summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/55820-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/55820-8.txt')
-rw-r--r--old/55820-8.txt6254
1 files changed, 0 insertions, 6254 deletions
diff --git a/old/55820-8.txt b/old/55820-8.txt
deleted file mode 100644
index d2dba76..0000000
--- a/old/55820-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6254 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Jongens van Oudt-Holland, by C. Joh. Kieviet
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-
-
-Title: Jongens van Oudt-Holland
-
-Author: C. Joh. Kieviet
-
-Illustrator: Joh. Braakensiek
-
-Release Date: October 26, 2017 [EBook #55820]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JONGENS VAN OUDT-HOLLAND ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- Kieviet's Geïll. Historische Bibliotheek.
-
-
- JONGENS VAN OUDT-HOLLAND
-
-
- Door
-
- C. JOH. KIEVIET.
-
- Derde Druk.
-
- Met illustraties van JOH. BRAAKENSIEK.
-
-
- AMERSFOORT
- VALKHOFF & Co.
-
-
-
-
-
-
-
-
-Er bestaat over het verblijf van Czaar Peter den Grooten te Zaandam
-reeds een uitgebreide litteratuur. De Heer Jac. Scheltema, die
-als vrederechter in deze stad heeft gewoond, vond er belangrijke
-aanteekeningen door den Zaandammer lakenkoopman en vroedschap Jan
-Cornelisz Noomen over dat verblijf bijna dagelijks genoteerd, en
-hij gaf toen in de jaren 1814 en 1817 belangrijke werken over Czaar
-Peter en over Rusland in betrekking tot de Nederlanden in het licht,
-die door hunne nauwkeurigheid en historische waarheid veel verschilden
-met de fantastische verhalen van vroegeren tijd. Zoover mij bekend is,
-bestaat er echter nog geen uitgebreid verhaal over dit onderwerp voor
-jeugdige lezers.
-
-De Heer Kieviet, de bekende schrijver voor de jeugd, heeft deze taak
-op zich genomen, en verzocht mij het verhaal eens door te lezen vóór
-het ter perse ging. Ik heb het met zeer veel genoegen gedaan en mij er
-in verheugd, dat de bijzonderheden van het verblijf van den Czaar te
-Zaandam zoo nauwkeurig zijn medegedeeld, terwijl het niet anders kan,
-of het voor het licht brengen van de Groenlandsche visscherij geeft
-aan het geheel een meer locale kleur. De walvischvaart, die sedert
-jaren niet meer in Nederland wordt uitgeoefend, was eenmaal voor
-de Nederlandsche Provinciën een zeer belangrijke tak van handel,
-die duizenden menschen werk verschafte en waarvoor velen zich
-interesseerden. Vooral in de Zaanlanden werden tal van schepen ter
-walvischvangst uitgerust en vonden velerlei ambachten en neringen
-daardoor een grooten steun. Het kan niet anders of de jongens van
-het oud-Zaandam voelden zich tot de avontuurlijke reizen naar het
-Noorden aangetrokken. De in dit verhaal genoemde jongens hebben voor
-het meerendeel in dien tijd geleefd, maar zij waren in dat jaar
-van 1697 iets jonger of ouder. Het is een der voorrechten van den
-romanschrijver, dat hij den leeftijd van de optredende personen mag
-pasklaar maken voor zijn geschiedkundige werken. Zoo was Arend Bloem,
-die een zoon was van Burgemeester Claas Arendsz. Bloem, geboren in
-het jaar 1678 en zag Nicolaas Calff in 1677 het levenslicht. Beide
-jongelui waren dus reeds 20 jaren. Vooral Nicolaas Calff werd een
-bijzonder bekend en bemind burger te Zaandam: hij stond aan het hoofd
-van een groot handelshuis, en was ook een beoefenaar van kunsten en
-wetenschappen. Hij heeft veel gereisd, Duitschland, Frankrijk, Spanje
-en Italië bezocht, en een menigte kunstvoortbrengselen en antiquiteiten
-zijn door hem verzameld op zijn fraaie buitenplaats Polanen bij Halfweg
-Haarlem. De eigenaar van de scheepswerf, waarop Czaar Peter gewerkt
-heeft, Lijnst Tewisz. Rogge was in 1697 nog een jonge man; zijn 4
-zonen waren toen òf nog zeer jong òf nog niet geboren. Cornelis
-Gerritsz. Jongekees, de man onder den Beer, die de jongens zijn
-avontuur bij Groenland vertelt, was reeds in 1677 overleden.
-
-Het verblijf van Czaar Peter in Holland en te Zaandam is voor de
-Nederlandsche gewesten een belangrijke episode geweest. De energieke
-vorst bracht daarmede een eeresaluut aan de groote nijverheid en
-handel van het oude, kleine Holland.
-
-Nog steeds is het voor het nageslacht welgevallig met de gedachte zich
-in het gouden tijdperk onzer historie te verplaatsen, en het kan niet
-anders, of bij jongelieden wordt dan de lust opgewekt tot navolging
-van de daden der voorvaderen. Boeken als Jongens van Oudt-Holland
-van den Heer Kieviet werken daartoe zeker mede!
-
-
-G. J. HONIG.
-
-Zaandijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-IN HET HUISJE AAN DEN LAGEN HORN.
-
-
-Van een klein huisje, gelegen aan den Lagen Horn in het dorp
-West-Saardam, werd de deur geopend, en een jongen trad met een bedrukt
-gezicht naar buiten. Zijn houding getuigde van onwil, en hij scheen
-niet dan noode te voldoen aan een hem opgedragen last. Langzaam en
-weifelend trok hij de deur achter zich dicht.
-
-'t Was een zeer armoedig gekleede knaap. Zijn wambuis en korte
-broek waren tot op den draad versleten, en zijne muts getuigde van
-langdurigen dienst. Er behoefde niet aan getwijfeld te worden, of er
-werd onder het strooien dak van het nederige stulpje, dat hij zooeven
-verlaten had, armoede geleden, misschien wel bittere armoede.
-
-De jongen had nog geen vijf schreden afgelegd, of hij bleef staan,
-knipte driftig met de vingers, stampte met zijn voet op den grond,
-en mompelde:
-
-"Ik doe het niet,--ik schaam mij er voor, en 't helpt toch niet ook!"
-
-Hij keerde op zijne schreden terug, opende de deur, en riep half
-knorrig, half smeekend naar binnen:
-
-"Moeder,--ik doe het niet,--ik wil niet, hoor! En 't is moeite voor
-niets bovendien, want hij geeft het toch stellig niet."
-
-De jongen stond nu in een klein portaaltje, waarin eene deur toegang
-gaf tot de kamer.
-
-Deze deur werd thans geopend, en een bleek, vermoeid vrouwenhoofd werd
-zichtbaar. Zij zag er zwak en lijdend uit, en de zorg had haar diepe
-rimpels op het voorhoofd gegroefd. Haar jak, stijf om het lichaam
-sluitende, zooals toen de algemeene dracht was bij de Saardamsche
-vrouwen, was al even armelijk als de kleederen van den knaap, maar ook
-evenals deze knap en zindelijk. Het hulletje, dat haar hoofd bedekte,
-was hagelwit en keurig netjes.
-
-Zij opende de deur geheel, en zag haar jongen verdrietig en met een
-diepen zucht aan.
-
-"Toe Jan, toe m'n jongen, probeer het nog maar eens. We hebben niets
-in huis voor een middagmaal..."
-
-"Ja, Moeder, dat weet ik wel,--en ik vind het treurig genoeg voor u,
-Moeder,--maar Geurt Jansz wil niet meer borgen. Gisteren heeft hij
-mij gezegd, dat het voor de laatste maal was. Moeder, en... en..."
-
-"En...? Wat wou je zeggen, kind?"
-
-"En moeder, hij liet mij den vollen kerfstok zien, waar geen streepje
-meer bij kon, en hij zei, dat u eerst eens betalen moest. O,--dat er
-ook zoovele andere menschen bij moesten staan! Ik schaamde mij bijna
-dood, Moeder, en ik nam mij vast voor, liever van honger te sterven,
-dan nog eens zoo ten spot van anderen te staan."
-
-De vrouw deed moeite om een traan, die in haar oog opwelde, te
-onderdrukken en voor haar zoon te verbergen.
-
-"Maar kind," zei ze zacht, "wij hebben niets meer in huis, en ik weet
-niet, wat ik om twaalf uur op tafel moet zetten... Je weet, hoe 'n
-eter je broer Jacob is... en jij zelf--je moet toch ook wat hebben,
-en Marie, de kleine zus."
-
-"Ja, Moeder, en u ook, u ook!" stampvoette de knaap, terwijl hij haar
-den arm op den schouder legde. "O, Moeder, ik zie het wel, hoe de
-zorg u verteert, en hoe u bij den dag bleeker en magerder wordt. En
-als wij u óók moesten missen, dan wist ik heelemaal geen raad. 't Is
-al erg genoeg, dat Vader dood is..."
-
-Thans bedwong de moeder hare tranen niet meer, en zeide snikkend:
-
-"'t Is nu bijna een jaar geleden, dat hij gebleven is in de Poolzee,
-op de Walvischvaart..."
-
-"Ja, Moeder, 't is al ruim tien maanden. 't Was op den twaalfden Mei,
-dat het gebeurde..."
-
-"En wat is er sinds dien dag van ons geworden, kind? We hebben alles
-gaandeweg opgeteerd, wat wij hadden, en thans is er voor de eerste
-maal geen eten in huis voor mijne kinderen."
-
-"En voor u evenmin, Moeder," zei de knaap.
-
-Een oogenblik zwegen beiden.
-
-Eindelijk sprak de moeder zacht:
-
-"Toe Jan, probeer het nog maar eens,--nog éénmaal..."
-
-"Neen, Moeder, ik doe het niet!" was het antwoord.
-
-"Nog éénmaal, Jan,--toe, voor je broer en je kleine zus. Of moet ik
-dan vanmiddag zeggen, dat ik niets voor hen heb,--niets?"
-
-Jan keek naar den grond en richtte een oogenblik later zijne oogen
-op zijne moeder. Hij hoorde, hoe haar stem beefde. Opeens sloeg hij
-haar de beide armen om den hals, en fluisterde haar toe:
-
-"Moeder,--ja, nog éénmaal zal ik het doen, voor u, lieve Moeder,
-voor u,--maar dan ga ik naar de Holle Sloot, en ik zal zien mij te
-verhuren voor de Groenlandsche visscherij......"
-
-De moeder richtte zich op, doodsbleek.
-
-"Jij,--Jan!--Ook jij? Wil jij me dan ook verlaten, om een graf te
-zoeken in die vreeselijke zee, die reeds je armen vader verzwolgen
-heeft?--Zou je dàt willen doen, Jan,--kùnnen doen?"
-
-"Ja, Moeder, want honderden en nog eens honderden verdienen er een goed
-stuk brood, en keeren telkens ongedeerd in het vaderland weer. Als ze
-mij maar hebben willen, want ik ben nog zoo jong. Hoor eens, Moeder,
-dan verdien ik geld genoeg, om voor u allen te zorgen, wel niet rijk en
-weelderig, maar toch voldoende om te blijven leven. Ik krijg handgeld
-bij de aanmonstering, en verdien bovendien goed geld. U kent Klaas
-Meyer wel? Dien jongen van den Zuiddijk?"
-
-"Jawel, kind, o jawel, dien ken ik," zuchtte de weduwe, die hevig
-ontsteld was bij den voorslag van haar zoon. "Maar Jan, mijn lieve
-jongen, ik kan je niet ..."
-
-"Nu Moeder," viel Jan haar in de rede, daar hij vast besloten was
-door te zetten, nu hij er eenmaal over begonnen was, "weet u wel,
-wat die verdient?"--
-
-"Och--al was het nòg zooveel ..."
-
-"Hij heeft vijftien gulden handgeld gehad, Moeder, hoort u wel,
-vijftien gulden, en bovendien krijgt hij nog twee gulden per maand,
-behalve het verval, dat hem voor elken visch wordt uitbetaald. U zou
-er met de kinderen van kunnen leven, Moeder, wel zuinig, maar toch
-zonder zorg!"
-
-"Behalve mijn zorg over jou, kind. Nacht en dag zou ik aan je
-denken, en bij elke windvlaag zou ik vreezen, dat je verdronk in die
-verschrikkelijke zee, waarin ook je arme vader gebleven is. O Jan,--o
-kind,--hoe kun je nu de gedachte daaraan juist in je hoofd halen."
-
-"Maar Moederlief," zei Jan teeder, terwijl hij zich vol liefde aan
-hare borst vlijde en haar de armen nogmaals om den hals sloeg,--"maar
-Moederlief, kan het dan zòò blijven? Moeten wij dan gaan leven van
-de genade van den komenijsman en van den grutter, moeten wij dan
-bedelaars worden, Moeder?"
-
-"Neen, kind, dat verhoede God!" sprak de weduwe.
-
-"Is het dan niet veel en veel beter, dat ik ter walvischvaart ga, en
-het brood verdien voor u en de kinderen? Omdat Vader nu helaas zoo
-droevig gestorven is, ginds in het Westijs, moet een dergelijk lot
-daarom ook mij treffen, Moeder? U weet wel beter. Duizenden gaan er
-elk jaar heen, en zij komen geregeld weer hier. Natuurlijk, een ongeluk
-kan gebeuren, dat weet ik wel, maar dat kan evengoed plaats hebben, als
-ik op de scheepstimmerwerf ga, en dan verdien ik lang zoo veel niet."
-
-"Och ja, Jan, dat weet ik wel, maar nu je vader ..."
-
-"Ja Moeder, maar is verleden week nog niet een knecht van Lijnstbaas
-Rogge onder een schuit verpletterd, die van de helling gleed ..."
-
-"Ja, kind, dat is waar ..."
-
-"En is nog geen maand geleden een werkman van Sinjeur Calff niet door
-een molenroede gegrepen, en aan de gevolgen daarvan overleden? Hoor
-eens, Moeder, een mensch kan overal een ongeluk krijgen, maar dat
-is nog geen reden, waarom ik niet ter walvischvaart zou gaan. 't
-Is eenmaal noodig, Moeder, en u moet er toe besluiten. Zooals nu
-kunnen we niet langer blijven leven. Wij worden bij den dag armer,
-en zullen weldra moeten bedelen ..."
-
-"Neen, kind, dat mag niet gebeuren, je hebt gelijk."
-
-De moeder droogde hare tranen, en keek haar kind peinzend en ernstig
-aan. Zij streelde hem langs de wangen, en vervolgde: "Je bent een
-goed kind, Jan, en de Hemelsche Vader zal je beschermen. 't Is waar,
-ik mag je niet tegenhouden, want een andere uitweg is er niet. Ik zal
-er over nadenken, Jan, maar ga nu naar Geurt Janszen, en vraag hem,
-of hij ons nog eenmaal borgen wil ..."
-
-"Voor 't laatst, Moeder?" vroeg Jan verheugd, nu zijne moeder hem zoo
-goed als toestemming had gegeven, om op de Groenlandsche visscherij te
-gaan. "Mag ik hem zeggen, dat wij spoedig onze schuld zullen afbetalen,
-omdat ik over eenige dagen mijn handgeld krijg ..."
-
-"Ja, Jan, zeg hem dat, als men je tenminste kan gebruiken, want je
-bent nog maar dertien jaar, en niet groot van stuk."
-
-"Ik zal mijn best doen, Moeder. In de Holle Sloot ligt het Bonte
-Calff, een walvischvaarder, die binnen een paar weken het anker
-licht. Sinjeur Calff is er de boekhouder van en heeft er de meeste
-aandeelen in, naar ik gehoord heb. En wat mij de meeste hoop geeft,
-Jan Folkersz is commandeur, u weet wel, dezelfde commandeur, onder
-wien Vader voer op zijn laatste reis. Wie weet, misschien neemt hij
-mij wel om de wille van Vaders nagedachtenis. Hij hield veel van hem,
-en is hier kort na Vaders dood tweemalen in huis geweest."
-
-"'t Is goed, kind, je kunt het in allen gevalle beproeven. Maar ga nu
-naar de komenij en zie wat te krijgen, want anders kom ik niet meer
-op tijd klaar. Jongen, jongen, wat een besluit! En wat een zorgen! Hoe
-moet ik aan de noodige kleeren voor je komen, want een walvischvaarder
-moet goed voorzien zijn. 't Gebeurt dikwijls genoeg, dat je je twee-,
-driemalen per dag verschoonen moet,--en we hebben geen duit in huis."
-
-"O, Moeder, geen zorgen voor den tijd. Als ik mij kan laten
-aanmonsteren, krijg ik een mooi handgeld, en dan kunnen wij verder
-zien. 't Aanmonsteren is eerst het voornaamste; komt dàt klaar,
-dan volgt de rest van zelf wel."
-
-"Daar heb jij geen verstand van, Jan, maar 't is waar, laten wij den
-tijd niet vooruitloopen. Ik moet toch zeggen, dat het mij rustiger
-stemt te weten, dat er nu aan onze zorgen wellicht een einde komt,
-al houd ik mijn hart ook vast bij de gedachte aan de gevaren, die je
-gaan bedreigen..."
-
-"Kom, kom, Moeder," riep Jan haar lachend toe, terwijl hij zich
-verwijderde om naar de komenij te gaan, "haal u geen muizenissen in
-het hoofd. 't Is wat een pleizierig leventje!"
-
-Een paar minuten later stapte Jan de komenij binnen, waar de baas hem
-lang niet vriendelijk ontving. Gelukkig was er niemand anders in den
-winkel, wat Jan al gezien had nog vóór hij binnenstapte.
-
-"Wat kom jij hier weer doen, manneke?" voegde baas Geurt hem op lang
-geen vriendelijken toon toe. "Ik heb je gisteren toch gezegd, hoe de
-zaken er voorstaan? Of heb je me toen niet goed begrepen?"
-
-"Ja wel, baas, maar Moeder laat vragen, of u me voor 't laatst nog
-eens borgen wil..."
-
-"O zoo, kom je geld brengen?" vroeg de winkelier, die zich hield,
-alsof Jan dat gezegd had, hoewel hij hem heel goed had verstaan.
-
-"Neen, dat kom ik niet doen," zei Jan zacht, terwijl het schaamrood
-hem de kaken verwde. "Wij hebben geen geld."
-
-"Maar zonder geld heb je hier geen boodschap, ventje. Je moeder moest
-zich schamen, om hier te laten bedelen. 't Is eene schande, zooals
-zij tegenwoordig handelt. Jelui lijkt wel een bedelaarsfamilie..."
-
-Jan was doodsbleek geworden, en hij balde de vuisten.
-
-"Dat is een leugen!" barstte hij los, nu hij op dien toon over
-zijne moeder hoorde spreken. "Wij bedelen niet, en zullen u eerlijk
-betalen, wat wij u schuldig zijn. Ik kom juist hier, om u te zeggen,
-dat ik mij zal laten aanmonsteren voor de walvischvaart, en dat we u,
-als ze mij aannemen, geregeld zullen afbetalen. Niet alles in eens,
-natuurlijk, want dat kunnen wij niet, maar elke maand wàt..."
-
-"Zoo,--ja, àls ze je aannemen,--maar als ze dat nu eens niet doen,
-wat dàn? Want je bent nog veel te jong voor de groote vaart ..."
-
-"Ook voor kajuitswachter?" vroeg Jan angstig, want hij vreesde,
-dat baas Geurt wel eens gelijk kon hebben.
-
-"Natuurlijk, ook voor kajuitswachter. Nu, als ze je nu eens niet
-hebben willen, wat dàn?"
-
-"Dan zal ik net zoo lang werken, tot alles afbetaald is," zei Jan
-kortaf. "Wij zijn eerlijke menschen, en zóó gróót is onze schuld bij
-u niet."
-
-"Dat is waar," zei de komenijsbaas, "maar voor menschen, die niets
-hebben en niets verdienen, toch veel te groot. Alevel, ik hoop, dat
-je slagen zult, en wil je op goed geluk nog wel een keer helpen. Wat
-wou je hebben?"
-
-"Een zakje bruine boonen en een met erwten, asjeblief baas. Ik beloof
-u, dat we eerlijk alles zullen afbetalen. Vanmiddag ga ik naar de
-Holle Sloot, om mij aan te melden. Op het Bonte Calff is dezelfde
-commandeur, onder wien Vader nog gevaren heeft, en ik hoop, dat hij
-me om zijnentwille aannemen zal."
-
-"Ik hoop het voor jou ook, jongen, en voor mijzelven daarbij. Je
-kunt het in allen gevalle probeeren. Ziedaar, hier heb je, wat je
-vroeg. Mocht je vanmiddag slagen, dan moet je Moeder maar eens bij me
-aankomen. We zullen dan wel afspreken, hoe verder te handelen. Als je
-slaagt, kan ze verder bij me krijgen, wat ze hebben wil, want ze is
-al z'n leven een knappe vrouw geweest, dat moet ik zeggen. De schuld
-is zoo groot niet, of daar is wel doorkomen aan, als er maar geregeld
-wat verdiend wordt."
-
-"Goed baas, ik zal het zeggen, Goêdag!"
-
-"Dag jongen,--een goed welslagen!"
-
-"Dank u wel!"
-
-Jan spoedde zich naar huis terug, recht verheugd, dat het hem gelukt
-was een middagmaal te veroveren, want het zou hem innig verdroten
-hebben, indien zijne moeder en de twee kinderen, zooals hij ze altijd
-noemde, omdat hij de oudste was, aan eene leege tafel hadden moeten
-zitten. Om zichzelven dacht hij altoos het laatst. Door den dood
-van zijn vader en de kommervolle omstandigheden, waaronder deze hen
-achterliet, had hij al vroeg de zorgen des levens leeren kennen, en was
-hij in zijn doen en laten wijzer, dan andere jongens van zijn leeftijd.
-
-Een uurtje later kwam zijn broer Jacob thuis.
-
-Deze was een jaar jonger dan hij, maar hij was veel vroolijker en
-bezat veel meer levenslust. Nog nooit had hij de zorgen van 't leven
-gevoeld, want nog altoos had zijn boterham geregeld op tijd voor
-hem klaar gestaan. Hoeveel zorgen het had gekost aan zijne Moeder,
-zoowel als aan zijn broer Jan, om die boterham daar te brengen, wist
-hij niet, daaraan dacht hij zelfs niet. Hij wist wèl, dat zij het
-ver van breed hadden, maar nog nooit had het hem aan iets ontbroken,
-en verder dacht hij er niet over. Hij was een zieltje zonder zorg,
-een aardige jongen, van wien zijne kameraden verbazend veel hielden,
-en wiens gezelschap hun hoogst welkom was. Hij had altoos pleizier
-in zijn leven, en bekeek de dingen van den vroolijken kant. Jan hield
-ook verbazend veel van hem.
-
-Zoodra hij binnenkwam, nam hij zijn zusje van den vloer op, want de
-kleine Marije kroop nog meer dan zij liep, hoewel zij al twee jaar
-oud was, en begon met haar allerlei grappen te maken, zoodat zij het
-uitschaterde van de pret. Eindelijk zette hij haar op zijn rug, en
-ging op handen en voeten over den vloer kruipen, wat zij verbazend
-prettig vond. Zij gaf hem met hare kleine knuistjes tikjes op zijn
-blonden krullekop en riep: "Huup paard! Huup paard!"
-
-En dan steigerde hij als een echt paard, zoodat zij soms hare beide
-mollige armpjes om zijn hals moest slaan, om niet te vallen. En hoe
-harder en wilder het ging, hoe liever zij het had. Maar Jacob wist
-wel, wat hij deed. Hij maakte wel veel drukte bij zijn spel, maar hij
-paste toch terdege op, dat zij niet vallen kon, of als dat gebeurde,
-deed hij het zoo voorzichtig, dat zij zich niet bezeerde.
-
-Eindelijk kwam het middagmaal op tafel. 't Was een verbazend
-eenvoudig gerecht, want het bestond slechts uit bruine boonen,
-waarover een mengsel van water en gesmolten vet was gedaan, en het
-werd opgediend in een enkelen schotel van grof, bruin aardewerk. Maar
-toch begroette Jacob den dampenden schotel met blij gejuich, want hij
-had grooten honger en lustte graag bruine boonen. Trouwens, hij was
-niet verwend, en men at toenmaals in burgerkringen over het algemeen
-toch veel eenvoudiger dan tegenwoordig. Borden werden bij het maal
-niet gebruikt. Men plaatste zich rondom de tafel, en na gebeden te
-hebben, schepten allen hapje voor hapje uit den schotel, zooals bij
-zeer eenvoudige lieden ook nu nog wel gedaan wordt.
-
-Dat honger de beste kok is en rauwe boonen zoet maakt, bleek ook nu
-weer, want de jongens, die geduchten honger hadden, smulden aan de
-eenvoudige spijs, of het een koningsmaal was. Zelfs de kleine Marije
-schepte meê, en al morste zij minstens de helft van elken lepel op
-de tafel, de andere helft wist zij met veel succes naar binnen te
-werken. En de grove kost bekwam haar blijkbaar goed, want zij was een
-dik molletje met bolle wangen. Soms riep zij hare vingers te hulp,
-als er àl te veel op de tafel gemorst was, tot groot vermaak van Jacob,
-die dat erg grappig vond.
-
-Toen de eerste honger gestild was en de lepels wat langzamer werden
-gehanteerd, zei Jan tot zijn broer:
-
-"Je hebt zeker nog niet gehoord, wat ik vanmiddag ga doen, hè?"
-
-"Neen, wat dan?" vroeg Jacob nieuwsgierig.
-
-"'k Ga mij aanmelden voor de walvischvaart," zei Jan. "Het Bonte
-Calff vaart binnen een paar weken uit, en ik zal zien, dat ik meêga
-als kajuitswachter."
-
-"Ha,--dat is heerlijk voor je!" riep Jacob uit. "Vindt u 't goed,
-Moeder, dat hij gaat?"
-
-"Ja, kind, 'k moet er in berusten," zei de weduwe met een zucht,
-"'k Heb er den geheelen morgen al over nagedacht en 't is me zelfs
-geen oogenblik uit het hoofd, maar 'k geloof ook, dat het 't best
-voor ons is. De goede God is een Vader der weezen en een Trooster
-der weduwen. Op Hem stel ik mijn vertrouwen."
-
-"Moeder, ik ben blij, dat U er zoo over denkt," sprak Jan ernstig. "Ik
-vind het eene heerlijke gedachte, dat u voortaan zonder zulke groote
-zorgen zult kunnen leven. U ziet er slecht uit, Moeder; uwe gezondheid
-heeft er onder geleden."
-
-"Ik kon er niet tegen, kind, om van de genade van anderen te moeten
-leven, en als ik geen kinderen had gehad, ware ik liever gestorven."
-
-Jacob keek zijn Moeder in de grootste verbazing aan. Wat hij hoorde,
-was voor hem geheel nieuw. Hij had nog nooit vermoed, dat de zorg
-zóó hoog gestegen was. En het verheugde hem nu dubbel, dat Jan ter
-walvischvaart zou gaan.
-
-"Moeder!" riep hij uit, "over een jaar ben ik ook twaalf, en dan ga
-ik ook! U màg geen armoede lijden. Wij zullen wel voor u werken, is
-'t niet waar, Jan?"
-
-De Moeder lachte hare kinderen gelukkig toe. Nu zij eenmaal hare
-toestemming had gegeven, gevoelde zij zich inderdaad aanmerkelijk
-verlicht. De zorgen hadden haar zeer gedrukt, en ten slotte was zij
-er bijna wanhopig onder geworden.
-
-"Als ze mij maar aannemen," zei Jan, die zeer vreesde, dat dit niet
-gebeuren zou.
-
-"Wel ja, jongen, waarom zouden ze niet?" zei Jacob. "Hè, ik wou,
-dat ik al mee mocht! 't Is een echt leventje, wat ik je zeg. Elken
-dag walvisschen vangen, hoe meer hoe liever, want voor elken visch
-word-je extra betaald, en voor de afwisseling nu en dan eens met
-ijsberen vechten, of op eene ijsschots uit varen gaan..."
-
-"Kind, houd op!" zei de Moeder, wie de angst op het gelaat te lezen
-stond. "Ik ben blij, dat jij er althans nog te jong voor bent, want
-je onvoorzichtigheid zou je gauw een groot ongeluk bezorgen.--"
-
-"Gekheid, Moeder! Met ijsberen vechten ze allemaal. Weet u dan niet
-van den Commandeur Jonge Kees?"
-
-"Kind,--praat er niet van!" zei zijne Moeder met een blik vol liefde
-en angst op haar oudsten zoon, die haar weldra zou verlaten, om al
-die gevaren te gaan trotseeren. "Het angstzweet breekt me uit, als
-ik er aan denk."
-
-"Och moeder, waarom?" lachte Jacob. "'t Is wàt mooi! Wil ik u eens
-vertellen? 't Gebeurde in 't jaar 1668, dus 't is nu negen en twintig
-jaar geleden. De Commandeur Jonge Kees voer de Zwarte Walvisch, en
-zijn schip lag met twee touwen aan een ijsschots vastgemaakt. Het
-scheepsvolk was naar kooi gegaan, omdat het vermoeid was door het
-vangen van twee walvisschen ..."
-
-"Zeg eens, broertje," viel Jan den verteller in de rede, "hoe weet
-jij dat alles zoo precies? Je bent er toch niet bij geweest?"
-
-"Hij heeft het me zelf verteld, dus 't zal wel waar zijn. Je weet toch
-wel, waar hij woont? Aan den Hoogendijk, waar "De man onder den beer"
-in den muur gemetseld is."
-
-"Jawel, dat weet ik--".
-
-"Jonge Kees is nu een oude Kees geworden," ging Jacob lachend voort,
-"en hij vaart niet meer naar de Poolzee. Maar gisteren stond hij voor
-zijne deur een pijpje te rooken, en toen vroeg ik hem, wat die man
-onder den beer toch moest beteekenen, die bij hem uithangt.
-
-"Die man ben ik zelf," zei hij. En toen begon hij te vertellen. "Er
-waren maar een paar mannen op het dek en een van hen ontdekte opeens
-een grooten ijsbeer, zittende op een schots. Ze besloten de bemanning
-niet te wekken, en stilletjes een sloep overboord te zetten, om den
-beer te gaan dooden. Maar de loopers van het takel maakten zooveel
-lawaai, dat de Commandeur wakker werd en op het dek kwam. "Wat is
-er te doen mannen," vroeg hij, "is er een walvisch te zien?" "Neen
-Commandeur, geen visch, maar een ijsbeer. We zijn juist van plan hem
-even een bezoek te brengen. Gaat u mede?" "Ja, maar dan moet er wat
-volk gewekt en een tweede sloep gestreken worden." Dat gebeurde en
-ze staken van boord..."
-
-"Hoe is het mogelijk,--hoe is het mogelijk!" zei de Moeder
-hoofdschuddend. "Wat zoeken zulke menschen de gevaren toch op. Waarom
-lieten zij dat beest niet stilletjes zitten?..."
-
-"'t Ging aan de vlucht, moeder!" riep Jacob uit, terwijl zijn oogen
-schitterden van genoegen, dat hij zelf in zijn verhaal had.
-
-"Nog beter,--waarom lieten zij dat beest niet gaan?"
-
-"Daar zijn de ijsberen niet voor!" meende Jacob. "Maar luister. Hij
-sprong van de schots af in het water, en Jonge Kees, die met zijn
-sloep het dichtst bij hem was, bracht hem met zijn lans eene zoo
-zware wond toe, dat de ingewanden hem..."
-
-"Hu, houd toch op!" riep zijne moeder uit. "Zoo'n stom dier..."
-
-"Ja,--maar hij heeft een mooien pels, die veel geld waard is, en
-dit wist Jonge Kees ook wel. "Jongens," zei hij tegen zijne mannen,
-"laat hem maar zwemmen, want hij zal het niet lang meer maken. Zijne
-wond is doodelijk."
-
-Maar toch klom de beer nog tegen een vijf voet hooge schots op,
-en daar ging hij op liggen met zijn bek op zijn voorpooten.
-
-"Geef mij de schietlans! Hij sterft!" zei de Commandeur, en daarmede
-gewapend sprong hij op de schots. 't Touw, dat er aan verbonden was,
-had een lengte van acht of negen vademen. Maar nauwelijks was de
-Commandeur op de schots, of de beer nam een zoo vervaarlijken sprong,
-dat Jonge Kees niet meer wist, wat hij deed. De schietlans vloog hem
-uit de hand over zijn hoofd heen, en op hetzelfde oogenblik lag hij
-achterover op de schots, met den beer boven op zich. Diens linkerpoot
-stond hem in de rechterzijde en zijn rechterklauw op zijne linkerborst,
-en het dier sperde den muil open om hem den strot af te bijten..."
-
-"Kind, houd toch op,--'t is vreeselijk!" riep de moeder uit. "Ik
-kan er niet langer naar luisteren, en als ik wist, dat Jan ook zoo
-onvoorzichtig zou wezen, liet ik hem nooit gaan, hoor je,--nooit!"
-
-"U begrijpt, dat Jonge Kees in de benauwdheid zat, of eigenlijk--hij
-lag er in, want hij kon geen vin verroeren. En de mannen in de sloepen
-hieven van schrik een erbarmelijk geschreeuw aan. "Help, help, springt
-op de schots! Redt den Commandeur!" riepen ze, maar er was er maar
-één, die moed genoeg bezat, om den man te helpen. 't Was een matroos,
-Claas Niele van Westzaan, die alleen met een scheepshaak gewapend
-op de schots durfde springen, wat het gevolg had, dat de beer op de
-vlucht sloeg.
-
-De Commandeur was meer dood dan levend, en ze moesten hem in de
-sloep dragen, doch 't was alleen maar van den schrik, want gewond
-was hij niet.
-
-De mannen wierpen den beer met een stuk hout, maar raakten hem niet,
-en hij liep hollend het hout achterna en schreeuwde zoo ijselijk, dat
-de mannen er van beefden. Toen besloten ze met hun allen op de schots
-te klimmen, om den beer de rest te geven. Jonge Kees nam nog eens de
-schietlans ter hand, en met hun achten gingen zij hem bestoken. Het
-schot van Jonge Kees was mis; de lans vloog hem onder het lichaam door,
-en de beer bleef er met zijn pooten overheen staan. Eindelijk ging hij
-uit vrees voor zijne aanvallers voet voor voet achteruit, tot hij in
-het water viel, en daarna hebben ze hem vervolgd van de eene schots
-naar de andere, totdat hij bezweek. Zoo'n grooten beer had Jonge Kees
-zijn leven lang nog niet gezien, en het had maar weinig gescheeld,
-of de Commandeur was voor de haaien geweest. Hij heeft het me zelf
-in kleuren en geuren verteld."
-
-"O ja, er gebeuren wel meer van die stukjes," zei Jan, "maar ze
-loopen bijna altoos goed af. Wees maar gerust, Moeder, ik zal mij
-niet onnoodig in gevaar begeven. En bovendien, ik ben nog niet
-aangemonsterd. Was ik maar een voet grooter, dan zou ik meer kans
-hebben. Ik vrees werkelijk, dat ze mij te klein zullen vinden en te
-tenger. Toch ben ik veel sterker, dan ik er uitzie..."
-
-"Kom, kinderen, de tijd zal het wel leeren. Jan, lees eens een
-hoofdstuk uit den bijbel. Dan kunnen wij danken."
-
-Jan deed wat hem gevraagd werd, zooals trouwens elken middag de
-gewoonte was, en na het dankgebed stonden allen van tafel op, behalve
-de kleine zus, die na het middagmaal en onder de lange vertelling
-van Jacob, met het hoofdje voorover op de tafel, in slaap gevallen
-was. De Moeder liet haar stil slapen.
-
-"Waar ga jij heen?" vroeg Jan aan zijn broer.
-
-"Naar de jongens, op den Dam," was het antwoord. "We hebben afgesproken
-daar bij elkander te komen, om gezamenlijk een of ander spel te
-doen. Ga je meê?"
-
-"Neen, ik ga naar het Bonte Calff. 'k Wil 't liefst nu maar dadelijk
-weten, hoe de zaken er voorstaan."
-
-De beide jongens verlieten de woning.
-
-Jan sloeg op den Hoogendijk rechtsaf, om naar de Holle Sloot te gaan,
-en Jacob linksaf, om zich naar zijne makkers te begeven.
-
-De Moeder bleef in spanning achter.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-EEN HEVIG GEVECHT EN EEN GROOT ONGELUK.
-
-
-Het dorp Saardam bestond uit twee deelen, Oost-Saardam, gelegen
-ten oosten van de Zaan, en West-Saardam, gelegen ten Westen
-daarvan. Oost-Saardam met Oostzaan behoorde tot de banne van
-Oostzaanen, en daarmede tot Kennemerland, en West-Saardam met Westzaan
-tot de banne van Westzaanen, en daarmede tot de Baljuwdie van Blois. 't
-Waren dus twee afzonderlijke gemeenten, die wel enkele belangen gemeen
-hadden, maar overigens geheel van elkander gescheiden waren.
-
-Eerst in later tijd, onder Napoleon, zijn de beide helften tot één
-gemeente vereenigd.
-
-Dwars door de Zaan was een dam gelegd, die den eenigen verkeersweg
-uitmaakte tusschen Oost- en West-Saardam. Deze dam was er reeds vóór
-het jaar 1388, zooals uit de oude archieven blijkt. Het is echter
-niet bekend, in welk jaar hij precies is gelegd.
-
-Toen Jacob Willemsz op den Dam kwam, vond hij daar al eenige jongens
-bijeen, want zij hadden afgesproken, elkander daar te zullen ontmoeten.
-
-"Zoo Jacob," riep een groote jongen hem toe, wiens kleeding duidelijk
-verried, dat hij tot den gegoeden stand behoorde. 't Was Arent Bloem,
-de zoon van Meindert Arentsz. Bloem, een van de burgemeesters van
-Oost-Saardam.
-
-"Zoo Jacob, ben je daar? Komt je broer Jan niet mede?"
-
-"Neen, die heeft heel andere plannen!" antwoordde Jacob met een
-air van gewicht, want hij was er wat trotsch op, dat zijn broer ter
-walvischvaart zou gaan.
-
-"Andere plannen?--Wat dan?" vroeg een andere knaap, die zoo lang en
-dun was en zoo'n smal hoofd had, dat hij wel wat aan een hazewindhond
-deed denken. 't Was de zoon van meester Pomp, een man, algemeen bekend
-onder de Saardammers. Dat was geen wonder, want hij vereenigde in
-zijn persoon de betrekkingen van chirurgijn en barbier, zooals in
-dien tijd gewoonte was, en men kon hem dus een gewichtig man noemen.
-
-"Jan gaat zich laten aanmonsteren voor de Groenlandsche vaart,"
-antwoordde Jacob. "Vanmiddag gaat hij naar het Bonte Calff, waarvan
-de Commandeur een kennis van ons is."
-
-"Je broer is er nog veel te klein voor," zei Heyn Pomp met eenige
-minachting, want hij wist wel, dat hij zelf een hoofd grooter was dan
-Jan Willemsz. "Als hij mijne lengte nu nog had, was het wat anders,"
-vervolgde hij niet zonder eenige verwaandheid, die Jacob boos maakte.
-
-"Och kom," zei Jacob lachend, "die dunne lengte van jou heeft ook
-niet veel te beteekenen. Als je ergens tegen aanloopt, sla je dubbel."
-
-"Wat wou je zeggen?" vroeg Heyn Pomp beleedigd, want de andere jongens
-lachten om hetgeen Jacob gezegd had.
-
-"Ik wou alleen maar zeggen, dat het hem niet in de lengte zit, maar
-in de kracht. En Jan is sterk genoeg, veel sterker dan jij. Dat
-hebben we laatst gezien, toen hij je een pak slaag gegeven heeft,
-dat je kraakte. Wat wist jij, zoo lang en dun als je was, toen van
-beenen maken!"
-
-De jongens begonnen opnieuw te lachen, want Heyn Pomp kenden zij allen
-als een praatsmaker, die van iedereen wat te zeggen had en toch niet
-veel moed bezat. Maar Heyn werd boos en trad een schrede naderbij.
