diff options
Diffstat (limited to 'old/55820-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/55820-8.txt | 6254 |
1 files changed, 0 insertions, 6254 deletions
diff --git a/old/55820-8.txt b/old/55820-8.txt deleted file mode 100644 index d2dba76..0000000 --- a/old/55820-8.txt +++ /dev/null @@ -1,6254 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Jongens van Oudt-Holland, by C. Joh. Kieviet - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - - - -Title: Jongens van Oudt-Holland - -Author: C. Joh. Kieviet - -Illustrator: Joh. Braakensiek - -Release Date: October 26, 2017 [EBook #55820] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JONGENS VAN OUDT-HOLLAND *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - Kieviet's Geïll. Historische Bibliotheek. - - - JONGENS VAN OUDT-HOLLAND - - - Door - - C. JOH. KIEVIET. - - Derde Druk. - - Met illustraties van JOH. BRAAKENSIEK. - - - AMERSFOORT - VALKHOFF & Co. - - - - - - - - -Er bestaat over het verblijf van Czaar Peter den Grooten te Zaandam -reeds een uitgebreide litteratuur. De Heer Jac. Scheltema, die -als vrederechter in deze stad heeft gewoond, vond er belangrijke -aanteekeningen door den Zaandammer lakenkoopman en vroedschap Jan -Cornelisz Noomen over dat verblijf bijna dagelijks genoteerd, en -hij gaf toen in de jaren 1814 en 1817 belangrijke werken over Czaar -Peter en over Rusland in betrekking tot de Nederlanden in het licht, -die door hunne nauwkeurigheid en historische waarheid veel verschilden -met de fantastische verhalen van vroegeren tijd. Zoover mij bekend is, -bestaat er echter nog geen uitgebreid verhaal over dit onderwerp voor -jeugdige lezers. - -De Heer Kieviet, de bekende schrijver voor de jeugd, heeft deze taak -op zich genomen, en verzocht mij het verhaal eens door te lezen vóór -het ter perse ging. Ik heb het met zeer veel genoegen gedaan en mij er -in verheugd, dat de bijzonderheden van het verblijf van den Czaar te -Zaandam zoo nauwkeurig zijn medegedeeld, terwijl het niet anders kan, -of het voor het licht brengen van de Groenlandsche visscherij geeft -aan het geheel een meer locale kleur. De walvischvaart, die sedert -jaren niet meer in Nederland wordt uitgeoefend, was eenmaal voor -de Nederlandsche Provinciën een zeer belangrijke tak van handel, -die duizenden menschen werk verschafte en waarvoor velen zich -interesseerden. Vooral in de Zaanlanden werden tal van schepen ter -walvischvangst uitgerust en vonden velerlei ambachten en neringen -daardoor een grooten steun. Het kan niet anders of de jongens van -het oud-Zaandam voelden zich tot de avontuurlijke reizen naar het -Noorden aangetrokken. De in dit verhaal genoemde jongens hebben voor -het meerendeel in dien tijd geleefd, maar zij waren in dat jaar -van 1697 iets jonger of ouder. Het is een der voorrechten van den -romanschrijver, dat hij den leeftijd van de optredende personen mag -pasklaar maken voor zijn geschiedkundige werken. Zoo was Arend Bloem, -die een zoon was van Burgemeester Claas Arendsz. Bloem, geboren in -het jaar 1678 en zag Nicolaas Calff in 1677 het levenslicht. Beide -jongelui waren dus reeds 20 jaren. Vooral Nicolaas Calff werd een -bijzonder bekend en bemind burger te Zaandam: hij stond aan het hoofd -van een groot handelshuis, en was ook een beoefenaar van kunsten en -wetenschappen. Hij heeft veel gereisd, Duitschland, Frankrijk, Spanje -en Italië bezocht, en een menigte kunstvoortbrengselen en antiquiteiten -zijn door hem verzameld op zijn fraaie buitenplaats Polanen bij Halfweg -Haarlem. De eigenaar van de scheepswerf, waarop Czaar Peter gewerkt -heeft, Lijnst Tewisz. Rogge was in 1697 nog een jonge man; zijn 4 -zonen waren toen òf nog zeer jong òf nog niet geboren. Cornelis -Gerritsz. Jongekees, de man onder den Beer, die de jongens zijn -avontuur bij Groenland vertelt, was reeds in 1677 overleden. - -Het verblijf van Czaar Peter in Holland en te Zaandam is voor de -Nederlandsche gewesten een belangrijke episode geweest. De energieke -vorst bracht daarmede een eeresaluut aan de groote nijverheid en -handel van het oude, kleine Holland. - -Nog steeds is het voor het nageslacht welgevallig met de gedachte zich -in het gouden tijdperk onzer historie te verplaatsen, en het kan niet -anders, of bij jongelieden wordt dan de lust opgewekt tot navolging -van de daden der voorvaderen. Boeken als Jongens van Oudt-Holland -van den Heer Kieviet werken daartoe zeker mede! - - -G. J. HONIG. - -Zaandijk. - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - -IN HET HUISJE AAN DEN LAGEN HORN. - - -Van een klein huisje, gelegen aan den Lagen Horn in het dorp -West-Saardam, werd de deur geopend, en een jongen trad met een bedrukt -gezicht naar buiten. Zijn houding getuigde van onwil, en hij scheen -niet dan noode te voldoen aan een hem opgedragen last. Langzaam en -weifelend trok hij de deur achter zich dicht. - -'t Was een zeer armoedig gekleede knaap. Zijn wambuis en korte -broek waren tot op den draad versleten, en zijne muts getuigde van -langdurigen dienst. Er behoefde niet aan getwijfeld te worden, of er -werd onder het strooien dak van het nederige stulpje, dat hij zooeven -verlaten had, armoede geleden, misschien wel bittere armoede. - -De jongen had nog geen vijf schreden afgelegd, of hij bleef staan, -knipte driftig met de vingers, stampte met zijn voet op den grond, -en mompelde: - -"Ik doe het niet,--ik schaam mij er voor, en 't helpt toch niet ook!" - -Hij keerde op zijne schreden terug, opende de deur, en riep half -knorrig, half smeekend naar binnen: - -"Moeder,--ik doe het niet,--ik wil niet, hoor! En 't is moeite voor -niets bovendien, want hij geeft het toch stellig niet." - -De jongen stond nu in een klein portaaltje, waarin eene deur toegang -gaf tot de kamer. - -Deze deur werd thans geopend, en een bleek, vermoeid vrouwenhoofd werd -zichtbaar. Zij zag er zwak en lijdend uit, en de zorg had haar diepe -rimpels op het voorhoofd gegroefd. Haar jak, stijf om het lichaam -sluitende, zooals toen de algemeene dracht was bij de Saardamsche -vrouwen, was al even armelijk als de kleederen van den knaap, maar ook -evenals deze knap en zindelijk. Het hulletje, dat haar hoofd bedekte, -was hagelwit en keurig netjes. - -Zij opende de deur geheel, en zag haar jongen verdrietig en met een -diepen zucht aan. - -"Toe Jan, toe m'n jongen, probeer het nog maar eens. We hebben niets -in huis voor een middagmaal..." - -"Ja, Moeder, dat weet ik wel,--en ik vind het treurig genoeg voor u, -Moeder,--maar Geurt Jansz wil niet meer borgen. Gisteren heeft hij -mij gezegd, dat het voor de laatste maal was. Moeder, en... en..." - -"En...? Wat wou je zeggen, kind?" - -"En moeder, hij liet mij den vollen kerfstok zien, waar geen streepje -meer bij kon, en hij zei, dat u eerst eens betalen moest. O,--dat er -ook zoovele andere menschen bij moesten staan! Ik schaamde mij bijna -dood, Moeder, en ik nam mij vast voor, liever van honger te sterven, -dan nog eens zoo ten spot van anderen te staan." - -De vrouw deed moeite om een traan, die in haar oog opwelde, te -onderdrukken en voor haar zoon te verbergen. - -"Maar kind," zei ze zacht, "wij hebben niets meer in huis, en ik weet -niet, wat ik om twaalf uur op tafel moet zetten... Je weet, hoe 'n -eter je broer Jacob is... en jij zelf--je moet toch ook wat hebben, -en Marie, de kleine zus." - -"Ja, Moeder, en u ook, u ook!" stampvoette de knaap, terwijl hij haar -den arm op den schouder legde. "O, Moeder, ik zie het wel, hoe de -zorg u verteert, en hoe u bij den dag bleeker en magerder wordt. En -als wij u óók moesten missen, dan wist ik heelemaal geen raad. 't Is -al erg genoeg, dat Vader dood is..." - -Thans bedwong de moeder hare tranen niet meer, en zeide snikkend: - -"'t Is nu bijna een jaar geleden, dat hij gebleven is in de Poolzee, -op de Walvischvaart..." - -"Ja, Moeder, 't is al ruim tien maanden. 't Was op den twaalfden Mei, -dat het gebeurde..." - -"En wat is er sinds dien dag van ons geworden, kind? We hebben alles -gaandeweg opgeteerd, wat wij hadden, en thans is er voor de eerste -maal geen eten in huis voor mijne kinderen." - -"En voor u evenmin, Moeder," zei de knaap. - -Een oogenblik zwegen beiden. - -Eindelijk sprak de moeder zacht: - -"Toe Jan, probeer het nog maar eens,--nog éénmaal..." - -"Neen, Moeder, ik doe het niet!" was het antwoord. - -"Nog éénmaal, Jan,--toe, voor je broer en je kleine zus. Of moet ik -dan vanmiddag zeggen, dat ik niets voor hen heb,--niets?" - -Jan keek naar den grond en richtte een oogenblik later zijne oogen -op zijne moeder. Hij hoorde, hoe haar stem beefde. Opeens sloeg hij -haar de beide armen om den hals, en fluisterde haar toe: - -"Moeder,--ja, nog éénmaal zal ik het doen, voor u, lieve Moeder, -voor u,--maar dan ga ik naar de Holle Sloot, en ik zal zien mij te -verhuren voor de Groenlandsche visscherij......" - -De moeder richtte zich op, doodsbleek. - -"Jij,--Jan!--Ook jij? Wil jij me dan ook verlaten, om een graf te -zoeken in die vreeselijke zee, die reeds je armen vader verzwolgen -heeft?--Zou je dàt willen doen, Jan,--kùnnen doen?" - -"Ja, Moeder, want honderden en nog eens honderden verdienen er een goed -stuk brood, en keeren telkens ongedeerd in het vaderland weer. Als ze -mij maar hebben willen, want ik ben nog zoo jong. Hoor eens, Moeder, -dan verdien ik geld genoeg, om voor u allen te zorgen, wel niet rijk en -weelderig, maar toch voldoende om te blijven leven. Ik krijg handgeld -bij de aanmonstering, en verdien bovendien goed geld. U kent Klaas -Meyer wel? Dien jongen van den Zuiddijk?" - -"Jawel, kind, o jawel, dien ken ik," zuchtte de weduwe, die hevig -ontsteld was bij den voorslag van haar zoon. "Maar Jan, mijn lieve -jongen, ik kan je niet ..." - -"Nu Moeder," viel Jan haar in de rede, daar hij vast besloten was -door te zetten, nu hij er eenmaal over begonnen was, "weet u wel, -wat die verdient?"-- - -"Och--al was het nòg zooveel ..." - -"Hij heeft vijftien gulden handgeld gehad, Moeder, hoort u wel, -vijftien gulden, en bovendien krijgt hij nog twee gulden per maand, -behalve het verval, dat hem voor elken visch wordt uitbetaald. U zou -er met de kinderen van kunnen leven, Moeder, wel zuinig, maar toch -zonder zorg!" - -"Behalve mijn zorg over jou, kind. Nacht en dag zou ik aan je -denken, en bij elke windvlaag zou ik vreezen, dat je verdronk in die -verschrikkelijke zee, waarin ook je arme vader gebleven is. O Jan,--o -kind,--hoe kun je nu de gedachte daaraan juist in je hoofd halen." - -"Maar Moederlief," zei Jan teeder, terwijl hij zich vol liefde aan -hare borst vlijde en haar de armen nogmaals om den hals sloeg,--"maar -Moederlief, kan het dan zòò blijven? Moeten wij dan gaan leven van -de genade van den komenijsman en van den grutter, moeten wij dan -bedelaars worden, Moeder?" - -"Neen, kind, dat verhoede God!" sprak de weduwe. - -"Is het dan niet veel en veel beter, dat ik ter walvischvaart ga, en -het brood verdien voor u en de kinderen? Omdat Vader nu helaas zoo -droevig gestorven is, ginds in het Westijs, moet een dergelijk lot -daarom ook mij treffen, Moeder? U weet wel beter. Duizenden gaan er -elk jaar heen, en zij komen geregeld weer hier. Natuurlijk, een ongeluk -kan gebeuren, dat weet ik wel, maar dat kan evengoed plaats hebben, als -ik op de scheepstimmerwerf ga, en dan verdien ik lang zoo veel niet." - -"Och ja, Jan, dat weet ik wel, maar nu je vader ..." - -"Ja Moeder, maar is verleden week nog niet een knecht van Lijnstbaas -Rogge onder een schuit verpletterd, die van de helling gleed ..." - -"Ja, kind, dat is waar ..." - -"En is nog geen maand geleden een werkman van Sinjeur Calff niet door -een molenroede gegrepen, en aan de gevolgen daarvan overleden? Hoor -eens, Moeder, een mensch kan overal een ongeluk krijgen, maar dat -is nog geen reden, waarom ik niet ter walvischvaart zou gaan. 't -Is eenmaal noodig, Moeder, en u moet er toe besluiten. Zooals nu -kunnen we niet langer blijven leven. Wij worden bij den dag armer, -en zullen weldra moeten bedelen ..." - -"Neen, kind, dat mag niet gebeuren, je hebt gelijk." - -De moeder droogde hare tranen, en keek haar kind peinzend en ernstig -aan. Zij streelde hem langs de wangen, en vervolgde: "Je bent een -goed kind, Jan, en de Hemelsche Vader zal je beschermen. 't Is waar, -ik mag je niet tegenhouden, want een andere uitweg is er niet. Ik zal -er over nadenken, Jan, maar ga nu naar Geurt Janszen, en vraag hem, -of hij ons nog eenmaal borgen wil ..." - -"Voor 't laatst, Moeder?" vroeg Jan verheugd, nu zijne moeder hem zoo -goed als toestemming had gegeven, om op de Groenlandsche visscherij te -gaan. "Mag ik hem zeggen, dat wij spoedig onze schuld zullen afbetalen, -omdat ik over eenige dagen mijn handgeld krijg ..." - -"Ja, Jan, zeg hem dat, als men je tenminste kan gebruiken, want je -bent nog maar dertien jaar, en niet groot van stuk." - -"Ik zal mijn best doen, Moeder. In de Holle Sloot ligt het Bonte -Calff, een walvischvaarder, die binnen een paar weken het anker -licht. Sinjeur Calff is er de boekhouder van en heeft er de meeste -aandeelen in, naar ik gehoord heb. En wat mij de meeste hoop geeft, -Jan Folkersz is commandeur, u weet wel, dezelfde commandeur, onder -wien Vader voer op zijn laatste reis. Wie weet, misschien neemt hij -mij wel om de wille van Vaders nagedachtenis. Hij hield veel van hem, -en is hier kort na Vaders dood tweemalen in huis geweest." - -"'t Is goed, kind, je kunt het in allen gevalle beproeven. Maar ga nu -naar de komenij en zie wat te krijgen, want anders kom ik niet meer -op tijd klaar. Jongen, jongen, wat een besluit! En wat een zorgen! Hoe -moet ik aan de noodige kleeren voor je komen, want een walvischvaarder -moet goed voorzien zijn. 't Gebeurt dikwijls genoeg, dat je je twee-, -driemalen per dag verschoonen moet,--en we hebben geen duit in huis." - -"O, Moeder, geen zorgen voor den tijd. Als ik mij kan laten -aanmonsteren, krijg ik een mooi handgeld, en dan kunnen wij verder -zien. 't Aanmonsteren is eerst het voornaamste; komt dàt klaar, -dan volgt de rest van zelf wel." - -"Daar heb jij geen verstand van, Jan, maar 't is waar, laten wij den -tijd niet vooruitloopen. Ik moet toch zeggen, dat het mij rustiger -stemt te weten, dat er nu aan onze zorgen wellicht een einde komt, -al houd ik mijn hart ook vast bij de gedachte aan de gevaren, die je -gaan bedreigen..." - -"Kom, kom, Moeder," riep Jan haar lachend toe, terwijl hij zich -verwijderde om naar de komenij te gaan, "haal u geen muizenissen in -het hoofd. 't Is wat een pleizierig leventje!" - -Een paar minuten later stapte Jan de komenij binnen, waar de baas hem -lang niet vriendelijk ontving. Gelukkig was er niemand anders in den -winkel, wat Jan al gezien had nog vóór hij binnenstapte. - -"Wat kom jij hier weer doen, manneke?" voegde baas Geurt hem op lang -geen vriendelijken toon toe. "Ik heb je gisteren toch gezegd, hoe de -zaken er voorstaan? Of heb je me toen niet goed begrepen?" - -"Ja wel, baas, maar Moeder laat vragen, of u me voor 't laatst nog -eens borgen wil..." - -"O zoo, kom je geld brengen?" vroeg de winkelier, die zich hield, -alsof Jan dat gezegd had, hoewel hij hem heel goed had verstaan. - -"Neen, dat kom ik niet doen," zei Jan zacht, terwijl het schaamrood -hem de kaken verwde. "Wij hebben geen geld." - -"Maar zonder geld heb je hier geen boodschap, ventje. Je moeder moest -zich schamen, om hier te laten bedelen. 't Is eene schande, zooals -zij tegenwoordig handelt. Jelui lijkt wel een bedelaarsfamilie..." - -Jan was doodsbleek geworden, en hij balde de vuisten. - -"Dat is een leugen!" barstte hij los, nu hij op dien toon over -zijne moeder hoorde spreken. "Wij bedelen niet, en zullen u eerlijk -betalen, wat wij u schuldig zijn. Ik kom juist hier, om u te zeggen, -dat ik mij zal laten aanmonsteren voor de walvischvaart, en dat we u, -als ze mij aannemen, geregeld zullen afbetalen. Niet alles in eens, -natuurlijk, want dat kunnen wij niet, maar elke maand wàt..." - -"Zoo,--ja, àls ze je aannemen,--maar als ze dat nu eens niet doen, -wat dàn? Want je bent nog veel te jong voor de groote vaart ..." - -"Ook voor kajuitswachter?" vroeg Jan angstig, want hij vreesde, -dat baas Geurt wel eens gelijk kon hebben. - -"Natuurlijk, ook voor kajuitswachter. Nu, als ze je nu eens niet -hebben willen, wat dàn?" - -"Dan zal ik net zoo lang werken, tot alles afbetaald is," zei Jan -kortaf. "Wij zijn eerlijke menschen, en zóó gróót is onze schuld bij -u niet." - -"Dat is waar," zei de komenijsbaas, "maar voor menschen, die niets -hebben en niets verdienen, toch veel te groot. Alevel, ik hoop, dat -je slagen zult, en wil je op goed geluk nog wel een keer helpen. Wat -wou je hebben?" - -"Een zakje bruine boonen en een met erwten, asjeblief baas. Ik beloof -u, dat we eerlijk alles zullen afbetalen. Vanmiddag ga ik naar de -Holle Sloot, om mij aan te melden. Op het Bonte Calff is dezelfde -commandeur, onder wien Vader nog gevaren heeft, en ik hoop, dat hij -me om zijnentwille aannemen zal." - -"Ik hoop het voor jou ook, jongen, en voor mijzelven daarbij. Je -kunt het in allen gevalle probeeren. Ziedaar, hier heb je, wat je -vroeg. Mocht je vanmiddag slagen, dan moet je Moeder maar eens bij me -aankomen. We zullen dan wel afspreken, hoe verder te handelen. Als je -slaagt, kan ze verder bij me krijgen, wat ze hebben wil, want ze is -al z'n leven een knappe vrouw geweest, dat moet ik zeggen. De schuld -is zoo groot niet, of daar is wel doorkomen aan, als er maar geregeld -wat verdiend wordt." - -"Goed baas, ik zal het zeggen, Goêdag!" - -"Dag jongen,--een goed welslagen!" - -"Dank u wel!" - -Jan spoedde zich naar huis terug, recht verheugd, dat het hem gelukt -was een middagmaal te veroveren, want het zou hem innig verdroten -hebben, indien zijne moeder en de twee kinderen, zooals hij ze altijd -noemde, omdat hij de oudste was, aan eene leege tafel hadden moeten -zitten. Om zichzelven dacht hij altoos het laatst. Door den dood -van zijn vader en de kommervolle omstandigheden, waaronder deze hen -achterliet, had hij al vroeg de zorgen des levens leeren kennen, en was -hij in zijn doen en laten wijzer, dan andere jongens van zijn leeftijd. - -Een uurtje later kwam zijn broer Jacob thuis. - -Deze was een jaar jonger dan hij, maar hij was veel vroolijker en -bezat veel meer levenslust. Nog nooit had hij de zorgen van 't leven -gevoeld, want nog altoos had zijn boterham geregeld op tijd voor -hem klaar gestaan. Hoeveel zorgen het had gekost aan zijne Moeder, -zoowel als aan zijn broer Jan, om die boterham daar te brengen, wist -hij niet, daaraan dacht hij zelfs niet. Hij wist wèl, dat zij het -ver van breed hadden, maar nog nooit had het hem aan iets ontbroken, -en verder dacht hij er niet over. Hij was een zieltje zonder zorg, -een aardige jongen, van wien zijne kameraden verbazend veel hielden, -en wiens gezelschap hun hoogst welkom was. Hij had altoos pleizier -in zijn leven, en bekeek de dingen van den vroolijken kant. Jan hield -ook verbazend veel van hem. - -Zoodra hij binnenkwam, nam hij zijn zusje van den vloer op, want de -kleine Marije kroop nog meer dan zij liep, hoewel zij al twee jaar -oud was, en begon met haar allerlei grappen te maken, zoodat zij het -uitschaterde van de pret. Eindelijk zette hij haar op zijn rug, en -ging op handen en voeten over den vloer kruipen, wat zij verbazend -prettig vond. Zij gaf hem met hare kleine knuistjes tikjes op zijn -blonden krullekop en riep: "Huup paard! Huup paard!" - -En dan steigerde hij als een echt paard, zoodat zij soms hare beide -mollige armpjes om zijn hals moest slaan, om niet te vallen. En hoe -harder en wilder het ging, hoe liever zij het had. Maar Jacob wist -wel, wat hij deed. Hij maakte wel veel drukte bij zijn spel, maar hij -paste toch terdege op, dat zij niet vallen kon, of als dat gebeurde, -deed hij het zoo voorzichtig, dat zij zich niet bezeerde. - -Eindelijk kwam het middagmaal op tafel. 't Was een verbazend -eenvoudig gerecht, want het bestond slechts uit bruine boonen, -waarover een mengsel van water en gesmolten vet was gedaan, en het -werd opgediend in een enkelen schotel van grof, bruin aardewerk. Maar -toch begroette Jacob den dampenden schotel met blij gejuich, want hij -had grooten honger en lustte graag bruine boonen. Trouwens, hij was -niet verwend, en men at toenmaals in burgerkringen over het algemeen -toch veel eenvoudiger dan tegenwoordig. Borden werden bij het maal -niet gebruikt. Men plaatste zich rondom de tafel, en na gebeden te -hebben, schepten allen hapje voor hapje uit den schotel, zooals bij -zeer eenvoudige lieden ook nu nog wel gedaan wordt. - -Dat honger de beste kok is en rauwe boonen zoet maakt, bleek ook nu -weer, want de jongens, die geduchten honger hadden, smulden aan de -eenvoudige spijs, of het een koningsmaal was. Zelfs de kleine Marije -schepte meê, en al morste zij minstens de helft van elken lepel op -de tafel, de andere helft wist zij met veel succes naar binnen te -werken. En de grove kost bekwam haar blijkbaar goed, want zij was een -dik molletje met bolle wangen. Soms riep zij hare vingers te hulp, -als er àl te veel op de tafel gemorst was, tot groot vermaak van Jacob, -die dat erg grappig vond. - -Toen de eerste honger gestild was en de lepels wat langzamer werden -gehanteerd, zei Jan tot zijn broer: - -"Je hebt zeker nog niet gehoord, wat ik vanmiddag ga doen, hè?" - -"Neen, wat dan?" vroeg Jacob nieuwsgierig. - -"'k Ga mij aanmelden voor de walvischvaart," zei Jan. "Het Bonte -Calff vaart binnen een paar weken uit, en ik zal zien, dat ik meêga -als kajuitswachter." - -"Ha,--dat is heerlijk voor je!" riep Jacob uit. "Vindt u 't goed, -Moeder, dat hij gaat?" - -"Ja, kind, 'k moet er in berusten," zei de weduwe met een zucht, -"'k Heb er den geheelen morgen al over nagedacht en 't is me zelfs -geen oogenblik uit het hoofd, maar 'k geloof ook, dat het 't best -voor ons is. De goede God is een Vader der weezen en een Trooster -der weduwen. Op Hem stel ik mijn vertrouwen." - -"Moeder, ik ben blij, dat U er zoo over denkt," sprak Jan ernstig. "Ik -vind het eene heerlijke gedachte, dat u voortaan zonder zulke groote -zorgen zult kunnen leven. U ziet er slecht uit, Moeder; uwe gezondheid -heeft er onder geleden." - -"Ik kon er niet tegen, kind, om van de genade van anderen te moeten -leven, en als ik geen kinderen had gehad, ware ik liever gestorven." - -Jacob keek zijn Moeder in de grootste verbazing aan. Wat hij hoorde, -was voor hem geheel nieuw. Hij had nog nooit vermoed, dat de zorg -zóó hoog gestegen was. En het verheugde hem nu dubbel, dat Jan ter -walvischvaart zou gaan. - -"Moeder!" riep hij uit, "over een jaar ben ik ook twaalf, en dan ga -ik ook! U màg geen armoede lijden. Wij zullen wel voor u werken, is -'t niet waar, Jan?" - -De Moeder lachte hare kinderen gelukkig toe. Nu zij eenmaal hare -toestemming had gegeven, gevoelde zij zich inderdaad aanmerkelijk -verlicht. De zorgen hadden haar zeer gedrukt, en ten slotte was zij -er bijna wanhopig onder geworden. - -"Als ze mij maar aannemen," zei Jan, die zeer vreesde, dat dit niet -gebeuren zou. - -"Wel ja, jongen, waarom zouden ze niet?" zei Jacob. "Hè, ik wou, -dat ik al mee mocht! 't Is een echt leventje, wat ik je zeg. Elken -dag walvisschen vangen, hoe meer hoe liever, want voor elken visch -word-je extra betaald, en voor de afwisseling nu en dan eens met -ijsberen vechten, of op eene ijsschots uit varen gaan..." - -"Kind, houd op!" zei de Moeder, wie de angst op het gelaat te lezen -stond. "Ik ben blij, dat jij er althans nog te jong voor bent, want -je onvoorzichtigheid zou je gauw een groot ongeluk bezorgen.--" - -"Gekheid, Moeder! Met ijsberen vechten ze allemaal. Weet u dan niet -van den Commandeur Jonge Kees?" - -"Kind,--praat er niet van!" zei zijne Moeder met een blik vol liefde -en angst op haar oudsten zoon, die haar weldra zou verlaten, om al -die gevaren te gaan trotseeren. "Het angstzweet breekt me uit, als -ik er aan denk." - -"Och moeder, waarom?" lachte Jacob. "'t Is wàt mooi! Wil ik u eens -vertellen? 't Gebeurde in 't jaar 1668, dus 't is nu negen en twintig -jaar geleden. De Commandeur Jonge Kees voer de Zwarte Walvisch, en -zijn schip lag met twee touwen aan een ijsschots vastgemaakt. Het -scheepsvolk was naar kooi gegaan, omdat het vermoeid was door het -vangen van twee walvisschen ..." - -"Zeg eens, broertje," viel Jan den verteller in de rede, "hoe weet -jij dat alles zoo precies? Je bent er toch niet bij geweest?" - -"Hij heeft het me zelf verteld, dus 't zal wel waar zijn. Je weet toch -wel, waar hij woont? Aan den Hoogendijk, waar "De man onder den beer" -in den muur gemetseld is." - -"Jawel, dat weet ik--". - -"Jonge Kees is nu een oude Kees geworden," ging Jacob lachend voort, -"en hij vaart niet meer naar de Poolzee. Maar gisteren stond hij voor -zijne deur een pijpje te rooken, en toen vroeg ik hem, wat die man -onder den beer toch moest beteekenen, die bij hem uithangt. - -"Die man ben ik zelf," zei hij. En toen begon hij te vertellen. "Er -waren maar een paar mannen op het dek en een van hen ontdekte opeens -een grooten ijsbeer, zittende op een schots. Ze besloten de bemanning -niet te wekken, en stilletjes een sloep overboord te zetten, om den -beer te gaan dooden. Maar de loopers van het takel maakten zooveel -lawaai, dat de Commandeur wakker werd en op het dek kwam. "Wat is -er te doen mannen," vroeg hij, "is er een walvisch te zien?" "Neen -Commandeur, geen visch, maar een ijsbeer. We zijn juist van plan hem -even een bezoek te brengen. Gaat u mede?" "Ja, maar dan moet er wat -volk gewekt en een tweede sloep gestreken worden." Dat gebeurde en -ze staken van boord..." - -"Hoe is het mogelijk,--hoe is het mogelijk!" zei de Moeder -hoofdschuddend. "Wat zoeken zulke menschen de gevaren toch op. Waarom -lieten zij dat beest niet stilletjes zitten?..." - -"'t Ging aan de vlucht, moeder!" riep Jacob uit, terwijl zijn oogen -schitterden van genoegen, dat hij zelf in zijn verhaal had. - -"Nog beter,--waarom lieten zij dat beest niet gaan?" - -"Daar zijn de ijsberen niet voor!" meende Jacob. "Maar luister. Hij -sprong van de schots af in het water, en Jonge Kees, die met zijn -sloep het dichtst bij hem was, bracht hem met zijn lans eene zoo -zware wond toe, dat de ingewanden hem..." - -"Hu, houd toch op!" riep zijne moeder uit. "Zoo'n stom dier..." - -"Ja,--maar hij heeft een mooien pels, die veel geld waard is, en -dit wist Jonge Kees ook wel. "Jongens," zei hij tegen zijne mannen, -"laat hem maar zwemmen, want hij zal het niet lang meer maken. Zijne -wond is doodelijk." - -Maar toch klom de beer nog tegen een vijf voet hooge schots op, -en daar ging hij op liggen met zijn bek op zijn voorpooten. - -"Geef mij de schietlans! Hij sterft!" zei de Commandeur, en daarmede -gewapend sprong hij op de schots. 't Touw, dat er aan verbonden was, -had een lengte van acht of negen vademen. Maar nauwelijks was de -Commandeur op de schots, of de beer nam een zoo vervaarlijken sprong, -dat Jonge Kees niet meer wist, wat hij deed. De schietlans vloog hem -uit de hand over zijn hoofd heen, en op hetzelfde oogenblik lag hij -achterover op de schots, met den beer boven op zich. Diens linkerpoot -stond hem in de rechterzijde en zijn rechterklauw op zijne linkerborst, -en het dier sperde den muil open om hem den strot af te bijten..." - -"Kind, houd toch op,--'t is vreeselijk!" riep de moeder uit. "Ik -kan er niet langer naar luisteren, en als ik wist, dat Jan ook zoo -onvoorzichtig zou wezen, liet ik hem nooit gaan, hoor je,--nooit!" - -"U begrijpt, dat Jonge Kees in de benauwdheid zat, of eigenlijk--hij -lag er in, want hij kon geen vin verroeren. En de mannen in de sloepen -hieven van schrik een erbarmelijk geschreeuw aan. "Help, help, springt -op de schots! Redt den Commandeur!" riepen ze, maar er was er maar -één, die moed genoeg bezat, om den man te helpen. 't Was een matroos, -Claas Niele van Westzaan, die alleen met een scheepshaak gewapend -op de schots durfde springen, wat het gevolg had, dat de beer op de -vlucht sloeg. - -De Commandeur was meer dood dan levend, en ze moesten hem in de -sloep dragen, doch 't was alleen maar van den schrik, want gewond -was hij niet. - -De mannen wierpen den beer met een stuk hout, maar raakten hem niet, -en hij liep hollend het hout achterna en schreeuwde zoo ijselijk, dat -de mannen er van beefden. Toen besloten ze met hun allen op de schots -te klimmen, om den beer de rest te geven. Jonge Kees nam nog eens de -schietlans ter hand, en met hun achten gingen zij hem bestoken. Het -schot van Jonge Kees was mis; de lans vloog hem onder het lichaam door, -en de beer bleef er met zijn pooten overheen staan. Eindelijk ging hij -uit vrees voor zijne aanvallers voet voor voet achteruit, tot hij in -het water viel, en daarna hebben ze hem vervolgd van de eene schots -naar de andere, totdat hij bezweek. Zoo'n grooten beer had Jonge Kees -zijn leven lang nog niet gezien, en het had maar weinig gescheeld, -of de Commandeur was voor de haaien geweest. Hij heeft het me zelf -in kleuren en geuren verteld." - -"O ja, er gebeuren wel meer van die stukjes," zei Jan, "maar ze -loopen bijna altoos goed af. Wees maar gerust, Moeder, ik zal mij -niet onnoodig in gevaar begeven. En bovendien, ik ben nog niet -aangemonsterd. Was ik maar een voet grooter, dan zou ik meer kans -hebben. Ik vrees werkelijk, dat ze mij te klein zullen vinden en te -tenger. Toch ben ik veel sterker, dan ik er uitzie..." - -"Kom, kinderen, de tijd zal het wel leeren. Jan, lees eens een -hoofdstuk uit den bijbel. Dan kunnen wij danken." - -Jan deed wat hem gevraagd werd, zooals trouwens elken middag de -gewoonte was, en na het dankgebed stonden allen van tafel op, behalve -de kleine zus, die na het middagmaal en onder de lange vertelling -van Jacob, met het hoofdje voorover op de tafel, in slaap gevallen -was. De Moeder liet haar stil slapen. - -"Waar ga jij heen?" vroeg Jan aan zijn broer. - -"Naar de jongens, op den Dam," was het antwoord. "We hebben afgesproken -daar bij elkander te komen, om gezamenlijk een of ander spel te -doen. Ga je meê?" - -"Neen, ik ga naar het Bonte Calff. 'k Wil 't liefst nu maar dadelijk -weten, hoe de zaken er voorstaan." - -De beide jongens verlieten de woning. - -Jan sloeg op den Hoogendijk rechtsaf, om naar de Holle Sloot te gaan, -en Jacob linksaf, om zich naar zijne makkers te begeven. - -De Moeder bleef in spanning achter. - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - -EEN HEVIG GEVECHT EN EEN GROOT ONGELUK. - - -Het dorp Saardam bestond uit twee deelen, Oost-Saardam, gelegen -ten oosten van de Zaan, en West-Saardam, gelegen ten Westen -daarvan. Oost-Saardam met Oostzaan behoorde tot de banne van -Oostzaanen, en daarmede tot Kennemerland, en West-Saardam met Westzaan -tot de banne van Westzaanen, en daarmede tot de Baljuwdie van Blois. 't -Waren dus twee afzonderlijke gemeenten, die wel enkele belangen gemeen -hadden, maar overigens geheel van elkander gescheiden waren. - -Eerst in later tijd, onder Napoleon, zijn de beide helften tot één -gemeente vereenigd. - -Dwars door de Zaan was een dam gelegd, die den eenigen verkeersweg -uitmaakte tusschen Oost- en West-Saardam. Deze dam was er reeds vóór -het jaar 1388, zooals uit de oude archieven blijkt. Het is echter -niet bekend, in welk jaar hij precies is gelegd. - -Toen Jacob Willemsz op den Dam kwam, vond hij daar al eenige jongens -bijeen, want zij hadden afgesproken, elkander daar te zullen ontmoeten. - -"Zoo Jacob," riep een groote jongen hem toe, wiens kleeding duidelijk -verried, dat hij tot den gegoeden stand behoorde. 't Was Arent Bloem, -de zoon van Meindert Arentsz. Bloem, een van de burgemeesters van -Oost-Saardam. - -"Zoo Jacob, ben je daar? Komt je broer Jan niet mede?" - -"Neen, die heeft heel andere plannen!" antwoordde Jacob met een -air van gewicht, want hij was er wat trotsch op, dat zijn broer ter -walvischvaart zou gaan. - -"Andere plannen?--Wat dan?" vroeg een andere knaap, die zoo lang en -dun was en zoo'n smal hoofd had, dat hij wel wat aan een hazewindhond -deed denken. 