan ruim 30 cM. lang worden. - -De Kleine Pieterman verschilt van den Grooten door den platteren kop -en den meer afgeronden buik; bovendien is de eerste rugvin verder -van de tweede verwijderd. De roodachtig grijze kleur van den rug -gaat op de zijden en aan den buik in zilverwit over; de rug is bruin -gevlekt, de eerste rugvin zwart, de tweede, evenals de staartvin, -zwart gezoomd. Lengte 12 à 15 cM. - - - -De Pieterman, die op vlakke, zandige plaatsen van den Atlantischen -Oceaan, de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee gevonden -wordt, geeft aan diep water de voorkeur boven ondiep; evenals zijn -kleinere verwant, leeft hij op, of liever in den bodem, tot aan de -oogen in het zand bedolven. Tegen Juni komt hij dichter bij het vlakke -strand om kuit te schieten en wordt dan bij eb ook op droog loopende -plaatsen gevonden. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Garnalen, -misschien ook uit kleine Visschen, die hij in zijn onmiddellijke -nabijheid laat komen, voordat hij uit het zand te voorschijn komt. Dit -geschiedt met verrassende snelheid; het blijkt dan, dat deze zoo traag -schijnende Visch zich uitmuntend kan bewegen. Niet minder vlug en -behendig kruipt hij na het vangen van zijn prooi weder onder het zand. - -"De Pieterman," schrijft Schlegel, "behoort in ons land onder de -gewone Visschen, die langs onze kust, vooral in het voor- en najaar, -echter ook in de zomermaanden, wanneer de wijfjes met rijpe kuit zijn, -algemeen, ofschoon niet in zeer groot aantal gevangen wordt. Zijn -vleesch is goed, maar wordt niet bijzonder geacht. De Pieterman -wordt door elken visscher en kustbewoner gevreesd, uithoofde der -hoogst smartelijke en ernstige wonden, die hij toebrengt, wanneer men -hem aanraakt. Daar hij een taai leven heeft, zoo blijft hem, zelfs -nadat hij uit het water op het strand gebracht is, nog uren lang de -kracht, om aan de hand, die hem aanraakt, hetzij met den doorn van -het kieuwdeksel, hetzij met dien der harde rugvin, een steek toe -te brengen, die hevige pijnen en dikwijls het stijf worden van het -gewonde deel ten gevolge heeft [3], zooals dit uit vele voorbeelden in -onze kustdorpen blijkt. De oorzaak van de noodlottige gevolgen dezer -steken is moeielijk te begrijpen, vermits voornoemde stekels geheel -glad, niet doorboord zijn, en er ook geen werktuig tot afscheiding van -vergif aanwezig is, hetzij dan dat men aanneme, dat het slijm van den -Visch in de verscheuring, die door de met geweld toegebrachte wonde -ontstaat, zoodanige uitwerkselen teweegbrengt." - -"De Kleine Pieterman houdt zich veel op geringen afstand van het -strand op zandbanken op, en wordt bij het visschen langs de kust, -met een door een paard getrokken net, met Garnalen en kleinen visch -aan het strand gebracht. Haar steek wordt evenzeer gevreesd als die -van de groote soort." - -In de Oostzee vangt men de Pietermannen van Augustus tot October in -haringnetten, in de Noordzee gedurende het geheele jaar; deze Visch -wordt echter zelden op de markt gebracht, omdat er hier geen loonende -prijzen voor te bedingen zijn. - - - -Tot de leelijkste en wanstaltigste leden van de geheele klasse behooren -de Duivelvisschen (Pediculati). Het belangrijkste kenmerk van deze -familie, die slechts een twaalftal soorten omvat, is gelegen in de -verlengde handbeenderen van de borstvinnen, die een soort van poot -vormen en ook werkelijk tot steun dienen; hierdoor zijn deze Visschen -in staat om op de wijze der Zoogdieren zich over een slijkerigen -bodem kruipend voort te bewegen. Voorzoover zij aanwezig is, bestaat -de voorste rugvin gewoonlijk uit niet door een vinvlies vereenigde -stralen; de buikvinnen zijn keelstandig. Zonderlinge aanhangselen, -dienende tot het lokken van andere Visschen, bevinden zich aan den -meestal kolossaal verbreeden kop; de kieuwdeksels laten voor den -afvoer van het ademhalingswater slechts een kleine spleet of een ronde -opening onder de borstvinnen vrij; de huid is in den regel ongeschubd, -bij enkele geslachten evenwel bezet met beenige knobbels of doornen, -die op een breede basis rusten. De bek is buitengewoon groot. - -In de noordelijke zeeën leven slechts weinige soorten van deze -vooral in de tropische gewesten vertegenwoordigde familie. Eigenlijk -heeft men van niet meer dan één soort de levenswijze kunnen nagaan; -wat hiervan aan 't licht gekomen is, leert, dat het leven van deze -Visschen overeenstemt met hun gestalte, d. w. z. even vreemdsoortig -en eigenaardig is als deze. - - - -Bij het geslacht der Zeeduivels (Lophius) is de kop buitengewoon -groot, breed, van boven naar onderen samengedrukt en stekelig, de -bek zeer ver gespleten en met vele spitse, binnenwaarts gebogen -tanden gewapend, die over de tusschen- en onderkaaksbeenderen, -de gehemelte- en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn. De eerste -rugvin bevat slechts drie onderling vereenigde stralen; hierbij -behooren echter ook nog verscheidene verder naar voren geplaatste -draden, ieder door een echt gewricht met haar steunbeen verbonden en -willekeurig beweeglijk. De borstvinnen zijn ver achter de buikvinnen -aangehecht. Het kieuwdekselvlies begrenst een groote, zakvormige -kieuwholte, die van achteren onder den steel der borstvinnen een kleine -opening heeft. Wegens de geringe grootte van de kieuwspleet kunnen deze -dieren geruimen tijd buiten het water verkeeren. Rondelet verhaalt, dat -een Zeeduivel, die, boven water liggend, een jongen Vos gegrepen had -en dezen tot den volgenden dag vasthield, in 't geheel 2 dagen in dezen -toestand bleef leven. De romp begint onmiddellijk achter den kop dunner -te worden en is bij het staarteinde sterk zijdelings samengedrukt. - - - -De Zeeduivel (Lophius piscatorius) draagt allerlei aan zijn -zonderlingen vorm ontleende namen. De Grieken der oudheid noemden -hem Kikvorsch, de Romeinen Zeekikvorsch; bij de Engelschen heet hij -Visschende Kikker, Hengelaar en Wijdmuil; aan de Hollandsche kust -is hij veelal onder den naam van Hozenmond of Hozenbek bekend. De -bovenzijde van den kop is uitgehold en aan weerszijden voorzien van -een lijst, vanwaar, zoowel achter de oogen als bij de neusgaten, -puntige knobbels uitsteken. Op het midden bevinden zich drie lange, -vrije stralen: één aan het achterste deel van den kop, de twee andere -dichter bij elkander en bij den rand van de bovenkaak; de voorste van -deze loopt in een zacht, gevorkt vlies uit. De oogen zijn groot en -hoog geplaatst. De huid is glad en ongeschubd; langs de zijden van -het geheele lichaam en ook langs den rand der onderkaak komen een -menigte op één rij geplaatste, franjeachtige uitsteeksels voor. De -effen bruine kleur van de bovenzijde neemt slechts op de vinnen -een eenigszins donkerder tint aan; de onderzijde, met inbegrip -van de buikvinnen en de benedenvlakte van de borstvinnen, is wit, -de staartvin donkerbruin, bijna zwart. Dit dier kan bijna 2 M. lang -worden; zulke groote exemplaren zijn echter zelden gevangen. - -De Zeeduivel komt in alle Europeesche zeeën voor, bijzonder veelvuldig -echter in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan; ook aan -de kusten van Groot-Brittannië is hij niet zeldzaam; aan onze kust -worden ieder jaar, vooral in het voorjaar, enkele exemplaren van -deze soort in de Buitenlek [4] gevangen. Bovendien heeft men dezen -Visch aan de Kaap de Goede Hoop en aan de westkust van Noord-Amerika -waargenomen. Hij ligt op den slijkerigen bodem der zee, heeft zich -hier met behulp van de borstvinnen onder den grond gewoeld en loert -te midden van het troebele water op buit. Zoodra deze zich vertoont, -beweegt hij de vrije stralen van den bovenkop met hunne aanhangselen -in verschillende richtingen, lokt hiermede het slachtoffer naderbij, -grijpt het na een vluggen sprong en begraaft het in zijn wijden muil, -onverschillig tot welke soort het behoort en hoe groot het is. Zelfs -wanneer hij zich reeds in het net bevindt, toont deze veelvraat -zijn onverzadelijken honger, door een aantal van zijne lotgenooten, -vooral Bot, te verzwelgen. Hoewel de visschers hem overigens gaarne -het leven schenken, omdat zijn vleesch niet bruikbaar is en hij als -een verdelger van den Hondshaai wordt beschouwd,--na zulk een roof -vindt hij geen genade; men snijdt hem open en haalt hem de Visschen -uit de maag. In de kuststreken van de Middellandsche Zee wordt deze -Visch soms door arme lieden gegeten. - -Hoewel de Zeeduivel vele eieren legt en deze met een hard hulsel -voorzien zijn, vermenigvuldigt hij zich niet sterk, daar andere -Visschen zijne tot klompen vereenigde eieren verslinden. Volgens -Spencer F. Baird vindt men zijn kuit dikwijls als een slijmerige massa, -die een oppervlakte van 6 à 10 M2 bedekt, aan den waterspiegel. - - - -De Vleermuisvisschen (Malthe) verschillen van de Zeeduivels vooral -door hunne ver vooruitstekende, als 't ware een slurf vormende -neusbeenderen, waartusschen in een holte een terugtrekbare tastdraad -ligt, voorts door het ontbreken van de eerste rugvin, door de harde, -met knobbels bedekte huid en de meer bovenwaartsche plaatsing van de -kleine, ronde kieuwopening. - -Bij de Zeevleermuis (Malthe vespertilio) is de mondspleet betrekkelijk -klein, de steel van de borstvinnen echter langer dan bij de Zeeduivels; -boven ieder neusgat bevindt zich een hoornachtig knobbeltje. De -bovenzijde is fraai lichtgrijsbruin, de onderzijde helderrood. Men -vindt dezen 25 à 50 cM. langen Visch tusschen de keerkringen, bij de -Atlantische kusten van Amerika, vooral op slijkbanken bij riviermonden, -waar hij, met behulp van de parige vinnen over den modder en de wieren -kruipend, zijn prooi vervolgt. - - - -De Scorpioenvisschen (Cottidae) hebben, evenals de leden der volgende -familie, groote onderoogkasbeenderen, die zich achterwaarts met het -voordekselbeen vereenigen en de wangen met een schild bedekken. De -buikvinnen zijn aan of vóór de borst geplaatst. Het stekelige deel van -de rugvin is minder ontwikkeld dan het geleedstralige; de betrekkelijk -groote aarsvin wordt uitsluitend door gelede stralen gesteund. De -huid is naakt of met uiterst kleine schubben bekleed. - - - -Een van boven naar onderen samengedrukte, breede kop, een gedrongen -romp, een naakte of zeer weinig geschubde huid, rugvinnen, die door een -geringe tusschenruimte gescheiden zijn en borststandige buikvinnen, -benevens fluweelachtige tanden aan de kaken en het ploegschaarbeen -kenmerken het geslacht der Donderpadden (Cottus). - -In onze binnenwateren wordt het vertegenwoordigd door de 12 à 14 -cM. lange Rivierdonderpad (Cottus gobio), die tamelijk algemeen is -op plaatsen, waar helder water snel over steenachtigen zandgrond -stroomt. Zij is grijsachtig van kleur met bruine stippels en -wolkjes, die niet zelden tot dwarsbanden ineenvloeien en soms ook -nog op de witachtige buikzijde zichtbaar zijn. De vinnen zijn, met -uitzondering van de meestal ongevlekte buikvinnen, op de stralen -bruin gestreept. Afwijkingen van deze kleur komen echter veel voor; -zij staan in verband met de landstreek, den bodem van het water en -den gemoedstoestand van den Visch. Als wapens heeft hij aan den hoek -van het voorkieuwdeksel een kleinen, opwaarts gekromden en aan het -onderdeksel een nog kleineren, neerwaarts gekromden doorn. - -De Rivierdonderpad bewoont alle zoete wateren van Middel- en -Noord-Europa en komt, behalve in enkele beken, bijna overal talrijk -voor; in bergstreken vindt men haar tot op een hoogte van meer dan 1000 -M. zelfs nog in meren, die bijna 2000 M. boven de oppervlakte der zee -gelegen zijn, b.v. in het Lunermeer in Tirol, dat uitsluitend door deze -Vischsoort bewoond wordt. In zuidelijker en zuidoostelijker gewesten -wordt zij door verwante soorten en variëteiten vervangen. Zooals reeds -gezegd is, geeft zij de voorkeur aan helder water en een met steenen -bedekten zandgrond, daar zij zich gaarne onder steenen ophoudt; ter -wille van de hier voorkomende steenen bewoont zij zelfs zeer kleine, -weinig water bevattende beekjes. Hare bewegingen zijn buitengewoon -vlug. In vraatzucht doet zij voor geen enkelen anderen Visch onder, -want, ofschoon zij zich bij voorkeur met Insecten, vooral met larven -van Waterjuffers voedt, verschoont zij geen Visch, dien zij meent te -kunnen bemachtigen, zelfs haar eigen kroost niet. De forellenkweekers -haten haar zeer, daar zij als een zeer schadelijken vijand van de -kuit dezer Visschen wordt beschouwd. - -Haar voortplanting verschilt van die der meeste andere Visschen, -doordat het mannetje voor zijn kroost zorgt. Reeds Linnaeus bericht, -dat de Rivierdonderpad een nest bouwt en eerder zijn leven waagt dan -de eieren in dit nest aan gevaren blootgesteld te laten. In Maart of -April schiet het wijfje kuit onder steenen of in een bepaaldelijk -voor dit doel uitgekozen gat; van nu af houdt het mannetje bij de -eieren de wacht. Van ervaren visschers aan den Traun vernamen Heckel -en Kner hierover het volgende: "In den voortplantingstijd kruipt het -mannetje in een gat tusschen de steenen en verdedigt dezen schuilhoek -hardnekkig tegen ieder, die er bezit van wil nemen; soms geeft dit -aanleiding tot een langdurigen strijd, waarbij niet zelden een van -de strijders het leven verliest. Gedurende den kamptijd worden, -naar men zegt, dikwijls Donderpadden gevangen, die den kop van hun -tegenpartij in den bek houden, zonder hem te kunnen verzwelgen. Jegens -het wijfje is het mannetje zeer voorkomend; zij wordt zonder eenig -bezwaar in het hol toegelaten, laat hierin haar kuit achter en gaat -daarna haars weegs. Van nu af neemt het mannetje de plaats van de -moeder in, beschermt 4 of 5 weken achtereen de eieren en verwijdert -zich van de broedplaats alleen om het noodige voedsel te zoeken. Even -bewonderenswaardig als zijn volharding, is zijn moed. Hij bijt in -het takje of den stok, waarmede men hem wil verjagen, wijkt alleen -in den uitersten nood en blijft letterlijk tot den dood aan zijn -plicht getrouw." - -Deze vischjes dienen in vele landen als aas bij het vangen van Alen, -die op dit voedsel zeer verzot zijn. Hun vleesch is smakelijk; bij -het koken verkrijgt het een roodachtige kleur. Toch worden zij voor -dit doel niet veel gevangen wegens hun kleinheid en slechts daar, -waar zij in menigte voorkomen, door arme lieden gegeten. - - - -De Zeedonderpad, door de visschers eenvoudig Donderpadde genoemd -(Cottus scorpius), is een leelijke Visch van 15 à 25 cM. lengte; haar -kleur is roodachtig bruin met donkerder vlekken en wordt naar onderen -lichter. Veelvuldig ontmoet men haar in den Atlantischen Oceaan en de -Noordelijke IJszee met alle hiermede in gemeenschap staande zeeën, -van de Golf van Biscaye tot aan Lapland, in de Oostzee bijna even -overvloedig als in de Noordzee. Aan onze kust behoort zij onder de -gewone soorten. Wanneer men haar aanraakt, maakt zij een knorrend -geluid. Men vangt haar nooit in groote hoeveelheid. Daar zij niet -gegeten wordt, is zij voor de visscherij van geen belang. - -Deze Donderpad houdt bij voorkeur verblijf op steenachtigen grond, -dikwijls op aanzienlijke diepte, doch ook niet zelden op geringen -afstand van den waterspiegel; loerend op buit, ligt zij onbeweeglijk op -een steen, soms er onder, doch met den rug er tegen aan gedrukt. Ieder -voor prooi geschikt dier, dat haar schuilplaats nadert, lokt haar -naar buiten; vlug bewegen zich de kolossale vinnen, die haar evenwel -geen bijzonder groote snelheid verschaffen; toch wordt het slachtoffer -behendig gegrepen en, al is het bijna even groot als zijn roover, in -diens buitengewoon grooten muil geborgen. De Donderpad is verbazend -vraatzuchtig, verzwelgt letterlijk al wat eetbaar is, behalve -Visschen, Kreeften en Krabben, Wormen, enz., ook allerlei afval -van de schepen. De meeste Donderpadden schieten kuit in de warmste -maanden van 't jaar; sommige doen dit eerst laat in den herfst en -zelfs nog in November. De groote scholen, die in den rijtijd alle -voor 't eierenleggen geschikte kustwateren bevolken, keeren later -naar diepere zeebodems terug. - -Op dezelfde plaatsen als de vorige soort vindt men soms ook de -Vierstekelige Zeedonderpad (Cottus bubalis). Van den Ende zag er een, -die waarschijnlijk uit de Zuiderzee afkomstig was, op de vischmarkt -te Zutphen. Zij heeft aan het voordeksel 4 doornen (in plaats van 2). - - - -De Zeehanen (Trigla), die in een tweede geslacht vereenigd worden, -zijn kleine, hoogstens middelmatig groote, forsch gebouwde Visschen -met betrekkelijk zeer grooten, bijna vierzijdigen, in een oneffen -pantser gehulden kop, twee gescheiden rugvinnen, drie vrije, gelede -stralen vóór de groote borstvinnen, fluweelachtige tanden aan de -kaken en aan het ploegschaarbeen. Van dit over alle warme en gematigde -zeeën verbreide geslacht zijn ongeveer 40 soorten bekend. Sinds lang -hebben zij de aandacht getrokken door het zonderlinge, knorrende -geluid, dat men van hen hoort, zoodra zij boven water zijn gebracht, -en dat door het tegen elkander wrijven van de kieuwdekselbeenderen -veroorzaakt wordt. Naar men zegt, verspreiden enkele soorten een -phosphoresceerend licht. - - - -In de Noordzee leeft de Groote Poon, die ook wel Groote Zeehaan, -Knorhaan, Spoon, Roode Poon, Laurenskop en Hofdiender heet; door -onze visschers en op de vischmarkten wordt hij bijna altijd Rozet of -Rozette genoemd (Trigla hirundo). Hij bereikt een lengte van 50 à 60 -cM. en is dus de grootste Europeesche soort van zijn geslacht. De -rug is roodachtig grijs of bruinachtig, de buik licht rozerood of -witachtig; het bovenste gedeelte van de eerste rugvin en de staartvin -zijn rood, de buikvinnen en de aarsvinnen wit; de borstvinnen zijn aan -de onderzijde zwartblauw met blauwe randen; haar vinvlies is ook aan -de buitenzijde zwartblauw; de blauwe tinten zijn echter bij sommige -exemplaren flauw en onduidelijk. - -Nauw verwant aan de vorige soort, doch niet meer dan ongeveer half zoo -groot, is de Kleine Poon, Kleine Zeehaan, Knorhaan, Spoon of Grauwe -Zeehaan (Trigla gurnardus); hij heeft aan de bovenzijde op bruinachtig -grijzen grond witte stippels, is op de wangen als met sterretjes -geteekend, aan de onderzijde zilverwit, heeft de zijdestreep bezet -met breede schubben, welker scherpe spitsen gezamenlijk op de tanden -van een zaag gelijken, en een in twee lappen verdeelde zwemblaas. Bij -den Grooten Poon zijn de schubben van de zijdestreep smal en is de -zwemblaas drielappig. De schubben van de overige lichaamsdeelen zijn -bij alle Poonen uiterst klein. - - - -Beide Poonen bewonen de Middellandsche Zee, den Atlantischen Oceaan, -de Noordzee en de Oostzee. In het Kanaal en langs de kusten van -Engeland, België en Nederland ontmoet men ze veel, niet zelden ook -bij Helgoland, de kusten van Oost-Friesland, Oldenburg en Holstein, -ook aan die van Denemarken en Noorwegen tot de Lofoden, zeldzamer -op zandige gedeelten van de kust der zuidelijke Oostzee. "De Groote -Poon wordt langs onze kust op de banken, zoowel in de Binnen- als -Buitenlek in menigte gevischt; de jongen worden zelfs dicht langs -het strand met de saaien gevangen. In Mei en Juni zijn de wijfjes met -rijpe kuit. Het vleesch wordt in onze steden niet buitengewoon geacht; -men eet het gekookt. De visschers en de bewoners der zeedorpen eten -het ook veel gerookt en houden de kuit en de lever voor even smakelijk -als het vleesch." "De Kleine Poon wordt aan onze kust menigvuldig in -de Binnenlek gevangen. Als voedsel wordt hij minder geschat dan de -Groote Poon" (Schlegel). Beide Poonen leven bij voorkeur in de diepte, -liefst op zandgrond; hun gewone buit bestaat uit Schaaldieren; zij eten -echter ook Mossels en andere Weekdieren en maken bovendien op Kwallen -jacht. Op zeer sierlijke, maar niet bijzonder snelle wijze zwemmend, -worden de groote borstvinnen, als vleugels, afwisselend ontplooid en -samengevouwen. Bij hunne nachtelijke omzwervingen op ondiepe plaatsen -stralen zij, naar men zegt, licht uit "als fonkelende sterren", zoodat -er lichtstrepen ontstaan, die zich ver door het water uitstrekken, nu -eens langs de oppervlakte dan weer in benedenwaartsche richting. Veel -opmerkelijker en ongewoner dan hun zwemkunst is echter hun kruipen -over den grond. Hiervoor dienen de vrije stralen vóór de borstvinnen; -men kan ze, wat verrichting betreft, geheel als pooten beschouwen; -ze zijn werkelijk voor 't loopen geschikt. - -Jonge Zeehanen van 8 à 10 cM. lengte, die reeds in alle opzichten op -de oude gelijken, zijn in November te vinden. - -In de Noordzee vangt men de meeste Poonen vroeg in het voorjaar en in -het begin van den zomer hetzij in de schrobnetten op de Buitenlek, of -dichter bij de kust in de saaien (een soort van schrobnetten met zeer -kleine mazen, welke vooral voor de garnalenvangst dienen en die door -paarden langs het strand getrokken of door een boot, die zeil voert -en iets dieper in zee vischt, gesleept worden). In Italië worden de -Poonen meestal met den hengel gevischt, doch soms ook, terwijl zij -in de bovenste waterlaag rondzwemmen, met het geweer geschoten. Deze -hoogst zonderlinge jacht heeft plaats bij stil weder; de Poonen -steken dan telkens den kop boven water, maken een knorrend geluid, -dat, naar men zegt, tot op grooten afstand gehoord wordt, en laten -zich vervolgens weer tot een diepte van 1/2 M. zakken. Hierdoor is -men in de gelegenheid om met weinig moeite in korten tijd een groot -aantal van deze Visschen te schieten. - - - -Bij de Pantservisschen of Schildwangigen (Cataphracti) is het -geheele lichaam gepantserd, niet alleen de kop, gelijk bij de vorige -familie. Overlangsche reeksen van beenplaten, die meestal van een -uitstekende lijst of kiel voorzien zijn, strekken zich van den kop tot -de staart uit; soms sluiten de randen der platen zoo volkomen aaneen, -dat de romp er geheel mede bedekt is. - - - -In de noordelijke zeeën van den gematigden en in den kouden aardgordel -ontmoet men het 10 soorten omvattende geslacht der Harnasmannen -(Aspidophorus), welker langwerpig lichaam met overlangsche reeksen -van groote, beenige schilden gepantserd en hierdoor veelkantig is. Het -heeft de grootste hoogte en breedte aan den kop; deze is van boven met -verscheidene spitse uitsteeksels voorzien, van onderen afgeplat, aan -den snuit met bovenwaarts gebogen doornen gewapend. Er zijn tandjes -aan de kaken, maar niet aan het gehemelte. - - - -Aan de kusten van Engeland, van de Noordzee en de Oostzee, van IJsland -en Groenland ontmoet men veelvuldig het 15 cM. lange Harnasmannetje -(Aspidophorus cataphractus), langs onze kusten het best bekend als Oude -Grootje of Oudewijfskaak, soms ook Geharnaste Zeedonderpad genoemd. Het -voedt zich met kleine Schaaldieren. Vooral in het voorjaar en in den -zomer wordt deze Visch in de Binnenlek met den Kleinen Pieterman en -andere kleine waterdieren gevangen, doch meestal weer in zee geworpen; -het is de moeite niet waard ze te eten, daar er te weinig voedsel aan -zit. De huidbeenderen, die op 8 rijen zijn geplaatst, hebben in 't -midden een hoogen kiel, waardoor het lichaam achtkantig schijnt. Alle -vinstralen zijn onvertakt. De bovendeelen zijn bruin met vier breede, -donkerbruine, overlangsche strepen, de beide lichtbruine rugvinnen -zijn donkerbruin gevlekt, de groote borstvinnen bruin gestreept; de -onderdeelen zijn deels lichtbruin, deels witachtig. Het kuitschieten -heeft plaats in Mei en Juni. - - - -De Pantservisschen i. e. z. (Peristethus) kenmerken zich, behalve -door hun volledig pantser, door de sterke verlenging van de -vooroogkasbeenderen, die aan weerszijden van den kop een recht naar -voren gericht uitsteeksel vormen, zoodat de kop als 't ware in een -tweetandigen "vork" uitloopt; aan de onderkaak komen baarddraden voor; -de bek is tandeloos. - - - -Een vertegenwoordiger van dit geslacht wordt in Marseille en Genua -Malarmat genoemd (Peristethus cataphractum); ondanks dezen naam mag -men hem wel den best gepantserden van alle Visschen der Europeesche -zeeën noemen. Het lichaam is langwerpig, op de dwarse doorsnede bijna -regelmatig achthoekig. De bovenkaak steekt over de onderkaak uit; -onder dit vorkvormig uitsteeksel is de halfcirkelvormige mondopening -gelegen; van de onderkaak hangen verscheidene baarddraden naar beneden; -één van deze is als 't ware een stam, waaruit takken voortkomen. De -pantserplaten zijn op 8 reeksen geplaatst, die zich tot 8 kamvormige -kielen verheffen. De prachtig roode kleur van den rug gaat op de zijden -in goudgeel, op den buik in zilverwit over; de borstvinnen zijn rood, -de rugvinnen bruinachtig violet, de aars- en buikvinnen wit. Lengte -ongeveer 30 cM. - -In sommige gedeelten van de Middellandsche Zee is de Malarmat niet -zeldzaam; geregeld komt hij voor aan de kusten van Provence en van -Zuid-Italië; ook ontmoet men hem in de Adriatische Zee en langs -de Atlantische kusten van Zuid-Europa; soms dwaalt hij noordwaarts -af en bezoekt zelfs Engeland. Deze vreemdsoortige Visch houdt zich -steeds in de diepte op en nadert de kust alleen om kuit te schieten, -hetwelk in 't begin van de lente geschiedt. Men ziet hem niet als zijne -verwanten bij scholen, maar steeds eenzaam zwemmen; zijn snelheid -is soms zoo groot, dat hij, op een rots stootend, den vorkvormigen -snuit breekt. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit naakte Weekdieren -en Kwallen. - -Gedurende het geheele jaar vangt men dezen pantservisch aan de -Spaansche en Provençaalsche kust, waar zijn uitmuntend vleesch zeer -op prijs gesteld wordt. Daar het pantser aan ieder keukenmes weerstand -biedt, moeten de ingewanden door de mondopening verwijderd worden. In -kokend water of door verhitting in een pan geraken de schubben los. - - - -De Vliegende Zeehanen (Dactylopterus) worden gewoonlijk Vliegende -Visschen genoemd, evenals eenige leden van de familie der -Makreelsnoekvisschen. Zij kenmerken zich door de merkwaardige sterke -ontwikkeling der borstvinnen, welker stralen weinig korter zijn dan het -lichaam. De vrije stralen, die men bij de leden van het vorige geslacht -en van de vorige familie vóór de eigenlijke borstvinnen opmerkt, -zijn hier door een afzonderlijk vinvlies vereenigd en vormen als 't -ware een kleinen waaier vóór den grooten, waarmede het dier eenigen -tijd in de lucht kan blijven zweven. Beide rugvinnen zijn klein; vóór -de eerste staan eenige niet door een vinvlies vereenigde stekels. Het -kieuwdeksel is ongedoornd; zoowel het schouderblad als het voordeksel -is met een langen, achterwaarts gerichten doorn gewapend. Het gehemelte -is tandeloos, de kaken zijn met kleine, knobbelige tandjes voorzien. - - - -De meest bekende soort, de Gewone Vliegende Zeehaan (Dactylopterus -volitans), bewoont de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, -zoowel in de gematigde als in de tropische zone. De rug is fraai -lichtbruin, donker gemarmerd en gevlekt; de zijden van den kop zijn -lichtrood met zilverkleurigen weerschijn, de onderdeelen rozerood; -de groote borstvinnen hebben op donkeren grond blauwe vlekken, strepen -en banden, de rugvinnen op grijzen grond bruine, wolkachtige vlekken, -de staartvin is roodbruin en met reeksen van vlekken geteekend. Bij -zeer groote exemplaren van 50 cM. lengte bedraagt de afstand tusschen -de spitsen der zijwaarts gerichte borstvinnen 60 cM. - -Deze Visschen voeden zich met kleine Schaaldieren en Weekdieren. - -Andere soorten van 't zelfde geslacht komen voor in den Indischen -Oceaan, van Mauritius tot de Soenda-eilanden, en in de Stille Zuidzee, -langs de kusten van China en Japan. - -Gedurende een reis over de Middellandsche Zee ziet men soms een -talrijken zwerm van Vliegende Zeehanen plotseling tot een hoogte -van 4 of 5 M. boven het water opstijgen, met eigenaardige, gonzende -slagen van de groote borstvinnen zeer snel door de lucht schieten -en na het afleggen van een 100 à 120 M. langen weg weer in de zee -verdwijnen. Niet zelden herhaalt zich dit schouwspel verscheidene -malen achtereen; terwijl de eene zwerm nog zwevende is, begint reeds -een tweede op dezelfde wijze de lucht te doorklieven en deze is nog -niet in 't water teruggekeerd, wanneer een derde en een vierde zwerm -het water verlaten. Als dit omhoogstijgen in een bepaalde richting -geschiedt mag men het er voor houden, dat de Vliegende Zeehanen door -roofvisschen vervolgd worden en vliegend, of liever springend, boven de -golven aan hunne vijanden trachten te ontkomen. Dikwijls echter ziet -men ze nu eens op de eene, dan weer op een andere plaats verschijnen, -volstrekt geen bepaalden koers volgen, maar in allerlei elkander -kruisende richtingen vliegen; waarschijnlijk komen zij dan spelend, -als 't ware uit dartelheid, boven water, evenals andere Visschen -ook wel eens doen. In de nabijheid van de kusten trekken dergelijke -zwermen zeer spoedig de aandacht van de Meeuwen en Stormvogels, die -er op af komen en nu ook van hun kant jacht beginnen te maken op de -buiten hun element verkeerende waterbewoners. Dit verhoogt zeer de -belangwekkendheid van het schouwspel, daar de Vogels wegens de snelle -beweging der Visschen al hunne krachten moeten inspannen om er een van -te bemachtigen. De menschen houden zich weinig of niet met de vangst -van Vliegende Zeehanen bezig, daar hun mager en hard vleesch de moeite -niet loont en de Middellandsche Zee rijk genoeg is aan betere Visschen. - - - -De door Cuvier voor 't eerst als familie erkende, tot de onderorde der -Zeegrondelvisschen (Gobiiformes) behoorende groep der Schijfbuikigen -(Discoboli), omvat een twaalftal soorten van ongeschubde Visschen, -welker aaneengegroeide buikvinnen vervormd zijn tot een schijf, -bestaande uit een eironde beenplaat, die door een vliezigen zoom -omgeven is; met deze vinschijf zuigen zij zich vast aan steenen en -andere voorwerpen; door spieren wordt het middelste, flauw uitgeholde -gedeelte van de schijf opgetrokken, waardoor een ledige ruimte tusschen -de schijf en de aanhechtingsplaats ontstaat. Andere eigenaardigheden -van deze Visschen zijn de groote, onder de keel als 't ware -ineenvloeiende borstvinnen, de min of meer rudimentaire, bij sommige -zelfs geheel ontbrekende (of althans onder de dikke huid verborgen) -rugvin en het maaksel van de stralen van het kieuwdekselvlies. De huid -is slijmerig en glad of met beenknobbeltjes voorzien, het geraamte -uit week, als kraakbeen snijdbaar been, de schedel zelfs geheel uit -kraakbeen samengesteld. De kieuwspleet is nauw; de achterste van de -vier kieuwen bestaat slechts uit één enkele rij van kieuwplaatjes. De -Schijfbuikigen houden bijna uitsluitend op een rotsachtigen zeebodem -verblijf, zuigen zich hier vast met hun vinschijf, blijven dagen lang -op deze wijze vastgehecht en laten zich hoogstens door het naderen -van een buit bewegen om den bodem te verlaten. Verscheidene soorten -wijden aan hunne eieren een soortgelijke zorg als de Zeegrondels. Hun -vleesch wordt slechts op enkele plaatsen gegeten. - - - -De Snottolven (Cyclopterus) hebben een zonderlinge gedaante; hun kop is -groot, de snuit kort, de romp kort, doch dik en hoog, de eerste rugvin -uitsluitend door buigzame stralen gesteund en bij het volwassen dier -geheel onder de huid van den romp verborgen; deze is dik en slijmerig -en bevat reeksen van knobbelvormige, beenige schilden; de kaken zijn -met borstelige tandjes bezet, het gehemelte is tandeloos. - - - -De Snottolf, ook Steenkruiper, Steenzuiger, Engelsche Lump, Paddevisch, -Kikvorschvisch en in Zeeland Klieft genoemd (Cyclopterus lumpus), de -meest bekende vertegenwoordiger van zijn geslacht, bereikt een lengte -van ongeveer 60 cM. en een gewicht van 3 à 4 KG.; zelden wordt hij 1 -M. lang en 6 à 7 KG. zwaar. Zijn kleur is zeer verschillend, dikwijls -van boven grijsachtig zwart, van onderen meer geelachtig. Gedurende -den rijtijd zijn de onderdeelen en de vinnen roodgeel, de overige -deelen bruingeel, met oranje, purperrood en blauw in verschillende -tinten geschakeerd, de oogen hoogrood; na den rijtijd zijn al deze -kleuren flauwer en minder zuiver. Zijn hoog en dik lichaam doet, -van ter zijde gezien, aan den eivorm denken, maar is onder den -romp tamelijk vlak en loopt naar boven kielvormig uit. De kop is -middelmatig groot, de mondopening klein; de oogen zijn tamelijk klein -en hooggeplaatst. De kaken zijn met kleine, borstelvormige tanden -gewapend; kleine, afgeronde tanden komen voor op de beenderen, die -het keelgat omgeven. Behalve kleine, harde korreltjes, die tamelijk -regelmatig verspreid zijn, ziet men op de huid veel grootere, -kegelvormige knobbels op 7 rijen: de bovenste rij loopt van het -achterhoofd tot aan de zachte rugvin; de tweede nagenoeg rechtlijnige -reeks gaat aan weerszijden van den romp van boven het oog tot den -wortel van de staartvin; de derde loopt evenwijdig aan de vorige -langs de zijden van het lichaam en begint achter het kieuwdeksel; -de onderste eindelijk omzoomt aan weerszijden den buik tusschen de -aarsvin en de buikschijf. Deze is cirkelvormig en bestaat uit een -kring van platte, harde schijfjes, omgeven door een vliezigen rand. De -borstvinnen zijn afgerond en korter dan de kop, maar loopen naar voren -tot onder de keel voort, zonder zich echter te vereenigen; dit naar -voren verlengde gedeelte omsluit aan weerszijden de buikschijf. De met -knobbeltjes gewapende rugkiel, die de eerste rugvin vertegenwoordigt, -bevat beentjes, die de vinstralen voorstellen. De zachte rugvin en -de aarsvin beginnen aan 't hellend gedeelte van den staart; deze is -naar verhouding buitengewoon zwak, zijn vin aan 't einde recht. - -De Snottolf bewoont alle noordelijke zeeën en wordt bij alle -kuststreken van gematigd en noordelijk Europa tot IJsland, Groenland -en Canada aangetroffen. "In 't voorjaar en in den zomer is deze Visch -tamelijk algemeen aan onze kust, in de overige tijden zeldzamer" (Van -Bemmelen). Hij beweegt zich zelden en zwemt zeer slecht, langzaam, met -slingerende krommingen van den zwakken staart. In den regel blijft hij -met de buikschijf aan steenen of andere harde voorwerpen vastgehecht -en wacht hier zijn buit af. Het kost groote moeite hem los te rukken: -Hannox berekende, dat hiervoor een kracht van 36 KG. vereischt werd -bij een Snottolf van 20 cM. lengte. Pennant greep een Snottolf, die -zich aan den bodem van een emmer had vastgehecht; bij het opheffen -van dit dier bleef de met water gevulde emmer er aan hangen. Een 15 -cM. lange wierrank, die aan het voorhoofd van een ander exemplaar was -vastgegroeid, maakt het waarschijnlijk, dat de Snottolf soms weken -lang op dezelfde plaats blijft, wachtend tot de Kwallen en Vischjes, -die zijn voedsel uitmaken, dicht genoeg bij hem gekomen zijn om ze -zonder vervolging te grijpen. In gevangen toestand zuigt hij zich -onmiddellijk vast aan een geschikte plek van den waterbak, die hem tot -woning dient, zelfs aan den gladsten glazen wand; hij blijft hier uren -en zelfs halve dagen achtereen, zonder eenig ander lichaamsdeel dan -de kieuwen te bewegen en verlaat deze plaats alleen om het voedsel, -dat hem toegeworpen wordt, te grijpen. In het aquarium hapt hij naar -den inhoud van weekdierschelpen en Wormen, maar laat Vischjes bijna -altijd onaangeroerd. - -Omstreeks Maart komt er in de kleur en het gedrag van de Snottolven een -groote verandering; zij zoeken dan ondiepere, voor 't kuitschieten -geschikte plaatsen aan de kust op. Het aantal eieren is zeer -groot. Fabricius bericht, dat het mannetje in 't zand een kuil maakt -voor de eieren, hierbij trouw de wacht houdt en bij deze gelegenheid -een werkelijk verheven moed toont, zelfs met den vreeselijken Zeewolf -den strijd aanvaardt en, door liefde voor zijn kroost gedreven, dezen -vijand doodelijke wonden toebrengt. Dit bericht wordt door latere -onderzoekers volkomen bevestigd. Zoo verhaalt Johnston, op grond van -hetgeen hem door visschers werd medegedeeld, dat het mannetje de eieren -met zijn lichaam bedekt en in deze houding volhardt, totdat de jongen -uitgekomen zijn; deze hechten zich kort daarna aan de zijden en den -rug van hun vader, die zich met dezen dierbaren last op weg begeeft, -om een dieperen en veiligeren bodem op te zoeken. Tegen het einde -van November hebben de jongen een lengte van 10 cM. bereikt. - -De mensch maakt niet geregeld jacht op den Snottolf. Hier te lande eet -men hem niet. De IJslanders en Groenlanders vinden dezen Visch lekker; -zij vangen hem in netten, of spiesen hem aan een soort van ijzeren -vork, terwijl hij tusschen de zeeplanten ligt. Een veel gevaarlijker -vijand van deze soort is de Zeehond. - - - -De Zeegrondelvisschen (Gobiidae) zijn voor 't meerendeel klein en -langwerpig van gestalte; hun naakte of geschubde huid is slijmerig; -de voorste rugvin wordt evenals bij de Snottolven dikwijls door -buigzame stralen gesteund en is soms met de tweede vereenigd; de ver -uitstekende buikvinnen zijn bij sommige aan den wortel, bij andere -over haar geheele lengte verbonden tot een trechter of holle schijf; -de kieuwspleet is betrekkelijk klein. - -Van deze familie zijn nagenoeg 300 soorten bekend. Verreweg de -meeste zijn zeebewoners; slechts weinige kiezen rivieren of ander -zoetwater tot voortdurend verblijf. Zij leven bij voorkeur op -een rotsachtigen bodem en zetten zich hier tusschen steenen vast; -hun voedsel bestaat uit Wormen en Garnalen, maar ook uit vischkuit -en wieren; meestal vormen zij scholen, die, na opgejaagd te zijn, -zich spoedig weer vereenigen, om gemeenschappelijk te vluchten. Zij -zwemmen zeer behendig; op een modderigen grond stellen de als pooten -dienst doende borstvinnen hen in staat zich te bewegen. Evenals de -Longenvisschen en Doolhofvisschen, kunnen zij zich uren en dagen -lang buiten het water ophouden; niet onmogelijk is het, dat zij dan -onmiddellijk zuurstof uit de lucht opnemen. Zij vermenigvuldigen zich -zeer sterk; ook bij deze groep nemen de mannetjes ijverig deel aan de -zorg voor de nakomelingschap, vooral door de wacht te houden bij de -eieren. In de huishouding van den mensch spelen zij geen belangrijke -rol; slechts weinige soorten worden eetbaar geacht; de eigenaardige -levenswijze dezer dieren bemoeilijkt trouwens hun vangst. - - - -Bij de Zeegrondels (Gobius)--niet te verwarren met de Grondels -(Gobio)--zijn de buikvinnen over haar geheele lengte met elkander -vergroeid tot een trechtervormige schijf, die alleen aan haar -oorsprong met den buik vereenigd is. Alle zijn in staat om hun kleur -in overeenstemming te brengen met die van hun omgeving. - - - -Eén van de ruim 150 soorten van dit geslacht wordt zeer algemeen -langs onze geheele kust waargenomen. Deze--de 6 à 7 cM. lange Kleine -Grondel (Gobius minutus)--wordt ook wel Zeegrondel, Kleine Govie -en Meun genoemd. (De laatste naam is ontstaan door verwarring met -jonge exemplaren van Motella mustela, die, evenals de Zeegrondel, -in de onmiddellijke nabijheid van het strand geregeld bij het -Visschen naar Garnalen met saaien gevangen en aan wal gebracht -wordt.) De Amsterdamsche vischverkoopers noemen den Zeegrondel wegens -zijn sterk gekromden snuit Bullekopje. Het lichaam is langwerpig, -zonder de staartvin 5-maal zoo lang als hoog. De oogen zijn zeer hoog -geplaatst. De mondspleet strekt zich uit tot onder het oog. De kaken -zijn met kleine tanden bezet; die van de voorste rij zijn grooter dan -de overige. De borststandige buikvinnen zijn vergroeid tot een naar -achteren lang en puntig uitloopenden trechter. De grijsachtig gele -grondkleur van dit vischje is op de onderdeelen en den kop lichter, -op de rugzijde bruin gestippeld; dergelijke stipjes vormen op de -staartvin ongeveer 6 dwarsstrepen. De iris is blauw. - -Behalve aan de kusten van de Noordzee, ontmoet men deze soort ook -veelvuldig in de monden der rivieren (Haringvliet, Hollandsch Diep -tot aan en boven de Moerdijk, Theems); zij wordt in de ankerkuil -veel gevangen, heeft als voedsel geen waarde, maar moet tusschen de -Zeebliek door in de kubben als aas dienst doen. (Hoek.) - - - -Nauw aan de vorige verwant, vooral door kleur en samenstelling van -rug- en aarsvin afwijkend, is de nieuwe soort (Gobius Taalmankipii), -die Hubrecht in 1877 in de Noordzee vond. - -Twijfelachtig is de aanwezigheid bij onze kust van den hoogstens 15 -cM. langen Zwarten Zeegrondel (Gobius niger), die in de Middellandsche -Zee in aanzienlijken getale voorkomt, doch ook in den Atlantischen -Oceaan met inbegrip van het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee, -niet ontbreekt. Hij onderscheidt zich door een meer ineengedrongen -en dikker lichaam, een dikkeren kop, grootere schubben en nagenoeg -samenstootende rugvinnen; de zwartachtige, aan de buikzijde lichtere -kleur heeft wolkachtige (meestal donkerbruine) vlekken; de rugvinnen -en staartvin zijn zwartachtig gestreept; de olijfkleurige borstvinnen -hebben bruine streepjes. Men vindt hem op rotsachtige zeebodems, waarop -hij zich eenvoudig neervlijt, zonder zich vast te hechten. Hoewel -hij zich gaarne in de nabijheid van riviermonden ophoudt, heeft men -hem in zoetwater nog niet opgemerkt. Zijn voedsel bestaat uit kleine -Schaaldieren en allerlei andere lagere dieren. De schuilhoek, vanwaar -hij zijn buit beloert, wordt na iederen uitval geregeld weer opgezocht -om er de prooi te verslinden. Tegen den tijd van het kuitschieten, -in Mei of Juni, verlaten de Zwarte Zeegrondels de rotsen, die zij -tot dusver bewoonden en begeven zich naar de met zeegras begroeide -gedeelten der kust, om hier voor hunne eieren een diep en ruim -hol te graven, waarboven de wortels van het zeegras een gewelf -vormen. Evenals bij Stekelbaarzen, is het mannetje de bouwmeester -van deze woning. Voor den ingang houdt hij de wacht, lokt de wijfjes, -die kuit moeten schieten, tot zich, behoedt ongeveer 2 maanden lang -de hem toevertrouwde eieren en verdedigt ze met moed tegen iederen -vijand; hij vermagert merkbaar gedurende dezen tijd en schijnt nagenoeg -uitgeput, als het kroost de ouderlijke woning verlaat en den trouwen -schildwacht van zijn taak ontheft. Soms leggen zoovele wijfjes hare -eieren in hetzelfde hol, dat het vergroot moet worden; het heeft dan -dikwijls verscheidene uitgangen. Een mannetje, dat door de leden der -andere sekse over 't hoofd wordt gezien, verlaat zijn woning en legt -een nieuw nest aan op een gunstiger gelegen plaats. In een doelmatig -ingericht aquarium kan men deze dieren lang in 't leven houden.-- - -Ook de 4 à 5 cM. lange Tweevlekkige Zeegrondel (Gobius Ruthensparii) -die het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee bewoont, behoort volgens -sommige schrijvers tot onze fauna. Hij heeft de aarsvin en de zachte -rugvin hooger dan de eerste rugvin; hierdoor en door twee zwarte -vlekken aan iedere zijde (één onder de eerste rugvin en een andere -aan den wortel der staartvin) verschilt hij van den Kleinen Zeegrondel. - - - -De Riviergrondel (Gobius fluviatilis) bereikt een lengte van hoogstens -8 cM.; zijn bleek geelachtig groene kleur wordt op den bovenrug -donkerder en is op verschillende wijzen gevlekt; de eerste rugvin -is breed, de aarsvin smal en onduidelijk gezoomd, de tweede rugvin, -evenals de staartvin, met talrijke zwarte stippels geteekend; het -kieuwdekselvlies heeft dikwijls een bruinachtig zwarte kleur. - -In de meren, rivieren en kanalen van Italië komt de Riviergrondel, -die daar "Bottola" heet en zeer smakelijk wordt geacht, veelvuldig -voor. Ook hij bewoont een steenachtigen bodem, ligt meestal onder een -steen verborgen en verlaat zijn woonplaats niet, tenzij hij verontrust -of door een prooi naar buiten gelokt wordt. De eieren, die het wijfje -aan de wanden dezer woning vasthecht, worden, naar het schijnt, door -het mannetje niet bewaakt; gedurende hun ontwikkeling verkrijgen zij -een spoelvormige gedaante, drijven als een samenhangende laag op de -golven rond en worden in Juni door de jongen verlaten. - - - -In de moerassen en brakke wateren aan en bij de kusten van tropische -zeeën, vooral bij West- en Oost-Afrika, alsmede op vele kuststreken -en eilanden van den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee (maar niet -aan de kusten van de Nieuwe Wereld) leven Zeegrondels, die wegens -den bouw hunner kieuwen nog langer buiten water kunnen blijven -dan hunne verwanten; een groot deel van den dag brengen zij op het -vochtige slijk door, waar zij zich op een zeer vreemdsoortige wijze -bewegen. Men noemt ze Slijkgrondels (Periophthalmus). - -Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de nauwelijks 15 cM. lange -Slijkspringer (Periophthalmus Koelreuteri), een vischje van zeer -varieerende kleur en teekening, meestal op lichtbruinen of groenachtig -grijzen grond met zilveren of blauwe en bruine vlekken geteekend; de -achterste rugvin prijkt met een zwarte, wit gezoomde, overlangsche -streep op de bovenste helft en heeft, evenals de voorste rugvin, -meestal een fraaie, blauwe kleur; voorts tooien vlekken en stippels -de borst- en buikvinnen. De ver uitpuilende oogen zijn rood. Deze -soort behoort op de kust van West-Afrika thuis. - -Zoo eenige Visch den naam van "Boombeklimmer" verdient, dan is het -deze; de borstvinnen schijnen geheel voor het klimmen ingericht, -zijn meer voeten dan vinnen en worden geheel als voeten gebruikt. Alle -Slijkgrondels jagen minder in het water dan op het land. Zij leven als -Amphibiën, liggen dikwijls op het slijk, springen hier of op het strand -bijna als Kikkers rond en overvallen hun uit Schaaldieren en Insecten -bestaande prooi zoo vlug, dat deze hun zelden ontkomt. Wanneer men -hen vervolgt, schieten zij pijlsnel voort over den modder en kruipen -er in om zich te verbergen. - - - -De Pitvisschen (Callionymus) hebben een zeer slanke gestalte, een -grooten, platten kop, een korten romp en een langen staart; hunne -groote vinnen worden door een gering aantal stralen gesteund. De spits -toeloopende snuit, welks bovenkaak ver vóór de onderkaak uitsteekt, -heeft een nauwe, horizontale mondspleet; de kaken zijn met zeer kleine -tanden gewapend; de eerste rugvin wordt gesteund door 30 zeer lange, -buigzame stralen, die in draadvormige spitsen eindigen; de buikvinnen -zijn vóór de borstvinnen aangehecht en grooter dan deze; de staartvin -is afgerond of puntig verlengd. De kieuwspleten zijn klein en dicht -bij den nek gelegen. De omhoog gerichte oogen zijn dicht bij elkander -boven op den kop geplaatst. De meestal ongeschubde, gladde huid, -prijkt bij vele soorten met prachtige kleuren; de mannetjes en wijfjes -verschillen zoozeer, wat grootte, kleur en vorm van de rugvinnen -betreft, dat zij vroeger voor afzonderlijke soorten werden gehouden. - - - -De eenige aan onze kust voorkomende soort, de Pitvisch, ook wel -Pilatusvischje en Schelvischduivel genoemd (Callionymus lyra), bewoont -de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan langs de kust van -West-Europa met inbegrip van het Kanaal en de Noordzee tot aan het -Kattegat. Hij wordt 30 à 35 cM. lang (het wijfje is 1/4 korter); het -lichaam is ongeveer 8-maal langer dan hoog. Van de 4 rugvinstralen zijn -de beide eerste bij het mannetje sterk verlengd; de draadvormige spits -van de eerste reikt tot aan den staartwortel. In den rijtijd, in de -laatste maanden van het jaar is de gele, aan den rug bruinachtige, -aan den buik witachtige grondkleur van het mannetje op den kop, -langs de zijden, op de buikvin en de staartvin met saffierblauwe -streepjes en vlekken geteekend. De rugvinnen hebben roodblauwe, tot -dwarsstrepen vereenigde vlekken; de borstvinnen zijn geelgrijs met -oranjekleurige stralen, de overige vinnen zijn zwartachtig. - -Deze Visch woont in diep water, gewoonlijk op of dicht bij den bodem -en maakt hier jacht op allerlei kleine dieren. Wanneer hij de eens -gekozen standplaats verlaat, hetwelk zelden geschiedt, beweegt -hij zich bliksemsnel, maar gaat niet ver en keert liefst spoedig -terug. In sleepnetten wordt hij soms gevangen, bij ons in geringen -getale, doch in alle maanden van het jaar. Zijn vleesch is wit en -smaakt zeer goed; voor de visscherij is hij echter van geen belang, -althans in de noordelijke zeeën. - - - -De 10e onderorde van Stekelvinnigen is die der Slijmvisschen -(Blenniiformes); deze hebben een lang, laag, cilindervormig of -zijdelings samengedrukt lichaam, een zeer lange, soms grootendeels -door stekels, soms geheel door gelijksoortige, ongelede of gelede -stralen gesteunde rugvin; de aarsvin is verschillend van lengte, de -staartvin afgeknot of afgerond, of niet van rug- en aarsvin gescheiden; -de buikvinnen zijn borst- of keelstandig, of ontbreken. Van de 6 -hiertoe behoorende familiën is één voor ons belangrijk. - - - -De meeste leden van de familie der Slijmvisschen (Blenniidae) hebben -een naakte of met zeer kleine, ronde schubben bedekte, slijmerige -huid en dragen dus hun naam te recht. Al deze dieren hebben een -langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, een grooten, eenigszins -plompen kop. De buikvinnen zijn keelstandig en worden door niet meer -dan 2 of 3 buigzame stralen gesteund; de rugvinnen zijn onderling -vereenigd. Het gebit bestaat uit lange, dicht bijeengeplaatste tanden, -die in iedere kaak één enkele, zeer regelmatige reeks vormen. Vóór -de oogen, soms ook aan de neusgaten of aan de wangen, bevinden zich -voeldraden van verschillenden vorm. - -Ook de Slijmvisschen zijn bijna uitsluitend zeebewoners; slechts -weinige soorten komen tevens in zoetwater voor. Men kent er meer -dan 200 soorten van, die een 30-tal geslachten vormen en bij de -zeekusten van alle aardgordels aangetroffen worden; sommige zijn voor -de visscherij niet zonder beteekenis. Verscheidene soorten zijn flinke -roovers en worden door de visschers gevreesd wegens het gebruik, dat -zij van hun gebit maken. Hun voedsel bestaat uit andere Visschen en -allerlei ongewervelde zeedieren, vooral Wormen en Schelpdieren. - -Niet alle, maar toch verscheidene Slijmvisschen brengen levende jongen -ter wereld; andere wijden een bijzondere zorg aan hunne eieren door -het bouwen van een nest. Zij vermenigvuldigen zich betrekkelijk sterk; -in enkele wijfjes heeft men niet minder dan 300 jongen gevonden. Andere -soorten schieten op de gewone wijze kuit. - -In vele opzichten herinneren de Slijmvisschen aan de Zeegrondelvisschen -en aan de Schijfbuikigen; zij hebben ongeveer dezelfde levenswijze. Ook -zij bewonen, tot kleine troepen vereenigd, rotsachtige en steenachtige -gronden, kunnen zonder bezwaar gedurende de eb op het droge blijven, -verbergen zich gaarne in kloven, waaruit zij plotseling te voorschijn -komen om den buit te bemachtigen, waarop zij loeren, enz. Sommige -groote soorten worden wegens haar wit en lekker vleesch gevangen. - - - -De Zeewolven (Anarrhichas) zijn grooter en beter gewapend dan al hunne -verwanten. De rugvin strekt zich bijna over de geheele bovenzijde uit; -de aarsvin begint achter de aarsopening, ongeveer in het midden van de -onderzijde van het lichaam; de borstvinnen zijn groot, de buikvinnen -ontbreken geheel. Een kenmerkende eigenaardigheid van dit geslacht -is het gebit, dat er waarlijk schrikwekkend uitziet. Voor in den bek -hebben zij eenige zeer groote, gekromde tanden, welke aan de hoektanden -der groote soorten van Katten herinneren, daarachter eenige kleinere -tanden van denzelfden vorm, twee rijen van groote, stompe of ronde -tanden aan de zijden der kaken, aan het ploegschaarbeen, en aan de -gehemeltebeenderen en kleine, spitse tanden aan de keelbeenderen en -de kieuwbogen. - - - -De Zeewolf (Anarrhichas lupus) kan, naar bericht wordt, een lengte -van 2 M. bereiken; in onze en in zuidelijker zeeën ontmoet men echter -zelden exemplaren van meer dan 1 M. De onderdeelen zijn grijsachtig -wit, de bovendeelen, de zijden en de vinnen bruingeel met donkerbruine -stipjes; groote, donkerbruine vlekken vormen langs de zijden van -den rug een rij van onregelmatige dwarsbanden; ook op de rugvin en -de aarsvin kunnen, behalve stippels, een aantal scheef van boven en -achteren, naar onderen en voren gerichte strepen voorkomen. - -Deze soort, waarvan een enkel exemplaar nu en dan bij onze kust -gevangen wordt, is reeds in het noorden van Schotland niet zeldzaam, -wordt aan de Duitsche, Deensche en Noorsche kusten hier en daar -aangetroffen en komt ook in het Kanaal voor. Rondom IJsland en aan -de kusten van Groenland en Lapland is zij algemeen; voorts strekt -haar verbreidingsgebied zich van hier door de Beringstraat tot in de -Stille Zuidzee uit. Op soortgelijke wijze als andere leden van zijn -familie leeft de Zeewolf op den bodem, bij voorkeur op rotsachtigen -grond en loert hier in rotsspleten op buit, of rukt deze van de -rotsen af. Zijn voedsel bestaat namelijk vooral uit Schaaldieren en -Schelpdieren, welker pantsers en schelpen hij met zijn vreeselijk -gebit zonder moeite verbrijzelt. Waarschijnlijk maakt hij ook op -allerlei Visschen jacht, daar hij, zij het dan ook met slangsgewijze -krommingen, snel genoeg zwemt om het eene of andere lid zijner klasse -in te halen. Gedurende den winter bewoont hij diepe zeebodems; in Mei -of Juni echter begeeft hij zich naar het ondiepe kustwater om kuit te -schieten. Eenige maanden later ziet men zijne groenachtig gekleurde -jongen in tamelijk groot aantal tusschen de zeewieren. - -De Zeewolf dankt zijn naam niet zoozeer aan zijn vreeselijk gebit, -als wel aan de felle woede, die hij toont, zoodra hij in gevaar -verkeert. Zijn oog heeft een eenigszins boosaardige uitdrukking en -zijn aard logenstraft het hierdoor gewekte vermoeden niet. Een gevangen -exemplaar gedraagt zich, alsof het razend is, maakt heftige bewegingen -in het net, tracht het te verscheuren en bijt met slangachtige vlugheid -naar ieder voorwerp, dat in zijn nabijheid wordt gehouden. De visschers -passen wel op, dat zij deze kwaadaardige dieren niet met de handen -aanvatten, maar grijpen, zoodra zij bemerken, dat er een in het -net is gekomen, onmiddellijk een roeiriem of een haak, om het zoo -schielijk mogelijk af te maken. Wanneer zij dit niet doen, spartelt -de Zeewolf nog wel halve dagen lang in de boot rond, want ook hij kan -zonder bezwaar geruimen tijd buiten water verkeeren en blijft razen, -zoolang hij leeft. - -De bewoners van de noordelijke landen eten den Zeewolf eerst, nadat -zij hem vooraf gevild hebben. Van de huid maken zij zakjes of bereiden -er vischlijm uit. - - - -Een fraaie vertegenwoordiger van het geslacht der Slijmvisschen -i. e. z. (Blennius) komt in de Middellandsche Zee en ook aan de -Engelsche kust voor; men noemt hem Zeevlinder (Blennius ocellaris). Hij -wordt 15 cM. lang en heeft een lichtbruine, hier en daar met donkerder -vlekken geteekende, naakte, slijmerige huid. De borst- en buikvinnen -zijn donkerder dan de overige. De rugvin, die in het midden een inham -vertoont en waarvan de 5 voorste stralen draadvormig verlengd zijn -(vooral de eerste), prijkt op het voorste gedeelte met een ronde, -donkerbruine vlek, omgeven door een hof, welks kleur lichter is dan -die van het overige vinvlies. De dikke, aan de wangen gezwollen kop -is van voren afgeknot; de huid van den bovenrand van 't oog is met -twee uitwassen voorzien. - -De Zeevlinder komt in de Middellandsche Zee bij alle rotsachtige -kuststreken voor en is daar algemeen bekend. In den Atlantischen -Oceaan daarentegen schijnen deze Visschen zeldzamer te zijn; alleen -bij Engeland worden zij nu en dan gevangen. Evenals andere soorten -van hun familie, vestigen ook zij zich dicht bij den oever op rotsen -en tusschen wieren en maken hier jacht op kleine Schaaldieren en -Weekdieren. Het kuitschieten heeft in de lente plaats. Hun week, -slijmerig vleesch is smakeloos en wordt daarom alleen door niet -kieschkeurige bewoners van de genoemde kuststreken bij gebrek aan -andere Visschen gegeten. - - - -De Steen-slijmvisschen (Pholis) verschillen van de leden van 't -vorige geslacht vooral ook door het ontbreken van de voor 't tasten -dienende aanhangsels aan den oogkasrand. Zij verdienen vermelding, -omdat één soort van dit geslacht, de Gewone Steen-slijmvisch (Pholis -laevis), enkele malen aan onze kusten tusschen de steenen van de -zeedijken waargenomen is. Veelvuldiger dan in de Noordzee ontmoet men -haar in de Middellandsche Zee en in den Atlantischen oceaan langs de -Iersche kust. Deze 15 cM. lange Visch is zeer veranderlijk van kleur, -dikwijls op olijfgroenachtigen grond bruin gevlekt en gemarmerd, doch -ook wel ongevlekt; andere exemplaren waren in 't water lichtbruin, -maar namen een donkerder kleur aan en vertoonden een reeks van witte -vlekken langs de zijdestreep, nadat zij een tijdlang aan de lucht -hadden gelegen. Het schijnt voor dit dier een behoefte te zijn van -tijd tot tijd op het droge te verkeeren. Een exemplaar, dat van Rosz -een met zeewater gevulde goudvisschenkom tot woning had gekregen, -werd na eenige uren zeer onrustig en sprong herhaaldelijk boven -den waterspiegel uit. Toen de waarnemer, aan den wensch van zijn -gevangene gevolg gevend, een grooten steen, die gedeeltelijk boven -water uitstak, in de kom plaatste, maakte de Visch zich dadelijk met -een sprong meester van dit droge plekje, bleef hier verscheidene uren -liggen en ging toen weer te water. Uit vele waarnemingen bleek, dat -er een nauw verband bestond tusschen deze verandering van ligplaats en -de watergetijden; steeds ging de Visch, als de eb begon, op den steen -liggen en keerde, als de vloed aanving, naar het water terug. Gevangen -exemplaren verslonden gretig alle levende dieren, die men hun aanbood, -ook vleesch van Zoogdieren en Vogels. In de vrije natuur maken Mossels -en andere Weekdieren hun gewone voedsel uit; de lange snijtanden -stellen hen in staat dezen buit van de rotsen los te rukken. Bij -eb worden vele van deze Visschen tusschen de steenen of in kleine, -met water gevulde holten waargenomen; niet zelden begeven de oude -exemplaren zich op het droge en leggen hier, kruipend met behulp van -de borstvinnen, een grooten weg af; merkwaardig vlug en behendig zoekt -ieder een geschikte holte op, om hier de terugkomst van 't water af -te wachten. - - - -De Aalachtige Slijmvisschen (Centronotus) zijn kenbaar aan hun lang, -zijdelings samengedrukt, lint- of zwaardvormig lichaam, met kleinen -kop en met een over de geheele rugzijde zich uitstrekkende rugvin; -iedere buikvin bestaat uit slechts één goed ontwikkelden straal: de -kaken zijn met hekeltanden, de ploegschaar- en de gehemeltebeenderen -en de tong met fluweelachtige tanden gewapend. - -Een zelden aan onze kust voorkomende bewoner van de Noordelijke IJszee, -die ook aan de kusten van Scandinavië en Groot-Brittannië aangetroffen -wordt, is de Botervisch (Centronotus gunnellus). Hij kan een lengte van -25 cM. bereiken, maar is meestal niet langer dan 20 cM. De onderdeelen -met de aars- en staartvin zijn bij het levende dier oranjegeel; de -overige deelen geelbruin of geelgrijs; op den rug bevinden zich 9 à -12 ronde, zwarte vlekken met witten zoom, die zich ook over de rugvin -uitbreiden en soms tot deze beperkt blijven; op de zijden ziet men -meestal stipjes of onduidelijke, bruinachtige dwarsbanden. - -Evenals andere leden van zijn familie, geeft de Botervisch aan een -steenachtigen zeebodem de voorkeur, hoewel hij ook soms aangetroffen -wordt op plaatsen, die met week slijk bedekt zijn. Hij voedt zich met -kleine Weekdieren, jonge vischjes en vischkuit. Minder gaarne dan zijne -verwanten stelt hij zich aan de droge lucht bloot; hoewel een langdurig -verblijf buiten het water voor hem geen bezwaar oplevert, tracht -hij zich steeds tusschen steenen en wieren de noodige vochtigheid te -verschaffen. Zelfs hier kan men hem wegens zijn buitengewoon gladde -huid en vlugge bewegingen moeielijk grijpen. Voor den mensch is hij -trouwens wegens zijn geringe grootte als voedsel van geen belang, -hoewel zijn vleesch bruikbaar is. Vele roofvisschen en Zeevogels maken -jacht op hem en zijne verwanten: Aalscholvers en Duikers bij vloed, -verschillende Meeuwvogels bij eb; van de Visschen is de Zeedonderpad -zijn gevaarlijkste vijand. - - - -Een van de weinige Visschen, die levende jongen ter wereld brengen, -de Magaal (Zoarces viviparus), gewoonlijk (evenals Lota vulgaris) -Kwabaal of Puitaal genoemd, ook wel bekend onder de namen Slijmvisch, -Snotvisch en Pilatusvischje, op Vlieland Magge geheeten, heeft een 30 à -40 cM. lang, zijdelings eenigszins samengedrukt lichaam: de hoogte is -slechts 1/9 van de geheele lengte, die voor 3/5 achter de aarsopening -gelegen is. De huid is glad en slijmerig; zeer kleine schubjes zijn -er in verborgen. De rugvin neemt bijna de geheele rugzijde in en gaat, -evenals de aarsvin, die ruim half zoo lang is als het lichaam, zonder -afscheiding in de staartvin over. De borstvinnen zijn lang en smal, -de door 2 of 3 stralen gesteunde buikvinnen keelstandig. De snuit is -kort, de mondopening klein; de kaken zijn van voren met twee rijen, aan -de zijden met één rij van kegelvormige tanden gewapend; het gehemelte -en de tong zijn tandeloos. De onderdeelen zijn roodachtig bruingeel, -de bovendeelen geelbruin met bruinzwarte marmervlekken aan de rugvin -en een rij van groote, zwarte vlekken langs de zijdestreep. De iris -is bruin met een lichtgelen kring om de pupil. - -De Magaal werd tot dusver uitsluitend in de noordelijke zeeën en -wel in de Noordzee, de Oostzee en het Kanaal aangetroffen. Hoewel -hij aan een steenachtigen bodem de voorkeur geeft, is hij aan onze -kusten tamelijk algemeen gedurende het geheele jaar, zelfs in de -Zeeuwsche stroomen, de Zuiderzee en eertijds in het Haarlemmer -Meer. Vaak wordt hij gedurende het visschen naar Garnalen langs het -strand in de saaien gevangen. Zijn vleesch, hoewel goed van smaak, -wordt niet gegeten. De beenderen hebben, evenals die van den Geep, -reeds in ongekookten toestand een groene kleur en behouden deze na -het koken. "Hij voedt zich met Garnalen en andere kleine Schaaldieren, -met vischkuit, Weekdieren en zelfs met kleine vischjes" (Schlegel). - -"Er schijnt bij deze soort geen bepaalde tijd ter voortteling te -zijn, vermits men in alle jaargetijden wijfjes met jongen heeft -aangetroffen. De eieren van dezen Visch worden n.l. in het moederlijf -bevrucht en ontwikkelen zich aldaar volkomen, zoodat de jongen volmaakt -gevormd ter wereld komen; hiertoe is een tijdruimte van ongeveer 4 -maanden noodig. Men vindt deze jongen reeds in wijfjes van niet meer -dan 15 cM. lengte, en hun getal bedraagt 100 à 200, somtijds zelfs -250" (Schlegel). Zij zijn bij de geboorte minstens 3 cM. lang, maar -bereiken bijna het dubbele van deze lengte, indien de moeder zelf -een aanzienlijke grootte heeft. Zij zijn dan nog zoo doorzichtig, -dat men met een weinig vergrootende loupe de bloedsomloop bij hen -kan waarnemen. Zij groeien schielijk en zijn reeds na verloop van 14 -dagen driemaal zoo lang geworden als in den beginne. - - - -De 11e onderorde van de Stekelvinnigen omvat de Hardervisschen -(Mugiliformes); deze hebben 2 min of meer van elkander verwijderde -rugvinnen, waarvan de voorste op de achterste gelijkt door kortheid en -vorm of geheel uit zwakke stekels bestaat; de buikstandige buikvinnen -zijn uit 1 stekel en 5 gelede stralen samengesteld; het lichaam is -met gladde of weinig getande schubben bekleed. - - - -De Pijlsnoeken, die overal, waar zij voorkomen, door de zeelieden -en visschers Barracoeda's worden genoemd (Sphyraenidae), gelijken -werkelijk, zoowel door hun vorm als door hun gebit, eenigszins op -Snoeken. Hun lange, bijna rolvormige romp is met kleine, gaafrandige -schubben bekleed; de kop is spits, de bek wijd gespleten en met flinke, -haakvormig gekromde, spitse tanden gewapend; de twee voorste tanden -in iedere kaak zijn echte grijptanden. Deze buitengewoon stoutmoedige -en gevaarlijke roofvisschen, die uitsluitend op levende dieren jacht -maken, bewonen de zeeën tusschen de keerkringen en die van de gematigde -aardgordels; zij leven meestal in de open zee, maar vermijden de -kustwateren niet geheel. De grootste soorten kunnen hun slachtoffer -met een enkelen beet in stukken verdeelen; ook op den mensch beproeven -zij maar al te vaak de kracht van hun gebit; zelfs kunnen zij hem -dooden. Sommige soorten worden wegens hun vleesch gezocht. - - - -De Pijlsnoek (Sphyraena vulgaris afgebeeld op pag. 217) bewoont -de Middellandsche Zee en wordt door de visschers kortweg "Snoek" -genoemd. Op den rug is deze 1 M. lange Visch donker loodkleurig, -op den buik zilverwit; de vinnen zijn bruin. Zijn slanke gestalte -en vreeselijk gebit passen bij zijn roofzuchtigen aard; met groote -snelheid klieft hij de golven; daar hij bijna altijd een lijnrechten -weg volgt, werd hij reeds door de ouden met een pijl vergeleken. Zijn -hard vleesch wordt gegeten, maar niet hoog geschat. - - - -In de zeeën om de Antillen wordt de Pijlsnoek vervangen door den -Barracoeda (Sphyraena picuda), die, naar men zegt, een lengte van -3 M. kan bereiken; de bovendeelen zijn groenachtig loodgrijs, de -onderdeelen zilverkleurig, de zijden dikwijls met groote, bruinzwarte -vlekken geteekend. Men vreest dezen Visch niet minder dan den Haai, -daar zijn roofzucht zelfs den mensch niet verschoont; onbeschroomd -dringt hij in de havens door, grijpt de badende menschen en verslindt -ze. Zijn vleesch gelijkt eenigszins op dat van onzen Snoek, maar -schijnt in sommige tijden vergiftig te zijn. - - - -De familie van de Koornaarvisschen (Atherinidae), die in alle zeeën -van de tropische en gematigde aardgordels vertegenwoordigd is, omvat -ongeveer 40 soorten van slank gebouwde, nagenoeg cylindervormige -vischjes met tamelijk groote, gladde schubben en een uit kleine tanden -samengesteld gebit in een bek, die vooruitgestoken kan worden. Hun -meest in 't oog vallende tooi, een breede, zilverkleurige streep aan -weerszijden van den romp, wordt met een koornaar vergeleken. - - - -De hoogstens 15 cM. lange Koornaarvisch der Middellandsche Zee -(Atherina hepsetus), was reeds aan de ouden onder dezen naam -bekend. Evenals de andere leden van zijn geslacht, heeft hij een -stompen snuit met schuins naar beneden gerichte mondspleet, die -zich tot onder den voorrand van het oog uitstrekt, en zeer kleine -tanden. Zijn doorschijnend lichaam is van boven licht geelachtig -bruin met zwarte stippels, van onderen roodachtig wit met zwakken -zilverglans; de glinsterende, zilverkleurige streep strekt zich van de -onderste helft van de 4e tot de bovenste helft van de 6e overlangsche -reeks van schubben uit en heeft langs den bovenrand een blauwen zoom. - - - -Een andere, even groote soort (Atherina presbyter) is zeer menigvuldig -aan de noordkust van Frankrijk en de zuidkust van Engeland en -wordt ook bij ons ieder jaar in kleinen getale gevangen. Het gebit -is duidelijker zichtbaar en de slankheid iets geringer dan bij de -vorige. Het lichaam is zonder de staartvin ongeveer 5 1/2 maal zoo -lang als hoog, eenigszins doorschijnend en bij 't levende dier licht -vleeschkleurig, behalve op de reeds genoemde streep en den eveneens -zilverkleurigen kop. De bovendeelen zijn zwart gestippeld. - -De Koornaarvisschen stemmen in levenswijze zoozeer overeen, dat men, -één van hen beschouwend, de geheele familie leert kennen. In tallooze -menigte bevolken de leden van de eerstgenoemde soort den Atlantischen -Oceaan, benevens de Middellandsche, de Zwarte en de Kaspische Zee; -langs alle kusten, in alle bochten, havens en met de zee in gemeenschap -staande moerassen treft men verbazend groote scholen van deze Visschen -aan. Nooit ziet men ze alleen, altijd zijn zij tot dichte zwermen -opeengepakt, die uitgestrekte ruimten letterlijk vullen. Milliarden van -hen worden door menschen, Meeuwen en dergelijke boven de zee vliegende -Vogels, Eenden, Duikers en roofvisschen buitgemaakt. Hun talrijkheid -bracht de ouden op het denkbeeld, dat zij zonder tusschenkomst van -ouders ontstonden. Men voedert er de Zwijnen mede of schept hunne -reeds tot zwermen vereenigde jongen eenvoudig uit het water op om -er een eigenaardig gerecht van te bereiden, dat in de kustlanden -van de Middellandsche Zee in den smaak valt. In volwassen toestand -leveren zij het gemakkelijkst verkrijgbare lokaas voor de vangst -van andere Visschen, maar worden ook in groote hoeveelheid, gekookt, -gezouten of ingelegd tot voedsel voor de kustbewoners, die hen als -een voortreffelijke spijs beschouwen. Bij ons worden zij echter over -'t algemeen veel minder geacht dan de Spiering. - - - -De Harders (Mugilidae) zijn fraai gebouwde zeevisschen met langwerpig, -afgerond lichaam, groote cycloïde schubben, die ook den kop bekleeden -en twee door een groote ruimte gescheiden rugvinnen; de buikvinnen -staan kort achter de borstvinnen; de dwarsgerichte, hoekige, -diklippige muil is met fijne tandjes gewapend of tandeloos. Bij de -meeste soorten zijn de spijsverteringsorganen op een zeer eigenaardige -wijze ingericht: de zeer ontwikkelde keelbeenderen b.v. hebben een -hoekige gedaante en vernauwen op deze wijze het spijskanaal; hierom en -wegens de kleinheid van de mondopening kunnen de Harders geen andere -dan vloeibare verdunde of fijn verdeelde voedingsstoffen gebruiken. - -De Harders bewonen zoowel het zoetwater, dat met de zee in gemeenschap -staat, als ondiepe zeeboezems, havens en andere kustwateren. Ook zij -vormen in den regel talrijke scholen en leven in gezelschap van de -Zeebarbeelen en andere verdraagzame Visschen. In de open zee wagen -zij zich nooit; nooit begeven zij zich op een aanzienlijke diepte, -maar houden zich, ook als zij het ondiepe water een enkele maal -verlaten hebben, in de bovenste waterlaag van de zee op. Hun voedsel -bestaat uit slijk en zand, of liever uit de hierin voorkomende -plantaardige en dierlijke stoffen. Op plaatsen waar een modderige -of tijdelijk door den regen troebel geworden beek in zee stort, -komen zij gewoonlijk in grooten getale voor. Zij "grondelen" als -onze Karpers en behouden intusschen een horizontalen stand. Vóór het -kuitschieten vertoonen zij zich altijd in zeer talrijke scholen, -later meestal slechts in kleine troepjes van ongeveer 10 stuks op -hunne gewone verblijfplaatsen. Hun vleesch smaakt goed en wordt versch -zoowel als gezouten gegeten. Voor hun vangst zijn ervaren visschers -en eigenaardige netten noodig, omdat zij over de voor andere Visschen -noodlottige schakels dikwijls heenspringen. Behalve door den mensch -worden zij door alle vischetende roofdieren vervolgd; bovendien hebben -zij veel te lijden van verschillende woekerdieren. - - - -Een in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, ook in de -Noordzee, doch niet aan onze kust voorkomende soort, door de Italianen -Ramado genoemd (Mugil capito), bereikt een lengte van 40 à 50 cM. en -is op den rug blauwgrijs, op den buik en aan de zijden zilverwit van -kleur, overal met zwarte, overlangsche strepen. - - - -Een verwante vorm, de Harder of Herder van onze visschers, de Cefalo -der Italianen (Mugil cephalus), bewoont de Middellandsche Zee, maar -wordt ook veelvuldig aan de Engelsche kust, nu en dan zelfs in groote -scholen aan onze kusten waargenomen. Hij is gewoonlijk ongeveer 30 -cM. lang, maar kan wel dubbel zoo lang en 8 KG. zwaar worden. Het oog -is met een slijmerige huid bedekt, de borstvin aan den wortel met een -lange, gekielde schub gewapend. Gedurende het leven zijn de kop en de -rug van dezen Visch groenachtig, de overige deelen zilverachtig; aan -elke zijde ziet men een zestal groenachtige, overlangsche strepen. Na -den dood gaat de groenachtige kleur in een blauwachtige over. - - - -De Ramado komt in groote scholen aan de kusten van Cornwallis -en Devonshire voor en werd ook op allerlei andere plaatsen van de -Engelsche en Iersche kust gevangen. "Nooit," zegt Couch, "verwijdert -deze Visch zich ver van het land; hij houdt zich gaarne in ondiep -water op, vooral bij warm en helder weer; men ziet hem dan dicht bij -het strand rondzwerven, of merkt de kleine kuiltjes op, die hij bij -het zoeken van voedsel in den weeken grond maakt. Soms zwemt hij de -rivieren op, bij eb keert hij echter altijd naar de zee terug." Carew, -de geschiedschrijver van Cornwallis, bezat een zoutwater-vijver, -waarin hij zulke Visschen hield. Daar deze iederen avond op dezelfde -plaats gevoederd werden, geraakten zij aan de voederplaats en aan -hun verzorger zoozeer gewoon, dat het voldoende was op een bepaalde -wijze te klepperen om ze bijeen te lokken. Hun verstand blijkt ook -uit hun waakzaamheid en uit de behendigheid, waarmede zij zich aan -allerlei gevaren weten te onttrekken. Zoodra zij bemerken, dat een -tot op den bodem afhangend net hen omgeeft, keeren zij zoo schielijk -mogelijk terug en springen dan gewoonlijk over den bovenrand van -het net heen; zoodra één van hen een uitweg heeft gevonden, volgen -de andere hem onmiddellijk na. Dit opspringen is hun aangeboren, -zelfs jonge Visschen van geringe grootte springen over de netten -heen. Couch zag er een van ongeveer 2 cM. lengte herhaaldelijk over -een net springen, dat 3 cM. ver boven het water zich verhief. - -Weeke en vettige, liefst reeds rottende stoffen, vormen het meest -geliefde voedsel van deze Visschen. In de lippen, waarmede zij het -meeste voedsel uit den grond halen, schijnt een zeer fijn tastgevoel -te zetelen. Evenals de Romeinen der oudheid, vangen de Italianen -ook thans nog vele Harders in de aan zee gelegen vijvers, vooral -'s winters. Ook de vijvers aan de kusten van Languedoc zijn om deze -reden beroemd. Dikwijls zwemmen de Harders in zoo grooten getale de -Garonne, Loire, Seine, Rhône en Somme op, dat de rivier met Visschen -bedekt schijnt en dat de visschers nauwelijks in staat zijn om de -met visch gevulde netten op te halen; deze rijkelijke vangst duurt -echter nooit langer dan 2 of 3 dagen. De Harder wordt wegens zijn -malschheid, vetheid en aangenamen smaak overal hoog geschat en versch -of gezouten gegeten. Uit de eierstokken, die men afzonderlijk bewaart, -perst en zout, wordt een vooral in Provence zeer gewilde spijs bereid, -een soort van kaviaar, die "botargue" heet. - - - -Bij de Stekelbaarsvisschen (Gastrosteiformes), die de 12e onderorde van -de Stekelvinnigen uitmaken, bestaat het stekelige deel van de rugvin -uit stralen, die niet door een vinvlies verbonden zijn, of ontbreekt -geheel; de buikvinnen zijn borststandig, of wegens de groote lengte -van de haar dragende bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel -vastzitten, buikstandig; de snuit is min of meer verlengd, de mond -klein. - - - -De Stekelbaarzen (Gastrosteidae) hebben een spoelvormig, zijdelings -samengedrukt lichaam met spitsen snuit en zeer dun staartgedeelte; de -kaken zijn over een smalle strook met fluweelachtige tanden bezet. Vóór -de rugvin zijn eenige vrije stekels geplaatst; de buikvinnen zijn -nagenoeg op het midden van den romp met een pantserachtig schild -geleed; van ieder ziet men weinig meer dan één ongeleden vinstraal, -in welks oksel echter eenige zachte stralen verborgen zijn. Bij enkele -soorten is de overigens gladde huid aan de zijden van den romp met -4 of 5 reeksen van kleine schilden gepantserd. - - - -Het typische geslacht der Stekelbaarzen of Doornvischjes (Gastrosteus) -bestaat uit een tiental goed omschreven soorten, die zoowel in -zoetwater en brak water als in de zeeën van het noordelijk halfrond -leven; in levenswijze komen zij zoozeer overeen, dat men door de drie -inheemsche soorten na te gaan ook de overige voldoende leert kennen. - - - -De Driedoornige Stekelbaars, in Groningen Stekelspoor genoemd -(Gastrosteus aculeatus) is kenbaar aan de drie vrije stralen vóór -de rugvin: de eerste is boven den wortel der borstvin aangehecht, -de derde of kleinste op het midden van den afstand tusschen den kop -en den wortel van de staartvin, de tweede of grootste iets nader bij -den eersten dan bij den derden en tegenover de twee nog iets steviger -doornen, die de buikvinnen vertegenwoordigen. De zijden van den romp -zijn meer of minder volledig met korte, hooge pantserplaten bedekt; -in de pantsering en de bewapening met doornen worden verschillende -afwijkingen opgemerkt, die gedeeltelijk standvastig overerven -en hierdoor aanleiding hebben gegeven tot het onderscheiden van -verschillende ondersoorten. Deze soort wordt 7 à 8, hoogstens 9 -cM. lang en is op de bovendeelen groenachtig bruin of zwartblauw, op -de zijden en den buik zilverkleurig, aan de keel en de borst bleek -rozerood of bloedrood; ook de kleur varieert zeer en is bovendien -gedurende den rijtijd veel levendiger dan gewoonlijk. - -Dit vischje bewoont geheel Europa met uitzondering van het -Donau-gebied, waar het tot dusver nog niet waargenomen werd. Overal, -waar het voorkomt, is het zeer veelvuldig, en in sommige gedeelten -van de zee niet minder algemeen dan in het zoetwater. Bij ons ontmoet -men het in grooten getale in alle binnenwateren, sloten, kanalen, -veenplassen, enz., minder talrijk echter in beken en rivieren. Vooral -van Januari tot Maart of April wordt het in de Zuiderzee overvloedig, -te gelijk met de Spiering en de Sprot, gevangen. Zeer algemeen is het -in het ankerkuilvischwater; letterlijk overal wordt het aangetroffen -in de Nieuwe Merwede, het Hollandsch Diep en het Haringvliet. Door -de visschers wordt het zeer gehaat: het is oneetbaar en verslindt -veel vischkuit; op sommige plaatsen vindt men het in zoo groote -hoeveelheid, dat het als zwijnenvoer, als mestspecie en voor het -traankoken kan dienen. - -De hoogstens 6 cM. lange Tiendoornige Stekelbaars, ook Zwarte -Stekelbaars en in Groningen Kleine Stekelspoor genoemd (Gastrosteus -pungitius), een van de kleinste zoetwatervisschen, is even verbreid -als de vorige soort, maar op vele plaatsen, ook in ons land, minder -algemeen en menigvuldig dan deze. Behalve in ons zoetwater wordt hij -ook langs het zeestrand aangetroffen, waarheen hij waarschijnlijk -door de rivieren en sluizen geraakt. In den ankerkuil wordt hij -zelden gevangen; evenmin als de vorige soort, is hij als voedsel -geschikt. Van deze verschilt hij door een eenigszins ranker gestalte; -de doornen op den rug, ten getale van 9 à 11, zijn zwakker en -bijna gelijk van lengte. Pantserplaten komen bij hem niet voor; aan -weerszijden van den staart bevindt zich soms een reeks van ongeveer -10 moeielijk waarneembare gekielde schubben. De bovendeelen zijn -geelachtig olijfgroen, de overige deelen zilverwit, met zeer fijne -zwarte stipjes geteekend, die onduidelijke dwarsbanden vormen. De -vinnen zijn witachtig. Gedurende den zomer wordt bij het mannetje de -zilverwitte kleur van den buik dikwijls door donkerzwart vervangen. - -De 15 à 18 cM. lange Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia), het -grootste lid van zijn geslacht, verschilt aanmerkelijk van de reeds -genoemde soorten. Zijn romp, maar vooral de twee laatste derden van -den staart zijn zeer verlengd en rank. Het vijfkantige lichaam is -langs de zijden met 41 gekielde beenplaten bedekt. De kop eindigt -in een zeer spitsen snuit en is even lang als de romp, die zelf even -lang is als het spitse gedeelte van den staart. Op den rug komen 15 -tamelijk kleine, een weinig achterwaarts gekromde stekels voor. De -bovenkop, de rug en het dunne gedeelte van den staart zijn olijfbruin, -de zijden geelachtig, de wangen, de kieuwdeksels, de keel en de buik -zilverachtig wit; de tweede rugvin en de aarsvin zijn soms van voren -met een zwarte vlek voorzien. - -De Noordzee in haar geheelen omvang en de Oostzee worden door den -Zeestekelbaars bewoond; van hier dwaalt hij zuidwaarts af tot in de -golf van Biscaye; nooit zwemt hij ver de rivieren op, maar vermijdt -steeds het zoetwater. Hij werd langs onze geheele kust, van Zeeland tot -Groningen, en zelfs in de Zuiderzee waargenomen, meestal echter slechts -in kleinen getale; hij is dus alles behalve gemeen. Hij is als voedsel -onbruikbaar en, wegens de pantserplaten, zelfs voor aas niet geschikt. - - - -Er zijn weinige Visschen, die zoovele aantrekkelijke eigenschappen -in zich vereenigen als de Stekelbaarzen. Zij zijn levendig en -vlug, behendig, roofzuchtig en tot vechten geneigd, moedig door het -vertrouwen op hunne voor andere Visschen gevaarlijke wapens, daarom ook -wel overmoedig, doch vol teedere zorg voor hun nakomelingschap. Wegens -al deze eigenschappen houdt men ze gaarne in gevangenschap, waarvan -het gevolg is geweest, dat hun levenswijze vrij nauwkeurig bekend is. - -In een ruim aquarium met overvloedigen watertoevoer gelukt het -altijd hun het verlies van hun vrijheid te doen vergeten; in kleine, -nauwe bakjes daarentegen brengen heimwee en de groote wijziging der -levensomstandigheden aanvankelijk een groote sterfte teweeg; het blijkt -dan duidelijk hoe prikkelbaar en opgewonden deze dieren zijn. In een -ruime woning zwemmen de Stekelbaarzen, die men er gelijktijdig in heeft -gebracht, in 't eerst gezellig rond; zij doen een verkenningstocht, -onderzoeken iederen kant, elken hoek, alle plekjes. Plotseling neemt -een van hen bezit van een zekeren hoek of van een bepaald deel van den -bak; een woedende strijd ontbrandt tusschen den overweldiger en ieder, -die zich verstout, hem zijn verovering te betwisten. Beide kampioenen -zwemmen met den grootst mogelijken spoed om en naast elkander, -aanhoudend bijtend en met de vreeselijke doornen schermend. Dikwijls -is eerst na verscheidene minuten de strijd beslist; zoodra een der -vechtersbazen achteruitwijkt, zwemt de overwinnaar, die blijkbaar ten -hoogste verbitterd is, hem achterna; de vervolgde wordt van het eene -deel van 't aquarium naar het andere gedreven, totdat hij bijna te -vermoeid is om zich te bewegen. De stekels worden met zooveel kracht -gebruikt, dat dikwijls een van de kampioenen doorboord en dood naar -den bodem zinkt. Mettertijd heeft ieder vischje zijn eigen gebied -en is de ruimte verdeeld tusschen drie of vier kleine despoten, -die elkander in 't oog houden en bij iedere overschrijding van de -grenzen den overtreder aanvallen en met hem strijdvoeren. Dit doen -zoowel de mannetjes als de wijfjes. - -De kleur der Stekelbaarzen ondergaat groote veranderingen, die -in verband staan met hunne verschillende gemoedsaandoeningen. Het -groenachtige Vischje met zilverkleurige vlekken prijkt, als het van -strijdlust blaakt, met schitterende kleuren: de buik en de onderkaak -zijn donkerrood geworden; de rug heeft roodachtig gele en groene tinten -verkregen; het regenboogvlies, dat in normalen toestand witachtig is, -vertoont een donkergroenen glans. Even schielijk treedt de reactie in; -de overwinnaar verbleekt, zoodra hij het onderspit delft. - -In zeer wijde bakken of in de vrije natuur, zwemmen de Stekelbaarzen -snel en behendig, springen dikwijls hoog boven het water uit, vermaken -zich met allerlei spelen, maar letten intusschen op al wat er om -hen heen gebeurt, vooral op de jonge vischjes, die hun voornaamste -voedsel uitmaken. Om sterkere roofvisschen bekommeren zij zich over -'t algemeen weinig, waarschijnlijk op grond van het bewustzijn van de -doelmatigheid hunner eigene verweermiddelen: werkelijk worden zij naar -men zegt, zelfs door machtige roovers gemeden. De Snoek o.a., die alles -wat eetbaar is, verslindt, deinst af voor hunne stekels. Slechts groote -zeevisschen, zooals Dorschen en Zalmen, vullen onbezorgd hun maag met -deze dwergjes. Ondanks hun weerbaarheid en schijnbare achteloosheid -kennen zij hunne vijanden zeer goed, zooals blijkt uit het oprichten -van hunne wapens bij de nadering van door hen gevreesde Visschen. - -Niet minder onverschrokken dan in tijden van gevaar, zijn de -Stekelbaarzen bij hun dagelijksch bedrijf. Zij maken jacht op alle -dieren, die zij kunnen overmeesteren en toonen een verbazenden -eetlust. Indien zij slechts de grootte van Baarzen hadden, zouden -zij onze binnenwateren leegmoorden en ons buitengewoon veel nadeel -toebrengen, hoezeer zij ons ook door hun schoonheid bekoren. - -Het merkwaardigste deel van de levensgeschiedenis der Stekelbaarzen -is ongetwijfeld de wijze, waarop zij hunne eieren verzorgen. Als -de tijd van kuitschieten nadert, kiest ieder mannetje een bepaalde -standplaats uit en verdedigt deze met zijn gewone hardnekkigheid en -strijdlust tegen iederen soortgenoot van zijn sekse, die het wagen -durft hem te verdringen. De uitverkoren plaats kan zeer verschillend -zijn. De Stekelbaarzen, die in zoetwater kuitschieten, zoeken -gewoonlijk een met grind of zand bedekte ondiepte op, waarboven -het water tamelijk snel vloeit of althans dikwijls bewogen wordt; -zij bouwen op den grond een nest, dat half in het zand begraven is, -of bevestigen het vrij-zwevende gebouw tusschen waterplanten. De -Zeestekelbaarzen kiezen soortgelijke standplaatsen voor hun nest; -zij hechten het meestal vast aan lange wieren in de nabijheid van -het strand, waartusschen zij zich over 't algemeen gaarne ophouden: -een uitgevezeld stuk touw, dat in het water hangt, kan hiervoor ook -zeer goed dienen. Het mannetje, dat gedurende den voortplantingstijd -met de prachtigste kleuren prijkt, toont ook op andere wijzen een -vermeerderde levensenergie; om een nest op den bodem te bouwen moet -hij in de eerste plaats eenige wortels en andere plantendeelen van -dezen vorm, die niet zelden langer zijn dan hij zelf, aansleepen, -soms van een tamelijk grooten afstand; dikwijls rukt hij stukken van -levende planten los en onderzoekt hun gewicht door ze te laten vallen; -die, welke snel op den bodem zinken, zijn voor bouwstoffen geschikt, -de overige zijn te licht en worden weggeworpen. De kleine bouwmeester -stapelt de steeds met zorg uitgekozen materialen laagsgewijs opeen -en verandert hun rangschikking, totdat zij naar zijn genoegen is. Het -vasthechten aan den grond geschiedt door bezwaring met zand of grind; -om het nest van binnen af te ronden en tevens de noodige stevigheid -te verschaffen, zwemt de Stekelbaars er langzaam doorheen, de reeds -aan den bodem gehechte deelen intusschen aan elkander lijmend en -verbindend. Het aanvoeren van de vereischte bouwstoffen duurt -ongeveer 4 uren: na verloop van dezen tijd is tevens het nest, -althans wat de grove omtrekken betreft, voltooid; voor het afwerken, -voor het uitschiften van de te lichte bestanddeelen, het wijzigen -van de schikking van sommige halmen, het samenvlechten van hunne -uiteinden en het bezwaren met zand zijn echter verscheidene dagen -noodig. Gedurende dezen arbeid denkt de Stekelbaars aan niets anders -en tracht iedere stoornis te verhinderen. Terwijl hij vlijtig aan -'t werk is, kijkt hij wantrouwig naar ieder wezen, dat zich in de -nabijheid vertoont, zoowel naar een andere Stekelbaars als naar een -Salamander, een Waterkever of een larve, hetzij deze dieren met booze -of met onschuldige bedoelingen het nest naderen. Een Waterscorpioen -werd door een nestbouwend mannetje meer dan dertigmaal gegrepen en in -den bek naar den anderen kant van den waterbak vervoerd! De grootte -van het nest is zeer verschillend en hangt zoowel van de standplaats -als van de soort van bouwstoffen af; gemiddeld is het ongeveer -zoo groot als een vuist. Gewoonlijk is het langwerpig rond en van -boven volkomen gesloten, aan de zijden echter met een ingang en een -uitgang voorzien. Aanvankelijk ziet men er slechts één opening aan, -later hiertegenover ook de tweede. Zoodra n.l. een Stekelbaars zijn -nest gereed heeft, tracht hij er een wijfje in te lokken. Dit legt -hier eenige eieren, boort tegenover den ingang een gat in den wand -en ontsnapt. Daar het nest van nu af twee openingen heeft, kan het -water er door stroomen, hetgeen voor de ontwikkeling der kiemen noodig -is. Het mannetje, dat den volgenden dag een tweede wijfje naar het nest -leidt en hier goedschiks of kwaadschiks kuit laat schieten, gaat op -deze wijze voort, totdat het noodige aantal eieren bijeen is. Om deze -tegen elken aanval te vrijwaren en te verdedigen, moet het mannetje -zijn ijver en waakzaamheid verdubbelen. Iedere andere Stekelbaars, -die zich in de buurt van het nest vertoont, wordt vol woede besprongen -en op de vlucht geslagen; deze voorzorgsmaatregel geldt zoowel de -mannetjes als de wijfjes; deze zijn niet minder gevaarlijk dan gene, -eer meer dan minder belust op de eieren of de pasgeboren jongen. Tot -aan het tijdstip van hun geboorte draagt het mannetje ook nog op -een andere wijze zorg voor het goed gedijen zijner nakomelingen. Met -den snuit herstelt hij gebreken van het nest, hetzij deze bij toeval -ontstaan of door een nieuwsgierige hand veroorzaakt zijn; bovendien -begeeft hij zich dikwijls vóór of in de broedruimte en brengt door een -trillende beweging van de borstvinnen een verversching van het water -in het nest teweeg, alsof hij weet, dat aan de eieren versche zuurstof -toegevoerd moet worden. Afgunstige mannetjes, die zich waarschijnlijk -van het nest willen meester maken, en snoeplustige wijfjes storen -telkens weer den trouwen wachter, die, zoolang zijn diensttijd duurt, -bijna aanhoudend strijd moet voeren. Nieuwe zorgen wachten hem, wanneer -eindelijk de eieren uitkomen. Hij moet, om de hulpbehoevende jongen te -beschermen en te verdedigen, vreemde Stekelbaarzen verjagen. Voorloopig -blijft hij met zijn kroost in de onmiddellijke nabijheid van het -nest, hoewel hiervan niets anders overgebleven is dan eenige in den -grond vastzittende halmen. Minder moeielijk wordt zijn taak allengs, -naarmate de vischjes meer en meer bekwaam worden in 't zwemmen; hij -bekommert zich niet meer om hen, zoodra zij eindelijk in staat zijn -om zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. - -In de vrije natuur is het nest gewoonlijk grootendeels in het slijk -verborgen; waarschijnlijk is het vooral hieraan toe te schrijven, -dat men eerst zoo laat begonnen is te letten op de zorgen, die de -mannelijke Stekelbaars aan zijne jongen wijdt. - -Hoewel de Stekelbaarzen niet meer dan ongeveer 60 à 80, dus -betrekkelijk weinige eieren leggen en, ondanks hunne uitmuntende -verweermiddelen, door sommige vijanden, vooral door bijzonder groote -Lintwormen geplaagd en geteisterd worden, hoewel zij, naar men zegt, -hoogstens drie jaar leven, vermenigvuldigen zij zich soms ongeloofelijk -sterk, vooral in de zoogenaamde doode armen van een rivier, in -plassen of meren met stilstaand water en in vestinggrachten. In dit -geval kunnen zij voor den mensch lastig worden en hem bij sommige -werkzaamheden hinderen; zelfs leveren zij middellijk wel eens gevaar -op voor de gezondheid van de menschen in de door hen bewoonde streek, -n.l. wanneer zij in grooten getale te gelijk om 't leven komen en -hunne rottende overblijfselen de lucht verpesten. Ook in grootere -plassen ziet men ze volstrekt niet gaarne, daar hun vraatzucht de -vermeerdering van het aantal nuttige Visschen zeer in den weg staat; -op plaatsen, waar zij zich eens genesteld hebben, kan men ze moeielijk -uitroeien. De oorzaken van de groote talrijkheid dezer dieren, zijn min -of meer dezelfde als voor de Muizen: het eene of andere troepje broedt -ongestoord; de jongen worden schielijk geslachtsrijp, vermenigvuldigen -zich eveneens en zoo kan het voorkomen, dat het na korten tijd van -Stekelbaarzen wemelt op plaatsen, waar men ze vroeger niet opmerkte, -totdat eindelijk een groote sterfte onder hen een opruiming houdt. - -In Holstein en Sleeswijk, Zweden en Engeland worden de Stekelbaarzen in -sommige jaren in grooten getale gevangen en als voedsel voor Zwijnen, -Hoenderen en Eenden gebruikt, tot traan verkookt of als mestspecie -op den akker gebracht. Hoewel men algemeen de Stekelbaarzen voor -oneetbaar houdt, leveren zij, volgens sommigen, na behoorlijke -toebereiding een smakelijke soep. - - - -Bij de Fluitbekvisschen of Pijlvisschen (Fistulariidae) is het lichaam -buitengewoon lang en vormen de voorste beenderen van den kop een lange -buis, die aan haar voorste uiteinde de kleine mondopening heeft; de -tusschenkaaks- en onderkaaksbeenderen dragen kleine tanden. De schubben -zijn klein of ontbreken. Het stekelige deel van de rugvin bestaat -uit zwakke, vrije stralen of ontbreekt geheel. De buikvinnen worden -door geen andere dan zachte stralen gesteund en zijn borststandig -of buikstandig, maar in 't laatstgenoemde geval gescheiden van de -bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel verbonden blijven. - - - -Bij het geslacht der Fluitbekken (Fistularia) komt slechts één enkele, -korte, ver naar achteren geplaatste rugvin voor en heeft de in 2 -lobben verdeelde staartvin een eigenaardig verlengstuk; de beide -middelste stralen zijn n.l. vergroeid tot een borstelachtige draad, -die bij sommige soorten het overige lichaam in lengte evenaart; -de huid is wegens het ontbreken der schubben glad. - - - -De meest bekende vertegenwoordiger van de familie en van het geslacht -is de Tabakspijp (Fistularia tabaccaria), die meer dan 1 M. lang -kan worden, waarvan trouwens de helft op de staartdraad komt. De -bovenzijde is op bruinen grond met 3 reeksen van blauwe vlekken bezet; -de onderzijde heeft een zilverwitte kleur. - -De Fluitbekken zijn beperkt tot de zeeën tusschen de keerkringen, -bewonen zoowel den Atlantischen als den Indischen Oceaan en komen -ook in de Stille Zuidzee voor. De Tabakspijp wordt binnen de genoemde -grenzen langs de oost- en westkust van Amerika aangetroffen. In haar -maag vond Commerson kleine Visschen; volgens andere onderzoekers -voedt zij zich ook met verschillende Schaaldieren. - - - -De kleine onderorde der Schildbuiken (Gobiesociformes) omvat slechts -één gelijknamige familie (Gobiesocidae) met een 20-tal soorten. Zij is -kenbaar aan de afwezigheid van het stekelige deel van de rugvin, welker -geleedstralig deel, evenals de aarsvin, geheel tot den staart beperkt -blijft; de keelstandige buikvinnen omsluiten een in twee opeenvolgende -stukken gesplitste hechtschijf van andere samenstelling dan die der -Snottolven, daar zij niet door vervorming van de buikvinnen ontstaat, -maar door een kraakbeenig uitgroeisel van het onderste been van den -schoudergordel gesteund wordt. - - - -De Slakdolf, Kringbuik of Zeeslakvisch [Lepadogaster (Liparis) -barbatus] heeft een samengedrongen, langwerpig eivormig lichaam van -ongeveer 15 cM. lengte. De borstvinnen strekken zich tot onder de keel -uit en zijn hier tot een punt verlengd. De rugvin en de aarsvin zijn -laag, lang en met de kleine afgeronde staartvin vereenigd; de rugvin -begint boven de borstvinnen, de aarsvin is een derde korter. De kleur -is lichtbruin, op de onderdeelen lichter, op de bovendeelen afgebroken -door fijne, bruine, overlangsche strepen en op de vinnen door bruine, -veelal op dwarsrijen geplaatste stippen. - -Deze Visch bewoont de IJszee tot aan de kusten der Noord- en -Oostzee. Hij wordt bij ons zoowel langs de kust als in de Zuiderzee -en de Zeeuwsche stroomen aangetroffen, maar is er alles behalve -gemeen. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en kleine vischjes. Naar -men zegt, heeft het kuitschieten vroeg in het jaar plaats. (Schlegel.) - -Van de Slangenkopvisschen (Ophiocephalidae), die een afzonderlijke -onderorde (Channiformes) vertegenwoordigen, zijn een dertigtal -soorten bekend; deze hebben een tamelijk langen, van achteren weinig -samengedrukten, van voren bijna ronden romp, een breeden en platten, -van boven met schilden bekleeden kop met ver naar voren gelegen -oogen en een diep gespleten muil; de kaken en het gehemelte dragen -borstelvormige tanden en eenige grootere grijptanden; de kieuwdeksels -zijn geschubd, ongetand en ongedoornd. In geen der vinnen komen -ongelede vinstralen voor. Hoewel zij (in tegenstelling met de leden -der volgende onderorde) geen eigenlijken "doolhoftoestel" hebben -ten behoeve van de ademhaling gedurende het verblijf op het land, -staat hun kieuwholte met een voor 't zelfde doel dienende, bijkomende -holte in gemeenschap. De rugvin strekt zich bijna over de geheele -lengte van den romp uit; ook de aarsvin is zeer lang, de staartvin -afgerond; de borst- en buikvinnen wijken niet van den gewonen vorm -af. Een zwemblaas is aanwezig. - -"De Slangenkopvisschen," zegt F. Day, "kunnen wegens de holten in hun -kop op de wijze der Amphibiën ademen en langen tijd buiten het water -verkeeren. Zij wagen zich tamelijk ver op het land, vooral wanneer dit -eenigszins vochtig is, bewegen zich hier door de borstvinnen en den -staart achtereenvolgens te verplaatsen en het lichaam slangsgewijs -te krommen. Zij leven, naar het schijnt, steeds bij paren. Eenige -soorten bewonen grasrijke moerassen of de met gras begroeide randen -van de waterreservoirs, die voor de besproeiing der akkers dienen; -andere houden zich op in bronnen en met water gevulde kuilen, ook -wanneer deze met steenen wanden zijn voorzien, nog andere in gaten -aan de oevers van rivieren. De soorten, die in moerassen of in de -voor de irrigatie dienende watervergaarplaatsen leven, vestigen -zich bij voorkeur op de ondiepe en met hooge grassen begroeide -gedeelten dezer plassen. Onder de Visschen, die ik uit het slijk van -uitgedroogde waterreservoirs heb zien uitgraven, bevonden zich eenige -Slangenkoppen; de inboorlingen van Indië meenen, dat deze Visschen -gedurende plasregens uit de lucht komen vallen. - -"Het verbreidingsgebied van deze zoetwatervisschen omvat Beloetsjistan, -Afghanistan, Britsch-Indië, Birma, Ceylon, China, Siam en de Maleische -Eilanden; zij bewonen vijvers en rivieren in hooge en ver van de zee -gelegen gewesten zoowel als wateren, die het verschijnsel van ebbe -en vloed vertoonen. De Moerrels, zooals men ze in het noorden van -Indië noemt, worden als voedsel gebruikt; de uit rivieren afkomstige -smaken beter dan die, welke in langzaam stroomend of stilstaand water -buitgemaakt zijn." - - - -Tot het geslacht der Slangenkoppen (Ophiocephalus), op Java Ikan-gaboes -genoemd, behooren eenige soorten, van welker levenswijze men iets weet. - -De Slangenkop, de Waral der Indiërs (Ophiocephalus punctatus), -die het vasteland van Indië en vooral ook Ceylon bewoont, bereikt -een lengte van 30 à 40 cM.; van boven is hij groenachtig grijs, van -onderen witachtig grijs; op den romp ziet men donkerder dwarsbanden -scheef van boven en voren naar achteren en onderen loopen. - -De Keitsjel, die door de Europeanen Grondvisch, door de inboorlingen -van Boetan (het zuidwestelijkste deel van het Himalaja-gebied) -Boratsjoeng wordt genoemd (Ophiocephalus striatus), heeft een -nog uitgestrekter verbreiding dan de vorige soort, daar men hem in -Bengalen, Pegoe, Koromandel, op Java en de Philippijnen, waarschijnlijk -ook op Celebes (hier nog op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte -der zee) aangetroffen heeft. Hij kan meer dan 1 M. lang worden. De -bovendeelen zijn dof groenachtig grijs, de onderdeelen geelachtig wit; -de teekening bestaat uit onafgebroken strepen, die zich over de vinnen -als stippels en vlekken voortzetten. - -Volgens de berichten der Boetaneezen vindt men dezen Visch niet in -rivieren, maar op volkomen droge plaatsen te midden van met gras -begroeide wildernissen, soms op een afstand van 2 of meer Engelsche -mijlen van het water. Door in de hier voorkomende kuilen te graven, -bereikt men de waterhoudende laag, waarin deze dieren, in den regel bij -paren, zich bevinden. Als men den Boratsjoeng uit zijn schuilplaats -haalt en op den grond werpt, beweegt hij zich met slangsgewijze -kronkelingen merkwaardig snel. Campbell geeft een eenigszins andere -voorstelling van de zaak. Volgens hem zijn de holen, die de Boratsjoeng -bewoont, uitsluitend aan den oever van een langzaam vloeienden stroom -of van een meer, en is hun ingang gewoonlijk verscheidene cM. onder -den waterspiegel gelegen, zoodat de Visch onmiddellijk uit verblijf -te water kan gaan. Deze holen worden door Landkrabben gegraven en door -den Boratsjoeng in bezit genomen. Toch is het bericht der Boetaneezen, -dat de Boratsjoeng ook ver van het water in holen voorkomt, verre -van onwaarschijnlijk, daar men de Slangenkoppen meer dan eens op -het droge heeft waargenomen, waar zij als Slangen van het eene water -naar het andere kropen. Misschien hadden de droge plaatsen, waar de -Boratsjoeng in Boetan gevangen wordt, gedurende den regentijd onder -water gestaan, en bleef hem bij 't invallen van de droogte, niets -anders over, dan in gaten van den grond, die vroeger met het water -in gemeenschap stonden, betere tijden af te wachten. Hij is althans -uitmuntend geschikt om geruimen tijd op het droge te leven. - -Volgens Buchanan heeft deze Visch een buitengewoon taai leven; sommige -exemplaren kruipen meer dan een half uur lang zonder ingewanden -rond; hun vleesch is wit en gemakkelijk verteerbaar, hoewel niet -zeer smakelijk. De meeste Europeanen op Java zijn afkeerig van deze -slangachtige Visschen; door de Chineezen en inlanders worden zij met -graagte gegeten. - - - -Aristoteles spreekt van Visschen in de omstreken van Heraclea Pontica, -die zich, als het water van de rivieren en meren verdampt, het vocht -volgend, in den modder begraven, hier, terwijl de bovenste aardlaag -verhardt, als 't ware in slapenden toestand verkeeren, maar zich bij -aanraking krachtig bewegen. Diep in het slijk, aldus vult Theophrastus -het bericht van zijn meester aan, laten deze Visschen hunne eieren -achter, die zich ontwikkelen, zoodra de bodem weer met water bedekt -is. Bovendien zeggen de genoemde uitmuntende schrijvers der oudheid, -dat er in Indië Visschen leven, die soms de rivieren verlaten en -als Vorschen over land naar een ander water trekken. Waarschijnlijk -berusten deze volkomen juiste mededeelingen op persoonlijke ervaringen -van Grieken, die aan den krijgstocht van Alexander den Grooten naar -Indië deelnamen. Zij leiden tot het vermoeden, dat de bedoelde Visschen -met eigenaardige, bij andere leden hunner klasse niet voorkomende -ademhalingswerktuigen voorzien zijn. Longen hebben zij niet, maar wel -organen, die een soortgelijken dienst kunnen vervullen. Visschen, -die uit het water genomen worden, sterven, omdat hunne kieuwen -verdrogen en voor de ademhaling ongeschikt worden, hetwelk een -storing in den bloedsomloop veroorzaakt: zij stikken, evenals een -hooger Gewerveld Dier, dat men den hals dichtbindt. Hoe grooter de -kieuwspleet, hoe fijner de vertakking der kieuwen, des te spoediger -volgt de dood. Sommige Visschen sterven bijna oogenblikkelijk nadat -zij boven water gebracht zijn; anderen kunnen uren lang buiten water -verkeeren: onze Karpers verdragen een mijlenverre verzending over -land, wanneer zij in vochtige doeken ingepakt zijn. Dezelfde werking -als de natte doeken heeft het door de bovenste keelbeenderen gevormde -"doolhoftoestel", waaraan de Doolhofkieuwigen (Labyrinthibranchii) -hun naam danken. Dit orgaan bestaat uit buitengewoon dunne, -oorschelpvormige, concentrisch bijeengevoegde beenplaatjes, welker -aantal mettertijd toeneemt. Zij begrenzen een zeer uitgebreid stelsel -van fijne tusschenruimten, die bij het ademen met water gevuld worden -en dit bij kleine hoeveelheden tegelijk aan de kieuwplaatjes afgeven, -die hierdoor vochtig en voor het opnemen van zuurstof (ook uit de -lucht) geschikt blijven. Met uitzondering van een enkele soort van -kleine, op Borneo, Bankan en Billiton voorkomende zoetwatervisschen, -die de familie van de Snoekkopvisschen (Luciocephalidae) vormen, worden -alle Doolhofkieuwigen in de familie der Doolhofvisschen (Labyrinthici) -vereenigd. Ook deze behooren in zoetwater thuis. Alle leden van deze -familie bewonen de Oude Wereld; zij zijn het talrijkst gevonden in -Oost-Indië (met de omliggende landen) en Zuid-Afrika. - - - -De Klimbaarzen (Anabas) kenmerken zich door een langwerpig ronden, -zijdelings zwak samengedrukten romp; het voordeksel is gaafrandig, -het kieuwdeksel aan den rand getand; de rugvin en de aarsvin zijn lang, -haar voorste gedeelte wordt gesteund door vele dikke, spitse stralen; -de borst- en de buikvinnen en de staartvin zijn betrekkelijk kort. - -De Indische Klimbaars, op Java Ikan-betokh genaamd, de Pannei-eri -of Sennal der Tamils, de Kaweja der Singalezen, de Koi van andere -Indiërs (Anabas scandens), bereikt soms een lengte van meer dan 20 -cM.; hij is op den rug bruinachtig groen, op den buik geelachtig; -de rugvin en de aarsvin zijn paars, de buikvinnen en de borstvinnen -roodachtig; de staartvin heeft dezelfde kleur als de rug. Enkele -exemplaren zijn met donkerder strepen en lichtere vlekken geteekend, -andere vrij wel effenkleurig. - -Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Indië, Birma, Ceylon, de -Maleische eilanden en de Philippijnen. Haar woonplaats heeft zij in de -stroomende en stilstaande wateren dezer landen; stroomafwaarts ontmoet -men haar echter tot dicht bij den mond der rivier, waar bij vloed -zeewater binnenstroomt; zij schuwt derhalve het brakke water niet. - -Twee Arabische reizigers, die tegen het einde van de 19e eeuw -Indië bezochten, hoorden hier spreken over een Visch, die, zijn -element verlatend, zich over land naar de kokospalmen begeeft, -deze beklimt, om palmwijn te drinken en vervolgens naar het water -terugkeert. Een zendeling, die in de laatste helft van de vorige eeuw -Indië doorreisde, nam verscheidene exemplaren van de bedoelde soort -naar Europa mede en bevestigde het bericht, dat deze Visch met de -als een zaag getande kieuwdeksels en scherpstekelige vinnen de langs -den oever groeiende palmen beklimt, terwijl het regenwater bij hun -stam neervloeit. Verscheidene uren kan hij op het droge leven en door -vreemdsoortige krommingen van den romp vooruitkomen. Hij houdt zich -gewoonlijk in modderpoelen op, wordt gevangen en als spijs gebruikt. - -De reizigers en onderzoekers uit lateren tijd spreken volstrekt -niet over een boomen-beklimmenden Pannei-eri; wel bevestigen zij het -bericht, dat deze Visch nu en dan over land tochten onderneemt en zich -gedurende het droge jaargetijde in het slijk der uitgedroogde wateren -verbergt. Hierover heeft Tennent nauwkeurige mededeelingen gedaan, -die op persoonlijke waarnemingen en op berichten van betrouwbare -ooggetuigen berusten. Zoo schreef hem o.a. een zekere Morris, -regeeringsbeambte te Trinkonomali op Ceylon: "Onlangs bezichtigde ik -den rand van een grooten vijver, welks dam hersteld moest worden. Het -water was nagenoeg geheel verdwenen; een kleine kolk was al, wat -er van overbleef. Terwijl wij op een hooger gelegen plek stonden, -om het voorbijtrekken van een onweer af te wachten, zagen wij aan den -rand van den ondiepen kolk een Pelikaan, die druk aan 't eten was. Dit -trok de aandacht van onze Indische begeleiders, die er op afgingen en -"Visschen, Visschen!" riepen. Ter rechter plaats gekomen, zagen wij -in de geulen, die de zooeven gevallen regen gevormd had, een menigte -Visschen voortkrabbelen en door het gras naar boven kruipen. Hoewel -het water nauwelijks toereikend was om hen te bedekken, kwamen zij -snel vooruit. De lieden uit ons gevolg raapten er ongeveer 2 schepels -van op, de meeste op een afstand van 30 M. van den vijver. Alle deden -hun best om den dam op te klauteren, welks kruin zij waarschijnlijk -bereikt zouden hebben om zich langs de andere helling naar een -geschikte waterplas te begeven, indien de Pelikaan en later wij hen -niet gestoord hadden. Het waren blijkbaar Visschen van dezelfde soort -als die, welke wij in de uitgedroogde vijvers aantroffen." - -"Hoe meer de watervergaarplaatsen uitdrogen, des te meer hoopen -de hier wonende Visschen zich op in de kleine plassen, die nog -water bevatten of in den vochtigen modder. Hier ziet men ze -bij duizenden dooreenkrioelen in het brijachtige slijk. Als ook -dit verdroogt, begeven zij zich over land naar andere vijvers, -die nog water bevatten. Eens zag ik er honderden in de nabijheid -van een zoo even door hen verlaten vijver; zij verspreidden zich -in verschillende richtingen en vervolgden hun weg ten spijt van -alle bezwaren en hinderpalen. Daar de bedoelde plas tot dusver als -drinkplaats gediend had voor de tamme en wilde dieren uit de buurt, -was de grond hier overal ingetrapt; niet weinige Visschen vielen in de -diepe, door voetstappen veroorzaakte kuilen, waaruit het voor sommige -niet mogelijk was weg te komen, zoodat Wouwen en Kraaien een rijke -vangst deden. Ik kreeg den indruk, dat deze verhuizingen uitsluitend -'s nachts plaats hadden, want ik heb nooit anders dan gedurende de -morgenuren trekkende Visschen gezien. Ook heb ik opgemerkt, dat de -exemplaren, die ik levend opzocht en in een tobbe met water hield, -over dag rustig bleven, des nachts echter pogingen deden om hun -gevangenis te verlaten en dikwijls werkelijk ontsnapten." - -Deze zelfde Visschen begraven zich zoo noodig in 't slijk; misschien -doen zij dit, na vooraf getracht te hebben water te vinden; misschien -geven zij zich deze moeite niet eens, steken dadelijk den snuit in -den modder en dringen, de vochtigheid volgend, hierin door. Volgens de -aan Tennent verstrekte opgaven hangt de diepte, waarop men ze vindt, -van de gesteldheid van den grond af. De aardlaag, die hen bedekt, -heeft een dikte van 1/2 M. of meer, is dikwijls in alle richtingen -gebarsten en zoo droog, dat zij bij 't oplichten in stukken valt. De -Visschen zelf liggen in een laag, die gewoonlijk nog eenigszins vochtig -is, doch, naar het schijnt, ook wel kan uitdrogen, zonder dat hun -leven gevaar loopt. De inboorlingen graven gedurende de droogte uit -de diepste gedeelten van de bedding der vijvers de Visschen op; deze -liggen bewegingloos in het slijk, dat hen aan alle zijden omgeeft, maar -beginnen zich dadelijk te bewegen, nadat men ze er uitgehaald heeft. - -Onmiddellijk na de eerste regenbuien, als de watervergaarplaatsen sinds -weinige uren, of hoogstens dagen, gevuld zijn, houden de Singaleezen -zich ijverig met de vischvangst bezig. Zij maken hiertoe gebruik van -een korf zonder bodem, die zij, door de plas wadend, voor zich uit -duwen en met den benedenrand in den grond steken, zoodra er Visschen -in zijn, die er vervolgens van boven met de hand uitgenomen worden. - -Op Java ziet men den Klimbaars soms op aanmerkelijken afstand van -het water, waar hij uren achtereen over den grond kruipt; ook kan -hij met de stekels van de buikvinnen en de randen der kieuwdeksels -bij de dooreengewarde wortels der rhizophoren of wortelboomen, die -de kust omzoomen, opklimmen en hier zijn prooi belagen. - - - -Een door fraaie kleur, eigenaardigen vorm en merkwaardige levenswijze -uitmuntende soort van Doolhofvisschen, die door de Chineezen sinds lang -gefokt wordt, heeft men in Frankrijk voor 't eerst leeren kennen door -de exemplaren, die de Fransche consul Simon uit Ningpo overzond. Deze -Visch, die zich in de gevangenschap zonder bezwaar voortplant en thans -een sieraad van menig aquarium uitmaakt, is een door kweeking verkregen -ras van de Grootvin [Polyacanthus (Macropodus) viridi-auratus] -en wordt door de liefhebbers meestal Paradijsvisch genoemd. Hij -vertegenwoordigt het geslacht der Veeldoornen (Polyacanthus), dat 7 -soorten van Oost-Indische zoetwatervisschen omvat. Deze hebben een -langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, talrijke stekels in de -rugvin en aarsvin, kleine tanden in de kaakbeenderen en een tandeloos -gehemelte. Zij onderscheiden zich bovendien door een eigenaardige -inrichting ter beschutting van het doolhoftoestel, bestaande uit -een kegelvormige holte aan weerszijden van het voorste deel der -wervelkolom, aan welks vorming de 5 eerste wervels en hunne ribben -deelnemen. Bij de bedoelde variëteit zijn de achterste gedeelten van -rugvin en aarsvin zeer groot en van achteren tot een punt uitgetrokken, -de staartvin zeer groot, tweelobbig, halvemaanvormig. De bruinachtige -kleur van de bovenzijde gaat naar onderen in grijsgroen over; de -teekening bestaat uit afwisselende, geelgroene (of blauwachtige) -en roodachtige dwarsstrepen; het groene kieuwdeksel prijkt met een -gelen rand. Bij het wijfje zijn de vinnen minder ontwikkeld en de -kleuren doffer. Lengte: 8 à 9 cM. - -Van het leven van den Paradijsvisch in de vrije natuur is ons niets -bekend; sommige onderzoekers beschouwen hem als het voortbrengsel van -een lang voortgezette teeltkeus. In China wordt hij algemeen gekweekt -en nagenoeg op dezelfde wijze als onze Goudvisch behandeld; veel eerder -dan deze zal hij zich echter in een beperkte ruimte voortplanten. Zijn -leven in den gevangen staat wordt door Benecke op de volgende wijze -beschreven: "De dieren kwamen in goeden welstand aan en begonnen, -toen zij in een bak van ongeveer 40 liter inhoud gebracht waren, -onmiddellijk de kleine Schaaldieren, larven van Muggen en Wormen -te verslinden, die tusschen de waterpest (Elodea canadensis) -rondzwommen. Reeds in de eerste dagen moesten zij hun levenswijze -veranderen. Toen zij de tot voedsel geschikte dieren verbruikt hadden, -verving ik deze door 2 soorten van kleine Schaaldieren, Watervlooien -(Daphnia) en Schelpvlooien (Cypris). De laatstgenoemde diertjes hadden -zij bij mij en waarschijnlijk evenmin vroeger leeren kennen; zij grepen -ze zeer dikwijls, maar lieten ze aanvankelijk steeds kopschuddend -weer los. Na verloop van 2 dagen echter wilden zij niet anders dan -Schelpvlooien eten en lieten de Watervlooien onaangeroerd, hoewel ik -vele van deze diertjes in het water bracht; slechts nu en dan hapten -zij naar een buitengewoon vet exemplaar. Aanvankelijk had ik mij hun -eetlust minder groot voorgesteld: dit bleek mij, toen ik eens geen -kleine Schaaldieren of larven van Insecten had kunnen krijgen. Zij -verslonden toen met smaak niet slechts zeer kleine, maar ook groote -Regenwormen, zelfs exemplaren, die 5 à 8 cM. lang en 2 mM. dik waren. - -"Kort na hun aankomst, vooral in de voormiddaguren, als de stralen van -de morgenzon af en toe hun woning verlichtten, begonnen deze Visschen -hun bekoorlijk minnespel. Dit gaat, als naar gewoonte, gepaard met -het toenemen van de schoonheid en volheid der kleuren, die weer -verflauwen, wanneer men het paar scheidt. Ongeveer 4 weken later had -de romp van het wijfje een grooteren omvang verkregen en begon het -mannetje een nest te bouwen. Met dit doel kwam het telkens aan de -oppervlakte van 't water, vulde den bek met lucht en liet deze daarna -onder water in kleine, door een speekselvliesje omhulde bellen weer -ontwijken; hierdoor ontstond een tamelijk stevig samenhangende laag van -luchtbellen, die dikwijls door nieuwe vervangen werden. Het mannetje -stond gewoonlijk onder deze laag in den eenen hoek van den bak, het -wijfje in den tegenovergestelden hoek; om te spelen begaven beide -zich echter naar het midden van den bak, waar geen planten waren." - -Nu begint het eieren leggen. Deze vallen slechts bij uitzondering op -den bodem, maar stijgen in den regel naar den waterspiegel en blijven -hangen of zweven aan de onderzijde van het uit schuim bestaande -nest, waaronder het kuitschieten steeds plaats vindt. Die, welke op -den bodem vallen, worden door het mannetje opgezocht en in het nest -gebracht. Na verloop van eenigen tijd, in 't geheel ongeveer 10-maal -per dag, herhaalt zich hetzelfde verschijnsel. In de tusschenpoozen -en ook na afloop van het kuitschieten tot aan het te voorschijn -komen der jongen, is het mannetje telkens bezig met herstellingen -aan het nest te verrichten en de eieren zoo te rangschikken, dat -er één onder iederen schuimbel ligt; tevens waakt het ijverig en -zorgvuldig voor de veiligheid van eieren en kroost. Ongeveer 24 uren -na het leggen van het ei, wordt de donkere kiemvlek op den lichtgelen -dooier zichtbaar; één dag later kan men het hart zien kloppen; 12 à -18 uren daarna wordt het ei verlaten door het jonge vischje, dat nog -geen mondopening heeft en op een zeer kleine kikkerlarve gelijkt; -op den 5den of 6den dag heeft het den vorm zijner ouders verkregen; -in de 8e levensmaand is het volwassen. Zoolang het nog de hulp van -de ouders behoeft, is het mannetje vol zelfverloochenende zorg. Op -gelijke wijze als de mannelijke Stekelbaars houdt ook de Grootvin -het jonge, onrijpe kroost bijeen en handhaaft streng de orde onder -zijne kinderen. Zoodra een van de jonge vischjes zich te ver uit de -buurt begeeft, grijpt hij het met den muil, slikt het in spuwt het -weder uit in het tot beschutting dienende schuimnest. Op een even -zonderlinge als doeltreffende wijze toont hij, naar men zegt, zijn -zorgvuldigheid voor zieke of achterlijke jongen: zulk een schepseltje -wordt met een vooraf gemaakte luchtbel omhuld en op deze wijze als -'t ware tot een nieuw leven opgewekt. Zoodra de jongen de hulp van den -vader niet meer noodig hebben, laat deze hen aan hun lot over, en ziet -er zelfs, evenals het wijfje, geen bezwaar in, ze te verslinden. De -jongen voeden zich aanvankelijk met het schuim van het nest, later -met uiterst kleine Infusiediertjes, vervolgens met verschillende voor -het ongewapende oog zichtbare lagere dieren en ten slotte op dezelfde -wijze als hunne ouders. - -Zoowel door de hierboven beschreven handelingen en gewoonten, als -door hun verrassende vruchtbaarheid, verdienen de Paradijsvisschen -ten zeerste de belangstelling van alle liefhebbers van dieren. Men -bericht, dat een enkel paar van deze Visschen gedurende één zomer -6-maal kuitgeschoten, telkens 400 à 600 jongen grootgebracht en -dus aan niet minder dan 3000 nakomelingen het leven geschonken -heeft. Waarschijnlijk zal daarom dit dier hoe langer hoe meer voor -aquariën gebruikt worden en misschien den Goudvisch zoo niet geheel, -dan toch ten deele verdringen. - - - -Vermelding verdient nog de Goerami of Ikan-goerami (Osphromneus olfax), -de koning der Javaansche zoetwatervisschen, wiens smakelijk vleesch -zoowel door Europeanen als door inlanders hoog geschat wordt. Deze zeer -groote Visch, die soms meer dan 2 M. lang en ruim 10 KG. zwaar wordt, -heeft, evenals de andere leden van zijn geslacht, een zijdelings zeer -sterk samengedrukt lichaam van onregelmatige eivormige gedaante, aan -den buik sterker buitenwaarts gekromd dan aan den rug, een kleine -mondopening met naar voren verschuifbare tusschenkaaksbeenderen en -eenigszins vooruitstekende onderkaak, fijne, fluweelachtige tanden -in beide kaken, fijne tandjes aan den rand van het voordeksel en -aan het onderoogkasbeen, een aarsvin, die de rugvin verre in de -lengte overtreft en buikvinnen, waarvan de eerste straal zeer sterk -borstelvormig verlengd is. Hij heeft een roodachtig bruine rugzijde -met donkerder dwarsstrepen; de zilverkleurige buik is als 't ware -met bruine, halvemaanvormige vlekken geteekend, omdat de overigens -licht gekleurde schubben een bruinen rand hebben; aan den wortel van -iedere borstvin bevindt zich een onregelmatige, zwarte vlek. - -De Goerami bewoont de Groote Soenda-eilanden. Hier leeft hij op de -wijze van onze Karpers in stille, overvloedig met planten begroeide -zoetwaterplassen; hij geeft aan zuiver water de voorkeur, doch gedijt -ook in modderige vijvers en poelen, verbergt zich gaarne in holen en -voedt zich met plantaardige stoffen. Wegens zijn vleesch, dat, naar -gezegd wordt, boven dat van alle overige zoetwater- en zeevisschen te -verkiezen is, kweekt men hem in en bij Batavia in vijvers of houdt hem -in groote steenen potten, waarvan het water iederen dag ververscht moet -worden. De gevangen dieren worden gevoed met een zoetwaterplant (Pista -natans); deze gewone spijs kan men echter zeer goed vervangen door -voedsel, dat ook hier verkrijgbaar is: kool, salade, zuring, rapen, -zemelen, brood, rijst, maïs, boonen en gekookte aardappelen; bovendien -eet dit dier ook Wormen, Insecten, kleine Visschen en Vorschen, -zelfs stukjes vleesch, hetzij rauw of toebereid. De pogingen om den -Goerami, die wegens de taaiheid van zijn leven, de gemakkelijkheid, -waarmede hij gevoed kan worden en de kwaliteit van zijn vleesch ten -zeerste aanbeveling verdient, ook in andere landen te acclimatiseeren -zijn velerwege (Penang, Malakka, Mauritius) uitmuntend geslaagd en -doen elders (zelfs in Europa) een goeden uitslag verwachten. - -Ook de Goerami onderscheidt zich door de zorg, die de ouders voor de -eieren en de jongen dragen. In een eivormig nest, dat in een hoek -of tusschen waterplanten gebouwd wordt, legt het wijfje 800 à 1000 -eieren, die zich aanvankelijk met de bestanddeelen van hun nest voeden. - - - -De 18de onderorde van de Stekelvinnigen is die der Lintvisschen -(Taeniiformes); zij vormen één gelijknamige familie (Trachypteridae) -en kenmerken zich door een lang en hoog, zijdelings zeer samengedrukt -en dus lintvormig lichaam met kleinen kop en groote, uitpuilende oogen; -de mondopening is klein en kan tot een korten snoet verlengd worden; -deze is tandeloos of met zwakke tandjes gewapend; de rugvin, die zich -over de geheele rugzijde uitstrekt, wordt gesteund door ongelede -stralen, behalve op den kop, waar zich buigzame stekels bevinden, -die zich door een eigenaardigen vorm en een buitengewone lengte -onderscheiden; de buikvinnen zijn een weinig achter de meestal zeer -kleine borstvinnen aangehecht en soms sterk ontwikkeld; de aarsvin -ontbreekt; de staartvin is onbeduidend en niet in de lengteas van -het lichaam gelegen, maar naar boven gericht; de wervels zijn zeer -talrijk. De huid bevat uiterst kleine schubben of is naakt. - -De Lintvisschen, waarvan 3 geslachten met 16 soorten onderscheiden -worden, leven op aanzienlijke diepten en bewonen waarschijnlijk -alle zeeën; slechts zelden en steeds in dooden toestand wordt er een -enkel exemplaar van gevonden. Ten gevolge van de vermindering, die op -de spankracht der gasvormige bestanddeelen van het lichaam bij den -overgang uit de diepte naar de oppervlakte der zee ondergaat, zijn -het spierweefsel en het van nature zacht en poreuze beenweefsel zoo -onsamenhangend, dat het bijna niet mogelijk is dergelijke exemplaren -onbeschadigd uit het water te halen; zij gaan zeer spoedig tot -ontbinding over en kunnen dikwijls zelfs in spiritus niet goed bewaard -worden. Van de levenswijze dezer dieren is niets bekend. - - - -Chipfish of "Spaanvisch" (Trachypterus arcticus) noemen de Engelschen -een, naar het schijnt, uit noordelijke zeeën afkomstige Lintvisch, -die herhaaldelijk aan de kusten van Groot-Brittannië, vaker evenwel -aan die van Skandinavië en IJsland aangespoeld is, maar zoowel hier -als daar zelden voorkomt. Deze Visch heeft bij een lengte van 150 een -hoogte van 20 en een dikte van slechts 2 cM.; hij gelijkt dus werkelijk -op een houtspaander. De kop en de romp zijn zilverwit, gene grijsachtig -gemarmerd, deze aan weerszijden met twee schuins geplaatste, eivormige -vlekken geteekend; de vinnen hebben een lichtroode kleur. De staartvin, -die bij volwassen exemplaren slechts zelden aangetroffen wordt, is -waaiervormig naar boven gericht. De buikvinnen zijn goed ontwikkeld, -uit verscheidene min of meer vertakte stralen samengesteld. Aan de -kusten van Europa en aan de westkust van Zuid-Amerika heeft men nog -8 andere soorten van hetzelfde geslacht aangetroffen. - - - -Den 23en Februari 1788 strandde op de kust van Groot-Brittannië een -Visch, die 2.5 M. lang, 24 cM. hoog, 6 cM. dik en 20 KG. zwaar was. Men -noemde dit aan alle visschers onbekende dier Paddlefish (Riemvisch), -omdat zijn vorm aan een roeiriem herinnerde. Een tweede exemplaar van -dezelfde soort, ruim 4 M. lang, 30 cM. hoog en 8 cM. dik, werd den -18en Maart 1796 gevonden. In 't geheel zijn van 1759 tot 1878 zestien -Riemvisschen op de Britsche kust aangespoeld (één daarvan was 6 M. lang -en slechts ongeveer 5 cM. dik); het is echter niet uit te maken, of -zij alle tot dezelfde soort behooren als de eerstgenoemde. Bij deze -(Regalecus Banksii) bedraagt de lengte van den kop 1/16, de hoogte -van den romp 1/13 van de totale lengte. De snuit is afgeknot, de mond -tandeloos, de bovenkaak verschuifbaar. De groote oogen zijn zijdelings -voor en boven aan den kop gelegen en beslaan niet minder dan 1/6 van -de lengte van den kop. Een vliezige zoom strekt zich uit langs den -buik. Van de 264 à 290 rugvinstralen zijn de 12 à 15 eerste sterk -verlengd, aan den top een weinig achterwaarts gebogen en hier voor -een deel tot dubbele dikte verbreed; eenige daarvan zijn tot dicht -bij de spits door een vlies vereenigd, de overige vrij; de korte -stralen steunen een vinvlies van gelijkmatige hoogte; de borstvinnen -zijn klein; elke buikvin bestaat uit één zeer langen en spitsen -straal. De romp is met talrijke beenige schildjes bedekt, waarvan -de grootste op vier langs de zijden van den romp hoekig uitpuilende -kanten voorkomen en de overige onregelmatig verstrooid zijn. De teere, -witte kleur vertoont een zilverachtigen glans; de teekening bestaat -uit afgebroken, donkere strepen. De vinnen zijn oranjegeel. - -De zeldzaamheid van deze Visschen en de toestand, waarin zij bij -het aanspoelen verkeeren, pleiten ten gunste van de onderstelling, -dat zij in diepe lagen van de zee leven. In verband met de vroeger -heerschende onjuiste meening, dat uit de IJszee de haringscholen -afkomstig zijn, heeft men den Riemvisch ook wel "Haringkoning" genoemd, -evenals de Zonnevisch. - - - - - - - -TWEEDE ORDE. - -DE KEELKAKIGEN (Pharyngognathi). - - -Een betrekkelijk gering aantal Visschen (4 familiën met ongeveer 640 -soorten, die over 75 geslachten verdeeld zijn), onderscheiden zich -van alle overige, doordat hunne onderste keelbeenderen vergroeid -of althans door een naad onbeweeglijk verbonden zijn. Evenals bij -de leden der vorige orde, zijn ook bij deze de voorste stralen -van rug-, aars- en buikvinnen ongeleed, de tusschenkaaks- en -bovenkaaksbeenderen beweeglijk, de kieuwen kamvormig. Ook bij hen is -de zwemblaas steeds gesloten, staat niet door een luchtgang met het -spijskanaal en dus met de buitenwereld in gemeenschap. Bij sommige, -o.a. bij de Lipvisschen, zijn alle schubben cycloïd, bij andere -komen geen andere dan kamschubben, bij nog andere, zoowel kam- als -kringschubben voor. De meeste bewonen de zee; slechts één familie -(Chromidae) bestaat uit tropische zoetwatervisschen. De zeebewoners -geven de voorkeur aan plaatsen met rotsachtigen bodem en weligen -plantengroei, omdat zij hier hun liefste voedsel, kleine Schaal- en -Schelpdieren, vinden. Keelkakigen ontmoet men in grooten getale in -de zeeën van alle aardgordels; bijzonder talrijk zijn zij echter op -lagere breedten; men kan ze daarom meer bepaaldelijk Visschen van de -tropische en subtropische zeeën noemen. Een belangrijke economische -beteekenis hebben zij niet, ofschoon het vleesch van verscheidene -soorten smakelijk wordt geacht. - - - -De kern der orde wordt gevormd door de 400 soorten omvattende familie -der Lipvisschen (Labridae). Deze wijken in vorm weinig af van onze -zoetwatervisschen, zijn met ronde schubben bekleed, hebben een rugvin, -welker vinvlies in het (hoofdzakelijk door ongelede stralen gesteunde) -voorste gedeelte tusschen de stekels gewoonlijk in spits toeloopende -huidlobjes eindigt, borststandige buikvinnen, stompe, plaveiselvormige -tanden of dwarsplaten in de kaken, een tandeloos gehemelte en langs de -kaakranden de vleezige lippen, waaraan zij hun naam ontleenen. Deze -over alle zeeën verbreide familie bevolkt ook de Europeesche kusten, -meer bepaaldelijk die van de Middellandsche Zee en van de Noordzee -op plaatsen waar de bodem rotsachtig en met planten begroeid is. Haar -grootste vormenrijkdom openbaart zij echter in de heete zone en in de -aangrenzende deelen van de beide gematigde aardgordels. Evenzeer als -door hunne prachtige kleuren, waaraan zij den naam van "Zeepapegaaien" -danken, trekken zij de aandacht door hun opgewektheid en bedrijvigheid, -hoewel zij weinig rondzwerven, maar liefst in de onderzeesche wouden -van de eene plant naar de andere zwemmen. De meeste soorten voeden -zich hoofdzakelijk met Schelpdieren, die met de beweeglijke lippen -van den zeebodem of van de waterplanten afgeplukt en met het hiervoor -uitmuntend geschikte gebit zonder moeite verbrijzeld worden. Er zijn -echter onder hen ook planteneters, die in den letterlijken zin van -'t woord den zeebodem afgrazen, hoewel ook zij dierlijk voedsel -niet versmaden. Bij 't naderen van den rijtijd, die gewoonlijk met -de lente van het door hen bewoonde gebied samenvalt, vertoonen zij -niet slechts de fraaiste kleuren, maar ook de meeste geschiktheid om -plotseling van kleur te veranderen. Hun vleesch is buitengewoon en -wordt weinig geacht. - - - -Van de 9 soorten van Lipvisschen i. e. z. (Labrus) is één (Labrus -maculatus) soms (voor zoo ver bekend, slechts éénmaal) aan onze kusten -gevangen. Deze 30 à 50 cM. lange Lipvisch bewoont de Middellandsche -zee, de rotsachtige kusten van Groot-Brittannië, het noorden van -Frankrijk, de Noordzee tot Bergen in Noorwegen en het westelijke -deel van de Oostzee. Het lichaam, hoewel zijdelings samengedrukt, -is tamelijk dik en langwerpig en bekleed met 45 dwarsrijen van -tamelijk groote schubben. De kop heeft ongeveer het derde van de -lichaamslengte zonder de staartvin. Aan weerszijden van elke kaak -bevindt zich een reeks van ongeveer 10 kegelvormige, naar achteren in -grootte afnemende tanden en verder binnenwaarts een geringer aantal -kleinere. Twee rondachtige platen op het onparige keelgatsbeen zijn met -kleine tanden geplaveid. De zijdestreep is onder het weekstralige deel -van de rugvin eensklaps naar beneden gebogen, maar niet afgebroken. De -fraaie, groenblauwe grondkleur van de bovendeelen wordt aan de zijden -lichter, gaat op de onderdeelen in parelmoerachtig wit over en is -op de vinnen door zuiver blauw vervangen. Op al deze deelen is zij -afgebroken door een netvormige, roode of oranjekleurige teekening; de -stralen van de borstvin zijn geelrood, de bovenlip en het inwendige -van den mond rood; de onderkaak is wit. Van deze kleursverdeeling -komen echter allerlei afwijkingen voor. - - - -De Veelkleurige Lipvisch (Labrus mixtus) wordt zelden langer dan -30 cM. en komt, behalve in de Middellandsche Zee, zijn eigenlijk -woongebied, ook aan de westkust van Europa (in de Noordzee, -doch niet in de Oostzee) voor; aan onze kust werd hij nog niet -waargenomen. Eigenaardig is bij deze soort het verschil in kleur -van de mannetjes en de wijfjes: gene vertoonen op roodachtig bruinen -grond prachtig blauwe, overlangsche strepen, dikwijls zoo sterk, dat -deze kleur de overhand heeft; deze zijn op lichtrooden grond aan het -achterste deel van den rug met drie donkere vlekken geteekend. Ook -deze Visch kiest onderzeesche rotsen, op verschillende kusten al naar -het jaargetijde, tot woonplaats uit en vertoeft hier bij voorkeur in -spleten en gaten tusschen groote waterplanten. Kleine Schaaldieren -maken zijn voornaamste voedsel uit; hij eet echter ook Visschen -en lagere dieren. Evenals alle Lipvisschen hapt hij gretig naar -het lokaas en is dus gemakkelijk te vangen; dit geschiedt evenwel -nergens op groote schaal, daar zijn vleesch niet in den smaak valt en -gewoonlijk alleen als lokaas voor het vangen van betere Visschen dient. - -In den Indischen Oceaan, o.a. bij Java, Sumatra en de Moluksche -eilanden, doch ook bij Mauritius, leeft een 25 à 30 cM. lange Lipvisch, -die zich door de groote verschuifbaarheid der kaken van al zijne -verwanten onderscheidt: Epibulus insidiator, de eenige bekende -soort van zijn geslacht, wordt door de Nederlanders in Oost-Indië -de Roode Bedrieger, door de Franschen op Mauritius Filou genoemd -wegens de wijze, waarop hij zijn prooi bemachtigt. Tusschen zeeplanten -verborgen, wacht hij de voorbijzwemmende vischjes op en grijpt ze met -de plotseling tot een buis verlengde kaken, welke nu langer zijn dan -de kop. De tusschenkaaksbeenderen hebben namelijk lange stelen, die -bij het verkorten van den bek in sleuven boven op den schedel liggen, -doch, vooruitgeschoven, den snuit buisvormig verlengen. De banden, die -den horizontalen tak van het tusschenkaaksbeen en het hiermede gelede -jukbeen met het kieuwdeksel verbinden, trekken, zoodra de bovenkaak -vooruitschuift, ook de onderkaak naar voren; zóó vormen beide de -buis, aan welker einde zich de mondopening bevindt. Elke kaak is met -één reeks van kleine tanden en met twee grootere of "hondstanden" -gewapend. De bovendeelen van dezen Visch zijn rood, de zijden geel, -wegens de groene randen der schubben met groenachtigen weerschijn, -de rugvin en de aarsvin geel met groene golflijntjes, de overige -vinnen geelachtig. - - - -Te recht heet de, zelden meer dan 18 cM. lange, Zeejonker (Coris -julis) ook wel Regenboogvisch: de bovendeelen zijn groenachtig blauw, -aan weerszijden in den regel met breeden, getakten, oranjekleurigen, -overlangschen band, verder benedenwaarts op zilverwitten grond paars -overlangs gestreept; de kop is bruingeel met blauwe en zilverwitte -teekening; de rugvin heeft op marmerrooden grond purperkleurige -vlekken; de overige vinnen zijn min of meer roodachtig blauw; al -deze kleuren gaan zonder scherpe grenzen in elkander over. Tusschen -met waterplanten begroeide klippen van de Middellandsche Zee en van -den Atlantischen Oceaan algemeen, dwaalt hij soms naar de Britsche -kusten af, voedt zich met Schaaldieren en jonge Visschen en schiet -kuit in de lente. Met den hengel kan men hem gemakkelijk vangen. - - - - - - - -DERDE ORDE. - -DE WEEKVINNIGEN (Anacanthini). - - -De Weekvinnigen stemmen door hun inwendig maaksel met de Stekelvinnigen -overeen; voorzoover zij een zwemblaas hebben, mist deze de luchtgang; -zij hebben echter geen andere dan gelede vinstralen. Hunne buikvinnen, -voor zoover aanwezig, zijn borst- of keelstandig. Hoewel deze orde -slechts een gering aantal familiën bevat (6) en geen van deze uit meer -dan 60 soorten bestaat (uitgezonderd de familie der Platvisschen, die -er 200 heeft), is toch haar beteekenis voor de visscherij buitengewoon -groot. Tot de Weekvinnigen behooren de smakelijkste en meest gezochte -zeevisschen, waarmede de markt het geheele jaar door voorzien wordt; -duizenden schepen worden uitgerust om deze behoefte te bevredigen; -honderdduizenden menschen vinden hierdoor een bestaan. De vangst -van Weekvinnige Visschen brengt ieder jaar grootere visschersvloten -op bepaalde plaatsen bijeen dan voor eenigen anderen tak van het -visschersbedrijf noodig zijn; voor haar trotseeren de visschers het -afschuwelijkste weer. Met de hierdoor verkregen voedingsmiddelen wordt -sedert eeuwen tusschen de meest van elkander verwijderde volken handel -gedreven; gedurende dien tijd zijn vischvangst en vischhandel voor -sommige gewesten en landen de belangrijkste bronnen van inkomsten -geweest; zij zullen hun welvaart blijven verschaffen, zoolang er -nog vastenspijzen voorgeschreven en gebruikt worden. De Weekvinnigen -worden in twee onderorden verdeeld: de Schelvischachtigen (Gadoidei) -en de Platvischachtigen (Pleuronectoidei). - - - -Het doolhof van eilandjes en klippen, die langs de kust van Noorwegen, -als 't ware een dichten krans vormen, maakt op den reiziger, die -noordwaarts stevent, vooral dan een zeer eigenaardigen indruk, -als hij de hooge breedten bereikt, waar gedurende de zomermaanden -de middernachtzon uren achtereen de bergen verlicht, waar gedurende -de wintermaanden de opkomst van de zon op lagere breedten slechts -door een schemerlicht in 't zuiden wordt aangekondigd. De verder -zuidwaarts gelegen groote eilanden, die zelden een hoogte van meer -dan 100 M. boven den zeespiegel bereiken, hebben in 't noorden plaats -gemaakt voor eilandjes van aanmerkelijk geringeren omvang, die zich -1000 M. ver en hooger boven de golven verheffen; reeds op grooten -afstand ziet men hunne besneeuwde toppen en de van hier als breede -zilveren banden naar zee afdalende gletschers scherp afsteken bij -den donker gekleurden rotsachtigen bodem. De mijlenbreede zeearm, -die deze eilanden, de Lofodden, van het vasteland scheidt, heeft, -ondanks den sterken stroom die er gaat, het voorkomen van een rustige -binnenzee in vergelijking met de bijna altoos onstuimige IJszee. - -Hoewel deze zee en hare tallooze eilanden de praal van het zuiden -missen, zijn zij volstrekt niet van schoonheid ontbloot. Vooral in -de uren omstreeks middernacht oefenen zij een bijna onweerstaanbare -bekoring uit, wanneer de zon laag, maar groot en bloedrood boven den -horizon staat en haar als 't ware omsluierde glans zich weerspiegelt in -de zee en in de ijsmassa's, die de bergen bedekken. Veel dragen hiertoe -bij de overal verstrooide "hofsteden", houten woningen met muren van -planken en een dak van zoden, die nu met een zonderlinge, bloedroode -kleur prijken. Tusschen deze eilanden zijn de rijkste vischgronden -van Skandinavië gelegen; de bedoelde hofsteden zijn pakhuizen, bestemd -voor het bergen van de schatten, die aan de zee ontwoekerd worden. - -In het midden van den zomer zijn deze streken eenzaam en verlaten; -gedurende den winter wemelen de eilanden en de zee van schepen en -booten en van bedrijvige menschen. In den zomer zitten millioenen -Vogels op de hellingen naar het water te turen; in den winter zijn aan -den voet van dezelfde hellingen duizenden arbeidzame menschenhanden -dag en nacht in beweging. Omstreeks de kerstdagen stroomt de -visschersbevolking van de geheele kust hierheen en kunnen de hofsteden, -hoe ruim zij ook zijn, alle gasten niet bergen. Deze huizen voor een -groot deel op de schepen of in kleine, haastig opgeslagen hutten, -hoewel slechts een beperkt aantal manschappen aan land vertoeft, -de meeste op zee rondzwalken en zich met de vischvangst bezighouden. - -Maandenlang houdt deze bedrijvigheid aan; intusschen wordt op de -Lofodden voortdurend markt gehouden. Met de visschers zijn hier -opkoopers en handelaars verschenen; de schepen bestemd voor het -wegvoeren van den oogst der noordelijke zeeën hebben er de producten -van het zuiden gebracht. Niet voordat de zon zich op nieuw aan den -zuidelijken hemel vertoont en ook aan deze gewesten de lente brengt, -wordt het er stiller. Van de kiel tot aan het dek volgeladen, verlaten -achtereenvolgens alle schepen de kusten der Lofodden en keeren naar -het zuiden terug; vóór de komst van de zeevogels op de vogelbergen -hebben de menschen zich van hun voet verwijderd. - -Een soortgelijke drukte verlevendigt ongeveer terzelfder tijd aan de -tegenovergestelde zijde van den Oceaan de Bank van Newfoundland, met -dit onderscheid echter, dat hier alle volken van het noorden, die zich -met de vischvangst bezighouden, bijeenkomen, terwijl de vischvangst -tusschen de Lofodden hoofdzakelijk alleen door Skandinaviërs wordt -uitgeoefend. Van Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland, -Noord-Amerika, enz. zetten ieder jaar vele duizenden vaartuigen -koers naar de Bank van Newfoundland, waar zich een leger van meer -dan 100.000 stoere zeelieden verzamelt. - -Terwijl de visschers in de nabijheid van de Lofodden en van -Newfoundland op deze wijze hun bedrijf uitoefenen, zijn hunne -beroepsgenooten met nog grooter ijver dan in de andere maanden -van het jaar bezig op de westkust van Frankrijk, bij de kusten -van België, Nederland, Duitschland, Jutland, de Britsche eilanden -en in het noorden van den Atlantischen Oceaan bij de bank, die de -Rockall-rotsen, ten westen van de Hebriden, omgeeft. Overal, waar -uitzicht op winst bestaat, nu eens hier, dan weer daar, met meer of -minder succes, verrichten deze tegen weer en wind geharde menschen, -aan tal van gevaren en ontberingen blootgesteld, een moeitevollen -arbeid ter wille van de vangst van een enkele vischsoort. Deze hoogst -belangrijke zeevisch, de Kabeljauw, wordt sedert meer dan 3 eeuwen -onophoudelijk met ijver vervolgd; zijn vangst heeft aanleiding gegeven -tot bloedige oorlogen; hoewel er ieder jaar meer dan honderd millioen -exemplaren worden buitgemaakt, is hij nog steeds talrijk, daar zijn -ongeloofelijke vruchtbaarheid de gapingen, die de menschen te midden -van zijne voor geen schatting vatbare heirscharen teweegbrengen, -tot dusver altijd weder gevuld heeft. - -De familie der Schelvisschen (Gadidae), waarin aan den Kabeljauw -wegens zijn belangrijkheid voor de visscherij de eereplaats toekomt, -kenmerkt zich door een meer of minder langwerpig lichaam, met kleine, -zachte, aan den rand getande schubben bekleed, uitgerust met 1, 2 of 3 -rugvinnen, met kleine keelstandige buikvinnen, met 1 of 2 aarsvinnen en -een breede, min of meer uitgesnedene, zelden afgeronde staartvin. De -kaken, de top van het ploegschaarbeen, bij enkele soorten ook de -gehemeltebeenderen zijn met kleine, hekelvormige tanden gewapend. - - - -Een middelmatig lang, met kleine schubben bekleed lichaam, een -smalle, tandendragende streep aan de bovenkaak, geen tanden aan -de gehemeltebeenderen, maar vooral het bezit van drie rug- en twee -aarsvinnen, die duidelijk gescheiden zijn van de staartvin, zijn de -kenmerken van het geslacht der Schelvisschen (Gadus), dat wij in twee -ondergeslachten verdeelen. Door het bezit van één voeldraad achter de -spits van de onderkaak, welke een weinig korter is dan de bovenkaak, -kenmerkt zich het ondergeslacht der Dorschen (Morrhua) en dus ook de -Kabeljauw of Dorsch (Gadus morrhua). Deze Visch kan 1 à 1.5 M. lang en -40 KG. zwaar worden; hij is op grijsachtig olijfkleurigen grond met -talrijke, kleine, onregelmatige en dikwijls onduidelijke, bruine of -geelachtige vlekken gestippeld; de vinnen zijn bruin; de zijdestreep -is wit en de witte buik ongevlekt. - -De genoemde kleursverdeeling is de meest gewone bij de exemplaren, -die in de Noordzee en aan de Britsche kusten gevangen worden. Verder -noordwaarts hebben donkerder kleuren, dikwijls zonder eenige vlekken, -de overhand. De teekening is bij de oude dieren veel minder duidelijk -en bepaald dan bij de jongen, die daarom soms met een bijzonderen -naam (Dorsch) bestempeld worden (maar aan onze kust niet menigvuldig -voorkomen). Bovendien merkt men vele kleursverscheidenheden op, die, -evenals de streek, waar de Visch gevangen wordt, aanleiding gegeven -hebben tot verschillende namen; in Noorwegen b.v. spreekt men van -"Grauwtorsch", "Zwarttorsch", "Bergtorsch", enz. Kolvisch heeten bij -ons de exemplaren, die ver van de kust gevangen worden; Dogge is een -verouderde naam van dit dier. - -De Kabeljauw bewoont het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan -en de aangrenzende gedeelten van de IJszee en komt vooral tusschen -50 en 75° N.B. in zeer grooten getale voor; de zuidgrens van zijn -verbreidingsgebied ligt ongeveer op 40° N.B.; in de Middellandsche -Zee ontbreekt hij dus geheel. Als zijne eigenlijke verblijfplaatsen in -de genoemde zeeën moet men de onderste waterlagen tot op ongeveer 120 -vademen diepte aanmerken; naar ondiepere bochten en naar banken, die -betrekkelijk dicht bij den waterspiegel gelegen zijn, zooals die van -Newfoundland en Rockall, begeeft hij zich alleen ter voortplanting. Ook -dan echter vermijdt hij ondiepten en kiest bij voorkeur plaatsen van -25 à 40 (of 50) M. diepte voor het kuitschieten uit. Misschien is geen -enkele Visch vruchtbaarder dan de Kabeljauw; Leeuwenhoek berekende het -aantal eieren door hem in één kuiter gevonden op 9 millioen; Braydley -schat het op minstens 4 millioen. De rijtijd van dezen Visch valt -in het oostelijk gedeelte van zijn verbreidingsgebied vroeg in het -voorjaar, n.l. in Februari; reeds in het begin van Januari beginnen -de Kabeljauwen hier naar de kusten te zwemmen. Aan de westzijde van -den Atlantischen Oceaan geschiedt dit eerst later, in Mei en Juni; de -oorzaak van dit verschijnsel is ongetwijfeld, dat hier niet, gelijk bij -ons, de Golfstroom zijn opwekkenden invloed op de zeedieren uitoefent -en de ontwikkeling hunner jongen bespoedigt. Deze zijn een half jaar -later ongeveer 20 cM. lang en in het derde levensjaar geslachtsrijp. De -kuitschietende Visschen verschijnen in tallooze menigte, "bij bergen", -zegt de Noor op kernachtige wijze, d. w. z., in dicht opeengedrongen -scholen, die verscheidene meters hoog boven elkander zwemmen en een -ruimte van 1 zeemijl of meer innemen; zij trekken naar de kust of naar -een zandbank, vertoeven hier verscheidene dagen, worden aanhoudend -door nieuwe exemplaren vervangen en verdwijnen daarna allengs weer. - -Gedurende den voortplantingstijd heeft de vangst plaats, die wegens de -vraatzucht van den Kabeljauw een rijke opbrengst levert. Deze Visch, -wiens gewone voedsel uit Visschen, Schaal- en Schelpdieren bestaat, -verslindt al wat hij meent te kunnen bemachtigen, hapt er althans naar, -zelfs naar volkomen oneetbare voorwerpen, die door hun glinsteren -of op andere wijze zijn aandacht trekken. In de Oostzee verschijnt -de Dorsch overal in 't gevolg van den Haring; hij vult echter zijn -steeds hongerige maag in geval van nood ook wel tot barstens toe -met Stekelbaarzen, zoekt Schaal- en Schelpdieren op, verzwelgt zelfs -planten en spaart zijne eigene jongen niet. - -"De kabeljauwvangst der Nederlanders wordt langs de kust, op -Doggersbank en in het algemeen in de Noordzee uitgeoefend, slechts -eenige schepen gaan thans tot de Fär-eilanden en IJsland. De vaart op -Kabeljauw naar laatstgenoemde gewesten draagt den naam van "IJslandsche -visscherij", die in het ruime sop der Noordzee heet de "beug"- en -"kolvaart". De "beugvaart" of "beugvisscherij", die men gemeenlijk -ook de "winter-kabeljauwvisscherij" noemt, omdat zij in den winter -uitgeoefend wordt, ontleent haar naam aan het daarbij gebruikelijke -"hoekwant" (de "beug"). De "kolvaart" of "kolvisscherij", die in het -voorjaar plaats heeft, werd oorspronkelijk zoo genoemd, omdat men den -Kabeljauw aan lijnen vangt, die van Hollandschen "kol", een soort van -hennep, gemaakt zijn. De zoogenaamde "versche vischvangst" heeft in de -nabijheid van de kust plaats. De kabeljauwvaart levert ook, ofschoon -in veel geringere hoeveelheid, Schelvisch, Leng, Koolvisch en Bot" -(Schlegel). - -Op de Noorsche kust maakt men voor de kabeljauwvangst gebruik van -netten; op alle overige plaatsen daarentegen bezit men hiervoor -niet anders dan de "grondlijn" en de "handlijn", die beide ook op de -Lofodden een belangrijke rol spelen. De "grondlijn" is een dik touw -van ongeveer 200 M. lengte, waaraan zich ongeveer 1200 hengelsnoeren -met haken bevinden. Zij wordt uitgeworpen en om de 6 uren opgehaald, -de gevangene Visschen er afgenomen, het verbruikte aas vervangen en -de lijn opnieuw gelegd. In den tusschentijd wordt met de handlijn -gevischt; iedere visscher heeft er één in de hand, die hij schielijk -ophaalt, zoodra het blijkt, dat er een Visch aanzit, en onmiddellijk -weer uitwerpt. Wegens de ontzaglijke groote menigte Visschen komt het -niet zelden voor, dat iedere hengelaar in de boot 300 à 400 exemplaren -op één dag vangt. - -Onmiddellijk na de vangst wordt de buit toebereid. In de eerste -plaats wordt de kop afgesneden en in een afzonderlijke ton of tobbe -geworpen, daarna de ingewanden er uitgehaald en het overblijvende -met eenige vlugge en behendige sneden tot aan de staartvin in twee -helften verdeeld; zeer groote exemplaren splitst men ook wel in 4 -deelen. De lever komt in een afzonderlijk vat, de kuit in een ander; -de overige ingewanden worden stukgesneden en hetzij dadelijk of -althans spoedig als lokaas gebruikt. Gedurende de wintervisscherij -wordt alle Kabeljauw, op de Lofodden althans, in den eersten tijd tot -"stokvisch" verwerkt, d. i. gedroogd. Met de talrijke stokken en aan 't -einde gevorkte palen, die ieder groot schip aan boord heeft, worden de -reeds aan land aanwezige, vaste stellages uitgebreid. De Kabeljauwen, -in zeewater gewasschen en tot aan de staartvin doorgesneden, worden -hieraan te drogen gehangen, op de meeste eilanden in de open lucht, -hier en daar ook wel onder afdaken, die aan de luchtstroomen vrijen -doorgang verleenen. Als de weersgesteldheid niet bijzonder gunstig is -geweest, ziet men de stellages nog in Juli volgeladen. Eerst nadat -de stokvisch zoo droog als hout geworden is, brengt men hem in de -pakhuizen, als brandhout tot bundels gebonden, die hier opeengestapeld -blijven tot den tijd der verzending. In buitengewoon gunstige jaren, -als alle stellages vol hangen, verwerkt men de laatst gevangen -exemplaren tot "klipvisch". Te dien einde worden de Kabeljauwen -langs de ruggegraat middendoor gedeeld, eerst eenige dagen in groote -kuipen gezouten en daarna op de klippen neergelegd om te drogen; -soms worden zij ook wel versch op de klippen uitgespreid en hier met -zout bestrooid. Als men vaten genoeg aan boord heeft, maakt men van -een groot deel van de vangst "labberdaan" of "zoutevisch", door de -vaten te vullen met afwisselende lagen van stukgesneden Kabeljauw -in zout en vervolgens dicht te kuipen. In het noorden van Noorwegen -of in Finland komen gedurende de vangst geregeld Russische schippers -uit Archangel, die op echt Russische wijze, alle tonnen versmadend, -de door hen gekochte Kabeljauwen en andere Visschen zonder eenige -toebereiding in het ruim van hun vaartuig werpen, zout strooien -tusschen de opeenvolgende lagen en de geheele massa met hunne -juchtleeren laarzen vaststampen. - -"De zoogenaamde "wangen", gevormd door de slaapspier en de uitwendige -laag der kauwspier worden afzonderlijk ingezouten en onder den naam -van "kibbelen" of "kibbeling" in den handel gebracht. Hetzelfde heeft -plaats met de zoogenaamde "lippen" en "kelen", zijnde de lippen het -paar kintongbeenspieren, de kelen het paar borsttongbeenspieren. De -kibbeling is minder geacht dan de gewone labberdaan; de lippen en de -kelen gelden voor de fijnste deelen van de Kabeljauw" (Schlegel). De -koppen dienen in Noorwegen bijna uitsluitend als veevoeder. De levers -worden bij het einde van de vangst in groote kuipen overgebracht, -die dikwijls midden in de steden staan, tot verdriet van de bewoners -van zuidelijker landen, die een teergevoeliger reukorgaan schijnen te -hebben dan de Noren. Terwijl de inhoud der kuipen onder het verbreiden -van een ondragelijken stank verrot, scheidt een olieachtig vet, de -"levertraan", zich uit de rottende massa af en wordt van tijd tot -tijd er afgeschept; men zuivert het, door het te laten bezinken -en te filtreeren, en pakt het, naar gelang van de kwaliteit, in -verschillende vaten. De beste levertraan is natuurlijk die, welke -zich gedurende de eerste dagen van het rottingsproces afscheidt; -de slechtste wordt door het afkoken van de overblijfselen verkregen. - -"De kuit van den Kabeljauw gebruikt men aan de noordkust van Frankrijk -tot de vangst der Sardijn (Clupea sardina); er worden te dien -einde uit ons land, maar vooral uit Bergen in Noorwegen, jaarlijks -duizenden tonnen van deze kuit naar Nantes gezonden, welker waarde -een niet onaanzienlijk deel van de opbrengst der kabeljauwvisscherij -uitmaakt. In IJsland, Schotland, Engeland en Newfoundland wordt uit -de zwemblaas van den Kabeljauw een uitstekende vischlijm gekookt" -(Schlegel). - -Ook nog na den eigenlijken vangtijd worden op de Lofodden nog -voortdurend Kabeljauwen of, zooals men daar zegt, Dorschen buitgemaakt -en al naar de weersgesteldheid op de eene of andere der bovengenoemde -wijzen toebereid. Op de vangst en de toebereiding van den Visch -op de Newfoundlansche Bank is de bovenstaande beschrijving, wat de -hoofdzaken betreft, eveneens toepasselijk. - -In het jaar 1861 werden op de Lofodden door meer dan 20000 menschen, -die ongeveer 5000 vaartuigen bemanden, meer dan 9 millioenen -Kabeljauwen gedroogd, even zoovele werden tot klipvisch en labberdaan -verwerkt en omstreeks 1 millioen in verschen toestand gegeten. De -beste vischplaatsen van Europa zijn gelegen bij de twee grootste der -6 groote Lofoddeneilanden, n.l. bij Oost- en West-Vaagö (die samen -een oppervlakte van bijna 1000 KM2 hebben). Reeds ten tijde van Olaf -den Heiligen (in 1020) kwamen alle Noorsche visschers hier Kabeljauw -(Skrei) en Haring vangen. Toch is geen vermindering van den rijkdom -van dit vischwater waar te nemen. In 1892 werd het bezocht door 30092 -visschers in 7148 booten, die in 't geheel 16 millioen Kabeljauwen -vingen; in 1888 was dit getal 26 millioen. Geheel Noorwegen leverde -in 1890 63 1/2 millioen Kabeljauwen: in de laatste 24 jaren gemiddeld -52 millioen per jaar; de waarde van den uitvoer van de producten der -kabeljauwvisscherij uit Noorwegen bedroeg 35 millioen kronen. Jaarlijks -komen op de wereldmarkt gemiddeld 150 millioen gedroogde en gezouten -Kabeljauwen. In Europa houden zich meer dan 100000 menschen met deze -vischvangst bezig, terwijl in Noorwegen alleen 125000 menschen direct -of indirect hierdoor in hun onderhoud voorzien. - -Nog veel belangrijker is de kabeljauwvisscherij in de buurt van -Newfoundland. De groote bank, die aan de oost- en zuidoostzijde -van dit eiland ligt, heeft een oppervlakte van 120000 KM2. en is -bedekt met een waterlaag van 45 à 175 M. diepte. Reeds in het begin -van deze eeuw werden hier meer dan 300 millioen Kabeljauwen gevangen -(bovendien in de Golf van St. Laurens 100 millioen). De waarde van alle -uitvoerartikelen van Newfoundland bedroeg in 1891 7.4 millioen dollars, -waarbij voor 5.3 millioen dollars aan Kabeljauw. 54755 van de 202040 -inwoners van dit eiland houden zich met de vischvangst bezig. De totale -opbrengst van de kabeljauwvisscherij in Canada bedroeg in 1891 3.82 -millioen dollars, waarvan het grootste deel op Nieuw-Schotland komt. - -Hiermede vergeleken, is de kabeljauwvangst in de Noordzee van geringe -beteekenis. In de Oostzee is men eerst in den laatsten tijd begonnen -den Dorsch, die hier soms in aanzienlijke getale voorkomt, de aandacht -te schenken, die hij verdient; tot dusver is deze visscherij hier -van weinig belang. - -Geen zeevisch geraakt gemakkelijker gewoon aan het opgesloten zijn in -een beperkte ruimte en neemt eerder het voedsel voor lief, dat hem -hier gegeven wordt; geen zeevisch eet meer en groeit sneller dan de -Kabeljauw. Als men hem een voldoende hoeveelheid voedsel verschaft -en het water in den als aquarium dienenden bak koel en frisch houdt, -gedijt hij voortreffelijk en blijft verscheidene jaren leven, al is -zijn woning hem blijkbaar te klein. In den laatsten tijd heeft de -commissie voor de visscherij in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika -van de kunstmatige vischteelt gebruik gemaakt om den Kabeljauw ook -in zuidelijker zeeën te acclimatiseeren, o.a. in de Chesapeake-baai -tusschen Virginia en Maryland. - - - -Onze Schelvisch (Gadus aeglefinus) onderscheidt zich van den Kabeljauw -door geringere grootte, een meer langwerpige gedaante, het spitser -toeloopen van de eerste rugvin en een andere kleur. De rug is -bruinachtig; de zijden zijn zilvergrijs, de zijdestreep en een vlek -tusschen de borstvin en de eerste rugvin zwart. Op onze breedtegraad -wordt hij 50 à 60 cM. lang en 6 à 8 K.G. zwaar; in noordelijker zeeën -komen exemplaren voor, die de helft grooter zijn. - -Het verbreidingsgebied van den Schelvisch komt over 't geheel genomen -overeen met dat van den Kabeljauw. In de Noordzee is hij nergens -zeldzaam, op vele plaatsen zelfs zeer overvloedig; in de Oostzee -daarentegen ontmoet men hem betrekkelijk zeer zelden. Ook deze soort -vormt tallooze scholen, die bijna voortdurend rondzwerven. De reden -hiervan schijnt te zijn, dat iedere school den voedselvoorraad van -een bepaald gedeelte der zee geheel uitput, hier even verwoestend te -werk gaat als sommige landdieren op het door hen bewoonde terrein; -zij blijft rooven in een betrekkelijk kleinen kring, totdat alle hier -aanwezige, vastzittende Schaal- en Schelpdieren verbruikt en alle voor -haar voeding geschikte vischjes gedood of verjaagd zijn. Gewoonlijk -blijven de Schelvisschen op een afstand van 4 à 5 zeemijlen van de -kust; in Februari en Maart, hun rijtijd, komen zij echter ook dicht -bij het strand voor en worden dan in grooten getale gevangen. Vooral in -sommige jaren is deze vangst zeer overvloedig, o. a. in 1850 en 1851, -toen alleen bij Zoutkamp in de provincie Groningen in het eerste jaar -300,000, in het tweede 250,000 Schelvisschen gevangen werden. - -Voor de vangst van Schelvisch gebruikt men in de Noordzee hoofdzakelijk -de handlijn en de beug, bij uitzondering ook groote sleepnetten. In -de Groenlandsche zee echter vangt men hem dikwijls met geringe moeite -na het hakken van gaten in het ijs, die door dezen Visch opgezocht -worden, omdat het water hier meer lucht bevat en dus geschikter is voor -de ademhaling. Zijn vleesch is wit, vast, smakelijk en gemakkelijk -verteerbaar; het wordt boven dat van den Kabeljauw gesteld, maar is -voor de stokvischbereiding minder geschikt. Toch drogen onze visschers -de Schelvisschen soms, zoowel voor eigen gebruik als voor den uitvoer -naar België. Ook door het "strippen" maken zij ze bij overvoerde markt -voor de verzending naar binnen- en buitenland geschikt; in dit geval -wordt de Visch na het opensnijden van den buik en het uithalen van -de ingewanden, met zout bestrooid (Van den Ende). - - - -Veel zeldzamer dan de beide vorige soorten, en nooit, zooals deze, in -groote scholen, vertoont de (kleinere) Steenbolk, ook Bolk of Boelk -genaamd (Gadus luscus), zich aan onze kusten. Hij wordt ongeveer 35 -cM. lang en is gemakkelijk te herkennen aan de zwarte vlek op den -wortel van de borstvinnen. De naar geelrood zweemende, bruine kleur -der bovendeelen wordt op de zijden allengs lichter en op den buik wit. - -Nauw verwant aan deze soort, maar nog kleiner is de Dwergbolk (Gadus -minutus), die eveneens in de Noordzee, doch aan onze kust, naar het -schijnt, niet voorkomt, zelden langer dan 18 cM. of zwaarder dan 200 -gram wordt en de genoemde zwarte vlek mist. In de Middellandsche Zee -vangt men hem soms in zeer grooten getale. Ofschoon eetbaar, zijn -deze beide soorten als voedsel voor den mensch van weinig beteekenis; -soms gebruikt men ze als lokaas voor het vangen van andere Visschen. - - - -Door het gemis van den voeldraad aan den snuit onderscheidt zich het -ondergeslacht der Wijtingen (Merlangus). - -De Wijting (Gadus merlangus), waaraan deze groep haar naam ontleent, is -vrij veelvuldig aan onze kust en wordt dikwijls in de nabijheid van het -strand gevangen. De visschers langs de kust van Noord- en Zuid-Holland -noemen de niet geheel volwassen exemplaren van deze soort Mooie Meisjes -en de jongen Molenaar. Ten onrechte heet de Wijting ook wel "Bolk" -(Van Bemmelen). Evenals bij de leden van het vorige ondergeslacht -steekt ook bij hem de bovenkaak voorbij de onderkaak uit. Zijn -lengte bedraagt 30 à 40 cM.; zelden wordt hij 3 KG. zwaar. De bleek -roodachtig bruine, naar aschgrauw zweemende kleur van de bovendeelen -gaat op de zijden en aan den buik in zilverwit over. Aan en boven -den wortel der buikvinnen komt een zwarte vlek voor. Deze Visch is -aanmerkelijk slanker gebouwd dan de andere leden van zijn geslacht. - -In de West-Europeesche zeeën is de Wijting nergens zeldzaam; toch -wordt hij in de Noordzee en de Oostzee minder overvloedig gevonden -dan de Schelvisch en de Kabeljauw, en nooit in zoo groote scholen als -deze. De Orkaden liggen, naar het schijnt, op de noordelijke grens -van zijn verbreidingsgebied, dat zuidwaarts tot aan de Portugeesche -kust reikt. Gedurende den voortplantingstijd, in Januari en Februari, -vormen de Wijtingen scholen, die tot op een afstand van een halve -zeemijl de kust naderen. Hun voedsel bestaat uit Schaaldieren, Wormen, -vischkuit, vischbroed en vischjes tot aan de grootte van den Pelser -(Clupea pilchardus). Om de laatstgenoemde prooi te verkrijgen, -verlaten zij zelfs hunne lievelingsplaatsen op zandige gronden. Ook -zij worden hoofdzakelijk aan de lijn, zelden met netten gevangen. In -Groot-Brittannië geschiedt dit het geheele jaar door opzettelijk, -vooral gedurende den rijtijd. Hun vleesch is wit en smakelijk, wordt -bij voorkeur versch gegeten en dan boven dat van den Schelvisch -verkozen. Daar men hen soms in zoo grooten overvloed vangt, dat het -niet mogelijk is koopers voor de versche visch te vinden, wordt deze -veelvuldig gedroogd of gezouten; hierdoor verliest zij hare goede -eigenschappen in nog hoogere mate dan de Kabeljauw. In Engeland wordt -dit product veel als scheepskost gebruikt; het vindt dus onder de -zeelieden, zoo niet liefhebbers, dan toch eters. - - - -De naaste verwanten van den Wijting, de Koolvisch (Gadus carbonarius), -en de Pollak (Gadus pollachius), hebben beide de onderkaak langer -dan de bovenkaak; vooral bij den Pollak is dit duidelijk. Deze heeft -zwartgroene of donkergrijsbruine bovendeelen, welke kleur bovenaan op -de zijden in wolkvormige vlekken eindigt en verder naar beneden plaats -maakt voor het geelachtige zilverwit der overige lichaamsdeelen; -de vinnen zijn roodbruin, de oogen roodgeel. De donker gekleurde -zijdestreep is tegenover het einde van de eerste rugvin eensklaps -naar beneden gebogen. - -Daar de Pollak aan rotsachtige kusten de voorkeur geeft en zijn -standplaats niet dikwijls verlaat, komt hij bij ons zelden voor, -hoewel men hem langs de geheele kust waargenomen heeft. Hij bewoont de -Noordzee, de kust van Noorwegen tot in het Kattegat en is het geheele -jaar door menigvuldig aan de kusten van Groot-Brittannië. Zijn voedsel -bestaat uit allerlei kleine Visschen. Bij ons bereikt hij in den regel -geen grootere lengte dan 50 cM.; hij kan echter 1.2 M. lang worden. - -De Koolvisch behoort in meer noordelijke zeeën thuis, hoewel hij ook -nog in den Atlantischen Oceaan, de Noordzee en zelfs in de Oostzee -aangetroffen wordt. Bij IJsland, Groenland en Finland is hij niet -zeldzaam, bij Spitsbergen wel niet de eenige, maar toch de meest in -'t oog vallende en veelvuldigste vischsoort. In westelijke richting -strekt zijn verbreidingsgebied zich tot aan de Vereenigde Staten -uit. "Gedurende de "kolvaart" in de Noordzee en de zoogenaamde -IJslandsche visscherij, die beide Kabeljauw als hoofdproduct leveren, -worden ook Koolvisschen door onze visschers gevangen, maar slechts -in naar evenredigheid geringen getale. Aan onze kust treft men in den -regel slechts enkele niet volwassen exemplaren aan" (Schlegel). Deze -jongen zijn bekend onder den naam van Groene Schelvisch. De bovendeelen -van den volwassen Koolvisch zijn zwartbruin, min of meer zweemend -naar olijfgroen, de zijden donkergrijs, de onderdeelen wit; de -nagenoeg rechte zijdestreep is wit en komt op de donkere grondkleur -duidelijk uit. De buik- en aarsvinnen zijn licht grijsachtig, alle -overige vinnen blauwachtig zwart. Het oog is zilverwit, de huid in de -mondholte zwart. Bij de jongen zijn alle kleuren lichter en zweemen -meer naar olijfgroen. - -Het vleesch van dezen 40 à 100 cM. langen Visch is veel geringer van -kwaliteit dan dat van de meeste andere leden van zijn geslacht; vooral -dat van de oude dieren wordt zeer weinig geacht en daarom in den regel -tot stokvisch of klipvisch verwerkt. Op de kusten van Nordland zijn -zij zeer talrijk en gemakkelijk te vangen; het is voorgekomen, dat -de vangst van 4 visschers binnen weinige uren 24 centenaars bedroeg. - -Als verblijfplaats kiest de Koolvisch liefst een rotsachtigen -grond van niet al te groote diepte, o.a. klippen te midden van de -branding. Evenals sommige andere roofvisschen, komt hij aan den -kost door op eene beschutte plaats te wachten tot de stroom hem een -levenden of dooden buit toevoert. Gedurende den rijtijd van kleinere -Visschen, vooral van Haringen, heeft zijn jacht bijna uitsluitend de -vangst van deze dieren ten doel; voor 't overige eet hij hoofdzakelijk -Schaaldieren, soms ook Schelpdieren. - - - -De naam Stokvisschen, die men in 't dagelijksch leven alleen gebruikt -tot aanduiding van gedroogde Kabeljauwen, wordt ook gegeven aan een 3 -soorten omvattend geslacht van zeebewoners, die aan de Schelvisschen -nauw verwant zijn (Merluccius). Zij hebben een platten kop; het -langwerpige lichaam is bedekt met grootere schubben dan bij de andere -inheemsche familieleden voorkomen; het draagt twee rugvinnen, waarvan -de achterste, evenals de onverdeelde aarsvin, meer dan de helft van -den romp inneemt; de tanden zijn betrekkelijk groot en nagenoeg op -één rij geplaatst; de voeldraden ontbreken. De meest bekende (en -eenige inheemsche) vertegenwoordiger van dit geslacht is de Stokvisch -(Merluccius vulgaris). Hij kan ongeveer 120 cM. lang en 16 KG. zwaar -worden. De bruingrijze kleur van den rug wordt op de zijden lichter en -gaat aan den buik in zilverwit over; de bovenste vinnen zijn donker-, -de onderste lichtbruin. - -De Stokvisch behoort tot de algemeenste en belangrijkste Visschen van -de Middellandsche Zee, maar is ook over het noordelijke deel van den -Atlantischen Oceaan verbreid; in de nabijheid van de Europeesche -kusten, vooral in de Britsche en Scandinavische wateren, komt -hij veelvuldig voor. Daar hij zich bij voorkeur op zandbanken aan -rotsachtige kusten ophoudt, ontmoet men hem zeer zelden in de zee, die -Nederland bespoelt. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Makreelen -en Haringen. De rijtijd duurt van Januari tot April. - -Het vleesch van de Stokvisschen wordt niet hoog geschat; het is week, -maar zou misschien door een doelmatige toebereiding veel smakelijker -gemaakt kunnen worden. Vooral aan de zuidkust van Engeland en aan -de kusten van Ierland vangt men ze 's winters en in het voorjaar in -grooten getale; deze komen echter slechts voor een zeer klein deel in -verschen toestand in de keuken; de meeste worden gedroogd of gezouten, -als stokvisch of klipvisch, in den handel gebracht. - -Het eenige lid van de familie der Schelvisschen, dat in zoetwater -leeft, is de wijd en zijd verbreide Kwabaal of Kwabbe (Lota vulgaris), -die ook wel (evenals Zoarces vivipara) Puitaal wordt genoemd, -in Friesland Aalpad, in het land van Kuik Merkor heet. Hij is de -eenige vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht en heeft een -langwerpig, cilindervormig, aan den staart zijdelings samengedrukt, -met zeer kleine schubben bedekt lichaam, een kleinen kop, een zeer -lange aarsvin, twee rugvinnen, waarvan de tweede de aarsvin in lengte -overtreft, terwijl de eerste zeer kort is, een tamelijk kleine, puntig -afgeronde staartvin, één voeldraad aan de kin en een breede streep -van borstelvormige tandjes aan de randen van beide kaken en aan het -ploegschaarbeen. De Kwabaal is op den rug, de zijden en de vinnen meer -of minder donker olijfgroen van kleur en met zwartbruine, wolkachtige -marmervlekken geteekend; de keel en de buik zijn witachtig. Hij kan -60 cM. lang en 8 KG. zwaar worden; zulke groote exemplaren worden -echter alleen in diepe meren gevonden. - -Weinige soorten van zoetwatervisschen hebben zulk een uitgestrekt -verbreidingsgebied als de Kwabaal. Hij bewoont de stroomende en -stilstaande wateren van geheel Middel-Europa en Noord-Amerika, -ook die van Middel-Azië, voor zoover zij niet zout zijn; naar men -zegt, komt hij zelfs in Indië voor. Bij voorkeur houdt hij zich in -tamelijk diep water op en vestigt zich daarom alleen dan in kleine -stroomen, als hun bed betrekkelijk vele diepe plaatsen bevat; -in de meren zoekt hij liefst de diepste gedeelten op, waar 40, 60 -of meer M. water staat. Bovendien verlangt hij helder water en is -daarom in bergstreken veelvuldiger aanwezig dan in de vlakte. In -Groot-Brittannië is hij, evenals bij ons, niet algemeen; in het -Bovenrijn- en in het Donau-gebied daarentegen ontmoet men hem overal -op geschikte plaatsen. In Zwitserland vindt men hem nog op een hoogte -van meer dan 700 M., in Tirol zelfs in wateren, die 1200 M. boven de -oppervlakte der zee gelegen zijn. Hij is een van de vraatzuchtigste -roovers van het zoetwater, houdt zich over dag schuil onder steenen -en andere in 't water liggende voorwerpen en maakt vooral 's nachts -jacht op waterinsecten en kleine Visschen, de jongen van zijn eigen -soort niet uitgezonderd. Wanneer de Kwabalen in een aquarium niet -genoeg voedsel krijgen, vreten zij elkander op; de sterkste zal alle -overige verslinden, indien hij ze kan bemachtigen. - -De voortplanting heeft waarschijnlijk, al naar de landstreek en de -weersgesteldheid, in verschillende jaargetijden plaats, daar men in -de maanden November tot Maart versche eieren heeft gevonden. Hoewel de -Kwabalen in de overige tijden van 't jaar ongezellig leven, vereenigen -zij zich, als de aandrift tot voortplanting hen bezielt, tot scholen, -die soms uit omstreeks 100 individuën bestaan, welke zich als Alen -dooreengestrengeld hebben en een kluwen vormen. Hoewel iedere kuiter -ongeveer 130,000 eieren bevat, vermenigvuldigt de Kwabaal zich niet -sterk, daar de jongen voor 't meerendeel opgevreten worden. - -Het meeste voordeel levert de vangst van den Kwabaal in den rijtijd -op; hiervoor dienen netten, zetlijnen en fuiken. - -Als lokaas gebruikt men vischjes en Kreeften. Over de waarde van dezen -Visch voor de keuken wordt verschillend geoordeeld. In sommige streken -wordt hij gezocht, in andere gering geschat; in Engeland b.v. heeft -men over 't algemeen niet veel met hem op, in Zwitserland daarentegen -wordt hij boven alle andere zoetwatervisschen verkozen. Hiernaar -regelt zich natuurlijk de prijs.--Bij de Boerjeten vervangt de huid -van den Kwabaal ons vensterglas; bij de Kawassische Joerten dragen -mannen en vrouwen kleedingstukken (rok, broek en laarzen), die van -deze huid vervaardigd zijn. - - - -De Lengen (Molva), waarvan 3 soorten bij de kusten van Noord-Europa, -IJsland en Groenland gevonden worden, verschillen vooral door het -bezit van tamelijk groote, kegelvormige tanden aan de onderkaak en -het ploegschaarbeen van de Kwabalen. Zij zijn nog slanker gebouwd -dan deze en hebben een minder afgeronde staartvin. - - - -De Leng (Molva vulgaris), een bewoner van de rotsachtige kusten van -de IJszee en van het noordelijkste deel van den Atlantischen Oceaan -wordt in menigte langs de kusten van Noorwegen, Groot-Brittannië en -Newfoundland gevangen; een deel wordt in verschen toestand gebruikt, -het overige gedroogd of gezouten in den handel gebracht; uit de -lever wordt traan verkregen. Bij onze kust komt deze Visch zelden -voor. Vooral voor de bewoners van de Shetlandsche en Orkney-eilanden, -van IJsland en Noorwegen is hij van groot belang. Zijn lengte, welke -die van alle overige leden zijner familie overtreft, bedraagt meestal -1 à 1.5 M., maar kan tot 2 M., het gewicht tot 25 KG. stijgen. De rug -en de zijden zijn bruinachtig grijs, meestal met olijfkleurige tint, -de onderdeelen zilverwit; de aarsvin, de staartvin en de twee rugvinnen -hebben een witten zoom, die op de staartvin voorafgegaan wordt door -een zwarten dwarsband. Gewoonlijk bewoont de Leng aanzienlijke diepten, -waar hij op Schaaldieren en Visschen jacht maakt, vooral op Schollen, -Knorhanen en dergelijke, op den bodem vertoevende dieren. In de -lentemaanden nadert hij de kust om kuit te schieten en stelt hierdoor -de visschers in staat hem te vangen. Op de kusten van Cornwallis -is de vangst in de maanden Januari en Februari het overvloedigst, -op Shetland tusschen Mei en Augustus. - - - -De Meunen (Motella) hebben een lang, aalvormig lichaam, 3 of meer -voeldraden aan den kop, een zeer lange aarsvin en een nog langere -rugvin; beide bereiken, als bij den Kwabaal, den wortel van den staart; -de eerste rugvin is wel lang, maar door zeer korte en haarfijne -stralen gesteund en dus ternauwernood zichtbaar. - - - -De Driedradige Meun (Motella tricirrhata) heeft 3 voeldraden (1 aan -de kin en 2 aan de voorste neusopeningen) en wordt 35 à 40 cM. lang; -de bovendeelen (met borstvinnen, rugvin en staartvin) zijn geelbruin -met groote, donkerbruine vlekken, de onderdeelen (met inbegrip van -de buikvinnen en de aarsvin) bleek geelbruin, soms geelachtig wit, -met lichtere vlekken. Deze op onze kust weinig voorkomende, evenals -zijne verwanten veel op den Kwabaal gelijkende Visch wordt in alle -Europeesche zeeën gevangen, vooral in de Middellandsche Zee, minder -langs de kust van Groot-Brittannië, ofschoon hij ook hier volstrekt -niet zeldzaam is. Bij voorkeur houdt hij zich op in de nabijheid van -een met planten bedekten zeebodem en ligt hier gewoonlijk bewegingloos -uitgestrekt; alleen de voeldraden en de fijne vinstralen van de eerste -rugvin schommelen heen en weer; ongetwijfeld lokt hij op deze wijze -zijn buit, die uit vischjes, Schaaldieren en dergelijke wezens bestaat. - - - -Vrij algemeen ontmoet men dicht bij ons strand de Vijfdradige -Meun (Motella mustela), die behalve de reeds genoemde voeldraden, -er ook nog twee aan het einde der bovenkaak heeft. De bronsachtig -bruine kleur van de bovendeelen wordt op de zijden lichter en op de -onderdeelen allengs witachtig. Deze aan de kusten van Europa en IJsland -(ook in de Noordzee) niet zeldzame, doch in de Oostzee ontbrekende, -30 à 50 cM. lange Visch wordt bij ons nagenoeg aanhoudend, hoewel in -kleinen getale, in de saaien gevangen, maar wegens de weekheid van -zijn vleesch niet gegeten. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en -vischjes en schiet kuit in den winter. - - - -De Slangvisschen (Ophididae) heeten zoo wegens hun langwerpig, -zijdelings sterk samengedrukt lichaam; de buikvinnen ontbreken of -zijn door een paar tweedeelige voeldraden aan het tongbeen vervangen; -de rugvin en de aarsvin zijn laag en vormen dikwijls met de staartvin -een geheel; de huid is naakt of bevat kleine, verborgen schubben; -de kieuwspleet is wijd; de zwemblaas ontbreekt. - - - -De Smelten of Zandalen (Ammodytes) hebben een zeer langwerpige, -lancetvormige gedaante; de lange, lage, nagenoeg over de geheele -bovenzijde zich uitstrekkende rugvin en de bijna half zoo lange -aarsvin zijn niet vereenigd met de goed ontwikkelde, gevorkte -staartvin; de aarsopening is kort voor het begin van de aarsvin -gelegen; de buikvinnen ontbreken geheel. De onderkaak steekt ver -voorbij de bovenkaak uit; beide zijn tandeloos; aan de keelbeenderen -komen steeds tanden voor, bij sommige ook aan het ploegschaarbeen; -de huid is met zeer dunne schubben bedekt. - - - -De bij onze kust levende Smelten worden in twee soorten onderscheiden, -die echter zeer weinig van elkander verschillen. De Groote Smelt -(Ammodytes lancea) wordt 20 à 25, zelden 40 cM. lang; de rugvin -begint tegenover het einde der borstvinnen; de spits van het -ploegschaarbeen draagt scherpe tanden.--De Kleine Smelt (Ammodytes -Tobianus) bereikt een lengte van 10 à 15 cM., heeft een iets verder -naar voren verlengde rugvin, en kan de tusschenkaaksbeenderen ver -naar voren verschuiven. Beide zijn op den rug bruinachtig, op de -zijden en den buik zilverwit. - -Beide bewonen het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan en -houden zich bij vlakke, zandige kusten van Europa en Amerika op; bij -vloed zwemmen zij, dikwijls in grooten getale, zeer schielijk dicht -bij de oppervlakte rond en maken jacht op allerlei kleine zeedieren, -vooral ook op jonge vischjes; op warme avonden ziet men ze dikwijls -boven het water uitspringen; bij eb begraven zij zich in het zand en -wachten hier de terugkomst van den vloed af. "In Zeeland," schrijft -Schlegel, "waar het verschil van waterstand, tusschen eb en vloed, -veel aanmerkelijker is dan langs onze overige kuststreken, spit of -ploegt men, bij laag water, het strand om, teneinde deze vischjes, -die de gewoonte hebben, zich daarin tot één voet diep te begraven, -voor den dag te halen, en op deze wijze voor de tafel een gerecht -te verzamelen, dat voor zeer lekker wordt gehouden [5]. Hetzelfde -geschiedt ook aan sommige plaatsen der kust van Groot-Brittannië." Hier -wordt voor dit doel een soort van hark gebruikt.--Langs de Hollandsche -kust worden de Smelten dicht langs het strand bij het visschen met -de saaien vrij veelvuldig gevangen, doch niet gebruikt. Een in de -Middellandsche Zee levende soort wordt gegeten, een andere, bij de -Groenlandsche kust voorkomende soort evenzeer.--Op vele plaatsen vangt -men de Smelten om lokaas te verkrijgen voor de vangst van Makreelen -en Kabeljauwen. Bij ons dienen zij met de Zeebliek (Clupea sprattus) -voor het azen der korven. Naar men zegt, maken zij een belangrijk -deel van het voedsel der Dolfijnen uit. - - - -De symmetrische rangschikking der lichaamsdeelen wordt te recht als een -der belangrijkste kenmerken van de Gewervelde Dieren beschouwd. Hoe -gedrochtelijk de gedaante van sommige soorten ons voorkomt, toch is -de linkerhelft steeds een meer of minder zuiver spiegelbeeld van de -rechterhelft. Een uitzondering op dezen regel vormen de Schollen of -Platvisschen (Pleuronectidae), de eenige familie van de gelijknamige -onderorde (Pleuronectoidei). Aan hun sterk zijdelings afgeplat lichaam -is de kop derwijze verdraaid, dat beide oogen aan dezelfde zijde -voorkomen. De stand der oogen is nu eens links, dan weer rechts, -bij verschillende soorten en zelfs bij verschillende individuën -van één soort ongelijk. Steeds echter wijkt de oogen dragende, naar -boven gerichte zijde in verschillende opzichten aanmerkelijk af van de -"blinde", die gewoonlijk op den grond rust. Deze heeft een minder goed -ontwikkelde (bij Monachir zelfs in 't geheel geen) borstvin; ook haar -skelet is minder volkomen. Soms is de blinde zijde met kringschubben -bedekt, terwijl de andere zijde kamschubben draagt; gewoonlijk echter -is het geheele lichaam met kamschubben bekleed. De blinde zijde is -niet, de naar het licht gekeerde verschillend, bij eenige tropische -soorten zelfs levendig gekleurd. Verreweg het grootste deel van het -lichaam wordt gevormd door den sterk gespierden staart. De buikholte is -zeer klein, de aarsopening ligt onder of vóór de borstvinnen. Hieruit -vloeit voort, dat de (dikwijls onderling vereenigde) buikvinnen zich -aan de keel bevinden; zij zijn klein, evenals de borstvinnen, die bij -één geslacht (Achirus) geheel ontbreken. De rugvin strekt zich van -den kop tot aan de staartvin uit en omzoomt dus den geheelen, scherp -toeloopenden rugrand van den schijfvormigen romp op gelijke wijze als -de buitengewoon lange aarsvin den scherpen buikrand omgeeft. De kleur -van deze vinnen en van de overigens regelmatig gevormde, afgeronde of -recht afgeknotte, hoogst zelden gevorkte staartvin is aan weerszijden -ongelijk. Al deze vinnen worden door zachte, meestal niet vertakte, -dicht bijeenstaande en daarom zeer talrijke stralen gesteund. De -zwemblaas ontbreekt. De tanden zijn verschillend, in den regel echter -òf dik òf borstelvormig. - -De Platvisschen, waarvan men bijna 200 soorten onderscheidt, bewonen -de zee; eenige zwemmen soms de rivieren op; hier zoowel als daar leven -zij op den bodem. Met de blinde zijde tegen den grond aangedrukt en -de oogen naar boven gericht; liggen zij gedurende het grootste deel -van hun leven op de loer en bewegen zich bijna niet anders dan om hun -uit Wormen, Schelp- en Schaaldieren en kleine Visschen bestaanden -buit te grijpen of om grootere roovers te ontwijken. Dan schieten -zij plotseling vooruit, zwemmen met een golvende beweging van het -lichaam, waarbij steeds de rug en de buik zijwaarts gericht zijn, -maar laten zich spoedig weer zakken. Soms ondernemen zij gezamenlijk -groote tochten en zwemmen dan, tijdelijk althans, ook wel in de -bovenste waterlaag. Dit geschiedt bij het geregeld wegtrekken van de -Platvisschen uit de Buitenlek en gedeeltelijk ook uit de Binnenlek, -waarop Van den Ende voor 't eerst meer algemeen de aandacht heeft -gevestigd. "In het begin van Juli begint de Schol in beweging te -komen en geeft hiervan blijken, zelfs als zij in het schrobnet is -gevangen. De Schol, die gewoonlijk in den kuil van dit vischwant zich -stil houdt, toont zich nu onrustig; de visschers zeggen dan, dat zij -"rad" begint te worden en maken hieruit op, dat de visscherij in de -Buitenlek weldra een einde zal nemen. Bij het wegtrekken schijnt -zij niet den bodem der zee te houden, maar op eenigen afstand van -daar te zwemmen, niet zelden zoo hoog, dat men geheele scholen -aan de oppervlakte waarneemt. De bruine zijde blijft gedurende de -beweging evenwijdig met de oppervlakte der zee. De Schol neemt bij het -wegzwemmen de richting naar het noorden; bij haar terugkomst in October -neemt zij, naar het schijnt, haar weg over den bodem der zee; men ziet -haar althans niet aan de oppervlakte zwemmen. Het wegtrekken der Schol, -waaraan ook de overige Platvisschen, en zelfs de Roggen, deelnemen, -kan met het kuitschieten in geen verband staan, daar dit in de maanden -Februari en Maart geschiedt; het is ook niet aan toevallige oorzaken -te wijten, daar het jaarlijks geregeld plaats vindt. De visschers -schrijven het toe aan een verschijnsel, dat zij "koelucht" noemen en -dat veroorzaakt wordt door de groote menigte groene of groenachtige, -draadvormige en glibberige waterplanten (algen), die des zomers in -menigte in de Noordzee voorkomen. Vele van deze planten schijnen zich -vooral in de bovenste waterlagen te ontwikkelen en later naar den -bodem der zee te zakken, waar zij zich o. a. aan de schrobnetten -in belangrijke hoeveelheid hechten. De bedoelde zelfstandigheid -onderscheidt zich door een sterken, onaangenamen reuk, die zelfs -op eenigen afstand, somtijds tot achter het dorp Katwijk aan Zee, -bemerkt kan worden en zoo doordringend is, dat vrouwen, die langs het -strand liepen, er verschijnselen van zeeziekte door ondervonden. De -ervaring leert, dat men bij sterke "koelucht" een slechte visscherij -van Schol heeft te verwachten. Het zou kunnen zijn, dat de "koelucht" -op de Visschen een onaangenamen indruk teweegbrengt en hen noopt -voor eenigen tijd dit water te verlaten. Ook is het mogelijk, dat -hun hierdoor de gelegenheid om op den bodem der zee voedsel te vinden -benomen wordt. De stof, die zich op den bodem heeft afgezet, doet hen -bij 't wegtrekken hooger water kiezen. Vermoedelijk begeven zij zich -naar den Grooten Visschersbank, waar de zee een diepte heeft van 40, 50 -en meer vademen. De Visschen hebben in October van de koelucht weinig -meer te vreezen en zwemmen daarom over den bodem naar de Buitenlek -terug.--Uit de Binnenlek heeft het wegtrekken in veel mindere mate -plaats, zoodat de visscherij hier (hoewel met weinig voordeel) kan -worden voortgezet, nadat zij in de Buitenlek heeft opgehouden. De -Platvisschen, die in den zomer in de Binnenlek achterblijven, worden -gezamenlijk "zomervisch" genoemd. De van hier wegtrekkende Visch volgt -een bijna zuidwestelijke richting en zwemt waarschijnlijk door de -hoofden naar de diepten van het Kanaal. Van hier in het begin of het -midden van September terugkeerend, is hij weldoorvoed en vet en heet -dan "herfstvisch"; wegens de richting, die hij volgt, vangt men hem -in Scheveningen eerder dan in Katwijk. Misschien kan de Binnenleksche -Schol, die jonger is dan de Buitenleksche, haar voedsel in 't zuiden -beter bekomen dan in 't noorden, waar de Buitenleksche heentrekt." - -"Daar de Visschen op de Hollandsche kusten niet dan een effen bodem -vinden, waarop slechts zeer weinige voorwerpen gevonden worden, -waaraan zij hun kuit zouden kunnen bevestigen, worden zij er toe -genoopt, dit op den bodem zelf te doen. Zij maken zich gewoonlijk -daartoe een kuil, dien zij, na daarin kuit geschoten te hebben, -niet zelden weder met wat grond bedekken. Daar de Visschen echter -voor het maken van deze kuiltjes slechts geringe middelen bezitten, -is het hun geenszins onverschillig, of zij dit in een harden of in een -weeken grond doen moeten, en kan het dus niet verwonderen, dat de weeke -grond der Binnenlek hen bijzonder aanlokt. Bovendien vinden zij in dit -water bij een gemiddelde diepte van omstreeks 11 vademen overvloedig -voedsel. Daarom heeft gedurende eeuwen een verbazende menigte van -visch dit water vervuld; eeuwen lang werd alleen hier gevischt, -waarom de visscherij met volle recht den naam van "kustvisscherij" -droeg. Zeer langen tijd werden uitsluitend kleine schuiten van 25 -voet lengte voor de visscherij gebruikt; deze lieten niet toe, -dat men zich verder in zee begaf. Later, toen men met grootere -vaartuigen de steurharingvisscherij op de Engelsche kust begon uit -te oefenen (bomschuiten van 45 voet lengte tusschen de stevens en 31 -voet op den bodem) ontstond de visscherij in de Buitenlek.