-
-"Wie zegt, dat ik loopen ging?" vroeg hij, terwijl hij zich met
-gebalde vuisten voor Jacob plaatste en zijn smal gezicht bijna tegen
-diens neus hield. "Durf jij dat zeggen?"
-
-"Ja,--dat durf ik!" zei Jacob, die zich ook schrap zette, om dadelijk
-gereed te zijn, als hij mocht worden aangevallen.
-
-"Zeg dat nog eens, als je 't hart hebt!" schreeuwde Heyn
-luidkeels. "Zeg jij, dat ik aan den loop gegaan ben, omdat ik bang
-was van Jan?"
-
-"Ja,--dat zeg ik!" herhaalde Jacob, en hij voegde er aan toe: "Dat
-durf ik nog wel honderdmaal te zeggen, en wel duizendmaal ook. Je
-moet niet denken dat ik bang voor je ben."
-
-"En ik voor jou ook niet!" schreeuwde Heyn, die echter geen moed
-genoeg bezat, om Jacob aan te grijpen.
-
-"Heyn durft niet!" sarde een andere jongen, met een korte, gedrongen
-gestalte en een paar gespierde armen en beenen. Hij heette Ary Kist,
-en was de zoon van een smidsknecht. "Toe Heyn, laat je niet van de
-vliegen steken."
-
-"Hij is me te min," zei Heyn, die het tijd vond, den aftocht te
-blazen. "Ik vecht niet met zulke kleine jongetjes."
-
-Maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of hij voelde zich
-bij de keel grijpen, en in minder dan geen tijd lag hij voorover op
-de leuning van het sluisje, dat in den Dam was aangebracht, en kreeg
-hij een aantal geduchte klappen op zijne broek. Jacob had zich driftig
-gemaakt, en gaf hem eene afstraffing.
-
-"Dáár dan!" zei hij tegen Heyn Pomp, die bang was, dat hij voorover
-in de sluis zou duikelen. "Neem dát dan van het kleine jongetje,
-en wees dankbaar, dat je niet meer krijgt."
-
-"Goed zoo!" zei Arent Bloem. "Jacob is in zijn recht, want jij behoeft
-geen kwaad te spreken van zijn broer. Ha,--ginds komen Cornelis Noomen,
-Claes Alewijns, Dirk en Teeuwis Rogge en Jan Laurensz Louwe aan. Hei
-jongens, komt hier!"
-
-De komst van de vijf genoemde jongens maakte een einde aan de
-vechtpartij, tot groot genoegen van Heyn Pomp, die er geduchte spijt
-van had, dat hij de ruzie begonnen was, want de klappen van Jacob
-kwamen harder aan, dan hij aangenaam vond.
-
-"Wat was er aan de hand," vroeg Cornelis Jansz. Noomen, wiens
-vader lakenkooper was en tevens tot de vroedschap der gemeente
-behoorde. "Waren jullie aan 't vechten!"
-
-"Jammer, dat 't uit is," lachte Dirk Rogge, "'t Lijkt wel, of ik
-altijd te laat moet komen, als er een pretje is."
-
-"Een mooi pretje!" zei zijn broer Teeuwis. "Zeg jongens, wat gaan
-we doen?"
-
-"Willen we naar het Hemveld gaan?" vroeg Claes Alewijns Salm, ook de
-zoon van een burgemeester. "Daar is altijd wel wat te beleven."
-
-Op dit oogenblik hoorden de jongens zich toeroepen, en omziende
-ontdekten zij in de Zaan een fraaie roeiboot, waarin twee jongens
-gezeten waren. Een mooie hond, wel bijna zoo groot als een klein kalf,
-stond voor op de plecht.
-
-"Ha, daar zijn Nicolaas Calff en Pieter Gekeer. "Nu zijn ze er
-allen. Hallo--waar gaan jullie heen?" vroeg Arent Bloem.
-
-"Wel, we komen aan de afspraak voldoen. We zouden immers op den
-Dam bij elkander komen?" antwoordde Nicolaas Calff, die de riemen
-hanteerde. Hij was de zoon van een der voornaamste ingezetenen van
-Saardam. Zijn vader was een zeer voornaam koopman, wiens schepen naar
-alle zeeën bevracht werden. Ook het Bonte Calff behoorde voor een
-groot gedeelte aan hem, zooals we Jan Willemsz reeds hoorden opmerken.
-
-"'t Was maar gelukkig voor Jacob en Heyn, dat mijn Vader niet in mijne
-plaats in de boot zat," merkte de andere jongen lachend op. "Als hij
-gezien had, hoe die twee aan 't vechten waren, was het niet goed met
-hen afgeloopen."
-
-"Dat kon wel," zei Claes Salm. "De Heer Schout laat niet met zich
-spotten. Maar jij zult hen wel niet verklappen, denk ik?"
-
-Jan Gekeer was inderdaad de zoon van den Schout, maar hoezeer
-de jongens zijn vader ook vreesden om zijne gestrengheid, met Jan
-gingen zij graag om, want hij was een aardige jongen, en zij konden
-hem volkomen vertrouwen. Al hadden zij soms iets uitgevoerd, dat
-niet door den beugel kon, Jan zou er thuis nooit over spreken, want
-dat vond hij laf. Zijn vader vroeg hem er trouwens ook nooit naar,
-zeker om van zijn zoon geen klikspaan te maken.
-
-"Wat een mooie hond is dat toch!" zei Arent Bloem. "Zeg, Nicolaas,
-zou hij je redden, als je over boord sloeg?"
-
-"Ongetwijfeld!" zei Nicolaas, die verbazend veel van zijn hond hield,
-"'t Is een Bernardshond, een echte, want vader heeft hem een jaar
-geleden zelf uit het buitenland meêgebracht, en hij is zoo trouw,
-dat ik je niet raden zou mijne moeder ook maar het bewijs van een
-klap te geven, want dan zou hij je aanvliegen.--Niet waar, Castor?"
-
-De hond kwispelde met zijn staart, nu hij zich hoorde aanspreken,
-en keek zijn jongen meester vriendelijk aan. "Maar zeg, jongens,
-wat gaan we doen?"
-
-"Willen we naar de Hemvelden gaan? Daar hebben we altoos pret!" opperde
-Claes Salm nogmaals, die altoos 't liefst buiten het dorp dwaalde.
-
-"Mij goed,--ik wil wel!" riep er een.
-
-"Ik ook wel!" zei een ander.
-
-Maar Nicolaas Calff had een ander voorstel.
-
-"Zeg eens jongens," zeide hij, "Jan Gekeer en ik hebben afgesproken
-om zeeroovertje te gaan doen. We kunnen..."
-
-"Ha, ja, dat is een echt spelletje!" zei Ary Kist, zich van de voorpret
-reeds de handen wrijvende. En ook de andere jongens schenen er wel
-ooren naar te hebben.
-
-"We hebben schuiten genoeg," vervolgde Nicolaas Calff. "Dirk en
-Teeuwis Rogge kunnen er wel voor zorgen, want hun vader heeft een
-scheepstimmerwerf, en daar zijn er altijd in overvloed.--"
-
-"En ik kan de onze ook halen," zei Arent Bloem. "Ja, ja, laten
-we zeeroovertje gaan spelen. Maar wáár zullen we het doen? Op de
-Achterzaan?"
-
-"Neen, op de Voorzaan. Daar zijn we veel vrijer," zei Jan Gekeer,
-die bang was, dat zijn vader het zou zien. "Als de schout ons zag,
-was het mis!"
-
-De andere jongens lachten er om, dat Jan dit zeide, omdat de schout
-zijn eigen vader was.
-
-"Ja, ja, op de Voorzaan is het veel beter," zei Ary Kist. "Ik ga
-onze schuit ook halen. Zeg jongens, brengen jullie haken meê om te
-enteren? Dat doen zeeroovers ook altijd."
-
-"Haken hebben wij wel!" zei Dirk Rogge. "'t Is goed, laten wij onze
-booten halen. Dat is nu juist een spelletje, waar ik zin in heb!"
-
-Terwijl de andere jongens naar huis gingen, om booten te halen,
-schutten Nicolaas Calff en Jan Gekeer door de sluis, waardoor zij
-op de Voorzaan kwamen, en Nicolaas noodigde Jacob uit, bij hem in de
-schuit te stappen. Hij mocht Jacob graag lijden en ging veel met hem
-om, hoewel hij zeer goed wist, dat Jacob tot de armsten van het dorp
-behoorde. Maar dat was hem volkomen onverschillig.
-
-"Wat een echt mooi schuitje is dit toch," zei Jacob, terwijl hij
-de boot met welgevallen beschouwde, en zich op het achterbankje
-neerzette. "En wat staat je hond daar grappig. 't Lijkt net, of hij
-de kapitein is en het vaarwater moet verkennen. Zeg, jongens, weet je
-al, dat mijn broer Jan naar het Bonte Calff is gegaan, om te vragen,
-of ze hem willen aanmonsteren voor kajuitswachter?"
-
-Nicolaas liet de riemen drijven. Het Bonte Calff met alles wat daarbij
-behoorde, boezemde hem veel belang in, omdat hij wist, dat het schip
-grootendeels van zijn vader was. Hij keek Jacob verrast aan en zeide:
-
-"Wel, dàt vind ik aardig! Over veertien dagen zeilt de vloot uit. Zou
-hij als kajuitswachter meê willen?"
-
-"Of hij! Graag! De Commandeur kent ons van vroeger, dus misschien
-heeft Jan wel een schreefje vóór. Ik zou ook wel mee willen! 't Is
-een mooie reis!"
-
-"Ik ben benieuwd, of hij aangenomen zal worden," zei Nicolaas. "Als
-ik den Commandeur spreek, zal ik hem vragen, of hij het doen wil. Hij
-komt dikwijls bij ons aan huis."
-
-"O ja, doe dat. Wie weet, of het niet helpt. Er komt nog bij, dat we
-het hoog noodig hebben, want er wordt na vaders dood niet verdiend,
-dus de spaarduiten raken op. Waar afgaat en niet bijkomt, blijft
-spoedig niemendal over."
-
-"Je kunt er op rekenen, dat ik het doen zal," zei Nicolaas
-medelijdend. "Maar of het baten zal, weet ik niet."
-
-De jongens roeiden langzaam verder, en na eenigen tijd, toen zij
-langs de scheepswerf van Lijnstbaas Rogge voeren, welke aan den
-Hoogendijk gelegen was, zagen zij de booten van Dirk en Teeuwis van
-wal steken. In de boot van Teeuwis had Heyn Pomp een plaatsje gekregen,
-terwijl Claes Salm bij Dirk Rogge aan boord was.
-
-"Ik behoef nergens voor te vreezen," riep Teeuwis de anderen lachend
-toe, "want ik heb de Pomp aan boord. Als ik een lek krijg in den
-strijd, kan hij me boven water houden."
-
-Cornelis Noomen vond een plaatsje in de boot van Ary Kist, welk
-vaartuigje van veeljarigen dienst getuigde en al dikwijls op de
-helling was geweest. Maar Ary beweerde altoos, dat zijne schuit den
-meesten gang had, en dat in heel Saardam geen beter boot te vinden was,
-dan de zijne.
-
-Eindelijk kwam ook Arent Bloem met forsche slagen aanroeien. Zijn
-bootje was even mooi als dat van Nicolaas Calff, maar het roeide
-wat zwaarder.
-
-Jan Louwrensz, van den kompasmaker, had in diens boot een plaatsje
-gevonden.
-
-'t Was dus een heele vloot, toen de jongens bij elkander gekomen
-waren. Niet minder dan vijf booten voeren achter elkander het Kerkerak
-af, (de plaats waar vroeger het dorp Zaanden heeft gestaan), dat naar
-het IJ voerde. Toen zij in de verte de masten van het Bonte Calff en
-de andere walvischvaarders in het oog kregen, hielden zij halt, om te
-beraadslagen. De vijf booten werden tegen elkander aangeroeid, zoodat
-de jongens, elf in getal, gemakkelijk met elkander konden spreken.
-
-"Wel jongens, hoe zullen we nu doen?" vroeg Arent Bloem.
-
-"Ik wil de zeeroover wel wezen," zei Ary Kist. "Dat is juist een
-kolfje naar mijn hand. Heb je de enterhaken meêgebracht, Teeuwis?"
-
-"Haken in overvloed," antwoordde deze, terwijl hij de kettingen liet
-rammelen, die op den bodem van zijn boot lagen.
-
-"Ik weet het goed gemaakt," zei Jacob Willemsz. "De booten van
-Nicolaas Calff en Arent Bloem zijn verreweg de mooiste. Laten die
-daarom de koopvaardijschepen voorstellen, die met een rijke lading
-in de vaderlandsche haven terugkeeren."
-
-"Dat is er een te weinig," zei Arent Bloem. "Twee tegen drie gaat
-niet. Op die manier zouden wij in het geheel geen kans hebben, om
-den strijd te winnen. Laat Dirk Rogge ook een koopvaarder wezen."
-
-"Dank je hartelijk," zei Ary Kist. "In die drie booten zitten jullie
-met je zevenen, terwijl wij maar met ons vieren zouden zijn. Zeg,
-Jan Gekeer, kom jij dan bij ons, dan staat het vijf tegen zes."
-
-"Mij goed," zei Jan, terwijl hij in de boot van Ary overstapte. "Ik
-wil even graag zeeroover zijn als koopvaarder. Wie is mijn opperhoofd?"
-
-"Ik!" riep Ary Kist. "Ik ben Claes Compaan, je weet wel, de zeeroover,
-die nog te Oostzaan gewoond heeft. En Nicolaas Calff is Michiel de
-Ruyter. Is dat goed?"
-
-"Best! Opperbest!" klonk het van alle kanten.
-
-"Vaart dan eerst nog een eind verder, dan hebben wij tijd, om
-ons tusschen het riet te verbergen. Want zeeroovers komen altijd
-onverwachts opzetten."
-
-"Ik weet het nog beter," zei Nicolaas Calff. "Als ik Michiel de
-Ruyter zal wezen, kan mijn schuit een convooischip voorstellen, dat
-de koopvaarders naar huis geleidt. In die dagen voeren zij altoos
-onder geleide van een oorlogsschip."
-
-Dat werd een goed idée gevonden.
-
-Zoo was nu alles afgesproken, en de booten van Nicolaas Calff, Dirk
-Rogge en Arent Bloem roeiden verder de Zaan af. Intusschen verdwenen de
-zeeroovers, bestaande uit Ary Kist, alias Claes Compaan, Jan Gekeer,
-Teeuwis Rogge, Heyn Pomp en Cornelis Noomen met hunne twee booten in
-het hooge riet, dat daar nog van het vorige jaar was blijven staan. Zij
-waren nu voor de koopvaarders onzichtbaar, en konden hen onverhoeds
-overvallen. De enterhaken werden over de twee booten verdeeld en aan
-de bankjes met kettingen verbonden. Ary Kist stond voor in de boot,
-want daar hij de rooverkapitein was, achtte hij het beneden zijne
-waardigheid, zelf de riemen te hanteeren.
-
-Eindelijk kwamen de koopvaarders in het gezicht, en Claes Compaan
-gebood zijne mannen, alles voor den aanval gereed te houden.
-
-Zoodra de drie schepen hen bijna bereikt hadden, gebood hij krachtig:
-"Voorwaarts! Daar zijn Hollandsche schepen, jongens, die een rijken
-buit beloven. Voorwaarts!"
-
-De beide booten werden met krachtige riemslagen uit het riet
-gebracht en naar het midden van de Zaan gevoerd. De roeiers op de
-koopvaarders en het convooischip hielden bij hunne verschijning de
-riemen in. Nicolaas Calff, die nu in Michiel de Ruyter herdoopt was,
-stond voor aan de plecht, naast zijn grooten hond.
-
-"Schepen in zicht!" riep Michiel. "Ohoi! Ohoi!" En Ary Kist schreeuwde
-luidkeels terug: "Ohoi! ohoi! Wacht jij maar met je ohoi; wij zullen
-je wel krijgen."
-
-"Welke landslui?" riep Michiel hun toe.
-
-"Goed volk," schreeuwde Ary Kist. "Draai maar bij, als je geen kogel
-door je want wil hebben."
-
-"Welke landslui?" herhaalde Michiel de Ruyter met eene fiere houding
-en een krijgshaftig gebaar.
-
-"Goed volk! Draai maar bij!" riep Claes Compaan. "We komen je papieren
-eens bekijken, als je het goedvindt."
-
-"Je hebt met mijne papieren niets te maken!" riep Michiel de Ruyter
-terug. En zich tot zijne roeiers wendende, vervolgde hij: "Jongens,
-dat zijn zeeroovers, als ik me niet vergis. Weest op je hoede!"
-
-"Bijdraaien!" gebood Claes Compaan nogmaals, waarop Michiel antwoordde:
-
-"Niet voor een zeeschuimer! Wees voorzichtig, mannetje, want ik ben
-voor tien kerels van jou slag nog niet bang.--Kapitein Bloem hou je
-goed. We hebben hier met kwaad volk te doen.--Voorwaarts, mannen,
-roeien, zoo hard je kunt. Van de snelheid van de riemen hangt je
-leven af!"
-
-De riemen plonsden in het water, en met groote snelheid trachtten de
-koopvaarders het onveilige water te ontvluchten. Claes Compaan met
-zijne gevaarlijke volgelingen waren hen echter dicht op de hielen. 't
-Werd nu een wedstrijd in het hardroeien, want de zeeroovers spanden
-alle krachten in, om hen te achterhalen.
-
-"Houdt je goed, jongens!" riep de rooverkapitein hun toe: "laat een
-zoo rijke buit je niet ontsnappen! Sa, mannen, spant alle krachten
-in.--We winnen op hen! We winnen! Straks zijn de schepen ons!"
-
-"Dat zullen we eens zien!" antwoordde Michiel de Ruyter. "Toe jongens,
-roeien van wat ben je me! Houdt je goed! De afstand tusschen ons
-wordt grooter!"
-
-"Kleiner bedoelt u, Admiraal!" zei Jacob Willemsz. "We verliezen
-terrein, zie maar. De zeeroover komt steeds dichterbij!"
-
-"We zijn verloren!" riep Jan Louwrensz, die de boot van kapitein
-Arent Bloem roeide. "Help een handje, kapitein, of hij entert ons
-binnen vijf minuten!"
-
-Er dreigde voor de boot van Arent Bloem inderdaad gevaar, want Ary Kist
-zat haar vlak achter het roer. Daarom nam Arent een van de riemen van
-Jan Louwrensz over, en samen brachten zij de boot nu spoedig buiten
-bereik van den gevreesden zeeroover. Ook de boot van Dirk Rogge liep
-geen gevaar, want Dirk had er een uitgezocht, die zóó snel liep,
-dat ze niet bij te houden, nog minder in te halen was.
-
-Maar het Admiraalschip kreeg het nu spoedig kwaad te verantwoorden,
-want het was wel een zeer sierlijk vaartuig, maar het had niet
-bijzonder veel gang, daar Michiel de Ruyter niet mederoeide, omdat
-hij daar als admiraal te deftig voor was.
-
-En de oude kast van Ary Kist gleed heel licht over het water.
-
-"Toe mannen, houdt vol!" riep Claes Compaan zijne beide roeiers
-toe. "We krijgen dien dapperen admiraal zoo wis als tweemaal twee
-vier! Een prachtige buit wacht ons. Houdt je goed! Voorwaarts!"
-
-Het duurde maar kort, of de zeeroover was het admiraalschip genaderd,
-en Claes Compaan gebood met luider stem:
-
-"Enteren, mannen, gooit hem de haken aan boord!"
-
-Dit was echter gemakkelijker gezegd, dan gedaan, want Jacob Willemsz
-nam zijn riem van de pen, en duwde den zeeroover met alle kracht van
-zijn boord af. En de Admiraal riep kapitein Dirk Rogge toe, dat Claes
-Salm uit diens boot op de zijne moest overstappen, want Claes Compaan
-had niet alleen een lichtere boot, maar bovendien had hij twee roeiers
-aan boord, waardoor Nicolaas Calff het wel móést verliezen.
-
-Het gelukte Claes Salm aan boord van het Admiraalschip te komen, en
-nu roeiden Jacob Willemsz en hij zoo snel voort, als zij konden. Maar
-de zeeroover gaf geen kamp. Zijne beide roeiers spanden ook alle
-krachten in, en zelfs de rooverkapitein ontzag zich niet, de riemen
-door opduwen meerdere kracht bij te zetten.
-
-Michiel de Ruyter verloor steeds terrein, zoodat ook hij zich
-genoodzaakt zag, de riemen te gaan opduwen. Intusschen was het een
-zoo geducht leven op het water, dat Castor, de hond, er zijne kalmte
-bij verloor, en begon te grommen en met zijn staart te kwispelen.
-
-"Stil maar, Castor, er is geen kwaad bij, hoor, 't is maar spel.--Stil
-Castor!--Toe jongens, nog harder roeien, als je kunt, want Claes
-Compaan haalt ons meer en meer in!"
-
-Het andere rooverschip, waarin Teeuwis Rogge en Heyn Pomp gezeten
-waren, kwam een geducht eind achteraan. Tegen zulk roeien konden zij
-niet op. Maar zij volgden den strijd met de grootste belangstelling,
-en moedigden hun hoofdman door luide kreten aan tot meerdere
-krachtsinspanning. Michiel de Ruyter moest echter tot zijne groote
-ergernis ontwaren, dat de strijd vermoedelijk in zijn nadeel beslist
-zou worden, want eindelijk had de zeeroover hem ingehaald en stond
-deze gereed hem de enterhaken aan boord te werpen.
-
-"Ha, ha! Je bent er gloeiend bij, dappere Admiraal!" voegde Claes
-Compaan hem sarrend toe. "Allo, mannetje, laat mij je papieren eens
-zien. Ik geloof, dat jij een schip bevaart, dat mijn eigendom is.--Geef
-je over!"
-
-"Nooit!" antwoordde Michiel. "Houdt die kerels van boord, jongens!--Kom
-ons te hulp, kapitein Rogge!"
-
-"Daar dan!" schreeuwde Claes Compaan, terwijl hij den haak, die
-met een ketting aan de bank van zijne boot vastzat, aan boord van
-het convooischip wierp. De haak greep zich aan den rand vast, en nu
-werd het vaartuig naast dat van den zeeroover getrokken. De booten
-lagen tegen elkander. De roeiers haalden hunne riemen binnen boord,
-en nu werd het een gevecht van man tegen man, natuurlijk onder het
-uitstooten van verwoede kreten. De hond blafte en gromde als een
-razende, en de booten schommelden geducht heen en weer.
-
-Er was een zeer drukke scheepvaart op de Zaan, en zoolang de
-jongens elkander eenvoudig met groote snelheid naroeiden, had men
-er geen kwaad in gezien. Maar nu zij overgingen tot zulk een verwoed
-spiegelgevecht, vond men het een hoogst gevaarlijk spelletje, en van
-menig voorbijzeilend vaartuig werden waarschuwende stemmen vernomen.
-
-"Past op, kwâjongens! Moet jelui verdrinken?" En even later klonk
-het weer:
-
-"Die booten zullen omslaan, deugnieten. Wil je er wel eens mede
-ophouden?"
-
-En een derde riep: "Heidaar! Heidaar! Dat loopt verkeerd, jongens,
-dat gaat te wild."
-
-Maar de jongens waren zoo in het vuur van hun spel, dat zij die
-stemmen niet eens hoorden. Claes Compaan deed alle moeite, om met
-Jan Gekeer en Cornelis Noomen op het convooischip over te springen,
-wat hun door Michiel de Ruyter en Claas Salm belet werd. Intusschen
-probeerde Jacob Willemsz den haak los te maken, waardoor hun schip
-weer vrij zou komen. Maar dat gelukte niet, want de haak was een
-weinig in het hout gedrongen.
-
-De hond sprong luid blaffende en brommende in de boot heen en weer,
-en greep ten slotte den rooverkapitein zoo geducht in het been,
-dat deze van den schrik bijna achteruit in het water sprong.
-
-"Dat akelige beest!" riep hij uit. "Ik was juist bijna in het
-vijandelijke schip!--Au--het doet zeer ook!" Maar hij vergat de
-pijn heel spoedig en hervatte den strijd. En het moet gezegd worden,
-dat hij zich geducht weerde.
-
-Op dit oogenblik was ook het tweede rooverschip op het terrein van
-den strijd aangekomen en wilde den hoofdman juist te hulp komen, toen
-kapitein Rogge hem op zijde kwam, en den strijd met hem aanbond. Maar
-dat lag niet in de bedoeling van Teeuwis. Hij trachtte zijn broeder
-Dirk te ontkomen, om ook het Admiraalsschip aan te vallen.
-
-De strijd werd nu algemeen, en de hond maakte zulk een vervaarlijk
-leven, dat de waarschuwingen der voorbijvarende schippers niet eens
-tot de vechtende jongens doordrongen.
-
-Het gelukte Teeuwis inderdaad, het Admiraalsschip aan de andere
-zijde te naderen, en nu trachtten hij en Heyn Pomp dat schip te
-bestormen. Nicolaas Calff zag het dreigende gevaar, maar hij was met
-zijne beide roeiers niet in staat, de vijanden aan twee kanten tegelijk
-te keeren. Toch verdedigde hij zich met mannenmoed. Nu eens duwde hij
-een aanvaller uit zijne boot terug, dan weer drukte hij de boot van
-Teeuwis achteruit. En zoowel Dirk Rogge als Arent Bloem moesten het
-lijdelijk aanzien, dat het Admiraalsschip een prooi der vijanden werd.
-
-"Houd je goed, Admiraal!" schreeuwde Arent.
-
-"Gooit ze er uit!" riep Dirk. "Toe Arent, laten wij op het rooverschip
-overspringen. Dan wordt de strijd meer verdeeld!"
-
-Deze raad was goud waard. Zij naderden de boot van Claes Compaan,
-en sprongen daar op over.
-
-Teeuwis keek echter goed uit zijn oogen, en nauwelijks had hij gezien,
-wat Arent Bloem en Dirk Rogge van plan waren, of hij kwam met zijn
-boot naderbij en snelde zijn hoofdman te hulp.
-
-"Hoezee voor Claes Compaan!" riep hij luidkeels, terwijl hij Arent
-Bloem, die juist gereed stond om op het Admiraalsschip over te
-springen, met kracht achteruit duwde, bijna met te veel kracht,
-want Arent sloeg haast over boord.
-
-"Hoezee voor Claes Compaan!" riepen de andere zeeroovers.
-
-"Goed gedaan, Teeuwis," schreeuwde Ary Kist, die met Michiel de Ruyter
-in een hevig gevecht gewikkeld was. "Zóó moeten ze hebben!"
-
-"Leve Bestevaar Michiel!" klonk de stem van Jacob Willemsz, die zijne
-pogingen om den haak los te krijgen, had opgegeven, en zich met kracht
-tusschen de strijdenden wierp.
-
-Het Admiraalsschip kreeg het bitter kwaad te verantwoorden, en bijna
-alle jongens waren thans in die boot vereenigd.
-
-"Neemt hen gevangen!" riep Ary Kist zijne volgelingen toe.
-
-"Dat nooit!" klonk het van de tegenpartij.
-
-"Geef je dan over!" schreeuwde Ary Kist weer.
-
-"Nooit ofte nimmer!" was het antwoord.
-
-De boot van Nicolaas Calff schommelde angstwekkend heen en weer, en
-hield, door de te zware vracht, weinig boord meer. Maar de jongens
-hadden er in het vuur van den strijd geen erg in, evenmin als in de
-waarschuwingen van de voorbijvarende schippers.
-
-Opeens sprongen ook Dirk Rogge en Claes Salm op het Admiraalsschip
-over, juist toen het aan stuurboord sterk overhelde, doordat de
-strijdende jongens zich te veel op een zijde samengehoopt hadden.
-
-Het gevolg was ontzettend.
-
-Door den schok schepte de boot water en sloeg totaal om, haar kostbaren
-inhoud in de breede Zaan uitstortende.
-
-Een verbazende schrik maakte zich meester van de jongens, die nog
-niet op de boot van Nicolaas Calff waren overgesprongen. Doodsbleek
-staarden zij op de oppervlakte van het water, dat zich onmiddellijk
-boven de hoofden hunner makkers gesloten had. De omgekeerde boot,
-waarvan de enterhaak losgemaakt was, dreef met de kiel boven, langzaam
-verder, medegesleept door stroom en wind.
-
-Teeuwis Rogge, Heyn Pomp en Jan Louwrensz waren het gevaar
-ontkomen. Zij stonden als versteend in de boot.
-
-Ook op de schepen had men gezien, wat er gebeurd was, en onmiddellijk
-werden hier en daar de zeilen gestreken, om zoo mogelijk ter hulp
-te snellen.
-
-De eerste drenkeling, die boven kwam, was Ary Kist, en daar hij zich
-dicht bij de boot bevond, werd hij spoedig gered. Ook de andere jongens
-kwamen boven water, en riepen luidkeels om hulp. Van verschillende
-kanten kwamen booten aanroeien, en het gelukte de mannen, alle jongens
-te redden, naar zij meenden. Zij werden aan den wal gebracht, en
-kregen de vermaning, hunne booten aan den kant vast te leggen en zoo
-spoedig mogelijk naar huis te gaan, om droge kleeren aan te trekken.
-
-De hond zwom nog heen en weer, alsof hij iets zocht. Maar eindelijk
-kwam ook hij aan wal. Hij schudde zich het water uit de haren en liet
-zijne ooren klappen, en liep toen vlug tusschen de jongens door,
-die elkander zwijgend van schrik en ontsteltenis aanstaarden. Hij
-besnuffelde iedereen en begon toen jammerlijk te janken.
-
-"Wat scheelt hem toch?" vroeg Ary Kist. En opeens zijne kameraden een
-voor een aanziende, vroeg hij bevend van schrik: "Waar is Nicolaas
-Calff? O God,--hij is verdronken!--"
-
-"Verdronken?" stamelden de anderen, elkander als het ware tellende. "O,
-o,--Nicolaas is er niet!--Hij is verdronken..."
-
-Enkele jongens begonnen te schreien, en de hond liep angstig en
-gejaagd langs den oever. Opeens wierp hij zich met een sprong te water,
-en zwom weer naar het midden van de Zaan.
-
-Maar hoe het trouwe dier ook zocht, het kon zijn jongen meester
-niet terugvinden. Het zwom voortdurend om de omgeslagen boot, en
-klom er eindelijk zelfs bovenop, van welke plaats het een jammerlijk
-klaaggeschrei deed hooren, dat den ontroerden jongens door merg en
-been drong.
-
-De menschen, die met hunne roeibooten te hulp waren gesneld, roeiden
-nog eenigen tijd op het water rond, om den verlorene te zoeken,
-maar hunne pogingen waren vergeefsch.
-
-Helaas,--de jongens hadden een van hunne meest beminde makkers
-verloren.
-
-Geen van hen was zijn tranen meer meester, en zij weenden om den dood
-van hun jongen vriend.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-EEN VERGEEFSCHE TOCHT EN EENE WONDERBARE REDDING.
-
-
-Jan Willemsz was met goeden moed en vol hoop op de toekomst
-op weg gegaan, om een bezoek te brengen aan het Bonte Calff en
-diens Commandeur, welk schip, evenals zeer vele andere, voor de
-Groenlandsche visscherij werd uitgerust. De walvischvaart was in dien
-tijd tot grooten bloei gekomen, wat kan blijken uit het feit, dat in
-dat jaar (1697) niet minder dan honderd en elf schepen ter uitvaart
-gereed lagen. En een zeer groot deel daarvan hoorde in Saardam thuis
-en werd door Saardammers bemand. Het is te begrijpen, dat hierdoor
-groote welvaart in die plaats ontstond. Talrijke scheepstimmerwerven
-trof men er aan,--want de Saardammers waren om hun voortreffelijken
-scheepsbouw niet ten onrechte vermaard,--zeilmakerijen, touwslagerijen,
-kompaswinkels, kortom, van alles wat op de scheepvaart betrekking had,
-kon men in de Zaansche dorpen vinden. Er heerschte daar in die dagen
-eene zoo groote bedrijvigheid, dat de bestuurders der gemeente het
-noodig geoordeeld hadden, de kinderen te verbieden om twaalf uur
-op straat te loopen, omdat zij anders in gevaar verkeerden onder
-den voet te raken door het vele volk, dat dan van de verschillende
-werkplaatsen huiswaarts keerde. Wanneer wij hier nog bijvoegen, dat
-in datzelfde jaar door de Hollandsche visscherij niet minder dan 1274
-walvisschen gedood werden, dan kan men zich eenigszins een denkbeeld
-vormen van de groote vlucht, die deze visscherij toen genomen had.
-
-Jan Willemsz had het schip spoedig bereikt. 't Was een zeer mooi
-vaartuig, dat nog niet lang in de vaart was. De masten verhieven zich
-fier in de lucht, en de Hollandsche vlag wapperde vroolijk van den top.
-
-Jan wist, dat de Commandeur zich elken dag aan boord bevond, om
-voor de goede uitrusting te zorgen. En dat vereischte veel nadenken
-en groote nauwkeurigheid. Het Bonte Calff was een van de grootste
-walvischvaarders, want hij had 6 sloepen aan boord en zou met 42 koppen
-worden bemand. 't Is dus te begrijpen, dat er heel wat voor noodig
-was. Er lag dan ook een zwerm van booten rondom, die allerlei waren
-voor de groote reis aanbrachten. Er waren booten met vaten, waarin het
-spek van den walvisch moest worden bewaard, booten met levensmiddelen,
-met ankers, harpoenen, touwen, zeilen, enz. enz. De Commandeur liep
-op het dek rond met een groot papier in de hand, waarop hij telkens
-aanteekeningen maakte. Een viertal matrozen was druk in de weer,
-om alles in het ruim te bergen en daar een goede plaats te geven.
-
-Het schip lag een weinig van den wal voor anker, daar het vlak aan den
-kant op die plaats te ondiep was. Jan moest dus een goede gelegenheid
-afwachten, om aan boord te komen.
-
-Maar spoedig was die gevonden. Een bootje met ijzerwerk, geroeid
-door Gerrit Kist, den vader van Ary, kwam aangevaren, en Jan besloot
-dadelijk hem te vragen, of hij meê mocht aan boord. Kist was een
-buurman van hem. Hij woonde wel niet vlak naast hem, want Jan's huis
-lag aan den Lagen Horn en Kist bewoonde een huis op het Krimp, maar
-de afstand was toch niet groot, en zij zagen elkander dagelijks. Ook
-kwam Kist wel bij zijne moeder aan huis, om een buurpraatje te maken.
-
-"Heidaar, Gerrit-buur, mag ik meêvaren?"
-
-"Zoo Jantje, ben jij daar? Met alle plezier, hoor. Ik zal je afhalen."
-
-Met een paar forsche slagen was Kist naar den wal geroeid, en Jan
-stapte in de boot.
-
-"Wat moet jij aan boord van dien walvischvaarder doen, Jan?" vroeg
-Kist nieuwsgierig, want hij zag wel aan het ernstige gelaat van den
-jongen, dat deze daar niet alleen voor de grap was.
-
-"'k Wil probeeren, of ik kajuitswachter kan worden, buurman," was
-het antwoord. "Zou dat gelukken, dunkt u?"
-
-Kist trok een bedenkelijk gezicht en haalde de schouders op. "Je
-kon wel licht genoeg van postuur zijn, jongen," zei hij. "Alevel,
-'t is te probeeren! Vindt je moeder goed, dat je gaat varen? 't Is
-altoos een gevaarlijk werkje. Je weet toch wel, dat er verleden jaar
-zes schepen van de Hollandsche visscherij verongelukt zijn?"
-
-"Ja, dat weet ik wel, maar moeder vindt het gelukkig goed, buurman. En
-u moet niet vergeten, dat er heel wat schepen naar het Noorden gaan,
-dus dat het geen wonder is, als er eens een paar niet terugkeeren."
-
-"O, ik weet het getal precies. Verleden jaar zijn er honderd uitgevaren
-en vierennegentig teruggekeerd. Enfin, 't is eene goede broodwinning,
-beter dan die van smidsknecht. Ik had ook vrij wat beter gedaan,
-als ik ambachtsman in Rusland gebleven was, bij den Czaar. Toen
-verdiende ik goed geld, en tegenwoordig is het maar schraaltjes.--Ohoi,
-Commandeur! hier is het bestelde ijzerwerk."
-
-De boot was het schip genaderd, en de Commandeur keek over de
-verschansing.
-
-"Zoo Gerrit Kist,--ben je daar? Je komt goed op tijd en bent een man
-van de klok. Wij zullen een ketting over boord gooien, waaraan een
-haak bevestigd is. Als jij daar de dingen aan hangt, zullen we ze
-aan boord hijschen."
-
-"Wel goed, Commandeur, maar hijsch dan eerst dezen jongen aan
-boord. Hij heeft wat met u te bespreken."
-
-De Commandeur keek den jongen scherp aan, om te zien, of hij hem kende.
-
-"Wou jij me spreken, ventje?" vroeg hij.
-
-"Graag, Commandeur!" was het antwoord van Jan, die eene kleur kreeg,
-toen hij den Commandeur ventje tegen hem hoorde zeggen. "Ophijschen
-is echter niet noodig, Commandeur. Gooi maar een touwtje overboord,
-dan zal ik me wel redden."
-
-De Commandeur deed het, en Jan klauterde vlug als eene kat omhoog. Hij
-wilde toonen, dat hij in elk geval behendig en vlug was, al behoorde
-hij niet tot de grooten.
-
-"Dat heb je er kranig afgebracht, jongen," zei de Commandeur. "En
-wat heb je me nu te zeggen?"
-
-Jan sloeg zijne hand aan de muts, en vroeg flink en op den man af:
-"Commandeur, ik kom u vragen, of u mij zou willen aanmonsteren als
-kajuitswachter. Ik ben wel niet groot, maar gezond en sterk..."
-
-"Geen sprake van, knaap," was het antwoord van den Commandeur. "Je
-bent vlug genoeg, dat heb ik gezien, maar ik vind je veel te klein van
-stuk. Kom over een paar jaartjes nog maar eens terug en groei in dien
-tijd zoo hard, als je kunt. Je moet eerst een hoofd grooter worden."
-
-Jan hield verdrietig de oogen op het dek gericht, en zijne groote
-teleurstelling stond hem op het gelaat te lezen. Dat bleef voor den
-Commandeur, die een goedhartig zeeman was, dan ook niet verborgen,
-en deze vroeg hem:
-
-"Spijt je dat zoo, mijn jongen? Had-je zoo graag ter walvischvaart
-willen gaan?"
-
-"Ja, Commandeur," zei Jan zacht, "en ik had gehoopt, dat u mijn
-geringe grootte over het hoofd had willen zien, ter wille van mijn
-armen vader..."
-
-Jan's gemoed schoot vol, en tranen vulden zijne oogen. "Wij hebben
-het zoo noodig, Commandeur," zei hij nog.
-
-"Je vader?--Ken ik dien dan?"
-
-"U heeft hem gekend, Commandeur. Hij heeft onder u zijne laatste
-reis gemaakt, en is niet weer thuisgekomen. Mijn vader heette Willem
-Jansz..."
-
-"Willem Jansz? Die arme kerel!" riep de Commandeur uit. "Zeker, zeker,
-heb ik hem gekend. En ben jij zijn oudste zoon?"
-
-"Ja, Commandeur."
-
-"Je vader was een beste kerel, hoor, een zeeman op en top. En om
-zijnentwil zou ik je graag nemen, als ik kon. Maar je bent werkelijk
-te klein, te licht. De reeders zouden het niet goedkeuren, dat ik je
-aanmonsterde. En hebben jullie het arm, zeg je?"
-
-"Ja Commandeur, erg arm. We hebben niets meer in huis, en 't is noodig,
-dat er verandering kome. Toe Commandeur, heb medelijden en probeer
-het eene reis met me. Ik zal zóó mijn best doen, dat u geen betere
-kajuitswachter kunt verlangen."
