summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/55521-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/55521-0.txt')
-rw-r--r--old/55521-0.txt8126
1 files changed, 0 insertions, 8126 deletions
diff --git a/old/55521-0.txt b/old/55521-0.txt
deleted file mode 100644
index 8eb10bd..0000000
--- a/old/55521-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,8126 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Albrecht Dürer, by Armin Stein
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Albrecht Dürer
- Een levensbeeld
-
-Author: Armin Stein
-
-Release Date: September 10, 2017 [EBook #55521]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALBRECHT DÜRER ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- ALBRECHT DÜRE.
- EEN LEVENSBEELD
-
-
- DOOR
-
- ARMIN STEIN
- (H. NIETSCHMANN.)
-
-
- NIJKERK
- G. F. CALLENBACH.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORREDE.
-
-
-Het is noodzakelijk de beide dwalingen, die aangaande Albrecht Dürer
-in den loop der tijden in omloop zijn gekomen, uit den weg te ruimen,
-voordat ik een trouw beeld van zijn leven schets. Ten eerste beweert
-men, dat Dürer arm is geweest en ten tweede wordt zijn vrouw voor
-een Xantippe uitgemaakt.
-
-Het een noch het ander is waar. Het zijn verzinsels, waarvan men
-tijdens Dürers leven nooit heeft gehoord, en die een eeuw na zijn
-dood zijn bedacht.--Maar uit welke bron heeft men ze geput?
-
-Wat Dürers gewaande armoede betreft, hebben enkele losse gezegden,
-in scherts door hem bedoeld, doch door de menschen in ernst opgevat,
-daartoe aanleiding gegeven en ofschoon hij wel eens in geldverlegenheid
-is geweest--welke kunstenaar is dat nooit!--heeft hij toch geheel
-onbezorgd kunnen leven en eindelijk zelfs een groot vermogen nagelaten.
-
-Maar dit is de kleinste dwaling uit den weg geruimd. De tweede is
-van ernstiger aard: men zegt, dat zijn vrouw door haar heerschzucht,
-gierigheid en gebrek aan inzicht zijn huiselijk leven zeer heeft
-verbitterd. Hoe is men daaraan gekomen? De oorsprong van dezen
-schandelijken laster is uitsluitend een brief van Wilibald Pirkheimer,
-dien men in de 17de eeuw heeft gevonden in het stadsarchief van
-Neurenberg en dien hij twee jaar na Dürers dood aan Johan Tscharte
-heeft geschreven. Pirkheimer was op zijn ouden dag met iedereen
-in onmin geraakt, en leefde eenzaam en verlaten. Door podagra en
-galsteen gekweld, was hij een eigenzinnig, lichtgeraakt, ontevreden
-grijsaard geworden, die alleen leefde voor zijn eenigen hartstocht:
-het verzamelen van kostbare zaken. Het was Pirkheimers vurige wensch,
-de beide geweien uit Dürers nalatenschap, geschenken van den Keurvorst
-Frederik van Saksen, in bezit te hebben en hij stortte al zijn toorn
-over Dürers weduwe uit, toen zij over deze prachtexemplaren op andere
-wijze beschikte. Dat was in Pirkheimers oogen zulk een misdaad,
-dat hij, door schandelijke belastering in een brief aan zijn vriend,
-lucht gaf aan zijn woede.
-
-Trouwens 't is niet alleen Dürers vrouw, Agnes, die in dezen brief
-wordt belasterd, ook Lazarus Spengler, die schitterende ster in
-de Hervormingsgeschiedenis krijgt zijn deel, en wordt in zulk een
-slecht licht geplaatst, dat ieder met verachting zich van hem zou
-moeten afwenden. En waarom zou men, nu er toch wel niemand zal worden
-gevonden, die ter wille van dien brief de geschiedenis der Hervorming
-zou willen verbeteren en dezen edelen man naar die lasterende woorden
-beoordeelen, op gezag van dienzelfden brief het beeld bezoedelen
-eener vrouw, die gedurende haar leven om haar eerbiedwaardigheid en
-huiselijke deugden aller achting heeft verworven?
-
-Maar zoo is de laster; onverstoorbaar gaat hij voort, al verder en
-verder, al wordt hij ook duizendmaal aan de kaak gesteld. Doch na al
-hetgeen Thausing, die beter dan eenig ander Dürer heeft bestudeerd,
-in zijn werk over den meester heeft gezegd, moet de waarheid duidelijk
-zijn geworden en de smet, die het beeld dezer edele, achtenswaardige
-vrouw aankleefde, zal daardoor moeten verdwijnen.
-
-
-Armin Stein.
-
-Halle a/z Dec. 1891.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Hoofdst. Bladz.
-
- I. In het schemeruur 1
- II. Castor en Pollux 8
- III. Op school 16
- IV. In vaders werkplaats 27
- V. Bij Meester Wolgemut 38
- VI. Het afscheid 48
- VII. In den vreemde 53
- VIII. Vervulde wenschen 67
- IX. Het huwelijks leven 76
- X. Hulp bij den arbeid 83
- XI. Voornaam bezoek 89
- XII. De prediker in de woestijn 98
- XIII. Vriendentrouw 110
- XIV. Kinderlijke liefde 123
- XV. Tot grooter volkomenheid 130
- XVI. Een dubbel afscheid 138
- XVII. Nogmaals te Venetië 146
- XVIII. Bedwelmende wierook 160
- XIX. Op het toppunt van roem 166
- XX. Schilder en dichter 181
- XXI. Kunstenaar en Keizer 189
- XXII. Smart en vreugde 198
- XXIII. Uit de duisternis tot het licht 206
- XXIV. Te Augsburg 219
- XXV. Bevredigd verlangen 229
- XXVI. Een spotschrift 236
- XXVII. In de Nederlanden 242
- XXVIII. Een lijkzang 255
- XXIX. Neurenberg boven alles 261
- XXX. Ook een hervormingspreek 255
- XXXI. Kunstenaar en geleerde 277
- XXXII. Naar een beter vaderland 281
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-IN HET SCHEMERUUR.
-
-
-De dag liep ten einde. Een flauw rosse gloed tintte nog slechts even
-den hemel en grijzige nevels hulden de stad Neurenberg als in een
-sluimerwade. Het was de 21e Mei van het jaar 1477 en een ijzig koude
-dag. Men had dit jaar niets gemerkt van de heerlijkheid der Meimaand:
-de vroege bloempjes hadden bitter geleden door de nachtvorst en de
-menschen verzamelden zich om het haardvuur, dat weldadig aandeed.
-
-De schemering was bijna duisternis geworden in het woonvertrek van
-het huis, gelegen in de straat, die men "onder de veste" noemde en
-die steil naar de burcht [1] der vrije Rijksstad liep. Er was bijna
-niets meer te onderscheiden van de voorwerpen in de kamer: de stevige
-pilaar in 't midden, die de bruin geverfde zoldering van planken en
-balken schraagde, de ronde eikenhouten tafel om den voet der zuil
-aangebracht, de hooge, houten banken, die langs twee der eveneens
-met hout beschoten muren stonden, het rek met het aarden vaatwerk,
-het groote fornuis van groene tegels, waarin afbeeldingen uit de
-legenden der heiligen waren gebrand, daarnaast aan den muur het ivoren
-kruisbeeld met het wijwatersbakje er onder, en op den achtergrond de
-reusachtige, met ijzer beslagen, kist.
-
-Er heerschte stilte in het vertrek; een plechtige stilte. Op een
-der houten banken, die in de vensternis waren vastgemaakt, zat
-de heer des huizes, Albrecht Dürer, de goudsmid, een man van even
-vijftig jaar. Zijn gelaat, vol uitdrukking, teekende zielsrust en
-waardigheid, zijn kleine, lichtbruine oogen hadden een verstandige
-en denkende uitdrukking en zijn edel besneden mond verried mannelijke
-vastberadenheid.
-
-Tegenover hem zat een jonge vrouw van ongeveer vijfentwintig jaar,
-met een gelaat stralend als vriendelijk zonnelicht, met ronde,
-zacht blozende wangen, licht blonde, golvende lokken, en heerlijke
-blauwe oogen, schitterend als sterren aan den hemel. Dat was meester
-Dürers echtgenoot, Vrouwe Barbara. Op haar schoot sluimerde haar
-jongstgeborene en aan haar rechterhand stond een knaapje van drie
-of vier jaar, terwijl een zesjarige jongen naast zijn vader op de
-bank zat.
-
-Op 's meesters knieën lag een groot boek, in bruin leder gebonden
-en met zilver beslag, waaruit hij had gelezen bij den huiselijken
-avonddienst. Zoo juist waren de knechts en de meid weggegaan en het
-gezin zat nog bijeen, in stil gebed verzonken. De meester had het
-gebed kort moeten maken, omdat er door de snel invallende duisternis
-te weinig licht door de vensters van geolied papier naar binnen viel,
-om de woorden te kunnen lezen.
-
-Na eenige oogenblikken zette hij het bruine kapje weer op het hoofd,
-dat hij gedurende het gebed had ontbloot en legde de hand op het
-krullekopje van zijn oudsten zoon, die naar hem was genoemd.
-
-"Gij zijt heden zes jaar geworden, mijn lieve Albrecht. God behoede
-en bescherme u ook op uw verderen levensweg en Zijn genade helpe u
-in het vervolg voor ons te blijven, wat gij tot nu toe zijt geweest:
-onze troost en vreugde."
-
-De knaap vleide zich aan zijns vaders borst en kuste bewogen diens
-hand. Toen trok zijn moeder hem tot zich om hem te liefkoozen en ook
-haar zegen te geven. Zij kreeg de tranen in de oogen en haar stem
-trilde, toen zij zeide:
-
-"Gij zijt nu onze oudste geworden, Albrecht, nadat God uw ouderen
-broeder Johannes en uw zuster Barbara heeft teruggeeischt. Op u rust
-nu al onze hoop en ons vertrouwen."
-
-De knaap viel zijn moeder om den hals en kuste haar herhaaldelijk,
-terwijl hij de tranen in de oogen kreeg. Daarna wendde hij zich
-weer tot zijn vader en keek hem met zijn lieven, onschuldigen blik
-vragend aan.
-
-"Wat wenscht gij mijn jongen?" vraagde zijn vader, die de taal zijner
-oogen begreep. De kleine jongen drong zich tegen hem aan en sprak:
-"Ik wou zoo graag, dat gij mij iets verteldet uit den tijd, toen gij
-zelf zoo jong en klein waart, als ik nu ben, en hoe het u later in de
-wereld is gegaan. Ik weet zoo weinig daarvan en zou graag alles weten."
-
-"Wel, mijn jongen, dien wensch wil ik vervullen," antwoordde zijn
-vader vriendelijk, doch ernstig. "Het is altijd goed het verleden
-niet te vergeten en gij zijt nu ook oud genoeg om te begrijpen,
-dat het de Heer is, die uws vaders weg heeft bestuurd."
-
-De kleine Albrecht ging nu weer naast zijn vader op de bank zitten en
-luisterde, met gevouwen handjes, naar hetgeen deze hem zou vertellen.
-
-"Uit het oosten, uit een land hier ver van daan, ben ik gekomen. Mijn
-wieg stond in Hongarije; daar ligt een stad Groszwardein geheeten,
-in welker nabijheid het stadje Gyula is gelegen en dicht daarbij het
-dorpje Eitas, waar ik geboren ben. Mijn zusje Catherina speelde met
-mij toen ik nog in de wieg lag en later heb ik nog twee broertjes
-gekregen, waarvan de een, Ladislas, zadelmaker is geworden en de
-ander geestelijke. Doch ik kwam bij mijn vader in de leer, om door
-hem tot goudsmid te worden opgeleid.
-
-"Toen mijn leerjaren voorbij waren, heb ik den wandelstaf ter hand
-genomen en ben volgens de gewoonte der handwerkslieden de wijde
-wereld ingetrokken. Eerst bleef ik in mijn eigen land; toen ben ik
-naar de Nederlanden gegaan, om eindelijk aan te landen in de goede
-stad Neurenberg, waar ik sedert dien dag ben gebleven en hoop te
-blijven tot mijn laatsten dag, zoo God het wil. Want slechts korten
-tijd was ik in Neurenbergs poorten, of ik voelde mij zoo aangetrokken
-tot deze schoone stad, dat ik niet meer van haar zou hebben kunnen
-scheiden. Toen ik door de straten wandelde om de prachtige huizen, de
-aangrijpend schoone kerken en de machtige vestingwerken te bewonderen,
-zag ik veel menschen in feestgewaad naar de burcht snellen, het
-prachtige slot, hoog gelegen en vanwaar men de stad kon overzien. Op
-mijn vraag wat er te doen was, hoorde ik, dat een der edelen uit een
-zeer aanzienlijk geslacht bruiloft vierde op de open plaats onder de
-linde, waar iedereen, die het begeerde, vrij mocht toekijken. Ik volgde
-de menigte en keek wat daar boven gebeurde, waardoor ik gelegenheid
-had te zien hoe rijk, aanzienlijk en trotsch deze stad was.
-
-"Hoe prachtig waren de kleederen en gewaden dezer mannen en vrouwen,
-hoe schitterend de edelgesteenten op het kostbare fluweel en de
-zware zijde, hoe mooi de veelkleurige vederen, die in de kapsels
-zacht heen en weer wuifden; hoe heerlijk geurde de balsem, waarmee
-zij zich hadden gezalfd! En hoe zedig en ordelijk ging alles toe! Op
-eene verhevenheid hadden de ouders van het bruidspaar plaats genomen,
-naast het gedeelte, dat voor de muzikanten was bestemd en vandaar keken
-ze naar het dansen, dat nu begon. De bruidegom met zijn bruid aan de
-hand trad nu vooruit; ik keek met welgevallen naar dezen trotschen,
-statigen man, den Heer Philippus, uit het oud-adellijke geslacht der
-Pirkheimers. Ook van al de anderen, die op de maat der fluiten, hoorns,
-trompetten en trommels langzaam en statig om den lindenboom schreden,
-kon ik de oogen niet afwenden. En terwijl ik daar peinzend stond,
-sprak een stem in mijn hart: "Hier moet gij blijven, Albrecht,--gij
-hebt nu lang genoeg gereisd en getrokken en zijt reeds bijna dertig
-jaar oud; hier zal uw handwerk welig bloeien." En mijn verwachting
-is niet beschaamd geworden. Ik kwam bij meester Hieronymus Holper in
-de werkplaats, en het eene jaar na het andere verliep, zonder dat de
-gedachte in mij opkwam, om verder te trekken. Ook Vrouwe Kunigonde,
-des meesters echtgenoot, was een ware moeder voor mij, zoodat ik mij
-volkomen thuis bij hen voelde. En dan die lieve, driejarige Barbara,
-Holpers dochtertje! Wat had ik een pleizier in het lieve, vrome kind,
-dat ik zag opgroeien tot een schoone, beminnelijke jonkvrouw. Ook zij
-voelde een hartelijke genegenheid voor den gezel en beschouwde hem
-als een vertrouwd huisvriend. En toen zij vijftien jaar was geworden,
-ging ik naar haar vader om hem de hand zijner dochter te vragen. Nu,
-die werd mij niet geweigerd; haar ouders vertrouwden mij hun kind toe,
-en zonder aarzelen legde zij haar hand in de mijne en werd mijn lieve,
-trouwe vrouw, uw goede moeder. Ik bleef werken bij mijn schoonvader,
-doch het volgende jaar liet ik mij, tegen betaling van tien gulden,
-[2] als meester in het gilde opnemen en kocht voor twee gulden het
-burgerrecht. Daarna ben ik met mijn vrouw in het huis van den heer
-Johan Pirkheimer gaan wonen op de Heeremarkt bij de "mooie bron"
-en de Lievevrouwekerk, maar niet in het paleis zelf, doch in het
-achterhuis, dat in de Winklerstraat uitziet. Dat is het huis, waar gij,
-mijn kind, zijt geboren en uw eerste kinderjaren hebt doorgebracht,
-waarvan gij u nog veel zult kunnen herinneren, vooral hoe gij met den
-kleinen Wilibald Pirkheimer, die nu nog uw vriendje is, hebt gespeeld
-en kattekwaad uitgehaald. Maar die woning werd ons al spoedig te
-klein en daarom kocht ik voor drie honderd gulden een eigen huis,
-waarin wij nu reeds drie jaren wonen en wij bidden God, dat Hij ons
-genadig moge toestaan nog vele rustige, gezegende jaren onder dit dak
-te beleven. Wij vragen het Hem, die ons tot nu toe zoo vriendelijk
-heeft gesteund en geleid.
-
-"En gij, mijn lieve zoon luister naar mijn raad: wandel voor Gods
-aangezicht, zooals Abraham, de gezegende des Heeren, opdat het u
-goed ga en gij lang moogt leven op de aarde; want de vaste grond
-en hoeksteen van het geluk is de vreeze des Heeren en niemand zal
-beschaamd uitkomen, die zijn hoop stelt op Hem, die den hemel en de
-aarde gemaakt heeft."
-
-Toen reikte de vader zijn zoon de hand, waarin de knaap de zijne
-legde, zijn vader met warmen blik aanziende; hij zei niets, maar zijn
-vader begreep hem en was voldaan. En nadat de vrome man zich in zijn
-kamer had teruggetrokken en onder het crucifix zich met wijwater had
-besprenkeld en het teeken des kruises gemaakt, beval hij zijn oudste
-nogmaals dringend aan in Gods genade.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-CASTOR EN POLLUX.
-
-
-Onder de vele paleizen der adellijke geslachten uit de vrije Rijksstad
-Neurenberg, was dat der Pirkheimers een der schoonste en meest
-vorstelijke, een waardig verblijf voor een geslacht, dat sedert meer
-dan een eeuw tot den hoogsten adel van Neurenberg had behoord en steeds
-een gewichtige rol in de regeering der stad had gespeeld. Trotsch
-verrees het gebouw op de Heeremarkt met uitzicht op de "mooie bron",
-[3] het meesterstuk van Hendrik Behaim en op de Lievevrouwekerk, en
-menigmaal had Keizer Sigismund het waardig gekeurd hem te herbergen,
-als hij voor den Rijksdag te Neurenberg moest zijn. De hooge, spits
-toeloopende gevels en de erkers, de steenen beelden en de figuren
-uit hout gesneden, die in de vakken waren geplaatst, brachten niet
-weinig bij tot de schoonheid van dit paleis, in welks glasruiten in
-lood gevat--glazen ruiten waren in die dagen een groote bijzonderheid
-en een bewijs van verbazenden rijkdom--de zon hel schitterde. Maar
-nog meer getuigde het inwendige van het paleis van den rijkdom
-der Pirkheimers, vooral de groote, voor feestelijke gelegenheden
-bestemde zaal met de beide zuilen, de wanden bedekt door vlaamsche
-gobelins met tafereelen uit de bijbelsche geschiedenis doorweven,
-het kostbare vaatwerk, de alom bewonderde lichtkronen van geweien met
-goud langs de muren, de hooge schouw met bronzen beelden versierd,
-de fraai gesneden leunstoelen, met gouden leeuwekoppen gekroond en
-met bruin leder overtrokken en de groote spiegel van Venetiaansch glas.
-
-Op een zonnigen dag in de maand Mei van het jaar 1479 zaten in
-de vensternis twee jonge meisjes in blauw fluweel gekleed en met
-lange, blonde vlechten. Het waren de twee dochters des huizes,
-de vijftienjarige Charitas en de twaalfjarige Sabine, die door het
-venster naar een koets keken, die bespannen was met twee ongeduldig
-trappelende schimmels.
-
-De deur ging open en Vrouwe Barbara, de moeder der beide meisjes, trad
-haastig binnen. Zij was een schoone, statige vrouw uit het aanzienlijke
-geslacht der Löffelholzen. Haar welig, bruin haar werd door een klein
-kapje, met goud gestikt, bij elkaar gehouden, om haar hals droeg
-zij een fijn, wit doekje en haar slank figuur kwam goed uit in het
-sleepend kleed van donkergroene, Vlaamsche, wollen stof, dat door een
-gouden gesp werd vastgehouden; uit de mouwen kwamen donkerroode zijden
-doffen te voorschijn en van de schouders golfden lange, wijde mouwen
-naar beneden, die met witte kant waren gevoerd. Aan de gouden ketting
-hing een kostbaar sieraad van echte paarlen en haar armen waren getooid
-met breede, gouden armbanden, waarin robijnen schitterden. Over haar
-arm had zij een zwart fluweel, met marderbont afgezet, manteltje,
-om haar op den voorgenomen rijtoer voor kou te beschutten.
-
-"Waar is toch, Wilibald, die kleine deugniet?" vraagde Vrouwe Barbara
-aan haar dochters.
-
-"Jutta heeft tevergeefs het heele huis doorzocht."
-
-"Als hij niet thuis is," antwoordde Charitas, "dan kan hij nergens
-anders dan bij Meester Dürer zijn. Ik heb hem een uurtje geleden met
-Albrecht bij de mooie bron zien loopen."
-
-"Dan moet Jutta den kleinen deserteur maar even gaan halen," beval
-Vrouwe Barbara en zij gaf haar dochter een wenk om het aan de meid
-te gaan zeggen.
-
-Een half uur verliep; de koetsier had moeite om de ongeduldige paarden
-in bedwang te houden en Vrouwe Barbara fronste de wenkbrauwen, want
-ze wilde een rijtoer buiten de stad doen en wenschte dat haar kinderen
-met haar zouden genieten van de heerlijke voorjaarslucht.
-
-Daar kwam eindelijk de oude Jutta terug met den achteneenhalfjarigen
-Wilibald aan de hand, een mooi kind met blonde haren en schrandere,
-schitterende oogen.
-
-"Gij hebt veel van mijn geduld gevergd, Wilibald," sprak zijn moeder
-ontstemd, "wist gij niet, dat wij om twee uur uitrijden zouden gaan?"
-
-"Ik heb onder het spelen niet op den tijd gelet," antwoordde hij
-luchtig, terwijl hij zich de haren uit de oogen streek. "Ik vond het
-ook veel prettiger om met Albrecht met den pijl en boog te schieten
-dan uit rijden te gaan."
-
-"Gij zijt een dwaze, ongehoorzame jongen," sprak zijn moeder. "Vraag
-in het vervolg meer wat uw ouders genoegen doet. Trek nu gauw een
-ander pak aan en ga dan met ons in het rijtuig."
-
-Nog bleef de knaap aarzelen en keek zijn moeder een weinig verdrietig
-en tegelijkertijd vragend aan: "Ik heb toch geen pleizier als Albrecht
-niet mee mag," klonk het.
-
-Zijn moeder had moeite niet boos te worden, doch zij bedwong zich
-en vraagde:
-
-"Waar is Albrecht?"
-
-"Hij wacht beneden," antwoordde Wilibald.
-
-Vrouwe Barbara moest nu toch lachen om de volharding van haar zoontje,
-die een vastheid van wil toonde zoo groot als die van zijn vader,
-Johannes Pirkheimer, die door zijn onvermoeide energie en geestkracht
-het ver in de wereld en in de achting der menschen had gebracht.
-
-Toen zij beneden kwam, vond zij Wilibald, die gauw andere kleeren
-had aangetrokken bij zijn vriend Albrecht Dürer, die wel een beetje
-verlegen keek en niet wist, of Vrouwe Barbara zijn indringerigheid
-wel goed zou opnemen. Maar zijn vrees verdween, toen hij zag,
-dat zij hem vriendelijk aankeek en zeide: "Stap maar in, Pollux,
-en ga naast uw Castor zitten! Gij behoort nu eenmaal bij elkander,"
-en zij zelf hielp hem instappen.
-
-Nu ze had ook moeilijk boos kunnen zijn op dien aardigen jongen, van
-wien iedereen veel hield. Zelfs haar aangeboren trots, die anders wel
-in opstand zou zijn gekomen tegen zulk een vertrouwelijken omgang van
-haar zoon met een knaap uit den ambachtsstand, verzette er zich niet
-tegen en niet alleen, dat zij dezen omgang duldde, maar ze verheugde
-er zich zelfs in, omdat zij bemerkte, welk een goeden invloed de
-bedaarde, stille, zachtzinnige Albrecht op haar wilden, koppigen,
-hartstochtelijken zoon uitoefende. Zij had dikwijls het spel der knapen
-gade geslagen en zich dan in stilte verheugd, dat zij aan Albrecht
-zulk een goede hulp had bij de opvoeding van haar wilden jongen. Het
-was ook verwonderlijk, hoe die onstuimige Wilibald zich geheel door
-zijn bedaarden vriend, die nog wel een half jaar jonger was, liet
-leiden en hoe goed zij het met elkander konden vinden, terwijl zijn
-zusters, die zooveel ouder waren, heel wat met hem hadden te stellen
-en dikwijls hun beklag over den stijfkop bij haar ouders kwamen doen.
-
-Eigenlijk was Wilibald, als eenige stamhouder, waarnaar zij vurig
-hadden verlangd, ook wel een weinig door zijn ouders bedorven, en er
-werd veel door de vingers gezien, dat flink gestraft had moeten worden.
-
-De beide jongens zaten op Wilibalds verzoek bij den koetsier en
-babbelden vroolijk, ook vrouwe Barbara was goed geluimd; zij genoot
-van dezen heerlijken meidag en de verrukkelijke natuur, en haar
-hart stemde mee in het lied ter eere der lente, dat de beide meisjes
-aanhieven. Toch kon zij haar oogen niet van de knapen afhouden en zij
-verbaasde zich in stilte over de opmerkingsgave van Albrecht, die
-zooveel in de natuur zag, wat zij in het geheel niet had opgemerkt
-of niet waard had geacht om te bekijken. En zij glimlachte bij de
-gedachte, dat de jongste uit het gezelschap aller leermeester was,
-zonder dat hij zich daarvan ook maar eenigszins was bewust!
-
-De rit werd tot het dorpje Pillenreut uitgestrekt, waar de paarden
-mochten uitrusten en allen zich een heerlijk glas bier goed lieten
-smaken. De jongens hielden het in de kamer niet lang uit: zij
-stormden naar buiten en men hoorde hen juichen en zingen. Toen ze
-terugkwamen, had Albrecht een ruiker roode anemonen, gele ranonkels,
-witte madeliefjes en blauwe grasbloempjes in de hand, die hij vrouwe
-Barbara aanbood uit dankbaarheid voor den heerlijken dag, dien zij
-hem bezorgde.
-
-Met een glimlach bekeek zij den ruiker. Hoe mooi en artistiek had
-hij die bloemen geschikt en dat voor een achtjarige knaap!
-
-De terugreis zou evenwel niet zoo aangenaam zijn als de heenreis. De
-paarden schrokken voor een troep zigeuners, die een beer met
-zich rondleidden, en de koets kreeg zulk een schok, dat zij bijna
-omviel. Gelukkig bekwamen Vrouwe Barbara en haar dochters geen letsel,
-doch de beide knapen stortten van hun hooge zitplaats naar beneden. Met
-een kreet van ontzetting liep Vrouwe Barbara op de kinderen toe en zij
-zag met schrik hoe Wilibald een bloedende wonde aan het achterhoofd en
-Albrecht, een blessuur aan zijn hand had gekregen. Doch voordat zij
-hen kon helpen, was Wilibald al opgestaan, hij hielp Albrecht op en
-trachtte hem te troosten, niet denkende aan zijn eigen pijn, voordat
-zijn moeder hem opmerkzaam maakte, dat ook hij was gewond. Doch hij
-schonk meer aandacht aan zijn vriendje en zijn moeder verblijdde zich
-innig over het goede hart van haar zoon, dat hij zoo dikwijls achter
-zijn ruwheid verborg, maar dat nu duidelijk sprak uit zijn groote
-zorg en teederheid voor zijn vriend.
-
-Castor en Pollux, de naam dien vrouwe Barbara in scherts op hen had
-toegepast, bleef in het vervolg hun bijnaam en niet alleen bij de
-familie Pirkheimer, maar ook bij de buren, die een levendig belang
-in de beide onafscheidelijke vrienden stelden.
-
-Zij speelden 't liefst in den tuin van het paleis: daar vermaakten zij
-zich met hun ballen, hun stokpaard of den kruisboog, en ook wel met
-eigen gemaakt speelgoed. Soms ook gingen ze naar het Lorenzerwoud
-of het Sebalduskerkhof en stoeiden daar met andere jongens. Als
-het dan ooit gebeurde, dat Pollux onrechtvaardig werd behandeld,
-dan sprong Castor voor hem in de bres en toonde zich een trouwe,
-ridderlijke vriend. Maar ook in de werkplaats van meester Dürer liepen
-de knapen dikwijls binnen en hielpen hem soms door aan den blaasbalg
-te trekken en het een of ander aan te geven. Albrechts ouders maakten
-zich nooit ongerust, wanneer hun zoon op het etensuur niet verscheen,
-want dan begrepen ze, dat er bij Wilibald thuis iets extra lekkers
-werd gegeten en dat deze zijn vriendje mee wilde laten smullen. En
-de eenvoudige handwerkslieden vonden het een eer, dat Albrecht daar
-als kind des huizes werd behandeld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-OP SCHOOL.
-
-
-Elken morgen te negen uur kwam er aan het paleis der Pirkheimers een
-kleine man, die door de portierster met alle teekenen van eerbied
-werd binnengelaten.
-
-Om zijn kleine, magere gestalte fladderde een lange, wijde jas van
-vuurrood laken, hij droeg een hooge, spits toeloopende muts van zwarte
-wollen stof en om zijn scherp belijnd gelaat met lange, spitse neus,
-fladderden dunne, grijze haren. Met de rechterhand leunde hij op een
-stokje en in de linker droeg hij een rol perkament.
-
-"God zegene u, mijnheer de Doctor!" zoo verwelkomde de meid geregeld
-den binnentredende; dan liep zij eerbiedig vooruit de trap op om de
-deur aan het eind der lange, donkere gang voor hem open te doen.
-
-"God zegene u, Doctor!" klonk het daarop driestemmig in de kamer en
-het kleine, roode mannetje drukte allen met vriendelijken lach de hand.
-
-Het was Doctor Henricus Philander, die op deze wijze in het paleis
-werd ontvangen. Eigenlijk heette hij Hendrik Liebmann, maar volgens
-de gewoonte der geleerden in dien tijd, had hij zijn voornaam in een
-Latijnsch en zijn familienaam in een Grieksch kleed gestoken.
-
-Henricus Philander verdiende ten volle de algemeene achting om zijn
-groote geleerdheid en om zijn bijzonder talent van onderwijzen,
-dat hem alle kinderen der aanzienlijke families uit de stad als
-leerlingen bezorgde.
-
-Bij den keizerlijken raadsheer en medebestuurder der stadsregeering
-van Neurenberg Johan Pirkheimer, kwam hij reeds zeven jaar aan huis,
-eerst om de oudste dochter Charitas onderricht te geven en later ter
-wille van Sabine, de jongste.
-
-Met bijzondere voldoening en ijver kweet hij zich van zijn taak, want
-de beide meisjes waren zoo leergierig en zoo verstandelijk ontwikkeld,
-dat Doctor Philander dikwijls vergat, met meisjes te doen te hebben
-en hen onderwees, alsof zij jongens waren. Zij leerden Grieksch en
-Latijn zonder moeite en zij verdiepten zich gaarne en met vrucht in
-de geheimen der mathematica en der astronomie.
-
-Sedert eenigen tijd was het aantal leerlingen in het paleis tot drie
-geklommen, want Wilibald was bij de lessen tegenwoordig, waardoor
-Doctor Philanders ijver nog toe nam, want hij bemerkte spoedig, dat
-de knaap het in verstand en geestesgaven nog van zijn zusters won. Het
-was waarlijk ook geen onaangename taak den knaap te onderwijzen, maar
-daarentegen een groot genot en naarmate Wilibald vorderingen maakte,
-steeg ook de achting voor den leermeester bij de ouders, die hem
-met weldaden overlaadden. Want het was het vurig verlangen van Johan
-Pirkheimer, dat zijn zoon een groot geleerde, zooals hij zelf was, zou
-worden, en zich op het gebied des geestes bijzonder zou onderscheiden.
-
-Na een jaar was de knaap al aardig op de hoogte van de geschiedenis
-van het herleefd klassieke tijdperk en kende hij voldoend Latijn.
-
-
-
-Nu weerklonken in den tuin van het paleis slechts zelden de stemmen
-der spelende knapen. 's Middags, als er geen les was, zaten ze
-samen aan de groote, eikenhouten tafel, die in het midden van de
-leerkamer stond en dan luisterde Albrecht met gespannen aandacht
-naar hetgeen Wilibald vertelde. Wat hij des morgens had geleerd,
-deelde hij 's middags aan zijn vriend mee, evenals de lekkernijen,
-die zijn moeder hem gaf. Bijzondere belangstelling toonde Albrecht
-voor de oude Grieksche godenverhalen en heldensagen en hij vergat
-alles om zich heen, als Wilibald begon te vertellen van den held
-Hercules, van Prometheus, die aan de rots was geketend en duldelooze
-smarten leed door Jupiters adelaar, die dagelijks een stuk van zijn
-altijd weer aangroeiende lever afbeet, van den tocht der Argonauten
-om het guldenvlies, van den strijd der zeven helden tegen Thebe, van
-de beide vrienden Orestes en Pylades, van den Trojaanschen oorlog,
-van Odysseus en andere heerlijke verhalen.
-
-Al spoedig bemerkte Wilibald, dat Albrecht steeds stiller en meer
-in zich zelf gekeerd werd, als hij naar die verhalen luisterde en
-toen hij hem eindelijk vraagde, wat er toch aan scheelde, antwoordde
-Albrecht met een diepen zucht: "Ik benijd u."
-
-Wilibald keek verbaasd: "Benijdt gij mij? En gij zijt zelf toch
-ook op school?" Maar Albrecht schudde droevig het hoofd: "Och,
-wat is nu de St. Sebaldusschool en onze meester in vergelijking
-met doctor Philander! Het is als mijn grove kiel vergeleken bij uw
-fluweelen buis. Gij kent toch meester Burgdörffer wel--wat gaat hem
-alles langzaam en moeilijk af! Hij heeft er ook zoovelen tegelijk om
-les te geven en dan het schoollokaal is zulk een naar, donker hok,
-dat men er nauwelijks kan ademhalen en de banken staan zoo dicht bij
-elkaar en zijn zoo ongemakkelijk, dat al mijn ledematen pijn doen,
-als ik naar huis ga. Op een houten katheder zit onze schoolmeester,
-een strenge, sombere man, die op het zwarte bord letters schrijft om
-ons die te laten nazeggen en op de lei naschrijven. Daarbij maakt hij
-flink gebruik van de roede van berketakjes gemaakt en tuchtigt daarmee
-allen, die lui, lastig en ondeugend zijn. Nu deze laatste soort is
-rijk vertegenwoordigd bij ons op school, vooral bij die zwervende
-luitjes, die men niet weet vanwaar zij komen en die weer verdwijnen,
-als zij er lust in hebben."
-
-"Ja, ik kan me begrijpen, dat de meester met zulke lastposten heel
-wat heeft te stellen," zei Wilibald. "Mijn vader zegt dat het sluwe
-schepsels zijn, een echte plaag voor den onderwijzer. Is het waar
-wat Renate, onze meid, vertelde, dat de beul vijf van die schelmen
-gisteren heeft gegeeseld en uit de stad gejaagd?"
-
-"Ja, dat is waar," bevestigde Albrecht.
-
-"Wat hadden ze uitgevoerd?" vraagde Wilibald nieuwsgierig.
-
-"Zij hadden het achtste gebod overtreden en het vijfde ook en zijn
-in de omliggende dorpen gegaan om brood bedelende; doch terwijl twee
-van hen aan de boeren kruiden, die genees- en tooverkrachten zouden
-hebben, verkochten, pleegden de anderen een aanslag op den kelder
-en namen alles mee, wat ze aan worsten, hammen enz. vonden. Daarna
-hebben ze den schoolmeester, die hen met strenge straf bedreigde,
-heel brutaal geantwoord en hem zelfs mishandeld."
-
-"Nu dan hebben ze hun verdiende loon," vond Wilibald.
-
-"Hm," bromde Albrecht, "het is waarlijk geen wonder, dat er van leeren
-weinig komt, als er zulke snaken op school zijn; soms troost ik mij
-wel, als ik denk aan zoovele arme jongens, die in het geheel niet op
-school gaan en steeds op straat slenteren: maar als ik aan u denk,
-Wilibald, dan word ik jaloersch. Hoe graag zou ik ook les nemen bij
-doctor Philander, want ik wenschte veel, heel veel te leeren."
-
-Wilibald zweeg en keek peinzend voor zich. "Ik zou het u zoo gaarne
-gunnen," sprak hij na eenige oogenblikken, "maar hoe zou het mogelijk
-zijn?... Wilt gij echter eens stilletjes toeluisteren, dan zou ik
-er wel iets op weten. Kijk, daar in den hoek achter de kast moogt
-gij u verstoppen, maar zoo dat niemand het ziet. Morgen zoudt gij
-al kunnen komen, tenminste indien meester Burgdörffer niet boos is,
-als hij u mist."
-
-"O, dat komt er niet op aan," sprak Albrecht opgewonden. "Het heeft
-bij ons wel iets van een duiventil: elken dag ontbreekt een groot getal
-scholieren, en er heerscht tucht noch orde door die zwervende lui, die
-doen juist zooals zij willen en verbeelden zich, dat zij de baas zijn."
-
-"Nu, kom dan morgen ochtend vroeg, maar vooral voordat Dr. Philander
-er is."
-
-Op den bepaalden tijd sloop Albrecht den volgenden morgen in het
-donkere hoekje en bleef daar onbewegelijk twee uren lang zitten
-luisteren naar het onderwijs van den doctor, die dien dag Latijn en
-sterrekunde op het programma had.
-
-Albrecht genoot zoo lang hij luisterde; doch toen de les uit was,
-voelde hij dubbel hoeveel hij op de Sebaldusschool miste en met
-loome schreden ging hij er den volgenden morgen weer naar toe. Hij
-voelde zich ongelukkig en zijn ellende bereikte het toppunt, toen
-de meester hem een pak slaag gaf, omdat hij klaarblijkelijk in het
-geheel niet luisterde.
-
-Zijn ouders bemerkten al gauw, dat er iets aan haperde; hij was zoo
-stil en in zich zelf gekeerd, dat zijn vader op zekeren dag naar de
-reden hiervan vraagde.
-
-Het duurde lang voordat men iets uit hem kon krijgen, totdat
-hij eindelijk bekende, dat het slechte onderwijs en de groote
-wanordelijkheid op school hem zoo onvoldaan stemden. Zijn vader
-troostte hem met de woorden: "Wie langzaam gaat, gaat zeker. Werk
-zoo hard als gij kunt, opdat de meester tevreden over u kan zijn,
-dan leert gij langzamerhand alles, wat gij noodig hebt te weten. Pas
-op voor hoogmoed en ijdele wenschen, mijn zoon! Zie niet naar hen,
-die uw meerderen zijn in de maatschappij; benijd Wilibald niet omdat
-hij beter onderwijs geniet. Bedenk liever dat gij de zoon van een
-handwerksman zijt en eens evenals uw vader in de werkplaats zult
-arbeiden. Een goudsmid kan waarlijk zooveel geleerdheid wel ontberen."
-
-Deze verstandige taal en de woorden zijner moeder die zij dagelijks
-herhaalde: "Ga in den naam des Heeren," misten hun uitwerking niet
-en met vernieuwden ijver ging Albrecht weer naar school.
-
-Het gevolg was dan ook dat de meester pleizier in hem had, waardoor
-de knaap werd aangemoedigd om steeds meer zijn best te doen.
-
-Zoo ging het langen tijd goed; maar later had de meester weer over
-Albrechts onoplettendheid te klagen en hij ontstak in hevige woede,
-toen hij op zekeren dag bemerkte, wat er de oorzaak van was.
-
-Hij zag onder de rekenles, dat verscheiden leerlingen steelsgewijze
-de oogen naar Albrecht wendden. Plotseling verliet hij den katheder,
-greep den knaap bij den arm en ontrukte hem een klein stuk papier,
-waarop iets was geteekend. Toen hij het goed bekeek, herkende hij
-zijn eigen portret en hij was zoo verontwaardigd en woedend over deze
-majesteitsschennis, dat hij de roede greep en den armen teekenaar
-zulk een pak slaag toediende, dat hem hooren en zien verging.
-
-Er liep een afkeurend gemompel door de rijen der leerlingen, die niet
-konden begrijpen, dat zulk een onschuldige scherts zoo streng gestraft
-moest worden en een der oudste jongens had den moed een kreet van
-afschuw te uiten. Maar dat maakte den meester nog toorniger en hij
-jaagde de heele bende uit de school.
-
-Het teekenen stilletjes onder de les was den jongen kunstenaar al
-heel slecht bekomen en het zou niet te verwonderen zijn geweest,
-als hij 't in het vervolg geheel had gelaten. Trouwens, hij waagde
-het ook niet meer dergelijke grappen op school uit te halen, maar
-zijn medescholieren, één en al bewondering over zijn kunst, bedelden
-altijd om de een of andere teekening. En Albrechts goed hart, dat
-zoo moeilijk iets kon weigeren, bevredigde hun wenschen.
-
-Als hij 's morgens op school kwam, verdrongen ze zich dadelijk om
-hem heen en ze strekten begeerig de handen uit, zoodra hij met een
-veelbeteekenend gezicht in zijn zak voelde. Dan werd er gevochten,
-dat het een aard had, want iedereen meende recht te hebben op de
-door Albrecht gemaakte teekening. Soms ook kroop hij met den een of
-anderen kameraad in een afgelegen hoek en deze zag dan met verbazing
-hoe vlug hem het teekenen afging.
-
-Natuurlijk was Wilibald bij de uitdeeling de meest bevoorrechte. En
-toen Albrecht hem eens een afbeelding van een lansknecht met een harnas
-van staal, een hoed met pluimen en schitterende wapens ten geschenke
-gaf, kon Wilibald zijn oogen niet gelooven; langen tijd bekeek hij
-de teekening met alle aandacht, toen riep hij op eens uit: "Benijdt
-gij mij omdat Doctor Philander mij les geeft? Zie, gij kunt, wat hij
-mij nimmer leeren kan. En nu zijn de rollen omgekeerd, nu benijd ik u!"
-
-
-
-Het was in April 1484. Des morgens was het geheele gezin van Meester
-Dürer bijeen voor het gebed en alle waren in bijzonder goede stemming,
-want Vrouwe Barbara vierde heden haar naamdag.
-
-Vader Dürer had het gebedenboek opengeslagen en wilde met lezen
-beginnen, doch Albrecht was er nog niet; juist wilde zijn vader Andreas
-naar hem toe sturen, toen hij binnen kwam en met de beide handen achter
-zijn rug iets voor aller blikken trachtte te verstoppen. Zijn vader
-wenkte hem te gaan zitten en deed het gebed, waarna hij zijn vrouw de
-hand drukte en vurig Gods besten zegen toewenschte op haar verderen
-levensweg. Ook de kinderen, wier aantal nu tot vijf was geklommen,
-verdrongen zich om hun moeder en kusten haar handen.
-
-Het laatst van allen kwam Albrecht bij haar en hij keek wel een
-beetje verlegen, toen hij een blad papier te voorschijn haalde en
-dat zijn moeder aanbood met de woorden: "Dit heb ik voor u gemaakt,
-lieve moeder, als een herinnering aan dezen dag."
-
-Vrouwe Barbara trad een schrede achteruit en staarde vol verbazing
-eerst naar het papier en toen naar haar zoon: op het blad zag zij
-Albrecht voor zich, sprekend van gelijkenis en uitdrukking. "Mijn
-zoon"--meer kon zij niet zeggen, toen keerde zij zich tot haar man
-en liet hem het portret zien. Hij kon zijn oogen niet gelooven:
-
-"Heilige Moeder Gods, leert gij dan tooveren op school? Hebt gij dat
-waarlijk zelf geteekend? Maar hoe kan men zijn eigen portret maken?"
-
-Nu moest Albrecht glimlachen: "Het is waarlijk geen tooveren; ik heb
-geteekend wat de spiegel mij voorhield."
-
-"Och kom, gij zoudt dat zelf hebben gemaakt?" zei zijn vader
-ongeloovig. "Spreek nu de waarheid, kleine schelm; 't is Meester
-Wolgemut, die het portret heeft gemaakt."
-
-Albrecht antwoordde vroolijk: "Gij hebt in zoover gelijk, vader,
-dat Meester Wolgemut wel de hand in het spel heeft. Heel dikwijls
-ben ik bij hem in de werkplaats geweest en heb toegekeken, hoe hij
-schilderde. Daardoor heb ik het geleerd. En ook bij den heer Koburger,
-mijn peetvader, ben ik dikwijls in de drukkerij geweest om te zien,
-hoe Meester Wolgemuts houtsneden werden afgedrukt, dat heeft mij ook
-veel geholpen. En nu zult gij, lieve moeder, mij een groot genoegen
-doen, als gij dit kleine geschenk van mij wilt aannemen."
-
-Zijn moeder sloot hem in haar armen, terwijl zijn vader het portret
-dicht bij het venster nog eens nauwkeurig bekeek. Ja, het was
-sprekend Albrecht; alleen de oogen waren niet heel goed geteekend,
-maar de rest... wel Meester Wolgemut zelf had het niet mooier en
-beter kunnen doen.
-
-Met potlood was het portret op gekleurd papier geteekend [4]: op zijn
-hoofd had hij een kapje van laken, eigenlijk een lap, welks eind
-met drie knoopen boven op het hoofd bij elkaar werd gehouden, aan
-de linkerzijde afhing en voorzien was van lange franjes. Het haar,
-recht afgesneden, hing laag op het voorhoofd en verder in lange,
-golvende lokken aan weerszijden op zijn schouders. Hij droeg een buis
-met wijde mouwen, dat door de linkerhand van voren werd vastgehouden,
-terwijl hij de rechterhand vooruit strekte, alsof hij op iets wees.
-
-Nadat Dürer het portret langen tijd had bekeken, trad hij vriendelijk
-op zijn zoon toe en legde zijn hand op diens schouder, zeggende: "Als
-gij met smeltkroes en graveerstift even handig zijt als met potlood
-en penseel, dan zal ik mij verheugen in den dag, waarop ik u in mijn
-werkplaats aan mijn zijde zal zien arbeiden. Mogen al de heiligen u
-zegenen en u bijstaan, opdat er een wakkere man uit u groeie!"
-
-"Amen!" zei Vrouwe Barbara en toen haar zoon naar school ging, sprak
-zij zooals gewoonlijk: "Ga in den naam des Heeren!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-IN VADERS WERKPLAATS.
-
-
-Het was een koude dag in de maand Mei van het jaar 1486. De sneeuw
-viel in groote vlokken neder en hulde de daken, die pas er van ontdaan
-waren, opnieuw in een wit winterkleed.
-
-Het was stil in meester Dürers werkplaats. Eenzaam zat Albrecht op
-zijn laag bankje te werken aan een gouden ring, waarin een nieuwe
-amethist moest worden gezet. Zijn vader was uit: hij moest voor zaken
-naar Augsburg; van de gezellen lag de een ziek te bed en de andere
-moest een boodschap in de stad bezorgen. Albrecht kon heden zijn
-aandacht niet goed bij het werk bepalen. Op de tafel naast hem lag
-een teekening, die nu en dan zijn blikken tot zich trok.
-
-Er werd zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad een meisje binnen
-van ongeveer dertien jaar, met een frisch, blozend gezichtje, een paar
-oogen, blauw als vergeetmijnietjes en een figuurtje vlug als dat eener
-hinde. Ze had een mutsje van zwart fluweel met een rand van marderbont
-op het lange, blonde haar, en droeg een donkerblauw kleedje en een
-manteltje ook van zwart fluweel met bont, dat tot aan de heupen reikte.
-
-Het was het oudste dochtertje van den heer Hans Frey, een rijk, zeer
-ontwikkeld en geacht ingezetene, die vele vaste goederen bezat zoowel
-in de stad als daarbuiten en zelfs meermalen lid van den grooten Raad
-was geweest.
-
-Albrecht kende haar zeer goed, daar zij dikwijls bij haar oom kwam,
-die dicht in de buurt woonde. Soms was hij met haar naar de mis gegaan
-en in vroeger jaren had ze zich niet te voornaam gerekend om met hem
-te spelen.
-
-"God zegene u, Albrecht!" zeide zij een weinig verlegen en zij bleef
-in de deur staan.
-
-"Dank u zeer, Agnes!" antwoordde hij vroolijk, terwijl hij van het
-bankje opstond.
-
-"Waarmee kan ik u van dienst zijn?"
-
-"Is uw vader niet thuis?"
-
-"Neen, hij is naar Augsburg gegaan."
-
-"O dan ga ik maar weer weg en zal wachten totdat hij thuis komt."
-
-"Kan ik u niet helpen in zijn plaats?"
-
-"Och, mijn ringetje is gebroken en ik wilde het zoo graag gesoldeerd
-hebben."
-
-"Geef maar hier, Agnes."
-
-Het meisje aarzelde, maar haalde eindelijk op herhaald aandringen
-van Albrecht den gebroken ring te voorschijn en overhandigde dien
-den goudsmidsleerling. "Kunt gij het al goed?" vraagde zij met meer
-vrijmoedigheid.
-
-"Mijn vader heeft nog niet over mij te klagen gehad," sprak hij
-openhartig.
-
-Nu kreeg het meisje de teekening in het oog. "Wat is dat?" vraagde
-zij nieuwsgierig. "Zoo, zoo, als nu uw vader was binnengekomen, dan
-geloof ik, dat hij voor het eerst reden zou hebben gehad over zijn
-leerjongen te klagen."
-
-Maar Albrecht schudde glimlachend het hoofd. "Nu doet gij mij onrecht,
-Agnes. Gij denkt, dat ik dit nu heb geteekend, in plaats van mijn
-plicht te doen. Maar kijk eens hier: onder de teekening staat het
-jaartal 1485, dat bewijst duidelijk, dat zij reeds het vorige jaar
-is gemaakt. Ze is ook al vier maanden oud en dateert van Kerstmis;
-nu heb ik haar hier gehaald, omdat er veel in is, dat mij niet bevalt
-en ik wil die fouten verbeteren, als mijn werk klaar is." Agnes trad
-dichter bij om beter te kunnen zien. Het was een madonna, op een troon
-gezeten, met een gouden kroon op het hoofd, loshangende haren en een
-lang kleed, dat in breede plooien haar omgaf. Met een gelaat, stralend
-van moedervreugde zag zij neder op haar kind, dat op haar schoot stond
-en haar hals met beide armpjes hield omvat. Aan weerszijden stond
-een engel, waarvan de eene een harp en de andere een cither bespeelde.
-
-Met gevouwen handen beschouwde Agnes geruimen tijd de teekening,
-toen keek zij Albrecht vragend aan: "Hebt gij dat gemaakt? Gij, een
-knaap van veertien jaar? Neen, maak dat aan anderen wijs! Wel weet
-iedereen, dat gij goed kunt teekenen, maar zoo iets... neen, neen,
-ik kan niet gelooven, dat gij dat hebt gemaakt."
-
-"Dus, gij houdt mij voor zoo slecht, dat ik mijn naam onder het werk
-van een ander zou zetten en het dan voor het mijne uitgeven?" vraagde
-Albrecht en zijn stem klonk verwijtend. "Als gij hier nog een oogenblik
-wildet blijven, dan zou ik u metterdaad kunnen toonen, dat uw twijfel
-ongegrond is en mij verdriet doet."
-
-Agnes kreeg een kleur en stak hem haar hand toe.
-
-"Vergeef mij, Albrecht, het was waarlijk niet mijn bedoeling u verdriet
-te doen. Maar ik kan mijn oogen niet gelooven; Meester Wolgemut zelf
-zou trotsch kunnen zijn op zulk werk. Als gij het op een groot paneel
-met heerlijke kleuren hadt geschilderd, zou het waard zijn een altaar
-te versieren."
-
-Albrecht drukte met een blos van genot over deze lof haar kleine
-zachte hand en liet die niet los, toen zij die wilde terugtrekken. Het
-meisje zag er bekoorlijker uit dan ooit en gaarne had hij haar willen
-vragen. "Blijf een oogenblik hier en laat mij uw lief gelaat op het
-papier brengen!" Doch zij vreesde reeds te lang te zijn gebleven,
-nam haastig afscheid en ging heen.
-
-Albrecht liep snel naar het raam om haar na te zien, toen zij
-door de sneeuw naar huis stapte. Haar lof was hem liever dan al de
-bewondering, die zijn kunst bij zijn speelkameraden had geoogst. En
-met vernieuwden ijver legde hij zich in zijn vrijen tijd toe op
-zijn lievelingsbezigheid, die hem verkwikte na den moeilijken,
-dagelijkschen arbeid, en hem meer bevrediging schonk dan hij ooit
-van het best gelukte werk in de goudsmidswerkplaats gevoelde.
-
-Voor zijn vader, die er anders over dacht dan hij, moest hij zijn
-liefhebberij verbergen en daarom deed hij het meest buitenshuis
-en verstopte zich met zijn vrienden, die hem steeds om teekeningen
-plaagden, in afgelegen plaatsen. Toch had hij niet te veel gezegd,
-toen hij tegen Agnes beweerde, dat zijn vader niet over hem te klagen
-had. De oude meester had pleizier in den ijver van zijn zoon en zag
-met vertrouwen de toekomst tegemoet in de overtuiging, dat Albrecht
-eenmaal een waardig opvolger in zijn werkplaats zou zijn. Nog geen
-jaar was verstreken, of de leerjongen was reeds goed vertrouwd met
-het gieten, soldeeren en polijsten. En nu, nadat hij nog niet ten
-volle twee jaar in de leer was geweest, had hij een veel grooter en
-moeilijker werk onder handen, waarvan reeds meer dan de helft klaar
-was: hij moest in gedreven zilver in zeven tafereelen weergeven,
-hoe de Heer Jezus herhaaldelijk nederstortte onder de vuisten der
-krijgsknechten op den lijdensweg van Gethsemane naar Golgotha. En
-met stille verbazing en innige verrukking zag zijn vader, dat hij
-zich niet tevreden stelde met het navolgen van anderer ontwerpen,
-doch zelf nieuwe wist te scheppen.
-
-Met ongeduld wachtte hij op de voltooiing van het werk en toen het
-oogenblik was gekomen, riep de meester, innig gelukkig, zijn vrouw
-er bij en toonde haar wat zijn leerling had gemaakt.
-
-Op denzelfden avond vond men in de woonkamer de vrienden en buren
-verzameld om de tafel, waarop een tinnen kruik met Bourgonje wijn
-stond, ter eere van den jongen kunstenaar.
-
-Meester Wolgemut, de schilder, was ook tegenwoordig en vol lof over
-Albrecht. Hij sprak ook over het andere talent van den knaap en vond,
-dat het pond, door God aan hem toevertrouwd, niet in een zweetdoek
-mocht worden weggelegd, doch dat er mede moest worden gewoekerd ter
-eere van God en ook ter wille van den naaste.
-
-Doch meester Dürer was het hiermee niet eens. Hij vond, dat hier
-een ander schriftwoord van toepassing was: niemand kan twee heeren
-dienen. Indien Albrecht zich met evenveel ijver op de schilder- als
-op de goudsmeedkunst toelegde, dan zou hij het in de eene noch in
-de andere tot volmaaktheid brengen. Daarom moest hij zich tevreden
-stellen met schilderen na volbrachten arbeid in zijn vak.
-
-Meester Wolgemut sprak zijn vriend niet tegen, doch in stilte betreurde
-hij, dat Dürer dit vak voor zijn zoon had gekozen. Albrecht had
-ook hem eens in vertrouwen de afbeelding der Madonna laten zien en
-zijn verbazing over het werk van den veertienjarigen knaap had hij
-duidelijk uitgesproken in de woorden: "Als ik alleen zulke leerlingen
-in mijn werkplaats had, dan zou het er beter bij mij uitzien."
-
-Albrecht kon deze woorden niet vergeten en bewaarde ze als een dierbaar
-geheim in zijn hart, terwijl hij, gehoorzaam aan zijns vaders wenschen,
-in de goudsmidswerkplaats arbeidde.
-
-
-
-Zoo gingen lente en zomer voorbij, de herfst streek met zijn
-verwoestenden adem over veld en weide en hulde de aarde in een grijs,
-somber nevelkleed. Het werd koud; in de schouw vlamde weer het vuur
-en lokte het gezin in haar verwarmende nabijheid.
-
-In Albrechts hart had een verandering plaats gegrepen. De woorden van
-meester Wolgemut aangaande het toevertrouwde pond, waarmee men moest
-woekeren, en het antwoord van zijn vader: "niemand kan twee heeren
-dienen," lieten hem niet met rust. Telkens overdacht hij die beide
-schriftplaatsen en trachtte die met elkaar te doen samenstemmen. Doch
-hoe meer hij begreep, dat dit onmogelijk was, des te grooter werd zijn
-onvrede, want het werd hem steeds duidelijker, dat de goudsmederij
-niet de plaats was, waarvoor God hem had bestemd. Het bevredigde hem
-hoe langer hoe minder anderer modellen in goud en zilver na te maken,
-want de begeerte om zelf te scheppen werd steeds grooter. En tegelijk
-met die begeerte voelde hij ook de kracht er toe. Hoe weinig moeite
-kostte het hem immers de beelden, die zijn fantasie hem voortooverde,
-op het papier te brengen en hoeveel innig genot had hij daarvan. Hij
-voelde dagelijks meer dat de goudsmidswerkplaats niet zijn bestemming
-was en dat hij het niet zou kunnen uithouden zijn gansche leven lang
-smeltkroes, vijl en graveerstift te hanteeren.
