diff options
Diffstat (limited to 'old/53612-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/53612-8.txt | 10165 |
1 files changed, 0 insertions, 10165 deletions
diff --git a/old/53612-8.txt b/old/53612-8.txt deleted file mode 100644 index fd666a5..0000000 --- a/old/53612-8.txt +++ /dev/null @@ -1,10165 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Vaders en Zonen, by Ivan Toergenev - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Vaders en Zonen - -Author: Ivan Toergenev - -Release Date: November 26, 2016 [EBook #53612] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VADERS EN ZONEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - DE MEULENHOFF-EDITIE - - EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK - - - - UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF - TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVIII - - - - - - - - - VADERS EN ZONEN - - ROMAN - - DOOR - - IVAN TOERGENEF - - IN EEN NIEUWE VERTALING UIT HET RUSSISCH - MET EEN OVERZICHT EN EEN NAWOORD VAN - - ARN. SAALBORN - - - - UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF - TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88 - - - - - - - - -IVAN TOERGENEF. - - -Toergenefs vader was overste in een kurassiersregiment te Orel, -afstammeling van een oud-adellijk geslacht, en gehuwd met de -dochter van een zeer rijk grondbezitter. Alle vereischten tot een -echt-Russische "heerenziel" zijn dus aanwezig bij den jongen Ivan, -die de eerste jaren van zijn leven op het moederlijk landgoed -in de omgeving van Mtsensk (goev. Orlof) doorbrengt, omgeven door -lijfeigenen en slaven. In 1822 onderneemt de familie een groote reis -door Duitschland, Zwitserland en Frankrijk, waarbij de vader een -kleine hofhouding van lijfeigenen met zich voert. Terug in Rusland -vestigt men zich in Spask, als landedellieden. Het "Adelsnest" is -gebouwd, en Ivan groeit hier op, onder de leiding van Zwitsersche en -Duitsche goeverneurs, die hem en zijn broeder Nikolaas vooral Fransch -en Duitsch moeten leeren. Het Russisch speelt een zeer ondergeschikte -rol. In de geheimen der Russische taal en letterkunde wordt de jongen -ingewijd door een lijfeigen kamerdienaar van zijn moeder, die hem in -gestolen uren voorleest uit oude epische gedichten. De oud-overste -en zijn vrouw waren hard en despotisch tegenover de leermeesters -hunner kinderen. Eens wierp de vader een goeverneur voor de oogen -der jongens de trappen af, omdat zijn houding hem niet aanstond. Het -huispersoneel wordt geslagen en dit zijn de eerste indrukken, welke de -jonge schrijver van de maatschappelijke verhoudingen in zich opneemt. - -Sedert 1834 in de hoofdstad, bestudeert Ivan de classieken onder -leiding van Duitsche professoren, in 1837 wordt hij candidaat en -gaat hij "schrijven". Zijn eerste werk is een slaafsche navolging -van Byrons Manfred. - -Thans echter gevoelt hij, dat Rusland hem niet bevredigen kan. Zijn -wetensdrang drijft hem naar Duitschland en Italië. Tusschen 1838-47 -zien we hem de colleges volgen o. a. van de Berlijnsche professoren -Hegel en Ranke en weldra rukt hij zich, ten minste theoretisch, -los van het donkere Rusland, van het leven der Russische adellijke -grondbezitters vooral. "Ik stortte mij in de zee van het W.-europeesche -leven en werd een westerling, wat ik sedert altijd gebleven ben." - -Toch werd hij weldra medewerker aan de Sovremenik (Tijdgenoot) en de -in dit blad gepubliceerde novellen maakten hem in korten tijd bekend -en bemind bij het Russische publiek, (vooral De Aanteekeningen van -een Jager). - -Deze jonge roem kon hem echter niet met Rusland verzoenen en hij -ging weer buitenslands. Maar de dood zijner moeder (1850) drong hem -naar zijn landgoed terug te keeren, dat hij sedert met zijn broeder -beheerde. Zijn eerste daad was, de lijfeigen-boeren vrij te maken. - -In 1852 verscheen zijn Brief over den dood van Gogel, naar aanleiding -waarvan de censor hem een maand gevangenisstraf bezorgde, omdat... deze -heer niet hield van Gogel...! In de pers heette hij den eerstvolgenden -tijd... "de bekende schrijver". Men durfde zijn naam niet noemen! - -Dit is typisch het Rusland van Nikolaas I! - -In Petersburg ontmoette hij de zangeres Pauline Viardo-Garsia, die -een groote, maar geen tragische rol in zijn leven heeft gespeeld. In -haar familie opgenomen, hechtte hij zich spoedig en bleef levenslang -jonggezel, trouw blijvend aan deze zijn eerste liefde. Met deze familie -reisde hij veel en woonde beurtelings in Baden-Baden, Parijs of Rome. - -In de eerstvolgende jaren verschijnen zijn beste werken. "Roedin", als -zoo veel Russische romanfiguren een halve held, die de konsekwenties -van zijn theorieën, zijn ideaal of zijn liefde niet aandurft en -voor de daad terugschrikt; Asja, de vreemde meisjesfiguur, en het -Adelsnest van 1859, waarin Lisa, de liefhebbende, geduldig wachtende -vrouw, ook door Poesjkiens Tatjana vereeuwigd in heerlijken glans van -vertrouwende liefde [1] en Lawretski, weer de halve-held, die zich -en haar ongelukkig maakt door zijn halfheid. Ook Eerste Liefde is -van dezen tijd. In 1861 verscheen zijn eerste groote roman Vaders en -Zonen in een Russisch Tijdschrift, een gebeurtenis en een omwenteling -in zijn leven. Van alle zijden aangevallen, zoowel van conservatieve, -als van vooruitstrevende, had hij het bewustzijn, hier iets gedaan te -hebben voor zijn land, maar voelde zich zóó teleurgesteld door allerlei -tegenstand, dat hij met het plan omging, de pen neer te leggen. - -Pauline Viardo was intusschen een wijd-vermaarde zangleerares geworden -te Baden-Baden, waar Toergenef een villa liet bouwen. Hij dichtte hier -libretto's, waarvoor Pauline muziek schreef en die vaudevilles werden -te hunnen huize opgevoerd. Beroemde gasten, zelfs gekroonde hoofden, -bezochten de soirées, welke hier werden gegeven. - -Maart 1867 verscheen Dim (Rook), een boek, voor welks personen -Toergenef vele voorbeelden in Baden had aangetroffen. Verwijten -bleven wederom niet uit. Men verklaarde, dat de auteur het Russische -wezen niet meer begreep. Maar Toergenef liet de critiek rustig -over zich gaan en arbeidde vlijtig voort. Vele novellen verschenen, -o. a. Koning Lear der Steppe, Vorst Tropman, (de beschrijving van de -laatste oogenblikken van een ter dood veroordeelde) e. a. - -Met het uitbreken van den Fransch-Duitschen oorlog, verkochten -Toergenef en de Viardo's hun eigendommen in Baden en trokken naar -Parijs, al bleven Toergenefs sympathieën voorloopig zeer stellig -aan de zijde van Duitsche kunst en Duitsch leven. Maar weldra is hij -in Parijs de vriend van Flaubert en de Goncourts, en helpt Zola en -Maupassant vooruit. - -1877 verscheen Nof (Het Nieuwe) een boek, waarin hij de nieuwe -denkbeelden der jonge menschen dier dagen, zoowel in Rusland als -in het Buitenland schetste. Het gaat om de bevrijding van het -volk, maar zooals gewoonlijk is de held niet opgewassen tegen den -strijd. Machteloos wordt hij het slachtoffer van zijn machteloos -ideaal. Verontwaardiging was wederom de houding van het Russische -publiek. Hij besloot nogmaals, niet meer te schrijven en hield dat -drie jaar vol, tot een reis naar zijn vaderland hem bewees, hoe lief -de Russen hun schrijver hadden. Zijn gezondheidstoestand ging sinds -1881 achteruit, en in Augustus 1883 overleed hij in zijn villa te -Bongival bij Parijs. Zijn lijk werd in Petersburg ter aarde besteld -in tegenwoordigheid van tallooze belangstellenden. - -Heel anders dus als het leven van een Nekrassof, een Dostojefski -verloopt zijn leven in de zorgelooze weelde der Europeesche -hoofdsteden. Maar nooit verloochent zich ook in hem, "de Russische -ziel", de Russische kunstenaar, zoeker naar waarheid, mee-lijdende -mensch, teeder-ontroerde melancholicus, diep-overtuigd van de -menschelijke onmacht. De adel echter, die hij van zijn geslacht heeft -geërfd, uit zich in den altijd harmonischen bouw en wel-verzorgden -stijl zijner romans en novellen. Ook in dit opzicht dus onderscheidt -hij zich van de groote mannen-uit-het-volk. - - - - - - - - -I. - - ---En, Peter, zie je nog niets? vroeg den twintigsten Mei 1859 op -den ... straatweg een man van 45 jaren, die een overjas en geruite -broek droeg en blootshoofds en bestoft voor de deur eener herberg -stond. Zijn knecht, jong en flink, had ronde wangen, kleine fletse -oogen en een ronde kin met kleurloos dons bedekt, en verried met zijn -gepommadeerde haren, zijn steenen oorringen, zijn weloverwogen gebaren, -den mensch eener nieuwe, vooruitstrevende generatie. Beleefdheidshalve -keek hij nog al onverschillig den straatweg af en antwoordde afgemeten: - ---Er is volstrekt niets te zien! - ---Zie je niets? vroeg de heer. - ---Volstrekt niets, herhaalde de ander. - -De heer zuchtte en ging op de bank zitten. Wij zullen hem den lezer -voorstellen, terwijl hij daar zoo zit met over elkaar geslagen beenen -en zijn blikken peinzend weiden laat. - -Hij heet Nikolaas Petrowitsj Kirsanof en bezit een goed stuk land -met twee honderd boeren, ongeveer vijftien werst van de herberg -verwijderd. Daar heeft hij een pachthoeve (zooals hij dat gaarne -noemt sedert de nieuwe regeling met de boeren) die een tweeduizend -desjatien omvat. Zijn vader, een van onze generaals van 1812, een -man zonder veel beschaving, ruw, een echte Rus, maar niet slecht, -had zijn leven lang geluierd. Brigade- en later divisie-commandant, -woonde hij meestal in de provincie, waar hij in zijn dorp een vrij -belangrijke rol speelde. - -Nikolaas Petrowitsj was in Zuid-Rusland geboren, evenals zijn -oudere broeder Paul, over wien we later zullen spreken. Tot zijn -veertiende levensjaar was hij opgevoed door goeverneurs, en hoe minder -geld aan die opvoeding besteed werd, des te aangenamer was het den -generaal. Slaafs-welwillende adjudanten en andere baantjes-bekleeders, -behoorend bij den generalen staf, vormden zijn omgeving. - -Zijn moeder, uit de familie Koliazin en die als meisje Agatha heette, -had sedert haar huwelijk den naam Agathokleja Koezminisjna Kirsanova -aangenomen en onderscheidde zich bij haar optreden in niets van andere -hoofdofficiersvrouwen. Zij droeg prachtige hoeden, ruischende zijden -kleeren, trad in de kerk altijd het eerst naar voren om het kruis te -kussen, praatte veel en druk, reikte iederen morgen haar kinderen -de hand tot een kus en gaf hun iederen avond haar zegen, kortom, -ze leefde voor haar genoegen. - -Ofschoon Nikolaas Petrowitsj, als de zoon van een generaal niet -uitmuntte door dapperheid, werd hij toch evenals zijn broeder Paul -bestemd voor den militairen dienst. Maar op den dag, dat hij bij zijn -regiment ingelijfd zou worden, brak hij een been, bracht twee maanden -door te bed en hinkte sedert zijn leven lang. De vader moest afzien van -zijn militaire plannen en plaatste hem in den civielen dienst. Hij -bracht hem naar St. Petersburg, zoodra hij zijn achttiende jaar -had voltooid en liet hem de universiteit bezoeken. In hetzelfde jaar -verwierf zijn broeder den officiersrang in een garderegiment. De jonge -lieden betrokken eenzelfde woning onder het lichte toezicht van een oom -van moeders zijde, Ilja [2] Koljazin, een hooggeplaatst ambtenaar. De -vader was teruggekeerd tot zijn divisie en zijn echtgenoote en nu -en dan zond hij zijn zoons kwarto vellen grijs papier beschreven met -een handschrift vol sierlijke krullen. Aan het slot van deze epistels -las men in een zorgvuldig omcirkelde handteekening de woorden: "Peter -Kirsanof, generaal-majoor." In 't jaar 1835 verliet Nikolaas Petrowitsj -de universiteit als candidaat en in datzelfde jaar verhuisde generaal -Kirsanof, die na een onverwachte inspectie pensioen gekregen had, -voor goed naar Petersburg met zijn vrouw. Hij huurde een huis bij -den Taurischen Tuin en werd opgenomen in de Engelsche Club, maar -plotseling overleed hij aan een beroerte. Agathokleja Koezminisjna -volgde hem spoedig in het graf, zij vermocht zich niet te schikken in -het doffe hoofdstadsleven. Het verdriet, als 't ware ontslagen te zijn, -knakte haar ten slotte. Nikolaas Petrowitsj echter was, nog vóor den -dood zijner ouders en tot hun bittere teleurstelling verliefd geworden -op de dochter van den beambte Prepolovenski, bij wien hij inwoonde, -een lief en zooals gezegd werd, een ontwikkeld meisje: zij las in de -tijdschriften de ernstige artikelen in de afdeeling: wetenschap. Hij -trouwde haar, zoodra de treurtijd voorbij was, liet zijn betrekking aan -het ministerie der domeinen, welke hij door voorspraak van zijn vader -gekregen had, in den steek en gelukzalig trok hij met zijn Masja eerst -naar een landhuis van het Boschkundig Instituut, later naar de stad -in een kleine, aardige woning met een killen salon en goed onderhouden -trap, eindelijk echter vestigde hij zich op het land, en daar werd hem -zijn zoon Arkadiej geboren. De echtgenooten leefden goed en rustig, -zij lieten elkander nooit alleen, lazen gezamenlijk, speelden samen -quatre-main, en zongen duetten. Zij kweekte bloemen en zorgde voor -het pluimvee. Hij ging bij tijd en wijle op jacht en hield zich bezig -met landbouw. En Arkadiej groeide en groeide even welgemoed en rustig. - -Tien jaren gingen als een droom voorbij. In het jaar 1847 overleed -de vrouw. Hij trok zich dien slag zoozeer aan, dat hij in enkele -weken grijs werd. Hij maakte toebereidselen voor een buitenlandsche -reis, want hij wilde vergeten, toen het jaar '48 reizen onmogelijk -maakte. Hij keerde gedwongen naar zijn land terug, leefde langen tijd -in niets doen en begon eindelijk aan agrarische reorganisatie. In -1855 zond hij zijn zoon naar de universiteit, woonde drie winters met -hem samen in Petersburg, ging weinig uit en hield zich veel bezig -met de jonge vrienden van Arkadiej. Den winter daarop kon hij niet -komen en wij zien hem in Mei 1859, reeds geheel grijs, vadzig, min -of meer gebogen. Hij wacht zijn zoon, die, evenals hij zelf weleer, -den titel van candidaat heeft verworven. - -De bediende was uit fijngevoeligheid of omdat hij wellicht niet onder -de oogen van zijn meester wilde blijven, naar binnen gegaan en had -zijn pijp gestopt. - -Nikolaas Petrowitsj liet het hoofd hangen en begon naar de oude -treden van de stoep te staren: een groote, bonte kip stapte -op en neer, krachtig met haar lange gele pooten; een vuile kat -begluurde haar niet zeer vriendschappelijk van af de leuning, -waarop zij zat. De zon stak. Uit het half-donkere vertrek, vlak -achter den ingang der herberg gelegen, kwam de geur van versch -gebakken roggebrood. Onze Nikolaas Petrowitsj begon te droomen. "Mijn -jongen... candidaat... Arkasja..." Onophoudelijk gingen hem die woorden -door het hoofd. Hij trachtte te denken aan den een of anderen vriend -en wederom keerde dat eene terug. Hij dacht aan zijn vrouw... "zij -heeft niet gewacht," fluisterde hij weemoedig. Een groote, blauwgrijze -duif streek neer op den weg en trippelde naar een waterplas bij den -put. Nikolaas Petrowitsj keek hiernaar, maar zijn oor vernam reeds -in de verte het geluid van een reiskoets. - ---Dat zouden ze wel kunnen zijn, meende de knecht, terwijl hij uit -de deur te voorschijn kwam. - -Nikolaas Petrowitsj sprong op en tuurde den weg af. Daar verscheen een -tarantas, bespannen met drie paarden. In den wagen onderscheidde hij de -klep van een studentenpet en de bekende trekken van een geliefd gelaat. - ---Arkasja! Arkasja! riep Kirsanof en stormde met opgeheven armen -vooruit. Enkele oogenblikken later kusten zijn lippen reeds de -baardlooze, door de zon gebruinde, bestofte wangen van den jongen -candidaat. - - - - - - - - -II. - - ---Laat ik me eerst wat opknappen, papaatje, zei Arkadiej met een -ietwat door de reis vermoeide, maar welluidende, jonge stem, terwijl -hij de vaderlijke liefkoozingen met blijdschap beantwoordde,--ik maak -u heelemaal stoffig! - ---Dat is niets, dat is niets, antwoordde Nikolaas Petrowitsj met -een gevoeligen glimlach en tweemaal sloeg hij met de hand den kraag -van de jas van zijn zoon en van zijn eigen overjas af.--Laat je eens -bekijken, laat je eens bekijken, ging hij voort, deed eenige passen -achteruit, liep toen haastig naar het posthuis, en riep: "Vooruit, -vooruit, de paarden!" - -Nikolaas Petrowitsj scheen meer opgewonden dan zijn zoon. Hij was -zeer onrustig en scheen ergens bang voor. Arkadiej hield hem staande. - ---Papaatje, zei hij, mag ik je mijn lieven vriend Bazarof voorstellen, -over wien ik je zoo dikwijls geschreven heb? Hij is zoo vriendelijk, -eenigen tijd bij ons door te willen brengen. - -Kirsanof keerde zich haastig om en trad toe op een man van groote -gestalte, in een langen mantel met kwasten gehuld, die op dat -oogenblik uit de reiskoets stapte. Hij schudde hem krachtig, zijn -breede, roode hand, die deze hem niet dadelijk had toegestoken. - ---Van harte gaarne, zei hij, ik ben verheugd over uw goed voornemen, -ons te bezoeken. Mag ik zoo vrij zijn, u te vragen naar uw en uws -vaders naam? - ---Jevgeni Wassiljef, antwoordde Bazarof, met trage, maar forsche -stem en den kraag van zijn mantel neerslaande, toonde hij Nikolaas -Petrowitsj zijn geheele gezicht. Langwerpig en mager, met een breed -voorhoofd, een neus, van boven breed, naar onderen spits toeloopend, -groote groenachtige oogen en lange bakkebaarden van twijfelachtige -kleur; een rustige glimlach verlevendigde zijn gezicht, dat -zelfvertrouwen en intelligentie uitdrukte. - ---Ik hoop, mijn beste Jevgeni Wassilitsj, dat ge u niet vervelen zult -bij ons, ging Nikolaas Petrowitsj voort. - -De dunne lippen van Bazarof gingen nauwelijks open, maar hij antwoordde -niet en nam alleen even zijn muts af. Zijn kastanjebruin haar, lang -en dicht, liet de machtige welving van zijn breed voorhoofd open. - ---Nu dan, Arkadiej, vroeg Nikolaas Petrowitsj weer aan zijn zoon, -zullen we dadelijk de paarden laten inspannen of wil jullie eerst -wat uitrusten? - ---Thuis zullen we rusten, papaatje, laat maar inspannen. - ---Dadelijk, dadelijk, antwoordde de vader.--He, Peter, hoor je? Maak, -dat we vlug wegkunnen, broedertje! - -Peter, die in zijn hoedanigheid van voorbeeldig dienaar, niet de hand -zijns meesters was komen kussen, maar hem slechts van verre gegroet -had, verdween schielijk achter de staldeuren. - ---Ik ben hier met een rijtuig, maar voor jouw reiskoets zal er ook -wel een driespan zijn, zei Nikolaas Petrowitsj bezorgd; intusschen -dronk Arkadiej water uit een ijzeren kroes, hem door de waardin van -het posthuis gebracht, maar Bazarof stopte zijn pijp en stapte op -den koetsier toe, die bezig was, de paarden uit te spannen. - ---En, ging hij voort, er zijn maar twee plaatsen in mijn rijtuig en -nu weet ik niet, hoe je vriend... - ---Hij gaat in de tarantas, antwoordde Arkadiej half-luid. Maak u -over hem alstublieft niet ongerust. Hij is een flinke jongen, heel -eenvoudig, u zult zien. - -De koetsier van Nikolaas Petrowitsj kwam met de paarden. - ---Vooruit, haast je wat, dikkop! riep Bazarof den koetsier toe. - ---Hoor je, Mitioecha, zei een ander postiljon, die op eenigen afstand -met zijn handen in de zakken van zijn pelsjas stond.--Hoe heeft de -heer je genoemd? Dikkop! Dat ben je ook! - -Mitioecha nam alleen maar zijn muts af en trok het zweetende -middenpaard aan den teugel. - ---Vlug, vlug, jongens, help eens een handje, riep Nikolaas Petrowitsj, -er zal wel een borrel overschieten! - -Enkele minuten en de paarden waren ingespannen. De vader stapte met -zijn zoon in het rijtuig. Peter sprong op den bok. Bazarof ging in -de reiskoets, leunde het hoofd tegen een lederen kussen en weg reden -de beide equipages. - - - - - - - - -III. - - ---Zoo ben je dan eindelijk candidaat en op weg naar huis, sprak -Nikolaas Petrowitsj, klopte hem nu eens op de knieën, dan weer op -zijn schouders. - ---Eindelijk! - ---Hoe is 't met oom? Gezond? vroeg Arkadiej, die, niettegenstaande -zijn oprechte, bijna kinderlijke blijdschap, liever een wat kalmer -toon in het gesprek zag aangenomen. - ---Hij is wel. Hij had eerst met mij mee willen gaan jou tegemoet -rijden. Maar hij is van plan veranderd. - ---Hebt u lang op mij gewacht? vroeg Arkadiej. - ---Ja, bijna vijf uur. - ---Beste papaatje! - -Arkadiej keerde zich levendig tot zijn vader en drukte hem een kus -op de wang. Nikolaas Petrowitsj glimlachte even. - ---Je zult zien, wat voor een paard ik voor je heb, zei hij. Je zult -zien. En je kamer is opnieuw behangen. - ---Is er ook een kamer voor Bazarof? - ---Voor hem zal ook een kamer gevonden worden. - ---Wees vriendelijk tegen hem, papa. Ik kan u niet zeggen hoe ik op -zijn vriendschap gesteld ben. - ---Ken je hem al lang? - ---Nog niet lang. - ---Daarom heb ik hem den laatsten winter niet gezien. Wat doet hij -alzoo? - ---Zijn hoofdvak is natuurwetenschappen. Maar hij weet alles. Het -volgend jaar zal hij zijn doctorsgraad halen. - ---Aha, hij studeert dus medicijnen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj -en zweeg toen. - ---Peter, riep hij dezen toe en wees met de hand, gaan daar niet van -onze boeren? - -Peter keek den kant uit, die zijn heer hem gewezen had. Eenige -karren, met paarden zonder toom ervoor, reden snel langs een smallen -landweg. Op elke kar zaten een of twee boeren met de pelzen open. - ---Ja waarachtig, antwoordde Peter. - ---Waar gaan die naar toe? Naar stad soms? - ---Waarschijnlijk wel naar stad. Naar de kroeg, zei hij op verachtenden -toon, en wendde zich tot den koetsier, als om zich op hem te -beroepen. Maar deze roerde zich niet, hij was een man van het oude -regiem en niet toegankelijk voor de nieuwe denkbeelden. - ---De boeren veroorzaken mij veel zorg dit jaar, sprak Nikolaas -Petrowitsj, en keerde zich tot zijn zoon. Ze betalen hun pacht -niet. Wat zou jij doen? - ---Bent u tevreden met de loonarbeiders? - ---Ja, antwoordde Nikolaas Petrowitsj tusschen de tanden door. Maar -ze worden opgestookt, dat is de kwaal. En dan werken ze niet met den -echten ijver. En vernielen de spannen der paarden. Zij ploegen ook, -maar hoe? Er is gemalen. Meel zal er wel zijn. Doe jij tegenwoordig -soms aan landbouw? - ---Er is hier geen schaduw, dat is jammer, zei Arkadiej zonder op de -laatste vraag te antwoorden. - ---Ik heb aan de noordzijde boven het balkon een groote markies -laten aanbrengen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, we kunnen nu in de -buitenlucht eten. - ---Dat zal wel erg op een villa lijken. Maar dat is het minste. Wat is -de lucht hier zuiver! Wat ruikt dat heerlijk. Werkelijk, ik geloof, -dat het nergens ter wereld zoo ruikt, als in deze streken. En dan -die hemel hier... - -Arkadiej zweeg plotseling, wierp een steelschen blik achter zich en -hield zich stil. - ---Natuurlijk, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, je bent hier geboren -en dus moet alles je hier bizonder... - ---Nu, papaatje, dat is vrijwel onverschillig, waar iemand geboren is. - ---Maar... - ---Neen, dat doet er werkelijk niet toe. - -Nikolaas Petrowitsj keek zijn zoon van terzijde aan en het voertuig -legde een halve werst af, voordat zij het gesprek hervatten. - ---Ik herinner mij niet, of ik je geschreven heb, begon Nikolaas -Petrowitsj, dat je oude min, Jegorovna gestorven is. - ---Is het waar? Het arme oudje! En Prokofitsj, leeft nog? - ---Die leeft nog en is volstrekt niet veranderd. Hij bromt nog als -van ouds. Waarschijnlijk zul je geen groote verandering aantreffen -op Marjino. - ---Hebt u nog denzelfden opzichter? - ---Nee, hierin heb ik verandering gebracht. Ik besloot, niet langer -vrijgelaten, gewezen-lijfeigenen in dienst te houden, of tenminste -hun geen verantwoordelijke posten te geven. - -Arkadiej wees met de oogen naar Peter. - ---Il est libre. En effet, fluisterde Nikolaas Petrowitsj. Maar hij -is kamerdienaar! Ik heb nu een opzichter uit den burgerstand [3], -een degelijk man, naar mij schijnt. Ik geef hem tweehonderd roebel -per jaar. Overigens, ging Nikolaas Petrowitsj voort, voorhoofd en -wenkbrauwen met de hand aanrakend, wat bij hem altijd een teeken -was van innerlijke verlegenheid, ik heb je al gezegd, dat je geen -veranderingen op Marjino zult aantreffen. Dat is evenwel niet heelemaal -juist. Ik meen je te moeten zeggen, ofschoon... - -Hij hield een oogenblik op en ging vervolgens voort in de Fransche -taal: - ---Een streng moralist zou mijn oprechtheid zeker onpassend vinden, -maar in de eerste plaats, kan het niet verborgen blijven, in de -tweede plaats weet je wel, dat ik altijd mijn bizondere opvattingen -had omtrent de betrekkingen tusschen vader en zoon. Overigens heb je -ten slotte het recht mij te veroordeelen. Op mijn leeftijd... kortom, -dit... dat meisje, over wie je waarschijnlijk veel hebt hooren -spreken... - ---Fenitsjka? vroeg Arkadiej vrijmoedig. - -Nikolaas Petrowitsj bloosde even. - ---Spreek den naam alsjeblieft niet zoo luid... Nu, ja, ze woont nu bij -me. Ik heb twee kleine kamertjes in huis voor haar ingericht. Overigens -kan alles nog veranderd worden. - -- Maar waarom, papaatje, waarom? - ---Je vriend zal bij ons logeeren;... wat moeilijk... - ---Maak u omtrent Bazarof niet ongerust. Hij is over al die dingen heen. - ---Ook voor jou ten slotte, zei Nikolaas Petrowitsj. De vleugel is in -slechten toestand. - ---Neem me niet kwalijk papaatje, je schijnt je te willen -verontschuldigen. Zoo nauw hoeft u het niet te nemen. - ---Dat moest ik juist wel, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, die meer -en meer bloosde. - ---Schei uit, papaatje, schei uit alsjeblieft! glimlachte Arkadiej.--Je -voor zoo iets verontschuldigen! dacht hij en een gevoel van teedere -genegenheid voor dien zwakken en goeden vader, vermengd met een zeker -overwicht aan moreele kracht ontwaakte in zijn ziel. - ---Laten we ophouden hierover, zei hij nog eens, onwillekeurig genietend -van het bewustzijn van eigen geestelijke vrijheid. - -Nikolaas Petrowitsj keek naar hem door de vingers van zijn hand, -waarmede hij voortging, zijn voorhoofd te wrijven, en iets stak hem -in het hart... Maar hij klaagde zich zelve aan. - ---Hier beginnen onze velden, sprak hij na een lange poos van zwijgen. - ---Maar dat woud daar vóór, hoort dat ook van ons? vroeg Arkadiej. - ---Ja, dat is van ons. Maar ik heb het verkocht. Dit jaar nog zal -het verdwijnen. - ---Waarom hebt u dat verkocht? - ---Ik had geld noodig. En buitendien al dit land komt weldra aan -de boeren. - ---Aan die, welke geen pacht betalen? - ---Dat is hun zaak. Maar ten slotte zullen ze wel wat betalen. - ---Jammer van het woud, zei Arkadiej en keek in het rond. - -De streek, waar ze doorheen reden, was niet bizonder -schilderachtig. Velden, alles velden, zich uitstrekkend tot den -horizon, zachtjes stijgend en dan weer dalend. Hier en daar kleine -boschjes; en begroeid met verschillende soorten laag struikgewas, -strekten zich ravijnen uit, herinnerend aan de afbeeldingen op de -oude kaarten uit den tijd van Catharina. Men stootte ook op beekjes -met kale oevers of op vijvers met afgebrokkelde randen en dorpen met -lage hutten onder donkere uitgerafelde rieten daken; en ellendige -dorschschuren met wanden van gevlochten takken en gapende openingen; -kerken, sommige van baksteen met afschilferend pleisterwerk, andere -van hout met scheefstaande kruisen en verwaarloosde doodenakkers. - -Het hart van Arkadiej werd min of meer beklemd. - -Alsof het met opzet geschiedde, waren alle boeren, die zij tegenkwamen, -ongelukkig van uiterlijk, op stumperige paardjes. De wilgen langs den -straatweg schenen wel bedelaars met hare kale stammen en afgesneden -takken. Koeien, slecht verzorgd, mager en schuw, graasden hongerig -langs de slooten. Men zou kunnen denken, dat ze met schrik ontkomen -waren aan roofzuchtige klauwen en te midden van de jonge lentepracht -herinnerden die arme dieren aan den onbarmhartigen, eindeloozen winter -met zijn vorst en sneeuwstormen. - ---Neen, peinsde Arkadiej, dat is geen rijk land, geen welstand, -geen spoor van arbeid en vlijt. Zoo kan het niet blijven. Daar moet -verandering in komen... maar hoe?... - -Het voorjaar intusschen groende rondom. Onder den teederen adem -van een luwen wind scheen alles te zwellen, het glansde aan boomen, -bosschen, velden. Overal klonken zonder ophouden de lange trillers -der leeuweriken, kieviten zweefden roepend boven de vochtige weilanden -of stapten rustig over de donkere aardkluiten. Kraaien met hun zwart -gevederte scherp afstekend tegen het zachte groen, vertoonden zich hier -en daar, alleen in de rogge, waren ze moeilijker te onderscheiden, -alleen wanneer hun zwarte koppen boven de golvende arenzee kwamen -uitsteken. Arkadiej bewonderde dit alles en zijn ernstige gedachten -vervluchtigden langzamerhand. Hij ontdeed zich van zijn mantel en keek -naar zijn vader zoo opgeruimd en kinderlijk, dat deze niet nalaten -kon hem nogmaals te omhelzen. - ---Zoodra we dien heuvel voorbij zijn, kunnen we het huis zien liggen, -zei hij. We zullen elkaar wel begrijpen, jongen. Jij helpt ons het -goed beheeren, als je lust hebt en het je niet verveelt. We moeten -elkander goed leeren kennen, ons nauw aaneensluiten, is 't niet? - ---Zeer zeker, antwoordde Arkadiej,--wat een heerlijke dag! - ---Ter eere van jouw komst, mijn jongen. Ja, de lente staat nu op -haar mooist. Trouwens, het gaat mij als Poesjkien. Herinner je je, -Jevgeni Onegin: - - - Hoe weemoedig maakt gij mij, - Lente, lentetijd van liefde, - Hoe... - - ---Arkadiej!--klonk Bazarofs stem uit den tarantas, stuur me -lucifers. Ik kan mijn pijp niet aankrijgen! - -Nikolaas Petrowitsj zweeg en Arkadiej, die met eenige bevreemding, -maar niet zonder belangstelling geluisterd had, haastte zich Peter -met een zilveren doosje naar Bazarof te sturen. - ---Wil je een sigaar? vroeg deze. - ---Graag, antwoordde Arkadiej. - -Peter bracht met het doosje een dikke, zwarte sigaar mede terug, die -Arkadiej dadelijk opstak, maar die zoo zwaar rookte, dat Kirsanof, -die nog nooit gerookt had, het hoofd afwendde, zonder echter zijn zoon, -dien hij niet wilde storen, zijn tegenzin te toonen. - -Een kwartier later hielden de beide voertuigen stil voor het bordes -van een houten, nog nieuw huis met grijs bepleisterde muren en -rood-ijzeren dak. - -Dit was Marjino, ook wel het nieuwe Erf of door de boeren het Oude -mannenhuis genoemd. - - - - - - - - -IV. - - -De aankomst der heeren veroorzaakte niet dien samenloop van -huisbedienden, zooals dat vroeger het geval was. Een klein, twaalfjarig -meisje kwam aan de deur en kort daarop een jongen, in grijze livrei -met witte knoopen, die nog al op Peter leek. Dit was de bediende van -Paul Petrowitsj. Zonder te spreken opende hij het portier en sloeg het -spatleder van de tarantas neer. Kirsanof, zijn zoon en Bazarof liepen -door een donker, slecht gemeubeld vertrek, in welks achtergrond een -oogenblik de gestalte van een jonge vrouw zichtbaar werd. - -Toen leidde hij zijn gasten binnen in een naar den laatsten smaak -ingerichte kamer. - ---Daar zijn we dan! zei Kirsanof, nam zijn muts af en schudde zijn -haren. Nu zullen we eens wat eten en dan uitrusten. - ---Daar voel ik veel voor, antwoordde Bazarof, rekte zich uit en liet -zich op de sofa vallen. - ---Ja, ja, gauw het avondeten! riep Kirsanof en stampte met den voet -op den grond, zonder eigenlijk te weten, waarom. - ---Daar komt juist Prokofitsj aan! - -Een magere man, een zestiger, met wit haar en een donker gezicht was -binnen gekomen. Hij droeg een kastanjebruinen rok met koperen knoopen -en een rose-rood doekje om den hals. Hij kuste Arkadiej de hand, -begroette Bazarof en vatte, met de handen op den rug, bij de deur post. - ---Daar hebben we hem dan, Prokofitsj, sprak Nikolaas Petrowitsj hem -toe. Eindelijk hebben we hem dan weer. En, hoe vind je hem? - ---In allerbeste conditie! antwoordde de oude man glimlachend. Maar -onmiddellijk trok hij zijn wenkbrauwen samen en zette weer een -ernstig gezicht. - ---Zal ik de tafel dekken? vroeg hij gewichtig. - ---Ja, maar zou Jevgenij Wassiljewitsj niet eerst een oogenblik naar -zijn kamer willen gaan? - ---Nee, dank u. Maar u wilt misschien wel zoo goed zijn mijn koffertje -en dit vod daar heen te laten brengen? vroeg hij, terwijl hij zijn -mantel uittrok. - ---Natuurlijk. Prokofitsj, neem de jas van mijnheer mee. - -De oude kamerdienaar nam het vod met eenige verbazing aan, hield het -boven zijn hoofd en ging op zijn teenen heen. - ---En wil jij niet eerst je kamer zien, Arkadiej? - ---Ja, ik zou me wel graag wat willen wasschen, antwoordde deze. Maar -toen hij naar de deur ging, kwam er een man binnen, die een engelsch -pak van donkere kleur, een modieuze das en lage lakschoenen droeg. Het -was Paul Petrowitsj. Hij scheen een vijf en veertig jaar. Zijn -kort geknipte haren waren grijs, maar glanzend; de trekken in zijn -jeugdig-glad gelaat, zeer regelmatig en fijn geteekend. Men kon zien, -dat hij een opvallend, mannelijk-schoon gehad moest hebben en zijn -donkere, ovaal-vormige oogen, vochtig-glanzend, trokken onmiddellijk -de aandacht. In zijn elegante verschijning leefde nog dat jeugdig -harmonische en iets edel-om-hoog-willends, dat de zwaarheid der aarde -niet schijnt te kennen en gewoonlijk met het twintigste jaar verdwijnt. - -Paul nam zijn wel-verzorgde hand met de roze nagels, een hand, welker -schoonheid werd verhoogd door blinkend witte manchetten, waaraan -opalen knoopen, uit den broekzak en stak haar zijn neef toe. En na -deze Europeesche shake-handsformaliteit gaf hij hem op Russische wijze -drie kussen, dat wil zeggen, hij raakte met zijn geparfumeerde snor -driemaal de wang van den ander en zei: - ---Welkom. - -Zijn broeder stelde hem aan Bazarof voor, wien hij echter niet de -hand reikte, hij boog nauwelijks even licht het hoofd. - ---Ik dacht al, dat jullie niet meer zouden komen vandaag, zeide hij -met hooge, aangename stem, toonde daarbij zijn blanke, mooie tanden -en wiegde lichtelijk in de heupen. - ---Is jullie iets overkomen onderweg? - ---Ons is niets overkomen, antwoordde Arkadiej. Maar we hebben het -op ons gemak gedaan. Maar nu hebben we honger als de wolven. Laat -Prokofitsj wat voortmaken, papa. Ik ben dadelijk terug. - ---Wacht, ik ga met je mee, riep Bazarof en sprong van de sofa op. En -de jonge lieden gingen de kamer uit. - ---Wie is die man? vroeg Paul Petrowitsj. - ---Een vriend van Arkadiej. Een zeer intelligent mensch, zooals -hij zegt. - ---Blijft hij hier logeeren? - ---Ja. - ---Die ongelikte beer? - ---Waarschijnlijk. - -Paul trommelde met zijn vingers op de tafel. - ---Ik vind, dat Arkadiej s'est dégourdi, ging hij voort. Het doet me -genoegen, hem weer eens te zien. - -Het eten verliep vrijwel in stilte. Bazarof sprak nagenoeg niet, -maar at des te meer. Kirsanof vertelde allerlei voorvallen uit -zijn pachtersleven, zooals hij het noemde, en gaf zijn denkbeelden -ten beste over de maatregelen, die de regeering ten opzichte der -maatschappelijke kwesties had te nemen. Paul, die nooit at 's avonds, -liep langzaam op en neer, dronk nu en dan een teug wijn uit een klein -glas en antwoordde maar heel zelden met een enkel: Hm! Zoo! Ja... - -Arkadiej vertelde nieuwtjes uit Petersburg, hij voelde zich wat -verlegen. Hij gebruikte onnoodig lange zinnen, vermeed het woord papa -uit te spreken en verving het zelfs soms door "Vader." Maar aarzelend -en nauwelijks verstaanbaar. Met gemaakte onverschilligheid schonk hij -zich veel meer wijn in dan hem smaakte en achtte het zijn plicht, -ook zooveel te drinken. Prokofitsj verloor hem niet uit het oog en -bewoog voortdurend de lippen, alsof hij kauwde. Bijna dadelijk na -het avondeten, ging men uiteen. - ---Weet je, die oom van jou is een rare. snijboon! zei Bazarof, die -op Arkadiej's bed was gaan zitten en een kort pijpje rookte. - ---Zoo een dandy op het platte land, dat is zeldzaam! En die nagels. Die -zouden naar een tentoonstelling kunnen! - ---Weet je niet, dat hij een veroveraar was in zijn tijd? antwoordde -Arkadiej. Ik heb je eens zijn geschiedenis verteld. Hij was een -betooverend man en bracht alle vrouwen het hoofd op hol. - ---Dat is het dus. Hij leeft nog in de herinnering aan dien -tijd. Jammer, dat hier geen veroveringen te maken zijn. Ik kan er -niet genoeg van krijgen, hem te bestudeeren. Wat een boord! Lijkt -wel van marmer! En zoo fijn geschoren! Weet je wel, dat dat eigenlijk -erg belachelijk is? - ---Dat geef ik toe, maar hij is toch een uitmuntend mensch. - ---Een echt stuk antiquiteit. Je vader, dat is een kerel! alleen moest -hij niet zooveel gedichten lezen. Hij zal wel niet veel begrijpen -van argricultuur. Maar 't is een braaf man! - ---Mijn vader is een zeldzaam mensch. - ---Heb je gemerkt, hoe verlegen hij was? Arkadiej hief het hoofd op, -om te bewijzen, dat hij het niet was. - ---Een eigenaardig slag menschen, die grijsharige romantici. Ze -hechten zooveel gewicht aan hun zenuwstelsel, dat het evenwicht -verloren gaat. Maar laten we nu gaan slapen. Ik heb wel een engelsche -waschtafel in mijn kamer. Maar de deur sluit niet goed. Maar dat is -minder. Die Engelsche waschinrichting is tenminste een vooruitgang. - -Bazarof ging en Arkadiej gevoelde zich diep-behagelijk. Het is goed, -te slapen onder vaders dak, in het welbekende, oude bed, onder dekens, -die bevriende handen hebben genaaid, teedere, nooit vermoeide handen -van een zoogster, die het kind heeft groot gebracht. Arkadiej dacht -aan Jegorovna en wenschte haar de eeuwige gelukzaligheid. Bidden deed -hij echter niet. - -De jonge menschen sliepen weldra. Andere bewoners van het huis evenwel -niet. De komst van Arkadiej had Kirsanof ten zeerste opgewonden. Hij -ging wel te bed, maar liet het licht branden. Het hoofd op den arm -gesteund, lag hij peinzend, langen tijd. - -Zijn broeder bleef in een grooten leunstoel tot na middernacht -bij het kolenvuur zitten. Hij had zich niet uitgekleed, alleen de -lakschoenen waren vervangen door roode, chineesche muilen. Hij had -het laatste deel van Galignani in de hand, maar las niet. Zijn oogen -droomden naar het kolenvuur, waar een vage vlam flakkerde. God weet, -wat hij dacht. Maar het was niet alleen het verleden. Iets sombers, -in zich gekeerds lag over zijn wezen... - -En in een klein kamertje, aan de achterzijde van het huis, zat een -jonge vrouw, Fenitsjka, een blauw manteltje om en een witten doek -over het hoofd. Ofschoon ze zich nauwelijks wakker kon houden, was -haar aandacht gericht op een half-openstaande deur, waardoor een -bedje te zien was, met een slapend kind, dat gelijkmatig adem haalde. - - - - - - - - -V. - - -Bazarof was het eerst wakker den volgenden morgen en ging weldra -naar buiten. - ---Mooi is het land bepaald niet, dacht hij. Toen Kirsanof zijn boeren -vrij gemaakt had, hield hij voor zich ongeveer vier desjatienen -vlak en onbebouwd terrein. Hierop zette hij zijn huis en de andere -gebouwen. Terzijde liet hij een tuin aanleggen met een vijver en twee -bronnen. Maar de boomen wilden niet goed, de vijver slibde dicht en -de bronnen hadden te groot zoutgehalte. Alleen was er een prieel van -vlierstruiken en acacia's, die wel eenigen schaduw gaven, en nu was -men gewoon, daar te middagmalen en thee te drinken. Bazarof doorliep -haastig alle paden van den tuin, bezichtigde hoenderhof en stal, -trof twee erfknechtjes, met wie hij dadelijk kennis maakte en nam hen -mee naar een poel, op eenigen afstand van het huis, om kikvorschen -te vangen. - ---Waar hebt u die voor noodig, heer? vroeg een van de jongens. - ---Dat zal ik je zeggen, antwoordde Bazarof, die de bizondere gave -bezat, menschen uit het volk vertrouwen in te boezemen, ofschoon hij -hen toch, nauw merkbaar, op een afstand wist te houden. - ---Ik snijd de beesten open, om te zien, wat daar van binnen -gebeurt. Wij zijn ook zulke kikvorschen, jij en ik, maar dan op twee -beenen. En zoo leer ik dus, wat er bij ons van binnen gebeurt. - ---En waarom wilt u dat weten? - ---Om me niet te vergissen, wanneer jij ziek wordt en ik je helpen moet. - ---Bent u dan een dokter? - ---Ja. - ---Waska, hoor je dat? De heer zegt, dat wij kikvorschen zijn! - ---Ik ben bang voor kikvorschen, antwoordde Waska. Hij was nog heel -jong, een jaar of zeven, liep blootsvoets, had wit vlashaar en droeg -een buis van grof, grauw doek. - ---Waarom zou je bang voor ze zijn? Ze bijten toch niet? Vooruit, -filosofen, het water in! - -Kort na Bazarofs uitgaan, ontwaakte ook Kirsanof en stond op. Hij ging -naar Arkadiej's kamer. Deze was reeds gekleed. Vader en zoon betraden -het terras. Een stoomende samowar stond gereed onder de marquise. Het -kleine meisje, dat den vorigen dag de heeren had opgewacht, kwam met -fijne stem meedeelen: - ---Fedosia Nikolajevna voelt zich niet wel en laat vragen, of u de -thee zelf klaar wilt maken, of dat ze Doeniasja zal sturen? - ---We zullen hem zelf klaar maken, antwoordde Kirsanof snel. Wat wil -je liever, Arkadiej, room of citroen? - ---Room liever, zei Arkadiej en na een oogenblik, ging hij voort op -vragenden toon: - ---Papa?... - -Nikolaas Petrowitsj keek zijn zoon eenigszins verlegen aan. - ---Wat is er? vroeg hij. - -Arkadiej sloeg de oogen neer. - ---Neem me niet kwalijk, papa, als mijn vraag u onaangenaam is. Maar -uw openhartigheid van gisteren, geeft mij het recht, ook openhartig -te zijn. Zult u niet boos zijn? - ---Spreek maar... - ---U moedigt me aan... Als Fe... als zij niet komt voor de thee, -ben ik daar de schuld van? - -Kirsanof wendde het hoofd af. - ---Misschien, antwoordde hij. Ze denkt... ze schaamt zich... - -Arkadiej wierp een snellen blik naar zijn vader. - ---Dan heeft ze groot ongelijk, antwoordde hij. U kent mijn -opvattingen. Het zou mij bizonder onaangenaam zijn, indien ik ook maar -de minste stoornis te weeg zou brengen in uw levenswijs. Buitendien -weet ik, dat u geen slechte keus hebt gedaan, en dat zij het ook -verdient, onder uw dak te leven, wanneer u haar dat hebt toegestaan. En -verder is de zoon niet de rechter over zijn vader, allerminst een -vader als u, die mijn vrijheid nooit in eenig opzicht hebt beperkt... - -Arkadiej had de eerste woorden met bevende stem gesproken. Hij vond -zich zelf edelmoedig en toch voelde hij tevens, dat het den schijn -had, alsof hij zijn vader de les las. Maar wij geven ons gaarne aan -de betoovering der eigen stem over en Arkadiej droeg het einde van -zijn speech voor met overtuiging en zelfs min of meer rhetorisch. - ---Dank je, mijn jongen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj met -onderdrukte stem, terwijl hij met de hand over voorhoofd en oogen -streek.--Je vermoedens zijn gegrond. Als dat meisje niet zekere goede -eigenschappen bezat... Het is meer dan een gril... het brengt me -wel wat in verlegenheid, over die dingen met jou te spreken, maar je -zult begrijpen, dat het haar wel heel moeilijk moest vallen, vandaag, -de eerste dag van je verblijf ten onzent, te verschijnen. - ---Als dat zoo is, zal ik zelf naar haar toe gaan, riep Arkadiej -in een nieuwe opwelling van edelmoedigheid. En hij sprong op van -zijn stoel.--Ik zal haar zeggen, dat ze zich voor mij niet behoeft -te schamen. - ---Dat gaat niet, antwoordde de ander en stond ook op.--Doe me het -genoegen en ga niet... het kan niet... er is... ik heb het je nog -niet kunnen zeggen... - -Maar de zoon luisterde al niet meer. Hij had het terras -verlaten. Kirsanof volgde hem met de oogen en zonk toen -angstig-onrustig in zijn stoel terug. Zijn hart klopte heftig. Het -was niet uit te maken, of hem die eigenaardige verhouding, die -een verwijdering kon brengen tusschen vader en zoon, duidelijk tot -bewustzijn kwam... had Arkadiej niet onkundig moeten blijven omtrent -den toestand, en had hij geen reden, zich zelfverwijten te doen om -zijn zwakheid? Al deze gedachten woelden dooreen in zijn brein. De -roode vlekken op zijn voorhoofd werden feller, en zijn hart klopte -hinderlijk. - -Toen verscheen Arkadiej weer op het terras met snelle schreden. - ---We hebben kennis gemaakt, vader! riep hij triumfeerend en teeder -tegelijk.--Fedosia Nikolajevna voelt zich werkelijk niet wel en zal -straks komen. Maar waarom hebt u me niet dadelijk gezegd, dat ik een -broertje heb? Ik zou het dadelijk gekust hebben met dezelfde vreugde, -als daar even! - -Nikolaas Petrowitsj wilde antwoorden, opstaan en de armen -uitstrekken. Arkadiej viel hem om den hals. - ---Nog niet genoeg omhelsd? riep Pauls stem achter hen. - -Zijn komst was vader en zoon zeer welkom. Het is ons niet zelden -aangenaam, wanneer van buiten af een einde gemaakt wordt aan een -roerende situatie. - ---Vind je dat zoo vreemd? vroeg Kirsanof opgewekt.--Na zooveel tijd -komt hij eindelijk terug. Ik heb nog niet eens tijd gehad, hem goed -aan te zien. - ---Ik vind het volstrekt niet vreemd, antwoordde Paul, het gaat mij -evenzoo. - -Arkadiej trad op zijn oom toe, die wederom met zijn geparfumeerde -snor zijn wangen streelde. - -Paul ging zitten. Hij droeg een elegant Engelsch pak; een kleine fez -had hij op het hoofd. Dit hoofddeksel en de losgestrikte das moesten -het ongedwongene van het landleven aanduiden. Zijn stijve gekleurde -boord echter (zoo hoorde het bij zulk een morgencostuum!) omsloot -streng den goedgeschoren hals. - ---Waar is je nieuwe vriend? vroeg hij. - ---Die is al uit. Hij staat gewoonlijk vroeg op. Bekommer u maar niet -om hem. Hij houdt niet van vormelijkheid. - ---Ja, dat schijnt wel. - -Paul smeerde langzaam boter op zijn brood. - ---Denkt hij lang hier te blijven? - ---Dat weet ik niet. Hij is van plan, ook zijn vader op te zoeken. - ---Waar woont die? - ---In ons goevernement, een tachtig werst van hier. Daar heeft hij -een bescheiden landgoed. Hij is oud-officier van gezondheid. - ---Zoo... Den naam ken ik, geloof ik. Herinner jij je niet een dokter -Bazarof, bij de divisie van papa, Nikolaas? - ---Ja, ik meen van wel. - ---Zeker. Dus die dokter is zijn vader, zei Paul.--Maar wat is eigenlijk -de zoon? voegde hij er bedachtzaam bij. - ---Wat hij is? lachte Arkadiej, zal ik u zeggen, wat hij eigenlijk -is, oom? - ---Wees zoo goed, beste neef. - ---Hij is nihilist. - ---Wat? vroeg de vader. Paul hief zijn mes op, waaraan een klontje -boter en zat onbewegelijk. - ---Ja, hij is nihilist, herhaalde Arkadiej. - ---Nihilist! zeide Kirsanof, dat woord moet afgeleid zijn van het -Latijnsche nihil, dat beduidt niets en dat is dus iemand, die niets -erkennen wil, voor zoover ik het begrijpen kan. - ---Of liever, die niets eerbiedigt, zei Paul, die weer zijn boterham -aan het smeren was. - ---Iemand, die alles beschouwt van een critisch standpunt, antwoordde -de zoon. - ---Komt dat niet op hetzelfde neer? vroeg de oom. - ---Volstrekt niet. Een nihilist is een mensch, die voor geen enkele -autoriteit buigt, die geen beginsel aanvaardt zonder het critisch -onderzocht te hebben, al wordt het ook algemeen aangenomen. - ---En daarmee ben jij het eens? Is dat juist? vroeg de oom. - ---Zooals men het opvat, er zijn menschen, die zich daar gemakkelijk -in kunnen denken, anderen weer niet. - ---Zoo? Nu, dat gaat mijn begrip te boven. Wij, ouderwetsche menschen -zijn van oordeel, dat men sommige principes (Paul sprak dit woord -in Franschen tongval, nasaal uit) moet accepteeren, zonder critisch -onderzoek, zooals jij dat noemt. Vous avez changé tout cela. Geluk er -mee! [4] Wij ouderen, zullen ons ermee tevreden stellen, jullie... hoe -zei je ook, te bewonderen! - ---Nihilisten! antwoordde Arkadiej en beklemtoonde iedere lettergreep. - ---Ja, wij hadden in onzen tijd Hegelianen. Nu zijn het Nihilisten. [5] -Wij zullen zien, hoe jullie dat klaar speelt, in het luchtledige, -in het niets te leven. Maar, beste broeder, wil je nu eens bellen? Ik -zou mijn chocolade willen gebruiken! - -Nikolaas Petrowitsj belde en riep: Doeniasja! - -Maar in plaats van deze verscheen Fenitsjka zelf, een jonge vrouw -van een drie en twintig jaar, blank en mollig, met zwarte haren -en donkere oogen. Haar lippen rood en vol, als bij een kind, en -haar handen fijn en welgevormd. Ze droeg een katoenen japon en een -blauwen, erg-nieuwen halsdoek over haar ronde schouders. Een groote -kop chocolade kwam ze brengen. Terwijl ze die voor Paul neerzette, -scheen ze erg zenuwachtig en de fijne gezichtshuid kleurde rood. Ze -sloeg de oogen neer en bleef staan bij de tafel, waarop ze met de -vingertoppen steunde. Ze scheen beschaamd over haar aanwezigheid, -die ze toch voelde als iets noodzakelijks. - -Paul fronste de wenkbrauwen, Nikolaas was geheel in de war. - ---Morgen, Fenitsjka, mompelde hij ten slotte. - ---Goeden morgen, antwoordde ze, niet hard, maar wel-luidend. Toen -ging ze langzaam weg na een steelschen blik naar Akadiej, door dezen -vriendelijk glimlachend beantwoord. Ze wiegde ietwat in de heupen -bij het loopen, maar dat stond aardig. - -Toen ze weg was, zwegen allen op het terras. Paul dronk zijn -chocolade. Langzaam hief hij het hoofd. - ---Daar heb je mijnheer de nihilist, wien het eindelijk eens behaagt -te verschijnen! zei hij zacht. - -En werkelijk kwam Bazarof, over de perken heen, door den tuin -aangestapt. Zijn overjas en linnen broek bemodderd, een moerasplant -om den ouden, slappen hoed geslingerd. In de rechter hand hield hij -een zakje, waarin iets scheen te bewegen. Met groote stappen liep -hij op het terras toe, boog even het hoofd en sprak: - ---Morgen, heeren, neemt u me niet kwalijk, als ik wat laat kom thee -drinken. Ik ben in een oogenblik terug. Ik moet eerst even mijn -gevangene verzorgen. - ---Zijn dat bloedegels? vroeg Paul. - ---Nee, kikvorschen. - ---Wilt u die eten of laten paren? - ---Ik heb ze noodig voor experimenten, antwoordde hij onverschillig -en verdween in huis. - ---Waarschijnlijk vivisectie, zei Paul.--Hij gelooft niet aan beginsels, -maar wel aan kikvorschen. - -Arkadiej keek zijn oom medelijdend aan en Kirsanof trok nauw merkbaar -de schouders op. Paul begreep trouwens, dat zijn geestigheid mislukt -was en begon over landbouwzaken te spreken, vertelde, dat de nieuwe -opzichter over Foka geklaagd had, een boeren-arbeider, met wien hij -niet kon opschieten. Een soort Ezopus, zei de opzichter, voor wien -iedereen een kruis slaat, onbruikbaar bij het werk, en die er telkens -tusschen uit gaat... - - - - - - - - -VI. - - -Bazarof kwam terug, ging zitten en begon thee te drinken, alsof hij -van plan was, geen droppel in den samowar te laten. De beide broeders -keken zwijgend toe, terwijl Arkadiej van zijn kant hen beschouwde. - ---Bent u ver geweest? vroeg Nikolaas eindelijk. - ---Tot aan een soort moeras, in de buurt van uw populierenbosch. Daar -vlogen een stuk of wat snippen op, die kun je schieten, Arkadiej. - ---Jaagt u zelf niet? - ---Nee. - ---Doet u hoofdzakelijk aan natuurkunde? vroeg Paul. - ---Ja, natuurkunde en trouwens alle natuurwetenschappen. - ---Men zegt, dat de Germanen groote dingen gedaan hebben in die vakken, -de laatste jaren. - ---Ja, hierin zijn de Duitschers onze meesters, antwoordde Bazarof -onverschillig. - -Paul had met ironische bedoeling van Germanen gesproken, maar het -had geenerlei uitwerking. - ---U koestert zeker groote vereering voor de Duitschers? ging hij -met gedwongen beleefdheid voort. Hij voelde diep in zich verzet -opkomen. Zijn aristocraten-natuur kon Bazarofs vrije manier van -optreden niet verdragen. Die dokterszoon toonde niet alleen niet -de minste verlegenheid, maar antwoordde zelfs grof en onbeleefd, -de toon van zijn stem had iets, dat naar onbeschaamdheid zweemde. - ---De geleerden van dat land zijn verdienstelijke mannen, zei Bazarof. - ---Zeker. Waarschijnlijk hebt u een minder vleiend oordeel over de -Russische geleerden. - ---Niet onmogelijk. - ---Deze onpartijdigheid doet u eer aan, zei Paul en richtte zich op, -het hoofd min of meer in den nek.