-
-"Hoor eens, dat gaat niet,--kort en goed, het gaat niet. Zeg dat
-maar aan je moeder. Met den besten wil van de wereld kan ik het niet
-doen. Maar vanavond hoop ik je moeder nog te bezoeken, want als de
-nood zoo hoog is, moet er geholpen worden..."
-
-"Och, Commandeur, de beste hulp zou wezen, dat u mij aanmonsterde. Wat
-helpt het al, of wij weer voor een paar dagen uit den nood geholpen
-worden? En méér zou u toch niet kunnen doen."
-
-"Neen jongen, meer niet, dat is waar. Maar misschien kan ik je hier
-of daar aan een stiekje helpen. Ik heb vele kennissen, onder allerlei
-ambachten. Wat zou je het liefst worden, jongen?"
-
-"Walvischvaarder," zei Jan.
-
-De Commandeur glimlachte.
-
-"Je hebt een goed tongetje, dat moet ik zeggen. Maar dàt moet je je
-uit het hoofd zetten, want er kan niets van komen. Hoe heet je?"
-
-"Jan Willemsz, Commandeur."
-
-"Er zijn, meen ik, nog twee kinderen bij jelui, niet waar?"
-
-"Ja,--een broer en een zusje."
-
-"Welnu, Jan, het spijt me wel, dat ik je niet helpen kan, maar van
-avond kom ik bij je moeder. Zeg haar dat. We zullen dan eens zien,
-wat we doen kunnen.--En nu moet ik je verlaten, want ik heb geen tijd
-om langer met je te praten. Dag Jan!"
-
-"Dag Commandeur!"
-
-Jan liet zich langs het touw weer in de boot afglijden, en Kist
-zag dadelijk aan zijn bedroefd uiterlijk, dat Jan onverrichterzake
-terugkeerde.
-
-"Is 't mis, Jan?" vroeg hij.
-
-"Ja,--mis. Er is geen sprake van zelfs," antwoordde Jan.
-
-"Zoo, dat is wel jammer,--ik moet nog verder op; ga-je meê, of wil
-ik je aan land zetten? Ik moet nog naar de Witte IJsvogel, om een en
-ander af te laden."
-
-"Neen, dank u, buurman. Zet me maar aan land, want ik wil liever
-naar huis terug. U begrijpt, dat Moeder erg nieuwsgierig is naar
-den uitslag."
-
-"Ja,--dat begrijp ik zeer goed."
-
-Kist roeide naar wal, en Jan nam afscheid van hem. Langzaam keerde
-hij naar huis terug; 't was of hij lood in zijne schoenen had. Wat
-was dit eene groote teleurstelling voor hem. Hij had zoo gehoopt,
-zijn lieve moeder voor goed uit de zorgen te helpen, en nu lag dat
-heerlijke plan totaal in duigen. Wat moest hij nu beginnen? Een vak
-leeren?--Maar dan verdiende hij weinig of niets, en moest zelfs al
-dankbaar wezen, als hij als leerling gratis werd aangenomen. Neen,
-hoe hij er ook over nadacht,--hij zag de toekomst donker in.
-
-Op dit oogenblik trof een luid gejoel zijn oor, en opziende ontdekte
-hij in de verte, midden op de Voorzaan, het elftal jongens, dat daar
-zeeroovertje speelde.
-
-"Daar zal Jacob ook wel bij wezen," mompelde hij zacht. "Wat zouden
-zij toch uitvoeren?"
-
-En al spoedig bleek het hem, dat de jongens bezig waren, zich op hoogst
-gevaarlijke wijze te vermaken. Hij maakte zich ongerust over hen. Een
-ongeluk was spoedig gebeurd. En nog geen twee minuten later zag hij,
-dat een van de booten omsloeg. Hij hoorde hier en daar roepende stemmen
-van schippers en zeelieden,--en hij zag, hoe men in verschillende
-booten zich naar de plaats des onheils spoedde....
-
-Ten hoogste ontsteld begaf ook hij zich zoo snel mogelijk derwaarts,
-maar hij kwam te laat.
-
-Hij vond de jongens schreiende aan den oever, bleek van schrik en
-bevende van ontroering. Hij hoorde het droevig gejank van den hond,
-die op de omgekeerde boot langzaam afdreef....
-
-Met een enkelen oogopslag bemerkte hij, dat zijn broer Jacob zich
-onder de geredden bevond.
-
-"Goddank," mompelde hij. "Hij is althans gered. Zegt toch, jongens,
-wat is er gebeurd? Wat is er?"
-
-"O, o,--o Jan,--wat vreeselijk...."
-
-"Maar wat dan toch....?"
-
-"O,--Nicolaas Calff is verdronken... Hij is niet weer bovengekomen...."
-
-Op het hooren van deze vreeselijke tijding maakte zich ook van Jan
-eene groote ontroering meester, en hij stamelde met hokkende stem:
-
-"Nicolaas Calff verdronken?... Maar hoe..."
-
-"Hij was op de boot, die daar drijft," zei Ary Kist. "Maar de boot
-is omgeslagen, en wij hebben hem niet meer gezien.... O, Jan!..."
-
-De verslagen jongens wrongen radeloos de handen.
-
-"Maar die hond daar?" vroeg Jan. "Waarom komt hij niet aan den wal?"
-
-"Het trouwe beest zoekt zijn meester overal," zei Jacob met tranen
-in de oogen. "O God,--Jan,--wat is het vreeselijk. Wat moeten wij
-toch beginnen...."
-
-Opeens riep Jan uit:
-
-"Hoort eens, jongens, die hond zit daar niet voor niemendal en het zou
-me niets verwonderen, als Nicolaas onder die boot lag. Ik ga kijken."
-
-Jan stapte in de boot van Ary Kist, greep de riemen en stak van
-wal. Weldra had hij de verongelukte boot bereikt. Castor wachtte zijn
-komst kwispelstaartend af, telkens zijne aangrijpende jammertonen
-herhalende.
-
-"Stil maar, Castor. Wij zullen hem wel zoeken, hoor. Stil maar,
-hondje," zei Jan, die zich aan de kiel vastgreep en zijn arm zoover
-mogelijk onder de omgeslagen boot stak.
-
-Maar hij voelde niets,--niets dan water.
-
-"Mijn arm is te kort," mompelde hij. "Toch ben ik heilig overtuigd,
-dat hij hier onder moet liggen. Een drenkeling komt immers altijd
-een of twee malen boven, voordat hij voor goed wegblijft.--Weet je
-wat,--ik waag er een nat pak aan.--Ik moet zekerheid hebben..."
-
-Onverschrokken liet de dappere jongen zich over boord glijden. Hij
-hield zich aan den rand van zijne boot vast. Tot aan den hals toe
-lag hij in het water...
-
-Nu stak hij den anderen arm nogmaals onder de boot, en zijn hart begon
-hem onstuimig in den boezem te kloppen, toen hij inderdaad bemerkte,
-dat hij zich in zijne veronderstelling niet bedrogen had. Hij voelde
-een been...
-
-Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij kon het lichaam van
-Nicolaas niet onder de boot wegtrekken, zonder zijn eigen boot los
-te laten,--en wat kon er dan al niet gebeuren? Hij wist, dat hij zijn
-leven waagde. Toch deed hij het.
-
-Hij greep den rand van de omgeslagen boot, liet zijn eigen vaartuig
-los, dat langzaam wegdreef, en dook onder water, bijna geheel onder
-de boot. Toen trok hij het doode lichaam naar zich toe, en hield het
-met het hoofd boven water.
-
-"Je kunt niet weten..." mompelde hij zacht. "Misschien is er nog
-leven..."
-
-Met inspanning van al zijne krachten wist hij den drenkeling op de
-omgeslagen boot te krijgen. Hij hield zichzelf aan de kiel vast,
-en riep luide om hulp.
-
-De andere jongens hadden zijn daden onder eene ademlooze stilte
-aangezien, en eene groote vreugde maakte zich van hen meester, toen
-zij bemerkten, dat Nicolaas gevonden was. Hoewel zij druipnat waren,
-had niemand van hen den moed gehad, naar huis te gaan. Trouwens,
-daar zou de tijding van het vreeselijke ongeluk wel al aangekomen
-zijn. In de verte naderden groote drommen menschen.
-
-Arent Bloem, Ary Kist en Jacob Willemsz sprongen in de boot van Arent,
-en roeiden Jan met forsche slagen te hulp. Spoedig hadden zij hem
-bereikt, maar opnieuw maakte eene groote verslagenheid zich van hen
-meester, toen zij het lichaam van Nicolaas doodsbleek op de boot
-zagen liggen.
-
-"Dood, Jan?" vroeg Arent zacht.
-
-"Ik vrees het--help mij--til eerst Nicolaas in de boot... Goed zoo,
-nu mij!"
-
-Jan zat in de boot op het achterbankje. Nicolaas rustte met zijn hoofd
-op Jan's knie, en deze hield teeder zijne hand op diens voorhoofd.
-
-Sprakeloos roeiden de jongens naar den wal terug.
-
-Ook de hond was in de boot gesprongen, en likte zijn jongen meester
-op handen en aangezicht.
-
-"Stil, Castor,--stil, goed beest!" zei Jan. Maar opeens gaf Jan een
-wilden kreet.
-
-"Hij leeft,--jongens, hij leeft!" gilde hij meer, dan hij riep.
-
-De riemen bleven in rust, en de jongens keken met gerekte halzen naar
-hun doodgewaanden makker.
-
-"Dan moet hij bewusteloos geweest zijn door gebrek aan lucht onder
-de boot!" zei Arent Bloem. "Bij het omslaan zal daar lucht onder
-gebleven zijn, en Nicolaas moet juist onder de boot boven water
-gekomen wezen.--Nicolaas! Nicolaas!"
-
-En alle jongens riepen schreiende van vreugde: "Nicolaas! Nicolaas!"
-
-Wie beschrijft hunne vreugde, toen zij zagen, dat Nicolaas inderdaad
-de oogen opende. Flauw, en zonder bewustzijn keek hij hen aan. Toen
-sloten zijne oogen zich weer.
-
-"Beweeg hem de armen en beenen, jongens," zei Jan. "Hij komt meer en
-meer bij, en er bestaat nog hoop. Toe maar!"
-
-De jongens volgden dien raad, met het gevolg, dat de ademhaling
-langzaam hersteld werd.
-
-Eene groote menigte menschen naderde, en hoopte zich aan den oever
-op. Het nieuws had zich reeds met ongelooflijke snelheid door het
-dorp verbreid.
-
-"Is hij gered?" werd er van den wal geroepen.
-
-"Leeft hij nog?" vroegen anderen.
-
-"Hij is gered, en leeft! Jan Willemsz heeft hem gered!" antwoordde
-Ary Kist.
-
-Zoodra de boot aan den wal lag, drongen enkele mannen naar voren.
-
-"Jongens, ga jelui zoo spoedig mogelijk naar huis, om droge kleeren
-aan te trekken. Je zult anders ongetwijfeld ziek worden. Wij zullen
-Nicolaas Calff intusschen naar zijne woning roeien, en ook de booten
-thuisbrengen. Toe, spoedig, je loopt al veel te lang in die natte
-plunje."
-
-Die raad was goud waard, en de jongens spoedden zich naar huis. Telkens
-kwamen zij menschen tegen, die hun vroegen, of Nicolaas verdronken
-was. En jubelend van opgewondenheid en vreugde klonk dan hun antwoord:
-
-"Hij leeft nog. Jan Willemsz heeft hem gered!... Hij leeft!"
-
-Weldra hadden de knapen hunne respectievelijke woningen bereikt,
-en toen men ook daar vernam, wat er gebeurd was, voor zoover men
-het nog niet wist, heerschte er groote vreugde, dat alles zoo
-goed afgeloopen was. Als althans Nicolaas Calff herstellen mocht,
-wat iedereen wenschte, want de familie Calff was in hoog aanzien,
-en van Nicolaas hield iedereen.
-
-In diens woning heerschte echter groote droefheid, want de tijding
-dat Nicolaas verdronken was, was daar aangekomen en had het gezin in
-diepen rouw gedompeld. Juffrouw Calff lag half bewusteloos op een
-ruststoel, terwijl haar echtgenoot en de ijlings ontboden meester
-Pomp, de chirurgijn, al het mogelijk deden, om haar weer bij kennis te
-maken. Haar hoofd en hare polsen werden met azijn en water gewasschen,
-en men sprak haar woorden van troost en berusting toe.
-
-Sinjeur Calff was pas thuisgekomen, om zijne vrouw te zien en toe
-te spreken. Hij was verderop in de Westzijde geweest, en daar had de
-vreeselijke tijding hem bereikt. Dadelijk had hij zich op weg begeven,
-om eerst naar zijn huis te snellen, en dan naar de plaats des onheils.
-
-"'t Is Gods wil geweest, lieve vrouw," sprak Sinjeur Calff, terwijl
-hij haar teeder kuste, "wij mogen niet murmureeren, en opstaan tegen
-Zijn wil."
-
-Hij sprak deze woorden kalm en bedaard uit, maar de bleekheid van
-zijn gelaat bewees, dat hij zelf diep geschokt was. Telkens staarde
-hij gejaagd naar buiten. Hij had in huis rust noch duur.
-
-"Ik ga ons kind halen, lieve vrouw," sprak hij zacht. "Spoedig ben
-ik weer hier. Tracht je te beheerschen..."
-
-Maar de moeder wrong radeloos de handen en jammerde om haar kind,--en
-ook de overige huisgenooten schreiden heete tranen.
-
-Sinjeur Calff stond op, om naar buiten te gaan, en zijn kind tegemoet
-te snellen.
-
-Opeens werd de kamerdeur driftig geopend en Sinjeur Noomen, de vader
-van Cornelis, trad binnen.
-
-"Goede tijding, vrienden, goede tijding!" riep hij hun vroolijk
-toe. "Droogt uwe tranen, en dankt God, want--Nicolaas leeft; hij leeft,
-zeg ik, al is hij den dood nabij geweest."
-
-De ouders staarden hun vriend Noomen ongeloovig aan. Zij durfden deze
-gelukstijding bijna niet gelooven.
-
-"Leeft hij, Noomen?" vroeg Sinjeur Calff, terwijl hij zijn vriend
-angstig aanstaarde en hem bij den arm greep.
-
-"O, bedrieg mij niet, en geef mij geen ijdele hoop!" stamelde
-juffrouw Calff.
-
-"Gods wegen zijn wonderbaar en ondoorgrondelijk, goede menschen,"
-sprak Noomen ernstig. "Uw kind is onder de omgeslagen boot boven
-water gekomen, en moet daar eene voldoende hoeveelheid lucht gevonden
-hebben, om niet dadelijk te sterven. Toch was hij reeds totaal zonder
-bewustzijn, toen Jan Willemsz hem vond."
-
-"Jan Willemsz?" vroeg Sinjeur Calff. "Van de weduwe Willemsz op den
-Lagen Horn?"
-
-"Juist, dezelfde. Een kranige jongen, hoor. Hij kwam toevallig op
-de plaats des onheils, en zag uw hond, Castor, luid jankend op de
-omgeslagen boot zitten. Dat bracht hem op de gedachte, dat Nicolaas
-daar onder kon liggen. En met gevaar voor zijn eigen leven heeft
-hij zich onder de boot laten zakken, en mocht het hem met Gods hulp
-gelukken hem te redden."
-
-Juffrouw Calff, die door deze heerlijke tijding weer geheel tot
-zichzelf gekomen was, stond van haar stoel op. Zij hief hare gevouwen
-handen ten hemel, en dankte den Hemelvader voor deze groote blijdschap
-en wonderbare redding. En daarna riep zij uit:
-
-"Sinjeur Noomen, waar is mijn kind?--Waar is hij?"
-
-"Houd u rustig en bedaard, juffrouw Calff. Men voert hem in de boot van
-Meindert Bloem herwaarts. Ik weet, dat hij leeft, ik weet het zeker,
-want ik heb hem zelf gezien, toen de boot door de sluis schutte. Elk
-oogenblik kunnen zij aankomen..."
-
-Sinjeur Calff kon thans zijn ongeduld niet langer bedwingen. Met
-haastige schreden verliet hij de kamer, om zijn kind tegemoet te gaan.
-
-Werkelijk duurde het maar kort, toen een luid geblaf de komst van
-Castor aankondigde. Op het volgende oogenblik sprong hij de kamer in,
-doornat, maar kwispelend met den staart, en blijkbaar in de grootste
-vreugde.
-
-Wat werd het trouwe dier met blijdschap ontvangen. Juffrouw Calff
-sloeg hem de armen om den nek, en kuste hem op den kop. Toen spoedde
-zij zich naar de deur...
-
-Daar naderden eenige mannen, met den verheugden vader aan het hoofd,
-die Nicolaas voorzichtig naar binnen droegen.
-
-"O God,--hij is toch dood!" stamelde juffrouw Calff verschrikt.
-
-"Neen,--neen,--hij leeft!" was het antwoord. "Waar wenscht u, dat we
-hem neerleggen?"
-
-"Hier,--hier!" zei juffrouw Calff, op den ruststoel wijzende. "Hij
-moet toch eerst droge kleeren aan hebben, vóor wij hem op het bed
-kunnen leggen."
-
-Zoodra Nicolaas op den stoel was geplaatst, knielde zijne moeder bij
-hem neer en kuste hem, terwijl vreugdetranen haar langs de wangen
-vloeiden, op het voorhoofd. Het doodsbleeke gelaat van haar kind
-verontrustte haar. Ook Sinjeur Calff drukte hem een kus op het gelaat,
-maar toen schoof hij zacht zijne vrouw terzijde, opdat meester Pomp
-gelegenheid zou hebben, zich met den knaap te bemoeien.
-
-Deze borstelde hem de voetzolen en bewoog de armen van den patiënt
-op en neer. Daarop haalde hij een vlijmscherp mesje te voorschijn en
-gaf hem een snede in den arm, zoodat het bloed met een breeden stroom
-daaruit te voorschijn kwam. Thans kreeg de moeder het druk, want met
-de zindelijkheid aan de Saardamsche vrouwen eigen, duldde zij niet,
-dat een enkele druppel de matten op den vloer of het kussen van den
-stoel verontreinigde.
-
-Het duurde maar kort, of Nicolaas opende de oogen en glimlachte zijn
-ouders, die hem in de grootste spanning aanstaarden, dankbaar en
-gelukkig toe.
-
-"Breng thans droge kleeren, juffrouw Calff," sprak meester Pomp. "Ik
-geloof te mogen voorspellen, dat hier alles spoedig ten beste gekeerd
-zal zijn, en dat er voorloopig geen gevaar is."
-
-Deze woorden gaven aan de ontstelde gemoederen de noodige kalmte
-weder. Nicolaas werd verschoond en voorzichtig te bed gelegd, waar
-hij spoedig in slaap viel. Een paar uren later, toen het al schemerig
-begon te worden, ontwaakte hij, en vertelde uitvoerig aan zijne ouders,
-wat er gebeurd was.
-
-Wie hem gered had, en hoe dat in zijn werk was gegaan, kon hij
-echter niet zeggen, want daarvan wist hij niets. Groot was dus zijne
-verbazing, toen zijn vader hem zeide, dat hij onder de omgeslagen boot
-terecht gekomen was, en door de daaronder opgesloten lucht eenigen
-tijd voor verstikking was bewaard gebleven, en hoe hij eindelijk
-was gered door Jan Willemsz, die daarvoor zijn eigen leven gewaagd
-had. Dat ook Castor zich zoo flink gehouden had, werd in kleuren en
-geuren verteld. Eindelijk zeide Sinjeur Calff, terwijl hij opstond:
-
-"En nu ga ik naar den Lagen Horn, naar Jan Willemsz, om hem dank
-te zeggen voor hetgeen hij heeft gedaan. Dat is niet meer dan
-mijn schuldige plicht, en de brave jongen heeft aanspraak op onze
-levenslange dankbaarheid."
-
-"Dat is goed, lieve man, en zeg aan de weduwe Willemsz, dat ook ik
-haar spoedig bezoeken zal. Ik beschuldig mij toch reeds sedert eenigen
-tijd, dat ik de arme ziel te veel aan haar lot heb overgelaten. Maar
-voortaan zal zij daarover niet meer te klagen hebben."
-
-De vader nam hoed en stok, en kwam naar het bed van Nicolaas, om hem
-nog eenmaal over de wang te strijken.
-
-"Tot straks, mijn jongen," zei hij teeder.
-
-"Dag Vader.--Maar wacht u nog even. Ik herinner mij, dat Jan Willemsz
-dezen middag naar het Bonte Calff zou gaan, om te trachten als
-kajuitswachter aangemonsterd te worden. Zijn broer Jacob vertelde mij,
-dat zij het erg arm hebben, Vader,... en..."
-
-"Nu,.... en...?" vroeg Sinjeur Calff glimlachend.
-
-"Och Vader, als u iets voor hem doen kon.... Ik zou hem zoo graag
-onze groote dankbaarheid ook willen toonen door onze daden, Vader."
-
-"Ik zal er onderweg over nadenken, mijn kind. Tot straks."
-
-De vader verliet de kamer en begaf zich naar de armoedige woning der
-weduwe. De afstand was niet groot; hij had haar dus spoedig bereikt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-HET BEZOEK VAN SINJEUR CALFF, EN DE GEVOLGEN DAARVAN.
-
-
-Het was donker in 't kleine vertrek. De avond was gevallen, en door
-de kleine ruitjes van het lage raam kon van buiten af weinig licht
-binnendringen. Trouwens, daar was het ook vrij donker, maar toch niet
-zoo erg als in het kamertje.
-
-De tafel was voor het raam geschoven. Aan de eene zijde zat de moeder,
-met kleine zus, die sliep, op haar schoot, en aan den anderen kant
-zaten de beide jongens. Er werd geen smeerkaars gebrand, omdat de
-moeder geen geld had gehad, om er een te koopen. Zij staarde op de
-tafel voor zich, en zuchtte somwijlen zeer zwaar, zonder dat zij er
-zelf erg in had. Zij was in hare gedachten verdiept, en die waren van
-droevigen aard, want nu Jan door den Commandeur niet aangenomen was,
-wist zij werkelijk niet, wat zij moest beginnen.
-
-Ook de beide jongens spraken niet. Het koude bad in de Zaan had hun
-wel geen kwaad gedaan, maar zij waren, door hetgeen er dien middag was
-gebeurd, toch ernstig gestemd. Bovendien was Jan zeer terneergeslagen
-door de groote teleurstelling, die hij had ondervonden.
-
-Eindelijk verbrak de moeder de stilte.
-
-"Wat is het toch vreeselijk jammer, kind," zeide ze tot Jan. "Eerst
-had ik wel veel bezwaren, maar nu ik er goed over had nagedacht,
-moest ik toegeven, dat het onze eenige uitredding was, en hoopte ik,
-dat het gelukken zou. Maar je kunt het morgen nog wel eens beproeven
-bij de andere Commandeurs. Er liggen toch nog verscheidene andere
-schepen voor de uitvaart gereed?"
-
-"O ja, Moeder, heel veel, maar als Commandeur Jan Folkersz mij niet
-durft aannemen, zullen de anderen het zeker niet doen. Neen, Moeder,
-'t zou moeite voor niets zijn.--U weet toch, dat hij straks hier komt?"
-
-"Ja, je hebt het gezegd. Ik zal het hem toch nog eens vragen. Wie
-weet, of hij niet door medelijden gedreven van plan verandert. Er
-móét iets gebeuren, kinderen. 'k Heb geen brood meer in huis voor
-eene avondboterham, en je moet zonder eten naar bed. Alleen voor
-kleine zus is er nog een stukje..."
-
-De jongens zeiden niets.
-
-Opeens zagen zij eene zwarte gedaante voorbij het raam loopen,
-en een oogenblik later werd de bovendeur geopend, en daarna de
-onderdeur. Iemand stapte de donkere kamer binnen, en bleef aan den
-ingang staan, zeker omdat hij door de duisternis niets onderscheiden
-kon.
-
-"Goedenavond, samen!" klonk de groet van Sinjeur Calff, want deze
-was het.
-
-"Goeden avond, Sinjeur!" sprak de weduwe, en de beide jongens zeiden
-ook: "Goeden avond, Sinjeur."
-
-En de weduwe vervolgde:
-
-"Kom nader, Sinjeur, en Jan, schuif een stoel bij de tafel. Ik weet
-waarlijk niet, wie zoo laat nog..."
-
-"Ik ben Cornelis Michielsz Calff, vrouw Geerte," sprak de koopman
-naderbijkomend, "en ik kom wel mijn innigen dank betuigen aan
-uw zoon Jan, wien wij naast God het leven te danken hebben van
-Nicolaas. Geef mij de hand, jongen, en wees overtuigd van onze groote
-erkentelijkheid. Je hebt eene daad gedaan, een volwassen man waardig."
-
-Jan stond op, en gaf Sinjeur Calff de hand, die deze hartelijk drukte.
-
-"Zonder jou hulp was mijn jongen er niet meer," sprak de koopman
-ontroerd. "Vrouw Geerte, u mag trotsch op den knaap zijn. En mijn
-vrouw heeft mij opgedragen u de mededeeling te doen, dat ook zij
-spoedig komen zal, om u te bezoeken en Jan haar dank te brengen."
-
-"Geen dank, Sinjeur," sprak de weduwe. "Jan heeft slechts zijn
-plicht gedaan. Maar gaat u toch zitten, Sinjeur. Hier heeft u een
-stoel. Neemt u me niet kwalijk, dat het hier zoo donker is, maar ik
-had op 't oogenblik geen kaars in huis, en...."
-
-'t Was maar goed, dat het zoo donker was, want nu kon Sinjeur Calff
-niet zien, hoe de arme vrouw bloosde bij die woorden. Zij had nog nooit
-met hare armoede te koop geloopen, en wilde die ook nu nog voor haar
-bezoeker verbergen. Maar dat wilde Sinjeur Calff juist niet, want hij
-was gekomen om hulp te brengen. Zijn dankbaar hart noopte hem daartoe.
-
-"En hoe gaat het thans met uw zoon?" vroeg vrouw Geerte, die de
-kleine zus op een anderen stoel zette, omdat zij wakker geworden was
-en om brood vroeg. De weduwe haalde haar laatste stuk uit de kast,
-en reikte het haar over.
-
-"Gode zij dank, het gevaar is geweken," sprak Sinjeur Calff. "Meester
-Plomp heeft hem eene aderlating gegeven, en die heeft uitstekend bij
-hem gewerkt. Hij laat Jan ook hartelijk door mij bedanken."
-
-De kleine zus had spoedig haar stukje brood opgegeten, en zeide:
-"Ikke nog meer brood, Moe!"
-
-"Neen, kind, nu niet," antwoordde de moeder, die ternauwernood een
-droevigen zucht kon onderdrukken. "Zus gaat nu naar bed."
-
-"Ikke nog meer brood, ikke nog meer brood. Zus nog niet genoeg!" hield
-de kleine meid vol. En toen hare moeder haar op den schoot nam, om
-haar uit te kleeden, begon zij hevig te schreien, en spartelde met
-armpjes en beentjes tegen.
-
-"Hoor eens, vrouw Geerte," sprak Sinjeur Calff, wiens oogen nu wat
-aan de duisternis gewend raakten, "dat zal zoo niet gaan. Die dikke
-meid lust nog wel een boterhammetje. Aan zoo'n klein stukje kan zij
-niet genoeg hebben."
-
-De arme vrouw, wie toch het angstzweet al uitgebroken was, omdat dit
-nu juist gebeuren moest, terwijl er een vreemde heer in huis was,
-barstte in tranen uit.
-
-"Ach Sinjeur," zei ze, "spreek toch zoo niet. Ik heb het kind mijn
-laatste stuk brood gegeven, en ik schaam mij..."
-
-Sinjeur Calff stond op en haalde zijne beurs te voorschijn. Hij nam
-er eenig geld uit, dat hij aan Jan overhandigde, en zeide:
-
-"Hier jongen, haal jij eens brood, melk en kaarsen. Als de wind zoo
-vlug, hoor!"
-
-Jan was de deur al uit.
-
-"En jij, kleine meid, wacht maar eventjes," vervolgde Sinjeur
-Calff. "Straks krijg jij nog eene lekkere stuk, hoor, een dikke!"
-
-Zus begon te lachen, en liet zich gewillig uitkleeden.
-
-"En vrouw Geerte," vervolgde Sinjeur Calff, terwijl hij haar de hand
-op den schouder legde: "Droog uwe tranen, want ik zal voortaan voor
-u zorgen. De goede God heeft mij, ik zeg het met bescheidenheid,
-met groote rijkdommen gezegend, en ik maak er mij een feest van, in
-dit gezin den nood te lenigen. Zoolang ik leef zal hier geen brood
-meer ontbreken in de kast."
-
-De vrouw drukte hem ontroerd de hand, en zeide:
-
-"Thans is het aan ons, om dankbaar te zijn, Sinjeur. Maar wij willen
-werken voor ons brood, want wij zijn geen bedelaars en houden de hand
-niet op voor aalmoezen. O Sinjeur, help ons aan werk; dat zou eene
-weldaad zijn."
-
-Op dit oogenblik kwam Jan terug. De kleine zus kreeg een flinke stuk
-en een kroes melk, en de weduwe maakte licht.
-
-"Hoor eens hier, Jan," vervolgde Sinjeur Calff. "Ben jij van middag
-naar het Bonte Calff geweest?"
-
-"Ja, Sinjeur."
-
-"En wat heeft Commandeur Jan Folkersz je geantwoord? Heeft hij je
-aangenomen?"
-
-"Afgewezen, Sinjeur. Ik ben nog te klein, zei hij, en moet eerst nog
-een paar jaartjes groeien."
-
-"Nu luister dan eens, naar hetgeen ik je zeg. De volgende week
-Woensdag, 's morgens om tien uur, zal de Commandeur de equipage
-aanmonsteren in de herberg "Spitsbergen," je weet wel, op den hoek van
-den Dam, tegenover de Oostzijder kerk. Kom jij je daar aanmelden, dan
-sta ik er borg voor, dat je aangenomen zult worden als kajuitswachter."
-
-"O Sinjeur!" riep Jan vroolijk uit. "Dank u, dank u! Hoort u,
-Moedertje, hoort u dat? Nu zijn de bange dagen voorbij!"
-
-"Ja jongen," viel Sinjeur Calff in, "dat zijn ze ongetwijfeld. Je
-moeder zal geen zorg meer hebben, maar zij wenscht, dat er voor gewerkt
-zal worden, en dat prijs ik in haar. Jelui zult geen genadebrood
-eten, daarvoor sta ik je borg. Jij Jan, komt bij de Groenlandsche
-vaart, en als je je best blijft doen, groeit er misschien nog wel
-een Commandeur van je. En Jacob zal op mijne kosten schoolgaan en de
-scheepvaart leeren. Op mijne schepen is nog plaats genoeg. Intusschen
-kan uwe moeder naaiwerk verrichten. Dan kan ze bij kleine zus blijven,
-niet waar?"
-
-Vrouw Geerte was zeer ontroerd, en zij dankte Sinjeur Calff met tranen
-in de oogen. En Jan kon van blijdschap bijna niet spreken.
-
-Een oogenblik later trad Commandeur Jan Folkersz binnen, en deze
-was niet weinig verrast, daar ook Sinjeur Calff aan te treffen. Hij
-had reeds van Jan's dappere daad gehoord en prees er hem uitbundig
-over. Hij wenschte zijn reeder geluk met de redding van zijn zoon,
-en vernam van hem, dat Jan als kajuitswachter bij hem geplaatst zou
-worden. Dat deed hem groot genoegen, want na de flinke daad van Jan
-was hij toch dadelijk reeds besloten geweest, Sinjeur Calff over den
-knaap te spreken. Dat was nu niet meer noodig. En toen een kwartiertje
-later de beide heeren vertrokken, lieten zij een overgelukkig gezin
-in het kleine huisje achter.
-
-Jan kon 's avonds niet in slaap komen van vreugde, en het was al over
-elven, toen Jacob hem een por tusschen de ribben gaf, en hem toevoegde:
-
-"Zeg, heerlijk voor je, hè, om te gaan varen!"
-
-"Zoo, ben jij ook nog wakker?" vroeg Jan, die in de meening verkeerd
-had, dat Jacob allang sliep.
-
-"Ik heb nog geen oog dicht gedaan," zei Jacob. "Ik moet er aldoor
-aan denken. Ik wou, dat ik met je meê mocht."
-
-"Later ga je ook varen, heeft Sinjeur Calff gezegd; heb dus maar
-geduld. O, Jacob, ik ben toch zoo blij, om Moeder, weet je. Nu is ze
-uit de zorg!"
-
-"Ja, dat is ze. En Jan," vervolgde Jacob lachend, "pas maar op, dat je
-niet net als Jacob Dieukes van Assendelft paardje gaat rijden op den
-rug van een walvisch. Je mocht er eens niet zoo goed afkomen als hij."
-
-"'t Liefst niet!" zei Jan. "Wie gaat er nu paardrijden op den rug
-van een walvisch? En wie is die Jacob Dieukes?"
-
-"'t Is toch echt gebeurd," zei Jacob, "want Jonge Kees heeft het me
-zelf verteld. Jacob Dieukes was een harpoenier, die een getroffen
-walvisch een tweeden harpoen in het lichaam wilde werpen. Maar de
-visch kwam juist onder de sloep boven water, wat zoo'n schok gaf,
-dat de harpoen Jacob uit de handen viel precies in den rug van den
-visch. En de harpoenier viel ook uit de sloep, en kwam naast zijn
-harpoen terecht. En het trof erg ongelukkig, want de lijn van den
-harpoen was hem twee bochten om zijn been geslagen, en hij kon zich
-niet losmaken. Toen moest hij wel meê, of hij wilde of niet. Zeg Jan,
-dat zal toch ook een benauwd oogenblik voor hem geweest zijn, denk ik."
-
-"Of het," zei Jan. "Hij liever dan ik."
-
-"Ja, maar hij wou ook niet graag, en hij keek angstig uit naar
-hulp. Verbeeld je eens, dat de walvisch onder water gedoken was voor
-een minuut of wat. Dan was Jacob meegesleurd en verdronken."
-
-"Wis en zeker," zei Jan. "En hij is nog losgekomen?"
-
-"Dat zal ik je vertellen. De andere sloepen roeiden, wat ze konden,
-om den walvisch in te halen, maar dat gelukte hun niet, want de visch
-was nog maar pas getroffen en had dus nog veel kracht. Toen riepen
-zijn kameraden hem toe:
-
-"Jacob, snijd de lijn aan stukken!"
-
-"Natuurlijk, dat was zijne eenige redding!" zei Jan. "En deed hij het?"
-
-"Neen, hij deed het niet, want hij kòn niet, omdat het mes hem dwars
-in zijn zak lag, zoodat hij het er niet uit kon krijgen. Hij hield
-zich stevig vast aan de lijn van den harpoen, want als hij dat niet
-gedaan had, was hij van het glibberige beest afgegleden in het water,
-met het hoofd naar beneden, omdat hij met zijn been in de lijn
-verward zat. Het was echter zijn geluk, dat de harpoen losraakte,
-zoodat hij zijn waterpaard verlaten kon. En 't was juist bijtijds,
-want een oogenblik later dook de visch onder...."
-
-"Hebben de anderen hem toen gered?" vroeg Jan.
-
-"Ja, en den visch hebben zij nog gevangen ook. Maar 't was met dat
-al toch eene wonderlijke manier, om uit varen te gaan, en ik zou je
-niet raden, om het hem na te doen."
-
-"'k Heb er ook geen plan op.--Maar jou raad ik aan, nu te gaan slapen,
-want het is haast middernacht. Wel te rusten!"
-
-"Geen haar minder op je pruik," wenschte Jacob, en weldra sliepen
-zij beiden in.
-
-'s Woensdags daaropvolgende ging Jan op weg naar de herberg
-"Spitsbergen," om zich te verhuren. Maar hij was nog geen honderd
-schreden op weg, of hij zag Nicolaas Calff naderen, in gezelschap
-van zijn trouwen hond. 't Scheen wel, of het dier Jan dankbaar was,
-voor hetgeen deze gedaan had, want hij kwam kwispelstaartend op hem
-toe, en likte hem de handen. Soms sprong hij luid blaffend om hem heen.
-
-"Dag Nicolaas, weer geheel beter?" zei Jan.
-
-"Gelukkig wel!" was het antwoord van Nicolaas, terwijl hij Jan de hand
-gaf. "Zonder jou was ik mortibus geweest naar alle waarschijnlijkheid,
-en ik dank je wel voor je kloekmoedige daad, Jan. Maar zeg, waar ga
-je heen? Naar de herberg "Spitsbergen?"
-
-"Ja, om mij te verhuren. Je weet, dat je vader het mij heeft beloofd?"
-
-"Ja, dat weet ik," zei Nicolaas. "Ik ga met je meê. Vader is er ook."
-
-De beide jongens en Castor vervolgden hun weg en kwamen weldra
-op den hoek van den Dam aan. Vroolijk wapperde de vlag uit een
-van de bovenramen der herberg, en een groote menigte volks bewoog
-zich op de straat daar voor. Van heinde en verre waren mannen en
-jongelieden opgekomen, om zich op de vloot te verhuren. Arbeiders
-van de Saardamsche pel- en oliemolens, welke 's zomers weinig of
-met halve kracht maalden, hadden zich oudergewoonte opgemaakt, om
-zich een plaatsje op de Groenlandsche vloot te veroveren, en uit vele
-Noord-Hollandsche dorpen, ja zelfs uit Friesland, van de eilanden der
-Noordelijke kusten, uit Duitschland, Jutland en Noorwegen was men
-naar hier getogen, om zich voor de vaart te laten aanmonsteren. 't
-Was dientengevolge zeer druk op de straten, en men hoorde spreken in
-velerlei dialecten en talen.
-
-Maar Jan bekommerde zich allerminst om die groote concurrentie,
-want hij vertrouwde volkomen op de belofte van Sinjeur Calff, dat
-hij aangenomen zou worden.
-
-Hij werd dan ook zeer vriendelijk ontvangen door den Commandeur Jan
-Folkersz, en door dezen op vriendelijke wijze als kajuitswachter
-gehuurd. 't Was zeer druk in de herberg, en Jan bevond zich daar
-te midden van stuurlieden, matrozen, timmerlieden, kuipers, koks,
-harpoeniers en zelfs chirurgijns. Want met elk schip ging een
-chirurgijn mede, die de zieken aan boord moest behandelen en tevens
-als barbier fungeeren.
-
-Ieder, die gehuurd was, ontving zijn handgeld, waarmede hij zich nog
-een paar dagen aan wal vroolijk kon maken, wat velen dan ook maar
-al te zeer deden. Vrijdags daaropvolgende zou de aanmonstering aan
-boord van het schip plaats hebben, wat gewoonlijk gevolgd werd door
-een stokvischmaal voor de reeders en hunne gasten, en den anderen
-dag zou de vloot uitzeilen.
-
-De Commandeur ontving van Sinjeur Calff, den boekhouder, 150 gulden
-als handgeld, een stuurman 65, een timmerman 40 à 45, een kok 36,
-een chirurgijn ook zooveel, een matroos 18 of 20 gld., enz. Jan
-ontving ook twintig gulden, maar dat was alleen te danken aan de
-omstandigheid, dat Sinjeur Calff de boekhouder was. Jan kreeg er
-zelfs nog een vriendelijken handdruk bij.
-
-Na beleefd zijne muts voor de heeren afgenomen te hebben, verliet hij
-in allerijl de herberg, niet om als zoovelen zijn geld aan allerlei
-onnutte dingen te besteden, maar om zich met zijn schat naar zijne
-lieve moeder te begeven. Wat voelde hij zich rijk en gelukkig met dat
-geld, het eerste, dat dienen moest, om zijn moeder de zorg voor het
-gezin te verlichten. Hij liep op een draf naar zijn huis, en telde met
-van blijdschap stralende oogen het geld voor haar uit op de tafel. En
-hij kon er zijne blikken bijna niet van afwenden. Opeens vloog hij
-zijne moeder om den hals en kuste haar gelukkig en dankbaar op de
-beide wangen. 't Was voor beiden een oogenblik, om nooit te vergeten!