-
-Hoe onrustig klopte zijn hart bij deze overdenkingen en welk een
-zwaren strijd had hij te voeren, den strijd tusschen het volgen van
-zijns vaders wensch en het toegeven aan zijn eigen begeerte. Het was
-niet mogelijk de meening van meester Wolgemut en die van zijn vader
-te vereenigen en daarom koos hij, overtuigd dat slechts één dezer
-beiden gelijk kon hebben, de zijde van den eerstgenoemde en zoo werd
-zijn tweestrijd beslist.
-
-Den 30en November des avonds, nadat hij in de eenzaamheid God om
-raad en hulp had gevraagd, zocht hij zijn vader op om hem zijn
-hartewensch mee te deelen: "Lieve vader," sprak hij, "ik wil u niet
-langer verbergen, wat er in mijn hart omgaat en 's nachts den slaap
-uit mijn oogen houdt. Ik heb nu twee jaren lang bij u in de werkplaats
-op uw verlangen gewerkt en zonder mij zelf te overschatten, geloof
-ik te mogen zeggen, dat het mij niet aan ijver heeft ontbroken en
-ik steeds mijn best heb gedaan om het u naar den zin te maken. Maar
-ofschoon mijn handen zich met goud, zilver en edelgesteenten hebben
-bezig gehouden, was mijn hart bij iets anders. Slechts wanneer ik
-potlood of penseel mocht hanteeren, voelde ik in mijn hart zulk een
-ongekende blijdschap en zulk een wonderlijk genot, dat ik begreep,
-dat het dit was, waartoe God mij heeft geschapen. Ach, vader, het doet
-mij leed u te moeten vragen om mij uit uw werkplaats te ontslaan, maar
-ik geloof, dat het Gods wil aldus is en dat ik mij aan Hem bezondig,
-als ik het pond mij toevertrouwd, in de aarde ga begraven."
-
-Met klimmende verbazing luisterde zijn vader naar die woorden. Toen
-schoof hij zijn kapje in den nek, stond op met een somber gelaat en
-onder de gefronste wenkbrauwen uit wierp hij op zijn zoon een blik,
-waarin verwijt en smart om den voorrang streden. "Hoe had ik heden
-morgen kunnen denken, dat de dag zoo droevig zou eindigen! Mijn
-zoon, uw woorden snijden mij door de ziel. Daar gaan nu al mijn
-schoone droomen in rook op! Albrecht, nooit had ik gedacht, dat gij
-zoo lichtzinnig zoudt kunnen zijn, twee volle jaren van uw leven op
-deze wijze weg te werpen. Verlaat gij mij nu, nadat ik u alles heb
-geleerd en op het punt was u als gezel in het gild te doen opnemen? Gij
-hebt mij laten zaaien, doch de oogst onthoudt gij mij. O mijn zoon,
-waaraan heb ik dat verdiend? Tot nu toe waart gij mijn vreugde,
-nu bereidt gij mij een bittere smart."
-
-Er was nu geen toorn meer in zijn stem, slechts innige weemoed en er
-blonk een traan in zijn oog.
-
-Albrecht kon zijns vaders smart niet aanzien; het schemerde hem voor
-de oogen en hij was op het punt berouwvol al zijn woorden terug te
-nemen, toen de oude man snel hoed en mantel greep en, zonder iets
-meer te zeggen, wegging.
-
-Even daarna kwam zijn moeder binnen; zij was zeer ongerust, en toen zij
-zag, hoe bleek Albrecht was, vraagde zij angstig: "Wat is er gebeurd,
-Albrecht? Uw vader is zoo juist in hevige gemoedsbeweging uitgegaan
-naar den heer Koburger, met wien hij ernstig over u moest spreken,
-zei hij op mijn vraag, wat hij ging doen."
-
-Nu vertelde Albrecht haar met bezwaard gemoed wat er tusschen zijn
-vader en hem was voorgevallen, doch hij werd kalmer, toen hij bemerkte,
-dat zijn moeder hem beter begreep. Maar toch bleef zijn hart onrustig
-kloppen, terwijl hij op zijns vaders terugkomst wachtte.
-
-Het eene uur na het andere verliep, voordat hij den stap van zijn
-vader weder hoorde en toen hij de voordeur hoorde opengaan, was het
-hem alsof zijn hart stil stond.
-
-De boosheid was uit zijns vaders aangezicht verdwenen, hij zag
-er kalm en ernstig uit, en de klank zijner stem was geheel anders
-geworden, toen hij tot zijn zoon sprak: "Morgen ochtend vroeg moet
-gij het allereerst naar uw peetvader gaan en moogt gij hem dankbaar
-de hand drukken, omdat hij het is, die mij van meening heeft doen
-veranderen. Gij zult uw zin krijgen, Albrecht; als meester Wolgemut
-u nog in zijn werkplaats kan bergen en hij er niets op tegen heeft,
-dan zij hij in 't vervolg uw leermeester." Een luide kreet ontsnapte
-aan Albrechts beklemd gemoed en hij kuste in sprakeloos genot zijns
-vaders hand; zijn moeder stond er bij met gevouwen handen en dankte
-den Heer voor deze gezegende uitkomst.
-
-Meester Wolgemut was bijzonder in zijn schik, toen hij den volgenden
-morgen zijn buurman Dürer met zijn oudsten zoon zag binnen komen
-en de eerste zijn verzoek tot hem richtte. Hij zeide, dat nu zijn
-hartewensch was vervuld en hij gaf Dürer de verzekering, dat het hem
-nimmer zou berouwen, want wie maar oogen had om op te merken zag,
-dat God hem voor de kunst, niet voor het handwerk had geschapen.
-
-Eenige dagen later stond Albrecht met pak en zak gereed om naar meester
-Wolgemuts woning te verhuizen. Zijn vader gaf hem menigen goeden raad
-mee en zijn moeder legde zegenend haar hand op zijn hoofd en sprak:
-"Ga in den naam des Heeren."
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-BIJ MEESTER WOLGEMUT.
-
-
-"Wat verbeeldt jij je wel, kwajongen! Wees maar niet zoo verwaand,
-hoor. Denk je, omdat je een paar portretten hebt durven kladden,
-dat je reeds iets beteekent en niet meer behoeft te leeren?"
-
-Barsch snauwde Urban, de oudste leerling van meester Wolgemut,
-Albrecht Dürer deze woorden toe, terwijl hij hem het penseel uit
-de hand rukte, waarmee Albrecht, omdat er niemand in de kamer was,
-aan een groot altaarstuk onder aan den zoom van het gewaad der Maagd
-Maria, een paar streken schilderde.
-
-"Hier behoor je thuis!" vervolgde hij en hij duwde hem naar den steen,
-waarop de verven moesten worden gewreven. "En kijk eens, slungel,
-de penseelen heb je ook nog niet gewasschen en de paletten zijn in
-het geheel niet schoongemaakt! En de vloer--zeg, waarom heb je den
-bezem niet gebruikt? Ben je daarvoor soms te goed? of ben je te lui
-om je plicht te doen?"
-
-Daarop gaf hij hem nog een duw, en toen met een stok drie slagen
-op zijn rug. Albrecht beet zich op de lippen en zweeg. Hij was aan
-dergelijke behandeling reeds gewoon. Vier der gezellen van meester
-Wolgemut waren van het begin af aan onvriendelijk en ruw tegen hem
-geweest, omdat zij zijn meerderheid gevoelden en die niet konden
-verdragen, te meer daar hij zooveel jonger was. Slechts één, Sebaldus,
-die in leeftijd weinig met hem scheelde en zelf ook nog leerling was,
-was hem goed gezind. Bij hem sloot Albrecht zich nu aan; hij bracht
-zijn vrijen tijd met hem door, ging des Zondags met hem buiten de
-poort wandelen en luisterde gaarne naar de bemoedigende woorden van
-dezen goedhartigen knaap.
-
-Nog meer goed deed hem de tevredenheid van zijn meester. Toen Albrecht
-bij hem als leerling kwam, was Michel Wolgemut ruim vijftig jaar;
-uit zijn lang, smal gelaat met het hooge voorhoofd, de sterk gebogen
-neus, de groote heldere oogen, de breede, vooruitstekende kin en den
-fijn besneden, vriendelijk lachenden mond, sprak zoowel verstand als
-mannelijkheid en groote goedhartigheid. Meester Michel was een eerlijk,
-rechtschapen man, en om zijn kunst hoog in aanzien niet alleen bij
-de ingezetenen van Neurenberg, maar in het geheele land.
-
-Het was hem onmogelijk de vele opdrachten, die van alle kanten tot hem
-kwamen en ruim werden betaald, alleen ten uitvoer te brengen, daarom
-kon hij steeds meer en meer gezellen gebruiken, want overal waar groote
-altaarstukken noodig waren, richtte men zich tot den beroemden meester
-Michel Wolgemut te Neurenberg. De kerk der H. Drievuldigheid te Hof,
-de kapel van het heilig Kruis te Neurenberg, de Lievevrouwekerk te
-Zwickau konden zich op werken van zijn hand beroemen; op dit oogenblik
-werkte hij aan een groot altaarstuk voor de nieuwe, bijna voltooide
-Augustijnerkerk te Neurenberg, waarmee hij bijzondere eer hoopte
-in te leggen en daarom wilde hij niets aan de gezellen overlaten,
-doch alles zelf schilderen.
-
-Ook in het maken van houtsneden was hij een meester. Anton Koburger,
-de drukker, die eenige jaren geleden een Hoogduitsche bijbeluitgave op
-zich had genomen en de platen daarvoor had ontleend aan den dertien
-jaar geleden uitgekomen Keulschen bijbel, was het nu met meester
-Wolgemut eens geworden over een nieuwe uitgave, namelijk een grooten
-prentenbijbel getiteld: "Schatbewaarder des rijkdoms van het eeuwig
-heil en zaligheid." De eerste plaat: God, de Vader, op zijn troon
-gezeten, terwijl Hij den voor Hem knielenden Verlosser zegent, was
-gereed en met waar genot schiep de meester andere voorstellingen. Het
-groote succes, dat deze eerste uitstekend geslaagde teekening behaalde,
-was dan ook de reden, waarom men den meester opdroeg de houtsneden
-op zich te nemen voor het werk van Dr. Hartmann Schedel: "de nieuwe
-Wereldkroniek," een kolossale onderneming, waartoe de patriciërs
-Sebaldus Schreijer en Sebastiaan Kammermeister de noodige middelen
-verschaften. Er moesten niet minder dan tweeduizend houtsneden daarvoor
-worden gemaakt en dat men het Wolgemut opdroeg, verhoogde aanmerkelijk
-'s meesters roem.--
-
-Albrecht kon waarlijk geen beter leermeester begeeren. Wel is
-waar gaf hij geen les volgens een bepaalde methode; hij achtte het
-voldoende zijn gezellen en leerlingen te laten zien, hoe hij werkte,
-maar dat was voor Albrecht ook volkomen genoeg en toen hij nog op de
-onderste trede stond en niets dan knechtsdiensten mocht verrichten,
-zooals verven wrijven, penseelen wasschen en paletten schoon maken,
-keek hij met alle aandacht toe, hoe zijn meester werkte en leerde op
-deze manier zonder dat zijn meester er iets van bemerkte.
-
-En wat hij in den loop van den dag met zijn oogen had geleerd,
-trachtte hij in zijn vrije oogenblikken met de hand uit te voeren,
-maar in het geheim, uit vrees nog meer wangunst bij de gezellen op
-te wekken. Hij voelde zich als een vogel, die de vleugels niet kan
-uitslaan en menige zucht ontsnapte hem als hij zich ter ruste legde
-en snakte naar den dag, waarop zijn knechtsbezigheden niet meer noodig
-zouden zijn en de meester tot hem zou zeggen: "kom nu hier, mijn zoon,
-en neem het penseel ter hand."
-
-Zijn vriend Wilibald was altijd de eerste, die mocht zien wat hij
-in stilte had geschilderd, want hij hechtte veel aan het oordeel van
-dezen jongeling, die zooveel fijn kunstgevoel bezat.
-
-In het voorjaar van het jaar 1488 ging hij meer dan anders naar het
-paleis der familie Pirkheimer, omdat de vrienden welhaast zouden
-worden gescheiden. Wilibalds vader wenschte, dat zijn zoon, die nu
-achttien jaar was, naar het hof van den bisschop van Eichstadt zou
-gaan, om aldaar te worden onderwezen in de gebruiken van het hof,
-in het voeren der wapenen en in de krijgskunst.
-
-Eenige dagen voordat de vrienden afscheid van elkaar moesten nemen,
-kwam Albrecht in opgewonden stemming bij Wilibald. "Hier breng ik u
-wat ik in de laatste twee avonden heb gemaakt. Wilt gij het houden
-als een aandenken aan mij, Wilibald?" Hij nam uit zijn portefeuille de
-afbeelding van een jonkvrouw, gezeten op een schimmel, met een valk op
-haar hand, een baret met wapperende vederen op het hoofd en een lang,
-hemelsblauw kleed aan.
-
-Met verrukking bekeek Wilibald haar en hij betuigde zijn innigen dank.
-
-"Zoo iets moois hebt gij nog niet gemaakt, Albrecht," voegde hij er
-bij. "Nu reeds, terwijl gij nog niet eens gezel zijt en slechts als
-knecht wordt beschouwd en behandeld, zijt gij werkelijk reeds meester
-en ik ben er meer en meer trotsch op uw vriend te zijn."
-
-Na nog herhaaldelijk zijn dank te hebben betuigd, bekeek hij weer
-het werk van zijn vriend. "Wat een bekoorlijk figuurtje en welk een
-allerliefst gezicht! Het komt mij zoo bekend voor, het is alsof ik
-het reeds ergens heb gezien".
-
-Peinzend streek hij met de hand over zijn voorhoofd en dacht eenigen
-tijd na--op eens trad hij op Albrecht toe en zag hem diep in de oogen,
-terwijl hij uitriep:
-
-"Nu weet ik het: het is Agnes Frey! Is het niet waar?"
-
-Albrecht wendde snel het hoofd af om den blos te verbergen, dien hem
-deze veronderstelling van zijn vriend in het aangezicht joeg.
-
-Had Wilibald geen gelijk? Waren het niet werkelijk de trekken van
-het jonge meisje, voor wie hij eenige jaren geleden het ringetje
-had gesoldeerd?
-
-Hij had het niet expres gedaan, doch onwillekeurig had zijn hand het
-beeld te voorschijn geroepen, dat in zijn hart leefde. Hij had het
-mooie meisje niet kunnen vergeten en elke gelegenheid om haar te zien,
-had hij opgezocht; hij wist op welk uur zij naar de mis ging en richtte
-het zoo in, dat hij altijd als bij toeval er juist tegelijk met haar
-was. En 't maakte hem erg gelukkig, toen hij bemerkte, dat zij hem
-nooit trachtte te ontloopen, maar altijd vriendelijk met hem praatte,
-al was zij dan ook wel eens wat verlegen en bedremmeld.
-
-Eens toen de gezellen der verschillende gilden zich vermaakten met
-ringsteken op de Hallerweide, was Agnes in die op elkaar gedrongen
-menschenmassa van haar familie afgeraakt, en zij liep gevaar door het
-gedrang, ontstaan door het schuw worden van een paard, in een sloot te
-worden gedrongen, toen Albrecht, die voortdurend in haar nabijheid was
-gebleven en haar in het oog had gehouden, plotseling bij haar was en
-haar uit dat gevaar redde. Hiervoor hadden haar ouders hem hartelijk
-bedankt en de heer Frey vergat het niet, maar hield den redder van
-zijn dochtertje in dankbare herinnering, beantwoordde steeds minzaam
-zijn groet op straat en bij voorkomende gelegenheden sprak hij hem
-vriendelijk toe.
-
-Albrechts blos was Wilibald niet ontgaan en er speelde een glimlach
-om zijn mond, toen hij sprak: "Het schoone is de wereld, waarin de
-schilder leeft, en uw blik ziet scherp om het schoone te ontdekken. Hoe
-gelukkig zijt gij, dat God u het talent heeft geschonken om weer te
-geven, wat gij hebt gezien. Wat zou Agnes wel zeggen, als zij eens
-wist, wat gij hebt gedaan! Wil ik het haar verklappen?"
-
-Met een smeekend gebaar wendde Albrecht zich tot zijn vriend:
-
-"Wilibald!" riep hij ontsteld en een donkere blos kleurde zijn gelaat.
-
-Wilibald klopte hem op den schouder: "Stel u gerust, Albrecht. Ik
-zal u geen verdriet doen, 't was maar om u te plagen."
-
-Dit bevredigde Albrecht en opgewekt ging hij naar huis.
-
-
-
-Twee dagen later moest hij afscheid van zijn vriend nemen.
-
-Het was een moeilijk oogenblik en zeer lang trilde de smart der
-scheiding in zijn hart na. Hij voelde zich zoo eenzaam en het werd
-hem nu recht duidelijk, hoeveel hij had gehad aan Wilibald, in wiens
-hart hij had gelezen als in een open boek, door wiens edel denken
-hij zich mee omhoog gevoerd voelde, met wiens innigste gevoelens en
-gewaarwordingen hij volkomen sympathiseerde en met wien hij als het
-ware één was.
-
-En de afwezigheid van zijn vriend was nog pijnlijker, toen de gezellen
-van meester Wolgemut, in plaats van te trachten hem zijn gemis te
-vergoeden, nog ruwer en vijandiger tegen hem werden.
-
-Dit kwam daardoor, dat op zekeren morgen meester Wolgemut, die een
-groot kerkschilderij onder handen had, Albrecht van het verf wrijven
-afriep, en hem met eenige deftigheid het penseel overreikte, zeggende:
-"Kom hier, mijn zoon--nu hebt gij lang genoeg als knecht dienst gedaan,
-nu moogt gij toonen of uw hand in staat is om mij te helpen."
-
-En nu wees hij hem op de schilderij de plaats aan, waar hij moest
-schilderen op dezelfde manier, waarop de meester was begonnen.
-
-Albrechts hart juichte en hij dankte zijn leermeester met een
-veelzeggenden blik; doch zijn vreugde werd vergald, toen hij de
-toornige gezichten der gezellen zag en later hun nijdige woorden moest
-aanhooren. Hun verhouding werd steeds moeilijker en den geheelen dag
-zag hij tegen den avond op en tegen het oogenblik, waarop zij zich
-ter ruste moesten begeven, want hij deelde het slaapvertrek met de
-overige gezellen. Dan werd de arme jongen geplaagd en gesard en deden
-ze hun best hem zoo lang mogelijk uit den slaap te houden.
-
-Zou hij zich beklagen bij meester Wolgemut en hem vragen thuis bij
-zijn ouders te mogen overnachten? Dikwijls was hij op het punt dit te
-doen, maar hij bedwong zich, verdroeg zijn lot zwijgend en troostte
-zich met de gedachte, dat deze moeilijke tijd toch niet altijd zou
-duren en met de woorden, die hij in den bij Anton Koburger gedrukten
-bijbel had gelezen: "Het is goed voor een man, dat hij het juk in
-zijn jeugd draagt."
-
-Eindelijk verging den gezellen de lust tot plagen, ontwapend door zijn
-onuitputtelijk geduld en Albrecht voelde zich gelukkiger, vooral ook
-daardoor dat zijn leermeester, bijzonder tevreden over zijn werk, zich
-steeds meer en meer aan hem liet gelegen liggen en hem nog moeilijker
-arbeid toevertrouwde. In het begin van het jaar 1490 had Wolgemut
-weder de opdracht van een groot altaarstuk gekregen. Hij had de schets
-geteekend en was begonnen met het aanleggen der verschillende partijen,
-toen men hem wederom ander werk opdroeg, dat geen uitstel duldde. Hij
-bedacht zich niet lang en gaf Albrecht het penseel over met de woorden:
-"Durft gij op u te nemen mijn werk voort te zetten, mijn zoon?"
-
-Albrechts oogen schitterden van innig geluk over het vertrouwen,
-dat zijn meester in zijn kunst toonde en met vurige bezieling ging
-hij terstond aan het werk; de penseelbehandeling en opvatting van
-zijn leermeester waren hem zoo eigen geworden, dat hij volkomen in
-zijn manier verder werkte. Het penseel ging zoo vlug over het doek
-en de arbeid vorderde zoo snel, dat hij zelf er over verbaasd was.
-
-Toen Wolgemut den volgenden morgen binnentrad, bleef hij als aan den
-grond genageld staan: "Wel, alle Heiligen! Wat hebt gij uitgevoerd,
-Albrecht? Het is alsof de booze er bij in het spel is, zoo gauw gaat
-het in zijn werk. Het is goed, dat ik niet later kwam, anders bleef
-er voor mij niets meer te doen en zou ik niet van mijn geweten kunnen
-verkrijgen het stuk met mijn W te onderteekenen! En kijk, wat hebt
-gij mijn bedoeling juist gevat! Niemand kan hieraan zien, dat twee
-verschillende handen er aan hebben geschilderd! Ik kan het met een
-gerust hart voor mijn eigen werk uitgeven, het is één schoon geheel."
-
-Eenige maanden later hield meester Wolgemut Albrecht na het middageten
-een oogenblik bij zich en sprak: "Mijn wakkere gezel, wij moeten
-scheiden."
-
-Verschrikt keek Albrecht hem aan, maar glimlachend legde de meester
-zijn hand op Albrechts schouder. "Neen, wij gaan niet in toorn en
-onmin van elkaar, maar ik geef u mijn zegen mede. Wat ik u leeren kon,
-hebt gij geleerd; nu moet gij zien, hoe andere meesters werken. Nu
-is de tijd daar, waarop gij de wereld in moet en de kunst van andere
-volken moet leeren kennen, opdat gij bij uw terugkomst uw kunst
-volkomen machtig zult zijn en daardoor uw ouders en geboorteplaats
-tot vreugde en eer zult strekken."
-
-Deze woorden maakten diepen indruk op den jongen man. Het was sinds
-lang zijn hartewensch de wereld in te trekken en te onderzoeken wat
-daar te zien was. Toch deed het hem leed te moeten scheiden van den
-man, wien hij zooveel had te danken en die voor hem als een vader was
-geweest, en daarom was zijn aandoening niet onvermengd, maar een van
-vreugde en weemoed tegelijkertijd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-HET AFSCHEID.
-
-
-De mis was uit; de menigte stroomde uit de kerk en verspreidde zich
-in alle richtingen.
-
-"Wees gegroet, jonkvrouw!" sprak Albrecht Dürer op zachten toon tot
-Agnes Frey, die hij bij den uitgang had opgewacht, en die nu met haar
-kerkboek tusschen haar beide handen en haar oogen neergeslagen het
-kerkgebouw verliet.
-
-Zij beantwoordde zijn groet met een kleine hoofdbuiging en liep door.
-
-"Mag ik met u meegaan?" vraagde Albrecht eerbiedig, "ik wilde u zoo
-gaarne nog eens spreken, voordat ik weg ga."
-
-Agnes stond stil en zag hem ontsteld aan. "Gaat gij weg? Wat bedoelt
-gij?"
-
-Albrecht knikte. "Mijn goede moeder is druk bezig alles voor mijn
-reis in orde te maken en mijn knapzak te vullen, voordat ik de wereld
-in trek."
-
-"O, hoe heerlijk voor u!" sprak Agnes snel. "Wat zal uw hart luid
-kloppen van vreugde!"
-
-"Ja, ik voel een vurige begeerte om de wereld in te gaan, Gods werken
-te bewonderen en vreemde zeden en gewoonten te bestudeeren. Maar
-het doet mij leed mijn geboorteplaats, mijn tehuis en allen, die mij
-lief zijn, te verlaten; daarbij loopt een reiziger allerlei gevaren,
-en ik heb wel noodig, dat er veel voor mij wordt gebeden. Nu wilde
-ik u vragen of ook gij in uw gebeden mij niet zult vergeten?"
-
-Met een blos boog Agnes het hoofd. "Iederen morgen in de mis zal ik
-tot de H. Maagd voor u bidden."
-
-"O, hoe dank ik u daarvoor," zei Albrecht met warmte, "en zult gij
-op een andere wijze ook nog eens aan mij denken?" voegde hij er
-aarzelend bij.
-
-"Het scheiden zal mij minder zwaar vallen, als ik die troostende
-gedachte mag meenemen."
-
-"Daar komt vader aan," fluisterde Agnes ontwijkend, doch zij trok
-haar hand niet terug, toen de jonge man die greep en hartelijk drukte.
-
-Hans Frey, de koopman, die ook in de mis was geweest en hen nu had
-ingehaald, beantwoordde vriendelijk Albrechts groet en voegde er bij:
-"Meester Michel Wolgemut heeft mij verteld, dat gij morgen de wijde
-wereld intrekt."
-
-"Ja, edele heer, en de meester heeft mij zijn zegen meegegeven,"
-antwoordde Albrecht ernstig.
-
-"Welnu, neem ook mijn zegen mee, Albrecht," zeide de heer Frey op
-vaderlijken toon en hij drukte den jongeling de hand. "Als uw tijd
-het u veroorlooft, ga dan met ons mee naar huis, dan kan ook mijn
-vrouw afscheid van u nemen. Ik ben er zeker van, dat zij daarop is
-gesteld, want zij houdt van u en heeft evenals ik groote achting
-voor uw ernstige levensopvatting en uw heerlijke kunst." Albrechts
-hart klopte luid en hij behoefde waarlijk niet tweemaal te worden
-uitgenoodigd. Hij had al lang gemerkt, dat de ouders van Agnes hem
-goed gezind waren, doch dat zij zoozeer op hem waren gesteld, had
-hij niet durven denken en vervulde hem met groote vreugde.
-
-Vrouwe Anna haalde een kan edele malvezij voor den dag en sprak tot
-hem als een moeder tot haar kind; ook de heer Frey gaf hem vele goede
-raadgevingen voor de reis mede en eindigde met de woorden: "Meester
-Wolgemut heeft mij verzekerd, dat hij u niets meer kon leeren; en
-ik denk, als gij terug komt, dat de leerling den meester de baas
-zal zijn."
-
-Agnes stond stil in de vensternis en keek naar buiten alsof zij er
-niets mee had te maken. Doch toen zij hem bij het afscheid nemen de
-hand reikte en sprak: "Mogen al de heiligen u beschermen op al uw
-wegen," zag Albrecht een traan in haar oog glinsteren en hoe gaarne
-had hij haar daarvoor vurig gedankt, want daardoor verried zij hem,
-wat er in haar hart omging en nu wist hij, wat hij reeds zoo lang
-had begeerd te weten. Nu kon hij getroost zijns weegs gaan--nu was
-de grootste smart van het scheiden verzacht.--
-
-Op den avond van denzelfden dag zat de heele familie Dürer nog lang
-bij elkaar, tusschen vader en moeder zat Albrecht en de andere kinderen
-waren om de tafel geschaard. Droefheid was in aller blik te lezen, want
-het gold hier een afscheid van verscheidene jaren en wie kon zeggen,
-of Albrecht bij zijn terugkomst hen allen nog zou terugvinden. Hoe
-onverwacht wordt menigeen uit den kring der zijnen weggenomen! En dan:
-het was een tocht met vele gevaren--gevaren van roovers op de wegen en
-in de bosschen, van roofridders, die den reiziger den weg versperden in
-de bergpassen en van slecht volk in de herbergen--vooral dit laatste
-was te duchten om den slechten invloed, dien zij op de ziel van zulk
-een onervaren jongeling hebben konden.
-
-Zijn vader gaf hem vele nuttige wenken en raadgevingen en nam daarop
-het gebedenboek, waarin hij iets toepasselijks opzocht en met diep
-gevoelde vroomheid sprak hij het gebed uit, waarop allen eerbiedig
-en van ganscher harte "amen" zeiden.
-
-Den volgenden morgen--'t was enkele dagen na Paschen--op den 11den
-April, werd de klopper reeds vroeg op meester Dürers deur gehoord en
-kwam Michel Wolgemut, om Albrecht mee uitgeleide te doen.
-
-Nauwelijks was hij binnengegaan, of twee andere vrienden kwamen met
-hetzelfde doel: de een was meester Hans Traut, ook een schilder
-uit Neurenberg en de ander Adam Kraft, meester in de beeldhouw-
-en houtsnijkunst.
-
-Zij vonden Albrecht voor de reis gereed. Nog eenmaal drukte zijn
-vader hem aan zijn borst en kuste zijn moeder hem vaarwel, zeggende
-met trillende stem: "Ga in den naam des Heeren;" toen opende meester
-Dürer de deur en de mannen traden naar buiten in de heerlijk frissche
-atmosfeer van dezen helderen, mooien Aprildag.
-
-Zij begaven zich op weg over de Hooimarkt in de richting van
-de Wöhrderpoort, in welker nabijheid de woning van Hans Frey
-was gelegen. Albrecht verheugde zich er op, dat zij daar langs
-moesten. Wie weet, of hij niet nog eenmaal haar, die zijn ziel
-lief had, zou aanschouwen en misschien zou hij nog een enkelen
-afscheidsgroet uit haar oogen mogen opvangen. Zij wist immers hoe
-laat hij zou vertrekken. En nu zou hij kunnen zien of ook zij hem
-lief had. Wanneer zij hem nu opwachtte aan het venster, zou hem dat
-het bewijs zijn, dat zij hem lief had en zijn vertrek betreurde.
-
-Terwijl zijn begeleiders met elkaar in een ernstig gesprek waren
-gewikkeld, keek hij tersluiks naar boven--en waarlijk, daar stond zij
-voor het raam van haar eigen kamertje, met een wit doekje in de hand.
-
-Albrecht bleef eenige schreden achter, zoodat niemand zag, hoe hij
-haar met de hand een groet toezond, en zijn hart klopte onstuimig,
-toen zij die beantwoordde. Nu was hij gerust en nam getroost en moedig
-afscheid van zijn vader en zijn vrienden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-IN DEN VREEMDE.
-
-
-"Goeden avond, beste oom! Met wien heb ik u zoo even op het Marcusplein
-zien staan?" sprak op zekeren Septemberavond van het jaar 1493 een
-aanzienlijke Venetiaansche jonkvrouw een ouden heer aan, met wien
-zij aan het "Canale grande" in een gondel stapte.
-
-"'t Is een Duitscher, lieve Bella," was het antwoord.
-
-"Een Duitscher? Zoo, hij is mij reeds dikwijls opgevallen met zijn
-hooge, mooi gebouwde gestalte, zijn fiere houding en zijn edel,
-schoon gelaat. Hoe heet hij?"
-
-"Albrecht Dürer uit Neurenberg."
-
-"Wat is hij?"
-
-"Kunstenaar."
-
-"Dat heb ik gedacht! men kan het hem aanzien. Is hij een beeldhouwer?"
-
-"Neen, hij is schilder. Mijn kleine Bella heeft dus in hem den
-kunstenaar ontdekt? Wat hebben uw oogen goed gezien en welk een goeden
-smaak hebt gij! Hij is dan ook een bijzonder mensch, die Neurenberger
-en vereenigt in zich alles, wat iemand tot eer en sieraad strekt. Even
-kunstvaardig als zijn hand is, zoo groot en edel is zijn hart en ieder
-moet trotsch zijn zulk een man tot vriend te hebben. Maar het is niet
-gemakkelijk om met hem in aanraking te komen, want die Duitschers
-zijn zoo eenzelvig en gesloten."
-
-"Hoe hebt u het aangelegd, oom, om kennis met hem te maken?"
-
-"Signor Rodrigo Varini, die vurige vriend van kunstenaars en geleerden,
-is mij behulpzaam geweest. Het is hem gelukt zijn hand op deze Duitsche
-prooi te leggen en hem in zijn huis te lokken. Daar heb ik hem voor
-het eerst gezien en gesproken en mocht ik een blik slaan in zijn
-portefeuille, die een schat van teekeningen en schetsen bevat."
-
-"En wat is uw oordeel over zijn kunst?" vraagde Bella.
-
-"Hij is er nog niet geheel;" antwoordde haar oom. "Men kan zien,
-dat hij de groote meesters, die hij op zijn reizen leert kennen,
-bestudeert en zich hun uitstekende hoedanigheden eigen maakt;
-maar men ziet ook terstond, dat hij niet alleen navolgt, doch een
-eigen opvatting heeft. Hij heeft genie; en men behoeft waarlijk geen
-profeet te zijn om te voorspellen, dat hij in de kunst een grooten
-naam en onvergankelijken roem zal verwerven. Maar de indruk, dien
-zijn kunst maakt, wordt nog verhoogd door zijn persoonlijkheid. Hij
-is pas drie-en-twintig jaar oud, en toch is zijn levensbeschouwing
-zoo ernstig, zijn optreden zoo waardig en zijn hart zoo rein,
-vroom en onbesmet! Ik moet het bekennen: men voelt zich waarlijk
-beschaamd als men in zijn reinen, open blik leest en naar zijn woorden
-luistert. Alles wat laag en onedel is, is eindeloos ver beneden hem
-en de dolle, losbandige begeerten der jeugd dringen niet door het
-pantser van dit edele hart, dat slechts leeft voor het schoone."
-
-"O, hoe gaarne zou ik hem ook eens ontmoeten," zuchtte Bella, "want
-hier te midden van al die onbeteekenende en lichtzinnige jongelui,
-verlangt mijn hart vurig een man te zien, die zoo ten volle achting
-en bewondering verdient."
-
-Haar oom keek met een vriendelijken glimlach naar het jonge, schoone
-meisje.
-
-Hij begreep haar verlangen, want hij kende haar streven naar het
-edele, haar liefde tot de kunst en haar bewondering voor het grootsche
-en schoone.
-
-"Uw wensch kan gemakkelijk worden vervuld," sprak hij, "want dikwijls
-is er een groote kring gasten bij signor Varini, als deze Duitsche
-kunstenaar daar aanwezig is en ik zal de vrouw des huizes vragen u
-ook eens te inviteeren."
-
-"O heerlijk, oom, ik dank u duizendmaal," riep Bella verrukt en drukte
-haar oom de hand.--
-
-In een der paleizen op het Marcusplein, de woning van Signor Varini,
-was eenige dagen later een uitgelezen gezelschap bijeen--een groot
-aantal bedienden in prachtige livrei, liep heen en weer in de groote
-zaal om de gasten allerlei ververschingen aan te bieden.
-
-De genoodigden waren gedeeltelijk artisten, voor het overige
-liefhebbers der kunst en allen waren onder den indruk der muziek,
-die door de zaal weerklonk. Signor Varini was er in geslaagd een
-beroemde zangeres voor dezen avond te engageeren, een kunstenares,
-die sinds eenige weken te Venetië vertoefde, waar zij iedereen in
-verrukking bracht door haar zang en spel.
-
-Nadat men ruimschoots van de muziek had genoten, verdeelde het
-gezelschap zich in groepen in de verschillende vertrekken. In een
-daarvan verzamelde zich al spoedig een kring om een jongen man, die
-al de vragen, waarmee men hem bestormde, vriendelijk beantwoordde. Die
-man was Albrecht Dürer.
-
-Zijn uiterlijk alleen won aller harten, maar nog meer wist hij door
-zijn woorden te boeien. Hij had veel gereisd en van de wereld gezien en
-had de gave het aan anderen op een aardige manier mee te deelen. Hoe
-goed had hij alles waargenomen en welke bijzondere oogen moesten dat
-zijn, die zooveel zagen, wat een ander zelfs niet opmerkte!
-
-Toen hij eindelijk vermoeid was van het vele spreken, noodigde Signor
-Varini de gasten uit om een gezelschapsspel te doen en Dürer maakte van
-die gelegenheid gebruik om zich in een afgelegen nis bij het venster
-terug te trekken en zijn oogen te laten gaan over de drukte op het
-Marcusplein, waarnaar hij steeds met evenveel belangstelling keek.
-
-Na eenige oogenblikken hoorde hij een zijden kleed in zijn nabijheid
-ruischen en toen hij zich omkeerde, zag hij een jonge, schoone
-Venetiaansche, die hem niet zonder verlegenheid en met bewondering
-aanzag.
-
-"Zijt gij vermoeid dat gij zoo de eenzaamheid opzoekt?" vraagde zij.
-
-Dürer glimlachte. "Signor Varini geeft zijn gasten ook zoo veel
-te genieten,"
-
-"Gij zijt een Duitscher", sprak Signora Bella met een guitig lachje,
-"en de Duitschers zijn spoediger bevredigd dan wij, Italianen."
-
-Dürer keek met welgevallen naar deze bekoorlijke jonkvrouw; de klank
-harer stem en haar manier van spreken trokken hem zeer aan en daarom
-noodigde hij haar beleefd uit plaats te nemen. Bella deed dit gaarne
-en sprak: "Ik zou nog veel meer van Duitschland willen hooren. Is
-het niet een erg ruw, onherbergzaam land? Hoe is het mogelijk,
-dat de kunst kan bloeien onder dien grauwen hemel, vooral uw kunst,
-meester Dürer? Gij moest het zonnige Italië tot uw woonplaats kiezen,
-dan zou uw talent tot zulk een volkomene ontwikkeling geraken!"
-
-"Gij hebt gelijk, Signora," antwoordde Dürer met een hoffelijke
-buiging.
-
-"Het zonnige, kleurrijke Zuiden is bevorderlijker voor den bloei der
-kunst dan het ruwe, grijze noorden; maar de kunst is als de denneboom,
-die welig tiert op den vruchtbaren boschgrond der dalen, maar ook
-op de steile, dorre rotshoogten tot vollen wasdom komt. Denk eens
-aan de Rijnstreek en de Nederlanden, denk aan Boheme [5] en aan mijn
-geboorteplaats [6], op hoeveel groote meesters kan men zich daar niet
-beroemen en welke heerlijke kunstproducten heeft hun hand geschapen!"
-
-"Goed gezegd!" riep Bella uit, "Van de meesters der scholen van Keulen
-en Brugge [7] heb ik verscheidene werken gezien, ook van de Praagsche
-kunstenaars en alle wekten evenzeer mijn bewondering."
-
-"O, hebt gij zooveel kennis van de kunst en liefde tot haar!" riep
-Dürer uit, die zijn belangstelling in de Signora voortdurend voelde
-toenemen.
-
-Bella lachte en tusschen haar lippen glinsterden haar kleine,
-ivoorwitte tanden.
-
-"Het rijk van het schoone was van mijn jeugd af aan de wereld, waarin
-ik leefde, en ik voel een vurigen eerbied en bewondering voor de
-priesters der kunst... Hoe lang zwerft gij reeds op uw reizen rond?"
-
-"Reeds meer dan drie jaren," antwoordde Dürer.
-
-"O, wat moet gij dan veel hebben gezien! En als gij niet te veel
-vermoeid zijt, zoudt gij mij een groot genoegen doen, mij er iets
-van te willen vertellen."
-
-"Heel gaarne, Signora," verzekerde Dürer, die zich meer en meer
-tot deze discipelin der kunst voelde aangetrokken. "Eerst ben ik
-westwaarts getrokken en wel naar Colmar om kennis te kunnen maken
-met Martin Schongauer, [8] dien grooten meester, die mij in mijn
-leerjaren van groot nut is geweest en mij steeds met zijn kunst heeft
-bezield. Van de eene stad ben ik naar de andere getrokken, hier en
-daar eenigen tijd vertoevend, totdat ik Colmar bereikte, om toen te
-bemerken, dat ik te laat kwam en dat meester Schongauer reeds twee
-jaar in het graf rustte. Zijn broeders evenwel ontfermden zich over
-mij en hielden mij bij zich, om mij veel te laten zien van hetgeen
-de meester had nagelaten. Uit dankbaarheid schonk ik hun verscheidene
-mijner werken en zij betuigden, dat het hun was alsof hun broeder ze
-met eigen hand had geschilderd. Daarna ben ik een heel eind langs den
-Rijn getrokken, maar nergens vond ik, wat ik zocht voor mijn studie,
-want het was daar treurig met de kunst gesteld.
-
-"De groote meesters waren gestorven, en die nu het penseel voerden,
-beteekenden niet veel, daarom was al mijn verlangen op Italië gericht,
-en in het bijzonder op Venetië, waarvan te Neurenberg altijd met
-zooveel lof wordt gesproken door de kooplieden die men steeds hier kan
-vinden in het Duitsche handelshuis [9] en die zooveel wonderheerlijks
-van de stad der lagunen te vertellen hebben."
-
-"En zijt gij het met hun verhalen eens?" vraagde Bella.
-
-Albrecht knikte bevestigend. "Het is mij alsof ik in een wonderland
-ben. Mijn oogen zijn verblind door den glans van al het schoone. Het is
-verbazend zooals de kunst hier alles beheerscht! Neurenberg moet zich
-slechts met één groot kunstenaar, mijn leermeester, vergenoegen;--en
-hier in Venetië vindt men een aantal kunstenaars, die om den voorrang
-strijden, die elkaar niet navolgen, doch waarvan elk origineel is in
-manier van werken en opvatting."
-
-"En wien bewondert gij het meest?" vraagde Bella. "De Bellini's, of
-Bartolomeo, Vivarini, Marco Marziale, de Barbari's of Andrea Mantegna?"
-
-"Dien gij daar in de laatste plaats noemt," antwoordde Albrecht. "De
-anderen begrijp ik minder goed, hoezeer ik ze ook bewonder; ik kan
-mij moeilijk indenken in hun gedachten. Maar wat meester Mantegna
-heeft geschilderd, dat begrijp ik en ik voel, dat er zielsverwantschap
-tusschen ons bestaat, indien het tenminste den mindere tegenover den
-meerdere past zoo iets te zeggen.
-
-"Menig uur heb ik reeds doorgebracht met het copieeren zijner werken
-om ze mee naar huis te kunnen nemen."
-
-"Is het uw plan hier te Venetië alleen te studeeren en niet te toonen,
-wat uw penseel reeds vermag te scheppen?" vraagde de Signora verder.
-
-Albrecht glimlachte: "Nu en dan als ik iets zie, dat mij boeit en
-bezielt, grijp ik het penseel en tracht het weer te geven volgens
-mijn eigen opvatting."
-
-"Hebt gij hier ook portret geschilderd?"
-
-"Ja, ook dat, nu en dan."
-
-Bella zweeg en keek den Duitschen schilder aan, alsof zij wilde zeggen:
-"Ik zou wel eens aan mijn portret willen zien, waartoe de Duitsche
-kunst in staat is."
-
-Dürer begreep dien blik en reeds zweefde een toestemmend antwoord op
-zijn lippen. Hij was geheel onder den invloed dezer Italiaansche;
-eerst hadden haar kunstkennis en enthousiasme hem aangetrokken en
-langzamerhand was hij ook onder de bekoring van haar betooverende
-persoonlijkheid geraakt. Welk een heerlijke arbeid die schitterende,
-zwarte oogen vol uitdrukking, die blozende wangen, die klassiek
-gevormde neus en vriendelijke, roode lippen op het perkament te
-brengen! En daarbij de muziek harer taal te hooren en naar haar
-bekoorlijk gebabbel te kunnen luisteren, hoe verrukkelijk moest dat
-zijn! Een oogenblik zag hij haar diep in de oogen en gaf zich geheel
-over aan de bekoring, die van haar uitging, doch toen ondervond hij
-plotseling een zeer pijnlijke gewaarwording, die hem een donkeren
-blos op de wangen joeg.
-
-Hij voelde dat hij hier den wensch des kunstenaars moest opofferen,
-en hij beschouwde zijn vurige bewondering voor deze Italiaansche
-schoone als ontrouw jegens haar, wier beeltenis in het diepste
-heiligdom zijns harten leefde.
-
-Deze gedachte dwong hem een eind te maken aan het gesprek. Hij stond
-op, boog beleefd voor de Signora en begaf zich weer bij het gezelschap,
-dat reeds naar hem had uitgezien.
-
-Toen hij afscheid nam, vraagde Bella's broeder toestemming om den
-inhoud zijner portefeuilles te mogen komen zien en zijn zuster mee
-te brengen.
-
-Dürer antwoordde toestemmend en ontving daarvoor een dankbaren blik
-uit Bella's oogen.-- --
-
-Twee dagen later begaf Signor Carlo zich met zijn zuster naar het huis,
-waar de Duitsche schilder zijn intrek had genomen.
-
-De waardin betuigde haar spijt: "Hij is niet thuis."
-
-Bella verborg haar teleurstelling niet en Carlo vraagde, of zij
-misschien toch zijn kamer mochten zien.
-
-De vrouw zag er geen bezwaar in om de gasten binnen te laten, daar
-het vertrek niet was afgesloten.
-
-Zij waren verrukt over het schoone arrangement. Aan den muur hing
-een groot aantal schilderijen, die zij ternauwernood een blik gunden,
-want al hun aandacht werd terstond in beslag genomen door een portret,
-dat midden in de kamer op een schildersezel stond.
-
-"Dat is hij zelf!" riepen broeder en zuster als uit één mond en Carlo
-voegde erbij: "Wat een meesterstuk!"
-
-Ja, hier had Albrecht Dürer het beste gegeven wat hij had. Het
-edele, mannelijk schoone gelaat met zijn donkerblauwe oogen zag den
-toeschouwer zoo ernstig aan en de indruk werd nog verhoogd door de
-prachtige kleedij. Een rood kapje dekte de bruine, golvende haren, de
-kraag om zijn hals was met een met goud gestikten zoom versierd, linten
-van perzikkleur sloten de opengespleten mouwen en over de borst was
-een schilderachtige draperie van grijs-blauw, met gele koorden afgezet.
-
-"Wat voor een blauwe bloem heeft hij daar in zijn rechterhand?" vraagde
-Carlo, terwijl hij langen tijd in zwijgende bewondering verdiept het
-portret had bekeken. "Wat zou hij daarmee willen zeggen?"
-
-"Zie eens, daarboven heeft hij iets geschreven, dat verklaart het
-misschien," merkte Bella op.
-
-Carlo trad er dicht bij en las toen: "Mein Sach die gaht, als es oben
-staht. [10]"
-
-"Dat is niet duidelijk," sprak hij hoofdschuddend, "wie kan dat
-verklaren." Daarbij keek hij vragend naar de waardin, die zwijgend
-op den drempel was blijven staan.
-
-"Die Duitsche schilder is een zeer vrome man," antwoordde zij. "Toen ik
-hem vraagde, wat deze woorden beteekenden, wees hij naar boven en zei:
-"God in den hemel is mijn hoop en mijn vertrouwen; in Zijn handen stel
-ik mijn leven en al wat ik heb." Maar toen ik ook naar de beteekenis
-van die blauwe bloem vraagde, wendde hij zich met een blos af en
-sprak: "die bloem heet bij ons "mannentrouw."" Ik denk, dat er in
-het vaderland een aardig meisje met liefde aan hem denkt en dat hij
-haar gevoelens met evenveel trouwe liefde beantwoordt." Bella keerde
-zich om en bekeek de andere schilderstukken; de uitdrukking van haar
-gelaat was geheel veranderd en haar blikken dwaalden, zonder te zien,
-van het eene schilderij naar het andere. Kort daarop drong zij er op
-aan te vertrekken--men was toch waarlijk ook reeds te lang gebleven.
-
-Haar broeder voldeed niet zonder tegenzin aan haar wensch en hij
-verwonderde zich onder het naar huis gaan over de stilheid van zijn
-anders zoo vroolijke, spraakzame zuster.
-
-Dürer vernam bij zijn thuiskomst het bezoek, dat in zijn afwezigheid
-aan zijn werkplaats was te beurt gevallen, en dacht, dat de beide
-bezoekers het zouden herhalen, doch hij wachtte tevergeefs en zag
-het schoone gelaat der Signora niet meer terug.
-
-In plaats van haar kwam kort daarop een landgenoot, de koopman Tucher
-uit Neurenberg, die hem de groeten zijner familie overbracht en de
-tijding, dat zij het thuis allen goed maakten.
-
-Ook hij was vol lof over het eigenhandig geschilderd portret van den
-kunstenaar en vraagde na eenige oogenblikken; "Maar waarom hebt gij
-dit groote portret op perkament in plaats van op paneel geschilderd?"
-
-"Omdat het dan kan worden opgerold en gemakkelijk worden verzonden,"
-antwoordde Dürer. "En ik heb een vriendelijk verzoek aan u. Wilt
-gij het mee naar Neurenberg nemen en het mijn vader met een briefje
-overhandigen?" De koopman had er niets op tegen en reeds enkele dagen
-later was het portret op weg naar Neurenberg.
-
-Tucher had wel eens gaarne willen weten, wat er in het briefje stond,
-want hij vermoedde wel, voor wie het portret eigenlijk was bestemd. In
-geheel Neurenberg was het geen geheim meer waarom jonkvrouw Agnes
-Frey sedert Albrecht Dürers vertrek zoo stil was geworden en uit het
-feit, dat de oude meester Dürer den heer Hans Frey dikwijls bezocht,
-begreep men het overige.
-
-Tucher had tegelijkertijd den jongen kunstenaar te kennen gegeven,
-dat het de wensch zijns vaders was, dat hij nu eens zijn terugkomst
-moest bepalen, en aan dien wensch gehoor gevende, zeide Albrecht
-spoedig daarop Venetië vaarwel en trok wederom noordwaarts naar Tyrol.
-
-Opgewekt reisde hij verder--hij ging immers naar huis om allen, die
-hij liefhad, terug te zien na een vierjarige afwezigheid. Maar het
-Tyrolerland was te schoon om er snel door te reizen. Hoe mild had hier
-de Schepper Zijn heerlijkheid ten toon gespreid; hoe genoot hier het
-oog van den kunstenaar, die het schoone beter dan iemand anders weet
-te ontdekken en te waardeeren. Menigmaal voelde hij zich gedrongen
-stil te houden en met teekenstift of penseel een schets te nemen van
-het schoone en opmerkenswaardige, dat de natuur aanbood. Soms was het
-een boomgroep, of een rotsachtig gedeelte, dan weer een landschap,
-een burcht of een stad.
-
-Zijn hart klopte luider toen hij aan de bergpas kwam, waardoor
-eenmaal zooveel zijner landgenooten waren getrokken en met hun bloed
-den bodem hadden gedrenkt: de Venetiaansche kloof. Hij kon het niet
-van zich verkrijgen verder te gaan, voordat hij deze romantische
-plek geschetst in zijn portefeuille kon meenemen. Ook vertoefde hij
-lang op een hoogte bij Triënte om vol geestdrift die schilderachtig
-gelegen stad in haar geheel met frissche kleuren weer te geven. En
-toen hij Innsbruck naderde juichte zijn ziel bij den aanblik van
-deze parel van Tyrol en terstond kwamen palet en penseelen weder
-voor den dag. Hij nam het gezicht op deze stad van de noordzijde,
-zoodat de Inn den voorgrond inneemt en dicht langs de huizen stroomt,
-die zich in den vloed weerspiegelen. Op den achtergrond verheffen
-zich majestueus de sneeuwbergen in het zachte blauw des hemels,
-waarin kleine, witte wolkjes zweven.
-
-Meer en meer naderde Albrecht de Beiersche grenzen. Nu bleven de
-penseelen weggeborgen en zijn hart ging open, toen hij voor het
-eerst zijn eigen taal in de ooren hoorde klinken. O Vaderland! gij
-heerlijk! innig geliefd woord!
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-VERVULDE WENSCHEN.
-
-
-Op een morgen in Juni van het jaar 1494 werd de koperen klopper
-drie malen op de huisdeur van den heer Hans Frey neergelaten, en
-daar stonden meester Dürer en zijn zoon, uitgedost in hun schoonste
-kleedij. Zij werden klaarblijkelijk verwacht, want al de huisgenooten
-waren eveneens in feestgewaad; alles in huis blonk en glom en op
-de tafel in de ruime woonkamer stond een heerlijke ruiker witte en
-roode rozen.
-
-Toen de klopper zich liet hooren, verlieten de moeder en dochters het
-vertrek en de heer des huizes trad op den drempel om de binnenkomenden
-te verwelkomen. De begroeting had met veel ernst en deftigheid plaats
-en meester Dürer en zijn zoon traden binnen.
-
-"Veroorloof mij te vragen, wat u hierheen voert?" begon Hans Frey
-op afgemeten toon. Hij wist wel met welk doel de beide mannen waren
-gekomen, maar het was in dien tijd het gebruik deze vormelijke vraag
-te doen.
-
-Op even deftige wijze antwoordde meester Dürer: "God geve u en uw huis
-heil en voorspoed! Ik kom tot u voor mijn oudsten zoon Albrecht, die
-na zijn terugkomst uit den vreemde niet meer aan anderen ondergeschikt
-behoeft te zijn, en nu van plan is een eigen huis in te richten en
-daarin een huisvrouw binnen te leiden. Aangezien hij hiervoor de oogen
-op uw oudste dochter heeft geslagen, en het genoegzaam is bekend,
-dat de jonkvrouw hem genegen is, zoo kom ik uit zijn naam u vragen,
-heer Hans Frey, of gij uw dochter Agnes aan mijn zoon Albrecht ten
-huwelijk wilt geven."
-
-Hans Frey kuchte even en antwoordde toen: "Met lof spreekt een ieder
-over uw zoon, meester Dürer, niet alleen wat zijn kunst betreft,
-maar ook om zijn deugdzamen, reinen levenswandel. Gaarne geef ik dus
-gehoor aan uw verzoek en ik stem toe in het huwelijk mijner dochter
-met uw zoon Albrecht."
-
-De mannen drukten elkaar de hand en daardoor werd de verloving
-bekrachtigd, want in dien tijd had de vader het recht de hand zijner
-dochter te schenken aan wien hij wilde. Doch zij werd niet beschouwd
-als een willooze koopwaar, zooals nog vroeger het geval was, neen, de
-tijden waren ook in dit opzicht beter geworden, men had meer eerbied
-gekregen voor de rechten der vrouw en daarom werden de wenschen der
-dochter wel degelijk in acht genomen en besliste men na haar zelve
-ernstig te hebben geraadpleegd.
-
-Nu ging Hans Frey naar de aangrenzende kamer en wenkte Agnes, die
-daarop met neergeslagen oogen, blozende wangen en kloppend hart op
-den drempel verscheen.
-
-"Zie," sprak haar vader, "het is om uwentwil, dat wij heden bezoek
-ontvangen van meester Dürer, die voor zijn zoon Albrecht uw hand
-komt vragen. En nadat ik mijn vaderlijke toestemming heb gegeven,
-vraag ik eerst aan u, Albrecht Dürer, begeert gij mijn dochter Agnes
-tot uw wettige huisvrouw?"
-
-Het antwoord werd met luide stem gegeven: "Ja, van ganscher harte!" Nog
-tweemaal herhaalde Hans Frey zijn vraag en telkens volgde daarop
-hetzelfde antwoord.
-
-Daarop wendde de vader zich tot zijn dochter en vraagde op dezelfde
-wijze: "Agnes, begeert gij den jongen Albrecht Dürer tot uw wettigen
-echtgenoot?" Ook uit haar mond klonk het, wel minder luid, doch even
-vurig: "Ja, van ganscher harte," en zoo tot driemaal toe.
-
-Toen legde haar vader hun beider handen in elkaar en de zijne er
-op leggende, sprak hij: "Albrecht, ik vertrouw Agnes aan u toe,
-evenals Christus de sleutels van het Rijk des hemels aan Petrus heeft
-toevertrouwd. Agnes, ik vertrouw u Albrecht toe, evenals Christus aan
-Petrus de sleutels van het Rijk des hemels heeft toevertrouwd." Toen
-nam hij een zwaard uit den hoek, zette een hoed op de punt en stak een
-gouden ring aan het gevest, nam daarna een mantel en een penning en
-voerde de verloofde tot haar bruidegom met de woorden: "Hiermee geef ik
-mijn wettig kind over in uw trouw en genade, en vraag u ter wille van
-het vertrouwen, waarmee ik haar aan u afsta, dat gij een rechtvaardig
-en goedertieren leidsman en een trouw beschermer voor haar zult zijn."
-
-De bruigom hief plechtig de hand op met den eed: "Ik zweer het voor
-het aangezicht van den alomtegenwoordigen God!"
-
-"Neem haar dan tot uw echtgenoot, haar, die gij hebt
-uitverkoren!" sprak Hans Frey en nu trapte de bruigom zijn bruid op
-haar voet, om daarmee te toonen, dat hij haar heer en meester was, maar
-daarna sloot hij haar in zijn armen als bewijs, dat zijn heerschappij
-zacht en liefdevol zou zijn en gaf hij haar den verlovingskus.
-
-Een paar uren later was de ruime huiskamer gevuld met de verschillende
-familieleden der verloofden, die allen hun gelukwenschen en
-geschenken kwamen aanbieden; deze laatsten echter moesten binnen
-zekere grenzen blijven volgens ingewortelde, overdreven bemoeizucht
-der stedelijke regeering, die hierop strenge beperkingsverordeningen
-had uitgevaardigd.
-
-Het was alleen aan de beide naastbestaanden veroorloofd de bruid een
-gouden ketting ter waarde van achttien gulden en een zilveren gesp
-tot den prijs van vijftien gulden op zijn hoogst te schenken.
