summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/53612-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/53612-8.txt')
-rw-r--r--old/53612-8.txt10165
1 files changed, 0 insertions, 10165 deletions
diff --git a/old/53612-8.txt b/old/53612-8.txt
deleted file mode 100644
index fd666a5..0000000
--- a/old/53612-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,10165 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Vaders en Zonen, by Ivan Toergenev
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Vaders en Zonen
-
-Author: Ivan Toergenev
-
-Release Date: November 26, 2016 [EBook #53612]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VADERS EN ZONEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- DE MEULENHOFF-EDITIE
-
- EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK
-
-
-
- UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
- TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVIII
-
-
-
-
-
-
-
-
- VADERS EN ZONEN
-
- ROMAN
-
- DOOR
-
- IVAN TOERGENEF
-
- IN EEN NIEUWE VERTALING UIT HET RUSSISCH
- MET EEN OVERZICHT EN EEN NAWOORD VAN
-
- ARN. SAALBORN
-
-
-
- UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
- TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88
-
-
-
-
-
-
-
-
-IVAN TOERGENEF.
-
-
-Toergenefs vader was overste in een kurassiersregiment te Orel,
-afstammeling van een oud-adellijk geslacht, en gehuwd met de
-dochter van een zeer rijk grondbezitter. Alle vereischten tot een
-echt-Russische "heerenziel" zijn dus aanwezig bij den jongen Ivan,
-die de eerste jaren van zijn leven op het moederlijk landgoed
-in de omgeving van Mtsensk (goev. Orlof) doorbrengt, omgeven door
-lijfeigenen en slaven. In 1822 onderneemt de familie een groote reis
-door Duitschland, Zwitserland en Frankrijk, waarbij de vader een
-kleine hofhouding van lijfeigenen met zich voert. Terug in Rusland
-vestigt men zich in Spask, als landedellieden. Het "Adelsnest" is
-gebouwd, en Ivan groeit hier op, onder de leiding van Zwitsersche en
-Duitsche goeverneurs, die hem en zijn broeder Nikolaas vooral Fransch
-en Duitsch moeten leeren. Het Russisch speelt een zeer ondergeschikte
-rol. In de geheimen der Russische taal en letterkunde wordt de jongen
-ingewijd door een lijfeigen kamerdienaar van zijn moeder, die hem in
-gestolen uren voorleest uit oude epische gedichten. De oud-overste
-en zijn vrouw waren hard en despotisch tegenover de leermeesters
-hunner kinderen. Eens wierp de vader een goeverneur voor de oogen
-der jongens de trappen af, omdat zijn houding hem niet aanstond. Het
-huispersoneel wordt geslagen en dit zijn de eerste indrukken, welke de
-jonge schrijver van de maatschappelijke verhoudingen in zich opneemt.
-
-Sedert 1834 in de hoofdstad, bestudeert Ivan de classieken onder
-leiding van Duitsche professoren, in 1837 wordt hij candidaat en
-gaat hij "schrijven". Zijn eerste werk is een slaafsche navolging
-van Byrons Manfred.
-
-Thans echter gevoelt hij, dat Rusland hem niet bevredigen kan. Zijn
-wetensdrang drijft hem naar Duitschland en Italië. Tusschen 1838-47
-zien we hem de colleges volgen o. a. van de Berlijnsche professoren
-Hegel en Ranke en weldra rukt hij zich, ten minste theoretisch,
-los van het donkere Rusland, van het leven der Russische adellijke
-grondbezitters vooral. "Ik stortte mij in de zee van het W.-europeesche
-leven en werd een westerling, wat ik sedert altijd gebleven ben."
-
-Toch werd hij weldra medewerker aan de Sovremenik (Tijdgenoot) en de
-in dit blad gepubliceerde novellen maakten hem in korten tijd bekend
-en bemind bij het Russische publiek, (vooral De Aanteekeningen van
-een Jager).
-
-Deze jonge roem kon hem echter niet met Rusland verzoenen en hij
-ging weer buitenslands. Maar de dood zijner moeder (1850) drong hem
-naar zijn landgoed terug te keeren, dat hij sedert met zijn broeder
-beheerde. Zijn eerste daad was, de lijfeigen-boeren vrij te maken.
-
-In 1852 verscheen zijn Brief over den dood van Gogel, naar aanleiding
-waarvan de censor hem een maand gevangenisstraf bezorgde, omdat... deze
-heer niet hield van Gogel...! In de pers heette hij den eerstvolgenden
-tijd... "de bekende schrijver". Men durfde zijn naam niet noemen!
-
-Dit is typisch het Rusland van Nikolaas I!
-
-In Petersburg ontmoette hij de zangeres Pauline Viardo-Garsia, die
-een groote, maar geen tragische rol in zijn leven heeft gespeeld. In
-haar familie opgenomen, hechtte hij zich spoedig en bleef levenslang
-jonggezel, trouw blijvend aan deze zijn eerste liefde. Met deze familie
-reisde hij veel en woonde beurtelings in Baden-Baden, Parijs of Rome.
-
-In de eerstvolgende jaren verschijnen zijn beste werken. "Roedin", als
-zoo veel Russische romanfiguren een halve held, die de konsekwenties
-van zijn theorieën, zijn ideaal of zijn liefde niet aandurft en
-voor de daad terugschrikt; Asja, de vreemde meisjesfiguur, en het
-Adelsnest van 1859, waarin Lisa, de liefhebbende, geduldig wachtende
-vrouw, ook door Poesjkiens Tatjana vereeuwigd in heerlijken glans van
-vertrouwende liefde [1] en Lawretski, weer de halve-held, die zich
-en haar ongelukkig maakt door zijn halfheid. Ook Eerste Liefde is
-van dezen tijd. In 1861 verscheen zijn eerste groote roman Vaders en
-Zonen in een Russisch Tijdschrift, een gebeurtenis en een omwenteling
-in zijn leven. Van alle zijden aangevallen, zoowel van conservatieve,
-als van vooruitstrevende, had hij het bewustzijn, hier iets gedaan te
-hebben voor zijn land, maar voelde zich zóó teleurgesteld door allerlei
-tegenstand, dat hij met het plan omging, de pen neer te leggen.
-
-Pauline Viardo was intusschen een wijd-vermaarde zangleerares geworden
-te Baden-Baden, waar Toergenef een villa liet bouwen. Hij dichtte hier
-libretto's, waarvoor Pauline muziek schreef en die vaudevilles werden
-te hunnen huize opgevoerd. Beroemde gasten, zelfs gekroonde hoofden,
-bezochten de soirées, welke hier werden gegeven.
-
-Maart 1867 verscheen Dim (Rook), een boek, voor welks personen
-Toergenef vele voorbeelden in Baden had aangetroffen. Verwijten
-bleven wederom niet uit. Men verklaarde, dat de auteur het Russische
-wezen niet meer begreep. Maar Toergenef liet de critiek rustig
-over zich gaan en arbeidde vlijtig voort. Vele novellen verschenen,
-o. a. Koning Lear der Steppe, Vorst Tropman, (de beschrijving van de
-laatste oogenblikken van een ter dood veroordeelde) e. a.
-
-Met het uitbreken van den Fransch-Duitschen oorlog, verkochten
-Toergenef en de Viardo's hun eigendommen in Baden en trokken naar
-Parijs, al bleven Toergenefs sympathieën voorloopig zeer stellig
-aan de zijde van Duitsche kunst en Duitsch leven. Maar weldra is hij
-in Parijs de vriend van Flaubert en de Goncourts, en helpt Zola en
-Maupassant vooruit.
-
-1877 verscheen Nof (Het Nieuwe) een boek, waarin hij de nieuwe
-denkbeelden der jonge menschen dier dagen, zoowel in Rusland als
-in het Buitenland schetste. Het gaat om de bevrijding van het
-volk, maar zooals gewoonlijk is de held niet opgewassen tegen den
-strijd. Machteloos wordt hij het slachtoffer van zijn machteloos
-ideaal. Verontwaardiging was wederom de houding van het Russische
-publiek. Hij besloot nogmaals, niet meer te schrijven en hield dat
-drie jaar vol, tot een reis naar zijn vaderland hem bewees, hoe lief
-de Russen hun schrijver hadden. Zijn gezondheidstoestand ging sinds
-1881 achteruit, en in Augustus 1883 overleed hij in zijn villa te
-Bongival bij Parijs. Zijn lijk werd in Petersburg ter aarde besteld
-in tegenwoordigheid van tallooze belangstellenden.
-
-Heel anders dus als het leven van een Nekrassof, een Dostojefski
-verloopt zijn leven in de zorgelooze weelde der Europeesche
-hoofdsteden. Maar nooit verloochent zich ook in hem, "de Russische
-ziel", de Russische kunstenaar, zoeker naar waarheid, mee-lijdende
-mensch, teeder-ontroerde melancholicus, diep-overtuigd van de
-menschelijke onmacht. De adel echter, die hij van zijn geslacht heeft
-geërfd, uit zich in den altijd harmonischen bouw en wel-verzorgden
-stijl zijner romans en novellen. Ook in dit opzicht dus onderscheidt
-hij zich van de groote mannen-uit-het-volk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
---En, Peter, zie je nog niets? vroeg den twintigsten Mei 1859 op
-den ... straatweg een man van 45 jaren, die een overjas en geruite
-broek droeg en blootshoofds en bestoft voor de deur eener herberg
-stond. Zijn knecht, jong en flink, had ronde wangen, kleine fletse
-oogen en een ronde kin met kleurloos dons bedekt, en verried met zijn
-gepommadeerde haren, zijn steenen oorringen, zijn weloverwogen gebaren,
-den mensch eener nieuwe, vooruitstrevende generatie. Beleefdheidshalve
-keek hij nog al onverschillig den straatweg af en antwoordde afgemeten:
-
---Er is volstrekt niets te zien!
-
---Zie je niets? vroeg de heer.
-
---Volstrekt niets, herhaalde de ander.
-
-De heer zuchtte en ging op de bank zitten. Wij zullen hem den lezer
-voorstellen, terwijl hij daar zoo zit met over elkaar geslagen beenen
-en zijn blikken peinzend weiden laat.
-
-Hij heet Nikolaas Petrowitsj Kirsanof en bezit een goed stuk land
-met twee honderd boeren, ongeveer vijftien werst van de herberg
-verwijderd. Daar heeft hij een pachthoeve (zooals hij dat gaarne
-noemt sedert de nieuwe regeling met de boeren) die een tweeduizend
-desjatien omvat. Zijn vader, een van onze generaals van 1812, een
-man zonder veel beschaving, ruw, een echte Rus, maar niet slecht,
-had zijn leven lang geluierd. Brigade- en later divisie-commandant,
-woonde hij meestal in de provincie, waar hij in zijn dorp een vrij
-belangrijke rol speelde.
-
-Nikolaas Petrowitsj was in Zuid-Rusland geboren, evenals zijn
-oudere broeder Paul, over wien we later zullen spreken. Tot zijn
-veertiende levensjaar was hij opgevoed door goeverneurs, en hoe minder
-geld aan die opvoeding besteed werd, des te aangenamer was het den
-generaal. Slaafs-welwillende adjudanten en andere baantjes-bekleeders,
-behoorend bij den generalen staf, vormden zijn omgeving.
-
-Zijn moeder, uit de familie Koliazin en die als meisje Agatha heette,
-had sedert haar huwelijk den naam Agathokleja Koezminisjna Kirsanova
-aangenomen en onderscheidde zich bij haar optreden in niets van andere
-hoofdofficiersvrouwen. Zij droeg prachtige hoeden, ruischende zijden
-kleeren, trad in de kerk altijd het eerst naar voren om het kruis te
-kussen, praatte veel en druk, reikte iederen morgen haar kinderen
-de hand tot een kus en gaf hun iederen avond haar zegen, kortom,
-ze leefde voor haar genoegen.
-
-Ofschoon Nikolaas Petrowitsj, als de zoon van een generaal niet
-uitmuntte door dapperheid, werd hij toch evenals zijn broeder Paul
-bestemd voor den militairen dienst. Maar op den dag, dat hij bij zijn
-regiment ingelijfd zou worden, brak hij een been, bracht twee maanden
-door te bed en hinkte sedert zijn leven lang. De vader moest afzien van
-zijn militaire plannen en plaatste hem in den civielen dienst. Hij
-bracht hem naar St. Petersburg, zoodra hij zijn achttiende jaar
-had voltooid en liet hem de universiteit bezoeken. In hetzelfde jaar
-verwierf zijn broeder den officiersrang in een garderegiment. De jonge
-lieden betrokken eenzelfde woning onder het lichte toezicht van een oom
-van moeders zijde, Ilja [2] Koljazin, een hooggeplaatst ambtenaar. De
-vader was teruggekeerd tot zijn divisie en zijn echtgenoote en nu
-en dan zond hij zijn zoons kwarto vellen grijs papier beschreven met
-een handschrift vol sierlijke krullen. Aan het slot van deze epistels
-las men in een zorgvuldig omcirkelde handteekening de woorden: "Peter
-Kirsanof, generaal-majoor." In 't jaar 1835 verliet Nikolaas Petrowitsj
-de universiteit als candidaat en in datzelfde jaar verhuisde generaal
-Kirsanof, die na een onverwachte inspectie pensioen gekregen had,
-voor goed naar Petersburg met zijn vrouw. Hij huurde een huis bij
-den Taurischen Tuin en werd opgenomen in de Engelsche Club, maar
-plotseling overleed hij aan een beroerte. Agathokleja Koezminisjna
-volgde hem spoedig in het graf, zij vermocht zich niet te schikken in
-het doffe hoofdstadsleven. Het verdriet, als 't ware ontslagen te zijn,
-knakte haar ten slotte. Nikolaas Petrowitsj echter was, nog vóor den
-dood zijner ouders en tot hun bittere teleurstelling verliefd geworden
-op de dochter van den beambte Prepolovenski, bij wien hij inwoonde,
-een lief en zooals gezegd werd, een ontwikkeld meisje: zij las in de
-tijdschriften de ernstige artikelen in de afdeeling: wetenschap. Hij
-trouwde haar, zoodra de treurtijd voorbij was, liet zijn betrekking aan
-het ministerie der domeinen, welke hij door voorspraak van zijn vader
-gekregen had, in den steek en gelukzalig trok hij met zijn Masja eerst
-naar een landhuis van het Boschkundig Instituut, later naar de stad
-in een kleine, aardige woning met een killen salon en goed onderhouden
-trap, eindelijk echter vestigde hij zich op het land, en daar werd hem
-zijn zoon Arkadiej geboren. De echtgenooten leefden goed en rustig,
-zij lieten elkander nooit alleen, lazen gezamenlijk, speelden samen
-quatre-main, en zongen duetten. Zij kweekte bloemen en zorgde voor
-het pluimvee. Hij ging bij tijd en wijle op jacht en hield zich bezig
-met landbouw. En Arkadiej groeide en groeide even welgemoed en rustig.
-
-Tien jaren gingen als een droom voorbij. In het jaar 1847 overleed
-de vrouw. Hij trok zich dien slag zoozeer aan, dat hij in enkele
-weken grijs werd. Hij maakte toebereidselen voor een buitenlandsche
-reis, want hij wilde vergeten, toen het jaar '48 reizen onmogelijk
-maakte. Hij keerde gedwongen naar zijn land terug, leefde langen tijd
-in niets doen en begon eindelijk aan agrarische reorganisatie. In
-1855 zond hij zijn zoon naar de universiteit, woonde drie winters met
-hem samen in Petersburg, ging weinig uit en hield zich veel bezig
-met de jonge vrienden van Arkadiej. Den winter daarop kon hij niet
-komen en wij zien hem in Mei 1859, reeds geheel grijs, vadzig, min
-of meer gebogen. Hij wacht zijn zoon, die, evenals hij zelf weleer,
-den titel van candidaat heeft verworven.
-
-De bediende was uit fijngevoeligheid of omdat hij wellicht niet onder
-de oogen van zijn meester wilde blijven, naar binnen gegaan en had
-zijn pijp gestopt.
-
-Nikolaas Petrowitsj liet het hoofd hangen en begon naar de oude
-treden van de stoep te staren: een groote, bonte kip stapte
-op en neer, krachtig met haar lange gele pooten; een vuile kat
-begluurde haar niet zeer vriendschappelijk van af de leuning,
-waarop zij zat. De zon stak. Uit het half-donkere vertrek, vlak
-achter den ingang der herberg gelegen, kwam de geur van versch
-gebakken roggebrood. Onze Nikolaas Petrowitsj begon te droomen. "Mijn
-jongen... candidaat... Arkasja..." Onophoudelijk gingen hem die woorden
-door het hoofd. Hij trachtte te denken aan den een of anderen vriend
-en wederom keerde dat eene terug. Hij dacht aan zijn vrouw... "zij
-heeft niet gewacht," fluisterde hij weemoedig. Een groote, blauwgrijze
-duif streek neer op den weg en trippelde naar een waterplas bij den
-put. Nikolaas Petrowitsj keek hiernaar, maar zijn oor vernam reeds
-in de verte het geluid van een reiskoets.
-
---Dat zouden ze wel kunnen zijn, meende de knecht, terwijl hij uit
-de deur te voorschijn kwam.
-
-Nikolaas Petrowitsj sprong op en tuurde den weg af. Daar verscheen een
-tarantas, bespannen met drie paarden. In den wagen onderscheidde hij de
-klep van een studentenpet en de bekende trekken van een geliefd gelaat.
-
---Arkasja! Arkasja! riep Kirsanof en stormde met opgeheven armen
-vooruit. Enkele oogenblikken later kusten zijn lippen reeds de
-baardlooze, door de zon gebruinde, bestofte wangen van den jongen
-candidaat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
---Laat ik me eerst wat opknappen, papaatje, zei Arkadiej met een
-ietwat door de reis vermoeide, maar welluidende, jonge stem, terwijl
-hij de vaderlijke liefkoozingen met blijdschap beantwoordde,--ik maak
-u heelemaal stoffig!
-
---Dat is niets, dat is niets, antwoordde Nikolaas Petrowitsj met
-een gevoeligen glimlach en tweemaal sloeg hij met de hand den kraag
-van de jas van zijn zoon en van zijn eigen overjas af.--Laat je eens
-bekijken, laat je eens bekijken, ging hij voort, deed eenige passen
-achteruit, liep toen haastig naar het posthuis, en riep: "Vooruit,
-vooruit, de paarden!"
-
-Nikolaas Petrowitsj scheen meer opgewonden dan zijn zoon. Hij was
-zeer onrustig en scheen ergens bang voor. Arkadiej hield hem staande.
-
---Papaatje, zei hij, mag ik je mijn lieven vriend Bazarof voorstellen,
-over wien ik je zoo dikwijls geschreven heb? Hij is zoo vriendelijk,
-eenigen tijd bij ons door te willen brengen.
-
-Kirsanof keerde zich haastig om en trad toe op een man van groote
-gestalte, in een langen mantel met kwasten gehuld, die op dat
-oogenblik uit de reiskoets stapte. Hij schudde hem krachtig, zijn
-breede, roode hand, die deze hem niet dadelijk had toegestoken.
-
---Van harte gaarne, zei hij, ik ben verheugd over uw goed voornemen,
-ons te bezoeken. Mag ik zoo vrij zijn, u te vragen naar uw en uws
-vaders naam?
-
---Jevgeni Wassiljef, antwoordde Bazarof, met trage, maar forsche
-stem en den kraag van zijn mantel neerslaande, toonde hij Nikolaas
-Petrowitsj zijn geheele gezicht. Langwerpig en mager, met een breed
-voorhoofd, een neus, van boven breed, naar onderen spits toeloopend,
-groote groenachtige oogen en lange bakkebaarden van twijfelachtige
-kleur; een rustige glimlach verlevendigde zijn gezicht, dat
-zelfvertrouwen en intelligentie uitdrukte.
-
---Ik hoop, mijn beste Jevgeni Wassilitsj, dat ge u niet vervelen zult
-bij ons, ging Nikolaas Petrowitsj voort.
-
-De dunne lippen van Bazarof gingen nauwelijks open, maar hij antwoordde
-niet en nam alleen even zijn muts af. Zijn kastanjebruin haar, lang
-en dicht, liet de machtige welving van zijn breed voorhoofd open.
-
---Nu dan, Arkadiej, vroeg Nikolaas Petrowitsj weer aan zijn zoon,
-zullen we dadelijk de paarden laten inspannen of wil jullie eerst
-wat uitrusten?
-
---Thuis zullen we rusten, papaatje, laat maar inspannen.
-
---Dadelijk, dadelijk, antwoordde de vader.--He, Peter, hoor je? Maak,
-dat we vlug wegkunnen, broedertje!
-
-Peter, die in zijn hoedanigheid van voorbeeldig dienaar, niet de hand
-zijns meesters was komen kussen, maar hem slechts van verre gegroet
-had, verdween schielijk achter de staldeuren.
-
---Ik ben hier met een rijtuig, maar voor jouw reiskoets zal er ook
-wel een driespan zijn, zei Nikolaas Petrowitsj bezorgd; intusschen
-dronk Arkadiej water uit een ijzeren kroes, hem door de waardin van
-het posthuis gebracht, maar Bazarof stopte zijn pijp en stapte op
-den koetsier toe, die bezig was, de paarden uit te spannen.
-
---En, ging hij voort, er zijn maar twee plaatsen in mijn rijtuig en
-nu weet ik niet, hoe je vriend...
-
---Hij gaat in de tarantas, antwoordde Arkadiej half-luid. Maak u
-over hem alstublieft niet ongerust. Hij is een flinke jongen, heel
-eenvoudig, u zult zien.
-
-De koetsier van Nikolaas Petrowitsj kwam met de paarden.
-
---Vooruit, haast je wat, dikkop! riep Bazarof den koetsier toe.
-
---Hoor je, Mitioecha, zei een ander postiljon, die op eenigen afstand
-met zijn handen in de zakken van zijn pelsjas stond.--Hoe heeft de
-heer je genoemd? Dikkop! Dat ben je ook!
-
-Mitioecha nam alleen maar zijn muts af en trok het zweetende
-middenpaard aan den teugel.
-
---Vlug, vlug, jongens, help eens een handje, riep Nikolaas Petrowitsj,
-er zal wel een borrel overschieten!
-
-Enkele minuten en de paarden waren ingespannen. De vader stapte met
-zijn zoon in het rijtuig. Peter sprong op den bok. Bazarof ging in
-de reiskoets, leunde het hoofd tegen een lederen kussen en weg reden
-de beide equipages.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
---Zoo ben je dan eindelijk candidaat en op weg naar huis, sprak
-Nikolaas Petrowitsj, klopte hem nu eens op de knieën, dan weer op
-zijn schouders.
-
---Eindelijk!
-
---Hoe is 't met oom? Gezond? vroeg Arkadiej, die, niettegenstaande
-zijn oprechte, bijna kinderlijke blijdschap, liever een wat kalmer
-toon in het gesprek zag aangenomen.
-
---Hij is wel. Hij had eerst met mij mee willen gaan jou tegemoet
-rijden. Maar hij is van plan veranderd.
-
---Hebt u lang op mij gewacht? vroeg Arkadiej.
-
---Ja, bijna vijf uur.
-
---Beste papaatje!
-
-Arkadiej keerde zich levendig tot zijn vader en drukte hem een kus
-op de wang. Nikolaas Petrowitsj glimlachte even.
-
---Je zult zien, wat voor een paard ik voor je heb, zei hij. Je zult
-zien. En je kamer is opnieuw behangen.
-
---Is er ook een kamer voor Bazarof?
-
---Voor hem zal ook een kamer gevonden worden.
-
---Wees vriendelijk tegen hem, papa. Ik kan u niet zeggen hoe ik op
-zijn vriendschap gesteld ben.
-
---Ken je hem al lang?
-
---Nog niet lang.
-
---Daarom heb ik hem den laatsten winter niet gezien. Wat doet hij
-alzoo?
-
---Zijn hoofdvak is natuurwetenschappen. Maar hij weet alles. Het
-volgend jaar zal hij zijn doctorsgraad halen.
-
---Aha, hij studeert dus medicijnen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj
-en zweeg toen.
-
---Peter, riep hij dezen toe en wees met de hand, gaan daar niet van
-onze boeren?
-
-Peter keek den kant uit, die zijn heer hem gewezen had. Eenige
-karren, met paarden zonder toom ervoor, reden snel langs een smallen
-landweg. Op elke kar zaten een of twee boeren met de pelzen open.
-
---Ja waarachtig, antwoordde Peter.
-
---Waar gaan die naar toe? Naar stad soms?
-
---Waarschijnlijk wel naar stad. Naar de kroeg, zei hij op verachtenden
-toon, en wendde zich tot den koetsier, als om zich op hem te
-beroepen. Maar deze roerde zich niet, hij was een man van het oude
-regiem en niet toegankelijk voor de nieuwe denkbeelden.
-
---De boeren veroorzaken mij veel zorg dit jaar, sprak Nikolaas
-Petrowitsj, en keerde zich tot zijn zoon. Ze betalen hun pacht
-niet. Wat zou jij doen?
-
---Bent u tevreden met de loonarbeiders?
-
---Ja, antwoordde Nikolaas Petrowitsj tusschen de tanden door. Maar
-ze worden opgestookt, dat is de kwaal. En dan werken ze niet met den
-echten ijver. En vernielen de spannen der paarden. Zij ploegen ook,
-maar hoe? Er is gemalen. Meel zal er wel zijn. Doe jij tegenwoordig
-soms aan landbouw?
-
---Er is hier geen schaduw, dat is jammer, zei Arkadiej zonder op de
-laatste vraag te antwoorden.
-
---Ik heb aan de noordzijde boven het balkon een groote markies
-laten aanbrengen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, we kunnen nu in de
-buitenlucht eten.
-
---Dat zal wel erg op een villa lijken. Maar dat is het minste. Wat is
-de lucht hier zuiver! Wat ruikt dat heerlijk. Werkelijk, ik geloof,
-dat het nergens ter wereld zoo ruikt, als in deze streken. En dan
-die hemel hier...
-
-Arkadiej zweeg plotseling, wierp een steelschen blik achter zich en
-hield zich stil.
-
---Natuurlijk, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, je bent hier geboren
-en dus moet alles je hier bizonder...
-
---Nu, papaatje, dat is vrijwel onverschillig, waar iemand geboren is.
-
---Maar...
-
---Neen, dat doet er werkelijk niet toe.
-
-Nikolaas Petrowitsj keek zijn zoon van terzijde aan en het voertuig
-legde een halve werst af, voordat zij het gesprek hervatten.
-
---Ik herinner mij niet, of ik je geschreven heb, begon Nikolaas
-Petrowitsj, dat je oude min, Jegorovna gestorven is.
-
---Is het waar? Het arme oudje! En Prokofitsj, leeft nog?
-
---Die leeft nog en is volstrekt niet veranderd. Hij bromt nog als
-van ouds. Waarschijnlijk zul je geen groote verandering aantreffen
-op Marjino.
-
---Hebt u nog denzelfden opzichter?
-
---Nee, hierin heb ik verandering gebracht. Ik besloot, niet langer
-vrijgelaten, gewezen-lijfeigenen in dienst te houden, of tenminste
-hun geen verantwoordelijke posten te geven.
-
-Arkadiej wees met de oogen naar Peter.
-
---Il est libre. En effet, fluisterde Nikolaas Petrowitsj. Maar hij
-is kamerdienaar! Ik heb nu een opzichter uit den burgerstand [3],
-een degelijk man, naar mij schijnt. Ik geef hem tweehonderd roebel
-per jaar. Overigens, ging Nikolaas Petrowitsj voort, voorhoofd en
-wenkbrauwen met de hand aanrakend, wat bij hem altijd een teeken
-was van innerlijke verlegenheid, ik heb je al gezegd, dat je geen
-veranderingen op Marjino zult aantreffen. Dat is evenwel niet heelemaal
-juist. Ik meen je te moeten zeggen, ofschoon...
-
-Hij hield een oogenblik op en ging vervolgens voort in de Fransche
-taal:
-
---Een streng moralist zou mijn oprechtheid zeker onpassend vinden,
-maar in de eerste plaats, kan het niet verborgen blijven, in de
-tweede plaats weet je wel, dat ik altijd mijn bizondere opvattingen
-had omtrent de betrekkingen tusschen vader en zoon. Overigens heb je
-ten slotte het recht mij te veroordeelen. Op mijn leeftijd... kortom,
-dit... dat meisje, over wie je waarschijnlijk veel hebt hooren
-spreken...
-
---Fenitsjka? vroeg Arkadiej vrijmoedig.
-
-Nikolaas Petrowitsj bloosde even.
-
---Spreek den naam alsjeblieft niet zoo luid... Nu, ja, ze woont nu bij
-me. Ik heb twee kleine kamertjes in huis voor haar ingericht. Overigens
-kan alles nog veranderd worden.
-
-- Maar waarom, papaatje, waarom?
-
---Je vriend zal bij ons logeeren;... wat moeilijk...
-
---Maak u omtrent Bazarof niet ongerust. Hij is over al die dingen heen.
-
---Ook voor jou ten slotte, zei Nikolaas Petrowitsj. De vleugel is in
-slechten toestand.
-
---Neem me niet kwalijk papaatje, je schijnt je te willen
-verontschuldigen. Zoo nauw hoeft u het niet te nemen.
-
---Dat moest ik juist wel, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, die meer
-en meer bloosde.
-
---Schei uit, papaatje, schei uit alsjeblieft! glimlachte Arkadiej.--Je
-voor zoo iets verontschuldigen! dacht hij en een gevoel van teedere
-genegenheid voor dien zwakken en goeden vader, vermengd met een zeker
-overwicht aan moreele kracht ontwaakte in zijn ziel.
-
---Laten we ophouden hierover, zei hij nog eens, onwillekeurig genietend
-van het bewustzijn van eigen geestelijke vrijheid.
-
-Nikolaas Petrowitsj keek naar hem door de vingers van zijn hand,
-waarmede hij voortging, zijn voorhoofd te wrijven, en iets stak hem
-in het hart... Maar hij klaagde zich zelve aan.
-
---Hier beginnen onze velden, sprak hij na een lange poos van zwijgen.
-
---Maar dat woud daar vóór, hoort dat ook van ons? vroeg Arkadiej.
-
---Ja, dat is van ons. Maar ik heb het verkocht. Dit jaar nog zal
-het verdwijnen.
-
---Waarom hebt u dat verkocht?
-
---Ik had geld noodig. En buitendien al dit land komt weldra aan
-de boeren.
-
---Aan die, welke geen pacht betalen?
-
---Dat is hun zaak. Maar ten slotte zullen ze wel wat betalen.
-
---Jammer van het woud, zei Arkadiej en keek in het rond.
-
-De streek, waar ze doorheen reden, was niet bizonder
-schilderachtig. Velden, alles velden, zich uitstrekkend tot den
-horizon, zachtjes stijgend en dan weer dalend. Hier en daar kleine
-boschjes; en begroeid met verschillende soorten laag struikgewas,
-strekten zich ravijnen uit, herinnerend aan de afbeeldingen op de
-oude kaarten uit den tijd van Catharina. Men stootte ook op beekjes
-met kale oevers of op vijvers met afgebrokkelde randen en dorpen met
-lage hutten onder donkere uitgerafelde rieten daken; en ellendige
-dorschschuren met wanden van gevlochten takken en gapende openingen;
-kerken, sommige van baksteen met afschilferend pleisterwerk, andere
-van hout met scheefstaande kruisen en verwaarloosde doodenakkers.
-
-Het hart van Arkadiej werd min of meer beklemd.
-
-Alsof het met opzet geschiedde, waren alle boeren, die zij tegenkwamen,
-ongelukkig van uiterlijk, op stumperige paardjes. De wilgen langs den
-straatweg schenen wel bedelaars met hare kale stammen en afgesneden
-takken. Koeien, slecht verzorgd, mager en schuw, graasden hongerig
-langs de slooten. Men zou kunnen denken, dat ze met schrik ontkomen
-waren aan roofzuchtige klauwen en te midden van de jonge lentepracht
-herinnerden die arme dieren aan den onbarmhartigen, eindeloozen winter
-met zijn vorst en sneeuwstormen.
-
---Neen, peinsde Arkadiej, dat is geen rijk land, geen welstand,
-geen spoor van arbeid en vlijt. Zoo kan het niet blijven. Daar moet
-verandering in komen... maar hoe?...
-
-Het voorjaar intusschen groende rondom. Onder den teederen adem
-van een luwen wind scheen alles te zwellen, het glansde aan boomen,
-bosschen, velden. Overal klonken zonder ophouden de lange trillers
-der leeuweriken, kieviten zweefden roepend boven de vochtige weilanden
-of stapten rustig over de donkere aardkluiten. Kraaien met hun zwart
-gevederte scherp afstekend tegen het zachte groen, vertoonden zich hier
-en daar, alleen in de rogge, waren ze moeilijker te onderscheiden,
-alleen wanneer hun zwarte koppen boven de golvende arenzee kwamen
-uitsteken. Arkadiej bewonderde dit alles en zijn ernstige gedachten
-vervluchtigden langzamerhand. Hij ontdeed zich van zijn mantel en keek
-naar zijn vader zoo opgeruimd en kinderlijk, dat deze niet nalaten
-kon hem nogmaals te omhelzen.
-
---Zoodra we dien heuvel voorbij zijn, kunnen we het huis zien liggen,
-zei hij. We zullen elkaar wel begrijpen, jongen. Jij helpt ons het
-goed beheeren, als je lust hebt en het je niet verveelt. We moeten
-elkander goed leeren kennen, ons nauw aaneensluiten, is 't niet?
-
---Zeer zeker, antwoordde Arkadiej,--wat een heerlijke dag!
-
---Ter eere van jouw komst, mijn jongen. Ja, de lente staat nu op
-haar mooist. Trouwens, het gaat mij als Poesjkien. Herinner je je,
-Jevgeni Onegin:
-
-
- Hoe weemoedig maakt gij mij,
- Lente, lentetijd van liefde,
- Hoe...
-
-
---Arkadiej!--klonk Bazarofs stem uit den tarantas, stuur me
-lucifers. Ik kan mijn pijp niet aankrijgen!
-
-Nikolaas Petrowitsj zweeg en Arkadiej, die met eenige bevreemding,
-maar niet zonder belangstelling geluisterd had, haastte zich Peter
-met een zilveren doosje naar Bazarof te sturen.
-
---Wil je een sigaar? vroeg deze.
-
---Graag, antwoordde Arkadiej.
-
-Peter bracht met het doosje een dikke, zwarte sigaar mede terug, die
-Arkadiej dadelijk opstak, maar die zoo zwaar rookte, dat Kirsanof,
-die nog nooit gerookt had, het hoofd afwendde, zonder echter zijn zoon,
-dien hij niet wilde storen, zijn tegenzin te toonen.
-
-Een kwartier later hielden de beide voertuigen stil voor het bordes
-van een houten, nog nieuw huis met grijs bepleisterde muren en
-rood-ijzeren dak.
-
-Dit was Marjino, ook wel het nieuwe Erf of door de boeren het Oude
-mannenhuis genoemd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-De aankomst der heeren veroorzaakte niet dien samenloop van
-huisbedienden, zooals dat vroeger het geval was. Een klein, twaalfjarig
-meisje kwam aan de deur en kort daarop een jongen, in grijze livrei
-met witte knoopen, die nog al op Peter leek. Dit was de bediende van
-Paul Petrowitsj. Zonder te spreken opende hij het portier en sloeg het
-spatleder van de tarantas neer. Kirsanof, zijn zoon en Bazarof liepen
-door een donker, slecht gemeubeld vertrek, in welks achtergrond een
-oogenblik de gestalte van een jonge vrouw zichtbaar werd.
-
-Toen leidde hij zijn gasten binnen in een naar den laatsten smaak
-ingerichte kamer.
-
---Daar zijn we dan! zei Kirsanof, nam zijn muts af en schudde zijn
-haren. Nu zullen we eens wat eten en dan uitrusten.
-
---Daar voel ik veel voor, antwoordde Bazarof, rekte zich uit en liet
-zich op de sofa vallen.
-
---Ja, ja, gauw het avondeten! riep Kirsanof en stampte met den voet
-op den grond, zonder eigenlijk te weten, waarom.
-
---Daar komt juist Prokofitsj aan!
-
-Een magere man, een zestiger, met wit haar en een donker gezicht was
-binnen gekomen. Hij droeg een kastanjebruinen rok met koperen knoopen
-en een rose-rood doekje om den hals. Hij kuste Arkadiej de hand,
-begroette Bazarof en vatte, met de handen op den rug, bij de deur post.
-
---Daar hebben we hem dan, Prokofitsj, sprak Nikolaas Petrowitsj hem
-toe. Eindelijk hebben we hem dan weer. En, hoe vind je hem?
-
---In allerbeste conditie! antwoordde de oude man glimlachend. Maar
-onmiddellijk trok hij zijn wenkbrauwen samen en zette weer een
-ernstig gezicht.
-
---Zal ik de tafel dekken? vroeg hij gewichtig.
-
---Ja, maar zou Jevgenij Wassiljewitsj niet eerst een oogenblik naar
-zijn kamer willen gaan?
-
---Nee, dank u. Maar u wilt misschien wel zoo goed zijn mijn koffertje
-en dit vod daar heen te laten brengen? vroeg hij, terwijl hij zijn
-mantel uittrok.
-
---Natuurlijk. Prokofitsj, neem de jas van mijnheer mee.
-
-De oude kamerdienaar nam het vod met eenige verbazing aan, hield het
-boven zijn hoofd en ging op zijn teenen heen.
-
---En wil jij niet eerst je kamer zien, Arkadiej?
-
---Ja, ik zou me wel graag wat willen wasschen, antwoordde deze. Maar
-toen hij naar de deur ging, kwam er een man binnen, die een engelsch
-pak van donkere kleur, een modieuze das en lage lakschoenen droeg. Het
-was Paul Petrowitsj. Hij scheen een vijf en veertig jaar. Zijn
-kort geknipte haren waren grijs, maar glanzend; de trekken in zijn
-jeugdig-glad gelaat, zeer regelmatig en fijn geteekend. Men kon zien,
-dat hij een opvallend, mannelijk-schoon gehad moest hebben en zijn
-donkere, ovaal-vormige oogen, vochtig-glanzend, trokken onmiddellijk
-de aandacht. In zijn elegante verschijning leefde nog dat jeugdig
-harmonische en iets edel-om-hoog-willends, dat de zwaarheid der aarde
-niet schijnt te kennen en gewoonlijk met het twintigste jaar verdwijnt.
-
-Paul nam zijn wel-verzorgde hand met de roze nagels, een hand, welker
-schoonheid werd verhoogd door blinkend witte manchetten, waaraan
-opalen knoopen, uit den broekzak en stak haar zijn neef toe. En na
-deze Europeesche shake-handsformaliteit gaf hij hem op Russische wijze
-drie kussen, dat wil zeggen, hij raakte met zijn geparfumeerde snor
-driemaal de wang van den ander en zei:
-
---Welkom.
-
-Zijn broeder stelde hem aan Bazarof voor, wien hij echter niet de
-hand reikte, hij boog nauwelijks even licht het hoofd.
-
---Ik dacht al, dat jullie niet meer zouden komen vandaag, zeide hij
-met hooge, aangename stem, toonde daarbij zijn blanke, mooie tanden
-en wiegde lichtelijk in de heupen.
-
---Is jullie iets overkomen onderweg?
-
---Ons is niets overkomen, antwoordde Arkadiej. Maar we hebben het
-op ons gemak gedaan. Maar nu hebben we honger als de wolven. Laat
-Prokofitsj wat voortmaken, papa. Ik ben dadelijk terug.
-
---Wacht, ik ga met je mee, riep Bazarof en sprong van de sofa op. En
-de jonge lieden gingen de kamer uit.
-
---Wie is die man? vroeg Paul Petrowitsj.
-
---Een vriend van Arkadiej. Een zeer intelligent mensch, zooals
-hij zegt.
-
---Blijft hij hier logeeren?
-
---Ja.
-
---Die ongelikte beer?
-
---Waarschijnlijk.
-
-Paul trommelde met zijn vingers op de tafel.
-
---Ik vind, dat Arkadiej s'est dégourdi, ging hij voort. Het doet me
-genoegen, hem weer eens te zien.
-
-Het eten verliep vrijwel in stilte. Bazarof sprak nagenoeg niet,
-maar at des te meer. Kirsanof vertelde allerlei voorvallen uit
-zijn pachtersleven, zooals hij het noemde, en gaf zijn denkbeelden
-ten beste over de maatregelen, die de regeering ten opzichte der
-maatschappelijke kwesties had te nemen. Paul, die nooit at 's avonds,
-liep langzaam op en neer, dronk nu en dan een teug wijn uit een klein
-glas en antwoordde maar heel zelden met een enkel: Hm! Zoo! Ja...
-
-Arkadiej vertelde nieuwtjes uit Petersburg, hij voelde zich wat
-verlegen. Hij gebruikte onnoodig lange zinnen, vermeed het woord papa
-uit te spreken en verving het zelfs soms door "Vader." Maar aarzelend
-en nauwelijks verstaanbaar. Met gemaakte onverschilligheid schonk hij
-zich veel meer wijn in dan hem smaakte en achtte het zijn plicht,
-ook zooveel te drinken. Prokofitsj verloor hem niet uit het oog en
-bewoog voortdurend de lippen, alsof hij kauwde. Bijna dadelijk na
-het avondeten, ging men uiteen.
-
---Weet je, die oom van jou is een rare. snijboon! zei Bazarof, die
-op Arkadiej's bed was gaan zitten en een kort pijpje rookte.
-
---Zoo een dandy op het platte land, dat is zeldzaam! En die nagels. Die
-zouden naar een tentoonstelling kunnen!
-
---Weet je niet, dat hij een veroveraar was in zijn tijd? antwoordde
-Arkadiej. Ik heb je eens zijn geschiedenis verteld. Hij was een
-betooverend man en bracht alle vrouwen het hoofd op hol.
-
---Dat is het dus. Hij leeft nog in de herinnering aan dien
-tijd. Jammer, dat hier geen veroveringen te maken zijn. Ik kan er
-niet genoeg van krijgen, hem te bestudeeren. Wat een boord! Lijkt
-wel van marmer! En zoo fijn geschoren! Weet je wel, dat dat eigenlijk
-erg belachelijk is?
-
---Dat geef ik toe, maar hij is toch een uitmuntend mensch.
-
---Een echt stuk antiquiteit. Je vader, dat is een kerel! alleen moest
-hij niet zooveel gedichten lezen. Hij zal wel niet veel begrijpen
-van argricultuur. Maar 't is een braaf man!
-
---Mijn vader is een zeldzaam mensch.
-
---Heb je gemerkt, hoe verlegen hij was? Arkadiej hief het hoofd op,
-om te bewijzen, dat hij het niet was.
-
---Een eigenaardig slag menschen, die grijsharige romantici. Ze
-hechten zooveel gewicht aan hun zenuwstelsel, dat het evenwicht
-verloren gaat. Maar laten we nu gaan slapen. Ik heb wel een engelsche
-waschtafel in mijn kamer. Maar de deur sluit niet goed. Maar dat is
-minder. Die Engelsche waschinrichting is tenminste een vooruitgang.
-
-Bazarof ging en Arkadiej gevoelde zich diep-behagelijk. Het is goed,
-te slapen onder vaders dak, in het welbekende, oude bed, onder dekens,
-die bevriende handen hebben genaaid, teedere, nooit vermoeide handen
-van een zoogster, die het kind heeft groot gebracht. Arkadiej dacht
-aan Jegorovna en wenschte haar de eeuwige gelukzaligheid. Bidden deed
-hij echter niet.
-
-De jonge menschen sliepen weldra. Andere bewoners van het huis evenwel
-niet. De komst van Arkadiej had Kirsanof ten zeerste opgewonden. Hij
-ging wel te bed, maar liet het licht branden. Het hoofd op den arm
-gesteund, lag hij peinzend, langen tijd.
-
-Zijn broeder bleef in een grooten leunstoel tot na middernacht
-bij het kolenvuur zitten. Hij had zich niet uitgekleed, alleen de
-lakschoenen waren vervangen door roode, chineesche muilen. Hij had
-het laatste deel van Galignani in de hand, maar las niet. Zijn oogen
-droomden naar het kolenvuur, waar een vage vlam flakkerde. God weet,
-wat hij dacht. Maar het was niet alleen het verleden. Iets sombers,
-in zich gekeerds lag over zijn wezen...
-
-En in een klein kamertje, aan de achterzijde van het huis, zat een
-jonge vrouw, Fenitsjka, een blauw manteltje om en een witten doek
-over het hoofd. Ofschoon ze zich nauwelijks wakker kon houden, was
-haar aandacht gericht op een half-openstaande deur, waardoor een
-bedje te zien was, met een slapend kind, dat gelijkmatig adem haalde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Bazarof was het eerst wakker den volgenden morgen en ging weldra
-naar buiten.
-
---Mooi is het land bepaald niet, dacht hij. Toen Kirsanof zijn boeren
-vrij gemaakt had, hield hij voor zich ongeveer vier desjatienen
-vlak en onbebouwd terrein. Hierop zette hij zijn huis en de andere
-gebouwen. Terzijde liet hij een tuin aanleggen met een vijver en twee
-bronnen. Maar de boomen wilden niet goed, de vijver slibde dicht en
-de bronnen hadden te groot zoutgehalte. Alleen was er een prieel van
-vlierstruiken en acacia's, die wel eenigen schaduw gaven, en nu was
-men gewoon, daar te middagmalen en thee te drinken. Bazarof doorliep
-haastig alle paden van den tuin, bezichtigde hoenderhof en stal,
-trof twee erfknechtjes, met wie hij dadelijk kennis maakte en nam hen
-mee naar een poel, op eenigen afstand van het huis, om kikvorschen
-te vangen.
-
---Waar hebt u die voor noodig, heer? vroeg een van de jongens.
-
---Dat zal ik je zeggen, antwoordde Bazarof, die de bizondere gave
-bezat, menschen uit het volk vertrouwen in te boezemen, ofschoon hij
-hen toch, nauw merkbaar, op een afstand wist te houden.
-
---Ik snijd de beesten open, om te zien, wat daar van binnen
-gebeurt. Wij zijn ook zulke kikvorschen, jij en ik, maar dan op twee
-beenen. En zoo leer ik dus, wat er bij ons van binnen gebeurt.
-
---En waarom wilt u dat weten?
-
---Om me niet te vergissen, wanneer jij ziek wordt en ik je helpen moet.
-
---Bent u dan een dokter?
-
---Ja.
-
---Waska, hoor je dat? De heer zegt, dat wij kikvorschen zijn!
-
---Ik ben bang voor kikvorschen, antwoordde Waska. Hij was nog heel
-jong, een jaar of zeven, liep blootsvoets, had wit vlashaar en droeg
-een buis van grof, grauw doek.
-
---Waarom zou je bang voor ze zijn? Ze bijten toch niet? Vooruit,
-filosofen, het water in!
-
-Kort na Bazarofs uitgaan, ontwaakte ook Kirsanof en stond op. Hij ging
-naar Arkadiej's kamer. Deze was reeds gekleed. Vader en zoon betraden
-het terras. Een stoomende samowar stond gereed onder de marquise. Het
-kleine meisje, dat den vorigen dag de heeren had opgewacht, kwam met
-fijne stem meedeelen:
-
---Fedosia Nikolajevna voelt zich niet wel en laat vragen, of u de
-thee zelf klaar wilt maken, of dat ze Doeniasja zal sturen?
-
---We zullen hem zelf klaar maken, antwoordde Kirsanof snel. Wat wil
-je liever, Arkadiej, room of citroen?
-
---Room liever, zei Arkadiej en na een oogenblik, ging hij voort op
-vragenden toon:
-
---Papa?...
-
-Nikolaas Petrowitsj keek zijn zoon eenigszins verlegen aan.
-
---Wat is er? vroeg hij.
-
-Arkadiej sloeg de oogen neer.
-
---Neem me niet kwalijk, papa, als mijn vraag u onaangenaam is. Maar
-uw openhartigheid van gisteren, geeft mij het recht, ook openhartig
-te zijn. Zult u niet boos zijn?
-
---Spreek maar...
-
---U moedigt me aan... Als Fe... als zij niet komt voor de thee,
-ben ik daar de schuld van?
-
-Kirsanof wendde het hoofd af.
-
---Misschien, antwoordde hij. Ze denkt... ze schaamt zich...
-
-Arkadiej wierp een snellen blik naar zijn vader.
-
---Dan heeft ze groot ongelijk, antwoordde hij. U kent mijn
-opvattingen. Het zou mij bizonder onaangenaam zijn, indien ik ook maar
-de minste stoornis te weeg zou brengen in uw levenswijs. Buitendien
-weet ik, dat u geen slechte keus hebt gedaan, en dat zij het ook
-verdient, onder uw dak te leven, wanneer u haar dat hebt toegestaan. En
-verder is de zoon niet de rechter over zijn vader, allerminst een
-vader als u, die mijn vrijheid nooit in eenig opzicht hebt beperkt...
-
-Arkadiej had de eerste woorden met bevende stem gesproken. Hij vond
-zich zelf edelmoedig en toch voelde hij tevens, dat het den schijn
-had, alsof hij zijn vader de les las. Maar wij geven ons gaarne aan
-de betoovering der eigen stem over en Arkadiej droeg het einde van
-zijn speech voor met overtuiging en zelfs min of meer rhetorisch.
-
---Dank je, mijn jongen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj met
-onderdrukte stem, terwijl hij met de hand over voorhoofd en oogen
-streek.--Je vermoedens zijn gegrond. Als dat meisje niet zekere goede
-eigenschappen bezat... Het is meer dan een gril... het brengt me
-wel wat in verlegenheid, over die dingen met jou te spreken, maar je
-zult begrijpen, dat het haar wel heel moeilijk moest vallen, vandaag,
-de eerste dag van je verblijf ten onzent, te verschijnen.
-
---Als dat zoo is, zal ik zelf naar haar toe gaan, riep Arkadiej
-in een nieuwe opwelling van edelmoedigheid. En hij sprong op van
-zijn stoel.--Ik zal haar zeggen, dat ze zich voor mij niet behoeft
-te schamen.
-
---Dat gaat niet, antwoordde de ander en stond ook op.--Doe me het
-genoegen en ga niet... het kan niet... er is... ik heb het je nog
-niet kunnen zeggen...
-
-Maar de zoon luisterde al niet meer. Hij had het terras
-verlaten. Kirsanof volgde hem met de oogen en zonk toen
-angstig-onrustig in zijn stoel terug. Zijn hart klopte heftig. Het
-was niet uit te maken, of hem die eigenaardige verhouding, die
-een verwijdering kon brengen tusschen vader en zoon, duidelijk tot
-bewustzijn kwam... had Arkadiej niet onkundig moeten blijven omtrent
-den toestand, en had hij geen reden, zich zelfverwijten te doen om
-zijn zwakheid? Al deze gedachten woelden dooreen in zijn brein. De
-roode vlekken op zijn voorhoofd werden feller, en zijn hart klopte
-hinderlijk.
-
-Toen verscheen Arkadiej weer op het terras met snelle schreden.
-
---We hebben kennis gemaakt, vader! riep hij triumfeerend en teeder
-tegelijk.--Fedosia Nikolajevna voelt zich werkelijk niet wel en zal
-straks komen. Maar waarom hebt u me niet dadelijk gezegd, dat ik een
-broertje heb? Ik zou het dadelijk gekust hebben met dezelfde vreugde,
-als daar even!
-
-Nikolaas Petrowitsj wilde antwoorden, opstaan en de armen
-uitstrekken. Arkadiej viel hem om den hals.
-
---Nog niet genoeg omhelsd? riep Pauls stem achter hen.
-
-Zijn komst was vader en zoon zeer welkom. Het is ons niet zelden
-aangenaam, wanneer van buiten af een einde gemaakt wordt aan een
-roerende situatie.
-
---Vind je dat zoo vreemd? vroeg Kirsanof opgewekt.--Na zooveel tijd
-komt hij eindelijk terug. Ik heb nog niet eens tijd gehad, hem goed
-aan te zien.
-
---Ik vind het volstrekt niet vreemd, antwoordde Paul, het gaat mij
-evenzoo.
-
-Arkadiej trad op zijn oom toe, die wederom met zijn geparfumeerde
-snor zijn wangen streelde.
-
-Paul ging zitten. Hij droeg een elegant Engelsch pak; een kleine fez
-had hij op het hoofd. Dit hoofddeksel en de losgestrikte das moesten
-het ongedwongene van het landleven aanduiden. Zijn stijve gekleurde
-boord echter (zoo hoorde het bij zulk een morgencostuum!) omsloot
-streng den goedgeschoren hals.
-
---Waar is je nieuwe vriend? vroeg hij.
-
---Die is al uit. Hij staat gewoonlijk vroeg op. Bekommer u maar niet
-om hem. Hij houdt niet van vormelijkheid.
-
---Ja, dat schijnt wel.
-
-Paul smeerde langzaam boter op zijn brood.
-
---Denkt hij lang hier te blijven?
-
---Dat weet ik niet. Hij is van plan, ook zijn vader op te zoeken.
-
---Waar woont die?
-
---In ons goevernement, een tachtig werst van hier. Daar heeft hij
-een bescheiden landgoed. Hij is oud-officier van gezondheid.
-
---Zoo... Den naam ken ik, geloof ik. Herinner jij je niet een dokter
-Bazarof, bij de divisie van papa, Nikolaas?
-
---Ja, ik meen van wel.
-
---Zeker. Dus die dokter is zijn vader, zei Paul.--Maar wat is eigenlijk
-de zoon? voegde hij er bedachtzaam bij.
-
---Wat hij is? lachte Arkadiej, zal ik u zeggen, wat hij eigenlijk
-is, oom?
-
---Wees zoo goed, beste neef.
-
---Hij is nihilist.
-
---Wat? vroeg de vader. Paul hief zijn mes op, waaraan een klontje
-boter en zat onbewegelijk.
-
---Ja, hij is nihilist, herhaalde Arkadiej.
-
---Nihilist! zeide Kirsanof, dat woord moet afgeleid zijn van het
-Latijnsche nihil, dat beduidt niets en dat is dus iemand, die niets
-erkennen wil, voor zoover ik het begrijpen kan.
-
---Of liever, die niets eerbiedigt, zei Paul, die weer zijn boterham
-aan het smeren was.
-
---Iemand, die alles beschouwt van een critisch standpunt, antwoordde
-de zoon.
-
---Komt dat niet op hetzelfde neer? vroeg de oom.
-
---Volstrekt niet. Een nihilist is een mensch, die voor geen enkele
-autoriteit buigt, die geen beginsel aanvaardt zonder het critisch
-onderzocht te hebben, al wordt het ook algemeen aangenomen.
-
---En daarmee ben jij het eens? Is dat juist? vroeg de oom.
-
---Zooals men het opvat, er zijn menschen, die zich daar gemakkelijk
-in kunnen denken, anderen weer niet.
-
---Zoo? Nu, dat gaat mijn begrip te boven. Wij, ouderwetsche menschen
-zijn van oordeel, dat men sommige principes (Paul sprak dit woord
-in Franschen tongval, nasaal uit) moet accepteeren, zonder critisch
-onderzoek, zooals jij dat noemt. Vous avez changé tout cela. Geluk er
-mee! [4] Wij ouderen, zullen ons ermee tevreden stellen, jullie... hoe
-zei je ook, te bewonderen!
-
---Nihilisten! antwoordde Arkadiej en beklemtoonde iedere lettergreep.
-
---Ja, wij hadden in onzen tijd Hegelianen. Nu zijn het Nihilisten. [5]
-Wij zullen zien, hoe jullie dat klaar speelt, in het luchtledige,
-in het niets te leven. Maar, beste broeder, wil je nu eens bellen? Ik
-zou mijn chocolade willen gebruiken!
-
-Nikolaas Petrowitsj belde en riep: Doeniasja!
-
-Maar in plaats van deze verscheen Fenitsjka zelf, een jonge vrouw
-van een drie en twintig jaar, blank en mollig, met zwarte haren
-en donkere oogen. Haar lippen rood en vol, als bij een kind, en
-haar handen fijn en welgevormd. Ze droeg een katoenen japon en een
-blauwen, erg-nieuwen halsdoek over haar ronde schouders. Een groote
-kop chocolade kwam ze brengen. Terwijl ze die voor Paul neerzette,
-scheen ze erg zenuwachtig en de fijne gezichtshuid kleurde rood. Ze
-sloeg de oogen neer en bleef staan bij de tafel, waarop ze met de
-vingertoppen steunde. Ze scheen beschaamd over haar aanwezigheid,
-die ze toch voelde als iets noodzakelijks.
-
-Paul fronste de wenkbrauwen, Nikolaas was geheel in de war.
-
---Morgen, Fenitsjka, mompelde hij ten slotte.
-
---Goeden morgen, antwoordde ze, niet hard, maar wel-luidend. Toen
-ging ze langzaam weg na een steelschen blik naar Akadiej, door dezen
-vriendelijk glimlachend beantwoord. Ze wiegde ietwat in de heupen
-bij het loopen, maar dat stond aardig.
-
-Toen ze weg was, zwegen allen op het terras. Paul dronk zijn
-chocolade. Langzaam hief hij het hoofd.
-
---Daar heb je mijnheer de nihilist, wien het eindelijk eens behaagt
-te verschijnen! zei hij zacht.
-
-En werkelijk kwam Bazarof, over de perken heen, door den tuin
-aangestapt. Zijn overjas en linnen broek bemodderd, een moerasplant
-om den ouden, slappen hoed geslingerd. In de rechter hand hield hij
-een zakje, waarin iets scheen te bewegen. Met groote stappen liep
-hij op het terras toe, boog even het hoofd en sprak:
-
---Morgen, heeren, neemt u me niet kwalijk, als ik wat laat kom thee
-drinken. Ik ben in een oogenblik terug. Ik moet eerst even mijn
-gevangene verzorgen.
-
---Zijn dat bloedegels? vroeg Paul.
-
---Nee, kikvorschen.
-
---Wilt u die eten of laten paren?
-
---Ik heb ze noodig voor experimenten, antwoordde hij onverschillig
-en verdween in huis.
-
---Waarschijnlijk vivisectie, zei Paul.--Hij gelooft niet aan beginsels,
-maar wel aan kikvorschen.
-
-Arkadiej keek zijn oom medelijdend aan en Kirsanof trok nauw merkbaar
-de schouders op. Paul begreep trouwens, dat zijn geestigheid mislukt
-was en begon over landbouwzaken te spreken, vertelde, dat de nieuwe
-opzichter over Foka geklaagd had, een boeren-arbeider, met wien hij
-niet kon opschieten. Een soort Ezopus, zei de opzichter, voor wien
-iedereen een kruis slaat, onbruikbaar bij het werk, en die er telkens
-tusschen uit gaat...
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-Bazarof kwam terug, ging zitten en begon thee te drinken, alsof hij
-van plan was, geen droppel in den samowar te laten. De beide broeders
-keken zwijgend toe, terwijl Arkadiej van zijn kant hen beschouwde.
-
---Bent u ver geweest? vroeg Nikolaas eindelijk.
-
---Tot aan een soort moeras, in de buurt van uw populierenbosch. Daar
-vlogen een stuk of wat snippen op, die kun je schieten, Arkadiej.
-
---Jaagt u zelf niet?
-
---Nee.
-
---Doet u hoofdzakelijk aan natuurkunde? vroeg Paul.
-
---Ja, natuurkunde en trouwens alle natuurwetenschappen.
-
---Men zegt, dat de Germanen groote dingen gedaan hebben in die vakken,
-de laatste jaren.
-
---Ja, hierin zijn de Duitschers onze meesters, antwoordde Bazarof
-onverschillig.
-
-Paul had met ironische bedoeling van Germanen gesproken, maar het
-had geenerlei uitwerking.
-
---U koestert zeker groote vereering voor de Duitschers? ging hij
-met gedwongen beleefdheid voort. Hij voelde diep in zich verzet
-opkomen. Zijn aristocraten-natuur kon Bazarofs vrije manier van
-optreden niet verdragen. Die dokterszoon toonde niet alleen niet
-de minste verlegenheid, maar antwoordde zelfs grof en onbeleefd,
-de toon van zijn stem had iets, dat naar onbeschaamdheid zweemde.
-
---De geleerden van dat land zijn verdienstelijke mannen, zei Bazarof.
-
---Zeker. Waarschijnlijk hebt u een minder vleiend oordeel over de
-Russische geleerden.
-
---Niet onmogelijk.
-
---Deze onpartijdigheid doet u eer aan, zei Paul en richtte zich op,
-het hoofd min of meer in den nek.--Buitendien heeft Arkadiej ons
-al verteld, dat u geenerlei autoriteit erkent in wetenschappelijke
-kwesties. Hoe is dat te rijmen met uw uitspraak van zooeven? Is het
-waar, dat u geen autoriteit erkent?