't Was de zoon van meester Pomp, een man, algemeen bekend -onder de Saardammers. Dat was geen wonder, want hij vereenigde in -zijn persoon de betrekkingen van chirurgijn en barbier, zooals in -dien tijd gewoonte was, en men kon hem dus een gewichtig man noemen. - -"Jan gaat zich laten aanmonsteren voor de Groenlandsche vaart," -antwoordde Jacob. "Vanmiddag gaat hij naar het Bonte Calff, waarvan -de Commandeur een kennis van ons is." - -"Je broer is er nog veel te klein voor," zei Heyn Pomp met eenige -minachting, want hij wist wel, dat hij zelf een hoofd grooter was dan -Jan Willemsz. "Als hij mijne lengte nu nog had, was het wat anders," -vervolgde hij niet zonder eenige verwaandheid, die Jacob boos maakte. - -"Och kom," zei Jacob lachend, "die dunne lengte van jou heeft ook -niet veel te beteekenen. Als je ergens tegen aanloopt, sla je dubbel." - -"Wat wou je zeggen?" vroeg Heyn Pomp beleedigd, want de andere jongens -lachten om hetgeen Jacob gezegd had. - -"Ik wou alleen maar zeggen, dat het hem niet in de lengte zit, maar -in de kracht. En Jan is sterk genoeg, veel sterker dan jij. Dat -hebben we laatst gezien, toen hij je een pak slaag gegeven heeft, -dat je kraakte. Wat wist jij, zoo lang en dun als je was, toen van -beenen maken!" - -De jongens begonnen opnieuw te lachen, want Heyn Pomp kenden zij allen -als een praatsmaker, die van iedereen wat te zeggen had en toch niet -veel moed bezat. Maar Heyn werd boos en trad een schrede naderbij. - -"Wie zegt, dat ik loopen ging?" vroeg hij, terwijl hij zich met -gebalde vuisten voor Jacob plaatste en zijn smal gezicht bijna tegen -diens neus hield. "Durf jij dat zeggen?" - -"Ja,--dat durf ik!" zei Jacob, die zich ook schrap zette, om dadelijk -gereed te zijn, als hij mocht worden aangevallen. - -"Zeg dat nog eens, als je 't hart hebt!" schreeuwde Heyn -luidkeels. "Zeg jij, dat ik aan den loop gegaan ben, omdat ik bang -was van Jan?" - -"Ja,--dat zeg ik!" herhaalde Jacob, en hij voegde er aan toe: "Dat -durf ik nog wel honderdmaal te zeggen, en wel duizendmaal ook. Je -moet niet denken dat ik bang voor je ben." - -"En ik voor jou ook niet!" schreeuwde Heyn, die echter geen moed -genoeg bezat, om Jacob aan te grijpen. - -"Heyn durft niet!" sarde een andere jongen, met een korte, gedrongen -gestalte en een paar gespierde armen en beenen. Hij heette Ary Kist, -en was de zoon van een smidsknecht. "Toe Heyn, laat je niet van de -vliegen steken." - -"Hij is me te min," zei Heyn, die het tijd vond, den aftocht te -blazen. "Ik vecht niet met zulke kleine jongetjes." - -Maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of hij voelde zich -bij de keel grijpen, en in minder dan geen tijd lag hij voorover op -de leuning van het sluisje, dat in den Dam was aangebracht, en kreeg -hij een aantal geduchte klappen op zijne broek. Jacob had zich driftig -gemaakt, en gaf hem eene afstraffing. - -"Dáár dan!" zei hij tegen Heyn Pomp, die bang was, dat hij voorover -in de sluis zou duikelen. "Neem dát dan van het kleine jongetje, -en wees dankbaar, dat je niet meer krijgt." - -"Goed zoo!" zei Arent Bloem. "Jacob is in zijn recht, want jij behoeft -geen kwaad te spreken van zijn broer. Ha,--ginds komen Cornelis Noomen, -Claes Alewijns, Dirk en Teeuwis Rogge en Jan Laurensz Louwe aan. Hei -jongens, komt hier!" - -De komst van de vijf genoemde jongens maakte een einde aan de -vechtpartij, tot groot genoegen van Heyn Pomp, die er geduchte spijt -van had, dat hij de ruzie begonnen was, want de klappen van Jacob -kwamen harder aan, dan hij aangenaam vond. - -"Wat was er aan de hand," vroeg Cornelis Jansz. Noomen, wiens -vader lakenkooper was en tevens tot de vroedschap der gemeente -behoorde. "Waren jullie aan 't vechten!" - -"Jammer, dat 't uit is," lachte Dirk Rogge, "'t Lijkt wel, of ik -altijd te laat moet komen, als er een pretje is." - -"Een mooi pretje!" zei zijn broer Teeuwis. "Zeg jongens, wat gaan -we doen?" - -"Willen we naar het Hemveld gaan?" vroeg Claes Alewijns Salm, ook de -zoon van een burgemeester. "Daar is altijd wel wat te beleven." - -Op dit oogenblik hoorden de jongens zich toeroepen, en omziende -ontdekten zij in de Zaan een fraaie roeiboot, waarin twee jongens -gezeten waren. Een mooie hond, wel bijna zoo groot als een klein kalf, -stond voor op de plecht. - -"Ha, daar zijn Nicolaas Calff en Pieter Gekeer. "Nu zijn ze er -allen. Hallo--waar gaan jullie heen?" vroeg Arent Bloem. - -"Wel, we komen aan de afspraak voldoen. We zouden immers op den -Dam bij elkander komen?" antwoordde Nicolaas Calff, die de riemen -hanteerde. Hij was de zoon van een der voornaamste ingezetenen van -Saardam. Zijn vader was een zeer voornaam koopman, wiens schepen naar -alle zeeën bevracht werden. Ook het Bonte Calff behoorde voor een -groot gedeelte aan hem, zooals we Jan Willemsz reeds hoorden opmerken. - -"'t Was maar gelukkig voor Jacob en Heyn, dat mijn Vader niet in mijne -plaats in de boot zat," merkte de andere jongen lachend op. "Als hij -gezien had, hoe die twee aan 't vechten waren, was het niet goed met -hen afgeloopen." - -"Dat kon wel," zei Claes Salm. "De Heer Schout laat niet met zich -spotten. Maar jij zult hen wel niet verklappen, denk ik?" - -Jan Gekeer was inderdaad de zoon van den Schout, maar hoezeer -de jongens zijn vader ook vreesden om zijne gestrengheid, met Jan -gingen zij graag om, want hij was een aardige jongen, en zij konden -hem volkomen vertrouwen. Al hadden zij soms iets uitgevoerd, dat -niet door den beugel kon, Jan zou er thuis nooit over spreken, want -dat vond hij laf. Zijn vader vroeg hem er trouwens ook nooit naar, -zeker om van zijn zoon geen klikspaan te maken. - -"Wat een mooie hond is dat toch!" zei Arent Bloem. "Zeg, Nicolaas, -zou hij je redden, als je over boord sloeg?" - -"Ongetwijfeld!" zei Nicolaas, die verbazend veel van zijn hond hield, -"'t Is een Bernardshond, een echte, want vader heeft hem een jaar -geleden zelf uit het buitenland meêgebracht, en hij is zoo trouw, -dat ik je niet raden zou mijne moeder ook maar het bewijs van een -klap te geven, want dan zou hij je aanvliegen.--Niet waar, Castor?" - -De hond kwispelde met zijn staart, nu hij zich hoorde aanspreken, -en keek zijn jongen meester vriendelijk aan. "Maar zeg, jongens, -wat gaan we doen?" - -"Willen we naar de Hemvelden gaan? Daar hebben we altoos pret!" opperde -Claes Salm nogmaals, die altoos 't liefst buiten het dorp dwaalde. - -"Mij goed,--ik wil wel!" riep er een. - -"Ik ook wel!" zei een ander. - -Maar Nicolaas Calff had een ander voorstel. - -"Zeg eens jongens," zeide hij, "Jan Gekeer en ik hebben afgesproken -om zeeroovertje te gaan doen. We kunnen..." - -"Ha, ja, dat is een echt spelletje!" zei Ary Kist, zich van de voorpret -reeds de handen wrijvende. En ook de andere jongens schenen er wel -ooren naar te hebben. - -"We hebben schuiten genoeg," vervolgde Nicolaas Calff. "Dirk en -Teeuwis Rogge kunnen er wel voor zorgen, want hun vader heeft een -scheepstimmerwerf, en daar zijn er altijd in overvloed.--" - -"En ik kan de onze ook halen," zei Arent Bloem. "Ja, ja, laten -we zeeroovertje gaan spelen. Maar wáár zullen we het doen? Op de -Achterzaan?" - -"Neen, op de Voorzaan. Daar zijn we veel vrijer," zei Jan Gekeer, -die bang was, dat zijn vader het zou zien. "Als de schout ons zag, -was het mis!" - -De andere jongens lachten er om, dat Jan dit zeide, omdat de schout -zijn eigen vader was. - -"Ja, ja, op de Voorzaan is het veel beter," zei Ary Kist. "Ik ga -onze schuit ook halen. Zeg jongens, brengen jullie haken meê om te -enteren? Dat doen zeeroovers ook altijd." - -"Haken hebben wij wel!" zei Dirk Rogge. "'t Is goed, laten wij onze -booten halen. Dat is nu juist een spelletje, waar ik zin in heb!" - -Terwijl de andere jongens naar huis gingen, om booten te halen, -schutten Nicolaas Calff en Jan Gekeer door de sluis, waardoor zij -op de Voorzaan kwamen, en Nicolaas noodigde Jacob uit, bij hem in de -schuit te stappen. Hij mocht Jacob graag lijden en ging veel met hem -om, hoewel hij zeer goed wist, dat Jacob tot de armsten van het dorp -behoorde. Maar dat was hem volkomen onverschillig. - -"Wat een echt mooi schuitje is dit toch," zei Jacob, terwijl hij -de boot met welgevallen beschouwde, en zich op het achterbankje -neerzette. "En wat staat je hond daar grappig. 't Lijkt net, of hij -de kapitein is en het vaarwater moet verkennen. Zeg, jongens, weet je -al, dat mijn broer Jan naar het Bonte Calff is gegaan, om te vragen, -of ze hem willen aanmonsteren voor kajuitswachter?" - -Nicolaas liet de riemen drijven. Het Bonte Calff met alles wat daarbij -behoorde, boezemde hem veel belang in, omdat hij wist, dat het schip -grootendeels van zijn vader was. Hij keek Jacob verrast aan en zeide: - -"Wel, dàt vind ik aardig! Over veertien dagen zeilt de vloot uit. Zou -hij als kajuitswachter meê willen?" - -"Of hij! Graag! De Commandeur kent ons van vroeger, dus misschien -heeft Jan wel een schreefje vóór. Ik zou ook wel mee willen! 't Is -een mooie reis!" - -"Ik ben benieuwd, of hij aangenomen zal worden," zei Nicolaas. "Als -ik den Commandeur spreek, zal ik hem vragen, of hij het doen wil. Hij -komt dikwijls bij ons aan huis." - -"O ja, doe dat. Wie weet, of het niet helpt. Er komt nog bij, dat we -het hoog noodig hebben, want er wordt na vaders dood niet verdiend, -dus de spaarduiten raken op. Waar afgaat en niet bijkomt, blijft -spoedig niemendal over." - -"Je kunt er op rekenen, dat ik het doen zal," zei Nicolaas -medelijdend. "Maar of het baten zal, weet ik niet." - -De jongens roeiden langzaam verder, en na eenigen tijd, toen zij -langs de scheepswerf van Lijnstbaas Rogge voeren, welke aan den -Hoogendijk gelegen was, zagen zij de booten van Dirk en Teeuwis van -wal steken. In de boot van Teeuwis had Heyn Pomp een plaatsje gekregen, -terwijl Claes Salm bij Dirk Rogge aan boord was. - -"Ik behoef nergens voor te vreezen," riep Teeuwis de anderen lachend -toe, "want ik heb de Pomp aan boord. Als ik een lek krijg in den -strijd, kan hij me boven water houden." - -Cornelis Noomen vond een plaatsje in de boot van Ary Kist, welk -vaartuigje van veeljarigen dienst getuigde en al dikwijls op de -helling was geweest. Maar Ary beweerde altoos, dat zijne schuit den -meesten gang had, en dat in heel Saardam geen beter boot te vinden was, -dan de zijne. - -Eindelijk kwam ook Arent Bloem met forsche slagen aanroeien. Zijn -bootje was even mooi als dat van Nicolaas Calff, maar het roeide -wat zwaarder. - -Jan Louwrensz, van den kompasmaker, had in diens boot een plaatsje -gevonden. - -'t Was dus een heele vloot, toen de jongens bij elkander gekomen -waren. Niet minder dan vijf booten voeren achter elkander het Kerkerak -af, (de plaats waar vroeger het dorp Zaanden heeft gestaan), dat naar -het IJ voerde. Toen zij in de verte de masten van het Bonte Calff en -de andere walvischvaarders in het oog kregen, hielden zij halt, om te -beraadslagen. De vijf booten werden tegen elkander aangeroeid, zoodat -de jongens, elf in getal, gemakkelijk met elkander konden spreken. - -"Wel jongens, hoe zullen we nu doen?" vroeg Arent Bloem. - -"Ik wil de zeeroover wel wezen," zei Ary Kist. "Dat is juist een -kolfje naar mijn hand. Heb je de enterhaken meêgebracht, Teeuwis?" - -"Haken in overvloed," antwoordde deze, terwijl hij de kettingen liet -rammelen, die op den bodem van zijn boot lagen. - -"Ik weet het goed gemaakt," zei Jacob Willemsz. "De booten van -Nicolaas Calff en Arent Bloem zijn verreweg de mooiste. Laten die -daarom de koopvaardijschepen voorstellen, die met een rijke lading -in de vaderlandsche haven terugkeeren." - -"Dat is er een te weinig," zei Arent Bloem. "Twee tegen drie gaat -niet. Op die manier zouden wij in het geheel geen kans hebben, om -den strijd te winnen. Laat Dirk Rogge ook een koopvaarder wezen." - -"Dank je hartelijk," zei Ary Kist. "In die drie booten zitten jullie -met je zevenen, terwijl wij maar met ons vieren zouden zijn. Zeg, -Jan Gekeer, kom jij dan bij ons, dan staat het vijf tegen zes." - -"Mij goed," zei Jan, terwijl hij in de boot van Ary overstapte. "Ik -wil even graag zeeroover zijn als koopvaarder. Wie is mijn opperhoofd?" - -"Ik!" riep Ary Kist. "Ik ben Claes Compaan, je weet wel, de zeeroover, -die nog te Oostzaan gewoond heeft. En Nicolaas Calff is Michiel de -Ruyter. Is dat goed?" - -"Best! Opperbest!" klonk het van alle kanten. - -"Vaart dan eerst nog een eind verder, dan hebben wij tijd, om -ons tusschen het riet te verbergen. Want zeeroovers komen altijd -onverwachts opzetten." - -"Ik weet het nog beter," zei Nicolaas Calff. "Als ik Michiel de -Ruyter zal wezen, kan mijn schuit een convooischip voorstellen, dat -de koopvaarders naar huis geleidt. In die dagen voeren zij altoos -onder geleide van een oorlogsschip." - -Dat werd een goed idée gevonden. - -Zoo was nu alles afgesproken, en de booten van Nicolaas Calff, Dirk -Rogge en Arent Bloem roeiden verder de Zaan af. Intusschen verdwenen de -zeeroovers, bestaande uit Ary Kist, alias Claes Compaan, Jan Gekeer, -Teeuwis Rogge, Heyn Pomp en Cornelis Noomen met hunne twee booten in -het hooge riet, dat daar nog van het vorige jaar was blijven staan. Zij -waren nu voor de koopvaarders onzichtbaar, en konden hen onverhoeds -overvallen. De enterhaken werden over de twee booten verdeeld en aan -de bankjes met kettingen verbonden. Ary Kist stond voor in de boot, -want daar hij de rooverkapitein was, achtte hij het beneden zijne -waardigheid, zelf de riemen te hanteeren. - -Eindelijk kwamen de koopvaarders in het gezicht, en Claes Compaan -gebood zijne mannen, alles voor den aanval gereed te houden. - -Zoodra de drie schepen hen bijna bereikt hadden, gebood hij krachtig: -"Voorwaarts! Daar zijn Hollandsche schepen, jongens, die een rijken -buit beloven. Voorwaarts!" - -De beide booten werden met krachtige riemslagen uit het riet -gebracht en naar het midden van de Zaan gevoerd. De roeiers op de -koopvaarders en het convooischip hielden bij hunne verschijning de -riemen in. Nicolaas Calff, die nu in Michiel de Ruyter herdoopt was, -stond voor aan de plecht, naast zijn grooten hond. - -"Schepen in zicht!" riep Michiel. "Ohoi! Ohoi!" En Ary Kist schreeuwde -luidkeels terug: "Ohoi! ohoi! Wacht jij maar met je ohoi; wij zullen -je wel krijgen." - -"Welke landslui?" riep Michiel hun toe. - -"Goed volk," schreeuwde Ary Kist. "Draai maar bij, als je geen kogel -door je want wil hebben." - -"Welke landslui?" herhaalde Michiel de Ruyter met eene fiere houding -en een krijgshaftig gebaar. - -"Goed volk! Draai maar bij!" riep Claes Compaan. "We komen je papieren -eens bekijken, als je het goedvindt." - -"Je hebt met mijne papieren niets te maken!" riep Michiel de Ruyter -terug. En zich tot zijne roeiers wendende, vervolgde hij: "Jongens, -dat zijn zeeroovers, als ik me niet vergis. Weest op je hoede!" - -"Bijdraaien!" gebood Claes Compaan nogmaals, waarop Michiel antwoordde: - -"Niet voor een zeeschuimer! Wees voorzichtig, mannetje, want ik ben -voor tien kerels van jou slag nog niet bang.--Kapitein Bloem hou je -goed. We hebben hier met kwaad volk te doen.--Voorwaarts, mannen, -roeien, zoo hard je kunt. Van de snelheid van de riemen hangt je -leven af!" - -De riemen plonsden in het water, en met groote snelheid trachtten de -koopvaarders het onveilige water te ontvluchten. Claes Compaan met -zijne gevaarlijke volgelingen waren hen echter dicht op de hielen. 't -Werd nu een wedstrijd in het hardroeien, want de zeeroovers spanden -alle krachten in, om hen te achterhalen. - -"Houdt je goed, jongens!" riep de rooverkapitein hun toe: "laat een -zoo rijke buit je niet ontsnappen! Sa, mannen, spant alle krachten -in.--We winnen op hen! We winnen! Straks zijn de schepen ons!" - -"Dat zullen we eens zien!" antwoordde Michiel de Ruyter. "Toe jongens, -roeien van wat ben je me! Houdt je goed! De afstand tusschen ons -wordt grooter!" - -"Kleiner bedoelt u, Admiraal!" zei Jacob Willemsz. "We verliezen -terrein, zie maar. De zeeroover komt steeds dichterbij!" - -"We zijn verloren!" riep Jan Louwrensz, die de boot van kapitein -Arent Bloem roeide. "Help een handje, kapitein, of hij entert ons -binnen vijf minuten!" - -Er dreigde voor de boot van Arent Bloem inderdaad gevaar, want Ary Kist -zat haar vlak achter het roer. Daarom nam Arent een van de riemen van -Jan Louwrensz over, en samen brachten zij de boot nu spoedig buiten -bereik van den gevreesden zeeroover. Ook de boot van Dirk Rogge liep -geen gevaar, want Dirk had er een uitgezocht, die zóó snel liep, -dat ze niet bij te houden, nog minder in te halen was. - -Maar het Admiraalschip kreeg het nu spoedig kwaad te verantwoorden, -want het was wel een zeer sierlijk vaartuig, maar het had niet -bijzonder veel gang, daar Michiel de Ruyter niet mederoeide, omdat -hij daar als admiraal te deftig voor was. - -En de oude kast van Ary Kist gleed heel licht over het water. - -"Toe mannen, houdt vol!" riep Claes Compaan zijne beide roeiers -toe. "We krijgen dien dapperen admiraal zoo wis als tweemaal twee -vier! Een prachtige buit wacht ons. Houdt je goed! Voorwaarts!" - -Het duurde maar kort, of de zeeroover was het admiraalschip genaderd, -en Claes Compaan gebood met luider stem: - -"Enteren, mannen, gooit hem de haken aan boord!" - -Dit was echter gemakkelijker gezegd, dan gedaan, want Jacob Willemsz -nam zijn riem van de pen, en duwde den zeeroover met alle kracht van -zijn boord af. En de Admiraal riep kapitein Dirk Rogge toe, dat Claes -Salm uit diens boot op de zijne moest overstappen, want Claes Compaan -had niet alleen een lichtere boot, maar bovendien had hij twee roeiers -aan boord, waardoor Nicolaas Calff het wel móést verliezen. - -Het gelukte Claes Salm aan boord van het Admiraalschip te komen, en -nu roeiden Jacob Willemsz en hij zoo snel voort, als zij konden. Maar -de zeeroover gaf geen kamp. Zijne beide roeiers spanden ook alle -krachten in, en zelfs de rooverkapitein ontzag zich niet, de riemen -door opduwen meerdere kracht bij te zetten. - -Michiel de Ruyter verloor steeds terrein, zoodat ook hij zich -genoodzaakt zag, de riemen te gaan opduwen. Intusschen was het een -zoo geducht leven op het water, dat Castor, de hond, er zijne kalmte -bij verloor, en begon te grommen en met zijn staart te kwispelen. - -"Stil maar, Castor, er is geen kwaad bij, hoor, 't is maar spel.--Stil -Castor!--Toe jongens, nog harder roeien, als je kunt, want Claes -Compaan haalt ons meer en meer in!" - -Het andere rooverschip, waarin Teeuwis Rogge en Heyn Pomp gezeten -waren, kwam een geducht eind achteraan. Tegen zulk roeien konden zij -niet op. Maar zij volgden den strijd met de grootste belangstelling, -en moedigden hun hoofdman door luide kreten aan tot meerdere -krachtsinspanning. Michiel de Ruyter moest echter tot zijne groote -ergernis ontwaren, dat de strijd vermoedelijk in zijn nadeel beslist -zou worden, want eindelijk had de zeeroover hem ingehaald en stond -deze gereed hem de enterhaken aan boord te werpen. - -"Ha, ha! Je bent er gloeiend bij, dappere Admiraal!" voegde Claes -Compaan hem sarrend toe. "Allo, mannetje, laat mij je papieren eens -zien. Ik geloof, dat jij een schip bevaart, dat mijn eigendom is.--Geef -je over!" - -"Nooit!" antwoordde Michiel. "Houdt die kerels van boord, jongens!--Kom -ons te hulp, kapitein Rogge!" - -"Daar dan!" schreeuwde Claes Compaan, terwijl hij den haak, die -met een ketting aan de bank van zijne boot vastzat, aan boord van -het convooischip wierp. De haak greep zich aan den rand vast, en nu -werd het vaartuig naast dat van den zeeroover getrokken. De booten -lagen tegen elkander. De roeiers haalden hunne riemen binnen boord, -en nu werd het een gevecht van man tegen man, natuurlijk onder het -uitstooten van verwoede kreten. De hond blafte en gromde als een -razende, en de booten schommelden geducht heen en weer. - -Er was een zeer drukke scheepvaart op de Zaan, en zoolang de -jongens elkander eenvoudig met groote snelheid naroeiden, had men -er geen kwaad in gezien. Maar nu zij overgingen tot zulk een verwoed -spiegelgevecht, vond men het een hoogst gevaarlijk spelletje, en van -menig voorbijzeilend vaartuig werden waarschuwende stemmen vernomen. - -"Past op, kwâjongens! Moet jelui verdrinken?" En even later klonk -het weer: - -"Die booten zullen omslaan, deugnieten. Wil je er wel eens mede -ophouden?" - -En een derde riep: "Heidaar! Heidaar! Dat loopt verkeerd, jongens, -dat gaat te wild." - -Maar de jongens waren zoo in het vuur van hun spel, dat zij die -stemmen niet eens hoorden. Claes Compaan deed alle moeite, om met -Jan Gekeer en Cornelis Noomen op het convooischip over te springen, -wat hun door Michiel de Ruyter en Claas Salm belet werd. Intusschen -probeerde Jacob Willemsz den haak los te maken, waardoor hun schip -weer vrij zou komen. Maar dat gelukte niet, want de haak was een -weinig in het hout gedrongen. - -De hond sprong luid blaffende en brommende in de boot heen en weer, -en greep ten slotte den rooverkapitein zoo geducht in het been, -dat deze van den schrik bijna achteruit in het water sprong. - -"Dat akelige beest!" riep hij uit. "Ik was juist bijna in het -vijandelijke schip!--Au--het doet zeer ook!" Maar hij vergat de -pijn heel spoedig en hervatte den strijd. En het moet gezegd worden, -dat hij zich geducht weerde. - -Op dit oogenblik was ook het tweede rooverschip op het terrein van -den strijd aangekomen en wilde den hoofdman juist te hulp komen, toen -kapitein Rogge hem op zijde kwam, en den strijd met hem aanbond. Maar -dat lag niet in de bedoeling van Teeuwis. Hij trachtte zijn broeder -Dirk te ontkomen, om ook het Admiraalsschip aan te vallen. - -De strijd werd nu algemeen, en de hond maakte zulk een vervaarlijk -leven, dat de waarschuwingen der voorbijvarende schippers niet eens -tot de vechtende jongens doordrongen. - -Het gelukte Teeuwis inderdaad, het Admiraalsschip aan de andere -zijde te naderen, en nu trachtten hij en Heyn Pomp dat schip te -bestormen. Nicolaas Calff zag het dreigende gevaar, maar hij was met -zijne beide roeiers niet in staat, de vijanden aan twee kanten tegelijk -te keeren. Toch verdedigde hij zich met mannenmoed. Nu eens duwde hij -een aanvaller uit zijne boot terug, dan weer drukte hij de boot van -Teeuwis achteruit. En zoowel Dirk Rogge als Arent Bloem moesten het -lijdelijk aanzien, dat het Admiraalsschip een prooi der vijanden werd. - -"Houd je goed, Admiraal!" schreeuwde Arent. - -"Gooit ze er uit!" riep Dirk. "Toe Arent, laten wij op het rooverschip -overspringen. Dan wordt de strijd meer verdeeld!" - -Deze raad was goud waard. Zij naderden de boot van Claes Compaan, -en sprongen daar op over. - -Teeuwis keek echter goed uit zijn oogen, en nauwelijks had hij gezien, -wat Arent Bloem en Dirk Rogge van plan waren, of hij kwam met zijn -boot naderbij en snelde zijn hoofdman te hulp. - -"Hoezee voor Claes Compaan!" riep hij luidkeels, terwijl hij Arent -Bloem, die juist gereed stond om op het Admiraalsschip over te -springen, met kracht achteruit duwde, bijna met te veel kracht, -want Arent sloeg haast over boord. - -"Hoezee voor Claes Compaan!" riepen de andere zeeroovers. - -"Goed gedaan, Teeuwis," schreeuwde Ary Kist, die met Michiel de Ruyter -in een hevig gevecht gewikkeld was. "Zóó moeten ze hebben!" - -"Leve Bestevaar Michiel!" klonk de stem van Jacob Willemsz, die zijne -pogingen om den haak los te krijgen, had opgegeven, en zich met kracht -tusschen de strijdenden wierp. - -Het Admiraalsschip kreeg het bitter kwaad te verantwoorden, en bijna -alle jongens waren thans in die boot vereenigd. - -"Neemt hen gevangen!" riep Ary Kist zijne volgelingen toe. - -"Dat nooit!" klonk het van de tegenpartij. - -"Geef je dan over!" schreeuwde Ary Kist weer. - -"Nooit ofte nimmer!" was het antwoord. - -De boot van Nicolaas Calff schommelde angstwekkend heen en weer, en -hield, door de te zware vracht, weinig boord meer. Maar de jongens -hadden er in het vuur van den strijd geen erg in, evenmin als in de -waarschuwingen van de voorbijvarende schippers. - -Opeens sprongen ook Dirk Rogge en Claes Salm op het Admiraalsschip -over, juist toen het aan stuurboord sterk overhelde, doordat de -strijdende jongens zich te veel op een zijde samengehoopt hadden. - -Het gevolg was ontzettend. - -Door den schok schepte de boot water en sloeg totaal om, haar kostbaren -inhoud in de breede Zaan uitstortende. - -Een verbazende schrik maakte zich meester van de jongens, die nog -niet op de boot van Nicolaas Calff waren overgesprongen. Doodsbleek -staarden zij op de oppervlakte van het water, dat zich onmiddellijk -boven de hoofden hunner makkers gesloten had. De omgekeerde boot, -waarvan de enterhaak losgemaakt was, dreef met de kiel boven, langzaam -verder, medegesleept door stroom en wind. - -Teeuwis Rogge, Heyn Pomp en Jan Louwrensz waren het gevaar -ontkomen. Zij stonden als versteend in de boot. - -Ook op de schepen had men gezien, wat er gebeurd was, en onmiddellijk -werden hier en daar de zeilen gestreken, om zoo mogelijk ter hulp -te snellen. - -De eerste drenkeling, die boven kwam, was Ary Kist, en daar hij zich -dicht bij de boot bevond, werd hij spoedig gered. Ook de andere jongens -kwamen boven water, en riepen luidkeels om hulp. Van verschillende -kanten kwamen booten aanroeien, en het gelukte de mannen, alle jongens -te redden, naar zij meenden. Zij werden aan den wal gebracht, en -kregen de vermaning, hunne booten aan den kant vast te leggen en zoo -spoedig mogelijk naar huis te gaan, om droge kleeren aan te trekken. - -De hond zwom nog heen en weer, alsof hij iets zocht. Maar eindelijk -kwam ook hij aan wal. Hij schudde zich het water uit de haren en liet -zijne ooren klappen, en liep toen vlug tusschen de jongens door, -die elkander zwijgend van schrik en ontsteltenis aanstaarden. Hij -besnuffelde iedereen en begon toen jammerlijk te janken. - -"Wat scheelt hem toch?" vroeg Ary Kist. En opeens zijne kameraden een -voor een aanziende, vroeg hij bevend van schrik: "Waar is Nicolaas -Calff? O God,--hij is verdronken!--" - -"Verdronken?" stamelden de anderen, elkander als het ware tellende. "O, -o,--Nicolaas is er niet!--Hij is verdronken..." - -Enkele jongens begonnen te schreien, en de hond liep angstig en -gejaagd langs den oever. Opeens wierp hij zich met een sprong te water, -en zwom weer naar het midden van de Zaan. - -Maar hoe het trouwe dier ook zocht, het kon zijn jongen meester -niet terugvinden. Het zwom voortdurend om de omgeslagen boot, en -klom er eindelijk zelfs bovenop, van welke plaats het een jammerlijk -klaaggeschrei deed hooren, dat den ontroerden jongens door merg en -been drong. - -De menschen, die met hunne roeibooten te hulp waren gesneld, roeiden -nog eenigen tijd op het water rond, om den verlorene te zoeken, -maar hunne pogingen waren vergeefsch. - -Helaas,--de jongens hadden een van hunne meest beminde makkers -verloren. - -Geen van hen was zijn tranen meer meester, en zij weenden om den dood -van hun jongen vriend. - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - -EEN VERGEEFSCHE TOCHT EN EENE WONDERBARE REDDING. - - -Jan Willemsz was met goeden moed en vol hoop op de toekomst -op weg gegaan, om een bezoek te brengen aan het Bonte Calff en -diens Commandeur, welk schip, evenals zeer vele andere, voor de -Groenlandsche visscherij werd uitgerust. De walvischvaart was in dien -tijd tot grooten bloei gekomen, wat kan blijken uit het feit, dat in -dat jaar (1697) niet minder dan honderd en elf schepen ter uitvaart -gereed lagen. En een zeer groot deel daarvan hoorde in Saardam thuis -en werd door Saardammers bemand. Het is te begrijpen, dat hierdoor -groote welvaart in die plaats ontstond. Talrijke scheepstimmerwerven -trof men er aan,--want de Saardammers waren om hun voortreffelijken -scheepsbouw niet ten onrechte vermaard,--zeilmakerijen, touwslagerijen, -kompaswinkels, kortom, van alles wat op de scheepvaart betrekking had, -kon men in de Zaansche dorpen vinden. Er heerschte daar in die dagen -eene zoo groote bedrijvigheid, dat de bestuurders der gemeente het -noodig geoordeeld hadden, de kinderen te verbieden om twaalf uur -op straat te loopen, omdat zij anders in gevaar verkeerden onder -den voet te raken door het vele volk, dat dan van de verschillende -werkplaatsen huiswaarts keerde. Wanneer wij hier nog bijvoegen, dat -in datzelfde jaar door de Hollandsche visscherij niet minder dan 1274 -walvisschen gedood werden, dan kan men zich eenigszins een denkbeeld -vormen van de groote vlucht, die deze visscherij toen genomen had. - -Jan Willemsz had het schip spoedig bereikt. 't Was een zeer mooi -vaartuig, dat nog niet lang in de vaart was. De masten verhieven zich -fier in de lucht, en de Hollandsche vlag wapperde vroolijk van den top. - -Jan wist, dat de Commandeur zich elken dag aan boord bevond, om -voor de goede uitrusting te zorgen. En dat vereischte veel nadenken -en groote nauwkeurigheid. Het Bonte Calff was een van de grootste -walvischvaarders, want hij had 6 sloepen aan boord en zou met 42 koppen -worden bemand. 't Is dus te begrijpen, dat er heel wat voor noodig -was. Er lag dan ook een zwerm van booten rondom, die allerlei waren -voor de groote reis aanbrachten. Er waren booten met vaten, waarin het -spek van den walvisch moest worden bewaard, booten met levensmiddelen, -met ankers, harpoenen, touwen, zeilen, enz. enz. De Commandeur liep -op het dek rond met een groot papier in de hand, waarop hij telkens -aanteekeningen maakte. Een viertal matrozen was druk in de weer, -om alles in het ruim te bergen en daar een goede plaats te geven. - -Het schip lag een weinig van den wal voor anker, daar het vlak aan den -kant op die plaats te ondiep was. Jan moest dus een goede gelegenheid -afwachten, om aan boord te komen. - -Maar spoedig was die gevonden. Een bootje met ijzerwerk, geroeid -door Gerrit Kist, den vader van Ary, kwam aangevaren, en Jan besloot -dadelijk hem te vragen, of hij meê mocht aan boord. Kist was een -buurman van hem. Hij woonde wel niet vlak naast hem, want Jan's huis -lag aan den Lagen Horn en Kist bewoonde een huis op het Krimp, maar -de afstand was toch niet groot, en zij zagen elkander dagelijks. Ook -kwam Kist wel bij zijne moeder aan huis, om een buurpraatje te maken. - -"Heidaar, Gerrit-buur, mag ik meêvaren?" - -"Zoo Jantje, ben jij daar? Met alle plezier, hoor. Ik zal je afhalen." - -Met een paar forsche slagen was Kist naar den wal geroeid, en Jan -stapte in de boot. - -"Wat moet jij aan boord van dien walvischvaarder doen, Jan?" vroeg -Kist nieuwsgierig, want hij zag wel aan het ernstige gelaat van den -jongen, dat deze daar niet alleen voor de grap was. - -"'k Wil probeeren, of ik kajuitswachter kan worden, buurman," was -het antwoord. "Zou dat gelukken, dunkt u?" - -Kist trok een bedenkelijk gezicht en haalde de schouders op. "Je -kon wel licht genoeg van postuur zijn, jongen," zei hij. "Alevel, -'t is te probeeren! Vindt je moeder goed, dat je gaat varen? 't Is -altoos een gevaarlijk werkje. Je weet toch wel, dat er verleden jaar -zes schepen van de Hollandsche visscherij verongelukt zijn?" - -"Ja, dat weet ik wel, maar moeder vindt het gelukkig goed, buurman. En -u moet niet vergeten, dat er heel wat schepen naar het Noorden gaan, -dus dat het geen wonder is, als er eens een paar niet terugkeeren." - -"O, ik weet het getal precies. Verleden jaar zijn er honderd uitgevaren -en vierennegentig teruggekeerd. Enfin, 't is eene goede broodwinning, -beter dan die van smidsknecht. Ik had ook vrij wat beter gedaan, -als ik ambachtsman in Rusland gebleven was, bij den Czaar. Toen -verdiende ik goed geld, en tegenwoordig is het maar schraaltjes.--Ohoi, -Commandeur! hier is het bestelde ijzerwerk." - -De boot was het schip genaderd, en de Commandeur keek over de -verschansing. - -"Zoo Gerrit Kist,--ben je daar? Je komt goed op tijd en bent een man -van de klok. Wij zullen een ketting over boord gooien, waaraan een -haak bevestigd is. Als jij daar de dingen aan hangt, zullen we ze -aan boord hijschen." - -"Wel goed, Commandeur, maar hijsch dan eerst dezen jongen aan -boord. Hij heeft wat met u te bespreken." - -De Commandeur keek den jongen scherp aan, om te zien, of hij hem kende. - -"Wou jij me spreken, ventje?" vroeg hij. - -"Graag, Commandeur!" was het antwoord van Jan, die eene kleur kreeg, -toen hij den Commandeur ventje tegen hem hoorde zeggen. "Ophijschen -is echter niet noodig, Commandeur. Gooi maar een touwtje overboord, -dan zal ik me wel redden." - -De Commandeur deed het, en Jan klauterde vlug als eene kat omhoog. Hij -wilde toonen, dat hij in elk geval behendig en vlug was, al behoorde -hij niet tot de grooten. - -"Dat heb je er kranig afgebracht, jongen," zei de Commandeur. "En -wat heb je me nu te zeggen?" - -Jan sloeg zijne hand aan de muts, en vroeg flink en op den man af: -"Commandeur, ik kom u vragen, of u mij zou willen aanmonsteren als -kajuitswachter. Ik ben wel niet groot, maar gezond en sterk..." - -"Geen sprake van, knaap," was het antwoord van den Commandeur. "Je -bent vlug genoeg, dat heb ik gezien, maar ik vind je veel te klein van -stuk. Kom over een paar jaartjes nog maar eens terug en groei in dien -tijd zoo hard, als je kunt. Je moet eerst een hoofd grooter worden." - -Jan hield verdrietig de oogen op het dek gericht, en zijne groote -teleurstelling stond hem op het gelaat te lezen. Dat bleef voor den -Commandeur, die een goedhartig zeeman was, dan ook niet verborgen, -en deze vroeg hem: - -"Spijt je dat zoo, mijn jongen? Had-je zoo graag ter walvischvaart -willen gaan?" - -"Ja, Commandeur," zei Jan zacht, "en ik had gehoopt, dat u mijn -geringe grootte over het hoofd had willen zien, ter wille van mijn -armen vader..." - -Jan's gemoed schoot vol, en tranen vulden zijne oogen. "Wij hebben -het zoo noodig, Commandeur," zei hij nog. - -"Je vader?--Ken ik dien dan?" - -"U heeft hem gekend, Commandeur. Hij heeft onder u zijne laatste -reis gemaakt, en is niet weer thuisgekomen. Mijn vader heette Willem -Jansz..." - -"Willem Jansz? Die arme kerel!" riep de Commandeur uit. "Zeker, zeker, -heb ik hem gekend. En ben jij zijn oudste zoon?" - -"Ja, Commandeur." - -"Je vader was een beste kerel, hoor, een zeeman op en top. En om -zijnentwil zou ik je graag nemen, als ik kon. Maar je bent werkelijk -te klein, te licht. De reeders zouden het niet goedkeuren, dat ik je -aanmonsterde. En hebben jullie het arm, zeg je?" - -"Ja Commandeur, erg arm. We hebben niets meer in huis, en 't is noodig, -dat er verandering kome. Toe Commandeur, heb medelijden en probeer -het eene reis met me. Ik zal zóó mijn best doen, dat u geen betere -kajuitswachter kunt verlangen." - -"Hoor eens, dat gaat niet,--kort en goed, het gaat niet. Zeg dat -maar aan je moeder. Met den besten wil van de wereld kan ik het niet -doen. Maar vanavond hoop ik je moeder nog te bezoeken, want als de -nood zoo hoog is, moet er geholpen worden..." - -"Och, Commandeur, de beste hulp zou wezen, dat u mij aanmonsterde. Wat -helpt het al, of wij weer voor een paar dagen uit den nood geholpen -worden? En méér zou u toch niet kunnen doen." - -"Neen jongen, meer niet, dat is waar. Maar misschien kan ik je hier -of daar aan een stiekje helpen. Ik heb vele kennissen, onder allerlei -ambachten. Wat zou je het liefst worden, jongen?" - -"Walvischvaarder," zei Jan. - -De Commandeur glimlachte. - -"Je hebt een goed tongetje, dat moet ik zeggen. Maar dàt moet je je -uit het hoofd zetten, want er kan niets van komen. Hoe heet je?" - -"Jan Willemsz, Commandeur." - -"Er zijn, meen ik, nog twee kinderen bij jelui, niet waar?" - -"Ja,--een broer en een zusje." - -"Welnu, Jan, het spijt me wel, dat ik je niet helpen kan, maar van -avond kom ik bij je moeder. Zeg haar dat. We zullen dan eens zien, -wat we doen kunnen.