--De Schol -wordt, naar gelang van de grootte, in 8 soorten onderscheiden, die, -te beginnen met de kleinste, de volgende namen dragen: kleine keu, -groote keu, kleine braad, groote braad, kleinschol, kleine kantschol, -groote kantschol en groote schol. In de Binnenlek worden, misschien -op geringe uitzonderingen na, alleen de 4 kleinste van de genoemde -"scholsoorten" (en bovendien "kleinschol", in geringe hoeveelheid) -gevangen. In de Buitenlek vindt men weinig "groote braad" en nooit -kleinere soorten, maar wel de grootere. Misschien is het voedsel in -de Buitenlek voor de Schol op gevorderden leeftijd beter." - -De Platvisschen zijn bij het verlaten van het ei volkomen symmetrisch -gebouwd en hebben één oog aan iedere zijde van den kop; de asymmetrie -openbaart zich eerst later allengs gedurende den verderen groei. Hoe -en waardoor deze verandering tot stand komt, is nog niet met zekerheid -bekend. Eenige onderzoekers meenen te mogen aannemen, dat het oog, -om zijn as draaiend, zich door de terugwijkende skeletdeelen heen -een weg baant naar de tegenovergestelde zijde. Andere beweren, dat, -zoodra de Visch op een zijde begint te rusten, het oog van deze zijde -bij zijn streven om zich naar het licht te keeren ook de omliggende -deelen van den kop een verplaatsing doet ondergaan. Het voorste deel -is dan ook werkelijk ten opzichte van de gekleurde zijde gedraaid. Dat -deze vormsverandering slechts geringen tegenstand ontmoet, zoolang -het skelet nog kraakbeenig is, ligt voor de hand. De larven van -Platvisschen zijn aanvankelijk geheel doorschijnend en zwemmen op -dezelfde wijze als de andere Visschen met den rug naar boven en -den buik naar onderen. Opmerkelijkerwijze worden zij veelvuldiger -aangetroffen in het ruime sop dan in de nabijheid der kust. - -De Platvisschen bewonen alle zeeën met uitzondering van die der hoogste -breedten en die, welke rotsachtige, steile kusten bespoelen. Naar den -evenaar neemt hun aantal toe; de grootste soorten ontmoet men echter -in de gematigde luchtstreek. Aan zandgrond geven zij de voorkeur; -zij dalen niet tot aanzienlijke diepten af. Eenige bezoeken dikwijls -het zoetwater; enkele hebben zich zelfs volkomen gewend aan het leven -in plassen en rivieren. - - - -Wanneer men het gebit als maatstaf aanneemt, moeten de Platvisschen, -welker kaken en tanden aan beide zijden nagenoeg op gelijke wijze -ontwikkeld zijn, bovenaan geplaatst worden. Van deze komt aan de -Heilbotten (Hippoglossus) de voorrang toe. Door de visschers worden -zij wegens hun meerdere dikte niet onder de Platvisschen geteld. Zij -hebben, als de Tarbot, een wijden bek, doch een krachtiger gebit dan -hare verwanten, in de bovenkaak een dubbele, in de onderkaak een enkele -reeks van tanden: de middelste van de bovenkaak en de zijdelingsche -van de onderkaak zijn dik, lang, spits en gekromd. Het gehemelte is -tandeloos; de keelbeenderen daarentegen zijn met een dubbele reeks -van dikke tanden gewapend. De rugvin begint niet vóór het oog (op den -snuit), zooals bij de meeste andere geslachten, maar boven het oog, -gelijk bij de Schollen. Evenals bij deze en de Tongen, zijn de oogen -rechts geplaatst. De beide bekende soorten van dit geslacht bewonen -de zeeën van het noordelijk halfrond. - - - -De Heilbot (Hippoglossus vulgaris) is de grootste Platvisch van Europa -en misschien van de geheele wereld, daar zij een lengte van meer dan 2 -M. en een gewicht van meer dan 200 KG. kan bereiken. Zonder de vinnen -is het lichaam eigenlijk lancetvormig; eenigszins ruitvormig wordt -het, doordat de rugvin en de aarsvin in 't midden aanmerkelijk hooger -zijn dan aan de einden. De staartvin is uitgesneden of flauw gevorkt -en niet recht of afgerond, zooals bij alle overige Platvisschen. De -schubben zijn zeer klein en glad. De kleur van de bovenzijde wisselt -af tusschen licht- en donkerbruin; de blinde zijde is zuiver wit. De -IJszee is waarschijnlijk het eigenlijke gebied van de Heilbot; zij komt -echter langs de noordelijke kusten van Europa overal, hier en daar -zelfs geregeld en op sommige plaatsen veelvuldig voor. Dit laatste -is het geval aan de kusten van Newfoundland, Groenland en IJsland, -bij de Fär- en Orkney-eilanden en aan de westkust van Scandinavië tot -aan het Kattegat. Ook vindt men haar bij Kamtsjatka en Californië. In -de zuidelijke gedeelten van de Noordzee en ook aan onze kusten is -zij naar verhouding minder talrijk. Toch is zij bij al onze visschers -wel bekend, vooral in den winter en in het voorjaar in hun vaarwater -vrij algemeen; groote exemplaren worden nu en dan in menigte bijeen -gevangen. In de Oostzee heeft men haar alleen in de Kieler bocht -aangetroffen. Bij voorkeur bezoekt zij banken, die op eenigen afstand -van het land gelegen zijn en waar het water 50 à 120 vademen diep -is. Gedurende den winter leeft zij in de diepte, maar nadert veelal -reeds vroeg in het jaar de kust en ligt dan het liefst op modder- -en kleigronden. In den zomer schiet zij kuit op een rotsachtigen of -zandigen bodem. Haar vleesch is wit en hard, maar eenigszins droog -en wordt daarom op vele plaatsen minder geschat dan dat van de Tarbot. - - - -De Lange Schar (Hippoglossoides limandoides), die slechts een enkele -maal aan onze kust gevangen werd en ook aan de kusten van Engeland -en Frankrijk zelden voorkomt, bewoont de noordelijke kusten van den -Atlantischen Oceaan en is niet zeldzaam aan de westkust van Zweden, -in den Sond en het Kattegat, waar zij in April en Mei kuit schiet. Zij -verschilt van de vorige soort vooral, doordat de bovenkaak slechts -één rij van tanden bevat; de zijdestreep is nagenoeg recht; door de -scherpe punten aan den rand der schubben, is de huid ruw op het gevoel, -evenals die van de Schar (deze is echter kenbaar aan den grooteren kop, -het minder langwerpige lichaam en de sterk gekromde zijdestreep). De -bovenzijde van de Lange Schar is roodachtig of geelachtig bruin. Lengte -30 à 40 cM. - - - -De Grieten (Rhombus) zijn de breedste van alle Platvisschen. Zij -kenmerken zich door een vóór de oogen, op het midden van den -snuit aanvangende rugvin; de wijde bek is voorzien met talrijke, -kleine, op verscheidene rijen gerangschikte (fluweelachtige en -hekelvormige) tanden aan de kaken en een veld met puntige tanden op het -ploegschaarbeen. De oogen zijn links (soms, doch zeer zelden rechts) -geplaatst, de vinstralen voor 't meerendeel vertakt, de schubben -afwezig of klein. De staartvin is afgerond. - - - -Bij de Tarbot (Rhombus maximus), die de eer van tot de lekkerste -Platvisschen te behooren, met de Heilbot deelt en gewoonlijk boven -deze wordt verkozen, merkt men aan de bovenzijde talrijke, stompe -beenknobbeltjes op, (bij jonge exemplaren niet). Op de bruine huid, die -verschillende tinten kan hebben, deels uitvloeiend of gemarmerd, deels -scherper begrensd, komen lichte vlekken van ongelijke grootte voor; -de vinnen zijn een weinig lichter van kleur dan het overige lichaam; -de blinde zijde is effen wit. Het lichaam zonder de staartvin, doch -met de rugvin en de aarsvin (die in het midden aanmerkelijk hooger -zijn dan elders), is nagenoeg even hoog als lang; geen der overige -Platvisschen is zoo zuiver ruitvormig. De lengte bedraagt soms meer -dan 1 M. bij een gewicht van 35 KG. (Yarrell maakt melding van een -exemplaar van bijna 2 M., dat 86 KG. zwaar was. Rondelet zegt, er -één gezien te hebben van 3 M. lang, 2 M. breed en 1 M. dik.) - -Behalve in de Noordzee (tot Helgoland) en in het Kanaal (in de -Oostzee alleen in de Kieler-bocht geregeld), wordt de Tarbot (hoewel -in geringe hoeveelheid) ook in de Middellandsche Zee gevangen. Evenals -de meeste Platvisschen, vestigt zij zich op zandbanken in ondiep water -en ligt hier op den grond; allerlei kleine Visschen, Schaaldieren en -Weekdieren verschaffen haar voedsel. Langs de zuidkust der Noordzee -treft men haar van April tot Augustus aan; zij vertoont zich het -eerst in het zuidwestelijkste deel van dit gebied; naarmate zij -van hier verdwijnt, ziet men haar op verder noordwestwaarts gelegen -vischgronden verschijnen. Op de groote zandbanken langs onze kust -duurt de tarbotvangst van April tot Juli, bij Helgoland van Juli tot -half Augustus. - - - -De Griet, ook Kaan en Snoever genoemd (Rhombus laevis), heeft een -gladde huid en verschilt bovendien van de Tarbot door het minder sterk -afnemen van de hoogte der rugvinstralen van het midden naar voren en -achteren, waardoor het lichaam meer van den ruitvorm afwijkt. Haar -kleur is gewoonlijk roodachtig grijsbruin, donkerbruin gemarmerd en met -parelvormige, lichte vlekken geteekend, bij jonge exemplaren echter -bleek roodachtig bruin met donkerbruine en zwarte vlekken. Zij is -zelden langer dan 40 cM. en weegt slechts bij uitzondering 4 KG. De -Middellandsche Zee, de Atlantische Oceaan en de Noordzee herbergen -haar; tot in den mond der rivieren dringt zij door. De Griet wordt -minder geacht dan de Tarbot en de Tong, doch hooger dan de Schol. Langs -onze kust is zij vrij algemeen. - -Twee soorten, die den naam Tongschar of Scharretong, welke haar door -onze visschers gegeven wordt, met de Lange Schar en de Gemarmerde Schol -gemeen hebben en die men door de bepalingen Naakt en Dun onderscheidt -(Rhombus arnoglossus en R. megastomus), hebben een veel dunner lichaam -dan de andere soorten van Grieten. De Naakte Tongschar wordt zelden, -de Dunne slechts nu en dan, gewoonlijk alleen in jeugdigen toestand, -aan onze kust gevangen. Voor de visscherij zijn zij van geen belang. - - - -In een tweede afdeeling vereenigt men die Platvisschen, welker kaken -en tanden aan de blinde zijde veel sterker ontwikkeld zijn dan aan -de gekleurde. - -Het geslacht der Schollen (Pleuronectes), waaraan de geheele familie -haar naam dankt, omdat Platvisschen met één rij van kleine, scherpe -tanden in de kaken, tandelooze ploegschaar- en gehemeltebeenderen -en plaveiselvormige tanden op de keelbeenderen. De rugvin begint -niet vóór, doch boven het oog; de mondopening is klein en reikt -hoogstens tot onder de oogen; deze zijn door een uitpuilende lijst -gescheiden en bij de inheemsche soorten rechts geplaatst (linksche -exemplaren zijn zeldzame uitzonderingen). De afgeronde staartvin is -duidelijk gescheiden van de rugvin en de aarsvin; deze zijn breed, -hare vinstralen bijna zonder uitzondering ongedeeld. De steeds zeer -kleine schubben zijn meestal glad, soms getand, soms geheel afwezig. - - - -De belangrijkste soort van dit geslacht is de Schol, in Zeeland Plaat -genoemd (Pleuronectes platessa). Hare leden dragen naar hunne grootte, -bij de visschers verschillende namen; de allerkleinste heeten Weggooi -of Kraat; de groote (die in de bun van de bomschuit levend aan den wal -gebracht en niet bij de mandvol verkocht, maar bij den afslag op het -strand uitgespreid worden) noemt men Bunschol of Spreischol. Slechts -bij uitzondering zijn zij 60 cM. lang en 7 KG. zwaar. Op de harde lijst -tusschen de oogen komt een reeks van 4 à 7 (meestal 6) beenknobbeltjes -voor. In den regel is de Schol op de bruine, naar grijs zweemende -bovenzijde grijs gemarmerd en met groote, rondachtige, geelroode -vlekken geteekend, die zich dikwijls ook over de rug- en aarsvin -en zelfs over de staartvin uitstrekken. De blinde zijde is effen -geelachtig wit of grijsachtig wit. Het oog heeft een zilverwitte -en metaalachtig gele iris. Kleursverscheidenheden, ten deele van de -woonplaats afhankelijk, komen niet zelden voor. Bij de Bonte Schollen -is de blinde zijde geheel of ten deele gekleurd; de Witte Schollen -hebben beide zijden ongekleurd. Het lichaam is langwerpig ruitvormig; -sommige exemplaren zijn nagenoeg even hoog als lang; men noemt ze -Ronde Schollen en hield ze vroeger voor een afzonderlijke soort. - -De Schol bewoont een groot deel van den Atlantischen Oceaan (tot -IJsland), de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee (tot -bij Stockholm). Zij is een der gewoonste soorten langs onze kust; -men ontmoet haar ook in de Zuiderzee en, vooral 's winters, in de -Zeeuwsche stroomen en de Schelde. Zij vestigt zich vooral op de -zandbanken, doch vermijdt modderige gronden niet. Evenals de Bot, -kan zij zoowel in zoet- als in zoutwater leven. Vooral in Mei en -Juni wordt deze voor de tafel zeer geschikte Visch in grooten getale -gevangen, meestal versch gegeten, doch in tijden van overvloed ook -wel gedroogd. Zeer overvloedig was de vangst o.a. in 1850 en 1851, -toen alleen te Zoutkamp (prov. Groningen) 40,000 korven Schol aan -wal werden gebracht. - -De Bot (Pleuronectes flesus) bewoont dezelfde zeeën als de Schol en -is niet minder algemeen dan deze. Zij leeft op zandbanken, doch zoekt -bij voorkeur modderige gronden op. Bij ons wordt zij niet alleen langs -de Noordzeekust, maar ook in de Zuiderzee en de Zeeuwsche stroomen -in menigte gevangen. Zij zwemt de rivieren op; men vindt haar zelfs -in singels en dergelijke kleine binnenwateren. In vijvers kan zij -even goed leven als in de zee. De namen IJbot, Amsterdamsche Bot en -Rivierschol doelen op de plaats, waar de Bot gevangen werd. - -De Bot stemt in vorm nagenoeg volkomen overeen met de Schol; zij -is kenbaar aan de doornachtige knobbeltjes, die langs de nagenoeg -rechte zijdestreep en aan den wortel der rugvin en aarsvin voorkomen; -de staartvin is zeer weinig afgerond. De oogen staan meestal rechts, -vaker dan bij de Schol echter links. De bruinachtige of olijfgroene -bovenzijde is veelal met donkerbruine vlekken gemarmerd (en vooral -bij jonge exemplaren) dikwijls met roestkleurige vlekken geteekend, -die echter minder fraai, minder scherp begrensd en onregelmatiger zijn -dan bij de Schol. De blinde zijde is geelachtig wit met kleine, zwarte -stippeltjes. De lengte bedraagt zelden meer dan 30 (hoogstens 50) cM., -het gewicht slechts bij uitzondering iets meer dan 3 KG. Haar vleesch, -hoewel smakelijk, is veel minder vast dan dat van de Schol. - - - -De Schar of Ruwe Schol (Pleuronectes limanda) is gemakkelijk te -herkennen aan de ruwheid van haar huid, welke veroorzaakt wordt door -den scherp getanden achterrand van de kleine, dicht bijeenstaande -schubben, die den romp en zelfs de stralen van de rug- en aarsvin -bedekken. De Schar heeft een eenigszins langwerpiger lichaam en -grootere oogen dan hare verwanten; de zijdestreep maakt boven -de borstvin een halfcirkelvormige bocht. De bovenzijde is effen -lichtbruin, de blinde zijde witachtig. Zij kan 25 à 30 cM. lang -en 2 à 3 KG. zwaar worden. Haar verbreidingsgebied is minder -uitgestrekt dan dat van hare verwanten, daar zij in de Oostzee minder -veelvuldig voorkomt en minder ver doordringt, in de Middellandsche -Zee ontbreekt. Zij houdt van zandgrond en vermijdt den modder. Aan de -kusten van IJsland, Noorwegen, Groot-Brittannië en de Noordzee, ook -aan de onze, vangt men haar in menigte. Naar de grootte gesorteerd, -heeten de Scharren bij onze visschers Kok, Groote Klap, Handgroot en -Krit. In ons land worden zij veel gedroogd; de Engelschen en Franschen -verkiezen haar boven de Bot en Schol. - - - -De Gemarmerde Schol (Pleuronectes microcephalus), zoo genoemd wegens -de donkerbruine vlekken, waarmede haar op sommige plaatsen naar geel -zweemende, roodachtig bruine, gladde, slijmerige huid gemarmerd -is--door onze visschers, evenals andere soorten met langwerpig -eirond, dun lichaam, "Tongschar" of "Scharretong" geheeten--komt op -de zandbanken langs de kusten der Noordzee, doch nergens in grooten -getale voor. Enkele exemplaren van dezen 25 à 40 cM. langen Visch -worden nu en dan in de Buitenlek gevangen. - - - -De Tongen (Solea)--zoo genoemd wegens haar meestal zeer langwerpig -eironde gestalte en naar aanleiding van den Franschen naam -Sole--verschillen van de overige Platvisschen vooral door de -halvemaanvormige mondopening; deze is gelegen onder den van voren -afgeronden, snavelvormigen snuit, welker kaken slechts aan de -blinde of linkerzijde met kleine, op verscheidene rijen geplaatste, -borstelvormige tanden gewapend zijn. De rugvin, die reeds vóór de -oogen begint, en de weinig minder groote aarsvin strekken zich uit -tot aan den wortel van de afgeronde staartvin. De huid is ruw door -de fijne, harde puntjes, waarmede de buitenrand der talrijke, zeer -kleine schubben bezet is. De zijdestreep is recht, het gehemelte -tandeloos. De Tongen zijn niet, als de vroeger genoemde geslachten, -geheel tot de noordelijke gematigde en koude aardgordels beperkt, -maar in ongeveer 40 soorten over de tropische en gematigde zeeën -verbreid. Slechts één soort komt aan onze kust voor. - - - -De Tong (Solea vulgaris) wordt hoogstens 60 cM. lang en 4 KG. zwaar; de -oogen zijn rechts gelegen, hoewel men ook enkele linksche exemplaren -aangetroffen heeft; de bovenzijde is min of meer grijsachtig -donkerbruin, de achterhelft van de hier voorkomende borstvin zwart, -de onderzijde witachtig, de iris geel. Van de Middellandsche Zee -tot aan den poolcirkel ontmoet men deze soort aan alle kusten van -West-Europa, in de Oostzee echter niet voorbij de Kieler bocht, waar -niet anders dan zeer kleine exemplaren gevangen worden. Langs onze -geheele kust is zij buitengewoon talrijk, vooral in het voorjaar; des -zomers vindt men haar, hoewel in veel geringer aantal, in de Schelde -en ook in de andere Zeeuwsche stroomen, daar zij het zoetwater niet -schuwt en, evenals de Bot, in zoetwatervijvers in 't leven gehouden -kan worden. Op geringen afstand van het strand wordt zij in menigte -in schrobnetten en saaien gevangen. Naar de grootte onderscheiden -de visschers Noordsche of Groote Tong, Lassen en Baktong; voor -eigen gebruik drogen zij de in saaien gevangen kleine exemplaren; -de grootere zijn zeer gezocht. Bij ons zijn de wijfjes in Maart vol -kuit, aan de Engelsche kust reeds in 't laatst van Februari, aan de -kust van Scandinavië eerst in het einde van Mei en het begin van Juni. - - - -De familie der Platvisschen is zoowel aan soorten als aan individuën -zeer rijk; deze bewonen in buitengewoon groote menigte de zeeën van -de gematigde en tropische zonen. Naar het noorden neemt het aantal -soorten schielijk af. Daarentegen openbaart deze familie op den -bonteren bodem der keerkringszeeën, vooral wat de kleur betreft, -een zeer groote verscheidenheid. Zoo leeft b.v. in de Indische -(misschien ook in de Chineesche) wateren--die zoo verbazend ruim -voorzien zijn van allerlei Visschen, welke zich door eigenaardige -vormen en prachtige kleuren onderscheiden--een soort van Tong, die -door den naam Zebra-tong (Synaptura zebra) zeer goed gekenmerkt wordt, -daar de grijsachtig bruine bovenzijde van het geheele lichaam geteekend -is met tien dwars gerichte strepen, die voor 't meerendeel roodbruin, -doch bij den staart donkerder, bijna zwart zijn. - -Met uitzondering van de Heilbot, bewonen alle hierboven beschreven -Platvisschen ondiepe gedeelten van den zeebodem; zij geven de voorkeur -aan zandige of althans niet slijkerige gronden; deze moeten dus -niet met een dikke laag van weeken modder bedekt zijn. Verscheidene -soorten, vooral de Bot en de Tong, houden zich gaarne op aan den -mond van rivieren; de eerstgenoemde bereikt zelfs nu en dan, tegen -den stroom op zwemmend, plaatsen, die diep in het binnenland gelegen -zijn. In de Engelsche rivieren, in den benedenloop van Elbe en Weser -en ook in den Rijn tot aan de Duitsche grenzen komen geregeld Botten -voor; men heeft ze echter ook reeds herhaalde malen in den bovenloop -van dezelfde rivieren, in de Elbe b.v. nog boven Maagdenburg, in den -Rijn nog in de nabijheid van Mainz, in den Moezel bij Metz en Trier -en ook in den Main gevangen. Hoe traag de Platvisschen ook schijnen, -toch trekken zij gaarne. Wegens de buitengewone veelvuldigheid van de -meeste soorten wordt op dit verschijnsel minder acht geslagen dan het -eigenlijk verdient. Van de Heilbot, een voor de voeding der bewoners -van noordelijke streken zeer belangrijke Visch, weet men reeds sinds -lang, dat zij gedurende den winter meer in de diepte vertoeft en, -als de lente nadert, zich naar zeeboezems begeeft. - -Door zeden en gewoonten, maar vooral door de wijze van beweging, -gelijken de Platvisschen volkomen op elkander; men heeft althans -tot dusver nog geen feiten leeren kennen, die met deze bewering in -strijd zijn. Bewegingloos en, met uitzondering van de voortdurend -rondwarende oogen, min of meer in 't zand verborgen, liggen zij op -den grond, tot een buit hen te voorschijn lokt, of een roofvisch -hen verdrijft. Merkwaardig snel woelen zij zich onder het zand door -golfsgewijze trillingen van de rugvin en de aarsvin, waardoor zeer -spoedig een ondiep gat uitgegraven en tevens de bovenzijde een -weinig met zand bedekt wordt. Een enkele krachtige beweging is -voldoende om de zandlaag af te schudden en het lichaam omhoog te -heffen. Terwijl de Platvisch door het aanhoudend bewegen der beide -voornaamste onparige vinnen en der krachtige staartvin voortzwemt, -blijft steeds de blinde zijde naar onderen, de gekleurde zijde naar -boven gericht. Bij het plotseling versnellen van de beweging speelt -de staartvin de belangrijkste rol; dan dienen de aarsvin en de rugvin -vooral voor het behouden van het evenwicht. - -Bij het beschouwen van een half in 't zand begraven Platvisch -zou men bijna geneigd zijn om de uitdrukking zijner zeer levendig -gekleurde en meestal ongelijk groote oogen schrander en listig te -noemen. In tegenstelling met andere Visschen beweegt hij zijne oogen -onophoudelijk; hij kan ze niet slechts in alle richtingen draaien, -maar ook, evenals de Kikkers, vooruitschuiven en weer terugtrekken -en dus de optische as iederen stand ten opzichte van de oppervlakte -van 't lichaam doen aannemen. Een echt ooglid, het zeer ontwikkelde -wenkvlies, kan deze schitterend gekleurde organen in geval van nood -beschutten. Eigenlijk zijn zij bij den in 't zand verborgen Platvisch, -de eenige lichaamsdeelen, die de aandacht trekken. De kleur van de -overige bovendeelen harmonieert n.l. niet minder met die van den -zeebodem dan de vacht van den Haas met den akker of het kleed van het -Sneeuwhoen met het Alpen-landschap; evenals bij 't laatstgenoemde -dier, wisselt de kleur af naar gelang van 't jaargetijde en van 't -omgevende terrein; de verandering blijft echter niet tot twee tijden -van 't jaar beperkt, maar treedt bij iedere verplaatsing op. Al wat op -dit gebied den Kameleon wordt toegeschreven, komt bij den Platvisch -werkelijk voor. Als hij zich op zandgrond neervleit, zullen kleur en -teekening binnen korten tijd gelijk zijn aan die van deze ligplaats: de -geelachtige tinten treden op den voorgrond, de donkere verdwijnen. Als -dezelfde Visch, gelijk in kleine waterbakken dikwijls geschiedt, -een oogenblik later op een anderen grond, b.v. op grauw granietgruis, -gaat liggen, zal de kleur weldra opnieuw een verandering ondergaan: -de Schol, Bot of Tong, die zoo even geelachtig was, wordt grijs. Ook -dan nog zijn de bij iedere soort voorkomende eigenaardigheden van -menging en verdeeling der kleuren merkbaar, hoewel de kleurswijzigingen -sterk genoeg zijn om iedereen tot het inzicht te voeren, dat bij deze -Visschen aan de kleur als kenmerk weinig waarde gehecht mag worden. - -De merkwaardige geschiktheid om het kleed in overeenstemming te -brengen met de omgeving levert de meest aannemelijke verklaring -van de buitengewone veelvuldigheid der Platvisschen. Zij zijn -niet vruchtbaarder dan andere Visschen; zelfs kunnen zij zich wat -het aantal eieren betreft, met vele hunner verwanten niet meten; -veel meer jongen echter dan over 't algemeen vermoedelijk regel -is, ontkomen aan de roofzucht hunner vijanden en bereiken dus een -grootte, die hen in staat stelt om zichzelf te beschermen. Want -ook de Platvisschen zijn roovers: de grootste soorten durven zelfs -Visschen zoo groot als een Kabeljauw aanvallen; ook de kleine -evenwel, die zich met allerlei Schaal- en Schelpdieren en Wormen -voeden, zijn buitengewoon vraatzuchtig. Wat roofzucht en moordlust -betreft, stemmen alle overeen. Zij maken jacht op elken buit, dien -zij meenen te kunnen overmeesteren en schromen zelfs niet zwakkere -soortgenooten aan te vallen. De Noorsche visschers zijn overtuigd, -dat de kwetsuren aan de boven- en onderzijde van de staartstreek, die -men zoo dikwijls bij hen opmerkt, door groote exemplaren van hun eigen -soort veroorzaakt zijn. Zelfs de ergste vijanden van deze familie, -de Zeewolven en de Roggen, vinden in de groote Platvisschen wrekers, -die de misdrijven aan hunne verwanten gepleegd, vergelden. De Roggen, -die nagenoeg dezelfde levenswijze hebben als de Platvisschen, worden, -naar men zegt, vooral door de Heilbot ijverig vervolgd. - -De voortplanting van de Platvisschen heeft plaats in verschillende -maanden, over 't algemeen echter in den mooisten tijd van 't jaar, -n.l. in de lente en in den voorzomer. Zij schieten kuit op de gronden, -die hun in dezen tijd tot verblijfplaats dienen, bij voorkeur dus op -zandgrond, bovendien tusschen zeegras en andere waterplanten, ook -wel op vischnetten, die lang in 't water worden gelaten. De jongen -ontmoet men tegen het einde van den zomer, vooral bij laag water, -omdat zij, evenals hunne ouders, dikwijls te lui zijn om bij den -aanvang van den ebstroom de ondiepten te verlaten en diepere plekken -in de zee op te zoeken, maar liever, onder het zand bedolven, de -terugkomst van den vloed afwachten. Een sierlijker diertje dan zulk -een jonge Platvisch kan men zich bijna niet voorstellen. Behoudens de -grootte, is hij in ieder opzicht, wat kleur, teekening en levenswijze, -aard en gewoonten betreft, het evenbeeld van het volwassen dier; -hij heeft echter een veel fraaier, vlugger en daarom bevalliger -uiterlijk. Weinige Zeevisschen zijn beter voor het leven in de -gevangenschap geschikt; daar zij niet eens zeewater noodig hebben, -maar gemakkelijk gewoon geraken aan het water van onze vijvers -en rivieren en hier, wanneer het hun niet aan voedsel ontbreekt, -uitmuntend gedijen. Dierenliefhebbers kan ik deze Visschen, dus onze -Schollen, Botten en Tongen, ten zeerste aanbevelen. - -Zeer belangrijk zijn de Platvisschen voor de huishouding van den -mensch. Van alle soorten is het vleesch smakelijk, van sommige zelfs -uitmuntend; het blijft dagen lang goed en is daarom voor verzending -over groote afstanden (dus voor een zeer ruimen kring van gebruikers) -zeer geschikt. Op de meeste kustplaatsen eet men geen andere dan -versche Platvisschen; in het hooge noorden evenwel, waar de vangst -van den zomer als proviand voor den winter moet dienen, ondergaan -althans de grootste exemplaren een toebereiding om ze langer te kunnen -bewaren; zij worden aan reepen gesneden en gezouten, als stokvisch -aan de lucht gedroogd of ook wel gerookt. Vooral Schollen, Scharren -en Tarbotten zijn zeer gezocht; ook de overige soorten worden nergens -gering geschat. Te Londen brengen de Nederlanders, die veel werk maken -van deze visscherij, ieder jaar voor ongeveer 1,200,000 gulden aan -Tarbot op de markt; toch is dit hoogstens het vierde gedeelte van de -geheele hoeveelheid, daar ook de Denen voor eenige tonnen gouds en -de Engelsche visschers zelf een nog veel grootere hoeveelheid Visch -op deze markt leveren. De genoemde som vertegenwoordigt trouwens -alleen de waarde van de Tarbot, die de Nederlandsche visschers zelf -naar Engeland brengen, maar niet van die, welke zij reeds op zee aan -de Engelschen verkoopen. De hoeveelheid Tarbot, die in Nederland, -Duitschland, Frankrijk en Jutland gegeten wordt, is niet te bepalen; -gerust kan men echter aannemen, dat de totale waarde van dit deel -der vischvangst verscheidene millioenen guldens bedraagt. Nog hooger -is waarschijnlijk de waarde van de vangst van andere Platvisschen, -b.v. van Schollen, Scharren en Tongen, daar deze, hoewel zij op de -vischmarkten van alle kuststeden betrekkelijk goedkoop van de hand -gaan, soms in ongeloofelijk grooten getale gevangen worden. - -Met de Nederlandsche, Engelsche en Deensche visschers kunnen -de Duitsche zich niet meten, wat de opbrengst van hun arbeid -betreft. Heilbot vangen zij bijna in 't geheel niet: wel verzenden -zij jaarlijks ongeveer 3000 Tarbotten, ongeveer 20,000 Schollen, -evenveel Botten en omstreeks 10,000 KG. Tong naar het buitenland. - -De Platvisschen worden in verband met de plaatselijke gesteldheid, -de veelvuldigheid en de aard van iedere soort op zeer verschillende -wijze gevangen. Aan de wijze waarop de wilden visschen, herinnert het -op sommige kustplaatsen bestaande gebruik om bij eb blootsvoets door -de waterplassen op het strand te loopen, de intusschen waargenomen -Visschen met de voeten dood te trappen en daarna in te zamelen. Toch -wordt hierdoor op gunstig gelegen plaatsen dikwijls een rijken buit -verkregen. Een grooter opbrengst levert trouwens het "steken": de -visscher zoekt bij stil weer de met water bedekte ondiepten af en -spiest de Platvisschen, die hij opmerkt, met een lans of weet hen -te treffen met een aan een touw bevestigd, door lood bezwaard wapen, -waaraan zich vele weerhaakvormige spitsen bevinden en dat met den Visch -wordt opgehaald. Op vlakken grond maakt men gebruik van bepaaldelijk -voor dit doel bestemde sleepnetten (schrobnetten en saaien), in diep -water van zetlijnen of van beugen. - -Het is gebleken, dat Platvisschen in zoetwater zeer goed kunnen leven; -ook daarom is het volstrekt niet moeielijk ze levend te verzenden. In -een beperkte ruimte kan men ze even goed als eenig ander lid hunner -klasse in 't leven houden; spoedig zijn zij hier gewend, kiezen in -hun eigen woning een bepaalde plek tot ligplaats, kennen weldra hun -verzorger en zelfs den voor 't voederen bepaalden tijd en schromen -niet uit de hand te eten van den persoon, die hen met voedsel voorziet. - - - - - - - -VIERDE ORDE. - -DE LUCHTBUISVISSCHEN (Physostomi). - - -Bij een nauwkeurig onderzoek van de Visschen, die Cuvier onder den naam -"Weekvinnigen" samenvatte, vond Johannes Müller, dat deze zich voor -'t meerendeel onderscheiden door het bezit van een luchtbuis, die, -van de zwemblaas uitgaande, in het spijskanaal uitmondt. Op dit kenmerk -grondde hij de orde der Luchtbuisvisschen of Edelvisschen. Deze hebben -gescheiden keelbeenderen, kamvormige kieuwen en weekstralige vinnen; -de buikvinnen, voor zoover aanwezig, zijn achter de borstvinnen -aangehecht en de schubben cycloïd. De Luchtbuisvisschen zijn fraai -van vorm en evenredig gebouwd; hun romp is langwerpig, rolvormig -of zijdelings samengedrukt; de kop en de pooten staan in de juiste -verhouding tot de grootte van 't lichaam. Niet door zeer in 't -oog vallende eigenaardigheden van het schubbenkleed en evenmin door -schitterende kleuren trekken zij de aandacht, wel door hun sierlijkheid -en bevalligheid. - -Wat rijkdom van vormen betreft, staat deze orde weinig ten achter bij -de grootste van alle, bij die der Stekelvinnigen; het aantal soorten -is geringer, maar zal waarschijnlijk door toekomstige ontdekkingen -aanmerkelijk toenemen. Nagenoeg alle eigenaardigheden der Visschen -zijn bij de leden dezer orde op te merken. Sommige zijn streng aan -het water gebonden, andere ondervinden geen nadeel van een langdurig -verblijf op het land. Sommige doen verre reizen te water, andere -zoeken soms over land een nieuwe woonplaats op. Nevens koene roovers -bevat deze orde onschuldige wormen- en planteneters, soorten, die -zich door een buitengewone vruchtbaarheid onderscheiden en andere, -welker voortplantingsvermogen betrekkelijk gering is. Niet alle leggen -eieren; eenige brengen levende jongen ter wereld. De kostelijkste -tafelvisschen behooren tot deze groep en ook Visschen, die als voedsel -geheel ongeschikt geacht worden. - -Voor de bewoners van het binnenland is deze orde van Visschen -belangrijker dan eenige andere afdeeling hunner klasse; opmerkelijk -is het, dat ook de kostelijkste van alle zeevisschen, de Haring, -tot de Luchtbuisvisschen behoort. Hun economische beteekenis zal nog -toenemen door een algemeenere toepassing van maatregelen om deze -Visschen, die zoolang zonder eenige verschooning vervolgd zijn, -te rechter tijd een altijd zorgvuldig gehandhaafde bescherming te -verleenen, hun gedurende de jeugd de veiligheid te verschaffen, die -een verdere ontwikkeling waarborgt, en eindelijk ook door zooveel -mogelijk op doelmatige wijze, o.a. door kunstmatige vischteelt, -de vermenigvuldiging van deze belangrijke Visschen te bevorderen. - - - -Dezelfde redenen, die vermoedelijk de vogelkenners bewogen hebben -om met de grootste Roofvogels de systematische beschrijving der -Vogelklasse te beginnen, zullen wel bij de vischkundigen gegolden -hebben, toen zij aan de Vallen (Siluridae) de eerste plaats in de -orde der Luchtbuisvisschen inruimden. De voortreffelijkste of edelste -leden van deze groep zijn zij zeker niet, hoogstens de grootste -en plompste. Zij kenmerken zich door een loggen, kolossalen, nooit -geschubden, maar met een naakte huid of met beenige schilden bekleeden -romp, door een grooten kop met wijden bek, door bovenkaaksbeenderen, -die op geringe sporen na verdwenen, of tot voeldraden verlengd zijn, -voorts door baarddraden, welker aantal, plaatsing en lengte aan veel -afwisseling onderhevig is. Bij vele soorten is de eerste straal van -de borstvin zeer dik, getand en door zijn gewrichtsverbinding met -de schouderbeenderen geschikt om willekeurig bewogen, tegen den romp -aangelegd en opgericht te worden; met dit krachtig wapen kunnen zij -gevaarlijke wonden toebrengen. Bij vele leden van de familie zijn de -achterkop en de nek met een schild bedekt, dat aan een helm herinnert. - -De Vallen vormen een meer dan 550 soorten omvattende familie; deze is -in Amerika, Azië en Afrika door een groot aantal soorten en individuën, -in Europa slechts door één soort vertegenwoordigd. Hare leden houden -van langzaam stroomend of stilstaand water met modderigen bodem, -ontbreken echter in sneller stroomende wateren niet, vestigen zich -zelfs in beken van bergstreken en worden hier op even groote hoogte -aangetroffen als eenige andere vischsoort. Met deze uitgestrekte -verbreiding staat het bewonen van velerlei verblijfplaatsen in -verband. Sommige komen het veelvuldigst voor in de nabijheid -van riviermonden en liggen hier op een zandigen en slijkerigen -bodem; andere vindt men op rotsachtige gronden, waar zij zich, als -Kwabalen, tusschen en onder steenen verbergen; terwijl deze, naar -het schijnt, uitsluitend rivieren bewonen, worden gene niet anders -dan in binnenzeeën gevonden, andere nu eens hier, dan weer daar. De -groote soorten zijn even log van beweging als plomp van lichaamsbouw, -de kleinere daarentegen zwemmen vlug en behendig; sommige zijn in -zooverre boven de andere leden harer klasse bevoorrecht, dat zij -op soortgelijke wijze als de Doolhofvisschen en Slangenkoppen over -een vochtigen of modderigen en zelfs over een drogen bodem reizen -ondernemen, zoo noodig zich ook in het slijk verbergen en hier de -terugkomst van het water afwachten kunnen. Alle zonder uitzondering -zijn roovers van beroep. De meeste liggen bewegingloos op de loer en -weten door de beweging hunner voel- of baarddraden andere Visschen -aan te lokken en te rechter tijd te grijpen; enkele zijn in staat -electrische schokken voort te brengen, waarmede zij hunne slachtoffers -verdooven. Zij vermenigvuldigen zich niet sterk, hoewel de kuiter een -groot aantal eieren voortbrengt; naar het schijnt, ontwikkelen deze -Visschen zich langzaam, maar kunnen een hoogen ouderdom bereiken. Voor -ons is hun economische beteekenis zeer gering; in sommige gewesten van -Afrika, Azië en Amerika echter worden zij als voedsel voor den mensch -veelvuldig gebruikt en hoog geschat. De jongen en de kleine soorten -zijn inderdaad voortreffelijk van smaak; de oude dieren daarentegen -vereischen een zeer zorgvuldige toebereiding om bruikbaar te worden. - - - -Het typische geslacht der Vallen (Silurus), dat een gelijknamige -onderfamilie (Silurinae) vormt, bestaat uit de Europeesche soort -en hare 5 Aziatische verwanten. Zij hebben een gladde huid, een -korte, uitsluitend door gelede stralen gesteunde rugvin, een zeer -lange aarsvin, een wijden muil met tot velden vereenigde reeksen -van hekelvormige tandjes op de tusschen- en de onderkaak en op de -ploegschaarbeenderen. - -Fraai of sierlijk gebouwd kan men onzen Val, Meerval of Vischduivel -(Silurus glanis, afgebeeld op p. 247) niet noemen. Met eenig recht -vergeleken o.a. Ausonius en Geszner hem met een Walvisch, daar hij, -op den Huso na, alle overige Europeesche zoetwatervisschen in grootte -overtreft. In den Donau ontmoet men niet zelden exemplaren van 3 -M. lengte en 200 à 250 KG. gewicht; hun dikste deel kan door twee -mannen ternauwernood omspannen worden. In verband met de breedte -van den tamelijken korten, van voren halfcirkelvormigen snuit, is de -mondopening zeer ruim. Het voorste derde deel van 't lichaam wordt voor -meer dan de helft gevormd door den kop, overigens door den zeer dikken, -een weinig samengedrukten romp, die even achter zijn midden de zeer -kleine, 3- of 4-stralige rugvin draagt. De langzaam in hoogte afnemende -staart is sterk zijdelings samengedrukt en draagt aan het afgeronde -einde, doch grootendeels aan den onderkant, de middelmatig groote, -van achteren nagenoeg rechte staartvin; aan haar wortel eindigt de -aarsvin, die over haar geheele lengte gelijkvormig is en onmiddellijk -achter de aarsopening begint; een weinig er voor bevindt zich het punt -van aanhechting der kleine buikvinnen, dat bijna bereikt wordt door -den top der betrekkelijk groote, afgeronde borstvinnen. De bovenkop, -de rug en de randen der vinnen zijn blauwachtig, de zijden groenachtig -zwart, verder naar onderen op lichteren grond met olijfgroene vlekken -geteekend; de onderzijde is wit met rood- of geelachtigen tint en -blauwachtig zwarte marmervlekken; de buikvinnen en de aarsvin hebben -in 't midden een lichtere, geelachtige streep. De onderkaak draagt -aan weerszijden twee roodachtige voeldraden, die korter zijn dan -de kop. Aan weerszijden van de bovenkaak, bij het neusgat, komt een -witachtige voeldraad voor, die tot aan het einde der borstvinnen reikt. - -De Meerval, die, volgens Gronovius, in het midden van de vorige -eeuw veelvuldig voorkwam in het Haarlemmermeer en de hiermede in -gemeenschap staande wateren, doch reeds een halve eeuw vóór de -droogmaking (in 1836) minder algemeen was, is sedert dien tijd -zeldzaam geworden. In de Ringsloot van den Haarlemmermeerpolder, -in het Kagermeer en den Amstelveenschen poel heeft men hem later -nog waargenomen (o. a. in 1864 en 1865 exemplaren van 1.2 à 1.5 -M. lengte). Ook in het Uddeler-meer (tusschen Garderen en Apeldoorn) -zijn exemplaren van deze vischsoort gevangen, die hierheen echter, naar -men zegt, ten tijde van Prins Willem V, uit Hongarije werd overgeplant -(Van Bemmelen). Van 't zuiden van Zweden af is de Meerval over geheel -Middel- en Oost-Europa en ook over een deel van West-Azië verbreid; -hier en daar (o. a. in het Rijn- en Wezer-gebied) ontbreekt hij echter -bijna geheel; over 't algemeen vindt men hem uitsluitend in de ten -oosten van den Rijn gelegen wateren; in Groot-Brittannië werd hij, -naar men zegt, slechts een enkele maal gevangen. Zeer talrijk is -deze Visch in den benedenloop van den Donau, hoewel hij ook in den -bovenloop en de bijrivieren van dezen stroom en de hiermede verbonden -meren aangetroffen wordt. Zeer zelden ziet men hem in den Rijn; in het -Bodenmeer echter vangt men hem nu en dan. Hij vestigt zich in stille, -diepe wateren met modderigen bodem, verbergt zich, traag loerend op -buit, achter steenen, gezonken boomstammen, wrakken van schepen en -dergelijke voorwerpen, beweegt zijne voeldraden en vangt de hiernaar -happende Visschen; bovendien verslindt hij Schaaldieren, Kikvorschen, -Watervogels, kortom al wat hij krijgen en verzwelgen kan. In de maag -van een bij Presburg gevangen Meerval vond men de overblijfselen van -een knaap, in een andere die van een Poedel, in een derde exemplaar -Ganzen, die door dezen Visch eerst onder water getrokken en daarna -ingeslikt waren. De bewoners van het Donau-gebied vreezen hem daarom; -volgens een eertijds onder de visschers verbreid bijgeloof zou ieder, -die er een gevangen had, spoedig sterven. Op andere plaatsen beoordeelt -men hem gunstiger en beschouwt hem als een weerprofeet, waarschijnlijk -omdat hij alleen bij het naderen van een onweer de diepte verlaat en -hoogere waterlagen opzoekt. - -Het kuitschieten heeft plaats in de maanden Mei tot Juli. Zoolang -dit duurt, vindt men de Vallen gewoonlijk bij paren. Zij naderen -dan den oever om tusschen riet en andere waterplanten eieren te -leggen en blijven in dezen tijd over dag in ondiep water liggen, -hetwelk anders hun gewoonte niet is. Het is gebleken, dat een kuiter -niet meer dan ongeveer 17000 eieren legt, waaruit na 7 à 9 dagen de -jongen te voorschijn komen; deze hebben een zonderling voorkomen en -gelijken werkelijk veel op larven van Amphibiën. Het is misschien -een geluk voor ons vischwater, dat slechts weinige Vallen een hoogen -ouderdom bereiken. De jongen, die uit de gespaard gebleven eieren -komen, worden voor 't meerendeel in den eersten tijd van hun leven -door Kwabalen en andere roofvisschen, de grootere waarschijnlijk ook -wel door hun eigen ouders verslonden, vele bovendien in de kracht -van hun leven door visschers gevangen. - -Hoewel het vleesch van den jongen Meerval zeer vet, vast en niet -onsmakelijk, dat der ouden daarentegen taai en tranig, dat van beide -dus niet bijzonder geacht is, maakt men toch jacht op dezen Visch, -omdat zijn vleesch als spek of bij de lederbereiding gebruikt -kan worden, terwijl men zijn zwemblaas tot lijm verwerkt en als -een geringere kwaliteit van vischlijm in den handel brengt. Jonge -Meervallen vangt men meestal met den hengel, oude het meest des -nachts gedurende den rijtijd, gewoonlijk met de werpspies. Zeer -groote exemplaren geven den visscher veel werk. Richter verzekert, -zelf gezien te hebben, dat een groote, aan den haak gevangen Meerval -door het slaan met den staart een boot deed omkantelen. - -Evenals de meeste Vallen in 't algemeen, kan ook de Europeesche zonder -bezwaar geruimen tijd buiten het water vertoeven, daarom gemakkelijk -verzonden en naar wateren, waar hij ontbreekt, overgebracht worden. In -een beperkte ruimte houden jonge Meervallen zich tamelijk goed, -indien men hun slechts behoorlijk voedsel verschaft. - - - -De vuurspuwende bergen van Zuid-Amerika, en meer bepaaldelijk die van -Quito, werpen niet slechts, zooals dit van vulkanen te verwachten is, -asch, slakken en lava uit, maar nu en dan ook modder en water en tevens -een ontelbare menigte Visschen, die door hun bederf reeds menigmaal -de lucht over een grooten afstand verpest en bij de bewoners van de -omliggende gewesten ziekten veroorzaakt hebben. De Visschen, die de -Cotopaxi uitwerpt, en die, naar men meende, uit het onbekende binnenste -der aarde afkomstig zijn, worden door het volk Preñadilla's genoemd; -zij zijn weinig verminkt en vertoonen evenmin andere verschijnselen, -waaruit zou blijken, dat zij aan vulkanische hitte blootgesteld -zijn geweest. Volgens de verzekering der inboorlingen behooren deze -Visschen tot dezelfde soort als de Vallen, die in de beken aan den -voet van den vulkaan, maar ook in de overige wateren van het gebergte -tot op een hoogte van ongeveer 3000 M., volstrekt niet zeldzaam -zijn. De reden waarom zij bij sommige vulkanische uitbarstingen in -zoo grooten getale gedood worden, is gelegen in het binnendringen -van vergiftige gassen in de door hen bewoonde wateren; behalve van -de Visschen, die in lager gelegen streken den dood vonden, zijn deze -lijken ook nog afkomstig van die, welke in de hoogere bergstreken om -'t leven komen en naar beneden worden gevoerd door de bergstroomen, -welke gedurende de uitbarsting door de hiermede gepaard gaande, -hevige wolkbreuken gevormd worden. Hoewel de geslachtsnaam van -eenige dezer tot verschillende onderfamiliën behoorende Visschen -(Stygogenes) op haar ontstaan in een rivier van de onderwereld, in -den Styx, doelt, en één hunner hieraan een naam verbindt (cyclopum), -die aan de éénoogige Giganten herinnert, welke door Jupiter naar -onderaardsche werkplaatsen verbannen werden, leven alle in stroomend -of stilstaand water aan de oppervlakte der aarde, tot hun ongeluk -echter in een gebied, waar soms groote gevaren hen bedreigen. - -De Vulkaanval (Stygogenes cyclopum) wordt slechts 10 cM. lang, heeft -een zeer plat gedrukt, zwart gestippeld, olijfgroen lichaam met een -middelmatig lang, niet door vinstralen gesteund uitwas (vetvin) achter -de rugvin, welker eerste vinstraal, evenals die van de borstvin, een -scherpen doorn vormt, een gespleten staartvin en twee voeldraden aan -'t einde van den breeden muil, die met zeer kleine tanden gewapend is. - -De Prenadilla (Brontes preñadilla) verschilt van de vorige soort -vooral door het ontbreken van de vetvin. - - - -Een tot de Vallen behoorende bewoner van den Nijl dankt den naam Raasj, -dien hij bij de Arabieren draagt en die in beteekenis overeenkomt -met den bij ons gebruikelijken naam van Beefvisch (Malapterurus -electricus), aan de merkwaardige eigenschap van electrische schokken -te geven. De leden van zijn geslacht houden zich in de Afrikaansche -rivieren op, maar worden nergens in grooten getale gevonden. Van de -overige Vallen verschillen zij naar het uitwendige vooral door het -ontbreken van de rugvin, die als 't ware vervangen is door de kort voor -den wortel van de staartvin gelegen vetvin, welk kenmerk uitgedrukt -wordt door den wetenschappelijken geslachtsnaam, die "weeke vin op -den staart" beteekent. Bovendien missen zij de bij andere Vallen -als wapens dienende doornen, ook die der borstvinnen. Inwendig zijn -zij kenbaar aan een dun, op een vetlaag gelijkend weefsel, dat zich -tusschen de huid en de spieren over het geheele lichaam uitstrekt en -uit 6 of meer boven elkander gelegen vliezen bestaat, waartusschen -ruimten overblijven, gevuld met een geleiachtige, vele bloedvaten en -zenuwen bevattende massa. De gladde, zeer slijmerige, volkomen naakte -huid van de genoemde, in den Nijl levende soort heeft een moeielijk -te beschrijven grijze kleur; de teekening bestaat uit onregelmatige, -zwarte vlekken, die langs de zijdestreep dichter opeengehoopt zijn -en ook op de vinnen voorkomen. Dit dier wordt gewoonlijk 30 à 50, -soms echter meer dan 100 cM. lang. - -Deze Visch kan willekeurig electrische schokken uitdeelen, welker -sterkte zeer uiteenloopt. Soms kan men hem aanvatten, zonder een schok -te krijgen; in andere tijden echter toont hij op deze wijze bij de -geringste aanraking duidelijk zijn ontevredenheid. Zelfs gebeurt het -wel eens, dat hij geruimen tijd geen gebruik maakt van zijn middel -om zich te verweren, terwijl eenige personen hem in de hand houden -en onmiddellijk daarna een volgenden onderzoeker hiermede lastig -valt. Bijzonder pijnlijk is zulk een schok echter niet; ongetwijfeld -worden alleen kleine dieren er door verdoofd of gedood. - -Het vleesch van den Beefvisch wordt gegeten, maar niet zeer geacht; -daarentegen schrijft men aan het celweefsel, waardoor de electriciteit -wordt voortgebracht, een geneeskrachtige werking toe; terwijl het op -gloeiende kolen verbrandt, stelt men den patiënt bloot aan de hierdoor -gevormde gassen en dampen. "De Beefvisch van het Beneden-Congo-gebied," -verhaalt Pechuel-Loesche, "een log dier, dat ruim 1 M. lang kan worden, -hapt gretig naar het lokaas, maar is wegens de soms zeer hevige -electrische schokken, die hij geeft, meestal een zeer ongewenschte -buit, hoewel zijn vleesch geroemd wordt. O. Lindner deed in zijn -faktorij de onaangename ervaring op, dat een schijnbaar doode, groote -Visch van deze soort door de kracht van zijn electrische ontlading een -mensch op den grond kan werpen; maar zag ongeveer 10 minuten later tot -zijn voldoening, dat een andere, niets kwaads vermoedende Europeaan -door denzelfden Visch op dezelfde wijze behandeld werd. Met groote -exemplaren van deze soort neemt men natuurlijk liefst geen proeven op -zichzelf; de slagen van de kleine, ongeveer 3 dM. lange Beefvisschen -zijn zeer goed te verdragen; dikwijls worden zij 15 à 20 seconden lang -zonder ophouden uitgedeeld. De gewaarwording, die zij veroorzaken, -gelijkt op een lichte, neuralgische kramp." - - - -De Gekielde Vallen of Doraden (Doradinae) bewonen de rivieren -van tropisch Zuid-Amerika, die naar den Atlantischen Oceaan -afvloeien. Behalve een pantser, dat kop en nek bedekt en uit beenplaten -bestaat, die ieder een met doornen bezette lijst dragen, hebben zij -ook aan weerszijden van het lichaam een reeks van gedoornde schilden, -die tot aan den wortel van de staartvin reikt. De eerste straal van de -rugvin en van de borstvinnen vormt een dikken, langen, aan weerszijden -getanden doorn. Achter de rugvin komt een korte vetvin voor. - -Een in Guyana en Brazilië levende, 30 à 50 cM. lange soort--Matacaiman -(Doras costatus) genoemd, omdat zijne doornen, naar men zegt, -de keelholte en den slokdarm van den Kaaiman verscheuren, -wanneer deze hem inslikt--heeft een blauwachtig rooden kop, -overigens bruine bovendeelen, en gele, overlangsche streep op de -zijden, een zwartachtige vlek op de rugvin en lichter gekleurde -onderdeelen. Volgens Hancock en Schomburgk ziet men deze Visschen en -hunne verwanten in het droge seizoen soms in groote troepen over land -trekken om op uren afstands van de door hen verlaten waterlooze poel -of rivier een andere woonplaats op te zoeken. Toch komt bij hen geen -bijzondere inrichting tot het vochtig houden der kieuwen voor. Hancock -verhaalt, dat hij eens op een afstand van 3 uur gaans van de kust een -troep van deze Visschen met krommingen van den staart zag kruipen; -als tweepootige Hagedissen op de schouderstekels en borstvinnen -steunend, bewogen zij zich met de snelheid van een langzaam gaanden -mensch. Zij waren zoo talrijk, dat de negers uit het gevolg van den -reiziger verscheidene korven met Visschen konden vullen. Schomburgk -voegt hierbij, dat deze dieren, geen water vindend, zich in den -weeken modder verbergen en hier in een toestand van verstijving -blijven verkeeren, totdat er weer water valt. - - - -Bij de Pantservallen (Hypostomatinae) zijn de romp en de staart aan -weerszijden bedekt met 2 overlangsche reeksen van dakpansgewijs over -elkander schuivende, smalle, doch zeer hooge, beenachtige schilden; -die van de bovenste reeks zijn met die van de onderste volgens een -zigzaglijn op de zijdestreep verbonden; ook de kop is met beenplaten -bekleed; naakt is de huid alleen aan het einde van den staart en -tusschen de borstvinnen aan de buikzijde van den romp. De rugvin is -aan den voorrand met een dikken stekel gewapend, zoo ook de korte -vetvin en iedere borstvin. Andere kenmerken van deze groep zijn de -fijnheid der tanden en het bezit van twee aan den wortel vereenigde -bovenkaaksvoeldraden aan weerszijden van den snuit. - - - -Gedurende zijn reis door Guyana ontdekte Schomburgk een tot deze -onderfamilie behoorende Visch van 10 à 15 cM. lengte. Dit dier, -de Hassar of Hardrug der kolonisten (Chaetostomus pictus), heeft -gele vlekken op de borst, den buik en de zijden van het lichaam, -overigens bruine boven- en witte onderdeelen; fijne stekeltjes -bedekken de bovenzijde van den kop, de schouderbeenderen, de borst -en de pantserplaten aan de zijden van 't lichaam. - -"De Hassar" zegt Schomburgk, "bouwt voor zijne nakomelingen een -volslagen nest van allerlei waterplanten, handhaaft zich dapper in -het bezit van deze woning, waarbij hij de wacht houdt en geeft bij de -verdediging van de eieren tegen iederen aanval de sterkst sprekende -bewijzen van energie en moederlijke zorgvuldigheid. Dit nest is -werkelijk kunstig gebouwd en gelijkt veel op dat van den Ekster. In -April tijgt de bouwmeester aan 't werk; de op korten afstand van -den waterspiegel tusschen biezen en andere waterplanten aangebrachte -grashalmen worden aaneengevoegd tot een hollen, platgedrukten bol, -waarvan het hoogste punt de oppervlakte van 't water bereikt. De -moeder, die om kuit te schieten door een opening geëvenredigd aan de -grootte van den Visch in het nest komt, verlaat dit vóór het uitkomen -der jongen niet anders dan om haar honger te stillen. De moederliefde -voert haar trouwens dikwijls in 't verderf; zij laat zich in dezen -tijd gemakkelijk vangen. Het is voldoende een mandje te houden vóór de -opening van het zonder moeite herkenbare nest en hier zachtjes tegen -te kloppen; de Visch, die vol woede de vinstralen, waarmede hij niet -onbelangrijke wonden kan toebrengen, opricht, schiet dan onmiddellijk -naar buiten en komt in het mandje terecht.--Bij voorkeur houdt de -Hassar zich op in het stilstaand water van de kuststreken, vooral -in de besproeiingskanalen der plantages. Een andere eigenaardigheid -van dezen Visch is, dat hij, op soortgelijke wijze als de Doraden, -gedurende het droge seizoen over land trekt." - - - -Bij de Harnasvallen (Loricaria) is het lichaam met 3 à 5 overlangsche -reeksen van betrekkelijk kleine beenplaatjes volledig gepantserd. Aan -de onderzijde van den platten, spatelvormigen snuit bevindt zich de -mondopening, welker randen uitgegroeid zijn tot een vliezigen zoom, -die, bij wijze van franje, met voeldraden voorzien is. Zoowel de -tusschenkaaksbeenderen als de onderkaakshelften zijn in 't midden -gescheiden; zij dragen lange tanden met een haakje naast de spits. De -eerste straal van de borstvinnen, van de buikstandige buikvinnen en -van de tegenover deze geplaatste rugvin is een lange, aan den rand -gekerfde doorn; de vetvin ontbreekt; de staart is plat en lang, zijn -vin gegaffeld. Dit geslacht omvat 25 soorten van kleine Visschen, -die de rivieren van tropisch Zuid-Amerika bewonen. - - - -De 20 à 25 cM. lange Kolderman (Loricaria cataphracta) is op den -rug effen bruin, soms met onduidelijk begrensde dwarsbanden, op den -buik lichter van kleur. De tanden zijn bij hem zeer duidelijk, aan de -tusschenkaak minder talrijk, maar veel langer dan aan de onderkaak. De -bovenste straal van de staartvin is tot een draad uitgegroeid, -die het lichaam in lengte overtreft. In steenachtige bergbeken en -rivieren van Zuid-Amerika, vooral in Suriname en Noord-Brazilië, -schijnt deze Visch nergens zeldzaam te zijn. Schomburgk vond hem in -grooten getale op zandbanken in den Roepoenoeni, dikwijls op eenige -meters afstand van den waterkant; hij lag hier stil op het vochtige -zand en kon gemakkelijk gevangen worden. Hieruit leidt men af, dat -ook deze soort, evenals zijne verwanten, soms het water verlaat en -over land een andere woonplaats opzoekt. Naar het schijnt, dienen de -lange staartdraad en de voeldraden aan den mondrand tot het lokken van -den buit, die uit kleine in of op den bodem levende diertjes bestaat. - - - -Verreweg de meeste Zuid-Europeesche zoetwatervisschen en een groot -aantal van die, welke de binnenwateren van Azië, van een deel van -Afrika en van Noord-Amerika bewonen, behooren tot de familie der -Karpervisschen (Cyprinidae), zoo genoemd naar haar belangrijksten -vertegenwoordiger. Hun langwerpig eirond lichaam is met groote, ronde -schubben bekleed; de kleine mondopening heeft zwakke, tandelooze kaken; -de onderste keelbeenderen zijn met tanden bezet en werken op den -zoogenaamden "karpersteen," een uitwas van den schedel, dat meestal -een hoornplaat draagt. De zwemblaas is in den regel verdeeld in een -voorste en een achterste afdeeling en met het gehoororgaan verbonden -door een keten van gehoorbeentjes. Voor de indeeling van de familie -zijn de inrichting van den mond en de keelbeenderen van groot belang. - -Men onderscheidt ongeveer 800 soorten van Karpervisschen; zij houden -van stilstaand water, welks weeken, modderigen of zandigen bodem -hun gewone voedsel, Wormen, insectenlarven en rottende plantaardige -stoffen, bevat. Ook bewonen zij langzaam stroomend water, maar -vermijden daarentegen bergstroomen min of meer. De meeste leven -gezellig en vereenigen zich gaarne tot talrijke scholen, die, naar -het schijnt, geruimen tijd gemeenschappelijk zwemmen en jagen en ook -gedurende het ruwe jaargetijde dicht bij elkander in het slijk kruipen -en hier een soort van winterslaap houden. Zij halen het grootste deel -van hun voedsel uit den modder, dien zij zorgvuldig doorzoeken, door -er dikwijls den kop in te steken en lang achtereen in deze houding te -blijven. Als de rijtijd nadert, splitsen de scholen zich in kleinere -troepen: de kuiters zwemmen in 't eerste gelid, de hommers volgen -hen trouw; gewoonlijk begeleiden 2 of 3 mannetjes één wijfje. In de -eierstokken van een wijfje van 1.5 KG. vond men 337000, in die van -een volwassen kuiter 700000 eieren. Verscheidene soorten worden sinds -lang gefokt en hebben dus reeds vele eeuwen onder den invloed van -den mensch gestaan; het verschil in de inrichting der fokvijvers, de -ongelijke behandeling, enz. hebben aanleiding gegeven tot het ontstaan -van vele afwijkingen, die in den loop der tijden standvastig zijn -geworden. Dientengevolge is het aantal spelingen en verscheidenheden -in de familie der Karpers grooter dan in eenige andere. - -De Karpervisschen hebben, met uitzondering van slechts weinige -soorten, een zacht, sappig en zeer smakelijk vleesch, kunnen -wegens hun taai leven zonder bijzondere voorzorgen ver verzonden en -gemakkelijker dan alle overige Visschen in allerlei verschillende -wateren geacclimatiseerd worden; zij vermenigvuldigen zich zeer sterk, -stellen geringe eischen, groeien snel, worden spoedig vet en bezitten -dus alle goede eigenschappen, die men bij een voor 't kweeken bestemden -Visch verlangen kan. Op plaatsen, waar de mensch toezicht over hen -houdt, hebben zij wel veel van ziekten, maar niet veel van vijanden -te lijden; in de vrije natuur echter worden de jonge Karpervisschen -door nagenoeg alle overige waterdieren vervolgd. Daarom geeft hun -teelt zelden aanleiding tot groote teleurstelling en zijn zij beter -dan andere Visschen voor algemeen gebruik geschikt. - - - -Bij de Karpers i. e. z. (Cyprinus) is de mondopening vóór aan den -snuit geplaatst en draagt de bovenkaak vier voeldraden: een korte en -dikke dicht bij iederen mondhoek, een andere, nog kleinere iets verder -naar voren. Op ieder der onderste keelbeenderen komen 5 keelbanden -voor op drie rijen: de beide voorste ieder met één tand, de achterste -rij met 3 tanden. De 4 voorste stralen van de rugvin en de 3 voorste -van de aarsvin onderscheiden zich van de overige door hun dikte en -stevigheid; de achterste van deze "doornen" is de langste en aan den -achterrand van grove zaagtanden voorzien. - - - -De eenige vertegenwoordiger van dit geslacht, de Karper, in Groningen -ook wel Blauwkarper genoemd (Cyprinus carpio), bereikt--wanneer -men enkele reuzen, die 1.5 M. lang, 60 cM. breed en 35 KG. zwaar -geworden zijn, buiten rekening laat--een lengte van ongeveer 1 M. en -een gewicht van 15 à 20 KG. Hij heeft een grooten bek met dikke lippen -en een diep halvemaanvormig uitgesneden staartvin. Zoowel wat gestalte -als wat kleur betreft, komen vele verscheidenheden voor. De zijden -zijn gewoonlijk fraai olijfgroen met goudgelen glans, de rug en de -rugvin zwartachtig grijs of zwartachtig bruin, de lippen en de buik -geelachtig, de borst- en buikvinnen, aars- en staartvin roodachtig -of geelachtig paars. De schubben vertoonen in 't midden dikwijls een -donkere vlek en niet zelden aan den achterrand een zwartachtigen zoom. - -Tot aan den laatsten tijd heeft men verscheidene bastaarden en -afwijkingen van den Karper als echte soorten beschouwd; de onjuistheid -van deze meening is echter na zorgvuldige onderzoekingen met -nagenoeg volkomen zekerheid gebleken. Van deze verdienen vermelding: -de Spiegelkarper of Karperkoning, die slechts 2 of 3 rijen van -buitengewoon groote schubben aan weerszijden van het lichaam en voor -het overige een naakte huid heeft; deze werd uit Duitschland naar -de Belgische vijvers overgebracht en komt ook in onze wateren soms -voor. De Lederkarpers, die in 't geheel geen schubben hebben, zijn bij -ons nog zeldzamer. Een langwerpige, bijna cilindervormige gedaante, -hebben de Meer- of Theisskarpers, die men op de vischmarkten van Weenen -en München aantreft. De Karperkoningin houdt, wat den vorm betreft, -het midden tusschen de vorige verscheidenheid en den gewonen Karper -en kenmerkt zich voorts door een meer goudgele tint, breederen bek, -dikkere baarddraden, langere lippen, enz.; zij wordt in Zwaben, -Beieren en Bohemen aangetroffen. De Spitskarper eindelijk is meer -gedrongen gebouwd en hooger van rug dan de gewone; hij bewoont den -Donau, het Neusiedler meer en het Plattenmeer. - -De Karper was reeds aan de oude Grieken en Romeinen bekend, maar werd -door hen minder geschat dan door ons. Eenige onderzoekers hebben -hieruit afgeleid, dat deze Visch uit Zuid-Europa naar Frankrijk -en Duitschland overgebracht is; men kan echter even goed aannemen, -dat hij sommige groote rivieren van Middel-Europa, althans de Donau, -van oudsher heeft bewoond. In aanzienlijke hoeveelheid komt hij voor -in de Kaspische Zee en de hiermede in gemeenschap staande wateren, -daar hij ook in veel zout bevattende moerassen kan leven; niet minder -talrijk ontmoet men hem in de rivieren van de Zwarte Zee, zeldzamer in -deze zelf. Gedurende den zomer houdt hij zich in groote menigte op in -het ondiepe water van de Wadden; in den herfst zwemt hij de rivieren -op tot in hooggelegen streken om hier te overwinteren. Naar men zegt, -ontbreekt hij in Noord-Rusland. In Siberië hebben wij hem als een -bewoner van het Ob-gebied, vooral van den Irtisch leeren kennen; -evenzeer treft men hem aan in de Siberische stroomen, die in de -Stille Zuidzee uitmonden. In Oud-Pruissen werd hij, naar men zegt, -eerst omstreeks 1769 ingevoerd, naar de Oostzeeprovinciën van Rusland -nog later overgebracht. Van Duitschland en Denemarken uit heeft men -hem naar Engeland en Zweden overgeplant; naar 't eerstgenoemde rijk -omstreeks 1496 of, naar anderen beweren, in 1521, of zelfs eerst -in 1614. Tegenwoordig ontbreekt hij in nagenoeg geen der meren en -rivieren van Middel-Europa; in kleine hoeveelheid bewoont hij ook -die van ons land; men vindt hem dikwijls in zeer groote menigte in -de zoogenaamde veenplassen, waar vooral in vroegeren tijd soms zeer -groote en zware exemplaren gevangen werden. Belangrijk is de Karper -echter vooral hierdoor, dat hij zich niet minder gemakkelijk of nog -beter dan eenige andere Visch laat fokken. In vele streken houdt -men hem in bepaaldelijk voor dit doel ingerichte vijvers, waardoor -een beekje stroomt. Gewoonlijk worden deze kweekplaatsen eens in -de 6 jaren bevischt, vooral door het water daaruit af te tappen en -de Karpers met de handen of schepnetten te vangen. In Duitschland, -waar deze karpervijvers vrij algemeen zijn, geeft men aan de daarin -gehouden Visschen den bijnaam van "tamme", in tegenstelling met die, -welke in rivieren en meren leven en "wilde" genoemd worden. - -"Voorheen werden in ons land in vele vijvers Karpers aangefokt, die -als 't ware in tammen staat, tot ontelbare massa's vermeerderden; -onder deze vijvers was die van het huis te Swieten bij Leiden zeer -beroemd; men zegt, dat hierin exemplaren van 200 à 300 jaar oud geleefd -hebben. Tegenwoordig zijn er slechts weinige eigenlijke karpervijvers -overgebleven; op den huize Baak bij Zutphen zag ik voor eenige jaren," -schrijft Van Bemmelen in 1866, "nog zeer oude exemplaren van zeer -verschillenden vorm in een dergelijken vijver; in de vijvers van het -Haagsche Bosch komt de Karper ook voor. Daar hij een zeer taai leven -heeft, worden enkele exemplaren soms in kleine ruimten aangetroffen, -zoo vond men in een afgesloten moerput te Kapelle (Prov. Noordbrabant), -in November 1856, een Karper, die 14,7 KG. zwaar was." - -Ondiepe, modderige, zoo weinig mogelijk beschaduwde, hier en daar -met waterplanten dicht bedekte vijvers of meren zijn het best voor -den Karper geschikt; niet minder goed gedijt hij in de doode armen -van rivieren of in deze zelf, wanneer zij rustig stroomen en een -slijkerigen bodem hebben; snel stroomend, helder water vermijdt -hij steeds. Gedurende den zomer, na den voortplantingstijd, mest -hij zich vet voor den winter en doorkruist met dit doel meestal in -dichte scholen de ondiepe gedeelten van het door hem bewoonde water, -tusschen de waterplanten rondkijkend naar Insecten en Wormen en -ook naar allerlei plantaardige stoffen, of den modder doorzoekend -met hetzelfde doel. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine -dieren, vooral uit Wormen, larven van Insecten of zelfs Amphibiën -en dergelijke waterbewoners; hij bepaalt zich echter volstrekt niet -tot dit voedsel, maar eet ook gaarne plantaardige stoffen, rottende -deelen van waterplanten, bedorven vruchten, gekookte aardappels, -brood, enz. In de vijvers is men gewoon de Karpers met schapenmest te -voederen, hetgeen eigenlijk beteekent, dat men door de mest Insecten -en Wormen aanlokt, want deze en niet de mest verschaffen aan deze -Visschen voedsel, hoewel zij de mest ook verzwelgen. Bij 't wroeten in -den modder slikken zij ook aardachtige stoffen door; naar het schijnt -hebben zij deze noodig voor de spijsvertering. In de zee voeden zij -zich waarschijnlijk vooral met Wormen en kleine Schelpdieren. - -Bij voldoende voeding wordt de Karper reeds in het derde levensjaar -geslachtsrijp. Een 5-jarig wijfje legt reeds 300000 eieren; op hoogeren -leeftijd kan dit aantal meer dan dubbel zoo groot worden. Zoodra de -Karper zijn bruiloftskleed verkregen heeft, ontwaakt in hem de lust -tot trekken; hij tracht nu zoover mogelijk de rivier op te zwemmen en -overwint bij deze gelegenheid dikwijls belangrijke hinderpalen. Voor -het kuitschieten kiest hij ondiepe, met waterplanten dicht begroeide -plaatsen op; slechts als hij deze vindt, levert de voortplanting een -voor den fokker gewenscht resultaat op. In de meren en rivieren vangt -men de Karpers in sleepnetten, vaste netten en fuiken; vooraf werpt -men op sommige plekken gekookte erwten als lokaas; ook plaatst men -er wel eens zetlijnen, welker haken met kleine stukjes vleesch of -gedroogde vruchten voorzien zijn. - -Voor de karperteelt heeft men minstens tweeërlei vijvers noodig, -n.l. ondiepe en diepere; de zoogenaamde mest- en fokvijvers en de -winter- of verkoopvijvers. De eerstgenoemde moeten een kegelvormige -uitholling hebben, waarin de Visschen, zonder door de vorst te -lijden, den winter kunnen doorbrengen, maar mogen overigens niet -dieper zijn dan 2 M., ook is het volstrekt noodig, dat zij ondiepere, -met gras begroeide plekken hebben, om de Karpers de meest gewenschte -gelegenheid tot kuitschieten te bieden. Een geregelde toevoer van -"zacht" water is evenzeer een noodzakelijk vereischte; in vijvers met -"hard" water gedijt de Karper niet, het minst goed in die, waarin -krachtige wellen voorkomen of die hun water hieruit ontvangen. Als -men verscheidene vijvers heeft, worden de ondiepste voor broedvijvers -gekozen, de diepere en grootere voor mestvijvers; steeds moet er -evenwel voor gezorgd worden, dat er in iederen vijver diepe plaatsen -voorkomen, die in alle omstandigheden vorstvrij blijven, omdat men -anders genoodzaakt is om tegen den winter de Karpers naar een dieperen -vijver over te brengen. In den regel worden voor een broedvijver van 2 -HA. 5 fokkarpers van 4- à 12-jarigen leeftijd (1 hommer en 4 kuiters) -voldoende geacht; om het onbevrucht blijven van een deel der eieren -te voorkomen, is het natuurlijk nog beter nagenoeg evenveel hommers -als kuiters in den vijver te plaatsen. Hoewel de Karper buitengewoon -vruchtbaar is, levert iedere kuiter slechts in gunstige omstandigheden -1000 à 2000 jongen, waarschijnlijk omdat er nog altijd te weinig -zorg wordt besteed aan een behoorlijke inrichting van de voor 't -kuitschieten bestemde plaatsen. Sommige vischfokkers verschaffen aan -de Karpers een uitmuntende gelegenheid voor het leggen van de eieren, -door op een afstand van 20 cM. onder den waterspiegel in horizontale -richting horden of matten aan te brengen, die van wilgentwijgen -gevlochten en aan de bovenzijde met een groot aantal bundeltjes van -swarretakjes voorzien zijn. De ervaring heeft geleerd, dat door dezen -maatregel een aanmerkelijk grooter aantal bevruchte eieren en jonge -vischjes wordt verkregen. Zoolang de ontwikkeling van de kiem duurt, -moet het water in den broedvijver zooveel mogelijk op dezelfde hoogte -gehouden worden, daar de eieren bederven, indien zij tijdelijk bloot -komen te liggen. Zoodra de jonge vischjes het ei verlaten hebben, -bestaat de taak van den vischfokker voornamelijk in het nemen van -maatregelen om de diertjes tegen allerlei vijanden te beschermen. De -vermenigvuldiging van de Waterkikkers, die nadeelig zijn door het -verslinden van eieren en jongen, wordt door het wegnemen van het -kikkerrit tegengegaan. Bovendien hebben de Karpers veel te lijden van -Waterspitsmuizen en Waterratten, Zwarte Ooievaars, Eenden en Duikers; -hunne ergste vijanden zijn echter de Vischotters, Vischarenden, en vele -soorten van Reigers, om van allerlei roofvisschen niet eens te spreken. - -Om aan de jonge vischjes een voldoende hoeveelheid voedsel te -verschaffen is men in den laatsten tijd begonnen hen reeds weinige -weken na de geboorte in grootere, zoogenaamde "broedgroeivijvers" over -te brengen; verscheidene malen in den zomer worden met dit doel de -broedvijvers leeggevischt; hierdoor wordt een veel grootere opbrengst -aan jonge Visschen verkregen. Deze brengen hun tweede levensjaar -in den eersten eigenlijken groeivijver door en bereiken hier bij -gunstige weersgesteldheid, vooral bij warm weer, een lengte van 8 à -12 cM. De tweejarige Karpers brengen den derden zomer in den tweeden -groeivijver door en kunnen hier meer dan 30 cM. lang worden, als de -bevolking niet te groot en het voedsel dus niet te schaarsch is. In -den derden zomer eindelijk komen de Karpers in de "mestvijvers", -waar zij in den loop van 1 of 2 jaar 1 à 1.5 KG. zwaar en dus voor -de markt geschikt worden. Deze vijvers zijn grooter dan de vorige; -men kan er, tegelijk met de Karpers, Zeelten en Alen in houden en -ook een beperkt aantal Snoeken of andere roofvisschen; deze zijn -nuttig door het verslinden van waardelooze kleine Witvisschen, zooals -Voorns, Ruischvoorns, enz., en van de jongen der te vroeg rijpe, -voor de markt bestemde Karpers, ook bevorderen zij de ontwikkeling -dezer trage dieren en voorkomen het ontstaan van de ziekten, waaraan -zij onderhevig zijn, door hen in beweging te houden. De Snoeken -komen in den Karpervijver gemakkelijk aan den kost en bereiken -binnen korten tijd zulk een grootte, dat het hun niet moeielijk zou -zijn onder de niet voor hen bestemde Visschen een groote slachting -aan te richten; te rechter tijd moet men deze dienaren afdanken en -vervangen door jongere exemplaren, die nog tevreden zijn met Visschen, -welke voor ons niet slechts waardeloos, maar zelfs schadelijk zijn, -daar zij zich voeden met de spijzen, waarvan de Karpers vet moeten -worden. Het is noodig, dat in de mestvijvers moddervrije diepten -voorkomen, die tot winterleger voor de Visschen kunnen dienen. Men -moet er voor zorgen, dat de vijver nooit geheel met ijs bedekt is; -steeds moeten er openingen in de ijskorst zijn ten behoeve van de -luchtverversching. Vóór den aanvang van den winter worden ook de één- -en tweejarige Karpers dikwijls naar bepaalde, voor winterverblijf -geschikte vijvers overgebracht. Voor het bewaren van de Visschen, -die gereed zijn om afgeleverd te worden, dienen de kleine "verkoop-" -of "voorraadvijvers". - -De Karperteelt in vijvers was in vroegere eeuwen in Duitschland -wegens het meer algemeene gebruik van vastenspijzen van grootere -beteekenis dan thans. Toch bestaan ook nog in den tegenwoordigen tijd -groote inrichtingen voor het vischfokken. De grootste zijn die van het -domein Wittingau en Boheme, waar 187 vijvers een oppervlakte van 5564 -HA. innemen; belangrijk zijn ook die van het vorstendom Trachenberg in -Silezië (1173 HA.) en van het domein Peitz bij Cottbus in de Lausitz -(1176 HA.). De vijvers worden naar den oorsprong van het water dat -zij bevatten, onderscheiden in: "stroom-" of "beekvijvers", die -onmiddellijk of door tusschenkomst van kanalen met stroomend water -in gemeenschap staan, "bronvijvers", die door wellen aan den bodem of -bij den rand gevoed worden, en "regenvijvers", waarin zich het direct -neervallende of van de omliggende gronden afvloeiende regenwater -verzamelt. Ieder dezer vijvers heeft eigenaardige voordeelen. Alle -zijn voorzien van inrichtingen om ze te ledigen en weer vol te laten -loopen en den waterstand te regelen; met dit doel omgeeft hen een met -zorg aangelegde dam, die geen water mag doorlaten; in de onmiddellijke -nabijheid van de hierin aangebrachte aftaptoestellen komt meestal een -zoogenaamde "vischkuil" voor, de diepst uitgegraven plek, waarheen -verschillende kanalen in den bodem leiden, zoodat bij het droogleggen -van den vijver alle Visschen zich hier verzamelen. Voor de vischteelt -moet het terrein bij voorkeur uit vette leem of klei bestaan, daar -deze geen water doorlaat en voor de ontwikkeling van dierlijke en -plantaardige voedingsstoffen het meest geschikt is. In den regel -gebruikt men den vijver afwisselend voor de vischfokkerij en als bouw- -of weiland, d. w. z. de grond wordt na het droogleggen met klaver, -haver of gras bezaaid; na twee jaar laat men den vijver opnieuw vol -loopen. Door dezen wisselbouw wordt partij getrokken van het slijk, -dat zich op den bodem heeft verzameld, daar het als mestspecie voor -de uitgezaaide gewassen dient, terwijl aan den anderen kant door de -bebouwing de ontwikkeling van het dierlijk leven in den opnieuw met -water bedekten bodem bevorderd wordt. Merkwaardig gunstige uitkomsten -levert de karperteelt in Californië. Wegens het zachte klimaat en den -overvloed van voedsel groeien de Visschen hier buitengewoon snel. Kort -na 1880 heeft men de meeste gewesten in de Vereenigde Staten uit de -fokvijvers te Washington met Karpers kunnen voorzien. - -Karpers, die in een kleinen parkvijver geregeld gevoederd worden, -geraken spoedig aan hun woonplaats en aan hun verzorger gewoon; -zoodra hij zijn stem laat hooren, of hen op een andere wijze roept, -b.v. door een klokje te luiden of te fluiten, komen zij van alle -kanten aanzwemmen en scholen samen op de plaats, waar zij gewoon zijn -hun voedsel te ontvangen. - - - -De Steenkarpers (Carassius) zijn kenbaar aan het ontbreken van de -voeldraden aan den eindstandigen mond, hoewel bij hen, evenals bij -de leden van het vorige geslacht, de zachte vinstralen van rugvin en -aarsvin voorafgegaan worden door een beenigen, aan den achterrand -gezaagden doorn. Ieder van de onderste keelbeenderen draagt vier -spatelvormige tanden, die op één reeks geplaatst zijn. Tot dit geslacht -behoort slechts één ook in Nederland voorkomende soort, de Steenkarper, -oudtijds ook wel Hamburger genoemd (Carassius carassius). De donker -olijfbruine kleur van de bovendeelen gaat op de zijden in geelgroen -over. De borst- en buikvinnen hebben een roodachtige tint; de overige -vinnen zijn donkerbruin. Dikwijls zweemen alle tinten min of meer -naar geelrood. Bijzonder groot wordt de Steenkarper niet, daar hij -slechts zelden een lengte van meer dan 20 cM. en een gewicht van meer -dan 0.7 KG. bereikt. De grootte en de kleur vertoonen echter veel -afwisseling bij deze soort. Aan hare talrijke verscheidenheden werd -vroeger een hoogeren rang toegekend. Uit nauwkeurige onderzoekingen -is n.l. gebleken, dat de Giebel (Cyprinus gibelio), die door onze -visschers veelal onder de namen Kroeskarper, Kruiskarper en Jonge -Karper op de markt wordt gebracht, niet als een afzonderlijke soort mag -worden beschouwd, hoewel bij hem de hoogte van het lichaam slechts een -derde, bij den Gewonen Steenkarper daarentegen soms niet minder dan -de helft van de lengte (zonder de staartvin) bedraagt. Bij beide is -het aantal schubben gelijk. De Giebel is kleiner dan de gewone vorm -en fraai bronskleurig in plaats van olijfgroen. Ook bastaarden van -den Karper en den Steenkarper zijn soms als echte soorten beschreven, -b.v. de Bastaardkarper (Cyprinus Kollari). - -De Steenkarper wordt in ons land vrij algemeen aangetroffen, -vooral in stilstaande wateren, zooals meren, veenplassen, vaarten -en slooten. Zijn verbreidingsgebied omvat het midden, noorden en -oosten van Europa en het noorden van Azië. Veelvuldig komt hij voor -in rivieren, vijvers en meren van de Rijn- en Donaulanden, Oost- -en West-Pruisen, geheel Rusland en Siberië. Hij bewoont overal -bij voorkeur stilstaand water, zooals meren met moerassige oevers -of de zoogenaamde doode armen van rivieren. Men vindt hem echter -ook in kleine vijvers, poelen, plassen en moerassen; het deert hem -niet, dat het water in zijn omgeving vuil is; zelfs het smerigste, -modderigste voedsel neemt hij voor lief en vaart er wel bij. Evenals de -Karper, voedt hij zich hoofdzakelijk met Wormen, larven en rottende -plantaardige stoffen en brengt daarom het grootste deel van zijn -leven op den bodem van 't water door. Hier verkeert hij gedurende -het koude jaargetijde in een staat van verstijving; zelfs kan hij, -naar men zegt, in het ijs vastvriezen, zonder dat dit zijn leven in -gevaar brengt. Alleen gedurende den rijtijd, die in Zuid-Europa in -Juni, in Noord-Europa in Juli plaats heeft, ziet men hem dikwijls -aan de oppervlakte van 't water verschijnen, vooral op ondiepe, met -planten begroeide plaatsen; hier dartelen dan geheele scholen van deze -Visschen rond, die met de lippen smakkend aan den waterspiegel voedsel -zoeken en elkander spelend najagen, totdat de tijd van kuitschieten -aanbreekt.--Hoewel de Steenkarper een betrekkelijk gering aantal eieren -legt, n.l. omstreeks 100000, vermenigvuldigt hij zich zeer sterk. - -In vijvers, welker water voor de karperteelt te modderig is, kan -het fokken van Steenkarpers voordeel opleveren. Zulk water heeft -geen nadeeligen invloed op den smaak van hun vleesch, terwijl het -dat van den Karper bijna oneetbaar maakt. Ook zijn de Steenkarpers -indirect nuttig, als men ze kweekt in denzelfden vijver als Forellen, -omdat zij aan deze edele roofvisschen, die hen in waarde vele malen -overtreffen, tot voedsel dienen. De Steenkarper kan uren lang buiten -het water in leven blijven en, in sneeuw of vochtige bladen verpakt, in -ieder jaargetijde over groote afstanden verzonden worden. In Rusland, -waar hij alle wateren van de steppe bevolkt, schat men hem hoog. - - - -Engelbert Kämpfer (1651-1716), een Duitsche arts, die in 1683 als -secretaris aan het Zweedsche gezantschap in Perzië verbonden was, nam -in 1685 als scheepsdokter dienst op de vloot van onze Oost-Indische -Compagnie, die destijds in de Perzische golf kruiste en bezocht -in deze kwaliteit Arabië, Hindostan, Java, Sumatra, Siam, China en -Japan. Aan dezen geleerde dankt men, behalve een "Geschiedenis van -Japan" en een plaatwerk over Japansche planten, de eerste berichten -over een rooden pronkvisch met fraaien, goudgelen staart, King-Jo -genaamd, die in Japan en China in vijvers gehouden en in zekeren zin -als huisdier beschouwd wordt. Dit dier, bij ons onder den naam van -Goudvisch bekend, is vermoedelijk voor 't eerst door de Portugeezen uit -China naar de Kaap de Goede Hoop, vervolgens naar Portugal en van hier -naar de andere landen van Europa overgebracht. Over het jaar, waarin -hij voor 't eerst in ons werelddeel verscheen, heerscht verschil van -meening: sommige schrijvers spreken van 1611, andere van 1691, nog -andere van 1728. In ons vaderland bezaten, naar men zegt, Bentinck -en Clifford de eerste Goudvisschenvijvers, welker bewoners evenwel, -volgens Baster, in 1765 nog geen kuit geschoten hadden. De eerste -Goudvisschen, die men in Frankrijk te zien kreeg, dienden als geschenk -aan de beruchte Madame de Pompadour. Tegenwoordig zijn deze Visschen -bij alle beschaafde volken gewenschte huisgenooten en in de warme -landen van den gematigden aardgordel werkelijk inheemsch geworden. Op -het eiland Mauritius, waar zij door de Franschen werden ingevoerd, -bewonen zij thans alle rivieren, vijvers en meren; ook in Portugal -schijnen zij verwilderd te zijn. Vooral in het zuiden en westen van -Frankrijk werden en worden zij in aanzienlijken getale gekweekt; -de fokvijvers in de omstreken van Havre voorzien een groot deel van -Engeland met Goudvisschen; ook in Duitschland bestaan hier en daar -inrichtingen van dezen aard. Over 't algemeen komt deze vischteelt -met die van den Karper overeen, met dit verschil, dat de hiervoor -noodige vijvers talrijker en kleiner zijn en een nauwkeuriger toezicht -vereischen. De Goudvisschen kunnen door doelmatige behandeling er toe -gebracht worden in den loop van één zomer drie- of zelfs viermaal kuit -te schieten en zeer vroegtijdig hunne prachtige kleuren aan te nemen; -ook kan men binnen zekere grenzen hunne kleuren wijzigen. - -Binnenshuis houdt men de Goudvisschen gewoonlijk in halfbolvormige -glazen kommen; beter geschikt hiervoor zijn echter grootere glazen -bakken, die ruimschoots voorzien en versierd zijn met waterplanten. Als -voedsel werpt men iederen dag eenige stukgewreven mierenpoppen, -broodkruimels of stukjes ouwel in het water; men moet dat echter niet -overdrijven omdat het weinigje water dat een goudvisschenkom bevat, -ook buitendien weldra zoo zeer bederft dat Visschen van geringer -weerstandsvermogen er niet in zouden kunnen leven; door een overmaat -van voedsel wordt het zelfs voor Goudvisschen te slijmerig. Om hen -lang te behouden, is het volstrekt noodig van tijd tot tijd het water -te ververschen en er iederen dag verscheidene malen door een blaasbalg -met fijn uitloopende pijp lucht door te persen. Voor een groote, met -planten bezette waterbak is het toepassen van dezen maatregel minder -noodig, omdat de planten zuurstof afscheiden. Het aanraken of op een -andere wijze storen van de Goudvisschen moet vermeden worden. Het is -wegens den gezelligen aard van deze dieren raadzaam minstens 2 of 3 -in een kom en verscheidene in een grooter aquarium te houden, omdat -zij het verlies van metgezellen, waaraan zij gewoon zijn geraakt, -in den regel niet lang overleven. Door zorgvuldige behandeling worden -de Goudvisschen weldra zoo tam, dat zij hun verzorger het voedsel uit -de hand nemen, of, wanneer zij in grootere ruimten, in fonteinen of -kleine vijvers verblijf houden, bij het hooren van een met een klok -gegeven sein komen aanzwemmen. - -De Goudvisch (Carassius auratus) heeft ongeveer denzelfden vorm -als de Karper en kan 25 à 30, hoogstens 40 cM. lang worden; op -vermiljoenrooden grond schittert zijn huid met een prachtigen -goudglans. Er bestaan vele verscheidenheden van deze soort, -o.a. een zilverkleurige (de Zilvervisch) en een zwart gevlekte; door -lang voortgezette teeltkeus kan men trouwens allerlei min of meer -standvastige rassen verkrijgen; de Chineezen zijn hierin zeer bedreven -en reeds sinds eeuwen in deze richting werkzaam. Een zeer in 't oog -vallende, zonderlinge monstruositeit is de zoogenaamde Teleskoopvisch, -die reusachtig groote, ver buiten den kop uitpuilende oogen en een -zeer groote staartvin heeft. - - - -De Barbeelen (Barbus), die het soortenrijkste geslacht van de geheele -familie vormen, hebben, evenals de Karpers, vier voeldraden aan de -bovenkaak; deze steekt voor de onderkaak uit, zoodat de mondopening -zich aan de benedenzijde van den snuit bevindt. In de korte rugvin -is een der stralen, gewoonlijk de derde, een tamelijk dikke doorn; -de aarsvin is eveneens kort, maar bevat geen doorn. Elk der onderste -keelbeenderen draagt 3 rijen van tanden (in de buitenste 2, in de -middelste 3, in de binnenste 5); deze zijn kegelvormig, naar achteren -haakvormig omgebogen en aan de achterzijde lepelvormig uitgehold. - - - -Onze Rivierbarbeel, gewoonlijk eenvoudig Barbeel en, evenals -de Gebaarde Modderkruiper, ook wel Berm of Barm genoemd (Barbus -fluviatilis), kan 60 à 70 cM. lang en 4 à 5 KG., bij uitzondering 9 à -12 KG. zwaar worden; zijn lichaam is veel langwerpiger dan dat van den -Karper, tamelijk dik, hoewel zijdelings samengedrukt, ongeveer 5-maal -zoo lang als hoog, op den rug olijfkleurig groen, aan de zijden en -aan den buik lichter, n.l. groenachtig wit, aan de keel wit van kleur; -de rugvin is blauwachtig, de aarsvin evenzeer, doch met zwartachtigen -zoom; de overige vinnen zijn min of meer roodachtig. - -De Rivierbarbeel verdient dezen naam, omdat hij uitsluitend heldere -en stroomende, nooit stilstaande wateren bewoont; bij voorkeur leeft -hij op een steenachtigen of zandigen bodem. Bij ons wordt hij in -stroomende wateren vrij algemeen gevonden, o. a. in den IJsel, -de Lek, den Rijn bij Arnhem en de Maas, slechts zelden echter -bij de monden der rivieren. Met uitzondering van Skandinavië, -Denemarken en andere noordelijke landen behoort geheel Europa tot -zijn verbreidingsgebied. De Barbeelen, die zich gedurende den zomer -gaarne tusschen waterplanten ophouden, begeven zich, zoodra deze in den -herfst sterven, naar de diepere gedeelten der rivieren en verschuilen -zich hier onder steenen, in holten en gaten, of verbergen zich bij -den oever in den grond. In zeer gunstig gelegen schuilhoeken komen -zij soms in zeer grooten getale bijeen om, letterlijk op en naast -elkander liggend, winterslaap te houden. In het jaar 1811 vond men, -volgens Schinz, het kanaal van het waterrad bij den overdekten brug -van Zurich zoo vol Barbeelen, dat er binnen weinige uren meer dan -10 centenaars van verzameld konden worden. Ook op andere plaatsen, -b.v. in den Rijn bij Laufen, aan den mond van den Main en in de Theems, -vangt men ze soms in groote menigte. - -De Barbeel is de vlugste en bedrijvigste van alle inheemsche -Karpervisschen, hoewel men ook hem niet geheel van traagheid -vrijpleiten kan. Over dag ligt hij gewoonlijk stil op den bodem; -des nachts evenwel beweegt hij zich veel om zijn voedsel te zoeken, -dat uit allerlei zachte plantendeelen, larven van Insecten, slakjes en -zelfs uit vischjes en krengen bestaat. De voortplanting heeft plaats -in de maanden Mei en Juli; omstreeks dezen tijd ziet men scholen van -100 of meer Barbeelen, die in een lange reeks achter elkander aan -zwemmen; bij hen sluiten zich de minder oude aan; de jongen vormen -de achterhoede. Naar het schijnt, vermenigvuldigen zij zich niet snel. - -Het vleesch van den Barbeel bevat zeer vele graten en valt niet -in ieders smaak; daarom worden deze Visschen soms als veevoeder of -mestspecie gebruikt. Merkwaardig en tot dusver nog onverklaard is de -vergiftige werking van hun kuit. - -In de karpervijvers kan de Barbeel den Snoek vervangen, in zoover -als ook hij de trage Visschen tot meer bedrijvigheid aanspoort. In -een kleine ruimte houdt hij zich goed en vermaakt den toeschouwer -door vlugge bewegingen en speelschheid. - - - -De Grondels (Gobio), niet te verwarren met de Zeegrondels en de -Grundels verschillen van de Barbeelen door het bezit van slechts twee -voeldraden (in elken mondhoek één tamelijk lange), den hoogeren stand -der oogen, het ontbreken van den doorn in de rugvin, de groote schubben -en de plaatsing der haakvormige tanden der onderste keelbeenderen op -2 rijen (3 of 2 in de buitenste, 5 in de binnenste rij). - - - -De Grondel, die ook Riviergrondel, Grundje, Govie of Riviergovie heet -(Gobio fluviatilis), bereikt een lengte van 12 à 15, hoogstens 18 -cM.; hij heeft op de zwartachtig grijze bovendeelen donkergroene -of zwartblauwe vlekken, die vooral langs de zijdestreep duidelijk -uitkomen; de onderdeelen zijn wit met zilverachtigen glans; de rugvin -en staartvin vertoonen op geelachtigen grond zwartbruine vlekken; -de overige vinnen zijn effen lichtgeel of rood. Over een groot deel -van Europa en West-Azië verbreid, bewoont de Grondel bij voorkeur -meren, rivieren en beken, maar komt ook voor in moerassen en zelfs -in onderaardsche wateren, b. v. in de Adelsberger grot. De Grondels -worden in onze rivieren en stilstaande wateren vrij algemeen gevonden, -zijn zeer menigvuldig in de Meierij van 's Hertogenbosch, vrij talrijk -in den Berkel, den IJsel, den Rijn bij Arnhem. In de Duitsche stroomen -behooren zij tot de gewone Visschen; in Groot-Brittannië en Ierland -zijn zij even algemeen als op het vasteland, in Rusland evenmin -zeldzaam, in West-Siberië en Mongolië buitengewoon overvloedig. Bij -voorkeur bewonen zij zuiver water met een zandigen of met grind -bedekten bodem en komen daarom op sommige plaatsen zeldzaam, op andere -in buitengewoon grooten getale voor. Bijna altijd ziet men ze in -talrijke, dicht opeengedrongen scholen, daar de gezelligheid voor hen -een behoefte schijnt te zijn. Hun voedsel bestaat uit jonge vischjes, -Wormen, rottende dierlijke stoffen en weeke plantendeelen. Wegens zijn -groote voorliefde voor krengen, noemt men hem in Duitschland wel eens -"Doodgraver". - -In de lente zwemt de Grondel in grooten getale uit de meren de -rivieren op om hier kuit te schieten. Het eierleggen begint in Mei, -geschiedt met tusschenpoozen en duurt ongeveer 4 weken. - -In het noordoosten van Duitschland, b.v. in Pommeren, wordt de -Grondel in het najaar geregeld in aanzienlijke hoeveelheid gevangen -en gegeten. Des zomers vangt men hem bij voorkeur met den hengel, -daar hij zelfs van den onervaren visscher de verwachting niet -teleurstelt. In Engeland is men gewoon om vooraf op de plaats, waar -men visschen wil den bodem met een ijzeren werktuig open te krabben, -omdat de Grondel gaarne op dergelijke plaatsen, die hem een rijken buit -van kleine dieren beloven, eenigen tijd vertoeft. Wanneer men eenige -vaardigheid in 't hengelen bezit, is het niet moeielijk binnen korten -tijd verscheidene dozijnen van deze sierlijke vischjes buit te maken. - -De Grondel is een smakelijke Visch, die echter wegens zijn geringe -grootte en vele graten niet hoog geschat wordt. In Noord-Duitschland -is hij zeer laag, in Zuid-Duitschland veel hooger in prijs. Een zeer -geschikt voedsel levert hij aan de bewoners der forellenvijvers. Tegen -gevangenschap in een nauwe ruimte is hij zeer goed bestand, indien -het water op behoorlijke wijze ververscht wordt. - - - -Door het bezit van slechts één paar voeldraden en het gemis van -doornen komen de Zeelten (Tinca) met de Grondels overeen; aan deze -en aan de Barbeelen herinneren zij door de kortheid van de rugvin -en de aarsvin, aan den Karper door de verhouding tusschen de lengte -en de hoogte van den stam. Van alle reeds genoemde Karpervisschen -verschillen zij echter door de kleinheid der schubben, die stevig -bevestigd zijn in de dikke slijmerige huid en door de van achteren -nagenoeg rechtlijnig begrensde staartvin. De voor aan den kop gelegen -mondspleet draagt aan iederen hoek een zeer korte voeldraad; ieder -keelbeen draagt een rij van 4 of 5 knotsvormige tanden. - -De Zeelt (Tinca tinca), de eenige soort van haar geslacht, is een -van de meest algemeen verbreide Europeesche Karpervisschen; in ons -land ontmoet men haar in alle stilstaande wateren, zelfs in slooten, -doch bijna nooit in stroomend water. In Gelderland en Overijsel noemt -men haar Louw of Lauw, in Friesland Muithond of Muudhon (Muwdhoun), -in Groningen Slei, in Cadzand Tinker. In de vorige eeuw werd zij in -Noord- en Zuid-Holland ook Schoenmaker genoemd, wegens de dikte van -haar huid. Volgens Gronovius beschouwde men haar als "Dokter van de -Visschen"; volgens Yarrel kende men haar ook in Groot-Brittannië deze -waardigheid toe en was bij het volk de meening verbreid, dat de Snoek -haar om deze reden spaart. - -De Zeelt wordt hoogstens 70 cM. lang en 3 à 4, zelden 5 à 6 -KG. zwaar. Meer dan bij andere Karpervisschen wisselt haar -kleur in verband met haar verblijfplaats af. Gewoonlijk is zij -fraai olijfgroen met een glans als van gepolijst geelkoper, op de -bovendeelen met grijsachtig zwarte, op de onderdeelen met geelachtig -witte tint. De lippen, de aars en de oksel der borstvinnen vertoonen -een vleeschkleurige tint. De zwartachtige kleur van de vinnen gaat -naar den wortel in donkergrijs over. Bij sommige exemplaren zijn deze -tinten donker, bij andere lichter, sterk naar roodachtig geel zweemend -of zelfs met goudgelen glans. In sommige gewesten, vooral in Bohemen en -Opper-Silezië, wordt een verscheidenheid gefokt, waarbij de goudglans -zich nagenoeg over het geheele lichaam heeft verbreid; deze zoogenaamde -Goudzeelten behooren tot de prachtigste Europeesche Visschen en werden -vroeger als een afzonderlijke soort (Tinca chrysitis) beschouwd; bij -ons komen zij zelden voor; vaker ontmoet men hier een verscheidenheid -van meer langwerpigen vorm (Tinca italica). - -Men vindt de Zeelt in het grootste deel van Europa, van Zuid-Italië -tot Zuid- en Middel-Zweden; ook in Rusland is zij een van de meest -algemeene bewoners van poelen en plassen, zoo ook in West-Siberië, -waar, meer bepaaldelijk in het stroomgebied van den Ob, buitengewoon -groote exemplaren gevangen worden. Hoewel men haar in bergstreken -nog ontmoet op een hoogte van 1000 M., behoort zij eigenlijk in de -vlakten thuis. Van rivieren houdt zij minder dan van stilstaand water; -de voorkeur geeft zij aan meren, vijvers en moerassen met modderigen -of leemachtigen bodem, waar riet groeit, zonder dat dit er de overhand -heeft gekregen. In de rivieren zoekt zij altijd plaatsen op, waar -weinig stroom gaat en de bodem bedekt is met een voldoende hoeveelheid -slib, daar de hierin voorkomende diertjes en plantaardige stoffen haar -tot voedsel dienen. Uitmuntend gedijt zij in verlaten leemgroeven, -die zich met water gevuld hebben. Traag en kalm van aard, houdt zij -zich in den regel in de nabijheid van den bodem op en komt alleen bij -zeer mooi weer en gedurende den voortplantingstijd aan de oppervlakte -van 't water. Evenals de Modderkruipers, kan zij nog leven in water, -dat voor andere Visschen, zelfs voor Karpers, te modderig is, omdat -voor haar ademhaling zeer weinig zuurstof wordt vereischt. - -Gedurende den winter zijn de Zeelten, evenals vele andere -Karpervisschen, in den modder verborgen en verkeeren in een half -bewusteloozen toestand. Soms geschiedt iets dergelijks ook in den -zomer. - -Het kuitschieten heeft, al naar de landstreek en de weersgesteldheid, -vroeger of later plaats, tusschen Maart en Juli, gewoonlijk als -de tarwe bloeit. Veelal gevolgd door twee mannetjes, legt het -wijfje eieren, terwijl het langs de met riet begroeide oevers -zwemt. Het aantal eieren van een kuiter wordt op 300,000 geschat; de -vermenigvuldiging is dus zeer snel. De jongen groeien tamelijk snel, -maar zijn toch eerst op vierjarigen leeftijd geslachtsrijp. - -De Zeelt wordt als spijs voor den mensch niet hoog geschat; hoewel -weinig duurder dan de Steenkarper, verdient zij zeer zeker in alle -opzichten boven dezen de voorkeur. Daar waarschijnlijk geen enkele -Visch beter dan de Zeelt in vuil en modderig water kan leven, is zij, -met uitzondering van de Aal, het best van allen geschikt om gepoot te -worden in moerassen, die anders hoogstens alleen aan den minder goed -verkoopbaren Steenkarper tot woonplaats zouden kunnen dienen; ook -met dit doel verdient het kweeken van Zeelten in vijvers ten zeerste -aanbeveling; op enkele plaatsen geschiedt dit reeds op groote schaal. - - - -Met den algemeenen naam van Witvisch, Katvisch of Braadvisch duidt -men dikwijls een aantal Karpervisschen aan, die zich, door het gemis -van voeldraden en van doornen aan de vinnen onderscheiden. Voorns -of Vorens noemt men die Witvisschen, welke een helder zilverglanzig, -meestal langwerpig lichaam hebben, met een door 8 à 12 (hoogstens 14) -stralen gesteunde aarsvin van middelmatige lengte. Meer bepaaldelijk -worden onder den naam van Voorns (Leuciscus) in één geslacht samengevat -de soorten, bij welke het begin van de aarsvin gelegen is achter dat -van de rugvin, terwijl deze een geringe lengte heeft en tegenover -(zelden achter) de buikvinnen aanvangt. De keeltanden zijn kegelvormig -of zijdelings samengedrukt en op 1 of 2 rijen geplaatst. Alle 90 -soorten van dit geslacht bewonen de noordelijk gematigde zone: 40 die -van de Oude, 50 die van de Nieuwe Wereld. Zij worden over verscheidene -ondergeslachten verdeeld, die ook wel als geslachten worden beschouwd. - - - -De Windvoorn of Winde, ook Wind, Winden en in Groningen Meeuw -geheeten (Leuciscus idus, Idus melanotus) vertegenwoordigt een -gelijknamig ondergeslacht (Idus), dat zich kenmerkt door een tamelijk -langwerpig, slechts weinig samengedrukt lichaam, een breed voorhoofd, -een eindstandige, eenigszins naar beneden hellende mondspleet, -een achter het einde van de rugvin beginnende aarsvin en op ieder -keelbeen 2 reeksen van gladde tanden (5 op de buitenste, 3 op de -binnenste reeks), welker kroon zijdelings samengedrukt en aan de -spits haakvormig omgebogen is. De Windvoorn kan 50 à 55 cM. lang en -meer dan 3 KG. zwaar worden, maar blijft gewoonlijk kleiner. De kleur -verschilt aanmerkelijk al naar de verblijfplaats, het jaargetijde, -den leeftijd, enz. In de lente en gedurende den voortplantingstijd -is de rug grauwzwart met gelen metaalglans; de zijden zijn lichter, -de onderdeelen zilverkleurig, de kop en de kieuwdeksels goudkleurig; -de rugvin en de staartvin hebben een van grijsblauw tot violet -afwisselende tint, de overige vinnen zijn rood. In den herfst wordt -de kleur donkerder en verdwijnt de metaalglans. - -De naam Orf wordt gegeven aan een goudachtig roode variëteit, die in -ons land nog niet waargenomen werd, maar die men wegens zijn prachtige -kleur op soortgelijke wijze als de Goudvisch in sommige oorden van -Oostenrijk, Middel- en Zuid-Duitschland in vijvers kweekt. Men gebruikt -den Orf ook wel in de keuken of plaatst hem in karpervijvers, welker -bewoners hij door zijn waakzaamheid tegen den Vischarend beveiligt. - -De Windvoorn wordt in onze rivieren tamelijk algemeen, doch zelden in -stilstaand water aangetroffen. Hij bewoont alle groote en middelmatig -groote meren van Europa en Noordwest-Azië en volgens Eckström ook -de zee; o.a. is hij tusschen de rotsachtige eilanden van Noorwegen -even algemeen als in het heldere water van de Skandinavische -meren en rivieren. Zuiver, koud en diep water schijnt voor hem een -levensbehoefte te zijn. Zelden komt hij aan den ondiepen oever, -alleen 's avonds aan den kalmen waterspiegel. Gedurende den winter -houdt hij zich in de diepte op. Zijn voedsel bestaat uit Insecten -en andere kleine waterdieren, misschien ook uit vischjes. In den -rijtijd, meestal in Mei, soms echter vroeger, zelfs reeds in Maart, -of later, tot in Augustus, begeeft de Windvoorn zich uit de meren -naar de rivieren om bij zandige of met waterplanten begroeide oevers -kuit te schieten. Gedurende dezen tijd vangt men hem in netten of aan -den hengel, met een Sprinkhaan, Mestkever of vischje als lokaas. Zijn -vleesch smaakt goed; het wordt, in weerwil van de vele graten, gaarne -gegeten, maar nergens duur betaald. - - - -De Ruischvoorn, Rietvoorn of Roetvoorn [Leuciscus (Scardinius) -erythrophthalmus] en zijne verwanten onderscheiden zich door een -hooger, meer gedrongen lichaam, sterker hellende mondspleet en verder -naar beneden gebogen zijdestreep van de Windvoorns. Hunne keeltanden -zijn op dezelfde wijze gerangschikt, maar aan de binnenzijde diep -gekorven. De Ruischvoorn, die ook in ons land tot de zeer algemeene -Visschen behoort en in al onze rivieren, meren, plassen, kanalen en -sloten aangetroffen wordt, bewoont bijna alle landen van Europa, van -Lapland tot Zuid-Italië en van Ierland tot den Oeral, bovendien het -stroomgebied van den Ob in Noord-Azië. Hij kan 25 à 30 cM. lang en -500 à 800 gram zwaar worden. Ook van deze soort is de kleur aan veel -variatie onderhevig. De bovendeelen zijn gewoonlijk donker bronsgroen, -de zijden glanzig messinggeel, de onderdeelen zilverwit met goud- en -roodachtigen weerschijn. Elke schub is aan haar wortel donkergroen; -bovendien hebben die van de zijdestreep ieder een olijfkleurig -stipje. De rugvin, de staartvin en de borstvinnen zijn groenachtig, -veelal met karmijnroode spits. De aarsvin en de buikvinnen zijn geheel -karmijnrood; de oogen hebben een goudkleurige iris, die meestal aan -de bovenzijde een roode vlek vertoont. Bij sommige exemplaren komen -echter lichtere kleuren voor, de karakteristieke roode kleur van de -vinnen kan meer of minder verbleekt of ook wel donkerder zijn, de -vinnen en alle overige lichaamsdeelen zijn soms donker zwartblauw, enz. - -Aan langzaam stroomend water en aan meren en plassen, zoowel in -vlakke, als in bergachtige streken, tot op een hoogte van 1600 M., -geeft deze Visch de voorkeur; zijn levenswijze komt overeen met die -van de Steenkarpers en de Zeelten, die dikwijls in zijn nabijheid -waargenomen worden. Hij is vlug van beweging, voorzichtig en schuw -van aard; zijn voedsel bestaat uit waterplanten, Insecten en Wormen, -die meestal uit den modder afkomstig zijn. Uit de eieren, die in April, -Mei en Juni bij partijen op met gras begroeide plaatsen worden gelegd, -komen de jongen binnen weinige dagen te voorschijn. - -De Ruischvoorn wordt wegens zijne vele graten slechts door niet -kieschkeurige menschen gegeten, door alle overige en zelfs door vele -vischetende Vogels versmaad. - - - -De Blankvoorn, ook wel eenvoudig Voorn genoemd [Leuciscus (Leuciscus) -rutilus], gelijkt in vele opzichten op de vorige soort; zijn romp -is echter lager en dikker, de zijdestreep minder gekromd, de snuit -sterker afgerond en een weinig grooter, de mondspleet meer horizontaal -gericht, de rugvin verder naar voren geplaatst; ieder keelgatsbeen -draagt een enkele rij van 5 of 6 tanden. Zoowel in den lichaamsvorm -als in de kleur kunnen vele afwijkingen voorkomen, waarvan sommige -met de woonplaats en de voedingswijze in verband staan, andere -standvastig overerven en aanleiding geven tot de onderscheiding van -variëteiten. De gewoonlijk blauwe of groenzwarte kleur van den rug -is op de zijden helderder, op den buik zilverkleurig; de buikvinnen -en de aarsvin zijn dikwijls even rood als die van den Ruischvoorn; -het oog is echter goudgeel met groenen kring, zeer zelden rood; de -borstvinnen zijn grijsachtig wit, de rugvin en de staartvin grijs -met roodachtige tint. De lengte bedraagt zelden meer dan 50 cM., -het gewicht hoogstens 1.5 KG. - -De Blankvoorn is een van de meest voorkomende bewoners van al onze -stroomende en stilstaande wateren, zelfs in kleine slooten treft -men hem aan; bij voorkeur houdt hij zich op tusschen het riet en aan -oevers, waar het water met kroos en andere planten bedekt is. Zijn -verbreidingsgebied omvat geheel Middel-Europa met inbegrip van -Groot-Brittannië en een groot deel van Oost-Europa, bovendien het -noordwestelijke deel van Azië; hij bewoont hier meren, plassen, -groote en kleine rivieren en zeeën met gering zoutgehalte. In de -Noordzee ontmoet men hem zelden, in de Oostzee daarentegen buitengewoon -veelvuldig. Hij heeft nagenoeg dezelfde levenswijze als de Ruischvoorn, -leeft gezellig, voedt zich met Wormen, Insecten, vischkuit, vischjes en -waterplanten, wroet in den grond om de eerstgenoemde dieren te vinden, -zwemt vlug, maakt plotselinge bewegingen, is voorzichtig en schuw, -maar laat zich licht verschalken. Het kuitschieten heeft plaats in -Mei of Juni, dikwijls reeds in Maart of April, soms eerst in Juli. Met -dit doel verlaten de Voorns in dichte scholen de diepe gedeelten der -meren, waar zij den winter doorbrachten, zwemmen de rivieren op en -laten op met gras begroeide plaatsen hunne eieren achter. Intusschen -plassen zij druk in de bovenste waterlaag rond en springen vaak omhoog. - -De Voorn wordt als spijs nergens hoog geschat, maar toch in groote -hoeveelheid gevangen en in de keuken of voor het voederen van andere -Visschen of van Zwijnen gebruikt. - - - -De Hesseling, Kopvoorn of Dikkop [Leuciscus (Squalius) cephalus], en de -Serpeling [Leuciscus (Squalius) vulgaris] zijn beide vertegenwoordigers -van het ondergeslacht der Dikkoppen (Squalius), dat Europa, benevens -een groot deel van Azië en Noord-Amerika bewoont en zich onderscheidt -door den met tamelijk groote schubben bedekten, zoowel aan den buik -als aan den rug afgeronden romp, den betrekkelijk grooten kop, de -kortheid der achterste stralen van rugvin en aarsvin en de plaatsing -der zijdelings samengedrukte, aan de spits haakvormig omgebogen -keelgatstanden op 2 reeksen (2, zelden 3, in de buitensten, 5 in de -binnenste). De mondspleet helt slechts weinig af; de rugvin begint -boven het voorste deel van de buikvinnen. - -De Hesseling of Esseling, ook wel meer bepaaldelijk Dikkop, en -evenals zijn naaste verwant, Viesvisch, in Groningen, evenals de -Windvoorn, Meeuw genoemd, is bij de riviervisschers bekend onder den -naam van Meune, Munne, Meuning of Meun (dien de zeevisschers ook aan -eenige Gadoïden geven). Zij kan 60 cM. lang en meer dan 4 KG. zwaar -worden, is op den rug zwartachtig groen, op de zijden goudgeel of -zilverwit, op den buik wit met lichtrooden weerschijn; de wangen -en de kieuwdeksels hebben op rozenrooden grond een goudgelen glans; -de lippen zijn roodachtig, de rugvin en de staartvin zwartachtig met -roodachtige tint, de borstvinnen oranje, de buikvinnen en de aarsvin -rood. Bij vele exemplaren zijn de roode tinten echter onduidelijk of -afwezig en de bovendeelen minder zwartachtig. - -De Hesseling, een van de meest gewone bewoners van alle rivieren -en meren van Middel-Europa, wordt ook bij ons vrij menigvuldig in -stroomend, zelden echter in stilstaand water aangetroffen. De jongen -houden zich meestal op in beekjes of riviertjes met kiezeligen of -zandigen bodem, waar men ze op plaatsen met geringe stroomsnelheid bij -honderden ronddartelen en bij ieder gedruisch pijlsnel vluchten ziet; -op lateren leeftijd bewonen deze Visschen rivieren en meren, zoowel die -van de vlakte als die van het middelgebergte. Aanvankelijk bestaat hun -voedsel uit Wormen en uit Insecten, die in het water zwemmen, op den -waterspiegel verkeeren of op korten afstand daarboven vliegen. Later -zoeken zij diepere plaatsen op of begeven zich naar grootere rivieren -en meren, worden roofvisschen in de volste beteekenis van 't woord -en maken jacht op kleinere Visschen, Schaaldieren, Kikkers en zelfs -Muizen, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam "Muizenvreters", -die zij op sommige plaatsen dragen. Overal waar zij een overvloed van -voedsel kunnen verkrijgen, groeien zij zeer snel en worden, volgens -berichten van ervaren visschers, ieder jaar wel 500 gram zwaarder. Als -spijs voor den mensch zijn zij niet zeer gezocht; wel worden zij als -voedsel voor betere Visschen gebruikt. De rijtijd valt in de maanden -Mei tot Juli. - -In heldere, zachtstroomende beken zeer algemeen, in alle overige zoete -wateren bijna even veelvuldig, in stilstaand water even zeldzaam -als de vorige soort, ontmoet men bij ons de Serpeling, soms meer -bepaaldelijk Witvisch en ook wel Hesseling, Esseling en Viesvisch -genoemd. Zij is kleiner dan de Dikkop, wordt slechts zelden langer -dan 25 cM. en onderscheidt zich van haar naasten verwant, doordat -de kop en de romp een weinig meer zijdelings samengedrukt zijn; de -mondspleet is nauwer en niet geheel aan 't voorste deel van den snuit, -maar iets verder naar achteren gelegen; de neusgaten zijn halverwege -de spits van den snuit, dus minder dicht bij de oogen geplaatst; de -aarsvin is een weinig uitgesneden. De kleur van beide soorten vertoont -veel overeenkomst: de rug is zwartblauw, dikwijls met metaalachtigen -weerschijn; de zijden en de buik zijn soms geelachtig, soms zilverwit, -de parige vinnen lichtgeel of oranje; de rugvin en de aarsvin hebben -een donkere kleur. Kleursverscheidenheden met lichtere tinten en meer -rood op de vinnen komen veelvuldig voor. Dikwijls wordt deze soort met -de vorige verward. Men vindt haar behalve in Middel-, ook in Noord- -en een deel van Zuid-Europa; zij bewoont niet slechts rivieren en -beken, maar ook meren en haffen. Wat levenswijze betreft, gelijkt -de Serpeling op den jongen Dikkop. Voor de keuken is zij weinig, -als lokaas voor groote Zalmvisschen zeer geschikt. - - - -Een van de kleinste Middel-Europeesche Karpervisschen is de -Grondelvoorn [Leuciscus (Phoxinus) laevis], daar hij in den regel -hoogstens 9, zelden 12 cM. lang wordt. Het door hem vertegenwoordigde -ondergeslacht kenmerkt zich door een krachtig gebouwd, afgerond -lichaam met stompen snuit, kleinen mond en kleine schubben, met -korte, achter de buikvinnen aanvangende rugvin en korte aarsvin; -de keelgatstanden, welker kroon zijdelings samengedrukt en aan de -spits haakvormig omgebogen is, zijn op 2 reeksen geplaatst (2 in de -buitenste, 4 of 5 in de binnenste). Daar dit vischje in Duitschland en -ook in België zeer algemeen voorkomt, opperde Schlegel het vermoeden, -dat het ook in onze grensstreken zou leven, waar het echter tot dusver -nog niet gevonden werd. Zijn kleur kan zeer verschillend zijn. De soms -olijfgroene, soms vuilgrauwe grondkleur van den rug wordt door donkere -vlekjes min of meer verduisterd; deze vloeien soms vrij volledig -ineen tot een zwarte streep, die zich over het midden van den rug -tot aan de staartvin uitstrekt; de groenachtig gele zijden hebben -een sterken, metaalachtigen glans; de mondhoeken zijn karmijnrood, -de keel is zwart, de borst scharlakenrood, de buik geelachtig of wit, -soms oranje- of purperkleurig. Een als goud glinsterende, overlangsche -streep begint achter ieder oog en strekt zich aan weerszijden van -den rug tot aan den wortel van de staartvin uit; de vinnen hebben een -bleekgele grondkleur, die echter op de onparige door ophoopingen van -een donkere kleurstof verdonkerd wordt en op de parige vinnen (bij -uitzondering ook op de aarsvin) in schitterend purperrood kan overgaan. - -De Grondelvoorns bewonen heldere, stroomende wateren met een uit zand -of grind bestaanden bodem van hun oorsprong in 't gebergte tot aan -hun uitmonding; in sommige beken zijn zij de eenige vertegenwoordigers -hunner klasse, daar zij nog geregeld verblijf houden en goed gedijen -op plaatsen, die door andere Visschen gemeden worden of voor hen niet -toegankelijk zijn. Alleen ziet men ze hoogst zelden, daarentegen bijna -altijd in groote scholen, die dicht bij den waterspiegel ronddartelen, -er merkwaardig vlug boven uit springen en schuw voor ieder gedruisch -vluchten. Bij zeer heet weer verlaten zij soms een plaats, waar zij -geruimen tijd vertoefd hebben; door den stroom of een harer bijrivieren -op te zwemmen trachten zij dan een frisscher oord te bereiken. Bij -deze reizen springen zij over beletselen heen, die schijnbaar in geen -verhouding staan tot hun geringe grootte en kracht; zoodra een hunner -de hinderpaal te boven gekomen is, volgen alle andere hem na. - -Hun voedsel bestaat uit plantaardige stoffen, Wormen en Insecten, -ook wel uit andere dierlijke spijzen. In weerwil van zijn geringe -grootte wordt de Grondelvoorn overal gevangen, omdat zijn vleesch, -hoewel het bitter smaakt, door velen gezocht wordt. Bovendien wordt -dit Vischje door hengelaars veel als lokaas gebruikt en dient het -in fokvijvers als voedsel voor grootere roofvisschen. Zelfs in een -beperkte ruimte kan men het een paar jaar lang in 't leven houden; -voor dit doel beveelt het zich aan door de geringe eischen die het -stelt, ook door zijne behendige en vlugge bewegingen. - - - -Het geslacht der Neusvoorns (Chondrostoma), die uit een zevental -Europeesche en West-Aziatische soorten bestaat, dankt zijn naam aan -den meer of minder langen, breeden, afgeronden, kraakbeenigen snuit, -die bij wijze van een neus vóór de zeer korte onderkaak uitsteekt; -ook deze is met een op kraakbeen gelijkende scheede bedekt; de zeer -kleine dwars gerichte mondspleet, die dus aan de benedenzijde van den -kop gelegen is, wordt begrensd door dikke, harde lippen, die met een -scherpen rand voorzien zijn. Ieder keelgatsbeen draagt één rij van 6 à -7 tanden. De rugvin is kort en begint boven den wortel der buikvinnen; -de aarsvin is tamelijk lang. - - - -Inheemsch is de Sneep (Chondrostoma nasus), ook Tabaksrooker, -Schoorsteenveger, Snijderssnoek, Neusvisch en (in Groningen) -Steenmeeuw genoemd. "De naam Dolhein, die in gebruik is bij de -Arnhemsche visschers, schijnt mij toe tot deze soort te behooren" -(Van Bemmelen). Het lichaam is met kleine schubben bekleed, langwerpig, -(ongeveer 4-maal zoo lang als hoog), afgerond, aan de zijden weinig -samengedrukt. Buiten den rijtijd zijn de bovendeelen zwartachtig groen, -de zijden en de buik glinsterend zilverwit, de vinnen, met uitzondering -van de donkere rugvin, roodachtig. Gedurende de voortplantingsperiode -hebben alle lichaamsdeelen helderder kleuren. De Sneep kan 50 cM. lang -en 1.5 KG. zwaar worden; zulke groote exemplaren zijn echter zeldzaam. - -Deze Visch bewoont stroomend water in de warme en gematigde landen -van Europa, doch ontbreekt reeds in Groot-Brittannië en Scandinavië; -hij is weinig bekend in het noorden van Duitschland, wordt vrij -algemeen gevonden in het stroomgebied van den Weichsel en den Oder en -komt veelvuldig voor in de rivieren en meren van Zuid-Duitschland en -Zwitserland, zoowel in het stroomgebied van den Donau als in dat van -den Rijn; bij ons ontmoet men hem in alle rivieren. Hij leeft gezellig, -vormt meestal groote scholen, houdt zich bijna voortdurend in de -nabijheid van den bodem op, blijft lang achtereen op dezelfde plaats, -wentelt zich hier dikwijls het onderste boven en is dan (wegens den -niet zelden zilverwitten buik) op een afstand zichtbaar. In den zomer -komt hij vaak dicht bij de muren, die den oever begrenzen en vervolgt -hier zijn weg over steenen, die slechts met een dunne waterlaag bedekt -zijn. Men ziet deze Visschen over de onderste treden van trappen aan -den waterkant zoo geregeld heen schieten, dat zij de aandacht trekken -van de Katten, die op zulke plaatsen met meer of minder goed gevolg -gaan visschen. Het voedsel van den Sneep bestaat uit plantaardige -stoffen, vooral uit de korst van algen, die de steenen en andere in -'t water liggende voorwerpen bedekt en met de scherpe, harde randen -der kaken gemakkelijk losgemaakt kan worden. - -Als de tijd van 't kuitschieten nadert, in de maanden Maart en April, -vereenigen de Sneepen zich tot tallooze scholen en begeven zich uit -den hoofdstroom naar de bijrivieren, vervolgens naar de kleinere -stroompjes en beken (ook naar die, welke troebel water bevatten) -en laten hier op met grint bedekte plaatsen, waarover de stroom snel -heenschiet, hunne talrijke eieren achter. - -Meer tot tijdverdrijf dan voordeelshalve vangt men den Sneep aan een -hengel, die met een gewone Huisvlieg als lokaas voorzien is. In den -rijtijd geeft de talrijkheid der scholen aanleiding tot een rijke -vangst. Uit de Wertach bij Augsburg worden dikwijls binnen 2 of -3 weken 15,000 of meer KG. visch opgehaald. Ook aan de uitmonding -van de Birs en de Glatte in den Rijn vangt men ieder jaar een groote -hoeveelheid van deze Visschen. Als spijs worden zij niet hoog geschat, -daar hun vleesch week is en zoetachtig smaakt. - - - -De Bittervoorns (Rhodeus) zijn met middelmatig groote schubben -bekleed; hun gedrongen gebouwde romp is sterk zijdelings samengedrukt -en heeft een hoogen rug; de niet volkomen eindstandige mond mist de -voeldraden. De rugvin begint boven de buikvinnen en komt in lengte met -de aarsvin overeen. De tweede straal van de rugvin en van de aarsvin is -glad en tamelijk hard en herinnert hierdoor eenigermate aan den doorn -van den Karper en den Steenkarper. De gladde, zijdelings samengedrukte, -aan de kroon schuins afgeslepen tanden zijn op ieder keelgatsbeen -ten getale van 5 op één rij geplaatst. De zijdestreep is zeer kort. - -Weinige inheemsche zoetwatervisschen zijn even sierlijk van vorm -en fraai van kleur als de Bittervoorn (Rhodeus amarus), zelfs is er -grond voor de bewering, dat deze ongeveer 5 cM. lange, dwergachtige -Karpervisch, den beroemden Goudvisch in schoonheid overtreft. Van -alle Voorns heeft zijn lichaam de grootste hoogte; hij herinnert in -dit opzicht eenigzins aan den Brasem en de Kolblei. Zijn kleur is -verschillend al naar het geslacht en het jaargetijde. - -"Buiten den rijtijd," zegt Von Siebold, die de uitvoerigste -beschrijving van dit vischje gegeven heeft, "is er weinig verschil -van kleur tusschen het mannetje en het wijfje; beide hebben een -grijsgroenen rug en zilverwitte zijden. Zeer eigenaardig is een groene, -glanzige, overlangsche streep, die op het midden van den romp begint -en zich aan weerszijden tot aan de staartvin uitstrekt. De vinnen zijn -licht roodachtig van kleur, de rugvin is geheel, de staartvin aan den -wortel met een zwartachtige kleurstof bedekt. Bij den mannelijken -Bittervoorn wordt dit eenvoudige kleed in den voortplantingstijd -vervangen door een prachtig bruiloftsgewaad, waarvan men moeielijk -een nauwkeurige beschrijving kan geven. De geheele oppervlakte van 't -lichaam van 't mannetje is versierd met alle kleuren van den regenboog: -vooral metaalachtig blauw en paarsch treden bijzonder duidelijk op den -voorgrond en doen de smaragdgroene zijdestreep nog glanziger uitkomen; -de borst- en de buikvinnen prijken met een fraaie, oranjegele kleur; -de rugvin en de aarsvin zijn helder rood met zwarten zoom. Het wijfje, -dat de eenvoudige kleuren behoudt, die het (nu zoo prachtig getooide) -mannetje vóór en na den voortplantingstijd vertoont, heeft echter een -eigenaardige, duidelijke in 't oog vallende verandering ondergaan. Na -het begin van den rijtijd ontwikkelt zich allengs een legbuis; deze -bereikt haar grootste lengte (soms wel 19 mM.), zoodra de eieren in -den eierstok rijp geworden zijn en hangt dan als een roodachtige, -wormvormige streng aan het achterlijf. De spits van dit orgaan reikt -dikwijls voorbij het uiteinde van de staartvin. Hierdoor verkrijgt -dit vischje gedurende het zwemmen een vreemd uitzicht; het is, alsof -de darm of een doorgeslikte Worm door de aarsopening naar buiten komt." - -F. C. Noll heeft de beteekenis en de verrichting van deze -buis nagegaan. "Een hoogst merkwaardige betrekking tusschen den -Stroommossel en de overige dierenwereld," schrijft hij, "is eerst -in den laatsten tijd volkomen duidelijk gebleken. Zij levert een -nieuw voorbeeld van het innige verband, dat soms tusschen wezens van -zeer verschillenden aard bestaat. Men kan er tevens uit zien, hoe -langzaam onze wetenschap zich ontwikkelt: gedurende tientallen van -jaren moet de eene waarneming bij de andere gevoegd worden, voordat -een onderzoek eindelijk de gewenschte uitkomst oplevert. Reeds lang -had men in de holle, plaatvormige kieuwen van den Verfmossel (Unio -pictorum) eieren van Visschen opgemerkt. Deze zijn geel van kleur, -langwerpig van vorm en 3 mM. lang. Zij komen in ongelijk aantal voor: -soms zijn er slechts weinige, soms vindt men er wel 40 in de kieuwen -van een enkelen Mossel. Van het begin van April tot in het midden van -Juli van 1869 heb ik geregeld iedere week een aantal Mossels uit den -Main onderzocht, in 't geheel verscheidene honderden. Het bleek mij, -dat vooral in de Verfmossels eieren van Visschen te vinden zijn; -in de door dunnere schelpkleppen beschutte Eendenmossels kwamen zij -minder veelvuldig voor. Van week tot week nam het aantal dezer in -'t oog vallende, dooiergele voorwerpen in de Mossels toe. Reeds -den 8en Mei hadden zich uit sommige eieren vischjes ontwikkeld, -die lang uitgestrekt in de kieuwkamers lagen: de dikke kop met -de zwarte oogen waren duidelijk door het weefsel der kieuwen heen -zichtbaar en altijd naar den vrijen rand der kieuwen gekeerd (zoodat -de lengteas van 't vischje van den romp van het Weekdier naar buiten -was gericht). Bij het voorzichtig opensplijten der kieuwen kwamen de -aardige vischjes onbeschadigd uit hun schuilplaats te voorschijn; -zij droegen een langwerpigen, gelen dooierzak als bergplaats van -voorraad aan den buik en onderscheidden zich door een helderen, -zilverachtigen glans. De vischjes van denzelfden Mossel verkeerden -echter in verschillende ontwikkelingsperioden: sommige zaten nog -in het ei, anderen waren reeds geschikt om hun geboorteplaats te -verlaten. Hieruit blijkt duidelijk, dat de eieren op verschillende -tijdstippen in den Mossel aangekomen moeten zijn." - -Door proeven heeft F. C. Noll de gegrondheid aangetoond van zijn -onderstelling, dat de legbuis het werktuig is, waarmede de Bittervoorn -eieren in de kieuwkamers van den Mossel kan leggen. Verfmossels, -die eieren van Visschen in hunne kieuwen hadden, werden geplaatst -in afzonderlijke waterbakken; na geruimen tijd zwommen hier tal van -jonge Bittervoorns rond, welke tot aan dien tijd in de kieuwholten -tegen alle nadeelige invloeden beschut waren gebleven. Door gevangen -Visschen, die aan 't kuitschieten toe waren, te rechter tijd bij de -Verfmossels te brengen en nauwkeurig na te gaan, totdat zij hunne -eieren hadden gelegd, werd alle twijfel uit den weg geruimd. - -Voor zoover men weet, omvat het verbreidingsgebied van den Bittervoorn -geheel Middel- en Oost-Europa (met uitzondering van Groot-Brittannië -en Scandinavië) en ook een deel van Azië. In den Donau en zijne -bijrivieren, in den Rijn, in het stroomgebied van de Elbe en van -den Weichsel komt hij op sommige plaatsen veelvuldig voor, eveneens -in voor hem geschikte wateren van Taurië. Uit de vlakten begeeft hij -zich naar heuvelachtige gewesten en zelfs naar de middelgebergten. Hij -heeft een zeer taai leven en is zoowel tegen de kou als tegen hitte -bestand. Aan zuiver stroomend water met een steenachtigen bodem, -vooral aan de zoogenaamde doode armen van rivieren en beken geeft -hij de voorkeur. Ook in ons land heeft men hem in geringen getale -in de Maas bij Rotterdam en in andere rivieren, sloten en kanalen -aangetroffen. "Zijn vleesch," schrijft Schlegel, "heeft evenmin een -bitteren smaak als dat van andere soorten; maar het vischje is niet -talrijk genoeg en te klein om als gerecht in aanmerking te komen." Het -wordt weinig gevangen en gewoonlijk alleen als lokaas bij het hengelen -naar andere Visschen gebruikt. Uit de bovenstaande beschrijving blijkt -echter voldoende, dat de Bittervoorn aan liefhebbers van aquariën -ten zeerste aanbevolen kan worden. - - - -Een drietal inheemsche Karpervisschen behooren tot het geslacht der -Brasems (Abramis). Hun romp is hoog en sterk zijdelings samengedrukt; -de scheef geplaatste mond mist de voeldraden; de rugvin is kort, -helt van boven naar achteren en onderen sterk af, heeft geen doorn -en is tegenover de ruimte tusschen buikvinnen en aarsvin geplaatst; -de buik heeft in deze tusschenruimte een ongeschubden kant, ook het -voorste deel van den rug mist in het midden de schubben. De aarsvin -is zeer lang. De keeltanden hebben een zijdelings samengedrukte, -schuin afgesloten kroon en staan op ieder keelgatsbeen op 1 of 2 rijen. - - - -De verst verbreide en talrijkst vertegenwoordigde soort van dit -geslacht is de Brasem (Abramis brama); zijn jongen worden gewoonlijk -"Blei" of "Bliek" genoemd en dikwijls met de Kolblei verward. Met -deze komt hij door de gedaante van zijn ruitvormig lichaam overeen; -behalve aan de langere, iets dieper gevorkte staartvin, herkent men -hem het best aan de veel sterker benedenwaarts gebogen zijdestreep en -de zwartachtige aarsvin. Hij kan 50 à 70 cM. lang en 4 à 6 KG. zwaar -worden. De bovenkop en de rug zijn zwartachtig, de zijden geelachtig -wit met zilverglans; de keel is roodachtig, de buik wit, aan de zijden -zwart gestippeld; de vinnen zijn zwartachtig blauw. - -De Brasem bewoont zoet- en brakwater in Middel-, Noord- en Oost-Europa; -ten zuiden van de Alpen ontmoet men hem evenmin als zijne verwanten; -wel komt hij voor in 't Rhône-gebied. Bij ons vindt men hem in alle -rivieren, meren, plassen, vaarten en slooten, het meest in veenplassen, -breede dicht begroeide slooten of rietvelden langs de oevers. Ook in -het Hollandsch diep is hij waarschijnlijk niet zeldzaam (Hoek). In -zeer grooten getale bevolkt hij alle Duitsche hoofdrivieren, vooral de -hiermede in gemeenschap staande, diepe meren, het meest die plaatsen, -welke een leemachtigen bodem hebben. Bij Zweden en Noorwegen vangt -men hem ook in de zee, die hem echter slechts bij uitzondering tot -woonplaats dient. Gedurende den zomer blijft hij in de diepte, liefst -op met planten begroeide plaatsen, en wroet hier in het slijk, waardoor -het water ver in het rond troebel wordt. Waarschijnlijk doorzoekt hij -den modder met het doel om hier zijn voedsel te vinden, dat uit Wormen, -larven van Insecten, waterplanten (o. a. het zoogenaamde Brasemkruid = -Isoëtes lacustris) en rottende stoffen bestaat. - -Bijna altijd zijn de Brasems tot groote gezelschappen vereenigd, -die in 't begin van den rijtijd, welke in de maanden April tot -Juni valt, tot ontzaglijke scholen aangroeien. In de nabijheid -van den oever, op ondiepe, met gras begroeide plaatsen, ziet men -eerst verscheidene mannetjes en later de wijfjes verschijnen. Het -kuitschieten heeft gewoonlijk des nachts plaats en gaat gepaard -met een ver hoorbaar gedruisch, veroorzaakt door het slaan met den -staart op het water. Bij mooi weer is het kuitschieten in 3 of 4 dagen -afgeloopen; wanneer echter de weersgesteldheid plotseling ongunstig -wordt, keeren de Visschen naar de diepte terug zonder eieren gelegd -te hebben. Op dezelfde wijze handelen zij na een andere storing, -b. v. wanneer men hen verschrikt maakt; daarom is, naar men zegt, in -Zweden gedurende den rijtijd zelfs het klokluiden in de nabijheid der -meren verboden. Weinige dagen na het vertrek der Visschen krioelen in -het ondiepe water bij den oever millioenen pas uitgekomen jongen rond, -die nog eenigen tijd bij hun geboorteplaats vertoeven en daarna hunne -ouders naar de diepte volgen. Waarschijnlijk rusten ook de Brasems -gedurende een deel van den winter onder den modder. - -Sommigen houden den Brasem na den Karper voor den besten onzer -zoetwatervisschen, anderen noemen zijn vleesch wegens de talrijke -graten nagenoeg oneetbaar. Waarschijnlijk is de reden van dit verschil -te vinden in de ongelijke grootte der beoordeelde exemplaren en in -de plaats, waar zij leefden. De groote Brasems zijn beter voor spijs -geschikt dan kleinere; door een langdurig verblijf in moerassen of -in zeer modderige wateren verkrijgen deze Visschen een "grondigen" -smaak. In het noorden en oosten van Duitschland wordt hun vleesch -minder geacht dan in Zuid-Duitschland en Oostenrijk. Toch maakt men -hier zoowel als daar, en eigenlijk overal, veel werk van de vangst van -den Brasem. In Groot-Brittannië is hij bij de hengelaars zeer gezien, -omdat hij gretig naar 't lokaas hapt. In Noord- en Oost-Duitschland -bezigt men gewoonlijk groote netten voor deze vangst, die in den -regel een flinke winst oplevert. De Visschen, waarvoor zich niet -dadelijk koopers aanbieden, worden vaak voor bederf bewaard door ze -te zouten en te rooken. Dikwijls verzendt men ze in verschen toestand -naar ver afgelegen oorden, daar zij even goed als Karpers tegen een -lange reis bestand zijn, het best, wanneer zij met een in brandewijn -gedoopt stuk brood in den bek, in sneeuw verpakt worden. In vijvers -kweekt men ze niet. - - - -De Lange Brasem (Abramis vimba), die, volgens Maitland's "Prodrome", -ook wel eens naar Nederland is afgedwaald, is over een groot deel van -Europa verbreid, behoort hoofdzakelijk in 't noorden thuis en komt -niet slechts in zoet-, maar ook in brak- en zoutwater voor. Sommige -binnenwateren bewoont hij voortdurend zonder te trekken; andere leden -dezer soort vertoeven buiten den voortplantingstijd in de zee, of in -een meer, zwemmen in de lente om kuit te schieten de rivieren op, -blijven hier gedurende den zomer en keeren daarna terug naar hunne -winterkwartieren. In de meren bewoont de Lange Brasem gewoonlijk -plaatsen van 10 à 20 vademen diepte, in den regel die, welker bodem met -modder bedekt is, daar ook hij op gelijke wijze als zijne verwanten in -het slijk wroet om er voedsel uit te halen en hierdoor het water zoo -troebel maakt, dat men zijn verblijfplaats zonder moeite ontdekt. In -den rijtijd vormen deze Visschen zeer groote scholen en kan men ze -gemakkelijk in grooten getale vangen. Zij zijn aanmerkelijk kleiner -dan de Brasems; een lengte van 40 cM. en een gewicht van meer dan -0.5 KG. komt bij hen slechts zelden voor. De snuit, die neusvormig -voor de onderkaak uitsteekt, en de rug zijn groenachtig blauw, in den -rijtijd bij het mannetje en het wijfje donkerzwart, de zijden en de -buik zilverachtig grijs, de lippen, de parige vinnen en de aarsvin -geelachtig, in den rijtijd donkeroranje. - - - -Een andere Brasem, die het grootste deel van zijn leven in de zee -doorbrengt en zich alleen in den voortplantingstijd naar de rivieren -begeeft, wordt in Zweden Balleer, in Duitschland Zope of Pleinze -genoemd (Abramis ballerus). De grootste exemplaren worden 30 à 40 -cM. lang en ongeveer 1 KG. zwaar. Hij onderscheidt zich van de vorige -soort door de kleinheid van den kop, die de mondopening scheef naar -boven gericht heeft, en door de grootte van de aarsvin, die vóór het -einde van de rugvin aanvangt. In kleur gelijkt hij op den Brasem: de -bovendeelen zijn blauwachtig, de zijden en de buik zilverwit, de parige -vinnen geelachtig, de overige vinnen witachtig, alle met zwartachtigen -zoom. Gedurende zijn rijtijd, in April en Mei, ontmoet men dezen Visch -in de voornaamste rivieren van Middel-Europa, vooral in de nabijheid -van haar uitmonding, minder dikwijls in haar bovenloop. Den Donau -zwemt hij niet verder op dan tot in Opper-Oostenrijk; men vindt hem -dus niet in Beieren; in den Rijn schijnt hij, althans op Nederlandsch -grondgebied, niet voor te komen; in de Elbe vangt men hem soms nog -in de nabijheid van Maagdenburg. Bijzonder overvloedig is hij langs -de Oostzee-kust, zoowel in de haffen als in de zoetwatermeren, die -dicht bij de kust gelegen zijn en door beken of rivieren met de -zee in gemeenschap staan. In levenswijze stemt hij met de vorige -soort overeen. Zijn vleesch wordt wegens de talrijke graten niet -hoog geschat. - - - -De Blei, Bliek, Kolblei of Kolbliek, wegens hare groote oogen ook -Koloog, Kolfoog en Kalfoog, in Groningen Platter genoemd (Abramis -blicca), kan 20 à 30 cM. lang en hoogstens 1 KG. zwaar worden; zij -is op den rug blauw met bruinachtigen weerschijn, op de zijden blauw -met zilverglans, op den buik wit; de aarsvin en de staartvin zijn -grijsblauw, de borst- en buikvinnen rood of roodachtig, althans aan -den wortel. Vaak wordt zij verwisseld met den Brasem, van wien zij zich -onderscheidt door de minder gekromde zijdestreep, de kortere aarsvin, -den stomperen snoet, den hoogeren en korteren staart. Bovendien zijn -de kop en de schubben grooter; de ongeschubde strook op het midden van -den voorrug is minder duidelijk; de parige vinnen zijn geheel of ten -deele rood, de keelgatstanden op twee rijen geplaatst (2 of 3 op de -buitenste). De visscher onderscheidt deze beide soorten op het eerste -gezicht aan de grootte der oogen en noemt de Bleien daarom Puiloogen -(Hoek). De Blei is een van onze meest gewone zoetwatervisschen, -bewoont in hetzelfde gebied als de Brasem ongeveer dezelfde plaatsen, -n.l. een zandigen of kleiachtigen bodem in meren, vijvers en langzaam -stroomende rivieren. Evenals deze, houdt zij zich gaarne in de diepte -op en voedt zich met kleine dieren, vischkuit en plantaardige stoffen, -welk voedsel zij ten deele uit den modder verkrijgt. In de maanden -Mei en Juni ziet men haar in ondiep water bij den oever zwemmen om, -bij voorkeur op plaatsen die met grassen en dergelijke planten begroeid -zijn, kuit te schieten; zij is dan even beweeglijk als onvoorzichtig, -zoodat men haar soms zelfs met de hand kan grijpen. - -De Blei is de vraatzuchtigste van alle Karpervisschen; het is volstrekt -niet moeielijk haar te vangen; ieder lokaas is haar welkom. - -Nergens geschiedt dit op groote schaal, daar deze Visch als spijs -nog minder hoog geschat wordt dan de Brasem; als voedsel voor de in -vijvers gekweekte Forellen kan men hem evenwel met voordeel gebruiken. - - - -Ook van de laatstgenoemde Karpervisschen heeft men verscheidene -bastaarden of hybriden leeren kennen en gedurende eenigen tijd als -afzonderlijke soorten beschouwd. Van deze verdienen als inheemsch -vermelding: de Lange Blei (Cyprinus Heckelii), ook wel Amelom of -Amelong en Half-blei-half-voorn genoemd (gevormd door kruising van -Leuciscus rutilus en Abramis brama), de Koloog (Cyprinus Bugenhagii, -een kruisingsproduct van Leuciscus erythrophthalmus en Abramis brama), -de Gekartelde Blei (Cyprinus isognathus, hybride van Leuciscus -erythrophthalmus en Abramis blicca) en de Half-voorn-half-alvertje -(Cyprinus dolabratus, bastaard van Leuciscus cephalus en Alburnus -alburnus). - -Hoewel de Karpervisschen over 't geheel genomen een zeer -vreedzame levenswijze hebben, komen toch onder hen enkele roovers -voor. Een daarvan is de Muizenbijter (Aspius rapax). Het door hem -vertegenwoordigde geslacht der Roofkarpers, kenmerkt zich door een -langwerpig lichaam, dat zijdelings eenigermate samengedrukt, maar -zoowel langs den rug als aan den buik afgerond is, een naar boven -gerichte mondopening, vooruitstekende onderkaak en op twee rijen (van -3 en 5) geplaatste keelgatstanden, welker kegelvormige verlengde, -haakvormig omgebogen kroon geen inkervingen vertoont, voorts door -een korte aarsvin en kleine schubben. De genoemde soort kan 60 à 70 -cM. lang en 6 KG. zwaar worden; zij heeft een zwartachtig blauwen -rug, blauwachtig witte zijden en een zuiver witten buik; de rugvin -en de staartvin zijn blauw; de parige vinnen en de aarsvin hebben -een roodachtige tint. - -In alle groote rivieren en meren van Middel-Europa, tot in -Lapland, heeft men deze soort waargenomen; in Nederland en ook in -Groot-Brittannië schijnt zij niet voor te komen. In aanzienlijke getale -bewonen hare leden de Beiersche en Oostenrijksche meren; in den Donau -zijn zij veelvuldig, in geheel Noord-Duitschland bekend; ook in de -haffen treft men hen aan, bovendien verder oostwaarts in Rusland, waar -zij soms een reusachtige grootte bereiken. In den regel houden zij zich -op in zuiver, langzaam stroomend water. Hun voedsel bestaat zoowel uit -plantaardige als uit dierlijke stoffen, niet slechts uit kleine dieren, -maar ook uit Visschen. Naar men zegt, worden vooral de Alvertjes den -buit van deze roovers, die "Muizenbijters" heeten, omdat zij, naar men -beweert, ook wel eens Muizen en Waterratten verslinden. Wegens hun wit -en smakelijk vleesch vangt men ze veel in netten en aan den hengel, -vooral in den rijtijd, omdat zij dan minder schuw zijn dan gewoonlijk. - - - -De Alvers of Alvertjes (Alburnus) onderscheiden zich van de Roofkarpers -vooral door den scherpen hoek, dien de zijden van het lichaam naar -onderen vormen en doordat ieder keelgatsbeen een buitenste reeks van 2 -en een binnenste reeks van 5 tanden draagt. De achterste binnentanden -zijn haakvormig gekromd en gelijken dus op grijptanden; soms zijn -zij glad, soms met inkervingen voorzien. De ruglijn is minder sterk -gebogen dan de buiklijn; de korte rugvin begint achter de buikvinnen, -de lange aarsvin achter of onder de rugvin; de schubben vertoonen -een sterken zilverglans en uitpuilende, straalsgewijs van een -middelpunt uitgaande lijsten; de mondopening is naar boven gericht -en de eenigszins verdikte spits van de onderkaak wordt, evenals bij -het vorige geslacht, in een inkerving van de tusschenkaak opgenomen. - - - -Het Alvertje, ook wel Alfertje, Halvertje, Alvenaar, Alft, Alvertien -en Alver genoemd (Alburnus alburnus), bewoont nagenoeg alle zoete -wateren van Europa ten noorden van de Alpen, vooral die met weinig -strooming. Deze Visch komt in ons land zeer algemeen voor, het -meest in de rivieren, ook in die gedeelten van haar benedenloop, -waar ebbe en vloed heerschen. In werken uit de vorige eeuw vindt -men hem aangeduid met den naam "Alphenaar," die, volgens Gronovius -(1741), ontleend is aan het dorp Alphen, "waar hij in de maand Augustus -veelvuldig in den Rijn gevangen wordt." Evenals Leuciscus vulgaris en -Leuciscus cephalus noemt men het Alvertje soms Hesseling, Esseling en -Witvisch, ook wel Moertje of Nesteling, in Overijsel meestal Over- -of Bovenleupertien. Bij de vischverkoopers heet het Panharing, -daar het door den algemeenen vorm van zijn sterk samengedrukt, met -glanzige schubben bekleed lichaam aan een kleine soort van Haring -herinnert. Oude exemplaren worden als Koning van den Nesteling (of van -den Asterling) betiteld. De lengte bedraagt 10 à 18 cM. De blauwachtige -of groenachtige kleur van de bovendeelen maakt op de zijden plaats -voor het fraaie zilverwit der buikzijde; de rugvin en de staartvin zijn -grijsachtig, de overige vinnen geelachtig. Een nadere omschrijving kan -niet gegeven worden, daar zoowel de kleur als de vorm bij deze soort -aan veel afwisseling onderhevig is; bijna iedere rivier, ieder meer -herbergt verschillende exemplaren. Verscheidene van deze afwijkingen -zijn zoo standvastig, dat men ze als soorten heeft aangemerkt. - - - -Belangrijker echter is het verschil tusschen de gewone soort en het -nagenoeg even groote Zwartgestipte Alvertje (Alburnus bipunctatus), -welks eindstandige mondopening een minder scheeve mondspleet en een -minder sterk verdikte, minder vooruitstekende spits aan de onderkaak -heeft; het lichaam is meer ineengedrongen en hooger; de kroon van -de tanden der binnenste reeks heeft geen inkervingen, zooals bij -de vorige soort; de aarsvin begint achter het einde van de rugvin -en neemt naar achteren niet noemenswaard in hoogte af. De kleur, -die op den rug donkergrijs is, wordt op de zijden lichter en gaat -op den buik in zuiver zilverwit over; boven en onder de zijdestreep -komt een reeks van zwarte stipjes voor, die aanleiding heeft gegeven -tot den naam der soort. Deze werd in de Maas bij Rotterdam, in den -Krommen Rijn bij Utrecht, in den Rijn bij Leiden, over 't algemeen -in rivieren met zandigen bodem waargenomen. Haar verbreidingsgebied -kan nog niet nauwkeurig omschreven worden. In de meeste rivieren en -meren van Middel-Europa komt zij zeer veelvuldig voor, voor zoover -het water er helder en niet te woelig is. - - - -De Alvertjes zijn gezelliger van aard dan vele andere Visschen, -vormen altijd groote, soms ontzaglijke scholen en maken bij warm, -stil weer veel beweging in de nabijheid van den waterspiegel, waar -zij Insecten en dergelijke diertjes vangen. Zij zijn niet zeer schuw, -maar nieuwsgierig en vraatzuchtig; als men in hun nabijheid iets in het -water werpt, vluchten zij aanvankelijk, maar keeren dadelijk terug om -te kijken wat er gebeurd is, happen naar het voorwerp dat hun schrik -aanjoeg en spuwen het uit, wanneer het hun niet bevalt. De hengelaar, -wien het er slechts om te doen is zooveel mogelijk te vangen, -rekent hen daarom onder de prettigste Visschen, daar zij zonder -eenig voorbehoud happen naar ieder lokaas, dat men hen toewerpt. De -voortplanting heeft in de maanden Mei en Juni plaats, maar begint soms -reeds in Maart en duurt vaak tot in Augustus. Zij vermenigvuldigen -zich buitengewoon sterk; hun levensduur is echter betrekkelijk kort; -daar zij wegens hun gezelligen aard en hun voorliefde voor de bovenste -waterlagen dikwijls de prooi worden van de roofvisschen en watervogels, -die hunne scholen voortdurend volgen. - -Hoewel aan de Alvers in 't algemeen, ook aan de onze, als voedsel -geen waarde wordt gehecht, houdt men zich toch op sommige plaatsen -geregeld met de vangst dezer Visschen bezig, omdat zij, behalve als -voedsel voor den mensch en als lokaas bij de vischvangst, voor de -bereiding van de "Essence d'Orient" dienst doen. Met behulp van de -bedoelde "essence", welker samenstelling langen tijd geheim werd -gehouden, worden de valsche parels gemaakt, die, zooals bekend is, -soms zeer moeielijk van de echte te onderscheiden zijn, hetgeen -den prijs van deze aanmerkelijk heeft doen dalen. In het midden van -de vorige eeuw kwam een fabrikant van bidsnoeren of "rozekransen" -in Frankrijk op het denkbeeld holle, glazen bolletjes van binnen met -fijngestooten vischschubben te bedekken en hen op deze wijze den glans -van parels te verschaffen; sedert dien tijd wordt deze uitvinding -op vrij groote schaal toegepast. De Alvertjes (die men daarom ook -wel Schrapvisch noemt) worden afgeschubd, de schubben in een bak -met water geworpen en hierin zoo fijn mogelijk stukgewreven. Het -water, dat op deze wijze spoedig de kleur van zilver verkrijgt, -wordt in een groot glas overgegoten, en blijft hierin verscheidene -uren achtereen op een stille plaats staan, om het zilverachtige -poeder te laten bezinken. Zoodra dit zich op den bodem heeft afgezet, -wordt het daarboven staande water, door het glas scheef te houden, -voorzichtig afgegoten van de olieachtige, dikke, vloeibare massa, die -"Essence d'Orient" heet. Het gebruik, dat hiervan gemaakt wordt, berust -op de eigenschap der als zilver glinsterende, fijne plaatjes van in -ammoniak geen verandering te ondergaan. Met ammoniak vermengd, wordt de -"essence" in de holle, glazen bolletjes gegoten, aan welker binnenste -oppervlakte de plaatjes zich hechten, terwijl de vloeistof, voor zoover -zij er niet uitgegoten kan worden, verdampt.--50 KG. Alvertjes leveren -2 KG. schubben; voor 500 gram "essence" zijn wel 20,000 Visschen -noodig. Deze soort is trouwens zoo veelvuldig, dat men niet zelden -de genoemde hoeveelheid bij één vangst buit maakt. In het meer van -Constanz b.v. heeft men soms met één trek van het net 10 "Eimer" -(à 65 L.) Alvertjes gevangen. "De Alver," schrijft Dr. Hoek, "is op -het Hollandsch Diep een zeer gewoon vischje, echter niet het geheele -jaar, maar voornamelijk in de zomermaanden. In dien tijd visschen de -kantoren stelselmatig op Alver. De beste markt voor dit vischje schijnt -Parijs te zijn: een goede prijs--zooal geen hooge--is het, wanneer van -elk mandje (een zoogenaamd rond mandje van 120 à 130 stuks) een franc -schoon geld komt. Dit vischje heeft de eigenaardige gewoonte groote -scholen te vormen en zich in zulke scholen te verplaatsen; dergelijke -scholen schijnen met groote onregelmatigheid rond te dolen over het -bovengedeelte der benedenrivieren; vandaag zitten zij hier, morgen -daar. Komt een dergelijke school voor of in een ankerkuil, dan stroomt -het want letterlijk vol; dit geschiedt hoofdzakelijk bij vloed. Soms is -de visscher dan genoodzaakt zijn kuil te lichten, voordat het tij "af" -is, wil hij het gevaar niet loopen, het net te zien scheuren onder -het gewicht der persing van de opdringende Alvers. Een dergelijke -overvloedige vischvangst woonden wij bij op 30 Juli 1886, zoowel -'s ochtends in de vroegte om 3 uur, als met het volgende vloedtij -'s namiddags nabij het Havenhoofd van Lage Zwaluwe. Twee groote -roeibooten zagen wij uit één kuil geheel met Alver vullen, een -hoeveelheid Visch, die zeker op eenige honderden mandjes geschat kan -worden." De Alvertjes zijn uitstekend geschikt voor een aquarium; meer -dan andere kleine Visschen onderscheiden zij zich door speelschheid, -zoodat zij den toeschouwer een aangenaam tijdverdrijf verschaffen; -onophoudelijk in beweging, op alles acht gevend, springen zij toe op -ieder vliegje of in 't algemeen naar ieder voorwerp, dat men in het -water werpt en schijnen even tevreden als onvermoeid te zijn. - - - -De Meskarper (Pelecus cultratus), de eenige vertegenwoordiger van -een gelijknamig geslacht, heeft een langwerpig, sterk zijdelings -samengedrukt lichaam met rechtlijnigen rug- en scherpen, sterk -benedenwaarts gebogen buikkant, een bijna loodrecht geplaatste -mondspleet met naar boven gerichte opening, buitengewoon lange, -smalle, spitse, eenigszins sikkelvormige borstvinnen, kleine -buikvinnen, een zeer korte rugvin, welker aanhechtingsplaats ver -naar achteren tegenover het begin van de lange aarsvin is gelegen, -een golfsgewijs gekromde zijdestreep, licht afvallende schubben en -op ieder keelgatsbeen tanden met zaagvormig ingesneden kroon op 2 -reeksen (2 op de buitenste, 5 op de binnenste). De nek is staalblauw -of blauwgroen, de rug grijsbruin; de zijden zijn zilverwit met -rooskleurigen weerschijn, de rugvin en de staartvin grijsachtig, alle -overige vinnen roodachtig of geelachtig. Deze Visch kan 46 cM. lang -en 1 KG. zwaar worden. - -Opmerkelijk is het verbreidingsgebied van den Meskarper; hij bewoont in -het noorden van Europa alleen de Oostzee en de met haar in gemeenschap -staande zoetwatermeren en rivieren; bovendien treft men hem in de -Zwarte Zee en de hierin uitmondende stroomen aan. Een echte zeevisch -is hij niet, een riviervisch evenmin; naar het schijnt, bevalt het hem -in zoutwater even goed als in zoet. Zijn verblijfplaats is gelegen in -de nabijheid van den oever van een helder stroomend water. Door aard, -gewoonten en voedingswijze stemt hij met de overige Karpervisschen -overeen. Als spijs heeft deze Visch weinig waarde, daar zijn vleesch -week en rijk aan graten is; de vangst loont daarom de moeite niet. - - - -De Modderkruipers zijn kleine Karpervisschen met een zeer langwerpig, -min of meer zijdelings samengedrukt lichaam, dat nagenoeg overal -gelijk van dikte en met een slijmerige, op den kop naakte, op den -romp en den staart van zeer kleine schubben voorziene huid bedekt is; -de kieuwspleten zijn nauw; de kop is klein, de mondopening omgeven -door zuiglippen met 6 à 10 voeldraden; de rand van de bovenkaak -wordt alleen door de tusschenkaaksbeenderen gesteund; de buikvinnen -en de rugvin zijn tamelijk ver naar achteren geplaatst; de staartvin -is, bij de Europeesche soorten althans, afgerond; de zwemblaas is, -voorzoover aanwezig, in een rechter en een linker helft verdeeld. - -Deze afdeeling is zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld -vertegenwoordigd, in Europa door drie geslachten. De 3 inheemsche -soorten komen ook in de overige landen van Middel-Europa voor, één -van hen (de grootste) ontbreekt echter in Groot-Brittannië. Sommige -houden van modderig en stilstaand, andere van zuiver en stroomend -water. Alle verkeeren gewoonlijk op den bodem, rusten, in den -modder of onder steenen verborgen, gedurende den dag en beginnen -met zonsondergang of bij donker weer op allerlei kleine waterdieren -jacht te maken. Twee soorten zijn zeer teer, de derde daarentegen is -beter bestand tegen ongunstige omstandigheden en meer bepaaldelijk -tegen vervuiling van het water. Zij kunnen leven in water, waarin -weinig zuurstof opgelost is, omdat zij, behalve door kieuwen, -ook nog op een andere wijze ademen dan de meeste overige Visschen, -n.l. door het spijskanaal. Met dit doel begeven zij zich naar den -waterspiegel, slikken, terwijl zij den snuit boven het water uitsteken, -een zekere hoeveelheid lucht in, die zij door sterke samendrukking -van de kieuwdeksels in het korte, rechtlijnige darmkanaal stuwen; -tevens worden door de aarsopening eenige luchtbellen met gedruisch -naar buiten geperst. In frisch, zuurstofrijk water maken zij zelden -gebruik van de laatstgenoemde wijze van ademhaling, die in de vrije -natuur nog niet bij hen waargenomen werd; in de gevangenschap zijn -zij weldra genoodzaakt van dit redmiddel gebruik te maken, wanneer -het water in hun woning niet dikwijls ververscht wordt. Men vermoedt, -dat zij op hunne natuurlijke verblijfplaatsen alleen dan door den darm -ademen, als zij door het wegvloeien en verdampen van het water in hun -omgeving gedwongen worden zich in het slijk of den modder te begraven. - -Ondanks hun geringe grootte zijn minstens twee van de inheemsche -Modderkruipers als spijs zeer gezocht en worden zelfs in voor hen -bestemde vijvers gekweekt. Lekker smaken deze vischjes, wanneer -men zoo weinig mogelijk tijd laat verloopen tusschen de vangst en -de toebereiding. - - - -Bij den ongeveer 30 cM. langen Modderkruiper, in Noord- en Zuidholland -gewoonlijk Weeraal en Donderaal, soms Stootvisch, in Gelderland en -Overijsel Meerpoet, in Groningen Weervisch en Poetaal, in Friesland -Aalpieper genoemd (Misgurnus fossilis), is de mond door 10 voeldraden -omgeven, waarvan 4 aan de boven- en 6 aan de onderlip; de romp is -op zwartachtigen grond met 5 gele en bruine, overlangsche strepen, -de buik op lichten grond met zwarte stippels geteekend. - -Deze Visschen, die bij ons in kleine hoeveelheid in stilstaande, -modderige wateren voorkomen en soms in rivieren, b.v. in den IJsel en -den Berkel, aangetroffen worden, zijn over een groot deel van Noord- en -Oost-Europa verbreid. Men vindt ze uitsluitend in rivieren en meren met -modderigen bodem, eigenlijk nergens in grooten getale. Gedurende den -winter en ook wanneer des zomers het water van de door hen bewoonde -plas verdampt is, verbergen zij zich in het slijk, waar zij eenige -maanden achtereen zonder bezwaar kunnen vertoeven, zonder in een -toestand van verstijving of van slaap te verkeeren. Zoodra men hen -in het water terugbrengt, toonen zij door vlugge bewegingen, dat -het gedwongen verblijf in een oogenschijnlijk voor hen ongeschikte -schuilplaats in het geheel geen nadeelige gevolgen heeft gehad. Hieraan -danken zij hun gewonen en hun wetenschappelijken soortnaam. In den -zomer kan men deze Visschen in sommige uitgedroogde moerassige oorden -uit den grond graven. Varkens, die in zulke moerassen gedreven worden, -verkrijgen hierdoor soms een lekker maal. - -Zeer gevoelig is de Modderkruiper voor electrische verschijnselen. Bij -het naderen van een onweer toont hij zich zeer onrustig, komt aan -de oppervlakte van 't water en zwemt hier met kenteekenen van angst -en voortdurend lucht happend rond. Daar hij reeds 24 uur voordat het -onweer losbarst, op deze wijze te keer gaat, geeft men hem te recht -de namen Weervisch, Weeraal en Donderaal. In vele streken houdt men -hem daarom als weervoorspeller gevangen in een glazen bak, welks bodem -met een zandlaag van eenige cM. dikte bedekt is; hij kan het hier lang -in uithouden, wanneer het water minstens één-, liever tweemaal per -week ververscht wordt; als voedsel zijn eenige broodkruimels voldoende. - -Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine, in 't water en in den -modder levende lagere en jonge dieren en uit vischkuit, doch ook -uit rottende plantaardige stoffen. Het vleesch van dit dier smaakt -grondig en wordt daarom door den mensch niet gegeten. - - - -De Gebaarde Modderkruiper (Nemachilus barbatulus), ook wel Bermpje -genoemd (evenals Barbus fluviatilis), bereikt een lengte van 10 -(hoogstens 15) cM. Van de vorige soort onderscheidt hij zich vooral -door het bezit van slechts 6 voeldraden, die alle aan de bovenlip -voorkomen. Het lichaam is nagenoeg rolvormig, de kleur van den rug -donkergroen, van de zijden geelachtig, van de onderdeelen lichtgrijs; -de kop, de rug en de zijden zijn met onregelmatige, bruinzwarte -stippels, vlekken en strepen geteekend, de rug-, staart- en borstvinnen -gevlekt, de aars- en buikvinnen geelachtig wit en ongevlekt. Bij -de vischsoorten, die Schlegel en Van den Ende in ons land hebben -waargenomen, komt de Gebaarde Modderkruiper niet voor; volgens andere -schrijvers is hij inheemsch. Evenals zijne verwanten treft men hem in -een groot deel van Europa aan, oostwaarts tot bij den Oeral, zuidwaarts -tot aan de Alpen; naar Zweden werd deze Visch, die als zeer smakelijk -wordt geroemd, door Koning Frederik I (1720-1751) uit Duitschland -overgebracht. Vooral in Saksen, Brandenburg, Hessen, Zwitserland en -Tirol vindt men hem in grooten getale, maar ook in de overige landen -ten noorden van de Alpen (o. a. in België en Groot-Brittannië) -is hij niet zeldzaam. In tegenstelling met zijn grootere verwant -bewoont hij, zoo niet uitsluitend, dan toch bij voorkeur stroomend -water, liefst ondiepe beken met steenachtigen of zandigen bodem en -snellen stroom. Over dag houdt hij zich hier verborgen in een holte -onder een steen; men ziet hem slechts bij uitzondering vrijwillig uit -deze veilige rustplaats te voorschijn komen, n.l. als een gemakkelijk -verkrijgbare buit hem tot dit waagstuk verleidt. Tegen zonsondergang -begint voor hem de tijd van jagen; waarschijnlijk blijft hij gedurende -den geheelen nacht in beweging. De groote staartvin stelt hem tot zeer -goed zwemmen in staat; hij doet dit echter steeds bij rukken en niet -gaarne lang achtereen. Na het voorzichtig optillen van den steen, -die zijn schuilhoek bedekt, ziet men hem eerst eenige oogenblikken -rustig op dezelfde plaats blijven, daarna pijlsnel voortschieten en, -door plotseling te zwenken of onverhoeds naar den grond te zinken, -een nieuwe schuilplaats bereiken. Bij 't naderen van een onweer -geeft ook hij bewijzen van onrust, alsof de electrische spanning -ook hem onaangenaam aandoet. De Gebaarde Modderkruiper heeft een -veel geringer weerstandsvermogen dan zijn grootere verwant en sterft -buiten het water na weinige minuten. Zijn voedsel bestaat uit allerlei -kleine waterdieren, Insecten van verschillenden leeftijd en vischkuit, -waarschijnlijk ook uit plantaardige stoffen. (Die, welke men in vijvers -kweekt, worden althans met lijnkoeken en papaverzaad gevoederd.) Het -kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente; in Maart -en April zijn de eierstokken overvuld met tallooze eitjes; van Mei -tot Juli wemelt het op sommige plaatsen van jongen, die sinds kort het -ei verlieten. Het wijfje legt de eieren in een gat, dat het mannetje -graaft en waarbij het de wacht houdt, totdat de jongen uitkomen. - -Deze Vischsoort wordt wegens haar smakelijk vleesch in sommige landen, -vooral in Bohemen, in bepaaldelijk voor haar bestemde vijvers gekweekt; -in den regel zijn dit kleine kuilen van 3 M. lengte, 1 M. diepte en -verschillende breedte; men bekleedt ze met mandewerk en vult de ruimte, -die hiertusschen en den wand van den kuil overblijft, met schapenmest -om de ontwikkeling van insectenlarven te bevorderen. Een voortdurende -toevoer van versch water is volstrekt noodig voor het goed gedijen van -deze half-gevangen Modderkruipers, die zich in gunstige omstandigheden -buitengewoon snel vermenigvuldigen; de onderneming levert in dit geval -voordeel op, hoewel slechts op weinige plaatsen een flinke prijs voor -de vischjes betaald wordt. - -Behalve de mensch maken ook Waterspitsmuizen en Waterratten, Eenden -en vele Moerasvogels jacht op de Modderkruipers; vooral de IJsvogel -verkrijgt waarschijnlijk het grootste deel van zijn voedsel door -het vangen van deze dieren, die bovendien veel te lijden hebben van -Visschen, die, evenals zij, op den bodem leven. - -In goed ingerichte aquariën kunnen de Modderkruipers lang in 't -leven blijven. Veel tijdverdrijf verschaffen zij trouwens niet. Zij -verslinden een ongeloofelijk groote hoeveelheid Wormen en dergelijke -dieren, waarbij zij een beweging maken, alsof zij bezig zijn een -kolossalen buit te overweldigen. - - - -De Kleine Modderkruiper, vroeger ook wel Grundel genoemd (Cobitis -taenia), onderscheidt zich van zijne reeds genoemde verwanten vooral -door het bezit van een gevorkt stekeltje, dat opgericht en neergelegd -kan worden, boven ieder oog. De bovenkaak is voorzien van 6 zeer korte -voeldraden. Het lichaam is zijdelings sterk samengedrukt, vooral aan -den kop, heeft overal nagenoeg denzelfden vorm en is met buitengewoon -kleine schubben geheel bedekt. Dit vischje wordt hoogstens 10 cM. lang -en is op oranjegelen grond zeer fraai geteekend met overlangsche -reeksen van afgeronde, zwarte vlekken; die van de onderste reeks zijn -de grootste en op het midden van den afstand tusschen de ruglijn en -de buiklijn gelegen; een tweede reeks van kleinere vlekken strekt -zich boven de eerste van kop tot staart uit; de zijden en de staart -zijn bovendien nog met kleine, onregelmatige vlekken en stippels -versierd, die op de keel, de borst en den buik geheel ontbreken; -een bruinzwarte streep gaat van het oog naar de bovenlip en zet -zich naar achteren voort tot aan de spits van het kieuwdeksel; een -andere loopt evenwijdig aan de vorige over de wangen. Bij de meeste -exemplaren vindt men een donkere, gitzwarte, scherp begrensde vlek -aan den wortel van het bovenste deel van de staartvin. De donkere -stippels vormen op de rugvin overlangsche, op de staartvin dwarse -reeksen. De parige vinnen en de aarsvin zijn lichtgeel. - -De Kleine Modderkruiper is de eenige soort van zijn onderfamilie, -die ook ten zuiden van de Alpen tot in Dalmatië voorkomt. Naar het -noorden strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan de zeekust, -oostwaarts tot Rusland, westwaarts tot Groot-Brittannië. Voorts bewoont -hij Siberië en Japan. Bij ons komt hij in stilstaand en stroomend -water in kleine hoeveelheid voor op plaatsen, waar de grond zandig of -steenachtig is. In Duitschland en Engeland is hij overal zeldzamer -dan de vorige soort. Zijne levenswijze en gewoonten zijn nog weinig -bekend; men weet althans niet recht, in welke opzichten deze zich -van die der Gebaarde Modderkruipers onderscheiden. Rivieren, beken -en slooten, plassen en meren worden door hem bewoond; hij verschuilt -zich hier onder steenen en maakt jacht op Wormen, larven, Insecten -en dergelijke kleine dieren. Deze Visschen, hoewel klein, mager en -taai van vleesch, worden in sommige streken van Duitschland vóór den -rijtijd, die in Mei valt, gevangen en gegeten. - - - -Verscheidene eigenaardigheden van andere groepen van Luchtbuisvisschen, -treft men vereenigd aan bij de Characinen (Characinidae). Zij -gelijken op de leden der beide vorige familiën door het bezit van -een keten van gehoorbeentjes tusschen het in de schedelholte gelegen -gehoororgaan en de zwemblaas, die, evenals bij de Karpervisschen -in twee opeenvolgende kamers is verdeeld. Zij verschillen van de -reeds genoemde leden der vierde orde en naderen tot de Zalmvisschen -door de sterkere ontwikkeling der bovenkaaksbeenderen; deze nemen -deel aan de begrenzing van de mondspleet, welker bovenrand bij -de Vallen en Karpervisschen alleen door de tusschenkaaksbeenderen -wordt gesteund. Een vetvin achter de rugvin, gelijk bij de meeste -Vallen en alle Zalmvisschen gevonden wordt, is bij hen geen ongewoon -verschijnsel. De rudimentaire (voor hun oorspronkelijke verrichting -in den loop der tijden ongeschikt geworden) ademhalingsorganen, -de zoogenaamde "valsche" kieuwen aan het gehemelte, waardoor de -Zalmvisschen gekenmerkt zijn, ontbreken bij de Characinen. Daarentegen -hebben verscheidene leden dezer familie, evenals sommige Vallen en -eenige Haringvisschen, een met de kieuwholte samenhangend, op een -spiraalsgewijs gewonden buis gelijkend toestel, dat hen in staat -stelt om tijdelijk buiten het water te ademen. Het lichaam is, met -uitzondering van den kop, geschubd; de voeldraden ontbreken. - -Deze familie, die meer dan 300 soorten van Zuid-Amerikaansche -en Afrikaansche zoetwatervisschen omvat, is in Europa niet -vertegenwoordigd. Hare leden, die op sommige plaatsen in tallooze -menigte de rivieren bevolken, zijn bijna zonder uitzondering tot -voedsel voor den mensch zeer geschikt; eenige vormen het voornaamste -deel van den buit der van vischvangst levende oeverbewoners, die -echter door sommige dezer Visschen in hooge mate lastig gevallen -en gekweld worden. Vooral geldt dit van eenige Characinen, die -zich kenmerken door den op een zaag gelijkenden buikkant van het -zijdelings samengedrukte lichaam en die men in de onderfamilie van -de Zaagbuikzalmen (Serrasalmonina) samenvat. Deze soorten, die men -gewoonlijk Karaïbenvisschen noemt, worden, ondanks hun geringe grootte, -wegens hun toomelooze vraatzucht niet minder gevreesd dan de Haaien -en andere reusachtige zeedieren; zij richten meer onheil aan dan -de Krokodillen, die dezelfde wateren bewonen; gevaarlijk worden zij -zelfs voor deze roofzuchtige Reptiliën, hoewel deze vooral Visschen -als voedsel gebruiken. - - - -Tot het geslacht der Zaagbuikzalmen (Serrasalmo) brengt men die leden -der gelijknamige onderfamilie, welker groote, driehoekige, snijdende, -spitse tanden zoowel aan de tusschen- als aan de onderkaak op één -rij zijn geplaatst, terwijl meestal ook het gehemelte met één reeks -van soortgelijke tanden gewapend is. De met zeer kleine schubben -bekleede romp en ook de naakte kop zijn hoog en smal. De hooge, -tamelijk lange, met één doorn gewapende rugvin is aan de achterste -helft van het lichaam gehecht en wordt gevolgd door een kleine vetvin; -de aarsvin is lang en wordt voorafgegaan door twee doornen. - - - -Een der meest bekende hiertoe behoorende soorten is de ongeveer 30 -cM. lange Piraya (Serrasalmo piraya), die een tandeloos gehemelte heeft -en wiens tanden langs den rand niet gezaagd zijn; de ineengedrongen -romp is zeer hoog, de snuit kort en stomp; zoowel de blauwachtige -bovendeelen als de geelachtige onderdeelen zijn met donkerder vlekken -geteekend. De zaagvormige buikkant bestaat uit 24 à 27 gedoornde -platen. - - - -Alle Karaïbenvisschen bewonen stroomende wateren van Middel- en -Zuid-Amerika. Naar het schijnt, vertoeven zij zelden of nooit in de -nabijheid der zee, in het mondingsgebied der stroomen, maar vertoonen -zich eerst hooger op, het meest houden zij van diepe riviergedeelten -met weinig strooming, vooral van bochten, die door rotsachtige oevers -omgeven en door steenklompen afgebroken zijn. Deze gewoonlijk op den -bodem levende dieren, verschijnen bij duizenden aan de oppervlakte van -'t water, zoodra zij hier een buit opmerken. Op bevaarbare stroomen -begeleiden of omringen zij de vaartuigen om op het juiste oogenblik -bij de hand te zijn. "Wanneer hun niets wordt toegeworpen," verhaalt -Bates, "blijven zij op den bodem; hoogstens ziet men enkele exemplaren -hier en daar verspreid, die alle vol verwachting den kop naar den -bezoeker keeren. Zoodra echter het een of andere afval overboord -wordt geworpen, neemt het water plotseling een donkere kleur aan -door de menigte Visschen, die zich rondom den buit verzamelen. Een -woedende strijd vangt aan; dikwijls gelukt het een der strijders -een brok te vermeesteren, dat door een ander reeds half verzwolgen -was. Als een Vlieg of een Bij dicht bij den waterspiegel vliegt, -springen de Visschen alle te gelijk er als razenden op af, zoo -plotseling, alsof zij door een electrischen schok in beweging worden -gebracht." Alexander von Humboldt had reeds veel vroeger dergelijke -ervaringen opgedaan. "Het werpen van een paar druppels bloed in 't -water," zegt hij, "is voldoende om in den volkomen helderen stroom -op een plaats waar geen levend wezen te zien was, eensklaps duizende -Visschen uit de diepte naar boven te lokken. Om de kleine, bloederige -stukjes vleesch, die wij in 't water wierpen, waren binnen weinige -minuten talrijke zwermen van Karaïbenvisschen verzameld, die elkander -den buit betwistten." - -Te recht worden zij door Schomburgk de gulzigste roofvisschen van -het zoetwater genoemd en met Hyenas vergeleken. Zij overtreffen zelfs -de Hyenas in roofzucht, de Gieren in gulzigheid. Van hun vraatzucht -kan men trouwens door een vergelijking met andere dieren geen juiste -voorstelling verkrijgen. Ieder dier, dat zich in hun nabijheid waagt, -wordt door hen aangevallen, zelfs Visschen, die tienmaal grooter -zijn dan zij zelf. Geen zoogdier, dat de rivier overzwemt, ontkomt -aan hun roofzucht, zelfs de pooten der watervogels, de Schildpadden -en de teenen van den Alligator zijn niet veilig voor hen. - -Niet zelden wordt, naar men verhaalt, een Rund, een Tapir of een ander -groot dier, dat zwemmend te midden van een school dezer vreeselijke -Visschen geraakt, door hen opgevreten. Door tallooze beten geteisterd, -door bloedverlies verzwakt, kan het slachtoffer den oever niet -meer bereiken en verdrinkt. De dieren, die aan de oevers der door -Karaïbenvisschen bewoonde rivieren leven, kennen het gevaar, waaraan -zij bloot staan; zij durven bij het drinken het water niet in beweging -te brengen of troebel te maken, uit vrees van hunne afschuwelijke -vijanden aan te lokken. De Paarden en Honden maken van de volgende -list gebruik: zij brengen het water op één plaats in hevige beweging, -vluchten ten spoedigste zoodra de Karaïbenvisschen hier op afgekomen -zijn en gaan drinken op een andere plaats, die nu veilig is wegens het -vertrek der Visschen, die zich hier vroeger ophielden. Toch worden -hun, ondanks deze voorzorgsmaatregel, maar al te vaak stukken uit -den neus en de lippen gebeten. Een van de onderzoekers uit lateren -tijd, Karl Sachs, zegt van deze Visschen: "Moeielijk kan men zich een -voorstelling vormen van de krachtige werking hunner op een scherpe -zaag gelijkende tanden; een hardhouten stok ter dikte van een vinger, -dien ik een reeds afgemat exemplaar voor den bek hield, werd in een -oogwenk doorgebeten; zelfs dikke, stalen hengelhaken zijn tegen hun -gebit niet bestand. Hoewel het aantal en de gevaarlijkheid dezer -Visschen in sommige reisbeschrijvingen met al te schelle kleuren -zijn afgeschilderd, is het toch een feit, dat waarschijnlijk geen -der Llanero's, die zich met vischvangst bezig houden, vrij is van -litteekens van door Zaagbuikzalmen toegebrachte beten. Gelukkig hij, -die in een dergelijk geval dicht genoeg bij den oever is, om dezen -schielijk te kunnen bereiken! Want het bloed, dat in het water wordt -uitgestort, lokt dadelijk een groote school van deze Visschen aan, die -in ongeloofelijk korten tijd hun slachtoffer op de vreeselijkste wijze -verminken. Menschen of dieren, die bij het overtrekken van een rivier, -op grooten afstand van den oever door Karaïbenvisschen overvallen -worden, zijn reddeloos verloren, want zelfs indien de toegebrachte -wonden niet doodelijk zijn, kan het slachtoffer niet aan zijne -vijanden ontkomen, daar het wegens bloedverlies niet vlug zwemmen -kan. Dergelijke gevallen komen echter niet dikwijls voor. Ondanks -het zooeven geschilderde gevaar worden aanhoudend vele rivieren -overgetrokken, waarin zich, naar men zeker weet, een groot aantal -Karaïbenvisschen ophouden; ook bestaan hier groote visscherijen, -waar vele menschen voor een karig loon verscheidene dagen achtereen -naakt in het water werkzaam zijn." - -Het kost natuurlijk niet veel moeite zulke vraatzuchtige Visschen te -vangen. Ieder lokaas is hiervoor geschikt; zelfs door een rooden lap -in 't water te werpen, kan men duizenden van Zaagbuikzalmen op één -plaats bijeenlokken en zooveel vangen als men wil. - - - -De Tandkarpers (Cyprinodontidae), die een meer dan 100 soorten -omvattende familie vormen, worden zoo genoemd, omdat zij over 't -geheel genomen op Karpers gelijken, evenals deze, een uitsluitend -door de tusschenkaaksbeenderen gesteunden bovensten mondrand -en slechts één rugvin hebben. Het gebit is echter op een geheel -andere wijze ingericht: de onderste keelbeenderen zijn niet met een -betrekkelijk gering aantal vrij groote, maar met talrijke, kleine, -hekelvormige tanden bezet; zulke tandjes vindt men ook aan de bovenste -keelbeenderen, in plaats van den zoogenaamden "karpersteen"; de -kaken zelf zijn niet tandeloos, maar met kleine tandjes gewapend. De -zwemblaas is enkelvoudig en niet door een keten van beentjes met het -gehoororgaan verbonden. Schubben bedekken niet slechts den geheelen -romp, maar ook den kop, de kieuwdeksels en de wangen. - -In Europa, n.l. in Spanje, wordt deze familie slechts door één geslacht -van zoetwatervisschen (Fundulus) vertegenwoordigd, terwijl een ander -geslacht (Cyprinodon) in de Middellandsche Zee gevonden wordt. Haar -eigenlijk gebied is Amerika. Hier bewonen hare leden de zee, zoowel -als de rivieren en meren; in de Andes komen zij tot op een hoogte van -4000 M. boven den zeespiegel voor. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk, -zoo niet uitsluitend, uit dierlijke stoffen. Eenige soorten brengen -levende jongen ter wereld. Voor de huishouding van den mensch zijn -zij zonder beteekenis. - - - -De Vieroogige Hoogkijker der kolonisten (Anableps tetrophthalmus), die -in vorm eenigszins op een Modderkruiper gelijkt, trekt zeer de aandacht -door het zonderlinge maaksel der bovenwaarts gerichte oogen. Deze -puilen uit boven een aan weerszijden van den kop gelegen opzwelling -van het onderste voorhoofdsbeen; hun bol, doorschijnend gedeelte wordt -door een nagenoeg horizontale strook van het bindvlies in twee bijna -gelijke stukken verdeeld, waarvan het bovenste het grootste is: het is, -alsof dit vischje vier oogen heeft. Het hoornvlies is niet slechts van -buiten, maar ook van binnen in tweeën gescheiden; het regenboogvlies -vertoont in het midden een van den omtrek uitgaande insnoering, -zoodat er een dubbele pupil ontstaat; aan den kristallens en aan het -glaslichaam is echter geen verdeeling op te merken. Bij geen enkel -ander dier treft men een dergelijke inrichting van het oog aan.--Deze -Visch wordt 15 à 20 cM. lang. Op vuil groenachtig gelen grond, vertoont -zijn lichaam aan weerszijden 5 smalle, zwartbruine strepen. Hoewel men -hem reeds kort na de ontdekking van Amerika heeft leeren kennen, zijn -de berichten over zijn levenswijze nog zeer onvolledig. Hij bewoont -Guyana en Noord-Brazilië, vooral de slijkbanken langs de kust en den -mond der hier in zee stroomende rivieren. Op sommige plaatsen, vooral -op ondiepten, die in de onmiddellijke nabijheid van de kust gelegen -zijn, komen niet zelden tallooze scholen van deze Visschen voor. Zij -worden in de naburige dorpen en steden veelvuldig te koop aangeboden, -hoewel hun vleesch niet als smakelijk bekend staat. - -Naar men zegt, zwemt deze Visch zóó, dat de bovenste helft van het -oog boven, de onderste helft onder den waterspiegel ziet.--Reeds voor -lang werd opgemerkt, dat het wijfje levendbarend is. - - - -De familie der Makreelsnoekvisschen (Scomberesocidae) omvat ongeveer -140 voor 't meerendeel langwerpige Visschen met geen andere dan gelede -vinstralen, welker onderste keelbeenderen op soortgelijke wijze als -bij de Lipvisschen tot één stuk vergroeid zijn; aan weerszijden van -den buik hebben zij een reeks van gekielde schubben; de rugvin is -tegenover de aarsvin aan den betrekkelijken korten staart gehecht. Door -het laatstgenoemde kenmerk en doordat de bovenkaaksbeenderen aan de -vorming van den bovenrand der mondspleet deelnemen, stemmen zij met -de Snoeken overeen. - - - -Ongeveer 50 soorten vormen het geslacht der Geepen (Belone); het -onderscheidt zich door een zeer lang, aalvormig lichaam en een -snavelvormigen bek, gevormd door de sterk verlengde tusschenkaak -en de nog langere onderkaak; beide zijn met scherpe tanden gewapend -(een dubbele rij zeer kleine aan den buitenrand, verder binnenwaarts -grootere, kegelvormige); op de keelbeenderen komen plaveiselvormige -tanden voor. De schubben vallen, met uitzondering van die, welke bij -alle familieleden aan weerszijden van den buik voorkomen, weinig in -'t oog. - - - -De Geep (Belone belone), die over alle Europeesche zeeën en ook -verder verbreid is, kan een lengte van meer dan 1 M. bereiken, maar -weegt zelden meer dan 1 KG. De bovendeelen zijn blauwachtig groen, -de onderdeelen zilverwit. - -De Geepen komen van Maart tot Juni gewoonlijk zeer overvloedig, in -andere tijden van het jaar zeer zeldzaam in onze zeeën voor. Bij -andere Europeesche kusten verschijnen zij in den regel met de -Makreelenscholen, als welker aanvoerders de visschen haar velerwege -beschouwen. In de Middellandsche Zee treft men haar veelvuldig, in de -Britsche wateren niet zelden, o.a. aan de kust van Cornwallis dikwijls -in grooten getale aan. Behalve in de Noordzee, worden zij ook in de -Oostzee in sommige maanden veelvuldig gevangen. Meestal komen zij -bij groote scholen op het land af en bewegen zich met slangsgewijze -kronkelingen zeer levendig op korten afstand van de oppervlakte, -waarboven zij zich gaarne met kolossale sprongen verheffen; soms -geschiedt dit vele malen achtereen. Opmerkelijkerwijze valt de Geep, -na loodrecht boven het water uit geschoten te zijn, er steeds op den -staart weer in. De drijvende voorwerpen, die zij op haar weg ontmoet, -maken haar nieuwsgierig of wekken haar toorn. - -Volgens Benecke en Heincke voedt de Geep zich voornamelijk met jonge -Haringen, Sprotten en Stekelbaarsjes en maakt jacht op ieder levend -wezen, dat zij, al is het dan ook na groote inspanning, in haar -spijskanaal kan stuwen. Zelden gelukt het haar den buit onmiddellijk -te verzwelgen. Omdat zij niet in staat is er een stuk af te bijten, -wordt het voedsel meestal geruimen tijd in den bek gehouden, voordat -het in den slokdarm verdwijnt; het is vaak voorgekomen, dat zij een -lokaas letterlijk in vezeltjes verdeelde. Terwijl zij aan den haak -spartelt, wordt de inhoud van de maag in den regel uitgebraakt; zoo -is men te weten gekomen, dat kleine Vischjes, b.v. Zeestekelbaarzen, -het meest door haar verslonden worden. Nauwkeurige berichten over -de voortplanting der Geepen ontbreken tot dusver; het kuitschieten -heeft plaats in de laatste maanden van de lente. - -Hoewel de Geep, nadat zij uit het water is gehaald, een zeer -onaangenamen reuk verbreidt, hoewel onze visschers haar mager en -dor vleesch gering schatten en het bij voorkeur als lokaas voor -betere Visschen gebruiken, wordt zij bij vele kusten, ook bij de -onze, in groote hoeveelheid gevangen. Op de Londensche markt komen -geregeld scheepsladingen van deze Visch, die door liefhebbers deels -uit nieuwsgierigheid, deels om haar lagen prijs gekocht wordt. Hare -beenderen hebben, evenals die van den Magaal, een fraaie, groene -kleur. Ook in ons land worden versche en gerookte Geepen in sommige -jaren veelvuldig te koop aangeboden. Een hoogeren prijs besteedt -men er echter voor in de landen om de Oostzee. Men vangt ze hier in -haringnetten of aan den hengel of steekt ze met een soort van elger met -vele spitsen; het steken van de Geep geschiedt echter alleen des nachts -bij fakkellicht, welks ongewoon schijnsel deze Visschen bijeenlokt. - - - -De Makreelsnoeken of Makreelgeepen (Scomberesox) gelijken door vorm -en lichaamsbouw het meest op de leden van het vorige geslacht; aan de -Makreelen herinneren zij echter door het maaksel van de rugvin en de -aarsvin, welker achterste vinstralen een bovenste en een onderste reeks -van kleine vinnen vormen, die zich tot aan de staartvin uitstrekken. De -kaken bezitten slechts één rij van tandjes. - - - -De Makreelgeep (Scomberesox saurus) wordt 30 à 40 cM. lang, -heeft glinsterend zilverwitte wangen en kieuwdeksels, donkerblauwe -bovendeelen, lichter gekleurde, groen glinsterende zijden, zilverwitte -onderdeelen en dofbruine vinnen. Op de rugvin volgen 5, op de aarsvin -6 kleinere vinnen. Volgens Prof. Van Swinderen ("Initia faunae -Groninganae," 1826) wordt deze soort van tijd tot tijd aan de kust -van Groningen gevangen. Zij behoort eigenlijk in den Atlantischen -Oceaan tehuis, maar verschijnt in de maand Juni bij scholen in het -Kanaal, aan de geheele westkust van Groot-Brittannië en ook aan de -oostkust van dit rijk. Van hier verdwalen van tijd tot tijd enkele -exemplaren meer oostelijk tot bij onze kust en tot in den Sond. Dit -schijnt echter hoogst zelden te gebeuren. Na 1826 is geen enkel geval -van het vinden van dezen Visch aan onze kust bekend geworden. In de -Middellandsche Zee treft men hem niet aan, wel een verwante soort (of -verscheidenheid). Tegen het einde van het najaar keert de Makreelgeep -naar de diepten der zee terug en wordt dan tot in den volgenden zomer -niet meer bij de kust waargenomen. Soms worden deze Visschen bij -storm in menigte aan de kust gedreven; ook blijven zij soms bij eb -tusschen de zandbanken achter; zij zitten dan met den langen snuit in -het zand of de slib vast. Wanneer Bruinvisschen, Bonito's of Tonijnen -de dicht opeengedrongen scholen van Makreelgeepen vervolgen, trachten -deze zich niet slechts door sprongen boven het water te redden, maar -schieten zelfs eenige tientallen Meters ver boven de oppervlakte van -het water voort, zonder onder te duiken. Deze beweging, die men met -vliegen vergeleken heeft, levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op, -en is des te opmerkelijker, daar de vinnen dezer Visschen zich niet -door buitengewone grootte onderscheiden. - -Het vleesch van de Makreelgeepen is vet en gelijkt op dat van de -Makreelen. Zij worden daarom door alle visschers gaarne gezien en -ijverig vervolgd. Om deze Visschen te vangen, maakt men van netten -gebruik, daar zij slechts zelden aan een lokaas bijten. - - - -De Vliegende Visschen, die de reiziger in het ruime sop te zien krijgt, -behooren bijna uitsluitend tot het geslacht der Hoogvliegende Visschen -(Exocoetus). Zij onderscheiden zich hoofdzakelijk door de buitengewoon -sterke ontwikkeling hunner vinnen, vooral van de spits toeloopende -borstvinnen, welker lengte ongeveer twee derden en welker breedte -omstreeks een derde van de lichaamslengte bedraagt en die ten opzichte -van den zeer forschen, onder een dikke spierlaag gelegen schoudergordel -een vrijer beweging hebben, dan bij de overige Visschen voorkomt. Door -hun gestalte komen de Hoogvliegende Visschen, wanneer men de vinnen -buiten rekening laat, eenigermate met de Haringen overeen; de naam -Vliegende Haring, die hun soms gegeven wordt, is dus niet slecht -gekozen. Zij hebben echter een meer gedrongen lichaamsbouw, zijn op -den rug en in de borststreek sterker afgerond, hebben een dikken en -stompen snuit, zijn dus over 't geheel genomen plomper van gedaante -en onderscheiden zich ook door de buitengewone grootte der oogen. - -Van de inwendige deelen valt op te merken, dat de zwemblaas kolossaal -groot is, de helft van de lichaamsholte inneemt en dus veel bijdraagt -tot de lichtheid van dezen Visch. Er is reden voor de bewering, -dat deze luchtzak een veel belangrijker rol speelt bij het vliegen -dan bij het zwemmen; proefnemingen hebben geleerd, dat de Visschen, -die dit orgaan bezitten, volstrekt niet beter geschikt zijn om uit -de diepte naar de oppervlakte te stijgen, dan zij, die het missen. - -Tusschen de Vliegende Haringen is de overeenkomst zoo groot, dat -men tot voor betrekkelijk korten tijd er slechts weinige soorten -van onderscheidde. Valenciennes heeft een 30-tal beschreven; latere -onderzoekers hebben eenige nieuwe vormen ontdekt, zoodat het aantal -soorten van dit geslacht thans 44 bedraagt. Alle hebben nagenoeg -dezelfde levenswijze. In ontzaglijke menigte bevolken zij de zeeën -en vooral den Oceaan van de heete luchtstreek en van de aangrenzende -gedeelten der gematigde aardgordels; zij houden zich hier volstrekt -niet uitsluitend langs de kust, maar letterlijk overal op; ver van het -land ontmoet men ze zelfs in grooter aantal dan op korten afstand van -de kust. Zelden dwalen zij naar onze breedten af: aan de Engelsche -kust heeft men twee soorten eenige malen waargenomen. Van hun leven -in 't water, van de wijze waarop zij zwemmen, van hun voortplanting -is tot dusver niets bekend; alle waargenomen feiten hebben strikt -genomen alleen betrekking op hun leven in de lucht, op de beweging -die met vliegen vergeleken wordt en waardoor zij aan hunne vijanden -trachten te ontkomen. - -De boven water verkeerende Vliegende Haringen leveren een zeer -eigenaardig schouwspel op. De reiziger ziet, zoodra hij het door -deze Visschen bewoonde gebied bereikt, het schip aan alle zijden -door hen omringd; zoo ver het oog reikt, ziet hij ze voortdurend in -meer of minder groot aantal boven het water opstijgen en er weer in -afdalen. A. von Humboldt zegt, dat men hun beweging zeer goed kan -vergelijken met die van een over het water scheerenden platten steen, -die, neervallend en weer teruggekaatst, een paar meter hoog boven de -golven voortschiet. De Vliegende Haringen springen n.l. in den regel, -zoolang er geen bijzondere reden voor een hoogeren sprong bestaat, -slechts 1.5 à 2 M. hoog boven den waterspiegel op; ook bewegen zij -zich niet ver ineens, maar vallen spoedig weer neer; de eene Visch -volgt echter zoo schielijk op den anderen, dat oogenschijnlijk de -eerste telkens slechts even met het water in aanraking komt, zich een -nieuwen stoot geeft en een tweeden sprong doet, hoewel in werkelijkheid -het eene exemplaar over het andere heenspringt. Niet zelden komt het -voor, dat een talrijke school van honderden of duizenden Visschen -zich gelijktijdig boven het water verheft. Dan merkt men op, dat -steeds een groot aantal van de naar boven gestegen exemplaren na een -korten sprong in het water terugvallen, terwijl de overige hun weg -vervolgen en eerst op veel grooteren afstand van hun uitgangspunt -weer met de golven in aanraking komen. De op deze wijze gevolgde baan -kan zeer verschillend zijn. In gewone omstandigheden verheffen de -Vliegende Visschen zich ongeveer één meter boven den zeespiegel; over -de toppen der golven heenglijdend, vallen zij in het water terug na het -afleggen van een korten weg; groote exemplaren kunnen door buitengewone -krachtsinspanning bij uitzondering een hoogte van 4 of 5 M., misschien -wel van 6 M. bereiken, om daarna langs een zwak gebogen lijn naar een -punt dat 100 à 150 M. verder gelegen is, in zeldzame gevallen misschien -tweemaal zoo ver, voort te schieten. Voor den wind af, in den wind op -en bij windstilte beschrijven zij gewoonlijk een rechtlijnigen weg, bij -zijwind heeft altijd een afwijking in zijdelingsche richting plaats. - -"De Hoogvliegende Visschen," zegt Alexander von Humboldt, "brengen -een groot deel van hun leven in de lucht door; dit maakt hun ellendig -bestaan echter niet gemakkelijker. Wanneer zij de zee verlaten om -aan de vraatzucht der Goudmakreelen te ontkomen, ontmoeten zij in -de lucht Fregatvogels, Albatrossen en andere Zeevogels, die hen in -de vlucht vangen."