diff options
Diffstat (limited to 'old/55834-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/55834-8.txt | 9100 |
1 files changed, 0 insertions, 9100 deletions
diff --git a/old/55834-8.txt b/old/55834-8.txt deleted file mode 100644 index 1cb17b4..0000000 --- a/old/55834-8.txt +++ /dev/null @@ -1,9100 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Arbeiders, by Alexander L. Kielland - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Arbeiders - Roman - -Author: Alexander L. Kielland - -Translator: Ida Donker - -Release Date: October 28, 2017 [EBook #55834] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ARBEIDERS *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg from scans made available by the Norwegian -National Library. - - - - - - - - - - ARBEIDERS. - - ROMAN - - VAN - ALEXANDER L. KIELLAND. - - Vertaald uit het Noordsch - DOOR - IDA DONKER. - - - - DEVENTER, - W. HULSCHER G.J.ZN. - - - - - - - - -ARBEIDERS. - - -I. - - -In het zuidwesten en over de baai, aan welke Christiania gelegen is, -was de hemel helder en blauwachtig wit. De zonnestralen glinsterden -in de door den wind zacht bewogen golfjes, waartusschen men echter -strepen waters zag zonder eenige beweging. Uit welke streek het waaide, -viel moeilijk te zeggen. In het oosten hingen iederen namiddag zware -onweerswolken over de stad; tegen den avond trokken zij weer op. - -"Barstte de onweersbui toch maar eens los," dachten de lieden, -maar het was alle dagen, gedurende de geheele maand Augustus, -hetzelfde. De zon braadde, de wind voerde de warme lucht, dan hier, -dan daar, zonder eenige koelte aan te brengen, en de drukkende hitte, -onder welke men al zoolang had gezwoegd, en van welke men hoopte door -eene flinke onweersbui verlost te worden, duurde maar steeds voort. De -breede straten van Christiania werden geblakerd in de zon; in het -zuiden en zuidwesten der stad was het bijna niet uit te houden. De -schaduw scheen het zich wel tot taak te hebben gesteld zich zoo smal -mogelijk te maken, zij sloop als 't ware langs de huizen en maakte -het den voorbijgangers onmogelijk eenig voordeel van haar te trekken. - -In de Karel-Johanstraat was het des morgens het best: men kon het -Storthing-gebouw bereiken, zonder te veel van den fellen zonneschijn -te lijden te hebben, maar over het Eidsvoldsplein en naar het slot -had de zon hare beste krachten verzameld. - -De bladeren der boomen van het jonge plantsoen hadden eene grijsachtig -witte kleur van het stof en hingen slap neer; de populieren stonden -even stijf als altijd en gluurden naar hunne schaduw. En de menschen -gleden, alsof zij vogels waren, van den eenen boom naar den anderen, -terwijl deze zich in het dichtste gebladerte verscholen, of wel zich -bezig hielden een zandbad in de half verschroeide bloemperken te nemen. - -Eenige heeren sleepten zich met moeite voort op de hoogte waarop het -slot gebouwd is. De warmte had hen duchtig beet, dat kon men duidelijk -aan hen zien, en zij zagen er recht ongelukkig uit, zooals zij daar -met opgestoken paraplui, den hoed in de hand en den zakdoek nat van -al de zweetdroppels, die zij er mee afgewischt hadden, hunnen weg -vervolgden. Onder de groote klok van het universiteitsgebouw stonden -eenige jonge studenten (zij hadden pas dien titel verkregen) en zij -zweetten Latijn. Plotseling werd het stof in de Universiteitsstraat -door een licht windje in beweging gebracht, naar alle kanten dwarrelde -het in dikke wolken heen; juist kwam ook de waterkar aan, en de -droppels bleven als grauwe parelen op het dikke warme stof liggen. - -Het deed pijn aan de oogen, naar de zijde van het slot te zien; -het gebouw werd door de zon van alle kanten fel beschenen; voor de -ramen had men dan ook alle gordijnen neergelaten. Karel Johan zat -op zijn bronzen paard voor het slot, hij hield zijnen hoed in de -hand om het wat minder warm te hebben. De rook uit de schoorsteenen -viel, of liever hing, als eene bruine wolklaag over de stad neer, -in het oosten pakten de geelachtige onweerswolken zich weer samen en -zij zagen er uit, als de rook van zwaar geschut. De groote steen en -huizen, zoo gebouwd, dat zij eenen Siberischen winter weerstand kunnen -bieden, waren thans werkelijk aan ovens gelijk. De warme lucht rustte -echter nog zwaarder op de kleine, nauw ingesloten binnenplaatsen, -waar men op zijnen rug moet gaan liggen, zoo men een stukje van den -blauwen hemel wil zien. Door achterdeuren en keukenramen drong zij -de trappen op; hier ontmoette zij de warme zonnestralen, die van -de straatzijde in de woningen door de vele vensters en den geheel -verwarmden voorgevel vielen. Van den zolder tot aan den kelder was er -geen enkel koel plaatsje te vinden, uitgenomen daar, waar de voorraad -ijs zich bevond; de langdurige hitte had de muren zoodanig verwarmd, -dat zelfs de nachten geene verademing aanbrachten. Het was snik heet, -alles wat de eigenschap bezat eene vieze lucht te kunnen verspreiden, -greep die gelegenheid gretig aan; in de geheele stad was geen mond -vol frissche lucht te bekomen. - -"Hoe noordelijker men komt, des te erger wordt de hitte," zeide de -commies Mortensen, en hij deed zijne das af. Hij zat reeds in zijne -hemdsmouwen en zijn vest hing open. - -De jonge klerk Hiorth welke nog geene vaste aanstelling bij het -Departement had bekomen, en die bezig was met het plakken van -kleine papieren zakken, die men voor het een of ander doel in het -Departement noodig had, draaide zich boos om, want Mortensen zag er -dan ook alles behalve smaakvol uit, zooals hij daar van de warmte in -zijne geelachtige hemdsmouwen zat te puffen. Hiorth waagde het echter -niet iets te zeggen, hij was, zooals gezegd is, nog een nieuweling, -en Mortensen voerde hier het hooge woord. - -Alle ramen in het groote gebouw stonden wijd open, evenzoo de deuren -tusschen de verschillende vertrekken en de gangen. De beambten brachten -elkander visites en klaagden over de warmte; eenige stukken hadden zij -echter altijd in de hand, voor het geval, dat zij iemand op hunnen weg -ontmoetten. De nieuwelingen, die nog niet aan het werk gewoon waren, -hadden veel moeite wakker te blijven; als verwelkte zonnebloemen hingen -zij met 't hoofd over de tafel gebogen, soms sprongen zij verschrikt -uit hunne zoete sluimering ontwaakt, op, en dan hadden zij het bijster -druk met hunne papieren in orde te brengen. Papier was er overal. De -klerken waren er geheel van omringd; al de planken tegen de muren -waren propvol. Er was grauw papier, wit papier, geel papier, pakpapier, -postpapier, bordpapier, vloeipapier, gestempeld papier, nieuw papier -en ook heel oud papier met gele kanten. Papier lag in enkele vellen, -in een omslag, of wel in groote pakken gebonden op den vloer, op de -stoelen en tafels; het was werkelijk eene overstrooming van papier, -en de ongelukkigen, die daar hunne bezigheid hadden, moesten, naar -het scheen, zich er op voorbereiden, eenmaal den dood in 't papier -te vinden, zoo zij zich ten minste door zwemmen niet konden redden. - -In het vertrek naast dat van Mortensen zat de commies Örseth. Hij was -klein van gestalte, droeg een' zwarten baard en was zeer levendig. Hij -stoof de kamer, waar Mortensen zich bevond, binnen; een courant hield -hij in de hand. - -"Hebt gij dit artikel gelezen, Mortensen, het gaat nu werkelijk al -te ver.... anders, lees dit stuk eens over het stemrecht van de -werklieden. Dat zoo iets openlijk geschreven, gedrukt, verspreid -wordt.... de schrijvers van zoodanige artikelen verdienden dat zij -opgehangen werden." - -Mortensen wierp vluchtig eenen blik op het blad. - -"Dat las ik van morgen.... onzin!" - -"Onzin! Mortensen, neen veel erger is het.... leugenachtige ophitsende -woorden, die hoogst gevaarlijk voor de rust van de maatschappij -zijn. O, wanneer ik het bedenk," barstte Örseth uit, en een bittere -glimlach speelde om zijnen mond, "hoe men hier de werklieden naar de -oogen ziet, op familiaren voet met hen wenscht te staan, hoe men bij -alle gelegenheden, te pas of te onpas, redevoeringen houdt, waarin men -hunnen lof uitbazuint, juist alsof zij alleen werk in de maatschappij -verrichten, en alsof wij niet anders waren dan.... dan...." - -"Dagdieven," vulde Mortensen aan. - -"Het rechte woord," riep Örseth uit, "en ik zou toch wel eens willen -weten, wie het meest werkt, zulk een stratenmaker bijv. of één -van ons!" - -Op dit oogenblik gleed een klein man, met wit haar, het vertrek -binnen. Nooit wist men goed, van welken kant hij binnenkwam; de deuren -gingen altijd, wanneer zij niet openstonden, zooals nu, onhoorbaar -onder zijne hand open, en op vilten zolen liep hij door het gebouw. - -"Nu, Mo," zeide Mortensen, en hij knipoogde hem vertrouwelijk toe, -"is hij weg?" - -"De minister is een oogenblik geleden met den koopman Falck-Olsen -uitgereden," antwoordde Mo, en hij gleed weer uit het vertrek. - -Zoolang de kleine man in het vertrek was, zaten al de klerken over -hun werk gebogen, en Örseth was ook naar zijn vertrek teruggekeerd. - -Mo was de bode van het Departement. Hij was altijd in bruinen rok -met lange panden en opstaanden kraag gekleed, en eene witte stijve -das reikte hem tot aan de kin. In dit costuum had hij veel van eenen -kwaker, en het bleeke gelaat met den vriendelijken blik boezemde -vertrouwen in. Zijn haar was sneeuwwit, en, wijl het tamelijk lang -in den nek was, viel het in kleine krulletjes over den kraag van -zijnen rok. - -Toen de bode, even onhoorbaar als hij gekomen was, het vertrek -had verlaten, riep Mortensen half luid uit: "Hoor, Örseth, ging de -hoofdcommies nu ook maar weg, dan zou een glas schuimend bier in het -koffiehuis hier naast, best smaken.... hé?" - -"Hé ja!" riep de jonge Hiorth uit, en de schaar viel hem uit de hand. - -Mortensen zag den jongen man koel aan; plotseling kwam hij op andere -gedachten. Hiorth was de zoon van een voornaam ambtenaar in het -westelijke gedeelte van Noorwegen, hij had zeer goede relatiën en was -waarschijnlijk goed bij kas. Hij antwoordde daarom vrij vriendelijk: -"Jonge vriend, je groeit schielijk!" Hiorth begreep in het minste -niet, wat met deze woorden werd gemeend, maar daar hij had bemerkt, -dat het tot de bon ton in het Departement behoorde, Mortensen -geestig te vinden, lachte hij natuurlijk, en zeide in allen eenvoud: -"Wat ik het meest mis, sedert ik aan het Departement werkzaam ben, -is mijn ontbijt in het Grand-Hôtel; men heeft er nu zulke heerlijke -lamscoteletten, nergens maakt men ze beter klaar, en dan versche -komkommersalade...." In het vertrek waar Örseth werkte, werd eenig -gebrom gehoord. - -"Nooit eet ik in den voormiddag komkommersalade," antwoordde Mortensen, -"daar behoudt men den smaak te lang van in den mond, maar eene -beefsteak à la Hollandaise met aardappelen, een borrel en een glas -bier, dat is een ontbijt naar mijnen smaak." - -"Dat is ook altijd heel goed in het Grand-Hôtel." - -"Ik voor mij, vind, dat men daar in 't geheel niet goed eet," zei -Mortensen op onverschilligen toon. - -"Ik kan er voor instaan, dat het u daar bevallen zal, en wanneer gij -mij de eer wilt aandoen, er met mij heen te gaan....." - -Opnieuw werd het gebrom in het andere vertrek gehoord. - -"Dank voor je aanbod, maar Örseth en ik waren eigenlijk van plan....." - -"Zoo gij meent," zeide Hiorth op wat angstvalligen toon "dat meneer -Örseth mij ook de eer zou willen aandoen van....." - -"Ja, dat is niet heel gemakkelijk te zeggen," antwoordde Mortensen, "op -dit punt is hij nog al teergevoelig, maar ik wil hem wel eens polsen," -en hij ging naar het andere vertrek. Hier zat ook in eenen hoek over -eenen lessenaar heengebogen een man met oudachtig uiterlijk. Nadat -Örseth een oogenblik met Mortensen op fluisterenden toon had gesproken, -riep hij: "Hansen, ik moet van morgen even uit. Zoo Mo vraagt, waar -ik ben, kunt gij zeggen dat ik naar het registratie-kantoor ben, -om er eene conferentie te houden.... hebt gij het begrepen, Hansen?" - -Deze boog even toestemmend met het hoofd. - -"Wat is hij dof geworden," zeide Mortensen half luid, "het was hoog -tijd, dat hij de redactie van de courant neerlegde." - -Mortensen bedoelde: "de Vriend des Volks," welke de oude Hansen -vroeger had geredigeerd, maar hij was gedwongen zijn ontslag aan -te vragen, wijl de courant in den laatsten tijd eene richting was -toegedaan, welke zij, die over hem gesteld waren, gevaarlijk voor de -maatschappij vonden. - -Nu was Mortensen redacteur. - -Örseth begon zich al gereed te maken, heen te gaan, waarop Mortensen -aanmerkte, dat het niet gaan zou, zoolang de chef van het bureau nog -niet zijne dagelijksche wandeling had gedaan. Juist toen Mortensen die -woorden zeide, hoorden zij de deur van de kamer, in welke deze zat, -openen, en zagen zij hem de trappen afkomen. - -Mortensen ging naar zijne plaats terug en zeide tot Hiorth op -fluisterenden toon: "ik heb hem overgehaald meê te gaan," en onder -het neuriën van een volksliedje begon ook hij zijn toilet wat in orde -te brengen. - -Niet velen zouden het gewaagd hebben in de bureau's van het Departement -zich zoo vrij te gedragen als Mortensen gewoon was. Eerstens was het -eene bekende zaak, dat hij Anders, den "Almachtige," zooals Mo in de -wandeling genoemd werd, tot vriend had, ten andere werd er gemompeld, -dat de minister Bennecken, wanneer hij zijn gevoelen aangaande het -een of ander kenbaar wilde maken, zich soms van "de Vriend des Volks" -bediende. - -Dit was de reden, waarom de commies Mortensen in het Departement voor -wat meer aangezien werd dan zijne collega's. Zoo langzamerhand begon -het in het vergeetboek te geraken, dat zijn verleden niet onberispelijk -was geweest. Veel was er indertijd gepraat over een bedrog in eene -fabriek voor lucifers op groote schaal gepleegd, en Mortensen, die toen -zaakwaarnemer in de kleine stad was, had zich zeer gecompromitteerd. - -Eindelijk was Mortensen er in geslaagd, zijn jas over zijn gele hemd -dicht te knoopen en de heeren stonden reeds met den hoed in de hand, -gereed om weg te gaan. Bij de deur gekomen, keerde Mortensen zich om, -en riep uit: "Bij alle goden, hij heeft geene stukken meegenomen, -de jonge snaak is van plan zonder stukken de straat op te gaan." - -Hiorth lachte; hij wist, dat zoodra Mortensen iets geestigs zeide, -dit van de hoorders verwacht werd. - -"Hebt gij dan geen oogen," zeide Örseth, en nu eerst bemerkte Hiorth -dat de anderen eenige papieren onder den arm hadden. - -"Maar.... maar.... welke stukken kan ik meênemen," vroeg hij op -radeloozen toon, en hij zag naar den hoop papieren, die voor hem lagen. - -"Nu nog mooier," riep Mortensen uit, en meewarig sloeg hij zijnen -blik naar het plafond, "hij vraagt welke stukken hij zal meênemen; -alsof het er wat op aankomt, met welk papier men op straat gaat." - -Eindelijk ging er een licht voor den nieuweling in het vak op, hij -maakte dus een pak klaar, dat aan dat der anderen gelijk was, en zoo -waren zij ten laatste gereed de trap af te gaan. Toen zij echter bij -de straatdeur waren gekomen, werden zij door eenen langen, mageren man, -in een werkpak gekleed, opgehouden. - -"Meneer de Redacteur," zeide hij tot Mortensen, en hij wischte zich -het zweet met zijn schootsvel van het gelaat, "waar kunnen wij een -portret van generaal Roberts in de stad krijgen?" Zonder een oogenblik -te aarzelen antwoordde de Redacteur: "neem dat van Gladstone en geef -hem eenen vollen baard." - -"Maar Gladstone is zoo kaal," merkte de graveur aan. - -"Zet hem een Stanley-hoed op," antwoordde Mortensen kalm. De man -groette en ging verder, en Hiorth zag Mortensen met de grootste -bewondering aan. "Ferm bedacht, meneer de Redacteur," zeide hij, -en hij waagde het zelfs, Mortensen vertrouwelijk op den schouder te -kloppen,--de gedachte dat hij de anderen vrij zou houden, gaf hem moed. - -"Maar weet gij precies, hoe generaal Roberts er uit ziet?" - -"In het geheel niet," antwoordde Mortensen. - -"Maar gesteld, dat de generaal in 't geheel geenen baard heeft, -of alleen eenen knevel, zooals ik bijvoorbeeld?" - -"Dan heeft de generaal zich den baard laten afscheren, sedert hij -het laatst voor zijn portret heeft gezeten, dat is klaar als de dag." - -"Nu," zeide Örseth, "moeten wij ieder afzonderlijk gaan; steek naar -de andere zijde der straat over, Mortensen." - -Een vloek ontsnapte aan Mortensen, de anderen draaiden zich om, en -hij, dien zij het minst van allen wilden ontmoeten, kwam recht op hen -aan. Het was de hoofdcommies, de heer Delphin, deftig en elegant als -altijd, een boosaardige glimlach speelde, zooals veelal het geval was, -ook nu om zijne lippen. - -"Daar zullen wij van lusten, dat onweer kunnen wij niet meer ontkomen," -zeide Örseth bij zich zelf. Hiorth beefde van schrik. De drie heeren -groetten George Delphin vrij verward, deze groette even terug, en het -had er veel van, alsof hij hen zonder iets te zeggen, voorbij wilde -gaan; onverwachts echter bleef hij voor Mortensen staan en vroeg hem -buitengewoon beleefd: "Meneer Mortensen, u heeft zeker wel een paar -lucifers over?" - -Mortensen kromp ineen van schrik, terwijl hij naar de verlangde -lucifers zocht; de hoofdcommies stak zeer langzaam en voorzichtig -zijne sigaar aan, bedankte voor de