--Buitendien heeft Arkadiej ons -al verteld, dat u geenerlei autoriteit erkent in wetenschappelijke -kwesties. Hoe is dat te rijmen met uw uitspraak van zooeven? Is het -waar, dat u geen autoriteit erkent? - ---Waarom zou ik? Waaraan zou ik gelooven? Bewijst men mij iets op -afdoende wijs, dan geef ik me gewonnen. Voilà tout. - ---En dus zeggen de Duitschers alleen maar verstandige dingen? vroeg -Paul en zijn gezicht nam een uitdrukking aan van volkomen -onverschilligheid en gevoelloosheid, alsof hij immuun geworden was -tegen menschelijke ontroeringen. - ---Niet altijd, antwoordde Bazarof, met ingehouden geeuw, alsof hij -te kennen wilde geven, dat hem die woordenwisseling begon te vervelen. - -Paul keek Arkadiej aan met een blik die scheen te zeggen: bizonder -beleefd is je vriend niet! - ---Wat mij betreft, ging hij niet zonder inspanning voort, ik geef -bescheidenlijk toe, dat ik niet houd van de Duitsche heeren. Ik bedoel -de echte Duitschers en niet de Duitsche Russen. Vroeger waren ze nog -te dulden, ze hadden beroemde namen: Schiller, Goethe. Mijn broeder -vereert die dichters buitengewoon. Maar tegenwoordig zie ik niets -als chemici en materialisten onder hen. - ---Een goed chemicus is meer waard dan de beste dichter! zei Bazarof. - ---Inderdaad? antwoordde Paul en trok de wenkbrauwen op, de kunst is -dus waardeloos voor u? - ---Behalve de kunst geld te verdienen en hemorrhoïden kwijt te raken, -riep Bazarof uit met een verachtenden glimlach. - ---Heel aardig. U gelieft te schertsen; dat staat gelijk met een -volkomen negatie, goed. U gelooft dus niet in de wetenschap? - ---Ik had reeds de eer, u te zeggen, dat ik aan volstrekt niets -geloof. Wat verstaat u onder het begrip wetenschap in het algemeen? Er -zijn wetenschappen zooals er ambachten zijn en beroepen. Een wetenschap -zooals u dat bedoelt, bestaat niet. - ---In orde. U ontkent zeker ook alle andere beginselen, waarop onze -maatschappelijke inrichting steunt? - ---Is dat soms bedoeld als een politiek verhoor? vroeg Bazarof. - -Paul werd wat bleek. Nikolaas vond het een geschikte gelegenheid, -zich in het gesprek te mengen: - ---We zullen later over deze kwesties uitvoeriger spreken, mijn beste -Jevgenij Wassiljewitsj. U zult ons dan al uw denkbeelden uiteen zetten -en wij u de onze. Wat mij betreft, het doet mij genoegen te hooren, -dat u aan natuurwetenschappen doet. Ik hoor dat Liebig merkwaardige -ontdekkingen heeft gedaan omtrent de behandeling van den grond. U -zoudt me in dit opzicht veel kunnen helpen en goeden raad geven. - ---Heel graag, Nikolaas Petrowitsj. Maar laten we Liebig rusten. Aleer -men een boek opslaat, moet men kunnen lezen, en wij kennen nog niet -eens het ABW... - ---Dat is wèl nihilistisch! dacht Nikolaas en hij antwoordde:--Kan zijn, -maar ik zal toch zoo vrij zijn, u te vragen bij gelegenheid... Maar -moeten we niet met den opzichter spreken, Paul Petrowitsj? - -Paul stond op. - ---Ja, zei hij, maar tot niemand in het bizonder. Het is ongelukkig, -jaren lang op het land te wonen, ver van alle groote geesten. Men -verboert zoo langzamerhand. Men doet zijn best, het geleerde niet te -vergeten, maar op een dag komt men tot de ontdekking, dat het toch -alles dwaasheid is, waar een ontwikkeld man zich niet meer mee bezig -houdt! De jeugd schijnt bepaald veel ontwikkelder dan de ouderen. - -Paul keerde zich langzaam op de hakken om en verwijderde zich met -afgemeten schreden. Zijn broeder volgde. - ---Is hij altijd van die kracht? vroeg Bazarof koel. - ---Hoor eens, Jevgenij, antwoordde Arkadiej, je bent te ruw tegen hem -geweest. Je hebt hem beleedigd. - ---Zou je denken? Je moet ze misschien sparen, die -land-aristocraten. Dat alles is pure eigenliefde, ingebeeldheden, -herinneringen aan den veroveraarstijd. Waarom is hij niet in Petersburg -gebleven om zijn rol daar verder te spelen? Hij voelde zich immers -geroepen? Maar God zal hem zegenen! Ik heb een zeldzame soort dyticus -marginatus gevonden, die zal ik je laten zien. - ---Ik heb je zijn geschiedenis beloofd. - ---Wiens geschiedenis? Van den kever? - ---Och wat, de geschiedenis van mijn oom. Je zult zien, dat hij niet -de man is, voor wien jij hem houdt. Je moest hem eerder beklagen, -dan hem belachelijk maken. - ---Wel mogelijk. Maar waarom verdedig je hem zoo? - ---Men moet rechtvaardig zijn, Jevgenij. - ---Ik zou niet weten, waarom. - ---Schei nu uit, en luister. - -Arkadiej vertelde zijn vriend de geschiedenis van zijn oom. De lezer -vindt haar hieronder. - - - - - - - - -VII. - - -Paul Petrowitsj Kirsanof had zijn prilste jeugd onder het vaderlijk dak -doorgebracht, samen met zijn broeder. Toen was hij in het pagekorps -gekomen. Van opvallende schoonheid, zelfbewust, wat belachelijk en -licht ironisch, moest hij bij ieder in den smaak vallen. - -Als officier kwam hij in de groote wereld. Met open armen overal -ontvangen, liet hij zich gaan, maakte een verkeerd gebruik van zijn -goede eigenschappen, beging allerlei dwaasheden, die hem echter in -geen enkel opzicht schaadden. De vrouwen verafgoodden hem, de mannen -noemden hem een fat, maar benijdden hem in stilte. Hij leefde nog -altijd samen met zijn broeder, van wien hij veel hield, ofschoon deze -in geenen deele op hem leek. Nikolaas Petrowitsj hinkte een weinig, -had ook wel een aangenaam, maar een ernstig gezicht, zachte, wazige -oogen en dun haar. Hij was langzaam, las veel en meed de menschen. Paul -was des avonds nooit thuis. Door het in de mode brengen van gymnastiek -had hij den roep van vlugheid en kracht verworven, maar lezen deed -hij niet veel meer dan een vijf, zes fransche boeken. Op zijn acht -en twintigste jaar was hij kapitein en had een schitterende loopbaan -voor zich, toen alles plotseling anders werd. - -In dezen tijd liet zich in Petersburg nu en dan een zekere vorstin -R. zien, gehuwd met een man van opvoeding, maar wat geborneerd, en -zonder kinderen. De vorstin ging op zekeren dag op reis, voor langen -tijd, keerde onverwachts terug en gedroeg zich sedert nog al opvallend; -men oordeelde haar lichtzinnig en een kokette, ze deed mee aan alle -feesten, hartstochtelijk, danste tot het laatste oogenblik door, -liet zich gaan met jonge mannen, die ze vóór het diner in schemerlicht -ontving, maar bracht haar nachten biddend en weenend door, zonder rust -te kunnen vinden. Dikwijls bleef ze tot het aanbreken van den dag, -aan angst en smart ter prooi, in haar kamer, bleek en koud gebogen -over een of ander heilig boek. Maar overdag was ze weer de elegante -vrouw-van-de-wereld, legde bezoeken af, ontving, lachte en gaf zich -aan alle verstrooiingen der groote stad gedachteloos over. Zij was een -edele verschijning, het haar blond en zwaar als goud; toch werd ze niet -tot de schoonheden gerekend. Want in haar gezicht waren alleen de oogen -mooi, en misschien is zelfs dit te veel gezegd. Want het waren kleine, -grijze oogen, maar zeldzaam levend en diep, overmoedig-zorgeloos en -troosteloos-droomend, raadselachtig en betooverend. Iets ongewoons -leefde in die oogen, ook bij het gewoonste dag-gesprek. Haar kleeding -was ook altijd opvallend. - -Paul ontmoette haar op een bal, danste met haar een mazurka, waarbij -ze niets bizonders sprak, maar sedert was het met zijn gemoedsrust -gedaan. Gewend aan gemakkelijke overwinningen, ging het ook nu -voorspoedig, maar ditmaal maakte hem de snelheid der overwinning -niet onverschillig. Integendeel, die vrouw wist hem steeds vaster -te binden, misschien wel doordat ze ook in oogenblikken van volkomen -overgave, een zekere onbegrepenheid, een raadsel achter hield. Het was, -of bovennatuurlijke krachten haar beheerschten, naar welgevallen, -alsof haar lang niet superieure persoonlijkheid niet in staat was, -zich te bevrijden, in sterken strijd. Heel haar wezen scheen vol -tegenstrijdigheden. Ze schreef brieven aan een man, dien ze nauwelijks -kende, waardoor ze vermoedens van haar echtgenoot en de wereld -moest opwekken. Ze had lief, maar met een geheimzinnig voorbehoud, -een vreemde smartelijkheid. Ze lachte en vermaakte zich niet met -den uitverkorene, maar keek en luisterde naar hem met een soort -diepe verwondering. Veelal en dan onverwachts werd die verwondering -tot stillen schrik, en in haar trekken trok dan een sombere, wilde -angst. Ze sloot zich op, en de kamenier, die luisterde, hoorde een -dof steunen. Herhaaldelijk na een teeder samenzijn met haar, gevoelde -Paul dat bittere, dat het mislukken, het einde eener liefde aankondigt. - ---Heb ik niet alles verkregen, wat ik wilde? vroeg hij zich zelf dan -af en toch was het hem wee te moede. Eens gaf hij haar een ring met -een steen, waarin een sfinx gegraveerd was. - ---Wat is dat? vroeg ze, een sfinx? - ---Ja, en die sfinx ben jij... - ---Ik? en ze keek hem aan met dien vreemden blik,... ik gevoel me -daardoor gevleid... en ze glimlachte vaag. - -Paul leed, zoolang hij haar liefhad. En toen ze onverschillig -begon te worden (dit gebeurde al spoedig) verloor hij bijna zijn -verstand. Wanhoop en ijverzucht verteerden hem, hij liet haar -geen rust, vervolgde haar overal. Ze ging op reis, moe van zijn -aandringen. Paul ging uit den dienst, ten spijt van het smeeken -van zijn vrienden, den raad zijner meerderen, en volgde haar. Zoo -reisde hij vier jaar lang in vreemde landen, nu eens samen met haar, -dan weer haar ontloopend, met het vaste voornemen haar nooit weer -te zien. Hij schaamde zich over zijn zwakheid, vervloekte die, maar -het hielp niet. Hij kon het beeld dezer vrouw, dat magische beeld, -niet vergeten. In Baden scheen alles weer goed. Haar liefde bloeide -schooner dan ooit. Maar dat duurde geen maand. De vlam doofde en -nu voor goed. Paul voorzag de breuk en wilde tenminste haar vriend -blijven, alsof dat mogelijk is met zulk een vrouw. Ze ging ongemerkt -weg uit Baden, ontvluchtte, meed hem sedert. Paul kwam in Rusland terug -en trachtte vergeefs zijn oude levenswijze te hervatten. Als door -een slang gestoken, doolde hij van plaats tot plaats, kon geen rust -vinden, ging weer op reis; toch bezocht hij de salons en bleef homme -du monde. Zijn ijdelheid kon zich streelen met twee of drie nieuwe -veroveringen; maar eigenlijk wanhoopte hij aan zich zelf en aan de -menschen en stelde in niets meer belang. Hij werd vroeg oud, grijs, -en begon zijn avonden in de club door te brengen, waar hij, bitter -en verveeld, mee deed in het gesprek, onverschillig en norsch. Hij -dacht natuurlijk niet aan trouwen. Zoo gingen verwonderlijk snel tien -nuttelooze, leege jaren voorbij. - -Nergens vergaat de tijd sneller dan in Rusland, behalve dan in de -gevangenis. Op een avond, terwijl hij in de club dineerde, hoorde hij, -dat vorstin R. in Parijs gestorven was in een toestand, die aan waanzin -grensde. Hij stond op en liep langen tijd door de zalen heen en weer, -bleef staan staren bij de speeltafels. Op het gewone uur keerde hij -huiswaarts. Kort daarop ontving hij een pakje met den ring, dien hij -haar eens gegeven had. Ze had een kruis getrokken over de sfinx met -de opdracht, Paul te zeggen, dat dit de oplossing van het raadsel was. - -Dit was gebeurd in het begin van het jaar 1848, denzelfden tijd, toen -Nikolaas Petrowitsj na het verlies van zijn vrouw naar Petersburg was -gekomen. Paul had zijn broeder, sedert diens verblijf op het land -nauwelijks gezien. Hij was getrouwd in den eersten tijd van Pauls -vriendschap met de vorstin. Na zijn terugkomst uit het buitenland had -Paul zijn broeder wel bezocht en zich voorgenomen, eenige maanden bij -hem door te brengen, maar na een week was hij reeds vertrokken. Hun -denkbeelden liepen toenmaals te zeer uiteen. Dit was in '48 anders -geworden. Nikolaas was weduwnaar geworden en Paul op zijn manier -eveneens! Kirsanof had een geregeld leven geleid, zijn zoon groeide -onder zijn oogen op. Maar Paul ging als jonggezel dat beklagenswaardige -tijdperk des levens tegemoet, waarin de jeugd voorbij en de ouderdom -nog niet gekomen is, waarin hoop en hopeloosheid zooveel op elkander -lijken. Vooral voor Paul moest deze tijd bizonder smartelijk zijn. Met -zijn verleden had hij alles verloren. En hij trachtte te vergeten... - ---Ik noodig je niet meer uit, op Marjino te komen, zei Kirsanof tot -hem, (die naam was een herinnering aan zijn vrouw).--Je verveelde je -daar al bij Maria's leven, dus nu nog veel meer! - ---Ik was toen zoo onrustig en dwaas, antwoordde Paul. Nu ben ik rustig -en misschien wijzer. Als je het goed vindt, wil ik met je meegaan en -voorgoed bij je blijven wonen. - -Nikolaas omhelsde zijn broeder als eenig antwoord. Maar het duurde nog -anderhalf jaar, eer Paul uitvoering gaf aan zijn besluit. Maar toen hij -er eenmaal zat, ging hij niet meer weg, ook niet in de wintermaanden, -die Nikolaas bij zijn zoon in Petersburg doorbracht. Hij las veel, -vooral Engelsche boeken, en zijn geheele levenshouding kreeg een -Engelsch stempel. Hij ging zelden op bezoek bij de naburige eigenaars -en bezocht alleen soms de kiesvergaderingen, waar hij meestal zweeg -en alleen met liberale denkbeelden en grapjes de conservatieve -grondeigenaren schrik aanjoeg, zonder zich overigens modern te -gevoelen. Men verweet hem hoogmoedigheid, maar achtte hem terwille -van zijn aristocratische manieren en het geluk, dat hij altijd bij -vrouwen had gehad, terwille van zijn goeden smaak in kleeding en -omdat hij altijd de mooiste kamers in de eerste hotels bewoonde, -van fijn eten hield en eens zelfs met Wellington bij Louis Philippe -had gedineerd, omdat hij op reis altijd een zilver nécessaire en -een badapparaat bij zich had, omdat hij goede, zeer gedistingeerde -parfums gebruikte, uitnemend whist speelde en toch altijd verloor, -en tenslotte omdat hij volkomen betrouwbaar was. De dames van het -goevernement vonden hem een zeer aantrekkelijk melancholicus, maar -hij nam volstrekt geen notitie van haar. - ---Je zult me toegeven, Jevgenij, zei Arkadiej, dat je mijn oom verkeerd -beoordeeld hebt. Ik wil niet spreken van de vele diensten, die hij -mijn vader bewezen heeft. Menigmaal gaf hij hem al zijn beschikbaar -geld (ze bezitten het goed gemeenschappelijk). En ik verzeker je, -dat hij voor iedereen de welwillendheid zelve is, dat hij het altijd -voor de boeren opneemt, ofschoon hij nooit met hen omgaat zonder eau -de cologne te gebruiken. - ---Dat zijn de zenuwen, antwoordde Bazarof. - ---Kan zijn. Maar hij heeft een goed hart. Hij is ook een man van -geest. En dikwijls heeft hij me goeden raad gegeven, vooral met -betrekking tot de vrouwen. - ---Aha. Na svojem malakje obzjogsja, na tsjoezjoejoe wadoe doejet. [6] -Dat kennen we! - ---Hij is heel ongelukkig, dat is zeker. Het zou niet goed zijn, -hem daarover hard te vallen, ging Arkadiej voort. - ---Wie doet dat dan? Maar ik beweer toch, antwoordde Bazarof, -dat een man, die zijn leven op één enkele kaart van "Hartenvrouw" -heeft gezet en als hij die kaart verliest, zich dat zoo aantrekt, dat -hij voor niets meer deugt, geen man is, geen wezen van het mannelijk -geslacht. Je zegt, dat hij ongelukkig is, jij zult dat wel beter weten, -maar zijn dwaasheid heeft hij nog niet overwonnen. Ik ben overtuigd, -dat hij zich voortreffelijk vindt, omdat hij Galignani leest en nu -en dan een boer tegen een tuchtiging beschermt. - ---Vergeet de opvoeding niet, die hij genoten heeft, den tijd, waarin -hij jong was; antwoordde Arkadiej. - ---Zijn opvoeding? riep Bazarof uit, een man moet zich zelf opvoeden, -zooals ik heb gedaan. En wat den tijd betreft, waarom moet ik van -den tijd afhankelijk zijn? Die moet juist van mij afhangen. Nee, ik -zie niets als zwakheid en halfheid in dat alles. En dan, wat is dat -voor onzin, die zoogenaamde mysterieuze betrekkingen tusschen man en -vrouw? Wij physiologen weten wel beter! Bestudeer het oog en zeg me, -of je daar iets vindt van dat raadselachtige, waarvan je sprak. Dat -is romantiek, gezeur, praatjes. Laat ons liever eens naar mijn kever -gaan kijken. - -Daarmede gingen zij naar Bazarofs kamer, waar een medisch-chirurgische -lucht zich mengde met slechten tabaksrook. - - - - - - - - -VIII. - - -Paul bleef niet lang tegenwoordig bij het gesprek van zijn broeder -met den opzichter. Deze, een man van hooge gestalte, mager, sluwe -oogen, honig-zoete vleistem, antwoordde op de woorden van Kirsanof -met een stereotiep: zeer zeker, zonder twijfel! en hield niet op -de boeren voor drinkebroers en dieven uit te schelden. Het nieuwe -bedrijfssysteem werkte nog niet glad, maar Kirsanof liet zich daardoor -niet afschrikken, al zuchtte hij ook en peinsde, peinsde... Hij -begreep wel, dat de zaak niet loopen kon zonder geld en geld was -het juist, wat hem ontbrak. Arkadiej had de waarheid gezegd: Paul -Petrowitsj had zijn broeder meer dan eens geholpen; meer dan eens, -als hij zag, hoe deze zich vergeefs inspande, middelen te vinden, -was hij langzaam naar het venster gegaan en had gefluisterd: - ---Mais je puis vous donner de l'argent. - -En dat had hij ook dikwijls gedaan. Maar ditmaal stond hij er zelf -slecht voor en daarom was hij maar liever weggegaan. Huishoudelijke -uiteenzettingen waren hem trouwens altijd onaangenaam. En buitendien -was hij van oordeel, dat Kirsanof, hoezeer hij ook zijn best deed, -de zaken verkeerd aanpakte, maar zelf was hij niet in staat te zeggen, -hoe het dan wèl moest. Mijn broeder is niet practisch, zei hij dan. Hij -wordt bedrogen. - -Nikolaas echter had een hoog denkbeeld van Pauls inzicht en vroeg -hem altijd om raad. - ---Ik ben een besluiteloos, zwak man zonder ervaring, zei hij dan; -jij hebt in de wereld geleefd, jij kent de menschen, je hebt een -adelaarsblik. - -Zonder te antwoorden, draaide Paul zich dan om, maar deed niets om -zijn broeder tot andere gedachten te brengen. - -Ook ditmaal liet hij hem aan zijn lot over en liep door de gang. Voor -een kleine deur bleef hij staan, scheen een oogenblik te aarzelen, -streek zijn snor op en klopte zachtjes. - ---Wie daar? Binnen, zei Fenitsjka. - ---Ik, antwoordde Paul en trad binnen. Fenitsjka sprong op, het kind -in den arm, dat zij dadelijk overgaf aan een meisje, dat ermede -heenging. Zelf haastte zij zich, haar halsdoek in orde te brengen. - ---Vergeef me, als ik stoor, zei Paul, zonder haar aan te zien, ik -wilde alleen vragen... er gaat vandaag, geloof ik, iemand naar de -stad... ik had graag groenen thee. - ---Hoeveel wilt u? vroeg Fenitsjka. - ---Een half pond is genoeg.--Het is hier veranderd, als ik me niet -vergis, ging hij voort en keek rond, terwijl zijn blik ook langs -Fenitsjka ging.--Ik bedoel de gordijnen, zei hij, daar ze hem blijkbaar -niet begreep. - ---Ja. Nikolaas Petrowitsj gaf ze me cadeau. Maar ze hangen allang. - ---Het is ook allang geleden, sedert ik hier was. Het is hier nu aardig. - ---Dank zij Nikolaas Petrowitsj, antwoordde zij zacht. - ---Vind je het hier prettiger, dan in je vorige woning op het erf? vroeg -hij vriendelijk, maar bleef ernstig. - ---O ja, veel prettiger. - ---Wie woont nu in die oude kamers? - ---De waschvrouwen. - ---O! - -Paul zweeg. Nu zal hij wel gaan, dacht Fenitsjka. Maar hij ging niet, -en zij bleef stil staan voor hem en speelde verlegen met haar vingers. - ---Waarom liet je den kleine wegbrengen? vroeg hij eindelijk. Ik houd -van kinderen. Laat hem eens zien. - -Fenitsjka bloosde van verlegenheid en blijdschap. Ze was bang voor -Paul. Hij sprak maar zelden met haar. - ---Doeniasja! riep ze. Brengt u Mitia eens binnen. Maar nee, wacht -even. Hij moet eerst verkleed worden. (Ze tutoyeerde niemand in huis.) - -En ze ging naar de zijkamer. - ---Dat is niet noodig, riep Paul haar na. - ---Het duurt niet lang, antwoordde ze en verdween. - -Paul, alleen, keek nu aandachtig rond. De kleine kamer was uittermate -zindelijk. Het rook naar kamille en pepermunt, vermengd met een -lucht van olie, want de vloer was opnieuw geverfd. Langs de wanden -stonden stoelen met liervormige ruggen, die de oude generaal van zijn -laatsten veldtocht in Polen had meegebracht. In een hoek stond een -bed met katoenen gordijn, daarnaast een koffer met ijzeren beslag en -gewelfd deksel. In den anderen hoek brandde een koperen lampje voor -een groote en sombere beeltenis van den H. Nikolaas. Een klein ei van -porselein hing aan een rood koordje op de borst van den Heilige. Op -de vensterbanken stonden goed gesloten potten met ingemaakte vruchten -van het vorig jaar. Fenitsjka had zelf met groote letters daarop -geschreven Zwarte Bessen. Kirsanof hield verreweg het meest van deze -vrucht. Aan de zoldering hing aan een lang koord een vogelkooi, waarin -een groen sijsje, dat onophoudelijk rondsprong en zong, zoodat de -kooi in zwevende beweging was en er voordurend zaadkorrels met lichte -geluidjes op den vloer vielen. Aan den wand tusschen de twee vensters -hingen boven een commode verscheiden beeltenissen van Kirsanof in -diverse houdingen, door een rondtrekkend kunstenaar vervaardigd. Ook -een portret van Fenitsjka hing daar, een gezicht zonder oogen, met een -gedwongen lachje, meer was niet te onderscheiden. Boven dit portret -fronste generaal Jermolof, in dolman, donkere wenkbrauwen en keek naar -de verre bergen van den Kaukasus. Zijn voorhoofd werd overschaduwd door -een zijden schoentje voor spelden, aan denzelfden spijker gehangen. - -Vijf minuten ongeveer duurde het geluid van voetstappen en stemmen -in het zijvertrek. Paul nam intusschen een beduimeld boek van de -commode. Het was een deel van Massalski's roman: De Strelitsen. Terwijl -hij erin bladerde, ging de deur open en Fenitsjka trad binnen, -Mitia op den arm. Het kind droeg een rood, aan den hals gefestoneerd -hemdje. Zijn moeder had hem gewasschen en gekamd, hij blies hardop, -zwaaide met armen en beentjes, zooals gezonde kinderen doen. Zijn mooie -hemdje miste de uitwerking niet op zijn humeur, want zijn vol-rond -gezichtje drukte hoogste tevredenheid uit. Fenitsjka had ook zichzelf -niet vergeten, het haar herzien en een ander kraagje omgedaan. Dat was -overigens overbodig. Want is er iets aantrekkelijkers dan een mooie, -jonge moeder met haar gezond kind op den arm? - ---Wat een jongen! zei Paul vriendelijk en streelde Mitia's kin met de -nagelpunt van zijn rechter wijsvinger. Het kind keek naar het sijsje -en begon te lachen. - ---Dat is oom, zei Fenitsjka, boog het hoofd naar den jongen en wiegde -hem zachtjes, terwijl Doeniasja gauw een welriekend rook-kaarsje op -een koper muntje onder het venster zette. - ---Hoe oud is-ie? vroeg Paul. - ---Zes maanden. De elfde wordt hij zeven. - ---Is het niet acht, Fedosia Nikolajevna? waagde Doeniasja op te merken. - ---Nee, zeven, heel zeker. - -Het kind keek naar den koffer, lachte en greep plotseling met het -geheele handje zijn moeder bij neus en lippen. - ---Ondeugd, zei Fenitsjka en liet hem begaan. - ---Hij lijkt op mijn broeder, zei Paul. - ---Op wien zou hij anders lijken? dacht zij. - ---Ja, ging Paul voort, alsof hij met zich zelf gesproken had, de -gelijkenis is frappant. - -Hij beschouwde Fenitsjka oplettend, bijna treurig. - ---Dat is oom, herhaalde zij, bijna onhoorbaar. - ---Kijk, Paul, jij hier! klonk opeens de stem van Kirsanof. Paul -wendde zich om. Er kwamen harde trekken op zijn gezicht. Maar er lag -zooveel geluk en dankbaarheid in de oogen van zijn broeder, dat het -hem onmogelijk was, anders dan met een glimlach te antwoorden. - ---Je jongen is prachtig, zei hij en keek op zijn horloge. Ik was -binnengegaan om thee te bestellen. - -Daarop verliet hij de kamer met zijn gewone onverschilligheid. - ---Is hij uit zich zelf gekomen? vroeg Kirsanof. - ---Ja, hij klopte aan en kwam binnen. - ---En Arkasja, is die sedert niet bij je geweest? - ---Nee; zou het misschien niet beter zijn, als ik mijn oude kamer weer -betrok, Nikolaas Petrowitsj? - ---Waarom? - ---Ik geloof, dat het goed zou zijn voor den eersten tijd. - ---Nee... nee, antwoordde Nikolaas aarzelend. In ieder geval is het -nu te laat;--dag, dikkerd, ging hij plotseling voort, levendig en -kuste het kind; toen boog hij over de hand, die Mitia vasthield en -kuste die, melk-wit afstekend van het roode kinderhemdje. - ---Wat doet u, Nikolaas Petrowitsj? fluisterde zij en sloeg de oogen -neer, maar keek hem toen weer aan. - -Betooverend was die blik, als ze van onder af, naief en teer -glimlachend iemand aanzag. - -Kirsanof had haar zóó leeren kennen. - -Voor drie jaren moest hij den nacht doorbrengen in de herberg van een -klein dorpje, vrij ver van zijn woonplaats verwijderd. Al dadelijk -viel hem de helderheid van het linnen en de reinheid in de kamer -op. Zou de vrouw een Duitsche zijn? dacht hij. Maar ze was een Russin -van een vijftig jaar, goed gekleed, een intelligent, zacht gezicht en -ernstig. Hij praatte met haar bij de thee en ze beviel hem goed. Hij -had zich pas ingericht in zijn nieuwe huis en zocht vrije bedienden, -omdat hij geen lijfeigenen meer wilde. De herbergierster klaagde -over de weinig reizigers, de slechte tijden. Hij bood haar een -huishoudstersplaats in zijn huis aan en zij sloeg toe. Haar man was -reeds lang gestorven, ze had een dochter, Fenitsjka. Drie weken later -kwam Arina Sawisjna met haar dochter in Marjino en werd in den vleugel -van het huis ondergebracht. Het geluk was Kirsanof mee geweest. Arina -bleek een voortreffelijke huishoudster. Niemand bemoeide zich toen -met Fenitsjka, die al zeventien jaar oud was. Ze leefde stil als -een muisje in haar holletje. Alleen Zondags in de kerk kon Nikolaas -het fijne profiel van een teer meisjesgezicht opmerken. Zoo ging een -jaar voorbij. - -Toen verscheen op een morgen Arina in Kirsanofs werkkamer, groette -hem eerbiedig naar gewoonte en vroeg, of hij geen middel wist, haar -dochter te helpen, die een vonk in haar oog had gekregen. Nikolaas -Petrowitsj speelde, als alle landgoedeigenaren den huisdokter en -bezat een homoeopathische apotheek. Hij liet onmiddellijk Fenitsjka -roepen. Toen deze hoorde, dat de heer haar geroepen had, schrok -ze heftig, maar ging met haar moeder mee. Kirsanof bracht haar -bij het raam en nam het hoofd tusschen beide handen, onderzocht het -rood-ontstoken oog en schreef omslagen voor met een water, dat hij zelf -had toebereid. Daarop scheurde hij een lap van zijn zakdoek en liet -zien, hoe het gedaan moest worden. Fenitsjka wilde nu weg, maar Arina -riep: Geef den heer een handkus, domkopje! Kirsanof liet dat niet toe, -maar kuste haar, in eigenaardige verwarring op het voorhoofd, terwijl -zij voor hem boog. Het oog was weldra genezen, maar den indruk, dien -zij op Kirsanof had gemaakt, niet zoo spoedig uitgewischt. Hij dacht -nog altijd, die zijdezachte haren tusschen de vingers te hebben, dat -bleek-blanke, schuchter-onschuldige gezichtje te zien en dien half-open -mond met de kleine parel-fonkelende tanden. Sedert lette hij met veel -meer aandacht op haar, Zondags in de kerk, en zocht gelegenheid, met -haar te spreken. In 't begin bleef ze schuw-teruggetrokken. En toen ze -hem eens 's avonds op het smalle paadje tusschen roggevelden ontmoette, -wierp ze zich in het golvende graan, om niet gezien te worden. Maar hij -zag haar hoofdje tusschen de aren door en riep haar vriendelijk toe: - ---Goeien avond, Fenitsjka, ik zal niet bijten. - ---Goeien avond, fluisterde ze en bleef als een wild diertje in haar -schuilhoek. - -Langzamerhand werd ze minder angstig. Haar moeder stierf aan de -cholera. Wat moest ze nu beginnen? Ordelievendheid en gezond verstand -had ze meegekregen van Arina, maar ze was zoo jong, zoo alleen, -en Nikolaas scheen zoo goed, zoo vol piëteit... - -En wat volgde, behoeven we niet te vertellen. - ---En mijn broeder is dus zoo maar binnen gekomen? - ---Ja. - ---Zoo, dat is goed. Laat me Mitia eens vasthouden. - -En Nikolaas Petrowitsj zwaaide zijn zoon tot aan de zoldering op, -tot groot plezier van het kind, maar tot angst van zijn moeder, -die met uitgestrekte armen telkens naar zijn bloote beentjes greep. - -Paul had zich teruggetrokken in zijn smaakvolle kamer, een fraai -behangen vertrek met een wapenrek boven een perzisch tapijt, -notenhouten meubels met donker-groen trijp, eiken boekekast in -renaissance stijl, bronzen beelden op rijk bureau ministre en marmeren -schoorsteenmantel. Hij wierp zich op den divan, handen onder het hoofd, -en bleef met een blik van wanhoop bijna voor zich uitstaren. Plotseling -stond hij op, schoof de zware gordijnen dicht, waarschijnlijk om de -uitdrukking van zijn gezicht in donker te verbergen en strekte zich -weer op den divan uit. - - - - - - - - -IX. - - -Dienzelfden dag leerde ook Bazarof Fenitsjka kennen. Hij liep met -Arkadiej in den tuin en legde hem uit, waarom sommige boomen en vooral -enkele jonge eiken niet wilden opschieten. - ---Hier moesten meer dennen en populieren staan of linden, maar dan -ook veel meer aarde. Het prieel daar staat goed, want acacia's en -vlier zijn goede kinderen. Die hebben geen verzorging noodig. Stil, -is daar niet iemand in het prieel? - -Het was Fenitsjka met Doeniasja en Mitia. Bazarof bleef staan en -Arkadiej groette haar als een goede kennis. - ---Wie is dat? vroeg Bazarof, toen ze wat verderop waren, die is -niet kwaad! - ---Wie bedoel je? - ---Wat een vraag, daar was toch maar één mooi! - -Arkadiej vertelde hem nu met weinig woorden, maar niet zonder -verlegenheid Fenitsjka's positie in huis. - ---Aha, je vader schijnt van lekkere hapjes te houden. Hij bevalt -me. Een beste kerel. Maar ik wil kennis maken--en daarmee keerde hij -naar het boschje om. - ---Eugène, wees verstandig, ik smeek je, riep Arkadiej hem verschrikt -na. - ---Hou je gemak, antwoordde Bazarof, ik ken de wereld. - -Daarmee naderde hij Fenitsjka en nam zijn hoed af. - ---Mag ik me even voorstellen? begon hij lachend. Ik ben een vriend -van Arkadiej en een zeer vredelievend man. - -Fenitsjka keek hem aan, zonder te antwoorden. - ---Wat een lief kind, ging hij voort. Stel u gerust, ik heb nog nooit -iemand ongeluk gebracht. Waarom zijn zijn wangetjes zoo rood? Komen -de tanden door? - ---Ja, antwoordde Fenitsjka.--Hij heeft al vier en het tandvleesch is -weer ontstoken. - ---Laat mij eens zien. Wees maar niet bang, ik ben medicus. Bazarof nam -het kind op den arm. Zonder verzet of angst liet Mitia dit gebeuren, -tot verwondering der beide vrouwen. - ---Ik zie het al, hindert niet. Hij krijgt prachtige tanden. Als hij -wat heeft, laat u mij dan maar roepen. Voelt u u zelf goed? - ---Ja goddank. - ---Gezondheid is ook het kostbaarst bezit. En u? vroeg hij Doeniasja. - -Doeniasja, thuis een stil meisje, maar buitenshuis uitgelaten, -barstte in lachen uit. - ---Zoo is 't goed. Hier, neem uw dikzak maar weer over. - -Fenitsjka nam het kind. - ---Wat was hij stil bij u, zei ze zacht. - ---Alle kinderen zijn zoo bij mij. Daar bezit ik een geheim middel voor! - ---Kinderen voelen dadelijk, of iemand van ze houdt, zei Doeniasja. - ---Dat is zoo, vond Fenitsjka.--Mitia wil niet bij iedereen. - ---Zou hij ook graag bij mij komen? vroeg Arkadiej, die op eenigen -afstand stond. - -Maar toen hij Mitia op den arm wilde nemen, draaide het kind zijn -hoofdje af en begon te schreeuwen, waardoor Fenitsjka verlegen werd. - ---Een ander maal dan, hij is nog niet aan mij gewend, zei Arkadiej -goedig en de beide vrienden gingen verder. - ---Hoe zeg je, dat ze heet? vroeg Bazarof. - ---Fenitsjka--Fedosia, antwoordde Arkadiej. - ---En haar oudernaam? Het kan nooit kwaad, dien ook te kennen. - ---Nikolajevna. - ---Bene. Ze is gelukkig niet al te verlegen. Dat vinden sommigen niet -goed. Onzin. Waarom zou ze verlegen zijn? Ze is moeder! En dus in -haar recht. - ---Zeker, zei Arkadiej, maar mijn vader? - ---Die ook. - ---Dat ben ik niet heelemaal met je eens. - ---Om de verdeeling van de erfenis? - ---Schaam je je niet, zóo van me te denken? riep Arkadiej -verontwaardigd. Van dit standpunt verwijt ik hem niets. Maar hij had -haar moeten trouwen.... - ---Kom, kom, wat een zielenadel! Het huwelijk heeft dus nog zin voor -jou! Dat had ik niet van je gedacht. - -Het gesprek stokte en zij liepen zwijgend voort. - ---Ik heb het landgoed van je vader terdeeg bekeken, zei Bazarof. Het -trekvee verkeert in slechte conditie en de paarden eveneens. En -zoo staat het ook met de opstallen en de werklui schijnen ware -luilakken. Jullie opzichter is een doerak of een idioot. Ik ben het -over hem met me zelf nog niet eens. - ---Je bent bizonder streng vandaag. - ---En jullie brave boeren zullen je vader nog wat te stellen geven. Dat -zie ik aankomen. Je kent het spreekwoord: Roeski moezjiek, Boga -slonajet! [7] - ---Ik begin te gelooven, dat oom gelijk heeft. Je hebt een slecht -denkbeeld van de Russen. - ---En terecht! De eenige verdienste van den Rus bestaat hierin, dat -hij een slechten dunk van zich zelf heeft. En dat kan hem dan verder -niet schelen! Het is veel belangrijker te weten, dat tweemaal twee -vier is. De rest heeft niets te beteekenen! - ---Wat? Ook de natuur dus niet? antwoordde Arkadiej en liet zijn blik -weiden over de bonte velden, die baadden in het zachte licht der -ondergaande zon. - ---Ook de natuur heeft niets te beteekenen in dien zin, die jij haar -op het oogenblik geeft. De natuur is geen tempel, maar een werkplaats -en de mensch is de werkman. - -Opeens werd hun oor getroffen door de gedragen tonen van een cello van -uit het huis. De speler legde gevoel in zijn spel, maar nog ongeoefend -klonk Schuberts Erwartung, en deze zoete melodie doordrong de lucht -als honinggeur. - ---Wat is dat? vroeg Bazarof verwonderd. - ---Dat is mijn vader. - ---Speelt je vader cello? - ---Ja. - ---Hoe oud is hij dan? - ---Vier en veertig. - -Bazarof barstte in lachen uit. - ---Waarom lach je? - ---Hè? Een man van vier en veertig jaar, een pater familias in het -goevernement speelt cello...? - -Bazarof lachte nog luider. - -Maar Arkadiej was het onmogelijk in deze vreugde te deelen, hoe groot -zijn eerbied ook voor den leermeester was. - - - - - - - - -X. - - -Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging -eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men -was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had -zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht -liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren, -lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paul haatte en -verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was -hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul -Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had, -hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig -bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed -had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne -tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had -een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de -bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit -de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een "heer" in -hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend, -als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg -bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven -kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof -een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem -na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem -hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem -lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van -een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat, -evenals Paul. - -Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van -Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de -bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond 's -morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te -wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten -te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er -verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej -de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens, -toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij -het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien. - ---Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond -onbewegelijk. - ---Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp -voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit. - -Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De "uitgediende" bleef -nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts. - ---Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen -Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij -is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu -nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen. - ---Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej. - ---Begin met "Kracht en Stof" van Büchner. - ---Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is -gemakkelijk te begrijpen. - ---Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond -tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is -uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik -had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bij Arkadiej en nu zie ik, -hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen -elkaar niet meer. - ---In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich -dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.--Die nihilist heeft hem -dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik -ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van -natuurkunde. - ---Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij! - ---En die inbeelding, onuitstaanbaar! - ---Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar -één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik -heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem -ingericht, waarom ze me "den roode" noemen in het goevernement, -ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit -zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk. - ---Hoe zoo? - ---Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met "de Zigeuners" -beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen, -neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek, -voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen. - ---En wat voor een boek heeft hij je gegeven? - ---Hier is het. - -En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk -van Büchners veelbesproken boek voor den dag. - -Paul bladerde er in. - ---Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen? - ---Ik ben begonnen. - ---En...? - ---Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal -wel aan mij liggen. - ---Ken je je Duitsch nog? - ---Zeker. - -Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden -zwegen. - ---Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde -beginnen. Ik heb een brief van Koliazin. - ---Van Mathias Ilitsj? - ---Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij -schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt -ons, jou en Arkadiej uit naar de stad. - ---Denk je te gaan? vroeg Paul. - ---Nee, en jij? - ---Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen -een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn -volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn -ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst -gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu -luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel. - ---Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de -armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend. - ---Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik -wil nog eens vechten met dien fraaien dokter. Reken daarop. - -Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden -en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog het -oogenblik van den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak -als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid "der oude Kirsanofs", -zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur -en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd -ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over -een eigenaar uit den omtrek. - ---Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij -kende hem van Petersburg. - ---Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot -hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde -beteekenis hebben. - ---Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk -onverschillig zijn thee. - ---Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets -voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij -niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als -een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb -achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar -eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek -hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen -toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven -nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De -aristocratie was het, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij -is Engelands trouwste steunpilaar. - ---Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat -wilt u daarmee zeggen? - ---Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van -eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf--gevoelens, eigen aan het -wezen der aristocratie--elke solide grondslag voor het bien public -zou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak, -mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots, -want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn -kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort -uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel, -ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie, -maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf -den mensch. - ---Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof, -u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar -geslagen armen. Wat heeft het bien public daaraan? Ook zonder die -achting voor uzelf, zou u niet anders "handelen." - -Paul Petrowitsj verbleekte. - ---Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den -minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar -geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe -bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe -berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder -principes kunnen leven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag -na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet -zoo, Nikolaas? - -Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend. - ---Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een -overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen -hebben. - ---Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij -buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De -logica der geschiedenis eischt... - ---Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen. - ---Wat? - ---U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als -u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties? - -Paul hief zijn handen op. - ---Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik -begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica -te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven? - ---Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit -erkennen. - ---Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig -is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons -tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij. - ---Alles? - ---Volstrekt alles. - ---Niet alleen kunst, poëzie, maar ook... - ---Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte. - -Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet -verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde. - ---Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles, -of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen. - ---Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt. - ---De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig -aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht, -ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme. - -Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie, -d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij -vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken. - ---Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een -juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste -wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders -als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie, -het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof... - ---Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof, -ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt. - ---Maar als ik gelijk heb... - ---Dan is daarmee nog niets bewezen. - ---Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren -schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en -zich daardoor niet laat afschrikken. - ---Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.--U scheidt -u dus af van uw volk! - ---En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den -hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar -buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch? - ---Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus. - ---Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch, -vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als -landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken. - ---En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij. - ---Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn -denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom -kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo -door u verdedigd wordt? - ---Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks! - ---Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U -gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn? - ---Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas -Petrowitsj en stond op. - -Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde -hem weer op zijn stoel. - ---Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist -doordat ik dat gevoel van eigenwaarde bezit, dat deze heer zoo -bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof: - ---U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het -materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd -onbevredigend. - ---Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te -ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.--Voor alles zeg ik, dat -wij niet preeken. - ---Wat doet u dan? - ---Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten -van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede -rechtspraak. - ---Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met -jullie kritiek, maar... - ---Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten -over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op -ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze -"verklikkers", niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden, -als l'art pour l'art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf -onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten -enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken, -terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl -al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen -eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap, -waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds -doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt -en vergif zuipt. - ---Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal -ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen. - ---Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling -op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan -dezen aristocraat. - ---En jullie schelden dus voorloopig alleen maar! - ---Wij schelden ook. - ---En dat heet dan nihilisme? - ---Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden -toon. - -Paul knipte eenigszins met de oogleden. - ---Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.--Het nihilisme wil dus -alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar -waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters -zijn? praat jullie soms niet? - ---Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet -dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden. - ---Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige -daad voor te bereiden? - -Bazarof zweeg. Paul beefde. - ---Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.