--"Het vliegen," zegt Baron Von Kittlitz, "schijnt -het laatste redmiddel te zijn, waarvan deze Visschen gebruik maken -om te ontkomen aan hunne vijanden, die men aanhoudend boven het -water ziet opspringen om hen te vangen. Niet minder opmerkelijk dan -het aantal der Vliegende Haringen is de ijver, die de roofvisschen -toonen bij het vervolgen van deze prooi. Wel moeten deze dieren zich -buitengewoon sterk vermenigvuldigen, om bij zulk een felle vervolging -nog zoo talrijk te zijn." - -Möbius vat al hetgeen werkelijk van de bewegingen der Vliegende -Visschen waargenomen werd, in de volgende beschrijving samen: "Zonder -te letten op de richting van den wind en den loop der golven verlaten -de Vliegende Visschen met groote snelheid het water. Gedurende het -zweven maken zij geen geregelde fladderende bewegingen met hunne -borst- en buikvinnen, maar spannen deze eenvoudig uit. De uitgebreide -borstvinnen kunnen zeer snelle trillingen vertoonen. Terwijl de -Visschen zweven, is het achterste deel van 't lichaam iets lager -geplaatst dan het voorste. Tegen den wind op vliegen zij gewoonlijk -verder dan voor den wind af, of als hun baan en de windrichting een -hoek vormen. De meeste Vliegende Visschen, die in den wind op of -voor den wind af zweven, behouden gedurende hun geheele vluchtbaan de -richting, die zij bij het opstijgen uit het water hadden; bij zijwind -ondergaat hun oorspronkelijke baan een wijziging, totdat zijn richting -gelijk is aan die van den wind. Over dag komt het zelden voor, dat -Vliegende Visschen op een schip neervallen, meestal geschiedt dit 's -nachts en nooit bij windstilte. Het meest vallen zij neer op schepen, -die niet hooger dan 2 à 3 M. boven het water liggen, terwijl deze voor -den wind of met halven wind zeilen en een goede vaart maken. Nooit -komen de Vliegende Visschen van de lijzijde, steeds van de windzijde -aan boord. Niet zelden beschrijven zij, zoodra hun staartvin in het -water doordringt, in het horizontale vlak van hun baan een boog naar -links of naar rechts. Bij winderig weer en onstuimige zee verschijnen -zij veelvuldiger boven het water dan bij stilte. Voor schepen, die -door de zwemmende scholen heen varen, vluchten de Vliegende Visschen -evenzeer in de lucht als voor roofvisschen en Cetaceën. - -A. Seitz, die de Vliegende Visschen in alle zeeën en dus waarschijnlijk -alle soorten opmerkzaam heeft nagegaan, is voor weinige jaren weder -opgetreden als verdediger van de stelling, dat deze Visschen niet -slechts zweven maar gedurende een deel van hun baan ook werkelijk -fladderen. Door de werking hunner zijdespieren verheffen zij zich -boven het water en ondersteunen dezen sprong door een buitengewoon -vlugge, fladderende beweging, waarvan de slagwijdte op het hoogste -punt van de baan 10 à 12 cM. kan bedragen. Vervolgens worden de -borstvinnen in horizontale richting uitgebreid, of, vaker nog, -een weinig naar boven gericht; het neerdalende gedeelte van de -buitengewoon lang uitgerekte boogvormige baan wordt op deze wijze -zonder eenige regelmatige beweging afgelegd. Het fladderen wordt -hervat, zoodra de Visch opnieuw gaat stijgen. Ook Pechuel-Loesche -heeft telkens als hij, hetzij van 't schip of van de boot of van -'t land op de Vliegende Visschen lette, steeds den indruk gekregen, -dat deze dieren, terwijl zij uit het water oprijzen en als zij er -toevallig mede in aanraking komen, zich duidelijk fladderend bewegen -op de door Seitz beschreven wijze. Toch is en blijft dit "vliegen" -niets anders dan een kunstmatig verlengde sprong en komt eenigermate -overeen met het omhoogstijgen van de Sprinkhanen op de weide. Het -meer of minder duidelijke trillen der vinnen, dat door sommigen aan -de drukking van de lucht, door anderen aan de werking van den op het -water rustende staart wordt toegeschreven, heeft plaats, terwijl de -dieren zwevend een groot deel van hun baan afleggen, maar kan niet -met het eigenlijke fladderen op een lijn gesteld worden. - -De Hoogvliegende Visschen worden overal, ongetwijfeld op goeden grond, -als een uitmuntend gerecht beschouwd; daar zij in sommige tijden en -op bepaalde plaatsen in verbazend groot aantal voorkomen, houden soms -vele visschers in booten zich met de vangst van deze Visschen bezig. - - - -De meest bekende soort van deze familie is de Zwaluwvisch (Exocoetus -volitans), die in de Middellandsche Zee aangetroffen wordt. Hij is -ongeveer 30 cM. lang. De bovendeelen zijn hemelsblauw, de onderdeelen -zilverwit; het vlies van de borstvinnen heeft een fraaie, doorschijnend -blauwe kleur. - - - -De familie der Snoeken (Esocidae) omvat een tiental soorten van -geschubde zoetwatervisschen, zonder vetvin, met klierachtig gezwollen -valsche kieuwen; de bovenrand van de mondspleet wordt in 't midden door -de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door de bovenkaaksbeenderen -gesteund. - - - -Bijna alle leden der familie behooren tot hetzelfde geslacht en -gelijken in levenswijze op onzen Snoek (Esox lucius), den meest -gevreesden roover van de Europeesche meren en rivieren, die te recht -door Antonides "Vijverwolf", door Lacépède de "Haai van het zoetwater" -wordt genoemd. Bij de leden van dit geslacht zijn niet slechts -de tusschen- en onderkaaksbeenderen, maar ook de ploegschaar-, -gehemelte- en keelbeenderen en zelfs de tong met tanden bezet; -alleen de bovenkaaksbeenderen zijn tandeloos; op de tusschenkaak -zijn zij klein, op de onderkaak lang; groote hekeltanden bedekken -het gehemelte. De kleine, cycloïde schubben zijn stevig in de huid -bevestigd, de valsche kieuwen uitwendig niet zichtbaar, de buikvinnen -op het midden van den buik, de rugvin en de aarsvin aan het einde van -'t lichaam op korten afstand van de zeer groote, gegaffelde staartvin -aangehecht. Zeer kenmerkend voor den Snoek zijn voorts de van boven -naar onderen afgeplatte kop, de breede, snavelvormige snuit en de -groote mondspleet. De kleur en de teekening van de bovengenoemde -inheemsche soort, den eenigen Europeeschen vertegenwoordiger van zijn -geslacht, loopen zeer uiteen: het eenige wat er in 't algemeen van -gezegd kan worden, is, dat de bovendeelen zwartachtig, de zijden grijs -en de onderdeelen wit zijn; de rug is min of meer effen van kleur; -de zijden zijn gemarmerd of met dwarse vlekken geteekend; de buik is -zwart gestippeld. De parige vinnen hebben een roodachtige, de rugvin -en de aarsvin een bruinachtige tint; de staartvin vertoont aan haar -bovenrand gewoonlijk zwarte vlekken. In het eerste levensjaar hebben -groenachtige tinten de overhand. Wat lengte betreft, staat de Snoek -bij geen der Zalmvisschen achter; alleen de Gewone Zalm en de Donauzalm -kunnen misschien soms iets zwaarder worden. Men heeft Snoeken gevangen -van 2 M. lengte en 35 KG. gewicht; exemplaren van 1.3 M. lengte en -25 KG. gewicht behooren echter reeds tot de uitzonderingen; bij ons -zijn Snoeken van meer dan 20 KG. reeds zeer schaarsch. De grootste -Snoeken treft men tegenwoordig in Zuid-Rusland, vooral in den Wolga, -aan; er zijn niet zelden exemplaren van 15 à 20 KG. bij. - -De Snoek bewoont nagenoeg alle Europeesche binnenwateren en ook -Azië en Amerika, voor zoover deze werelddeelen met het onze in -klimaat overeenkomen; naar men zegt, ontbreekt hij in Spanje, en -op IJsland. In de Alpen ontmoet men hem nog op een hoogte van 1500 -M., in de gebergten van Zuid-Europa vermoedelijk op nog grootere -hoogte. Zeldzaam is hij nergens, in de meeste gewesten veeleer talrijk; -waarschijnlijk is echter geen enkel water zoo talrijk aan Snoeken als -de Ob en zijne bijrivieren, waar alle voor het gedijen dezer Visschen -gunstige omstandigheden vereenigd voorkomen. De Snoek weet zich -echter te schikken naar de plaatselijke gesteldheid en schijnt zich -in ondiepe moerassen even goed op zijn plaats te gevoelen als in een -diep meer met helder water. In ons land is hij een zeer gewone Visch, -die nog in de kleinste slooten aangetroffen wordt, onverschillig of -hun bodem uit veen, modder of zand bestaat, hetzij het water zoet -is of halfbrak; een enkele maal heeft men hem zelfs bij 't visschen -met den ankerkuil bij den Moerdijk gevangen (Hoek). Onze visschers -onderscheiden "Smalbekken" en "Breedbekken"; volgens sommigen moet -dit verschil aan den leeftijd toegeschreven worden, volgens anderen -heeft men hier met standvastige variëteiten te doen. Merkwaardig -zijn de kracht en behendigheid, die de Snoek bij 't zwemmen toont en -de groote scherpte van zijne zintuigen, welke eigenschappen hem in -staat stellen als een geweldigen roover op te treden. Voortgestuwd -door een krachtig roeiorgaan, aan welks vorming alle onparige vinnen -deelnemen, schiet hij als een pijl uit den boog door 't water, kijkt -intusschen opmerkzaam in alle richtingen en overvalt zijn buit met -een zelden falende zekerheid van beweging. Bij zonnig weer "staat" -hij dikwijls geruimen tijd achtereen, d. i. blijft onbeweeglijk -op dezelfde plaats loeren. Hij is vraatzuchtiger dan eenige andere -zoetwatervisch; geen buit is hem te gering. Hij verslindt Visschen -van allerlei slag, ook leden van zijn eigen soort, bovendien alle -Vorschen, Vogels en Zoogdieren, die hij met zijn wijd gapenden muil -kan omvatten. In Engeland heeft men hem den kop van een slobberenden -Zwaan zien vastgrijpen; hij liet dit lichaamsdeel niet los, ondanks het -geweldig tegenspartelen van den grooten, krachtigen Vogel, die er het -leven bij inschoot. Hij aanvaardt den strijd met den Vischotter, hapt -naar de hand of den voet van de in 't water staande of zich wasschende -vrouw en valt, door gulzigheid verblind, zelfs op groote Zoogdieren -aan. Jonge Ganzen, Eenden, Waterhoenderen heeft men dikwijls in zijn -maag gevonden, ook Slangen, nooit echter Padden. Visschen met stekelige -rugvin, zooals de Baars, slikt hij niet dadelijk door, maar houdt -ze tusschen de tanden, totdat zij dood zijn; den in zijn nabijheid -zwemmenden Stekelbaars daarentegen laat hij ongemoeid en waagt het -niet hem aan te vallen. Voor deze voorzichtigheid bestaat een goede -reden, gelijk o.a. blijkt uit een door Van den Ende medegedeeld geval: -"Langs het water wandelend, dat mijn huis omgeeft, zagen wij een dood -vischje aan den kant liggen. Bij nader onderzoek bleek het een Snoek -te zijn van ongeveer een vinger lang; het had in den bek een jong -Stekelbaarsje (Gasterosteus aculeatus), waarvan alleen de staart nog -zichtbaar was. De twee stekels van de buikvinnen van den Stekelbaars -waren den roover gedurende het verslinden van den buit in en door -het kieuwdekselvlies gedrongen. Bovendien had het slachtoffer de 3 -rugstekels opgericht, zoodat deze vastzaten in het gehemelte van den -Snoek, die nu zijn prooi evenmin doorslikken als weer uitspuwen kon -en in de onmogelijkheid verkeerde om adem te halen. Uit den gaven -toestand, waarin de Stekelbaars verkeerde, bleek, dat de Snoek kort -na den mislukten aanslag gestorven was." - -Als men een Snoek gevangen houdt en zijn nooit verminderenden -honger tracht te stillen, kan men zich een denkbeeld vormen van de -ontzaglijke hoeveelheid voedsel, die deze Visch verbruikt. "Acht -Snoeken," verhaalt Jesse, "die ieder 2 KG. zwaar waren, verslonden -binnen 3 weken ongeveer 800 Grondels en waren werkelijk niet te -verzadigen. Op een morgen wierp ik een van hen achtereenvolgens 5 -gewone Voorns van ongeveer 10 cM. lengte toe. Hij verzwolg er 4 van, -greep toen den vijfden, hield dezen eenigen tijd in den bek en liet -hem daarna eveneens door het keelgat glijden." Het is dan ook niet te -verwonderen, dat deze vraatzuchtige dieren buitengewoon snel groeien, -reeds in 't eerste jaar 1, in 't volgende 2 en bij rijkelijke voeding -zelfs 4 of 5 KG. zwaar kunnen worden. - -Het kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente, -dikwijls reeds in het begin van Maart, maar wordt soms uitgesteld -tot in Mei. In een wijfje van 4 KG. vond men ongeveer 150000 -eieren. Deze worden op ondiepe, met riet en andere waterplanten -begroeide plaatsen in het water gelegd en reeds na weinige dagen door -de jongen verlaten. Deze vinden voor een groot deel hun graf in de -maag van oudere Snoeken; niet veel geringer is waarschijnlijk het -aantal jongen, die als voedsel voor hunne broers en zusters dienen; -deze groeien des te sneller, naarmate zij beter in de gelegenheid -zijn hun honger te stillen. Naar men zegt, kunnen zij een zeer hoogen -ouderdom bereiken. Zeer oude en zware exemplaren worden in Zuid-Holland -Mossnoeken genoemd. - -De Romeinen der oudheid stelden geen hoogen prijs op het vleesch van -den Snoek. Later begon men er anders over te denken; eeuwen lang werd -in Engeland althans het vleesch van den Snoek als beter beschouwd -dan dat van den Zalm. Ook thans nog wordt een goed toebereide Snoek -in eere gehouden; men maakt voortdurend jacht op dezen roofvisch, -niet alleen wegens de schade, die hij aanricht, maar ook wegens -zijn vleesch. Voor plaatsen, waar veel Snoek voorkomt, zooals langs -den Oder, de Spree, den Havel en bij de Duitsche Oostzeekusten vormt -gezouten Snoek een niet onbelangrijk handelsartikel. Hij wordt behalve -in netten en fuiken, ook gevangen in een strik van koperdraad, die -hem gedurende het "staan" voorzichtig om het lichaam wordt geschoven -en vervolgens dicht getrokken, voorts met den hengel, zeer dikwijls -ook met de zoogenaamde zetlijn of fleur. In Zwitserland is men gewoon -de Snoeken gedurende den rijtijd te schieten. Ook worden zij wel des -nachts bij fakkellicht geharpoeneerd. Men kan de Snoeken zeer goed -en met voordeel in vijvers fokken, mits er voor gezorgd worde, dat -zij geen slachting onder duurdere Visschen aanrichten en steeds over -een voldoenden voorraad van voor ons waardelooze Visschen beschikken -kunnen. Zij gedijen zoowel in hard (veel kalkzouten bevattend) als in -zacht (zuiverder) water; maar mogen er niet gedurende den rijtijd in -gebracht worden, omdat zij dan licht ziek worden en sterven. Zooals -reeds gezegd werd, houdt men ze in karpervijvers om de trage Karpers -tot beweging te nopen; men kan hiervoor echter geen andere dan kleine -Snoeken gebruiken, die geen kwaad kunnen doen, en moet ze bij 't -leegvisschen van den vijver zorgvuldig opzoeken en verwijderen. - - - -De Borstplooivisschen (Sternoptychidae) zijn merkwaardig door het -bezit van fosforesceerende (licht voortbrengende) organen aan de -buikzijde van het lichaam. Hierdoor zijn deze kleine of middelmatig -groote zeebewoners geschikt om in de duisternis te leven. De bedoelde -organen worden vooral gevonden bij dieren, die verblijf houden op de -ontzaglijk groote diepten, waar geen lichtstraal doordringt. Dat -verscheidene Borstplooivisschen niet voortdurend in de diepte -vertoeven, maar althans 's nachts aan de oppervlakte verkeeren, -blijkt uit de vangst van verscheidene vertegenwoordigers dezer -groep met het plankton-net (waardoor de bovenste waterlaag wordt -afgevischt). Een daarvan is de Fosforvisch (Photichthys argenteus), -die in de Cooks-straat bij Nieuw-Zeeland aangetroffen werd. - - - -Op zeer groote diepten leven de Stekelbekvisschen (Stomiatidae), -die zich onderscheiden door een voeldraad aan het tongbeen en een -zeer sterk ontwikkeld gebit. Evenals bij de leden der vorige familie, -vindt men bij den Gebaarden Egelbek (Echiostoma barbatum) een groot -aantal licht voortbrengende organen. - - - -De Zalmvisschen (Salmonidae) mag men de edelste leden van de orde der -Luchtbuisvisschen noemen. Zij hebben een ongeschubden kop, een met -schubben bekleeden, langwerpigen, afgeronden romp en een niet door -stralen gesteunde vin (vetvin) achter de rugvin; de kieuwspleet is -groot, strekt zich uit tot aan de keel; de bek, welks bovenrand in 't -midden door de tusschenkaaks- en verderop door de bovenkaaksbeenderen -gesteund wordt, is op zeer verschillende wijze gewapend; aan het -gehemelte komen steeds kamvormige "valsche" kieuwen voor. - -Naar het gebit worden de Zalmvisschen in twee scherp begrensde groepen -verdeeld: die, welker kleine bek tandeloos of althans geen andere dan -gebrekkige, spoedig uitvallende tanden draagt en die, welke een goed -ontwikkeld tandenstelsel bezitten. De eerstgenoemde herinneren aan -de Karpers en de Haringen, de overige, die de kern van de familie -uitmaken, zijn echte roovers. Tusschen het maaksel van 't gebit en -de bedekking van het lichaam bestaat in zooverre verband, dat bij -de leden der eerste groep de schubben gewoonlijk groot, bij die der -tweede in den regel klein zijn; van dit onderscheidend kenmerk maken -de visschers gebruik bij de bepaling van de waarde der voor voedsel -dienende Zalmvisschen. De kleur varieert bij leden van dezelfde soort -niet slechts met den leeftijd, maar wijzigt zich ook bij den aanvang -en bij het einde van de voortplantingsperiode. - -Van de inwendige organen verdienen vooral de eierstokken vermelding. De -eieren ontwikkelen zich n.l. niet in gesloten zakken, zooals bij de -meeste overige Visschen, maar op huidplooien, die aan de binnenste -oppervlakte van den wand der buikholte uitpuilen. Deze inrichting is -voor den zalmkweeker van groot belang, daar zij hem het verkrijgen van -eieren door het uitoefenen van een zachte drukking op den lichaamswand -van den rijpen kuiter gemakkelijk maakt; hierdoor zijn de Zalmen zoo -bijzonder geschikt voor de kunstmatige vischteelt. - -Met uitzondering van zes geslachten, waarvan 5 den Oceaan bewonen -en één de binnenwateren van Nieuw-Zeeland bevolkt, behooren de -Zalmvisschen uitsluitend op het noordelijk halfrond thuis. Zij -leven in zee en ook in zoet water, voor zoo ver dit zuiver is, -en komen in noordelijke gewesten in grooter aantal voor dan in -zuidelijke. In aanzienlijke hoeveelheid vindt men ze in de IJszee; -buitengewoon talrijk zijn zij vooral in het noordelijke deel van den -Stillen Oceaan, minder talrijk in de Noordzee en de Oostzee en in het -noordelijkste deel van den Atlantischen Oceaan. Enkele leden van deze -familie schijnen slechts een beperkten verbreidingskring te hebben; -zelfs worden sommige soorten (b.v. Salmo lacustris) uitsluitend in -één of in eenige weinige, dicht bijeen gelegen meren aangetroffen; -zij worden dan echter in andere meren vervangen door verwanten, -waarvan ook nu nog niet met zekerheid kan worden beslist, of zij -niet met de reeds genoemde tot één soort behooren en op geen hoogeren -rang dan dien van variëteiten aanspraak kunnen maken. Zoodra de tijd -van kuitschieten nadert, zwemmen alle Zalmvisschen de stroomen, -rivieren en beken op, ten einde zich voort te planten in hoogerop -gelegen gedeelten van het door hen bewoonde water; om eieren te -leggen keert iedere Visch terug naar de rivier of althans naar het -stroomgebied, waarin hij geboren werd. De Zalmvisschen worden door -zulk een machtigen aandrift tot trekken voortgedreven, dat zij bij 't -opzwemmen van de rivier voor geen hindernissen afdeinzen en zich zelfs -aan levensgevaar blootstellen om die, welke werkelijk onoverkomelijk -zijn, te overwinnen. Alle Zalmvisschen, die de rivieren opzwemmen, -schieten kuit in een vooraf door hen gevormden, ondiepen kuil in 't -zand of 't grint en weten de hiervoor geschikte plaats op schrandere -wijze uit te kiezen. Andere leden dezer familie verlaten gedurende -den rijtijd slechts bij uitzondering de door hen bewoonde meren (in -welk geval zij de rivieren opzwemmen, die in het meer uitmonden), -maar zoeken in den regel ondiepe gedeelten van den oever van het -meer op om er eieren te leggen. Andere eindelijk vertoonen zich -gedurende den voortplantingstijd in verbazend grooten getale aan de -oppervlakte van het water, zonder zich er om te bekommeren, of de -diepte beneden hen weinige cM. of vele Meters bedraagt; terwijl zij -hier dicht opeendringen, en vaak hoog boven het water uitspringen, -worden de kuit en de hom uitgeworpen, die over een grooten afstand -het water troebel maken. - -De Zalmvisschen met zwak gebit voeden zich meer op de wijze der Karpers -dan op die der roofvisschen, d. w. z., zij gebruiken allerlei soorten -van lagere dieren, Slakken, Mossels, enz., en ook wel plantaardige -stoffen. Hunne met een krachtig gebit gewapende verwanten daarentegen -zijn alleen in hun prille jeugd met Weekdieren, Wormen, Insecten en -larven tevreden en maken op lateren leeftijd jacht op alle andere -Visschen, waartegen zij opgewassen zijn. - -De beteekenis van de Zalmen voor de huishouding van den mensch is zeer -groot. Wat de bruikbaarheid van hun vleesch betreft, behoeven zij bij -geen enkelen Visch achter te staan. Hun vleesch is vrij van graten, -smakelijk en licht verteerbaar, zoodat het zelfs als ziekenkost kan -dienen. Ongelukkig behoort het in ons vaderland, dat betrekkelijk -zeer arm aan zoetwatervisschen geworden is, tot de zeldzame -lekkernijen. Ditzelfde geldt voor de meeste gewesten van Duitschland, -althans voor die, welke niet in de onmiddellijke nabijheid van rivieren -of bergstroomen en bergmeren gelegen zijn. Reeds in Skandinavië, -Rusland en Siberië daarentegen maakt het een belangrijk deel uit van -de voeding der bevolking. Het speelt zelfs een hoofdrol op den disch -van de bewoners der kustlanden van de Stille Zuidzee en van de IJszee, -welker voornaamste bezigheid in het vangen van Zalmvisschen bestaat. - -De klachten over de verarming onzer vischwateren hebben hoofdzakelijk -betrekking op de vermindering van het aantal leden der Zalmenfamilie, -die zich van jaar tot jaar duidelijker doet gevoelen en ondanks -alle hiertegen genomen maatregelen slechts moeielijk te verhelpen -is. Berichten uit vroegere eeuwen leeren, dat eertijds de vischrijkdom -van ons zoetwater te groot was om er naar behooren partij van te -trekken; bovendien gewagen deze mededeelingen van nog vroegere tijden, -waarin het aantal Visschen nog grooter moet zijn geweest. Reeds -eeuwen geleden werden wetten uitgevaardigd tot bescherming van deze -belangrijke Visschen, die gemakkelijker dan alle overige uit de -binnenwateren, althans uit sommige rivieren weggevangen en verjaagd -konden worden. Nog beter blijkt echter de overvloed, waarover men -destijds beschikte, uit bepalingen, die noodig werden geacht tot -bescherming van hen, die de Visschen moesten eten, vooral van de -bedienden der oeverbewoners en eigenaars van vischwateren, die vaker -dan hun lief was met de thans zoo hooggeschatte Visschen hun maal -moesten doen. De verordeningen in het belang van de Visschen hebben -niet den gunstigen invloed gehad, dien men er van verwachtte. Eerst -in den laatsten tijd is de toestand aanmerkelijk verbeterd, deels door -wettelijke bepalingen, deels doordat ijverige mannen en vereenigingen -voor een geregelde exploitatie van de vischwateren zorg gedragen -hebben en zich vele opofferingen getroostten om den verminderden schat -langzamerhand weder te doen aangroeien. Voor deze bemoeiingen was -en is het van 't grootste belang, dat men de kunstmatige vischteelt -heeft leeren uitoefenen, waardoor het mogelijk geworden is stroomende -en stilstaande wateren weder met visch te voorzien. Welke uitkomsten -men op deze wijze bereiken kan, valt af te leiden uit het welslagen -van de proefneming om bevruchte eieren van verschillende soorten van -Zalmen te verzenden naar werelddeelen, waar geen Zalmen voorkomen -(o.a. Australië) en de Visschen, die uit deze eieren geboren worden, -in verschillende gewesten te acclimatiseeren, zelfs in zulke, die -in belangrijke opzichten afwijken van het oorspronkelijke woongebied -der soort. Ook in dit opzicht is dus vooruitgang waar te nemen. - - - -De soorten, die in het geslacht der Zalmen (Salmo) samengevat worden, -hebben den edelsten vorm, waarin men zich den Visch kan denken; zij -zijn met kleine schubben bekleed; hun tot onder het oog gespleten -muil is gewapend met een goed ontwikkeld gebit, samengesteld uit -kegelvormige tanden, die over tusschen- en onderkaaks-, gehemelte- -en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn en zelfs de tong bedekken. De -vleugelbeenderen zijn tandeloos. De aarsvin is kort. - -Het bepalen van de soort en het nagaan van haar levenswijze levert -bij geen andere groep van Visschen zooveel moeielijkheden op als -bij de Zalmen. Sekse en leeftijd, verblijfplaats en voedingswijze, -geslachtsdrift en ziekte hebben op de eigenaardigheden dezer Visschen -een buitengewoon grooten invloed; hun neiging om gemeenschappelijk met -andere soorten kuit te schieten, de geschiktheid tot het vormen van -hybriden, die misschien (om niet te zeggen waarschijnlijk) onderling -of met een der stamsoorten vruchtbaar zijn, geven ook in hooge mate -aanleiding tot het ontstaan van vormen, voor welker rangschikking een -zeer volledige zaakkennis vereischt wordt. Om deze redenen heerscht -nog tegenwoordig onder deskundigen en leeken, natuuronderzoekers -en visschers een groote spraakverwarring met betrekking tot de -Zalmsoorten, ondanks den grooten overvloed van berichten, die over -dit onderwerp gepubliceerd zijn. De kleur en de teekening van sommige -lichaamsdeelen, zelfs hun vorm (die, naar men zou denken, bij leden -van dezelfde soort niet aan verandering onderhevig is), vertoonen in -verband met sekse, leeftijd, seizoen, verblijfplaats en voedingswijze -aanmerkelijke afwijkingen; de verhoudingen tusschen de verschillende -lichaamsdeelen zijn evenmin standvastig als de grootte en het gewicht. - - - -De Zalm (Salmo salar), het beroemdste lid van het naar hem genoemde -geslacht is kenbaar aan den zeer langwerpigen, zijdelings meer -of minder samengedrukten romp, den naar verhouding zeer kleinen -kop met slanken, ver vooruitstekenden snuit en den vorm van -het ploegschaarbeen, dat uit een tandelooze, korte, vijfhoekige -plaat en een steel met één rij van vroegtijdig uitvallende tanden -samengesteld is. Op den rug is hij blauwachtig grijs, op de zijden -glanzig zilverwit, op de onderdeelen wit en glinsterend; de teekening -van den geslachtsrijpen Visch bestaat uit een klein aantal zwarte -vlekken. De rugvin, vetvin en staartvin zijn donkergrijs, de overige -vinnen bleek van kleur; zelden ziet men op de rugvin enkele zwarte -vlekken. Bij de oude mannetjes is de onderkaak in den rijtijd soms -een weinig langer en haakvormig naar boven gekromd. Vandaar de naam -"haken", dien deze dieren bij onze visschers dragen, terwijl de rijpe -wijfjes "geepen" heeten. De Zalm kan 1.5 M. lang en 45 KG. zwaar -worden; exemplaren van deze grootte vindt men tegenwoordig nergens -anders dan in stroomen van Noord-Rusland; in de overige Europeesche -wateren laat men deze dieren den tijd niet zich tot zulke reuzen -te ontwikkelen. Bij ons wordt een Zalm van 1 M. lengte en 15 of 16 -KG. gewicht reeds voor zeer groot gehouden. - -De Zalm heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij houdt -zich langer in het zoetwater op dan in de zee, brengt in de rivieren -den eersten tijd van zijn leven door en begeeft zich vervolgens -ieder jaar uit de zee naar een rivier, die hij zoo ver mogelijk -opzwemt. Men vindt hem in de zeeën van den kouden en een deel van -den gematigden aardgordel van het geheele noordelijke halfrond. In -het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem bij -Amerika nog iets zuidelijker dan de kust van New-York, bij Europa -tot aan de noordkust van Spanje. Voorts bewoont hij de Noordzee en de -Oostzee. In de Middellandsche Zee en de hierin uitmondende stroomen -komt hij niet voor, evenmin in de Kaspische Zee en de Zwarte Zee. De -Europeesche rivieren bezoekt hij tot op 43, de Amerikaansche tot op -41° N.B. Gedurende het grootste deel van den winter en het begin -van het voorjaar ontmoet men hem aan onze kusten; in den overigen -tijd tot laat in het najaar is hij meer of minder talrijk in onze -rivieren. In Duitschland bezoekt hij hoofdzakelijk den Rijn en zijne -bijrivieren, den Oder en den Weichsel, maar ook den Wezer en de -Elbe. Bij het trekken verschijnt hij in alle belangrijke bijrivieren -van de genoemde stroomen, tenzij versperringen of watervallen hem -hier den weg afsnijden. Veelvuldiger dan in Duitschland treft men -hem aan in de rivieren van Groot-Brittannië, Rusland, Skandinavië, -IJsland, Groenland en Noord-Amerika, zeldzamer in die van het westen -van Frankrijk en het noorden van Spanje. In Groot-Brittannië, waar -de Zalmen vroeger zoo overvloedig waren, dat aan hun vleesch weinig -waarde werd gehecht, is hun aantal door de onophoudelijke vervolging -zoozeer verminderd, dat er zelfs voor de toekomst van de belangrijke -visscherijen in de Schotsche rivieren (de Tay, de Tweed, de Spey en -de Esk) reden van bezorgdheid bestaat en men strenge bepalingen tot -beperking van de zalmvangst noodig heeft geacht. In Skandinavië, -zoowel als op IJsland en Groenland is de Zalm ook thans nog een -van de algemeenste riviervisschen. In Frankrijk bezoekt hij alle -rivieren en stroomen, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. In -Spanje treft men hem nog veelvuldig aan in alle wateren die zich in -de Golf van Biscaye storten; hij ontbreekt echter in de rivieren, -die door Portugal zich naar de zee begeven, of wordt er slechts door -enkele exemplaren vertegenwoordigd. - -Van de levenswijze der Zalmen gedurende hun verblijf in de zee -kan nog niets met volkomen zekerheid gezegd worden, hoeveel moeite -men zich ook heeft gegeven om met de zeden en gewoonten van dezen -allerbelangrijksten zoetwatervisch goed bekend te worden. In de -duizenden "trawls" en andere vischnetten, die voortdurend de Noordzee -doorkruisen, den zeebodem als 't ware doorploegend, wordt nooit een -Zalm gevonden. Het is echter zoo goed als zeker, dat deze Visch zich -nooit ver verwijdert van de rivier, in welks bovenloop hij het eerste -levenslicht aanschouwde, althans volstrekt niet, zooals men vroeger -meende, reizen naar de noordpool onderneemt; hoogstens begeeft hij zich -van den mond der rivier naar de naastbij gelegene, diepe gedeelten der -zee en mest zich hier vet, neemt in gewicht toe op een wijze, waarvan -zelfs onder de Visschen geen tweede voorbeeld bekend is. Volgens de -berichten van Zweedsche onderzoekers houdt hij zich gedurende zijn -verblijf in de zee bezig met de vangst van allerlei Schaaldieren en -verschillende soorten van Visschen; vermoedelijk komen dan ook nog -wel andere gerechten op zijn spijskaart voor. Geheel anders gedraagt -hij zich in het zoetwater, waar men hem iets beter heeft kunnen -nagaan. Over 't algemeen verschilt het leven, dat hij hier leidt, -weinig van dat zijner verwanten, althans van dat der beide groote -soorten van Forellen, waarmede hij ook in lichamelijk opzicht veel -overeenkomst vertoont. - -In alle maanden van 't jaar komen Zalmen uit de zee onze rivieren -binnenvallen om stroomopwaarts te zwemmen; in den zomer is hun aantal -echter grooter dan in eenig ander seizoen. Zij naderen bij troepen -van 30 of 40 stuks de kust en den mond der rivier: als 't ware -om aan 't zoetwater te gewennen, vertoeven zij hier eenigen tijd, -bij vloed den stroom opzwemmend en bij eb naar zee terugkeerend, -totdat eindelijk de reis voor goed een aanvang neemt. Naar men -beweert, bevordert een aanlandige wind (een zoogenaamde "zalmwind") -den overgang uit de zee in de rivier; ook schrijft men aan de -weersgesteldheid en aan het verschil in temperatuur van het zeewater -en van het rivierwater een vertragenden invloed toe op den aanvang -van den tocht. De Zalmen, die sinds kort de zee verlieten en de -stroomopwaarts reizende exemplaren in 't algemeen zijn met tamelijk -groote zekerheid kenbaar aan hun zilverwitte kleur en aan de niet zeer -stevige vasthechting der schubben aan de huid. De reizigers schikken -zich bij 't zwemmen in een bepaalde orde, vormen twee reeksen, die -van voren onder een scherpen hoek ineenvloeien; een oude, krachtige -Visch treedt als aanvoerder op en wordt door de overige leden van -het gezelschap op meer of minder grooten afstand gevolgd. Naar den -aard van de Zalmen, die bij ons binnenvallen, onderscheidt men in -het jaar twee perioden. In het eerste, dat van November tot Mei -duurt, houden onze zalmvisschers zich met de vangst van de meer -dan 10 KG. zware "Winterzalmen" bezig; bij hen is de ontwikkeling -der voorttelingsorganen nog niet ver voortgeschreden, des te verder -echter naarmate het opzwemmen van de rivier later plaats vindt. De -zoogenaamde "Kleine Zomerzalmen" zijn hoogstens 7 1/2 KG. zwaar. Zij -beginnen soms reeds in den aanvang, soms eerst in 't einde van Mei ons -voorbij te trekken. Met de laatste Winterzalmen komen zij overeen, -wat het ontwikkelingsstadium van de hom en de kuit betreft; ook zij -zijn des te rijper, naarmate zij later de zee verlaten. In den regel -hebben onder hen aanvankelijk de hommers de overhand. Gemiddeld tegen -het einde van Juni komen met de Kleine Zomerzalmen nog kleinere, -2 KG. zware Zalmpjes de rivier opzwemmen. Niet slechts het aantal, -maar ook de zwaarte van de later verschijnende exemplaren wordt -al grooter en grooter; de laatsten hebben een gewicht van ongeveer -3 1/2 KG. Zij zijn gewoonlijk het talrijkst omstreeks St. Jacobus -(25 Juli) en heeten daarom "Jacobzalmen" of "Jacobjes". Verreweg -de meeste zijn van 't mannelijke geslacht; ook bij hen verkeeren de -voortplantingsorganen op een des te hoogeren trap van ontwikkeling -naarmate het seizoen verder gevorderd is. De "Groote Zomerzalmen", -die reeds in zee nagenoeg geslachtsrijp geworden zijn en gemiddeld -in den loop van Juni (soms reeds in Mei, soms eerst in Juli) in -gezelschap van hunne kleinere soortgenooten naar boven reizen, -zijn meer dan 10 KG. zwaar. In den herfst vermindert allengs het -aantal Zomerzalmen, hoewel het een enkele maal voorkomt, dat er in -ons vischwater nog laat in 't jaar, zelfs in 't begin van December, -exemplaren met rijpe of nagenoeg rijpe eieren gevangen worden. Voor -het grootste deel bereiken onze Rijnzalmen het einddoel van hun tocht -niet op den hoofdstroom, maar in zijne zijrivieren, deels in die van -den bovenloop, deels in die van den middelloop; de Ruhr, de Sieg, -de zijrivieren van den Moezel (o. a. in den Sauer), den Dreisam, -enz. Hier wijden zij zich aan de zorgen voor de nakomelingschap. - -De trekkende Zalmen geven zich alle mogelijke moeite om de bezwaren -van de reis, de van nature bestaande of door den mensch hun in den weg -gelegde beletselen en gevaren te boven te komen: onder de netten door -of er langs te zwemmen, of ze te verscheuren, over stroomversnellingen, -watervallen en versperringen heen te springen. Bewonderenswaardig -zijn de kracht, behendigheid en volharding, die zij hierbij ten -toon spreiden. Met groote inspanning dringen zij door tot de plaats -onder den waterval, waar de stroom het sterkst is, oefenen een -zeer krachtige drukking met de staartvin op het water uit, waarbij -zij soms een steen als steunpunt gebruiken, verheffen zich tot een -hoogte van 2 of 3 M. boven den waterspiegel onder het beschrijven -van een boog van 4 à 6 M. spanwijdte. Door het missen van hun doel -niet afgeschrikt, herhalen zij hunne pogingen, totdat zij slagen, -of totdat hun hardnekkig volhouden hun het leven kost, hetgeen -dikwijls geschiedt, o.a. als zij, na een vergeefsche poging om over -de kunstmatige versperring te springen, die de eigenaar van een -"zalmsteek" in de rivier heeft aangebracht, bij het zoeken van een -beter overgangspunt in de daarnaast voorkomende, voor de Zalmvangst -bestemde fuiken geraken,--of als zij, na een ongelukkigen sprong -over een waterval op de kale rotsen neerstortend, verpletterd -worden. Loodrecht oprijzende rotsmassa's van aanzienlijke hoogte -vormen natuurlijk een onoverkomelijk beletsel voor het verder opwaarts -zwemmen; de door kleinere steenklompen veroorzaakte watervallen worden -echter geregeld overschreden; de plaatsen waar dit geschiedt, heeten -"zalmsprongen". Om de Zalmen tot den overgang van watervallen en van de -zoogenaamde "stuwen" der gekanaliseerde rivieren (b.v. van de Belgische -en Fransche Maas) in staat te stellen, heeft men velerwege zoogenaamde -"vischtrappen" of "vischpassen" aangebracht. In de wanden van den -natuurlijken of door menschenhanden gevormden watergeul worden nl., -afwisselend ter linker- en ter rechterzijde, houten of ijzeren lijsten -stevig in de rots bevestigd; deze op treden van een trap gelijkende -uitsteeksels breken de kracht van het naar beneden stortende water -en kunnen tot tijdelijke rustplaatsen voor de opspringende Visschen -dienen. Nadat zij de meren doorgezwommen zijn, die zich op den weg van -den stroom bevinden, bereiken de Zalmen de hierin uitmondende wateren -en eindelijk het bronnengebied. Zij reizen op hun gemak en langzaam, -hoewel zij zeer snel zwemmen kunnen. Het duurt daarom geruimen tijd, -voordat zij in den bovenloop van den stroom aankomen; die, welke -b.v. reeds in April in den Rijn doordringen, verschijnen eerst in -Mei bij Bazel en zelden vóór het einde van Augustus in de kleinere -Zwitsersche bijrivieren. Zeer geregeld bezoeken eenige scholen den -Limmat, komen zoo in het Zuricher meer, dat zij doorzwemmen om in -de Linth over te gaan, het Wallenmeer over te steken en in de Seetz -den weg naar boven te vervolgen. Andere scholen begeven zich in de -Reusz en de Aar, zwemmen door het Vierwaldstädter en het Thuner meer -en gaan verder stroomopwaarts, hoewel de genoemde rivieren in dit -deel van haar loop tallooze watervallen en draaikolken hebben. In -het stroomgebied van den Wezer eindigt de tocht van de Zalmen eerst -in de Fulda en de Werra en hare zijrivieren. Ook in het stroomgebied -van de Elbe stijgen zij zeer ver omhoog, aan den eenen kant tot in -de nabijheid van het Fichtelgebergte, aan den anderen tot in de -Moldau en hare bijrivieren. Evenzoo zwemmen zij de stroomen op, -die zich in de Oostzee storten; vooral de Memel wordt door een -groot aantal Zalmen bezocht. Nieuw opgerichte versperringen zonder -"vischpassen" kunnen een groote verandering in den bestaanden toestand -teweegbrengen; dit is o.a. gebleken bij het kanaliseeren van de Maas -op Belgisch en Fransch grondgebied met behulp van "stuwen"; hierdoor -hebben de Zalmen, die vroeger in vrij grooten getale in dit deel der -rivier doordrongen, zich genoodzaakt gezien een ander paaigebied te -kiezen; de vischpassen, die men in dergelijke versperringen aanbrengt, -worden dikwijls niet dadelijk, misschien wel het eerst door Visschen, -die daarlangs stroomafwaarts gaan (en afkomstig zijn van hoogerop -"gepoote" jongen), in gebruik genomen. - -Bij 't naderen van den paartijd ondergaan de Zalmen ook uitwendig -duidelijk waarneembare veranderingen: hun bruiloftskleed onderscheidt -zich door een donkerder kleur en dikwijls ook door roode vlekken op de -zijden van den romp en op de kieuwdeksels. Om kuit te schieten, begeeft -het wijfje zich in gezelschap van verscheidene mannetjes, waarbij één -volwassen exemplaar, naar een stille, ondiepe plek en graaft hier met -den staart in den uit zand of steentjes bestaanden bodem een breede, -doch niet diepe groeve. Dit geschiedt in verschillende tijden van -'t jaar: sommige doen het reeds in Juli; de meeste echter eerst in de -maanden October tot Februari (vooral echter in November en in de eerste -helft van December). De oranjeroode eieren hebben de grootte van een -erwt; zij worden niet alle te gelijk, maar met tusschenpoozen gelegd -en telkens na de bevruchting met een laagje zand bedekt. Volgens -sommigen is het kuitschieten in 3 of 4 dagen afgeloopen; volgens -anderen zijn er 8 à 10 dagen mede gemoeid. Het aantal eieren wordt -geschat op 2000 à 4000 per KG. van het totaal gewicht van den kuiter. - -De duur van den kiemtoestand is tot op zekere hoogte afhankelijk van -de temperatuur van het omgevende water; de in November gelegde eieren -ontwikkelen zich althans iets sneller dan die, welke in Januari -bevrucht worden. In den regel komen de jongen eerst na 4 maanden -uit. Zij zijn dan ongeveer 1 cM. lang; de kop en de oogen hebben een -aanzienlijke grootte; de dooierzak heeft een grooten omvang. Totdat -deze voorraad verbruikt is, blijven zij zonder andere beweging dan -van de borstvinnen op de broedplaats liggen. Na 6 weken zijn zij -genoodzaakt zelf voedsel te gaan zoeken; zij verkeeren nu in het -zoogenaamde Forellen- of Parr-stadium; op het kieuwdeksel bevinden zich -2 (soms 3) duidelijke zwarte vlekken. De romp heeft een lichtbruine -kleur en is op de zijden geteekend met 9 of 10 eenigszins schuins -van boven en achteren naar onderen en voren gerichte dwarsreeksen -van donkergrijze vlekken, waartusschen roode stipjes voorkomen. Men -ziet deze zalmpjes veel op diepe plaatsen in beken van het gebergte, -het meest daar, waar het water helder is en waar de over den bodem -verspreide steenen een rijke verscheidenheid van schuilplaatsen -aanbieden. Verbazend vlug weten zij zich te verbergen; gaat men in -de beek staan en licht men voorzichtig een steen op, dan vindt men -er talrijke exemplaren onder verborgen. Gaarne "staan" zij in 't -stroomend water met den kop naar den stroom gekeerd; vóór zij zich -verplaatsen, wachten zij steeds op hoog water. Gedurende den eersten -zomer kan de Parr, naar men bij gevangen exemplaren heeft opgemerkt, -een lengte van hoogstens 10 cM. bereiken. De jonge Zalmen blijven in 't -geheel minstens één jaar op hun geboorteplaats en zijn dan (d.w.z. 16 -maanden nadat zij als ei het lichaam van de moeder verlieten) ongeveer -40 cM. lang. Omstreeks dezen tijd wordt het parr-kleed vervangen door -het zoogenaamde smolt-kleed (gekenmerkt door zilverwitte kleur zonder -dwarsbanden of roode stippen; de borstvinnen zijn geheel, de rugvin -en de staartvin gedeeltelijk zwart) en openbaart zich bij hen de lust -tot trekken. De meeste Smolts begeven zich op éénjarigen leeftijd naar -zee. Langzaam zwemmen zij den stroom af en blijven daarna nog weken -lang in den mond der rivier, voordat zij zich in het zoutwater begeven: -een te snelle overgang schijnt voor hen gevaarlijk te zijn. Volstrekt -noodig is het tijdelijk verblijf in de zee voor de Zalmen niet, -ofschoon het hun een groot voordeel verschaft. Ongetwijfeld vinden -zij hier een buitengewoon grooten overvloed van voedsel, daar hun -lengte en gewicht in zeer korten tijd merkwaardig snel toenemen. Dit is -gebleken door jonge Zalmen, na ze gemerkt te hebben (b.v. met een ring -aan een der vinnen of door het afsnijden van de vetvin), de vrijheid -te hergeven; die, welke na hun terugkomst uit zee op nieuw gevangen -werden, waren in den tusschentijd 2 à 7 KG. zwaarder geworden, hoewel -de meeste niet langer dan 8 weken afwezig waren geweest. - -Naar het schijnt, begeven niet alle éénjarige Zalmen zich naar -zee; sommige Smolts blijven nog een jaar langer in het zoetwater -en zwemmen dan--met die van de volgende voortplantingsperiode (of -iets vroeger)--in 't voorjaar de rivier af. De eerstbedoelde komen -na een tweejarig verblijf in de zee als Groote Zomerzalmen in het -zoetwater terug; de laatstbedoelde blijven slechts één jaar in de -zee en begeven zich dan als Kleine Zomerzalmen stroomopwaarts. De -jongen uit de eieren, die in 't laatst van den paartijd (in Januari) -gelegd worden, zijn bij het vertrek van de overige Smolts, in Maart of -April van 't volgende jaar, nog niet bestand tegen de vermoeienissen -van de reis; zij trekken eerst in 't najaar naar zee en komen op -ruim tweejarigen leeftijd, na een verblijf van ruim 8 maanden in het -zoutwater, in Juli of Augustus als Jakobjes in de rivier terug. Bij -'t opstijgen in 't volgende jaar zijn zij Zomerzalmen geworden. Dit -is althans de aannemelijkste verklaring, die men van het bestaan van -de genoemde drieërlei vormen kan geven [6]. - -Tal van gevaren bedreigen de Zalmen gedurende alle tijdperken van hun -leven. Geheel weerloos zijn de eieren en de vischjes, die nog een -dooierblaas bezitten. De Forellen en de Zalmen, die reeds gepaaid -hebben, verslinden er een menigte van; andere gaan door ijsgang, -droogte enz. te gronde. De Parrs, hoe goed zij zich ook verbergen -kunnen, worden voor een groot deel de prooi van allerlei visschenetende -dieren. Niet minder groot zijn de bezwaren, die de Smolts bij hun -reis naar zee te overwinnen hebben en die aan vele dezer vischjes -het leven kosten, hoeveel haast zij ook maken om het einddoel van hun -reis te bereiken. Hun vlugge beweging kan niet verhoeden, dat vóór hun -aankomst in zee onder hen een groote slachting wordt aangericht door -verschillende roofvisschen, dezelfde als die, welke op onze andere -riviervisschen jacht maken. Vooral geldt dit van den Snoek, eenigszins -misschien ook van den Snoekbaars, welke in Oder en Weichsel thuis -behoorende, zeer goed smakende en niet trekkende Visch eenige jaren -geleden in den Rijn gepoot werd, een proefneming, die later gestaakt -is, op grond van het gevaar, dat men er voor de Zalmen van duchtte. Het -zal misschien zelden voorkomen, dat meer dan 10 van de 100 gelegde -Zalmeieren zich tot Visschen van behoorlijke grootte ontwikkelen. De -ergste vijand van den Zalm is natuurlijk de mensch. Verreweg de -meeste visschers kunnen er maar niet toe komen om te rechter tijd -hun bedrijf te staken, dat in de rivieren van bergstreken juist -gedurende den voortplantingstijd het grootste voordeel oplevert. De -kuitschietende wijfjes, die zich zonder moeite uit het water laten -lichten, worden soms niet eens gespaard. In Groot-Brittannië hebben de -groote grondeigenaars zich beijverd een overeenkomst te treffen om de -Zalmen gedurende den daar wettelijk vastgestelden gesloten tijd (1o -September tot 1o Januari) een degelijker bescherming te verschaffen, -dan de bestaande wetten hen konden verleenen; algemeen is men daar -echter tot de overtuiging gekomen, dat een volslagen staking van de -zalmvisscherij gedurende vijf opeenvolgende jaren noodig zou zijn -om de rivieren weder op een behoorlijke wijze te bevolken. Zulk een -maatregel zou echter nagenoeg onuitvoerbaar zijn, o. a. ook, omdat -verscheidene van de belanghebbenden een zeer groot deel van hunne -inkomsten aan de zalmvisscherij ontleenen; enkelen zouden hierdoor -niet minder dan 20000 pond sterling per jaar schade lijden. - -De Zalm wordt te recht als een van de voortreffelijkste inheemsche -Visschen beschouwd, hoewel hij minder hoog geschat wordt dan de -Meerforel en de Zalmforel, die op hun beurt achterstaan bij de -Rivierforel, de Houting en den Vlagzalm, terwijl over 't algemeen -aan de Roode Forel de eerste rang wordt toegekend. Het vleesch van -de Zalmen, die de rivier opzwemmen, is roodachtig van kleur en vet, -dat der naar zee terugkeerende exemplaren heeft een witte kleur en -een geringe waarde; door sommige wordt het zelfs voor de gezondheid -schadelijk genoemd. - -De Zalm was vroeger (met de Elft en de Steur) te Dordrecht, Gorkum, -Schoonhoven en andere plaatsen waar de riviervisscherij op groote -schaal werd uitgeoefend, bekend onder den naam van "Roode Visch". Als -een bewijs, dat deze Visch in het midden van de vorige eeuw op -de genoemde plaatsen veelvuldig en laag in prijs was, wordt vaak -aangehaald een mededeeling voorkomende in Beverwijck's "Beschrijving -van Dordrecht", volgens welke dienstboden destijds, als zij zich -verhuurden, het beding maakten, dat haar niet meer dan tweemaal per -week "Roode Visch" zou worden voorgezet. Betrouwbare opgaven omtrent -de zalmvangst in vroegeren tijd ontbreken echter ten eenenmale. "Voor -de zalm-statistiek", schrijft Dr. Hoek, "duurt de vóórhistorische tijd -ongeveer tot het jaar 1870. Gaan wij verder terug, dan komen wij in -den tijd der mythen, den tijd der legendarische dienstmeid, die zich -niet alleen in Dordrecht en Gorkum, maar ook in Keulen, in Danzig -en andere plaatsen van Duitschland verhuurde op voor den zalmvangst -van dien tijd--niet voor de zalmprijzen van die dagen--zoo gunstig -getuigende voorwaarden." Sedert 1870 is dit echter anders geworden; -er wordt nauwkeurig aanteekening gehouden van de ter markt aangevoerde -Visschen. Verreweg de voornaamste markt voor Zalm en andere Zalmachtige -Visschen is en blijft het Kralingsche Veer. Deze markt geeft een trouw -beeld van de zalmvangsten op onze beneden-rivieren. Bovendien worden -echter ook op andere plaatsen, met name te Ammerstol, Dordrecht, -Gorinchem, Hardinxveld en Woudrichem, een niet onbeteekenende -hoeveelheid van de bedoelde Visschen aangebracht, waarbij echter niet -uit het oog moet worden verloren, dat er onder de op bovengenoemde -plaatsen aangevoerde Zalmen een aantal zijn, die op het Kralingsche -Veer andermaal verkocht worden; hoe groot dit aantal is kan niet worden -nagegaan. "Gedurende de jaren 1883-1888," schrijft Dr. Hoek, "werden -aan de genoemde markt 511934 Zalmen afgeslagen, gemiddeld per jaar -dus (gedurende deze 6 jaren) meer dan 85000. Dat waren buitengewoon -gunstige jaren, zooals aanstonds blijkt, wanneer wij het gemiddelde -berekenen van het aantal dat in de jaren 1870-1896 aan die markt is -aangevoerd: dit gemiddelde bedraagt ruim 56000 stuks. Het gemiddelde -aantal werd slechts gedurende 11 jaar door den aanvoer overtroffen, -was gedurende 3 jaren er aan gelijk en bleef gedurende 13 jaar er -beneden." Van de laatste jaren leverde 1893 het grootste aantal -Zalmen (ruim 75000); dit bleef echter nog aanmerkelijk beneden het -voordeeligste van de laatste 27 jaren, n.l. 1885, met een aanvoer van -ruim 104000 Zalmen. In 1896 was de aanvoer te Kralingen 48264 stuks, -gezamenlijk wegende 359877 KG., te weten: 25991 Kleine Zomerzalmen, -12029 Winterzalmen, 4739 Groote Zomerzalmen en 5505 St. Jakobszalmen -en Hengsten. De grootste aanvoeren hadden plaats in Juni en Juli. De -hoogste prijs per 1/2 KG. bedroeg f4. Te Ammerstol bedroeg in 1896 -de aanvoer van Zalmen 3845, te Dordrecht 1204, te Gorinchem 1588, -te Hardinxveld 1885, te Woudrichem 470 stuks. - -Voor de zalmvangst dienen bij ons vooral drijfnetten (die niet -dieper mogen zijn dan 2 1/2 M.), treknetten of zegens (handzegens -en zalmzegens met vaste spil) en zalmsteeken, in andere landen ook -eigenaardige vallen. Soms zijn deze van een schel voorzien, die de -vangst van een Visch aankondigt; vaak worden zij aangebracht aan -de stroomopwaartsche zijde van een versperring en geraakt de Visch -er in bij zijne pogingen om over de versperring heen te springen; -de val moet dan zóó ingericht zijn, dat de Visch er krom in komt -te liggen, wijl hij dan bij het opspringen niet zooveel kracht kan -ontwikkelen. Elders wordt de Zalm des nachts gestoken met een speer, -waaraan verscheidene spitsen voorkomen, na eerst gelokt te zijn door -het op de visschersboot brandende vuur. In alle gevallen is trouwens -de nacht de geschiktste tijd om deze Visschen te verschalken; over dag -weten zij dikwijls het gevaar te vermijden en onder de netten door -of er bij langs te zwemmen; bij helderen zonneschijn is de vangst -gewoonlijk gering. De bepaling van het Kon. Besl. van 10 Oct. 1871, -waarbij gedurende 6 uren van iederen nacht de vangst verboden is, -redt dan ook aan vele Zalmen het leven. Bovendien strekt tot het -tegengaan van het doodvisschen van het vischwater, de sluiting van -de zalmvisscherij met de zegen gedurende 2 1/2 maand in ieder jaar, -n.l. van half Augustus tot half October en van Zaterdagavond 6 uur tot -Zondagavond 6 uur. Van niet minder belang is het weren van sommige -vischtuigen. Terecht staat b.v. de kleine vischzegen onder den naam -van "moordzegen" bekend, daar de mazen van dit net zoo eng zijn, dat -men er zelfs de kleinste vischjes mede vangt. Dat ook in de ankerkuil -menige naar zee terugkeerende Smolt het leven verliest, blijkt uit -het door Dr. Hoek in 1896 uitgebracht "Rapport." Zeer nadeelig is -voorts voor het vischwater de schutwantvisscherij: Een bij eb geheel -of gedeeltelijk droogvallend terrein wordt door een aaneenschakeling -van netten bij hoog water afgezet, zoodat de Visch, die hier met den -vloed gekomen is, niet weg kan en op het droge achterblijft of zich -verzamelt in de met water gevuld blijvende kuilen, waaruit men ze met -de handzegen opschept. De verkoopbare vischjes worden bijeengezocht, -de overige (dus verreweg de meeste) blijven liggen en sterven, voordat -het reddende vloedtij aangebroken is.--De meeningen zijn nog verdeeld -over de vraag, in hoeverre de ontvolking van het zalmvischwater kan -worden tegengegaan door het loslaten van door kunstmatige vischteelt -verkregen éénjarige Zalmen in den bovenloop der rivieren. Dat dit niet -in haar benedenloop moet geschieden en dat jongere vischjes voor dit -doel ongeschikt zijn, heeft de ervaring vrij duidelijk aangetoond. - - - -Meerforel (Salmo lacustris) noemt men een Zalmvisch, die zich nooit -naar de zee begeeft, maar alle groote en diepe meren der Alpen en -Vooralpen tot op 1500 M. hoogte bewoont en de hierin uitmondende -rivieren opzwemt. De romp van het geslachtsrijpe dier is bijna -cilindervormig; de snuit kort en stomp; de voorste plaat van het -ploegschaarbeen is kort, driehoekig en met 3 of 4 tanden op den -dwarsgerichten achterrand bezet; de zeer lange steel van dit been is -aan zijn ondiep uitgeholde benedenvlakte van een hooge, tandendragende, -overlangsche lijst voorzien; de hierop voorkomende tanden zijn zeer -dik: de voorste staan meestal op één rij, de achterste meestal op 2 -rijen. De groengrijze of blauwgrijze rug en de zilverglanzige zijden -zijn meer of minder sterk gevlekt; de vlekken zijn rond of hoekig en -zwart van kleur; soms hebben zij een uitvloeienden, oranjegelen rand; -de onderdeelen zijn zilverwit. De rugvin en de staartvin zijn grijs of -nog donkerder; gene is steeds (en duidelijk) met vele zwarte vlekken -geteekend; deze is effen, soms echter van enkele uitvloeiende stippels -voorzien. De overige vinnen zijn lichter van kleur. Exemplaren van -12 à 15 KG. (80 cM. lang) zijn niet zeldzaam; soms bereiken zij een -lengte van 1 M. en een gewicht van 25 à 30 KG. Naar het schijnt, -komt dezelfde soort in de grootste en diepste meren van Schotland -voor; ook rekent men hiertoe een kleinere, anders gekleurde vorm in -de Bodensee en eenige andere meren (Meiforellen, Zweefforellen). - -In de Alpenmeren houdt de Meerforel zich in den regel in waterlagen -van aanzienlijke diepte op, omdat de Houtingen, die zij hier vindt, op -een zekeren leeftijd haar liefste voedsel uitmaken; zelden verschijnt -zij op een afstand van minder dan 40 M. van den waterspiegel. Jongere -exemplaren voeden zich hoofdzakelijk met Alvertjes. - -Tegen het begin van September verlaten zij de meren en zwemmen de -rivieren op om kuit te schieten. Hoewel deze reis langzaam plaats -heeft, strekt zij zich ver uit: in het Rijngebied tot op een hoogte van -800 M. boven den zeespiegel, in het gebied van den Inn nog verder, daar -zij hier nog leven in meren, die bijna 1600 M. hoog liggen. Geruimen -tijd na het eieren leggen keeren zij naar de meren terug en brengen -hier den winter en den zomer door. De jongen, die in dit of in het -vorige jaar geboren werden, blijven gedurende de lente en den zomer -in de rivieren en begeven zich eerst in den tweeden winter van hun -leven naar de meren. - -Deze Visch heeft in vergelijking met de Rivierforel een taai leven, -sterft buiten het water niet zoo spoedig als deze en is daarom beter -geschikt om verzonden en in andere wateren overgeplant te worden; -hij gedijt zeer goed in vijvers met talrijke wellen en een uit grint -bestaanden bodem. - -De Meerforellen worden wegens hun smakelijk vleesch zeer hoog geschat -en in groote hoeveelheid gevangen. - - - -De Zalmforel (Salmo trutta) vertoont zeer veel overeenkomst met de -vorige soort, doch is eenigszins plomper gebouwd; de muil is niet -verder dan tot onder de oogen gespleten en heeft minder krachtige -tanden; de schubben zijn grooter. De zwarte vlekken op den blauwgrijzen -rug en de zilverkleurige zijden zijn minder talrijk en ontbreken soms -geheel; de buikzijde is zuiver wit; de parige vinnen en de aarsvin -zijn kleurloos, de borstvinnen bij oude dieren grijs; op de rugvin, -die, evenals de staartvin, donkergrijs is, komen enkele zwarte vlekken -voor. Deze Visch kan 1 M. lang en 15 KG. zwaar worden. - -In den nazomer houdt de Zalmforel zich in de zee op, van hier begeeft -zij zich stroomopwaarts in de rivieren om kuit te schieten. Haar -verbreidingsgebied is veel uitgestrekter dan dat van de Meerforel. Zij -bewoont de Oostzee, het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, -met inbegrip van de Britsche zeeëngten en kanalen, de Noordzee -en de IJszee tot aan de Witte Zee. Aan onze kust komt zij niet -voor, wel bij die van Duitschland; in buitengewoon grooten getale -ontmoet men haar echter aan de Skandinavische, Engelsche, Schotsche, -Iersche, Laplandsche en Russische kusten en in de hier uitmondende -rivieren. Gewoonlijk zwemt zij in Mei, Juni en Juli stroomopwaarts, -doch minder ver dan de Zalm: in den bovenloop der rivieren treft -men haar zelden aan. Het kuitschieten heeft in November en December, -de terugreis naar de zee na het smelten van het ijs plaats. - -In Duitschland wordt de Zalmforel minder hoog geschat, althans minder -duur betaald dan de Zalm; in Skandinavië is men (en, mijns inziens, -te recht) een andere meening toegedaan. De vangst van dezen Visch is -daarom een niet onbelangrijk en ook winstgevend bedrijf. Hierbij komt -nog, dat de Zalmforel bijna even gemakkelijk als de Rivierforel in -groote meren of zelfs in diepe vijvers overgeplant of door kunstmatige -vischteelt aangekweekt kan worden, zoodat zij waarschijnlijk mettertijd -een grootere rol in het visschersbedrijf zal spelen dan thans. - - - -Van alle inheemsche Zalmvisschen heeft de Gewone Forel of Rivierforel -(Salmo fario) den meest ineengedrongen lichaamsbouw. Haar romp is min -of meer zijdelings samengedrukt, de snuit kort en zeer stomp. Het -is volstrekt onmogelijk van de kleur dezer Visschen een algemeen -geldige beschrijving te geven. Tschudi vergelijkt de Forel in dit -opzicht met een Kameleon, maar had hierbij kunnen voegen, dat zij -nog veel meer kleurswisselingen vertoont dan dit uit dien hoofde -beroemd Reptiel. Waarschijnlijk is men niet ver van de waarheid -verwijderd, als men aanneemt, dat de zoo uiteenloopende kleur van -de Forel niets anders is dan een nabootsing van de heerschende kleur -van haar omgeving, dat men dus bij dezen Visch hetzelfde verschijnsel -waarneemt als bij de Schol, die haar kleur wijzigt in verband met die -van den zeebodem. Dikwijls is de met zwartachtige vlekken geteekende -rug olijfkleurig grijs, de rugvin gestippeld en met een witten rand -omgeven, terwijl de zijden groenachtig geel zijn met roode stippels -en goudkleurigen weerschijn, de onderdeelen witachtig grijs, de -buikvinnen hooggeel. Dikwijls heeft over 't geheele lichaam een donkere -(zelden een geheel zwarte) kleur de overhand. Dikwijls, o.a. bij vele -exemplaren, die in de meren der Alpen gevangen worden, zijn de stippels -zwart, rood en wit, waarmede trouwens een wijziging van den vorm van -'t lichaam en van de kleur der oogringen gepaard gaat. Soms is de -kleur grootendeels geelachtig, soms witachtig. Deze afwijkingen hebben -aanleiding gegeven tot verschillende namen, zonder dat het mogelijk -geweest is de hierdoor aangeduide verscheidenheden scherp te begrenzen -wegens de tallooze overgangsvormen, die er nevens voorkomen. In den -regel echter is de Forel op den rug donker, op de zijden lichter en -gestippeld, op den buik het lichtst van kleur. De visschers meenen, -dat de kleur hoofdzakelijk afhangt van het water, waarin de Forel -zich ophoudt en in hetzelfde water tamelijk standvastig is: in de -Engelberger Aa b.v. vindt men geregeld Forellen met blauwe vlekken, -terwijl die van de hierin uitmondende Erlenbach rood gevlekt zijn. Hoe -zuiverder het water, des te helderder is meestal de kleur. Ook aan -het vleesch merkt men verschil van kleur op: bij de licht gekleurde, -goudgeel en rood gestippelde "Goudforellen" is het roodachtig, bij -andere verscheidenheden geelachtig, in den regel echter sneeuwwit; -deze kleur ondergaat bij 't koken geen verandering. De grootte staat, -evenals de kleur, met de verblijfplaats in verband. In kleine, -snel stroomende beken, waar de Forel zich met weinig water behelpen -moet, bereikt zij ternauwernood een lengte van 40 cM. en een gewicht -van hoogstens 1 KG. In diepe wateren, in meren en vijvers, kan de -lengte van onze Forel toenemen tot meer dan 90 cM. en haar gewicht -tot 5 of 6 KG. Yarrell maakt melding van verscheidene reusachtige -vertegenwoordigers van deze soort: van een mannetje, dat bij 73 -cM. lengte slechts 5.5 KG. zwaar was, van een wijfje, welks lengte -88 cM. bedroeg en dat een gewicht van 15 KG. bereikt. Valenciennes -spreekt zelfs van een exemplaar, dat 104 cM. lang was. Dat zulke -reuzen een hoogen leeftijd hebben bereikt, staat vast. De visschers -zeggen gewoonlijk, dat de hoogste leeftijd van de Forel 20 jaar is; -men kent evenwel feiten, waaruit blijkt, dat zij veel ouder kan worden. - -Tot dusver is men nog niet in staat om het verbreidingsgebied van den -Forel nauwkeurig te omschrijven; men weet echter, dat zij op voor -haar geschikte plaatsen in geheel Europa, van de Noordkaap tot aan -Kaap Tarifa, te vinden is, zoo ook in Klein-Azië en waarschijnlijk -bovendien in andere Aziatische landen. Helder, stroomend, zuurstofrijk -water is een noodzakelijke voorwaarde voor haar aanwezigheid en haar -leven. Men treft haar daarom in alle wateren van het gebergte aan, -het meest in rivieren en beken, doch ook in meren, die met versch -water voorzien worden door rivieren, die er doorstroomen, of door -rijke wellen, die er in ontspringen. Hier komt n.l. een groot deel -van het water door de sterke beweging die het heeft, telkens weer -met de buitenlucht in aanraking, waardoor het beter dan elders in de -gelegenheid is om koolzuur af te staan en zuurstof op te nemen. Uit -de kweekingsproeven, die in den laatsten tijd op zoovele plaatsen -genomen zijn, is voldoende gebleken, dat gefiltreerd water, wanneer het -geregeld in beweging gebracht wordt, geschikt is om tot woonplaats te -dienen voor de Forel, en dat het er niet op aan komt, of dit water aan -frissche bronnen of aan beken en zelfs aan vijvers ontleend wordt. In -de hooge bergstreken stijgt zij tot in den Alpengordel omhoog. Op -een hoogte van meer dan 2100 M. boven de oppervlakte der zee vindt -men haar buiten Grauwbunderland niet; hier echter komt zij nog op een -hoogte van 2400 M. voor. In Tirol stijgt zij nog 300 à 500 M. hooger -en in de beken van den Sierra Nevada heeft men haar nog op een hoogte -van 3000 M. gevonden, omdat hier de sneeuwgrens hooger ligt. - -Bij ons komt zij tegenwoordig nog slechts in enkele beken -van Gelderland voor; zij is hier hoogst zeldzaam, doch was in -vroegeren tijd algemeener. Ook vindt men haar in het riviertje de -Geul bij Maastricht. Door het overbrengen van de jonge vischjes -uit de inrichtingen voor kunstmatige vischteelt naar onze rivieren -worden echter ook in andere deelen van Nederland nu en dan Forellen -gevangen. Deze zijn bij de visschers onder den naam van "Schotsche -Zalmpjes" bekend. - -Wat behendigheid en snelheid van beweging betreft, wordt de Rivierforel -hoogstens door enkele van hare verwanten, misschien echter door geen -anderen riviervisch overtroffen. Waarschijnlijk moet men haar tot -de Visschen met nachtelijke levenswijze rekenen; alle waargenomen -feiten pleiten althans ten gunste van de stelling, dat zij eerst tegen -den avond haar hoogste mate van beweeglijkheid openbaart en vooral -gedurende den nacht haar belangrijksten arbeid verricht, d. w. z., -voor haar voeding zorgt. Over dag verschuilt zij zich gaarne onder -overhangende steenen aan den oever of in andere holen en schuilhoeken, -die door de steenmassa's van het door haar bewoonde water gevormd -worden. Wanneer echter op dien tijd in haar omgeving een volslagen -stilte heerscht, vertoont zij zich ook dan in 't open water. Steeds -den kop stroomopwaarts gericht houdend, "staat" zij soms een kwartier -of langer op dezelfde plaats, schijnbaar bewegingloos, hoewel zij in -werkelijkheid door beweging van de vinnen zich op dezelfde plaats -moet houden. Soms schiet zij plotseling pijlsnel door het water, -met bewonderenswaardige behendigheid steeds den hoofdstroom vindend, -zoodat zij in ondiepe beken haar weg kan vervolgen, zelfs op plaatsen -waar het zwemmen onmogelijk schijnt te zijn. Wanneer zij opgeschrikt -wordt, tracht zij, voor zoover hiertoe gelegenheid bestaat, steeds -weer een schuilhoek te bereiken en zich hierin te verbergen: zij is -een van de voorzichtigste en schuwste Visschen. Om stroomafwaarts -te komen, laat zij zich soms, den kop tegenstroom gericht, langzaam -drijven; soms echter schiet zij met inspanning van al hare krachten -zoo vlug door het water, dat de snelheid van haar beweging die van -den stroom ver overtreft. Zoolang zij stil staat, loert zij op buit -en overziet zorgvuldig haar jachtgebied, het water naast en vóór -haar, de waterspiegel of de lucht boven haar. Wanneer een Insect, -hetzij klein of groot, haar uitkijkplaats nadert, wacht zij, zonder -eenige beweging te maken, totdat het op den gewenschten afstand -gekomen is, doet dan buitengewoon snel één of meer krachtige slagen -met de staartvin en springt, door het water voortschietend of boven -de oppervlakte zich verheffend, op den begeerden buit toe. De jonge -Forel maakt bij voorkeur jacht op Insecten, Wormen, Bloedzuigers, -Slakken, Vischlarven, kleine Visschen en Kikvorschen. Zoodra zij -echter 1 à 1.5 KG. zwaar geworden is, wedijvert zij in vraatzucht -met iederen roofvisch van haar grootte, doet althans voor den Snoek -weinig onder en overvalt ieder levend wezen, dat zij overmeesteren kan, -haar eigen kroost niet uitgezonderd. - -De voortplantingsverrichtingen van de Forel nemen een aanvang in het -midden van October en houden soms aan tot in December. Het kuitschieten -heeft plaats in ondiep water op grintgrond of achter groote steenen, -voor zoover hier een snelle strooming voorkomt. Vóór het leggen maakt -het wijfje door vlugge beweging van den staart een meer of minder -groote, ondiepe kuil in den bodem, laat hierin de eieren vallen, -bedekt ze door opnieuw den staart te bewegen en laat ze vervolgens aan -hun lot over. De jongen, die na ongeveer 6 weken uitkomen, blijven -in het eerst eenigen tijd bewegingloos liggen op de broedplaats; -hoogstens bewegen zij hunne kleine borstvinnen; dit duurt totdat zij -den inhoud van den dooierzak verbruikt hebben en behoefte aan ander -voedsel beginnen te gevoelen. Aanvankelijk zijn zij tevreden met -de allerkleinste waterdiertjes, later maken zij ook wormpjes buit, -vervolgens Insecten en pas geboren vischjes. Met hun grootte neemt ook -hun roofzucht toe. Drie maanden nadat zij als vormelooze schepseltjes -uit het ei kwamen, zijn zij welgevormde, sierlijke vischjes geworden, -die, evenals de meeste overige Zalmvisschen, een jeugdkleed dragen, -waarop donkerbruine dwarsbanden zichtbaar zijn. Omstreeks dezen tijd -gaan de broers en zusters uiteen, om plaatsen op te zoeken waar zij -op dezelfde wijze werkzaam kunnen zijn als hunne ouders. - -De jonge Forellen worden door vele vijanden bedreigd en in gevaar -gebracht. Nog voordat zij het ei verlaten hebben, richten de op den -bodem levende Visschen, vooral de Kwabben, een groote slachting onder -hen aan; de Waterspreeuw pikt er ook wel een aantal van op; zelfs de -onschuldige Kwikstaart zal er vermoedelijk eenige verslinden. Van -de zelfstandig geworden jongen vallen er verscheidene ten buit aan -de reeds genoemde Kwabben en aan andere roofvisschen, vooral aan de -oudere Forellen. Als het vischje zoo ver ontwikkeld is, dat het zelf -rooven kan, heeft het nog in de Waterspitsmuis, de Waterrat en den -Vischotter vijanden, waartegen het niet opgewassen is. - -De gegronde klachten over de vermindering van het aantal onzer -zoetwatervisschen, hebben ongelukkig ook betrekking op de Forellen; de -mogelijkheid bestaat echter om wateren, die voor deze Visschen geschikt -zijn, er weder mede te bevolken: men kan ze op doeltreffende wijze -kweeken en opvoeden. Geen andere soort van Zalmvisch is zoo goed als de -Forel geschikt om gefokt te worden; zij gedijt in bronnenrijke vijvers -even goed als in beken, groeit snel en brengt een hoogen prijs op. - - - -Een te recht buitengewoon hoog geschat lid van het Zalmengeslacht--de -Roode Forel (Salmo salvelinus)--bewoont in meer of minder groot aantal -de meren van de Middel-Europeesche, Noord-Russische en Skandinavische -bergstreken. Haar langwerpige en zijdelings eenigszins samengedrukte -romp is in verband met verschil van leeftijd, sekse en verblijfplaats -zeer ongelijk van vorm; de vinnen zijn tamelijk lang, de buikvinnen -onder de rugvin aangehecht. Ook de kleur is aan veel afwisseling -onderhevig. Bij vele exemplaren gaat de blauwgrijze kleur van den rug -op de zijden langzamerhand in wit over, dat meer of minder geelachtig -kan zijn en op den buik vervangen wordt door een levendig oranjeroode -kleur, die vooral gedurende den paaitijd duidelijk uitkomt; aan de -zijden van den romp bevinden zich dikwijls ronde, lichte plekken, -die in de nabijheid van den buik, al naar de kleur die deze heeft, -soms witachtig, soms geelachtig, soms oranjerood zijn; zulke vlekken -treft men soms ook op het onderste deel van de rugvin aan. Bij jonge -exemplaren raken deze vlekken elkander soms, waardoor een gemarmerde -teekening ontstaat. Ook donkerder kleuren komen voor; de buik kan -vermiljoenrood, de rug bruinachtig groen zijn. De Roode Forel kan een -lengte van 80 cM. bereiken en 10 KG. zwaar worden; gewoonlijk is haar -lengte niet grooter dan 30 cM., haar gewicht ongeveer O.5 KG. - -Deze soort bewoont uitsluitend meren van echte bergstreken; in de Alpen -wordt zij op geen geringer hoogte dan 2000 M. boven den waterspiegel -aangetroffen; in den regel bezoekt zij de rivieren, die in deze meren -uitmonden, niet eens gedurende den paaitijd. Evenals de Houtingen -brengt de Roode Forel in diepe waterlagen het grootste deel van haar -leven door; evenals deze voedt zij zich hoofdzakelijk met kleine -wezens, vooral met verschillende Schaaldieren. Ook kleine Visschen -worden trouwens niet door haar versmaad; waarschijnlijk voeden -de zeer groote exemplaren zich grootendeels met deze prooi. Het -kuitschieten neemt tegen het einde van October een aanvang en -duurt tot in het einde van November; in enkele meren misschien -nog langer. In dezen tijd stijgen de Roode Forellen omhoog naar -het minder diepe water bij den oever, waar de broedplaats is van -hare eieren. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk, maar groeien -minder snel dan de Gewone Forellen. Beide soorten bewonen dikwijls -hetzelfde meer; toch heeft er in de vrije natuur nooit kruising -plaats. In de inrichtingen voor kunstmatige vischteelt evenwel -is het in de laatste jaren dikwijls gelukt van Forellen en Roode -Forellen hybriden te verkrijgen, die, naar men zegt, zich door -voortreffelijke eigenschappen onderscheiden, sneller groeien dan -de Roode Forel en smakelijker zijn dan de Gewone. Door kunstmatige -vischteelt heeft men het aantal van deze Visschen in enkele meren -aanmerkelijk doen toenemen. Men vangt de Roode Forel hoofdzakelijk -gedurende den paaitijd, meestal in groote vleugelnetten, die door -vier mannen in twee schuiten aan land getrokken worden en dikwijls -een groote hoeveelheid visch opleveren. Het vleesch van deze soort -wordt hooger geschat dan dat van eenigen anderen Zalmvisch. - - - -De Donau-zalm (Salmo hucho), heeft een langwerpigen, rolvormigen -romp; de groenachtige, donkerbruine of blauwachtig grijze kleur van -den bovenkop en den rug gaat op de zijden langzamerhand over in de -zilverwitte kleur van den buik; de kop en de romp zijn in meerdere -of mindere mate met kleine donkergrijze of zwartachtige stippeltjes -bezet, waartusschen (vooral op den kruin, het kieuwdeksel en den rug) -grootere, zwarte vlekken voorkomen; deze vlekken nemen verder naar -achteren en naar onderen een halvemaanvormige gedaante aan. Bij zeer -oude Visschen is de grondkleur lichtrood. De vinnen zijn witachtig -en ongevlekt, de rugvin en de staartvin onzuiver van kleur. De lengte -bedraagt 1.5 à 2 M., het gewicht 20 à 50 KG. - -Hoewel de Donauzalm, volgens Pallas, ook de stroomen, die in de -Kaspische Zee uitmonden, bewoont, hebben latere onderzoekers hem -uitsluitend in het stroomgebied van den Donau waargenomen; het is -trouwens twijfelachtig, of hij zich wel naar de zee begeeft, veel -waarschijnlijker daarentegen, dat hij voortdurend in den hoofdstroom -en zijne uit de Alpen afkomstige bijrivieren blijft. Wel heeft men -soms ook in de rivieren, die uit het noorden naar den Donau stroomen, -enkele Donauzalmen gevangen; dergelijke gevallen moeten echter als -uitzonderingen worden beschouwd. Het is wel mogelijk, dat hij gedurende -den paaitijd uit den hoofdstroom in de bijrivieren overgaat en deze -opzwemt, waarschijnlijk begeeft hij zich echter niet tot grooter -hoogte dan 1000 M. Zijn aard is die van een echten Zalm; in verband -met zijn aanzienlijke grootte is hij echter vraatzuchtiger dan al -zijne verwanten. In tegenstelling met deze besteedt hij de maanden -April en Mei aan de voortplanting; bij gunstige weersgesteldheid neemt -het kuitschieten echter reeds in Maart een aanvang. Tegen dezen tijd -verlaten de Donauzalmen het sterk stroomend water, waarin zij zich -bij voorkeur ophouden, zoeken ondiepe plaatsen op, welker bodem met -grint bedekt is, en maken hierin met den staart een groeve, die tot -bergplaats dient van de eieren. Gedurende het leggen letten zij zoo -weinig op hetgeen er in hun omgeving voorvalt, dat men met een boot -over hen heen kan varen zonder ze te verjagen. - -Het witachtige vleesch van dezen Visch is veel minder smakelijk dan -dat van den Zalm en wordt lager geschat dan dat van de Zalmforel. Men -vangt den Donauzalm in groote netten of met den hengel; soms kan -men hem, terwijl hij rustig in een diepe waterlaag staat, met een -harpoen of met een kogel dooden. Indien hij niet zoo vraatzuchtig -was en niet zoo dikwijls te lijden had van een bij de Visschen veel -voorkomende huidziekte, zou het zeer wel mogelijk zijn hem te kweeken -in vijvers, die een aanhoudenden toevoer van zacht water ontvangen, -daar hij hierin goed gedijt. - - - -De Spieringzalmen (Osmerus) hebben kleine of middelmatig groote, -glanslooze, spoedig losgerakende schubben op hun doorschijnend lichaam; -de lange bovenkaaksbeenderen reiken tot onder den achterrand van het -oog; de mondspleet is dus zeer wijd; alle beenderen van den bek, -ook de vleugelbeenderen en de tong, dragen tanden; deze zijn het -grootst op het voorste uiteinde van het zeer korte ploegschaarbeen en -van het tongbeen, zeer fijn aan den rand van tusschen- en bovenkaak, -waar zij op een enkele rij staan; de ver vooruitstekende onderkaak -heeft, behalve een buitenste rij zeer fijne, een binnenste rij van -grootere tanden. De valsche kieuwen zijn aanwezig, maar rudimentair. - - - -Bij de belangrijkste soort van dit geslacht, die de Spiering -of Spierling, in Friesland Spjirring wordt genoemd (Osmerus -eperlanus), zijn de omtrek van romp en kop, de grootte en de kleur -zeer verschillend. De bovendeelen zijn gewoonlijk grijs, de zijden -zilverkleurig met blauwachtigen of groenachtigen weerschijn, de -onderdeelen roodachtig. De lengte bedraagt meestal 13 tot 20 cM., -bij uitzondering 25 à 30 cM. - -Vele kuststreken van Noord-Europa en de oostkust van Noord-Amerika -zijn zeer rijk aan Spieringen. In Europa schijnen zij zich -voornamelijk op te houden in de Noordzee en de Oostzee; men vindt -hen echter ook in het Kanaal niet zelden; ook bewonen zij de haffen -en groote zoetwatermeren langs de Oostzeekust in meer of minder -grooten getale. Sommige dierkundigen onderscheiden een Zee- en een -Zoetwater-spiering. Gene zwemt om kuit te schieten de rivieren op, -waar zijne jongen geruimen tijd blijven. Volgens Van den Ende zwemmen -de Spieringen van de Zuiderzee den IJsel op in Februari en Maart; in -de lente en den zomer worden zij op deze rivier tot voorbij Zutfen, -doch nooit hooger dan Doesburg gevangen; na een zeer langdurigen -winter treft men niet voor April te Zutfen Spiering aan. Dat er het -geheele jaar door op het Hollandsch Diep Spiering wordt gevischt, -schijnt te pleiten voor de opvatting, dat men hier met een in zoetwater -blijvenden vorm te doen heeft; het is althans nooit gebleken, dat hij -een uit zee binnenvallende trekvisch zou zijn. Bijzonder overvloedig -verschijnt de zoogenaamde Zeespiering in de monden van de Elbe en -den Wezer, zelden op de kusten van Holstein, Mecklenburg en Pommeren, -in buitengewoon groot aantal daarentegen in het Kurische Haf. Dit haf -wordt ook bewoond door de Zoetwaterspiering, die nergens anders de -zee bezoekt en vooral in de zoetwatermeren van Oost-Pruisen, Pommeren, -Brandenburg, Mecklenburg en Holstein voorkomt. Beide vormen zijn steeds -tot talrijke gezelschappen vereenigd, die zich gedurende den winter -in de diepte verborgen houden en zich eerst in Maart en April in de -bovenste waterlagen vertoonen, om met het oog op de voortplanting -stroomopwaarts te reizen. De Spieringscholen trekken nooit zoover als -de overige Zalmvisschen, hoewel zij zich tot diep in het binnenland -begeven, in de Elbe tot Anhalt en Saksen, in den Wezer tot Minden, -in de Seine tot Parijs den stroom opzwemmen. Nadat zij in het begin -van April hunne kleine, gele eieren op zandige plaatsen hebben gelegd, -keeren zij naar de zee of de meren terug. - -"Gedurende vele maanden van het jaar," schrijft Dr. Hoek, "is op het -Hollandsch Diep en Haringvliet voor den ankerkuil en de staalboomen -de vangst van Spiering hoofdzaak: met name is dit het geval in den -winter en voorjaarsmaanden, terwijl gedurende de zomermaanden, althans -voor de "eigen" schokkers, de aasvisscherij de spieringvangst geheel -verdringt. De kantoren blijven echter het geheele jaar door--de -maanden van den gesloten tijd (1 April tot 15 Juni) natuurlijk -uitgezonderd--Spiering vangen en ten verkoop opzenden. Hoewel -van Mei tot Juli of Augustus het aantal Spieringen niet groot is, -ontbreken zij echter ook in dezen tijd niet. De grootste op het -Hollandsch Diep gevangen Spieringen, die wij zagen, waren 25 à 26 -cM. lang. De waarde van de Spiering is aan zeer groote schommelingen -onderhevig. Bij zeer hooge markt, zoowel te Parijs als te Londen, -maakten de kantoren voor één grooten Spiering 6 à 8, soms zelfs 10 à -12 cents. Als de hoeveelheid Spiering niet aanzienlijk genoeg is om -ze te verzenden, wordt zij in de plaatsen, waar de visschers thuis -behooren, verkocht. Ook dan wisselt de prijs zeer sterk af. Als de -prijs laag is, brengt de groote Spiering 60 à 75 cents de honderd op, -terwijl voor een mandje van ongeveer 100 stuks kleine Spiering (10 à -12 cM. lang) 10 à 15 cents wordt betaald." Van Juni tot Februari is de -Spiering zeer menigvuldig in de Zuiderzee, waar in sommige jaren meer -dan 1 millioen KG. van dezen Visch gevangen wordt, o.a. in 1895 toen -de opbrengst van de Zuiderzee-spieringvisscherij ruim f55000 bedroeg. - -Den naam Osmerus en ook den Duitschen naam "Stint" dankt de Spiering -aan zijn eigenaardige lucht, welke met die van bedorven augurken -vergeleken wordt. Toch wordt dit vischje als zeer smakelijk geroemd -en is op vele plaatsen zeer gezocht. Soms vangt men de Spieringen in -zulk een ontzaglijke hoeveelheid te gelijk, dat men ze voor een groot -deel als mestspecie moet gebruiken. Men geeft ze ook wel aan kostbare, -in vijvers gekweekte Visschen als voedsel. - - -Een van de kleinste Zalmvisschen, de Kapelaan (Mallotus villosus), -bewoont in ontzaglijke hoeveelheid de IJszee en is van zeer -groot belang voor de visscherij aldaar. Het geslacht der Lodden, -waarvan hij de eenige vertegenwoordiger is, kenmerkt zich door een -slanke gestalte, kleine schubben, zeer groote, ronde borstvinnen, -ver naar achteren verschoven rugvinnen en zwakke, borstelvormige -tanden op de kaken, het gehemelte en de tong. De kleur van den rug -is donkergroen met bruinachtigen weerschijn, die van de zijden en van -den buik zilverwit met vele zwarte stippels; de vinnen zijn grijs en -hebben een zwarten rand. De mannetjes en wijfjes vertoonen een vrij -aanzienlijk verschil. De lengte wisselt af van 14 tot 18 cM. - -Het verbreidingsgebied van den Kapelaan ligt tusschen 64 en 75° -N.B. Men vindt hem bij de kust van Finmarken, IJsland en Groenland; in -wonderbaarlijke menigte verschijnt hij echter gedurende den paaitijd op -de Bank van Newfoundland. Evenals hunne verwanten houden deze Visschen -zich gedurende den winter in de diepten der zee op en beginnen eerst -in Maart op te stijgen naar de ondiepere paaiplaatsen. Zij vereenigen -zich daarbij tot scholen, die 50 zeemijlen lang en breed zijn. Deze -dringen met gesloten gelederen in alle bochten en riviermonden door, -zoodat de bovenste waterlagen geel gekleurd worden door hunne eieren, -die dikwijls bij hoopen op het strand worden geworpen; met korte -netten kan men ze letterlijk bij millioenen uit de zee scheppen; -voor de arme bewoners van Groenland zijn zij nagenoeg even belangrijk, -als voor ons het brood is. In Noorwegen wordt de Kapelaan in 't geheel -niet gebruikt wegens zijn geringe grootte en zijn onaangename lucht; -op IJsland eet men hem in verschen toestand, wanneer er geen andere -Visschen zijn: in Groenland echter vormen deze Visschen, na in de -lucht gedroogd te zijn, een belangrijk deel van den leeftocht voor -den winter. Nog belangrijker is de Kapelaan als aas voor de vangst -van Kabeljauwen. Behalve door Meeuwen, Zeezwaluwen en Zeehonden -worden zijne scholen gevolgd door allerlei roofvisschen, die zich met -dezen buit voeden en zoolang de paaitijd van de Lodden duurt, niets -anders eten. Voor de helft van de Kabeljauw, die men op de Bank van -Newfoundland vangt, dient de Kapelaan als lokaas; millioenen Visschen -zijn hiervoor noodig; bovendien worden er millioenen gezouten, in de -zon gedroogd, in tonnen gepakt en later voor 't zelfde doel gebruikt. - - - -De middelmatig groote en kleine Zalmvisschen, die men in het geslacht -van de Houtingen (Coregonus) samenvat, hebben een zijdelings -eenigermate samengedrukten romp, een kleinen, nauwen mond, die -tandeloos is of met zeer fijne, licht uitvallende tanden gewapend, -middelmatig groote, spoedig uitvallende schubben, een kleine vetvin en -een hooge rugvin, waarvan de aanhechtingsplaats een weinig vóór die van -de buikvinnen gelegen is. De 40 soorten van dit geslacht bewonen de zee -langs de kust en het zoetwater van het noordelijk halfrond en komen in -gestalte en levenswijze zoozeer overeen, dat het in vele gevallen zeer -moeielijk is voor deze vormen en hunne verscheidenheden kenmerken op te -geven, waardoor men ze met zekerheid kan onderscheiden. In Nederland -vindt men twee, in Duitschland minstens 6 soorten van dit geslacht; -de Houtingen, die de meren van Groot-Brittannië, Skandinavië en -Rusland bewonen, worden meestal tot andere soorten gebracht. - - - -De Blauwe Houting, het Blaufelchen (Coregonus Wartmanni), is slanker -gebouwd dan al zijne Duitsche verwanten. De bovenloop en de rug -vertoonen op lichtblauwen grond een zilveren weerschijn; de zijden -van kop en romp zijn zilverwit; de zijdestreep is zwart gestippeld; -de vinnen zijn geelachtig wit met breeden, zwarten zoom. Gemiddeld, -wordt hij 30 à 50 cM. lang en 2 à 3 KG. zwaar; hij kan echter een -lengte van 60 cM. bereiken. Zoowel de vorm als de kleur varieeren -zeer sterk. - -De Blauwe Houting bewoont de meeste groote Zwitsersche, Beiersche -en Oostenrijksche meren, die aan de noordzijde van de Alpen gelegen -zijn. In den regel houden deze Visschen zich, evenals de meeste van -hunne verwanten, in de diepste plaatsen der meren op, niet zelden op -een diepte van 200 M. onder den waterspiegel, slechts bij uitzondering -in waterlagen van 40 à 100 M. diepte. Bij onweders en warme regenbuien -naderen zij, naar men zegt, de oppervlakte tot op een afstand van -20 of nog minder M., om zich, zoodra het koeler wordt, weer naar de -diepte te begeven. In de rivieren gaan zij nimmer over en trekken -dus ook niet van het eene meer naar het andere. Hun voedsel bestaat -hoofdzakelijk uit zeer kleine waterdieren, die op groote diepte leven -en die de natuuronderzoekers voor een deel eerst door het onderzoek -van den inhoud der maag dezer Visschen hebben leeren kennen. Bovendien -eten de Blauwe Houtingen de slijmerige stof, die den bodem van het -meer bedekt en uit allerlei lagere dieren en planten in hunne eerste -ontwikkelingstoestanden bestaat. Tot hun buit behooren ook vele kleine -Schaaldieren, Waterslakken, Wormen en larven van Insecten. - -Gedurende den paartijd gedragen de Blauwe Houtingen zich op -soortgelijke wijze als de Haringen. Van het midden van November -(iets vroeger of iets later, al naar de weersgesteldheid) tot in -December, dus gedurende een tijdperk van 3 weken, verschijnen zij in -tallooze scholen aan de oppervlakte der meren; soms begeven zij zich -zoo ver naar boven, dat hunne rugvinnen zichtbaar zijn; soms blijven -zij, afgeschrikt door de lage temperatuur der bovenste waterlagen, -door sneeuwvlagen, ijsschotsen, enz., verscheidene meters onder den -waterspiegel. Zij dringen er zoo dicht opeen, dat hun huid door het -tegen elkander schuren beschadigd wordt, een deel van haar buitenste -laag en zelfs een aantal schubben verliest, welke huidwoekeringen -het water over een aanmerkelijke uitgestrektheid bedekken en troebel -maken. Zelfs loopt het leven dezer dieren gevaar door de drukking, -die zij van elkander ondervinden. - -De Blauwe Houting is voor het Bodenmeer, wat de Haring is voor -de Noordzee. Beider vangst brengt een groote bedrijvigheid -teweeg. Gedurende den zomer varen dagelijks een groot aantal -uitsluitend voor de vangst van dezen Visch bestemde booten het meer -op; waarschijnlijk maakt iedere boot gemiddeld wel 100 Houtingen -buit. Bij koud weder is trouwens de opbrengst aanmerkelijk minder; -zeer slecht weder maakt deze visscherij geheel onmogelijk, omdat de -Blauwe Houtingen zich dan begeven naar diepten, waarvoor men nog geen -geschikte netten heeft vervaardigd. In den paaitijd maakt men gebruik -van groote diepgaande netten, waarmede deze Visschen bij honderden -in één trek worden opgehaald. De prijs van deze vischsoort mag in -verhouding tot haar kwaliteit gering heeten. - - - -De Witte Houting of Bodenrenke (Coregonus fera) bewoont dezelfde -meren als de vorige soort; zij onderscheidt zich van deze door een -stomperen, korteren snuit en een korteren, meer gedrongen staart; -de kleur stemt over 't geheel genomen met die van de Blauwe Houting -overeen, met dit verschil, dat de donkere kleur van den rug niet zoo -levendig is en minder ver op de zijden afdaalt. Deze soort kan een -lengte van minstens 60 cM. en een gewicht van meer dan 3 KG. bereiken -en wordt dus aanmerkelijk grooter dan de vorige. - -De Witte Houting is een van de beste Visschen, die in de Zwitsersche -meren leven; van groot belang is hij ook door zijn veelvuldigheid; -men kan hem het geheele jaar door vangen, ook in den winter, als er -geen Blauwe Houtingen gevischt worden. In den winter maakt men voor -dit doel gebruik van netten; in den zomer, vooral in Mei en Juni, -van den hengel. De gevangen exemplaren sterven bijna oogenblikkelijk, -zelfs wanneer men ze zorgvuldig uit het water schept. - -Over de kwaliteit van dezen Visch zijn de meeningen verdeeld. Eenigen -geven aan den Witten Houting de voorkeur boven den Blauwen; anderen -oordeelen juist andersom. - - - -Nog heeft men niet met zekerheid kunnen uitmaken of de Marene -(Caregonus maraena), die het Madu-meer tusschen Stettin en Stargard en -het Schaalmeer in Lauenburg bewoont en die uit het eerstgenoemde water -in verscheidene meren van Brandenburg en Pommeren is overgeplant, -als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd of slechts een -verscheidenheid van den Witten Houting is. De overeenkomst in vorm -en levenswijze schijnt voor de laatstgenoemde meening te pleiten; -het verschil tusschen deze beide verwante Visschen is gering en -bepaalt zich hoofdzakelijk tot den vorm van den snuit. Beide hebben -nagenoeg dezelfde kleur: de rug is blauwachtig, de buik zilverwit, -de zijdestreep met witte stippels geteekend. De lengte bedraagt 60 -of meer cM., het gewicht 7 à 8 KG. - -Evenals de Witte Houting leeft de Marene steeds op zeer aanzienlijke -diepten, die zij eerst in 't midden van November, haar paartijd, -verlaat; ook zij kiest voor 't kuitschieten betrekkelijk ondiepe -plaatsen op geringen afstand van den oever. Haar voedsel bestaat uit -soortgelijke dieren als door de andere Houtingen gegeten worden. - -Het meest vangt men dezen Visch des winters onder het ijs in zeer -groote netten; in sommige jaren is deze visscherij ook in de lente, -in andere in den herfst van beteekenis. Hoewel de Marenen sterven, -zoodra zij uit het water gehaald zijn, kan men ze in sneeuw en -ijs gepakt tamelijk ver verzenden; ook worden zij wel, evenals de -Witte Houting, gezouten en gerookt. In de lente wordt deze Visch als -bijzonder lekker geprezen. - - - -In de Zuid-Duitsche meren leeft ook de Winterhouting of Kilch -(Caregonus hiemalis), zoo geheeten, omdat hij in den winter -kuitschiet. Zijn lengte bedraagt hoogstens 40 cM., meestal minder, -en is dus aanmerkelijk geringer dan die van zijne reeds genoemde -verwanten, van welke hij zich bovendien onderscheidt door de kortheid -van den romp en de sterkere kromming van den rug. De kleur van den -bovenkop is geelachtig wit, die van de zijden en van de kieuwdeksels -zilverwit; de overige deelen van den romp zijn licht bruinachtig -grijs, de vinnen kleurloos, maar, met uitzondering van de borstvinnen, -zwartachtig gezoomd. - -Vóór de onderzoekingen van Von Siebold kende men den Winterhouting -alleen als bewoner van de Bodensee; de genoemde onderzoeker vond -hem ook in de Ammersee en is van oordeel, dat men hem ook in andere -Alpenmeren zal aantreffen. Verklaarbaar wordt onze onbekendheid -met dezen Visch, als men bedenkt, dat hij zich steeds op een diepte -van 70 à 90 M. ophoudt en slechts tegen het einde van September in -hoogere lagen komt om kuit te schieten. Zijn voedsel stemt, naar uit -het onderzoek van den inhoud van maag en darm gebleken is, volkomen -overeen met deze levenswijze. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit -Slakjes, Mossels en slijmerige stoffen, die hij van den bodem van -het meer opneemt. - -"Daar de Winter-houting," zegt Von Siebold, "naar het schijnt, diepere -gedeelten van de meren bewoont dan onze Houtingen, zal hij eerder dan -deze in opgeblazen toestand verkeeren, wanneer men hem met een net uit -zijne diepe verblijfplaatsen ophaalt. Wegens deze eigenschap is hij -in de omstreken van de Bodensee bekend onder den naam van Krophouting -(Kropffelchen). Op een diepte van 80 M. is de Winterhouting en zijn -met lucht gevulde zwemblaas aan een waterdrukking van ongeveer 7 1/2 -atmospheren blootgesteld. Gedurende het ophalen van den Visch neemt -deze drukking zeer schielijk af om geheel op te houden, zoodra hij -aan den waterspiegel is gekomen, waar alleen de dampkringsdrukking -op hem werkt. In dezelfde reden als de spanning van de lucht in de -zwemblaas vermindert, zal haar volume toenemen, daar de zwemblaas en -de voor een deel zeer dunne wanden van de buikholte geen weerstand -kunnen bieden aan de uitzetting. Hierdoor zal de buik van den Visch -een wanstaltige vervorming ondergaan; het rekken en verschuiven van de -buikingewanden en de vermeerderde drukking op de bloedvaten veroorzaken -den schielijken dood van den trommelzuchtig geworden Visch." - -Aan het vooruitsteken van de onderkaak, waardoor de kin de spits van -den snuit vormt, onderscheidt men de Kleine Marene (Coregonus albula) -van al hare Middel-Europeesche verwanten. In kleur stemt zij er mede -overeen: de bovendeelen zijn blauwachtig grijs, de zijden en de buik -glanzig zilverwit, de rugvin en de staartvin grijs, de overige vinnen -witachtig. Haar lengte bedraagt gewoonlijk slechts 15 à 20, maar kan -bij uitzondering stijgen tot 25 cM. en nog iets hooger. - -In Duitschland wordt de Kleine Marene vooral in de meren van Posen, -Oost- en West-Pruisen, Silezië, Brandenburg, Mecklenburg en Holstein -gevonden; hoogst waarschijnlijk behoort echter de Houting, die op -het Skandinavische schiereiland en in Noord-Rusland aangetroffen -wordt, ook tot deze soort. In enkele meren van Schotland, die zij -eveneens bewoont, werd zij, volgens de overlevering, door Maria Stuart -ingevoerd. In de Oostzee vindt men haar, volgens Möbius en Heincke, -niet zelden in de Stockholmer Scheren en in de Botnische Golf. In -de Finsche Golf komt zij weinig voor. Een exemplaar werd in de haven -van Kiel gevangen. Door Dr. Hoek werd er in 't laatst van Nov. 1886 -één aangetroffen in den ankerkuil van een schokker, die in de Nieuwe -Merwede vischte. - -Door levenswijze en gewoonten gelijkt de Kleine Marene op de Houtingen, -die, evenals zij, de meren bewonen. Buiten den paaitijd houdt zij zich -steeds in diepe waterlagen van de meren op; in de maanden November en -December verschijnen deze Visschen in dicht opeengedrongen scholen aan -de oppervlakte, bewegen zich met ver hoorbaar gedruisch; ook trekken -zij wel, door de grootere watervlakte aangetrokken, van het eene meer -naar het andere. Hunne eieren laten zij in het open water vallen. - -Te recht wordt de kleine Marene als een buitengewoon smakelijke Visch -beschouwd, welks vangst wel eenige moeite waard is. In Pommeren -en Mecklenburg wordt zij gewoonlijk 's winters van onder het ijs -opgehaald, in Masuren meestal bij 't trekken van het eene meer naar -het andere opgevischt. - - - -De Houting, die bij verscheidene Nederlandsche schrijvers den -naam Adelvisch draagt (Coregonus oxyrhynchus), leeft in de zee -en begeeft zich van hier gedurende den paaitijd geregeld naar de -rivieren. Hij is gemakkelijk te herkennen aan de ver vóór de onderkaak -uitstekende, van voren in een weeken, kegelvormig verlengden snuit -overgaande bovenkaak. Hij is 40 à 50, hoogstens 60 cM. lang en O.7 -à 1 KG. zwaar. Zijn kleur is blauwachtig, gedurende den paaitijd -blauwachtig zwart. - -De Noordzee en de Oostzee moeten als het woongebied van den Houting -beschouwd worden. Van hier begeeft hij zich in Mei, dus reeds lang -voor het begin van den paaitijd, die, naar gezegd wordt, in de maanden -September tot December valt, in meer of minder grooten getale in de -haffen, stroomen en rivieren, die met de zee in gemeenschap staan, en -zwemt stroomopwaarts. Naar het schijnt, geschiedt dit trekken met een -zekere regelmatigheid en plaatsen de reizigers zich als Kraanvogels -in den vorm van een driehoek, komen zeer langzaam vooruit, zoodat de -weg, die door een school wordt afgelegd, in 24 uur weinig meer dan -4 KM. bedraagt. Bij ongunstige weersgesteldheid zoeken de Houtingen -de diepte op om uit te rusten en vereenigen zich later weer om de -reis voort te zetten. Deze strekt zich veel minder ver uit dan die -der Zalmen; in de Elbe komen de Houtingen hoogstens tot in de buurt -van Maagdenburg en Torgau, in den Wezer tot aan het vereenigingspunt -van Werra en Fulda, in den Rijn tot op de hoogte van Spiers. Na -het kuitschieten keeren zij vroeger of later naar de zee terug; -als de jongen een lengte van 8 cM. bereikt hebben, volgen zij hunne -ouders en verschijnen eerst in geslachtsrijpen toestand weer in de -rivier. Bij ons is de Houting menigvuldig in de Zeeuwsche stroomen -en in de Beneden-Maas; hij gaat de Merwede, den Rijn en de Waal op, -komt ook in den Dollard, de Zuiderzee en den IJsel voor en verdwaalt -soms in geringen getale door de sluizen tot in den Rijn bij Leiden. - -Het witte, malsche en smakelijke vleesch van den Houting wordt zeer -geschat en versch zoowel als gezouten en gerookt gegeten. Voor de -visscherij met de handzegen is deze soort niet onbelangrijk; zij begint -op onze rivieren, zoodra de elftvisscherij heeft opgehouden; ook in -Noord-Duitschland houdt men zich overal ijverig met deze vangst bezig. - - - -De zeer groote, ver vóór de buikvinnen beginnende, opmerkelijk -hooge en lange rugvin, de middelmatig groote, stijve, vastzittende -schubben, de kleine mondspleet en de fijne tandjes op de kaakranden -en op de ploegschaar- en gehemeltebeenderen worden beschouwd als de -kenteekenen van de Vlagzalmen (Thymallus). De vijf soorten van dit -geslacht bewonen de rivieren van de noordelijke koude en gematigde -aardgordels. In onze wateren wordt het vertegenwoordigd door den ver -verbreiden Vlagzalm of Esch (Thymallus vulgaris). Zijn kop is klein, -de bovenkaak steekt voorbij de onderkaak uit; de rugvin is tweemaal zoo -lang als de aarsvin. De kleur wisselt in verband met verblijfplaats, -jaargetijde en leeftijd aanmerkelijk af. Het groenachtig bruin, dat -op de bovenzijde gewoonlijk de overhand heeft, gaat op de zijden in -grijs, op den buik in glinsterend zilverwit over; de kop is van boven -bruinachtig, aan de zijden op geelachtigen grond zwart gevlekt; deze -teekening breidt zich van voren ook over een deel van den romp uit -of vormt met de reeksen van schubben bruinachtig grijze, overlangsche -strepen. De rugvin prijkt met prachtige kleuren en draagt aanmerkelijk -bij tot verfraaiing van dezen Visch; haar grondkleur is schitterend -purperrood; dit vormt als 't ware een spiegel, die door 3 of 4 reeksen -van zwarte vlekken nog duidelijker uitkomt; de parige vinnen hebben een -vuil geelroode, de aarsvin en de staartvin een paarse kleur. Meestal -bedraagt de lengte weinig meer dan 30 cM.; zij kan echter tot 60 -cM. toenemen. Het gewicht wisselt af van 0.7 tot 1.5 KG. - -De Vlagzalm is onder de Europeesche Zalmvisschen een van de meest -verbreide soorten; in geheel Middel- en Oost-Europa, in de wateren van -de Alpen, zoowel als in die van de Noordduitsche en Russische vlakte, -op het vasteland en in Groot-Brittannië en ook in het Ob-gebied treft -men hem aan. Hij kiest ongeveer dezelfde wateren tot verblijf als die, -waaraan de Forel de voorkeur geeft; toch komen niet in alle beken, -die Forellen bevatten, Vlagzalmen voor, en omgekeerd. In Zwitserland -zegt men, dat de Vlagzalm de Forel verdrijft. In Nederland heeft men -hem alleen in het Limburgsche riviertje de Geul aangetroffen. - -De Vlagzalm is een echte riviervisch, die meren en groote vijvers -vermijdt en zelfs volgens proeven, die in Engeland genomen zijn, in -stilstaand water volstrekt niet gedijt, althans niet geslachtsrijp -wordt. In de wateren van het gebergte ontbreekt hij zelden; in -de vlakte daarentegen ontmoet men hem alleen in heldere, niet al -te diepe rivieren of beken met steenachtigen bodem. Hij houdt van -rivieren, welker water zoo min te koud is als te warm, waarin plaatsen -met snellen stroom en met stil water onderling afwisselen. Zijne -gewoonten gelijken veel op die van de Rivierforel. Evenals deze -zwemt hij buitengewoon snel, als hij zich beweegt; evenals deze -blijft hij vaak uren achtereen op dezelfde plaats en houdt dan den -kop tegen stroom gericht; dikwijls "staat" hij hier zoo rustig, dat -men hem met de handen uit het water kan nemen. Zijn voedsel bestaat -uit allerlei waterinsecten en hunne larven; bovendien verslindt -hij kleine Slakken en Mossels, versmaadt Wormen niet en eet met -smaak pasgeboren vischjes. Evenals de Forel ziet men hem boven den -waterspiegel opspringen om voorbijsnorrende Insecten te grijpen; hij -kan daarom zonder moeite met den hengel gevangen worden. Gedurende -den paaitijd prijkt hij met een bruiloftskleed, dat zich onderscheidt -door den hoogeren gloed van alle kleuren en den goudgroen iriseerenden -glans van de geheele lichaamsoppervlakte. In een vroeg warme lente -begint hij reeds in Maart eieren leggen; bij ongunstig weer geschiedt -dit eerst in het laatst van April. Het mannetje en het wijfje, die -thans meestal bijeenblijven en in een betrekkelijk klein gebied op -en af zwemmen, graven op zandgrond met den staart een groeve, waarin -het wijfje eieren legt, die door beide gemeenschappelijk met zand en -kleine steentjes bedekt worden. De jongen komen gewoonlijk in Juni -uit en vertoeven aanvankelijk op de ondiepste plaatsen van het water, -waarin zij geboren zijn, groeien echter zeer snel en nemen spoedig -de levenswijze van hunne ouders aan. - -Vele vijanden maken jacht op de Vlagzalmen; vooral de grootere leden -van hun eigen soort en verscheidene watervogels vervolgen hen bijna -even ijverig als de mensch, die hun vleesch met dat van de Forel -gelijk stelt en het te recht als een buitengewone lekkernij beschouwt. - - - -"Behalve een groot aantal andere Visschen," verhaalt Schomburgk, -"brachten de Indianen ons ook den reusachtigsten zoetwatervisch -van Guyana, den Arapaima; met verbazing maakten wij kennis met dit -ontzaglijke dier, dat bijna den geheelen corial (of boot) vulde, -omstreeks 3 M. lang en stellig 100 KG. zwaar was. De eenige rivier -van Britsch-Guyana, die door de bedoelde Visschen bewoond wordt, is de -Roepoenoeni; hier echter ontmoet men ze in aanzienlijken getale. Naar -men zegt, zijn zij eveneens veelvuldig in de Rio Branco, de Rio Negro -en den Amazonenstroom. - -"De Arapaima wordt met den hengel gevangen of met boog en pijl -gedood. De vangst van deze Visschen is een zeer aantrekkelijk en -opwekkend jachtbedrijf; meestal komen met dit doel verscheidene -corials bijeen, die dan over de rivier verdeeld worden. Zoodra de -gezochte buit zich vertoont, wordt een teeken gegeven, waarop de -corial, die met de beste schutters bemand is, zonder gedruisch tot -op een boogschot afstands nadert; de pijl vliegt van het koord en -verdwijnt met den Visch. Nu begint de algemeene jacht. Zoodra de -vaan van de pijl aan den waterspiegel zichtbaar wordt, zijn alle -armen gereed tot het spannen van den boog; de Visch verschijnt en -begeeft zich weer naar de diepte na nogmaals gewond te zijn door -een aantal pijlen; een kortere tijdruimte verloopt, voordat hij -zich opnieuw vertoont en weder door eenige pijlen getroffen wordt; -eindelijk valt hij den jagers ten buit. Deze vlotten hem nu naar een -ondiepte, schuiven den corial onder het logge lichaam, scheppen het -water, dat tegelijkertijd naar binnen drong, uit de boot en keeren -met gejuich naar de nederzetting terug." Het vleesch van dit dier -is, volgens Schomburgk, in verschen toestand zeer smakelijk. Andere -reizigers oordeelen er minder gunstig over. Gezouten en gedroogd wordt -het bij duizenden van centenaars langs den Amazonenstroom vervoerd -en van Para tot aan de Peruaansche grens algemeen door Indianen, -Mestiezen en blanken gegeten. Daar de middelen tot het voorkomen -van bederf in den regel niet het gewenschte gevolg hebben, wordt -deze spijs te recht door sommigen afschuwelijk genoemd. Het lange, -met scherpe tanden bezette tongbeen wordt als rasp gebruikt. - - - -De Arapaima (Arapaima gigas) behoort tot de slechts 5 bekende soorten -omvattende familie der Beentongvisschen (Osteoglossidae). Deze is tot -de keerkringsgewesten beperkt; hare leden hebben een reusachtigen romp, -welks mozaïekvormig kleed uit harde schubben bestaat; de kop is met -beenige schilden bedekt; de rugvin en de aarsvin zijn op den staart -geplaatst en reiken bijna tot aan de staartvin; de kieuwspleet is wijd. - -De Arapaima is, volgens Schomburgk, zeer bont van kleur; niet slechts -de schubben, maar ook de vinnen iriseeren en glinsteren, waardoor -de meest verschillende tinten en overgangen van donkergrijs, rood en -blauwachtig rood ontstaan. Sommige exemplaren zijn meer dan 4 M. lang -en wegen bijna 200 KG. - - - -Het woord Haring is voldoende om ieder de belangrijkheid van de -Visschen voor de huishouding van den mensch duidelijk voor den geest -te doen komen. Zonder stokvisch kan men leven; van de Schollen en de -meeste andere zeevisschen hebben in den regel alleen de kustbewoners -genot en voordeel; de zoetwatervisschen leveren op den disch van -den bewoner van het binnenland een betrekkelijk zeldzaam gerecht; de -Haring en zijne verwanten echter brengen den zegen van den oogst der -zee tot in de eenzaamste hut. Zoo eenige Visch als voedsel voor den -arme aangemerkt kan worden, dan mag de Haring zoo heeten, daar hij, -wegens zijn lagen prijs voor den behoefstigste nog bereikbaar, in vele -woningen het vleesch moet vervangen. Geen Visch is onontbeerlijker -dan deze. - -Naar hem is de 60 soorten omvattende familie der Haringvisschen -(Clupeidae) benoemd. Deze hebben een langwerpig, veelal zeer sterk -zijdelings samengedrukt lichaam, dat aan den buik meestal scherp -uitloopt en, behalve aan den kop, met dunne, licht uitvallende schubben -bedekt is. Alle vinnen worden door gelede stralen gesteund; een vetvin -komt bij hen niet voor; de rugvin neemt gewoonlijk het midden van den -rugrand in; de hieronder geplaatste buikvinnen zijn klein en ontbreken -bij sommige uitheemsche soorten zelfs geheel. De kieuwspleten zijn -wijd, de oogen groot; de bovenrand van de meestal ver achterwaarts -verlengde mondspleet wordt in het midden door de tusschenkaaks-, -aan de zijden door de bovenkaaksbeenderen gesteund. De graten zijn -fijn en talrijk, de zwemblaas is groot. - -Niet alle Haringvisschen bewonen uitsluitend de zee; sommige leden -van deze familie zwemmen geregeld van zee uit de rivieren op om hier -kuit te schieten en hebben dus een andere levenswijze dan hunne -verwanten. Van de belangrijkste vertegenwoordigers der groep kan -men zeggen, dat zij in hoofdzaken met de Houtingen overeenkomen, -die in de meren tot op zekere hoogte hetzelfde leven leiden als de -Haringen in de zee. Buiten den paartijd leven zij op groote diepten; -de geslachtsdrift noopt hen naar de bovenste waterlagen op te -stijgen. Alle zonder uitzondering schijnen roofvisschen te zijn, die -niet slechts kleine waterdieren, maar ook Visschen buitmaken. Hoewel -zij niet zeer vruchtbaar zijn, is, wegens hun buitengewone talrijkheid, -het aantal geboorten in ieder jaar zeer groot. Een niet minder -belangrijke slachting staat hier echter tegenover, zoodat er thans -reeds voldoende reden bestaat om te overwegen, op welke wijze de mensch -kan medewerken om de gevolgen, die van het ontzaglijk groote verbruik -van deze Visschen te duchten zijn, af te wenden door maatregelen tot -bevordering van hun vermenigvuldiging. Inderdaad bestaan er goede -gronden voor de vrees, dat de rijkdom van de zee, waaraan wij sedert -eeuwen voortdurend zulk een overvloedigen oogst ontleenen, verminderen -zal, en zelfs dat wij, op dezelfde wijze voortgaande als tot dusver, -weldra met een steeds afnemende opbrengst tevreden zullen moeten zijn. - -Ook aan de Haringen--die hun naam ontleenen aan de ontzaglijke heiren -(legers), welke zij vormen--zullen wij door de instelling van een -voor de vischvangst gesloten tijd de gelegenheid moeten schenken -om zich ongestoord te vermenigvuldigen; zoodoende kan het kapitaal, -welks renten wij noode zouden missen, behouden worden. - -Bij de Haringen i. e. z. (Clupea) is de buikkant van den zijdelings -sterk samengedrukten romp, bij wijze van een zaag getand, daar -de vrije rand der hier aanwezige kielvormige schubben in een -achterwaartsgerichten stekel uitloopt; de buitenrand van de breede -bovenkaak is flauw gebogen. De tanden zijn talrijk en verschillend -van vorm: de tusschen-, boven- en onderkaaksbeenderen dragen een -groot aantal zeer kleine, de ploegschaarbeenderen en de tong een -reeks van grootere tanden; ook op elk gehemeltebeen staan er 2 of 3, -die spoedig uitvallen. De binnenzijde van de kieuwbogen is met vele -fijngetakte uitsteeksels bezet, die gezamenlijke als een engmazige -zeef de keelspleten bedekken en het doordringen van het uit kleine -diertjes bestaande voedsel in de kieuwholten voorkomen. - - - -De Haring (Clupea harengus), bereikt, zooals men weet, zelden een -grootere lengte dan 30 cM., heeft kleine, smalle borst- en buikvinnen, -een op 't midden van het lichaam aangehechte rugvin, een ver naar -achteren verschoven, smalle aarsvin, een diep gegaffelde staartvin -en groote, gemakkelijk losgerakende schubben. De bovendeelen zijn -fraai zeegroen of groenachtig blauw, de onderdeelen zilverkleurig -en iriseeren met verschillende tinten, al naar de wijze waarop het -licht invalt; de rugvin en de staartvin zijn donker, de overige vinnen -licht van kleur. - -Het verbreidingsgebied van den Haring omvat, behalve het noordelijke -deel van den Atlantischen Oceaan, van Amerika tot Europa, met -inbegrip van de Oostzee en de Noordzee, ook de zee ten noorden van -Europa en Azië. De vroeger algemeen heerschende meening, dat deze -Visch ieder jaar van uit de IJszee naar de Europeesche kusten zou -trekken, mist allen grond: de Haring houdt zich niet hoofdzakelijk -in de IJszee op en maakt geen groote reizen. Om het tooneel van zijn -werkzaamheid te leeren kennen, beschouwe men een dieptekaart van -de Noordzee; het blijkt dan, welk een ontzaglijk verschil in diepte -er bestaat tusschen dit voor ons zoo belangrijke vischwater en den -Oceaan. Groot-Brittannië verheft zich als 't ware boven een hoogvlakte, -die dit rijk met Frankrijk, België, Nederland, Noord-Duitschland en -Denemarken verbindt. Deze vlakte, die met het Europeesche vasteland -een samenhangend geheel zou uitmaken, indien het peil van de zee 200 -M. lager gelegen was, strekt zich van de oostzijde van Engeland tot -dicht bij Skandinavië uit, maar is van dit steil boven den Oceaanbodem -oprijzende gebied gescheiden door een diepen en smallen zeearm, -die zich op eenigen afstand van de kust om het zuidelijke deel van -Noorwegen kronkelt. De westelijke rand van het Noordzee-plateau is -echter niet meer dan ongeveer 10 mijlen van de kust van 't Vereenigd -Koninkrijk en van Bretagne verwijderd; verderop neemt de diepte van -den Oceaan schielijk tot duizenden meters toe. In deze afgronden houdt -de Haring zich op, hier zou men hem ten allen tijde kunnen vinden met -toestellen, die voor het onderzoek van groote diepten geschikt zijn; -van hier begeeft hij zich in den paartijd naar het Noordzee-plateau om -eieren te leggen in de nabijheid van de kust, daar voor de ontwikkeling -zijner jongen water van betrekkelijk geringe diepte vereischt wordt. In -den eigenaardigen vorm van den zeebodem is een verklaring te vinden -van het feit, dat de haringvangst op de oostkust van Engeland van -veel minder beteekenis is dan bij de kusten van Schotland, Ierland, -Noorwegen en het Kanaal. - -Door vergelijking van den vorm, de grootte en den voortplantingstijd -van de Haringen, die op verschillende paaiplaatsen aangetroffen -worden, zijn vele onderzoekers tot de overtuiging gekomen, dat -in deze soort een zeker aantal stammen of rassen moeten worden -aangenomen, die zich door erfelijke eigenaardigheden onderscheiden. De -waarschijnlijkheid van het bestaan dezer rassen wordt bevestigd door -de waarneming, dat zij, gelijk de dieren in 't algemeen doen, naar -de plaats waar zij geboren zijn, terugkeeren om voort te telen. Elk -van deze rassen bewoont een gebied van betrekkelijk zeer geringe -uitgestrektheid, dat nooit overschreden wordt. Met veel zorg heeft -Nilsson deze verschijnselen nagegaan op de kust van Skandinavië. Aan -de noordwestkust van Noorwegen beginnend, ontmoet men het eerst het -paaistation van den Noorschen Zomerharing, die zich kenmerkt door -een gedrongen vorm, een korten kop en een middelmatige lengte (28 -cM.). Hij komt in Juli en Augustus bij de kust en paait in September -en October. Verder zuidwaarts, bij Bergen o. a., bevindt zich het -paaigebied van den Noorschen Winterharing (Vaarsild), de grootste -van alle, daar hij een lengte van 38 cM. en een hoogte van 6 cM. kan -bereiken; de lichaamsbouw is minder gedrongen en de kop langwerpiger -dan bij het vorige ras. Nog verder zuidwaarts, langs de kust van het -Zweedsche district Götheborg, dus over een uitgestrektheid van nog -geen 30 uur gaans, treft men den Götheborgschen of Bohus-haring aan, -die door geringere grootte en anderen vorm van den Vaarsild afwijkt, -doch denzelfden rijtijd heeft als deze. Het zuidelijkste, 50 uren lange -gedeelte van Zwedens westkust is het paaigebied van den Kulla-haring, -wiens grootte en vorm nagenoeg volkomen overeenstemmen met die van -den Noorschen Zomerharing, terzelfder tijd als deze de kust nadert -en denzelfden rijtijd heeft. Aan de kust van Zweden komt de Abeka- -of Kivik-haring voor, die 20 à 23 cM. lang en 3 1/2 à 4 cM. hoog is; -de mannetjes zijn over 't algemeen kleiner en hebben een korteren kop -dan de wijfjes. De meeste exemplaren schieten kuit in October, zelden -in November; er zijn er echter ook (en deze zijn kleiner van stuk), -die dit reeds in Mei of Juni doen. De Haring, die de zuidoostkust -van Zweden tot paaiplaats heeft, wordt Strömming genoemd en heeft -slechts 15 à 20 cM. lengte, hoewel men ook van tijd tot tijd aan de -noordkust van het district Stockholm exemplaren van geheel denzelfden -vorm aantreft, die 27 à 33 cM. lang zijn. In de zuidelijkste gedeelten -van zijn gebied paait de Strömming zoowel van Mei tot in het begin -van Juni als van Augustus tot half September. In de Botnische Golf -evenwel, o. a. bij Umea, schiet hij kuit in 't midden van Juni. "Ook -aan andere kuststreken," schrijft Schlegel, "merkt men verschillen -op in de grootte der Haring, o. a. is die der Fransche kusten kleiner -dan die, welke in de Noordzee aan de kusten van Groot-Brittannië door -onze en andere visschers gevangen wordt. De rijtijd van de Haringen -van de oost- en zuidkust der Noordzee is evenmin dezelfde in alle -streken. Bij die, welke op onze Groote- of Pekelharingvisscherij van de -Shetlandsche eilanden tot aan de noordelijke gedeelten der oostkust van -Groot-Brittannië gevangen worden, begint de rijtijd in Juli; bij den -zoogenaamden Steurharing, die gevangen wordt ten oosten der Engelsche -kust, waarheen onze bomschuiten in September vertrekken, begint hij -tegen October. De Panharing der Zuiderzee, die zich in sommige jaren, -gelijk dit b.v. in 1825 tot 1836 het geval was, in ontzaglijke menigte -vertoont, verzamelt zich daarentegen tot dat einde reeds in de laatste -maanden van het jaar, tot in het volgende voorjaar." - -Naast de Spieringen zijn, volgens Dr. Hoek, Haringen--jongen -(Zeebliek) en larven (kaf)--in het Hollandsch Diep de meest voorkomende -Visschen. Beide soorten worden in menigte in den ankerkuil gevangen om -als aas voor de aalkorven te dienen. De weinige volwassen Haringen, -die hier aangetroffen worden, verschillen van den Noordzeeharing -door geringere grootte en door den iets kleineren afstand van rug- en -buikvin tot den snuit. Zij komen in dit opzicht met den Götheborgschen -Haring en waarschijnlijk ook met den Zuiderzeeharing overeen. In het -Hollandsch Diep en het Haringvliet zijn geen paaiplaatsen van den -Haring bekend. De hier voorkomende exemplaren zijn waarschijnlijk, -evenals die van de Theems, de Southampton-rivier en den mond der -rivieren van de Fransche kust geboren uit in zee gelegde eieren; -als larven zwemmen zij den riviermond op. In dit stadium, dat 2 à 3 -maanden duurt, zijn zij wit, ongeschubd en min of meer doorzichtig, -in verhouding tot de lengte zeer smal. Onder haar merkt men tweeërlei -vormen op: lange larven (48 mM.) van "Winterharingen" en korte larven -(38 1/2 mM.) van "Voorjaarsharingen." Het volgende (of overgangs-) -stadium kenmerkt zich door een zilverkleed; de vischjes krijgen kleine -schubben en een naar verhouding grootere breedte. Op het overgangskleed -volgt het volwassen kleed. Vischjes, die in dezen toestand verkeeren en -gemiddeld 55 à 60 mM. lang zijn, gelden te Londen onder den naam van -Whitebait als een lekkernij; als zoodanig hebben de grootere vischjes -(die van Juli en Augustus) geen waarde meer. "De meeste Zeebliek -(van 60-80 mM. lengte) wordt op onze benedenrivieren gevangen in den -eersten tijd na de sluiting." (Van 1 April tot 15 Juni is het visschen -met de ankerkuil op een bepaald deel van de benedenrivier verboden, -maar wordt in het zeegat voortgezet.) "Dat men ze bijkans het geheele -jaar door aantreft en dat er van Maart tot in Juni voortdurend larven -gevangen worden, verklaart zich uit het feit, dat, ook al paaien de -meeste Haringen in een bepaalden tijd van het jaar (stel voor onzen -Kustharing Maart of in 't algemeen het voorjaar), het door Cossar Ewart -waargenomen feit, dat de Haring op de kust van Aberdeenshire gedurende -10 van de 12 maanden (Augustus 1883-Juli 1884) met paaien voortgaat, -ook wel in meerdere of mindere mate voor onze kuststreken gelden zal." - -Men rangschikt de haringrassen in twee groepen: de Oceaanrassen -en de Kustrassen. Tot de eerstgenoemde behooren o.a. de Schotsche -Oceaanharing en de Noorsche Vaarsild; zij leven buiten den paaitijd -in den Oceaan op een afstand van 200 à 400 KM. van de kust. Tot -ontzaglijke scholen vereenigd, verlaten zij de diepte om kuit te -schieten op ondiepe gronden in de nabijheid van de kust, hetgeen -aanleiding geeft tot hoogst belangrijke visscherijen. Een voorbeeld -van een Kustras is o.a. de Winterharing van het westelijk deel der -Oostzee; deze leeft steeds in de onmiddellijke nabijheid van de kust -en kiest tot paaiplaats ondiepe, stille bochten, liefst zulke, die -brak water bevatten. - -Het leven, dat de Haringen in de diepte leiden, is ons nog altijd -nagenoeg onbekend. Zeker weet men echter, dat zij zich hoofdzakelijk -voeden met nietig kleine Schaaldieren (Copepoden), waarvan zij -ontzaglijke hoeveelheden verslinden, ook eten zij soms kleine Visschen, -vooral Sprot, bovendien eieren en larven van hun eigen soort.--Hoewel -verreweg de meeste Haringen door de aandrift tot voortplanting genoopt -worden zich uit de diepten naar de bovenste waterlagen te begeven, -ontmoet men hier ieder jaar ook een groote menigte exemplaren met -onontwikkelde hom en kuit; deze worden Maatjesharing genoemd en zijn -wegens hun vet en smakelijk vleesch in gezouten toestand zeer gezocht. - -Voor de haringvangst is natuurlijk de bekendheid met den paaitijd -van het ras, welks paaiplaatsen men bevisschen zal, van 't grootste -belang. Door verschillende oorzaken, die ons nagenoeg volkomen onbekend -zijn, kan echter de komst van de haringschool weken en zelfs maanden -vertraagd of vervroegd worden. De verschijnselen, die bij de visschers -als voorteeken van de komst of van het wegblijven der Visschen gelden, -zijn zeer onbetrouwbaar. Te recht wordt daarom de haringvisscherij -evenals de walvischvangst met een hazardspel vergeleken. In het eene -jaar levert zij groot voordeel op, in het andere dekt zij de onkosten -niet. Jaren achtereen verschijnen de Haringen op een bepaald gedeelte -van de kust bij milliarden; plotseling blijven zij uit en de visschers -keeren met ledige vaartuigen terug. Verderop in de zee is de richting, -die de school neemt, natuurlijk nog wisselvalliger; soms trekt zij -voorbij op de plaats waar men haar verwachtte, soms gaat zij eenige -zeemijlen buiten haar gewone koers. Raadselachtig is het feit, dat op -de vermindering van omvang of het geheel wegblijven van de scholen van -Haringen of andere nuttige Visschen op plaatsen waar deze tot dusver -geregeld ieder jaar verschenen, soms na verloop van zeer langen tijd -de terugkomst van de zegenaanbrengende zwermen van zeebewoners gevolgd -is. In Skandinavië waar dit herhaaldelijk voorgekomen is, wordt het -aangeduid met den naam van "Fiskeperioden." Geschiedkundige nasporingen -in de archieven van dit rijk hebben het bewijs geleverd, dat deze -perioden een duur van ongeveer 60 jaren hebben. Zoo zijn de groote -haringscholen, die sedert 1808 uit het Skagerrak nagenoeg geheel waren -weggebleven, in 1877 teruggekeerd. Door het wegblijven van de Visschen -zijn dikwijls bloeiende visscherssteden in verval geraakt en hebben -duizenden van menschen armoede geleden. Het is zeer waarschijnlijk, -dat de oorzaak van dit verschijnsel niet gezocht moet worden in het -zoogenaamde "doodvisschen" van het bedoelde gebied door den mensch, -maar in periodieke veranderingen van de zeestroomingen; de hierdoor -teweeggebrachte wijziging van de temperatuur van 't water oefent op de -voeding en de voortplanting der Visschen een grooten invloed uit. De -geschiktheid van een kuststreek voor paaiplaats wordt ook verminderd -door het uitroeien van de hier groeiende waterplanten; hieraan of aan -steenen hechten zich n.l. de bevruchte eieren; de afwezigheid van zulke -voorwerpen vermindert de kans, dat uit de eieren jongen voortkomen, -die in 't volgende jaar op deze plaats zullen kuitschieten. De -voortplanting der Haringen geschiedt op soortgelijke wijze als die -der Houtingen en andere in de diepte levende Visschen. In tallooze -menigte zwemmen de mannetjes en wijfjes twee of drie dagen lang dicht -bij den waterspiegel rond, dringen bont dooreengemengd tot een dichten -hoop bijeen, vooral als er stormweer in aantocht is, snellen vooruit -en laten intusschen de hom en de kuit in 't water vallen. - -De bewoner van het binnenland kan zich moeielijk een denkbeeld -vormen van de haringscholen; de berichten van ooggetuigen komen -hem overdreven en ongeloofelijk voor. Deze berichten stemmen echter -zoo volkomen overeen, dat er aan hun geloofwaardigheid niet valt te -twijfelen. "Ervaren visschers," zegt Schilling, "waarmede ik naar -de vischgronden voer, toonden mij bij flauw schemerlicht scholen van -mijlen lengte en breedte, niet, zooals men zou kunnen denken, aan de -oppervlakte der zee, maar aan den weerschijn van de door haar verlichte -lucht. De Haringen zijn gedurende het trekken zoo dicht opeengedrongen, -dat de booten, die te midden van zulk een school komen, in gevaar -geraken; men kan de Visschen met de schop uit het water scheppen en -in het vaartuig werpen; een lange roeiriem, die in deze levende massa -wordt gestoken, blijft er rechtop in staan." Leverkus Leverkusen, -die bij het eiland Hitteren aan de westkust van Noorwegen bij 't -oversteken van een zeearm een haringschool ontmoette, schrijft: -"Aan 't roer zittend, ontwaarde ik bij 't schemerlicht van den -ontwakenden dag tallooze groote Vogels, die aanhoudend krijschend -boven de oppervlakte der zee zweefden, met korte tusschenpoozen er -telkens op dezelfde plaats in neerschoten en weer opvlogen. In het -water onder de Vogels was een bijna huivering-wekkende woeling waar -te nemen; nu eens spoot het schuimend omhoog, dan weer zag men lange -voren ontstaan in de door 't sterrengeflonker beschenen oppervlakte, -terwijl de jagers der lucht in bonte verwarring door elkander heen -zwierden. Al nader en nader kwam de boot bij dezen heksensabbat, -daar ik, ten hoogste geboeid door het schouwspel, waarvan de oorzaak -mij onbekend was, op de plek afstuurde. Niet voordat wij in de -onmiddellijke nabijheid van den roofzuchtigen zwerm waren gekomen, -die tot dusver met gulzige haast schatting had geheven van een in -den zeearm doorgedrongen haringschool, werden wij opgemerkt door -de Haringmeeuwen, die nu alle onder wanluidend gekrijsch op een -eerbiedigen afstand omhoogstegen, boven onze hoofden rondzwierden -en ons uit de lucht een regen van schitterend witte visitekaartjes -toezonden, zoodat wij binnen weinige minuten als Zebra's gestreept -waren. Bij honderdtallen zwierden de Vogels boven ons, terwijl in -het zilte nat onder en naast ons Haringen van allerlei grootte door -hunne opeendringende buren naar boven werden geperst. - -"Het was een merkwaardig schouwspel! Nooit te voren had ik het -van zoo nabij waargenomen! Langzaam drong de kiel van de boot in -de opeenhooping van Visschen door en drukte de naar boven geperste -Haringen, wien het aan ruimte ontbrak om zich te bewegen, met geweld -in het natte element terug. Zoo voeren wij eenige minuten lang -onder zwaren arbeid door de school heen, terwijl de roeiriemen meer -Haringen schepten dan water." Soortgelijke ervaringen hebben andere -onderzoekers opgedaan; eenigen verzekeren zelfs, dat hun boot door -de daaronder wemelende menigte van Visschen omhoog geheven werd. - -Ontelbaar als iedere haringschool is ook het aantal der haar volgende -vijanden. Zoo lang de Haringen in de bovenste waterlagen vertoeven, -voeden alle hier levende roofvisschen, alle zeevogels en bijna -alle zeezoogdieren zich uitsluitend met hen. De Noren worden van -de komst der Haringen onderricht door het toestroomen van tal van -Cetaceeën. Hoewel de grootte van de verliezen, die de roovers der -zee aan de haringscholen toebrengen, niet eens bij benadering geschat -kan worden, is de bewering, dat de mensch een nog grootere slachting -onder de Haringen aanricht, niet van allen grond ontbloot. - -Sedert de Middeleeuwen heeft de haringvisscherij een belangrijke rol -gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandsche gewesten. Zooals -uit verscheidene wetten en keuren van Vlaamsche graven blijkt, was -dit bedrijf reeds in de 10e en 11e eeuw een bron van welvaart voor de -groote Vlaamsche steden. In Vlaanderen is het geheel te niet gegaan, -evenals later ook in Zeeland, welks bewoners in de 12e eeuw schepen -voor de haringvangst begonnen uit te rusten en waar Zierikzee tot in de -18e eeuw een belangrijken haringhandel heeft behouden. Daar de Zeeuwen -gedurende de Spaansche en Fransche oorlogen meer voordeel hadden -van de kaapvaart, verminderde op het gebied der visscherij allengs -hun concurrentie met de verder noordwaarts wonende kustbevolking. De -eerste geregelde vaarten van Hollandsche haringvisschers werden in -1164 van uit den Briel ondernomen. In 1285 kregen de Hollanders en -Friezen van den Engelschen koning Eduard het privilegie om langs -de kusten van zijn rijk te visschen. Reeds vóór de 13e eeuw genoten -de burgers van Kampen en Harderwijk dezelfde vrijheid op de kusten -van Skandinavië. De Amsterdammers bevischten de zee ten zuiden van -Zweden en kregen in 1390 van den Hollandschen graaf, hertog Albrecht -van Beieren, verlof om in Schonen een voogd voor hun bedrijf aan te -stellen. Toen in 1472 de haringscholen eensklaps ophielden in groote -menigte aan deze kust te verschijnen, kozen de Hollandsche visschers -algemeen de Shetlandsche eilanden (Hitland), de Orkaden en de kust van -Schotland en Engeland als arbeidsveld. Op een afstand van 10 mijlen van -de kust was hun het visschen geoorloofd. Hier verschijnen de parende -Visschen in Juni, enkele voorloopers reeds in April of Mei. Voor -deze reizen maakten onze landslieden gebruik van een eigenaardig -soort van kielvaartuigen (buizen of tweemasthoekers). Gewoonlijk -wordt de haringvloot vergezeld van een aantal "jagers", meestal één -op elke 10 buizen; dikwijls zijn dit oude buizen of éénmasthoekers, -die voor de visscherij niet deugen en alleen dienen om een deel van -de gevangen Haringen met den grootst mogelijken spoed naar land te -brengen om er den hoogst mogelijken prijs voor te maken. - -Met ijver hebben de Nederlanders zich toegelegd op het aanbrengen -van verbeteringen in de wijze van vangst en bereiding van den -zoozeer gewilden Visch. In 1416 werd het eerste groote haringnet -te Hoorn gebreid. Willem Beukelszoon te Biervliet vond in 1386 het -"kaken" uit, waardoor een veel smakelijker en duurzamer product werd -verkregen dan vóór dien tijd op de markt kwam. De Haring sterft -n.l. kort na het ophalen van het net; terstond wordt hem de keel -opengesneden en onmiddellijk de kieuwen en de darmen verwijderd, -die anders een spoedig bederf zouden veroorzaken; de dus toebereide -Visch wordt voorloopig in met zeewater gevulde tonnen geworpen en den -volgenden dag bij lagen, met grof zout er tusschen, in andere tonnen -(kantjes) overgepakt, die in 't ruim van 't schip worden weggezet. Het -kaken wordt door een geoefend visscher zeer snel gedaan: 15 à 20 ton -Haring per uur. Doorgaans worden 100 ton Haring vóór zonsondergang -gereedgemaakt. Voor het behoorlijk zouten zijn 4 ton (530 KG.) zout -op 14 ton Haring noodig. De aan land gebrachte pekelharing wordt in de -haringpakkerijen onder nauwkeurige controle in de open lucht uitgepakt -en zorgvuldig nagezien; alle Visschen, die eenig gebrek vertoonen -(onzuiver, wanzout, wrak, ijl, kuitziek, melkziek zijn), worden van -de volle en zuivere afgescheiden en deze opnieuw met zout in andere -tonnen overgepakt, die, al naar de grootte der Haringen, 900 à 1100 -stuks bevatten. Een last van 12 "gepakte" tonnen weegt 1800 à 2000 -KG. Al naar de soort van Visch, die zij bevatten, worden de tonnen -met verschillende ingebrande keuren voorzien. De goede naam, dien de -Hollandsche Haring, ondanks de steeds scherper wordende concurrentie -tot heden toe heeft behouden, werd door het zorgvuldig toepassen van -deze maatregelen gevestigd. - -De belangrijkheid van de Nederlandsche haringvisscherij in de 16e eeuw -blijkt uit den haar toegekenden naam "Groote Visscherij," die voor -'t eerst voorkomt in een plakkaat van Prins Willem I, gedagteekend -27 April 1582, en sinds dien tijd gebezigd werd in alle plakkaten -van de Staten van Holland, welker doel was "de maintenue van de -hoofdnering, welvaart en principaalste mijne dezer landen." Dit -doel trachtte men te bereiken door de visscherij en den vischhandel -te dwingen in een nauw keurslijf van bepalingen en reglementen, -die voor 't grootste gedeelte in de eerste helft van deze eeuw nog -bestonden en eerst bij de wet van 12 Mei 1857 zijn afgeschaft. Eén -van deze bepalingen was, dat zoomin de buizen als de jagers eenige -andere kustplaats mochten aandoen dan de vaderlandsche haven, van -waar zij waren uitgezeild; het aan land brengen van de vangst op een -andere plaats was den visscher uitdrukkelijk verboden, evenals ook het -koopen en verkoopen van Haring in zee of het buitenland. Geen reeder -van een haringbuis mocht daarin deel geven aan een vreemdeling, geen -Nederlander mocht medereeder zijn in een ter haringvangst uitgerust, -buitenlandsch schip, geen Nederlandsch visscher voor buitenlandsche -reeders varen, enz. Ook de tijd waarop de vangst moest aanvangen, -was nauwkeurig voorgeschreven: Geen net mocht in zee geworpen worden -vóór den middernacht volgende op St. Jan (24 Juni). De haringvisschers -zorgden er dus voor, omstreeks dien tijd bij Fairhill (een eilandje -tusschen de Shetlandsche en Orkadische eilanden) te zijn om te -rechter tijd den arbeid te kunnen beginnen. Voor de vangst dienen -zoogenaamde drijfnetten van 40 M. lengte en 10 M. diepte, die, -ten getale van 50, 60 of meer aaneenverbonden, de "haringvleet" -vormen. Deze heeft dikwijls een lengte van honderden meters en is van -boven verbonden aan een touw (dolreep of vleetreep), die tusschen twee -buizen uitgespannen wordt. Deze liggen door het zware net zoo vast, -dat zij geen ankers noodig hebben. De bovenrand van de vleet wordt -drijvende gehouden door de hieraan bevestigde ledige tonnen; aan -den onderrand bevindt zich de "loodreep," die, behoorlijk bezwaard, -de vleet als een rechtstandige muur in het water doet drijven. De -bij reglement voorgeschreven grootte van de mazen is zoodanig, dat -een jonge Haring er door kan; de volwassen Visch blijft bij zijne -poging om er door te sluipen met den kop er in steken en wordt -door de kieuwdeksels verhinderd terug te keeren. Het net wordt na -zonsondergang te water gelaten; 's nachts kan men de haringschool -gewoonlijk op een afstand duidelijk onderscheiden, daar de glanzig -zilverwitte schubben van de onderdeelen, die door het opdringen en -zwenken dikwijls boven komen, door weerkaatsing van het licht een -helder schijnsel ("zilverblik" genaamd) veroorzaken. De visschers zijn -dus in de gelegenheid om het net dwars voor de school te spannen. Door -het licht der schepen aangelokt, zwemmen de Haringen op het net af, -dat zij wegens de duisternis niet opmerken. Den volgenden morgen, -in den regel omstreeks 5 of 6 uur, een uur of twee na zonsopgang, -wordt het net opgehaald. Dit is een moeielijke arbeid, die wel drie -uren duurt. De hoeveelheid visch, die in gunstige omstandigheden door -een "schot" of networp wordt buit gemaakt, wisselt af van 3 tot 8 last -(sommige berichten gewagen van 10 en zelfs van 14 last). In Sept. 1898 -heeft één schot soms 100 ton Haring opgebracht. Het gebeurt wel eens, -dat men het net wegens den grooten aandrang van Visch reeds na 2 uren -moet ophalen. De zorgvuldige behandeling van de vangst levert werk -genoeg voor den volgenden dag. Als de vangst meer dan 5 last bedraagt, -is het niet mogelijk haar geheel te verwerken; het overschot (de -"slabbers") wordt ook wel gekaakt, doch licht gezouten en veeltijds in -bijzondere schuiten geworpen en vervoerd. Gedurende de 3 eerste weken -(25 Juni tot 15 Juli) wordt al de gevangen Haring ongesorteerd (doch -gekaakt en gezouten) in tonnen gepakt en door de jagers naar Holland -vervoerd; dit is de z.g. Jagersharing of St. Jansharing. Na 15 Juli -worden alle Visschen, zoodra zij gekaakt zijn, zorgvuldig uitgezocht -en in 3 soorten onderscheiden, n.l. Maatjesharing, Volle Haring -(die rijpe hom of kuit bevat en het langst duren kan) en Schoot- -of Holharing (ook wel IJle Haring genoemd, die de kuit of hom reeds -uitgeworpen heeft, veel geringer van kwaliteit is en minder lang kan -duren dan de Volle Haring). Kuit- en Melkziek noemt men den Visch, -die op het punt is van te schieten en dus de kuit en de hom geheel los -heeft zitten; ook deze is van geringe kwaliteit. Ook naar den tijd en -de plaats van vangst wordt de Haring gesorteerd en het fust later door -een ingebrand merk aangeduid. Die, welke tusschen 15 Juli en St. Jacob -(25 Juli) bij Fairhill en Hitland gevangen is, heet Grofzoutharing. Van -St. Jacob tot St. Bartholomeus (24 Aug.) en daarna tot Kruisverheffing -(14 Sept.) of St. Lambertus (17 Sept.) werpt men de netten onder -Schotland, bij Bockeney en Sereniat uit; de merken van de hier -gevangen Visch heeten Jacobi-brand (Fijnzoutharing) en Bartholomeïbrand -(Kleine brand, Keulsche brand). De buizen keeren één- of tweemaal (of -vaker, wanneer de vangst overvloedig is geweest) naar het vaderland -terug om zoo spoedig mogelijk (voor zoover het vischseizoen nog niet -afgeloopen is) hun arbeid in zee te hervatten. De Haring, die men na -14 Sept. tot St. Catharina (25 Nov.) vangt, is afkomstig uit de zee -beoosten Yarmouth en van nog zuidelijker gedeelten der Engelsche kust; -dit is de Kruisbrandharing (Groote of Rouaansche brand). - -De haringvangst op de Engelsche kust geschiedt voor een groot deel -met bomschuiten. De door hen aangebrachte Visch mocht volgens een -bepaling uit de vorige eeuw niet gekaakt worden; men bepaalde -zich er toe haar zwak te zouten of te "steuren"; hieraan is de -naam Steurharing ontleend. Gedeeltelijk was deze Visch voor de -bokkingrookerijen bestemd, gedeeltelijk werd zij onmiddellijk verbruikt -(Schakelharing, Zoete Haring). Omgekeerd werd in 1826 aan de bemanning -der buizen verboden Haring te "steuren" of ongekaakt aan den wal te -brengen. Beide beperkende bepalingen zijn in 1857 afgeschaft, zoodat -nu alle ter haringvangst uitzeilende vaartuigen zoowel pekelharing als -steurharing mogen aanvoeren. Vroeger moest de voor uitvoer bestemde -pekelharing door van hoogerhand aangestelde keurmeesters gekeurd en -door een officieel merk op het fust gewaarborgd worden. Deze wijze -van keuring werd bij de wet van 1857 facultatief gesteld en in 1878 -geheel afgeschaft. - -In de 17e eeuw bereikte onze haringvisscherij haar hoogsten trap van -bloei. Gemiddeld voeren toen ieder jaar 1000 (in 1601 zelfs 1500) -buizen uit onze havens naar Hitland, en verschafte dit bedrijf, -naar men berekende, aan ongeveer 100000 menschen een bestaan. De -aanzienlijke vermindering van onze haringvloot in de 18e eeuw werd -voor een deel veroorzaakt door de steeds toenemende mededinging -van andere volken. Sinds lang werden ons de schatten van de zee -betwist door de Hanseaten en de Noren; de sterke uitbreiding van de -vischvangst der Engelschen en Schotten, die thans op dit gebied alle -overige Europeesche volken overvleugeld hebben, is ruim twee eeuwen -geleden begonnen. Wel herleefde onze haringvisscherij (die in 1812 en -1813 slechts door 3 buizen werd uitgeoefend) eenigszins na het herstel -onzer onafhankelijkheid, maar toch is in de eerste helft dezer eeuw het -aantal voor dit bedrijf uitzeilende kielschepen nooit grooter geweest -dan 173 (in 1830); in 1856 was het tot 82 gedaald (bovendien voeren -147 bomschuiten ter vangst van versche en steurharing uit). Sinds 1857 -heeft echter onze haringvloot een aanmerkelijke uitbreiding ondergaan, -niet alleen wat het aantal, maar ook wat het model, de bouwstof, de -grootte en de uitrusting der kielschepen betreft. Een belangrijke -verbetering was het vervangen van de hennep als materiaal voor de -netten door katoen (dat voor 't eerst in 1852 in Schotland voor -dit doel gebruikt werd). Netten van hennep kunnen niet langer dan 1 -jaar dienst doen; indertijd verving men daarom de hennep ook wel door -Perzische zijde en verkreeg op deze wijze netten, die minstens 3 jaar -konden duren. Hun lichte kleur, die den Haring schuw zou maken, werd -weggenomen door het tanen of het in den rook hangen. De herhaaldelijk -met cachou getaande katoenen netten zijn niet slechts duurzamer, -maar ook buigzamer en goedkooper; zij drogen spoediger; de mazen, -waarin de Visschen vastgeraken, blijven beter geopend. - -Tot in 1866 waren hoekers en sloepen de eenige voor de haringvangst -dienende kielschepen; in 1867 kwam de eerste vischlogger naar -Fransch model in gebruik; in 1886 voer de laatste hoeker naar de -vischgronden. In 1896 was het aantal loggers, sloepen en kotters voor -de haringvangst gestegen tot 296, voor 't meerendeel thuis behoorend in -Vlaardingen, Maassluis en Scheveningen. Hoe langer hoe meer worden deze -vaartuigen (welker bemanning gemiddeld uit 14 of 15 personen bestaat) -van ijzer of staal vervaardigd en met stoomspillen voor het ophalen -der netten voorzien. Het aantal reizen van ieder schip bedroeg in -1896 minstens 3, meestal 4, voor één zelfs 7. In 't geheel hebben -de kielschepen in genoemd jaar 273114 tonnen pekelharing en ruim 6 -millioen stuks steurharing uit zee aangebracht. - -In 1896 zeilden 324 bomschuiten (ieder bemand met 8 à 10 personen) -ter haringvangst langs de kust uit (n.l. van Scheveningen 231, Katwijk -74, Noordwijk 18, Egmond 1); zij brachten 212531 tonnen pekelharing -en ruim 25 millioen steurharing aan.--De geheele haringvangst van -1896 (bijna 208 millioen Haringen) vertegenwoordigt een waarde van -omstreeks 5 millioen gulden.--Bovendien leverde de Zuiderzeevisscherij -ruim 60 millioen Haringen op (ter waarde van bijna 340000 gulden); -deze worden meerendeels tot "bokking" gerookt; het overige wordt als -"panharing" versch gegeten. - -"De vangst van Haringen, Pelsers en Sprotten," zegt Bertram, "wordt -in Engeland met een korten tusschentijd bijna het geheele jaar -door uitgeoefend, de haringvangst echter hoofdzakelijk van Augustus -tot October. Dan is de zee langs de kusten van Schotland, Ierland -en Engeland met visschersvaartuigen als bedekt; iederen zeeboezem -heeft zijn eigen kleine vloot, iedere inham zijn visscherij; op de -voornaamste vischgronden zijn zeer aanzienlijke vloten bijeen. De -zouters hebben in de steden, die in de nabijheid van de vischgronden -gelegen zijn, ruime pakhuizen en terreinen, gevuld met tonnen, -zout en andere benoodigdheden. Minder bemiddelde zouters vestigen -hunne werkplaatsen aan de kust; tegenover de hiervoor gekozen punten -verzamelt zich weldra in de zee een meer of minder talrijke vloot; -terwijl aan den vasten wal een bonte menigte van allerlei menschen, -zouthandelaars, verkoopers van vatduigen, kuipers, meisjes uit den -omtrek, mannen uit de Hooglanden en anderen, hunne diensten komen -aanbieden. In den eigenlijken vischtijd heerscht op deze plaats een -zenuwachtige bedrijvigheid: alle werkzaamheden, alle gesprekken, -alle gedachten hebben uitsluitend betrekking op de Haringen. Ouden -van dagen komen de toebereidselen in oogenschouw nemen en disschen, -door geestdrift verjongd, verhalen op over gebeurtenissen van 20 of -meer jaren her; de jongere lieden bezichtigen de booten, zeilen en -netten. Langs de geheele kust ziet men overal dezelfde tooneelen; -ieder is bezield door de hoop op een gelukkige vangst. - -"Slechts voor een klein deel zijn de lieden, die de Haringen helpen -vangen, visschers van beroep; verreweg de meeste zijn huurlingen, -een samenraapsel van boeren, handwerkslieden, matrozen en landloopers; -dit is de voorname reden van het groot aantal ongelukken, dat gedurende -elk vischseizoen voorvalt. Voor de vischvangst gebruikt men veelal een -vleet; groote vaartuigen kunnen over een afstand van een Engelsche -mijl het water afzetten. De gevangen Visch wordt zoo schielijk -mogelijk naar de werkplaats van den zouter op het strand vervoerd, -omdat de Haring des te beter wordt, hoe eerder hij in den pekel komt." - -Voor een paar jaren heeft een Aberdeensche reederij een nieuw soort -haringvisschersvaartuig in gebruik gesteld. Het is ongeveer 20 voet -lang en 8 voet diep van de reeling tot de kiel. Het eigenaardige van -dit vaartuig is, dat het bestaat uit twee afzonderlijke, 2 à 3 voet -van elkander verwijderde heften, onderling verbonden door ijzeren -staven. Aan den voorsteven zijn twee netten bevestigd, die in den -vorm van een V van het schip uitgaan. Twee sleepbooten nemen ieder -het einde van één der netten en sleepen het vaartuig daarmede naar -de visscherijgronden. Zoodra men nu bij een haringschool gekomen is, -is 't de kunst te zorgen, dat deze tusschen de twee netten in geraakt -en zóó in de opening tusschen de twee helften van het schip gedreven -wordt. Een draadtraliewerk belet aldaar de ontsnapping en de visch -wordt door twee man aan boord gehaald. - -In 't geheel werd in het Vereenigd Koninkrijk (met inbegrip van het -eiland Man en de Kanaal-eilanden) de zeevischvangst in 1895 uitgeoefend -door 24046 vaartuigen (waarbij 4803 roeibooten) met een bemanning -van 114320 koppen (7120 schepen met 41224 man in Engeland en Wales, -9798 schepen met 43373 man in Schotland, 6060 schepen met 26910 man -in Ierland). De hoeveelheid gevangen zeevisch bedroeg ruim 14 1/2 -millioen centenaars, ter waarde van ruim 7 millioen pond sterling, -waarvan 5634891 centenaars Haring, ter waarde van 1083307 pond sterling -(n.l. in Engeland ruim 1 1/2 millioen, in Schotland bijna 4 millioen -en in Ierland ruim 155 duizend centenaars). Aan elkander bevestigd -zouden de netten van de 7000 voor de haringvangst dienende Schotsche -vaartuigen een lengte van 20000 KM. hebben; ieder jaar worden hiermede -minstens 1000 millioen Haringen gevangen. De voornaamste plaatsen -voor de haringvangst aan de oostkust van Schotland en Engeland zijn -Great-Yarmouth, Wick, Peterhead en Fraserburg. - -Langs het middelste gedeelte van de kust van Noorwegen maakt -men in den zomer en den herfst, voor de zeer belangrijke vangst -van den zoogenaamden Zomerharing of Vetten Haring, behalve van de -gewone netten, ook gebruik van zoogenaamde "waden", welke dienen om -fjorden en bochten af te sluiten, zoodra hierin een haringschool is -doorgedrongen. Op deze wijze worden soms ongeloofelijke hoeveelheden -visch te gelijk buit gemaakt. In de bochten laat men de Haringen, -die men den terugtocht heeft afgesneden, zoo lang blijven, totdat -men den tijd heeft om ze te bergen en in te zouten; dit moet zoo -vlug mogelijk geschieden, omdat de ingesloten Visch hoe langer hoe -meer uitteert en aan waarde verliest. Dikwijls is de hoeveelheid -Haring zoo groot, dat de bedoelde werkzaamheden 2 of 3 weken lang -aanhouden; daar in dezen tijd vele Haringen uitteren en sterven, -wordt het water in de bocht stinkend, hetwelk ten gevolge heeft, dat -de Haring deze voor hem zoo aantrekkelijke paaiplaats 3 à 4 jaren -achtereen vermijdt. Langs het zuidelijke deel van de Noorsche kust -(hoofdplaats Stavanger) wordt van het einde van Januari tot April de -Vaarsild gevangen, meestal met drijfnetten. In de provinciën Norrland -en Zuid-Finmarken eindelijk vangt men van November tot Januari een -derde soort, de zoogenaamde Groote of Noordharing (Storsild). In 1895 -bedroeg de totale opbrengst van de Noorsche haringvisscherij 1235000 -HL. ter waarde van ongeveer 4 millioen gulden. - -In Duitschland worden ieder jaar ruim 1 millioen tonnen pekelharing -ingevoerd ter waarde van omstreeks 18 millioen gulden, daar de vangst -van de Duitsche haringvisschers niet meer dan 35000 tonnen ter waarde -van 600000 gulden bedraagt. Het grootste deel hiervan komt op rekening -van de Emder haringvisscherijmaatschappij, die met 29 loggers de -Noordzee bevischt. De visscherijmaatschappijen van Bremen-Vegesack -(13 loggers) en van Glückstadt zijn van minder beteekenis. De Duitsche -haringvisscherij op de Oostzee is niet zeer belangrijk; de vangst -wordt grootendeels versch of gerookt verbruikt. - -In een aquarium kan de Haring slechts op zeer jeugdigen leeftijd eenige -dagen in 't leven gehouden worden. De volwassen Haringen verliezen -in de gevangenschap dadelijk bijna alle schubben en sterven binnen -weinige uren. - - - -De naaste verwante van den Haring, die in de Noordzee aangetroffen -wordt, is de Sprot (Clupea sprattus), een vischje van ongeveer 15 -cM. lengte. Onze visschers en kustbewoners noemen haar in verschen -toestand gewoonlijk Schardijn of Sardijn (door verwarring met Clupea -pilchardus), en eerst nadat zij gerookt is, Sprot. Zij heet ook -Bliek, evenals de Blei en de jongen van den Brasem, of Zeebliek, -evenals de jonge Haring. De kielvormige buik is duidelijk getand, de -rug donkerblauw met groenen weerschijn, de romp overigens zilverwit; -de rugvin en de staartvin zijn donker, de aarsvin benevens de borst- -en buikvinnen wit van kleur. - -Ofschoon de beteekenis van de Sprot voor de huishouding van den mensch -veel geringer is dan die van den Haring, behoort zij toch tot de -belangrijkste Visschen van de Noordzee en de Oostzee, aan welker kusten -zij in grooten getale leeft. Zij heeft ongeveer dezelfde levenswijze -als de Haring, bewoont, evenals deze, aanzienlijke diepten en bezoekt -ieder jaar, tot ontzaglijke scholen vereenigd, kustwateren of ondiepe -gedeelten der zee. Evenals bij den Haring, onderscheidt men ook bij de -Sprot een aantal rassen. Volgens de waarnemingen van V. Hensen heeft -in de Oostzee het kuitschieten van de Sprot in Mei en Juni plaats; -ongeveer te zelfder tijd geschiedt dit op de Schotsche kust, elders -in Augustus en September, bij andere kusten in October en November. De -aanwezigheid van de Sprot in de bovenste waterlaag schijnt echter niet -altijd met het paaien in verband te staan. Gewoonlijk vertoeft zij -hier in gezelschap van andere kleine en jonge Visschen, vooral jonge -Haringen, die op vele plaatsen te gelijk met haar in onnoemelijken -getale in fijnmazige netten gevangen worden. Alle vischjes, die in -het net geraken, worden, zonder onderscheid van soort, op dezelfde -wijze toebereid, onder den naam van Sprot in den handel gebracht. "De -gewoonte om den riviermond op te zwemmen", schrijft Dr. Hoek, "schijnt -zij met den Haring gemeen te hebben. Terwijl echter de Zeebliek -(Whitebait), die op den Theems gevangen wordt, gedurende de winter- en -voorjaarsmaanden voor verreweg het grootste deel uit Sprotten en voor -een veel geringer deel uit jonge Haringen bestaat en deze alleen in -Juni en Juli in grooter aantal schijnen voor te komen, zijn de jonge -Haringen op het Hollandsch Diep het geheele jaar door veel talrijker -dan de Sprotten. Ik geloof niet, dat er op het Hollandsch Diep en -het Haringvliet door elkander genomen één Sprotje op honderd jonge -Haringen of Zeeblieken gevangen wordt." In de Zuiderzee en langs onze -kust is de Sprot in veel geringer hoeveelheid voorhanden dan aan de -zuid- en oostkust van Engeland, waar zich gedurende den winter 400 -à 500 Engelsche visschersvaartuigen voortdurend met de Sprotvangst -bezig houden. Dit bedrijf levert in het geheele Vereenigd Koninkrijk -een opbrengst van ruim 135 duizend centenaars ter waarde van bijna -22 duizend pond sterling. Bij ons vangt men de Sprot dicht bij de -kust met groote saaien, die door een vaartuig gesleept worden. Men -eet haar deels versch (vooral in Engeland), deels gerookt. - -Ook aan de Duitsche kust, vooral aan die van de Oostzee, worden ieder -jaar groote hoeveelheden Sprot gevangen, bij Eckernförde alleen -gemiddeld ongeveer 16 millioen per jaar, die meestal, na gerookt -te zijn, onder den naam "Kieler Sprot" overal heen gezonden worden; -in Noorwegen wordt dezelfde Visch ingemaakt (gemarineerd) en onder -den naam van "Ansjovis" in den handel gebracht. - - - -De Elft (Clupea alosa) (Alosa vulgaris) is nauw verwant aan den Haring, -gelijk reeds na een vluchtige beschouwing blijkt. Zijn romp is echter -hooger, de aarsvin een weinig langer; de rugvin en de buikvinnen -zijn verder naar voren geplaatst, de schubben kleiner, die van den -buikkant scherper. De rug heeft een fraaie, metaalachtig glinsterende, -olijfgroene kleur; de zijden en de onderdeelen zijn zilverwit, op de -zijden met goudachtigen weerschijn; een groote, donkere, onduidelijk -begrensde vlek, die aan den bovenhoek van de wijde kieuwspleet -staat (op de zijden gewoonlijk niet gevolgd door kleinere vlekken), -iriseert met olijfgroene kleur. De kieuwbogen zijn op de holle, naar -voren gerichte zijde bezet met een rij zeer smalle, lange en fijne -uitloopers, welker aantal met den leeftijd toeneemt, aan den voorsten -kieuwboog vindt men er 50 tot 120. De uitloopers aan de kieuwbogen -zijn zelf weer met tandjes of stekeltjes bezet. De keelspleten zijn -op deze wijze van een soort van zeeftoestel voorzien, die bij 't -openen van den bek zichtbaar wordt en welks oppervlakte aan die van -een borstel herinnert. Hierdoor worden de als voedsel dienende kleine -diertjes, die in het water voorkomen, in de mondholte achtergehouden, -terwijl het ademhalingswater naar de kieuwholte stroomt. De vinnen -zijn in mindere of meerdere mate zwartachtig. Deze Visch kan meer -dan 80 cM. lang en 1.5 à 3.5 KG. zwaar worden. - - - -De Fint [Clupea (Alosa) finta] bereikt een aanmerkelijk geringere -lengte dan de Elft; hij wordt zelden langer dan 40 cM. of zwaarder dan -1 KG. De verhouding tusschen hoogte en lengte is bij beide soorten in -volwassen toestand nagenoeg dezelfde (1 : 3 1/2). De jonge Elften zijn -echter hooger dan de jonge Finten: beide worden door onze visschers -Plasjes genoemd. De plaatjes op de holle, naar voren gerichte zijde -van de kieuwbogen zijn bij den Fint korter en steviger dan bij den -Elft en steeds op eenigen afstand van elkander geplaatst; hun aantal op -den voorsten kieuwboog is bij volwassen exemplaren steeds geringer dan -50. De kleur komt met die van den Elft overeen; achter de schoudervlek -vindt men echter op de zijden een reeks van 5 à 6 dergelijke vlekken. - - - -De levenswijze van de beide laatstgenoemde Visschen biedt weinig -verschil aan. Zij bewonen alle zeeën, die de Europeesche kusten -bespoelen, houden hier verblijf op tamelijk groote diepte en zwemmen de -rivieren op om kuit te schieten. Zij doen dit soms vroeger, soms later, -daar zij wachten moeten, totdat het rivierwater, door het bezinken van -het slib, dat bij hoogen waterstand wordt medegevoerd, eenigermate -geklaard is. Gewoonlijk gaan de Finten 4 weken later op reis dan de -Elften, welker reizen zich nagenoeg over het geheele gebied van den -stroom uitstrekken, ook over de zijrivieren, den Moezel, den Main, den -Neckar, zelfs over die, welke boven Bazel in den Rijn uitmonden. Voor -een deel paaien de Elften echter reeds in lagere gedeelten van den -hoofdstroom: bij Coblenz, bij Bonn en, volgens de onderzoekingen -van Dr. Hoek, waarschijnlijk reeds op Nederlandsch grondgebied. De -paaiplaatsen van de Finten, die in het voorjaar de rivier opzwemmen, -zijn weinig boven den grens van het zoetwater gelegen; de Visschen, -die later (tot in September) uit zee komen, begeven zich verder -stroomopwaarts om kuit te schieten. Den Duitschen naam "Maifische" -danken de Elften aan de regelmatigheid van hun komst in de hoogerop -gelegen stroomgedeelten. Aan de riviervisschers zijn zij zeer goed -bekend, omdat zij zich op een meer hoorbare wijze bewegen dan de -andere Visschen, dicht bij de oppervlakte van het water zwemmen en -soms een gedruisch veroorzaken, dat met het geknor van een kudde -Zwijnen vergeleken wordt. De Visschen maken deze geluiden door -het slaan met den staart, terwijl zij dicht bij den waterspiegel -paaien. Na het kuitschieten keeren zij langzaam naar de zee terug; -de meeste zijn dan opmerkelijk verzwakt en zoo mager, dat zij als -voedsel voor den mensch bijna geen waarde hebben. Vele bezwijken -ten gevolge van de vermoeienissen; doode exemplaren van deze soort -ziet men soms in menigte den stroom afdrijven. Jonge Elften van -ongeveer 5 à 7 cM. lengte komen reeds in de tweede helft van Juli in -onze benedenrivieren voor; in October zijn zij reeds 8 à 13, in het -volgende voorjaar 10 à 16 cM. lang; dan begeven zij zich naar zee. Hun -voedsel bestaat uit kleine Visschen en weekhuidige Schaaldieren. - -De vangst van Elft op onze benedenrivieren is niet onbelangrijk -en heeft hoofdzakelijk met het drijfnet plaats. Op de vischmarkt -te Kralingen werden in 1897 ruim 34 duizend exemplaren van deze -vischsoort aangevoerd, die gemiddeld een waarde hebben van meer dan -een gulden. De Finten zijn kleiner en minder smakelijk; hun waarde -is veel geringer: 1/5 à 1/10 van die der Elften. Deze zijn in sommige -jaren veel menigvuldiger dan gewoonlijk. In April 1852 b.v. werden op -de Merwede voor Gorkum in 24 uren tijds 23000 stuks Elften gevangen, -in een enkelen trek 3573. Deze Visch wordt voornamelijk gerookt -verzonden en gegeten. - -In Amerika heeft men een in de noordelijke Staten voorkomende -Elftsoort, de Alewife of Mentraden [Clupea (Alosa) tyrannus], met -goed gevolg door kunstmatige vischteelt naar zuidelijker rivieren, -o. a. naar den Connecticut en de Alabama, overgebracht. - - - -Belangrijker dan de Elft en de Fint is de 18 à 20, hoogstens 25 -cM. lange Pelser [Clupea (Alosa) pilchardus], die in gestalte met den -Haring overeenkomt, doch er door zijn geringere grootte en betrekkelijk -grootere dikte van verschilt. De bovendeelen zijn blauwachtig groen, -de zijden en de buik zilverwit; de met donkerder streepjes geteekende -kieuwdeksels hebben een goudgelen weerschijn. Het is gebleken, dat de -Sardijn van de Fransche kust, die men vroeger voor een afzonderlijke -soort hield, zich alleen door geringere grootte onderscheidt van het -vischje, dat in Engeland "Pilchard" wordt genoemd. - -De Pelser behoort hoofdzakelijk thuis in de zee ten westen van Europa, -komt veelvuldig voor ten zuiden van Engeland en langs de geheele -Fransche en Noord-Spaansche kust tot aan de straat van Gibraltar. Aan -de kust van Cornwallis houdt hij zich gedurende het geheele jaar -op, tijdelijk in ondiep water. Zijn vraatzucht is zeer groot; -hij voedt zich echter bijna uitsluitend met kleine Schaaldieren, -bij voorkeur met een dwergachtige soort van Garnaal, waarvan men -dikwijls vele duizenden stuks in zijn tot barstens toe gevulde maag -aantreft. Om deze te verkrijgen, vertoeft hij op den bodem der zee en -doorzoekt op de wijze van de Karpers het zand of de tusschenruimten -van den steenachtigen bodem in ondiep water. Zijn paaitijd valt in -de herfstmaanden; in sommige jaren ontmoet men echter reeds in Mei -vele Pelsers met rijpe kuit; van een bepaalden voortplantingstijd -kan dus eigenlijk geen sprake zijn. - -Aan de Britsche kusten is de vangst van Pelsers van groote -beteekenis. Met één trek van het net wordt soms een ongeloofelijk -groote hoeveelheid van deze visch uit het water gehaald. Couch -sprak een visscher, die bij een tocht tegenwoordig was geweest, -welke 2200 tonnen Pelsers opleverde; zelfs is het eens voorgekomen, -dat bij één tocht 10000 tonnen of ten naastenbij 25 millioen van deze -Visschen gevangen werden. Een eigenaardigheid van deze visscherij -is, dat men slechts een betrekkelijk gering aantal Pelsers gedurende -den paaitijd vangt, de meeste evenwel met groote grondnetten van den -bodem ophaalt. In sommige opzichten herinnert de vangst van Sardijnen -aan die van Tonijnen. Vele Pelsers worden gezouten, verreweg de -meeste echter eerst eenigen tijd in de pekel gelegd, daarna in olie -gekookt, in blikken busjes gepakt en onder den naam van "Sardijnen" -in den handel gebracht. Vooral te Nantes, Bordeaux, La Rochelle en op -verschillende kustplaatsen van Saintonge wordt dit bedrijf uitgeoefend. - - - -De Ouden kenden zoomin den Haring als den Pelser of de Sprot, wel -echter de Ansjovis (Engraulis encrasicholus), die o.a. wegens haar -in een kegelvormige punt uitloopenden, ver voorbij de onderkaak -uitstekenden snuit met ver achter de oogen reikenden mondspleet, -als een vertegenwoordigster van een afzonderlijk geslacht wordt -beschouwd. Zij wordt hoogstens 15 cM. lang en heeft een bruinachtig -blauwen rug, de zijden en den buik wit, den kop goudkleurig. - -In ontzaglijke menigte bewoont deze soort de Middellandsche Zee; -voorts is zij langs de Europeesche kusten van den Atlantischen Oceaan -tot aan het noordelijke deel van de Noordzee verbreid; in de Oostzee -wordt zij slechts zelden, en uitsluitend in het westelijke deel, -waargenomen. Van Mei tot Juli begeeft zij zich om kuit te schieten in -groote scholen naar de monden der rivieren, waar zij in menigte wordt -buitgemaakt. Bij ons heeft de ansjovisvangst voornamelijk plaats in -de Zuiderzee. De voornaamste zouterijen bevinden zich te Monnikendam -en Marken, Enkhuizen, Medemblik, Huizen en Naarden, Urk en Bunschoten. - -Daar door de wet van 14 Juni 1890 het verbod van de vischvangst met -den wonderkuil werd ingetrokken, is op de Zuiderzee het gebruik van -alle vischtuigen geoorloofd. De ansjovisvangst wordt voornamelijk -uitgeoefend met den wonderkuil, den kwakkuil en den dwarskuil: -grondnetten, die nagenoeg alleen door de wijze van aanspanning -verschillen; het eerstgenoemde wordt tusschen twee botters of -schokkers in over den zeebodem getrokken; voor de beweging van de beide -laatstgenoemde soorten van netten is slechts één visschersvaartuig -noodig. - -De vroeger zoo belangrijke ansjovisvangst op de Zeeuwsche stroomen, -die aanleiding gaf tot een belangrijke zouterij te Bergen-op-Zoom, -heeft in de laatste jaren, ten gevolge van den toenemenden bloei -der oesterkultuur, bijna niets beteekend. Over het algemeen zijn de -uitkomsten van deze visscherij zeer wisselvallig. De totale vangst, -die in 1890 190000 ankers (à 50 KG.) bedroeg, was in 1896 13500 ankers -en is in vele jaren beneden de 10000 ankers gebleven (27 maal in de -laatste 57 jaren). De geldelijke opbrengst is niet minder verschillend -(ruim f 45000 in 1892, bijna f 560000 in 1894, bijna f 220000 in 1896). - -In zuidelijke landen is de ansjovis-visscherij van veel grooter belang; -reeds in Bretagne brengt zij millioenen op; voor de bewoners van vele -oeverlanden der Middellandsche Zee is zij een even gewichtig middel -van bestaan als de haringvisscherij voor de bewoners van de kusten -der Noordzee. - - - -Sedert het einde van de 17e eeuw, toen Richter Guyana bereisde, -hebben verscheidene geneeskundigen en natuuronderzoekers hunne -ervaringen medegedeeld over een Visch, wiens vermogen om electrische -schokken te geven, dat van alle overige tot dusver bekende Visschen, -die electrische organen bezitten, overtreft. Aan Alexander von -Humboldt danken wij de eerste nauwkeurige berichten over den Beef- -of Sidderaal; voor een twintigtal jaren heeft Carl Sachs deze -mededeelingen aangevuld. - -"De Spanjaarden," zegt A. von Humboldt, "geven den naam van -"Trembladores" (Siddervisschen) aan alle electrische Visschen. Sommige -vindt men in de Antillen-zee, aan de kusten van Coemana. Andere -Beefvisschen, echte Naakte Alen of Sidderalen, komen voor in de -Rio Colorado, in de Guarapiche en in verscheidene kleine beken -van de zendingsposten onder de Chaymas-Indianen. Ook in de groote -Zuid-Amerikaansche stroomen, in den Orinoko, in den Amazonenstroom, -in den Meta zijn zij talrijk, maar kunnen wegens den sterken stroom -en de diepte van 't water moeielijk gevangen worden. Bij 't baden en -zwemmen worden de Indianen niet zelden getroffen door de electrische -ontladingen dezer Visschen; minder dikwijls komt het voor, dat zij hen -te zien krijgen. In de Llanos, vooral in de nabijheid van Calabozo, -tusschen Morichal en de hooger en lager gelegen zendingsposten, -zijn de Sidderalen in stilstaande wateren en in de bijrivieren van -den Orinoko zeer veelvuldig. - -"Aanvankelijk waren wij voornemens in ons huis te Calabozo proeven -met deze Visschen te doen; bij het volk is de vrees voor de schokken -van de Sidderalen echter zoo overdreven groot, dat wij in de drie -eerste dagen er geen konden krijgen, ofschoon het niet moeielijk -is ze te vangen en wij de Indianen 2 piasters hadden beloofd voor -iederen behoorlijk grooten en krachtigen Visch. - -"Daar het lange wachten ons begon te vervelen (en nadat de proeven met -een levenden, maar zeer afgematten Sidderaal, die men ons gebracht -had, zeer twijfelachtige uitkomsten hadden opgeleverd), gingen wij -naar den Cañon de Bera, een stroomend water, dat gedurende het droge -jaargetijde in een modderigen plas verandert, om onze onderzoekingen -te doen in de vrije natuur, aan den rand van een door Sidderalen -bewoonden poel. Met netten kan men deze Visschen moeielijk vangen, -daar zij zich buitengewoon vlug bewegen en zich, evenals de Slangen, -in het slijk begraven. De Indianen zeiden, dat zij "met Paarden" -gingen visschen. Weldra kwamen eenige mannen uit de steppe terug, -een dertigtal ongetemde Paarden en Muildieren voor zich uit drijvend, -die zij dwongen te water te gaan. - -"Door het stampen der paardenhoeven en het ongewone getier worden -de Visschen uit het slijk opgejaagd en tot den aanval geprikkeld. De -strijd tusschen deze zoo verschillende dieren levert een schilderachtig -schouwspel op. De Indianen, met werpspiesen en lange, dunne rietstokken -gewapend, plaatsen zich in een gesloten rij om den vijver, eenige -klimmen in de boomen, welker takken zich in horizontale richting -over het water uitbreiden. Door een woest geschreeuw en door -slagen met de lange rietstokken drijven zij de Paarden, die naar -den oever willen vluchten, in het water terug. Door dit geraas -verschrikt, verdedigen de Sidderalen zich door telkens herhaalde -electrische ontladingen. Gedurende geruimen tijd schijnt het, dat -zij de zege zullen behalen. Verscheidene Paarden bezwijken door de -werking van de onzichtbare slagen, die hunne edelste organen in alle -richtingen doorvlijmen; bedwelmd door de telkens herhaalde krachtige -schokken, verdwijnen zij onder den waterspiegel. Met buitengewone -krachtsinspanning trachten andere, snuivend van angst, met overeind -staande manen, terwijl de uitdrukking der oogen van grooten schrik -getuigt, aan het onweder dat om hen heen woedt, te ontkomen: de meeste -worden door de Indianen teruggedreven; aan eenige echter gelukt het -de waakzaamheid der visschers te verschalken; zij weten den oever -te bereiken, struikelen echter bij iederen pas en storten, doodelijk -vermoeid, met verstijfde ledematen ter aarde. In minder dan 5 minuten -waren reeds twee Paarden verdronken. De 1 1/2 M. lange Aal legt zich -tegen den buik van het Paard aan, zoodat dit dier de lading van het -geheele electrische orgaan in 't lichaam krijgt en een krachtige schok -gelijktijdig het hart, de ingewanden en de buikzenuwen treft. In dit -geval is de werking natuurlijk veel heviger, dan wanneer een mensch -met de hand of den voet den Sidderaal aanraakt. Ongetwijfeld worden -de Paarden niet direct door den schok gedood, maar slechts verdoofd; -zij verdrinken, omdat zij niet meer opstaan kunnen, zoolang de strijd -tusschen de overige Paarden en de Sidderalen voortduurt. - -"Onze meening, dat alle dieren, die voor deze vischvangst gebruikt -werden, er het leven bij zouden verliezen, blijkt ongegrond -te zijn. Langzamerhand vermindert de hevigheid van den ongelijken -strijd en verlaten de uitgeputte Sidderalen de kampplaats. Zij hebben -behoefte aan een langdurige rust en een rijkelijke voeding om het -geleden verlies aan galvanische kracht te herstellen. De Muildieren -en de Paarden beginnen minder angst te toonen; zij zetten hunne manen -niet meer op; de uitdrukking van hunne oogen wordt kalmer. De visschen -zwemmen schuw naar den oever van den vijver, waar zij met kleine, -aan een lang touw bevestigde werpspiesen gevangen worden. Na weinige -minuten hebben wij vijf groote Sidderalen in ons bezit, die voor -'t meerendeel slechts licht gewond zijn. Andere exemplaren werden -tegen den avond op dezelfde wijze gevangen." - -Zoo luidt het verhaal van den wonderbaarlijken strijd tusschen Paarden -en Visschen. Waarschijnlijk zijn weinige natuurbeschrijvingen zoo -beroemd geworden als deze. "Sedert een menschenleeftijd," schrijft Carl -Sachs, "staat deze beschrijving in bijna ieder Duitsch schoolboek; -zij is een van de eerste mededeelingen, die het opkomende geslacht -van de levende natuur ontvangt. Voor het buitenland geldt dit in niet -mindere mate dan voor Duitschland; ieder, die iets van Sidderalen -gehoord heeft, kent het verhaal van hun strijd met de Paarden der -steppe. Toen ik te Berlijn het plan voor mijn reis ontwierp, scheen -het dus van zelf te spreken, dat ook ik, evenals Humboldt, Paarden -in het moeras zou drijven om de Sidderalen te vangen, die ik voor -mijne onderzoekingen noodig had. Gedurende de geheele reis naar -het bij Calabozo gelegen dorp Rastro-de-arriba was geen spoor van -twijfel hieraan in mij opgekomen; het eenige bezwaar, dat ik tegen -deze vangst had, was de hooge prijs, die tegenwoordig in de Llanos -voor Paarden en Muildieren geëischt wordt. De kosten van één enkele -dergelijke vischvangst zou allicht een groot deel van het reisgeld, -waarover ik beschikken kon, in beslag genomen hebben; ik had daarom -het plan opgevat om te beproeven, de Paarden of Muildieren, die voor -deze onderneming noodig heeten te zijn, door Ezels te vervangen, -daar de prijs van deze dieren slechts ongeveer het vierde deel van -die der vroeger genoemde bedraagt; mij bekroop echter de vrees, -dat het schouwspel, waarvan ik getuige wenschte te zijn, door deze -verandering veel minder grootsch en schilderachtig zou worden." - -"De vooruitzichten voor het welslagen van mijn voornemen waren -overigens zoo goed, als ik maar wenschen kon; volgens allen, die mij -hierover konden inlichten, bevat de Cañon Rastro, die op korten afstand -van mijn woonplaats gelegen is, een groot aantal Sidderalen. Ik liet -daarom reeds op den dag van mijn aankomst door mijn huisgenoot Juan -Babtista eenige onvervaarde mannen bij mij ontbieden, als welker -woordvoerder een bruine kerel, Rafael Maria Arma genaamd, optrad. Ik -stelde aan deze lieden voor om den volgenden morgen met Paarden uit -visschen te gaan, waarbij dan beproefd zou worden, of men niet in -plaats van Paarden Ezels zou kunnen gebruiken. Tot mijn verwondering -begrepen de menschen in 't eerst volstrekt niet, wat ik bedoelde; -ik was dus wel verplicht om hun het geheele verhaal van Humboldt -uitvoerig mede te deelen. Toen het hun duidelijk was geworden, wat ik -wilde, barstte het geheele gezelschap in een uitbundig gelach uit. Het -denkbeeld om op deze wijze Trembladores te vangen, kwam deze lieden -zoo kolossaal grappig voor, dat het mij moeite kostte hen weer in een -andere stemming te brengen. Zoomin als andere, die ik er later naar -vroeg, zelfs geen der oudste bewoners van de streek, hadden ooit iets -van een strijd tusschen Paarden en Visschen gehoord. Een zonderlinge -samenloop van omstandigheden schijnt aanleiding te hebben gegeven, -dat een enkel voorval als een vaste gewoonte, als een merkwaardig -staaltje van de eigenaardige natuur van een land werd opgevat. Het is -volstrekt onmogelijk, dat de gewoonte om Sidderalen te vangen door -Paarden te drijven in het door deze Visschen bewoonde water ooit in -de Llanos heeft bestaan, anders zou bij de bewoners van dit gewest, -bij de zonen van de menschen, die Humboldt er aantrof, wel eenig -spoor van herinnering aan deze wijze van vangst overgebleven zijn. - -"Later echter hoorde ik van lieden uit het stroomgebied van den Apoere -een verhaal, dat misschien met dat van Humboldt in verband gebracht kan -worden. Bij 't overtrekken van een rivier, die vele Trembladorus bevat, -jaagt men de kudden vooraf in het water, om de Alen, die zich meestal -op den bodem bevinden, door het getier en geplas op te schrikken -en te verjagen. Een schrandere bol onder de Indianen, die Humboldt -vergezelden, is hierdoor misschien op het denkbeeld gekomen, om op de -reeds genoemde wijze te werk te gaan. Het drijven van Paarden in den -poel heeft waarschijnlijk eigenlijk ten doel gehad de Sidderalen van -den bodem van 't water te verjagen en de Indianen de gelegenheid te -verschaffen ze te harpoeneeren, en niet om door veelvuldige ontladingen -een verzwakking van de electrische kracht te veroorzaken. Dit laatste -zou volkomen overbodig zijn geweest, omdat het lange, droge touw, -waaraan de harpoen is vastgehecht, den visscher tegen de electrische -schokken beveiligt. Hoe dit ook zij, het geheele voorval was en is -stellig slechts een bij uitzondering voorkomende gebeurtenis. Een -bepaalde wijze van Sidderalenvangst kent men in de Llanos niet; de -inboorlingen gevoelen vrees en afschuw voor deze Visschen en gaan -hun zooveel mogelijk uit den weg. Alleen toevallig geraken bij groote -visscherijen in de rivieren ook Trembladores in het net." Zoo luidt het -bericht van Carl Sachs, die op dezelfde plaats als A. von Humboldt, -maar 76 jaren later, onderzoek deed naar den merkwaardigen strijd -tusschen de electrische Visschen en de Paarden. - -De Sidderaal of Beefaal, door de Spanjaarden Tremblador genoemd -(Gymnotus electricus), behoort tot de familie der Naakte Alen -(Gymnotidae) en vertegenwoordigt het geslacht der Beefvisschen -(Gymnotus). De bovenrand van de mondopening wordt bij alle leden der -familie van voren door de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door -kleine bovenkaaksbeenderen gesteund; de schoudergordel is onmiddellijk -aan den kop gehecht. De ribben, die bij de echte Alen ontbreken, zijn -hier aanwezig. De rugvin en de buikvinnen ontbreken. De borstvinnen -zijn steeds aanwezig en goed ontwikkeld. De aarsvin is zeer lang, -begint altijd dicht bij (bij sommige reeds onder) de keel, waar dan -ook de aarsopening voorkomt. De staartvin is bij verreweg de meeste -soorten een rechtstreeksche voortzetting van de aarsvin. De zwemblaas -is dubbel, bij één soort zelfs in drie afdeelingen gescheiden: de -achterste is de grootste en zeer lang, de voorste is peervormig -en staat, behalve met den slokdarm, ook met het gehoororgaan in -verband. De Beefvisschen verschillen van hunne verwanten door de -ongeschubde huid, die ook de borstvinnen en de aarsvin bedekt (en -hier dik is), voorts door het gebit, dat uit een groot aantal fijne, -spitse tanden in de kaken, een kleine reeks van tanden aan het voorste -deel van het gehemelte en twee reeksen van tanden achter de voortanden -van de onderkaak bestaat. - -De Sidderaal kan een lengte van 2 M. en een gewicht van 15 à 20 -KG. bereiken. De bovenzijde is fraai olijfgroen, op vele plaatsen -donkerder genuanceerd; de onderdeelen (van de spits van de onderkaak -tot aan de aarsvin) zijn fraai oranjerood; de lange aarsvin is -leikleurig met witten, bij enkele exemplaren echter met rooden -zoom; twee of meer reeksen van kersgroote, lichtgele vlekken, die -gelijkstandig over den rug, van den kop tot aan het einde van den -staart loopen, versieren den rug en de zijden. Ieder vlek omgeeft een -afvoeropening van een klier; de huid is voortdurend bedekt met het -hieruit afkomstige slijm, dat de electriciteit 20- à 30-maal beter -geleidt dan zuiver water. - -Ongeveer vier vijfde deelen van de lichaamslengte worden ingenomen -door de electrische organen, die zich van het achterste uiteinde -der lichaamsholte tot aan de spits van den staart uitstrekken, -de beide onderste afdeelingen van het zijdespierenstelsel van den -staart nagenoeg geheel vervangen en ruim een derde deel van het -lichaamsgewicht uitmaken. Gezamenlijk vormen zij een licht roodachtig -gele, doorschijnende, geleiachtige massa. Deze bestaat uit twee paar -langwerpige lichamen of bundels: het bovenste bevindt zich onmiddellijk -onder de huid; het onderste is door spieren omhuld en boven de aarsvin -gelegen. Men zou ze kunnen vergelijken met spierbundels, waarin de -spiervezels vervangen zijn door reeksen van "electrische elementen", -ieder samengesteld uit een vliezig dwarsschot, aan de voorzijde -bedekt met een zoogenaamde "electrische plaat", die in aanraking is -met een dunne laag van een eiwitachtig vocht. Elke reeks of "zuil" -bevat ongeveer 4000 dergelijke elementen, ieder ongeveer 0.1 mM. lang -en 0.8 mM. hoog, en reikt van het staarteinde (de positieve pool) -tot het kopeinde van het electrische orgaan. In elke electrische -plaat bevindt zich het eindtoestel van een bewegingszenuwvezel, -van een der vertakkingen van de electrische zenuwen, die ten getale -van omstreeks 200 uit het voorste (naar de buikzijde gerichte) deel -van het ruggemerg ontspringen. Aan de oppervlakte van de plaat, die -naar de negatieve pool (naar den kop) is gekeerd, treft men geen -zenuwvertakkingen aan, wel haarvaten, die in de uithollingen der -plaat bochten vormen.--Naar het schijnt, moet de werking van dit -orgaan langs electro-capillaire wijze verklaard worden. Onder den -invloed van de zenuwen heeft een samentrekking plaats: de elementen -verminderen in lengte en nemen toe in doorsnede, wat voldoende is om -een klein verschil in electrische spanning tusschen de beide zijden -van het element te doen ontstaan. Wegens talrijkheid der elementen is -de som van deze verschillen zeer groot en zal een krachtige stroom -van achteren naar voren het lichaam van het dier doorloopen, zoodra -het electrisch orgaan door tusschenkomst van de zenuwen prikkels van -de centrale deelen ontvangt. Raadselachtig is het merkwaardige feit, -dat het dier volkomen ongevoelig is voor zijne eigene schokken, er geen -nadeel van ondervindt, hoewel de ontlading, zooals uit de proeven van -Carl Sachs gebleken is, met volle kracht het geheele lichaam doorloopt. - -Over de werking van de electrische ontladingen en hare eigenaardigheden -hebben de onderzoekers uit vroegeren tijd vele juiste berichten -medegedeeld. Zeer spoedig kwam men tot de overtuiging, dat -het uitdeelen van schokken door den Visch geheel willekeurig -geschiedt. Bajon raakte een Sidderaal met den vinger aan, zonder -iets te gevoelen, maar kreeg zwakke schokken, toen hij den vinger op -den rug legde. Toen deze Visch bij het ververschen van het water op -den bodem was gevallen en, daar geen neger het dier wilde opheffen, -door hem zelf bij den staart gepakt werd, kreeg hij zulk een hevigen -schok, dat hij bijna omviel en een tijdlang geheel bedwelmd was. Een -Kat, die een bijna dooden Sidderaal wilde pakken, sprong onder hevig -geschreeuw terug; een Hond, die aan zulk een dier likte, ondervond -dezelfde onaangename gevolgen. - -De eerste schokken, die een volkomen ontwikkelde, gezonde, groote -Sidderaal door goede geleiders van de electriciteit kan uitdeelen, -zijn zeer krachtig. Een mensch of een ander groot Zoogdier wordt -daardoor wel niet gedood, maar kan, als de lading bijzonder gevoelige -lichaamsdeelen treft, in sommige gevallen bedwelmd worden; kleine -dieren worden licht bedwelmd, of vallen zelfs dood neer, als door -den bliksem getroffen. A. Kappler kreeg, toen hij langs den oever -van een rivier in Suriname waadde, van een tusschen zijne beenen -door zwemmenden Sidderaal een zoo hevigen schok, dat hij, als door -den bliksem getroffen, in 't water viel en nog juist gelegenheid -vond om zich aan een boomwortel vast te houden. "Wel 2 minuten lang -waren mijne voeten als verlamd en was ik niet in staat ze te bewegen, -langzamerhand verdween dit zonderlinge gevoel en kon ik verder gaan." - -De Sidderaal is over een groot deel van Zuid-Amerika, vooral over -het noordoosten van Brazilië, over Guyana en Venezuela verbreid; -hij bewoont echter alleen zeer warme wateren, vermijdt derhalve -bergstreken, in welker kouder water zijn electrisch vermogen, naar men -zegt, aanmerkelijk vermindert en zoo goed als geheel verdwijnt. Het -door hem bewoonde gebied is, naar het schijnt, grootendeels tot -de wateren van de Llanos beperkt. Volgens Sachs is een smalle, -modderige, in donkere schaduw gehulde beek of poel zijn liefste -verblijfplaats. Hier ligt hij, althans over dag, op den bodem van 't -water, maar stijgt met tusschenpoozen van gemiddeld een halve minuut -naar de oppervlakte, houdt den bek boven water en slikt met hoorbaar -gedruisch lucht in; hij duikt dadelijk weer onder; en laat intusschen -de opgenomen lucht door de kieuwspleten ontsnappen. De inboorlingen -worden de aanwezigheid van een Sidderaal gewaar door deze wijze van -ademhaling, die duidelijk de aandacht trekt. Zoodra het duister begint -te worden, vangt deze Visch aan zich te bewegen en te jagen. Door zijn -electrische batterij is hij een veel vreeselijker vijand van zijne -geschubde klassegenooten dan de vraatzuchtigste roofvisch zou kunnen -zijn. Hij voedt zich met iederen buit, dien hij verzwelgen kan en -in het door hem bewoonde water aantreft, met Visschen zoowel als met -Krabben en in 't water vallende Insecten. Zoodra hij in de nabijheid -van een door hem begeerd slachtoffer is aangekomen, maakt hij gebruik -van zijn electrisch orgaan; de ontlading van de electriciteit brengt -zulk een hevige werking teweeg, dat een oogenblik later alle Visschen -en Krabben, die er door getroffen worden, met den buik naar boven -gekeerd bewegingloos in 't water ronddrijven. Hij zoekt vervolgens de -prooi uit, die hem het best aanstaat en verzwelgt haar door een hevige -zuigwerking, die een duidelijk hoorbaar gedruisch veroorzaakt. Bij -den aanvang van het droge seizoen, wroet de Sidderaal een diep, -rond gat in den modder, door zich voortdurend in een kring rond te -draaien. In dit gat kruipt hij weg, wanneer de door hem bewoonde -poel op het punt is van uit te drogen en het hem niet mogelijk was -te rechter tijd de wijk te nemen naar een deel van den poel, dat het -water langer behoudt. Op de laatstgenoemde wijze redt hij zich steeds -uit den nood, indien hiertoe gelegenheid bestaat: de reis moet steeds -te water geschieden; hij kan niet over land trekken en zelfs niet over -het vochtige slijk zich bewegen; evenals andere Visschen, zal hij om -'t leven komen, als hij geen anderen poel kan bereiken. - -Een groote, door hem ondernomen en bij uitzondering zeer gelukkige -vischvangst met schutnetten, waardoor vele honderden Trembladores -ingesloten waren, beschrijft Carl Sachs op een zeer aanschouwelijke -wijze. Na het plaatsen van een der schutnetten begaven de aangeworven -mannen zich "met stokken gewapend te water, vormden een rij, die -zich van den eenen oever naar den anderen uitstrekte en gingen onder -vreeselijk geschreeuw langzaam vooruit, terwijl zij voortdurend met -de stokken op het water sloegen. Ik had een plaats ingenomen in de -nabijheid van het schutnet en keek zonder groote verwachting naar de -oppervlakte van het water; plotseling zag ik met verrukking de mij -welbekende groene en roode koppen boven water komen. Een groot aantal -Trembladores was op een bepaalde plaats van den poel verzameld geweest; -vluchtend voor het geraas, dat mijne helpers maakten, waren zij bij -het schutnet gekomen en trachtten nu met slangsgewijze kronkelingen -van het lichaam er over heen te komen, hetgeen echter aan geen hunner -gelukte. Dadelijk riep ik mijne metgezellen toe het andere net ook te -water te laten; toen dit geschied was, bleef de geheele troep tusschen -de beide netten in een nauwe ruimte opeengedrongen. Daar het te vreezen -was, dat de Trembladores, wanneer men ze al te veel in 't nauw bracht, -met geweld door de tamelijk wijde mazen van het net zouden sluipen, -liet mijn gastheer, Don Guancho Rodriguez, de mannen halt maken en nam -het medegebrachte werpnet ter hand. Naakt in 't water staande, wierp -hij het zoo behendig, dat het, ontplooid door de levende kracht van -de looden gewichten die het bezwaarden, radvormig in 't water neerkwam. - -"Intusschen trok ik de caoutchouc-handschoenen aan, die ik uit Berlijn -medegenomen had, om de gevangen dieren te kunnen grijpen. Daar -zoowel Don Guancho als de voor 't bergen der Visschen bestemde, -met water gevulde ton, die in der haast ter plaatse was gebracht, -zich aan den anderen oever bevonden, moest ik mij eveneens daarheen -begeven; om het nat worden van mijne kleederen te verhoeden, liet -ik mij door een der mannen dragen. Deze struikelde echter over een -verborgen boomwortel of over een ander voorwerp en viel met mij in -'t water. Hoewel ik schielijk weer opstond, kwam ik doornat aan -den anderen oever. Op hetzelfde oogenblik ving Don Guancho met het -werpnet een der Sidderalen. Door de handschoenen tegen de electrische -schokken beschut, lichtte ik het forsche, meer dan 1.5 M. lange, -geweldig tegenspartelende dier op en was voornemens het schielijk in -den ton te werpen. Maar het gleed mij door de handen en viel voor mijne -voeten, zoodat het juist met den kop en den staart mijne beide beenen -aanraakte. Dit had ten gevolge, dat ik de krachtigste schokken kreeg, -die een volkomen frissche Sidderaal geven kan. Eenige seconden bleef -de Visch op de genoemde plaats en was ik door den schrik buiten staat -mij te bewegen, want het hoogst opgewonden monster joeg mij een ware -hagelbui van vreeselijke schokken door het lichaam; ik schreeuwde luid, -overweldigd door de pijn, totdat eindelijk het dier van mijne voeten -afgleed en in het niet door netten ingesloten deel van 't water te -recht kwam. - -"Het was voor 't eerst, dat ik de volle kracht van een pas gevangen, -groote Sidderaal ondervond. Ik kan verzekeren, dat het geen kleinigheid -is. A. von Humboldt schrijft, dat hij na zulk een voorval den geheelen -dag een hevige pijn in alle leden gevoelde. Dergelijke gevolgen heb -ik niet ondervonden; het is echter niet onwaarschijnlijk, dat de -verschijnselen van minder voorbijgaanden aard geweest zouden zijn, -als ik de schokken in den romp of in het hoofd had gekregen, in plaats -van in de voeten." - -Onze zegsman noemt den Sidderaal den sierlijksten zwemmer van alle -hem bekende Visschen; hij was verrukt over de bewegingen van zijne -gevangenen. Als de Sidderaal in een nauwen bak wordt geplaatst, zwemt -hij onrustig in een kring rond en doet zijn best om over den rand heen -te ontvluchten, hetwelk hem niet zelden gelukt. Wanneer hij echter in -een wijden, goed ingerichten bak wordt gebracht, berust hij in zijn -lot, vleit zich, lang uitgestrekt, op den bodem neer en blijft hier in -den regel den geheelen dag liggen, zonder eenige andere bewegingen te -maken, dan voor de ademhaling noodig zijn; bovendien zoekt hij steeds -de donkerste plaats op. Als de nacht begint, wordt hij onrustig. Door -plotselinge verlichting van den door hem bewoonden bak geraakt hij -in een hoogst opgewonden toestand. Hoewel hij weken lang honger -kan lijden, leert men hem als een zeer vraatzuchtig dier kennen, -wanneer men hem een overvloed van voedsel geeft. Het werpen van jonge -Visschen of Kreeften in de woning van de Sidderalen gaf onmiddellijk -aanleiding tot een vreemdsoortige jacht. Meestal was een enkele slag -voldoende om de vervolgde dieren te verlammen; soms slaagden zij er -echter in, zich met een sprong boven den waterspiegel te verheffen; -dan schoot niet zelden ook de vervolger bliksemsnel uit het water om -springend zijn buit te grijpen en dezen vervolgens, als naar gewoonte, -zonder voorafgaande toebereiding te verslinden. - - - -De Aalvisschen (Muraenidae) vormen een talrijke, meer dan 230 soorten -omvattende familie; zij hebben een slangvormigen, meer of minder -afgeronden romp met een meestal zijdelings samengedrukten staart; de -buikvinnen ontbreken; de huid is naakt of met fijne, elkander niet -aanrakende schubben bekleed; de bovenrand van de mondspleet wordt -over zijn geheele lengte uitsluitend door de tusschenkaaksbeenderen -gesteund; de rudimentaire bovenkaaksbeenderen bereiken de mondspleet -niet; de schoudergordel is niet aan den kop, maar verder achterwaarts -aan de wervelkolom gehecht. Het gebit en de vinnen kunnen, zooals -later zal blijken, zeer verschillend zijn. De aarsopening is ver -achter den kop gelegen. De ribben ontbreken. De Aalvisschen behooren -in de warme en gematigde aardgordels thuis. De weinige soorten, die -den poolcirkel overschrijden, zijn reeds op korten afstand van daar -zeldzame verschijningen, en komen eenige graden verder noordwaarts in -'t geheel niet meer voor. Zij leven in de zee, zoowel als in zoetwater; -verscheidene soorten trekken, evenals onze Alen, van de rivieren naar -de zee en begeven zich van uit de zee naar de rivieren terug. Bij -voorkeur kiezen zij water met modderigen bodem tot verblijfplaats, -omdat zij hier hun gewone voedsel vinden en schuilplaatsen, waar -zij beveiligd zijn tegen de vervolging van groote roofvisschen. Alle -Aalvisschen zonder eenige uitzondering leven van roof; verscheidene -behooren tot de flinkste en vraatzuchtigste roovers, hoewel de -meeste zich tevredenstellen met kleine dieren. Voor de menschelijke -huishouding hebben zij sinds overouds een niet geringe beteekenis -gehad; overal wordt daarom veel werk gemaakt van hun vangst. De -Aalvisschen worden algemeen als een uitmuntend voedsel beschouwd -en voldoen als zoodanig aan hooge eischen, daar zij zich zeer sterk -vermenigvuldigen, een uitgestrekt gebied bewonen, een buitengewoon -taai leven hebben en hierdoor geschikt zijn om na de een of andere -wijze van toebereiding, maar ook in verschen toestand wijd en zijd -verzonden te worden. - - - -De Aal (Anguilla anguilla, Anguilla vulgaris) vertegenwoordigt het -geslacht der Echte Alen; deze hebben kleine, ronde kieuwopeningen; -de rugvin en de aarsvin zijn niet gescheiden van de staartvin; deze -eindigt spits; de tusschen- en onderkaak en ook de ploegschaarbeenderen -zijn met fluweelachtige tanden bezet. De rugvin neemt nagenoeg -twee derde van de lichaamslengte in, de borstvinnen zijn kort en -langwerpig. De uiterst fijne, doorzichtige, lange, smalle schubben zijn -in de dikke, slijmerige huid weggedoken, hebben twee verschillende -richtingen, die met elkander een rechten hoek vormen en laten dus -vrije tusschenruimten over. - -De donkere, groenachtige kleur van de bovendeelen is boven op den kop -het donkerst en vertoont hier een bruinachtige tint; de onderzijde -is wit met doffen zilverglans: de rugvin, de staartvin en het -achterste deel van de aarsvin zien er nog donkerder uit dan de rug; -de borstvinnen zijn bruinachtig zwart met donkerzwarten zoom. Gemiddeld -bereikt de Aal een lengte van 1 M.; exemplaren van meer dan 1.3 M. zijn -zeldzaam; hun gewicht gaat slechts bij uitzondering 6 KG. te boven. - -De leden van deze soort kunnen in sommige opzichten van elkander -verschillen, o. a. wat den vorm van den kop betreft, die soms spits, -soms stomp eindigt. Deze afwijkingen en andere die van den leeftijd en -van den tijd van 't jaar afhangen, hebben aanleiding gegeven tot het -gebruik van verschillende benamingen. Volgens Van den Ende onderscheidt -men te Arnhem den Aal in "Fijnkoppen" en "Grofaal" of "Jankoppen". De -namen "Aal" en "Paling" worden zelfs door onze visschers veelal -geheel willekeurig toegepast. Volgens Van Bemmelen worden in Noord- en -Zuid-Holland de oude voorwerpen "Paling", de jongen meer bepaaldelijk -"Aal" en de zeer kleine exemplaren "Bakaal" genoemd. Houttuijn zegt, -dat de "Paling" een spitseren kop heeft, van boven bruiner, van -onderen geler en bovendien ronder en vetter is, dat de Aal, die in -'t voorjaar in 't IJ gevangen wordt en "Nebbeling" heet, een lichtere -kleur heeft, doch in 't najaar zoo bruin wordt als de Paling. Ook in -Overijsel spreekt men van Nebbeling en Nebaal. In Friesland en enkele -andere provinciën noemt men de kleine exemplaren met bruinachtig -gelen buik "Roode Aal", de groote met witten of witachtigen buik -"Schiere Aal". Een andere kleursverscheidenheid is de "Oranje-aal". - -Vooral door de onderzoekingen van Jacoby [7] is het mogelijk geworden -de mannetjes en de wijfjes van den Aal met voldoende zekerheid -te onderscheiden: De mannetjes zijn kenbaar aan hun veel geringere -grootte (tot dusver heeft men er nog geen gevonden, die langer was dan -48 cM.), aan hun aanmerkelijk smalleren snuit (die soms lang gerekt -is, soms kort en spits uitloopt), aan hun donkerder kleur (de rug is -donkerder groen, dikwijls zelfs zwart, de zijden vertoonen een sterken -metaalglans, de buik is wit); bovendien is de middellijn van het oog -bij de wijfjes in den regel kleiner, de rugvin daarentegen veel hooger. - -Bezuiden 64 à 65° N.B. bewoont de Aal alle zoete wateren van Europa -met uitzondering van die, welke naar de Zwarte en de Kaspische -Zee vloeien. In den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem zoowel bij -Noord-Amerika als bij Europa. In Azië treft men hem niet aan; in -'t Ob-gebied althans is hij zoo goed als onbekend. Aan diep water -met modderigen bodem geeft de Aal de voorkeur boven iedere andere -verblijfplaats; hij houdt zich echter niet uitsluitend in zulke -wateren op, maar bezoekt, reislustig als hij is, ook die, welke juist -de tegenovergestelde eigenschappen hebben. Gedurende den winter ligt -hij in 't slijk verborgen en houdt winterslaap of zwerft althans -niet jagend rond. Zoodra het warme jaargetijde aanvangt, begint zijn -zomerleven. Met slangsgewijze kronkelingen zwemt hij zeer vlug in -waterlagen van verschillende diepte, sluipt met bewonderenswaardige -behendigheid door holen of buizen, komt b.v. geregeld voor in de -waterleidingen van steden, waar het water niet behoorlijk gezuiverd -wordt en bereikt op deze wijze zelfs de bovenste verdiepingen van -gebouwen. Ook woelt hij zich door half verstopte buizen heen en -ontsnapt op deze wijze uit vijvers, waarin men meende hem te kunnen -behouden. Nog altijd beweren sommigen, dat hij 's nachts aan land -gaat om in de erwten- en wikkenakkers op Slakken en Wormen jacht -te maken. Onmogelijk is het niet, dat de Aal tochten maakt, daar, -zooals ons reeds gebleken is, ook andere Visschen zich over het -land bewegen. Zelfs de ervarenste visschers weten echter van deze -uitstapjes van den Aal op grond van eigen ervaring niets mede te -deelen; wel moeten zij dus, zoo ooit, zeer zeldzaam voorkomen. Zelfs -indien men het voor bewezen houdt, dat er Alen op het land gevonden -werden, moet men niet uit het oog verliezen, dat deze dieren licht -na een overstrooming daar achtergebleven kunnen zijn. Volkomen juist -is het, dat de Aal in de lucht kan ademen en dus een dag of langer -buiten het water kan leven; hieruit blijkt echter nog volstrekt niet, -dat hij reizen over land onderneemt. - -Als voedsel gebruikt de Aal hoofdzakelijk lagere dieren, vooral Wormen -en Schaaldieren; bovendien maakt hij soms Vorschen en kleine Visschen -buit; naar men zegt, vreet hij ook aas. Hoewel hij om zijn vraatzucht -en gulzigheid in Friesland "Ropper", in Gelderland "Happer" heet, -staat de kleinheid van de mondopening hem bij het rooven en happen -zeer in den weg. - -Tot voor zeer korten tijd was de voortplanting der Alen zelfs voor den -natuuronderzoeker in een ondoordringbaar duister gehuld; nog altijd -worden over dit deel van hun levensgeschiedenis zeer vreemdsoortige -meeningen uitgesproken. Aristoteles was van oordeel, dat de Alen zich -uit Wormen ontwikkelen en dat deze zonder tusschenkomst van ouders -uit modder ontstaan. Op sommige plaatsen achten de visschers het ook -thans nog waarschijnlijk, dat Alen met Slangen paren. Vele van hunne -beroepsgenooten beweren, dat de Alen niet uit Dieren van hun eigen -soort, maar uit andere Visschen geboren worden. Hieraan dankt de Magaal -den naam "Aalmoeder", dien hij in Duitschland draagt. De visschers van -Sardinië schrijven algemeen aan een Zwemkever (Dytiscus Roselli) de -voortbrenging der Alen toe. Dikwijls is beweerd, dat de Alen levende -jongen ter wereld brengen. De onwaarschijnlijkheid van deze meening -springt in het oog, wanneer men bedenkt, dat levendbarende dieren -steeds een betrekkelijk gering aantal jongen ter wereld brengen, -terwijl uit allerlei verschijnselen zeer duidelijk blijkt, dat -de Alen zich buitengewoon sterk vermenigvuldigen. Dikwijls heeft -men Alen gevangen, welker lichaam een meer of minder groot aantal -wormvormige diertjes bevatte, die door onkundigen voor jongen werden -gehouden van het dier, waarin men ze aantrof, maar bij nader onderzoek -ingewandswormen bleken te zijn. - -De eierstokken van den Aal werden eerst in 1777 door Mondini ontdekt; -zij vertoonen zich aan weerszijden van de zwemblaas in den vorm van -een tamelijk breeden, vetrijken witten of eenigszins geelachtigen -band, die door zijne plooien aan een dames-manchet herinnert en een -onnoemelijk aantal zeer kleine eieren bevat. In rijperen toestand heeft -men ze bij onze Alen nog niet waargenomen, wel bij de Zee-aal, wiens -voortplanting en ontwikkeling tot voor weinige jaren eveneens volkomen -onbekend was. Herhaaldelijk, vooral aan de Zoölogische Stations te -Napels en te Plymouth, heeft men opgemerkt, dat Zee-alen, die in een -aquarium maanden lang volkomen gezond waren gebleven, vrij plotseling -een eigenaardige verandering ondergingen; hun omvang nam sterk toe; -alsof het lichaam door inwendige gasontwikkeling was uitgezet, -dreven zij op zijde liggend aan de oppervlakte van 't water rond, -gebruikten geen voedsel meer en stierven. In de buikholte van deze -Visschen vond men de kuit of de hom zoo verbazend sterk ontwikkeld, dat -alle overige ingewanden er als 't ware door verdrongen waren. Hieruit -heeft Cunningham afgeleid, dat de Zee-aal slechts éénmaal in zijn -leven paait en kort daarna sterft, een verschijnsel, dat ook wel -bij andere dieren voorkomt. Dat men nooit in zee geslachtsrijpe -Zee-alen gevangen heeft, is licht te verklaren, wanneer men bedenkt, -dat hunne soortgenooten, die in een aquarium den genoemden trap van -ontwikkeling bereikten, geruimen tijd te voren ophielden voedsel te -gebruiken en zich zooveel mogelijk trachtten te verbergen. Visschen, -die niet naar 't lokaas happen, worden niet aan den haak gevangen; -het verblijf in rotsspleten en dergelijke schuilplaatsen vrijwaart -hen tegen het gevaar van in een net te geraken. - -De mannelijke geslachtsorganen van den Aal zijn voor 't eerst -waargenomen in 1874 door Syrski, die tevens de onjuistheid aantoonde -van de kort te voren verkondigde meening, dat de Aal "hermaphrodiet" -zou zijn (d. w. z., dat mannelijke en vrouwelijke organen bij -hetzelfde individu zouden voorkomen). Evenals de wijfjes, blijven ook -de mannetjes onrijp, zoo lang zij in 't zoetwater vertoeven. Zooals -reeds lang bekend is, begeven zij zich naar zee; dit geschiedt van -October tot Januari, bij voorkeur bij stormachtig weer en in donkere -nachten. Jacoby vond te Comacchio de maag van alle Alen, die gedurende -het trekken naar zee gevangen werden, volkomen ledig, welk verschijnsel -ook bij andere Visschen gedurende den paaitijd wordt opgemerkt. In zee -worden de Alen geslachtsrijp en paaien zij; dat dit op grooten afstand -van de kust op den diepen zeebodem geschiedt, mag men op grond van een -groot aantal feiten voor zeker houden. In de laatste jaren (en wel -tusschen November en Juni) zijn herhaaldelijk in zee Alen gevangen, -welker geslachtsorganen veel verder ontwikkeld waren, dan bij het -begin van den trek. Ook hadden zij in den tusschentijd een uitwendig -waarneembare verandering ondergaan, een bruiloftskleed verkregen, -dat zich kenmerkt door den zilverachtigen glans van den buik, de -zwarte kleur der borstvinnen en vooral door de grootte der oogen. De -laatstgenoemde eigenaardigheid is zeer merkwaardig, daar groote oogen -een kenmerk zijn van Visschen, die groote diepten bewonen. De bedoelde -exemplaren werden door Grassi gevangen in de nauwe straat van Messina, -waar de watergetijden een sinds overouden tijd befaamde, sterke -strooming teweeg brengen, die allerlei bewoners van de diepte medevoert -naar gemakkelijker voor ons bereikbare waterlagen. Volkomen rijpe Alen -zijn echter niet waargenomen, waardoor het vermoeden bevestigd wordt, -dat deze, door de snelle ontwikkeling der geslachtsproducten uitgeput, -kort na het paaien sterven. De door hen voortgebrachte bevruchte eieren -zijn waarschijnlijk die, welk Raffaeli van Augustus tot Januari aan -de oppervlakte der zee drijvend aangetroffen heeft. Dat de jongen -van den Aal een gedaantewisseling doorloopen, is gebleken uit de -onderzoekingen, die Grassi sinds 1892 deed, met behulp van materiaal, -dat in de straat van Messina verkregen was. Reeds in 1864 had Gill als -larve van den Zee-aal herkend een diertje, dat honderd jaar vroeger -door Morris voor 't eerst werd opgemerkt en daarna onder den naam van -Glasaal (Leptocephalus Morrisii) als een vertegenwoordiger van een -afzonderlijke familie van Visschen was beschouwd. Dit diertje heeft -een doorschijnend, ongeschubd, zijdelings lintvormig samengedrukt -lichaam met kleinen en smallen kop (waaraan het zijn geslachtsnaam -dankt, die "Dunkop" beteekent. De oogen zijn groot, de kaken met -spitse tandjes gewapend; de parige vinnen ontbreken, evenals de -zwemblaas en de geslachtsorganen; het geraamte is kraakbeenig, het -bloed kleurloos; het spijskanaal strekt zich tot aan het laatste -derde deel van het lichaam uit. In het aquarium ontwikkelt zich deze -hoogstens 12 1/2 cM. lange larve in een maand tijds tot een 7 1/2 -cM. langen Zee-aal. Grassi heeft van deze en verscheidene andere -Leptocephalen de ontwikkeling nagegaan, o.a. ook van Leptocephalus -brevirostris (zoo genoemd wegens zijn korten snuit), een hoogstens -8 cM. lang diertje, dat als larve van de Aal werd herkend. In een -aquarium ontwikkelden zich deze larven tot jonge aaltjes van 5 à -6 cM. lengte, van gelijken vorm als die, welke tegen het einde van -April, uiterlijk in Mei, de rivieren opzwemmen. Milliarden aaltjes, -hoogstens 9 cM. lang en zoo dik als een penneschacht, begeven zich -stroomopwaarts, zonder zich te laten weerhouden door hinderpalen, die -men voor hen onoverkomelijk zou achten: de waterval van Schaffhausen -belet hen niet het meer van Constanz te bereiken, de Rhône-waterval -verhindert evenmin het voortzetten van den tocht naar alle in dit -stroomgebied gelegen wateren. Volgens Crespon vormen de jonge Alen, die -in den mond van de Rhône doordringen om stroomopwaarts te zwemmen (welk -verschijnsel hier "la montée" genoemd wordt) een aaneengesloten massa, -welker middellijn die van een dikken ton evenaart. In den regel bemerkt -men aan iederen oever zulk een school. Op vele plaatsen worden zij, -naar Karl Vogt bericht, met zeeven en mandjes uit het water geschept en -(meestal met eieren gemengd) als pannekoeken gebakken en gegeten. Dat -op deze wijze en de bezwaren van de reis honderdduizenden het leven -verliezen, brengt geen belangrijke vermindering teweeg van het door -milliarden gevormde leger. "Ik bevond mij," verhaalt Davy, "tegen het -einde van Juli te Ballyshannon in Ierland aan den mond van de rivier, -waarin de waterstand gedurende de vorige maand hoog was geweest. In -de nabijheid van een waterval was het water troebel door millioenen -kleine Alen, die onophoudelijk de natte rotsen langs de oevers van -den waterval trachtten te beklimmen; de vochtige, slijmerige lijken -van de honderdduizenden, die bij deze pogingen om 't leven kwamen, -werden door de overige als een ladder gebruikt, die hun het voortzetten -van de reis gemakkelijker maakte. Ik zag ze zelfs loodrechte rotsen -beklimmen; zij kronkelden zich door het vochtige mos of hielden zich -vast aan de lijken van hen, die bij deze onderneming den dood hadden -gevonden. Hun volharding was zoo groot, dat een verbazend groote -school er in slaagde het Arno-meer te bereiken." In de lagunen van -Comacchio worden van Februari tot April de sluizen geopend, waardoor -de jonge Alen in de door dammen omringde kweekvijvers kunnen geraken, -waaruit zij na een verblijf van 5 of 6 jaar trachten te ontsnappen, om -zich naar zee te begeven, bij welker gelegenheid zij gevangen worden. - -Alle groote vischetende dieren maken ijverig jacht op de Alen, maar -hebben dikwijls heel wat met hen te stellen. Een grappig tooneeltje -krijgt men te zien, wanneer men in den waterbak van een hongerigen -gevangen Vischotter eenige dozijnen kleine levende Alen werpt. Het -Roofdier springt in zijn badkuip, haalt er een Aal uit, bijt hem in -den kop, legt hem op de bank, begeeft zich opnieuw te water, pakt -een tweede prooi, keert terug naar zijn vroegere plaats en is niet -weinig verbaasd, dat hij er den vorigen, dood gewaanden buit niet meer -aantreft; deze is reeds sinds lang weer te water gegaan en kronkelt -hierin rond, alsof hem niets deert. Hierdoor uit het veld geslagen, -bijt het vertoornde Roofdier zijn tweede gevangene herhaaldelijk en -gaat vervolgens den eersten achterna; intusschen ontvlucht de tweede -op zijn beurt, en zoo gaat het voort, totdat de Otter het eindelijk -raadzaam acht een paar van de Wormvisschen, die zich maar niet -laten dooden, dadelijk te verslinden. Hem gelukt dit; bij Vogels, -die hun prooi verzwelgen, zonder haar vooraf te verscheuren, komt -er aan het tegenstribbelen ook dan nog geen einde. "De Aal," zegt -Geszner, "wordt door allerlei slag van Vogels verslonden, o.a. door -den Schollevaar. De Visch, die in zijn geheel naar binnen gaat, -kruipt spoedig door de geheele darmbuis heen en komt van achteren -weer uit den Vogel te voorschijn, die den weerspannigen buit terstond -opnieuw inslikt en dit dikwijls tot 9-maal toe moet herhalen, voordat -de Aal door vermoeidheid gedwongen wordt in het lichaam van den -Vogel te blijven en hier sterft." Dit verhaal is volkomen juist; het -geldt echter alleen voor jonge Vogels: oude Reigers en Aalscholvers, -welbekend met de purgeerende eigenschappen van de Alen, pikken hen vóór -het inslikken steeds stuk.