moeite, en ging verder. - -"Nu, daar zijn wij al heel genadig afgekomen," zeide Hiorth in zijne -onschuld. - -"O, dat wil ik juist niet beweren," antwoordde Örseth, en zijdelings -wierp hij eenen boosaardigen blik op Mortensen. - -"Vervloekte rekel!" fluisterde de Redacteur bij zich zelf. - -"Verleden Zondag hoorde ik bij de familie Falck-Olsen vertellen, -dat meneer Delphin veel kans had, spoedig tot kamerheer te worden -benoemd," zeide Hiorth, altijd recht in zijnen schik, als hij zijne -kennis aan voorname familiën kon luchten. De heeren hadden tijd noch -lust, iets op deze woorden te antwoorden; zooals Örseth geraden had, -ging ieder nu langs eenen anderen weg naar het Grand-Hôtel, waar men -elkaar zou ontmoeten. - -De zon scheen nog even fel. Aan de zijde der straat, waar eenigszins -schaduw te vinden was, liep zooveel volk, dat het onmogelijk was, -spoedig vooruit te komen; de drie heeren vonden het dus maar beter, -de hitte te trotseeren en zich in de zon te laten braden. Vluchtig -groetten zij in het voorbijgaan hunne bekenden, doch bleven geen -oogenblik staan om een praatje te houden, ieder zag dan toch ook, -dat zij veel te doen hadden, de groote pakken papier waren van dienst. - -In het Departementsgebouw steeg de hitte meer en meer. De oude Hansen -zat eenzaam in die groote vertrekken, en zijn hoofd boog zich ook al -meer en meer over den hoop papieren die voor hem lag. - - - - - - - - -II. - - -Er was zitting van het Thing (gerecht) in het huis van den Lensmand -[1]. Langs beide zijden van den straatweg zag men uitgespannen wagens -van allerlei vorm, meest boerenkarren; voor de deur van het huis, -waar de zitting was, stond de calèche waarmede de heeren van het -gerecht uit de stad waren gekomen. - -De dorpsjeugd kon zich aan het mooie rijtuig niet moede kijken; -met open mond gaapten de kleine jongens het aan. De een achter den -ander, de kleinste echter voorop, en allen hielden zij de handen -in de broekzakken. De volwassenen stonden hier en daar op den weg -verspreid, de meesten hielden zich echter in de buurt van het huis -van den Lensmand, zij bekeken het mooie rijtuig ook van alle kanten, -doch zij gaapten er een weinig minder naar dan de jongens; dit echter -hadden zij met dezen gemeen, dat hunne handen ook in de broekzakken -waren verdwenen. Vrouwen zag men in het geheel niet op den weg. - -Eenigen der boeren stonden in groepjes met elkaar te praten, anderen -gingen twee aan twee op de plaats achter het huis heen en weer, om meer -ongestoord te kunnen spreken, weder anderen zag men in onverschillige -houding tegen het hek leunen en naar de zee turen. Soms kon men echter -een gelaat ontdekken, waarop angst en spanning duidelijk te lezen -stonden; het was bij die lieden, die een' langen weg hadden afgelegd, -om te hooren, hoe het met hunne zaak stond. - -Een kleine man, met zeer roode randen om zijne oogen stond op tamelijk -grooten afstand van de anderen. Den geheelen nacht had hij flink -moeten doorrijden, om vroeg genoeg voor de zitting te komen. Aan eenen -paardenopkooper had hij een Isabella-paard verkocht, maar toen het op -betalen aankwam, had deze hem leelijk gefopt. Ongeveer een jaar geleden -had hij zijne zaak den advokaat Bogesen in handen gegeven, en menigen -blanken rijksdaalder had hij reeds moeten betalen om de onkosten, -die de advokaat natuurlijk maken moest, goed te maken, maar kooper -en paard reden intusschen de wereld rond, de hemel mocht weten waar. - -Vandaag, zoo had de advokaat hem ten minste beloofd, zou er een eind -aan de zaak gemaakt worden, en in zijne verbeelding hoorde hij reeds, -hoe het gerecht den paardenopkooper tot eene zware geldboete of eenige -andere straf zou veroordeelen, terwijl aan hem zijn geld zou worden -terugbetaald en, wie weet? ook de merrie hem weer zou toebehooren. - -Zoo het hem maar mocht gelukken den advokaat Bogesen te ontdekken! Den -geheelen morgen had hij vóór het huis van den Lensmand op wacht -gestaan, maar zijn advokaat kon hij maar niet in het oog krijgen. - -De menschen stroomden het huis in en uit, eenigen hadden aan den -ontvanger hunne belasting te betalen, anderen wilden den ambtman [2] -spreken, of wel het een of ander aan de klerken vragen. Het liep al -naar twaalf uur, en de boeren begonnen hongerig te worden; de van -huis meegebrachte teerkost werd voor den dag gehaald, en een zoo goed -mogelijk plaatsje werd opgezocht, dat echter niet zoo gemakkelijk was -te vinden. Sommigen zaten in eene rij langs de sloot aan den landweg, -terwijl eenigen met het gelaat naar de zee staande hun maal gebruikten. - -Van tijd tot tijd verscheen er een klerk in de deur en hoorde men -een' naam luid roepen. Allen draaiden dan het hoofd om, de geroepene -daagde gewoonlijk uit den een of anderen hoek op en ging met afgepaste -schreden naar de deur, tot groote ergernis natuurlijk van den klerk, -wiens fraai gekamd haar door den wind groot gevaar liep geheel in -wanorde te komen, daar het hem vóór de oogen waaide. - -Een weinig verder dan de anderen zat een man op eenen grooten steen -tegen den muur van een huis geleund. Hij scheen geheel in gedachten -verzonken, en onafgebroken tuurde hij naar de zee. Hij was zwaar -gebouwd en buitengewoon lang; het graven in den grond, en ook het wonen -in lage vertrekken, hadden zijnen rug gekromd. Zijne gelaatstrekken -waren grof, en dit gevoegd bij den zwaren vuurrooden baard en het dikke -lokkige hoofdhaar van dezelfde kleur, zou hem geheel het uiterlijk van -eenen wilde hebben gegeven, zoo niet de trouwhartige blauwe oogen met -den kinderlijken blik aan zijn gelaat eene gansch andere uitdrukking -hadden verleend. Den hoed had hij afgenomen en naast zich gelegd. - -Uit een der groepjes in zijne nabijheid kwam een man naar den zoo -in gepeins verzonkene toe. "Goeden dag Njaedel!" Njaedel draaide het -hoofd even om, en groette terug. - -"Dat treft al heel goed, dat ik je vandaag hier zie," zeide de -eerstgenoemde, "wij hebben nu een oogenblik tijd om over het wier -aan het strand te spreken, en kunnen misschien ook te weten komen, -wat de anderen er van denken." - -"Het kan mij geen zier schelen, wat de anderen er van denken," -antwoordde Njaedel, "en hadt gij andere lui ook met vreê gelaten, -zoo was ik nu niet hier op het Thing tot spot van allen." - -"Wij moeten er ons in schikken, dat onze slechte daden aan 't licht -worden gebracht, wanneer zij ergernis in de gemeente wekken." - -"Och wat... ergernis; wanneer een ieder maar voor zijne eigene deur -veegde, kwam er geene ergernis in de wereld." - -"Het is noodzakelijk dat er ergernis kome, maar wee dengene..." - -Njaedel stond op, en in zijne volle lengte stond hij nu voor den -andere, en vroeg kortaf: "wat hebt gij mij over het wier te zeggen?" - -Sören Börevigs' uiterlijk was geheel verschillend van dat van -Njaedel. Wel was hij lang, maar hij ging zeer voorover, terwijl het -gele stroeve haar en de witte oogharen iets onaangenaams aan zijn -gelaat gaven. Wanneer hij sprak, keek hij den persoon, tot wien -hij het woord richtte, altijd van ter zijde aan, en had daarbij de -gewoonte zich in de handen te wrijven. - -"Je graaft eene diepe sloot naar den kant van het zeestrand, Njaedel." - -"Ja, daar ben ik aan bezig." - -"Het zal dan niet meer zoo gemakkelijk zijn, aan het strand te komen, -om er wier te halen." - -"Ik rijd maar langs mijnen akker over mijn eigen grond." - -"Ja, dat kan ik zoo denken," zeide Sören, en hij zag den weg op, "maar -ge zoudt er zeker op tegen hebben, dat anderen over je land reden?" - -"Ja, ik raad ze maar, dat niet te doen." - -"Ja, maar.... zie je.... Njaedel, hoe kan ik, wanneer gij die sloot -graaft, naar het strand komen, om er wier te halen.... hebt ge -daaraan gedacht?" - -"Gij.... maar wat zoudt gij aan het strand doen.... Sören.... gij -hebt daar niets te maken." - -"Hum.... hum," antwoordde Sören half glimlachend, "ge neemt een' -hoogen toon aan Njaedel, maar...." - -"Niet hooger, dan mij past." - -"Heb ik misschien niet zoolang ik de Börevigshoeve gepacht heb, -daar mijn wier gehaald?" - -"Ja, Sören, dat hebt gij gedaan," antwoordde Njaedel bedaard, "en ik -geloof zelfs, dat gij vele dingen hebt gedaan, die gij liever niet -hadt moeten doen." - -"Denkt gij misschien, dat het maar zoo gaat, oude steeds gebruikte -wegen af te sluiten," vroeg Sören hem op zachtmoedigen toon, "dat -kunt gij niet meenen Njaedel?" - -"Ik heb mijn eigendomsbewijs.... en een dat echt is, ik heb het land -van de kerk gekocht en ik betaal er belasting voor aan den Bisschop te -Kristiansand. Geen woord staat er in te lezen, hoor, dat de eigenaars -van Börevig verlof hebben, over mijn land te rijden, en zoo vind ik, -dat het mij vrij staat, slooten te graven waar ik wil." - -Na deze woorden gezegd te hebben, sloeg hij den weg naar den -huizenkant in. - -"Ja, maar het wier.... het wier!" riep Sören uit, en hij wreef zich -harder dan gewoonlijk in de handen. - -"Het erts is in de bergen, en het wier in de zee, hebt ge geene bergen, -zoo hebt ge geen erts, hebt ge geen strand, zoo hebt ge geen wier. Ik -vind, dat ge dit moest begrijpen Sören, gij, die zoo buitengewoon -schrander zijt." - -"Ja maar, ja maar," begon Sören opnieuw, "maar alle Godsgaven moeten -wij toch met elkander deelen, zijn wij niet allen broeders? - -"Ik wil je broêr niet zijn, Sören Börevig.... voor geen tweehonderd -groote lasten zeewier," antwoordde Njaedel, en er lag iets sombers -in den blik, waarmede hij hem aanzag. - -"Nu ja.... Njaedel, dan schiet er wel niet anders over, dan de zaak -voor het gerecht te brengen," zeide Sören bedaard, "de advocaat -Tofte is nu juist hier, dat komt al heel goed uit, ik zal hem er -over raadplegen." - -"Ga je gang, Sören, ik heb mijn koopcontract," antwoordde Njaedel, -en hij ging verder. - -Midden op den weg, tusschen de huizen in, stond eene menigte mannen -om een voertuig, dat zoo even was aangekomen. Een klein gezet man, -met een zeer rood gelaat een' grijzen baard en eene pelsmuts op het -hoofd, stapte uit den wagen. - -"Is hier iemand," sprak hij, de omstanders aanziende, "die mij kan -vertellen wien het stuk van den weg toebehoort, dat van het hek van -Börevig tot aan het Zwarte Moeras loopt, dien kerel zou ik gaarne -een hartig woordje willen zeggen." - -Niemand kon hem er bescheid op geven, doch eindelijk antwoordde een -oud man: "ja, daar heeft de opperloods gelijk in, de geheele kust -langs is de weg niet zoo slecht als juist daar." - -"Een weg!" riep de opperloods uit, "noem je dat een weg? neen, ik -noem het een moeras, waarin hier en daar eenige steenen zijn gegooid, -kijk maar eens, hoe mooi wij eruitzien," en hij wees met de hand naar -het paard en den wagen, die er vreeselijk beslijkt uitzagen. - -"Het best zou maar zijn, bij den Lensmand eene klacht in te dienen," -riep één uit de menigte. - -"Ja, zoo het wat hielp," luidde het antwoord van den opperloods, -en hij krabde zich het hoofd. - -Njaedel Vatuemo stond niet ver van den opperloods af, en toen deze -hem bemerkte, knipoogde hij hem vertrouwelijk toe. - -Eén der loodsen begon het paard nu uit te spannen, en de opperloods -ging tot Njaedel en zeide tot hem op fluisterenden toon: "zij is -welbehouden aan boord geraakt." - -"Kreeg zij eene goede plaats aan boord?" vroeg Njaedel. - -"Eene beste hoor.... men zou bijna zeggen, dat het eene van de -groote booten op Amerika was, en toch was het maar eene plaats op -het voordek. Morgen avond komt zij te Christiania aan." - -"Morgen avond; dat treft ze niet goed, dat de boot 's avonds aankomt, -zoo zij Anders nu maar in de duisternis vinden kan." - -"Daar heb ik voor gezorgd, Njaedel, ik heb voor jou aan je broer -laten telegrafeeren, dat hij Christina aan de aanlegplaats moet -gaan afhalen." - -"Wel heb ik van mijn leven, dat ge er op kwaamt dat te doen," zeide -Njaedel, "dat kostte heel wat geld, hé?" - -"Precies eene kroon." - -"Kon-je het niet wat goedkooper gedaan krijgen?" - -"Neen.... buurman, daar staat een vaste prijs voor." - -"Ja, ja, dat kan ik wel denken; ik ben maar in mijn schik, dat je -er voor hebt gezorgd," zeide Njaedel, en hij grabbelde in zijnen zak -naar eene kroon.... "wel bedankt, hoor!" - -"Kom, niet te danken.... Ben je al vóór geweest, Njaedel?" - -"Neen, en men zegt, dat ik eerst laat aan de beurt zal komen." - -"Heb je wat teerkost meegenomen?" - -"Neen!" en het antwoord werd eenigszins kortaf gegeven.... "er was -nu niemand t'huis om wat voor mij klaar te maken." - -"Hm.... dat is waar ook," mompelde de opperloods, "weet je wat, -wij zullen nu maar zien, wat eten bij den loods Tobias op te loopen." - -De boeren gingen een weinig op zij om plaats voor den opperloods -te maken en allen groetten hem; den langen Njaedel, die achter hem -aanging, scheen niemand te willen bemerken. - -De lucht betrok meer en meer. De zee zag er onstuimig uit en dreigende -regenwolken vertoonden zich in de verte. Eene ferme bries uit het -zuidwesten zweepte de schuimende golven over en tusschen de groote -ronde steenen aan het strand, en lange slijmachtige zeeplanten voerden -zij in hun vaart met zich. - -Verder op het strand, waar dit iets hooger gelegen was, hadden de -bewoners hunne huizen gebouwd. - -Nauwe wegen vol mest en vuilnishoopen bevonden zich tusschen de huizen, -overal lagen hier en daar gebroken mestgaffels, roestige ploegijzers, -halve wielen en wrakken van vaartuigen van allerlei soort, die in -den loop des tijds door de zee aangespoeld waren. - -Vóór elke woning bevond zich meestal echter een plekje, dat netjes -in orde werd gehouden, waar de bewoners gaarne vertoefden, wanneer -het 's avonds mooi weer was, gezeten op den steenen drempel van de -buitendeur of op de bank tegen den muur. - -Hoewel het zomerdag was, lag er nu toch iets sombers over -alles. Donkere regenwolken hingen laag neer en de zee zag grauw. De -met donkerroode teer bestreken huizen hadden niets aantrekkelijks voor -het oog. Dit was niet altijd het geval: wanneer de zon helder scheen, -konden zij er met hunne heldere, van witte gordijnen voorziene -vensters, waarvoor meestal eenige bloempotten stonden, recht -vriendelijk uitzien; zelfs het witgeverfde huis van den Lensmand zag -er vandaag ook niet op zijn voordeeligst uit. - -De dichte drommen van boeren, die hier vandaag verzameld waren, -pasten volkomen bij het geheel; allen droegen dikke wambuizen van -donkerblauwe stof, en dit costuum scheen ook iets gedrukts aan het -landschap te geven. Levendig ging het volstrekt niet toe, het gesprek -scheen nergens te willen vlotten ; men groette elkander even in het -voorbijgaan, maar men zag elkaar nauwelijks aan; soms gebeurde het, dat -eenige boeren hunne groote, klamme handen tot eenen groet uitstaken, -maar geen hartelijke handdruk werd er gewisseld, wat trouwens ook niet -bij de boeren gebruikelijk is: stijf als stokken strekken ze de vingers -uit. Luid gepraat of geschreeuw werd niet gehoord, veel minder nog -een hartelijk gelach, ook was hier die eigenaardige lucht te bemerken, -welke aan duffel eigen is, wanneer het in iets wordt geverfd, dat men -"potteblaat" noemt,--een woord waarvan men maar niet al te nauwkeurig -de beteekenis moet uitvorschen. - -Klokke één uur werd de morgenzitting opgeheven. - -In het vertrek, waar de zitting plaats had, werd nu de tafel voor de -heeren gedekt, en dezen gingen zoolang wat op en neer vóór het huis. - -Eenige boeren, die wat meer moed dan de overige bezaten, beproefden -een gesprek met hunnen advocaat aan te knoopen, om hem toch vooral -hunne zaak op het hart te drukken; de man met de leepoogen kon den -zijne maar niet in het oog krijgen. De ambtman Hiorth, die altijd -gaarne voor zeer humaan werd aangezien, mengde zich meer dan de -anderen onder het volk en gaf er nauwlettend acht op, welke boeren -hem groetten. Wanneer hij een bekend gezicht meende te zien, bleef -hij een oogenblik staan, en sprak eenige vriendelijke woorden. Zijne -handen hield hij op den rug onder zijne rokspanden: op handdrukken -was hij niet bijzonder gesteld. Juist nu werd een gevangene door een -paar veldwachters over de plaats gevoerd. Voor alle zekerheid had men -hem in boeien geklonken, want uit het hok, waarheen hij gevoerd werd, -was het gemakkelijk te ontvluchten, en buitendien was het voor hem, -die er op wacht moest staan, het gemakkelijkst. - -"Kent iemand hier dezen man?" vroeg de ambtman. - -"Ja.... meneer de ambtman, hij hoort te Krydsvig t'huis," antwoordde -de opperloods, die juist uit een der huizen naar buiten kwam. - -"Goeden dag, opperloods Sechus," zeide de ambtman, en als een -bewijs van de hooge gunst, waarin deze bij hem stond, reikte hij -hem de twee vingers zijner rechterhand... "gij kent den arrestant -dus...? Diefstal.... is het niet zoo?" - -"Ja... arme kerel.... hij heeft bij den kruidenier aldaar ingebroken -en er eenen zak meel en eene kan stroop gestolen." - -"Het is inderdaad treurig," zeide de ambtman, en hij zag de omstanders -met gestrengen blik aan, "dat de diefstallen zoo toenemen. Het komt -natuurlijk hierdoor, dat ons volk tegenwoordig ongelukkigerwijze -maar al te geneigd is een gewillig oor te leenen aan de woorden -van hen, die schijnbaar hun welzijn bedoelen.... Verkeert hij in -behoeftige omstandigheden.... heeft hij