--En nu moet ik je verlaten, want ik heb geen tijd -om langer met je te praten. Dag Jan!" - -"Dag Commandeur!" - -Jan liet zich langs het touw weer in de boot afglijden, en Kist -zag dadelijk aan zijn bedroefd uiterlijk, dat Jan onverrichterzake -terugkeerde. - -"Is 't mis, Jan?" vroeg hij. - -"Ja,--mis. Er is geen sprake van zelfs," antwoordde Jan. - -"Zoo, dat is wel jammer,--ik moet nog verder op; ga-je meê, of wil -ik je aan land zetten? Ik moet nog naar de Witte IJsvogel, om een en -ander af te laden." - -"Neen, dank u, buurman. Zet me maar aan land, want ik wil liever -naar huis terug. U begrijpt, dat Moeder erg nieuwsgierig is naar -den uitslag." - -"Ja,--dat begrijp ik zeer goed." - -Kist roeide naar wal, en Jan nam afscheid van hem. Langzaam keerde -hij naar huis terug; 't was of hij lood in zijne schoenen had. Wat -was dit eene groote teleurstelling voor hem. Hij had zoo gehoopt, -zijn lieve moeder voor goed uit de zorgen te helpen, en nu lag dat -heerlijke plan totaal in duigen. Wat moest hij nu beginnen? Een vak -leeren?--Maar dan verdiende hij weinig of niets, en moest zelfs al -dankbaar wezen, als hij als leerling gratis werd aangenomen. Neen, -hoe hij er ook over nadacht,--hij zag de toekomst donker in. - -Op dit oogenblik trof een luid gejoel zijn oor, en opziende ontdekte -hij in de verte, midden op de Voorzaan, het elftal jongens, dat daar -zeeroovertje speelde. - -"Daar zal Jacob ook wel bij wezen," mompelde hij zacht. "Wat zouden -zij toch uitvoeren?" - -En al spoedig bleek het hem, dat de jongens bezig waren, zich op hoogst -gevaarlijke wijze te vermaken. Hij maakte zich ongerust over hen. Een -ongeluk was spoedig gebeurd. En nog geen twee minuten later zag hij, -dat een van de booten omsloeg. Hij hoorde hier en daar roepende stemmen -van schippers en zeelieden,--en hij zag, hoe men in verschillende -booten zich naar de plaats des onheils spoedde.... - -Ten hoogste ontsteld begaf ook hij zich zoo snel mogelijk derwaarts, -maar hij kwam te laat. - -Hij vond de jongens schreiende aan den oever, bleek van schrik en -bevende van ontroering. Hij hoorde het droevig gejank van den hond, -die op de omgekeerde boot langzaam afdreef.... - -Met een enkelen oogopslag bemerkte hij, dat zijn broer Jacob zich -onder de geredden bevond. - -"Goddank," mompelde hij. "Hij is althans gered. Zegt toch, jongens, -wat is er gebeurd? Wat is er?" - -"O, o,--o Jan,--wat vreeselijk...." - -"Maar wat dan toch....?" - -"O,--Nicolaas Calff is verdronken... Hij is niet weer bovengekomen...." - -Op het hooren van deze vreeselijke tijding maakte zich ook van Jan -eene groote ontroering meester, en hij stamelde met hokkende stem: - -"Nicolaas Calff verdronken?... Maar hoe..." - -"Hij was op de boot, die daar drijft," zei Ary Kist. "Maar de boot -is omgeslagen, en wij hebben hem niet meer gezien.... O, Jan!..." - -De verslagen jongens wrongen radeloos de handen. - -"Maar die hond daar?" vroeg Jan. "Waarom komt hij niet aan den wal?" - -"Het trouwe beest zoekt zijn meester overal," zei Jacob met tranen -in de oogen. "O God,--Jan,--wat is het vreeselijk. Wat moeten wij -toch beginnen...." - -Opeens riep Jan uit: - -"Hoort eens, jongens, die hond zit daar niet voor niemendal en het zou -me niets verwonderen, als Nicolaas onder die boot lag. Ik ga kijken." - -Jan stapte in de boot van Ary Kist, greep de riemen en stak van -wal. Weldra had hij de verongelukte boot bereikt. Castor wachtte zijn -komst kwispelstaartend af, telkens zijne aangrijpende jammertonen -herhalende. - -"Stil maar, Castor. Wij zullen hem wel zoeken, hoor. Stil maar, -hondje," zei Jan, die zich aan de kiel vastgreep en zijn arm zoover -mogelijk onder de omgeslagen boot stak. - -Maar hij voelde niets,--niets dan water. - -"Mijn arm is te kort," mompelde hij. "Toch ben ik heilig overtuigd, -dat hij hier onder moet liggen. Een drenkeling komt immers altijd -een of twee malen boven, voordat hij voor goed wegblijft.--Weet je -wat,--ik waag er een nat pak aan.--Ik moet zekerheid hebben..." - -Onverschrokken liet de dappere jongen zich over boord glijden. Hij -hield zich aan den rand van zijne boot vast. Tot aan den hals toe -lag hij in het water... - -Nu stak hij den anderen arm nogmaals onder de boot, en zijn hart begon -hem onstuimig in den boezem te kloppen, toen hij inderdaad bemerkte, -dat hij zich in zijne veronderstelling niet bedrogen had. Hij voelde -een been... - -Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij kon het lichaam van -Nicolaas niet onder de boot wegtrekken, zonder zijn eigen boot los -te laten,--en wat kon er dan al niet gebeuren? Hij wist, dat hij zijn -leven waagde. Toch deed hij het. - -Hij greep den rand van de omgeslagen boot, liet zijn eigen vaartuig -los, dat langzaam wegdreef, en dook onder water, bijna geheel onder -de boot. Toen trok hij het doode lichaam naar zich toe, en hield het -met het hoofd boven water. - -"Je kunt niet weten..." mompelde hij zacht. "Misschien is er nog -leven..." - -Met inspanning van al zijne krachten wist hij den drenkeling op de -omgeslagen boot te krijgen. Hij hield zichzelf aan de kiel vast, -en riep luide om hulp. - -De andere jongens hadden zijn daden onder eene ademlooze stilte -aangezien, en eene groote vreugde maakte zich van hen meester, toen -zij bemerkten, dat Nicolaas gevonden was. Hoewel zij druipnat waren, -had niemand van hen den moed gehad, naar huis te gaan. Trouwens, -daar zou de tijding van het vreeselijke ongeluk wel al aangekomen -zijn. In de verte naderden groote drommen menschen. - -Arent Bloem, Ary Kist en Jacob Willemsz sprongen in de boot van Arent, -en roeiden Jan met forsche slagen te hulp. Spoedig hadden zij hem -bereikt, maar opnieuw maakte eene groote verslagenheid zich van hen -meester, toen zij het lichaam van Nicolaas doodsbleek op de boot -zagen liggen. - -"Dood, Jan?" vroeg Arent zacht. - -"Ik vrees het--help mij--til eerst Nicolaas in de boot... Goed zoo, -nu mij!" - -Jan zat in de boot op het achterbankje. Nicolaas rustte met zijn hoofd -op Jan's knie, en deze hield teeder zijne hand op diens voorhoofd. - -Sprakeloos roeiden de jongens naar den wal terug. - -Ook de hond was in de boot gesprongen, en likte zijn jongen meester -op handen en aangezicht. - -"Stil, Castor,--stil, goed beest!" zei Jan. Maar opeens gaf Jan een -wilden kreet. - -"Hij leeft,--jongens, hij leeft!" gilde hij meer, dan hij riep. - -De riemen bleven in rust, en de jongens keken met gerekte halzen naar -hun doodgewaanden makker. - -"Dan moet hij bewusteloos geweest zijn door gebrek aan lucht onder -de boot!" zei Arent Bloem. "Bij het omslaan zal daar lucht onder -gebleven zijn, en Nicolaas moet juist onder de boot boven water -gekomen wezen.--Nicolaas! Nicolaas!" - -En alle jongens riepen schreiende van vreugde: "Nicolaas! Nicolaas!" - -Wie beschrijft hunne vreugde, toen zij zagen, dat Nicolaas inderdaad -de oogen opende. Flauw, en zonder bewustzijn keek hij hen aan. Toen -sloten zijne oogen zich weer. - -"Beweeg hem de armen en beenen, jongens," zei Jan. "Hij komt meer en -meer bij, en er bestaat nog hoop. Toe maar!" - -De jongens volgden dien raad, met het gevolg, dat de ademhaling -langzaam hersteld werd. - -Eene groote menigte menschen naderde, en hoopte zich aan den oever -op. Het nieuws had zich reeds met ongelooflijke snelheid door het -dorp verbreid. - -"Is hij gered?" werd er van den wal geroepen. - -"Leeft hij nog?" vroegen anderen. - -"Hij is gered, en leeft! Jan Willemsz heeft hem gered!" antwoordde -Ary Kist. - -Zoodra de boot aan den wal lag, drongen enkele mannen naar voren. - -"Jongens, ga jelui zoo spoedig mogelijk naar huis, om droge kleeren -aan te trekken. Je zult anders ongetwijfeld ziek worden. Wij zullen -Nicolaas Calff intusschen naar zijne woning roeien, en ook de booten -thuisbrengen. Toe, spoedig, je loopt al veel te lang in die natte -plunje." - -Die raad was goud waard, en de jongens spoedden zich naar huis. Telkens -kwamen zij menschen tegen, die hun vroegen, of Nicolaas verdronken -was. En jubelend van opgewondenheid en vreugde klonk dan hun antwoord: - -"Hij leeft nog. Jan Willemsz heeft hem gered!... Hij leeft!" - -Weldra hadden de knapen hunne respectievelijke woningen bereikt, -en toen men ook daar vernam, wat er gebeurd was, voor zoover men -het nog niet wist, heerschte er groote vreugde, dat alles zoo -goed afgeloopen was. Als althans Nicolaas Calff herstellen mocht, -wat iedereen wenschte, want de familie Calff was in hoog aanzien, -en van Nicolaas hield iedereen. - -In diens woning heerschte echter groote droefheid, want de tijding -dat Nicolaas verdronken was, was daar aangekomen en had het gezin in -diepen rouw gedompeld. Juffrouw Calff lag half bewusteloos op een -ruststoel, terwijl haar echtgenoot en de ijlings ontboden meester -Pomp, de chirurgijn, al het mogelijk deden, om haar weer bij kennis te -maken. Haar hoofd en hare polsen werden met azijn en water gewasschen, -en men sprak haar woorden van troost en berusting toe. - -Sinjeur Calff was pas thuisgekomen, om zijne vrouw te zien en toe -te spreken. Hij was verderop in de Westzijde geweest, en daar had de -vreeselijke tijding hem bereikt. Dadelijk had hij zich op weg begeven, -om eerst naar zijn huis te snellen, en dan naar de plaats des onheils. - -"'t Is Gods wil geweest, lieve vrouw," sprak Sinjeur Calff, terwijl -hij haar teeder kuste, "wij mogen niet murmureeren, en opstaan tegen -Zijn wil." - -Hij sprak deze woorden kalm en bedaard uit, maar de bleekheid van -zijn gelaat bewees, dat hij zelf diep geschokt was. Telkens staarde -hij gejaagd naar buiten. Hij had in huis rust noch duur. - -"Ik ga ons kind halen, lieve vrouw," sprak hij zacht. "Spoedig ben -ik weer hier. Tracht je te beheerschen..." - -Maar de moeder wrong radeloos de handen en jammerde om haar kind,--en -ook de overige huisgenooten schreiden heete tranen. - -Sinjeur Calff stond op, om naar buiten te gaan, en zijn kind tegemoet -te snellen. - -Opeens werd de kamerdeur driftig geopend en Sinjeur Noomen, de vader -van Cornelis, trad binnen. - -"Goede tijding, vrienden, goede tijding!" riep hij hun vroolijk -toe. "Droogt uwe tranen, en dankt God, want--Nicolaas leeft; hij leeft, -zeg ik, al is hij den dood nabij geweest." - -De ouders staarden hun vriend Noomen ongeloovig aan. Zij durfden deze -gelukstijding bijna niet gelooven. - -"Leeft hij, Noomen?" vroeg Sinjeur Calff, terwijl hij zijn vriend -angstig aanstaarde en hem bij den arm greep. - -"O, bedrieg mij niet, en geef mij geen ijdele hoop!" stamelde -juffrouw Calff. - -"Gods wegen zijn wonderbaar en ondoorgrondelijk, goede menschen," -sprak Noomen ernstig. "Uw kind is onder de omgeslagen boot boven -water gekomen, en moet daar eene voldoende hoeveelheid lucht gevonden -hebben, om niet dadelijk te sterven. Toch was hij reeds totaal zonder -bewustzijn, toen Jan Willemsz hem vond." - -"Jan Willemsz?" vroeg Sinjeur Calff. "Van de weduwe Willemsz op den -Lagen Horn?" - -"Juist, dezelfde. Een kranige jongen, hoor. Hij kwam toevallig op -de plaats des onheils, en zag uw hond, Castor, luid jankend op de -omgeslagen boot zitten. Dat bracht hem op de gedachte, dat Nicolaas -daar onder kon liggen. En met gevaar voor zijn eigen leven heeft -hij zich onder de boot laten zakken, en mocht het hem met Gods hulp -gelukken hem te redden." - -Juffrouw Calff, die door deze heerlijke tijding weer geheel tot -zichzelf gekomen was, stond van haar stoel op. Zij hief hare gevouwen -handen ten hemel, en dankte den Hemelvader voor deze groote blijdschap -en wonderbare redding. En daarna riep zij uit: - -"Sinjeur Noomen, waar is mijn kind?--Waar is hij?" - -"Houd u rustig en bedaard, juffrouw Calff. Men voert hem in de boot van -Meindert Bloem herwaarts. Ik weet, dat hij leeft, ik weet het zeker, -want ik heb hem zelf gezien, toen de boot door de sluis schutte. Elk -oogenblik kunnen zij aankomen..." - -Sinjeur Calff kon thans zijn ongeduld niet langer bedwingen. Met -haastige schreden verliet hij de kamer, om zijn kind tegemoet te gaan. - -Werkelijk duurde het maar kort, toen een luid geblaf de komst van -Castor aankondigde. Op het volgende oogenblik sprong hij de kamer in, -doornat, maar kwispelend met den staart, en blijkbaar in de grootste -vreugde. - -Wat werd het trouwe dier met blijdschap ontvangen. Juffrouw Calff -sloeg hem de armen om den nek, en kuste hem op den kop. Toen spoedde -zij zich naar de deur... - -Daar naderden eenige mannen, met den verheugden vader aan het hoofd, -die Nicolaas voorzichtig naar binnen droegen. - -"O God,--hij is toch dood!" stamelde juffrouw Calff verschrikt. - -"Neen,--neen,--hij leeft!" was het antwoord. "Waar wenscht u, dat we -hem neerleggen?" - -"Hier,--hier!" zei juffrouw Calff, op den ruststoel wijzende. "Hij -moet toch eerst droge kleeren aan hebben, vóor wij hem op het bed -kunnen leggen." - -Zoodra Nicolaas op den stoel was geplaatst, knielde zijne moeder bij -hem neer en kuste hem, terwijl vreugdetranen haar langs de wangen -vloeiden, op het voorhoofd. Het doodsbleeke gelaat van haar kind -verontrustte haar. Ook Sinjeur Calff drukte hem een kus op het gelaat, -maar toen schoof hij zacht zijne vrouw terzijde, opdat meester Pomp -gelegenheid zou hebben, zich met den knaap te bemoeien. - -Deze borstelde hem de voetzolen en bewoog de armen van den patiënt -op en neer. Daarop haalde hij een vlijmscherp mesje te voorschijn en -gaf hem een snede in den arm, zoodat het bloed met een breeden stroom -daaruit te voorschijn kwam. Thans kreeg de moeder het druk, want met -de zindelijkheid aan de Saardamsche vrouwen eigen, duldde zij niet, -dat een enkele druppel de matten op den vloer of het kussen van den -stoel verontreinigde. - -Het duurde maar kort, of Nicolaas opende de oogen en glimlachte zijn -ouders, die hem in de grootste spanning aanstaarden, dankbaar en -gelukkig toe. - -"Breng thans droge kleeren, juffrouw Calff," sprak meester Pomp. "Ik -geloof te mogen voorspellen, dat hier alles spoedig ten beste gekeerd -zal zijn, en dat er voorloopig geen gevaar is." - -Deze woorden gaven aan de ontstelde gemoederen de noodige kalmte -weder. Nicolaas werd verschoond en voorzichtig te bed gelegd, waar -hij spoedig in slaap viel. Een paar uren later, toen het al schemerig -begon te worden, ontwaakte hij, en vertelde uitvoerig aan zijne ouders, -wat er gebeurd was. - -Wie hem gered had, en hoe dat in zijn werk was gegaan, kon hij -echter niet zeggen, want daarvan wist hij niets. Groot was dus zijne -verbazing, toen zijn vader hem zeide, dat hij onder de omgeslagen boot -terecht gekomen was, en door de daaronder opgesloten lucht eenigen -tijd voor verstikking was bewaard gebleven, en hoe hij eindelijk -was gered door Jan Willemsz, die daarvoor zijn eigen leven gewaagd -had. Dat ook Castor zich zoo flink gehouden had, werd in kleuren en -geuren verteld. Eindelijk zeide Sinjeur Calff, terwijl hij opstond: - -"En nu ga ik naar den Lagen Horn, naar Jan Willemsz, om hem dank -te zeggen voor hetgeen hij heeft gedaan. Dat is niet meer dan -mijn schuldige plicht, en de brave jongen heeft aanspraak op onze -levenslange dankbaarheid." - -"Dat is goed, lieve man, en zeg aan de weduwe Willemsz, dat ook ik -haar spoedig bezoeken zal. Ik beschuldig mij toch reeds sedert eenigen -tijd, dat ik de arme ziel te veel aan haar lot heb overgelaten. Maar -voortaan zal zij daarover niet meer te klagen hebben." - -De vader nam hoed en stok, en kwam naar het bed van Nicolaas, om hem -nog eenmaal over de wang te strijken. - -"Tot straks, mijn jongen," zei hij teeder. - -"Dag Vader.--Maar wacht u nog even. Ik herinner mij, dat Jan Willemsz -dezen middag naar het Bonte Calff zou gaan, om te trachten als -kajuitswachter aangemonsterd te worden. Zijn broer Jacob vertelde mij, -dat zij het erg arm hebben, Vader,... en..." - -"Nu,.... en...?" vroeg Sinjeur Calff glimlachend. - -"Och Vader, als u iets voor hem doen kon.... Ik zou hem zoo graag -onze groote dankbaarheid ook willen toonen door onze daden, Vader." - -"Ik zal er onderweg over nadenken, mijn kind. Tot straks." - -De vader verliet de kamer en begaf zich naar de armoedige woning der -weduwe. De afstand was niet groot; hij had haar dus spoedig bereikt. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - -HET BEZOEK VAN SINJEUR CALFF, EN DE GEVOLGEN DAARVAN. - - -Het was donker in 't kleine vertrek. De avond was gevallen, en door -de kleine ruitjes van het lage raam kon van buiten af weinig licht -binnendringen. Trouwens, daar was het ook vrij donker, maar toch niet -zoo erg als in het kamertje. - -De tafel was voor het raam geschoven. Aan de eene zijde zat de moeder, -met kleine zus, die sliep, op haar schoot, en aan den anderen kant -zaten de beide jongens. Er werd geen smeerkaars gebrand, omdat de -moeder geen geld had gehad, om er een te koopen. Zij staarde op de -tafel voor zich, en zuchtte somwijlen zeer zwaar, zonder dat zij er -zelf erg in had. Zij was in hare gedachten verdiept, en die waren van -droevigen aard, want nu Jan door den Commandeur niet aangenomen was, -wist zij werkelijk niet, wat zij moest beginnen. - -Ook de beide jongens spraken niet. Het koude bad in de Zaan had hun -wel geen kwaad gedaan, maar zij waren, door hetgeen er dien middag was -gebeurd, toch ernstig gestemd. Bovendien was Jan zeer terneergeslagen -door de groote teleurstelling, die hij had ondervonden. - -Eindelijk verbrak de moeder de stilte. - -"Wat is het toch vreeselijk jammer, kind," zeide ze tot Jan. "Eerst -had ik wel veel bezwaren, maar nu ik er goed over had nagedacht, -moest ik toegeven, dat het onze eenige uitredding was, en hoopte ik, -dat het gelukken zou. Maar je kunt het morgen nog wel eens beproeven -bij de andere Commandeurs. Er liggen toch nog verscheidene andere -schepen voor de uitvaart gereed?" - -"O ja, Moeder, heel veel, maar als Commandeur Jan Folkersz mij niet -durft aannemen, zullen de anderen het zeker niet doen. Neen, Moeder, -'t zou moeite voor niets zijn.--U weet toch, dat hij straks hier komt?" - -"Ja, je hebt het gezegd. Ik zal het hem toch nog eens vragen. Wie -weet, of hij niet door medelijden gedreven van plan verandert. Er -móét iets gebeuren, kinderen. 'k Heb geen brood meer in huis voor -eene avondboterham, en je moet zonder eten naar bed. Alleen voor -kleine zus is er nog een stukje..." - -De jongens zeiden niets. - -Opeens zagen zij eene zwarte gedaante voorbij het raam loopen, -en een oogenblik later werd de bovendeur geopend, en daarna de -onderdeur. Iemand stapte de donkere kamer binnen, en bleef aan den -ingang staan, zeker omdat hij door de duisternis niets onderscheiden -kon. - -"Goedenavond, samen!" klonk de groet van Sinjeur Calff, want deze -was het. - -"Goeden avond, Sinjeur!" sprak de weduwe, en de beide jongens zeiden -ook: "Goeden avond, Sinjeur." - -En de weduwe vervolgde: - -"Kom nader, Sinjeur, en Jan, schuif een stoel bij de tafel. Ik weet -waarlijk niet, wie zoo laat nog..." - -"Ik ben Cornelis Michielsz Calff, vrouw Geerte," sprak de koopman -naderbijkomend, "en ik kom wel mijn innigen dank betuigen aan -uw zoon Jan, wien wij naast God het leven te danken hebben van -Nicolaas. Geef mij de hand, jongen, en wees overtuigd van onze groote -erkentelijkheid. Je hebt eene daad gedaan, een volwassen man waardig." - -Jan stond op, en gaf Sinjeur Calff de hand, die deze hartelijk drukte. - -"Zonder jou hulp was mijn jongen er niet meer," sprak de koopman -ontroerd. "Vrouw Geerte, u mag trotsch op den knaap zijn. En mijn -vrouw heeft mij opgedragen u de mededeeling te doen, dat ook zij -spoedig komen zal, om u te bezoeken en Jan haar dank te brengen." - -"Geen dank, Sinjeur," sprak de weduwe. "Jan heeft slechts zijn -plicht gedaan. Maar gaat u toch zitten, Sinjeur. Hier heeft u een -stoel. Neemt u me niet kwalijk, dat het hier zoo donker is, maar ik -had op 't oogenblik geen kaars in huis, en...." - -'t Was maar goed, dat het zoo donker was, want nu kon Sinjeur Calff -niet zien, hoe de arme vrouw bloosde bij die woorden. Zij had nog nooit -met hare armoede te koop geloopen, en wilde die ook nu nog voor haar -bezoeker verbergen. Maar dat wilde Sinjeur Calff juist niet, want hij -was gekomen om hulp te brengen. Zijn dankbaar hart noopte hem daartoe. - -"En hoe gaat het thans met uw zoon?" vroeg vrouw Geerte, die de -kleine zus op een anderen stoel zette, omdat zij wakker geworden was -en om brood vroeg. De weduwe haalde haar laatste stuk uit de kast, -en reikte het haar over. - -"Gode zij dank, het gevaar is geweken," sprak Sinjeur Calff. "Meester -Plomp heeft hem eene aderlating gegeven, en die heeft uitstekend bij -hem gewerkt. Hij laat Jan ook hartelijk door mij bedanken." - -De kleine zus had spoedig haar stukje brood opgegeten, en zeide: -"Ikke nog meer brood, Moe!" - -"Neen, kind, nu niet," antwoordde de moeder, die ternauwernood een -droevigen zucht kon onderdrukken. "Zus gaat nu naar bed." - -"Ikke nog meer brood, ikke nog meer brood. Zus nog niet genoeg!" hield -de kleine meid vol. En toen hare moeder haar op den schoot nam, om -haar uit te kleeden, begon zij hevig te schreien, en spartelde met -armpjes en beentjes tegen. - -"Hoor eens, vrouw Geerte," sprak Sinjeur Calff, wiens oogen nu wat -aan de duisternis gewend raakten, "dat zal zoo niet gaan. Die dikke -meid lust nog wel een boterhammetje. Aan zoo'n klein stukje kan zij -niet genoeg hebben." - -De arme vrouw, wie toch het angstzweet al uitgebroken was, omdat dit -nu juist gebeuren moest, terwijl er een vreemde heer in huis was, -barstte in tranen uit. - -"Ach Sinjeur," zei ze, "spreek toch zoo niet. Ik heb het kind mijn -laatste stuk brood gegeven, en ik schaam mij..." - -Sinjeur Calff stond op en haalde zijne beurs te voorschijn. Hij nam -er eenig geld uit, dat hij aan Jan overhandigde, en zeide: - -"Hier jongen, haal jij eens brood, melk en kaarsen. Als de wind zoo -vlug, hoor!" - -Jan was de deur al uit. - -"En jij, kleine meid, wacht maar eventjes," vervolgde Sinjeur -Calff. "Straks krijg jij nog eene lekkere stuk, hoor, een dikke!" - -Zus begon te lachen, en liet zich gewillig uitkleeden. - -"En vrouw Geerte," vervolgde Sinjeur Calff, terwijl hij haar de hand -op den schouder legde: "Droog uwe tranen, want ik zal voortaan voor -u zorgen. De goede God heeft mij, ik zeg het met bescheidenheid, -met groote rijkdommen gezegend, en ik maak er mij een feest van, in -dit gezin den nood te lenigen. Zoolang ik leef zal hier geen brood -meer ontbreken in de kast." - -De vrouw drukte hem ontroerd de hand, en zeide: - -"Thans is het aan ons, om dankbaar te zijn, Sinjeur. Maar wij willen -werken voor ons brood, want wij zijn geen bedelaars en houden de hand -niet op voor aalmoezen. O Sinjeur, help ons aan werk; dat zou eene -weldaad zijn." - -Op dit oogenblik kwam Jan terug. De kleine zus kreeg een flinke stuk -en een kroes melk, en de weduwe maakte licht. - -"Hoor eens hier, Jan," vervolgde Sinjeur Calff. "Ben jij van middag -naar het Bonte Calff geweest?" - -"Ja, Sinjeur." - -"En wat heeft Commandeur Jan Folkersz je geantwoord? Heeft hij je -aangenomen?" - -"Afgewezen, Sinjeur. Ik ben nog te klein, zei hij, en moet eerst nog -een paar jaartjes groeien." - -"Nu luister dan eens, naar hetgeen ik je zeg. De volgende week -Woensdag, 's morgens om tien uur, zal de Commandeur de equipage -aanmonsteren in de herberg "Spitsbergen," je weet wel, op den hoek van -den Dam, tegenover de Oostzijder kerk. Kom jij je daar aanmelden, dan -sta ik er borg voor, dat je aangenomen zult worden als kajuitswachter." - -"O Sinjeur!" riep Jan vroolijk uit. "Dank u, dank u! Hoort u, -Moedertje, hoort u dat? Nu zijn de bange dagen voorbij!" - -"Ja jongen," viel Sinjeur Calff in, "dat zijn ze ongetwijfeld. Je -moeder zal geen zorg meer hebben, maar zij wenscht, dat er voor gewerkt -zal worden, en dat prijs ik in haar. Jelui zult geen genadebrood -eten, daarvoor sta ik je borg. Jij Jan, komt bij de Groenlandsche -vaart, en als je je best blijft doen, groeit er misschien nog wel -een Commandeur van je. En Jacob zal op mijne kosten schoolgaan en de -scheepvaart leeren. Op mijne schepen is nog plaats genoeg. Intusschen -kan uwe moeder naaiwerk verrichten. Dan kan ze bij kleine zus blijven, -niet waar?" - -Vrouw Geerte was zeer ontroerd, en zij dankte Sinjeur Calff met tranen -in de oogen. En Jan kon van blijdschap bijna niet spreken. - -Een oogenblik later trad Commandeur Jan Folkersz binnen, en deze -was niet weinig verrast, daar ook Sinjeur Calff aan te treffen. Hij -had reeds van Jan's dappere daad gehoord en prees er hem uitbundig -over. Hij wenschte zijn reeder geluk met de redding van zijn zoon, -en vernam van hem, dat Jan als kajuitswachter bij hem geplaatst zou -worden. Dat deed hem groot genoegen, want na de flinke daad van Jan -was hij toch dadelijk reeds besloten geweest, Sinjeur Calff over den -knaap te spreken. Dat was nu niet meer noodig. En toen een kwartiertje -later de beide heeren vertrokken, lieten zij een overgelukkig gezin -in het kleine huisje achter. - -Jan kon 's avonds niet in slaap komen van vreugde, en het was al over -elven, toen Jacob hem een por tusschen de ribben gaf, en hem toevoegde: - -"Zeg, heerlijk voor je, hè, om te gaan varen!" - -"Zoo, ben jij ook nog wakker?" vroeg Jan, die in de meening verkeerd -had, dat Jacob allang sliep. - -"Ik heb nog geen oog dicht gedaan," zei Jacob. "Ik moet er aldoor -aan denken. Ik wou, dat ik met je meê mocht." - -"Later ga je ook varen, heeft Sinjeur Calff gezegd; heb dus maar -geduld. O, Jacob, ik ben toch zoo blij, om Moeder, weet je. Nu is ze -uit de zorg!" - -"Ja, dat is ze. En Jan," vervolgde Jacob lachend, "pas maar op, dat je -niet net als Jacob Dieukes van Assendelft paardje gaat rijden op den -rug van een walvisch. Je mocht er eens niet zoo goed afkomen als hij." - -"'t Liefst niet!" zei Jan. "Wie gaat er nu paardrijden op den rug -van een walvisch? En wie is die Jacob Dieukes?" - -"'t Is toch echt gebeurd," zei Jacob, "want Jonge Kees heeft het me -zelf verteld. Jacob Dieukes was een harpoenier, die een getroffen -walvisch een tweeden harpoen in het lichaam wilde werpen. Maar de -visch kwam juist onder de sloep boven water, wat zoo'n schok gaf, -dat de harpoen Jacob uit de handen viel precies in den rug van den -visch. En de harpoenier viel ook uit de sloep, en kwam naast zijn -harpoen terecht. En het trof erg ongelukkig, want de lijn van den -harpoen was hem twee bochten om zijn been geslagen, en hij kon zich -niet losmaken. Toen moest hij wel meê, of hij wilde of niet. Zeg Jan, -dat zal toch ook een benauwd oogenblik voor hem geweest zijn, denk ik." - -"Of het," zei Jan. "Hij liever dan ik." - -"Ja, maar hij wou ook niet graag, en hij keek angstig uit naar -hulp. Verbeeld je eens, dat de walvisch onder water gedoken was voor -een minuut of wat. Dan was Jacob meegesleurd en verdronken." - -"Wis en zeker," zei Jan. "En hij is nog losgekomen?" - -"Dat zal ik je vertellen. De andere sloepen roeiden, wat ze konden, -om den walvisch in te halen, maar dat gelukte hun niet, want de visch -was nog maar pas getroffen en had dus nog veel kracht. Toen riepen -zijn kameraden hem toe: - -"Jacob, snijd de lijn aan stukken!" - -"Natuurlijk, dat was zijne eenige redding!" zei Jan. "En deed hij het?" - -"Neen, hij deed het niet, want hij kòn niet, omdat het mes hem dwars -in zijn zak lag, zoodat hij het er niet uit kon krijgen. Hij hield -zich stevig vast aan de lijn van den harpoen, want als hij dat niet -gedaan had, was hij van het glibberige beest afgegleden in het water, -met het hoofd naar beneden, omdat hij met zijn been in de lijn -verward zat. Het was echter zijn geluk, dat de harpoen losraakte, -zoodat hij zijn waterpaard verlaten kon. En 't was juist bijtijds, -want een oogenblik later dook de visch onder...." - -"Hebben de anderen hem toen gered?" vroeg Jan. - -"Ja, en den visch hebben zij nog gevangen ook. Maar 't was met dat -al toch eene wonderlijke manier, om uit varen te gaan, en ik zou je -niet raden, om het hem na te doen." - -"'k Heb er ook geen plan op.--Maar jou raad ik aan, nu te gaan slapen, -want het is haast middernacht. Wel te rusten!" - -"Geen haar minder op je pruik," wenschte Jacob, en weldra sliepen -zij beiden in. - -'s Woensdags daaropvolgende ging Jan op weg naar de herberg -"Spitsbergen," om zich te verhuren. Maar hij was nog geen honderd -schreden op weg, of hij zag Nicolaas Calff naderen, in gezelschap -van zijn trouwen hond. 't Scheen wel, of het dier Jan dankbaar was, -voor hetgeen deze gedaan had, want hij kwam kwispelstaartend op hem -toe, en likte hem de handen. Soms sprong hij luid blaffend om hem heen. - -"Dag Nicolaas, weer geheel beter?" zei Jan. - -"Gelukkig wel!" was het antwoord van Nicolaas, terwijl hij Jan de hand -gaf. "Zonder jou was ik mortibus geweest naar alle waarschijnlijkheid, -en ik dank je wel voor je kloekmoedige daad, Jan. Maar zeg, waar ga -je heen? Naar de herberg "Spitsbergen?" - -"Ja, om mij te verhuren. Je weet, dat je vader het mij heeft beloofd?" - -"Ja, dat weet ik," zei Nicolaas. "Ik ga met je meê. Vader is er ook." - -De beide jongens en Castor vervolgden hun weg en kwamen weldra -op den hoek van den Dam aan. Vroolijk wapperde de vlag uit een -van de bovenramen der herberg, en een groote menigte volks bewoog -zich op de straat daar voor. Van heinde en verre waren mannen en -jongelieden opgekomen, om zich op de vloot te verhuren. Arbeiders -van de Saardamsche pel- en oliemolens, welke 's zomers weinig of -met halve kracht maalden, hadden zich oudergewoonte opgemaakt, om -zich een plaatsje op de Groenlandsche vloot te veroveren, en uit vele -Noord-Hollandsche dorpen, ja zelfs uit Friesland, van de eilanden der -Noordelijke kusten, uit Duitschland, Jutland en Noorwegen was men -naar hier getogen, om zich voor de vaart te laten aanmonsteren. 't -Was dientengevolge zeer druk op de straten, en men hoorde spreken in -velerlei dialecten en talen. - -Maar Jan bekommerde zich allerminst om die groote concurrentie, -want hij vertrouwde volkomen op de belofte van Sinjeur Calff, dat -hij aangenomen zou worden. - -Hij werd dan ook zeer vriendelijk ontvangen door den Commandeur Jan -Folkersz, en door dezen op vriendelijke wijze als kajuitswachter -gehuurd. 't Was zeer druk in de herberg, en Jan bevond zich daar -te midden van stuurlieden, matrozen, timmerlieden, kuipers, koks, -harpoeniers en zelfs chirurgijns. Want met elk schip ging een -chirurgijn mede, die de zieken aan boord moest behandelen en tevens -als barbier fungeeren. - -Ieder, die gehuurd was, ontving zijn handgeld, waarmede hij zich nog -een paar dagen aan wal vroolijk kon maken, wat velen dan ook maar -al te zeer deden. Vrijdags daaropvolgende zou de aanmonstering aan -boord van het schip plaats hebben, wat gewoonlijk gevolgd werd door -een stokvischmaal voor de reeders en hunne gasten, en den anderen -dag zou de vloot uitzeilen. - -De Commandeur ontving van Sinjeur Calff, den boekhouder, 150 gulden -als handgeld, een stuurman 65, een timmerman 40 à 45, een kok 36, -een chirurgijn ook zooveel, een matroos 18 of 20 gld., enz. Jan -ontving ook twintig gulden, maar dat was alleen te danken aan de -omstandigheid, dat Sinjeur Calff de boekhouder was. Jan kreeg er -zelfs nog een vriendelijken handdruk bij. - -Na beleefd zijne muts voor de heeren afgenomen te hebben, verliet hij -in allerijl de herberg, niet om als zoovelen zijn geld aan allerlei -onnutte dingen te besteden, maar om zich met zijn schat naar zijne -lieve moeder te begeven. Wat voelde hij zich rijk en gelukkig met dat -geld, het eerste, dat dienen moest, om zijn moeder de zorg voor het -gezin te verlichten. Hij liep op een draf naar zijn huis, en telde met -van blijdschap stralende oogen het geld voor haar uit op de tafel. En -hij kon er zijne blikken bijna niet van afwenden. Opeens vloog hij -zijne moeder om den hals en kuste haar gelukkig en dankbaar op de -beide wangen. 't Was voor beiden een oogenblik, om nooit te vergeten! - -Twee dagen later begaf hij zich naar zijn schip, het Bonte Calff, -dat er feestelijk uitzag. De vlaggen wapperden van de masten, evenals -van de andere schepen der vloot, en vele mannen en vrouwen, in hun -Zondagsche gewaad, bewogen zich aan boord. - -Geen wonder trouwens. 