-
-Twee dagen later begaf hij zich naar zijn schip, het Bonte Calff,
-dat er feestelijk uitzag. De vlaggen wapperden van de masten, evenals
-van de andere schepen der vloot, en vele mannen en vrouwen, in hun
-Zondagsche gewaad, bewogen zich aan boord.
-
-Geen wonder trouwens. 't Was een feestdag voor allen, die aandeelen
-in het schip hadden. Heden werd de equipage aangemonsterd en zou het
-feestmaal gehouden worden. Dat Sinjeur Calff, de boekhouder, hierbij
-de voornaamste persoon was, behoeft niet te worden gezegd. Hij en de
-Commandeur hadden in de kajuit plaats genomen, en Jan Willemsz riep
-alle mannen van de equipage een voor een binnen, om de monsterrol te
-teekenen, welke daad inhield, dat zij gehoorzaamheid en trouw aan den
-Commandant beloofden, en zich verbonden, getrouw aan alle gestelde
-wetten te zullen voldoen. Jan zelf teekende het laatst van allen.
-
-En toen gingen de gasten aan tafel, waarvan volgens aloud gebruik
-stokvisch den hoofdschotel vormde. Jan hield de wacht aan de deur
-van de kajuit.
-
-De parelende wijn vulde de glazen, en Sinjeur Calff stond op, om een
-woord van afscheid te spreken. Hij hief het glas omhoog, en sprak den
-wensch uit, dat het Bonte Calff een gelukkige reis zou hebben en een
-voorspoedige vangst. Hij wenschte allen gezondheid en voorspoed toe, en
-hoopte hen over enkele maanden behouden in het vaderland terug te zien.
-
-En nauwelijks was hij uitgesproken, of Commandeur Jan Folkersz stond
-op, om den spreker te beantwoorden. Hij dankte den boekhouder voor
-diens hartelijke woorden en goede wenschen, en gaf de verzekering,
-dat hij voor schip en goed zou zorgen als voor zijn leven, en dat
-hij het belang der reederij zou behartigen, alsof het zijn eigen
-was. "Daarop," zoo riep hij uit met verheffing van stem, "schenke
-God de Heer zijn onmisbaren zegen!"
-
-Bij deze woorden gaf hij Jan een wenk, wien hij vooraf zijne bevelen
-gegeven had, en deze spoedde zich de trap op naar boven, naar den
-stuurman, om hem te zeggen, dat het tijd was. En op een wenk van
-deze brandde met donderend geluid het kanon los, om de gebruikelijke
-saluutschoten te doen.
-
-Nog den geheelen dag duurde het feest voort, en 't was al avond
-geworden, eer de gasten naar huis terugkeerden.
-
-Toen ging ook Jan naar huis, en den volgenden dag had hij het druk met
-afscheid nemen. Al zijne kameraden ging hij groeten, en zelfs Hein Pomp
-werd niet vergeten. En 't laatst van allen ging hij naar Sinjeur Calff,
-om ook daar goeden dag te zeggen. Juffrouw Calff kuste hem hartelijk,
-want zij gevoelde zich zeer tot den knaap aangetrokken, die het leven
-van haar Nicolaas had gered. En Sinjeur Calff drukte hem de hand,
-en vermaande hem, terdege zijn plicht te doen.
-
-"Jongen, verlies dat nooit uit het oog, dan kun je het nog ver brengen
-in de wereld," zoo besloot hij. "Wees trouw en eerlijk in handel en
-wandel, en toon je den waardigen zoon van je brave moeder."
-
-Maar het moeilijkste afscheid kwam 's Zaterdagsmorgens nog voor hem
-aan, want toen moest hij zijn moeder vaarwel zeggen, en Jacob en
-kleine zus. Nu, kleine zus had er nog niet veel weet van, en Jacob
-huilde er ook niet om. Integendeel, hij vond het wàt een feest, dat
-hij zijn broer naar 't schip mocht brengen en dientengevolge niet
-naar school hoefde. Maar zijn moeder had al den geheelen morgen bleek
-gezien en was geducht in de war. En toen het oogenblik van scheiden
-gekomen was, kon zij hare tranen bijna niet bedwingen. Maar dat deed
-zij toch. Zij wilde zich tegenover haar jongen niet zwak toonen en
-hem dit afscheid niet zwaarder maken, dan het reeds was. Toen het
-oogenblik van scheiden dan ook was gekomen, sloeg zij hem zwijgend
-de armen om den hals en kuste hem vaarwel.
-
-"Dag moedertje,--tot weerziens!" zei Jan zacht. Daarna knuffelde hij
-kleine zus, nam zijn scheepszak op den rug en ging heen.
-
-Maar zijne moeder vergezelde hem tot op den Hoogendijk. Daar groetten
-zij elkander nog eenmaal, en toen ging jan heen, vergezeld van zijn
-broer Jacob. Nog een paar malen keek Jan om naar zijne moeder, om
-haar nog eens toe te wuiven, tot hij haar eindelijk niet meer zien kon.
-
-Na eenige minuten kwamen zij aan boord van het Bonte Calff, waarvan
-de geheele bemanning reeds compleet was. De wind was gunstig, en de
-commandeur gaf bevel, enkele zeilen te hijschen. Ook op de andere
-walvischvaarders heerschte levendigheid en drukte, want de schepen
-zouden alle tegelijk afvaren. En tal van bootjes met familieleden van
-het scheepsvolk voer op de Voorzaan heen en weer, en telkens opnieuw
-riep men elkander een hartelijk vaarwel toe.
-
-Eindelijk stapte Sinjeur Calff in de boot,--want hij was ook op het
-schip om afscheid te nemen van den Commandeur en van Jan,--en hij
-bood Jacob daarin ook een plaatsje aan. Het afscheid tusschen de
-beide broeders duurde maar kort.
-
-"Dag Jan, goede reis en behouden weerkomst!" zei Jacob, terwijl hij
-Jan de hand drukte.
-
-"Dag Jacob, het ga je goed. Groet moeder en zus nog eens van me. Tot
-weerziens!"
-
-De boot stak van wal, en Commandeur Folkersz gaf bevel de ankers
-te lichten.
-
-Langzaam zette het mooie schip zich in beweging, en statig gleed het
-de Voorzaan af naar het breede IJ. Andere schepen volgden, wat een
-mooi gezicht was voor de Saardammers, die het fraaie schouwspel met
-belangstelling gadesloegen. 't Uitvaren van de Groenlandsche vloot was
-altoos eene gebeurtenis van groot belang, en wie het half kon doen,
-ging er een kijkje van nemen.
-
-Ook vele vrouwen, sommigen met een klein kind op den arm en nog wel
-een of twee aan de rokken, liepen op den Hoogendijk, om het vertrek
-bij te wonen van den echtgenoot, die voor langen tijd van huis ging
-om het brood te verdienen voor de zijnen. En menigeen vroeg zich
-fluisterend af:
-
-"Zou ik hem weerzien? Zou hij niet blijven in die verre zee?"--
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-EEN VREESELIJK GERUCHT, EENE SPOOKHISTORIE EN EEN VREEMD BEZOEK.
-
-
-Ongeveer vier maanden waren voorbijgegaan, en 't was Zaterdag 17
-Augustus geworden. De veerschuit van drie uur in den middag kwam
-uit Amsterdam aan en werd aan den steiger vastgemeerd. Verscheidene
-kooplieden, die voor zaken naar de stad waren geweest, stapten er uit,
-pratende en lachende. Onder hen bevond zich ook Sinjeur Calff, maar
-hij liep zwijgend met zijne vrienden mede en nam geen deel aan hun
-levendig gesprek. Blijkbaar hielden ernstige gedachten hem bezig, die
-hem geheel in beslag namen. Zijn voorhoofd was gefronst, en zijn gelaat
-teekende zorg. Hij nam spoedig van zijn reisgenooten afscheid en begaf
-zich naar zijne woning, waar zijne vrouw hem met een vriendelijken
-groet tegemoet trad. En dadelijk gaf zij bevel het middagmaal voor
-hem op te zetten, waaraan zij de dienstbode ijverig medehielp.
-
-Het ontging aan haar scherpziend oog echter niet lang, dat haar man
-iets schortte, en dat hij in zorg verkeerde. Terwijl hij zwijgend
-zijn middagmaal gebruikte, zette zij zich aan den overkant van de
-tafel en nam hare breikous ter hand, gedachtig aan de oude spreuk,
-dat een paardentand en eene vrouwenhand nooit moeten stilstaan. Een
-paar malen zeide zij iets over het weer, dat dien dag heel mooi was,
-maar haar man hoorde haar niet en gaf geen antwoord. Nicolaas kwam
-binnen en groette zijn vader, maar deze merkte hem niet op. Blijkbaar
-waren de gedachten van den koopman elders. En zijne vrouw maakte zich
-ongerust, vooral, toen het haar bleek, dat haar man zeer weinig at,
-veel minder dan anders.
-
-"Smaakt het je niet, Cornelis?" vroeg zij luider, om zijne aandacht
-te trekken.
-
-"Smaken,--jawel vrouw, zeker, 't smaakt me heel goed," was het
-antwoord, maar tegelijkertijd ontsnapte een diepe zucht aan zijn
-borst, zoodat het voor haar niet twijfelachtig meer was, of er was
-iets ernstigs gebeurd.
-
-"Ben je dan niet goed,--of scheelt er iets anders aan?" vroeg zij
-verder. "Er is toch stellig iets niet in orde."
-
-"Je hebt gelijk, Dieuwertje," antwoordde haar man zacht en ernstig. "'k
-Heb zeer slechte tijding gehoord, zéér, zéér slechte en droevige
-tijding."
-
-Juffrouw Calff sprong verschrikt op en kwam naast hem staan. Zij
-legde hem haar hand op den schouder en zeide:
-
-"Zeer slechte tijding, Cornelis? Je doet me schrikken! Zeg me toch
-spoedig, wat er gebeurd is..."
-
-"Vrouw, 'k sprak dezen middag een commandeur van een teruggekeerden
-walvischvaarder, en die zeide mij, dat onder de visschersvloot het
-gerucht ging, dat het Bonte Calff met man en muis is vergaan..."
-
-Juffrouw Calff sloeg ontzet de armen ten hemel, en Nicolaas, die stil
-in een hoekje van de kamer bij het raam had gezeten, sprong van zijn
-stoel op en liep naar zijn vader.
-
-"Het Bonte Calff vergaan,--met man en muis,--en Jan Willemsz dan,
-Vader, is Jan Willemsz ook verdronken?"
-
-Sinjeur Calff keek zijn zoon, wiens tegenwoordigheid in de kamer hij
-niet vermoed had, een oogenblik verrast aan, en zeide:
-
-"Wat, jongen, ben jij hier? Ik heb je niet gezien!"
-
-"'k Ben een oogenblik geleden binnengekomen, Vader, maar u merkte
-mij niet op," zei Nicolaas, die van den schrik op het hooren van
-deze ongelukkige tijding bleek geworden was, evenals zijne moeder,
-die zoo begon te beven, dat zij op haar stoel moest plaatsnemen.
-
-"Arme menschen!" mompelde zij zacht voor zich heen.
-
-"Hoor eens, Nicolaas," sprak Sinjeur Calff langzaam en met
-nadruk,--"hoor eens, jongen, deze tijding was niet voor jou ooren
-bestemd, en had ik geweten, dat jij je in de kamer bevond, dan zou
-geen woord daarvan aan mijn mond ontsnapt zijn. Ik draag je dus op,
-over deze zaak het diepste stilzwijgen te bewaren,--ik zeg, het diepste
-stilzwijgen. Begrijp je dat goed, Nicolaas? Er mag geen woord daarvan
-over je lippen komen."
-
-"Ik zal er niet over spreken, Vader, wees daar gerust op. Maar o,
-dat Jan Willemsz ook verdronken is..."
-
-"Hoor eens, lieve vrouw, en Nicolaas, luister jij ook, want nu je
-het eenmaal toch weet, is het beter, je alles te zeggen, wat ik
-denk. Ik zeide straks, dat het nog slechts een gerucht is, en niets
-meer. Commandeur Jan Pietersen van Amsterdam is niet in gezelschap
-van het Bonte Calff geweest, en heeft het schip zelf niet gezien. Hij
-heeft alleen van een anderen Walvischvaarder gehoord, dat het schip
-is vergaan, en dat geen der schepelingen, voor zoover hem bekend,
-was gered. Maar ook die andere schipper had het slechts van hooren
-zeggen, zoodat het tot nog toe niets meer is, dan een los gerucht. 't
-Is best mogelijk, dat het waarheid bevat, en het gerucht op zichzelf
-is al erg genoeg en geeft mij redenen tot groote bezorgdheid, maar
-zoolang wij geen meerdere zekerheid hebben, acht ik het noodig, er
-het diepste stilzwijgen over te bewaren. Er zijn nog verschillende
-gevallen mogelijk. 't Schip kan van de andere afgeraakt zijn en is
-misschien niet meer door hen gezien, wat allicht het vermoeden kon
-wekken, dat het vergaan is. En zelfs als dat zoo ware, als het schip
-werkelijk ten gronde is gegaan, blijft nog zeer wel de mogelijkheid
-over, dat de mannen zich op de ijsschotsen hebben geborgen, en konden
-zij door andere schippers worden opgemerkt. In allen gevalle zou het
-verkeerd zijn, de familieleden van de bemanning noodeloos in angst
-en zorg te brengen, door alleen op een los gerucht af te gaan."
-
-"Je hebt volkomen gelijk, Cornelis," sprak Juffrouw Calff. "Laten
-wij hopen, dat een zoo vreeselijke slag onze plaats niet getroffen
-heeft. Wat een tal van weduwen en weezen zou in ongelukkige
-omstandigheden achterblijven."
-
-"Ja, Vrouw, 't zou vreeselijk zijn, en ik zal geen gerust oogenblik
-meer hebben, voor ik het Bonte Calff weer aan den Hoogendijk zie
-liggen."
-
-"Wist ik maar, of Jan Willemsz nog leefde," zei Nicolaas bedroefd.
-
-"Ook voor de Weduwe Willemsz zou het een zware slag zijn, dat is waar,
-mijn jongen. Het arme schepsel heeft al genoeg te dragen. 't Is te
-wenschen, dat de Heere God dezen zwaren slag van haar en van ons allen
-zal afwenden, want ook voor ons zou het een geducht verlies wezen. Het
-Bonte Calff vertegenwoordigt een groote waarde. Doch dit zeg ik van
-ganscher harte: als een van beiden verloren moet gaan, het schip of de
-bemanning, dat het dan het schip moge wezen. 't Zou mij tot in mijne
-ziel bedroeven, indien zoovele gezinnen ongelukkig moesten worden."
-
-Bij die woorden stond Sinjeur Calff op, om zich naar het kantoortje
-te begeven, dat aan zijn huis was gebouwd.
-
-Aan den avond van dienzelfden dag werd de deur geopend van het kleine
-huisje op het Krimp, dat bewoond werd door Gerrit Kist, den vader
-van Ary, en drie gestalten, een groote en twee kleine, traden naar
-buiten, elk met eene lantaren in de hand, waarin eene smeerkaars
-brandde en walmde. 't Waren Gerrit Kist, de smidsknecht, zijn zoon
-Ary en Jacob Willemsz, die blijkbaar in den laten avond nog iets te
-verrichten hadden. Zij liepen den Hoogendijk af, tusschen de beide
-huizenrijen door, en kwamen op den Westzanerdijk, welke het doel van
-den tocht bleek te zijn. Zij hadden het dorp nu verlaten en hadden
-aan weerskanten van den dijk het vrije veld.
-
-"Zie zoo, jongens," zei de smid, "hier zijn we, waar we wezen moeten,
-en ik denk wel, dat we klaar komen. 't Is er mooi weer voor, want
-er hangt een zware dauw over het veld, en de wormen zullen liever in
-het natte gras, dan in den uitgedroogden grond kruipen. Kijkt nu maar
-goed uit je oogen."
-
-"Daar zal het niet aan mankeeren, buurman," zei Jacob, terwijl hij
-langzaam langs de helling van den dijk afdaalde, en bij het flauwe
-licht van zijn lantaren de wormen zocht, die er mochten rondkruipen.
-
-Ary had hem 's middags verteld, dat zijn vader en hij den volgenden
-morgen vroeg uit poeren zouden gaan, wat zij in de zomermaanden wel
-eens meer deden. Kist had een groot huisgezin, want hij was gezegend
-met acht kinderen, die een gezond gestel en een goeden eetlust
-hadden. Daar zijn verdiensten als smidsknecht hem niet toelieten,
-dikwijls spek of vleesch te koopen, had hij nog al eens de gewoonte,
-des Zondagsmorgens heel vroeg uit poeren te gaan, ten einde zijn gezin
-en zichzelven daarmede een Zondagsmaal te verschaffen. Hij was een
-meester in de kunst van poeren, wat een echt geduldswerkje is, en het
-gelukte hem dikwijls een lekker maaltje paling te verschalken. Zoodra
-Jacob nu van Ary gehoord had, dat zij den volgenden morgen weer uit
-poeren zouden gaan, had hij dadelijk lust gekregen om mede te doen.
-
-"Zou ik mogen?" vroeg hij aan Ary.
-
-En deze antwoordde:
-
-"Dat zou ik wel denken. Kom maar tegen een uur of acht, want tegen
-dien tijd gaan wij wormen zoeken aan den Westzanerdijk. Dan kun je
-het vader vragen."
-
-Dat had Jacob gedaan, en tot zijne groote vreugde had Kist er in het
-geheel geen bezwaar tegen gehad. Zoo kwam het, dat zij zich thans met
-hun drieën aan genoemden dijk bevonden en ijverig aan het zoeken waren.
-
-De drie dwalende lichtjes zagen er voor de weinige voorbijgangers, die
-niet konden vermoeden, wat er gedaan werd, vrij geheimzinnig uit. Want
-van de drie personen was door de duisternis niets te onderscheiden;
-alleen de langzaam her- en derwaarts zwervende lichtjes waren te zien.
-
-De vangst was vrij voorspoedig. 't Was al dagen lang zeer zonnig
-geweest, en de dijk was dor en uitgedroogd. Toen nu 's avonds zich een
-heerlijke dauw over het veld verspreidde en de dorstige grassprietjes
-verkwikte, boorden zich ook wormen uit den grond, en kropen rond in
-het vochtige gras.
-
-Telkens bukten de drie jagers, om een worm op te rapen en in klompen
-te bergen, die zij voor dat doel hadden medegebracht.
-
-"Hè, wat heb ik hier eene lekkere pier!" zei Ary. "Wat zullen de
-palingen daaraan zuigen!"
-
-"Ik heb er ook al heel wat," zei Jacob. "Hè, zeg, kijk eens, wat een
-groote! Deze is nog grooter dan die van jou."
-
-"Ik heb er al bijna genoeg voor een poer!" riep Kist de beide jongens
-toe. "En jelui?"
-
-"'t Gaat best, Vader," zei Ary. "Eene rijke vangst!"
-
-"Nog een kwartiertje, langer niet!" riep weer Kist terug. "'t Is nog
-een heel werk, om de poeren te maken."
-
-Het drietal ging ijverig met zoeken voort en kon niet vermoeden,
-dat iemand op eenigen afstand niet weinig verbaasd en erg angstig
-hen bespiedde.
-
-'t Was Heyn Pomp, de zoon van den chirurgijn-barbier. Hij had in den
-avond eene boodschap moeten doen naar Westzaan en was thans op den
-terugweg naar huis. Een groote held was hij nooit geweest, en in donker
-voelde hij zich altoos min of meer ongerust, vooral in de eenzaamheid.
-
-En op den Westzanerdijk wàs het thans donker en eenzaam. Er was bijna
-geen huis te zien, alleen een paar nederige stulpjes van arbeiders
-op eenigen afstand.
-
-Heyn had, behoedzaam luisterende naar verdachte geluiden, den weg van
-Westzaan naar hier afgelegd zonder iets vreemds of angstwekkends op
-te merken, tot hij opeens langs de helling van den dijk drie dwalende
-lichtjes ontwaarde, die hem den schrik op het lijf joegen. Hij stond,
-lang en dun als hij was, midden op den dijk stil, en hield de starende
-oogen onafgebroken op de geheimzinnige lichten gericht.
-
-"Hemel,--kijk daar eens, wat zou dat zijn?" mompelde hij zacht voor
-zich heen. "Dat is niet pluis daar!--Kijk, ze gaan op en neer, nu
-hooger, dan lager. Hu,--zouden dat spoken zijn?--Menschen kunnen het
-niet wezen. Wat zouden daar nu menschen moeten doen? Neen, dat moeten
-spoken zijn, of mijn naam is--geen Heyn Pomp.--Hoe moet ik daar nog
-voorbij komen?"
-
-Opeens werd Heyn in zijne alleenspraak gestoord, en keerde hij met
-groote stappen, maar toch op zijne teenen, om geen leven te maken, op
-zijne schreden terug. Want tot zijn grooten schrik had hij bemerkt,
-dat een van de lichten langzaam naderbij kwam, en hem weldra zou
-hebben bereikt.
-
-Wat liep Heyn hard. Maar toch keek hij telkens achterom, ten einde
-te zien, of het dwaallicht hem achtervolgde.
-
-Ja, het kwam nader.
-
-En nu twijfelde Heyn niet langer. 't Waren vast en zeker drie spoken,
-die daar ronddwaalden langs den Westzanerdijk. Hij werd meer dan
-bang en wenschte niets liever, dan thuis te zijn. Maar hij zag geen
-kans er te komen, zonder de spoken te passeeren. En dat zou hij niet
-gedaan hebben voor al het geld ter wereld.
-
-Ha, nu verwijderde het lichtje zich weer, maar nauwelijks had hij dat
-opgemerkt en was hij zijn grootsten angst weer te boven, of hij zag,
-dat het hem opnieuw met spoed naderde.
-
-De schrik sloeg den dapperen Heyn om het hart, en hij zette het
-op een loopen, zoo hard hij kon. Zijn besluit was genomen: hij zou
-naar een van de huisjes gaan, daar ginds aan den voet van den dijk,
-en de bewoners te hulp roepen. Alleen durfde hij niet naar Saardam
-terugkeeren.
-
-Hij liep of de nikkers hem op de hielen zaten, en met zijn lange dunne
-beenen nam hij stappen, of hij de zevenmijlslaarzen van klein-Duimpje
-aan had. Hij keek op noch om, en hield zijn blik alleen gericht op
-het flauwe lichtje, dat hem uit een van de ramen tegenflikkerde.
-
-Hij had het spoedig bereikt, rolde meer dan hij liep bij den dijk neer,
-ging een vondertje over, en rinkelde aan de lage deur van het hutje. De
-deur was gesloten, misschien wel, omdat de bewoners geen bezoek
-van ongenoode gasten wilden hebben. Er liep in dien tijd dikwijls
-vreemd bedelvolk langs de wegen, die het de buitenmenschen wel eens
-onaangenaam konden maken. Het wachten duurde Heyn al spoedig te lang,
-want elk oogenblik vreesde hij het spook om den hoek van het huis te
-zullen zien komen. Hij rinkelde nog eens,--en nog eens, tot hem opeens
-de barsche stem van den bewoner in de ooren klonk, die hem toeriep:
-
-"Wat is dat voor een helsch lawaai aan de deur? Wie is daar?"
-
-"Ikke!" riep Heyn bevend van angst. "Ikke ben het! O, doe toch open! Er
-zijn spoken op den dijk."
-
-"Als jij er zelf maar geen bent!" klonk het boos terug. "Je maakt er
-althans leven genoeg voor. Wie is ikke?"
-
-"O, doe de deur toch open. Ik ben het,--Heyn Pomp, van den
-chirurgijn. Ik ben naar Westzaan geweest, en durf niet verder. Er
-loopen spoken op den dijk."
-
-De man in het hutje hoorde duidelijk, dat het eene jongensstem was,
-die tot hem doordrong, en dat de eigenaar er van in hevigen angst
-verkeerde. Hij opende daarom de deur,--en Heyn vloog gejaagd binnen.
-
-"Wat praat jij van spoken?" vroeg de man, terwijl ook de vrouw des
-huizes naderbij kwam met eene walmende kaars in de hand, die zij vlak
-bij Heyn's gezicht hield, om hem goed te kunnen bezien.
-
-"O ja, heusch waar, er loopen spoken langs den dijk. Drie lichtjes
-dwalen heen en weer,--en ik durf er niet langs. Och, brengt u me
-asjeblieft een eindje weg."
-
-"Kom, kom, wat zou er wezen? Ik woon hier al dertig jaar en heb nog
-nooit een spook gezien," sprak de man. "Je zult je bang maken voor
-niets. Wacht, ik zal eens even gaan kijken."
-
-De man verliet het huisje en begaf zich op den dijk. Maar spoedig
-kwam hij terug en zeide:
-
-"Ik zie niets, dan een paar lantarens in de verte. Jij bent zeker
-een beetje bang uitgevallen, jongetje. Ga maar meê, dan zal ik wel
-een eindje met je opwandelen. 't Is mooi weer."
-
-Zij gingen met hun beiden op weg, en Heyn hield angstig zijne blikken
-op de lichtjes gericht, die zij weldra zouden hebben bereikt.
-
-"Zacht loopen!" fluisterde Heyn zijn metgezel bijna onhoorbaar
-toe. "Misschien merken zij ons niet op."
-
-De man lachte en zeide:
-
-"Je bent zoo laf, als je dun en lang bent, jongen. Kom, ga een beetje
-op zijde. Je kruipt me bijna in mijn diezak!" [1]
-
-En zijne stem verheffende, want zij waren het eerste lichtje nu
-genaderd, riep hij luid tot grooten schrik van Heyn:
-
-"Goeden avond!"
-
-"Ook goeden avond!" was het antwoord van Kist.
-
-"Wat ben je daar aan 't zoeken? Heb-je wat verloren?" vervolgde de
-man uit het hutje.
-
-"Verloren, neen, gelukkig niet. We zoeken wormen, om een poer te
-maken."
-
-De man begon smakelijk te lachen.
-
-"Die is mooi!" riep hij uit. "En hier is nog wel een jongen, die jelui
-voor spoken aanzag en niet naar huis durfde. Ha-ha-ha! Dat is grappig!"
-
-Kist lachte ook, en hij en de beide jongens, die er ook braaf pret
-in hadden, klommen tegen den dijk op, en voegden zich bij hen.
-
-"Wie is die dappere held?" vroeg Ary Kist, zijne lantaren opheffende,
-om beter te kunnen zien. "Wel heb ik van mijn leven! Dat is zoowaar
-Heyn Pomp! Heyn, Heyn, wat ben jij bang. Je moest je schamen."
-
-"Dat heb ik ook al gezegd!" zei de man lachend. "Zoo'n groote
-jongen! 't Is waarlijk al te erg.--Kom, ik ga naar huis, of ben je nog
-bang, Heyn Pomp? 't Beste is, dat de spoken je maar thuisbrengen. Dan
-heb je een veilig geleide. Goeden avond samen."
-
-"Goeden avond!" was het antwoord.
-
-De terugreis werd aanvaard, want zij hadden nu wormen genoeg. Och,
-och, wat werd Heyn onderweg geplaagd! Jacob en Ary namen hem zorgvuldig
-tusschen zich in, om hem te beschermen, zooals zij zeiden, en zij deden
-bijna niet anders, dan lachen en spotten met zijn lafhartigheid, wat
-Heyn ook wel had verdiend. Heyn was wat blijde, toen zij den Lagen
-Horn hadden bereikt en hij van zijn kwelgeesten bevrijd werd. Hij
-zelf woonde een eindje verder, op den hoek van het Dampad.
-
-Het zoeken van de wormen, bij het licht van eene lantaren, had Jacob
-wel een aardig werkje gevonden, maar het maken van den poer vond
-hij meer dan vies. Alle wormen werden aan een langen sajetdraad
-geregen en tot bundels vereenigd. Om elken bundel kwam een dun,
-maar sterk touwtje, waarvan het andere einde aan een korten stok werd
-bevestigd. Daarmede waren de poeren gereed, en Jacob keerde naar zijn
-huis terug, erg ongerust, dat hij zich verslapen zou. Want hij moest om
-half vier opstaan, daar Kist gezegd had, dat hij niet op hem wachtte,
-indien hij later dan vier uur aan de boot was.
-
-Jacob werd dien nacht wel twintig keer wakker, en na twee uur deed hij
-geen oog meer dicht, om zeker te zijn, dat hij zich niet verslapen zou.
-
-De klok van half vier was nog niet koud, toen hij reeds bezig was
-zich te kleeden. Haastig at hij eene boterham, of een stuk, zooals
-zij toen zeiden, en zonder leven te maken begaf hij zich naar de
-boot van Kist, die hij zeer goed wist te liggen. Ary had hem beloofd,
-zijn poer voor hem mede te zullen nemen.
-
-'t Was nog schemerig, want de zon was nog niet op. Toen Jacob bij
-de boot kwam, trof hij daar Ary en diens vader reeds aan. Zij hadden
-een kleine tobbe medegebracht, welke zij in de boot zetten.
-
-Na een korten groet namen zij plaats en staken van wal. Kist roeide
-de Voorzaan langzaam af, en keek uit naar eene geschikte plek, om de
-poeren uit te werpen. Deze was spoedig gevonden, aan den kant van den
-Hoogendijk. De boot werd vastgelegd, de tobbe overboord gezet en met
-een touwtje aan het middelbankje verbonden, en de poeren daalden in
-het water neder. Langzaam bewoog het drietal visschers ze op en neder,
-gereed om op te halen, zoodra zij er eenige zwaarte aan mochten voelen.
-
-Maar de palingen lieten op zich wachten, en Jacob werd huiverig van
-de koude morgenlucht.
-
-"'t Is frisch genoeg op het water," zei hij huiverend.
-
-"Ja, 't is koud," zei Kist.
-
-"Je broer Jan zal het vrij wat kouder hebben," merkte Ary op. "In de
-Noordelijke IJszee tusschen de torenhooge ijsbergen zal hij het wel
-laten, om in den vroegen morgen te gaan poeren."
-
-"Dat denk ik ook wel," lachte Jacob.
-
-"Ja, jongens, 't zal daar erg koud zijn. Wie nooit in die streken
-geweest is, kan er eigenlijk geen flauw denkbeeld van krijgen, wat
-zoo'n koude zeggen wil. Dat heb ik in Rusland ondervonden. Daar is het
-'s winters ook niet pluis. Vooral niet in Archangel, waar ik ook nog
-eenigen tijd heb gewerkt."
-
-"Ik geloof het graag," zei Jacob. "Is het waar, buurman, dat die
-Russen nog zoo onbeschaafd en ruw zijn, als men wel zegt! En gelooft
-u werkelijk, dat de Czaar van dat groote rijk dikwijls als gewoon
-timmerman met hamer en beitel aan het werk is? Ik geloof er geen
-woord van."
-
-"Toch is het zoo," zei Kist. "De Russen zijn vreeselijk ruw en
-onwetend. Denk je bij voorbeeld, dat zij eenig begrip hebben van eene
-roeiboot, om maar iets te noemen? 't Lijkt er niet naar. Zij varen op
-vlotten of uitgeholde blokken hout, en van zeilen of varen hebben zij
-evenveel verstand als een walvisch van vioolspel. 't Is een dom volk,
-dat eigenlijk nog van weinig afweet. Vechten kunnen ze, en opstaan
-tegen hun Czaar, daar hebben ze ook slag van, maar overigens wonen
-er rijke edelen en grondeigenaars, die niets uitvoeren, en slaven en
-lijfeigenen, die hard moeten werken en als beesten behandeld worden. 't
-Is een raar en een naar land, al moet ik toegeven, dat ik zelf het
-er heel goed heb gehad."
-
-"Maar hoe komt dat Russische volk dan zoo dom, vader?" vroeg Ary,
-die met groote belangstelling geluisterd had.
-
-"Och, zij kijken niet verder, dan hun neus lang is, en hebben er
-geen flauw begrip van, dat de menschen in andere landen hen zooveel
-vooruit zijn. Trouwens, hoe zouden zij dat ook kunnen weten? Het is
-hun verboden het land te verlaten, en zelfs de Czaar is voor zijn
-volk onzichtbaar. Hij moet altoos in zijn paleis blijven, en het
-wordt voor een onderdaan of een vreemden gezant als een verbazend
-groote eer beschouwd, indien hij het gelaat van den Czaar mag zien..."
-
-"O, dus het is toch niet waar, dat de Czaar van Rusland dikwijls als
-een gewoon timmerman aan het werk is, en met de scheepstimmerlieden
-als hunsgelijke omgaat?" viel Jacob in.
-
-"Ja, dat is toch wèl zoo," was het antwoord van Kist. "De vader van
-den tegenwoordigen Czaar, en zijn grootvader ook, hebben ingezien,
-dat het met de beschaving van het Russische volk treurig gesteld was,
-en lieten daarom bekwame handwerkslieden uit andere landen komen, om
-de Russen in allerlei nuttige zaken te onderrichten. Zoo komt het ook,
-dat er zoovele Saardammers naar Rusland getrokken zijn, waar zij met
-eer behandeld worden en goed geld verdienen. Ook Italianen zijn er,
-en Engelschen, en Zwitsers, en Franschen. Maar de Russen zelf haten
-alle vreemdelingen, en zouden niets liever willen, dan hen een kop
-kleiner te maken. Want om een menschenleven geven zij al bitter
-weinig. Voor een flesch brandewijn doen sommigen van hen een moord...."
-
-"Een mooi volkje!" zei Ary.
-
-"Het zal echter wel beter worden. Wat Czaar Alexeï begonnen is,
-wordt door zijn zoon met kracht voortgezet. Czaar Peter is iemand,
-die weet, wat hij wil, en voor geen klein geruchtje vervaard is. Het
-is zijn heilig voornemen, het Russische volk tegen wil en dank de
-Europeesche beschaving deelachtig te maken, en zelf geeft hij het
-voorbeeld, door met hamer en beitel op de scheepstimmerwerven te
-arbeiden. Ik heb hem zelf dikwijls gezien, en met hem gesproken ook
-wel. Hij kent mij zeer goed."
-
-"Hoe oud is Czaar Peter?" vroeg Jacob nieuwsgierig. "Ha, daar voel
-ik den eersten paling!" riep hij uit, en werkelijk gelukte het hem,
-het beest in het tobbetje te doen vallen. Het was met zijne kleine
-tandjes aan den sajetdraad blijven hangen. Spoedig werden er nu meer
-palingen gevangen, maar de jongens hielden toch niet op met vragen,
-en Kist vond het wel aardig, van zijn verblijf in Rusland te vertellen.
-
-"Hoe oud de Czaar is?" vroeg hij. "Wel, hij is van het jaar 72,
-dus moet hij nu 25 jaar oud zijn. 't Is een forsche, sterke man,
-met wien niet te spotten valt. En bang is hij ook niet. Eens werd
-hem verteld, dat een groot aantal Russen in een huis vergaderd waren,
-met het plan, hem dien nacht te vermoorden. Zij waren voornemens een
-huis in brand te steken, omdat ze wel wisten, dat de Czaar gewoon
-was, bij het blusschingswerk zelf mede te helpen. In de verwarring
-zouden zij hem dan dooden. 't Waren mannen, die het in Czaar Peter
-afkeurden, dat hij zooveel nieuwigheden in zijn land invoerde. Zij
-wilden liever alles bij het oude laten. 't Was 's avonds om tien uur,
-dat de Czaar het hoorde, en nadat hij een officier bevel gegeven had
-het huis te omsingelen, ging hij geheel alleen naar de samenzweerders,
-die hem verrast en ontsteld aankeken.
-
-"Ik kom een glas met u drinken, vrienden," zei hij vroolijk, precies
-of er niets bijzonders aan de hand was. Hij was een uur te vroeg, want
-pas om elf uur zou de officier met zijne... "Hé, dat is een dikkerd,
-jongens! Kijk eens, wat een pracht van een paling! Die zal smaken."
-
-"En toen!" vroeg Jacob, die veel meer belang stelde in het verhaal
-van Kist, dan in diens vangst.
-
-"Wel, hij praatte vroolijk, en de samenzweerders dronken op zijne
-gezondheid. Eindelijk fluisterde een van hen zijn buurman toe: "Het is
-tijd, broeder." Waarop de Czaar opstond en met donderende stem uitriep:
-"Ja, het is tijd, schurken, moordenaars!" En met een geduchten slag op
-de tafel gebood hij: "Staat op en bindt elkander!" En de mannen waren
-zoo verschrokken van dit optreden, dat zij werktuiglijk gehoorzaamden
-en elkander de handen op den rug snoerden. Een oogenblik later kwam
-de officier binnen, die hen allen gevangen nam."
-
-"Dat was dapper, Vader!" zei Ary. "Dien Czaar zou ik ook wel eens
-willen zien!"
-
-"Zij zullen wel geducht gestraft zijn," meende Jacob.
-
-"Allen opgehangen of onthoofd!" zei Kist. "Ja, Czaar Peter maakte
-korte metten met zijn tegenstanders. Die niet gehoorzamen wil, moet
-maar dood. En hij is er niet bang van, om zelf den beul een handje
-te helpen."
-
-"Brrr,--toch ook nog echt Russisch," zei Jacob.
-
-"Ja, natuurlijk,--hij is zelf ook niet overbeschaafd, maar toch
-is hij een zeldzaam man, voor wien ik grooten eerbied heb. Ik ben
-er van overtuigd, dat hij het Russische rijk nog eenmaal groot en
-krachtig zal maken, want hij deinst voor niets terug. Ik geloof,
-dat het zijn liefste wensch is, eenmaal eene machtige oorlogsvloot
-te krijgen, en zijn gebied uit te breiden tot aan de Oostzee. Het
-zou mij althans niet verwonderen, indien dat zoo was. In elk geval
-wil hij zijn voornaamste onderdanen laten zien, hoe het in beschaafde
-landen toegaat, en daarom heeft hij kortgeleden een gezantschap op reis
-gezonden, bestaande uit wel 270 personen, waaronder zich verscheidene
-prinsen bevinden. Zij hebben in last, Holland te bezoeken, en goed
-uit hunne oogen te kijken."
-
-"Dat is aardig!" zei Jacob. "Misschien komen zij hier ook nog wel. Of
-zou u het niet denken, buurman?"
-
-"Best mogelijk, jongen, want de Saardammers staan bij den Czaar in
-hoog aanzien.--Zoo, Ary, dat is een dunnetje; 't lijkt waarlijk wel
-een pier!"
-
-"Die het kleine versmaadt, is het groote niet waard," zei Ary lachend.
-
-"Maar deze is dikker!" riep Jacob uit, terwijl hij behendig een dikken
-paling in de tobbe wipte. "Ze beginnen beter te bijten, vind ik. Wij
-krijgen al een mooi zoodje."
-
-"Genoeg om je moeder ook een Zondagsmaal te bezorgen," zei Kist. "Het
-begint gelukkig wat warmer te worden; ik kreeg het koud!"
-
-De zon was opgekomen en verjoeg langzaam den dauw. 't Werd inderdaad
-wat warmer, en de drie visschers begonnen zich recht behaaglijk te
-voelen. Ook omdat het met de vangst zoo meeliep. Kist had het geluk
-gehad een goed plaatsje te treffen.
-
-'t Zal ongeveer tegen zes uur geweest zijn, toen Ary zeide:
-
-"Kijk eens, Vader, wat komt ginds een vreemde schuit aan? Wat is er
-dat voor een?"
-
-Kist bekeek het vaartuig nauwkeurig, en antwoordde:
-
-"Dat is een Rijn-aak, als ik mij niet bedrieg. Zoo, dat is
-vreemd. Zulke schepen ziet men hier niet dikwijls. Ik begrijp niet,
-wat dat ding hier komt uitvoeren."
-
-Het vreemde vaartuig kwam langzaam naderbij, en hoe meer het naderde,
-des te meer begon het de belangstelling van Kist te trekken. En ook
-Ary en Jacob merkten er blijkbaar iets vreemds aan op, want zij keken
-meer naar het schip dan naar hun poer.
-
-"Wat een vreemde passagiers bevinden er zich op!" zei Jacob. "Kijk
-eens, wat eene eigenaardige kleeding."