eene talrijke familie te -verzorgen.... zijn er veel kinderen?" - -"Vele en kleine als Komlene [3] te Njàa," antwoordde de opperloods. - -"Komlene, Kumle?" vroeg de ambtman en zag om zich heen. De advocaat -Tofte, die altijd zoo dicht mogelijk bij den ambtman bleef, om dadelijk -van dienst te kunnen zijn, zeide op zijnen innemenden toon en half -glimlachend: "O, het is eene soort pannekoeken van aardappelenmeel." - -"Ah zoo.... pannekoeken...." mompelde deze, en hij ging verder. - -De lieden zagen elkaar even van ter zijde aan, en toen de ambtman -hun den rug had toegekeerd, konden eenigen zich niet weerhouden, -even te lachen. Altijd bewonderde men den opperloods zeer, dat hij -op zoo familiaren toon met de groote lui durfde spreken; hij stond -zoo tusschen de beide klassen in, daar hij noch tot den eenen, noch -tot den anderen stand behoorde. - -Lauritz Boldemann Sechus was de zoon van eenen tolbeambte, een' -dronkaard van de eerste soort. In zijne jeugd had hij ter zee -gevaren; toen hij echter wat ouder werd, kocht hij een stukje van den -gemeente-grond te Krydsvig, bouwde er een huisje, waaruit hij van alle -kanten de zee kon zien, en kreeg toen het postje van opperloods. Sechus -was nu zoo wat om en bij de zestig, was ongetrouwd, en zag er half als -een schipper, half als een boer uit. Bij hen, die over hem gesteld -waren, stond hij niet al te goed aangeschreven. De ambtman Hiorth -beschouwde hem dan ook min of meer als iemand, die gevaarlijk voor -de maatschappij was. - -Hij bekleedde eene rijksbetrekking en ontzag zich niet, gemeenzaam met -de boeren om te gaan, en dit kon de ambtman volstrekt niet goedkeuren; -zoo licht kon zulks toch oorzaak worden, dat dit soort van menschen -minder ontzag voor den ambtenaarsstand begon te koesteren..... eene -zaak welke zeer te betreuren zou zijn, wijl dit ontzag toch eene van -de vaderen geërfde deugd was! - -Daar Sechus ondertusschen zijn dienstwerk nauwgezet verrichtte, -bestond er weinig vooruitzicht van hem af te komen, vooral ook -wijl de boeren zeer met hem ingenomen waren. Zelf had hij er in -het minst geen vermoeden van, dat zijne superieuren niet hoog met -hem wegliepen. Zijne openhartige wijze van spreken was hem van het -zeemansleven bijgebleven, en wanneer de ambtman hem nu en dan de groote -eer aandeed, twee vingers tot begroeting toe te steken, vond Sechus, -dat de ambtman een kerel was, die wist wat een mensch toekomt. - -Zijn naaste buurman was Njaedel Vatuemo. Eigenlijk behoorde deze niet -aan de kust thuis. - -In de bergen was hij geboren. Vele jaren reeds had de hofstede, die -hij daar bewoonde, gevaar geloopen door eene bergverzakking bedolven -te worden, doch steeds was het nog bij kleine schade gebleven. - -Op zekeren nacht echter, het was in de lente, gebeurde wat Njaedel -reeds lang had gevreesd. Eene vreeselijke verzakking had plaats; de -hoeve werd geheel verwoest, en Njaedel, die zich half gekleed, nog -met moeite op een vooruitstekend rotsblok had kunnen redden, stond -eenzaam en verlaten. Des morgens haalde men van onder het puin de -lijken zijner vrouw en twee kinderen voor den dag; de oudste dochter -was in het leven gespaard gebleven. - -Het was hem niet langer mogelijk op zijne geboorteplaats te -blijven. Hij verkocht, wat hem was overgebleven en zette zich aan de -kust neder. - -Njaedel volgde niet het gewone gebruik der boeren, zich te noemen naar -de plaats, die hij nu bezat. Hij had een stuk land gekocht, waarvan -de opperloods ook een gedeelte had. Het goed Krydsvig, met al de -landerijen er om heen, had vroeger het bisdom Kristiansand toebehoord. - -Dáár in de bergen had Njaedel de eenzaamheid lief gekregen, een groot -deel van zijn leven had hij er ook gesleten. Bij den aankoop had hij -dan ook dat gedeelte gekozen, hetwelk onmiddellijk aan het strand -grensde; eene groote onontgonnen zandvlakte behoorde bij den koop. - -Vele jaren had hij nu reeds hier met zijne dochter Christina en een -dienstmeisje gewoond. - -Hij bebouwde zijn land en het gelukte hem zelfs iets te sparen. Met -niemand had hij omgang dan met den opperloods; deze had groote -genegenheid opgevat voor dien reusachtigen kerel, die er tevens -zoo goedmoedig uitzag, en wiens knappe dochter het een lust was aan -te kijken vooral daar opgeruimdheid van gemoed haar in de oogen te -lezen stond. - -De bewoners van de streek waren niet zeer met Njaedel ingenomen, -wijl hij een vreemdeling was. Buitendien vonden zij, dat hij iets -stroefs in zijn wezen had, zoodat zij liefst zoo weinig mogelijk met -hem te doen wilden hebben. Wanneer hij daar zoo diep in den grond met -graven bezig was, had hij werkelijk iets, dat schrik kon inboezemen; -daar hij altijd blootshoofds liep, uitgezonderd op feestdagen, maakte -de dikke rosachtige haarbos een vreemd effect, wanneer men die van -uit den grond zag opkomen, en alle reizigers, die den landweg kwamen -langs rijden, konden niet nalaten, wanneer zij Njaedel zagen, aan den -koetsier te vragen, wat dat voor een man was. Njaedel, die altijd zeer -in zijn werk verdiept was, bemerkte nooit, dat hij zoo de aandacht -trok. Met op elkaar geklemde tanden en gefronste wenkbrauwen groef -en wroette hij met. spade en houweel in den grond, zoodat de klompen -aarde wijd en zijd heenvlogen, en kwam er een steen in zijnen weg, -die onbeweeglijk scheen, zoo scheen zijn ijver te verdubbelen: hij -rustte niet, vóórdat het hem gelukt was dezen te verwijderen en hij -bromde intusschen bij zich zelf als een beer. - -Tegen het schaftuur, of wanneer het te donker werd om verder te -arbeiden, kwam hij uit den grond te voorschijn, en stiet het slijk -van zijne klompen. De spade werd in den grond gestoken en het werk -met aandacht bekeken. Wanneer het gedane werk hem beviel, streek hij -gewoonlijk met de knuisten door zijn haar, zoodat dit naar alle kanten -uitstond en een tevreden glimlach lag er om zijnen mond. - -Binnenshuis, vooral in gezelschap van vrouwen, was hij zoo zacht -als een lam; hij liep altijd zoo voorzichtig door de kamers, alsof -hij vreesde, in geval hij zich in zijne geheele lengte uitrekte, -het dak van het huis te zullen aanraken. - -Terwijl de heeren in het huis van den Lensmand aan het middagmaal -waren, begon het te regenen, en de droppels vielen zoo gelijkmatig -neer, dat men er zeker van kon zijn, dat de regen lang zou aanhouden. - -Eenige boeren zochten eene schuilplaats in de omliggende huizen of -schuren, het meerendeel bleef echter in den regen staan. Soms bogen -zij zich een weinig voorover om het water van hunnen hoed te laten -afdruipen, maar eigenlijk waren zij er zoo aan gewoon nat te worden, -dat het hun niet veel kon schelen. - -De regen sijpelde door het baai heen, en droop in licht blauw gekleurde -droppels van hunne wambuizen. Sporen van ongeduld vertoonden zich -over het lange wachten niet onder de menigte; allen wisten, dat een -maaltijd op den dag dat er zitting was, iets was, waar de noodige -tijd voor genomen moest worden. - - - - - - - - -III. - - -De ambtman zat aan het boveneinde van de tafel, rechts van hem de -officier van justitie, links de drost, vervolgens naar den ouderdom -de substituut-officieren, de advocaten, griffiers en klerken, ten -laatste eenige boeren, namelijk de president van den gemeenteraad en -een paar andere leden. - -De Lensmand zat aan het benedeneinde der tafel. - -"Voor vandaag heeft de Lensmand eene keukenmeid uit de stad laten -komen," zeide de oude advocaat Kahrs, en hij smakte dat het een aard -had; "het is heel wat anders dan vroeger, toen wij eene pruimensoep -van welke stroop en kaneel de voornaamste bestanddeelen uitmaakten, -naar binnen moesten werken." - -Deze woorden zeide hij op half fluisterenden toon tot zijnen buurman, -want men was nog aan het eerste gerecht--eene soort vischpudding -met kreeftensaus--en de ambtman had tot dusver alleen het woord. De -roode wijn was heel zuur, maar, daar hij veel alcohol bevatte, was de -smaak zeer sterk. Brandewijn en bier waren in ruime mate voorhanden, -en daar de heeren zich dit goed lieten smaken, werd de stemming aan -tafel spoedig vroolijker. - -De tegenwoordigheid van den ambtman veroorzaakte echter, dat alles -in den aanvang zeer deftig toeging. - -Men fluisterde alleen met zijnen buurman; overigens zat men doodstil -en antwoordde alleen op de vragen, die het den ambtman behaagde aan -den een of ander te doen. Het was zijne gewoonte een paar woorden tot -een ieder te richten; bijzonder minzaam was hij jegens de aan tafel -zittende boeren, daar hij zeer gaarne voor een populair man wilde -doorgaan. Wanneer het gebraad opgediend werd, bracht hij altijd eenen -toast op den koning uit, en gewoonlijk volgde, wanneer de gelegenheid -er zich voor aanbood, een paar andere toasten. Vandaag zou die eer -ten deel vallen aan een zeer jong jurist, den heer Alfred Bennecken, -die als kandidaat in de rechtsgeleerdheid in den laatsten tijd was -werkzaam geweest [4], en binnenkort zou vertrekken. - -"Het is mij eene behoefte, meneer Bennecken," zoo ving de ambtman aan, -"u een hartelijk vaarwel toe te roepen, nu gij op het punt zijt, deze -streek te verlaten, alwaar gij een paar jaar zoo nuttig werkzaam zijt -geweest. Onnoodig is het zeker u te zeggen, dat de tijd gedurende -welken gij met ons samen gewerkt hebt, bij ons steeds in aangename -herinnering zal blijven, doch daar gij nu eene baan gaat betreden, -waarop niet alleen meer van uwe krachten zal gevorderd worden, maar -waar tevens de verantwoordelijkheid ook zwaarder op uwe schouders zal -rusten, zoo kan ons dit niet anders dan vreugde geven. Al scheidt gij -van ons, toch blijft dezelfde werkzaamheid ons vereenigen. Ik maak mij -zeker niet aan indiscretie schuldig, zoo ik aan de heeren meedeel, -dat gij van plan zijt naar eene plaats bij een der Departementen te -solliciteeren... waarschijnlijk wel bij dat van uwen geachten vader, -nietwaar?" - -Alfred Bennecken boog beleefd. - -"Ik herhaal," dus ging de ambtman voort, "dat dezelfde band ons blijft -vereenen. Want mijne heeren, hebben wij bij onzen gemeenschappelijken -arbeid niet hetzelfde doel voor oogen? Is de ambtenaarsstand niet -gelijk aan een' ring die als een kracht aanbrengende gordel ons volk -omsluit? Terwijl gij nu, om zoo te zeggen, in dezen ring of ketting -van plaats gaat verwisselen, zoo nemen wij deze gelegenheid waar, -u te verzoeken, aan uwen geachten vader onze eerbiedige groeten over -te brengen, en hem uit onzen naam te vragen aan zijne Majesteit onzen -geëerbiedigden Koning mede te deelen, dat wij arbeiden,--want dit is -het eigenlijk, mijne heeren--dat wij arbeiden als zijne trouwe dienaars -voor het welzijn des volks. En u, meneer Bennecken, wenschen wij toe, -dat gij, met het voorbeeld van uwen vader voor oogen, evenals hij in -uwe loopbaan van trap tot trap in rang moogt stijgen, om ten laatste, -evenals hij zulks nu is, een sieraad van het land te worden, aan -welks voorspoed hij nu zijne beste krachten wijdt. God zij met u, -meneer Bennecken!" - -"Nu, die toast heeft hem heel wat zweetdroppels gekost," fluisterde -de advocaat Kahrs zijnen buurman in, want het was eene bekende zaak, -dat de toasten van den ambtman niet altijd even vlot van stapel liepen. - -De rechter, bij wien Alfred Bennecken werkzaam was geweest, bracht -nu ook een' toast op hem uit, die door humoristische zetten zeer in -den smaak viel. - -Alfred Bennecken beantwoordde beide, zoodat er aan toasten dien dag -geen gebrek was. - -De stemming werd meer en meer levendig aan tafel, totdat eene geweldige -hoestbui van een der klerken, het was die van den drost, aller aandacht -trok. De man was het stikken nabij, toen zijn buurman hem zulk een -geduchten stomp in den rug gaf, dat het brokje vleesch, hetwelk hem -in de keel zat, losraakte, maar helaas op de tafel terecht kwam. - -De ambtman hield zijn servet voor den mond, en de drost bracht -verontschuldigingen voor zijnen klerk uit, de advocaat Kahrs bekeek -echter het stuk nauwkeurig, en beweerde, dat het wel een half pond -zwaar was. - -Deze gebeurtenis veroorzaakte, dat de tongen meer en meer los raakten, -en men de tegenwoordigheid van den ambtman wat begon te vergeten. De -jonge advocaten begonnen luid met elkaar over tafel te spreken, anders -iets ongehoords wanneer de ambtman aanwezig was. Deze was zelf een -weinig uit zijn humeur geraakt; wanneer de een of ander begon te -hoesten, zag hij verschrikt op, schoof zijnen bril heen en weer, -en gaf door allerlei bewegingen zijne ontevredenheid te kennen; -hij verzocht dan ook een paar maal aan den klerk, wien het ongeluk -overkomen was, vooral zijn vleesch toch aan kleine stukjes te snijden -en niet te gulzig te eten. - -"Blijft ons nog veel werk te doen?" vroeg de ambtman eindelijk aan -den officier van justitie, wijl het hem ergerde, dat niemand zich -meer aan zijne tegenwoordigheid scheen te storen. - -"Ja, eigenlijk weet ik het niet," antwoordde deze, en hij zette zijn -glas neer, "staan er nog vele zaken ter behandeling op de lijst, -Bennecken?" - -"O, ja.... heel wat, en eene heel interessante zaak is er onder." Hij -boog zich voorover en fluisterde den rechter iets in. - -"Welke zaak," vroeg de ambtman. - -"Eene concubinaire zaak, ambtman, niets minder," antwoordde de rechter -en hij kneep even zijne kleine grijze oogen toe. Hij was klein en -gezet, droeg eene pruik en was zeer roodwangig. - -"Zou u wellicht de zaak vandaag zelf niet willen in handen -nemen?" vroeg de kandidaat Bennecken aan den officier van justitie, bij -wien hij werkzaam was, "de zaak krijgt dan spoediger haar beslag, en -buitendien kan niemand beter dan gij zulk soort van zaken behandelen." - -"Och ja.... doe het vriend, dan krijgen wij nog eens gelegenheid te -lachen," zeide de drost onvoorzichtig genoeg. - -De ambtman kuchte, schraapte zich de keel, streek met de hand -over den grijsachtigen baard, zette den gouden bril te recht, maar -niemand sloeg er acht op. Het ging volstrekt niet aan, zulke dingen in -tegenwoordigheid der boeren te zeggen; hij begon dus met den president -van den Gemeenteraad een gesprek aan te knoopen en vroeg verlof met -hem te klinken. - -Terwijl eenige advocaten aan het benedeneinde der tafel over eene -zaak in heet dispuut waren, werd het gesprek aan het boveneinde op -gedempten toon gevoerd. - -"Zijn de aangeklaagden jonge menschen?" vroeg de rechter. - -"Neen, de man is niet jong meer, hij is weduwnaar, het was zijne -dienstmeid, maar de dochter, ziet gij...." - -"Ah zoo.... gij meent als getuige...." - -"Wat de dienstmeid betreft," viel de advocaat Tofte in, "zij is, -naar ik hoor, met haar kind naar Amerika getrokken." - -"Och dat is hetzelfde, het verhoor met de getuige is juist het -interessante van de zaak," zeide de advocaat Kahrs lachend, "ik ken -Christine Vatuemo, zij is een van de knapste meisjes uit de streek." - -"Zoo de zaak spoediger van de hand gaat, zoo u die zelf leidt, verzoek -ik zulks te doen," zeide de ambtman, en hij deed, of hij het laatste -gedeelte van het gesprek niet had gehoord. - -"Gaarne ben ik hiertoe bereid, wanneer de ambtman mij zulks -beveelt...." antwoordde de officier van justitie. - -"Neen, neen.... van bevelen kan geen sprake zijn.... ik meende alleen, -dat het zeer aangenaam zou zijn, wanneer wij, het is zoo'n hondeweer, -wat vroeg naar de stad konden terugkeeren." - -De rechter kneep weer even zijne oogen toe, en er werd besloten, -dat hij de zitting van den namiddag zou presideeren. - -Onder het dessert, dat uit een echt nationaal gerecht bestond, eene -soort vla van vruchtensap, werd er sherry geschonken: de gezichten -der meeste heeren begonnen er uit te zien, alsof zij in het schijnsel -van de ondergaande zon zaten. - -De advocaat Kahrs beweerde, dat de klerk van den drost werkelijk een -onbeschaamde kerel was, wijl hij het waagde, na zulk een ernstig -"memento mori" als het brokje vleesch, drie groote porties van -het dessert te verorberen. Er werd tot het laatst toe luid gepraat, -gelachen en gedronken, de boeren alleen volhardden in hun stilzwijgen, -en eenigszins wantrouwend zetten zij nu en dan het glas aan den mond. - -Juist toen het leven aan tafel het grootst was, tikte de ambtman met -zijn mes tegen zijn glas, tot teeken dat de maaltijd als geëindigd -was te beschouwen. De boeren op straat bemerkten, dat het maal was -afgeloopen, aan de vele roode gezichten, die zich voor de ramen en -in de deur vertoonden: in dat vervl..... regenweer, kon men geen -voet buiten zetten. De eetzaal werd, nadat de heeren koffie hadden -gedronken, weer tot gerechtszaal ingericht, en met alle plechtigheid -hervatte men den arbeid. De officier van justitie, die zou presideeren, -zag er in de rechtszaal op zijn best uit. Het welgevormde hoofd, -voorzien van eene witte pruik, gaf hem iets, dat eerbied inboezemde, -en zijne scherpe licht-grijze oogen wierpen die doorborende blikken -op aangeklaagden en getuigen, waardoor niemand beter dan hij het -verstond tot bekentenissen uit te lokken, welke, zoo een ander -rechter had ondervraagd, misschien aan den mond niet ontglipt zouden -zijn. Hij stond dan ook als een knap rechter bekend. Hij toch wist -zoo de beteekenis van een woord te draaien of wel te verklaren, dat -het hem, volgens zijne eigene