-
---Waarom zou ik? Waaraan zou ik gelooven? Bewijst men mij iets op
-afdoende wijs, dan geef ik me gewonnen. Voilà tout.
-
---En dus zeggen de Duitschers alleen maar verstandige dingen? vroeg
-Paul en zijn gezicht nam een uitdrukking aan van volkomen
-onverschilligheid en gevoelloosheid, alsof hij immuun geworden was
-tegen menschelijke ontroeringen.
-
---Niet altijd, antwoordde Bazarof, met ingehouden geeuw, alsof hij
-te kennen wilde geven, dat hem die woordenwisseling begon te vervelen.
-
-Paul keek Arkadiej aan met een blik die scheen te zeggen: bizonder
-beleefd is je vriend niet!
-
---Wat mij betreft, ging hij niet zonder inspanning voort, ik geef
-bescheidenlijk toe, dat ik niet houd van de Duitsche heeren. Ik bedoel
-de echte Duitschers en niet de Duitsche Russen. Vroeger waren ze nog
-te dulden, ze hadden beroemde namen: Schiller, Goethe. Mijn broeder
-vereert die dichters buitengewoon. Maar tegenwoordig zie ik niets
-als chemici en materialisten onder hen.
-
---Een goed chemicus is meer waard dan de beste dichter! zei Bazarof.
-
---Inderdaad? antwoordde Paul en trok de wenkbrauwen op, de kunst is
-dus waardeloos voor u?
-
---Behalve de kunst geld te verdienen en hemorrhoïden kwijt te raken,
-riep Bazarof uit met een verachtenden glimlach.
-
---Heel aardig. U gelieft te schertsen; dat staat gelijk met een
-volkomen negatie, goed. U gelooft dus niet in de wetenschap?
-
---Ik had reeds de eer, u te zeggen, dat ik aan volstrekt niets
-geloof. Wat verstaat u onder het begrip wetenschap in het algemeen? Er
-zijn wetenschappen zooals er ambachten zijn en beroepen. Een wetenschap
-zooals u dat bedoelt, bestaat niet.
-
---In orde. U ontkent zeker ook alle andere beginselen, waarop onze
-maatschappelijke inrichting steunt?
-
---Is dat soms bedoeld als een politiek verhoor? vroeg Bazarof.
-
-Paul werd wat bleek. Nikolaas vond het een geschikte gelegenheid,
-zich in het gesprek te mengen:
-
---We zullen later over deze kwesties uitvoeriger spreken, mijn beste
-Jevgenij Wassiljewitsj. U zult ons dan al uw denkbeelden uiteen zetten
-en wij u de onze. Wat mij betreft, het doet mij genoegen te hooren,
-dat u aan natuurwetenschappen doet. Ik hoor dat Liebig merkwaardige
-ontdekkingen heeft gedaan omtrent de behandeling van den grond. U
-zoudt me in dit opzicht veel kunnen helpen en goeden raad geven.
-
---Heel graag, Nikolaas Petrowitsj. Maar laten we Liebig rusten. Aleer
-men een boek opslaat, moet men kunnen lezen, en wij kennen nog niet
-eens het ABW...
-
---Dat is wèl nihilistisch! dacht Nikolaas en hij antwoordde:--Kan zijn,
-maar ik zal toch zoo vrij zijn, u te vragen bij gelegenheid... Maar
-moeten we niet met den opzichter spreken, Paul Petrowitsj?
-
-Paul stond op.
-
---Ja, zei hij, maar tot niemand in het bizonder. Het is ongelukkig,
-jaren lang op het land te wonen, ver van alle groote geesten. Men
-verboert zoo langzamerhand. Men doet zijn best, het geleerde niet te
-vergeten, maar op een dag komt men tot de ontdekking, dat het toch
-alles dwaasheid is, waar een ontwikkeld man zich niet meer mee bezig
-houdt! De jeugd schijnt bepaald veel ontwikkelder dan de ouderen.
-
-Paul keerde zich langzaam op de hakken om en verwijderde zich met
-afgemeten schreden. Zijn broeder volgde.
-
---Is hij altijd van die kracht? vroeg Bazarof koel.
-
---Hoor eens, Jevgenij, antwoordde Arkadiej, je bent te ruw tegen hem
-geweest. Je hebt hem beleedigd.
-
---Zou je denken? Je moet ze misschien sparen, die
-land-aristocraten. Dat alles is pure eigenliefde, ingebeeldheden,
-herinneringen aan den veroveraarstijd. Waarom is hij niet in Petersburg
-gebleven om zijn rol daar verder te spelen? Hij voelde zich immers
-geroepen? Maar God zal hem zegenen! Ik heb een zeldzame soort dyticus
-marginatus gevonden, die zal ik je laten zien.
-
---Ik heb je zijn geschiedenis beloofd.
-
---Wiens geschiedenis? Van den kever?
-
---Och wat, de geschiedenis van mijn oom. Je zult zien, dat hij niet
-de man is, voor wien jij hem houdt. Je moest hem eerder beklagen,
-dan hem belachelijk maken.
-
---Wel mogelijk. Maar waarom verdedig je hem zoo?
-
---Men moet rechtvaardig zijn, Jevgenij.
-
---Ik zou niet weten, waarom.
-
---Schei nu uit, en luister.
-
-Arkadiej vertelde zijn vriend de geschiedenis van zijn oom. De lezer
-vindt haar hieronder.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Paul Petrowitsj Kirsanof had zijn prilste jeugd onder het vaderlijk dak
-doorgebracht, samen met zijn broeder. Toen was hij in het pagekorps
-gekomen. Van opvallende schoonheid, zelfbewust, wat belachelijk en
-licht ironisch, moest hij bij ieder in den smaak vallen.
-
-Als officier kwam hij in de groote wereld. Met open armen overal
-ontvangen, liet hij zich gaan, maakte een verkeerd gebruik van zijn
-goede eigenschappen, beging allerlei dwaasheden, die hem echter in
-geen enkel opzicht schaadden. De vrouwen verafgoodden hem, de mannen
-noemden hem een fat, maar benijdden hem in stilte. Hij leefde nog
-altijd samen met zijn broeder, van wien hij veel hield, ofschoon deze
-in geenen deele op hem leek. Nikolaas Petrowitsj hinkte een weinig,
-had ook wel een aangenaam, maar een ernstig gezicht, zachte, wazige
-oogen en dun haar. Hij was langzaam, las veel en meed de menschen. Paul
-was des avonds nooit thuis. Door het in de mode brengen van gymnastiek
-had hij den roep van vlugheid en kracht verworven, maar lezen deed
-hij niet veel meer dan een vijf, zes fransche boeken. Op zijn acht
-en twintigste jaar was hij kapitein en had een schitterende loopbaan
-voor zich, toen alles plotseling anders werd.
-
-In dezen tijd liet zich in Petersburg nu en dan een zekere vorstin
-R. zien, gehuwd met een man van opvoeding, maar wat geborneerd, en
-zonder kinderen. De vorstin ging op zekeren dag op reis, voor langen
-tijd, keerde onverwachts terug en gedroeg zich sedert nog al opvallend;
-men oordeelde haar lichtzinnig en een kokette, ze deed mee aan alle
-feesten, hartstochtelijk, danste tot het laatste oogenblik door,
-liet zich gaan met jonge mannen, die ze vóór het diner in schemerlicht
-ontving, maar bracht haar nachten biddend en weenend door, zonder rust
-te kunnen vinden. Dikwijls bleef ze tot het aanbreken van den dag,
-aan angst en smart ter prooi, in haar kamer, bleek en koud gebogen
-over een of ander heilig boek. Maar overdag was ze weer de elegante
-vrouw-van-de-wereld, legde bezoeken af, ontving, lachte en gaf zich
-aan alle verstrooiingen der groote stad gedachteloos over. Zij was een
-edele verschijning, het haar blond en zwaar als goud; toch werd ze niet
-tot de schoonheden gerekend. Want in haar gezicht waren alleen de oogen
-mooi, en misschien is zelfs dit te veel gezegd. Want het waren kleine,
-grijze oogen, maar zeldzaam levend en diep, overmoedig-zorgeloos en
-troosteloos-droomend, raadselachtig en betooverend. Iets ongewoons
-leefde in die oogen, ook bij het gewoonste dag-gesprek. Haar kleeding
-was ook altijd opvallend.
-
-Paul ontmoette haar op een bal, danste met haar een mazurka, waarbij
-ze niets bizonders sprak, maar sedert was het met zijn gemoedsrust
-gedaan. Gewend aan gemakkelijke overwinningen, ging het ook nu
-voorspoedig, maar ditmaal maakte hem de snelheid der overwinning
-niet onverschillig. Integendeel, die vrouw wist hem steeds vaster
-te binden, misschien wel doordat ze ook in oogenblikken van volkomen
-overgave, een zekere onbegrepenheid, een raadsel achter hield. Het was,
-of bovennatuurlijke krachten haar beheerschten, naar welgevallen,
-alsof haar lang niet superieure persoonlijkheid niet in staat was,
-zich te bevrijden, in sterken strijd. Heel haar wezen scheen vol
-tegenstrijdigheden. Ze schreef brieven aan een man, dien ze nauwelijks
-kende, waardoor ze vermoedens van haar echtgenoot en de wereld
-moest opwekken. Ze had lief, maar met een geheimzinnig voorbehoud,
-een vreemde smartelijkheid. Ze lachte en vermaakte zich niet met
-den uitverkorene, maar keek en luisterde naar hem met een soort
-diepe verwondering. Veelal en dan onverwachts werd die verwondering
-tot stillen schrik, en in haar trekken trok dan een sombere, wilde
-angst. Ze sloot zich op, en de kamenier, die luisterde, hoorde een
-dof steunen. Herhaaldelijk na een teeder samenzijn met haar, gevoelde
-Paul dat bittere, dat het mislukken, het einde eener liefde aankondigt.
-
---Heb ik niet alles verkregen, wat ik wilde? vroeg hij zich zelf dan
-af en toch was het hem wee te moede. Eens gaf hij haar een ring met
-een steen, waarin een sfinx gegraveerd was.
-
---Wat is dat? vroeg ze, een sfinx?
-
---Ja, en die sfinx ben jij...
-
---Ik? en ze keek hem aan met dien vreemden blik,... ik gevoel me
-daardoor gevleid... en ze glimlachte vaag.
-
-Paul leed, zoolang hij haar liefhad. En toen ze onverschillig
-begon te worden (dit gebeurde al spoedig) verloor hij bijna zijn
-verstand. Wanhoop en ijverzucht verteerden hem, hij liet haar
-geen rust, vervolgde haar overal. Ze ging op reis, moe van zijn
-aandringen. Paul ging uit den dienst, ten spijt van het smeeken
-van zijn vrienden, den raad zijner meerderen, en volgde haar. Zoo
-reisde hij vier jaar lang in vreemde landen, nu eens samen met haar,
-dan weer haar ontloopend, met het vaste voornemen haar nooit weer
-te zien. Hij schaamde zich over zijn zwakheid, vervloekte die, maar
-het hielp niet. Hij kon het beeld dezer vrouw, dat magische beeld,
-niet vergeten. In Baden scheen alles weer goed. Haar liefde bloeide
-schooner dan ooit. Maar dat duurde geen maand. De vlam doofde en
-nu voor goed. Paul voorzag de breuk en wilde tenminste haar vriend
-blijven, alsof dat mogelijk is met zulk een vrouw. Ze ging ongemerkt
-weg uit Baden, ontvluchtte, meed hem sedert. Paul kwam in Rusland terug
-en trachtte vergeefs zijn oude levenswijze te hervatten. Als door
-een slang gestoken, doolde hij van plaats tot plaats, kon geen rust
-vinden, ging weer op reis; toch bezocht hij de salons en bleef homme
-du monde. Zijn ijdelheid kon zich streelen met twee of drie nieuwe
-veroveringen; maar eigenlijk wanhoopte hij aan zich zelf en aan de
-menschen en stelde in niets meer belang. Hij werd vroeg oud, grijs,
-en begon zijn avonden in de club door te brengen, waar hij, bitter
-en verveeld, mee deed in het gesprek, onverschillig en norsch. Hij
-dacht natuurlijk niet aan trouwen. Zoo gingen verwonderlijk snel tien
-nuttelooze, leege jaren voorbij.
-
-Nergens vergaat de tijd sneller dan in Rusland, behalve dan in de
-gevangenis. Op een avond, terwijl hij in de club dineerde, hoorde hij,
-dat vorstin R. in Parijs gestorven was in een toestand, die aan waanzin
-grensde. Hij stond op en liep langen tijd door de zalen heen en weer,
-bleef staan staren bij de speeltafels. Op het gewone uur keerde hij
-huiswaarts. Kort daarop ontving hij een pakje met den ring, dien hij
-haar eens gegeven had. Ze had een kruis getrokken over de sfinx met
-de opdracht, Paul te zeggen, dat dit de oplossing van het raadsel was.
-
-Dit was gebeurd in het begin van het jaar 1848, denzelfden tijd, toen
-Nikolaas Petrowitsj na het verlies van zijn vrouw naar Petersburg was
-gekomen. Paul had zijn broeder, sedert diens verblijf op het land
-nauwelijks gezien. Hij was getrouwd in den eersten tijd van Pauls
-vriendschap met de vorstin. Na zijn terugkomst uit het buitenland had
-Paul zijn broeder wel bezocht en zich voorgenomen, eenige maanden bij
-hem door te brengen, maar na een week was hij reeds vertrokken. Hun
-denkbeelden liepen toenmaals te zeer uiteen. Dit was in '48 anders
-geworden. Nikolaas was weduwnaar geworden en Paul op zijn manier
-eveneens! Kirsanof had een geregeld leven geleid, zijn zoon groeide
-onder zijn oogen op. Maar Paul ging als jonggezel dat beklagenswaardige
-tijdperk des levens tegemoet, waarin de jeugd voorbij en de ouderdom
-nog niet gekomen is, waarin hoop en hopeloosheid zooveel op elkander
-lijken. Vooral voor Paul moest deze tijd bizonder smartelijk zijn. Met
-zijn verleden had hij alles verloren. En hij trachtte te vergeten...
-
---Ik noodig je niet meer uit, op Marjino te komen, zei Kirsanof tot
-hem, (die naam was een herinnering aan zijn vrouw).--Je verveelde je
-daar al bij Maria's leven, dus nu nog veel meer!
-
---Ik was toen zoo onrustig en dwaas, antwoordde Paul. Nu ben ik rustig
-en misschien wijzer. Als je het goed vindt, wil ik met je meegaan en
-voorgoed bij je blijven wonen.
-
-Nikolaas omhelsde zijn broeder als eenig antwoord. Maar het duurde nog
-anderhalf jaar, eer Paul uitvoering gaf aan zijn besluit. Maar toen hij
-er eenmaal zat, ging hij niet meer weg, ook niet in de wintermaanden,
-die Nikolaas bij zijn zoon in Petersburg doorbracht. Hij las veel,
-vooral Engelsche boeken, en zijn geheele levenshouding kreeg een
-Engelsch stempel. Hij ging zelden op bezoek bij de naburige eigenaars
-en bezocht alleen soms de kiesvergaderingen, waar hij meestal zweeg
-en alleen met liberale denkbeelden en grapjes de conservatieve
-grondeigenaren schrik aanjoeg, zonder zich overigens modern te
-gevoelen. Men verweet hem hoogmoedigheid, maar achtte hem terwille
-van zijn aristocratische manieren en het geluk, dat hij altijd bij
-vrouwen had gehad, terwille van zijn goeden smaak in kleeding en
-omdat hij altijd de mooiste kamers in de eerste hotels bewoonde,
-van fijn eten hield en eens zelfs met Wellington bij Louis Philippe
-had gedineerd, omdat hij op reis altijd een zilver nécessaire en
-een badapparaat bij zich had, omdat hij goede, zeer gedistingeerde
-parfums gebruikte, uitnemend whist speelde en toch altijd verloor,
-en tenslotte omdat hij volkomen betrouwbaar was. De dames van het
-goevernement vonden hem een zeer aantrekkelijk melancholicus, maar
-hij nam volstrekt geen notitie van haar.
-
---Je zult me toegeven, Jevgenij, zei Arkadiej, dat je mijn oom verkeerd
-beoordeeld hebt. Ik wil niet spreken van de vele diensten, die hij
-mijn vader bewezen heeft. Menigmaal gaf hij hem al zijn beschikbaar
-geld (ze bezitten het goed gemeenschappelijk). En ik verzeker je,
-dat hij voor iedereen de welwillendheid zelve is, dat hij het altijd
-voor de boeren opneemt, ofschoon hij nooit met hen omgaat zonder eau
-de cologne te gebruiken.
-
---Dat zijn de zenuwen, antwoordde Bazarof.
-
---Kan zijn. Maar hij heeft een goed hart. Hij is ook een man van
-geest. En dikwijls heeft hij me goeden raad gegeven, vooral met
-betrekking tot de vrouwen.
-
---Aha. Na svojem malakje obzjogsja, na tsjoezjoejoe wadoe doejet. [6]
-Dat kennen we!
-
---Hij is heel ongelukkig, dat is zeker. Het zou niet goed zijn,
-hem daarover hard te vallen, ging Arkadiej voort.
-
---Wie doet dat dan? Maar ik beweer toch, antwoordde Bazarof,
-dat een man, die zijn leven op één enkele kaart van "Hartenvrouw"
-heeft gezet en als hij die kaart verliest, zich dat zoo aantrekt, dat
-hij voor niets meer deugt, geen man is, geen wezen van het mannelijk
-geslacht. Je zegt, dat hij ongelukkig is, jij zult dat wel beter weten,
-maar zijn dwaasheid heeft hij nog niet overwonnen. Ik ben overtuigd,
-dat hij zich voortreffelijk vindt, omdat hij Galignani leest en nu
-en dan een boer tegen een tuchtiging beschermt.
-
---Vergeet de opvoeding niet, die hij genoten heeft, den tijd, waarin
-hij jong was; antwoordde Arkadiej.
-
---Zijn opvoeding? riep Bazarof uit, een man moet zich zelf opvoeden,
-zooals ik heb gedaan. En wat den tijd betreft, waarom moet ik van
-den tijd afhankelijk zijn? Die moet juist van mij afhangen. Nee, ik
-zie niets als zwakheid en halfheid in dat alles. En dan, wat is dat
-voor onzin, die zoogenaamde mysterieuze betrekkingen tusschen man en
-vrouw? Wij physiologen weten wel beter! Bestudeer het oog en zeg me,
-of je daar iets vindt van dat raadselachtige, waarvan je sprak. Dat
-is romantiek, gezeur, praatjes. Laat ons liever eens naar mijn kever
-gaan kijken.
-
-Daarmede gingen zij naar Bazarofs kamer, waar een medisch-chirurgische
-lucht zich mengde met slechten tabaksrook.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-Paul bleef niet lang tegenwoordig bij het gesprek van zijn broeder
-met den opzichter. Deze, een man van hooge gestalte, mager, sluwe
-oogen, honig-zoete vleistem, antwoordde op de woorden van Kirsanof
-met een stereotiep: zeer zeker, zonder twijfel! en hield niet op
-de boeren voor drinkebroers en dieven uit te schelden. Het nieuwe
-bedrijfssysteem werkte nog niet glad, maar Kirsanof liet zich daardoor
-niet afschrikken, al zuchtte hij ook en peinsde, peinsde... Hij
-begreep wel, dat de zaak niet loopen kon zonder geld en geld was
-het juist, wat hem ontbrak. Arkadiej had de waarheid gezegd: Paul
-Petrowitsj had zijn broeder meer dan eens geholpen; meer dan eens,
-als hij zag, hoe deze zich vergeefs inspande, middelen te vinden,
-was hij langzaam naar het venster gegaan en had gefluisterd:
-
---Mais je puis vous donner de l'argent.
-
-En dat had hij ook dikwijls gedaan. Maar ditmaal stond hij er zelf
-slecht voor en daarom was hij maar liever weggegaan. Huishoudelijke
-uiteenzettingen waren hem trouwens altijd onaangenaam. En buitendien
-was hij van oordeel, dat Kirsanof, hoezeer hij ook zijn best deed,
-de zaken verkeerd aanpakte, maar zelf was hij niet in staat te zeggen,
-hoe het dan wèl moest. Mijn broeder is niet practisch, zei hij dan. Hij
-wordt bedrogen.
-
-Nikolaas echter had een hoog denkbeeld van Pauls inzicht en vroeg
-hem altijd om raad.
-
---Ik ben een besluiteloos, zwak man zonder ervaring, zei hij dan;
-jij hebt in de wereld geleefd, jij kent de menschen, je hebt een
-adelaarsblik.
-
-Zonder te antwoorden, draaide Paul zich dan om, maar deed niets om
-zijn broeder tot andere gedachten te brengen.
-
-Ook ditmaal liet hij hem aan zijn lot over en liep door de gang. Voor
-een kleine deur bleef hij staan, scheen een oogenblik te aarzelen,
-streek zijn snor op en klopte zachtjes.
-
---Wie daar? Binnen, zei Fenitsjka.
-
---Ik, antwoordde Paul en trad binnen. Fenitsjka sprong op, het kind
-in den arm, dat zij dadelijk overgaf aan een meisje, dat ermede
-heenging. Zelf haastte zij zich, haar halsdoek in orde te brengen.
-
---Vergeef me, als ik stoor, zei Paul, zonder haar aan te zien, ik
-wilde alleen vragen... er gaat vandaag, geloof ik, iemand naar de
-stad... ik had graag groenen thee.
-
---Hoeveel wilt u? vroeg Fenitsjka.
-
---Een half pond is genoeg.--Het is hier veranderd, als ik me niet
-vergis, ging hij voort en keek rond, terwijl zijn blik ook langs
-Fenitsjka ging.--Ik bedoel de gordijnen, zei hij, daar ze hem blijkbaar
-niet begreep.
-
---Ja. Nikolaas Petrowitsj gaf ze me cadeau. Maar ze hangen allang.
-
---Het is ook allang geleden, sedert ik hier was. Het is hier nu aardig.
-
---Dank zij Nikolaas Petrowitsj, antwoordde zij zacht.
-
---Vind je het hier prettiger, dan in je vorige woning op het erf? vroeg
-hij vriendelijk, maar bleef ernstig.
-
---O ja, veel prettiger.
-
---Wie woont nu in die oude kamers?
-
---De waschvrouwen.
-
---O!
-
-Paul zweeg. Nu zal hij wel gaan, dacht Fenitsjka. Maar hij ging niet,
-en zij bleef stil staan voor hem en speelde verlegen met haar vingers.
-
---Waarom liet je den kleine wegbrengen? vroeg hij eindelijk. Ik houd
-van kinderen. Laat hem eens zien.
-
-Fenitsjka bloosde van verlegenheid en blijdschap. Ze was bang voor
-Paul. Hij sprak maar zelden met haar.
-
---Doeniasja! riep ze. Brengt u Mitia eens binnen. Maar nee, wacht
-even. Hij moet eerst verkleed worden. (Ze tutoyeerde niemand in huis.)
-
-En ze ging naar de zijkamer.
-
---Dat is niet noodig, riep Paul haar na.
-
---Het duurt niet lang, antwoordde ze en verdween.
-
-Paul, alleen, keek nu aandachtig rond. De kleine kamer was uittermate
-zindelijk. Het rook naar kamille en pepermunt, vermengd met een
-lucht van olie, want de vloer was opnieuw geverfd. Langs de wanden
-stonden stoelen met liervormige ruggen, die de oude generaal van zijn
-laatsten veldtocht in Polen had meegebracht. In een hoek stond een
-bed met katoenen gordijn, daarnaast een koffer met ijzeren beslag en
-gewelfd deksel. In den anderen hoek brandde een koperen lampje voor
-een groote en sombere beeltenis van den H. Nikolaas. Een klein ei van
-porselein hing aan een rood koordje op de borst van den Heilige. Op
-de vensterbanken stonden goed gesloten potten met ingemaakte vruchten
-van het vorig jaar. Fenitsjka had zelf met groote letters daarop
-geschreven Zwarte Bessen. Kirsanof hield verreweg het meest van deze
-vrucht. Aan de zoldering hing aan een lang koord een vogelkooi, waarin
-een groen sijsje, dat onophoudelijk rondsprong en zong, zoodat de
-kooi in zwevende beweging was en er voordurend zaadkorrels met lichte
-geluidjes op den vloer vielen. Aan den wand tusschen de twee vensters
-hingen boven een commode verscheiden beeltenissen van Kirsanof in
-diverse houdingen, door een rondtrekkend kunstenaar vervaardigd. Ook
-een portret van Fenitsjka hing daar, een gezicht zonder oogen, met een
-gedwongen lachje, meer was niet te onderscheiden. Boven dit portret
-fronste generaal Jermolof, in dolman, donkere wenkbrauwen en keek naar
-de verre bergen van den Kaukasus. Zijn voorhoofd werd overschaduwd door
-een zijden schoentje voor spelden, aan denzelfden spijker gehangen.
-
-Vijf minuten ongeveer duurde het geluid van voetstappen en stemmen
-in het zijvertrek. Paul nam intusschen een beduimeld boek van de
-commode. Het was een deel van Massalski's roman: De Strelitsen. Terwijl
-hij erin bladerde, ging de deur open en Fenitsjka trad binnen,
-Mitia op den arm. Het kind droeg een rood, aan den hals gefestoneerd
-hemdje. Zijn moeder had hem gewasschen en gekamd, hij blies hardop,
-zwaaide met armen en beentjes, zooals gezonde kinderen doen. Zijn mooie
-hemdje miste de uitwerking niet op zijn humeur, want zijn vol-rond
-gezichtje drukte hoogste tevredenheid uit. Fenitsjka had ook zichzelf
-niet vergeten, het haar herzien en een ander kraagje omgedaan. Dat was
-overigens overbodig. Want is er iets aantrekkelijkers dan een mooie,
-jonge moeder met haar gezond kind op den arm?
-
---Wat een jongen! zei Paul vriendelijk en streelde Mitia's kin met de
-nagelpunt van zijn rechter wijsvinger. Het kind keek naar het sijsje
-en begon te lachen.
-
---Dat is oom, zei Fenitsjka, boog het hoofd naar den jongen en wiegde
-hem zachtjes, terwijl Doeniasja gauw een welriekend rook-kaarsje op
-een koper muntje onder het venster zette.
-
---Hoe oud is-ie? vroeg Paul.
-
---Zes maanden. De elfde wordt hij zeven.
-
---Is het niet acht, Fedosia Nikolajevna? waagde Doeniasja op te merken.
-
---Nee, zeven, heel zeker.
-
-Het kind keek naar den koffer, lachte en greep plotseling met het
-geheele handje zijn moeder bij neus en lippen.
-
---Ondeugd, zei Fenitsjka en liet hem begaan.
-
---Hij lijkt op mijn broeder, zei Paul.
-
---Op wien zou hij anders lijken? dacht zij.
-
---Ja, ging Paul voort, alsof hij met zich zelf gesproken had, de
-gelijkenis is frappant.
-
-Hij beschouwde Fenitsjka oplettend, bijna treurig.
-
---Dat is oom, herhaalde zij, bijna onhoorbaar.
-
---Kijk, Paul, jij hier! klonk opeens de stem van Kirsanof. Paul
-wendde zich om. Er kwamen harde trekken op zijn gezicht. Maar er lag
-zooveel geluk en dankbaarheid in de oogen van zijn broeder, dat het
-hem onmogelijk was, anders dan met een glimlach te antwoorden.
-
---Je jongen is prachtig, zei hij en keek op zijn horloge. Ik was
-binnengegaan om thee te bestellen.
-
-Daarop verliet hij de kamer met zijn gewone onverschilligheid.
-
---Is hij uit zich zelf gekomen? vroeg Kirsanof.
-
---Ja, hij klopte aan en kwam binnen.
-
---En Arkasja, is die sedert niet bij je geweest?
-
---Nee; zou het misschien niet beter zijn, als ik mijn oude kamer weer
-betrok, Nikolaas Petrowitsj?
-
---Waarom?
-
---Ik geloof, dat het goed zou zijn voor den eersten tijd.
-
---Nee... nee, antwoordde Nikolaas aarzelend. In ieder geval is het
-nu te laat;--dag, dikkerd, ging hij plotseling voort, levendig en
-kuste het kind; toen boog hij over de hand, die Mitia vasthield en
-kuste die, melk-wit afstekend van het roode kinderhemdje.
-
---Wat doet u, Nikolaas Petrowitsj? fluisterde zij en sloeg de oogen
-neer, maar keek hem toen weer aan.
-
-Betooverend was die blik, als ze van onder af, naief en teer
-glimlachend iemand aanzag.
-
-Kirsanof had haar zóó leeren kennen.
-
-Voor drie jaren moest hij den nacht doorbrengen in de herberg van een
-klein dorpje, vrij ver van zijn woonplaats verwijderd. Al dadelijk
-viel hem de helderheid van het linnen en de reinheid in de kamer
-op. Zou de vrouw een Duitsche zijn? dacht hij. Maar ze was een Russin
-van een vijftig jaar, goed gekleed, een intelligent, zacht gezicht en
-ernstig. Hij praatte met haar bij de thee en ze beviel hem goed. Hij
-had zich pas ingericht in zijn nieuwe huis en zocht vrije bedienden,
-omdat hij geen lijfeigenen meer wilde. De herbergierster klaagde
-over de weinig reizigers, de slechte tijden. Hij bood haar een
-huishoudstersplaats in zijn huis aan en zij sloeg toe. Haar man was
-reeds lang gestorven, ze had een dochter, Fenitsjka. Drie weken later
-kwam Arina Sawisjna met haar dochter in Marjino en werd in den vleugel
-van het huis ondergebracht. Het geluk was Kirsanof mee geweest. Arina
-bleek een voortreffelijke huishoudster. Niemand bemoeide zich toen
-met Fenitsjka, die al zeventien jaar oud was. Ze leefde stil als
-een muisje in haar holletje. Alleen Zondags in de kerk kon Nikolaas
-het fijne profiel van een teer meisjesgezicht opmerken. Zoo ging een
-jaar voorbij.
-
-Toen verscheen op een morgen Arina in Kirsanofs werkkamer, groette
-hem eerbiedig naar gewoonte en vroeg, of hij geen middel wist, haar
-dochter te helpen, die een vonk in haar oog had gekregen. Nikolaas
-Petrowitsj speelde, als alle landgoedeigenaren den huisdokter en
-bezat een homoeopathische apotheek. Hij liet onmiddellijk Fenitsjka
-roepen. Toen deze hoorde, dat de heer haar geroepen had, schrok
-ze heftig, maar ging met haar moeder mee. Kirsanof bracht haar
-bij het raam en nam het hoofd tusschen beide handen, onderzocht het
-rood-ontstoken oog en schreef omslagen voor met een water, dat hij zelf
-had toebereid. Daarop scheurde hij een lap van zijn zakdoek en liet
-zien, hoe het gedaan moest worden. Fenitsjka wilde nu weg, maar Arina
-riep: Geef den heer een handkus, domkopje! Kirsanof liet dat niet toe,
-maar kuste haar, in eigenaardige verwarring op het voorhoofd, terwijl
-zij voor hem boog. Het oog was weldra genezen, maar den indruk, dien
-zij op Kirsanof had gemaakt, niet zoo spoedig uitgewischt. Hij dacht
-nog altijd, die zijdezachte haren tusschen de vingers te hebben, dat
-bleek-blanke, schuchter-onschuldige gezichtje te zien en dien half-open
-mond met de kleine parel-fonkelende tanden. Sedert lette hij met veel
-meer aandacht op haar, Zondags in de kerk, en zocht gelegenheid, met
-haar te spreken. In 't begin bleef ze schuw-teruggetrokken. En toen ze
-hem eens 's avonds op het smalle paadje tusschen roggevelden ontmoette,
-wierp ze zich in het golvende graan, om niet gezien te worden. Maar hij
-zag haar hoofdje tusschen de aren door en riep haar vriendelijk toe:
-
---Goeien avond, Fenitsjka, ik zal niet bijten.
-
---Goeien avond, fluisterde ze en bleef als een wild diertje in haar
-schuilhoek.
-
-Langzamerhand werd ze minder angstig. Haar moeder stierf aan de
-cholera. Wat moest ze nu beginnen? Ordelievendheid en gezond verstand
-had ze meegekregen van Arina, maar ze was zoo jong, zoo alleen,
-en Nikolaas scheen zoo goed, zoo vol piëteit...
-
-En wat volgde, behoeven we niet te vertellen.
-
---En mijn broeder is dus zoo maar binnen gekomen?
-
---Ja.
-
---Zoo, dat is goed. Laat me Mitia eens vasthouden.
-
-En Nikolaas Petrowitsj zwaaide zijn zoon tot aan de zoldering op,
-tot groot plezier van het kind, maar tot angst van zijn moeder,
-die met uitgestrekte armen telkens naar zijn bloote beentjes greep.
-
-Paul had zich teruggetrokken in zijn smaakvolle kamer, een fraai
-behangen vertrek met een wapenrek boven een perzisch tapijt,
-notenhouten meubels met donker-groen trijp, eiken boekekast in
-renaissance stijl, bronzen beelden op rijk bureau ministre en marmeren
-schoorsteenmantel. Hij wierp zich op den divan, handen onder het hoofd,
-en bleef met een blik van wanhoop bijna voor zich uitstaren. Plotseling
-stond hij op, schoof de zware gordijnen dicht, waarschijnlijk om de
-uitdrukking van zijn gezicht in donker te verbergen en strekte zich
-weer op den divan uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-Dienzelfden dag leerde ook Bazarof Fenitsjka kennen. Hij liep met
-Arkadiej in den tuin en legde hem uit, waarom sommige boomen en vooral
-enkele jonge eiken niet wilden opschieten.
-
---Hier moesten meer dennen en populieren staan of linden, maar dan
-ook veel meer aarde. Het prieel daar staat goed, want acacia's en
-vlier zijn goede kinderen. Die hebben geen verzorging noodig. Stil,
-is daar niet iemand in het prieel?
-
-Het was Fenitsjka met Doeniasja en Mitia. Bazarof bleef staan en
-Arkadiej groette haar als een goede kennis.
-
---Wie is dat? vroeg Bazarof, toen ze wat verderop waren, die is
-niet kwaad!
-
---Wie bedoel je?
-
---Wat een vraag, daar was toch maar één mooi!
-
-Arkadiej vertelde hem nu met weinig woorden, maar niet zonder
-verlegenheid Fenitsjka's positie in huis.
-
---Aha, je vader schijnt van lekkere hapjes te houden. Hij bevalt
-me. Een beste kerel. Maar ik wil kennis maken--en daarmee keerde hij
-naar het boschje om.
-
---Eugène, wees verstandig, ik smeek je, riep Arkadiej hem verschrikt
-na.
-
---Hou je gemak, antwoordde Bazarof, ik ken de wereld.
-
-Daarmee naderde hij Fenitsjka en nam zijn hoed af.
-
---Mag ik me even voorstellen? begon hij lachend. Ik ben een vriend
-van Arkadiej en een zeer vredelievend man.
-
-Fenitsjka keek hem aan, zonder te antwoorden.
-
---Wat een lief kind, ging hij voort. Stel u gerust, ik heb nog nooit
-iemand ongeluk gebracht. Waarom zijn zijn wangetjes zoo rood? Komen
-de tanden door?
-
---Ja, antwoordde Fenitsjka.--Hij heeft al vier en het tandvleesch is
-weer ontstoken.
-
---Laat mij eens zien. Wees maar niet bang, ik ben medicus. Bazarof nam
-het kind op den arm. Zonder verzet of angst liet Mitia dit gebeuren,
-tot verwondering der beide vrouwen.
-
---Ik zie het al, hindert niet. Hij krijgt prachtige tanden. Als hij
-wat heeft, laat u mij dan maar roepen. Voelt u u zelf goed?
-
---Ja goddank.
-
---Gezondheid is ook het kostbaarst bezit. En u? vroeg hij Doeniasja.
-
-Doeniasja, thuis een stil meisje, maar buitenshuis uitgelaten,
-barstte in lachen uit.
-
---Zoo is 't goed. Hier, neem uw dikzak maar weer over.
-
-Fenitsjka nam het kind.
-
---Wat was hij stil bij u, zei ze zacht.
-
---Alle kinderen zijn zoo bij mij. Daar bezit ik een geheim middel voor!
-
---Kinderen voelen dadelijk, of iemand van ze houdt, zei Doeniasja.
-
---Dat is zoo, vond Fenitsjka.--Mitia wil niet bij iedereen.
-
---Zou hij ook graag bij mij komen? vroeg Arkadiej, die op eenigen
-afstand stond.
-
-Maar toen hij Mitia op den arm wilde nemen, draaide het kind zijn
-hoofdje af en begon te schreeuwen, waardoor Fenitsjka verlegen werd.
-
---Een ander maal dan, hij is nog niet aan mij gewend, zei Arkadiej
-goedig en de beide vrienden gingen verder.
-
---Hoe zeg je, dat ze heet? vroeg Bazarof.
-
---Fenitsjka--Fedosia, antwoordde Arkadiej.
-
---En haar oudernaam? Het kan nooit kwaad, dien ook te kennen.
-
---Nikolajevna.
-
---Bene. Ze is gelukkig niet al te verlegen. Dat vinden sommigen niet
-goed. Onzin. Waarom zou ze verlegen zijn? Ze is moeder! En dus in
-haar recht.
-
---Zeker, zei Arkadiej, maar mijn vader?
-
---Die ook.
-
---Dat ben ik niet heelemaal met je eens.
-
---Om de verdeeling van de erfenis?
-
---Schaam je je niet, zóo van me te denken? riep Arkadiej
-verontwaardigd. Van dit standpunt verwijt ik hem niets. Maar hij had
-haar moeten trouwen....
-
---Kom, kom, wat een zielenadel! Het huwelijk heeft dus nog zin voor
-jou! Dat had ik niet van je gedacht.
-
-Het gesprek stokte en zij liepen zwijgend voort.
-
---Ik heb het landgoed van je vader terdeeg bekeken, zei Bazarof. Het
-trekvee verkeert in slechte conditie en de paarden eveneens. En
-zoo staat het ook met de opstallen en de werklui schijnen ware
-luilakken. Jullie opzichter is een doerak of een idioot. Ik ben het
-over hem met me zelf nog niet eens.
-
---Je bent bizonder streng vandaag.
-
---En jullie brave boeren zullen je vader nog wat te stellen geven. Dat
-zie ik aankomen. Je kent het spreekwoord: Roeski moezjiek, Boga
-slonajet! [7]
-
---Ik begin te gelooven, dat oom gelijk heeft. Je hebt een slecht
-denkbeeld van de Russen.
-
---En terecht! De eenige verdienste van den Rus bestaat hierin, dat
-hij een slechten dunk van zich zelf heeft. En dat kan hem dan verder
-niet schelen! Het is veel belangrijker te weten, dat tweemaal twee
-vier is. De rest heeft niets te beteekenen!
-
---Wat? Ook de natuur dus niet? antwoordde Arkadiej en liet zijn blik
-weiden over de bonte velden, die baadden in het zachte licht der
-ondergaande zon.
-
---Ook de natuur heeft niets te beteekenen in dien zin, die jij haar
-op het oogenblik geeft. De natuur is geen tempel, maar een werkplaats
-en de mensch is de werkman.
-
-Opeens werd hun oor getroffen door de gedragen tonen van een cello van
-uit het huis. De speler legde gevoel in zijn spel, maar nog ongeoefend
-klonk Schuberts Erwartung, en deze zoete melodie doordrong de lucht
-als honinggeur.
-
---Wat is dat? vroeg Bazarof verwonderd.
-
---Dat is mijn vader.
-
---Speelt je vader cello?
-
---Ja.
-
---Hoe oud is hij dan?
-
---Vier en veertig.
-
-Bazarof barstte in lachen uit.
-
---Waarom lach je?
-
---Hè? Een man van vier en veertig jaar, een pater familias in het
-goevernement speelt cello...?
-
-Bazarof lachte nog luider.
-
-Maar Arkadiej was het onmogelijk in deze vreugde te deelen, hoe groot
-zijn eerbied ook voor den leermeester was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-Zoo verliepen twee weken. Het leven der menschen op Marjino ging
-eentonig voort. Arkadiej leefde als sybariet, Bazarof werkte. Men
-was gewoon geraakt aan zijn kort-aangebonden woord. Fenitsjka had
-zooveel vertrouwen in hem gekregen, dat ze hem eens in den nacht
-liet wekken, toen Mitia krampen had. Bazarof kwam, bleef twee uren,
-lachte, gaapte beurtelings en hielp het kind. Alleen Paul haatte en
-verachtte Bazarof uit het diepst van zijn hart; in zijn oogen was
-hij onbeschaamd, aanmatigend cynicus, een plebejer, die hem, Paul
-Kirsanof, weinig eer bewees en misschien wel de vermetelheid had,
-hem te minachten; zijn broeder Nikolaas was eigenlijk een weinig
-bang voor den nihilist en betwijfelde, of hij wel een goeden invloed
-had op Arkadiej. Maar hij hoorde hem met genoegen aan en was gaarne
-tegenwoordig bij zijn chemische en physische experimenten. Bazarof had
-een microscoop meegebracht en kon daarmee urenlang bezig zijn. Ook de
-bedienden hadden zich aan hem gewend, ofschoon hij hen vrijwel uit
-de hoogte behandelde. Ze zagen meer een gelijke, dan een "heer" in
-hem. Doeniasja giegelde graag met hem en knipoogde dan veelbeteekenend,
-als ze langs hem kwam. Peter, ingebeeld en dom, met een altijd erg
-bezorgd gezicht, dat toch vriendelijk stond, terwijl hij ook schrijven
-kon en netjes voor den dag kwam, begon te glimlachen, zoodra Bazarof
-een vriendelijkheid tegen hem zei. De jongste bedienden liepen hem
-na als honden. De oude Prokofitsj was de eenige, die niet van hem
-hield. Hij bediende hem aan tafel met zichtbaren tegenzin, noemde hem
-lomperd en beweerde, dat hij met zijn lange bakkebaarden wel wat van
-een everzwijn had. Prokofitsj was op zijn manier ook een aristocraat,
-evenals Paul.
-
-Het waren de mooiste dagen van het jaar, de eerste dagen van
-Juni. Heerlijk weer. Wel was de cholera gesignaleerd, maar de
-bewoners van het goevernement waren daaraan gewoon. Bazarof stond 's
-morgens vroeg op en doolde twee, drie werst in het rond, niet om te
-wandelen, want daar hield hij niet van, maar om planten en insekten
-te zoeken. Soms ging Arkadiej met hem mee. Nu en dan ontstond er
-verschil van meening tusschen de vrienden en gewoonlijk was Akadiej
-de overwonnene, ofschoon hij veel meer sprak dan de ander. Eens,
-toen ze lang wegbleven, liep Nikolaas Petrowitsj hun tegemoet. Bij
-het boschje hoorde hij hun stemmen. Zij konden hem niet zien.
-
---Je kent mijn vader niet, zei Akadiej. Nikolaas Petrowitsj stond
-onbewegelijk.
-
---Je vader is een beste man, antwoordde Bazarof, maar hij is rijp
-voor de rommelkamer, hij heeft uitgediend, zijn lied is uit.
-
-Nikolaas Petrowitsj luisterde, Arkadiej zweeg. De "uitgediende" bleef
-nog eenige oogenblikken, waar hij stond, toen sloop hij huiswaarts.
-
---Ik let eens op, wat hij zoo al uitvoert, hij leest nu al drie dagen
-Poesjkin, zei Bazarof, zeg hem toch eens dat dat kinderachtig is. Hij
-is geen jongen meer en moest al dien onzin verbranden. Wie stelt nu
-nog belang in romantiek en poëzie? Geef hem een goed boek te lezen.
-
---Wat bijvoorbeeld? vroeg Arkadiej.
-
---Begin met "Kracht en Stof" van Büchner.
-
---Daar heb ik ook al aan gedacht, antwoordde Arkadiej, het boek is
-gemakkelijk te begrijpen.
-
---Zoo is dan ons vonnis geveld, zei Nikolaas Petrowitsj dien avond
-tegen zijn broeder, wij zijn rijp voor de prullemand, ons lied is
-uit. Bazarof heeft misschien gelijk. Waarom me dat nu zoo spijt, ik
-had juist gehoopt, mij enger aan te sluiten bij Arkadiej en nu zie ik,
-hoezeer ik ten achter ben, hij heeft mij ingehaald en we begrijpen
-elkaar niet meer.
-
---In hoeverre heeft hij je ingehaald en waarin onderscheidt hij zich
-dan zooveel van ons? riep Paul ongeduldig.--Die nihilist heeft hem
-dat allemaal in zijn hoofd gepraat. Die sinjeur is onverdragelijk. Ik
-ben overtuigd, dat hij met zijn kikvorschen nog niets begrijpt van
-natuurkunde.
-
---Nee, nu vergis je je toch. Intelligent en op de hoogte is hij!
-
---En die inbeelding, onuitstaanbaar!
-
---Ingebeeld is hij, dat geef ik toe. Dat schijnt onvermijdelijk. Maar
-één ding is me te erg. Ik doe mijn best, met mijn tijd mee te gaan, ik
-heb mijn boeren een menschwaardig bestaan verschaft, een pachtsysteem
-ingericht, waarom ze me "den roode" noemen in het goevernement,
-ik lees, studeer, doe wat ik kan en toch moet nu mijn lied uit
-zijn! Onmogelijk is het niet, misschien hebben ze gelijk.
-
---Hoe zoo?
-
---Ik zit vandaag Poesjkin te lezen. Ik wil juist met "de Zigeuners"
-beginnen. Daar komt Arkadiej zachtjes en als deelnemend aansluipen,
-neemt me stil het boek weg en geeft me er een ander, een Duitsch boek,
-voor in de plaats. Dan glimlacht hij en gaat, met Poesjkin, heen.
-
---En wat voor een boek heeft hij je gegeven?
-
---Hier is het.
-
-En Nikolaas Petrowitsj haalde uit zijn achterzak den negenden druk
-van Büchners veelbesproken boek voor den dag.
-
-Paul bladerde er in.
-
---Hm,... Arkadiej is dus bezig, je op te voeden! Heb je gelezen?
-
---Ik ben begonnen.
-
---En...?
-
---Of ik ben een stomkop, of de schrijver is niet wijs. Maar het zal
-wel aan mij liggen.
-
---Ken je je Duitsch nog?
-
---Zeker.
-
-Paul draaide het boek in de hand en keek zijn broeder aan. Beiden
-zwegen.
-
---Apropos, zei Nikolaas Petrowitsj, die over iets anders wilde
-beginnen. Ik heb een brief van Koliazin.
-
---Van Mathias Ilitsj?
-
---Ja. Hij wil het gouvernement inspecteeren. Een man van gewicht. Hij
-schrijft, dat hij ons als familie graag bij zich wil zien en noodigt
-ons, jou en Arkadiej uit naar de stad.
-
---Denk je te gaan? vroeg Paul.
-
---Nee, en jij?
-
---Ik ook niet. Ik zie er niets in, terwille van zijn mooie oogen
-een reis van vijftig werst te ondernemen. Mathieu wil zich in zijn
-volle glorie toonen! Laat hij tevreden zijn met den wierook van zijn
-ambtenaren. Hij is dus geheimraad! Wat een eer! Als ik in dienst
-gebleven was en de keten der ellende langer had gedragen was ik nu
-luitenant-generaal. Maar wij zijn immers rommel.
-
---Ja, broeder. Het wordt tijd onze doodkisten te bestellen en de
-armen over de borst te vouwen, zei Nikolaas Petrowitsj zuchtend.
-
---Wat mij betreft, antwoordde Paul, ik geef me zoo gauw niet over. Ik
-wil nog eens vechten met dien fraaien dokter. Reken daarop.
-
-Dat gebeurde nog dienzefden middag bij de thee. Paul was al opgewonden
-en slagvaardig in den salon gekomen. Hij wachtte alleen nog het
-oogenblik van den aanval af. Maar hij moest lang wachten. Bazarof sprak
-als gewoonlijk niet veel in tegenwoordigheid "der oude Kirsanofs",
-zooals hij de broeders noemde. Buitendien was hij uit zijn humeur
-en dronk de eene kop na de andere in diep stilzwijgen. Paul werd
-ongeduldig. Eindelijk deed zich een gelegenheid voor. Men sprak over
-een eigenaar uit den omtrek.
-
---Dat is een idioot, een aristocraat-van-niets, zei Bazarof kalm. Hij
-kende hem van Petersburg.
-
---Veroorloof mij de vraag, wendde Paul zich met sidderende lippen tot
-hem, of volgens uw meening de woorden idioot en aristocraat dezelfde
-beteekenis hebben.
-
---Ik heb gezegd aristocraat-van-niets, antwoordde Bazarof en dronk
-onverschillig zijn thee.
-
---Juist, en ik vermoed, dat aristocraat en aristocraat-van-niets
-voor u hetzelfde zijn. Ik wensch u te doen opmerken, dat dit voor mij
-niet het geval is. Ik meen te mogen zeggen, dat ik beschouwd word als
-een liberaal man, die den vooruitgang weet te waardeeren. En ik heb
-achting voor de aristocraten, de echte aristocraten. Denkt u maar
-eens, aan de Engelsche aristocraten, mijn beste heer (Bazarof keek
-hem nu aan). Zij laten niets van hun rechten vallen en eerbiedigen
-toch de anderen. Zij eischen op, wat men hun schuldig is en blijven
-nooit in gebreke ten opzichte van wat zij anderen schuldig zijn. De
-aristocratie was het, die Engeland groot en vrij heeft gemaakt. Zij
-is Engelands trouwste steunpilaar.
-
---Dat is oud nieuws, al zoo vaak gehoord, antwoordde Bazarof, wat
-wilt u daarmee zeggen?
-
---Ik wil daarmee bewijzen, mijn beste heer, dat zonder het gevoel van
-eigenwaarde, zonder eerbied voor zich zelf--gevoelens, eigen aan het
-wezen der aristocratie--elke solide grondslag voor het bien public
-zou ontbreken. De individu, de persoonlijkheid, dat is de hoofdzaak,
-mijn beste heer. De persoonlijkheid moet vast staan, als een rots,
-want alles rust op deze basis. Ik weet wel, dat u mijn manieren, mijn
-kleeding, mijn gewoonten belachelijk vindt. Maar dit alles komt voort
-uit de achting, die men zich zelf verschuldigd is, uit plichtsgevoel,
-ja mijnheer, uit plichtsgevoel, ik leef hier achteraf in de provincie,
-maar daarom verwaarloos ik mijzelf nog niet, ik eerbiedig in mij zelf
-den mensch.
-
---Neemt u me niet kwalijk, Paul Petrowitsj, antwoordde Bazarof,
-u zegt, dat u uzelf eerbiedigt en toch zit u daar met over elkaar
-geslagen armen. Wat heeft het bien public daaraan? Ook zonder die
-achting voor uzelf, zou u niet anders "handelen."
-
-Paul Petrowitsj verbleekte.
-
---Dat is een heel andere kwestie, antwoordde hij, ik gevoel niet den
-minsten lust, u te verklaren, waarom ik hier zit met over elkaar
-geslagen armen, zooals u gelieft te zeggen. Ik wilde mij ertoe
-bepalen, u eraan te herinneren, dat de aristocratie op een principe
-berust en dat alleen niet moreele of onbeteekenende lieden zonder
-principes kunnen leven. Ik heb dit reeds mijn neef gezegd, den dag
-na zijn aankomst en herhaal het hier nog eens voor u. Is het niet
-zoo, Nikolaas?
-
-Nikolaas Petrowitsj knikte toestemmend.
-
---Aristocratie, liberalisme, principes! herhaalde Bazarof, wat een
-overbodige vreemde woorden. Een echte Rus zou ze niet cadeau willen
-hebben.
-
---Wat zou die dan willen volgens uw meening? Volgens u staan wij
-buiten de cultuur en haar wetten. Dat is toch wat veel gezegd. De
-logica der geschiedenis eischt...
-
---Wat moeten we met die logica? Die kunnen we best missen.
-
---Wat?
-
---U hebt toch ook geen logica noodig, om een boterham te eten, als
-u trek hebt. Wat hebben we aan al die abstracties?
-
-Paul hief zijn handen op.
-
---Wij begrijpen dat niet meer! U beschimpt het Russische volk. Ik
-begrijp niet, hoe het mogelijk is, principes, en de wetten der logica
-te verloochenen. Waardoor laat u u dan leiden in het leven?
-
---Ik heb u al gezegd, beste oom, zei Arkadiej, dat wij geen autoriteit
-erkennen.
-
---Onze daden worden alleen beheerscht door de eischen van wat nuttig
-is, van wat wij als nuttig beschouwen, zei Bazarof, het schijnt ons
-tegenwoordig nuttig te ontkennen en dus ontkennen wij.
-
---Alles?
-
---Volstrekt alles.
-
---Niet alleen kunst, poëzie, maar ook...
-
---Alles, herhaalde Bazarof met groote kalmte.
-
-Paul keek hem vast in de oogen. Dit antwoord had hij niet
-verwacht. Arkadiej werd rood van vreugde.
-
---Pardon, pardon, zei Nikolaas Petrowitsj, jullie ontkennen alles,
-of, liever, jullie breken alles af, maar men moet toch ook opbouwen.
-
---Dat gaat ons niet aan, eerst moet schoon schip worden gemaakt.
-
---De toestand van het volk eischt dat, voegde Arkadiej er ernstig
-aan toe. We hebben een plicht te vervullen. We hebben niet het recht,
-ons over te geven aan de bevrediging van een persoonlijk egoïsme.
-
-Die laatste zinsnede beviel Bazarof niet. Dat rook naar filosofie,
-d. i. naar romantiek, want ook de wijsbegeerte noemde hij zoo. Hij
-vond het echter niet geschikt, zijn discipel tegen te spreken.
-
---Nee, nee, riep Paul opgewonden, ik wil niet gelooven, dat jullie een
-juiste meening hebt over de Russen, dat jullie de eischen en diepste
-wenschen van het volk begrijpt. Neen! Het Russische volk is anders
-als u dat voorstelt. Het heeft een heilige vereering voor de traditie,
-het is patriarchaal, het kan niet leven zonder geloof...
-
---Ik zal niet probeeren, u tegen te spreken, antwoordde Bazarof,
-ik wil zelfs toegeven, dat u ditmaal gelijk hebt.
-
---Maar als ik gelijk heb...
-
---Dan is daarmee nog niets bewezen.
-
---Volstrekt niets, herhaalde Arkadiej met de zekerheid van een ervaren
-schaker, die een gevaarlijken zet van zijn tegenpartij voorziet en
-zich daardoor niet laat afschrikken.
-
---Waarom zou dat niets bewijzen? vroeg Paul verwonderd.--U scheidt
-u dus af van uw volk!
-
---En als dat zoo was? Het gelooft, dat de profeet Elias door den
-hemel gaat, wanneer het dondert. Moet ik dit daarom ook gelooven? Maar
-buitendien, u zegt, dat het volk Russisch is? Ben ik dan niet Russisch?
-
---Neen, na al wat u gezegd hebt, bent u geen Rus.
-
---Mijn grootvader liep achter den ploeg, antwoordde Bazarof trotsch,
-vraagt u den eersten den besten van uw boeren, wien hij eerder als
-landgenoot erkent, u of mij? U kunt niet eens met hen spreken.
-
---En u kunt met hem spreken, en veracht hem daarbij.
-
---Waarom niet, als hij niet beter verdient? U hebt bezwaren tegen mijn
-denkbeelden, maar wie zegt u, dat dat moderne grillen zijn? Waarom
-kunnen zij niet juist voortkomen uit den geest van dit volk, dat zoo
-door u verdedigd wordt?
-
---Kom, kom. De nihilisten zijn zeker iets noodzakelijks!
-
---Dat doet er niet toe. Het is niet aan ons, daarover te oordeelen. U
-gaat immers ook niet van de meening uit, dat ze zonder beteekenis zijn?
-
---Heeren, heeren, alstublieft geen persoonlijkheden, riep Nikolaas
-Petrowitsj en stond op.
-
-Paul glimlachte, legde zijn broeder de hand op den schouder en duwde
-hem weer op zijn stoel.
-
---Kalm aan, zei hij, ik zal mijzelf niet te buiten gaan juist
-doordat ik dat gevoel van eigenwaarde bezit, dat deze heer zoo
-bespot... mijnheer de dokter! ging hij voort tot Bazarof:
-
---U denkt zeker, dat uw standpunt nieuw is. Ten onrechte. Het
-materialisme heeft al meer dan eens dienst gedaan en bleek altijd
-onbevredigend.
-
---Alweer een vreemd woord, antwoordde Bazarof. Hij begon zich te
-ergeren en zijn gezicht werd koperkleurig.--Voor alles zeg ik, dat
-wij niet preeken.
-
---Wat doet u dan?
-
---Dat zal ik u zeggen. Eerst hebben wij gesproken over die booswichten
-van ambtenaren, dat er geen wegen zijn, geen handel, geen goede
-rechtspraak.
-
---Ja, jullie zijn verklikkers. Ik ben het grootendeels wel eens met
-jullie kritiek, maar...
-
---Verder hebben we begrepen, dat het niets geeft, te praten
-over onze schrijnende wonden, want dat loopt toch maar uit op
-ordinair doctrinarisme; wij zijn overtuigd, dat onze leiders, onze
-"verklikkers", niets behoorlijks presteerden, behalve dwaasheden,
-als l'art pour l'art, het idee van de scheppende kracht, die hun zelf
-onbewust was, parlementarisme, de noodzakelijkheid van advocaten
-enzoovoort, terwijl we aan ons dagelijksch brood moesten denken,
-terwijl het zotste bijgeloof ons gezond verstand verstikt, terwijl
-al onze naamlooze vennootschappen over den kop gaan, omdat er geen
-eerlijke lui te vinden zijn, terwijl de opheffing der lijfeigenschap,
-waar de regeering zich zoo druk mee maakt, ten slotte geen goeds
-doet, omdat de boer nu zich zelf bestelen kan, naar de kroeg loopt
-en vergif zuipt.
-
---Juist, antwoordde Paul, juist zoo! Dat heb jullie dus allemaal
-ontdekt en bent toch niet van plan, iets ernstigs te ondernemen.
-
---Zeker zijn we dat van plan, begon Bazarof, maar hield plotseling
-op, zich zelf verwijtend, dat hij zooveel woorden verspild had aan
-dezen aristocraat.
-
---En jullie schelden dus voorloopig alleen maar!
-
---Wij schelden ook.
-
---En dat heet dan nihilisme?
-
---Ja, dat heet nihilisme, herhaalde Bazarof, maar op zeer uitdagenden
-toon.
-
-Paul knipte eenigszins met de oogleden.
-
---Juist zoo, zei hij met vreemdrustige stem.--Het nihilisme wil dus
-alles genezen en jullie zijn onze redders, onze helden. Prachtig! Maar
-waarom schimp jullie dan zoo op de anderen die volgens jullie praters
-zijn? praat jullie soms niet?
-
---Als wij ons iets te verwijten hebben, dan is het zeker niet
-dit! antwoordde Bazarof tusschen zijn tanden.
-
---Verbeeldt jullie je dan werkelijk te handelen of ook maar eenige
-daad voor te bereiden?
-
-Bazarof zweeg. Paul beefde.
-
---Hm. Handelen! Omverwerpen! ging hij voort.--Maar hoe kan men
-omverwerpen, zonder te weten waartoe?
-
---Wij werpen omver, omdat wij een kracht zijn, zei Arkadiej pathetisch.
-
-Paul zag hem aan en glimlachte.
-
---Zeker, een kracht hoeft ook geen rekenschap af te leggen, ging
-Arkadiej voort en rekte zich hoog-op.
-
---Dwaas! riep Paul, niet in staat, zich langer te beheerschen. Als
-je tenminste maar rekenschap wilde geven van wat je wilt beweren met
-die belachelijke fraze! Dat is toch te gek! Daar is engelengeduld voor
-noodig, om dat allemaal te dulden! Kracht! Die hebben de Kalmukken en
-de Mongolen ook. Maar wat hebben wij eraan? De beschaving moet ons een
-dierbaar bezit zijn. Ja, heertjes, de vruchten der beschaving. En
-zeg me niet, dat die vruchten geen waarde hebben. De slechtste
-schilder, een barbouilleur, de armzaligste vedelaar, die een paar
-kopeken krijgt voor een heelen avond, zijn nuttiger dan jullie, omdat
-zij vertegenwoordigers zijn van de beschaving en niet van de brute
-kracht der Mongolen. Jullie verbeeldt je, vooruitstrevend te zijn,
-maar je hoort thuis in een Kalmukkentent. Kracht! Bedenk toch eens,
-heeren van de kracht, dat jullie misschien met zijn vieren bent,
-terwijl de anderen bij millioenen te tellen zijn en dat die jullie
-niet zullen toestaan, hun heiligst geloof met voeten te treden. Ze
-zullen jullie verpletteren!