-
-"Dat moeten Russen zijn," sprak Kist, wiens verbazing steeds toenam.
-
-"Russen?" riep Ary verrast uit.
-
-"Russen?" vroeg ook Jacob. "Zouden het misschien leden van het groote
-gezantschap zijn, waar u van sprak?"
-
-"'k Weet het niet,--'k weet het niet!" mompelde Kist, wiens blik
-voortdurend gericht was op een man, die voor aan de plecht stond. 't
-Scheen een schipper te zijn, want hij was niet, als de andere
-vreemdelingen, gekleed in uitheemsche kostbare kleeren, maar droeg
-een eenvoudige, witte broek en een rood wambuis, zooals meestal door
-schippers gedragen werd. Kist hield de hand boven de oogen om beter
-te kunnen onderscheiden, en mompelde:
-
-"Vreemd, jongens,--vreemd! Jelui wilde immers zoo graag den Czaar
-zien? Welnu, die man daar, op de plecht van die aak, lijkt op Czaar
-Peter, als de eene druppel water op den anderen. Als je hèm ziet,
-kun je gelooven, den Czaar te zien."
-
-"Bedoelt u den man met die schitterende kleeding, bij den mast?" vroeg
-Jacob.
-
-"Ik zeg, den man op de plecht van de aak. Hij heeft een rood wambuis
-aan en een witte linnen broek. Die is het!"
-
-"Maar dat is een schipper, Vader!" riep Ary verwonderd uit.
-
-"Ja, dat is een gewoon schipper!" zei ook Jacob.
-
-En Kist antwoordde:
-
-"Ik beweer ook niet, dat het de Czaar van Rusland is. Ik zeg alleen,
-dat hij op den Czaar gelijkt, als de eene druppel water op den
-anderen."
-
-'t Was een forsche, indrukwekkende gestalte, de man daar op de
-plecht, die met fonkelende oogen het voor hem oprijzende Saardam
-aanschouwde. Zijne fiere houding en de vorstelijkheid van zijne
-verschijning boezemde den knapen eerbied in, ondanks de eenvoudige
-schipperskleeding.
-
-Op de aak werd het groote zeil gestreken, en de Russische heeren, die
-zich op het vaartuig bevonden, kregen Kist in het oog. En nauwelijks
-hadden zij hem gezien, of zij spoedden zich naar den man op de plecht
-en maakten hem op Kist opmerkzaam. Ook deze vestigde zijn blik op
-den visscher in het bootje, en een oogenblik later hoorde Kist zich
-toeroepen:
-
-"Smid!--Smid!--Kom bij ons!"
-
-De jongens zagen, dat Kist ontroerde. Zwijgend trok hij de tobbe met
-paling aan boord, greep de riemen, en roeide naar de aak.
-
-"Blijft hier, jongens, en wacht op me!"
-
-Kist betrad het dek van de aak en boog voor den forschen man zoo diep,
-als hem mogelijk was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-HOE NIEUWSGIERIG DE SAARDAMMERS WAREN.
-
-
-"Majesteit!" stamelde Kist, die van verbazing totaal in de war was
-en niet wist, wat hij zeggen moest.
-
-"Majesteit?"--klonk het in vrij goed Hollandsch terug. 't Werd alleen
-met een vreemd accent uitgesproken, waaruit duidelijk blijken kon,
-dat de man een vreemdeling was.--"Hier geen Majesteit is. Ik ben
-Pieter Michaelof, van beroep timmerman en kom hier om den scheepsbouw
-te leeren. Ik heb u hier laten komen, om u te zeggen, dat ik bij u
-mijn intrek zal nemen."
-
-Nu raakte Kist nog veel meer in de war.
-
-"Bij mij uw intrek nemen, Majesteit! Maar dat is onmo..."
-
-De vreemdeling stampte driftig met den voet op het dek en herhaalde:
-
-"Ik zeg, hier geen Majesteit is! Mijn naam is Pieter Michaeloff,
-en bij u zal ik mijn intrek nemen."
-
-"Maar Majest..."
-
-De oogen van den vreemdeling begonnen van toorn te flikkeren, waarop
-Kist zichzelven schielijk in de rede viel:
-
-"Maar Pieter Timmerman, ik ben maar een eenvoudige smidsknecht en
-heb een groot gezin. 't Is niet mogelijk, dat een machtig vorst..."
-
-De vreemdeling, die bij den naam Pieter Timmerman tevreden geglimlacht
-had, want dien naam klonk hem aangenaam in de ooren, gaf weer
-blijken van drift, zoodra hij de laatste woorden van Kist vernam,
-wat duidelijk bleek uit een eigenaardig trekken met den rechterarm
-en zenuwtrekkingen aan de rechterzijde van zijn gelaat. Kist haastte
-zich dan ook te zeggen:
-
-"'t Is onmogelijk, Pieter. Mijn gezin is armoedig en klein behuisd. Ik
-kan u niet herbergen."
-
-Maar de vreemdeling wees met een gebiedend gebaar naar de boot,
-waarin de beide jongens naast de aak voeren, en zeide kortaf:
-
-"Ga naar uw huis en maak daar plaats voor me. Ik wil dat, hoort
-ge,--ik wil dat. Bij u en niemand anders wil ik wonen. Ga heen!"
-
-Kist keek den man verwonderd en verlegen aan, en wilde nog
-tegenwerpingen maken. Maar de vreemdeling herhaalde:
-
-"Ga heen! Ik wil niet anders! En ik beveel u te zorgen, dat niemand
-iets anders van mij weet dan dat ik Pieter Michaeloff ben, en hier
-kom om den scheepsbouw te leeren.--Vertrek!"
-
-Kist durfde niet langer wederstreven. Hij kende dat gebiedende gebaar
-en wist, dat hij alleen te gehoorzamen had. Hij wenkte daarom de
-jongens, dat zij naderbij moesten komen, en liet zich in de boot
-afglijden.
-
-"Roei naar den wal, Ary!" zeide hij peinzend en blijkbaar nog diep
-onder den indruk van deze vreemde ontmoeting.
-
-Ary en Jacob gaven elkander een geheimzinnig knipoogje, en de eerste
-zeide op goed geluk af:
-
-"Vader,--die man in schipperskleeren is Czaar Peter, niet waar?"
-
-"Ja, dat is de Czaar, niet waar, buurman?" voegde Jacob er bij.
-
-Kist schrikte bij die woorden uit zijn gepeins op.
-
-"De Czaar?" zei hij verward, denkende aan het gebod van den
-vreemdeling. "Wie zegt je, dat het de Czaar is? Heb ik dat gezegd?"
-
-Ary en Jacob begonnen te lachen.
-
-"Neen Vader," zei Ary, "maar zóó dom zijn we niet, of dat kunnen
-wij wel begrijpen. Zei u zelf niet, dat hij en de Czaar op elkander
-gelijken als twee droppels water, en hebben wij niet gezien, hoe
-diep u voor dien man boog? Dat doet men niet voor een eenvoudigen
-schipper. Neen, Vader, die man is de Czaar!"
-
-Kist geraakte hoe langer hoe meer in de war, want hij was niet gewoon
-te liegen. En toch was hem uitdrukkelijk bevolen, den hoogen stand
-van den vreemdeling niet bekend te maken.
-
-"Hoort eens, jongens," zei hij, "ik geef toe, dat hij sprekend op den
-Czaar gelijkt,--maar hij heeft mij gezegd, dat hij Pieter Michaeloff
-heet en timmerman is. Hij komt hier, om den scheepsbouw te leeren. Zou
-jij dan denken, dat de Czaar bij ons in den kost zou komen, Ary?"
-
-"Wat!" riep Ary verbaasd uit, "komt hij bij ons in den kost? Maar
-neen, dan kan hij de Czaar ook niet wezen. Die zou wel niet in zoo'n
-klein huisje en in zulk eene eenvoudige buurt willen wonen. Is het
-echt waar, vader?"
-
-"'t Is volkomen waar, jongen," zei Kist. "Bega dus geen dwaasheid en
-vertel nergens, dat het de Czaar van Rusland is, want iedereen zou
-je uitlachen, en je zoudt je zelven bespottelijk maken in het oog
-der menschen."
-
-De boot lag nu aan wal, en Kist stapte er uit. Hij gebood de jongens
-voor de paling te zorgen, en liep met groote schreden naar zijn
-nederige woning. Hier had hij dadelijk een lang en fluisterend
-gesprek met zijne vrouw, die weldra op hare beenen stond te beven
-van ontsteltenis, en wier verbazing geen grenzen kende.
-
-"Maar mijn hemel, Gerrit, hoe is dàt nu mogelijk!" zei ze wel
-honderdmaal. En dan zei Gerrit telkens:
-
-"Maar vrouw, laat geen woord ervan aan je mond ontsnappen, want
-'t is een driftig heerschap, die soms van toorn niet weet, wat hij
-doet. Ik ga dadelijk naar Mary-buur en zal zien, haar het huis te
-doen ontruimen. Ik weet er anders niets op."
-
-Kist ging de deur uit en begaf zich naar de vrouw, die het achterste
-deel van het huisje bewoonde. Want Kist, die het niet te breed had,
-verhuurde aan de weduwe Mary Freeriks de twee kleine achterkamertjes
-van zijn huis. Het voorste gedeelte bewoonde hij zelf.
-
-"Goêmorgen, Mary-buur. Daar ben ik al vroeg, hè?"
-
-"Dat zou ik meenen, buurman. Goêmorgen,-- ga zitten."
-
-"Dat zal ik doen, maar veel tijd heb ik niet. Ik zal dus maar met de
-deur in huis vallen, Mary-buur, en je kort en goed zeggen, waar het om
-gaat. Ik wou, dat je op stel en sprong ging verhuizen,--dadelijk. Ik
-zal je den boel wel helpen overbrengen..."
-
-Buurvrouw sloeg hare handen van verbazing in elkaar, en staarde Kist
-met open mond en opengespalkte oogen aan. 't Was haar, of ze 't te
-Keulen hoorde donderen.
-
-"Verhuizen?" stamelde ze na een oogenblik van
-stilzwijgen. "Verhuizen?--Man,--hoe haal je 't in 't hoofd? Je loopt
-toch niet met molentjes?"--
-
-"Neen Goddank, Mary-buur. Maar ik moet dit huisje vrij hebben, en
-wil je graag vergoeding geven, eene ruime vergoeding. Mij dacht,
-je kon wel tijdelijk bij je vader gaan inwonen. Die heeft nog wel
-plaats over, en je krijgt er eene goede fooi voor, dat verzeker ik je."
-
-"Eene goede fooi?" zei de vrouw, die wel een buitenkansje noodig had,
-want zij had het arm. "Maar waarvoor is het noodig, dat ik op stel
-en sprong verhuize? Kan het niet wachten, tot ik alles..."
-
-"Geen dag,--en ook zelfs geen uur, buurvrouw. Luister! 't Geldt hier
-een geheim, dat ik niet noemen màg, maar ik moet deze twee kamers
-vrij hebben, en wel direct. Wat dunkt u, zouden vijf Carolus-guldens
-in staat zijn, om u tot verhuizen te bewegen?"
-
-De vrouw kneep bij het hooren van dat aanbod welbehaaglijk de oogen
-dicht, want vijf Carolus-guldens was voor een arme weduwe eene groote
-som. Maar zij gaf zich niet dadelijk gewonnen, en zeide:
-
-"Zeg tien, buurman. Voor tien Carolus-guldens zal ik opstaan, 't Is..."
-
-"Kort en goed, ik zal zeven geven, maar geen duit meer, en praat er
-nu niet langer over, want de tijd dringt. Straks is het te laat en
-gaat zoo'n buitenkansje uw neus voorbij. Toegeslagen?"
-
-Kist stak haar de hand toe, en vrouw Mary legde er de hare in.
-
-"Toegeslagen, buurman," sprak ze.
-
-Een uur later was het huisje ontruimd, en haastte vrouw Kist zich
-alles in gereedheid te brengen voor de ontvangst van den machtigen
-vreemdeling.
-
-Intusschen was de aak met zijne vreemde passagiers langzaam den Dam
-genaderd. Daar werd het laatste zeil gestreken, en de man, voor wien
-Kist zoo eerbiedig gebogen had, sprong met een touw in de hand aan wal,
-en legde 't vaartuig vast.
-
-'t Begon al drukker te worden op den Dam, en de menschen bleven een
-oogenblik verwonderd staan, om naar het schip en de vreemd gekleede
-reizigers te zien. En toen er eenmaal een groepje gevormd was, werd
-dit al spoedig grooter, want de menschen kwamen van alle kanten
-toeloopen in de meening, dat er "een standje" was, en daar wilden
-zij graag bij zijn.
-
-Dat was den man in het roode wambuis blijkbaar in het geheel niet
-naar den zin, want hij keek den menschendrom met fonkelende oogen
-aan en gaf meer dan eens zijn ongenoegen te kennen.
-
-Ook de andere vreemdelingen stapten aan wal, en hunne vreemde en zeer
-kostbare kleeding trok in hooge mate de belangstelling der Saardammers,
-die het zevental vreemdelingen steeds meer naderden, zoodat dezen bijna
-geen voet konden verzetten. De man in schipperskleeding echter wist
-daar wel raad op. Hij stapte met groote schreden op de omstanders af
-en drong zich met groote onverschilligheid door hen heen. De menschen
-vonden het geraden, een weinig voor dien forschen schipper op zijde
-te gaan, want hij werkte geducht en ook gevoelig met zijne ellebogen,
-en zag er uit, of hij op het punt stond, links en rechts klinkende
-opstoppers uit te deelen. De andere vreemdelingen volgden hem, waar
-hij ging.
-
-'t Is te begrijpen, dat de menschen over dit bezoek verwonderd waren,
-en elkander afvroegen, wie die mannen toch wel zijn konden.
-
-"Ik denk," zei meester Pomp, "dat het leden zijn van het groote
-Russische gezantschap. In elk geval zijn het Russen, dat weet
-ik zeker. 'k Heb dikwijls genoeg Russen gezien, toen ik nog
-scheepschirurgijn was, en kan mij niet vergissen. 't Zijn stellig
-Russen!"
-
-"Ja, en hooge heeren bovendien," meende een ander. "Kijk eens, wat
-hebben zij een blanke handen en fijne vingertjes."
-
-"Aha, als je dat maar begrijpt!" riep een derde. "En die groote
-schipper met zijne krachtige vuisten en zijne vurige oogen is zeker
-hun knecht!"
-
-"'t Kan wel," zei meester Pomp, "in elk geval zou ik liever met hem
-willen eten, dan vechten. 't Is een stoere baas!"
-
-"De anderen loopen hem na als hondjes," merkte een schipper op. "En
-rijk zijn ze zeker, want zooeven had een van hen eene beurs in de hand
-van fijne zijde, en ik zag er meer goudstukken in, dan ik en al mijne
-voorvaders te zamen ooit gehad hebben. 'k Wil ruilen met de mijne."
-
-De lieden lachten om deze woorden, en het aantal kijkers werd zoo
-groot, dat de vreemdelingen niet dan voetje voor voetje vooruit konden
-komen. De groote schipper struikelde bijna over Castor, den hond van
-Nicolaas Calff, die met zijn jongen meester een wandeling gemaakt
-had. En de man gaf den hond een geduchten schop, waarover Nicolaas
-zeer verontwaardigd was.
-
-"Hola lomperd!" zei hij half binnensmonds, maar toch luid genoeg, om
-door den schipper verstaan te worden. "Zoo zijn hier onze manieren
-niet! Pas maar op, of hij bijt je in de kuiten, dat het lachen je
-wel vergaan zal."
-
-Inderdaad was Castor zóó beleedigd, en bromde en gromde hij zóó
-dreigend, dat de menschen niet zonder eerbied een weinig plaats voor
-den grooten hond maakten.
-
-Maar de schipper vreesde hem niet. Hij keek Castor met zijne fonkelende
-oogen zoo strak aan, dat deze kwispelstaartend achteruit week en zich
-tegen Nicolaas aandrong.
-
-De schipper was thans voor eene herberg aangekomen en stapte daar
-binnen, om aan het gedrang, dat hem blijkbaar eene ergernis was,
-te ontkomen. De rijke vreemdelingen volgden hem.
-
-Zij namen aan de tafeltjes plaats en bestelden iets, in de meening,
-dat het volk op straat zich wel verspreiden zou. Maar daarin hadden
-zij zich bedrogen.
-
-De schipper sprak daarop even met een van de anderen, waarop deze
-zich verwijderde, en zich tusschen het volk begaf.
-
-'t Scheen een Hollander te zijn, want hij sprak de Hollandsche
-taal zeer vloeiend. Hij was dat dan ook inderdaad. Zijn naam was
-Nicolaas van der Hulst, en de Czaar van Rusland, want de man in
-schipperskleeding was inderdaad niemand anders, had hem medegenomen,
-om als tolk te dienen.
-
-"Ha, daar is weer zoo'n vreemde snoeshaan!" riep er een uit, toen
-Van der Hulst buiten kwam.
-
-"Ja, goede vriend," zei Van der Hulst, tot verbazing van iedereen in
-vloeiend Hollandsch, "hier is er een. En wat denk jij nu eigenlijk
-wel van ons?"
-
-"Wat ik denk?" zei de ander. "Wel, ik dacht dat ge Russen waart,
-misschien wel lieden van het groote gezantschap, dat de Czaar van
-Rusland naar Holland zenden zou."
-
-"Misgeraden!" antwoordde Van der Hulst. "Totaal misgeraden, vriend. Wij
-zijn gewone handwerkslieden, en komen hier om het scheepstimmeren te
-leeren, en ook andere ambachten. Wij hooren in het geheel niet bij
-het groote gezantschap van den Czaar."
-
-"Gewone handwerkslieden?" riep er een lachend. "'t Mocht wat. Laat
-dat heerschap zijne handen maar eens toonen. Kijk eens, wat een fijn
-huidje! Gekheid, hij speldt ons wat op de mouw!"
-
-"Gewone handwerkslieden hebben geen zijden beurzen, gevuld met
-goudgeld!" zei de ander, die de beurs had gezien. Waarop Van der Hulst
-zijne stem verhief, met de bedoeling om door velen verstaan te worden,
-en uitriep:
-
-"Toch is het waar, menschen. Ik ben een Hollander van afkomst, maar
-mijne reisgenooten zijn werkelijk Russen, die hier een handwerk komen
-leeren. Wij blijven den geheelen winter hier, en dus kunt ge ons nog
-dikwijls genoeg zien. Gaat daarom nu heen, opdat wij ons wat vrijer
-bewegen kunnen. Zooveel volks hindert ons."
-
-Nicolaas Van der Hulst trad de herberg weer binnen, in de hoop,
-dat de menschen zouden vertrekken. Maar hij had zich misrekend. Zij
-verzamelden zich voor de ramen en drukten er de neuzen bijna op plat,
-om beter naar binnen te kunnen gluren. En de brutaalsten traden ook de
-herberg binnen en eischten een kan bier, om op die wijze gemakkelijker
-hunne nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.
-
-Dat was den Czaar een doorn in het oog, en toen het steeds voller
-werd in de zaal, ontbood hij den kastelein, en verlangde eene
-vrije kamer. Daarin onttrok hij zich met zijn gevolg aan de al te
-nieuwsgierige blikken.
-
-Eenigen tijd later trad Gerrit Kist de kamer binnen. Hij begaf zich
-naar den Czaar, en een enkele blik was voldoende om hem te overtuigen,
-dat de machtige Heer zeer boos was. Dat was niet geschikt om Kist meer
-op zijn gemak te brengen. Hij keek den vorst schuw aan, en wilde eene
-eerbiedige buiging voor hem maken, maar--hij was daarmede nauwelijks
-begonnen, of hij hield er mede op,--omdat hij niet durfde. En hoe
-moest hij hem noemen?
-
-"Pieter?" Dat durfde hij al evenmin, en "Majesteit" nog veel
-minder. Hij bleef dientengevolge zwijgend voor den Czaar staan,
-met de oogen naar den grond gericht.
-
-"Welnu?" vroeg Czaar Peter. "Is alles gereed en kan ik komen? 'k
-Verlang er naar, om vanhier te vertrekken. De menschen vervelen mij."
-
-"Uwe Majest....." zei Kist, maar de Czaar bulderde hem toe:
-
-"Alweer Majesteit? Ik heb je mijn naam gezegd en wil niet anders
-genoemd worden. Heb je me nu verstaan? Spreek op, is alles in orde
-om mij te ontvangen?"
-
-"'t Is in orde, Pieter, als u het eenvoudige voor lief wil nemen. Ik
-heb u gezegd, dat wij arm...."
-
-"Genoeg!" zei de Czaar. "Dat weet ik al. Laten wij gaan."
-
-En zich tot zijn gevolg wendende, gebood hij kortaf:
-
-"Tracht hier of daar een onderkomen te vinden, en zeg aan niemand, wie
-wij zijn. Men behoeft alleen te weten, dat wij hier werk komen zoeken."
-
-De Czaar verliet de herberg, en Kist bracht hem naar zijn eenvoudig
-huisje op het Krimp, een der achterbuurten van Saardam.
-
-De vrouw van Kist had den moed niet, haar doorluchtigen gast te
-ontvangen. Van achter haar gordijntjes begluurde zij echter met
-onbeschrijfelijke nieuwsgierigheid den nieuwen bewoner van het
-achterkamertje. En zij vond, dat hij er schrikwekkend genoeg uitzag,
-om bij haar het plan te doen rijpen, zich zooveel mogelijk op een
-eerbiedigen afstand te houden.
-
-Ook Ary en Jacob hadden den gast zien komen, en het ontging hun niet,
-dat Kist hem met den grootsten eerbied behandelde, iets dat anders in
-het geheel niet in den aard van Kist lag, want hij was zeer vrijpostig
-in zijn doen en laten, en had gewoonlijk meer praats, dan iemand
-van zijn stand paste. Maar nu gevoelde hij zich blijkbaar zeer klein
-en nietig, en hij sprak zoo bescheiden en nederig, dat Ary en Jacob
-beiden er zich over verbaasden.
-
-Toen de Czaar het kleine vertrekje binnengetreden was en de deur
-achter zich gesloten had, zei Ary tot Jacob:
-
-"Wil ik je eens wat zeggen?"
-
-"Ja,--graag!"
-
-"Nu,--als dàt de Czaar van Rusland niet is, mag jij van middag mijn
-heele portie paling hebben, de graten incluis!"
-
-"Ik geloof, dat je best gelijk kon hebben," zei Jacob. "Je vader heeft
-zich versproken, van morgen in de boot. Maar laten wij er over zwijgen,
-want je vader zal er wel goede redenen voor hebben, als hij het niet
-weten wil."
-
-"Dat ben ik met je eens, Jacob. Dit is een geheim tusschen jou en
-mij, en een ander heeft er niet mede noodig.--Maar de Czaar is het,
-dat staat bij mij als een paal boven water."
-
-Een oogenblik later kwam Kist binnen. Hij zag er verbazend geheimzinnig
-uit, en had het kolossaal warm. Hij wischte zich het zweet van het
-voorhoofd, en haalde zoo diep adem, of hij zich verruimd gevoelde,
-nu hij het gezelschap van den vreemdeling had kunnen verlaten.
-
-"Vrouw, heb je nog bier in huis?" vroeg hij.
-
-"Bier, wel neen, man, hoe wou ik bier in huis hebben. Je hebt
-gisterenavond immers de laatste kan leeggedronken!"
-
-"Dan moet er dadelijk gehaald worden, want de Cza...."
-
-Ha, daar had Kist zich bijna versproken. Ary en Jacob wisselden een
-geheimzinnigen glimlach met elkander. Maar Kist begreep, dat hij zijn
-geheim bijna verraden had, en werd daar boos om.
-
-"Apen van jongens, wat doe jelui hier en kijkt een mensch de woorden
-uit den mond! Allo, maakt dat je de deur uitkomt, of ik schop je
-er uit!"
-
-"Je wou immers bier hebben, man?" vroeg de vrouw. "Mij dunkt, dan
-kon Ary dat wel eens gaan halen. Hij is dan meteen van den vloer."
-
-"Goed, maar dan gauw. En drinkkannen moeten er ook komen, want wij
-hebben van dergelijk spul niet genoeg in huis. Ga maar in "De drie
-Swaanen," en zeg, dat het voor mij is. En als men je vraagt, hoe onze
-nieuwe bewoner heet, zeg dan..."
-
-"Dat het de Czaar van Rusland is!" viel Ary zijn vader in de rede.
-
-Kist sprong toornig van zijn stoel op, met het vaste plan zijn zoon
-een oorveeg te geven, die hem lang heugen zou.
-
-"Wees gerust, Vader!" zei Ary, om de tafel vluchtende. "Geen mensch
-zal het van mij hooren, maar ik weet, wat ik weet."--
-
-"En wat weet jij dan, bengel van een jongen?"
-
-"Dat het de Czaar is, Vader, de Czaar en niemand anders. Maar wij
-bunnen wel zwijgen, hè Jacob, en wij zullen tegen iedereen zeggen,
-dat hij Pieter Michaeloff heet, en hier komt om het scheepstimmeren
-te leeren."
-
-Kist bromde nog wat in zijn baard, maar hij knikte de jongens toch
-goedkeurend toe en ging weer zitten. En Ary en Jacob haastten zich
-naar de "Drie Swaanen", om bier en kannen te halen. En zij kregen
-al dadelijk gelegenheid te over, om het geleerde lesje op te zeggen,
-want het was drukker op de straat dan gewoonlijk, en velen vroegen hun,
-hoe de vreemdeling heette, en wie hij was. Steeds klonk hun antwoord:
-
-"Wie hij is? Wel, hij heet Pieter Michaeloff, en hij komt hier,
-om het timmeren te leeren."
-
-Als de menschen daarmede niet tevreden waren, voegde Ary er nog bij:
-
-"'t Is nog familie van ons: zijne moeder was eene zuster van de nicht
-van mijn overgrootvaders meutje, en als je het niet gelooven wilt,
-mag je het hem zelf gaan vragen."
-
-Na zoo'n antwoord maakte Ary gewoonlijk, dat hij spoedig uit de voeten
-kwam, want hij was er van overtuigd, dat hij dan heel goedkoop een
-draai om zijne ooren kon oploopen, iets, waaraan hij in het geheel
-geen behoefte voelde.
-
-Op den Dam kwam Heyn Pomp op hem toe, met een stuk zeep in de hand
-en een doek over den schouder.
-
-"Is een van die mannen bij jelui in huis?" vroeg hij nieuwsgierig
-aan Ary.
-
-"Ja," antwoordde deze. "Waarom?"
-
-"Wel, iedereen praat over die vreemdelingen, en wil je wel gelooven,
-dat ik nog niets van hen gezien heb?"
-
-"Dat is jammer," spotte Ary. "Ze zien er verbazend vreemd uit. Eén is
-er bij met drie beenen, twee hebben een staart, en de drie anderen
-hebben ieder twee hoofden. Ze laten vragen, of je hen wilt komen
-scheren."
-
-"Loop rond!" zei Heyn. "Jij houdt mij altoos voor den gek. Maar zeg,
-Ary, is het waar, dat een van die mannen bij jelui zijn intrek heeft
-genomen, en dat Mary Freeriks op stel en sprong haar huis voor hem
-heeft moeten ruimen?"
-
-"Ja, dat is waar," zei Ary.
-
-"En is het waar, dat het een schatrijke prins is uit het gevolg van
-Czaar Peter?" vroeg Heyn nieuwsgierig verder.
-
-"Ook waar," zei Ary. "De diamanten zitten hem met eene dubbele laag
-op den rug van zijn rood schipperswambuis genaaid, zijn hoed is bezet
-met paarlen, en zijne waterlaarzen zijn van klinkklaar goud. Hij laat
-je vragen, of je een potteken biers met hem komt drinken."
-
-"Hoe grappig ben je toch," grinnikte Heyn met een zuurzoeten
-glimlach. "Toe Ary, vertel er me nu eens wat van, want ik heb den
-ganschen morgen moeten inzeepen. 't Is veel drukker in den winkel dan
-gewoonlijk.--Toe zeg, vertel me nu eens, wie het is, zonder gekheid."
-
-"Och Heyn, 't is doodgewoon een achterneef van ons. Hij heet Pieter
-Michaeloff, en zijne moeder was de zuster van de nicht van mijn
-overgrootvaders meutje. Zie je, nu weet je er alles van. Dag Heyn!"
-
-Ary en Jacob vervolgden hun weg, Heyn vrij beteuterd en nog veel
-nieuwsgieriger, dan hij al was, achterlatende. En zij lachten hem
-smakelijk uit.
-
-Gewapend met een goeden voorraad bier en een aantal kannen keerden
-zij naar het huisje aan het Krimp terug, en 't was wàt een feest
-voor Ary, dat hij den Czaar zelf het gehaalde mocht brengen. Zijn
-vader was er door den Czaar op uitgezonden, om te gaan zien, waar de
-overige heeren een onderkomen hadden gevonden, en zijn moeder durfde
-voor geen geld ter wereld bij den Czaar binnengaan.
-
-Ary noodigde Jacob uit hem te helpen, want alleen kon hij alles
-onmogelijk dragen. Zij kwamen aan de achterdeur, deden de bovenhelft
-daarvan open, daarna de onderdeur, en riepen:
-
-"Vollek!"
-
-De Czaar was in het voorvertrekje, maar spoedig kwam hij met groote
-schreden nader. Zijne booze bui scheen hem verlaten te hebben, want
-hij keek hen vriendelijk aan en zeide:
-
-"Wat jij moet?"
-
-"Hier is bier, Sinjeur!" zei hij flink! "Ik heb het gehaald uit de
-"Drie Swaanen.""
-
-"En kannen, Sinjeur," zei Jacob. "Willen wij alles maar op de tafel
-zetten?"
-
-"Goed--zeer goed. Hoe is jou naam?"
-
-"Ary Kist, Sinjeur."
-
-"Jij ook smid ben?" vervolgde de Czaar.
-
-"Neen, Sinjeur, ik ga nog op school, maar als ik wat grooter ben,
-ga ik naar Rusland, naar den Czaar, om te werken."
-
-Ary keek den Czaar scherp aan, om te zien, hoe deze zich houden
-zou. Maar er gebeurde niets bijzonders. Alleen klopte de Czaar hem
-op den schouder, en zeide:
-
-"Dat is flink, Ary. In Rusland is werk in overvloed en kun-je veel
-geld verdienen. Maar eerst een vak leeren."
-
-En zich tot Jacob wendende, vervolgde hij:
-
-"En hoe jij heet?"
-
-"Jacob Willemsz, Sinjeur. Mijn vader is dood."
-
-"En jij ook nog op school gaat?"
-
-"Ja, Sinjeur."
-
-"Doen alle jongens dat?" vroeg de Czaar met belangstelling.
-
-"Ja Sinjeur, bijna alle."
-
-"Dus bijna alle menschen hier schrijven kunnen en lezen, en rekenen?"
-
-"O ja, bijna iedereen. Stellig wel het meerendeel."
-
-De Czaar verzonk in gepeins. Blijkbaar dacht hij er over na, hoe iets
-zoo schoons ook in Rusland te bereiken zou zijn.
-
-Hij nam eene kan van de tafel, en schonk elk der jongens en ook
-zichzelven een beker vol in.
-
-"Daar!" zei hij. "Drink op,--dat gezond is."
-
-Ary en Jacob lieten zich niet lang noodigen, en dronken den beker tot
-den laatsten droppel ledig. Daarop begaf de Czaar zich naar de andere
-kamer, en liet de jongens doodgewoon staan. Dezen wisten daarom niet
-beter te doen, dan ook maar te vertrekken. Zij deden de deur achter
-zich dicht, en waren den koning te rijk, dat zij den machtigen Czaar
-gesproken hadden, en dat hij zoo vriendelijk tegen hen was geweest.
-
-Korten tijd daarna begaf Jacob zich naar huis, want het werd tijd,
-om het middagmaal te gebruiken. En hij vond het zeer vereerend voor
-hem, dat de machtige Czaar van Rusland dien middag paling zou eten,
-die hij voor een deel gevangen had. En zelf had hij er ook grooten
-trek in. Hij en Ary hadden de dieren schoongemaakt en eerlijk verdeeld,
-elk naar de behoeften van het gezin.
-
-Hij smulde er dan ook verbazend aan, en hij had zijne moeder heel
-wat te vertellen onder het eten. Dat de Czaar zelf ook onder de
-vreemdelingen was, deelde hij echter niet mede. Dat was een geheim,
-hetwelk hij aan niemand verraden mocht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-ALLERLEI GERUCHTEN.--HEYN POMP WORDT NOG NIEUWSGIERIGER.
-
-
-Op dienzelfden Zondagmorgen vonden Sinjeur Calff en diens vrouw, toen
-zij uit de kerk kwamen, iemand op hen wachtende, en Calff herkende
-dadelijk in hem een handelsvriend uit Amsterdam. 't Was Sinjeur
-Anthonie van Vollenhoven, iemand die ook schepen ter walvischvaart
-uitzond.
-
-De begroeting tusschen hen was zeer hartelijk, en Sinjeur Calff
-noodigde hem dadelijk uit, dien dag zijn gast te blijven. Maar dit
-heusche aanbod werd afgeslagen.
-
-"Waarde vriend Calff," sprak Sinjeur van Vollenhoven, "ik heb eene
-tijding vernomen, die ik voor u en voor het dorp Saardam van veel,
-zeer veel belang acht, en ik meende verplicht te zijn, zelf naar hier
-over te komen, teneinde u daarvan mededeeling te doen."
-
-"Goede tijding, naar ik hoop?" vroeg Sinjeur Calff, die dadelijk
-begreep, waarover zijn gast hem kwam spreken.
-
-"Helaas, neen!" was het antwoord. "Ik moet u een Jobstijding
-brengen, tot mijn leedwezen. Laat mij u zeggen, wat er van de zaak
-is. Gisterenavond, tegen zonsondergang, is een van mijne schepen
-uit het hooge noorden teruggekeerd, en werd mij door den commandeur
-gerapporteerd, dat door hem stukken wrakhout in zee zijn gevonden, die
-het ergste doen vreezen voor uw Bonte Calff. Ik mag u niet verhelen,
-dat dit fraaie schip vermoedelijk, neen, zelfs waarschijnlijk en
-bijna zeker, is vergaan."
-
-De spreker hield stil, en Sinjeur Calff zeide met een zucht:
-
-"Ik vreesde het,--ik vreesde het. Maar nu heb ik zekerheid.--Waardoor
-kon uw commandeur weten, dat het wrakhout van het Bonte Calff afkomstig
-was, Sinjeur van Vollenhoven?"
-
-"Er was geen twijfel mogelijk, mijn vriend," was het antwoord. "Aan
-boord van de Twee Gebroeders is onder de meegebrachte wrakhouten ook
-een deel van den spiegel aanwezig, waarop met vergulde letters het
-woord Calff staat. 't Is aan geen twijfel onderhevig, of het schip is
-vergaan.--Dat zal een zware slag zijn voor u en voor geheel Saardam,
-wanneer althans de bemanning niet is gered."
-
-"Heeft u daaromtrent niets vernomen?" vroeg de vrouw des huizes,
-wier oogen met tranen gevuld waren.
-
-"Ik weet er niets van, Juffrouw Calff.--Omtrent de bemanning wist mijn
-commandeur mij niets mede te deelen. Wellicht is het haar gelukt, zich
-te redden. Dat zou niet de eerste maal zijn, niet waar? Reeds dikwijls
-hebben de walvischvaarders het behoud van hun leven aan de ijsschotsen
-te danken gehad, waarop zij eenige dagen drijvende konden blijven..."
-
-"'t Is waar, en ik heb daarop ook mijne hoop gevestigd," sprak Sinjeur
-Calff. "Hoewel mij gisteren echter reeds is medegedeeld, dat het Bonte
-Calff met man en muis is vergaan. 't Is eene recht treurige tijding
-voor de arme weduwen en weezen, die achterblijven zonder kostwinner."
-
-Een paar uren later keerde Sinjeur van Vollenhoven naar Amsterdam
-terug. Calff en Nicolaas welke laatste zeer onder den indruk van
-het treurige bericht verkeerde, omdat zijn vriend Jan Willemsz nu
-ook in het hooge noorden zoo jammerlijk om het leven gekomen was,
-brachten hem naar de veerschuit, waar de koopman afscheid van hen nam.
-
-Vader en zoon keerden zwijgend naar huis terug, en het ontging
-den Saardammers niet, dat Sinjeur Calff er bezorgd en verdrietig
-uitzag. Het gevolg daarvan was, dat men dadelijk aan het gissen ging,
-wat hiervan de reden kon zijn. "Zou er misschien slechte tijding van
-het Bonte Calff gekomen zijn?" vroeg men elkander af. En al spoedig
-ging het gerucht door de plaats, dat het met dit schoone schip niet
-in orde was, en dat het misschien wel was vergaan.
-
-"Vader," vroeg Nicolaas, toen zij dicht bij hun huis gekomen
-waren,--"moet de treurige tijding nog langer geheim gehouden worden? Is
-het niet beter, dat zij langzamerhand bekend wordt?"
-
-"Wij mogen haar niet langer verzwijgen, jongen," was het antwoord. "De
-menschen hebben er recht op te weten, wat er gebeurd is."
-
-Juist toen zij binnen wilden gaan, kwam Jacob Willemsz aanloopen. Hij
-groette Sinjeur Calff door het afnemen van zijn muts, en zeide:
-
-"Heb je al van de vreemdelingen gehoord, Nicolaas? Er zijn Russen in
-Saardam aangekomen, ongetwijfeld groote heeren, die hier een ambacht
-komen leeren."
-
-"Ja, ik heb ze gezien," was het antwoord, maar Nicolaas zag er zoo
-droevig uit, toen hij Jacob aankeek, dat deze het dadelijk opmerkte.
-
-"Scheelt er wat aan?" vroeg Jacob belangstellend. "Ben je ziek,
-of--is er iets droevigs bij jelui voorgevallen?"
-
-Sinjeur Calff keerde zich bij die vraag tot Jacob, en antwoordde voor
-zijn zoon:
-
-"Ja, jongen, iets zeer droevigs, althans iets, dat zeer droevig kan
-worden--ook voor jou."
-
-"Voor mij?" vroeg Jacob verwonderd. En hij herhaalde na een oogenblik
-de vraag: "Voor mij?"
-
-"Ja, voor jou ook. Maar 't kan alles nog goed afloopen, Jacob, want
-wij hebben nog in het geheel geen zekerheid. Er gaan slechte geruchten
-over het Bonte Calff, die in de Poolzee vergaan moet zijn."
-
-Jacob werd doodsbleek bij het hooren van die woorden en zijn adem
-hokte hem in de keel.
-
-"Het Bonte Calff vergaan?" mompelde hij zacht. En daarop vroeg hij
-bevend van angst over het lot van zijn broer Jan:
-
-"En de bemanning, Sinjeur,--en Jan...?"
-
-"Daaromtrent is mij niets bekend, totaal niets. 't Is mogelijk
-dat zij het leven hebben kunnen redden, dat is zelfs zeer goed
-mogelijk,--maar--"
-
-Sinjeur Calff haalde bedenkelijk de schouders op.
-
-"Zij kunnen ook vergaan zijn," vulde Jacob zacht den onvoltooiden
-volzin aan, en de tranen vloeiden hem langs de wangen.
-
-Ook Sinjeur Calff was ontroerd, en Nicolaas had evenzoo de tranen in
-de oogen.
-
-"God geve, dat zij gered zijn, Jacob," sprak de koopman ernstig. "Laten
-wij nog niet wanhopen. Geen muschje valt ter aarde zonder Zijn wil,
-en Hij is machtig om zelfs uit den grootsten nood uitredding te geven."
-
-Sinjeur Calff zeide dit om den knaap wat te bemoedigen, maar zelf
-twijfelde hij niet, of de geheele bemanning had den dood gevonden in de
-golven. Ware het anders geweest, dan zou dit geen geheim gebleven zijn.