bewering, altijd gelukte, de waarheid -uit de lui te halen. - -Vandaag ging alles bijzonder vlug toe, toch zorgde hij er voor, -dat de waardigheid der rechters er niet onder leed. Eene menigte -civiele zaken werden spoedig afgedaan, want alle advocaten wisten, -dat het er om te doen was, zoo spoedig mogelijk aan de "cause célèbre" -te komen. In stilte verheugde men er zich reeds over, men stootte -elkander aan, en wierp elkander geheimzinnige blikken toe. Van -lange pleitredenen kon er dus ook geen sprake zijn, de eene zaak na -de andere werd tot latere beslissing verschoven. Alleen de advocaat -Kruse, die niet zeer hoog timmerde, scheen maar geen haast te hebben: -hij dicteerde het eene protocol na het andere. De advocaat Kahrs trok -hem bij zijn jas, en Alfred Bennecken, die de protocollen schreef, -gaf hem door allerlei teekenen te kennen, dat hij korter moest zijn, -niets hielp; zelfs liet hij zich in zijn werk niet storen, toen de -president-rechter door luid den neus te snuiten, en ongeduldig op -zijnen stoel heen en weer te schuiven, hem wilde te kennen geven, -dat het tijd was met het dicteeren op te houden. Eindelijk was -Kruse klaar, en kwam de concubinaire zaak aan de beurt. De voor- -en achterdeur van het huis stonden beide wijd open, in de gang was -het even vol als in de gerechtszaal, waar het publiek zeer dicht op -elkaar gepakt stond. Eenigen moesten er zich dus mee vergenoegen op -straat een heenkomen te zoeken. - -De doornatte baaien wambuizen begonnen nu in de warme lucht een -onaangenamen geur te verspreiden; in de zaal was het benauwd warm, -en de regendruppels kletterden eentonig tegen de ruiten. In de gang -stond in het dichtste gedrang de man met de leepoogen. Van hetgeen in -de zaal plaats had, kon hij, daar hij klein van gestalte was, niets -zien; met gespannen oplettendheid luisterde hij naar elk woord dat -gezegd werd, en begreep er geen zier van. Toen de president-rechter -den naam van den aangeklaagde vernam, zeide hij: "Njaedel.... wat is -dat voor een barbaarsche naam." - -"Het is hetzelfde als Nils," verklaarde Tofte, die altijd heel -dienstvaardig was, "daar verder op in de bergen, zegt het volk Njaedel, -in plaats van Nils." - -"Zoo.... maar wij zijn nu niet daar, maar hier, aldus heet de man -Nils,--hoe meer?" - -"Vatuemo." - -"Vatuemo," vroeg de president-rechter ongeduldig. - -"Op de kaart van het district staat "Vandmo," viel Tofte weer in. - -"Natuurlijk, aldus heet hij, slechtweg Nils Vandmo; provincialismen -kunnen wij in de protocollen niet neêrschrijven." - -Toen hij deze woorden had gezegd, zag hij met gestrengen blik de -zaal rond, eerst naar de zijde waar het volk stond, dan naar die, -waar de ambtman zich bevond, en deze knikte hem goedkeurend toe. - -Njaedel was intusschen voor de balie gekomen. In voorovergebogen -houding stond hij daar; nu en dan wreef hij met de mouw van zijn -wambuis langs het voorhoofd om de dikke zweetdruppels, die er op -parelden, af te wisschen en krampachtig bewoog hij den mond. - -De rechter zag hem doordringend aan, om te zien welke methode van -ondervraging hij zou gebruiken. Op snijdenden toon, zoodat de woorden -schielijk op elkander volgden, zeide hij: "O, gij zijt dus de man, -die door je schandelijken levenswandel met je dienstmeid in de gemeente -zulk een ergernis wekt... wie is de aanklager?" - -"De pachter Sören Börevig." - -"Hoort gij dat?... de pachter... schaam jij je niet... En zoo heb -je de meid en het kind naar Amerika gezonden hé.... je ziet dat we -met je knepen bekend zijn. Je dacht wel van de heele zaak af te zijn, -maar neen, zoo gemakkelijk gaat dit niet--of misschien loochen je wel, -dat het zoo is, hé?" - -Njaedel trachtte eenige woorden uit te brengen, maar het was hem -onmogelijk; eindelijk gelukte het hem, en hij zeide: "ik loochen -het niet." - -Op dit antwoord had de rechter zich niet voorbereid, doch, daar hij -aan verrassingen gewoon was, herstelde hij zich spoedig en zeide: - -"Dat is ook maar het beste, maar het is niet genoeg. De zaak moet -nauwkeurig onderzocht, en getuigen moeten gehoord worden. Waar is -je dochter?" - -"Zij is vertrokken," antwoordde Njaedel. - -"Vertrokken... zij ook... en waar naar toe?" riep de president-rechter -uit, en hij spalkte zijne oogen zoo wijd mogelijk open; de kandidaat -was niet minder verwonderd, de pen viel hem zelfs uit de hand, en -al de advocaten spitsten evenals dashonden hunne ooren; de ambtman -zelfs, die op de sofa naast den haard zat, zag uit het wetboek op, -waarin hij schijnbaar had zitten te studeeren. - -"Naar Christiania.... gisteren is zij vertrokken' zeide Njaedel. - -"Het is alsof de duivel er de hand.... hm...." en vuurrood van toorn -sprong de rechter van zijnen stoel op en zag hij Njaedel aan. Zelden -gebeurde het hem, dat hij zich zoo vergat, en bij eene zitting vloekte, -in het eerste oogenblik was hij zijne drift evenwel niet langer meester -geweest. In de heftigste bewoordingen, (doch niet geheel vergetende -waar hij zich bevond), sprak hij Njaedel aan, en gaf hem duidelijk -te kennen, dat hij op een streng vonnis kon rekenen. De rechters -legden onverholen hun misnoegen aan den dag, en toen Njaedel zich -gereed maakte de zaal te verlaten, gingen al de toehoorders zooveel -mogelijk voor hem uit den weg, alsof hij een pestzieke was. - -Het was dus werkelijk eene groote misrekening. De vroolijke stemming, -waarin de maaltijd de heeren gebracht had, was hun bijgebleven, -wijl zij het vooruitzicht hadden gehad, dat eene pikante zaak vóór -zou komen, maar nu was alle opgeruimdheid op eens verdwenen. Het -was bijna onmogelijk langer in dat bedompte schemerachtig verlichte -vertrek te blijven, welks vloer van al de vuile laarzen vreeselijk -glibberig was en waar de regen voortdurend tegen de ruiten kletterde. - -De ambtman zag op zijn horloge, stond op, en na aan een der klerken -een wenk te hebben gegeven, verdween hij met deze in de kamer naast de -zaal. Men hoorde er een hevig gestommel met koffers, een bewijs dus, -dat hij aan vertrekken dacht. - -De president-rechter was zijnen toorn nog niet meester en ieder, -vriend en vijand, moest het dus ontgelden. Alle andere zaken werden -met den stormpas afgehandeld, en wee dengene, die het waagde hem op -te houden. Zijn horloge legde hij voor zich op de tafel en telkens -hield hij zich op de hoogte van de klok. - -De advocaat Kruse, die voor geene verbetering vatbaar scheen, begon -weer het protocol te dicteeren. - -Ongeduldig schoof de president echter heen en weer op zijnen stoel. "Ik -ben zoo vrij u opmerkzaam te maken, meneer Kruse, dat er ook voor -het opmaken van een protocol eene grens bestaat." - -Kruse trok heel bedaard zijn horloge uit zijn vestzakje en zeide: -"ik heb den daartoe bestemden tijd nog niet overschreden." - -"Mogelijk, maar het is niet meer dan passend, dat men ook eenigermate -denkt aan de belangen...." - -"Ik heb alleen op de belangen van mijn cliënt acht te geven," -antwoordde Kruse, en hij ging voort met dicteeren. - -"De volgende zaak," riep de rechter, toen Kruse eindelijk klaar was. - -De man met de leepoogen, die nog altijd op dezelfde plaats in den -gang stond, sprong verschrikt op. - -Zijne zaak zou voorkomen, hij had zijnen naam hooren noemen. - -"Nu," riep de rechter op boozen toon uit. "Wie heeft de zaak in -handen?" - -"Advocaat Bogesen," luidde het antwoord. - -"Maar Bogesen woont het Thing niet bij.... wie is zijn -plaatsvervanger.... wie?" - -De advocaat Kahrs, die volstrekt geen acht had geslagen op hetgeen -er voorviel en die met een vriend aan het raam had staan praten, -liep nu ijlings naar de tafel. - -"Welke zaak is voor, Kruse?" fluisterde hij dezen toe. - -"Ik zal het even op de lijst nazien," antwoordde deze zeer luid. - -"Uilskuiken!" mompelde Kahrs bij zich zelf, hij draaide zich echter -dadelijk eerbiedig naar den president toe, en dicteerde: "voor den -aanklager treedt de advocaat Bogesen op, die door den advocaat Kahrs -vervangen wordt, welke verzoekt de zaak tot het volgende Thing te -mogen uitstellen." - -"En waarom?" vroeg de president op eenigszins scherpen toon. - -"Wegens een getuigenverhoor," dicteerde Kahrs verder. - -"Waar zal dat getuigenverhoor plaats hebben," vroeg hij op boosaardigen -toon, want hij begreep heel goed, dat Kahrs volstrekt niet wist, -waarover de zaak handelde - -"In het Röedal," antwoordde Kahrs zonder een oogenblik te aarzelen op -onverstoorbaar ernstigen toon. De welluidende stem en de ernstige, -waardige houding van den advocaat Kahrs hadden altijd eene goede -uitwerking. - -De president kon niet nalaten even vertrouwelijk tegen hem te knipoogen -en een paar der klerken hadden groote moeite hunnen lachlust te -bedwingen, doch Kahrs, die met het gezicht naar de menigte toe stond, -behield dezelfde ernstige plooi in zijn gelaat, totdat uitstel van de -zaak toegestaan werd. De advocaat Tofte, die voor de belangen van den -paardenopkooper zou pleiten, had er toch genoegen mee genomen. Kahrs -boog zeer eerbiedig voor den rechter en verdween in de menigte. - -"De volgende zaak," riep de president. - -"Er zijn er geen meer." - -"Goddank!" Het horloge werd nu in het vestzakje gestoken en hij zei -tot een der klerken: "vraag den ambtman of wij kunnen laten inspannen." - -De zitting werd opgeheven, de protocollen geteekend, en voor dat de -toehoorders recht hadden begrepen, dat het gedaan was, stonden alle -rechtsgeleerden, die het Thing gehouden hadden reeds klaar, om weg -te gaan. - -De advocaten stoven naar buiten, terwijl de klerken voor de dikke -protocollen zorg droegen om ze zoo spoedig mogelijk ingepakt te -krijgen. - -De man met de leepoogen volgde den stroom van menschen, die door -de achterdeur naar buiten gingen; hij begreep volstrekt niet, hoe -het eigenlijk met zijne zaak stond. Eindelijk ontfermde zich een -der omstanders over hem door hem mede te deelen, dat zijne zaak -verdaagd was. - -"Verdaagd," mompelde hij, en nog begreep hij niet recht, hoe het -was. Tusschen de karren door baande hij zich een weg, hoe wist hij -zelf niet; het kwam hem voor alsof alles donker om hem heen was, -eindelijk bereikte hij zijn karretje, klom er in en werktuigelijk -sloeg hij den weg naar huis in. - -De groote calèche stond vóór de deur van den Lensmand. De meeste -heeren zaten reeds in de kleine boerenkarren, die in lange rijen er -achter stonden. Tofte alleen was nog druk bezig met afscheid nemen; -wanneer hij een paar boeren zag, met wie hij de kennis wenschte aan -te houden, was hij bijzonder vriendelijk en hartelijk en had een -schertsend woord ten beste. - -Vóór het karretje, waar Kahrs in zat, was een vrij wild paard -gespannen, en het kostte hem heel wat moeite het dier stil te doen -staan. Hij vloekte dan ook, dat de ambtman zoo lang op zich liet -wachten. Weg te rijden, neen, dat waagde hij niet, want hij wist dat -de ambtman hem dit hoogst kwalijk zou nemen. - -Ondertusschen praatte deze dood op zijn gemak met de vrouw van den -Lensmand, en hij keek nu en dan eens door het raam, om te zien, -hoe ver men met de toebereidselen voor de reis was gekomen. Hij had -als regel aangenomen nooit buiten te komen, vóór alles klaar was, -en hij hield er van, een weinig op zich te laten wachten. - -Eindelijk stapte hij in, de wagen rolde weg en de boerenkarren volgden. - -"Och ja," zeide de ambtman, en hij dook zoo gemakkelijk mogelijk weg -in het hoekje van den wagen, "wanneer ik het volk, zooals b.v. vandaag -ook het geval weer was, zoo eerbiedig voor zijne overheidspersonen -zie staan, denk ik altijd: och, zij kunnen schreeuwen, zoo luid als -zij willen die socialisten van den tegenwoordigen tijd, het zal hun -toch niet gelukken dat oude overgeërfde ontzag, dat het volk voor de -overheid koestert, weg te nemen; ons volk is hiervoor te loyaal.... te -godsdienstig." - -"En te traag," voegde de officier van justitie er bij. - -"Nu ja.... gedeeltelijk kunt gij hierin gelijk hebben," antwoordde de -ambtman, en hij leunde nog wat meer naar achteren, om een middagslaapje -te kunnen houden. - -De wagens waren reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen de menigte -nog op den weg verzameld stond, en allen hadden veel te vragen. De -rechters waren zoo hals over kop weggereisd en waren zoo moeielijk -te genaken geweest, dat velen onverrichter zake naar huis moesten -terugkeeren. Door geen enkel woord gaf men echter zijn misnoegen te -kennen; hier en daar ontmoette men een knorrig gezicht, of zag men den -een of ander ontevreden het hoofd schudden; misschien was het maar -goed voor den ambtman, dat hij onbekend bleef met de gedachten der -lieden--hij zou misschien zijn middagslaapje dan niet zoo ongestoord -hebben kunnen genieten. - -De avond was nu gevallen, een koude regenachtige avond. In het westen -vertoonde zich aan den horizon eene smalle roodachtige streep. Voor -de stoep van het huis, waar de Lensmand woonde, stond de keukenmeid -met hare helpsters om de heeren te zien wegrijden. Rood en warm -zagen zij er uit; na al de drukte van den geheelen dag was het niet -te verwonderen, dat zij naar het vertrek des rechters hadden gesnakt -om gelegenheid te hebben wat frissche lucht te scheppen. - -Men verstrooide zich nu naar alle richtingen, sommigen alleen, anderen -in gezelschap van een paar makkers, allen echter met de handen in -de broekzakken. Nat en moede van zoo den geheelen dag in den regen -te hebben moeten drentelen en wachten, sleepten zij zich op den weg -voort naar huis. - -De opperloods reed in zuidelijke richting, en daar hij een flink -paard had, haalde hij de meesten in. Na een poosje zag hij Njaedel -te voet naar huis gaan. - -"Klim achter op, Njaedel!" Het aanbod werd aangenomen, en men reed -verder. - -Een oogenblik later haalden zij een karretje in, dat zeer langzaam -voortrolde. - -"Haal uit!" schreeuwde de opperloods. - -Het duurde vrij lang, eer het karretje wat op zij was en de andere -wagen voorbij kon komen. - -De leepoogige man zat in het karretje. Hij had geen haast, een lange -weg lag vóór hem en hij bracht geen vroolijk bericht naar huis. De oude -bruine merrie, die vóór de kar was gespannen ging op een sukkeldrafje; -bruinvaal was zij van ouderdom en ruigharig als eene geit. De man zag -zijn bruintje aan, en dacht aan zijn Isabella; hoe dichter hij bij -huis kwam, des te beklemder werd zijn gemoed. Hij wist toch te goed, -hoe zijne vrouw en kinderen in de zekere verwachting leefden, dat hij -van avond het beest meê naar huis zou brengen. Zijn oudste jongen had -reeds bij voorbaat eenen halster in de kar gelegd om er het paard meê -achteraan te binden. Hij zag ze reeds allen daar op de hoogte vóór -zijn huisje op den uitkijk staan. Zij zouden dan in allen geval reeds -op verren afstand zien, dat hij het verloren paard niet terugbracht, -maar natuurlijk zouden zij dan meenen, dat hij de zakken vol geld had. - -Hij keek in de kar.... ja, daar lag de halster. Hoe zou hij ze aan het -verstand kunnen brengen, dat de zaak "verdaagd" was. Het oude bruine -paard was zoo nat als een kat, en hij dacht maar voortdurend aan de -mooie manen van de Isabella en hoe rond en fijn van leden die was. - - - - - - - - -IV. - - -Toen de kar vóór de hoeve van Njaedel stilhield, ging de opperloods -meê naar binnen. Het huis was als uitgestorven; alle deuren stonden -wijd open en de kat liep mauwende rond. - -Zonder een woord te zeggen, ging Njaedel dadelijk naar de etenskast -en zette, doch het ging zeer langzaam, het eten op de tafel. De -opperloods was dadelijk gaan zitten en hij volgde hem met de oogen; -hij zag, hoe onbeholpen dit werk Njaedel afging en zeide dan ook: -"Hoor Njaedel, ik denk, dat je wel genoodzaakt zult zijn naar eene -andere dienstmeid uit te zien." - -"Neen!" riep Njaedel, en hij stampvoette zóó, dat de vloer dreunde. - -"Nu, nu.... eet mij niet op," antwoordde de opperloods. - -Toen zij aan 't eten waren, verzocht Njaedel hem eenen brief -aan Christina te schrijven, maar daar er bij hem aan huis geen -schrijfgereedschap was, kwam men overeen, dat zijn buurman den brief -t'huis zou schrijven; hij kon dien dan later aan Njaedel voorlezen. - -"Maar wat moet ik in den brief schrijven?" - -"Geen woord over van daag," antwoordde Njaedel. - -"Neen, neen, waar zou dat ook toe dienen... maar..." - -"Schrijf haar, dat zij niet boos op mij moet zijn en dat zij zich ook -niet bezorgd om mij moet maken.... dat ik het heel goed heb.... heel -goed zelfs.... dat mij niets ontbreekt." - -"Dat je je heel goed alleen kunt redden en je haar volstrekt niet -mist...." - -"Och ongelukkig genoeg mis ik haar zeer.... dat moet je haar schrijven -hoor," zeide Njaedel en hij schoof op zijnen stoel heen en weer. - -"Maar als zij leest, dat je haar zoo mist, dan heeft zij geen rust -meer, en...." - -"Ja.... dan moogt gij er niets van inden brief zetten," zeide Njaedel -op gejaagden toon. - -"Schrijf.... maar dat moet je zelf toch wel het best weten, buurman, -die schrijven hebt geleerd. Schrijf vooral zoo, dat Christina er -vroolijk door wordt.... hoe ik het heb, komt er niet op aan." - -"Zou je het niet goed vinden, als ik ook eenen brief aan je broer -schreef?" - -"Zeker, buurman, en vraag hem vooral voor Christine vriendelijk -te willen zijn. Betaling kan