--Maar hoe kan men -omverwerpen, zonder te weten waartoe? - ---Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch. - -Paul zag hem aan en glimlachte. - ---Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging -Arkadiej voort en rekte zich hoog-op. - ---Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als -je tenminste maar rekenschap wilde geven van wat je wilt beweren met -die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor -noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en -de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een -dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En -zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste -schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar -kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat -zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute -kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn, -maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens, -heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent, -terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie -niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze -zullen jullie verpletteren! - ---Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde -Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel -talrijker, dan u denkt! - ---Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren? - ---U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in -brand te steken [8], antwoordde Bazarof. - ---Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu, -daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren -gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één -voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder -en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen -voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper, -alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo -noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder -dan het bekende "Jonge meisje aan de bron". En ook dat lijkt nog naar -niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd? - ---Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de -anderen zijn niet veel beter. - ---Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig -uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders -moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze -niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: 't is immers toch -allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst -waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten! - ---U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u -zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde -Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn -voorhoofd fronste. - ---We hebben ons te ver laten voeren en ik geloof, dat we beter doen, -hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen -enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die -niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden. - ---Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem -bijvoorbeeld de dorpseenheid. - -Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht. - ---Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken, -antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het -gemeenschapsgevoel der boeren, hun "matigheidsvereenigingen" en -dergelijke grappen meer. - ---En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat! - ---Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest -doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een -paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al -onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik... - ---Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede. - ---Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van -kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren! - -De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij -keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk: - ---Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers! - ---Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al -dien tijd als op heete kolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon -meewarig aangekeken. - ---Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een -avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en -wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet -begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden -deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard, -maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen: -jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil! - ---Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd, -dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een -beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting -der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel: -wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel -rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid -daarvan afhing! - ---Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze -had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen. - ---Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en -verliet den salon. Paul zei kort bonsoir en zocht zijn kamer op. - - - - - - - - -XI. - - -Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje, -zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien, -die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder -zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe -werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de -gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door -te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij, -en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder -van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen, -een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet -alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de -tradities der heeren. - -Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het -hoofd.--Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich -heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de -natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een -populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin -verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde -op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien, -zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen -van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen -der zon drongen door het loof en tintten de boomen met warmen toon, -zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig, -strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna -niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems -en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak. - ---Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem -over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan "Kracht en -Stof" en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over -aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven -had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die -herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er -veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den -zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem, -niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde, -welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik, -onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste -maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de -trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen: -pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt, -hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg -een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden, -lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en -eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit -alles geworden? Zij werd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op -aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige -oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?... - -Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde -hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde -haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen, -en bijna was het, of boven zijn hoofd haar... - ---Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka's stem naast hem, waar ben -je toch? - -Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had -er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en -Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar -stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn -tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten -gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween. - ---Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast... - -Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij. - -Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu -bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het -donker en stil en Fenitsjka's gezichtje was zoo bleek en teer geweest, -die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn -bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en -weer in den tuin, keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel, -die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd, -en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben, -als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn -oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat -was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar -en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas -Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan, -het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij -kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele -lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming... - -Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe. - ---Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je -je ziek? Je moest naar bed gaan. - -Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in -huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg -de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen -weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen, -die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van -de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig -gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische -ziel... - ---Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen -zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen -had van jullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als -wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het -hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het -kost ons hoogstens een dag of zes. - ---En kom je dan weer mee terug? - ---Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van -de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat -genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een -grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind. - ---Blijf je lang? - ---Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen. - ---Kom je op de terugreis dan nog langs? - ---Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed? - ---Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig. - -Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar -hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten -nihilist. - -Den dag daarop reisden zij naar de stad. - -Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid -onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar "de ouden" zooals Bazarof -hen noemde, herademden. - - - - - - - - -XII. - - -Goeverneur van de stad *., waar beide vrienden heen gingen, was een -jonge man, die, zooals zulks in Rusland dikwijls het geval is, tegelijk -vooruitstrevend en despoot genoemd kon worden. In het eerste jaar van -zijn ambtsaanvaarding reeds was hij zoo handig geweest, niet alleen met -den oudste van den adel, een gepensioneerden ritmeester-stafofficier, -tevens paardenfokker en zeer gastvrij mensch in conflict te komen, -maar evenzeer met zijn eigen ambtenaren. De geschillen, uit dezen -toestand gerezen, hadden zulk een omvang aangenomen, dat de minister -zich genoopt zag, een man van vertrouwen te zenden, ten einde -de zaken weer vlot te krijgen. De keuze was gevallen op Matthias -Ilitsj Koliazin, de zoon van dien Koliazin, die weleer voogd over de -gebroeders Kirsanof was geweest. Hij was een ambtenaar der jongere -school, ofschoon reeds over de veertig. Hij was echter vast voornemens, -een staatsman te worden en prijkte dan ook reeds met twee sterren op -de borst, waarvan de eene trouwens niet veel te beteekenen had, een -buitenlandsch, weinig geacht ordeteeken. Evenals de goeverneur, gold -hij als een man van den vooruitgang, had reeds grooten invloed, maar -was toch geheel anders als andere ambtenaren van zijn rang. Wel had -hij een zeer grooten dunk van zich zelf en was hij grenzenloos ijdel, -maar zijn manieren waren eenvoudig en er lag iets aangenaams in zijn -blik. Hij luisterde altijd zeer welwillend toe en lachte zoo goedig, -dat men hem bij eerste kennismaking voor "een wonderlijk mensch" -hield. In belangrijke zaken wist hij echter gewetenloos streng op -te treden. - ---Energie is noodzakelijk, placht hij te zeggen, "l'énergie est -la première qualité d'un homme d'état". Toch kon elk min of meer -geslepen ambtenaar hem gemakkelijk om den tuin leiden en werd hij -telkens bedrogen. Matthias Ilitsj maakte veel werk van Guizot en -deed zijn best, ieder, die hem wilde aanhooren, te overtuigen, dat -hij niet tot die bekrompen-achterlijke mannen behoorde, die routine- -en gewoontemenschen, zooals er zoovelen zijn, en dat geen enkele der -groote maatschappelijke bewegingen aan zijn aandacht en belangstelling -ontsnapte. Hij hield van die groote woorden en volgde eveneens de -literaire beweging, maar met een soort superieure minachting, ongeveer -zooals een man op leeftijd het spel van straatjongens gadeslaat. In -facto was Matthias Ilitsj niet zooveel verder dan de staatslieden -uit den tijd van Alexander I, die, wanneer ze 's avonds een soireé -bij mevrouw Swetsjiena moesten bijwonen, 's morgens een hoofdstuk uit -Condillac lazen. Alleen zijn manieren waren wat moderner. Hij was een -handig hoveling, een sluwerd, zonder meer. Van staatszaken begreep -hij weinig, en geest bezat hij niet. Zijn eigen belangen echter waren -hem wel bewust. Hierin kon niemand hem bedriegen en dit is een talent, -waardoor hij toch eenige verdienste had. - -Matthias Ilitsj ontving Arkadiej met welwillendheid, volkomen passend -bij een verlicht ambtenaar van zijn slag; bijna vroolijk ontving hij -hem. De mededeeling echter, dat de beide andere heeren niet zouden -verschijnen, ontstemde hem min of meer. - ---Je papa is altijd een type geweest, zei hij, en liet de kwasten van -zijn fluweelen morgenjas door de vingers glijden. Daarop wendde hij -zich tot een jong ambtenaar in streng toegeknoopt interimsuniform en -snauwde hem af: - ---Wat moet u daar? - -De jonge man, die lang gezwegen had, richtte zich op en keek zijn -meerdere met een uitdrukking van verbazing aan. Matthias Ilitsj -echter deed reeds weer, of hij niet bestond. Onze hoofdambtenaren -houden er wel van, hun ondergeschikten te overbluffen, maar ze doen -dat op verschillende manieren. Een zeer geliefd middel bijvoorbeeld, -a quite favourite, zooals de Engelschman zegt, is dit: de ambtenaar -verstaat plotseling geen enkel woord meer, alsof hij met doofheid -geslagen is. Hij vraagt, welke dag het is. Men antwoordt onderdanig: - ---Vrijdag, Uw Excellentie! - ---Hè, wat? Wat is?--Zei je iets? antwoordt hij dan. - ---Het is vandaag Vrijdag, Uw Excellentie. - ---Hè, wat, wat is er met Vrijdag? Wat voor een Vrijdag? - ---Vrijdag, Uw Excellentie, het is Vrijdag, een weekdag. - ---Wat, ondersta jij je, mij een lesje te willen geven? - -Zulk een hoofdambtenaar was Mathias Ilitsj, ten spijt van zijn -liberale denkbeelden. - ---Ik raad je aan, mijn beste, zei hij tot Arkadiej, den goeverneur -een bezoek te brengen. Je moet me goed begrijpen. Als ik je dien -raad geef, moet je niet denken, dat ik wil, dat je autoriteiten het -hof zoudt maken. Maar de goeverneur is een man van de wereld. En -buitendien zul je toch wel van plan zijn, je in onze kringen te laten -introduceeren. Ik hoop, dat je geen beer bent. De goeverneur geeft -overmorgen een groot bal. - ---Denkt u daar ook heen te gaan? vroeg Arkadiej. - ---Hij geeft het ter mijner eer, zei Mathias Ilitsj op bijna -medelijdenden toon, je danst toch? - ---Ja, maar niet goed. - ---Des te erger voor jou. Er komen een paar mooie vrouwen. En buitendien -is het een schande voor een jongen man, als hij niet kan dansen. Ik -herhaal, ik zeg dat niet uit voorliefde voor het oude, ik vind -volstrekt niet, dat de geest in de beenen zit, maar het byronisme -vind ik belachelijk, dat is overwonnen! - ---Denkt u dan, oom, dat het byronisme... - ---Ik zal je in kennis brengen met onze dames. Ik zal je onder mijn -bescherming nemen, antwoordde Mathias Ilitsj met welwillenden glimlach. - -Een dienaar diende den president der kamer van financiën aan, -een oude man met honig-zoeten blik en ingevallen lippen, die met -de natuur dweepte, vooral in den zomer, wanneer, zooals hij zei, -"het vlijtige bijtje haar dropje zuigt uit elk bloempje." - -Arkadiej trok zich terug. Hij vond Bazarof in het hotel, waar ze -hun intrek genomen hadden en deze liet zich overhalen, mee naar den -goeverneur te gaan. - ---Voor mijn part dan, zei hij, als men den pink gegeven heeft, -moet men ook de heele hand reiken. Wij zijn gekomen om de heeren -grondeigenaren te leeren kennen.--Vooruit dan. - -De goeverneur ontving de jonge lieden vriendelijk, maar hij noodigde -ze niet uit te gaan zitten, en bleef zelf ook staan. Hij had het -altijd gewichtig en druk. Zoodra hij opgestaan was, stak hij zich in -ambtsuniform met nauwsluitende das en gunde zich nauwelijks tijd te -ontbijten, om toch maar niets van zijn zaken te verzuimen. Hij werd -in het goevernement Boerdaloe genoemd; dit was geen toespeling op den -beroemden Franschen prediker, maar werd afgeleid van het woord bourde, -dat praatje beduidt. Hij noodigde Arkadiej en Bazarof op zijn bal, -herhaalde de uitnoodiging eenige minuten later, hield de vrienden -voor broeders en gaf hun den naam Kaisarof. - -Toen ze het huis des goeverneurs verlieten, kwam er een rijtuig aan, -dat plotseling stil hield. Een jonge man van gemiddelde gestalte -sprong eruit en riep "Jevgeni Wassilitsj!" terwijl hij op Bazarof -afkwam. Hij droeg een Poolsche lange jas op de wijze der Slavofielen. - ---Hé, bent u het, mijnheer Sitnikof, zei Bazarof, zonder te blijven -staan. Wat voert u hier? - ---Een toeval, antwoordde hij, keerde zich naar het rijtuig, wenkte -vijf, zes maal met de hand en riep: Volgen! Volgen!--Mijn vader, ging -hij voort, heeft hier zaken en verzocht mij... ik hoorde vandaag, -dat u ook hier bent, en kom juist van uw hotel. (Inderdaad vonden de -vrienden een omgebogen visitekaartje, bij thuiskomst in hun hotel, -met den naam van Sitnikof in latijnsche en slavische letters.) Ik hoop, -dat u nog niet bij den goeverneur bent geweest? - ---Hoopt u van niet? Wij komen er juist vandaan. - ---Dan ga ik er ook heen. Eugène Wassiljewitsj, stel me toch voor aan -dezen heer. - ---Sitnikof--Kirsanof, mompelde Bazarof zonder te blijven staan. - ---Aangenaam, begon Sitnikof, met vriendelijken glimlach tot Arkadiej, -terwijl hij zijn zeer elegante handschoenen uittrok,--ik heb al veel -over u hooren spreken. Ik ben een oud vriend van Eugène Wassiljewitsj -en mag me zelfs zijn leerling noemen. Hem heb ik mijn moderne inzichten -te danken. - -Arkadiej keek den modernen leerling van Bazarof eens aan. Zijn klein, -glad geschoren gezicht en regelmatige trekken drukten iets onrustigs, -ingespannens, maar tegelijk iets geborneerds uit. Zijn oogen keken -star en onvast tegelijk, zelfs zijn korte-droge lach had iets onzekers, -verwards. - ---U zoudt het niet gelooven, ging hij voort, toen Eugène Wassiljewitsj -mij voor de eerste maal verklaarde, dat er geen autoriteit erkend -behoefde te worden, gevoelde ik een blijdschap, een bevrijding, -alsof ik herboren was. Eindelijk een man, dacht ik.--Zeg eens, Eugène -Wassiljewitsj, je moet vooral een dame bezoeken hier, die heelemaal op -jouw hoogte staat en die gelukkig zal zijn kennis met je te maken. Je -moet zeker al van haar gehoord hebben. - ---Wie is het dan? vroeg Bazarof verveeld. - ---Koeksjina, Eudoxia Koeksjina. Een merkwaardige vrouw, geëmancipeerd -in den volsten zin van het woord, een vrouw van den vooruitgang in -ieder opzicht. Laten we dadelijk alle drie naar haar toe gaan, ze -woont hier vlak bij. We drinken bij haar koffie... of heb jullie al -koffie gedronken? - ---Neen. - ---Uitmuntend. Ze leeft natuurlijk gescheiden van haar man en is -onafhankelijk. - ---Is ze mooi? vroeg Bazarof. - ---Nee, dat kan ik niet zeggen. - ---Wat moeten we dan in Gods naam bij haar uitvoeren? - ---Geen grapjes. Ze zal champagne schenken. - ---Hm. De praktische man komt om den hoek kijken. Apropos, doet je -vader nog altijd in brandewijn? - ---Ja, antwoordde Sitnikof, met gedwongen glimlach. Ga jullie mee? - ---Ik weet niet, wat ik zeggen zal... - ---Je wilde immers menschen bestudeeren... zei Arkadiej fluisterend. - ---En gaat u ook mee, meneer Kirsanof? vroeg Sitnikof. We gaan niet -zonder u. - ---We kunnen toch niet zoo met z'n drieën daar in huis komen vallen... - ---Dat hindert niet. Ze is een zeldzame vrouw! - ---We krijgen dan champagne? herhaalde Bazarof. - ---Drie flesschen, riep Sitnikof, ik sta er voor in. - ---Waarmee? - ---Met mijn hoofd. - ---De portemonnaie van papa zou een beter pand zijn. Maar vooruit -dan maar! - - - - - - - - -XIII. - - -Het kleine huis in Russischen stijl, waar Avdotja Nikitisjna of Eudoxia -Koeksjin woonde, stond in een voor kort afgebrande straat. Het is -bekend, dat onze provinciestadjes om de vijf jaar afbranden. Aan -de voordeur was naast een scheef hangend visitekaartje een schel -aangebracht; een juffrouw met een mutsje op, half dienstmeid, half -dame van gezelschap, ontving de heeren in de voorkamer. Een en ander -ten bewijze van den liberalen geest der bewoonster. Sitnikof vroeg -of Avdotja Nikitisjna thuis was. - ---O, bent u het Victor? riep een hooge stem uit de achterkamer.--Kom -binnen! Meteen verdween de juffrouw met het mutsje. - ---Ik ben niet alleen, zei Sitnikof en keek zijn vrienden met een blik -van verstandhouding aan, terwijl hij zijn overjas uitdeed. - ---Dat hindert niet, antwoordde Eudoxia Nikitisjna, kom maar binnen! - -De jonge lieden gehoorzaamden. Het vertrek, dat ze binnentraden, -leek meer een werkkamer dan een salon. Papier, brieven, Russische -tijdschriften, meest onopengesneden, slingerden op stoffige -tafels. Overal half opgerookte sigaren daartusschen. De vrouw des -huizes lag op een leeren sofa. Ze was jong, blond, een kanten doekje -over het hoofd, zware armbanden had ze aan de polsen en haar handen -waren klein met korte vingers. Ze stond op, trok een fluweelen sortie, -met vergeeld hermelijn gevoerd, losjes over de schouders, zei met -iets smachtends in haar stem: - ---Dag Victor, en drukte hem de hand. - ---Bazarof, Kirsanof, zei deze kort, Bazarofs manier van voorstellen -nabootsend. - ---Aangenaam, heeren, antwoordde mevrouw Koeksjin. Ze richtte haar ronde -oogen, waartusschen een heel klein, armzalig, rood wipneusje stond, -op Bazarof, voegde er bij: Ik ken u, en gaf hem ook een hand. Bazarof -vertrok even zijn gezicht. Het onbeduidende gezichtje was niet bepaald -leelijk, maar de uitdrukking was onaangenaam. Men zou willen vragen: -Wat scheelt eraan? Heb je honger? Verveel je je? Ben je bang voor -iets? Ze had evenals Sitnikof het gevoel, alsof er voortdurend -iets knaagde aan haar ziel. Haar bewegingen en manier van spreken -hadden iets haastigs en logs tegelijk. Ze vond zich zelf zeker goed -en eenvoudig, en toch, wat ze ook deed, het had altijd den schijn, -alsof haar plan was, iets anders te doen. - --- Ja, ja, ik ken u Bazarof, herhaalde ze. (Naar de gewoonte der -vrouwen van het land, noemde ze mannen, die ze voor het eerst zag, -bij hun familienaam.) Rookt u? - ---Een sigaar graag, zei Sitnikof, die het zich intusschen gemakkelijk -had gemaakt in een leunstoel, een been over het andere.--Maar u moet -ons ook wat te eten geven. We vergaan van den honger. En laat dan -maar meteen een flesch champagne aanrukken. - ---Sibariet! antwoordde ze lachend. Als ze lachte, zag men het -tandvleesch. Is hij nu geen Sibariet, Bazarof? - ---Ik houd van mijn gemak, zei Sitnikof met waardigheid. Maar daarom -ben ik niet minder liberaal! - ---Jawel, riep Eudoxia, en ze beval het kamermeisje, voor een dejeuner -te zorgen en champagne te brengen. - ---Hoe denkt u daarover? vroeg ze Bazarof, ik weet zeker, dat u het -met mij eens bent! - ---Dan vergist u je, antwoordde deze, een stuk vleesch is beter dan -een stuk brood, zelfs van het standpunt der chemische analyse. - ---Aha. U doet aan chemie. Dat is mijn zwak. Ik heb zelf een soort -lijm uitgevonden. - ---Lijm? U? - ---Ja, weet u, waarvoor? Voor poppen, poppenhoofden. Bizonder -duurzaam. Ik ben practisch. Maar ik ben het nog niet met mezelf -eens. Ik moet Liebig raadplegen. Hebt u in de Moscousche courant -het artikel van Kisljakof over den vrouwenarbeid gelezen? Dat moet -u lezen. U interesseert u immers voor de vrouwenkwestie? En voor de -schoolkwestie ook? En wat doet uw vriend? Hoe heet hij? - -Mevrouw Koeksjin ratelde deze vragen na elkander af met een naïeve -onverschilligheid, zonder eenig antwoord af te wachten. Zoo praten -ook verwende kinderen met hun gouvernante. - ---Ik heet Arkadiej Nikolajwitsj Kirsanof, zei Arkadiej, en doe niets. - -Eudoxia lachte. - ---Dat is alleraardigst. Rookt u niet? Victor, je weet, dat ik boos -op je ben. - ---Waarom? - ---Je begint weer met George Sand te dwepen. Dat is een antiek meubel -en verder niets. Hoe kan iemand haar met Emerson vergelijken? Ze heeft -geen begrip van opvoeding of physiologie of wat ook. Ik ben overtuigd, -dat ze nooit van embryologie gehoord heeft en hoe kunnen we het -tegenwoordig zonder die wetenschap stellen? (Eudoxia spreidde de armen -uit bij deze woorden). Wat heeft Jelisejewitsj een prachtig artikel -over dit onderwerp geschreven! Dat is een genie, die heer. (Eudoxia -zei meestal heer in plaats van man). Bazarof, kom eens bij me zitten -op de sofa. U weet zeker niet, dat ik vreeselijk bang voor u ben. - ---Waarom? U maakt me nieuwsgierig. - ---U bent een gevaarlijk heer. U critiseert alles ter wereld. Maar -mijn hemel, ik spreek als een echte gans. Maar ik ben ook eigenlijk -een gans. Ik beheer mijn goed zelf, maar verbeeld u, mijn opzichter -Jerofej is een type. Hij doet me denken aan Coopers Padvinder. Hij -heeft zoo iets oerwoudachtigs. En nu zit ik voor goed hier in deze -verschrikkelijke stad. Is het niet verschrikkelijk? Maar wat te doen? - ---Het is een stad, als elke andere, antwoordde Bazarof droogjes. - ---De kleinzieligste dingen houden de menschen hier bezig. 't Is -afschuwelijk. Anders was ik den heelen winter in Moscou. Maar de -eerbiedwaardige heer Koeksjin heeft zich daar gevestigd. Buitendien -is Moscou tegenwoordig... ik weet niet... het is allemaal anders -tegenwoordig. Ik zou willen reizen. Verleden jaar was ik ook al van -plan, op reis te gaan. - ---Zeker naar Parijs? vroeg Bazarof. - ---Naar Parijs en Heidelberg. - ---Waarom Heidelberg? - ---Omdat Bunsen daar woont. - -Bazarof wist geen antwoord. - ---Pierre Sapozjnikof... dien kent u toch? - ---Ik heb niet de eer. - ---Hoe is 't mogelijk? Pierre Sapozjnikof. Hij is altijd met Lydia -Chostatova. - ---Die ken ik ook niet. - ---Nu, Sapozjnikof had me zijn reisgezelschap beloofd. Ik heb gelukkig -geen kinderen. Wat zei ik daar? Gelukkig?... Dat doet er ook niet -toe. Eudoxia rolde een sigaret tusschen haar geel geworden vingers, -trok die over haar tong, en begon te rooken. - -Het kamermeisje kwam met het theeblad. - ---Aha, daar is het eten! Wilt u wat gebruiken? Victor, trek de flesch -eens open. Dat behoor jij te kunnen. - ---Kunnen, kunnen, mompelde Sitnikof. - ---Zijn hier ook mooie vrouwen? vroeg Bazarof bij zijn derde glas. - ---Zeker, antwoordde Eudoxia, maar heel onbelangrijk. Mon amie Odintsova -is niet kwaad. Alleen heeft ze een beetje 'n slechte naam... dat -is nu wel niet zoo erg, maar van verheven ideeën, van geest geen -spoor. Ons opvoedingsysteem deugt ook niet. Onze vrouwen hier zijn -slecht opgevoed. - ---U zult ze niet beter maken, zei Sitnikof, de eenige houding is, ze -verachten, en ik veracht ze diep! (Sitnikof hield er van, te verachten, -en hieraan uiting te geven. Hij had het vooral tegen "het geslacht", -zonder te vermoeden, dat hij voorbestemd was, weldra voor zijn vrouw -te kruipen, alleen omdat ze een vorstin Doerdoleosova was.) Er is -niet één, die zich in het gesprek tot onze hoogte kan opheffen, -niet één, die het verdient, dat ernstige mannen als wij zich met -haar bezighouden. - ---Ik zie niet in, waarom zij onze gesprekken behooren te begrijpen, -zei Bazarof. - ---Wie bedoelt u? vroeg Eudoxia. - ---De mooie vrouwen. - ---U bent het dus eens met Proudhon? - -Bazarof richtte zich met verachtende geste op. - ---Ik ben het met niemand eens, ik heb mijn eigen meeningen. - ---Weg met alle autoriteiten! riep Sitnikof, gelukkig, in -tegenwoordigheid van een man, wiens onderdanige dienaar hij was, -eens flink te kunnen optreden. - ---Maar Macauley zelf, zei mevrouw Koeksjin... - ---Weg met Macauley! riep Sitnikof met donderende stem. U neemt het -op voor die zotte vrouwmenschen! - ---Ik strijd volstrekt niet voor de vrouwmenschen, maar voor de rechten -der vrouw, die ik gezworen heb te verdedigen. - ---Weg met... Sitnikof maakte zijn zin niet af. Hij viel zich zelf in -de rede: ik heb niets tegen ze! - ---Ik zie, dat u slavofiel bent! - ---Heelemaal niet. Ik ben geen slavofiel, maar... - ---Jawel u bent slavofiel. U bent het eens met de Domostroi, -(een 17e-eeuwsch werk over huishoudelijke toestanden) nogal -patriarchaal! Het mankeert er nog maar aan, dat u de vrouwen met de -zweep te lijf gaat! - ---Een mooi ding, de zweep, zei Bazarof,--maar we zijn aan den laatsten -droppel. - ---Waarvan? vroeg Eudoxia. - ---Van de champagne, niet van uw bloed. - ---Ik kan het niet verdragen, als men de vrouwen aanvalt, dat is -afschuwelijk. Men moest liever eens het boek van Michelet lezen: -De l'Amour. Een heerlijk werk! Laten we over de liefde spreken, ging -Eudoxia voort en haar hand liet ze smachtend rusten op een kussen. Het -werd plotseling stil in de kamer. - ---Waarom, vroeg Bazarof, over de liefde? Mevrouw Odintsof zal wel -interessanter zijn! Zoo heet ze immers? Wie is ze? - ---Bekoorlijk, bekoorlijk! riep Sitnikof uit, ik zal haar jullie -voorstellen. Ze is geestig, rijk en weduwe. Ongelukkig is ze geestelijk -nog niet volkomen ontwikkeld, ze moest wat meer met onze Eudoxia -omgaan! Ik drink op je gezondheid, Eudoxia! Aanstooten! Et toc, -et toc, et tin, tin tin. Et toc, et toc et tin-tin-tin! - ---Victor, je bent een grappenmaker! - -De maaltijd duurde nog lang. De eene flesch champagne volgde op de -andere. Eudoxia praatte maar door. Sitnikof niet minder. Ze kibbelden -over het huwelijk, of het een vooroordeel was of een misdaad. Ze -behandelden de kwestie, of de menschen met denzelfden aanleg geboren -werden, of niet, en wat eigenlijk individualiteit was. Het kwam -zoover, dat Eudoxia, roode vlekken in het gezicht, met haar nagels -op de ontstemde piano begon te hameren en met heesch geluid eerst -zigeunerliederen zong en toen de romance van Seymour Shiff: Granada -droomt in haren sluimer. - -Sitnikof speelde den minnaar. Hij had een lint om zijn voorhoofd -gebonden. Toen zij de woorden galmde: - - - In mijner kussen heeten gloed - Vereenen zich, lief, onze lippen, - - -kon Arkadiej zich niet langer goed houden: - ---Dat krijgt hier iets van een gekkenhuis, riep hij uit. - -Bazarof had zich ertoe bepaald, nu en dan een spottend woord te -lanceeren en stelde het meest belang in de champagne. Hij gaapte -hardop, stond op en ging weg met Arkadiej, zonder afscheid te -nemen. Maar Sitnikof holde hen achterna. - ---En, vroeg hij, van den één naar den ander ziende, heb ik u niet -gezegd, dat zij een merkwaardige persoonlijkheid is? Dat is een vrouw, -zooals wij er veel moesten hebben. Ze is in haar soort een fenomeen -van hoogere zedelijke orde! - ---Hoort deze inrichting van je vader ook tot die hoogere orde? vroeg -Bazarof en wees op een kroeg, waar ze juist langs kwamen. - -Sitnikof antwoordde met zijn gewonen valschen glimlach. Hij schaamde -zich over zijn afkomst en wist niet, of hij zich gevleid of beleedigd -moest voelen over Bazarofs gemeenzaamheid. - - - - - - - - -XIV. - - -Het bal bij den goeverneur had eenige dagen later plaats. Mathias -Ilitsj bleek inderdaad de koning van het feest. De predwodietjel -[9] verklaarde ieder, die het wilde hooren, dat hij uitsluitend -te zijner eer was gekomen. De goeverneur zelf ging gedurende het -bal, met de grootste nauwgezetheid voort, regeeringszaken af te -handelen. Mathias Ilitsj' opgewekte stemming deed niets af aan den -adel zijner houding. Voor ieder had hij een vriendelijk woord, -voor den een met een nuance van hoogachting, voor den ander min -of meer uit de hoogte. "En vrai chevalier français" overstelpte -hij de dames met beleefdheden en lachte voortdurend in dien fijnen, -geluidloozen toonaard, zooals dat voor een man van aanzien past. Hij -klopte Arkadiej op den schouder en noemde hem duidelijk hoorbaar zijn -besten neef. Bazarof, die een eenigszins kalen rok aan had, mocht zich -gelukkig achten met een verstrooiden, maar welwillenden blik nu en -dan en een minzaam gemompel, waarin alleen den superlatief-uitgang en -het voornaamwoord "ik" verstaanbaar waren. Sitnikof kreeg een vinger -toegestoken, waarbij hij glimlachte zonder hem aan te zien. En zelfs -mevrouw Koeksjin, die zonder crinoline en met vuile handschoenen, -maar met een grooten paradijsvogel in het haar verschenen was, wist -hem een enchanté te ontlokken. Er waren veel menschen en vooral veel -heeren. De gerokte stonden meest tegen de muren, maar de militairen -dansten hartstochtelijk. Onder deze blonk één uit, die zes weken in -Parijs was geweest en derhalve uitdrukkingen als ah! fichtre! pst! mon -bibi! had meegebracht, welke hij dan ook volmaakt, met echt Parijsch -flair uitsprak, hetgeen echter niet verhinderde, dat hij si j'aurais, -in plaats van si j'avais zei en abolument voor "zeer zeker". Hij sprak -dus Russisch-Fransch, waar mee de Franschen, den spot drijven, zoolang -zij ons niet verzekeren, dat wij hun taal spreken comme des anges! - -Arkadiej danste weinig en Bazarof in 't geheel niet. Met Sitnikof -trokken zij zich in een hoekje terug. Deze maakte opmerkingen, die -zoogenaamd scherp waren en glimlachte daarbij verachtend, terwijl -hij uitdagend rondkeek en bizonder met zich zelf ingenomen was. Maar -op een gegeven oogenblik veranderde zijn houding en fluisterde hij -Arkadiej opgewonden toe: - ---Daar is mevrouw Odintsof. - -Arkadiej keek en zag een slanke, in het zwart gekleede vrouw -binnenkomen. Het voorname in haar wezen verraste hem. Haar bloote -armen rondden teêr langs de ranke lichaamslijn, lichte fochsiabloesem -vielen van haar glanzend kapsel over de mooie schouders. Haar klare -oogen waren meer verstandig en rustig dan peinzend. Een blank voorhoofd -welfde zich zacht daarboven. Heel even glimlachte haar mond. Beminlijke -en teedere kracht ademde heel haar wezen. - ---Kent u haar? vroeg Arkadiej. - ---Heel goed. Zal ik u voorstellen? - ---Gaarne... na dezen dans. - -Bazarof merkte mevrouw Odintsof ook op. - ---Wie is die daar? vroeg hij. Dat is heel iets anders als de rest. - -Na den dans bracht Sitnikof Arkadiej bij mevrouw Odintsof. Maar -hij scheen lang niet zoo bevriend met haar als hij gezegd had. Hij -kon niet goed uit zijn woorden komen en zij keek hem met eenige -verbazing aan. Er kwam echter iets vriendelijks in haar gezicht, -toen zij Arkadiej's familienaam hoorde. Ze vroeg, of hij de zoon van -Nikolaas Petrowitsj was. - ---Ja, antwoordde hij. - ---Ik heb uw vader tweemaal gezien en dikwijls over hem hooren -spreken. Ik ben verheugd, u te hebben leeren kennen. - -Op dit oogenblik kwam een adjudant haar vragen voor een quadrille en -ze nam aan. - ---U danst dus? vroeg Arkadiej eerbiedig. - ---Ja, maar waarom denkt u, dat ik niet zou dansen? Vindt u mij te -oud om te dansen? - ---Hoe kunt u dat veronderstellen? Mag ik misschien de volgende mazurka? - -Zij glimlachte. - ---Heel graag, antwoordde ze en keek hem aan zooals gehuwde zusters hun -jongere broeders aankijken. Ze was wat ouder dan Arkadiej. Negen en -twintig. Maar Arkadiej voelde zich in haar tegenwoordigheid als een -jong student, een schooljongen, alsof het verschil in leeftijd nog -veel grooter was. Mathias Ilitsj kwam met majestueus gebaar op haar -toe en begon zijn complimenten. Arkadiej trad terug. Maar volgde -haar met de oogen gedurende den dans. Ze praatte even natuurlijk -met haar danser als met Mathias Ilitsj, en daarbij bewoog ze hoofd -en oogen langzaam van de eene zijde naar de andere. Arkadiej hoorde -haar twee of driemaal zachtjes lachen. Ze had, zooals bijna alle -Russische vrouwen, een misschien wat grooten neus en haar teint was -niet volkomen blank. Toch moest Arkadiej zich zelf bekennen, dat hij -nooit een meer volmaakte schoonheid had gezien. Voortdurend hoorde hij -den toon van haar stem. Hij vond zelfs, dat de plooien van haar kleed -anders vielen als bij andere vrouwen, rijker, meer harmonisch, doordat -al haar bewegingen van zulk een edele, natuurlijke gratie waren. - -Bij de eerste tonen der mazurka beefde Arkadiej. Hij ging naast haar -zitten en omdat hij niet wist, wat te zeggen, streek hij verlegen met -de hand door het haar. Maar dat duurde niet lang. Haar kalmte bracht -hem tot zich zelf. En weldra keuvelde hij onbevangen over zijn oom -en vader, van hun levenswijs in Petersburg en op het land. Mevrouw -Odintsof luisterde met welwillende oplettendheid, terwijl ze haar -waaier op en neer bewoog. Alleen door de komst van cavaliers, die -hun dans verzochten, werden zij nu en dan gestoord. Sitnikof kwam -tweemaal. Daarna keerde zij weer terug en speelde weer met den waaier, -zonder dat eenige opwinding haar borst sneller deed kloppen. En -Arkadiej vertelde verder, gelukkig, haar naast zich te weten, haar -oogen en voorhoofd, haar ernstig, lief gezicht te kunnen zien. Zij -sprak weinig, maar als een vrouw met zekere levenswijsheid. Arkadiej -begreep, dat haar jaren niet zonder ontroeringen waren geweest, -dat ze had leeren nadenken. - ---Wien had u straks bij u, toen Sitnikof u voorstelde? vroeg ze. - ---Hebt u hem opgemerkt? Een typische kop, vindt u niet? Dat is mijn -vriend Bazarof. - -En Arkadiej begon nu over hem te spreken. Hij verviel daarbij in -allerlei bizonderheden en raakte zoo in vuur, dat mevrouw Odintsof -met veel belangstelling naar hem omkeek. Toen was de mazurka -afgeloopen. Het speet Arkadiej, dat hij zich nu verwijderen moest. De -tijd was zoo aangenaam vergaan. Wel had hij voortdurend gevoeld, -dat ze hem met zekere kleinachting behandelde maar hij was daar -dankbaar voor. Want jonge harten voelen zich niet vernederd door de -beschermende welwillendheid eener schoone vrouw. - -De muziek zweeg. - ---Dank u, zei mevrouw Odintsof, en stond op, u hebt beloofd, mij te -bezoeken. Ik hoop, dat u dan uw vriend meebrengt. Ik ben zeer benieuwd, -een man te leeren kennen, die den moed heeft aan niets te gelooven. - -De goeverneur trad op mevrouw Odintsof toe, deelde haar mede, dat -het souper wachtte en bood haar zakelijk den arm. Zij keek bij het -weggaan nog eens naar Arkadiej om en knikte hem glimlachend toe. Hij -boog diep, volgde haar met de oogen, hoe elastisch-elegant die gestalte -in de zwarte zijde--en dacht: ze heeft me allang vergeten! En meteen -kwam een gevoel van vrede door zijn ziel, streelend... - ---En, vroeg Bazarof hem, zoodra hij terug was in hun hoekje, heb -je geluk gehad? Ik heb me laten vertellen, dat die vrouw... nu -ja... Trouwens, de man, die het me verzekerde, kan wel een idioot -zijn. Wat denk jij? Zou ze werkelijk... hm... hm... - ---Ik weet niet, wat je bedoelt met hm, hm, antwoordde Arkadiej. - ---De lieve onschuld! - ---Als 't zoo bedoeld is, begrijp ik je zegsman niet. Mevrouw Odintsof -is charmant, maar zoo koel en stil, dat... - --- Stille wateren hebben diepe gronden, zei Bazarof. Is ze koud? Dat -maakt haar belangrijk. Hou je niet van ijs, en zoo? - ---Dat is best mogelijk, zei Arkadiej, ik wil daar niet over -oordeelen. Maar ze wil kennis met je maken en heeft me gevraagd, -je mee te brengen. - ---Je hebt haar zeker fijne dingen van me verteld. Maar dat neem -ik je niet kwalijk. Maar wie ze ook is, een gewone kokette of een -geëmancipeerde als mevrouw Koeksjin, mooie schouders heeft ze! - -Het cynische in deze woorden deed Arkadiej pijn, maar zooals meestal -gooide hij het over een anderen boeg en verweet zijn vriend iets -geheel anders: - ---Waarom gun je den vrouwen hun recht op denken niet? vroeg hij -fluisterend. - ---Omdat ik gemerkt heb, dat alle vrouwen, die van dat recht gebruik -maken, ware vogelverschrikkers zijn. - -Hiermede eindigde het gesprek. De vrienden gingen weg onmiddellijk -na het souper. Madame Koeksjin wierp hem een boos lachje toe. Zij -hadden haar niet de minste oplettendheid bewezen en haar ijdelheid -was beleedigd. Zij bleef tot het einde en danste nog om vier uur -'s morgens met Sitnikof een polka op parijsche manier. - -En met dit hartverheffende tooneel eindigde het bal bij den goeverneur. - - - - - - - - -XV. - - ---Ik ben nieuwsgierig te zien tot welke klasse van zoogdieren je nieuwe -vriendin hoort, zei Bazarof den volgenden dag tot Arkadiej, terwijl -ze de stoep van het hotel opgingen, waar mevrouw Odintsof woonde.--Ik -weet het niet, maar de zaak schijnt mij niet geheel en al in den haak. - ---Hoe heb ik het nu met je! riep Arkadiej uit, jij werpt je op tot -het verdedigen van een burgerlijke moraal, die... - ---Wat ben je toch een gekke kerel, antwoordde Bazarof onverschillig, -begrijp je niet, dat "niet in den haak" juist het tegendeel -beteekent? Namelijk dat er wel wat te eten zal zijn! Je hebt toch -gezegd, dat ze een verstandig huwelijk gedaan heeft met een ouden -rijkaard. Ik geef niets om praatjes, al neem ik aan, dat ze wel niet -geheel en al zonder grond zullen zijn. - -Arkadiej antwoordde niet en klopte aan de kamerdeur van mevrouw -Odintsof. Een jong bediende in livrei bracht hen in een groot, -slecht gemeubeld vertrek, zooals dat in Russische hôtels garnis -gewoonte is. Alleen stonden hier en daar bloemen. Mevrouw Odintsof -kwam spoedig binnen in morgenkleed. Ze scheen nog jonger in het -morgenlicht. Arkadiej stelde haar aan Bazarof voor en tot zijn -verwondering zag hij, dat zijn vriend in verwarring geraakte, terwijl -zij zoo rustig was als op den avond van het bal. Bazarof gevoelde zelf, -dat zijn onzekerheid zichtbaar werd en dit ergerde hem. - ---Een mooie boel, dacht hij, die vrouw maakt me onrustig, en nadat -hij met een air van onverschilligheid in een leunstoel plaats had -genomen, zooals Sitnikof het hem niet verbeterd zou hebben, begon -hij met overdreven vastheid te praten, terwijl mevrouw Odintsof hem -rustig bleef aanzien. - -Anna Sergejevna Odintsova was de dochter van Sergeej Nikolajevitsj -Loktef, een edelman, bekend door zijn schoonheid, zijn hartstocht voor -het spel en zijn handigheid in geldzaken, die na een schitterend leven, -vijftien jaren lang, in Petersburg en Moscou, door allerlei bedrog en -zwendel hooggehouden, volkomen geruïneerd werd en zich op het land -terugtrok. Hij stierf kort daarop en liet zijn beide dochters Anna -en Katharina, twintig en twaalf jaar oud, een matig inkomen na. Hun -moeder, uit een vervallen vorstelijke familie gesproten, was al eerder, -in den rijken, Petersburgschen tijd van haar echtgenoot gestorven. Bij -den dood van haar vader bevond Anna Loktef zich in zeer moeilijke -omstandigheden. De deftige opvoeding, die ze in Petersburg genoten had, -was geenszins bedoeld voor de huiselijke zorgen, die haar wachtten -in het armzalige provincieplaatsje. Ze kende geen buren en kon dus -bij niemand om raad komen. Haar vader had alle omgang met naburige -eigenaars zorgvuldig gemeden. Hij verachtte hen en zij daarom hem, -ieder op zijn eigen manier. Toch verloor zij den moed niet, schreef -onmiddellijk de zuster harer moeder, vorstin Avdotia Stepanovna Ch., -een kwaadaardige, trotsche, oude, ongehuwde vrouw, wie zij vroeg, -bij haar te komen wonen. De dame kwam en installeerde zich in het -beste gedeelte van het huis. Zij maakte den geheelen dag ruzie -en ging nooit uit zonder het gezelschap van haar eigen bediende, -een stille, tot kamerdienaar afgerichte lijfeigene in een gele -livrei met blauwe omslagen en een driekanten hoed. Anna verdroeg -de grillen van haar tante geduldig, zorgde zoo goed mogelijk voor -de opvoeding van haar zusje en scheen volkomen te berusten in dit -eenzame, leege leven. Maar het lot wilde anders. Een zeer rijk man, -zekere Odintsof, een veertiger, hypochondrisch en zonderling, dik en -grof, maar niet zonder geest en overigens een eenzaam mensch, leerde -haar kennen, werd verliefd en vroeg haar ten huwelijk. Zij stemde -toe. Na een huwelijk van zes jaar stierf hij en vermaakte haar zijn -vermogen. Anna Sergejevna bleef nog een jaar in de provincie; toen -maakte ze met haar zuster een Europeesche reis, die zich echter niet -verder dan Duitschland uitstrekte en keerde weldra naar het geliefde -dorp Nikolskoi, in de buurt van de stad terug. - -Ze bewoonde een ruim landhuis, goed gemeubeld en omgeven door een -grooten tuin met oranjerie. Haar overleden echtgenoot hield van een -leven op grooten voet. Anna Sergejevna verscheen zelden in de stad, -alleen voor geldelijke aangelegenheden. Men hield niet van haar in het -goevernement, haar huwelijk had nog al wat opschudding verwekt. De -booze wereld wist allerlei verhalen, dat ze bij voorbeeld de hand -had gehad in speculaties van haar vader, de buitenlandsche reis moest -als dekmantel dienen en om gevolgen te ontgaan en zoo verder... - ---U begrijpt, zeiden de brave lieden dan, die is al door alle wateren -gewasschen... En een grappenmaker, die een patent op zeker soort -aardigheden meende te hebben, voegde er dan altijd bij: en door de -koperen leidingen ook! Zij wist wel van die praatjes. Maar die deerden -haar allerminst. Ze bezat karaktervastheid en geestelijke vrijheid. - -In haar stoel, de handen over elkaar gevouwen, luisterde ze naar -Bazarofs woorden. Tegen zijn gewoonte was hij nog al spraakzaam -en deed blijkbaar zijn best, haar te imponeeren. Arkadiej merkte -dit zeer duidelijk, maar hij kon niet uitmaken, of zijn toeleg -hem lukte. Zij wist haar gevoelens volkomen te beheerschen en haar -gelaat gaf niets te lezen, als dienzelfden beminnelijken, fijnen -glimlach. Haar verstandige oogen bleven geïnteresseerd, maar deze -oplettendheid werd nooit enthousiasme. Het ongewone wezen van Bazarof -had haar in 't eerst onaangenaam getroffen, zooals een schel geluid -of een sterke geur pijnlijk kunnen zijn; maar toen ze merkte, dat hij -niet onbevangen was, gevoelde ze zich gevleid. Banaliteit was haar -onverdragelijk, en banaal was Bazarof zeker niet. Ongetwijfeld was het -van te voren aldus bestemd, dat Arkadiej van de eene verbazing in de -andere zou vallen. Hij dacht, dat Bazarof met zulk een intelligente -vrouw over zijn denkbeelden en overtuigingen zou spreken. Ze had -immers het verlangen te kennen gegeven, een man te ontmoeten, die -"aan niets meer geloofde". Maar in plaats daarvan sprak Bazarof over -medische, homoeopatische en botanische kwesties. Mevrouw Odintsof had -in de vele uren harer eenzaamheid goede boeken gelezen en sprak mooi -Russisch. Toen ze even de muziek aanraakte, hoorde ze, dat Bazarof -niet hield van kunst in het algemeen en zoo kwam het gesprek weer -op de botanie, ofschoon Arkadiej reeds een verhandeling over het -volkslied gereed had. Mevrouw Odintsof bleef hem als een broeder -behandelen, ze schatte in hem blijkbaar uitsluitend zijn goedigheid -en de vrijmoedigheid van zijn jongen leeftijd. - -Het rustige, afwisselend-levendige gesprek duurde bijna drie uren. Toen -stonden de beide vrienden op, om heen te gaan. Mevrouw Odintsof reikte -beiden haar fijne, blanke hand en zei na eenige aarzeling met een -welwillenden glimlach: - ---Als u niet bang bent, u te vervelen, komt u mij dan eens opzoeken -in Nikolskoi. - ---Denkt u, dat ik mij niet overgelukkig zou achten... begon Arkadiej. - ---En u, monsieur Bazarof? - -Bazarof boog alleen maar en Arkadiej zag tot zijn verwondering, -dat zijn vriend rood werd. - ---En, vroeg hij, toen ze buiten waren, denk je nog altijd, dat ze -hm... hm...? - ---Wie weet? Ze is zoo gesloten, antwoordde Bazarof en na een oogenblik: -Een geboren vorstin! Een prinses! Alleen de kroon op het hoofd -ontbreekt haar. - ---Onze vorstinnen spreken haar moedertaal niet zoo zuiver als zij! - ---Ze heeft een harde school doorloopen, kerel. Ze heeft hetzelfde -geleden als wij. - ---Maar daarom is ze niet minder betooverend, vond Arkadiej. - ---Een heerlijk lichaam! antwoordde Bazarof. Een schitterend exemplaar -voor de operatietafel! - ---Stil toch, Jevgenij, je bent een verschrikkelijk mensch! - ---Wees maar niet boos, teedere ziel! Ik geef immers toe, dat ze van -eerste kwaliteit is. Wij moeten haar opzoeken. - ---Wanneer? - ---Overmorgen, als je wilt. Wat hebben we hier nog te doen? Champagne -drinken met juffrouw Koeksjin? Of de geest van je waarden neef, den -liberalen grootwaardigheidsbekleeder bewonderen? Laten we overmorgen -gaan. Te meer, omdat het vlak bij mijn vader in de buurt is. Nikolskoi -ligt op den weg naar D. - ---Ja. - ---Optime. We moeten geen tijd verliezen. Alleen zwakkelingen -aarzelen. Een pracht van een lichaam! - -Drie dagen later waren de vrienden op weg naar Nikolskoi. Het was een -mooie dag, matige hitte en de goed doorvoede paarden zwiepten met de -gevlochten staarten, Arkadiej keek voor zich uit en lachte zonder te -weten waarom. - ---Wensch me geluk, riep Bazarof plotseling. Het is vandaag 22 Juni, -de dag van mijn beschermheilige. We zullen eens zien, of hij me -beschermt... Ze verwachten me vandaag thuis, zei hij op anderen -toon... ze zullen vergeefs wachten... maar dat hindert niet. - - - - - - - - -XVI. - - -Het huis, dat mevrouw Odintsof bewoonde, lag tegen een open heuvel -dicht bij een steenen kerk met groen dak en witte zuilen, in den -gevel een fresco-voorstelling van de Opstanding in Italiaanschen -stijl. Vooral een door de zon gebruinde welgedane soldaat op den -voorgrond, wekte de bewondering der boeren het meest. Achter de kerk -stonden twee rijen boerenwoningen met schoorsteenen hier en daar boven -de rieten daken uitstekend. Het heerenhuis was gebouwd in denzelfden -stijl als de kerk, den zoogenaamden alexandrijnschen. Het was eveneens -geel geverfd, had ook een groen dak, witte zuilen en een gevel met een -wapen. De goevernementsarchitect had beide gebouwen ontworpen en de -heer Odintsof was hiermede zeer ingenomen, want van die waardelooze -nieuwigheden hield hij niet. Het huis stond te midden van boomen -in den ouden tuin. Een laan met stijf besnoeide dennen voerde naar -den hoofdingang. - -De vrienden troffen in de zijkamer twee forsche livreiknechten, -waarvan de éene den huisbewaarder ging roepen. Deze, een dik man in -zwarten rok, verscheen onverwijld en geleidde de gasten langs een -met breeden looper bekleede trap naar een ruim vertrek, waar reeds -twee bedden en toiletbenoodigdheden aanwezig waren. Het huis bevond -zich in goed onderhouden staat. Overal zindelijk, ordelijk en er hing -iets als van de officieele geur in de ontvangzalen der ministeriën. - ---Anna Sergejevna verzocht u over een half uur beneden te komen, -zei de hofmeester, is er voor het oogenblik nog iets van uw dienst? - ---Heelemaal niets, waardige dienaar, antwoordde Bazarof, behalve -indien u de goedheid zoudt willen hebben, een borrel te laten brengen. - ---Heel wel, antwoordde de hofmeester, eenigszins onthutst, en -verwijderde zich met krakende laarzen. - ---Daar zit lijn in, grand genre! riep Bazarof. Noemen jullie, menschen -van adel, dat niet zoo? Zij is een hertogin, dat moet ik zeggen. - ---Een deftige hertogin, die zoo maar twee aristocraten van ons soort -te logeeren vraagt! zei Arkadiej. - ---Vooral een aristocraat als ik, een dokter in spe, zoon van een dokter -en kleinzoon van een koster. Ik weet niet, of ik je dat al eens heb -gezegd. Maar ik ben de kleinzoon van een koster, net als Speranski, -zei Bazarof minder luid. Maar in ieder geval is onze dame verwend -door de fortuin. En hoe verwend! Moeten we niet onzen rok aantrekken? - -Arkadiej trok alleen maar de schouders op, maar in waarheid gevoelde -hij zich niet bizonder op zijn gemak. Een half uur later ging hij -met Bazarof naar den salon. Dit was een hoog, groot vertrek, zonder -veel smaak overdadig-rijk ingericht. Kostbare, massale meubels, -met traditioneele regelmatigheid langs de wanden opgesteld, met -bruin-goud-doorstikt trijp overtrokken, waren uit Moscou afkomstig. De -heer Odintsofzaliger had ze door bemiddeling van een vriend, een -franschen wijnhandelaar, laten maken. Boven de sofa in het midden hing -het portret van een blonden man met gezwollen gezicht, die nogal boos -op de bezoekers neer keek. - ---Dat moet man zaliger zijn, fluisterde Bazarof zijn vriend in het -oor en hij voegde erbij: zullen we maar weer inpakken? - -Maar op dit oogenblik trad de vrouw des huizes binnen. Ze droeg een -lichtkleurig kleed, het haar had ze glad achter de ooren gekamd, -waardoor ze met het frissche van haar gezicht op een jong meisje