-
-Bedroefd keerde Jacob naar zijn huisje op den Lagen Horn terug,
-en voorzichtig deelde hij aan zijne moeder de treurige tijding
-mede. Het arme schepsel was er tot in de ziel toe door geschokt, en
-de tijding verpletterde haar dermate, dat zij zelfs niet schreien
-kon. Onbeweeglijk, aan een blok gelijk, zat zij in haar armelijk
-huisje op een stoel in droef gepeins verloren. Soms mompelden hare
-lippen den naam van haar lieven Jan, dien zij zoo noode had zien
-vertrekken naar de verre zee...
-
-O, 't was, of zij er een voorgevoel van had gehad, dat het met haar
-kind niet goed zou afloopen. Hoe had zij hem nagestaard bij zijn
-vertrek, en hoe wee en leeg was het in haar borst geweest, toen zij
-hem uit het oog verloren had.
-
-En nu zou zij hem nooit,--nooit wederzien; nooit meer zou zij hem
-aan haar liefhebbend moederhart kunnen drukken, nooit meer hem
-in de trouwe, open oogen kijken. O, had zij hem maar niet laten
-gaan! Ware zij maar liever gaan bedelen, om brood te krijgen voor
-hare kinderen. Dan zou dit vreeselijke verdriet haar bespaard gebleven
-zijn...
-
-Moeder noch zoon merkte op, hoe druk het in den loop van den
-middag werd op den Lagen Horn, veel drukker, dan het daar ooit
-geweest was. Het gerucht van de aankomst der vreemdelingen had vele
-wandelaars op de been gelokt, en honderden passeerden den Lagen
-Horn, om de woning van Kist aan het Krimp te zien, waarin een van
-die vreemdelingen zich bevond.
-
-Maar die vreemdeling zelf vond dit drukke geloop verre van aangenaam,
-en bleef voor de Saardammers onzichtbaar. Den geheelen middag verliet
-hij het huisje niet, waar hij in een druk gesprek met Kist gewikkeld
-was en dezen allerlei vragen stelde, waaruit ten duidelijkste zijn
-groote weetgierigheid bleek.
-
-"Hoeveel molens zijn er aan de Zaan?" vroeg hij onder anderen.
-
-"Meer dan vierhonderd, Pieter Michaeloff," antwoordde Kist, die het
-woord Majesteit niet meer op de lippen durfde nemen.
-
-"Alleen aan houtzaagmolens zijn er 183, oliemolens 70, pelmolens 35,
-papiermolens 20..."
-
-"Die ik zien wil," viel de Czaar in. "Ik zal er modellen van maken
-en dergelijke molens in mijn rijk doen bouwen."
-
-"En dan zijn er nog verfmolens, tabaksmolens, meelmolens, mosterdmolens
-en volmolens," hernam Kist. "De Zaan is het land, waar de menschen
-van den wind leven!"
-
-Kist begon zich in het bijzijn van den Czaar blijkbaar meer op zijn
-gemak te gevoelen, en de Czaar vond zijn grappige opmerking wel aardig.
-
-"Hoeveel scheepstimmerwerven vindt men hier!" vroeg hij.
-
-"Zeer vele," was het antwoord, "en daaronder wel een 50 groote. Nog
-onlangs is hier aan de Zaan een schip van meer dan 90 voeten lengte
-gebouwd in vijf weken tijds, kant en klaar om in zee te gaan. Er
-is hier één scheepstimmerwerf, waar jaarlijks wel 10 à 12 schepen
-worden gebouwd."
-
-"Wat zeer veel is, verre boven mijn verwachting," sprak de Czaar. "Ik
-elk geval zal op een van al die werven wel een plaatsje te vinden wezen
-voor mij. Den scheepsbouw wil ik tot in de kleinste bijzonderheden
-leeren kennen."
-
-"Heel dicht hier in de nabijheid is de werf van Lynstbaas Teeuwisz
-Rogge," hernam Kist. "Zij is gelegen aan den Hoogendijk en 't zou
-dus voor u wel gemakkelijk zijn, daar uw werk te verrichten."
-
-"Goed,--ik trachten zal, mij daar als knecht te doen aannemen,"
-hernam Czaar Peter. "Morgen ga ik er heen, als de menschen allen aan
-den arbeid zijn, en mij hun gezelschap niet opdringen.--Is hier een
-kompaswinkel, waar ik verschillende instrumenten kan koopen?"
-
-"O ja, bij Lauwrens Pieter Louwen, in de Passer, op den Dam. Daar is
-alles goed en billijk te verkrijgen, wat men van dien aard van dingen
-mocht noodig hebben."
-
-"Morgen ga ik er heen," sprak de Czaar. "Varen van hier vele schepen
-ter zee?"
-
-"Wel honderd," was het antwoord. "Zij bevaren alle zeeën, en er gaan
-er ook vele ter walvischvaart. De vloot zal weldra terugkeeren. Dezen
-middag vernam ik nog, dat hier van Saardam een van de mooiste
-walvischvaarders moet zijn vergaan. Als dat waar is, zal het eene
-groote ramp voor deze plaats zijn, want er waren meer dan veertig
-koppen aan boord. En voor Sinjeur Calff eene groote schade, daar het
-schip geheel of voor een groot deel zijn eigendom was."
-
-"Wie die Sinjeur Calff is?"
-
-"Een van de grootste kooplieden van Saardam. Hij bezit verschillende
-molens, en er vaart van hem meer dan een schip buitengaats. Hij zal
-dan ook wel niet arm worden door het vergaan van het Bonte Calff,
-maar 't zal alevel eene groote schade voor hem zijn."
-
-De Czaar had tijdens dit gesprek telkens aanteekeningen in zijn
-zakboekje gemaakt, en begon daarin verder te bladeren. Kist meende
-daarom, dat zijn gezelschap langer niet gewenscht was, en wilde
-vertrekken. Doch toen hij reeds bij de deur was, vroeg de Czaar
-hem nog:
-
-"Waar woont hier een bekwaam kleedermaker, die in den kortst mogelijken
-tijd mij en mijn gevolg flinke werkpakken kan bezorgen, zooals hier
-door de Saardamsche timmerlieden gedragen worden?"
-
-"Dan komt u het beste terecht bij Sinjeur Jan Cornelis Noomen, hier
-in de Molenbuurt. Hij heeft een grooten lakenwinkel, en is zeker in
-staat, u vlug te bedienen."
-
-Nadat de Czaar ook dit opgeteekend had, verliet Kist het vertrek. En
-de Czaar begaf zich vroeg ter ruste, om den volgenden morgen tijdig
-bij de hand te kunnen zijn.
-
-Hij was 's Maandags dan ook al bij 't opgaan van de zon in de
-weer. Zoodra hij ontbeten had, verliet hij zijn eenvoudig verblijf, en
-begaf zich naar den winkel van de weduwe Jacob Ooms, op den Zuiddijk,
-waar hij onderscheidene gereedschappen kocht, die hij zelf onder den
-arm nam en naar huis droeg. Hij liet zich hout brengen, trok zijn
-wambuis uit, en ging ijverig aan den arbeid. Hij wilde badkuipen maken
-en nog ander werk. De heeren van zijn gevolg, die in de Westzijde een
-geschikt onderkomen hadden gevonden, en hem kwamen bezoeken, gelastte
-hij, zoo spoedig mogelijk werk te zoeken, een bevel dat hun verre van
-welkom was. Hun fijne handjes waren niet aan groven arbeid gewoon. Zij
-waagden het echter niet hun vorst te wederstreven, en volgden tegen
-wil en dank het bevel op. Een van hen, Prins Menzikoff genaamd,
-werd mastenmaker, anderen leerden het bootenmaken of iets anders.
-
-In den loop van den morgen begaf de Czaar zich naar den winkel van
-Sinjeur Noomen, en zocht daar voor zich en zijn gevolg rood baai uit
-voor werkpakken, waarbij Sinjeur Noomen hem zelf hielp. Nog dienzelfden
-dag zond deze een bode met de gekochte stof naar Amsterdam, om de
-kleeren daar in allen spoed te laten maken. Het was deze zelfde Sinjeur
-Noomen, die van het verblijf van den Czaar dagelijks aanteekeningen
-maakte, welke later voor de geschiedschrijvers van het grootste belang
-gebleken zijn. Toen de Czaar bij hem in den winkel kwam, vermoedde
-Noomen diens hoogen staat reeds, maar hij wachtte zich wel daarvan
-iets te doen blijken.
-
-Van Noomen begaf Czaar Peter zich regelrecht naar de scheepstimmerwerf
-van Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en het kostte hem weinig
-moeite, zich aldaar als gewoon knecht te doen aannemen. Onder den naam
-van Pieter Michaeloff begaf hij zich dadelijk naar den meesterknecht,
-om diens bevelen te vernemen. En een volgzamer knecht dan den Czaar
-had deze nog nooit gehad, want Pieter volgde zijn bevelen met de
-grootste stiptheid op, en toonde zich in den scheepsbouw volstrekt geen
-vreemdeling. Trouwens, daarvoor had hij in Rusland bij de Hollandsche
-werklieden reeds te veel bijl en hamer gehanteerd.
-
-Toen het twaalf uur was, ging hij gelijk met het gewone werkvolk mede,
-dat zich naar huis begaf om te schaften, en hij verbaasde zich over den
-stroom van ambachtslieden, dien hij zich op de straat zag bewegen. Van
-een dergelijk nijvere bevolking had hij zich nooit eene voorstelling
-kunnen maken, want onder zijn half beschaafde Russen bestond daarvan
-geen spoor.
-
-Toch ging hij niet naar het huisje aan het Krimp, om daar het eenvoudig
-middagmaal te gebruiken. Neen! Hij begaf zich op weg, om aan de
-vrouwen, wier echtgenooten in het verre Rusland als ambachtslieden
-werkzaam waren, de groeten van dezen over te brengen en haar te zeggen,
-dat de mannen gezond waren en dat het hun goed ging. Later heeft iemand
-van dezen grooten vorst getuigd: "Niets was den grooten man te klein,"
-maar op dezen middag gaf Czaar Peter de Groote het doorslaande bewijs,
-dat dit geen ijdele lofspraak is geweest.
-
-Zijn eerste gang was naar Mary Hitmans, de moeder van Thomas
-Josias. Zij was een arme vrouw, wie hij bericht kwam brengen omtrent
-haar zoon. Van hier begaf hij zich naar de vrouw van Jan Rensen, wien
-hij, als scheepstimmerman, in Rusland bijzondere gunst en achting
-betoond had.
-
-Op de vraag van deze vrouw, of hij bij haar het middagmaal wilde
-gebruiken, antwoordde hij toestemmend, aan deze vrouw eene eer gevende,
-die hij later aan grooten en machtigen weigerde.
-
-Hij maakte ook kennis met Antje, de vrouw van Arrien Meetjen, die
-hem naar haar man vroeg.
-
-"Uw man is gezond en maakt het best," antwoordde de Czaar. "Ik ben er
-trotsch op hem te kennen, want hij is een van de knapste scheepmakers,
-die ik ooit heb ontmoet. Dicht bij het zijne heb ik ook een schip
-getimmerd."
-
-"Zijt gij dan ook scheepmaker?" vroeg Antje.
-
-"Ja ik ook timmerman ben," antwoordde de Czaar lachend. 's Middags
-bezocht hij nog Anthonis van Couwenhoven, die een zoon te Moscou en
-eene dochter te Archangel had wonen. De Czaar was bij dat bezoek van
-een van de heeren van zijn gevolg vergezeld. Sinjeur van Couwenhoven
-wist, dat het de Czaar was, die hem thans een bezoek bracht, maar de
-geschiedschrijvers vermelden niet, hoe hij aan die wetenschap gekomen
-was. Terwijl de twee vreemdelingen daar vertoefden, kwam dominee
-Vergeer, predikant der Hervormden te West-Saardam, in gezelschap van
-een ouderling binnen, en Sinjeur van Couwenhoven fluisterde hem toe:
-
-"Bezie den langsten of grootsten persoon wel terdege, ik zal het U,
-als zij vertrokken zijn, wel zeggen, wat een groot Heer dat is;
-want wij mogen het niet zeggen, zoolang zij hier te lande zijn."
-
-Kort daarop vertrokken de dominee en zijn ouderling, om hun huisbezoek
-te vervolgen, en nu ging het bericht natuurlijk als een vliegend vuur
-door de stad, dat de Czaar van Rusland zich in hoogst eigen persoon
-te Saardam bevond, en als een gewoon timmerman werkte op de werf van
-Lijnstbaas Rogge.
-
-Intusschen bracht Jacob Willemsz een zeer droevigen dag door op
-school. Voor hij daarheen ging, liep hij nog even bij Nicolaas Calff
-aan om te vernemen, of er misschien nadere berichten aangekomen waren,
-maar tot zijne teleurstelling was dat niet het geval. In gezelschap
-van Nicolaas begaf hij zich naar school, en deze deed al het mogelijke,
-om hem te bemoedigen.
-
-"'t Is al zoo dikwijls gebeurd, Jacob," zeide hij, "dat
-walvischvaarders zich op het ijs hebben kunnen redden. Waarom kan dit
-nu ook niet geschied zijn? Het Bonte Calff is hoogst waarschijnlijk
-tusschen twee ijsbergen verpletterd, zooals reeds dikwijls met
-Groenlandvaarders is gebeurd. Maar dan heeft meestal de bemanning, die
-het gevaar natuurlijk ziet naderen, tijd om daarop over te springen."
-
-"Ja,--maar als zij gered waren, zou dat evenzeer bekend geworden zijn
-als het vergaan van het schip. Ik geloof er niet veel van, Nicolaas,
-al geef ik toe, dat het de eenige hoop is, die ons overblijft."
-
-"We zullen het spoedig genoeg vernemen, want de vloot kan niet lang
-meer uitblijven," hernam Nicolaas. "Enkele schepen zijn teruggekeerd,
-zooals je weet."
-
-De jongens voor de school, die het druk hadden gehad over het bezoek
-van de Russische vreemdelingen, omringden Jacob, met wien zij veel
-deernis hadden, en vroegen hem of het waar was, wat zij van het
-Bonte Calff hadden gehoord. En zij werden er ernstig door gestemd
-want allen hadden veel van Jan Willemsz gehouden.
-
-Toen de school aanging, was Jacob zijne medeleerlingen gevolgd, maar
-zijne gedachten waren niet bij zijn werk. Den geheelen dag moest
-hij aan Jan denken, en soms vielen de tranen op zijn leesboek. De
-meester, gezeten achter zijn lessenaar, in een soort van katheder,
-met een veeren ganzenpen achter het oor en de gevreesde plak in zijne
-onmiddellijke nabijheid, had hem al eenige malen verboden, en dreigde
-hem een gevoelige afstraffing met zijn plak te zullen toedienen,
-indien hij niet beter oplette. De jongens hadden zeer met Jacob te
-doen en hielpen hem zooveel mogelijk voort, en Jacob slaakte een zucht
-van verlichting, toen eindelijk het uur van eindigen aangebroken was.
-
-"Hoort eens, jongens!" zei Dirk Lijnstz Rogge. "Een van de Russen
-is knecht geworden bij ons op de Werf. Hij heet Pieter Michaeloff,
-maar de knechts noemen hem Pieter Timmerman. Kom jelui straks bij
-me? Dan kunnen we hem eens goed bekijken. Hij werkt best, zegt de
-meesterknecht."
-
-"En de menschen willen wel beweren, dat het een groot heer is," zei
-Jan Gekeer, terwijl hij de schouders ophaalde. "Als hij zoo goed kan
-timmeren, geloof ik daar niets van."
-
-"'t Is de Czaar zelf!" zei een ander. "Dominee Vergeer heeft het van
-middag bij ons verteld, toen hij huisbezoek kwam doen. De dominee zei,
-dat hij het zeker wist."
-
-"Een Czaar als timmermansknecht," lachte een derde. "Maak jij dat
-een ander wijs, mannetje; ik geloof er niets van, niemendal."
-
-"Toch wordt het door velen geloofd," sprak Arent Bloem. "En mijn
-vader heeft gezegd, dat de Czaar in Rusland ook dikwijls als een
-gewoon timmerman meêwerkt. Ik zeg, dat het de Czaar best kan wezen,
-en wil hem graag eens van naderbij zien. Ik kom stellig bij je, Dirk."
-
-"Ik ook! Ik ook!" klonk het van verschillende kanten, en werkelijk
-bevonden zich een uur later verscheidene jongens op de werf van
-Lijnstbaas Rogge, waar zij kwansuis met Dirk en Teeuwis kwamen spelen,
-doch inderdaad alleen oog hadden voor den Czaar, die met den grootsten
-ijver arbeidde. De jongens durfden hem niet naderen, want er was dien
-middag veel bezoek op de werf geweest, ook al om den Czaar te zien,
-waardoor deze erg uit zijn humeur was. Deze nieuwsgierigheid van de
-menschen verveelde hem, en hij kon haar niet uitstaan.
-
-Om zeven uur ging het werkvolk naar huis, en ook Czaar Peter verliet de
-werf. En nauwelijks was hij vertrokken, of Heyn Pomp kwam buiten adem
-aanloopen. Hij had tot zeven uur in den scheerwinkel moeten blijven
-om zijn vader te helpen, en kreeg toen een uurtje vrijaf, om met zijn
-kornuiten te gaan spelen. Heyn ging niet meer school, maar 's avonds
-was hij nog graag bij zijne makkers. Thans had hij zich gehaast om
-bij Lijnstbaas Rogge op de werf te komen, in de hoop, dat hij den
-vreemdeling daar nog zou aantreffen. Tot nog toe was hij bijzonder
-ongelukkig geweest, want hij had nog niemand van de vreemdelingen in
-'t vizier kunnen krijgen. Telkens als zij hier of daar te zien waren,
-was Heyn toevallig om de een of andere reden afwezig, en als hij ze
-ergens meende aan te treffen, waren zij juist vertrokken, als Heyn
-daar aankwam.
-
-"Is hij er niet meer?" vroeg Heyn, die brandde van
-nieuwsgierigheid. "Ik tref het ook altijd ongelukkig."
-
-"Als je hard loopt, kun je hem nog zien!" zei Ary Kist met een
-knipoogje tegen de anderen. "Hij is de Oostzijde ingewandeld naar de
-werf van Jan Pik. Loop maar hard!"
-
-"Dat zal ik!" zei Heyn, die zich op een draf verwijderde. "Ik mòèt
-en zàl hem zien."
-
-Heyn maakte echter een dutreis, want de Czaar zat goed en wel in
-het huisje aan het Krimp, en verdiepte zich in het beschouwen van
-de teekeningen, die de meesterknecht hem medegegeven had. 't Waren
-teekeningen, die betrekking hadden op het bouwen van schepen.
-
-Den volgenden dag, dat was dus op Dinsdag, kocht hij van den schilder
-Willem Harmsz een roeischuitje. Na lang dingen was die koop gesloten
-voor 40 gulden en een kan bier, die door kooper en verkooper in een
-der herbergen op den Dam gezamenlijk werd gebruikt.--Toen bezocht hij
-ook de weduwe van Claes Willemsz Musch, aan wie hij bij den dood van
-haar man, die in Rusland werkte, een geschenk van f 500 gezonden had
-uit Rusland. Tevens bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven,
-olie-, houtzaag-, en papiermolens, alsmede lijnbanen, ankersmederijen,
-zeilmakerijen, ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van
-eene zeldzame weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen
-van vragen, veel meer dan men kon of wilde beantwoorden. Bijzonder
-werd zijne aandacht getrokken door het doen stilstaan der molens door
-middel van den vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men, als de
-molen stilstond, den vang wederom een weinig oplichtte. En toen men hem
-dit uitlegde, zei hij: "Dat is goed, dat is goed." In den papiermolen
-"de Kok" nam hij, na alles bezien te hebben, den vorm van den schepper
-over, en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hem
-had kunnen verbeteren. Hij gaf den knecht een rijksdaalder, louter
-van vreugde, dat deze proef hem zoo goed gelukt was.
-
-Intusschen werd er op dezen dag als een publiek geheim rondverteld,
-dat de groote vreemdeling niemand anders was dan de Czaar van Rusland
-in eigen persoon, maar zekerheid kon men daaromtrent in het geheel
-niet geven. De Czaar liet zich gewoon Pieter noemen, en was niet
-meer in zijn schik, dan als men hem als Pieterbaas toesprak. Zijn
-hoogen rang trachtte hij zorgvuldig verborgen te houden, en het was
-zijn plan, den geheelen winter te Saardam te blijven, om daar als
-timmermansknecht te werken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-IN DEN BARBIERSWINKEL, BIJ DEN DAM, EN TEN HUIZE VAN SINJEUR
-CALFF. HEYN POMP KRIJGT DEN CZAAR TE ZIEN.
-
-
-Den volgenden morgen, omstreeks half twaalf, was het druk in den
-barbierswinkel van Meester Pomp. Er stonden twee scheerstoelen,
-die gelijktijdig in gebruik waren. Terwijl Pomp bezig was den eenen
-klant te scheren, was Heyn aan den anderen stoel druk in de weer
-met inzeepen. Zijne magere, knokige hand gleed onophoudelijk om kin
-en wangen van den man, die aan de beurt was om geholpen te worden,
-en het zeepsop droop Heyn van de vingers.
-
-Meester Pomp stond inmiddels gezellig te babbelen, en wist het zijn
-klanten recht aangenaam te maken. Daar hij den geheelen dag menschen
-sprak, en dus steeds in de gelegenheid was nieuwtjes te vernemen,
-was niemand beter dan hij in staat, om weer nieuwtjes te vertellen,
-en men luisterde steeds naar hem met open mond en ooren.
-
-Het spreekt van zelf, dat er dezen morgen over niets gesproken werd,
-dan over het vergaan van het Bonte Calff, dat thans voor niemand meer
-een geheim was, en over de komst van de vreemdelingen en het gerucht,
-dat Pieterbaas de Czaar van Rusland was.
-
-"Van morgen is er nog tijding bij Sinjeur Calff aangekomen omtrent het
-Bonte Calff," zei Meester Pomp tegen zijn bezoekers, die op een houten
-bank gezeten waren tegen den wand van het vertrek, geduldig wachtende,
-tot het hunne beurt zou geworden zijn, om geholpen te worden.
-
-"Slechte tijding?" vroeg Sinjeur Meindert Bloem, die zich ook onder
-de wachtenden bevond.
-
-"'t Kon niet slechter," zei meester Pomp. "Is het mes goed?--Of zal
-ik een ander nemen?"
-
-Deze vraag was gericht tot den man, wien het mes op dit oogenblik
-met één enkelen streek al de stoppels van zijn rechterwang maaide.
-
-De man liet een bevestigend gebrom hooren, want hij kon zijn mond niet
-openen, daar zijn lippen vol zeepsop zaten. Heyn had de gewoonte om de
-menschen altijd geducht in te zeepen. Dat was niet geheel zijn schuld,
-want hij moest de klanten altoos net zoolang inzeepen, tot zijn vader
-met scheren gereed was.
-
-"'t Schip schijnt met man en muis naar den kelder te zijn," ging
-meester Pomp voort. "'t Is een ramp van belang voor ons dorp. 't Had,
-meen ik, twee en veertig koppen aan boord, en menige weêuw zal een
-bangen tijd tegemoet gaan."
-
-"'t Is wèl eene vreeselijke ramp!" zei Sinjeur Bloem met een
-zucht. "Ja, 't is maar zoo: de mensch weet vooraf niet, hoe zijn lot
-zal zijn. En dat is maar goed ook."
-
-"Jan Willemsz voer ook op het Bonte Calff," viel Heyn in, die af en
-toe ook een woordje meêsprak.
-
-"'t Zal een slag zijn voor zijne moeder," meende een ander. "De
-arme tobber!"
-
-"'t Was de eerste reis van den knaap, een echt flinke,
-ferme jongen. Ja, ja, de walvischvaart maakt nog al eens een
-slachtoffer. Zijn vader is ook in de Poolzee om het leven gekomen."
-
-"En dat was een kranig zeeman," zei meester Pomp. "Asjeblief, Sinjeur,
-u is klaar."
-
-Meester Pomp haastte zich naar den anderen stoel, waarvan de bezitter
-recht blijde was, dat hij van het aaien van Heyn verlost werd.
-
-"Ik werd er wee van om mijne maag," zeide hij lachend. "Maar zeg eens,
-meester Pomp, weet je zeker, dat er niemand van de opvarende gered is?"
-
-"Er is niemand gered. Van morgen zeide Sinjeur Calff me, toen ik bij
-hem aan huis was om hem te scheren, dat het meer en meer bevestigd
-wordt, dat het Bonte Calff met man en muis naar den grond is gegaan. 't
-Schip schijnt gekraakt te zijn tusschen een paar ijsbergen...."
-
-"Dat moeten dan toch reusachtige gevaarten wezen," viel een spreker
-in. "'t Was zoo'n sterk schip, nog zoo goed als nieuw."
-
-"Wel man, ik heb ijsbergen gezien zoo hoog als de Oostzijdertoren,"
-zei meester Pomp. "Je weet, dat ik ook gevaren heb? Tusschen twee
-zulke ijsklompen wordt het sterkste schip gekraakt als een notedop. Er
-blijft geen stuk van heel."
-
-Op dit oogenblik kwam een nieuwe bezoeker binnen.
-
-"Goeden middag samen!" klonk zijn groet, terwijl hij bij de anderen
-op de bank plaats nam. "Ik heb nieuws, menschen, groot nieuws!" liet
-hij er dadelijk op volgen. Iedereen keek hem nieuwsgierig aan.
-
-"Nieuws?" vroeg men, en Pomp liet zelfs zijn mes en zijn klant
-een oogenblik met rust om te luisteren. Heyn had blijkbaar zijn
-nieuwsgierigheid van niemand vreemds.
-
-De nieuwe bezoeker haalde met een gewichtig gebaar een brief uit zijn
-binnenzak, en zeide:
-
-"Ik heb een brief van mijn zoon ontvangen, je weet wel, van mijn zoon
-uit Rusland. Hij schrijft mij niets meer of minder, dan dat de Czaar
-werkelijk op reis is naar Holland, en ongetwijfeld ook naar Saardam
-zal komen. Zie je, er wordt wel gemompeld, dat het de Czaar is, die
-bij Lijnstbaas Rogge als knecht werkzaam is, maar zekerheid had tot
-nog toe daaromtrent eigenlijk niemand."
-
-"Neen, dat zeg ik ook," zei meester Pomp. "'t Zijn alleen vage
-vermoedens en geruchten, maar zekerheid hebben we niet. 't Is ook
-eigenlijk niet te gelooven, dat een Czaar van het machtige Rusland
-hier als knecht zal komen werken."
-
-"Dat is waar,"--hernam de bezoeker, "maar thans ken ik een onfeilbaar
-middel om het te weten te komen."
-
-Meester Pomp, die weder met scheren was voortgegaan, bracht zijn mes
-opnieuw in rust, en ook Heyn hield, zoodra hij dat zag, met aaien op.
-
-"Een onfeilbaar middel?" vroeg Pomp, en ook de klanten op de bank
-zagen den spreker in de grootste nieuwsgierigheid aan.
-
-"Ja," was het antwoord. "Heeft U dien zoogenaamden Pieterbaas al eens
-geschoren, meester?"
-
-"Neen,--nog niet. Waarom?"
-
-"Luister, dan zal ik u voorlezen, wat mijn zoon schrijft, en dan weet
-u meteen ook, waarom ik dit vraag."
-
-De man ontvouwde den brief en begon. Eerst betrof het geschrift
-allerlei nieuws, dat den hoorders weinig belang inboezemde, maar
-eindelijk klonk het:
-
-"Het groot gezantschap is naar Holland vertrokken, en de Czaar heeft
-zich mede daarbij gevoegd."
-
-"Aha, dus dat is toch waar," viel Sinjeur Bloem den lezer in de
-rede. "Tot nog toe werd het dikwijls en door velen betwijfeld, of de
-Czaar wel op reis was gegaan, maar hier staat het nu zwart op wit."
-
-"O ja, en nog iets veel belangwekkenders," hernam de man van den
-brief. "Luister slechts:
-
-"Deze," (dat is dus de Czaar), "zal alzoo ook wel in Holland en in
-Saardam komen. Hij is gemakkelijk te herkennen aan zijne bijzondere
-lengte, aan de schuddingen met het hoofd en den rechterarm, en ook
-aan eene kleine wrat op den rechter wang."
-
-"Ziet ge," ging de man voort, "dat schrijft mijn zoon, en hij kan het
-weten. Wij hebben nu een gemakkelijk en zeker middel, om den Czaar
-te herkennen."
-
-"Vader," zei Heyn, "ik wou, dat hij eens hier kwam, om zich te laten
-scheren."
-
-"Zoo?--En ik wou, dat je voortging met inzeepen. Asjeblief, dat is
-afgeloopen. Die volgt, Sinjeur.--Groot is hij wel, dat heb ik zelf
-gezien, maar of hij trekkingen heeft met het hoofd en den rechter arm,
-is mij niet bekend."
-
-"Ik zal er goed op letten, Vader, als hij eens hier komt," zei
-Heyn. "Zoo'n wrat op de rechterwang is een zeker teeken."
-
-"Ja, dat is waar, maar ga nu met je werk voort, want 't is te druk
-om te praten. En je moet vóór den middag nog eene boodschap doen."
-
-"Bij wien, Vader?"
-
-"Naar het Kalf, jongen. Er moet een pot brandzalf gebracht worden bij
-de vrouw van Jan Lieuwes. Ik heb beloofd, dat ik het niet vergeten
-zou."
-
-"Dan kan ik voor twaalf uur niet terug zijn, Vader," zei Heyn, die
-tot zijn verdriet bemerkte, dat hij den middagpot verloopen zou,
-en hij had nù reeds geduchten honger.
-
-"Dan loop je heen maar zoo hard als je kunt en terug nog veel harder,"
-zei Meester Pomp lachend.
-
-De klanten werden nu zoo vlug mogelijk geholpen, en daar er tegen
-het middaguur geen nieuwe bijkwamen, liep de winkel langzamerhand
-leeg. Meester Pomp was zeer tevreden over den voordeeligen morgen,
-dien hij had gehad, en maakte met een genoeglijken glimlach zijne
-scheermessen schoon. Het stemde hem prettig, dat zijn winkel zoo
-druk beklant was, en dat de menschen zoo gaarne door hem bediend
-wilden wezen.
-
-Toen de laatste klant vertrokken was, gaf hij zijn zoon den pot met
-zalf, en droeg hem op, dien met spoed aan het opgegeven adres te
-bezorgen, waar men er ongetwijfeld reeds met ongeduld op wachtte.
-
-Had Heyn kunnen weten, wat er een oogenblik later gebeuren zou,
-misschien had zijn vader hem dan met geen stok de deur kunnen
-uitkrijgen, want Heyn was nog geen vijf minuten vertrokken, of de
-barbierswinkel ging open, en de Czaar, gevolgd door andere Russische
-heeren, trad binnen, om zich te laten scheren.
-
-Wat meester Pomp zijn oogen den kost gaf!
-
-En niet tevergeefs, want de Czaar, die zich het eerst onder het
-mes begaf, had, zooals hij al dadelijk opmerkte, eene wrat op de
-rechter wang, en trok met den rechterarm. Bovendien had hij telkens
-spiertrekkingen in het gelaat, wat bij het scheren nogal lastig was,
-daar meester Pomp vreesde, den Czaar daardoor te zullen bezeeren. 't
-Liep echter gelukkig goed af, en de Russische heeren werden op de
-beurt af door den meester geholpen.
-
-Nu had de waardige barbier dien middag nog eens stof, om zijn klanten
-aangenaam bezig te houden, en hij zorgde er wel voor, dat iedereen
-het vernam, hoe hem de hooge eer te beurt gevallen was, den machtigen
-beheerscher aller Russen te scheren.
-
-En Heyn trok zich bijna de haren uit het hoofd van spijt, toen hij
-vernam, hoe ongelukkig hij al weer was geweest. Ongelukkiger kon
-hij het ook al niet getroffen hebben. Nu was de Czaar zelfs bij
-hem in huis geweest, en nog had hij hem niet gezien. Hij kon zijne
-nieuwsgierigheid langer bijna niet bedwingen, en nam zich voor,
-dien avond niet naar bed te gaan, voordat het hem gelukt was, den
-Czaar te zien. Ha,--hij kreeg een plannetje. 's Avonds, als zijn
-werk afgeloopen was, zou hij naar Ary Kist gaan, en hem vragen, of
-hij niet eens door de ramen mocht kijken. De Czaar zou dan wel thuis
-zijn. Op die wijze kon hij hem ongestoord bespieden.
-
-"Juist, zóó zal het gelukken!" mompelde hij tevreden, "'t Is nu toch
-ook àl te gek. Iedereen heeft dien machtigen Heer gezien, behalve
-ik. En ik ben juist zoo nieuwsgierig naar hem."
-
-Tijdens zijne afwezigheid was er trouwens nog meer gebeurd, want Heyn
-was wel bijna twee uur langer uitgebleven, dan hij van plan geweest
-was. En in dien tusschentijd was er iets voorgevallen, dat een einde
-maakte aan allen twijfel, die er nog omtrent den staat van den Czaar
-mocht bestaan.
-
-Toen deze namelijk 's middags het eenvoudige maal ten huize van Kist
-had gebruikt, ging hij op weg, om zich naar den Zuiddijk te begeven. Op
-den Lagen Horn passeerde hij een winkeltje, waar pruimen te koop waren,
-en deze vruchten schenen hem zoo verleidelijk toe, dat hij den winkel
-binnenstapte en er een goeden voorraad van kocht. Maar waarin moest
-hij ze bergen? Een mandje of een zak had hij niet bij zich, en zonder
-zich lang te bedenken, nam hij zich den breedgeranden hoed van het
-hoofd, en liet daar de pruimen in doen.
-
-Met dit eigenaardige vruchtenschaaltje onder den arm vervolgde hij
-zijn weg naar den Zuiddijk, af en toe een van de heerlijke vruchten
-oppeuzelende.
-
-Op den Dam echter kwam hij eenige jongens tegen, die op weg waren
-naar de school en nauwelijks hadden zij den vreemdeling gezien, die
-daar met den hoed onder den arm voortwandelde en kalm de pruimen liep
-te verorberen, of zij omringden hem, staken hem de geopende hand toe
-en vroegen:
-
-"Toe Man, geef mij ook een pruim."
-
-De Czaar scheen dit wel aardig te vinden, want hij wierp Jacob Willemsz
-en Ary Kist, die hij zeker herkende, hoewel zij zich eerbiedig op
-eenigen afstand hielden, een paar pruimen toe. Nu werd het een algemeen
-gedrang, om bij den Czaar te komen. Er waren eenige onverschillige
-jongens onder den troep, die hem de pruimen bijna uit den hoed namen.
-
-"Jij ook een wil?" vroeg de Czaar aan Nicolaas Calff, die op eenigen
-afstand dit tooneeltje bijwoonde. En ook hem wierp de Czaar een paar
-vruchten toe.
-
-Nu werd het een algemeen geschreeuw en gejoel, en de troep werd elk
-oogenblik grooter. Er kwamen ook groote menschen bij, die van verre
-aankeken, wat er gebeurde.
-
-"Ik ook een!" riep een groote, ruwe jongen. "Toe kerel, geef mij er
-ook een!"
-
-"En ik!" zei een ander, tusschen de anderen doordringende.
-
-"Ik lust ze ook wel!" zei een derde, die brutaalweg vlak voor den
-Czaar ging staan.
-
-"Daar jij dan een hebt!" zei de Czaar, die boos begon te worden;
-en hij wierp den brutalen jongen een pit in het gelaat.
-
-"Houd dat zelf!" schreeuwde de jongen nijdig, terwijl hij den pit
-opraapte en hem den Czaar naar het hoofd wierp.
-
-'t Was den vorst aan te zien, dat hij zeer toornig werd. Zijn rechter
-arm kreeg hevige trekkingen, en ook zijn gelaat was ten prooi aan
-onwillekeurige spierbewegingen. Hij zette den jongen onzacht op zijde,
-en om hem te plagen wierp hij aan een paar andere knapen, die niet
-zoo brutaal waren, een paar pruimen toe.
-
-Nu werden de brutaalsten nog opdringender, tot opeens de Czaar tegen
-een van hen zeide:
-
-"Jij ook een pruim wil?"
-
-En hij nam een van de grootste vruchten uit zijn hoed, en hield hem
-die voor.
-
-"Ja,--Ja!" riep de jongen.
-
-"Ik ook!" zei de Czaar, de vrucht in zijn eigen mond stekende, tot
-groote pret van enkele jongens, die zich over hunne dorpsgenooten
-schaamden.
-
-Czaar Peter wilde doorloopen, maar de brutale jongens waren nu zoo
-boos geworden, dat zij modder van de straat opraapten en den Czaar
-daarmede wierpen. En de oploop werd intusschen zoo groot, dat de
-Czaar geen kans zag, goedschiks den Zuiddijk te bereiken.
-
-De jongens gingen voort slijk en allerlei vuil naar den vreemdeling
-te werpen, zoodat deze inderdaad in groote moeilijkheden begon te
-verkeeren. Hij was in hevige mate vertoornd. De aderen van zijn
-voorhoofd waren gezwollen en zijn oogen fonkelden.
-
-"Terug! Terug! Gaat weg!" riep hij den jongens toe, maar dat hielp
-hem niet. Opeens voelde hij een hevige pijn in den nek. Een van de
-baldadige knapen had een steen genomen en hem daarmede zeer gevoelig
-getroffen.
-
-En meerdere steenen vlogen hem om het hoofd.
-
-Hij nam een kort besluit. Met groote schreden keerde hij terug en
-nam de wijk in de herberg "De drie Swaanen", waar hij ook des Zondags
-zich aan een oploop van het volk had onttrokken.
-
-Hij zond onmiddellijk een bode naar de burgemeesteren, om zich
-over deze verregaande baldadigheid en ruwheid te beklagen, en liet
-verzoeken, hierin voor het vervolg te voorzien.
-
-Deze heeren waren echter niet thuis. Zij waren voor zaken naar
-Amsterdam, maar zij vernamen het gebeurde dadelijk bij hun aankomst
-met de veerschuit, die om twee uur uit Amsterdam vertrokken was. Een
-schipper, daarbij tegenwoordig zijnde, en het gesprek mede aanhoorende,
-zeide:
-
-"Ik ken den Czaar heel goed. Ik zal dadelijk naar de Drie Swaanen gaan,
-en zien, of hij het is."
-
-En toen hij na enkele minuten terugkeerde, zeide hij met de volste
-overtuiging: "Zoo zeker als wij leven, het is de Czaar, ik ken hem
-zeer wel."
-
-Nog in den loop van dienzelfden dag ging de omroeper door de plaats
-rond. Telkens stond hij stil, sloeg eenige malen op een bekken om de
-aandacht te trekken, en riep met luider stem:
-
-
- "Burgemeesteren, tot hun leedwezen vernomen hebbende, dat de
- baldadige jeugd haar niet en hadden ontzien, sommige voorname
- personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven,
- te gooien met steenen en velerlene vuiligheid, verbieden dat
- aan een iegelijk bij dezen zeer scherpelijk om weer te doen,
- op de hoogste boete en straffen daartoe staande, en dat de
- misdadigers aan den E. Heer Baljuw zullen worden overgegeven.
-
- Hiermede zij een ieder gewaarschuwd en elk wachte zich voor
- schade en schande.
-
-
-Tot meerdere voorzorg werd den Baljuw van Blois en den Drossaard van
-Kennemerland kennis van dit alles gegeven. Dezen zonden daarop hunne
-dienaars naar Saardam, terwijl tevens, daar de Czaar zijn ongenoegen
-betuigd had over den toevloed van nieuwsgierigen bij zijn huis,
-de toegangen naar het Krimp met wachten bezet werden.
-
-Daar nu elke gissing waarheid geworden was, begreep de Czaar zelf,
-dat het ongerijmd zou zijn, zich langer te verbergen. Hij besloot
-dus daartoe ook geen pogingen meer aan te wenden.
-
-'s Avonds zaten Sinjeur en juffrouw Calff in de huiskamer, benevens
-Nicolaas en Aagje, de dienstbode, welke laatste, volgens de gewoonte
-dier dagen, geheel als huisgenoote werd behandeld. Castor, de groote
-hond, zat bij den stoel van Nicolaas, met den kop op diens knieën.