hij voor haar krijgen, zoo hij het -wil hebben." - -"Hij zal zeker kostgeld voor haar nemen." - -"Anders zit er warmpjes in," antwoordde Njaedel. "Dat is me een kerel, -die het ver in de wereld heeft gebracht. Ja mijne moeder wist het wel; -jij Njaedel, zei ze altijd, je bent een groote slungel, zoo stijf -als een stokvisch, maar Anders is fijn en glad als een aal." - -"Waarom nam hij na den dood van je vader de boerderij niet over, -hij was toch de oudste?" - -"Met alle geweld wilde hij, dat ik die overnemen zou." - -"Hij wist drommels goed, waarom hij zulks deed--hij liet jou met den -vervallen boel zitten en trok zelf met zijn geld de wijde wereld in." - -"Zoo moogt ge niet over Anders spreken, hoor," antwoordde Njaedel, -"hij was altijd zulk een flinke jongen. Het komt mij voor, alsof -het gisteren gebeurd was, dat wij voor moeder heidekruid gingen -plukken. Anders wist de mand zoo vol te pakken, dat er geen sprietje -meer in kon." - -"Maar jij droegt ze naar huis, hé?" - -"Wat?.. ja dat sprak van zelf, ik was van ons beiden de sterkste." - -"Maar wat doet hij eigenlijk voor den kost.., die Anders," vroeg -de opperloods. - -"Hij is werkzaam aan iets heel voornaams, maar hoe dat eigenlijk heet, -schiet mij niet te binnen." - -Njaedel ging naar de kast toe, om naar een ouden brief van zijn broer -te zoeken. - -De klink van de achterdeur werd zachtjes opgelicht en men hoorde -iemand door de keuken gaan. Het was er reeds tamelijk donker door -het regenachtige weder; in het Noordwesten alleen was er aan den -horizon eene lichte streep te zien, die een geelrood schijnsel in de -kamer wierp. - -Zoodra Njaedel zag, dat het Sören Börevig was, die binnenkwam, sloeg -hij de deur van de kast toe, en zeide ruw: "Gij komt zeker eens kijken, -of ik alleen in huis ben. Ja zie nu de bedden goed na.... misschien -kunt gij nog wat ontdekken, dat ergernis wekt.... gij...." - -"Het recht moet zijn loop hebben," antwoordde Sören op zachtmoedigen -toon, "en dringend vermaan ik je.... Njaedel...." - -"Wat komt gij doen?" viel hem de ander in de rede. - -Sören waagde niet te beweren, dat hij, ofschoon hij pachter van den -predikant was, alleen was gekomen om hem te vermanen; tegen zijne -gewoonte begon hij dus zonder omwegen, "ik heb met den advocaat -Tofte gesproken." - -"Over het wier aan het strand?" - -"Ja, daar praatten wij ook wat over. Hij meende, de advocaat.... dat -het maar zoo niet aanging, dat ik het wier, dat ik noodig heb, daar -niet van daan kon halen,.... dat kon.... dat kon...." - -"Misschien ergernis verwekken," merkte de opperloods droogjes aan, -terwijl hij bij den haard zijn pijpje aanstak. - -"Neen, dat meende hij nu juist niet, maar hij vond, dat het te -betwijfelen viel of die sloot...." - -"Ik heb mijn bewijs van eigendom," zeide Njaedel. - -"Ja, ja, dat hebt gij...." en Sören ging weer naar de deur.... "ik -kwam hier maar even binnen loopen, om te zeggen, dat wij dan wel -moeten beginnen." - -"Beginnen?" vroeg de opperloods. - -"Ja.... met het proces." - -"Proces!" riep de opperloods en hij kwam dichter bij "bedenk je -tweemaal Njaedel, vóór je daarmee aanvangt. Ik ken er, die voor -geringer zaak dan deze, huis en hof verloren hebben, alleen door dat -ongelukkige procedeeren. Meer dan één eerlijke kerel ligt eenige voeten -diep in de aarde.... en de advocaat Tofte was aan dien vroegtijdigen -dood schuld." - -"Gij moet zoo niet over uwen naaste spreken, opperloods, want de -advocaat meende ook, dat het een lang en kostbaar proces kon worden." - -"Ik graaf mijne sloot en daarmee uit," zeide Njaedel. - -"Dat zult gij wel laten Njaedel, wanneer de drost hier geweest is en -hij het verbiedt." - -"Het mij verbiedt?" - -"Ja, ziet gij," antwoordde Sören, "want gij moet dan met graven -wachten, totdat er uitspraak in de zaak is gedaan." - -Njaedel ging heen en weer in het vertrek, zette eenen stoel wat te -recht en zag besluiteloos den opperloods aan, doch eindelijk kwam hij -weer tot de hoofdzaak terug en zeide op vasten toon, terwijl hij de -eene hand tegen de andere sloeg: "ik heb mijn koopcontract van den -Bisschop te Kristiansand." - -"Gij kondt den bisschop wel eens vragen, hoe het eigenlijk met dat -wier aan het strand geschapen is," zeide Sören op zoetsappigen toon -en hij keek hem van ter zijde aan. - -"Ja,--daar zegt gij wat Sören," mompelde de opperloods, "het zou dan -niet op zoo groote onkosten loopen." - -"Of misschien zouden wij nog beter doen, het aan den koning te vragen," -zei Sören schijnbaar los weg en hij keek door het raam. - -"Ja, de koning staat toch boven den bisschop," zeide Njaedel, "maar -zou hij er ons op antwoorden?" - -"Wanneer wij de zaak bij het Departement indienden, en de -beslissing...." - -"Waar zegt gij?" - -"Bij het Departement," antwoordde Sören, die goed op de hoogte scheen -te zijn. - -"Buurman," zeide Njaedel tot Sechus.... "daar is Anders werkzaam, -dat woord wou mij maar niet te binnen schieten.... Maar hoort de -koning dan van de zaak?" - -"Ja," verklaarde Sechus, "dat is de weg naar den koning." Njaedel -dacht een oogenblik na. - -Dit voorstel viel meer in zijnen smaak, dan een proces. Buitendien was -Anders daar werkzaam en op deze wijze kon de zaak in eens afgedaan -worden; het was toch zonneklaar, dat hij in het gelijk zou gesteld -worden. - -Sören hield zich in het begin alsof hij liever procedeeren wilde, -maar meegaande van karakter als hij was, liet hij zich bepraten; -ten laatste nam hij zelfs op zich te zorgen, dat het stuk naar den -vorm opgesteld en ingezonden werd. - -"Maar den advocaat Tofte moet gij betalen, Njaedel." - -"Gij hebt den twist aangevangen, Sören." - -"Ja, maar zoo gij de sloot niet waart gaan graven....." - -Den opperloods gelukte het de partijen over te halen, de kosten samen -te betalen, en Sören Börevig vertrok. Het was nu vrij laat geworden, -en Sechus haastte zich naar huis te gaan. Toen hij weg was, ging -Njaedel naar den koestal. De koeien--hij had er zes--loeiden en -waren onrustig, zij hadden den geheelen dag niets te eten gehad en -waren niet gemolken. Njaedel begon nu aan dit voor hem ongewone werk, -en bracht het er heel slecht af. - -De dieren kenden hem niet, en hij ging zoo links en ruw te werk, dat -zij niet stil wilden staan, en de emmers telkens omver gooiden. Njaedel -bromde bij zich zelf, totdat hij eindelijk met het werk gereed -kwam. Het was twaalf uur, toen hij weer buiten vóór de boerderij -stond. In zijne volle lengte strekte hij zich uit, hij was doodaf -van het neerhurken in den stal. De zee lag vóór hem. De lucht was wat -opgeklaard en hij kon duidelijk de donkere streep, waar de sloot zich -bevond, onderscheiden. - -Hij verheugde er zich reeds op met een goed geweten weer aan den arbeid -te kunnen gaan. Spoedig zou er toch wel antwoord van den koning komen, -zoovele stoombooten voeren toch dagelijks de kust voorbij, en dat -hij gelijk zou krijgen, hieraan twijfelde hij geen oogenblik. Bij -voorbaat verkneukelde hij zich reeds in de misrekening, welke Sören -Börevig maakte en reeds begon hij na te rekenen, hoevele dagen zouden -moeten verloopen eer er antwoord kon komen. - -Toen hij weer naar binnen ging, moest hij nog de melk in de vaten -gieten en uiterst langzaam ging het hem af. Hiermede gereed zijnde, -ging hij naar boven; opende de deur van Christina's kamertje, en zag -in het half donker, dat er heerschte, rond. Hij draaide den sleutel -om en stak dien in den zak. Toen hij weer naar beneden ging, en de -trap onder zijne zware voetstappen zoo kraakte, dat dit geluid alleen -de doodsche stilte in het huis verbrak, schoten hem de woorden van -Sören Börevig te binnen, dat het recht zijnen loop moest hebben. - -Lang was hij te bed zonder in slaap te kunnen komen. Zijn hoofd had -vandaag te veel werk gehad en zijne ledematen te weinig. Hij miste -dat vermoeide in armen en beenen, hetwelk hij anders altijd voelde, -wanneer hij zich op zijn bed uitstrekte; hij begon integendeel aan -allerlei vreemde zaken te denken; hetgeen anders volstrekt niet zijne -gewoonte was. En Njaedel, die anders onder het zwaarste onweer door -bleef werken, werd nu telkens in zijnen slaap door de kat gestoord, -die in de keuken of wel voor Christina's kamer mauwde. - - - - - - - - -V. - - -Wanneer een stroom tegen eene vooruitstekende punt lands stoot, -stroomt het water deze voorbij, doch keert op zijnen weg terug, -wanneer hij de bocht achter die kaap met eenen kleinen maalstroom heeft -gevuld. Komt een stukje hout met den stroom meedrijven, zoo geraakt -het in dezen maalstroom; het draait in de bocht rond, en komt weer -bij de kaap, waar het echter door den stroom wordt teruggedrongen, -zonder er door te worden medegesleept, om weder in dien maalstroom -tot in het oneindige rond te draaien. Een zoodanigen cirkelgang van -eenen stroom noemt men in het Noorsch: Evje of Bagevje. - -De tallooze Evjer, die door den stroom des levens gevormd worden, zijn -gedeeltelijk zoo klein, dat er voor een enkelen persoon slechts plaats -in is, gedeeltelijk zijn zij zoo uitgestrekt, dat geheele familiën, -ja zelfs geheele partijen, er plaats in kunnen vinden; ja men kent -zelfs Bagevjer op historisch gebied, in welke een geheel volk om zich -zelf steeds heeft gedraaid, wel gedrukt, maar niet medegesleept door -den tijdstroom. - -Ook het maatschappelijke leven van een land heeft zijne Bagevjer, -en in Noorwegen noemt men de groote staats-Evjer, Departementen. Het -zijn geweldige massa's langzaam ronddraaiend papier, die evenals een -maalstroom, om eene diepe opening langzaam ronddraaien; niets bevindt -zich daar, maar alles wordt er in getrokken, draait er een poosje rond, -verdwijnt en laat geen enkel spoor achter. - - - -De kamerheer Delphin legde zijne pen neder, schonk zijn glas weer vol, -ledigde het in eenen teug, en bekeek zich ondertusschen in den vóór -hem hangenden spiegel. Het was laat in den nacht. Hij zat in zijne -hemdsmouwen met witte das en laag uitgesneden vest, want hij was -zeer warm. - -George Delphin was juist van een bal teruggekeerd en in zijne voor een -vrijgezel comfortabel ingerichte woning, op den Wergelandsweg, rookte -hij nu eene sigaar. Het was zijne gewoonte tot laat in den nacht op te -zitten--inzonderheid wanneer hij eene partij had bijgewoond--en wanneer -hij zich dan niet aan zijne piano plaatste, schreef hij soms het een -of ander artikel. Des morgens voelde hij zich dan altijd alles behalve -frisch, en gebruikte dan steeds eene groote hoeveelheid water uit- en -inwendig; maar wanneer hij later in zijn fraai gemeubileerd woonvertrek -kwam, waar juffrouw Börresen het ontbijt voor hem had klaar gezet, -zag hij er uit als de type van een elegant jong mensch. Hij was dan -ook eerst zeven of acht en dertig jaar oud; soms zag hij er evenwel -ouder uit, en dit kwam, wijl zijn fraai lokkig haar wat begon uit -te vallen. Na zijn ontbijt gebruikt en de kranten te hebben gelezen, -maakte hij zich gereed naar zijn Departement te gaan. Eerst echter ging -hij altijd naar de schrijftafel om te zien, wat hij eigenlijk in den -nacht had geschreven, en dikwijls was het einde, dat hij het beschreven -papier in kleine stukjes scheurde, die in den hoek bij de kachel eene -plaats vonden tot groote ergernis van de nette huishoudster. - -Het was een fraaie herfstmorgen. Het slotpark vertoonde zich in al -zijne pracht, het bont gekleurd gebladerte stak schoon af tegen het -overige nog groene loof. De rijm, die gedurende den nacht was ontstaan, -lag als dauwdruppels over het gras. De afgevallen bladeren en de -zwanevederen, die in de vijvers gevallen waren, geleken op vloten, die -op een gunstigen wind wachtten, om uit te zeilen, en de temperatuur was -zoo zoel, dat de wandelaars in het park onwillekeurig even stil bleven -staan om de heerlijke lucht in te ademen. Een onbepaald verlangen naar -iets, waaraan zij zelf geenen naam konden geven, maakte zich van hen -meester. Met de hand voor de oogen, om zich tegen de zonnestralen te -beschutten, tuurden zij naar de golf en naar de lange rij van heuvels, -die zich Zuidwaarts uitstrekten. De betooverende aanblik, welke het -landschap aanbood, werd nog vermeerderd, wijl de zonneschijn als een -verblindend witte doch ondoordringbare sluier, een geheimzinnig waas -over het geheel wierp. - -Toen de kamerheer door het park in de straat kwam begon het groeten, -want hij kende de geheele stad. Lange oefening had het hem mogelijk -gekost geenen groet ongemerkt te laten voorbijgaan. Aan de paarden wist -hij dadelijk, aan wie de rijtuigen behoorden, en hij kon zijnen groet -dus gereed houden. Oude of jonggetrouwde dames, die niet konden of -wilden uitgaan en die door de ramen naar de voorbijgangers zagen, -konden er op rekenen, dat de kamerheer niet zou vergeten, haar te -groeten: hij wist al te goed, hoezeer zij hierop waren gesteld; -terzelfder tijd kon hij echter ook het oog houden op de beide -trottoirs, of iemand daar ook den hoed voor hem afnam, ja, zelfs den -heeren, die op het achterbalkon van den tram stonden, werd in het -voorbijgaan een groet toegeworpen. - -Hij was dan ook een van de meest geziene personen in het "high life" -van de hoofdstad, ofschoon hij misschien meer gevreesd dan bemind -werd, want hij had eene scherpe tong en was van alles, wat voorviel, -op de hoogte. - -Vóór eenen winkel in de Koningstraat stond het rijtuig van den minister -Bennecken; George Delphin wilde juist den koetsier aanspreken, toen -juffrouw Bennecken den winkel reeds uitkwam. - -"Och beste kamerheer," begon zij, "dat komt al heel goed uit, dat ik -u ontmoet. Rijd met mij mee naar huis. Mama heeft mij uitgezonden, -om garneersel voor eene japon te koopen, en ik ben er bijna zeker -van, dat ik eene slechte keuze heb gedaan. Zoo gij met mij meegaat, -heeft zij niet de gelegenheid mij te beknorren." - -"Het spijt mij werkelijk, juffrouw Bennecken, maar ik ben op weg -naar mijn Departement. Wat zou uw vader zeggen, zoo ik niet op mijnen -tijd paste?" - -"O, wil u mij wijs maken, dat u bang voor Papa is? Kom maar;" zij -maakte een weinig voor hem plaats en hij kwam naast haar in het -rijtuig zitten. - -"Ik kan mij zeer goed begrijpen, dat meneer Delphin aarzelde, juffrouw -Bennecken te vergezellen," zeide een jong heer, die juist met eene -dame de equipage voorbij liep. - -"Ja ik vind het zeer natuurlijk. Arm kind, wat is zij leelijk," -antwoordde de dame, en zij vertrok even haren mond. - -"Leelijk haar, leelijke tint, grooten mond, een' kleinen platten neus, -en eene taille die veel te wenschen overlaat, het eenige wat gezien -mag worden zijn hare oogen." - -"Vindt gij hare oogen mooi," vroeg de dame, en zij zag hem aan. - -"O neen, niet zoo als die van eene andere, die ik ken," antwoordde -hij galant, "maar die oogen zijn nog het beste, wat zij der wereld -toonen kan." - -"O ja, zij heeft ook die vervelende hondenoogen, dom van uitzicht." - -"Heel dom moet zij dan ook zijn, is het niet?" - -"Ja, als eene gans, dat is algemeen bekend." - -Ondertusschen reed de kamerheer Delphin met juffrouw Bennecken -denzelfden weg terug, dien hij juist was afgekomen. De minister [5] -woonde in de Kristiaan Auguststraat. - -Toen zij de koetspoort inreden, ontmoetten zij een slank jong meisje, -dat juffrouw Bennecken groette. - -"Wie was dat," vroeg hij. - -"Eene nicht van Mo, zij heet Christine, vindt gij haar niet heel mooi?" - -"Naar mijnen smaak is zij te lang," antwoordde de kamerheer. - -Het huis van den staatsraad was in deftigen stijl gemeubileerd, men -zag dadelijk, dat alles op effect was ingericht. De dubbele deuren -stonden open en gaven toegang tot eene rij vertrekken, waarvan -mevrouw's boudoir het laatste was; mollige tapijten bedekten den -grond en zware gordijnen hingen vóór de vensters. - -De vrouw des staatsraads ontving den kamerheer buitengewoon -vriendelijk; zij stelde zijne visites op prijs, en met een verlicht -hart zag Hilda, dat zij eene goede ingeving had gehad, toen zij hem -mede had getroond. - -Mevrouw was in eene lichtgrijze morgenjapon gekleed en een kanten -mutsje bedekte het haar. Ofschoon zij reeds vijf en vijftig jaar -oud was, kon men haar evenwel nog eene schoone vrouw noemen, met -een paar schrandere maar koele oogen. In hare jeugd was zij eene -gevierde schoonheid geweest en voor mooie menschen had zij zelfs -bepaalde sympathie behouden. - -In gezelschap was zij levendig zonder geestig te zijn, en deftig -zonder stijf te schijnen; haar glimlach was innemend, en zoude zulks -nog meer geweest zijn, zoo die niet al te zeer aan dien glimlach -had herinnerd, welke als een familietrek, allen dames eigen is, -welke hare zes voortanden op eene plaat in den mond hebben. - -In het salon bevond zich ook de heer Alfred Bennecken, de jongste -zoon des huizes. Kort geleden was hij in de hoofdstad gekomen, en zijn -goede vriend Hiorth was hem juist een bezoek komen brengen. De jonge -hulpcommies school zoo ver hij kon in eenen hoek van het vertrek weg, -want hij moest op zijn bureau zijn, en het trof al heel ongelukkig, -dat juist de bureau-chef nu hier moest komen. Delphin groette hem -daarom juist bijzonder vriendelijk. - -"Nu moet gij.... meneer Delphin," zeide mevrouw, "ons uw oordeel -over eene zaak zeggen. Alfred is zoo teleurgesteld, de