-
---Als ze ons verpletteren, dan zal dat wel goed zijn, antwoordde
-Bazarof. Maar dat heeft mijn grootmoeder al verteld. Wij zijn veel
-talrijker, dan u denkt!
-
---Hoopt u dan werkelijk, het heele volk te bekeeren?
-
---U moest weten, dat een kopekekaars voldoende is, om heel Moskou in
-brand te steken [8], antwoordde Bazarof.
-
---Juist. Eerst een bijna satanische overmoed, dan domheid. Kijk nu,
-daarmee tracht men de jeugd te verleiden. Daarmee worden de onervaren
-gemoederen van zulke jongeren op hol gejaagd. Daar zit er zoo één
-voor ons. (Arkadiej keerde zich somber af). En het gif vreet verder
-en verder. Ik liet me vertellen, dat onze schilders in Rome geen
-voet meer in het Vatikaan zetten. Ze noemen Rafael een stumper,
-alleen omdat hij als autoriteit geldt, en toch zijn zij, die hem zoo
-noemen, de machteloosheid in persoon! Hun fantazie reikt niet verder
-dan het bekende "Jonge meisje aan de bron". En ook dat lijkt nog naar
-niets. En zulke menschen worden door jullie gewaardeerd?
-
---Ik voor mij geef geen kopeke om Rafaël, antwoordde Bazarof. En de
-anderen zijn niet veel beter.
-
---Bravo! Bravo! Hoor je dat, Arkadiej? Zoo drukt men zich tegenwoordig
-uit! O, ik begrijp wel, waarom zij zich aan jullie vastklampen. Anders
-moesten ze immers zien wat te leeren. Want voor domkoppen willen ze
-niet doorgaan. En nu kunnen ze eenvoudig zeggen: 't is immers toch
-allemaal onzin. U hebt reden, trotsch te zijn en gelukkig! Eerst
-waren jullie stumperds, maar nu zijn jullie nihilisten!
-
---U schijnt het begrip der persoonlijke waardigheid, waarvan u
-zooveel ophef maakte, wel eenigszins te verwaarloozen, antwoordde
-Bazarof kalm, terwijl Arkadiej bloosde van verontwaardiging en zijn
-voorhoofd fronste.
-
---We hebben ons te ver laten voeren en ik geloof, dat we beter doen,
-hier maar op te houden Ik zou me gewonnen geven, als u me maar éen
-enkele instelling in onze maatschappij zoudt kunnen aanwijzen, die
-niet met bekwamen spoed en zonder erbarmen afgemaakt moest worden.
-
---Tallooze zou ik u kunnen noemen, tallooze, riep Paul. Neem
-bijvoorbeeld de dorpseenheid.
-
-Een kille glimlach vloog over Bazarofs gezicht.
-
---Over ons dorpswezen moest u liever eens met uw broeder spreken,
-antwoordde hij. Hij weet beter dan ik, wat te zeggen van het
-gemeenschapsgevoel der boeren, hun "matigheidsvereenigingen" en
-dergelijke grappen meer.
-
---En de familie, de familie zooals die nog bij het landvolk bestaat!
-
---Dat is weer een onderwerp, waarop u maar liever niet moest
-doorgaan. Volgt u mijn raad, Paul Petrowitsj, en denk daar eens een
-paar dagen over na. Zoo dadelijk zult u wel niets weten. Ga eens al
-onze standen één voor één na. Intusschen zullen Arkadiej en ik...
-
---Alles belachelijk maken, viel Paul hem in de rede.
-
---Neen, wij zullen ons tevreden stellen met het onderzoeken van
-kikvorschen. Ga je mee, Arkadiej! Tot ziens, heeren!
-
-De vrienden gingen heen. Paul bleef met zijn broeder alleen, zij
-keken elkaar zwijgend aan. Toen begon Paul eindelijk:
-
---Zoover is het dus al met onze jeugd! Dat zijn onze opvolgers!
-
---Onze opvolgers! herhaalde Kirsanof en zuchtte diep. Hij had al
-dien tijd als op heete kolen gezeten en slechts nu en dan zijn zoon
-meewarig aangekeken.
-
---Weet je, waar me dat alles aan doet denken, broeder? Eens op een
-avond had ik woorden met moeder. Nog al heftig. Ze schreeuwde en
-wilde niet naar mij luisteren. Eindelijk zei ik: u kunt me niet
-begrijpen, wij zijn van twee verschillende generaties! Die woorden
-deden haar pijn. Maar ze zei: Wat is daaraan te doen? Het is hard,
-maar we moeten het dragen. En zoo komen nu ook onze kinderen zeggen:
-jullie bent van een ander geslacht. Slik de pil!
-
---Je bent te bescheiden, te goed, antwoordde Paul, ik ben overtuigd,
-dat wij gelijk hebben en niet de kinderen, al klinkt onze taal een
-beetje ouderwetsch en al bezitten wij niet de zelfoverschatting
-der jongeren... Buitendien zijn ze zoo onecht. Vraag aan tafel:
-wilt u rooden of witten wijn? En ze antwoorden: Ik drink principieel
-rooden! en dat met een gewichtigheid, alsof het heil der menschheid
-daarvan afhing!
-
---Wilt u geen thee meer? vroeg Fenitsjka door de half-open deur. Ze
-had gedurende de woordenwisseling niet binnen willen komen.
-
---Nee, neem den samowaar maar weg, antwoordde Nikolaas, stond op en
-verliet den salon. Paul zei kort bonsoir en zocht zijn kamer op.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
-Een half uur later ging Nikolaas den tuin in naar zijn geliefd boschje,
-zware gedachten kwelden hem. Voor het eerst had hij de kloof overzien,
-die hem van zijn zoon scheidde. Hij vreesde, dat die met den dag wijder
-zou worden. Zijn verblijf in Petersburg, zijn lezen van de nieuwe
-werken had dus niet gebaat. Vergeefs dus had hij geluisterd naar de
-gesprekken der jongeren. Vergeefs getracht, in hun gedachteleven door
-te dringen. Mijn broeder beweert, dat wij gelijk hebben, dacht hij,
-en inderdaad, afgezien van alle eigenliefde, schijnen zij verder
-van de waarheid dan wij. En toch, zij hebben iets, dat wij missen,
-een zeker overwicht, een kracht... Zou dat de jeugd zijn? Neen, niet
-alleen. Hun overwicht ligt hierin, dat ze minder belast zijn met de
-tradities der heeren.
-
-Ze verachten de poëzie! zei hij tot zich zelf en schudde het
-hoofd.--Niets voelen voor kunst, voor de natuur?... Hij keek om zich
-heen, alsof hij wilde begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men de
-natuur niet liefhebben kon. De schemering viel. De zon was achter een
-populieren boschje verborgen, dit stond een halve werst van den tuin
-verwijderd en wierp lange schaduwen over het land. Een boer draafde
-op een schimmel het pad langs den woudrand af. Hij was scherp te zien,
-zelfs een anderskleurige lap op den schouder van zijn kaftan. De beenen
-van het paard bewogen in aangenamen regelmaat en sierlijk. De stralen
-der zon drongen door het loof en tintten de boomen met warmen toon,
-zoodat het hooge, stille sparren geleken en de hemel stond bleek-rozig,
-strak over het land. De zwaluwen vlogen heel hoog, wind was er bijna
-niet. Wat late bijen zoemden zwakjes, slaperig langs de vlierbloesems
-en een zwerm muggen danste boven een eenzaam-uitstekenden tak.
-
---Hoe heerlijk, mijn God, dacht hij, en geliefde verzen, wilden hem
-over de lippen komen, maar hij dacht aan zijn zoon, aan "Kracht en
-Stof" en hield zich stil. Toch bleef hij zitten en gaf zich over
-aan het teedere, droeve genot van eenzaam droomen. Het landleven
-had hem dat geleerd... Hoelang was het nu geleden, dat hij in die
-herberg aan den straatweg wachtte op zijn zoon, en hoeveel was er
-veranderd sedert dien? Toen kende hij nog niet zijn verhouding tot den
-zoon... en nu... ja... Het beeld van zijn vrouw verscheen voor hem,
-niet zooals zij in haar laatste jaren was geweest, goede, opgeruimde,
-welwillende huisvrouw, maar als jong meisje, slank, met vragenden blik,
-onschuldig, het haar in dikke vlechten, zooals hij haar voor de eerste
-maal had gezien, toen hij college liep. Toen hij haar ontmoette op de
-trap van het huis, waar hij woonde, stootte hij haar en zei verlegen:
-pardon, monsieur... Zij glimlachte, en liep opeens, als verschrikt,
-hard weg. Maar op het portaal keek ze hem even aan, ernstig en kreeg
-een kleur. En het aarzelende samenzijn begon, de halve woorden,
-lachjes, de uren van twijfel en wanhoop, de uren van zaligheid en
-eindelijk het overstelpende, dronken makende geluk... wat was van dit
-alles geworden? Zij werd zijn vrouw, hij was gelukkig, als weinigen op
-aarde... maar toch... niets is te vergelijken met die eerste heilige
-oogenblikken... waarom kunnen die niet duren... tot aan den dood?...
-
-Hij trachtte niet verder te weven aan deze gedachte. Vasthouden wilde
-hij dien tijd met sterker banden dan die der herinnering. Hij wilde
-haar weer naast zich weten, haar adem voelen, haar wangen streelen,
-en bijna was het, of boven zijn hoofd haar...
-
---Nikolaas Petrowitsj, vleide Fenitsjka's stem naast hem, waar ben
-je toch?
-
-Hij trilde plotseling. Geen berouw of schaamte was dat gevoel, hij had
-er nooit aan gedacht, vergelijkingen te maken tusschen zijn vrouw en
-Fenitsjka. Maar het was pijnlijk, dat zij nu juist komen moest. Haar
-stem herinnerde hem zijn grijze haren, zijn vroeg-oud zijn, zijn
-tegenwoordigen toestand, en de droomwereld, waarin hij zich had laten
-gaan op de bleeke nevels van het verleden, vervaagde en verdween.
-
---Ik zit hier, antwoordde hij, ik kom dadelijk, ga maar vast...
-
-Dat zijn nu de tradities der heeren, van zooeven, dacht hij.
-
-Fenitsjka keek eerst nog in het boschje en verwijderde zich toen. Nu
-bemerkte hij pas, dat de nacht hem overrompeld had. Rondom was het
-donker en stil en Fenitsjka's gezichtje was zoo bleek en teer geweest,
-die enkele oogenblikken. Hij stond op, om naar huis te gaan. Maar zijn
-bewogen hart was nog niet tot rust gekomen en langzaam liep hij heen en
-weer in den tuin, keek nu eens omlaag, dan weer omhoog naar den hemel,
-die vol sterren stond. Langen tijd ging hij zoo, tot hij moe werd,
-en kon niet tot rust geraken. Wat zou Bazarof hem uitgelachen hebben,
-als hij hem zoo had gezien! Ook zijn zoon zou hem hebben bespot. Zijn
-oogen stonden vol tranen en hij bleef weenen, weenen, waarom?... dat
-was toch schandelijk voor een man van veertig jaar, een landeigenaar
-en landbouwkundige, veel, veel erger dan cellospelen... Nikolaas
-Petrowitsj doolde, doolde en kon niet besluiten, naar huis te gaan,
-het huis, dat hem vriendelijk wenkte met zijn verlichte vensters. Hij
-kon den moed niet vinden, den donkeren tuin te verlaten, de koele
-lucht, die zijn voorhoofd streelde, deze teer-droeve stemming...
-
-Daar trad Paul Petrowitsj op hem toe.
-
---Wat doe je toch? vroeg hij, je bent bleek als een spook. Voel je
-je ziek? Je moest naar bed gaan.
-
-Nikolaas sprak hem van zijn gedachten en gevoelens en ging in
-huis. Paul bleef in den tuin. Ook hij begon te peinzen en sloeg
-de oogen ten hemel. Maar hij was geen romanticus. Zijn oogen
-weerspiegelden koel en klaar de sterren, geen tranen, geen droomen,
-die niet bij zijn hartstochtelijk wezen pasten. Hij was een man van
-de daad, van het proza, hoe gevoelig ook voor teere dingen, vijandig
-gezind aan de menschen, op de manier der Fransche misanthropische
-ziel...
-
---Weet je wat? ik heb een idee, zei Bazarof dienzelfden avond tegen
-zijn vriend. Je vader vertelde, dat hij een uitnoodiging ontvangen
-had van jullie neef. Hij wil niet gaan. Hoe zou je erover denken als
-wij eens gingen?... Voor jou is de invitatie ook. Je ziet, hoe het
-hier gesteld is. De reis zal ons goed doen. Wij zien de stad. Het
-kost ons hoogstens een dag of zes.
-
---En kom je dan weer mee terug?
-
---Nee, ik moet naar mijn vader. Hij woont een dertig werst van
-de stad. Ik heb de ouwelui in lang niet gezien. Ik moet hun dat
-genoegen eens doen. Het zijn beste menschen en mijn vader is een
-grappenmaker. En bovendien ben ik eenig kind.
-
---Blijf je lang?
-
---Ik denk het niet. Ik zal me daar wel vervelen.
-
---Kom je op de terugreis dan nog langs?
-
---Dat hangt van er af. Ik weet nog niet. En? Hoe denk je er over? Goed?
-
---Goed, antwoordde Arkadiej, onverschillig.
-
-Eigenlijk was hij zeer tevreden met den voorslag van zijn vriend. Maar
-hij wilde het niet laten merken. Dat hoorde zoo voor een echten
-nihilist.
-
-Den dag daarop reisden zij naar de stad.
-
-Op Marjino vonden de jonge menschen hun afwezigheid
-onaangenaam. Doeniasja weende zelfs. Maar "de ouden" zooals Bazarof
-hen noemde, herademden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
-Goeverneur van de stad *., waar beide vrienden heen gingen, was een
-jonge man, die, zooals zulks in Rusland dikwijls het geval is, tegelijk
-vooruitstrevend en despoot genoemd kon worden. In het eerste jaar van
-zijn ambtsaanvaarding reeds was hij zoo handig geweest, niet alleen met
-den oudste van den adel, een gepensioneerden ritmeester-stafofficier,
-tevens paardenfokker en zeer gastvrij mensch in conflict te komen,
-maar evenzeer met zijn eigen ambtenaren. De geschillen, uit dezen
-toestand gerezen, hadden zulk een omvang aangenomen, dat de minister
-zich genoopt zag, een man van vertrouwen te zenden, ten einde
-de zaken weer vlot te krijgen. De keuze was gevallen op Matthias
-Ilitsj Koliazin, de zoon van dien Koliazin, die weleer voogd over de
-gebroeders Kirsanof was geweest. Hij was een ambtenaar der jongere
-school, ofschoon reeds over de veertig. Hij was echter vast voornemens,
-een staatsman te worden en prijkte dan ook reeds met twee sterren op
-de borst, waarvan de eene trouwens niet veel te beteekenen had, een
-buitenlandsch, weinig geacht ordeteeken. Evenals de goeverneur, gold
-hij als een man van den vooruitgang, had reeds grooten invloed, maar
-was toch geheel anders als andere ambtenaren van zijn rang. Wel had
-hij een zeer grooten dunk van zich zelf en was hij grenzenloos ijdel,
-maar zijn manieren waren eenvoudig en er lag iets aangenaams in zijn
-blik. Hij luisterde altijd zeer welwillend toe en lachte zoo goedig,
-dat men hem bij eerste kennismaking voor "een wonderlijk mensch"
-hield. In belangrijke zaken wist hij echter gewetenloos streng op
-te treden.
-
---Energie is noodzakelijk, placht hij te zeggen, "l'énergie est
-la première qualité d'un homme d'état". Toch kon elk min of meer
-geslepen ambtenaar hem gemakkelijk om den tuin leiden en werd hij
-telkens bedrogen. Matthias Ilitsj maakte veel werk van Guizot en
-deed zijn best, ieder, die hem wilde aanhooren, te overtuigen, dat
-hij niet tot die bekrompen-achterlijke mannen behoorde, die routine-
-en gewoontemenschen, zooals er zoovelen zijn, en dat geen enkele der
-groote maatschappelijke bewegingen aan zijn aandacht en belangstelling
-ontsnapte. Hij hield van die groote woorden en volgde eveneens de
-literaire beweging, maar met een soort superieure minachting, ongeveer
-zooals een man op leeftijd het spel van straatjongens gadeslaat. In
-facto was Matthias Ilitsj niet zooveel verder dan de staatslieden
-uit den tijd van Alexander I, die, wanneer ze 's avonds een soireé
-bij mevrouw Swetsjiena moesten bijwonen, 's morgens een hoofdstuk uit
-Condillac lazen. Alleen zijn manieren waren wat moderner. Hij was een
-handig hoveling, een sluwerd, zonder meer. Van staatszaken begreep
-hij weinig, en geest bezat hij niet. Zijn eigen belangen echter waren
-hem wel bewust. Hierin kon niemand hem bedriegen en dit is een talent,
-waardoor hij toch eenige verdienste had.
-
-Matthias Ilitsj ontving Arkadiej met welwillendheid, volkomen passend
-bij een verlicht ambtenaar van zijn slag; bijna vroolijk ontving hij
-hem. De mededeeling echter, dat de beide andere heeren niet zouden
-verschijnen, ontstemde hem min of meer.
-
---Je papa is altijd een type geweest, zei hij, en liet de kwasten van
-zijn fluweelen morgenjas door de vingers glijden. Daarop wendde hij
-zich tot een jong ambtenaar in streng toegeknoopt interimsuniform en
-snauwde hem af:
-
---Wat moet u daar?
-
-De jonge man, die lang gezwegen had, richtte zich op en keek zijn
-meerdere met een uitdrukking van verbazing aan. Matthias Ilitsj
-echter deed reeds weer, of hij niet bestond. Onze hoofdambtenaren
-houden er wel van, hun ondergeschikten te overbluffen, maar ze doen
-dat op verschillende manieren. Een zeer geliefd middel bijvoorbeeld,
-a quite favourite, zooals de Engelschman zegt, is dit: de ambtenaar
-verstaat plotseling geen enkel woord meer, alsof hij met doofheid
-geslagen is. Hij vraagt, welke dag het is. Men antwoordt onderdanig:
-
---Vrijdag, Uw Excellentie!
-
---Hè, wat? Wat is?--Zei je iets? antwoordt hij dan.
-
---Het is vandaag Vrijdag, Uw Excellentie.
-
---Hè, wat, wat is er met Vrijdag? Wat voor een Vrijdag?
-
---Vrijdag, Uw Excellentie, het is Vrijdag, een weekdag.
-
---Wat, ondersta jij je, mij een lesje te willen geven?
-
-Zulk een hoofdambtenaar was Mathias Ilitsj, ten spijt van zijn
-liberale denkbeelden.
-
---Ik raad je aan, mijn beste, zei hij tot Arkadiej, den goeverneur
-een bezoek te brengen. Je moet me goed begrijpen. Als ik je dien
-raad geef, moet je niet denken, dat ik wil, dat je autoriteiten het
-hof zoudt maken. Maar de goeverneur is een man van de wereld. En
-buitendien zul je toch wel van plan zijn, je in onze kringen te laten
-introduceeren. Ik hoop, dat je geen beer bent. De goeverneur geeft
-overmorgen een groot bal.
-
---Denkt u daar ook heen te gaan? vroeg Arkadiej.
-
---Hij geeft het ter mijner eer, zei Mathias Ilitsj op bijna
-medelijdenden toon, je danst toch?
-
---Ja, maar niet goed.
-
---Des te erger voor jou. Er komen een paar mooie vrouwen. En buitendien
-is het een schande voor een jongen man, als hij niet kan dansen. Ik
-herhaal, ik zeg dat niet uit voorliefde voor het oude, ik vind
-volstrekt niet, dat de geest in de beenen zit, maar het byronisme
-vind ik belachelijk, dat is overwonnen!
-
---Denkt u dan, oom, dat het byronisme...
-
---Ik zal je in kennis brengen met onze dames. Ik zal je onder mijn
-bescherming nemen, antwoordde Mathias Ilitsj met welwillenden glimlach.
-
-Een dienaar diende den president der kamer van financiën aan,
-een oude man met honig-zoeten blik en ingevallen lippen, die met
-de natuur dweepte, vooral in den zomer, wanneer, zooals hij zei,
-"het vlijtige bijtje haar dropje zuigt uit elk bloempje."
-
-Arkadiej trok zich terug. Hij vond Bazarof in het hotel, waar ze
-hun intrek genomen hadden en deze liet zich overhalen, mee naar den
-goeverneur te gaan.
-
---Voor mijn part dan, zei hij, als men den pink gegeven heeft,
-moet men ook de heele hand reiken. Wij zijn gekomen om de heeren
-grondeigenaren te leeren kennen.--Vooruit dan.
-
-De goeverneur ontving de jonge lieden vriendelijk, maar hij noodigde
-ze niet uit te gaan zitten, en bleef zelf ook staan. Hij had het
-altijd gewichtig en druk. Zoodra hij opgestaan was, stak hij zich in
-ambtsuniform met nauwsluitende das en gunde zich nauwelijks tijd te
-ontbijten, om toch maar niets van zijn zaken te verzuimen. Hij werd
-in het goevernement Boerdaloe genoemd; dit was geen toespeling op den
-beroemden Franschen prediker, maar werd afgeleid van het woord bourde,
-dat praatje beduidt. Hij noodigde Arkadiej en Bazarof op zijn bal,
-herhaalde de uitnoodiging eenige minuten later, hield de vrienden
-voor broeders en gaf hun den naam Kaisarof.
-
-Toen ze het huis des goeverneurs verlieten, kwam er een rijtuig aan,
-dat plotseling stil hield. Een jonge man van gemiddelde gestalte
-sprong eruit en riep "Jevgeni Wassilitsj!" terwijl hij op Bazarof
-afkwam. Hij droeg een Poolsche lange jas op de wijze der Slavofielen.
-
---Hé, bent u het, mijnheer Sitnikof, zei Bazarof, zonder te blijven
-staan. Wat voert u hier?
-
---Een toeval, antwoordde hij, keerde zich naar het rijtuig, wenkte
-vijf, zes maal met de hand en riep: Volgen! Volgen!--Mijn vader, ging
-hij voort, heeft hier zaken en verzocht mij... ik hoorde vandaag,
-dat u ook hier bent, en kom juist van uw hotel. (Inderdaad vonden de
-vrienden een omgebogen visitekaartje, bij thuiskomst in hun hotel,
-met den naam van Sitnikof in latijnsche en slavische letters.) Ik hoop,
-dat u nog niet bij den goeverneur bent geweest?
-
---Hoopt u van niet? Wij komen er juist vandaan.
-
---Dan ga ik er ook heen. Eugène Wassiljewitsj, stel me toch voor aan
-dezen heer.
-
---Sitnikof--Kirsanof, mompelde Bazarof zonder te blijven staan.
-
---Aangenaam, begon Sitnikof, met vriendelijken glimlach tot Arkadiej,
-terwijl hij zijn zeer elegante handschoenen uittrok,--ik heb al veel
-over u hooren spreken. Ik ben een oud vriend van Eugène Wassiljewitsj
-en mag me zelfs zijn leerling noemen. Hem heb ik mijn moderne inzichten
-te danken.
-
-Arkadiej keek den modernen leerling van Bazarof eens aan. Zijn klein,
-glad geschoren gezicht en regelmatige trekken drukten iets onrustigs,
-ingespannens, maar tegelijk iets geborneerds uit. Zijn oogen keken
-star en onvast tegelijk, zelfs zijn korte-droge lach had iets onzekers,
-verwards.
-
---U zoudt het niet gelooven, ging hij voort, toen Eugène Wassiljewitsj
-mij voor de eerste maal verklaarde, dat er geen autoriteit erkend
-behoefde te worden, gevoelde ik een blijdschap, een bevrijding,
-alsof ik herboren was. Eindelijk een man, dacht ik.--Zeg eens, Eugène
-Wassiljewitsj, je moet vooral een dame bezoeken hier, die heelemaal op
-jouw hoogte staat en die gelukkig zal zijn kennis met je te maken. Je
-moet zeker al van haar gehoord hebben.
-
---Wie is het dan? vroeg Bazarof verveeld.
-
---Koeksjina, Eudoxia Koeksjina. Een merkwaardige vrouw, geëmancipeerd
-in den volsten zin van het woord, een vrouw van den vooruitgang in
-ieder opzicht. Laten we dadelijk alle drie naar haar toe gaan, ze
-woont hier vlak bij. We drinken bij haar koffie... of heb jullie al
-koffie gedronken?
-
---Neen.
-
---Uitmuntend. Ze leeft natuurlijk gescheiden van haar man en is
-onafhankelijk.
-
---Is ze mooi? vroeg Bazarof.
-
---Nee, dat kan ik niet zeggen.
-
---Wat moeten we dan in Gods naam bij haar uitvoeren?
-
---Geen grapjes. Ze zal champagne schenken.
-
---Hm. De praktische man komt om den hoek kijken. Apropos, doet je
-vader nog altijd in brandewijn?
-
---Ja, antwoordde Sitnikof, met gedwongen glimlach. Ga jullie mee?
-
---Ik weet niet, wat ik zeggen zal...
-
---Je wilde immers menschen bestudeeren... zei Arkadiej fluisterend.
-
---En gaat u ook mee, meneer Kirsanof? vroeg Sitnikof. We gaan niet
-zonder u.
-
---We kunnen toch niet zoo met z'n drieën daar in huis komen vallen...
-
---Dat hindert niet. Ze is een zeldzame vrouw!
-
---We krijgen dan champagne? herhaalde Bazarof.
-
---Drie flesschen, riep Sitnikof, ik sta er voor in.
-
---Waarmee?
-
---Met mijn hoofd.
-
---De portemonnaie van papa zou een beter pand zijn. Maar vooruit
-dan maar!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
-Het kleine huis in Russischen stijl, waar Avdotja Nikitisjna of Eudoxia
-Koeksjin woonde, stond in een voor kort afgebrande straat. Het is
-bekend, dat onze provinciestadjes om de vijf jaar afbranden. Aan
-de voordeur was naast een scheef hangend visitekaartje een schel
-aangebracht; een juffrouw met een mutsje op, half dienstmeid, half
-dame van gezelschap, ontving de heeren in de voorkamer. Een en ander
-ten bewijze van den liberalen geest der bewoonster. Sitnikof vroeg
-of Avdotja Nikitisjna thuis was.
-
---O, bent u het Victor? riep een hooge stem uit de achterkamer.--Kom
-binnen! Meteen verdween de juffrouw met het mutsje.
-
---Ik ben niet alleen, zei Sitnikof en keek zijn vrienden met een blik
-van verstandhouding aan, terwijl hij zijn overjas uitdeed.
-
---Dat hindert niet, antwoordde Eudoxia Nikitisjna, kom maar binnen!
-
-De jonge lieden gehoorzaamden. Het vertrek, dat ze binnentraden,
-leek meer een werkkamer dan een salon. Papier, brieven, Russische
-tijdschriften, meest onopengesneden, slingerden op stoffige
-tafels. Overal half opgerookte sigaren daartusschen. De vrouw des
-huizes lag op een leeren sofa. Ze was jong, blond, een kanten doekje
-over het hoofd, zware armbanden had ze aan de polsen en haar handen
-waren klein met korte vingers. Ze stond op, trok een fluweelen sortie,
-met vergeeld hermelijn gevoerd, losjes over de schouders, zei met
-iets smachtends in haar stem:
-
---Dag Victor, en drukte hem de hand.
-
---Bazarof, Kirsanof, zei deze kort, Bazarofs manier van voorstellen
-nabootsend.
-
---Aangenaam, heeren, antwoordde mevrouw Koeksjin. Ze richtte haar ronde
-oogen, waartusschen een heel klein, armzalig, rood wipneusje stond,
-op Bazarof, voegde er bij: Ik ken u, en gaf hem ook een hand. Bazarof
-vertrok even zijn gezicht. Het onbeduidende gezichtje was niet bepaald
-leelijk, maar de uitdrukking was onaangenaam. Men zou willen vragen:
-Wat scheelt eraan? Heb je honger? Verveel je je? Ben je bang voor
-iets? Ze had evenals Sitnikof het gevoel, alsof er voortdurend
-iets knaagde aan haar ziel. Haar bewegingen en manier van spreken
-hadden iets haastigs en logs tegelijk. Ze vond zich zelf zeker goed
-en eenvoudig, en toch, wat ze ook deed, het had altijd den schijn,
-alsof haar plan was, iets anders te doen.
-
--- Ja, ja, ik ken u Bazarof, herhaalde ze. (Naar de gewoonte der
-vrouwen van het land, noemde ze mannen, die ze voor het eerst zag,
-bij hun familienaam.) Rookt u?
-
---Een sigaar graag, zei Sitnikof, die het zich intusschen gemakkelijk
-had gemaakt in een leunstoel, een been over het andere.--Maar u moet
-ons ook wat te eten geven. We vergaan van den honger. En laat dan
-maar meteen een flesch champagne aanrukken.
-
---Sibariet! antwoordde ze lachend. Als ze lachte, zag men het
-tandvleesch. Is hij nu geen Sibariet, Bazarof?
-
---Ik houd van mijn gemak, zei Sitnikof met waardigheid. Maar daarom
-ben ik niet minder liberaal!
-
---Jawel, riep Eudoxia, en ze beval het kamermeisje, voor een dejeuner
-te zorgen en champagne te brengen.
-
---Hoe denkt u daarover? vroeg ze Bazarof, ik weet zeker, dat u het
-met mij eens bent!
-
---Dan vergist u je, antwoordde deze, een stuk vleesch is beter dan
-een stuk brood, zelfs van het standpunt der chemische analyse.
-
---Aha. U doet aan chemie. Dat is mijn zwak. Ik heb zelf een soort
-lijm uitgevonden.
-
---Lijm? U?
-
---Ja, weet u, waarvoor? Voor poppen, poppenhoofden. Bizonder
-duurzaam. Ik ben practisch. Maar ik ben het nog niet met mezelf
-eens. Ik moet Liebig raadplegen. Hebt u in de Moscousche courant
-het artikel van Kisljakof over den vrouwenarbeid gelezen? Dat moet
-u lezen. U interesseert u immers voor de vrouwenkwestie? En voor de
-schoolkwestie ook? En wat doet uw vriend? Hoe heet hij?
-
-Mevrouw Koeksjin ratelde deze vragen na elkander af met een naïeve
-onverschilligheid, zonder eenig antwoord af te wachten. Zoo praten
-ook verwende kinderen met hun gouvernante.
-
---Ik heet Arkadiej Nikolajwitsj Kirsanof, zei Arkadiej, en doe niets.
-
-Eudoxia lachte.
-
---Dat is alleraardigst. Rookt u niet? Victor, je weet, dat ik boos
-op je ben.
-
---Waarom?
-
---Je begint weer met George Sand te dwepen. Dat is een antiek meubel
-en verder niets. Hoe kan iemand haar met Emerson vergelijken? Ze heeft
-geen begrip van opvoeding of physiologie of wat ook. Ik ben overtuigd,
-dat ze nooit van embryologie gehoord heeft en hoe kunnen we het
-tegenwoordig zonder die wetenschap stellen? (Eudoxia spreidde de armen
-uit bij deze woorden). Wat heeft Jelisejewitsj een prachtig artikel
-over dit onderwerp geschreven! Dat is een genie, die heer. (Eudoxia
-zei meestal heer in plaats van man). Bazarof, kom eens bij me zitten
-op de sofa. U weet zeker niet, dat ik vreeselijk bang voor u ben.
-
---Waarom? U maakt me nieuwsgierig.
-
---U bent een gevaarlijk heer. U critiseert alles ter wereld. Maar
-mijn hemel, ik spreek als een echte gans. Maar ik ben ook eigenlijk
-een gans. Ik beheer mijn goed zelf, maar verbeeld u, mijn opzichter
-Jerofej is een type. Hij doet me denken aan Coopers Padvinder. Hij
-heeft zoo iets oerwoudachtigs. En nu zit ik voor goed hier in deze
-verschrikkelijke stad. Is het niet verschrikkelijk? Maar wat te doen?
-
---Het is een stad, als elke andere, antwoordde Bazarof droogjes.
-
---De kleinzieligste dingen houden de menschen hier bezig. 't Is
-afschuwelijk. Anders was ik den heelen winter in Moscou. Maar de
-eerbiedwaardige heer Koeksjin heeft zich daar gevestigd. Buitendien
-is Moscou tegenwoordig... ik weet niet... het is allemaal anders
-tegenwoordig. Ik zou willen reizen. Verleden jaar was ik ook al van
-plan, op reis te gaan.
-
---Zeker naar Parijs? vroeg Bazarof.
-
---Naar Parijs en Heidelberg.
-
---Waarom Heidelberg?
-
---Omdat Bunsen daar woont.
-
-Bazarof wist geen antwoord.
-
---Pierre Sapozjnikof... dien kent u toch?
-
---Ik heb niet de eer.
-
---Hoe is 't mogelijk? Pierre Sapozjnikof. Hij is altijd met Lydia
-Chostatova.
-
---Die ken ik ook niet.
-
---Nu, Sapozjnikof had me zijn reisgezelschap beloofd. Ik heb gelukkig
-geen kinderen. Wat zei ik daar? Gelukkig?... Dat doet er ook niet
-toe. Eudoxia rolde een sigaret tusschen haar geel geworden vingers,
-trok die over haar tong, en begon te rooken.
-
-Het kamermeisje kwam met het theeblad.
-
---Aha, daar is het eten! Wilt u wat gebruiken? Victor, trek de flesch
-eens open. Dat behoor jij te kunnen.
-
---Kunnen, kunnen, mompelde Sitnikof.
-
---Zijn hier ook mooie vrouwen? vroeg Bazarof bij zijn derde glas.
-
---Zeker, antwoordde Eudoxia, maar heel onbelangrijk. Mon amie Odintsova
-is niet kwaad. Alleen heeft ze een beetje 'n slechte naam... dat
-is nu wel niet zoo erg, maar van verheven ideeën, van geest geen
-spoor. Ons opvoedingsysteem deugt ook niet. Onze vrouwen hier zijn
-slecht opgevoed.
-
---U zult ze niet beter maken, zei Sitnikof, de eenige houding is, ze
-verachten, en ik veracht ze diep! (Sitnikof hield er van, te verachten,
-en hieraan uiting te geven. Hij had het vooral tegen "het geslacht",
-zonder te vermoeden, dat hij voorbestemd was, weldra voor zijn vrouw
-te kruipen, alleen omdat ze een vorstin Doerdoleosova was.) Er is
-niet één, die zich in het gesprek tot onze hoogte kan opheffen,
-niet één, die het verdient, dat ernstige mannen als wij zich met
-haar bezighouden.
-
---Ik zie niet in, waarom zij onze gesprekken behooren te begrijpen,
-zei Bazarof.
-
---Wie bedoelt u? vroeg Eudoxia.
-
---De mooie vrouwen.
-
---U bent het dus eens met Proudhon?
-
-Bazarof richtte zich met verachtende geste op.
-
---Ik ben het met niemand eens, ik heb mijn eigen meeningen.
-
---Weg met alle autoriteiten! riep Sitnikof, gelukkig, in
-tegenwoordigheid van een man, wiens onderdanige dienaar hij was,
-eens flink te kunnen optreden.
-
---Maar Macauley zelf, zei mevrouw Koeksjin...
-
---Weg met Macauley! riep Sitnikof met donderende stem. U neemt het
-op voor die zotte vrouwmenschen!
-
---Ik strijd volstrekt niet voor de vrouwmenschen, maar voor de rechten
-der vrouw, die ik gezworen heb te verdedigen.
-
---Weg met... Sitnikof maakte zijn zin niet af. Hij viel zich zelf in
-de rede: ik heb niets tegen ze!
-
---Ik zie, dat u slavofiel bent!
-
---Heelemaal niet. Ik ben geen slavofiel, maar...
-
---Jawel u bent slavofiel. U bent het eens met de Domostroi,
-(een 17e-eeuwsch werk over huishoudelijke toestanden) nogal
-patriarchaal! Het mankeert er nog maar aan, dat u de vrouwen met de
-zweep te lijf gaat!
-
---Een mooi ding, de zweep, zei Bazarof,--maar we zijn aan den laatsten
-droppel.
-
---Waarvan? vroeg Eudoxia.
-
---Van de champagne, niet van uw bloed.
-
---Ik kan het niet verdragen, als men de vrouwen aanvalt, dat is
-afschuwelijk. Men moest liever eens het boek van Michelet lezen:
-De l'Amour. Een heerlijk werk! Laten we over de liefde spreken, ging
-Eudoxia voort en haar hand liet ze smachtend rusten op een kussen. Het
-werd plotseling stil in de kamer.
-
---Waarom, vroeg Bazarof, over de liefde? Mevrouw Odintsof zal wel
-interessanter zijn! Zoo heet ze immers? Wie is ze?
-
---Bekoorlijk, bekoorlijk! riep Sitnikof uit, ik zal haar jullie
-voorstellen. Ze is geestig, rijk en weduwe. Ongelukkig is ze geestelijk
-nog niet volkomen ontwikkeld, ze moest wat meer met onze Eudoxia
-omgaan! Ik drink op je gezondheid, Eudoxia! Aanstooten! Et toc,
-et toc, et tin, tin tin. Et toc, et toc et tin-tin-tin!
-
---Victor, je bent een grappenmaker!
-
-De maaltijd duurde nog lang. De eene flesch champagne volgde op de
-andere. Eudoxia praatte maar door. Sitnikof niet minder. Ze kibbelden
-over het huwelijk, of het een vooroordeel was of een misdaad. Ze
-behandelden de kwestie, of de menschen met denzelfden aanleg geboren
-werden, of niet, en wat eigenlijk individualiteit was. Het kwam
-zoover, dat Eudoxia, roode vlekken in het gezicht, met haar nagels
-op de ontstemde piano begon te hameren en met heesch geluid eerst
-zigeunerliederen zong en toen de romance van Seymour Shiff: Granada
-droomt in haren sluimer.
-
-Sitnikof speelde den minnaar. Hij had een lint om zijn voorhoofd
-gebonden. Toen zij de woorden galmde:
-
-
- In mijner kussen heeten gloed
- Vereenen zich, lief, onze lippen,
-
-
-kon Arkadiej zich niet langer goed houden:
-
---Dat krijgt hier iets van een gekkenhuis, riep hij uit.
-
-Bazarof had zich ertoe bepaald, nu en dan een spottend woord te
-lanceeren en stelde het meest belang in de champagne. Hij gaapte
-hardop, stond op en ging weg met Arkadiej, zonder afscheid te
-nemen. Maar Sitnikof holde hen achterna.
-
---En, vroeg hij, van den één naar den ander ziende, heb ik u niet
-gezegd, dat zij een merkwaardige persoonlijkheid is? Dat is een vrouw,
-zooals wij er veel moesten hebben. Ze is in haar soort een fenomeen
-van hoogere zedelijke orde!
-
---Hoort deze inrichting van je vader ook tot die hoogere orde? vroeg
-Bazarof en wees op een kroeg, waar ze juist langs kwamen.
-
-Sitnikof antwoordde met zijn gewonen valschen glimlach. Hij schaamde
-zich over zijn afkomst en wist niet, of hij zich gevleid of beleedigd
-moest voelen over Bazarofs gemeenzaamheid.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-Het bal bij den goeverneur had eenige dagen later plaats. Mathias
-Ilitsj bleek inderdaad de koning van het feest. De predwodietjel
-[9] verklaarde ieder, die het wilde hooren, dat hij uitsluitend
-te zijner eer was gekomen. De goeverneur zelf ging gedurende het
-bal, met de grootste nauwgezetheid voort, regeeringszaken af te
-handelen. Mathias Ilitsj' opgewekte stemming deed niets af aan den
-adel zijner houding. Voor ieder had hij een vriendelijk woord,
-voor den een met een nuance van hoogachting, voor den ander min
-of meer uit de hoogte. "En vrai chevalier français" overstelpte
-hij de dames met beleefdheden en lachte voortdurend in dien fijnen,
-geluidloozen toonaard, zooals dat voor een man van aanzien past. Hij
-klopte Arkadiej op den schouder en noemde hem duidelijk hoorbaar zijn
-besten neef. Bazarof, die een eenigszins kalen rok aan had, mocht zich
-gelukkig achten met een verstrooiden, maar welwillenden blik nu en
-dan en een minzaam gemompel, waarin alleen den superlatief-uitgang en
-het voornaamwoord "ik" verstaanbaar waren. Sitnikof kreeg een vinger
-toegestoken, waarbij hij glimlachte zonder hem aan te zien. En zelfs
-mevrouw Koeksjin, die zonder crinoline en met vuile handschoenen,
-maar met een grooten paradijsvogel in het haar verschenen was, wist
-hem een enchanté te ontlokken. Er waren veel menschen en vooral veel
-heeren. De gerokte stonden meest tegen de muren, maar de militairen
-dansten hartstochtelijk. Onder deze blonk één uit, die zes weken in
-Parijs was geweest en derhalve uitdrukkingen als ah! fichtre! pst! mon
-bibi! had meegebracht, welke hij dan ook volmaakt, met echt Parijsch
-flair uitsprak, hetgeen echter niet verhinderde, dat hij si j'aurais,
-in plaats van si j'avais zei en abolument voor "zeer zeker". Hij sprak
-dus Russisch-Fransch, waar mee de Franschen, den spot drijven, zoolang
-zij ons niet verzekeren, dat wij hun taal spreken comme des anges!
-
-Arkadiej danste weinig en Bazarof in 't geheel niet. Met Sitnikof
-trokken zij zich in een hoekje terug. Deze maakte opmerkingen, die
-zoogenaamd scherp waren en glimlachte daarbij verachtend, terwijl
-hij uitdagend rondkeek en bizonder met zich zelf ingenomen was. Maar
-op een gegeven oogenblik veranderde zijn houding en fluisterde hij
-Arkadiej opgewonden toe:
-
---Daar is mevrouw Odintsof.
-
-Arkadiej keek en zag een slanke, in het zwart gekleede vrouw
-binnenkomen. Het voorname in haar wezen verraste hem. Haar bloote
-armen rondden teêr langs de ranke lichaamslijn, lichte fochsiabloesem
-vielen van haar glanzend kapsel over de mooie schouders. Haar klare
-oogen waren meer verstandig en rustig dan peinzend. Een blank voorhoofd
-welfde zich zacht daarboven. Heel even glimlachte haar mond. Beminlijke
-en teedere kracht ademde heel haar wezen.
-
---Kent u haar? vroeg Arkadiej.
-
---Heel goed. Zal ik u voorstellen?
-
---Gaarne... na dezen dans.
-
-Bazarof merkte mevrouw Odintsof ook op.
-
---Wie is die daar? vroeg hij. Dat is heel iets anders als de rest.
-
-Na den dans bracht Sitnikof Arkadiej bij mevrouw Odintsof. Maar
-hij scheen lang niet zoo bevriend met haar als hij gezegd had. Hij
-kon niet goed uit zijn woorden komen en zij keek hem met eenige
-verbazing aan. Er kwam echter iets vriendelijks in haar gezicht,
-toen zij Arkadiej's familienaam hoorde. Ze vroeg, of hij de zoon van
-Nikolaas Petrowitsj was.
-
---Ja, antwoordde hij.
-
---Ik heb uw vader tweemaal gezien en dikwijls over hem hooren
-spreken. Ik ben verheugd, u te hebben leeren kennen.
-
-Op dit oogenblik kwam een adjudant haar vragen voor een quadrille en
-ze nam aan.
-
---U danst dus? vroeg Arkadiej eerbiedig.
-
---Ja, maar waarom denkt u, dat ik niet zou dansen? Vindt u mij te
-oud om te dansen?
-
---Hoe kunt u dat veronderstellen? Mag ik misschien de volgende mazurka?
-
-Zij glimlachte.
-
---Heel graag, antwoordde ze en keek hem aan zooals gehuwde zusters hun
-jongere broeders aankijken. Ze was wat ouder dan Arkadiej. Negen en
-twintig. Maar Arkadiej voelde zich in haar tegenwoordigheid als een
-jong student, een schooljongen, alsof het verschil in leeftijd nog
-veel grooter was. Mathias Ilitsj kwam met majestueus gebaar op haar
-toe en begon zijn complimenten. Arkadiej trad terug. Maar volgde
-haar met de oogen gedurende den dans. Ze praatte even natuurlijk
-met haar danser als met Mathias Ilitsj, en daarbij bewoog ze hoofd
-en oogen langzaam van de eene zijde naar de andere. Arkadiej hoorde
-haar twee of driemaal zachtjes lachen. Ze had, zooals bijna alle
-Russische vrouwen, een misschien wat grooten neus en haar teint was
-niet volkomen blank. Toch moest Arkadiej zich zelf bekennen, dat hij
-nooit een meer volmaakte schoonheid had gezien. Voortdurend hoorde hij
-den toon van haar stem. Hij vond zelfs, dat de plooien van haar kleed
-anders vielen als bij andere vrouwen, rijker, meer harmonisch, doordat
-al haar bewegingen van zulk een edele, natuurlijke gratie waren.
-
-Bij de eerste tonen der mazurka beefde Arkadiej. Hij ging naast haar
-zitten en omdat hij niet wist, wat te zeggen, streek hij verlegen met
-de hand door het haar. Maar dat duurde niet lang. Haar kalmte bracht
-hem tot zich zelf. En weldra keuvelde hij onbevangen over zijn oom
-en vader, van hun levenswijs in Petersburg en op het land. Mevrouw
-Odintsof luisterde met welwillende oplettendheid, terwijl ze haar
-waaier op en neer bewoog. Alleen door de komst van cavaliers, die
-hun dans verzochten, werden zij nu en dan gestoord. Sitnikof kwam
-tweemaal. Daarna keerde zij weer terug en speelde weer met den waaier,
-zonder dat eenige opwinding haar borst sneller deed kloppen. En
-Arkadiej vertelde verder, gelukkig, haar naast zich te weten, haar
-oogen en voorhoofd, haar ernstig, lief gezicht te kunnen zien. Zij
-sprak weinig, maar als een vrouw met zekere levenswijsheid. Arkadiej
-begreep, dat haar jaren niet zonder ontroeringen waren geweest,
-dat ze had leeren nadenken.
-
---Wien had u straks bij u, toen Sitnikof u voorstelde? vroeg ze.
-
---Hebt u hem opgemerkt? Een typische kop, vindt u niet? Dat is mijn
-vriend Bazarof.
-
-En Arkadiej begon nu over hem te spreken. Hij verviel daarbij in
-allerlei bizonderheden en raakte zoo in vuur, dat mevrouw Odintsof
-met veel belangstelling naar hem omkeek. Toen was de mazurka
-afgeloopen. Het speet Arkadiej, dat hij zich nu verwijderen moest. De
-tijd was zoo aangenaam vergaan. Wel had hij voortdurend gevoeld,
-dat ze hem met zekere kleinachting behandelde maar hij was daar
-dankbaar voor. Want jonge harten voelen zich niet vernederd door de
-beschermende welwillendheid eener schoone vrouw.
-
-De muziek zweeg.
-
---Dank u, zei mevrouw Odintsof, en stond op, u hebt beloofd, mij te
-bezoeken. Ik hoop, dat u dan uw vriend meebrengt. Ik ben zeer benieuwd,
-een man te leeren kennen, die den moed heeft aan niets te gelooven.
-
-De goeverneur trad op mevrouw Odintsof toe, deelde haar mede, dat
-het souper wachtte en bood haar zakelijk den arm. Zij keek bij het
-weggaan nog eens naar Arkadiej om en knikte hem glimlachend toe. Hij
-boog diep, volgde haar met de oogen, hoe elastisch-elegant die gestalte
-in de zwarte zijde--en dacht: ze heeft me allang vergeten! En meteen
-kwam een gevoel van vrede door zijn ziel, streelend...
-
---En, vroeg Bazarof hem, zoodra hij terug was in hun hoekje, heb
-je geluk gehad? Ik heb me laten vertellen, dat die vrouw... nu
-ja... Trouwens, de man, die het me verzekerde, kan wel een idioot
-zijn. Wat denk jij? Zou ze werkelijk... hm... hm...
-
---Ik weet niet, wat je bedoelt met hm, hm, antwoordde Arkadiej.
-
---De lieve onschuld!
-
---Als 't zoo bedoeld is, begrijp ik je zegsman niet. Mevrouw Odintsof
-is charmant, maar zoo koel en stil, dat...
-
--- Stille wateren hebben diepe gronden, zei Bazarof. Is ze koud? Dat
-maakt haar belangrijk. Hou je niet van ijs, en zoo?
-
---Dat is best mogelijk, zei Arkadiej, ik wil daar niet over
-oordeelen. Maar ze wil kennis met je maken en heeft me gevraagd,
-je mee te brengen.
-
---Je hebt haar zeker fijne dingen van me verteld. Maar dat neem
-ik je niet kwalijk. Maar wie ze ook is, een gewone kokette of een
-geëmancipeerde als mevrouw Koeksjin, mooie schouders heeft ze!
-
-Het cynische in deze woorden deed Arkadiej pijn, maar zooals meestal
-gooide hij het over een anderen boeg en verweet zijn vriend iets
-geheel anders:
-
---Waarom gun je den vrouwen hun recht op denken niet? vroeg hij
-fluisterend.
-
---Omdat ik gemerkt heb, dat alle vrouwen, die van dat recht gebruik
-maken, ware vogelverschrikkers zijn.
-
-Hiermede eindigde het gesprek. De vrienden gingen weg onmiddellijk
-na het souper. Madame Koeksjin wierp hem een boos lachje toe. Zij
-hadden haar niet de minste oplettendheid bewezen en haar ijdelheid
-was beleedigd. Zij bleef tot het einde en danste nog om vier uur
-'s morgens met Sitnikof een polka op parijsche manier.
-
-En met dit hartverheffende tooneel eindigde het bal bij den goeverneur.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-
---Ik ben nieuwsgierig te zien tot welke klasse van zoogdieren je nieuwe
-vriendin hoort, zei Bazarof den volgenden dag tot Arkadiej, terwijl
-ze de stoep van het hotel opgingen, waar mevrouw Odintsof woonde.--Ik
-weet het niet, maar de zaak schijnt mij niet geheel en al in den haak.
-
---Hoe heb ik het nu met je! riep Arkadiej uit, jij werpt je op tot
-het verdedigen van een burgerlijke moraal, die...
-
---Wat ben je toch een gekke kerel, antwoordde Bazarof onverschillig,
-begrijp je niet, dat "niet in den haak" juist het tegendeel
-beteekent? Namelijk dat er wel wat te eten zal zijn! Je hebt toch
-gezegd, dat ze een verstandig huwelijk gedaan heeft met een ouden
-rijkaard. Ik geef niets om praatjes, al neem ik aan, dat ze wel niet
-geheel en al zonder grond zullen zijn.
-
-Arkadiej antwoordde niet en klopte aan de kamerdeur van mevrouw
-Odintsof. Een jong bediende in livrei bracht hen in een groot,
-slecht gemeubeld vertrek, zooals dat in Russische hôtels garnis
-gewoonte is. Alleen stonden hier en daar bloemen. Mevrouw Odintsof
-kwam spoedig binnen in morgenkleed. Ze scheen nog jonger in het
-morgenlicht. Arkadiej stelde haar aan Bazarof voor en tot zijn
-verwondering zag hij, dat zijn vriend in verwarring geraakte, terwijl
-zij zoo rustig was als op den avond van het bal. Bazarof gevoelde zelf,
-dat zijn onzekerheid zichtbaar werd en dit ergerde hem.
-
---Een mooie boel, dacht hij, die vrouw maakt me onrustig, en nadat
-hij met een air van onverschilligheid in een leunstoel plaats had
-genomen, zooals Sitnikof het hem niet verbeterd zou hebben, begon
-hij met overdreven vastheid te praten, terwijl mevrouw Odintsof hem
-rustig bleef aanzien.
-
-Anna Sergejevna Odintsova was de dochter van Sergeej Nikolajevitsj
-Loktef, een edelman, bekend door zijn schoonheid, zijn hartstocht voor
-het spel en zijn handigheid in geldzaken, die na een schitterend leven,
-vijftien jaren lang, in Petersburg en Moscou, door allerlei bedrog en
-zwendel hooggehouden, volkomen geruïneerd werd en zich op het land
-terugtrok. Hij stierf kort daarop en liet zijn beide dochters Anna
-en Katharina, twintig en twaalf jaar oud, een matig inkomen na. Hun
-moeder, uit een vervallen vorstelijke familie gesproten, was al eerder,
-in den rijken, Petersburgschen tijd van haar echtgenoot gestorven. Bij
-den dood van haar vader bevond Anna Loktef zich in zeer moeilijke
-omstandigheden. De deftige opvoeding, die ze in Petersburg genoten had,
-was geenszins bedoeld voor de huiselijke zorgen, die haar wachtten
-in het armzalige provincieplaatsje. Ze kende geen buren en kon dus
-bij niemand om raad komen. Haar vader had alle omgang met naburige
-eigenaars zorgvuldig gemeden. Hij verachtte hen en zij daarom hem,
-ieder op zijn eigen manier. Toch verloor zij den moed niet, schreef
-onmiddellijk de zuster harer moeder, vorstin Avdotia Stepanovna Ch.,
-een kwaadaardige, trotsche, oude, ongehuwde vrouw, wie zij vroeg,
-bij haar te komen wonen. De dame kwam en installeerde zich in het
-beste gedeelte van het huis. Zij maakte den geheelen dag ruzie
-en ging nooit uit zonder het gezelschap van haar eigen bediende,
-een stille, tot kamerdienaar afgerichte lijfeigene in een gele
-livrei met blauwe omslagen en een driekanten hoed. Anna verdroeg
-de grillen van haar tante geduldig, zorgde zoo goed mogelijk voor
-de opvoeding van haar zusje en scheen volkomen te berusten in dit
-eenzame, leege leven. Maar het lot wilde anders. Een zeer rijk man,
-zekere Odintsof, een veertiger, hypochondrisch en zonderling, dik en
-grof, maar niet zonder geest en overigens een eenzaam mensch, leerde
-haar kennen, werd verliefd en vroeg haar ten huwelijk. Zij stemde
-toe. Na een huwelijk van zes jaar stierf hij en vermaakte haar zijn
-vermogen. Anna Sergejevna bleef nog een jaar in de provincie; toen
-maakte ze met haar zuster een Europeesche reis, die zich echter niet
-verder dan Duitschland uitstrekte en keerde weldra naar het geliefde
-dorp Nikolskoi, in de buurt van de stad terug.
-
-Ze bewoonde een ruim landhuis, goed gemeubeld en omgeven door een
-grooten tuin met oranjerie. Haar overleden echtgenoot hield van een
-leven op grooten voet. Anna Sergejevna verscheen zelden in de stad,
-alleen voor geldelijke aangelegenheden. Men hield niet van haar in het
-goevernement, haar huwelijk had nog al wat opschudding verwekt. De
-booze wereld wist allerlei verhalen, dat ze bij voorbeeld de hand
-had gehad in speculaties van haar vader, de buitenlandsche reis moest
-als dekmantel dienen en om gevolgen te ontgaan en zoo verder...
-
---U begrijpt, zeiden de brave lieden dan, die is al door alle wateren
-gewasschen... En een grappenmaker, die een patent op zeker soort
-aardigheden meende te hebben, voegde er dan altijd bij: en door de
-koperen leidingen ook! Zij wist wel van die praatjes. Maar die deerden
-haar allerminst. Ze bezat karaktervastheid en geestelijke vrijheid.
-
-In haar stoel, de handen over elkaar gevouwen, luisterde ze naar
-Bazarofs woorden. Tegen zijn gewoonte was hij nog al spraakzaam
-en deed blijkbaar zijn best, haar te imponeeren. Arkadiej merkte
-dit zeer duidelijk, maar hij kon niet uitmaken, of zijn toeleg
-hem lukte. Zij wist haar gevoelens volkomen te beheerschen en haar
-gelaat gaf niets te lezen, als dienzelfden beminnelijken, fijnen
-glimlach. Haar verstandige oogen bleven geïnteresseerd, maar deze
-oplettendheid werd nooit enthousiasme. Het ongewone wezen van Bazarof
-had haar in 't eerst onaangenaam getroffen, zooals een schel geluid
-of een sterke geur pijnlijk kunnen zijn; maar toen ze merkte, dat hij
-niet onbevangen was, gevoelde ze zich gevleid. Banaliteit was haar
-onverdragelijk, en banaal was Bazarof zeker niet. Ongetwijfeld was het
-van te voren aldus bestemd, dat Arkadiej van de eene verbazing in de
-andere zou vallen. Hij dacht, dat Bazarof met zulk een intelligente
-vrouw over zijn denkbeelden en overtuigingen zou spreken. Ze had
-immers het verlangen te kennen gegeven, een man te ontmoeten, die
-"aan niets meer geloofde". Maar in plaats daarvan sprak Bazarof over
-medische, homoeopatische en botanische kwesties. Mevrouw Odintsof had
-in de vele uren harer eenzaamheid goede boeken gelezen en sprak mooi
-Russisch. Toen ze even de muziek aanraakte, hoorde ze, dat Bazarof
-niet hield van kunst in het algemeen en zoo kwam het gesprek weer
-op de botanie, ofschoon Arkadiej reeds een verhandeling over het
-volkslied gereed had. Mevrouw Odintsof bleef hem als een broeder
-behandelen, ze schatte in hem blijkbaar uitsluitend zijn goedigheid
-en de vrijmoedigheid van zijn jongen leeftijd.
-
-Het rustige, afwisselend-levendige gesprek duurde bijna drie uren. Toen
-stonden de beide vrienden op, om heen te gaan. Mevrouw Odintsof reikte
-beiden haar fijne, blanke hand en zei na eenige aarzeling met een
-welwillenden glimlach:
-
---Als u niet bang bent, u te vervelen, komt u mij dan eens opzoeken
-in Nikolskoi.
-
---Denkt u, dat ik mij niet overgelukkig zou achten... begon Arkadiej.
-
---En u, monsieur Bazarof?
-
-Bazarof boog alleen maar en Arkadiej zag tot zijn verwondering,
-dat zijn vriend rood werd.
-
---En, vroeg hij, toen ze buiten waren, denk je nog altijd, dat ze
-hm... hm...?
-
---Wie weet? Ze is zoo gesloten, antwoordde Bazarof en na een oogenblik:
-Een geboren vorstin! Een prinses! Alleen de kroon op het hoofd
-ontbreekt haar.
-
---Onze vorstinnen spreken haar moedertaal niet zoo zuiver als zij!
-
---Ze heeft een harde school doorloopen, kerel. Ze heeft hetzelfde
-geleden als wij.
-
---Maar daarom is ze niet minder betooverend, vond Arkadiej.
-
---Een heerlijk lichaam! antwoordde Bazarof. Een schitterend exemplaar
-voor de operatietafel!
-
---Stil toch, Jevgenij, je bent een verschrikkelijk mensch!
-
---Wees maar niet boos, teedere ziel! Ik geef immers toe, dat ze van
-eerste kwaliteit is. Wij moeten haar opzoeken.
-
---Wanneer?
-
---Overmorgen, als je wilt. Wat hebben we hier nog te doen? Champagne
-drinken met juffrouw Koeksjin? Of de geest van je waarden neef, den
-liberalen grootwaardigheidsbekleeder bewonderen? Laten we overmorgen
-gaan. Te meer, omdat het vlak bij mijn vader in de buurt is. Nikolskoi
-ligt op den weg naar D.
-
---Ja.
-
---Optime. We moeten geen tijd verliezen. Alleen zwakkelingen
-aarzelen. Een pracht van een lichaam!
-
-Drie dagen later waren de vrienden op weg naar Nikolskoi. Het was een
-mooie dag, matige hitte en de goed doorvoede paarden zwiepten met de
-gevlochten staarten, Arkadiej keek voor zich uit en lachte zonder te
-weten waarom.
-
---Wensch me geluk, riep Bazarof plotseling. Het is vandaag 22 Juni,
-de dag van mijn beschermheilige. We zullen eens zien, of hij me
-beschermt... Ze verwachten me vandaag thuis, zei hij op anderen
-toon... ze zullen vergeefs wachten... maar dat hindert niet.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
-Het huis, dat mevrouw Odintsof bewoonde, lag tegen een open heuvel
-dicht bij een steenen kerk met groen dak en witte zuilen, in den
-gevel een fresco-voorstelling van de Opstanding in Italiaanschen
-stijl. Vooral een door de zon gebruinde welgedane soldaat op den
-voorgrond, wekte de bewondering der boeren het meest. Achter de kerk
-stonden twee rijen boerenwoningen met schoorsteenen hier en daar boven
-de rieten daken uitstekend. Het heerenhuis was gebouwd in denzelfden
-stijl als de kerk, den zoogenaamden alexandrijnschen. Het was eveneens
-geel geverfd, had ook een groen dak, witte zuilen en een gevel met een
-wapen. De goevernementsarchitect had beide gebouwen ontworpen en de
-heer Odintsof was hiermede zeer ingenomen, want van die waardelooze
-nieuwigheden hield hij niet. Het huis stond te midden van boomen
-in den ouden tuin. Een laan met stijf besnoeide dennen voerde naar
-den hoofdingang.