't Was een feestdag voor allen, die aandeelen -in het schip hadden. Heden werd de equipage aangemonsterd en zou het -feestmaal gehouden worden. Dat Sinjeur Calff, de boekhouder, hierbij -de voornaamste persoon was, behoeft niet te worden gezegd. Hij en de -Commandeur hadden in de kajuit plaats genomen, en Jan Willemsz riep -alle mannen van de equipage een voor een binnen, om de monsterrol te -teekenen, welke daad inhield, dat zij gehoorzaamheid en trouw aan den -Commandant beloofden, en zich verbonden, getrouw aan alle gestelde -wetten te zullen voldoen. Jan zelf teekende het laatst van allen. - -En toen gingen de gasten aan tafel, waarvan volgens aloud gebruik -stokvisch den hoofdschotel vormde. Jan hield de wacht aan de deur -van de kajuit. - -De parelende wijn vulde de glazen, en Sinjeur Calff stond op, om een -woord van afscheid te spreken. Hij hief het glas omhoog, en sprak den -wensch uit, dat het Bonte Calff een gelukkige reis zou hebben en een -voorspoedige vangst. Hij wenschte allen gezondheid en voorspoed toe, en -hoopte hen over enkele maanden behouden in het vaderland terug te zien. - -En nauwelijks was hij uitgesproken, of Commandeur Jan Folkersz stond -op, om den spreker te beantwoorden. Hij dankte den boekhouder voor -diens hartelijke woorden en goede wenschen, en gaf de verzekering, -dat hij voor schip en goed zou zorgen als voor zijn leven, en dat -hij het belang der reederij zou behartigen, alsof het zijn eigen -was. "Daarop," zoo riep hij uit met verheffing van stem, "schenke -God de Heer zijn onmisbaren zegen!" - -Bij deze woorden gaf hij Jan een wenk, wien hij vooraf zijne bevelen -gegeven had, en deze spoedde zich de trap op naar boven, naar den -stuurman, om hem te zeggen, dat het tijd was. En op een wenk van -deze brandde met donderend geluid het kanon los, om de gebruikelijke -saluutschoten te doen. - -Nog den geheelen dag duurde het feest voort, en 't was al avond -geworden, eer de gasten naar huis terugkeerden. - -Toen ging ook Jan naar huis, en den volgenden dag had hij het druk met -afscheid nemen. Al zijne kameraden ging hij groeten, en zelfs Hein Pomp -werd niet vergeten. En 't laatst van allen ging hij naar Sinjeur Calff, -om ook daar goeden dag te zeggen. Juffrouw Calff kuste hem hartelijk, -want zij gevoelde zich zeer tot den knaap aangetrokken, die het leven -van haar Nicolaas had gered. En Sinjeur Calff drukte hem de hand, -en vermaande hem, terdege zijn plicht te doen. - -"Jongen, verlies dat nooit uit het oog, dan kun je het nog ver brengen -in de wereld," zoo besloot hij. "Wees trouw en eerlijk in handel en -wandel, en toon je den waardigen zoon van je brave moeder." - -Maar het moeilijkste afscheid kwam 's Zaterdagsmorgens nog voor hem -aan, want toen moest hij zijn moeder vaarwel zeggen, en Jacob en -kleine zus. Nu, kleine zus had er nog niet veel weet van, en Jacob -huilde er ook niet om. Integendeel, hij vond het wàt een feest, dat -hij zijn broer naar 't schip mocht brengen en dientengevolge niet -naar school hoefde. Maar zijn moeder had al den geheelen morgen bleek -gezien en was geducht in de war. En toen het oogenblik van scheiden -gekomen was, kon zij hare tranen bijna niet bedwingen. Maar dat deed -zij toch. Zij wilde zich tegenover haar jongen niet zwak toonen en -hem dit afscheid niet zwaarder maken, dan het reeds was. Toen het -oogenblik van scheiden dan ook was gekomen, sloeg zij hem zwijgend -de armen om den hals en kuste hem vaarwel. - -"Dag moedertje,--tot weerziens!" zei Jan zacht. Daarna knuffelde hij -kleine zus, nam zijn scheepszak op den rug en ging heen. - -Maar zijne moeder vergezelde hem tot op den Hoogendijk. Daar groetten -zij elkander nog eenmaal, en toen ging jan heen, vergezeld van zijn -broer Jacob. Nog een paar malen keek Jan om naar zijne moeder, om -haar nog eens toe te wuiven, tot hij haar eindelijk niet meer zien kon. - -Na eenige minuten kwamen zij aan boord van het Bonte Calff, waarvan -de geheele bemanning reeds compleet was. De wind was gunstig, en de -commandeur gaf bevel, enkele zeilen te hijschen. Ook op de andere -walvischvaarders heerschte levendigheid en drukte, want de schepen -zouden alle tegelijk afvaren. En tal van bootjes met familieleden van -het scheepsvolk voer op de Voorzaan heen en weer, en telkens opnieuw -riep men elkander een hartelijk vaarwel toe. - -Eindelijk stapte Sinjeur Calff in de boot,--want hij was ook op het -schip om afscheid te nemen van den Commandeur en van Jan,--en hij -bood Jacob daarin ook een plaatsje aan. Het afscheid tusschen de -beide broeders duurde maar kort. - -"Dag Jan, goede reis en behouden weerkomst!" zei Jacob, terwijl hij -Jan de hand drukte. - -"Dag Jacob, het ga je goed. Groet moeder en zus nog eens van me. Tot -weerziens!" - -De boot stak van wal, en Commandeur Folkersz gaf bevel de ankers -te lichten. - -Langzaam zette het mooie schip zich in beweging, en statig gleed het -de Voorzaan af naar het breede IJ. Andere schepen volgden, wat een -mooi gezicht was voor de Saardammers, die het fraaie schouwspel met -belangstelling gadesloegen. 't Uitvaren van de Groenlandsche vloot was -altoos eene gebeurtenis van groot belang, en wie het half kon doen, -ging er een kijkje van nemen. - -Ook vele vrouwen, sommigen met een klein kind op den arm en nog wel -een of twee aan de rokken, liepen op den Hoogendijk, om het vertrek -bij te wonen van den echtgenoot, die voor langen tijd van huis ging -om het brood te verdienen voor de zijnen. En menigeen vroeg zich -fluisterend af: - -"Zou ik hem weerzien? Zou hij niet blijven in die verre zee?"-- - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - -EEN VREESELIJK GERUCHT, EENE SPOOKHISTORIE EN EEN VREEMD BEZOEK. - - -Ongeveer vier maanden waren voorbijgegaan, en 't was Zaterdag 17 -Augustus geworden. De veerschuit van drie uur in den middag kwam -uit Amsterdam aan en werd aan den steiger vastgemeerd. Verscheidene -kooplieden, die voor zaken naar de stad waren geweest, stapten er uit, -pratende en lachende. Onder hen bevond zich ook Sinjeur Calff, maar -hij liep zwijgend met zijne vrienden mede en nam geen deel aan hun -levendig gesprek. Blijkbaar hielden ernstige gedachten hem bezig, die -hem geheel in beslag namen. Zijn voorhoofd was gefronst, en zijn gelaat -teekende zorg. Hij nam spoedig van zijn reisgenooten afscheid en begaf -zich naar zijne woning, waar zijne vrouw hem met een vriendelijken -groet tegemoet trad. En dadelijk gaf zij bevel het middagmaal voor -hem op te zetten, waaraan zij de dienstbode ijverig medehielp. - -Het ontging aan haar scherpziend oog echter niet lang, dat haar man -iets schortte, en dat hij in zorg verkeerde. Terwijl hij zwijgend -zijn middagmaal gebruikte, zette zij zich aan den overkant van de -tafel en nam hare breikous ter hand, gedachtig aan de oude spreuk, -dat een paardentand en eene vrouwenhand nooit moeten stilstaan. Een -paar malen zeide zij iets over het weer, dat dien dag heel mooi was, -maar haar man hoorde haar niet en gaf geen antwoord. Nicolaas kwam -binnen en groette zijn vader, maar deze merkte hem niet op. Blijkbaar -waren de gedachten van den koopman elders. En zijne vrouw maakte zich -ongerust, vooral, toen het haar bleek, dat haar man zeer weinig at, -veel minder dan anders. - -"Smaakt het je niet, Cornelis?" vroeg zij luider, om zijne aandacht -te trekken. - -"Smaken,--jawel vrouw, zeker, 't smaakt me heel goed," was het -antwoord, maar tegelijkertijd ontsnapte een diepe zucht aan zijn -borst, zoodat het voor haar niet twijfelachtig meer was, of er was -iets ernstigs gebeurd. - -"Ben je dan niet goed,--of scheelt er iets anders aan?" vroeg zij -verder. "Er is toch stellig iets niet in orde." - -"Je hebt gelijk, Dieuwertje," antwoordde haar man zacht en ernstig. "'k -Heb zeer slechte tijding gehoord, zéér, zéér slechte en droevige -tijding." - -Juffrouw Calff sprong verschrikt op en kwam naast hem staan. Zij -legde hem haar hand op den schouder en zeide: - -"Zeer slechte tijding, Cornelis? Je doet me schrikken! Zeg me toch -spoedig, wat er gebeurd is..." - -"Vrouw, 'k sprak dezen middag een commandeur van een teruggekeerden -walvischvaarder, en die zeide mij, dat onder de visschersvloot het -gerucht ging, dat het Bonte Calff met man en muis is vergaan..." - -Juffrouw Calff sloeg ontzet de armen ten hemel, en Nicolaas, die stil -in een hoekje van de kamer bij het raam had gezeten, sprong van zijn -stoel op en liep naar zijn vader. - -"Het Bonte Calff vergaan,--met man en muis,--en Jan Willemsz dan, -Vader, is Jan Willemsz ook verdronken?" - -Sinjeur Calff keek zijn zoon, wiens tegenwoordigheid in de kamer hij -niet vermoed had, een oogenblik verrast aan, en zeide: - -"Wat, jongen, ben jij hier? Ik heb je niet gezien!" - -"'k Ben een oogenblik geleden binnengekomen, Vader, maar u merkte -mij niet op," zei Nicolaas, die van den schrik op het hooren van -deze ongelukkige tijding bleek geworden was, evenals zijne moeder, -die zoo begon te beven, dat zij op haar stoel moest plaatsnemen. - -"Arme menschen!" mompelde zij zacht voor zich heen. - -"Hoor eens, Nicolaas," sprak Sinjeur Calff langzaam en met -nadruk,--"hoor eens, jongen, deze tijding was niet voor jou ooren -bestemd, en had ik geweten, dat jij je in de kamer bevond, dan zou -geen woord daarvan aan mijn mond ontsnapt zijn. Ik draag je dus op, -over deze zaak het diepste stilzwijgen te bewaren,--ik zeg, het diepste -stilzwijgen. Begrijp je dat goed, Nicolaas? Er mag geen woord daarvan -over je lippen komen." - -"Ik zal er niet over spreken, Vader, wees daar gerust op. Maar o, -dat Jan Willemsz ook verdronken is..." - -"Hoor eens, lieve vrouw, en Nicolaas, luister jij ook, want nu je -het eenmaal toch weet, is het beter, je alles te zeggen, wat ik -denk. Ik zeide straks, dat het nog slechts een gerucht is, en niets -meer. Commandeur Jan Pietersen van Amsterdam is niet in gezelschap -van het Bonte Calff geweest, en heeft het schip zelf niet gezien. Hij -heeft alleen van een anderen Walvischvaarder gehoord, dat het schip -is vergaan, en dat geen der schepelingen, voor zoover hem bekend, -was gered. Maar ook die andere schipper had het slechts van hooren -zeggen, zoodat het tot nog toe niets meer is, dan een los gerucht. 't -Is best mogelijk, dat het waarheid bevat, en het gerucht op zichzelf -is al erg genoeg en geeft mij redenen tot groote bezorgdheid, maar -zoolang wij geen meerdere zekerheid hebben, acht ik het noodig, er -het diepste stilzwijgen over te bewaren. Er zijn nog verschillende -gevallen mogelijk. 't Schip kan van de andere afgeraakt zijn en is -misschien niet meer door hen gezien, wat allicht het vermoeden kon -wekken, dat het vergaan is. En zelfs als dat zoo ware, als het schip -werkelijk ten gronde is gegaan, blijft nog zeer wel de mogelijkheid -over, dat de mannen zich op de ijsschotsen hebben geborgen, en konden -zij door andere schippers worden opgemerkt. In allen gevalle zou het -verkeerd zijn, de familieleden van de bemanning noodeloos in angst -en zorg te brengen, door alleen op een los gerucht af te gaan." - -"Je hebt volkomen gelijk, Cornelis," sprak Juffrouw Calff. "Laten -wij hopen, dat een zoo vreeselijke slag onze plaats niet getroffen -heeft. Wat een tal van weduwen en weezen zou in ongelukkige -omstandigheden achterblijven." - -"Ja, Vrouw, 't zou vreeselijk zijn, en ik zal geen gerust oogenblik -meer hebben, voor ik het Bonte Calff weer aan den Hoogendijk zie -liggen." - -"Wist ik maar, of Jan Willemsz nog leefde," zei Nicolaas bedroefd. - -"Ook voor de Weduwe Willemsz zou het een zware slag zijn, dat is waar, -mijn jongen. Het arme schepsel heeft al genoeg te dragen. 't Is te -wenschen, dat de Heere God dezen zwaren slag van haar en van ons allen -zal afwenden, want ook voor ons zou het een geducht verlies wezen. Het -Bonte Calff vertegenwoordigt een groote waarde. Doch dit zeg ik van -ganscher harte: als een van beiden verloren moet gaan, het schip of de -bemanning, dat het dan het schip moge wezen. 't Zou mij tot in mijne -ziel bedroeven, indien zoovele gezinnen ongelukkig moesten worden." - -Bij die woorden stond Sinjeur Calff op, om zich naar het kantoortje -te begeven, dat aan zijn huis was gebouwd. - -Aan den avond van dienzelfden dag werd de deur geopend van het kleine -huisje op het Krimp, dat bewoond werd door Gerrit Kist, den vader -van Ary, en drie gestalten, een groote en twee kleine, traden naar -buiten, elk met eene lantaren in de hand, waarin eene smeerkaars -brandde en walmde. 't Waren Gerrit Kist, de smidsknecht, zijn zoon -Ary en Jacob Willemsz, die blijkbaar in den laten avond nog iets te -verrichten hadden. Zij liepen den Hoogendijk af, tusschen de beide -huizenrijen door, en kwamen op den Westzanerdijk, welke het doel van -den tocht bleek te zijn. Zij hadden het dorp nu verlaten en hadden -aan weerskanten van den dijk het vrije veld. - -"Zie zoo, jongens," zei de smid, "hier zijn we, waar we wezen moeten, -en ik denk wel, dat we klaar komen. 't Is er mooi weer voor, want -er hangt een zware dauw over het veld, en de wormen zullen liever in -het natte gras, dan in den uitgedroogden grond kruipen. Kijkt nu maar -goed uit je oogen." - -"Daar zal het niet aan mankeeren, buurman," zei Jacob, terwijl hij -langzaam langs de helling van den dijk afdaalde, en bij het flauwe -licht van zijn lantaren de wormen zocht, die er mochten rondkruipen. - -Ary had hem 's middags verteld, dat zijn vader en hij den volgenden -morgen vroeg uit poeren zouden gaan, wat zij in de zomermaanden wel -eens meer deden. Kist had een groot huisgezin, want hij was gezegend -met acht kinderen, die een gezond gestel en een goeden eetlust -hadden. Daar zijn verdiensten als smidsknecht hem niet toelieten, -dikwijls spek of vleesch te koopen, had hij nog al eens de gewoonte, -des Zondagsmorgens heel vroeg uit poeren te gaan, ten einde zijn gezin -en zichzelven daarmede een Zondagsmaal te verschaffen. Hij was een -meester in de kunst van poeren, wat een echt geduldswerkje is, en het -gelukte hem dikwijls een lekker maaltje paling te verschalken. Zoodra -Jacob nu van Ary gehoord had, dat zij den volgenden morgen weer uit -poeren zouden gaan, had hij dadelijk lust gekregen om mede te doen. - -"Zou ik mogen?" vroeg hij aan Ary. - -En deze antwoordde: - -"Dat zou ik wel denken. Kom maar tegen een uur of acht, want tegen -dien tijd gaan wij wormen zoeken aan den Westzanerdijk. Dan kun je -het vader vragen." - -Dat had Jacob gedaan, en tot zijne groote vreugde had Kist er in het -geheel geen bezwaar tegen gehad. Zoo kwam het, dat zij zich thans met -hun drieën aan genoemden dijk bevonden en ijverig aan het zoeken waren. - -De drie dwalende lichtjes zagen er voor de weinige voorbijgangers, die -niet konden vermoeden, wat er gedaan werd, vrij geheimzinnig uit. Want -van de drie personen was door de duisternis niets te onderscheiden; -alleen de langzaam her- en derwaarts zwervende lichtjes waren te zien. - -De vangst was vrij voorspoedig. 't Was al dagen lang zeer zonnig -geweest, en de dijk was dor en uitgedroogd. Toen nu 's avonds zich een -heerlijke dauw over het veld verspreidde en de dorstige grassprietjes -verkwikte, boorden zich ook wormen uit den grond, en kropen rond in -het vochtige gras. - -Telkens bukten de drie jagers, om een worm op te rapen en in klompen -te bergen, die zij voor dat doel hadden medegebracht. - -"Hè, wat heb ik hier eene lekkere pier!" zei Ary. "Wat zullen de -palingen daaraan zuigen!" - -"Ik heb er ook al heel wat," zei Jacob. "Hè, zeg, kijk eens, wat een -groote! Deze is nog grooter dan die van jou." - -"Ik heb er al bijna genoeg voor een poer!" riep Kist de beide jongens -toe. "En jelui?" - -"'t Gaat best, Vader," zei Ary. "Eene rijke vangst!" - -"Nog een kwartiertje, langer niet!" riep weer Kist terug. "'t Is nog -een heel werk, om de poeren te maken." - -Het drietal ging ijverig met zoeken voort en kon niet vermoeden, -dat iemand op eenigen afstand niet weinig verbaasd en erg angstig -hen bespiedde. - -'t Was Heyn Pomp, de zoon van den chirurgijn-barbier. Hij had in den -avond eene boodschap moeten doen naar Westzaan en was thans op den -terugweg naar huis. Een groote held was hij nooit geweest, en in donker -voelde hij zich altoos min of meer ongerust, vooral in de eenzaamheid. - -En op den Westzanerdijk wàs het thans donker en eenzaam. Er was bijna -geen huis te zien, alleen een paar nederige stulpjes van arbeiders -op eenigen afstand. - -Heyn had, behoedzaam luisterende naar verdachte geluiden, den weg van -Westzaan naar hier afgelegd zonder iets vreemds of angstwekkends op -te merken, tot hij opeens langs de helling van den dijk drie dwalende -lichtjes ontwaarde, die hem den schrik op het lijf joegen. Hij stond, -lang en dun als hij was, midden op den dijk stil, en hield de starende -oogen onafgebroken op de geheimzinnige lichten gericht. - -"Hemel,--kijk daar eens, wat zou dat zijn?" mompelde hij zacht voor -zich heen. "Dat is niet pluis daar!--Kijk, ze gaan op en neer, nu -hooger, dan lager. Hu,--zouden dat spoken zijn?--Menschen kunnen het -niet wezen. Wat zouden daar nu menschen moeten doen? Neen, dat moeten -spoken zijn, of mijn naam is--geen Heyn Pomp.--Hoe moet ik daar nog -voorbij komen?" - -Opeens werd Heyn in zijne alleenspraak gestoord, en keerde hij met -groote stappen, maar toch op zijne teenen, om geen leven te maken, op -zijne schreden terug. Want tot zijn grooten schrik had hij bemerkt, -dat een van de lichten langzaam naderbij kwam, en hem weldra zou -hebben bereikt. - -Wat liep Heyn hard. Maar toch keek hij telkens achterom, ten einde -te zien, of het dwaallicht hem achtervolgde. - -Ja, het kwam nader. - -En nu twijfelde Heyn niet langer. 't Waren vast en zeker drie spoken, -die daar ronddwaalden langs den Westzanerdijk. Hij werd meer dan -bang en wenschte niets liever, dan thuis te zijn. Maar hij zag geen -kans er te komen, zonder de spoken te passeeren. En dat zou hij niet -gedaan hebben voor al het geld ter wereld. - -Ha, nu verwijderde het lichtje zich weer, maar nauwelijks had hij dat -opgemerkt en was hij zijn grootsten angst weer te boven, of hij zag, -dat het hem opnieuw met spoed naderde. - -De schrik sloeg den dapperen Heyn om het hart, en hij zette het -op een loopen, zoo hard hij kon. Zijn besluit was genomen: hij zou -naar een van de huisjes gaan, daar ginds aan den voet van den dijk, -en de bewoners te hulp roepen. Alleen durfde hij niet naar Saardam -terugkeeren. - -Hij liep of de nikkers hem op de hielen zaten, en met zijn lange dunne -beenen nam hij stappen, of hij de zevenmijlslaarzen van klein-Duimpje -aan had. Hij keek op noch om, en hield zijn blik alleen gericht op -het flauwe lichtje, dat hem uit een van de ramen tegenflikkerde. - -Hij had het spoedig bereikt, rolde meer dan hij liep bij den dijk neer, -ging een vondertje over, en rinkelde aan de lage deur van het hutje. De -deur was gesloten, misschien wel, omdat de bewoners geen bezoek -van ongenoode gasten wilden hebben. Er liep in dien tijd dikwijls -vreemd bedelvolk langs de wegen, die het de buitenmenschen wel eens -onaangenaam konden maken. Het wachten duurde Heyn al spoedig te lang, -want elk oogenblik vreesde hij het spook om den hoek van het huis te -zullen zien komen. Hij rinkelde nog eens,--en nog eens, tot hem opeens -de barsche stem van den bewoner in de ooren klonk, die hem toeriep: - -"Wat is dat voor een helsch lawaai aan de deur? Wie is daar?" - -"Ikke!" riep Heyn bevend van angst. "Ikke ben het! O, doe toch open! Er -zijn spoken op den dijk." - -"Als jij er zelf maar geen bent!" klonk het boos terug. "Je maakt er -althans leven genoeg voor. Wie is ikke?" - -"O, doe de deur toch open. Ik ben het,--Heyn Pomp, van den -chirurgijn. Ik ben naar Westzaan geweest, en durf niet verder. Er -loopen spoken op den dijk." - -De man in het hutje hoorde duidelijk, dat het eene jongensstem was, -die tot hem doordrong, en dat de eigenaar er van in hevigen angst -verkeerde. Hij opende daarom de deur,--en Heyn vloog gejaagd binnen. - -"Wat praat jij van spoken?" vroeg de man, terwijl ook de vrouw des -huizes naderbij kwam met eene walmende kaars in de hand, die zij vlak -bij Heyn's gezicht hield, om hem goed te kunnen bezien. - -"O ja, heusch waar, er loopen spoken langs den dijk. Drie lichtjes -dwalen heen en weer,--en ik durf er niet langs. Och, brengt u me -asjeblieft een eindje weg." - -"Kom, kom, wat zou er wezen? Ik woon hier al dertig jaar en heb nog -nooit een spook gezien," sprak de man. "Je zult je bang maken voor -niets. Wacht, ik zal eens even gaan kijken." - -De man verliet het huisje en begaf zich op den dijk. Maar spoedig -kwam hij terug en zeide: - -"Ik zie niets, dan een paar lantarens in de verte. Jij bent zeker -een beetje bang uitgevallen, jongetje. Ga maar meê, dan zal ik wel -een eindje met je opwandelen. 't Is mooi weer." - -Zij gingen met hun beiden op weg, en Heyn hield angstig zijne blikken -op de lichtjes gericht, die zij weldra zouden hebben bereikt. - -"Zacht loopen!" fluisterde Heyn zijn metgezel bijna onhoorbaar -toe. "Misschien merken zij ons niet op." - -De man lachte en zeide: - -"Je bent zoo laf, als je dun en lang bent, jongen. Kom, ga een beetje -op zijde. Je kruipt me bijna in mijn diezak!" [1] - -En zijne stem verheffende, want zij waren het eerste lichtje nu -genaderd, riep hij luid tot grooten schrik van Heyn: - -"Goeden avond!" - -"Ook goeden avond!" was het antwoord van Kist. - -"Wat ben je daar aan 't zoeken? Heb-je wat verloren?" vervolgde de -man uit het hutje. - -"Verloren, neen, gelukkig niet. We zoeken wormen, om een poer te -maken." - -De man begon smakelijk te lachen. - -"Die is mooi!" riep hij uit. "En hier is nog wel een jongen, die jelui -voor spoken aanzag en niet naar huis durfde. Ha-ha-ha! Dat is grappig!" - -Kist lachte ook, en hij en de beide jongens, die er ook braaf pret -in hadden, klommen tegen den dijk op, en voegden zich bij hen. - -"Wie is die dappere held?" vroeg Ary Kist, zijne lantaren opheffende, -om beter te kunnen zien. "Wel heb ik van mijn leven! Dat is zoowaar -Heyn Pomp! Heyn, Heyn, wat ben jij bang. Je moest je schamen." - -"Dat heb ik ook al gezegd!" zei de man lachend. "Zoo'n groote -jongen! 't Is waarlijk al te erg.--Kom, ik ga naar huis, of ben je nog -bang, Heyn Pomp? 't Beste is, dat de spoken je maar thuisbrengen. Dan -heb je een veilig geleide. Goeden avond samen." - -"Goeden avond!" was het antwoord. - -De terugreis werd aanvaard, want zij hadden nu wormen genoeg. Och, -och, wat werd Heyn onderweg geplaagd! Jacob en Ary namen hem zorgvuldig -tusschen zich in, om hem te beschermen, zooals zij zeiden, en zij deden -bijna niet anders, dan lachen en spotten met zijn lafhartigheid, wat -Heyn ook wel had verdiend. Heyn was wat blijde, toen zij den Lagen -Horn hadden bereikt en hij van zijn kwelgeesten bevrijd werd. Hij -zelf woonde een eindje verder, op den hoek van het Dampad. - -Het zoeken van de wormen, bij het licht van eene lantaren, had Jacob -wel een aardig werkje gevonden, maar het maken van den poer vond -hij meer dan vies. Alle wormen werden aan een langen sajetdraad -geregen en tot bundels vereenigd. Om elken bundel kwam een dun, -maar sterk touwtje, waarvan het andere einde aan een korten stok werd -bevestigd. Daarmede waren de poeren gereed, en Jacob keerde naar zijn -huis terug, erg ongerust, dat hij zich verslapen zou. Want hij moest om -half vier opstaan, daar Kist gezegd had, dat hij niet op hem wachtte, -indien hij later dan vier uur aan de boot was. - -Jacob werd dien nacht wel twintig keer wakker, en na twee uur deed hij -geen oog meer dicht, om zeker te zijn, dat hij zich niet verslapen zou. - -De klok van half vier was nog niet koud, toen hij reeds bezig was -zich te kleeden. Haastig at hij eene boterham, of een stuk, zooals -zij toen zeiden, en zonder leven te maken begaf hij zich naar de -boot van Kist, die hij zeer goed wist te liggen. Ary had hem beloofd, -zijn poer voor hem mede te zullen nemen. - -'t Was nog schemerig, want de zon was nog niet op. Toen Jacob bij -de boot kwam, trof hij daar Ary en diens vader reeds aan. Zij hadden -een kleine tobbe medegebracht, welke zij in de boot zetten. - -Na een korten groet namen zij plaats en staken van wal. Kist roeide -de Voorzaan langzaam af, en keek uit naar eene geschikte plek, om de -poeren uit te werpen. Deze was spoedig gevonden, aan den kant van den -Hoogendijk. De boot werd vastgelegd, de tobbe overboord gezet en met -een touwtje aan het middelbankje verbonden, en de poeren daalden in -het water neder. Langzaam bewoog het drietal visschers ze op en neder, -gereed om op te halen, zoodra zij er eenige zwaarte aan mochten voelen. - -Maar de palingen lieten op zich wachten, en Jacob werd huiverig van -de koude morgenlucht. - -"'t Is frisch genoeg op het water," zei hij huiverend. - -"Ja, 't is koud," zei Kist. - -"Je broer Jan zal het vrij wat kouder hebben," merkte Ary op. "In de -Noordelijke IJszee tusschen de torenhooge ijsbergen zal hij het wel -laten, om in den vroegen morgen te gaan poeren." - -"Dat denk ik ook wel," lachte Jacob. - -"Ja, jongens, 't zal daar erg koud zijn. Wie nooit in die streken -geweest is, kan er eigenlijk geen flauw denkbeeld van krijgen, wat -zoo'n koude zeggen wil. Dat heb ik in Rusland ondervonden. Daar is het -'s winters ook niet pluis. Vooral niet in Archangel, waar ik ook nog -eenigen tijd heb gewerkt." - -"Ik geloof het graag," zei Jacob. "Is het waar, buurman, dat die -Russen nog zoo onbeschaafd en ruw zijn, als men wel zegt! En gelooft -u werkelijk, dat de Czaar van dat groote rijk dikwijls als gewoon -timmerman met hamer en beitel aan het werk is? Ik geloof er geen -woord van." - -"Toch is het zoo," zei Kist. "De Russen zijn vreeselijk ruw en -onwetend. Denk je bij voorbeeld, dat zij eenig begrip hebben van eene -roeiboot, om maar iets te noemen? 't Lijkt er niet naar. Zij varen op -vlotten of uitgeholde blokken hout, en van zeilen of varen hebben zij -evenveel verstand als een walvisch van vioolspel. 't Is een dom volk, -dat eigenlijk nog van weinig afweet. Vechten kunnen ze, en opstaan -tegen hun Czaar, daar hebben ze ook slag van, maar overigens wonen -er rijke edelen en grondeigenaars, die niets uitvoeren, en slaven en -lijfeigenen, die hard moeten werken en als beesten behandeld worden. 't -Is een raar en een naar land, al moet ik toegeven, dat ik zelf het -er heel goed heb gehad." - -"Maar hoe komt dat Russische volk dan zoo dom, vader?" vroeg Ary, -die met groote belangstelling geluisterd had. - -"Och, zij kijken niet verder, dan hun neus lang is, en hebben er -geen flauw begrip van, dat de menschen in andere landen hen zooveel -vooruit zijn. Trouwens, hoe zouden zij dat ook kunnen weten? Het is -hun verboden het land te verlaten, en zelfs de Czaar is voor zijn -volk onzichtbaar. Hij moet altoos in zijn paleis blijven, en het -wordt voor een onderdaan of een vreemden gezant als een verbazend -groote eer beschouwd, indien hij het gelaat van den Czaar mag zien..." - -"O, dus het is toch niet waar, dat de Czaar van Rusland dikwijls als -een gewoon timmerman aan het werk is, en met de scheepstimmerlieden -als hunsgelijke omgaat?" viel Jacob in. - -"Ja, dat is toch wèl zoo," was het antwoord van Kist. "De vader van -den tegenwoordigen Czaar, en zijn grootvader ook, hebben ingezien, -dat het met de beschaving van het Russische volk treurig gesteld was, -en lieten daarom bekwame handwerkslieden uit andere landen komen, om -de Russen in allerlei nuttige zaken te onderrichten. Zoo komt het ook, -dat er zoovele Saardammers naar Rusland getrokken zijn, waar zij met -eer behandeld worden en goed geld verdienen. Ook Italianen zijn er, -en Engelschen, en Zwitsers, en Franschen. Maar de Russen zelf haten -alle vreemdelingen, en zouden niets liever willen, dan hen een kop -kleiner te maken. Want om een menschenleven geven zij al bitter -weinig. Voor een flesch brandewijn doen sommigen van hen een moord...." - -"Een mooi volkje!" zei Ary. - -"Het zal echter wel beter worden. Wat Czaar Alexeï begonnen is, -wordt door zijn zoon met kracht voortgezet. Czaar Peter is iemand, -die weet, wat hij wil, en voor geen klein geruchtje vervaard is. Het -is zijn heilig voornemen, het Russische volk tegen wil en dank de -Europeesche beschaving deelachtig te maken, en zelf geeft hij het -voorbeeld, door met hamer en beitel op de scheepstimmerwerven te -arbeiden. Ik heb hem zelf dikwijls gezien, en met hem gesproken ook -wel. Hij kent mij zeer goed." - -"Hoe oud is Czaar Peter?" vroeg Jacob nieuwsgierig. "Ha, daar voel -ik den eersten paling!" riep hij uit, en werkelijk gelukte het hem, -het beest in het tobbetje te doen vallen. Het was met zijne kleine -tandjes aan den sajetdraad blijven hangen. Spoedig werden er nu meer -palingen gevangen, maar de jongens hielden toch niet op met vragen, -en Kist vond het wel aardig, van zijn verblijf in Rusland te vertellen. - -"Hoe oud de Czaar is?" vroeg hij. "Wel, hij is van het jaar 72, -dus moet hij nu 25 jaar oud zijn. 't Is een forsche, sterke man, -met wien niet te spotten valt. En bang is hij ook niet. Eens werd -hem verteld, dat een groot aantal Russen in een huis vergaderd waren, -met het plan, hem dien nacht te vermoorden. Zij waren voornemens een -huis in brand te steken, omdat ze wel wisten, dat de Czaar gewoon -was, bij het blusschingswerk zelf mede te helpen. In de verwarring -zouden zij hem dan dooden. 't Waren mannen, die het in Czaar Peter -afkeurden, dat hij zooveel nieuwigheden in zijn land invoerde. Zij -wilden liever alles bij het oude laten. 't Was 's avonds om tien uur, -dat de Czaar het hoorde, en nadat hij een officier bevel gegeven had -het huis te omsingelen, ging hij geheel alleen naar de samenzweerders, -die hem verrast en ontsteld aankeken. - -"Ik kom een glas met u drinken, vrienden," zei hij vroolijk, precies -of er niets bijzonders aan de hand was. Hij was een uur te vroeg, want -pas om elf uur zou de officier met zijne... "Hé, dat is een dikkerd, -jongens! Kijk eens, wat een pracht van een paling! Die zal smaken." - -"En toen!" vroeg Jacob, die veel meer belang stelde in het verhaal -van Kist, dan in diens vangst. - -"Wel, hij praatte vroolijk, en de samenzweerders dronken op zijne -gezondheid. Eindelijk fluisterde een van hen zijn buurman toe: "Het is -tijd, broeder." Waarop de Czaar opstond en met donderende stem uitriep: -"Ja, het is tijd, schurken, moordenaars!" En met een geduchten slag op -de tafel gebood hij: "Staat op en bindt elkander!" En de mannen waren -zoo verschrokken van dit optreden, dat zij werktuiglijk gehoorzaamden -en elkander de handen op den rug snoerden. Een oogenblik later kwam -de officier binnen, die hen allen gevangen nam." - -"Dat was dapper, Vader!" zei Ary. "Dien Czaar zou ik ook wel eens -willen zien!" - -"Zij zullen wel geducht gestraft zijn," meende Jacob. - -"Allen opgehangen of onthoofd!" zei Kist. "Ja, Czaar Peter maakte -korte metten met zijn tegenstanders. Die niet gehoorzamen wil, moet -maar dood. En hij is er niet bang van, om zelf den beul een handje -te helpen." - -"Brrr,--toch ook nog echt Russisch," zei Jacob. - -"Ja, natuurlijk,--hij is zelf ook niet overbeschaafd, maar toch -is hij een zeldzaam man, voor wien ik grooten eerbied heb. Ik ben -er van overtuigd, dat hij het Russische rijk nog eenmaal groot en -krachtig zal maken, want hij deinst voor niets terug. Ik geloof, -dat het zijn liefste wensch is, eenmaal eene machtige oorlogsvloot -te krijgen, en zijn gebied uit te breiden tot aan de Oostzee. Het -zou mij althans niet verwonderen, indien dat zoo was. In elk geval -wil hij zijn voornaamste onderdanen laten zien, hoe het in beschaafde -landen toegaat, en daarom heeft hij kortgeleden een gezantschap op reis -gezonden, bestaande uit wel 270 personen, waaronder zich verscheidene -prinsen bevinden. Zij hebben in last, Holland te bezoeken, en goed -uit hunne oogen te kijken." - -"Dat is aardig!" zei Jacob. "Misschien komen zij hier ook nog wel. Of -zou u het niet denken, buurman?" - -"Best mogelijk, jongen, want de Saardammers staan bij den Czaar in -hoog aanzien.--Zoo, Ary, dat is een dunnetje; 't lijkt waarlijk wel -een pier!" - -"Die het kleine versmaadt, is het groote niet waard," zei Ary lachend. - -"Maar deze is dikker!" riep Jacob uit, terwijl hij behendig een dikken -paling in de tobbe wipte. "Ze beginnen beter te bijten, vind ik. Wij -krijgen al een mooi zoodje." - -"Genoeg om je moeder ook een Zondagsmaal te bezorgen," zei Kist. "Het -begint gelukkig wat warmer te worden; ik kreeg het koud!" - -De zon was opgekomen en verjoeg langzaam den dauw. 't Werd inderdaad -wat warmer, en de drie visschers begonnen zich recht behaaglijk te -voelen. Ook omdat het met de vangst zoo meeliep. Kist had het geluk -gehad een goed plaatsje te treffen. - -'t Zal ongeveer tegen zes uur geweest zijn, toen Ary zeide: - -"Kijk eens, Vader, wat komt ginds een vreemde schuit aan? Wat is er -dat voor een?" - -Kist bekeek het vaartuig nauwkeurig, en antwoordde: - -"Dat is een Rijn-aak, als ik mij niet bedrieg. Zoo, dat is -vreemd. Zulke schepen ziet men hier niet dikwijls. Ik begrijp niet, -wat dat ding hier komt uitvoeren." - -Het vreemde vaartuig kwam langzaam naderbij, en hoe meer het naderde, -des te meer begon het de belangstelling van Kist te trekken. En ook -Ary en Jacob merkten er blijkbaar iets vreemds aan op, want zij keken -meer naar het schip dan naar hun poer. - -"Wat een vreemde passagiers bevinden er zich op!" zei Jacob. "Kijk -eens, wat eene eigenaardige kleeding." - -"Dat moeten Russen zijn," sprak Kist, wiens verbazing steeds toenam. - -"Russen?" riep Ary verrast uit. - -"Russen?" vroeg ook Jacob. "Zouden het misschien leden van het groote -gezantschap zijn, waar u van sprak?" - -"'k Weet het niet,--'k weet het niet!" mompelde Kist, wiens blik -voortdurend gericht was op een man, die voor aan de plecht stond. 