-
-De deur werd geopend, en eenigszins schuchter trad Jacob Willemsz
-binnen. Hij was, gedreven door zijn angst over het lot van zijn
-broer Jan, de laatste dagen daar reeds zoo dikwijls binnengekomen,
-dat hij er min of meer verlegen onder werd. Toch kon hij het niet
-laten. De gedachte aan zijn broer liet hem geen oogenblik met rust,
-en telkens weer begaf hij zich naar de woning van Sinjeur Calff,
-in de hoop, dat er een gunstiger bericht mocht gekomen zijn.
-
-"Goedenavond samen," zei hij zacht.
-
-"Dag Jacob!" klonk het antwoord van de aanwezigen, en juffrouw Calff,
-die de aarzeling van den knaap opmerkte, zeide vriendelijk:
-
-"Kom maar gerust binnen, hoor. Je bent zeker verlangend naar tijding?"
-
-"Ja juffrouw,--is er nader bericht?"
-
-Jacob kwam binnen en ging bij Nicolaas staan.
-
-De hond kende hem en kwispelde met den staart.
-
-"Er is geen nadere tijding ontvangen, Jacob," sprak Sinjeur
-Calff. "Mocht ik iets met zekerheid te weten komen, dan beloof ik je,
-er onmiddellijk bericht van te zullen zenden. De vloot moet thans
-spoedig binnenvallen."
-
-"Maar zonder het Bonte Calff!" zuchtte Jacob droevig.
-
-"En hoe is het met je goede moeder?" vroeg Juffrouw Calff
-deelnemend. "Kan zij berusten in hetgeen de Heere God over haar
-heeft beschikt?"
-
-"Moeder is tot in de ziel bedroefd, Juffrouw," zei Jacob. "O, hoe
-hoop ik, dat er nog redding moge komen! De onzekerheid is ook voor
-haar het ergste."
-
-"We mogen niet wanhopen, Jacob," sprak Sinjeur Calff. "Het schip is
-vergaan, dat lijdt geen twijfel, maar zoolang ik niet met zekerheid
-weet, dat de bemanning verdronken is, blijf ik hopen."
-
-Op dit oogenblik werd er eenig gerucht gehoord aan de deur, en de
-hond liet een waarschuwend gebrom hooren.
-
-"Daar is volk!" zei Nicolaas opstaande, om de deur te openen. Wie
-beschrijft de verbazing der aanwezigen, toen daar, geheel onverwachts,
-de Czaar binnentrad.
-
-"Goeden avond samen," klonk zijn groet, terwijl hij aan de deur
-bleef staan.
-
-Sinjeur Calff stond van zijn stoel op en maakte een eerbiedige buiging,
-en Juffrouw Calff werd een beetje bleek van den schrik.
-
-"Uwe Majesteit hier! Wat eene eer voor mijn nederig huis," sprak
-Sinjeur Calff, die zich haastte den Czaar tegemoet te gaan.
-
-Deze stak hem de hand toe, en zeide eenvoudig:
-
-"Sinjeur Calff, in Rusland ik de Czaar ben; hier ik Pieter Michaeloff
-heet of Pieter Timmerman. Noem mij gewoonweg Pieterbaas."
-
-En zich tot de vrouw des huizes wendende, vervolgde hij met een
-handdruk:
-
-"Gods zegen over U, Juffrouw Calff!"
-
-"Hartelijk dank!" zei juffrouw Calff. "Maar neem toch plaats. En doe
-mij het genoegen, heden avond onze gast te zijn, als U het eenvoudige
-voor lief wil nemen."
-
-"Dat kan ik niet doen, Juffrouw. Ik wensch weer bijtijds thuis te
-wezen. Mijn bedoeling alleen is, kennis met U te komen maken. Zijn
-die beide jongens van U?"
-
-"De eene wel. Kom nader, Nicolaas, en breng Pieter Michaeloff uw
-groet. De ander is een zoon van eene weduwe uit uwe buurtschap. Hij
-heet Jacob Willemsz."
-
-Jacob trad nu ook naderbij en kreeg ook, evenals Nicolaas, eene hand
-van den Czaar. Deze lachte hem vriendelijk toe en sprak:
-
-"O, jou ik wel ken. Ben jij niet bij mij geweest, tegelijk met Ary
-Kist? Ik mij dat zeer goed herinner..."
-
-"Jawel, Pieterbaas," zei Jacob. "Wij brachten U bier."
-
-"Juist,--juist! En jou broer vaart ook op het Bonte Calff? Is er
-reeds iets naders omtrent dat schip bekend?"
-
-Deze laatste woorden golden Sinjeur Calff.
-
-"Neen, helaas," antwoordde deze. "Wij zien dagelijks naar tijding
-uit. De berichten, die wij reeds ontvingen, doen het ergste
-vreezen. Wij vernamen zelfs, dat het vaartuig met alle opvarenden is
-vergaan. Doch zoolang dit bericht niet ten stelligste bevestigd wordt,
-blijf ik moed houden, dat de bemanning zich heeft kunnen redden."
-
-"Wat ik van ganscher harte hoop!" zei de Czaar opstaande, om te
-vertrekken. Doch dat wilde Juffrouw Calff niet hebben. Eerst moest
-haar gast iets gebruiken, en zij noodde hem zoo dringend, dat de Czaar
-weder ging zitten. Er werden nu fijne likeuren en confituren voorgezet,
-die Pieterbaas zich lekker liet smaken.
-
-Jacob Willemsz was intusschen vertrokken.
-
-En Sinjeur Calff, die het eene groote eer achtte, den Czaar als gast
-in zijne woning te hebben, en die tevens een te goed koopman was, om
-zich daarvan in de toekomst geen groote voordeelen te voorspellen,
-noodigde den Czaar uit, tijdens diens verdere verblijf te Saardam,
-voortaan liever bij hem zijn intrek te nemen.
-
-"Uwe tegenwoordige woning is klein en ongerieflijk, tevens gelegen
-in eene zeer onaanzienlijke buurt," zoo sprak hij. "Met den besten
-wil ter wereld kunnen de eenvoudige menschen, bij wie U inwoont,
-u niet geven, wat U naar rang en stand toekomt. Beschik dus geheel
-over dit huis naar Uw welbehagen."
-
-Maar de Czaar bedankte zeer beslist voor dat aanbod, en gaf zijn
-verlangen te kennen, te blijven, waar hij was.
-
-Om ongeveer negen uur begaf hij zich naar huis. Hij was recht goed
-geluimd door de vriendelijke ontvangst, welke hem te beurt gevallen
-was, en het glaasje likeur, dat hij had gebruikt, had hem recht
-aangenaam gestemd.
-
-Hij trad zijn eenvoudig huisje binnen en maakte licht, weinig
-vermoedende, dat iemand hem van uit de verte in al zijn doen en
-laten bespiedde.
-
-'t Was Heyn Pomp, die aan zijn plan gevolg gegeven had, en 's avonds
-naar Ary Kist was gegaan met de bedoeling, om thans den Czaar te
-zien, 't ging dan, zoo het ging. Het was hem onmogelijk, zijne
-nieuwsgierigheid langer te bedwingen.
-
-"Jongen, Heyn," zei Ary, toen hij van het plan hoorde, "wees
-voorzichtig, want het is een driftig heerschap, en als hij in een
-booze luim is, zou het je kunnen berouwen. Hoe ben je hier gekomen? 't
-Krimp is toch afgezet door dienaren van den Baljuw?"
-
-"Ja,--dat is ook zoo, en ik mocht er eerst niet door. Maar toen ik
-zei, dat ik eene boodschap moest doen voor Vader, hebben zij mij
-laten passeeren. En nu ga ik niet weg, voordat ik hem gezien heb. Is
-hij niet thuis? Alles is donker in zijn huisje."
-
-"Neen, hij is niet thuis, maar hij zal wel spoedig terugkomen, denk
-ik. We zullen dus maar wat op het erf achter het huis wachten."
-
-"Goed," zei Heyn.
-
-Even over negenen hoorden zij iemand naderen, en zij hielden zich
-doodstil, om hunne tegenwoordigheid niet te verraden.
-
-'t Was de Czaar. Een oogenblik later zagen zij hem het licht ontsteken,
-en thans kon Heyn hem uit de verte bespieden, want nu het Krimp
-met wachten was afgezet, scheen de Czaar het niet noodig te vinden,
-de luiken voor zijn raam te sluiten.
-
-Eerst hield Heyn zich op een eerbiedigen afstand, want een held was
-hij niet, zooals in dit verhaal reeds meermalen gebleken is. Maar nu
-kon hij ook niet veel zien van hetgeen binnen in de kamer voorviel. De
-ruitjes waren maar klein en van slechte qualiteit. Hij zag dus alleen,
-dat iemand als een zwarte schim zich door de kamer bewoog. Hoe de
-man er uitzag, kon hij onmogelijk onderscheiden, en wat hij deed,
-nog veel minder.
-
-Hij kwam dus langzamerhand iets naderbij, eerst een klein stapje,
-daarna een grooter, eindelijk wel een paar, en ten slotte was hij
-het raam genaderd.
-
-"Ha, nu kon hij den machtigen Czaar goed zien. 't Was een nog jonge
-man van vijf en twintig jaar, met een forsch uiterlijk en eene fiere,
-krachtige gestalte. Heyn zag, dat de man opstond en een stapel
-papieren haalde, in de beschouwing waarvan hij zich verdiepte. 't
-Schenen teekeningen te zijn van schepen en molens. De Czaar maakte
-met een potlood aanteekeningen op den kant van de papieren.
-
-Heyn verwijderde zich van het raam en voegde zich bij Ary.
-
-Hoe zacht hij dat ook deed, toch scheen de Czaar eenig geritsel te
-vernemen, want hij keek van zijn werk op en richtte zijn blik op het
-raam. Zijn gelaat nam eene ontevreden uitdrukking aan. 't Beviel hem
-blijkbaar niets, dat hij zelfs thans nog niet onbespied kon arbeiden.
-
-Hij stond op en begaf zich naar het andere vertrekje. Hier bevond zich
-eene kast, waaruit hij een kistje met verschillende instrumenten
-nam. Daarmede keerde hij naar zijne plaats terug, en bekeek de
-werktuigen met groote belangstelling. Hij nam er een magneet uit,
-en liet de kompasnaalden daarmede ronddraaien, wat hem verbazend
-interesseerde, hij beschouwde de passers, die hij gekocht had in den
-winkel van Louwen met de grootste belangstelling, en nam eindelijk
-een instrument ter hand, dat in die dagen gebruikt werd om kiezen te
-trekken. Eene dergelijke operatie had hij door een bekwaam professor
-zien doen, en dit had dermate zijne belangstelling gewekt, dat hij
-zich ook zulk een haak had aangeschaft, en zich zelfs niet ontzien
-had daarmede proeven te nemen op de kiezen van de heeren van zijn
-gevolg, die dit natuurlijk alles behalve prettig vonden. Zij durfden
-zich evenwel niet verzetten tegen den wil van hun gebieder, en waren
-wel genoodzaakt, hun mond op zijn bevel te openen, teneinde er een of
-meer kiezen uit te laten trekken. Ten slotte nam de Czaar een passer,
-en begon de détails te meten van een schip, dat op dat oogenblik te
-Saardam gebouwd werd en nog diezelfde week van stapel zou loopen. 't
-Was een schip van Sinjeur Calff, en de Czaar had daarvan het bestek
-en de teekening in zijn bezit gekregen.
-
-Op dit oogenblik kwam Heyn weer voor 't raam, en drukte er zijn neus
-tegen, om beter te kunnen zien. Maar de Czaar bemerkte hem en werd
-zeer toornig. Zijne oogen fonkelden dreigend en hij mompelde:
-
-"Kan ik dan nooit met rust doorwerken? Moet ik dan altijd gestoord
-worden? 't Bevalt mij hier niet!"
-
-Opeens stond hij driftig op en vloog naar buiten. Hij deed dat zoo snel
-en beslist, dat Heyn er beteuterd van was en geen tegenwoordigheid
-van geest genoeg bezat, om de vlucht te nemen. De schrik had hem als
-het ware verlamd.
-
-De deur werd opengeworpen, en op hetzelfde oogenblik voelde Heyn zich
-bij den kraag grijpen, wat geschiedde met eene zoo krachtige hand, dat
-Heyn er eerbied voor kreeg. Hij voelde zich van den grond oplichten,
-en stond midden in de kamer eer hij nog goed wist, dat hij betrapt was.
-
-"Wat jij hier doen moet?" bulderde de Czaar hem toe, die van drift
-zoo hard met zijn vuist op de tafel sloeg, dat deze er van kraakte.
-
-Heyn beefde over al zijne leden, en kon geen woord uitbrengen.
-
-"Wat jij hier doen moet?" herhaalde de Czaar met een nieuwen vuistslag,
-en zijn gelaat werd door hevige spiertrekkingen misvormd.
-
-"Ik----ik--w--wou eens kijk--kijken!" stamelde Heyn, die tot zijn
-grooten angst de ongetemde woede van den Czaar opmerkte en wenschte,
-dat hij daar nooit gekomen was.
-
-De Czaar liep met groote schreden door het vertrek rond, zoekende
-naar een stok of iets anders, om den jongen een geduchte afstraffing
-te geven.
-
-"Jij eens kijken wou!" bulderde de Czaar, die nergens een stok
-vond. "Jij eens kijken wou!"
-
-Opeens viel hem de haak in het oog, die gebruikt werd om kiezen te
-trekken. Hij greep dat voorwerp, en vervolgde:
-
-"Jij eens kijken wou! Ha, zoo, ik ook eens kijken wil, wacht maar,
-kleine spion, ik ook eens kijken wil! Doe open je mond!"
-
-Heyn beefde als een schoothondje, dat door het ijs gezakt is. En
-hij begreep de bedoeling van den vertoornden man allerminst. Wel zag
-hij, dat deze een vreemd instrument in de hand had, en hij hield er
-wantrouwig den angstigen blik op gericht.
-
-De Czaar maakte weinig complimenten met hem.
-
-Hij greep zijne kaken met krachtige hand aan, zoodat Heyn wel gapen
-moest, of hij wilde of niet, en op hetzelfde oogenblik voelde Heyn
-een kil voorwerp op een van zijn kiezen. Weldra begon er iets te
-snerpen in zijne onderkaak, toen kraakte en knetterde het daarbinnen
-en Heyn voelde eene hevige, snerpende pijn. 't Was hem, of zijne
-kaak gebroken werd. Hij sperde de oogen wijd open en staarde den
-vreemdeling ontzet aan.
-
-Ary, die buiten behoedzaam het raam naderde om te zien, wat er binnen
-voorviel, hoorde een hevigen gil, alsof iemand vermoord werd, en
-onmiddellijk daarop werd Heyn onzacht de deur uitgeschopt.
-
-Flap! de deur smakte dicht...
-
-Ary greep den verwarden en ontstelden Heyn Pomp zonder spreken bij
-den arm en trok hem mede, achter op het erf. Daar bleven zij staan,
-en Ary vroeg lachend:
-
-"Heb je nu den Czaar van Rusland gezien?"
-
-"Au, o, o!" kermde Heyn, die stampvoetend van pijn heen en weer
-liep. "O,--o,--wat is er met me gebeurd?"
-
-"Ik vraag, of je nu den Czaar hebt gezien," herhaalde Ary Kist,
-die onbedaarlijk moest lachen.
-
-"Ja, o, au, nu heb ik hem gezien, au, au, o, wat een pijn,--tot mijn
-spijt heb ik hem gezien. O, wat is er toch met me gebeurd? O, Ary,
-als je het eens gevoeld had--".
-
-"Zijne Majesteit heeft je een kies getrokken!" zeide Ary, bulderend
-van 't lachen. "Voel maar, je bent er een kwijt!"
-
-Heyn stak den vinger in den mond, en ontwaarde tot zijn grooten schrik
-een diepe holte in zijne kaak.
-
-'t Was waar, de Czaar had hem een kies uitgetrokken, en nog wel eene
-gezonde, terwijl Heyn er vlak naast eene holle had zitten, die hij in
-elk geval veel liever zou hebben gemist, want daar had hij dikwijls
-pijn in.
-
-"Ik ga naar huis," mompelde Heyn ontsteld bij die treurige ontdekking,
-en Ary bracht hem een eindje weg, maar telkens schoot deze in den
-lach, en dan kon hij bijna niet tot bedaren komen, zoo grappig vond
-hij het voorgevallene.
-
-"In elk geval heb jij nu toch het genoegen gehad, den Czaar te zien,"
-plaagde hij den armen Heyn, die voortdurend met zijn vinger in den
-mond liep.
-
-Dicht bij de wachters gekomen, keerde Ary terug.
-
-"Zeg Heyn," zei hij, "als je morgen avond den Czaar nog eens zien wilt,
-kom dan maar gerust, hoor!"
-
-"Ik wou, dat jij en je Czaar alle twee in de lucht vlogen," bromde
-Heyn boos.
-
-Toen hij het smalle bruggetje wilde passeeren, waar de wachten stonden,
-vroegen dezen:
-
-"Wel jongen, heb je je boodschap gedaan?"
-
-"Ja," bromde Heyn, "ik--ik ben er mee klaargekomen."
-
-Heyn spoedde zich naar huis, waar hij het voorgevallene aan zijn
-vader vertelde, rood van schaamte. En deze lachte hem nog uit op den
-koop toe, want hij vond het curieus, dat de Czaar van Rusland als
-kiezentrekker had gefungeerd.
-
-"Spoel je mond maar eens goed uit," zeide hij, "en ga dan naar
-bed. Morgen ochtend zal de pijn wel over wezen."
-
-Heyn volgde dezen raad direct op, maar in het vervolg was hij in
-het geheel niet nieuwsgierig meer naar den Czaar. Als hij hem hier
-of daar zag, ging hij op een eerbiedigen afstand staan, en hij vond
-hem in het geheel geen aangenaam mensch. Hij heeft zelfs levenslang
-een grooten hekel aan hem gehouden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-"TE VEEL VOLKS".
-
-
-Terwijl Heyn Pomp de voor hem zoo onaangename operatie onderging,
-bevond Sinjeur Bloem de vader van Arent, zich ten huize van de
-Russische heeren, die het gevolg van den Czaar uitmaakten. Hij had
-vernomen, dat de vorst een bezoek had gebracht bij Sinjeur Calff,
-en vreezende, dat deze voorname koopman in het vervolg alleen de
-vriendschap van den Czaar zou genieten, waaruit vele voordeelen
-konden voortspruiten, besloot hij dadelijk den vreemden heeren een
-gebouw aan te bieden, waarin zij meer volgens hun hoogen rang konden
-verblijven. Dat huis was gelegen aan de Oostzijde, en in de toekomst
-werd van het aanbod gaarne gebruik gemaakt.
-
-"Was het Bloem [2] door deze aanbieding te doen geweest, om de aandacht
-van den Czaar tot zich te trekken, dan gelukte hem dit bovenmatig;
-want hij en Calff waren het, aan wie hij vervolgens het meeste
-vertrouwen schonk.
-
-"Des Donderdags gaf Peter gehoor aan eene uitnoodiging van Sinjeur
-Bloem, om met den boeier van dezen een zeiltochtje op de Zaan te maken.
-
-"De vele molens aan de Oostzijde van dien stroom gelegen, wekten
-terstond zijn aandacht, en maakten de zucht levendig, om weder dit
-of dat te gaan zien. Zoo werd eene stijfselmakerij en een pelmolen
-bezichtigd. Het is waarschijnlijk dat het op dit tochtje was,
-dat hij bemerkte, dat men aan den Kalverdijk, tegenover Zaandijk,
-bezig was een molen te bouwen. Terstond kwam de begeerte bij hem op,
-om dit werk van nabij te bezien; hieraan werd voldaan, en Peter kon
-de lust niet bedwingen om mede de hand aan het werk te slaan. Deze
-molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze
-gebeurtenis "de Czaar van Moscoviën" genoemd. Hij is onder den naam
-van "de Grootvorst" nog aanwezig.
-
-"Denzelfden dag kocht de Czaar een boerenjacht met al zijn toebehooren
-van Dirk Stoffels voor f 450 gereed geld. Terstond ging hij aan het
-optuigen, en vervaardigde met eigene handen een nieuwen boegspriet, die
-volgens het oordeel van deskundigen zeer wèl gemaakt was, zoo zelfs dat
-men zich verwonderen moest, dat zulk een hooge personaadje zoo ijverig
-in het zweet zijns aanschijns en zoo curieus konde werken.--Gerrit
-Musch werd door hem als boeierknecht aangenomen. De Czaar was met dezen
-man zoo ingenomen, dat hij, zoowel als zijne vrouw en de weduwe van
-zijn broeder, ten allen tijde, ook te Amsterdam, den vrijen toegang
-tot zijn persoon hadden, dikwijls door hem werden onthaald en met
-geschenken vereerd, waarvan bij zijn nageslacht te Oldeboorn, in
-Friesland nog 2 gladde gouden ringen bewaard zijn gebleven.
-
-"De door het tochtje met Bloem opgewekte lust, om een boeier te
-bezitten, was nu voldaan, en reeds des Vrijdags morgen om vier uren
-zeilde hij op de Binnenzaan, en stond steeds zelf aan het roer;
-later werd hij door Sinjeur Calff vergezeld, ten wiens huize hij het
-middagmaal gebruikte. Des namiddags werd er wederom gezeild, maar nu op
-de Voorzaan en het IJ. Vele Saardammer jachten en boeiers wilden partij
-met hem maken, maar dit was niet naar den zin van den Vorst, zoodat hij
-het naar Halfweg Haarlem wendde, en daar aan wal legde. Hier gaf Peter
-eene proeve van zijne bijzondere vlugheid in het loopen, springen en
-klauteren over de schepen, maar ook dat blijk van zijne geaardheid,
-waarvoor men was gewaarschuwd, dat hij namelijk niet verdragen kon,
-dat men hem te nabij kwam en strak in het aangezicht zag; want toen
-Cornelis Albertsz. Blok, ook Martsen geheeten, dit beproefde, ontving
-hij van den Czaar een geweldigen slag op het hoofd. Een spotboef zeide:
-"Zie zoo, Marsje, daar zijt ge tot ridder geslagen!" hetgeen hem den
-bijnaam van Ridder deed houden.
-
-"Daar het getal boeiers gestadig toenam, en de Vorst als het ware
-van nieuwsgierigen omringd was, werd hij daarover verstoord, en bleef
-tot aan den avond in een der herbergen, zoodat het reeds donker was,
-eer hij met zijn boeier te Saardam terugkeerde."
-
-Den volgenden dag, het was toen Zaterdag, zou er iets belangwekkends te
-zien zijn in Saardam, iets, wat altijd zeer veel volks op den Dam samen
-deed stroomen. Het schip namelijk van Sinjeur Calff, dat op een van de
-scheepstimmerwerven aan de Achterzaan werd gebouwd, was thans voltooid,
-en zou naar de Voorzaan worden overgebracht. Daar slechts twee kleine
-sluisjes de gemeenschap tusschen Voor- en Achterzaan onderhielden,
-veel te klein om aan het pas gebouwde schip doortocht te verleenen,
-moest het door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept,
-wat wel de moeite waard was, om te zien.
-
-Dat de Czaar naar het schouwspel zou komen kijken, spreekt wel van
-zelf, en de magistraat verwachtte dientengevolgde een grooten toeloop
-van volk, want het was thans uren ver in den omtrek bekend geworden,
-dat de Czaar van Rusland in Saardam vertoefde, en iedereen wilde
-hem zien.
-
-Sinjeur Calff had den Czaar uitgenoodigd bij het overhalen van
-het schip tegenwoordig te zijn, en de magistraat berichtte Zijne
-Majesteit, dat men de meeste zorg genomen had, om door het plaatsen van
-schuttingen en wachten de noodige ruimte voor hem en zijn gevolg open
-te houden, ten einde hij alles, zonder overlast van het volk te lijden,
-naar genoegen kon opnemen. Tevens zond zij hem de uitnoodiging haar de
-eer aan te doen, bij haar op zijn Saardamsch een vischje te komen eten.
-
-De Czaar wilde gaarne naar het overhalen van het schip komen zien,
-maar op de laatste uitnoodiging antwoordde hij: "Waarhaftig in deze
-week niet, in de volgende week."
-
-De toeloop van volk werd echter zoo groot, dat de magistraat er
-verlegen mede werd, en alle genomen maatregelen nutteloos bleken. De
-schuttingen werden omvergeloopen en de wachten verdrongen.
-
-Toen de Czaar naar buiten wilde treden, ontdekte hij de jubelende
-schare, en hij werd opnieuw toornig. "Te veel volks! Te veel
-volks!" zeide hij. Hij keerde in zijne kamer terug en verkoos deze
-niet meer te verlaten. De deur smeet hij toornig achter zich dicht.
-
-Het schip kwam intusschen voor den Dam, waar duizenden menschen stonden
-te wachten, om den Czaar te zien. Hij bleef echter den geheelen
-dag onzichtbaar, en nam het besluit, den volgenden dag Saardam te
-verlaten. Hij was daar te veel door nieuwsgierigen omringd, en wenschte
-niets liever, dan geheel te kunnen doen en laten, wat hij verkoos,
-zonder altoos door een drom van menschen te worden aangestaard. Van
-zijn besluit om te vertrekken schijnt hij de regeering kennis gegeven
-te hebben. Deze had althans voorzorgen genomen, om hem daarbij van
-dienst te zijn.
-
-Het schip werd zonder ongelukken over den Dam gebracht. Aan weerskanten
-van den Dam was daartoe een hellende vloer gelegd, die dus met
-den Dam als het ware eene brug vormde. De planken vloeren waren
-terdege ingesmeerd, om ze gladder te maken. Twee touwen werden aan
-den voorsteven vastgemaakt, en ook twee aan de kiel van het schip. De
-andere einden liepen om spillen of windassen, die elk door een twintig
-à dertig man langzaam werden omgedraaid. Hierdoor werd het vaartuig
-tegen de helling opgetrokken, en om te voorkomen, dat het door een of
-ander toeval mocht terugglijden, deed men ook touwen boogsgewijze om
-den achtersteven. Zoo ging men langzaam met winden voort tot het schip
-zijn hoogsten stand had bereikt, waartoe heel wat arbeid noodig was,
-daar de Dam eene breedte had van honderd- en vijftig voet. Maar was
-het schip eenmaal geduikeld, dan kon het winden niet te hard gaan.
-
-Onder het gejuich van duizenden menschen raakte het eindelijk in
-de Voorzaan vlot. En de menigte verspreidde zich. Men begaf zich
-huiswaarts, doch om den volgenden dag in nog grooter aantal terug
-te keeren.
-
-Nauwelijks was Kist dien morgen opgestaan, of hij zag verscheidene
-schuitjes in de sloot bij het Krimp, en hij riep een van de opvarenden
-toe:
-
-"Wat beteekent die drukte hier in den vroegen morgen? Is er iets
-bijzonders aan de hand?"
-
-"Dat zal jij niet weten, Kist?" was het antwoord van den man in
-de boot.
-
-"Ik?--Ik weet nergens van! Waarlijk niet!" zei Kist.
-
-"Weet je dan niet, dat de Czaar vandaag gaat vertrekken? Hij gaat
-voor goed weg."
-
-Wat was Kist verwonderd, want het gerucht van het op handen zijnde
-vertrek had hem nog niet bereikt. En de Czaar zelf had hem er ook
-niet over gesproken.
-
-Kist spoedde zich naar binnen, en vertelde het groote nieuws aan
-zijne vrouw, die er ook niet weinig verwonderd van opkeek.
-
-"Dan mag hij ons wel rijkelijk al de moeite en drukte vergoeden,
-die wij van hem gehad hebben," zei ze. "Is me dat de gansche week
-een geloop en een gedoe geweest. Wij hebben geen rustig uur gehad
-van het oogenblik af, dat hij hier gekomen is, tot nu toe."
-
-"Zou je dan denken, Neeltje," zei Kist, "dat hij ons niet goed
-beloonen zal? Daar blief ik niets van te gelooven. Hij zal in den
-loop van den dag, en in elk geval voor zijn vertrek, wel met ons
-afrekenen. En wel goed ook, daar ben ik van overtuigd."
-
-"Ik mag het lijden," zei Neeltje schouderophalend. "Ik geloof er
-echter niet veel van."
-
-Kist begaf zich weer naar buiten, vergezeld van Ary, wien het wel
-speet, dat de Czaar ging vertrekken. Hij had er vast op gerekend, dat
-deze den geheelen winter blijven zou, wat hij trouwens zelf gezegd had.
-
-De drukte aan het Krimp nam met elk oogenblik toe. Het zag er zwart van
-de menschen. Wel waren de wachten op de beide bruggetjes verdubbeld,
-maar de lieden hadden hen verdrongen, en op de sloot wemelde het thans
-van roeibootjes, gevuld met nieuwsgierigen. Hier en daar klommen de
-menschen op de daken, waarvan de pannen werden weggenomen, en men
-zich voor een drie-gulden een goede plaats veroverde.
-
-'t Woei zeer hard, en 't werd langzamerhand zelfs een storm. De
-magistraat, waaronder de heer Bloem, benevens Sinjeur Calff, de beide
-vrienden van den Czaar, raadden hem aan, liever een of twee dagen te
-wachten, daar de overtocht over het IJ werkelijk niet zonder gevaar
-was, althans met een boeier. Maar de Czaar wilde van geen uitstel
-hooren. Als hij eenmaal een plan gevormd had, liet hij zich daar
-door niemand of niets afbrengen. En het gevaar vreesde hij niet,
-wat hij al meermalen in zijn leven had getoond.
-
-Kist liep onrustig om zijn huisje rond. Hij zag, dat de Czaar op het
-punt stond om te vertrekken, en nog altoos had het den Vorst niet
-behaagd, met hem af te rekenen. En hem om het geld vragen, durfde
-Kist niet.
-
-Eindelijk trad de Czaar naar buiten, om zich naar zijn boeier te
-begeven. Deze lag aan den Runmolen, zijne gewone ligplaats. Nauwelijks
-werd de Vorst zichtbaar, of het volk barstte los in een luid
-gejubel, waarover hij echter zoo toornig werd, dat hij weer naar
-binnen ging. Zijn woede werd daar zoo groot, dat het scheen of hij
-stuipen had.
-
-En ook Kist was zeer boos, want het bleek hem thans zonneklaar,
-dat de Czaar van plan was, zonder betalen af te reizen.
-
-De regeering besloot den boeier over te doen brengen naar de sluis aan
-den Horn, en nadat zooveel ruimte was gemaakt als mogelijk was, begaf
-de Vorst zich al worstelende en slaande, door de menigte, over het
-Zuidelijke bruggetje van het Krimp, en bereikte gelukkig den boeier.
-
-Men ging onder zeil. In het holle water gekomen brak het zwaardtouw,
-en de schippers, die den boeier ontmoetten, waarschuwden den Vorst,
-dat hij gevaar liep van om te slaan. Maar hij stoorde zich daaraan
-niet, en kwam behouden aan de Oude Stadsherberg te Amsterdam aan.
-
-'t Is te begrijpen, dat de jongens van Saardam het vertrek van den
-Czaar ook hadden bijgewoond. Nicolaas Calff was komen aanloopen
-met Jacob Willemsz, die nog altoos hunkerde naar bericht omtrent
-het Bonte Calff, over welk schip nog niets naders was vernomen. Nog
-altoos bleven hij en zijne moeder de flauwe hoop koesteren, dat de
-bemanning op de een of andere wijze gered mocht zijn.
-
-Ook waren daar Arent Bloem, Cornelis Noomen, Dirk en Teeuwis Rogge en
-Jan Gekeer aanwezig. Ary Kist voegde zich na verloop van eenigen tijd
-ook bij hen. Hij deed dat, toen de Czaar het huisje had verlaten,
-om zich naar den boeier te begeven, bij welke gelegenheid hij een
-vol uur noodig had, om zich een doortocht te banen.
-
-"Daar gaat hij nu," zeide hij tot zijne vrienden. "En hij heeft ons..."
-
-"Eene vorstelijke belooning gegeven," viel Jan Gekeer in. "'t Zal
-jelui geen windeieren gelegd hebben, Ary, dat verblijf van den
-Russischen Czaar!"
-
-"'t Mocht wat!" zei hij. "Hij heeft ons letterlijk niets gegeven, en
-hij gaat heen zonder te betalen. Is het geen schande? En dat doet nog
-wel een vorst, een machtig vorst. Een arme drommel zou ten minste nog
-"dankje" gezegd hebben, maar hij gaat zonder groeten heen, onverwachts,
-zonder er zelfs met een enkel woord over te kikken. 't Is netjes,
-dat zeg ik."
-
-"Niet eens betaald!" vroegen de jongens verbaasd.
-
-"Neen, geen duit!" riep hij. "Kijk, daar stapt hij op den boeier. Het
-zeil wordt geheschen! Daar gaat hij!"
-
-"Hij zal het kwaad genoeg te verantwoorden hebben op het IJ," zei
-Dirk Rogge. "Er zullen groote golven gaan."
-
-"Als hij maar niet omslaat," zei Jacob Willemsz, die weer aan zijn
-broer dacht. "Dat zou verschrikkelijk zijn."
-
-Opeens bemerkte hij op eenigen afstand Heyn Pomp, die ook naar het
-vertrek van den Czaar was komen kijken.
-
-"Hola, Heyn, moet je den Czaar nog niet even gaan groeten?" vroeg
-hij lachend. "Of heb je hem al gesproken?"
-
-Alle jongens schoten in den lach, want zij hadden er van gehoord,
-hoe de Czaar hem tegen wil en dank eene kies had getrokken, wat zij
-verbazend grappig vonden.
-
-En Heyn koos de wijste partij. Hij drong zich door het opgehoopte
-volk heen en voegde zich bij hen. Lachend zei hij:
-
-"Ik ben in het geheel niet verlangend meer om den Czaar van nabij te
-zien; hij is mij te hardhandig."
-
-Toen de boeier van den Czaar uit het gezicht verdwenen was, begaf
-het volk zich langzamerhand naar huis, en de gewone stilte keerde
-in Saardam's straten terug. Het verblijf van den Czaar was voor de
-bewoners een zeer belangwekkend geval geweest, en het speet hun,
-dat hij geen gevolg had gegeven aan zijn plan, om er den geheelen
-winter door te brengen. Maar zij waren toch zeer vereerd met zijn
-bezoek en stelden het op hoogen prijs.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-OP HET HEMVELD.
-
-
-Een paar weken waren voorbijgegaan sinds het vertrek van den Czaar,
-en reeds twee malen was hij in Saardam terug geweest. Den eersten
-keer in het hartje van den nacht, op den 30en Augustus, dus slechts
-enkele dagen na zijn vertrek. Hij kwam om zijne gereedschappen te
-halen, want hij had te Amsterdam verlof gekregen om zich verder op de
-Admiraliteitswerf in de praktijk van den scheepsbouw te oefenen. Aldaar
-was hem ook een gebouw ten gebruike afgestaan. En den tweeden keer
-was hij gekomen, om het overwinden van een schip te zien over den
-Dam, waartoe hij door Sinjeur Calff uitgenoodigd was. Om te maken,
-dat er bij die gelegenheid niet al te veel volk zou samenstroomen,
-had men het gerucht uitgestrooid, dat de Czaar voor de uitnoodiging
-had bedankt. De Vorst bekeek alles met de grootste belangstelling,
-en hij deed dien dag ook nog een grooten inslag van gereedschappen,
-welke hij zelf naar zijn boeier droeg. Twee dagen later kwam zijn
-gevolg terug. Menzikoff kwam bij Gerrit Jansz. op het masten maken, en
-Golofkin leerde bij Paulus Teeuwissen het bootenmaken. Eerst beklaagden
-zij zich sterk over den ruwen arbeid, waartoe zij door hun gebieder
-gedwongen waren, maar langzamerhand gewenden zij er aan. De Czaar kwam
-hen dikwijls bezoeken in hun gebouw aan de Oostzijde, de Steenenkamer
-genaamd, en dan bracht hij den avond meestal bij Sinjeur Calff door,
-met wien hij zeer bevriend was.
-
-Zoo gingen de dagen voorbij, en nog altoos waren de Groenlandvaarders
-niet teruggekeerd.
-
-Er heerschte groote droefheid in menig gezin, en ook in het eenvoudige
-huisje van de weduwe Willemsz werden bange dagen doorgebracht.
-
-Dag-in en dag-uit klonk de vraag van de moeder, als Jacob binnenkwam:
-"Nog geen tijding, Jacob!"
-
-"Niets, Moeder, totaal niets!" was dan het antwoord, en dan druppelden
-groote tranen uit de oogen der moeder, en had Jacob moeite, om de
-zijne te bedwingen. Soms stond hij op, en sloeg haar de armen teeder
-om den hals, en dan kuste hij haar, zeggende:
-
-"Moederlief, houd toch goeden moed! Nòg hebben we geen zekerheid,
-en alles kan nog ten beste keeren."
-
-Maar dan schudde zijne moeder ongeloovig het hoofd, en zuchtte:
-
-"Neen, kind, neen, 't is alles voorbij. Ik heb mijn lieveling verloren
-en zal hem nooit wederzien. O, had ik hem toch niet laten gaan..."
-
-Zij werd stil en in zichzelf gekeerd, zoodat Jacob het zijn plicht
-achtte, haar zooveel mogelijk gezelschap te houden. En dan spraken
-zij samen altoos over Jan, en als zij dat niet deden, waren toch
-hunne gedachten bij hem.
-
-Eens op een Zaterdag, een paar weken na het vertrek van den Czaar,
-kwamen de jongens hem afhalen, om te gaan spelen. 't Waren zijne
-gewone kameraden, met wie hij meestal omging: Nicolaas Calff, met
-Castor natuurlijk, want die was altoos in zijn gezelschap, Dirk en
-Teeuwis Rogge, Jan Gekeer, Aart Bloem, Cornelis Noomen en Ary Kist.
-
-"Jacob, ga je meê?" vroeg Nicolaas Calff. "We gaan naar het Hemveld."
-
-"Och," zei Jacob, "ik moest maar thuis blijven. Ik heb toch den
-rechten lust niet in spelen."
-
-"Kom, ga meê!" zeide Ary Kist. "Toe maar. Je kunt toch altoos niet
-in huis zitten?"
-
-Vrouw Willemsz keek haar zoon aan, en zeide:
-
-"Wel ja, kind, waarom zou je niet meêgaan? Ga gerust, als je maar
-zorgt, op etenstijd thuis te zijn."
-
-Maar Jacob scheen niet veel lust te hebben, en zijn kleine zusje,
-met wie hij aan het spelen was, toen de jongens hem kwamen halen,
-riep hem toe:
-
-"Boer hier blijven. Ikke paadje jijden!"
-
-"Neen jongens," zei Jacob, "ik blijf maar liever thuis."
-
-Doch Ary Kist nam hem bij den arm, en trok hem naar buiten.
-
-"Gekheid," zei hij beslist, "jij gaat met ons meê. Dag buurvrouw!"
-
-Jacobs aarzeling was thans overwonnen, en nu hij eenmaal besloten was,
-vond hij het toch wel prettig ook, om bij zijn makkers te zijn. In
-het vuur van het spel vergat hij gewoonlijk zijn verdriet en werd
-hij even vroolijk als altoos.
-
-"Waar zullen we heengaan? Naar het Hemveld, of naar Westzaan?" vroeg
-Ary Kist.
-
-"Naar het Hemveld; dat is eenmaal afgesproken!" antwoordde Arent
-Bloem, en zonder tegenspraak legden de andere jongens zich bij zijne
-beslissing neer. Zij liepen den Hoogendijk af en bereikten weldra
-het veld, waar zij dikwijls gingen spelen. Zij waren er zoo vrij als
-de vogeltjes in de lucht, en konden er om zoo te zeggen doen, wat zij
-verkozen. Het was een klein schiereiland, dat aan drie kanten begrensd
-werd door het water van het IJ. Hoog riet groeide aan den oever, en
-de jongens vonden er wel het een of ander, dat hun belang inboezemde.