-
-Aan een welvoorzienen disch bleven de gasten gezellig bijeen tot den
-avond en op aller gezichten stond te lezen, hoezeer men was ingenomen
-met deze belangrijke gebeurtenis.
-
-Hans Frey, hoe rijk en gezien ook in de oogen aller ingezetenen,
-zag volstrekt geen vernedering in het huwelijk zijner dochter met den
-zoon van een goudsmid; hij, de begaafde man, zelf bedreven in de kunst,
-voornamelijk in zang en spel, rekende het zich tot eer, de hand zijner
-dochter te mogen schenken aan een man, van wien hij voor de kunst de
-grootste verwachtingen koesterde. Meester Dürer was bovenmate verheugd
-en dankbaar, dat zijn zoon zulk groot geluk was ten deel gevallen, en
-al zag hij in het begin wel een weinig op tegen den omgang met deze
-aanzienlijke familie, spoedig voelde hij zich bij hen geheel thuis
-door de welgemeende vriendelijkheid, waarmee men hem tegemoet kwam.
-
-Het gelukkigst van allen waren natuurlijk de beiden, die het middelpunt
-der algemeene vreugde uitmaakten. Hun wederzijdsch, stilzwijgend
-verlangen was nu bevredigd, ze konden elkander nu vrijuit vertellen,
-hoe lief zij elkaar hadden en met verrukking hoorde Albrecht de
-bekentenis van Agnes, dat zij hem als knaap reeds in stilte heel
-gaarne mocht lijden.--
-
-Den 7den Juli op St. Margriet, werden de deuren der Sebalduskerk
-geopend voor een deftigen stoet: Albrecht Dürer geleidde zijn lieve
-bruid naar het altaar. Beide trokken aller blikken tot zich en vol
-bewondering was men het hierover eens, dat nooit een mooier paar deze
-kerk had betreden.
-
-Hoe schoon kwam Albrecht Dürers statige gestalte uit in het blauw
-fluweelen wambuis, den zwarten met bont afgezetten mantel en hoe goed
-stond hem de met goud doorvlochten bruigomskroon van sterkriekende
-kruiden! En hoe lief zag de bruid er uit in haar wit zijden kleed,
-waarvan de lange sleep met blauw fluweel en schitterende paarlen was
-omzoomd; hoe liefelijk was de blos op haar wangen onder den bruidkrans
-van rozemarijn met vergulde bladeren!
-
-Het jonge paar werd gevolgd door een langen prachtigen stoet van
-bruidsjuffers en jonkers en verdere bruiloftsgasten.
-
-Onder plechtige orgelmuziek trad het jonge paar voor het altaar, waar
-hun door den priester de vraag werd gedaan, of zij elkaar wenschten
-te huwen en elkander trouw wilden blijven tot in den dood; waarop
-hij hun handen vereenigde en hen zegende met de woorden: Ego coniungo
-vos in nomine Patris et Filii et spiritus sancti. Amen. Daarop maakte
-hij over hen het teeken des kruises, besprenkelde hen met wijwater,
-stak hun den gouden ring aan den vinger en besloot de plechtigheid
-met een gebed, waarop het koor de huwelijksmis aanhief.
-
-Intusschen waren in de groote zaal van het raadhuis een groot aantal
-tafels aangericht voor het bruiloftsmaal. Het bruidspaar nam aan de
-middelste plaats met de beide ouderparen, den overigen werd een plaats
-aangewezen volgens rang en geslacht. Terzijde zaten de muzikanten,
-die de gasten met hun deuntjes opvroolijkten.
-
-Aan elke tafel dienden twee schenkers, en een omroeper ging van de
-eene tafel naar de andere, om in fraaie rijmpjes tot eten uit te
-noodigen--dat was zoo de gewoonte.
-
-Als de muziek ophield, kwam de hansworst om met zijn grappen de
-vroolijkheid te verhoogen--trouwens, hij had zich die moeite kunnen
-besparen, want voortdurend nam de luidruchtigheid toe en de muzikanten
-hadden het overdruk om met hun trompetten en pauken al de toasten
-te beantwoorden.
-
-Nadat men ruimschoots had genoten van de spijzen en dranken, had de
-brandschatting plaats. Het eerst verscheen de kok met den schotel,
-die bij de gasten moest rondgaan en waarin de gaven moesten worden
-gelegd. Met hetzelfde doel kwam de keldermeester met zijn drinkhoorn,
-de braadspitdraaier, de vrouw, die de vaten moest wasschen, en
-eindelijk de armvoogd met de bus voor de arme luitjes; allen werden
-rijkelijk bedeeld met klinkende munt.
-
-Na afloop van den maaltijd kwam een der bedienden met een zilveren
-schaal en een meid met een handdoek, en gingen beurt voor beurt naar
-elk der gasten, om hen uit te noodigen hun handen te wasschen. Nadat
-hieraan was gehoor gegeven, was het trompetgeschal het sein,
-dat men zich voor het dansen naar de benedenzalen moest begeven,
-terwijl de bruiloftsoep, waarvoor de vader van de bruid een vetten
-os ten geschenke had gegeven, werd verzonden aan de kerkdienaars,
-de raadsbedienden, de zieken in het hospitaal en eveneens aan de
-doortrekkende reizigers in de herbergen. Het was 's avonds laat,
-toen men het jonge echtpaar met fakkellicht naar het huis van den
-vader der bruid begeleidde.
-
-Maar daarmee waren de feestelijkheden niet afgeloopen; den volgenden
-dag namen ze daarentegen nog toe. Reeds in den vroegen morgen
-verschenen de gasten weer om hun geschenken aan te bieden. Het eerst
-van allen was de bruigom in het vertrek der bruid binnengetreden om
-haar het eerste geschenk te brengen: een kostbare parure van goud met
-echte parelen, robijnen en smaragden, een meesterstuk van den ouden
-Dürer en een verrukkelijk schilderij van zijn eigen hand, een landschap
-in Tyrol. De overige gasten wedijverden met elkaar in bewijzen hunner
-liefde en achting, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Daarna
-ging men wederom gezamenlijk ter kerke, en nu droeg de jonge vrouw het
-haar niet meer loshangend zooals tot nu toe, doch opgebonden onder
-een muts, als bewijs dat zij nu het huwelijksjuk droeg. Na de mis
-legde het jonge echtpaar hun gave op het altaar en ontving den nazegen.
-
-Na deze kerkelijke plechtigheid trok men weer naar het raadhuis,
-om zich daar nogmaals te vereenigen aan een welvoorzienen disch,
-die in pracht en overvloed den eersten nog overtrof en een bewijs
-was van den grooten rijkdom van Hans Frey.
-
-Na afloop daarvan ging men onder vroolijken zonneschijn naar de veste,
-waar onder de linde op het voor ieder toegankelijke plein, met dansen
-de feestelijkheden zouden worden besloten.
-
-Evenals den vorigen avond was het laat, toen de fakkels weder werden
-aangestoken om het jonge paar naar huis te begeleiden. Nu ging
-men evenwel niet naar het ouderlijke huis der bruid, maar naar de
-woning van den ouden meester Dürer, want Albrecht volgde niet het
-gebruik om bij zijn schoonvader te gaan inwonen, maar verkoos het
-huis zijner ouders, omdat hij dan steeds in de nabijheid van zijn
-ouden, gebrekkigen vader kon zijn en zijn kinderplicht tegenover den
-grijsaard beter vervullen.
-
-Het was wel wat bekrompen wonen in het huis van meester Dürer en deze
-keek zijn schoondochter wel eens met bezorgden vragenden blik aan,
-omdat hij vreesde, dat het haar, die zooveel weelde was gewend,
-moeilijk zou vallen zich in deze bescheiden omstandigheden te
-schikken--doch zijn vrees was ongegrond: Vrouwe Agnes was volkomen
-tevreden met de beperkte ruimte, nu zij die deelen mocht met den man,
-met wien zij onuitsprekelijk gelukkig was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-HET HUWELIJKSLEVEN.
-
-
-De ondergaande Aprilzon wierp haar purperen gloed in de werkplaats
-van Albrecht Dürer, waar de kunstenaar met zooveel inspanning en
-ijver aan een groot stuk schilderde, dat de zweetdroppels op zijn
-voorhoofd parelden.
-
-Er werd aan de deur geklopt en eenigszins ontstemd over de stoornis
-keek de schilder van zijn werk op, doch dadelijk hernamen zijn oogen
-hun vriendelijke uitdrukking, toen hij in den binnenkomende zijn
-ouden leermeester herkende.
-
-"Zijt gij nog zoo laat aan den arbeid?" vraagde Wolgemut. "Gij moest
-uw oogen meer sparen."
-
-"Ik heb haast," antwoordde Dürer, "want het is nog slechts drie dagen
-vóór het feest ter eere der tentoonstelling van de rijksinsignes en
-kleinoodiën." [11]
-
-"Wilt gij daar deze schilderij ten verkoop aanbieden? Nu, gij zult
-er ongetwijfeld eer mee inleggen. 't Is een meesterstuk. O wat heeft
-God u bevoorrecht! Ik zou bijna jaloersch worden, als ik zie hoever
-de leerling den meester boven het hoofd is gegroeid; doch Johannes
-de Dooper bewaart mij voor nijd en afgunst."
-
-"Johannes de Dooper?" vraagde Dürer verwonderd.
-
-"Ja zeker!" knikte Wolgemut. "Niet lang geleden las ik in den
-bijbel van Anton Koburger en ik was getroffen door een tekst, die
-mij mijn tevredenheid terug gaf. Het was in het derde hoofdstuk van
-het Evangelie van Johannes, waarin ik las, dat de Dooper tot hen,
-die niet konden verdragen, dat Jezus van Nazareth hun leeraar in de
-schaduw stelde, zeide: "Hij moet wassen en ik moet minder worden." Hoe
-ootmoedig was hij en toch hoe groot juist daardoor, dat hij zich
-zoo vernederde! En ik wil hem navolgen en hem gelijk trachten te
-worden, opdat ik mij van ganscher harte daarin kunne verheugen, dat
-de discipel meer is dan zijn leermeester. God zegene u!--En hoe gaat
-het overigens, Albrecht?"
-
-"Mij gaat het goed, meester," antwoordde Dürer, "ik heb alle
-reden om God te danken voor Zijn goedheid, want ik ben gezond
-en vol moed en levenslust, al heb ik in den laatsten tijd vrij
-wat onaangenaamheden ondervonden door mijn gezellen, die met mijn
-schilderwerk rondreizen. Velen hunner blijken schelmen te zijn, die
-zeer ontrouw hebben gehandeld met het werk, dat ik aan hun zorgen
-had toe vertrouwd, en mij slechts een klein deel der opbrengst
-hebben gebracht. Een ander, wien ik geld had geleend, heeft mij ook
-schandelijk bedrogen. Doch hoewel ik door deze wederwaardigheden veel
-schade heb geleden en de zorg voor mijn ouders en jongere broeders
-op mij neerkomt, zoo heb ik door Gods goedheid steeds alles gehad
-wat noodig was en nooit gebrek geleden."
-
-"Hoe gaat het met uw vader?" vraagde Wolgemut deelnemend. "Ik heb
-gehoord, dat hij ziek te bed ligt."
-
-Dürer knikte toestemmend: "Hij ligt reeds vijf dagen te bed. De
-acht-en-zestig-jarige is zeer zwak en mag maar heel weinig in de
-werkplaats arbeiden. Zijn oogen zijn slecht en zijn handen beven;
-Andreas mijn broeder, is nu veel aan zich zelf overgelaten, maar het is
-een flinke knaap, die bij vader goed heeft geleerd. Ik dank God, dat
-Hij mij mijn Agnes heeft gegeven! Zij helpt mijn moeder zoo trouw met
-oppassen en verpleegt den ouden man, alsof hij haar eigen vader ware."
-
-"Ja," sprak Wolgemut, "het verblijdt mij ook zoo, dat God u in haar
-zulk een heerlijken schat heeft gegeven. Houd haar in eere!"
-
-"Die vermaning is waarlijk niet noodig," antwoordde Dürer glimlachend,
-"want ik weet zelf het best welk een kostbaar kleinood zij is."
-
-Wolgemut trad nu dicht bij den ezel om het werk nauwkeurig te kunnen
-beoordeelen, en daarna sprak hij: "Het is dus uw plan het op het feest
-ten verkoop ten toon te stellen? Dan zult gij u moeten haasten want
-ik zag reeds een groote menigte vreemdelingen voor het feest aankomen."
-
-Dit feest was ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en
-kleinoodiën, waarvan Neurenberg, als middenpunt van het Duitsche
-rijk, de eer genoot die te mogen bewaren. Jaarlijks, in de lente,
-werden die kleinoodiën aan het volk vertoond en sinds de regeering van
-koning Sigismund werd er bij deze gelegenheid een groote jaarmarkt of
-kermis gehouden, die zooveel menschen uit alle deelen des lands trok,
-dat er in de herbergen nauwelijks plaats genoeg was.
-
-Meester Wolgemut bleef nog eenigen tijd met zijn voormaligen leerling
-praten, totdat Vrouwe Agnes verscheen, met wie hij nog eenige woorden
-wisselde; toen vertrok hij. Vrouwe Agnes zag er vermoeid uit. Reeds
-sedert twee dagen was zij niet te bed geweest en zij had daarbij veel
-huishoudelijke plichten moeten waarnemen. Zij ging stil bij de tafel
-zitten met haar moe hoofd op de hand steunende.
-
-Dürer ging naar haar toe en kuste haar op het voorhoofd. "Mijn arm
-vrouwtje, wat rust er nu veel op uw schouders! Gij hadt zeker wel
-gedroomd, dat gij het beter bij mij zoudt hebben!"
-
-Met zacht verwijt keek Agnes naar hem op. "Foei, stoute man, hoe durft
-gij zoo iets zeggen! Van mijn vroegste jeugd af heb ik ledigheid nooit
-kunnen uitstaan, en hoe heerlijk vind ik de grootste drukte en moeite,
-waar het u geldt!"
-
-"Mijn lieve vrouw!" riep Albrecht in vervoering en hij drukte zijn
-Agnes vurig aan zijn hart. Toen ging hij tegenover haar zitten om met
-haar te babbelen, want het was veel te donker geworden om nog te kunnen
-schilderen. Langzamerhand antwoordde Agnes weinig of niets meer, hij
-zag hoeveel moeite zij had om haar oogen open te houden--en eindelijk
-vielen ze dan ook toe en sliep zij. Toen stond hij zachtjes op, nam
-perkament en potlood en teekende Agnes uit, zooals zij daar zat met
-haar schort en witte muts, en met de kin op haar hand steunende.
-
-Het was een vluchtige schets, een aardigheid, maar niettemin was Agnes
-blij verrast, toen zij bij haar ontwaken zich zelve op deze wijze zag
-weergegeven. Ondertusschen kwam Hans binnenstormen, Albrechts jongste
-broeder en de lieveling zijner ouders, de eenige, die behalve Albrecht
-en Andreas, van de achttien kinderen nog in leven was.
-
-Hij liep luid schreiend op Agnes toe en zag er erbarmelijk uit: zijn
-gezicht was met bloed beloopen en de flarden hingen bij zijn wambuis.
-
-"Om 's hemels wil, Hans, wat is er gebeurd?" riep Vrouwe Agnes.
-
-"Wij waren aan het spelen bij de "mooie bron" en toen heb ik een duw
-gekregen, waardoor ik gevallen ben," huilde het kind.
-
-Vrouwe Agnes haalde gauw uit de keuken een kom met frisch water en
-een linnen doek, waarmee zij Hans gelaat afwiesch, terwijl zij hem
-allerlei troostwoorden toesprak; daarop trok zij zijn buisje uit en
-ging het dadelijk verstellen. Albrecht keek met een innig gelukkige
-uitdrukking in zijn oogen naar alles, wat zijn vrouw deed, hij zag
-weder duidelijk welk een warm, liefhebbend hart zij had. Hoe vurig lief
-moest zij haar echtgenoot hebben, dat zij zelfs aan zijn broertje en
-zijn overige familieleden zooveel trouwe zorgen wijdde! Zwijgend zag
-hij hoe haar zachte handen de naald hanteerden bij dezen ongewonen
-arbeid, want thuis had zij zich nooit met dergelijk werk behoeven
-te bemoeien; dat deden de dienstboden, die zij bij alles tot haar
-beschikking had gehad en haar een gemakkelijk leventje hadden bezorgd.
-
-Toen zij klaar was, trad Albrecht op haar toe en sloot haar in zijn
-armen: "Wat zijt gij toch goed en lief, Agnes! Dikwijls voel ik mij
-beschaamd, als ik bedenk, hoe weinig ik u waard ben."
-
-Agnes legde haar hand op zijn mond: "O wees stil, dan spreekt gij
-ten minste niet langer onwaarheid, stoute man! Geloof mij liever,
-als ik zeg, dat ik het ben, die mij dikwijls zoo beschamend onwaardig
-tegenover u voel. Maar laat mij nu gaan om voor het avondeten te
-zorgen." Tegelijkertijd wikkelde zij zich uit zijn omarming los en
-dekte de tafel. Maar voordat zij zelf ging zitten, liep zij snel de
-trap af naar de kamer in het onderhuis, waar de oude Dürer te bed
-lag en bracht hem zijn soepje. Zij had deze zorg op zich genomen,
-opdat haar schoonmoeder zich geheel aan de verpleging van den zieke
-zou kunnen wijden.
-
-"Hoe komt het toch, lieve Agnes, dat alles wat gij klaar maakt
-zoo heerlijk smaakt?" vraagde Albrecht aan tafel. "Doet gij
-er iets bijzonders in?" Vrouwe Agnes keek verwonderd op: "Iets
-bijzonders? Neen, alleen een weinig liefde."
-
-Eerst moest Albrecht hierom lachen, doch toen kreeg zijn gelaat
-een peinzende uitdrukking en na eenige oogenblikken zei hij: "Ja,
-gij hebt gelijk, dat is het, dat is het!"
-
-En nu deed hij de eieren met spek eer aan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-HULP BIJ DEN ARBEID.
-
-
-Er volgde een warme zomer op de lente. Een drukkend zwoele temperatuur
-heerschte in Neurenberg, waar de straten als uitgestorven schenen. Al
-de burgers, die er tijd en geld voor hadden, ontvluchtten die benauwde,
-ongezonde atmosfeer en zochten de bosschen en de berglucht op,
-vooral ook omdat de sterfte bedenkelijk toenam en men bang was voor
-het uitbreken van de pest.
-
-Een heete Augustusdag liep ten einde en vele wandelaars bewogen zich
-in de richting der stadspoorten om in het nabijgelegen Lorenzer-
-en Sebalderwoud zich te verkwikken aan de frissche, reine koelte,
-die in de schaduw der oude eiken en beuken waaide.--
-
-Vrouwe Agnes trad bij haar man in de werkplaats binnen: "Zouden wij
-niet een oogenblik gaan wandelen na al den arbeid en de hitte des
-daags, beste Albrecht?" vraagde zij op den drempel staande.
-
-"Ik zou het heel graag doen, Agnes," antwoordde Dürer, terwijl hij
-ophield met schilderen. "Ook ik zou gaarne eens frissche lucht gaan
-scheppen, maar mijn plicht houdt mij aan het werk. Zie eens, hoeveel
-ik nog aan dit schilderij heb te doen, en over zes dagen komt hij er
-voor, die het mij heeft opgedragen. Het heeft mij weinig geholpen,
-dat ik 's morgens met de zon opstond en niet voor middernacht naar bed
-ging. Ik krijg voortdurend meer bestellingen en het is mij onmogelijk
-alles alleen uit te voeren, zonder vóór mijn tijd geheel op te zijn."
-
-Vrouwe Agnes trad op haar echtgenoot toe en legde haar hand op zijn
-schouder: "Zoo mag ik u hooren spreken, want nu zijn wij het eens. Heb
-ik u niet duizendmaal gevraagd, om het voorbeeld van uw leermeester
-Wolgemut te volgen en gezellen die u bij uw arbeid kunnen helpen bij
-u te nemen, en die u in staat stellen, alle bestellingen, die men u
-doet, uit te voeren? Gij hebt nooit naar mijn raad willen luisteren,
-en nu ben ik heel blij, dat gij van meening zijt veranderd."
-
-"Toch schik ik mij met grooten tegenzin in deze noodzakelijkheid,"
-antwoordde Dürer, "want mijn ziel komt in opstand tegen de manier,
-waarop men tot nu toe de kunst heeft verlaagd. Veel liever schilderde
-ik alles alleen. Dikwijls heb ik bij meester Wolgemut met eigen oogen
-gezien, hoe de gezellen een werk van den meester geheel bedierven,
-zoodat men duidelijk kon zien, dat verschillende handen er aan
-hadden gewerkt. Ja, als ik iemand kon vinden, wiens arbeid volkomen
-op den mijne geleek, zooals het eene ei op het andere, dan zou ik
-hem gaarne bij mij nemen; doch hoe moeilijk vindt men dat! Evenals
-elk vogeltje in het woud zingt zooals het gebekt is, zoo heeft elk,
-wien God de gave der schilderkunst heeft verleend, zijn eigen manier
-om het penseel te voeren."
-
-"Dat is wel waar," beweerde Agnes, "maar in de werkplaats onderwijst
-de meester den leerling en daardoor krijgt deze de manier van zijn
-leermeester.
-
-"Waart gij zelf niet vol lof over Hans Schäufelein, die ook bij meester
-Wolgemut heeft gewerkt en over Albrecht Altdorffer? Gij zelf hebt hun
-kunst en bekwaamheid geprezen. En van Schäufelein hebt gij gezegd,
-dat zijn kunst veel overeenkomst met de uwe had."
-
-"Gij hebt gelijk," antwoordde Dürer, langzaam met het hoofd
-knikkend, "maar wat baat het of wij al over den Nördlinger schilder
-praten? Sedert een jaar is hij reeds weg en wie weet, waar hij nu is."
-
-"Nu dan," sprak Agnes ernstig en zij legde haar hand op Albrechts arm,
-"kom hier en zie eens in den spiegel, hoe bleek gij zijt en welke
-kringen gij onder de oogen hebt! Al dikwijls heb ik met stillen
-angst er naar gekeken! Als gij geen gezellen wilt nemen of er geen
-kunt vinden, dan blijft er niets over dan dat gij een groot deel der
-opdrachten afwijst.--Maar laten we nu dit vervelende onderwerp laten
-rusten en gebruik maken van het overige van den avond om een weinig
-frissche lucht te gaan scheppen."
-
-Dürer streek de weelderige lokken van zijn voorhoofd en knikte zijn
-vrouw toe: "Ik wil het niet weigeren, lieve Agnes, vooral daar ik
-wel begrijp, dat gij het meer om mijnentwil dan voor u zelve vraagt."
-
-Hij verwisselde zijn werkbuis voor een betere kleeding, zette zijn
-baret op en ging met zijn vrouw uit om buiten de stad te wandelen.
-
-Nauwelijks waren zij buiten de poort gekomen, toen een jonge man op hen
-toe trad en beleefd het hoofd ontblootte: "Gegroet, Meester Dürer! Wel,
-wat een geluk, dat gij de eerste zijt, die ik bij Neurenbergs poorten
-ontmoet! Want, juist om bij u aan te kloppen, ben ik hier gekomen."
-
-"Hoe, zijt gij het, Schäufelein?" riep Dürer verbaasd uit. "Het schijnt
-mij waarlijk een beschikking des hemels, dat ik u ontmoet. Begrijp
-eens, we spraken juist over u! En waarmee kan ik u van dienst zijn?"
-
-"Het is mijn hartewensch, dat gij de kroon wilt zetten op het werk,
-dat meester Wolgemut aan mij is begonnen. Bijna een jaar lang heb ik
-overal rondgezworven om bij andere schilders te leeren; toen dacht
-ik aan u en sprak tot mij zelf: waarom zoekt gij het zoo ver, terwijl
-gij den besten leermeester in de nabijheid hebt? Hebt gij nog plaats
-voor een gezel, dan zou ik heel gaarne bij u komen?"
-
-Dürer zag zijn vrouw veelbeteekenend aan en antwoordde: "Plaats
-is er genoeg, want ik heb altijd alleen gearbeid en vreemde hulp
-versmaad. Maar mijn lieve vrouw dringt er sterk op aan, dat ik iemand
-zal opzoeken, die mij behulpzaam kan zijn bij het vele werk, dat mij
-wordt opgedragen. In u heb ik vertrouwen, omdat ik uw kunst ken; en
-nu gij op mijn pad komt, alsof God mij u toezendt, roep ik in Zijn
-naam u hartelijk welkom toe."
-
-Hij reikte hem daarop de hand, die Schäufelein stevig schudde.
-
-Ook Vrouwe Agnes drukte hem de hand met een blijden glimlach en de
-wandeling in het bosch vergetende, noodigde zij de beide mannen uit
-om te keeren, om het avondeten voor den vermoeiden reiziger te kunnen
-klaar maken.
-
-Met innig genot zag Agnes dat langzamerhand de kleur weer op Albrechts
-wangen terugkeerde en dat de verhouding tusschen de beide schilders
-bijzonder hartelijk was. Zij stonden niet tegenover elkaar als
-meester en leerling: Dürer behandelde Schäufelein als zijn vriend en
-vertrouweling en dat verdiende hij ook, want niet alleen won zijn
-karakter Dürers genegenheid, ook zijn kunst drong hem 's meester
-achting af.
-
-Schäufelein was een kunstenaar met rijken aanleg en had
-ernstige studiën gemaakt. Daarbij kon hij zich gemakkelijk Dürers
-penseelbehandeling eigen maken en het duurde niet lang, of hij had
-zich geheel aan zijn wijze van arbeiden gewend en Dürer vertrouwde
-hem gerust toe, aan grootere stukken mee te werken. Al was er nog wel
-iets van Schäufeleins eigen manier in te bespeuren, het verschil was
-toch niet zoo groot, dat het storend op de eenheid werkte of afbreuk
-deed aan den totaal-indruk.
-
-En zoo konden de bestellingen, die Dürer alleen niet op zich had
-kunnen nemen, gezamenlijk worden uitgevoerd.
-
-Tegen Kerstmis bood zich een tweede schilder aan, Hans von Kulmbach,
-ook een knap kunstenaar, die reeds naam begon te krijgen--en dat
-hij bij meester Dürer als gezel werkzaam was, rekende deze zich tot
-eer en vermeerderde zijn roem niet weinig. Dürer kon zich op zulke
-gezellen waarlijk wel beroemen. Als zulke begaafde kunstenaars hem
-hun meester noemden, hoe groot moest hij dan zelf niet zijn! En
-het was geen wonder, dat meester Dürer voortdurend in aanzien steeg
-bij de Neurenbergers en dat buiten af zijn naam steeds met meer lof
-werd vermeld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-VOORNAAM BEZOEK.
-
-
-Een groote menigte vreemdelingen stroomde in April van het
-jaar 1496 naar Neurenberg--het wemelde van allerlei soort van
-reizigers op de groote wegen. Vedelaars en zangers, goochelaars,
-koorddansers, kwakzalvers en zwervende studenten trokken naar de stad
-in gezelschap van berenleiders en kameeldrijvers, vrouwen, meisjes en
-vuile zigeuners. Daartusschen vertoonde zich monnikspijen en grove
-boerenkielen. Ook eerzame burgers trokken in troepjes stadwaarts
-en hier en daar baande zich een koets, aan aanzienlijke bezoekers
-toebehoorende, of een groep geharnaste ridders te paard een weg door
-de bonte menigte.
-
-Het was weer ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en
-reliquiën, dat deze menschenmassa naar Neurenberg stroomde--en
-dezen keer was de toeloop zoo bijzonder groot, omdat een aantal
-vorsten en prelaten ook op weg waren en zelfs de keizer beloofd had
-te verschijnen.
-
-De stad was versierd met vlaggen en wimpels, bonte tapijten en
-slingers van groen en bloemen. Zelfs de kerken hadden zich getooid,
-zooals een bruid zich tooit voor haar bruidegom en de groote markt
-was als in een feestzaal herschapen. Vandaar tot aan de veste, waar
-de keizer verblijf zou houden, was het alsof men door een bosch liep:
-het woud had zijn slanke dennen, die in twee rijen in den grond waren
-geplant, moeten afstaan.
-
-Overal, in alle straten verdrong zich het volk uitgedost in hun
-fraaiste kleederen, om al de pracht en versieringen te kunnen
-bewonderen, voordat de feestelijkheden al hun aandacht in beslag
-zouden nemen. In de herbergen was het reeds vol vreemdelingen en nog
-steeds kwam er nieuwe toevloed.
-
-Den 14den April ging het gerucht, dat de Keurvorst van Saksen met zijn
-broeder, Hertog Hans, in aantocht was. Het volk stroomde de poort uit
-om de naderenden te gemoet te gaan, en dicht voor de poort werden de
-gilden met hun insignes en banieren opgesteld. Toen de vorst kwam
-aangereden, kwam er geen einde aan het gejuich en gejubel van het
-verzamelde volk, want Frederik, bijgenaamd de Wijze, stond bij allen
-in hoog aanzien. Achter hem en zijn broeder volgde een lange stoet
-ruiters in mooie, blinkende wapenrustingen en met wapperende pluimen.
-
-Kort daarop kwam ook de Landgraaf Lodewijk van Hessen met
-honderdvijftig ruiters, wien men dezelfde eer bewees.
-
-Doch de algemeene spanning nam zeer toe, toen men vernam, dat
-den volgenden dag de keizer de poort der oude vrije Rijksstad zou
-binnenrijden.
-
-De Keurvorst van Saksen reed met zijn broeder de poort uit om den vorst
-tegemoet te gaan. Weder werden de gilden opgesteld; de raadsheeren
-verschenen in hun deftige, zwarte mantels met de gouden ketens, de
-stadsmuzikanten zetten zich in postuur, op de wallen werd het geschut
-geladen en zelfs de allerarmste trok zijn beste kleeren aan. Maar zie,
-daar kwam een renbode om te zeggen, dat Zijn Majesteit verhinderd
-was zijn goede stad Neurenberg te bezoeken, omdat de Italiaansche
-veldtocht al zijn tijd eischte. [12]
-
-Dat was voor de Neurenbergers een groote teleurstelling en men
-had nu maar half pleizier in de feestdagen, waarop de reliquiën en
-rijkskleinoodiën in het openbaar werden tentoongesteld.
-
-Op den tweeden feestdag werd meester Albrecht Dürer reeds 's morgens
-vroeg in zijn arbeid gestoord, doordat men aan zijn deur klopte.
-
-Op den drempel verscheen een vreemde, aanzienlijke heer, die beleefd
-groette en zeide:
-
-"Ik kom uit naam van mijn heer en gebieder, den Keurvorst van Saksen,
-om u te zeggen, dat Zijn keurvorstelijke Doorluchtigheid van plan is u
-een bezoek in uw werkplaats te brengen. Derhalve zult gij u voor zijn
-ontvangst gereed moeten maken, want over een uur zal hij hier zijn."
-
-Een oogenblik was Dürer door dit onverwacht bericht in verwarring
-gebracht, doch hij herstelde zich spoedig en sprak beleefd buigend:
-"Ik verheug mij over de hooge eer, die mij te beurt valt en Zijne
-keurvorstelijke Doorluchtigheid zal mij zeer welkom zijn."
-
-Nauwelijks was de bezoeker weg, of Dürer snelde naar zijn vrouw
-om haar deze blijde tijding te brengen. Terstond ging zij naar het
-atelier om zoo snel mogelijk alles op te ruimen en in orde te brengen,
-daarin ijverig geholpen door de beide gezellen, die het ook reeds
-hadden gehoord.
-
-Intusschen had meester Dürer zich in zijn pronkgewaad gekleed en
-vertoonde zich in al zijn mannelijke schoonheid, statig en vol kracht
-als een ridder, en Vrouwe Agnes vermeide zich opnieuw in den aanblik
-van haar echtgenoot; het kwam haar voor, dat hij er nog nooit zoo
-heerlijk en statig had uitgezien.
-
-Nadat een uur verloopen was, kon men door het venster den keurvorst
-Frederik, door zijn broeder Hans vergezeld, in de straat zien
-aankomen. Dadelijk snelde Dürer de trap af om de aanzienlijke gasten
-op den drempel te ontvangen.
-
-"Dus zijt gij meester Dürer," begon Keurvorst Frederik, terwijl
-zijn oogen met welgevallen de hooge gestalte beschouwden en hij hem
-vriendelijk de hand reikte. "Men prijst uw kunst zeer in het geheele
-land, en zelf heb ik ook reeds menig kunstwerk, dat mij heeft doen
-wenschen u persoonlijk te leeren kennen, van u gezien. Wilt gij ons
-nu voorgaan om ons de plaats, waar gij arbeidt, te laten zien?"
-
-Eerbiedig geleidde Dürer de voorname bezoekers naar zijn werkplaats,
-waar de keurvorst plaats nam op den hem aangeboden zetel, terwijl
-zijn broeder zich naast hem zette.
-
-Er hingen aan den muur veel schilderijen, die door den keurvorst zeer
-werden bewonderd, en zijn lof was Dürer des te meer waard, omdat hij
-niet alleen een liefhebber der kunst maar ook een kunstkenner was.
-
-"Bij ons in Saksen," ging Frederik voort, "geniet Lucas Kranach een
-grooten naam en hij is een kunstenaar met bijzondere gaven; maar met
-u, Meester Dürer, kan hij zich toch niet meten. Ik zeg dit niet om u
-ijdel te maken of om meester Lucas' roem te verkleinen, maar om God
-in u te eeren, die u zooveel heeft geschonken. Hij geve u daarbij een
-goede gezondheid en een lang leven, om met het u toevertrouwde pond
-te kunnen woekeren tot Zijn eer en tot vreugde der menschen.--Maar
-ik verlang meer van u dan het genot, dat ik nu heb gesmaakt. Ook
-Wittenberg moet zien, waartoe de Neurenberger kunstenaar in staat is
-en daarom verzoek ik u voor mij een groot altaarstuk te schilderen,
-om de allerheiligenkerk te Wittenberg te versieren."
-
-Dürers wangen werden nog donkerder gekleurd en zijn aandoening
-stond op zijn gelaat te lezen. Hij boog diep voor den vorst, dankte
-hem voor de eer hem aangedaan en vraagde, wat het schilderij moest
-voorstellen. Daarin liet de keurvorst hem geheel, vrij: "Schilder wat
-gij zelf wilt en wat uw hart u ingeeft--ik wil u in het minst daarin
-niet beperken."
-
-Nog lang bleef de keurvorst vriendelijk praten, terwijl Hertog Hans
-de schilderstukken bekeek; eindelijk vraagde hij zelfs naar Vrouwe
-Agnes en sprak den wensch uit, haar te zien.
-
-Daarop kwam Agnes te voorschijn, ook in feestgewaad gekleed en
-met zichtbaar welgevallen rustte 's vorsten blik op de bekoorlijke
-gestalte; haar wangen hadden een verhoogden blos en zij was in het
-begin niet weinig verlegen, maar spoedig overwon zij dit gevoel
-en beantwoordde vrijmoedig en beminnelijk de vragen, die Keurvorst
-Frederik tot haar richtte. Nadat hij ook nog enkele woorden met de
-gezellen had gewisseld, nam hij afscheid en drong bij Dürer op haast
-aan, opdat het schilderij spoedig te Wittenberg zou zijn.--
-
-In de herberg op de waag, waar de burgers gewoon waren samen te komen
-om met elkaar te drinken, was het een heele drukte, toen eenige dagen
-later Albrecht Dürer zich daar liet zien; iedereen wilde hem de hand
-drukken en overstelpte hem met gelukwenschen. In aller achting was
-hij nog gestegen door de eer hem te beurt gevallen en men zag het hen
-aan, dat zij zich in hem geëerd voelden. Vooral Dürers schoonvader,
-Hans Frey, hield het hoofd trotsch in den nek en liet zich den edelsten
-Cypruswijn brengen; hij was bijzonder spraakzaam, hoewel hij gewoonlijk
-weinig sprak en zou gaarne een liedje met luitbegeleiding ten beste
-hebben gegeven, als men het had verlangd.
-
-Woordelijk moest Dürer herhalen wat hij met den keurvorst had gesproken
-en allen luisterden met gespannen aandacht, ook meester Wolgemut, die
-zonder eenigen naijver zich met den gelukkige verheugde en verzocht
-nu en dan te mogen komen zien, hoe het altaarstuk vorderde.
-
-Maar wie het uitbundigst was in Dürers lof, dat was Wilibald
-Pirkheimer. Het was reeds bijna twee jaar geleden, dat hij in
-Neurenberg was teruggekomen, nadat hij niet alleen de leerschool der
-ridderschap had doorloopen, maar zich ook in de wetenschappen aan
-de Italiaansche hoogescholen ijverig had bekwaamd. Spoedig daarna
-was de met mannelijke schoonheid begaafde jonge man in het huwelijk
-getreden met Crescentia, een dochter uit het rijke en zeer aanzienlijke
-geslacht der Rieters, en niettegenstaande zijn jeugd was hem de eer
-te beurt gevallen tot raadsheer van Neurenberg te worden benoemd. De
-verhouding met Albrecht Dürer werd weder dezelfde als vroeger, ja,
-eigenlijk was de omgang nog vertrouwelijker geworden, zoodat de oude
-benaming van Castor en Pollux weer in herinnering kwam om de innige
-verstandhouding, die tusschen hen heerschte, aan te duiden.--
-
-Reeds drie dagen later had meester Wolgemut gelegenheid de schets van
-het altaarstuk te zien, en hij was vol verbazing over de vlugheid,
-waarmee Dürers hand de afzonderlijke figuren te voorschijn riep.
-
-De gezellen mochten hem niet helpen, hij wilde het geheel alleen
-afmaken, al was het nog zoo groot. Vol bezieling arbeidde hij er
-aan van 's morgens vroeg totdat Vrouwe Agnes hem aan den maaltijd
-riep. Zijn ziel brandde van vurig verlangen om het reuzenwerk in zijn
-geheel te zien.
-
-En na zes weken legde hij de laatste hand er aan. 's Avonds verzamelde
-hij zijn vrienden, die bij een glas edele malvezij luid hun lof
-over zijn werk uitspraken. Het was een vleugelaltaarstuk uit drie
-bladen bestaande: de verven, met lijm gemengd, waren onmiddellijk
-op het doek gebracht. [13] Op het middelste stuk buigt de Madonna
-in biddende houding over het kind Jezus, dat op een kussen voor haar
-ligt te sluimeren en door een engel koelte wordt toegewaaid. Maria's
-slanke gestalte is gehuld in een lichtblauw kleed, gedeeltelijk door
-een witten sluier verborgen, boven haar hoofd zweven twee engelen,
-die een gouden kroon met parelen bezaaid vasthouden, terwijl twee
-andere engelen de kamer schoonmaken, waarin Maria zich bevindt. In
-een zijvertrek ziet men Jozef aan den arbeid in zijn werkplaats.
-
-De linker vleugel van het altaarstuk stelt de H. Antonius voor,
-die in een boek leest en een donkerblauw gewaad aan heeft en op den
-rechter vleugel ziet men het naakte figuur van den H. Sebastiaan
-ten halven lijve afgebeeld en met pijnlijk verwrongen trekken: hij
-was de hoofdman der keizerlijke lijfwacht te Rome, die op last van
-Diocletianus ontkleed aan een boom werd gebonden en door zijn soldaten
-met pijlen gedood, omdat hij zijn geloof in Christus had beleden.
-
-In dit reusachtige altaarstuk was alles met evenveel liefde en
-toewijding geschilderd, niet alleen de groote figuren, maar ook
-het bijwerk.
-
-De oude Wolgemut was niet weg te krijgen van het schilderij en hij
-werd niet moede het te prijzen, vooral de juiste teekening en het
-schoone koloriet. Vele nieuwsgierigen verdrongen zich de volgende
-dagen in het atelier om het kunstwerk te zien, voordat het kort
-daarop naar Wittenberg werd verzonden, omdat de keurvorst op spoed
-had aangedrongen.
-
-Hans van Kulmbach, een der gezellen, genoot de eer het kostbare stuk
-naar de plaats zijner bestemming te brengen. De keurvorst beloonde
-den kunstenaar vorstelijk, maar nog meer waarde had voor Dürer de lof,
-waarmee meester Lucas Kranach het werk vereerde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-DE PREDIKER IN DE WOESTIJN.
-
-
-Het einde der eeuw naderde. Elk afsterven van het jaar reeds wekt
-door zijn luide prediking van het voorbij snellen van den tijd en van
-het vergankelijke van al het aardsche, velerlei aandoeningen in het
-hart der menschen; hoeveel te meer moet het verwisselen der eeuwen
-het gemoed tot in zijn diepste diepte aangrijpen! In groote mate was
-dit het geval, toen de vijftiende eeuw haar einde te gemoet ging.
-
-In Duitschland heerschte een geest van opgewondenheid en
-verontwaardiging en met afschuw waren aller oogen gericht op Rome, waar
-de pauselijke stoel werd ingenomen door een man, die volleerd in zonden
-en misdaden, den naam van stedehouder van Christus volkomen onwaard
-was. Die man was Alexander VI. Hij beschikte op een schandelijke
-wijze over de hoogste kerkelijke ambten, die hij meerendeels door zijn
-handlangers liet waarnemen. Nog erger was zijn groote zedeloosheid;
-men beschuldigde hem zelfs in ongeoorloofde verhouding met zijn
-dochter Lucretia te leven. En in zijn eigen belang ontzag het hoofd
-der Christenheid zich niet om tegen den "allerchristelijksten"
-koning van Frankrijk met den aartsvijand der Christenen, Turkije,
-een verbond te sluiten.
-
-Verlammend werkte de pauselijke tiranny op het Duitsche volk, dat zwaar
-leed onder den druk der ijzeren hand, die gewelddadig elke poging tot
-verzet onderdrukte. Met argusoogen bewaakten 's pausen handlangers
-alles wat van de pers kwam: elke uitgever, die het waagde een boek
-uit te geven, zonder het eerst aan de pauselijke goedkeuring te hebben
-onderworpen, kreeg den banvloek naar het hoofd geslingerd. Het Duitsche
-volk, benauwd en gedrukt, zuchtte naar verbetering der toestanden en
-naar verlossing van het pauselijke juk, dat den menschelijken geest
-in slavenketenen boeide, en snakte naar licht en vrijheid.--
-
-In het begin van het jaar 1497 trad Wilibald Pirkheimer de werkplaats
-van Dürer binnen.
-
-Hij vond daar alleen de beide gezellen, die bezig waren een groot
-schilderij, dat door Dürer was geschetst en waarvan hij de voornaamste
-gedeelten had aangezet, af te maken.
-
-Schäufelein antwoordde hem op zijn vraag, waar de meester was:
-"Hij is alleen in zijn kamer, en komt tegenwoordig zeer zelden in
-de werkplaats."
-
-"Waarom?" vraagde Pirkheimer.
-
-"Ik weet niet wat er aan scheelt," antwoordde Schäufelein
-schouderophalend.
-
-"Hij ziet er zoo ernstig uit, alsof hij veel verdriet had en onder
-zware zorgen gebukt ging."
-
-"Is zijn vader erger geworden terwijl ik uit de stad was?" vraagde
-Pirkheimer.
-
-"Neen," zei Schäufelein, "de oude man maakt het tegenwoordig beter
-dan anders: hij eet, drinkt en slaapt goed, en arbeidt zelfs nu en
-dan in de werkplaats--alleen de beenen willen niet goed meer mee."
-
-Pirkheimer verliet met een korten groet de werkplaats en ging naar
-Dürers kamer. Ook hem was het opgevallen, dat zijn vriend er zoo
-somber en ernstig uitzag, maar op zijn deelnemende vragen had hij
-nooit een bevredigend antwoord gekregen.
-
-Hij vond den meester met een portefeuille met teekeningen voor zich,
-die hij haastig dicht deed: "Gegroet Albrecht! Gij ziet, dat ik weer
-terug ben na een afwezigheid van bijna een maand. Mijn eerste bezoek
-geldt u, want ik heb u al dien tijd zeer gemist."
-
-Dürer begroette zijn vriend hartelijk en drukte hem de hand.
-
-"Ei zoo," zeide Pirkheimer lachend, "welke geheimen hebt gij voor
-mij? Wat heb ik u misdaan, dat gij mij uw vertrouwen ontzegt?"
-
-Dürer schudde het hoofd: "Dat moogt gij niet zeggen, want gij weet
-toch wel, dat gij mij liever zijt dan ooit. Koestert gij nu argwaan,
-omdat ik iets voor u heb verborgen gehouden, dat nog niet rijp was om
-aan de wereld te worden vertoond? Maar nu gij toch hebt ontdekt, dat
-er een geheim is, wil ik het niet langer voor u verbergen; temeer,
-daar ik reeds lang in mijn hart den wensch koesterde, mijn vriend
-mee te deelen, wat mijn ziel vervult. Als gij tijd hebt, ga dan hier
-zitten en luister naar hetgeen ik u zal zeggen." Pirkheimer nam plaats
-en zag Dürer met gespannen aandacht aan.
-
-"Gij spreekt in raadselen, Albrecht; bijna zou ik vreezen iets te
-moeten hooren, dat mij verdriet zal doen. Wat is er toch?"
-
-Dürer schudde de lokken van zijn voorhoofd. "Ik lijd onder de kwaal,
-waaronder alle weldenkenden zuchten en bedroef mij over den treurigen
-toestand, waarin wij leven en dien wij te wijten hebben aan hem,
-die zich de stedehouder van Christus noemt. Wie het waagt, om met
-een enkel woord te getuigen tegen de algemeene verdorvenheid, moet
-verstommen onder den pauselijken ban. De moedige Johannes Hus heeft
-men het zwijgen opgelegd door den brandstapel. Hoe lang zal Hieronymus
-Savonarola's machtige stem te Florence nog weerklinken, nu hij die
-durft verheffen in protest tegen de verbasterde kerk en de heerschende
-misbruiken en men tevergeefs heeft getracht hem door het aanbieden van
-den kardinaalshoed het stilzwijgen op te leggen? Tevergeefs trachten
-de edelste mannen de vernederende ketenen te verbreken; het verderf
-neemt toe met elk jaar en het schijnt dat tegelijk met de eeuw ook
-de wereld haar eind tegemoet gaat."
-
-"Maar waarop wilt gij nu daarmee neerkomen? Gij weet, dat al deze
-dingen ook mijn hart bezwaren," viel Pirkheimer hem in de rede.
-
-"Geduld, mijn vriend," vervolgde Dürer, "gij zult het terstond
-begrijpen. De pen der geleerden en dichters is afgestompt door
-de bedreigingen van den Paus; het is hun verboden het volk te
-onderrichten."
-
-Pirkheimer stampte met den voet en met somberen blik sprak hij:
-
-"Ja, het schreit ten hemel, zooals die man te Rome het leven van den
-menschelijken geest doodt!"
-
-"In dezen zorgvollen tijd," vervolgde Dürer, "is er een gedachte in mij
-opgekomen, die mij nu overal vervolgt en mij niet met rust laat. Nu
-de pen niet meer spreken mag, moet het penseel het doen. Waar woord
-en schrift der waarheid geen getuigenis meer mogen geven, daar moet
-het afgebeelde spreken. Het getuigt wel is waar niet zoo duidelijk
-als het woord, maar ik vertrouw, dat zijn prediking toch den weg
-naar aller hart zal vinden en ik heb een stem vernomen, die zeide:
-"Doe uw mond open en predik!" -- -- Maar hoe? Met het penseel? Och,
-slechts weinigen zien mijn schilderijen en ik wil tot het geheele volk
-spreken. En ziet gij, toen sprak dezelfde stem: Leg het penseel weg
-en grijp naar mes en graveerstift. Bij meester Wolgemut hebt gij u
-ook geoefend in de houtsnijkunst en kopergravuur, neem die te baat en
-woeker er mede het volk ten zegen! Dat is de kunst, die in aller bereik
-ligt, de afdrukken van houtsneden kan de armste op de markt koopen
-en deze kunst, die tot nu toe vrij is gebleven van den pauselijken
-banvloek, kan op deze wijze een prediking in de woestijn worden."
-
-Hier zweeg de spreker en hij zag zijn vriend vragend aan. Pirkheimer
-liep in groote opgewondenheid de kamer op en neer, bleef toen voor
-Dürer staan en greep hem bij den arm: "Albrecht, die gedachte is
-van God! Ja, wees gij de stem van den prediker in de woestijn,
-spreek tot het volk met uw kunst en het volk zal naar u luisteren,
-u begrijpen, u danken! En zie, nu begin ik te vermoeden"--en hij zag
-naar de portefeuille--"dat op de gedachte de daad is gevolgd en gij
-reeds met uw prediking begonnen zijt."
-
-"Uw vermoeden is juist," antwoordde Dürer glimlachend. "In deze
-portefeuille vindt gij wat ik gedurende twee jaar in stilte heb
-ontworpen. Het is de Openbaring van Johannes, die mij stof heeft
-gegeven voor mijn platen." Op Pirkheimers gelaat was duidelijk zijn
-verwondering te lezen:
-
-"De Openbaring van Johannes? Toch niet een tweede "Pausezel,"
-[14] zooals verleden jaar meester Wolgemut in de wereld heeft
-gegeven? Wel is waar, heeft Rome het verdiend met bijtenden spot te
-worden overgoten, maar volgens mij is meester Wolgemut te ver gegaan
-en heeft hij daardoor de zaak meer geschaad dan gebaat. Hij heeft voor
-zijn afbeelding aanleiding gevonden in de woorden uit de Openbaring
-van Johannes: "en de vrouw, die gij gezien hebt, is de groote stad,
-die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde," maar ik vind
-het niet goed van hem, dat hij Rome zoo hard heeft aangepakt."
-
-Dürer legde zijn hand op den schouder van zijn vriend: "Wees er niet
-verbaasd of ontstemd over, dat ook ik in de Openbaring van Johannes
-stof voor mijn teekeningen heb gevonden. Heeft men in droevige tijden
-niet altijd weer naar dit profetische boek gegrepen, om het verborgene
-daarvan te doorgronden en zich er mee te troosten? Ik ben u dankbaar,
-dat gij zijt gekomen, want uw oordeel heeft steeds groote waarde voor
-mij en mijn werk zal niet in druk verschijnen, voordat gij uw oordeel
-hebt uitgesproken en het hebt goedgekeurd."
-
-Hij opende de portefeuille en nam er vijftien teekeningen uit.
-
-De eerste stelde den marteldood van den evangelist Johannes voor,
-ten aanschouwe van den Romeinschen Keizer Domitianus, op zijn troon
-gezeten en omringd door een groote volksmenigte; sober en breed van
-opvatting en uitvoering. Dit was eigenlijk het titelblad.
-
-De tweede teekening muntte eveneens uit door eenvoud en rust, de
-kenmerken van het ware schoone. Hier was Johannes voorgesteld op het
-oogenblik, dat hij wordt geroepen om neer te schrijven hetgeen de
-Heiland hem zou openbaren. Johannes knielt diep ontroerd neder voor
-den Heer, wiens uitgestrekte hand de zeven sterren, het zinnebeeld
-der zeven gemeenten, vasthoudt.
-
-Op de derde afbeelding ziet men Gods troon in het stralende licht
-des geopenden hemels. En in de hand desgenen, die op den troon
-zit, ligt het boek met de zeven zegelen; rondom zijn op troonen de
-vier-en-twintig ouderlingen gezeten, elk met een kroon op het hoofd
-en een harp in de hand.
-
-Bij elke teekening namen Pirkheimers verbazing en bewondering toe,
-en bij het vierde blad ontsnapte hem een luide kreet van verrukking,
-die de vier Apokalyptische ruiters gold, boven wier hoofd op een
-wolk de engel der wrake zweeft, terwijl de ontzette menschheid
-tracht te ontvluchten. De eerste ruiter spant den boog, de tweede
-trekt het zwaard, de derde houdt de weegschaal en de vierde,
-de dood, rijdt op een schraal paard en slingert den helschen
-drietand. Een groot aantal figuren vertegenwoordigt het vluchtende
-volk, waarvan de gelaatsuitdrukking eenig, onvergelijkelijk is. Op
-bewonderenswaardige wijze was Dürer er in geslaagd eenheid te brengen
-in deze menschenmassa, die men uitstekend kan overzien, al is de
-ruimte zeer beperkt. Pirkheimer was één en al lof en bewondering.
-
-De vijfde teekening bevatte het openen van het vijfde en zesde zegel
-te zamen genomen; boven in de wolken heeft de uitdeeling der witte
-kleederen aan de martelaren plaats en onderaan is de verduistering van
-zon, maan en sterren afgebeeld. Treffend is op het bovenste gedeelte
-de wijze, waarop zij, die ter wille van het Evangelie vermoord zijn,
-vertroost worden door de engelen, die hun naaktheid bedekken. Diep
-aangrijpend is op de onderste helft het oordeel Gods. En wie zijn het,
-die in hevige ontzetting zich voor den toorn des Rechters trachten
-te verbergen? Juist daarin wordt de toeleg en bedoeling van den
-schilder duidelijk; het zijn aan de eene zijde: een keizerpaar, de
-paus, kardinalen, bisschoppen, priesters en monniken, aan de andere
-zijde het door hen verleide volk in welks midden, vol beteekenis,
-een vrouw, met een kind op den arm, haar hand aanklagend tegen de
-verleiders opheft met een gebaar, dat duidelijk zegt: Vloek over u,
-die zooveel ellende over ons hebt gebracht! Dürer wilde zijn vriend
-het daarop volgende blad aangeven, doch Pirkheimer weerde hem af en
-bleef in diep nadenken verzonken: hij kon deze teekening nog niet
-ter zijde leggen.
-
-"Prachtig, Albrecht!" riep hij uit, "gij hebt het voortreffelijk
-gedaan! O, welk een aangrijpende, machtige prediking, die elk kind,
-elk eenvoudig boertje kan begrijpen. Met ongeduld wacht ik het
-oogenblik af, waarop gij hierdoor openlijk zult getuigen tegen hen,
-die schuldig zijn aan het groote verderf, waarin de menschheid is
-verzonken." Nu bekeek Pirkheimer de volgende teekeningen. De zesde
-stelde de vier engelen voor, die de vier winden der aarde vasthouden,
-en de verzegeling der 144000 dienstknechten Gods; de zevende: de
-uitdeeling der bazuinen aan de zeven engelen en verschillende plagen,
-die het bazuingeschal der eerste vijf veroorzaken. De achtste geeft
-weer de uitwerking der zesde bazuin: de losbinding der vier engelen,
-die gebonden zijn bij de rivier, den Euphraat, en het derde deel der
-menschen dooden--deze vooral was zeer schoon en aangrijpend.
-
-De negende stelde den sterken engel voor, die aan Johannes het boek
-geeft om het op te eten; de tiende: de vrouw bekleed met de zon, wier
-kind de roode draak met de zeven door koninklijke hoeden bekroonde
-hoofden, dreigt te verslinden; de elfde: den strijd van den aartsengel
-Michael en zijne engelen tegen den satan en diens engelen; de twaalfde:
-de aanbidding der beide monsters, die uit de zee zijn opgekomen en
-daarboven God op zijn troon met de scherpe sikkel en de engelen, die
-gereed staan voor den bloedigen oogst. De dertiende teekening beeldde
-den bruiloft des Lams af; op die kleine ruimte waren niet minder dan
-vijftig figuren zichtbaar. De veertiende gaf de groote Babylonische
-ontuchtige vrouw te zien, hetzelfde onderwerp, dat meester Wolgemut
-met zijn "Pausezel" had weergegeven. Hoe geheel anders had Dürer het
-opgevat en uitgevoerd! Hij had er geen afzichtelijk dier van gemaakt,
-doch een menschelijke figuur, een vrouw met weelderige vormen, gekleed
-in een laag uitgesneden kleed van brocaatzijde, rijk met goud en
-edelgesteenten versierd, gezeten op een beest met zeven hoofden, en
-in de hand den gouden drinkbeker vol van gruwelen en onreinheid. Voor
-haar staan een menigte menschen, die onverschillig en zonder ontzag
-naar haar kijken; alleen een kunstenaar werpt haar een dreigenden,
-toornigen blik toe, terwijl een monnik eerbiedig en aanbiddend voor
-haar knielt. Boven in de wolken komen reeds de twee engelen aanvliegen
-om haar het oordeel Gods te verkondigen. De laatste teekening vertoont
-eindelijk den grooten engel der wrake, die op het punt is den duivel
-en satanas in den afgrond op te sluiten, totdat de duizend jaren
-zullen zijn geëindigd, terwijl een andere engel den in verrukking
-geraakten profeet het nieuwe Jeruzalem toont, dat is het heilige,
-zuivere evangelie, niet verduisterd door menschelijke dwalingen.
-
-Pirkheimer was diep getroffen door deze prediking in beelden van
-zijn vriend; hij voelde zich er door overweldigd en van gedachten
-veranderd. In den grond der zaak was hij het wel met meester Wolgemut
-eens geweest, maar de al te ver gedreven spot had hem mishaagd. Hij
-zag nu, dat Dürer de juiste maat had weten te houden en meegesleept
-door den overweldigenden indruk, drukte hij hartstochtelijk 's
-meester hand: "O, laat mij u danken, laat mij u de hand drukken, de
-hand, die zoo iets groots heeft kunnen scheppen! Zie, ik ben er diep
-door getroffen! O, hoe geheel anders is uw prediking dan die van den
-ouden Wolgemut! Nu begrijp ik, dat men met bijtenden spot en bitteren
-hoon niet verder komt; uit uw werk spreekt de heilige ernst van een
-geloovig hart, en dat is het ware. Het hart moet spreken, het hart,
-dat lijdt onder den druk der tijden en deze predicatie zal haar weg
-tot aller harten vinden. Ja, predik, mijn vriend en het volk zal naar
-u luisteren!"