--Dat niet slechts de dieren, maar ook de -menschen soms last hebben van het taaie leven van den Aal, ondervindt -iedere huisvrouw, iedere keukenmeid, die deze Visch moet toebereiden. - -In Nederland wordt veel werk gemaakt van de Aal- of -Palingvangst. Alleen in de Zuiderzee werd in 1896 bijna 1/4 millioen -KG. Aal gevangen, die ruim 70000 gulden opbracht. In sommige jaren -is de vangst bijna dubbel zoo groot en bedraagt de opbrengst meer -dan 100000 gulden. Ook in de rivieren en andere binnenwateren -is deze visscherij niet onbelangrijk, volledige opgaven hierover -ontbreken. Zeer verschillend vischtuig wordt voor dit doel gebruikt, -o.a. aalfuiken, aalkorven en tjoelen, aalreepen, aaldobbers en -werplijnen; men plaatst voor sluizen raamnetten, in de toevoerkanalen -van watermolens molenzakken en aalkasten, in de benedenrivieren kubben -en korven, waarvoor de ankerkuil het noodige aas moet leveren. Ook in -den ankerkuil zelf wordt Aal gevangen, vooral in October en November, -het meest bij ruw weer en in donkere nachten, bij nieuwe maan dus. Men -vischt dan de zoogenaamde "Drijfpaling"; deze onderscheidt zich door -een witten buik en veelal ook door een scherpen snuit; hij is op weg -naar de in zee gelegen paaiplaatsen, vanwaar hij niet terugkeert. - -Tot de merkwaardigste inrichtingen voor de aalvisscherij behooren de -lagunen van Comacchio in de Po-delta, tusschen de Reno en de Penaro -gelegen. Een woest moeras is hier herschapen in een stelsel van goed -onderhouden vischvijvers, die met sluizen, kanalen en "dwaalgangen" -voorzien zijn. Reeds sedert eeuwen bestaat hier een visscherij op -groote schaal; het stadje Comacchio aan de Adriatische zeekust, -dat er het middelpunt van is, wordt bijna uitsluitend bewoond door -palingvisschers of althans door lieden, die direct of indirect -in de aalvangst een bestaan vinden. De levensgeschiedenis van den -Aal is hun beter bekend dan aan hunne beroepsgenooten. Hun geheele -leven draait om dezen Visch, die al hunne gedachten en werkzaamheden -beheerscht. Ten tijde van de "montata", als de jonge Alen zich uit de -zee naar de binnenwateren begeven, komt er leven in dit eigenaardige -gewest. Ouden en jongen geven acht op de scholen van dunne vischjes, -met het doel om ze naar bepaalde fokvijvers te leiden, die reeds -vroeger door het "pooten" van andere vischjes met een voldoende -hoeveelheid voedsel zijn voorzien. De tweede Februari wordt als de -aanvang van de "montata" beschouwd; dit verschijnsel herhaalt zich -(of duurt voort) tot aan het einde van April. Nadat de kanalen, -die toegang tot de vijvers verleenen, afgesloten zijn, bestaat de -voornaamste werkzaamheid van de aalkweekers in het regelen van den -toevoer van 't water, dat gedeeltelijk uit de zee, gedeeltelijk -uit de naburige Po afkomstig is. In Augustus beginnen de Alen, die -reeds 5 of 6 jaar in de vijvers geweest zijn, pogingen te doen om -naar de zee terug te keeren en worden de maatregelen genomen voor -hun vangst. Door de opzettelijk hiervoor bestemde "dwaalgangen" -worden deze Visschen naar bepaalde, kleine goed afgesloten ruimten -geleid, waaruit men ze met geringe moeite opscheppen kan. Een deel -van den buit wordt levend naar de naburige dorpen en steden vervoerd; -een ander deel vóór de verzending gekookt, het overige gezouten of -gerookt. Venetië, Rome, Napels en andere groote steden van Italië -worden bijna uitsluitend van uit Comacchio met Aal voorzien. Deze -visscherij levert zeer aanzienlijke voordeelen op. - -De Aal is een van onze beste zoetwatervisschen en daarom zeer -gezocht. Versch, gerookt of ingemaakt, vormt hij een belangrijk -handelsartikel voor vele kuststreken. Wegens hun stevigheid en -duurzaamheid worden de aalvellen veelvuldig gebruikt als "worgels" -(zoo noemt men den band, waardoor de "klop" aan den stok van den -dorschvlegel verbonden is). - - - -De Zee-alen (Conger) gelijken over 't geheel genomen veel op de Alen; -zij verschillen er van door de grootere lengte van de rugvin, die -zich bijna over de geheele bovenzijde uitstrekt en waarvan het voorste -uiteinde boven of weinig achter den wortel der borstvinnen gelegen is; -bovendien bestaat bij hen een andere verhouding tusschen bovenkaak -en onderkaak: gene steekt voorbij deze uit; beide zijn, behalve met -kleine tanden, ook met een reeks van groote tanden gewapend; de gladde, -slijmerige huid bevat geen schubben. - - - -De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht, de Zee-aal -of Zee-paling (Conger conger, Conger vulgaris), wordt ook bij de -Europeesche kusten aangetroffen; hij kan een lengte van meer dan -3 M. bereiken en meer dan 50 KG. zwaar worden. Aan onze kust komt -hij zeer zelden voor; toch zijn hier eenige malen exemplaren van -aanzienlijke grootte gevangen: in 808 en 1520 bij Stavoren, in 1084 -bij Ameland, in het voormalige Haarlemmermeer, in de Zeeuwsche -stroomen, aan de Groningsche kust. De laatste vangst, waarvan -melding wordt gemaakt, had plaats op 1 Mei 1816 op de buitenslikken -bij Roxenisse. Dit exemplaar was 1.83 M. lang, 14 à 16 cM. dik en -ongeveer 27 KG. zwaar. Ook verderop in de Noordzee is de Zee-aal -zeldzaam. De effen grijsbruine kleur van de bovendeelen wordt op de -zijden lichter en gaat op den buik in vuil wit over. De rugvin en -de aarsvin zijn witachtig met zwartachtigen zoom; door haar lichtere -kleur komt de zijdestreep goed uit. - -Naar het schijnt, is de Zee-aal bijna rondom de geheele wereld in alle -zeeën van de gematigde en tropische aardgordels verbreid. Bij Europa, -doch ook bij St. Helena, rondom Tasmanië en ook langs de kusten van -Japan wordt hij in grooten getale gevangen. Hij houdt van rotsachtige -kusten, zoekt althans aan vlakke kusten rotsachtige gronden op, -verbergt zich hier in holen en kloven van het gesteente en zoekt op -zandgrond een schuilplaats in de door hen zelf gegraven gangen. Evenals -andere roofvisschen, spaart dit buitengewoon vraatzuchtige dier de -zwakkere leden van zijn eigen soort niet: uit de maag van een exemplaar -van 12 KG. gewicht haalde Yarrel drie Schollen en een jongen Zee-aal -van 1 M. lengte. De kracht van zijne kaken is zoo groot, dat hij -Mossels zonder moeite verbrijzelt. Niet zelden onderzoekt deze roover -de korven, die voor de vangst van Zeekreeften bestemd zijn en maakt -zich van den inhoud meester, voor welk bedrijf hij met zijn vrijheid -en leven moet boeten. De mannetjes en wijfjes vertoonen, althans -gedurende den paaitijd, een duidelijk waarneembaar verschil. Het -kuitschieten heeft plaats in December of Januari. Jongen ter lengte van -een mansvinger merkt men gedurende den zomer bij rotsachtige kusten -op. Zooals reeds gezegd is doorloopt dit dier een larvetoestand; het -wordt op dezen trap van ontwikkeling Glasaal (Leptocephalus Morrisii), -genoemd wegens zijn doorzichtigheid; men kan de letters van een boek -door zijn lichaam heen, duidelijk lezen. - -Hoewel het vleesch van den Zee-aal niet bijzonder hoog geschat wordt, -maakt men veel werk van de vangst van dezen Visch, daar hij aan velen -een goedkoop voedsel verschaft. - -Zelfs in een kleinen bak geraakt de Zee-aal in korten tijd aan -de gevangenschap gewoon, kiest een geschikten schuilhoek tot -verblijfplaats uit en brengt hier den dag in trage rust door, terwijl -hij gedurende den nacht bijna onophoudelijk in beweging is. Zijn nooit -geheel bevredigd verlangen naar voedsel geeft aanleiding tot een -vriendschappelijke verhouding tusschen hem en zijn verzorger, wien -hij de hem voorgehouden spijs ten slotte zonder vrees te toonen uit -de hand neemt. Bij rijkelijke voeding groeit hij buitengewoon sterk. - - - -Hoogen prijs stelden de Oude Romeinen op het vleesch van de Murene -(Muraena helena). Om deze Aalvisschen steeds in voldoende hoeveelheid -voor hunne gastmalen beschikbaar te hebben, hielden zij ze in -met zeewater gevulde vijvers. Volgens Plinius was Hirius de eerste -eigenaar van een Murenen-vijver, die zoo goed voorzien was met deze -kostbare vischsoort, dat hij bij een feest ter eere van Caesar's -triumftocht aan zijne vrienden 6000 stuks kon voorzetten. Volgens een -ander bericht begingen sommige Romeinen bij het vetmesten van hunne -Murenen afschuwelijke wreedheden. Vidius Pollio n.l. meende te weten, -dat menschenvleesch het beste voedsel voor deze Visschen is en offerde -aan dit bijgeloof verscheidene van zijne slaven op, d. w. z. hij -bestrafte hunne misdrijven met den dood in den Murenenvijver. - -De Murene onderscheidt zich van zijne verwanten door het ontbreken -van de borstvinnen. Haar plomp gebouwd lichaam is van rug-, aars- -en staartvin voorzien; de kieuwspleten zijn zeer klein, de tanden -lang en spits, in boven- en onderkaak op een reeks geplaatst; de -huid is ongeschubd. Het voorste deel van den romp heeft een fraaie, -levendig gele grondkleur, die op het achterste deel bruinachtig wordt; -de teekening bestaat uit bruine, gemarmerde vlekken, die door een -donkeren zoom omgeven en van elkander gescheiden zijn. De Murene -kan, naar men zegt, 1,5 M. lang en 6 KG. zwaar worden. Zij bewoont -de Middellandsche zee, het zuidelijke deel van den Atlantischen -Oceaan en den Indischen Oceaan; ook vindt men haar langs de kusten -van Australië. Soms dwaalt zij tot bij de kusten van Groot-Brittannië -af. Zij houdt zich op in diep water en verschijnt in 't voorjaar bij -de kust om kuit te schieten. Schaaldieren en Inktvisschen maken haar -voornaamste voedsel uit. Zij is, naar men zegt, zoo vraatzuchtig, dat -zij bij gemis aan een voldoende hoeveelheid voedsel hare soortgenooten -den staart afbijt. De gevangen exemplaren verdedigen zich vol woede -en brengen onervaren visschers gevaarlijke wonden toe. Men vangt ze -met den hengel en in korven. Haar vleesch wordt ook thans nog als -hoogst smakelijk beschouwd. - - - - - - - -VIJFDE ORDE. - -DE TROSKIEUWIGEN (Lophobranchii). - - -Voor de menschelijke huishouding zonder eenige beteekenis, trekken -de Troskieuwigen onze aandacht door hun vreemdsoortigen vorm. Zij -ontleenen hun naam aan den eigenaardigen vorm der kieuwen; deze -vertoonen zich als kleine, ronde trosjes of bundeltjes, die paarsgewijs -aan de kieuwbogen zijn gehecht. Bij nauwkeuriger beschouwing blijkt, -dat die bundeltjes in werkelijkheid overdwars geplooide, als 't -ware in elkander gevouwen plaatjes zijn en ieder een der kamsgewijs -gerangschikte kieuwplaatjes van andere Visschen vertegenwoordigt. Het -kieuwdeksel is groot, bedekt met een huid, waardoor het met den -schoudergordel verbonden wordt en slechts een kleine spleet voor het -uitademen van het water overlaat. De snuit is tot een buis verlengd; -de bovenkaaksbeenderen zijn, evenals bij alle reeds genoemde Visschen, -beweegbaar. Het lichaam is in den regel langwerpig van vorm, kantig -en met beenige platen bedekt. - -Alle Troskieuwigen bewonen de zee; in de zuidelijker zeeën komen zij -in grooteren getale voor en vertoonen een grootere verscheidenheid -van vormen dan in de noordelijke; zij houden zich in den regel dicht -bij het strand, bij voorkeur tusschen zeeplanten op en voeden zich -met kleine Schaaldieren, Wormen, misschien ook met de eieren van -andere Visschen. - -Eigenaardig is de voortplanting dezer dieren: de eieren ontwikkelen -zich bij nagenoeg alle soorten in een aan den buik gelegen broedzak, -waarmede bij de Naaldvisschen (Syngnathidae) de mannetjes, bij de -Buisbekkigen (Solenostomidae) de wijfjes voorzien zijn; bij deze -wordt de broedzak door de buikvinnen, bij gene (die de buikvinnen -missen) door een zijdelingsche uitbreiding van de huid gevormd. De -laatstgenoemde familie omvat slechts één geslacht met 3 soorten, -die den Indischen Oceaan bewonen. De overige 15 geslachten (met 120 -soorten) zijn in de eerstgenoemde familie samengevat. - - - -De Naaldvisschen (Syngnathidae) bewonen alle zeeën van de heete -luchtstreek en van de beide gematigde aardgordels; hun zeer lange romp -wordt naar achteren dunner; de snuit is buisvormig en van voren met -een bijna loodrecht naar boven gerichte mondspleet voorzien; de kleine -kieuwspleet bevindt zich in den nek; de onmiddellijk daarachter gelegen -borstvinnen (bij enkele ontbrekend) zijn klein maar goed ontwikkeld; -de buikvinnen ontbreken geheel; de rugvin is grooter dan alle overige -vormen; de staartvin ontbreekt bij de soorten, welker staart geschikt -is om zich om een voorwerp te kronkelen (grijpstaart) en heeft bij de -overige den vorm van een kleinen waaier aan 't uiteinde van den langen, -dunnen staart. De broedzak, die zich aan den buik of aan den staart -van het mannetje bevindt, is voorzien met een overlangsche spleet, -waardoor de jongen ontwijken. - -Het soortenrijkste geslacht is dat der Zeenaalden (Syngnathus), -die zich kenmerken door het bezit van borstvinnen en van een goed -ontwikkelde staartvin aan 't einde van den niet voor 't vasthouden -geschikten staart; het lichaam is kantig; de schouderbeenderen zijn -onbeweeglijk met elkander verbonden. - -Een van de talrijkst vertegenwoordigde en meest verbreide soorten -is de Groote Zeenaald, door onze visschers gewoonlijk Windsteur en, -evenals de andere soorten, Zandspiering genoemd (Syngnathus acus), een -uiterst slank vischje, met 7-kantigen romp en van voren 6-kantigen, -verderop 4-kantigen staart, dat op lichtbruinen grond met een 20 tal -duidelijke, donkerbruine banden geteekend is en 60 cM. lang kan worden; -haar romp is dan zoo dik als een manspink. - -Het verbreidingsgebied van deze tamelijk veelvuldig bij onze kusten -voorkomende Visch omvat alle oostelijke deelen van den Atlantischen -Oceaan, van Noord-Europa tot aan de Kaap de Goede Hoop, met inbegrip -van de Middellandsche, Zwarte, Noord- en Oostzee. Zijne liefste -verblijfplaatsen zijn de op onderzeesche weiden gelijkende, ondiepe -strandmeren en strandmoerassen, waar het langbladige zeegras welig -groeit. Hier ziet men hem tusschen de zeeplanten, waar hij dikwijls -talrijke scholen vormt, in de meest verschillende houdingen rusten -of langzaam voortzwemmen. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine -diertjes, jonge, dunschalige Schaaldieren, kleine Weekdieren, -Wormen, enz., steeds dus uit zeer zwakke diertjes. Hierdoor wordt -de kunstmatige voeding dezer vischjes uiterst moeielijk, zoo niet -onmogelijk. - -De broedzak strekt zich over twee derden van den staart van het -mannetje uit en is dus nagenoeg even lang als de romp; hij bestaat uit -een driehoekige groeve met eenigszins buitenwaarts gebogen zijwanden, -gesloten door twee overlangsche, vliezige kleppen (huidlappen), welker -randen nauw tegen elkander aan sluiten. Tegen Mei legt het wijfje in -deze groeve eieren, die snoervormig bijeenliggen; de jongen blijven -tot het einde van Juli in deze door de huidlappen afgesloten ruimte. - - - -Vrij algemeen, hoewel in kleinen getale, vindt men aan onze kust -de Kleine Zeenaald (Syngnathus rostellatus), die veel op de vorige -soort gelijkt, doch een dunneren en betrekkelijk korteren snuit -heeft en slechts 15 cM. lang wordt; de bovendeelen zijn bruin, soms -met onduidelijke, donkere dwarsbanden, de onderdeelen witachtig. Bij -het visschen van Garnalen met saaien wordt zij soms aan het strand -gebracht. - - - -Onder de inheemsche soorten rekent Van Swinderen ook het hoogstens -30 cM. lange Kousenbandje (Syngnathus pelagicus), dat gemakkelijk te -herkennen is aan de kleur, daar bruine en zilverkleurige dwarsbanden -het geheele lichaam bedekken. Geen der latere onderzoekers heeft deze -soort hier gevonden. - - - -De Adderzeenaald (Nerophis aequoreus), die met de Kleine Zeenaald -soms aan onze kust gevangen wordt, behoort tot het geslacht der -Slangzeenaalden (Nerophis), dat zich van het vorige o.a. onderscheidt -door het gemis van borstvinnen en aarsvin, de zeer geringe ontwikkeling -van de (bij vele soorten ontbrekende) staartvin bij het mannetje -en het gemis van een door huidlappen beschutten broedzak. De eieren -worden door het wijfje aan de buikzijde van den romp van het mannetje -(vóór de aarsopening) gehecht. Bij de genoemde soort is het lichaam -zeer langwerpig en dun, de romp zeer onduidelijk 8-kantig, bruingeel -met zwarte, witgezoomde dwarsstrepen. - - - -Twijfelachtig is de aanwezigheid op onze kust van de Kleine en de -Wormvormige Slangzeenaald (Nerophis ophidion en N. lumbriciformis), -die van de vorige soort verschillen door het volslagen gemis van de -staartvin en de geringere lengte. - - - -Het Zeepaardje (Hippocampus antiquorum) is zeer gemakkelijk te -herkennen aan den stand van den kop, die een hoek vormt met den -zijdelings sterk samengedrukten romp, en aan den geheel van vinnen -verstoken grijpstaart. De kleine mond bevindt zich nagenoeg op -'t midden van den top van den betrekkelijk korten snuit. De breede -schilden, die het lichaam bekleeden, dragen matig scherpe stekels; -eenige stekels aan den kop en den nek loopen uit in onverdeelde, -draadvormige aanhangsels. De kleur is bruin met blauwachtig witte -vlekjes, de rugvin heeft dicht bij haar vrijen rand een zwartachtige -streep. Lengte: 10 à 18 cM. - -Deze soort komt voor in de Middellandsche Zee, voorts in de -Atlantischen Oceaan tot boven de Golf van Biscaye en wordt -nu en dan aan de kust van Groot-Brittannië en in de Noordzee -aangetroffen. "Meermalen," schrijft Van Bemmelen, "is mij door onze -zeevisschers verzekerd, dat de Zeepaardjes in de Noordzee en nabij -onze kusten gevonden worden; zelfs zijn mij twee exemplaren op het -eiland Texel vertoond, die aldaar zouden gevangen zijn." - -Evenals de Zeenaalden, houdt het Zeepaardje uitsluitend verblijf op -plaatsen, waar een welige plantengroei den zeebodem bedekt. Tusschen -deze planten zoekt en vindt het zijn voedsel, dat grootendeels, -zoo niet uitsluitend bestaat uit zeer kleine, voor het bloote -oog onzichtbare Schaaldieren en Weekdieren, die het van de planten -afzoekt. Dikwijls blijft het geruimen tijd bewegingloos en heeft dan -den staart om een plant gekronkeld. - -De voortplanting geschiedt als bij de Zeenaalden. - - - -Bij de kusten van Australië ziet men, behalve soorten van het vorige -geslacht, ook de zoogenaamde Rafelvisschen (Phyllopteryx), die zich -vooral kenmerken door den buitengewoon grooten overvloed van doorn- -en bandvormige uitsteeksels, waarmede bijna alle schilden voorzien -zijn en die als de rafels van een kleed aan alle zijden van het -lichaam uitsteken. De rugvin is geheel op den staart gezeten. Door -hunne aanhangsels gelijken deze dieren veel op zeeplanten. De eieren -zijn met een week bindmiddel aan de onderzijde van den staart gehecht; -een echte broedzak ontbreekt. - - - -De Rafelvisch (Phyllopteryx eques) heeft een groenachtige -lederkleur, en wordt 30 à 35 cM. lang. Over zijn levenswijze is -niets bekend. Waarschijnlijk slingert hij, evenals de Zeepaardjes, -den staart om zeewieren. Te midden van deze planten is hij moeielijk -te vinden, daar hij er door den vorm der huidaanhangselen en de kleur -van de huid mede overeenkomt. - - - - - - - -ZESDE ORDE. - -DE VASTKAKIGEN (Plectognathi). - - -De laatste orde van de Beenige Visschen bestaat uit zeer zonderlinge -wezens. Nuttig voor den mensch zijn zij volstrekt niet: hun vleesch -smaakt slecht; zelfs wordt dat van sommige soorten in bepaalde tijden -voor vergiftig gehouden; ook in de huishouding van de natuur spelen -zij een zeer ondergeschikte rol, daar geen hunner de te sterke -vermenigvuldiging van sommige dieren tegengaat of voor andere -een belangrijk voedsel oplevert; hun levenswijze is niet minder -vreemdsoortig dan hun gedaante en geheel hun uitwendig voorkomen; -alleen omdat zij zoo geheel anders zijn dan andere Visschen trekken -zij onze aandacht. De naam Vastkakigen berust op het maaksel van den -bek: de bovenrand van de kleine mondopening wordt uitsluitend door -de tusschenkaaksbeenderen gevormd; deze laten geen beweging toe, zijn -met de bovenkaaksbeenderen en met den schedel stevig verbonden. Deze -eigenaardigheid is echter niet het belangrijkste kenmerk der orde; de -bedoelde vergroeiing komt bij haar in verschillende mate en ook wel bij -andere Visschen voor. Zeer karakteristiek is echter de bekleeding van -het lichaam, waardoor de Vastkakigen van alle andere leden der klasse -afwijken. Bij enkele is de huid volkomen naakt en glad, bij andere is -zij met ruitvormige schilden en stekels bedekt, die een belangrijken -invloed oefenen op den indruk, dien de beschouwing dezer Visschen -maakt. De kieuwdeksels zijn door de huid bedekt en laten slechts een -nauwe, vóór de borstvinnen gelegen kieuwspleet over. Vreemdsoortig als -de geheele Visch, is ook zijn gebit. De kaken zijn bij sommige met -krachtige tanden van het gewone maaksel gewapend. Bij andere is het -voorste gedeelte van het kaakbeen en van den kaak als 't ware zelf een -tand geworden, doordat een laag email het bedekt. Ook het vinnenstelsel -wijkt af van dat der andere Visschen; de onparige vinnen zijn steeds -aanwezig, de borstvinnen eveneens; de buikvinnen daarentegen ontbreken. - -Alle Vastkakigen behooren tusschen de keerkringen of althans in hun -nabijheid thuis en dwalen zelden af naar andere deelen van de beide -gematigde aardgordels. Zij leven in de zee; enkele soorten zwemmen -echter ook wel de rivieren op; sommige brengen hier misschien zelfs -het grootste deel van hun leven door. De wijze waarop zij zich in 't -water bewegen, verschilt aanmerkelijk van die der overige Visschen, -maar is in overeenstemming met hun zonderlinge gestalte. Zij voeden -zich met Schaaldieren en Weekdieren, doch ook wel met waterplanten. De -buit van enkele soorten bestaat gedurende eenigen tijd geheel of -grootendeels uit Kwallen en Koraaldieren; waarschijnlijk verkrijgt -haar vleesch hierdoor vergiftige eigenschappen. - -Van de voortplanting dezer Visschen is ons slechts zeer weinig bekend, -hoewel van enkele soorten tamelijk uitvoerige beschrijvingen bestaan. - -De 177 soorten van deze orde worden vereenigd tot 17 geslachten en -deze vormen 2 familiën van ongeveer gelijken omvang. - - - -De Hoornvisschen (Sclerodermi) hebben een met duidelijke tanden -gewapenden bek; hun huid is bekleed met korrelige schubjes of met -hoekige, beenige plaatjes, die soms tot een pantser vereenigd zijn; -bij de meeste bevat de rugvin 1 à 6 doornen. Een zwemblaas (zonder -luchtbuis) is bij de meeste aanwezig. - - - -Het eenige lid van de familie, dat de Europeesche zeeën bewoont, is -de Drukkervisch (Balistes capriscus), een vertegenwoordiger van het -geslacht der Hoornvisschen i. e. z., welker zijdelings samengedrukt -lichaam bekleed is met een pantser van schubvormige beenplaatjes. De -voorste van de beide rugvinnen bestaat uit 1 à 3 stekels; de eerste -is verreweg de grootste, kan opgericht en in een groeve van het hem -dragende steunbeen neergelegd worden, heeft een zaagsgewijs gekerfden -rand en vormt een krachtig wapen. - -De Drukkervisch is bij zijn leven blauw met roodachtige wolkjes; na -den dood effen lichtbruin, op den rug, als naar gewoonte, donkerder -dan op de borst en den buik. Lengte 30 à 40 cM. Men vindt hem in -de Middellandsche Zee, doch ook in den Atlantischen Oceaan tot bij -de Britsche kusten, hier echter zelden. Evenals al zijne verwanten, -staat hij bij de zeelieden en kustbewoners der warme gewesten in een -kwaden reuk, daar het eten van deze Visschen soms zeer bedenkelijke -verschijnselen teweegbrengt. Met hun krachtig gebit openen zij de -schelpen van de Weekdieren en vergruizen het skelet van de Polypen, -die hun tot voedsel dienen. Door het verdelgen van een groot aantal -Pareloesters zijn zij nadeelig voor de parelvisscherij. - - - -Van alle overige Visschen onderscheiden zich de Koffervisschen of -Strijkijzervisschen (Ostracion) door den eigenaardigen vorm van hun -betrekkelijk hoog en kort lichaam, welks dwarse doorsnede een driehoek -(met naar boven of naar onderen gerichten top), een vierhoek of een -vijfhoek kan zijn. Het is gehuld in een pantser, dat uit mozaïeksgewijs -aaneengevoegde, onbeweeglijke, meestal 6-hoekige platen bestaat en -alleen de lippen, de oogen, de nauwe kieuwspleet en het wortelgedeelte -der vinnen vrijlaat. Bij sommige is dit pantser boven de oogen en langs -de kanten van den buik gewapend met onbeweeglijke, meestal bij paren -geplaatste stekels, die soms een aanmerkelijke lengte hebben en dan -veel bijdragen tot het vreemde voorkomen dezer Visschen. De kleine mond -bevindt zich aan 't einde van den snuit en is van boven en van onderen -gewapend met een enkele rij van 10 à 12 spitse, kegelvormige tanden. - -De Vierhoornige Koffervisch (Ostracion quadricornis), die 30 à 35 -cM. lang wordt, heeft een driehoekig, aan de buitenzijde afgeplat -lichaam. Het pantser, dat uit 6-hoekige, met kleine knobbeltjes -bezette schilden bestaat, is fraai roodachtig bruin van kleur, met -donkerder vlekken van langwerpigen, onbepaalden vorm; de bruine kleur -van den staart heeft een meer geelachtige tint met rondachtige vlekken; -de vinnen zijn geelachtig. - -Alle Koffervisschen behooren thuis in zeeën van den tropischen -aardgordel, waar zij steenachtige of rotsachtige ondiepten bewonen, -zwemmen zoo slecht, dat men ze met de hand vangen kan, komen zelden -in de bovenste waterlagen en sterven schielijk nadat zij uit het water -opgehaald zijn. Hun voedsel schijnt uit Schaaldieren en Weekdieren te -bestaan. Eenige soorten worden gevangen om hun vette tranige lever, -andere worden met smaak gegeten, van nog andere wordt het vleesch -voor vergiftig gehouden. - - - -Bij de Kogelvisschen of Naaktkakigen (Gymnodontes = Naakttandigen) -hebben de kaken van voren een scherpen rand, daar de kaakbeenderen -met een op ivoor gelijkende stof bedekt zijn; gezamenlijk vormen zij -een soort van snavel, welke, evenals die van een Papegaai of anderen -Vogel, even sterk weer aangroeit, als hij door 't kauwen afslijt. Hunne -kieuwdeksels zijn zeer klein. De meeste hebben een zwemblaas, die -zeer groot is, doch niet door een luchtbuis met het spijskanaal in -gemeenschap staat. Ook kunnen zij door het inslikken van lucht den -zeer dunwandigen en rekbaren slokdarm opblazen, waardoor het geheele -lichaam den vorm aanneemt van een bol. (De uitzetting van de huid -is mogelijk door de plooien, die zij in niet uitgezetten toestand -vertoont.) Hierdoor wordt het buikgedeelte van den Visch lichter en -drijft deze op het water met den rug naar beneden gericht. De stekels, -waarmede de huid bezet is, gaan bij het opblazen overeind staan, -evenals de pennen van een Egel, zoodat het dier zijne vijanden de in -alle richtingen uitstralende, spitse doornen en stekels toont. De -Klompvisschen (Orthagoriscus) missen de zwemblaas en tevens het -vermogen om het lichaam op te blazen. - - - -De Egelvisschen of Pennevisschen (Diodon) heeten ook wel Tweetandigen, -omdat de snijdende rand van elke kaak in 't midden geen verdeeling -vertoont. Aan weerszijden van iedere kaak bezitten zij ook nog een -soort van kies. De staart en de staartvinnen hebben den gewonen -vorm. Ieder beenschild van de huid bestaat uit een doorn, die van -onderen met twee zijwaarts gerichte, in de huid verborgen uitsteeksels -voorzien is; dit maakt, dat de stekels, die in den toestand van -rust tegen het lichaam aanliggen met de spits naar achteren, bij het -opblazen overeind gaan staan. - -Du Tertre bericht, dat men op de Antillen de Egelvisschen niet om -ze te eten, maar tot tijdverdrijf vangt aan een hengel, waarvan -de haak van een kreeftenstaart als lokaas voorzien is. Uit vrees -voor de lijn, zwemt de Visch een tijdlang om het lekker hapje heen, -proeft er eindelijk van, wordt stoutmoediger door de opmerking, dat -de hengelsnoer zich niet beweegt, schiet toe en verzwelgt het lokaas -met den haak. Bespeurend, dat hij gevangen is, blaast hij zich op, -neemt den vorm van een bol aan, waarbij de stekels opgericht worden en -het lichaam een averechtschen stand verkrijgt, gedraagt zich als een -Kalkoen, die geplaagd wordt, en tracht ieder die binnen zijn bereik -komt, te wonden. Geen baat vindend bij deze wijze van tegenspartelen, -neemt hij zijn toevlucht tot een andere list: door het uitspuiten -van lucht en water verslapt de huid en worden de stekels neergelegd; -het dier maakt zich soortelijk zwaarder, ongetwijfeld met het doel om -zich naar de diepte te laten zakken; ook dit gelukt hem niet. Opnieuw -blaast hij zich op en dreigt met de stekels. Daar hij een zeer taai -leven heeft, worden deze pogingen tot bevrijding lang voortgezet tot -vermaak van de toeschouwers, die hem eindelijk aan land trekken. Nog -altijd blijft hij hier dapper weerstand bieden; na eenige uren echter -geraakt hij uitgeput en sterft. - - - -Meer bepaaldelijk wordt de naam van Egelvisch (Diodon hystrix) gegeven -aan een soort van 40 à 70 cM. lengte, die alle tropische zeeën bewoont -en op roestbruinen grond van boven en langs de zijden met vele kleine, -ronde, zwarte of bruine vlekken geteekend is. - - - -Bij de Stekelbuiken zijn de stekels kleiner dan bij de Egelvisschen -en zet het lichaam zich bij het opblazen vooral naar onderen uit; de -staart en de staartvin hebben en behouden den gewonen vorm. Dit komt -voor bij de Viertandigen (Tetrodon), waar de snijdende rand van de -onderkaak zoowel als die van de bovenkaak door een overlangsche groeve -of naad middendoor gedeeld is, ook bij de Drietandigen (Triodon), -waar de onderkaak deze verdeeling niet vertoont. Van één soort van -Stekelbuik (Tetrodon Pennantii) heeft men verscheidene exemplaren -aan de kust van Cornwallis waargenomen. Bij sommige soorten zijn de -neusgaten aan 't einde van een tastervormige buis gelegen. - - - -De soort, die door de Arabieren Fahak wordt genoemd (Tetrodon fahaka), -is ongeveer 25 cM. lang. De rug heeft een zwartachtig blauwe kleur, -de zijden vertoonen oranjegele strepen, de buik is geelachtig, de -keel sneeuwwit, de staartvin oranjegeel. - -De Fahak verlaat van tijd tot tijd de Middellandsche Zee en zwemt den -Nijl op. Hier ziet men deze Visschen bij lagen waterstand dikwijls -in grooten getale dood op het droog gevallen rivierbed liggen. Voor -oud en jong zijn zij een bron van vermaak; de kinderen spelen er -mede, zooals bij ons met Meikevers, laten de bolvormig opgeblazen -dieren op het water drijven en gebruiken ze in gedroogden toestand -als ballen. Zulke voorwerpen nemen de reizigers dikwijls mede als -herinnering aan het land der Pharaonen. - -De levenswijze en gewoonten van de Fahaks komen waarschijnlijk in -de meeste opzichten met die van de Engelschen overeen. In diep water -zwemmen zij, hoewel eenigszins onbeholpen, op de wijze van de andere -Visschen; als een gevaar hen bedreigt stijgen zij schielijk omhoog -naar den waterspiegel, slikken lucht in en blazen hun lichaam, -dat tot dusver rimpels aan de oppervlakte vertoonde, zoo ver op, -dat de huid gespannen is; zij drijven dan met den buik naar boven -als een stekelige bal aan de oppervlakte. In dezen toestand kunnen -zij niet zwemmen en zouden een buit worden van de roofvisschen, -indien deze zulk een bal konden vatten en inslikken. Geen hunner is -hiertoe in staat; hun streven heeft geen ander gevolg, dan dat de -Fahak over den waterspiegel wordt voortgestuwd en dat zij zich aan -zijne stekels kwetsen. Als men een opgeblazen Fahak in de hand neemt, -ziet men hem vol angst pogingen doen om nog meer lucht in zijn lichaam -op te pompen, waaruit blijkt dat hij de waarde van het opblazen als -middel van afweer beseft. Zoodra hij meent, dat het gevaar voorbij -is, laat hij de opgenomen lucht gedeeltelijk ontsnappen, waardoor -een sissend gedruisch wordt voortgebracht. Buiten het water kan hij -geruimen tijd in 't leven blijven. - -Het vleesch van den Fahak wordt alleen door de armste bewoners van -het Nijlland gegeten; zij houden de kuit echter voor vergiftig. - - - -Bijna in alle talen draagt de hoogst zonderlinge Klompvisch, ook -wel Maanvisch, Zonnevisch, Zwemmende Kop en Molensteenvisch genoemd -(Orthagoriscus mola), dezelfde namen: de hierdoor uitgedrukte -vergelijking komt allicht in iemand op. Zijn lichaam heeft van ter -zijde gezien de gedaante van een eironde schijf, aan het achtereinde, -tusschen de ver naar achteren geplaatste rug- en aarsvin, voorzien -van een dikken zoom, dien men niet dadelijk als de staartvin -herkent, omdat de tot steun dienende stralen onder de huid verborgen -zijn. De rugvin en de aarsvin zijn veel hooger dan lang en hebben -een driehoekige gedaante. De borstvinnen zijn klein en rond. Evenals -bij de Egelvisschen is de snijdende rand van de kaken onverdeeld. De -huid is met scherpe, harde lichaampjes bezet, welke haar ruw voor het -gevoel maken. De blauwachtig grijze kleur van de bovendeelen wordt -naar onderen lichter. Deze Visch is grooter dan al zijne verwanten; -men heeft exemplaren gevangen, die 2.5 M. lang en 300 KG. zwaar -waren. Zijn vleesch wordt niet gegeten. - -Deze Visch, die over alle zeeën tusschen de keerkringen en van de -beide gematigde aardgordels verbreid is, wordt in de Middellandsche -Zee het veelvuldigst aangetroffen. Toch was hij, naar het schijnt, aan -de ouden onbekend. Van tijd tot tijd vindt men hem echter ook aan de -kusten van de Noordzee. Aan de Nederlandsche kust verdwaalt hij slechts -zelden: in de Zuiderzee, bij Middelburg (Dec. 1863), bij Katwijk (1836, -Dec. 1839), Zandvoort (Dec. 1858, Dec. 1864), Nieuwediep (Dec. 1856) -werden exemplaren van deze vischsoort gevangen. Het weinige, dat -ons van haar leven bekend is, danken wij aan de Engelschen, die -den Klompvisch bij de zuid- en westkust van Engeland en Ierland nu -en dan waargenomen hebben. "Bij mooi weer," zegt Yarrel, "zien de -zeelieden hem niet zelden in het Kanaal, oogenschijnlijk slapend -aan de oppervlakte der zee, daar hij op zijde ligt en door de golven -wordt voortbewogen, zoodat men zou kunnen meenen een dooden visch voor -zich te hebben." Couch meent, dat de Klompvisch over een uitgestrekt -gebied rondzwerft, zich in den regel in tamelijk diep water dicht -bij den bodem ophoudt tusschen de waterplanten, die hem tot voedsel -dienen en slechts bij zeer stil weer naar de oppervlakte stijgt om -een middagslaapje te houden. Wanneer men zulk een slapenden visch -voorzichtig nadert, kan men hem zonder moeite uit het water lichten, -daar hij in den regel geen pogingen doet om te ontsnappen of althans -niet erg tegenspartelt. - - - - - - - -ZEVENDE ORDE. - -DE GLANSSCHUBBIGEN (Ganoidei). - - -De tweede onderklasse van de Visschen is die der Oervisschen -(Palaeichthyes). Zij heeft tot kenmerken het bezit van een hart -met contractielen slagaderkegel, van een spiraalplooi in den darm -en van gezichtszenuwen, die elkander niet of slechts gedeeltelijk -kruisen. Zij wordt gesplitst in de orden van de Glansschubbigen en -van de Kraakbeenvinnigen. - - - -De Glansschubbigen of Ganoïd-visschen (Ganoidei) hebben in vroegere -tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde (vooral in -het primaire of palaeozoïsche en het secundaire of mesozoïsche) een -belangrijke rol gespeeld, zooals blijkt uit het vinden van versteende -overblijfselen van een groot aantal thans uitgestorven leden dezer -orde in de aardlagen der genoemde tijdperken. Tot in het laatste -gedeelte van het Jura-tijdperk waren zij met de Kraakbeenvinnigen -en waarschijnlijk ook met de Schedelloozen, Rondbekkigen en -Salamandervisschen de eenige vertegenwoordigers van hun klasse. Eerst -in 't begin van de krijtperiode traden de Beenige Visschen op; spoedig -vermeerderde het aantal geslachten en soorten van deze orde; gelijken -tred hiermede hield de vermindering van het aantal Ganoïd-visschen, -waarvan thans slechts eenige weinige, ver verbreide soorten overig -zijn, die alle voortdurend of tijdelijk het zoetwater bewonen. - -De Glansschubbigen ontleenen hun naam aan de plaatvormige of -rondachtige, met email bedekte schubben, die het lichaam van de -meeste (voor 't meerendeel thans niet meer bestaande) leden dezer -orde bekleeden. Andere dragen beenige schilden (zooals de meeste -hedendaagsche Ganoïd-visschen), nog andere hebben een volkomen naakte -huid. Bij vele soorten zijn de boven- en de onderrand van de staartvin -en de voorrand van de overige vinnen bezet met een enkele of dubbele -rij van zoogenaamde vinsteunsels (fulcra), d.i. een middelvorm tusschen -vinstralen en schubben, die met de spitse punt naar boven en achteren -gericht, schuins op en vóór de stralen zijn ingeplant. Bij de meeste -bevat de bovenste lob van de staartvin het laatste gedeelte van de -wervelkolom, die zich tot in de spits van deze lob kan voortzetten: -zulke Visschen heeten heterocerk of ongelijkstaartig. De dubbele -neusgaten gelijken op die van de leden der vorige onderklasse. Evenals -bij deze zijn de kamvormige "vrije" kieuwen gelegen in kieuwholten, -die door een kieuwdeksel zijn afgesloten en door één kieuwspleet met -de buitenwereld in gemeenschap staan. Verscheidene bezitten aan den -binnenkant van het kieuwdeksel een hulporgaan voor de ademhaling, -een halve kieuw of "bijkieuw". Verscheidene hebben aan den bovenrand -van de kieuwdeksel een zoogenaamd "spuitgat", dat met de kieuwholte -in verband staat en herinneren hierdoor aan de Haaien. Bij alle komt -een zwemblaas voor; deze staat altijd door een luchtbuis in gemeenschap -met de maag of met den slokdarm. Het geraamte is beenig of gedeeltelijk -kraakbeenig. De buikvinnen zijn ver achterwaarts aan den buik gehecht. - - - -Van de 10 onderorden, waarin Zittel de orde der Ganoïd-visschen -verdeelt, zijn slechts 4 tot op heden blijven bestaan. De belangrijkste -van deze wordt gevormd door de Kraakbeensteuren (Chondrostei), zoo -genoemd wegens hun gedeeltelijk kraakbeenig skelet: de ruggestreng is -bij hen nog week, niet in wervels verdeeld; de schedel is kraakbeenig -en met huidbeenderen bedekt. De stralen van het kieuwdekselvlies zijn -weinig talrijk of ontbreken geheel. Voor zoover zij tanden bezitten, -zijn deze nietig klein. De huid is naakt of met schilden bedekt. De -staartvin is heterocerk en draagt vinsteunsels. Elke neusholte -heeft 2 neusgaten; deze zijn op korten afstand van en vóór de oogen -gelegen.--In vroegere tijdperken bood ook deze onderorde een groote -verscheidenheid van vormen aan; thans omvat zij slechts een 25-tal -soorten, die over 4 geslachten verdeeld zijn en in twee familiën -worden vereenigd. - - - -De Steuren (Accipenseridae) hebben een langwerpigen romp, een -slurfvormigen, min of meer spits eindigenden, onbeweeglijken snuit, aan -welks onderzijde zich de mondopening bevindt; de kieuwdeksels bedekken -de kieuwholte niet volkomen; het kieuwdekselvlies heeft geen stralen; -de lichaamsbekleeding bestaat uit groote, op vijf overlangsche reeksen -geplaatste beenschilden. De kop is min of meer vierzijdig en tot een -soms smallen, soms breeden, slurfvormigen snuit verlengd. Deze draagt -aan de onderzijde op een beenige dwarslijst vier baarddraden, die als -tastorganen dienst doen; haar vorm en plaatsing is bij verscheidene -soorten ongelijk. Daarachter ligt de dwarsgerichte mondspleet in een -uitholling; de bovenrand wordt meestal gevormd door een dikke, vleezige -lip, die zich naar de onderkaak voortzet en gewoonlijk slechts aan de -mondhoeken weinig ontwikkeld is. De oogen zijn aan weerszijden van -den schedel achter de neusopeningen gelegen en hebben dikwijls bij -hetzelfde exemplaar een verschillende middellijn. De huid tusschen de -5 overlangsche reeksen van schilden is gedeeltelijk naakt en glad, -gedeeltelijk meer of minder dicht bedekt met kleinere schildjes of -korrelige beenstukjes van afwisselende gedaante en grootte; het -staarteinde en de bovenste lob van de staartvin zijn bekleed met -vierhoekige, dicht aaneensluitende, kleine, beenige schubben. Alle -schilden ondergaan bij toenemenden leeftijd een groote verandering; -hunne kammen en spitsen worden stomp; de buikschilden verdwijnen -dikwijls bijna geheel. Hierdoor wordt de vorm van de dwarse doorsnede -van 't lichaam gewijzigd en verliest deze min of meer haar vijfhoekige -gedaante. De rugvin is ver naar achteren geplaatst; de aarsvin staat -er nagenoeg tegenover; de staartvin onderscheidt zich door grootte; -haar bovenste lob is zeisvormig naar beneden gekromd. - -De Steuren behooren in den noordelijken gematigden aardgordel thuis; -hun gebied strekt zich zoomin zuidwaarts als noordwaarts ver uit. Op -bepaalde tijden van 't jaar verlaten zij de door hen bewoonde zeeën -of groote binnenzeeën en zwemmen de hierin uitmondende rivieren op, -waar zij maanden lang blijven. Alle Steuren zijn zeer vraatzuchtige -roofvisschen; alleen die, welke minstens half volwassen zijn, vallen -betrekkelijk groote dieren aan; de kleinere Steuren zijn met Wormen, -Weekdieren, eieren van Visschen en dergelijk voedsel tevreden. Zij -vermenigvuldigen zich zeer sterk. Toch neemt hun aantal van jaar -tot jaar af, omdat de visschers bij de steurenvangst hun gewone, -onverstandige onbezorgdheid voor de toekomst niet laten varen. - - - -De Steur (Accipenser sturio) het meest bekende lid van het -gelijknamige, 20 soorten omvattende geslacht, heeft een middelmatig -langen snuit met onvertakte baarddraden; de bovenlip is smal, de -onderlip gezwollen en in 't midden verdeeld; de mond, die in geopenden -toestand ringvormig is, kan naar buiten geschoven en teruggetrokken -worden. De 26 à 31 zijschilden zijn groot en dicht opeengedrongen, -de 11 à 13 rugschilden van voren en van achteren laag, in 't midden -hoog. De bovenzijde is bruin, bruingrijs of bruingeel, soms donker, -soms lichter van kleur; de onderdeelen zijn glanzig zilverwit, -de schilden vuilwit. Dit dier kan 6 M. lang worden, doch bereikt -gewoonlijk geen grootere lengte dan 2 M. - -De Steur komt vrij algemeen aan onze Noordzeekusten, in de Zuiderzee -en vooral des winters in onze rivieren voor. Van tijd tot tijd worden -hier betrekkelijk groote exemplaren gevangen: op 20 Mei 1863 werd er -een in den IJsel bij Wijhe buitgemaakt, die ongeveer 100 KG. zwaar was; -een in Augustus 1858 in de Noordzee gevangen Steur had een gewicht van -meer dan 300 KG.; op de markt te Delfzijl werd er een aangebracht op -15 Juni 1851, die 2.7 M. lang en 200 KG. zwaar was. Voor de vangst -van Steur dient op onze benedenrivieren een drijfnet, dat bij eb -wordt geplaatst gedurende de maanden April, Mei en Juni. In 1896 -werden de meeste Steuren aangebracht te Hardinxveld (440), Moddergat -(432), Wierum (240), Kralingen (134), in ons geheele land omstreeks -1300. De prijs bedraagt ± f O.40 per KG. - -Het verbreidingsgebied van den Steur omvat den Atlantischen Oceaan -langs de kust van Europa en Noord-Amerika met inbegrip van de -Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee. In de Zwarte Zee en -de Kaspische Zee en de hierin uitmondende stroomen treft men hem -niet aan. Den Rijn zwemt hij hoogst zelden tot Mainz en slechts bij -uitzondering tot Bazel op; in den Wezer bereikt hij ternauwernood -de samenvloeiing van de Werra en de Fulda; in de Elbe begeeft hij -zich tot in Boheme stroomopwaarts en dringt zelfs in de Moldau en -hare bijrivieren door; van de Oostzee uit bezoekt hij den Oder, -den Weichsel en hunne bijrivieren. - - - -De Sterlet (Accipenser ruthenus), die soms met de zooeven beschreven -soort verward werd, is aan zijn langwerpigen, dunnen snuit gemakkelijk -kenbaar; bovendien zijn de tamelijk lange baarddraden aan de -binnenzijde van franjes voorzien. De rug is donkergrijs, de buik -lichter van kleur; de borstvinnen, de rugvin en de staartvin zijn -grijs, de buikvinnen en de aarsvin vuilwit; de rugschilden hebben -dezelfde kleur als de rug, zijn van achteren het hoogst en loopen hier -in een spits uit; de zijschilden en de buikschilden zijn witachtig. De -lengte bedraagt zelden meer dan 1 M., het gewicht hoogstens 12 KG. - -De Sterlet bewoont de Zwarte Zee; hij zwemt alle hierin -uitmondende stroomen, dus ook den Donau, op en bezoekt bijna al -hunne bijrivieren. Bij Weenen komt hij geregeld voor, bij Linz is -hij niet bijzonder zeldzaam, zelfs heeft men hem nog bij Ulm in den -Donau gevangen. Evenals in de Zwarte Zee, vindt men hem ook in de -Kaspische Zee en de rivieren, die haar met water voorzien, voorts in -de Siberische stroomen, vooral in den Ob. Herhaaldelijk heeft men -getracht hem in de Noord-Duitsche rivieren over te planten, in den -Oder schijnt het gelukt te zijn. - - - -Belangrijker dan de beide vorige soorten is de Huso (Accipenser -huso), het reusachtigste lid van zijn geslacht en van zijn familie; -hij kan 15 M. lang en 1000 à 1600 K.G. zwaar worden. Hij is kenbaar -aan zijn korten, driehoekigen snuit met platte baarddraden; de 12 of 13 -rugschilden zijn in 't midden het hoogst; de 40 à 45 kleine zijschilden -laten tusschenruimten over. De bovenzijde is gewoonlijk donkergrijs, -de buikzijde vuilwit, de snuit geelachtig wit; de schilden komen in -kleur met de buikzijde overeen. - -De Huso is beperkt tot de Zwarte en de Kaspische Zee met de hierin -uitmondende stroomen. - - - -Vermoedelijk hebben alle Steuren nagenoeg dezelfde levenswijze. Zij -zijn eigenlijk zeebewoners, die in de rivieren slechts tijdelijk -vertoeven om hier te paaien of winterslaap te houden. In de zee zoowel -als in de rivier geven zij aan een weeken, zandigen of slikkerigen -bodem de voorkeur boven iedere andere verblijfplaats. Terwijl -zij, half in den bodem verborgen, eerder kruipend dan zwemmend, -zich langzaam voortbewegen, doorploegt de spitse snuit den grond, -waaruit de onderzoekend uitgestoken lippen het voedsel opnemen. Dit -bestaat vermoedelijk uitsluitend uit dieren; ongetwijfeld moeten alle -Steuren als roofvisschen beschouwd worden: van onzen Steur weet men, -dat hij zich voornamelijk met Visschen voedt, o. a. vele Haringen -verslindt; vele Steuren leven gedurende hun paaitijd bijna uitsluitend -van de Karpervisschen, die dan eveneens de rivier opzwemmen om kuit -te schieten. Bij het trekken houden de Steuren zich in de bovenste -waterlagen op en zwemmen hier betrekkelijk snel. De verschillende -soorten begeven zich ter zelfder tijd op weg, n.l. van Maart tot -Mei, en keeren tegelijk, n.l. in het laatst van den herfst, naar -zee terug. De Steuren behooren tot de vruchtbaarste van alle bekende -Visschen. Bij een Huso van 1400 KG. woog de kuit 400 KG. De jongen -schijnen nog lang in de rivieren te blijven; misschien brengen zij -hier de beide eerste levensjaren door. - -Hoewel het vleesch van alle soorten van Steuren goed smaakt, -worden deze Visschen minder om hun vleesch dan wel ter wille van de -eieren en de zwemblaas gevangen; van gene wordt kaviaar, van deze -een uitmuntende lijm gemaakt. De kuit, die voor de bereiding van de -kaviaar moet dienen, wordt eerst met stokjes geslagen en vervolgens -door een zeef gedrukt, waarop de vliezen achterblijven; de gezuiverde -eieren worden meer of minder sterk gezouten en daarna in vaten gepakt. - -In Duitschland is de steurvisscherij naar verhouding even onbelangrijk -als bij ons: aan de monden van de Elbe en van den Wezer worden ieder -jaar hoogstens eenige duizenden Steuren gevangen. In den benedenloop -van den Donau, van waar vroeger Hongarije en Oostenrijk met kaviaar -werden voorzien, zijn de nadeelige gevolgen van een onverstandige -vangst thans reeds duidelijk merkbaar. De ontzaglijk sterke -vermenigvuldiging van de Steuren is niet meer voldoende om hunne -door den mensch gedunde gelederen voltallig te houden. Het invoeren -van een gesloten tijd of het staken van de visscherij gedurende een -paar jaren zal noodig zijn om ook in 't vervolg dezelfde voordeelen -te genieten als tot dusver. - -Op de grootste schaal werd van oudsher in Rusland de steurvisscherij -uitgeoefend; in de Zwarte Zee zijn de monden van den Dnjestr, den -Dnjepr, den Donau en de zeeëngte van Jenikale of Kertsj, de groote -toegangspoorten, waarvoor de Visschen, welker levensverrichtingen -zoowel zoutwater als zoetwater vereischen, zich verzamelen. Op al -deze punten bevinden zich derhalve hetzij blijvende visschersdorpen -of tijdelijke vestigingen, die in de lente opgericht en in den -herfst weder verlaten worden. De Rus of Griek, die een visscherij -wil ondernemen, huurt van den naburigen grondeigenaar een kuststreek, -bouwt een ruime rieten hut aan het strand, koopt vischschuiten, netten -en al wat verder noodig is, verbindt aan zijn onderneming andere -Russen of Grieken, Tataren, Moldaviërs of Polen, al naar het eene of -het andere volk in de nabijheid woont, en vestigt zich met hen voor -een zomer aan het strand. De hutten van deze lieden zijn zeer ruim -en groot, dicht bij het lage zeestrand, maar boven het peil van den -hoogsten waterstand gelegen. Zij bevatten bedden voor de bemanning der -vischschuiten, die soms uit 12 à 20 koppen bestaat, voorts vischtonnen, -groote vaten met zout en molens, waarin dit fijngemaakt wordt. Buiten -de hut is in den grond een stookplaats uitgegraven; een oudgediende, -die niet mede ter vischvangst gaat, is voortdurend bezig met koken, -waterdragen, zoutmalen, enz. Als het bedrijf goede uitkomsten oplevert, -schaffen de visschers zich ook andere benoodigdheden aan: Honden voor -het bewaken van hun eigendom, een toom kippen, welker gekakel zich -met het geklots van de golven vermengt, Schapen voor het feestmaal -op Zondag, enz. Gewoonlijk echter is de zee de proviandkamer, die hun -alles verschaft, wat op den disch verschijnt. Dicht bij den rand van -de branding richten zij een hoogen mastboom op, eenigszins hellend -ten opzichte van den waterspiegel, van boven voorzien met een soort -van mastkorf; hierin zit een van de manschappen op den uitkijk en -kondigt tijdig de nadering van de scholen Visschen aan, opdat de -visschers hen tegemoet kunnen gaan. Reeds op grooten afstand merken -zij de Visschen op en weten ze te onderscheiden. Zij verdeelen ze in -twee hoofdafdeelingen: roode en witte Visschen; de eerstgenoemde omvat -de Steuren. Voor de vangst maakt men op deze plaatsen hoofdzakelijk -gebruik van netten. - -Geheel anders gaat men daarentegen in den winter te werk, als de -rivieren met ijs bedekt zijn en de Steuren om winterslaap te houden -den kop in 't slijk gestoken en de staarten als een dicht bosch van -palissaden omhoog gericht hebben. De visschers kennen de diepste -gedeelten van den stroom, waar de Steuren zich in den herfst op -rijen geplaatst ter ruste begeven; zij komen in Januari bijeen om, -ieder voorzien van een bewijs, dat hun het visschen veroorloofd is, -onderling te bespreken waar, wanneer en op welke wijze de vangst zal -plaats hebben. Een kanonschot geeft het sein, waarna de visschers -zich zoo schielijk mogelijk in sleden naar de hun aangewezen plaats -begeven. Hun vischtuig bestaat uit een ijzeren haak, die aan een -met ijzer bezwaarden stok van 6, 10 of zelfs 20 M. lengte bevestigd -is. Te rechter plaatse aangekomen, hakt ieder een gat in 't ijs; -de hierdoor in hun rust gestoorde Visschen beginnen den stroom af te -zwemmen; wanneer zij tegen den in 't water gestoken staak stooten, -tracht de visscher door een plotselingen ruk den haak in 't lichaam -van den Visch te doen doordringen. Dikwijls gelukt het hem op één -dag 10 groote Steuren buit te maken; het kan echter ook voorkomen, -dat hij verscheidene dagen op het ijs moet staan, voordat hij er -in slaagt een enkelen Visch te vangen. Dan is een maand arbeid -te nauwernood voldoende om de kosten van de uitrusting goed te -maken. Hansteen, die deze wijze van visschen op den Oeralstroom -heeft leeren kennen, verhaalt, dat ongeveer 4000 Kozakken hierdoor -binnen 2 uren voor meer dan 40 000 roebels Visch vingen. In den regel -acht men zich verplicht den eersten Visch aan de kerk te schenken; -de overige worden zoo schielijk mogelijk op sleden vervoerd. Van -heinde en ver zijn kooplieden aangekomen, die de gevangen Steuren -dadelijk opkoopen, het vleesch en de kuit toebereiden, afzonderlijk -inpakken en met den meesten spoed verzenden. Als de vorst aanhoudt, -is het inzouten overbodig; zoodra echter de dooi invalt, moet zulks -dadelijk geschieden. - -Deze visscherij levert zeer aanzienlijke voordeelen op. De jaarlijksche -opbrengst van de Steurvangst in de Zwarte en de Kaspische Zee werd -ten tijde van Pallas (1741-1801) op 2 millioen roebels geschat en is -sinds dezen tijd minstens verdubbeld. - -Twee Steuren met naakte of nagenoeg naakte huid, zeer wijden, onder -den kop geplaatsten bek en kaken met talrijke kleine tandjes vormen -de familie der Veeltandigen (Polyodontidae). De eene heet wegens den -zeer langen, spatel- of lepelvormigen snuit met dunne en buigzame -randen Lepelsteur (Polyodon folium) en bewoont den Mississippi. Hij -kan 2 M. lang worden; hiervan komt 1/4 op den snuit. Zijn vleesch -wordt gegeten, zoo ook dat van den meer dan 6 M. langen Zwaardsteur -(Psephurus gladius), die zijn naam ontleent aan den buitengewoon -langen, zwaardvormigen snuit. Hij bewoont de Chineesche stroomen -Hoangho en Jangtsekiang. - - - -De eenige thans nog levende vertegenwoordiger van de onderorde der -Kwastvinnigen (Crossopteroidei) en van de familie der Veelvinnigen -(Polypteridae) is de Snoeksteur (Polypterus bichir). Hij heeft een -langwerpige, bijna cilindervormige gedaante. De korte snuit heeft aan -zijn voorste uiteinde een groote mondopening; de kaken en het gehemelte -dragen tanden. De borstvinnen zijn kwastvormig: zij hebben een korte, -geschubde as; de buikvinnen zijn er ver van verwijderd; de rugvinnen -zijn zeer talrijk (10 à 16) en bestaan ieder uit een sterken stekel, -aan welks achterrand eenige buigzame stralen zijn gehecht; de staartvin -is diphycerk: zij omgeeft dus het einde van den staart; haar bovenste -helft komt met de onderste in vorm overeen; de aarsvin is er slechts -door een smalle tusschenruimte van gescheiden. De beenige, met email -bekleede schubben zijn zeer groot, vierhoekig en op reeksen geplaatst, -die scheef van voren naar achteren loopen; de kop is met groote, -harde schilden bekleed. De groenachtige kleur van de bovendeelen, -die met eenige zwarte vlekken geteekend zijn, gaat aan den buik in -vuilwit over. Lengte 1.2 M. - -De Snoeksteur bewoont de tropische gewesten van Afrika; zoowel in de -rivieren van West-Afrika als in den Boven-Nijl is hij niet zeldzaam. In -het gebied van den Witten Nijl vindt men hem zeer dikwijls in plassen, -die soms later geheel uitdrogen. Het is zoo goed als zeker, dat hij, -als zoovele Visschen van Centraal-Afrika, zich bij den aanvang van -het droge jaargetijde in het slijk verbergt en hier (in den op zekere -diepte nog vochtigen bodem) den volgenden regentijd afwacht. Zijn -voedsel bestaat uit Visschen en andere waterdieren. - - - -In de rivieren en meren van de zuidelijke Staten van Noord-Amerika -ontmoet men niet zelden een vreemdsoortigen Ganoïdvisch, die daar -Kaaimanvisch (Lepidosteus osseus) wordt genoemd en het geslacht der -Beensteuren (Lepidosteus) vertegenwoordigt, dat slechts 3 soorten omvat -en deel uitmaakt van de gelijknamige familie (Lepidosteidae). Zijn -langwerpig lichaam bevat een volledig verbeende wervelkolom en is met -steenharde ganoïd-schubben bekleed, die op de onderste en bovenste -straal van de duidelijk heterocerke staartvin en op den eersten straal -van de overige vinnen in spitse vinsteunsels overgaan. De rugvin en -de aarsvin zijn ver achterwaarts, de buikvinnen in 't midden van -'t lichaam geplaatst. De schubben vormen sterk hellende reeksen, -zijn op den rug hartvormig, op de zijden langwerpig vierhoekig, aan -de buik ruitvormig. De lange, snavelvormige snuit herinnert sterk aan -dien van een Krokodil; de kaken en het gehemelte dragen raspvormige -velden van hekeltanden, de kaken bovendien een reeks van kegelvormige -tanden. De bovendeelen zijn groenachtig, de zijden geelachtig, de -onderdeelen en de vinnen roodachtig, deze aan de achterzijde met -zwarte vlekken. Lengte 1 à 1.7 M. - -Van de levenswijze van dezen Visch weet men niet veel meer, dan dat -hij zeer gulzig en vraatzuchtig is en gretig naar het lokaas aan den -hengel hapt. Zijn vet, welsmakend vleesch gelijkt, naar men zegt, -op dat van den Snoek en wordt op gelijke wijze toebereid. - - - -De Amerikanen geven den naam van Moddervisch (Mudfish) aan een -Glansschubbige (Amia calva), die zich door het uit cycloïde schubben -samengestelde kleed van alle overige leden zijner orde onderscheidt -en met een aantal fossiele soorten tot een onderorde (Amioidei) -vereenigd is. Zijn skelet is volledig verbeend. Het achterste gedeelte -van het tamelijk langwerpige, gelijkstaartige lichaam is zijdelings -samengedrukt. De korte snuit heeft een tamelijk wijde mondspleet; -de kaken en het gehemelte dragen spitse, kegelvormige, een weinig -achterwaarts gekromde tanden; die van de onderkaak zijn betrekkelijk -groot; daarachter bevindt zich een met hekelvormige tandjes bezette -strook. De rugvin is zeer lang, de staartvin afgerond, de overige -vinnen zijn middelmatig groot. Deze hoogstens 60 cM. lange Visch -bewoont bij voorkeur moerassige wateren in de Vereenigde Staten en -leeft van kleine Visschen, Schaaldieren en waterinsecten. Gedurende -het heete jaargetijde verschuilt hij zich in den modder. De groote -hoeveelheid lucht, die hij nu en dan inslikt, dient vermoedelijk voor -de ademhaling. - - - - - - - -ACHTSTE ORDE. - -DE KRAAKBEENVINNIGEN (Chondropterygii). - - -Nevens de reusachtige Kruipende Dieren, die in vroegere geologische -tijdperken het zoetwater en de zee bevolkt hebben, kwamen ontzaglijk -groote Visschen voor, behoorende tot groepen, waarvan slechts weinige -tot heden zijn blijven bestaan. Uit de talrijke overblijfselen dezer -wezens, vooral uit hunne zeer veelvuldige versteende tanden, kan men -afleiden, dat er van deze Visschen vele soorten bestonden; bovendien -meent men te mogen aannemen, dat zij hunne thans levende verwanten -aanmerkelijk in grootte overtroffen, in dit opzicht zelfs bijna of -geheel onze Walvisschen evenaarden. Wat hun vorm en uitwendige of -inwendige organisatie betreft, verschilden zij, naar het schijnt, -niet aanmerkelijk van de nog overgebleven soorten; in meerdere of -mindere mate vertoonden alle de kenmerken van onze tegenwoordige -Kraakbeenvinnigen. - -De schedel van deze dieren bestaat slechts uit een enkel stuk -kraakbeen; dit vormt een onverdeelde doos, die de hersenen -omhult, het gehoororgaan omsluit; zijdelings en van voren komen er -bekervormige uithollingen aan voor, waarin de oogen en de meestal -zeer samengestelde neuszakken zich bevinden. Met deze doos is een -met tanden bezette onderkaak, die uit een enkelen, beenigen boog -bestaat, beweegbaar verbonden. De wervelkolom dezer Oervisschen -staat op zeer verschillende trappen van ontwikkeling. Bij sommige -komt nog een onverdeelde ruggestreng voor, welker scheede zich -naar boven uitbreidt tot een buis, die het ruggemerg omhult; bij -andere vertoont deze streng inwendig dwarsschotten, die de eerste -aanduidingen van wervellichamen zijn; bij de overige treft men -volslagen wervellichamen aan, schijfvormig van gedaante, van voren en -van achteren bekervormig uitgehold en meestal onvolledig verbeend. De -buikvinnen zijn bij alle aanwezig en zonder eenige uitzondering ver -achterwaarts, in de nabijheid van den aars, aangehecht. Steeds zijn -bij hen de onparige en (behalve bij de Roggen) ook de parige vinnen -gesteund door buitengewoon talrijke hoornachtig-vezelige stralen, -die niet de minste overeenkomst vertoonen met de vinstralen der -overige Visschen. Bovendien komen aan de rugvinnen stekelige stralen -voor van hoogst eigenaardigen bouw; elke vin bezit er slechts één; -deze is groot, dik, spits, meestal sabelvormig gekromd en aan den -achterrand zaagsgewijs getand; de kern van den stekel bestaat uit een -met tandbeen geheel overeenkomende stof en bevat, evenals de tanden, -een overlangsche holte, waarin zich de tandbeenvormende pulpa bevonden -heeft; het bovenste, vrije gedeelte is met een dunne laag email bedekt, -het onderste, in de huid bevestigde stuk met een groeve voorzien. - -De huid is bij sommige geheel naakt, bij andere met eigenaardige, -harde deelen bekleed, waardoor deze Visschen zich van alle overige -onderscheiden. Bij enkele zijn deze huidproducten klauwvormig gekromde -doornen, welker samenstelling met die van tanden overeenkomt; -bij andere is de geheele huid als bezaaid met harde plaatjes of -knobbeltjes, die op verschillende wijzen ingesneden en met spitse -uitsteekseltjes voorzien kunnen zijn, zoodat de huid op het aanvoelen -ruw is; ook deze lichaampjes gelijken door hun maaksel volkomen op -tanden; van tijd tot tijd vallen zij uit en worden vervangen door -nieuwe, die, wegens den groei van het dier, talrijker zijn dan de oude. - -Op zeer verschillende wijze is de bek met tanden gewapend. Van het -gebit der meeste Haaien en Roggen kan men een denkbeeld verkrijgen -door zich voor te stellen, dat de kaken aan den bovenrand voorzien -zijn met een soort van rol, op zulk een wijze met tanden bezet, -dat de oude, versletene een buitenwaartsche, de nu in gebruik -zijnde een bovenwaartsche en de jonge in meerdere of mindere mate -een binnenwaartsche richting hebben. De laatstgenoemde zijn in een -groeve verborgen. Op een dwarse doorsnede van de kaak zijn de tanden -kringsgewijs geplaatst als aan een kamrad. - -Zeer eigenaardig is voorts de inrichting van den ademhalingstoestel. Op -de kieuwbogen staan kieuwplaten, welke niet alleen met haar basis -aan de kieuwbogen vastzitten, maar ook over haar geheele lengte -verbonden zijn met tusschenschotten, welker aantal met dat der -kieuwbogen overeenstemt; slechts de naar de kieuwspleet gekeerde rand -van het kieuwplaatje is vrij; de vliezige, door kraakbeen gesteunde -tusschenschotten, die op de genoemde wijze aan weerszijden met een -reeks van kieuwplaatjes bezet zijn, verdeelen elke kieuwholte in een -rij van zakken, die ieder binnenwaarts door een spleetvormige opening -(keelspleet) met de keelholte in gemeenschap staan en meestal ook door -een spleet in de huid (kieuwspleet) zich buitenwaarts openen. Bij -de Haaien vindt men aan weerszijden van den hals, bij de Roggen -aan de buikvlakte, vóór iedere borstvin 5, zelden 6 of 7 dergelijke -kieuwspleten. Daar de dwarsschotten in de kieuwholte bij de Zeedraken -niet met hun geheelen buitenrand aan de huid vastzitten, komt bij hen -slechts één kieuwspleet voor, waardoor het gebruikte ademhalingswater -uit alle kieuwzakken wegvloeit; in de huidplooi, die de kieuwspleet -bedekt, wordt een rudimentair, kraakbeenig kieuwdeksel aangetroffen. - -De Kraakbeenvinnigen verschillen ook door hun voortplanting van -alle overige Visschen. Slechts weinige leggen eieren: eigenaardige, -meestal platte, door een harde, hoornachtige schaal omgeven zakjes, -welker vier punten uitloopen in een lange, schroefsgewijs gekronkelde -draad. De meeste daarentegen brengen levende jongen ter wereld, die -zich in een hiervoor bestemde verwijding van den eileider ontwikkelen. - -De orde der Kraakbeenvinnigen wordt in twee onderorden verdeeld: -de Dwarsbekkigen (Plagiostomata) en de Zeedraken (Holocephala). Bij -de laatstgenoemde, die op weinige soorten na uitgestorven is, komt -een onbeweeglijke verbinding van de bovenkaak en het gehemelte met -den schedel voor en vervangt een uitsteeksel van den schedel den -kaaksteel. Verreweg de meeste thans nog levende Kraakbeenvinnigen -behooren tot de Dwarsbekkigen, deze bezitten het vermogen om beide -kaken buitenwaarts te bewegen en dus, gelijk de meeste Visschen, -de mondopening naar voren te verplaatsen. Zij hebben een zeer -wijden, boogvormigen, dwars gerichten muil, die ver naar achteren, -aan de onderzijde van den snuit geplaatst is, spuitgaten, die in de -keelholte beginnen en welker uitwendige openingen meestal achter de -oogen voorkomen, kieuwen, die over haar geheele lengte aan vliezige -schotten zijn vastgehecht, zoodat er geen gemeenschap tusschen de -kieuwzakken bestaat en deze ieder door een afzonderlijke kieuwspleet -hun inhoud uitstorten, voorts is de huid zelden naakt, meestal op de -reeds aangeduide wijze bekleed. De wervelkolom is steeds duidelijk -in wervels verdeeld. Deze onderorde omvat de beide groepen van de -Haaien en de Roggen. - - - -De Haaien (Selachoidei) zijn Dwarsbekkigen met spoelvormig, dikstaartig -lichaam en kieuwspleten aan de zijden van den hals; hunne borstvinnen -zijn niet met den kop vergroeid; zij leven in de zee, zijn over alle -aardgordels verbreid, voeden zich uitsluitend met andere dieren en -brengen voor 't meerendeel levende jongen ter wereld. Eenige soorten -mijden het zoetwater niet en begeven zich af en toe, door groote -stroomen, zooals de Ganges en de Tigris, op te zwemmen, tot ver in -het binnenland. Te recht worden zij schadelijk genoemd en boezemt hun -verschijning schrik in. Zij en eenige weinige Koppootige Weekdieren, -die door hun grootte aanleiding gegeven schijnen te hebben tot het -sprookje van den Kraken, zijn de eenige echte zeeroofdieren, die den -mensch aanvallen met het doel om hem te verslinden. Wraakzucht is -de drijfveer van den onverbiddelijken strijd, die de mensch met de -Haaien voert. Andere Visschen worden gevangen, omdat zij ons nuttig -zijn: tot de vangst van de groote Haaien noopt ons niet zoozeer het -voordeel, dat zij kunnen opleveren, als wel de zucht om het grootst -mogelijk aantal vijanden te verdelgen. Vele volken houden zich evenwel -geregeld met de jacht op Haaien bezig wegens het nuttig gebruik, dat -zij van deze dieren weten te maken. In het hooge noorden o.a. vangt men -den IJshaai om uit zijn lever traan te bereiden; voor de bewoners van -vele kuststreken tusschen de keerkringen zijn de Haaien een gewenschte -buit, omdat deze als grondstof voor lijm dienen, of als lekkernij op -den disch verschijnen. Van de huid van vele soorten van Haaien wordt -een zeer goed leder, dat segrijn heet, gemaakt. - -De thans levende Haaien verdeelt men gewoonlijk in 9 familiën, die -140 soorten omvatten. - - - -Meer dan alle overige leden hunner orde worden de Menschenvreters -(Carchariidae) gevreesd wegens hun kracht en koenheid, roofgierigheid -en vraatzucht. Volgens vele berichten, die men evenwel niet altijd -vrij kan pleiten van overdrijving en die zeer dikwijls op bloote -geruchten berusten, zijn zij in het door hen bewoonde gebied de schrik -van de zeelieden en de kustbevolking. Hun oog is met een wenkvlies -voorzien. Voor geen van beide rugvinnen treft men een stekel aan: -de eerste staat min of meer boven 't midden van den afstand tusschen -de borst- en de buikvinnen, de tweede boven de kleine-aarsvin. - - - -De Menschenvreters i. e. z. (Carcharias) hebben een platten kop met -vooruitstekenden snuit; de spuitgaten ontbreken; de neusgaten zijn -sterk ontwikkeld. De wijde bek is gewapend met verscheidene reeksen -van groote, driehoekige tanden met spitsen top en scherpen, meestal -gezaagden rand. Op den rug van den staart, aan den wortel van den -staartvin, bevindt zich een dwarse groeve; de onderste lob van de -staartvin is goed ontwikkeld. - - - -Een van de meest bekende leden van dit geslacht is de Blauwe Haai -(Carcharias glancus). Hij bereikt een lengte van 3 à 4 M., en wordt -soms misschien nog langer. Zijn snuit is zeer spits; de tanden zijn -langs den rand gezaagd, in de bovenkaak breed en op 4 schuinsche -reeksen geplaatst, in de onderkaak slanker, bij het jonge dier -driehoekig, op lateren leeftijd lansvormig. De borstvinnen zijn lang -en sikkelvormig. De eerste rugvin is iets nader bij de buikvinnen dan -bij de borstvinnen geplaatst; de tweede rugvin overtreft de aarsvin -in grootte. De bovenzijde van den kop, de rug met inbegrip van de -rugvinnen, het grootste deel van den staart en de bovenvlakte van de -parige vinnen zijn wit. - - - -De Jonashaai (Carcharias lamia) komt in de meeste opzichten met de -vorige soort overeen, doch is kleiner, hoogstens 2.25 M. lang. Als -kenmerken worden opgegeven: de geringere lengte van den stompen, -afgeronden snuit, de grootere lengte van de borstvinnen, die bijna -het einde van de eerste rugvin bereiken; deze is iets nader bij -de borstvinnen dan bij de buikvinnen geplaatst; de tweede rugvin is -kleiner dan de aarsvin. De bovendeelen zijn grijsbruin, de onderdeelen -witachtig. - - - -Beide soorten behooren, naar men meent, eigenlijk in de Middellandsche -Zee thuis, doch komen ook in een groot deel van den Atlantischen -Oceaan voor. De Blauwe Haai verschijnt gedurende den zomer zelfs vrij -geregeld aan de kusten van Groot-Brittannië en Skandinavië. Naar men -zegt, dwaalt hij soms naar de Belgische kust af; volkomen zeker is het -niet, dat men hem een enkele maal ook bij onze kust heeft waargenomen. - -Alle groote Menschenvreters komen met elkander in levenswijze -overeen. Zij houden zich bij voorkeur, maar geenszins uitsluitend, -in de nabijheid van de kusten op en zwemmen in den regel in de -bovenste waterlaag. Meestal krijgt men ze reeds op tamelijk grooten -afstand te zien, omdat gedurende het zwemmen gewoonlijk een groot -stuk van de rugvin boven het water uitsteekt, zoodat het zeer goed -mogelijk is hen met een geweerkogel te treffen. Zoolang zij geen -bepaalden buit op 't oog hebben, zwemmen zij gelijkmatig en tamelijk -vlug; bij 't vervolgen van een dier is de snelheid van hun beweging -echter veel grooter. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat zij, wat -lenigheid betreft, bij vele Visschen achterstaan, b.v. niet zulke -plotselinge wendingen kunnen maken, zijn zij toch veel behendiger -dan men gewoonlijk meent; de onverwachte snelheid van hun aanval -vergoedt het werkelijk bij hen bestaande gemis van lenigheid. Hunne -zintuigen schijnen goed ontwikkeld te zijn, het staat althans vast, -dat zij zeer goed kunnen zien; ook mag men als vrij zeker aannemen, -dat hun reuk fijner is dan bij andere Visschen. - -Uit de handelingen van de Haaien blijkt volkomen duidelijk, dat hunne -geestvermogens meer ontwikkeld zijn dan die van alle overige Visschen, -hoewel hun onstuimige roofzucht en de onbedachtzaamheid, die zij bij -het opmerken van een buit toonen, dikwijls in tegenspraak schijnen -te zijn met dit gunstig oordeel. Zij jagen volgens een vast plan, -bezoeken geregeld plaatsen, waar zij bij vroegere gelegenheden voedsel -hebben gevonden en geven hierdoor bewijzen van een goed geheugen, -weten partij te trekken van de aanwijzingen van het Loodsmannetje, -hebben door ervaring geleerd, dat veel van 't geen er overboord valt, -voor hen bruikbaar is en volgen daarom hardnekkig de schepen. Uit deze -en andere feiten blijkt, dat de verstandelijke vermogens van de Haaien -niet gering zijn; dit vloeit ook voort uit de liefde, die zij, volgens -sommige berichten, voor hunne jongen toonen. Het valt echter niet te -loochenen, dat deze eigenschappen dikwijls sterk op den achtergrond -worden gedrongen door hun onverzadelijke honger, hun ongeloofelijke -vraatzucht, die hen dikwijls tot werkelijk zinnelooze handelingen -verleidt. Vraatzucht is stellig een van de meest in 't oog loopende -eigenschappen der Visschen in 't algemeen; de Haaien zijn echter -zonder eenigen twijfel de vraatzuchtigste van deze veelvraten. Zij -worden gekweld door een werkelijk nooit verminderende begeerte naar -voedsel. Alle voedingsmiddelen, die zij verzwelgen, worden steeds -half verteerd weer uitgeworpen, waardoor zij genoopt worden om -hun schielijk geledigde maag onophoudelijk opnieuw te vullen. Zij -vreten al wat eetbaar is en zelfs al wat eetbaar schijnt: dikwijls -heeft men bij 't openen van hun spijskanaal hierin onverteerbare -voorwerpen gevonden. De maag van een Witten Haai bevatte een halve ham, -eenige schapenbeenderen, het achterdeel van een Zwijn, den kop en de -voorpooten van een Bulhond, een groote hoeveelheid paardenvleesch, -een stuk zaklinnen en een stuk gereedschap voor het schoonkrabben van -het schip. Andere Haaien zag men de meest verschillende voorwerpen -verzwelgen, die men hun van het schip toewierp, kleedingstukken zoowel -als spek of stokvisch en dergelijke dingen, plantaardige voedingstoffen -niet minder gretig dan dierlijke. - -Hoewel de Haaien ook menschen aanvallen en verslinden, gebeuren -dergelijke ongelukken minder veelvuldig dan men gewoonlijk meent. De -reeds gevestigde overtuiging van de groote gevaarlijkheid van den Haai, -bevordert de neiging om allerlei verschrikkelijke berichten over dit -dier te gelooven en zonder nauwgezet voorafgaand onderzoek tot hun -verbreiding mede te werken. Indien men zich de moeite wilde geven -om naar de waarheid van ieder dergelijk verhaal een onderzoek in te -stellen door het hooren van ooggetuigen of het nagaan van andere -vermeende bewijsgronden, zou men vele, zoo niet de meeste van de -ontvangen berichten, misschien zelfs alle, als onvoldoende gestaafd, -ter zijde moeten stellen. Pechuel-Loesche heeft in het twintigtal -jaren, die hij reizend heeft doorgebracht en meer bepaaldelijk -gedurende zijn langdurige zwerftochten over verschillende zeeën -nooit iemand door een Haai zien dooden of kwetsen of eenvoudig in een -gevaarlijke positie zien verkeeren; ook is hem bij de vele gesprekken -over dit onderwerp nooit iemand onder de oogen gekomen, die getuige was -van een door een Haai gepleegde menschenroof. Menschen, die zich met -een onverantwoordelijk schijnende lichtzinnigheid te midden van deze -roofvisschen begaven, met het doel om hen aan te vallen en te vangen, -of die zonder eenige vrees den een of anderen arbeid in hun nabijheid -verrichtten, zag hij zeer dikwijls. Bekend is het, dat b.v. de bewoners -van vele Zuidzee-eilanden het zwemmen en duiken te midden van de Haaien -als een spel beschouwen en zich zonder aarzeling te water begeven om -deze of andere Visschen te vangen. "De Haaien," verhaalt Wyatt Gill, -"zijn zeer talrijk in de buurt van het eiland Penrhyn. In April ziet -men hier zulke groote scholen van kleine Visschen, dat de geheele -oppervlakte der zee er van schijnt te wemelen. De inboorlingen kunnen -dan gemakkelijk de Haaien, die in de bovenste waterlaag rondzwemmen -en een menigte Visschen verslinden, tot op korten afstand naderen; -het gelukt hun, nu eens hier dan weer daar, een Haai een strik om den -staart te schuiven en hem vervolgens naar hun boot te trekken." F. Day, -die jaren lang in Indië gewoond heeft om gegevens te verzamelen voor -zijn werk over de Visschen, houdt de Grondhaaien in de rivieren voor -de gevaarlijkste van alle Haaien. Hoewel zij, naar hij zegt, zelden -de gelegenheid om badende menschen aan te vallen laten voorbijgaan, -is hem, naar hij uitdrukkelijk verzekert, in een lange reeks van -jaren slechts één volkomen betrouwbaar bericht van menschenroof ter -oore gekomen. De Haaien grijpen onmiddellijk de lijken, die men in -de rivier werpt, maar veroorzaken alleen dan ongelukken, wanneer -zij gevangen en nog levend aan boord van een vischschuit worden -geheschen. In zulk een geval verweert het dier zich waarschijnlijk -door hevige slagen met den staart, misschien soms ook door beten en -brengt dikwijls allerlei verwondingen en beenbreuken teweeg. - -Hoewel men in vele gewesten, waar ontmoetingen tusschen Haaien en -menschen veelvuldig voorkomen, deze Visschen niet gevaarlijk acht -en zich weinig om hen bekommert, worden zij in vele andere streken, -b.v. op de reede van Lagos, het strand van Natal en andere plaatsen -van de Afrikaansche kust, zeer gevreesd, vermoedelijk niet zonder -reden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Haaien, evenals de -Tijgers, allengs menscheneters worden: sommige van hen nemen de -gewoonte aan om op menschen jacht te maken en worden langzamerhand -zeer stoutmoedig. Waarschijnlijk heeft een flinke zwemmer, die -opzettelijk te water ging of er toevallig in geraakte, geen aanval van -het roofdier te vreezen, althans niet, zoolang hij koelbloedig blijft -en zich krachtig beweegt; daarentegen zal een vreesachtig, vermoeid, -of verdrinkend mensch misschien overal, waar Haaien voorkomen, -blootgesteld zijn aan het gevaar van hun slachtoffer te worden. - -De eieren ontwikkelen zich ten getale van 30 à 50 in het lichaam van -de moeder; de jongen zijn reeds bij hun geboorte aan de ouden gelijk -en geschikt om zelf voedsel te zoeken; toch worden zij, naar men zegt, -nog geruimen tijd door de moeder geleid. - -Voor het verdelgen van de Haaien blijken de handvuurwapenen bijna -ongeschikt. Als een dezer Visschen door een geweerkogel gewond is, -vlucht hij met razenden spoed, zoodat men niet met zekerheid kan -uitmaken, of hij door het schot doodelijk gewond werd of niet. Voor -de vangst van Haaien maakt men met goed gevolg gebruik van netten, -vooral daar, waar deze visscherij, zooals in Indië, Oost-Afrika, enz., -als een bedrijf wordt uitgeoefend. Voor de vangst van een enkel dier -is een stevige hoek, die aan een ketting bevestigd moet zijn, het -meest geschikt. Als lokaas dient een Visch of een stuk spek; desnoods -kan men ook een bos werk of een glimmenden blikken ketel gebruiken; -want het monster hapt naar alles wat hem van uit het schip wordt -toegeworpen. Op deze wijze worden de Haaien ook door Europeesche -visschers gevangen. Het dier wordt zoover boven den waterspiegel -opgeheschen, dat de kieuwspleten droog komen te liggen en, nadat het -door ademnood afgemat is, op het dek gehaald, waar men het eerst den -staart afhouwt en vervolgens opensnijdt. Zoodra een Haai den haak -voelt, stelt hij zich aan, alsof hij razend is. Soms draait hij zich -met verwonderlijke snelheid zoolang om zijn eigen as, dat het touw -verslijt of erg in de war geraakt. Visschers, die met kleine booten -op de vangst van groote Haaien uitgaan, moeten zeer voorzichtig te -werk gaan, omdat men in een zwak bemand vaartuig van deze soort niet -in staat is, om weerstand te bieden aan de kracht van den Visch. - - - -De Ruwe Roofhaaien (Galeus) hebben een afgeplatten, kegelvormigen -snuit, die, al naar men hem van boven of van ter zijde beziet, -stomp of spits toeloopt; de boven den mond gelegen neusgaten zijn -half door de huid bedekt; achter ieder oog komt een klein spuitgat -voor; de tamelijk kleine, driehoekige tanden zijn aan den voor- of -buitenrand met kleine kerfjes voorzien, aan den achter- of binnenrand -slechts van onderen gezaagd, overigens glad. De staartvin is groot, -mist de groeve aan de rugzijde van haar wortel, heeft niet slechts aan -'t boveneinde, maar ook aan het ondereinde een driehoekige lap. De -overige vinnen zijn betrekkelijk klein. - -De Ruwe Haai, door onze kustbewoners eenvoudig Haai genoemd (Galeus -canis), is 1 à 2 M. lang, van boven leikleurig of donkergrauw met -eenigszins blauwachtige of bruinachtige tint; deze kleur gaat op de -zijden in zilverachtig, op den buik in wit over. Lengte 1.25 à 1.75 -M. Hij komt niet slechts aan de kusten van Europa voor, maar is ook -bij de kust van Californië en om Tasmanië algemeen; eigenlijk vindt -men hem in alle zeeën met uitzondering van de koude; bij voorkeur leeft -hij op den grond. In de Noordzee is hij niet zeldzaam, maar toch minder -algemeen dan in warmere streken. Dikwijls worden exemplaren van 4 à 6 -dM. lengte langs de kust gevangen (vooral vroeg in 't voorjaar tot in -'t begin van den zomer), enkele malen echter ook drachtige wijfjes, -in de 2e helft van Dec. 1853 b.v. bij Oosterbierum in Friesland een -exemplaar van ruim 1.5 M. lengte en 25 K.G. gewicht, dat 10 jongen -wierp, ieder O.5 KG. zwaar. In den regel is echter het aantal jongen -grooter: 30 of meer. Deze groeien zoo verbazend snel, dat zij reeds -in het tweede jaar hun volle grootte bereiken. Hoewel het vleesch van -den Ruwen Haai beter heet te zijn dan dat van andere Haaien, gebruikt -men er niets anders van dan de lever (waarvan traan wordt verkregen), -de huid (die door meubelmakers als middel om hout glad te maken wordt -gebruikt) en de vinnen (waarvan lijm wordt gekookt). - - - -Afwijkingen van den typischen vischvorm, die ons als misvormingen -voorkomen, zijn bij de Haaien niet zeldzaam; de zonderlingste van alle -is ongetwijfeld die, welke men bij de Hamerhaaien (Zygaena) opmerkt, -en waarvan in de geheele hoofdafdeeling van de Gewervelde Dieren geen -tweede voorbeeld voorkomt. Deze wonderbaarlijke Visschen hebben van -de vroegste tijden af de algemeene aandacht getrokken. Zij gelijken -op de Menschenvreters door het aantal en den stand der vinnen, -door het bezit van een wenkvlies en het gemis van spuitgaten, maar -verschillen van hen (en van alle overige Gewervelde Dieren) door -het zijwaarts uitgroeien van den schedel en meer bepaaldelijk van de -oogkaskraakbeenderen. Hierdoor heeft de kop den vorm van een hamer, -welks beide eindvlakken de oogen dragen. De neusgaten zijn ver van daar -verwijderd; zij bevinden zich aan de benedenvlakte van den kop vóór -den hoefijzervormigen, met 3 of 4 reeksen van tanden bezetten muil. - -Van de 5 soorten van dit geslacht wordt één de Gewone Hamerhaai -(Zygaena malleus) genoemd, omdat zij niet slechts in bijna alle -warme zeeën gevonden wordt, maar ook naar de noordelijke kusten van -Europa afdwaalt. Deze Visch bereikt soms een lengte van 3 à 4 M. en -een gewicht van 200 à 300 KG. of meer. Zijn kop is 3-maal zoo breed -als lang. Het lichaam is met een zwak gekorrelde huid bedekt, op de -bovendeelen grijsachtig bruin, op de onderdeelen vuilwit van kleur; -de groote, door leden beschutte oogen zijn goudgeel. De tanden zijn -lang, scherp, bijna driehoekig; sommige hebben gezaagde, andere -gladde randen. - -De handelingen van de Hamerhaaien verschillen niet van die der overige -groote leden der onderorde; hoogstens zou men kunnen zeggen, dat zij -aan den slijkerigen bodem van de zee de voorkeur geven boven andere -verblijfplaatsen, naar men onderstelt, omdat zij hoofdzakelijk jacht -maken op Roggen en Platvisschen. Zij bepalen zich echter geenszins -tot deze en andere op den zeebodem levende Visschen, maar stijgen -ook tot den waterspiegel op, zwemmen bedelend bij de schepen op de -reede rond en kunnen gevaarlijk worden voor drenkelingen. De jongen -komen in betrekkelijk groot aantal volkomen ontwikkeld ter wereld. - -Voor de vangst van Hamerhaaien dienen uitsluitend grondlijnen, daar -slechts toevallig een enkel exemplaar in de schrobnetten verdwaalt. Het -vleesch wordt niet gebruikt; van de lever wordt traan bereid. - - - -De Gladde Roofhaaien (Mustelus), zoo genoemd wegens hun huid, -onderscheiden zich vooral door het gebit van alle overige leden -der familie: evenals bij de Roggen, zijn alle (of althans verreweg -de meeste) tanden plat en vormen een plaveisel. Bovendien zijn de -spuitgaten iets grooter dan bij de Ruwe Roofhaaien, de neusgaten met -een klep voorzien. De driehoekige lob onder aan de staartvin ontbreekt. - -Tot dit geslacht behoort de 1 à 1.5 M. lange Toonhaai (Mustelus -vulgaris). De parelgrijze bovendeelen zijn bezaaid met ronde, -witte vlekjes, die echter op lateren leeftijd onduidelijk worden -of verdwijnen; de onderdeelen zijn geelachtig wit. Deze Visch heeft -een uitgestrekt verbreidingsgebied, wordt aan de meeste kusten van -Europa en bovendien bij Zuid-Afrika en bij Japan gevonden; bij ons -ontmoet men hem minder veelvuldig dicht bij het land dan op de ver -in zee gelegen zandbanken. Zijne stompe tanden stellen hem in staat -tot het vergruizen van de Krabben en andere Schaaldieren, die zijn -gewone voedsel uitmaken. In verband met deze levenswijze is hij traag, -vreedzaam en gezellig van aard en blijft meestal dicht bij den grond, -liefst op tamelijk groote diepte. In November brengt het wijfje -een twaalftal goed ontwikkelde jongen ter wereld, die zich weldra -naar den diepen zeebodem begeven, van waar zij eerst in Mei naar de -banken terugkeeren. - -Hoewel de Toonhaaien niet bijzonder vraatzuchtig zijn, laten -zij zich licht verschalken door het lokaas aan den haak; vooral -bij de Italiaansche kust is de vangst van deze dieren van eenige -beteekenis. Men ziet ze daar dikwijls op de vischmarkt. Hun vleesch -is even weinig geacht als dat van hunne verwanten en wordt alleen -door arme lieden gegeten. - - - -De Dolfijnhaaien (Lamnidae) verschillen van de leden der vorige familie -vooral door het ontbreken van het wenkvlies. Aan de onderzijde van -den min of meer verlengden snuit bevindt zich de halvemaanvormige -mondopening, waarmede de neusgaten niet ineenvloeien. De spuitgaten -ontbreken of zijn zeer klein, de kieuwspleten groot. - - - -De Neushaaien (Lamna) herinneren door aard en gestalte aan sommige -Dolfijnen. De tweede rugvin en de aarsvin zijn zeer klein. De -onderste lob van de staartvin is goed ontwikkeld, de staartwortel -aan weerszijden met een overlangsche kiel voorzien. De wijde bek is -gewapend met groote, lanspuntvormige tanden, die langs den rand niet -gezaagd zijn, maar soms aan de basis nevenspitsen dragen. - -De Gewone Neushaai (Lamna cornubica) kan meer dan 3 M. lang worden -en groeit zeer snel. De huid is glad; de bovendeelen zijn effen -grauwzwart, de onderdeelen wit; een uit stippels bestaande streep -strekt zich over het voorste deel van den snuit tot aan het oog uit, -daarachter merkt men donkere stippels, vóór de neusgaten driehoekige -donkere vlekken op. Deze Haai bewoont de Middellandsche Zee en het -noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, bezoekt dikwijls de -kusten van Engeland, zelfs die van Skandinavië, soms ook de Noordzee: -twee exemplaren werden gevangen bij den Helder (23 Oct. 1863 en -20 Nov. 1863). Hij kenmerkt zich door gezelligheid, vlugheid van -bewegingen en vraatzucht. Verwoed vallen deze dikwijls troepsgewijs -jagende roovers alle Visschen aan, die zij inhalen kunnen. De Tonijnen, -waarmede men ze wegens den vorm van 't lichaam en in zekeren zin -ook wegens de plaatsing der vinnen zeer goed kan vergelijken, hebben -veel van hun roofzucht te lijden. Risso heeft een dezer Haaien een -Zwaardvisch zien verscheuren, die even groot was als zijn moordenaar. - -Naar men zegt, is het vleesch van den Neushaai beter dan dat van -andere Haaien en wordt, in de landen om de Middellandsche Zee althans, -werkelijk op prijs gesteld. - - - -De Voshaai of Dorscher (Alopecias vulpes) valt zeer in 't oog door -de opmerkelijke lengte van de bovenste lob van de staartvin en wordt -daarom te recht in een afzonderlijk geslacht geplaatst, waarvan hij -de eenige vertegenwoordiger is. Het voorste deel van den romp is -naar verhouding buitengewoon krachtig ontwikkeld; de eerste rugvin -is hoog en, evenals de nog grootere borstvinnen, sikkelvormig; de -tweede rugvin, de buikvinnen en de aarsvin daarentegen zijn zeer -klein. De snuit is kort en kegelvormig; de spuitgaten zijn klein, de -kieuwspleten kort, zooals bij de Menschenvreters. Het gebit bestaat -uit driekantige, gladrandige tanden, die 3 of 4 reeksen vormen; de -voorste staan rechtop, terwijl de overige een weinig naar buiten of -naar de zijden gericht zijn. Deze Haai kan 5 M. lang worden, waarvan -echter ongeveer de helft op de bovenste staartlob komt. De rug en de -zijden zijn donkerblauw, de onderdeelen wit gestippeld en gevlekt. - -In de Middellandsche Zee is de Voshaai een van de meest veelvuldig -voorkomende soorten, op de Engelsche kusten treft men hem overvloediger -aan dan een zijner verwanten. Ook in den Atlantischen Oceaan en -in de Stille Zuidzee ontmoet men hem zeer dikwijls, vooral aan de -kust van Californië en bij Nieuw-Zeeland. De karakteristieke naam -van Dorscher is hem gegeven wegens het eigenaardige gebruik, dat -hij van den langen staart maakt op het oogenblik van den aanval op -zijn prooi. De krachtige slagen, die hij uitdeelt, zijn op een verren -afstand hoorbaar. Niet zelden komt het voor, dat een school van niets -kwaads vermoedende Dolfijnen, die rustig jagend hun weg vervolgen, -door een enkelen staartslag van den hen overvallenden Voshaai, zelfs -wanneer deze eenvoudig in het water treft, zoo verschrikt wordt, dat -alle op de vlucht gaan als Hazen bij de nadering van een Hond. Tallooze -slachtoffers maakt deze roover bij het vervolgen van de scholen van -Haringen, Pelsers en Sprotten, die naar de paaiplaatsen trekken of -van daar terugkeeren. - - - -De grootste Haaien zijn Carcharodon Rondeletii, die 12 à 15, -en Rhinodon typicus, die meer dan 15 M. lang kan worden. Beide -evenaren dus nagenoeg den 15 M. langen Huso, die als de grootste -van alle bekende Visschen wordt beschouwd. Het noordelijke deel -van den Atlantischen Oceaan wordt bewoond door een Haai, die met -uitzondering van de genoemde soorten alle overige bekende leden zijner -orde overtreft en daarom Reuzenhaai heet. Hij vertegenwoordigt een -afzonderlijk geslacht (Selache), dat zich kenmerkt door een korten, -stompen snuit, kleine spuitgaten, zeer groote, bijna den geheelen -hals omgevende kieuwspleten, kleine, eenigszins naar binnen gekromde -tanden en eene met vele spitse knobbeltjes bedekte huid. De lengte van -den Reuzenhaai, den Basking-Shark der Engelschen (Selache maxima), -kan, naar men zegt, 10 à 12 M., zijn gewicht verscheidene duizenden -KG. bedragen. De bruinachtig zwarte bovendeelen hebben blauwachtige -tint, de onderdeelen zijn witachtig. - -De grenzen van het verbreidingsgebied van den Reuzenhaai zijn nog -niet nauwkeurig bekend; in den laatsten tijd heeft men hem ook bij -Zuid-Australië aangetroffen. Dikwijls werd hij waargenomen aan de -kusten van Wales, Cornwallis, Devonshire en Sussex; ook aan de Fransche -kust heeft men hem herhaaldelijk gevangen. Soms dwaalt hij uit den -Atlantischen Oceaan naar de Noordzee af; dit schijnt echter zelden te -geschieden. Aan onze kust althans is slechts éénmaal, n.l. in 1821, -een jong exemplaar van 2.2 M. lengte gevangen. De grootste van de -Reuzenhaaien, die aan de zuid- en westkust van Engeland gedood zijn, -was 11 M. lang. Die, welke men in den zomer aan de kust van Noorwegen -harpoeneert met het doel om uit de lever traan te koken, zijn langer -dan de bij deze vangst gebruikelijke schuiten, dus langer dan 12 M.; -de grootte van deze dieren blijkt ook hieruit, dat men met hun lever, -die 1000 KG. weegt, 10 à 14 tonnen vult. In berichten uit vroegere -eeuwen wordt melding gemaakt van veel grootere exemplaren. - -Men meent, dat de Reuzenhaai in de IJszee op groote diepte verblijf -houdt, hier op de wijze van de Walvisschen jacht maakt op allerlei -kleine zeedieren, vooral Kwallen, doch ook de overblijfselen van doode -Walvisschen verslindt, waardoor het niet moeielijk is hem met lokaas -aan een haak te vangen. De Reuzenhaai heeft volstrekt niet den wilden -aard van de andere leden zijner orde, maar is integendeel een volkomen -onschadelijke Visch, die een verbazende traagheid, onverschilligheid -en domheid toont. Het gebeurt niet zelden, dat hij volstrekt geen -haast maakt om een boot, die hem vervolgt, te ontwijken; zelfs kan men -dicht genoeg bij hem komen, om hem met een harpoen te treffen. Op een -zonnigen dag ziet men hem dikwijls zonder beweging aan de oppervlakte -van 't water liggen; dan is hij veelal zoo weinig schuw, dat men -hem naderen en aanraken kan. Zoodra hij echter den harpoen voelt, -heft hij den staart op en duikt overhaast naar de diepte. Soms moeten -de Visschers de jacht daarna nog wel 20 à 24 uur lang voortzetten, -voordat zij het dier bemachtigen kunnen. Nu en dan, misschien wel op -bepaalde tijden van 't jaar, ziet men de Reuzenhaaien tot troepen of -scholen vereenigd, evenals de Walvisschen, aan de oppervlakte van de -zee ronddartelen of, vooral op stille, zonnige dagen, zonder beweging -dichtbij elkander drijvend, zich koesteren in de zonnestralen. - -Hoewel het vleesch van dezen Visch door taaiheid leder evenaart en -een onaangenamen smaak heeft, wordt het in noordelijke gewesten niet -zelden gegeten of althans in reepen gesneden, gedroogd en als lokaas -voor de vangst van andere Visschen gebruikt. - - - -Tot de Kraakbeenvinnigen, die geen levende jongen ter wereld brengen, -maar eieren leggen, behooren de Asschelhaaien (Scyllidae); bij hen -is de eerste rugvin boven de ruimte tusschen de buikvinnen en de -aarsvin, de tweede boven de ruimte tusschen de aarsvin en de staartvin -aangehecht. De huid is met scherpe, met de punt naar achteren gerichte -korreltjes bedekt. Twee van de 8 soorten van dit geslacht komen in -nagenoeg alle Europeesche zeeën voor en gelijken veel op elkander: -beide hebben roodachtig grijze bovendeelen en vuilwitte onderdeelen. De -hoogstens 70 cM. lange Hondshaai, aan onze kust gewoonlijk, evenals -alle gevlekte Haaien, Asschelhaai, Haschhaai, Aschhaai of Bonte Haai -genoemd (Scyllium canicula), is van boven met donkere roodachtige -vlekjes bezaaid. Grootere, ronde, bruine vlekken treft men aan op -de bovendeelen van den 1 M. langen Kathaai (Scyllium catulus), die, -volgens Gronovius (1730-1777), soms langs onze kusten voorkomt, -maar die door latere schrijvers niet onder de inheemsche Visschen -wordt vermeld. - -Beide soorten ziet men bij alle Europeesche kusten, nergens echter -veelvuldiger dan in de zee die het noorden van Groot-Brittannië, -de Hebriden en de Orkney-eilanden bespoelt. Zij houden gewoonlijk -op den bodem verblijf en vallen hier alle Visschen aan, die zij -verzwelgen kunnen, voeden zich bovendien ook met Schaaldieren en -misschien met velerlei Weekdieren. Beide Haaien behooren tot de -ergste vijanden van de Haringen, welker scholen zij volgen. Op de -plaatsen waar deze scholen geregeld verschijnen, vermenigvuldigen de -Asschelhaaien zich weldra buitengewoon sterk. Zij veroorzaken groote -schade aan de visschers, omdat zij vele nuttige Visschen verslinden -en met hunne scherpe tanden of door hunne onstuimige bewegingen vele -netten verscheuren. Men verhaalt, dat deze roovers, wanneer zij zich -te midden van een school Haringen bevinden, er zooveel mogelijk van -verzwelgen, deze vervolgens uitbraken, opnieuw beginnen te vreten en -gedurende geruimen tijd voortgaan met beurtelings hun spijskanaal te -vullen en te ledigen. Als vele Asschelhaaien zich op een vischplaats -met de haringvangst bezig houden, neemt men tot op grooten afstand -een duidelijke traanlucht waar; de effene waterspiegel glinstert, -alsof hij met een laag olie bedekt is. - -De voortplantingstijd begint in den herfst, maar houdt, naar het -schijnt, gedurende den geheelen winter aan. De eischalen, die men, -hoewel veel minder veelvuldig dan die van Roggen, ledig op ons -zeestrand aantreft, zijn, evenals deze, bekend onder den naam van -"zeemuizen". De zwarte, hoornachtige schaal heeft den vorm van een -ongeveer 6 cM. langen, zeer langwerpigen vierhoek, welks hoekpunten -in zeer lange gekronkelde draden uitloopen; aan ieder van de smalle -uiteinden der schaal komt een spleetvormige opening voor, waardoor -het water kan binnendringen. Tegen den aanvang van den winter -legt het wijfje eieren in de nabijheid van de kust, waarschijnlijk -steeds tusschen waterplanten, die door de aanvankelijk weeke draden -omstrengeld worden. De kiem is bij het leggen van het ei reeds zoo -ver ontwikkeld, dat men den vorm van het diertje onderscheiden kan -en er bewegingen aan opmerkt. Als de kiemtoestand afgeloopen is, -verlaat het jong de eischaal, nog voorzien met een dooierzak, die -door een steel met de buikholte in gemeenschap staat en welks inhoud, -die voor de verdere ontwikkeling van het vischje dient, langzamerhand -in het spijskanaal wordt opgenomen. - -Het vleesch van deze Haaien is buitengewoon wit, maar eenigszins -vezelig en droog. Op de Orkney-eilanden worden de gevangen exemplaren -gevild, opengesneden en nadat de ingewanden er uitgehaald zijn, op de -rotsen gedroogd, om als proviand voor den winter te dienen. De huid -wordt hoofdzakelijk voor het gladmaken en afschuren van houten of -ijzeren voorwerpen gebruikt. Uit de lever wordt uitmuntende traan -bereid. - - - -De familie der Stekelhaaien (Spinacidae)heet zoo, omdat bij de meeste -harer leden elk der beide rugvinnen van voren met een scherpen -stekel gewapend is. Bij alle ontbreekt de aarsvin. Zij bezitten -spuitgaten. Hunne tanden hebben een enkelvoudige, meestal driehoekige, -dunne, zijdelings samengedrukte kroon met scherpe, snijdende randen. - -De Doornhaai, ook wel Gewone Haai en Speerhaai genoemd (Acanthias -vulgaris), heeft een langwerpig lichaam met platten, wigvormigen, van -voren smallen, aan de spits afgeronden kop; de neusgaten zijn even ver -van de mondspleet als van de spits van den snuit verwijderd; groote -spuitgaten bevinden zich onmiddellijk achter de oogen. De volkomen -ronde muil heeft een halvemaanvormige mondspleet en is gewapend met -3 reeksen van lange, spitse, aan den rand weinig gezaagde tanden. De -borstvinnen zijn zeer groot, de buikvinnen klein. De bovendeelen zijn -effen leikleurig grijs, de onderdeelen geelachtig wit. De jongen hebben -gewoonlijk witte vlekjes op den rug. In den regel bereikt de Doornhaai -geen grootere lengte dan 1 M. en geen grooter gewicht dan 10 KG. - -Onder de Haaien der Europeesche zeeën is deze een der meest -veelvuldige. In zeer grooten getale bewoont hij de Noordzee; na hevige -stormen vindt men soms vele duizenden exemplaren op het strand; geheele -scholen van deze roovers ontmoet men in de nabijheid van de kust, -vooral bij hoog water; zij volgen de kleine Visschen, die zich naar -hunne paaiplaatsen begeven en brengen aan de visscherij veel nadeel -toe. De haringvisschers zien hen zeer ongaarne, daar zij met hunne -stekels de netten verscheuren. Deze wapens gebruikt de Doornhaai ook -tegen zijne vijanden; hij verwondt ze er mede door het lichaam te -krommen, als 't ware gelijk een boog te spannen, en het vervolgens -plotseling te strekken; deze beweging kan hij zoowel naar de eene als -naar de andere zijde zoo nauwkeurig regelen, dat hij de hand treft, -die zijn kop aanraakt, zonder zijn eigen huid te beschadigen. Hoewel -het vleesch van den Doornhaai hard en niet bijzonder smakelijk is, -wordt het gedroogd en als voedsel gebruikt, zelfs in Schotland; uit -de lever kookt men traan; de huid wordt als middel om te schuren -en te polijsten gebruikt; het afval dient als mestspecie. Van de -stekels, die men wegens de pijnlijke wonden, die zij veroorzaken, -voor vergiftig houdt, maakte men vroeger tandenstokers. - -Het wijfje brengt 6 à 20 goed ontwikkelde jongen ter wereld, welker -vleesch als zeer smakelijk wordt geroemd; nog meer waarde hecht men op -sommige plaatsen aan de eieren, waarin de kiem zich reeds eenigermate -ontwikkeld heeft. - - - -De Noordsche Haai of IJshaai (Laemargus borealis) is de eenige -vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht, dat zich van het -vorige door het gemis van stekels aan de rugvinnen onderscheidt. Hij -kan 6 à 8 M. lang worden, is effen aschgrauw van kleur, bewoont de -Noordelijke IJszee, houdt hier verblijf op groote diepten en blijft -steeds ver verwijderd van de kust, behalve wanneer hij een prooi -vervolgt of door visschers wordt nagejaagd. Enkele malen verdwaalt -hij in zuidelijker zeeën, o. a. werd hij aan de Engelsche kust en, -volgens Maitland, ook aan de onze waargenomen. - -De Noordsche Haai is niet minder koen, moedig en vraatzuchtig dan -de andere leden zijner familie. Hij verslindt al wat binnen zijn -bereik komt, allerlei soorten van Visschen, vooral Platvisschen, -Kabeljauwen en andere Schelvischachtigen, jonge Roggen, groote en -kleine Walvisschen, maar valt, naar men zegt, nooit of uiterst zelden -menschen aan. Volgens Scoresby is de IJshaai "een van de felste -vijanden van den Groenlandschen Walvisch, wiens lijk hij verslindt -en die ook levend veel van hem te lijden heeft. De halfbolvormige -stukken vleesch, die hij met zijn krachtig gebit het reusachtige -Zoogdier uit het lijf scheurt, zijn grooter dan een menschenhoofd; -het eene stuk na het andere wordt losgerukt en verzwolgen, totdat de -roover verzadigd is. Bij 't slachten van den gevangen Walvisch is hij -een ijverige concurrent van den mensch; terwijl deze het vette lichaam -aan de bovenzijde afspekt, kluift hij het van onderen af." Het vangen -van dit vraatzuchtige dier kost weinig moeite. Men bindt, volgens -Fabricius, een zak met bedorven vleesch of een kop van een Zeehond -aan een haak en laat dezen, aan een ketting bevestigd, achter het -schip aan slepen. De IJshaai zwemt om het lokaas heen, proeft er van, -maar laat het weer los. Door te rechter tijd een ruk aan den ketting -te geven, weet men de begeerte van den roover voor de prooi, die hem -schijnt te zullen ontgaan, opnieuw te doen ontwaken; de Haai schiet -plotseling op het lokaas toe en verzwelgt het. Met welgevallen kijkt -de bemanning van het schip naar de woeste sprongen van den gevangen -Visch. Zijne woedende pogingen om den ketting te breken of los te -rukken hebben geen ander gevolg, dan dat de ingeslikte haak hem de -ingewanden verscheurt. Nadat de matrozen zich lang genoeg met de -nuttelooze worsteling van het dier vermaakt hebben, trekken zij het -omhoog, bevestigen een touw om het zware lichaam en hijschen het aan -boord, na vooraf den kop en den staart afgehouwen te hebben, daar -zelfs de koplooze romp gevaarlijk slagen met den staart kan toebrengen. - -De Groenlanders en IJslanders noemen het vleesch van den IJshaai beter -eetbaar dan dat van zijne verwanten. Van de lever wordt traan bereid; -dit geschiedt met behulp van stoom, waardoor men een zeer goede -lampolie verkrijgt; het overschot wordt uitgekookt en levert bruine -looierstraan. De huid, die met een menigte spitse beenknobbeltjes -bezet is, dient voor het polijsten van allerlei gereedschappen of -als grondstof voor schoenen en paardentuigen. - - - -De Zeeëngel, ook Schoerhaai, Schoorhaai, Pakhaai en Paddehaai genoemd -(Rhina squatina), de eenige vertegenwoordiger van de familie der -Zeeëngelhaaien (Rhinidae), dankt zijn naam aan de zeer groote, -vleugelachtige, aan de zijden van den romp gehechte borstvinnen; -hun voorste lap sluit tegen de onderzijde van den achterkop aan; -door hun achterste lap worden de eveneens groote, horizontale, aan -de zijden van den buik gehechte buikvinnen gedeeltelijk overdekt. De -buitengewoon breede, platte, van voren zeer stomp eindigende kop -heeft de gedaante van een dikke, ronde schijf, die met den van boven -naar onderen afgeplatten, door de parige vinnen verbreeden romp en den -langwerpigen, rolronden staart een duidelijke toenadering vertoont tot -den lichaamsvorm van de Roggen. Aan het voorste uiteinde van den zeer -breeden, korten snuit bevindt zich de zeer wijde mondspleet, welker -hoekpunten gelegen zijn ter hoogte van de groote, halvemaanvormige -spuitgaten, die op korten afstand van en achter de tamelijk kleine, -sterk naar boven gerichte oogen voorkomen. De neusgaten zijn voorzien -van kleppen, welker randen als 't ware franjes dragen. In de nauwe -ruimte tusschen de onderzijde van den achterkop en den voorsten lap -der borstvin vindt men de 5 kieuwspleten, die slechts door vliezen -vaneengescheiden zijn. De staart is langs de bovenzijde voorzien -van twee kleine rugvinnen en aan het einde van een staartvin, die -door een flauwe insnijding verdeeld wordt in twee lappen, waarvan de -onderste langer is dan de bovenste. De kaken zijn met kegelvormige, -puntige tanden gewapend, die verscheidene reeksen vormen. De huid -van de bovendeelen is ruw door de talrijke, kegelvormig eindigende -beenkorreltjes, die zij bevat; de onderdeelen hebben een gladde huid; -deze zijn geelachtig wit, gene chocoladebruin met zwartachtige, -onduidelijk begrensde vlekjes. Dit dier bereikt een lengte van 2 M. - -Naar het schijnt, strekt het verbreidingsgebied van deze soort zich -uit over alle zeeën van den noordelijken en den zuidelijken gematigden -aardgordel. In de Middellandsche Zee komt de Zeeëngel algemeen voor, -zoo ook bij vele kusten van West-Europa, aan de oostkust en de westkust -van Noord-Amerika, weinig minder veelvuldig treft men hem aan in de -zee rondom Japan en Australië. Ook in de Noordzee vindt men hem hier -en daar in aanzienlijken getale; over 't algemeen trouwens behoort hij -in de door hem bewoonde wateren tot de gewone Haaien. Aan onze kust -is hij niet zeldzaam, hoewel men hem er niet in menigte vangt. Zooals -reeds uit den vorm van zijn lichaam valt af leiden, leeft de Zeeëngel -op of op korten afstand boven den zeebodem en maakt hier jacht op -allerlei soorten van Roggen, Schollen, enz., die zijn voornaamste -voedsel uitmaken. Evenals deze, ligt hij half in het zand verborgen, -houdt de vurige oogen naar boven gericht en komt bij het waarnemen -van een buit eensklaps te voorschijn. - -Volgens sommige berichtgevers brengt deze Visch in den herfst, volgens -andere in het voorjaar 10 à 20 volkomen ontwikkelde jongen ter wereld. - -Daar de Zeeëngel even vraatzuchtig is als de andere Haaien, is het niet -moeielijk hem met behulp van een lokaas te vangen. Naar men bericht, -verweren groote exemplaren zich soms zoo krachtdadig, dat de visschers -zich schrap moeten zetten om niet door hen gewond te worden. Het -lederachtige, taaie vleesch van deze dieren heeft een onaangenamen -smaak; de huid wordt voor het raspen en polijsten van hout gebruikt, -of tot degengevesten, messcheeden en dergelijke voorwerpen verwerkt. - - - -De tweede afdeeling van de onderorde der Dwarsbekkigen omvat de -Rogvisschen (Batoidei), Kraakbeenige Visschen, welker plat lichaam -door de buitengewoon sterke ontwikkeling der borstvinnen, die reeds -aan den achterkop beginnen, de gedaante van een schijf bezit, aan -welker onderzijde 5 paar kieuwspleten voorkomen en die uitloopt in -een meestal zeer langen, dunnen, ronden, zweepvormigen staart, waarop -gewoonlijk de beide rugvinnen geplaatst zijn, voor zoover deze niet -ontbreken. De aarsvin ontbreekt altijd. De oogen en, dicht achter -deze, de steeds aanwezige, wijde spuitgaten liggen op de bovenzijde -van den kop. De onderstandige mondopening heeft de gedaante van een -dwarse spleet; de kaken zijn met een plaveisel van tanden gewapend. De -kraakbeenige ring, die de borstvinnen ondersteunt, is van boven aan -de wervelkolom bevestigd. - -Als voorbeeld van de innige verwantschap tusschen de Haaien en de -Roggen kan, behalve de Zeeëngel, die men een Haai in de gedaante -van een Rog zou mogen noemen, ook de Zaagvisch (Pristis antiquorum) -dienen, een Rog met de gestalte van een Haai. Het langwerpige, alleen -van voren afgeplatte lichaam, de lange snuit, de plaatsing der vinnen -en de vleezige, niet scherp van het lichaam gescheiden staart heeft -deze Visch met de Haaien gemeen; zijn verwantschap met de Roggen -verraadt zich door den breeden, dwars onder den snuit gelegen bek -en het gebit, dat uit platte, plaveiselvormige tanden bestaat. Een -eigenaardigheid van dit dier en zijne verwanten is de verlenging van -den bovensnuit tot een lang, zwaardvormig uitsteeksel, waarin aan -weerszijden platte, snijdende, spitse tanden in tandholten bevestigd -zijn. Deze zoogenaamde "zaag" stelt als 't ware de snuitkraakbeenderen -van de andere Dwarsbekkigen op hun hoogsten trap van ontwikkeling -voor. Twee kleine spuitgaten, die door klepjes gesloten kunnen worden, -zijn achter de oogen gelegen; de aarsvin ontbreekt. De lengte van -den Zaagvisch kan tot 4 of 5 M. stijgen, waarvan ongeveer 1/3 op den -zaag komt. De huid is glad met zeer kleine, een plaveisel vormende, -rondachtige of zeshoekige knobbeltjes. De bovendeelen zijn nagenoeg -effen bruingrijs, de onderdeelen hebben een lichtere kleur. - -De genoemde soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied; -men heeft haar in bijna alle zeeën van beide halfronden, het meest -echter in de warme zeeën gevonden; in grooten getale komt zij ook in -de Middellandsche Zee voor, vanwaar zij soms noordwaarts afdwaalt. - -Met de levenswijze van den Zaagvisch zijn wij zeer onvoldoende bekend, -daar de vele staaltjes, die van zijn woestheid en bloedgierigheid -verhaald worden, geen volkomen vertrouwen verdienen. De stand van -den bek en het gebit wijzen er op, dat de Zaagvisch, evenals andere -Rogvisschen, dicht bij den bodem zijn gewone verblijf heeft en hier op -kleine Visschen, Schaaldieren, Weekdieren en dergelijke wezens jacht -maakt. Toch is het niet onmogelijk, dat hij werkelijk, zooals verhaald -wordt, in blinde woede op groote Cetaceeën of Visschen toeschiet en -hun zijn zaag in 't lichaam boort. - -Evenals de meeste leden zijner orde, brengt ook de Zaagvisch volkomen -ontwikkelde jongen ter wereld.--Zijn vleesch is hard en onsmakelijk; -het wordt slechts in geval van nood gegeten. De huid wordt gebruikt -voor 't zelfde doel als die der Haaien. - - - -De Trilroggen of Sidderroggen (Torpedinidae), reeds sinds overouden -tijd berucht wegens hun vermogen om electrische schokken uit te -deelen, vormen een uit 20 soorten bestaande familie en bewonen, -zooals van dergelijke dieren te verwachten is, vooral de tropische -zeeën. De buitengewoon groote borstvinnen zijn met de zijden van -kop en romp vergroeid tot een ronde schijf, die zoomin schubben als -stekels draagt. De buikvinnen zijn onmiddellijk achter de borstvinnen -gelegen. De korte, vleezige staart is van voren breeder dan hoog, -verderop rolrond, aan de zijde met een kielvormige huidplooi, aan -het einde met een driehoekige staartvin van boven met twee rugvinnen -voorzien (sommige soorten hebben er slechts één, nog andere geen). Het -electrisch orgaan is tusschen den kop, de borstvinnen en de kieuwen -gelegen; het wordt gevormd door meer dan 500 verticale, zeszijdige -zuiltjes, die als de cellen van een honigraat aaneengevoegd zijn, -en, wat samenstelling en werking betreft, overeenkomen met die der -vroeger genoemde electrische Visschen. In verband met de richting der -zuiltjes bevindt de positieve pool van het geheele orgaan zich aan -de buikzijde van 't lichaam en is de richting van den electrischen -stroom dus verticaal, van de buikzijde naar de rugzijde gericht. De -zenuwen, die bij het electrisch orgaan behooren, staan met de hersenen -in directe verbinding. - -De spuitgaten zijn op korten afstand achter de oogen geplaatst. De -tanden zijn bij de meeste soorten spits. - - - -De meest bekende van de 6 soorten van het geslacht der Trilroggen -i. e. z. (Torpedo) is de Gemarmerde Trilrog (Torpedo marmorata), die -den Atlantischen en den Indischen Oceaan bewoont. Hij kan een lengte -van 1.5 bij een breedte van bijna 1 M. bereiken en is dan 25 à 30 -KG. zwaar. De bruine bovendeelen zijn bruinachtig en wit gemarmerd; -soms heeft de eene, soms de andere kleur de overhand; de onderdeelen -zijn wit, de spuitgaten met franjes voorzien. - -Hoewel de werking van het electrisch orgaan van dezen Visch -aanmerkelijk zwakker is dan van den Sidderaal, kan hij toch zeer -pijnlijke schokken geven; eerst nadat herhaalde ontladingen hem -afgemat hebben, kan men hem veilig uit het water nemen, daar men -dan slechts een lichte trilling zal gevoelen. Onder water zijn de -schokken het hevigst en des te duidelijker waarneembaar, naarmate -men een grootere oppervlakte aanraakt. Dit vermogen is onderworpen -aan den wil van het dier, dat zich door plagerijen laat bewegen, -vele schokken achtereenvolgens uit te deelen. Deze kunnen bij kleine -dieren bedwelming of zelfs den dood veroorzaken; ook is het wel eens -voorgekomen, dat krachtige mannen door de ontladingen van groote -Trilroggen verlamd werden en neerstortten; men heeft dus alle reden -om voorzichtig te zijn bij het baden en zwemmen op plaatsen waar deze -dieren leven. Zij gebruiken hun electrisch orgaan als middel om hun -prooi te vangen en om vijanden af te weren. - -Alle bekende leden der familie brengen levende jongen ter wereld, -ten getale van 8 à 14. - -Het voordeel dat de Trilroggen aan de huishouding van den mensch -kunnen leveren, is van geringe beteekenis; zij worden niet eens -geregeld gevangen. - - - -Bij de Echte Roggen (Rajidae) eindigt het tot een ruitvormige schijf -verbreede lichaam van voren in een kielvormig verlengden snuit, van -achteren in een dunnen, zweepvormigen staart, welke van boven voorzien -is met twee ver naar achteren geplaatste rugvinnen, aan weerszijden met -een overlangsche huidplooi en aan het einde met een kleine staartvin, -die echter bij een geslacht (Uraptera) geheel ontbreekt. De buikvinnen -zijn in den regel door een diepe insnijding ieder in twee lobben -verdeeld. De huid is bij sommige soorten nagenoeg glad, bij andere meer -of minder dicht bezet met kleine, achterwaarts gekromde stekeltjes, -afgewisseld door eenige grootere stekels. Deze komen het meest voor -op het midden van den rug, bovenop en langs de zijden van den staart, -vóór en achter de oogen, op de kiel van den snuit. Op den voorrand van -de borstvinnen komen zij vooral bij de mannetjes gedurende den paaitijd -voor. Het gebit bestaat uit spitse of uit platte, plaveiselvormige -tanden. In den paaitijd worden bij de mannetjes van soorten met platte -tanden deze tijdelijk door spitse vervangen. - -Men kent omstreeks 40 soorten van Echte Roggen; deze zijn over alle -zeeën verspreid, maar komen het meest voor in die van de gematigde -aardgordels en veelvuldiger in het noordelijke dan in het zuidelijke -halfrond. Hun levenswijze verschilt niet onbelangrijk van die der -verwante Trilroggen, daar zij niet, gelijk deze, buitengewone middelen -tot aanval en verdediging bezitten, en dus bij den strijd alleen op -hun behendigheid of, zoo men wil, op hun list moeten vertrouwen. Ook -hun voortplantingswijze is anders, daar zij eieren leggen, waaruit -zich eerst na geruimen tijd jongen ontwikkelen. Hoewel het vleesch van -de Roggen droog en hard is, spelen enkele soorten geen onbelangrijke -rol in de visscherij. Van 1 Juli 1896 tot 1 Juli 1897 werden aan de -Rijks-vischhal te IJmuiden 5369 manden (à 25 KG.) Rog verkocht. - - - -De Vleet (Raja batis), een Rog, waarvan de schijf een lengte van 1 -en een breedte van 1.3 M. kan bereiken, en die dan met den staart -2 M. lang en 100 KG. zwaar is, heeft een aan 't einde versmalden en -tamelijk spitsen snuit, puntige tanden (zoowel het mannetje als het -wijfje), een met zeer scherpe stekeltjes bezette en hierdoor ruwe -huid, drie rijen tanden van doornen op den staart. Deze draagt dicht -bij haar uiteinde twee kleine rugvinnen, doch mist de staartvin; de -buikvinnen zijn door een diepe insnijding in 2 lobben verdeeld. De -bovendeelen zijn grijsgeel, de onderdeelen vuilgrijs en vooral -van voren als bezaaid met zwarte stipjes. Deze soort wordt in de -Noordzee en in het noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan -tot Noord-Amerika aangetroffen. Aan onze kust is zij zeer algemeen; -haar vleesch is bij ons niet geacht. - - - -Nog overvloediger ontmoet men bij onze kust den Gewonen Rog, ook -Stekelrog, Doornrog, Driestaart en Rooden Rog genoemd (Raja clavata); -zij bewoont de zeeën van Europa, maar ontbreekt in het oostelijke -gedeelte van de Oostzee. In de noordelijke zeeën bereikt hij zelden -een lengte van meer dan 1.5 M, de schijf is dan 1 M. breed. Naar -men bericht, wordt hij in zuidelijker zeeën 3 à 4 M. lang, 2 à 3 -M. breed en 200 K.G. zwaar. De staart is iets langer dan de schijf, -van onderen afgeplat en bij het einde met twee kleine vinnen -voorzien; iedere buikvin is in twee ongelijke lobben verdeeld. De -schijf is plat, van boven of van onderen gezien bijna vierzijdig met -nagenoeg rechte hoeken, zoowel aan de boven- als aan de ondervlakte -met harde en puntige doorntjes bezaaid. De staart draagt drie rijen -van groote doornen, van welke de middelste tot over het achterhoofd -voortloopt. Ook op andere plaatsen van het lichaam merkt men zulke -groote doornen op; in den paaitijd is soms het geheele lichaam bezet -met buitengewoon groote doornen, die op een breed voetstuk rusten. De -mannetjes hebben puntige, de wijfjes platte tanden. Het olijfgroen van -de bovendeelen gaat naar den rand der schijf allengs in bruin over; -soms vindt men hierop bruine vlekken met witten zoom, soms lichte -vlekken met bruinen zoom; sommige van deze vlekken, vooral die op de -borstvinnen dichtbij het achterhoofd, munten niet zelden door grootte -uit. De onderdeelen zijn witachtig. Het vleesch van dezen Rog is beter -dan dat van zijne verwanten, maar wordt toch bij ons niet geacht; -het best is het in de laatste maanden van 't jaar. Men eet het veel -in gedroogden, maar ook in verschen toestand. Uit de lever wordt traan -gekookt, die vroeger door de visschers veel als lampolie werd gebruikt. - - - -De Gladde Rog (Raja maculata) gelijkt veel op den Gewonen; de huid -van de onderdeelen is bij hem echter glad; dit geldt ook van de -bovenvlakte van de schijf behoudens een overlangsche reeks van groote -doornen op het midden en verscheidene reeksen van kleine doornen -langs den voorrand; zoowel bij het wijfje als bij het mannetje is de -bek met spitse tanden gewapend. De bovenzijde is geel- of roodachtig -grijsbruin met vele kleine, ronde, donkere vlekken. - -Deze soort bewoont nagenoeg dezelfde zeeën als de vorige en is vrij -algemeen op de zandbanken langs onze kust vooral in den zomer. - - - -De Spiegelrog (Raja miraletus) dankt zijn naam aan de twee (zelden -vier) groote, roode, blauwe, zwart en wit gezoomde vlekken, die op -de rugzijde van de schijf, een weinig dichter bij den achterrand dan -bij den zijrand, voorkomen. De bovendeelen zijn overigens geelbruin -met talrijke kleine, ronde vlekken, de onderdeelen wit. De groote -doornen op het midden van den rug verdwijnen meestal vroegtijdig. De -tanden zijn bij de oude mannetjes puntig, bij de wijfjes en de jonge -mannetjes plat. - -De Spiegelrog is zeer zeldzaam aan onze kust en schijnt aan de kust -van Skandinavië niet voor te komen. In de Middellandsche zee komt -hij veelvuldig, aan de Engelsche kust vrij algemeen voor. - - - -Volgens sommige schrijvers worden nog twee andere soorten van Roggen -soms dicht bij onze stranden in de Noordzee aangetroffen, n.l. de -Kaardrog (Raja fullonica) en de Scherpsnuit (Raja oxyrhyncha), beide -het naast verwant aan den Gladden Rog, met wien zij door den aan 't -einde versmalden, puntigen snuit overeenstemmen. Bij den eerstgenoemden -is de bovenvlakte van de schijf effen bruin, bij den laatstgenoemden -gitzwart van kleur. - - - -Alle Roggen bewonen den zandigen of slijkerigen zeebodem, waar -zij, grootendeels in 't zand verborgen, letten op hetgeen er in 't -water boven hen voorvalt; zoodra een buit nadert, wordt deze door -den plotseling te voorschijn schietenden Rog gegrepen. Hun gebit -laat niet toe, dat zij groote dieren aanvallen; zij rooven daarom -kleine Visschen en allerlei Schaaldieren, vooral jonge Schollen en -Garnalen. In 't begin van de lente, misschien nog iets vroeger, vangt -de voortplantingstijd aan; tegen het einde van de lente of in den zomer -worden de eieren gelegd, ten getale van 6, 8 of meer. Deze gelijken -op die van de Hondshaaien, maar hebben een meer vierhoekigen vorm en -kortere draden aan de hoekpunten. Binnen de eischaal ontwikkelt het -jong zich zoover, dat bij het uitkomen de inhoud van den dooierzak -reeds grootendeels verbruikt is. Zoodra deze geheel verdwenen is, -nemen de jongen de levenswijze van hunne ouders aan. - -In sommige streken wordt het vleesch van den Rog zeer weinig -geacht, elders wordt het als een smakelijke spijs beschouwd. In -Londen worden ieder jaar honderdduizenden Roggen verbruikt en door -liefhebbers gezocht; in het noorden van Engeland gebruikt men deze -Visch uitsluitend als lokaas voor de vangst van Garnalen en andere -Schaaldieren. - -Voor het vangen van Roggen maakt men gebruik van een beug, die met -Kreeften, Weekdieren en Visschen als lokaas wordt voorzien, ook wel -van schrobnetten. - -In een aquarium trekken de Roggen zeer de aandacht. Zij geraken niet -licht gewoon aan de gewijzigde omstandigheden, nemen niet altijd -voedsel aan en verhongeren dan ellendig. Wanneer zij echter eens aan -'t eten gebracht zijn, kan men ze jaren lang in 't leven houden en -wekken dan veel belangstelling, omdat men hun levenswijze kan nagaan. - - - -De Pijlstaartroggen (Trygonidae) bewonen voor 't meerendeel de -tropische zeeën; sommige soorten treft men echter in de zeeën van de -gematigde aardgordels, enkele in zoetwater in de tropische gewesten -van het oosten van Zuid-Amerika aan. Van al deze Visschen komt de -vorm in hoofdzaken met dien der Roggen overeen, met dit verschil, -dat de staart zeer lang, dun en spits is, geen huidkielen heeft, -bij de meeste soorten geen eigenlijke rugvinnen of staartvin draagt, -maar van boven gewapend is met één of meer lange, aan weerszijden -van weerhaken voorziene stekels; de borstvinnen vloeien vóór den kop -ineen en vormen dus de voorste spits van de schijf; de buikvinnen zijn -niet ingesneden. De tanden zijn overdwars elliptisch of ruitvormig en -hebben een verhevenheid, die stomp of scherp, soms in spitsen verdeeld -is. De huid is nu eens glad, dan weer bezet met knobbels of stekels, -die echter niet op de borstvinnen voorkomen. De staartstekel van deze -dieren wordt te recht zeer gevreesd, daar hij leelijke wonden kan -veroorzaken en het slijm, dat te gelijker tijd in de wonde doordringt, -vergiftige eigenschappen heeft. - - - -De Pijlstaart (Trygon pastinaca), over wiens misdrijven reeds bij de -schrijvers der oudheid berichten voorkomen, bewoont den Atlantischen, -den Indischen en den Stillen Oceaan (tot bij Japan). Hij wordt -veelvuldig aangetroffen in de Middellandsche Zee en langs de kust van -West-Europa tot in het Kanaal en bij het zuiden van Engeland, minder -talrijk in de Noordzee, zeer zelden aan de kust van Skandinavië en -nooit in de Oostzee. Gedurende een groot deel van 't jaar vindt men hem -op en nabij de zandbanken langs onze kust, doch bijna nooit in grooten -getale. De schijf is langs het midden van den rug aanmerkelijk dikker -en hooger dan bij de Roggen; het deel, dat vóór de zijwaarts gerichte -hoeken ligt, is grooter dan het achterste deel. De staart is langer -dan de helft van de schijf en aan het einde van het eerste derde deel -gewapend met een stevigen, beenigen, aan weerszijden van weerhaakjes -voorzienen doorn, waarvan de lengte gelijk kan zijn aan een derde -of een vierde deel van die van den staart. Deze draagt van boven en -van onderen een smallen huidzoom en loopt uit in een zweepvormige -punt. De huid is glad, op de bovendeelen donker olijfgroen, naar de -zijden met geel- of roodachtige tint; de onderdeelen zijn wit. Dit -dier kan ongeveer 1 M. lang en 5 à 6 KG. zwaar worden. - - - -De Pijlstaart ligt meestal op den zandigen zeebodem in de nabijheid -van de kust, begeeft zich in den zomer dikwijls naar ondiep water, -waarvan bij eb slechts weinige plassen overblijven en maakt hier jacht -op kleine Visschen, Schaaldieren en Wormen. Uit de wijze, waarop hij -zich verdedigt, blijkt, dat hij met de gevaarlijkheid van zijn wapen -goed bekend is. Wanneer men hem aanvat of verschrikt maakt, is hij -gewoon den langen, buigzamen staart om het lichaam te slingeren, -dat hem vrees inboezemt en intusschen den stekel in de wonde te -drukken; ook slaat hij soms eenvoudig met den staart. Velen hebben -waargenomen, dat hij met den stekel een bepaald doel zeer goed weet -te treffen. Alle visschers weten dit en wachten zich wel het levende -dier aan te raken. De staartdoorn wordt, wanneer hij afbreekt, door een -nieuwen vervangen, die dikwijls reeds vroeger in weinig ontwikkelden -toestand vóór den volwassen doorn zichtbaar is. Wilde volken gebruiken -de stekels van deze en andere Pijlstaarten als pijlpunten; reeds de -oude Grieken deden dit; de Zuid-Amerikaansche Indianen doen het ook -thans nog. Het vleesch van den Pijlstaart is vet, hard, tranig en -onaangenaam van smaak; bij ons wordt het niet gegeten, in sommige -andere streken wel. Van de lever wordt traan bereid. Het vleesch van -de Javaansche Pijlstaartroggen schijnt smakelijker en gemakkelijker -verteerbaar te zijn dan dat van de inheemsche. De meest gewone soort -is daar de reusachtige Ikan-Paré (Trygon lymma). - - - -Zeevleermuizen noemt men in onze Oost de leden van de geslachten -Pteroplatea en Aëtoplatea, omdat de schijf wegens de sterke -ontwikkeling der borstvinnen dubbel zoo breed is als lang. Hun staart -is kort. Een soort van Zeevleermuis (Pteroplatea altavela) bewoont -de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan. - - - -Bij de vroeger genoemde Roggen breiden zich de borstvinnen langs -de zijden van den kop uit tot over den snuit; de hierdoor gevormde -"kopvinnen" zijn bij de Molenroggen (Myliobatidae) van de eigenlijke -borstvinnen door een inham gescheiden, zoodat de schijf duidelijk -verdeeld is in kop en romp en beide van vleugelvormige vinnen voorzien -zijn. Aan den wortel van den langen, zweepvormigen staart komt een -rugvin voor, waarachter zich één of twee stekels bevinden. Het gebit -bestaat uit zeer platte tanden of liever tandplaten, die overlangsche -reeksen vormen. De bek is zeer wijd. - - - -In alle zeeën tusschen de keerkringen en van de beide gematigde -aardgordels, ook in de Noordzee bij de kust van Engeland, doch niet -bij de onze, treft men den Molenrog (Myliobatis aquila) aan. Deze is in -den regel niet langer dan 1 à 1.5 M. en niet zwaarder dan 8 à 12 KG.; -naar men zegt, bereikt hij soms een reusachtige grootte en een gewicht -van 200 à 300 KG. De bovendeelen zijn donkerbruin, aan de zijden iets -lichter van kleur, de onderdeelen vuilwit. De groote, uitpuilende -oogen hebben een grijsachtig groen regenboogsvlies en een zwarte pupil. - -De wonden, die dit dier met zijn staartstekel kan veroorzaken, -worden zeer gevreesd; in Italië is het zelfs wettelijk verboden een -van deze Visschen op de markt te brengen, wanneer men hem niet vooraf -den stekel heeft ontnomen. Hun vleesch wordt alleen door den minderen -man gegeten; de lever daarentegen beschouwt men als een lekkernij. - - - -"Daar is de Duivel! Groote opschudding onder het scheepsvolk! Ieder -grijpt een wapen; overal ziet men lansen, harpoenen en geweren. Spoedig -was ik bij de hand en zag een grooten Visch, die op een Rog geleek, -maar twee hoornen had als een os. Voortdurend vergezelde hem een -witte Visch, die af en toe op verkenning uitging en zich vervolgens -weer onder den reus verschool. Tusschen zijne hoornen droeg hij een -kleinen, grijzen Visch, die men den "Loods" van den Duivel noemt, -omdat hij hem tot gids dient en hem knijpt, zoodra hij Visschen -bespeurt; op deze schiet de Duivel dan pijlsnel toe." - -Zoo luidt het verhaal van een reiziger, die tegen het einde van de -17e eeuw Siam bezocht en de beschrijving van deze reis in 1685 in 't -licht gaf. Na hem wordt door andere reizigers en natuuronderzoekers -van dezelfde Duivels melding gemaakt; een uitvoerig bericht geeft -Levaillant, die op 10° ZB. drie van deze dieren waargenomen heeft. Ook -deze waren door Loodsmannetjes omgeven en bij elk van hen zat op den -hoorn, die vóór den kop uitstak, een witte, lange Visch ter dikte -van een menschenarm, die tot gids scheen te dienen. Men slaagde er -in den kleinsten Duivel te vangen en vond, dat hij op een Rog geleek, -9 M. breed en zonder den staart 7 M. lang was. De bek was zoo groot, -dat een mensch er gemakkelijk door verzwolgen kon worden; de rug was -bruin, de buik wit. - -Men zou geneigd zijn, deze verhalen te wantrouwen, indien in den -laatsten tijd niet herhaaldelijk dergelijke reusachtige Visschen gezien -en gevangen waren. Bij New-York doodde men er een, wiens gewicht -ongeveer 5000 KG. bedroeg. De vereenigde krachten van 2 span ossen, -2 paarden en 22 menschen waren ter nauwernood voldoende om dit monster -uit het water te halen. Elliot geeft een zeer uitvoerige beschrijving -van een door hem bijgewoonde jacht op een dezer Zeeduivels, en -verhaalt, dat zij in de Golf van Mexico wel niet veelvuldig, maar toch -geregeld voorkomen, buitengewoon snel en sierlijk zwemmen, zich op een -vreemdsoortige wijze (als 't ware springend) door 't water bewegen en -dikwijls een van de vinnen boven de oppervlakte verheffen. Als zulk -een Visch in den ankerketting verward geraakt, kan hij het vaartuig -losrukken en dit vervolgens, verwoed over de last van het aan hem -hangende anker, met demonisch geweld heen en weer sleepen. "Soms, -hoewel niet dikwijls," zegt Elliot, "is men in de gelegenheid dezen -reus van nabij te bespieden, terwijl hij in ondiep water jacht maakt -op de Garnalen en vischjes, die hem tot voedsel dienen; men moet dan -echter voortdurend op zijn hoede zijn, daar dit dier door de snelheid -zijner bewegingen een Vogel evenaart." Onze zegsman verhaalt verder -zeer uitvoerig hoe de jacht zich heeft toegedragen, hoe na veel moeite -eindelijk een der vervolgde dieren geharpoeneerd, na langen strijd -gedood, gelukkig aan land gebracht en gemeten werd: de breedte van -de schijf, van de eene vinspits tot de andere, bedroeg omstreeks 6 -M. De jacht op Duivelvisschen van deze grootte is gevaarlijk, omdat -zij in hun woede op het vaartuig aanvallen, zoodat het gevaar loopt -om te kantelen; naar het schijnt, heeft men den meesten tegenstand -te duchten, als zij hun jong bij zich hebben. - -Uit de bovenstaande beschrijving blijkt, dat men met den naam van -Duivelvisschen leden van het geslacht der Vleugelroggen (Dicerobatis) -bedoelt. Deze onderscheiden zich door hun vorm zoowel als door hun -grootte; de omtrek van hun lichaam herinnert veeleer aan een Vleermuis -met uitgespreide vleugels, dan aan een Visch. Ook bij hem zijn de -buitengewoon breede zijstukken van de schijf duidelijk gescheiden in -(puntige, soms min of meer zeisvormige) eigenlijke borstvinnen en in -(oorvormige) kopvinnen. Deze ontspringen uit den wortel der borstvinnen -ter hoogte van de oogen, zijn aan den buitenrand boven- en binnenwaarts -opgerold en eindigen in spitsen, die bij wijze van hoornen ver voor -den snoet uitsteken. De dunne, lange, ronde, zweepachtige staart, -draagt bij den wortel een rugvin en daarachter een stevigen stekel; -de oogen zijn ver zijwaarts geplaatst; de mondopening is vóór den -oorsprong der zoogenaamde hoornen gelegen en met verscheidene reeksen -zeer kleine, spitse of knobbelige tanden gewapend. Zij brengen slechts -één jong ter wereld. - - - -De Gehoornde Rog (Dicerobatis Giornae) is voor ons de belangrijkste -soort en was waarschijnlijk reeds aan de ouden bekend. Hij leeft in -de Middellandsche Zee, maar is ook enkele malen op de Engelsche kust -waargenomen. Zijn lengte bedraagt gewoonlijk 1 à 1.5 M., zonder den -staart, die driemaal zoo lang is als kop en romp te zamen genomen; -naar het schijnt, wordt hij zelden zwaarder dan 25 KG. Soms heeft -men echter veel grootere, minstens 4 M. breede exemplaren gevangen, -o.a. te Nizza één van 600 KG. De bovendeelen zijn donkerbruin, -aan de zijden olijfgroen, de onderdeelen wit; de vinnen hebben een -zwartachtige kleur. Het voedsel van dit dier bestaat hoofdzakelijk -uit Koppootige Weekdieren (Inktvisschen), bovendien ook uit Visschen. - -In tegenstelling met de overige platte Visschen sterven de Gehoornde -Roggen onmiddellijk nadat zij uit het water zijn gehaald en zelfs, -wanneer men ze in gevangen toestand in de zee laat blijven; het -schijnt, dat zij de gevangenschap niet kunnen verdragen. Hun vleesch -is rood, hard en taai, moeielijk verteerbaar en weinig geschat; toch -wordt het op sommige plaatsen gegeten. Uit de lever wordt traan bereid. - - - -In de noordelijke zeeën leeft een zonderlinge Visch, die in vele -opzichten op de Haaien gelijkt, maar toch zoovele eigenaardigheden -vertoont, dat men hem tot een andere onderorde brengt. Verwante -Kraakbeenvinnigen bewonen het zuidelijke deel van den Atlantischen -en den Stillen Oceaan. Alle soorten van Zeedraken of Draakvisschen -(Holocephala) hebben een langwerpigen, rolronden romp, een langen, -dunnen staart, een dikken, kegelvormigen kop; voor het verwijderen -van het ademhalingswater dient een enkele, door een vingervormig, -kraakbeenig kieuwdeksel gesloten opening, waarin de vier kieuwspleten -uitkomen. De borstvinnen zijn zeer groot; de hooge, eerste rugvin is -van voren met een sabelvormig gekromden stekel gewapend; de tweede -rugvin strekt zich uit over een groot deel van den langen staart, welks -uiteinde van boven en van onderen (of alleen van onderen) van een vin -voorzien is, die echter soms vóór de spits ophoudt. De kleine, onder -den kop gelegen mondopening, welker randen niet uitgestoken kunnen -worden, is gewapend met snavelvormig vooruitstekende beenplaten (4 -aan de bovenkaak, 2 aan de onderkaak); deze zijn van achteren plat, -van voren scherp en kunnen, evenals die der Vastkakigen beschouwd -worden als samengesteld uit onderling vergroeide tanden. - -In vroegere tijdperken was het aantal soorten van Draakvisschen, -naar het schijnt, veel aanzienlijker dan thans: men vindt een vrij -groote verscheidenheid van versteende tandplaten dezer dieren in -verschillende aardlagen van het Jura-tijdperk af. De 4 thans nog -levende soorten vormen twee geslachten, die men in één familie--die -der Spoken of Zeekatten (Chimaeridae)--samenvat. - -Een vertegenwoordiger van deze onderorde wordt door onze visschers -Haringkoning (Chimaera monstrosa) genoemd en is door hen in de -Noordzee, doch niet aan onze kusten waargenomen. De Selys maakt -melding van de vangst van zulk een Visch bij Ostende; volgens -Yarrell dwaalt hij soms naar de Shetlandsche eilanden af. Wegens het -zweepvormig uiteinde van den staart wordt hem soms den naam "Zeerat" -gegeven. De snuit is kegelvormig; de achterste rugvin zeer lang en -niet (of bijna niet) van de bovenste helft van de (eveneens lange) -staartvin gescheiden. Bij het mannetje merkt men op het voorhoofd -tusschen de oogen een dun, aan den top afgerond, en hier met doornen -bezet, naar voren gericht uitsteeksel op, dat aanleiding heeft -gegeven tot den naam "Koningsvisch", dien hem door Noren gegeven -wordt. De huid is bij het volwassen dier naakt en vertoont allerlei -overgangen van goudgeel, bruin en wit, die aan het dier een fraai -uitzicht verschaffen; de groote oogen hebben een wit regenboogsvlies -en een groene pupil. De Haringkoning wordt 1 à 1 1/2 M. lang. Men -heeft hem bij vele Europeesche kusten gevonden, ook in de zee van -Japan en bij de zuidspits van Afrika; het schijnt, dat hij de diepte -zelden verlaat, maar met de Haringen naar de oppervlakte stijgt; bij -deze gelegenheid wordt hij soms gevangen. Zijn voedsel bestaat uit -Weekdieren, Schaaldieren en kleine Visschen, die op diepe zeebodems -leven. De voortplanting geschiedt door eieren, deze worden als een -lekkernij beschouwd; het vleesch is taai en oneetbaar. In Noorwegen -wordt vooral aan de lever van dit dier waarde gehecht; aan de hieruit -bereide traan schrijft men geneeskrachtige eigenschappen toe. - - - - - - - -NEGENDE ORDE. - -DE LONGENVISSCHEN (Dipnoi). - - -In het jaar 1835 werden in Zuid-Amerika en West-Afrika twee Gewervelde -Dieren ontdekt en vele jaren later (1870) nog twee in Australië, -waaraan men zulk een vreemdsoortige samenvoeging van verscheidene -gewoonlijk niet vereenigd voorkomende eigenaardigheden opmerkte, -dat de dierkundigen het niet eens konden worden over de plaats, die -deze wezens in het stelsel behooren in te nemen. Door hun lichaamsbouw -gelijken zij op Visschen, door hun ademhaling, die men uit het maaksel -der hiervoor dienende organen kon afleiden, op Salamanders. Door hun -levenswijze, hun aard en hunne handelingen, herinneren zij zoowel -aan deze als aan gene. Johannes Müller en andere onderzoekers hebben -uitgemaakt, dat de kenmerken der Visschen bij deze dieren de overhand -hebben en wezen hun daarom een plaats aan in de klasse, waarmede wij -ons nu bezig houden. - -De Longenvisschen, waarvan men 3 geslachten met slechts 4 soorten kent, -vormen slechts één familie, waaraan men den naam van Salamandervisschen -(Lepidosirenidae) kan geven. Naar het uitwendige gelijken zij op -Visschen; de driezijdig piramidale kop is breed, de mondspleet -buitengewoon groot; de oogen zijn klein als die der Salamanders, de -wangen, evenals de geheele romp, met schubben bekleed, de kieuwspleten -klein en loodrecht geplaatst, de kieuwen bij sommige inwendig, bij -andere uitwendig. De uitwendige kieuwen zijn 3 kleine, boogvormig -vertakte organen, welker takken met vedervormige franjes bedekt -zijn en die buiten de kieuwspleet uitpuilen; de inwendige zijn in de -kieuwspleet gelegen. Hierachter treft men de voorste ledematen aan, -op welker verschillende ontwikkeling voor een deel de onderscheiding -van de drie geslachten berust; de achterste ledematen, die met de -voorste in bouw overeenstemmen, bevinden zich aan weerszijden van -de aarsopening. De plaats van de rugvin wordt ingenomen door een -verticalen huidzoom met hoornachtige stralen tot steun, die ongeveer in -'t midden van den rug begint en zich tot aan de staartvin uitstrekt; -een dergelijk orgaan bevindt zich aan de buikzijde en neemt bij -de aarsopening een aanvang. Het geheele lichaam is met breede, -afgeronde schubben bekleed, die elkander dakpansgewijs bedekken en -een mozaïek vormen. - -De tot dusver genoemde eigenschappen wijzen alle op verwantschap -met de Visschen; bij nader onderzoek ontdekt men echter belangrijke -verschillen. De neusgaten staan n.l. in gemeenschap met een wijde -neusholte, welker beide gangen naar onderen in de mondholte uitkomen -op korten afstand van de spits van den snuit. Achter de keelspleten -bevindt zich aan den voorsten wand van den slokdarm een spleetvormige -opening, die toegang verleent tot een ruim, door kraakbeenderen -gesteund strottenhoofd en twee goed ontwikkelde longzakken, welker -binnenste oppervlakte van talrijke lijstvormige plooien voorzien -is, die als 't ware cellen vormen; de bloedvaten in den op deze -wijze sterk vergrooten wand ontvangen uit het hart zuiver aderlijk -(koolzuurhoudend, zuurstofvrij) bloed, dat, na in slagaderlijk -(koolzuurvrij, zuurstofhoudend) bloed veranderd te zijn, naar de aorta -stroomt. Bij gesloten bek vormen dus de neusgaten met de neusholte, -mondholte, luchtpijp en longen den volledigen luchtweg. Bij geen -anderen Visch treft men zulke organen voor ademhaling en bloedsomloop -aan. Deze stemmen daarentegen volkomen overeen met die van de larven -van Amphibiën, zoodra zich bij haar nevens kieuwen ook longen hebben -ontwikkeld. - - - -De meest bekende van de vier soorten van Longenvisschen is -de Afrikaansche Slijkvisch (Protopterus annectens), die bijna 2 -M. lang kan worden. Zijn lichaamsbouw herinnert aan dien van den Aal, -maar is meer gedrongen; de plaats van de borst- en buikvinnen wordt -ingenomen door lange, eenigszins samengedrukte, priemvormige organen, -ter lengte van een span, aan de voorzijde voorzien van een smallen -huidzoom, gesteund door korte stralen; een smalle rugvin begint -ongeveer op het midden van het bovenlijf en is, evenals de aarsvin, -met de staartvin vereenigd. De neus steekt vóór den eerder kleinen -dan grooten, dwars gerichten bek uit; deze is gewapend met 4 dikke, -kegelvormige, eenigszins beweeglijke tanden. Het met kleine schubben -bekleede lichaam is op donkerbruinen, naar onderen lichter wordenden -grond geteekend met een groot aantal rondachtige, uitvloeiende vlekken -van grijze kleur. De oogen zijn kastanjebruin. - -De Slijkvisch bewoont in tropisch Afrika alle binnenwateren, in -sommige, o.a. ook in die van 't westen, komt hij in groote menigte -voor. "De Doko," schrijft Von Heuglin, "leeft ook in den Witten Nijl -en zijne bijrivieren ten zuiden van 9° NB. en schijnt hier overal -veelvuldig te zijn. Men vindt dezen vreemdsoortigen Visch in den -modder, zelden in 't open water; des nachts echter komt hij dikwijls -dichtbij de vaartuigen, waarschijnlijk om het afval, dat overboord -geworpen is, te verslinden. Gedurende het droge jaargetijde houdt hij -zich op in een horizontaal of verticaal gat van meer dan 1 M. lengte, -waarschijnlijk door hem zelf gegraven in den hoogen oever van een -door den regen gevormden plas, of verschuilt zich tusschen vochtige, -afgevallen bladen; hij verlaat zijn woning niet anders dan 's nachts -en vangt dan de Visschen, Weekdieren en Krabben, die zijn voornaamste -voedsel uitmaken. Gedurende het regenseizoen baant hij zich echte -wegen door den modder. Zijne bewegingen op den bodem getuigen niet van -behendigheid, maar wel van spierkracht: met opgeheven kop overschrijdt -hij niet zonder moeite oneffenheden van eenige beteekenis door het -lichaam aalvormig naar rechts en links te kronkelen. Zelden ziet men -verscheidene van deze dieren bijeen; in de hoogste mate onverdraagzaam, -gaan zij bij een toevallige ontmoeting elkander dadelijk te lijf en -strijden in den regel met zooveel woede, dat men zelden exemplaren -vindt met gaven staart. Ook tegen den mensch maakt de Doko gebruik -van zijn gebit; wanneer men toevallig op hem trapt, sist hij als een -Slang, waarop hij ook door zijn beweging gelijkt. De negers houden -veel van zijn vleesch en dooden hem met de werpspies. Men kan hem -echter ook aan den hengel vangen." - -De Slijkvisch omgeeft zich met een laag slijk, wanneer het door hem -bewoonde water uitdroogt en blijft op deze wijze verborgen gedurende -het regenlooze seizoen. In zulke nesten worden de Slijkvisschen sedert -eenige jaren niet zelden levend naar Europa overgebracht. Den kop -met den staart bedekkend, hebben zij zich zoo sterk ineengekronkeld, -dat men met verwondering de kleine ruimte aanschouwt, waarin zulk een -groot dier opgesloten is. De wand van het nest bestaat uit gewone -klei, maar is van binnen met een slijmerige stof bekleed. Hoe lang -het in vrijheid levende dier in zijn rusttoestand volhardt, is niet -bekend; wel weet men, dat het maanden achtereen zonder bezwaar in -zijn nauwe gevangenis kan blijven. Wanneer het nest in een bak met -water wordt gelegd en de temperatuur overeenkomt met die, waaraan -het dier in Middel-Afrika gewoon is, verlaat het de weldra verweekte -kleilaag. In den eersten tijd na het ontwaken uit den schijndood, is -het buitengewoon traag, als 't ware slaapdronken; reeds na verloop -van een uur is het volkomen wakker en geschikt om zich te bewegen, -maar zoekt nog steeds de donkerste gedeelten van den waterbak op -en ligt zeer dikwijls op den bodem. Om zijn eetlust te bevredigen, -die na eenige dagen terugkeert, let het op iedere beweging van den -waterspiegel; zoodra het hier een prooi ontwaart, kronkelt het -zich vlug en sierlijk, beurtelings de vinnen en den huidzoom op -den rug bewegend, als een Slang naar de oppervlakte, grijpt den -hier aanwezigen buit of het aangeboden stuk vleesch en keert, na -het verslonden te hebben, naar zijn vorige ligplaats terug. In het -Kristallen Paleis te Londen heeft men jaren lang Slijkvisschen in -een aquarium gehouden en hun levenswijze nauwkeurig nagegaan. Een -dezer Visschen bleef 3 jaar in leven en zou nog wel langer geleefd -hebben, indien men niet genoodzaakt was geweest hem naar een andere -woning over te brengen. Aanvankelijk werd hij gevoederd met stukken -vleesch, die men hem toewierp, na vooraf door een snelle beweging -van den waterspiegel zijn aandacht te hebben getrokken; later gaf -men hem Visschen en Kikvorschen te eten. Terwijl hij het vleesch met -de scherpe voortanden stevig vasthield, merkte men vlugge bewegingen -van alle deelen van den snuit op, alsof hij het sap er uitzoog; na -eenigen tijd werd het stuk eensklaps uitgespuwd, opnieuw gegrepen, -nogmaals uitgezogen en eindelijk doorgeslikt. Toen men den Slijkvisch -in een bak bracht, waarin zich Goudvisschen bevonden, begon hij -onmiddellijk zijne metgezellen te vervolgen, niet slechts de kleine -exemplaren, maar ook die, welke hem in grootte overtroffen. Ondanks -de langzaamheid van zijne bewegingen gelukte het hem iederen Visch -buit te maken, dien hij als prooi had uitgekozen. Daar men hem naar -hartelust liet rooven, groeide hij zeer schielijk; gedurende zijn -driejarig verblijf in den goudvisschenkom, nam zijn lengte van 25 -tot bijna 100 cM. toe en bereikte hij een gewicht van meer dan 3 KG. - -Een tweede soort van Salamandervisch, die zeer weinig bekend is, omdat -hij in de diergaarden uiterst zelden voorkomt, werd door Natterer -in 't gebied van den Amazonenstroom ontdekt en heet daar Caramoeroe -(Lepidosiren paradoxa). Hij kan 1.3 M. lang worden; men zegt, dat zijn -stem op die van een Kat gelijkt. Volgens sommige berichten voedt hij -zich met planten; wegens den vorm van zijn gebit beschouwt Günther -hem echter als een diereneter. - - - -Het geslacht der Hoorntandigen (Ceratodus) omvat twee soorten: -de eene, in 1870 door Krefft ontdekt, wordt door de inboorlingen -van Queensland Barramoenda (Ceratodus Forsteri) genoemd en wegens -haar op Zalm gelijkend vleesch ijverig gevischt. (De andere heet -Ceratodus miolepus.) De Barramoenda bereikt een lengte van 2 M. en -een gewicht van bijna 10 KG.; zijn maag werd volgepropt gevonden met -bladen van langs den oever groeiende planten, die in 't water waren -gevallen. "De Barramoenda," schrijft Günther, "kan naar verkiezing -hetzij alleen door longen, óf alleen door kieuwen, óf door beide te -gelijk ademen. Het is niet waarschijnlijk, dat hij vrijwillig het -water verlaat, daar zijne ledematen veel te buigzaam zijn om het -zware en lompe lichaam te dragen." - - - - - - - -TIENDE ORDE. - -DE RONDBEKKIGEN (Cyclostomata). - - -De Rondbekkigen staan op zulk een lagen trap van ontwikkeling, dat er -reden is om hen, in navolging van Haeckel, van alle vroeger genoemde -Gewervelde Dieren te onderscheiden en als een met deze gelijkwaardige -groep te beschouwen. Hun wormvormig lichaam, dat geen spoor van -ledematen (van parige vinnen) bezit, is nagenoeg overal even dik en -met een taaie, slijmerige, ongeschubde huid bekleed. Het kraakbeenig -skelet bevat in den romp geen andere bestanddeelen dan een wervelkolom -van zeer eenvoudig maaksel, waarmede geen ribben verbonden zijn; het -kopskelet blijft op een even lagen ontwikkelingstrap verkeeren, als -die, welken het bij de vroeger genoemde Gewervelde Dieren gedurende een -der eerste tijdperken van den kiemtoestand vertoont. De kaakbeenderen -ontbreken geheel; hun plaats wordt ingenomen door de zoogenaamde -lipkraakbeenderen, die tot steun dienen van de meer of minder -ontwikkelde lip; de hierdoor begrensde holte, "zuigbek" geheeten, -ligt vóór de eigenlijke of achterste mondopening, waarin de tong als -de zuiger van een pomp naar voren en naar achteren bewogen wordt. In -gesloten toestand is de voorste mondopening (zuigmond) een overlangsche -spleet. Aan het voorste uiteinde van den schedel, dus op het midden van -de bovenzijde van den kop, bevindt zich de onparige neusopening. De -Rondbekkigen heeten ook wel Zakkieuwigen (Marsipobranchiata) naar -hun eigenaardige wijze van ademhaling. De kieuwzakken zijn gelegen -aan weerszijden van den slokdarm; bij de Prikvisschen ontvangen zij -het water ieder door een afzonderlijke opening en staan het weer af -aan een gemeenschappelijke, onparige, onder 't voorste deel van den -slokdarm uitmondende buis; bij de Slijmprikken geschiedt de toevoer -van 't ademhalingswater door één opening voor iedere reeks van zakken -en staan deze zoowel met de hier aanvangende toevoerbuis als met den -voor het uitademen dienenden slokdarm door afzonderlijke openingen -in gemeenschap. Een andere eigenaardigheid van de Rondbekkigen is, -dat zij een echte gedaantewisseling ondergaan. De huid is glad en -slijmerig, niet met schubben bedekt; de zwemblaas ontbreekt. Deze orde -wordt verdeeld in twee familiën: de Prikvisschen en de Slijmprikken. - - - -De Prikvisschen (Petromyzontidae)--waarvan men een twaalftal goed -omschreven soorten kent, die tot 4 geslachten worden gebracht--zijn -over de geheele wereld verbreid. Zij onderscheiden zich van de -Slijmprikken door het bezit van onparige, door vele kraakbeenige -stralen gesteunde vinnen, van 7 ronde ademgaten aan weerszijden -van den hals, van een reukorgaan, dat in een blinden zak eindigt -en dus niet met de mondholte in gemeenschap staat. Bij hen is de -zuigbek van voren wijd, van achteren trechtervormig vernauwd en -meer samengesteld dan bij de overige leden der orde; de kleine, -spitse, kegelvormige tanden, waarmede de binnenste oppervlakte van -de kringvormige lip (de mondschijf of zuigschijf) bezet is, bestaan -ieder uit een slijmvlies-papil, die met een geelachtig bruine, harde, -hoornachtige scheede bedekt is; deze valt licht af en wordt dan door -een daaronder liggende, weldra verhoornende huidlaag vervangen. - - - -Het eenige Europeesche geslacht dezer familie omvat de (tot het -noordelijk halfrond beperkte) Prikken of Negenoogen (Petromyzon). Zij -hebben 2 rugvinnen: de tweede is met de staartvin vereenigd, waarmede -ook de aarsvin een geheel uitmaakt. De zuigmond is cirkelvormig; de -spitse hoorntandjes van de mondschijf dragen, naar de plaats die zij -innemen, verschillende namen; die van de "bovenkaak" (2) en van de -"onderkaak" (7) zijn uitsteeksels van 2 hoornplaatjes: één aan den -bovenrand, één aan den onderrand van de binnenste mondopening. De -middelmatig groote oogen zijn bedekt door de huid, die op deze plaats -dun en doorzichtig is. De 7 wijd uiteenstaande kieuwgaten zijn niet -door een overlangsche groeve verbonden. - - - -De grootste van de beide inheemsche soorten van dit geslacht is -de Zeeprik, Bonte Negenoog of Zeelamprei (Petromyzon marinus), -die 1 M. lang en 3 KG. zwaar kan worden. Van zijne naaste verwanten -onderscheidt hij zich door een meer langwerpigen romp en door een krans -van fijne, korte franjes aan de binnenzijde van den dikken rand van -den zuigmond; iets verder binnenwaarts komen op de zuigschijf eenige -reeksen van enkelvoudige, spitse tandjes voor; de ruimte van hier -tot de "kaken" wordt ingenomen door 40 plaatjes, die ieder 2 grootere -tanden dragen. De eerste rugvin verheft zich achter het midden van den -rug tot een langwerpige, boogvormige plooi; de tweede rugvin is er -door een vrij groote tusschenruimte van gescheiden, bereikt spoedig -haar grootste hoogte en wordt daarna langzaam lager, totdat zij zich -met de staartvin vereenigt. De huid is groenachtig wit op den rug en -de zijden met zwartbruine of donker olijfgroene vlekken gemarmerd. - -Met uitzondering van de Zwarte Zee bewoont deze Visch alle Europeesche -zeeën; bovendien komt hij aan de kusten van West-Afrika en van -Noord-Amerika voor. Hij brengt het grootste deel van zijn leven -in het zeewater door, maar zwemt tegen het voorjaar de rivieren op -(den Rijn o.a. tot bij Bazel) om kuit te schieten. Aan onze kust is -hij vrij algemeen. - - - -De Gewone Prik, Negenoog, Rivierlamprei of Rivierprik (Petromyzon -fluviatilis) wordt zelden meer dan 40, bij uitzondering echter 50 -cM. lang en omstreeks 100 Gram zwaar. Hij is ranker van gestalte dan de -Zeeprik; het voorste deel van 't lichaam is naar evenredigheid langer, -de rugvin begint dus veel verder naar achteren; de bovenkaakstanden -zijn niet, zooals bij de vorige soort, naast, maar op eenigen afstand -van elkander geplaatst; de hen dragende hoornplaat is halvemaanvormig; -de 7 onderkaakstandjes zijn zeer scherp, de buitenste grooter dan -de overige; aan weerszijden van de mondopening komen 3 plaatjes -voor, die ieder 2 betrekkelijk groote tanden dragen; de rand van de -zuigschijf draagt een enkelvoudige reeks van zeer kleine tandjes; -tusschen deze en die van de bovenkaak komen eenige grootere tanden -voor. De glanzig groenachtig blauwe kleur van de bovendeelen gaat op -de zijden in geelachtig wit, op den buik in zilverwit over; de vinnen -zijn paars. Ook deze Prik bewoont de zee; men vindt hem langs de kusten -van Europa, Noord-Amerika en Japan; ook hij zwemt de rivieren op om -kuit te schieten; soms echter vestigt hij zich, naar het schijnt, -voor goed in meren of groote rivieren. Bij ons treft men hem (vooral -in den winter en in het voorjaar) in de groote rivieren veelvuldig aan; -ook in de meeste andere zoete wateren, zelfs in slooten komt hij voor; -van Mei tot Juli vindt men hem dikwijls in de zee dicht bij het strand. - - - -Sommigen beschouwen den Zandprik of Kleinen Negenoog (Petromyzon -Planeri) als een variëteit van de vorige soort; hij is echter veel -kleiner, 20 à 40 cM. lang; de tweede rugvin begint onmiddellijk achter -de eerste; de bovenkaaks- en onderkaakstanden zijn stomp. - -De Zandprik bewoont Europa en Amerika en komt, volgens Yarrell, -ook in de zee voor. Veelvuldiger is deze soort echter in zoetwater; -men vindt haar in den regel in zeer grooten getale zelfs in de -kleinste binnenwateren, voor zoover hun bodem uit week zand of slijk -bestaat. Volgens Maitland wordt zij, ofschoon zelden, ook hier te -lande gevonden. - -In weerwil van de geringe ontwikkeling hunner vinnen, bewegen de -Prikken zich snel en behendig in 't water. Dit geschiedt overal, -waar de strooming niet sterk is, door zijdelingsche kronkelingen van -het lichaam; in snel stroomend water daarentegen verplaatsen zij zich -bij rukken, zuigen zich na iederen sprong vast aan een onbeweeglijk -voorwerp, rusten eenigen tijd en schieten vervolgens opnieuw vooruit; -op deze wijze kunnen zij zelfs snelvlietende bergbeken opzwemmen. Dat -Zeeprikken zich ook door Visschen van de eene plaats naar de andere -laten brengen, blijkt uit het vangen van Zalmen, waaraan zij zich -vastgezogen hadden, in den middelloop van den Rijn. De Zeeprik komt -slechts bij uitzondering in den bovenloop van een stroom voor; -zijne verwanten daarentegen bezoeken, zooals reeds gezegd is, -zelfs de kleinste bijrivieren en planten zich hier bij voorkeur, -zoo niet uitsluitend voort. Uit de wijze, waarop dit geschiedt, valt -af te leiden, dat het stroomopwaarts reizen voor de voortplanting -niet volstrekt noodig is. Alle Prikvisschen zijn parasieten, die zich -hoofdzakelijk voeden met het vleesch en bloed van andere dieren. In den -regel geschiedt het vastzuigen met dit doel. Nadat de Prik zich met den -zuigmond stevig vastgehecht heeft aan een Visch, brengt hij zijne als -een rasp werkende tanden in beweging, schaaft en vijlt de huid stuk, -dringt, al borend, steeds dieper door, verslindt de afgeschaafde -lichaamsbestanddeelen en vreet op deze wijze langzamerhand diepe -gaten in het lichaam van zijn slachtoffer, ook wanneer hij reeds dood -is. Het meest geschiedt dit bij Visschen, die zich door een op den -grond liggend lokaas hebben laten verschalken; waarschijnlijk vallen -echter niet zelden ook volkomen gave Visschen aan de Prikken ten buit. - -Het kuitschieten heeft plaats in de eerste lentemaanden en gaat -met eigenaardige handelingen gepaard. De Prikken zijn niet gelijk -andere in zoetwater paaiende Visschen uitgerust met organen om een -kuiltje als bergplaats voor hunne eieren te graven; dit gemis wordt -hun echter vergoed door den zuigmond, waarmede zij steenen kunnen -verplaatsen. Zij toonen hierbij een verbazende spierkracht, lichten -steenen van aanzienlijke grootte op en vormen op deze wijze schielijk -groote holten. In zulk een hol begeeft zich het paaiende paar en houdt -zich intusschen aan een van de grootste steenen vast. Reeds voor lang -had men op de paaiplaatsen van den Zandprik een wormvormigen Visch -opgemerkt, die Kieuwworm (Ammocoetes branchialis) werd genoemd. Dit -dier heeft bij een lengte van 18 cM. in den regel slechts de -dikte van een penneschacht, een zeer kleinen kop, met nauwelijks -zichtbare oogen en een halfcirkelvormige mondschijf zonder tanden, -kieuwopeningen, die in een diepe, overlangsche groeve gelegen zijn, -onderling vereenigde vinnen, een duidelijk in ringen verdeelde, dof, -zilverkleurige huid; de vinnen zijn geelachtig wit. Het is zeer wel -mogelijk, dat de Kieuwworm, die in België in den Moezel, de Schelde -en de Maas gevonden wordt, ook ons land bewoont, ofschoon men hem -hier nog niet waargenomen heeft. Hij leeft in den modderigen of -zandigen bodem van binnenwateren en herinnert door zijn levenswijze -meer aan een Worm dan een Visch; eerst door ontleding leert men -hem als een Gewerveld dier kennen. De gangen, die hij evenals de -Aardworm, in den grond boort, verlaat hij vrijwillig bijna nooit; -alleen om een andere schuilplaats op te zoeken maakt hij gebruik van -zijne vinnen. De Kieuwwormen houden zich gaarne op in bundels vlas, -die in 't water liggen en worden gemakkelijk verzameld, terwijl -men de op deze wijze "gerote" stengels op de weide uitspreidt om te -drogen. Van deze zoogenaamde "Vlasalen" wordt op sommige plaatsen -een smakelijk gerecht bereid door ze, zonder den kop, met wijn, -boter en citroensap te stoven. De mindere man versmaadt deze dieren, -omdat zij zooveel op Wormen gelijken; de visscher gebruikt ze in den -regel alleen als lokaas, omdat zij een buitengewoon taai leven hebben -en zelfs na ernstige verwondingen nog dagen lang zich bewegen. Sinds -lang werd de Kieuwworm door de dierkundigen beschouwd als een Visch, -die veel op de Prikken gelijkt; eerst in 1856 heeft August Müller de -nadere betrekking ontdekt, die tusschen deze beide wezens bestaat. Om -de ontwikkeling van de eieren van den Zandprik na te gaan, welker -bevruchting hij had waargenomen, plaatste hij de bevruchte eieren in -een aquarium en zag er na verloop van 18 dagen vischjes uitkomen, die -tot zijn groote verbazing van jonge Kieuwwormen in geen enkel opzicht -verschilden; uit hunne verdere ontwikkeling bleek duidelijk, dat zij -larven van den Zandprik zijn. Müller heeft de verschillende phasen van -de ontwikkeling van den blinden Kieuwworm tot den geslachtsrijpen, -grootoogigen Zandprik nagegaan. De gedaantewisseling der overige -Negenoogen heeft op dezelfde wijze plaats. Uit alle eieren ontstaan -in de eerste plaats Kieuwwormen, die in 3 of 4 jaar een lengte van -18 à 20 cM. bereiken en daarna in zeer korten tijd, in weinige dagen -n.l., zich tot volkomen Visschen ontwikkelen. Het schijnt, dat de -Negenoogen kort na den paaitijd sterven. Indien deze onderstelling -juist is, zou bij de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren, evenals -bij zoovele Ongewervelde, een kortstondig leven in geslachtsrijpen -toestand op een langdurigen larvetoestand volgen. - -Voor de vangst van Prikken (vooral Rivierprikken), die geregeld op -onze rivieren bij Arnhem, Nijmegen en Tiel van October tot Maart -plaats heeft, voor zoover de waterstand dit gedoogt, dienen meestal -"korven" of "toten". Deze zijn nagenoeg cilindervormig, van teenen -gevlochten, hebben een lengte van 47 à 50 en een middellijn van 24 -cM.; elke korf bevat 2 "kelen". Een "keel" gelijkt op een korf zonder -bodem van afgeknot kegelvormige gedaante; de wijdste rand past juist -in de korf en is aan deze bevestigd; de nauwste rand is naar den bodem -(den "kop") van de korf gekeerd: die van de voorste "keel" heeft een -middellijn van 10 à 11, die van de achterste van 7 1/2 à 8 cM. Achter -de laatste keel bevindt zich in den zijwand van de korf een opening, -die gedurende de vangst met een "klep" gesloten is; hierdoor kan de -gevangen Visch uit de korf geschud worden. Door tusschenkomst van een -aan den "kop" vastgehechten "staart" zijn de korven aan het "weel", -een van teenen gedraaiden kabel bevestigd; het "weel" zit met het -eene einde aan een in den rivieroever geslagen paal, met het andere -aan een op den rivierbodem rustend anker vast. Het "weel" is met -daaraan gehechte baksteenen, iedere korf met hierin geworpen grint -zoodanig geballast, dat het geheele toestel in de nabijheid van den -rivierbodem drijft; de korven hebben een min of meer horizontalen -stand met stroomafwaarts gerichte opening. Door den kop van de korf -gestuit, verandert de stroom van richting, verkrijgt een ronddraaiende -beweging om de korf en zal, aan haar uiteinde gekomen, al draaiend in -de kelen doordringen. De Prikken, die dicht bij de korven zwemmen, -worden hierdoor medegesleept. Hier te lande worden deze Visschen -gewoonlijk niet gegeten, maar als lokaas voor de Kabeljauwvangst -gebruikt en daarom levend naar Vlaardingen gezonden, waar ook vele -Prikken uit Engeland worden aangevoerd. Om voor de zeevisscherij -geschikt te zijn moet de Prik (die in dit geval door onze visschers -"Zeeprik" wordt genoemd) een zekere lengte hebben en "rond" (niet -"plat") zijn; exemplaren van behoorlijke grootte hebben een waarde -van ongeveer 10 cent. Men verzendt ze ook wel eens naar Duitschland, -waar zij als een lekkernij gezocht zijn en veel gevangen worden. Op -plaatsen waar veel stroom gaat, bezigt men hiertoe veelal een soort van -fuiken (van biezen gevlochten) met verscheidene "kelen" of "inken", -elders ook wel netten. De Prikken, die zich aan den bodem hebben -vastgehecht, brengt men met speren of haken aan de oppervlakte. Deze -vangst heeft vooral in de lente plaats, als de Zeeprikken de rivier -opzwemmen. Rivierprikken worden echter ook in den herfst in menigte -buit gemaakt, daar zij zich in dezen tijd naar zee begeven. - - - -Wormen onder de Visschen zijn de naaste verwanten van de Lampreien, -de Slijmprikken (Myxinidae), zij vormen een familie, die 2 geslachten -met slechts 5 soorten omvat. Het dunnere staartgedeelte van hun -rolrond lichaam is voorzien met een smallen huidzoom, waaraan geen -scheiding in staartvin, rugvin en aarsvin valt waar te nemen. De -weinig ontwikkelde lip van den zuigmond draagt grove, door kraakbeen -gesteunde baarddraden; de tong heeft een gering aantal op twee -kamvormige reeksen geplaatste tanden; het gehemelte, waaraan één -tand voorkomt, wordt doorboord door een buis, die met de neusholte -in gemeenschap staat. Rudimentaire, uitwendig niet zichtbare oogen -liggen onder de huid en de spieren verborgen. De kieuwzakken staan -ieder door een afzonderlijk buisje met den slokdarm in gemeenschap -en ontvangen hun water door één enkele opening voor iedere reeks -(Myxine) of ieder door een afzonderlijke opening (Bdellostoma). - -Linnaeus hield de meest bekende soort van deze familie, de Slijmprik -of Blinde Prik (Myxine glutinosa), voor een Ingewandsworm, waarmede -dit zonderlinge dier werkelijk naar het uitwendige meer overeenkomst -vertoont dan met een Visch. De rondachtige mond draagt 8 baarddraden, -de tong 2 reeksen ieder van 8 of 9 beenharde tandjes, het gehemelte -één hollen, eenigszins gekromden, kraakbeenigen tand; de huid scheidt -een overvloed van slijm af. De Slijmprik wordt ongeveer 40 cM. lang -en heeft een moeielijk te omschrijven, blauwachtig witte kleur. - -De Slijmprik bewoont op hooge breedten de zeeën van het noordelijk -en zuidelijk halfrond en wordt o.a. aan de kusten van Groenland, -Noorwegen, Zweden en Groot-Brittannië gevangen; hij komt echter ook -in de Noordzee voor, maar werd aan onze kust nog niet gevonden. In -den regel vertoeft hij op groote diepten en, naar het schijnt, -bij voorkeur op slijkerigen grond. Parasitisch leeft hij op en in -het lichaam van Visschen, borend dringt hij door in de spieren en -ingewanden van Dorschen, Lengen, Heilbotten, Steuren en Neushaaien -en laat er ten slotte alleen de huid en beenderen van over. Het -gemis van oogen wordt ongetwijfeld vergoed door de voor 't tasten -dienende baarddraden; men onderstelt, dat hij hiermede zijn prooi -opspoort, bij voorkeur een dier, dat in een net of aan een hoek -gevangen werd. Door den bek, den aars of een door hem zelf geboord gat -sluipt hij naar binnen. Tot voor korten tijd was de voortplanting der -Slijmprikken zeer onvoldoende bekend, daar men nagenoeg uitsluitend -wijfjes vond. De noordpoolreiziger Fridtjof Nansen heeft in 1887 -aangetoond, dat deze dieren, zooals men reeds lang vermoedde, -tweeslachtig (hermaphrodiet) zijn. De mannelijke geslachtsorganen -zijn eerder rijp dan de vrouwelijke, zoodat zelfbevruchting niet kan -plaats hebben. Zoodra de Slijmprik de lengte van 32 à 33 cM. heeft -overschreden, verdwijnen de mannelijke organen allengs en ontwikkelen -de vrouwelijke zich hoe langer hoe meer. De groote Slijmprikken zijn -dus in werkelijkheid wijfjes, terwijl die, waarvan de lengte nog -33 cM. bedraagt, feitelijk mannetjes zijn. De hoornachtige schaal -van de gele, betrekkelijk groote eieren draagt aan de beide einden -aanhangsels, die op ankers met drie spitsen gelijken en uit verhard -slijm bestaan. Hierdoor hechten zij zich aan allerlei voorwerpen vast. - - - - - - - -ELFDE ORDE. - -DE SMALHARTIGEN (Leptocardii). - - -Wij zijn nu in ons overzicht van het dierenrijk gevorderd tot de laagst -ontwikkelde Gewervelde Dieren, tot de familie der Lancetvischjes -(Branchiostomiidae). Door hen Visschen te noemen en als een orde -in deze klasse op te nemen, overschat men nog hun zeer geringe -verwantschap met de echte Visschen. Deze is zelfs zoo gering, dat het -aanbeveling verdient de Lancetvischjes--de "Schedelloozen"--in een -afzonderlijke afdeeling te plaatsen naast die der "Schedeldieren", -welke alle hoogere Gewervelde Dieren omvat. Ook zij hebben echter -een inwendig geraamte, hoewel dit eenvoudig uit een geleiachtige -ruggestreng (chorda dorsalis) bestaat, welker buitenste omhulsel (de -skeletvormende laag) een buisvormige holte begrenst, die de centrale -deelen van het zenuwstelsel (het ruggemerg) bevat. - -Het Lancetvischje (Branchiostoma lanceolatum, Amphioxus lanceolatus) -is ongeveer 5 cM. lang en heeft een langwerpigen, smallen, kantigen -romp, die naar beide einden tamelijk gelijkmatig spitser wordt. Een -vinvormige huidzoom breidt zich langs het grootste gedeelte van den -rug uit, omgeeft als een lancetvormige lap de spits van den staart -en zet zich langs den buikrand voort tot aan den aars. Andere vinnen -zijn niet aanwezig. Op korten afstand van de voorste spits, aan de -ondervlakte, bevindt zich de mondopening. Deze overlangsche spleet -is omgeven door een aantal tamelijk stijve, kraakbeenige draden (12 -à 15 aan iedere zijde), die binnenwaarts gebogen kunnen worden om -den mond te sluiten. Zij zijn gehecht aan een krans van kraakbeenige, -onderling gelede strookjes, die tevens tot steun dienen voor den rand -der mond. Deze gaat onmiddellijk over in de wijde kieuwkorf, welker -wand uit vele (meer dan 100) naast elkander liggende, schuins van boven -naar onderen en naar achteren gerichte kraakbeenstaafjes bestaat, -waartusschen even zoovele smalle spleten voorkomen, waardoor het -ademhalingswater, dat door den mond is opgenomen, in de lichaamsholte -geraakt om vervolgens door een aan de buikzijde ver voor den aars -gelegen "buikporie" weggevoerd te worden. De strooming van dit water -wordt evenals de voortbeweging van de hierin aanwezige voedseldeeltjes, -veroorzaakt door de tallooze, microscopisch fijne trilharen, die de -geheele oppervlakte van het slijmvlies bekleeden, zoowel dat van het -ademhalingstoestel als dat van het voor de vertering dienende deel van -het spijskanaal. Dit begint aan het achterste uiteinde van de kieuwkorf -en is er door een ringvormige plooi van gescheiden. Het loopt nagenoeg -recht, en heeft geen verwijding, maar wordt achterwaarts nauwer. Een -zijdelingsche groenachtige uitstulping van het voorste gedeelte van -'t spijskanaal wordt als lever beschouwd; de aars is een weinig ter -linkerzijde van het middenvlak gelegen. Het bloed is kleurloos; een -eigenlijk hart is niet aanwezig; een groote, kloppende ader, die het -bloed naar voren stuwt, bevindt zich onder de ruggestreng en staat -in gemeenschap met een boven het midden van de kieuwkorf gelegen -zoogenaamd "kieuwhart", dat bloedvaten (kieuwslagaders) zendt naar -de kieuwen, die eveneens met kloppende verwijdingen voorzien zijn; -door kieuwaders geraakt het door ademhaling veranderde bloed in de -groote lichaamsslagader, die onder de ruggestreng voorkomt. Deze -strekt zich uit van de spits van den snuit tot aan het einde van den -staart. De buitenste chordascheede vormt het ruggemergskanaal, dat -van voren een kleine opzwelling vertoont. Boven het voorste uiteinde -van het ruggemerg treft men twee gekleurde vlekjes aan, die als oogen -worden beschouwd. Gehoororganen zijn niet aanwezig, evenmin schedel, -hersenen, kaken, tanden, ledematen. De voortplantingsorganen openen -zich in de lichaamsholte; hunne producten worden door de reeds genoemde -"buikporie" naar buiten gevoerd. - -Van de levenswijze dezer allerlaagst ontwikkelde Gewervelde Dieren is -slechts zeer weinig bekend. Hun noordelijk verbreidingsgebied omvat de -Europeesche en Amerikaansche stranden van den Noordelijken Atlantischen -Oceaan en Middellandsche Zee; tot het zuidelijke behooren de kusten -van de West-Indische eilanden, van Zuid-Amerika, van Borneo, van de -Bass-straat (tusschen Nieuw-Holland en Tasmanië) en andere deelen van -Australië. Zij houden zich op te midden van het fijne zand en stemmen -hiermede door hun kleur zoozeer overeen, dat men het zand door een -fijne zeef moet spoelen om hen te vinden. Waarschijnlijk zijn zij -op alle door hen bewoonde plaatsen veel overvloediger aanwezig dan -gewoonlijk aangenomen wordt; het is althans niet moeielijk om op -plaatsen waar men de aanwezigheid van deze dieren kan verwachten, -er binnen weinige uren een groot aantal buit te maken. Wanneer zij -genoodzaakt worden het zand te verlaten, schieten zij bij rukken met -korte kronkelingen van het lichaam pijlsnel door het water en kruipen -een oogenblik later weder onder het zand. Zeer te recht zegt Gouch, -dat men bij 't zwemmen den kop en den staart niet of nagenoeg niet -kan onderscheiden. Wilde hield Lancetvischjes in een glas gevangen; -zij bewogen zich als Alen met snelle kronkelingen; hoewel het -gezichtsorgaan bij hen zeer weinig ontwikkeld is (en misschien niet -eens bestaat), ontweken zij den vinger of andere belemmeringen op -hun weg, door in de nabijheid van zulk een voorwerp stil te houden -en zich om te keeren. Zij hebben de merkwaardige gewoonte van zich -aan elkander te hechten. Soms vereenigen zij zich tot een kluwen, -soms tot een reeks van 15 à 20 cM. lengte, die zich als één dier -met slangsgewijze kronkelingen beweegt. De leden van de reeks zijn -altijd met de breede zijden aaneengekleefd; het kopeinde van ieder -dier bevindt zich ongeveer bij den aanvang van het laatste derde deel -der lichaamslengte van zijn voorganger. - -Evenals alle dieren met rudimentaire oogen, is het Lancetvischje zeer -lichtschuw. Door een felle verlichting wordt het zeer onrustig. - -Kowalewsky heeft bij het nagaan van de ontwikkelingsgeschiedenis -der Lancetvischjes de opzienbarende ontdekking gedaan, dat zij -gedurende het kiemleven in hoofdzaken overeenstemmen met de tot de -Manteldieren behoorende Ascidiën of Zakpijpen. Van alle Ongewervelde -Dieren zijn de Ascidiën door het bouwplan van hun lichaam het naast -aan de Gewervelde Dieren verwant. Ook de embryologie leert ons dus, -dat de Lancetvischjes de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren zijn. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] W. D. van den Ende. Verslag van de Vereeniging tot -bevordering van de Nederlandsche Ichthyologie.--C. J. Bottemanne -en Dr. P. P. C. Hoek. Tijdschrift van de Nederlandsche Dierkundige -Vereeniging. Supplementdeel II. - -[2] Over het voorkomen van Tonijnen aan de Nederlandsche kust wordt -door Van Bemmelen het volgende aangeteekend: "Houttuijn zegt, dat -hem verhaald is dat onlangs (in 1765) een Tonijn, wel 10 voet lang in -het Wijkermeer (een gedeelte van het IJ) zou gevangen zijn. Volgens -mededeeling van een ooggetuige (den heer Jacobze) aan den heer -Maitland is in het jaar 1810 een school van een honderdtal Tonijnen -in het Hollandsch Diep voor de Willemstad gezien, waaronder sommige -4 à 5 voet lang waren. Het is onzeker, tot welke der 2 Europeesche -soorten--de Gewone Tonijn en de Langvinnige Tonijn--deze voorwerpen -behoorden. Prof. Schlegel meent, dat ze met meer recht tot de -laatstgenoemde kunnen gebracht worden. Intusschen meldt Yarrell, -dat de Gewone Tonijn in de Noordzee aan de Engelsche kusten meermalen -is gevangen, doch zoover hem bekend is, slechts 2 exemplaren van de -Langvinnige soort zijn waargenomen in het Kanaal en nimmer één in de -Noordzee is gezien. Het schijnt mij dus waarschijnlijker, dat onze -exemplaren tot de Gewone soort behooren." - -[3] Om de nadeelige gevolgen van een door den Pieterman toegebrachte -wonde af te wenden, leggen de bewoners van sommige onzer kuststreken -(o.a. van Texel), na het maken van insnijdingen en het uitzuigen -van het gewonde lichaamsdeel, hierop de lever van den Visch, die het -misdrijf pleegde. - -[4] De "Buitenlek" of "Buitenzee" wordt door onze visschers genoemd -dat gedeelte der Noordzee, dat verder dan 4 à 6 uur van het strand -verwijderd is; tot op dien afstand van het strand heet de Noordzee -"Binnenlek" of "Binnenzee". In het algemeen genomen, kan men stellen, -dat aan de kusten der provinciën Noord- en Zuid-Holland, de zandbank -genaamd de Breeveertien de grens is tusschen de Binnen- en Buitenlek; -deze Breeveertien wordt gewoonlijk gerekend zich te bevinden op 3 of -4 uur afstand van het strand; noordelijker dan Holland is de grens -tusschen Buiten- en Binnenlek zeer onzeker en wordt zij wel tot op -6 uur afstand van het strand genomen. (Van Bemmelen.) - -[5] Deze vischvangst heeft Bellamy de stof verschaft voor zijn -gedicht "Roosje" (Proeven voor het "Verstand, den Smaak en het -Hart." Dordrecht. 1790). - -[6] Vergelijk: Dr. P. P. C. Hoek "De Zalm op onze rivieren" (1891), -waaraan het bovenstaande voor een deel ontleend is. - -[7] "Der Fischfang in der Lagune von Comacchio nebst einer Darstellung -der Aalfrage" von Dr. L. Jacoby (mit zwei Tafeln). Berlin 1880. Verlag -von A. Hirschwald. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** - -***** This file should be named 52341-8.txt or 52341-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/2/3/4/52341/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