't -Scheen een schipper te zijn, want hij was niet, als de andere -vreemdelingen, gekleed in uitheemsche kostbare kleeren, maar droeg -een eenvoudige, witte broek en een rood wambuis, zooals meestal door -schippers gedragen werd. Kist hield de hand boven de oogen om beter -te kunnen onderscheiden, en mompelde: - -"Vreemd, jongens,--vreemd! Jelui wilde immers zoo graag den Czaar -zien? Welnu, die man daar, op de plecht van die aak, lijkt op Czaar -Peter, als de eene druppel water op den anderen. Als je hèm ziet, -kun je gelooven, den Czaar te zien." - -"Bedoelt u den man met die schitterende kleeding, bij den mast?" vroeg -Jacob. - -"Ik zeg, den man op de plecht van de aak. Hij heeft een rood wambuis -aan en een witte linnen broek. Die is het!" - -"Maar dat is een schipper, Vader!" riep Ary verwonderd uit. - -"Ja, dat is een gewoon schipper!" zei ook Jacob. - -En Kist antwoordde: - -"Ik beweer ook niet, dat het de Czaar van Rusland is. Ik zeg alleen, -dat hij op den Czaar gelijkt, als de eene druppel water op den -anderen." - -'t Was een forsche, indrukwekkende gestalte, de man daar op de -plecht, die met fonkelende oogen het voor hem oprijzende Saardam -aanschouwde. Zijne fiere houding en de vorstelijkheid van zijne -verschijning boezemde den knapen eerbied in, ondanks de eenvoudige -schipperskleeding. - -Op de aak werd het groote zeil gestreken, en de Russische heeren, die -zich op het vaartuig bevonden, kregen Kist in het oog. En nauwelijks -hadden zij hem gezien, of zij spoedden zich naar den man op de plecht -en maakten hem op Kist opmerkzaam. Ook deze vestigde zijn blik op -den visscher in het bootje, en een oogenblik later hoorde Kist zich -toeroepen: - -"Smid!--Smid!--Kom bij ons!" - -De jongens zagen, dat Kist ontroerde. Zwijgend trok hij de tobbe met -paling aan boord, greep de riemen, en roeide naar de aak. - -"Blijft hier, jongens, en wacht op me!" - -Kist betrad het dek van de aak en boog voor den forschen man zoo diep, -als hem mogelijk was. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - -HOE NIEUWSGIERIG DE SAARDAMMERS WAREN. - - -"Majesteit!" stamelde Kist, die van verbazing totaal in de war was -en niet wist, wat hij zeggen moest. - -"Majesteit?"--klonk het in vrij goed Hollandsch terug. 't Werd alleen -met een vreemd accent uitgesproken, waaruit duidelijk blijken kon, -dat de man een vreemdeling was.--"Hier geen Majesteit is. Ik ben -Pieter Michaelof, van beroep timmerman en kom hier om den scheepsbouw -te leeren. Ik heb u hier laten komen, om u te zeggen, dat ik bij u -mijn intrek zal nemen." - -Nu raakte Kist nog veel meer in de war. - -"Bij mij uw intrek nemen, Majesteit! Maar dat is onmo..." - -De vreemdeling stampte driftig met den voet op het dek en herhaalde: - -"Ik zeg, hier geen Majesteit is! Mijn naam is Pieter Michaeloff, -en bij u zal ik mijn intrek nemen." - -"Maar Majest..." - -De oogen van den vreemdeling begonnen van toorn te flikkeren, waarop -Kist zichzelven schielijk in de rede viel: - -"Maar Pieter Timmerman, ik ben maar een eenvoudige smidsknecht en -heb een groot gezin. 't Is niet mogelijk, dat een machtig vorst..." - -De vreemdeling, die bij den naam Pieter Timmerman tevreden geglimlacht -had, want dien naam klonk hem aangenaam in de ooren, gaf weer -blijken van drift, zoodra hij de laatste woorden van Kist vernam, -wat duidelijk bleek uit een eigenaardig trekken met den rechterarm -en zenuwtrekkingen aan de rechterzijde van zijn gelaat. Kist haastte -zich dan ook te zeggen: - -"'t Is onmogelijk, Pieter. Mijn gezin is armoedig en klein behuisd. Ik -kan u niet herbergen." - -Maar de vreemdeling wees met een gebiedend gebaar naar de boot, -waarin de beide jongens naast de aak voeren, en zeide kortaf: - -"Ga naar uw huis en maak daar plaats voor me. Ik wil dat, hoort -ge,--ik wil dat. Bij u en niemand anders wil ik wonen. Ga heen!" - -Kist keek den man verwonderd en verlegen aan, en wilde nog -tegenwerpingen maken. Maar de vreemdeling herhaalde: - -"Ga heen! Ik wil niet anders! En ik beveel u te zorgen, dat niemand -iets anders van mij weet dan dat ik Pieter Michaeloff ben, en hier -kom om den scheepsbouw te leeren.--Vertrek!" - -Kist durfde niet langer wederstreven. Hij kende dat gebiedende gebaar -en wist, dat hij alleen te gehoorzamen had. Hij wenkte daarom de -jongens, dat zij naderbij moesten komen, en liet zich in de boot -afglijden. - -"Roei naar den wal, Ary!" zeide hij peinzend en blijkbaar nog diep -onder den indruk van deze vreemde ontmoeting. - -Ary en Jacob gaven elkander een geheimzinnig knipoogje, en de eerste -zeide op goed geluk af: - -"Vader,--die man in schipperskleeren is Czaar Peter, niet waar?" - -"Ja, dat is de Czaar, niet waar, buurman?" voegde Jacob er bij. - -Kist schrikte bij die woorden uit zijn gepeins op. - -"De Czaar?" zei hij verward, denkende aan het gebod van den -vreemdeling. "Wie zegt je, dat het de Czaar is? Heb ik dat gezegd?" - -Ary en Jacob begonnen te lachen. - -"Neen Vader," zei Ary, "maar zóó dom zijn we niet, of dat kunnen -wij wel begrijpen. Zei u zelf niet, dat hij en de Czaar op elkander -gelijken als twee droppels water, en hebben wij niet gezien, hoe -diep u voor dien man boog? Dat doet men niet voor een eenvoudigen -schipper. Neen, Vader, die man is de Czaar!" - -Kist geraakte hoe langer hoe meer in de war, want hij was niet gewoon -te liegen. En toch was hem uitdrukkelijk bevolen, den hoogen stand -van den vreemdeling niet bekend te maken. - -"Hoort eens, jongens," zei hij, "ik geef toe, dat hij sprekend op den -Czaar gelijkt,--maar hij heeft mij gezegd, dat hij Pieter Michaeloff -heet en timmerman is. Hij komt hier, om den scheepsbouw te leeren. Zou -jij dan denken, dat de Czaar bij ons in den kost zou komen, Ary?" - -"Wat!" riep Ary verbaasd uit, "komt hij bij ons in den kost? Maar -neen, dan kan hij de Czaar ook niet wezen. Die zou wel niet in zoo'n -klein huisje en in zulk eene eenvoudige buurt willen wonen. Is het -echt waar, vader?" - -"'t Is volkomen waar, jongen," zei Kist. "Bega dus geen dwaasheid en -vertel nergens, dat het de Czaar van Rusland is, want iedereen zou -je uitlachen, en je zoudt je zelven bespottelijk maken in het oog -der menschen." - -De boot lag nu aan wal, en Kist stapte er uit. Hij gebood de jongens -voor de paling te zorgen, en liep met groote schreden naar zijn -nederige woning. Hier had hij dadelijk een lang en fluisterend -gesprek met zijne vrouw, die weldra op hare beenen stond te beven -van ontsteltenis, en wier verbazing geen grenzen kende. - -"Maar mijn hemel, Gerrit, hoe is dàt nu mogelijk!" zei ze wel -honderdmaal. En dan zei Gerrit telkens: - -"Maar vrouw, laat geen woord ervan aan je mond ontsnappen, want -'t is een driftig heerschap, die soms van toorn niet weet, wat hij -doet. Ik ga dadelijk naar Mary-buur en zal zien, haar het huis te -doen ontruimen. Ik weet er anders niets op." - -Kist ging de deur uit en begaf zich naar de vrouw, die het achterste -deel van het huisje bewoonde. Want Kist, die het niet te breed had, -verhuurde aan de weduwe Mary Freeriks de twee kleine achterkamertjes -van zijn huis. Het voorste gedeelte bewoonde hij zelf. - -"Goêmorgen, Mary-buur. Daar ben ik al vroeg, hè?" - -"Dat zou ik meenen, buurman. Goêmorgen,-- ga zitten." - -"Dat zal ik doen, maar veel tijd heb ik niet. Ik zal dus maar met de -deur in huis vallen, Mary-buur, en je kort en goed zeggen, waar het om -gaat. Ik wou, dat je op stel en sprong ging verhuizen,--dadelijk. Ik -zal je den boel wel helpen overbrengen..." - -Buurvrouw sloeg hare handen van verbazing in elkaar, en staarde Kist -met open mond en opengespalkte oogen aan. 't Was haar, of ze 't te -Keulen hoorde donderen. - -"Verhuizen?" stamelde ze na een oogenblik van -stilzwijgen. "Verhuizen?--Man,--hoe haal je 't in 't hoofd? Je loopt -toch niet met molentjes?"-- - -"Neen Goddank, Mary-buur. Maar ik moet dit huisje vrij hebben, en -wil je graag vergoeding geven, eene ruime vergoeding. Mij dacht, -je kon wel tijdelijk bij je vader gaan inwonen. Die heeft nog wel -plaats over, en je krijgt er eene goede fooi voor, dat verzeker ik je." - -"Eene goede fooi?" zei de vrouw, die wel een buitenkansje noodig had, -want zij had het arm. "Maar waarvoor is het noodig, dat ik op stel -en sprong verhuize? Kan het niet wachten, tot ik alles..." - -"Geen dag,--en ook zelfs geen uur, buurvrouw. Luister! 't Geldt hier -een geheim, dat ik niet noemen màg, maar ik moet deze twee kamers -vrij hebben, en wel direct. Wat dunkt u, zouden vijf Carolus-guldens -in staat zijn, om u tot verhuizen te bewegen?" - -De vrouw kneep bij het hooren van dat aanbod welbehaaglijk de oogen -dicht, want vijf Carolus-guldens was voor een arme weduwe eene groote -som. Maar zij gaf zich niet dadelijk gewonnen, en zeide: - -"Zeg tien, buurman. Voor tien Carolus-guldens zal ik opstaan, 't Is..." - -"Kort en goed, ik zal zeven geven, maar geen duit meer, en praat er -nu niet langer over, want de tijd dringt. Straks is het te laat en -gaat zoo'n buitenkansje uw neus voorbij. Toegeslagen?" - -Kist stak haar de hand toe, en vrouw Mary legde er de hare in. - -"Toegeslagen, buurman," sprak ze. - -Een uur later was het huisje ontruimd, en haastte vrouw Kist zich -alles in gereedheid te brengen voor de ontvangst van den machtigen -vreemdeling. - -Intusschen was de aak met zijne vreemde passagiers langzaam den Dam -genaderd. Daar werd het laatste zeil gestreken, en de man, voor wien -Kist zoo eerbiedig gebogen had, sprong met een touw in de hand aan wal, -en legde 't vaartuig vast. - -'t Begon al drukker te worden op den Dam, en de menschen bleven een -oogenblik verwonderd staan, om naar het schip en de vreemd gekleede -reizigers te zien. En toen er eenmaal een groepje gevormd was, werd -dit al spoedig grooter, want de menschen kwamen van alle kanten -toeloopen in de meening, dat er "een standje" was, en daar wilden -zij graag bij zijn. - -Dat was den man in het roode wambuis blijkbaar in het geheel niet -naar den zin, want hij keek den menschendrom met fonkelende oogen -aan en gaf meer dan eens zijn ongenoegen te kennen. - -Ook de andere vreemdelingen stapten aan wal, en hunne vreemde en zeer -kostbare kleeding trok in hooge mate de belangstelling der Saardammers, -die het zevental vreemdelingen steeds meer naderden, zoodat dezen bijna -geen voet konden verzetten. De man in schipperskleeding echter wist -daar wel raad op. Hij stapte met groote schreden op de omstanders af -en drong zich met groote onverschilligheid door hen heen. De menschen -vonden het geraden, een weinig voor dien forschen schipper op zijde -te gaan, want hij werkte geducht en ook gevoelig met zijne ellebogen, -en zag er uit, of hij op het punt stond, links en rechts klinkende -opstoppers uit te deelen. De andere vreemdelingen volgden hem, waar -hij ging. - -'t Is te begrijpen, dat de menschen over dit bezoek verwonderd waren, -en elkander afvroegen, wie die mannen toch wel zijn konden. - -"Ik denk," zei meester Pomp, "dat het leden zijn van het groote -Russische gezantschap. In elk geval zijn het Russen, dat weet -ik zeker. 'k Heb dikwijls genoeg Russen gezien, toen ik nog -scheepschirurgijn was, en kan mij niet vergissen. 't Zijn stellig -Russen!" - -"Ja, en hooge heeren bovendien," meende een ander. "Kijk eens, wat -hebben zij een blanke handen en fijne vingertjes." - -"Aha, als je dat maar begrijpt!" riep een derde. "En die groote -schipper met zijne krachtige vuisten en zijne vurige oogen is zeker -hun knecht!" - -"'t Kan wel," zei meester Pomp, "in elk geval zou ik liever met hem -willen eten, dan vechten. 't Is een stoere baas!" - -"De anderen loopen hem na als hondjes," merkte een schipper op. "En -rijk zijn ze zeker, want zooeven had een van hen eene beurs in de hand -van fijne zijde, en ik zag er meer goudstukken in, dan ik en al mijne -voorvaders te zamen ooit gehad hebben. 'k Wil ruilen met de mijne." - -De lieden lachten om deze woorden, en het aantal kijkers werd zoo -groot, dat de vreemdelingen niet dan voetje voor voetje vooruit konden -komen. De groote schipper struikelde bijna over Castor, den hond van -Nicolaas Calff, die met zijn jongen meester een wandeling gemaakt -had. En de man gaf den hond een geduchten schop, waarover Nicolaas -zeer verontwaardigd was. - -"Hola lomperd!" zei hij half binnensmonds, maar toch luid genoeg, om -door den schipper verstaan te worden. "Zoo zijn hier onze manieren -niet! Pas maar op, of hij bijt je in de kuiten, dat het lachen je -wel vergaan zal." - -Inderdaad was Castor zóó beleedigd, en bromde en gromde hij zóó -dreigend, dat de menschen niet zonder eerbied een weinig plaats voor -den grooten hond maakten. - -Maar de schipper vreesde hem niet. Hij keek Castor met zijne fonkelende -oogen zoo strak aan, dat deze kwispelstaartend achteruit week en zich -tegen Nicolaas aandrong. - -De schipper was thans voor eene herberg aangekomen en stapte daar -binnen, om aan het gedrang, dat hem blijkbaar eene ergernis was, -te ontkomen. De rijke vreemdelingen volgden hem. - -Zij namen aan de tafeltjes plaats en bestelden iets, in de meening, -dat het volk op straat zich wel verspreiden zou. Maar daarin hadden -zij zich bedrogen. - -De schipper sprak daarop even met een van de anderen, waarop deze -zich verwijderde, en zich tusschen het volk begaf. - -'t Scheen een Hollander te zijn, want hij sprak de Hollandsche -taal zeer vloeiend. Hij was dat dan ook inderdaad. Zijn naam was -Nicolaas van der Hulst, en de Czaar van Rusland, want de man in -schipperskleeding was inderdaad niemand anders, had hem medegenomen, -om als tolk te dienen. - -"Ha, daar is weer zoo'n vreemde snoeshaan!" riep er een uit, toen -Van der Hulst buiten kwam. - -"Ja, goede vriend," zei Van der Hulst, tot verbazing van iedereen in -vloeiend Hollandsch, "hier is er een. En wat denk jij nu eigenlijk -wel van ons?" - -"Wat ik denk?" zei de ander. "Wel, ik dacht dat ge Russen waart, -misschien wel lieden van het groote gezantschap, dat de Czaar van -Rusland naar Holland zenden zou." - -"Misgeraden!" antwoordde Van der Hulst. "Totaal misgeraden, vriend. Wij -zijn gewone handwerkslieden, en komen hier om het scheepstimmeren te -leeren, en ook andere ambachten. Wij hooren in het geheel niet bij -het groote gezantschap van den Czaar." - -"Gewone handwerkslieden?" riep er een lachend. "'t Mocht wat. Laat -dat heerschap zijne handen maar eens toonen. Kijk eens, wat een fijn -huidje! Gekheid, hij speldt ons wat op de mouw!" - -"Gewone handwerkslieden hebben geen zijden beurzen, gevuld met -goudgeld!" zei de ander, die de beurs had gezien. Waarop Van der Hulst -zijne stem verhief, met de bedoeling om door velen verstaan te worden, -en uitriep: - -"Toch is het waar, menschen. Ik ben een Hollander van afkomst, maar -mijne reisgenooten zijn werkelijk Russen, die hier een handwerk komen -leeren. Wij blijven den geheelen winter hier, en dus kunt ge ons nog -dikwijls genoeg zien. Gaat daarom nu heen, opdat wij ons wat vrijer -bewegen kunnen. Zooveel volks hindert ons." - -Nicolaas Van der Hulst trad de herberg weer binnen, in de hoop, -dat de menschen zouden vertrekken. Maar hij had zich misrekend. Zij -verzamelden zich voor de ramen en drukten er de neuzen bijna op plat, -om beter naar binnen te kunnen gluren. En de brutaalsten traden ook de -herberg binnen en eischten een kan bier, om op die wijze gemakkelijker -hunne nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen. - -Dat was den Czaar een doorn in het oog, en toen het steeds voller -werd in de zaal, ontbood hij den kastelein, en verlangde eene -vrije kamer. Daarin onttrok hij zich met zijn gevolg aan de al te -nieuwsgierige blikken. - -Eenigen tijd later trad Gerrit Kist de kamer binnen. Hij begaf zich -naar den Czaar, en een enkele blik was voldoende om hem te overtuigen, -dat de machtige Heer zeer boos was. Dat was niet geschikt om Kist meer -op zijn gemak te brengen. Hij keek den vorst schuw aan, en wilde eene -eerbiedige buiging voor hem maken, maar--hij was daarmede nauwelijks -begonnen, of hij hield er mede op,--omdat hij niet durfde. En hoe -moest hij hem noemen? - -"Pieter?" Dat durfde hij al evenmin, en "Majesteit" nog veel -minder. Hij bleef dientengevolge zwijgend voor den Czaar staan, -met de oogen naar den grond gericht. - -"Welnu?" vroeg Czaar Peter. "Is alles gereed en kan ik komen? 'k -Verlang er naar, om vanhier te vertrekken. De menschen vervelen mij." - -"Uwe Majest....." zei Kist, maar de Czaar bulderde hem toe: - -"Alweer Majesteit? Ik heb je mijn naam gezegd en wil niet anders -genoemd worden. Heb je me nu verstaan? Spreek op, is alles in orde -om mij te ontvangen?" - -"'t Is in orde, Pieter, als u het eenvoudige voor lief wil nemen. Ik -heb u gezegd, dat wij arm...." - -"Genoeg!" zei de Czaar. "Dat weet ik al. Laten wij gaan." - -En zich tot zijn gevolg wendende, gebood hij kortaf: - -"Tracht hier of daar een onderkomen te vinden, en zeg aan niemand, wie -wij zijn. Men behoeft alleen te weten, dat wij hier werk komen zoeken." - -De Czaar verliet de herberg, en Kist bracht hem naar zijn eenvoudig -huisje op het Krimp, een der achterbuurten van Saardam. - -De vrouw van Kist had den moed niet, haar doorluchtigen gast te -ontvangen. Van achter haar gordijntjes begluurde zij echter met -onbeschrijfelijke nieuwsgierigheid den nieuwen bewoner van het -achterkamertje. En zij vond, dat hij er schrikwekkend genoeg uitzag, -om bij haar het plan te doen rijpen, zich zooveel mogelijk op een -eerbiedigen afstand te houden. - -Ook Ary en Jacob hadden den gast zien komen, en het ontging hun niet, -dat Kist hem met den grootsten eerbied behandelde, iets dat anders in -het geheel niet in den aard van Kist lag, want hij was zeer vrijpostig -in zijn doen en laten, en had gewoonlijk meer praats, dan iemand -van zijn stand paste. Maar nu gevoelde hij zich blijkbaar zeer klein -en nietig, en hij sprak zoo bescheiden en nederig, dat Ary en Jacob -beiden er zich over verbaasden. - -Toen de Czaar het kleine vertrekje binnengetreden was en de deur -achter zich gesloten had, zei Ary tot Jacob: - -"Wil ik je eens wat zeggen?" - -"Ja,--graag!" - -"Nu,--als dàt de Czaar van Rusland niet is, mag jij van middag mijn -heele portie paling hebben, de graten incluis!" - -"Ik geloof, dat je best gelijk kon hebben," zei Jacob. "Je vader heeft -zich versproken, van morgen in de boot. Maar laten wij er over zwijgen, -want je vader zal er wel goede redenen voor hebben, als hij het niet -weten wil." - -"Dat ben ik met je eens, Jacob. Dit is een geheim tusschen jou en -mij, en een ander heeft er niet mede noodig.--Maar de Czaar is het, -dat staat bij mij als een paal boven water." - -Een oogenblik later kwam Kist binnen. Hij zag er verbazend geheimzinnig -uit, en had het kolossaal warm. Hij wischte zich het zweet van het -voorhoofd, en haalde zoo diep adem, of hij zich verruimd gevoelde, -nu hij het gezelschap van den vreemdeling had kunnen verlaten. - -"Vrouw, heb je nog bier in huis?" vroeg hij. - -"Bier, wel neen, man, hoe wou ik bier in huis hebben. Je hebt -gisterenavond immers de laatste kan leeggedronken!" - -"Dan moet er dadelijk gehaald worden, want de Cza...." - -Ha, daar had Kist zich bijna versproken. Ary en Jacob wisselden een -geheimzinnigen glimlach met elkander. Maar Kist begreep, dat hij zijn -geheim bijna verraden had, en werd daar boos om. - -"Apen van jongens, wat doe jelui hier en kijkt een mensch de woorden -uit den mond! Allo, maakt dat je de deur uitkomt, of ik schop je -er uit!" - -"Je wou immers bier hebben, man?" vroeg de vrouw. "Mij dunkt, dan -kon Ary dat wel eens gaan halen. Hij is dan meteen van den vloer." - -"Goed, maar dan gauw. En drinkkannen moeten er ook komen, want wij -hebben van dergelijk spul niet genoeg in huis. Ga maar in "De drie -Swaanen," en zeg, dat het voor mij is. En als men je vraagt, hoe onze -nieuwe bewoner heet, zeg dan..." - -"Dat het de Czaar van Rusland is!" viel Ary zijn vader in de rede. - -Kist sprong toornig van zijn stoel op, met het vaste plan zijn zoon -een oorveeg te geven, die hem lang heugen zou. - -"Wees gerust, Vader!" zei Ary, om de tafel vluchtende. "Geen mensch -zal het van mij hooren, maar ik weet, wat ik weet."-- - -"En wat weet jij dan, bengel van een jongen?" - -"Dat het de Czaar is, Vader, de Czaar en niemand anders. Maar wij -bunnen wel zwijgen, hè Jacob, en wij zullen tegen iedereen zeggen, -dat hij Pieter Michaeloff heet, en hier komt om het scheepstimmeren -te leeren." - -Kist bromde nog wat in zijn baard, maar hij knikte de jongens toch -goedkeurend toe en ging weer zitten. En Ary en Jacob haastten zich -naar de "Drie Swaanen", om bier en kannen te halen. En zij kregen -al dadelijk gelegenheid te over, om het geleerde lesje op te zeggen, -want het was drukker op de straat dan gewoonlijk, en velen vroegen hun, -hoe de vreemdeling heette, en wie hij was. Steeds klonk hun antwoord: - -"Wie hij is? Wel, hij heet Pieter Michaeloff, en hij komt hier, -om het timmeren te leeren." - -Als de menschen daarmede niet tevreden waren, voegde Ary er nog bij: - -"'t Is nog familie van ons: zijne moeder was eene zuster van de nicht -van mijn overgrootvaders meutje, en als je het niet gelooven wilt, -mag je het hem zelf gaan vragen." - -Na zoo'n antwoord maakte Ary gewoonlijk, dat hij spoedig uit de voeten -kwam, want hij was er van overtuigd, dat hij dan heel goedkoop een -draai om zijne ooren kon oploopen, iets, waaraan hij in het geheel -geen behoefte voelde. - -Op den Dam kwam Heyn Pomp op hem toe, met een stuk zeep in de hand -en een doek over den schouder. - -"Is een van die mannen bij jelui in huis?" vroeg hij nieuwsgierig -aan Ary. - -"Ja," antwoordde deze. "Waarom?" - -"Wel, iedereen praat over die vreemdelingen, en wil je wel gelooven, -dat ik nog niets van hen gezien heb?" - -"Dat is jammer," spotte Ary. "Ze zien er verbazend vreemd uit. Eén is -er bij met drie beenen, twee hebben een staart, en de drie anderen -hebben ieder twee hoofden. Ze laten vragen, of je hen wilt komen -scheren." - -"Loop rond!" zei Heyn. "Jij houdt mij altoos voor den gek. Maar zeg, -Ary, is het waar, dat een van die mannen bij jelui zijn intrek heeft -genomen, en dat Mary Freeriks op stel en sprong haar huis voor hem -heeft moeten ruimen?" - -"Ja, dat is waar," zei Ary. - -"En is het waar, dat het een schatrijke prins is uit het gevolg van -Czaar Peter?" vroeg Heyn nieuwsgierig verder. - -"Ook waar," zei Ary. "De diamanten zitten hem met eene dubbele laag -op den rug van zijn rood schipperswambuis genaaid, zijn hoed is bezet -met paarlen, en zijne waterlaarzen zijn van klinkklaar goud. Hij laat -je vragen, of je een potteken biers met hem komt drinken." - -"Hoe grappig ben je toch," grinnikte Heyn met een zuurzoeten -glimlach. "Toe Ary, vertel er me nu eens wat van, want ik heb den -ganschen morgen moeten inzeepen. 't Is veel drukker in den winkel dan -gewoonlijk.--Toe zeg, vertel me nu eens, wie het is, zonder gekheid." - -"Och Heyn, 't is doodgewoon een achterneef van ons. Hij heet Pieter -Michaeloff, en zijne moeder was de zuster van de nicht van mijn -overgrootvaders meutje. Zie je, nu weet je er alles van. Dag Heyn!" - -Ary en Jacob vervolgden hun weg, Heyn vrij beteuterd en nog veel -nieuwsgieriger, dan hij al was, achterlatende. En zij lachten hem -smakelijk uit. - -Gewapend met een goeden voorraad bier en een aantal kannen keerden -zij naar het huisje aan het Krimp terug, en 't was wàt een feest -voor Ary, dat hij den Czaar zelf het gehaalde mocht brengen. Zijn -vader was er door den Czaar op uitgezonden, om te gaan zien, waar de -overige heeren een onderkomen hadden gevonden, en zijn moeder durfde -voor geen geld ter wereld bij den Czaar binnengaan. - -Ary noodigde Jacob uit hem te helpen, want alleen kon hij alles -onmogelijk dragen. Zij kwamen aan de achterdeur, deden de bovenhelft -daarvan open, daarna de onderdeur, en riepen: - -"Vollek!" - -De Czaar was in het voorvertrekje, maar spoedig kwam hij met groote -schreden nader. Zijne booze bui scheen hem verlaten te hebben, want -hij keek hen vriendelijk aan en zeide: - -"Wat jij moet?" - -"Hier is bier, Sinjeur!" zei hij flink! "Ik heb het gehaald uit de -"Drie Swaanen."" - -"En kannen, Sinjeur," zei Jacob. "Willen wij alles maar op de tafel -zetten?" - -"Goed--zeer goed. Hoe is jou naam?" - -"Ary Kist, Sinjeur." - -"Jij ook smid ben?" vervolgde de Czaar. - -"Neen, Sinjeur, ik ga nog op school, maar als ik wat grooter ben, -ga ik naar Rusland, naar den Czaar, om te werken." - -Ary keek den Czaar scherp aan, om te zien, hoe deze zich houden -zou. Maar er gebeurde niets bijzonders. Alleen klopte de Czaar hem -op den schouder, en zeide: - -"Dat is flink, Ary. In Rusland is werk in overvloed en kun-je veel -geld verdienen. Maar eerst een vak leeren." - -En zich tot Jacob wendende, vervolgde hij: - -"En hoe jij heet?" - -"Jacob Willemsz, Sinjeur. Mijn vader is dood." - -"En jij ook nog op school gaat?" - -"Ja, Sinjeur." - -"Doen alle jongens dat?" vroeg de Czaar met belangstelling. - -"Ja Sinjeur, bijna alle." - -"Dus bijna alle menschen hier schrijven kunnen en lezen, en rekenen?" - -"O ja, bijna iedereen. Stellig wel het meerendeel." - -De Czaar verzonk in gepeins. Blijkbaar dacht hij er over na, hoe iets -zoo schoons ook in Rusland te bereiken zou zijn. - -Hij nam eene kan van de tafel, en schonk elk der jongens en ook -zichzelven een beker vol in. - -"Daar!" zei hij. "Drink op,--dat gezond is." - -Ary en Jacob lieten zich niet lang noodigen, en dronken den beker tot -den laatsten droppel ledig. Daarop begaf de Czaar zich naar de andere -kamer, en liet de jongens doodgewoon staan. Dezen wisten daarom niet -beter te doen, dan ook maar te vertrekken. Zij deden de deur achter -zich dicht, en waren den koning te rijk, dat zij den machtigen Czaar -gesproken hadden, en dat hij zoo vriendelijk tegen hen was geweest. - -Korten tijd daarna begaf Jacob zich naar huis, want het werd tijd, -om het middagmaal te gebruiken. En hij vond het zeer vereerend voor -hem, dat de machtige Czaar van Rusland dien middag paling zou eten, -die hij voor een deel gevangen had. En zelf had hij er ook grooten -trek in. Hij en Ary hadden de dieren schoongemaakt en eerlijk verdeeld, -elk naar de behoeften van het gezin. - -Hij smulde er dan ook verbazend aan, en hij had zijne moeder heel -wat te vertellen onder het eten. Dat de Czaar zelf ook onder de -vreemdelingen was, deelde hij echter niet mede. Dat was een geheim, -hetwelk hij aan niemand verraden mocht. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - -ALLERLEI GERUCHTEN.--HEYN POMP WORDT NOG NIEUWSGIERIGER. - - -Op dienzelfden Zondagmorgen vonden Sinjeur Calff en diens vrouw, toen -zij uit de kerk kwamen, iemand op hen wachtende, en Calff herkende -dadelijk in hem een handelsvriend uit Amsterdam. 't Was Sinjeur -Anthonie van Vollenhoven, iemand die ook schepen ter walvischvaart -uitzond. - -De begroeting tusschen hen was zeer hartelijk, en Sinjeur Calff -noodigde hem dadelijk uit, dien dag zijn gast te blijven. Maar dit -heusche aanbod werd afgeslagen. - -"Waarde vriend Calff," sprak Sinjeur van Vollenhoven, "ik heb eene -tijding vernomen, die ik voor u en voor het dorp Saardam van veel, -zeer veel belang acht, en ik meende verplicht te zijn, zelf naar hier -over te komen, teneinde u daarvan mededeeling te doen." - -"Goede tijding, naar ik hoop?" vroeg Sinjeur Calff, die dadelijk -begreep, waarover zijn gast hem kwam spreken. - -"Helaas, neen!" was het antwoord. "Ik moet u een Jobstijding -brengen, tot mijn leedwezen. Laat mij u zeggen, wat er van de zaak -is. Gisterenavond, tegen zonsondergang, is een van mijne schepen -uit het hooge noorden teruggekeerd, en werd mij door den commandeur -gerapporteerd, dat door hem stukken wrakhout in zee zijn gevonden, die -het ergste doen vreezen voor uw Bonte Calff. Ik mag u niet verhelen, -dat dit fraaie schip vermoedelijk, neen, zelfs waarschijnlijk en -bijna zeker, is vergaan." - -De spreker hield stil, en Sinjeur Calff zeide met een zucht: - -"Ik vreesde het,--ik vreesde het. Maar nu heb ik zekerheid.--Waardoor -kon uw commandeur weten, dat het wrakhout van het Bonte Calff afkomstig -was, Sinjeur van Vollenhoven?" - -"Er was geen twijfel mogelijk, mijn vriend," was het antwoord. "Aan -boord van de Twee Gebroeders is onder de meegebrachte wrakhouten ook -een deel van den spiegel aanwezig, waarop met vergulde letters het -woord Calff staat. 't Is aan geen twijfel onderhevig, of het schip is -vergaan.--Dat zal een zware slag zijn voor u en voor geheel Saardam, -wanneer althans de bemanning niet is gered." - -"Heeft u daaromtrent niets vernomen?" vroeg de vrouw des huizes, -wier oogen met tranen gevuld waren. - -"Ik weet er niets van, Juffrouw Calff.--Omtrent de bemanning wist mijn -commandeur mij niets mede te deelen. Wellicht is het haar gelukt, zich -te redden. Dat zou niet de eerste maal zijn, niet waar? Reeds dikwijls -hebben de walvischvaarders het behoud van hun leven aan de ijsschotsen -te danken gehad, waarop zij eenige dagen drijvende konden blijven..." - -"'t Is waar, en ik heb daarop ook mijne hoop gevestigd," sprak Sinjeur -Calff. "Hoewel mij gisteren echter reeds is medegedeeld, dat het Bonte -Calff met man en muis is vergaan. 't Is eene recht treurige tijding -voor de arme weduwen en weezen, die achterblijven zonder kostwinner." - -Een paar uren later keerde Sinjeur van Vollenhoven naar Amsterdam -terug. Calff en Nicolaas welke laatste zeer onder den indruk van -het treurige bericht verkeerde, omdat zijn vriend Jan Willemsz nu -ook in het hooge noorden zoo jammerlijk om het leven gekomen was, -brachten hem naar de veerschuit, waar de koopman afscheid van hen nam. - -Vader en zoon keerden zwijgend naar huis terug, en het ontging -den Saardammers niet, dat Sinjeur Calff er bezorgd en verdrietig -uitzag. Het gevolg daarvan was, dat men dadelijk aan het gissen ging, -wat hiervan de reden kon zijn. "Zou er misschien slechte tijding van -het Bonte Calff gekomen zijn?" vroeg men elkander af. En al spoedig -ging het gerucht door de plaats, dat het met dit schoone schip niet -in orde was, en dat het misschien wel was vergaan. - -"Vader," vroeg Nicolaas, toen zij dicht bij hun huis gekomen -waren,--"moet de treurige tijding nog langer geheim gehouden worden? Is -het niet beter, dat zij langzamerhand bekend wordt?" - -"Wij mogen haar niet langer verzwijgen, jongen," was het antwoord. "De -menschen hebben er recht op te weten, wat er gebeurd is." - -Juist toen zij binnen wilden gaan, kwam Jacob Willemsz aanloopen. Hij -groette Sinjeur Calff door het afnemen van zijn muts, en zeide: - -"Heb je al van de vreemdelingen gehoord, Nicolaas? Er zijn Russen in -Saardam aangekomen, ongetwijfeld groote heeren, die hier een ambacht -komen leeren." - -"Ja, ik heb ze gezien," was het antwoord, maar Nicolaas zag er zoo -droevig uit, toen hij Jacob aankeek, dat deze het dadelijk opmerkte. - -"Scheelt er wat aan?" vroeg Jacob belangstellend. "Ben je ziek, -of--is er iets droevigs bij jelui voorgevallen?" - -Sinjeur Calff keerde zich bij die vraag tot Jacob, en antwoordde voor -zijn zoon: - -"Ja, jongen, iets zeer droevigs, althans iets, dat zeer droevig kan -worden--ook voor jou." - -"Voor mij?" vroeg Jacob verwonderd. En hij herhaalde na een oogenblik -de vraag: "Voor mij?" - -"Ja, voor jou ook. Maar 't kan alles nog goed afloopen, Jacob, want -wij hebben nog in het geheel geen zekerheid. Er gaan slechte geruchten -over het Bonte Calff, die in de Poolzee vergaan moet zijn." - -Jacob werd doodsbleek bij het hooren van die woorden en zijn adem -hokte hem in de keel. - -"Het Bonte Calff vergaan?" mompelde hij zacht. En daarop vroeg hij -bevend van angst over het lot van zijn broer Jan: - -"En de bemanning, Sinjeur,--en Jan...?" - -"Daaromtrent is mij niets bekend, totaal niets. 