leek. - ---Ik ben u dankbaar, dat u woord hebt gehouden, zei ze, ik hoop, dat u -hier eenigen tijd zult blijven. U zult zien, dat het leven hier niet -onaangenaam is. Ik zal u aan mijn zuster voorstellen, ze speelt heel -goed piano. Dat zal u vrijwel onverschillig zijn, mijnheer Bazarof, -maar u houdt geloof ik van muziek, mijnheer Kirsanof. Behalve mijn -zuster is er nog een tante in huis, en éen van onze buren komt wel -eens een spelletje spelen. Zooals u ziet, is ons gezelschap dus niet -groot. Maar wilt u niet gaan zitten? - -Deze kleine "inleiding" werd met volmaakte gemakkelijkheid -voorgedragen. Mevrouw Odintsof scheen de woorden uit het hoofd geleerd -te hebben. Ze begon daarop een gesprek met Arkadiej. Het bleek, dat -haar moeder een intieme vriendin van de zijne was geweest en dat deze -haar vriendin deelgenoot had gemaakt van haar liefde tot Nikolaas -Petrowitsj. Arkadiej sprak vol bewondering van zijn moeder. In dien -tijd bladerde Bazarof in een album. - ---Wat ben ik tam geworden, dacht hij. - -Een mooie windhond met licht-blauw halslint kwam binnen. Zijn nagels -tikten op de parketvloer. Een jong meisje van achttien jaar, met -donkere oogen en zwart haar volgde het dier. Haar gezichtje was niet -volkomen regelmatig, maar had iets treffends. Ze droeg een mandje -vol bloemen. - ---Dat is mijn Katja, zei mevrouw Odintsof en wenkte haar zuster -naderbij. Het meisje kwam dicht bij haar zitten en begon de bloemen -te schikken. De hond, die Fifi heette, maakte kennis met de gasten -éen voor een, kwispelde met zijn krulstaart en drukte zijn kouden -neus tegen hun hand. - ---Heb je die allemaal zelf geplukt? vroeg mevrouw Odintsof. - ---Ja, zei Katja. - ---Komt tante thee drinken? - ---Ze komt dadelijk. - -Bij het spreken glimlachte ze, schuchter, maar met iets opens in haar -blik, terwijl ze met aardige onbeholpenheid van beneden naar boven -keek. Alles aan haar sprak van jeugd: de stem, het lichte dons langs -de wangen, de mat-roode handen en de nog tenger-smalle schouders. Ze -bloosde telkens en haalde haastig en diep adem. - -Mevrouw Odintsof richtte zich tot Bazarof: - ---Dat is alleen beleefdheid, Jevgenij Wassiljewitsj, dat u dat album -zoo oplettend bekijkt. Het kan u volstrekt geen belang inboezemen. Kom -toch bij ons zitten en laten we over het een of ander gaan kibbelen. - -Bazarof kwam. - ---Graag, waarover zullen we het hebben? - ---Dat kan me niet schelen. Ik zeg u vooruit, dat ik van tegenspreken -houd. - ---U? - ---Ja, verwondert u dat? Waarom? - --- Omdat u een koele en rustige natuur hebt, voor zoover ik dat kan -beoordeelen. Wie strijden wil, moet zich ook kunnen laten meesleepen. - ---Hoe hebt u me in zoo korten tijd leeren kennen? U moet in de eerste -plaats weten, dat ik ongeduldig en vasthoudend ben. Vraagt u Katja -maar. En dan laat ik mij heel gemakkelijk meesleepen. - -Bazarof keek haar zwijgend aan. - ---Kan zijn, antwoordde hij, dat zult u beter weten, dan ik. U wilt -dus volstrekt kibbelen? Goed. Ik heb in uw album natuurgezichten van -Saksisch Zwitserland bekeken en u beweert, dat me die onverschillig -zijn. U zei dat, omdat u veronderstelde, dat ik geen gevoel voor -het schoone heb. En daarin hebt u gelijk. Maar die tafereelen konden -mij toch van geologisch standpunt interesseeren, bijvoorbeeld voor -de berg-formaties. - ---Dat geef ik niet toe. Als geoloog zoudt u eerder een boek, een -wetenschappelijk werk raadplegen en geen teekeningen. - ---Een teekening geeft mij met éen oogopslag, wat in een boek tien -bladzijden beschrijving eischt. - -Zij antwoordde niets. - ---U hebt dus geen kunstzin, ging ze voort en leunde met den arm op -de tafel, zoodat haar gezicht dichter bij dat van Bazarof kwam. Hoe -speelt u het klaar zonder dien? - ---Mag ik vragen, waar kunstzin goed voor is? - ---Alleen al, om de menschen te bestudeeren. - -Bazarof glimlachte. - ---In de eerste plaats, ging hij voort, hebben we levenservaring, -in de tweede plaats, moet ik u zeggen, dat ik het volstrekt niet -noodig vind, iedereen te leeren kennen. Alle menschen lijken op -elkaar, naar lichaam en ziel. Iedereen heeft een stel hersens, een -hart, een milt, longen, alles op dezelfde wijze ingericht. En ook de -zoogenaamde psychische eigenschappen zijn vrijwel dezelfde. Er zijn -maar kleine verschillen. Eén enkel exemplaar is genoeg, om de rest te -beoordeelen. De menschen zijn als de boomen in het woud. Geen botanicus -zal het in zijn hoofd krijgen, ze allemaal te gaan bestudeeren. - -Katja, die langzaam met haar bloemen bezig was, keek verwonderd op -naar Bazarof, maar bloosde tot achter de ooren, toen hij zijn sterken, -vrijmoedigen blik op haar richtte. Mevrouw Odintsof schudde het hoofd. - ---De boomen van het woud! herhaalde ze. Er is dus volgens u geen -onderscheid tusschen een goed en een slecht mensch, tusschen dom -en geestig? - ---O zeker! Zooals tusschen gezond en ziek. De longen van een -teringlijder zijn anders als bij u of bij mij. Maar de bouw is -dezelfde. We kennen zoo ten naaste bij de oorzaken van sommige -physieke kwalen. De psychische vinden hun ontstaan in de opvoeding, -in de vele dwaasheden, waarmee men ons het hoofd volstopt, in de -onwijze gesteldheid van ons maatschappelijk rechtssysteem. Gaat u de -maatschappij hervormen en die ziekten zullen verdwijnen. - -Bazarof zei dit alles op een toon, waarin lag: of je me gelooft of -niet, dat is me volkomen onverschillig. Hij streek met zijn lange -vingers door zijn baard en zijn blik doorliep de geheele kamer. - ---En denkt u, dat er geen dommen en slechten meer bestaan, zoodra de -maatschappij hervormd is? vroeg mevrouw Odintsof. - ---Dit staat in ieder geval vast, dat zoodra de maatschappij eenmaal -redelijk is ingericht, het er niets meer toe doet, of een mensch dom -of slim, goed of slecht, is! - ---Ik begrijp wat u bedoelt, de milt zal bij iedereen gelijk zijn! - ---Juist, mevrouw. - -Mevrouw Odintsof wendde zich tot Arkadiej. - ---En hoe denkt u hierover? vroeg ze hem. - ---Ik ben het met Jevgenij eens, antwoordde hij. - -Katja keek hem aan, zoo van onder op. - ---Ik ben verwonderd over u, heeren, zei mevrouw Odintsof. We zullen -op dit alles terugkomen. Ik verwacht tante met de thee. Oude menschen -moeten we sparen. - -Haar tante, vorstin Ch., een kleine, schrale, oude vrouw met een -uitgedroogd gezicht, en strenge, harde oogen, trad binnen, verwaardigde -zich nauwelijks de gasten toe te knikken en zette zich in een breeden, -fluweelen fauteuil, die uitsluitend voor haar bestemd was. Katja -bracht haar een voetkussen, de oude dankte niet eens met een blik, -haar handen bewogen even onder den gelen sjaal, die haar dorre leden -bijna geheel bedekte. Ze hield van het geld en had dan ook goud-gele -linten aan haar kapje. - ---Hoe hebt u geslapen, tante? vroeg mevrouw Odintsof gedwongen. - ---De hond is er nog, antwoordde ze onvriendelijk en toen ze zag, -dat Fifi angstig op haar toe kwam, riep ze: Vort! Vort! - -Katja riep het dier en deed de deur open. De hond sprong vroolijk op -haar toe, daar hij dacht, dat hij uit zou gaan. Maar toen hij zich -in zijn eentje buitengesloten zag, begon hij tegen de deur te krabben -en te keffen. De oude vrouw fronste de wenkbrauwen. Katja wilde gaan. - ---De thee is klaar, zei mevrouw Odintsof. Mag ik u verzoeken, -heeren? Tante, komt u? - -De vorstin stond langzaam op en ging het eerst naar de eetkamer. Een -klein knechtje in kozakkenuniform schoof luidruchtig een grooten stoel -vol kussens bij de tafel en de vorstin ging zitten. Katja, die de -thee schenken moest, bediende haar eerst in een met wapens versierden -kop. De oude vrouw deed honig in haar thee, want het gebruik van -suiker beschouwde ze als een misdaad en buitendien vond ze die te duur, -al kostte het haar geen kopeke. Meteen vroeg ze met een heesche stem: - ---Wat zegt vorst Ivan in zijn brief? - -Niemand antwoordde en de gasten bemerkten al spoedig, dat men met -al dat eerebetoon weinig om haar gaf. Bazarof dacht: die dient als -decoratie, een vorstin, dat staat goed in een salon... - -Na de thee stelde de gastvrouw een wandeling voor. Maar het -begon wat te regenen en men ging terug naar den salon, de vorstin -uitgezonderd. De buurman kwam om zijn partijtje. Hij heette Porfijriej -Platonitsj, een kort, dikbuikig mannetje, kaalhoofdig, met korte -beentjes, die wel op een draaibank gefabriceerd leken. Overigens was -hij een vriendelijk, opgewekt heertje. Anna Sergejevna, die voortdurend -met Bazarof praatte, vroeg hem of hij niet een spelletje préférence -mee wilde doen. Bazarof stemde toe met de opmerking, dat hij zich -oefenen moest in de bezigheden van een plattelandsdokter. - ---Past u maar op, zei Anna Sergejevna, u zult uw meester vinden. En -jij, Katja, moest wat spelen voor Arkadiej Nikolajitsj. Hij houdt -van muziek en wij hooren het dan ook. - -Katja haastte zich niet naar de piano en Arkadiej, die inderdaad -van muziek hield, volgde haar schoorvoetend. Hij dacht, dat mevrouw -Odintsof hem kwijt wilde zijn, en zooals alle jonge lieden van zijn -leeftijd, werd hij aangetast door dat verwarrende, pijnlijke gevoel, -dat de liefde vooraf gaat. Katja sloeg de piano open en vroeg Arkadiej, -zonder hem aan te zien, wat ze zou spelen. - ---Wat u wilt, antwoordde hij onverschillig. - ---Van wat voor muziek houdt u het meest? vroeg ze, zonder omzien. - ---Van de classieke, was zijn antwoord, even onverschillig. - ---Houdt u van Mozart? - ---Ja. - -Katja nam de C-mineur sonate-fantazie. Ze speelde goed, ofschoon haar -voordracht wat stijf en koud was. Ze zat onbewegelijk, keek strak naar -de muziek en hield de lippen op elkaar geklemd. Maar tegen het einde, -kwam er wat blos op haar gezicht, een haarlok liet los en viel over -haar oogen. - -Arkadiej luisterde met genoegen naar het laatste gedeelte der sonate, -waar de heerlijke blijheid eener zingende melodie plotseling gestoord -wordt door de harde kreten eener bijna tragische smart... - -Maar de gedachten, die Mozarts muziek in hem wekten, betrokken zich -geenszins op Katja. Als hij haar zag, dacht hij alleen maar: dat kind -speelt goed en ze is niet onaardig... - -Toen de sonate uit was, vroeg Katja, zonder de handen van de toetsen -te nemen: - ---Is het genoeg? - -Arkadiej antwoordde, dat hij geen misbruik van haar goedheid -wilde maken en begon over Mozart te spreken. Hij vroeg, of zij die -sonate zelf uitgezocht had of dat iemand haar aanbevolen had. Katja -antwoordde met een enkel woord, zakelijk. Zij had zich in zich zelf -teruggetrokken, als een slak in haar huisje. In zulke stemmingen duurde -het lang, eer zij iemand durfde aanzien. Haar gezichtje teekende dan -een uitdrukking van killen trots, ze scheen een klein onbeteekenend -kind. Ze was toch niet inkennig van nature, maar haar zuster, die -haar opvoeding leidde, zonder te begrijpen, wat ze noodig had, had -haar zoo schuw gemaakt. Het eenige wat Arkadiej doen kon, om zich -een dragelijke houding te geven, was, den hond te roepen, wien hij, -goedig, maar leeg glimlachend, den kop streelde. Katja ging weer aan -haar bloemen. - -Bazarof had niet meer geluk. Mevrouw Odintsof speelde goed evenals -Porphyrij Platonitsj. Bazarof verloor en al was het niet veel, -het verlies deed hem onaangenaam aan. Bij het avondeten bracht de -gastvrouw het gesprek weer op de botanie. - ---Zullen we morgenochtend gaan wandelen? vroeg ze Bazarof. Ik zou -graag de latijnsche namen van de veldbloemen en haar eigenschappen -leeren kennen. - ---Waarom wilt u de latijnsche namen weten? vroeg hij. - ---Er moet in alles orde zijn, antwoordde ze. - ---Een bewonderenswaardige vrouw, riep Arkadiej, toen hij met Bazarof -op hun kamer alleen was. - ---Ja, antwoordde Bazarof, ze heeft wel hersens, en ze weet zich -te redden. - ---Hoe bedoel je? - ---Op tweeërlei manier. Ik ben overtuigd, dat ze haar geld uitmuntend -beheert. Als hier iemand bewonderenswaardig is, dan is het de zuster. - ---Wat? Die kleine zwarte heks? - ---Ja, die kleine zwarte heks. Die is intact en frisch, schuw en -stil. Ze verdient, dat men zich met haar bezig houdt. Daar is van te -maken wat je wilt. Terwijl de ander... - -Arkadiej antwoordde niet. En zij gingen slapen, ieder met zijn eigen -gedachten. - -Mevrouw Odintsof dacht ook aan haar gasten dien avond. Bazarofs scherp -oordeel en eenvoud behaagden haar. Hij was nog een nieuw probleem -voor haar en dat maakte nieuwsgierig. - -Zij was een vreemde vrouw. Zonder vooroordeelen, zonder vast geloof -zelfs, schrok ze voor niets terug en kwam toch niet veel verder. Ze -zag scherp in veel dingen, stelde in allerlei belang, zonder dat -iets haar kon bevredigen. Ik weet trouwens niet, of ze wel een -volle bevrediging verlangde. Zij was weetgierig en onverschillig -tegelijk. Haar twijfelen bleef niet zonder sporen, maar werd nooit -zoo sterk, dat haar gemoedsrust geschokt was. Indien ze niet rijk en -onafhankelijk was geweest, zou ze zich wellicht in het levensgewoel -gestort en de hartstochten hebben leeren kennen... - -Maar nu verliep haar leven zonder moeilijkheden, al greep haar -de verveling soms wel aan en ze leefde van dag tot dag, zonder -overhaasting, zonder angst of opgewondenheid. Soms rezen verleidelijke -beelden voor haar vrouw-verlangen op, maar die verdwenen weer, haar -zielsrust werd niet geschokt en zij betreurde niets. Haar verbeelding -overschreed dan de grenzen der gestelde moraal-van-iederen-dag. Maar -zelfs dan vloeide het bloed door haar sterk-rustige, edel-harmonische -leden kalm, als altijd. Dikwijls als ze 's morgens warm en opgewekt -haar geurig bad verliet, kon ze gaan droomen over de ijdelheid aller -dingen, over de vreugdeloosheid, moeiten en lasten des levens. Een -stuwend willen greep haar dan aan, zij voelde verlangen tot daden in -zich ontwaken... een tochtende windstoot langs het half-open venster -was voldoende haar tot huiverende bezinning te brengen, ze was alleen -nog maar boos op den wind en hoopte, dat hij zou gaan liggen. Zooals -alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, verlangde ze altijd iets, -zonder precies te weten wat. Inderdaad verlangde ze niets, ofschoon ze -dacht, alles te verlangen. Ze had haar echtgenoot nauwelijks kunnen -dulden. Uit berekening was ze getrouwd. Indien ze hem niet voor een -goed mensch gehouden had, zou ze zeker niet getrouwd zijn. Maar ze had -zich vergist en had een onbewusten afkeer tegen den man gehouden, dien -ze onrein, lomp, traag, altijd verveeld en krachteloos vond.--Wel had -ze op reis een jongen, knappen Zweed ontmoet, ridderlijk, blauwoogig, -hoog, open van voorhoofd, die een diepen indruk op haar had gemaakt, -maar zonder bezwaren was ze naar Rusland teruggekeerd. - ---Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze in haar mooi bed op -kanten kussen, onder zijden deken rustend. Anna Sergejevna had iets -geërfd van haar vaders zin voor weelde. Ze had veel van hem gehouden, -hoe minderwaardig hij ook was, en hij had zijn dochter aanbeden, -vertrouwde haar alles toe, ging met haar om, als met een goeden -vriend en vroeg dikwijls haar raad. Van haar moeder had ze slechts -een vage herinnering. - ---Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze weer, rekte zich in -haar bed, glimlachte en legde de armen onder het hoofd. Daarop las -ze enkele pagina's van een slechten franschen roman, liet het boek -vallen en sliep in, blank, rein en koel... - -Na het ontbijt den volgenden morgen ging ze botaniseeren met -Bazarof. Ze kwamen tegen het middagmaal terug. Arkadiej was niet -uitgegaan en had een vol uur met Katja doorgebracht. Hij had zich niet -verveeld. Ze had aangeboden, de sonate van den vorigen avond nog eens -te spelen. Maar toen hij eindelijk mevrouw Odintsof weer zag, kromp -zijn hart onwillekeurig samen. Ze kwam wat vermoeid den tuin door. Haar -wangen met hooger blos, haar oogen glanzend onder den ronden strooien -hoed. De tengere stengel van een paardebloem draaide ze tusschen de -vingers. Haar manteltje was van de schouders op de armen gegleden en -de lange linten van haar hoed golfden over de borst. Bazarof liep met -vasten tred, rustig als altijd, achter haar. Maar aan de uitdrukking -van haar gezicht bemerkte Arkadiej iets, dat hem onaangenaam aandeed. - -Bazarof riep hem een goeden morgen toe en ging naar zijn kamer. - -Mevrouw Odintsof drukte hem verstrooid de hand en liep hem ook voorbij. - ---Goeden morgen? dacht Arkadiej, hebben we elkaar dan nog niet gezien -vandaag?... - - - - - - - - -XVII. - - -De tijd, die nu eens als een vogel vliegt, kruipt dan weer als een -pad. Maar hij is nooit aangenamer, dan wanneer wij niet weten, of -hij snel of langzaam gaat. En zoo gingen voor Bazarof en Arkadiej -veertien dagen ten huize van mevrouw Odintsof om. De regelmaat, die -zij in huis en levenswijze had ingevoerd, droeg hiertoe zeer veel -bij. Zij hield hieraan streng de hand en wanneer het er op aankwam, -ook de anderen ertoe te brengen, trad zij despotisch op. Alles had -zijn vastgestelden tijd. Acht uur des morgens kwam men voor het -ontbijt samen, daarna was ieder vrij tot het tweede ontbijt. De -vrouw des huizes regelde in die uren haar zaken met opzichter, -hofmeester en opperhuishoudster. Vóór het middagmaal vereenigde men -zich wederom om te keuvelen of te lezen. De avonden waren gewijd -aan wandelingen, muziek of spel. Mevrouw Odintsof trok zich tegen -half elf terug, gaf haar orders voor den volgenden dag en legde zich -te ruste. Dit geregelde en min of meer plechtstatige leven behaagde -Bazarof niet bizonder. Hij vond, dat het als langs spoorrails ging. De -livreibedienden, de deftige hofmeesters krenkten zijn democratische -gevoelens. Hij was van oordeel, dat men, om konsekwent te zijn, in rok -en witte das aan tafel moest verschijnen, en deelde deze meening ook -aan de vrouw des huizes mede. Zij liet hem uitspreken en antwoordde: - ---Van uw standpunt schijnt het ook, of ik de slotvoogdesse speel. Maar -men moet hier buiten wel aan een geregeld regime vast houden anders -vallen we reddeloos de verveling ten prooi. En ze ging voort op haar -manier.--Bazarof mompelde iets, maar juist, omdat alles zoo geregeld -ging, was het hem en Arkadiej aangenaam. Overigens waren beiden, -sedert hun komst, veranderd. Bazarof, van wien de gastvrouw merkbaar -meer werk maakte, ofschoon ze het zelden met hem eens was, verloor -langzamerhand zijn gewone kalmte; hij raakte licht opgewonden, sprak -ongaarne, scheen nog al eens in slechte stemming en had nergens rust, -alsof hij door iets werd voortgedreven. Arkadiej, die het er dadelijk -met zich zelf over eens was, dat hij mevrouw Odintsof lief had, gaf -zich willoos over aan een stille zwaarmoedigheid, maar naderde toch -Katja meer en meer, misschien wel juist daardoor: ...Zij voelt niets -voor me... het zij zoo... maar Katja is een lief wezentje, dat mij -niet van zich stooten zal... en zijn hart genoot van het denkbeeld, -edelmoedig te zijn tegenover haar, zooals hij het tegenover zijn vader -was geweest. Katja vermoedde vaag, dat hij misschien troost zocht in -den omgang met haar en ze weigerde hem de zoete bevrediging niet van -een schuchtere, vertrouwende vriendschap, terwijl zij zich ook zelf aan -die gedachte overgaf. Zij spraken niet met elkander in tegenwoordigheid -van mevrouw Odintsof. Katja werd kleiner onder den scherpen blik -van haar zuster en Arkadiej kon in gezelschap van het voorwerp -zijner liefde niet de minste oplettendheid hebben voor derden. Maar -behagelijk gevoelde hij zich slechts in Katja's tegenwoordigheid. Hij -was bescheiden genoeg, zich niet waardig, noch in staat te achten, -mevrouw Odintsof te kunnen bezighouden. Hij werd verward, als hij -alleen met haar was en kon geen woord uitbrengen. Hij was te jong voor -haar. Katja echter behandelde hij voorkomend en als oudere vriend: -zij mocht hem spreken van den indruk, dien muziek, gedichten, romans -en anderen "onzin" op haar hadden gemaakt, waarbij hij niet bemerkte -hoe die onzin hem zelf ontroerde. Katja van haar kant liet hem gaarne -zijn zwaarmoedigheid uitspelen. Arkadiej hoorde bij Katja, Bazarof bij -Anna Sergejevna, vandaar dat beide paren, zoodra ze te zamen waren, -weer van één gingen en vooral op wandelingen weldra in eigen sfeer hun -zaligheid zochten. Katja dweepte met de natuur. Arkadiej eveneens, -al durfde hij dat niet bekennen. Mevrouw Odintsof was onverschillig -tegenover de natuur, zooals ook Bazarof. Dit gescheiden zijn der -beide vrienden had ten gevolge, dat hun vriendschapsband iets van -zijn innigheid verloor. Bazarof sprak niet meer met Arkadiej over hun -gastvrouw, critiseerde zelfs niet haar aristocratische manieren. Hij -bleef Katja prijzen en ried Arkadiej aan, het sentimenteele in haar -wezen wat te temperen. Maar zijn lof was kort, zijn raad zakelijk; hij -sprak niet meer zoo vaak met zijn vriend, hij begon hem te ontloopen, -alsof hij zich voor hem schaamde. Arkadiej bemerkte dat wel, maar -sprak er met niemand over. - -De eigenlijke oorzaak van deze verandering was het gevoel, dat Anna -Sergejevna Bazarof inboezemde, een gevoel, dat hem kwelde en woedend -maakte. Hij zou het echter met een verachtenden glimlach en cynische -spotwoorden geloochend hebben, indien men er ook slechts van verre op -gezinspeeld had. Bazarof hield van de vrouw in het algemeen, achtte -haar schoonheid, maar noemde de ideale of zooals hij zei romantische -liefde dwaasheid en stelde deze ridderlijke gevoelens op één lijn met -physieke afwijkingen en kwalen. Hij verwonderde er zich altijd meer -over, dat men ridder Toggenburg met al de troebadoers en minnezangers -niet in een gekkenhuis had opgesloten.--Wil je een zekere vrouw, -zei hij, tracht haar dan te veroveren. Weigert zij, laat haar dan -loopen en zoek ergens anders. De wereld is groot genoeg... - -Mevrouw Odintsof beviel hem. En alles wakkerde zijn verlangen aan: de -geruchten, die omtrent haar de ronde deden, haar onafhankelijk vrij -leven, de welwillendheid, die ze hem betoonde. Hij voelde evenwel -al spoedig, dat hij bij haar niets bereiken zou en toch miste hij -de kracht, heen te gaan. Zoodra hij aan haar dacht, kwam zijn bloed -in beroering. Dit kon hij wel weer tot bedaren brengen. Maar nog -iets anders voelde hij, waardoor zijn trots in opstand kwam, iets, -waarover hij vroeger altijd gelachen had. - -In zijn gesprekken met haar toonde hij feller dan ooit zijn -afkeer en verachting voor alle romantiek en, alleen, moest hij -bekennen, hoe diezelfde romantische stemmingen met hem speelden. Hij -dwaalde door de wouden, wild de takken, die hem in den weg waren, -afrukkend, en verwenschte haar en zichzelf. Hij liet zich vallen -in hooistapels, sloot de oogen en trachtte te vergeten, te slapen, -maar vergeefs. Telkens kwam dat beeld, of alleen de gedachte van -het beeld, dat die kuische armen hem zouden omvatten, die trotsche -lippen de zijne kussen, die intelligente oogen met overgave rusten -in de zijne... en een duizeling beving hem, hij vergat en dacht het -door... tot machtelooze woede hem tot zichzelf terugbracht. - -Vrouwelijke zwakheid, vrouwelijke gevoeligheden nam hij in zichzelf -waar, alsof de duivel hem beproeven wilde. Soms meende hij, dat zij -haar gedrag veranderde, dat de koelheid week uit haar trotschen blik, -dat misschien... maar dan stampvoette hij en balde de vuisten. - -Toch was zij niet volkomen ongevoelig gebleven. Haar fantazie was door -zijn wezen in beweging gebracht. Hij vervulde haar denkleven. Niet, -dat zij zich verveelde in zijn afwezigheid of met ongeduld zijn komst -verbeidde, maar zijn tegenwoordigheid verhoogde haar levensspanning, -ze was gaarne alleen met hem en luisterde met open belangstelling -naar zijn woord, ook al sprak hij anders als zij voelde, zelfs al -verwaarloosde hij den salontoon. Zij scheen zich zelf te leeren kennen, -door zich aan hem te toetsen. - -Eens, toen hij met haar in den tuin wandelde, deelde hij haar kort -en vrij ruw zijn aanstaand vertrek naar het landgoed van zijn vader -mede. Ze werd bleek, alsof ze een steek in het hart kreeg, en haar -ontroering was zoo groot, dat het haar zelf verwonderde. Ze vroeg -zich af, wat dat beteekenen kon. - -Bazarof had haar dit niet gezegd, om haar op de proef te stellen -en te zien, hoe ze zich gedragen zou. Hij was er de man niet naar, -van zulke middelen gebruik te maken. - -De opzichter van zijn vader, zijn vroegere leermeester Timofeitsj, een -sluw handig man op jaren, met geelachtige haren, een rood gezicht en -kleine tranende oogen had plotseling voor hem gestaan in zijn jas van -grove donkerblauwe stof met den leeren gordel en de geoliede laarzen. - ---Aha, goeden morgen, oudje, riep Bazarof. - ---Goeden morgen, vadertje Jevgenij Wassilitsj, antwoordde de oude -met vriendelijk lachen, dat over zijn geheele gezicht rimpels groef. - ---Wat voert je hierheen? Zoek je mij? - ---Hoe kunt u dat denken? stamelde Timofeitsj. Bazarofs vader had hem -gezegd, vooral niet te laten merken, dat hij hem stuurde.--Ik had zaken -in de stad voor mijnheer uw vader en daar ik hoorde, dat u hier was, -maakte ik een kleinen omweg, om u eens op te zoeken. Anders had ik -u niet lastig gevallen. - ---Lieg niet, antwoordde Bazarof, de weg naar stad gaat toch niet -hier langs. - -Timofeitsj wendde het hoofd af zonder te antwoorden. - ---Hoe is mijn vader? - ---God lof, het gaat hem goed. - ---En mijn moeder? - ---Arina Wassiljevna ook. Gode zij dank. - ---Ze verwachten me, is het niet? - -De oude wendde het hoofd weer af. - ---Ach, Jevgenij Wassilitsj, hoe zouden ze u dan niet verwachten? Geloof -me, het hart bloedt me, als ik uw ouders aanzie... - ---Goed, goed, geen beschrijvingen. Zeg hun, dat ik gauw kom. - ---Dat zal ik, antwoordde Timofeitsj zuchtend en ging. Voor het huis -trok hij zijn muts met beide handen over de ooren, klom in zijn -wagentje en reed in korten draf weg, maar niet in de richting van -de stad. - -Den avond van dien dag zaten Anna Sergejevna en Bazarof in den salon, -terwijl Arkadiej op en neer liep en naar Katja luisterde, die piano -speelde. De tante was naar haar kamer. Ze hield niet van bezoek en van -"zulke aangewaaide moderne jakhalzen" allerminst. Zoolang ze in den -salon zat, was haar humeur dragelijk. Maar tegenover haar kamenier -gaf ze zoodanig lucht aan haar verontwaardiging, dat tournure en -linten op haar hoofd dansten. - -Mevrouw Odintsof wist dat. - ---Hoe kunt u er aan denken, te vertrekken? vroeg ze Bazarof. En -uw belofte? - -Bazarof trilde. - ---Welke belofte? - ---Bent u die vergeten? U wilde mij les geven in chemie. - ---Ongelukkig wacht mijn vader mij. Ik kan niet langer blijven. Maar -leest u Pelouse en Fremy: Notions générales de chémie, dat is een goed -boek en gemakkelijk te begrijpen. U vindt er alles, wat u wilt weten. - ---U zei immers eenige dagen geleden nog, dat een boek nooit de -plaats... ik weet niet precies meer het woord, dat u gebruikte, -maar u begrijpt wel, wat ik bedoel... is het niet? - ---Wat moet ik doen? antwoordde Bazarof. - ---Hier blijven, waarom weggaan? vroeg ze met zachte stem. - -Hij zag haar aan, ze lag achterovergeleund, de armen tot de elboog -bloot over de borst gekruist, het lamplicht, door een papieren kap -getemperd, maakte haar nog bleeker. Ze droeg een lang, wit kleed, dat -wijd, in tallooze fijne plooien haar omhulde. Ook de voeten had ze over -elkaar geslagen, zoodat alleen de punten der schoentjes te zien waren. - ---En waarom zou ik blijven? antwoordde Bazarof. - -Zij bewoog even het hoofd. - ---Hoezoo, waarom? Bevalt het u hier dan niet? Denkt u, dat u hier -niet gemist zult worden? - ---Dat denk ik niet. - ---Dan hebt u ongelijk, antwoordde ze na een oogenblik stilte. Maar -ik geloof u ook niet. U kunt dat onmogelijk meenen. - -Bazarof bleef onbewegelijk en zweeg. - ---Jevgenij Wassiljewitsj, waarom antwoordt u niet? - ---Wat zal ik zeggen? Niemand is het waard, dat hij gemist wordt, -en ik nog minder dan anderen. - ---Waarom? - ---Ik ben een nuchter materialist en niet interessant. En ik kan niet -beminnelijk zijn. - ---Vischt u? - ---Dat is mijn gewoonte niet. U weet toch wel, dat de deftige zijde van -het leven, de zijde, waaraan u zooveel hecht, mij volkomen vreemd is! - -Mevrouw Odintsof beet in haar zakdoek. - ---U moogt denken wat u wilt, maar ik zal me vervelen, als u weg bent. - ---Arkadiej blijft nog, antwoordde Bazarof. - -Mevrouw Odintsof haalde de schouders op. - ---Ik zal me vervelen, herhaalde ze. - ---Denkt u? O, maar dat zal niet lang duren. - ---Waaruit besluit u dat? - ---U hebt zelf gezegd, dat de verveling komt, zoodra de geregelde gang -van zaken onderbroken wordt. Uw leven is zoo voldoende goed geregeld, -dat het voor verveling noch verdriet toegankelijk is. - ---U vindt dus, dat mijn leven volkomen--goed geregeld is en geordend? - ---Dat vind ik. Het zal over eenige minuten tien uur slaan en ik weet -zeker, dat u me weg zult sturen. - ---Neen, ik zal u niet wegsturen. U kunt blijven. Wilt u het raam wat -open zetten?... Het is hier broeiend-warm... - -Bazarof stond op en zette het venster open. Het ging plotseling en -met hard geluid. Hij was er niet op verdacht, dat het zoo gemakkelijk -zou gaan, want zijn handen beefden. De warme, zachte nacht met zijn -diepen hemel was plotseling dichtbij gekomen, de boomen suizelden en -zuiver-teedere geuren zweefden noodend het venster in. - ---Doet u de gordijnen dicht en gaat u zitten, ging zij voort. Ik -wil nog met u praten voor uw vertrek. Vertelt u me van uw leven. U -spreekt nooit over u zelf. - ---Ik spreek liever over nuttige dingen met u. - ---U bent bescheiden. Maar ik zou graag van uw familie, van uw vader -hooren. Voor hem immers gaat u ons verlaten. - -Waarom zegt ze dat allemaal? dacht Bazarof. - ---Dat zou u niet interesseeren, zei hij, juist u niet. Wij zijn -bescheiden luidjes. - ---Ik ben dus een aristocraat, naar uw meening? Hij keek haar aan. - ---Ja, zei hij met nadruk. - -Zij glimlachte. - ---Ik zie, dat u me niet kent, antwoordde ze.--Ofschoon u beweert, -dat alle menschen gelijk zijn en dat men geen moeite hoeft te doen, -hen afzonderlijk te leeren kennen. Eens zal ik u misschien mijn leven -vertellen. Maar nu moet u eerst spreken. - ---U zegt, dat ik u niet ken, antwoordde Bazarof. Dat is -mogelijk. Misschien is iedere mensch een raadsel. U bijvoorbeeld. U -ontvlucht alle gezelschap, menschen vermoeien u. En toch noodigt u -twee studenten uit. Waarom woont u, mooi en verstandig als u bent, -op het land? - ---Wat zegt u daar? vroeg Anna Sergejevna levendig--ik ben... mooi...? - -Bazarof fronste de wenkbrauwen. - ---Dat doet er niet toe, antwoordde hij, onzeker, ik wilde zeggen, -dat ik niet begrijp, waarom u op het land bent gaan wonen. - ---U begrijpt het niet en toch hebt u er voor u zelf de een of andere -verklaring voor gevonden? - ---Ja, ik denk, dat u hier blijft wonen, omdat u van uw gemak houdt, -omdat u verwend bent en u de rest vrijwel onverschillig is. - -Mevrouw Odintsof glimlachte weer. - ---U wilt dus niet toegeven, dat ik in staat zou zijn, mij te laten -leiden door mijn verbeeldingskracht? - ---Misschien uit nieuwsgierigheid, antwoordde hij en keek haar weer -aan. Maar anders niet. - ---Werkelijk, nu begrijp ik, waarom wij hét zoo goed kunnen vinden. Wij -zijn het in dit opzicht vrijwel eens. - ---Wij het goed kunnen vinden?... herhaalde hij dof. - ---Eigenlijk wel. Ik had vergeten, dat u wilde vertrekken. - -Bazarof stond op. De lamp brandde zwak, de kamer was half-donker en -de lucht geurig, want de gordijnen golfden zachtjes heen en weer en -lieten de welige nacht met zijn vreemde, stille geluiden ritselend -binnen. Mevrouw Odintsof zat onbewegelijk. Maar langzaam, langzaam kwam -het over haar en ook Bazarof wist met tergende, lokkende zekerheid, -dat hij alleen was met een jonge, mooie vrouw... - ---Waarheen? vroeg ze gerekt en fluisterend. - -Hij antwoordde niet en liet zich vallen in zijn stoel. - ---U houdt mij dus voor gelukkig en door het lot verwend? ging ze voort -op denzelfden toon en keek naar het venster. En ik ben integendeel -overtuigd, dat ik het recht heb, mij ongelukkig te achten. - ---U ongelukkig? Maar hoe dan? Bent u dan gevoelig voor dwaze praatjes? - -Een trek van misnoegen gleed over haar gezicht. Het verdroot haar, -verkeerd begrepen te zijn. - ---Praatjes kunnen me niet eens aan het lachen brengen, Jevgenij -Wassiljewitsj en ik ben te trotsch, mij daaraan te storen. Ik -ben ongelukkig, omdat het leven niets biedt, dat mij aantrekt, -bekoort, meesleept. U kijkt me verwonderd aan en denkt: daar zit -een aristocratische dame in kant gekleed, op haar fluweelen stoel -en spreekt zoo? Zeker, ik houd van comfort, zooals u dat noemt. En -toch geef ik niets om het leven. En probeer nu die tegendeelen te -combineeren zooals u wilt. U zult dat trouwens allemaal wel romantiek -noemen. - ---U bent gezond, rijk, onafhankelijk, wat wilt u meer, vroeg Bazarof -hoofdschuddend. - ---Wat ik wil? zei ze zuchtend. Ik voel me moe en oud. Het is me, -of ik al heel lang leef. Ik ben oud, herhaalde ze en trok langzaam -den fichu over haar armen. Haar oogen ontmoetten die van Bazarof en -ze bloosde even. - ---Ik heb al zooveel herinneringen achter me. Een schitterend leven in -Petersburg, armoede, de dood van mijn vader, mijn huwelijk, mijn reis -door Duitschland en alles wat daarna nog kwam, tallooze herinneringen, -en geen enkele, waarbij men zou willen droomen... en vóor me een lange -weg, zonder doel noch richting... ik heb geen lust verder te gaan. - ---Heeft het leven geen bekoring meer voor u? vroeg Bazarof. - ---Dat wel, antwoordde ze na een oogenblik peinzen, maar het heeft -me geen bevrediging geschonken. Ik geloof, als ik me met alle kracht -kon vastklampen aan iets... of iemand... - ---U wilt liefhebben, antwoordde hij, en u kunt niet. Dat is uw ongeluk. - -Mevrouw Odintsof speelde met haar fichu. - ---Zou ik werkelijk niet kunnen liefhebben? vroeg ze. - ---Ik betwijfel het. Maar ik had het geen ongeluk moeten noemen. Men -moet medelijden hebben met iemand, wien dit ongeluk overkomt. - ---Welk ongeluk? - ---Liefhebben. - ---Hoe weet u dat? - ---Van hooren zeggen, antwoordde Bazarof bitter. En hij dacht: -je speelt de kokette, je verveelt je, en tot tijdverdrijf maak je -mij gek, maar ik... - -Zijn hart klopte heftig. - ---Buitendien bent u veel te kieschkeurig, voegde hij erbij en speelde -voorovergebogen met de kwasten van den stoel. - ---Misschien. Alles of niets, dat is het, wat ik wil. Een volkomen -over en weer geven van gevoelens. Wanneer ik geef, dan is dat, -om te ontvangen, en dat zonder berouw, zonder voorbehoud. Anders -liever niets. - ---Over het geheel, antwoordde Bazarof, schijnen die voorwaarden niet -onaannemelijk en het verwondert me, dat u nog niet gevonden hebt, -wat u zoekt. - ---U denkt dus, dat er gemakkelijk gelegenheid te vinden is, zulk een -ruil tot stand te brengen? - ---Gemakkelijk? Niet, als men koud overlegt, beredeneert, kiest, kiest -en zich zelf overschat. Wel, als men zich zonder redeneering overgeeft. - ---Waarom zou men zichzelf niet een beetje hoog aanslaan? Waartoe zich -geven, als men niets waard is? - ---Dat is niet het werk van hem, die zich geeft, de ontvanger moet -schatten, wat de ander waard is. De hoofdzaak is, dat men zich weet -te geven. - -Mevrouw Odintsof haalde de schouders op. - ---U zegt dat allemaal, alsof u het aan den lijve ondervonden hadt, -zei ze. - ---Toeval, Anna Sergejevna. Want dergelijke kwesties hooren niet bij -mijn vak. - ---U zoudt u dus weten te geven? - ---Ik weet niet, ik wil mij zelf niet prijzen. Zij antwoordde niet en -Bazarof zweeg. - -Zij hoorden pianomuziek, - ---Wat speelt Katja nog laat, vanavond, zei mevrouw Odintsof. - -Bazarof stond op. - ---Het is werkelijk al laat. U moest gaan slapen. - ---Nog een oogenblik... waarom zoo'n haast? Ik heb u nog eén ding -te zeggen. - ---Wat dan? - ---Een oogenblik, herhaalde ze fluisterend en haar oogen ontmoetten -weer die van Bazarof. Zij keek hem onderzoekend aan. - -Bazarof deed eenige stappen door de kamer, toen liep hij plotseling -op haar toe, zei ruw: Adieu! en drukte haar hand zoo hard, dat ze wel -kon schreeuwen. Zij bracht haar saamgeperste vingers aan den mond en -blies erop. Toen stond ze op en ging naar de deur, alsof ze Bazarof -terug wilde roepen. Een kamenier kwam binnen met een karaf op een -zilveren blad. Mevrouw Odintsof bleef staan, beval haar heen te gaan, -en zette zich weer peinzend in haar stoel. Een haarvlecht viel als -een donkere slang over haar schouder. - -De lamp brandde nog langen tijd in den salon. En mevrouw Odintsof bleef -onbewegelijk zitten. Een enkele maal wreef ze langs haar bloote armen, -toen de nachtlucht merkbaar kil werd. - -Twee uur later kwam Bazarof op zijn kamer. Wilde blik, de haren -verward, de laarzen nat van dauw. Arkadiej zat nog aan tafel, een -boek in de hand en de jas hoog dichtgeknoopt. - ---Slaap je nog niet? vroeg Bazarof gemelijk. - ---Je bent van avond lang gebleven bij Anna Sergejevna, zei Arkadiej, -zonder de vraag te beantwoorden. - ---Ja, net zoo lang als jij piano hebt gespeeld met Katharina -Sergejevna. - ---Ik heb niet gespeeld, antwoordde Arkadiej en zei niets meer. - -Hij voelde zijn oogen vochtig worden maar hij wilde niet weenen in -tegenwoordigheid van zijn vriend, wiens spot hij vreesde. - - - - - - - - -XVIII. - - -Toen mevrouw Odintsof den volgenden morgen kwam ontbijten, zat -Bazarof al over zijn thee gebogen en richtte plotseling zijn oogen -op haar... zij richtte zich tot hem, alsof hij haar gestooten had -en hij meende te bemerken, dat ze nog bleeker zag dan den vorigen -avond. Hij verdween spoedig in zijn kamer en kwam pas bij het tweede -ontbijt terug. Het was een regenachtige morgen. Allen waren in den -salon bijeen. Arkadiej nam het laatste nummer van een tijdschrift -en begon voor te lezen. De vorstin scheen hierover zeer verwonderd, -alsof hij een fout tegen de etikette had begaan, en monsterde hem -met boozen blik, waarop hij echter niet lette. - ---Jevgenij Wassiljewitsj, zei mevrouw Odintsof, wilt u even meegaan -naar mijn kamer, ik wilde u vragen, u noemde gisteren den titel van -een boek... - -Ze stond op en ging naar de deur. De tante keek om zich heen, en haar -gezicht zei duidelijk: kijk, kijk, hoe ik versteld sta! Zij keek weer -naar Arkadiej, maar deze wisselde een snellen blik met Katja, die naast -hem zat, en las overluid verder. Mevrouw Odintsof liep naar haar kamer, -Bazarof volgde met neergeslagen oogen en hoorde het ruischen van het -zijden morgenkleed voor hem... Anna Sergejevna zette zich in denzelfden -stoel als den vorigen avond en ook Bazarof hernam zijn plaats. - ---Hoe heette dat boek? vroeg ze na een oogenblik. - ---Pelouse en Fremy. Notions Générales, antwoordde hij. Maar ik -kan u ook Ganot Handboek der experimenteele physica aanbevelen. De -afbeeldingen zijn meer gedetailleerd en het boek is... - ---Neem me niet kwalijk, Jevgenij Wassiljewitsj, viel ze hem in de -rede, ik heb u niet laten komen, om over handboeken te praten. Ik zou -ons gesprek van gisteravond weer willen hervatten. U ging zoo opeens -weg... het is u toch niet onaangenaam? - ---Ik ben tot uw dienst. Waarover spraken we gisteren ook weer? - -Mevrouw Odintsof keek hem van terzijde aan. - ---Ik geloof, dat we over het geluk spraken. Ik sprak over mijzelf. Maar -ik moet u iets vragen, omdat ik dat woord geluk noemde. Waarom -schijnt het genot van muziek, van een mooien avond, van een intiem -gesprek met iemand, die ons sympathiek is, eigenlijk alleen maar een -belofte, de afglans van een onbekend geluk, dat wellicht ergens wacht, -maar nooit het geluk zelf, nooit een geluk dat we in werkelijkheid -genieten?--Antwoord me hierop... maar misschien kent u dit gevoel in -het geheel niet. - ---Kent u den bekenden versregel: Nur wo wir nicht sind, dort is das -Glück? antwoordde Bazarof. Trouwens u hebt me gisteren gezegd, dat -u geen bevredigd-zijn kent. En verder komen mij inderdaad dergelijke -gedachten nooit in den zin. - ---Vindt u ze belachelijk? - ---Dat niet, maar ik ken dat zoo niet. - ---Ik zou wel willen weten, waaraan u op het oogenblik denkt. - ---Hoe meent u? Ik begrijp u niet. - ---Ik had al zoo lang eens met u willen uitspreken. Ik hoef niet -te zeggen, dat u niet de eerste de beste bent. Dat weet u wel. Op -uw leeftijd heeft men nog een langen weg voor zich. Wat bent u van -plan? Wat verwacht u van de toekomst? Wat is uw doel? En wat gaat er -om in uw binnenste? Met éen woord, wat en wie bent u? - ---U doet me versteld staan, mevrouw. U weet toch, dat ik -natuurwetenschappen beoefen. En wat mij persoonlijk betreft... - ---Ja, wie bent u? - ---Ik had reeds het genoegen, u mee te deelen, dat ik -goevernements-geneesheer hoop te worden. - -Mevrouw Odintsof gaf teekenen, van ongeduld. - ---Waarom spreekt u zoo? zei ze. U gelooft zelf niet, wat u -zegt. Arkadiej had zoo kunnen antwoorden, maar u... - ---Maar waarom zou Arkadiej... - ---Och wat! Zoo een klein arbeidsveld zou u toch nooit -bevredigen. Bekent u niet zelf, dat u niet gelooft in de medische -wetenschap? U met uw zelfgevoel, distrikts-geneesheer? U zegt dat maar, -om mijn vraag te ontloopen. Ik boezem u geen vertrouwen in. Toch geloof -ik, dat ik u zou kunnen begrijpen, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik was -zelf arm en vol zelfgevoel zooals u. Ik heb waarschijnlijk hetzelfde -meegemaakt. - ---Dat is goed en wel, Anna Sergejevna, maar ik ben niet gewoon, -anderen mijn hart te openen, u moet me niet kwalijk nemen. En -buitendien bestaat er zulk een kloof tusschen ons... - ---Och kom, zult u me nog eens voor de voeten gooien, dat ik aristocrate -ben? Ik heb u toch zeker wel bewezen... - ---Buitendien, ging Bazarof voort, begrijp ik niet, welk genoegen er -in kan liggen over de toekomst te spreken, die in 't algemeen zoo -weinig met ons te maken heeft. Doet zich een gelegenheid voor, iets -te praesteeren, des te beter, en anders zal het wel het best zijn, -zoo weinig mogelijk onnoodig gepraat te hebben. - ---U noemt vriendschappelijke gedachtenwisseling onnoodige praat. U -acht mij ten slotte als vrouw uw vertrouwen niet waard? U veracht -zoo een beetje het vrouwelijk geslacht! - ---Ik veracht u geenszins, Anna Sergejevna, en dat weet u heel goed. - ---Neen, ik weet niets. Maar het zij zoo. Dat u niet over uw toekomst -wilt spreken, kan ik begrijpen, maar wat er op het oogenblik in -u omgaat... - ---Omgaat? herhaalde Bazarof. Ben ik soms een staat of een -maatschappij? In ieder geval is dat niet erg belangrijk. En buitendien, -moeten wij dan altijd maar luide verkondigen, wat er in ons omgaat? - ---Ik zie niet in, waarom men niet eerlijk uit zou komen voor wat men -op het hart heeft! - ---Zou u dat kunnen? - ---Ja, antwoordde mevrouw Odintsof na een oogenblik. - -Bazarof boog. - ---Dan bent u gelukkiger dan ik, zei hij. - -Anna Sergejevna zag hem aan, alsof ze een verklaring verwachtte. - ---U hebt goed praten, antwoordde zij, maar ik ben toch geneigd, -te gelooven, dat wij elkaar niet vergeefs hebben ontmoet en dat wij -goede vrienden zullen blijven. Ik ben overtuigd, dat uw geslotenheid, -uw... hoe zal ik zeggen... hardheid op den duur verdwijnen zal. - ---U vindt mij dus gesloten... of... hard? - ---Ja. - -Bazarof stond op en ging naar het venster. - ---En u wilt de oorzaken van die geslotenheid leeren kennen, u wilt -weten, wat er in mij omgaat? - ---Ja, antwoordde mevrouw Odintsof, met een ontroering, waarvan ze -zich nog geen rekenschap kon geven. - ---En u zult niet boos worden? - ---Neen! - ---Niet? Bazarof stond met den rug naar haar toe. - ---Weet dan, dat ik u dwaas, krankzinnig lief heb... u hebt mij -gedwongen, het te zeggen. - -Mevrouw Odintsof strekte haar armen. Bazarof drukte zijn voorhoofd -tegen de ruit. Hij had het gevoel van stikken, beefde over al -zijn leden; maar dat was niet de opgewondenheid van prille jeugd, -niet de zalige verrukking eener eerste liefdesbekentenis, dat was -het lijfsverlangen, dat in hem streed, die wilde, heftige kracht, -die op het Booze lijkt en wellicht daarmee verwant is. - -Mevrouw Odintsof gevoelde angst en medelijden tegelijk. - ---Jevgenij Wassiljewitsj, zei ze zacht, en wellicht ongewild lag er -diepe teederheid in haar stem. - -Hij keerde zich om, keek haar aan met verterenden blik en trok haar -bij de handen hartstochtelijk naar zich toe. - -Zij kon zich niet dadelijk losrukken... maar na eenige oogenblikken -was ze gevlucht in den versten hoek der kamer. Hij op haar toe... - ---U hebt me niet begrepen! riep ze met heesche stem. - -Nog een stap en ze zou geschreeuwd hebben. Dat was aan haar houding -duidelijk kenbaar. Bazarof beet zich de lippen en liet haar alleen. - -Een half uur later bracht een kamermeisje haar een briefje van -Bazarof. Daar stond in: "Moet ik vandaag nog vertrekken, of kan ik -tot morgen blijven?" Zij antwoordde: "Waarom vertrekken? Ik heb u -niet begrepen en u hebt mij niet begrepen." Terwijl ze die woorden -opschreef, dacht ze: ik heb me zelf niet begrepen. - -Bij het middagmaal verscheen ze pas. Den geheelen morgen was ze heen -en weer blijven loopen in haar kamer, was nu eens voor den spiegel, -dan weer voor het venster blijven staan, terwijl ze voortdurend haar -hals met een zakdoek afveegde. Ze verbeeldde zich, dat daar een -gloeiend-roode vlek moest zijn. Ze had zich afgevraagd, waarom ze -Bazarof tot die bekentenis gedwongen had en of ze het al niet reeds -lang vermoedde. - -Ik ben schuldig, zei ze hardop, maar wie kan alles vooruitzien? - -Ze werd kalmer-droomend en schrok blozend bij de herinnering aan -Bazarofs wilde blikken, toen hij op haar af was gekomen. - -Of... misschien... zei ze dan weer opeens, bleef staan en schudde haar -lokken. Toen ze in den spiegel haar licht opzij gebogen hoofd zag, -met den geheimzinnigen glimlach in de halfgeloken oogen en op den -half-open mond, ontroerde haar dit beeld, alsof het iets vreemds en -dieps verborg. - ---Neen, neen, zei ze ten slotte, God weet, waartoe dit leiden kan. Met -zoo iets valt niet te spelen. De rust is toch het best op aarde... - -Haar gemoedsrust werd dan ook niet verstoord. Maar ze was droevig -en vergoot zelfs enkele tranen, zonder te weten waarom. Het was -geen gevoel van schaamte of vernederd-zijn, ze voelde zich niet eens -deemoedig geworden. Ze voelde alleen wat schuld. Geleid door allerlei -onduidelijke gevoelens, het bewustzijn van een doelloos vervlietend -leven en het verlangen naar nieuwe ontroeringen, was ze tot een grens -gegaan en toen ze over die grens een blik wierp, had ze geen afgrond, -maar toch leegheid en leelijkheid gezien... - - - - - - - - -XIX. - - -Ofschoon ze haar gevoelens volkomen beheerschte en veel vooroordeelen -overwonnen had, kon ze toch iets pijnlijks niet onderdrukken, -toen ze wederom in de eetkamer kwam. Er had niets bizonders plaats -gedurende den maaltijd. Porphyriej Platonitsj verscheen en vertelde -allerlei aardigheden. Hij was in de stad geweest. Hij had onder ander -nieuws gehoord, dat de goeverneur de ambtenaren uit zijn onmiddellijke -omgeving bevolen had, sporen te dragen, opdat dringende zaken dadelijk -te paard uitgevoerd konden worden. - -Arkadiej praatte zachtjes met Katja en bewees de vorstin-tante, -als volmaakt diplomaat, kleine oplettendheden. Bazarof was stil en -somber. Mevrouw Odintsof keek hem eenige malen tersluiks aan, wanneer -hij zoo met neergeslagen oogen en een alles verachtende strengheid -om zijn lippen scheen te zeggen: Neen, neen, neen! - -Na tafel gingen allen in den tuin. Anna Sergejevna zag, dat Bazarof -haar wilde spreken, liep enkele schreden vooruit en bleef toen -staan. Hij trad op haar toe en zei, nog altijd met neergeslagen oogen -en droeve stem: - ---Ik moet u vergiffenis vragen. U zult zeker heel boos zijn. - ---Neen, ik ben in 't geheel niet boos op u, antwoordde ze, maar ik -ben bedroefd. - ---Des te erger. In ieder geval ben ik voldoende gestraft. Mijn -positie is onmogelijk geworden, dat zult u toegeven. U schreef: -Waarom vertrekken? En ik kan en wil niet blijven. Morgen ga ik weg. - ---Jevgenij Wassiljewitsj, waarom... - ---Waarom ik weg ga? - ---Neen, dat wilde ik niet zeggen. - ---Wat voorbij is, komt niet terug. En vroeg of laat moest dit -gebeuren. U ziet, er blijft mij niets anders over. Onder eén enkele -voorwaarde zou ik nog kunnen blijven. Die voorwaarde zal nooit vervuld -worden. Vergeeft u mijn vermetelheid, maar u hebt mij immers niet -lief en zult mij nooit liefhebben. - -Bazarofs oogen fonkelden even onder de zware wenkbrauwen. - -Anna Sergejevna antwoordde niet, maar ze dacht: die man maakt me bang. - ---Goeden dag! zei Bazarof, alsof hij in haar ziel gelezen had en liep -in de richting van het huis. - -Anna Sergejevna volgde hem langzaam. Ze riep Katja, nam haar arm, -dien ze vasthield. Ze speelde niet mee en glimlachte gedwongen bij elke -gelegenheid. En dit stond slecht bij haar bleek, moe gezicht. Arkadiej -begreep niets van dit alles en vroeg zich, alleen opmerkend, af: -wat beduidt dit toch? Bazarof had zich op zijn kamer opgesloten, -maar kwam bij de thee. Mevrouw Odintsof had hem gaarne vriendelijk -toegesproken, maar ze wist niet, wat te zeggen. Een onverwachte -omstandigheid kwam haar te hulp. Sitnikof werd aangediend. Het is -moeilijk de merkwaardige houding van den jongen "liberaal" bij zijn -entrée de chambre te beschrijven. Met de hem eigen onbeschaamdheid -had hij besloten, een vrouw te bezoeken, die hij nauwelijks kende -en die hem nooit had uitgenoodigd, maar bij wie, zooals hij wist, -twee ontwikkelde vrienden te gast waren. Toch was hij buitengewoon -verlegen en in plaats van zich te ontlasten van zijn uit het hoofd -geleerde complimenten en verontschuldigingen, stotterde hij allerlei -dwaasheid: Eudoxia, dat wilde zeggen: Koeksjin had hem gezonden om -te informeeren naar den gezondheidstoestand van Anna Sergejevna en -Arkadiej Nikolajewitsj had altijd zeer vleiend over Anna Sergejevna -gesproken... Midden in dien onzin bleef hij steken en werd zoo verward -dat hij op zijn hoed ging zitten. Men joeg hem echter niet weg en Anna -Sergejevna stelde hem zelfs voor aan haar tante en zuster en daardoor -kreeg hij langzamerhand zijn tegenwoordigheid van geest terug en ging -door met kletsen. Wanneer de menschelijke domheid verschijnt, kan -dat zijn nut hebben. Zij brengt ontspanning in al te strak gespannen -verhoudingen en te trotsche en ijdele gevoelens herinnert zij eraan, -dat domheid en geest een zelfden oorsprong en veelal gelijkenis -hebben. De verschijning van Sitnikof gaf een rustiger, eenvoudiger -toon aan het leven in huis. Men soupeerde met meer smaak en ging een -half uur vroeger dan gewoonlijk ter ruste. - ---Nu kun je herhalen, zei Arkadiej van uit zijn bed tot Bazarof, die -zich ook gereed maakte voor den nacht, wat je mij eens hebt gezegd: -waarom zoo droevig? Zeker een of anderen heiligen plicht nagekomen? - -De vrienden hadden sedert eenigen tijd de gewoonte, elkander op -dezen zoet-bitteren toon te plagen, hetgeen altijd een bewijs is van -innerlijk verdriet en wantrouwen, dat nog verborgen wil blijven. - ---Ik ga morgen weg naar huis, zei Bazarof. Arkadiej keerde zich om -en leunde op zijn elleboog. Dit bericht verraste hem aangenaam. - ---O, antwoordde hij, ben je daarom zoo down? - ---Veel weten veroorzaakt hoofdpijn, antwoordde Bazarof en gaapte. - ---En Anna Sergejevna? vroeg Arkadiej. - ---Wat zou die? - ---Ik bedoel, laat zij je gaan? - ---Ik ben toch niet in haar dienst! - -Arkadiej zweeg, peinzend en Bazarof keerde zich met het gezicht naar -den muur. Het bleef eenigen tijd stil. - ---Jevgenij, riep Arkadiej opeens. - ---Wat is er? - ---Ik ga morgen met je mee. - -Bazarof antwoordde niet. - ---Ik ga ook naar huis, ging Arkadiej voort, we kunnen samen reizen -tot Chochlof, waar je dan met Fedot verder je reis bepalen kunt. Ik -had graag je ouders leeren kennen, maar ik vrees jou en hun ongelegen -te komen. En dan kom je hoop ik later nog eens bij ons? - ---Mijn bagage staat nog bij jullie, antwoordde Bazarof, zonder om te -keeren. Waarom zou hij de redenen niet vragen van mijn plotseling -besluit? dacht Arkadiej.