-
-De goedkeuring en aanmoediging van zijn vriend deden den kunstenaar
-goed en met vernieuwden ijver herzag hij zijn scheppingen in alle
-deelen, om ze tot meerdere volmaking te brengen.
-
-
-
-Er ging nog een jaar voorbij, voordat de profeet zijn prediking tot de
-wereld richtte: de teekeningen moesten eerst in hout worden gesneden
-en afgedrukt. Doch toen kwam Pirkheimers voorspelling uit en verwekten
-Dürers illustraties van de Openbaring van Johannes groot opzien en
-oefenden een verbazenden invloed. De kunstwereld zag met verwondering,
-dat meester Dürer ook op dit gebied iets nieuws had gevonden en een
-ongeëvenaard standpunt innam. Maar niet alleen dat: iedereen begreep,
-wat hij had willen zeggen met deze zwijgende afbeeldingen en een ieder
-wilde de exemplaren bemachtigen. Ze werden niet alleen door de rijken
-gekocht, ook de arme tastte in zijn zak en had geen berouw over zijn
-uitgave. De geestelijken en kloosterlingen zagen toe met donkere,
-booze blikken en voelden den steek, dien meester Dürer hen toebracht,
-maar hun smalen verstomde bij de algemeene opgewondenheid en hun
-woede gaven zij lucht in heimelijk tandgeknars.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-VRIENDENTROUW.
-
-
-Op een helderen, kouden lentedag van het jaar 1499 stroomde een groote
-menigte volks naar de Hallerweide, om daar te genieten van den aanblik,
-dien de inspectie van een legerafdeeling aanbood. Keizer Maximiliaan
-had een oproeping aan het rijk gedaan om hem manschappen te bezorgen
-tegen de Zwitsers, die hij met het zwaard wilde terugbrengen van
-hun voornemen om zich aan zijn heerschappij te ontrukken. Terwijl
-hij zelf in Tyrol troepen uitrustte en de Zwaabsche bond onder Graaf
-Fürstenberg huurlingen wierf, wilde de rijksstad Neurenberg hierin niet
-achter blijven. Zij versterkte het keizerlijke leger met vierhonderd
-man voetvolk, zestig ruiters en zes stukken geschut. Het gevoel van
-kracht, dat in gelijke verhouding steeg met het toenemende algemeene
-welzijn, wilde zich nu ook uiten in krijgshaftige verrichtingen en
-bij den glans des rijkdoms ook dien des heldenroems voegen.
-
-De vierhonderd voetknechten boden reeds een trotschen aanblik, maar
-zij werden overtroffen door de ruiters, gekleed in een schitterenden,
-rooden wapenrok. Het volk genoot van dit ongewone schouwspel en keek
-met trots naar de bende ruiters, in de zekere verwachting met hen eer
-in te leggen in den strijd, vooral nu zij werden aangevoerd door een
-man, van wiens moed en veldheerstalent men de hoogste verwachtingen
-koesterde: namelijk door Wilibald Pirkheimer, den jongen raadsheer.
-
-Hoe trotsch stapte zijn zwart strijdros, schitterend opgetuigd en met
-een blauw met gele zijde gestikt zadelkleed, alsof het voelde, dat het
-een eer was den veldoverste te mogen dragen. En hoe schoon zag deze
-zelf er uit in den scharlaken wapenrok, het harnas van verguld staal
-en den wapperenden, witten vederbos! Aller harten klopten opgewonden,
-toen zij hem zagen en hij werd luide toegejuicht, toen hij de troepen
-in lange, rechte linie had opgesteld.
-
-Een weinig buiten het gedrang van het volk stond onder een
-alleenstaanden lindeboom een man, wiens oogen met gespannen aandacht
-het schouwspel volgden. Zoodra de troepen waren opgesteld, nam hij
-een stuk perkament en een potlood uit zijn borstzak en ging ijverig
-aan het teekenen. Toen na een half uur alles was afgeloopen, leunde
-hij nog tegen een boom en teekende nog steeds; daarna stak hij het
-perkament in zijn zak en ging naar huis. Die man was Albrecht Dürer.
-
-Verscheidene dagen later begaf hij zich naar de Heerenmarkt en liet,
-bij Pirkheimers huis gekomen, den klopper driemaal op de koperen
-deurplaat neervallen.
-
-In het voorportaal vond hij de bedienden bezig allerlei toebereidselen
-te maken voor den afmarsch, die den volgenden dag zou plaats hebben.
-
-Hij vond zijn vriend in de huiskamer bij zijn jonge vrouw, Vrouwe
-Crescentia, om haar in haar smart over zijn aanstaande afwezigheid
-moed en troost toe te spreken.
-
-De komst van zijn boezemvriend was Pirkheimer blijkbaar zeer aangenaam
-en hij heette hem dan ook hartelijk welkom. Daarop sprak hij: "Meester
-Albrecht, help mij mijn bedroefd en beangst vrouwtje bemoedigen; zij
-ziet erg op tegen de eenzaamheid, waarin zij moet achterblijven en is
-in grooten angst over de krijgsgevaren, die haar echtgenoot dreigen."
-
-Ook Vrouwe Crescentia zag meester Dürer gaarne komen: het ernstige,
-waardige en tegelijkertijd het zachtzinnige van zijn persoonlijkheid en
-zijn zielenadel hadden zoozeer haar achting en genegenheid verworven,
-dat zij hem de eereplaats onder de huisvrienden toekende. En zoo misten
-zijn bemoedigende woorden ook nu hun uitwerking niet; zij werd er
-stiller en kalmer door, zoodat ze zich reeds spoedig kon mengen in het
-gesprek, dat de beide mannen over den aanstaanden veldtocht voerden.
-
-In den loop van het gesprek tastte Dürer in zijn zak, zeggende:
-"De monstering der troepen is niet alleen een genot geweest voor mijn
-oogen, maar heeft mij ook stof gegeven voor twee kleine, onbelangrijke
-teekeningen. Ziet, hier zijn ze!"
-
-Daarop reikte hij de eene aan Wilibald toe en de andere aan Vrouwe
-Crescentia. De eerste stelde een vaandrig voor, op wiens in den wind
-wapperend vaandel het Andreaskruis [15] van de orde van het heilige
-Vlies schitterde; op de andere was St. George afgebeeld, den voet op
-den gedooden draak zettende.
-
-Pirkheimer was aangenaam verrast en sprak: "Gij hebt reeds grooter
-kunstwerken dan deze geschapen, meester Albrecht; maar toch zie
-ik ze met bijzonder veel genoegen, want ik begrijp, wat gij er mee
-wilt zeggen. Die vaandrig met zijn wapperende banier moet onzen moed
-versterken en Ridder George, met den gedooden draak, predikt ons te
-vertrouwen op een goeden uitslag. Ik dank u mijn vriend--ook nu heb
-ik uw bedoeling begrepen; nu is de lust tot den strijd zoowel als de
-begeerte naar roem nog gestegen." Zij bleven nog langen tijd praten
-over den aanstaanden veldtocht onder het genot van een beker wijn en
-door hun gesprek werd Vrouwe Crescentia bemoedigd en vertroost. Den
-volgenden morgen riep de krijgstrompet de strijders tot den afmarsch.
-
-Zij verzamelden zich wederom op de Hallerweide, spoedig waren de
-troepen opgesteld, doch de aanvoerder was er nog niet. Eindelijk kwam
-hij aangereden en werd met luid gejuich ontvangen.
-
-Maar voordat hij de legerafdeeling had bereikt, zag hij meester Dürer
-in de voorste rij der menigte staan en wenkte hem toe om even bij
-hem te komen.
-
-Hij zag er zeer opgewonden uit, zijn wangen gloeiden en zijn oogen
-waren rood.
-
-"Ik heb een moeilijk oogenblik achter den rug," zei hij, "het afscheid
-viel ons zeer zwaar. Ik dacht, dat Crescentia nu moedig zou zijn
-geweest, doch, toen het uur van scheiden was gekomen, begaf haar hare
-kalmte en was zij zoo wanhopig, dat ik mij met groote moeite uit haar
-omhelzingen moest losmaken. Daarom beveel ik haar in uw vriendschap
-aan; heb medelijden met haar, die zoo eenzaam achterblijft en wil haar
-troosten en bemoedigen. Misschien kom ik gauw terug, want wellicht zijn
-die weerbarstige vlegels spoedig tot rede gebracht; als ik geen bode
-tot u zend van het slagveld, dan beteekent dit, dat alles goed gaat;
-maar als mij een ongeluk mocht overkomen zal ik het u laten weten,
-dan kunt gij het zelf aan Crescentia mededeelen en haar tegelijkertijd
-vertroosten en moed inspreken, gij hebt zooveel invloed op haar en zij
-heeft in u nog meer vertrouwen dan in haar eigen vader." "Gaarne beloof
-ik u alles voor haar te doen, wat ik kan, mijn vriend," verzekerde
-Dürer, "maar ik geloof vast en zeker, dat gij mij geen bode zult
-toezenden, maar dat gij zelf zult terugkomen met lauweren bekranst."
-
-"Dat geve God!" riep Wilibald; daarop reikte hij zijn vriend de hand
-tot afscheid, gaf zijn paard de sporen en stelde zich aan het hoofd
-der troepen, die spoedig daarop onder vroolijk krijgsgeschal en luide
-heilwenschen en afscheidsgroeten van de menigte op marsch gingen.
-
-
-
-Er waren reeds weken verloopen en nog had men niets van de strijders
-vernomen. Dit lange stilzwijgen werkte neerdrukkend op aller hart;
-de hoop op een zegenrijken uitslag verminderde, in de herbergen,
-op de markt of waar ook de menschen gewoon waren samen te komen,
-sprak men over niets anders.
-
-Dürer ging dikwijls naar de Heerenmarkt om te zien hoe de vrouw van
-zijn vriend zich in haar eenzaamheid hield en om met haar over den
-afwezige te kunnen praten. Het deed haar altijd goed, haar beangst
-hart te kunnen uitstorten aan iemand, die haar vreugde en kommer
-deelde en die het zoo uitstekend verstond bedroefden te bemoedigen
-door zijn vriendelijke woorden en zijn vertrouwen inboezemende kalmte
-en zielevrede.
-
-Twee maanden waren er bijna verloopen, toen, nadat er reeds allerlei
-berichten, die met elkaar in tegenspraak waren, in de stad waren
-verspreid, door een reiziger het gerucht werd verbreid, dat het ongeluk
-den keizer overal achtervolgde, doordat de hulptroepen op zich hadden
-laten wachten, waardoor de Zwitsers in de gelegenheid waren geweest,
-elke legerafdeeling afzonderlijk te verslaan. De man verhaalde dat de
-Grauwbunderlanders met de Tirolers twee dagen achtereen slaags waren
-geweest, waarbij de laatsten het onderspit moesten delven. Daarop waren
-de eedgenooten de afdeeling der Zwaben te gemoet gegaan en was het
-bij Hardt tot een treffen gekomen. Kort daarop had er een gevecht bij
-Bazel plaats gehad, waarbij de Zwitsers weer hadden overwonnen en Graaf
-Thierstein met zijn vijfhonderd man den dood zou hebben gevonden. Ook
-vertelde hij nog van een derde en vierde gevecht, een bij Constanz,
-waar veertienhonderd Zwaben sneuvelden en het andere bij Frastenz,
-een hooggelegen bergpas waar de Duitschers door den moedigen Hendrik
-Wolleb uit het kanton Uri waren ingesloten en overwonnen.
-
-Deze geruchten brachten een groote ontsteltenis in de stad te weeg. In
-alle werkplaatsen en winkels werd het werk gestaakt, niemand dacht
-aan arbeiden en steeds waren de herbergen overvol met mannen, in wier
-ernstige, sombere blikken men kon lezen, hoezeer zij zich bezorgd
-maakten over de Neurenberger legerafdeeling.
-
-Driftig werd er op meester Dürers huisdeur geklopt en de meid, die de
-deur opendeed, schrok hevig, toen zij Vrouwe Crescentia met een bleek
-gelaat en naar adem hijgende, voor zich zag staan. Angstig vraagde
-zij om meester Dürer te spreken. Hij kwam haar reeds op de trap
-tegemoet--want hij had haar stem gehoord en vermoedde waarom zij kwam.
-
-Duidelijk las hij doodelijken angst op haar gelaat en zij zeide hem
-terstond, wat het was, dat haar zoo had doen ontstellen. "Hebt gij
-het dan nog niet gehoord, waarvan de heele stad is vervuld?" vraagde
-zij niet zonder verwondering, toen ze zag hoe rustig en kalm meester
-Dürer was.
-
-"Ook mij is het bericht van 's keizers ongeluk in den strijd ter oore
-gekomen," antwoordde Dürer, "en zooals elke Duitscher, betreur ik
-dat oprecht; maar wat uw echtgenoot betreft, ben ik volkomen gerust:
-er is hem geen ongeluk overkomen."
-
-Vrouw Crescentia bleef den meester met strakke blikken aanstaren;
-zij begreep er niets van. "Hebt gij dan de gave der profetie, dat gij
-weten kunt wat er ver van ons geschiedt?" vraagde ze. "Meester Dürer,
-hoe is het mogelijk, dat gij zoo kalm zijt? Zie, ik leef in zulk
-een doodsangst, dat ik niet weet, wat ik denken of doen moet." Dürer
-nam Vrouwe Crescentia bij de hand en geleidde haar naar een stoel,
-waarna hij bij haar plaats nam, zeggende: "Men behoeft waarlijk geen
-profeet te zijn om te weten dat het met uw echtgenoot goed gaat:
-zijn stilzwijgen alleen is het bewijs daarvan." Vrouw Crescentia zag
-hem angstig aan; zij begreep er nu nog minder van.
-
-"Hoe moet ik toch uw duistere woorden uitleggen? Heb medelijden met
-mij en zeg mij duidelijk, wat gij bedoelt."
-
-Dürer, die slechts had willen weten of Pirkheimer bij het afscheid
-nemen met zijn vrouw dezelfde afspraak had gemaakt als met hem,
-bemerkte nu, dat dit niet het geval was en hij vraagde zich zelf af,
-of hij hetgeen zijn vriend hem had toevertrouwd, mocht verraden. Maar
-toen hij den doodsangst van Vrouwe Crescentia zag en begreep, dat deze
-mededeeling haar zou kunnen troosten, besloot hij haar de reden, van
-zijn gerustheid te vertellen. "Gij vraagt mij, edele Vrouwe, waarom
-het stilzwijgen van uw echtgenoot voor mij het bewijs van zijn welzijn
-is. Nu dan, toen hij afscheid nam, sprak hij tot mij "alleen als mij
-een ongeluk overkomt, zal ik een bode sturen en wel aan u, Albrecht,
-opdat mijn arme vrouw de ongelukstijding niet zoo onvoorbereid zal
-hooren, en gij haar tegelijkertijd zult kunnen troosten." De reiziger
-heeft wel verhaald van verloren veldslagen en dat is zeker treurig
-genoeg, doch de boodschapper van uw echtgenoot is weggebleven. Maak
-u dus niet ongerust en vrees niet, dat hem iets zou zijn overkomen."
-
-Vrouwe Crescentia had met gespannen aandacht geluisterd; toen greep
-zij zijn hand en drukte die hartstochtelijk: "o dank, dank voor die
-woorden, Meester Dürer! Waarlijk, het is mij alsof gij een engel zijt
-door God gezonden om mijn beangst gemoed tot rust te brengen. Ook dank
-ik u, Wilibald, voor uw teedere zorg voor uw arme vrouw! Ja, dat was
-een goed denkbeeld van hem, om zijn boodschapper tot u te zenden in
-plaats van regelrecht tot mij. De Heilige Maagd geve, dat die bode,
-die toch slechts een onheilsbode zou kunnen zijn, moge wegblijven, en
-al de heiligen mogen ons bijstaan, opdat er spoedig een einde aan den
-strijd kome! -- -- -- Ach, mijn hart begint weer angstig te kloppen,
-als ik er aan denk, dat het reeds verscheidene dagen is geleden,
-sinds die reiziger het tooneel van den strijd heeft verlaten, en dat
-er sedert dien tijd weer veel kan zijn gebeurd." Dürer legde zijn hand
-op haar schouder: "o wees niet ondankbaar jegens Hem, die tot nu toe uw
-echtgenoot voor alle gevaar heeft behoed, maar vertrouw op Hem! Alleen
-een onbeperkt vertrouwen op Gods almacht en barmhartigheid maakt het
-hart stil en sterk." Zwijgend bleef Vrouwe Crescentia geruimen tijd
-in gepeinzen; toen hief zij de oogen langzaam op en knikte: "Gij hebt
-gelijk, lieve Meester, en ik wil naar u luisteren. Bid voor mij opdat
-mijn hart ook zoo gelaten en sterk moge worden als het uwe is!"
-
-Ondertusschen kwam Vrouwe Agnes binnen, die zich in het gesprek mengde,
-en toen Crescentia na een uurtje naar huis ging, was haar hart geheel
-gerustgesteld.
-
-Er verliep wederom eenige tijd, toen kwam er een reizende koopman te
-Neurenberg, wiens mededeelingen nieuwe onrust teweeg brachten. Hij
-vertelde van een nieuwe nederlaag van het keizerlijke leger bij Mals in
-Vienstgau en ook dat de keizer het leger in twee deelen had gesplitst:
-het grootste gedeelte zou onder bevel van Graaf van Fürstenberg naar
-Bazel zijn opgerukt en met het andere gedeelte zou de keizer zelf naar
-de Bodenzee zijn getrokken. Daarop was Fürstenberg bij Dornach met
-den vijand slaags geraakt, bij welken strijd de graaf het onderspit
-had gedolven en zelfs het leven verloren.
-
-Nu begon ook meester Dürers hart onrustig te kloppen. Misschien had
-zijn vriend plotseling den dood gevonden en geen tijd meer gehad om
-een bode te zenden? Juist wilde hij zijn ongerustheid aan Vrouwe
-Agnes meedeelen, toen de klopper haastig driemaal op de deur werd
-neergelaten en even daarna een man, bestoven en verreisd, voor hem
-stond, bij wiens aanblik meester Dürer doodelijk bleek werd. "Götz,
-zijt gij het!" riep hij, terwijl hij de handen afwerend uitstrekte,
-want in den reiziger had hij Pirkheimers knecht herkend.
-
-Maar nog voordat hij iets kon vragen, riep de man snel: "Wees niet
-ontsteld, ik heb niets kwaads te berichten! Het gevaar is geweken, de
-wond was niet doodelijk. Mijn meester heeft mij slechts gezonden, omdat
-hij vreesde, dat gij u zoudt verontrusten over de slechte tijdingen,
-die misschien in Neurenberg zijn verspreid geworden. Het is waar,
-dat de ongeschiktheid en de onwil der Duitsche troepen den keizer
-geen geluk hebben aangebracht, doch mijn meester is geen ander leed
-wedervaren dan een lichte schram aan het hoofd. Hij wilde gaarne,
-dat gij dit zelf aan Vrouwe Crescentia zoudt mededeelen en ook dit:
-dat de oorlog als geëindigd is te beschouwen, want dat de keizer,
-hoewel niet zonder tegenzin, van plan is vrede te sluiten."
-
-"O wees hartelijk welkom, gij, brenger van zulk een goede
-boodschap!" riep Dürer innig verblijd en hij drukte den goeden man
-de hand. "Doe u nu eerst eens te goed na die lange reis, terwijl ik
-gauw naar Vrouwe Crescentia ga, om haar uw tijding over te brengen."
-
-IJlings greep hij zijn baret en liep haastig naar de Heerengracht.
-
-Vrouwe Crescentia zat juist met haar beide dochtertjes op schoot in
-de kinderkamer, toen hij binnentrad. Ook haar waren de jobstijdingen
-omtrent het keizerlijke leger ter oore gekomen, doch zij had aan haar
-herlevende ongerustheid niet willen toegeven, maar die met alle kracht
-overwonnen, denkende aan hetgeen meester Dürer haar had gezegd.
-
-Nu stond hij op eens zelf voor haar en haar hart stond stil. Wat zou
-er gebeurd zijn? Maar één blik op zijn gewoonlijk zoo ernstig gelaat,
-waarop nu een glans van vreugde lag verspreid, stelde haar gerust.
-
-Dürer boog eerbiedig en sprak: "God zij met u, edele Vrouwe! Uw
-echtgenoot heeft zich niet aan de afspraak gehouden, want hij heeft
-iemand gezonden met tijding, doch gelukkig met goede tijding. Wel
-is waar had de vreemdeling gelijk, die berichtte hoe ongelukkig het
-keizerlijke leger het er heeft afgebracht, doch uw echtgenoot maakt
-het, Gode zij dank, goed. Zijn knecht is het mij komen zeggen en
-versterkt zich op dit oogenblik met spijs en drank thuis bij mijn
-Agnes." Vrouwe Crescentia zette de beide kinderen van haar schoot en
-stond op met hooggekleurde wangen, terwijl zij de handen hemelwaarts
-hief en uitriep:
-
-"O, de heiige Maagd zij geloofd, tot wie ik dagelijks heb gebeden en
-gesmeekt!--En wat heeft Götz verder gezegd?"
-
-"Iets, dat u eveneens zal verheugen: dat de vrede voor de deur staat,"
-sprak Dürer. Toen barstte Vrouwe Crescentia in tranen uit en in de
-overmaat van haar geluk viel zij bijna den brenger van deze heerlijke
-tijdingen om den hals.
-
-Even daarop stond Götz zelf voor haar en moest haar alles van het
-begin af uitvoerig vertellen. De goede man was het liefst maar weer
-dadelijk terug gegaan naar zijn meester, maar Vrouwe Crescentia wilde
-den vermoeiden reiziger niet laten gaan voor den volgenden morgen,
-voorzien van haar zegenbeden en een ruim reisgeld.
-
-Spoedig bevestigden zich Pirkheimers mededeelingen: de keizer sloot te
-Bazel vrede met de Zwitsers, en de Neurenberger legerafdeeling trok
-weldra de stadspoort binnen. Zij had zich uitstekend van haar plicht
-gekweten en de keizer had haar in het bijzonder zijn tevredenheid
-betuigd, terwijl hij vooral vol lof was over de ridderlijkheid en
-onverschrokken moed, die de aanvoerder in den strijd had getoond en
-hem beloonde met den titel van keizerlijk raadsheer.
-
-Aan den avond van den dag, waarop de krijgslieden de stad waren
-binnengetrokken, waren de vensters van het huis der familie Pirkheimer
-helder verlicht en zat een vroolijk gezelschap om den welvoorzienen
-disch verzameld. Tusschen den gastheer en de gastvrouw was meester
-Dürer gezeten en die plaats kwam den vriend toe, die de eenzame en
-angstig gestemde vrouw van den veldheer trouw met troost en raad
-had bijgestaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-KINDERLIJKE LIEFDE.
-
-
-Op een Septembermorgen van het jaar 1502 trad een aanzienlijk man,
-de patriciër Löffelholz Dürers werkplaats binnen.
-
-"Is meester Dürer niet thuis?" vraagde hij aan de gezellen. "Hoe
-komt het, dat hij, die anders zoo stipt is, zijn woord niet heeft
-gehouden? Ik wacht reeds drie dagen op de schilderij, die ik bij hem
-heb besteld."
-
-Schäufelein, die het dichtst bij stond, haalde de schouders op.
-
-"Gij zult nog een weinig geduld moeten hebben, edele heer, wij kunnen
-er niets aan doen. De meester wil volstrekt niet, dat wij er aan
-werken, hij wil het geheel zelf afmaken."
-
-"Nu, waarom maakt hij daarmee dan zoo weinig haast?" vraagde
-Löffelholz.
-
-"Hij is de laatste dagen bijna niet in de werkplaats te zien, omdat
-hij andere plichten heeft te vervullen."
-
-"Wat voor plichten?"
-
-"Zijn plicht als zoon. Reeds lang is de oude meester Dürer bedlegerig
-en zeer hulpbehoevend en ellendig. Vrouwe Barbara en Vrouwe Agnes
-hebben hem tot nu toe liefderijk opgepast, maar een paar dagen geleden
-is hij zoo erg geworden en het is niet meer alleen zijn oude kwaal,
-maar nog andere ongesteldheden er bij, die hem kwellen en dubbele
-verpleging eischen. De beide vrouwen hebben zooveel van haar krachten
-gevergd, dat zij zich nauwelijks meer op de been kunnen houden en
-daarom heeft de meester een deel der verzorging op zich genomen en
-vooral het waken 's nachts; dan kunnen de vermoeiden een weinig rust
-nemen. Maar daardoor is hij overdag niet alleen te vermoeid om te
-werken, maar zijn geest is er ook niet toe gestemd, want de zorg en
-kommer drukken hem ter neer. Gij moet weten, dat er slechts zelden een
-zoon zal worden gevonden, die zoozeer met hart en ziel aan zijn ouden
-vader is gehecht als onze meester. Hij heeft dan ook trouw voor hem
-in zijn ouderdom gezorgd, en in zijn zorgen zich zelf geheel vergeten."
-
-"Ik wist het," viel Löffelholz den gezel in de rede, "het is overbekend
-hoe goed meester Dürer voor zijn ouders en broeders is. En nu heb ik
-waarlijk spijt over mijn ongeduld en zal ik kalm afwachten, totdat
-de meester in staat is, het schilderstuk af te maken." Toen ging hij
-groetende weg.
-
-Op straat gekomen, drong door het open venster van de kamer uit het
-benedenhuis een luid steunen en zuchten tot hem door; hij begreep nu
-welke bittere pijnen en smarten de oude meester had door te staan.
-
-En werkelijk de grijsaard lag in hevig lijden op het ziekbed neer;
-zijn zoon zat bij hem en trachtte hem het lijden zooveel mogelijk
-te verzachten door zijn pijnlijk lichaam met zachte kussens te
-ondersteunen en hem nu en dan een glas kostbaren wijn uit Istria te
-laten drinken.
-
-Daarna werd de zieke rustiger. Hij keerde het aangezicht naar den
-muur en sliep in--toen stond zijn zoon zachtjes op en deed de deur
-open om de frissche lucht naar binnen te laten stroomen.
-
-Intusschen kwam Vrouwe Agnes en even daarna Vrouwe Barbara binnen,
-die eenige uren hadden geslapen en nu meester Albrecht kwamen aflossen.
-
-Hij weigerde echter en sprak vriendelijk: "Laat mij hier blijven,
-ik verlaat vader nu liever niet."
-
-En zoo bleven alle drie in de kamer zacht met elkaar fluisteren,
-om den kranke niet te storen. Er hingen in het zieke vertrek twee
-geschilderde portretten van den ouden meester Dürer. Beide waren door
-Albrecht gemaakt, het eene op het eind zijner leerjaren, toen zijn
-vader betrekkelijk nog in de kracht zijns levens was, en het andere
-bij zijn terugkomst uit den vreemde, om aan zijn vader te laten zien,
-wat hij daar had geleerd. Het laatste portret vertoonde het gelaat
-van een zeventigjarigen grijsaard, waarop de tijd zijn verwoestenden
-invloed had uitgeoefend, want het was vol rimpels en de oogen hadden
-een zeer vermoeide uitdrukking.
-
-Vrouwe Barbara had de portretten uit de woonkamer laten nemen, om
-ze in dit vertrek op te hangen. Nu viel haar oog op de beeltenissen
-en ze zuchtte diep, toen ze zei: "Ach, hoe broos en vergankelijk is
-toch het leven van den mensch!"
-
-Albrecht knikte haar toe en sprak na eenige oogenblikken: "Het
-lichaam vergaat tot stof en asch, maar de rechtvaardige blijft in
-gedachtenis. Mijn goede vader is steeds een deugdzaam, vroom man
-geweest, dat is zeker en niemand heeft dat in ruimer mate ondervonden
-dan ik. O, ik kan God niet genoeg er voor danken, dat Hij mij zulk
-een vader heeft gegeven, die altijd als een voorbeeld van deugd en
-vroomheid voor mijn oogen heeft gestaan en mij den goeden weg heeft
-leeren bewandelen."
-
-Vrouwe Barbara schreide zacht en na eenige oogenblikken begon ook zij
-haar man te prijzen; dankbaar herdacht zij, hoe goed hij altijd voor
-haar was geweest in hun lang huwelijksleven.
-
-Een beweging van den zieke trok aller aandacht tot zich; hij was
-ontwaakt en scheen iets te willen zeggen, want hij wenkte zijn zoon
-toe om dicht bij hem te komen en zijn hand in de zijne nemende, sprak
-hij: "Mijn zoon, ik voel dat ik ga sterven, en ik wilde u op het hart
-drukken, uw vrome, godvreezende moeder in haar ouderdom niet alleen
-te laten, haar, die altijd zulk een trouwe moeder voor u is geweest!"
-
-Albrecht boog zich over de klamme hand zijns vaders en drukte een
-kus er op. "Gij behoeft u niet ongerust te maken, lieve vader. Ik ken
-mijn plicht en zal dien met Gods hulp zoo goed als ik kan vervullen."
-
-Een dankbare blik uit zijns vaders oogen was zijn belooning.
-
-Maar op hetzelfde oogenblik werd de kranke weder onrustig en begon
-op nieuw te steunen; het moest dus wel een ontzettend pijnlijk
-lijden zijn, want tot nog toe had de grijsaard zijn smarten met
-onvergelijkelijk geduld en gelatenheid gedragen. Hij klaagde over
-brandende pijn in de ingewanden en wilde uit het bed komen, ijlende
-alsof hij door hersenkoorts werd geteisterd.
-
-Met groote moeite hield men hem in bed en trachtte de pijn te
-verzachten door warme doeken op zijn lichaam te leggen, maar het
-hielp niet veel en den geheelen dag hadden alle drie het zoo druk,
-dat er geen tijd overbleef om iets te nuttigen. Toen de avond viel
-kwam de zieke pas tot rust, hij begeerde te drinken en sliep daarna
-in. De beide vrouwen drongen er nu bij Albrecht op aan, dat hij naar
-zijn eigen kamer zou gaan om een weinig te slapen en nieuwe krachten
-voor den volgenden dag te verzamelen, en daar ook de natuur haar
-rechten eischte, gehoorzaamde de vermoeide man.
-
-Tot laat in den avond konden de beide vrouwen rustig bij elkaar
-blijven zitten, want de kranke verroerde zich niet. Toen richtte hij
-zich weer met een angstige kreet overeind en wilde het bed verlaten.
-
-Vrouwe Barbara gaf hem zijn zin, wischte het klamme zweet van zijn
-voorhoofd en toen hij om drinken vraagde, gaf Agnes hem een glas
-zoeten wijn.
-
-"Dat heeft mij goed gedaan!" zei hij en nu wilde hij weer naar
-bed worden gebracht. Nauwelijks lag hij weer in de kussens, of zijn
-gelaat onderging plotseling een groote verandering: zijn gelaatskleur
-werd geheel anders, zijn oogen zonken in de kassen en schenen reeds
-gebroken.
-
-De vrouwen schrokken, toen zij het bemerkten en ijlings stak Barbara
-een licht op, om dat aan het hoofdeinde bij den stervende te plaatsen,
-zooals toen het gebruik was. Zij wilde daarop de meid naar den kapelaan
-sturen, om den zieke van de Sacramenten der stervenden te voorzien,
-doch zij zag wel, dat het te laat was en daarom vervulde zij de plaats
-van den priester, maakte het teeken des kruises, vouwde de handen en
-sprak de woorden van St. Bernardus, het gewoone gebed der stervenden.
-
-Ondertusschen snelde de meid op een wenk van Vrouwe Agnes, die den
-zieltogende in haar armen hield, naar boven om meester Albrecht
-te roepen.
-
-In aller ijl kleedde hij zich aan en snelde in grooten angst de trap
-af. Toen hij echter de kamer in kwam, had zijn brave vader reeds
-den laatsten adem uitgeblazen en drukte Vrouwe Barbara den doode de
-oogen toe.
-
-Albrechts smart was groot en hij verweet zich bitter, dat hij het
-laatste uur had geslapen, maar zijn moeder trachtte hem te troosten
-met de woorden: "Stel u gerust, mijn zoon, want al waart gij hier
-geweest, dan zoudt gij hem het sterven toch niet gemakkelijker hebben
-kunnen maken dan het is geweest. Laten wij God danken, die hem zulk
-een zalig, kalm sterfbed heeft gegeven!"
-
-Daarop ging Albrecht naar het bed van den doode, keek langen tijd
-met eerbiedig gevouwen handen naar het vriendelijke, rustige gelaat
-en fluisterde biddend:
-
-"Ave, pia anima. Requiem aeternam da ei, Domine, et lux ei luceat
-perpetua!" [16]
-
-Het was de avond voor St. Mattheus van het jaar 1502 tegen middernacht
-dat de oude meester Dürer op vijf-en-zeventig jarigen leeftijd tot
-zijn vaderen werd verzameld.
-
-Den volgenden dag werd onder klokgelui en onder het geleide van het
-geheele goudsmidsgilde het lijk op het Sebalduskerkhof ter aarde
-besteld. Van het hoogaltaar werd de zielmis gelezen en aan de armen
-der stad werd brood uitgedeeld. Gedurende drie dagen bleef het zwart
-fluweelen lijkkleed op het graf uitgespreid en brandden daarop twee
-kaarsen, die door houten kasten tegen den wind werden beschut, terwijl
-twee geestelijke zusters den geheelen dag bij het graf bleven om
-lijkzangen te zingen en te bidden voor de ziel des afgestorvenen. Dit
-alles gebeurde op verlangen van Albrecht, die hiermee zijn vader de
-laatste eer wilde bewijzen en toen hij en zijn betrekkingen na den
-lijkdienst waren teruggekeerd, nam hij de zorg voor zijn moeder en
-zijn jongsten, twaalfjarigen broeder Hans geheel op zich, zooals hij
-zijn vader had beloofd en zooals zijn eigen hart hem ingaf.
-
-Zijn broeder Andreas evenwel nam ransel en staf op en trok de wijde
-wereld in.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-TOT GROOTER VOLKOMENHEID.
-
-
-Meermalen had Keurvorst Frederik de Wijze Neurenberg bezocht en
-dikwijls had hij meester Dürer met een bezoek vereerd.
-
-Het eerste altaarstuk, dat de keurvorst bij hem had besteld,
-voldeed zoo goed, dat hij hem eenige jaren later een tweede voor de
-Allerheiligenkerk opdroeg.
-
-En nu--in het begin van het jaar 1504--kwam voor de derde maal uit
-Wittenberg de opdracht aan meester Dürer, om een schilderij te leveren
-ter versiering van dezelfde kerk en hij ging terstond aan het werk. De
-eene maand na de andere verliep; Dürer schilderde met de uiterste
-zorgvuldigheid en de grootste toewijding, zoowel de hoofdfiguren als
-de geringste onderdeelen.
-
-Toen het in Neurenberg bekend werd, dat het groote altaarstuk zijn
-voltooiing naderde, werd Dürer dikwijls gestoord door nieuwsgierigen,
-die het wilden zien, want Pirkheimer en de beide gezellen hadden
-verteld, dat de meester zich zelf had overtroffen en daardoor wederom
-een schrede tot het volkomene in de kunst was genaderd.
-
-Allen, die het zagen, konden zich overtuigen dat die lofspraak niet
-overdreven was. Het stuk stelde de aanbidding der Wijzen voor. Links
-zit de Maagd Maria in een licht blauw gewaad met witten sluier en
-houdt het kind Jezus op haar schoot. De uitdrukking van haar gelaat
-is onvergelijkelijk lieftallig, heilig en vredig. Diep bewogen en
-met velerlei aandoeningen naderen de Wijzen uit het Oosten, gekleed
-in gewaden, schitterend van goud, en het is alsof met hen de geheele
-natuur in aanbidding ligt verzonken. Geen aureool omgeeft Maria en het
-Kind, maar het lichte, zonnige groen op den achtergrond doet beiden
-nog beter uitkomen dan zulk een krans van licht het zou kunnen doen.
-
-Iedereen was onder de bekoring van dit kunstwerk--men zag, dat het
-iets heel bijzonders was en dat geen van meester Dürers werken zoo
-hoog stond. Was 't het schoone coloriet, het gevoelige der teekening,
-de teedere, fijne penseelbehandeling, de wondere harmonie in de
-groepeering, de groote eenvoud en verheven rust, die over het geheel
-lag verspreid, wat zulk een overweldigenden indruk maakte? Neen,
-niet één dezer kwaliteiten alleen, maar dit alles te zamen was de
-reden van de groote bekoring, die het uitoefende.
-
-Hoe was meester Dürers kunst nu op eenmaal tot zulk een hoogte
-gestegen?
-
-Sedert geruimen tijd had zich te Neurenberg een Venetiaansch kunstenaar
-gevestigd, Jacopo de Barbari geheeten, wiens kunst hoog werd geroemd.
-
-Eerzucht en naijver hadden hem uit de stad der lagunen verdreven. Hij
-kon niet dulden zijn roem met andere kunstenaars te moeten deelen
-en hij vond het onverdragelijk door anderen in de schaduw te worden
-gesteld. Hij hoopte in Duitschland, door de hoogte waarop hij stond,
-onbetwist een eerste plaats in te nemen.
-
-Toch wilde hij niet gemakkelijk zijn triomfen behalen en daarom koos
-hij een plaats, waar hij gelegenheid had een reeds gevierd kunstenaar
-te overschaduwen. Zijn hoop werd dan ook vervuld. Evenals Ceasar
-kon hij zeggen: Veni, vidi, vici [17], en in een oogwenk waren de
-Neurenbergers zoozeer onder zijn invloed gekomen, dat zij bijna de
-Duitsche kunst vergaten om de vreemde te huldigen. Het was waar,
-dat de fijnheid en gevoeligheid van het coloriet, het liefelijke en
-sierlijke der teekening en de bekoorlijke uitdrukking, die hij in het
-gelaat wist te leggen, hem aller bewondering waardig maakte. Daarbij
-vergeleken scheen de Duitsche kunst hard en ruw, stijf en koud.
-
-Meester Jacopo werd bij de aanzienlijkste families gaarne ontvangen;
-men betwistte elkaar de eer van zijn gezelschap, men zwaaide hem
-onmatigen lof toe, en overlaadde hem met geschenken en eerbewijzen. Het
-aantal bestellingen was overweldigend groot, want alle aanzienlijke
-jonkvrouwen bestormden zijn atelier om haar portret te laten maken.--
-
-Albrecht Dürer zag welke triomfen de vreemde indringer behaalde,
-hij hoorde de overdreven loftuigingen en werd voortdurend stiller.
-
-Was gekrenkte eerzucht, of verterende naijver de oorzaak, dat hij zoo
-stil en in zich zelf gekeerd was? Neen, want zijn edel hart kende
-dergelijke gewaarwordingen niet. Hij zelf behoorde tot hen, die
-meester Jacopo bewonderden en prezen in alle oprechtheid en zonder
-een zweem van huichelarij en na eenigen tijd, nadat hij in stilte
-had toegezien en nagedacht, ging hij naar den vreemden kunstenaar
-in allen ootmoed en nederigheid, zonder zich te laten afschrikken
-door den nederbuigenden toon, waarop deze, door de volksgunst zoo
-hooggeplaatste en verwende man, tot hem sprak--en de macht van Dürers
-edele en nederige persoonlijkheid bleef niet zonder invloed op dezen
-hoogmoedige, wien hij achting afdwong.
-
-Het was de wensch om te leeren, die hem naar meester Jacopo had
-gedreven. De drie-en-dertigjarige kunstenaar, wiens naam op aller
-lippen was, achtte zich niet te hoog bij den vreemden meester in de
-leer te gaan.
-
-Vóór dien tijd had hij nog een andere school doorloopen, die des
-lijdens. Een zware krankheid had hem bezocht en daardoor had hij
-gelegenheid gehad zich in ernstige overdenkingen te verdiepen. En
-evenals dit zelfonderzoek zijn hart gelouterd en geheiligd had,
-zoo was het ook niet zonder invloed op zijn geest gebleven; zijn
-genie had nieuwe openbaringen ontvangen en door de grootte van zijn
-lichamelijk lijden waren zijn scheppende krachten toegenomen. Deze
-vooruitgang openbaarde zich in de wijze, waarop Dürer nu het
-menschelijk gelaat opvatte en uitvoerde. Had tot nu toe de Duitsche
-kunst zich vergenoegd met het eenvoudig weergeven der lijnen en trekken
-zonder de stemming van het gemoed uit te drukken, nu legde hij in zijn
-portretten duidelijk en helder de stemming der ziel. Daardoor wordt het
-geheele gelaat bezield, men kan zien welke gewaarwordingen de mensch
-ondervindt, wat hem aandoet, wat hij gevoelt en welken strijd hij
-doorleeft; het is alsof men de haren ziet trillen, alsof de lippen
-zich bewegen en de oogen schitteren en glinsteren.--Toen hij nog
-zeer ziek was, had hij een Christuskop geschilderd zooals nooit te
-voren: het hoofd van den gestorven Heiland met de doornenkroon, met
-gesloten oogen en geopenden mond en een uitdrukking van onmetelijke
-smart over het geheele gelaat verspreid. Wat Dürer zelf in zijn
-bitter lijden had ondervonden, trachtte hij weer te geven met het
-penseel en daardoor kwam hij tot het schilderen der ziel, een door
-lijden verkregen talent, dat hij na zijn herstel in een groot aantal
-werken openbaarde, zonder ze evenwel reeds aan het groote publiek te
-laten zien. Hiertoe behoorde voornamelijk het lijden van Christus,
-dat hij met de pen en het penseel op groen getint papier in twaalf
-afbeeldingen had weergegeven en daarna een serie houtsneden, het leven
-van Maria voorstellende van haar geboorte tot haar hemelvaart. Deze
-afbeeldingen hadden een groote bekoorlijkheid voor den beschouwer;
-de kunstenaar had hierdoor een snaar aangeraakt, die in elk Duitsch
-hart een weerklank moest vinden, want deze teekeningen waren de
-verheerlijking van het familieleven, de lof van het huwelijk, als
-een heilige, door God geordineerde en gezegende staat,--in het kort,
-het was wederom een predicatie tot het Duitsche volk, zooals vroeger
-de door hem geïllustreerde Openbaring van Johannes.
-
-Dürer had dus in de school des lijdens veel geleerd; maar hij was er
-ver van te gelooven, dat hij nu niets meer behoefde te leeren en in den
-vreemden kunstenaar zag hij juist een leermeester met wiens onderricht
-hij weder in een ander opzicht zijn voordeel zou kunnen doen.--
-
-Langzamerhand verminderde de koelheid van Jacopo tegenover den
-Duitschen schilder. Hij werd vriendelijker tegen hem, doch verloor
-een zekere terughoudendheid niet uit het oog, toen hij bemerkte,
-dat het Dürer te doen was om van hem te leeren. Hij zag heel goed hoe
-uitstekend begaafd de Duitscher was en hij vreesde in stilte, dat Dürer
-hem in zijn kunst zou ter zijde komen of misschien wel overtreffen.
-
-Vooral wilde hij angstvallig het geheim van de wijze, waarop hij
-het menschelijk figuur wist af te beelden, en waarop hij zich zoo
-beroemde, voor Dürer verborgen houden. Hij deed het namelijk voorkomen,
-alsof hij geen modellen noodig had, maar alsof hij door zijn grondige
-kennis der anatomie en de door hem opgemaakte theorie, die hij uit
-den canon der verhoudingen van het menschelijke lichaam had geput,
-dit in zijn grootste schoonheid kon weergeven.
-
-Hoe gaarne had Dürer dit ook gekund! Maar spoedig moest hij de
-oprechtheid van den vreemdeling wel in twijfel trekken, toen hij bij
-toeval hoorde, dat hij, bij het weergeven der menschelijke gestalte,
-nu en dan het levend model had gebruikt en het bleek dus duidelijk,
-dat zijn scheppingsvermogen en anatomische kennis niet voldoende waren,
-om hem in staat te stellen het ideaal der menschelijke schoonheid in
-beeld te brengen.
-
-Niettemin leerde Dürer door zijn omgang met meester Jacopo en door
-het bestudeeren van zijn werken, de gebreken die hij in zijn eigen
-werk had ontdekt, overwinnen en daardoor zijn kunst tot grootere
-volmaking brengen, want hij was er verre van, zich tevreden te stellen
-met hetgeen hij kon en liet zich door de grootste loftuitingen niet
-in slaap maken, om op de geplukte lauweren uit te rusten, maar hij
-streefde voortdurend naar hooger.
-
-Het werd dan ook spoedig openbaar welke nieuwe kunde hij had
-verkregen. 't Waren slechts kleine stukken, oefeningen en studies, die
-uit zijn werkplaats kwamen, maar de kenners waren één en al verbazing
-en bewonderden de vorderingen, die hij had gemaakt vooral in het
-dierengenre, dat hij tot nu toe bij het landschap had achtergesteld.
-
-Zoo had hij een haas geschilderd, die aller bewondering verdiende. Het
-vel was zoo natuurgetrouw weergegeven, dat men bijna in verzoeking kwam
-het eens te bevoelen, om zich te overtuigen, dat het geschilderd was en
-niet een werkelijk hazevel. Even groot opzien baarde een levensgroote
-hertekop, door een pijl getroffen en met gebroken oogen, en een ruiker
-viooltjes, waaraan slechts de geur ontbrak, om voor levende bloemen
-te kunnen worden gehouden.
-
-Door deze kunstwerken trok Dürer weer aller aandacht tot zich en
-begrepen de Neurenbergers, dat men niet naar het buitenland behoefde
-te gaan, om een volmaakt kunstenaar te aanschouwen, maar dat die in
-de naaste omgeving was te vinden. Ja, het werd zelfs door enkelen
-luide verkondigd, dat meester Dürer den Italiaan Jacopo overschaduwde
-en deze fronste het voorhoofd, toen hij moest ondervinden, dat de
-geestdrift voor hem meer en meer verkoelde.
-
-En nu was Dürer aan het schilderen aan het groote altaarstuk, dat een
-vorst van hem begeerde: "de aanbidding der Wijzen" en toen daaraan de
-laatste hand was gelegd, ging er in Neurenberg slechts één kreet op:
-de Duitsche kunst overtreft die van anderen en Albrecht Dürer is
-de eerste aller meesters! De zachtheid der lijnen, die bij Jacopo
-in weekheid ontaardde, was bij Dürer met kracht gepaard en het
-schitterende coloriet, dat bij den Italiaan niet van overdrijving
-was vrij te pleiten, behield bij Dürer de juiste maat en deed het
-oog aangenaam aan inplaats van het te verblinden. --
-
-Meester Dürer ontving uit Wittenberg een ruime belooning niet alleen in
-klinkende munt, maar op verzoek van den kunstenaar was er een bijzonder
-mooi gewei bijgevoegd, dat de eereplaats in het staatsievertrek kreeg
-en door allen werd bewonderd, vooral door Wilibald Pirkheimer, die
-zijn vriend dit kostbare stuk bijna benijdde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-EEN DUBBEL AFSCHEID.
-
-
-Op een kouden, vochtigen Octoberavond van het jaar 1505 hield voor
-Dürers huis een logge koets stil, waaruit een jonge man steeg in een
-reismantel gehuld.
-
-"Schäufelein!" klonk het vroolijk uit een raam van de eerste verdieping
-van Vrouwe Agnes' lippen, toen zij den bezoeker herkende.
-
-Deze gaf den knecht last om voor zijn koffer te zorgen en trad snel
-naar binnen. Hij werd hartelijk verwelkomd; vier weken was hij in
-Frankfort geweest om Dürers schilderijen op de jaarmarkt te koop aan
-te bieden.
-
-"De lieve heiligen zijn geprezen," riep hij, "dat ik u allen in
-gezondheid mag terugzien en de doodsengel uw huis is voorbijgegaan. Ik
-heb heel wat angst om u uitgestaan, want in Frankfort ging de mare,
-dat de pest hier dagelijks veel offers eischte."
-
-"Ja, God heeft ons genadig gespaard," antwoordde Dürer, "terwijl
-rondom ons menig huis door den dood is bezocht. Wat ben ik verheugd
-en dankbaar, dat God u in welstand bij ons heeft teruggebracht."
-
-Hans, meester Albrechts broeder, hielp den gezel zich van zijn
-reismantel ontdoen; Vrouwe Barbara ging naar den knecht en Vrouwe
-Agnes liep naar de keuken, om voor het avondeten te zorgen.
-
-Spoedig werd de koffer binnengebracht en hielp Hans von Kulmbach,
-die uit de werkplaats kwam aangeloopen, Schäufelein om dien leeg
-te maken. Dit kostte weinig moeite, want al was hij vol geweest,
-toen Schäufelein vertrok, nu waren er slechts enkele stukken in,
-die niet waren verkocht. Daardoor was de som gelds, die hij uit den
-lederen buidel op de tafel schudde, ook zeer belangrijk en Dürer
-betuigde zijn hartelijken dank aan zijn trouwen zaakwaarnemer, wien
-hij tegelijkertijd zijn deel van de opbrengst toeschoof.
-
-"Ik zou in nog vroolijker stemming zijn thuis gekomen," sprak
-Schäufelein, "als ik niet de onaangename ondervinding had moeten
-opdoen, dat er vele schurken zijn, die hun dievenhanden naar uw
-eigendom uitsteken. Het zijn geen struikroovers, die ons onderweg
-hebben aangevallen, maar op de jaarmarkt heb ik een andere soort
-dieven leeren kennen; gij weet wel, wat ik bedoel."
-
-"De nadrukkers?" vraagde Dürer snel.
-
-"Ja, juist," knikte Schäufelein met gefronste wenkbrauwen. "Wat baat uw
-monogram, waarmee gij sedert acht jaren uw werken onderteekent? [18]
-Het beveiligt ze niet voor namaak, want die schelmen maken er geen
-gemoedsbezwaar van, om ook dat er bij af te drukken en daarmee de
-koopers te bedriegen."
-
-"Het spijt mij zeer, dat te hooren," sprak Dürer halfluid. "Dieven
-worden opgehangen, doch zulke schurken, die zich toch ook het eigendom
-van anderen toeeigenen, laat men ongestoord hun schandelijk bedrijf
-uitoefenen. Ik zou gaarne eens een hooggeplaatst, invloedrijk man
-willen vragen om mij daartegen te beschermen; maar het is de vraag
-of zijn invloed daartoe in staat is."
-
-"Ja, dat is vergeefsche moeite," meende Schäufelein, "al kondt gij
-u tot den keizer wenden, dan zou het nog niets baten. Zelfs in de
-Nederlanden haalt men zulke boevenstreken uit; want in Antwerpen
-woont er een, die kopergravuren heeft gemaakt naar uw houtsneden uit
-de openbaring van Johannes."
-
-In hevige opgewondenheid liep Dürer met groote schreden het vertrek
-op en neer:
-
-"Het ontstemt mij erg! Weet gij wie het is?"
-
-"Och, al wist ik het, het zou toch niets baten," klaagde
-Schäufelein. "Ik heb trouwens getracht hem op te sporen, doch toen
-hij het bemerkte, heeft hij zich gauw uit de voeten gemaakt." Dürer
-haalde de schouders op. "Laten we ons verder niet bekommeren om den
-dief, die toch niet gelukkig met zijn roof kan zijn, want gestolen
-goed, gedijt niet. Aangenamer is het u te vertellen, hoe het mij in
-uw afwezigheid is gegaan."
-
-Hij werd gestoord door Vrouwe Agnes, die hen uitnoodigde om aan het
-avondeten te komen. Na het gebed, dat door het hoofd des huizes werd
-uitgesproken, zei Dürer tot Schäufelein: "Gij weet wel, dat verleden
-winter het Duitsche handelshuis bij de Rialtobrug te Venetië een prooi
-der vlammen is geworden. Nu heeft in Juni van dit jaar de Signoria
-[19] op aandringen der Duitsche kooplieden besloten het nieuw te
-bouwen huis aan een Duitschen meester, Hieronymus van Augsburg,
-op te dragen. En daar de St. Bartolomeuskapel, bij het handelshuis
-behoorende, een groot altaarstuk noodig heeft, hebben de Duitsche
-kooplieden eveneens weten door te zetten, dat dit door een Duitscher
-zou worden uitgevoerd en ziet ge, daarvoor heeft men den Neurenberger
-Albrecht Dürer uitgekozen."
-
-Schäufeleins oogen schitterden van voldoening en zijn hand, die juist
-een stuk rookvleesch naar den mond wilde brengen, kwam niet tot haar
-bestemming. "O, dat is heerlijk! En wat verheug ik mij in de eer, die
-u te beurt valt! Geluk er mee, Meester! Hartelijk geluk gewenscht! En
-gaat gij gauw?"
-
-Eenige oogenblikken bleef Dürer, zonder iets te zeggen, voor zich uit
-staren; toen sprak hij: "Mijn hart trekt mij naar dat zonnige land
-en die heerlijke stad, die ik reeds eenmaal mocht aanschouwen, en ook
-is de verzoeking groot om zooals vele anderen de vreeselijke ziekte,
-die hier heerscht, te ontloopen, maar de angst om hen, die ik moet
-achterlaten, doet mijn hart onrustig kloppen en houdt mij tegen. De
-Heer geve, dat de sterfte spoedig moge verminderen, dan is het mijn
-plan met de eerste gelegenheid de beste naar Italië te reizen. Maar ik
-wil niet alleen er op uittrekken zooals toen ik als gezel de wereld
-in ging, maar ik zal mij aansluiten bij een handelskaravaan. Zulk
-een jonge gezel zonder één cent op zak lieten de struikroovers en
-dieven wel ongestoord verder gaan, maar nu kon het wel eens zijn,
-dat die schelmen lust kregen om hun handen uit te strekken naar de
-schat, die ik van plan ben mee te nemen; want ik reken er op een
-groot aantal mijner schilderijen te Venetië in goud om te zetten."
-
-Nu mengde Vrouwe Agnes zich in het gesprek: "Mijn lieve man, is het
-bezorgdheid voor de uwen, die u verhindert aan de eervolle opdracht
-gevolg te geven? Maar zijt gij dan de Voorzienigheid, die door uw
-bijzijn hen voor nood en dood kan bewaren? Het eenige, wat wij in dezen
-moeilijken tijd kunnen doen, is bidden en ons in 's Heeren bescherming
-aanbevelen. Nu dat kunt gij te Venetië even goed als hier. Ons leven
-is in Gods hand en ons hart kan rustig zijn in den Heer."
-
-Dürer keek zijn vrouw aan met een blik waarin dank en ook achting voor
-haar groot Godsvertrouwen lag opgesloten, maar ook een stille vrees
-bij de gedachte: indien het eens in Gods raad was besloten een der
-mijnen tijdens mijn afwezigheid op te eischen dan zou ik zijn laatsten
-zucht niet kunnen opvangen en zijn oogen niet toedrukken. Hij durfde
-deze gedachte evenwel niet uitspreken; het was alsof hij zich schamen
-moest tegenover het onbeperkte Godsvertrouwen zijner vrouw. Schäufelein
-maakte van zijn stilzwijgen gebruik om, evenals Vrouwe Agnes, er op
-aan te dringen, dat hij zich tegen de reis naar Venetië niet langer
-zou verzetten.
-
-Dürer keek den spreker ernstig aan, en er was zelfs eenige verlegenheid
-in zijn blik, toen hij zei: "Er is nog iets, dat mij tegen de reis doet
-opzien. Als ik eenmaal weg ben, zal ik zoo spoedig niet terugkeeren,
-want het groote schilderij, dat men van mij verlangt, zal veel tijd
-vorderen, en daarbij hoop ik ook van de Italiaansche meesters nog wat
-te leeren. Daarom zal ik wel verplicht zijn, mijn werkplaats te sluiten
-en u te ontslaan, mijn goede gezellen, wat mij niet weinig moeilijk
-valt, want gij hebt mij altijd trouw gediend en ter zijde gestaan."
-
-Het was duidelijk op de gezichten der gezellen te lezen, dat hun
-dit weinig aanstond; zij zagen elkaar teleurgesteld en vragend
-aan. Zij waren op zoo iets in het geheel niet voorbereid en het speet
-Schäufelein, dat hij zoo op de reis had aangedrongen.
-
-Dürer las hun gedachte en vervolgde: "Waarlijk, gij zijt nu lang
-genoeg bij mij in de werkplaats geweest en het komt mij bijna zeer
-zelfzuchtig voor, dat ik u zoo lang in mijn dienst heb gehouden,
-daar het toch wel uw wensch zal zijn ook bij andere meesters te
-leeren. Daarom wil ik niet aan mij zelf denken en mij om uwentwil
-verheugen, dat gij nu daartoe de gelegenheid hebt."
-
-Hans von Kulmbach, die gewoonlijk stil en in zich zelf was gekeerd,
-richtte nu het woord tot Dürer en sprak: "De tijd, dien wij bij u zijn
-geweest, is ons als een droom voorbijgegaan en het zal lang duren,
-voordat wij op onze omzwervingen in de wereld een meester vinden, die
-ons zulk voortreffelijk onderwijs kan geven en wiens vriendelijkheid
-ons zulke goede dagen zal doen beleven."