arme jongen, -dat Papa hem geene aanstelling in zijn Departement wil geven. Alfred -beweert, dat het niets dan natuurlijk en Europeesch is--zooals hij -altijd zegt--dat Papa hem wat voorthelpt, maar gij weet, hoe bang -Daniël altijd is, de minste aanleiding tot aanmerkingen aan de -oppositie te geven, en daarom...." - -"En daarom wil hij mij in die ellendige revisie-afdeeling plaatsen," -viel Alfred in, "waar ik geen sterveling ken, terwijl ik er juist -zoo op had gevlast met Hiorth op hetzelfde bureau werkzaam te kunnen -zijn.... waar is Hiorth naar toe gestoven?" - -Deze kwam nu van achter eene groote palmplant te voorschijn, en -speelde verlegen met zijn blond kneveltje. - -"Ja, het is werkelijk jammer voor Alfred," ging mevrouw voort, -"Daniël is altijd zoo streng ten zijnen opzichte geweest." - -Nu trokken echter de stalen, die Hilda had meegebracht hare aandacht, -en spoedig lag de geheele tafel vol. George Delphin hielp mevrouw -uitzoeken, en Hilda werd niet beknord. - -De jonge heeren bleven voor het raam staan. - -"Noem je dat geen overvloed van geluk, Hiorth, zij woont hier aan huis, -zij is familie van Mo--Mo, die bode bij Papa is." - -"Van Anders den Almachtige," zeide Hiorth. - -"Noemt gijlieden hem zoo aan het Departement.... dat is al een zeer -goede naam voor hem; ja, zie je, Anders de Almachtige is een broer -van haren vader--een gemeene rakker overigens, die van concubinaat -is aangeklaagd. Heb je ze gezien.... anders wil ik je met haar -bekend maken." - -"Waart ge in hare vroegere woonplaats goed met haar bekend?" - -"O ja.... zoo tamelijk," antwoordde Alfred, en hij kneep even de -oogen dicht. - -"Je zult zien, dat het met haar zal gaan als met haren vader?" - -"Wat?" vroeg Alfred. - -"Concubinaat," fluisterde Hiorth. - -Deze geestige zet wekte zoo de vroolijkheid der heeren op, dat zij -de kamer moesten uitgaan, om op de trap er hartelijk over te kunnen -uitlachen. - -Het was bijna één uur, toen de hoofdcommies aan het Departement kwam. - -Op zijne tafel lag eene menigte stukken, en Mo was juist bezig met -het lezen van eenige documenten in een geel omslag. - -"Wat zijn dat voor stukken, Mo," vroeg Delphin gehaast. - -"Dit stuk handelt over eenen twist, die over het recht op zeewier -aan de westkust ontstaan is, en is, naar mij voorkomt, eene zaak, -welke voor de rechtbank moet gebracht worden," antwoordde Mo, die -door zijn lang verblijf aan het Departement natuurlijk veel verstand -van zulk zaken had gekregen, en volkomen met de termen, bij het soort -van Departement in gebruik, bekend was. - -De bureauchef luisterde niet naar het antwoord, maar las reeds een -paar brieven, die aan hem persoonlijk waren gericht. - -"Och, breng dien hoop papieren naar Mortensen en zeg hem, dat hij -ze naziet en sorteert," zeide hij op ongeduldigen toon. Toen Mo -bij Mortensen in de kamer trad, was deze nog drukker dan zijn chef, -want hij schreef, zoo tusschen het werk door, een artikel voor zijne -courant. - -"Leg dat pak maar voorloopig in den chaos," zeide hij, zonder zelfs -op te zien. - -De "chaos" was een loket, dat het dichtst bij den vloer was, en onder -het bijzonder opzicht van Mortensen stond. Anders Mo nam het pakket -weer op, maar hij draaide het zoo, dat de papieren met het gele omslag -beneden kwamen te liggen; de gele kanten vouwde hij zelfs een weinig -naar binnen, en toen schoof hij alles zoover mogelijk in den chaos, -waar reeds vele andere stukken lagen. Anders Mo, die zijnen naam -Vatuemo tot Mo verkort had, was met den staatsraad bekend geraakt, -toen deze nog assessor was. In dien tijd was Mo handelaar in het -klein in etenswaren, en daar hij vlak naast den assessor woonde, -was hij in de gelegenheid aan de familie kleine diensten te bewijzen; -weldra was hij zoo in gunst gestegen, dat hij bijna even onontbeerlijk -voor Mevrouw als voor Mijnheer was. - -Toen de assessor in rang steeg en zelfs tot staatsraad werd benoemd, -klom Mo ook op, en verkreeg het ambt van bode bij het Departement. - -Voor deze betrekking was hij als geknipt; als eene kat sloop -hij van boven naar beneden, en het duurde maar kort, of hij was -volkomen te huis in elken hoek van het gebouw, en bekend met al de -geheimen en intriges van het Departement. Allen hadden min of meer -respect voor hem, en de staatsraad zelf scheen zich geheel door -hem te laten beheerschen, wat niemand kon begrijpen, maar het feit -bestond; en ieder was er volkomen van overtuigd, dat Anders Mo de -machtigste man aan het ministerie was. In het groote huis, hetwelk -de staatsraad bewoonde--hij had eene vrouw met geld getrouwd--had Mo -de portierswoning betrokken. Wel is waar was die half in den grond -gebouwd, en dus gedeeltelijk een kelder, maar wanneer men uit het -kamertje van den conciërge de drie trapjes af ging naar de andere -vertrekken, zagen die er vroolijk en gezellig uit, wijl het volle -daglicht ongehinderd door de hoog in den muur aangebrachte vensters -viel. - -Toen Christine bij hem was komen inwonen, was de middelste kamer tot -slaapvertrek voor haar ingericht. - -Nu moest echter haar Oom, zoo hij naar zijn kamertje wilde gaan, -altijd door het hare komen. Dit was juist niet zoo pleizierig, -maar eigenlijk kon het haar niet veel schelen. Oom Anders was zoo -vriendelijk tegen haar, en de mooie groote stad was zoo rijk aan -verrassing voor haar geweest, dat het gevoel van heimwee, waaraan -zij in het begin had geleden, spoedig verdwenen was. - -Bovendien troostte het haar op eene plaats te zijn, waar niemand -wist, aan welke schande haar vader zich zelf en dus ook haar -had blootgesteld. De familie van den staatsraad was altijd even -vriendelijk en juffrouw Hilda was zelfs een paar maal blijven staan, -om een praatje met haar te houden. - -Christine vond het meer dan voorkomend, dat zulk eene voorname -jonge dame met haar, die toch maar een eenvoudig boerenmeisje was, -wilde staan praten; daarentegen wist zij de vriendelijkheid van den -candidaat niet op den rechten prijs te stellen. Ten eerste was zij -er zeker van, dat Alfred wist, waarvan haar vader was beschuldigd, -en dan was er in den toon zijner stem en in de familiare wijze, -waarop hij haar groette, iets, dat haar angst aanjoeg. Neen, dan -mocht zij den doktor, den oudsten zoon in de familie, beter lijden, -maar met hem had zij slechts tweemaal gepraat. - -Toen Christine een paar weken, in de stad was geweest, kreeg zij een' -brief van huis. - -"Lieve Christine! De kat mist je zeer, zij doet niets dan mauwen en -je vader mist je ook zeer, maar hij toont het op eene andere manier, -namelijk hierin, dat hij machtig veel graaft en spit en hakt en als een -mijnwerker steenen op zijnen akker laat springen, dat hooren en zien -een' mensch vergaat, en het zelfs gevaarlijk is langs zijnen akker te -gaan van wege de steenen, het zand, het gruis en de klompen aarde, die -in de lucht rondvliegen; daarbij is de weg op zichzelf slecht, zoodat -ik medelijden heb met het vee en de lieden die er over moeten gaan. - -De reden hiervan is, dat men niet weet, wien dat stuk van den weg -toebehoort, en de Lensmand heeft mij naar den rotmeester (korporaal) -gezonden en de rotmeester heeft mij naar den ingenieur van de openbare -wegen gestuurd, die kapitein is, zoodat je zelf wel begrijpen kunt, wat -dat helpen zou. Maar je vader houdt zich beter dan ik gedacht had zoo -alleen, maar vier van de koeien heeft hij verkocht, wat maar goed is, -want het geleek op de verwoesting van Sodom en Gomorra in den koestal -en in de melkkamer, daar de koeien onder het melken zoo schopten; -maar jouw zwarte koe en die, welke hij bij den pachter van den dominé -heeft gekocht, zijn er nog, en geven goed melk, omdat hij ze naar mijn -domme verstand te veel voer geeft, wat hij echter niet erkennen wil; -hij wordt zelfs boos als men er van spreekt. Veranderlijk weer hebben -wij gehad, regenbuien en storm op zee, zooals ik ook in de couranten -heb gelezen, dat een hevige cycloon over den Atlantischen oceaan en -het kanaal is gevaren en een groot vaartuig van Christiania, dat van -Kubach kwam--of was het misschien Nevrok--zijn voormast verloren heeft; -maar daarnaar kunt ge vragen en er mij eene nauwkeurige beschrijving -van geven. Je vader groet je, zoo ook met buitengewone hoogachting: -de ondergeteekende - - Lauritz Boldemann Sechus. - - - - - - - - -VI. - - -In den herfst, wanneer de familie Falck-Olsen van hare villa naar de -stad terugkeerde, gaf zij altijd een groot bal. - -De groothandelaar--op dien titel was hij zeer gesteld--hechtte zeer -aan dit bal, waarop hij, behalve de jongelui, die werken, dat is -dansen moesten voor hun souper, ook eenige der voornaamste familiën -van de stad uitnoodigde. - -Wanneer al de jongelui meê werden geïnviteerd, vond hij, dat hij zijne -uitnoodigingen tot buiten zijnen gewonen kring kon uitstrekken: hij -had toch gelukkig ruimte genoeg in zijn huis; wanneer hij kleinere -partijen gaf, ging het moeielijker. - -Maar de groothandelaar Falck-Olsen behoorde tot de parvenus in de -hoofdstad, zijn naam had nog te weinig goeden klank. Hij was een -vermogend man geworden door het verkoopen van bouwgrond, en door een' -houthandel; in het begin van zijne loopbaan was alles echter op zeer -kleine schaal ingericht geweest. Nu, zooals gezegd is, was hij rijk en -was het het doel van zijn streven toegang tot de hoogere kringen in de -maatschappij te verkrijgen. Op den staatsraad Bennecken, met wien hij -kennis had gemaakt, toen deze nog assessor was, stelde hij zijne hoop, -en de vriendschappelijke verhouding scheen van jaar tot jaar inniger -te worden. De dames in de stad verwonderden er zich ten hoogste over, -want de familie Bennecken behandelde een ieder nog al uit de hoogte; -de heeren meenden, dat zulks door zaken kwam; Falck-Olsen had den -minister zeker wel eens aan geld geholpen, en eenigen geloofden zelfs, -dat hij nu en dan nog wel eens bijsprong. In het algemeen maakte men -zich een weinig over den ijdelen koopman vroolijk, want, daar hij -door eigen arbeid zijn geld verworven had, beteekende die rijkdom in -de oogen van de meesten niet veel. George Delphin placht te zeggen: -"dit is het onaangename van de geschiedenis, dat juist wanneer men -denkt met den voornamen groothandelaar Falck te spreken, men op eens -bemerkt, dat men met den simpelen houthandelaar Olsen staat te praten." - -Mevrouw Falck-Olsen deelde volstrekt den smaak van haren man -niet voor groote partijen: zij hield meer van kleine gezellige -damestheevisites. Het was niet bekend, waar zij geboren en opgevoed -was; haar stamboom was, zoo drukte de kamerheer Delphin zich uit, -één van de eerste boomen geweest, dien haar man had neêrgeveld, toen -hij in rang begon te stijgen. Intusschen had zij zeer goed haren man -op zijnen weg kunnen volgen, omdat zij leerzaam van karakter zijnde, -ook eene groote mate van geduld bezat; haar optreden was tevens zoo, -dat zij een niet al te scherp contrast met de elegante woning maakte. - -Wel had Delphin voor gewoonte, haar in het geheim nog "madam" [6] Olsen -te noemen, en ook was het één zijner altijd terugkeerende geestigheden, -de bals in het "danslokaal" bij Olsen te beschrijven. Zij evenwel, -die mevrouw kenden, waren het er allen over eens, dat, zóó mevrouw -soms tegen de etiquette zondigde, die fout te vergeven was, omdat -hare goedhartigheid daar ruim tegen op woog. Zij had eene statige -houding, en zooals zij nu vóór de komst der gasten in een licht grijze -moiré japon al de vertrekken nog eens doorging om te zien of alles -in orde was, zag zij er zelfs heel goed uit. Haar man ging van het -eene vertrek naar het andere, maar hij was onrustig en zenuwachtig; -de bedienden werden ieder oogenblik door hem beknord, en telkens keek -hij op zijn horloge. - -"Wat scheelt je vandaag, manlief," vroeg mevrouw, "je stelt je aan, -alsof je den koning zelf verwacht!" - -"Zeur niet en bemoei je maar met je eigen zaken," antwoordde hij. - -Een oogenblik later kwam hij naar haar toe, en zei op een toon, die -onverschillig moest heeten: "van morgen vroeg ik den consul Lind ons -bal te komen bijwonen." - -"Ben je mal?" vroeg mevrouw. - -"Wat? Ben ik misschien niet even goed als hij, en het kwam zoo ter -sprake: wij ontmoetten elkaar op de Actiën-Bank." - -"Verzocht je zijne dames ook?" - -"Neen," luidde het antwoord eenigszins aarzelend. - -"Nu, dan kunt gij er stellig op rekenen, dat hij niet komt; dat was -vreeselijk dom van je, Ole Johan!" - -"Zoo!" bromde haar man tusschen de tanden; het was echter meer dan -eens gebeurd, dat zijne vrouw de zaak beter had ingezien dan hij. - -De oudste dochter kwam nu binnen. Den heer des huizes ontsnapte een -vloek, en mevrouw riep uit: "maar lief kind, wat beteekent dit nu," -en beiden staarden zij stijf van verwondering hunne dochter aan. - -Juffrouw Louise was in eene zwart wollen japon gekleed en een smal -geplooid kraagje stond hoog tegen den hals aan, het haar was in -een kleine wrong opgestoken, terwijl grove katoenen handschoenen, -die haar volstrekt niet pasten, het toilet voltooiden. - -Eerst trachtte zij hare ouders onbevreesd in de oogen te zien, -doch op eens barstte zij in schreien uit. "Hans.... Hans.... heeft -gezegd.... dat ik mij zoo moet kleeden." - -"Hans.... maar nu raakt mijn geduld ten eind," riep haar vader uit, -"en gaat hij voort, je op die manier het leven zuur te maken, zoo is -het maar het best het engagement te verbreken." - -"St.... St, Ole Johan! Maak je niet zoo driftig. Laat mij maar een -oogenblik met Louise spreken. Ik hoor daar reeds eenige gasten in -de vestibule." - -Haar man verliet dadelijk het vertrek om de eerste gasten te ontvangen, -en mevrouw ging met Louise naar boven om haar moed in te spreken. - -De gasten, eenige langbeenige jongeheeren, waren zeer verlegen, dat zij -het eerst waren gekomen. Zij gingen achter elkander de vertrekken door, -eindelijk kwamen zij in eenen hoek van het verst afgelegen kabinet te -recht, waar zij hunne linkschheid trachtten te verbergen door onder -elkander te lachen over niets. - -Het eene rijtuig na het andere hield nu voor de deur stil en weldra -waren velen der gasten gekomen. De gastheer ontving de genoodigden in -het eerste vertrek, mevrouw zat in het kleine salon, voor de groote -danszaal. De jongste dochter Sophie en de kamenier waren nog bezig, -Louise een meer presentabel voorkomen te geven; eindelijk kwamen de -beide zusters binnen. - -Juffrouw Sophie was een mooi meisje en haars vaders lieveling. Hij -ging van het groote plan zwanger, voor haar een' echtgenoot in de -hoogste kringen te zoeken, en hij was onvermoeid, haar opmerkzaam -op zoogenaamd goede partijen te maken. Half in ernst half in scherts -luisterde zij naar hem, maar toen hij op zekeren dag haar den kamerheer -George Delphin als eene geschikte partij voorsloeg, dacht zij wat -ernstiger over de zaak na en besloot eene poging te wagen. Zij zag er -van avond allerliefst uit in hare witte baljapon, waarvan de rok en -het zijden lijf rijk met strikken waren gegarneerd. Zij fluisterde -haar moeder even in welke moeite zij had gehad, Louise in een ander -toilet te doen verschijnen, en mengde zich toen onder de gasten. - -Louise zag er uit als een slachtoffer. Zij had nu eene witte japon -aan, en ook handschoenen, die bij het overige toilet pasten; in het -laatste oogenblik was het der kamenier zelfs nog gelukt haar een -takje meibloemen in het haar te steken. - -Met angstige blikken zag zij overal naar Hans rond, maar daar zij -hem niet in het oog kon krijgen, liet zij zich eerst voor éénen dans, -en toen voor nog eenen engageeren.... wat haar óók verboden was; ten -laatste stond zij, vóór zij het zelf wist, temidden van een groepje -jonge dames, met wie zij naar hartelust praatte en lachte; toen een der -heeren haar het balboekje uit de hand nam, ten einde zijnen naam nog -bij een der dansen te schrijven, was zij zelf ten uiterste verwonderd, -dat hij het haar zichtbaar teleurgesteld teruggaf--voor alle dansen -was zij reeds geëngageerd. - -Hare beste vriendin, Caroline Hjelm, zeide haar, dat zij er nooit -zoo goed had uitgezien als van avond, maar Louise's hart klopte -zeer onrustig. - -Meer en meer gasten kwamen er binnen. - -In het midden der groote zaal stonden de jongedames in groepjes -en deden alsof zij druk met elkaar praatten. Eigenlijk bestond het -gesprek meest in uitroepen van verwondering en niets beteekenende -vragen, op welke men ook geen antwoord verwachtte; soms hoorde men -eenige zenuwachtig lachen, want allen waren te zeer van het gewicht -van het oogenblik vervuld, om oog of oor voor iets anders te kunnen -hebben dan.... voor het balboekje met volgeschreven namen. - -De heeren stonden bij de deuren; eindelijk vatten zij moed, gingen -dwars door de zaal naar de plaats, waar de jonge dames stonden, -maakten eene buiging, vroegen om een' dans, liepen elkaar tegen het -lijf, struikelden over de lange slepen der dames en verloren hunne -kleine balpotlooden. De twee vrienden Hiorth en Bennecken, die beiden -aan juffrouw Sophie Falck-Olsen het hof maakten, kwamen haar tegelijk -om een dans vragen. Zij had nog maar één dans vrij en dien schonk -zij Bennecken. Hiorth vertoonde een gelaat, dat vertwijfeling moest -uitdrukken, en