-
-De vrienden troffen in de zijkamer twee forsche livreiknechten,
-waarvan de éene den huisbewaarder ging roepen. Deze, een dik man in
-zwarten rok, verscheen onverwijld en geleidde de gasten langs een
-met breeden looper bekleede trap naar een ruim vertrek, waar reeds
-twee bedden en toiletbenoodigdheden aanwezig waren. Het huis bevond
-zich in goed onderhouden staat. Overal zindelijk, ordelijk en er hing
-iets als van de officieele geur in de ontvangzalen der ministeriën.
-
---Anna Sergejevna verzocht u over een half uur beneden te komen,
-zei de hofmeester, is er voor het oogenblik nog iets van uw dienst?
-
---Heelemaal niets, waardige dienaar, antwoordde Bazarof, behalve
-indien u de goedheid zoudt willen hebben, een borrel te laten brengen.
-
---Heel wel, antwoordde de hofmeester, eenigszins onthutst, en
-verwijderde zich met krakende laarzen.
-
---Daar zit lijn in, grand genre! riep Bazarof. Noemen jullie, menschen
-van adel, dat niet zoo? Zij is een hertogin, dat moet ik zeggen.
-
---Een deftige hertogin, die zoo maar twee aristocraten van ons soort
-te logeeren vraagt! zei Arkadiej.
-
---Vooral een aristocraat als ik, een dokter in spe, zoon van een dokter
-en kleinzoon van een koster. Ik weet niet, of ik je dat al eens heb
-gezegd. Maar ik ben de kleinzoon van een koster, net als Speranski,
-zei Bazarof minder luid. Maar in ieder geval is onze dame verwend
-door de fortuin. En hoe verwend! Moeten we niet onzen rok aantrekken?
-
-Arkadiej trok alleen maar de schouders op, maar in waarheid gevoelde
-hij zich niet bizonder op zijn gemak. Een half uur later ging hij
-met Bazarof naar den salon. Dit was een hoog, groot vertrek, zonder
-veel smaak overdadig-rijk ingericht. Kostbare, massale meubels,
-met traditioneele regelmatigheid langs de wanden opgesteld, met
-bruin-goud-doorstikt trijp overtrokken, waren uit Moscou afkomstig. De
-heer Odintsofzaliger had ze door bemiddeling van een vriend, een
-franschen wijnhandelaar, laten maken. Boven de sofa in het midden hing
-het portret van een blonden man met gezwollen gezicht, die nogal boos
-op de bezoekers neer keek.
-
---Dat moet man zaliger zijn, fluisterde Bazarof zijn vriend in het
-oor en hij voegde erbij: zullen we maar weer inpakken?
-
-Maar op dit oogenblik trad de vrouw des huizes binnen. Ze droeg een
-lichtkleurig kleed, het haar had ze glad achter de ooren gekamd,
-waardoor ze met het frissche van haar gezicht op een jong meisje leek.
-
---Ik ben u dankbaar, dat u woord hebt gehouden, zei ze, ik hoop, dat u
-hier eenigen tijd zult blijven. U zult zien, dat het leven hier niet
-onaangenaam is. Ik zal u aan mijn zuster voorstellen, ze speelt heel
-goed piano. Dat zal u vrijwel onverschillig zijn, mijnheer Bazarof,
-maar u houdt geloof ik van muziek, mijnheer Kirsanof. Behalve mijn
-zuster is er nog een tante in huis, en éen van onze buren komt wel
-eens een spelletje spelen. Zooals u ziet, is ons gezelschap dus niet
-groot. Maar wilt u niet gaan zitten?
-
-Deze kleine "inleiding" werd met volmaakte gemakkelijkheid
-voorgedragen. Mevrouw Odintsof scheen de woorden uit het hoofd geleerd
-te hebben. Ze begon daarop een gesprek met Arkadiej. Het bleek, dat
-haar moeder een intieme vriendin van de zijne was geweest en dat deze
-haar vriendin deelgenoot had gemaakt van haar liefde tot Nikolaas
-Petrowitsj. Arkadiej sprak vol bewondering van zijn moeder. In dien
-tijd bladerde Bazarof in een album.
-
---Wat ben ik tam geworden, dacht hij.
-
-Een mooie windhond met licht-blauw halslint kwam binnen. Zijn nagels
-tikten op de parketvloer. Een jong meisje van achttien jaar, met
-donkere oogen en zwart haar volgde het dier. Haar gezichtje was niet
-volkomen regelmatig, maar had iets treffends. Ze droeg een mandje
-vol bloemen.
-
---Dat is mijn Katja, zei mevrouw Odintsof en wenkte haar zuster
-naderbij. Het meisje kwam dicht bij haar zitten en begon de bloemen
-te schikken. De hond, die Fifi heette, maakte kennis met de gasten
-éen voor een, kwispelde met zijn krulstaart en drukte zijn kouden
-neus tegen hun hand.
-
---Heb je die allemaal zelf geplukt? vroeg mevrouw Odintsof.
-
---Ja, zei Katja.
-
---Komt tante thee drinken?
-
---Ze komt dadelijk.
-
-Bij het spreken glimlachte ze, schuchter, maar met iets opens in haar
-blik, terwijl ze met aardige onbeholpenheid van beneden naar boven
-keek. Alles aan haar sprak van jeugd: de stem, het lichte dons langs
-de wangen, de mat-roode handen en de nog tenger-smalle schouders. Ze
-bloosde telkens en haalde haastig en diep adem.
-
-Mevrouw Odintsof richtte zich tot Bazarof:
-
---Dat is alleen beleefdheid, Jevgenij Wassiljewitsj, dat u dat album
-zoo oplettend bekijkt. Het kan u volstrekt geen belang inboezemen. Kom
-toch bij ons zitten en laten we over het een of ander gaan kibbelen.
-
-Bazarof kwam.
-
---Graag, waarover zullen we het hebben?
-
---Dat kan me niet schelen. Ik zeg u vooruit, dat ik van tegenspreken
-houd.
-
---U?
-
---Ja, verwondert u dat? Waarom?
-
--- Omdat u een koele en rustige natuur hebt, voor zoover ik dat kan
-beoordeelen. Wie strijden wil, moet zich ook kunnen laten meesleepen.
-
---Hoe hebt u me in zoo korten tijd leeren kennen? U moet in de eerste
-plaats weten, dat ik ongeduldig en vasthoudend ben. Vraagt u Katja
-maar. En dan laat ik mij heel gemakkelijk meesleepen.
-
-Bazarof keek haar zwijgend aan.
-
---Kan zijn, antwoordde hij, dat zult u beter weten, dan ik. U wilt
-dus volstrekt kibbelen? Goed. Ik heb in uw album natuurgezichten van
-Saksisch Zwitserland bekeken en u beweert, dat me die onverschillig
-zijn. U zei dat, omdat u veronderstelde, dat ik geen gevoel voor
-het schoone heb. En daarin hebt u gelijk. Maar die tafereelen konden
-mij toch van geologisch standpunt interesseeren, bijvoorbeeld voor
-de berg-formaties.
-
---Dat geef ik niet toe. Als geoloog zoudt u eerder een boek, een
-wetenschappelijk werk raadplegen en geen teekeningen.
-
---Een teekening geeft mij met éen oogopslag, wat in een boek tien
-bladzijden beschrijving eischt.
-
-Zij antwoordde niets.
-
---U hebt dus geen kunstzin, ging ze voort en leunde met den arm op
-de tafel, zoodat haar gezicht dichter bij dat van Bazarof kwam. Hoe
-speelt u het klaar zonder dien?
-
---Mag ik vragen, waar kunstzin goed voor is?
-
---Alleen al, om de menschen te bestudeeren.
-
-Bazarof glimlachte.
-
---In de eerste plaats, ging hij voort, hebben we levenservaring,
-in de tweede plaats, moet ik u zeggen, dat ik het volstrekt niet
-noodig vind, iedereen te leeren kennen. Alle menschen lijken op
-elkaar, naar lichaam en ziel. Iedereen heeft een stel hersens, een
-hart, een milt, longen, alles op dezelfde wijze ingericht. En ook de
-zoogenaamde psychische eigenschappen zijn vrijwel dezelfde. Er zijn
-maar kleine verschillen. Eén enkel exemplaar is genoeg, om de rest te
-beoordeelen. De menschen zijn als de boomen in het woud. Geen botanicus
-zal het in zijn hoofd krijgen, ze allemaal te gaan bestudeeren.
-
-Katja, die langzaam met haar bloemen bezig was, keek verwonderd op
-naar Bazarof, maar bloosde tot achter de ooren, toen hij zijn sterken,
-vrijmoedigen blik op haar richtte. Mevrouw Odintsof schudde het hoofd.
-
---De boomen van het woud! herhaalde ze. Er is dus volgens u geen
-onderscheid tusschen een goed en een slecht mensch, tusschen dom
-en geestig?
-
---O zeker! Zooals tusschen gezond en ziek. De longen van een
-teringlijder zijn anders als bij u of bij mij. Maar de bouw is
-dezelfde. We kennen zoo ten naaste bij de oorzaken van sommige
-physieke kwalen. De psychische vinden hun ontstaan in de opvoeding,
-in de vele dwaasheden, waarmee men ons het hoofd volstopt, in de
-onwijze gesteldheid van ons maatschappelijk rechtssysteem. Gaat u de
-maatschappij hervormen en die ziekten zullen verdwijnen.
-
-Bazarof zei dit alles op een toon, waarin lag: of je me gelooft of
-niet, dat is me volkomen onverschillig. Hij streek met zijn lange
-vingers door zijn baard en zijn blik doorliep de geheele kamer.
-
---En denkt u, dat er geen dommen en slechten meer bestaan, zoodra de
-maatschappij hervormd is? vroeg mevrouw Odintsof.
-
---Dit staat in ieder geval vast, dat zoodra de maatschappij eenmaal
-redelijk is ingericht, het er niets meer toe doet, of een mensch dom
-of slim, goed of slecht, is!
-
---Ik begrijp wat u bedoelt, de milt zal bij iedereen gelijk zijn!
-
---Juist, mevrouw.
-
-Mevrouw Odintsof wendde zich tot Arkadiej.
-
---En hoe denkt u hierover? vroeg ze hem.
-
---Ik ben het met Jevgenij eens, antwoordde hij.
-
-Katja keek hem aan, zoo van onder op.
-
---Ik ben verwonderd over u, heeren, zei mevrouw Odintsof. We zullen
-op dit alles terugkomen. Ik verwacht tante met de thee. Oude menschen
-moeten we sparen.
-
-Haar tante, vorstin Ch., een kleine, schrale, oude vrouw met een
-uitgedroogd gezicht, en strenge, harde oogen, trad binnen, verwaardigde
-zich nauwelijks de gasten toe te knikken en zette zich in een breeden,
-fluweelen fauteuil, die uitsluitend voor haar bestemd was. Katja
-bracht haar een voetkussen, de oude dankte niet eens met een blik,
-haar handen bewogen even onder den gelen sjaal, die haar dorre leden
-bijna geheel bedekte. Ze hield van het geld en had dan ook goud-gele
-linten aan haar kapje.
-
---Hoe hebt u geslapen, tante? vroeg mevrouw Odintsof gedwongen.
-
---De hond is er nog, antwoordde ze onvriendelijk en toen ze zag,
-dat Fifi angstig op haar toe kwam, riep ze: Vort! Vort!
-
-Katja riep het dier en deed de deur open. De hond sprong vroolijk op
-haar toe, daar hij dacht, dat hij uit zou gaan. Maar toen hij zich
-in zijn eentje buitengesloten zag, begon hij tegen de deur te krabben
-en te keffen. De oude vrouw fronste de wenkbrauwen. Katja wilde gaan.
-
---De thee is klaar, zei mevrouw Odintsof. Mag ik u verzoeken,
-heeren? Tante, komt u?
-
-De vorstin stond langzaam op en ging het eerst naar de eetkamer. Een
-klein knechtje in kozakkenuniform schoof luidruchtig een grooten stoel
-vol kussens bij de tafel en de vorstin ging zitten. Katja, die de
-thee schenken moest, bediende haar eerst in een met wapens versierden
-kop. De oude vrouw deed honig in haar thee, want het gebruik van
-suiker beschouwde ze als een misdaad en buitendien vond ze die te duur,
-al kostte het haar geen kopeke. Meteen vroeg ze met een heesche stem:
-
---Wat zegt vorst Ivan in zijn brief?
-
-Niemand antwoordde en de gasten bemerkten al spoedig, dat men met
-al dat eerebetoon weinig om haar gaf. Bazarof dacht: die dient als
-decoratie, een vorstin, dat staat goed in een salon...
-
-Na de thee stelde de gastvrouw een wandeling voor. Maar het
-begon wat te regenen en men ging terug naar den salon, de vorstin
-uitgezonderd. De buurman kwam om zijn partijtje. Hij heette Porfijriej
-Platonitsj, een kort, dikbuikig mannetje, kaalhoofdig, met korte
-beentjes, die wel op een draaibank gefabriceerd leken. Overigens was
-hij een vriendelijk, opgewekt heertje. Anna Sergejevna, die voortdurend
-met Bazarof praatte, vroeg hem of hij niet een spelletje préférence
-mee wilde doen. Bazarof stemde toe met de opmerking, dat hij zich
-oefenen moest in de bezigheden van een plattelandsdokter.
-
---Past u maar op, zei Anna Sergejevna, u zult uw meester vinden. En
-jij, Katja, moest wat spelen voor Arkadiej Nikolajitsj. Hij houdt
-van muziek en wij hooren het dan ook.
-
-Katja haastte zich niet naar de piano en Arkadiej, die inderdaad
-van muziek hield, volgde haar schoorvoetend. Hij dacht, dat mevrouw
-Odintsof hem kwijt wilde zijn, en zooals alle jonge lieden van zijn
-leeftijd, werd hij aangetast door dat verwarrende, pijnlijke gevoel,
-dat de liefde vooraf gaat. Katja sloeg de piano open en vroeg Arkadiej,
-zonder hem aan te zien, wat ze zou spelen.
-
---Wat u wilt, antwoordde hij onverschillig.
-
---Van wat voor muziek houdt u het meest? vroeg ze, zonder omzien.
-
---Van de classieke, was zijn antwoord, even onverschillig.
-
---Houdt u van Mozart?
-
---Ja.
-
-Katja nam de C-mineur sonate-fantazie. Ze speelde goed, ofschoon haar
-voordracht wat stijf en koud was. Ze zat onbewegelijk, keek strak naar
-de muziek en hield de lippen op elkaar geklemd. Maar tegen het einde,
-kwam er wat blos op haar gezicht, een haarlok liet los en viel over
-haar oogen.
-
-Arkadiej luisterde met genoegen naar het laatste gedeelte der sonate,
-waar de heerlijke blijheid eener zingende melodie plotseling gestoord
-wordt door de harde kreten eener bijna tragische smart...
-
-Maar de gedachten, die Mozarts muziek in hem wekten, betrokken zich
-geenszins op Katja. Als hij haar zag, dacht hij alleen maar: dat kind
-speelt goed en ze is niet onaardig...
-
-Toen de sonate uit was, vroeg Katja, zonder de handen van de toetsen
-te nemen:
-
---Is het genoeg?
-
-Arkadiej antwoordde, dat hij geen misbruik van haar goedheid
-wilde maken en begon over Mozart te spreken. Hij vroeg, of zij die
-sonate zelf uitgezocht had of dat iemand haar aanbevolen had. Katja
-antwoordde met een enkel woord, zakelijk. Zij had zich in zich zelf
-teruggetrokken, als een slak in haar huisje. In zulke stemmingen duurde
-het lang, eer zij iemand durfde aanzien. Haar gezichtje teekende dan
-een uitdrukking van killen trots, ze scheen een klein onbeteekenend
-kind. Ze was toch niet inkennig van nature, maar haar zuster, die
-haar opvoeding leidde, zonder te begrijpen, wat ze noodig had, had
-haar zoo schuw gemaakt. Het eenige wat Arkadiej doen kon, om zich
-een dragelijke houding te geven, was, den hond te roepen, wien hij,
-goedig, maar leeg glimlachend, den kop streelde. Katja ging weer aan
-haar bloemen.
-
-Bazarof had niet meer geluk. Mevrouw Odintsof speelde goed evenals
-Porphyrij Platonitsj. Bazarof verloor en al was het niet veel,
-het verlies deed hem onaangenaam aan. Bij het avondeten bracht de
-gastvrouw het gesprek weer op de botanie.
-
---Zullen we morgenochtend gaan wandelen? vroeg ze Bazarof. Ik zou
-graag de latijnsche namen van de veldbloemen en haar eigenschappen
-leeren kennen.
-
---Waarom wilt u de latijnsche namen weten? vroeg hij.
-
---Er moet in alles orde zijn, antwoordde ze.
-
---Een bewonderenswaardige vrouw, riep Arkadiej, toen hij met Bazarof
-op hun kamer alleen was.
-
---Ja, antwoordde Bazarof, ze heeft wel hersens, en ze weet zich
-te redden.
-
---Hoe bedoel je?
-
---Op tweeërlei manier. Ik ben overtuigd, dat ze haar geld uitmuntend
-beheert. Als hier iemand bewonderenswaardig is, dan is het de zuster.
-
---Wat? Die kleine zwarte heks?
-
---Ja, die kleine zwarte heks. Die is intact en frisch, schuw en
-stil. Ze verdient, dat men zich met haar bezig houdt. Daar is van te
-maken wat je wilt. Terwijl de ander...
-
-Arkadiej antwoordde niet. En zij gingen slapen, ieder met zijn eigen
-gedachten.
-
-Mevrouw Odintsof dacht ook aan haar gasten dien avond. Bazarofs scherp
-oordeel en eenvoud behaagden haar. Hij was nog een nieuw probleem
-voor haar en dat maakte nieuwsgierig.
-
-Zij was een vreemde vrouw. Zonder vooroordeelen, zonder vast geloof
-zelfs, schrok ze voor niets terug en kwam toch niet veel verder. Ze
-zag scherp in veel dingen, stelde in allerlei belang, zonder dat
-iets haar kon bevredigen. Ik weet trouwens niet, of ze wel een
-volle bevrediging verlangde. Zij was weetgierig en onverschillig
-tegelijk. Haar twijfelen bleef niet zonder sporen, maar werd nooit
-zoo sterk, dat haar gemoedsrust geschokt was. Indien ze niet rijk en
-onafhankelijk was geweest, zou ze zich wellicht in het levensgewoel
-gestort en de hartstochten hebben leeren kennen...
-
-Maar nu verliep haar leven zonder moeilijkheden, al greep haar
-de verveling soms wel aan en ze leefde van dag tot dag, zonder
-overhaasting, zonder angst of opgewondenheid. Soms rezen verleidelijke
-beelden voor haar vrouw-verlangen op, maar die verdwenen weer, haar
-zielsrust werd niet geschokt en zij betreurde niets. Haar verbeelding
-overschreed dan de grenzen der gestelde moraal-van-iederen-dag. Maar
-zelfs dan vloeide het bloed door haar sterk-rustige, edel-harmonische
-leden kalm, als altijd. Dikwijls als ze 's morgens warm en opgewekt
-haar geurig bad verliet, kon ze gaan droomen over de ijdelheid aller
-dingen, over de vreugdeloosheid, moeiten en lasten des levens. Een
-stuwend willen greep haar dan aan, zij voelde verlangen tot daden in
-zich ontwaken... een tochtende windstoot langs het half-open venster
-was voldoende haar tot huiverende bezinning te brengen, ze was alleen
-nog maar boos op den wind en hoopte, dat hij zou gaan liggen. Zooals
-alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, verlangde ze altijd iets,
-zonder precies te weten wat. Inderdaad verlangde ze niets, ofschoon ze
-dacht, alles te verlangen. Ze had haar echtgenoot nauwelijks kunnen
-dulden. Uit berekening was ze getrouwd. Indien ze hem niet voor een
-goed mensch gehouden had, zou ze zeker niet getrouwd zijn. Maar ze had
-zich vergist en had een onbewusten afkeer tegen den man gehouden, dien
-ze onrein, lomp, traag, altijd verveeld en krachteloos vond.--Wel had
-ze op reis een jongen, knappen Zweed ontmoet, ridderlijk, blauwoogig,
-hoog, open van voorhoofd, die een diepen indruk op haar had gemaakt,
-maar zonder bezwaren was ze naar Rusland teruggekeerd.
-
---Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze in haar mooi bed op
-kanten kussen, onder zijden deken rustend. Anna Sergejevna had iets
-geërfd van haar vaders zin voor weelde. Ze had veel van hem gehouden,
-hoe minderwaardig hij ook was, en hij had zijn dochter aanbeden,
-vertrouwde haar alles toe, ging met haar om, als met een goeden
-vriend en vroeg dikwijls haar raad. Van haar moeder had ze slechts
-een vage herinnering.
-
---Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze weer, rekte zich in
-haar bed, glimlachte en legde de armen onder het hoofd. Daarop las
-ze enkele pagina's van een slechten franschen roman, liet het boek
-vallen en sliep in, blank, rein en koel...
-
-Na het ontbijt den volgenden morgen ging ze botaniseeren met
-Bazarof. Ze kwamen tegen het middagmaal terug. Arkadiej was niet
-uitgegaan en had een vol uur met Katja doorgebracht. Hij had zich niet
-verveeld. Ze had aangeboden, de sonate van den vorigen avond nog eens
-te spelen. Maar toen hij eindelijk mevrouw Odintsof weer zag, kromp
-zijn hart onwillekeurig samen. Ze kwam wat vermoeid den tuin door. Haar
-wangen met hooger blos, haar oogen glanzend onder den ronden strooien
-hoed. De tengere stengel van een paardebloem draaide ze tusschen de
-vingers. Haar manteltje was van de schouders op de armen gegleden en
-de lange linten van haar hoed golfden over de borst. Bazarof liep met
-vasten tred, rustig als altijd, achter haar. Maar aan de uitdrukking
-van haar gezicht bemerkte Arkadiej iets, dat hem onaangenaam aandeed.
-
-Bazarof riep hem een goeden morgen toe en ging naar zijn kamer.
-
-Mevrouw Odintsof drukte hem verstrooid de hand en liep hem ook voorbij.
-
---Goeden morgen? dacht Arkadiej, hebben we elkaar dan nog niet gezien
-vandaag?...
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
-De tijd, die nu eens als een vogel vliegt, kruipt dan weer als een
-pad. Maar hij is nooit aangenamer, dan wanneer wij niet weten, of
-hij snel of langzaam gaat. En zoo gingen voor Bazarof en Arkadiej
-veertien dagen ten huize van mevrouw Odintsof om. De regelmaat, die
-zij in huis en levenswijze had ingevoerd, droeg hiertoe zeer veel
-bij. Zij hield hieraan streng de hand en wanneer het er op aankwam,
-ook de anderen ertoe te brengen, trad zij despotisch op. Alles had
-zijn vastgestelden tijd. Acht uur des morgens kwam men voor het
-ontbijt samen, daarna was ieder vrij tot het tweede ontbijt. De
-vrouw des huizes regelde in die uren haar zaken met opzichter,
-hofmeester en opperhuishoudster. Vóór het middagmaal vereenigde men
-zich wederom om te keuvelen of te lezen. De avonden waren gewijd
-aan wandelingen, muziek of spel. Mevrouw Odintsof trok zich tegen
-half elf terug, gaf haar orders voor den volgenden dag en legde zich
-te ruste. Dit geregelde en min of meer plechtstatige leven behaagde
-Bazarof niet bizonder. Hij vond, dat het als langs spoorrails ging. De
-livreibedienden, de deftige hofmeesters krenkten zijn democratische
-gevoelens. Hij was van oordeel, dat men, om konsekwent te zijn, in rok
-en witte das aan tafel moest verschijnen, en deelde deze meening ook
-aan de vrouw des huizes mede. Zij liet hem uitspreken en antwoordde:
-
---Van uw standpunt schijnt het ook, of ik de slotvoogdesse speel. Maar
-men moet hier buiten wel aan een geregeld regime vast houden anders
-vallen we reddeloos de verveling ten prooi. En ze ging voort op haar
-manier.--Bazarof mompelde iets, maar juist, omdat alles zoo geregeld
-ging, was het hem en Arkadiej aangenaam. Overigens waren beiden,
-sedert hun komst, veranderd. Bazarof, van wien de gastvrouw merkbaar
-meer werk maakte, ofschoon ze het zelden met hem eens was, verloor
-langzamerhand zijn gewone kalmte; hij raakte licht opgewonden, sprak
-ongaarne, scheen nog al eens in slechte stemming en had nergens rust,
-alsof hij door iets werd voortgedreven. Arkadiej, die het er dadelijk
-met zich zelf over eens was, dat hij mevrouw Odintsof lief had, gaf
-zich willoos over aan een stille zwaarmoedigheid, maar naderde toch
-Katja meer en meer, misschien wel juist daardoor: ...Zij voelt niets
-voor me... het zij zoo... maar Katja is een lief wezentje, dat mij
-niet van zich stooten zal... en zijn hart genoot van het denkbeeld,
-edelmoedig te zijn tegenover haar, zooals hij het tegenover zijn vader
-was geweest. Katja vermoedde vaag, dat hij misschien troost zocht in
-den omgang met haar en ze weigerde hem de zoete bevrediging niet van
-een schuchtere, vertrouwende vriendschap, terwijl zij zich ook zelf aan
-die gedachte overgaf. Zij spraken niet met elkander in tegenwoordigheid
-van mevrouw Odintsof. Katja werd kleiner onder den scherpen blik
-van haar zuster en Arkadiej kon in gezelschap van het voorwerp
-zijner liefde niet de minste oplettendheid hebben voor derden. Maar
-behagelijk gevoelde hij zich slechts in Katja's tegenwoordigheid. Hij
-was bescheiden genoeg, zich niet waardig, noch in staat te achten,
-mevrouw Odintsof te kunnen bezighouden. Hij werd verward, als hij
-alleen met haar was en kon geen woord uitbrengen. Hij was te jong voor
-haar. Katja echter behandelde hij voorkomend en als oudere vriend:
-zij mocht hem spreken van den indruk, dien muziek, gedichten, romans
-en anderen "onzin" op haar hadden gemaakt, waarbij hij niet bemerkte
-hoe die onzin hem zelf ontroerde. Katja van haar kant liet hem gaarne
-zijn zwaarmoedigheid uitspelen. Arkadiej hoorde bij Katja, Bazarof bij
-Anna Sergejevna, vandaar dat beide paren, zoodra ze te zamen waren,
-weer van één gingen en vooral op wandelingen weldra in eigen sfeer hun
-zaligheid zochten. Katja dweepte met de natuur. Arkadiej eveneens,
-al durfde hij dat niet bekennen. Mevrouw Odintsof was onverschillig
-tegenover de natuur, zooals ook Bazarof. Dit gescheiden zijn der
-beide vrienden had ten gevolge, dat hun vriendschapsband iets van
-zijn innigheid verloor. Bazarof sprak niet meer met Arkadiej over hun
-gastvrouw, critiseerde zelfs niet haar aristocratische manieren. Hij
-bleef Katja prijzen en ried Arkadiej aan, het sentimenteele in haar
-wezen wat te temperen. Maar zijn lof was kort, zijn raad zakelijk; hij
-sprak niet meer zoo vaak met zijn vriend, hij begon hem te ontloopen,
-alsof hij zich voor hem schaamde. Arkadiej bemerkte dat wel, maar
-sprak er met niemand over.
-
-De eigenlijke oorzaak van deze verandering was het gevoel, dat Anna
-Sergejevna Bazarof inboezemde, een gevoel, dat hem kwelde en woedend
-maakte. Hij zou het echter met een verachtenden glimlach en cynische
-spotwoorden geloochend hebben, indien men er ook slechts van verre op
-gezinspeeld had. Bazarof hield van de vrouw in het algemeen, achtte
-haar schoonheid, maar noemde de ideale of zooals hij zei romantische
-liefde dwaasheid en stelde deze ridderlijke gevoelens op één lijn met
-physieke afwijkingen en kwalen. Hij verwonderde er zich altijd meer
-over, dat men ridder Toggenburg met al de troebadoers en minnezangers
-niet in een gekkenhuis had opgesloten.--Wil je een zekere vrouw,
-zei hij, tracht haar dan te veroveren. Weigert zij, laat haar dan
-loopen en zoek ergens anders. De wereld is groot genoeg...
-
-Mevrouw Odintsof beviel hem. En alles wakkerde zijn verlangen aan: de
-geruchten, die omtrent haar de ronde deden, haar onafhankelijk vrij
-leven, de welwillendheid, die ze hem betoonde. Hij voelde evenwel
-al spoedig, dat hij bij haar niets bereiken zou en toch miste hij
-de kracht, heen te gaan. Zoodra hij aan haar dacht, kwam zijn bloed
-in beroering. Dit kon hij wel weer tot bedaren brengen. Maar nog
-iets anders voelde hij, waardoor zijn trots in opstand kwam, iets,
-waarover hij vroeger altijd gelachen had.
-
-In zijn gesprekken met haar toonde hij feller dan ooit zijn
-afkeer en verachting voor alle romantiek en, alleen, moest hij
-bekennen, hoe diezelfde romantische stemmingen met hem speelden. Hij
-dwaalde door de wouden, wild de takken, die hem in den weg waren,
-afrukkend, en verwenschte haar en zichzelf. Hij liet zich vallen
-in hooistapels, sloot de oogen en trachtte te vergeten, te slapen,
-maar vergeefs. Telkens kwam dat beeld, of alleen de gedachte van
-het beeld, dat die kuische armen hem zouden omvatten, die trotsche
-lippen de zijne kussen, die intelligente oogen met overgave rusten
-in de zijne... en een duizeling beving hem, hij vergat en dacht het
-door... tot machtelooze woede hem tot zichzelf terugbracht.
-
-Vrouwelijke zwakheid, vrouwelijke gevoeligheden nam hij in zichzelf
-waar, alsof de duivel hem beproeven wilde. Soms meende hij, dat zij
-haar gedrag veranderde, dat de koelheid week uit haar trotschen blik,
-dat misschien... maar dan stampvoette hij en balde de vuisten.
-
-Toch was zij niet volkomen ongevoelig gebleven. Haar fantazie was door
-zijn wezen in beweging gebracht. Hij vervulde haar denkleven. Niet,
-dat zij zich verveelde in zijn afwezigheid of met ongeduld zijn komst
-verbeidde, maar zijn tegenwoordigheid verhoogde haar levensspanning,
-ze was gaarne alleen met hem en luisterde met open belangstelling
-naar zijn woord, ook al sprak hij anders als zij voelde, zelfs al
-verwaarloosde hij den salontoon. Zij scheen zich zelf te leeren kennen,
-door zich aan hem te toetsen.
-
-Eens, toen hij met haar in den tuin wandelde, deelde hij haar kort
-en vrij ruw zijn aanstaand vertrek naar het landgoed van zijn vader
-mede. Ze werd bleek, alsof ze een steek in het hart kreeg, en haar
-ontroering was zoo groot, dat het haar zelf verwonderde. Ze vroeg
-zich af, wat dat beteekenen kon.
-
-Bazarof had haar dit niet gezegd, om haar op de proef te stellen
-en te zien, hoe ze zich gedragen zou. Hij was er de man niet naar,
-van zulke middelen gebruik te maken.
-
-De opzichter van zijn vader, zijn vroegere leermeester Timofeitsj, een
-sluw handig man op jaren, met geelachtige haren, een rood gezicht en
-kleine tranende oogen had plotseling voor hem gestaan in zijn jas van
-grove donkerblauwe stof met den leeren gordel en de geoliede laarzen.
-
---Aha, goeden morgen, oudje, riep Bazarof.
-
---Goeden morgen, vadertje Jevgenij Wassilitsj, antwoordde de oude
-met vriendelijk lachen, dat over zijn geheele gezicht rimpels groef.
-
---Wat voert je hierheen? Zoek je mij?
-
---Hoe kunt u dat denken? stamelde Timofeitsj. Bazarofs vader had hem
-gezegd, vooral niet te laten merken, dat hij hem stuurde.--Ik had zaken
-in de stad voor mijnheer uw vader en daar ik hoorde, dat u hier was,
-maakte ik een kleinen omweg, om u eens op te zoeken. Anders had ik
-u niet lastig gevallen.
-
---Lieg niet, antwoordde Bazarof, de weg naar stad gaat toch niet
-hier langs.
-
-Timofeitsj wendde het hoofd af zonder te antwoorden.
-
---Hoe is mijn vader?
-
---God lof, het gaat hem goed.
-
---En mijn moeder?
-
---Arina Wassiljevna ook. Gode zij dank.
-
---Ze verwachten me, is het niet?
-
-De oude wendde het hoofd weer af.
-
---Ach, Jevgenij Wassilitsj, hoe zouden ze u dan niet verwachten? Geloof
-me, het hart bloedt me, als ik uw ouders aanzie...
-
---Goed, goed, geen beschrijvingen. Zeg hun, dat ik gauw kom.
-
---Dat zal ik, antwoordde Timofeitsj zuchtend en ging. Voor het huis
-trok hij zijn muts met beide handen over de ooren, klom in zijn
-wagentje en reed in korten draf weg, maar niet in de richting van
-de stad.
-
-Den avond van dien dag zaten Anna Sergejevna en Bazarof in den salon,
-terwijl Arkadiej op en neer liep en naar Katja luisterde, die piano
-speelde. De tante was naar haar kamer. Ze hield niet van bezoek en van
-"zulke aangewaaide moderne jakhalzen" allerminst. Zoolang ze in den
-salon zat, was haar humeur dragelijk. Maar tegenover haar kamenier
-gaf ze zoodanig lucht aan haar verontwaardiging, dat tournure en
-linten op haar hoofd dansten.
-
-Mevrouw Odintsof wist dat.
-
---Hoe kunt u er aan denken, te vertrekken? vroeg ze Bazarof. En
-uw belofte?
-
-Bazarof trilde.
-
---Welke belofte?
-
---Bent u die vergeten? U wilde mij les geven in chemie.
-
---Ongelukkig wacht mijn vader mij. Ik kan niet langer blijven. Maar
-leest u Pelouse en Fremy: Notions générales de chémie, dat is een goed
-boek en gemakkelijk te begrijpen. U vindt er alles, wat u wilt weten.
-
---U zei immers eenige dagen geleden nog, dat een boek nooit de
-plaats... ik weet niet precies meer het woord, dat u gebruikte,
-maar u begrijpt wel, wat ik bedoel... is het niet?
-
---Wat moet ik doen? antwoordde Bazarof.
-
---Hier blijven, waarom weggaan? vroeg ze met zachte stem.
-
-Hij zag haar aan, ze lag achterovergeleund, de armen tot de elboog
-bloot over de borst gekruist, het lamplicht, door een papieren kap
-getemperd, maakte haar nog bleeker. Ze droeg een lang, wit kleed, dat
-wijd, in tallooze fijne plooien haar omhulde. Ook de voeten had ze over
-elkaar geslagen, zoodat alleen de punten der schoentjes te zien waren.
-
---En waarom zou ik blijven? antwoordde Bazarof.
-
-Zij bewoog even het hoofd.
-
---Hoezoo, waarom? Bevalt het u hier dan niet? Denkt u, dat u hier
-niet gemist zult worden?
-
---Dat denk ik niet.
-
---Dan hebt u ongelijk, antwoordde ze na een oogenblik stilte. Maar
-ik geloof u ook niet. U kunt dat onmogelijk meenen.
-
-Bazarof bleef onbewegelijk en zweeg.
-
---Jevgenij Wassiljewitsj, waarom antwoordt u niet?
-
---Wat zal ik zeggen? Niemand is het waard, dat hij gemist wordt,
-en ik nog minder dan anderen.
-
---Waarom?
-
---Ik ben een nuchter materialist en niet interessant. En ik kan niet
-beminnelijk zijn.
-
---Vischt u?
-
---Dat is mijn gewoonte niet. U weet toch wel, dat de deftige zijde van
-het leven, de zijde, waaraan u zooveel hecht, mij volkomen vreemd is!
-
-Mevrouw Odintsof beet in haar zakdoek.
-
---U moogt denken wat u wilt, maar ik zal me vervelen, als u weg bent.
-
---Arkadiej blijft nog, antwoordde Bazarof.
-
-Mevrouw Odintsof haalde de schouders op.
-
---Ik zal me vervelen, herhaalde ze.
-
---Denkt u? O, maar dat zal niet lang duren.
-
---Waaruit besluit u dat?
-
---U hebt zelf gezegd, dat de verveling komt, zoodra de geregelde gang
-van zaken onderbroken wordt. Uw leven is zoo voldoende goed geregeld,
-dat het voor verveling noch verdriet toegankelijk is.
-
---U vindt dus, dat mijn leven volkomen--goed geregeld is en geordend?
-
---Dat vind ik. Het zal over eenige minuten tien uur slaan en ik weet
-zeker, dat u me weg zult sturen.
-
---Neen, ik zal u niet wegsturen. U kunt blijven. Wilt u het raam wat
-open zetten?... Het is hier broeiend-warm...
-
-Bazarof stond op en zette het venster open. Het ging plotseling en
-met hard geluid. Hij was er niet op verdacht, dat het zoo gemakkelijk
-zou gaan, want zijn handen beefden. De warme, zachte nacht met zijn
-diepen hemel was plotseling dichtbij gekomen, de boomen suizelden en
-zuiver-teedere geuren zweefden noodend het venster in.
-
---Doet u de gordijnen dicht en gaat u zitten, ging zij voort. Ik
-wil nog met u praten voor uw vertrek. Vertelt u me van uw leven. U
-spreekt nooit over u zelf.
-
---Ik spreek liever over nuttige dingen met u.
-
---U bent bescheiden. Maar ik zou graag van uw familie, van uw vader
-hooren. Voor hem immers gaat u ons verlaten.
-
-Waarom zegt ze dat allemaal? dacht Bazarof.
-
---Dat zou u niet interesseeren, zei hij, juist u niet. Wij zijn
-bescheiden luidjes.
-
---Ik ben dus een aristocraat, naar uw meening? Hij keek haar aan.
-
---Ja, zei hij met nadruk.
-
-Zij glimlachte.
-
---Ik zie, dat u me niet kent, antwoordde ze.--Ofschoon u beweert,
-dat alle menschen gelijk zijn en dat men geen moeite hoeft te doen,
-hen afzonderlijk te leeren kennen. Eens zal ik u misschien mijn leven
-vertellen. Maar nu moet u eerst spreken.
-
---U zegt, dat ik u niet ken, antwoordde Bazarof. Dat is
-mogelijk. Misschien is iedere mensch een raadsel. U bijvoorbeeld. U
-ontvlucht alle gezelschap, menschen vermoeien u. En toch noodigt u
-twee studenten uit. Waarom woont u, mooi en verstandig als u bent,
-op het land?
-
---Wat zegt u daar? vroeg Anna Sergejevna levendig--ik ben... mooi...?
-
-Bazarof fronste de wenkbrauwen.
-
---Dat doet er niet toe, antwoordde hij, onzeker, ik wilde zeggen,
-dat ik niet begrijp, waarom u op het land bent gaan wonen.
-
---U begrijpt het niet en toch hebt u er voor u zelf de een of andere
-verklaring voor gevonden?
-
---Ja, ik denk, dat u hier blijft wonen, omdat u van uw gemak houdt,
-omdat u verwend bent en u de rest vrijwel onverschillig is.
-
-Mevrouw Odintsof glimlachte weer.
-
---U wilt dus niet toegeven, dat ik in staat zou zijn, mij te laten
-leiden door mijn verbeeldingskracht?
-
---Misschien uit nieuwsgierigheid, antwoordde hij en keek haar weer
-aan. Maar anders niet.
-
---Werkelijk, nu begrijp ik, waarom wij hét zoo goed kunnen vinden. Wij
-zijn het in dit opzicht vrijwel eens.
-
---Wij het goed kunnen vinden?... herhaalde hij dof.
-
---Eigenlijk wel. Ik had vergeten, dat u wilde vertrekken.
-
-Bazarof stond op. De lamp brandde zwak, de kamer was half-donker en
-de lucht geurig, want de gordijnen golfden zachtjes heen en weer en
-lieten de welige nacht met zijn vreemde, stille geluiden ritselend
-binnen. Mevrouw Odintsof zat onbewegelijk. Maar langzaam, langzaam kwam
-het over haar en ook Bazarof wist met tergende, lokkende zekerheid,
-dat hij alleen was met een jonge, mooie vrouw...
-
---Waarheen? vroeg ze gerekt en fluisterend.
-
-Hij antwoordde niet en liet zich vallen in zijn stoel.
-
---U houdt mij dus voor gelukkig en door het lot verwend? ging ze voort
-op denzelfden toon en keek naar het venster. En ik ben integendeel
-overtuigd, dat ik het recht heb, mij ongelukkig te achten.
-
---U ongelukkig? Maar hoe dan? Bent u dan gevoelig voor dwaze praatjes?
-
-Een trek van misnoegen gleed over haar gezicht. Het verdroot haar,
-verkeerd begrepen te zijn.
-
---Praatjes kunnen me niet eens aan het lachen brengen, Jevgenij
-Wassiljewitsj en ik ben te trotsch, mij daaraan te storen. Ik
-ben ongelukkig, omdat het leven niets biedt, dat mij aantrekt,
-bekoort, meesleept. U kijkt me verwonderd aan en denkt: daar zit
-een aristocratische dame in kant gekleed, op haar fluweelen stoel
-en spreekt zoo? Zeker, ik houd van comfort, zooals u dat noemt. En
-toch geef ik niets om het leven. En probeer nu die tegendeelen te
-combineeren zooals u wilt. U zult dat trouwens allemaal wel romantiek
-noemen.
-
---U bent gezond, rijk, onafhankelijk, wat wilt u meer, vroeg Bazarof
-hoofdschuddend.
-
---Wat ik wil? zei ze zuchtend. Ik voel me moe en oud. Het is me,
-of ik al heel lang leef. Ik ben oud, herhaalde ze en trok langzaam
-den fichu over haar armen. Haar oogen ontmoetten die van Bazarof en
-ze bloosde even.
-
---Ik heb al zooveel herinneringen achter me. Een schitterend leven in
-Petersburg, armoede, de dood van mijn vader, mijn huwelijk, mijn reis
-door Duitschland en alles wat daarna nog kwam, tallooze herinneringen,
-en geen enkele, waarbij men zou willen droomen... en vóor me een lange
-weg, zonder doel noch richting... ik heb geen lust verder te gaan.
-
---Heeft het leven geen bekoring meer voor u? vroeg Bazarof.
-
---Dat wel, antwoordde ze na een oogenblik peinzen, maar het heeft
-me geen bevrediging geschonken. Ik geloof, als ik me met alle kracht
-kon vastklampen aan iets... of iemand...
-
---U wilt liefhebben, antwoordde hij, en u kunt niet. Dat is uw ongeluk.
-
-Mevrouw Odintsof speelde met haar fichu.
-
---Zou ik werkelijk niet kunnen liefhebben? vroeg ze.
-
---Ik betwijfel het. Maar ik had het geen ongeluk moeten noemen. Men
-moet medelijden hebben met iemand, wien dit ongeluk overkomt.
-
---Welk ongeluk?
-
---Liefhebben.
-
---Hoe weet u dat?
-
---Van hooren zeggen, antwoordde Bazarof bitter. En hij dacht:
-je speelt de kokette, je verveelt je, en tot tijdverdrijf maak je
-mij gek, maar ik...
-
-Zijn hart klopte heftig.
-
---Buitendien bent u veel te kieschkeurig, voegde hij erbij en speelde
-voorovergebogen met de kwasten van den stoel.
-
---Misschien. Alles of niets, dat is het, wat ik wil. Een volkomen
-over en weer geven van gevoelens. Wanneer ik geef, dan is dat,
-om te ontvangen, en dat zonder berouw, zonder voorbehoud. Anders
-liever niets.
-
---Over het geheel, antwoordde Bazarof, schijnen die voorwaarden niet
-onaannemelijk en het verwondert me, dat u nog niet gevonden hebt,
-wat u zoekt.
-
---U denkt dus, dat er gemakkelijk gelegenheid te vinden is, zulk een
-ruil tot stand te brengen?
-
---Gemakkelijk? Niet, als men koud overlegt, beredeneert, kiest, kiest
-en zich zelf overschat. Wel, als men zich zonder redeneering overgeeft.
-
---Waarom zou men zichzelf niet een beetje hoog aanslaan? Waartoe zich
-geven, als men niets waard is?
-
---Dat is niet het werk van hem, die zich geeft, de ontvanger moet
-schatten, wat de ander waard is. De hoofdzaak is, dat men zich weet
-te geven.
-
-Mevrouw Odintsof haalde de schouders op.
-
---U zegt dat allemaal, alsof u het aan den lijve ondervonden hadt,
-zei ze.
-
---Toeval, Anna Sergejevna. Want dergelijke kwesties hooren niet bij
-mijn vak.
-
---U zoudt u dus weten te geven?
-
---Ik weet niet, ik wil mij zelf niet prijzen. Zij antwoordde niet en
-Bazarof zweeg.
-
-Zij hoorden pianomuziek,
-
---Wat speelt Katja nog laat, vanavond, zei mevrouw Odintsof.
-
-Bazarof stond op.
-
---Het is werkelijk al laat. U moest gaan slapen.
-
---Nog een oogenblik... waarom zoo'n haast? Ik heb u nog eén ding
-te zeggen.
-
---Wat dan?
-
---Een oogenblik, herhaalde ze fluisterend en haar oogen ontmoetten
-weer die van Bazarof. Zij keek hem onderzoekend aan.
-
-Bazarof deed eenige stappen door de kamer, toen liep hij plotseling
-op haar toe, zei ruw: Adieu! en drukte haar hand zoo hard, dat ze wel
-kon schreeuwen. Zij bracht haar saamgeperste vingers aan den mond en
-blies erop. Toen stond ze op en ging naar de deur, alsof ze Bazarof
-terug wilde roepen. Een kamenier kwam binnen met een karaf op een
-zilveren blad. Mevrouw Odintsof bleef staan, beval haar heen te gaan,
-en zette zich weer peinzend in haar stoel. Een haarvlecht viel als
-een donkere slang over haar schouder.
-
-De lamp brandde nog langen tijd in den salon. En mevrouw Odintsof bleef
-onbewegelijk zitten. Een enkele maal wreef ze langs haar bloote armen,
-toen de nachtlucht merkbaar kil werd.
-
-Twee uur later kwam Bazarof op zijn kamer. Wilde blik, de haren
-verward, de laarzen nat van dauw. Arkadiej zat nog aan tafel, een
-boek in de hand en de jas hoog dichtgeknoopt.
-
---Slaap je nog niet? vroeg Bazarof gemelijk.
-
---Je bent van avond lang gebleven bij Anna Sergejevna, zei Arkadiej,
-zonder de vraag te beantwoorden.
-
---Ja, net zoo lang als jij piano hebt gespeeld met Katharina
-Sergejevna.
-
---Ik heb niet gespeeld, antwoordde Arkadiej en zei niets meer.
-
-Hij voelde zijn oogen vochtig worden maar hij wilde niet weenen in
-tegenwoordigheid van zijn vriend, wiens spot hij vreesde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
-Toen mevrouw Odintsof den volgenden morgen kwam ontbijten, zat
-Bazarof al over zijn thee gebogen en richtte plotseling zijn oogen
-op haar... zij richtte zich tot hem, alsof hij haar gestooten had
-en hij meende te bemerken, dat ze nog bleeker zag dan den vorigen
-avond. Hij verdween spoedig in zijn kamer en kwam pas bij het tweede
-ontbijt terug. Het was een regenachtige morgen. Allen waren in den
-salon bijeen. Arkadiej nam het laatste nummer van een tijdschrift
-en begon voor te lezen. De vorstin scheen hierover zeer verwonderd,
-alsof hij een fout tegen de etikette had begaan, en monsterde hem
-met boozen blik, waarop hij echter niet lette.
-
---Jevgenij Wassiljewitsj, zei mevrouw Odintsof, wilt u even meegaan
-naar mijn kamer, ik wilde u vragen, u noemde gisteren den titel van
-een boek...
-
-Ze stond op en ging naar de deur. De tante keek om zich heen, en haar
-gezicht zei duidelijk: kijk, kijk, hoe ik versteld sta! Zij keek weer
-naar Arkadiej, maar deze wisselde een snellen blik met Katja, die naast
-hem zat, en las overluid verder. Mevrouw Odintsof liep naar haar kamer,
-Bazarof volgde met neergeslagen oogen en hoorde het ruischen van het
-zijden morgenkleed voor hem... Anna Sergejevna zette zich in denzelfden
-stoel als den vorigen avond en ook Bazarof hernam zijn plaats.
-
---Hoe heette dat boek? vroeg ze na een oogenblik.
-
---Pelouse en Fremy. Notions Générales, antwoordde hij. Maar ik
-kan u ook Ganot Handboek der experimenteele physica aanbevelen. De
-afbeeldingen zijn meer gedetailleerd en het boek is...
-
---Neem me niet kwalijk, Jevgenij Wassiljewitsj, viel ze hem in de
-rede, ik heb u niet laten komen, om over handboeken te praten. Ik zou
-ons gesprek van gisteravond weer willen hervatten. U ging zoo opeens
-weg... het is u toch niet onaangenaam?
-
---Ik ben tot uw dienst. Waarover spraken we gisteren ook weer?
-
-Mevrouw Odintsof keek hem van terzijde aan.
-
---Ik geloof, dat we over het geluk spraken. Ik sprak over mijzelf. Maar
-ik moet u iets vragen, omdat ik dat woord geluk noemde. Waarom
-schijnt het genot van muziek, van een mooien avond, van een intiem
-gesprek met iemand, die ons sympathiek is, eigenlijk alleen maar een
-belofte, de afglans van een onbekend geluk, dat wellicht ergens wacht,
-maar nooit het geluk zelf, nooit een geluk dat we in werkelijkheid
-genieten?--Antwoord me hierop... maar misschien kent u dit gevoel in
-het geheel niet.
-
---Kent u den bekenden versregel: Nur wo wir nicht sind, dort is das
-Glück? antwoordde Bazarof. Trouwens u hebt me gisteren gezegd, dat
-u geen bevredigd-zijn kent. En verder komen mij inderdaad dergelijke
-gedachten nooit in den zin.
-
---Vindt u ze belachelijk?
-
---Dat niet, maar ik ken dat zoo niet.
-
---Ik zou wel willen weten, waaraan u op het oogenblik denkt.
-
---Hoe meent u? Ik begrijp u niet.
-
---Ik had al zoo lang eens met u willen uitspreken. Ik hoef niet
-te zeggen, dat u niet de eerste de beste bent. Dat weet u wel. Op
-uw leeftijd heeft men nog een langen weg voor zich. Wat bent u van
-plan? Wat verwacht u van de toekomst? Wat is uw doel? En wat gaat er
-om in uw binnenste? Met éen woord, wat en wie bent u?
-
---U doet me versteld staan, mevrouw. U weet toch, dat ik
-natuurwetenschappen beoefen. En wat mij persoonlijk betreft...
-
---Ja, wie bent u?
-
---Ik had reeds het genoegen, u mee te deelen, dat ik
-goevernements-geneesheer hoop te worden.
-
-Mevrouw Odintsof gaf teekenen, van ongeduld.
-
---Waarom spreekt u zoo? zei ze. U gelooft zelf niet, wat u
-zegt. Arkadiej had zoo kunnen antwoorden, maar u...
-
---Maar waarom zou Arkadiej...
-
---Och wat! Zoo een klein arbeidsveld zou u toch nooit
-bevredigen. Bekent u niet zelf, dat u niet gelooft in de medische
-wetenschap? U met uw zelfgevoel, distrikts-geneesheer? U zegt dat maar,
-om mijn vraag te ontloopen. Ik boezem u geen vertrouwen in. Toch geloof
-ik, dat ik u zou kunnen begrijpen, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik was
-zelf arm en vol zelfgevoel zooals u. Ik heb waarschijnlijk hetzelfde
-meegemaakt.
-
---Dat is goed en wel, Anna Sergejevna, maar ik ben niet gewoon,
-anderen mijn hart te openen, u moet me niet kwalijk nemen. En
-buitendien bestaat er zulk een kloof tusschen ons...
-
---Och kom, zult u me nog eens voor de voeten gooien, dat ik aristocrate
-ben? Ik heb u toch zeker wel bewezen...
-
---Buitendien, ging Bazarof voort, begrijp ik niet, welk genoegen er
-in kan liggen over de toekomst te spreken, die in 't algemeen zoo
-weinig met ons te maken heeft. Doet zich een gelegenheid voor, iets
-te praesteeren, des te beter, en anders zal het wel het best zijn,
-zoo weinig mogelijk onnoodig gepraat te hebben.
-
---U noemt vriendschappelijke gedachtenwisseling onnoodige praat. U
-acht mij ten slotte als vrouw uw vertrouwen niet waard? U veracht
-zoo een beetje het vrouwelijk geslacht!
-
---Ik veracht u geenszins, Anna Sergejevna, en dat weet u heel goed.
-
---Neen, ik weet niets. Maar het zij zoo. Dat u niet over uw toekomst
-wilt spreken, kan ik begrijpen, maar wat er op het oogenblik in
-u omgaat...
-
---Omgaat? herhaalde Bazarof. Ben ik soms een staat of een
-maatschappij? In ieder geval is dat niet erg belangrijk. En buitendien,
-moeten wij dan altijd maar luide verkondigen, wat er in ons omgaat?
-
---Ik zie niet in, waarom men niet eerlijk uit zou komen voor wat men
-op het hart heeft!
-
---Zou u dat kunnen?
-
---Ja, antwoordde mevrouw Odintsof na een oogenblik.
-
-Bazarof boog.
-
---Dan bent u gelukkiger dan ik, zei hij.
-
-Anna Sergejevna zag hem aan, alsof ze een verklaring verwachtte.
-
---U hebt goed praten, antwoordde zij, maar ik ben toch geneigd,
-te gelooven, dat wij elkaar niet vergeefs hebben ontmoet en dat wij
-goede vrienden zullen blijven. Ik ben overtuigd, dat uw geslotenheid,
-uw... hoe zal ik zeggen... hardheid op den duur verdwijnen zal.
-
---U vindt mij dus gesloten... of... hard?
-
---Ja.
-
-Bazarof stond op en ging naar het venster.
-
---En u wilt de oorzaken van die geslotenheid leeren kennen, u wilt
-weten, wat er in mij omgaat?
-
---Ja, antwoordde mevrouw Odintsof, met een ontroering, waarvan ze
-zich nog geen rekenschap kon geven.
-
---En u zult niet boos worden?
-
---Neen!
-
---Niet? Bazarof stond met den rug naar haar toe.
-
---Weet dan, dat ik u dwaas, krankzinnig lief heb... u hebt mij
-gedwongen, het te zeggen.
-
-Mevrouw Odintsof strekte haar armen. Bazarof drukte zijn voorhoofd
-tegen de ruit. Hij had het gevoel van stikken, beefde over al
-zijn leden; maar dat was niet de opgewondenheid van prille jeugd,
-niet de zalige verrukking eener eerste liefdesbekentenis, dat was
-het lijfsverlangen, dat in hem streed, die wilde, heftige kracht,
-die op het Booze lijkt en wellicht daarmee verwant is.
-
-Mevrouw Odintsof gevoelde angst en medelijden tegelijk.
-
---Jevgenij Wassiljewitsj, zei ze zacht, en wellicht ongewild lag er
-diepe teederheid in haar stem.
-
-Hij keerde zich om, keek haar aan met verterenden blik en trok haar
-bij de handen hartstochtelijk naar zich toe.
-
-Zij kon zich niet dadelijk losrukken... maar na eenige oogenblikken
-was ze gevlucht in den versten hoek der kamer. Hij op haar toe...
-
---U hebt me niet begrepen! riep ze met heesche stem.
-
-Nog een stap en ze zou geschreeuwd hebben. Dat was aan haar houding
-duidelijk kenbaar. Bazarof beet zich de lippen en liet haar alleen.
-
-Een half uur later bracht een kamermeisje haar een briefje van
-Bazarof. Daar stond in: "Moet ik vandaag nog vertrekken, of kan ik
-tot morgen blijven?" Zij antwoordde: "Waarom vertrekken? Ik heb u
-niet begrepen en u hebt mij niet begrepen." Terwijl ze die woorden
-opschreef, dacht ze: ik heb me zelf niet begrepen.
-
-Bij het middagmaal verscheen ze pas. Den geheelen morgen was ze heen
-en weer blijven loopen in haar kamer, was nu eens voor den spiegel,
-dan weer voor het venster blijven staan, terwijl ze voortdurend haar
-hals met een zakdoek afveegde. Ze verbeeldde zich, dat daar een
-gloeiend-roode vlek moest zijn. Ze had zich afgevraagd, waarom ze
-Bazarof tot die bekentenis gedwongen had en of ze het al niet reeds
-lang vermoedde.
-
-Ik ben schuldig, zei ze hardop, maar wie kan alles vooruitzien?
-
-Ze werd kalmer-droomend en schrok blozend bij de herinnering aan
-Bazarofs wilde blikken, toen hij op haar af was gekomen.
-
-Of... misschien... zei ze dan weer opeens, bleef staan en schudde haar
-lokken. Toen ze in den spiegel haar licht opzij gebogen hoofd zag,
-met den geheimzinnigen glimlach in de halfgeloken oogen en op den
-half-open mond, ontroerde haar dit beeld, alsof het iets vreemds en
-dieps verborg.
-
---Neen, neen, zei ze ten slotte, God weet, waartoe dit leiden kan. Met
-zoo iets valt niet te spelen. De rust is toch het best op aarde...
-
-Haar gemoedsrust werd dan ook niet verstoord. Maar ze was droevig
-en vergoot zelfs enkele tranen, zonder te weten waarom. Het was
-geen gevoel van schaamte of vernederd-zijn, ze voelde zich niet eens
-deemoedig geworden. Ze voelde alleen wat schuld. Geleid door allerlei
-onduidelijke gevoelens, het bewustzijn van een doelloos vervlietend
-leven en het verlangen naar nieuwe ontroeringen, was ze tot een grens
-gegaan en toen ze over die grens een blik wierp, had ze geen afgrond,
-maar toch leegheid en leelijkheid gezien...
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-
-Ofschoon ze haar gevoelens volkomen beheerschte en veel vooroordeelen
-overwonnen had, kon ze toch iets pijnlijks niet onderdrukken,
-toen ze wederom in de eetkamer kwam. Er had niets bizonders plaats
-gedurende den maaltijd. Porphyriej Platonitsj verscheen en vertelde
-allerlei aardigheden. Hij was in de stad geweest. Hij had onder ander
-nieuws gehoord, dat de goeverneur de ambtenaren uit zijn onmiddellijke
-omgeving bevolen had, sporen te dragen, opdat dringende zaken dadelijk
-te paard uitgevoerd konden worden.
-
-Arkadiej praatte zachtjes met Katja en bewees de vorstin-tante,
-als volmaakt diplomaat, kleine oplettendheden. Bazarof was stil en
-somber. Mevrouw Odintsof keek hem eenige malen tersluiks aan, wanneer
-hij zoo met neergeslagen oogen en een alles verachtende strengheid
-om zijn lippen scheen te zeggen: Neen, neen, neen!
-
-Na tafel gingen allen in den tuin. Anna Sergejevna zag, dat Bazarof
-haar wilde spreken, liep enkele schreden vooruit en bleef toen
-staan. Hij trad op haar toe en zei, nog altijd met neergeslagen oogen
-en droeve stem:
-
---Ik moet u vergiffenis vragen. U zult zeker heel boos zijn.
-
---Neen, ik ben in 't geheel niet boos op u, antwoordde ze, maar ik
-ben bedroefd.
-
---Des te erger. In ieder geval ben ik voldoende gestraft. Mijn
-positie is onmogelijk geworden, dat zult u toegeven. U schreef:
-Waarom vertrekken? En ik kan en wil niet blijven. Morgen ga ik weg.
-
---Jevgenij Wassiljewitsj, waarom...
-
---Waarom ik weg ga?
-
---Neen, dat wilde ik niet zeggen.
-
---Wat voorbij is, komt niet terug. En vroeg of laat moest dit
-gebeuren. U ziet, er blijft mij niets anders over. Onder eén enkele
-voorwaarde zou ik nog kunnen blijven. Die voorwaarde zal nooit vervuld
-worden. Vergeeft u mijn vermetelheid, maar u hebt mij immers niet
-lief en zult mij nooit liefhebben.
-
-Bazarofs oogen fonkelden even onder de zware wenkbrauwen.