-
-Ook Schäufelein sprak in denzelfden geest, hij hield niet op Dürer
-dank te zeggen voor alles, wat zij in zijn huis hadden ontvangen en
-kwam eindelijk weer op zijn aandringen terug. Zoo werd het gesprek,
-dat eenigszins treurig was geworden, langzamerhand weer vroolijker
-en de dischgenooten zaten na het dankgebed nog lang gezellig samen
-te praten.--
-
-Vijf weken later stond voor Dürers huis een opgetuigd rijpaard, beladen
-met een zwaar valies, ongeduldig te trappelen, want het wachten duurde
-lang bij de felle koude, die den adem uit zijn neusvleugels verstijfde,
-waardoor zijn kop in een waas werd gehuld.
-
-Daar binnen duurde het afscheid lang. Het kostte meester Dürer reeds
-moeite te scheiden van zijn gezellen, die ook hun ransel hadden
-aangegord, maar het was alsof zijn hart zou breken, toen hij voor
-het laatst zijn lieve vrouw, zijn goede moeder en zijn broertje in
-de armen sloot.
-
-Met zijn moeder had hij eerst nog een zonderling geschil over Hans
-gehad. Hij had hem gaarne willen meenemen op reis, omdat hij het voor
-den zeventienjarigen knaap, die zich ook aan het schilderen wilde
-wijden, nuttig oordeelde onder zijn toezicht en leiding iets van de
-wereld te zien en de Italiaansche taal te leeren; maar zijn moeder
-kon er niet toe besluiten om zich van den laatsten zoon, die haar
-van haar kinderen overbleef, te scheiden en wist van haar Albrecht
-te verkrijgen, dat hij alleen zou vertrekken.
-
-Meester Dürer reed de straat "onder de veste" genaamd uit, vandaar
-naar de Heerenmarkt, waar hij ophield bij het huis van Pirkheimer. Hij
-moest van zijn vriend nog afscheid nemen en hem dank zeggen voor het
-voorschot, dat hij den reiziger had gegeven, omdat deze met het oog
-op zijn vermoedelijk lange afwezigheid een welvoorzienen buidel bij
-zijn familie moest achterlaten.
-
-Nu gaf hij zijn paard de sporen en reed over de Barrevoetersbrug
-naar het Lorenzerplein en vandaar naar de Vrouwepoort, waar de vijf
-wagens met koopwaar en zijn eigen kunstwerken reeds gereed stonden,
-omgeven door de vijf kooplieden te paard en twaalf gewapende, stevige
-dienaars, die de karavaan moesten beschermen.
-
-Onder de zegenbeden van hen, die er om verzameld stonden, stelde
-de stoet zich in beweging en vroolijk hinnikten de paarden op dezen
-kouden, helderen morgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-NOGMAALS TE VENETIË.
-
-
-Op een heerlijken, warmen dag in Februari van het jaar 1506 lag op
-het balkon van haar paleis op het Marcusplein, Signora Bella, de
-echtgenoot van den Markies Rinaldi, uitgestrekt op een zacht rustbed
-om met volle teugen de frissche, versterkende voorjaarslucht in te
-ademen. Zij was herstellende van een maandenlange, ernstige ziekte
-en verwachtte van den zonneschijn een snellere genezing.
-
-Naast haar stond een vrouwelijke bediende, die haar het nieuws
-uit de stad moest vertellen, want nadat zij langen tijd in niets
-belangstelling had getoond, begon de Signora zich nu weer voor de
-buitenwereld te interesseeren.
-
-Men vernam het geluid van naderende voetstappen en op het balkon
-verscheen een grijsaard met een langen, witten baard en een edele,
-indrukwekkende gestalte. Het was de oom der Signora en tevens
-haar vaderlijke vriend, van wien zij in haar ziekte de hartelijkste
-deelneming had ondervonden en die bijna dagelijks in dezen lijdenstijd
-haar tot troost was geweest.
-
-Zijn gelaat helderde op, toen hij zag hoeveel belangstelling de zieke
-toonde in de mededeelingen van haar ondergeschikte en hij uitte zijn
-blijdschap op hartelijke wijze. Achter hem stond een lakei met een
-portefeuille, die hij van hem overnam en bij de Signora bracht. "Ik
-heb iets voor u meegebracht, dat u eenige oogenblikken aangenaam zal
-bezig houden, lieve Bella. Het is langen tijd geleden, dat gij u voor
-de kunst hebt geïnteresseerd."
-
-"O, dank u, beste oom," antwoordde Bella en zij strekte haar kleine,
-magere, wasbleeke hand uit naar de portefeuille, waarin een reeks
-kopergravuren geborgen waren, die in volgorde het leven van Maria
-weergaven.
-
-Reeds bij het eerste blad, dat de weigering van Joachims offer
-door den hoogepriester voorstelde, begonnen Bella's oogen te
-schitteren en uitte zij een kreet van verrukking; "O, hoe prachtig,
-hoe bekoorlijk!" Haar ingenomenheid nam bij elke afbeelding toe en
-zij kon haar oogen niet afwenden van die gravuren, welke de rust van
-de heilige familie in Egypte te zien gaven, een afbeelding van het
-reinste, gelukkigste familieleven, dat de bannelingen de smart over de
-scheiding van hun geboortegrond scheen te kunnen doen vergeten. Zij
-genoot van den aanblik van Maria, gezeten met haar spinnewiel bij de
-wieg van haar beminnelijk kind, van den ouden Jozef, die ijverig zit
-te arbeiden voor het dagelijksch brood der zijnen, en vooral van de
-allerliefste engeltjes, die druk bezig zijn om de spaanders in een
-mand te verzamelen en van wie één ondeugend genoeg is geweest om zich
-met Jozefs hoed te tooien.
-
-Geheel andere gewaarwordingen werden in Bella gewekt, toen zij kwam
-aan de afbeelding van Jezus' afscheid van Zijn moeder, voordat Hij Zijn
-laatste reis naar Jeruzalem ondernam, en waarop de Heer met hemelschen
-vrede op het gelaat en met heiligen moed om den dood tegemoet te gaan,
-nog eenmaal Zijn moeder, die aan de deur vol smart ligt neergezonken,
-zegent.
-
-Bella was diep ontroerd en twee groote tranen blonken in haar
-oogen. Nog nooit had zij iets aanschouwd, dat zoo aangrijpend
-schoon was.
-
-"Ik dank u, beste Oom, voor dit genot," zeide zij dankbaar, nadat zij
-het laatste blad had bekeken. "Van wien zijn deze onvergelijkelijk
-schoone gravuren?"
-
-"Raimondi Marcantonio heeft ze op koper gegraveerd," antwoordde
-de grijsaard, die met stille vreugde en voldoening had opgemerkt,
-dat zij, die hem zoo lief was, weder in iets belangstelling koesterde.
-
-"Gegraveerd?" vraagde Bella. "Ze zijn uitstekend gegraveerd; maar wie
-heeft de teekeningen ontworpen? De kunstenaar, die dat heeft gedaan,
-vindt zijn gelijke niet."
-
-Haar oom kwam een weinig dichter bij haar zitten en sprak glimlachend:
-
-"Mijn doel was niet alleen om u deze platen te laten zien, maar ik
-wilde u ook iets vertellen. Deze gravuren hebben in de stad heel wat
-opzien gebaard en zijn de oorzaak, dat Marcantonio voor het gerecht
-is gedaagd."
-
-"Voor het gerecht?" vraagde de Signora met klimmende belangstelling.
-
-"Ja," antwoordde haar oom, "Marcantonio is een dief, die zich
-het bezit van anderen heeft toegeëigend; hij heeft deze platen,
-die oorspronkelijk in houtsneden zijn verschenen, in koper
-nagegraveerd. Zie, hier is het monogram van den ontwerper der
-houtsneden!"
-
-Bella bekeek de letters zonder iets te zeggen.
-
-Toen vervolgde haar oom: "Weet gij niet wiens naam het is? Maar dat
-zou ook moeilijk gaan, want het is reeds zoo lang geleden, dat gij den
-kunstenaar, die zich met A. D. onderteekent, hebt gezien. Gij waart
-toen nog ongehuwd. Het is de naam van een Duitsch kunstenaar -- -- --."
-
-"Albrecht Dürer!" riep Bella uit en een flauwe blos kleurde haar
-bleeke wangen. "O, van hem zijn deze heerlijke kunstwerken! -- --
--- Ziet gij wel, Oom, dat ik zeer juist heb gezien, wat er in dien
-man was; mijn profetie heeft zich bewaarheid! Albrecht Dürer is een
-ongeëvenaard kunstenaar! Hoeveel heb ik niet reeds gezien op het gebied
-der kunst, doch nooit heeft iets daarvan mij zulk een genot verschaft,
-nooit heeft iets mij zoo getroffen als deze heerlijke kunst. Wat
-zijn onze schilders bij hem vergeleken! Zooveel innig gemoedsleven,
-als hierin ligt uitgedrukt, zoekt men tevergeefs bij hen. Men zegt
-van de Duitschers: dat hun hart even warm is als de dampkring, waarin
-zij leven, koud is. En nu zie ik, dat het waar is."
-
-"Dat ben ik met u eens, mijn lieve Bella," antwoordde haar oom.
-
-"Ook ik ben verrukt van deze platen en het andere werk, dat ik van
-hem zag, vond ik ook zoo bijzonder mooi."
-
-"Waar woont Meester Dürer tegenwoordig?" vraagde Bella. "In zijn
-geboorteplaats Neurenberg?"
-
-"Ja," antwoordde haar oom, "daar heeft hij zijn werkplaats, maar op
-dit oogenblik -- -- -- -- ."
-
-Eensklaps hield hij op en vraagde zich af of het de zieke niet te
-veel zou opwinden, als hij haar het verdere mededeelde--doch toen
-hij Bella's dringenden, vragenden blik op zich gevestigd zag, ging
-hij voort haar te zeggen, dat Meester Dürer op dit oogenblik te
-Venetië vertoefde, om op verlangen der Signoria voor de vernieuwde
-St. Bartolomeuskapel een groot altaarstuk te schilderen.
-
-De Signora richtte zich op van haar rustbank en liet zich door haar
-kamenier een kussen tot steun in den rug geven, alsof zij in die
-houding beter kon luisteren.
-
-"Is hij te Venetië? In mijn onmiddellijke nabijheid?" zeide zij. "O
-hoe gaarne zou ik dien heerlijken kunstenaar nog eens terugzien! Hij
-moet nu een man in de volle kracht zijns levens zijn."
-
-"Hij is vierendertig jaar," zeide haar oom. "Zijn uiterlijk alleen
-reeds trekt de aandacht. Men voelt eerbiedige bewondering, wanneer
-men hem ziet. En dan daarbij zijn edel karakter en zielenadel! Men
-voelt zich geneigd hem met ontbloot hoofd te naderen."
-
-"Maar wat is nu het geval met Marcantonio?" vraagde de Signora. "Gij
-zeidet, dat hij voor het gerecht staat."
-
-Haar oom knikte bevestigend. "Eindelijk is het meester Dürer gelukt
-een der vele schurken machtig te worden, die hun handen naar zijn
-eigendom uitsteken en zijn werken nadrukken of graveeren."
-
-"Zou de Signoria hem tegenover onzen stadgenoot recht doen
-wedervaren?" vraagde Bella beschroomd.
-
-"Maak u daarover niet ongerust, mijn kind!" verzekerde haar
-oom. "Dürer is bij de Signoria, evenals bij ieder hier in de stad,
-in hooge achting. Dagelijks krijgt hij in zijn werkplaats dicht bij
-het Duitsche handelshuis, zooveel bezoekers alsof het een bedevaart
-naar een wonderdoend beeld der heilige Maagd gold. Ook beijveren
-onze kunstenaars zich hem te bezoeken en met lof te overladen, al
-is dat misschien niet altijd even oprecht gemeend. De besten van
-hen zijn waarlijk zijn vrienden, doch de kleingeestigen vergaan van
-jaloerschheid, vitten en trachten gebreken op te sporen, terwijl zij
-in stilte zijn werken navolgen."
-
-"Die ellendigen!" zei Bella toornig, "en hoe houdt Dürer zich
-daaronder?"
-
-"Hij let niet op hen," antwoordde haar oom, "en zijn edel hart, waarvan
-al het lage en gemeene zoo ver is verwijderd, bemerkt ook dikwijls hun
-kwaadwilligheid niet. Hij stelt er zich tevreden mee door de anderen
-te worden gewaardeerd. 't Is een wonder, dat hij onder al den lof,
-dien men hem toezwaait, en de eer, die hem wordt bewezen, zoo kalm
-en nederig blijft."
-
-"Ja, ja," riep de Signora uit, "Albrecht Dürer is een voortreffelijk
-man met een nederig gemoed, dat heb ik wel gemerkt. Hoe ver is hij
-met zijn altaarstuk gevorderd?"
-
-"Hij is nog bezig aan de studies, die vooraf noodig zijn," antwoordde
-haar oom, "en het zou ook niet anders mogelijk zijn, want elken dag
-verdringt men zich zoozeer om hem, dat hij nauwelijks tijd tot arbeiden
-kan vinden. Onlangs nog zeide hij mij, dat hij zich nu en dan eens
-onzichtbaar moest maken, omdat men hem al te lastig viel en hij niet
-tot zich zelf kon komen. Ik kan mij begrijpen, dat al die eerbewijzen,
-waarmee de aristocratie hem overlaadt, hem gaan vervelen. Vooral vindt
-hij het onaangenaam zoo dikwijls te worden uitgenoodigd op gastmalen
-en feesten, daar dat zooveel van zijn kostbaren tijd vergt. Het liefst
-ontvangt hij Giovanni Bellini, van wien hij den eersten keer, dat hij
-te Venetië was, zooveel heeft geleerd; de eerwaardige grijsaard ziet nu
-met innige bewondering tot zijn vroegeren leerling op en bewijst hem
-veel oprechte genegenheid, wat den Duitscher, bij al de gehuichelde
-vriendschap, die hij ondervindt, bijzonder veel genoegen doet. Ik
-moet u toch nog vertellen, wat er onlangs is gebeurd. Bellini kwam
-bij Dürer, toen hij juist met een studiekop voor zijn altaarstuk bezig
-was; hij schilderde het haar op zijn onnavolgbare wijze. De grijsaard
-verzocht Dürer, hem een der penseelen, waarmee hij het haar zoo
-wonderlijk fijn wist te schilderen, als aandenken te geven. Daarop nam
-Dürer een handvol gewone penseelen, reikte die Bellini toe en gaf hem
-verlof er zooveel van te nemen, als hij begeerde. Bellini glimlachte,
-dacht dat Dürer hem niet had begrepen en vraagde om slechts één fijn
-penseel voor de haren. Nu moest Dürer lachen en zei, dat hij voor de
-haren geen bijzondere penseelen gebruikte. Toen Bellini daarop zijn
-hoofd ongeloovig schudde, nam Dürer een gewoon penseel en schilderde
-voor de oogen van den verwonderden grijsaard de haarlok eener vrouw op
-zijn wondermooie manier. Dit verhaal is volkomen waar, want ik heb het
-van Bellini zelf gehoord, die er bijvoegde: het klinkt als een wonder
-en ik zou het niet hebben geloofd, indien ik het zelf niet had gezien."
-
-Signora Bella was stil geworden; de blos op haar wangen was weder
-verdwenen en zij zag er bleek en vermoeid uit. Haar oom begreep,
-dat het tijd werd om heen te gaan en haar nu te laten uitrusten,
-opdat al die aandoeningen, al waren zij van aangenamen aard, de
-herstellende geen kwaad zouden doen. En Bella nam afscheid van hem,
-doch niet zonder het dringende verzoek haar spoedig meer te komen
-vertellen van den Duitschen meester.
-
-
-
-Verscheidene maanden waren voorbijgegaan--het Paaschfeest was nabij.
-
-Albrecht Dürer was reeds 's morgens vroeg in zijn werkplaats, om,
-zooals hij hoopte, ongestoord van de ochtenduren gebruik te maken om
-aan zijn altaarstuk te werken, Men was in het begin overeengekomen,
-dat de schilderij op den eersten Paaschmorgen op het altaar van de
-Bartolomeuskapel zou prijken, maar daaraan was in de verste verte
-niet te denken en zij, die het Dürer hadden opgedragen, konden het hem
-niet wijten, daar zij heel goed wisten, dat het niet de schuld van den
-Duitscher, maar van de Venetianen zelf was, die hem zijn tijd kwamen
-ontrooven en hem ook bestellingen deden, die de vriendelijke meester
-niet wilde weigeren. Toch wilde het vandaag met den arbeid aan het
-groote schilderij niet vlotten. Zijn oogen dwaalden telkens naar een
-tweeden schildersezel, waarop een klein, pas begonnen stuk stond, den
-twaalfjarigen Jezus te midden der schriftgeleerden, voorstellende. Het
-was om hem eenige afwisseling te geven bij den omvangrijken arbeid
-van het altaarstuk, dat hem door de groote afmeting soms te zeer
-vermoeide. Acht dagen geleden was hij er pas mee begonnen en nu was
-het bijna af--met zooveel toewijding en ijver had hij er aan gewerkt.
-
-Toen hij juist goed op streek was, werd er geklopt en met gefronste
-wenkbrauwen mompelde Dürer: "men gunt mij zelfs de vroege ochtenduren
-niet!"
-
-Maar zijn gelaat verhelderde zoodra hij den binnenkomende herkende. Het
-was een jonge, nauwelijks twintigjarige man, met dichte, zwarte lokken
-en een edel, bleek gelaat, dat duidelijk den kunstenaar verried.
-
-"Wees welkom, mijn beste Titiaan!" riep Dürer en hij stak hem zijn
-beide handen toe. Hij wist dat de kunstenaar, die voor hem stond,
-hem oprechte vereering toedroeg. Titiaan zag met evenveel bewondering
-tot Dürer op als zijn grijze leermeester Bellini.
-
-"Wat zie ik?" riep hij uit, toen zijn oogen op den tweeden
-schildersezel vielen. "Ik dacht, dat ik, na u acht dagen met rust te
-hebben gelaten, het altaarstuk goed gevorderd zou vinden, en zijt gij
-nu nog met studies daarvoor bezig, of," voegde hij er glimlachend bij,
-"is dit geen studie voor het groote schilderij?"
-
-Dürer moest eveneens lachen. "Het is een op zich zelf staand
-schilderij, waartoe uw leermeester Bellini mij heeft opgewekt. Het
-zal mij evenwel niet lang meer ophouden, want ik denk het morgen af
-te maken en dan heb ik er slechts vijf dagen voor gebruikt."
-
-"Vijf dagen?" vraagde Titiaan en zag Dürer strak aan. "Hebt gij een
-verbond met den booze gesloten? Het is tooveren! Zulk een stuk in
-vijf dagen?"
-
-"Dat is alleen vlugheid, waarde Titiaan," antwoordde Dürer. "Ik wilde
-mijn geest, die door het groote altaarstuk te veel vermoeid was, een
-weinig verfrisschen, door iets anders onder handen te nemen. Overigens
-heb ik ter wille van het groote werk veel andere opdrachten afgewezen,
-die mij meer geldelijk voordeel zouden hebben aangebracht dan dit
-groote stuk, waarvoor men mij 85 ducaten heeft beloofd.
-
-"Het is waarlijk niet de zucht naar geld, die mij bezielt; doch denk
-eens hoeveel mijn onderhoud mij dagelijks kost en dat ik toch ook een
-deel der opbrengst mee naar huis moet nemen voor hen, die aan mijn
-zorgen zijn toevertrouwd. Indien ik alles op mij had kunnen nemen,
-wat men van mij verlangde, zou ik wel tweehonderd ducaten hebben
-verdiend. En niettegenstaande al de vriendschap, die men mij bewijst,
-zou ik hier aan lager wal geraken, als mijn houtsneden en de andere
-werken, die ik uit Neurenberg heb meegenomen, mij geen voldoende
-som hadden opgebracht. Maar nu heb ik plan om, zoodra het kleine
-schilderij klaar is, met alle kracht aan het groote te gaan werken."
-
-"Om het met Pinksteren klaar te kunnen hebben?" vraagde Titiaan.
-
-Dürer haalde de schouders op. "Dat is onmogelijk; er zijn daarvoor
-veel te veel figuren op het stuk."
-
-Titiaan nam nu uit een portefeuille een teekening te voorschijn. "Ik
-wilde u dit laten zien, om van u te hooren of gij vindt, dat ik
-vorderingen heb gemaakt door uw voorbeeld."
-
-Het was een landschap met bergen en een kasteel in het dal. Titiaan
-was inderdaad in dit genre een leerling van Dürer geworden en deze
-kon niet nalaten hem om dit stukje zeer te prijzen.
-
-Titiaan wist, dat deze lof welgemeend was en voelde zich, toen hij
-naar huis ging, innig dankbaar en gelukkig gestemd.
-
-
-
-De eene maand na de andere verliep; de geheele zomer ging voorbij
-en nog steeds was het schilderij niet af. Hoe meer de meester er mee
-vorderde, hoe meer hij ook den grooten omvang besefte van hetgeen hij
-op zich had genomen. Daarbij kwamen er op nieuw allerlei opdrachten,
-die hij niet kon weigeren en die tegelijkertijd winst afwierpen.
-
-Eindelijk, op den 29sten September werd het in de stad verbreid,
-dat meester Dürer de laatste hand aan het altaarstuk, dat men sedert
-korten tijd het "Rozenkransfeest" noemde, had gelegd.
-
-Daarop begaf iedereen zich naar de werkplaats bij de Rialtobrug--een
-ieder, wien liefde tot de kunst bezielde, maakte zich op om van
-het kunstwerk te genieten. De geheele kunstwereld was verzameld,
-ook de adel, ja zelfs het wereldlijke en 't geestelijke opperhoofd
-van Venetië, de Doge en de Patriarch, beide uitstekende kunstkenners,
-kwamen kijken.
-
-Eerst heerschte er onder de verzamelden een eerbiedige stilte, men
-voelde zich overweldigd door den grootschen indruk, maar daarna brak er
-zulk een storm van loftuitingen los, dat Dürer hooren en zien verging.
-
-Zijn werk verdiende trouwens volkomen zulk een lof: het was een
-meesterstuk. [20]
-
-Omgeven door een zonnig landschap, zit de H. Maagd op een troon. Haar
-lokken zijn goudblond en haar kleed is hemelsblauw; op haar schoot
-zit het Christuskind, terwijl twee zwevende engelen een gouden kroon
-boven haar hoofd houden. Rechts van den troon staat de H. Dominicus,
-die het gebruik van het rozenkransgebed invoerde; links ziet men
-nog andere engelen, die de gestalten, die rondom geknield liggen,
-met kransen van levende rozen bekronen. Aan de voeten van Maria zit
-een engel met een mandoline; op den voorgrond knielen Paus Julius
-II en keizer Maximiliaan I, gehuld in ruime, purperen mantels; de
-eerste wordt door het kind Jezus; de andere door de Maagd Maria met
-een krans van rozen gekroond. Ook andere bekende personen komen op het
-schilderij voor, o.a. meester Hieronymus van Augsburg, de bouwmeester
-van het Duitsche handelshuis te Venetië; op den achtergrond rechts
-heeft Dürer zijn boezemvriend, Wilibald Pirkheimer, vereeuwigd en
-naast hem schilderde hij zijn eigen gestalte.
-
-Welk een groot aantal figuren en toch zulk een eenheid van groepeering;
-welk een grootheid en ernst lag over het geheel verspreid en toch
-hoe vrij was alles behandeld en hoeveel leven sprak er uit! En
-dat alles werd nog overtroffen door den gloed en de pracht van
-het coloriet! Dürers vijanden hadden durven zeggen: "Ternauwernood
-kan hij teekenen, maar schilderen kan hij in het geheel niet"--nu
-moesten zij verstommen: dit meesterstuk sloot allen spot den mond. De
-opgewondenheid nam daardoor nog toe en in geheel Venetië sprak men in
-die dagen over niets anders dan over meester Dürer en zijn grootsche
-schepping.--
-
-Toen de toevloed van nieuwsgierigen voorbij was, trad op zekeren
-namiddag, terwijl Dürer bij den Markies Proschi een feestmaal
-bijwoonde, een aanzienlijke vrouw, door een bediende begeleid, de
-werkplaats bij de Rialtobrug binnen. Zij nam plaats tegen over het
-altaarstuk en bleef langen, langen tijd in diep, eerbiedig zwijgen
-verzonken, alsof de werkplaats een kerk ware, waar de priester de mis
-bediende. Haar handen waren gevouwen en haar oogen stonden vol tranen.
-
-Eindelijk stond zij op en verliet de gewijde plaats: "Dat was een zalig
-oogenblik," fluisterde zij terwijl zij haar oogen afwischte. Het was
-Signora Bella.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-BEDWELMENDE WIEROOK.
-
-
-Op een stillen, somberen Novembermorgen voeren eenige gondels het
-"Canale grande" af. In pronkgewaad gehuld, alsof men op weg naar een
-feest was, deed de groep kunstenaars, die Dürer te Venetië om zich
-had verzameld, hem uitgeleide op zijn reis naar Bologna.
-
-Het was zijn hartewensch geweest, Rome, die stad der steden, het
-paradijs der kunst, te zien, en het scheen, dat deze wensch zou worden
-vervuld, daar het bericht kwam, dat Keizer Maximiliaan een bedevaart
-naar Rome wilde ondernemen, waarbij hij zich wilde aansluiten. Doch
-dit voornemen van den keizer kwam niet tot uitvoering en Dürer moest
-zijn plan opgeven. Ook was hij zoo gaarne naar Mantua gegaan, om zijn
-leermeester Mantegna te bezoeken. Zoo gauw zijn altaarstuk klaar was,
-wilde hij daarheen gaan, toen op den dertienden September het bericht
-kwam, dat de grijsaard was gestorven. Nu besloot hij naar Bologna
-te gaan, omdat hij wist daar gelegenheid te hebben om nog meer te
-leeren en vooral de geheimen der perspectief te doorgronden. Niet
-dat hij daarvan niet op de hoogte was, maar het was hem te doen om
-zekere practische voordeelen tot vergemakkelijking der mechanische
-constructie, waarop de kunstenaars van Bologna bijzonder trotsch waren,
-en die zij angstvallig geheim hielden.
-
-Hij nam zijn weg over Ferrara. Tot zijn groote verbazing werd Dürer aan
-de poort der stad door een groot aantal der aanzienlijkste inwoners
-opgewacht en begroet. Ricardo Sbroglio, die uitstekende geleerde,
-ontrolde een blad perkament en droeg een lang gedicht voor, vol
-uitbundigen lof over den Duitschen meester, die zijn wangen voelde
-gloeien en niet wist, waarheen hij zijn oogen moest wenden. Wel was
-hij in Venetië reeds aan overmatige loftuigingen gewend, maar hier was
-het toch nog erger. Natuurlijk liet men hem niet dadelijk vertrekken;
-hij moest een geheelen dag blijven en men bood hem een gastmaal aan
-in het stadhuis.
-
-Den volgenden dag deed men hem in optocht uitgeleide en een der
-edelen liet er zich niet afbrengen hem te vergezellen en met hem
-Bologna binnen te rijden.
-
-Toen zij de stad naderden, bemerkte Dürer, dat men ook daar op de
-hoogte van zijn komst was. Aan de poort stond eveneens een groote
-menschenmassa en toen hij dichter bij kwam, zag hij van de met groen
-en bloemen versierde stadspoort bonte vlaggen wapperen.
-
-In de voorste rij van de verzamelde menigte stonden de, in Bologna
-woonachtige, kunstenaars. Dürers gelaat teekende blijdschap, toen
-hij aan de spits der schilders een bekend gezicht zag en nog wel
-het gezicht van een stadgenoot, Christoffel Scheurl, den Duitschen
-thesaurier aan de universiteit van Bologna. Het huis, waarin hij
-was geboren, stond in Neurenberg "onder de veste" schuin tegenover
-Dürers huis. Hij was drie jaar jonger dan deze en behoorde tot diens
-vurigste bewonderaars.
-
-Nu had er een hartelijke begroeting plaats, waarna de kunstenaars en
-edelen aan de beurt kwamen; zij voerden Dürer in triomf mee naar de
-markt en noodigden hem uit de gildekamer der schilders binnen te gaan,
-waar de eigenlijke ontvangst zou plaats hebben. Het deed Dürer goed,
-die gezichten, waarop zooveel welgemeende hartelijkheid en oprechte
-bewondering te lezen stond, om zich heen te zien.
-
-Op een wenk van den ouden Francesco Raibolini trad een jonge man
-vooruit, ook een schilder, Luca Pacioli geheeten: een statige gestalte
-met schitterende oogen en lange, golvende, ravenzwarte haren. Hij sprak
-Dürer aldus aan: "Heil wedervaart heden onze stad Bologna, nu zij zulk
-een gast binnen haar muren mag zien, een man met een stralenkrans
-van roem en eer gesierd, en die, waar hij ook komt, triomfen viert
-en iedereen bewondering afdwingt. Wij buigen ons ootmoedig voor u,
-Meester Albrecht Dürer, den grootsten schilder der wereld, die is
-gekomen op een hoogte, die niemand ooit heeft bereikt, of immer zal
-bereiken. Bologna heeft Venetië haar hoogen gast benijd--nu is dit
-niet meer noodig, nu de meester der meesters het niet beneden zich
-heeft geacht ook Bologna's poort binnen te komen--en het sterven zal
-ons gemakkelijker vallen, nu wij hem, naar wien ons hart zoo lang
-heeft verlangd, hebben mogen aanschouwen. Wees welkom, Meester Dürer,
-wees duizendmaal welkom in onze goede stad!"
-
-Op deze woorden volgde een diepe stilte: Dürer, in verwarring
-gebracht door dien bombast en overdreven lof, welke dien te Ferrara
-nog overtrof, wist zoo dadelijk niet wat te antwoorden. Gelukkig kwam
-de oude Raibolini hem te hulp, doordat hij op hem toetrad en hem op
-vaderlijke wijze de hand drukte, zeggende:
-
-"Pacioli heeft in ons aller naam gesproken, laten wij u nu ieder
-afzonderlijk de hand mogen drukken als zegel op hetgeen hij heeft
-gezegd."
-
-Ook de anderen traden op hem toe en nu werd Dürer weer zich zelf, en
-kon hij hen danken op Duitsche manier, dat is op rustige, bedaarde
-wijze, die om het ongewone daarvan op zijn bewonderaars een diepen
-indruk maakte en hun bewezen, hoe bescheiden die door hen zoo hoog
-geroemden en vergooden kunstenaar was.
-
-Meester Dürer bleef verscheidene weken in de stad, waar men het niet
-moede werd, hem voortdurend te huldigen, totdat hij onder Pacioli's
-leiding zooveel had geleerd als hij begeerde. Daarop nam hij afscheid
-en keerde naar Venetië terug.
-
-Nu eerst brak voor hem de tijd aan, dat hij zich vrij kon bewegen
-en den drang van zijn genie volgen, want nu hij zijn opdracht had
-vervuld en de Bartolomeuskapel met zijn altaarstuk prijkte, kon
-hij schilderen, wat hij wilde. En naar hartelust hanteerde hij nu
-penseel en graveerstift, terwijl zijn geldbuidel dagelijks meer werd
-gevuld. Met gerustheid kon hij zich aan zijn lust tot scheppen en aan
-het gezellig samenzijn met Venetiaansche kunstbroeders overgeven, want
-de berichten van zijn gezin waren steeds gunstig. Door zijn vriend
-Pirkheimer vernam hij, dat de pest reeds sinds lang had opgehouden
-haar offers te eischen en dat al de zijnen goed gezond waren. Dit en
-nog andere berichten verblijdden hem zeer.
-
-Op deze wijze ging de laatste tijd van het jaar voorbij.
-
-Toen men evenwel het nieuwe jaar was ingetreden, werd zijn
-verlangen naar de zijnen hem te machtig en besloot hij te vertrekken,
-niettegenstaande de pogingen der Signoria, die hem door het aanbieden
-van een jaargeld van tweehonderd dukaten, trachtte over te halen,
-te Venetië te blijven. Doch Dürer weigerde, hoe zwaar het hem ook
-viel, te scheiden van de stad, waar men hem op de handen had gedragen
-en van dit land, waar de zon zooveel helderder scheen en de kleuren
-zooveel meer gloed bezaten dan in het koude noorden. De vriendschap,
-die men in deze dagen hem in dubbele mate bewees, maakte hem het
-scheiden nog moeilijker. Daarom verblijdde het hem te hooren, dat de
-handelsreizigers, bij wie hij zich op de terugreis wilde aansluiten,
-'s morgens vroeg op weg gingen, want hij hoopte, dat het afscheid
-daardoor in alle stilte zou plaats hebben. Maar daarin zag hij zich
-teleurgesteld; het was bekend geworden op welk uur hij van plan was
-heen te gaan, en zoo moest hij zich laten welgevallen, dat een groote
-menigte vrienden en vereerders hem uitgeleide deed tot ver buiten de
-poort der stad.
-
-Het kostte hem moeite om bij de laatste groeten en handdrukken zijn
-aandoening te bedwingen en toen hij op grooten afstand nog eenmaal
-het hoofd omwendde naar de stad Venetië, die juist schitterde in het
-purper en goud der opgaande zon, was hij zich niet langer meester en
-er blonk een traan in zijn oog.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-OP HET TOPPUNT VAN ROEM.
-
-
-Langen tijd na zijn terugkomst ging Albrecht Dürer zijn weg als in een
-droom. Alles was hem zoo vreemd geworden en met den arbeid kon hij niet
-op streek komen. Na het verblijf in het zonnige Zuiden, waar hij langer
-dan een jaar had vertoefd, weder verplaatst in het land van sneeuw
-en grijze luchten, moest hij tijd hebben om zich daar weer in te leven.
-
-Het wederzien der zijnen had zijn hart goed gedaan en hem uitermate
-verheugd; vooral was zijn jongste broeder Hans een reden tot blijdschap
-geweest. De knaap had bij den ouden Wolgemut veel geleerd en het bewijs
-geleverd, dat er een uitstekend kunstenaar in hem stak, van wien men
-kon verwachten, dat hij onder de leiding van zijn ouderen broeder zich
-nog verder zou ontwikkelen en hem een goede hulp worden. De leegte,
-die den teruggekeerde in den vreemde voelde, werd hier in zijn tehuis
-aangevuld, doch den kunstenaar ontbrak iets; aan zijn scheppingskracht
-ontbraken de ware drang en bezieling.
-
-In Maart kreeg hij weer een opdracht van zijn vroegeren begunstiger,
-den keurvorst Frederik van Saksen, die een nieuwe paneelschildering
-van hem begeerde, voorstellende hetzelfde onderwerp, dat Dürer eenige
-jaren geleden in houtsneden had behandeld; de marteling der tienduizend
-onder Koning Sapores van Hongarije. Dürer maakte daarvoor een ontwerp
-en teekende de schets, maar hij voelde, dat de echte bezieling hem
-ontbrak en stelde de uitvoering telkens weer uit.
-
-Ook de ontwakende lente was niet in staat om hem te bezielen, en in het
-midden aan den zomer bleek het wat het was, dat hem in dien toestand
-had gebracht. Op zekeren morgen kon hij het bed niet verlaten, omdat
-hij door hevige hoofdpijn werd gekweld. Terstond liet zijn bezorgde
-vrouw den dokter halen, en deze wist langen tijd niet welke ziekte hem
-aan zijn leger kluisterde en waaruit zij voortkwam; de medicijnen,
-die hij klaar maakte, bleven zonder eenige uitwerking op de koorts,
-die reeds terstond in hevige mate was opgekomen en naar niets wilde
-luisteren. De zieke nam verontrustend in krachten af, omdat hij niets
-wilde eten, doch voortdurend begeerde te drinken.
-
-Pirkheimer, die van zijn reis voor stadsbelangen was teruggekeerd,
-ontstelde toen hij zijn vriend in dezen toestand terug zag en zorgde
-er voor, dat er een tweede geneesheer werd geraadpleegd, in wien hij
-bijzonder veel vertrouwen had.
-
-En werkelijk, het gelukte dezen arts de koorts te bedwingen, zoodat
-de kranke na eenige dagen kalm werd en kon slapen--zelfs begeerde hij
-voor het eerst weer iets te eten, en zijn huisgenooten herademden na
-deze lange, bange dagen. Toch ging er nog een geheele week voorbij,
-voordat de zieke het bed mocht verlaten en hij voelde zich toen nog
-zoo zwak, dat hij nauwelijks een voet kon verzetten.
-
-Wat was dat edel, schoonbesneden gelaat smal en bleek geworden, en hoe
-doorschijnend waren die vermagerde handen. Het kostte Vrouwe Agnes
-moeite haar tranen te bedwingen, toen zij hem zoo in zijn stoel zag
-zitten en haar hart voelde zich met innige, warme liefde getrokken
-tot hem, wien zij haar teederste zorgen wijdde.
-
-Deze trouwe toewijding deed den kranke goed en hij dankte God in stilte
-voor deze ster in den donkeren nacht. Zijn krachten namen merkbaar
-toe en tegen het eind van Augustus was hij in zooverre hersteld,
-dat hij weer aan den arbeid kon gaan.
-
-Naar lichaam en geest gesterkt, ging toch het werk slechts langzaam
-van stapel.
-
-Misschien was 't het onderwerp, dat hem niet genoeg wist te bezielen,
-want een terechtstelling van vele duizenden op de afschuwelijkste
-wijze was ook weinig verkwikkelijk! Het kwam er op aan door de
-wonderen der kunst het afgrijselijke hiervan te bedekken; en zie,
-hoemeer moeite de kunstenaar zich gaf, om dit doel te bereiken,
-des te grooter werden ook zijn bezieling en scheppingskracht. Toch
-ging de arbeid langzaam voort, omdat hij dikwijls ander schilder-
-of teekenwerk onder handen nam; en toen hij de laatste hand er aan
-legde, was er bijna een jaar voorbijgegaan.
-
-De schepper van dit kunstwerk voelde zich bevredigd en verheugde
-zich in den lof der kenners, die vooral de handigheid bewonderden,
-waarmee de kunstenaar het oog tot de afzonderlijke groepen wist te
-trekken, zoodat het vreeselijke van het geheel niet te veel de aandacht
-trok. Op den voorgrond ziet men den koning met zijn gevolg in turksche
-kleederdracht. Op het tweede plan staan palen opgericht, waaraan de
-heiligen zijn gebonden; rechts daarvan gaan een menigte ontkleede
-gevangenen een hoogte op, van waar de martelaars in den afgrond,
-vol spiezen en stokken, worden geworpen. Links worstelen een aantal
-bloedgetuigen aan het kruishout met den dood en daarnaast legt een
-ander zijn hoofd op een blok, terwijl daar om heen een groote schare,
-waaronder ook een bisschop, op hetzelfde lot wacht.
-
-Terwijl nu iedereen het tentoongestelde stuk bewonderde, had Dürer
-reeds een ander groot schilderij in zijn geest voorbereid, waartoe hij
-zich nu met hart en ziel aan het werk zette. Hij had een bestelling
-uit Frankfort gekregen om voor het altaar van den H. Thomas in de
-kerk der Dominicanen een schilderij te leveren.
-
-Den man, die het had besteld, had hij in Neurenberg persoonlijk
-leeren kennen; het was de rijke lakenwever Jacob Heller, iemand,
-die uit bijzonderen angst voor zijn zieleheil er op uit was om door
-allerlei goede werken den duur van het verblijf in het vagevuur
-te verkorten. Voor 130 Rijnsche guldens zou Dürer dit aan de kerk
-beloofde altaarstuk schilderen. Dadelijk, nadat hij het voor den
-keurvorst bestemde schilderij had voltooid, ging Dürer aan den
-arbeid. Het zou een vleugelaltaarstuk worden: het middelste paneel,
-dat ook het voornaamste was, moest de hemelvaart van Maria voorstellen,
-de rechtervleugel den marteldood van Jacobus en de linker dien van
-de H. Catharina.
-
-Dürer was nog niet ver er mee gevolgd, toen hij zich verplicht
-voelde om aan Heller, die reeds op spoed begon aan te dringen, te
-schrijven, dat de schilderij zooveel tijd en zorg vereischte, dat
-hij op een prijsverhooging tot 200 gulden, moest aandringen. Doch hij
-beloofde daarbij, dat geen vreemde hand iets aan het middenstuk zou
-schilderen. Heller, die hierin zijn koopmansgeest niet verloochende,
-was hierover erg ontsticht; maar toen Dürer hem antwoordde, dat hij
-het schilderij wilde houden, omdat hem honderd gulden meer daarvoor
-was geboden, sloeg hij een anderen toon aan.
-
-Niettegenstaande deze onaangenaamheden ging het werk goed en vlug
-van de hand, en de bekwaamheid, die Hans bij zijn medewerking aan de
-zijvleugels aan den dag legde, droeg er niet weinig toe bij om zijn
-opgewektheid in dit kunstwerk te vermeerderen.
-
-De winter ging voorbij; de lente kwam en tegen Paschen was
-het middenste zoover gevorderd, dat er weinig meer aan ontbrak,
-en nu reeds baarde het alom in de stad groot opzien. Dürer werd
-meermalen door nieuwsgierigen gestoord; vele raadsheeren kwamen om
-hem hun oprechte hulde aan te bieden en ook de vreemdelingen, die te
-Neurenberg kwamen, verzuimden niet om hem op te zoeken. Sommigen boden
-hem groote sommen en wilden met alle geweld het schilderij bemachtigen,
-waardoor duidelijker dan ooit bleek, hoe hoog de Neurenberger meester
-ook in den vreemde stond aangeschreven. Op den derden Paaschdag
-verzamelde zich in alle kerken der stad het volk om de mis van den
-Heiligen Geest te hooren; na het einde van het koorgezang vermaanden
-de priesters de menigte tot bidden en werd God aangeroepen om Zijn
-zegen te geven over hetgeen op het raadhuis zou geschieden, opdat
-daar tot regenten zouden worden gekozen mannen, die aan wijsheid en
-verstand ook godsvrucht paarden.
-
-Na het einde van den dienst werd de klok van het raadhuis geluid en
-kwamen de raadsheeren bijeen voor hun gewichtige taak, waarvan de
-uitslag den volgenden dag aan de burgerij zou worden meegedeeld.
-
-Bij het vallen van den avond ging Albrecht Dürer, gekleed in
-zijn kostbaren, met marterbont omzoomden mantel, met zijn vrouw,
-die eveneens in feestgewaad was gehuld, uit in de richting van de
-Thiergärtnerpoort, om daar het groote huis, over welks aankoop Dürer
-met den eigenaar in onderhandeling was, nog eens nauwkeurig te gaan
-opnemen. Het was het hoekhuis in de Zistelstraat met het front naar
-het oosten.
-
-Op het oogenblik dat het echtpaar naar buiten trad, kwam de heer
-Imhoff, het hoofd van een der aanzienlijkste Neurenbergsche families,
-haastig op hen toegeloopen en stak hun beide handen toe. Zijn gelaat,
-dat gewoonlijk zulk een ernstige en barsche uitdrukking had, zag er
-nu bijzonder gelukkig en tevreden uit.
-
-"Wees gegroet, waarde Meester en ook gij, geachte Vrouwe! Ziet,
-met welk een gouden gloed de zon den hemel kleurt, als wilde zij een
-schoonen dag met een schoon besluit kronen. Zij ziet er zoo tevreden
-uit, alsof zij zich verblijdt over de stad Neurenberg, die zich heden
-van een eereschuld heeft gekweten. Houdt u maar goed." Daarop ging
-hij verder.
-
-Dürer zag hem verbaasd na en mompelde voor zich heen: "Wat scheelt
-dien man? Wat kan er toch gebeurd zijn?"
-
-Terwijl zij daar nog stonden, kwam er weder een heer met groote
-stappen op hen aan; het was Wilibald Pirkheimer. Ook zijn gelaat had
-een vreemde expressie, ook zijn oogen schitterden en op zijn vriend
-losstormend, trok hij hem mee naar binnen in het voorhuis en viel
-hem om den hals met de woorden: "Geluk gewenscht, heer collega!"
-
-Nu werd Dürers verwarring nog grooter: "Wat is er toch gebeurd? Eerst
-doet de heer Imhoff zoo wonderlijk en zegt onbegrijpelijke dingen
-en nu doet gij nog veel dwazer! Kunt gij, beiden, dan geen goed
-verstaanbare taal meer spreken?"
-
-Vroolijk klopte Pirkheimer zijn vriend op den schouder. "Alles op
-zijn tijd, zegt koning Salomo. Laten wij vandaag maar eens dwaas zijn,
-morgen is het weer tijd om verstandig te praten. Houdt u maar goed!"
-
-Met deze woorden ging ook hij verder.
-
-Dürer bleef nog een oogenblik met zijn vrouw in het voorhuis, alsof
-hij nog een derden dwaas verwachtte; daarop gingen zij samen uit en
-vergaten spoedig dit wonderlijke geval, toen zij aan het doel van
-hun wandeling dachten.
-
-"Ik verheug mij hartelijk op den dag, waarop wij onze nieuwe woning
-zullen kunnen betrekken," sprak Dürer. "Want hoewel wij meer ruimte
-hebben gekregen sinds vader is heengegaan, is het oude huis toch
-wel wat klein. God zij gedankt, dat Hij ons zoo heeft gezegend,
-voornamelijk door hetgeen ik in het buitenland heb verdiend, dat
-ik twee jaar geleden, de schuld, die op ons huis rustte, heb kunnen
-aflossen!"
-
-"Ja, het was wel klein, ons oude huis," zei Vrouwe Agnes, "maar het
-waren toch gelukkige jaren, die wij daarin doorbrachten. Moge de Heer
-ons even rijkelijk zegenen in onze nieuwe woning!"--
-
-Het was een statig gebouw, het huis op den hoek der Zistelstraat,
-met den voorgevel naar het ruime plein gericht. De vorige eigenaar,
-de sterrekundige Bernhard Walter was gestorven en nu wilden zijn
-erfgenamen het huis verkoopen en de opbrengst onder elkaar verdeelen.
-
-Dürer werd het voorloopig eens met den zaakgelastigde, nadat hij
-het huis nog eens nauwkeurig had bezichtigd en keerde daarna met
-zijn vrouw in de beste stemming huiswaarts. Den volgenden morgen
-werd de uitslag van de raadsverkiezing openbaar gemaakt. Kort daarop
-begaven zich de beide heeren, die de hoogste betrekking in den raad
-bekleedden naar de woning van Albrecht Dürer, juist op het oogenblik,
-dat hij naar zijn werkplaats was gegaan. Zij kwamen om den meester,
-die nu eensklaps vermoedde, wat er den vorigen dag was gebeurd,
-mee te deelen, dat de stad Neurenberg niet wilde, dat men haar kon
-verwijten een harer burgers de eer te onthouden, die hem toekwam en
-dat men daarom meester Dürer, wiens roem wijd en zijd was verbreid,
-tot raadslid had verkozen.
-
-Blozend als een jonkvrouw stond daar de meester, die op deze wijze werd
-gehuldigd en hij vond in zijn verwarring slechts enkele onsamenhangende
-woorden van dank. Maar toen de heeren weg waren, viel Agnes, die alles
-had gehoord, haar echtgenoot om den hals, drukte hem tegen zich aan
-en omhelsde hem met tranen in de oogen, terwijl zij fluisterde:
-
-"Uw vreugde is mijn vreugde, uw eer is mijn eer!"
-
-Albrecht Dürers hart begeerde geen ijdele eer, maar de vriendschap
-en hartelijkheid, die men hem zoo duidelijk met deze verkiezing had
-bewezen, deden hem goed en waren een nieuwe spoorslag voor zijn
-scheppend genie. Het schilderij, voor Frankfort bestemd, naderde
-zijn voltooiing; nog eenmaal werd zijn arbeid onderbroken door de
-verhuizing in Juni naar het huis bij de Thiergärtnerpoort--toen was
-het klaar en kon Dürer zijn monogram er onder zetten.
-
-Hij voelde zich gelukkig door deze nieuwe schepping, die hem innig lief
-was en waarvan hij met moeite scheidde. Bezield met teedere bezorgdheid
-voor zijn werk, zette hij zich neder om een brief er bij te schrijven:
-
-"Mijn eerbiedige groetenis, zeer waarde en hooggeachte Heer Heller!
-
-"Nu is de geduldsproef, waartoe ik u heb moeten dwingen, geëindigd en
-ontvangt gij het door u bestelde schilderij. Het doet mij genoegen,
-dat Frankfort de plaats van bestemming is; er is geen plaats in
-Duitschland, waar ik het liever zou zien. Het is geschilderd met
-de beste verven, die ik heb kunnen bemachtigen, en is met goede
-ultramarijn over- en opgeschilderd, wel vijf of zesmaal, en toen het
-klaar was, heb ik het nog tweemaal overgeschilderd, opdat het lang
-goed zou blijven. Indien gij het goed rein houdt, ben ik overtuigd,
-dat het vijfhonderd jaar kleur houdt, want het is op andere wijze,
-dan waarop men het gewoonlijk doet, geschilderd. Zorg er dus voor,
-dat het schoon wordt gehouden, dat men het niet aanraakt en het
-niet met wij water besprenkelt. Over twee of drie jaar kom ik zelf,
-om het op bijzondere wijze te vernissen, dat verzekert haar duur
-nog wel honderd jaar langer. Ik verzoek u dringend, dat gij niemand
-toestaat om het te vernissen, want het zou mij zeer spijten, dat
-een werk, waaraan ik langer dan een jaar heb gearbeid, daardoor werd
-bedorven. En wees zelf bij de plaatsing tegenwoordig, opdat het stuk
-niet worde beschadigd, terwijl ik u vriendelijk verzoek er voortdurend
-op te blijven letten." [21]
-
-Geheel Frankfort verdrong zich naar de Dominicanerkerk, toen het
-in de stad bekend werd, dat de schilderij, die door Jacob Heller
-was geschonken, was aangekomen en op het altaar van den H. Thomas
-prijkte! Iedereen was vol geestdrift, vooral de gever zelf, die bij
-den bedongen prijs nog een kostbaar gouden sieraad voor Vrouwe Agnes
-voegde. Dürer had in zijn "leven van Maria," hetzelfde onderwerp
-behandeld, maar welk een ontzettend groot verschil tusschen de
-kleine, zwarte houtsnede en het groote, van kleuren schitterende
-altaarstuk! In Italië verkondigde het Rozenkransfeest des meesters
-roem, maar op vaderlandschen bodem sprak dit tweede werk nog luider,
-want de schilderij te Frankfort overtrof die van Venetië door de
-levendige actie van alle figuren en de groote zuiverheid der teekening.
-
-In een kring staan de apostelen geschaard om het geopende
-graf van Maria, met een uitgestrekt, heerlijk landschap op den
-achtergrond. Johannes in het wit gekleed, buigt zich over de groeve,
-waarin hij staart. Rondom het graf staan sommige der apostelen, andere
-liggen geknield en allen heffen het gelaat hemelwaarts. De met groote
-zorg afgewerkte schilderachtige drapeering hunner gewaden, wedijvert
-in schoonheid met de fijn gevoelde kleurschakeering, die elk oog,
-ook het minst ontwikkelde, in verrukking moet brengen. Boven in de
-wolken des hemels zweeft Maria, die ten hemel vaart; zij heeft een
-blauw gewaad aan en een witte sluier omgeeft haar. Aan weerszijden
-houden God, de Vader, en Christus, de Zoon, de kroon des levens boven
-haar hoofd. God is voorgesteld als een vriendelijke grijsaard in goud
-en geelbruin kleed en Christus in purper gewaad als een overwinnaar
-en als de Rechter der wereld. Boven deze groep verschijnt in hellen
-lichtglans de H. Geest in den vorm eener duif, terwijl rondom een
-koor van engelen hun halleluja's met harpspel begeleiden.
-
-Dit is het middenstuk van het altaarschilderij, het hoofdmotief van
-het geheel. De twee zijvleugels, het martelaarschap van Jacobus en
-van de H. Catherina voorstellend, en met de beeltenissen van den gever
-Jacob Heller en van zijn vrouw Catherina von Mehlen versierd, stonden,
-hoe voortreffelijk ook van teekening, in de uitvoering achter bij
-het middenvak. Zij waren dan ook slechts als bijwerk bedoeld, maar
-juist daardoor waren zij geschikt om het effect van het voornaamste
-gedeelte te verhoogen.
-
-
-
-Terwijl geheel Frankfort nog in verrukking was over het meesterstuk
-van den Neurenberger kunstenaar en hem luide prees, was diens hand
-alweer bezig aan een nieuw, groot werk. Een Neurenbergsche burger
-had hem een altaarschilderij besteld voor de kapel van het door
-hem opgerichte Twaalfbroedershuis. En met waar genot greep Dürer
-deze gelegenheid aan om zijn geboorteplaats metterdaad zijn dank te
-bewijzen voor de eer hem aangedaan, om hem tot raadslid te verkiezen
-en nu een kunstwerk te scheppen, dat al de vorige nog zou overtreffen.
-
-Wel had hij zich voorgenomen geen groote paneelschilderingen meer
-te leveren, omdat de geringe sommen, die men er voor betaalde,
-tijd en moeite niet beloonden en hij daardoor weldra in geldelijke
-moeilijkheden zou komen; daarom was hij van plan in het vervolg
-voornamelijk zijn kunst in houtsneden, kopergravuren en etsen te
-geven, op welk gebied hij nieuwe vorderingen en ontdekkingen had
-gemaakt. Maar het was hem, om den genoemden reden, onmogelijk de
-opdracht van meester Mattheus Landauer te weigeren en daarom besloot
-hij zijn minder omvangrijken arbeid voor de avonduren te houden,
-hoewel dat bij het walmende kaarslicht zeer inspannend moest zijn. Door
-den vurigen wensch om zijn geboorteplaats het beste, wat hij had, te
-geven, kreeg zijn geest nieuwe gedachten en ontving zijn genie nieuwe
-openbaringen. En had hij reeds zijn uiterste zorg aan het Frankfortsche
-schilderij besteed, hier steeg die tot in het overdrevene.
-
-Reeds de vorm van het werk was nieuw. Het was geen vleugelaltaarstuk,
-maar een enkel paneel met een lijst, die de kunstenaar zelf had
-ontworpen en gemodelleerd. Dit bouwkunstig prachtwerk was uit
-hout gesneden en op zich zelf een meesterstuk. Op het vak in het
-ronde bovenstuk der lijst zit de Heiland, als Rechter der wereld,
-tusschen Johannes en Maria, terwijl op de beide hoeken twee engelen
-de bazuinen van het jongste gericht blazen. Daaronder op de fries ziet
-men het oordeel der wereld afgebeeld, de scheiding tusschen boozen en
-goeden. Dit bovenstuk wordt gedragen door twee Corinthische zuilen,
-met bewonderenswaardige fijnheid uitgevoerd.
-
-Dürer had voor de schilderij, die in deze heerlijke omlijsting zou
-worden gevat, hetzelfde onderwerp gekozen als Rafael terzelfde tijd
-te Rome, namelijk: de aanbidding der H. Drievuldigheid. Doch welk
-een verschil tusschen zijn opvatting en die van den Italiaan! Rafael
-schilderde voor de aanzienlijken en geleerden; Dürer voor allen,
-die met een beangst en verslagen hart troost bij den Heer zoeken;
-hij beoogde niet aesthetisch genot, maar wilde door zijn werk het
-gebroken hart genezen en bemoedigen en leverde dus dat, wat een
-waar altaarstuk moet zijn: een prediking in kleuren, een troost voor
-vermoeiden en belasten.
-
-En hoe goed was hem nu zijn prediking gelukt! Er lag een gouden
-gloed, als ochtendzonneschijn in Mei op de schepping, over het
-geheel verspreid. Alles schijnt bovenaardsch, het is alsof men
-niet met tastbare verf te doen heeft, maar alsof het een hemelsch
-luchtbeeld is. En de groepeering van het geheel! Het oog wordt niet
-getrokken door afzonderlijke deelen, maar het kan het geheel met één
-blik omvatten, zooveel harmonie is er in de rangschikking, zooveel
-eenheid in de stemming, die er in ligt uitgesproken! En nu de wemelende
-menigte der zaligen des hemels, die de H. Drievuldigheid aanbidden,
-evenals de Christengemeente op aarde, van den paus en den keizer af
-tot den landman met zijn dorschvleugel toe--hoe weerspiegelt op al
-die verschillende gezichten dit eene gevoel, dat aller hart bezielt,
-de jubel van het schepsel over de teweeggebrachte verlossing! En
-eindelijk, hoe eigenaardig is de opvatting en het weergeven van het
-goddelijk geheim der Drievuldigheid: God, de vader, boven wiens hoofd
-de H. Geest in de gestalte van een duif zweeft in stralenden glans,
-houdt naar beneden de groote, zalige verborgenheid; het bloedende en
-stervende Lam Gods aan het kruis genageld!
-
-Deze schilderij maakte een overweldigenden indruk. Behalve de
-stadgenooten kwamen ook vele vreemdelingen om dit hooggeprezen wonder
-van menschelijke kunst met eigen oogen te zien, en met diepgevoelde
-voldoening en vrome dankbaarheid jegens God, die hem deze heerlijke
-gave had verleend, zag de meester op het gelaat der beschouwers dat
-wat hij had begeerd te voorschijn te roepen, weerspiegeld: vroomheid
-en aanbidding.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-SCHILDER EN DICHTER.