--Waarom moeten we eigenlijk zoo opeens -weg? Hij zoowel als ik? - -Maar hij vond geen antwoord op die vragen en zijn hart was vol stille -bitterheid. Hij voelde, dat het hem moeilijk zou vallen, dit leven, -waaraan hij nu gewoon was geworden, te veranderen, maar nog moeilijker -scheen het, alleen achter te blijven zonder Bazarof. Er moet iets -gebeurd zijn tusschen hen, dacht hij, maar wat heb ik hier nu nog te -doen, als hij weg is? Zij wil niets van mij weten en dan zou ik het -zeker heelemaal verbruiden... Hij zag Anna Sergejevna's beeld voor -zich, maar dat maakte langzaam plaats voor een ander... - ---Jammer voor Katja, fluisterde hij in zijn kussen en vreemd, er -viel een traan. Plotseling streek hij zich met de hand door het haar -en riep: - ---Wat moest die idioot van een Sitnikof hier doen? - -Bazarof kwam in beweging. - ---Ik zie, dat je nog heel dom bent, zei hij eindelijk. Lui -als Sitnikof kunnen we niet missen. We hebben zulke idioten -volstrekt noodig. Begrijp je me? De goden hebben ander werk als -pottenbakken! [10] - ---Hm! dacht Arkadiej. En voor het eerst zag hij Bazarofs eigenliefde -in haar geheelen omvang. - ---Wij zijn dus goden, jij en ik? Of liever jij! Want ik ben -waarschijnlijk ook wel een idioot, is het niet? - ---Ja, antwoordde Bazarof, jij bent nog dom... - -Mevrouw Odintsof toonde zich niet bijster verrast, toen Arkadiej haar -den volgenden morgen meedeelde, dat hij met Bazarof zou vertrekken. Ze -zag er vermoeid en verstrooid uit. Katja keek hem ernstig aan en zei -niets. De tante maakte een kruis onder haar sjaal zoodanig, dat hij -het moest zien. Sitnikof raakte geheel buiten zichzelve. Hij had een -nieuwen rok aan, die niets van den slavophiel vertoonde. Den vorigen -dag had de knecht, die hem bedienen moest, verwonderd gestaan over -de massa linnengoed, die de nieuwe gast had meegebracht. En nu gingen -zijn vrienden weg! Hij liep angstig en besluiteloos heen en weer als -een gejaagde haas aan den rand van een woud. En geheel onverwachts -verklaarde hij bijna schreeuwend, dat ook hij besloten had, weg te -gaan. Mevrouw Odintsof drong er niet op aan, dat hij zou blijven. - ---Ik heb een gemakkelijk rijtuig, zei de ongelukkige jongeling tot -Arkadiej, ik kan u naar huis brengen. Jevgenij Wassiljewitsj kan dan -uw tarantas nemen. Zoo gaat het gemakkelijk. - ---Hoe komt u erbij? Ons huis ligt niet langs uw weg. Dan moest u een -grooten omweg maken. - ---Dat beteekent niets. Ik heb tijd. En buitendien moet ik voor zaken -in uw buurt zijn. - ---Wodki-zaken? vroeg Arkadiej, op bijna verachtenden toon. - -Maar Sitnikof was zoo onthutst, dat hij niet eens begon te lachen. - ---Ik verzeker u, dat mijn rijtuig bizonder gemakkelijk is, ging hij -voort, en dat er plaats is voor ons allen. - ---Krenkt u den heer Sitnikof niet door te weigeren, zei Anna -Sergejevna. - -Arkadiej keek haar aan en boog het hoofd. - -Na het ontbijt had het vertrek plaats. Bij het afscheid gaf mevrouw -Odintsof Bazarof een hand en zei: - ---Tot ziens, niet waar? - ---Zooals u wilt. - ---Dan zien we elkaar weer. - -Arkadiej ging het eerst en nam plaats in Sitnikofs rijtuig. De -hofmeester hielp hem eerbiedig instappen, maar hij gevoelde lust, -hem te slaan of te weenen. Bazarof ging in den tarantas. Toen ze -in Chochlofsk aangekomen waren, wachtte Arkadiej, tot Fedote, de -herbergier, zijn paarden voor de tarantas had gespannen. Daarop ging -hij naar het voertuig en zei met de vroegere hartelijkheid tot Bazarof: - ---Jevgenij, laat mij meegaan. Ik wil met je mee. - ---Stap maar in, mompelde Bazarof. - -Toen Sitnikof, die fluitend rondliep, die woorden hoorde, sperde -hij den mond van verbazing open. Arkadiej nam rustig zijn koffers, -ging naast Bazarof zitten, groette Sitnikof beleefd en riep: Vooruit! - -De paarden trokken aan en de tarantas was weldra uit het gezicht -verdwenen. Sitnikof, die niet bekomen kon van zijn verbazing, keek den -koetsier grimmig aan, sprong in het rijtuig, riep twee voorbijgaande -boeren toe: zet je mutsen op, ezels! en reed stadwaarts, waar hij -laat aankwam. Den volgenden dag had hij het met madame Koeksjin in -haar salon, over die twee hoogmoedige grove kinkels, die hem zoo maar -in den steek hadden gelaten. - -Arkadiej drukte Bazarof de hand, toen hij naast hem zat en zei -langen tijd geen woord. Bazarof scheen dit zwijgen, dien handdruk te -begrijpen. Den vorigen nacht had hij geslapen, noch gerookt. Reeds -eenige dagen had hij ook weinig gegeten. Zijn somber ingevallen -gezicht teekende zich scherp af onder de reismuts. - ---Geef me een sigaar, zei hij eindelijk,... heb ik een beslagen -tong? kijk eens. - ---Ja, antwoordde Arkadiej. - ---Dacht ik wel... daarom smaakt me die sigaar niet. De machine -loopt niet. - ---Ja, je bent wel veranderd, zei Arkadiej. - ---Heeft niets te beteekenen, zal wel weer goed komen. Alleen voor -de zorgzaamheid van mijn moeder ben ik bang. Als men niet zijn buik -volstopt en tienmaal per dag eet, heeft ze geen rust. Mijn vader is -gelukkig niet zoo. Die kent de wereld en is door de wol geverfd. - ---Niet te rooken! zei hij ergerlijk en gooide de sigaar naar buiten. - ---Ligt jullie goed niet vijf en twintig werst van hier? vroeg Arkadiej. - ---Ja. Maar hier is een wijsgeer, die het ons precies kan zeggen. En -daarbij wees hij naar den boer, die op den bok zat en wien Fedote de -leidsels gegeven had. De wijsgeer antwoordde: - ---Wie weet? De wersten worden hier niet gemeten. - -En daarna sprak hij weer zacht met zijn paard, dat voortdurend den -kop schudde. - ---Ja, ja, zei Bazarof, dat moet ons een leering zijn. Ik geloof, dat -de duivel de hand in het spel heeft. De mensch hangt aan een draad, -ieder oogenblik kan hij in een afgrond storten, die zich voor hem -opent. En daaraan heeft hij nog niet genoeg. Hij bedenkt nog allerlei -domheden, die hem nog ongelukkiger maken. - ---Wat bedoel je? vroeg Arkadiej. - ---Niets. En zoo zeg ik ook zonder bedoeling, dat we ons als ezels -hebben gedragen. Buitendien heb ik opgemerkt, dat zieken, die hun -toestand overzien, altijd beter worden. - ---Ik begrijp je niet goed, antwoordde Arkadiej, ik geloof, dat je -geen reden hebt, je te beklagen. - ---Omdat je mij niet goed begrijpt, zal ik je dit zeggen. Men doet -beter, steenen te kloppen op straat, dan een vrouw ook maar den top -van den kleinen vinger te geven. Dat is allemaal... Bazarof wilde -zijn lievelingswoord romantiek lanceeren, maar hij hield zich in. - ---Je zult me nu niet gelooven, ging hij voort, en toch is het waar, -wat ik zeg. We zijn allebei in vrouwengezelschap verzeild geraakt en -dat leventje beviel ons wel. Maar het is even aangenaam, dit gezelschap -weer te verlaten, als op een heeten dag een koude douche te nemen. Een -man heeft beter te doen, dan zich met zulke dwaasheden afgeven. Een -man moet wild zijn, zei een heel verstandig spaansch spreekwoord. Jij -bijvoorbeeld, vriend, zeg eens, richtte hij zich tot den koetsier, -heb jij een vrouw? - -De boer keek om en toonden den beiden vrienden zijn breed, plat -gezicht. - ---Een vrouw? Zou ik geen vrouw hebben? - ---Sla je haar? - --- Mijn vrouw? Dat hangt er van af.--Zonder reden niet. - ---Natuurlijk niet. En slaat zij jou ook? - -De boer rukte aan den teugel. - ---Wat zegt u, heer? vroeg hij, ik geloof, dat u grappen maakt, heer. - -Die vraag had hem blijkbaar gekrenkt. - ---Hoor je dat? Arkadiej. En toch zijn wij allebei geslagen. Dat hebben -wij ervan, dat we ontwikkelde menschen zijn. - -Arkadiej glimlachte gedwongen, Bazarof keerde zich af en deed de -geheele verdere reis den mond niet meer open. - -De vijf en twintig werst leek Arkadiej vijftig. Het dorp, waar -Bazarofs ouders woonden, werd eindelijk zichtbaar tegen de helling -van een lagen heuvel. Niet ver daar vandaan stond tusschen een groep -jonge berken het heerenhuis met strooien dak. Bij den ingang van het -dorp stonden twee boeren, de mutsen op het hoofd en keven. - ---Je bent een dik zwijn, zei de een tot den ander. - ---En jij bent een varken, en je wijf is een heks, antwoordde de andere. - ---Zulk een lieve vertrouwelijkheid, zei Bazarof, de opgewekte toon -van deze woordenwisseling kan je bewijzen, dat de boeren van mijn -vader niet al te strak gehouden worden. Maar daar heb je hem zelf -al. Hij heeft zeker de schellen gehoord. Hij is het. Ik herken hem -aan zijn figuur. Wat is hij grijs geworden, de arme duivel! - - - - - - - - -XX. - - -Bazarof leunde uit den tarantas. Arkadiej zag over de schouders -van zijn vriend op den stoep van het huis een groot, mager man met -opstaande haren, een kleine wipneus en een oude soldatenjas. Hij -stond wijdbeens, een lange pijp in de hand en knipoogde, alsof hij -zijn oogen tegen de zon wilde beschermen. De paarden hielden stil. - ---Daar ben je dan! riep Bazarofs vader en rookte verder, ofschoon de -pijp tusschen zijn tanden beefde. Kom, stap uit, stap uit, dat ik je -behoorlijk omhelzen kan. - -Hij omarmde den zoon. - ---Jenoesja, Jenoesja! riep een trillende stem uit het huis. De -voordeur ging open en een kleine matrone verscheen in wit kapje en -kort jak. Ze schreeuwde, wankelde en zou gevallen zijn, als Bazarof -haar niet opgevangen had. - -De kleine mollige handen lagen weldra om Bazarofs nek en ze drukte -haar gezicht tegen zijn borst. Alleen onderdrukt snikken was te -hooren. Bazarofs vader knipoogde erger dan in het begin. - ---Nou is het genoeg, Ariesja, hou op, schei nu uit, zei hij eindelijk -en keek Arkadiej aan, die onbewegelijk bij het rijtuig stond. Zelfs de -boer op den bok keerde zich geroerd af.--Dat is niet noodig, hou op, -houd op! - ---Och Wassili Ivanitsj! antwoordde het oudje snikkend, als ik bedenk, -dat hij daar is, onze jongen, onze Jenoesja! - -En zonder hem los te laten, hief zij haar betraande gezicht op, keek -Bazarof met grappig-gelukkige uitdrukking aan en drukte hem nog eens -aan het hart. - ---Nou ja, dat begrijp ik allemaal wel, zei Wassili Ivanitsj, maar laten -we nu naar binnen gaan. Jevgenij heeft een vriend meegebracht. Neemt -u ons niet kwalijk, maar u begrijpt, vrouwelijke zwakheid... een -moederhart... - -De laatste woorden golden Arkadiej, maar ook zijn eigen lippen -trilden. Hij deed zijn best, kalm te blijven, zelfs onverschillig, -maar het ging niet. - -Arkadiej boog het hoofd. - ---Kom moedertje, zei Bazarof, laat ons naar binnen gaan. En hij voerde -de oude vrouw, die in tranen versmolt, naar de ontvangkamer. Hij -zette haar in een gemakkelijken stoel, omhelsde nog eens zijn vader -en stelde hem zijn vriend voor. - ---'t Doet me genoegen, kennis te maken, zei Wassili Ivanitsj, -maar u moet het bij ons voor lief nemen, alles is eenvoudig hier, -militair.--Arina Vlassievna, doe me het pleizier en kom tot jezelf! Dat -is zwakheid! Onze gast zal een mooien indruk van je krijgen. - ---Vadertje, zei de oude, met tranen nog in de stem, ik ken uw voornaam -en uw vadersnaam nog niet. - ---Arkadiej Nikolajevitsj, antwoordde Wassili Ivanovitsj op eenigszins -plechtigen toon. - ---Vergeef mij, domme vrouw, klonk het zwakjes, ze snoot haar neus, -en veegde het eene oog, en daarna het andere af, waarbij ze het -hoofd rechts en links gebogen hield.--Neemt u me niet kwalijk. Ik -had gedacht, te zullen sterven, zonder mijn armen zoon... weergezien -te hebben. - ---En nu hebt u hem weergezien, mevrouw, zei Wassili Ivanovitsj -levendig.--Tanioesjka, heette het nu tegen een twaalfjarig meisje, -dat blootsvoets in een hel-rood katoenen rokje, angstig in de deur -stond te kijken.--Breng de vrouw een glas water op een blaadje, -versta je, en de heeren? ging hij voort op jovialen toon, die wat -van de oude school had, mag ik zoo vrij zijn, u uit te noodigen, -het kabinet van den veteraan binnen te treden? - ---Laat ik je nog eens omhelzen, Jenoesjetsjka, zuchtte Arina -Vlassievna. Bazarof boog over haar heen.--Wat ben je een prachtige -jongen geworden! - ---Dat kan ik niet vinden, antwoordde Wassili Ivanovitsj, maar zooals -de Franschman zegt, een homme fait is hij geworden. En nu van wat -anders, Arina Vlassievna, als je moederhart verzadigd is, moest je -je eens met de spijziging van onze dierbare gasten bezig houden, -want je weet, de nachtegaal leeft niet alleen van zingen! - -De moeder stond op. - ---De tafel is dadelijk gedekt, Wassili Ivanovitsj. Ik zal zelf naar -de keuken gaan en voor het opdoen zorgen. In een oogenblik is alles -in orde. In geen drie jaar heb ik hem gezien, heb ik hem te eten of -te drinken gegeven! Dat is geen kleinigheid. - ---Maak voort, moeder, schaf voor vier, dat je eer van je werk hebt. En -als ik de heeren nu verzoeken mag? Daar is Timofeitsj, Jevgenij, en -wil je verwelkomen. Die zal ook gelukkig zijn, die oude poedel! Is -'t niet Poedel? Wilt u maar volgen, heeren? - -Wassili Ivanovitsj opende de optocht met een gewichtige houding en -slofte met zijn oude pantoffels over den vloer. - -Zijn huis bevatte maar zes kleine kamers. Het vertrek, waarheen hij -zijn jonge vrienden voerde, heette het kabinet. Een zware, houten -tafel, overdekt met bijna zwart berookte papieren, stond tusschen -twee vensters. De wanden waren versierd met Turksche geweren, -Kozakkenzweepen, een sabel, twee groote landkaarten, anatomische -afbeeldingen, een portret van Hufeland, een kroon van haar gevlochten -in een zwarte lijst, en een diploma, ook achter glas. Tusschen twee -enorme boekekasten van berken wortelhout stond een op verschillende -plaatsen gescheurde lederen sofa. Boeken, doozen, opgezette vogels, -reageerbuizen, retorten in vakken ingedeeld. In een hoek der kamer -eindelijk stond een electriseermachine, die blijkbaar geen dienst -meer deed. - ---Ik heb jullie direct gezegd, mijn waarde gasten, zei Wassili -Ivanitsj, dat we hier om zoo te zeggen in bivak leven... - ---Schei toch uit met je excuses, antwoordde Bazarof. Kirsanof weet -heel goed, dat we geen Croesussen zijn en dat we in geen paleis -wonen. De kwestie is, waar we kunnen slapen. - ---Dat komt terecht, Jevgenij, ik heb een fijne kamer in het bijgebouw, -je vriend zal zich daar volkomen thuis voelen. - ---Heb je tijdens mijn afwezigheid een vleugel laten bijbouwen? - ---En of, waar de badkamer is, zei Timofeitsj. - ---Naast de badkamer, viel Wassili Ivanovitsj in de rede, ik zal eens -gaan zien, of alles in orde is. En ga jij intusschen de bagage van de -heeren halen, Timofeitsj. Jij komt natuurlijk in mijn studeerkamer, -Jevgenij: Suum cuique. - ---Een eigenaardig mensch, zei Bazarof, toen zijn vader weg was, -net als jouw vader, maar dan op zijn manier. Hij praat wat te veel. - ---Je moeder schijnt ook een lieve vrouw, zei Arkadiej. - ---Ja, ze is niet kwaad. Je zult zien, wat we te eten krijgen! - ---We verwachtten u niet vandaag, vadertje, zei Timofeitsj, toen hij -den koffer bracht, we hebben geen vleesch. - ---Dan doen we 't zonder vleesch. Waar niets is, heeft de keizer zijn -recht verloren. Armoede is geen schande. - ---Hoeveel boeren heeft je vader? vroeg Arkadiej. - ---Het goed is niet van hem, het is van moeder en ik geloof, dat het -hoogstens vijftien zielen telt. - ---Twee en twintig met verlof, zei Timofeitsj, gekrenkt. - -Zij hoorden het sloffen van de pantoffels en Wassili Ivanovitsj -verscheen weer in zijn kabinet. - ---Nog een minuut of wat en de kamer zal gereed zijn, u te ontvangen, -Arkadiej--Nikolaitsj... zoo heet u toch, als ik me niet vergis, riep -hij uit, en die hier zal u bedienen, zei hij, op een jongen wijzend, -die mede binnengekomen was, hij heet Fedka. - -Fedka had kort geknipt haar, een blauw hemd met gaten door de elbogen -en laarzen, die niet van hem waren. - ---U zult voor lief moeten nemen, zeg ik u nog eens, al wil mijn zoon -het niet hebben. Overigens kan de jongen uitmuntend een pijp stoppen. U -rookt zeker? - ---Ik rook meest sigaren, antwoordde Arkadiej. - ---Daar hebt u gelijk aan. Ik houd ook meer van sigaren. Maar die zijn -hier moeilijk te krijgen, zoo ver van de stad. - ---Schei toch uit met die klaagliederen, zei Bazarof, ga liever op de -sofa zitten en laat me je eens bekijken. - -Wassili Ivanovitsj ging lachend op de sofa zitten. Hij leek op zijn -zoon. Alleen zijn voorhoofd was lager en smaller, zijn mond wat -breeder, ook haalde hij telkens de schouders op, alsof de armsgaten -van zijn jas te nauw waren. Hij knipoogde voortdurend, terwijl zijn -zoon veel vrijer was in zijn bewegingen. - ---Klaagliederen, antwoordde Wassili Ivanitsj, verbeeld je maar niet, -dat ik probeer, het medelijden van je vriend op te wekken. Hij hoeft -niet te denken, dat we hier in de woestijn leven. Ik geloof, dat er -voor een denkend mensch in 't geheel geen woestijn bestaat. In ieder -geval doe ik mijn best, geen mos op me te laten groeien, zooals het -spreekwoord zegt. Ik wil niet bij mijn tijd achterblijven. - -Hij haalde een splinternieuwen, geel-zijden zakdoek voor den dag dien -hij gehaald had, toen hij de kamer van Arkadiej had geïnspecteerd, -en ging voort, terwijl hij met dien zakdoek zwaaide: - ---Ik zal me er niet op beroemen, dat ik de boeren aan me verplicht -heb door hun de helft van het land af te staan, ofschoon me dat -gevoelige verliezen heeft gekost. Ik beschouwde het als mijn plicht, -het gezond verstand zegt, zoo te handelen. Ik begrijp niet, dat alle -grondbezitters het nog niet gedaan hebben. Ik bedoelde straks de -wetenschap en de ontwikkeling in 't algemeen. - ---Daar heb je warempel "De Vriend der Gezondheid" liggen voor 't jaar -'55! zei Bazarof. - ---Een aandenken van een goed vriend, antwoordde Wassili Ivanitsj. En -uitsluitend tegen Arkadiej sprekend, ging hij voort: - ---Wij hebben ook nog wel eenig denkbeeld van de phrenologie! Hij wees -op een kleinen kop van gips, die in een menigte vakjes was ingedeeld, -de namen Schönlein en Rademacher zijn ons niet onbekend. - ---Gelooft men nog aan Rademacher in het goevernement? vroeg Bazarof. - -Wassili Ivanovitsj kuchte. - ---In 't goevernement, herhaalde hij, zeker zullen de heeren meer -van die dingen af weten, dan wij, er is geen denken aan, dat wij u -nog zouden kunnen inhalen. Jullie moeten ons ook opvolgen. Ik weet -nog wel, in onzen tijd vonden we den patholoog Hoffman of Browe met -zijn vitalisme belachelijk, en toch hadden die opgang gemaakt in hun -tijd. Er zal weer een ander geleerde gekomen zijn, om Rademacher te -overtroeven en jullie gelooft in hem, maar over twintig jaar zullen -ze weer over hem spotten. - ---Ik kan je tot je troost zeggen, dat we tegenwoordig over de heele -medische wetenschap lachen en geen enkelen leeraar erkennen. - ---Hoe kan dat? Je studeert toch medicijnen? - ---Jawel, maar het eene sluit het andere niet uit. - -Wassili Ivanovitsj haalde zijn pijp uit, waarin nog wat warme asch. - ---Kan zijn, zei hij, daar wil ik af wezen. Wat ben ik per slot van -rekening? Een gepensioneerde regimentsdokter, voilà tout! En nu ben ik -grondeigenaar geworden. Ik stond bij de brigade van uw grootvader, ja, -ik heb heel wat gezien in mijn leven, alle mogelijke menschen ontmoet -uit alle standen (dit was weer tegen Arkadiej). Ik, zooals ik hier -voor u zit, heb vorst Witgenstein en Joekofski den pols gevoeld. En -de mannen van den veertienden December [11] heb ik gekend in de -Zuid-legers. U begrijpt! - -Wassili Ivanovitsj zette deze woorden kracht bij door veelbeteekenend -de lippen samen te knijpen. - ---Ik heb ze allemaal gekend. Ik kon ze met den vinger aanwijzen. Maar -ik bemoei me niet met dingen, die me niet aangaan. Men doet zijn plicht -en daarmee basta. Ik moet zeggen, dat uw grootvader een krachtig man -was, een echt soldaat! - ---Een echte hark, kom er maar voor uit, viel Bazarof in de rede. - ---Maar Jevgenij, hoe kan je zoo'n woord gebruiken. Dat is -onvergefelijk. 't Is waar, de oude generaal Kirsanof hoorde niet tot... - ---Laat hem maar slapen, antwoordde Bazarof, bij de aankomst zag ik -met genoegen, dat het berkenboschje mooi opgeschoten is! - -Wassili Ivanovitsj raakte plotseling in vuur. - ---Dat is nog niets. Je moet den tuin zien. Ik heb hem zelf -aangelegd. We hebben vruchtboomen, alle mogelijke kleingoed en -geneeskundige kruiden. Jullie hebt goed praten, maar de oude Paracelsus -heeft toch maar groot gelijk: In herbis, verbis et lapidibus... Ik -heb de praktijk opgegeven, zooals je weet. Maar zoo twee, driemaal in -de week gebeurt het nog wel, dat ze me komen raadplegen. Dan kan ik de -menschen toch niet het huis uitjagen. Dikwijls ook arme lui. Want er is -geen dokter in 't dorp. Mijn buurman, de majoor, doet me concurrentie -aan. Ik vraag hem op een dag, of hij gestudeerd heeft. Nee, is zijn -antwoord, maar hij doet het uit naastenliefde. Haha! Uit naastenliefde, -hoe vind je die! Haha! - ---Fedka, stop mijn pijp eens, riep Bazarof ruw. - ---We hebben nog een anderen dokter, zei Wassili Ivanovitsj weer, -maar er lag een zekere angst in zijn stem.--Stel je voor, dat die op -een dag bij een zieke komt, die al ad patres is. De knecht wil hem -niet binnen laten en zegt: we hebben u niet meer noodig. De dokter, -die niet verdacht was op deze mogelijkheid, komt in verwarring en -vraagt: Heeft hij benauwdheden gehad, voor hij stierf? - ---Ja.--Nog al erg?--Ja.--Ah, dat is uitmuntend.--En hij ging weg! Ha -ha! - -De oude man was de eenige, die lachte. Arkadiej glimlachte -beleefdheidshalve, Bazarof blies een rookwolk in de lucht. Het -gesprek duurde ongeveer een uur. Arkadiej ging weer naar zijn kamer, -die feitelijk een bij-badkamer was, maar toch zeer geriefelijk -ingericht. Eindelijk verscheen Tanioesja en zei, dat het eten -gereed was. - -Wassili Ivanovitsj stond het eerst op. - ---Gaat u mee, heeren? En neem me niet kwalijk, als ik u heb zitten -vervelen. Ik hoop, dat mijn vrouw u beter behandelen zal. - -Het maal, ofschoon in der haast toebereid, was inderdaad -uitmuntend. Alleen de wijn liet te wenschen over. De bijna zwarte -sherry, dien Timofeitsj in de stad had gekocht, gaf een nasmaak van -kanipholium en koper. Ook de vliegen waren hinderlijk. Gewoonlijk -had een jong knechtje ze met een boomtak te verdrijven. Maar Wassili -Ivanovitsj had dit ambt opgeheven, ten einde geen kritiek uit te -lokken van de jonge "mannen-van-den-vooruitgang". Arina Vlassievna -had tijd gevonden, toilet te maken. Ze droeg een kapje met linten -en een blauw-gebloemden sjaal. Ze begon weer te schreien, toen ze -haar Jenoesja zag, maar haar echtvriend behoefde haar ditmaal niet -te helpen, ze droogde van zelf haar tranen, ongetwijfeld bang, haar -sjaal te bederven. - -De jonge lui bewezen den maaltijd alle eer. De ouders, die 's middags -al gegeten hadden, deden niet mee. Fedka, die zeer veel last van zijn -laarzen had en een éenoogig vrouwspersoon met mannelijke trekken en die -Anfisoesjka heette, bedienden bij tafel. De laatste vereenigde in haar -persoon de ambten van keldermeester, waschvrouw en hoenderverzorgster. - -Gedurende het eten liep Wassili Ivanovitsj met een van geluk stralend -gezicht in de kamer heen en weer en gaf daarbij bespiegelingen ten -beste over zijn grooten angst betreffende de politiek van Napoleon -III en de duisterheid der Italiaansche kwestie. Arina Vlassievna -scheen Arkadiej in het geheel niet te zien. Ze steunde de kin op de -hand en haar rond gezicht had een merkwaardig goedige uitdrukking -door de kleine, dikke, kersroode lippen en de schoonheidsvlekjes op -haar wangen. Ze had de oogen niet van haar zoon en zuchtte maar. Ze -had dolgraag geweten, hoe lang hij blijven zou. Maar ze durfde niet -vragen. Ze dacht: als hij eens antwoordde: twee dagen... en de schrik -sloeg haar om het hart. Na het gebraad verdween Wassili Ivanovitsj, -maar kwam dadelijk terug met een halve flesch champagne, die hij open -had gemaakt. - ---Al wonen we ook in een wilde streek, zei hij, we kunnen toch wel -wat ter opvroolijking vinden bij belangrijke gelegenheden. - -Hij schonk drie groote en een klein glas in, verklaarde op het welzijn -der dierbare bezoekers te drinken, dronk zijn glas in éen slok leeg -en dwong Arina Vlassievna haar kleine glas geheel te ledigen. Toen de -ingemaakte vruchten verschenen, meende Arkadiej, die zoete spijzen -niet kon verdragen, toch van vier nieuwe soorten te moeten proeven, -te meer, daar Bazarof rondweg weigerde en zijn sigaar opstak. Na het -dessert kwam thee met room, krakelingen en boter. Toen bracht Wassili -Ivanovitsj zijn gasten in den tuin, om van den heerlijken avond te -genieten. Bij een bank fluisterde hij Arkadiej in het oor: - ---Hier zit ik graag te mijmeren en naar den zonsondergang te kijken, -dat gaat goed voor den kluizenaar. Een eind verderop heb ik Jevgenijs -lievelingsboomen geplant. - ---Wat voor boomen? vroeg Bazarof ruw. - ---Nu... acacia's... - -Bazarof gaapte. - ---Ik geloof, dat onze reizigers goed deden, te gaan slapen, zei -Wassili Ivanovitsj. - ---Dat wil zeggen, dat het tijd is, naar bed te gaan, begon Bazarof, -ik vind het goed. Vooruit maar! - -En toen zei hij zijn moeder goeden nacht en kuste haar op het -voorhoofd. Zij sloeg intusschen driemaal een kruis achter zijn -rug. Wassili Ivanovitsj bracht Arkadiej naar zijn kamer en verliet -hem met den wensch, dat hij "dezelfde rust zou genieten als hij in -zijn jeugd had gekend." Inderdaad sliep Arkadiej goed in zijn klein -kamertje. Het rook er naar versche houtkrullen en twee krekeltjes -achter de kachel maakten een zachte, slaapwekkende muziek. Wassili -Ivanovitsj ging naar zijn eigen kabinet, ging bij zijn zoon op bed -zitten, dat wil zeggen op de sofa, en wilde wat praten, maar Bazarof -vroeg hem weg te gaan, omdat hij slaap had, zooals hij zei. Toch deed -hij den geheelen nacht geen oog dicht. Hij liet zijn blikken, hard, -zweven door de duisternis. Jeugdherinneringen hadden geen macht over -hem, maar de droeve ervaringen van den vorigen dag hielden hem nog -altijd bezig. - -Arina Vlassievna lag voor haar Heiligenbeelden te bidden en bleef -toen nog langen tijd bij Anfisoesjka, die als een steenen beeld voor -haar meesteres stond, die ze met haar éene oog aanstaarde, terwijl -ze haar geheimzinnig en langzaam allerlei opmerkingen en vermoedens -omtrent Jevgenij Wassiljewitsj meedeelde. - -Door blijdschap, wijn en tabaksrook was haar brein zoo beneveld, -dat het haar duizelde. Haar man wilde nog met haar praten, maar hij -zag er van af en ging met een berustende handbeweging weg. - -Arina Vlassievna was het type van den kleinen Russischen adel uit -den goeden ouden tijd. Ze had twee eeuwen vroeger, in den tijd van -de grootvorsten van Moscou geboren moeten zijn. Uitermate gevoelig -en innig-vroom, geloofde ze aan voorteekens, voorgevoelens, tooverij -en droomen, aan spotgeesten, huis- en woudgodheden, ongeluk brengende -ontmoetingen, aan "het Booze Oog", aan huismiddeltjes, aan de kracht -van het zout op de altaren op Groenen Donderdag en den aanstaanden -ondergang der wereld. Ze geloofde, dat er een goede boekweitoogst -zou zijn, als de kaarsen in de Paaschnachtmis niet uitgingen, dat de -champignons niet meer groeiden, zoodra de blik des menschen hen trof, -dat de duivel gaarne kwam op plaatsen waar veel water is, en dat alle -Joden een bloedvlek hebben op de borst. Ze was bang voor muizen, -adders, kikvorschen, musschen, bloedegels, den donder, koud water, -tocht, paarden, bokken, roodharige menschen en zwarte katten en vond -krekels en honden onreine schepsels. Ze at kalfsvleesch noch duiven, -kreeft noch kaas, asperges noch hazen, noch watermeloenen (omdat een -opengesneden meloen deed denken aan het afgeslagen hoofd van Johannes -den Dooper) en de gedachte alleen aan oesters, die ze nog nooit had -gezien, deed haar rillen. Ze at graag veel en goed en hield zich streng -aan de vastendagen. Ze sliep tien uur daags. Het eenige boek, dat -ze gelezen had, heette Alexis of de hut in het woud, ze schreef éen, -hoogstens twee brieven in het jaar en kon overheerlijk vruchten inmaken -en groente, ofschoon ze zelf niets deed en zich niet graag bewoog. - -Overigens was ze niet zonder gezond verstand. Ze wist, dat er heeren -zijn om te bevelen en knechten om te gehoorzamen. Ze had dan ook -geen bezwaar tegen de onderdanigheid der bedienden en hun diepe -eerbewijzen. Maar ze behandelde hen met groote zachtzinnigheid, liet -geen bedelaar zonder aalmoes gaan en veroordeelde niemand, zonder -afkeerig te zijn van kletspraatjes. Ze was niet leelijk geweest in -haar jeugd, speelde piano en sprak een beetje Fransch. Maar gedurende -het vele reizen van haar man, met wien ze tegen haar wil was getrouwd, -was ze dik geworden, en had haar muziek en Fransch verleerd. Ze aanbad -haar zoon, maar was erg bang voor hem. Wassili Ivanovitsj beheerde -haar goed en ze liet hem volkomen vrij in dit opzicht. Ze begon te -zuchten, en waaierde zich met haar zakdoek en trok de wenkbrauwen -hoog op, wanneer haar man begon te spreken over hervormingen of over -zijn eigen plannen. Ze was wantrouwend, verwachtte voortdurend een of -ander groot ongeluk en begon te weenen, zoodra ze aan iets droevigs -dacht... Zulke vrouwen beginnen zeldzaam te worden. Misschien moeten -we ons daarover verheugen... - - - -Zoodra Arkadiej was opgestaan, deed hij het venster open en het eerste -wat hij zag was Wassili Ivanovitsj, in chalaat (chambre cloak), een -zakdoek om het middel, aan het werk in den moestuin. Toen hij zijn -jongen gast gewaar werd, leunde hij op zijn schop en riep hem toe: - ---Goeden morgen. Hoe heb je geslapen? - ---Heel goed, antwoordde Arkadiej. - ---Je ziet een soort Cincinnatus voor je, ging de oude man voort, -ik ben bezig met een bed herfstrapen. We leven in een tijd, en ik -beklaag me daar in het geheel niet over, dat ieder de handen uit -de mouw moet steken voor zijn dagelijksch brood. Je kunt je niet op -anderen verlaten. Je moet zelf aanpakken. Jean Jacques Rousseau had -gelijk, al beweren ze ook van niet. Een half uur geleden had u me -aan heel ander werk bezig kunnen zien, mijn beste heer. De boerin -kwam me consulteeren over buikloop. Ik heb haar, hoe zal ik zeggen, -ik heb haar een dosis opium ingegeven. En een andere heb ik een tand -getrokken. Ik had haar willen verdooven met chloroform, maar ze wilde -niet. Natuurlijk doe ik dat allemaal voor niets--en amateur. Maar daar -schaam ik me heelemaal niet voor. Ik ben plebejer, een homo novus, -ik voer geen wapen, zooals mijn teergeliefde echtgenoote... maar zou u -niet eens hier in de schaduw vòòr het ontbijt de frissche morgenlucht -willen inademen? - -Arkadiej kwam naar buiten. - ---Welkom, welkom, ging Wassili Ivanovitsj voort en bracht militair de -hand aan het vettige kalotje op zijn hoofd,--ik weet, dat u de grootste -weelde gewend bent, maar zelfs de grooten dezer aarde versmaden het -niet, een enkele maal in een hut te overnachten. - ---Hoe kunt u mij een groote dezer aarde noemen? riep Arkadiej--en -dan moet ik u beleefd verzoeken, niet te denken, dat ik aan weelde -gewend ben. - ---Jawel, jawel, antwoordde Wassili Ivanovitsj glimlachend,--ik ben -nu wel oud roest, maar ik heb toch genoeg in de wereld rondgekeken, -om een vogel aan zijn veeren te kennen. Ook verbeeld ik me een beetje -psycholoog en gezichtskundige te zijn. Zonder dat zou ik allang -verloren zijn geweest. De menschen zouden me vertrapt hebben, ellendig -aardwormpje, dat ik ben. Ik kom er rond voor uit: de vriendschap, -die er tusschen u en mijn zoon bestaat, doet me oprecht pleizier. Ik -kom juist van hem vandaan. Hij is oudergewoonte vroeg opgestaan en -stroopt den omtrek af. Mag ik u vragen: duurt die vriendschap al lang? - ---Verleden winter hebben we elkaar ontmoet. - ---Ja? Mag ik dan nog een vraag... maar zullen we niet gaan zitten? Mag -ik u met de vrijmoedigheid van een vader vragen, wat u denkt van -mijn zoon? - ---Uw zoon is een van de uitnemendste mannen, die ik ooit ontmoet -heb! antwoordde Arkadiej levendig. - -Wassili Ivanovitsj spalkte zijn oogen wijd open, een lichte blos -kleurde zijn wangen. Hij liet zijn schop vallen. - ---U denkt dus... begon hij weer. - ---Ik ben overtuigd, dat uw zoon een groote toekomst voor zich heeft, -ging Arkadiej voort. Hij zal uw naam beroemd maken. Daarvan was ik -bij onze eerste kennismaking al overtuigd. - ---U zegt?... hè?... kwam er moeilijk uit. Een trotsche glimlach -ontplooide zijn breeden mond en bleef daar. - ---Wilt u weten, hoe we elkaar leerden kennen? - ---Ja... en... - -Arkadiej sprak met nog grooter bewondering over zijn vriend, als op -dien eersten avond met mevrouw Odintsof in de balzaal. - -Wassili Ivanovitsj hoorde toe, snoot zijn neus, verfrommelde zijn -zakdoek met beide handen, kuchte, streek door zijn haar, maar kon -zich eindelijk niet langer inhouden, pakte Arkadiej en kuste hem op -den schouder. - ---U hebt den gelukkigsten mensch van me gemaakt, zei hij en -glimlachte. Ik moet u bekennen, dat ik, dat ik mijn zoon verafgood. Ik -spreek niet van mijn vrouw, zij is moeder en voelt als moeder. Maar ik -durf mijn zoon niet bekennen, hoe ik hem liefheb, want dat zou hem niet -aangenaam zijn. Hij kan zulke ontboezemingen niet verdragen. Sommigen -verwijten hem die karaktervastheid en houden het voor gevoelloosheid -en valschen trots. Maar mannen als hij kunnen niet met dezelfde maat -gemeten worden als gewone stervelingen. Een ander zou in zijn plaats -zijn vaders beurs hebben geplunderd. Maar hij heeft nog nooit een -kopeke te veel gevraagd, dat verzeker ik je! - ---Hij is een onzelfzuchtig, feilloos man, zei Arkadiej. - ---Zooals je zegt een toonbeeld van onzelfzuchtigheid. Wat mij betreft, -ik verafgood hem niet alleen, ik ben ook trotsch op hem en wat -mijn trots het meest streelt is, dat men eens in zijn biografie zal -lezen: hij was de zoon van een eenvoudig officier van gezondheid, die -vroegtijdig zijn talent ontdekte en alles deed voor zijn ontwikkeling, -wat... - -Hij kon niet verder spreken. - -Arkadiej drukte hem de hand. - ---Wat denkt u? vroeg Wassili Ivanovitsj na eenigen tijd, zou hij als -medicus den roem verwerven, dien u hem voorspelt? - ---Zeer zeker niet, al zal hij ook in dit vak tot de geleerdste mannen -behooren. - ---In welk vak denkt u dan, dat hij... - ---Dat is zoo niet te zeggen, maar hij zal een beroemd man zijn. - ---Een beroemd man! herhaalde de vader en gaf zich aan zijn droomen -over. - - - ---Arina Vlassievna laat vragen, of u thee komt drinken, zei -Anfisoesjka, die met een groote schaal frambozen voorbij kwam. - -Wassili Ivanovitsj schrikte op. - ---Is er room bij de frambozen? vroeg hij. - ---Ja, die is er. - ---Maar hij moet goed koud zijn, hoor je. Geneer je niet, Arkadiej -Nikolajitsj, neem nog maar meer. Waar zit Jevgenij zoo lang? - ---Ik zit hier, riep Bazarof van uit Arkadiej's kamer. - -Wassili Ivanovitsj keerde zich snel om. - ---Je wilde je gast zeker verrassen. Maar je komt te laat, amice, -we zijn al een uur aan het praten samen. Kom mee thee drinken, je -moeder wacht ons. Apropos, ik moet je wat vragen. - ---Wat? - ---Er is hier een boer, die aan icterus lijdt. - ---Hij heeft dus geelzucht. - ---Ja, hij heeft een aanval van chronischen en hardnekkigen -icterus. Ik heb hem duizendguldenkruid en hondsgras gegeven. Ook -liet ik hem worteltjes eten en sodawater drinken. Maar dat zijn maar -huismiddeltjes. Hij moet wat sterkers hebben. Je spot wel met de -medicijnen, maar misschien kun je me toch raad geven. - ---Daar kunnen we later over spreken. Laten we eerst thee gaan drinken. - -Wassili Ivanovitsj stond vlug op van de bank en begon te zingen het -lied uit Robert le Diable: - - - De wijn, de wijn, het spel, de meisjes - daar houd, daar houd, daar houd ik van alleen. - - ---Wat een vitaliteit! zei Bazarof en ging van het venster weg. - - - -Het was middag, en drukkend heet, al hing een fijn gordijn van blanke -wolken voor den hemel. Stilte heerschte rondom, alleen de hanen -kraaiden in het dorp, en die gerekte klanken brachten een gevoel van -traagheid en verveling over de menschen. Nu en dan snerpte boven uit -een boom de doordringende schreeuw van een jongen sperwer als een -wreede klacht. - -Arkadiej en Bazarof lagen in de schaduw van een hooimijt uitgestrekt -op een hoop pas afgemaaid gras, dat bij iedere beweging ritselde, -ofschoon het nog groen en geurig was. - ---Die populier, zei Bazarof, herinnert mij aan mijn kindsheid. Hij -staat aan den rand van een droge sloot, die zich gevormd heeft op de -plaats van een vroegere pannenbakkerij. Ik was overtuigd, dat die boom -en die kuil de kracht van een talisman hadden. Ik verveelde me nooit, -als ik daar was. Ik begreep toen nog niet, dat ik me alleen daarom -niet verveelde, omdat ik een kind was. Nu heeft die talisman zijn -beteekenis verloren. - ---Hoeveel jaren heb je hier doorgebracht? vroeg Arkadiej. - ---Twee jaar aan éen stuk. Later kwamen we nu en dan terug. We leidden -een zwerversleven en trokken altijd van de eene stad naar de andere. - ---Staat het huis allang? - ---Ja, mijn grootvader heeft het gebouwd, de vader van mijn moeder. - ---Wat was je grootvader? - ---Dat weet ik waarachtig niet. Ik geloof majoor tweede klasse. Hij -heeft nog onder Soeworof gediend en vertelde altijd, hoe ze over de -Alpen waren getrokken. Hij zal wel flink hebben opgesneden. - ---Hangt daarom het portret van Soeworof in jullie eetkamer? Ik houd -van zulke oude, warme huisjes als dat van jullie. Ze hebben zoo een -eigenaardige lucht. - ---Ja, olie en zeep, antwoordde Bazarof, en al die muggen in die lieve -huisjes, bah! - ---Hebben ze je kort gehouden, vroeger? vroeg Arkadiej na eenig zwijgen. - ---Je kent mijn ouders toch. Het zijn geen menscheneters. - ---Hou je van ze? - ---O ja, Arkadiej. - ---Ze hangen erg aan je. - -Bazarof antwoordde niet. - ---Weet je, waaraan ik denk? vroeg hij eindelijk, terwijl hij de hand -onder zijn hoofd legde. - ---Neen, zeg eens. - ---Ik vind, dat mijn ouders een heerlijk leven hebben. Mijn vader -stelt in alles belang, ofschoon hij over de zestig is. Hij geeft -huismiddeltjes, behandelt zieken, speelt den edelmoedige bij de boeren -en is daarbij gelukkig als een kind. Mijn moeder heeft ook niet te -klagen, ze heeft het zoo druk, zooveel o! en ah!s dat ze geen tijd -heeft, tot zichzelf te komen. En ik... - ---En jij? - ---En ik, ik zeg tegen mezelf: daar lig je nu bij die hooimijt... de -plek, die ik noodig heb, is zoo grenzenloos klein tegenover de groote -ruimte, waar ik niet ben en waar ik niets te beteekenen heb; en de -tijd, die mij geschonken is, is zoo kort tegenover de Eeuwigheid, -waarin ik niet geleefd heb en waarin ik nooit leven zal... en toch -stroomt het bloed in dit niets, in dit stofje werken hersens en willen -nog iets... O, wat een onzin! Wat een dwaasheid. - ---Wat je daar zegt, geldt voor alle menschen... - ---Juist, antwoordde Bazarof, dat bedoel ik ook. Ik wilde zeggen, -dat mijn ouders, die goeierds, zich druk maken over allerlei en geen -oogenblik bedenken, dat ze niets zijn. Ze walgen niet van alles, -terwijl ik alleen nog haat en verveling kan koesteren. - ---Haat? Waarom? - ---Waarom? Wat een vraag! Ben je dan vergeten? - ---Ik weet alles, maar ik geloof niet, dat je dat recht geeft, te -haten. Je bent niet gelukkig, dat geef ik toe. - ---Ha, ha, Arkadiej Nikolajitsj, jij vat de liefde op zooals de meeste -jongelui van onzen tijd. Je lokt het kippetje, klok, klok, klok, -en zoodra het kippetje komt, maak je, dat je wegkomt. Ik doe dat -anders. Maar laten we hierover niet spreken. Als een zaak verloren is, -moet je haar laten loopen. - -Hij keerde zich op een zijde en ging voort: - ---Kijk, een mier, die een half-doode mug voortsleept. Vooruit, oudje, -vooruit! Bekommer je niet om haar tegenstand. In je hoedanigheid van -dier heb je het recht geen erbarmen te kennen. Dat is anders als wij -menschen, die ons vrijwillig laten vernietigen en breken. - ---Je moet niet zoo spreken, Jevgenij, wanneer ben jij gebroken, -zooals je zegt? - -Bazarof hief het hoofd op. - ---Ik kan er trotsch op zijn. Ik heb me niet zelf gebroken. En een -vrouw zal het zeker ook niet kunnen. Basta! Het is gedaan! Je zult -geen woord meer van me hooren over dit onderwerp. - -Beide vrienden lagen eenigen tijd zwijgend. - ---Ja, begon Bazarof toen weer, de mensch is een merkwaardig wezen. Als -je naar het leven kijkt, zoo van terzijde en uit de verte en je ziet, -wat "de vaderen" alzoo uitvoeren, dan lijkt het wel, of alles volmaakt -en gelukkig is. Eet, drink en leef verder zoo geregeld mogelijk, als -je denkt, dat goed voor je is. Maar dat geeft niet. De verveling neemt -je te pakken. Je voelt behoefte, andere menschen te zien, te spreken, -desnoods te vechten met hen, als het maar andere menschen zijn. - ---We moesten het leven zoo kunnen inrichten, dat elk oogenblik zijn -doel en zin had, antwoordde Arkadiej peinzend. - ---Zeker, het is altijd prettig een beteekenis te zoeken, al gebeurt -dat ook ten onrechte. Men zou ten slotte genoegen nemen met alles, -dat geen zin heeft. Maar die kleinigheden, die armzaligheden, dat is -juist het ongeluk! - ---Er zijn geen kleinigheden voor wie ze niet zien wil. - ---Nu heb je een gemeenplaats omgekeerd. - ---Hoe bedoel je? - ---Als je me verzekert, dat de beschaving nuttig is, noem ik dat een -gemeenplaats. Maar als je beweert, dat ze schadelijk is, dan heet -dat een omgekeerde gemeenplaats. Het klinkt wat interessanter, maar -het is precies hetzelfde. - ---Waar wil je de waarheid dan zoeken? - ---Waar? Ik antwoord je als een echo: waar? - ---Je bent zwartgallig, vandaag, kerel. - ---Ja? De zon brandt ook zoo op mijn kop en we hebben zeker te veel -frambozen gegeten. - ---We moesten een dutje doen, zei Arkadiej. - ---Mij goed, maar dan moet je niet zoo naar me kijken. Want we zien -er zoo dom uit, als we slapen. - ---Het schijnt je dus niet onverschillig te zijn, wat men van je denkt? - ---Wat zal ik daarop antwoorden? Een man, die dien naam verdient, moest -zich niet bekommeren om wat men van hem denkt. De echte man is hij, -die anderen niets te denken geeft, maar hen dwingt tot gehoorzamen -of haten! - ---Dat is vreemd, ik haat niemand, zei Arkadiej na een oogenblik. - ---Ik wel. Jij hebt een zachte ziel, kneedbaar als boter, hoe zou jij -kunnen haten? Jij bent bangig, jij mist zelfvertrouwen. - ---En heb jij veel zelfvertrouwen? vroeg Arkadiej,... nòg? Heb je een -hoogen dunk van jezelf? - -Bazarof antwoordde niet dadelijk. - ---Zoodra ik iemand ontmoet, die in mijn tegenwoordigheid niet den -kop laat hangen, zei hij langzaam, zal ik de meening over mijzelf -wijzigen.--Haten?--Maar wacht eens, laatst, toen wij de mooie, ruime -hut van jullie starost [12] voorbijkwamen, heette hij niet Philips, -zei jij: Rusland zal niet eerder zijn ware hoogte bereikt hebben, -voordat de geringe boer zoo een woning heeft en wij moeten er allen -toe bijdragen... Nou, ik haatte onmiddellijk dien boer, voor wiens -welzijn ik mij moet inspannen, zonder dat hij dank-u zegt. En toch, wat -zou ik aan zijn dankbaarheid hebben? Als hij in een mooi huis woont, -ben ik al lang mest voor de brandnetels op het kerkhof. En wat dan? - ---Stil, Jevgenij, als men je aanhoort, vandaag, zou men geneigd zijn, -die lui gelijk te geven, die ons verwijten, dat we geen principes -hebben! - ---Je praat als je waardige oom! Er zijn geen beginsels. Wist je dat nog -niet? Er zijn alleen gevoeligheden. Alles hangt af van gevoeligheden. - ---Hoezoo? - ---Ja. Neem mij bijvoorbeeld. Als de geest van tegenspraak en ontkenning -mij te pakken heeft, dan komt dat door mijn gevoeligheden. Ik -vind het aangenaam, neen te zeggen. Mijn hersens zijn daarop -ingesteld. En daarmee uit! Waarom houd ik van chemie? Waarom hou jij -van appels? Alles door de gevoeligheden. Hier heb je de waarheid en -nooit zullen de menschen dieper komen. We bekennen dat niet graag en -ik zal het ook niet voor de tweede maal zeggen! - ---Van dit standpunt uit, is de deugd dus ook een gevoeligheid. - ---Zeer zeker. - ---Jevgenij! antwoordde Arkadiej, met droefheid in zijn stem. - ---Och kom, smaakt het wat bitter? vroeg Bazarof, neen, mijn beste -kerel, als men besloten heeft, alles omver te maaien, mag men zijn -eigen beenen niet sparen. Maar we hebben nu genoeg gefilozofeerd. De -natuur noodt tot het genot des sluimers, zegt Poesjkien. - ---Dat heeft hij nooit gezegd, antwoordde Arkadiej. - ---Kan zijn, maar als dichter had hij het kunnen of moeten -zeggen. Apropos, is hij niet soldaat geweest? - ---Poesjkien was nooit soldaat. - ---Och kom! Op elke bladzijde roept hij: Te wapen! Te wapen. Voor -Ruslands Eer! - ---Waar haal je al die verzinsels vandaan? Dat noem ik laster! - ---Laster? Och wat! Denk je me bang te maken met dat woord? Wat je ook -voor praatjes van een mensch vertelt, hij verdient nog honderdmaal -meer! - ---Laten we maar gaan slapen, antwoordde Arkadiej gekrenkt. - ---Met genoegen, graag. - -Maar ze konden den slaap niet vatten, een gevoel van vijandigheid was -in hun hart geboren. Na korten tijd sloegen ze de oogen op en keken -elkaar zwijgend aan. - ---Kijk, dat verdorde blad, zei Arkadiej opeens, het raakt los van den -tak, warrelt omlaag, door de lucht, net als een vlindertje. Is dat -niet vreemd? Het droevigste en meest doode lijkt op het zonnigste en -meest levende! - ---Mijn beste vriend Arkadiej Nikolajevitsj, riep Bazarof uit, ik -smeek je in 's hemels naam, praat niet zoo poëtisch! - ---Ik spreek, zooals ik voel... maar dat grenst aan tyrannie! Waarom -zou ik niet zeggen, wat ik denk? - ---Goed. Maar waarom zou ik dan ook niet zeggen, wat ik denk? Ik vind -het onfatsoenlijk, poëtisch te doen! - ---Je vindt het zeker fatsoenlijk, grofheden te debiteeren! - ---Hé, hé, je schijnt vast besloten, de voetsporen van je oom te -drukken. Wat zou die idioot tevreden zijn, als hij je eens hooren kon. - ---Hoe zeg je daar van Paul Petrowitsj? - ---Zooals hij verdient: een idioot. - ---Dat wordt onduldbaar! riep Arkadiej. - ---Aha, de familiezin ontwaakt, zei Bazarof rustig. Ik heb opgemerkt, -dat die diep zit bij de meeste menschen. Ze zijn in staat, afstand -te doen van alles, van hun vooroordeelen zelfs. Maar tóegeven, dat -een broer, die zakdoeken gestolen heeft, een dief is, dat gaat hun -krachten te boven. En natuurlijk, iemand, die mij zoo nauw verwant is, -"mijn" broeder, zou die geen genie zijn? - ---Ik heb een gevoel van rechtvaardigheid en niet van familievereering -gevolgd, antwoordde Arkadiej opgewonden, maar aangezien jij geen orgaan -hebt, geen begrip voor de familie, aangezien jij deze "gevoeligheid" -mist, moest je er liever in 't geheel niet over spreken. - ---Dat wil zeggen: Arkadiej Kirsanof staat te hoog, dan dat ik hem zou -kunnen begrijpen. Ik buig het hoofd en veroordeel mezelf tot zwijgen. - ---Schei toch uit, Jevgenij, we krijgen nog ruzie op die manier. - ---Ja, ik bezweer je, Arkadiej, we zullen ruzie maken, we zullen elkaar -afranselen, tot alle dierlijke warmte vernietigd is! - ---Dat leidt dan tot... - ---Tot vuistslagen! viel Bazarof hem in de rede, waarom ook niet? Hier -op het hooi, in die idyllische omgeving, ver van de wereld en -de menschen, het kon niet beter. Maar jij bent niet tegen mij -opgewassen. Ik zal je bij de strot pakken! - -Bazarof strekte zijn knokige vingers uit. Arkadiej nam glimlachend -een verdedigende houding aan. Maar het gezicht van zijn vriend, het -grijnzen van zijn lippen, het sombere vuur dat in zijn oogen gloeide -was als een dreigement en onwillekeurig werd hij angstig. - ---Eindelijk vind ik jullie dan! riep Wassili Ivanovitsj op dit -oogenblik, die gekleed in een jas van zelfgeweven linnen en een thuis -gefabriceerden strooien hoed voor de vrienden verscheen. - ---Ik heb gezocht en gezocht... Jullie hebt een mooi plekje uitgekozen -en bent daar nuttig bezig den hemel te bekijken... Weet jullie, -dat die houding zoo een bizondere beteekenis heeft? - ---Ik kijk alleen naar den hemel, als ik moet niezen, zei Bazarof -onvriendelijk, en naar Arkadiej toe, zachter: het spijt me, dat hij -tusschen beide gekomen is. - ---Kom, nu is het genoeg, zei Arkadiej en drukte hem steelsgewijze -de hand. - ---Ik zie jullie aan, jonge vrienden, ging Wassili Ivanovitsj voort, -schudde het hoofd en leunde, de handen gevouwen op een stok, dien -hij zelf kunstig spiraalvormig gewonden had en van boven met een -Turkschen kop versierd, - ---Ik zie jullie aan en kan er niet genoeg van krijgen. Hoeveel kracht, -jeugd, talent, kundigheden liggen niet in jullie verborgen... Castor -en Pollux! - ---Mooi! riep Bazarof uit, nu gaat hij aan mythologie doen. Je kunt wel -merken, dat hij in zijn tijd erg knap in het Latijn is geweest. Heb -je nooit de zilveren medaille gekregen voor je schoolwerk? - ---Dioskuren! Dioskuren! herhaalde Wassili Ivanovitsj. - ---Kom, vader, wees toch verstandiger. Wat minder teederheid alsjeblief. - ---Een enkel maal zoo nu en dan is toch zoo erg niet, aarzelde de -oude man. Maar ik ben niet gekomen om jullie complimenten te maken, -maar in de eerste plaats om je mee te deelen, dat we gauw gaan eten -en in de tweede plaats, Jevgenij... je bent een jongen met geest, -je kent de menschen en zult dus weten te vergeven, je moeder wil -dankgebeden voor je aankomst laten houden. Maak je niet ongerust, -dat ik je vragen zal daarbij tegenwoordig te zijn. De ceremonie is -al afgeloopen. Maar Vader Alexis... - ---De priester? - ---Ja, de priester is thuis en zal blijven eten. Ik was er niet op -verdacht en ried het hem ook af. Ik weet niet, hoe dat zoo opeens -gekomen is... hij begreep me zeker niet... en buitendien is Arina -Vlassievna... Maar hij is een verstandig en aangenaam mensch. - ---Ik hoop, dat hij mijn portie niet op zal eten? vroeg Bazarof. - ---O neen, zei Wassili Ivanovitsj en lachte. - ---Meer verlang ik niet. En dan kun je voor mijn part laten mee eten, -wie je wilt! - ---Ik wist wel, dat je boven alle vooroordeelen verheven zoudt zijn. Het -zou ook wel kras zijn, anders. Ik met mijn twee en zestig jaren heb -ze niet eens. (Wassili Ivanovitsj durfde niet bekennen, dat hij die -gebeden even belangrijk vond als zijn vrouw, omdat hij net zoo vroom -was). Maar Vader Alexis wilde je graag leeren kennen. Ik ben overtuigd, -dat hij je mee zal vallen. Hij houdt van een spelletje en, maar dat -blijft onder ons, rookt zelfs zijn pijpje. - ---Nu, na tafel zullen we een partij jeralasj spelen en dan zal ik -jullie al je geld afnemen. - ---Hm, hm, hm, dat zullen we zien, zei grootmoeder altijd. - ---Wilde je soms van zekere bekwaamheden misbruik maken? vroeg Bazarof -met klemtoon. - -Een blos kleurde de bronzen wangen van Wassili Ivanovitsj. - ---Schaam je je niet, Jevgenij? Wat voorbij is, is voorbij. Nu ja, -ik wil wel bekennen dat ik vroeger een hartstochtelijk speler was, -maar dat heb ik duur geboet... Wat is het drukkend vandaag. Mag ik -naast jullie komen zitten of stoor ik soms? - ---Volstrekt niet, antwoordde Arkadiej. - -Wassili Ivanovitsj ging op het gras zitten en begon met iets klagends -in zijn stem: - ---Deze ligplaats herinnert me aan mijn soldatenleven, aan bivak en -ambulance. Dat was ook altijd naast een hooischelf, als er ten minste -éen was in de buurt,--hij zuchtte--och, ik heb vreeselijke dingen -gezien in mijn leven. Ik wil jullie, als je wilt, wat vertellen van -de pestepidemie, die ons in Bessarabië decimeerde. - ---En die je de Wladimirorde bezorgd heeft, zei Bazarof, dat ken ik, -dat ken ik. Maar waarom draag je hem niet? - ---Ik zei je daarnet immers, dat ik geen vooroordeelen heb, antwoordde -Wassili Ivanovitsj verlegen. - -Hij had het roode lintje den vorigen dag pas weggenomen uit zijn -knoopsgat. En begon de episode te vertellen. - ---Zie je hem? Hij is ingeslapen, fluisterde hij plotseling Arkadiej -toe, en wees naar Bazarof, terwijl hij vertrouwelijk knipoogde. - ---Wakker, Jevgenij! riep hij hard, we moeten eten. - - - -Vader Alexis, een krachtige, volle gestalte, met dik, goed verzorgd -haar en een breeden, gestikten gordel om de lila-zijden soutane, -gedroeg zich verstandig en taktvol. Hij begon met den vrienden een -hand te geven, als wist hij, dat zijn zegen hun onverschillig was, -en zonder zijn stand iets te kort te doen, zorgde hij ervoor, niemand -te grieven. Hij aarzelde niet, over het Latijn, dat in de seminariën -gedoceerd werd, lichtelijk te spotten, en nam dadelijk daarop zijn -aartsbisschop in bescherming. Na twee glazen wijn, weigerde hij het -derde. Hij accepteerde de sigaar, die Arkadiej hem aanbood, rookte -echter niet, maar zei, dat hij ze mee wilde nemen. Ook had hij de -onaangename gewoonte, telkens de hand voorzichtig en langzaam naar -het gezicht te brengen, om de vliegen te vangen en herhaaldelijk -sloeg hij ze dan plat. Hij nam aan de speeltafel plaats, zonder -daarbij veel belangstelling te toonen en won ten slotte twee roebel -vijftig-papier van Bazarof. Van berekening in zilver had men nog geen -voorstelling ten huize van Arina Vlassievna. Arina, die nooit speelde, -zat naast haar zoon, de hand tegen de wang, zooals haar gewoonte was, -en stond alleen op, om ververschingen gereed te maken. Ze was bang, -te zeer alleen voor Bazarof oog te hebben, hij moedigde haar trouwens -volstrekt niet aan. Bovendien had Wassili Ivanovitsj haar op het hart -gedrukt, hem niet te lastig te vallen. De jonge lui houden daar niet -van, zei hij. - -Wij mogen niet nalaten te vermelden, dat er niets gespaard was voor -het middagmaal. Timofeitsj was met het aanbreken van den dag naar -stad gegaan, om eerste kwaliteit vleesch te koopen, de oudste knecht -was elders heen gezonden om visch en kreeft te bemachtigen, terwijl -twee en veertig kopeken in koper betaald werd aan de boerenvrouwen -voor eetbare zwammen. - -In Arina's blik, onafgebroken op Bazarof gericht, lag echter niet -alleen teederheid en toewijding, ook een zekere droefheid, vermengd -met angst, nieuwsgierigheid en stil verwijt. - -Maar Bazarof bekommerde zich niet om wat er te lezen was in de oogen -zijner moeder, hij sprak nauwelijks met haar en deed slechts nu en -dan een korte vraag, maar wel vroeg hij, hem haar hand te geven, -in de verwachting, dat dat geluk aanbrengen zou. - -Arina Vlassievna legde haar week tenger handje in de ruwe breede hand -van haar zoon. - ---En, vroeg ze een oogenblik later, helpt het? - ---Het gaat nog slechter, antwoordde hij met een onverschilligen -glimlach. - ---Mijnheer speelt te roekeloos, zei Vader Alexis op meewarigen toon -en streek door zijn mooien baard. - ---Zoo deed Napoleon het, vadertje, zei Wassili Ivanovitsj en speelde -een aas uit. - ---En zoo moet Napoleon op het eiland St. Helena gestorven zijn, -antwoordde Vader Alexis en nam de aas met een troef. - ---Jenoesjenka! Wil je een glas bessenwijn? vroeg Arina Vlassievna -haar zoon. - -Bazarof haalde alleen de schouders even op. - - - -Den volgenden morgen zei hij tegen Arkadiej: - ---Neen, ik moet morgen weer weg. Ik verveel me. Ik zou willen -werken. Maar het is me onmogelijk, iets te doen. Ik wil naar jullie -terug. Ik heb bij jullie al mijn werk gelaten. Bij jullie kan men -tenminste alleen zijn. Maar hier is het den heelen dag: je kunt over -mijn studeerkamer beschikken, daar ben je alleen. Maar zelf laat mijn -vader me geen oogenblik met rust. En ik kan de deur toch niet voor -hem sluiten. Moeder is even lastig. Ik hoor haar voortdurend zuchten -in haar kamer en als ik bij haar ben, weet ik niet wat ik zeggen moet. - ---Ze zal erg bedroefd zijn, als je weggaat, en je vader ook, -antwoordde Arkadiej. - ---Ik kom terug. - ---Wanneer? - ---Als we weer naar Petersburg gaan. - ---Ik heb te doen met je moeder. - ---Waarom? Omdat jij zulke lekkere ingemaakte vruchten van haar krijgt? - -Arkadiej sloeg de oogen neer. - ---Je kent je moeder niet, zei hij. Ze heeft niet alleen een hart -van goud, maar ze is een verstandige vrouw ook. We hebben van morgen -langer dan een half uur samen gepraat en dat was erg onderhoudend en -lang niet dom. - ---Ik was het onderwerp van gesprek? - ---We hebben ook over andere dingen gesproken. - ---Best mogelijk, dat je gelijk hebt. Als toeschouwer zie je die dingen -beter. Als een vrouw in staat is een half uur lang een gesprek gaande -te houden, dan is dat een goed teeken. Maar dat kan mij niet van mijn -plan afbrengen. - ---Ik weet niet, hoe je hun dat zult meedeelen. Zij schijnen te denken, -dat we minstens nog veertien dagen blijven. - ---Dat gaat niet. Buitendien was ik zoo dom, mijn vader te plagen, omdat -hij laatst een boer had laten afranselen en niet ten onrechte. Ja, -met recht, kijk me maar niet zoo aan. 