-
-Anna Sergejevna antwoordde niet, maar ze dacht: die man maakt me bang.
-
---Goeden dag! zei Bazarof, alsof hij in haar ziel gelezen had en liep
-in de richting van het huis.
-
-Anna Sergejevna volgde hem langzaam. Ze riep Katja, nam haar arm,
-dien ze vasthield. Ze speelde niet mee en glimlachte gedwongen bij elke
-gelegenheid. En dit stond slecht bij haar bleek, moe gezicht. Arkadiej
-begreep niets van dit alles en vroeg zich, alleen opmerkend, af:
-wat beduidt dit toch? Bazarof had zich op zijn kamer opgesloten,
-maar kwam bij de thee. Mevrouw Odintsof had hem gaarne vriendelijk
-toegesproken, maar ze wist niet, wat te zeggen. Een onverwachte
-omstandigheid kwam haar te hulp. Sitnikof werd aangediend. Het is
-moeilijk de merkwaardige houding van den jongen "liberaal" bij zijn
-entrée de chambre te beschrijven. Met de hem eigen onbeschaamdheid
-had hij besloten, een vrouw te bezoeken, die hij nauwelijks kende
-en die hem nooit had uitgenoodigd, maar bij wie, zooals hij wist,
-twee ontwikkelde vrienden te gast waren. Toch was hij buitengewoon
-verlegen en in plaats van zich te ontlasten van zijn uit het hoofd
-geleerde complimenten en verontschuldigingen, stotterde hij allerlei
-dwaasheid: Eudoxia, dat wilde zeggen: Koeksjin had hem gezonden om
-te informeeren naar den gezondheidstoestand van Anna Sergejevna en
-Arkadiej Nikolajewitsj had altijd zeer vleiend over Anna Sergejevna
-gesproken... Midden in dien onzin bleef hij steken en werd zoo verward
-dat hij op zijn hoed ging zitten. Men joeg hem echter niet weg en Anna
-Sergejevna stelde hem zelfs voor aan haar tante en zuster en daardoor
-kreeg hij langzamerhand zijn tegenwoordigheid van geest terug en ging
-door met kletsen. Wanneer de menschelijke domheid verschijnt, kan
-dat zijn nut hebben. Zij brengt ontspanning in al te strak gespannen
-verhoudingen en te trotsche en ijdele gevoelens herinnert zij eraan,
-dat domheid en geest een zelfden oorsprong en veelal gelijkenis
-hebben. De verschijning van Sitnikof gaf een rustiger, eenvoudiger
-toon aan het leven in huis. Men soupeerde met meer smaak en ging een
-half uur vroeger dan gewoonlijk ter ruste.
-
---Nu kun je herhalen, zei Arkadiej van uit zijn bed tot Bazarof, die
-zich ook gereed maakte voor den nacht, wat je mij eens hebt gezegd:
-waarom zoo droevig? Zeker een of anderen heiligen plicht nagekomen?
-
-De vrienden hadden sedert eenigen tijd de gewoonte, elkander op
-dezen zoet-bitteren toon te plagen, hetgeen altijd een bewijs is van
-innerlijk verdriet en wantrouwen, dat nog verborgen wil blijven.
-
---Ik ga morgen weg naar huis, zei Bazarof. Arkadiej keerde zich om
-en leunde op zijn elleboog. Dit bericht verraste hem aangenaam.
-
---O, antwoordde hij, ben je daarom zoo down?
-
---Veel weten veroorzaakt hoofdpijn, antwoordde Bazarof en gaapte.
-
---En Anna Sergejevna? vroeg Arkadiej.
-
---Wat zou die?
-
---Ik bedoel, laat zij je gaan?
-
---Ik ben toch niet in haar dienst!
-
-Arkadiej zweeg, peinzend en Bazarof keerde zich met het gezicht naar
-den muur. Het bleef eenigen tijd stil.
-
---Jevgenij, riep Arkadiej opeens.
-
---Wat is er?
-
---Ik ga morgen met je mee.
-
-Bazarof antwoordde niet.
-
---Ik ga ook naar huis, ging Arkadiej voort, we kunnen samen reizen
-tot Chochlof, waar je dan met Fedot verder je reis bepalen kunt. Ik
-had graag je ouders leeren kennen, maar ik vrees jou en hun ongelegen
-te komen. En dan kom je hoop ik later nog eens bij ons?
-
---Mijn bagage staat nog bij jullie, antwoordde Bazarof, zonder om te
-keeren. Waarom zou hij de redenen niet vragen van mijn plotseling
-besluit? dacht Arkadiej.--Waarom moeten we eigenlijk zoo opeens
-weg? Hij zoowel als ik?
-
-Maar hij vond geen antwoord op die vragen en zijn hart was vol stille
-bitterheid. Hij voelde, dat het hem moeilijk zou vallen, dit leven,
-waaraan hij nu gewoon was geworden, te veranderen, maar nog moeilijker
-scheen het, alleen achter te blijven zonder Bazarof. Er moet iets
-gebeurd zijn tusschen hen, dacht hij, maar wat heb ik hier nu nog te
-doen, als hij weg is? Zij wil niets van mij weten en dan zou ik het
-zeker heelemaal verbruiden... Hij zag Anna Sergejevna's beeld voor
-zich, maar dat maakte langzaam plaats voor een ander...
-
---Jammer voor Katja, fluisterde hij in zijn kussen en vreemd, er
-viel een traan. Plotseling streek hij zich met de hand door het haar
-en riep:
-
---Wat moest die idioot van een Sitnikof hier doen?
-
-Bazarof kwam in beweging.
-
---Ik zie, dat je nog heel dom bent, zei hij eindelijk. Lui
-als Sitnikof kunnen we niet missen. We hebben zulke idioten
-volstrekt noodig. Begrijp je me? De goden hebben ander werk als
-pottenbakken! [10]
-
---Hm! dacht Arkadiej. En voor het eerst zag hij Bazarofs eigenliefde
-in haar geheelen omvang.
-
---Wij zijn dus goden, jij en ik? Of liever jij! Want ik ben
-waarschijnlijk ook wel een idioot, is het niet?
-
---Ja, antwoordde Bazarof, jij bent nog dom...
-
-Mevrouw Odintsof toonde zich niet bijster verrast, toen Arkadiej haar
-den volgenden morgen meedeelde, dat hij met Bazarof zou vertrekken. Ze
-zag er vermoeid en verstrooid uit. Katja keek hem ernstig aan en zei
-niets. De tante maakte een kruis onder haar sjaal zoodanig, dat hij
-het moest zien. Sitnikof raakte geheel buiten zichzelve. Hij had een
-nieuwen rok aan, die niets van den slavophiel vertoonde. Den vorigen
-dag had de knecht, die hem bedienen moest, verwonderd gestaan over
-de massa linnengoed, die de nieuwe gast had meegebracht. En nu gingen
-zijn vrienden weg! Hij liep angstig en besluiteloos heen en weer als
-een gejaagde haas aan den rand van een woud. En geheel onverwachts
-verklaarde hij bijna schreeuwend, dat ook hij besloten had, weg te
-gaan. Mevrouw Odintsof drong er niet op aan, dat hij zou blijven.
-
---Ik heb een gemakkelijk rijtuig, zei de ongelukkige jongeling tot
-Arkadiej, ik kan u naar huis brengen. Jevgenij Wassiljewitsj kan dan
-uw tarantas nemen. Zoo gaat het gemakkelijk.
-
---Hoe komt u erbij? Ons huis ligt niet langs uw weg. Dan moest u een
-grooten omweg maken.
-
---Dat beteekent niets. Ik heb tijd. En buitendien moet ik voor zaken
-in uw buurt zijn.
-
---Wodki-zaken? vroeg Arkadiej, op bijna verachtenden toon.
-
-Maar Sitnikof was zoo onthutst, dat hij niet eens begon te lachen.
-
---Ik verzeker u, dat mijn rijtuig bizonder gemakkelijk is, ging hij
-voort, en dat er plaats is voor ons allen.
-
---Krenkt u den heer Sitnikof niet door te weigeren, zei Anna
-Sergejevna.
-
-Arkadiej keek haar aan en boog het hoofd.
-
-Na het ontbijt had het vertrek plaats. Bij het afscheid gaf mevrouw
-Odintsof Bazarof een hand en zei:
-
---Tot ziens, niet waar?
-
---Zooals u wilt.
-
---Dan zien we elkaar weer.
-
-Arkadiej ging het eerst en nam plaats in Sitnikofs rijtuig. De
-hofmeester hielp hem eerbiedig instappen, maar hij gevoelde lust,
-hem te slaan of te weenen. Bazarof ging in den tarantas. Toen ze
-in Chochlofsk aangekomen waren, wachtte Arkadiej, tot Fedote, de
-herbergier, zijn paarden voor de tarantas had gespannen. Daarop ging
-hij naar het voertuig en zei met de vroegere hartelijkheid tot Bazarof:
-
---Jevgenij, laat mij meegaan. Ik wil met je mee.
-
---Stap maar in, mompelde Bazarof.
-
-Toen Sitnikof, die fluitend rondliep, die woorden hoorde, sperde
-hij den mond van verbazing open. Arkadiej nam rustig zijn koffers,
-ging naast Bazarof zitten, groette Sitnikof beleefd en riep: Vooruit!
-
-De paarden trokken aan en de tarantas was weldra uit het gezicht
-verdwenen. Sitnikof, die niet bekomen kon van zijn verbazing, keek den
-koetsier grimmig aan, sprong in het rijtuig, riep twee voorbijgaande
-boeren toe: zet je mutsen op, ezels! en reed stadwaarts, waar hij
-laat aankwam. Den volgenden dag had hij het met madame Koeksjin in
-haar salon, over die twee hoogmoedige grove kinkels, die hem zoo maar
-in den steek hadden gelaten.
-
-Arkadiej drukte Bazarof de hand, toen hij naast hem zat en zei
-langen tijd geen woord. Bazarof scheen dit zwijgen, dien handdruk te
-begrijpen. Den vorigen nacht had hij geslapen, noch gerookt. Reeds
-eenige dagen had hij ook weinig gegeten. Zijn somber ingevallen
-gezicht teekende zich scherp af onder de reismuts.
-
---Geef me een sigaar, zei hij eindelijk,... heb ik een beslagen
-tong? kijk eens.
-
---Ja, antwoordde Arkadiej.
-
---Dacht ik wel... daarom smaakt me die sigaar niet. De machine
-loopt niet.
-
---Ja, je bent wel veranderd, zei Arkadiej.
-
---Heeft niets te beteekenen, zal wel weer goed komen. Alleen voor
-de zorgzaamheid van mijn moeder ben ik bang. Als men niet zijn buik
-volstopt en tienmaal per dag eet, heeft ze geen rust. Mijn vader is
-gelukkig niet zoo. Die kent de wereld en is door de wol geverfd.
-
---Niet te rooken! zei hij ergerlijk en gooide de sigaar naar buiten.
-
---Ligt jullie goed niet vijf en twintig werst van hier? vroeg Arkadiej.
-
---Ja. Maar hier is een wijsgeer, die het ons precies kan zeggen. En
-daarbij wees hij naar den boer, die op den bok zat en wien Fedote de
-leidsels gegeven had. De wijsgeer antwoordde:
-
---Wie weet? De wersten worden hier niet gemeten.
-
-En daarna sprak hij weer zacht met zijn paard, dat voortdurend den
-kop schudde.
-
---Ja, ja, zei Bazarof, dat moet ons een leering zijn. Ik geloof, dat
-de duivel de hand in het spel heeft. De mensch hangt aan een draad,
-ieder oogenblik kan hij in een afgrond storten, die zich voor hem
-opent. En daaraan heeft hij nog niet genoeg. Hij bedenkt nog allerlei
-domheden, die hem nog ongelukkiger maken.
-
---Wat bedoel je? vroeg Arkadiej.
-
---Niets. En zoo zeg ik ook zonder bedoeling, dat we ons als ezels
-hebben gedragen. Buitendien heb ik opgemerkt, dat zieken, die hun
-toestand overzien, altijd beter worden.
-
---Ik begrijp je niet goed, antwoordde Arkadiej, ik geloof, dat je
-geen reden hebt, je te beklagen.
-
---Omdat je mij niet goed begrijpt, zal ik je dit zeggen. Men doet
-beter, steenen te kloppen op straat, dan een vrouw ook maar den top
-van den kleinen vinger te geven. Dat is allemaal... Bazarof wilde
-zijn lievelingswoord romantiek lanceeren, maar hij hield zich in.
-
---Je zult me nu niet gelooven, ging hij voort, en toch is het waar,
-wat ik zeg. We zijn allebei in vrouwengezelschap verzeild geraakt en
-dat leventje beviel ons wel. Maar het is even aangenaam, dit gezelschap
-weer te verlaten, als op een heeten dag een koude douche te nemen. Een
-man heeft beter te doen, dan zich met zulke dwaasheden afgeven. Een
-man moet wild zijn, zei een heel verstandig spaansch spreekwoord. Jij
-bijvoorbeeld, vriend, zeg eens, richtte hij zich tot den koetsier,
-heb jij een vrouw?
-
-De boer keek om en toonden den beiden vrienden zijn breed, plat
-gezicht.
-
---Een vrouw? Zou ik geen vrouw hebben?
-
---Sla je haar?
-
--- Mijn vrouw? Dat hangt er van af.--Zonder reden niet.
-
---Natuurlijk niet. En slaat zij jou ook?
-
-De boer rukte aan den teugel.
-
---Wat zegt u, heer? vroeg hij, ik geloof, dat u grappen maakt, heer.
-
-Die vraag had hem blijkbaar gekrenkt.
-
---Hoor je dat? Arkadiej. En toch zijn wij allebei geslagen. Dat hebben
-wij ervan, dat we ontwikkelde menschen zijn.
-
-Arkadiej glimlachte gedwongen, Bazarof keerde zich af en deed de
-geheele verdere reis den mond niet meer open.
-
-De vijf en twintig werst leek Arkadiej vijftig. Het dorp, waar
-Bazarofs ouders woonden, werd eindelijk zichtbaar tegen de helling
-van een lagen heuvel. Niet ver daar vandaan stond tusschen een groep
-jonge berken het heerenhuis met strooien dak. Bij den ingang van het
-dorp stonden twee boeren, de mutsen op het hoofd en keven.
-
---Je bent een dik zwijn, zei de een tot den ander.
-
---En jij bent een varken, en je wijf is een heks, antwoordde de andere.
-
---Zulk een lieve vertrouwelijkheid, zei Bazarof, de opgewekte toon
-van deze woordenwisseling kan je bewijzen, dat de boeren van mijn
-vader niet al te strak gehouden worden. Maar daar heb je hem zelf
-al. Hij heeft zeker de schellen gehoord. Hij is het. Ik herken hem
-aan zijn figuur. Wat is hij grijs geworden, de arme duivel!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-
-Bazarof leunde uit den tarantas. Arkadiej zag over de schouders
-van zijn vriend op den stoep van het huis een groot, mager man met
-opstaande haren, een kleine wipneus en een oude soldatenjas. Hij
-stond wijdbeens, een lange pijp in de hand en knipoogde, alsof hij
-zijn oogen tegen de zon wilde beschermen. De paarden hielden stil.
-
---Daar ben je dan! riep Bazarofs vader en rookte verder, ofschoon de
-pijp tusschen zijn tanden beefde. Kom, stap uit, stap uit, dat ik je
-behoorlijk omhelzen kan.
-
-Hij omarmde den zoon.
-
---Jenoesja, Jenoesja! riep een trillende stem uit het huis. De
-voordeur ging open en een kleine matrone verscheen in wit kapje en
-kort jak. Ze schreeuwde, wankelde en zou gevallen zijn, als Bazarof
-haar niet opgevangen had.
-
-De kleine mollige handen lagen weldra om Bazarofs nek en ze drukte
-haar gezicht tegen zijn borst. Alleen onderdrukt snikken was te
-hooren. Bazarofs vader knipoogde erger dan in het begin.
-
---Nou is het genoeg, Ariesja, hou op, schei nu uit, zei hij eindelijk
-en keek Arkadiej aan, die onbewegelijk bij het rijtuig stond. Zelfs de
-boer op den bok keerde zich geroerd af.--Dat is niet noodig, hou op,
-houd op!
-
---Och Wassili Ivanitsj! antwoordde het oudje snikkend, als ik bedenk,
-dat hij daar is, onze jongen, onze Jenoesja!
-
-En zonder hem los te laten, hief zij haar betraande gezicht op, keek
-Bazarof met grappig-gelukkige uitdrukking aan en drukte hem nog eens
-aan het hart.
-
---Nou ja, dat begrijp ik allemaal wel, zei Wassili Ivanitsj, maar laten
-we nu naar binnen gaan. Jevgenij heeft een vriend meegebracht. Neemt
-u ons niet kwalijk, maar u begrijpt, vrouwelijke zwakheid... een
-moederhart...
-
-De laatste woorden golden Arkadiej, maar ook zijn eigen lippen
-trilden. Hij deed zijn best, kalm te blijven, zelfs onverschillig,
-maar het ging niet.
-
-Arkadiej boog het hoofd.
-
---Kom moedertje, zei Bazarof, laat ons naar binnen gaan. En hij voerde
-de oude vrouw, die in tranen versmolt, naar de ontvangkamer. Hij
-zette haar in een gemakkelijken stoel, omhelsde nog eens zijn vader
-en stelde hem zijn vriend voor.
-
---'t Doet me genoegen, kennis te maken, zei Wassili Ivanitsj,
-maar u moet het bij ons voor lief nemen, alles is eenvoudig hier,
-militair.--Arina Vlassievna, doe me het pleizier en kom tot jezelf! Dat
-is zwakheid! Onze gast zal een mooien indruk van je krijgen.
-
---Vadertje, zei de oude, met tranen nog in de stem, ik ken uw voornaam
-en uw vadersnaam nog niet.
-
---Arkadiej Nikolajevitsj, antwoordde Wassili Ivanovitsj op eenigszins
-plechtigen toon.
-
---Vergeef mij, domme vrouw, klonk het zwakjes, ze snoot haar neus,
-en veegde het eene oog, en daarna het andere af, waarbij ze het
-hoofd rechts en links gebogen hield.--Neemt u me niet kwalijk. Ik
-had gedacht, te zullen sterven, zonder mijn armen zoon... weergezien
-te hebben.
-
---En nu hebt u hem weergezien, mevrouw, zei Wassili Ivanovitsj
-levendig.--Tanioesjka, heette het nu tegen een twaalfjarig meisje,
-dat blootsvoets in een hel-rood katoenen rokje, angstig in de deur
-stond te kijken.--Breng de vrouw een glas water op een blaadje,
-versta je, en de heeren? ging hij voort op jovialen toon, die wat
-van de oude school had, mag ik zoo vrij zijn, u uit te noodigen,
-het kabinet van den veteraan binnen te treden?
-
---Laat ik je nog eens omhelzen, Jenoesjetsjka, zuchtte Arina
-Vlassievna. Bazarof boog over haar heen.--Wat ben je een prachtige
-jongen geworden!
-
---Dat kan ik niet vinden, antwoordde Wassili Ivanovitsj, maar zooals
-de Franschman zegt, een homme fait is hij geworden. En nu van wat
-anders, Arina Vlassievna, als je moederhart verzadigd is, moest je
-je eens met de spijziging van onze dierbare gasten bezig houden,
-want je weet, de nachtegaal leeft niet alleen van zingen!
-
-De moeder stond op.
-
---De tafel is dadelijk gedekt, Wassili Ivanovitsj. Ik zal zelf naar
-de keuken gaan en voor het opdoen zorgen. In een oogenblik is alles
-in orde. In geen drie jaar heb ik hem gezien, heb ik hem te eten of
-te drinken gegeven! Dat is geen kleinigheid.
-
---Maak voort, moeder, schaf voor vier, dat je eer van je werk hebt. En
-als ik de heeren nu verzoeken mag? Daar is Timofeitsj, Jevgenij, en
-wil je verwelkomen. Die zal ook gelukkig zijn, die oude poedel! Is
-'t niet Poedel? Wilt u maar volgen, heeren?
-
-Wassili Ivanovitsj opende de optocht met een gewichtige houding en
-slofte met zijn oude pantoffels over den vloer.
-
-Zijn huis bevatte maar zes kleine kamers. Het vertrek, waarheen hij
-zijn jonge vrienden voerde, heette het kabinet. Een zware, houten
-tafel, overdekt met bijna zwart berookte papieren, stond tusschen
-twee vensters. De wanden waren versierd met Turksche geweren,
-Kozakkenzweepen, een sabel, twee groote landkaarten, anatomische
-afbeeldingen, een portret van Hufeland, een kroon van haar gevlochten
-in een zwarte lijst, en een diploma, ook achter glas. Tusschen twee
-enorme boekekasten van berken wortelhout stond een op verschillende
-plaatsen gescheurde lederen sofa. Boeken, doozen, opgezette vogels,
-reageerbuizen, retorten in vakken ingedeeld. In een hoek der kamer
-eindelijk stond een electriseermachine, die blijkbaar geen dienst
-meer deed.
-
---Ik heb jullie direct gezegd, mijn waarde gasten, zei Wassili
-Ivanitsj, dat we hier om zoo te zeggen in bivak leven...
-
---Schei toch uit met je excuses, antwoordde Bazarof. Kirsanof weet
-heel goed, dat we geen Croesussen zijn en dat we in geen paleis
-wonen. De kwestie is, waar we kunnen slapen.
-
---Dat komt terecht, Jevgenij, ik heb een fijne kamer in het bijgebouw,
-je vriend zal zich daar volkomen thuis voelen.
-
---Heb je tijdens mijn afwezigheid een vleugel laten bijbouwen?
-
---En of, waar de badkamer is, zei Timofeitsj.
-
---Naast de badkamer, viel Wassili Ivanovitsj in de rede, ik zal eens
-gaan zien, of alles in orde is. En ga jij intusschen de bagage van de
-heeren halen, Timofeitsj. Jij komt natuurlijk in mijn studeerkamer,
-Jevgenij: Suum cuique.
-
---Een eigenaardig mensch, zei Bazarof, toen zijn vader weg was,
-net als jouw vader, maar dan op zijn manier. Hij praat wat te veel.
-
---Je moeder schijnt ook een lieve vrouw, zei Arkadiej.
-
---Ja, ze is niet kwaad. Je zult zien, wat we te eten krijgen!
-
---We verwachtten u niet vandaag, vadertje, zei Timofeitsj, toen hij
-den koffer bracht, we hebben geen vleesch.
-
---Dan doen we 't zonder vleesch. Waar niets is, heeft de keizer zijn
-recht verloren. Armoede is geen schande.
-
---Hoeveel boeren heeft je vader? vroeg Arkadiej.
-
---Het goed is niet van hem, het is van moeder en ik geloof, dat het
-hoogstens vijftien zielen telt.
-
---Twee en twintig met verlof, zei Timofeitsj, gekrenkt.
-
-Zij hoorden het sloffen van de pantoffels en Wassili Ivanovitsj
-verscheen weer in zijn kabinet.
-
---Nog een minuut of wat en de kamer zal gereed zijn, u te ontvangen,
-Arkadiej--Nikolaitsj... zoo heet u toch, als ik me niet vergis, riep
-hij uit, en die hier zal u bedienen, zei hij, op een jongen wijzend,
-die mede binnengekomen was, hij heet Fedka.
-
-Fedka had kort geknipt haar, een blauw hemd met gaten door de elbogen
-en laarzen, die niet van hem waren.
-
---U zult voor lief moeten nemen, zeg ik u nog eens, al wil mijn zoon
-het niet hebben. Overigens kan de jongen uitmuntend een pijp stoppen. U
-rookt zeker?
-
---Ik rook meest sigaren, antwoordde Arkadiej.
-
---Daar hebt u gelijk aan. Ik houd ook meer van sigaren. Maar die zijn
-hier moeilijk te krijgen, zoo ver van de stad.
-
---Schei toch uit met die klaagliederen, zei Bazarof, ga liever op de
-sofa zitten en laat me je eens bekijken.
-
-Wassili Ivanovitsj ging lachend op de sofa zitten. Hij leek op zijn
-zoon. Alleen zijn voorhoofd was lager en smaller, zijn mond wat
-breeder, ook haalde hij telkens de schouders op, alsof de armsgaten
-van zijn jas te nauw waren. Hij knipoogde voortdurend, terwijl zijn
-zoon veel vrijer was in zijn bewegingen.
-
---Klaagliederen, antwoordde Wassili Ivanitsj, verbeeld je maar niet,
-dat ik probeer, het medelijden van je vriend op te wekken. Hij hoeft
-niet te denken, dat we hier in de woestijn leven. Ik geloof, dat er
-voor een denkend mensch in 't geheel geen woestijn bestaat. In ieder
-geval doe ik mijn best, geen mos op me te laten groeien, zooals het
-spreekwoord zegt. Ik wil niet bij mijn tijd achterblijven.
-
-Hij haalde een splinternieuwen, geel-zijden zakdoek voor den dag dien
-hij gehaald had, toen hij de kamer van Arkadiej had geïnspecteerd,
-en ging voort, terwijl hij met dien zakdoek zwaaide:
-
---Ik zal me er niet op beroemen, dat ik de boeren aan me verplicht
-heb door hun de helft van het land af te staan, ofschoon me dat
-gevoelige verliezen heeft gekost. Ik beschouwde het als mijn plicht,
-het gezond verstand zegt, zoo te handelen. Ik begrijp niet, dat alle
-grondbezitters het nog niet gedaan hebben. Ik bedoelde straks de
-wetenschap en de ontwikkeling in 't algemeen.
-
---Daar heb je warempel "De Vriend der Gezondheid" liggen voor 't jaar
-'55! zei Bazarof.
-
---Een aandenken van een goed vriend, antwoordde Wassili Ivanitsj. En
-uitsluitend tegen Arkadiej sprekend, ging hij voort:
-
---Wij hebben ook nog wel eenig denkbeeld van de phrenologie! Hij wees
-op een kleinen kop van gips, die in een menigte vakjes was ingedeeld,
-de namen Schönlein en Rademacher zijn ons niet onbekend.
-
---Gelooft men nog aan Rademacher in het goevernement? vroeg Bazarof.
-
-Wassili Ivanovitsj kuchte.
-
---In 't goevernement, herhaalde hij, zeker zullen de heeren meer
-van die dingen af weten, dan wij, er is geen denken aan, dat wij u
-nog zouden kunnen inhalen. Jullie moeten ons ook opvolgen. Ik weet
-nog wel, in onzen tijd vonden we den patholoog Hoffman of Browe met
-zijn vitalisme belachelijk, en toch hadden die opgang gemaakt in hun
-tijd. Er zal weer een ander geleerde gekomen zijn, om Rademacher te
-overtroeven en jullie gelooft in hem, maar over twintig jaar zullen
-ze weer over hem spotten.
-
---Ik kan je tot je troost zeggen, dat we tegenwoordig over de heele
-medische wetenschap lachen en geen enkelen leeraar erkennen.
-
---Hoe kan dat? Je studeert toch medicijnen?
-
---Jawel, maar het eene sluit het andere niet uit.
-
-Wassili Ivanovitsj haalde zijn pijp uit, waarin nog wat warme asch.
-
---Kan zijn, zei hij, daar wil ik af wezen. Wat ben ik per slot van
-rekening? Een gepensioneerde regimentsdokter, voilà tout! En nu ben ik
-grondeigenaar geworden. Ik stond bij de brigade van uw grootvader, ja,
-ik heb heel wat gezien in mijn leven, alle mogelijke menschen ontmoet
-uit alle standen (dit was weer tegen Arkadiej). Ik, zooals ik hier
-voor u zit, heb vorst Witgenstein en Joekofski den pols gevoeld. En
-de mannen van den veertienden December [11] heb ik gekend in de
-Zuid-legers. U begrijpt!
-
-Wassili Ivanovitsj zette deze woorden kracht bij door veelbeteekenend
-de lippen samen te knijpen.
-
---Ik heb ze allemaal gekend. Ik kon ze met den vinger aanwijzen. Maar
-ik bemoei me niet met dingen, die me niet aangaan. Men doet zijn plicht
-en daarmee basta. Ik moet zeggen, dat uw grootvader een krachtig man
-was, een echt soldaat!
-
---Een echte hark, kom er maar voor uit, viel Bazarof in de rede.
-
---Maar Jevgenij, hoe kan je zoo'n woord gebruiken. Dat is
-onvergefelijk. 't Is waar, de oude generaal Kirsanof hoorde niet tot...
-
---Laat hem maar slapen, antwoordde Bazarof, bij de aankomst zag ik
-met genoegen, dat het berkenboschje mooi opgeschoten is!
-
-Wassili Ivanovitsj raakte plotseling in vuur.
-
---Dat is nog niets. Je moet den tuin zien. Ik heb hem zelf
-aangelegd. We hebben vruchtboomen, alle mogelijke kleingoed en
-geneeskundige kruiden. Jullie hebt goed praten, maar de oude Paracelsus
-heeft toch maar groot gelijk: In herbis, verbis et lapidibus... Ik
-heb de praktijk opgegeven, zooals je weet. Maar zoo twee, driemaal in
-de week gebeurt het nog wel, dat ze me komen raadplegen. Dan kan ik de
-menschen toch niet het huis uitjagen. Dikwijls ook arme lui. Want er is
-geen dokter in 't dorp. Mijn buurman, de majoor, doet me concurrentie
-aan. Ik vraag hem op een dag, of hij gestudeerd heeft. Nee, is zijn
-antwoord, maar hij doet het uit naastenliefde. Haha! Uit naastenliefde,
-hoe vind je die! Haha!
-
---Fedka, stop mijn pijp eens, riep Bazarof ruw.
-
---We hebben nog een anderen dokter, zei Wassili Ivanovitsj weer,
-maar er lag een zekere angst in zijn stem.--Stel je voor, dat die op
-een dag bij een zieke komt, die al ad patres is. De knecht wil hem
-niet binnen laten en zegt: we hebben u niet meer noodig. De dokter,
-die niet verdacht was op deze mogelijkheid, komt in verwarring en
-vraagt: Heeft hij benauwdheden gehad, voor hij stierf?
-
---Ja.--Nog al erg?--Ja.--Ah, dat is uitmuntend.--En hij ging weg! Ha
-ha!
-
-De oude man was de eenige, die lachte. Arkadiej glimlachte
-beleefdheidshalve, Bazarof blies een rookwolk in de lucht. Het
-gesprek duurde ongeveer een uur. Arkadiej ging weer naar zijn kamer,
-die feitelijk een bij-badkamer was, maar toch zeer geriefelijk
-ingericht. Eindelijk verscheen Tanioesja en zei, dat het eten
-gereed was.
-
-Wassili Ivanovitsj stond het eerst op.
-
---Gaat u mee, heeren? En neem me niet kwalijk, als ik u heb zitten
-vervelen. Ik hoop, dat mijn vrouw u beter behandelen zal.
-
-Het maal, ofschoon in der haast toebereid, was inderdaad
-uitmuntend. Alleen de wijn liet te wenschen over. De bijna zwarte
-sherry, dien Timofeitsj in de stad had gekocht, gaf een nasmaak van
-kanipholium en koper. Ook de vliegen waren hinderlijk. Gewoonlijk
-had een jong knechtje ze met een boomtak te verdrijven. Maar Wassili
-Ivanovitsj had dit ambt opgeheven, ten einde geen kritiek uit te
-lokken van de jonge "mannen-van-den-vooruitgang". Arina Vlassievna
-had tijd gevonden, toilet te maken. Ze droeg een kapje met linten
-en een blauw-gebloemden sjaal. Ze begon weer te schreien, toen ze
-haar Jenoesja zag, maar haar echtvriend behoefde haar ditmaal niet
-te helpen, ze droogde van zelf haar tranen, ongetwijfeld bang, haar
-sjaal te bederven.
-
-De jonge lui bewezen den maaltijd alle eer. De ouders, die 's middags
-al gegeten hadden, deden niet mee. Fedka, die zeer veel last van zijn
-laarzen had en een éenoogig vrouwspersoon met mannelijke trekken en die
-Anfisoesjka heette, bedienden bij tafel. De laatste vereenigde in haar
-persoon de ambten van keldermeester, waschvrouw en hoenderverzorgster.
-
-Gedurende het eten liep Wassili Ivanovitsj met een van geluk stralend
-gezicht in de kamer heen en weer en gaf daarbij bespiegelingen ten
-beste over zijn grooten angst betreffende de politiek van Napoleon
-III en de duisterheid der Italiaansche kwestie. Arina Vlassievna
-scheen Arkadiej in het geheel niet te zien. Ze steunde de kin op de
-hand en haar rond gezicht had een merkwaardig goedige uitdrukking
-door de kleine, dikke, kersroode lippen en de schoonheidsvlekjes op
-haar wangen. Ze had de oogen niet van haar zoon en zuchtte maar. Ze
-had dolgraag geweten, hoe lang hij blijven zou. Maar ze durfde niet
-vragen. Ze dacht: als hij eens antwoordde: twee dagen... en de schrik
-sloeg haar om het hart. Na het gebraad verdween Wassili Ivanovitsj,
-maar kwam dadelijk terug met een halve flesch champagne, die hij open
-had gemaakt.
-
---Al wonen we ook in een wilde streek, zei hij, we kunnen toch wel
-wat ter opvroolijking vinden bij belangrijke gelegenheden.
-
-Hij schonk drie groote en een klein glas in, verklaarde op het welzijn
-der dierbare bezoekers te drinken, dronk zijn glas in éen slok leeg
-en dwong Arina Vlassievna haar kleine glas geheel te ledigen. Toen de
-ingemaakte vruchten verschenen, meende Arkadiej, die zoete spijzen
-niet kon verdragen, toch van vier nieuwe soorten te moeten proeven,
-te meer, daar Bazarof rondweg weigerde en zijn sigaar opstak. Na het
-dessert kwam thee met room, krakelingen en boter. Toen bracht Wassili
-Ivanovitsj zijn gasten in den tuin, om van den heerlijken avond te
-genieten. Bij een bank fluisterde hij Arkadiej in het oor:
-
---Hier zit ik graag te mijmeren en naar den zonsondergang te kijken,
-dat gaat goed voor den kluizenaar. Een eind verderop heb ik Jevgenijs
-lievelingsboomen geplant.
-
---Wat voor boomen? vroeg Bazarof ruw.
-
---Nu... acacia's...
-
-Bazarof gaapte.
-
---Ik geloof, dat onze reizigers goed deden, te gaan slapen, zei
-Wassili Ivanovitsj.
-
---Dat wil zeggen, dat het tijd is, naar bed te gaan, begon Bazarof,
-ik vind het goed. Vooruit maar!
-
-En toen zei hij zijn moeder goeden nacht en kuste haar op het
-voorhoofd. Zij sloeg intusschen driemaal een kruis achter zijn
-rug. Wassili Ivanovitsj bracht Arkadiej naar zijn kamer en verliet
-hem met den wensch, dat hij "dezelfde rust zou genieten als hij in
-zijn jeugd had gekend." Inderdaad sliep Arkadiej goed in zijn klein
-kamertje. Het rook er naar versche houtkrullen en twee krekeltjes
-achter de kachel maakten een zachte, slaapwekkende muziek. Wassili
-Ivanovitsj ging naar zijn eigen kabinet, ging bij zijn zoon op bed
-zitten, dat wil zeggen op de sofa, en wilde wat praten, maar Bazarof
-vroeg hem weg te gaan, omdat hij slaap had, zooals hij zei. Toch deed
-hij den geheelen nacht geen oog dicht. Hij liet zijn blikken, hard,
-zweven door de duisternis. Jeugdherinneringen hadden geen macht over
-hem, maar de droeve ervaringen van den vorigen dag hielden hem nog
-altijd bezig.
-
-Arina Vlassievna lag voor haar Heiligenbeelden te bidden en bleef
-toen nog langen tijd bij Anfisoesjka, die als een steenen beeld voor
-haar meesteres stond, die ze met haar éene oog aanstaarde, terwijl
-ze haar geheimzinnig en langzaam allerlei opmerkingen en vermoedens
-omtrent Jevgenij Wassiljewitsj meedeelde.
-
-Door blijdschap, wijn en tabaksrook was haar brein zoo beneveld,
-dat het haar duizelde. Haar man wilde nog met haar praten, maar hij
-zag er van af en ging met een berustende handbeweging weg.
-
-Arina Vlassievna was het type van den kleinen Russischen adel uit
-den goeden ouden tijd. Ze had twee eeuwen vroeger, in den tijd van
-de grootvorsten van Moscou geboren moeten zijn. Uitermate gevoelig
-en innig-vroom, geloofde ze aan voorteekens, voorgevoelens, tooverij
-en droomen, aan spotgeesten, huis- en woudgodheden, ongeluk brengende
-ontmoetingen, aan "het Booze Oog", aan huismiddeltjes, aan de kracht
-van het zout op de altaren op Groenen Donderdag en den aanstaanden
-ondergang der wereld. Ze geloofde, dat er een goede boekweitoogst
-zou zijn, als de kaarsen in de Paaschnachtmis niet uitgingen, dat de
-champignons niet meer groeiden, zoodra de blik des menschen hen trof,
-dat de duivel gaarne kwam op plaatsen waar veel water is, en dat alle
-Joden een bloedvlek hebben op de borst. Ze was bang voor muizen,
-adders, kikvorschen, musschen, bloedegels, den donder, koud water,
-tocht, paarden, bokken, roodharige menschen en zwarte katten en vond
-krekels en honden onreine schepsels. Ze at kalfsvleesch noch duiven,
-kreeft noch kaas, asperges noch hazen, noch watermeloenen (omdat een
-opengesneden meloen deed denken aan het afgeslagen hoofd van Johannes
-den Dooper) en de gedachte alleen aan oesters, die ze nog nooit had
-gezien, deed haar rillen. Ze at graag veel en goed en hield zich streng
-aan de vastendagen. Ze sliep tien uur daags. Het eenige boek, dat
-ze gelezen had, heette Alexis of de hut in het woud, ze schreef éen,
-hoogstens twee brieven in het jaar en kon overheerlijk vruchten inmaken
-en groente, ofschoon ze zelf niets deed en zich niet graag bewoog.
-
-Overigens was ze niet zonder gezond verstand. Ze wist, dat er heeren
-zijn om te bevelen en knechten om te gehoorzamen. Ze had dan ook
-geen bezwaar tegen de onderdanigheid der bedienden en hun diepe
-eerbewijzen. Maar ze behandelde hen met groote zachtzinnigheid, liet
-geen bedelaar zonder aalmoes gaan en veroordeelde niemand, zonder
-afkeerig te zijn van kletspraatjes. Ze was niet leelijk geweest in
-haar jeugd, speelde piano en sprak een beetje Fransch. Maar gedurende
-het vele reizen van haar man, met wien ze tegen haar wil was getrouwd,
-was ze dik geworden, en had haar muziek en Fransch verleerd. Ze aanbad
-haar zoon, maar was erg bang voor hem. Wassili Ivanovitsj beheerde
-haar goed en ze liet hem volkomen vrij in dit opzicht. Ze begon te
-zuchten, en waaierde zich met haar zakdoek en trok de wenkbrauwen
-hoog op, wanneer haar man begon te spreken over hervormingen of over
-zijn eigen plannen. Ze was wantrouwend, verwachtte voortdurend een of
-ander groot ongeluk en begon te weenen, zoodra ze aan iets droevigs
-dacht... Zulke vrouwen beginnen zeldzaam te worden. Misschien moeten
-we ons daarover verheugen...
-
-
-
-Zoodra Arkadiej was opgestaan, deed hij het venster open en het eerste
-wat hij zag was Wassili Ivanovitsj, in chalaat (chambre cloak), een
-zakdoek om het middel, aan het werk in den moestuin. Toen hij zijn
-jongen gast gewaar werd, leunde hij op zijn schop en riep hem toe:
-
---Goeden morgen. Hoe heb je geslapen?
-
---Heel goed, antwoordde Arkadiej.
-
---Je ziet een soort Cincinnatus voor je, ging de oude man voort,
-ik ben bezig met een bed herfstrapen. We leven in een tijd, en ik
-beklaag me daar in het geheel niet over, dat ieder de handen uit
-de mouw moet steken voor zijn dagelijksch brood. Je kunt je niet op
-anderen verlaten. Je moet zelf aanpakken. Jean Jacques Rousseau had
-gelijk, al beweren ze ook van niet. Een half uur geleden had u me
-aan heel ander werk bezig kunnen zien, mijn beste heer. De boerin
-kwam me consulteeren over buikloop. Ik heb haar, hoe zal ik zeggen,
-ik heb haar een dosis opium ingegeven. En een andere heb ik een tand
-getrokken. Ik had haar willen verdooven met chloroform, maar ze wilde
-niet. Natuurlijk doe ik dat allemaal voor niets--en amateur. Maar daar
-schaam ik me heelemaal niet voor. Ik ben plebejer, een homo novus,
-ik voer geen wapen, zooals mijn teergeliefde echtgenoote... maar zou u
-niet eens hier in de schaduw vòòr het ontbijt de frissche morgenlucht
-willen inademen?
-
-Arkadiej kwam naar buiten.
-
---Welkom, welkom, ging Wassili Ivanovitsj voort en bracht militair de
-hand aan het vettige kalotje op zijn hoofd,--ik weet, dat u de grootste
-weelde gewend bent, maar zelfs de grooten dezer aarde versmaden het
-niet, een enkele maal in een hut te overnachten.
-
---Hoe kunt u mij een groote dezer aarde noemen? riep Arkadiej--en
-dan moet ik u beleefd verzoeken, niet te denken, dat ik aan weelde
-gewend ben.
-
---Jawel, jawel, antwoordde Wassili Ivanovitsj glimlachend,--ik ben
-nu wel oud roest, maar ik heb toch genoeg in de wereld rondgekeken,
-om een vogel aan zijn veeren te kennen. Ook verbeeld ik me een beetje
-psycholoog en gezichtskundige te zijn. Zonder dat zou ik allang
-verloren zijn geweest. De menschen zouden me vertrapt hebben, ellendig
-aardwormpje, dat ik ben. Ik kom er rond voor uit: de vriendschap,
-die er tusschen u en mijn zoon bestaat, doet me oprecht pleizier. Ik
-kom juist van hem vandaan. Hij is oudergewoonte vroeg opgestaan en
-stroopt den omtrek af. Mag ik u vragen: duurt die vriendschap al lang?
-
---Verleden winter hebben we elkaar ontmoet.
-
---Ja? Mag ik dan nog een vraag... maar zullen we niet gaan zitten? Mag
-ik u met de vrijmoedigheid van een vader vragen, wat u denkt van
-mijn zoon?
-
---Uw zoon is een van de uitnemendste mannen, die ik ooit ontmoet
-heb! antwoordde Arkadiej levendig.
-
-Wassili Ivanovitsj spalkte zijn oogen wijd open, een lichte blos
-kleurde zijn wangen. Hij liet zijn schop vallen.
-
---U denkt dus... begon hij weer.
-
---Ik ben overtuigd, dat uw zoon een groote toekomst voor zich heeft,
-ging Arkadiej voort. Hij zal uw naam beroemd maken. Daarvan was ik
-bij onze eerste kennismaking al overtuigd.
-
---U zegt?... hè?... kwam er moeilijk uit. Een trotsche glimlach
-ontplooide zijn breeden mond en bleef daar.
-
---Wilt u weten, hoe we elkaar leerden kennen?
-
---Ja... en...
-
-Arkadiej sprak met nog grooter bewondering over zijn vriend, als op
-dien eersten avond met mevrouw Odintsof in de balzaal.
-
-Wassili Ivanovitsj hoorde toe, snoot zijn neus, verfrommelde zijn
-zakdoek met beide handen, kuchte, streek door zijn haar, maar kon
-zich eindelijk niet langer inhouden, pakte Arkadiej en kuste hem op
-den schouder.
-
---U hebt den gelukkigsten mensch van me gemaakt, zei hij en
-glimlachte. Ik moet u bekennen, dat ik, dat ik mijn zoon verafgood. Ik
-spreek niet van mijn vrouw, zij is moeder en voelt als moeder. Maar ik
-durf mijn zoon niet bekennen, hoe ik hem liefheb, want dat zou hem niet
-aangenaam zijn. Hij kan zulke ontboezemingen niet verdragen. Sommigen
-verwijten hem die karaktervastheid en houden het voor gevoelloosheid
-en valschen trots. Maar mannen als hij kunnen niet met dezelfde maat
-gemeten worden als gewone stervelingen. Een ander zou in zijn plaats
-zijn vaders beurs hebben geplunderd. Maar hij heeft nog nooit een
-kopeke te veel gevraagd, dat verzeker ik je!
-
---Hij is een onzelfzuchtig, feilloos man, zei Arkadiej.
-
---Zooals je zegt een toonbeeld van onzelfzuchtigheid. Wat mij betreft,
-ik verafgood hem niet alleen, ik ben ook trotsch op hem en wat
-mijn trots het meest streelt is, dat men eens in zijn biografie zal
-lezen: hij was de zoon van een eenvoudig officier van gezondheid, die
-vroegtijdig zijn talent ontdekte en alles deed voor zijn ontwikkeling,
-wat...
-
-Hij kon niet verder spreken.
-
-Arkadiej drukte hem de hand.
-
---Wat denkt u? vroeg Wassili Ivanovitsj na eenigen tijd, zou hij als
-medicus den roem verwerven, dien u hem voorspelt?
-
---Zeer zeker niet, al zal hij ook in dit vak tot de geleerdste mannen
-behooren.
-
---In welk vak denkt u dan, dat hij...
-
---Dat is zoo niet te zeggen, maar hij zal een beroemd man zijn.
-
---Een beroemd man! herhaalde de vader en gaf zich aan zijn droomen
-over.
-
-
-
---Arina Vlassievna laat vragen, of u thee komt drinken, zei
-Anfisoesjka, die met een groote schaal frambozen voorbij kwam.
-
-Wassili Ivanovitsj schrikte op.
-
---Is er room bij de frambozen? vroeg hij.
-
---Ja, die is er.
-
---Maar hij moet goed koud zijn, hoor je. Geneer je niet, Arkadiej
-Nikolajitsj, neem nog maar meer. Waar zit Jevgenij zoo lang?
-
---Ik zit hier, riep Bazarof van uit Arkadiej's kamer.
-
-Wassili Ivanovitsj keerde zich snel om.
-
---Je wilde je gast zeker verrassen. Maar je komt te laat, amice,
-we zijn al een uur aan het praten samen. Kom mee thee drinken, je
-moeder wacht ons. Apropos, ik moet je wat vragen.
-
---Wat?
-
---Er is hier een boer, die aan icterus lijdt.
-
---Hij heeft dus geelzucht.
-
---Ja, hij heeft een aanval van chronischen en hardnekkigen
-icterus. Ik heb hem duizendguldenkruid en hondsgras gegeven. Ook
-liet ik hem worteltjes eten en sodawater drinken. Maar dat zijn maar
-huismiddeltjes. Hij moet wat sterkers hebben. Je spot wel met de
-medicijnen, maar misschien kun je me toch raad geven.
-
---Daar kunnen we later over spreken. Laten we eerst thee gaan drinken.
-
-Wassili Ivanovitsj stond vlug op van de bank en begon te zingen het
-lied uit Robert le Diable:
-
-
- De wijn, de wijn, het spel, de meisjes
- daar houd, daar houd, daar houd ik van alleen.
-
-
---Wat een vitaliteit! zei Bazarof en ging van het venster weg.
-
-
-
-Het was middag, en drukkend heet, al hing een fijn gordijn van blanke
-wolken voor den hemel. Stilte heerschte rondom, alleen de hanen
-kraaiden in het dorp, en die gerekte klanken brachten een gevoel van
-traagheid en verveling over de menschen. Nu en dan snerpte boven uit
-een boom de doordringende schreeuw van een jongen sperwer als een
-wreede klacht.
-
-Arkadiej en Bazarof lagen in de schaduw van een hooimijt uitgestrekt
-op een hoop pas afgemaaid gras, dat bij iedere beweging ritselde,
-ofschoon het nog groen en geurig was.
-
---Die populier, zei Bazarof, herinnert mij aan mijn kindsheid. Hij
-staat aan den rand van een droge sloot, die zich gevormd heeft op de
-plaats van een vroegere pannenbakkerij. Ik was overtuigd, dat die boom
-en die kuil de kracht van een talisman hadden. Ik verveelde me nooit,
-als ik daar was. Ik begreep toen nog niet, dat ik me alleen daarom
-niet verveelde, omdat ik een kind was. Nu heeft die talisman zijn
-beteekenis verloren.
-
---Hoeveel jaren heb je hier doorgebracht? vroeg Arkadiej.
-
---Twee jaar aan éen stuk. Later kwamen we nu en dan terug. We leidden
-een zwerversleven en trokken altijd van de eene stad naar de andere.
-
---Staat het huis allang?
-
---Ja, mijn grootvader heeft het gebouwd, de vader van mijn moeder.
-
---Wat was je grootvader?
-
---Dat weet ik waarachtig niet. Ik geloof majoor tweede klasse. Hij
-heeft nog onder Soeworof gediend en vertelde altijd, hoe ze over de
-Alpen waren getrokken. Hij zal wel flink hebben opgesneden.
-
---Hangt daarom het portret van Soeworof in jullie eetkamer? Ik houd
-van zulke oude, warme huisjes als dat van jullie. Ze hebben zoo een
-eigenaardige lucht.
-
---Ja, olie en zeep, antwoordde Bazarof, en al die muggen in die lieve
-huisjes, bah!
-
---Hebben ze je kort gehouden, vroeger? vroeg Arkadiej na eenig zwijgen.
-
---Je kent mijn ouders toch. Het zijn geen menscheneters.
-
---Hou je van ze?
-
---O ja, Arkadiej.
-
---Ze hangen erg aan je.
-
-Bazarof antwoordde niet.
-
---Weet je, waaraan ik denk? vroeg hij eindelijk, terwijl hij de hand
-onder zijn hoofd legde.
-
---Neen, zeg eens.
-
---Ik vind, dat mijn ouders een heerlijk leven hebben. Mijn vader
-stelt in alles belang, ofschoon hij over de zestig is. Hij geeft
-huismiddeltjes, behandelt zieken, speelt den edelmoedige bij de boeren
-en is daarbij gelukkig als een kind. Mijn moeder heeft ook niet te
-klagen, ze heeft het zoo druk, zooveel o! en ah!s dat ze geen tijd
-heeft, tot zichzelf te komen. En ik...
-
---En jij?
-
---En ik, ik zeg tegen mezelf: daar lig je nu bij die hooimijt... de
-plek, die ik noodig heb, is zoo grenzenloos klein tegenover de groote
-ruimte, waar ik niet ben en waar ik niets te beteekenen heb; en de
-tijd, die mij geschonken is, is zoo kort tegenover de Eeuwigheid,
-waarin ik niet geleefd heb en waarin ik nooit leven zal... en toch
-stroomt het bloed in dit niets, in dit stofje werken hersens en willen
-nog iets... O, wat een onzin! Wat een dwaasheid.
-
---Wat je daar zegt, geldt voor alle menschen...
-
---Juist, antwoordde Bazarof, dat bedoel ik ook. Ik wilde zeggen,
-dat mijn ouders, die goeierds, zich druk maken over allerlei en geen
-oogenblik bedenken, dat ze niets zijn. Ze walgen niet van alles,
-terwijl ik alleen nog haat en verveling kan koesteren.
-
---Haat? Waarom?
-
---Waarom? Wat een vraag! Ben je dan vergeten?
-
---Ik weet alles, maar ik geloof niet, dat je dat recht geeft, te
-haten. Je bent niet gelukkig, dat geef ik toe.
-
---Ha, ha, Arkadiej Nikolajitsj, jij vat de liefde op zooals de meeste
-jongelui van onzen tijd. Je lokt het kippetje, klok, klok, klok,
-en zoodra het kippetje komt, maak je, dat je wegkomt. Ik doe dat
-anders. Maar laten we hierover niet spreken. Als een zaak verloren is,
-moet je haar laten loopen.
-
-Hij keerde zich op een zijde en ging voort:
-
---Kijk, een mier, die een half-doode mug voortsleept. Vooruit, oudje,
-vooruit! Bekommer je niet om haar tegenstand. In je hoedanigheid van
-dier heb je het recht geen erbarmen te kennen. Dat is anders als wij
-menschen, die ons vrijwillig laten vernietigen en breken.
-
---Je moet niet zoo spreken, Jevgenij, wanneer ben jij gebroken,
-zooals je zegt?
-
-Bazarof hief het hoofd op.
-
---Ik kan er trotsch op zijn. Ik heb me niet zelf gebroken. En een
-vrouw zal het zeker ook niet kunnen. Basta! Het is gedaan! Je zult
-geen woord meer van me hooren over dit onderwerp.
-
-Beide vrienden lagen eenigen tijd zwijgend.
-
---Ja, begon Bazarof toen weer, de mensch is een merkwaardig wezen. Als
-je naar het leven kijkt, zoo van terzijde en uit de verte en je ziet,
-wat "de vaderen" alzoo uitvoeren, dan lijkt het wel, of alles volmaakt
-en gelukkig is. Eet, drink en leef verder zoo geregeld mogelijk, als
-je denkt, dat goed voor je is. Maar dat geeft niet. De verveling neemt
-je te pakken. Je voelt behoefte, andere menschen te zien, te spreken,
-desnoods te vechten met hen, als het maar andere menschen zijn.
-
---We moesten het leven zoo kunnen inrichten, dat elk oogenblik zijn
-doel en zin had, antwoordde Arkadiej peinzend.
-
---Zeker, het is altijd prettig een beteekenis te zoeken, al gebeurt
-dat ook ten onrechte. Men zou ten slotte genoegen nemen met alles,
-dat geen zin heeft. Maar die kleinigheden, die armzaligheden, dat is
-juist het ongeluk!
-
---Er zijn geen kleinigheden voor wie ze niet zien wil.
-
---Nu heb je een gemeenplaats omgekeerd.
-
---Hoe bedoel je?
-
---Als je me verzekert, dat de beschaving nuttig is, noem ik dat een
-gemeenplaats. Maar als je beweert, dat ze schadelijk is, dan heet
-dat een omgekeerde gemeenplaats. Het klinkt wat interessanter, maar
-het is precies hetzelfde.
-
---Waar wil je de waarheid dan zoeken?
-
---Waar? Ik antwoord je als een echo: waar?
-
---Je bent zwartgallig, vandaag, kerel.
-
---Ja? De zon brandt ook zoo op mijn kop en we hebben zeker te veel
-frambozen gegeten.
-
---We moesten een dutje doen, zei Arkadiej.
-
---Mij goed, maar dan moet je niet zoo naar me kijken. Want we zien
-er zoo dom uit, als we slapen.
-
---Het schijnt je dus niet onverschillig te zijn, wat men van je denkt?
-
---Wat zal ik daarop antwoorden? Een man, die dien naam verdient, moest
-zich niet bekommeren om wat men van hem denkt. De echte man is hij,
-die anderen niets te denken geeft, maar hen dwingt tot gehoorzamen
-of haten!
-
---Dat is vreemd, ik haat niemand, zei Arkadiej na een oogenblik.
-
---Ik wel. Jij hebt een zachte ziel, kneedbaar als boter, hoe zou jij
-kunnen haten? Jij bent bangig, jij mist zelfvertrouwen.
-
---En heb jij veel zelfvertrouwen? vroeg Arkadiej,... nòg? Heb je een
-hoogen dunk van jezelf?
-
-Bazarof antwoordde niet dadelijk.
-
---Zoodra ik iemand ontmoet, die in mijn tegenwoordigheid niet den
-kop laat hangen, zei hij langzaam, zal ik de meening over mijzelf
-wijzigen.--Haten?--Maar wacht eens, laatst, toen wij de mooie, ruime
-hut van jullie starost [12] voorbijkwamen, heette hij niet Philips,
-zei jij: Rusland zal niet eerder zijn ware hoogte bereikt hebben,
-voordat de geringe boer zoo een woning heeft en wij moeten er allen
-toe bijdragen... Nou, ik haatte onmiddellijk dien boer, voor wiens
-welzijn ik mij moet inspannen, zonder dat hij dank-u zegt. En toch, wat
-zou ik aan zijn dankbaarheid hebben? Als hij in een mooi huis woont,
-ben ik al lang mest voor de brandnetels op het kerkhof. En wat dan?
-
---Stil, Jevgenij, als men je aanhoort, vandaag, zou men geneigd zijn,
-die lui gelijk te geven, die ons verwijten, dat we geen principes
-hebben!
-
---Je praat als je waardige oom! Er zijn geen beginsels. Wist je dat nog
-niet? Er zijn alleen gevoeligheden. Alles hangt af van gevoeligheden.
-
---Hoezoo?
-
---Ja. Neem mij bijvoorbeeld. Als de geest van tegenspraak en ontkenning
-mij te pakken heeft, dan komt dat door mijn gevoeligheden. Ik
-vind het aangenaam, neen te zeggen. Mijn hersens zijn daarop
-ingesteld. En daarmee uit! Waarom houd ik van chemie? Waarom hou jij
-van appels? Alles door de gevoeligheden. Hier heb je de waarheid en
-nooit zullen de menschen dieper komen. We bekennen dat niet graag en
-ik zal het ook niet voor de tweede maal zeggen!
-
---Van dit standpunt uit, is de deugd dus ook een gevoeligheid.
-
---Zeer zeker.
-
---Jevgenij! antwoordde Arkadiej, met droefheid in zijn stem.
-
---Och kom, smaakt het wat bitter? vroeg Bazarof, neen, mijn beste
-kerel, als men besloten heeft, alles omver te maaien, mag men zijn
-eigen beenen niet sparen. Maar we hebben nu genoeg gefilozofeerd. De
-natuur noodt tot het genot des sluimers, zegt Poesjkien.
-
---Dat heeft hij nooit gezegd, antwoordde Arkadiej.
-
---Kan zijn, maar als dichter had hij het kunnen of moeten
-zeggen. Apropos, is hij niet soldaat geweest?
-
---Poesjkien was nooit soldaat.
-
---Och kom! Op elke bladzijde roept hij: Te wapen! Te wapen. Voor
-Ruslands Eer!
-
---Waar haal je al die verzinsels vandaan? Dat noem ik laster!
-
---Laster? Och wat! Denk je me bang te maken met dat woord? Wat je ook
-voor praatjes van een mensch vertelt, hij verdient nog honderdmaal
-meer!
-
---Laten we maar gaan slapen, antwoordde Arkadiej gekrenkt.
-
---Met genoegen, graag.
-
-Maar ze konden den slaap niet vatten, een gevoel van vijandigheid was
-in hun hart geboren. Na korten tijd sloegen ze de oogen op en keken
-elkaar zwijgend aan.
-
---Kijk, dat verdorde blad, zei Arkadiej opeens, het raakt los van den
-tak, warrelt omlaag, door de lucht, net als een vlindertje. Is dat
-niet vreemd? Het droevigste en meest doode lijkt op het zonnigste en
-meest levende!
-
---Mijn beste vriend Arkadiej Nikolajevitsj, riep Bazarof uit, ik
-smeek je in 's hemels naam, praat niet zoo poëtisch!
-
---Ik spreek, zooals ik voel... maar dat grenst aan tyrannie! Waarom
-zou ik niet zeggen, wat ik denk?
-
---Goed. Maar waarom zou ik dan ook niet zeggen, wat ik denk? Ik vind
-het onfatsoenlijk, poëtisch te doen!
-
---Je vindt het zeker fatsoenlijk, grofheden te debiteeren!
-
---Hé, hé, je schijnt vast besloten, de voetsporen van je oom te
-drukken. Wat zou die idioot tevreden zijn, als hij je eens hooren kon.
-
---Hoe zeg je daar van Paul Petrowitsj?
-
---Zooals hij verdient: een idioot.
-
---Dat wordt onduldbaar! riep Arkadiej.
-
---Aha, de familiezin ontwaakt, zei Bazarof rustig. Ik heb opgemerkt,
-dat die diep zit bij de meeste menschen. Ze zijn in staat, afstand
-te doen van alles, van hun vooroordeelen zelfs. Maar tóegeven, dat
-een broer, die zakdoeken gestolen heeft, een dief is, dat gaat hun
-krachten te boven. En natuurlijk, iemand, die mij zoo nauw verwant is,
-"mijn" broeder, zou die geen genie zijn?
-
---Ik heb een gevoel van rechtvaardigheid en niet van familievereering
-gevolgd, antwoordde Arkadiej opgewonden, maar aangezien jij geen orgaan
-hebt, geen begrip voor de familie, aangezien jij deze "gevoeligheid"
-mist, moest je er liever in 't geheel niet over spreken.
-
---Dat wil zeggen: Arkadiej Kirsanof staat te hoog, dan dat ik hem zou
-kunnen begrijpen. Ik buig het hoofd en veroordeel mezelf tot zwijgen.