-
-
-"Wie was dat toch, die van morgen vroeg zoo lang bij u in de
-werkplaats is geweest?" vraagde Vrouwe Agnes op zekeren dag aan haar
-echtgenoot. "Hij zag er zoo voornaam uit."
-
-"Ja, daarin hebt gij gelijk," antwoordde Dürer, "het was Ulrich Fugger,
-een man uit een der oudste en rijkste families van Augsburg. Hij is
-eerst naar de Allerheiligenkapel gegaan om het schilderij te zien en
-daarna is hij bij mij gekomen om te vragen, of ik voor hem ook zulk
-een stuk wil schilderen."
-
-Vrouwe Agnes kon haar ontsteltenis niet verbergen en vraagde snel:
-"En hebt gij het beloofd? Gij kunt zoo moeilijk iemand iets weigeren."
-
-Glimlachend legde Dürer zijn hand op haar arm. "Wees niet bezorgd;
-dezen keer is uw man niet zwak geweest. Die heer uit Augsburg heeft
-getracht mij te vangen, door mij den grootst mogelijken lof toe te
-zwaaien, maar ik heb dapper weerstand geboden, want ik ben vast
-besloten geen groote paneelschilderingen meer te maken, daar zij
-slecht worden betaald en mij dikwijls ook nog ergernis en verdriet
-berokkenen."
-
-"Heeft Bisschop Johan van Breslau nu eindelijk zijn schuld
-afgedaan?" vraagde Catherina, de zuster van Vrouwe Agnes, die er bij
-tegenwoordig was. "Ik herinner mij, dat gij u beklaagdet, omdat hij
-steeds uitstelde het mooie schilderij van Maria, dat hij bij u kocht,
-te betalen."
-
-"Eindelijk, na drie jaar," antwoordde Dürer, "is hij er toe overgegaan
-om mij te betalen en het zou toen zeker nog niet zijn gebeurd, als
-zijn geheimschrijver, Johannes Hessus, een Neurenberger, mij niet
-had geholpen. Hij schreef mij, dat de bisschop zich volstrekt niet
-meer herinnerde voor welken prijs wij het eens waren geworden. En
-daarom wil ik met die aanzienlijke heeren niets meer te maken hebben
-en mij weer meer gaan bekommeren om het volk, waaraan ik mij in de
-laatste jaren te weinig heb laten gelegen liggen. Met dat doel voor
-oogen wil ik mijn teekeningen uit de Openbaring van Johannes op nieuw
-uitgeven; en ook andere houtsneden en kopergravuren, waarvan ik het
-meerendeel reeds sinds lang klaar heb, met nieuwe platen vermeerderen,
-zooals het leven van Maria, en de groote en kleine Passie, de eerste
-op koper gegraveerd en de laatste als houtsneden. Het leven van
-Maria telt nu twintig teekeningen; de groote Passie twaalf en de
-kleine zevenendertig. Daarmee geloof ik het Duitsche volk beter
-van dienst te kunnen zijn dan met mijn groote altaarschilderijen
-en het is tegelijkertijd voordeeliger voor het onderhoud van mijn
-gezin.--Maar nu heb ik nog een bijzonder plan in mijn hoofd: ik wilde
-de teekeningen niet als losse bladen uitgeven, maar bij elkaar gebonden
-in een boek en voorzien van bijschriften, opdat de minst ontwikkelde
-hun beteekenis en doel zouden kunnen begrijpen. Mijn goede vriend,
-Pater Chelidonius van de Benedictijnen is mij daarin behulpzaam en
-heeft mooie versregels daarvoor gemaakt, die bij elke teekening van
-de groote en kleine Passie zullen worden gedrukt. Op die wijze zullen
-het meditatieboeken worden ter bevordering van het zieleheil.--En nog
-iets anders wil ik u vertellen, beste Catherina, als gij het ten minste
-niet reeds door Agnes hebt gehoord: Anton Koburger, mijn peter, zal
-mij helpen aan een drukpers, die ik in mijn eigen huis wil opstellen,
-dan kan ik mijn werk zelf afdrukken. Hans en een der gezellen kunnen
-mij daarbij helpen, dan kunnen zij zich ook in die kunst oefenen."
-
-Er werd op de deur geklopt en er trad een monnik binnen in de
-kleederdracht der Benedictijnen.
-
-"Lupus in fabula!" riep Dürer vroolijk en hij reikte zijn vriend
-de hand.
-
-"Daar juist sprak ik van u en nu staat gij in levende lijve voor
-mij! Wees hartelijk welkom!"
-
-De pater zette zich aan de tafel en haalde een rol papier uit zijn
-pij te voorschijn:
-
-"Zie eens, Meester, of gij over mijn werk tevreden zijt. Het eerste
-boekje is nu klaar; aan het andere wilde ik niet beginnen, voordat
-ik uw oordeel had gehoord."
-
-Dürer nam het papier en las eenige oogenblikken in stilte, daarop
-reikte hij over de tafel den monnik de hand. "Gij hebt mij begrepen,
-zoo heb ik het bedoeld. Ga maar op deze wijze voort, dan zullen mijn
-teekeningen ingang vinden bij het volk en goed worden begrepen.--Gij
-zijt een uitstekend poëet, beste Chelidonius! Ik zal uw verzen aan mijn
-vriend Pirkheimer laten lezen, hij zal zeker daarmee zijn ingenomen."
-
-De meid bracht op een wenk van Vrouwe Agnes een kan wijn binnen
-en de vrouw des huizes vulde de kleine, tinnen kroezen met het
-druivensap. Toen kwamen allen in de beste stemming, vooral meester
-Dürer, die het gezelschap aangenaam onderhield met te vertellen, wat
-hem in Venetië was overkomen. Maar eensklaps liet hij dit onderwerp
-varen en zich tot den monnik keerend, zei hij: "Ook ik ben eenige
-jaren geleden begonnen mij in uw kunst te oefenen en heb het gewaagd
-versregels aan elkaar te lijmen."
-
-Verbaasd keek de pater hem aan. "Zijn dan de Muzen zoo mild geweest
-om u alle gaven in den schoot te werpen?"
-
-Dürer moest lachen. "Wees niet te voorbarig met uw lof; ik ben al
-genoeg bestraft, omdat ik mij op vreemd terrein heb gewaagd, vooral
-door mijn vriend Pirkheimer. 't Is nu twee jaar geleden, dat ik mijn
-eerste rijmpjes heb gemaakt. Het waren slechts twee regels en ik
-had goed geteld, de eene had evenveel lettergrepen als de andere,
-en daarom dacht ik, dat het goed was, het versje was als volgt:
-
-
- Gij aller englen spiegel en Verlosser van de zonden.
- Om mij hebt gij zulk bitter lijden en den dood gevonden.
-
-
-"Toen ik dit aan mijn vriend Pirkheimer liet zien, lachte hij mij uit
-en zei, dat elke regel niet meer dan vier voeten of acht lettergrepen
-mocht hebben. Daaraan gedachtig, ging ik dadelijk weer aan het werk
-en rijmde achttien regels bij elkaar, waarin ik God vraagde om de
-acht gaven der wijsheid.
-
-"Het begon zoo:
-
-
- Bidt om der wijsheid gaven acht,
- God geen naarstig bidder veracht.
- Met recht wordt een man wijs genoemd,
- Die niet op geld of armoe roemt.
-
-
-"En zoo ging het door. Nu meende ik zeker te kunnen zijn van de
-goedkeuring van den hooggeleerden heer Pirkheimer, maar ik vergiste
-mij: hij begon weer dadelijk te spotten en te vitten. Ik dacht dat hij
-mij die kunst misgunde en ging daarom naar den heer Lazarus Spengler,
-den Secretaris der stad, daar hoopte ik een zachter en rechtvaardiger
-oordeel te vinden. Maar ook die verwachting werd bedrogen, want hij
-wroette in mijn verzen als een everzwijn in een wijnberg en zond
-mij de totaal veranderde verzen weer terug met een spotdicht er bij,
-waarvan ik mij het begin nog heel goed herinner:
-
-
- Ofschoon men vaak door vele lieden
- De vreemdste dingen ziet geschieden,
- Waarover men verbaasd moet staan,
- Zoo wil ik u iets zeggen gaan,
- Dat uwe lachlust op zal wekken
- En u tot groot vermaak zal strekken.
- En daarom zeg ik: luister dan!
- Gij, allen, kent gewis een man
- Met langen baard en krullend haar,
- Een nooit volprezen kunstenaar
- Met teekenstift en met penseel,
- Aan roem en eer heeft hij ruim deel,
- In ieders achting hoog gerezen!
- En daar hij schrijven kan en lezen,
- Is hij zich waarlijk gaan verbeelden:
- In woord en rijm iets af te beelden
- Speelt hij ook, als een dichter, klaar,
- Nu rijmt hij verzen bij elkaar.
- Maar hoe hij rijmt, het gaat niet vlot!
- En 'k vrees gewis, dat aan het slot
- Hem wacht des schoenenmakerslot.
-
-
-"En dan wordt er verder verhaald van een schoenmaker, die een
-schilderij bekijkt, dat door een schilder in de zon was geplaatst om te
-drogen en die tot den kunstenaar zegt, dat de schoenen die hij heeft
-geschilderd niet goed zijn. Daarop verbetert de schilder de fout,
-die hem wordt aangewezen en zet het stuk weer in de zon. Nu waagt
-de schoenmaker in zijn overmoed ook aanmerkingen op de plooien in de
-kleederen te maken--maar daarover wordt de schilder boos en vraagt,
-of hij zich verbeeldt ook kleermaker te zijn en hij roept hem toe:
-schoenmaker, blijf bij uw leest! En na dit verhaal besluit de heer
-Spengler zijn gedicht aldus:
-
-
- Ik zeg daarom tot dezen man,
- Die zoo voortreflijk schildren kan:
- Laat mij u raden, blijf daarbij,
- Dan ducht gij geene spotternij."
-
-
-"Hoe onaardig van hem; ik had zoo iets in het geheel niet van den
-heer Spengler verwacht," riep Catherina uit en juist wilde Vrouwe
-Agnes in den zelfden geest lucht geven aan haar verontwaardiging,
-toen Dürer, hartelijk lachende, vervolgde:
-
-"Wees maar niet boos op hem, ik heb het hem betaald gezet, want
-terstond heb ik de pen weer opgenomen en hem het volgende hekeldicht
-gezonden:
-
-
- 't Is wetenswaardig wel gewis,
- Dat in Neurenberg een schrijver is,
- Die zich zelf vindt een kranig man,
- Omdat hij missiven schrijven kan.
-
-
-"En daarop heb ik hem ruim zijn deel gegeven en hem bij een notaris
-vergeleken, die maar één enkel formulier voor zijn akten er op
-nahoudt en zich daardoor de spotternij der menschen op den hals
-heeft gehaald. Daarna heb ik hem nog meer getrotseerd en gezegd,
-dat ik niet alleen verzen wilde schrijven, maar mij ook met de
-artsenijkunde zou gaan bemoeien en tegelijkertijd heb ik allerlei
-recepten van schilderspreperaten voor hem opgeschreven en ben op deze
-wijze geëindigd:
-
-
- En al lacht die schrijver nog zoo luid,
- Met dichten scheid ik toch niet uit;
- Dat zegt die gebaarde, langharige schilder
- Tot den spotlustigen schrijver."
-
-
-Er was wel een beetje angst in de vragende blikken, die zich daarop
-op den spreker richten en Catherina vraagde haastig: "En hoe heeft
-de heer Spengler die woorden opgenomen?"
-
-"Juist zooals zij waren bedoeld," antwoordde Dürer glimlachend:
-"als een grap en we zijn altijd goede vrienden gebleven. Pirkheimer
-is later ook tot andere gedachten gekomen; toen hij zag, dat het
-mij ernst was om mij op de dichtkunst toe te leggen, heeft hij mij
-geholpen om den vorm mijner verzen mooier en sierlijker te maken. En
-nu zal ik u ook maar vertellen, dat ik een heele verzameling verzen,
-die niemand ooit heeft gelezen, in mijn cassette heb, maar die weldra
-het licht zullen zien tegelijk met de teekeningen, die ik er bij heb
-gemaakt tot nut en leering van het volk."
-
-Men drong er op aan, dat Dürer ze voor den dag zou halen, maar hij
-bleef weigeren. "Hebt een weinig geduld--als ik mijn drukpers heb
-en zelf drukker ben geworden, dan moogt gij zoowel de dichtregels
-als de platen zien."--En werkelijk werden de rijmspreuken met de
-daarbij behoorende houtsneden na eenigen tijd uitgegeven--het waren
-vlugschriften, die veel goeds stichtten.
-
-Maar het volk ontving met nog meer vreugde de andere teekeningen,
-die Dürer op zijn drukpers had afgedrukt en de wereld ingezonden;
-vooral oefende de groote en de kleine Passie een machtigen invloed
-uit en predikten de lijdensgeschiedenis op betere wijze dan eenig
-priester het van den kansel deed.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXI.
-
-KUNSTENAAR EN KEIZER.
-
-
-Op een Januaridag van het jaar 1512 heerschte er groote bedrijvigheid
-in Pirkheimers huis. De meiden en de kok waren druk bezig in de keuken
-en de heerlijke geur, die zich van daar uit verspreidde, verried, dat
-er uitgezochte spijzen werden toebereid. Evenveel drukte heerschte er
-in den wijnkelder, terwijl vier bedienden in de groote zaal de tafel
-dekten. De heer des huizes was weder voornemens eenige gasten aan den
-maaltijd te vereenigen, een gewoonte, die hij had aangenomen sinds
-zijn vrouw was overleden en hij zich eenzaam en verlaten gevoelde.
-
-Gewoonlijk was het aantal genoodigden niet groot, maar daarom
-des te meer uitgezocht. Hij verzamelde aan zijn tafel mannen, die
-hoog stonden op geestelijk gebied en met wie deze wetenschappelijk
-uitstekend ontwikkelde, fijngevoelende en voor het schoone bezielde
-man, naar hartelust kon redeneeren.
-
-Meester Dürer was altijd de eerste, die een uitnoodiging kreeg, want
-de vriendschapsbanden, die de beide mannen vereenigden, waren met de
-jaren nog vaster geworden. Het was opmerkenswaardig, dat Pirkheimer,
-die door zijn trots, zijn onverbiddelijkheid en heftigheid zich vele
-vijanden maakte en zich in den raad nooit bijzonder bemind had weten
-te maken, ja, zich zelfs de haat van velen op den hals had gehaald,
-met Albrecht Dürer steeds in de hartelijkste verhouding leefde;
-nooit zweefde er een wolkje aan den hemel hunner vriendschap.
-
-Pirkheimer stond voor het venster te wachten op den bediende, dien
-hij naar de Tiergärtnerstraat had gezonden om zijn vriend dringend
-te verzoeken, de weigering op zijn uitnoodiging in te trekken. Het
-was de eerste maal dat Dürer zich had laten verontschuldigen.
-
-Eindelijk kwam de knecht terug, doch hij bracht hetzelfde antwoord
-mede: Meester Dürer was zoo overstelpt met werk, dat hij zich het
-genoegen om te komen moest ontzeggen.
-
-Pirkheimer vernam met leedwezen deze boodschap en hij had nu maar
-half pleizier in den maaltijd.
-
-Dürer had het werkelijk overdruk. De raad had hem de eervolle
-opdracht gedaan, om de zaal, waar de rijkskleinoodiën. gedurende
-de tentoonstelling te zien waren, te versieren met twee levensgroote
-portretten van Karel den Groote en van Keizer Sigismund, den souverein,
-die Neurenberg had uitverkoren tot bewaarplaats dezer schatten.
-
-Reeds lang was Dürer bezig aan de voorbereidende studies voor deze
-schilderijen, toen in het begin van het jaar 1512 het bericht kwam,
-dat keizer Maximiliaan van plan was in het voorjaar zijn intocht te
-Neurenberg te houden, en eenigen tijd binnen de muren zijner trouwe
-Rijksstad te vertoeven.
-
-Om nu tegen dien tijd klaar te kunnen zijn, werkte Dürer van den
-vroegen morgen tot den laten avond en met zooveel haast, dat zijn
-vrouw zich ongerust over hem maakte, want zijn wangen werden steeds
-bleeker, spijs en drank smaakten hem niet en een zenuwachtige onrust
-beletten hem 's nachts het slapen.
-
-In het laatst van Januari was het portret van Keizer Sigismund
-een goed eind op streek, maar toch nog niet geheel af. Hij had het
-gelaat, om het zoo getrouw mogelijk naar waarheid weer te geven,
-naar een wapenzegel geschilderd, wat evenwel niet voordeelig voor het
-portret was, want de lange, spitse neus was niet bepaald bekoorlijk te
-noemen. Voor 't overige was Keizer Sigismund ook slechts als bijfiguur
-bedoeld en eischte daarom een minder zorgvuldige uitvoering; al zijn
-krachten wilde de kunstenaar besteden aan het hoofdfiguur, den grooten
-Karel, wiens gestalte nog slechts in schets was ontworpen en waaraan
-Sebaldus Beham, zijn nieuwe gezel, hem volstrekt niet behulpzaam
-mocht zijn.
-
-Daar kwam op eens het bericht, dat de keizer reeds den 4den Februari
-zou komen en dus was alle haast en overijling te vergeefs geweest
-en teleurgesteld legde Dürer de penseelen terzijde om zich en zijn
-huis voor de komst des keizers gereed te maken, want zelfs in het
-kleinste straatje werden de woningen feestelijk versierd. Het was
-inderdaad verwonderlijk, hoe op eenmaal te midden van de sneeuw de
-straten in groenen voorjaarsdos pronkten, waartoe men het Lorenzer-
-en Sebalderwoud had geplunderd.
-
-Natuurlijk waren die straten, waarlangs de keizer zijn intocht
-zou houden, het fraaist versierd: van de Spittlerpoort door de
-Smidstraat naar het plein, waarop de St. Jacobskerk stond, vandaar
-naar de Koornmarkt en over de Vleeschbrug naar de Heerenmarkt, en dan
-over de Visch- en Zoutmarkt naar de Veste. De poort was geheel met
-dennengroen versierd en van het bovenste gedeelte wapperden bonte
-vlaggen en wimpels en daarmee wedijverden alle huizen en kerken,
-langs welker steile gevels het groen zich als klimop naar boven
-slingerde. Het schoonst van alles was de eerepoort bij de Veste, op
-welker gevel sierlijke godenbeelden het keizerlijke wapen vasthielden,
-waarboven de keizerlijke vlag met den adelaar zich trotsch verhief.
-
-Van hier tot aan de Spittlerpoort hadden de gilden in vol ornaat en
-de vertegenwoordigers der aanzienlijke families post gevat, terwijl
-al de leden van den raad voor de poort den keizer opwachtten.
-
-Om negen uur in den morgen zag men in de verte de voorhoede van den
-keizerlijken stoet aangekomen en dadelijk begonnen al de klokken te
-luiden en weerklonk het geknal der donderbussen en het geschal der
-trompetten van de stadshoornblazers om aan het volk in de stad te
-verkondigen: Hij is in aantocht!
-
-Maar nadat de voorste ruiters de poort waren binnengereden, duurde het
-nog geruimen tijd, voordat de keizerlijke Heer zelf verscheen. Daar
-kwam hij! Een zwarte hengst droeg de hoog opgerichte gestalte, een
-echt ridderfiguur,--zijn oogen zagen trotsch om zich heen, doch zijn
-mond glimlachte minzaam.
-
-Bij de poort hield hij zijn paard in om den welkomstgroet van den raad
-te ontvangen, daarop bewoog zich de stoet, na enkele woorden van dank,
-onder het eindeloos gejubel van het volk, dat zich gedeeltelijk ook
-plaats had verschaft op de daken, door de verschillende straten naar
-de Veste, waar Zijn Majesteit verblijf zou houden.
-
-'s Middags verscheen Keizer Maximiliaan met zijn gevolg op het
-raadhuis, waar in de groote zaal een feestmaal was gereed gemaakt,
-en het behaagde hem daar te blijven tot laat in den avond.
-
-
-
-Den volgenden morgen zag men een statigen man, met een edel, bezield,
-fijnbesneden gelaat van de Veste komen. Het was Johannes Stabius,
-Zijner Majesteits Kroniekschrijver en vertrouwd raadgever, een door
-en door geleerd man, die ook groote mathematische kundigheden bezat
-en als dichter veel lauweren had verworven. Hij richtte zijn schreden
-westwaarts, naar het plein bij de Tiergärtnerpoort en liet op Dürers
-huisdeur den klopper driemaal vallen.
-
-De meester, die hem had zien aankomen, snelde de trap af en deed zelf
-de deur voor hem open.
-
-Beide mannen vestigden een onderzoekenden blik op elkaar en op elks
-gelaat was de achting, die de een den ander inboezemde, te lezen.
-
-De gezant des Keizers gaf zijn innige vreugde te kennen, dat het hem
-nu vergund was, kennis te maken, met een man, wiens roem wijd en zijd
-was verbreid en meester Dürer, wederkeerig, boog eerbiedig voor hem,
-wien het was vergund zich in den zonneschijn van 's Keizers gunst
-te koesteren.
-
-Stabius verzocht meester Dürer, die hem uitnoodigde in de pronkkamer
-te gaan, hem naar zijn werkplaats te brengen en nadat hij over het
-daar aanwezige schilderwerk zijn groote bewondering had uitgesproken,
-nam hij naast den meester plaats en deelde hem mee, dat hij niet alleen
-was gekomen om den alom gevierden kunstenaar te zien, maar ook op bevel
-van Zijn Majesteit, uit wiens naam hij hem een opdracht kwam doen.
-
-"Waarschijnlijk weet gij, waarde meester, dat de keizer zich met vlijt
-en ijver op kunsten en wetenschappen toelegt en hoe ingenomen hij is
-met alles, wat den geest ontwikkelt en het hart verheft. Menig dichter
-en kunstenaar heeft hij den spoorslag gegeven tot nieuwe scheppingen
-en zelf hen daartoe in de gelegenheid gesteld. Nu heeft hij een plan,
-dat moet dienen tot zijn eigen verheerlijking: er moet een kunstwerk,
-dat alle andere van dezen aard in pracht en grootte moet overtreffen,
-worden geleverd. Zelf heeft hij het "den Triomf" genoemd en hij wil,
-dat het in twee werken wordt uitgevoerd; het eerste moet een eerepoort
-en het tweede een triomftocht voorstellen. En u heeft hij uitgekozen
-om het kunstwerk te volbrengen, waarde Meester Dürer--daarom vraag
-ik u nu, of gij daartoe geneigd zijt." Dürer boog eerbiedig en drukte
-zijn dankbaarheid uit over de eer hem bewezen. Daarna vraagde hij op
-welke wijze en in welken vorm zijn keizerlijke Majesteit het kunstwerk
-wenschte uitgevoerd.
-
-"De keizer wil, dat gij er een houtsnede van maakt," antwoordde
-Stabius, "en de oppervlakte moet ongeveer tien voet in de hoogte en
-negen in de breedte bedragen."
-
-In zijn hart was Dürer ontsteld, toen hij dit hoorde. In der
-haast berekende hij, dat daartoe tachtig of negentig stukken hout
-(beukenhout), die aan elkaar moesten worden gevoegd, noodig zouden
-zijn. Doch juist dit moeilijke van de opdracht had een bijzondere
-bekoring voor hem, en daarom herhaalde hij zijn bereidwilligheid om
-aan 's keizers wensch te voldoen. Stabius drukte hem hartelijk de
-hand en bleef nu nog eenigen tijd.
-
-De beide mannen waren spoedig in een gesprek verdiept en Dürer leerde
-in Stabius iemand kennen, die een scherp verstand en uitgebreide
-kennis bezat, vol geestdrift voor en verstand van de kunst, met wien
-het een waar genot was om te praten. Den volgenden avond verscheen
-Stabius weder en zoo ging het al de volgende dagen, zoo lang de keizer
-in Neurenberg vertoefde; en er ontstond tusschen den geleerde en den
-kunstenaar een innig vriendschappelijke verhouding, waarvan Pirkheimer
-bijna jaloersch werd. Ja zelfs, toen de keizer eindelijk vertrok,
-liet hij zijn raadgever, op diens verzoek, achter, om meester Dürer
-behulpzaam te zijn bij de plannen voor de eerepoort.
-
-Dürer begon nu spoedig met de voorbereidende werkzaamheden, maar hij
-kon slechts enkele uren per dag daaraan besteden, want eerst moesten
-de beide keizersportretten klaar zijn. Dat gebeurde spoedig daarop
-en de stad bezat nu weer een kleinood meer. Vooral de beeltenis van
-Karel den Groote was boven allen lof verheven.
-
-Toen Stabius het schilderij na de voltooiing zag, trad hij ontroerd een
-schrede achteruit; hij herkende in het gelaat zijn eigen trekken! De
-hand van den kunstenaar, in wiens hart de beeltenis van zijn vriend
-leefde, had onwillekeurig dat beeld op het doek gebracht.
-
-Nu had Dürer meer tijd om zich aan de keizerlijke opdracht te
-wijden. Maar deze hield zooveel in, dat er jaren verliepen, voordat
-de teekeningen zoover waren, dat zij aan den houtsnijder konden worden
-toevertrouwd, vooral omdat er zooveel ander werk tusschen door liep.
-
-Wederom was geheel Neurenberg één en al verbazing en verwondering. Zoo
-iets had men nog nooit gezien! Op tweeënnegentig stukken hout, die aan
-elkaar waren gevoegd, had Dürer, met onvergelijkelijke nauwkeurigheid,
-de teekening met pen en potlood gemaakt, om haar daarna voor het
-snijden aan den bekwaamsten kunstenaar op dat gebied, Hieronymus
-Andree toe te vertrouwen.
-
-De teekening, die tien en een halven voet hoog en negen voet breed
-was, stelde een eerepoort van drie bogen voor. De middelste, die ook
-de grootste is, heet: "de poort der Macht en Eere," daarboven verheft
-zich de stamboom van het Oostenrijksche huis naast 102 wapens van de
-ondergeschikte landen. Boven de beide zijbogen, dien van den "lof"
-en dien van den "adel" zijn, in vierentwintig teekeningen, voorvallen
-uit het leven van Keizer Maximiliaan weergegeven.
-
-Toen deze het werk te zien kreeg, drukte hij Stabius de beide handen,
-alsof deze het was, die het had gemaakt en het was goed, dat Dürer
-er niet bij was, anders had hij wel eens hoogmoedig kunnen worden
-door dien bovenmatigen lof uit 's keizers mond.
-
-Zijn Majesteit antwoordde hem met de toezegging van een jaargeld van
-100 gulden, dat Dürer levenslang van de aan het rijk verschuldigde
-stadsbelasting van Neurenberg zou worden uitbetaald.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXII.
-
-SMART EN VREUGDE.
-
-
-Dicht naast de groeve, waar de oude goudsmid, meester Dürer, op het
-Sebaldus-kerkhof rustte, was een nieuwe grafkuil geopend en daarin
-werd op St. Liborius, den 17den Mei van het jaar 1514, een lijkkist
-neergelaten.
-
-Het was Vrouwe Barbara, de weduwe van den ouden meester, die men
-ten grave bracht. Velen waren op de begraafplaats tegenwoordig om
-de gestorvene de laatste eer te bewijzen en hun deelneming aan de
-achterblijvenden te betoonen. De kapelaan van de St. Sebalduskerk sprak
-bij de groeve de gebruikelijke gebeden en het gild der meesterzangers
-besloot de plechtigheid met een vroom lied.
-
-Daarna verlieten allen het kerkhof, behalve de beide geestelijke
-zusters, die op den grafheuvel bleven om te waken en te bidden voor
-het zieleheil der afgestorvene en de nagelaten betrekkingen, die met
-een traan in het oog toezagen, hoe de doodgraversknechts de groeve
-verder vulden. Deze treurenden waren: meester Dürer met zijn vrouw en
-zijn beide broeders, Andreas en Hans. Andreas was kort geleden uit
-den vreemde naar Neurenberg teruggekeerd, om zich daar als meester
-in het goudsmidsgilde te laten opnemen. Hij was nog juist bij tijds
-gekomen om den laatsten zucht zijner moeder op te vangen en nog door
-haar te worden gezegend.
-
-Zwijgend verlieten zij te zamen, nadat alles was afgeloopen, de
-gewijde plaats.
-
-Juist toen zij het huis op het Tiergärtnerplein wilden binnengaan kwam
-hen een man tegemoet, wiens schoenen grijs van het stof waren en die,
-beleefd groetend, zijn hoed afnam. Verrast keek Dürer op, en er kwam
-plotseling een andere uitdrukking in zijn oogen, als een zonnestraal
-uit donkere wolken. "Zijt gij het, beste Schäufelein? Hoe had ik dat
-kunnen denken!"
-
-Schäufelein schudde hem de hand. "Ach, dat ik u zoo moet terugvinden,
-lieve meester! Ik hoopte allen vroolijk en wel hier te zullen ontmoeten
-en nu zie ik een diep bedroefd man voor mij! Ik neem hartelijk
-deel in uw leed--de Heer trooste u!" Men ging naar binnen--de nieuw
-aangekomene begroette nu ook de anderen en betuigde zijn blijdschap
-ook Andreas terug te zien. Daarna vraagde hij dringend alles omtrent
-de afgestorvene te mogen hooren, want hij had haar hartelijk liefgehad
-en het deed meester Dürer goed, zijn hart aan een deelnemen den vriend
-te kunnen uitstorten.
-
-"Gij moet weten," begon hij, "dat verleden jaar dinsdags voor de week
-voor Paschen, mijne arme moeder plotseling zoo ernstig ongesteld werd,
-dat wij de deur harer kamer moesten openbreken, omdat wij, daar zij
-zelf niet kon opendoen, anders niet bij haar konden komen. Wij brachten
-haar in een benedenvertrek en men voorzag haar van de H. Sacramenten
-der stervenden, want iedereen dacht, dat zij zou heengaan. Sedert
-vaders dood was zij nog al gezond geweest, ofschoon zij vroeger wel
-eens had gesukkeld, ja, zelfs een aanval van de pest te doorstaan had
-gehad en nog vele andere wederwaardigheden en verdriet had ondervonden,
-die zij steeds met groote zachtmoedigheid en zonder eenige bitterheid
-had verdragen. Och, zij was toch een bijzonder vrome vrouw! Gij weet
-zelf hoe trouw zij ter kerke ging en hoe liefderijk zij voor mij en
-mijn broeder heeft gezorgd en ons steeds vermaande vroom en rein van
-handel en wandel te blijven. Haar barmhartigheid en zelfverloochenende
-liefde jegens alle menschen kan ik nimmer genoeg prijzen en geen
-wonder, dat zij bij allen bemind was.
-
-"Evenwel nadat zij ten volle was bediend, is zij toch nog niet
-gestorven, maar is zij nog meer dan een jaar ziek gebleven, totdat
-zij gisteren, twee uur voor middernacht, als een ware Christin is
-gestorven, voorzien van alle sacramenten met absolutie van pijn en
-schuld, door de macht aan den paus geschonken. Voordat zij stierf,
-gaf zij mij haar zegen, wenschte zij mij den vrede Gods toe en gaf
-mij vele ernstige vermaningen om de zonde te ontvlieden. Zij wenschte
-nog den Johanneszegen [22] te drinken, wat zij ook deed. Zij heeft een
-moeilijken doodsstrijd gehad en ik bemerkte, dat zij iets vreeselijks
-zag, want zij begeerde wijwater, nadat zij in langen tijd niet had
-gesproken. Toen braken haar oogen en ik zag, dat zij tweemaal hevige
-schokken kreeg en dat zij haar mond en oogen van pijn toekneep. Ik
-bad luide voor haar en mijn hart leed daarbij onnoemelijk veel! God
-zij haar genadig!"
-
-"Ave, pia anima!" fluisterde Schäufelein vroom en hij begon daarop
-ook de afgestorvene te prijzen en zooveel goeds van haar te zeggen,
-dat zoowel meester Dürer als de anderen de tranen in de oogen kregen.
-
-Later, nadat de maaltijd was afgeloopen, zonder dat er veel
-woorden waren gewisseld, moest Schäufelein vertellen, wat hem zelf
-gedurende zijn afwezigheid was wedervaren. Hij had daarbij opmerkzame
-toehoorders, die zich hartelijk over al het goede, dat zijn deel
-was geweest, verheugden en over zijn vooruitgang op het gebied der
-kunst. Met gespannen aandacht luisterde Dürer, toen hij vertelde, dat
-hij ook te Rome was geweest en hem had gezien, dien allen verafgoodden,
-den heerlijken Rafael.
-
-"Hoe?" riep Dürer, "hebt gij hem van aangezicht tot aangezicht
-gezien? O, wat zijt gij gelukkig! Reeds lang heb ik vurig verlangd
-hem te mogen aanschouwen, hem, den eenige, den onvergelijkelijke,
-den lieveling des pausen en den bewonderde der gansche wereld!"
-
-Er kwam een bijzondere glans in Schäufeleins oogen. "Hoor, hoe twee
-groote mannen denzelfden wensch koesteren! Want gij moet weten, dat
-Rafael eveneens vurig verlangt hem te zien, dien hij den Duitschen
-Apelles noemt."
-
-Een hoogrood bedekte Dürers gelaat, en zijn oogen werden vochtig,
-terwijl hij halfluid vraagde: "Hoe weet gij dat?"
-
-"Uit zijn eigen mond," verzekerde Schäufelein. "Ik had den toegang tot
-zijn werkplaats gekregen en mijn hart begon sneller te kloppen, toen
-ik onder de vele schilderijen, ook verscheidene bekende tegenkwam,
-met het monogram A. D. En toen ik zeide, hoezeer mij dat verraste
-en verheugde, omdat ik langen tijd bij meester Dürer als gezel was
-werkzaam geweest, greep Rafael op eens mijn hand en sprak: "O, dan zijt
-gij mij dubbel welkom en mijn blijdschap zou volkomen zijn geweest,
-als hij u had vergezeld." Toen heeft hij u nog hoog geprezen en mij
-verteld, dat hij reeds door Marcantonio Raimondi, die sedert vier
-jaren zijn werken op koper graveert, de uwe had leeren kennen. Deze
-is het ook, die uw kleine Passie op koper heeft nagegraveerd en nog
-meer andere werken. En luister; ik wil u nog iets zeggen" en daarbij
-schoof hij zijn stoel nog wat nader: "Ik zag in Rafaels werkplaats
-een tekening, die bijna voltooid was, en waaraan hij juist bezig
-scheen geweest. Ternauwernood durfde ik mijn oogen vertrouwen,
-want wat zag ik daar? Het was een kruisdraging van den Heer Jezus,
-bijna geheel zooals gij die hebt voorgesteld in de groote Passie. De
-Heiland onder het kruishout neergezonken en steunend op zijn arm,
-scheen mij volkomen gelijk behandeld zoo als gij het deed, lieve
-meester. Eveneens de overige figuren en de rangschikking; het kwam
-mij voor, dat Rafael u daarin heeft gevolgd. In elk geval heeft hem
-uw werk voor den geest gezweefd en zijt gij zijn voorbeeld geweest."
-
-Bewogen greep Dürer Schäufeleins hand: "O, ik dank u, beste
-Schäufelein, ik dank u! Wat gij mij daar zegt is als een lichtstraal in
-den nacht van mijn rouw. Maar nu is mijn begeerte, om dien heerlijken
-kunstenaar te zien, nog grooter geworden. Ach, dien wensch zal ik
-mede in het graf moeten nemen, want hoe zouden Neurenberg en Rome
-bij elkaar kunnen komen?"
-
-En nu drong Dürer er bij Schäufelein op aan, hem nog meer van Rafael
-te vertellen, van zijn uiterlijk en zijn werken, van zijn verhouding
-tot den paus en van zijn leven, totdat Wilibald Pirkheimer en andere
-vrienden en vriendinnen kwamen om hun deelneming aan de treurenden
-te betuigen.
-
-Intusschen ging Schäufelein met Hans en Sebaldus Beham, den gezel,
-die juist uit de stad was thuis gekomen, in Dürers werkplaats en hij
-werd niet moede te hooren van alles, wat de meester in de laatste
-jaren, sedert de beide gezellen waren ontslagen, had gewerkt. Hans
-kwam er nooit mee klaar; want telkens als hij dacht alles te hebben
-opgenoemd, schoot hem weer iets te binnen, dat hij had vergeten. "Het
-is een onuitputtelijke bron," zei Schäufelein eindelijk. "Mogen al de
-lieve heiligen, die hij in zijn werken verheerlijkt, hem beschermen
-en sterken en hem nog vele jaren levens schenken!"-- -- --
-
-
-
-Er was bijna een jaar na deze gebeurtenis voorbijgegaan, toen bij
-Dürer een vreemdeling binnentrad, wiens uiterlijk zijn zuidelijke
-afkomst verried, want twee ravenzwarte oogen keken uit zijn gebruind
-gelaat en dik, zwart, krullend haar golfde om zijn slapen.
-
-"Wees gegroet, Heer!" sprak hij met een beleefde buiging. "Zijt gij
-meester Albrecht Dürer?"
-
-"Die ben ik," antwoordde de aangesprokene. "Wat wenscht gij van mij?"
-
-"Ik kom van zeer ver," zeide de man, "het is een lange weg van
-Rome naar Neurenberg. Ik breng een boodschap van meester Rafael aan
-meester Dürer."
-
-"Wat zegt gij?" riep Dürer, wiens penseel uit zijn hand viel. "O wees
-welkom onder mijn dak. Wat zendt mij de meester aller meesters?"
-
-"Zijn groet en ook dit," antwoordde de man, terwijl hij een rol papier
-uit zijn tasch nam. "Het heeft slechts kleine waarde," sprak hij,
-die mij tot u zond, "maar meester Dürer zal het vriendelijk van mij
-willen aannemen, als hij hoort, hoe hartelijk ik verlang hem iets
-van mijn hand te geven."
-
-Met bevende vingers vouwde Dürer den rol open en aanschouwde een met
-rood krijt geteekende figuur in krijgsdos. Zijn oogen bleven met
-een teedere uitdrukking er op rusten; met diepen eerbied vervuld,
-beschouwde hij deze teekening van den grooten man.
-
-Na een lang stilzwijgen sprak hij: "Ik wil hem danken en gij, gij zult
-ook mijn boodschapper zijn. Blijf nog eenigen tijd om de stad te zien,
-dan zal ik u weder laten teruggaan met mijn tegengeschenk."
-
-Zes dagen later was Rafaels boodschapper weder gereed voor de
-terugreis. In zijn reistasch had hij den dank van den Duitschen meester
-geborgen; Dürer wilde Rafael niet de een of andere teekening, die
-hij had liggen, zenden, maar zich zelf; hij wilde den buitenlandschen
-meester niet alleen iets van zijn hand laten zien, maar zijn beeltenis
-zoodanig op doek geschilderd, dat het op beide kanten zichtbaar was.
-
-Een schittering kwam in Rafaels oogen, toen hij hem zag, dien hij zoo
-hoog vereerde, en tot zijn dood toe hield hij het portret in hooge eer.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIII.
-
-UIT DE DUISTERNIS TOT HET LICHT.
-
-
-Het was een sombere Novembermorgen van het jaar 1517. Een dikke
-mist belette de zon door te dringen tot in de straten en pleinen
-van Neurenberg.
-
-Meester Dürer zat in zijn werkplaats te teekenen. Keizer Maximiliaan
-was dit jaar weer in Neurenberg geweest en had den meester, over wiens
-"Poort der Eere" hij hoogst tevreden was, opgedragen om op het tweede
-groote stuk, "de Triomf," als voornaamste deel een triomfwagen te
-schilderen naar plannen, die Zijn Majesteit zelf had ontworpen. De
-zoo prachtig mogelijk versierde wagen, door zes paarden getrokken,
-moest achterin voorzien zijn van een hooge zitplaats, waarop de
-keizer zou troonen in vol ornaat, met zijn jonge gemalin, Maria van
-Bourgondië; voor de beide Majesteiten moest koning Filips de Schoone
-zitten tusschen zijn zuster en zijn echtgenoot, voor hen zijn zoons, de
-aartshertogen Karel en Ferdinand en geheel voorin hun zusters. Het was
-Wilibald Pirkheimer opgedragen om met Dürer deze keizerlijke gedachten
-in artistieken vorm te gieten en meester Albrecht was juist bezig de
-met vriend Wilibald veranderde plannen op het papier te teekenen. Doch
-het werk wilde vandaag niet goed vlotten. Het licht was zoo slecht,
-dat hij niets kon zien op de plaats, waar hij gewoonlijk zat, en aan
-een kleine tafel dicht bij het venster moest gaan zitten om beter te
-kunnen zien. Maar het was niet alleen dat, wat hem bij zijn schepping
-hinderde. In zijn geheele wezen en in zijn gebaren lag een bijzondere
-rusteloosheid; naast hem lag een boekje, waarin hij nu en dan een blik
-wierp en dan verzonk hij in diep gepeins. Het boekje was getiteld:
-"Het heilige Onze Vader, verklaard door Dr. Maarten Luther." [23] Hij
-had het gekregen van Christoffel Scheurl, den man, die hem indertijd te
-Bologna had verwelkomd, daarna tot professor in de rechtsgeleerdheid
-te Wittenberg was benoemd en nu als rechterlijk plaatsvervanger in
-Neurenberg een aanzienlijke plaats innam. Door hem had hij veel gehoord
-over dezen merkwaardigen man, die in Saksen en ook verder in het land
-veel van zich deed spreken, dien Augustijner monnik en professor in
-de theologie aan de, door den keurvorst Frederik den Wijze gestichte,
-hoogeschool te Wittenberg. Van het begin af aan had Dürer een levendige
-belangstelling gekoesterd voor dezen uitstekenden geleerde en hij
-had ook vlijtig bestudeerd de preeken van Pater Wenzel Link, die, in
-nauwe vriendschapsbetrekking tot Luther staande, reeds sinds den tijd,
-dat ze samen in het klooster te Erfurt waren, sedert eenigen tijd in
-het Augustijner klooster te Neurenberg was. Deze preeken hadden een
-diepen indruk op hem gemaakt en een hevigen storm in hem verwekt. Als
-een trouw zoon zijner kerk en met een vroom hart had hij tot nu toe
-gewandeld volgens de geboden van den pauselijken stoel en voor het oog
-der menschen vlekkeloos geleefd; ja, hij had zich de grootste achting
-verworven, niet alleen als kunstenaar, maar ook als mensch;--nu begon
-hij te twijfelen, of de weg, dien de kerk aanwees, wel de rechte
-was. En zijn twijfel nam nog toe, als hij dacht aan den gruwel der
-verwoesting aan het heilige gepleegd en het diepgaande verderf der
-kerk zag, dat hem reeds jaren geleden stof tot zijn teekeningen uit
-de Openbaring van Johannes had gegeven. En hij was niet de eenige
-te Neurenberg die deze dingen bepeinsde; andere burgers en juist de
-beste en edelste, voelden hun hart ook onrustig kloppen. Als hij
-naar de prediking van Pater Link in de Augustijnerkerk ging, kon
-hij er zeker van zijn den kanselier Scheurl, den voortreffelijken
-secretaris van den raad en den syndicus Lazarus Spengler te vinden
-en van de patriciërs de heeren Hieronymus, Ebner, Kaspar Nützel
-en Hieronymus Holzschuher. Ook Wilibald Pirkheimer voegde zich bij
-hen; maar hij uitte zich op eenigszins andere wijze. Hij behoorde
-tot de zoogenaamde Humanisten, een kring van geleerden, die in het
-herleefd klassieke tijdvak de wereld vonden, waarin hun geest zich
-bewoog en van dit standpunt uit trokken zij te velde, zoowel tegen het
-wetenschappelijk ongevormde, als tegen het bijgeloof van hun tijd. Men
-legde Pirkheimer ten laste, dat hij had meegewerkt aan de "brieven
-van de mannen der duisternis," die in goed geslaagde navolging van
-het slechte latijn der monniken den bedelmonnik met zijn grenzenlooze
-domheid en schaamtelooze onzedelijkheid aan de kaak stelden. Wilibald
-Pirkheimer verkneukelde zich hierin en hij genoot van het algemeene
-gelach, dat deze brieven verwekten. Zijn wapens tegen het verderf van
-den tijd waren geestigheid en spotternij, en zijn hart nam er slechts
-in zoover deel aan, dat hij zich verheugde over de nederlaag van zijn
-tegenpartij. Eens was zijn gevoel opgekomen tegen Meester Wolgemuts
-"Pausezel" als tegen een te ruwe, onridderlijke wijze van strijden,
-nu plaatste hij zich eigenlijk op hetzelfde standpunt.
-
-Bij Dürer was het geheel iets anders. Den hoog ernstigen, innig vromen
-man stond het schreien nader dan het lachen; het gold voor hem iets,
-dat hem diep ter harte ging. Dag en nacht hield de gedachte hem bezig:
-wat moet ik doen, opdat ik zalig worde, en de vraag: is de weg,
-die de kerk wijst, de goede weg?
-
-Hoe langer hij naar de preeken van Link luisterde, des te meer begon
-hij aan de waarheid der leer van Rome te twijfelen en bij dezen diep
-nadenkenden en met ware vroomheid bezielden man, won de twijfel
-te meer veld omdat hij reeds sedert langen tijd als bij instinct
-een duister voorgevoel der waarheid van het evangelie bij zich had
-omgedragen. Wel is waar had hij tot nu toe in zijn kunst in hooge
-mate de Maagd Maria, die volgens het algemeene begrip van dien tijd,
-als koningin des hemels en der wereld werd vereerd, verheerlijkt;
-men bad tot haar als tot de eeuwige beschermvrouw van het menschdom,
-die ellendige zondaars de straf voor hun zonden kwijt scheldt,
-ongeneeselijke kwalen geneest, de aarde doet draaien, de zon het
-licht schenkt, de wereld regeert en de hel doet beven. Niet alleen
-in zijn "leven van Maria," maar ook in de talrijke afbeeldingen der
-Madonna, waarvan er meer dan twintig bestonden, had hij de afgodische
-vereering van dit kind der menschen, in de hand gewerkt. Maar als men
-deze werken nauwkeuriger bezag, kon men zien, dat het niet in des
-kunstenaars bedoeling lag deze afgoderij te bevorderen. Wie oogen
-heeft om te zien, ziet dat de Maagd Maria in Dürers werken niet de
-hoofdpersoon is: het goddelijke Kind is het waarom alles draait. Hij
-wordt door allen gediend, door de engelen en de heiligen en tegelijk
-met Hem ook zij, die Hem ter wereld bracht. Niet met een stralenkrans
-verschijnt Maria daar, maar als een echt menschenkind, ja, als een
-ware Neurenbergsche huismoeder in Neurenberger kleederdracht. In
-haar oogen leest men de liefde voor haar kind. Zij laaft het met
-haar moedermelk in zalige verrukking, zij verheugt zich met Hem,
-zij lijdt met Hem. Zij is niet verheven boven het algemeene lot van
-vergankelijkheid en verval, zooals de Italiaansche schilders haar,
-als in eeuwige jeugd bloeiende, voorstellen, maar zij wordt oud en
-zwak; met gebogen gestalte omvat zij haar gepijnigden Zoon, onmachtig
-ligt de oude, grijze vrouw neder aan den voet van het kruis.
-
-Zoo had dus een godsdienstig juist gevoel meester Dürers hand bestuurd
-en hier en daar waren deze onbewuste gewaarwordingen ook in woorden
-voor den dag gekomen. Boven het eerste zijner rijmen, die hij in
-het jaar 1509 had gemaakt, stond geschreven: "Elke ziel, die het
-eeuwige leven heeft, wordt verkwikt door Jezus Christus, die twee
-naturen in één persoon vereenigt, de goddelijke en de menschelijke,
-hetgeen men alleen door de genade kan gelooven en door het natuurlijk
-verstand nimmer kan worden begrepen." Bij zijn Passie-gravuren had
-hij dit gevoegd:
-
-
- O almachtige God en Heer
- Vol aanbidding kniel ik neer
- Voor Jezus' lijden, voor Uw Zoon,
- Uw Eengeboorne, die het loon
- Voor onze schuld gedragen heeft.
- O God, ik bid, dat Gij mij geeft
- Over mijn zonden, diepe smart
- En leed. Och, reinig Gij mijn zondig hart!
- Gij hebt des overwinnaars troon,
- Ach, deel met mij uw eerekroon.
-
-
-Dus had de vrome man door de diepte van zijn godsdienstig gemoed iets
-van de waarheid gevoeld. En nu lag voor hem Luthers boekje over het
-Onze Vader, hij kende het bijna geheel van buiten!
-
-Ook nu hield het zijn geest bezig en stoorde het hem in zijn
-teekenwerk.
-
-Daar begon de klok der Augustijnerkerk te luiden; hij stond op, deed
-zijn met bont omzoomden mantel om, zette zijn zwart fluweelen baret
-op en ging uit: hij wist, dat Wenzel Link zou preeken.
-
-Over de Melkmarkt en de Wijnmarkt kwam hij spoedig aan het
-Augustijnerklooster. De kerk was overvol, niet alleen met monniken,
-maar ook met burgers, waarvan de voornaamste waren: Hieronymus Ebner,
-Hans Schopper, Lazarus Spengler en eenige anderen.
-
-Link had den verloren zoon tot onderwerp gekozen en sprak over de
-groote liefde Gods, waarmee Hij in Christus den zondaar tegemoet komt
-en van het vertrouwen, waarmee de berouwvolle, boetvaardige zondaar
-zich zonder tusschenkomst van menschen in Gods geopende armen moet
-werpen.
-
-Toen de dienst was afgeloopen en de kerk uitging, bleef Dürer nog
-met de aanzienlijke heeren achter, om met hen over het gehoorde,
-dat aller hart diep had getroffen, te blijven praten. Op eenmaal trof
-een gedruisch hun ooren; het was alsof er veel volk af- en aanliep.
-
-Zij traden naar buiten om te zien, wat er te doen was en op het plein
-zagen zij een dichte menschenmassa, die steeds grooter werd en hoorden
-zij een stem, zonder evenwel te kunnen verstaan, wat die sprak.
-
-"Wat is daar te doen?" vraagde Hieronymus Ebner aan den ouden Fröhlich,
-meester van het koperslagersgild, die zich uit het gedrang losmaakte.
-
-"Er is een reizende koopman in de stad gekomen," vertelde deze, "die
-vreemde tijdingen brengt. Hij zegt, dat een zekere monnik, Martinus
-Luther uit Wittenberg, aan de deur van de slotkerk vijfennegentig
-stellingen heeft aangeplakt, om te protesteeren tegen den aflaat,
-waarmee de paus de geldbuidels ledigt en de zielen verderft. Dat heeft
-heel wat opzien verwekt. De man zegt, dat waar hij ook kwam en dit
-bericht meedeelde, het bij jongen en ouden, aanzienlijken en geringen,
-mannen en vrouwen grooten indruk maakte, dat er eindelijk iemand was,
-die het had gewaagd zijn stem te verheffen tegen die afschuwelijke
-geldklopperij en die niet vreesde den paus te trotseeren. Op vele
-plaatsen was het nieuwtje hem al vooruitgegaan en kende men reeds den
-inhoud der stellingen, die overal met vreugde werden gelezen. De man
-voegde er nog bij, dat hij regelrecht uit Wittenberg kwam en dat hij
-uit naam van een vriend van den monnik, verscheidene der stellingen
-tegen den aflaat bij den heer Christoffel Scheurl had afgegeven.
-
-"Bij mij?" riep de kanselier blij verrast. "Zoo, dan ga ik dadelijk
-naar huis!" "Laat ons met u gaan," vraagde Dürer en de heeren gingen
-gezamenlijk naar de woning van den kanselier. Het was juist zooals
-de reiziger had gezegd. De vrouw van Scheurl kwam hen tegemoet en
-zeide: "Zie eens, man, wat een reiziger tijdens uw afwezigheid heeft
-gebracht!" Haastig verbrak Scheurl het omhulsel en haalde eenige
-papieren te voorschijn. Het waren tien stukken in het latijn geschreven
-en getiteld: Disputatie van Dr. Maarten Luther ter verklaring van de
-kracht van den aflaat.
-
-"Lees toch!" riep Kaspar Nützel den kanselier toe en deze begon
-terstond, terwijl de anderen zich om hem schaarden om te luisteren.
-
-Hij had nog slechts weinig gelezen, toen Dürer eensklaps uitriep: "O,
-God, help mij, ik voel mij zoo angstig!" Hij liep naar het venster,
-de handen tegen de borst gedrukt. Scheurl wenkte een bediende om een
-beker frisch water te halen, doch Dürer weigerde. "Water kan mij niet
-helpen; lees verder, verder!"
-
-Scheurl ging door met lezen en bij elke zinsnede werd de spanning
-grooter. Toen hij eindelijk ophield, heerschte er een diepe, plechtige
-stilte, waarna Hieronymus Holzschuher het woord nam en sprak: "Deze
-eenvoudige monnik is een profeet des Allerhoogsten, hij heeft zijn
-stem verheven om der waarheid getuigenis te geven. Zie, het valt mij
-als schellen van de oogen! Langen tijd heb ik mij reeds geërgerd over
-dien misdadigen aflaathandel en het schaamtelooze bestelen van het
-volk. Nu begrijp ik ook, dat de aflaat, zooals de paus die beveelt, uit
-den booze is, zelfs wanneer men er geen geld voor behoeft te betalen."
-
-Hieronymus Ebner gaf zijn instemming te kennen en voegde er zeer
-ernstig bij:
-
-"Hus heeft men verbrand, evenzoo Savonarola, misschien wordt er weldra
-een derde brandstapel opgericht. "Dat verhoede God!" riep Dürer uit
-en een donker rood bedekte zijn gelaat. "Zou de tijd dan nog niet zijn
-aangebroken, dat de Heer zich over het arme Christenvolk erbarmt? Reeds
-sinds den eersten keer, dat ik van Maarten Luther heb gehoord, was
-mijn ziel het met hem eens en er sprak in mij een stem: "hij is het,
-die de waarheid heeft!" Zou God het nog eenmaal dulden, dat de Satan
-het werktuig in Zijn hand verbrijzelt? O, ik wenschte steeds meer van
-Luther te hooren en mij door hem in de waarheid te laten leiden. Want
-nu ben ik nog als iemand, die lang in het duister heeft gezeten en
-met verblinde oogen hulpeloos in het schelle daglicht rondtast."
-
-Kaspar Nützel, die tot nu toe in stilzwijgen en gepeins verzonken had
-gestaan, richtte zich nu plotseling op en zeide: "Luther heeft een
-vreemde taal gebruikt, omdat hij het allereerst voor de geleerden heeft
-gesproken; maar zijn prediking is voor het gansche volk bestemd--ik
-zal hem te hulp komen en haar in het Duitsch uitgeven."
-
-Dit vond algemeenen bijval en men drong er op aan, als het mogelijk
-was, dat hij nog dienzelfden dag met het vertalen zou beginnen.
-
-Nützel bleef den ganschen nacht doorwerken, zoodat hij den volgenden
-morgen reeds naar Anton Koburger, den drukker, kon gaan en slechts
-weinige dagen later wist geheel Neurenberg, dat Luthers stellingen
-tegen den aflaat in het Duitsch waren verschenen.
-
-Men haastte zich naar de drukkerij en in een ommezien was de
-geheele voorraad uitverkocht. In de huizen, in de herbergen, bij de
-drinkputten, in de werkplaatsen, overal hoorde men spreken over den
-Wittenberger monnik en zijn stellingen, en de opgewondenheid werd nog
-grooter, toen men van doortrekkende reizigers vernam, dat Luther met
-zijn prediking het gansche rijk in rep en roer had gebracht. Wenzel
-Link, de Augustijner pater sprak nu met nog meer vrijmoedigheid van
-den kansel en al de kloosterlingen trokken partij voor hun ordebroeder
-in Wittenberg.
-
-Dürers werkplaats bleef leeg; de meester liet zich daar niet zien. Hij
-zat boven in zijn kamertje met afgesloten deur; zelfs zijn vrouw
-mocht hem niet storen. Hij wilde alleen zijn met God in den strijd
-om licht en waarheid.
-
-En ziet, de strijd eindigde in overwinning.
-
-Dr. Maarten Luther had hem den blinddoek van de oogen genomen; nu wist
-hij, wat het is, dat elk Christen voor zijner ziele zaligheid van noode
-heeft te weten: dat 's menschen hoop op de eeuwige zaligheid berust
-op Gods genade in Christus alleen en op niets anders. Het stond daar
-immers klaar en duidelijk: de paus kan slechts aflaat geven van die
-straffen, welke hij zelf heeft opgelegd, dus de tijdelijke kerkelijke
-straffen. Zijn macht strekt zich niet tot hemel en hel uit; het is
-een valsche meening, door de onwaardige handelaars in aflaatbrieven,
-verspreid. De paus kan geen zonden vergeven en niemand uit de hel
-verlossen; hij kan niets anders doen dan den menschen verkondigen,
-wat God uit genade en ter wille van Christus voor een boetvaardige
-ziel doet. Indien iemand oprecht berouw gevoelt, wil God hem volledig
-zijn schuld en straf kwijt schelden zonder een enkelen aflaatbrief.