't Is mogelijk -dat zij het leven hebben kunnen redden, dat is zelfs zeer goed -mogelijk,--maar--" - -Sinjeur Calff haalde bedenkelijk de schouders op. - -"Zij kunnen ook vergaan zijn," vulde Jacob zacht den onvoltooiden -volzin aan, en de tranen vloeiden hem langs de wangen. - -Ook Sinjeur Calff was ontroerd, en Nicolaas had evenzoo de tranen in -de oogen. - -"God geve, dat zij gered zijn, Jacob," sprak de koopman ernstig. "Laten -wij nog niet wanhopen. Geen muschje valt ter aarde zonder Zijn wil, -en Hij is machtig om zelfs uit den grootsten nood uitredding te geven." - -Sinjeur Calff zeide dit om den knaap wat te bemoedigen, maar zelf -twijfelde hij niet, of de geheele bemanning had den dood gevonden in de -golven. Ware het anders geweest, dan zou dit geen geheim gebleven zijn. - -Bedroefd keerde Jacob naar zijn huisje op den Lagen Horn terug, -en voorzichtig deelde hij aan zijne moeder de treurige tijding -mede. Het arme schepsel was er tot in de ziel toe door geschokt, en -de tijding verpletterde haar dermate, dat zij zelfs niet schreien -kon. Onbeweeglijk, aan een blok gelijk, zat zij in haar armelijk -huisje op een stoel in droef gepeins verloren. Soms mompelden hare -lippen den naam van haar lieven Jan, dien zij zoo noode had zien -vertrekken naar de verre zee... - -O, 't was, of zij er een voorgevoel van had gehad, dat het met haar -kind niet goed zou afloopen. Hoe had zij hem nagestaard bij zijn -vertrek, en hoe wee en leeg was het in haar borst geweest, toen zij -hem uit het oog verloren had. - -En nu zou zij hem nooit,--nooit wederzien; nooit meer zou zij hem -aan haar liefhebbend moederhart kunnen drukken, nooit meer hem -in de trouwe, open oogen kijken. O, had zij hem maar niet laten -gaan! Ware zij maar liever gaan bedelen, om brood te krijgen voor -hare kinderen. Dan zou dit vreeselijke verdriet haar bespaard gebleven -zijn... - -Moeder noch zoon merkte op, hoe druk het in den loop van den -middag werd op den Lagen Horn, veel drukker, dan het daar ooit -geweest was. Het gerucht van de aankomst der vreemdelingen had vele -wandelaars op de been gelokt, en honderden passeerden den Lagen -Horn, om de woning van Kist aan het Krimp te zien, waarin een van -die vreemdelingen zich bevond. - -Maar die vreemdeling zelf vond dit drukke geloop verre van aangenaam, -en bleef voor de Saardammers onzichtbaar. Den geheelen middag verliet -hij het huisje niet, waar hij in een druk gesprek met Kist gewikkeld -was en dezen allerlei vragen stelde, waaruit ten duidelijkste zijn -groote weetgierigheid bleek. - -"Hoeveel molens zijn er aan de Zaan?" vroeg hij onder anderen. - -"Meer dan vierhonderd, Pieter Michaeloff," antwoordde Kist, die het -woord Majesteit niet meer op de lippen durfde nemen. - -"Alleen aan houtzaagmolens zijn er 183, oliemolens 70, pelmolens 35, -papiermolens 20..." - -"Die ik zien wil," viel de Czaar in. "Ik zal er modellen van maken -en dergelijke molens in mijn rijk doen bouwen." - -"En dan zijn er nog verfmolens, tabaksmolens, meelmolens, mosterdmolens -en volmolens," hernam Kist. "De Zaan is het land, waar de menschen -van den wind leven!" - -Kist begon zich in het bijzijn van den Czaar blijkbaar meer op zijn -gemak te gevoelen, en de Czaar vond zijn grappige opmerking wel aardig. - -"Hoeveel scheepstimmerwerven vindt men hier!" vroeg hij. - -"Zeer vele," was het antwoord, "en daaronder wel een 50 groote. Nog -onlangs is hier aan de Zaan een schip van meer dan 90 voeten lengte -gebouwd in vijf weken tijds, kant en klaar om in zee te gaan. Er -is hier één scheepstimmerwerf, waar jaarlijks wel 10 à 12 schepen -worden gebouwd." - -"Wat zeer veel is, verre boven mijn verwachting," sprak de Czaar. "Ik -elk geval zal op een van al die werven wel een plaatsje te vinden wezen -voor mij. Den scheepsbouw wil ik tot in de kleinste bijzonderheden -leeren kennen." - -"Heel dicht hier in de nabijheid is de werf van Lynstbaas Teeuwisz -Rogge," hernam Kist. "Zij is gelegen aan den Hoogendijk en 't zou -dus voor u wel gemakkelijk zijn, daar uw werk te verrichten." - -"Goed,--ik trachten zal, mij daar als knecht te doen aannemen," -hernam Czaar Peter. "Morgen ga ik er heen, als de menschen allen aan -den arbeid zijn, en mij hun gezelschap niet opdringen.--Is hier een -kompaswinkel, waar ik verschillende instrumenten kan koopen?" - -"O ja, bij Lauwrens Pieter Louwen, in de Passer, op den Dam. Daar is -alles goed en billijk te verkrijgen, wat men van dien aard van dingen -mocht noodig hebben." - -"Morgen ga ik er heen," sprak de Czaar. "Varen van hier vele schepen -ter zee?" - -"Wel honderd," was het antwoord. "Zij bevaren alle zeeën, en er gaan -er ook vele ter walvischvaart. De vloot zal weldra terugkeeren. Dezen -middag vernam ik nog, dat hier van Saardam een van de mooiste -walvischvaarders moet zijn vergaan. Als dat waar is, zal het eene -groote ramp voor deze plaats zijn, want er waren meer dan veertig -koppen aan boord. En voor Sinjeur Calff eene groote schade, daar het -schip geheel of voor een groot deel zijn eigendom was." - -"Wie die Sinjeur Calff is?" - -"Een van de grootste kooplieden van Saardam. Hij bezit verschillende -molens, en er vaart van hem meer dan een schip buitengaats. Hij zal -dan ook wel niet arm worden door het vergaan van het Bonte Calff, -maar 't zal alevel eene groote schade voor hem zijn." - -De Czaar had tijdens dit gesprek telkens aanteekeningen in zijn -zakboekje gemaakt, en begon daarin verder te bladeren. Kist meende -daarom, dat zijn gezelschap langer niet gewenscht was, en wilde -vertrekken. Doch toen hij reeds bij de deur was, vroeg de Czaar -hem nog: - -"Waar woont hier een bekwaam kleedermaker, die in den kortst mogelijken -tijd mij en mijn gevolg flinke werkpakken kan bezorgen, zooals hier -door de Saardamsche timmerlieden gedragen worden?" - -"Dan komt u het beste terecht bij Sinjeur Jan Cornelis Noomen, hier -in de Molenbuurt. Hij heeft een grooten lakenwinkel, en is zeker in -staat, u vlug te bedienen." - -Nadat de Czaar ook dit opgeteekend had, verliet Kist het vertrek. En -de Czaar begaf zich vroeg ter ruste, om den volgenden morgen tijdig -bij de hand te kunnen zijn. - -Hij was 's Maandags dan ook al bij 't opgaan van de zon in de -weer. Zoodra hij ontbeten had, verliet hij zijn eenvoudig verblijf, en -begaf zich naar den winkel van de weduwe Jacob Ooms, op den Zuiddijk, -waar hij onderscheidene gereedschappen kocht, die hij zelf onder den -arm nam en naar huis droeg. Hij liet zich hout brengen, trok zijn -wambuis uit, en ging ijverig aan den arbeid. Hij wilde badkuipen maken -en nog ander werk. De heeren van zijn gevolg, die in de Westzijde een -geschikt onderkomen hadden gevonden, en hem kwamen bezoeken, gelastte -hij, zoo spoedig mogelijk werk te zoeken, een bevel dat hun verre van -welkom was. Hun fijne handjes waren niet aan groven arbeid gewoon. Zij -waagden het echter niet hun vorst te wederstreven, en volgden tegen -wil en dank het bevel op. Een van hen, Prins Menzikoff genaamd, -werd mastenmaker, anderen leerden het bootenmaken of iets anders. - -In den loop van den morgen begaf de Czaar zich naar den winkel van -Sinjeur Noomen, en zocht daar voor zich en zijn gevolg rood baai uit -voor werkpakken, waarbij Sinjeur Noomen hem zelf hielp. Nog dienzelfden -dag zond deze een bode met de gekochte stof naar Amsterdam, om de -kleeren daar in allen spoed te laten maken. Het was deze zelfde Sinjeur -Noomen, die van het verblijf van den Czaar dagelijks aanteekeningen -maakte, welke later voor de geschiedschrijvers van het grootste belang -gebleken zijn. Toen de Czaar bij hem in den winkel kwam, vermoedde -Noomen diens hoogen staat reeds, maar hij wachtte zich wel daarvan -iets te doen blijken. - -Van Noomen begaf Czaar Peter zich regelrecht naar de scheepstimmerwerf -van Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en het kostte hem weinig -moeite, zich aldaar als gewoon knecht te doen aannemen. Onder den naam -van Pieter Michaeloff begaf hij zich dadelijk naar den meesterknecht, -om diens bevelen te vernemen. En een volgzamer knecht dan den Czaar -had deze nog nooit gehad, want Pieter volgde zijn bevelen met de -grootste stiptheid op, en toonde zich in den scheepsbouw volstrekt geen -vreemdeling. Trouwens, daarvoor had hij in Rusland bij de Hollandsche -werklieden reeds te veel bijl en hamer gehanteerd. - -Toen het twaalf uur was, ging hij gelijk met het gewone werkvolk mede, -dat zich naar huis begaf om te schaften, en hij verbaasde zich over den -stroom van ambachtslieden, dien hij zich op de straat zag bewegen. Van -een dergelijk nijvere bevolking had hij zich nooit eene voorstelling -kunnen maken, want onder zijn half beschaafde Russen bestond daarvan -geen spoor. - -Toch ging hij niet naar het huisje aan het Krimp, om daar het eenvoudig -middagmaal te gebruiken. Neen! Hij begaf zich op weg, om aan de -vrouwen, wier echtgenooten in het verre Rusland als ambachtslieden -werkzaam waren, de groeten van dezen over te brengen en haar te zeggen, -dat de mannen gezond waren en dat het hun goed ging. Later heeft iemand -van dezen grooten vorst getuigd: "Niets was den grooten man te klein," -maar op dezen middag gaf Czaar Peter de Groote het doorslaande bewijs, -dat dit geen ijdele lofspraak is geweest. - -Zijn eerste gang was naar Mary Hitmans, de moeder van Thomas -Josias. Zij was een arme vrouw, wie hij bericht kwam brengen omtrent -haar zoon. Van hier begaf hij zich naar de vrouw van Jan Rensen, wien -hij, als scheepstimmerman, in Rusland bijzondere gunst en achting -betoond had. - -Op de vraag van deze vrouw, of hij bij haar het middagmaal wilde -gebruiken, antwoordde hij toestemmend, aan deze vrouw eene eer gevende, -die hij later aan grooten en machtigen weigerde. - -Hij maakte ook kennis met Antje, de vrouw van Arrien Meetjen, die -hem naar haar man vroeg. - -"Uw man is gezond en maakt het best," antwoordde de Czaar. "Ik ben er -trotsch op hem te kennen, want hij is een van de knapste scheepmakers, -die ik ooit heb ontmoet. Dicht bij het zijne heb ik ook een schip -getimmerd." - -"Zijt gij dan ook scheepmaker?" vroeg Antje. - -"Ja ik ook timmerman ben," antwoordde de Czaar lachend. 's Middags -bezocht hij nog Anthonis van Couwenhoven, die een zoon te Moscou en -eene dochter te Archangel had wonen. De Czaar was bij dat bezoek van -een van de heeren van zijn gevolg vergezeld. Sinjeur van Couwenhoven -wist, dat het de Czaar was, die hem thans een bezoek bracht, maar de -geschiedschrijvers vermelden niet, hoe hij aan die wetenschap gekomen -was. Terwijl de twee vreemdelingen daar vertoefden, kwam dominee -Vergeer, predikant der Hervormden te West-Saardam, in gezelschap van -een ouderling binnen, en Sinjeur van Couwenhoven fluisterde hem toe: - -"Bezie den langsten of grootsten persoon wel terdege, ik zal het U, -als zij vertrokken zijn, wel zeggen, wat een groot Heer dat is; -want wij mogen het niet zeggen, zoolang zij hier te lande zijn." - -Kort daarop vertrokken de dominee en zijn ouderling, om hun huisbezoek -te vervolgen, en nu ging het bericht natuurlijk als een vliegend vuur -door de stad, dat de Czaar van Rusland zich in hoogst eigen persoon -te Saardam bevond, en als een gewoon timmerman werkte op de werf van -Lijnstbaas Rogge. - -Intusschen bracht Jacob Willemsz een zeer droevigen dag door op -school. Voor hij daarheen ging, liep hij nog even bij Nicolaas Calff -aan om te vernemen, of er misschien nadere berichten aangekomen waren, -maar tot zijne teleurstelling was dat niet het geval. In gezelschap -van Nicolaas begaf hij zich naar school, en deze deed al het mogelijke, -om hem te bemoedigen. - -"'t Is al zoo dikwijls gebeurd, Jacob," zeide hij, "dat -walvischvaarders zich op het ijs hebben kunnen redden. Waarom kan dit -nu ook niet geschied zijn? Het Bonte Calff is hoogst waarschijnlijk -tusschen twee ijsbergen verpletterd, zooals reeds dikwijls met -Groenlandvaarders is gebeurd. Maar dan heeft meestal de bemanning, die -het gevaar natuurlijk ziet naderen, tijd om daarop over te springen." - -"Ja,--maar als zij gered waren, zou dat evenzeer bekend geworden zijn -als het vergaan van het schip. Ik geloof er niet veel van, Nicolaas, -al geef ik toe, dat het de eenige hoop is, die ons overblijft." - -"We zullen het spoedig genoeg vernemen, want de vloot kan niet lang -meer uitblijven," hernam Nicolaas. "Enkele schepen zijn teruggekeerd, -zooals je weet." - -De jongens voor de school, die het druk hadden gehad over het bezoek -van de Russische vreemdelingen, omringden Jacob, met wien zij veel -deernis hadden, en vroegen hem of het waar was, wat zij van het -Bonte Calff hadden gehoord. En zij werden er ernstig door gestemd -want allen hadden veel van Jan Willemsz gehouden. - -Toen de school aanging, was Jacob zijne medeleerlingen gevolgd, maar -zijne gedachten waren niet bij zijn werk. Den geheelen dag moest -hij aan Jan denken, en soms vielen de tranen op zijn leesboek. De -meester, gezeten achter zijn lessenaar, in een soort van katheder, -met een veeren ganzenpen achter het oor en de gevreesde plak in zijne -onmiddellijke nabijheid, had hem al eenige malen verboden, en dreigde -hem een gevoelige afstraffing met zijn plak te zullen toedienen, -indien hij niet beter oplette. De jongens hadden zeer met Jacob te -doen en hielpen hem zooveel mogelijk voort, en Jacob slaakte een zucht -van verlichting, toen eindelijk het uur van eindigen aangebroken was. - -"Hoort eens, jongens!" zei Dirk Lijnstz Rogge. "Een van de Russen -is knecht geworden bij ons op de Werf. Hij heet Pieter Michaeloff, -maar de knechts noemen hem Pieter Timmerman. Kom jelui straks bij -me? Dan kunnen we hem eens goed bekijken. Hij werkt best, zegt de -meesterknecht." - -"En de menschen willen wel beweren, dat het een groot heer is," zei -Jan Gekeer, terwijl hij de schouders ophaalde. "Als hij zoo goed kan -timmeren, geloof ik daar niets van." - -"'t Is de Czaar zelf!" zei een ander. "Dominee Vergeer heeft het van -middag bij ons verteld, toen hij huisbezoek kwam doen. De dominee zei, -dat hij het zeker wist." - -"Een Czaar als timmermansknecht," lachte een derde. "Maak jij dat -een ander wijs, mannetje; ik geloof er niets van, niemendal." - -"Toch wordt het door velen geloofd," sprak Arent Bloem. "En mijn -vader heeft gezegd, dat de Czaar in Rusland ook dikwijls als een -gewoon timmerman meêwerkt. Ik zeg, dat het de Czaar best kan wezen, -en wil hem graag eens van naderbij zien. Ik kom stellig bij je, Dirk." - -"Ik ook! Ik ook!" klonk het van verschillende kanten, en werkelijk -bevonden zich een uur later verscheidene jongens op de werf van -Lijnstbaas Rogge, waar zij kwansuis met Dirk en Teeuwis kwamen spelen, -doch inderdaad alleen oog hadden voor den Czaar, die met den grootsten -ijver arbeidde. De jongens durfden hem niet naderen, want er was dien -middag veel bezoek op de werf geweest, ook al om den Czaar te zien, -waardoor deze erg uit zijn humeur was. Deze nieuwsgierigheid van de -menschen verveelde hem, en hij kon haar niet uitstaan. - -Om zeven uur ging het werkvolk naar huis, en ook Czaar Peter verliet de -werf. En nauwelijks was hij vertrokken, of Heyn Pomp kwam buiten adem -aanloopen. Hij had tot zeven uur in den scheerwinkel moeten blijven -om zijn vader te helpen, en kreeg toen een uurtje vrijaf, om met zijn -kornuiten te gaan spelen. Heyn ging niet meer school, maar 's avonds -was hij nog graag bij zijne makkers. Thans had hij zich gehaast om -bij Lijnstbaas Rogge op de werf te komen, in de hoop, dat hij den -vreemdeling daar nog zou aantreffen. Tot nog toe was hij bijzonder -ongelukkig geweest, want hij had nog niemand van de vreemdelingen in -'t vizier kunnen krijgen. Telkens als zij hier of daar te zien waren, -was Heyn toevallig om de een of andere reden afwezig, en als hij ze -ergens meende aan te treffen, waren zij juist vertrokken, als Heyn -daar aankwam. - -"Is hij er niet meer?" vroeg Heyn, die brandde van -nieuwsgierigheid. "Ik tref het ook altijd ongelukkig." - -"Als je hard loopt, kun je hem nog zien!" zei Ary Kist met een -knipoogje tegen de anderen. "Hij is de Oostzijde ingewandeld naar de -werf van Jan Pik. Loop maar hard!" - -"Dat zal ik!" zei Heyn, die zich op een draf verwijderde. "Ik mòèt -en zàl hem zien." - -Heyn maakte echter een dutreis, want de Czaar zat goed en wel in -het huisje aan het Krimp, en verdiepte zich in het beschouwen van -de teekeningen, die de meesterknecht hem medegegeven had. 't Waren -teekeningen, die betrekking hadden op het bouwen van schepen. - -Den volgenden dag, dat was dus op Dinsdag, kocht hij van den schilder -Willem Harmsz een roeischuitje. Na lang dingen was die koop gesloten -voor 40 gulden en een kan bier, die door kooper en verkooper in een -der herbergen op den Dam gezamenlijk werd gebruikt.--Toen bezocht hij -ook de weduwe van Claes Willemsz Musch, aan wie hij bij den dood van -haar man, die in Rusland werkte, een geschenk van f 500 gezonden had -uit Rusland. Tevens bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven, -olie-, houtzaag-, en papiermolens, alsmede lijnbanen, ankersmederijen, -zeilmakerijen, ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van -eene zeldzame weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen -van vragen, veel meer dan men kon of wilde beantwoorden. Bijzonder -werd zijne aandacht getrokken door het doen stilstaan der molens door -middel van den vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men, als de -molen stilstond, den vang wederom een weinig oplichtte. En toen men hem -dit uitlegde, zei hij: "Dat is goed, dat is goed." In den papiermolen -"de Kok" nam hij, na alles bezien te hebben, den vorm van den schepper -over, en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hem -had kunnen verbeteren. Hij gaf den knecht een rijksdaalder, louter -van vreugde, dat deze proef hem zoo goed gelukt was. - -Intusschen werd er op dezen dag als een publiek geheim rondverteld, -dat de groote vreemdeling niemand anders was dan de Czaar van Rusland -in eigen persoon, maar zekerheid kon men daaromtrent in het geheel -niet geven. De Czaar liet zich gewoon Pieter noemen, en was niet -meer in zijn schik, dan als men hem als Pieterbaas toesprak. Zijn -hoogen rang trachtte hij zorgvuldig verborgen te houden, en het was -zijn plan, den geheelen winter te Saardam te blijven, om daar als -timmermansknecht te werken. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - -IN DEN BARBIERSWINKEL, BIJ DEN DAM, EN TEN HUIZE VAN SINJEUR -CALFF. HEYN POMP KRIJGT DEN CZAAR TE ZIEN. - - -Den volgenden morgen, omstreeks half twaalf, was het druk in den -barbierswinkel van Meester Pomp. Er stonden twee scheerstoelen, -die gelijktijdig in gebruik waren. Terwijl Pomp bezig was den eenen -klant te scheren, was Heyn aan den anderen stoel druk in de weer -met inzeepen. Zijne magere, knokige hand gleed onophoudelijk om kin -en wangen van den man, die aan de beurt was om geholpen te worden, -en het zeepsop droop Heyn van de vingers. - -Meester Pomp stond inmiddels gezellig te babbelen, en wist het zijn -klanten recht aangenaam te maken. Daar hij den geheelen dag menschen -sprak, en dus steeds in de gelegenheid was nieuwtjes te vernemen, -was niemand beter dan hij in staat, om weer nieuwtjes te vertellen, -en men luisterde steeds naar hem met open mond en ooren. - -Het spreekt van zelf, dat er dezen morgen over niets gesproken werd, -dan over het vergaan van het Bonte Calff, dat thans voor niemand meer -een geheim was, en over de komst van de vreemdelingen en het gerucht, -dat Pieterbaas de Czaar van Rusland was. - -"Van morgen is er nog tijding bij Sinjeur Calff aangekomen omtrent het -Bonte Calff," zei Meester Pomp tegen zijn bezoekers, die op een houten -bank gezeten waren tegen den wand van het vertrek, geduldig wachtende, -tot het hunne beurt zou geworden zijn, om geholpen te worden. - -"Slechte tijding?" vroeg Sinjeur Meindert Bloem, die zich ook onder -de wachtenden bevond. - -"'t Kon niet slechter," zei meester Pomp. "Is het mes goed?--Of zal -ik een ander nemen?" - -Deze vraag was gericht tot den man, wien het mes op dit oogenblik -met één enkelen streek al de stoppels van zijn rechterwang maaide. - -De man liet een bevestigend gebrom hooren, want hij kon zijn mond niet -openen, daar zijn lippen vol zeepsop zaten. Heyn had de gewoonte om de -menschen altijd geducht in te zeepen. Dat was niet geheel zijn schuld, -want hij moest de klanten altoos net zoolang inzeepen, tot zijn vader -met scheren gereed was. - -"'t Schip schijnt met man en muis naar den kelder te zijn," ging -meester Pomp voort. "'t Is een ramp van belang voor ons dorp. 't Had, -meen ik, twee en veertig koppen aan boord, en menige weêuw zal een -bangen tijd tegemoet gaan." - -"'t Is wèl eene vreeselijke ramp!" zei Sinjeur Bloem met een -zucht. "Ja, 't is maar zoo: de mensch weet vooraf niet, hoe zijn lot -zal zijn. En dat is maar goed ook." - -"Jan Willemsz voer ook op het Bonte Calff," viel Heyn in, die af en -toe ook een woordje meêsprak. - -"'t Zal een slag zijn voor zijne moeder," meende een ander. "De -arme tobber!" - -"'t Was de eerste reis van den knaap, een echt flinke, -ferme jongen. Ja, ja, de walvischvaart maakt nog al eens een -slachtoffer. Zijn vader is ook in de Poolzee om het leven gekomen." - -"En dat was een kranig zeeman," zei meester Pomp. "Asjeblief, Sinjeur, -u is klaar." - -Meester Pomp haastte zich naar den anderen stoel, waarvan de bezitter -recht blijde was, dat hij van het aaien van Heyn verlost werd. - -"Ik werd er wee van om mijne maag," zeide hij lachend. "Maar zeg eens, -meester Pomp, weet je zeker, dat er niemand van de opvarende gered is?" - -"Er is niemand gered. Van morgen zeide Sinjeur Calff me, toen ik bij -hem aan huis was om hem te scheren, dat het meer en meer bevestigd -wordt, dat het Bonte Calff met man en muis naar den grond is gegaan. 't -Schip schijnt gekraakt te zijn tusschen een paar ijsbergen...." - -"Dat moeten dan toch reusachtige gevaarten wezen," viel een spreker -in. "'t Was zoo'n sterk schip, nog zoo goed als nieuw." - -"Wel man, ik heb ijsbergen gezien zoo hoog als de Oostzijdertoren," -zei meester Pomp. "Je weet, dat ik ook gevaren heb? Tusschen twee -zulke ijsklompen wordt het sterkste schip gekraakt als een notedop. Er -blijft geen stuk van heel." - -Op dit oogenblik kwam een nieuwe bezoeker binnen. - -"Goeden middag samen!" klonk zijn groet, terwijl hij bij de anderen -op de bank plaats nam. "Ik heb nieuws, menschen, groot nieuws!" liet -hij er dadelijk op volgen. Iedereen keek hem nieuwsgierig aan. - -"Nieuws?" vroeg men, en Pomp liet zelfs zijn mes en zijn klant -een oogenblik met rust om te luisteren. Heyn had blijkbaar zijn -nieuwsgierigheid van niemand vreemds. - -De nieuwe bezoeker haalde met een gewichtig gebaar een brief uit zijn -binnenzak, en zeide: - -"Ik heb een brief van mijn zoon ontvangen, je weet wel, van mijn zoon -uit Rusland. Hij schrijft mij niets meer of minder, dan dat de Czaar -werkelijk op reis is naar Holland, en ongetwijfeld ook naar Saardam -zal komen. Zie je, er wordt wel gemompeld, dat het de Czaar is, die -bij Lijnstbaas Rogge als knecht werkzaam is, maar zekerheid had tot -nog toe daaromtrent eigenlijk niemand." - -"Neen, dat zeg ik ook," zei meester Pomp. "'t Zijn alleen vage -vermoedens en geruchten, maar zekerheid hebben we niet. 't Is ook -eigenlijk niet te gelooven, dat een Czaar van het machtige Rusland -hier als knecht zal komen werken." - -"Dat is waar,"--hernam de bezoeker, "maar thans ken ik een onfeilbaar -middel om het te weten te komen." - -Meester Pomp, die weder met scheren was voortgegaan, bracht zijn mes -opnieuw in rust, en ook Heyn hield, zoodra hij dat zag, met aaien op. - -"Een onfeilbaar middel?" vroeg Pomp, en ook de klanten op de bank -zagen den spreker in de grootste nieuwsgierigheid aan. - -"Ja," was het antwoord. "Heeft U dien zoogenaamden Pieterbaas al eens -geschoren, meester?" - -"Neen,--nog niet. Waarom?" - -"Luister, dan zal ik u voorlezen, wat mijn zoon schrijft, en dan weet -u meteen ook, waarom ik dit vraag." - -De man ontvouwde den brief en begon. Eerst betrof het geschrift -allerlei nieuws, dat den hoorders weinig belang inboezemde, maar -eindelijk klonk het: - -"Het groot gezantschap is naar Holland vertrokken, en de Czaar heeft -zich mede daarbij gevoegd." - -"Aha, dus dat is toch waar," viel Sinjeur Bloem den lezer in de -rede. "Tot nog toe werd het dikwijls en door velen betwijfeld, of de -Czaar wel op reis was gegaan, maar hier staat het nu zwart op wit." - -"O ja, en nog iets veel belangwekkenders," hernam de man van den -brief. "Luister slechts: - -"Deze," (dat is dus de Czaar), "zal alzoo ook wel in Holland en in -Saardam komen. Hij is gemakkelijk te herkennen aan zijne bijzondere -lengte, aan de schuddingen met het hoofd en den rechterarm, en ook -aan eene kleine wrat op den rechter wang." - -"Ziet ge," ging de man voort, "dat schrijft mijn zoon, en hij kan het -weten. Wij hebben nu een gemakkelijk en zeker middel, om den Czaar -te herkennen." - -"Vader," zei Heyn, "ik wou, dat hij eens hier kwam, om zich te laten -scheren." - -"Zoo?--En ik wou, dat je voortging met inzeepen. Asjeblief, dat is -afgeloopen. Die volgt, Sinjeur.--Groot is hij wel, dat heb ik zelf -gezien, maar of hij trekkingen heeft met het hoofd en den rechter arm, -is mij niet bekend." - -"Ik zal er goed op letten, Vader, als hij eens hier komt," zei -Heyn. "Zoo'n wrat op de rechterwang is een zeker teeken." - -"Ja, dat is waar, maar ga nu met je werk voort, want 't is te druk -om te praten. En je moet vóór den middag nog eene boodschap doen." - -"Bij wien, Vader?" - -"Naar het Kalf, jongen. Er moet een pot brandzalf gebracht worden bij -de vrouw van Jan Lieuwes. Ik heb beloofd, dat ik het niet vergeten -zou." - -"Dan kan ik voor twaalf uur niet terug zijn, Vader," zei Heyn, die -tot zijn verdriet bemerkte, dat hij den middagpot verloopen zou, -en hij had nù reeds geduchten honger. - -"Dan loop je heen maar zoo hard als je kunt en terug nog veel harder," -zei Meester Pomp lachend. - -De klanten werden nu zoo vlug mogelijk geholpen, en daar er tegen -het middaguur geen nieuwe bijkwamen, liep de winkel langzamerhand -leeg. Meester Pomp was zeer tevreden over den voordeeligen morgen, -dien hij had gehad, en maakte met een genoeglijken glimlach zijne -scheermessen schoon. Het stemde hem prettig, dat zijn winkel zoo -druk beklant was, en dat de menschen zoo gaarne door hem bediend -wilden wezen. - -Toen de laatste klant vertrokken was, gaf hij zijn zoon den pot met -zalf, en droeg hem op, dien met spoed aan het opgegeven adres te -bezorgen, waar men er ongetwijfeld reeds met ongeduld op wachtte. - -Had Heyn kunnen weten, wat er een oogenblik later gebeuren zou, -misschien had zijn vader hem dan met geen stok de deur kunnen -uitkrijgen, want Heyn was nog geen vijf minuten vertrokken, of de -barbierswinkel ging open, en de Czaar, gevolgd door andere Russische -heeren, trad binnen, om zich te laten scheren. - -Wat meester Pomp zijn oogen den kost gaf! - -En niet tevergeefs, want de Czaar, die zich het eerst onder het -mes begaf, had, zooals hij al dadelijk opmerkte, eene wrat op de -rechter wang, en trok met den rechterarm. Bovendien had hij telkens -spiertrekkingen in het gelaat, wat bij het scheren nogal lastig was, -daar meester Pomp vreesde, den Czaar daardoor te zullen bezeeren. 't -Liep echter gelukkig goed af, en de Russische heeren werden op de -beurt af door den meester geholpen. - -Nu had de waardige barbier dien middag nog eens stof, om zijn klanten -aangenaam bezig te houden, en hij zorgde er wel voor, dat iedereen -het vernam, hoe hem de hooge eer te beurt gevallen was, den machtigen -beheerscher aller Russen te scheren. - -En Heyn trok zich bijna de haren uit het hoofd van spijt, toen hij -vernam, hoe ongelukkig hij al weer was geweest. Ongelukkiger kon -hij het ook al niet getroffen hebben. Nu was de Czaar zelfs bij -hem in huis geweest, en nog had hij hem niet gezien. Hij kon zijne -nieuwsgierigheid langer bijna niet bedwingen, en nam zich voor, -dien avond niet naar bed te gaan, voordat het hem gelukt was, den -Czaar te zien. Ha,--hij kreeg een plannetje. 's Avonds, als zijn -werk afgeloopen was, zou hij naar Ary Kist gaan, en hem vragen, of -hij niet eens door de ramen mocht kijken. De Czaar zou dan wel thuis -zijn. Op die wijze kon hij hem ongestoord bespieden. - -"Juist, zóó zal het gelukken!" mompelde hij tevreden, "'t Is nu toch -ook àl te gek. Iedereen heeft dien machtigen Heer gezien, behalve -ik. En ik ben juist zoo nieuwsgierig naar hem." - -Tijdens zijne afwezigheid was er trouwens nog meer gebeurd, want Heyn -was wel bijna twee uur langer uitgebleven, dan hij van plan geweest -was. En in dien tusschentijd was er iets voorgevallen, dat een einde -maakte aan allen twijfel, die er nog omtrent den staat van den Czaar -mocht bestaan. - -Toen deze namelijk 's middags het eenvoudige maal ten huize van Kist -had gebruikt, ging hij op weg, om zich naar den Zuiddijk te begeven. Op -den Lagen Horn passeerde hij een winkeltje, waar pruimen te koop waren, -en deze vruchten schenen hem zoo verleidelijk toe, dat hij den winkel -binnenstapte en er een goeden voorraad van kocht. Maar waarin moest -hij ze bergen? Een mandje of een zak had hij niet bij zich, en zonder -zich lang te bedenken, nam hij zich den breedgeranden hoed van het -hoofd, en liet daar de pruimen in doen. - -Met dit eigenaardige vruchtenschaaltje onder den arm vervolgde hij -zijn weg naar den Zuiddijk, af en toe een van de heerlijke vruchten -oppeuzelende. - -Op den Dam echter kwam hij eenige jongens tegen, die op weg waren -naar de school en nauwelijks hadden zij den vreemdeling gezien, die -daar met den hoed onder den arm voortwandelde en kalm de pruimen liep -te verorberen, of zij omringden hem, staken hem de geopende hand toe -en vroegen: - -"Toe Man, geef mij ook een pruim." - -De Czaar scheen dit wel aardig te vinden, want hij wierp Jacob Willemsz -en Ary Kist, die hij zeker herkende, hoewel zij zich eerbiedig op -eenigen afstand hielden, een paar pruimen toe. Nu werd het een algemeen -gedrang, om bij den Czaar te komen. Er waren eenige onverschillige -jongens onder den troep, die hem de pruimen bijna uit den hoed namen. - -"Jij ook een wil?" vroeg de Czaar aan Nicolaas Calff, die op eenigen -afstand dit tooneeltje bijwoonde. En ook hem wierp de Czaar een paar -vruchten toe. - -Nu werd het een algemeen geschreeuw en gejoel, en de troep werd elk -oogenblik grooter. Er kwamen ook groote menschen bij, die van verre -aankeken, wat er gebeurde. - -"Ik ook een!" riep een groote, ruwe jongen. "Toe kerel, geef mij er -ook een!" - -"En ik!" zei een ander, tusschen de anderen doordringende. - -"Ik lust ze ook wel!" zei een derde, die brutaalweg vlak voor den -Czaar ging staan. - -"Daar jij dan een hebt!" zei de Czaar, die boos begon te worden; -en hij wierp den brutalen jongen een pit in het gelaat. - -"Houd dat zelf!" schreeuwde de jongen nijdig, terwijl hij den pit -opraapte en hem den Czaar naar het hoofd wierp. - -'t Was den vorst aan te zien, dat hij zeer toornig werd. Zijn rechter -arm kreeg hevige trekkingen, en ook zijn gelaat was ten prooi aan -onwillekeurige spierbewegingen. Hij zette den jongen onzacht op zijde, -en om hem te plagen wierp hij aan een paar andere knapen, die niet -zoo brutaal waren, een paar pruimen toe. - -Nu werden de brutaalsten nog opdringender, tot opeens de Czaar tegen -een van hen zeide: - -"Jij ook een pruim wil?" - -En hij nam een van de grootste vruchten uit zijn hoed, en hield hem -die voor. - -"Ja,--Ja!" riep de jongen. - -"Ik ook!" zei de Czaar, de vrucht in zijn eigen mond stekende, tot -groote pret van enkele jongens, die zich over hunne dorpsgenooten -schaamden. - -Czaar Peter wilde doorloopen, maar de brutale jongens waren nu zoo -boos geworden, dat zij modder van de straat opraapten en den Czaar -daarmede wierpen. En de oploop werd intusschen zoo groot, dat de -Czaar geen kans zag, goedschiks den Zuiddijk te bereiken. - -De jongens gingen voort slijk en allerlei vuil naar den vreemdeling -te werpen, zoodat deze inderdaad in groote moeilijkheden begon te -verkeeren. Hij was in hevige mate vertoornd. De aderen van zijn -voorhoofd waren gezwollen en zijn oogen fonkelden. - -"Terug! Terug! Gaat weg!" riep hij den jongens toe, maar dat hielp -hem niet. Opeens voelde hij een hevige pijn in den nek. Een van de -baldadige knapen had een steen genomen en hem daarmede zeer gevoelig -getroffen. - -En meerdere steenen vlogen hem om het hoofd. - -Hij nam een kort besluit. Met groote schreden keerde hij terug en -nam de wijk in de herberg "De drie Swaanen", waar hij ook des Zondags -zich aan een oploop van het volk had onttrokken. - -Hij zond onmiddellijk een bode naar de burgemeesteren, om zich -over deze verregaande baldadigheid en ruwheid te beklagen, en liet -verzoeken, hierin voor het vervolg te voorzien. - -Deze heeren waren echter niet thuis. Zij waren voor zaken naar -Amsterdam, maar zij vernamen het gebeurde dadelijk bij hun aankomst -met de veerschuit, die om twee uur uit Amsterdam vertrokken was. Een -schipper, daarbij tegenwoordig zijnde, en het gesprek mede aanhoorende, -zeide: - -"Ik ken den Czaar heel goed. Ik zal dadelijk naar de Drie Swaanen gaan, -en zien, of hij het is." - -En toen hij na enkele minuten terugkeerde, zeide hij met de volste -overtuiging: "Zoo zeker als wij leven, het is de Czaar, ik ken hem -zeer wel." - -Nog in den loop van dienzelfden dag ging de omroeper door de plaats -rond. Telkens stond hij stil, sloeg eenige malen op een bekken om de -aandacht te trekken, en riep met luider stem: - - - "Burgemeesteren, tot hun leedwezen vernomen hebbende, dat de - baldadige jeugd haar niet en hadden ontzien, sommige voorname - personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven, - te gooien met steenen en velerlene vuiligheid, verbieden dat - aan een iegelijk bij dezen zeer scherpelijk om weer te doen, - op de hoogste boete en straffen daartoe staande, en dat de - misdadigers aan den E. Heer Baljuw zullen worden overgegeven. - - Hiermede zij een ieder gewaarschuwd en elk wachte zich voor - schade en schande. - - -Tot meerdere voorzorg werd den Baljuw van Blois en den Drossaard van -Kennemerland kennis van dit alles gegeven. Dezen zonden daarop hunne -dienaars naar Saardam, terwijl tevens, daar de Czaar zijn ongenoegen -betuigd had over den toevloed van nieuwsgierigen bij zijn huis, -de toegangen naar het Krimp met wachten bezet werden. - -Daar nu elke gissing waarheid geworden was, begreep de Czaar zelf, -dat het ongerijmd zou zijn, zich langer te verbergen. Hij besloot -dus daartoe ook geen pogingen meer aan te wenden. - -'s Avonds zaten Sinjeur en juffrouw Calff in de huiskamer, benevens -Nicolaas en Aagje, de dienstbode, welke laatste, volgens de gewoonte -dier dagen, geheel als huisgenoote werd behandeld. Castor, de groote -hond, zat bij den stoel van Nicolaas, met den kop op diens knieën. - -De deur werd geopend, en eenigszins schuchter trad Jacob Willemsz -binnen. Hij was, gedreven door zijn angst over het lot van zijn -broer Jan, de laatste dagen daar reeds zoo dikwijls binnengekomen, -dat hij er min of meer verlegen onder werd. Toch kon hij het niet -laten. De gedachte aan zijn broer liet hem geen oogenblik met rust, -en telkens weer begaf hij zich naar de woning van Sinjeur Calff, -in de hoop, dat er een gunstiger bericht mocht gekomen zijn. - -"Goedenavond samen," zei hij