-
---Schei toch uit, Jevgenij, we krijgen nog ruzie op die manier.
-
---Ja, ik bezweer je, Arkadiej, we zullen ruzie maken, we zullen elkaar
-afranselen, tot alle dierlijke warmte vernietigd is!
-
---Dat leidt dan tot...
-
---Tot vuistslagen! viel Bazarof hem in de rede, waarom ook niet? Hier
-op het hooi, in die idyllische omgeving, ver van de wereld en
-de menschen, het kon niet beter. Maar jij bent niet tegen mij
-opgewassen. Ik zal je bij de strot pakken!
-
-Bazarof strekte zijn knokige vingers uit. Arkadiej nam glimlachend
-een verdedigende houding aan. Maar het gezicht van zijn vriend, het
-grijnzen van zijn lippen, het sombere vuur dat in zijn oogen gloeide
-was als een dreigement en onwillekeurig werd hij angstig.
-
---Eindelijk vind ik jullie dan! riep Wassili Ivanovitsj op dit
-oogenblik, die gekleed in een jas van zelfgeweven linnen en een thuis
-gefabriceerden strooien hoed voor de vrienden verscheen.
-
---Ik heb gezocht en gezocht... Jullie hebt een mooi plekje uitgekozen
-en bent daar nuttig bezig den hemel te bekijken... Weet jullie,
-dat die houding zoo een bizondere beteekenis heeft?
-
---Ik kijk alleen naar den hemel, als ik moet niezen, zei Bazarof
-onvriendelijk, en naar Arkadiej toe, zachter: het spijt me, dat hij
-tusschen beide gekomen is.
-
---Kom, nu is het genoeg, zei Arkadiej en drukte hem steelsgewijze
-de hand.
-
---Ik zie jullie aan, jonge vrienden, ging Wassili Ivanovitsj voort,
-schudde het hoofd en leunde, de handen gevouwen op een stok, dien
-hij zelf kunstig spiraalvormig gewonden had en van boven met een
-Turkschen kop versierd,
-
---Ik zie jullie aan en kan er niet genoeg van krijgen. Hoeveel kracht,
-jeugd, talent, kundigheden liggen niet in jullie verborgen... Castor
-en Pollux!
-
---Mooi! riep Bazarof uit, nu gaat hij aan mythologie doen. Je kunt wel
-merken, dat hij in zijn tijd erg knap in het Latijn is geweest. Heb
-je nooit de zilveren medaille gekregen voor je schoolwerk?
-
---Dioskuren! Dioskuren! herhaalde Wassili Ivanovitsj.
-
---Kom, vader, wees toch verstandiger. Wat minder teederheid alsjeblief.
-
---Een enkel maal zoo nu en dan is toch zoo erg niet, aarzelde de
-oude man. Maar ik ben niet gekomen om jullie complimenten te maken,
-maar in de eerste plaats om je mee te deelen, dat we gauw gaan eten
-en in de tweede plaats, Jevgenij... je bent een jongen met geest,
-je kent de menschen en zult dus weten te vergeven, je moeder wil
-dankgebeden voor je aankomst laten houden. Maak je niet ongerust,
-dat ik je vragen zal daarbij tegenwoordig te zijn. De ceremonie is
-al afgeloopen. Maar Vader Alexis...
-
---De priester?
-
---Ja, de priester is thuis en zal blijven eten. Ik was er niet op
-verdacht en ried het hem ook af. Ik weet niet, hoe dat zoo opeens
-gekomen is... hij begreep me zeker niet... en buitendien is Arina
-Vlassievna... Maar hij is een verstandig en aangenaam mensch.
-
---Ik hoop, dat hij mijn portie niet op zal eten? vroeg Bazarof.
-
---O neen, zei Wassili Ivanovitsj en lachte.
-
---Meer verlang ik niet. En dan kun je voor mijn part laten mee eten,
-wie je wilt!
-
---Ik wist wel, dat je boven alle vooroordeelen verheven zoudt zijn. Het
-zou ook wel kras zijn, anders. Ik met mijn twee en zestig jaren heb
-ze niet eens. (Wassili Ivanovitsj durfde niet bekennen, dat hij die
-gebeden even belangrijk vond als zijn vrouw, omdat hij net zoo vroom
-was). Maar Vader Alexis wilde je graag leeren kennen. Ik ben overtuigd,
-dat hij je mee zal vallen. Hij houdt van een spelletje en, maar dat
-blijft onder ons, rookt zelfs zijn pijpje.
-
---Nu, na tafel zullen we een partij jeralasj spelen en dan zal ik
-jullie al je geld afnemen.
-
---Hm, hm, hm, dat zullen we zien, zei grootmoeder altijd.
-
---Wilde je soms van zekere bekwaamheden misbruik maken? vroeg Bazarof
-met klemtoon.
-
-Een blos kleurde de bronzen wangen van Wassili Ivanovitsj.
-
---Schaam je je niet, Jevgenij? Wat voorbij is, is voorbij. Nu ja,
-ik wil wel bekennen dat ik vroeger een hartstochtelijk speler was,
-maar dat heb ik duur geboet... Wat is het drukkend vandaag. Mag ik
-naast jullie komen zitten of stoor ik soms?
-
---Volstrekt niet, antwoordde Arkadiej.
-
-Wassili Ivanovitsj ging op het gras zitten en begon met iets klagends
-in zijn stem:
-
---Deze ligplaats herinnert me aan mijn soldatenleven, aan bivak en
-ambulance. Dat was ook altijd naast een hooischelf, als er ten minste
-éen was in de buurt,--hij zuchtte--och, ik heb vreeselijke dingen
-gezien in mijn leven. Ik wil jullie, als je wilt, wat vertellen van
-de pestepidemie, die ons in Bessarabië decimeerde.
-
---En die je de Wladimirorde bezorgd heeft, zei Bazarof, dat ken ik,
-dat ken ik. Maar waarom draag je hem niet?
-
---Ik zei je daarnet immers, dat ik geen vooroordeelen heb, antwoordde
-Wassili Ivanovitsj verlegen.
-
-Hij had het roode lintje den vorigen dag pas weggenomen uit zijn
-knoopsgat. En begon de episode te vertellen.
-
---Zie je hem? Hij is ingeslapen, fluisterde hij plotseling Arkadiej
-toe, en wees naar Bazarof, terwijl hij vertrouwelijk knipoogde.
-
---Wakker, Jevgenij! riep hij hard, we moeten eten.
-
-
-
-Vader Alexis, een krachtige, volle gestalte, met dik, goed verzorgd
-haar en een breeden, gestikten gordel om de lila-zijden soutane,
-gedroeg zich verstandig en taktvol. Hij begon met den vrienden een
-hand te geven, als wist hij, dat zijn zegen hun onverschillig was,
-en zonder zijn stand iets te kort te doen, zorgde hij ervoor, niemand
-te grieven. Hij aarzelde niet, over het Latijn, dat in de seminariën
-gedoceerd werd, lichtelijk te spotten, en nam dadelijk daarop zijn
-aartsbisschop in bescherming. Na twee glazen wijn, weigerde hij het
-derde. Hij accepteerde de sigaar, die Arkadiej hem aanbood, rookte
-echter niet, maar zei, dat hij ze mee wilde nemen. Ook had hij de
-onaangename gewoonte, telkens de hand voorzichtig en langzaam naar
-het gezicht te brengen, om de vliegen te vangen en herhaaldelijk
-sloeg hij ze dan plat. Hij nam aan de speeltafel plaats, zonder
-daarbij veel belangstelling te toonen en won ten slotte twee roebel
-vijftig-papier van Bazarof. Van berekening in zilver had men nog geen
-voorstelling ten huize van Arina Vlassievna. Arina, die nooit speelde,
-zat naast haar zoon, de hand tegen de wang, zooals haar gewoonte was,
-en stond alleen op, om ververschingen gereed te maken. Ze was bang,
-te zeer alleen voor Bazarof oog te hebben, hij moedigde haar trouwens
-volstrekt niet aan. Bovendien had Wassili Ivanovitsj haar op het hart
-gedrukt, hem niet te lastig te vallen. De jonge lui houden daar niet
-van, zei hij.
-
-Wij mogen niet nalaten te vermelden, dat er niets gespaard was voor
-het middagmaal. Timofeitsj was met het aanbreken van den dag naar
-stad gegaan, om eerste kwaliteit vleesch te koopen, de oudste knecht
-was elders heen gezonden om visch en kreeft te bemachtigen, terwijl
-twee en veertig kopeken in koper betaald werd aan de boerenvrouwen
-voor eetbare zwammen.
-
-In Arina's blik, onafgebroken op Bazarof gericht, lag echter niet
-alleen teederheid en toewijding, ook een zekere droefheid, vermengd
-met angst, nieuwsgierigheid en stil verwijt.
-
-Maar Bazarof bekommerde zich niet om wat er te lezen was in de oogen
-zijner moeder, hij sprak nauwelijks met haar en deed slechts nu en
-dan een korte vraag, maar wel vroeg hij, hem haar hand te geven,
-in de verwachting, dat dat geluk aanbrengen zou.
-
-Arina Vlassievna legde haar week tenger handje in de ruwe breede hand
-van haar zoon.
-
---En, vroeg ze een oogenblik later, helpt het?
-
---Het gaat nog slechter, antwoordde hij met een onverschilligen
-glimlach.
-
---Mijnheer speelt te roekeloos, zei Vader Alexis op meewarigen toon
-en streek door zijn mooien baard.
-
---Zoo deed Napoleon het, vadertje, zei Wassili Ivanovitsj en speelde
-een aas uit.
-
---En zoo moet Napoleon op het eiland St. Helena gestorven zijn,
-antwoordde Vader Alexis en nam de aas met een troef.
-
---Jenoesjenka! Wil je een glas bessenwijn? vroeg Arina Vlassievna
-haar zoon.
-
-Bazarof haalde alleen de schouders even op.
-
-
-
-Den volgenden morgen zei hij tegen Arkadiej:
-
---Neen, ik moet morgen weer weg. Ik verveel me. Ik zou willen
-werken. Maar het is me onmogelijk, iets te doen. Ik wil naar jullie
-terug. Ik heb bij jullie al mijn werk gelaten. Bij jullie kan men
-tenminste alleen zijn. Maar hier is het den heelen dag: je kunt over
-mijn studeerkamer beschikken, daar ben je alleen. Maar zelf laat mijn
-vader me geen oogenblik met rust. En ik kan de deur toch niet voor
-hem sluiten. Moeder is even lastig. Ik hoor haar voortdurend zuchten
-in haar kamer en als ik bij haar ben, weet ik niet wat ik zeggen moet.
-
---Ze zal erg bedroefd zijn, als je weggaat, en je vader ook,
-antwoordde Arkadiej.
-
---Ik kom terug.
-
---Wanneer?
-
---Als we weer naar Petersburg gaan.
-
---Ik heb te doen met je moeder.
-
---Waarom? Omdat jij zulke lekkere ingemaakte vruchten van haar krijgt?
-
-Arkadiej sloeg de oogen neer.
-
---Je kent je moeder niet, zei hij. Ze heeft niet alleen een hart
-van goud, maar ze is een verstandige vrouw ook. We hebben van morgen
-langer dan een half uur samen gepraat en dat was erg onderhoudend en
-lang niet dom.
-
---Ik was het onderwerp van gesprek?
-
---We hebben ook over andere dingen gesproken.
-
---Best mogelijk, dat je gelijk hebt. Als toeschouwer zie je die dingen
-beter. Als een vrouw in staat is een half uur lang een gesprek gaande
-te houden, dan is dat een goed teeken. Maar dat kan mij niet van mijn
-plan afbrengen.
-
---Ik weet niet, hoe je hun dat zult meedeelen. Zij schijnen te denken,
-dat we minstens nog veertien dagen blijven.
-
---Dat gaat niet. Buitendien was ik zoo dom, mijn vader te plagen, omdat
-hij laatst een boer had laten afranselen en niet ten onrechte. Ja,
-met recht, kijk me maar niet zoo aan. 't Was een onverbeterlijke
-dief en dronkenlap. Maar mijn vader wist niet, dat ik er alles van
-wist. Hij was erg onder den indruk. En daarom is 't een beetje lam,
-dat ik hem nu weer verdriet moet doen. Maar wat doet het er ook
-toe!... Het zal wel weer overgaan.
-
-Ofschoon Bazarof dit nog al onverschillig had gezegd, kon hij het
-toch niet van zich verkrijgen, eerder over zijn vertrek te spreken
-dan op het oogenblik van goeden nacht zeggen in de studeerkamer. Met
-bedwongen geeuw, zei hij:
-
---Ja, nog wat... ik had bijna vergeten het te zeggen, de paarden
-moeten morgen vooruit gebracht worden naar Fedot.
-
-Wassili Ivanovitsj bleef als versuft staan.
-
---Wil Arkadiej Kirsanof ons verlaten? vroeg hij eindelijk.
-
---Ja, en ik ga met hem mee.
-
-Wassili Ivanovitsj schrok terug.
-
---Wil je weg?
-
---Ja, ik moet werken. Wil je de paarden vooruit sturen?
-
---Ja, ja, stotterde de oude man, naar de
-wisselplaats... goed... goed... maar... hoe kan dat nou?...
-
---Ik moet een paar dagen naar de Kirsanofs. Dan kom ik terug.
-
---O? Een paar dagen?... Goed...
-
-Wassili Ivanovitsj nam zijn zakdoek, snoot en bukte zich bijna tot
-den vloer.
-
---Goed... ja,... ik zal er voor zorgen. Maar ik hoopte, dat je
-langer... dan drie dagen... na drie jaar afwezigheid... het is niet
-veel, Jevgenij.
-
---Ik zei toch al, dat ik terugkom. Maar het moet nu...
-
---Moet... nu ja... Zijn plicht moet men doen. Je wilt de paarden
-vooruit hebben? Het is goed, maar we hadden daar niet op gerekend,
-je moeder en ik. Ze heeft net bloemen laten halen voor je kamer.
-
-Wassili Ivanovitsj zei er niet bij, dat hij elken morgen met het
-aanbreken van den dag op zijn pantoffels Timofeitsj opzocht en hem
-een gescheurd bankbiljet in de hand stopte, dat bestemd was voor
-allerlei eetwaren en rooden wijn, waarvan de jongelui zooveel hielden.
-
---Er is niets heerlijkers dan de vrijheid, dat is mijn opvatting. Je
-moet de menschen niet dwingen, je moet...
-
-Wassili Ivanovitsj zweeg plotseling en ging naar de deur.
-
---We zien elkaar gauw weer, vader, dat beloof ik je.
-
-Maar Wassili Ivanovitsj keek niet meer om, hij ging de kamer uit. Op
-zijn slaapkamer vond hij Arina Vlassievna ingeslapen. Hij bad zachtjes,
-om haar niet te storen, maar ze ontwaakte.
-
---Ben jij het, Wassili Ivanovitsj? vroeg ze.
-
---Ja, moedertje.
-
---Kom je van Jenoesja? Ligt hij wel goed op die sofa? Ik heb
-Anfisoesjka gezegd, dat ze hem jouw oude veldbed en de nieuwe kussens
-moet geven. Ik had hem graag het veeren bed gegeven. Maar hij ligt,
-geloof ik, niet graag week.
-
---Dat hindert niet, moedertje, hij heeft over niets te klagen. Wees
-maar gerust... Heer, vergeef ons onze zonden! bad hij voort.
-
-Meer zei Wassili Ivanovitsj niet. Hij wilde zijn vrouw het nieuws
-niet vertellen. Want het zou haar nachtrust verstoord hebben.
-
-Den volgenden morgen reisden de jonge lieden af. Alles in huis was
-terneergedrukt. Anfisoesjka liet borden vallen, Fedka scheen versuft
-en trok zijn laarzen uit. Wassili Ivanovitsj had het nog drukker dan
-anders. Hij deed zich geweld aan, zijn verdriet te verbergen, praatte
-erg hard-op en deed luidruchtig. Maar zijn gezicht was ingevallen
-en hij vermeed het, zijn zoon aan te zien. Arina Vlassievna weende
-stil. Ze zou het hoofd geheel verloren hebben, als Wassili Ivanovitsj
-haar niet heel in de vroegte een preek gehouden had.
-
-Maar toen Bazarof zich eindelijk, na herhaalde verzekeringen dat hij
-binnen een maand terug zou zijn, uit de armen, die hem vasthielden,
-had losgewerkt, en in het rijtuig zat, toen de paarden aanzetten
-en het geluid der bellen zich mengde met het kraken der wielen en
-verder--verder klonk, toen het niet meer baatte, den tarantas nog
-langer na te kijken, toen het stof weer opgetrokken en Timofeitsj,
-gebroken, zijn slaapplaats had opgezocht, toen eindelijk de beide
-oudjes weer alleen waren in hun huis, dat hun nu nog nauwer en meer
-vervallen toescheen, liet Wassili Ivanovitsj, die daareven nog zoo
-trotsch en sterk gewuifd had met zijn zakdoek, zich in zijn leunstoel
-vallen en het hoofd zinken op de borst...
-
---Hij heeft ons verlaten, beefden zijn lippen, verlaten... hij
-verveelde zich bij ons. Nu ben ik weer alleen, alleen... alleen... en
-hij strekte den wijsvinger van zijn rechterhand uit.
-
-Arina Vlassievna trad op hem toe, legde haar grijze hoofd tegen zijn
-grijs hoofd en zei:
-
---Wat is er aan te doen, Wassili? Een kind is als een stuk goed,
-dat laat los. Een zoon lijkt op een valk. Het behaagt hem te komen
-en hij komt. Hij wil gaan, en hij gaat. Maar wij beiden, jij en ik,
-wij zijn twee kleine zwammen in een hollen boom. En zoo leven we naast
-elkaar, stilletjes aan. Ik zal jou niet alleen laten en jij zult mij
-niet alleen laten en jij zult mij niet verlaten...
-
-Wassili Ivanovitsj hief zijn hoofd op en drukte haar tegen zich aan,
-inniger dan hij het ooit gedaan had, ook, toen zij nog jong waren.
-
-Ze had hem troost gegeven in zijn oud verdriet.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-
-De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote's huis. Bazarof
-was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn
-vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge
-menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen.
-
-Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat,
-vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest.
-
-Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn
-woning, links naar mevrouw Odintsof.
-
-Hij keek Bazarof aan.
-
---Links, Jevgenij? vroeg hij.
-
-Bazarof keek hem niet aan.
-
---Onzin, mompelde hij.
-
---Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.--Maar wat zou
-dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan.
-
-Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag.
-
---Zooals je wilt, zei hij.
-
---Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe.
-
-De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden,
-eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij
-schenen woedend.
-
-Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het
-bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd
-hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrekt niet
-werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang
-wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen.
-
-Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar
-eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte
-terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel
-te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze
-haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad
-en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak
-meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege
-te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig,
-en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig,
-verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid
-haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet
-alleen om de vrouw des huizes was gekomen.
-
-Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna
-Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek
-der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd.
-
---U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet
-om en komt u beiden maar spoedig eens terug.
-
-Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun
-tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder
-stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen. Gedurende
-de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen,
-Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit.
-
-In Marjino werden ze met open armen ontvangen.
-
-De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij
-sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen
-Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er
-waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk,
-toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken,
-door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat
-tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter
-laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed,
-dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield
-kinderlijk-naïef te lachen.
-
-Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid.
-
-Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich
-dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche
-pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren
-van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de
-landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam
-de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de
-natuur hem nu eenmaal ontzegd.
-
-Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas
-allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren,
-iederen dag. De gehuurde arbeiders brachten hem voortdurend
-in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening,
-anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de
-werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een
-dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het
-gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in
-gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude,
-half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de "betoovering"
-had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat
-de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als
-kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals
-iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets
-uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver
-van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte
-kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren,
-die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers
-vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden
-van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat
-ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze
-gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter,
-toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling,
-omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander
-konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het
-dorp. Een troep boeren zag men op een dag, alsof het afgesproken was,
-plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar
-gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den
-heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd
-vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en
-dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet
-zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al
-die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen
-handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk
-gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen
-twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke
-arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon
-het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij
-den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde
-de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van
-achterstallige rente.
-
---Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik
-kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep
-ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets
-gedaan krijgen.
-
---Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen
-intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek
-peinzend zijn knevel op.
-
-Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis
-kon het ook moeilijk anders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn
-onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische
-verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde
-het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn
-bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden
-hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te
-wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel
-was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest
-hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders
-hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één
-dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad
-onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver
-weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet.
-
-Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden,
-belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze
-van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte
-ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze
-onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half
-verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij
-eindelijk een doel had gevonden.
-
---U beiden, hoort u, heeft ze gezegd.
-
-Die gedachte kon hij niet vergeten.
-
---Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij
-weer aan hun laatste bezoek op Nikolskoi, en de koele ontvangst en
-schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos.
-
-Maar ten slotte won het toch dat jeugdige "wie weet"..., het stille
-verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers
-te onderzoeken, waartoe men in staat is...
-
-Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder
-het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar
-stad en van daar naar Nikolskoi.
-
-De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den
-jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld
-streden in zijn hart. "Niet nadenken," drong hij zich zelf voortdurend.
-
-De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg
-stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest...
-
-En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde
-zijn paarden niet.
-
-Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar.
-
---Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was
-niet meer mogelijk.
-
-De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met
-schreeuwen en fluiten.
-
-Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de
-wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een
-rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje
-kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij
-beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet.
-
---Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn
-zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien.
-
-Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk,
-dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel
-lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid,
-geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan
-het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het
-geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn
-zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust:
-
---Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige
-stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb
-je hem gevonden Katja?
-
---Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij.
-
---U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-
-Bazarof begon, nadat hij zijn vriend met woorden van ironische
-spijtigheid en wel-begrijpen-waarheen-de-reis-ging, uitgeleide had
-gedaan, geheel in zich zelf teruggetrokken te leven, Arbeidswoede
-scheen zich van hem meester gemaakt te hebben. Hij redetwistte niet
-meer met Paul Petrowitsj, dewijl deze bij zulke gelegenheden al te
-aristocratisch deed door niet met woorden, maar met losse klanken
-te antwoorden. Eenmaal had Paul zich tot een woordenstrijd met den
-nihilist laten verleiden. Dat ging over de rechten van den adel in de
-Baltische provincies, een actueele kwestie in die dagen. Maar opeens
-had hij een einde aan de discussie gemaakt door de koel-beleefde
-opmerking:
-
---Wij zullen het nooit eens worden. Ik heb tenminste niet de eer,
-u te begrijpen.
-
---Dat betwijfel ik, was Bazarofs antwoord, de mensch kan alles
-begrijpen: de trillingen van den aether en de wijzigingen, die de
-zon ondergaat; maar hij zal nooit begrijpen, dat hij zijn neus op
-een andere manier zou kunnen snuiten, dan hij doet.
-
---Vindt u dat geestig? antwoordde Paul en ging terzijde.
-
-Toch kwam hij er toe, Bazarof te vragen, of hij zijn proefnemingen
-mocht bijwonen. Zelfs boog hij eens zijn met zeldzame essences
-geparfumeerd gezicht over den microscoop, om te zien, hoe een
-doorzichtig infusiediertje een groenachtig atoom verslond, dat het met
-een soort grijpvingers om en om draaide. Paul Petrowitsj kwam vaker
-op Bazarofs kamer dan Nikolaas. Hij zou iederen dag komen, om les te
-nemen, zooals hij zei, indien de zaken hem niet elders riepen. Hij
-stoorde den jongen natuuronderzoeker allerminst. Hij bleef in een
-hoek der kamer, volgde de onderzoekingen zwijgend en oplettend en
-veroorloofde zich slechts zelden een bescheiden vraag. Bij middag-
-en avondmaaltijd trachtte hij het gesprek op physica, geologie of
-chemie te brengen, want alle andere onderwerpen, zelfs landbouwkundige
-kwesties, om van politieke in 't geheel niet te spreken, konden twist
-of onaangename uiteenzettingen ten gevolge hebben.
-
-Nikolaas was er zeker van, dat de antipathie van zijn broeder tegen
-Bazarof niet verminderd was. Een onbelangrijke omstandigheid bevestigde
-hem in die meening.
-
-De cholera verscheen in het distrikt en had reeds twee bewoners van
-Marjino weggerukt. Paul had eens 's nachts een vrij hevigen aanval te
-verduren. Hij leed pijnen tot de morgen aanbrak, maar wilde niet de
-kunst van Bazarof beproeven. Toen deze hem bezocht en vroeg, waarom
-hij hem niet had laten roepen, antwoordde hij nog bleek, maar toch
-zorgvuldig gekamd en geschoren:
-
---Heb ik u niet eens hooren zeggen, dat u niet gelooft in de
-medicijnen?
-
-Bazarof zette intusschen zijn eenzame onderzoekingen voort.
-
-Iemand echter was er in huis, voor wie hij wel niet zijn hart opende,
-maar wier gezelschap hem toch bijzonder aangenaam was:
-
-Fenitsjka.
-
-Hij ontmoette haar meestal 's morgens vroeg in den tuin of bij de
-woningen. Hij kwam nooit in haar kamer en zij was één enkel maal aan
-zijn deur geweest, om te vragen, of ze Mitia zou mogen baden. Ze
-stelde een onbeperkt vertrouwen in hem en gevoelde zich in zijn
-tegenwoordigheid vrijer en ongedwongener dan tegenover Nikolaas
-Petrowitsj. Het is nog al moeilijk, de oorzaak hiervan aan te
-geven. Misschien begreep ze instinctmatig, dat Bazarof niets van den
-hoogen heer, van den edele, niets van die hoogheid had, die tegelijk
-aantrekt en bang maakt. Hij was in haar oogen een uitmuntend geneesheer
-en een goed mensch. In zijn tegenwoordigheid kon ze voortgaan, haar
-kind te verzorgen en eens bij een aanval van duizeligheid en hoofdpijn
-nam ze uit zijn hand een drankje in.
-
-Als Nikolaas Petrowitsj er bij was, gedroeg ze zich minder
-gemeenzaam tegenover Bazarof, niet uit berekening, maar omdat het zoo
-hoorde... Voor Paul gevoelde ze meer angstig ontzag dan ooit. Hij
-scheen haar doen en laten sedert eenigen tijd te bespieden en kon
-plotseling, als uit den grond opgerezen, in zijn engelsch pak, met
-zijn onbewogen gezicht, zijn doordringenden blik en de handen in de
-zakken, van achter haar rug te voorschijn komen.
-
---Hij kan je zóo laten schrikken, zei ze tegen Doeniasja, en die
-antwoordde dan met een zucht, omdat zij aan een anderen gevoellooze
-werd herinnerd. En dat was Bazarof, die zonder het te weten, de wreede
-tyran van haar hart geworden was.
-
-Bazarof beantwoordde de vereering van Fenitsjka. Als hij met haar
-praatte, kreeg zijn gezicht een andere uitdrukking, vroolijker,
-lichter, bijna zacht en tegelijk kwam er iets spottend-vriendelijks
-in zijn meestal onverschillige houding. Fenitsjka werd bij den
-dag mooier. Er is een tijd voor jonge vrouwen, dat ze zich gaan
-ontplooien en openbloeien als de zomerrozen; die tijd was voor
-Fenitsjka aangebroken. En alles droeg daartoe bij, zelfs de hitte
-van de Julimaand. In haar licht zomerkleedje scheen ze nog blanker
-en lichter zelf. De zon bruinde haar niet en de warmte, die men
-niet ontloopen kon, gaf haar wangen en ooren een teeder rose,
-spreidde over haar wezen een liefelijke matheid en gaf haar oogen
-iets smachtend-droomends van een onweerstaanbare teederheid. Ze kon
-bijna niet werken, de handen schenen als het ware bij het werk neer
-te glijden. Ze kon nauwelijks loopen en klaagde, klaagde maar over
-een grappig-lieve machteloosheid.
-
---Je moet meer koude baden nemen, zei Nikolaas. Hij had hiertoe een
-groot zeildoek laten spannen over éen van de vijvers, die nog niet
-geheel opgedroogd was.
-
---Och, Nikolaas Petrowitsj, ik ben dood, eer ik aan den vijver kom,
-of ik sterf op den terugweg, antwoordde ze dan.--Er is heelemaal geen
-schaduw in den tuin.
-
---Dat is waar, gaf Nikolaas toe en wreef zijn voorhoofd.
-
-Op een morgen tegen zeven uur vond Bazarof, van een wandeling
-teruggekeerd, Fenitsjka in het vlierboschje, dat reeds uitgebloeid,
-maar toch nog groen en frisch aandeed. Zij zat op de bank, een witte
-zakdoek over het hoofd. Naast haar lagen roode en witte rozen, nog
-bedauwd. Hij wenschte haar goeden morgen.
-
---Ah, Jevgenij Wassilitsj, zei ze en hief een punt van den zakdoek op,
-om hem aan te zien. Hierbij kwam een arm tot den elleboog bloot.
-
---Wat doet u hier? vroeg Bazarof en ging naast haar zitten.--Bloemen?
-
---Ja, voor de ontbijttafel. Nikolaas Petrowitsj houdt daar zoo van.
-
---Maar we ontbijten toch nog lang niet. Wat een massa bloemen!
-
---Ik heb ze daarnet geplukt. Anders is het te heet. Men kan alleen
-'s morgens vroeg adem halen. Ik kan die hitte niet meer verdragen. Ik
-geloof, dat ik ziek word...
-
---Och kom, waar denkt u aan! Laat uw pols eens voelen.
-
-Bazarof nam haar hand, legde zijn duim op den onder teer-vochtige
-huid verborgen polsslagader, maar telde niet eens de rustige slagen.
-
---U wordt honderd jaar, zei hij, en liet haar hand los.
-
---O, alstublieft niet! riep ze uit.
-
---Waarom? Wilt u dan niet graag lang leven?
-
---Honderd jaar? Mijn grootmoeder is tachtig jaar geworden en dat was
-treurig om te zien, heelemaal zwart, doof, mismaakt, altijd hoesten,
-zich zelf tot last. Is dat leven?
-
---'t Is dus beter, jong te zijn?
-
---Ik zou het wel denken.
-
---En zeg nu eens, waarom!
-
---Neemt u mij bij voorbeeld. Ik ben nog jong en kan alles doen. Ik ga,
-kom, zorg voor mezelf en heb niemand noodig. Is dat niet heerlijk?
-
---Mij kan het niet schelen, of ik jong ben of oud. Dat is me
-onverschillig.
-
---Hoe kunt u dat zeggen, dat u dat onverschillig is! Het is niet
-mogelijk, dat u zoo denkt.
-
---Oordeel zelf maar, Fedosia Nikolajevna, wat heb ik aan mijn
-jong-zijn? Ik leef eenzaam... een vrijgezel...
-
---Dat ligt aan u zelf.
-
---Dat is niet waar. Niemand bekommert zich om mij.
-
-Fenitsjka keek hem even aan, maar antwoordde niet.
-
---Wat hebt u daar voor een boek? vroeg ze eenige oogenblikken later.
-
---Dat is een geleerd boek en moeilijk te begrijpen.
-
---U studeert altijd. Verveelt dat niet? U moet toch nu wel alles weten,
-denk ik.
-
---Dat denk ik niet. Probeer eens te lezen in dat boek.
-
---Ik zal er niets van begrijpen. Is het Russisch? vroeg ze, terwijl
-ze het boek met beide handen aannam.--Wat is het dik!
-
---Ja, het is Russisch.
-
---Dat doet er niet toe, ik begrijp het toch niet.
-
---Dat weet ik wel. Maar ik wilde u zien lezen. Het puntje van uw neus
-beweegt zoo aardig, als u leest.
-
-Fenitsjka, die begonnen was hardop een verhandeling over creosoot te
-lezen, lachte en gaf het boek terug, dat op den grond viel.
-
---Ik houd ook van uw lachen, zei Bazarof.
-
---Scheidt u toch uit!
-
---Ik vind het ook prettig, je te hooren spreken. Dat klinkt als het
-gemurmel van een beekje.
-
-Fenitsjka keerde zich af.
-
---Wat bent u toch raar, zei ze en streelde haar bloemen, hoe kunt
-u naar mij willen luisteren, u hebt toch al met zooveel geleerde
-dames gesproken.
-
---Och Fedosia Nikolajevna, alle geleerde dames op de wereld zijn niet
-zooveel waard als jouw ellebogen!
-
---Wat een onzin! zei Fenitsjka zacht en drukte haar ellebogen in
-de zijden.
-
-Bazarof raapte het boek op.
-
---Dat is een medisch boek. Waarom heb je dat op den grond gegooid?
-
---Een medisch boek? herhaalde ze en keek hem aan.--Weet u nog, dat
-u me droppels gegeven hebt voor Mitja? Sedert slaapt hij als een
-roos. Dat dank ik u. U bent goed.
-
---Eigenlijk moest ieder doktersadvies betaald worden, glimlachte
-Bazarof. Dokters zijn inhalige lui.
-
-Fenitsjka keek Bazarof aan. Het witte licht over haar gezicht maakte
-den gloed in haar oogen dieper. Ze wist niet, of hij schertste of niet.
-
---Goed, antwoordde ze.--Maar dan moet ik daarover even spreken met
-Nikolaas Petrowitsj.
-
---Je denkt dus, dat ik geld wil, hernam Bazarof.--Neen, geld wil ik
-niet van je.
-
---Wat dan?
-
---Raad eens.
-
---Ik weet het niet.
-
---Dan zal ik het zeggen. Ik wil een van die rozen.
-
-Fenitsjka begon weer te lachen en klapte in de handen, zoo vreemd
-vond ze het verzoek van Bazarof. En tegelijkertijd gevoelde ze zich
-zeer gevleid. Bazarof keek haar vast aan.
-
---Graag, graag, zei ze en bukte zich, om een bloem uit te zoeken.--Wilt
-u een roode of een witte?
-
---Een roode, en geen groote.
-
-Fenitsjka richtte zich weer op.
-
---Hier, zei ze, maar meteen trok ze haar hand weer terug, beet op de
-lippen, keek rond en luisterde.
-
---Wat is er? vroeg Bazarof, is Nikolaas Petrowitsj daar?
-
---Neen, hij is op het land. En ik ben ook niet bang voor hem. Maar
-Paul Petrowitsj... ik dacht...
-
---Ben je dan bang voor Paul Petrowitsj?
-
---Hij maakt me bang. Hij spreekt wel niet tegen me, maar hij kan me
-zoo vreemd aankijken. U houdt ook niet van hem, wel? Ik herinner me,
-dat u altijd met hem kibbelde. Ik wist niet, waarom, maar ik begreep,
-dat u hem flink de waarheid zei... zoo... zoo...
-
-Fenitsjka illustreerde met haar hand, hoe ze zich voorstelde, dat
-dit gebeurde.
-
-Bazarof glimlachte.
-
---En zou je me geholpen hebben, als hij mij in het nauw gedreven had?
-
---Kan ik u dan helpen? Maar tegen u kunnen ze niet zoo gemakkelijk op.
-
---Denk je? Maar ik weet een hand, die mij met één vingerstoot omver
-heeft!
-
---Wat is dat voor een hand?
-
---Dat weet je wel! Hier, ruik die roos eens, heerlijk, hé?
-
-Fenitsjka boog over de bloem. De zakdoek viel van haar hoofd en toonde
-het volle, glanzend-zwarte haar.
-
---Ik wil ook ruiken, zei Bazarof, en drukte een krachtigen kus op de
-half-open lippen van de jonge vrouw.
-
-Zij trilde en duwde beide handen tegen Bazarofs borst, maar zwakjes
-en hij kon haar nog eens kussen.
-
-Een droge kuch klonk van achter het struikgewas. Fenitsjka vloog naar
-de andere zijde van de bank.
-
-Paul kwam te voorschijn, groette licht en zei langzaam, met iets
-bitter-droevigs in zijn stem:
-
---Bent u hier?--en ging verder.
-
-Fenitsjka raapte haar rozen bijeen en stond op.
-
---Dat is vreeselijk voor u, Jevgenij Wassiljewitsj, fluisterde ze en
-snelde huiswaarts.
-
-Bazarof herinnerde zich een dergelijk tooneel, niet lang geleden. Die
-herinnering wekte een gevoel van schaamte en zelfverachting in zijn
-ziel. Maar toen schudde hij het hoofd, wenschte zich geluk niet zonder
-ironie en ging naar zijn kamer.
-
-Paul verliet den tuin en ging langzaam boschwaarts. Hij bleef lang weg
-en toen het ontbijt verscheen, vroeg zijn broeder of hij onwel was,
-want zijn gelaat was somber.
-
---Je weet, dat ik lijd aan overloop van gal, antwoordde hij kalm.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-
-Twee uur later werd er aan Bazarofs deur geklopt.
-
---Neemt u me niet kwalijk, als ik u stoor in uw geleerde
-overpeinzingen, zei Paul Petrowitsj, nam plaats in een stoel bij het
-venster en hield de beide handen geleund op een eleganten wandelstok
-met knop van elpenbeen (meestal liep hij zonder stok),--maar ik acht
-mij verplicht, u vijf minuten van uw tijd te vragen, niet meer.
-
---Ik sta geheel ter beschikking, antwoordde Bazarof, niet zonder
-een lichte trekking over zijn gezicht, toen hij Paul zijn drempel
-zag overschrijden.
-
---Vijf minuten zal voldoende zijn. Ik ben gekomen, om u iets te vragen.
-
---Een vraag? En die is?
-
---Luistert u eens. Toen u hier pas was, toen ik mij nog niet het
-genoegen van uw gesprekken ontzegde, was het mij vergund, uw meening
-over allerlei dingen te leeren kennen. Maar voor zoover ik mij kan
-herinneren, hebt u nooit gezegd, hoe u over het duel denkt, het duel in
-'t algemeen. Zou ik u dat eens mogen vragen?
-
-Bazarof, die zich van zijn werk had opgericht, om Paul aan te hooren,
-ging op den tafelrand zitten en sloeg de armen over elkaar.
-
---Mijn meening is deze, antwoordde hij, van theoretisch standpunt
-beschouwd is het duel een ouderwetsche dwaasheid, practisch schijnt
-het me een andere kwestie!
-
---Als ik u goed begrijp, wilt u zeggen, dat u in de praktijk uw
-theoretische opvatting over het duel ter zijde schuift en niet
-zult dulden, dat men u beleedigt, zonder daar genoegdoening voor
-te verlangen.
-
---U heb mijn gedachten volkomen goed begrepen.
-
---Zeer juist. Het verheugt me bizonder te vernemen, dat u de zaak
-aldus opvat. Dat maakt een einde aan mijn niet-weten...
-
---Uw onzeker-zijn, wilt u zeggen...
-
---Dat is hetzelfde, mijnheer. Ik wensch mij alleen zoo duidelijk
-mogelijk uit te drukken. Ik ben geen student meer. Uw woorden maken
-een zekere droevige noodzakelijkheid overbodig. Ik ben van plan met
-u te duelleeren.
-
-Bazarof sperde zijn oogen open.
-
---Met mij?
-
---Ja, met u persoonlijk.
-
---Op welken grond? Ik begrijp u niet.
-
---Ik zou u dat wel kunnen verklaren, antwoordde Paul, maar ik verkies
-het niet te doen. Ik vind, dat u hier te veel bent. Ik haat u, Ik
-veracht u, en als u dat nog niet genoeg is...
-
-Pauls oogen fonkelden van woede. Ook Bazarofs blik schoot vonken.
-
---Zeer wel, antwoordde Bazarof, ieder verdere verklaring is
-overbodig. U bent in een stemming, den gloed van uw adellijken
-toorn op mij uit te laten. Ik had kunnen weigeren, u dit genoegen te
-verschaffen. Maar ik gun het u.
-
---Ik ben u zeer verplicht, antwoordde Paul, ik hoop dus, dat u mijn
-uitdaging aanneemt, zonder gedwongen te worden.
-
---U bedoelt: met dien stok? zei Bazarof koel,--u hebt volkomen gelijk,
-u kunt die moeite sparen, te meer, aangezien dat waarschijnlijk
-niet volkomen zonder gevaar voor u zou zijn. Indien u voortgaat,
-u als gentleman te gedragen, zal ik van mijn kant de uitdaging als
-gentleman aannemen.
-
---Goed, zei, Paul en zette zijn stok in een hoek,--we hebben dus alleen
-nog de voorwaarden vast te stellen. Maar ik zou u eerst willen vragen,
-of u het noodig vindt, een voorwendsel te zoeken tegenover de anderen?
-
---Neen dat schijnt me volkomen overbodig.
-
---Zoo denk ik er ook over. Ook geloof ik, dat het geen nut heeft,
-de ware oorzaak tot dezen tweekamp te onderzoeken. We houden niet
-van elkaar, dat is alles.
-
---Zeer juist, dat is alles, meer is niet noodig, herhaalde Bazarof
-ironisch.
-
---Wat de voorwaarden betreft... aangezien we geen getuigen hebben,
-hoe zouden we aan getuigen komen?
-
---Zeer juist, hoe zouden we aan getuigen komen?
-
---Ik veroorloof mij dus, u het volgende te proponeeren. Morgen
-ochtend zes uur zullen wij vechten, met revolvers, in het bosch,
-tien pas afstand.
-
---Op tien pas, goed. We haten elkaar zoo heftig, dat we niet dichter
-bij kunnen.
-
---Op acht pas, als u wilt.
-
---Waarom niet? Gaarne.
-
---Wij lossen twee schoten en ter meerdere veiligheid zal ieder van
-ons een brief bij zich hebben, waarin verklaard wordt, dat in geval
-van dood, men zelf de schuldige is.
-
---Deze laatste clausule schijnt mij niet juist, antwoordde
-Bazarof.--Dat is te onwaarschijnlijk. Het zou een beetje op een
-franschen roman gaan lijken.
-
---Misschien hebt u gelijk. Maar u zult toegeven, dat het onaangenaam
-is, voor een moordenaar gehouden te worden.
-
---Zeer zeker. Maar er is een middel, zich voor die pijnlijke verdenking
-te vrijwaren. We zullen geen getuigen hebben in den eigenlijken zin
-des woords. Maar iemand kan toch wel als toevallig, bij ons duel
-aanwezig zijn.
-
---Wien zoudt u daartoe kiezen?
-
---Peter bij voorbeeld.
-
---Welke Peter?
-
---De kamerdienaar van uw broeder. Dat is een man, volkomen op de
-hoogte der moderne beschaving, die zijn rol spelen zal geheel en al
-comme il faut.
-
---Ik geloof, dat u grapjes maakt, waarde heer?
-
---In geenen deele, mijnheer. Denkt u eens aan mijn plan en u zult zien,
-dat het verstandig en van zelfsprekend is. Ik zal het op mij nemen,
-Peter voor te bereiden en hem meebrengen op de plaats des strijds.
-
---U gelieft nog altijd te schertsen, zei Paul en stond op.--Maar na
-de beminnelijke voorkomendheid, die ge zooeven toonde, mag ik u dat
-niet kwalijk nemen. Het is dus afgesproken... hebt u revolvers?
-
---Hoe zou ik daaraan komen, Paul Petrowitsj? Ik ben geen krijgsman.
-
---Dan bied ik u de mijne aan. Ik heb meer dan vijf jaar geen gebruik
-van dit wapen gemaakt en u kunt me gelooven.
-
---Deze verzekering stelt me gerust.
-
-Paul nam zijn stok.
-
---En nu, waarde heer, moet ik u alleen nog danken en laat u alleen
-met uw studies. Ik heb de eer, u te groeten.
-
---Tot ziens, antwoordde Bazarof en geleidde zijn gast tot de deur. Paul
-ging, Bazarof bleef aan de deur staan en riep uit:
-
---Alle duivels! Dat is heel fraai, maar idioot! Wat een comedie
-hebben we daar gespeeld! De honden, die op hun achterpooten gaan
-staan, doen het niet beter. Ik had niet kunnen weigeren. Dan had hij
-me geslagen en dan... Bazarof verbleekte bij die gedachte, die zijn
-trots in opstand bracht... ik had niet anders kunnen doen, dan hem
-te worgen als een kat.
-
-Hij keerde naar zijn microscoop terug, maar hij was opgewonden en de
-noodige rust ontbrak.
-
-... Hij heeft ons gezien, dacht hij, maar zou hij zich dat zoo
-aantrekken ter wille van zijn broer?... En dan een kus! Wat steekt daar
-achter?... Zou hij zelf verliefd zijn?... Dat moet!... Daar geef ik wat
-voor!... Wat een modderpoel allemaal!... Maar ondertusschen... een
-mooie geschiedenis... eerst je leven op het spel zetten en dan
-vluchten misschien... dan... Arkadiej... en die stommeling van een
-vader!... Beroerde geschiedenis...
-
-De dag verging nog stiller dan gewoonlijk. En Fenitsjka scheen
-wel uit de wereld weg, als een muisje in haar hol bleef ze in
-haar kamer. Nicolaas liep bezorgd rond, angstig, men had hem
-meegedeeld, dat zijn tarwe, waar al zijn hoop op gevestigd was, aan
-het broeien was. Pauls ijzige hoffelijkheid drukte op ieder, zelfs
-op Prokofitsj. Bazarof begon een brief aan zijn vader, verscheurde
-hem weer.
-
-...ze zullen het wel hooren, als ik dood ga, dacht hij,... maar ik
-zal niet dood gaan, ik zal nog wel heel lang op de aarde rondkruipen...
-
-Hij vroeg Peter, den volgenden morgen met het aanbreken van den dag
-bij hem te komen voor een belangrijke zaak. Peter verbeeldde zich,
-dat hij mee zou genomen worden naar Petersburg, Bazarof ging laat
-naar bed en vreemde droomen kwelden hem... mevrouw Odintsof verscheen
-telkens, zij was tegelijk zijn moeder. Een kat met zwarte snorharen
-liep achter haar aan en dat katje was Fenitsjka. Hij zag Paul in de
-gedaante van een boomstam, maar moest toch met hem vechten...
-
-Peter wekte hem tegen vier uur. Hij kleedde zich en verliet met hem
-het huis.
-
-De morgen was heerlijk en koeler dan de vorige dagen. Bonte wolkjes
-vlokten langs den bleek blauwen hemel. Het loof der boomen was
-bedauwd, spinnewebben flonkerden in zilveren draden op het gras. Nog
-een glans van het eerste morgenrood lag gespreid over de velden en
-de leeuweriken zongen rondom--omhoog.
-
-Bazarof ging naar het bosch, zette zich in de schaduw en deelde Peter
-mee, wat er van hem werd verlangd. De ontwikkelde kamerdienaar werd
-vaal-bleek als een doode. Bazarof trachtte hem gerust te stellen door
-de verzekering, dat hij niets te doen had, als op een afstand toe te
-kijken. Zonder eenige verantwoordelijkheid.
-
---Denk intusschen over je gewichtige rol na, voegde Bazarof er bij.
-
-Peter wrong krampachtig zijn handen, liet het hoofd hangen en begon,
-groen van angst, tegen een boom te leunen.
-
-De straatweg naar Marjino liep langs een bosch. Het stof scheen sedert
-den vorigen dag nog door niemand betreden. Bazarof keek onwillekeurig
-den weg af, plukte een grashalm en kouwde erop, en fluisterde: Wat
-een onzin...
-
-Hij huiverde eenige malen in den koelen morgen.
-
-Peter keek hem aan met wanhoop in zijn oogen, maar Bazarof
-glimlachte. Hij voelde geen angst.
-
-Paardenhoeven weerklonken. Een boer verscheen. Hij kwam uit het dorp
-en voerde twee paarden, die aan elkander gebonden waren. Toen hij
-langs Bazarof kwam, keek hij hem verwonderd aan, zonder naar zijn pet
-te grijpen. Dit scheen Peter een slecht voorteeken en verontrustte hem.
-
-...die kerel is ook vroeg opgestaan, dacht Bazarof, maar doet ten
-minste wat nuttigers...
-
---Ik geloof, dat mijnheer er aan komt, fluisterde Peter opeens.
-
-Bazarof keek op en herkende Paul, die haastig de straat af kwam,
-in een geruit colbert met witte broek gekleed. Hij droeg een kistje
-in een groenen doek onder den arm.
-
---Neemt u me niet kwalijk, ik vrees, dat ik u heb laten wachten,
-zei hij, Bazarof en daarop Peter groetend, die hij als een soort
-sekondant scheen te beschouwen,--ik wilde mijn bediende niet wekken.
-
---Goed, goed, antwoordde Bazarof,--wij komen ook pas.
-
---Des te beter.
-
-Paul keek om zich heen.
-
---Niemand ziet ons hier. We zullen niet gestoord worden. Zullen we?...
-
---Met genoegen.
-
---Ik veronderstel, dat u geen nadere verklaringen wenscht?
-
---Volstrekt niet.
-
---Zoudt u willen laden? vroeg Paul en nam de revolvers uit het etui.
-
---Neen, doet u dat zelf. Ik zal den afstand opnemen. Ik heb langere
-beenen, zei Bazarof met een venijnig lachje,--éen--twee--drie...
-
---Jevgenij Wassiljewitsj, stotterde Peter moeilijk, en sidderde als
-een lindeblad,--doe wat u wilt, ik zal op een afstand gaan...
-
---Vier--vijf--trek jij je terug, dappere, trek je terug. Je kunt
-zelf achter een boom gaan staan en je ooren dichthouden, maar hou
-je oogen open. Als er éen van ons valt, hol dan naar hem toe, om hem
-te helpen--zes--zeven--acht.
-
-Bazarof bleef staan.
-
---Genoeg zoo? vroeg hij tot Paul gekeerd,--of wilt u nog twee kleine
-pasjes?
-
---Zooals u wilt, antwoordde deze en deed de tweede kogel in den loop.
-
---Dan nog twee passen!
-
-Bazarof trok een streep in het zand met zijn schoen.
-
---Dit is de barrière. Maar, dat is waar, we hebben niet afgesproken,
-hoever we ons van den eindstreep zouden opstellen. Dit gewichtige
-punt hebben we gisteren niet overwogen.
-
---Tien pas, vind ik, antwoordde Paul en hield hem de revolvers
-voor,--wilt u mij het genoegen doen te kiezen?
-
---Dat genoegen zal ik niet weigeren, maar u moet toegeven, dat dit
-duel op het belachelijke af eigenaardig is. Kijkt u eens het gezicht
-van onzen sekondant!
-
---U schertst nog altijd, antwoordde Paul, ik geef toe, dat deze
-ontmoeting nogal eigenaardig is. Maar ik moet u doen opmerken, dat
-ik van plan ben, ernstig te duelleeren. A bon entendeur...! Salut!
-
---O, ik betwijfel geen oogenblik, dat we van plan zijn elkaar overhoop
-te schieten. Maar waarom niet met een glimlach? Laat ons het utile
-met het dulce vereenigen. U ziet, als u fransch spreekt, antwoord
-ik latijn.
-
---Ik vat het ernstig op, antwoordde Paul en ging op zijn plaats.
-
-Bazarof telde eveneens tien pas af en bleef staan.
-
---Bent u gereed? vroeg Paul.
-
---Ja.
-
---Vooruit dan.
-
-Bazarof ging langzaam naar voren, Paul eveneens. Hij had de linker
-hand in den zak en richtte langzaam zijn revolver... hij mikt precies
-op mijn neus, dacht Bazarof,... hij knijpt zijn eene oog dicht, om
-goed te schieten, de bandiet!... geen pleizierig gevoel eigenlijk. Ik
-zal op zijn horlogeketting mikken...
-
-Er vloog iets fluitend langs Bazarofs oor en op hetzelfde oogenblik
-weerklonk een knal... ik heb het gehoord, dus heb ik niets, kon hij
-denken. Hij deed nog een pas en drukte af, zonder te mikken.
-
-Paul maakte een beweging en voelde naar zijn been. Een straal bloed
-kleurde de witte broek.
-
-Bazarof gooide zijn revolver weg en liep op hem toe.
-
---Bent u gewond? vroeg hij.
-
---U had het recht, mij tot aan de streep te laten voortgaan, antwoordde
-Paul,--de wond heeft niets te beteekenen. Volgens onze afspraak,
-hebben wij nog een schot.
-
---U moet mij toestaan, het partijtje tot een volgend maal uit te
-stellen, antwoordde Bazarof en nam Paul in zijn arm, Paul begon bleek
-te worden,--ik ben op het oogenblik niet langer tegenpartij, maar
-geneesheer. Ik moet vóór alles de wond onderzoeken. Peter! Peter,
-waar zit je?
-
---Het is niets... ik heb geen hulp noodig, antwoordde Paul, maar het
-spreken begon hem moeilijk te vallen,--... en wij moeten... nog eens...
-
-Hij wilde zijn snor opstrijken, maar zijn arm viel slap neer, zijn
-oogen werden blind en hij viel in onmacht.
-
---Dat is sterk, bewusteloos om zoo'n kleinigheid! zei Bazarof
-onwillekeurig en strekte Paul op den grond uit,--eens kijken, wat
-het is.
-
-Hij nam zijn zakdoek, stelpte het bloed en onderzocht de
-wondranden. Het been is niet geraakt, de kogel is niet diep
-ingedrongen, alleen de vastus externus is beleedigd. Over drie weken,
-kan hij weer dansen, als hij wil. De moeite waard, daarvoor bewusteloos
-te worden. Die nerveuze heeren ook. Wat heeft hij een teere huid!
-
---Is de heer dood? vroeg Peter fluisterend en bevend.
-
---Ga maar gauw water halen, antwoordde Bazarof en wendde zich om,
-je heer leeft langer dan jij en ik.
-
-Maar de dienaar, scheen niet te begrijpen en bleef onbewegelijk
-staan. Intusschen sloeg Paul de oogen weer op.
-
---Hij geeft den geest! zei Peter en sloeg een kruis.
-
---...U hebt gelijk, wat een belachelijk gezicht, zei de gewonde met
-een zwak lachje.
-
---Haal water, domoor! riep Bazarof.
-
---Het is niet noodig... de duizeling is voorbij... helpt u me
-even op... zoo... zoo... als men het schampschot verbindt, kan ik
-te voet naar huis, of er kan ook een rijtuig gehaald worden. We
-kunnen het hierbij laten, als u wilt. U hebt u gedragen als man van
-eer... Vandaag, wel te verstaan.
-
---We behoeven niet terug te komen op wat voorbij is, en wat de
-toekomst betreft, stel u gerust, ik zal zoo gauw mogelijk maken, dat
-ik wegkom. Maar laat me eerst uw been verbinden, de wond is licht,
-maar het is toch beter het bloed te stillen. Maar eerst moet ik in
-dezen sterveling de zekerheid van zijn bestaan terugroepen.
-
-Bazarof pakte Peter bij zijn kraag, schudde hem heftig heen en weer
-en gelastte hem een rijtuig te halen.
-
---Breng mijn broer niet aan het schrikken, zei Paul, en pas op,
-dat je geen woord zegt.
-
-Peter maakte, dat hij wegkwam en intusschen bleven de twee
-tegenstanders zonder te spreken, bij elkander zitten. Paul vermeed
-het, Bazarof aan te zien. Hij wilde zich niet met hem verzoenen. Hij
-verweet zich bijna gebrek aan zelfbeheersching, zijn onhandigheid,
-zijn heele optreden in deze zaak, en voelde zeer wel, dat zij op de
-gunstigst mogelijke manier was bijgelegd.
-
-Hij zal ons van zijn tegenwoordigheid verlossen, dacht hij, daarmee
-is tenminste iets gewonnen.
-
-Het wederzijdsche zwijgen begon onaangenaam te worden. Zij wisten
-beiden, dat zij elkanders gedachten kenden. Die zekerheid is aangenaam
-voor vrienden, maar voor vijanden allerpijnlijkst, vooral wanneer ze
-tot geen verklaring komen, noch elkaar kunnen verlaten.
-
---Heb ik uw been niet te stijf verbonden? vroeg Bazarof.
-
---Neen, volstrekt niet. Het is heel goed zoo, antwoordde Paul
-Petrowitsj en na eenige oogenblikken:
-
---Het zal niet mogelijk zijn, mijn broeder om den tuin te leiden. Ik
-zal hem zeggen, dat we over een politieke kwestie woorden hebben
-gekregen.
-
---Heel goed, antwoordde Bazarof, u kunt zeggen, dat ik in uw bijzijn
-alle Anglomanen beleedigd heb.
-
---Juist. Apropos, wat dunkt u, dat deze man van ons zeggen zal? ging
-Paul Petrowitsj voort, toen dezelfde boer, die vóór het duel met
-zijn paarden voorbij gekomen was, weer langs kwam en nu groette op
-het zien van de heeren.
-
---Wie weet? antwoordde Bazarof, waarschijnlijk niets. De Russische
-boer lijkt op dat geheimzinnig-onbekende, waarvan Anna Radcliffe in
-haar boeken spreekt. Niemand kent hem. En hij zich zelf het minst.
-
---Denkt u? vroeg Paul Petrowitsj, maar plotseling riep hij:
-
---Kijk nu die stomheid van uw Peter! Daar komt hij nu aan met mijn
-broer!
-
-Bazarof keerde zich om en ontwaarde het bleeke gezicht van Nikolaas
-in het rijtuig. Hij sprong eruit, eer het stilstond en liep op zijn
-broeder toe.
-
---Wat beteekent dat? vroeg hij ontdaan.--Jevgenij Wassiljewits,
-hoe is dat mogelijk?
-
---Het is niets, antwoordde Paul,--het was verkeerd, je te storen. Wij
-hebben toegegeven aan een opwelling, van het oogenblik, en ik werd
-een klein beetje gestraft, dat is alles.
-
---Maar de oorzaak om Gods wil!...
-
---Hoe zal ik zeggen? Mijnheer Bazarof sprak in mijn tegenwoordigheid
-onbehoorlijk over Sir Robert Peel. Maar ik moet er dadelijk bij voegen,
-dat het allemaal mijn schuld was en dat de heer Bazarof zich uiterst
-correct heeft gedragen. Ik heb hem uitgedaagd.
-
---Ik zie bloed.
-
---Dacht je dan dat ik water in mijn aderen had? Ik verzeker je, dat
-die kleine aderlating me heel goed zal doen. Is het niet, dokter? Help
-me in het rijtuig en haal je geen muizenissen in het hoofd. Morgen
-ben ik weer hersteld. Ja, ik heb me zelden zoo goed gevoeld en zoo
-opgeruimd. Vooruit koetsier!
-
-Nikolaas volgde te voet. Bazarof was achtergebleven.
-
---Ik verzoek u, mijn broeder in behandeling te nemen, zei Nikolaas
-totdat we een geneesheer uit de stad hebben.
-
-Bazarof boog zwijgend het hoofd.
-
-
-
-Een uur later lag Paul Petrowitsj in bed en zijn been was
-volgens de regelen der kunst verbonden. Het heele huis was in
-opschudding. Fenitsjka was ziek geworden. Nikolaas was wanhopig en
-Paul praatte en lachte, vooral met Bazarof. Hij had een batisten hemd
-en een morgenjasje aan en een fez opgezet. Hij wilde de gordijnen
-niet dicht hebben en klaagde schertsend over den dieët, dien hij zou
-moeten houden.
-
-Tegen den avond kwam er wat koorts en hij kreeg hoofdpijn. Er verscheen
-een geneesheer uit de stad. Nikolaas had niet gelet op het verlangen
-van zijn broeder en Bazarof zelf had er opgestaan, dat er een collega
-geroepen zou worden. Hij was intusschen op zijn kamer gebleven,
-zag er geel-bleek en gejaagd uit en bracht den zieke alleen nu en
-dan een kort bezoek. Eenige malen ontmoette hij Fenitsjka, die hem
-met zekeren angst uit den weg ging.
-
-De stadsdokter schreef verkoelende dranken voor en bevestigde de
-verklaring van Bazarof, dat de wond niets te beteekenen had. Nikolaas
-vertelde, dat zijn broeder zich uit onvoorzichtigheid zelf had verwond,
-waarop de dokter met een hm antwoordde; maar toen hij op hetzelfde
-oogenblik een bankbiljet van vijf en twintig roebel in zijn hand
-voelde zei hij:
-
---Ja dat gebeurt zoo vaak.
-
-In het geheele huis ging niemand naar bed.
-
-Nikolaas sloop telkens op zijn teenen naar de ziekenkamer en verdween
-weer op dezelfde wijze. De gewonde sliep soms in, zuchtte zacht, zei
-tegen zijn broeder: Couchez-vous en wilde dan drinken. Kirsanof liet
-Fenitsjka eenmaal een glas limonade brengen. Paul keek haar strak
-aan en dronk het glas leeg.
-
-Tegen den morgen nam de koorts toe en de zieke begon te ijlen. Hij
-sprak zinlooze woorden, opende dan plotseling de oogen en toen hij zijn
-broeder bij het bed zag zitten, bezorgd over hem gebogen, vroeg hij:
-
---Is het niet, Nikolaas, lijkt Fenitsjka niet op Nelly?
-
---Welke Nelly bedoel je?