't Was een onverbeterlijke -dief en dronkenlap. Maar mijn vader wist niet, dat ik er alles van -wist. Hij was erg onder den indruk. En daarom is 't een beetje lam, -dat ik hem nu weer verdriet moet doen. Maar wat doet het er ook -toe!... Het zal wel weer overgaan. - -Ofschoon Bazarof dit nog al onverschillig had gezegd, kon hij het -toch niet van zich verkrijgen, eerder over zijn vertrek te spreken -dan op het oogenblik van goeden nacht zeggen in de studeerkamer. Met -bedwongen geeuw, zei hij: - ---Ja, nog wat... ik had bijna vergeten het te zeggen, de paarden -moeten morgen vooruit gebracht worden naar Fedot. - -Wassili Ivanovitsj bleef als versuft staan. - ---Wil Arkadiej Kirsanof ons verlaten? vroeg hij eindelijk. - ---Ja, en ik ga met hem mee. - -Wassili Ivanovitsj schrok terug. - ---Wil je weg? - ---Ja, ik moet werken. Wil je de paarden vooruit sturen? - ---Ja, ja, stotterde de oude man, naar de -wisselplaats... goed... goed... maar... hoe kan dat nou?... - ---Ik moet een paar dagen naar de Kirsanofs. Dan kom ik terug. - ---O? Een paar dagen?... Goed... - -Wassili Ivanovitsj nam zijn zakdoek, snoot en bukte zich bijna tot -den vloer. - ---Goed... ja,... ik zal er voor zorgen. Maar ik hoopte, dat je -langer... dan drie dagen... na drie jaar afwezigheid... het is niet -veel, Jevgenij. - ---Ik zei toch al, dat ik terugkom. Maar het moet nu... - ---Moet... nu ja... Zijn plicht moet men doen. Je wilt de paarden -vooruit hebben? Het is goed, maar we hadden daar niet op gerekend, -je moeder en ik. Ze heeft net bloemen laten halen voor je kamer. - -Wassili Ivanovitsj zei er niet bij, dat hij elken morgen met het -aanbreken van den dag op zijn pantoffels Timofeitsj opzocht en hem -een gescheurd bankbiljet in de hand stopte, dat bestemd was voor -allerlei eetwaren en rooden wijn, waarvan de jongelui zooveel hielden. - ---Er is niets heerlijkers dan de vrijheid, dat is mijn opvatting. Je -moet de menschen niet dwingen, je moet... - -Wassili Ivanovitsj zweeg plotseling en ging naar de deur. - ---We zien elkaar gauw weer, vader, dat beloof ik je. - -Maar Wassili Ivanovitsj keek niet meer om, hij ging de kamer uit. Op -zijn slaapkamer vond hij Arina Vlassievna ingeslapen. Hij bad zachtjes, -om haar niet te storen, maar ze ontwaakte. - ---Ben jij het, Wassili Ivanovitsj? vroeg ze. - ---Ja, moedertje. - ---Kom je van Jenoesja? Ligt hij wel goed op die sofa? Ik heb -Anfisoesjka gezegd, dat ze hem jouw oude veldbed en de nieuwe kussens -moet geven. Ik had hem graag het veeren bed gegeven. Maar hij ligt, -geloof ik, niet graag week. - ---Dat hindert niet, moedertje, hij heeft over niets te klagen. Wees -maar gerust... Heer, vergeef ons onze zonden! bad hij voort. - -Meer zei Wassili Ivanovitsj niet. Hij wilde zijn vrouw het nieuws -niet vertellen. Want het zou haar nachtrust verstoord hebben. - -Den volgenden morgen reisden de jonge lieden af. Alles in huis was -terneergedrukt. Anfisoesjka liet borden vallen, Fedka scheen versuft -en trok zijn laarzen uit. Wassili Ivanovitsj had het nog drukker dan -anders. Hij deed zich geweld aan, zijn verdriet te verbergen, praatte -erg hard-op en deed luidruchtig. Maar zijn gezicht was ingevallen -en hij vermeed het, zijn zoon aan te zien. Arina Vlassievna weende -stil. Ze zou het hoofd geheel verloren hebben, als Wassili Ivanovitsj -haar niet heel in de vroegte een preek gehouden had. - -Maar toen Bazarof zich eindelijk, na herhaalde verzekeringen dat hij -binnen een maand terug zou zijn, uit de armen, die hem vasthielden, -had losgewerkt, en in het rijtuig zat, toen de paarden aanzetten -en het geluid der bellen zich mengde met het kraken der wielen en -verder--verder klonk, toen het niet meer baatte, den tarantas nog -langer na te kijken, toen het stof weer opgetrokken en Timofeitsj, -gebroken, zijn slaapplaats had opgezocht, toen eindelijk de beide -oudjes weer alleen waren in hun huis, dat hun nu nog nauwer en meer -vervallen toescheen, liet Wassili Ivanovitsj, die daareven nog zoo -trotsch en sterk gewuifd had met zijn zakdoek, zich in zijn leunstoel -vallen en het hoofd zinken op de borst... - ---Hij heeft ons verlaten, beefden zijn lippen, verlaten... hij -verveelde zich bij ons. Nu ben ik weer alleen, alleen... alleen... en -hij strekte den wijsvinger van zijn rechterhand uit. - -Arina Vlassievna trad op hem toe, legde haar grijze hoofd tegen zijn -grijs hoofd en zei: - ---Wat is er aan te doen, Wassili? Een kind is als een stuk goed, -dat laat los. Een zoon lijkt op een valk. Het behaagt hem te komen -en hij komt. Hij wil gaan, en hij gaat. Maar wij beiden, jij en ik, -wij zijn twee kleine zwammen in een hollen boom. En zoo leven we naast -elkaar, stilletjes aan. Ik zal jou niet alleen laten en jij zult mij -niet alleen laten en jij zult mij niet verlaten... - -Wassili Ivanovitsj hief zijn hoofd op en drukte haar tegen zich aan, -inniger dan hij het ooit gedaan had, ook, toen zij nog jong waren. - -Ze had hem troost gegeven in zijn oud verdriet. - - - - - - - - -XXI. - - -De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote's huis. Bazarof -was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn -vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge -menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen. - -Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat, -vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest. - -Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn -woning, links naar mevrouw Odintsof. - -Hij keek Bazarof aan. - ---Links, Jevgenij? vroeg hij. - -Bazarof keek hem niet aan. - ---Onzin, mompelde hij. - ---Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.--Maar wat zou -dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan. - -Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag. - ---Zooals je wilt, zei hij. - ---Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe. - -De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden, -eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij -schenen woedend. - -Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het -bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd -hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrekt niet -werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang -wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen. - -Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar -eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte -terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel -te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze -haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad -en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak -meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege -te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig, -en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig, -verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid -haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet -alleen om de vrouw des huizes was gekomen. - -Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna -Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek -der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd. - ---U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet -om en komt u beiden maar spoedig eens terug. - -Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun -tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder -stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen. Gedurende -de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen, -Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit. - -In Marjino werden ze met open armen ontvangen. - -De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij -sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen -Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er -waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk, -toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken, -door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat -tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter -laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed, -dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield -kinderlijk-naïef te lachen. - -Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid. - -Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich -dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche -pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren -van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de -landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam -de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de -natuur hem nu eenmaal ontzegd. - -Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas -allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren, -iederen dag. De gehuurde arbeiders brachten hem voortdurend -in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening, -anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de -werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een -dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het -gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in -gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude, -half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de "betoovering" -had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat -de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als -kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals -iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets -uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver -van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte -kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren, -die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers -vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden -van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat -ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze -gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter, -toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling, -omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander -konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het -dorp. Een troep boeren zag men op een dag, alsof het afgesproken was, -plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar -gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den -heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd -vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en -dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet -zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al -die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen -handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk -gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen -twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke -arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon -het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij -den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde -de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van -achterstallige rente. - ---Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik -kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep -ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets -gedaan krijgen. - ---Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen -intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek -peinzend zijn knevel op. - -Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis -kon het ook moeilijk anders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn -onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische -verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde -het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn -bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden -hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te -wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel -was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest -hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders -hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één -dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad -onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver -weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet. - -Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden, -belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze -van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte -ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze -onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half -verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij -eindelijk een doel had gevonden. - ---U beiden, hoort u, heeft ze gezegd. - -Die gedachte kon hij niet vergeten. - ---Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij -weer aan hun laatste bezoek op Nikolskoi, en de koele ontvangst en -schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos. - -Maar ten slotte won het toch dat jeugdige "wie weet"..., het stille -verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers -te onderzoeken, waartoe men in staat is... - -Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder -het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar -stad en van daar naar Nikolskoi. - -De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den -jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld -streden in zijn hart. "Niet nadenken," drong hij zich zelf voortdurend. - -De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg -stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest... - -En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde -zijn paarden niet. - -Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar. - ---Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was -niet meer mogelijk. - -De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met -schreeuwen en fluiten. - -Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de -wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een -rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje -kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij -beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet. - ---Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn -zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien. - -Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk, -dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel -lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid, -geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan -het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het -geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn -zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust: - ---Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige -stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb -je hem gevonden Katja? - ---Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij. - ---U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak. - - - - - - - - -XXII. - - -Bazarof begon, nadat hij zijn vriend met woorden van ironische -spijtigheid en wel-begrijpen-waarheen-de-reis-ging, uitgeleide had -gedaan, geheel in zich zelf teruggetrokken te leven, Arbeidswoede -scheen zich van hem meester gemaakt te hebben. Hij redetwistte niet -meer met Paul Petrowitsj, dewijl deze bij zulke gelegenheden al te -aristocratisch deed door niet met woorden, maar met losse klanken -te antwoorden. Eenmaal had Paul zich tot een woordenstrijd met den -nihilist laten verleiden. Dat ging over de rechten van den adel in de -Baltische provincies, een actueele kwestie in die dagen. Maar opeens -had hij een einde aan de discussie gemaakt door de koel-beleefde -opmerking: - ---Wij zullen het nooit eens worden. Ik heb tenminste niet de eer, -u te begrijpen. - ---Dat betwijfel ik, was Bazarofs antwoord, de mensch kan alles -begrijpen: de trillingen van den aether en de wijzigingen, die de -zon ondergaat; maar hij zal nooit begrijpen, dat hij zijn neus op -een andere manier zou kunnen snuiten, dan hij doet. - ---Vindt u dat geestig? antwoordde Paul en ging terzijde. - -Toch kwam hij er toe, Bazarof te vragen, of hij zijn proefnemingen -mocht bijwonen. Zelfs boog hij eens zijn met zeldzame essences -geparfumeerd gezicht over den microscoop, om te zien, hoe een -doorzichtig infusiediertje een groenachtig atoom verslond, dat het met -een soort grijpvingers om en om draaide. Paul Petrowitsj kwam vaker -op Bazarofs kamer dan Nikolaas. Hij zou iederen dag komen, om les te -nemen, zooals hij zei, indien de zaken hem niet elders riepen. Hij -stoorde den jongen natuuronderzoeker allerminst. Hij bleef in een -hoek der kamer, volgde de onderzoekingen zwijgend en oplettend en -veroorloofde zich slechts zelden een bescheiden vraag. Bij middag- -en avondmaaltijd trachtte hij het gesprek op physica, geologie of -chemie te brengen, want alle andere onderwerpen, zelfs landbouwkundige -kwesties, om van politieke in 't geheel niet te spreken, konden twist -of onaangename uiteenzettingen ten gevolge hebben. - -Nikolaas was er zeker van, dat de antipathie van zijn broeder tegen -Bazarof niet verminderd was. Een onbelangrijke omstandigheid bevestigde -hem in die meening. - -De cholera verscheen in het distrikt en had reeds twee bewoners van -Marjino weggerukt. Paul had eens 's nachts een vrij hevigen aanval te -verduren. Hij leed pijnen tot de morgen aanbrak, maar wilde niet de -kunst van Bazarof beproeven. Toen deze hem bezocht en vroeg, waarom -hij hem niet had laten roepen, antwoordde hij nog bleek, maar toch -zorgvuldig gekamd en geschoren: - ---Heb ik u niet eens hooren zeggen, dat u niet gelooft in de -medicijnen? - -Bazarof zette intusschen zijn eenzame onderzoekingen voort. - -Iemand echter was er in huis, voor wie hij wel niet zijn hart opende, -maar wier gezelschap hem toch bijzonder aangenaam was: - -Fenitsjka. - -Hij ontmoette haar meestal 's morgens vroeg in den tuin of bij de -woningen. Hij kwam nooit in haar kamer en zij was één enkel maal aan -zijn deur geweest, om te vragen, of ze Mitia zou mogen baden. Ze -stelde een onbeperkt vertrouwen in hem en gevoelde zich in zijn -tegenwoordigheid vrijer en ongedwongener dan tegenover Nikolaas -Petrowitsj. Het is nog al moeilijk, de oorzaak hiervan aan te -geven. Misschien begreep ze instinctmatig, dat Bazarof niets van den -hoogen heer, van den edele, niets van die hoogheid had, die tegelijk -aantrekt en bang maakt. Hij was in haar oogen een uitmuntend geneesheer -en een goed mensch. In zijn tegenwoordigheid kon ze voortgaan, haar -kind te verzorgen en eens bij een aanval van duizeligheid en hoofdpijn -nam ze uit zijn hand een drankje in. - -Als Nikolaas Petrowitsj er bij was, gedroeg ze zich minder -gemeenzaam tegenover Bazarof, niet uit berekening, maar omdat het zoo -hoorde... Voor Paul gevoelde ze meer angstig ontzag dan ooit. Hij -scheen haar doen en laten sedert eenigen tijd te bespieden en kon -plotseling, als uit den grond opgerezen, in zijn engelsch pak, met -zijn onbewogen gezicht, zijn doordringenden blik en de handen in de -zakken, van achter haar rug te voorschijn komen. - ---Hij kan je zóo laten schrikken, zei ze tegen Doeniasja, en die -antwoordde dan met een zucht, omdat zij aan een anderen gevoellooze -werd herinnerd. En dat was Bazarof, die zonder het te weten, de wreede -tyran van haar hart geworden was. - -Bazarof beantwoordde de vereering van Fenitsjka. Als hij met haar -praatte, kreeg zijn gezicht een andere uitdrukking, vroolijker, -lichter, bijna zacht en tegelijk kwam er iets spottend-vriendelijks -in zijn meestal onverschillige houding. Fenitsjka werd bij den -dag mooier. Er is een tijd voor jonge vrouwen, dat ze zich gaan -ontplooien en openbloeien als de zomerrozen; die tijd was voor -Fenitsjka aangebroken. En alles droeg daartoe bij, zelfs de hitte -van de Julimaand. In haar licht zomerkleedje scheen ze nog blanker -en lichter zelf. De zon bruinde haar niet en de warmte, die men -niet ontloopen kon, gaf haar wangen en ooren een teeder rose, -spreidde over haar wezen een liefelijke matheid en gaf haar oogen -iets smachtend-droomends van een onweerstaanbare teederheid. Ze kon -bijna niet werken, de handen schenen als het ware bij het werk neer -te glijden. Ze kon nauwelijks loopen en klaagde, klaagde maar over -een grappig-lieve machteloosheid. - ---Je moet meer koude baden nemen, zei Nikolaas. Hij had hiertoe een -groot zeildoek laten spannen over éen van de vijvers, die nog niet -geheel opgedroogd was. - ---Och, Nikolaas Petrowitsj, ik ben dood, eer ik aan den vijver kom, -of ik sterf op den terugweg, antwoordde ze dan.--Er is heelemaal geen -schaduw in den tuin. - ---Dat is waar, gaf Nikolaas toe en wreef zijn voorhoofd. - -Op een morgen tegen zeven uur vond Bazarof, van een wandeling -teruggekeerd, Fenitsjka in het vlierboschje, dat reeds uitgebloeid, -maar toch nog groen en frisch aandeed. Zij zat op de bank, een witte -zakdoek over het hoofd. Naast haar lagen roode en witte rozen, nog -bedauwd. Hij wenschte haar goeden morgen. - ---Ah, Jevgenij Wassilitsj, zei ze en hief een punt van den zakdoek op, -om hem aan te zien. Hierbij kwam een arm tot den elleboog bloot. - ---Wat doet u hier? vroeg Bazarof en ging naast haar zitten.--Bloemen? - ---Ja, voor de ontbijttafel. Nikolaas Petrowitsj houdt daar zoo van. - ---Maar we ontbijten toch nog lang niet. Wat een massa bloemen! - ---Ik heb ze daarnet geplukt. Anders is het te heet. Men kan alleen -'s morgens vroeg adem halen. Ik kan die hitte niet meer verdragen. Ik -geloof, dat ik ziek word... - ---Och kom, waar denkt u aan! Laat uw pols eens voelen. - -Bazarof nam haar hand, legde zijn duim op den onder teer-vochtige -huid verborgen polsslagader, maar telde niet eens de rustige slagen. - ---U wordt honderd jaar, zei hij, en liet haar hand los. - ---O, alstublieft niet! riep ze uit. - ---Waarom? Wilt u dan niet graag lang leven? - ---Honderd jaar? Mijn grootmoeder is tachtig jaar geworden en dat was -treurig om te zien, heelemaal zwart, doof, mismaakt, altijd hoesten, -zich zelf tot last. Is dat leven? - ---'t Is dus beter, jong te zijn? - ---Ik zou het wel denken. - ---En zeg nu eens, waarom! - ---Neemt u mij bij voorbeeld. Ik ben nog jong en kan alles doen. Ik ga, -kom, zorg voor mezelf en heb niemand noodig. Is dat niet heerlijk? - ---Mij kan het niet schelen, of ik jong ben of oud. Dat is me -onverschillig. - ---Hoe kunt u dat zeggen, dat u dat onverschillig is! Het is niet -mogelijk, dat u zoo denkt. - ---Oordeel zelf maar, Fedosia Nikolajevna, wat heb ik aan mijn -jong-zijn? Ik leef eenzaam... een vrijgezel... - ---Dat ligt aan u zelf. - ---Dat is niet waar. Niemand bekommert zich om mij. - -Fenitsjka keek hem even aan, maar antwoordde niet. - ---Wat hebt u daar voor een boek? vroeg ze eenige oogenblikken later. - ---Dat is een geleerd boek en moeilijk te begrijpen. - ---U studeert altijd. Verveelt dat niet? U moet toch nu wel alles weten, -denk ik. - ---Dat denk ik niet. Probeer eens te lezen in dat boek. - ---Ik zal er niets van begrijpen. Is het Russisch? vroeg ze, terwijl -ze het boek met beide handen aannam.--Wat is het dik! - ---Ja, het is Russisch. - ---Dat doet er niet toe, ik begrijp het toch niet. - ---Dat weet ik wel. Maar ik wilde u zien lezen. Het puntje van uw neus -beweegt zoo aardig, als u leest. - -Fenitsjka, die begonnen was hardop een verhandeling over creosoot te -lezen, lachte en gaf het boek terug, dat op den grond viel. - ---Ik houd ook van uw lachen, zei Bazarof. - ---Scheidt u toch uit! - ---Ik vind het ook prettig, je te hooren spreken. Dat klinkt als het -gemurmel van een beekje. - -Fenitsjka keerde zich af. - ---Wat bent u toch raar, zei ze en streelde haar bloemen, hoe kunt -u naar mij willen luisteren, u hebt toch al met zooveel geleerde -dames gesproken. - ---Och Fedosia Nikolajevna, alle geleerde dames op de wereld zijn niet -zooveel waard als jouw ellebogen! - ---Wat een onzin! zei Fenitsjka zacht en drukte haar ellebogen in -de zijden. - -Bazarof raapte het boek op. - ---Dat is een medisch boek. Waarom heb je dat op den grond gegooid? - ---Een medisch boek? herhaalde ze en keek hem aan.--Weet u nog, dat -u me droppels gegeven hebt voor Mitja? Sedert slaapt hij als een -roos. Dat dank ik u. U bent goed. - ---Eigenlijk moest ieder doktersadvies betaald worden, glimlachte -Bazarof. Dokters zijn inhalige lui. - -Fenitsjka keek Bazarof aan. Het witte licht over haar gezicht maakte -den gloed in haar oogen dieper. Ze wist niet, of hij schertste of niet. - ---Goed, antwoordde ze.--Maar dan moet ik daarover even spreken met -Nikolaas Petrowitsj. - ---Je denkt dus, dat ik geld wil, hernam Bazarof.--Neen, geld wil ik -niet van je. - ---Wat dan? - ---Raad eens. - ---Ik weet het niet. - ---Dan zal ik het zeggen. Ik wil een van die rozen. - -Fenitsjka begon weer te lachen en klapte in de handen, zoo vreemd -vond ze het verzoek van Bazarof. En tegelijkertijd gevoelde ze zich -zeer gevleid. Bazarof keek haar vast aan. - ---Graag, graag, zei ze en bukte zich, om een bloem uit te zoeken.--Wilt -u een roode of een witte? - ---Een roode, en geen groote. - -Fenitsjka richtte zich weer op. - ---Hier, zei ze, maar meteen trok ze haar hand weer terug, beet op de -lippen, keek rond en luisterde. - ---Wat is er? vroeg Bazarof, is Nikolaas Petrowitsj daar? - ---Neen, hij is op het land. En ik ben ook niet bang voor hem. Maar -Paul Petrowitsj... ik dacht... - ---Ben je dan bang voor Paul Petrowitsj? - ---Hij maakt me bang. Hij spreekt wel niet tegen me, maar hij kan me -zoo vreemd aankijken. U houdt ook niet van hem, wel? Ik herinner me, -dat u altijd met hem kibbelde. Ik wist niet, waarom, maar ik begreep, -dat u hem flink de waarheid zei... zoo... zoo... - -Fenitsjka illustreerde met haar hand, hoe ze zich voorstelde, dat -dit gebeurde. - -Bazarof glimlachte. - ---En zou je me geholpen hebben, als hij mij in het nauw gedreven had? - ---Kan ik u dan helpen? Maar tegen u kunnen ze niet zoo gemakkelijk op. - ---Denk je? Maar ik weet een hand, die mij met één vingerstoot omver -heeft! - ---Wat is dat voor een hand? - ---Dat weet je wel! Hier, ruik die roos eens, heerlijk, hé? - -Fenitsjka boog over de bloem. De zakdoek viel van haar hoofd en toonde -het volle, glanzend-zwarte haar. - ---Ik wil ook ruiken, zei Bazarof, en drukte een krachtigen kus op de -half-open lippen van de jonge vrouw. - -Zij trilde en duwde beide handen tegen Bazarofs borst, maar zwakjes -en hij kon haar nog eens kussen. - -Een droge kuch klonk van achter het struikgewas. Fenitsjka vloog naar -de andere zijde van de bank. - -Paul kwam te voorschijn, groette licht en zei langzaam, met iets -bitter-droevigs in zijn stem: - ---Bent u hier?--en ging verder. - -Fenitsjka raapte haar rozen bijeen en stond op. - ---Dat is vreeselijk voor u, Jevgenij Wassiljewitsj, fluisterde ze en -snelde huiswaarts. - -Bazarof herinnerde zich een dergelijk tooneel, niet lang geleden. Die -herinnering wekte een gevoel van schaamte en zelfverachting in zijn -ziel. Maar toen schudde hij het hoofd, wenschte zich geluk niet zonder -ironie en ging naar zijn kamer. - -Paul verliet den tuin en ging langzaam boschwaarts. Hij bleef lang weg -en toen het ontbijt verscheen, vroeg zijn broeder of hij onwel was, -want zijn gelaat was somber. - ---Je weet, dat ik lijd aan overloop van gal, antwoordde hij kalm. - - - - - - - - -XXIII. - - -Twee uur later werd er aan Bazarofs deur geklopt. - ---Neemt u me niet kwalijk, als ik u stoor in uw geleerde -overpeinzingen, zei Paul Petrowitsj, nam plaats in een stoel bij het -venster en hield de beide handen geleund op een eleganten wandelstok -met knop van elpenbeen (meestal liep hij zonder stok),--maar ik acht -mij verplicht, u vijf minuten van uw tijd te vragen, niet meer. - ---Ik sta geheel ter beschikking, antwoordde Bazarof, niet zonder -een lichte trekking over zijn gezicht, toen hij Paul zijn drempel -zag overschrijden. - ---Vijf minuten zal voldoende zijn. Ik ben gekomen, om u iets te vragen. - ---Een vraag? En die is? - ---Luistert u eens. Toen u hier pas was, toen ik mij nog niet het -genoegen van uw gesprekken ontzegde, was het mij vergund, uw meening -over allerlei dingen te leeren kennen. Maar voor zoover ik mij kan -herinneren, hebt u nooit gezegd, hoe u over het duel denkt, het duel in -'t algemeen. Zou ik u dat eens mogen vragen? - -Bazarof, die zich van zijn werk had opgericht, om Paul aan te hooren, -ging op den tafelrand zitten en sloeg de armen over elkaar. - ---Mijn meening is deze, antwoordde hij, van theoretisch standpunt -beschouwd is het duel een ouderwetsche dwaasheid, practisch schijnt -het me een andere kwestie! - ---Als ik u goed begrijp, wilt u zeggen, dat u in de praktijk uw -theoretische opvatting over het duel ter zijde schuift en niet -zult dulden, dat men u beleedigt, zonder daar genoegdoening voor -te verlangen. - ---U heb mijn gedachten volkomen goed begrepen. - ---Zeer juist. Het verheugt me bizonder te vernemen, dat u de zaak -aldus opvat. Dat maakt een einde aan mijn niet-weten... - ---Uw onzeker-zijn, wilt u zeggen... - ---Dat is hetzelfde, mijnheer. Ik wensch mij alleen zoo duidelijk -mogelijk uit te drukken. Ik ben geen student meer. Uw woorden maken -een zekere droevige noodzakelijkheid overbodig. Ik ben van plan met -u te duelleeren. - -Bazarof sperde zijn oogen open. - ---Met mij? - ---Ja, met u persoonlijk. - ---Op welken grond? Ik begrijp u niet. - ---Ik zou u dat wel kunnen verklaren, antwoordde Paul, maar ik verkies -het niet te doen. Ik vind, dat u hier te veel bent. Ik haat u, Ik -veracht u, en als u dat nog niet genoeg is... - -Pauls oogen fonkelden van woede. Ook Bazarofs blik schoot vonken. - ---Zeer wel, antwoordde Bazarof, ieder verdere verklaring is -overbodig. U bent in een stemming, den gloed van uw adellijken -toorn op mij uit te laten. Ik had kunnen weigeren, u dit genoegen te -verschaffen. Maar ik gun het u. - ---Ik ben u zeer verplicht, antwoordde Paul, ik hoop dus, dat u mijn -uitdaging aanneemt, zonder gedwongen te worden. - ---U bedoelt: met dien stok? zei Bazarof koel,--u hebt volkomen gelijk, -u kunt die moeite sparen, te meer, aangezien dat waarschijnlijk -niet volkomen zonder gevaar voor u zou zijn. Indien u voortgaat, -u als gentleman te gedragen, zal ik van mijn kant de uitdaging als -gentleman aannemen. - ---Goed, zei, Paul en zette zijn stok in een hoek,--we hebben dus alleen -nog de voorwaarden vast te stellen. Maar ik zou u eerst willen vragen, -of u het noodig vindt, een voorwendsel te zoeken tegenover de anderen? - ---Neen dat schijnt me volkomen overbodig. - ---Zoo denk ik er ook over. Ook geloof ik, dat het geen nut heeft, -de ware oorzaak tot dezen tweekamp te onderzoeken. We houden niet -van elkaar, dat is alles. - ---Zeer juist, dat is alles, meer is niet noodig, herhaalde Bazarof -ironisch. - ---Wat de voorwaarden betreft... aangezien we geen getuigen hebben, -hoe zouden we aan getuigen komen? - ---Zeer juist, hoe zouden we aan getuigen komen? - ---Ik veroorloof mij dus, u het volgende te proponeeren. Morgen -ochtend zes uur zullen wij vechten, met revolvers, in het bosch, -tien pas afstand. - ---Op tien pas, goed. We haten elkaar zoo heftig, dat we niet dichter -bij kunnen. - ---Op acht pas, als u wilt. - ---Waarom niet? Gaarne. - ---Wij lossen twee schoten en ter meerdere veiligheid zal ieder van -ons een brief bij zich hebben, waarin verklaard wordt, dat in geval -van dood, men zelf de schuldige is. - ---Deze laatste clausule schijnt mij niet juist, antwoordde -Bazarof.--Dat is te onwaarschijnlijk. Het zou een beetje op een -franschen roman gaan lijken. - ---Misschien hebt u gelijk. Maar u zult toegeven, dat het onaangenaam -is, voor een moordenaar gehouden te worden. - ---Zeer zeker. Maar er is een middel, zich voor die pijnlijke verdenking -te vrijwaren. We zullen geen getuigen hebben in den eigenlijken zin -des woords. Maar iemand kan toch wel als toevallig, bij ons duel -aanwezig zijn. - ---Wien zoudt u daartoe kiezen? - ---Peter bij voorbeeld. - ---Welke Peter? - ---De kamerdienaar van uw broeder. Dat is een man, volkomen op de -hoogte der moderne beschaving, die zijn rol spelen zal geheel en al -comme il faut. - ---Ik geloof, dat u grapjes maakt, waarde heer? - ---In geenen deele, mijnheer. Denkt u eens aan mijn plan en u zult zien, -dat het verstandig en van zelfsprekend is. Ik zal het op mij nemen, -Peter voor te bereiden en hem meebrengen op de plaats des strijds. - ---U gelieft nog altijd te schertsen, zei Paul en stond op.--Maar na -de beminnelijke voorkomendheid, die ge zooeven toonde, mag ik u dat -niet kwalijk nemen. Het is dus afgesproken... hebt u revolvers? - ---Hoe zou ik daaraan komen, Paul Petrowitsj? Ik ben geen krijgsman. - ---Dan bied ik u de mijne aan. Ik heb meer dan vijf jaar geen gebruik -van dit wapen gemaakt en u kunt me gelooven. - ---Deze verzekering stelt me gerust. - -Paul nam zijn stok. - ---En nu, waarde heer, moet ik u alleen nog danken en laat u alleen -met uw studies. Ik heb de eer, u te groeten. - ---Tot ziens, antwoordde Bazarof en geleidde zijn gast tot de deur. Paul -ging, Bazarof bleef aan de deur staan en riep uit: - ---Alle duivels! Dat is heel fraai, maar idioot! Wat een comedie -hebben we daar gespeeld! De honden, die op hun achterpooten gaan -staan, doen het niet beter. Ik had niet kunnen weigeren. Dan had hij -me geslagen en dan... Bazarof verbleekte bij die gedachte, die zijn -trots in opstand bracht... ik had niet anders kunnen doen, dan hem -te worgen als een kat. - -Hij keerde naar zijn microscoop terug, maar hij was opgewonden en de -noodige rust ontbrak. - -... Hij heeft ons gezien, dacht hij, maar zou hij zich dat zoo -aantrekken ter wille van zijn broer?... En dan een kus! Wat steekt daar -achter?... Zou hij zelf verliefd zijn?... Dat moet!... Daar geef ik wat -voor!... Wat een modderpoel allemaal!... Maar ondertusschen... een -mooie geschiedenis... eerst je leven op het spel zetten en dan -vluchten misschien... dan... Arkadiej... en die stommeling van een -vader!... Beroerde geschiedenis... - -De dag verging nog stiller dan gewoonlijk. En Fenitsjka scheen -wel uit de wereld weg, als een muisje in haar hol bleef ze in -haar kamer. Nicolaas liep bezorgd rond, angstig, men had hem -meegedeeld, dat zijn tarwe, waar al zijn hoop op gevestigd was, aan -het broeien was. Pauls ijzige hoffelijkheid drukte op ieder, zelfs -op Prokofitsj. Bazarof begon een brief aan zijn vader, verscheurde -hem weer. - -...ze zullen het wel hooren, als ik dood ga, dacht hij,... maar ik -zal niet dood gaan, ik zal nog wel heel lang op de aarde rondkruipen... - -Hij vroeg Peter, den volgenden morgen met het aanbreken van den dag -bij hem te komen voor een belangrijke zaak. Peter verbeeldde zich, -dat hij mee zou genomen worden naar Petersburg, Bazarof ging laat -naar bed en vreemde droomen kwelden hem... mevrouw Odintsof verscheen -telkens, zij was tegelijk zijn moeder. Een kat met zwarte snorharen -liep achter haar aan en dat katje was Fenitsjka. Hij zag Paul in de -gedaante van een boomstam, maar moest toch met hem vechten... - -Peter wekte hem tegen vier uur. Hij kleedde zich en verliet met hem -het huis. - -De morgen was heerlijk en koeler dan de vorige dagen. Bonte wolkjes -vlokten langs den bleek blauwen hemel. Het loof der boomen was -bedauwd, spinnewebben flonkerden in zilveren draden op het gras. Nog -een glans van het eerste morgenrood lag gespreid over de velden en -de leeuweriken zongen rondom--omhoog. - -Bazarof ging naar het bosch, zette zich in de schaduw en deelde Peter -mee, wat er van hem werd verlangd. De ontwikkelde kamerdienaar werd -vaal-bleek als een doode. Bazarof trachtte hem gerust te stellen door -de verzekering, dat hij niets te doen had, als op een afstand toe te -kijken. Zonder eenige verantwoordelijkheid. - ---Denk intusschen over je gewichtige rol na, voegde Bazarof er bij. - -Peter wrong krampachtig zijn handen, liet het hoofd hangen en begon, -groen van angst, tegen een boom te leunen. - -De straatweg naar Marjino liep langs een bosch. Het stof scheen sedert -den vorigen dag nog door niemand betreden. Bazarof keek onwillekeurig -den weg af, plukte een grashalm en kouwde erop, en fluisterde: Wat -een onzin... - -Hij huiverde eenige malen in den koelen morgen. - -Peter keek hem aan met wanhoop in zijn oogen, maar Bazarof -glimlachte. Hij voelde geen angst. - -Paardenhoeven weerklonken. Een boer verscheen. Hij kwam uit het dorp -en voerde twee paarden, die aan elkander gebonden waren. Toen hij -langs Bazarof kwam, keek hij hem verwonderd aan, zonder naar zijn pet -te grijpen. Dit scheen Peter een slecht voorteeken en verontrustte hem. - -...die kerel is ook vroeg opgestaan, dacht Bazarof, maar doet ten -minste wat nuttigers... - ---Ik geloof, dat mijnheer er aan komt, fluisterde Peter opeens. - -Bazarof keek op en herkende Paul, die haastig de straat af kwam, -in een geruit colbert met witte broek gekleed. Hij droeg een kistje -in een groenen doek onder den arm. - ---Neemt u me niet kwalijk, ik vrees, dat ik u heb laten wachten, -zei hij, Bazarof en daarop Peter groetend, die hij als een soort -sekondant scheen te beschouwen,--ik wilde mijn bediende niet wekken. - ---Goed, goed, antwoordde Bazarof,--wij komen ook pas. - ---Des te beter. - -Paul keek om zich heen. - ---Niemand ziet ons hier. We zullen niet gestoord worden. Zullen we?... - ---Met genoegen. - ---Ik veronderstel, dat u geen nadere verklaringen wenscht? - ---Volstrekt niet. - ---Zoudt u willen laden? vroeg Paul en nam de revolvers uit het etui. - ---Neen, doet u dat zelf. Ik zal den afstand opnemen. Ik heb langere -beenen, zei Bazarof met een venijnig lachje,--éen--twee--drie... - ---Jevgenij Wassiljewitsj, stotterde Peter moeilijk, en sidderde als -een lindeblad,--doe wat u wilt, ik zal op een afstand gaan... - ---Vier--vijf--trek jij je terug, dappere, trek je terug. Je kunt -zelf achter een boom gaan staan en je ooren dichthouden, maar hou -je oogen open. Als er éen van ons valt, hol dan naar hem toe, om hem -te helpen--zes--zeven--acht. - -Bazarof bleef staan. - ---Genoeg zoo? vroeg hij tot Paul gekeerd,--of wilt u nog twee kleine -pasjes? - ---Zooals u wilt, antwoordde deze en deed de tweede kogel in den loop. - ---Dan nog twee passen! - -Bazarof trok een streep in het zand met zijn schoen. - ---Dit is de barrière. Maar, dat is waar, we hebben niet afgesproken, -hoever we ons van den eindstreep zouden opstellen. Dit gewichtige -punt hebben we gisteren niet overwogen. - ---Tien pas, vind ik, antwoordde Paul en hield hem de revolvers -voor,--wilt u mij het genoegen doen te kiezen? - ---Dat genoegen zal ik niet weigeren, maar u moet toegeven, dat dit -duel op het belachelijke af eigenaardig is. Kijkt u eens het gezicht -van onzen sekondant! - ---U schertst nog altijd, antwoordde Paul, ik geef toe, dat deze -ontmoeting nogal eigenaardig is. Maar ik moet u doen opmerken, dat -ik van plan ben, ernstig te duelleeren. A bon entendeur...! Salut! - ---O, ik betwijfel geen oogenblik, dat we van plan zijn elkaar overhoop -te schieten. Maar waarom niet met een glimlach? Laat ons het utile -met het dulce vereenigen. U ziet, als u fransch spreekt, antwoord -ik latijn. - ---Ik vat het ernstig op, antwoordde Paul en ging op zijn plaats. - -Bazarof telde eveneens tien pas af en bleef staan. - ---Bent u gereed? vroeg Paul. - ---Ja. - ---Vooruit dan. - -Bazarof ging langzaam naar voren, Paul eveneens. Hij had de linker -hand in den zak en richtte langzaam zijn revolver... hij mikt precies -op mijn neus, dacht Bazarof,... hij knijpt zijn eene oog dicht, om -goed te schieten, de bandiet!... geen pleizierig gevoel eigenlijk. Ik -zal op zijn horlogeketting mikken... - -Er vloog iets fluitend langs Bazarofs oor en op hetzelfde oogenblik -weerklonk een knal... ik heb het gehoord, dus heb ik niets, kon hij -denken. Hij deed nog een pas en drukte af, zonder te mikken. - -Paul maakte een beweging en voelde naar zijn been. Een straal bloed -kleurde de witte broek. - -Bazarof gooide zijn revolver weg en liep op hem toe. - ---Bent u gewond? vroeg hij. - ---U had het recht, mij tot aan de streep te laten voortgaan, antwoordde -Paul,--de wond heeft niets te beteekenen. Volgens onze afspraak, -hebben wij nog een schot. - ---U moet mij toestaan, het partijtje tot een volgend maal uit te -stellen, antwoordde Bazarof en nam Paul in zijn arm, Paul begon bleek -te worden,--ik ben op het oogenblik niet langer tegenpartij, maar -geneesheer. Ik moet vóór alles de wond onderzoeken. Peter! Peter, -waar zit je? - ---Het is niets... ik heb geen hulp noodig, antwoordde Paul, maar het -spreken begon hem moeilijk te vallen,--... en wij moeten... nog eens... - -Hij wilde zijn snor opstrijken, maar zijn arm viel slap neer, zijn -oogen werden blind en hij viel in onmacht. - ---Dat is sterk, bewusteloos om zoo'n kleinigheid! zei Bazarof -onwillekeurig en strekte Paul op den grond uit,--eens kijken, wat -het is. - -Hij nam zijn zakdoek, stelpte het bloed en onderzocht de -wondranden. Het been is niet geraakt, de kogel is niet diep -ingedrongen, alleen de vastus externus is beleedigd. Over drie weken, -kan hij weer dansen, als hij wil. De moeite waard, daarvoor bewusteloos -te worden. Die nerveuze heeren ook. Wat heeft hij een teere huid! - ---Is de heer dood? vroeg Peter fluisterend en bevend. - ---Ga maar gauw water halen, antwoordde Bazarof en wendde zich om, -je heer leeft langer dan jij en ik. - -Maar de dienaar, scheen niet te begrijpen en bleef onbewegelijk -staan. Intusschen sloeg Paul de oogen weer op. - ---Hij geeft den geest! zei Peter en sloeg een kruis. - ---...U hebt gelijk, wat een belachelijk gezicht, zei de gewonde met -een zwak lachje. - ---Haal water, domoor! riep Bazarof. - ---Het is niet noodig... de duizeling is voorbij... helpt u me -even op... zoo... zoo... als men het schampschot verbindt, kan ik -te voet naar huis, of er kan ook een rijtuig gehaald worden. We -kunnen het hierbij laten, als u wilt. U hebt u gedragen als man van -eer... Vandaag, wel te verstaan. - ---We behoeven niet terug te komen op wat voorbij is, en wat de -toekomst betreft, stel u gerust, ik zal zoo gauw mogelijk maken, dat -ik wegkom. Maar laat me eerst uw been verbinden, de wond is licht, -maar het is toch beter het bloed te stillen. Maar eerst moet ik in -dezen sterveling de zekerheid van zijn bestaan terugroepen. - -Bazarof pakte Peter bij zijn kraag, schudde hem heftig heen en weer -en gelastte hem een rijtuig te halen. - ---Breng mijn broer niet aan het schrikken, zei Paul, en pas op, -dat je geen woord zegt. - -Peter maakte, dat hij wegkwam en intusschen bleven de twee -tegenstanders zonder te spreken, bij elkander zitten. Paul vermeed -het, Bazarof aan te zien. Hij wilde zich niet met hem verzoenen. Hij -verweet zich bijna gebrek aan zelfbeheersching, zijn onhandigheid, -zijn heele optreden in deze zaak, en voelde zeer wel, dat zij op de -gunstigst mogelijke manier was bijgelegd. - -Hij zal ons van zijn tegenwoordigheid verlossen, dacht hij, daarmee -is tenminste iets gewonnen. - -Het wederzijdsche zwijgen begon onaangenaam te worden. Zij wisten -beiden, dat zij elkanders gedachten kenden. Die zekerheid is aangenaam -voor vrienden, maar voor vijanden allerpijnlijkst, vooral wanneer ze -tot geen verklaring komen, noch elkaar kunnen verlaten. - ---Heb ik uw been niet te stijf verbonden? vroeg Bazarof. - ---Neen, volstrekt niet. Het is heel goed zoo, antwoordde Paul -Petrowitsj en na eenige oogenblikken: - ---Het zal niet mogelijk zijn, mijn broeder om den tuin te leiden. Ik -zal hem zeggen, dat we over een politieke kwestie woorden hebben -gekregen. - ---Heel goed, antwoordde Bazarof, u kunt zeggen, dat ik in uw bijzijn -alle Anglomanen beleedigd heb. - ---Juist. Apropos, wat dunkt u, dat deze man van ons zeggen zal? ging -Paul Petrowitsj voort, toen dezelfde boer, die vóór het duel met -zijn paarden voorbij gekomen was, weer langs kwam en nu groette op -het zien van de heeren. - ---Wie weet? antwoordde Bazarof, waarschijnlijk niets. De Russische -boer lijkt op dat geheimzinnig-onbekende, waarvan Anna Radcliffe in -haar boeken spreekt. Niemand kent hem. En hij zich zelf het minst. - ---Denkt u? vroeg Paul Petrowitsj, maar plotseling riep hij: - ---Kijk nu die stomheid van uw Peter! Daar komt hij nu aan met mijn -broer! - -Bazarof keerde zich om en ontwaarde het bleeke gezicht van Nikolaas -in het rijtuig. Hij sprong eruit, eer het stilstond en liep op zijn -broeder toe. - ---Wat beteekent dat? vroeg hij ontdaan.