zacht. - -"Dag Jacob!" klonk het antwoord van de aanwezigen, en juffrouw Calff, -die de aarzeling van den knaap opmerkte, zeide vriendelijk: - -"Kom maar gerust binnen, hoor. Je bent zeker verlangend naar tijding?" - -"Ja juffrouw,--is er nader bericht?" - -Jacob kwam binnen en ging bij Nicolaas staan. - -De hond kende hem en kwispelde met den staart. - -"Er is geen nadere tijding ontvangen, Jacob," sprak Sinjeur -Calff. "Mocht ik iets met zekerheid te weten komen, dan beloof ik je, -er onmiddellijk bericht van te zullen zenden. De vloot moet thans -spoedig binnenvallen." - -"Maar zonder het Bonte Calff!" zuchtte Jacob droevig. - -"En hoe is het met je goede moeder?" vroeg Juffrouw Calff -deelnemend. "Kan zij berusten in hetgeen de Heere God over haar -heeft beschikt?" - -"Moeder is tot in de ziel bedroefd, Juffrouw," zei Jacob. "O, hoe -hoop ik, dat er nog redding moge komen! De onzekerheid is ook voor -haar het ergste." - -"We mogen niet wanhopen, Jacob," sprak Sinjeur Calff. "Het schip is -vergaan, dat lijdt geen twijfel, maar zoolang ik niet met zekerheid -weet, dat de bemanning verdronken is, blijf ik hopen." - -Op dit oogenblik werd er eenig gerucht gehoord aan de deur, en de -hond liet een waarschuwend gebrom hooren. - -"Daar is volk!" zei Nicolaas opstaande, om de deur te openen. Wie -beschrijft de verbazing der aanwezigen, toen daar, geheel onverwachts, -de Czaar binnentrad. - -"Goeden avond samen," klonk zijn groet, terwijl hij aan de deur -bleef staan. - -Sinjeur Calff stond van zijn stoel op en maakte een eerbiedige buiging, -en Juffrouw Calff werd een beetje bleek van den schrik. - -"Uwe Majesteit hier! Wat eene eer voor mijn nederig huis," sprak -Sinjeur Calff, die zich haastte den Czaar tegemoet te gaan. - -Deze stak hem de hand toe, en zeide eenvoudig: - -"Sinjeur Calff, in Rusland ik de Czaar ben; hier ik Pieter Michaeloff -heet of Pieter Timmerman. Noem mij gewoonweg Pieterbaas." - -En zich tot de vrouw des huizes wendende, vervolgde hij met een -handdruk: - -"Gods zegen over U, Juffrouw Calff!" - -"Hartelijk dank!" zei juffrouw Calff. "Maar neem toch plaats. En doe -mij het genoegen, heden avond onze gast te zijn, als U het eenvoudige -voor lief wil nemen." - -"Dat kan ik niet doen, Juffrouw. Ik wensch weer bijtijds thuis te -wezen. Mijn bedoeling alleen is, kennis met U te komen maken. Zijn -die beide jongens van U?" - -"De eene wel. Kom nader, Nicolaas, en breng Pieter Michaeloff uw -groet. De ander is een zoon van eene weduwe uit uwe buurtschap. Hij -heet Jacob Willemsz." - -Jacob trad nu ook naderbij en kreeg ook, evenals Nicolaas, eene hand -van den Czaar. Deze lachte hem vriendelijk toe en sprak: - -"O, jou ik wel ken. Ben jij niet bij mij geweest, tegelijk met Ary -Kist? Ik mij dat zeer goed herinner..." - -"Jawel, Pieterbaas," zei Jacob. "Wij brachten U bier." - -"Juist,--juist! En jou broer vaart ook op het Bonte Calff? Is er -reeds iets naders omtrent dat schip bekend?" - -Deze laatste woorden golden Sinjeur Calff. - -"Neen, helaas," antwoordde deze. "Wij zien dagelijks naar tijding -uit. De berichten, die wij reeds ontvingen, doen het ergste -vreezen. Wij vernamen zelfs, dat het vaartuig met alle opvarenden is -vergaan. Doch zoolang dit bericht niet ten stelligste bevestigd wordt, -blijf ik moed houden, dat de bemanning zich heeft kunnen redden." - -"Wat ik van ganscher harte hoop!" zei de Czaar opstaande, om te -vertrekken. Doch dat wilde Juffrouw Calff niet hebben. Eerst moest -haar gast iets gebruiken, en zij noodde hem zoo dringend, dat de Czaar -weder ging zitten. Er werden nu fijne likeuren en confituren voorgezet, -die Pieterbaas zich lekker liet smaken. - -Jacob Willemsz was intusschen vertrokken. - -En Sinjeur Calff, die het eene groote eer achtte, den Czaar als gast -in zijne woning te hebben, en die tevens een te goed koopman was, om -zich daarvan in de toekomst geen groote voordeelen te voorspellen, -noodigde den Czaar uit, tijdens diens verdere verblijf te Saardam, -voortaan liever bij hem zijn intrek te nemen. - -"Uwe tegenwoordige woning is klein en ongerieflijk, tevens gelegen -in eene zeer onaanzienlijke buurt," zoo sprak hij. "Met den besten -wil ter wereld kunnen de eenvoudige menschen, bij wie U inwoont, -u niet geven, wat U naar rang en stand toekomt. Beschik dus geheel -over dit huis naar Uw welbehagen." - -Maar de Czaar bedankte zeer beslist voor dat aanbod, en gaf zijn -verlangen te kennen, te blijven, waar hij was. - -Om ongeveer negen uur begaf hij zich naar huis. Hij was recht goed -geluimd door de vriendelijke ontvangst, welke hem te beurt gevallen -was, en het glaasje likeur, dat hij had gebruikt, had hem recht -aangenaam gestemd. - -Hij trad zijn eenvoudig huisje binnen en maakte licht, weinig -vermoedende, dat iemand hem van uit de verte in al zijn doen en -laten bespiedde. - -'t Was Heyn Pomp, die aan zijn plan gevolg gegeven had, en 's avonds -naar Ary Kist was gegaan met de bedoeling, om thans den Czaar te -zien, 't ging dan, zoo het ging. Het was hem onmogelijk, zijne -nieuwsgierigheid langer te bedwingen. - -"Jongen, Heyn," zei Ary, toen hij van het plan hoorde, "wees -voorzichtig, want het is een driftig heerschap, en als hij in een -booze luim is, zou het je kunnen berouwen. Hoe ben je hier gekomen? 't -Krimp is toch afgezet door dienaren van den Baljuw?" - -"Ja,--dat is ook zoo, en ik mocht er eerst niet door. Maar toen ik -zei, dat ik eene boodschap moest doen voor Vader, hebben zij mij -laten passeeren. En nu ga ik niet weg, voordat ik hem gezien heb. Is -hij niet thuis? Alles is donker in zijn huisje." - -"Neen, hij is niet thuis, maar hij zal wel spoedig terugkomen, denk -ik. We zullen dus maar wat op het erf achter het huis wachten." - -"Goed," zei Heyn. - -Even over negenen hoorden zij iemand naderen, en zij hielden zich -doodstil, om hunne tegenwoordigheid niet te verraden. - -'t Was de Czaar. Een oogenblik later zagen zij hem het licht ontsteken, -en thans kon Heyn hem uit de verte bespieden, want nu het Krimp -met wachten was afgezet, scheen de Czaar het niet noodig te vinden, -de luiken voor zijn raam te sluiten. - -Eerst hield Heyn zich op een eerbiedigen afstand, want een held was -hij niet, zooals in dit verhaal reeds meermalen gebleken is. Maar nu -kon hij ook niet veel zien van hetgeen binnen in de kamer voorviel. De -ruitjes waren maar klein en van slechte qualiteit. Hij zag dus alleen, -dat iemand als een zwarte schim zich door de kamer bewoog. Hoe de -man er uitzag, kon hij onmogelijk onderscheiden, en wat hij deed, -nog veel minder. - -Hij kwam dus langzamerhand iets naderbij, eerst een klein stapje, -daarna een grooter, eindelijk wel een paar, en ten slotte was hij -het raam genaderd. - -"Ha, nu kon hij den machtigen Czaar goed zien. 't Was een nog jonge -man van vijf en twintig jaar, met een forsch uiterlijk en eene fiere, -krachtige gestalte. Heyn zag, dat de man opstond en een stapel -papieren haalde, in de beschouwing waarvan hij zich verdiepte. 't -Schenen teekeningen te zijn van schepen en molens. De Czaar maakte -met een potlood aanteekeningen op den kant van de papieren. - -Heyn verwijderde zich van het raam en voegde zich bij Ary. - -Hoe zacht hij dat ook deed, toch scheen de Czaar eenig geritsel te -vernemen, want hij keek van zijn werk op en richtte zijn blik op het -raam. Zijn gelaat nam eene ontevreden uitdrukking aan. 't Beviel hem -blijkbaar niets, dat hij zelfs thans nog niet onbespied kon arbeiden. - -Hij stond op en begaf zich naar het andere vertrekje. Hier bevond zich -eene kast, waaruit hij een kistje met verschillende instrumenten -nam. Daarmede keerde hij naar zijne plaats terug, en bekeek de -werktuigen met groote belangstelling. Hij nam er een magneet uit, -en liet de kompasnaalden daarmede ronddraaien, wat hem verbazend -interesseerde, hij beschouwde de passers, die hij gekocht had in den -winkel van Louwen met de grootste belangstelling, en nam eindelijk -een instrument ter hand, dat in die dagen gebruikt werd om kiezen te -trekken. Eene dergelijke operatie had hij door een bekwaam professor -zien doen, en dit had dermate zijne belangstelling gewekt, dat hij -zich ook zulk een haak had aangeschaft, en zich zelfs niet ontzien -had daarmede proeven te nemen op de kiezen van de heeren van zijn -gevolg, die dit natuurlijk alles behalve prettig vonden. Zij durfden -zich evenwel niet verzetten tegen den wil van hun gebieder, en waren -wel genoodzaakt, hun mond op zijn bevel te openen, teneinde er een of -meer kiezen uit te laten trekken. Ten slotte nam de Czaar een passer, -en begon de détails te meten van een schip, dat op dat oogenblik te -Saardam gebouwd werd en nog diezelfde week van stapel zou loopen. 't -Was een schip van Sinjeur Calff, en de Czaar had daarvan het bestek -en de teekening in zijn bezit gekregen. - -Op dit oogenblik kwam Heyn weer voor 't raam, en drukte er zijn neus -tegen, om beter te kunnen zien. Maar de Czaar bemerkte hem en werd -zeer toornig. Zijne oogen fonkelden dreigend en hij mompelde: - -"Kan ik dan nooit met rust doorwerken? Moet ik dan altijd gestoord -worden? 't Bevalt mij hier niet!" - -Opeens stond hij driftig op en vloog naar buiten. Hij deed dat zoo snel -en beslist, dat Heyn er beteuterd van was en geen tegenwoordigheid -van geest genoeg bezat, om de vlucht te nemen. De schrik had hem als -het ware verlamd. - -De deur werd opengeworpen, en op hetzelfde oogenblik voelde Heyn zich -bij den kraag grijpen, wat geschiedde met eene zoo krachtige hand, dat -Heyn er eerbied voor kreeg. Hij voelde zich van den grond oplichten, -en stond midden in de kamer eer hij nog goed wist, dat hij betrapt was. - -"Wat jij hier doen moet?" bulderde de Czaar hem toe, die van drift -zoo hard met zijn vuist op de tafel sloeg, dat deze er van kraakte. - -Heyn beefde over al zijne leden, en kon geen woord uitbrengen. - -"Wat jij hier doen moet?" herhaalde de Czaar met een nieuwen vuistslag, -en zijn gelaat werd door hevige spiertrekkingen misvormd. - -"Ik----ik--w--wou eens kijk--kijken!" stamelde Heyn, die tot zijn -grooten angst de ongetemde woede van den Czaar opmerkte en wenschte, -dat hij daar nooit gekomen was. - -De Czaar liep met groote schreden door het vertrek rond, zoekende -naar een stok of iets anders, om den jongen een geduchte afstraffing -te geven. - -"Jij eens kijken wou!" bulderde de Czaar, die nergens een stok -vond. "Jij eens kijken wou!" - -Opeens viel hem de haak in het oog, die gebruikt werd om kiezen te -trekken. Hij greep dat voorwerp, en vervolgde: - -"Jij eens kijken wou! Ha, zoo, ik ook eens kijken wil, wacht maar, -kleine spion, ik ook eens kijken wil! Doe open je mond!" - -Heyn beefde als een schoothondje, dat door het ijs gezakt is. En -hij begreep de bedoeling van den vertoornden man allerminst. Wel zag -hij, dat deze een vreemd instrument in de hand had, en hij hield er -wantrouwig den angstigen blik op gericht. - -De Czaar maakte weinig complimenten met hem. - -Hij greep zijne kaken met krachtige hand aan, zoodat Heyn wel gapen -moest, of hij wilde of niet, en op hetzelfde oogenblik voelde Heyn -een kil voorwerp op een van zijn kiezen. Weldra begon er iets te -snerpen in zijne onderkaak, toen kraakte en knetterde het daarbinnen -en Heyn voelde eene hevige, snerpende pijn. 't Was hem, of zijne -kaak gebroken werd. Hij sperde de oogen wijd open en staarde den -vreemdeling ontzet aan. - -Ary, die buiten behoedzaam het raam naderde om te zien, wat er binnen -voorviel, hoorde een hevigen gil, alsof iemand vermoord werd, en -onmiddellijk daarop werd Heyn onzacht de deur uitgeschopt. - -Flap! de deur smakte dicht... - -Ary greep den verwarden en ontstelden Heyn Pomp zonder spreken bij -den arm en trok hem mede, achter op het erf. Daar bleven zij staan, -en Ary vroeg lachend: - -"Heb je nu den Czaar van Rusland gezien?" - -"Au, o, o!" kermde Heyn, die stampvoetend van pijn heen en weer -liep. "O,--o,--wat is er met me gebeurd?" - -"Ik vraag, of je nu den Czaar hebt gezien," herhaalde Ary Kist, -die onbedaarlijk moest lachen. - -"Ja, o, au, nu heb ik hem gezien, au, au, o, wat een pijn,--tot mijn -spijt heb ik hem gezien. O, wat is er toch met me gebeurd? O, Ary, -als je het eens gevoeld had--". - -"Zijne Majesteit heeft je een kies getrokken!" zeide Ary, bulderend -van 't lachen. "Voel maar, je bent er een kwijt!" - -Heyn stak den vinger in den mond, en ontwaarde tot zijn grooten schrik -een diepe holte in zijne kaak. - -'t Was waar, de Czaar had hem een kies uitgetrokken, en nog wel eene -gezonde, terwijl Heyn er vlak naast eene holle had zitten, die hij in -elk geval veel liever zou hebben gemist, want daar had hij dikwijls -pijn in. - -"Ik ga naar huis," mompelde Heyn ontsteld bij die treurige ontdekking, -en Ary bracht hem een eindje weg, maar telkens schoot deze in den -lach, en dan kon hij bijna niet tot bedaren komen, zoo grappig vond -hij het voorgevallene. - -"In elk geval heb jij nu toch het genoegen gehad, den Czaar te zien," -plaagde hij den armen Heyn, die voortdurend met zijn vinger in den -mond liep. - -Dicht bij de wachters gekomen, keerde Ary terug. - -"Zeg Heyn," zei hij, "als je morgen avond den Czaar nog eens zien wilt, -kom dan maar gerust, hoor!" - -"Ik wou, dat jij en je Czaar alle twee in de lucht vlogen," bromde -Heyn boos. - -Toen hij het smalle bruggetje wilde passeeren, waar de wachten stonden, -vroegen dezen: - -"Wel jongen, heb je je boodschap gedaan?" - -"Ja," bromde Heyn, "ik--ik ben er mee klaargekomen." - -Heyn spoedde zich naar huis, waar hij het voorgevallene aan zijn -vader vertelde, rood van schaamte. En deze lachte hem nog uit op den -koop toe, want hij vond het curieus, dat de Czaar van Rusland als -kiezentrekker had gefungeerd. - -"Spoel je mond maar eens goed uit," zeide hij, "en ga dan naar -bed. Morgen ochtend zal de pijn wel over wezen." - -Heyn volgde dezen raad direct op, maar in het vervolg was hij in -het geheel niet nieuwsgierig meer naar den Czaar. Als hij hem hier -of daar zag, ging hij op een eerbiedigen afstand staan, en hij vond -hem in het geheel geen aangenaam mensch. Hij heeft zelfs levenslang -een grooten hekel aan hem gehouden. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - -"TE VEEL VOLKS". - - -Terwijl Heyn Pomp de voor hem zoo onaangename operatie onderging, -bevond Sinjeur Bloem de vader van Arent, zich ten huize van de -Russische heeren, die het gevolg van den Czaar uitmaakten. Hij had -vernomen, dat de vorst een bezoek had gebracht bij Sinjeur Calff, -en vreezende, dat deze voorname koopman in het vervolg alleen de -vriendschap van den Czaar zou genieten, waaruit vele voordeelen -konden voortspruiten, besloot hij dadelijk den vreemden heeren een -gebouw aan te bieden, waarin zij meer volgens hun hoogen rang konden -verblijven. Dat huis was gelegen aan de Oostzijde, en in de toekomst -werd van het aanbod gaarne gebruik gemaakt. - -"Was het Bloem [2] door deze aanbieding te doen geweest, om de aandacht -van den Czaar tot zich te trekken, dan gelukte hem dit bovenmatig; -want hij en Calff waren het, aan wie hij vervolgens het meeste -vertrouwen schonk. - -"Des Donderdags gaf Peter gehoor aan eene uitnoodiging van Sinjeur -Bloem, om met den boeier van dezen een zeiltochtje op de Zaan te maken. - -"De vele molens aan de Oostzijde van dien stroom gelegen, wekten -terstond zijn aandacht, en maakten de zucht levendig, om weder dit -of dat te gaan zien. Zoo werd eene stijfselmakerij en een pelmolen -bezichtigd. Het is waarschijnlijk dat het op dit tochtje was, -dat hij bemerkte, dat men aan den Kalverdijk, tegenover Zaandijk, -bezig was een molen te bouwen. Terstond kwam de begeerte bij hem op, -om dit werk van nabij te bezien; hieraan werd voldaan, en Peter kon -de lust niet bedwingen om mede de hand aan het werk te slaan. Deze -molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze -gebeurtenis "de Czaar van Moscoviën" genoemd. Hij is onder den naam -van "de Grootvorst" nog aanwezig. - -"Denzelfden dag kocht de Czaar een boerenjacht met al zijn toebehooren -van Dirk Stoffels voor f 450 gereed geld. Terstond ging hij aan het -optuigen, en vervaardigde met eigene handen een nieuwen boegspriet, die -volgens het oordeel van deskundigen zeer wèl gemaakt was, zoo zelfs dat -men zich verwonderen moest, dat zulk een hooge personaadje zoo ijverig -in het zweet zijns aanschijns en zoo curieus konde werken.--Gerrit -Musch werd door hem als boeierknecht aangenomen. De Czaar was met dezen -man zoo ingenomen, dat hij, zoowel als zijne vrouw en de weduwe van -zijn broeder, ten allen tijde, ook te Amsterdam, den vrijen toegang -tot zijn persoon hadden, dikwijls door hem werden onthaald en met -geschenken vereerd, waarvan bij zijn nageslacht te Oldeboorn, in -Friesland nog 2 gladde gouden ringen bewaard zijn gebleven. - -"De door het tochtje met Bloem opgewekte lust, om een boeier te -bezitten, was nu voldaan, en reeds des Vrijdags morgen om vier uren -zeilde hij op de Binnenzaan, en stond steeds zelf aan het roer; -later werd hij door Sinjeur Calff vergezeld, ten wiens huize hij het -middagmaal gebruikte. Des namiddags werd er wederom gezeild, maar nu op -de Voorzaan en het IJ. Vele Saardammer jachten en boeiers wilden partij -met hem maken, maar dit was niet naar den zin van den Vorst, zoodat hij -het naar Halfweg Haarlem wendde, en daar aan wal legde. Hier gaf Peter -eene proeve van zijne bijzondere vlugheid in het loopen, springen en -klauteren over de schepen, maar ook dat blijk van zijne geaardheid, -waarvoor men was gewaarschuwd, dat hij namelijk niet verdragen kon, -dat men hem te nabij kwam en strak in het aangezicht zag; want toen -Cornelis Albertsz. Blok, ook Martsen geheeten, dit beproefde, ontving -hij van den Czaar een geweldigen slag op het hoofd. Een spotboef zeide: -"Zie zoo, Marsje, daar zijt ge tot ridder geslagen!" hetgeen hem den -bijnaam van Ridder deed houden. - -"Daar het getal boeiers gestadig toenam, en de Vorst als het ware -van nieuwsgierigen omringd was, werd hij daarover verstoord, en bleef -tot aan den avond in een der herbergen, zoodat het reeds donker was, -eer hij met zijn boeier te Saardam terugkeerde." - -Den volgenden dag, het was toen Zaterdag, zou er iets belangwekkends te -zien zijn in Saardam, iets, wat altijd zeer veel volks op den Dam samen -deed stroomen. Het schip namelijk van Sinjeur Calff, dat op een van de -scheepstimmerwerven aan de Achterzaan werd gebouwd, was thans voltooid, -en zou naar de Voorzaan worden overgebracht. Daar slechts twee kleine -sluisjes de gemeenschap tusschen Voor- en Achterzaan onderhielden, -veel te klein om aan het pas gebouwde schip doortocht te verleenen, -moest het door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept, -wat wel de moeite waard was, om te zien. - -Dat de Czaar naar het schouwspel zou komen kijken, spreekt wel van -zelf, en de magistraat verwachtte dientengevolgde een grooten toeloop -van volk, want het was thans uren ver in den omtrek bekend geworden, -dat de Czaar van Rusland in Saardam vertoefde, en iedereen wilde -hem zien. - -Sinjeur Calff had den Czaar uitgenoodigd bij het overhalen van -het schip tegenwoordig te zijn, en de magistraat berichtte Zijne -Majesteit, dat men de meeste zorg genomen had, om door het plaatsen van -schuttingen en wachten de noodige ruimte voor hem en zijn gevolg open -te houden, ten einde hij alles, zonder overlast van het volk te lijden, -naar genoegen kon opnemen. Tevens zond zij hem de uitnoodiging haar de -eer aan te doen, bij haar op zijn Saardamsch een vischje te komen eten. - -De Czaar wilde gaarne naar het overhalen van het schip komen zien, -maar op de laatste uitnoodiging antwoordde hij: "Waarhaftig in deze -week niet, in de volgende week." - -De toeloop van volk werd echter zoo groot, dat de magistraat er -verlegen mede werd, en alle genomen maatregelen nutteloos bleken. De -schuttingen werden omvergeloopen en de wachten verdrongen. - -Toen de Czaar naar buiten wilde treden, ontdekte hij de jubelende -schare, en hij werd opnieuw toornig. "Te veel volks! Te veel -volks!" zeide hij. Hij keerde in zijne kamer terug en verkoos deze -niet meer te verlaten. De deur smeet hij toornig achter zich dicht. - -Het schip kwam intusschen voor den Dam, waar duizenden menschen stonden -te wachten, om den Czaar te zien. Hij bleef echter den geheelen -dag onzichtbaar, en nam het besluit, den volgenden dag Saardam te -verlaten. Hij was daar te veel door nieuwsgierigen omringd, en wenschte -niets liever, dan geheel te kunnen doen en laten, wat hij verkoos, -zonder altoos door een drom van menschen te worden aangestaard. Van -zijn besluit om te vertrekken schijnt hij de regeering kennis gegeven -te hebben. Deze had althans voorzorgen genomen, om hem daarbij van -dienst te zijn. - -Het schip werd zonder ongelukken over den Dam gebracht. Aan weerskanten -van den Dam was daartoe een hellende vloer gelegd, die dus met -den Dam als het ware eene brug vormde. De planken vloeren waren -terdege ingesmeerd, om ze gladder te maken. Twee touwen werden aan -den voorsteven vastgemaakt, en ook twee aan de kiel van het schip. De -andere einden liepen om spillen of windassen, die elk door een twintig -à dertig man langzaam werden omgedraaid. Hierdoor werd het vaartuig -tegen de helling opgetrokken, en om te voorkomen, dat het door een of -ander toeval mocht terugglijden, deed men ook touwen boogsgewijze om -den achtersteven. Zoo ging men langzaam met winden voort tot het schip -zijn hoogsten stand had bereikt, waartoe heel wat arbeid noodig was, -daar de Dam eene breedte had van honderd- en vijftig voet. Maar was -het schip eenmaal geduikeld, dan kon het winden niet te hard gaan. - -Onder het gejuich van duizenden menschen raakte het eindelijk in -de Voorzaan vlot. En de menigte verspreidde zich. Men begaf zich -huiswaarts, doch om den volgenden dag in nog grooter aantal terug -te keeren. - -Nauwelijks was Kist dien morgen opgestaan, of hij zag verscheidene -schuitjes in de sloot bij het Krimp, en hij riep een van de opvarenden -toe: - -"Wat beteekent die drukte hier in den vroegen morgen? Is er iets -bijzonders aan de hand?" - -"Dat zal jij niet weten, Kist?" was het antwoord van den man in -de boot. - -"Ik?--Ik weet nergens van! Waarlijk niet!" zei Kist. - -"Weet je dan niet, dat de Czaar vandaag gaat vertrekken? Hij gaat -voor goed weg." - -Wat was Kist verwonderd, want het gerucht van het op handen zijnde -vertrek had hem nog niet bereikt. En de Czaar zelf had hem er ook -niet over gesproken. - -Kist spoedde zich naar binnen, en vertelde het groote nieuws aan -zijne vrouw, die er ook niet weinig verwonderd van opkeek. - -"Dan mag hij ons wel rijkelijk al de moeite en drukte vergoeden, -die wij van hem gehad hebben," zei ze. "Is me dat de gansche week -een geloop en een gedoe geweest. Wij hebben geen rustig uur gehad -van het oogenblik af, dat hij hier gekomen is, tot nu toe." - -"Zou je dan denken, Neeltje," zei Kist, "dat hij ons niet goed -beloonen zal? Daar blief ik niets van te gelooven. Hij zal in den -loop van den dag, en in elk geval voor zijn vertrek, wel met ons -afrekenen. En wel goed ook, daar ben ik van overtuigd." - -"Ik mag het lijden," zei Neeltje schouderophalend. "Ik geloof er -echter niet veel van." - -Kist begaf zich weer naar buiten, vergezeld van Ary, wien het wel -speet, dat de Czaar ging vertrekken. Hij had er vast op gerekend, dat -deze den geheelen winter blijven zou, wat hij trouwens zelf gezegd had. - -De drukte aan het Krimp nam met elk oogenblik toe. Het zag er zwart van -de menschen. Wel waren de wachten op de beide bruggetjes verdubbeld, -maar de lieden hadden hen verdrongen, en op de sloot wemelde het thans -van roeibootjes, gevuld met nieuwsgierigen. Hier en daar klommen de -menschen op de daken, waarvan de pannen werden weggenomen, en men -zich voor een drie-gulden een goede plaats veroverde. - -'t Woei zeer hard, en 't werd langzamerhand zelfs een storm. De -magistraat, waaronder de heer Bloem, benevens Sinjeur Calff, de beide -vrienden van den Czaar, raadden hem aan, liever een of twee dagen te -wachten, daar de overtocht over het IJ werkelijk niet zonder gevaar -was, althans met een boeier. Maar de Czaar wilde van geen uitstel -hooren. Als hij eenmaal een plan gevormd had, liet hij zich daar -door niemand of niets afbrengen. En het gevaar vreesde hij niet, -wat hij al meermalen in zijn leven had getoond. - -Kist liep onrustig om zijn huisje rond. Hij zag, dat de Czaar op het -punt stond om te vertrekken, en nog altoos had het den Vorst niet -behaagd, met hem af te rekenen. En hem om het geld vragen, durfde -Kist niet. - -Eindelijk trad de Czaar naar buiten, om zich naar zijn boeier te -begeven. Deze lag aan den Runmolen, zijne gewone ligplaats. Nauwelijks -werd de Vorst zichtbaar, of het volk barstte los in een luid -gejubel, waarover hij echter zoo toornig werd, dat hij weer naar -binnen ging. Zijn woede werd daar zoo groot, dat het scheen of hij -stuipen had. - -En ook Kist was zeer boos, want het bleek hem thans zonneklaar, -dat de Czaar van plan was, zonder betalen af te reizen. - -De regeering besloot den boeier over te doen brengen naar de sluis aan -den Horn, en nadat zooveel ruimte was gemaakt als mogelijk was, begaf -de Vorst zich al worstelende en slaande, door de menigte, over het -Zuidelijke bruggetje van het Krimp, en bereikte gelukkig den boeier. - -Men ging onder zeil. In het holle water gekomen brak het zwaardtouw, -en de schippers, die den boeier ontmoetten, waarschuwden den Vorst, -dat hij gevaar liep van om te slaan. Maar hij stoorde zich daaraan -niet, en kwam behouden aan de Oude Stadsherberg te Amsterdam aan. - -'t Is te begrijpen, dat de jongens van Saardam het vertrek van den -Czaar ook hadden bijgewoond. Nicolaas Calff was komen aanloopen -met Jacob Willemsz, die nog altoos hunkerde naar bericht omtrent -het Bonte Calff, over welk schip nog niets naders was vernomen. Nog -altoos bleven hij en zijne moeder de flauwe hoop koesteren, dat de -bemanning op de een of andere wijze gered mocht zijn. - -Ook waren daar Arent Bloem, Cornelis Noomen, Dirk en Teeuwis Rogge en -Jan Gekeer aanwezig. Ary Kist voegde zich na verloop van eenigen tijd -ook bij hen. Hij deed dat, toen de Czaar het huisje had verlaten, -om zich naar den boeier te begeven, bij welke gelegenheid hij een -vol uur noodig had, om zich een doortocht te banen. - -"Daar gaat hij nu," zeide hij tot zijne vrienden. "En hij heeft ons..." - -"Eene vorstelijke belooning gegeven," viel Jan Gekeer in. "'t Zal -jelui geen windeieren gelegd hebben, Ary, dat verblijf van den -Russischen Czaar!" - -"'t Mocht wat!" zei hij. "Hij heeft ons letterlijk niets gegeven, en -hij gaat heen zonder te betalen. Is het geen schande? En dat doet nog -wel een vorst, een machtig vorst. Een arme drommel zou ten minste nog -"dankje" gezegd hebben, maar hij gaat zonder groeten heen, onverwachts, -zonder er zelfs met een enkel woord over te kikken. 't Is netjes, -dat zeg ik." - -"Niet eens betaald!" vroegen de jongens verbaasd. - -"Neen, geen duit!" riep hij. "Kijk, daar stapt hij op den boeier. Het -zeil wordt geheschen! Daar gaat hij!" - -"Hij zal het kwaad genoeg te verantwoorden hebben op het IJ," zei -Dirk Rogge. "Er zullen groote golven gaan." - -"Als hij maar niet omslaat," zei Jacob Willemsz, die weer aan zijn -broer dacht. "Dat zou verschrikkelijk zijn." - -Opeens bemerkte hij op eenigen afstand Heyn Pomp, die ook naar het -vertrek van den Czaar was komen kijken. - -"Hola, Heyn, moet je den Czaar nog niet even gaan groeten?" vroeg -hij lachend. "Of heb je hem al gesproken?" - -Alle jongens schoten in den lach, want zij hadden er van gehoord, -hoe de Czaar hem tegen wil en dank eene kies had getrokken, wat zij -verbazend grappig vonden. - -En Heyn koos de wijste partij. Hij drong zich door het opgehoopte -volk heen en voegde zich bij hen. Lachend zei hij: - -"Ik ben in het geheel niet verlangend meer om den Czaar van nabij te -zien; hij is mij te hardhandig." - -Toen de boeier van den Czaar uit het gezicht verdwenen was, begaf -het volk zich langzamerhand naar huis, en de gewone stilte keerde -in Saardam's straten terug. Het verblijf van den Czaar was voor de -bewoners een zeer belangwekkend geval geweest, en het speet hun, -dat hij geen gevolg had gegeven aan zijn plan, om er den geheelen -winter door te brengen. Maar zij waren toch zeer vereerd met zijn -bezoek en stelden het op hoogen prijs. - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - -OP HET HEMVELD. - - -Een paar weken waren voorbijgegaan sinds het vertrek van den Czaar, -en reeds twee malen was hij in Saardam terug geweest. Den eersten -keer in het hartje van den nacht, op den 30en Augustus, dus slechts -enkele dagen na zijn vertrek. Hij kwam om zijne gereedschappen te -halen, want hij had te Amsterdam verlof gekregen om zich verder op de -Admiraliteitswerf in de praktijk van den scheepsbouw te oefenen. Aldaar -was hem ook een gebouw ten gebruike afgestaan. En den tweeden keer -was hij gekomen, om het overwinden van een schip te zien over den -Dam, waartoe hij door Sinjeur Calff uitgenoodigd was. Om te maken, -dat er bij die gelegenheid niet al te veel volk zou samenstroomen, -had men het gerucht uitgestrooid, dat de Czaar voor de uitnoodiging -had bedankt. De Vorst bekeek alles met de grootste belangstelling, -en hij deed dien dag ook nog een grooten inslag van gereedschappen, -welke hij zelf naar zijn boeier droeg. Twee dagen later kwam zijn -gevolg terug. Menzikoff kwam bij Gerrit Jansz. op het masten maken, en -Golofkin leerde bij Paulus Teeuwissen het bootenmaken. Eerst beklaagden -zij zich sterk over den ruwen arbeid, waartoe zij door hun gebieder -gedwongen waren, maar langzamerhand gewenden zij er aan. De Czaar kwam -hen dikwijls bezoeken in hun gebouw aan de Oostzijde, de Steenenkamer -genaamd, en dan bracht hij den avond meestal bij Sinjeur Calff door, -met wien hij zeer bevriend was. - -Zoo gingen de dagen voorbij, en nog altoos waren de Groenlandvaarders -niet teruggekeerd. - -Er heerschte groote droefheid in menig gezin, en ook in het eenvoudige -huisje van de weduwe Willemsz werden bange dagen doorgebracht. - -Dag-in en dag-uit klonk de vraag van de moeder, als Jacob binnenkwam: -"Nog geen tijding, Jacob!" - -"Niets, Moeder, totaal niets!" was dan het antwoord, en dan druppelden -groote tranen uit de oogen der moeder, en had Jacob moeite, om de -zijne te bedwingen. Soms stond hij op, en sloeg haar de armen teeder -om den hals, en dan kuste hij haar, zeggende: - -"Moederlief, houd toch goeden moed! Nòg hebben we geen zekerheid, -en alles kan nog ten beste keeren." - -Maar dan schudde zijne moeder ongeloovig het hoofd, en zuchtte: - -"Neen, kind, neen, 't is alles voorbij. Ik heb mijn lieveling verloren -en zal hem nooit wederzien. O, had ik hem toch niet laten gaan..." - -Zij werd stil en in zichzelf gekeerd, zoodat Jacob het zijn plicht -achtte, haar zooveel mogelijk gezelschap te houden. En dan spraken -zij samen altoos over Jan, en als zij dat niet deden, waren toch -hunne gedachten bij hem. - -Eens op een Zaterdag, een paar weken na het vertrek van den Czaar, -kwamen de jongens hem afhalen, om te gaan spelen. 