-
-Deze boodschap was voor Dürers ziel als morgendauw op de dorre
-weide. Hij was steeds zulk een ernstig, ijverig Christen geweest; hij
-kon zich beroepen op een groot aantal goede werken, die de kerk van
-hem vorderde en had daardoor toch niet gevonden, wat zij zocht. Nu
-zag hij op eens de leer der goede werken met geheel andere oogen
-aan: niet door verdienste, maar door genade ontvangen, was Luthers
-prediking en dat was hem een blijde boodschap. Zijn hart vond nu op
-eenmaal rust en zijn beangst gemoed werd plotseling getroost. En nu,
-nadat alles hem duidelijk was geworden, wilde hij het ook aan anderen
-openbaren en zijn vertrouwen in de waarheid van Luthers prediking
-werd versterkt, toen hij zag, hoe vurig ook Agnes' begeerte was
-om naar hem te luisteren en toen hij hoorde, hoe dankbaar zij was,
-dat ook haar ziel vrede daarbij vond.
-
-Zijn blijdschap nam nog toe, toen ook Pirkheimer voor Luther in
-geestdrift geraakte, zoo zelfs, dat hij een brief aan Dr. Maarten
-schreef. O, hoe gaarne zou ook Dürer zijn hart voor den man Gods
-hebben uitgestort!
-
-Met groote spanning volgde hij nu de wederwaardigheden van Luther,
-wien menige giftige pijl werd toegeslingerd. Kwam er een boekje uit
-van Luthers hand, dan was hij er dadelijk bij om daardoor steeds
-duidelijker de waarheid te leeren kennen, terwijl Luther zelf door
-de aanvallen zijner tegenpartijders stapsgewijze verder kwam in de
-erkentenis der waarheid.
-
-Dürer voelde zich zoo opgewekt, zoo blijde; zijn ziel verblijdde
-zich in zulk een ongekend, zalig gevoel, als zelfs de hoogste lof der
-menschen over zijn kunst nooit bij hem had kunnen opwekken. Hij voelde
-zich gelukkig door den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIV.
-
-TE AUGSBURG.
-
-
-Op een schoonen Junimorgen, toen de zon vroolijk scheen, reden drie
-aanzienlijke heeren te paard de Vrouwepoort van Neurenberg uit, op
-eenigen afstand gevolgd door zes kranige knechten, met zware valiezen
-beladen. Het waren de vertegenwoordigers der stad in den Rijksdag,
-dien Keizer Maximiliaan te Augsburg had bijeengeroepen: de raadsheer
-Kaspar Nützel, de stadssecretaris Lazarus Spengler en meester Albrecht
-Dürer. Eerst was het plan geweest, dat slechts de twee eerstgenoemden
-zouden gaan, later besloot men den laatste ook te zenden, om den
-keizer, bij wien Dürer in hooge eer stond, genoegen te doen.
-
-"Het zal warm worden," beweerde meester Dürer na eenigen tijd,
-"de zon brandt reeds op mijn rug."
-
-"In Augsburg zullen we het nog warmer krijgen," antwoordde Spengler
-lachend. "De belasting, die de paus eischt voor den strijd tegen
-de Turken, zal de hoofden der vorsten genoeg verhitten en de paus
-zal het ook benauwd krijgen, als hij de lange reeks klachten van de
-rijksvorsten over de geestelijkheid verneemt."
-
-"Zou men den heiligen Vader die belasting toestaan?" vraagde Nützel.
-
-De stadssecretaris haalde de schouders op. "Men stelt hier den
-eenen eisch tegenover den anderen. Als de paus aan de klachten der
-Duitschers geen gehoor geeft, kan hij elke gedachte aan een oorlog
-tegen de Turken gerust op zijde zetten. Ik voor mij geloof trouwens,
-dat de Turken slechts een voorwendsel zijn, om op nieuw geld uit de
-zakken der Duitschers te kloppen, nadat Luther voor de aflaatkramers de
-markt heeft bedorven. De bedoelde Turken zullen wel in Italië huizen."
-
-"Nu gij toch van Luther spreekt," zei Dürer, "zal het mij benieuwen
-of zijn zaak in den Rijksdag zal worden behandeld."
-
-"In den Rijksdag?" vraagde Spengler. "We hebben genoeg andere zaken
-te behandelen, maar als het mocht gebeuren, ben ik overtuigd, dat
-de keurvorst van Saksen zich het lot van zijn landgenoot wel zal
-aantrekken, want Luther staat bij hem hoog in de gunst."
-
-Nu het gesprek op de theologie was gekomen, raakten zij daarin zoo
-ernstig verdiept, dat de lange rit hun bijzonder kort scheen.
-
-Bij de poort van Augsburg scheidden zij om elk hun logies op te zoeken:
-Kaspar Nützel begaf zich naar het paleis van den rijken Fugger,
-Lazarus Spengler naar zijn collega Konrad Peutinger en meester Dürer
-naar het Augustijnerklooster te St. Ulrich.
-
-De Neurenberger vertegenwoordigers behoorden tot de eerste, die te
-Augsburg verschenen. Elken dag kwamen er nu meer: de Duitsche vorsten
-en prelaten verschenen met hun gevolg, allen in statigen optocht en
-eindelijk kwam Zijn keizerlijke Majesteit.
-
-Den volgenden dag kwamen allen, nadat zij gezamenlijk de mis hadden
-bijgewoond, met den keizer bijeen in de groote zaal van het paleis
-en de Rijksdag was geopend.
-
-Eenigen tijd daarna keerde meester Dürer in opgewonden stemming
-naar het klooster terug en deelde aan de monniken mede, dat hij
-overmorgen voor Zijn Majesteit moest verschijnen, om diens portret
-te maken. De monniken verheugden zich niet weinig hierover, en waren
-nu nog trotscher op hun gast, met wien zij reeds tegenover andere
-geestelijke orden hadden gepronkt.
-
-Des Maandags na den dag aan Johannes den Dooper gewijd, werd meester
-Dürer in het keizerlijk paleis ontboden.
-
-Zijn hart klopte luid: nu zou hij de eer hebben, hem, den machtigen
-keizer van het groote Duitsche Rijk, te mogen afbeelden, den vorst,
-voor wien hij ook als liefhebber en beschermer der kunst hooge
-achting koesterde.
-
-Met den dienaar, die hem begeleidde, ging hij door den tuin van het
-paleis en trad, langs de menigte keizerlijke hofbeambten en dienaren
-met hun van goud schitterende livreien, op het voorportaal toe. Zij
-gingen de breede trap op, door een zaal heen en kwamen daarna aan
-klein kamertje. De bediende opende de deur en liet Dürer binnen,
-die nu voor Zijn keizerlijke Majesteit stond.
-
-Toen hij eerbiedig boog, kwam de keizer minzaam op hem toe en reikte
-hem de hand.
-
-"Wees welkom, lieve meester! Het is mij recht aangenaam hem, die mij
-reeds zooveel genot heeft bereid, te mogen zien. Wilt gij nu maar
-dadelijk aan het werk gaan om keizer Maximiliaans beeltenis aan de
-wereld te laten zien."
-
-Tegelijkertijd zette hij zijn fluweelen baret op, sloeg een lichten
-mantel om en ging zitten. Dürer nam een papier te voorschijn en
-teekende met houtskool het bijna levensgroote portret des keizers.
-
-Nog geen uur was voorbijgegaan, toen de kunstenaar voor den
-keizer boog, om hem te danken, dat het hem vergund was geweest den
-hoogstgeplaatsten man der wereld in beeld te brengen. Hoogst verwonderd
-stond de keizer op. "Hoe, zijt gij nu reeds klaar?"
-
-Hij bekeek de teekening en zag toen zijn beeltenis, geniaal uitgevoerd,
-zoo natuurgetrouw en zoo volkomen waar, dat hem een kreet van blijde
-verrassing ontsnapte en hij in vervoering de hand des kunstenaars
-greep om die hartelijk te drukken.
-
-Dürer verzocht de teekening eerst mee naar huis te mogen nemen, om hier
-en daar nog wat bij te werken; hij zou haar dan den volgenden dag aan
-Zijn Majesteit zenden. De keizer keurde dit goed en liet den kunstenaar
-niet vertrekken zonder hem nogmaals zijn bewondering te hebben betuigd.
-
-Sedert dat oogenblik overstelpte men Dürer met arbeid, want door
-dit portret was zijn tegenwoordigheid te Augsburg algemeen bekend
-geworden. De rijke Patriciër, Jacob Fugger, noodigde Dürer uit bij hem
-te komen om zijn portret te maken, en zoo deed ook een aanzienlijke
-Augsburgsche dame, Sybilla Arztin. Een grootere opdracht gaf hem den
-geleerden en kunstlievenden stadssecretaris en keizerlijken raadsheer
-Dr. Konraad Peutinger, met wien hij later op zeer vertrouwelijken
-voet kwam, omdat hij in hem iemand, die wat het godsdienstige betrof
-het geheel met hem eens was, had gevonden. Zijn schetsboek vulde hij
-met portretten van de belangrijkste personen, die hij gedurende de
-zittingen van den Rijksdag in stilte teekende en waartoe behoorden:
-Keurvorst Frederik van Saksen, Keurvorst Joachim I van Brandenburg en
-diens zoon van denzelfden naam, de Paltsgraaf Frederik, Vorst Wolfgang
-van Anhalt, Bisschop Bernard van Triënte, de Abten van St. Paul in
-Lavanthal en van het klooster Heilsbronn. Het portret van Ridder
-Ulrich van Hutten teekende hij zelfs tweemaal.
-
-De Augustijner monniken van St. Ulrich drongen er bij den kunstenaar op
-aan, dat hij een geschenk als herinnering zou achterlaten; vriendelijk
-willigde hij hun verzoek in en schilderde de portretten van een groot
-aantal kloosterlingen.
-
-Vele weken waren sinds dien tijd voorbijgegaan.
-
-Op een avond in het begin van Augustus kwam Dürer in bijzonder
-opgewekte stemming thuis en vertelde hij aan tafel: "Vandaag is
-mij weder een groote eer te beurt gevallen: de Aartsbisschop
-van Maagdenburg en Mainz, primaat en eerste kanselier van het
-Duitsche Rijk, die op den Rijksdag hier van den heiligen Vader den
-kardinaalshoed heeft ontvangen, heeft mij bij zich ontboden en mij
-gevraagd zijn portret te maken. Dat heb ik nu vandaag gedaan en
-daarna hebben we nog eenige uren heel vertrouwelijk gepraat. Welk
-een aangenaam man is hij! Met welk een liefde en verstand spreekt
-hij over de kunst, waarvoor hij geen geld ontziet! Hij heeft een
-aanzienlijke schat reliquieën in zijn kerk te Halle bijeengebracht
-en voor het portret, waarover hij uiterst tevreden is, heeft hij mij
-terstond twee honderd gouden guldens uitbetaald, en mij nog twintig
-el damast gegeven voor een kleed, dat ik juist noodig heb."
-
-"En ziet, er is mij heden nog iets anders overkomen. Het is mij weer
-vergund geweest bij den keizer te verschijnen om met hem te spreken
-over den triomfwagen, dien ik voor hem heb geteekend. Er waren juist
-veel vorsten bij hem, die allen even minzaam tegen mij waren. De keizer
-wilde, dat ik een ridderhelm zou teekenen en toen ik daarmee bezig
-was, kwam hij er bij, nam het stuk houtskool uit mijn hand en zei,
-dat hij het zelf ook eens wilde probeeren. Maar terwijl hij zijn
-best deed, brak het stuk houtskool herhaaldelijk en het wilde in
-het geheel niet gelukken--hij gaf het mij dus maar weer terug en ik
-maakte de teekening gauw af. De keizer moest er om lachen en vraagde:
-"Hoe komt het toch, dat bij mij de houtskool voortdurend breekt en bij
-u nooit?" En omdat de keizer zoo minzaam en gewoon met mij praatte,
-werd mijn moed groot en ik antwoordde: "Allergenadigste Keizer,
-ik zou niet wenschen, dat Uw Majesteit even goed kon teekenen als ik.""
-
-De toehoorders zagen elkaar daarop bedenkelijk aan en een hunner zeide:
-"Dat was een haastig, onbedacht woord. Hoe nam de keizer het op?"
-
-Dürer glimlachte. "Hij begreep, dat ik er mee wilde zeggen: Gij,
-Keizer, hebt over een ander rijk te gebieden en moeilijker plichten
-te vervullen dan één van ons. Daarom reikte hij mij vriendelijk de
-hand en ik mocht heengaan, zonder in ongenade te zijn gevallen."
-
-De prior was onder Dürers verhalen stil geworden; nu nam hij het
-woord en sprak:
-
-"Ik begrijp, dat 's keizers gunst u verheugt en gelukkig maakt en ik
-verblijd mij daarin met u; maar het verbaast mij, dat de vriend en
-volgeling van Luther met zooveel lof over diens tegenstander spreekt
-en hem met zijn kunst dient. Is het niet juist kardinaal Albrecht,
-die den eersten stoot aan de geheele beweging heeft gegeven, toen
-hij Tetzel uitzond met die aflaatkist?"
-
-Dürer zag den prior een oogenblik ontsteld aan, daarop sprak hij: "Ik
-heb wel gedacht aan hetgeen de kardinaal, wat den aflaat betreft, heeft
-gedaan en het diep betreurd. Het is jammer, dat de man zich daarmee
-heeft afgegeven. Hij is overigens zulk een kiesch, uiterst ontwikkeld
-en hoogdenkend man, een vriend van kunsten en wetenschappen. -- -- --"
-
-"En een verkwister!" viel de prior hem met donkeren blik in de
-rede. "Zijn geldbuidel is altijd leeg en hij heeft Tetzel uitgezonden
-alleen om zijn beurs te vullen."
-
-"Misschien heeft hij niet geweten, wat hij deed," zei Dürer
-verontschuldigend, "en is daarom op hem het woord van onzen Heiland
-van toepassing, dat men het hem moet vergeven. Misschien heeft hij zelf
-het verkeerde reeds ingezien en stelt hij perk aan dien afschuwelijken
-handel. Mij dunkt, dat hij meer vorst dan bisschop is en van de leer
-der kerk niet veel weet, zooals vele anderen, die den bisschopsstaf
-dragen. Indien hij het bestuur over wereldsche aangelegenheden had,
-dan -- -- --"
-
-Hier werd de spreker in de rede gevallen door een monnik, die met een
-uitdrukking van schrik en toorn op het gelaat, naar binnen stortte
-en riep: "Er loopt een slechte tijding door de stad: de leeuw heft
-den klauw omhoog, om den adelaar te verscheuren."
-
-Plotseling stonden allen van hun zitplaatsen op en verdrongen zich
-om den binnengekomene met de vraag, wat dit moest beteekenen.
-
-De monnik hief zijn gebalde vuisten omhoog en riep met donderende
-stem: "Wee u, Leo, wanneer uw hand zich met het bloed der heiligen
-bevlekt!--Gij moet dan weten, broeders, dat er uit Rome een gezant
-van den paus is gekomen, om Luther te bevelen binnen zestig dagen
-voor den pauselijken stoel te verschijnen--dat beteekent dus: in een
-gevangenis te verdwijnen--en den paus nog dankbaar den voet te kussen
-voor de genade, dat hij hem den brandstapel heeft bespaard!"
-
-Er ontstond een groote opgewondenheid; aller gelaat gloeide en men
-sprak wild door elkaar, want de Augustijner monniken van St. Ulrich
-te Augsburg hadden allen partij gekozen voor hun Wittenberger
-kloosterbroeder en waren trotsch op hem.
-
-Dürer was eveneens diep getroffen. Hij ging naar zijn slaapvertrek
-en legde zich te bed, om daar lang tot God te bidden en den bedreigde
-in de bescherming des Almachtigen aan te bevelen.
-
-Er heerschte een geweldige oproerigheid in Augsburg gedurende de
-volgende dagen en de pauselijke gezant zag welk een groot deel van
-het volk op Luthers hand was.
-
-De opgewondenheid bedaarde dan ook niet, voordat men over Luthers
-lot gerust kon zijn, omdat zoowel de Universiteit van Wittenberg als
-de keurvorst Frederik van Saksen, voor den monnik beslist in de bres
-waren gesprongen en het hadden doorgezet, dat zijn zaak op Duitsch
-grondgebied zou worden uitgevochten en wel te Augsburg op den Rijksdag,
-terwijl de pauselijke gezant, kardinaal Cajetanus, tegen wil en dank
-zich bereid moest verklaren, aldaar den ketter te woord te staan.
-
-Men was daarmee tevreden gesteld; vooral ook nu de pauselijke
-zaakgelastigde, den keurvorst op diens aandringen, had beloofd met
-zachtmoedigheid en rechtvaardigheid tegenover den Augustijner monnik
-te werk te gaan.
-
-Brandend van ongeduld wachtte Dürer het oogenblik af, waarop de man
-Gods, die zijn ziel uit groote benauwdheid had gered, Augsburg zou
-betreden; hij hoopte hem dan met eigen oogen te zien en misschien
-zelfs met hem te spreken.
-
-Maar de eene week na de andere verliep en Luther verscheen niet--men
-hoorde zelfs beweren, dat hij pas zou komen wanneer de Rijksdag al
-het andere zou hebben behandeld, en dat was nog heel veel. Dürer
-kon evenwel tot zijn groote spijt zoo lang niet wachten; hij had van
-huis tijdingen ontvangen, die hem tegen de helft van September naar
-Neurenberg riepen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXV.
-
-BEVREDIGD VERLANGEN.
-
-
-Er waren bijna vier weken voorbijgegaan, toen op zekeren avond de
-meid meester Dürer bij zijn thuiskomst berichtte, dat de secretaris
-van den Raad er was geweest en ten hoogste had betreurd meester Dürer
-uit te vinden. Hij had er bij gevoegd, dat in geval deze spoedig thuis
-mocht komen, hij dadelijk naar het Augustijnerklooster moest gaan.
-
-Terstond ging Dürer er dus weer op uit en liep met groote stappen
-naar het genoemde klooster.
-
-Hij vond al de broeders bij elkaar in de groote eetzaal.
-
-"O, waarom waart gij zoo straks niet hier, Meester Dürer," riep de
-prior den binnentredende toe. "Nu is het te laat!"
-
-"Wat is er gebeurd?" vraagde Dürer ontsteld.
-
-De prior kwam naderbij, reikte hem de hand en zei: "Hij, dien gij
-zoozeer hebt verlangd te aanschouwen, zat een uur geleden hier op
-deze plaats."
-
-"Luther?" vraagde meester Dürer snel.
-
-"Ja, Luther," bevestigde de prior. "Wij hebben hem gezien, wij hebben
-met hem gesproken--o, ik zegen den dag, waarop de gezegende des Heeren
-onzen drempel heeft overschreden."
-
-Dürer was ontroostbaar over de teleurstelling, dat hij op het
-juiste oogenblik niet tegenwoordig was geweest en nu wilde hij ten
-minste alle nadere bijzonderheden hooren. Hij vernam, dat Luther
-te voet van Wittenberg was gekomen en doodmoe bij de broeders was
-aangeland. Men had hem toen gespijsd en gelaafd en broeder Link had
-hem zijn pij gegeven, daar hij in zijn eigen oude pij, door de stof op
-reis ontoonbaar geworden, onmogelijk voor den gezant van den heilige
-Vader kon verschijnen.
-
-Verder vertelde men, dat Link had aangeboden, hem naar Augsburg te
-begeleiden en dat zij een half uur geleden samen waren afgereisd.
-
-"En hoe was hij, Dr. Martinus?" vraagde Dürer met groote
-belangstelling.
-
-Eenige oogenblikken zweeg de prior met terneergeslagen blikken;
-toen vervolgde hij:
-
-"Hoe zal ik u dat duidelijk kunnen maken? Eerst schrok ik, toen
-ik hem zag aankomen, van zijn holle, bleeke wangen, waarop als
-het ware de dood staat te lezen. En ik zag daaruit de gevolgen van
-zijn zelfkastijdingen in het Erfurter klooster, waarvan men mij had
-verteld. Maar ik werd bijna verblind, toen ik zijn oogen zag. Meester
-Dürer, als gij die oogen had gezien, zoudt gij terstond hebben
-gezegd: dat is een man Gods, een profeet des Allerhoogsten! En als
-gij die oogen moest schilderen--al zijt gij nog zulk een uitstekend,
-hooggeroemd kunstenaar, zulke oogen en de ziel, die daaruit spreekt,
-op het doek te brengen, neen, dat zou onmogelijk zijn. Ik zie ze nog
-steeds voor mij, die groote, donkere, diepe oogen; het was mij alsof
-hij daarmee tot in het diepst van 's menschen ziel kon lezen. En dan
-zijn stem, zijn taal--juist zoo stel ik mij Elias, den profeet van
-Jehova voor."
-
-"En wat zeide hij van zijn gang naar Augsburg?" vraagde Dürer verder.
-
-"Hij was op alles voorbereid," antwoordde de prior. "Hij voorzag heel
-goed, dat hij als offer was bestemd, dat de paus hem door list wilde
-vangen en naar Rome sleepen; toch ging hij getroost in den naam des
-Heeren, die, als hij verloren ging, uit elken steen een Martinus
-kon verwekken."
-
-In Dürers ziel kampten velerlei aandoeningen om den voorrang; diepe
-ontroering en hartverheffende gedachten wisselden af met wrevel over
-de teleurstelling Luther te hebben gemist. Eindelijk vraagde hij,
-of Luther niet gezegd had, welken terugweg hij zou nemen, wanneer
-het misliep met de booze bedoelingen van Rome. Doch men zei hem,
-dat Luther daarvan met geen enkel woord had gerept.
-
-Iedereen te Neurenberg, en Dürer in het bijzonder, wachtte nu in groote
-spanning op tijding uit Augsburg; maar de berichten, die kwamen,
-waren zeer met elkander in tegenspraak. Sommigen zeiden, dat Luther
-zeer welwillend door den kardinaal was ontvangen; anderen beweerden,
-dat de pauselijke gezant hem hard had bejegend en had gezegd, dat
-hij het beest met de donkere oogen niet meer wilde zien.
-
-Toen kwam op den 16den October 's avonds laat Wenzel Link, die Luther
-naar Augsburg had vergezeld, terug--alleen, en vervulde door zijn
-berichten de stad met vrees en beven. Hij vertelde, dat hij de vlucht
-had moeten nemen, omdat hij zijn leven niet zeker was en wat er met
-Luther, die nog een geschrift om te appeleeren wilde overreiken,
-zou gebeuren, dat wist God alleen.
-
-Ten huize van Kaspar Nützel kwamen vele aanzienlijken bijeen om te
-beraadslagen, wat zij te doen hadden, in geval, dat het met Luther tot
-het uiterste kwam, maar niemand wist wat hierin te raden. Aller gemoed
-was bezwaard, niemand dacht aan arbeiden, zelfs de raadszittingen
-konden niet doorgaan door de afwezigheid van het meerendeel der
-raadsheeren.--
-
-Op Donderdag, den 21sten October, reden 's morgens vroeg twee ruiters
-de Vrouwepoort te Neurenberg binnen; zij zagen er wonderlijk uit, ten
-minste de een, want dat was een monnik in zijn pij, hetgeen al heel
-vreemd stond voor iemand te paard, zoodat ieder, die hem tegenkwam,
-bleef staan en verwonderd den rijdenden kloosterbroeder nakeek. De
-andere ruiter was een man met een grijzen baard en een gerimpeld
-gelaat; hij was tot de tanden toe gewapend. De ruiters vraagden
-den weg naar het Augustijnerklooster en gingen, toen zij daar waren
-aangekomen, met het paard aan den teugel, den tuin binnen. Even daarna
-werd de klopper driemaal haastig op Dürers deur neergelaten. Het was
-een monnik, die de boodschap bracht, dat meester Dürer terstond naar
-het klooster moest gaan.
-
-Met een voorgevoel, wien het gold, snelde Dürer naar buiten, geheel
-zooals hij was en in zijn haast ternauwernood zich den tijd gunnende
-om zijn baret van den haak te nemen. Hij had zich niet bedrogen; de
-monnik vertelde hem onderweg, dat Luther vergezeld van een gewapend
-ruiter uit Augsburg als vluchteling was aangekomen en in het klooster
-eenige rust wilde nemen. Met kloppend hart trad Dürer het klooster
-binnen. Allen waren weder in de eetzaal te zamen gekomen en men kon
-het hun aanzien, welk een diepen indruk deze gebeurtenis op hem maakte.
-
-Tevergeefs echter zochten zijn oogen Luther en op zijn vraag naar hem,
-hoorde hij dat deze bij den prior in diens cel was, om het schrijven
-van Spalatinus, den hofprediker van den Keurvorst van Saksen,
-dat ondertusschen voor hem was gekomen, te lezen. En werkelijk,
-nog voordat Luther eenige spijs ter verkwikking had genuttigd, had
-hij zich teruggetrokken om dezen brief te lezen. Hij zag daaruit,
-dat hij alle reden had, om de Augsburgsche vrienden, die bij hem op
-deze nachtelijke vlucht hadden aangedrongen, dankbaar te zijn, want
-Spalatinus deelde hem mee, dat, in een brief van den Paus, Kardinaal
-Cajetanus de opdracht had gekregen, Luther, dien verstokten ketter,
-hoe dan ook, in zijn macht te brengen, aan Rome uit te leveren en
-den ban uit te spreken over al zijn volgelingen en over alle steden
-en landen, waarheen deze zoon des satans zich zou begeven.
-
-Het duurde geruimen tijd, voordat Luther zich weer liet zien. De brief
-van Spalatinus en zijn lichamelijke uitputting hadden hem zoozeer
-aangepakt, dat hij rust en nadenken noodig had. Hij bekommerde zich
-weinig om het gevaar, dat hem zelf dreigde; doch dat anderen om
-zijnentwil zouden lijden, deed hem verdriet. Om deze laatste reden
-wilde hij dan ook niet lang in Neurenberg blijven en hij ging naar
-de eetzaal terug, waar een ontbijt voor hem gereed stond. Dürer, die
-zich achter in de zaal had teruggetrokken, stond hem onbewegelijk met
-groote oogen aan te staren; het was alsof hij betooverd was. Dat was
-hij dus, de profeet des Heeren met die zielvolle oogen, die zoo diep
-in de waarheid zagen; dat was dus die onverschrokken, dappere man,
-die gedurfd had wat niemand had gewaagd; dat was hij dus, wien hij de
-redding uit zijn zielsangsten had te danken! Meester Dürer bleef schuw
-in zijn schuilhoek, om daar te luisteren naar de woorden, die Luther
-onder het eten met den Prior en zijn vriend Link wisselde. Toen hij
-echter, nadat hij had gegeten, opstond en een kloosterbroeder toeriep,
-dat de knecht de paarden moest voorbrengen, verzamelde Dürer al zijn
-moed, trad uit zijn schuilhoek te voorschijn en ging naar Dr. Maarten
-toe. "Eerwaarde heer Doctor, neem ook uit mijn mond een zegenbede
-op reis mee. Reeds sedert lang behoor ook ik tot hen, die u eeren en
-voor u bidden."
-
-"Hoe heet gij?" vraagde Luther vriendelijk.
-
-"Albrecht Dürer," was het antwoord.
-
-Toen begonnen de groote oogen van den doctor te schitteren en met een
-geheel veranderden klank in zijn stem sprak hij: "Albrecht Dürer, gij,
-heerlijk kunstenaar, wees gegroet. Zie, ook ik heb u hartelijk lief en
-bewonder uw kunst, die mij reeds menig genot heeft bereid. God helpe
-u verder op den weg der waarheid, opdat gij daarin wordet bevestigd
-en de waarheid u vrij make!"
-
-"Dat geve God!" antwoordde Dürer warm, "u evenwel, die door den Paus
-en de goddeloozen wordt bedreigd, beveel ik in de bescherming des
-Almachtigen, opdat gij over de boosheid uwer vijanden moogt zegevieren
-en het veld behouden."
-
-"Heb dank, Meester Dürer!" antwoordde Luther innig en hij drukte
-den spreker de hand. "Mijn leven is in Gods hand en ik stel mijn
-vertrouwen op den levenden God; daarom vrees ik geen mensch, al was
-het de Paus of de duivel zelf."
-
-Buiten in den kloostertuin, hoorde men hoefgetrappel; toen nam Luther
-van allen haastig afscheid, steeg te paard en draafde met zijn geleider
-weg. Men zag hem langen tijd na, totdat zij op de Wijnmarkt den hoek
-omsloegen en verdwenen.
-
-"Heden is dit huis zaligheid geschied en mij ook," sprak Dürer, diep
-bewogen. "Nu weet ik het ook heel zeker, dat Doctor Maarten Luther
-de zwaan is, waarvan Johannes Hus stervend voorspelde, dat hij over
-honderd jaar zou komen. En ik bid van God, dat zijn voorspelling
-geheel moge worden vervuld; dat men, nadat men den gans misdadiglijk
-heeft gebraden, den zwaan ongebraden zal moeten laten!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVI.
-
-EEN SPOTSCHRIFT.
-
-
-De ontvangst, die Kardinaal Cajetanus te Rome te beurt viel,
-toen hij zonder den aartsketter thuis kwam, was niet bepaald
-aangenaam. Begrijpende, dat er met geweld niets viel uit te richten,
-wilde de Paus nu iets anders probeeren. Het duurde niet lang, of er
-kwam weer een pauselijk zaakgelastigde, die het slimmer aanlegde dan
-de onhandige Kardinaal, opdagen, iemand, die den klauw in fluweelen
-handschoenen verborg, terwijl hij trachtte den ketter door zijn gevlei
-te vangen. En bijna gelukte hem dat ook: hij bracht Luther er toe
-te beloven, dat hij zou zwijgen, indien zijn tegenstanders dit ook
-zouden doen. Doch deze konden hun mond niet houden en zoo was Luther
-ook van zijn belofte ontslagen.
-
-Doctor Eck, professor te Ingolstadt, was de eerste, die den roem
-wenschte te behalen om den geweldigen Augustijner te overwinnen. De
-welbespraakte man wilde bij een dispuut in het openbaar bewijzen,
-dat Luther een leugenprofeet en een kind des duivels was. Wel is
-waar, daagde hij eerst niet Luther zelf tot een twistgesprek uit,
-maar den Wittenbergschen professor Karlstadt; doch eigenlijk had hij
-het toch op Luther voorzien en het gebeurde dan ook, dat, nadat hij
-te Leipzig Karlstadt met zijn kwakzalversstem het zwijgen had weten
-op te leggen, Doctor Maarten in het strijdperk trad, om een tweeden
-kamp te ondernemen.
-
-De oogen van de geheele wereld waren op dit tweegevecht gericht en
-in groote spanning wachtte men op den uitslag.
-
-Luther behaalde de overwinning en verkreeg daarbij veel nieuwe
-volgelingen; en niettegenstaande dat, ging Eck, die ijdele Eck,
-met opgericht hoofd zijn weg en deed alsof hij de overwinnaar was.
-
-Doch daarmee wist hij alleen de aanhangers van Rome en de domme lieden
-te misleiden--de overigen waren vertoornd op den schetteraar en des
-te meer, toen men tot de overtuiging kwam, dat hij een doortrapt
-huichelaar was, die datgene, wat hij met veel drukte verdedigde,
-zelf in het geheel niet geloofde.
-
-
-
-Wilibald Pirkheimers vrienden merkten in die dagen weinig van
-hem. Hij had zich in zijn studeervertrek teruggetrokken en schreef
-maar voortdurend.
-
-Alleen Dürer en Doctor Bernard Adelmann werden nu en dan
-bij hem toegelaten en op hun vragen naar de oorzaak van zijn
-teruggetrokkenheid, antwoordde hij, dat hij geheel in beslag werd
-genomen door het bestudeeren van een Grieksch schrijver.
-
-Eenige weken later zag een klein boekje het licht, getiteld: "der
-abgehobelte Eck" [24] een woordspeling op Ecks naam, die "hoek"
-beteekent. De naam van den schrijver en de plaats van uitgave waren
-er niet bij vermeld. Het was een bijtend spotschrift op den doctor
-uit Ingolstadt, waarin niet alleen de theoloog, maar ook de drinker
-en wellusteling Eck meedoogenloos aan de kaak werd gesteld.
-
-De afgemaakte schuimbekte van woede. Hoe gemakkelijk had hij, die
-'s Pausen volmacht had, wraak kunnen nemen op den boosdoener, indien
-hij hem maar gekend had! Eck stelde alle middelen in het werk om er
-achter te komen.
-
-Steeds las hij het geschrift op nieuw om er den schrijver van op
-te sporen.
-
-Ha! daar meende hij iets te hebben ontdekt: het moest bepaald door
-iemand uit Neurenberg zijn geschreven, verschillende bijkomende
-omstandigheden verrieden dit.
-
-Iemand uit Neurenberg--wie kon dat zijn? Wederom peinsde
-Eck en hij liet al de geleerden uit die stad aan zijn geest
-voorbijgaan. "Spengler?"--Neen, van hem verwacht ik die onhebbelijkheid
-niet; is er een ander die Latijn schrijft?--Pirkheimer?--
-
-Op nieuw bestudeerde hij den stijl en nu ging hem op eenmaal een licht
-op--hoe was het mogelijk, dat hij zoo lang gezocht en geraden had! Uit
-die scherpe woorden keek hem Pirkheimers boosaardig lachend gezicht
-aan. En nu kwam er een onheilspellende gloed in de zwarte oogen en
-sissend klonk het tusschen de knarsende tanden: "Neem u in acht,
-Wilibald, wij rekenen nog eens met elkander af!"
-
-Ook de leden van den Humanistenkring kwamen spoedig op hetzelfde
-spoor als Eck en verscheidene vragen werden er tot Pirkheimer over
-het auteurschap gericht, doch de wijze, waarop hij het ontkende,
-diende er slechts toe, om de verdenking te versterken!
-
-Eck liet niets van zich merken en daardoor verdween langzamerhand
-alle vrees uit Pirkheimers hart. Ook werd de aandacht van dit geval
-na eenigen tijd afgeleid door een andere gewichtige gebeurtenis,
-die aller gedachten innam. Keizer Maximiliaan was in het begin van
-'t jaar 1519 gestorven en de Rijksvorsten beraadslaagden met elkander
-over de keuze van een troonopvolger.
-
-In de laatste jaren van zijn leven had de afgestorvene de keurvorsten
-voor zijn kleinzoon Karel, den opvolger der Spaansche kroon, trachten
-te winnen, en de uitslag der verkiezing beantwoordde dan ook aan de
-wenschen van den ontslapene, al moest het velen verbazen, dat een
-man, die, in Spanje opgevoed, zelfs de Duitsche taal niet kende, het
-Duitsche Rijk zou regeeren en dat, terwijl hij nog een jongeling was,
-die pas twintig maal de rozen had zien bloeien.
-
-Meer dan iemand anders betreurde meester Dürer het heengaan van den
-edelen, ridderlijken Maximiliaan. Met hem verloor hij een beschermer,
-van wien hij nog veel had verwacht: verdere opdrachten van kunstwerken
-en daarbij het jaargeld, dat hem voor zijn werken was beloofd. Wat
-kon hij in dit opzicht van den nieuwen keizer verwachten? Hij was hem
-geheel vreemd en ongetwijfeld zou hij in de eerste jaren heel wat
-anders te doen hebben dan de kunst te beschermen. Toch dacht Dürer
-er over, te trachten den nieuwen souverein te naderen en zoowel zijn
-vrouw als zijn vrienden versterkten hem in dit plan.
-
-Deze overleggingen en zijn belangstelling in den gang der zaken op
-godsdienstig gebied brachten er toe bij, dat hij betrekkelijk weinig
-tijd aan de kunst wijdde. Nadat hij nog een tweede en grooter portret
-van Kardinaal Albrecht op diens verlangen had gemaakt, wenschte
-hij den dierbaren, overleden keizer te verheerlijken door een werk
-ter zijner herinnering te maken. Verscheidene malen schilderde hij
-'s keizers portret in olieverf en ten laatste wijdde hij aan de
-gedachtenis van den geliefden vorst een groote houtsnede, die zijn
-apotheose voorstelde, zijn opnemen in het Rijk der zaligen. In het
-voorhof des hemels knielt Keizer Maximiliaan voor God, den Vader,
-en legt schepter, zwaard en rijksappel, waarvan hij nu rekenschap
-moet geven, neder aan de voeten van den Heer der heirscharen. Rondom
-staan zes der voornaamste heiligen en schutspatronen als vrijpleiters
-geschaard. Onder het werk doelen vier latijnsche versregels op de
-beteekenis van het geheel.
-
-Dürer had zijn geheele hart in dit werk gelegd en daarin het beste,
-wat hij had, gegeven; menige traan was op het papier gevallen, te
-meer daar nog een andere slag hem had getroffen en zijn hart had
-week gemaakt--zijn oude meester Wolgemut, dien hij als een vader had
-bemind en geëerd, was gestorven. Het diepe gevoel, dat de meester in
-dit werk had gelegd, het innig weemoedige, dat er uit sprak, miste
-zijn uitwerking dan ook niet en maakte ieder pas recht duidelijk,
-wat men aan Keizer Maximiliaan had verloren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVII.
-
-IN DE NEDERLANDEN.
-
-
-Wederom was de ruiter op het vale paard de poort van Neurenberg
-binnengereden, wederom woedde de pest in de stad.
-
-Op straat heerschte doodsche stilte, overal was de werkkracht
-verlamd, slechts de doodgravers hadden werk in het zweet huns
-aanschijns. Geheele families stierven uit, geheele huizen werden
-ontvolkt. Hoe grooter de angst en ontzetting werd, des te grooter
-buit behaalde de pest en in de harten der menschen doodde de vrees
-alle liefde: ieder dacht slechts aan zich zelf en liet de overigen
-aan hun lot over.
-
-Op zekeren morgen kwam bij Albrecht Dürer Wilibald Pirkheimer
-in reisgewaad. "Ik kom u vaarwel zeggen," sprak hij reeds op den
-drempel. "Te Neurenhof op het landgoed van mijn schoonvader is de
-lucht onbesmet; daar ben ik van plan te blijven totdat de ziekte
-is geweken.--Doch, ik zie dat gij ook op reis gaat?" vraagde hij,
-toen hij de kist zag, die Vrouwe Agnes juist bezig was te pakken.
-
-Dürer knikte. "Ja, ook wij zijn van plan ons heil in de vlucht zoeken."
-
-"En waar gaat gij naar toe?"
-
-"De weg wordt mij aangewezen door een wensch, dien ik al lang heb
-gekoesterd; ik wil naar de Nederlanden tot den nieuwen keizer gaan,
-om mij in zijn bescherming aan te bevelen en van hem te verkrijgen,
-hetgeen mij door den dood van keizer Maximiliaan is ontgaan; het
-loon voor mijn werk tot een bedrag van 200 gulden en de verzekering,
-dat het jaargeld, hetwelk de gestorven keizer mij had toegestaan,
-mij steeds zal worden uitgekeerd. De nieuw verkozene is nu op
-reis in de Nederlanden, om vandaar voor de kroning naar Aken te
-gaan. Tegelijkertijd wilde ik een groet brengen aan de kunstbroeders
-in de Nederlanden en van hun kunstwerken genieten. Ik hoop ook vele
-mijner werken aan den man te brengen, om daardoor de reiskosten te
-kunnen betalen en door menig geschenk hoop ik mij beschermers en
-pleitbezorgers te verzekeren."
-
-"Nu, God zij met u, mijn lieve vriend," sprak Pirkheimer bewogen,
-"en Hij vergunne ons, nadat de pest is overwonnen, elkaar in welstand
-terug te zien!"
-
-Dürer en Vrouwe Agnes gaven hem wederkeerig hun heilbeden mede en
-nadat de keizerlijke raadsheer was vertrokken, ging Agnes voort met
-de toebereidselen voor de reis.
-
-Dezen keer wilde Dürer zijn vrouw niet alleen achterlaten en zij
-ging gaarne met hem mee, want zij voelde een buitengewonen angst voor
-de pest.
-
-Den volgenden morgen--het was de 12de Juli 1520--hield een reiskoets
-voor Dürers huis stil en het echtpaar, benevens hun meid Susanna,
-steeg er in.
-
-In snellen draf ging het naar de Tiergärtnerpoort, om zoo gauw
-mogelijk uit de verpeste lucht te komen, en men ademde vrijer,
-toen de op grooten afstand zichtbare vesting van Neurenberg uit het
-gezicht verdween.
-
-Eerst reed men naar Bamberg. Van den bisschop aldaar hoopte Dürer een
-vrijbrief te veroveren, om bevrijd te zijn van de lastige afpersingen
-en de groote uitgaven aan de tollen.
-
-Een groote afbeelding der Madonna, de houtsneden uit de Openbaring
-van Johannes, het leven van Maria en verscheidene kopergravuren,
-die hij als geschenk aanbood, misten dan ook op den hoogwaarden heer
-hun uitwerking niet: Dürer kreeg, tegen betaling van een gulden,
-niet alleen een bewijs, dat hij ontslagen was van alle tolgelden,
-doch de bisschop stelde hem ook vrij van het gelag in de herbergen,
-dat een gulden bedroeg.
-
-Hier ging de koetsier uit Neurenberg weer terug en gingen de reizigers
-in een schip om tot Mainz te varen.
-
-De vrijbrief beantwoordde aan het doel: ongemoeid en zonder betalen
-kon men van de eene plaats naar de andere gaan. Tot Frankfort alleen
-had men zesentwintig tollen te passeeren, en als Dürer, zooals later
-op den Rijn, bij elken tol twee gulden had moeten betalen, zou het
-zijn beurs al heel slecht zijn bekomen.
-
-In Frankfort had men een kort oponthoud. Jacob Heller, voor wien Dürer
-vroeger het groote altaarstuk had geschilderd, wilde den vereerden
-kunstenaar niet zoo spoedig laten vertrekken en schonk hem den eerewijn
-in de herberg.
-
-Nog langer duurde het oponthoud te Mainz, waar een bepaalde wedijver
-ontstond, om Dürer met eerbewijzen te overladen en het gelukte hem
-pas den 23sten Juli verder te gaan en op een schip den Rijn af naar
-Keulen te reizen.
-
-Daar had een vroolijk wederzien plaats met zijn neef Nicolaas, den
-zoon van zijns vaders broeder, die vroeger als goudsmid te Neurenberg
-was gevestigd geweest en later naar Keulen was verhuisd. Dürer moest
-evenwel zijn tijd verdeelen tusschen dit familielid en den heer
-Hieronymus Fugger uit Augsburg, die hier vertoefde en den kunstenaar
-met vriendschapsbewijzen overlaadde.
-
-Verder ging de reis weer met koets en paarden naar Antwerpen, waar
-men den 2den Augustus goed en wel aankwam.
-
-Welk een nieuwe wereld opende zich hier voor Dürers blikken, die
-nooit rust vonden. Dat mastenwoud in de haven der Schelde, dat
-bonte, drukke gewemel aan den oever! Het boeide hem zoo, dat hij
-snel papier en potlood greep om dit tooneel mee naar huis te kunnen
-nemen. Spoedig had men een herberg gevonden. De waard Jobst Plankfeldt
-was een aangename, goedhartige man en zijn vrouw was even rond als zij
-gedienstig was. Na enkele dagen voelden de vreemdelingen zich daar
-geheel thuis en vooral de vrouwen konden het best samen vinden. Zij
-zaten op een avond gezellig bij elkaar te babbelen aan het avondeten,
-toen de waardin sprak: "Wat is uw echtgenoot toch een wereldberoemd
-man! Dat zult gij hier in den vreemde eerst recht ondervinden."
-
-Vrouwe Agnes voelde zich gevleid en zei glimlachend. "Ik verheug mij
-met hem in de eer, die men hem hier van alle zijden bewijst en vooral,
-omdat hier in den beker der vreugde geen bitteren droppel van nijd
-of afgunst wordt gemengd, zooals dat te Venetië gebeurde. Iedereen
-komt hem met liefde en oprechte bewondering tegemoet. En toch zou ik
-die beroemdheid bijna betreuren, want die berooft mij totaal van zijn
-gezelschap, zoo dat ik soms in eigen oogen een arme, verlaten weduwe
-ben. Als ik u niet had, zou het voor mij aangenamer zijn geweest om
-thuis te blijven."
-
-"Gij moet niet ontevreden en onbillijk zijn, Vrouwe Dürer,"
-knorde de waardin. "Zijt gij dan niet zelf tegenwoordig geweest
-bij het feest, dat onze schilders uw echtgenoot in hun gildekamer
-hebben aangeboden? En wie weet, hoeveel eerbewijzen nog voor u zijn
-weggelegd!" Het was werkelijk een prachtig feest geweest, dat het
-Antwerpsche schildersgild den Neurenberger meester had gegeven. Geheel
-onder den indruk daarvan was Dürer thuisgekomen en hij had het volgende
-in het dagboek zijner reis geschreven:
-
-"Des Zondags, op St. Oswaldsdag, noodigden de schilders mij, mijn
-vrouw en de meid uit om in hun kamer te komen. Zij hadden overal
-zilver vaatwerk en veel pracht aangebracht en voor overheerlijke
-spijzen gezorgd. Hun vrouwen waren ook tegenwoordig en toen men mij
-naar tafel geleidde, stonden allen aan beide zijden geschaard, alsof ik
-een vorst was. Er waren zeer aanzienlijke personen onder hen, mannen,
-die diep eerbiedig voor mij bogen en zeiden, dat zij zooveel in hun
-vermogen was, wilden doen om het mij aangenaam te maken. En toen ik was
-aangezeten, kwam de bode van den Raad van Antwerpen met twee knechts,
-die mij uit naam van de raadsheeren twee kannen wijn aanboden; zij
-lieten mij zeggen, dat zij mij hiermee eer wilden bewijzen en hoopten,
-dat het mij aangenaam zou zijn. Ik betuigde hen mijn hartelijken dank
-en bood mijn diensten aan. En toen wij langen tijd vroolijk bij elkaar
-hadden gezeten en het laat in den nacht was geworden, deden zij ons
-de eer ons met fakkels naar huis te begeleiden en verzochten ons hun
-diensten te willen aannemen, want zij wilden mij gaarne in alles, wat
-mij genoegen kon doen, ter wille zijn. Ik dankte hen en ging naar bed."
-
-In Antwerpen was veel te zien. In de eerste plaats maakte de
-schilderkunst aanspraak op Dürers belangstelling.
-
-In Quinten Metsys leerde hij een kunstenaar, voor wien hij het hoofd
-moest ontblooten, kennen. Bijzonder genot verschafte hem het arsenaal,
-waar in de groote zaal de kunstenaars bezig waren de reusachtige
-triomfbogen, die dienst moesten doen bij den feestelijken intocht
-van Keizer Karel op den 25sten September, te schilderen. Vierhonderd
-bogen, elk veertig voet breed en twee verdiepingen hoog, zouden op
-straat worden opgericht--een reuzenwerk, wel waard te worden bewonderd.
-
-Daarbij ontbrak het Dürer niet aan uitnoodigingen om zelf te
-schilderen, want de velen, die hem met hun eerbewijzen overlaadden,
-wilden ook gaarne iets van zijn hand tot aandenken hebben, en daarom
-was hij wel verplicht nu en dan een uurtje er af te nemen, om dezen
-plicht der dankbaarheid te vervullen.
-
-Vooral voelde hij zich hiertoe gedrongen tegenover den man, op wiens
-persoonlijke kennismaking hij zich in het bijzonder had verheugd,
-Erasmus van Rotterdam, den grooten geleerde en het orakel van zijn
-tijd, tot wien de geheele beschaafde wereld met onbeperkt vertrouwen
-opzag en van wien men hoopte, dat hij in zake Luther, het gewicht
-van zijn invloed in de weegschaal zou werpen.
-
-De beide groote mannen behandelden elkaar bij hun ontmoeting wederzijds
-met den eerbied, die elk toekwam en zij voelden zich sterk tot
-elkaar aangetrokken. Uit dankbaarheid voor het geschenk van Erasmus,
-bestaande uit een Spaansch manteltje en verscheidene teekeningen,
-schilderde Dürer het portret van den geleerde op meesterlijke wijze,
-waarvan hij later een copie meenam om op koper te graveeren.
-
-Het kostte hem moeite om afscheid te nemen van Antwerpen, waar hij
-zooveel liefde en eer had genoten, maar het was zijn plan om verder
-naar Brussel te gaan.
-
-Op den 16den Augustus aanvaardde hij de reis in gezelschap van den
-Genuees Tomaso Bombelli, een der rijkste kooplui in zijde van Antwerpen
-en tegelijkertijd penningmeester der Landvoogdes der Nederlanden, de
-Aartshertogin Margaretha, die den meester evenals andere buitenlanders
-met eerbewijzen had overladen.
-
-In Brussel werd hij aangenaam verrast, toen hij drie Neurenberger
-heeren onverwacht op straat ontmoette; het waren de raadsheeren: Hans
-Ebner, Leonard Groland en Nicolaas Haller, die, als afgezanten van
-den Raad, de rijksinsignes voor de kroning moesten overbrengen. De
-heeren wilden ook van hunnentwege hun beroemden stadgenoot een
-onderscheiding bewijzen en namen zijn onderhoud geheel voor hun
-rekening. Het was echter niet noodig hem daar bekend te doen worden,
-want in Brussel herhaalden zich dezelfde tooneelen als te Antwerpen
-en het kostte Vrouwe Agnes menigen zucht zich steeds zoo eenzaam en
-verlaten te gevoelen.
-
-Voor den kunstenaar daarentegen waren het dagen van het hoogste genot;
-zijn oog, oor en hart genoten oneindig. Ten laatste was het hem ook
-nog vergund bij de Landvoogdes te worden toegelaten; zij was een
-fijnbeschaafde, met de kunst dwepende vrouw, die hem ook beloofde
-zijn voorspraak bij Koning Karel te zullen zijn.
-
-Den 2den September keerde hij uiterst voldaan naar Antwerpen terug,
-om daar den keizer, af te wachten, voor wiens ontvangst alles in rep en
-roer was en vol ijver om de stad in een tooverpaleis te herscheppen. De
-keizerlijke stoet naderde langzaam de poort, de lucht weergalmde van
-de juichkreten der dicht op elkaar gedrongen, geestdriftvolle menigte,
-maar de jonge keizer scheen weinig oog te hebben voor al die pracht
-en heerlijkheid, en menigeen, die wist welke verbazende onkosten men
-had gemaakt, schudde wrevelig het hoofd.
-
-Van Antwerpen ging de keizer verder naar Aken voor de kroning en Dürer
-volgde hem naar die stad, omdat hij te Antwerpen geen gelegenheid had
-gehad om hem te naderen. Te Aken ontmoette hij weer de Neurenberger
-gezanten, die hem in hun kring opnamen en alle onkosten voor zijn
-onderhoud betaalden, waarvoor hij hun zooals vroeger met zijn kunst
-zijn dankbaarheid betuigde.
-
-Den 23sten October had de kroning plaats. Op den avond van dien dag
-schreef Dürer in zijn boek: "Heden zag ik zooveel pracht en praal,
-als geen sterveling ooit schooner zag."
-
-Was het in Antwerpen hem reeds onmogelijk geweest zijn verzoek bij
-den keizer in te dienen, te Aken viel er in 't geheel niet aan te
-denken en er bleef dus niet anders over dan den vorst naar Keulen
-te volgen. Daar eindelijk op den 12den November bereikte hij met
-veel moeite zijn doel, tenminste in zoover, dat het uitbetalen der
-lijfrente hem werd verzekerd--maar van de andere verplichtingen wilde
-Keizer Karel niets hooren.
-
-Verheugd, dat hij tenminste in hoofdzaak was geslaagd, keerde hij
-van Keulen terug, om weer te gaan naar de Nederlanden, waar hij den
-winter wilde doorbrengen.
-
-Den 27sten November was hij weer in Antwerpen bij Agnes, wier
-vreugde over het weerzien eenigszins werd vergald door het ongeluk,
-dat haar onlangs in de Lievevrouwekerk op St. Maarten was overkomen,
-toen een dief haar tasch met twee gulden en verscheidene sleutels
-had losgesneden en gestolen.
-
-Dit verlies bezorgde Dürer ook wel eenige spijt, doch hij troostte
-zich, toen iets anders zijn aandacht in beslag nam en wel, de tijding,
-dat de zee bij Middelburg een reusachtigen walvisch op het droge
-had aangespoeld. Hij liet zich noch door de winterkou, noch door den
-afstand weerhouden om dit wonder der natuur te gaan zien. Den 7den
-December ondernam hij met eenige kennissen te paard den tocht naar
-Middelburg en hij kwam pas den 14den terug.
-
-Vrouwe Agnes ontving hem met vreugde, want zij was bang geweest,
-dat het gure weer haar man kwaad zou doen.
-
-"Ja, gij, kunt nu wel blij zijn," sprak hij, terwijl hij haar aan
-zijn hart drukte, "want gij hebt uw man weer terug, maar ik heb weinig
-voldoening van de reis, want het wonder heb ik niet mogen aanschouwen,
-omdat de zee het weer had teruggehaald en daarbij scheelde het bitter
-weinig of ik had er het leven bij ingeschoten."
-
-En nu vertelde hij aan zijn ontstelde vrouw, hoe zijn schip tegen
-een ander was aangevaren en daardoor beschadigd was geworden,
-waarna het zonder anker de zee was ingedreven en daar zoo lang had
-rondgezwalkt, dat de bemanning reeds alle hoop had opgegeven en hun
-zielen in Gods handen had bevolen, totdat de hemel genadig hulp in den
-hoogsten nood had gezonden. Nu begon te Antwerpen het oude leventje
-weer. Indien hij gelegenheid had, verkocht hij zijn schilderijen,
-om voor de opbrengst allerlei voorwerpen, die hij gaarne in zijn
-bezit had, of waarmee hij bij zijn thuiskomst anderen een genoegen
-wilde bereiden, te koopen; nog meer gebeurde het, dat hij zijn werk
-weg gaf om ondervonden vriendelijkheid ruimschoots te vergelden of
-voorkomend anderen pleizier te doen.
-
-Natuurlijk namen zijn vereerders zijn tijd weer zeer in beslag. Een
-paar dagen na vastenavond schreef hij in zijn dagboek: "Eergisteren had
-ik een uitnoodiging om met mijn vrouw de gast van het goudsmidsgild te
-zijn. Bij die gelegenheid leerde ik veel wakkere mannen kennen en werd
-ons een heerlijke maaltijd bereid, terwijl iedereen om 't hardst mij
-eer bewees. Des avonds was ik bij den ouden schout genoodigd, waar ik
-ook rijkelijk werd onthaald en met veel eerbewijzen overladen. Vele
-bijzondere maskers en costuums lieten zich dien avond zien en over
-het algemeen was alles prachtig ingericht. 's Maandagsavonds was ik
-uitgenoodigd bij den heer Lopez op een groot festijn, dat tot twee
-uur duurde en bijzonder kostbaar was. Van den heer Lorenz Stark
-kreeg ik een Spaanschen pels ten geschenke. Ook op dit feest zag
-men veel schitterende gecostumeerden en gemaskerden, vooral de heer
-Tomaso Bombelli."
-
-Eindelijk kreeg meester Dürer toch wel wat te veel van het goede dezer
-aarde en kwam de gedachte aan terugkeeren naar huis in zijn hart op,
-te meer toen hij voelde, dat zijn gezondheid niet meer zoo goed was
-als vroeger en de eene stuiver na den anderen in de apotheek verzeilde.
-
-Om niet al te veel met bagage te zijn belast, stuurde hij den
-19den Maart, toen er zich een gelegenheid aanbood, een groot deel
-der verkregen schatten vooruit en toen kon men eens goed zien, aan
-hoeveel vrienden de goedhartige, milde man had gedacht. Niet alleen
-aan zijn familieleden en vrienden zond hij een geschenk, ook anderen,
-die hem op de een of andere wijze vriendelijkheid hadden bewezen,
-vergat hij in den vreemde niet; en Vrouwe Agnes, die berekende hoe
-hoog de uitgegeven som beliep, vond het bijna al te veel.
-
-Nu had hij evenwel de groote steden Brugge en Gent nog niet gezien en
-men zeide hem, dat het toch al te jammer zou zijn, indien hij in deze
-middelpunten der kunst, waar hij nu zoo dicht bij was, niet eenige
-weken vertoefde.
-
-Ook hier was zijn roem hem reeds vooruitgegaan; ook hier ontving men
-hem met bijzondere eerbewijzen. Ofschoon verheugd over al het genot,
-dat hij had gesmaakt, keerde hij in eenigszins gedrukte stemming
-naar Antwerpen terug. Hij wist zelf niet, wat hem scheelde, maar
-het eten smaakte hem niet, zijn hoofd was zwaar en vermoeid en zijn
-voeten weigerden bijna hem te dragen. De geneesheer, die op verzoek
-van zijn bezorgde vrouw, verscheen, meende dat hij zware koorts zou
-krijgen en beval vóór alles volkomen rust aan.
-
-Den volgenden morgen kwam Vrouwe Agnes doodsbleek bij de waardin
-binnenloopen en riep: "Help mij--mijn man, mijn man!"