--Jevgenij Wassiljewits, -hoe is dat mogelijk? - ---Het is niets, antwoordde Paul,--het was verkeerd, je te storen. Wij -hebben toegegeven aan een opwelling, van het oogenblik, en ik werd -een klein beetje gestraft, dat is alles. - ---Maar de oorzaak om Gods wil!... - ---Hoe zal ik zeggen? Mijnheer Bazarof sprak in mijn tegenwoordigheid -onbehoorlijk over Sir Robert Peel. Maar ik moet er dadelijk bij voegen, -dat het allemaal mijn schuld was en dat de heer Bazarof zich uiterst -correct heeft gedragen. Ik heb hem uitgedaagd. - ---Ik zie bloed. - ---Dacht je dan dat ik water in mijn aderen had? Ik verzeker je, dat -die kleine aderlating me heel goed zal doen. Is het niet, dokter? Help -me in het rijtuig en haal je geen muizenissen in het hoofd. Morgen -ben ik weer hersteld. Ja, ik heb me zelden zoo goed gevoeld en zoo -opgeruimd. Vooruit koetsier! - -Nikolaas volgde te voet. Bazarof was achtergebleven. - ---Ik verzoek u, mijn broeder in behandeling te nemen, zei Nikolaas -totdat we een geneesheer uit de stad hebben. - -Bazarof boog zwijgend het hoofd. - - - -Een uur later lag Paul Petrowitsj in bed en zijn been was -volgens de regelen der kunst verbonden. Het heele huis was in -opschudding. Fenitsjka was ziek geworden. Nikolaas was wanhopig en -Paul praatte en lachte, vooral met Bazarof. Hij had een batisten hemd -en een morgenjasje aan en een fez opgezet. Hij wilde de gordijnen -niet dicht hebben en klaagde schertsend over den dieët, dien hij zou -moeten houden. - -Tegen den avond kwam er wat koorts en hij kreeg hoofdpijn. Er verscheen -een geneesheer uit de stad. Nikolaas had niet gelet op het verlangen -van zijn broeder en Bazarof zelf had er opgestaan, dat er een collega -geroepen zou worden. Hij was intusschen op zijn kamer gebleven, -zag er geel-bleek en gejaagd uit en bracht den zieke alleen nu en -dan een kort bezoek. Eenige malen ontmoette hij Fenitsjka, die hem -met zekeren angst uit den weg ging. - -De stadsdokter schreef verkoelende dranken voor en bevestigde de -verklaring van Bazarof, dat de wond niets te beteekenen had. Nikolaas -vertelde, dat zijn broeder zich uit onvoorzichtigheid zelf had verwond, -waarop de dokter met een hm antwoordde; maar toen hij op hetzelfde -oogenblik een bankbiljet van vijf en twintig roebel in zijn hand -voelde zei hij: - ---Ja dat gebeurt zoo vaak. - -In het geheele huis ging niemand naar bed. - -Nikolaas sloop telkens op zijn teenen naar de ziekenkamer en verdween -weer op dezelfde wijze. De gewonde sliep soms in, zuchtte zacht, zei -tegen zijn broeder: Couchez-vous en wilde dan drinken. Kirsanof liet -Fenitsjka eenmaal een glas limonade brengen. Paul keek haar strak -aan en dronk het glas leeg. - -Tegen den morgen nam de koorts toe en de zieke begon te ijlen. Hij -sprak zinlooze woorden, opende dan plotseling de oogen en toen hij zijn -broeder bij het bed zag zitten, bezorgd over hem gebogen, vroeg hij: - ---Is het niet, Nikolaas, lijkt Fenitsjka niet op Nelly? - ---Welke Nelly bedoel je? - ---Hoe kan je dat nu vragen? Vorstin R...! Vooral de bovenzij van het -gezicht. C'est de la même famille. - -Nikolaas antwoordde niet, maar was diep verwonderd over de levenskracht -der menschelijke gevoelens... zoo iets komt toch altijd weer terug, -dacht hij. - ---Ik houd zoo van dat eenvoudige kind, zoo eenvoudig... klaagde Paul -en legde een arm onder het hoofd. - ---...ik zal nooit dulden, dat een vlegel haar aanraakt... - -Nikolaas zuchtte. Hij begreep niet, op wien die woorden sloegen. - -Den volgenden morgen kwam Bazarof bij hem. Hij had zijn bagage gepakt -en zijn kikvorschen, vogels en insekten in vrijheid gesteld. - ---U komt afscheid nemen, zei Nikolaas en stond op. - ---Ja. - ---Ik begrijp en geef u volkomen gelijk. Mijn arme broeder heeft zeker -ongelijk gehad en hij is dan ook gestraft. Ik weet het van hem zelf, -dat hij u gedwongen heeft, zoo te handelen, als u gedaan hebt, u hadt -dit duel niet kunnen vermijden. Het heeft min of meer zijn grond in -het diepgaande verschil van uw beider levensbeschouwing. (Nikolaas -Petrowitsj begon minder duidelijk en minder logisch te praten, -hij ademde zwaar). Mijn broeder is prikkelbaar, houdt vast aan oude -ideeën... ik dank God, dat alles nog zoo is afgeloopen. Overigens -heb ik alles gedaan, om te zorgen, dat er niet gesproken wordt over -die zaak. - ---Ik zal u mijn adres geven, en als men er toch wat van wil maken, -dan kunt u mij altijd vinden, zei Bazarof. - ---Ik hoop, dat dit niet noodig zal zijn, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik -betreur het ten zeerste, dat uw verblijf in ons huis, zoo een -einde... Ik betreur het des te meer, omdat Arkadiej... - ---Dien zal ik wel zien, viel Bazarof in de rede. Hij hield niet van -dergelijke verklaringen en verontschuldigingen.--In ieder geval verzoek -ik u, hem van mij te groeten en hem mijn leedwezen uit te drukken. - ---En ook ik verzoek u... - -Maar Bazarof wachtte niet op de rest en ging. - -Toen Paul hoorde, dat Bazarof op het punt stond te vertrekken, uitte -hij den wensch, hem nog te zien. Hij gaf hem een hand, maar Bazarof -bleef als gewoonlijk koel. Hij merkte wel, dat Paul den edelmoedige -wilde spelen. - -Van Fenitsjka was het hem niet mogelijk afscheid te nemen. Hij -keek alleen nog eens naar het venster, waar zij zat. Ze scheen -treurig... misschien gaat die wel te gronde... dacht hij... maar -waarom zou ze niet... - -Peter was zoo onder den indruk, dat hij aan Bazarofs schouder bleef -staan schreien, tot deze hem vroeg, of zijn oogen nooit uitgeput -zouden raken? Doeniasja moest den tuin in vluchten, om haar verdriet -te verbergen. Maar de oorzaak van al dit verdriet nam plaats in een -klein rijtuigje, stak een sigaar op en toen hij op vier werst afstand -bij een kromming van den weg het huis der Kirsanofs voor het laatst -zag liggen, spuwde hij op den weg, knarstandde: - - - --Verdomde landjonkers! - - -en hulde zich in zijn mantel. - - - -De toestand van Paul Petrowitsj verbeterde met den dag. Toch bleef -hij nog een week te bed. Hij droeg zijn gevangenschap, zooals hij dat -noemde, geduldig, besteedde een groot gedeelte van den tijd aan zijn -toilet en liet voortdurend met eau de cologne sprenkelen. - -Nikolaas las hem de couranten voor en Fenitsjka bediende hem, zooals -gewoonlijk met bouillon, zachte eieren, thee; maar ze kon zijn kamer -niet binnentreden zonder een innerlijken schrik. - -Iedereen in huis was overstuur door de jeugdige dwaasheid van Paul -Petrowitsj. Alleen Prokofitsj sprak erover met groote gelatenheid en -gemoedsrust. In zijn tijd hadden de heeren zoo dikwijls gevochten, -zei hij, maar altijd onder elkaar en nooit met zulke ploerten, -als die... Zulke individuen liet men in den stal afranselen, als ze -onbeschaamd werden. - -Fenitsjka had geen gewetenswroeging. Maar rustig was ze toch niet, -vooral als ze soms iets van de ware oorzaak begon te vermoeden. En dan -kon Paul Petrowitsj haar zoo vreemd aanzien... ze voelde dien blik -nog, als ze hem den rug toekeerde. Tengevolge van deze onrust, werd -ze magerder en, zooals dat meestal is bij vrouwen van haar leeftijd, -nog mooier. - -Op een morgen had Paul, die zich beter voelde, het bed verlaten en -was op de sofa gaan liggen. Nikolaas kwam vragen, hoe hij geslapen -had en ging vervolgens naar het dorschen kijken. - -Fenitsjka bracht de thee, die ze bij hem neerzette. Toen ze weg wilde -gaan, hield Paul haar tegen: - ---Waarom wil je zoo dadelijk weer weg, Fedosia Nikolajevna? vroeg -hij haar,--heb je iets te doen? - ---Neen... ja... ik moet beneden thee schenken. - ---Dat zal Doeniasja wel doen, als jij er niet bent. Blijf nog wat -bij een armen zieke. En ik wilde ook met je spreken. - -Fenitsjka ging zwijgend op den arm van een leunstoel zitten. - ---Ik wilde je al lang eens vragen, begon Paul en trok aan zijn -snorharen, of je bang voor me bent, en waarom? - ---Wie, ik? - ---Ja, jij. Je kijkt me nooit recht in het gezicht. Je geweten schijnt -niet heelemaal zuiver. - -Fenitsjka bloosde, maar keek hem aan. De uitdrukking van zijn gezicht -was zoo vreemd, dat ze begon te beven. - ---Is je geweten zuiver? vroeg hij haar. - ---Waarom zou het niet zuiver zijn? vroeg ze zacht. - ---Ik weet het niet. Heb je hier iemand in huis te kort gedaan? Mij -zeker niet. Iemand anders? Het lijkt me niet waarschijnlijk. Mijn -broeder? Ook niet, want je houdt van hem... - ---Ja, ik houd van hem. - ---Van ganscher harte? Met lijf en ziel? - ---Ik heb Nikolaas Petrowitsj lief van ganscher harte. - ---Werkelijk? Kijk me eens aan, Fenitsjka (het was voor het eerst, -dat hij haar zoo noemde). Je weet, dat liegen een groote zonde is... - ---Ik lieg niet, Paul Petrowitsj. Als ik niet van Nikolaas Petrowitsj -hield, verdiende ik niet, dat ik leef. - ---En je zou hem voor niemand opgeven? - ---Voor wien zou ik dat doen? - ---Voor wien? Wie weet! Bij voorbeeld, de man, die ons onlangs -verlaten heeft. - -Fenitsjka stond op. - ---In Gods naam, Paul Petrowitsj, waarom plaagt u me zoo? Wat heb ik -u gedaan? Hoe kunt u zoo iets zeggen? - ---Fenitsjka, antwoordde Paul droevig,--ik heb alles gezien... - ---Wat hebt u gezien? - ---Daar in het prieel. - -Fenitsjka bloosde plotseling tot achter de ooren. - ---Kon ik daar wat aan doen? stotterde ze. - -Paul richtte zich op. - ---Voel je je in geen enkel opzicht schuldig? - ---Er is maar één man op de wereld, dien ik lief heb en zal lief hebben, -dat is Nikolaas Petrowitsj, antwoordde ze met plotselinge heftigheid, -ofschoon de tranen haar nog de stem verstikten,--en over wat u gezien -hebt, hoef ik mij geen verwijten te doen, dat kan ik bezweren. Ik -wil liever hier op de plaats dood blijven, dan verdacht worden, -dat ik mijn weldoener zou bedrogen hebben. - -Haar stem werd weer zwak en zij voelde, dat Paul Petrowitsj haar hand -nam en krachtig drukte. - -Ze keek hem aan en schrok heftig. Zijn gezicht was nog bleeker dan -anders, in zijn oogen een zeldzame fonkeling en éen enkele dikke traan, -die over zijn wangen rolde... - ---Fenitsjka, zei hij nauwelijks hoorbaar, heb mijn broer lief, heb -hem lief. Hij is zoo goed en verdient het, dat je hem lief hebt. Geef -hem niet voor niemand in de wereld en luister niet naar de mooie -woorden van anderen. Niets is verschrikkelijker, dan onbeantwoorde -liefde. Blijf hem trouw, mijn armen, goeden Nikolaas! - -Fenitsjka weende niet meer. Ze stond zoo verwonderd, dat ze ook niet -bang meer was. Maar ze kon geen woord meer uitbrengen, toen Paul haar -hand greep en tegen zijn oogen drukte, nog eens greep en krampachtig -snikkend aan zijn lippen bracht... - -...God, dacht ze, zou dat een aanval zijn... - -Ze vermoedde niet, dat het verleden op dit oogenblik pijnigend in -hem openbrak, alles wat zijn hart geleden had, weer trilde en begon -te bloeden. - -De traptreden kraakten onder vlugge voetstappen. Hij stootte haar -van zich en legde zijn hoofd op het kussen. - -De deur ging open en Nikolaas trad binnen, opgewekt, het gezicht frisch -en rood. Mitja, even frisch en rood als hij, danste op zijn arm en -trapte met zijn bloote voetjes tegen de knoopen van zijn vaders jas. - -Fenitsjka ijlde hem tegemoet. Heftig omhelsde ze hem en haar -kind en legde toen haar hoofd tegen zijn schouder. Nikolaas scheen -verrast. Schuw en teruggetrokken als zij was, veroorloofde Fenitsjka -zich nooit dergelijke ontboezemingen in tegenwoordigheid van derden. - ---Wat is er? vroeg hij, zag zijn broeder aan en gaf het kind aan de -moeder over. - ---Je voelt je toch niet minder? vroeg hij zijn broer, en ging naar -hem toe. - -Paul verborg het gezicht in zijn batisten zakdoek. - ---Neen, neen... integendeel... ik voel me veel beter... - ---Je had in bed moeten blijven, zei Nikolaas,--waar ga je heen? vroeg -hij Fenitsjka, maar deze had de deur al achter zich dicht geslagen. - ---Ik kwam je mijn kleinen deugniet eens laten zien. Hij wilde zijn -oom een bezoek brengen. Waarom heeft ze hem nu meegenomen? Maar wat -heb je toch? Is er iets gebeurd tusschen jullie? - ---Broeder! begon Paul Petrowitsj op plechtigen toon. - -Nikolaas beefde. Een gevoel van doodelijken angst kwam over hem, -waarvan hij zich geen rekenschap kon geven. - ---Broeder! herhaalde Paul. Beloof me, het verzoek, dat ik je doen zal, -uit te voeren! - ---Wat wil je, Paul? - ---Iets zeer belangrijks. Je levensgeluk hangt ervan af. Ik heb den -laatsten tijd dikwijls nagedacht over wat ik je nu ga zeggen. Broeder, -doe je plicht, de plicht van een man van eer, en maak een einde aan -de onbehoorlijke verhouding, waarin je leeft, jij vooral, de beste -van alle menschen, broeder! - ---Wat beteekent dat Paul? - ---Trouw Fenitsjka... ze heeft je lief, ze is de moeder van je zoon. - -Kirsanof deed een stap achteruit en sloeg de handen in elkaar. - ---En jij geeft me dien raad, Paul, jij, die zulke huwelijken altijd -gehaat hebt. Jij geeft me dien raad. Weet je wel, dat de eenige reden, -waarom ik niet allang gedaan heb, wat ik als de heiligste plicht -beschouw, eerbied voor jou was?! - ---Dan betreur ik het, dat je dien eerbied zoo ver gedreven hebt, -antwoordde Paul met een droevigen glimlach.--Ik geloof, dat Bazarof -gelijk had, mij een aristocraat te noemen. Ja broeder, het wordt -tijd, dat we eens ophouden, te handelen met het oog op de wereld. Wij -zijn oud en het leven heeft ons bescheiden gemaakt. Laten we al die -dwaasheden afwerpen, laten we onzen plicht doen en dan is het niet -onwaarschijnlijk, dat we het geluk dan op den koop toe krijgen! - -Kirsanof omarmde zijn broeder. - ---Je hebt me de oogen geopend, riep hij uit.--Ik heb je altijd -beschouwd als een goed verstandig man. Ik zie nu dat je ook wijs en -grootmoedig bent. - ---Stil, stil, antwoordde Paul Petrotwitsj.--pas op voor het been van -je grootmoedigen broeder, die met zijn vijftig jaar nog geduelleerd -heeft als een tweede luitenant. Dus afgesproken. Fenitsjka wordt -mijn belle-soeur! - ---Paul, Paul... wat zal Arkadiej zeggen? - ---Arkadiej zal gelukkig zijn, wees daar zeker van. Het huwelijk is -wel tegen zijn principes, maar zijn gelijkheidsgevoel zal gevleid -worden. En wat beteekenen al die verschillen ook, die standen in de -negentiende eeuw! - ---Och Paul, laat mij je nog eens omhelzen, wees maar niet bang, -ik zal je been niet bezeeren! - -De broeders omhelsden elkaar. - ---Zullen we haar je besluit dadelijk meedeelen? vroeg Paul Petrowitsj. - ---Waarom zoo een haast? Heb je hierover gesproken? - ---Gesproken? Quelle idée! - ---Des te beter. Eerst gezond worden. Het loopt zoo een vaart -niet. Eerst rijpelijk overleggen... - ---Maar je bent toch besloten? - ---Zeker, en ik dank je, dat jij me zoover hebt gebracht. Ik laat je -nu alleen. Je moet gaan liggen. Al die opwinding zal je geen goed -doen. We spreken er nog over. Probeer nu te slapen, en dan word je -gauw weer gezond... - -Waarom die dank? dacht Paul, toen hij alleen was... het hangt toch -alleen van hem af. En als hij getrouwd is, ga ik hier vandaan, naar -Dresden of Florence en daar leven, tot ik krepeer... - - - -Paul sprenkelde eau de cologne op zijn voorhoofd en sloot de oogen. In -het helle daglicht, dat de kamer binnenviel, leek zijn fijn, mager -gezicht op het gipsen afgietsel naar een doode. - -En hij was ook werkelijk een doode... - - - - - - - - -XXIV. - - -Katja en Arkadiej zaten in den tuin van Nikolskoi op een bank in de -schaduw van een ouden eschdoorn. Fifi lag naast hen op den grond, in -die bekoorlijke houding van zijn slanke lichaam, welke de Russische -jagers in herinnering aan de grijze waternimf Roesaatsja noemen. - -Arkadiej en Katja zwegen. Hij hield een boek in de hand, half toe -geslagen, zij zocht broodkruimpjes uit haar mandje en strooide ze -voor een groepje musschen, die met de hun eigen durf tjilpend tot -aan haar voeten genaderd waren. - -Een zacht koeltje speelde met de bladeren der boomen, zoodat er gouden -vlekken zonlicht door de laan en over Fifi's rug vielen, terwijl de -beide jonge menschen in schaduw bleven. Zelden slechts kwam er een -lichtstreep, als een vlam over de haren van het meisje. - -Zij zwegen, maar de wijze waarop zij zwegen, de een naast den ander, -beefde van innige harmonie. Zij letten schijnbaar niet op elkaar -en toch was het duidelijk, hoe gelukkig zij met elkanders bijzijn -waren. Zelfs in hun gezicht was verandering gekomen, sedert wij hen -verlieten. Arkadiej was rustiger, Katja meer levend en warmer. - ---Vindt u niet, dat jasen een symbolische naam is? Ik ken geen boom, -die zoo licht en luchtig is. [13] - -Katja keek traag naar boven en antwoordde. - ---Ja. - -En Arkadiej dacht: ze vindt het ten minste niet erg, als ik poëtisch -word. - -Katja keek naar het boek van Arkadiej: - ---Ik houd niet van Heine, zei ze, niet wanneer hij lacht en niet -wanneer hij weent. Ik houd van hem, als hij droevig en droomerig is. - ---En ik houd van hem, als hij lacht, zei Arkadiej. - ---Dat is een overblijfsel van den satirischen kant van uw geest. - -Een overblijfsel, dacht hij, dat moest Bazarof eens hooren... - ---Wacht maar, we zullen u wel veranderen! - ---Wie? U? - ---Ja, mijn zuster, Porphirij Platonitsj, met wien u al niet meer -kibbelt, mijn tante, die u eergisteren naar de kerk geleidde. - ---Dat kon ik niet weigeren. En Anna Sergejevna is het in veel opzichten -eens met Eugenij, zooals u weet. - ---Mijn zuster stond onder zijn invloed, net als u. - ---Net als ik? Hebt u dan gemerkt, dat ik over dien invloed heen ben? - -Katja antwoordde niet. - ---Ik weet, ging hij voort, dat u nooit van hem gehouden hebt. - ---Ik heb geen oordeel over hem. - ---Ja, ziet u, Katharina Sergejevna, zoo dikwijls ik u dat hoor zeggen, -geloof ik u niet. Ik vind, dat niemand boven onze oordeelsmacht uit -gaat. Dat is eenvoudig een uitvlucht. - ---Nu ja, ik geef toe, dat ik hem niet bepaald onaangenaam vind, -maar wij hooren tot twee heel verschillende werelden en ook u hoort -feitelijk niet bij hem. - ---Waarom? - ---Hoe zal ik zeggen... hij is een roofdier, ruw, wild, en u en ik, -wij zijn getemd. - ---Ben ik ook getemd? - -Katja knikte van ja. - -Arkadiej krabde zich achter het oor. - ---Weet u wel, dat dat een beetje beleedigend is, wat u daar zegt, -Katharina Sergejevna? - ---Zou u liever een roofdier willen zijn? - ---Dat niet, maar ik wil sterk en flink zijn. - ---Dat hangt niet van ons zelf af. Uw vriend wil het niet zijn, en -toch is hij het. - --- U denkt dus, dat hij grooten invloed heeft op Anna Sergejevna? - ---Ja, maar niemand houdt dat lang vol, zei ze zacht. - ---Hoe weet u dat? - ---Ze is erg trotsch... of neen, dat bedoel ik niet. Maar ze wil -volstrekt onafhankelijk zijn. - ---Dat willen we allemaal, antwoordde Arkadiej, maar hij dacht: -Waartoe? En Katja dacht hetzelfde. Als jonge menschen veel met elkaar -omgaan, beginnen zij veelal dezelfde gedachten te hebben op dezelfde -oogenblikken. - -Arkadiej glimlachte en zei: - ---Geeft u toe, dat u een beetje bang voor haar bent? - ---Voor wie? - ---Nu... voor haar, antwoordde Arkadiej met een blik van -verstandhouding. - ---En u? vroeg Katja. - ---Ik ook. Let wel, wat ik zeg: ik ook. - -Katja dreigde met den vinger. - ---Dat vind ik vreemd. Mijn zuster was nooit zoo aardig tegen u, -als de laatste dagen. Dat was bij uw eerste bezoek heel anders. - ---Vindt u? - ---Hebt u het dan niet gemerkt? Vindt u dat niet prettig? - -Arkadiej begon te denken: Waaraan heb ik die welwillendheid -verdiend? Omdat ik haar brieven heb meegebracht van haar moeder? - ---En daar zijn wel gronden voor, maar die zeg ik niet... - ---Waarom niet? vroeg hij. - ---Ik zeg ze niet. - ---O, ik weet wel, dat u stijfhoofdig bent. - ---Stijfhoofdig, ja, dat is waar. - ---En u kijkt nog al scherp uit uw oogen. - -Katja keek hem van terzijde aan. - ---Bent u ergens boos over? Waar denkt u aan? - ---Ik vraag me af, hoe u aan dat observeeringstalent komt. U bent zoo -teruggetrokken, zoo wantrouwig... U gaat iedereen uit den weg. - ---Ik ben veel alleen geweest. Dan gaan we nadenken over ons zelf, -tegen onzen wil. Maar u zegt, dat ik iedereen ontvlucht. Hebt u het -recht, dat te zeggen? - -Arkadiej zag haar dankbaar aan. - ---U hebt gelijk, antwoordde hij, maar menschen in uw positie, rijke -menschen, bestudeeren hun omgeving zelden scherp. Door toeval komen -ze soms achter de waarheid, evenals gekroonde hoofden. - ---Maar ik ben niet rijk. - -Arkadiej keek haar verwonderd aan en begreep eerst niet... 't is waar, -dacht hij, het vermogen is van haar zuster... en die gedachte was -haar bizonder aangenaam. - ---Wat hebt u dat goed gezegd, zei hij. - ---Hoe bedoelt u? - ---U hebt dat gezegd zonder gemaakte eenvoudigheid, zonder valsche -schaamte en onechtheid. Ik geloof, dat ieder, die het weet en er voor -uitkomt, dat hij arm is, een zekeren trots moet voelen. - ---Ik heb niets van dien aard gevoeld. Dank zij mijn zuster. Hoe zijn -we zoo opeens over mijn financieelen toestand komen spreken? - ---Nu goed. Maar u zult toch toegeven, dat het gevoel in kwestie, -dat trots u niet geheel vreemd is. - ---Hoe zoo? - ---Zou u bij voorbeeld ertoe kunnen komen, ik hoop, dat mijn vraag u -niet beleedigt, een rijken man te trouwen? - ---Als ik veel van hem hield... maar neen, ik geloof, dat ik hem ook -in dat geval niet zou willen. - ---Ziet u! riep Arkadiej, en waarom niet, als ik vragen mag? - ---Omdat zelfs de volksliederen een ongelijk huwelijk ontraden. - ---U wilt misschien heerschen en... - ---Och neen, waarom? Ik wil zelfs graag gehoorzamen. Maar ongelijkheid -schijnt mij onverdragelijk. Achting voor zich zelf en gehoorzaamheid, -dat begrijp ik, dat kan een geluk zijn. Maar ongelijkheid, -onderworpenheid, dat niet. - ---Dat niet, antwoordde Arkadiej, u hebt niet voor niets hetzelfde -bloed in de aderen als Anna Sergejevna. U hebt denzelfden -onafhankelijkheidszin, maar weet u beter te verbergen. Ik ben -overtuigd, dat u nooit het eerst een liefde bekennen zoudt, hoe -machtig en heilig die ook was. - ---Dat spreekt toch van zelf, zei Katja. - ---U bent ook niet van verstand ontbloot, zooals men dat noemt. En u -hebt minstens evenveel karakter als uw zuster. - ---Vergelijkt u me niet met mijn zuster, haastte Katja zich te -antwoorden,--zij heeft zooveel voor boven mij. Zij heeft alles, -schoonheid, geest,... en u moest dat vooral niet zeggen, Arkadiej -Nikolajitsj, en dan nog wel op zoo ernstigen toon. - ---Wat bedoelt u met dat: U vooral niet? En waarom zou ik niet ernstig -spreken? - ---U spreekt niet in ernst. - ---Denkt u? En als ik nu eens heel zeker was van wat ik zei, als ik -nu eens nog heel veel meer ging zeggen? - ---Ik begrijp u niet... - ---Heusch niet? Dan heb ik uw observatietalent te hoog geschat. - ---Hoezoo? - -Arkadiej antwoordde niet en keek een anderen kant uit. Katja vond -nog wat kruimels voor haar musschen. Maar ze zwaaide te heftig met -haar arm en de vogeltjes vlogen op. - ---Katharina Sergejevna, begon Arkadiej weer,--het zal u wel -onverschillig zijn, maar ik moet u zeggen, dat ik u niet alleen boven -uw zuster stel, maar boven ieder op deze wereld... - -Toen stond hij plotseling op en liep weg, alsof hij van zijn woorden -geschrokken was. - -Katja liet de handen in haar schoot vallen, boog wat voorover en -keek Arkadiej na. Een lichte blos kleurde haar wangen, maar haar mond -glimlachte niet en in haar blik was verwondering. Het was duidelijk, -dat er een gevoel in haar leefde, dat zij nog niet gekend had. - - - ---Ben je alleen? vroeg mevrouw Odintsof, ik dacht dat Arkadiej met -je mee was gegaan. - -Katja keek haar zuster aan, die smaakvol, elegant gekleed, in de -laan stond tegenover haar en met de punt van haar parasol Fifi's -oor aantipte. - ---Ja, alleen, antwoordde Katja. - ---Dat zie ik, lachte haar zuster terug.--Hij is zeker naar zijn kamer. - ---Ja. - ---Heb jullie samen gelezen? - ---Ja. - -Mevrouw Odintsof nam Katja bij den kin en hief haar hoofd tot zich. - ---Heb jullie gekibbeld? - ---Neen, antwoordde Katja en maakte zich zacht los van de hand der -zuster. - ---Wat spreek je ernstig. Ik dacht hem hier te vinden en wilde -een wandeling voorstellen. Die ben ik hem al zoo lang schuldig. Je -schoentjes zijn gekomen. Moet je ze niet eens passen? Ik heb gezien, -dat je ze noodig hebt. De schoenen, die je daar aan hebt, zijn op. Ik -vind, dat je nog al slordig bent in dat opzicht en toch heb je een -mooi gebouwden voet. Je hand is ook mooi, maar wel wat groot. En daarom -moest je meer werk maken van je schoeisel. Je bent niet erg koket. - -Mevrouw Odintsof verwijderde zich en haar fijn morgenkleed ruischte -om haar heen. - -Katja stond op, nam het boek (Heine) en wandelde huiswaarts. Maar ze -paste haar schoentjes niet. - ---Een mooie voet... dacht ze en ging langzaam de treden van het bordes -op, die door de zon warm geworden waren,... hij zal wel gauw aan die -mooie voeten liggen... - -Tegelijk kwam er een gevoel van schaamte in haar en ze liep vlug -in huis. - -Arkadiej ging naar zijn kamer. De hofmeester kwam hem achterop en -deelde mee, dat Bazarof op hem wachtte. - ---Jevgenij! riep hij verschrikt--is mijnheer al lang hier? - ---Op het oogenblik. Maar hij wilde niet bij Anna Sergejevna aangediend -worden en liet zich onmiddellijk naar uw kamer brengen. - ---Zou er een ongeluk gebeurd zijn thuis? dacht hij, ging haastig de -trap op en gooide zijn deur open. - -Zoodra hij Bazarof zag, was hij gerust gesteld, al zou een meer -geoefend oog de innerlijke onrust op het open-flinke, maar wel wat -aangedane gezicht van zijn vriend niet zijn ontgaan. - -Hij zat in de vensterbank, de stoffige mantel om, de pet op. Hij bleef -onbewegelijk zitten, zelfs toen Arkadiej hem om den hals viel en een -uitroep van vreugde niet kon onderdrukken. - ---Dat is een verrassing! Hoe komt dat zoo? riep hij uit en liep heen -en weer door de kamer, als iemand, die wil bewijzen, dat hij in de -wolken is.--Hoe staat het thuis? Is alles goed, iedereen gezond? - ---Alles is goed, maar niet iedereen is gezond, antwoordde -Bazarof.--Houd nu eens je gemak en bezorg me een glas kwas, ga zitten -en luister, wat ik je zoo kort mogelijk, maar naar ik hoop, duidelijk, -heb te vertellen. - -Arkadiej ging zitten en Bazarof vertelde hem de geschiedenis van -het duel met Paul Petrowitsj. Het ontstemde Arkadiej nog al, maar -dat wilde hij niet laten blijken. Hij vroeg alleen, of de wond van -zijn oom niet gevaarlijk was en toen Bazarof antwoordde, dat ze wel -belangwekkend was, maar niet van medisch standpunt, glimlachte hij -gedwongen, en voelde eenige schaamte en schrik. - -Bazarof scheen wel te begrijpen, wat er omging in zijn vriend. - ---Ja, zoo is het, zei hij, als je onder een adellijk dak -woont. Je neemt zelfs die middeleeuwsche gewoonten aan en wordt -een vechtersbaas. Ik ga weer naar mijn oudjes, maar wilde jou die -geschiedenis eerst even komen biechten... zou ik kunnen zeggen, -maar dat zou een leugen en dus een dwaasheid zijn... Ik ben gekomen, -nu ja, de duivel weet waarom! Het is soms wel goed, je zelf bij de -keel te pakken en er uit te smijten. Dat heb ik gedaan. En nu wilde -ik voor het laatst nog eens de plaats zien, waar ik zoo een beetje -wortel begon te schieten. - ---Ik hoop, dat die woorden geen betrekking hebben op mij, vroeg -Arkadiej,--en dat je niet van plan bent, ook van mij afscheid te nemen. - -Bazarof keek hem vast en doordringend aan. - ---Zeg, zou je dat waarachtig wat kunnen schelen? Het wil me zoo -voorkomen, alsof jij al van mij afscheid genomen hebt. Je ziet er zoo -goed verzorgd uit... ik geloof, dat het zaakje met Anna Sergejevna -hier aardig loopt. - ---Welk zaakje? - ---Ben je niet om haar de stad uitgegaan, kameraad? Apropos, hoe staat -het daar met de Zondagscholen? Wilde je soms ontkennen, dat je verliefd -bent? Of heb je de periode van de eerbaarheid al bereikt? - ---Jevgenij, je weet dat ik altijd eerlijk met je geweest ben. Ik -bezweer je en God is mijn getuige, dat je je vergist. - ---Hm. God als getuige... dat is een nieuwe uitdrukking, zei Bazarof -zachter.--Waarom vat je de zaak zoo gewichtig op? Het is mij absoluut -onverschillig. Een romanticus zou zeggen: ik voel, dat onze wegen -hier uiteen gaan. Ik voor mij, zeg alleen maar, dat we genoeg van -elkaar hebben. - ---Jevgenij... - ---Dat is zoo erg niet, kerel.--Men krijgt nog wel genoeg van -andere dingen in het leven. Het is nu een goed oogenblik -van elkaar te gaan. Zoolang ik hier ben, voel ik me zoo -verschrikkelijk-gebroken-van-hart, alsof ik me had volgestopt met -Gogols brieven aan mevrouw de goeverneursvrouw van Kaloega. Ik heb -de paarden niet eens laten uitspannen. - ---Wat denk je wel? Dat gaat zoo niet! - ---Waarom niet? - ---Afgezien van mij, zou mevrouw Odintsof het erg kwalijk nemen als -je zoo weer weg ging. Ik weet zeker, dat ze je wil spreken. - ---Wat dat aangaat, zul je je wel vergissen. - ---Ik weet zeker, dat het zoo is, waarom die leugens? Ben je om haar -gekomen, nu we toch over dit onderwerp spreken? - ---Misschien. Maar je hebt het toch mis. - -Arkadiej had echter gelijk. Mevrouw Odintsof liet hem roepen door den -hofmeester. Bazarof verkleedde zich voor dit bezoek. Zijn nieuwe rok -lag boven in den koffer, zoodat hij gemakkelijk genomen kon worden, -zonder iets in wanorde te brengen. - -Mevrouw Odintsof ontving Bazarof niet in de kamer, waar hij haar zijn -liefde had verklaard, maar in den salon. Ze reikte hem hartelijk haar -vingertoppen, maar had toch iets gedwongens in haar gezicht. - ---Anna Sergejevna, haastte Bazarof zich te zeggen, in de eerste plaats -moet ik u gerust stellen. U ziet een mensch voor u, die weer geheel -tot zich zelf is gekomen en die hoopt, dat anderen zijn misslagen -vergeten hebben. Ik ga op reis voor langen tijd, en al ben ik niet -sentimenteel, zooals u wel weet, zou het mij toch onaangenaam zijn, -te denken, dat u een slechte herinnering... - -Mevrouw Odintsof ademde diep-op, als iemand, die eindelijk den top -van een berg heeft bereikt en een lichte glimlach speelde om haar -mond. Ze reikte Bazarof nogmaals de hand, en toen hij die hand drukte, -beantwoordde ze dien druk. - ---Kto staroë vspomanjèt, tamoë glas won [14]! zei ze,--te meer, -daar ik ook niet geheel zonder schuld ben. Ook ik heb gezondigd, zoo -niet uit behaagzucht, dan toch om andere redenen. We zullen vrienden -blijven, dat alles was maar een droom en wie hecht blijvende waarde -aan een droom? - ---Niemand. Buitendien is de liefde een onecht gevoel. - ---Denkt u? Het doet me genoegen dat te hooren. - -Zoo sprak mevrouw Odintsof, zoo sprak van zijn zijde Bazarof. Ze -geloofden beiden, dat ze oprecht waren. - -In hoeverre waren ze het inderdaad? Dat wisten ze zelf niet en de -auteur kan het evenmin verklaren. Maar het gesprek nam een keer, -die bewees, dat ze elkander hun volle vertrouwen wilden schenken. - -Mevrouw Odintsof vroeg Bazarof, wat hij bij de Kirsanofs had -gedaan. Hij stond op het punt, van zijn duel met Paul Petrowitsj te -spreken. Maar hij liet zich weerhouden door de gedachte, dat ze zou -kunnen denken: hij maakt zich interessant ... en daarom antwoordde hij, -dat hij gewerkt had. - ---En ik, antwoordde mevrouw Odintsof, ik wist met mijn tijd geen raad -en was al van plan, op reis te gaan. Stel u voor. Maar langzamerhand -is het beter geworden. Uw vriend Arkadiej kwam en ik voel me weer in -het rechte spoor, in mijn eigenlijke rol. - ---Wat voor een rol, als ik vragen mag? - ---De rol van tante, goevernante, moeder, hoe u het noemen wilt.--Weet -u wel, dat ik langen tijd, uw intieme vriendschap met Arkadiej niet -begrepen heb? Ik vond hem niet erg belangrijk. Maar ik heb hem leeren -kennen en ik ben overtuigd, dat hij zeer intelligent is... en bovenal -heel jong, heel jong, dat kunnen wij van ons niet zeggen, Jevgenij -Wassiljewitsj. - ---Is hij nog altijd zoo bang voor u? vroeg Bazarof. - ---Was hij dan?... begon Mevrouw Odintsof, maar viel zich zelf in de -rede en ging voort: - ---Hij is veel gezelliger geworden en praat graag met me. Vroeger hield -hij zich altijd op een afstand. Trouwens ik moet bekennen, dat ik zijn -gezelschap ook niet zocht. Katja en hij zijn goede vrienden geworden, - -Bazarof werd ongeduldig, hij dacht: die vrouw kan het huichelen -niet laten. - ---U zegt, dat hij u gemeden heeft, antwoordde hij met een killen -glimlach, maar de schuchtere liefde, die u hem inboezemde, zal nu -toch wel geen geheim meer voor u zijn! - ---Wat? Hij ook! riep Mevrouw Odintsof onwillekeurig. - ---Ja, hij ook, herhaalde Bazarof met een eerbiedige buiging. Is het -mogelijk, dat u het niet gemerkt heeft, en ben ik de eerste, die u -dat nieuws meedeel? - -Mevrouw Odintsof sloeg de oogen neer. - ---U vergist u, zei ze. - ---Ik geloof het niet, maar ik had misschien moeten zwijgen. - -Hij dacht echter: dat zal je leeren huichelen... - ---Waarom zou u daarover niet gesproken hebben? Ik geloof, dat u -te veel waarde hecht aan een voorbijgaande gevoeligheid. Ik begin, -te vermoeden, dat u van overdrijven houdt. - ---Laat ons over iets anders spreken, mevrouw. - ---Waarom? vroeg deze, maar deed meteen, wat haar gevraagd was. - -Ze voelde zich onzeker, onbehagelijk tegenover Bazarof, al had ze -zich ook ingepraat, dat alles vergeten was, zooals ze hem zeide. Bij -het meest onbeduidende woord dat gewisseld werd, zelfs grapjes, kon -ze een gevoel van angst niet onderdrukken. Zoo gaat het op een schip -in volle zee, wanneer de reizigers onbezorgd keuvelen en lachen, -maar bij de geringste onregelmatigheid, bij iets onverwachts of -vreemds teekent zich op aller gezicht een zekere onrust, gevolg van -het bewustzijn van een voortdurend gevaar. - -Mevrouw Odintsof en Bazarof spraken niet lang meer samen. Anna -Sergejevna werd meer en meer ernstig, antwoordde verstrooid, onzeker, -en vroeg hem ten slotte, naar het aangrenzende vertrek te gaan, -waar zij de tante en Katja aantroffen. - ---Waar is Arkadiej Nikolajitsj? vroeg mevrouw Odintsof. Toen ze hoorde -dat hij al een uur weg was, liet ze hem roepen. - -Na lang zoeken overal, vonden ze hem in den tuin op een afgelegen -bank, de kin op de hand gesteund en verzonken in diep gepeins. Zijn -gedachten waren ernstig, maar niet droevig. - -Hij wist, dat mevrouw Odintsof alleen met Bazarof was, maar gevoelde -geen spoor van naijver. Hij zag er opgewekt uit en scheen besloten, -iets te doen, dat hem verheugde en verwonderde tegelijk. - - - - - - - - -XXV. - - -De overleden echtgenoot van mevrouw Odintsof was geen vriend van -nieuwigheden geweest, echter altijd bereid gevolg te geven aan de -"wijze ingevingen van een gelouterden smaak" en daarom had hij in -den tuin tusschen de oranjerie en den vijver een soort grieksche -zuilengalerij van russischen steen laten zetten. De achtermuur van -dit bouwwerk had zes nissen voor standbeelden, die de heer Odintsof -uit het buitenland wilde laten komen. Die standbeelden, zouden de -Eenzaamheid, het Zwijgen, het Peinzen, de Zwaarmoedigheid, de Schaamte -en de Fijngevoeligheid verbeelden. Eén, de Godin van het Zwijgen, een -vinger op de lippen, was aangekomen en opgesteld. Maar den eersten dag -al gooiden jongens haar de neus af en ofschoon een huisschilder op zich -durfde nemen, haar een "tweemaal zoo mooie neus" terug te geven, had de -heer Odintsof het beeld laten wegnemen. Het stond in den hoek van een -dorschvloer tot groote en voortdurende ontsteltenis van bijgeloovige -boerinnen. Sedert jaren was dicht struikgewas aan de voorzijde der -galerij opgeschoten. Alleen de kapiteelen der zuilen staken daar -boven uit. Het was er altijd koel, zelfs op het heetst van den dag. - -Anna Sergejevna hield niet van de galerij, sedert ze er eens een -adder had aangetroffen. Katja kwam er dikwijls zitten op de groote -steenen bank in éen der nissen. In de koele, donkere stilte las of -werkte ze of gaf zich over aan het teedere gevoel, dat de geluidlooze -eenzaamheid in ons wekt, een gevoel, dat ieder kent, omdat het een -vreemde en diepe bekoring heeft, te luisteren naar het machtige -levensgolven om ons heen en binnen ons, altijd door... - -De morgen, na Bazarofs komst, zat Katja op haar lievelingsplekje en -Arkadiej weer naast haar. Ze had er in toegestemd met hem naar de -zuilengalerij te gaan. - -Het was nog een uur vóor het ontbijt, de koelheid van den morgen was -nog niet verjaagd door de heete middagzon. - -Arkadiej's gezicht had dezelfde uitdrukking als den vorigen dag. Katja -scheen onzeker. Haar zuster had haar na de thee apart geroepen en -haar na eenige liefkoozingen, die haar altijd een beetje ongerust -maakten, aangeraden, wat voorzichtiger te zijn in haar houding -tegenover Arkadiej en vooral niet te veel met hem alleen te blijven, -want die veelvuldige gesprekken begonnen tante en de bedienden op te -vallen. Buitendien was Anna Sergejevna niet in haar humeur geweest -en Katja had een gevoel, of ze zich iets te verwijten had. Ze had -dan ook besloten, dat dit de laatste samenkomst zou zijn. - ---Katharina Sergejevna, zei Arkadiej opeens met een niet te beschrijven -vermenging van durf en onzekerheid; sedert ik het geluk heb, onder -één dak met u te wonen, hebben we al over allerlei dingen gesproken, -maar één kwestie toch onaangeroerd gelaten. Een kwestie, die voor mij -van groot gewicht is. U hebt gisteren gehoord, dat ik veranderd ben -(den vragenden blik van Katja zocht en ontweek hij tegelijkertijd). Ik -ben ook werkelijk veranderd in allerlei opzichten en u weet beter, -dan iemand anders, aan wie ik vooral die verandering te danken heb. - ---Ik... U... antwoordde ze. - ---Ik ben niet meer die bescheiden jongen, die ik was, toen ik hier -kwam. Ik heb niet voor niets mijn drie en twintigste jaar achter me. Ik -hoop nog altijd, iets nuttigs te doen voor de maatschappij en al mijn -kracht te wijden aan de... aan de overwinning van de waarheid. Maar -ik zoek mijn ideaal niet meer, waar ik het vroeger zocht. Het ligt -geloof ik veel dichter bij. Vroeger begreep ik mijzelf niet, ik hield -me bezig met problemen, die boven mijn kracht lagen. Eindelijk zijn -me de oogen opengegaan. Door mijn gevoel... ik druk me misschien niet -duidelijk uit, maar ik hoop, dat u mij begrijpt. - -Katja antwoordde niet en keek Arkadiej niet meer aan. - ---Ik geloof, dat het de plicht is van een eerlijk man, ging hij -opgewonden voort--en boven zijn hoofd in de takken van een berkeboom -zong een vink zijn zorgeloos lied,--open en vrijmoedig te zijn -tegenover hen, die... die hem dierbaar zijn... en daarom ben ik -besloten... - -Nu liet zijn welsprekendheid hem in den steek. Hij struikelde over -zijn zinnen, verloor zijn gedachtegang en moest ophouden. Katja bleef -zitten en keek naar den grond. Ze begreep niet, waar hij heen wilde -en toch scheen ze iets te verwachten. - ---Ik zie wel, dat ik u zal verrassen, ging hij voort, toen -hij zijn gedachten weer geordend had.--Vooral, omdat dat gevoel -eenigszins,... wel te verstaan... betrekking heeft... op u. Ik meen -me te herinneren, dat u mij gisteren gebrek aan ernst verweten hebt... - -Hij sprak met het gezicht van een man, die in een moeras geraakt, -voelt dat hij met iedere beweging dieper wegzakt en toch maar vooruit -gaat in de hoop, er weldra doorheen te zijn. - ---Dit verwijt treft jonge menschen dikwijls, zelfs dan, wanneer ze -het niet verdienen... en indien ik meer zelfvertrouwen had... - -Help me dan toch, help me toch, dacht Arkadiej in zijn wanhoop. Maar -Katja bleef roerloos zitten. - ---En als ik mocht hopen... - ---Als ik uw woorden gelooven kan, hoorden zij mevrouw Odintsof -plotseling zeggen met kalme, heldere stem. - -Arkadiej zweeg plotseling en Katja werd bleek. - -Een smal laantje voerde vlak langs de zuilengalerij door het -kreupelhout heen. Mevrouw Odintsof had dit ingeslagen met Bazarof. Ze -was onzichtbaar voor Katja en Arkadiej. Des te duidelijker echter -hoorden ze haar stem en zelfs haar adem. De wandelaars deden nog eenige -stappen en bleven toen, als met opzet, vlak voor de galerij staan. - ---Ziet u, ging mevrouw Odintsof voort,--wij hebben ons vergist -allebei... Wij zijn niet meer in onze eerste jeugd, ik het -minst. Wij hebben geleefd. We zijn moe, we zijn, waarom zal ik het -niet zeggen, allebei ervaren, we hebben elkaar belang ingeboezemd, -onze nieuwsgierigheid werd geprikkeld, en toen... - ---Toen ben ik een ezel geweest, viel Bazarof in de rede. - ---U weet, dat dat niet de oorzaak was van onze breuk. Dit staat vast, -dat we elkaar niet noodig hadden. Wij hadden te veel, hoe zal ik -zeggen, te veel punten van overeenkomst. We zijn geestelijk te nauw -verwant. Dat zagen we niet dadelijk in. Terwijl Arkadiej... - ---Hem had u wel noodig? vroeg Bazarof. - ---Stil, Jevgenij Wassiljewitsj. U beweert, dat ik hem niet -onverschillig was en ik dacht ook inderdaad, dat hij voor mij -voelde. Ik weet, dat ik zijn tante kan zijn, maar ik wil bekennen, -dat ik sedert eenigen tijd nog al eens aan hem denk. Zijn jeugd en -zijn natuurlijkheid hebben een zekere aantrekkelijkheid voor mij. - ---Een zekere tooverkracht. Dat is het woord, dat men in zulke gevallen -gebruikt, antwoordde Bazarof met rustige, doffe stem, waarin even -opkomende wrevel trilde.--Gisteren deed hij nog, of hij van niets -wist. Hij sprak noch van u, noch van uw zuster. Dat is een ernstig -symptoom. - ---Hij is als een broer met Katja, zei mevrouw Odintsof,--en dat vind -ik prettig, al moest ik dergelijke vertrouwelijkheid niet zoo maar -goed vinden. - ---Is het de zuster, die op het oogenblik in u spreekt? vroeg Bazarof -langzaam. - ---Zeker wel, maar waarom blijven we staan? Laten we doorloopen. Wat -een merkwaardig gesprek voeren we daar. Ik had nooit gedacht, dat ik -u zoo iets zou kunnen zeggen. U weet, dat ik een groot vertrouwen in -u heb, al ben ik ook een beetje bang voor u, want ik ben overtuigd, -dat u eigenlijk een goed mensch bent. - ---In de eerste plaats ben ik heelemaal niet goed, in de tweede plaats -ben ik niets meer voor u, en toch zegt u, dat ik goed ben. Dat is -als een krans van bloemen om het hoofd van een doode. - ---Jevgenij Wassiljewitsj, we zijn niet... antwoordde ze. - -Op dit oogenblik werden de woorden door een windvlaag verstrooid. - ---Maar u bent toch vrij? klonk even daarop de stem van Bazarof. Meer -was er niet te verstaan van hun gesprek. Hun stappen verloren zich -meer en meer en het werd weer stil. - -Arkadiej keek naar Katja, ze zat nog in dezelfde houding. Alleen het -hoofd was nog wat meer voorover gebogen. - ---Katharina Sergejevna, zei hij met trillende stem en gevouwen -handen,--ik heb je lief hartstochtelijk, zooals ik het leven lief -heb. En niemand anders op aarde heb ik lief. Jou alleen. Dat wilde ik -je bekennen, en als het antwoord gunstig zou zijn, wilde ik vragen, -of je mijn vrouw... Ik ben niet rijk en tot elk offer bereid... U -antwoordt niet? Gelooft u me niet? Denkt u, dat ik zoo maar wat -zeg? Maar herinner je toch deze laatste dagen. Kun je denken, dat -iets van dat alles, het minste, spoorloos verdwijnen kan? Kijk me -toch aan... zeg één woord, één woord... ik heb je lief... ik heb je -lief... geloof me toch. - -Katja keek hem ernstig en klaar in de oogen, bezon zich lang en zei -toen met heel-vagen glimlach: - ---Ja. - -Arkadiej sprong op. - ---Ja. Je hebt ja gezegd, Katharina Sergejevna. Wat beteekent dat -woord? Beteekent dat, dat je gelooft aan de oprechtheid van mijn -woorden of... of... ik kan het niet uitspreken... - ---Ja! antwoordde ze. - -En ditmaal begreep hij haar. - -Hij nam haar groote, mooie handen en drukte ze aan zijn borst, wist -niet meer van vreugde, dronken, stamelde hij maar: - ---Katja, Katja... - -Zij begon te schreien en lachte onder haar tranen door. - -Wie die tranen in de oogen van een geliefde vrouw niet heeft gezien, -begrijpt niet, hoe zalig het van dankbaarheid en liefde verlangen -dronken mannenhart kan zijn. - - - -Den volgenden morgen liet mevrouw Odintsof Bazarof roepen en toonde -hem met gedwongen glimlach een brief. Het was de brief, waarin Arkadiej -om de hand van Katharina vroeg. - -Bazarof las haastig en moest een opwelling van leedvermaak met moeite -onderdrukken. - ---Prachtig! zei hij.--U beweerde gisteren immers, dat hij broederlijke -genegenheid voor haar koesterde! Wat denkt u te antwoorden? - ---Wat raadt u mij? vroeg mevrouw Odintsof en bleef glimlachen. - ---Ik vind, antwoordde hij, ook lachend en met minder moeite dan -zij,--dat u uw zegen moet geven. Het is een goede partij. Het vermogen -van de Kirsanofs is vrij belangrijk. Arkadiej is eenige zoon en de -vader een braaf man, die geen moeilijkheden in den weg zal leggen. - -Mevrouw Odintsof liep op en neer. Ze werd afwisselend rood en bleek. - ---Vindt u? Ook ik zie geen moeilijkheden. Het doet me genoegen voor -Katja en Arkadiej Nikolajewitsj. Ik zal natuurlijk eerst de toestemming -van zijn vader, afwachten. Die mag hij zelf gaan halen. Maar dit -alles bewijst, dat ik gelijk had, toen ik gisteren zei, dat wij -oud worden, u en ik... En dat ik zoo volstrekt niets heb gemerkt, -ik moest me schamen! - -Mevrouw Odintsof begon te lachen en keerde zich af. - ---De hedendaagsche jeugd is bizonder slim, zei Bazarof. - ---Vaarwel, vervolgde hij na een oogenblik zwijgen.--Ik hoop, dat u -de geheele zaak tot een bevredigend einde zult weten te leiden en -zal mij daarover verheugen... uit de verte. - -Mevrouw Odintsof keek hem opeens aan. - ---Wilt u op reis gaan? Waarom wilt u nu niet blijven? U moet -blijven. Het is zoo aangenaam, met u te praten. 't Is, of men langs -den rand van een afgrond wandelt... Eerst is men bang, maar dan komt -een stoutmoedigheid over ons, die ons zelf verbaast. U moet blijven! - ---Ik weet uw uitnoodiging te waardeeren, evenals uw goede meening over -mijn geringe hoedanigheden. Maar ik vind, dat ik al te lang omga met -menschen, die niet tot mijn wereld behooren. Vliegende visschen houden -het wel een tijdlang uit in de lucht, maar dan vallen ze toch weer -in hun element. Veroorloof mij, in mijn eigen element onder te duiken. - -Mevrouw Odintsof keek hem aan, een bittere glimlach trok over haar -bleek gezicht... die heeft mij lief gehad... dacht zij en reikte hem op -een wijze van welwillend leedwezen de hand. Maar hij had haar begrepen. - ---Neen, zei hij en deed een stap achteruit,--ik ben wel arm, maar -heb toch nog nooit een aalmoes aangenomen. Vaarwel! Het ga u goed. - ---Ik weet zeker, dat dit niet de laatste maal zal zijn, antwoordde -ze niet zonder ontroering. - ---Er kan zooveel gebeuren in de wereld, zei hij, groette nog eens en -verliet de kamer. - - - ---Je denkt dus een eigen nest te bouwen? vroeg Bazarof zijn vriend, -terwijl hij zijn koffer pakte.--Je hebt gelijk. Dat is een goede -gedachte. Alleen had je niet zoo geheimzinnig moeten zijn. Ik had -verwacht, dat je symphatieën een heel anderen kant uit gingen. Was -je zelf niet een beetje verwonderd? - ---Dit had ik in elk geval niet verwacht, toen ik van huis weg ging, -antwoordde Arkadiej,--maar je bent niet oprecht als je zegt: dit is -een goede gedachte. Want ik ken je opvattingen over het huwelijk. - ---Och, mijn beste, antwoordde Bazarof,--zoo spreek je nu! Zie je, wat -ik daar doe? Ik heb hier een leege ruimte in mijn koffer. Die stop -ik vol met hooi, zoo goed als ik kan. Dat moet je ook doen met je -levenskoffer. Die moet je ook vol maken, met al wat je in de handen -komt, als er maar geen plekje leeg blijft. Je moet me niet kwalijk -nemen. Maar herinner je je, hoe ik altijd over Katharina Sergejevna -heb gesproken? Er zijn jonge meisjes, die voor wonderwezens gehouden -worden, alleen omdat ze op het goede oogenblik weten te zuchten. Maar -die van jou zal zich op een andere manier doen gelden en wel zoo, -dat jij haar onderdanige dienaar zult zijn, hetgeen dan ook volkomen -in den haak is. - -Bazarof sloeg de deksel van den koffer dicht en richtte zich op. - ---Nu wil ik je nog eens voor het laatst zeggen, want we scheiden -voor altijd, daarvan moet jij evenzeer overtuigd zijn als ik, je doet -heel verstandig. Ons treurig, armzalig vagebondenleven is niets voor -jou. Daar heb je geen durf en geen hardheid genoeg voor. Maar des te -meer jeugdige moed en jeugdig vuur! En dat is niet voldoende voor het -werk, waaraan wij bezig zijn. En dan komen jullie adellijke heeren -nooit verder dan zekere hooghartige verontwaardiging of edelmoedige -zelfverloochening. En dat heeft niet veel om het lijf. Jullie denken, -groote heeren te zijn, en te staan op de tinnen der menschelijke -volmaaktheid, wanneer jullie je bedienden niet meer slaat. Maar wij -verlangen niets als geslagen te worden en terug te slaan. Het stof, -dat wij opjagen, bezorgt jou een oogontsteking, en ons afval zou jou -maar vuil maken. Je bent nog niet tot onze hoogte opgeklommen. Je -bewondert jezelf en bent gelukkig, als je je iets te verwijten -hebt. Maar wij moeten daar niets van hebben. Wij hebben wat anders -te doen als bewonderen en verwijten. Wij hebben andere mannen noodig -op ons schip. Je bent een beste jongen. Maar toch een heertje, een -liberaal jonkertje en voilà tout, om met je vader te spreken. - ---Ga je voor goed weg? antwoordde Arkadiej droevig,--en is dat alles, -wat je me te zeggen hebt? - -Bazarof krabde zich achter het oor. - ---Ik zou nog wel wat gevoeligs kunnen zeggen, Arkadiej, maar ik -zal het niet doen. Dat zou romantisch zijn, al te zoet. Neem een -goeden raad van mij aan. Trouw zoo gauw mogelijk. Richt je zoo goed -mogelijk in en verwek veel kinderen. Het zullen zeker menschen van -geest worden, omdat ze op het goede oogenblik verschijnen en niet -zooals jij en ik. Maar daar staan de paarden. Vooruit! Ik heb al -afscheid genomen. Kom, nog eens omhelzen? - -Arkadiej omhelsde zijn vriend en leermeester en de tranen stroomden -over zijn wangen. - ---Dat is de jeugd, zei Bazarof,--Maar ik reken op Katharina Sergejevna, -zij zal je troosten! - ---Vaarwel, broeder! klonk het nog van uit het rijtuig. Toen wees -Bazarof naar twee raven, die naast elkaar op het dak van den stal -zaten en zei: - ---Dat is een goed voorbeeld! Volg dat vooral! - ---Wat bedoel je daarmee? vroeg Arkadiej. - ---Ik dacht dat je knapper was in de natuurlijke historie. Weet je -niet, dat de raaf de achtbaarste onder de vogels is? Hij houdt van -het familieleven. Doe als hij! Vaarwel! - -Het rijtuig zette zich in beweging en reed weg. - -Bazarof had gelijk gehad. - -Arkadiej vergat nog dienzelfden avond zijn vriend in vertrouwelijk -gesprek met Katja. Hij begon al de mindere te zijn en Katja was daar -volstrekt niet verwonderd over. - -Den volgenden morgen ging Arkadiej naar Marjino, naar zijn -vader. Mevrouw Odintsof was zoo welwillend, de tante, die op het -bericht van het aanstaande huwelijk een soort huilopwinding over zich -had gekregen, uit het huis te verwijderen. Ze deed dat terwille van -de jonge lieden, die ze toch ook fatsoenshalve liever niet te lang -alleen liet. - -Eerst was ze bang, dat het jonge geluk, haar onaangenaam zou zijn, maar -het tegendeel bleek het geval. Ze stelde belang in "het schouwspel" -en het maakte haar wat zachter gestemd. - -Dit bewustzijn verheugde en bedroefde haar tegelijk. - -...Bazarof heeft gelijk, dacht ze, het is alleen maar nieuwsgierigheid, -belangstellend toeschouwer, die van zijn rust houdt en egoïst is,... - ---Kinderen vroeg ze eens, is het waar, dat liefde een onecht gevoel is? - -Maar Katja en Arkadiej begrepen die vraag niet. Ze gevoelden een -zekere schuwheid voor die vrouw en konden dat gesprek in den tuin -niet vergeten. - -Weldra stond alles in rustige bewogenheid, eenvoudig en licht voor -deze menschen gereed. - - - - - - - - -XXVI. - - -Daar zij hem nog niet hadden verwacht, was de blijdschap van Bazarofs -ouders dubbel, toen hij plotseling voor hen stond. Arina Vlassievna was -zoo buiten zichzelf, dat zij niets deed als heen en weer loopen. Haar -man vergeleek haar op het laatst met een kalkoen. En de omhoog gehouden -sleep van haar huisjapon gaf haar ook werkelijk iets van een vogel. - -Wassili Ivanowitsj liet onophoudelijk een behagelijk gebrom hooren, -terwijl hij aan zijn barnsteenen pijp, die in zijn mondhoek stak, -groote halen deed. Toen ging hij driftig met de vingers achter zijn -boord, omdat de hemdsknoop knelde, draaide die krampachtig rond en -lachte daarbij breed en stil over zijn geheele gezicht. - ---Ik blijf minstens zes weken, oudje, zei Bazarof,--ik wil werken en -hoop, dat je me met rust zult laten. - ---Ik zal je zoo plagen, dat je niet meer weten zult, hoe mijn gezicht -er uitziet! antwoordde Wassili Ivanowitsj. - -En hij hield woord. Toen hij zijn zoon evenals de eerste maal in zijn -studeerkamer had geïnstalleerd, scheen hij zich voor hem te verstoppen -en duldde ook niet, dat zijn vrouw uiting gaf aan haar gevoeligheden. - ---Ik denk wel, dat we Jenoesjenka de eerste keer wat gehinderd hebben, -zei hij,--we moeten verstandiger zijn ditmaal. - -Arina Vlassievna gaf haar man gelijk, maar veel pleizier had ze daar -niet van, want ze zag haar zoon alleen bij de maaltijden en durfde -hem dan nauwelijks aanspreken. - ---Jenoesjenka... begon ze, en voor deze tijd had, zich om te draaien, -zei ze al:...