engageerde nu Hilda Bennecken, die daar juist in de -buurt stond. - -Zij had nog vele dansen vrij, want ofschoon zij als dochter des -ministers er zeker van kon zijn, dat zij niet den geheelen avond -zou behoeven te zitten, zoo behoorde zij tot degenen, die men het -laatste ten dans vroeg, en niemand gaf zich zelfs eenige moeite, -het haar niet te laten merken, dat men haar welstaanshalve vroeg. - -De kamerheer Delphin, die door den staatsraad bij de Falck-Olsens -was geïntroduceerd, danste zeer zelden. "Hij was er te oud voor," -zei hij zelf; nu en dan danste hij een paar maal eenige toeren met -die jongere getrouwde dames, welke in zijn' tijd gevierde schoonheden -waren geweest. Toen hij echter het gezicht zag, dat Hiorth trok, nadat -hij juffrouw Bennecken ten dans had gevraagd, ging hij door de zaal, -maakte eene buiging voor haar en vroeg met haar eens te mogen dansen. - -Een gloeiend rood overtoog haar gelaat, en zij zag hem eenigszins -wantrouwend aan; zij wist toch, hoe hij er van hield, de menschen -voor den gek te houden. - -Ondertusschen had hij reeds haar balboekje in de hand genomen, en -vroeg haar om de Française na het souper. Zij kon niet goed "neen" -antwoorden, ofschoon zij daartoe veel lust had. - -Delphins wijze van handelen had zeer de opmerkzaamheid in de zaal -getrokken, de dames staken de hoofden bijeen en fluisterden met -elkander. Hilda Bennecken voelde zich zeer ongelukkig en verlegen, -wat haar leelijker dan ooit maakte. Zij nam haar toevlucht tot Louise, -die juist in eenen aanval van moedeloosheid, haren nood aan Caroline -Hjelm klaagde. - -Eenige heeren, die er acht op hadden gegeven, dat George Delphin -juffrouw Bennecken voor eenen dans had geëngageerd, geloofden, dat -zulks een' verstandige zet van hem was geweest, en zij haastten zich -dus zijn voorbeeld te volgen. Tegen alle gewoonte kreeg Hilda haar -balboekje vol, en er stonden zelfs de namen van de meest fashionable -cavaliers in te lezen. - -Het bal werd met eene Polonaise geopend; de gastheer en de vrouw des -ministers waren het eerste paar. De staatsraad was nog niet gekomen. - -"Daniël heeft het tegenwoordig zoo ontzaglijk druk," zeide mevrouw -tot verontschuldiging. - -Daar de consul Lind er ook nog niet was, gevoelde de heer Falck-Olsen -zich niet recht in zijnen schik. Onder de wandeling verbeterde zijn -humeur zich wat, want de zaal leverde een fraai gezicht op. - -De kamerheer mocht zeggen, wat hij wou van "Olsens Danslokaal," eene -fraaier balzaal was er bijna niet in de stad te vinden en toen de lange -rijen feestelijk gekleede dames en heeren op de tonen der muziek door -de zaal wandelden, straalden de oogen van den gastheer van trots. - -Er waren dan ook vele voorname lui; de uniformen maakten een -goed effect, en verscheidene heeren droegen een ordelint in -het knoopsgat. Bankiers, kooplieden, professoren, kamerheeren, -buitenlandsche consuls, allen waren er vertegenwoordigd; aan deftige, -welluidende titels ontbrak het niet; het was dan ook een werkelijk -genot voor den gastheer, die titels telkens te noemen, terwijl hij -met de vrouw des ministers de zaal rondwandelde. - -"Hoe allerliefst ziet uwe Sophie er van avond uit," zeide mevrouw -met een innemend lachje. - -"Het is mij hoogst aangenaam dit te hooren; ja, ik vind ook, zoo ik de -waarheid wil zeggen, dat Sophie iets gedistingueerds over zich heeft." - -"Juist wat ik wilde zeggen," antwoordde mevrouw, en zij lachte hem -in stilte uit. Nu wilde de gastheer ongelukkiger wijze mevrouw ook -een compliment maken, en daar Hilda Bennecken juist met een niet zeer -jong heer, een leeraar of iets dergelijks, zich bij de Polonaise had -gevoegd, begon hij haar uiterlijk buitensporig te prijzen. - -"Och, geef u die moeite niet," riep mevrouw uit, "onze dochter Hilda -kan op geene schoonheid bogen." - -"Maar mevrouw--ik vind juist het tegendeel," stamelde de gastheer. - -"U is waarlijk al te vriendelijk, mijnheer Falck-Olsen," en mevrouw -lachte eenigszins gedwongen. De gastheer begreep, dat hij zich dom -had aangesteld. - -Hij kreeg echter weldra gelegenheid dien dommen streek goed te -maken. Haar zoon Alfred stond in hunne nabijheid en hij begon nu -dezen zeer te prijzen; tot zijne voldoening merkte hij, dat mevrouw -met belangstelling naar hem luisterde, terwijl haar blik den jongsten -zoon volgde. - -Nu nam het dansen een aanvang; ofschoon de muziek uitstekend was, -scheen de echte danslust er nog niet te zijn. De drie groote kronen -en de lustres aan de wanden goten een zee van licht uit in de fraai -gedecoreerde zaal. Aan de eene zijde bevonden zich kleine kabinetten, -waar een aangenaam half donker heerschte, en waar--zooals mevrouw -Bennecken zeide, de beenen konden rusten en de harten spreken. Alfred -danste met eene uitdrukking op het gelaat, welke voor hoogst comme il -faut wordt gehouden, als een daglooner, die, om aan den kost te komen, -hard moet werken. - -Op dezelfde wijze danste zijn vriend Hiorth. Over het geheel -hadden de heeren dat onverschillige voor alles in hun voorkomen, -dat welopgevoeden jongelui past. Slechts eenige getrouwde heeren van -middelbaren leeftijd, die met de jongste dames dansten, zagen er uit, -alsof zij er werkelijk pleizier in vonden, in het zweet huns aanschijns -rond te draaien. - -Na elken dans verdwenen de heeren in de meer afgelegene vertrekken, -die op de plaats uitkwamen, en daar deden zij zich aan punch en -toddy te goed. Kwam men hun zeggen, dat een andere dans begon, dan -werd de sigaar uit den mond genomen, en met een' ontevreden trek -op het gezicht maakten zij zich gereed weg te gaan. Eerst namen zij -echter nog gauw een glas punch of cognac, alsof zij eene reis in een' -kouden winternacht moesten ondernemen; eindelijk sleepten zij zich -met moeite naar de zaal, waar zij de dames op den geur van tabak en -wijn onthaalden. - -De eene dans volgde op den anderen, maar de rechte vroolijkheid kwam -maar niet, zooals het gewoonlijk in de eerste uren gaat. - -"Ja, ja, het zal wel beter worden," mompelde de gastheer bij zichzelf, -"wanneer de heeren wat meer "onder stoom" zijn," en hij gaf aan de -bedienden bevel, wat meer punch en cognac rond te dienen. - -Alfred Bennecken zag er onrustig en geheimzinnig uit. Wanneer iemand -hem vroeg, voor welke dame hij den volgenden dans bestemd had, gaf -hij een ontwijkend antwoord. Zijn vriend Hiorth merkte zelfs, dat hij -voor de meesten der eerste dansen niemand geëngageerd had. Bennecken -scheen op iets te wachten. - -De met zulk een' angst verwachte Hans was eindelijk gekomen. Louise -had hem slechts vluchtig in het voorbij dansen gezien. Zij had haar -oordeel in zijn bleek gezicht gelezen, en was daardoor bijna half -dood van schrik. Maar de jonge candidaat Smith, met wien zij danste, -sprak op zulk eene boeiende wijze over eene voetreis, die hij in -Jotunheim gemaakt had, dat zij telkens haar verdriet vergat; toen zij -een oogenblik daarna haren verloofde nergens meer zag, wiegde zij haar -geweten met iets in slaap, dat zij wist, dat Hans met den naam van -"verslaafdheid aan de zonde" zoude betitelen. - -Toen de dans geëindigd was, zocht zij in de zaal naar Caroline Hjelm om -haren bijstand te vragen. Deze was eene nicht van Hans, en volstrekt -niet bang voor hem. Louise smeekte hare vriendin bij de vriendschap, -die zij elkaar toedroegen, naar Hans te gaan om hem te verklaren, -dat men haar gedwongen had in een passend baltoilet te verschijnen -en hem te vragen of hij erg boos op haar was. - -Caroline was dadelijk bereid, dit te doen; zij durfde Hans zeer goed -hare meening zeggen. Zij zocht hem in alle vertrekken, en vond hem -eindelijk snuffelende in eene boekenkast. - -"Goeden avond Hans! Louise laat je door mij vragen, of zij eenen -dans voor je open zal houden," zeide Caroline en zij knikte hem -vriendelijk toe. - -Hij keek haar eerst met zijne lichtblauwe kleine oogen strak aan; maar -toen zijn blik op de verstokte Caroline volstrekt geene uitwerking -scheen te maken, vroeg hij: "Heeft Louise je werkelijk gezegd, dit -aan mij te vragen?" - -"Ja, waarom niet? Denk je misschien, dat het zonde is te dansen. Toen -ik mijne belijdenis had afgelegd, zeide de dominé, dat het geoorloofd -is te dansen, mits men zulks met een rein hart doe.... en dat hebt -gij toch zeker, neef Hans, is het niet?" - -"Ik wil niet meer met je spreken Caroline, want gij zijt een kind -dezer wereld." - -"Foei, Hans, hoe kunt je zoo praten," riep Caroline beleedigd uit, -"ik kan mij niet begrijpen dat Louise, die zoo allerliefst is, jou -wil nemen.... voor alles in de wereld zou ik je niet voor mijn man -willen hebben!" - -"Ik wil trachten Louise uit dit huis der zonde te redden!" - -"Hè.... je bent een akelige vent, adieu," zei de onverbeterlijke -Caroline, en zij keerde naar het salon terug. - -Eindelijk kwam de staatsraad Bennecken binnen. - -Hij was een knap rijzig man; zijne bloeiende gelaatskleur trok -altijd de aandacht, vooral omdat hij geenen baard droeg. Zoodra de -gastheer hem zag binnen komen, ijlde hij hem tegemoet en boog als -een knipmes. Had de heer Falck-Olsen, wanneer hij met den staatsraad -onder vier oogen was, ook de gewoonte op heel familiaren toon met -hem te spreken, zoo had deze toch, wanneer hij, zooals nu ook het -geval was, in al zijne deftigheid, met de ordeteekenen op de borst en -geheel het uiterlijk van den staatsman optrad, iets dat hem ontzag -inboezemde. Buitendien was de staatsraad zijn voornaamste gast--het -eigenlijk glanspunt van het feest, en stralend van geluk geleidde de -kleine levendige koopman den voornamen heer door de salons. - -Deze begroette de vrouw des huizes zeer hartelijk, sprak een weinig met -al de oudere dames en was de vriendelijkheid zelf. Toen er eene pauze -in de balzaal was, ging hij de dochters des huizes begroeten, en daarna -trok hij zich terug in de bijzondere vertrekken van den gastheer, -waar de voornaamste leden van het gezelschap zich hadden verzameld. - -De komst van den minister had den stempel op het feest gedrukt. Delphin -placht altijd te zeggen, dat men bij die Falck-Olsens altijd min of -meer het gevoel had, alsof het hoofd er ontbrak, want gastheer en -gastvrouw beiden verloor men zoo spoedig uit het oog, dat men bijna -hunne tegenwoordigheid vergat. - -Van avond had men echter in den persoon des ministers een punt gekregen -waarom men zich kon verzamelen, wijl deze, als een intiem vriend van -de familie, er borg voor was, dat men zich in goed gezelschap bevond, -en als 't ware verlof gaf, zich zoo goed mogelijk te amuseeren. De -nieuwbakken glans, die nog over alles in het huis lag, werd daardoor -minder gezien, ja zelfs min of meer gewettigd. Nu eerst begon het -bal met recht; de "daglooners" glimlachten min of meer onder hunnen -zwaren arbeid, en de gastheer dacht er niet langer aan, dat consul -Lind weggebleven was. Hij wreef zich de handen van pleizier, want -men begon "onder stoom" te komen; thans nog het souper, en alles ging -naar wensch. - -Zoodra Alfred zijn vader had zien binnenkomen, sloop hij naar de -vestibule, nam zijne overjas en verliet het huis. - - - - - - - - -VII. - - -Christine zat in de gezellige voorkamer en schreef een' brief aan -haren vader,--dat wil zeggen aan den opperloods, want Njaedel kon -geen geschreven schrift lezen. - -Oom Anders had het portier van het rijtuig, waarmede de staatsraad -naar het bal zou rijden dichtgeslagen en was toen, zooals 's avonds -zijne gewoonte was, uitgegaan: hij had altijd zoo veel te doen. - -Terwijl zij zat en in de lamp tuurde om te bedenken wat zij eigenlijk -zou schrijven, werd er aan de deur geklopt en Dokter Bennecken trad -de kamer binnen. - -"Neem mij niet kwalijk.... is Papa al naar het bal gereden," vroeg hij. - -"Ja, juist," antwoordde Christine. - -"O, dat treft al heel slecht, ik wou met hem meegereden zijn." - -Eigenlijk maakte de dokter zich hier aan eene groote onwaarheid -schuldig, want hij had op den hoek der straat op het wegrijden van -zijn' vader staan wachten. Nu hij echter het doel van zijn streven -bereikt had: een oogenblik ongestoord met haar te kunnen spreken, -scheen hem de moed daartoe te ontzinken, en hij zou zeker de deur -weer zijn uitgegaan, zonder een woord meer te zeggen, zoo Christine -niet had gezegd: "misschien komt het rijtuig wel terug." - -"Ja dat is best mogelijk.... ja, dat zal het zeker," zeide hij. - -Beiden lieten het voorkomen, alsof zij zulks geloofden, ofschoon zij -heel goed wisten, dat de minister met een huurrijtuig was uitgereden; -'s avonds gebruikte hij nooit zijne eigene équipage. - -"Wil u niet zoo lang gaan zitten," zeide Christine; Oom had haar -gezegd, dat zij de menschen met u moest aanspreken [7]. - -De dokter bedankte haar vriendelijk en deed de deur dicht. Johan -Bennecken had eenige trekken met zijnen vader gemeen; dat imponeerende, -evenwel, wat dezen eigen was, ontbrak hem geheel; integendeel zag hij -er uit als een eerlijke vent met een goedhartig gezicht, die niet al -te hoog timmerde; daarenboven was hij kreupel. - -De dokter begon nu met het jonge meisje te praten, hij ging echter niet -zitten maar bleef tusschen de deur en de tafel staan. Hij was gewend -met menschen uit allerlei stand om te gaan, zoodat Christine hem zeer -goed begreep; het gesprek werd ook meer en meer levendig en liep over -het verschil, dat er bestond in de manier van leven in de stad en op -de plaats, waar zij van daan kwam, en over dergelijke onderwerpen. - -Wanneer hij iets zeide, dat hare vroolijkheid wekte, en dit gebeurde -meer dan eens, lachte zij hartelijk en boog het hoofd wat op zijde, -zoodat het schijnsel van de lamp juist op haar fraai lokkig rood haar -viel, dat zij van haren vader had. Ook zijn gezond bloed scheen zij -geërfd te hebben, want zij was sterk gebouwd, en wanneer zij zich in -hare volle lengte oprichtte, had zij eene manslengte. - -Buiten loeide de wind; het was een echt gure herfstavond, maar -hierbinnen zag het er werkelijk gezellig uit; de lamp brandde zoo -helder, het vloerkleed was juist gelegd, en aan een vroolijk vuurtje -ontbrak het niet. - -De dokter was gekleed in zwarten rok; zijne overjas had hij -aangehouden; nu werd die hem echter te warm, en hij knoopte haar een -weinig los; eindelijk zette hij zich half op den kant van de tafel -met zijnen rug tegen den muur. - -Telkens wanneer zij een rijtuig hoorden aanrollen, zeiden zij: -"daar is het nu" en wanneer het voorbij reed, zeiden zij: "neen, -het was het niet!" - -Er werd aan de deur geklopt; deze ging open, Alfred kwam de kamer -binnen en riep op vroolijken toon: "Goeden avond!" Eerst stond hij -geheel uit het veld geslagen, toen hij zijnen broeder zag; spoedig -herstelde hij zich echter en zei op boosaardigen toon: - -"Ei.... ei.... een tête-à-tête!.... of is juffrouw Christine misschien -ziek?" - -Christine, die dit als scherts opnam, wilde antwoorden, maar toen -zij zag, hoe ernstig de dokter eensklaps was geworden, kon zij van -verwondering geen woord uitbrengen. - -"Ik wou hier op het rijtuig wachten,.... ik meende dat het terug zou -komen," zeide Johan op eenen toon, die onverschillig moest heeten, -doch verlegen klonk. - -"Welk een goed bedacht voorwendsel! Wat Amor toch vindingrijk maakt," -riep Alfred, en hij zette zijn lorgnet op, "ah zoo.... ge stondt hier -op het rijtuig te wachten? Aardig van je bedacht, hoor!" - -"Ik verzoek van uwe verdere opmerkingen verschoond te -blijven,--Alfred!" - -"Wel, wel.... gij verzoekt er van verschoond te blijven.... misschien -mag ik verzoeken, om in denzelfden verheven stijl ons gesprek voort -te zetten.... mij eene meer geldige verklaring te geven van uwe -tegenwoordigheid hier op dit uur." - -"Wat raakt je dat?" - -"Ah zoo, de stijl wordt wat minder hoogdravend. Van mijnen kant vraag -ik er ook niet naar, want verdere inlichtingen heb ik niet noodig; -de verhouding is mij duidelijk.... volkomen duidelijk," en hij zag -hen beurtelings aan, "maar mama zal er zeker veel belang in stellen -te hooren hoe haar oudste zoon hier aan huis, wanneer allen uit zijn, -op den loer ligt." - -"Neem je in acht Alfred, en zeg geen woord meer," riep Johan en hij -trad eene schrede naar hem toe. - -"Laat ons deze wanden niet met broederbloed bezoedelen," antwoordde -Alfred en een valsche glimlach speelde om zijnen mond, terwijl hij -zich achter eenen stoel verschanste. Christine ging wat dichter naar -den dokter om te trachten, hem tot kalmte te brengen, doch juist -wendde hij zich naar haar en zij zag, dat hij doodsbleek was. - -"Wees niet bang" zeide hij, "en neem het mij niet kwalijk, dat zulk -een tooneel hier voorgevallen is.... het is geheel buiten mijne -schuld. Goeden nacht. Kom Alfred.... het wordt nu tijd voor ons." - -"Voor ons," vroeg Alfred op hoogen toon, en hij maakte zich gereed, -zijnen hoed op den stoel, die naast hem stond, te leggen. Doch vóór -hij nog recht tot bezinning kon komen over hetgeen eigenlijk met -hem gebeurde, stond hij op de straat. Met een forschen ruk had zijn -broeder hem uit de portierswoning geworpen en zoo kort en goed een -einde aan de zaak gemaakt. - -Christine stond als versteend; zij hoorde de broeders de ramen -voorbijgaan, een paar woorden ving zij nog op, maar eindelijk hoorde -zij niets