-
-De waard en waardin gingen terstond met haar mee en vonden Dürer,
-bleek en met gesloten oogen, in bed liggen. Zij dachten, dat hij dood
-was. Het was echter slechts een langdurige bezwijming, waaruit het
-den dokter gelukte hem weer bij te brengen. Doch de koorts wilde niet
-wijken en nam integendeel steeds in hevigheid toe, zoodat Vrouwe Agnes
-in den angst haars harten niet wist wat te beginnen. "Ach, dat wij
-nu juist hier in den vreemde moeten zijn!" jammerde zij. "Gave God,
-dat wij toch reeds thuis waren!"
-
-Er volgden moeilijke dagen en weken, voordat de beangstigde vrouw
-kon herademen en innig dankbaar drukte zij den waard en zijn vrouw
-de hand voor de groote liefde, waarmee zij haar hadden bijgestaan,
-alsof zij een lid der familie was geweest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVIII.
-
-EEN LIJKZANG.
-
-
-Op een dag in Mei van het jaar 1521 zat Dürer alleen in zijn
-kamertje. Op zijn gelaat waren de sporen van zijn ziekte nog duidelijk
-zichtbaar en daarbij lag er nog een heel bijzondere treurigheid,
-die zich nu en dan in een diepen zucht uitte, op te lezen.
-
-Al de verstrooiingen van de reis hadden hem den man, wien hij voor het
-heil van zijn ziel zooveel was verplicht, niet doen vergeten. Elk
-nieuw uitgekomen boekje van Luther, dat hij onder de oogen had
-gekregen, had hij gekocht en ijverig bestudeerd. Ook te Antwerpen,
-waar hij veel tijd met de Augustijnermonniken had doorgebracht, had
-het hem aan tijdingen omtrent Luthers lot niet ontbroken. Hij had hun
-angst gedeeld, toen men hoorde, dat Luther door den Paus in den ban
-was gedaan en met hen gejuicht, toen men de koene daad van den man
-Gods vernam, om de pauselijke bul in het openbaar te verbranden,
-waarmee hij bekende zich te hebben vrijgemaakt van de kerk des
-Pausen, om alleen voor Gods eer te ijveren, nadat de opvolger van
-Petrus den Heer Jezus opnieuw had verloochend. Eindelijk was het
-bericht gekomen, dat Doctor Maarten zich te Worms voor den Keizer en
-het Rijk zou verantwoorden, en zijn ziel had toegejuicht den held,
-die alle waarschuwingen ten spijt, besloten was naar Worms te gaan,
-al zouden daar ook evenveel duivels als pannen op de daken zijn.
-
-Nu was er evenwel een nieuw, verpletterend bericht verspreid. Maarten
-Luther, die op den Rijksdag met heldenmoed de waarheid van het
-Evangelie had beleden en zich niet door het tandgeknars zijner
-tegenstanders tot herroepen had laten dwingen, zou op den terugweg
-verraderlijk zijn gevangen genomen en verdwenen, en behoorde nu
-waarschijnlijk niet meer tot de levenden.
-
-Nadat Dürer langen tijd met strakke blikken treurend had neergezeten,
-nam hij zijn dagboek en gaf daarin lucht aan de smart, die hem
-vervulde, met de woorden:
-
-"Ach, Heer des Hemels, welke tijding omtrent Luther, den man Gods,
-moet ik daar vernemen.
-
-"Men dacht, dat hij veilig was door het vrijgeleide van een keizerlijk
-heraut; maar toen zij bij Eisenach in een onherbergzaam oord waren
-gekomen, had deze gezegd, dat Luther hem nu niet meer noodig had
-en was hij weggereden. Spoedig werd de verraden, vrome, met den
-H. Geest bezielde man, de heraut van het Christelijk geloof, door tien
-ruiters omsingeld en ontvoerd. En of hij nog leeft, of dat men hem
-heeft vermoord--ik weet het niet--zoo heeft hij dit lijden doorstaan
-ter wille der Christelijke waarheid en omdat hij het onchristelijk
-pausdom heeft bestraft, dat door het opleggen van zijn lasten, de
-verlossing door Christus teweeggebracht, wederstaat. En ook daarom
-heeft hij het geleden, omdat wij worden beroofd en uitgeplunderd en
-ons datgene, wat wij in het zweet onzes aanschijns hebben verworven,
-wordt ontnomen, opdat het op die wijze verkregene schandelijk door
-nietsdoeners kan worden verteerd, terwijl dorstige, kranke menschen
-van gebrek sterven. En bovenal bezwaart mij de vrees, dat God ons
-misschien nog langer wil laten zuchten onder het juk der blinde,
-valsche leer, die door menschen is bedacht en uitgevonden, waardoor
-het heerlijk Evangelie ons op vele plaatsen verkeerd wordt uitgelegd
-of ons geheel wordt onthouden.
-
-"Ach, God in den Hemel, erbarm u onzer. O Heer Jezus Christus, bid voor
-Uw volk, verlos ons te rechter tijd, bewaar in ons het echte, ware,
-Christelijke geloof, verzamel Uw verdwaalde schapen door uw stem uit
-de Schrift; help ons, dat wij Uw stem mogen kennen en geen verlokkend
-geluid van menschelijke dwaling volgen, opdat wij, Heer Jezus Christus
-niet van U wijken. Roep de schapen Uwer weide, die nog voor een deel
-in de Roomsche kerk worden gevonden, en die door het opleggen van
-lasten en de geldzucht des Pausen, door een valsche leer bedrogen,
-zijn verstrooid, bij elkaar, desgelijks ook de Indianen, Moscovieten,
-Russen en Grieken. Ach God, verlos Uw arm volk, dat door groote
-pijn en tyrannie wordt gedwongen, tot dingen, die het tegenstaan,
-en waardoor het steeds tegen zijn geweten moet zondigen. O, God,
-nooit hebt gij met geboden der menschen een volk zoozeer belast als
-ons, armen, onder het juk van Rome; terwijl wij toch, verlost door uw
-bloed, vrije Christenen zijn moesten. O, almachtige, hemelsche Vader,
-beschijn ons door Uw Zoon, Jezus Christus, met zulk een licht, dat
-wij daarbij duidelijk kunnen zien, welke geboden wij moeten houden,
-opdat wij de andere lasten, met een vrij geweten, op zijde kunnen
-zetten en U, hemelschen Vader met een blij hart mogen dienen.
-
-"En indien het waar is, dat wij hebben verloren den man, die
-duidelijker heeft geschreven dan iemand anders, die in de laatste
-tijden heeft geleefd, en die Gij zoo door Uw Geest hebt verlicht, dan
-bidden wij U, o hemelsche Vader, dat gij Uw H. Geest wilt geven aan een
-anderen man, die uw heilige Christelijke kerk van alle zijden weder
-bijeenbrenge, opdat wij weder als Christenen mogen leven, en anderen
-door ons leven bekeerd worden en het Christelijk geloof mogen aannemen.
-
-"Maar, Heer, het is uw wil, voor dat gij oordeelt, dat evenals Uw
-Zoon, Jezus Christus, door de priesters werd gedood en, uit den dood
-opgestaan, ten hemel voer, het met Uw volgeling, Maarten Luther,
-die door den Paus verraderlijk om het leven wordt gebracht, eveneens
-zou gaan; hem zult gij verkwikking bereiden. En zooals gij over
-Jeruzalem het oordeel van verwoesting hebt uitgesproken, zoo zult gij
-ook de macht, die de stoel van Rome zich heeft aangematigd, te niet
-doen. Och Heer, geef ons daarna het nieuwe, heerlijke Jeruzalem, dat
-uit den hemel nederdaalt, waarvan in de Openbaring wordt gesproken;
-het heilige, zuivere Evangelie, dat niet door de leer der menschen
-is verduisterd.
-
-"Opdat zulks geschiede, geef, dat ieder, die Luthers boeken leest,
-zien moge hoe helder en duidelijk de leer is, die hij naar het
-Evangelie verkondigt. Daarom moet men die boeken in waarde houden en
-ze niet verbranden; beter ware het, dat men zijn tegenstanders, die
-de waarheid wederstaan, in het vuur wierp met al hun leerstellingen,
-die de menschen tot goden verheffen. Dat er toch nieuwe uitgaven
-van Luthers boeken mochten verschijnen! O God, als Luther dood is,
-wie zal ons dan in het vervolg het heilig evangelie zoo duidelijk
-verklaren? Ach, God, wat zou hij in tien, twintig jaren nog veel voor
-ons hebben kunnen schrijven! O gij, alle vrome christenen, beweent
-met mij dezen, door Gods Geest bezielden man en laten wij Hem vragen
-om ons een ander door den H. Geest verlicht man te zenden!
-
-"O Erasmus van Rotterdam, waar blijft gij? Zie, wat de tyrannie der
-onrechtvaardigen, de dwingelandij der wereldlingen, de macht der
-duisternis vermag! Hoor, gij, strijder voor Christus, rijd naast
-den Heer Jezus, bescherm de waarheid, verover de martelaarskroon,
-gij zijt toch ook reeds een oud man. Ik heb van u gehoord, dat gij
-u zelf nog twee jaren in staat acht om tot iets nut te zijn. Gebruik
-die jaren voor het Evangelie; verhef uw stem, dan zullen de poorten
-der hel, dan zal Rome niets tegen u vermogen. En als gij hier aan uw
-Meester, Christus, gelijkvormig wordt en schande wilt lijden door de
-leugengeesten van onzen tijd, waardoor gij misschien een weinig vroeger
-zoudt sterven, dan zoudt gij te eerder uit den dood tot het leven komen
-en door Jezus Christus worden verheerlijkt. Want indien gij uit den
-beker drinkt, dien Hij heeft gedronken, dan zult gij met Hem regeeren
-en rechtvaardig oordeelen, hen, die dwaas hebben gehandeld. O Erasmus,
-handel zoo, dat God u roemen kan, zooals er van David staat geschreven,
-want gij kunt het, voorwaar, gij kunt Goliath dooden; Uw God beschermt
-de heilige, christelijke kerk. Leid ons in de eeuwige zaligheid, God,
-Vader, Zoon en Heilige Geest, Gij, eeuwig God. Amen."
-
-Dürer legde de pen neder en veegde zijn oogen af. Het was hem een
-verluchting, dat hij zijn vol hart eens had uitgestort.
-
-Maar het was hem nog niet genoeg: spoedig greep hij een stuk krijt en
-gebruikte de kunst als tolk van zijn gevoel en als troosteres in zijn
-smart. En op den grijsblauwen grond werd een cherubijn zichtbaar, die
-jammerend, met de vleugels het aangezicht bedekt, alsof hij wil zeggen:
-
-"Ach, dat gij zijt heengegaan, Maarten Luther, gij, profeet des
-Allerhoogsten!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIX.
-
-NEURENBERG BOVEN ALLES.
-
-
-De zomer was in het land gekomen, en Dürer, die de eerste bezending
-goederen door andere naar Neurenberg had laten volgen, dacht er nu over
-om naar huis terug te keeren. Hij durfde de reis nu wel ondernemen,
-omdat zijn lichaamskrachten weer voldoende waren teruggekeerd.
-
-Op St. Pieter en Paulus, den 29sten Juni, zat hij met zijn vrouw
-in het kamertje de som der gemaakte onkosten te berekenen. Hij had
-veel uitgegeven zoowel in geld als aan kunstwerken, want Dürer was
-hooghartig en had de ondervonden vriendelijkheid rijkelijk vergolden
-en soms meer gegeven, dan hij kon. Het was een heele som, toen hij
-berekende wat hij in al dien tijd met teekenstift of penseel voor de
-menschen had gewerkt--hij had voor niet minder dan honderd vijftig
-personen hun portret gemaakt met potlood, houtskool of in kleuren
-en toen Vrouwe Agnes hem vraagde, wat hem al die moeite en arbeid
-had opgebracht, lachte Dürer en zei: "Het grootste gedeelte van mijn
-arbeid heeft mij niets opgebracht, en toen ik mij voorstelde uit de
-Nederlanden een goede winst mee te brengen, heb ik mij bedrogen. Nu
-ben ik wel genoodzaakt honderd gouden guldens te leenen om naar huis
-te kunnen gaan en gelukkig heeft de heer Imhoff zich daartoe bereid
-verklaard."
-
-Vrouwe Agnes was hierover wel wat ontstemd en antwoordde: "Ik had
-wel kunnen denken, dat het zoo zou gaan. Gij verstaat nu eenmaal
-de kunst niet om schatten op te leggen. Gij geeft veel meer weg dan
-gij krijgt en hebt u menig keer in den nek laten zien. Maar over die
-schade zou ik mij nog wel kunnen troosten, als die walvisch er maar
-niet was geweest."
-
-"De walvisch?" vraagde Dürer verwonderd.
-
-"Ja zeker," sprak Vrouwe Agnes met nadruk, "aan dat monster alleen
-wijd ik uw ziekte." Juist toen Dürer iets wilde antwoorden, werd er
-geklopt en kondigde de waardin een bediende van den Raad der stad
-aan. De man bracht de groeten van den eersten burgemeester over aan
-den heer Albrecht Dürer en noodigde hem uit den volgenden morgen op
-het raadhuis te verschijnen.
-
-Op den bepaalden tijd ging Dürer daarheen en hij werd door de
-hoogmogende heeren met bijzondere vriendelijkheid ontvangen.
-
-"Wij vernemen, dat gij op het punt zijt naar Neurenberg terug te
-keeren en wilden u daarom eerst vragen, hoe het u in het algemeen in
-de Nederlanden en in het bijzonder in Antwerpen is bevallen?"
-
-Dürer verzekerde, dat het hem zeer moeilijk viel te scheiden van een
-stad, waar hij niet alleen geboeid was door haar grooten rijkdom en
-heerlijke kunst, maar waar hem ook veel liefde en eer was te beurt
-gevallen.
-
-Toen kwam er een eigenaardig lachje op het gelaat van den heer, die op
-Dürer toetrad en zijn hand op diens schouder legde, terwijl hij zei:
-"Meester Dürer, ik weet er wel raad op, hoe gij aan dit moeilijke
-afscheid zoudt kunnen ontsnappen: blijf hier! Geloof mij, gij zult
-nog veel meer liefde en eer ondervinden, wanneer gij u voor altijd
-bij ons wilt voegen! In naam van den Raad van Antwerpen bied ik u ten
-eerste een vast jaargeld van driehonderd gulden aan, ten tweede een
-stevig gebouwd, fraai woonhuis als eigendom, ten derde vrijdom van alle
-belastingen en ten vierde ruime belooning voor alles, wat gij nog voor
-den Raad zult werken. Ik verberg u niet, waarde Meester, dat Antwerpen
-trotsch zou zijn, als de naam Albrecht Dürer op de lijst harer burgers
-stond. Beslis dus en geef mij uw belofte te zullen blijven."
-
-In pijnlijke verwarring stond Dürer daar. Die groote goedheid en
-welwillendheid drukten hem als een last. Dat was toch waarlijk hem het
-afscheid niet gemakkelijker maken! Want hoe schitterend de beloften ook
-waren, hij kon ze toch niet aannemen. Aan Neurenberg hing zijn hart,
-daar was hij ingeburgerd en zich een tehuis te scheppen in den vreemde
-was hem onmogelijk. Nimmer zou dat zijn werkelijk tehuis kunnen zijn.
-
-Hij overwoog deze gedachten, terwijl hij eenigen tijd zwijgend voor
-den burgemeester stond, en deze, die zijn stilzwijgen naar zijn eigen
-wenschen uitlegde, trachtte door het herhalen zijner dringende beden
-hem tot blijven over te halen.
-
-Nu was Dürer zich zelf weer meester en hij antwoordde: "God zegene
-u voor de welgemeende vriendelijkheid, die gij mij bewijst. Het
-smart mij, dat ik zooveel welwillendheid met een weigering moet
-beantwoorden. Ik ben een kind van Neurenberg, mijnheer, Neurenbergsche
-lucht heb ik van mijn vroegste jeugd af ingeademd, Neurenberger kunst
-is mijn denken en leven en daarom behoor ik daar thuis en kan ik
-niet tieren op een anderen bodem. Laat mij naar mijn geboorteplaats
-terugkeeren, mijnheer--wat zoudt gij hebben aan iemand, wiens ziel
-krank was en wiens hand verlamde!"
-
-De burgemeester keek droevig en teleurgesteld. Hij deed geen enkele
-poging om den meester tot andere gedachten te brengen, want aan den
-klank zijner stem hoorde hij, dat er voor Antwerpen hier niets meer
-was te hopen. En daarom nam hij van Dürer afscheid met de verzekering
-van zijn groote spijt en teleurstelling. Tweemaal was de verzoeking,
-om zijn geboorteplaats ontrouw te worden, Dürer genaderd: zestien
-jaar geleden te Venetië, waar de Signoria hem door de aanbieding van
-tweehonderd ducaten had getracht bij zich te houden en nu hier te
-Antwerpen; doch beide keeren behaalde de trouw de overwinning.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXX.
-
-OOK EEN HERVORMINGSPREEK.
-
-
-Bijna twee jaren waren voorbijgegaan.
-
-In de week vóór Paschen van het jaar 1523 zat Albrecht Dürer met zijn
-vrouw aan de groote tafel in de pronkkamer. Hij las met eerbiedig
-gevouwen handen uit een groot boek, dat voor hem lag. Het was het
-Nieuwe Testament, dat Doctor Maarten Luther in de eenzaamheid zijner
-cel op den Wartburg in Duitsch gewaad had gestoken.
-
-Op de terugreis had Dürer al spoedig gehoord, dat Luther niet dood
-was, en die tijding had hem met nieuw leven bezield. Hij voelde zich
-krachtiger en wat hij bij zijn terugkomst te Neurenberg had gezien,
-was ook geschikt geweest om hem den moed terug te geven en een loflied
-tot Gods eer op zijn lippen te leggen.
-
-Voor alle andere steden was het Neurenberg geweest, die zich Luthers
-zaak had aangetrokken. De adellijke geslachten waren voorgegaan met de
-belijdenis van het Evangelie en hadden het mindere volk achter zich
-aan getrokken. De Raad, wiens leden bijna allen beslist evangelisch
-waren gezind, was in een moeilijke verhouding tot den Keizer, den Paus
-en de bisschoppen gekomen, doch wist met bewonderenswaardige wijsheid
-het scheepje hunner regeering over alle golven en klippen heen te
-sturen. Doch Dürer had zijn vriend Pirkheimer in deerniswaardigen
-toestand gevonden. Doctor Eck had zich werkelijk op hem gewroken en van
-den Paus weten te verkrijgen, dat er in den naar Luther geslingerden
-banbrief nog enkele andere namen waren opgenomen, waaronder Wilibald
-Pirkheimer behoorde. Luther, die ridder zonder vrees en blaam, had
-de pauselijke bul in het vuur geworpen en daarmee den Paus moedig
-getrotseerd--Pirkheimer had evenwel den moed niet gevoeld om dien
-held na te volgen.
-
-Nadat hij te vergeefs had geappelleerd, kwam hij er toe om het
-trotsche hoofd te buigen en zijn woorden te herroepen. Sinds dien
-dag was hij geheel veranderd. Het bewustzijn, dat hij zijn innigste
-overtuiging had ten offer gebracht, had den hoogmoedigen man gebroken
-en maakte hem, die ook nog door het podagra werd gekweld meer en meer
-eenzelvig. De leelijke zijde van zijn karakter kwam steeds meer op
-den voorgrond, zoodat hij zich iedereen tot vijand maakte en voor
-de weinige overgebleven vrienden een niet te genieten gezelschap
-was. Hoe meer echter anderen zich van hem aftrokken, des te meer
-moeite gaf hij zich om de vriendschap te behouden van dien eenen,
-met wien hij van jongs af één hart en één ziel was geweest. En van
-zijn kant deed Dürer al zijn best Pirkheimers zwakheden te verdragen
-en hem weer eenigszins met het leven te verzoenen.
-
-Het deed Dürer echter innig verdriet, dat zijn vriend hem niet
-wilde volgen op den weg van het Evangelie. Het werd hem nu steeds
-duidelijker, dat Pirkheimers geestdrift voor Luther niet was
-voortgekomen uit een hart, bezield van de waarheid van Gods Woord,
-maar ontstaan was uit den waan, dat Luther tot de humanisten behoorde
-en met hem wilde strijden tegen de domheid en het bijgeloof van zijn
-tijd; hij dacht, dat protesteeren Luthers eenig doel was. Toen Dürer,
-overgelukkig in het bezit van het Nieuwe Testament in het Duitsch,
-daarmee naar Pirkheimer was gesneld, was hij teleurgesteld en bedroefd
-teruggekeerd, toen hij de onverschilligheid, waarmee zijn vriend dien
-heerlijken schat had beschouwd, gezien had.
-
-Uit deze droefenis wekte hem het heerlijke lied van den Wittenberger
-nachtegaal, dat zijn medeburger, de meesterzanger Hans Sachs, had
-laten weerklinken en waarin zijn hart mede jubelde--het klonk als
-het geroep van den wachter, dat vele slapenden wakker schudt.
-
-Nog werd zijn hart verkwikt en zijn geloof versterkt, toen hij
-hoorde, dat de Prior uit het Augustijnerklooster te Antwerpen, die
-zoo vriendelijk voor hem was geweest, ter wille van het Evangelie
-in den kerker geworpen en ten vure gedoemd, als door een wonder
-was ontkomen en veilig Wittenberg had bereikt. Ook zijn opvolger,
-Hendrik van Zutfen, had zich daarheen begeven, toen de beulen hem
-van den kansel hadden gerukt, doch de burgers hem uit den kerker
-hadden bevrijd. En niet minder was zijn geloof versterkt door den
-moed der twee monniken uit Brussel, Hendrik Voes, en Johannes Esch,
-die andere afvalligen tot beschaming, met vreugde hun leven op den
-brandstapel hadden geofferd voor het Evangelie.
-
-Nu zat meester Dürer dus over zijn Duitschen bijbel gebogen en kon niet
-genoeg er in lezen. Wel had hij Gods Woord reeds in het Duitsch gelezen
-in de vertaling, die bij Anton Koburger het licht had gezien,--doch
-wat voor Duitsch was dat! Het klonk als ravengekras vergeleken bij
-het liefelijk gezang van den Wittenbergschen nachtegaal, dat het oor
-streelde en van daar in het hart weerklonk. En zijn bewondering en
-vereering voor het uitverkorene werktuig des Heeren namen voortdurend
-toe.
-
-Heden had het lezen in de Schrift nog een heel bijzonder doel. Hij
-wilde zich voorbereiden op den ernstigen gang, dien hij met zijn
-vrouw wilde ondernemen. Aan de algemeene begeerte gehoor gevend,
-hadden de geestelijken van de St. Lorens- en Sebalduskerken besloten
-nog een schrede voorwaarts te doen en het heilig Avondmaal volgens
-instelling van Christus met brood en beker te vieren. Het duurde niet
-lang of de klokken begonnen te luiden en de meester stond op om zijn
-besten pelsmantel aan te doen; Vrouwe Agnes was reeds gekleed in haar
-feestgewaad en wachtte op haar echtgenoot.
-
-Op straat kwamen zij spoedig in het gedrang, want het volk stroomde
-naar het bedehuis. Plechtig begon de heilige handeling. Aller hart
-was diep getroffen door de woorden van den prediker en toen brood en
-wijn werden rondgedeeld, voelde menig wakkere man een traan over zijn
-wangen rollen.
-
-Thuisgekomen sloot Dürer zijn vrouw in zijn armen en zeide: "Mijn
-ziel maakt groot den Heer en mijn geest verheugt zich in God, mijn
-Zaligmaker. Nu weet ik, dat Hij in mij leeft; Hij, die voor mij den
-dood is ingegaan en die al mijn hoop is. O man Gods, Maarten Luther,
-God zegene en behoede u! Hoe zal ik u vergelden, wat gij aan mij
-hebt gedaan!"
-
-Nog menig hinderpaal stond aan de ongestoorde uitbreiding der
-Hervorming in den weg: de zaak des Heeren liep nog meer gevaar,
-te worden geschaad door den dollen, oproerigen geest, die zich door
-een verkeerd begrip van Christelijke vrijheid van den boerenstand had
-meester gemaakt en door de waanzinnige dwepers, in wier oogen Luther
-nog een halve papist was, en die hem "het gemakzuchtige vleesch"
-scholden, dan door de woede van Rome. Maar juist te midden van deze
-troebelen betoonde de Wittenberger monnik zich als de ware profeet
-des Allerhoogsten en zijn aanzien steeg tot een reusachtige hoogte
-in de oogen van hen, die hem begrepen, toen de wilde golven waren
-bedaard en de stuurman met eerbiedwekkende kalmte aan het roer stond.
-
-Dürer was vol van Gods Woord; als een dauwdroppel vol van
-zonneschijn. Niet alleen las hij de Schrift, maar hij leefde er in
-en hij voelde weder de behoefte, om wat hij zelf had doorleefd op
-zijn eigen wijze aan het volk te verkondigen.
-
-Wat Hans Sachs in woorden zeide, wilde hij in kleuren duidelijk
-maken. En daarom greep hij weder naar het penseel, voelende dat hij
-nog nooit met zooveel bezieling en geestdrift voor den schildersezel
-was getreden; hij had een voorgevoel, dat, wat hij nu ging scheppen,
-het allerbeste, wat zijn hand ooit gemaakt had, zou zijn.
-
-In plaats van Maria, in wier verheerlijking hij zich tot nu toe
-had verlustigd, bood hij der wereld het beeld van den Verlosser
-aan. Evenals Luther Christus en Zijn alleenzaligmakende verdienste in
-nieuwe talen predikte, zoo schilderde Dürer den Heer voor de oogen des
-volks, hetzij in gesprek met de discipelen na het Heilig Avondmaal,
-hetzij als offer op het kruishout, of alleen het hoofd vol bloed en
-wonden. Op het laatste had hij al zijn kracht geconcentreerd; het was
-als uit de diepste diepte van zijn ziel voortgekomen. Nooit was Jupiter
-schooner, machtiger, aangrijpender door den besten der oud-Grieksche
-schilders afgebeeld geworden, dan de Christus hier door meester Dürer.
-
-En evenals Dürer Christus, den Verlosser, in zijn werk verheerlijkte,
-zoo wilde hij met hetzelfde doel ook het Evangelie in kleuren brengen.
-
-Reeds lang was hij het met zich zelf eens, op welke wijze dit te
-doen. Hij wilde daartoe de gestalten afbeelden van hen, die het van
-den Heer ontvangen en aan de wereld verkondigd hadden: de gestalten
-der Apostelen Johannes, Markus, Petrus en Paulus en wel zoo, dat
-Johannes en Paulus ten voeten uit werden geschilderd en de beide
-anderen er achter, zoo dat alleen het hoofd en den hals zichtbaar
-waren. Johannes en Paulus moesten als hoofdfiguren naar voren komen;
-daarmee wilde Dürer het evangelisch geloof in beeld voorstellen.
-
-De gestalte van Johannes, Luthers uitverkoren evangelist, wiens
-gelaat aan Philippus Melanchton herinnert, is gehuld in een gelen,
-met rood geverfden mantel over een groen onderkleed. Peinzend staart
-hij met den een weinig achter hem staanden Petrus in zijn evangelie,
-welks beginwoorden uit de Luthersche vertaling men lezen kan. Rechts
-op het paneel staat Markus achter Paulus, die met innige liefde
-en groote zorg is behandeld en waaraan Dürer al zijn kracht heeft
-gewijd. Het was Dürer voornamelijk te doen om Paulus, Luthers groot
-voorbeeld als verkondiger van het eenig ware geloof en daarin heeft
-hij een kunstwerk, dat 's meesters roem luider verkondigt dan eenig
-ander, geschapen. De Apostel bij uitnemendheid staat daar, gehuld in
-een witten mantel, waaruit een groen onderkleed te voorschijn komt;
-op zijn linkerarm, rust de bijbel, in de rechterhand houdt hij een
-ontbloot zwaard, het zwaard des Geestes, dat is het Woord Gods, en
-tegelijkertijd een aanduiding van de wijze, waarop hij zou sterven. De
-breede, krachtige figuur staat daar in mannelijke, ridderlijke houding;
-zijn door de zon gebruind gelaat, vol uitdrukking, wendt den strengen
-blik naar links, alsof hij vandaar een naderbij sluipenden vijand
-verwacht. Wien geldt dien toornigen blik? Tegen wien houdt de hand
-krampachtig den greep van het zwaard omklemd? Het zijn de vijanden
-van het kruis van Christus: aan den eenen kant de Paus, die het
-Evangelie bederft door den warboel van menschelijke instellingen
-en aan de andere zijde de dwepers, die door het misbruiken van de
-vrijheid meer bederven dan doen vorderen.
-
-De Apostelen spraken in duidelijke taal: maar het was den meester
-er om te doen ook begrijpelijk te zijn voor het minst ontwikkelde
-verstand, evenals Luthers woorden duidelijk waren voor het onnoozelste
-boertje. Daarom voegde hij nog een uitvoerig bijschrift toe aan
-zijn werk.
-
-Boven het paneel links schreef hij: "Alle wereldlijke overheden in
-deze gevaarvolle tijden moeten zorgvuldig waken, dat zij zich niet,
-in plaats van door het Woord Gods, door menschelijke leeringen laten
-leiden, want God wil niet, dat er aan Zijn Woord iets wordt toegevoegd
-of daarvan afgedaan. Luister daarom naar deze vier voortreffelijke
-mannen: Petrus, Johannes, Paulus en Markus."
-
-Petrus zegt in het tweede hoofdstuk van zijn tweeden brief:
-"Er zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook
-onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen
-bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft,
-verloochenende en een haastig verderf over zichzelf brengende. En velen
-zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal
-gelasterd worden. En zij zullen, door gierigheid, met gemaakte woorden,
-van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang
-niet ledig is en hun verderf sluimert niet.--Johannes in het vierde
-hoofdstuk van zijn eersten brief schrijft: Geliefden! gelooft niet
-een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn;
-want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent
-gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus
-in het vleesch gekomen is, die is uit God niet. Maar dit is de geest
-van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal,
-en is nu alreede in de wereld."
-
-Terwijl deze woorden zijn gericht tegen de dwepers en sektenmakers,
-zoo protesteert het bijschrift op het tweede paneel tegen Rome met
-zijn leugen, bedrog en zedeloosheid. In het derde hoofdstuk van
-den tweeden brief aan Timotheus zegt Paulus: En weet dit, dat in de
-laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de menschen zullen
-zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig,
-lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder
-natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed,
-zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen,
-meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; hebbende een
-gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend
-hebben. Hebt ook een afkeer van dezen! Want deze zijn het, die de
-huizen binnensluipen en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden
-beladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden,
-die altijd leeren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.
-
-Markus schrijft in het twaalfde hoofdstuk van zijn evangelie: "En
-Hij zeide tot hen in Zijn leer: wacht u voor de schriftgeleerden,
-die daar gaarne willen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn
-op de markten, en de voorgestoelten hebben in de Synagogen en de
-vooraanzittingen in de maaltijden. Zij eten de huizen der weduwen
-op en dat onder den schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder
-oordeel ontvangen." Er was een geheel jaar verloopen, voordat Dürer
-dit meesterstuk, de kroon van al zijn werken, voleindigd had.
-
-Nauwelijks was de laatste penseelstreek gedaan, of hij greep papier
-en pen om er een brief bij te voegen aan hen, voor wie het werk was
-bestemd. Het was hem dezen keer niet opgedragen, maar het was zijn
-eigen hart geweest, dat hem aan het werk had gezet en dat hij het
-aan zijn dierbare geboorteplaats zou opdragen, stond van het begin
-af bij hem vast. De inhoud van den brief luidde aldus:
-
-
-
-Edelachtbare, wijze Heeren!
-
-Hoewel het reeds lang mijn wensch was, Uw Hoogmogendheid door mijn
-onbeteekenende schilderkunst een aandenken aan te bieden, heb ik mij
-door het gebrekkige daarvan laten weerhouden, wetende, dat ik daarmee
-in Uw oogen niet zou kunnen bestaan. Dewijl ik echter in dezen laatsten
-tijd een stuk heb geschilderd, waaraan ik nog meer zorg heb besteed dan
-aan mijn andere schilderijen, acht ik niemand meer waardig, dit als
-een herinnering te bewaren, dan U, hoogwijze Heeren! Daarom waag ik
-het, U dit werk aan te bieden, met de dringende bede, dat dit kleine
-geschenk U welgevallig moge zijn en genadig door U worde aangenomen
-en dat Gij even welwillend voor mij zult willen blijven, als Gij tot
-nu toe zijt geweest. Daarom zal ik naar mijn beste vermogen er naar
-blijven streven, om Uw goedgunstigheid waardig te zijn.
-
-
-Uwer Edelachtbaren Heeren onderdanige Albrecht Dürer.
-
-
-Spoedig daarop ontving Dürer van den Raad het volgende schrijven:
-
-"Dewijl Albrecht Dürer een schilderij met vier figuren als aandenken
-heeft geschilderd en hetzelve den achtbaren Raad heeft gezonden en
-vereerd, is door dien achtbaren Raad besloten, den genoemden Dürer
-te zeggen, dat een achtbare Raad niet genegen is, dit schilderij op
-die wijze in bezit te nemen; maar hoewel dezelve hem voor zijn werk
-dankbaar is, en willens om het als aandenken te bewaren, zoo is dezelve
-niet minder willens hem daarvoor te betalen, wat hij verdient. Wat hij
-dus ook moge eischen, en al wilde hij ook niets eischen, zoo zullen
-de oudere heeren het zelf bepalen en zal een eerlijke handel worden
-gedreven door de Heeren Maarten Tucher en Sigmund Furer."
-
-Meester Dürer weigerde, zooals te verwachten was, de waarde op te
-geven en toen zond de Raad hem honderd gulden voor hem zelf, twaalf
-gulden als hulde aan zijn vrouw en twee gulden fooi voor den knecht.
-
-Het schilderij kreeg een plaats, die het waard was: het werd opgehangen
-in het departement van financiën in het raadhuis. Van den muur klonk
-zijn prediking. "Zijt getrouw en houdt vast aan Gods heilig Evangelie!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXI.
-
-KUNSTENAAR EN GELEERDE.
-
-
-Toen Dürer, nadat hij de laatste hand aan zijn schilderij der apostelen
-had gelegd, het penseel neerlegde, deed hij het in de overtuiging, dat
-dit zijn laatst groot werk was geweest. Wel maakte hij nog verscheidene
-portretten zijner vrienden, zooals dat van Hieronymus Holzschuher,
-dat hem bijna nog beter was gelukt dan dat van Frederik den Wijze
-eenige jaren geleden, dat van Wilibald Pirkheimer en van den Magister
-Filippus Melanchton, die voor de nieuwe school, die te Neurenberg
-werd opgericht, meermalen daar was geweest. Doch nu kregen penseel en
-potlood rust en moesten plaats maken voor de pen, die bestemd was om
-de vrucht zijner wetenschappelijke studiën, die hij bij het beoefenen
-zijner kunst niet had verwaarloosd, in boeken te openbaren.
-
-Een ieder verbaasde zich, toen het eene boek na het andere verscheen
-van dezen schilder bij uitnemendheid, die daarin getuigenis gaf van
-de zeldzame veelzijdigheid en diepte zijns geestes. Nu hij zijn kunst
-niet meer practisch beoefende, verdiepte hij zich in theoretische
-studiën over het wezen zijner kunst, om hetgeen hij had gevonden als
-een laatst aandenken aan de wereld na te laten.
-
-Een jaar geleden had reeds een boekje, als voorlooper dezer studiën
-het licht gezien onder den titel: "Onderwijs bij het meten met den
-passer en het paslood bij lijnen, vlakken, en geheele lichamen, door
-Albrecht Dürer bijeengevoegd en ten bate aller liefhebbers der kunst
-met bijbehoorende figuren in druk gebracht." Hij droeg het boek op aan
-zijn vriend Wilibald Pirkheimer en in de voorrede zei hij, dat hij
-hoopte, dat het voor alle beoefenaars der kunst dienstig zou zijn,
-niet alleen voor schilders, maar ook voor goudsmeden, beeldhouwers,
-steenhouwers, schrijnwerkers en allen, die het meten noodig hadden. De
-geheimen der proportieleer, waarin vroeger Luca Pacioli hem te Bologna
-had ingewijd, kwamen hier tot algemeen nut aan het licht.
-
-De gansche wereld was echter één en al verbazing, toen Dürer zich
-op eens van een geheel nieuwe zijde deed kennen en bewees, dat hij
-ook een meester in de vestingbouwkunde was. In October van het jaar
-1527 verscheen een boek van hem onder den titel: "Onderricht ter
-beveiliging van steden, kasteelen en dorpen."
-
-Hij vervulde een plicht der dankbaarheid aan Keizer Maximiliaan,
-door het op te dragen aan diens kleinzoon, Koning Ferdinand I van
-Bohemen en Hongarije. De liefde tot zijn vaderland, en de begeerte
-om het tegen de roofzuchtige aanvallen der Turken te beveiligen,
-had hem aanleiding gegeven om zijn mededeelingen aan de vorsten te
-doen en hun te leeren, hoe zij de vestingwerken in een goeden, tot
-tegenweer geschikten, toestand moesten brengen. [25]
-
-De grootste zorg en den meesten tijd besteedde Dürer aan de
-proportieleer van den mensch.
-
-Pirkheimer bood aan om een voorrede daarbij te schrijven en Dürer
-nam het aan, doch onder vijf voorwaarden, die een nieuw, duidelijk
-bewijs zijner bescheidenheid en nederigheid waren: ten eerste, dat
-daarin geen enkel woord van lof mocht worden gebruikt; ten tweede,
-dat er aan geen uiting van nijd mocht worden gedacht; ten derde,
-dat er van niets anders sprake mocht zijn dan van hetgeen in het
-boek stond; ten vierde, dat niets er in gebruikt was, dat uit
-goede boeken was gestolen en ten vijfde, dat het boek alleen voor
-de Duitsche jeugd was geschreven. Ten laatste koesterde de meester
-nog een grooter plan: hij wilde in een uitgebreid werk, getiteld:
-"Spijze voor schildersleerlingen," alles te zamen vatten, wat hij tot
-nu toe in afzonderlijke werken had geschreven en door meer toevoegsels
-een geheel scheppen, dat voor den kunstenaar een rijke schat zou zijn
-en waarin alles, wat hij noodig had, werd gevonden.
-
-Toch was hij er ver van, zich zelf en zijn eigen kennis tot algemeenen
-maatstaf en alleen geldig richtsnoer te verheffen: integendeel, de
-groote man was nooit met zichzelf tevreden en zei dikwijls, dat, als
-hij na jaren een zijner werken terug zag, hij zich altijd schaamde over
-de zwakheden en fouten, die hij er in ontdekte. In denzelfden geest
-schreef hij in de voorrede van het door hem begonnen groote werk: "Ik
-denk niet hoog van mijn kunst, want ik weet, wat mij ontbreekt. Daarom
-raad ik een ieder aan om mijn fouten, zooveel in zijn vermogen is,
-te verbeteren. Gave God, dat het mogelijk ware, dat ik de werken der
-toekomstige groote meesters nu reeds mocht aanschouwen!
-
-"Welk een hoogte zullen zij nog bereiken--zoodat ik daarbij in het
-niet zal verdwijnen, als een heel klein beekje. En toch, als de vonk,
-die ik heb doen gloren, door de volgende meesters wordt aangewakkerd
-met hetgeen zij kunnen, dan kan daaruit mettertijd een vuur, dat met
-zijn gloed de gansche wereld bestraalt, opgaan."
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXII.
-
-NAAR EEN BETER VADERLAND.
-
-
-Een helder licht van kaarsvlammen straalde op een avond in April van
-het jaar 1528 uit de vensters van Pirkheimers huis. De raadsheer,
-die toen weinig last van het podagra had, had drie van de vrienden,
-die hem nog waren overgebleven, bij zich genoodigd om met hem te eten
-en vroolijk te zijn.
-
-Dürer was er niet bij, zooals in den laatsten tijd meermalen
-gebeurde en toen men naar hem informeerde, antwoordde Pirkheimer
-met bedenkelijk gelaat: "Wij zullen ons er aan moeten gewennen,
-zijn gezelschap dikwijls te ontberen. Hij is in den laatsten tijd
-zeer zwak en sukkelend."
-
-"Was hij maar niet naar de Nederlanden gegaan!" sprak Holzschuher,
-die tot de gasten behoorde: "Sedert zijn terugkomst is hij zoo
-veranderd. Ik schrok bepaald, toen ik hem terug zag. Hij was zoo
-mager geworden en zijn mannelijke schoonheid was verdwenen! Het is
-wonderlijk: om de pest te ontvluchten, ging hij uit Neurenberg en
-nu heeft hij uit Nederland een krank lichaam meegebracht. Die tocht
-door de sneeuw om den walvisch te zien, het ongeval, dat hem toen op
-het water is overkomen, de ongewone levenswijze in een vreemd land,
-die onophoudelijke eerbewijzen, die in maaltijden en groote feesten
-bestonden, zijn verderfelijk voor zijn gezondheid geweest. Ik vrees,
-ik vrees, dat wij hem niet lang meer zullen mogen behouden."
-
-"O, zeg dat niet!" riep Pirkheimer verschrikt uit. "Ik kan het niet
-aanhooren! Ik kan mij het leven niet voorstellen zonder hem! Niemand
-kent hem zooals ik hem ken, niemand kan aan hem dan ook meer verliezen
-dan ik. Ik was het volkomen eens met den Magister Philippus Melanchton,
-toen hij bij zijn laatste verblijf hier in de stad, zei: "Albrecht
-Dürer is als kunstenaar ongeëvenaard, maar toch is dat niet het meest
-in hem te bewonderen: nog meer dan zijn geest en hand waardeer ik
-zijn hart!"
-
-"Hij heeft niet te veel gezegd," zei Löffelholz. "Albrecht Dürer is
-de uitstekendste man van onzen tijd. Is er een deugd, die hij niet
-bezit? Maar laten we ons nu nog niet al te ongerust maken; hij is nog
-geen zevenenvijftig jaar en misschien kan de natuur de ongesteldheid
-nog overwinnen."
-
-"God geve het!" zuchtte Pirkheimer en hij bracht het gesprek op iets
-anders over.
-
-
-
-Zwak en moede lag Dürer te bed. Den vorigen avond was hij nog op
-geweest en had aan zijn boek geschreven; doch den volgenden ochtend
-had hij geen lust om op te staan. Hij had 's nachts bijna geen oog
-toegedaan en voelde zich afgetobd.
-
-Het was stil in de kamer; aan het bed van den lijder zat Vrouwe
-Agnes. Met op de borst gevouwen handen lag Dürer aandachtig te
-luisteren naar hetgeen zijn vrouw uit Luthers bijbel voorlas; het
-was het lijden des Verlossers naar het Evangelie van Johannes.
-
-Daarna sprak hij zacht: "Dat heeft mij goed gedaan. O, welk een harde
-sponde heeft men onzen Verlosser bereid en ik lig zoo zacht! Hoe
-werd Zijn marteling ten doode door hoon en schimp verzwaard en aan
-mijn legerstede zit een engel der vertroosting! Wel lijd ik pijn;
-maar wat zijn mijn smarten vergeleken bij de zijne!"
-
-Vrouwe Agnes veegde zijn klam voorhoofd af en drukte zachtkens een
-kus er op. Toen vraagde zij hem of hij niet eens van den verkwikkenden
-drank, dien zij voor hem had klaar gemaakt, wilde drinken.
-
-Dürer knikte en bevochtigde zijn lippen met het lavende vocht; toen
-zuchtte hij: "Waarom komt de geneesheer toch niet?"
-
-Vrouwe Agnes zeide, dat hij van niets wist, maar dat zij dadelijk om
-hem zou sturen.
-
-Spoedig daarop verscheen hij; hij voelde den kranke den pols en zag
-hem bezorgd aan: het waren weer de afwisselende koortsen, die hem
-jaren lang hadden geplaagd, en de milt was meer dan ooit gezwollen.
-
-De geneesheer schreef medicijnen voor, die de meid dadelijk uit de
-apotheek moest halen.
-
-Die drank deed Dürer goed, hij voelde zich minder benauwd en tegen
-den avond ging de koorts af, hoewel die gewoonlijk tegen dien tijd
-toeneemt. Hij keerde zich naar den muur en sliep in.
-
-Vier uur lag hij stil en ademde diep en geregeld; toen richtte hij
-zich plotseling op en sprak met een bijzonderen klank in zijn stem:
-"Het is morgen goede Vrijdag--de heerlijke Rafael is op goeden
-Vrijdag gestorven."
-
-Vrouwe Agnes schrok bij deze woorden en trachtte hem te kalmeeren,
-doch Dürer vraagde, alsof hij niets daarvan hoorde: "Hoe lang rust
-hij reeds in het graf?"
-
-"Acht jaren," antwoordde Vrouwe Agnes aarzelend. "Hij stierf in het
-jaar 1520."
-
-"Acht jaren," fluisterde Dürer. "Hoe vroeg moest die heerlijke
-kunstenaar van de aarde scheiden! Gods wegen zijn dikwijls zeer
-wonderlijk!"
-
-Toen ging hij weer liggen, sloot de oogen en sliep na eenige
-oogenblikken weer in.
-
-Vrouwe Agnes bleef dien geheelen nacht op en was dankbaar, toen het
-eerste morgenrood door de vensters naar binnen drong. Zij verkoelde
-het gelaat van haar man met frisch water, hetgeen hem goed deed en
-waarvoor hij zijn trouwe verpleegster hartelijk dankte, als ware
-het een groote dienst geweest en zooals hij altijd voor het kleinste
-hulpbetoon deed. Tegen negen uur begonnen de klokken in de stad te
-luiden. Eensklaps riep de kranke luid: "Op dit uur hebben zij Hem
-aan het kruis genageld!
-
-"Ach Heer Jezus, zie mij aan met denzelfden blik, waarmee gij den
-boetvaardigen boosdoener hebt aangezien! Want ik belijd u berouwvol
-al de zonden, die ik in mijn geheele leven heb bedreven."
-
-Hij richtte zich plotseling op en zijn oogen zagen woest de kamer
-rond, zoodat Vrouwe Agnes met doodelijken schrik den beangstigden
-man in haar armen nam.
-
-"Wat overkomt mij!" riep hij met een holle stem, terwijl hij zijn
-hand op zijn hart drukte. "Ik sterf! Heer Jezus, help mij; Heer Jezus,
-erbarm U mijner!"
-
-In vreeselijken angst riep Vrouwe Agnes hem bij zijn naam--hij hoorde
-het niet, zijn ziel voer reeds op tot Hem, dien hij van ganscher
-harte had bemind en dien hij uit een vroom gemoed met zijn kunst
-zoowel als met zijn gansche leven had gediend. ----
-
-
-
-De stad Neurenberg kon het niet gelooven, dat de man, waarop zij
-bovenal trotsch was, was heengegaan.
-
-Allen treurden en Wilibald Pirkheimer, die spoedig was geroepen,
-zonk bij het sterfbed van zijn vriend, als vernietigd en gebroken,
-op de knieën neder, alsof hij met hem wilde sterven. Menigeen der
-zijnen had hij naar het graf gebracht, doch nooit had hij zooveel
-smart gevoeld als nu. Hij was niet van deze gewijde plek weg te krijgen
-en het pijnigde hem bovenal, dat hij in de laatste oogenblikken niet
-tegenwoordig was geweest, om zijn vriend de oogen toe te drukken. Hij
-wrong zijn handen, schreide als een kind en jammerde:
-
-"O onuitsprekelijk lijden!--hij is heengegaan, voor immer, hij,
-die ik met mijn gansche hart liefhad en die deze liefde verdiende
-door zijn tallooze deugden en zijn bijzondere rechtschapenheid; hij,
-die als een goede engel mij ter zijde stond en mij den weg wees,
-dien ik moest gaan. Hij is heengegaan voor goed--mijn Albrecht! O,
-onverbiddelijk noodlot; o, onbarmhartige, wreede dood! Hij, die als
-een heilige onder ons verkeerde, is van ons weggerukt, terwijl zoovele
-onnutte en onbeteekenende menschen blijvend geluk en een lang leven
-genieten! Hij is heengegaan, en ik moet nog hier beneden zijn!"--
-
-De gewoonte van dien tijd bracht mede, dat de dooden den dag na het
-overlijden werden begraven, doch bij Dürer moest men met dat gebruik
-breken. Den 6den April was hij gestorven en den 8sten lag hij nog
-op het paradebed, omdat de aandrang van menschen, die nog eenmaal
-het stoffelijk overschot van den grooten meester wilden zien, zoo
-groot was.
-
-Daar lag hij in een zwarte kist, door frisch groen omgeven, als een
-beeld van hemelschen vrede; en het licht der twaalf kaarsen, die
-op hooge kandelaars tusschen laurier- en mirthestruiken brandden,
-wierp een glans van verheerlijking op het edele gelaat.
-
-Aan het hoofdeinde stonden de prior van het Augustijnerklooster
-Volbrecht en de proost van de St. Sebalduskerk, die om beurten de
-gebeden voor de overledenen uitspraken, terwijl aan het voeteneinde
-een koorknaap het kruisbeeld omhoog hield.
-
-Daarna hieven de Meesterzangers, met Hans Sachs aan het hoofd,
-een ernstig, plechtig gezang aan; de kist werd gesloten, en in
-een onafzienbare reeks bewoog zich de lijkstoet, onder algemeen
-klokgelui, naar het Johanneskerkhof, waar de grafkelder der familie
-Frey was geopend om in zich op te nemen wat sterfelijk was aan dezen
-onsterfelijke.
-
-
-
-Door smart en ellende overmeesterd zat Vrouwe Agnes in het verlaten
-huis. Zij was als een schaduw geworden en begeerde te sterven en bij
-haar echtgenoot in het graf te rusten. Zij had van alle zijden veel
-liefde en deelneming ondervonden en men had haar duidelijk bewezen
-hoezeer iedereen met haar mede leed.
-
-Op zekeren morgen trad de heer Eobanus Hesz, die den grooten meester
-in een lied had verheerlijkt en een vriend van Luther uit Erfurt was,
-bij haar binnen.
-
-Hij nam een brief uit zijn zak en zeide: "Zie, geachte Vrouwe, hier
-heb ik iets wat u in uw diepe, groote smart tot troost moge zijn. Het
-is een antwoord van Doctor Maarten Luther op den lijkzang, dien ik hem
-had toegezonden en waarin met betrekking op uw overleden echtgenoot,
-het volgende staat: Het is niet meer dan billijk dien vromen,
-uitstekenden man te betreuren: maar gij moogt hem gelukkig noemen,
-omdat Christus Zijn licht in zijn hart heeft doen schijnen en hem op
-het juiste oogenblik uit dezen stormachtigen tijd, die spoedig nog
-stormachtiger zal worden, heeft weggenomen, opdat hij, die waardig
-was het beste te zien, niet gedwongen zou geweest zijn, het ergste
-te beleven. Zoo moge bij dan in vrede rusten bij zijn vaderen. Amen."
-
-"Ween en klaag dus niet meer, zeer geachte Vrouwe--Doctor Maarten
-heeft het ook hier bij het rechte eind! God had zijn ziel lief,
-daarom nam Hij hem spoedig weg uit dit treurige leven."
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-
-[1] Deze burcht werd in 1024 door Keizer Koenraad II gesticht en door
-Frederik Barbarossa in 1158 vergroot.
-
-[2] Een oude gulden had 100 kreutzer; 49 kreutzer was 1 mark.
-
-[3] De "mooie bron" is in Gothischen stijl gebouwd, 1385-1396,
-en is versierd met vele standbeelden; die op het onderste gedeelte
-stellen de 7 keurvorsten en 9 helden voor, daarboven zijn Mozes en de
-7 profeten afgebeeld. In het ijzeren hek, dat dit waterwerk omgeeft,
-is op kunstige wijze een kleine, beweeglijke ring gesmeed. Vert.
-
-[4] Dürer ontwierp later zijn teekeningen meestal op groenen of
-grijzen grond, teekende met de pen en zette de lichten aan met witte
-verf. Vert.
-
-[5] In Boheme: Theodoric van Praag, Nicolaas Wurmser, Thomas van
-Mutina.
-
-[6] De bloeitijd der Oud-Neurenbergsche school was in de 14e eeuw--die
-van de school van Keulen iets later, de belangrijkste namen daaraan
-verbonden zijn meester Wilhelm en meester Stephanus 1451. Men vindt
-een schilderij van dezen laatste in de koorkapel van den Keulschen dom.
-
-[7] Aan Brugge komt de eer toe de gebroeders van Eyck tot woonplaats te
-hebben gediend en hun meesterwerken te zien ontstaan; zij verbeterden
-de verven door toebereiding met olie. Ook Memlinc woonde te Brugge
-en schonk zijn beroemde Ursulakast aan het St. Janshospitaal aldaar;
-hij stierf in 1499. (Vert.)
-
-[8] Martin Schongauer of Martin Schön 1420-1488 (Zwaabsche school)
-leerling van Rogier van der Weyden, werd van goudsmid kopergraveur
-en schilder, en vereenigde een schitterend koloriet met fijnheid en
-zekerheid van lijn en vorm. (Vert.)
-
-[9] Venetië was voor Neurenberg en Augsburg het tusschenstation voor
-den handel met het Oosten. (Vert.)
-
-[10] "Wat God mij doet, dat is mij goed."
-
-[11] De rijksinsignes en kleinoodiën werden gedeeltelijk te Aken en
-gedeeltelijk te Neurenberg bewaard; ze bestonden uit: de kroon, den
-zilveren schepter, den gouden rijksappel, twee ringen, twee zwaarden,
-een degen, een evangelieboek enz. en deden dienst bij de kroning
-des Keizers.
-
-Tot de rijkskleinoodiën, die te Neurenberg in de Hospitaalkerk van
-den H. Geest werden bewaard, behoorde o. a. een mantel met een met
-goud gestikt Arabisch schrift van 41 woorden in parelen gevat en in
-1133 door de Siciliaansche Arabieren voor de kroning van Koning Roger
-van Sicilië gemaakt.
-
-[12] Maximiliaan wilde Karel VIII dwingen Italië te ontruimen.
-
-[13] Volgens Vasari was Margaritoni van Arezzo in de 13e eeuw de
-eerste die op doek schilderde; hij nam daartoe doek op een paneel
-geplakt en met pleister overdekt. Vert.
-
-[14] Dit was een kleine kopergravure met het opschrift: (Rome het
-hoofd der wereld). Op den achtergrond ziet men den Engelsburg en den
-Tiber en in het midden staat een vrouwelijk monster: een der voeten
-is een bokspoot, de andere een gierenklauw en de rechterarm eindigt
-in den poot eener kat. Een staart met een drakekop aan het eind en
-een ezelskop op de schouders volmaken het afschuwelijk geheel. Het
-volk begreep terstond de bedoeling en noemde het den "Pausezel."
-
-[15] Het Andreaskruis van het heilige Vlies of van de Vliesridders
-werd ingesteld door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn huwelijk
-in 1520 en schonk vele privilegiën. Vert.
-
-[16] Vaarwel, vrome ziel! Heer, geef hem de eeuwige rust en laat uw
-onvergankelijk licht hem bestralen!
-
-[17] Ik kwam, ik zag, ik overwon.
-
-[18] Het bedoelde monogram bestond uit een kleine D in een groote A.
-
-[19] De Signoria had het voorzitterschap in de drie hoogste
-staatslichamen: de groote raad, de senaat en het collegium. De tot
-de senaat behoorende raad van tienen bestond uit tien raadsleden en
-de Signoria. Na hun raadsbesluiten kon men niet in appèl komen. Vert.
-
-[20] Keizer Rudolf II kocht later het stuk voor een aanzienlijke som
-en liet het, om het voor beschadigingen te vrijwaren, door vier sterke
-mannen op de schouders van Venetië naar Praag dragen.
-
-[21] Nadat Keizer Rudolf II tevergeefs 10000 gulden had geboden voor
-dit schilderij, waarvoor haar maker 200 gulden had ontvangen, kwam het
-voor een nog grootere som in het bezit van den keurvorst Maximiliaan
-van Beieren. Dürers hoop, dat voor het werk een lange toekomst was
-weggelegd, werd niet vervuld, want in den nacht van den 10den April
-1674 werd het kunstwerk bij een brand door de vlammen vernield.
-
-[22] Dit was een afscheidsdronk der stervenden met hun bloedverwanten,
-in gebruik gekomen sedert de middeneeuwen, en ontleend aan de
-afscheidswoorden van Jezus in het Evangelie van Johannes.
-
-[23] In de vasten van het jaar 1517 had Luther het "Onze Vader" in
-preeken verklaard en een zijner toehoorders had deze opgeschreven
-preeken spoedig daarna in druk doen verschijnen.
-
-[24] "De afgeschaafde hoek"--("de afgemaakte Eck".)
-
-[25] Dürer had helaas met zijn leer over de vestingwerken weinig succès
-en oogstte geringen dank. Een later geslacht bracht hulde aan zijn
-ideeën op dit punt. Straatsburg bouwde volgens Dürers aanwijzingen zijn
-vestingwerken bij de Kronenburger poort. En nu nog heeft Dürers gezag
-waarde en liggen zijn beschouwingen ten grondslag aan het zoogenaamd
-nieuw-pruisisch systeem der vestingbouwkunst.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Albrecht Dürer, by Armin Stein
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALBRECHT DÜRER ***
-
-***** This file should be named 55521-0.txt or 55521-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/5/5/2/55521/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.