't Waren zijne -gewone kameraden, met wie hij meestal omging: Nicolaas Calff, met -Castor natuurlijk, want die was altoos in zijn gezelschap, Dirk en -Teeuwis Rogge, Jan Gekeer, Aart Bloem, Cornelis Noomen en Ary Kist. - -"Jacob, ga je meê?" vroeg Nicolaas Calff. "We gaan naar het Hemveld." - -"Och," zei Jacob, "ik moest maar thuis blijven. Ik heb toch den -rechten lust niet in spelen." - -"Kom, ga meê!" zeide Ary Kist. "Toe maar. Je kunt toch altoos niet -in huis zitten?" - -Vrouw Willemsz keek haar zoon aan, en zeide: - -"Wel ja, kind, waarom zou je niet meêgaan? Ga gerust, als je maar -zorgt, op etenstijd thuis te zijn." - -Maar Jacob scheen niet veel lust te hebben, en zijn kleine zusje, -met wie hij aan het spelen was, toen de jongens hem kwamen halen, -riep hem toe: - -"Boer hier blijven. Ikke paadje jijden!" - -"Neen jongens," zei Jacob, "ik blijf maar liever thuis." - -Doch Ary Kist nam hem bij den arm, en trok hem naar buiten. - -"Gekheid," zei hij beslist, "jij gaat met ons meê. Dag buurvrouw!" - -Jacobs aarzeling was thans overwonnen, en nu hij eenmaal besloten was, -vond hij het toch wel prettig ook, om bij zijn makkers te zijn. In -het vuur van het spel vergat hij gewoonlijk zijn verdriet en werd -hij even vroolijk als altoos. - -"Waar zullen we heengaan? Naar het Hemveld, of naar Westzaan?" vroeg -Ary Kist. - -"Naar het Hemveld; dat is eenmaal afgesproken!" antwoordde Arent -Bloem, en zonder tegenspraak legden de andere jongens zich bij zijne -beslissing neer. Zij liepen den Hoogendijk af en bereikten weldra -het veld, waar zij dikwijls gingen spelen. Zij waren er zoo vrij als -de vogeltjes in de lucht, en konden er om zoo te zeggen doen, wat zij -verkozen. Het was een klein schiereiland, dat aan drie kanten begrensd -werd door het water van het IJ. Hoog riet groeide aan den oever, en -de jongens vonden er wel het een of ander, dat hun belang inboezemde. - -"Wat zullen we doen?" vroeg Ary Kist. "Verstoppertje?" - -Dat spelletje deden zij er dikwijls, omdat zij zich in het riet zoo -mooi konden verschuilen. - -Het voorstel vond algemeenen bijval. Cornelis Noomen plukte een handvol -grassprietjes en liet er ieder een trekken. Wie het langste sprietje -trok, moest zoeken. Jan Gekeer was de gelukkige. Hij moest zich in -een droge sloot afzonderen, om den anderen gelegenheid te geven, -zich te verschuilen. En ieder zocht een goed plaatsje op aan den -oever of in het hooge gras. - -Toen Jan meende, dat hij lang genoeg in zijn sloot had doorgebracht, -liet hij een langgerekt oe-oe-oe-oe! hooren, om de jongens te -waarschuwen, dat hij in aantocht was, en van verschillende kanten werd -zijn geroep op dezelfde wijze beantwoord. Een paal, op het midden -van het veld, was honk. Zoodra Jan iemand ontdekt had, moest hij -zijn naam roepen en eerder dan deze den paal trachten te bereiken, -want was de andere jongen hem voor, dan kon deze hem tikken, en moest -hij opnieuw zoeken. - -De jongens hielden zich doodstil, om hunne schuilplaats niet te -verraden. - -Jan Gekeer begaf zich eerst naar den paal, om van daar uit zijn -verkenningstochten te beginnen. Hij moest dat uiterst behoedzaam doen, -want liep hij een van de jongens voorbij, zonder diens schuilplaats -te ontdekken, dan kon deze opspringen en naar den paal snellen. In -dat geval had Jan het verloren. - -Hij bewoog zich stapje voor stapje, en speurde links en rechts. Het -minste geritsel kon hem eene schuilplaats van een der jongens verraden. - -Ha, daar bewoog zich iets in het lange gras. Jan stond stil en keek -uit, of hij geen hoofd boven de grashalmen zou zien verschijnen. Hij -wachtte geduldig, wetende, dat de jongen zich oprichten zou om te zien, -of Jan al ver genoeg van den paal verwijderd was, teneinde met hoop -op succes den wedloop te kunnen beginnen. - -Daar verscheen een hoofd behoedzaam boven de graspluimen, en nauwelijks -had Jan het gezien, of hij riep: - -"Ary Kist!" - -En tegelijkertijd snelde hij naar den paal terug. - -Zoodra Ary zich ontdekt zag, sprong ook hij op, om te trachten eerder -dan Jan den paal te bereiken, maar hij moest het verliezen. Ary werd -gevangen. Jan Gekeer kon veel harder loopen dan hij. - -'t Werd nu voor Jan gevaarlijker, want Ary Kist had er natuurlijk -belang bij, dat een van zijne makkers het won. In dat geval mocht -hij zich ook weer verschuilen. Hij trachtte dus zijn makkers te -waarschuwen, indien er gevaar dreigde. Was Jan nog dicht bij den -paal, dan riep hij: "Blijf! Blijf!" Maar waagde Jan zich iets verder, -dan klonk zijn raad: "Kom uit! Kom uit!" - -Jan was echter voorzichtig en vlug. Teeuwis Rogge, die op het geroep -van "Kom uit! Kom uit!" den wedloop gewaagd had, moest ook het -onderspit delven. Evenzoo ging het met Dirk Rogge, die het bijna van -Jan gewonnen had, toen hij plotseling struikelde en met zijn neus in -het lange gras terecht kwam. Jan kreeg gelegenheid het pleit te winnen. - -Eindelijk waren er nog maar twee jongens overgebleven, en het kon -Jan maar niet gelukken, hunne schuilplaats op te sporen. 't Waren -Nicolaas Calff en Jacob Willemsz. Zij hadden zich aan het uiterste -puntje van het Hemveld achter het hooge riet verborgen, en hielden -zich doodstil. Zij waren zoo diep mogelijk neergehurkt, en Castor lag -onbeweeglijk aan de voeten van zijn jongen meester. Hij gaf geen kik -en bewoog nauwelijks den kop, om Nicolaas even aan te kijken. - -'t Riet was op de plaats, waar zij zaten, verbazend hoog en dicht, en -'t zou Jan Gekeer moeilijk vallen, om hen op te sporen. Zij hadden -het plaatsje langs een kleinen omweg achter het riet om bereikt, -zoodat er geen spoor was, dat den verkenner den weg kon wijzen. - -Achter hen, bijna tegen hunne hielen, klotsten de golven van het -IJ, op welk breed water de beide knapen thans een prachtig gezicht -hadden. Er was eene drukke scheepvaart. Mooie boeiers passeerden -van en naar Amsterdam, bootjes, soms met zingende roeiers, voeren op -eenigen afstand voorbij, en fraaie tentjachten met voorname juffers -gleden statig langs hen heen. De jongens werden niet moede, er naar te -kijken. 't Riet vóór hen was zoo dicht, dat zij Jan Gekeer niet konden -zien aankomen. Zij wisten dan ook vooraf, dat zij verloren waren, -zoodra zij ontdekt werden, want dan had Jan wel zooveel op hen voor, -dat hij gemakkelijk het eerst den paal bereiken kon. - -Maar het geroep van hunne makkers: "Blijf! Blijf!" of "Kom uit! Kom -uit!" drong zeer duidelijk tot hen door. Zij stoorden zich echter -aan het een noch het ander, en bleven stil zitten. - -"Hij vindt ons hier nooit, denk ik," zei Nicolaas Calff. "'t Is -onmogelijk voor hem, om door het riet heen te kijken." - -"Neen, gemakkelijk zal hij ons niet vinden," meende Jacob. "Maar hij -is een slimmerd, en je bent hem niet gauw te vlug af. Hoort de jongens -eens roepen: "Kom uit! Kom uit!" Ik wed, dat ze allen al gesnapt zijn, -en dat het nog alleen om ons te doen is." - -"Best mogelijk," zei Nicolaas. "Hoor eens!" - -"Kom uit! Kom uit!" werd er thans weer met alle kracht geroepen, -zeker omdat Jan Gekeer zich zeer ver van den paal gewaagd had. - -"Toch blijven we zitten," zei Nicolaas. "We zitten hier best!" - -"Ja, dat is wel waar, maar zou ik niet eens gaan kijken, waar Jan -ongeveer is? Als hij den verkeerden kant uitgeloopen is, zouden wij -het kunnen wagen, om van wal te steken." - -"Niet doen, Jacob, niet doen! Laat hem maar zoeken. Hij vindt ons -nooit." - -De jongens hielden zich stil, en lieten weer hun blik over het IJ -glijden. Opeens sprong Jacob overeind, en driftig zijn makker bij -den arm grijpende, riep hij hem met hokkende stem toe: - -"Kijk daar eens, Nicolaas, kijk daar eens! Ginds komen de -Walvischvaarders terug!" - -Nicolaas was ook opgesprongen en keek naar een aantal schepen, dat -met volle zeilen naderde. - -"Ja," zei hij, "daar komen de Walvischvaarders terug." - -Hij vestigde vol medelijden zijn blik op zijn makker, die bijna met -zijn voeten in het water stond. De arme jongen wilde zoo dicht mogelijk -bij de schepen zijn, om dadelijk bericht te kunnen inwinnen omtrent het -Bonte Calff. Het ontging Nicolaas niet, dat Jacob doodsbleek zag. Deze -nam elk schip met de grootste nauwkeurigheid op, en mompelde eindelijk: - -"Het Bonte Calff is er niet bij." En hardop liet hij erop volgen: - -"Het gerucht heeft ons niet bedrogen, Nicolaas. Het Bonte Calff keert -niet terug." - -Groote tranen druppelden hem van het gelaat, en ook Nicolaas was -zeer ontroerd. - -De beide jongens hoorden niet eens, hoe hunne makkers luidkeels riepen, -om hen te waarschuwen: - -"Kom uit! Nicolaas en Jacob, kom uit!" - -Zwijgend stonden zij aan den oever, en tuurden naar de schepen, -die vlug naderbij kwamen. Zij konden de mannen op het dek reeds zien. - -"Kom uit! Jacob en Nicolaas, kom uit!" klonk het nogmaals achter -hen. Maar de jongens bleven als standbeelden staan, de oogen scherp -op de schepen gericht. - -"Het is zoo, Jacob," zei Nicolaas zacht, terwijl hij hem den arm op -den schouder legde, als om hem te troosten, "er is er een minder, -dan bij de uitvaart. Het Bonte Calff is vergaan, helaas!" - -"Jacob Willemsz en Nicolaas Calff!" klonk plotseling de stem van Jan -Gekeer, die hen eindelijk had gevonden. En vlug als de wind maakte hij -rechtsomkeer, om het eerst aan den paal te komen. Hij was overwinnaar, -en thans was de beurt om te zoeken aan een ander. - -Tot groote verwondering van de andere jongens bleven Jacob en Nicolaas -echter onzichtbaar. Jan Gekeer was al lang bij den paal terug, en -nog kwamen zij niet. - -"Ik heb ze toch eerlijk gesnapt!" zei hij. "Komt, ga jelui mede? Dan -gaan we kijken, waar zij blijven." Even later werd het lange riet op -zijde geduwd, en kwamen al de jongens op de punt van het schiereiland -bij elkander. - -"Waarom kom je niet?" vroeg Jan Gekeer. "Ik heb je eerlijk geroepen." - -Nicolaas antwoordde niet. Hij wees alleen op de naderende schepen. En -de jongens zagen, dat Jacob Willemsz doodsbleek zag, en dat hij -schreide. - -Zij hadden innig met hem te doen. Zwijgend telden ook zij de schepen, -en met deernis ontwaarden zij, dat er een minder was dan bij de -uitvaart. - -'t Was duidelijk: het Bonte Calff ontbrak. - -Er werd geen woord onder de jongens gesproken. Castor alleen maakte -wat leven, doordat hij eene rat had gezien, die hij gaarne vangen -wilde. Het beestje was hem echter te vlug af. - -De schepen kwamen al nader. De zeilen stonden bol, en de wind speelde -lustig met de wimpels. - -Opeens zei Ary Kist: - -"Luister eens, jongens! 't Is net, of ik op het voorste schip hoor -zingen." - -"Het voorste is de "Groenlander," zei Dirk Rogge. Hij herkende het -schip, omdat zijn vader het gebouwd had. - -"Stil,--laten we luisteren," zei Ary Kist. - -De jongens stonden onbeweeglijk. Inderdaad, er werd op de "Groenland" -een matrozendeuntje gezongen. Zij herkenden aan de wijs het lied, -hoewel zij de woorden niet konden verstaan. - -'t Luidde: - - - Matroosje, die de Zee bemint, - En kleine schatten overwint, - Die vaart naar 't Oosten en naar 't West, - En houd de warmte voor het best, - Daar moet men waters drinken, - Die wel stinken. - Zijt gij het warme land nu moe, - Zoo peurt eens meê naar Groenland toe, - Daar zult gij over vuilen stank, - Van 't stinkend water tot uw drank, - Noch over heete dagen - Niet veel klagen enz. - - -"Dat is gemeen, om te zingen, nu er zooveel menschen niet terugkeeren," -zei Ary Kist met verontwaardiging. - -"Dat is het ook," beaamde Arent Bloem, en de andere jongens waren -dat ook met Ary eens. Zij hadden thans dubbel met Jacob te doen, -wien dat zingen wel allerakeligst in de ooren moest klinken. - -Deze sprak geen woord. Hij staarde maar onophoudelijk naar het voorste -schip, gereed om dadelijk inlichtingen te vragen, zoodra het dicht -genoeg genaderd zou zijn. - -"Jongens, 't kan wel een goed teeken zijn," sprak Nicolaas Calff. "Ik -kan niet gelooven, dat zij zingen zouden, als daartoe geen reden -bestond." - -"'t Is mogelijk," zei Ary Kist. "Maar ik geloof er niet veel van. Hoor -eens aan, 't schijnt wel een algemeen gezang. De heele bemanning zingt, -geloof ik, meê." - -Jacob stond te trappelen van ongeduld. Hij voelde niet eens, dat het -water hem af en toe over de voeten stroomde. Ha, eindelijk was het -voorste schip dicht genoeg genaderd, om het te kunnen beschreeuwen. - -Hij hield zijn handen bij wijze van trompet om den mond, en riep uit -alle macht: - -"Hallo! Hallo!" - -De mannen op het dek merkten de jongens op, en wuifden hun toe. Maar -zij gingen voort met zingen, en hoorden niet, wat Jacob hun toeriep. - -Het schip voer voorbij, en het tweede naderde. Maar ook daar klonk -een lustig lied. De mannen gaven uiting aan hun vreugde, nu zij de -groote reis achter zich hadden en het geliefde Saardam voor zich -zagen oprijzen. - -Opeens greep Nicolaas driftig zijn vriend Jacob bij den schouder en -schudde hem krachtig heen en weer. - -"Jacob! kijk eens,--kijk eens. Bedrieg ik mij, of--is dat--o hemel, -ik durf het haast niet zeggen,--kijk, daar in het vierde schip.--Wie -klimt daar in den mast, en wuift ons toe met zijne muts? Ja--Ja, -hemel, Jacob, zie je 't dan niet--dat is toch Jan,--dat is toch -Jan,--dat is toch Jan!" - -En Nicolaas beefde van vreugde, terwijl hij die woorden gejaagd -uitsprak. - -Alle jongens vestigden hun blik op het vierde schip. Daar klom -inderdaad een jongen halverwege den mast in, en wuifde hun vandaar -toe met zijne muts. - -"'t Is hem!--'t Is hem!" riep Teeuwis Rogge. - -"'t Is hem vast en zeker!" schreeuwde Ary Kist. "Jacob, zie je 't? 't -Is Jan, zoowaar als ik leef!" - -Hij nam zijne muts van het hoofd en zwaaide er lustig -mede. "Hoezee! Hoezee! Hoezee!" riep hij Jan toe. En alle jongens -volgden zijn voorbeeld. - -"Hoezee! Hoezee! Hoezee!" - -Alleen Jacob wuifde niet. Hij lachte en schreide tegelijk en strekte -de beide armen naar Jan uit. O, hij wist het nu zeker: 't was Jan, -zijn broer. Zonder nadenken stapte hij een paar schreden voorwaarts, -alsof hij hem in de armen wilde drukken,--en nog voelde hij in de -vreugde zijns harten niet, dat hij druipnatte voeten kreeg. - -"Jan!--Jan!" riep hij dankbaar en verheugd uit. - -"Hoezee! Hoezee! Hoezee!" klonk het achter hem. En zijne makkers -trokken hem bij den arm terug, en zeiden lachend: - -"Wou je naar hem toe zwemmen, Jacob? Kom mede, laten we naar Saardam -terugkeeren, en het je Moeder vertellen." - -"Ja, ja, en de andere menschen, die ook zoo in spanning hebben verkeerd -over hunne mannen," zei Nicolaas. "Wat zullen zij blijde zijn!" - -"Ja, ik ga meê," sprak Jacob. Maar eerst riep hij met inspanning van -al zijn krachten: - -"Dag Jan! Dag Jan!" - -En hij wuifde hem toe met de hand. - -Een huivering van geluk doorvoer hem, toen hij duidelijk de woorden -hoorde: - -"Dag Jacob! Tot straks!" - -Nog eenmaal zwaaide hij met zijne muts, en toen ijlde hij met zijne -makkers naar Saardam terug. De jongens konden hem bijna niet bijhouden, -maar Castor sprong vroolijk blaffend voor hen uit. - -Zij kwamen vele menschen tegen, want in Saardam was de komst van de -walvischvaarders reeds opgemerkt, en men liep de schepen tegemoet, om -te hooren, hoe het met de bemanning van het Bonte Calff was afgeloopen. - -"De schepen komen!" riepen de jongens hun toe. "En de bemanning van -het Bonte Calff is gered!" - -Die blijde boodschap verkondigden zij wel honderdmaal, en tegen -iedereen, die haar hooren wilde. En van mond tot mond ging de tijding: - -"De bemanning van het Bonte Calff is gered." Groote vreugde heerschte -in menig huis, waar enkele oogenblikken geleden nog heete tranen -werden geschreid. Ja, heel Saardam verkeerde in feeststemming. - -Jacob had spoedig den Lagen Horn bereikt. Hij wierp de deur van zijn -huis open en stormde naar binnen. - -"Moeder, Moeder!" riep hij hijgend, want hij was bijna geheel buiten -adem van het harde loopen. "Moeder, de vloot keert terug!" - -Maar opeens bedacht hij, dat hij voorzichtig moest wezen. De groote -vreugde kon zijne moeder wel eens gevaarlijk worden. - -Zij keek hem ontroerd in het roode gelaat, en zag, hoe zijne oogen -glinsterden van vreugde. - -"De vloot keert terug," mompelde zij zacht. Hare handen beefden en -hare lippen trilden. - -"Ja, Moeder,--en o, ik ben zoo blij!" zei Jacob, die in de vreugde -zijns harten zijne Moeder omhelsde en haar innig kuste. Zacht -fluisterde hij haar toe: - -"O, Moedertje, wat een geluk. De bemanning van het Bonte Calff -is gered!" - -"Gered?" stamelde de weduwe. Zij vouwde de handen samen, en keek haar -zoon ongeloovig aan. "Gered? Jacob,--weet je dat zeker?" - -"Ja, Moeder, ik weet het zeker. Ik heb Jan gezien, Moeder, hij heeft -mij gegroet. O, wat heb ik hard geloopen, om het u spoedig te komen -zeggen..." - -Zijne Moeder was buiten zichzelve van vreugde, en zij moest op een -stoel plaats nemen, om niet te vallen. Ook zij lachte en weende -tegelijk, en zij dankte den Heer des Hemels voor de redding van -haar kind. - -Jacob nam intusschen dol van blijdschap zijn zusje bij de twee handjes, -en sprong met haar de kamer rond. - -"Zus,--straks komt broer Jan! Straks komt broer Jan!" riep hij haar -telkens toe. - -En zus vond dat dansen en springen wat aardig, nog veel aardiger dan -het bericht, dat Jan spoedig thuis zou komen. Het kleine ding was -haar broer Jan al bijna vergeten. - -Opeens stond de weduwe op. Zij nam kleine zus in de armen en sprak: - -"Kom zus, wij gaan broer Jan halen. Kom, ik moet hem zien, ik moet -hem zien. Hier houd ik het niet uit." - -Moeder, zoon en dochter verlieten het huisje, en begaven zich naar den -Zuiddijk, waar de walvischvaarders spoedig zouden aankomen. Wat stond -het daar al vol menschen, allen in druk gesprek over de heugelijke -tijding, dat de bemanning van het Bonte Calff gered en behouden -binnengekomen was. Vreugde stond op ieders gelaat te lezen. - -Toen de weduwe Willemsz met haar beide kinderen naderde, weken de -menschen voor haar op zijde, om haar door te laten, en iedereen had -een vriendelijk woord en een gelukwensch voor haar over. Hoe verheugde -men zich ook over het geluk van deze arme vrouw. - -Daar kwamen de schepen aan. De zeilen werden gestreken. De bemanning -werd door honderden armen het welkom toegewuifd. - -Mannen en vrouwen verdrongen elkander, om het dichtst bij den wal -te komen. - -De booten werden uitgezet, en de walvischvaarders stapten weldra -aan land. - -Ook Jan betrad weer den vaderlandschen grond, en hij wierp zich in de -uitgebreide armen zijner moeder. 't Was eene omhelzing, waaraan bijna -geen einde kwam. Telkens en telkens weer kuste zij den doodgewaanden -zoon, telkens en telkens weer drukte zij hem vurig aan haar hart. Toen -kwam Jacob aan de beurt, en kleine zus, en even later ontmoetten zij -de jongens, die met Jacob op het Hemveld waren geweest. - -Wat werden er handen gedrukt! Wat klonk er een luid en hartelijk -gemeend: "Hoezee, Hoezee!" ter eere van Jan. In optocht brachten zij -hem naar het welbekende huisje op den Lagen Horn. - -'s Avonds kwamen daar nog Sinjeur en Juffrouw Calff om Jan te begroeten -en de weduwe geluk te wenschen met de behouden terugkomst van haar -kind. En Castor, die met zijn meester medegekomen was, herkende Jan, -en likte hem kwispelstaartend de handen. - -Wat had Jan dien avond veel te vertellen! En hoe luisterden allen -naar zijn verhaal van het vergaan van het Bonte Calff. - -"Wij hadden juist een buitengewoon grooten walvisch geflenst," zoo -vertelde hij, "toen er een zeer harde wind uit het Oosten opstak, -die het schip geheel met ijs bezette, en toen de schotsen braken door -de holle zee, kregen wij het kwaad te verantwoorden. De ijsschotsen -schuurden langs het schip met een verbazend geweld, en soms werd het -dek er haast onder begraven. Dat gebeurde telkens als er een stortzee -kwam. De Commandeur gelastte om de voorzeilen los te maken, met het -doel om dieper in het ijs te zeilen, waar de zee altoos kalmer is. Maar -door het kruien van het ijs was het roer uit zijne vingerlingen -gerukt en hing dwars boven het water. 't Was dus onbruikbaar, en de -Commandeur trachtte thans het schip in den rechten koers te houden -door met de schooten en brassen te sturen. Het schip werd met den -ondergang bedreigd, want het ging juist den verkeerden kant op, met -den kop naar de open zee. De ijsschotsen, de groote wel te verstaan, -werden zoo heftig op en neer bewogen, dat zij soms tot aan de rusten -van het schip reikten. Toen maakte de schrik zich van een deel der -bemanning meester en zij sprongen over boord, op de schotsen, met het -doel een groote schots te zoeken, waarop zij eenigen tijd drijvende -konden blijven. Wel een vijf en twintig man verliet ons..." - -"En jij?" vroeg Sinjeur Calff, "was jij ook onder die vluchtelingen?" - -"Neen Sinjeur," sprak Jan, "ik bleef bij den Commandeur, die alles -deed, om het schip te redden." - -"Die lafaards!" zei Jacob verontwaardigd. "'t Was hun plicht, den -Commandeur getrouw te blijven." - -"Juist, dat was het zeker," sprak Sinjeur Calff. "En Jan heeft goed -gehandeld. Vertel verder, Jan." - -"Wij zagen de mannen kruipen van de eene schots op de andere, die -heftig op de golven werden bewogen. 't Is een wonder, dat geen van -hen er afgegleden en verdronken is. Vier- en twintig uur hebben zij -eindelijk op een groot ijsveld doorgebracht, niet wetende, waarheen -het lot hen voeren zou. - -Intusschen zetten wij het marszeil op, hopende door krachtig zeilen -de schotsen te doen wijken. Maar op eene voorbijdrijvende schots brak -de loefmarsschoot aan stukken, waarop het schip tegen de buitenste -schots aandraaide zoodanig, dat de geheele zijde inweek. Het Bonte -Calff dreef zeewaarts, geheel overzijde hangende, en de Commandeur -begreep, dat het spoedig zou omslaan, en op de ijsbergen te pletter -loopen. Hij gebood ons daarom in de sloepen te stappen, die gereed -hingen om dadelijk over boord gezet te worden. - -Dat bevel werd uitgevoerd. Wij verlieten het schoone vaartuig met een -gevoel, of wij onzen besten vriend hadden verloren, en we hebben het -niet weer terug gezien. Later zagen we er het wrakhout van drijven. - -Toen wij in de sloepen hadden plaats genomen, kwam er eene geduchte -sneeuwjacht, zoodat we geen handbreed voor ons konden uitzien. Elk -oogenblik liepen we gevaar om te slaan, en we zagen niets anders dan -den dood voor oogen. - -Gelukkig,--eindelijk bedaarde de sneeuwstorm, de lucht klaarde op, -en wonder boven wonder, dicht bij ons dreven op eene groote ijsschots -de mannen, die van ons weggevlucht waren. Wij voegden ons bij hen en -trokken de sloepen op de schots. Nog anderhalf etmaal dreven wij toen -op Gods genade voort, uitziende naar redding. - -Eindelijk waagde de Commandeur het niet langer. Hij gebood de sloepen -weer in zee te brengen, en stapte aan boord. - -"Mannen!" sprak hij ernstig, "die mij en zijn leven lief heeft -volge mij!" - -Allen gehoorzaamden, en wij staken af met een beklemd hart. Maar na -twaalf uur omzwervens ontdekten wij een schip. 't Was de "Vrede," -onder Commandeur Parshout, waar we met de grootste vriendelijkheid -werden opgenomen. Maar ik durf zeggen, dat we bange uren en dagen -hadden doorleefd." - -"Goddank, dat alles nog zoo goed afgeloopen is!" zei Juffrouw Calff, -terwijl zij de weduwe Willemsz de hand drukte. "Er is geen enkel -menschenleven bij verloren gegaan. Wij hebben zeer groote reden tot -dankbaarheid." - -"En wat is nu je plan voor de toekomst, Jan?" vroeg Sinjeur Calff. "Zit -de schrik er in voor eene volgende reis?" - -"Allerminst, Sinjeur," was het antwoord, "ik wensch niets liever dan -mij bij een volgende vaart opnieuw te laten aanmonsteren. Dat deze -reis ongelukkig geweest is, behoeft nog geen reden te zijn, om een -goed vak vaarwel te zeggen. Ik ga weer meê, Sinjeur." - -"Goed gesproken, Jan," zei de koopman, "doch niet meer als -kajuitsjongen, maar als stuurmansleerling. De Commandeur heeft mij -gezegd, dat je den stuurman nu reeds van veel dienst zijt geweest, -en dat je je een ijverig leerling hebt betoond. Over een jaar of -drie hoop ik je stuurman Jan Willemsz te noemen, en binnen een niet -te groot tijdsverloop Commandeur. Hier heb je mijn hand er op!" - -Jan drukte die met groote dankbaarheid. Hij was er van overtuigd, -dat een gulden toekomst hem wachtte. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - -BESLUIT. - - -Sinjeur Calff heeft in alle opzichten woord gehouden. Toen Jan drie en -twintig jaar oud was, betrad hij voor de eerste maal het dek van een -nieuw schip als Commandeur, en hij heeft altoos gelukkig gevaren. Zijne -verdiensten waren toen zoo groot, dat hij zich een flink huis kon -doen bouwen aan de Westzijde, waar hij met zijne moeder en zuster -zijn intrek nam. Toch kon hij van het hem lief geworden huisje op -den Lagen Horn niet geheel afstand doen. Hij kocht het voor eene -kleine som van den eigenaar, en heeft het tot aan zijn dood in eere -gehouden. Voor zijn goede moeder waren de bange dagen voorbij. Jan -heeft haar leven lang voor haar gezorgd, en haar met de bewijzen -zijner teederste liefde omringd. - -Daarbij stond zijn broeder Jacob hem naarstig ter zijde. Nadat deze -geruimen tijd op het kantoor van Sinjeur Calff had gewerkt, maakte -hij eenige reizen over de groote zee mede, en werd eindelijk kapitein -op een koopvaarder. Hij dreef handel in alle zeeën, en kwam later nog -dikwijls in Rusland, waar hij de eer had, den Czaar meermalen te zien -en te spreken. - -De Czaar bleef den geheelen winter te Amsterdam arbeiden op de -Admiraliteitswerf, waar de toegang voor het publiek verboden was. De -regeering der stad bewees hem veel eer en richtte zelfs groote feesten -aan. Onder anderen werd te zijner eer een groot spiegelgevecht gehouden -op het IJ. - -Toen hij vernam, dat de Walvischvaarders uit de Noordelijke IJszee -waren teruggekeerd, spoedde hij zich dadelijk naar Saardam, om de -schepen te gaan bezichtigen. De Commandeurs lieten alles gereed maken, -om den Czaar te laten zien, hoe het bij de Walvischvangst toeging. Op -een gegeven oogenblik hield men zich of er een visch te zien was, -en de Commandeurs bevalen: "Val! Val!" - -Op deze woorden sprongen de matrozen in de sloepen, de harpoeniers -plaatsten zich op de plecht met den harpoen in de hand, en met forsche -slagen verwijderde men zich van boord. - -Dit alles ging zoo snel en geregeld in zijn werk, en elk man wist -zoo precies de plaats, waar hij wezen moest, dat de Czaar er luide -zijne bewondering over te kennen gaf. - -Toen hij vernam, dat het Bonte Calff inderdaad vergaan, maar de -bemanning gered was, begaf hij zich naar Jan Willemsz en drukte hem -de hand. - -"Ik jou broer ook wel ken," zei de Czaar lachend. "Jij niet -verdronken!" - -"Gelukkig niet, Majesteit," zei Jan flink, terwijl hij den Czaar open -en zonder verlegenheid aankeek. - -"Jij een flinke knaap bent," sprak de Czaar. "En ik heet niet -majesteit, maar Pieterbaas." - -De Czaar verwijderde zich en keerde weldra met zijn boeier naar -Amsterdam terug. Doch nog heel dikwijls bezocht hij zijne vrienden -te Saardam, bij wie hij zeer gaarne vertoefde. Vooral bij Sinjeur -Calff kwam hij graag. - -Toen het galjoot, waaraan de Czaar te Amsterdam arbeidde, klaar was, -werd dit met groote plechtigheid door het Stadsbestuur aan den Czaar -ten geschenke aangeboden, waarmede de Vorst bijzonder vereerd was. Hij -benoemde zijn boeierknecht Musch tot kapitein en liet het naar Rusland -voeren, waar hij het levenslang in groote eere gehouden heeft. Zelfs -nog lang na zijn dood werd het daar bewaard. - -Eindelijk verliet de Czaar ons land en begaf zich naar Engeland. Dat -gebeurde op 18 Januari 1698. Maar op den 21en Mei van dat jaar kwam hij -te Saardam terug, thans om afscheid te nemen van zijne vrienden. Hij -bracht den avond feestelijk door ten huize van Sinjeur Calff, en gaf -zijne groote tevredenheid te kennen over alles, wat hij daar gezien -en geleerd had. - -Eindelijk keerde hij naar zijn land terug, en hij legde daar den -grondslag voor de latere macht van het groote Russische rijk. Hij -was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht, -waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de beschaving der -andere Europeesche volkeren deelachtig te doen worden. Wel stuitte -hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet, -maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde -hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte eene oorlogsvloot, verbeterde -de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den -adel en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den -bouw van eene nieuwe stad, eene stad, die aan zee gelegen, voorbestemd -was om de hoofdstad van zijn rijk te worden. 't Was Sint-Petersburg. - -Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat -deze nieuwe plaats aandeed. Hij voer het schip tegemoet en vroeg, -of er een loods noodig was. Toen hierop toestemmend geantwoord werd, -klom hijzelf aan boord en loodste het schip behouden binnen. Wie -beschrijft de verbazing der mannen, toen zij 's avonds bij den Czaar op -een feest genoodigd, bemerkten dat de loods en de Czaar dezelfde waren. - -Hij gaf de bemanning groote geschenken: de kapitein kreeg 500 dukaten, -ieder bootsgezel 300 daalders. Bovendien werd den kapitein nog bij -elk volgend bezoek 100 roebels beloofd. Het schip zelf kreeg den -naam St.-Petersburg, en er werden verschillende voorrechten aan -toegekend. Men heeft er dientengevolge meer dan vijftig jaar mede -gevaren. Nicolaas Calff heeft er verscheidene reizen mede gemaakt, -en werd telkens door den Czaar als een vriend ontvangen. Zelfs Castor -ging soms mede. - -Eenige jaren later, op den vijfden Maart 1717, heerschte er wederom -eene groote drukte te Saardam. - -Geen wonder waarlijk. De Russische Czaar bezocht toen voor de tweede -maal de hem zoo lief geworden plaats; thans niet meer als de Keizer -van een ruw volk, dat geen plaats verdiende in de rij der Europeesche -staten, maar als de Czaar van een machtig rijk, dat met reuzenschreden -op den weg der beschaving was vooruitgegaan en zich onder de machtigste -rijken van Europa eene plaats veroverd had. - -Czaar Peter had zijn verlangen te kennen gegeven, op zijn -koopmans ontvangen te worden. Hij wenschte ook nu geen Majesteit te -heeten. Zijne gemalin vergezelde hem op dezen tocht. Ook zij moest het -land zien, dat hij als de wieg zijner grootheid erkende. Hij begaf -zich dadelijk naar het huis van Sinjeur Calff, waar hij gewoon als -Pieterbaas begroet werd, en hij gaf zijn verlangen te kennen, ook nu -weder verschillende molens en fabrieken te bezichtigen. Dat er zooveel -volks te zamen gestroomd was, om hem te zien, scheen hem dezen keer -in het geheel niet te hinderen. Ja, hij draaide zich zelfs lachend om -en om, ten einde gelegenheid te geven, hem aan alle zijden te bekijken. - -Toen zij van hun tocht weer ten huize van de familie Calff waren -teruggekeerd, vroeg hij: - -"Hoe gaat het met Gerrit Kist?" - -"Heel goed, Pieterbaas," was het antwoord van Sinjeur Calff. "Hij -werkt hier dichtbij in eene smederij." - -"Laat hem halen," sprak de Czaar. "Ik wensch hem nog eens te zien." - -Er werd dadelijk een bode afgezonden, om Kist het verlangen van den -Czaar te berichten, maar Kist antwoordde, terwijl hij nijdig met zijn -voorhamer op het gloeiende ijzer sloeg: - -"Ik geef den brui van den Czaar; hij is mij nog huur schuldig." - -De Czaar lachte er smakelijk om, toen hij dit vernam, en vergezeld van -een der Edelen uit zijn gevolg, begaf hij zich naar de smederij. Hij -drukte Kist de hand, en verzocht hem mede te gaan naar het huisje -op het Krimp, dat hij nog gaarne eens wilde zien. Kist deed het, -en de Czaar betrad weldra het eenvoudige gebouwtje, waarin hij als -timmermansknecht had vertoefd. Hij liep het geheele huisje door, -en bezag de oude slaapstede, alsmede het kamertje, waar hij gewoon -was te bidden. Hij nam zelfs een kijkje op den zolder, en vertoefde -in het gebouw wel een half uur lang, tot groote vreugde van Ary, -die zijn werk op de scheepstimmerwerf van Lijnstbaas Rogge in den -steek gelaten had, om den Czaar nog eens te ontmoeten. - -Toen de Vorst vertrok, betaalde hij Kist rijkelijk, wat deze van hem -moest hebben, en gaf hem zelfs een zilveren beker ten geschenke als -een gedachtenis aan zijn verblijf. - - - -Hiermede is dit verhaal ten einde. - -Dat het huisje van Kist nog te Saardam aanwezig is en jaarlijks door -duizenden vreemdelingen wordt bezocht, is algemeen bekend. 't Is met -zware balken gestut, om het voor instorten te behoeden, en men houdt -het zorgvuldig in denzelfden staat van tweehonderd jaren geleden. Zelfs -de meubels zijn dezelfde gebleven. - -Het behoort thans aan den Czaar van Rusland, die het in hooge eere -houdt, ongetwijfeld omdat het een onwedersprekelijk getuigenis aflegt -van de waarheid dezer woorden: - -"Niets was den grooten man te klein." - - - - - - - - -NASCHRIFT. - - -Bij de verschijning van dit boek is het mij een aangename plicht, -mijn hartelijken dank te betuigen aan den Heer G. J. HONIG, den op -het gebied der Zaanlandsche Historie bekenden Bibliothecaris van -de Zaanlandsche Oudheidkamer te Zaandijk. Deze toch heeft mij niet -alleen met de grootste welwillendheid uit zijne boekerij de noodige -bronnen verschaft, om mij voor het schrijven van dit boek te kunnen -voorbereiden, maar mij tevens na de lezing van het handschrift -opmerkzaam gemaakt op een tal van kleinigheden, die toch voor de -juiste behandeling van mijn onderwerp van het grootste belang waren, -en waarvan ik een dankbaar gebruik heb gemaakt. Hij heeft mij daardoor -in de gelegenheid gesteld, werkelijk historische personen ten tooneele -te voeren en hunne lotgevallen naar waarheid te vermelden. Ook de -jongens, die in dit verhaal voorkomen, hebben voor het meerendeel -geleefd, doch hunne lotgevallen berusten op fantasie. Echter niet -geheel, want ook daarbij heb ik het gebeurlijke niet uit het oog -verloren. De wonderbare redding b.v. van Nicolaas Calff is geput uit -Het Boek der Opschriften van Mr. J. van Lennep en J. ter Gouw, zie -het tweede deel, bldz. 163. Ook wat Jacob Willemsz. den Commandeur -Jonge Kees navertelt, is historisch, terwijl bij de beschrijving -van het vergaan van het Bonte Calff het verzinken van het schip de -Bleeker in 1670 tot exempel heeft gediend. - -De volgende werken zijn door mij geraadpleegd: - - - J. Honig Jsz. Jr. Studiën. - J. Honig Jsz. Geschiedenis der Zaanlanden. - A. Loosjes. Zaanlandsche dorpen. - F. Martens. Vojagie naar Groenland en Spitsbergen. - C. G. Zorgdrager. Bloeyende opkomst der Groenlandsche Visscherij. - G. J. Honig, Pieter Michaeloff, een tooneelstuk, dat opgevoerd - is te Zaandam bij gelegenheid van de Czaar-Peter-feesten in 1897. - - -C. JOH. KIEVIET. - - - - - - - - -INHOUD. - - - Blz. - In het huisje aan den Lagen Horn. 9 - Een hevig gevecht en een groot ongeluk. 31 - Een vergeefsche tocht en eene wonderbare redding. 56 - Het Bezoek van Sinjeur Calff, en de gevolgen daarvan. 78 - Een vreeselijk gerucht, eene spookhistorie en een - vreemd bezoek. 97 - Hoe nieuwsgierig de Saardammers waren. 123 - Allerlei geruchten.--Heyn Pomp wordt nog nieuwsgieriger. 144 - In den barbierswinkel, bij den Dam, en ten huize van - Sinjeur Calff.--Heyn Pomp krijgt den Czaar te zien. 164 - "Te veel Volks." 192 - Op het Hemveld. 205 - Besluit. 229 - Naschrift. 237 - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Diezak = dijzak. - -[2] Aldus schrijft de Heer Jacob Honig Jzn. Junior, in zijn bekend -werk: Geschiedenis der Zaanlanden, 2e deel. - - - - - - -End of Project Gutenberg's Jongens van Oudt-Holland, by C. Joh. Kieviet - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JONGENS VAN OUDT-HOLLAND *** - -***** This file should be named 55820-8.txt or 55820-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/5/8/2/55820/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