-
---Hoe kan je dat nu vragen? Vorstin R...! Vooral de bovenzij van het
-gezicht. C'est de la même famille.
-
-Nikolaas antwoordde niet, maar was diep verwonderd over de levenskracht
-der menschelijke gevoelens... zoo iets komt toch altijd weer terug,
-dacht hij.
-
---Ik houd zoo van dat eenvoudige kind, zoo eenvoudig... klaagde Paul
-en legde een arm onder het hoofd.
-
---...ik zal nooit dulden, dat een vlegel haar aanraakt...
-
-Nikolaas zuchtte. Hij begreep niet, op wien die woorden sloegen.
-
-Den volgenden morgen kwam Bazarof bij hem. Hij had zijn bagage gepakt
-en zijn kikvorschen, vogels en insekten in vrijheid gesteld.
-
---U komt afscheid nemen, zei Nikolaas en stond op.
-
---Ja.
-
---Ik begrijp en geef u volkomen gelijk. Mijn arme broeder heeft zeker
-ongelijk gehad en hij is dan ook gestraft. Ik weet het van hem zelf,
-dat hij u gedwongen heeft, zoo te handelen, als u gedaan hebt, u hadt
-dit duel niet kunnen vermijden. Het heeft min of meer zijn grond in
-het diepgaande verschil van uw beider levensbeschouwing. (Nikolaas
-Petrowitsj begon minder duidelijk en minder logisch te praten,
-hij ademde zwaar). Mijn broeder is prikkelbaar, houdt vast aan oude
-ideeën... ik dank God, dat alles nog zoo is afgeloopen. Overigens
-heb ik alles gedaan, om te zorgen, dat er niet gesproken wordt over
-die zaak.
-
---Ik zal u mijn adres geven, en als men er toch wat van wil maken,
-dan kunt u mij altijd vinden, zei Bazarof.
-
---Ik hoop, dat dit niet noodig zal zijn, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik
-betreur het ten zeerste, dat uw verblijf in ons huis, zoo een
-einde... Ik betreur het des te meer, omdat Arkadiej...
-
---Dien zal ik wel zien, viel Bazarof in de rede. Hij hield niet van
-dergelijke verklaringen en verontschuldigingen.--In ieder geval verzoek
-ik u, hem van mij te groeten en hem mijn leedwezen uit te drukken.
-
---En ook ik verzoek u...
-
-Maar Bazarof wachtte niet op de rest en ging.
-
-Toen Paul hoorde, dat Bazarof op het punt stond te vertrekken, uitte
-hij den wensch, hem nog te zien. Hij gaf hem een hand, maar Bazarof
-bleef als gewoonlijk koel. Hij merkte wel, dat Paul den edelmoedige
-wilde spelen.
-
-Van Fenitsjka was het hem niet mogelijk afscheid te nemen. Hij
-keek alleen nog eens naar het venster, waar zij zat. Ze scheen
-treurig... misschien gaat die wel te gronde... dacht hij... maar
-waarom zou ze niet...
-
-Peter was zoo onder den indruk, dat hij aan Bazarofs schouder bleef
-staan schreien, tot deze hem vroeg, of zijn oogen nooit uitgeput
-zouden raken? Doeniasja moest den tuin in vluchten, om haar verdriet
-te verbergen. Maar de oorzaak van al dit verdriet nam plaats in een
-klein rijtuigje, stak een sigaar op en toen hij op vier werst afstand
-bij een kromming van den weg het huis der Kirsanofs voor het laatst
-zag liggen, spuwde hij op den weg, knarstandde:
-
-
- --Verdomde landjonkers!
-
-
-en hulde zich in zijn mantel.
-
-
-
-De toestand van Paul Petrowitsj verbeterde met den dag. Toch bleef
-hij nog een week te bed. Hij droeg zijn gevangenschap, zooals hij dat
-noemde, geduldig, besteedde een groot gedeelte van den tijd aan zijn
-toilet en liet voortdurend met eau de cologne sprenkelen.
-
-Nikolaas las hem de couranten voor en Fenitsjka bediende hem, zooals
-gewoonlijk met bouillon, zachte eieren, thee; maar ze kon zijn kamer
-niet binnentreden zonder een innerlijken schrik.
-
-Iedereen in huis was overstuur door de jeugdige dwaasheid van Paul
-Petrowitsj. Alleen Prokofitsj sprak erover met groote gelatenheid en
-gemoedsrust. In zijn tijd hadden de heeren zoo dikwijls gevochten,
-zei hij, maar altijd onder elkaar en nooit met zulke ploerten,
-als die... Zulke individuen liet men in den stal afranselen, als ze
-onbeschaamd werden.
-
-Fenitsjka had geen gewetenswroeging. Maar rustig was ze toch niet,
-vooral als ze soms iets van de ware oorzaak begon te vermoeden. En dan
-kon Paul Petrowitsj haar zoo vreemd aanzien... ze voelde dien blik
-nog, als ze hem den rug toekeerde. Tengevolge van deze onrust, werd
-ze magerder en, zooals dat meestal is bij vrouwen van haar leeftijd,
-nog mooier.
-
-Op een morgen had Paul, die zich beter voelde, het bed verlaten en
-was op de sofa gaan liggen. Nikolaas kwam vragen, hoe hij geslapen
-had en ging vervolgens naar het dorschen kijken.
-
-Fenitsjka bracht de thee, die ze bij hem neerzette. Toen ze weg wilde
-gaan, hield Paul haar tegen:
-
---Waarom wil je zoo dadelijk weer weg, Fedosia Nikolajevna? vroeg
-hij haar,--heb je iets te doen?
-
---Neen... ja... ik moet beneden thee schenken.
-
---Dat zal Doeniasja wel doen, als jij er niet bent. Blijf nog wat
-bij een armen zieke. En ik wilde ook met je spreken.
-
-Fenitsjka ging zwijgend op den arm van een leunstoel zitten.
-
---Ik wilde je al lang eens vragen, begon Paul en trok aan zijn
-snorharen, of je bang voor me bent, en waarom?
-
---Wie, ik?
-
---Ja, jij. Je kijkt me nooit recht in het gezicht. Je geweten schijnt
-niet heelemaal zuiver.
-
-Fenitsjka bloosde, maar keek hem aan. De uitdrukking van zijn gezicht
-was zoo vreemd, dat ze begon te beven.
-
---Is je geweten zuiver? vroeg hij haar.
-
---Waarom zou het niet zuiver zijn? vroeg ze zacht.
-
---Ik weet het niet. Heb je hier iemand in huis te kort gedaan? Mij
-zeker niet. Iemand anders? Het lijkt me niet waarschijnlijk. Mijn
-broeder? Ook niet, want je houdt van hem...
-
---Ja, ik houd van hem.
-
---Van ganscher harte? Met lijf en ziel?
-
---Ik heb Nikolaas Petrowitsj lief van ganscher harte.
-
---Werkelijk? Kijk me eens aan, Fenitsjka (het was voor het eerst,
-dat hij haar zoo noemde). Je weet, dat liegen een groote zonde is...
-
---Ik lieg niet, Paul Petrowitsj. Als ik niet van Nikolaas Petrowitsj
-hield, verdiende ik niet, dat ik leef.
-
---En je zou hem voor niemand opgeven?
-
---Voor wien zou ik dat doen?
-
---Voor wien? Wie weet! Bij voorbeeld, de man, die ons onlangs
-verlaten heeft.
-
-Fenitsjka stond op.
-
---In Gods naam, Paul Petrowitsj, waarom plaagt u me zoo? Wat heb ik
-u gedaan? Hoe kunt u zoo iets zeggen?
-
---Fenitsjka, antwoordde Paul droevig,--ik heb alles gezien...
-
---Wat hebt u gezien?
-
---Daar in het prieel.
-
-Fenitsjka bloosde plotseling tot achter de ooren.
-
---Kon ik daar wat aan doen? stotterde ze.
-
-Paul richtte zich op.
-
---Voel je je in geen enkel opzicht schuldig?
-
---Er is maar één man op de wereld, dien ik lief heb en zal lief hebben,
-dat is Nikolaas Petrowitsj, antwoordde ze met plotselinge heftigheid,
-ofschoon de tranen haar nog de stem verstikten,--en over wat u gezien
-hebt, hoef ik mij geen verwijten te doen, dat kan ik bezweren. Ik
-wil liever hier op de plaats dood blijven, dan verdacht worden,
-dat ik mijn weldoener zou bedrogen hebben.
-
-Haar stem werd weer zwak en zij voelde, dat Paul Petrowitsj haar hand
-nam en krachtig drukte.
-
-Ze keek hem aan en schrok heftig. Zijn gezicht was nog bleeker dan
-anders, in zijn oogen een zeldzame fonkeling en éen enkele dikke traan,
-die over zijn wangen rolde...
-
---Fenitsjka, zei hij nauwelijks hoorbaar, heb mijn broer lief, heb
-hem lief. Hij is zoo goed en verdient het, dat je hem lief hebt. Geef
-hem niet voor niemand in de wereld en luister niet naar de mooie
-woorden van anderen. Niets is verschrikkelijker, dan onbeantwoorde
-liefde. Blijf hem trouw, mijn armen, goeden Nikolaas!
-
-Fenitsjka weende niet meer. Ze stond zoo verwonderd, dat ze ook niet
-bang meer was. Maar ze kon geen woord meer uitbrengen, toen Paul haar
-hand greep en tegen zijn oogen drukte, nog eens greep en krampachtig
-snikkend aan zijn lippen bracht...
-
-...God, dacht ze, zou dat een aanval zijn...
-
-Ze vermoedde niet, dat het verleden op dit oogenblik pijnigend in
-hem openbrak, alles wat zijn hart geleden had, weer trilde en begon
-te bloeden.
-
-De traptreden kraakten onder vlugge voetstappen. Hij stootte haar
-van zich en legde zijn hoofd op het kussen.
-
-De deur ging open en Nikolaas trad binnen, opgewekt, het gezicht frisch
-en rood. Mitja, even frisch en rood als hij, danste op zijn arm en
-trapte met zijn bloote voetjes tegen de knoopen van zijn vaders jas.
-
-Fenitsjka ijlde hem tegemoet. Heftig omhelsde ze hem en haar
-kind en legde toen haar hoofd tegen zijn schouder. Nikolaas scheen
-verrast. Schuw en teruggetrokken als zij was, veroorloofde Fenitsjka
-zich nooit dergelijke ontboezemingen in tegenwoordigheid van derden.
-
---Wat is er? vroeg hij, zag zijn broeder aan en gaf het kind aan de
-moeder over.
-
---Je voelt je toch niet minder? vroeg hij zijn broer, en ging naar
-hem toe.
-
-Paul verborg het gezicht in zijn batisten zakdoek.
-
---Neen, neen... integendeel... ik voel me veel beter...
-
---Je had in bed moeten blijven, zei Nikolaas,--waar ga je heen? vroeg
-hij Fenitsjka, maar deze had de deur al achter zich dicht geslagen.
-
---Ik kwam je mijn kleinen deugniet eens laten zien. Hij wilde zijn
-oom een bezoek brengen. Waarom heeft ze hem nu meegenomen? Maar wat
-heb je toch? Is er iets gebeurd tusschen jullie?
-
---Broeder! begon Paul Petrowitsj op plechtigen toon.
-
-Nikolaas beefde. Een gevoel van doodelijken angst kwam over hem,
-waarvan hij zich geen rekenschap kon geven.
-
---Broeder! herhaalde Paul. Beloof me, het verzoek, dat ik je doen zal,
-uit te voeren!
-
---Wat wil je, Paul?
-
---Iets zeer belangrijks. Je levensgeluk hangt ervan af. Ik heb den
-laatsten tijd dikwijls nagedacht over wat ik je nu ga zeggen. Broeder,
-doe je plicht, de plicht van een man van eer, en maak een einde aan
-de onbehoorlijke verhouding, waarin je leeft, jij vooral, de beste
-van alle menschen, broeder!
-
---Wat beteekent dat Paul?
-
---Trouw Fenitsjka... ze heeft je lief, ze is de moeder van je zoon.
-
-Kirsanof deed een stap achteruit en sloeg de handen in elkaar.
-
---En jij geeft me dien raad, Paul, jij, die zulke huwelijken altijd
-gehaat hebt. Jij geeft me dien raad. Weet je wel, dat de eenige reden,
-waarom ik niet allang gedaan heb, wat ik als de heiligste plicht
-beschouw, eerbied voor jou was?!
-
---Dan betreur ik het, dat je dien eerbied zoo ver gedreven hebt,
-antwoordde Paul met een droevigen glimlach.--Ik geloof, dat Bazarof
-gelijk had, mij een aristocraat te noemen. Ja broeder, het wordt
-tijd, dat we eens ophouden, te handelen met het oog op de wereld. Wij
-zijn oud en het leven heeft ons bescheiden gemaakt. Laten we al die
-dwaasheden afwerpen, laten we onzen plicht doen en dan is het niet
-onwaarschijnlijk, dat we het geluk dan op den koop toe krijgen!
-
-Kirsanof omarmde zijn broeder.
-
---Je hebt me de oogen geopend, riep hij uit.--Ik heb je altijd
-beschouwd als een goed verstandig man. Ik zie nu dat je ook wijs en
-grootmoedig bent.
-
---Stil, stil, antwoordde Paul Petrotwitsj.--pas op voor het been van
-je grootmoedigen broeder, die met zijn vijftig jaar nog geduelleerd
-heeft als een tweede luitenant. Dus afgesproken. Fenitsjka wordt
-mijn belle-soeur!
-
---Paul, Paul... wat zal Arkadiej zeggen?
-
---Arkadiej zal gelukkig zijn, wees daar zeker van. Het huwelijk is
-wel tegen zijn principes, maar zijn gelijkheidsgevoel zal gevleid
-worden. En wat beteekenen al die verschillen ook, die standen in de
-negentiende eeuw!
-
---Och Paul, laat mij je nog eens omhelzen, wees maar niet bang,
-ik zal je been niet bezeeren!
-
-De broeders omhelsden elkaar.
-
---Zullen we haar je besluit dadelijk meedeelen? vroeg Paul Petrowitsj.
-
---Waarom zoo een haast? Heb je hierover gesproken?
-
---Gesproken? Quelle idée!
-
---Des te beter. Eerst gezond worden. Het loopt zoo een vaart
-niet. Eerst rijpelijk overleggen...
-
---Maar je bent toch besloten?
-
---Zeker, en ik dank je, dat jij me zoover hebt gebracht. Ik laat je
-nu alleen. Je moet gaan liggen. Al die opwinding zal je geen goed
-doen. We spreken er nog over. Probeer nu te slapen, en dan word je
-gauw weer gezond...
-
-Waarom die dank? dacht Paul, toen hij alleen was... het hangt toch
-alleen van hem af. En als hij getrouwd is, ga ik hier vandaan, naar
-Dresden of Florence en daar leven, tot ik krepeer...
-
-
-
-Paul sprenkelde eau de cologne op zijn voorhoofd en sloot de oogen. In
-het helle daglicht, dat de kamer binnenviel, leek zijn fijn, mager
-gezicht op het gipsen afgietsel naar een doode.
-
-En hij was ook werkelijk een doode...
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-
-Katja en Arkadiej zaten in den tuin van Nikolskoi op een bank in de
-schaduw van een ouden eschdoorn. Fifi lag naast hen op den grond, in
-die bekoorlijke houding van zijn slanke lichaam, welke de Russische
-jagers in herinnering aan de grijze waternimf Roesaatsja noemen.
-
-Arkadiej en Katja zwegen. Hij hield een boek in de hand, half toe
-geslagen, zij zocht broodkruimpjes uit haar mandje en strooide ze
-voor een groepje musschen, die met de hun eigen durf tjilpend tot
-aan haar voeten genaderd waren.
-
-Een zacht koeltje speelde met de bladeren der boomen, zoodat er gouden
-vlekken zonlicht door de laan en over Fifi's rug vielen, terwijl de
-beide jonge menschen in schaduw bleven. Zelden slechts kwam er een
-lichtstreep, als een vlam over de haren van het meisje.
-
-Zij zwegen, maar de wijze waarop zij zwegen, de een naast den ander,
-beefde van innige harmonie. Zij letten schijnbaar niet op elkaar
-en toch was het duidelijk, hoe gelukkig zij met elkanders bijzijn
-waren. Zelfs in hun gezicht was verandering gekomen, sedert wij hen
-verlieten. Arkadiej was rustiger, Katja meer levend en warmer.
-
---Vindt u niet, dat jasen een symbolische naam is? Ik ken geen boom,
-die zoo licht en luchtig is. [13]
-
-Katja keek traag naar boven en antwoordde.
-
---Ja.
-
-En Arkadiej dacht: ze vindt het ten minste niet erg, als ik poëtisch
-word.
-
-Katja keek naar het boek van Arkadiej:
-
---Ik houd niet van Heine, zei ze, niet wanneer hij lacht en niet
-wanneer hij weent. Ik houd van hem, als hij droevig en droomerig is.
-
---En ik houd van hem, als hij lacht, zei Arkadiej.
-
---Dat is een overblijfsel van den satirischen kant van uw geest.
-
-Een overblijfsel, dacht hij, dat moest Bazarof eens hooren...
-
---Wacht maar, we zullen u wel veranderen!
-
---Wie? U?
-
---Ja, mijn zuster, Porphirij Platonitsj, met wien u al niet meer
-kibbelt, mijn tante, die u eergisteren naar de kerk geleidde.
-
---Dat kon ik niet weigeren. En Anna Sergejevna is het in veel opzichten
-eens met Eugenij, zooals u weet.
-
---Mijn zuster stond onder zijn invloed, net als u.
-
---Net als ik? Hebt u dan gemerkt, dat ik over dien invloed heen ben?
-
-Katja antwoordde niet.
-
---Ik weet, ging hij voort, dat u nooit van hem gehouden hebt.
-
---Ik heb geen oordeel over hem.
-
---Ja, ziet u, Katharina Sergejevna, zoo dikwijls ik u dat hoor zeggen,
-geloof ik u niet. Ik vind, dat niemand boven onze oordeelsmacht uit
-gaat. Dat is eenvoudig een uitvlucht.
-
---Nu ja, ik geef toe, dat ik hem niet bepaald onaangenaam vind,
-maar wij hooren tot twee heel verschillende werelden en ook u hoort
-feitelijk niet bij hem.
-
---Waarom?
-
---Hoe zal ik zeggen... hij is een roofdier, ruw, wild, en u en ik,
-wij zijn getemd.
-
---Ben ik ook getemd?
-
-Katja knikte van ja.
-
-Arkadiej krabde zich achter het oor.
-
---Weet u wel, dat dat een beetje beleedigend is, wat u daar zegt,
-Katharina Sergejevna?
-
---Zou u liever een roofdier willen zijn?
-
---Dat niet, maar ik wil sterk en flink zijn.
-
---Dat hangt niet van ons zelf af. Uw vriend wil het niet zijn, en
-toch is hij het.
-
--- U denkt dus, dat hij grooten invloed heeft op Anna Sergejevna?
-
---Ja, maar niemand houdt dat lang vol, zei ze zacht.
-
---Hoe weet u dat?
-
---Ze is erg trotsch... of neen, dat bedoel ik niet. Maar ze wil
-volstrekt onafhankelijk zijn.
-
---Dat willen we allemaal, antwoordde Arkadiej, maar hij dacht:
-Waartoe? En Katja dacht hetzelfde. Als jonge menschen veel met elkaar
-omgaan, beginnen zij veelal dezelfde gedachten te hebben op dezelfde
-oogenblikken.
-
-Arkadiej glimlachte en zei:
-
---Geeft u toe, dat u een beetje bang voor haar bent?
-
---Voor wie?
-
---Nu... voor haar, antwoordde Arkadiej met een blik van
-verstandhouding.
-
---En u? vroeg Katja.
-
---Ik ook. Let wel, wat ik zeg: ik ook.
-
-Katja dreigde met den vinger.
-
---Dat vind ik vreemd. Mijn zuster was nooit zoo aardig tegen u,
-als de laatste dagen. Dat was bij uw eerste bezoek heel anders.
-
---Vindt u?
-
---Hebt u het dan niet gemerkt? Vindt u dat niet prettig?
-
-Arkadiej begon te denken: Waaraan heb ik die welwillendheid
-verdiend? Omdat ik haar brieven heb meegebracht van haar moeder?
-
---En daar zijn wel gronden voor, maar die zeg ik niet...
-
---Waarom niet? vroeg hij.
-
---Ik zeg ze niet.
-
---O, ik weet wel, dat u stijfhoofdig bent.
-
---Stijfhoofdig, ja, dat is waar.
-
---En u kijkt nog al scherp uit uw oogen.
-
-Katja keek hem van terzijde aan.
-
---Bent u ergens boos over? Waar denkt u aan?
-
---Ik vraag me af, hoe u aan dat observeeringstalent komt. U bent zoo
-teruggetrokken, zoo wantrouwig... U gaat iedereen uit den weg.
-
---Ik ben veel alleen geweest. Dan gaan we nadenken over ons zelf,
-tegen onzen wil. Maar u zegt, dat ik iedereen ontvlucht. Hebt u het
-recht, dat te zeggen?
-
-Arkadiej zag haar dankbaar aan.
-
---U hebt gelijk, antwoordde hij, maar menschen in uw positie, rijke
-menschen, bestudeeren hun omgeving zelden scherp. Door toeval komen
-ze soms achter de waarheid, evenals gekroonde hoofden.
-
---Maar ik ben niet rijk.
-
-Arkadiej keek haar verwonderd aan en begreep eerst niet... 't is waar,
-dacht hij, het vermogen is van haar zuster... en die gedachte was
-haar bizonder aangenaam.
-
---Wat hebt u dat goed gezegd, zei hij.
-
---Hoe bedoelt u?
-
---U hebt dat gezegd zonder gemaakte eenvoudigheid, zonder valsche
-schaamte en onechtheid. Ik geloof, dat ieder, die het weet en er voor
-uitkomt, dat hij arm is, een zekeren trots moet voelen.
-
---Ik heb niets van dien aard gevoeld. Dank zij mijn zuster. Hoe zijn
-we zoo opeens over mijn financieelen toestand komen spreken?
-
---Nu goed. Maar u zult toch toegeven, dat het gevoel in kwestie,
-dat trots u niet geheel vreemd is.
-
---Hoe zoo?
-
---Zou u bij voorbeeld ertoe kunnen komen, ik hoop, dat mijn vraag u
-niet beleedigt, een rijken man te trouwen?
-
---Als ik veel van hem hield... maar neen, ik geloof, dat ik hem ook
-in dat geval niet zou willen.
-
---Ziet u! riep Arkadiej, en waarom niet, als ik vragen mag?
-
---Omdat zelfs de volksliederen een ongelijk huwelijk ontraden.
-
---U wilt misschien heerschen en...
-
---Och neen, waarom? Ik wil zelfs graag gehoorzamen. Maar ongelijkheid
-schijnt mij onverdragelijk. Achting voor zich zelf en gehoorzaamheid,
-dat begrijp ik, dat kan een geluk zijn. Maar ongelijkheid,
-onderworpenheid, dat niet.
-
---Dat niet, antwoordde Arkadiej, u hebt niet voor niets hetzelfde
-bloed in de aderen als Anna Sergejevna. U hebt denzelfden
-onafhankelijkheidszin, maar weet u beter te verbergen. Ik ben
-overtuigd, dat u nooit het eerst een liefde bekennen zoudt, hoe
-machtig en heilig die ook was.
-
---Dat spreekt toch van zelf, zei Katja.
-
---U bent ook niet van verstand ontbloot, zooals men dat noemt. En u
-hebt minstens evenveel karakter als uw zuster.
-
---Vergelijkt u me niet met mijn zuster, haastte Katja zich te
-antwoorden,--zij heeft zooveel voor boven mij. Zij heeft alles,
-schoonheid, geest,... en u moest dat vooral niet zeggen, Arkadiej
-Nikolajitsj, en dan nog wel op zoo ernstigen toon.
-
---Wat bedoelt u met dat: U vooral niet? En waarom zou ik niet ernstig
-spreken?
-
---U spreekt niet in ernst.
-
---Denkt u? En als ik nu eens heel zeker was van wat ik zei, als ik
-nu eens nog heel veel meer ging zeggen?
-
---Ik begrijp u niet...
-
---Heusch niet? Dan heb ik uw observatietalent te hoog geschat.
-
---Hoezoo?
-
-Arkadiej antwoordde niet en keek een anderen kant uit. Katja vond
-nog wat kruimels voor haar musschen. Maar ze zwaaide te heftig met
-haar arm en de vogeltjes vlogen op.
-
---Katharina Sergejevna, begon Arkadiej weer,--het zal u wel
-onverschillig zijn, maar ik moet u zeggen, dat ik u niet alleen boven
-uw zuster stel, maar boven ieder op deze wereld...
-
-Toen stond hij plotseling op en liep weg, alsof hij van zijn woorden
-geschrokken was.
-
-Katja liet de handen in haar schoot vallen, boog wat voorover en
-keek Arkadiej na. Een lichte blos kleurde haar wangen, maar haar mond
-glimlachte niet en in haar blik was verwondering. Het was duidelijk,
-dat er een gevoel in haar leefde, dat zij nog niet gekend had.
-
-
-
---Ben je alleen? vroeg mevrouw Odintsof, ik dacht dat Arkadiej met
-je mee was gegaan.
-
-Katja keek haar zuster aan, die smaakvol, elegant gekleed, in de
-laan stond tegenover haar en met de punt van haar parasol Fifi's
-oor aantipte.
-
---Ja, alleen, antwoordde Katja.
-
---Dat zie ik, lachte haar zuster terug.--Hij is zeker naar zijn kamer.
-
---Ja.
-
---Heb jullie samen gelezen?
-
---Ja.
-
-Mevrouw Odintsof nam Katja bij den kin en hief haar hoofd tot zich.
-
---Heb jullie gekibbeld?
-
---Neen, antwoordde Katja en maakte zich zacht los van de hand der
-zuster.
-
---Wat spreek je ernstig. Ik dacht hem hier te vinden en wilde
-een wandeling voorstellen. Die ben ik hem al zoo lang schuldig. Je
-schoentjes zijn gekomen. Moet je ze niet eens passen? Ik heb gezien,
-dat je ze noodig hebt. De schoenen, die je daar aan hebt, zijn op. Ik
-vind, dat je nog al slordig bent in dat opzicht en toch heb je een
-mooi gebouwden voet. Je hand is ook mooi, maar wel wat groot. En daarom
-moest je meer werk maken van je schoeisel. Je bent niet erg koket.
-
-Mevrouw Odintsof verwijderde zich en haar fijn morgenkleed ruischte
-om haar heen.
-
-Katja stond op, nam het boek (Heine) en wandelde huiswaarts. Maar ze
-paste haar schoentjes niet.
-
---Een mooie voet... dacht ze en ging langzaam de treden van het bordes
-op, die door de zon warm geworden waren,... hij zal wel gauw aan die
-mooie voeten liggen...
-
-Tegelijk kwam er een gevoel van schaamte in haar en ze liep vlug
-in huis.
-
-Arkadiej ging naar zijn kamer. De hofmeester kwam hem achterop en
-deelde mee, dat Bazarof op hem wachtte.
-
---Jevgenij! riep hij verschrikt--is mijnheer al lang hier?
-
---Op het oogenblik. Maar hij wilde niet bij Anna Sergejevna aangediend
-worden en liet zich onmiddellijk naar uw kamer brengen.
-
---Zou er een ongeluk gebeurd zijn thuis? dacht hij, ging haastig de
-trap op en gooide zijn deur open.
-
-Zoodra hij Bazarof zag, was hij gerust gesteld, al zou een meer
-geoefend oog de innerlijke onrust op het open-flinke, maar wel wat
-aangedane gezicht van zijn vriend niet zijn ontgaan.
-
-Hij zat in de vensterbank, de stoffige mantel om, de pet op. Hij bleef
-onbewegelijk zitten, zelfs toen Arkadiej hem om den hals viel en een
-uitroep van vreugde niet kon onderdrukken.
-
---Dat is een verrassing! Hoe komt dat zoo? riep hij uit en liep heen
-en weer door de kamer, als iemand, die wil bewijzen, dat hij in de
-wolken is.--Hoe staat het thuis? Is alles goed, iedereen gezond?
-
---Alles is goed, maar niet iedereen is gezond, antwoordde
-Bazarof.--Houd nu eens je gemak en bezorg me een glas kwas, ga zitten
-en luister, wat ik je zoo kort mogelijk, maar naar ik hoop, duidelijk,
-heb te vertellen.
-
-Arkadiej ging zitten en Bazarof vertelde hem de geschiedenis van
-het duel met Paul Petrowitsj. Het ontstemde Arkadiej nog al, maar
-dat wilde hij niet laten blijken. Hij vroeg alleen, of de wond van
-zijn oom niet gevaarlijk was en toen Bazarof antwoordde, dat ze wel
-belangwekkend was, maar niet van medisch standpunt, glimlachte hij
-gedwongen, en voelde eenige schaamte en schrik.
-
-Bazarof scheen wel te begrijpen, wat er omging in zijn vriend.
-
---Ja, zoo is het, zei hij, als je onder een adellijk dak
-woont. Je neemt zelfs die middeleeuwsche gewoonten aan en wordt
-een vechtersbaas. Ik ga weer naar mijn oudjes, maar wilde jou die
-geschiedenis eerst even komen biechten... zou ik kunnen zeggen,
-maar dat zou een leugen en dus een dwaasheid zijn... Ik ben gekomen,
-nu ja, de duivel weet waarom! Het is soms wel goed, je zelf bij de
-keel te pakken en er uit te smijten. Dat heb ik gedaan. En nu wilde
-ik voor het laatst nog eens de plaats zien, waar ik zoo een beetje
-wortel begon te schieten.
-
---Ik hoop, dat die woorden geen betrekking hebben op mij, vroeg
-Arkadiej,--en dat je niet van plan bent, ook van mij afscheid te nemen.
-
-Bazarof keek hem vast en doordringend aan.
-
---Zeg, zou je dat waarachtig wat kunnen schelen? Het wil me zoo
-voorkomen, alsof jij al van mij afscheid genomen hebt. Je ziet er zoo
-goed verzorgd uit... ik geloof, dat het zaakje met Anna Sergejevna
-hier aardig loopt.
-
---Welk zaakje?
-
---Ben je niet om haar de stad uitgegaan, kameraad? Apropos, hoe staat
-het daar met de Zondagscholen? Wilde je soms ontkennen, dat je verliefd
-bent? Of heb je de periode van de eerbaarheid al bereikt?
-
---Jevgenij, je weet dat ik altijd eerlijk met je geweest ben. Ik
-bezweer je en God is mijn getuige, dat je je vergist.
-
---Hm. God als getuige... dat is een nieuwe uitdrukking, zei Bazarof
-zachter.--Waarom vat je de zaak zoo gewichtig op? Het is mij absoluut
-onverschillig. Een romanticus zou zeggen: ik voel, dat onze wegen
-hier uiteen gaan. Ik voor mij, zeg alleen maar, dat we genoeg van
-elkaar hebben.
-
---Jevgenij...
-
---Dat is zoo erg niet, kerel.--Men krijgt nog wel genoeg van
-andere dingen in het leven. Het is nu een goed oogenblik
-van elkaar te gaan. Zoolang ik hier ben, voel ik me zoo
-verschrikkelijk-gebroken-van-hart, alsof ik me had volgestopt met
-Gogols brieven aan mevrouw de goeverneursvrouw van Kaloega. Ik heb
-de paarden niet eens laten uitspannen.
-
---Wat denk je wel? Dat gaat zoo niet!
-
---Waarom niet?
-
---Afgezien van mij, zou mevrouw Odintsof het erg kwalijk nemen als
-je zoo weer weg ging. Ik weet zeker, dat ze je wil spreken.
-
---Wat dat aangaat, zul je je wel vergissen.
-
---Ik weet zeker, dat het zoo is, waarom die leugens? Ben je om haar
-gekomen, nu we toch over dit onderwerp spreken?
-
---Misschien. Maar je hebt het toch mis.
-
-Arkadiej had echter gelijk. Mevrouw Odintsof liet hem roepen door den
-hofmeester. Bazarof verkleedde zich voor dit bezoek. Zijn nieuwe rok
-lag boven in den koffer, zoodat hij gemakkelijk genomen kon worden,
-zonder iets in wanorde te brengen.
-
-Mevrouw Odintsof ontving Bazarof niet in de kamer, waar hij haar zijn
-liefde had verklaard, maar in den salon. Ze reikte hem hartelijk haar
-vingertoppen, maar had toch iets gedwongens in haar gezicht.
-
---Anna Sergejevna, haastte Bazarof zich te zeggen, in de eerste plaats
-moet ik u gerust stellen. U ziet een mensch voor u, die weer geheel
-tot zich zelf is gekomen en die hoopt, dat anderen zijn misslagen
-vergeten hebben. Ik ga op reis voor langen tijd, en al ben ik niet
-sentimenteel, zooals u wel weet, zou het mij toch onaangenaam zijn,
-te denken, dat u een slechte herinnering...
-
-Mevrouw Odintsof ademde diep-op, als iemand, die eindelijk den top
-van een berg heeft bereikt en een lichte glimlach speelde om haar
-mond. Ze reikte Bazarof nogmaals de hand, en toen hij die hand drukte,
-beantwoordde ze dien druk.
-
---Kto staroë vspomanjèt, tamoë glas won [14]! zei ze,--te meer,
-daar ik ook niet geheel zonder schuld ben. Ook ik heb gezondigd, zoo
-niet uit behaagzucht, dan toch om andere redenen. We zullen vrienden
-blijven, dat alles was maar een droom en wie hecht blijvende waarde
-aan een droom?
-
---Niemand. Buitendien is de liefde een onecht gevoel.
-
---Denkt u? Het doet me genoegen dat te hooren.
-
-Zoo sprak mevrouw Odintsof, zoo sprak van zijn zijde Bazarof. Ze
-geloofden beiden, dat ze oprecht waren.
-
-In hoeverre waren ze het inderdaad? Dat wisten ze zelf niet en de
-auteur kan het evenmin verklaren. Maar het gesprek nam een keer,
-die bewees, dat ze elkander hun volle vertrouwen wilden schenken.
-
-Mevrouw Odintsof vroeg Bazarof, wat hij bij de Kirsanofs had
-gedaan. Hij stond op het punt, van zijn duel met Paul Petrowitsj te
-spreken. Maar hij liet zich weerhouden door de gedachte, dat ze zou
-kunnen denken: hij maakt zich interessant ... en daarom antwoordde hij,
-dat hij gewerkt had.
-
---En ik, antwoordde mevrouw Odintsof, ik wist met mijn tijd geen raad
-en was al van plan, op reis te gaan. Stel u voor. Maar langzamerhand
-is het beter geworden. Uw vriend Arkadiej kwam en ik voel me weer in
-het rechte spoor, in mijn eigenlijke rol.
-
---Wat voor een rol, als ik vragen mag?
-
---De rol van tante, goevernante, moeder, hoe u het noemen wilt.--Weet
-u wel, dat ik langen tijd, uw intieme vriendschap met Arkadiej niet
-begrepen heb? Ik vond hem niet erg belangrijk. Maar ik heb hem leeren
-kennen en ik ben overtuigd, dat hij zeer intelligent is... en bovenal
-heel jong, heel jong, dat kunnen wij van ons niet zeggen, Jevgenij
-Wassiljewitsj.
-
---Is hij nog altijd zoo bang voor u? vroeg Bazarof.
-
---Was hij dan?... begon Mevrouw Odintsof, maar viel zich zelf in de
-rede en ging voort:
-
---Hij is veel gezelliger geworden en praat graag met me. Vroeger hield
-hij zich altijd op een afstand. Trouwens ik moet bekennen, dat ik zijn
-gezelschap ook niet zocht. Katja en hij zijn goede vrienden geworden,
-
-Bazarof werd ongeduldig, hij dacht: die vrouw kan het huichelen
-niet laten.
-
---U zegt, dat hij u gemeden heeft, antwoordde hij met een killen
-glimlach, maar de schuchtere liefde, die u hem inboezemde, zal nu
-toch wel geen geheim meer voor u zijn!
-
---Wat? Hij ook! riep Mevrouw Odintsof onwillekeurig.
-
---Ja, hij ook, herhaalde Bazarof met een eerbiedige buiging. Is het
-mogelijk, dat u het niet gemerkt heeft, en ben ik de eerste, die u
-dat nieuws meedeel?
-
-Mevrouw Odintsof sloeg de oogen neer.
-
---U vergist u, zei ze.
-
---Ik geloof het niet, maar ik had misschien moeten zwijgen.
-
-Hij dacht echter: dat zal je leeren huichelen...
-
---Waarom zou u daarover niet gesproken hebben? Ik geloof, dat u
-te veel waarde hecht aan een voorbijgaande gevoeligheid. Ik begin,
-te vermoeden, dat u van overdrijven houdt.
-
---Laat ons over iets anders spreken, mevrouw.
-
---Waarom? vroeg deze, maar deed meteen, wat haar gevraagd was.
-
-Ze voelde zich onzeker, onbehagelijk tegenover Bazarof, al had ze
-zich ook ingepraat, dat alles vergeten was, zooals ze hem zeide. Bij
-het meest onbeduidende woord dat gewisseld werd, zelfs grapjes, kon
-ze een gevoel van angst niet onderdrukken. Zoo gaat het op een schip
-in volle zee, wanneer de reizigers onbezorgd keuvelen en lachen,
-maar bij de geringste onregelmatigheid, bij iets onverwachts of
-vreemds teekent zich op aller gezicht een zekere onrust, gevolg van
-het bewustzijn van een voortdurend gevaar.
-
-Mevrouw Odintsof en Bazarof spraken niet lang meer samen. Anna
-Sergejevna werd meer en meer ernstig, antwoordde verstrooid, onzeker,
-en vroeg hem ten slotte, naar het aangrenzende vertrek te gaan,
-waar zij de tante en Katja aantroffen.
-
---Waar is Arkadiej Nikolajitsj? vroeg mevrouw Odintsof. Toen ze hoorde
-dat hij al een uur weg was, liet ze hem roepen.
-
-Na lang zoeken overal, vonden ze hem in den tuin op een afgelegen
-bank, de kin op de hand gesteund en verzonken in diep gepeins. Zijn
-gedachten waren ernstig, maar niet droevig.
-
-Hij wist, dat mevrouw Odintsof alleen met Bazarof was, maar gevoelde
-geen spoor van naijver. Hij zag er opgewekt uit en scheen besloten,
-iets te doen, dat hem verheugde en verwonderde tegelijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-
-De overleden echtgenoot van mevrouw Odintsof was geen vriend van
-nieuwigheden geweest, echter altijd bereid gevolg te geven aan de
-"wijze ingevingen van een gelouterden smaak" en daarom had hij in
-den tuin tusschen de oranjerie en den vijver een soort grieksche
-zuilengalerij van russischen steen laten zetten. De achtermuur van
-dit bouwwerk had zes nissen voor standbeelden, die de heer Odintsof
-uit het buitenland wilde laten komen. Die standbeelden, zouden de
-Eenzaamheid, het Zwijgen, het Peinzen, de Zwaarmoedigheid, de Schaamte
-en de Fijngevoeligheid verbeelden. Eén, de Godin van het Zwijgen, een
-vinger op de lippen, was aangekomen en opgesteld. Maar den eersten dag
-al gooiden jongens haar de neus af en ofschoon een huisschilder op zich
-durfde nemen, haar een "tweemaal zoo mooie neus" terug te geven, had de
-heer Odintsof het beeld laten wegnemen. Het stond in den hoek van een
-dorschvloer tot groote en voortdurende ontsteltenis van bijgeloovige
-boerinnen. Sedert jaren was dicht struikgewas aan de voorzijde der
-galerij opgeschoten. Alleen de kapiteelen der zuilen staken daar
-boven uit. Het was er altijd koel, zelfs op het heetst van den dag.
-
-Anna Sergejevna hield niet van de galerij, sedert ze er eens een
-adder had aangetroffen. Katja kwam er dikwijls zitten op de groote
-steenen bank in éen der nissen. In de koele, donkere stilte las of
-werkte ze of gaf zich over aan het teedere gevoel, dat de geluidlooze
-eenzaamheid in ons wekt, een gevoel, dat ieder kent, omdat het een
-vreemde en diepe bekoring heeft, te luisteren naar het machtige
-levensgolven om ons heen en binnen ons, altijd door...
-
-De morgen, na Bazarofs komst, zat Katja op haar lievelingsplekje en
-Arkadiej weer naast haar. Ze had er in toegestemd met hem naar de
-zuilengalerij te gaan.
-
-Het was nog een uur vóor het ontbijt, de koelheid van den morgen was
-nog niet verjaagd door de heete middagzon.
-
-Arkadiej's gezicht had dezelfde uitdrukking als den vorigen dag. Katja
-scheen onzeker. Haar zuster had haar na de thee apart geroepen en
-haar na eenige liefkoozingen, die haar altijd een beetje ongerust
-maakten, aangeraden, wat voorzichtiger te zijn in haar houding
-tegenover Arkadiej en vooral niet te veel met hem alleen te blijven,
-want die veelvuldige gesprekken begonnen tante en de bedienden op te
-vallen. Buitendien was Anna Sergejevna niet in haar humeur geweest
-en Katja had een gevoel, of ze zich iets te verwijten had. Ze had
-dan ook besloten, dat dit de laatste samenkomst zou zijn.
-
---Katharina Sergejevna, zei Arkadiej opeens met een niet te beschrijven
-vermenging van durf en onzekerheid; sedert ik het geluk heb, onder
-één dak met u te wonen, hebben we al over allerlei dingen gesproken,
-maar één kwestie toch onaangeroerd gelaten. Een kwestie, die voor mij
-van groot gewicht is. U hebt gisteren gehoord, dat ik veranderd ben
-(den vragenden blik van Katja zocht en ontweek hij tegelijkertijd). Ik
-ben ook werkelijk veranderd in allerlei opzichten en u weet beter,
-dan iemand anders, aan wie ik vooral die verandering te danken heb.
-
---Ik... U... antwoordde ze.
-
---Ik ben niet meer die bescheiden jongen, die ik was, toen ik hier
-kwam. Ik heb niet voor niets mijn drie en twintigste jaar achter me. Ik
-hoop nog altijd, iets nuttigs te doen voor de maatschappij en al mijn
-kracht te wijden aan de... aan de overwinning van de waarheid. Maar
-ik zoek mijn ideaal niet meer, waar ik het vroeger zocht. Het ligt
-geloof ik veel dichter bij. Vroeger begreep ik mijzelf niet, ik hield
-me bezig met problemen, die boven mijn kracht lagen. Eindelijk zijn
-me de oogen opengegaan. Door mijn gevoel... ik druk me misschien niet
-duidelijk uit, maar ik hoop, dat u mij begrijpt.
-
-Katja antwoordde niet en keek Arkadiej niet meer aan.
-
---Ik geloof, dat het de plicht is van een eerlijk man, ging hij
-opgewonden voort--en boven zijn hoofd in de takken van een berkeboom
-zong een vink zijn zorgeloos lied,--open en vrijmoedig te zijn
-tegenover hen, die... die hem dierbaar zijn... en daarom ben ik
-besloten...
-
-Nu liet zijn welsprekendheid hem in den steek. Hij struikelde over
-zijn zinnen, verloor zijn gedachtegang en moest ophouden. Katja bleef
-zitten en keek naar den grond. Ze begreep niet, waar hij heen wilde
-en toch scheen ze iets te verwachten.
-
---Ik zie wel, dat ik u zal verrassen, ging hij voort, toen
-hij zijn gedachten weer geordend had.--Vooral, omdat dat gevoel
-eenigszins,... wel te verstaan... betrekking heeft... op u. Ik meen
-me te herinneren, dat u mij gisteren gebrek aan ernst verweten hebt...
-
-Hij sprak met het gezicht van een man, die in een moeras geraakt,
-voelt dat hij met iedere beweging dieper wegzakt en toch maar vooruit
-gaat in de hoop, er weldra doorheen te zijn.
-
---Dit verwijt treft jonge menschen dikwijls, zelfs dan, wanneer ze
-het niet verdienen... en indien ik meer zelfvertrouwen had...
-
-Help me dan toch, help me toch, dacht Arkadiej in zijn wanhoop. Maar
-Katja bleef roerloos zitten.
-
---En als ik mocht hopen...
-
---Als ik uw woorden gelooven kan, hoorden zij mevrouw Odintsof
-plotseling zeggen met kalme, heldere stem.
-
-Arkadiej zweeg plotseling en Katja werd bleek.
-
-Een smal laantje voerde vlak langs de zuilengalerij door het
-kreupelhout heen. Mevrouw Odintsof had dit ingeslagen met Bazarof. Ze
-was onzichtbaar voor Katja en Arkadiej. Des te duidelijker echter
-hoorden ze haar stem en zelfs haar adem. De wandelaars deden nog eenige
-stappen en bleven toen, als met opzet, vlak voor de galerij staan.
-
---Ziet u, ging mevrouw Odintsof voort,--wij hebben ons vergist
-allebei... Wij zijn niet meer in onze eerste jeugd, ik het
-minst. Wij hebben geleefd. We zijn moe, we zijn, waarom zal ik het
-niet zeggen, allebei ervaren, we hebben elkaar belang ingeboezemd,
-onze nieuwsgierigheid werd geprikkeld, en toen...
-
---Toen ben ik een ezel geweest, viel Bazarof in de rede.
-
---U weet, dat dat niet de oorzaak was van onze breuk. Dit staat vast,
-dat we elkaar niet noodig hadden. Wij hadden te veel, hoe zal ik
-zeggen, te veel punten van overeenkomst. We zijn geestelijk te nauw
-verwant. Dat zagen we niet dadelijk in. Terwijl Arkadiej...
-
---Hem had u wel noodig? vroeg Bazarof.
-
---Stil, Jevgenij Wassiljewitsj. U beweert, dat ik hem niet
-onverschillig was en ik dacht ook inderdaad, dat hij voor mij
-voelde. Ik weet, dat ik zijn tante kan zijn, maar ik wil bekennen,
-dat ik sedert eenigen tijd nog al eens aan hem denk. Zijn jeugd en
-zijn natuurlijkheid hebben een zekere aantrekkelijkheid voor mij.
-
---Een zekere tooverkracht. Dat is het woord, dat men in zulke gevallen
-gebruikt, antwoordde Bazarof met rustige, doffe stem, waarin even
-opkomende wrevel trilde.--Gisteren deed hij nog, of hij van niets
-wist. Hij sprak noch van u, noch van uw zuster. Dat is een ernstig
-symptoom.
-
---Hij is als een broer met Katja, zei mevrouw Odintsof,--en dat vind
-ik prettig, al moest ik dergelijke vertrouwelijkheid niet zoo maar
-goed vinden.
-
---Is het de zuster, die op het oogenblik in u spreekt? vroeg Bazarof
-langzaam.
-
---Zeker wel, maar waarom blijven we staan? Laten we doorloopen. Wat
-een merkwaardig gesprek voeren we daar. Ik had nooit gedacht, dat ik
-u zoo iets zou kunnen zeggen. U weet, dat ik een groot vertrouwen in
-u heb, al ben ik ook een beetje bang voor u, want ik ben overtuigd,
-dat u eigenlijk een goed mensch bent.
-
---In de eerste plaats ben ik heelemaal niet goed, in de tweede plaats
-ben ik niets meer voor u, en toch zegt u, dat ik goed ben. Dat is
-als een krans van bloemen om het hoofd van een doode.
-
---Jevgenij Wassiljewitsj, we zijn niet... antwoordde ze.
-
-Op dit oogenblik werden de woorden door een windvlaag verstrooid.
-
---Maar u bent toch vrij? klonk even daarop de stem van Bazarof. Meer
-was er niet te verstaan van hun gesprek. Hun stappen verloren zich
-meer en meer en het werd weer stil.
-
-Arkadiej keek naar Katja, ze zat nog in dezelfde houding. Alleen het
-hoofd was nog wat meer voorover gebogen.
-
---Katharina Sergejevna, zei hij met trillende stem en gevouwen
-handen,--ik heb je lief hartstochtelijk, zooals ik het leven lief
-heb. En niemand anders op aarde heb ik lief. Jou alleen. Dat wilde ik
-je bekennen, en als het antwoord gunstig zou zijn, wilde ik vragen,
-of je mijn vrouw... Ik ben niet rijk en tot elk offer bereid... U
-antwoordt niet? Gelooft u me niet? Denkt u, dat ik zoo maar wat
-zeg? Maar herinner je toch deze laatste dagen. Kun je denken, dat
-iets van dat alles, het minste, spoorloos verdwijnen kan? Kijk me
-toch aan... zeg één woord, één woord... ik heb je lief... ik heb je
-lief... geloof me toch.
-
-Katja keek hem ernstig en klaar in de oogen, bezon zich lang en zei
-toen met heel-vagen glimlach:
-
---Ja.
-
-Arkadiej sprong op.
-
---Ja. Je hebt ja gezegd, Katharina Sergejevna. Wat beteekent dat
-woord? Beteekent dat, dat je gelooft aan de oprechtheid van mijn
-woorden of... of... ik kan het niet uitspreken...
-
---Ja! antwoordde ze.
-
-En ditmaal begreep hij haar.
-
-Hij nam haar groote, mooie handen en drukte ze aan zijn borst, wist
-niet meer van vreugde, dronken, stamelde hij maar:
-
---Katja, Katja...
-
-Zij begon te schreien en lachte onder haar tranen door.
-
-Wie die tranen in de oogen van een geliefde vrouw niet heeft gezien,
-begrijpt niet, hoe zalig het van dankbaarheid en liefde verlangen
-dronken mannenhart kan zijn.
-
-
-
-Den volgenden morgen liet mevrouw Odintsof Bazarof roepen en toonde
-hem met gedwongen glimlach een brief. Het was de brief, waarin Arkadiej
-om de hand van Katharina vroeg.
-
-Bazarof las haastig en moest een opwelling van leedvermaak met moeite
-onderdrukken.
-
---Prachtig! zei hij.--U beweerde gisteren immers, dat hij broederlijke
-genegenheid voor haar koesterde! Wat denkt u te antwoorden?
-
---Wat raadt u mij? vroeg mevrouw Odintsof en bleef glimlachen.
-
---Ik vind, antwoordde hij, ook lachend en met minder moeite dan
-zij,--dat u uw zegen moet geven. Het is een goede partij. Het vermogen
-van de Kirsanofs is vrij belangrijk. Arkadiej is eenige zoon en de
-vader een braaf man, die geen moeilijkheden in den weg zal leggen.
-
-Mevrouw Odintsof liep op en neer. Ze werd afwisselend rood en bleek.
-
---Vindt u? Ook ik zie geen moeilijkheden. Het doet me genoegen voor
-Katja en Arkadiej Nikolajewitsj. Ik zal natuurlijk eerst de toestemming
-van zijn vader, afwachten. Die mag hij zelf gaan halen. Maar dit
-alles bewijst, dat ik gelijk had, toen ik gisteren zei, dat wij
-oud worden, u en ik... En dat ik zoo volstrekt niets heb gemerkt,
-ik moest me schamen!
-
-Mevrouw Odintsof begon te lachen en keerde zich af.
-
---De hedendaagsche jeugd is bizonder slim, zei Bazarof.
-
---Vaarwel, vervolgde hij na een oogenblik zwijgen.--Ik hoop, dat u
-de geheele zaak tot een bevredigend einde zult weten te leiden en
-zal mij daarover verheugen... uit de verte.
-
-Mevrouw Odintsof keek hem opeens aan.
-
---Wilt u op reis gaan? Waarom wilt u nu niet blijven? U moet
-blijven. Het is zoo aangenaam, met u te praten. 't Is, of men langs
-den rand van een afgrond wandelt... Eerst is men bang, maar dan komt
-een stoutmoedigheid over ons, die ons zelf verbaast. U moet blijven!
-
---Ik weet uw uitnoodiging te waardeeren, evenals uw goede meening over
-mijn geringe hoedanigheden. Maar ik vind, dat ik al te lang omga met
-menschen, die niet tot mijn wereld behooren. Vliegende visschen houden
-het wel een tijdlang uit in de lucht, maar dan vallen ze toch weer
-in hun element. Veroorloof mij, in mijn eigen element onder te duiken.
-
-Mevrouw Odintsof keek hem aan, een bittere glimlach trok over haar
-bleek gezicht... die heeft mij lief gehad... dacht zij en reikte hem op
-een wijze van welwillend leedwezen de hand. Maar hij had haar begrepen.
-
---Neen, zei hij en deed een stap achteruit,--ik ben wel arm, maar
-heb toch nog nooit een aalmoes aangenomen. Vaarwel! Het ga u goed.
-
---Ik weet zeker, dat dit niet de laatste maal zal zijn, antwoordde
-ze niet zonder ontroering.
-
---Er kan zooveel gebeuren in de wereld, zei hij, groette nog eens en
-verliet de kamer.
-
-
-
---Je denkt dus een eigen nest te bouwen? vroeg Bazarof zijn vriend,
-terwijl hij zijn koffer pakte.--Je hebt gelijk. Dat is een goede
-gedachte. Alleen had je niet zoo geheimzinnig moeten zijn. Ik had
-verwacht, dat je symphatieën een heel anderen kant uit gingen. Was
-je zelf niet een beetje verwonderd?
-
---Dit had ik in elk geval niet verwacht, toen ik van huis weg ging,
-antwoordde Arkadiej,--maar je bent niet oprecht als je zegt: dit is
-een goede gedachte. Want ik ken je opvattingen over het huwelijk.
-
---Och, mijn beste, antwoordde Bazarof,--zoo spreek je nu! Zie je, wat
-ik daar doe? Ik heb hier een leege ruimte in mijn koffer. Die stop
-ik vol met hooi, zoo goed als ik kan. Dat moet je ook doen met je
-levenskoffer. Die moet je ook vol maken, met al wat je in de handen
-komt, als er maar geen plekje leeg blijft. Je moet me niet kwalijk
-nemen. Maar herinner je je, hoe ik altijd over Katharina Sergejevna
-heb gesproken? Er zijn jonge meisjes, die voor wonderwezens gehouden
-worden, alleen omdat ze op het goede oogenblik weten te zuchten. Maar
-die van jou zal zich op een andere manier doen gelden en wel zoo,
-dat jij haar onderdanige dienaar zult zijn, hetgeen dan ook volkomen
-in den haak is.
-
-Bazarof sloeg de deksel van den koffer dicht en richtte zich op.
-
---Nu wil ik je nog eens voor het laatst zeggen, want we scheiden
-voor altijd, daarvan moet jij evenzeer overtuigd zijn als ik, je doet
-heel verstandig. Ons treurig, armzalig vagebondenleven is niets voor
-jou. Daar heb je geen durf en geen hardheid genoeg voor. Maar des te
-meer jeugdige moed en jeugdig vuur! En dat is niet voldoende voor het
-werk, waaraan wij bezig zijn. En dan komen jullie adellijke heeren
-nooit verder dan zekere hooghartige verontwaardiging of edelmoedige
-zelfverloochening. En dat heeft niet veel om het lijf. Jullie denken,
-groote heeren te zijn, en te staan op de tinnen der menschelijke
-volmaaktheid, wanneer jullie je bedienden niet meer slaat. Maar wij
-verlangen niets als geslagen te worden en terug te slaan. Het stof,
-dat wij opjagen, bezorgt jou een oogontsteking, en ons afval zou jou
-maar vuil maken. Je bent nog niet tot onze hoogte opgeklommen. Je
-bewondert jezelf en bent gelukkig, als je je iets te verwijten
-hebt. Maar wij moeten daar niets van hebben. Wij hebben wat anders
-te doen als bewonderen en verwijten. Wij hebben andere mannen noodig
-op ons schip. Je bent een beste jongen. Maar toch een heertje, een
-liberaal jonkertje en voilà tout, om met je vader te spreken.
-
---Ga je voor goed weg? antwoordde Arkadiej droevig,--en is dat alles,
-wat je me te zeggen hebt?
-
-Bazarof krabde zich achter het oor.
-
---Ik zou nog wel wat gevoeligs kunnen zeggen, Arkadiej, maar ik
-zal het niet doen. Dat zou romantisch zijn, al te zoet. Neem een
-goeden raad van mij aan. Trouw zoo gauw mogelijk. Richt je zoo goed
-mogelijk in en verwek veel kinderen. Het zullen zeker menschen van
-geest worden, omdat ze op het goede oogenblik verschijnen en niet
-zooals jij en ik. Maar daar staan de paarden. Vooruit! Ik heb al
-afscheid genomen. Kom, nog eens omhelzen?
-
-Arkadiej omhelsde zijn vriend en leermeester en de tranen stroomden
-over zijn wangen.
-
---Dat is de jeugd, zei Bazarof,--Maar ik reken op Katharina Sergejevna,
-zij zal je troosten!
-
---Vaarwel, broeder! klonk het nog van uit het rijtuig. Toen wees
-Bazarof naar twee raven, die naast elkaar op het dak van den stal
-zaten en zei:
-
---Dat is een goed voorbeeld! Volg dat vooral!
-
---Wat bedoel je daarmee? vroeg Arkadiej.
-
---Ik dacht dat je knapper was in de natuurlijke historie. Weet je
-niet, dat de raaf de achtbaarste onder de vogels is? Hij houdt van
-het familieleven. Doe als hij! Vaarwel!
-
-Het rijtuig zette zich in beweging en reed weg.
-
-Bazarof had gelijk gehad.
-
-Arkadiej vergat nog dienzelfden avond zijn vriend in vertrouwelijk
-gesprek met Katja. Hij begon al de mindere te zijn en Katja was daar
-volstrekt niet verwonderd over.
-
-Den volgenden morgen ging Arkadiej naar Marjino, naar zijn
-vader. Mevrouw Odintsof was zoo welwillend, de tante, die op het
-bericht van het aanstaande huwelijk een soort huilopwinding over zich
-had gekregen, uit het huis te verwijderen. Ze deed dat terwille van
-de jonge lieden, die ze toch ook fatsoenshalve liever niet te lang
-alleen liet.
-
-Eerst was ze bang, dat het jonge geluk, haar onaangenaam zou zijn, maar
-het tegendeel bleek het geval. Ze stelde belang in "het schouwspel"
-en het maakte haar wat zachter gestemd.
-
-Dit bewustzijn verheugde en bedroefde haar tegelijk.
-
-...Bazarof heeft gelijk, dacht ze, het is alleen maar nieuwsgierigheid,
-belangstellend toeschouwer, die van zijn rust houdt en egoïst is,...
-
---Kinderen vroeg ze eens, is het waar, dat liefde een onecht gevoel is?
-
-Maar Katja en Arkadiej begrepen die vraag niet. Ze gevoelden een
-zekere schuwheid voor die vrouw en konden dat gesprek in den tuin
-niet vergeten.
-
-Weldra stond alles in rustige bewogenheid, eenvoudig en licht voor
-deze menschen gereed.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-
-Daar zij hem nog niet hadden verwacht, was de blijdschap van Bazarofs
-ouders dubbel, toen hij plotseling voor hen stond. Arina Vlassievna was
-zoo buiten zichzelf, dat zij niets deed als heen en weer loopen. Haar
-man vergeleek haar op het laatst met een kalkoen. En de omhoog gehouden
-sleep van haar huisjapon gaf haar ook werkelijk iets van een vogel.
-
-Wassili Ivanowitsj liet onophoudelijk een behagelijk gebrom hooren,
-terwijl hij aan zijn barnsteenen pijp, die in zijn mondhoek stak,
-groote halen deed. Toen ging hij driftig met de vingers achter zijn
-boord, omdat de hemdsknoop knelde, draaide die krampachtig rond en
-lachte daarbij breed en stil over zijn geheele gezicht.
-
---Ik blijf minstens zes weken, oudje, zei Bazarof,--ik wil werken en
-hoop, dat je me met rust zult laten.
-
---Ik zal je zoo plagen, dat je niet meer weten zult, hoe mijn gezicht
-er uitziet! antwoordde Wassili Ivanowitsj.
-
-En hij hield woord. Toen hij zijn zoon evenals de eerste maal in zijn
-studeerkamer had geïnstalleerd, scheen hij zich voor hem te verstoppen
-en duldde ook niet, dat zijn vrouw uiting gaf aan haar gevoeligheden.
-
---Ik denk wel, dat we Jenoesjenka de eerste keer wat gehinderd hebben,
-zei hij,--we moeten verstandiger zijn ditmaal.
-
-Arina Vlassievna gaf haar man gelijk, maar veel pleizier had ze daar
-niet van, want ze zag haar zoon alleen bij de maaltijden en durfde
-hem dan nauwelijks aanspreken.
-
---Jenoesjenka... begon ze, en voor deze tijd had, zich om te draaien,
-zei ze al:...--niets, niets, niets... en speelde met het koord van
-haar geldtaschje. Dan ging ze naar Wassili Ivanowitsj en vroeg:
-
---Hoe kunnen we te weten komen, wat Jenoesjenka graag eten wil
-vanmiddag, sjtsjie [15] of borsj [16]?