--niets, niets, niets... en speelde met het koord van -haar geldtaschje. Dan ging ze naar Wassili Ivanowitsj en vroeg: - ---Hoe kunnen we te weten komen, wat Jenoesjenka graag eten wil -vanmiddag, sjtsjie [15] of borsj [16]? - ---Waarom heb je hem niet gevraagd? - ---Ik was bang, hem te storen. - -Bazarof hield weldra van zelf op, zich af te zonderen. De werklust -maakte plaats voor een doffe, onrustige verveling. Een vreemde moeheid -kwam over hem, die zich in al zijn bewegingen uitte. Zijn vlugge, -flinke gang verslapte zelfs, hij maakte geen eenzame tochten meer en -begon gezelschap te zoeken. Hij dronk thee in de huiskamer, ging met -zijn vader naar den moestuin en rookte stil zijn pijp. Eens vroeg -hij zelfs naar Vader Alexis. - -Deze verandering verheugde Wassili Ivanowitsj eerst, maar die vreugde -was van korten duur. - ---Jenoesja geeft me te denken, zei hij tegen zijn vrouw. Hij is niet -ontevreden of prikkelbaar, dat zou lang zoo erg niet zijn, maar hij -is gedrukt en treurig en dat maakt me ongerust. Hij spreekt niet, -wordt mager en ziet er niet goed uit. Ik wilde, dat hij maar eens -flink aan het vloeken ging. - ---Och hemel! antwoordde de oude vrouw en zuchtte. Ik wou dat ik hem -een zakje relikwieën om den hals kon hangen. Maar hij wil het niet. - -Wassili Ivanowitsj trachtte herhaaldelijk Bazarof uit te hooren over -zijn werk, zijn gezondheid en Arkadiej. Maar Bazarof antwoordde kort -en zei ten slotte gemelijk: - ---Het is net, of je altijd om mij heen sluipt en me bespiedt. Dat is -nog erger dan vroeger. - ---Stil maar, ik zal het niet meer doen, viel de ongelukkige Wassili -Ivanowitsj snel in de rede. - -Gesprekken over politiek hadden niet meer succes. Toen hij eens naar -aanleiding van de opheffing der lijfeigenschap, de groote kwestie -van den vooruitgang aanroerde, zei Bazarof onverschillig: - ---Toen ik gisteren langs het tuinhek ging, hoorde ik in plaats van -hun oude liederen een paar boeren zich schor schreeuwen.--Daar heb -je den vooruitgang! - -Bazarof ging soms naar het dorp en begon daar op zijn -spottend-sarcastischen toon een gesprek met den eersten den besten -boer: - ---Vertel me toch eens, ze beweren, dat jullie de kracht en de toekomst -van Rusland zijn, dat met jullie een nieuw hoofdstuk begint van -onze geschiedenis. Jullie zult ons de echte taal en de ware wetten -geven. Hoe zit dat toch? - -De boer zei niets, keek hem zonder iets te begrijpen aan, of stotterde, -als het mooi was, zoo iets van: - ---Ja, dat zouden we best kunnen, want bovendien... volgens de wet, -die we hebben... - ---Zeg me toch eens, wat jullie "mir" waard is, vroeg Bazarof. Steunt -die nog altijd op drie visschen? [17] - ---De aarde steunt op drie visschen, antwoordde de boer overtuigd, -en met dien zingenden klank in zijn stem, die iets aartsvaderlijks en -naïefs had,--en iedereen weet, dat de wil van den heer tegenover onze -mir almachtig is, want de heer is onze Vader. Hoe strenger de heer, -des te onderdaniger de boer. - -Toen hij die woorden eens had moeten aanhooren, haalde Bazarof -verachtend de schouders op en liet den boer staan, die kalm zijns -weegs ging. - ---Waarover heeft hij met je gesproken? vroeg hem een andere boer van -middelbaren leeftijd en met een terugstootend uiterlijk, die hem van -zijn deur uit met Bazarof had zien praten. - ---Zeker over de achterstallige pachtgelden? - ---Dat zal wel! antwoordde de eerste, en zijn stem had niets meer van -den patriarchalen zingtoon, maar iets ruws, waaruit geringschatting -spreekt: - ---Hij heeft geleuterd, zijn tong sloeg zeker dubbel. De heeren zijn -allemaal hetzelfde, ze begrijpen er niets van! - ---Hoe zouden ze wat begrijpen? zei de ander, en ze schudden hun koppen, -haalden hun gordels aan en praatten verder over gemeentebelangen. - -En die jonge man vol zelfvertrouwen, die zich met hooghartig -schouderophalen verwijderde, die Bazarof, die zoo goed met de boeren -overweg kon, zooals hij tegenover Paul Petrowitsj had beweerd, -vermoedde zelfs niet, dat diezelfde boeren hem een gek en een -stommeling noemden. - -Eindelijk vond Bazarof een bezigheid, die hem beviel. Eens verbond -Wassili Ivanowitsj een boer, die een beenwond had. De handen van den -ouden man beefden, en het viel hem blijkbaar moeilijk, het verband -te leggen. Bazarof hielp hem. En sedert hielp hij zijn vader geregeld -bij diens geneeskundige bezigheden, maar kon niet nalaten te spotten -over de middelen, die hij zelf voorschreef en den ijver, waarmee -zijn vader die toepaste. Wassili Ivanowitsj liet zich hierdoor echter -niet van zijn stuk brengen en vond die grapjes zelfs wel aardig. Zijn -pijp in den mond en de hand in de zakken van zijn morgenjas luisterde -hij met welgevallen toe. Hoe harder de woorden van zijn zoon waren, -des te genoegelijker lachte hij, zoodat zijn zwarte tanden zichtbaar -werden. Dikwijls herhaalde hij zelfs de dwaze en ongezouten uitvallen -van zijn zoon. Zoo zei hij bijvoorbeeld dagen lang achter elkaar bij -elke gelegenheid: - ---Dat is voor het dessert. - -Alleen, omdat Bazarof die uitdrukking had gebruikt, toen hij hoorde, -dat de oude vrouw naar de vroegmis was. - -En in vertrouwen zei hij tegen zijn vrouw: - ---Goddank, Jenoesja heeft zijn zwaarmoedigheid overwonnen. Hij was -zoo los vandaag! - -Buitendien was hij in de wolken over zulk een flink assistent. De -gedachte alleen gaf hem een gevoel van wilden trots. - ---Ja, ja, heette het tegen een arme boerin, die haar kitsjka ophad -en in de grove jas van haar man gewikkeld was,--ja, ja en hij gaf -haar een glas goulard-water en een potje bilzenkruidzalf,--ja, ja, -je mag God wel danken, dat Hij mijn zoon teruggebracht heeft, nu word -je behandeld volgens de nieuwste en geleerdste methode. De fransche -keizer Napoleon heeft geen beteren dokter! - -De boerin had geklaagd, dat ze een gevoel had, alsof ze met handen -in de hoogte werd getild (woorden, die ze zelf niet nader verklaren -kon.) Ze hoorde Wassili Ivanowitsj aan, maakte een buiging tot op -den grond en haalde drie eieren uit haar omslagdoek te voorschijn -tot betaling. - -Bazarof trok zelfs een tand bij een vreemden koopman. En ofschoon -die tand niets bizonders had, bewaarde Wassili Ivanowitsj hem als -een zeldzaam stuk en zei meermalen, terwijl hij hem liet zien aan -Vader Alexis: - ---Kijk eens, Vader, wat een wortels! Jevgenij moet een krachtige -hand hebben! Ik zag den koopman omhoog tillen, prachtig, ik geloof -waarachtig, een eik zou geen weerstand geboden hebben! - ---Inderdaad verdienstelijk! antwoordde de priester die geen kans -zag op een andere wijze een einde te maken aan de verrukking van den -ouden man. - -Een boer uit den omtrek bracht zijn broer, die aan typhus leed, bij -Wassili Ivanowitsj. De ongelukkige lag stervend op een hoop hooi, -donkere vlekken overdekten zijn lichaam en hij was sedert langen tijd -buiten kennis. - -Wassili Ivanowitsj sprak er zijn spijt over uit, dat hij niet vroeger -gekomen was, en verklaarde, dat hij onmogelijk nog te redden was. En -werkelijk kwam de man niet meer thuis. Hij stierf onderweg in zijn kar. - -Eenigen tijd later kwam Bazarof zijn vader vragen, of hij ook lapis -infernalis voor hem had. - ---Jawel, wat wil je daarmee doen? - ---Om een wond uit te branden. - ---Wie is verwond? Jij? Laat zien de wond. - ---Hier, aan mijn vinger. Ik ben van morgen naar het dorp geweest, -waar die boer aan typhus gestorven is. Ik weet niet waarom, maar men -wilde het lijk openen. En nu had ik die soort operatie lang niet bij -de hand gehad. - ---Ja, en ...? - ---Ik verzocht den distriktsgeneesheer, of ik het mocht doen, en toen -heb ik me gesneden. - -Wassili Ivanowitsj verbleekte, liep, zonder een woord, naar zijn -kamer en kwam met een stuk helschen steen terug. Bazarof wilde ermee -de kamer uit gaan. - ---In 's hemels naam, riep Wassili Ivanowitsj, laat mij dat doen. - -Bazarof glimlachte. - ---Wat een hartstocht voor de praktijk! - ---Maak nu geen grapjes. Laat je vinger zien. De wond is niet groot. Ik -doe je toch niet pijn? - ---Druk maar stevig. - -Wassili Ivanowitsj hield op. - ---Misschien was het beter, met een heet ijzer te branden. Wat denk je? - ---Dat hadden we eerst moeten doen. Nu geeft dat niet meer dan -dit. Trouwens als ik de ziektestof al opgenomen heb, is er geen -middel meer. - ---Wat... geen middel meer? stamelde Wassili Ivanowitsj. - ---Het is al meer dan vier uur geleden, dat ik me gesneden heb. - -Wassili Ivanowitsj drukte de wond weer met den helschen steen. - ---Had de dokter daar dan niets? - ---Neen. - ---Dat is ongeloofelijk. Ieder dokter moet toch lapis hebben. - ---Ja, en je had zijn messen moeten zien! antwoordde Bazarof en ging -de kamer uit. - -Dien avond en den volgenden dag verzon Wassili Ivanowitsj alle -mogelijke voorwendsels, om in de kamer van zijn zoon te komen, -en ofschoon hij niet over de wond sprak en zijn best deed, zoo -onverschillig mogelijk te zijn, lette hij toch scherp op hem -en bestudeerde al zijn bewegingen met zulk een opgewondenheid, -dat Bazarof ongeduldig werd en zou besluiten heen te gaan. Wassili -Ivanowitsj beloofde, niet langer ongerust te zijn, en vooral, toen -Arina Vlassievna, die hij niets meegedeeld had, hem trachtte uit -te hooren, waarom hij zoo opgewonden was en den geheelen nacht niet -had geslapen. - -Twee dagen hield hij vol, al verontrustte hem Bazarofs uitzien meer -en meer. Den derden dag kon hij niet langer zwijgen. - -Zij zaten aan tafel en Bazarof, met neergeslagen oogen, at niets. - ---Waarom eet je niet, Jevgenij? vroeg zijn vader, schijnbaar zoo -zonder bedoeling.--Het schoteltje vind ik heel goed. - ---Ik eet niet, omdat ik geen eetlust heb. - ---Geen eetlust, vroeg hij, en hoofdpijn? - ---Ja, waarom zou ik geen hoofdpijn hebben? - -Arina Vlassievna werd oplettend. - ---Word nu niet dadelijk boos, Jevgenij, zei Wassili Ivanowitsj, -je moet me toestaan, je pols te voelen. - -Bazarof stond op. - ---Ik kan je zoo wel zeggen, dat ik verhooging heb. - ---Heb je ook koude rillingen? - --- Ja. Ik zal wat gaan liggen. Stuur me wat kamillenthee. Ik zal een -kou opgedaan hebben. - ---Daarom heb ik je ook hooren hoesten vannacht, zei Arina Vlassievna. - ---Ik heb kou gevat, herhaalde Bazarof en verliet de kamer. - -Arina Vlassievna zette de thee en Wassili Ivanowitsj liep naar de -zijkamer, waar hij zich aan de haren trok zonder een woord te spreken. - -Bazarof bleef den geheelen verderen dag in bed en bracht den nacht -door in een doffen, afmattenden slaap. - -Toen hij tegen éen uur wakker werd, zag hij bij den flauwen schijn -van het nachtlicht het bleeke gezicht van zijn vader, die aan zijn -bed gezeten was. Hij verzocht hem, te gaan slapen. - -De oude man ging heen, maar kwam dadelijk daarop weer terug en -bleef achter de half-open deur van een kast verborgen, zijn zoon -observeeren. Ook Arina Vlassievna sliep niet, ze kwam telkens aan de -kamerdeur, om naar de ademhaling van haar Jenoesja te luisteren en zich -ervan te vergewissen, dat Wassili Ivanowitsj nog op zijn post was. Ze -kon niets zien als den gebogen rug van haar man, die zich niet bewoog, -maar dat was voldoende, om haar eenigszins gerust te stellen. - -Toen de dag aanbrak, trachtte Bazarof op te staan. Maar een -duizeling beving hem, gevolgd door neusbloedingen en hij ging weer -te bed. Wassili Ivanowitsj hielp hem zwijgend. Arina Vlassievna kwam -en vroeg, hoe het stond. - ---Ik voel me beter, antwoordde hij en keerde zich naar de muur. - -Wassili Ivanowitsj beduidde zijn vrouw met beide handen, dat ze weg -moest gaan. Zij beet op haar lippen, om niet te weenen en ging. - -Het heele huis scheen versomberd. Alle gezichten waren strak en een -vreemde stilte heerschte tot op het erf. Een kraaiende haan, die zich -zeker verwonderde, werd naar het dorp verwijderd. - -Bazarof bleef in bed, het gezicht naar den muur gekeerd. - -Wassili Ivanowitsj sprak hem herhaaldelijk toe, maar zijn vragen -hinderden den zieke en daarom bleef hij maar in zijn leunstoel zitten -en van tijd tot tijd wrong hij alleen zijn handen. Dan ging hij weer -een oogenblik den tuin in en stond strak als een standbeeld. Een -onuitsprekelijke ontzetting scheen hem aangegrepen te hebben. De -uitdrukking van diepste verwondering bleef duidelijk op zijn gezicht -te lezen. Toen ging hij weer naar binnen, naar zijn zoon en liep zijn -vrouw zoo veel mogelijk uit den weg. - -Het gelukte haar eindelijk, hem bij de hand te grijpen en als in een -kramp, bijna dreigend vroeg ze: - ---Wat heeft hij dan? - -Wassili Ivanowitsj trachtte te glimlachen, om haar gerust te stellen, -maar tot zijn eigen verbazing ontwrong zich een harde lach aan zijn -breeden mond. - -'s Morgens al had hij een geneesheer uit de stad laten roepen en hij -wilde het zijn zoon meedeelen, opdat deze hem geen verwijten zou doen -in tegenwoordigheid van een derde. - -Bazarof keerde zich plotseling om, keek zijn vader star aan en vroeg -drinken. - -Wassili Ivanowitsj gaf hem water en maakte van die gelegenheid gebruik, -hem de hand op het voorhoofd te leggen. Dit gloeide. - ---Oude, zei Bazarof langzaam en met harde stem,--dat loopt mis. Ik -heb het gif in mijn lichaam, over een paar dagen zul je me begraven. - -Wassili Ivanowitsj wankelde, alsof hij een zwaren slag tegen de beenen -had gekregen. - ---Wat zeg je daar, jongen, stamelde hij, het is een gewone verkoudheid. - ---Kom, een dokter mag zoo iets niet zeggen, antwoordde hij.--Ik heb -alle verschijnselen van een besmetting. Dat weet je wel. - ---Verschijnselen... van een... o neen... Jevgenij! - ---Wat is dit dan? vroeg hij, stroopte den mouw van zijn hemd op en -liet zijn vader de onheilspellende roodachtige vlekken zien, die zijn -huid bedekten. - -Wassili Ivanowitsj verbleekte. - ---Gesteld... indien ook al... dat zou... een epidemische... - ---Het is pyemie, zei de zoon. - ---Ja, een epidemische besmetting. - ---Pyemie, herhaalde Bazarof beslist en op ruwen toon:--heb je je -dictaatcahiers vergeten? - ---Nu ja, dat kan wel. Maar we zullen je beter maken. - ---Onzin... Laat ons verstandig praten. Ik dacht niet, zoo gauw al te -sterven. Het is een ongeluk, dat, ik geef het toe, niet pleizierig -is. Moeder en jij, jullie zult goed doen, je toevlucht in het geloof te -zoeken, het is een mooie gelegenheid, dat eens op de proef te stellen. - -Hij dronk een slok water.--Ik heb je iets te verzoeken, zoolang mijn -hoofd nog helder is. Morgen of overmorgen, zullen mijn hersens ophouden -te werken. Het kan best zijn, dat ik me nu al niet duidelijk meer -uitdruk. Zoo pas nog dacht ik, dat roodharige honden mij achterna -zaten en jij stond ook te loeren, zooals men op jacht een korhaan -afwacht. Ik voel me net dronken. Kun je me nog begrijpen? - ---Zeker, jongen, je spreekt heel redelijk, zooals altijd. - ---Des te beter. Je hebt gezegd, dat je een dokter hebt laten -halen. Daarmee heb je jezelf een genoegen gedaan. Doe mij nu ook een -genoegen en stuur een ijlbode... - ---Aan Arkadiej Nikolajewitsj, viel de oude man in de rede. - ---Wie is die Arkadiej Nikolajewitsj? vroeg Bazarof, als in een -oogenblik van niet-meer-weten...--o ja, die sijs! Neen, laat die maar -loopen, die is nu een raaf geworden. Zet maar geen groote oogen op. Dit -is nog geen dilirium. Stuur een ijlbode naar Anna Sergejevna Odintsof, -een dame hier in de buurt, (Wassili gaf met het hoofd een teeken dat -hij haar kende). Doe haar weten: Eugenij Bazarof laat haar groeten -en deelt u mede, dat hij stervende is. Begrijp je mij? - ---Het zal gebeuren, maar hoe kun je nu sterven? Jevgenij, jongen, -oordeel zelf. Er is toch nog gerechtigheid in de wereld! - ---Ik begrijp je niet. Maar stuur hem nu weg. - ---Dadelijk en ik zal hem een brief meegeven. - ---Nee, dat hoeft niet. Laat haar maar groeten, dat is genoeg. En nu ga -ik weer naar mijn roode honden. Vreemd, ik wilde aan den dood denken, -maar dat gaat niet. Ik zie een soort nevelvlek, anders niets. - -Hij keerde zich weer moeilijk om en Wassili Ivanovitsj verliet de -kamer. In het vertrek bij zijn vrouw, viel hij voor de Heiligenbeelden -neer. - ---Laat ons bidden, Arina, laat ons God bidden, snikte hij.--onze -zoon sterft! - -De distriktsgeneesheer, dezelfde, die geen lapis had, kwam en ried -aan, een afwachtende houding aan te nemen. En dan sprak hij nog een -paar frazes, die hoop op herstel moesten wekken. - ---U hebt dus menschen gezien in mijn toestand en die niet naar de -Elyzeesche velden zijn vertrokken? vroeg Bazarof en stootte met zijn -voet tegen een zware tafel bij het bed, zoodat deze wankelde. - ---Ik heb nog mijn volle kracht, zei hij, mijn volle kracht, en toch -moet ik sterven. Een grijsaard heeft tenminste tijd gehad om het -leven af te wennen. Maar ik... ontkennen; ontkennen... Ja, ontken -den dood maar eens. Hij ontkent óns. Daarmee is alles gezegd. Ik hoor -weenen daar ginds... en na een oogenblik:... het is mijn moeder, arme -vrouw, voor wien zal ze nu haar heerlijken borsj klaar maken? En jou, -vader, staat ook het huilen nader dan het lachen. Als je christelijk -geloof je niet helpt, probeer het dan met de filosofie, denk aan de -Stoïcijnen. Beweerde je niet filosoof te zijn? - ---Ik filosoof? riep Wassili Ivanowitsj en de tranen stroomden hem -over zijn wangen. - -Bazarofs toestand werd ieder uur erger. De ziekte greep razend snel om -zich heen, zooals gewoonlijk bij dergelijke bloedvergiftigingen. Hij -had nog zijn volle bewustzijn en begreep alles, wat er gesproken -werd. Hij streed nog,--ik wil niet ijlen, dacht hij,... dat is te -gek... En hij balde de vuisten... tien min acht, dat is ...? Wassili -Ivanowitsj liep als een gek in de kamer heen en weer, bedacht allerlei -middelen en dekte in zijn machteloosheid, telkens en telkens weer de -voeten van den zieke toe. - ---Koude omslagen--een braakmiddel--mosterdpleister op de -maag--aderlaten--steunde hij. - -De geneesheer, dien hij verzocht had te blijven, stemde in alles toe, -gaf den zieke limonade te drinken en vroeg zelf iets versterkends en -verwarmends, een borrel. Arina Vlassievna zat op een stoeltje bij -de deur en ging daar alleen vandaan om te bidden. Een paar dagen -geleden had ze haar spiegel laten vallen, en die was gebroken. En -dat beschouwde ze als een slecht voorteeken. Zelfs Anfisoesjka kon -haar geen troostwoord geven. - -Timofeitsj was naar mevrouw Odintsof gegaan. - -De nacht was slecht. De koorts gloeide door zijn lichaam en verteerde -het. Met het aanbreken van den dag kwam wat ontspanning. Hij vroeg -Arina Vlassievna, zijn haar te kammen, kuste haar de hand en slikte -twee lepels thee. Wassili Ivanowitsj kreeg weer wat hoop. - ---Goddank, zei hij herhaaldelijk.--De crisis is voorbij. Dat was -de crisis... - ---Zoo zie je de kracht van een woord, zei Bazarof,--het woord crisis -komt hem in den zin en dat kalmeert hem. Vreemd, de invloed, dien de -woorden hebben op de menschen... Zeg iemand, dat hij een idioot is, -je hoeft hem niet te slaan, en hij is onder den indruk. Wensch hem -geluk met zijn intellect, je hoeft hem geen geld te geven, en hij -voelt zich gelukkig... - -En Wassili Ivanowitsj herinnerde zich gesprekken uit gezonder dagen -en verrukt riep hij: - ---Bravo! Dat is goed gezegd. Bravo! - -En hij deed, of hij in zijn handen klapte. - -Bazarof glimlachte moe. - ---Wat denk je eigenlijk? vroeg hij zijn vader, is de crisis voorbij -of moet ze nog komen? - ---Het gaat beter, dat zie ik en dat verheugt me, antwoordde hij. - ---Gelukkig. Het is goed, als men zich verheugt. Maar is er een -boodschap daar heen? je weet wel... - ---Ja, zeker. - -De rustige oogenblikken duurden niet lang. De aanvallen kwamen -weer. Wassilli Ivanowitsj week niet van het ziekbed. Een vreeselijke -angst scheen hem te kwellen. Hij probeerde telkens te spreken. - ---Jevgenij! riep hij eindelijk,--mijn lieve, goede zoon! - -Deze onverwachte uitroep maakte indruk op Bazarof. Hij bewoog het -hoofd even en trachtte blijkbaar den last, die zijn geest drukte, -af te wentelen, hij zei: - ---Wat, vader? - ---Jevgenij, ging Wassili Ivanowitsj voort en liet zich op de knieën -vallen bij het bed. Maar Bazarof zag het niet, want hij had de oogen -gesloten.--Jevgenij, je voelt je beter en zult met Gods hulp geheel -herstellen. Maar maak van dit oogenblik gebruik en doe wat je moeder -en mij zoo een rust zou geven. Je plicht als Christen. Het valt me -zwaar, je dat te vragen. Maar het zou nog erger zijn... het gaat om -de eeuwigheid, Jevgenij, bedenk dat wel... - -Hij kon niet meer spreken en een vreemd trekken gleed over het gezicht -van den zoon, langzaam en zonderling. Zijn oogen bleven gesloten. - ---Als het jullie rust kan geven, heb ik er niets tegen; zei hij -eindelijk.--Maar dat heeft toch geen haast. Je zei daar toch, dat -het beter met me ging. - ---Beter, zeker, maar wie kan alles weten. Alles hangt af van Gods -wil. En een plicht nakomen... - ---Ik wil nog wachten, zei Bazarof,--je zegt zelf, dat de crisis -begonnen is. En als we ons vergissen, wat hindert dat? Een zieke -krijgt zijn absolutie, ook als hij bewusteloos is... - ---Om 's hemels wil, Eugenij... - ---Ik wil nog wachten. Ik wil eerst slapen. Laat me... En hij legde -het hoofd weer op het kussen. - -De oude man stond op, ging in zijn leunstoel zitten, stutte het hoofd -met de hand en beet zijn nagels stuk... - - - -Het geluid, dat een rijtuig op veeren maakt, dat geluid, dat in de -stilte van het land zoo duidelijk te onderscheiden is, bereikte het -gehoor van den ouden man. Het rollen der lichte wielen, het snuiven -der paarden en het getrappel der hoeven was duidelijk waar te nemen. - -Wassili Ivanowitsj sprong op en haastte zich naar het venster. Een -reiswagen met vier paarden bespannen, reed zijn erf op. Zonder zich -af te vragen, wat dat beteekende en onwillekeurig doortinteld met -een blij gevoel, liep hij naar de deur. - -Een palfrenier sloeg het portier open en een gesluierde vrouw in -zwarten mantel steeg uit. - ---Ik ben mevrouw Odintsof, zei ze,--leeft Eugenij Wassiljewitsj nog? U -bent zijn vader? Ik heb een geneesheer meegebracht. - ---Gods zegen over u! riep Wassili Ivanowitsj, nam haar hand en drukte -die krampachtig aan zijn lippen, terwijl de geneesheer, van wien -mevrouw Odintsof gesproken had, een kleine man met een bril en een -Duitsch gezicht, langzaam den reiswagen verliet. - ---Hij leeft nog, mijn Jenoesja, en nu zal hij gered -worden. Vrouw! Vrouw! Een engel uit den hemel is neergedaald. - ---Wat is er? God! stotterde Arina Vlassievna, die uit de woonkamer -kwam en in het voorvertrek Anna Sergejevna te voet viel en den zoom -van haar rok begon te kussen. - ---Wat doet u? Wat doet u? vroeg mevrouw Odintsof. Maar Arina Vlassievna -hoorde niet en Wassili Ivanowitsj herhaalde maar: Een engel! Een -engel is gekomen! - ---Wo is der Kranke? vroeg de geneesheer blijkbaar ongeduldig. - -Die woorden gaven Wassili Ivanowitsj zijn tegenwoordigheid van -geest terug. - ---Hier, hier. Wilt u mij maar volgen, waarde collega! voegde hij er -in het Duitsch bij en dacht aan zijn vroeger ambt. - ---Ah! zei de ander met een wrang lachje. - -Wassili Ivanowitsj bracht hem in zijn studeerkamer. - ---Hier is een dokter, door Anna Sergejevna Odintsof gezonden, zei hij, -aan het oor van zijn zoon,--en zij zelf is ook hier. - -Bazarof sloeg dadelijk de oogen op. - ---Wat zeg je? - ---Ik zeg, dat Anna Sergejevna Odintsof hier is en dezen geleerden -dokter heeft meegebracht. - -Bazarof zocht met zijn oogen door de kamer. - ---Is ze hier? Ik wil haar zien... - ---Je zult haar zien, Jevgenij, maar we moeten eerst met den dokter -spreken. Ik zal hem het ziekteverloop vertellen, want Sidor Sidoritsj -(de distriktsgeneesheer) is weggegaan. Dan kunnen we consult houden. - -Bazarof keek den Duitscher aan. - ---Goed, maar dan zoo gauw mogelijk. Maar praat geen latijn. Want ik -weet, wat dat beteekent: jam moritur. - ---Mijnheer schijnt Duitsch te kennen, zei de vreemde geneesheer -wederom in het Duitsch. - ---Ikke... aber... spreekt u maar liever Russisch, dat gaat toch beter, -antwoordde Wassili Ivanowitsj. - ---Aha... goed. - -En het consult begon. - -Een kwartier later kwam Anna Sergejevna met Wassili Ivanowitsj -binnen. De dokter had gelegenheid gevonden, haar toe te fluisteren, -dat de toestand hopeloos was. - -Ze keek naar Bazarof en bleef in de deuropening staan, ontsteld door -dat rood-opgezwollen gezicht en die vreemd-zoekende oogen. Een ijzige -kilheid, een beklemmende angst greep haar aan. En de zekerheid, dat -ze iets geheel anders gevoeld zou hebben, als ze van hem gehouden had, -maakte haar machteloos--beschaamd bijna. - ---Dank u, zei hij opgewonden,--ik had het niet gedacht. Dat is goed. We -zien elkaar dus nog eens, zooals u gezegd hebt. - ---Anna Sergejevna heeft de goedheid gehad... - ---Vader, laat ons alleen... Anna Sergejevna, u vindt het goed? Ik -geloof, dat het nu... - -Ze knikte en scheen daarmee te willen zeggen, dat ze niets meer te -vreezen had van een stervende. - -Wassili Ivanowitsj ging heen. - ---Ik dank u, herhaalde Bazarof, dat is een vorstelijke daad. Komen -koningen zoo niet aan het leger van stervenden? - ---Eugenij Wassiljewitsj, ik hoop... - ---Neen, Anna Sergejevna, laten we oprecht zijn. Voor mij is alles -gedaan. Ik ben onder het groote Wiel gekomen. Ziet u wel, dat ik gelijk -had, toen ik van de toekomst niets wilde weten? Sterven is een oude -geschiedenis, en blijft toch altijd nieuw voor iedereen. Tot op het -oogenblik voel ik geen angst, dan zal ik het bewustzijn verliezen en -fff... (hierbij bewoog hij even de hand). Maar wat wilde ik u nog -zeggen? Dat ik u heb liefgehad? Dat had vroeger geen zin en nu nog -veel minder. De liefde is een gevormdheid en mijn eigen vorm is zijn -vervluchtiging nabij. Ik wil u liever zeggen, dat u mooi bent... ja, -zooals ik u hier voor me zie... - -Anna Sergejevna beefde onwillekeurig. - ---Het is niets, maak u niet ongerust... gaat u daar zitten, nee, -niet dichterbij. Mijn ziekte is besmettelijk. - -Anna Sergejevna kwam naar hem toe, snel, door de kamer, en ging zitten -in den leunstoel bij het bed. - ---Die adel, fluisterde Bazarof,--wat is ze nu dichtbij, zoo jong, -zoo sterk, zoo rein in dit smerige hok... vaarwel, leeft u lang, -heel lang, iets beters kan men niet doen en geniet het leven, zoolang -het nog niet te laat is. Ziet u die afschuwelijke vertooning, een -half platgetrapte worm, die nog kronkelt. Ik had gehoopt nog veel te -kunnen doen... Sterven? Ik?... Bah!... Ik heb een opdracht... ik ben -een reus. En de heele opdracht van dien reus is nu alleen nog maar, -behoorlijk te sterven, al kan dat niemand wat schelen... Wat doet -het ertoe?... maar ik wil in een hoek kruipen als een hond. - -Hij zweeg en tastte met de hand naar zijn glas. Anna Sergejevna hielp -hem drinken, ze had handschoenen aan en hield den adem in. - ---U zult me vergeten, ging hij voort, de dooden zijn niets voor de -levenden. Mijn vader zal u vertellen, dat Rusland een man verliest, -die groote waarde had voor het land... Dat is opsnijderij, maar laat -den ouden man zijn illusie... U weet... Voor een kind... - -Tracht u hem en mijn moeder te troosten. In uw wereld -zult u zulke menschen niet aantreffen, al zocht u ze met een -lantarentje... ik... noodig voor Rusland!... Och nee, zeker niet. Maar -wie is dan wel noodig? Een schoenmaker, een kleermaker, een slager, -die verkoopt vleesch... een slager... stil... ik raaskal... dit is -een plank... - -Hij legde de hand op zijn voorhoofd. - -Mevrouw Odintsof boog over hem heen. - ---Eugenij Wassiljewitsj, ik ben er nog... - -Hij nam zijn hand weg en richtte zich plotseling op. - ---Vaarwel! zei hij hardop, en zijn oogen glansden voor de laatste -maal.--Vaarwel... luister... ik heb je toen niet gekust... blaas de -stervende lamp uit, uit... - -Mevrouw Odintsof drukte haar lippen op het voorhoofd van den stervende. - ---Ja... goed... fluisterde hij en zijn hoofd viel terug... nu de -duisternis... - -Mevrouw Odintsof verliet geruischloos de kamer. - - - ---En?... vroeg Wassili Ivanowitsj zacht. - ---Hij is ingeslapen, antwoordde ze nog zachter. - -Bazarof ontwaakte niet meer. Tegen den avond verloor hij het -bewustzijn en des morgens stierf hij. Vader Alexis schonk hem den -laatsten troost. Maar toen de gewijde olie op zijn borst drupte, -ging éen zijner oogen even open, en het was, of bij het zien van -dien priester in zijn ornaat, het rookende wierookvat en de brandende -kaarsen een rillende ontzetting voer over het misvormde gezicht... dit -duurde maar een oogenblik. Toen hij den laatsten snik gegeven had en -het huis in weeklachten jammerde, greep een plotselinge waanzin den -ouden vader aan. - ---Ik heb gezworen, in opstand te komen! schreeuwde hij met schorre -stem. Zijn gezicht stond vertrokken en wild-gloeiend en met gebalde -vuisten, als dreigend, liep hij rond: - ---Ik heb gezworen! En ik zal in opstand komen! Ik zal in opstand... - -Maar Arina Vlassievna, enkel tranen, viel hem om den hals en -beiden lagen voorover op den grond, "als twee lammeren" zooals -Anfisoesjka later vertelde, als twee lammeren, bevangen door de -hitte... tegelijkertijd en zij aan zij vielen ze neer. - -Maar de warmte van den dag vergaat, de avond komt, en dan de nacht, -de nacht, die alle zwaarbeproefden en zielsvermoeiden een stille -rustplaats biedt... - - - - - - - - -XXVII. - - -Zes maanden waren voorbijgegaan en het was winter geworden, een harde -winter met het wreede zwijgen van zijn vriesnachten, het wilde jagen -van zijn sneeuwbuien. - -De takken der boomen glinsteren van rozig rijp, kolommen dikke rook -stijgen uit de schoorsteenen naar den bleeken hemel, stroomen warme -lucht vluchten uit de warme deuren, wanneer die opengaan, de roode -gezichten der voorbijgangers schijnen van steen en de van kou rillende -paarden draven met verdubbelde snelheid. - -Een Januaridag was verstorven. De avondkou verdichtte de stille -lucht nog meer en de bloedroode schemering was haastig heengegaan. De -vensters van het heerenhuis te Marjino werden het een na het ander -verlicht. Prokofitsj dekte met bizondere plechtigheid voor vijf -personen in de eetzaal. Hij was in rok en witte handschoenen. - -Een week te voren waren er twee huwelijken ingezegend in de kleine -kerk van het kerspel. In alle stilte en nagenoeg zonder getuigen. - -Arkadiej was met Katja en Nikolaas met Fenitsjka verbonden en nu -gaf Nikolaas zijn broeder, die voor zaken naar Moscou ging een -afscheidsmaal. - -Anna Sergejevna was ook naar Moscou vertrokken, nadat ze den -jong-gehuwden rijke geschenken had gegeven. - -Het was het derde uur van den middag toen men aan tafel ging. Mitja -bevond zich ook onder de gasten. Er was voor hem al een goevernante -met een kokosjnik van goud-doorstikte zijde. - -Paul Petrowitsj zat tusschen Katja en Fenitsjka. De echtgenooten -zaten naast hun vrouwen. - -Onze oude vrienden waren wel wat veranderd in den laatsten tijd. Zij -waren mooier, of tenminste flinker geworden. Alleen Paul Petrowitsj -zag er magerder uit, maar dit verhoogde den adel van zijn wezen. - -Ook Fenitsjka was niet meer dezelfde. - -In zwart-zijden kleed, een breed fluweelen lint in de haren, een -gouden ketting om den hals, zat ze daar onbewegelijk, eerbiedwaardig, -indrukwekkend, niet alleen voor zich zelf, maar tegenover al de -anderen en ze glimlachte alsof ze zeggen wilde: - ---Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb geen schuld... - -Ook de anderen hadden trouwens dien eigenaardigen glimlach om de -lippen, die als om verontschuldiging vraagt. Zij gevoelden zich allen -wat gedrukt, wat droevig en zeer gelukkig. Ieder was buitengewoon -vriendelijk voor zijn buurman, het was, of men afgesproken had, -een goedmoedige comedie van wederzijdsche welwillendheid met elkaar -te spelen. Katja was het stilst en rustigst van allen. Ze gevoelde -zich blijkbaar geheel thuis en Nikolaas scheen al aardig ingenomen -met haar. Hij stond op, het was tegen het einde van den maaltijd, -een glas champagne in de hand en sprak tot Paul Petrowitsj: - ---Je gaat ons verlaten, beste broeder. Wij hopen maar voor korten -tijd. Maar ik kan niet nalaten te zeggen, hoe jammer het is, dat -ik,... dat wij... dat wij Russen geen speech kunnen afsteken. Arkadiej, -neem jij het woord voor mij. - ---Neen, papa, ik ben in 't geheel niet voorbereid. - ---Altijd nog beter dan ik! Nu dan, broeder, laat ik je mogen omarmen, -gewoon weg, en je alles goeds toewenschen. Kom maar zoo gauw mogelijk -weer bij ons terug. - -Paul Petrowitsj omhelsde alle dischgenooten, Mitja incluis. Hij kuste -Fenitsjka buitendien nog de hand, die ze hem nog al onhandig gaf. Toen -dronk hij een tweede glas champagne en riep met een diepen zucht: - --- Weest gelukkig vrienden, farewell! - -Maar dit Engelsche woord hoorde niemand, want ieder was te zeer -ontroerd. - ---Ter nagedachtenis van Bazarof, fluisterde Katja haar man in het -oor en klonk met hem. Maar hij durfde niet op Bazarof te toasten en -drukte haar alleen de hand. - - - -En hiermede is dit verhaal ten einde. - -Misschien wenschen sommige lezers te weten hoe het met de verschillende -personen op het oogenblik gaat. - -Wij komen gaarne aan dit verlangen tegemoet. - -Anna Sergejevna is onlangs getrouwd. Zooals te verwachten was, -een mariage de raison. Haar echtgenoot is een voortreffelijk -rechtsgeleerde, een practisch man, met een krachtigen wil en groot -redenaarstalent. Overigens tamelijk jong, onbesproken, maar ijzig -koele natuur. Hij schijnt voorbestemd een groote rol in de politiek -der volgende jaren te spelen. - -Het is een voorbeeldig huwelijk en waarschijnlijk zullen zij het tot -huiselijk geluk en misschien tot liefde brengen. - -Vorstin K. is overleden en vergeten sedert den dag van haar heengaan. - -Vader en zoon Kirsanof wonen op Marjino. De zaken beginnen beter te -loopen. Arkadiej is een flink landbouwkundige geworden en het landgoed -brengt aanzienlijke rente op. - -Nikolaas Petrowitsj werd tot vrederechter gekozen en komt zijn -ambtelijke plichten met de grootste nauwgezetheid na. Hij bereist -onophoudelijk zijn distrikt, en houdt lange redevoeringen. Want hij -is van oordeel, dat men de boeren moet onderrichten en herhaalt nu -dezelfde kwesties uit den treure. Intusschen gelukt het hem noch de -verlichte heeren edellieden, die over de "(é)mancipation" zwaarwichtig -of zwaarmoedig redeneeren, noch de onontwikkelde heeren, die deze -"mancipation" hartgrondig verwenschen, volkomen tevreden te stellen. - -Dezen zoowel als genen vinden hem te "slap". - -Katharina Sergejevna heeft een zoon en Mitja is al een aardig kereltje, -dat loopen en praten kan. - -Fenitsjka, nu Fedosia Nikolajevna, houdt, behalve van echtgenoot en -kind, van niemand zooveel als van haar schoondochter. Als Katja piano -speelt, wijkt ze niet van haar zijde. - -Ook Peter mogen we niet vergeten. Hij is verdwaasd en in het gevoel -van zijn gewichtigheid opgeblazener dan ooit. Toch heeft hij een vrij -voordeelig huwelijk gesloten. Met de dochter van een tuinbaas uit de -stad, die hem de voorkeur had gegeven boven twee andere mededingers, -omdat die geen horloge hadden en hij niet alleen een horloge, maar -zelfs lakschoenen bezat! - - - -Op het Brühlterras te Dresden kan men des middags tusschen twee en -vier uur, den fashionable wandeltijd, een vijftiger zien wandelen, -geheel grijs, en die jichtig schijnt, maar nog knap en elegant, en -met dat bizondere cachet, dat onmiddellijk den man van de wereld -verraadt. Deze wandelaar is niemand anders als Paul Petrowitsj -Kirsanof. Hij heeft Moscou om gezondheidsredenen verlaten en zich -in Dresden gevestigd, waar hij hoofdzakelijk omgaat met Engelsche -en Russische vreemdelingen. Tegenover de Engelschen gedraagt hij -zich bescheiden, maar altijd waardig. Zij vinden hem min of meer -vervelend, maar zeggen, dat hij een perfect gentleman is. In den -omgang met de Russen gevoelt hij zich meer behagelijk, laat zijn -galgenhumor den vrijen teugel, bespot zich zelf en spaart de anderen -evenmin. Maar er is in zijn houding een prettig aandoend zich laten -gaan en hij komt nooit in botsing met den goeden toon en de waardige -levenshouding. Hij is het buitendien eens met de opvattingen der -slavophielen en zooals men weet wordt deze opvatting in de Russische -beau monde zeer gedistingeerd gevonden. Hij leest geen Russische -boeken, maar op zijn schrijftafel staat een zilveren "lapot" [18] als -aschbak. Russische reizigers bezoeken hem dikwijls. Zoo ook Mathias -Ilitsj Koliazin, die tegenwoordig in de oppositie is, en hem zijn -opwachting kwam maken op een reis door de Boheemsche badplaatsen. De -inwoners van Dresden, met wie hij overigens niet omgaat, schijnen -een soort vereering voor hem te koesteren. - -Niemand kan zoo gemakkelijk als "Baron van Kirsanof" een introductie -krijgen voor de hofkapel, een schouwburgloge of dergelijke. Hij doet -zooveel goed, als hij kan en altijd min of meer zichtbaar. Toch is -het leven hem een last, meer dan hijzelf eigenlijk beseft. Zie bij -voorbeeld, hoe hij in de Russische kerk, tegen een muur geleund staan -kan, een trek van bitterheid om de vastgesloten lippen onbewegelijk, -droomend, en dan opeens het hoofd schudt en bijna onmerkbaar een -kruis slaat. - -Mevrouw Koeksjin heeft ook het dorpsleven vaarwel gezegd. Zij -woont in Heidelberg en studeert niet langer natuurwetenschappen, -maar architectuur en heeft, zooals zij zelf beweert, nieuwe wetten -ontdekt. Zooals vroeger gaat zij met de studenten om en vooral met -jonge Russische chemici en physici, waarvan er zoo veel zijn in -Heidelberg, en die eerst de naïeve Duitsche professoren versteld -doen staan over hun juist oordeel, maar weldra door hun verregaande -luiheid en leegloopen die heeren nog meer verbazen. - -Met twee zulke chemici, die het onderscheid tusschen zuurstof en -stikstof niet kennen, maar alles critiseeren en zeer ingenomen met -zich zelf zijn, maakt Sitnikof Petersburg onveilig en zet zoogenaamd -het "werk" van Bazarof voort in compagnieschap met "den grooten" -Jelisewitsj, en is overtuigd, weldra eveneens een groot man te -zullen zijn. - -Men zegt, dat hij onlangs een pak slaag heeft opgeloopen, maar niet -zonder zich te wreken. In een obscuur blaadje heeft hij in een anoniem -artikel te verstaan gegeven, dat zijn vijand een lammeling was. Zelf -noemt hij dat ironie. Zijn vader bemoeit zich niet met hem, en zijn -vrouw noemt hem een domkop en een "letterkundige". - - - -In een afgelegen hoekje van Rusland ligt een klein kerkhof. Zooals -al onze kerkhoven, treurig om te zien. De greppels erom heen zijn -sedert lang met onkruid begroeid en onzichtbaar. De houten kruisen -zijn voor den tand des tijds bezweken en liggen omvergewaaid, -vergeten. Enkele houden zich nog staande, maar schijnen gebukt te -gaan onder het bemost-groene afdakje, dat ze beschermen moest. De -grafsteenen zijn van hun plaatsen geschoven, alsof iemand ze van -onderen had weggeduwd. Enkele, bijna bladerlooze boomen geven geen -schaduw. Schapen weiden tusschen de zerken. Maar één graf is er, -dat door mensch en dier gespaard schijnt. Alleen de vogels komen en -zingen er iederen morgen, als de dag aanbreekt. Het is omgeven door -een ijzeren hek en twee jonge dennen staan aan de uiteinden. - -Dit is het graf van Jevgenij Bazarof. - -Twee oude menschen, een man en een vrouw, gebogen onder den last der -jaren, komen er dikwijls van uit een dorpje in de omgeving. De een -op de ander steunend komen ze langzaam naar het hekje, knielen neer -en weenen lang en bitter, de oogen op den stommen steen gericht. Ze -spreken een paar woorden, vegen het stof en zand van den steen, -leggen er een dennetak op neer, en beginnen weer te bidden en kunnen -er niet toe komen, deze plaats te verlaten, waar ze dichter bij hun -kind denken te zijn. - -Kunnen hun tranen, hun gebeden vruchteloos zijn? - -Is het mogelijk, dat reine, opofferende liefde niet alvermogend is? - -O... neen... neen.... - -Hoe hartstochtelijk, hoe opstandig een hart ook is geweest, dat nu -rust in een graf, de bloemen, die er bloeien, zien ons liefdevol met -haar onschuldige oogen aan. Ze vertellen ons van de eeuwige rust, -van de rust der in zichzelve harmonische natuur. Ze vertellen ook -van een verzoening en van een leven, dat zonder einde is... - - - - EINDE. - - - - - - - - -NAWOORD. - - ---En hoe vindt u dat boek, Vaders en Zonen? - ---Moeten we het weer over literatuur hebben? Dat is moeilijk te zeggen, -juffrouw, we zijn op het oogenblik in 1918... - ---Wat heeft de tijd met een kunstwerk...? - ---Pardon, niets en alles. Vooral een boek als dit, dat de schreeuw -van een tijd is. En die tijd is lang voorbij, al zult u de antagonie -tusschen aristocraat en plebejer zelden scherper geteekend vinden. - ---Dus... - ---Och, juffrouw, het "moderne" is zoo gauw oud. En de menschen -zijn zoo ondankbaar, zoo vergeetachtig en zoo ingebeeld, vooral de -"moderne". Maar toch leeft dit boek nog met een diep-stroomend, -doorzichtig, gevoelig leven. - ---Echt Russisch. - ---Ja, juffrouw, ik weet, wat u zeggen wilt. Maar drinkt u uw thee -eens op. Nog een koekje? - ---Dank u. Ik bedoelde, in Russische boeken, zijn daar niet altijd -van die rare menschen? - ---Pardon, raar zegt u? Dat had ik niet verwacht. Ja... nee... dat -geloof ik niet. Maar u vindt, dat je in dit boek eigenlijk niet van -die rare menschen ontmoet? Die Bazarof is nog de gekste, noemt zich -een nihilist, gelooft aan geen enkele autoriteit. Dat vindt u niets -vreemd, wel? Overwonnen standpunt. 1918! In Américain zitten ze nog -veel gekker tegenwoordig en met theorieën! Heeft u gezien... - ---Ja. - ---Maar vergeet u niet, dat die Bazarof een eersteling was in -de literatuur. Toergenef heeft voor hem het woord nihilist -uitgevonden. En hebt u gemerkt, hoe de conservatieve edele -landeigenaren daarvan schrokken? Eerstelingen kunnen de menschen -nooit goed verdragen. Vandaar dat Paul Kirsanof met Bazarof duelleert. - ---Wat is het landleven van die Russische heeren fijn geteekend. - ---Ja, zoo eenvoudig-reëel en tegelijk zoo dichterlijk. - ---Zou dat komen, omdat het leven werkelijk zoo dichterlijk is, of -omdat de schrijver het zoo ziet? - --- Een beetje dilettantisch die vraag. Ik denk allebei. Leest u er -den eersten besten kunst-betweter criticus maar op na. Nog een kopje -thee? Maar even inschenken? - ---Dank u. Maar vindt u ook niet, dat een Russisch boek altijd zoo -een eigen atmosfeer heeft, zoo iets anders... - ---Omdat er wel een Russische ziel is, maar geen (west)-europeesche. Ten -minste nu niet. Omstreeks 1800 wel, toen leefde de romantiek. Hebt -u gemerkt, hoe die Russen eigenlijk nog vol-bloed romantici -zijn. Ten minste de ouderen, de "vaders". Bazarof gaat daar als -nihilist d. w. z. materialist tegen te keer. Hij wil immers niet -gevoelig zijn. Hij leest niet Poesjkien, maar Büchner! Heel Europa -is later vermaterializeerd. In West-Europa zijn dat de winkeliers, -de kaaskoopers, de effectenhandelaars, de fabrikanten geworden. - ---De bourgeoisie? - ---Ja, vooral zonder hoofdletter! De Jan Salie van Potgieter, de -Droogstoppel van Multatuli, de Jan Publiek van tegenwoordig. In -Rusland is het heel anders gegaan. Daar heb je geen bourgeoisie, -geen middenstand, geen "ontwikkelde burgerij". - ---Zalig land. - ---Past u op, want de "nette burger" heeft geweldige argumenten, die -zijn bloei schijnen te rechtvaardigen.--In Rusland bleef de romantiek -in den landedelman, met zijn patriarchale tradities, in den boer, -met zijn innige religieuziteit en onderworpenheid aan het gezag, in -den student, die met heel zijn nihilisme en anarchistische neigingen -voor een waarheid strijdt en lijdt, voor een ideaal. Praat, praat en -droomt... daar hebt u de Russische ziel. Maar steekt u een sigaret op, -dan zal ik wat licht maken... zoo... dat is gezelliger... - ---Maar leeft die ziel ook niet in Bazarof's moeder, -fanatiek-bijgeloovig en zoo vol liefde, dat ze haar zoon niet durft -vragen, hoe lang hij blijven wil, uit vrees, dat hij zeggen zal, -ik ga morgen weer weg... - ---Ja, angst voor de machten en overgave aan het ideaal. - ---En dan die vader, zoo zwak, onzeker en vol vertrouwen. En al die -anderen, die zooveel zwaarwichtig redeneeren en zoo weinig doen... Wij -houden toch meer van handelen. - ---In theorie. Maar dikwijls blijft het bij het "houden van". Dat is -immers begrijpelijk en in-menschelijk. En dat is nu ook Russisch: -daar rond voor uitkomen. West-Europa huichelt; de west-europeesche -burger huichelt op zijn kantoor en in zijn salon, op zijn straat en -in zijn schouwburg, overal en altijd. De Rus zegt alles, leeft naar -zijn innerlijkst beleven. Daarom sprak u straks van raar. - ---Dostojefski... - ---Laten we hem laten rusten. Toergenef was zijn tijdgenoot, maar beter -gesitueerd en dus rustiger, blijmoediger. Maar zijn gevoeligheid voor -wat zwak, droevig en teeder is, zijn ironische glimlach voor wat er -onder de menschen beglimlachenswaard is, heeft hij met alle romantici -gemeen. De gevoelens zijn eeuwig, maar de gedachten wisselen. En al -schijnt dit boek een strijdschrift, een uiteenzetting van theorieën, -een tegenover elkander plaatsing van oud en nieuw (zijn tijdgenooten -verweten hem, den draak met het heilige nieuwe te steken!), toch is het -in de eerste plaats een lied van stemmingen, het lied van de Russische -maatschappij in 1860, en weer eens blijkt ons de machteloosheid -en de gevoelsrijkdom van het zuiver-menschelijke. Bazarof is een -tragische figuur, omdat ook hij tot niets komt. Vóor hij aan de daad -toe is, achterhaalt hem de dood. Dit heeft een dieper zin; op zijn -sterfbed fluistert hij zijn bijna-geliefde toe: "een vertrapte worm, -die nog kronkelt. Ik dacht nog veel te doen. Ik had een taak, en -nu heb ik alleen nog maar flink te sterven, al kan dat niemand ook -wat schelen"... En ook hij, de materialist, de cynicus, de afbreker -van al het bestaande, is een armzalig idealist... een mensch... Hij -belichaamt de fataliteit van alle menschelijk streven, de ondergang in -den opgang. En dit is de stille en diepe daad van een kunstenaar, dat -hij altijd weer laat zien, hoe de daad, of zelfs al de wil-tot-de-daad -zichzelf verslindt, opgaat in den onafgebroken stil-ruischenden droom, -die het leven heet. - ---En zijn vriend Arkadiej is niet veel... - ---Nee, de even-prater, de naïeve enthousiast, de middelmatigheid in -persoon, het soort, dat u zoo gewoonlijk ontmoet. - ---Maar de vrouwen? - ---O, de vrouwen, dat is een nieuw hoofdstuk. Maar wilt u niet eens -die mocca krakelingetjes probeeren? - ---Nee, dank u, maar wel graag een sigaret. - ---Alstublieft... ja, dat zullen ze wel een beetje raar vinden, als -ze dat lezen. Die Anna Sergejevna en dat zusje van haar, zijn niet -eens hyst..., o pardon, ik bedoel, niet eens modern. - ---Zoo ouderwetsch. - ---Zoo koel... anæsthesie noemen ze dat meen ik tegenwoordig. En ze -zullen het niet gelooven, als iemand zegt, dat daar diepe krachten -verborgen zijn. Leest u hoofdstuk 18 en 19 en voel, hoe dat innerlijk -trilt en zoekt en huilt van verlangen en schaamte en... onmacht -tot liefde. - ---Niet kunnen lief hebben, dat is vreeselijk. - ---U zucht, juffrouw, ja, dat is wel vreeselijk, maar hier ligt ook de -hoofdoorzaak van het "moderne conflict", van Strindberg af tot wie u -maar wilt uit uw naaste omgeving. Dat hangt samen met de ontwikkeling -van het materialisme en met de "cultuur". Kijk eens, hoe sterk en -mooi Bazarof is in zijn begeeren, hoe eerlijk en gezond, maar "Zij" -is fijn en valsch en gecultiveerde femme du monde. - ---En haar zusje? - ---O, die laat zich gewoon ten huwelijk vragen, en zegt ja, als het -slachtoffer een kwartiertje leugentjes gestotterd heeft. Toergenef -zegt fijntjes: het succes van zulke meisjes hangt af van haar manier -van zuchten op het juiste oogenblik... - ---Maar het meisje van nu is niet meer zoo... - ---Natuurlijk niet, juffrouw, maar zulke domme jongens zijn er ook -niet meer, ten minste... lacht u? - ---Nu ja, omdat u lacht. - ---O... Maar weet u, wat echt niet meer bestaat? Zoo'n Fenitsjka, -dat eenvoudige meisje, dat den ouden Kirsanof haar leven en een kind -gegeven heeft en nu in zijn huis woont er er een zonnetje is... en -toch niet zijn vrouw... Want ze heeft hem zoo innig lief. Is dat -negende hoofdstukje niet een idylle, die aan Herman en Dorothea doet -denken? Noem dat gerust romantische liefde, maar een leelijk woord -duld ik hier niet. Want dat zou een laagheid zijn. - ---Nog één ding, de compositie van den roman is me opgevallen. - ---Eenvoudig, naïef bijna, vond u niet? Zoo eenvoudig, als de -karakters scherp, met duizend fijnheden geteekend zijn en leven, -leven... Toergenef brengt zijn menschen gewoonweg ergens onder dak, -laat ze daar leven en praten en droomen. En als hij nieuwe combinaties -noodig heeft, dan laat hij ze op reis gaan. De paarden draven langs -den weg. Een ander huis verschijnt. En de menschen leven, praten en -droomen weer in een andere verhouding. De menschen handelen niet, -zij worden gehandeld. En dit is erg bekoorlijk... Weet u nog uit -onzen genialen tijd: Man glaubt zu schieben, und man wird geschoben? - ---Ja, die herinneringen,... toen woonde u in een klein kamertje... - ---In de W... straat. - ---En iederen Dinsdagavond... - - - ---Och ja, die Russen zijn wel wijs in hun naïeveteit. Vergeeft u me -die gemeenplaats, maar men dweept tegenwoordig zoo met de Russen... - ---... misschien niet ten onrechte... het is zoo: menschen praten met -elkaar in een kamer, en er komt iets tusschen hen... en dan gaan ze -weg, in een ander huis... en daar zijn ook weer menschen. - ---En dat wordt dan de roman! - ---"Uit het leven". - ---Juist, juffrouw. - ---Weet u niet meer, hoe ik heet? - ---Jawel, maar laten we niet persoonlijk worden... - - - Januari 1918. S. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Jevgenij Onegin, een roman in verzen van 1825. - -[2] Elias. - -[3] mjesjtsjanien = "klein burger", niet onze "burger". - -[4] Russ.: daj vam Bog zdarovja i generalski tsjin = geef u god -gezondheid en den generaalsrang. - -[5] Russ.: Hegelisti i Nigelisti. - -[6] Russisch spreekwoord: aan zijn eigen melk brandt hij zich, nu -blaast hij koud water. - -[7] De Russische boer verslindt zelfs God. - -[8] Russisch spreekwoord: Ot kopejetsjnoi svjetsji, Moskva sgarjela! - -[9] De oudste, voorzitter, des adels van het goevernement. - -[10] Russisch spreekwoord. - -[11] n.l. 1825: samenzweerders tegen Nicolaas I, de dekabristen. - -[12] Dorpshoofd en -oudste. - -[13] Jasen = esch, jasni = vroolijk, opgewekt. - -[14] Russisch spreekwoord = Wie zich het oude herinnert, dien (moet) -een oog eruit. - -[15] Zuurkoolsoep - -[16] Roode bietensoep. - -[17] Russ. Mir = wereld, en gemeente; er bestaat een traditie, dat -de wereld op drie visschen rust. - -[18] Boerenschoeisel van berkenbast. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Vaders en Zonen, by Ivan Toergenev - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VADERS EN ZONEN *** - -***** This file should be named 53612-8.txt or 53612-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/3/6/1/53612/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