-
-"Wat zullen we doen?" vroeg Ary Kist. "Verstoppertje?"
-
-Dat spelletje deden zij er dikwijls, omdat zij zich in het riet zoo
-mooi konden verschuilen.
-
-Het voorstel vond algemeenen bijval. Cornelis Noomen plukte een handvol
-grassprietjes en liet er ieder een trekken. Wie het langste sprietje
-trok, moest zoeken. Jan Gekeer was de gelukkige. Hij moest zich in
-een droge sloot afzonderen, om den anderen gelegenheid te geven,
-zich te verschuilen. En ieder zocht een goed plaatsje op aan den
-oever of in het hooge gras.
-
-Toen Jan meende, dat hij lang genoeg in zijn sloot had doorgebracht,
-liet hij een langgerekt oe-oe-oe-oe! hooren, om de jongens te
-waarschuwen, dat hij in aantocht was, en van verschillende kanten werd
-zijn geroep op dezelfde wijze beantwoord. Een paal, op het midden
-van het veld, was honk. Zoodra Jan iemand ontdekt had, moest hij
-zijn naam roepen en eerder dan deze den paal trachten te bereiken,
-want was de andere jongen hem voor, dan kon deze hem tikken, en moest
-hij opnieuw zoeken.
-
-De jongens hielden zich doodstil, om hunne schuilplaats niet te
-verraden.
-
-Jan Gekeer begaf zich eerst naar den paal, om van daar uit zijn
-verkenningstochten te beginnen. Hij moest dat uiterst behoedzaam doen,
-want liep hij een van de jongens voorbij, zonder diens schuilplaats
-te ontdekken, dan kon deze opspringen en naar den paal snellen. In
-dat geval had Jan het verloren.
-
-Hij bewoog zich stapje voor stapje, en speurde links en rechts. Het
-minste geritsel kon hem eene schuilplaats van een der jongens verraden.
-
-Ha, daar bewoog zich iets in het lange gras. Jan stond stil en keek
-uit, of hij geen hoofd boven de grashalmen zou zien verschijnen. Hij
-wachtte geduldig, wetende, dat de jongen zich oprichten zou om te zien,
-of Jan al ver genoeg van den paal verwijderd was, teneinde met hoop
-op succes den wedloop te kunnen beginnen.
-
-Daar verscheen een hoofd behoedzaam boven de graspluimen, en nauwelijks
-had Jan het gezien, of hij riep:
-
-"Ary Kist!"
-
-En tegelijkertijd snelde hij naar den paal terug.
-
-Zoodra Ary zich ontdekt zag, sprong ook hij op, om te trachten eerder
-dan Jan den paal te bereiken, maar hij moest het verliezen. Ary werd
-gevangen. Jan Gekeer kon veel harder loopen dan hij.
-
-'t Werd nu voor Jan gevaarlijker, want Ary Kist had er natuurlijk
-belang bij, dat een van zijne makkers het won. In dat geval mocht
-hij zich ook weer verschuilen. Hij trachtte dus zijn makkers te
-waarschuwen, indien er gevaar dreigde. Was Jan nog dicht bij den
-paal, dan riep hij: "Blijf! Blijf!" Maar waagde Jan zich iets verder,
-dan klonk zijn raad: "Kom uit! Kom uit!"
-
-Jan was echter voorzichtig en vlug. Teeuwis Rogge, die op het geroep
-van "Kom uit! Kom uit!" den wedloop gewaagd had, moest ook het
-onderspit delven. Evenzoo ging het met Dirk Rogge, die het bijna van
-Jan gewonnen had, toen hij plotseling struikelde en met zijn neus in
-het lange gras terecht kwam. Jan kreeg gelegenheid het pleit te winnen.
-
-Eindelijk waren er nog maar twee jongens overgebleven, en het kon
-Jan maar niet gelukken, hunne schuilplaats op te sporen. 't Waren
-Nicolaas Calff en Jacob Willemsz. Zij hadden zich aan het uiterste
-puntje van het Hemveld achter het hooge riet verborgen, en hielden
-zich doodstil. Zij waren zoo diep mogelijk neergehurkt, en Castor lag
-onbeweeglijk aan de voeten van zijn jongen meester. Hij gaf geen kik
-en bewoog nauwelijks den kop, om Nicolaas even aan te kijken.
-
-'t Riet was op de plaats, waar zij zaten, verbazend hoog en dicht, en
-'t zou Jan Gekeer moeilijk vallen, om hen op te sporen. Zij hadden
-het plaatsje langs een kleinen omweg achter het riet om bereikt,
-zoodat er geen spoor was, dat den verkenner den weg kon wijzen.
-
-Achter hen, bijna tegen hunne hielen, klotsten de golven van het
-IJ, op welk breed water de beide knapen thans een prachtig gezicht
-hadden. Er was eene drukke scheepvaart. Mooie boeiers passeerden
-van en naar Amsterdam, bootjes, soms met zingende roeiers, voeren op
-eenigen afstand voorbij, en fraaie tentjachten met voorname juffers
-gleden statig langs hen heen. De jongens werden niet moede, er naar te
-kijken. 't Riet vóór hen was zoo dicht, dat zij Jan Gekeer niet konden
-zien aankomen. Zij wisten dan ook vooraf, dat zij verloren waren,
-zoodra zij ontdekt werden, want dan had Jan wel zooveel op hen voor,
-dat hij gemakkelijk het eerst den paal bereiken kon.
-
-Maar het geroep van hunne makkers: "Blijf! Blijf!" of "Kom uit! Kom
-uit!" drong zeer duidelijk tot hen door. Zij stoorden zich echter
-aan het een noch het ander, en bleven stil zitten.
-
-"Hij vindt ons hier nooit, denk ik," zei Nicolaas Calff. "'t Is
-onmogelijk voor hem, om door het riet heen te kijken."
-
-"Neen, gemakkelijk zal hij ons niet vinden," meende Jacob. "Maar hij
-is een slimmerd, en je bent hem niet gauw te vlug af. Hoort de jongens
-eens roepen: "Kom uit! Kom uit!" Ik wed, dat ze allen al gesnapt zijn,
-en dat het nog alleen om ons te doen is."
-
-"Best mogelijk," zei Nicolaas. "Hoor eens!"
-
-"Kom uit! Kom uit!" werd er thans weer met alle kracht geroepen,
-zeker omdat Jan Gekeer zich zeer ver van den paal gewaagd had.
-
-"Toch blijven we zitten," zei Nicolaas. "We zitten hier best!"
-
-"Ja, dat is wel waar, maar zou ik niet eens gaan kijken, waar Jan
-ongeveer is? Als hij den verkeerden kant uitgeloopen is, zouden wij
-het kunnen wagen, om van wal te steken."
-
-"Niet doen, Jacob, niet doen! Laat hem maar zoeken. Hij vindt ons
-nooit."
-
-De jongens hielden zich stil, en lieten weer hun blik over het IJ
-glijden. Opeens sprong Jacob overeind, en driftig zijn makker bij
-den arm grijpende, riep hij hem met hokkende stem toe:
-
-"Kijk daar eens, Nicolaas, kijk daar eens! Ginds komen de
-Walvischvaarders terug!"
-
-Nicolaas was ook opgesprongen en keek naar een aantal schepen, dat
-met volle zeilen naderde.
-
-"Ja," zei hij, "daar komen de Walvischvaarders terug."
-
-Hij vestigde vol medelijden zijn blik op zijn makker, die bijna met
-zijn voeten in het water stond. De arme jongen wilde zoo dicht mogelijk
-bij de schepen zijn, om dadelijk bericht te kunnen inwinnen omtrent het
-Bonte Calff. Het ontging Nicolaas niet, dat Jacob doodsbleek zag. Deze
-nam elk schip met de grootste nauwkeurigheid op, en mompelde eindelijk:
-
-"Het Bonte Calff is er niet bij." En hardop liet hij erop volgen:
-
-"Het gerucht heeft ons niet bedrogen, Nicolaas. Het Bonte Calff keert
-niet terug."
-
-Groote tranen druppelden hem van het gelaat, en ook Nicolaas was
-zeer ontroerd.
-
-De beide jongens hoorden niet eens, hoe hunne makkers luidkeels riepen,
-om hen te waarschuwen:
-
-"Kom uit! Nicolaas en Jacob, kom uit!"
-
-Zwijgend stonden zij aan den oever, en tuurden naar de schepen,
-die vlug naderbij kwamen. Zij konden de mannen op het dek reeds zien.
-
-"Kom uit! Jacob en Nicolaas, kom uit!" klonk het nogmaals achter
-hen. Maar de jongens bleven als standbeelden staan, de oogen scherp
-op de schepen gericht.
-
-"Het is zoo, Jacob," zei Nicolaas zacht, terwijl hij hem den arm op
-den schouder legde, als om hem te troosten, "er is er een minder,
-dan bij de uitvaart. Het Bonte Calff is vergaan, helaas!"
-
-"Jacob Willemsz en Nicolaas Calff!" klonk plotseling de stem van Jan
-Gekeer, die hen eindelijk had gevonden. En vlug als de wind maakte hij
-rechtsomkeer, om het eerst aan den paal te komen. Hij was overwinnaar,
-en thans was de beurt om te zoeken aan een ander.
-
-Tot groote verwondering van de andere jongens bleven Jacob en Nicolaas
-echter onzichtbaar. Jan Gekeer was al lang bij den paal terug, en
-nog kwamen zij niet.
-
-"Ik heb ze toch eerlijk gesnapt!" zei hij. "Komt, ga jelui mede? Dan
-gaan we kijken, waar zij blijven." Even later werd het lange riet op
-zijde geduwd, en kwamen al de jongens op de punt van het schiereiland
-bij elkander.
-
-"Waarom kom je niet?" vroeg Jan Gekeer. "Ik heb je eerlijk geroepen."
-
-Nicolaas antwoordde niet. Hij wees alleen op de naderende schepen. En
-de jongens zagen, dat Jacob Willemsz doodsbleek zag, en dat hij
-schreide.
-
-Zij hadden innig met hem te doen. Zwijgend telden ook zij de schepen,
-en met deernis ontwaarden zij, dat er een minder was dan bij de
-uitvaart.
-
-'t Was duidelijk: het Bonte Calff ontbrak.
-
-Er werd geen woord onder de jongens gesproken. Castor alleen maakte
-wat leven, doordat hij eene rat had gezien, die hij gaarne vangen
-wilde. Het beestje was hem echter te vlug af.
-
-De schepen kwamen al nader. De zeilen stonden bol, en de wind speelde
-lustig met de wimpels.
-
-Opeens zei Ary Kist:
-
-"Luister eens, jongens! 't Is net, of ik op het voorste schip hoor
-zingen."
-
-"Het voorste is de "Groenlander," zei Dirk Rogge. Hij herkende het
-schip, omdat zijn vader het gebouwd had.
-
-"Stil,--laten we luisteren," zei Ary Kist.
-
-De jongens stonden onbeweeglijk. Inderdaad, er werd op de "Groenland"
-een matrozendeuntje gezongen. Zij herkenden aan de wijs het lied,
-hoewel zij de woorden niet konden verstaan.
-
-'t Luidde:
-
-
- Matroosje, die de Zee bemint,
- En kleine schatten overwint,
- Die vaart naar 't Oosten en naar 't West,
- En houd de warmte voor het best,
- Daar moet men waters drinken,
- Die wel stinken.
- Zijt gij het warme land nu moe,
- Zoo peurt eens meê naar Groenland toe,
- Daar zult gij over vuilen stank,
- Van 't stinkend water tot uw drank,
- Noch over heete dagen
- Niet veel klagen enz.
-
-
-"Dat is gemeen, om te zingen, nu er zooveel menschen niet terugkeeren,"
-zei Ary Kist met verontwaardiging.
-
-"Dat is het ook," beaamde Arent Bloem, en de andere jongens waren
-dat ook met Ary eens. Zij hadden thans dubbel met Jacob te doen,
-wien dat zingen wel allerakeligst in de ooren moest klinken.
-
-Deze sprak geen woord. Hij staarde maar onophoudelijk naar het voorste
-schip, gereed om dadelijk inlichtingen te vragen, zoodra het dicht
-genoeg genaderd zou zijn.
-
-"Jongens, 't kan wel een goed teeken zijn," sprak Nicolaas Calff. "Ik
-kan niet gelooven, dat zij zingen zouden, als daartoe geen reden
-bestond."
-
-"'t Is mogelijk," zei Ary Kist. "Maar ik geloof er niet veel van. Hoor
-eens aan, 't schijnt wel een algemeen gezang. De heele bemanning zingt,
-geloof ik, meê."
-
-Jacob stond te trappelen van ongeduld. Hij voelde niet eens, dat het
-water hem af en toe over de voeten stroomde. Ha, eindelijk was het
-voorste schip dicht genoeg genaderd, om het te kunnen beschreeuwen.
-
-Hij hield zijn handen bij wijze van trompet om den mond, en riep uit
-alle macht:
-
-"Hallo! Hallo!"
-
-De mannen op het dek merkten de jongens op, en wuifden hun toe. Maar
-zij gingen voort met zingen, en hoorden niet, wat Jacob hun toeriep.
-
-Het schip voer voorbij, en het tweede naderde. Maar ook daar klonk
-een lustig lied. De mannen gaven uiting aan hun vreugde, nu zij de
-groote reis achter zich hadden en het geliefde Saardam voor zich
-zagen oprijzen.
-
-Opeens greep Nicolaas driftig zijn vriend Jacob bij den schouder en
-schudde hem krachtig heen en weer.
-
-"Jacob! kijk eens,--kijk eens. Bedrieg ik mij, of--is dat--o hemel,
-ik durf het haast niet zeggen,--kijk, daar in het vierde schip.--Wie
-klimt daar in den mast, en wuift ons toe met zijne muts? Ja--Ja,
-hemel, Jacob, zie je 't dan niet--dat is toch Jan,--dat is toch
-Jan,--dat is toch Jan!"
-
-En Nicolaas beefde van vreugde, terwijl hij die woorden gejaagd
-uitsprak.
-
-Alle jongens vestigden hun blik op het vierde schip. Daar klom
-inderdaad een jongen halverwege den mast in, en wuifde hun vandaar
-toe met zijne muts.
-
-"'t Is hem!--'t Is hem!" riep Teeuwis Rogge.
-
-"'t Is hem vast en zeker!" schreeuwde Ary Kist. "Jacob, zie je 't? 't
-Is Jan, zoowaar als ik leef!"
-
-Hij nam zijne muts van het hoofd en zwaaide er lustig
-mede. "Hoezee! Hoezee! Hoezee!" riep hij Jan toe. En alle jongens
-volgden zijn voorbeeld.
-
-"Hoezee! Hoezee! Hoezee!"
-
-Alleen Jacob wuifde niet. Hij lachte en schreide tegelijk en strekte
-de beide armen naar Jan uit. O, hij wist het nu zeker: 't was Jan,
-zijn broer. Zonder nadenken stapte hij een paar schreden voorwaarts,
-alsof hij hem in de armen wilde drukken,--en nog voelde hij in de
-vreugde zijns harten niet, dat hij druipnatte voeten kreeg.
-
-"Jan!--Jan!" riep hij dankbaar en verheugd uit.
-
-"Hoezee! Hoezee! Hoezee!" klonk het achter hem. En zijne makkers
-trokken hem bij den arm terug, en zeiden lachend:
-
-"Wou je naar hem toe zwemmen, Jacob? Kom mede, laten we naar Saardam
-terugkeeren, en het je Moeder vertellen."
-
-"Ja, ja, en de andere menschen, die ook zoo in spanning hebben verkeerd
-over hunne mannen," zei Nicolaas. "Wat zullen zij blijde zijn!"
-
-"Ja, ik ga meê," sprak Jacob. Maar eerst riep hij met inspanning van
-al zijn krachten:
-
-"Dag Jan! Dag Jan!"
-
-En hij wuifde hem toe met de hand.
-
-Een huivering van geluk doorvoer hem, toen hij duidelijk de woorden
-hoorde:
-
-"Dag Jacob! Tot straks!"
-
-Nog eenmaal zwaaide hij met zijne muts, en toen ijlde hij met zijne
-makkers naar Saardam terug. De jongens konden hem bijna niet bijhouden,
-maar Castor sprong vroolijk blaffend voor hen uit.
-
-Zij kwamen vele menschen tegen, want in Saardam was de komst van de
-walvischvaarders reeds opgemerkt, en men liep de schepen tegemoet, om
-te hooren, hoe het met de bemanning van het Bonte Calff was afgeloopen.
-
-"De schepen komen!" riepen de jongens hun toe. "En de bemanning van
-het Bonte Calff is gered!"
-
-Die blijde boodschap verkondigden zij wel honderdmaal, en tegen
-iedereen, die haar hooren wilde. En van mond tot mond ging de tijding:
-
-"De bemanning van het Bonte Calff is gered." Groote vreugde heerschte
-in menig huis, waar enkele oogenblikken geleden nog heete tranen
-werden geschreid. Ja, heel Saardam verkeerde in feeststemming.
-
-Jacob had spoedig den Lagen Horn bereikt. Hij wierp de deur van zijn
-huis open en stormde naar binnen.
-
-"Moeder, Moeder!" riep hij hijgend, want hij was bijna geheel buiten
-adem van het harde loopen. "Moeder, de vloot keert terug!"
-
-Maar opeens bedacht hij, dat hij voorzichtig moest wezen. De groote
-vreugde kon zijne moeder wel eens gevaarlijk worden.
-
-Zij keek hem ontroerd in het roode gelaat, en zag, hoe zijne oogen
-glinsterden van vreugde.
-
-"De vloot keert terug," mompelde zij zacht. Hare handen beefden en
-hare lippen trilden.
-
-"Ja, Moeder,--en o, ik ben zoo blij!" zei Jacob, die in de vreugde
-zijns harten zijne Moeder omhelsde en haar innig kuste. Zacht
-fluisterde hij haar toe:
-
-"O, Moedertje, wat een geluk. De bemanning van het Bonte Calff
-is gered!"
-
-"Gered?" stamelde de weduwe. Zij vouwde de handen samen, en keek haar
-zoon ongeloovig aan. "Gered? Jacob,--weet je dat zeker?"
-
-"Ja, Moeder, ik weet het zeker. Ik heb Jan gezien, Moeder, hij heeft
-mij gegroet. O, wat heb ik hard geloopen, om het u spoedig te komen
-zeggen..."
-
-Zijne Moeder was buiten zichzelve van vreugde, en zij moest op een
-stoel plaats nemen, om niet te vallen. Ook zij lachte en weende
-tegelijk, en zij dankte den Heer des Hemels voor de redding van
-haar kind.
-
-Jacob nam intusschen dol van blijdschap zijn zusje bij de twee handjes,
-en sprong met haar de kamer rond.
-
-"Zus,--straks komt broer Jan! Straks komt broer Jan!" riep hij haar
-telkens toe.
-
-En zus vond dat dansen en springen wat aardig, nog veel aardiger dan
-het bericht, dat Jan spoedig thuis zou komen. Het kleine ding was
-haar broer Jan al bijna vergeten.
-
-Opeens stond de weduwe op. Zij nam kleine zus in de armen en sprak:
-
-"Kom zus, wij gaan broer Jan halen. Kom, ik moet hem zien, ik moet
-hem zien. Hier houd ik het niet uit."
-
-Moeder, zoon en dochter verlieten het huisje, en begaven zich naar den
-Zuiddijk, waar de walvischvaarders spoedig zouden aankomen. Wat stond
-het daar al vol menschen, allen in druk gesprek over de heugelijke
-tijding, dat de bemanning van het Bonte Calff gered en behouden
-binnengekomen was. Vreugde stond op ieders gelaat te lezen.
-
-Toen de weduwe Willemsz met haar beide kinderen naderde, weken de
-menschen voor haar op zijde, om haar door te laten, en iedereen had
-een vriendelijk woord en een gelukwensch voor haar over. Hoe verheugde
-men zich ook over het geluk van deze arme vrouw.
-
-Daar kwamen de schepen aan. De zeilen werden gestreken. De bemanning
-werd door honderden armen het welkom toegewuifd.
-
-Mannen en vrouwen verdrongen elkander, om het dichtst bij den wal
-te komen.
-
-De booten werden uitgezet, en de walvischvaarders stapten weldra
-aan land.
-
-Ook Jan betrad weer den vaderlandschen grond, en hij wierp zich in de
-uitgebreide armen zijner moeder. 't Was eene omhelzing, waaraan bijna
-geen einde kwam. Telkens en telkens weer kuste zij den doodgewaanden
-zoon, telkens en telkens weer drukte zij hem vurig aan haar hart. Toen
-kwam Jacob aan de beurt, en kleine zus, en even later ontmoetten zij
-de jongens, die met Jacob op het Hemveld waren geweest.
-
-Wat werden er handen gedrukt! Wat klonk er een luid en hartelijk
-gemeend: "Hoezee, Hoezee!" ter eere van Jan. In optocht brachten zij
-hem naar het welbekende huisje op den Lagen Horn.
-
-'s Avonds kwamen daar nog Sinjeur en Juffrouw Calff om Jan te begroeten
-en de weduwe geluk te wenschen met de behouden terugkomst van haar
-kind. En Castor, die met zijn meester medegekomen was, herkende Jan,
-en likte hem kwispelstaartend de handen.
-
-Wat had Jan dien avond veel te vertellen! En hoe luisterden allen
-naar zijn verhaal van het vergaan van het Bonte Calff.
-
-"Wij hadden juist een buitengewoon grooten walvisch geflenst," zoo
-vertelde hij, "toen er een zeer harde wind uit het Oosten opstak,
-die het schip geheel met ijs bezette, en toen de schotsen braken door
-de holle zee, kregen wij het kwaad te verantwoorden. De ijsschotsen
-schuurden langs het schip met een verbazend geweld, en soms werd het
-dek er haast onder begraven. Dat gebeurde telkens als er een stortzee
-kwam. De Commandeur gelastte om de voorzeilen los te maken, met het
-doel om dieper in het ijs te zeilen, waar de zee altoos kalmer is. Maar
-door het kruien van het ijs was het roer uit zijne vingerlingen
-gerukt en hing dwars boven het water. 't Was dus onbruikbaar, en de
-Commandeur trachtte thans het schip in den rechten koers te houden
-door met de schooten en brassen te sturen. Het schip werd met den
-ondergang bedreigd, want het ging juist den verkeerden kant op, met
-den kop naar de open zee. De ijsschotsen, de groote wel te verstaan,
-werden zoo heftig op en neer bewogen, dat zij soms tot aan de rusten
-van het schip reikten. Toen maakte de schrik zich van een deel der
-bemanning meester en zij sprongen over boord, op de schotsen, met het
-doel een groote schots te zoeken, waarop zij eenigen tijd drijvende
-konden blijven. Wel een vijf en twintig man verliet ons..."
-
-"En jij?" vroeg Sinjeur Calff, "was jij ook onder die vluchtelingen?"
-
-"Neen Sinjeur," sprak Jan, "ik bleef bij den Commandeur, die alles
-deed, om het schip te redden."
-
-"Die lafaards!" zei Jacob verontwaardigd. "'t Was hun plicht, den
-Commandeur getrouw te blijven."
-
-"Juist, dat was het zeker," sprak Sinjeur Calff. "En Jan heeft goed
-gehandeld. Vertel verder, Jan."
-
-"Wij zagen de mannen kruipen van de eene schots op de andere, die
-heftig op de golven werden bewogen. 't Is een wonder, dat geen van
-hen er afgegleden en verdronken is. Vier- en twintig uur hebben zij
-eindelijk op een groot ijsveld doorgebracht, niet wetende, waarheen
-het lot hen voeren zou.
-
-Intusschen zetten wij het marszeil op, hopende door krachtig zeilen
-de schotsen te doen wijken. Maar op eene voorbijdrijvende schots brak
-de loefmarsschoot aan stukken, waarop het schip tegen de buitenste
-schots aandraaide zoodanig, dat de geheele zijde inweek. Het Bonte
-Calff dreef zeewaarts, geheel overzijde hangende, en de Commandeur
-begreep, dat het spoedig zou omslaan, en op de ijsbergen te pletter
-loopen. Hij gebood ons daarom in de sloepen te stappen, die gereed
-hingen om dadelijk over boord gezet te worden.
-
-Dat bevel werd uitgevoerd. Wij verlieten het schoone vaartuig met een
-gevoel, of wij onzen besten vriend hadden verloren, en we hebben het
-niet weer terug gezien. Later zagen we er het wrakhout van drijven.
-
-Toen wij in de sloepen hadden plaats genomen, kwam er eene geduchte
-sneeuwjacht, zoodat we geen handbreed voor ons konden uitzien. Elk
-oogenblik liepen we gevaar om te slaan, en we zagen niets anders dan
-den dood voor oogen.
-
-Gelukkig,--eindelijk bedaarde de sneeuwstorm, de lucht klaarde op,
-en wonder boven wonder, dicht bij ons dreven op eene groote ijsschots
-de mannen, die van ons weggevlucht waren. Wij voegden ons bij hen en
-trokken de sloepen op de schots. Nog anderhalf etmaal dreven wij toen
-op Gods genade voort, uitziende naar redding.
-
-Eindelijk waagde de Commandeur het niet langer. Hij gebood de sloepen
-weer in zee te brengen, en stapte aan boord.
-
-"Mannen!" sprak hij ernstig, "die mij en zijn leven lief heeft
-volge mij!"
-
-Allen gehoorzaamden, en wij staken af met een beklemd hart. Maar na
-twaalf uur omzwervens ontdekten wij een schip. 't Was de "Vrede,"
-onder Commandeur Parshout, waar we met de grootste vriendelijkheid
-werden opgenomen. Maar ik durf zeggen, dat we bange uren en dagen
-hadden doorleefd."
-
-"Goddank, dat alles nog zoo goed afgeloopen is!" zei Juffrouw Calff,
-terwijl zij de weduwe Willemsz de hand drukte. "Er is geen enkel
-menschenleven bij verloren gegaan. Wij hebben zeer groote reden tot
-dankbaarheid."
-
-"En wat is nu je plan voor de toekomst, Jan?" vroeg Sinjeur Calff. "Zit
-de schrik er in voor eene volgende reis?"
-
-"Allerminst, Sinjeur," was het antwoord, "ik wensch niets liever dan
-mij bij een volgende vaart opnieuw te laten aanmonsteren. Dat deze
-reis ongelukkig geweest is, behoeft nog geen reden te zijn, om een
-goed vak vaarwel te zeggen. Ik ga weer meê, Sinjeur."
-
-"Goed gesproken, Jan," zei de koopman, "doch niet meer als
-kajuitsjongen, maar als stuurmansleerling. De Commandeur heeft mij
-gezegd, dat je den stuurman nu reeds van veel dienst zijt geweest,
-en dat je je een ijverig leerling hebt betoond. Over een jaar of
-drie hoop ik je stuurman Jan Willemsz te noemen, en binnen een niet
-te groot tijdsverloop Commandeur. Hier heb je mijn hand er op!"
-
-Jan drukte die met groote dankbaarheid. Hij was er van overtuigd,
-dat een gulden toekomst hem wachtte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-BESLUIT.
-
-
-Sinjeur Calff heeft in alle opzichten woord gehouden. Toen Jan drie en
-twintig jaar oud was, betrad hij voor de eerste maal het dek van een
-nieuw schip als Commandeur, en hij heeft altoos gelukkig gevaren. Zijne
-verdiensten waren toen zoo groot, dat hij zich een flink huis kon
-doen bouwen aan de Westzijde, waar hij met zijne moeder en zuster
-zijn intrek nam. Toch kon hij van het hem lief geworden huisje op
-den Lagen Horn niet geheel afstand doen. Hij kocht het voor eene
-kleine som van den eigenaar, en heeft het tot aan zijn dood in eere
-gehouden. Voor zijn goede moeder waren de bange dagen voorbij. Jan
-heeft haar leven lang voor haar gezorgd, en haar met de bewijzen
-zijner teederste liefde omringd.
-
-Daarbij stond zijn broeder Jacob hem naarstig ter zijde. Nadat deze
-geruimen tijd op het kantoor van Sinjeur Calff had gewerkt, maakte
-hij eenige reizen over de groote zee mede, en werd eindelijk kapitein
-op een koopvaarder. Hij dreef handel in alle zeeën, en kwam later nog
-dikwijls in Rusland, waar hij de eer had, den Czaar meermalen te zien
-en te spreken.
-
-De Czaar bleef den geheelen winter te Amsterdam arbeiden op de
-Admiraliteitswerf, waar de toegang voor het publiek verboden was. De
-regeering der stad bewees hem veel eer en richtte zelfs groote feesten
-aan. Onder anderen werd te zijner eer een groot spiegelgevecht gehouden
-op het IJ.
-
-Toen hij vernam, dat de Walvischvaarders uit de Noordelijke IJszee
-waren teruggekeerd, spoedde hij zich dadelijk naar Saardam, om de
-schepen te gaan bezichtigen. De Commandeurs lieten alles gereed maken,
-om den Czaar te laten zien, hoe het bij de Walvischvangst toeging. Op
-een gegeven oogenblik hield men zich of er een visch te zien was,
-en de Commandeurs bevalen: "Val! Val!"
-
-Op deze woorden sprongen de matrozen in de sloepen, de harpoeniers
-plaatsten zich op de plecht met den harpoen in de hand, en met forsche
-slagen verwijderde men zich van boord.
-
-Dit alles ging zoo snel en geregeld in zijn werk, en elk man wist
-zoo precies de plaats, waar hij wezen moest, dat de Czaar er luide
-zijne bewondering over te kennen gaf.
-
-Toen hij vernam, dat het Bonte Calff inderdaad vergaan, maar de
-bemanning gered was, begaf hij zich naar Jan Willemsz en drukte hem
-de hand.
-
-"Ik jou broer ook wel ken," zei de Czaar lachend. "Jij niet
-verdronken!"
-
-"Gelukkig niet, Majesteit," zei Jan flink, terwijl hij den Czaar open
-en zonder verlegenheid aankeek.
-
-"Jij een flinke knaap bent," sprak de Czaar. "En ik heet niet
-majesteit, maar Pieterbaas."
-
-De Czaar verwijderde zich en keerde weldra met zijn boeier naar
-Amsterdam terug. Doch nog heel dikwijls bezocht hij zijne vrienden
-te Saardam, bij wie hij zeer gaarne vertoefde. Vooral bij Sinjeur
-Calff kwam hij graag.
-
-Toen het galjoot, waaraan de Czaar te Amsterdam arbeidde, klaar was,
-werd dit met groote plechtigheid door het Stadsbestuur aan den Czaar
-ten geschenke aangeboden, waarmede de Vorst bijzonder vereerd was. Hij
-benoemde zijn boeierknecht Musch tot kapitein en liet het naar Rusland
-voeren, waar hij het levenslang in groote eere gehouden heeft. Zelfs
-nog lang na zijn dood werd het daar bewaard.
-
-Eindelijk verliet de Czaar ons land en begaf zich naar Engeland. Dat
-gebeurde op 18 Januari 1698. Maar op den 21en Mei van dat jaar kwam hij
-te Saardam terug, thans om afscheid te nemen van zijne vrienden. Hij
-bracht den avond feestelijk door ten huize van Sinjeur Calff, en gaf
-zijne groote tevredenheid te kennen over alles, wat hij daar gezien
-en geleerd had.
-
-Eindelijk keerde hij naar zijn land terug, en hij legde daar den
-grondslag voor de latere macht van het groote Russische rijk. Hij
-was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht,
-waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de beschaving der
-andere Europeesche volkeren deelachtig te doen worden. Wel stuitte
-hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet,
-maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde
-hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte eene oorlogsvloot, verbeterde
-de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den
-adel en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den
-bouw van eene nieuwe stad, eene stad, die aan zee gelegen, voorbestemd
-was om de hoofdstad van zijn rijk te worden. 't Was Sint-Petersburg.
-
-Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat
-deze nieuwe plaats aandeed. Hij voer het schip tegemoet en vroeg,
-of er een loods noodig was. Toen hierop toestemmend geantwoord werd,
-klom hijzelf aan boord en loodste het schip behouden binnen. Wie
-beschrijft de verbazing der mannen, toen zij 's avonds bij den Czaar op
-een feest genoodigd, bemerkten dat de loods en de Czaar dezelfde waren.
-
-Hij gaf de bemanning groote geschenken: de kapitein kreeg 500 dukaten,
-ieder bootsgezel 300 daalders. Bovendien werd den kapitein nog bij
-elk volgend bezoek 100 roebels beloofd. Het schip zelf kreeg den
-naam St.-Petersburg, en er werden verschillende voorrechten aan
-toegekend. Men heeft er dientengevolge meer dan vijftig jaar mede
-gevaren. Nicolaas Calff heeft er verscheidene reizen mede gemaakt,
-en werd telkens door den Czaar als een vriend ontvangen. Zelfs Castor
-ging soms mede.
-
-Eenige jaren later, op den vijfden Maart 1717, heerschte er wederom
-eene groote drukte te Saardam.
-
-Geen wonder waarlijk. De Russische Czaar bezocht toen voor de tweede
-maal de hem zoo lief geworden plaats; thans niet meer als de Keizer
-van een ruw volk, dat geen plaats verdiende in de rij der Europeesche
-staten, maar als de Czaar van een machtig rijk, dat met reuzenschreden
-op den weg der beschaving was vooruitgegaan en zich onder de machtigste
-rijken van Europa eene plaats veroverd had.
-
-Czaar Peter had zijn verlangen te kennen gegeven, op zijn
-koopmans ontvangen te worden. Hij wenschte ook nu geen Majesteit te
-heeten. Zijne gemalin vergezelde hem op dezen tocht. Ook zij moest het
-land zien, dat hij als de wieg zijner grootheid erkende. Hij begaf
-zich dadelijk naar het huis van Sinjeur Calff, waar hij gewoon als
-Pieterbaas begroet werd, en hij gaf zijn verlangen te kennen, ook nu
-weder verschillende molens en fabrieken te bezichtigen. Dat er zooveel
-volks te zamen gestroomd was, om hem te zien, scheen hem dezen keer
-in het geheel niet te hinderen. Ja, hij draaide zich zelfs lachend om
-en om, ten einde gelegenheid te geven, hem aan alle zijden te bekijken.
-
-Toen zij van hun tocht weer ten huize van de familie Calff waren
-teruggekeerd, vroeg hij:
-
-"Hoe gaat het met Gerrit Kist?"
-
-"Heel goed, Pieterbaas," was het antwoord van Sinjeur Calff. "Hij
-werkt hier dichtbij in eene smederij."
-
-"Laat hem halen," sprak de Czaar. "Ik wensch hem nog eens te zien."
-
-Er werd dadelijk een bode afgezonden, om Kist het verlangen van den
-Czaar te berichten, maar Kist antwoordde, terwijl hij nijdig met zijn
-voorhamer op het gloeiende ijzer sloeg:
-
-"Ik geef den brui van den Czaar; hij is mij nog huur schuldig."
-
-De Czaar lachte er smakelijk om, toen hij dit vernam, en vergezeld van
-een der Edelen uit zijn gevolg, begaf hij zich naar de smederij. Hij
-drukte Kist de hand, en verzocht hem mede te gaan naar het huisje
-op het Krimp, dat hij nog gaarne eens wilde zien. Kist deed het,
-en de Czaar betrad weldra het eenvoudige gebouwtje, waarin hij als
-timmermansknecht had vertoefd. Hij liep het geheele huisje door,
-en bezag de oude slaapstede, alsmede het kamertje, waar hij gewoon
-was te bidden. Hij nam zelfs een kijkje op den zolder, en vertoefde
-in het gebouw wel een half uur lang, tot groote vreugde van Ary,
-die zijn werk op de scheepstimmerwerf van Lijnstbaas Rogge in den
-steek gelaten had, om den Czaar nog eens te ontmoeten.
-
-Toen de Vorst vertrok, betaalde hij Kist rijkelijk, wat deze van hem
-moest hebben, en gaf hem zelfs een zilveren beker ten geschenke als
-een gedachtenis aan zijn verblijf.
-
-
-
-Hiermede is dit verhaal ten einde.
-
-Dat het huisje van Kist nog te Saardam aanwezig is en jaarlijks door
-duizenden vreemdelingen wordt bezocht, is algemeen bekend. 't Is met
-zware balken gestut, om het voor instorten te behoeden, en men houdt
-het zorgvuldig in denzelfden staat van tweehonderd jaren geleden. Zelfs
-de meubels zijn dezelfde gebleven.
-
-Het behoort thans aan den Czaar van Rusland, die het in hooge eere
-houdt, ongetwijfeld omdat het een onwedersprekelijk getuigenis aflegt
-van de waarheid dezer woorden:
-
-"Niets was den grooten man te klein."
-
-
-
-
-
-
-
-
-NASCHRIFT.
-
-
-Bij de verschijning van dit boek is het mij een aangename plicht,
-mijn hartelijken dank te betuigen aan den Heer G. J. HONIG, den op
-het gebied der Zaanlandsche Historie bekenden Bibliothecaris van
-de Zaanlandsche Oudheidkamer te Zaandijk. Deze toch heeft mij niet
-alleen met de grootste welwillendheid uit zijne boekerij de noodige
-bronnen verschaft, om mij voor het schrijven van dit boek te kunnen
-voorbereiden, maar mij tevens na de lezing van het handschrift
-opmerkzaam gemaakt op een tal van kleinigheden, die toch voor de
-juiste behandeling van mijn onderwerp van het grootste belang waren,
-en waarvan ik een dankbaar gebruik heb gemaakt. Hij heeft mij daardoor
-in de gelegenheid gesteld, werkelijk historische personen ten tooneele
-te voeren en hunne lotgevallen naar waarheid te vermelden. Ook de
-jongens, die in dit verhaal voorkomen, hebben voor het meerendeel
-geleefd, doch hunne lotgevallen berusten op fantasie. Echter niet
-geheel, want ook daarbij heb ik het gebeurlijke niet uit het oog
-verloren. De wonderbare redding b.v. van Nicolaas Calff is geput uit
-Het Boek der Opschriften van Mr. J. van Lennep en J. ter Gouw, zie
-het tweede deel, bldz. 163. Ook wat Jacob Willemsz. den Commandeur
-Jonge Kees navertelt, is historisch, terwijl bij de beschrijving
-van het vergaan van het Bonte Calff het verzinken van het schip de
-Bleeker in 1670 tot exempel heeft gediend.
-
-De volgende werken zijn door mij geraadpleegd:
-
-
- J. Honig Jsz. Jr. Studiën.
- J. Honig Jsz. Geschiedenis der Zaanlanden.
- A. Loosjes. Zaanlandsche dorpen.
- F. Martens. Vojagie naar Groenland en Spitsbergen.
- C. G. Zorgdrager. Bloeyende opkomst der Groenlandsche Visscherij.
- G. J. Honig, Pieter Michaeloff, een tooneelstuk, dat opgevoerd
- is te Zaandam bij gelegenheid van de Czaar-Peter-feesten in 1897.
-
-
-C. JOH. KIEVIET.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Blz.
- In het huisje aan den Lagen Horn. 9
- Een hevig gevecht en een groot ongeluk. 31
- Een vergeefsche tocht en eene wonderbare redding. 56
- Het Bezoek van Sinjeur Calff, en de gevolgen daarvan. 78
- Een vreeselijk gerucht, eene spookhistorie en een
- vreemd bezoek. 97
- Hoe nieuwsgierig de Saardammers waren. 123
- Allerlei geruchten.--Heyn Pomp wordt nog nieuwsgieriger. 144
- In den barbierswinkel, bij den Dam, en ten huize van
- Sinjeur Calff.--Heyn Pomp krijgt den Czaar te zien. 164
- "Te veel Volks." 192
- Op het Hemveld. 205
- Besluit. 229
- Naschrift. 237
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Diezak = dijzak.
-
-[2] Aldus schrijft de Heer Jacob Honig Jzn. Junior, in zijn bekend
-werk: Geschiedenis der Zaanlanden, 2e deel.
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's Jongens van Oudt-Holland, by C. Joh. Kieviet
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JONGENS VAN OUDT-HOLLAND ***
-
-***** This file should be named 55820-8.txt or 55820-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/5/8/2/55820/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-