-
---Waarom heb je hem niet gevraagd?
-
---Ik was bang, hem te storen.
-
-Bazarof hield weldra van zelf op, zich af te zonderen. De werklust
-maakte plaats voor een doffe, onrustige verveling. Een vreemde moeheid
-kwam over hem, die zich in al zijn bewegingen uitte. Zijn vlugge,
-flinke gang verslapte zelfs, hij maakte geen eenzame tochten meer en
-begon gezelschap te zoeken. Hij dronk thee in de huiskamer, ging met
-zijn vader naar den moestuin en rookte stil zijn pijp. Eens vroeg
-hij zelfs naar Vader Alexis.
-
-Deze verandering verheugde Wassili Ivanowitsj eerst, maar die vreugde
-was van korten duur.
-
---Jenoesja geeft me te denken, zei hij tegen zijn vrouw. Hij is niet
-ontevreden of prikkelbaar, dat zou lang zoo erg niet zijn, maar hij
-is gedrukt en treurig en dat maakt me ongerust. Hij spreekt niet,
-wordt mager en ziet er niet goed uit. Ik wilde, dat hij maar eens
-flink aan het vloeken ging.
-
---Och hemel! antwoordde de oude vrouw en zuchtte. Ik wou dat ik hem
-een zakje relikwieën om den hals kon hangen. Maar hij wil het niet.
-
-Wassili Ivanowitsj trachtte herhaaldelijk Bazarof uit te hooren over
-zijn werk, zijn gezondheid en Arkadiej. Maar Bazarof antwoordde kort
-en zei ten slotte gemelijk:
-
---Het is net, of je altijd om mij heen sluipt en me bespiedt. Dat is
-nog erger dan vroeger.
-
---Stil maar, ik zal het niet meer doen, viel de ongelukkige Wassili
-Ivanowitsj snel in de rede.
-
-Gesprekken over politiek hadden niet meer succes. Toen hij eens naar
-aanleiding van de opheffing der lijfeigenschap, de groote kwestie
-van den vooruitgang aanroerde, zei Bazarof onverschillig:
-
---Toen ik gisteren langs het tuinhek ging, hoorde ik in plaats van
-hun oude liederen een paar boeren zich schor schreeuwen.--Daar heb
-je den vooruitgang!
-
-Bazarof ging soms naar het dorp en begon daar op zijn
-spottend-sarcastischen toon een gesprek met den eersten den besten
-boer:
-
---Vertel me toch eens, ze beweren, dat jullie de kracht en de toekomst
-van Rusland zijn, dat met jullie een nieuw hoofdstuk begint van
-onze geschiedenis. Jullie zult ons de echte taal en de ware wetten
-geven. Hoe zit dat toch?
-
-De boer zei niets, keek hem zonder iets te begrijpen aan, of stotterde,
-als het mooi was, zoo iets van:
-
---Ja, dat zouden we best kunnen, want bovendien... volgens de wet,
-die we hebben...
-
---Zeg me toch eens, wat jullie "mir" waard is, vroeg Bazarof. Steunt
-die nog altijd op drie visschen? [17]
-
---De aarde steunt op drie visschen, antwoordde de boer overtuigd,
-en met dien zingenden klank in zijn stem, die iets aartsvaderlijks en
-naïefs had,--en iedereen weet, dat de wil van den heer tegenover onze
-mir almachtig is, want de heer is onze Vader. Hoe strenger de heer,
-des te onderdaniger de boer.
-
-Toen hij die woorden eens had moeten aanhooren, haalde Bazarof
-verachtend de schouders op en liet den boer staan, die kalm zijns
-weegs ging.
-
---Waarover heeft hij met je gesproken? vroeg hem een andere boer van
-middelbaren leeftijd en met een terugstootend uiterlijk, die hem van
-zijn deur uit met Bazarof had zien praten.
-
---Zeker over de achterstallige pachtgelden?
-
---Dat zal wel! antwoordde de eerste, en zijn stem had niets meer van
-den patriarchalen zingtoon, maar iets ruws, waaruit geringschatting
-spreekt:
-
---Hij heeft geleuterd, zijn tong sloeg zeker dubbel. De heeren zijn
-allemaal hetzelfde, ze begrijpen er niets van!
-
---Hoe zouden ze wat begrijpen? zei de ander, en ze schudden hun koppen,
-haalden hun gordels aan en praatten verder over gemeentebelangen.
-
-En die jonge man vol zelfvertrouwen, die zich met hooghartig
-schouderophalen verwijderde, die Bazarof, die zoo goed met de boeren
-overweg kon, zooals hij tegenover Paul Petrowitsj had beweerd,
-vermoedde zelfs niet, dat diezelfde boeren hem een gek en een
-stommeling noemden.
-
-Eindelijk vond Bazarof een bezigheid, die hem beviel. Eens verbond
-Wassili Ivanowitsj een boer, die een beenwond had. De handen van den
-ouden man beefden, en het viel hem blijkbaar moeilijk, het verband
-te leggen. Bazarof hielp hem. En sedert hielp hij zijn vader geregeld
-bij diens geneeskundige bezigheden, maar kon niet nalaten te spotten
-over de middelen, die hij zelf voorschreef en den ijver, waarmee
-zijn vader die toepaste. Wassili Ivanowitsj liet zich hierdoor echter
-niet van zijn stuk brengen en vond die grapjes zelfs wel aardig. Zijn
-pijp in den mond en de hand in de zakken van zijn morgenjas luisterde
-hij met welgevallen toe. Hoe harder de woorden van zijn zoon waren,
-des te genoegelijker lachte hij, zoodat zijn zwarte tanden zichtbaar
-werden. Dikwijls herhaalde hij zelfs de dwaze en ongezouten uitvallen
-van zijn zoon. Zoo zei hij bijvoorbeeld dagen lang achter elkaar bij
-elke gelegenheid:
-
---Dat is voor het dessert.
-
-Alleen, omdat Bazarof die uitdrukking had gebruikt, toen hij hoorde,
-dat de oude vrouw naar de vroegmis was.
-
-En in vertrouwen zei hij tegen zijn vrouw:
-
---Goddank, Jenoesja heeft zijn zwaarmoedigheid overwonnen. Hij was
-zoo los vandaag!
-
-Buitendien was hij in de wolken over zulk een flink assistent. De
-gedachte alleen gaf hem een gevoel van wilden trots.
-
---Ja, ja, heette het tegen een arme boerin, die haar kitsjka ophad
-en in de grove jas van haar man gewikkeld was,--ja, ja en hij gaf
-haar een glas goulard-water en een potje bilzenkruidzalf,--ja, ja,
-je mag God wel danken, dat Hij mijn zoon teruggebracht heeft, nu word
-je behandeld volgens de nieuwste en geleerdste methode. De fransche
-keizer Napoleon heeft geen beteren dokter!
-
-De boerin had geklaagd, dat ze een gevoel had, alsof ze met handen
-in de hoogte werd getild (woorden, die ze zelf niet nader verklaren
-kon.) Ze hoorde Wassili Ivanowitsj aan, maakte een buiging tot op
-den grond en haalde drie eieren uit haar omslagdoek te voorschijn
-tot betaling.
-
-Bazarof trok zelfs een tand bij een vreemden koopman. En ofschoon
-die tand niets bizonders had, bewaarde Wassili Ivanowitsj hem als
-een zeldzaam stuk en zei meermalen, terwijl hij hem liet zien aan
-Vader Alexis:
-
---Kijk eens, Vader, wat een wortels! Jevgenij moet een krachtige
-hand hebben! Ik zag den koopman omhoog tillen, prachtig, ik geloof
-waarachtig, een eik zou geen weerstand geboden hebben!
-
---Inderdaad verdienstelijk! antwoordde de priester die geen kans
-zag op een andere wijze een einde te maken aan de verrukking van den
-ouden man.
-
-Een boer uit den omtrek bracht zijn broer, die aan typhus leed, bij
-Wassili Ivanowitsj. De ongelukkige lag stervend op een hoop hooi,
-donkere vlekken overdekten zijn lichaam en hij was sedert langen tijd
-buiten kennis.
-
-Wassili Ivanowitsj sprak er zijn spijt over uit, dat hij niet vroeger
-gekomen was, en verklaarde, dat hij onmogelijk nog te redden was. En
-werkelijk kwam de man niet meer thuis. Hij stierf onderweg in zijn kar.
-
-Eenigen tijd later kwam Bazarof zijn vader vragen, of hij ook lapis
-infernalis voor hem had.
-
---Jawel, wat wil je daarmee doen?
-
---Om een wond uit te branden.
-
---Wie is verwond? Jij? Laat zien de wond.
-
---Hier, aan mijn vinger. Ik ben van morgen naar het dorp geweest,
-waar die boer aan typhus gestorven is. Ik weet niet waarom, maar men
-wilde het lijk openen. En nu had ik die soort operatie lang niet bij
-de hand gehad.
-
---Ja, en ...?
-
---Ik verzocht den distriktsgeneesheer, of ik het mocht doen, en toen
-heb ik me gesneden.
-
-Wassili Ivanowitsj verbleekte, liep, zonder een woord, naar zijn
-kamer en kwam met een stuk helschen steen terug. Bazarof wilde ermee
-de kamer uit gaan.
-
---In 's hemels naam, riep Wassili Ivanowitsj, laat mij dat doen.
-
-Bazarof glimlachte.
-
---Wat een hartstocht voor de praktijk!
-
---Maak nu geen grapjes. Laat je vinger zien. De wond is niet groot. Ik
-doe je toch niet pijn?
-
---Druk maar stevig.
-
-Wassili Ivanowitsj hield op.
-
---Misschien was het beter, met een heet ijzer te branden. Wat denk je?
-
---Dat hadden we eerst moeten doen. Nu geeft dat niet meer dan
-dit. Trouwens als ik de ziektestof al opgenomen heb, is er geen
-middel meer.
-
---Wat... geen middel meer? stamelde Wassili Ivanowitsj.
-
---Het is al meer dan vier uur geleden, dat ik me gesneden heb.
-
-Wassili Ivanowitsj drukte de wond weer met den helschen steen.
-
---Had de dokter daar dan niets?
-
---Neen.
-
---Dat is ongeloofelijk. Ieder dokter moet toch lapis hebben.
-
---Ja, en je had zijn messen moeten zien! antwoordde Bazarof en ging
-de kamer uit.
-
-Dien avond en den volgenden dag verzon Wassili Ivanowitsj alle
-mogelijke voorwendsels, om in de kamer van zijn zoon te komen,
-en ofschoon hij niet over de wond sprak en zijn best deed, zoo
-onverschillig mogelijk te zijn, lette hij toch scherp op hem
-en bestudeerde al zijn bewegingen met zulk een opgewondenheid,
-dat Bazarof ongeduldig werd en zou besluiten heen te gaan. Wassili
-Ivanowitsj beloofde, niet langer ongerust te zijn, en vooral, toen
-Arina Vlassievna, die hij niets meegedeeld had, hem trachtte uit
-te hooren, waarom hij zoo opgewonden was en den geheelen nacht niet
-had geslapen.
-
-Twee dagen hield hij vol, al verontrustte hem Bazarofs uitzien meer
-en meer. Den derden dag kon hij niet langer zwijgen.
-
-Zij zaten aan tafel en Bazarof, met neergeslagen oogen, at niets.
-
---Waarom eet je niet, Jevgenij? vroeg zijn vader, schijnbaar zoo
-zonder bedoeling.--Het schoteltje vind ik heel goed.
-
---Ik eet niet, omdat ik geen eetlust heb.
-
---Geen eetlust, vroeg hij, en hoofdpijn?
-
---Ja, waarom zou ik geen hoofdpijn hebben?
-
-Arina Vlassievna werd oplettend.
-
---Word nu niet dadelijk boos, Jevgenij, zei Wassili Ivanowitsj,
-je moet me toestaan, je pols te voelen.
-
-Bazarof stond op.
-
---Ik kan je zoo wel zeggen, dat ik verhooging heb.
-
---Heb je ook koude rillingen?
-
--- Ja. Ik zal wat gaan liggen. Stuur me wat kamillenthee. Ik zal een
-kou opgedaan hebben.
-
---Daarom heb ik je ook hooren hoesten vannacht, zei Arina Vlassievna.
-
---Ik heb kou gevat, herhaalde Bazarof en verliet de kamer.
-
-Arina Vlassievna zette de thee en Wassili Ivanowitsj liep naar de
-zijkamer, waar hij zich aan de haren trok zonder een woord te spreken.
-
-Bazarof bleef den geheelen verderen dag in bed en bracht den nacht
-door in een doffen, afmattenden slaap.
-
-Toen hij tegen éen uur wakker werd, zag hij bij den flauwen schijn
-van het nachtlicht het bleeke gezicht van zijn vader, die aan zijn
-bed gezeten was. Hij verzocht hem, te gaan slapen.
-
-De oude man ging heen, maar kwam dadelijk daarop weer terug en
-bleef achter de half-open deur van een kast verborgen, zijn zoon
-observeeren. Ook Arina Vlassievna sliep niet, ze kwam telkens aan de
-kamerdeur, om naar de ademhaling van haar Jenoesja te luisteren en zich
-ervan te vergewissen, dat Wassili Ivanowitsj nog op zijn post was. Ze
-kon niets zien als den gebogen rug van haar man, die zich niet bewoog,
-maar dat was voldoende, om haar eenigszins gerust te stellen.
-
-Toen de dag aanbrak, trachtte Bazarof op te staan. Maar een
-duizeling beving hem, gevolgd door neusbloedingen en hij ging weer
-te bed. Wassili Ivanowitsj hielp hem zwijgend. Arina Vlassievna kwam
-en vroeg, hoe het stond.
-
---Ik voel me beter, antwoordde hij en keerde zich naar de muur.
-
-Wassili Ivanowitsj beduidde zijn vrouw met beide handen, dat ze weg
-moest gaan. Zij beet op haar lippen, om niet te weenen en ging.
-
-Het heele huis scheen versomberd. Alle gezichten waren strak en een
-vreemde stilte heerschte tot op het erf. Een kraaiende haan, die zich
-zeker verwonderde, werd naar het dorp verwijderd.
-
-Bazarof bleef in bed, het gezicht naar den muur gekeerd.
-
-Wassili Ivanowitsj sprak hem herhaaldelijk toe, maar zijn vragen
-hinderden den zieke en daarom bleef hij maar in zijn leunstoel zitten
-en van tijd tot tijd wrong hij alleen zijn handen. Dan ging hij weer
-een oogenblik den tuin in en stond strak als een standbeeld. Een
-onuitsprekelijke ontzetting scheen hem aangegrepen te hebben. De
-uitdrukking van diepste verwondering bleef duidelijk op zijn gezicht
-te lezen. Toen ging hij weer naar binnen, naar zijn zoon en liep zijn
-vrouw zoo veel mogelijk uit den weg.
-
-Het gelukte haar eindelijk, hem bij de hand te grijpen en als in een
-kramp, bijna dreigend vroeg ze:
-
---Wat heeft hij dan?
-
-Wassili Ivanowitsj trachtte te glimlachen, om haar gerust te stellen,
-maar tot zijn eigen verbazing ontwrong zich een harde lach aan zijn
-breeden mond.
-
-'s Morgens al had hij een geneesheer uit de stad laten roepen en hij
-wilde het zijn zoon meedeelen, opdat deze hem geen verwijten zou doen
-in tegenwoordigheid van een derde.
-
-Bazarof keerde zich plotseling om, keek zijn vader star aan en vroeg
-drinken.
-
-Wassili Ivanowitsj gaf hem water en maakte van die gelegenheid gebruik,
-hem de hand op het voorhoofd te leggen. Dit gloeide.
-
---Oude, zei Bazarof langzaam en met harde stem,--dat loopt mis. Ik
-heb het gif in mijn lichaam, over een paar dagen zul je me begraven.
-
-Wassili Ivanowitsj wankelde, alsof hij een zwaren slag tegen de beenen
-had gekregen.
-
---Wat zeg je daar, jongen, stamelde hij, het is een gewone verkoudheid.
-
---Kom, een dokter mag zoo iets niet zeggen, antwoordde hij.--Ik heb
-alle verschijnselen van een besmetting. Dat weet je wel.
-
---Verschijnselen... van een... o neen... Jevgenij!
-
---Wat is dit dan? vroeg hij, stroopte den mouw van zijn hemd op en
-liet zijn vader de onheilspellende roodachtige vlekken zien, die zijn
-huid bedekten.
-
-Wassili Ivanowitsj verbleekte.
-
---Gesteld... indien ook al... dat zou... een epidemische...
-
---Het is pyemie, zei de zoon.
-
---Ja, een epidemische besmetting.
-
---Pyemie, herhaalde Bazarof beslist en op ruwen toon:--heb je je
-dictaatcahiers vergeten?
-
---Nu ja, dat kan wel. Maar we zullen je beter maken.
-
---Onzin... Laat ons verstandig praten. Ik dacht niet, zoo gauw al te
-sterven. Het is een ongeluk, dat, ik geef het toe, niet pleizierig
-is. Moeder en jij, jullie zult goed doen, je toevlucht in het geloof te
-zoeken, het is een mooie gelegenheid, dat eens op de proef te stellen.
-
-Hij dronk een slok water.--Ik heb je iets te verzoeken, zoolang mijn
-hoofd nog helder is. Morgen of overmorgen, zullen mijn hersens ophouden
-te werken. Het kan best zijn, dat ik me nu al niet duidelijk meer
-uitdruk. Zoo pas nog dacht ik, dat roodharige honden mij achterna
-zaten en jij stond ook te loeren, zooals men op jacht een korhaan
-afwacht. Ik voel me net dronken. Kun je me nog begrijpen?
-
---Zeker, jongen, je spreekt heel redelijk, zooals altijd.
-
---Des te beter. Je hebt gezegd, dat je een dokter hebt laten
-halen. Daarmee heb je jezelf een genoegen gedaan. Doe mij nu ook een
-genoegen en stuur een ijlbode...
-
---Aan Arkadiej Nikolajewitsj, viel de oude man in de rede.
-
---Wie is die Arkadiej Nikolajewitsj? vroeg Bazarof, als in een
-oogenblik van niet-meer-weten...--o ja, die sijs! Neen, laat die maar
-loopen, die is nu een raaf geworden. Zet maar geen groote oogen op. Dit
-is nog geen dilirium. Stuur een ijlbode naar Anna Sergejevna Odintsof,
-een dame hier in de buurt, (Wassili gaf met het hoofd een teeken dat
-hij haar kende). Doe haar weten: Eugenij Bazarof laat haar groeten
-en deelt u mede, dat hij stervende is. Begrijp je mij?
-
---Het zal gebeuren, maar hoe kun je nu sterven? Jevgenij, jongen,
-oordeel zelf. Er is toch nog gerechtigheid in de wereld!
-
---Ik begrijp je niet. Maar stuur hem nu weg.
-
---Dadelijk en ik zal hem een brief meegeven.
-
---Nee, dat hoeft niet. Laat haar maar groeten, dat is genoeg. En nu ga
-ik weer naar mijn roode honden. Vreemd, ik wilde aan den dood denken,
-maar dat gaat niet. Ik zie een soort nevelvlek, anders niets.
-
-Hij keerde zich weer moeilijk om en Wassili Ivanovitsj verliet de
-kamer. In het vertrek bij zijn vrouw, viel hij voor de Heiligenbeelden
-neer.
-
---Laat ons bidden, Arina, laat ons God bidden, snikte hij.--onze
-zoon sterft!
-
-De distriktsgeneesheer, dezelfde, die geen lapis had, kwam en ried
-aan, een afwachtende houding aan te nemen. En dan sprak hij nog een
-paar frazes, die hoop op herstel moesten wekken.
-
---U hebt dus menschen gezien in mijn toestand en die niet naar de
-Elyzeesche velden zijn vertrokken? vroeg Bazarof en stootte met zijn
-voet tegen een zware tafel bij het bed, zoodat deze wankelde.
-
---Ik heb nog mijn volle kracht, zei hij, mijn volle kracht, en toch
-moet ik sterven. Een grijsaard heeft tenminste tijd gehad om het
-leven af te wennen. Maar ik... ontkennen; ontkennen... Ja, ontken
-den dood maar eens. Hij ontkent óns. Daarmee is alles gezegd. Ik hoor
-weenen daar ginds... en na een oogenblik:... het is mijn moeder, arme
-vrouw, voor wien zal ze nu haar heerlijken borsj klaar maken? En jou,
-vader, staat ook het huilen nader dan het lachen. Als je christelijk
-geloof je niet helpt, probeer het dan met de filosofie, denk aan de
-Stoïcijnen. Beweerde je niet filosoof te zijn?
-
---Ik filosoof? riep Wassili Ivanowitsj en de tranen stroomden hem
-over zijn wangen.
-
-Bazarofs toestand werd ieder uur erger. De ziekte greep razend snel om
-zich heen, zooals gewoonlijk bij dergelijke bloedvergiftigingen. Hij
-had nog zijn volle bewustzijn en begreep alles, wat er gesproken
-werd. Hij streed nog,--ik wil niet ijlen, dacht hij,... dat is te
-gek... En hij balde de vuisten... tien min acht, dat is ...? Wassili
-Ivanowitsj liep als een gek in de kamer heen en weer, bedacht allerlei
-middelen en dekte in zijn machteloosheid, telkens en telkens weer de
-voeten van den zieke toe.
-
---Koude omslagen--een braakmiddel--mosterdpleister op de
-maag--aderlaten--steunde hij.
-
-De geneesheer, dien hij verzocht had te blijven, stemde in alles toe,
-gaf den zieke limonade te drinken en vroeg zelf iets versterkends en
-verwarmends, een borrel. Arina Vlassievna zat op een stoeltje bij
-de deur en ging daar alleen vandaan om te bidden. Een paar dagen
-geleden had ze haar spiegel laten vallen, en die was gebroken. En
-dat beschouwde ze als een slecht voorteeken. Zelfs Anfisoesjka kon
-haar geen troostwoord geven.
-
-Timofeitsj was naar mevrouw Odintsof gegaan.
-
-De nacht was slecht. De koorts gloeide door zijn lichaam en verteerde
-het. Met het aanbreken van den dag kwam wat ontspanning. Hij vroeg
-Arina Vlassievna, zijn haar te kammen, kuste haar de hand en slikte
-twee lepels thee. Wassili Ivanowitsj kreeg weer wat hoop.
-
---Goddank, zei hij herhaaldelijk.--De crisis is voorbij. Dat was
-de crisis...
-
---Zoo zie je de kracht van een woord, zei Bazarof,--het woord crisis
-komt hem in den zin en dat kalmeert hem. Vreemd, de invloed, dien de
-woorden hebben op de menschen... Zeg iemand, dat hij een idioot is,
-je hoeft hem niet te slaan, en hij is onder den indruk. Wensch hem
-geluk met zijn intellect, je hoeft hem geen geld te geven, en hij
-voelt zich gelukkig...
-
-En Wassili Ivanowitsj herinnerde zich gesprekken uit gezonder dagen
-en verrukt riep hij:
-
---Bravo! Dat is goed gezegd. Bravo!
-
-En hij deed, of hij in zijn handen klapte.
-
-Bazarof glimlachte moe.
-
---Wat denk je eigenlijk? vroeg hij zijn vader, is de crisis voorbij
-of moet ze nog komen?
-
---Het gaat beter, dat zie ik en dat verheugt me, antwoordde hij.
-
---Gelukkig. Het is goed, als men zich verheugt. Maar is er een
-boodschap daar heen? je weet wel...
-
---Ja, zeker.
-
-De rustige oogenblikken duurden niet lang. De aanvallen kwamen
-weer. Wassilli Ivanowitsj week niet van het ziekbed. Een vreeselijke
-angst scheen hem te kwellen. Hij probeerde telkens te spreken.
-
---Jevgenij! riep hij eindelijk,--mijn lieve, goede zoon!
-
-Deze onverwachte uitroep maakte indruk op Bazarof. Hij bewoog het
-hoofd even en trachtte blijkbaar den last, die zijn geest drukte,
-af te wentelen, hij zei:
-
---Wat, vader?
-
---Jevgenij, ging Wassili Ivanowitsj voort en liet zich op de knieën
-vallen bij het bed. Maar Bazarof zag het niet, want hij had de oogen
-gesloten.--Jevgenij, je voelt je beter en zult met Gods hulp geheel
-herstellen. Maar maak van dit oogenblik gebruik en doe wat je moeder
-en mij zoo een rust zou geven. Je plicht als Christen. Het valt me
-zwaar, je dat te vragen. Maar het zou nog erger zijn... het gaat om
-de eeuwigheid, Jevgenij, bedenk dat wel...
-
-Hij kon niet meer spreken en een vreemd trekken gleed over het gezicht
-van den zoon, langzaam en zonderling. Zijn oogen bleven gesloten.
-
---Als het jullie rust kan geven, heb ik er niets tegen; zei hij
-eindelijk.--Maar dat heeft toch geen haast. Je zei daar toch, dat
-het beter met me ging.
-
---Beter, zeker, maar wie kan alles weten. Alles hangt af van Gods
-wil. En een plicht nakomen...
-
---Ik wil nog wachten, zei Bazarof,--je zegt zelf, dat de crisis
-begonnen is. En als we ons vergissen, wat hindert dat? Een zieke
-krijgt zijn absolutie, ook als hij bewusteloos is...
-
---Om 's hemels wil, Eugenij...
-
---Ik wil nog wachten. Ik wil eerst slapen. Laat me... En hij legde
-het hoofd weer op het kussen.
-
-De oude man stond op, ging in zijn leunstoel zitten, stutte het hoofd
-met de hand en beet zijn nagels stuk...
-
-
-
-Het geluid, dat een rijtuig op veeren maakt, dat geluid, dat in de
-stilte van het land zoo duidelijk te onderscheiden is, bereikte het
-gehoor van den ouden man. Het rollen der lichte wielen, het snuiven
-der paarden en het getrappel der hoeven was duidelijk waar te nemen.
-
-Wassili Ivanowitsj sprong op en haastte zich naar het venster. Een
-reiswagen met vier paarden bespannen, reed zijn erf op. Zonder zich
-af te vragen, wat dat beteekende en onwillekeurig doortinteld met
-een blij gevoel, liep hij naar de deur.
-
-Een palfrenier sloeg het portier open en een gesluierde vrouw in
-zwarten mantel steeg uit.
-
---Ik ben mevrouw Odintsof, zei ze,--leeft Eugenij Wassiljewitsj nog? U
-bent zijn vader? Ik heb een geneesheer meegebracht.
-
---Gods zegen over u! riep Wassili Ivanowitsj, nam haar hand en drukte
-die krampachtig aan zijn lippen, terwijl de geneesheer, van wien
-mevrouw Odintsof gesproken had, een kleine man met een bril en een
-Duitsch gezicht, langzaam den reiswagen verliet.
-
---Hij leeft nog, mijn Jenoesja, en nu zal hij gered
-worden. Vrouw! Vrouw! Een engel uit den hemel is neergedaald.
-
---Wat is er? God! stotterde Arina Vlassievna, die uit de woonkamer
-kwam en in het voorvertrek Anna Sergejevna te voet viel en den zoom
-van haar rok begon te kussen.
-
---Wat doet u? Wat doet u? vroeg mevrouw Odintsof. Maar Arina Vlassievna
-hoorde niet en Wassili Ivanowitsj herhaalde maar: Een engel! Een
-engel is gekomen!
-
---Wo is der Kranke? vroeg de geneesheer blijkbaar ongeduldig.
-
-Die woorden gaven Wassili Ivanowitsj zijn tegenwoordigheid van
-geest terug.
-
---Hier, hier. Wilt u mij maar volgen, waarde collega! voegde hij er
-in het Duitsch bij en dacht aan zijn vroeger ambt.
-
---Ah! zei de ander met een wrang lachje.
-
-Wassili Ivanowitsj bracht hem in zijn studeerkamer.
-
---Hier is een dokter, door Anna Sergejevna Odintsof gezonden, zei hij,
-aan het oor van zijn zoon,--en zij zelf is ook hier.
-
-Bazarof sloeg dadelijk de oogen op.
-
---Wat zeg je?
-
---Ik zeg, dat Anna Sergejevna Odintsof hier is en dezen geleerden
-dokter heeft meegebracht.
-
-Bazarof zocht met zijn oogen door de kamer.
-
---Is ze hier? Ik wil haar zien...
-
---Je zult haar zien, Jevgenij, maar we moeten eerst met den dokter
-spreken. Ik zal hem het ziekteverloop vertellen, want Sidor Sidoritsj
-(de distriktsgeneesheer) is weggegaan. Dan kunnen we consult houden.
-
-Bazarof keek den Duitscher aan.
-
---Goed, maar dan zoo gauw mogelijk. Maar praat geen latijn. Want ik
-weet, wat dat beteekent: jam moritur.
-
---Mijnheer schijnt Duitsch te kennen, zei de vreemde geneesheer
-wederom in het Duitsch.
-
---Ikke... aber... spreekt u maar liever Russisch, dat gaat toch beter,
-antwoordde Wassili Ivanowitsj.
-
---Aha... goed.
-
-En het consult begon.
-
-Een kwartier later kwam Anna Sergejevna met Wassili Ivanowitsj
-binnen. De dokter had gelegenheid gevonden, haar toe te fluisteren,
-dat de toestand hopeloos was.
-
-Ze keek naar Bazarof en bleef in de deuropening staan, ontsteld door
-dat rood-opgezwollen gezicht en die vreemd-zoekende oogen. Een ijzige
-kilheid, een beklemmende angst greep haar aan. En de zekerheid, dat
-ze iets geheel anders gevoeld zou hebben, als ze van hem gehouden had,
-maakte haar machteloos--beschaamd bijna.
-
---Dank u, zei hij opgewonden,--ik had het niet gedacht. Dat is goed. We
-zien elkaar dus nog eens, zooals u gezegd hebt.
-
---Anna Sergejevna heeft de goedheid gehad...
-
---Vader, laat ons alleen... Anna Sergejevna, u vindt het goed? Ik
-geloof, dat het nu...
-
-Ze knikte en scheen daarmee te willen zeggen, dat ze niets meer te
-vreezen had van een stervende.
-
-Wassili Ivanowitsj ging heen.
-
---Ik dank u, herhaalde Bazarof, dat is een vorstelijke daad. Komen
-koningen zoo niet aan het leger van stervenden?
-
---Eugenij Wassiljewitsj, ik hoop...
-
---Neen, Anna Sergejevna, laten we oprecht zijn. Voor mij is alles
-gedaan. Ik ben onder het groote Wiel gekomen. Ziet u wel, dat ik gelijk
-had, toen ik van de toekomst niets wilde weten? Sterven is een oude
-geschiedenis, en blijft toch altijd nieuw voor iedereen. Tot op het
-oogenblik voel ik geen angst, dan zal ik het bewustzijn verliezen en
-fff... (hierbij bewoog hij even de hand). Maar wat wilde ik u nog
-zeggen? Dat ik u heb liefgehad? Dat had vroeger geen zin en nu nog
-veel minder. De liefde is een gevormdheid en mijn eigen vorm is zijn
-vervluchtiging nabij. Ik wil u liever zeggen, dat u mooi bent... ja,
-zooals ik u hier voor me zie...
-
-Anna Sergejevna beefde onwillekeurig.
-
---Het is niets, maak u niet ongerust... gaat u daar zitten, nee,
-niet dichterbij. Mijn ziekte is besmettelijk.
-
-Anna Sergejevna kwam naar hem toe, snel, door de kamer, en ging zitten
-in den leunstoel bij het bed.
-
---Die adel, fluisterde Bazarof,--wat is ze nu dichtbij, zoo jong,
-zoo sterk, zoo rein in dit smerige hok... vaarwel, leeft u lang,
-heel lang, iets beters kan men niet doen en geniet het leven, zoolang
-het nog niet te laat is. Ziet u die afschuwelijke vertooning, een
-half platgetrapte worm, die nog kronkelt. Ik had gehoopt nog veel te
-kunnen doen... Sterven? Ik?... Bah!... Ik heb een opdracht... ik ben
-een reus. En de heele opdracht van dien reus is nu alleen nog maar,
-behoorlijk te sterven, al kan dat niemand wat schelen... Wat doet
-het ertoe?... maar ik wil in een hoek kruipen als een hond.
-
-Hij zweeg en tastte met de hand naar zijn glas. Anna Sergejevna hielp
-hem drinken, ze had handschoenen aan en hield den adem in.
-
---U zult me vergeten, ging hij voort, de dooden zijn niets voor de
-levenden. Mijn vader zal u vertellen, dat Rusland een man verliest,
-die groote waarde had voor het land... Dat is opsnijderij, maar laat
-den ouden man zijn illusie... U weet... Voor een kind...
-
-Tracht u hem en mijn moeder te troosten. In uw wereld
-zult u zulke menschen niet aantreffen, al zocht u ze met een
-lantarentje... ik... noodig voor Rusland!... Och nee, zeker niet. Maar
-wie is dan wel noodig? Een schoenmaker, een kleermaker, een slager,
-die verkoopt vleesch... een slager... stil... ik raaskal... dit is
-een plank...
-
-Hij legde de hand op zijn voorhoofd.
-
-Mevrouw Odintsof boog over hem heen.
-
---Eugenij Wassiljewitsj, ik ben er nog...
-
-Hij nam zijn hand weg en richtte zich plotseling op.
-
---Vaarwel! zei hij hardop, en zijn oogen glansden voor de laatste
-maal.--Vaarwel... luister... ik heb je toen niet gekust... blaas de
-stervende lamp uit, uit...
-
-Mevrouw Odintsof drukte haar lippen op het voorhoofd van den stervende.
-
---Ja... goed... fluisterde hij en zijn hoofd viel terug... nu de
-duisternis...
-
-Mevrouw Odintsof verliet geruischloos de kamer.
-
-
-
---En?... vroeg Wassili Ivanowitsj zacht.
-
---Hij is ingeslapen, antwoordde ze nog zachter.
-
-Bazarof ontwaakte niet meer. Tegen den avond verloor hij het
-bewustzijn en des morgens stierf hij. Vader Alexis schonk hem den
-laatsten troost. Maar toen de gewijde olie op zijn borst drupte,
-ging éen zijner oogen even open, en het was, of bij het zien van
-dien priester in zijn ornaat, het rookende wierookvat en de brandende
-kaarsen een rillende ontzetting voer over het misvormde gezicht... dit
-duurde maar een oogenblik. Toen hij den laatsten snik gegeven had en
-het huis in weeklachten jammerde, greep een plotselinge waanzin den
-ouden vader aan.
-
---Ik heb gezworen, in opstand te komen! schreeuwde hij met schorre
-stem. Zijn gezicht stond vertrokken en wild-gloeiend en met gebalde
-vuisten, als dreigend, liep hij rond:
-
---Ik heb gezworen! En ik zal in opstand komen! Ik zal in opstand...
-
-Maar Arina Vlassievna, enkel tranen, viel hem om den hals en
-beiden lagen voorover op den grond, "als twee lammeren" zooals
-Anfisoesjka later vertelde, als twee lammeren, bevangen door de
-hitte... tegelijkertijd en zij aan zij vielen ze neer.
-
-Maar de warmte van den dag vergaat, de avond komt, en dan de nacht,
-de nacht, die alle zwaarbeproefden en zielsvermoeiden een stille
-rustplaats biedt...
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-
-Zes maanden waren voorbijgegaan en het was winter geworden, een harde
-winter met het wreede zwijgen van zijn vriesnachten, het wilde jagen
-van zijn sneeuwbuien.
-
-De takken der boomen glinsteren van rozig rijp, kolommen dikke rook
-stijgen uit de schoorsteenen naar den bleeken hemel, stroomen warme
-lucht vluchten uit de warme deuren, wanneer die opengaan, de roode
-gezichten der voorbijgangers schijnen van steen en de van kou rillende
-paarden draven met verdubbelde snelheid.
-
-Een Januaridag was verstorven. De avondkou verdichtte de stille
-lucht nog meer en de bloedroode schemering was haastig heengegaan. De
-vensters van het heerenhuis te Marjino werden het een na het ander
-verlicht. Prokofitsj dekte met bizondere plechtigheid voor vijf
-personen in de eetzaal. Hij was in rok en witte handschoenen.
-
-Een week te voren waren er twee huwelijken ingezegend in de kleine
-kerk van het kerspel. In alle stilte en nagenoeg zonder getuigen.
-
-Arkadiej was met Katja en Nikolaas met Fenitsjka verbonden en nu
-gaf Nikolaas zijn broeder, die voor zaken naar Moscou ging een
-afscheidsmaal.
-
-Anna Sergejevna was ook naar Moscou vertrokken, nadat ze den
-jong-gehuwden rijke geschenken had gegeven.
-
-Het was het derde uur van den middag toen men aan tafel ging. Mitja
-bevond zich ook onder de gasten. Er was voor hem al een goevernante
-met een kokosjnik van goud-doorstikte zijde.
-
-Paul Petrowitsj zat tusschen Katja en Fenitsjka. De echtgenooten
-zaten naast hun vrouwen.
-
-Onze oude vrienden waren wel wat veranderd in den laatsten tijd. Zij
-waren mooier, of tenminste flinker geworden. Alleen Paul Petrowitsj
-zag er magerder uit, maar dit verhoogde den adel van zijn wezen.
-
-Ook Fenitsjka was niet meer dezelfde.
-
-In zwart-zijden kleed, een breed fluweelen lint in de haren, een
-gouden ketting om den hals, zat ze daar onbewegelijk, eerbiedwaardig,
-indrukwekkend, niet alleen voor zich zelf, maar tegenover al de
-anderen en ze glimlachte alsof ze zeggen wilde:
-
---Neemt u me niet kwalijk, maar ik heb geen schuld...
-
-Ook de anderen hadden trouwens dien eigenaardigen glimlach om de
-lippen, die als om verontschuldiging vraagt. Zij gevoelden zich allen
-wat gedrukt, wat droevig en zeer gelukkig. Ieder was buitengewoon
-vriendelijk voor zijn buurman, het was, of men afgesproken had,
-een goedmoedige comedie van wederzijdsche welwillendheid met elkaar
-te spelen. Katja was het stilst en rustigst van allen. Ze gevoelde
-zich blijkbaar geheel thuis en Nikolaas scheen al aardig ingenomen
-met haar. Hij stond op, het was tegen het einde van den maaltijd,
-een glas champagne in de hand en sprak tot Paul Petrowitsj:
-
---Je gaat ons verlaten, beste broeder. Wij hopen maar voor korten
-tijd. Maar ik kan niet nalaten te zeggen, hoe jammer het is, dat
-ik,... dat wij... dat wij Russen geen speech kunnen afsteken. Arkadiej,
-neem jij het woord voor mij.
-
---Neen, papa, ik ben in 't geheel niet voorbereid.
-
---Altijd nog beter dan ik! Nu dan, broeder, laat ik je mogen omarmen,
-gewoon weg, en je alles goeds toewenschen. Kom maar zoo gauw mogelijk
-weer bij ons terug.
-
-Paul Petrowitsj omhelsde alle dischgenooten, Mitja incluis. Hij kuste
-Fenitsjka buitendien nog de hand, die ze hem nog al onhandig gaf. Toen
-dronk hij een tweede glas champagne en riep met een diepen zucht:
-
--- Weest gelukkig vrienden, farewell!
-
-Maar dit Engelsche woord hoorde niemand, want ieder was te zeer
-ontroerd.
-
---Ter nagedachtenis van Bazarof, fluisterde Katja haar man in het
-oor en klonk met hem. Maar hij durfde niet op Bazarof te toasten en
-drukte haar alleen de hand.
-
-
-
-En hiermede is dit verhaal ten einde.
-
-Misschien wenschen sommige lezers te weten hoe het met de verschillende
-personen op het oogenblik gaat.
-
-Wij komen gaarne aan dit verlangen tegemoet.
-
-Anna Sergejevna is onlangs getrouwd. Zooals te verwachten was,
-een mariage de raison. Haar echtgenoot is een voortreffelijk
-rechtsgeleerde, een practisch man, met een krachtigen wil en groot
-redenaarstalent. Overigens tamelijk jong, onbesproken, maar ijzig
-koele natuur. Hij schijnt voorbestemd een groote rol in de politiek
-der volgende jaren te spelen.
-
-Het is een voorbeeldig huwelijk en waarschijnlijk zullen zij het tot
-huiselijk geluk en misschien tot liefde brengen.
-
-Vorstin K. is overleden en vergeten sedert den dag van haar heengaan.
-
-Vader en zoon Kirsanof wonen op Marjino. De zaken beginnen beter te
-loopen. Arkadiej is een flink landbouwkundige geworden en het landgoed
-brengt aanzienlijke rente op.
-
-Nikolaas Petrowitsj werd tot vrederechter gekozen en komt zijn
-ambtelijke plichten met de grootste nauwgezetheid na. Hij bereist
-onophoudelijk zijn distrikt, en houdt lange redevoeringen. Want hij
-is van oordeel, dat men de boeren moet onderrichten en herhaalt nu
-dezelfde kwesties uit den treure. Intusschen gelukt het hem noch de
-verlichte heeren edellieden, die over de "(é)mancipation" zwaarwichtig
-of zwaarmoedig redeneeren, noch de onontwikkelde heeren, die deze
-"mancipation" hartgrondig verwenschen, volkomen tevreden te stellen.
-
-Dezen zoowel als genen vinden hem te "slap".
-
-Katharina Sergejevna heeft een zoon en Mitja is al een aardig kereltje,
-dat loopen en praten kan.
-
-Fenitsjka, nu Fedosia Nikolajevna, houdt, behalve van echtgenoot en
-kind, van niemand zooveel als van haar schoondochter. Als Katja piano
-speelt, wijkt ze niet van haar zijde.
-
-Ook Peter mogen we niet vergeten. Hij is verdwaasd en in het gevoel
-van zijn gewichtigheid opgeblazener dan ooit. Toch heeft hij een vrij
-voordeelig huwelijk gesloten. Met de dochter van een tuinbaas uit de
-stad, die hem de voorkeur had gegeven boven twee andere mededingers,
-omdat die geen horloge hadden en hij niet alleen een horloge, maar
-zelfs lakschoenen bezat!
-
-
-
-Op het Brühlterras te Dresden kan men des middags tusschen twee en
-vier uur, den fashionable wandeltijd, een vijftiger zien wandelen,
-geheel grijs, en die jichtig schijnt, maar nog knap en elegant, en
-met dat bizondere cachet, dat onmiddellijk den man van de wereld
-verraadt. Deze wandelaar is niemand anders als Paul Petrowitsj
-Kirsanof. Hij heeft Moscou om gezondheidsredenen verlaten en zich
-in Dresden gevestigd, waar hij hoofdzakelijk omgaat met Engelsche
-en Russische vreemdelingen. Tegenover de Engelschen gedraagt hij
-zich bescheiden, maar altijd waardig. Zij vinden hem min of meer
-vervelend, maar zeggen, dat hij een perfect gentleman is. In den
-omgang met de Russen gevoelt hij zich meer behagelijk, laat zijn
-galgenhumor den vrijen teugel, bespot zich zelf en spaart de anderen
-evenmin. Maar er is in zijn houding een prettig aandoend zich laten
-gaan en hij komt nooit in botsing met den goeden toon en de waardige
-levenshouding. Hij is het buitendien eens met de opvattingen der
-slavophielen en zooals men weet wordt deze opvatting in de Russische
-beau monde zeer gedistingeerd gevonden. Hij leest geen Russische
-boeken, maar op zijn schrijftafel staat een zilveren "lapot" [18] als
-aschbak. Russische reizigers bezoeken hem dikwijls. Zoo ook Mathias
-Ilitsj Koliazin, die tegenwoordig in de oppositie is, en hem zijn
-opwachting kwam maken op een reis door de Boheemsche badplaatsen. De
-inwoners van Dresden, met wie hij overigens niet omgaat, schijnen
-een soort vereering voor hem te koesteren.
-
-Niemand kan zoo gemakkelijk als "Baron van Kirsanof" een introductie
-krijgen voor de hofkapel, een schouwburgloge of dergelijke. Hij doet
-zooveel goed, als hij kan en altijd min of meer zichtbaar. Toch is
-het leven hem een last, meer dan hijzelf eigenlijk beseft. Zie bij
-voorbeeld, hoe hij in de Russische kerk, tegen een muur geleund staan
-kan, een trek van bitterheid om de vastgesloten lippen onbewegelijk,
-droomend, en dan opeens het hoofd schudt en bijna onmerkbaar een
-kruis slaat.
-
-Mevrouw Koeksjin heeft ook het dorpsleven vaarwel gezegd. Zij
-woont in Heidelberg en studeert niet langer natuurwetenschappen,
-maar architectuur en heeft, zooals zij zelf beweert, nieuwe wetten
-ontdekt. Zooals vroeger gaat zij met de studenten om en vooral met
-jonge Russische chemici en physici, waarvan er zoo veel zijn in
-Heidelberg, en die eerst de naïeve Duitsche professoren versteld
-doen staan over hun juist oordeel, maar weldra door hun verregaande
-luiheid en leegloopen die heeren nog meer verbazen.
-
-Met twee zulke chemici, die het onderscheid tusschen zuurstof en
-stikstof niet kennen, maar alles critiseeren en zeer ingenomen met
-zich zelf zijn, maakt Sitnikof Petersburg onveilig en zet zoogenaamd
-het "werk" van Bazarof voort in compagnieschap met "den grooten"
-Jelisewitsj, en is overtuigd, weldra eveneens een groot man te
-zullen zijn.
-
-Men zegt, dat hij onlangs een pak slaag heeft opgeloopen, maar niet
-zonder zich te wreken. In een obscuur blaadje heeft hij in een anoniem
-artikel te verstaan gegeven, dat zijn vijand een lammeling was. Zelf
-noemt hij dat ironie. Zijn vader bemoeit zich niet met hem, en zijn
-vrouw noemt hem een domkop en een "letterkundige".
-
-
-
-In een afgelegen hoekje van Rusland ligt een klein kerkhof. Zooals
-al onze kerkhoven, treurig om te zien. De greppels erom heen zijn
-sedert lang met onkruid begroeid en onzichtbaar. De houten kruisen
-zijn voor den tand des tijds bezweken en liggen omvergewaaid,
-vergeten. Enkele houden zich nog staande, maar schijnen gebukt te
-gaan onder het bemost-groene afdakje, dat ze beschermen moest. De
-grafsteenen zijn van hun plaatsen geschoven, alsof iemand ze van
-onderen had weggeduwd. Enkele, bijna bladerlooze boomen geven geen
-schaduw. Schapen weiden tusschen de zerken. Maar één graf is er,
-dat door mensch en dier gespaard schijnt. Alleen de vogels komen en
-zingen er iederen morgen, als de dag aanbreekt. Het is omgeven door
-een ijzeren hek en twee jonge dennen staan aan de uiteinden.
-
-Dit is het graf van Jevgenij Bazarof.
-
-Twee oude menschen, een man en een vrouw, gebogen onder den last der
-jaren, komen er dikwijls van uit een dorpje in de omgeving. De een
-op de ander steunend komen ze langzaam naar het hekje, knielen neer
-en weenen lang en bitter, de oogen op den stommen steen gericht. Ze
-spreken een paar woorden, vegen het stof en zand van den steen,
-leggen er een dennetak op neer, en beginnen weer te bidden en kunnen
-er niet toe komen, deze plaats te verlaten, waar ze dichter bij hun
-kind denken te zijn.
-
-Kunnen hun tranen, hun gebeden vruchteloos zijn?
-
-Is het mogelijk, dat reine, opofferende liefde niet alvermogend is?
-
-O... neen... neen....
-
-Hoe hartstochtelijk, hoe opstandig een hart ook is geweest, dat nu
-rust in een graf, de bloemen, die er bloeien, zien ons liefdevol met
-haar onschuldige oogen aan. Ze vertellen ons van de eeuwige rust,
-van de rust der in zichzelve harmonische natuur. Ze vertellen ook
-van een verzoening en van een leven, dat zonder einde is...
-
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-
---En hoe vindt u dat boek, Vaders en Zonen?
-
---Moeten we het weer over literatuur hebben? Dat is moeilijk te zeggen,
-juffrouw, we zijn op het oogenblik in 1918...
-
---Wat heeft de tijd met een kunstwerk...?
-
---Pardon, niets en alles. Vooral een boek als dit, dat de schreeuw
-van een tijd is. En die tijd is lang voorbij, al zult u de antagonie
-tusschen aristocraat en plebejer zelden scherper geteekend vinden.
-
---Dus...
-
---Och, juffrouw, het "moderne" is zoo gauw oud. En de menschen
-zijn zoo ondankbaar, zoo vergeetachtig en zoo ingebeeld, vooral de
-"moderne". Maar toch leeft dit boek nog met een diep-stroomend,
-doorzichtig, gevoelig leven.
-
---Echt Russisch.
-
---Ja, juffrouw, ik weet, wat u zeggen wilt. Maar drinkt u uw thee
-eens op. Nog een koekje?
-
---Dank u. Ik bedoelde, in Russische boeken, zijn daar niet altijd
-van die rare menschen?
-
---Pardon, raar zegt u? Dat had ik niet verwacht. Ja... nee... dat
-geloof ik niet. Maar u vindt, dat je in dit boek eigenlijk niet van
-die rare menschen ontmoet? Die Bazarof is nog de gekste, noemt zich
-een nihilist, gelooft aan geen enkele autoriteit. Dat vindt u niets
-vreemd, wel? Overwonnen standpunt. 1918! In Américain zitten ze nog
-veel gekker tegenwoordig en met theorieën! Heeft u gezien...
-
---Ja.
-
---Maar vergeet u niet, dat die Bazarof een eersteling was in
-de literatuur. Toergenef heeft voor hem het woord nihilist
-uitgevonden. En hebt u gemerkt, hoe de conservatieve edele
-landeigenaren daarvan schrokken? Eerstelingen kunnen de menschen
-nooit goed verdragen. Vandaar dat Paul Kirsanof met Bazarof duelleert.
-
---Wat is het landleven van die Russische heeren fijn geteekend.
-
---Ja, zoo eenvoudig-reëel en tegelijk zoo dichterlijk.
-
---Zou dat komen, omdat het leven werkelijk zoo dichterlijk is, of
-omdat de schrijver het zoo ziet?
-
--- Een beetje dilettantisch die vraag. Ik denk allebei. Leest u er
-den eersten besten kunst-betweter criticus maar op na. Nog een kopje
-thee? Maar even inschenken?
-
---Dank u. Maar vindt u ook niet, dat een Russisch boek altijd zoo
-een eigen atmosfeer heeft, zoo iets anders...
-
---Omdat er wel een Russische ziel is, maar geen (west)-europeesche. Ten
-minste nu niet. Omstreeks 1800 wel, toen leefde de romantiek. Hebt
-u gemerkt, hoe die Russen eigenlijk nog vol-bloed romantici
-zijn. Ten minste de ouderen, de "vaders". Bazarof gaat daar als
-nihilist d. w. z. materialist tegen te keer. Hij wil immers niet
-gevoelig zijn. Hij leest niet Poesjkien, maar Büchner! Heel Europa
-is later vermaterializeerd. In West-Europa zijn dat de winkeliers,
-de kaaskoopers, de effectenhandelaars, de fabrikanten geworden.
-
---De bourgeoisie?
-
---Ja, vooral zonder hoofdletter! De Jan Salie van Potgieter, de
-Droogstoppel van Multatuli, de Jan Publiek van tegenwoordig. In
-Rusland is het heel anders gegaan. Daar heb je geen bourgeoisie,
-geen middenstand, geen "ontwikkelde burgerij".
-
---Zalig land.
-
---Past u op, want de "nette burger" heeft geweldige argumenten, die
-zijn bloei schijnen te rechtvaardigen.--In Rusland bleef de romantiek
-in den landedelman, met zijn patriarchale tradities, in den boer,
-met zijn innige religieuziteit en onderworpenheid aan het gezag, in
-den student, die met heel zijn nihilisme en anarchistische neigingen
-voor een waarheid strijdt en lijdt, voor een ideaal. Praat, praat en
-droomt... daar hebt u de Russische ziel. Maar steekt u een sigaret op,
-dan zal ik wat licht maken... zoo... dat is gezelliger...
-
---Maar leeft die ziel ook niet in Bazarof's moeder,
-fanatiek-bijgeloovig en zoo vol liefde, dat ze haar zoon niet durft
-vragen, hoe lang hij blijven wil, uit vrees, dat hij zeggen zal,
-ik ga morgen weer weg...
-
---Ja, angst voor de machten en overgave aan het ideaal.
-
---En dan die vader, zoo zwak, onzeker en vol vertrouwen. En al die
-anderen, die zooveel zwaarwichtig redeneeren en zoo weinig doen... Wij
-houden toch meer van handelen.
-
---In theorie. Maar dikwijls blijft het bij het "houden van". Dat is
-immers begrijpelijk en in-menschelijk. En dat is nu ook Russisch:
-daar rond voor uitkomen. West-Europa huichelt; de west-europeesche
-burger huichelt op zijn kantoor en in zijn salon, op zijn straat en
-in zijn schouwburg, overal en altijd. De Rus zegt alles, leeft naar
-zijn innerlijkst beleven. Daarom sprak u straks van raar.
-
---Dostojefski...
-
---Laten we hem laten rusten. Toergenef was zijn tijdgenoot, maar beter
-gesitueerd en dus rustiger, blijmoediger. Maar zijn gevoeligheid voor
-wat zwak, droevig en teeder is, zijn ironische glimlach voor wat er
-onder de menschen beglimlachenswaard is, heeft hij met alle romantici
-gemeen. De gevoelens zijn eeuwig, maar de gedachten wisselen. En al
-schijnt dit boek een strijdschrift, een uiteenzetting van theorieën,
-een tegenover elkander plaatsing van oud en nieuw (zijn tijdgenooten
-verweten hem, den draak met het heilige nieuwe te steken!), toch is het
-in de eerste plaats een lied van stemmingen, het lied van de Russische
-maatschappij in 1860, en weer eens blijkt ons de machteloosheid
-en de gevoelsrijkdom van het zuiver-menschelijke. Bazarof is een
-tragische figuur, omdat ook hij tot niets komt. Vóor hij aan de daad
-toe is, achterhaalt hem de dood. Dit heeft een dieper zin; op zijn
-sterfbed fluistert hij zijn bijna-geliefde toe: "een vertrapte worm,
-die nog kronkelt. Ik dacht nog veel te doen. Ik had een taak, en
-nu heb ik alleen nog maar flink te sterven, al kan dat niemand ook
-wat schelen"... En ook hij, de materialist, de cynicus, de afbreker
-van al het bestaande, is een armzalig idealist... een mensch... Hij
-belichaamt de fataliteit van alle menschelijk streven, de ondergang in
-den opgang. En dit is de stille en diepe daad van een kunstenaar, dat
-hij altijd weer laat zien, hoe de daad, of zelfs al de wil-tot-de-daad
-zichzelf verslindt, opgaat in den onafgebroken stil-ruischenden droom,
-die het leven heet.
-
---En zijn vriend Arkadiej is niet veel...
-
---Nee, de even-prater, de naïeve enthousiast, de middelmatigheid in
-persoon, het soort, dat u zoo gewoonlijk ontmoet.
-
---Maar de vrouwen?
-
---O, de vrouwen, dat is een nieuw hoofdstuk. Maar wilt u niet eens
-die mocca krakelingetjes probeeren?
-
---Nee, dank u, maar wel graag een sigaret.
-
---Alstublieft... ja, dat zullen ze wel een beetje raar vinden, als
-ze dat lezen. Die Anna Sergejevna en dat zusje van haar, zijn niet
-eens hyst..., o pardon, ik bedoel, niet eens modern.
-
---Zoo ouderwetsch.
-
---Zoo koel... anæsthesie noemen ze dat meen ik tegenwoordig. En ze
-zullen het niet gelooven, als iemand zegt, dat daar diepe krachten
-verborgen zijn. Leest u hoofdstuk 18 en 19 en voel, hoe dat innerlijk
-trilt en zoekt en huilt van verlangen en schaamte en... onmacht
-tot liefde.
-
---Niet kunnen lief hebben, dat is vreeselijk.
-
---U zucht, juffrouw, ja, dat is wel vreeselijk, maar hier ligt ook de
-hoofdoorzaak van het "moderne conflict", van Strindberg af tot wie u
-maar wilt uit uw naaste omgeving. Dat hangt samen met de ontwikkeling
-van het materialisme en met de "cultuur". Kijk eens, hoe sterk en
-mooi Bazarof is in zijn begeeren, hoe eerlijk en gezond, maar "Zij"
-is fijn en valsch en gecultiveerde femme du monde.
-
---En haar zusje?
-
---O, die laat zich gewoon ten huwelijk vragen, en zegt ja, als het
-slachtoffer een kwartiertje leugentjes gestotterd heeft. Toergenef
-zegt fijntjes: het succes van zulke meisjes hangt af van haar manier
-van zuchten op het juiste oogenblik...
-
---Maar het meisje van nu is niet meer zoo...
-
---Natuurlijk niet, juffrouw, maar zulke domme jongens zijn er ook
-niet meer, ten minste... lacht u?
-
---Nu ja, omdat u lacht.
-
---O... Maar weet u, wat echt niet meer bestaat? Zoo'n Fenitsjka,
-dat eenvoudige meisje, dat den ouden Kirsanof haar leven en een kind
-gegeven heeft en nu in zijn huis woont er er een zonnetje is... en
-toch niet zijn vrouw... Want ze heeft hem zoo innig lief. Is dat
-negende hoofdstukje niet een idylle, die aan Herman en Dorothea doet
-denken? Noem dat gerust romantische liefde, maar een leelijk woord
-duld ik hier niet. Want dat zou een laagheid zijn.
-
---Nog één ding, de compositie van den roman is me opgevallen.
-
---Eenvoudig, naïef bijna, vond u niet? Zoo eenvoudig, als de
-karakters scherp, met duizend fijnheden geteekend zijn en leven,
-leven... Toergenef brengt zijn menschen gewoonweg ergens onder dak,
-laat ze daar leven en praten en droomen. En als hij nieuwe combinaties
-noodig heeft, dan laat hij ze op reis gaan. De paarden draven langs
-den weg. Een ander huis verschijnt. En de menschen leven, praten en
-droomen weer in een andere verhouding. De menschen handelen niet,
-zij worden gehandeld. En dit is erg bekoorlijk... Weet u nog uit
-onzen genialen tijd: Man glaubt zu schieben, und man wird geschoben?
-
---Ja, die herinneringen,... toen woonde u in een klein kamertje...
-
---In de W... straat.
-
---En iederen Dinsdagavond...
-
-
-
---Och ja, die Russen zijn wel wijs in hun naïeveteit. Vergeeft u me
-die gemeenplaats, maar men dweept tegenwoordig zoo met de Russen...
-
---... misschien niet ten onrechte... het is zoo: menschen praten met
-elkaar in een kamer, en er komt iets tusschen hen... en dan gaan ze
-weg, in een ander huis... en daar zijn ook weer menschen.
-
---En dat wordt dan de roman!
-
---"Uit het leven".
-
---Juist, juffrouw.
-
---Weet u niet meer, hoe ik heet?
-
---Jawel, maar laten we niet persoonlijk worden...
-
-
- Januari 1918. S.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Jevgenij Onegin, een roman in verzen van 1825.
-
-[2] Elias.
-
-[3] mjesjtsjanien = "klein burger", niet onze "burger".
-
-[4] Russ.: daj vam Bog zdarovja i generalski tsjin = geef u god
-gezondheid en den generaalsrang.
-
-[5] Russ.: Hegelisti i Nigelisti.
-
-[6] Russisch spreekwoord: aan zijn eigen melk brandt hij zich, nu
-blaast hij koud water.
-
-[7] De Russische boer verslindt zelfs God.
-
-[8] Russisch spreekwoord: Ot kopejetsjnoi svjetsji, Moskva sgarjela!
-
-[9] De oudste, voorzitter, des adels van het goevernement.
-
-[10] Russisch spreekwoord.
-
-[11] n.l. 1825: samenzweerders tegen Nicolaas I, de dekabristen.
-
-[12] Dorpshoofd en -oudste.
-
-[13] Jasen = esch, jasni = vroolijk, opgewekt.
-
-[14] Russisch spreekwoord = Wie zich het oude herinnert, dien (moet)
-een oog eruit.
-
-[15] Zuurkoolsoep
-
-[16] Roode bietensoep.
-
-[17] Russ. Mir = wereld, en gemeente; er bestaat een traditie, dat
-de wereld op drie visschen rust.
-
-[18] Boerenschoeisel van berkenbast.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Vaders en Zonen, by Ivan Toergenev
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VADERS EN ZONEN ***
-
-***** This file should be named 53612-8.txt or 53612-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/3/6/1/53612/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-