meer. Zij zelf zag er ook bleek uit, en aan haren linker -slaap vertoonde zich eene roode vlek; het was het litteeken van de -wonde, die zij aan het hoofd op dien vreeselijken nacht had gekregen, -toen het huis was ingestort en hare moeder met de twee andere kinderen -onder het puin bedolven waren geraakt. Eene heftige woordenwisseling -had er tusschen de broeders plaats; toen zij aan den hoek der straat -waren gekomen, sloegen zij ieder eenen anderen kant in, natuurlijk -zonder elkaar goeden nacht te zeggen. Johan had geen lust meer het -bal te gaan bijwonen. Hij ging dadelijk naar zijne woning. Eenigen -tijd geleden had hij een paar kamers gehuurd, wijl de vrouw van den -staatsraad het zeer onaangenaam vond, telkens op de trap met zijne -arme patiënten in aanraking te komen. Juist zou het souper beginnen, -toen Alfred weer in de balzaal verscheen. - -"Waar ben jij al dien tijd geweest," vroeg Hiorth. - -Alfred maakte een zeer geheimzinnig gebaar, hetwelk zijnen vriend -aanleiding gaf hem vriendschappelijk een paar stompen in de zijde te -geven en te beknorren. Zij gingen samen naar het buffet, want Hiorth -beweerde, dat zijn vriend eene hartversterking noodig had. In de kleine -zaal en in de daar naast gelegen kamers stonden de tafels gedekt -[8]. Eerst bedienden zich de oudere dames, en heeren, daarna lieten -de jongere dames zich van hare cavaliers bedienen, maar vóór dat deze -nog half klaar waren, begonnen de heeren voor eigene rekening om de -tafel heen te dringen. Als een dikke zwarte vliegenzwerm plaatsten zij -zich om de eerste tafel, dan vloog een troepje weêr naar eene andere -tafel en zoo ging het steeds door, geen wonder dat men onwillekeurig -aan de plaag der sprinkhanen in Egypte begon te denken. Zij vielen op -alle schotels en borden neer, en geheel vervuld van het gewicht van -het oogenblik, stonden zij zwijgend, alles nauwkeurig onderzoekende; -dan begon het opscheppen, kauwen, en doorslikken met vollen ijver; -het leven, dat men met de vorken en messen maakte, verbrak alleen -de stilte, en het had er veel van of er eene groote eetmachine aan -het werk was. De jonge verlegen student Hansen had--de hemel weet -waar--eene flesch Sherry te pakken gekregen. Zoodra de sprinkhanen -hier lucht van kregen, reikten zij hem hunne glazen toe. - -Goedhartig, als hij van natuur was, schonk hij de glazen telkens weer -vol, totdat hij eindelijk met een leeg glas in de eene en eene leege -flesch in de andere hand stond. - -Dit wekte natuurlijk algemeen den lachlust op, doch lang duurde dit -niet--er viel geen tijd te verliezen. - -Vleeschpasteien, coteletten, ragoûts, wildbraad, kippen, heerlijk -gestoofde groenten, pikante sausen, kleine gebakken aardappelen, -alles verdween in een oogwenk; men zou hebben kunnen gelooven, dat er -valluiken in den vloer waren verborgen. Neef Hans stond vlak voor een -vleeschpastei met aspersies, en hij verroerde zich niet van de plaats, -ofschoon zijne buren hem vrij gevoelig in den rug stompten. Naast -hem stond de candidaat Smith, die goeden eetlust op zijne voetreis -naar de Jotunheim scheen opgedaan te hebben; hij at filet de boeuf -met eenen lepel, graag zou hij eene vork hebben gaan halen, doch -zoolang als er nog champignons op den schotel voorhanden waren, -had hij niet veel zin, zijn goed plaatsje er aan te geven. - -Hiorth en Bennecken hadden het slimmer aangelegd; zij hadden zich -bij de deur van de keuken geplaatst, en wanneer de bedienden met de -gerechten aankwamen, maakten zij zich veelal van eenige meester. Eene -tafel met sigaren en andere rookbenoodigdheden werd leeg gemaakt en -in eenen hoek getrokken; daar aten zij nu op hun gemak; ook was het -hun gelukt eenige flesschen achter eene portière te verbergen. - -De voornaamsten onder de heeren zaten in het particulier vertrek van -den gastheer, waar eene tafel voor hen gedekt was. Delphin had aan -het gezelschap der dames de voorkeur gegeven en soupeerde met haar; -in de balzaal wandelden eenige jonge dames heen en weer, die de -grootste verachting voor eten en eters koesterden. Het meerendeel -der dames had nu een zeer verzadigd gevoel, doch de sprinkhanen -strekten hunnen tocht tot aan de kleine zaal zelfs uit, waar de dames -gesoupeerd hadden. Uitgenomen een paar oudere dames, die nog naar -eenige aspersiekopjes of malsche kippeboutjes snuffelden, was daar -niemand meer. - -De gastvrouw was er zeker van, dat zij genoeg had laten gereed -maken; toen zij evenwel zag hoe de heeren de eene portie na de -andere verorberden, begon zij min of meer ongerust te worden, en -een der gasten die in hare nabijheid stond, hoorde haar mompelen: -"goede hemel, het is alsof hunne maag een zak zonder bodem is." - -Mevrouw Falck-Olsen verviel soms in de vulgaire uitdrukkingen -van vroegere dagen, vooral wanneer zij in zenuwachtigen toestand -verkeerde. Wanneer de bediende even de deur der kamer, waar de -staatsraad en eenige andere heeren zaten, open liet staan, konden -Hiorth en Bennecken, die in de nabijheid zaten, nu en dan een of -ander woord opvangen, waaruit zij begrepen, dat er eene politieke -discussie gevoerd werd. - -"Die Falck-Olsen is eigenlijk toch een groote ezel, en goede manieren -zal men hem zeker nooit kunnen leeren," zeide Bennecken, en hij hield -even met eten op, "hij begrijpt nooit, welke menschen hij eigenlijk -moet inviteeren." - -"Wat?" antwoordde Hiorth, "de heele stad is hier bijna." - -"Wat ben je onnoozel, Jonas. Nu, je gezondheid!" en hij leegde -zijn glas. "Daar zit hem de knoop, zie je, dat hij Jan en alleman -uitnoodigt. Je kunt wel begrijpen hoe onaangenaam het voor mijn vader -is, hier met allerlei politieke tinnegieters samen te zijn." - -"Daar heb ik waarachtig nog nooit aan gedacht," zeide Hiorth, en hij -zag heel diepzinnig. - -"Eenige dagen geleden hoorde ik mijnen vader tot Falck-Olsen zeggen: -"wanneer gij niet partij kunt kiezen...." - -"Zoo.... zoo.... nu verder," zeide Hiorth heel nieuwsgierig, en hij -boog zich dichter naar zijnen vriend. - -"Wat ben je een uilskuiken, Jonas, hij zei niets meer, maar je kunt -begrijpen, wat het zeggen wil." - -"Ja natuurlijk.... hm.... bl.... zei je vader dat werkelijk." Hiorth -lachte en knipoogde zijnen vriend geheimzinnig toe. - -Vóór de Française na het souper speelde het orkest, melodieën uit -"le petit Duc." Het ging nu zeer geanimeerd toe; alle dansers, die -in het begin van den avond hun werk zoo ernstig hadden opgenomen, -zagen er werkelijk uit alsof zij zich amuseerden. De vroolijke muziek -jaagde het bloed, dat door het lekkere souper en de fijne wijnen wat -verhit was geraakt, sneller door de aderen. - -De candidaat Smith neuriede onophoudelijk eene Fransche melodie, -uit eene operette, hem door een' oud vriend, die in Parijs geweest -was, geleerd. - -Caroline Hjelm, met wie hij danste, wilde o zoo gaarne weten, welke -woorden hij eigenlijk zong; maar hoe zij hem ook verzocht ja zelfs -plaagde, ze mede te deelen, haar cavalier weigerde hardnekkig. Hij -beweerde dat men ze niet goed in 't Noorsch kon vertalen. - -Caroline, die zich nooit zoo gauw uit het veld liet slaan, verzekerde -hem, dat hij het gerust kon wagen ze te zeggen; zij was niet voor -zoo'n beetje vervaard; en kon heel wat verdragen; hij neuriede maar -steeds dezelfde melodie tot antwoord, totdat zij zeide, dat zij den -inhoud er bijna van begreep. - -Dit nu was de dans, voor welken Delphin Hilda Bennecken had -geëngageerd; waarom hij zulks had gedaan, was hij bijna vergeten. In -de eerste toeren nam hij ook bijna geene notitie van zijne dame maar -voerde een levendig gesprek met mevrouw Hjelm, die bij de deur vlak -achter de dansende paren zat. - -Hilda Bennecken merkte dit natuurlijk dadelijk, en vond het -allesbehalve aangenaam. Den geheelen avond had zij er zich deels over -verheugd, deels over beangstigd den kamerheer Delphin tot cavalier -te krijgen. - -Wel was hij altijd, wanneer hij bij hare ouders aan huis kwam, heel -vriendelijk tegen haar, maar meer op een wijze, alsof hij haar nog -voor een kind aanzag; hij had haar trouwens ook gekend, lang vóór -zij hare belijdenis had afgelegd. - -Dikwijls had zij bij zich zelf gedacht, hoe prettig zij het zou -vinden, zoo hij haar eens voor een' dans engageerde, en nu het er -eindelijk toegekomen was, voelde zij zich zeer teleurgesteld in hare -verwachtingen; al de pikante woorden, welke zij den geheelen avond -van hare vriendinnen over de onderscheiding, die haar ten deel was -gevallen, had moeten aanhooren, schoten haar nu te binnen, en zij -wenschte maar, dat hij haar de eer van met haar te willen dansen, -niet had aangedaan. - -Toen de derde toer zou beginnen, vroeg hij haar het een en ander, -om toch ten minste wat aan zijne dame gezegd te hebben. Zij keek -hem aan, en Delphin zei bij zich zelf: "zij heeft werkelijk een paar -mooie oogen!" - -Na deze ontdekking, zette hij zijn gesprek met wat meer belangstelling -voort, om haar te dwingen, hem aan te zien. De goedhartige bruine oogen -bezaten eenen glans, waarom velen haar zouden hebben kunnen benijden, -en toen zij langzamerhand door den vroolijken toon, dien hij aansloeg, -den moed kreeg hem op dezelfde wijze te antwoorden, had het leelijke -gezichtje eene uitdrukking, die men er al te zelden op lezen kon. - -Toen de dans geëindigd was, zei hij: "neen, maar is de dans werkelijk -uit, lieve juffrouw Bennecken!... daar begrijp ik niets van. Wij -hebben niet meer dan vier toeren gedanst.... op zijn hoogst nog wel!" - -Zij zag hem eerst een weinig wantrouwend aan, maar antwoordde toen -glimlachend: "het komt omdat u de twee eerste toeren met mevrouw -Hjelm hebt gedanst." George Delphin wist een goed antwoord altijd -zeer op prijs te stellen. Hij was er door verrast en juist wilde hij -haar antwoorden, toen zij door een paar werden aangesproken, dat weer -door andere gevolgd werd. Eer de kamerheer zijne dame echter verliet, -vroeg hij haar, hem de eer aan te doen, op al de bals gedurende dezen -winter de eerste Française na het souper met hem te willen dansen. - -De stemming in de balzaal werd meer en meer vroolijk: "men was onder -stoom." Onmogelijk was het bijna in de paren, die daar op de tonen -der muziek zoo luchtig heen zweefden, de "daglooners" van het begin -van den avond te herkennen, en toen na middernacht het dessert en de -champagne rondgediend werden, had de vroolijkheid haar toppunt bereikt. - -De staatsraad was altijd gewoon, wanneer het feest zoo ver gekomen was, -eenen toast uit te brengen op den gastheer en zijne familie--eene korte -speech, zooals het eenen staatsman betaamt; bloemrijke uitdrukkingen -gebruikte hij nimmer. Op zulke kleine redevoeringen, waarin hij echter -met de grootste omzichtigheid zijne woorden woog, was hij zeer gesteld; -in gewone gesprekken beperkten zijne antwoorden zich veelal tot eenige -wel aangebrachte handbewegingen, soms vergezeld van een bescheiden -glimlachje, doch van het laatste maakte hij zeer matig gebruik. - -De toast op de dames werd door een jong dichter uitgebracht. Niet lang -geleden had hij een bundel gedichten uitgegeven onder den titel "Losse -pennetrekken." Natuurlijk sprak hij nu ook in poëzie en grooten bijval -viel hem ten deel; de dames vonden echter den inhoud zeer droefgeestig. - -Daarna begeerde tot grooten schrik zijner vrienden, de candidaat Smith -het woord. Hij vergastte het gezelschap met eene gloeiende schildering -van den Jotunheim. Nooit is het volkomen opgehelderd geworden of het de -wijn dan wel de liefde was, die hem zoo opwond. Als de gasten hem op -zijnen verren tocht volgden, den hoogsten berg met hem bestegen--hij -vertelde hun zelfs hoeveel honderd voet--tusschen afgronden en over -gletschers met hem doolden, kwam daar op eens in zijne rede eene -beschrijving van een paar oogen en eene feeëngestalte, die, zooals -later eenigen beweerden, Caroline Hjelm had moeten voorstellen. Wat -hiervan moge zijn, zeker zou het met zijnen toast gegaan zijn, zooals -in zeker sprookje staat: "is het niet uit, dan duurt het nog voort," -indien de jonge, bloode student Hansen niet plotseling als een raket -de rede afgebroken had, met den uitroep: "Leve Jotunheim!" - -Onder het gelach, dat hierdoor ontstond, werden op den toast tot -groote ergernis van den spreker de glazen geledigd. - -Voor den student Hansen hadden de zaken eene zeer treurige wending -genomen. Toen het hem na het souper was gelukt, eene flesch portwijn -machtig te worden, besloot hij zich er nu alleen aan te goed te -doen, en zich niet weer zoo door de anderen voor den gek te laten -houden. Hij school dus achter eene étagère weg; om zich te wreken, -ledigde hij het eene glas na het andere; maar ongelukkigerwijze bleek -de wijn machtiger dan de student Hansen, en toen hij met opgerichten -hoofde en strak voor zich uitstarende oogen door de balzaal schreed -om midden in eene Française iemand voor een dans te engageeren, -sleepte een zijner vrienden hem bij den arm mede, terwijl hij zeide: -"Maar Hansen, wat is het nu met je, je bent zoo stomdronken, dat je -bijna niet op je beenen kunt staan, kerel!" - -Deze onvriendelijke woorden maakten zulk een pijnlijken indruk op -den student Hansen, dat zijn trots er voor goed door gebroken was en -hij in bange vertwijfeling verviel. Uit dezen toestand ontwaakte hij -juist vroeg genoeg om door eenen uitroep een eind aan den toast van den -candidaat Smith te maken. De cotillon ging wild toe. Verscheidene paren -belastten zich te gelijk met het arrangeeren der verschillende toeren -om dan later in een woesten galop door de ruime zaal te dansen. De -saaie Hans had den geheelen nacht met zijnen donkeren blik overal -zijn meisje gevolgd en toen Louise eindelijk, door Caroline half -voortgeduwd, naar hem toekwam om wat met hem te praten, draaide hij -haar den rug toe en ging naar huis. - -"Och stoor je niet aan hem," zeide Caroline om haar te troosten, -"hij is zoo in vervelend, zoo...." - -Louise stond een oogenblik geheel vernietigd, maar toen zij haren -cavalier, met wien zij juist zou dansen, zag aankomen, fluisterde zij -hare vriendin in: "Ik heb van avond zoo'n pleizier, dat ik er morgen -wel wat knorren voor wil verdragen." - -Na deze lichtzinnige woorden, zweefde zij weer de zaal door. Het was -vier uur in den morgen. Dicht in hare mantels gewikkeld stonden de -moeders doodmoede in de vestibule en de aangrenzende kamers op hare -dochters te wachten, die nog eventjes een enkelen toer wilden dansen; -de vaders stonden ook reeds met de overjas aan en de sigaar in den mond -gereed om heen te gaan en ledigden nog staande een glas. Maar in de -zaal danste men nog steeds alsof het om het leven te doen was. De paren -vlogen als waanzinnigen van het eene einde der zaal naar het andere, -de lichten in de kronen flikkerden en walmden in de van stof opgevulde -zaal. Onder en naast de stoelen en sofa's lagen verwelkte bouquetten, -afgescheurde garneersels van baljaponnen, dansprogramma's en zakdoeken, -die veel van vodden hadden, terwijl de reukzenuwen zeer onaangenaam -werden aangedaan door de vieze geuren van pommade en andere odeurs -waarmede de lucht bezwangerd was. Toch stormden de heeren er maar -moedig op los; hun fraai gefriseerd kapsel was in wanorde geraakt, -en viel hun telkens in de oogen, terwijl de das scheef zat; met de -dames was het niet beter gesteld; de baljaponnen waren niet veel -meer dan flarden van tulle en tarlatan, die zich om de beenen van -hare cavaliers heenslingerden. - -Wie zich nog het best van allen gehouden had, was Sophie -Falck-Olsen. Haar kapsel, hare handschoenen, haar japon zagen er uit, -alsof zij zich juist voor het bal had gekleed, en geen oogenblik -was de vriendelijke glimlach van haar gelaat verdwenen. Toch was -zij niet over den avond tevreden. Delphin had zich zeer weinig aan -haar gelegen laten liggen, Alfred Bennecken was onuitstaanbaar, -Jonas Hiorth afschuwelijk geweest. Eindelijk waren de gasten gereed -afscheid te nemen, en het laatste rijtuig rolde over de straat. - -Meneer Falck-Olsen stak eene versche sigaar aan en vlijde zich toen -zoo gemakkelijk mogelijk in eenen leuningstoel. Mevrouw Falck-Olsen, -die vreeselijk warm was, maakte hare japon los en deed zich te goed -aan de overblijfsels van het dessert, want, zeide zij tot haren man, -zij had honger als een wolf. - -Sophie beknorde, terwijl zij zich ontkleedde Louise een weinig en -deze snikte zich eindelijk in slaap. - -Bennecken had nog geen lust naar huis te gaan en zat nu bij Hiorth -op de kamer nog een glas punch te drinken. Beide vrienden waren in -eene bewogen stemming en onder het storten van heete tranen zwoeren -zij elkander eeuwige vriendschap--neen niet eens zou de liefde, -die zij beiden voor Sophie koesterden, dien band kunnen verbreken; -daarna kwam het gesprek op den kinderdoop, en hierover geraakten zij -hevig in eenen twist, die niet eindigde, vóór dat eindelijk Alfred -zijne eigene kamer opzocht. - - - - - - - - -VIII. - - -Den zuidwester vast onder de kin gebonden--het was stormweêr--kwam -op een der laatste Novemberdagen de opperloods onder het neuriën van -zijn lievelingswijsje "mijn liefste Katrijn, je ziet mijn hartepijn" -de hoogte af. - -Er was een brief van Anders gekomen, en de opperloods wist, hoe -ongeduldig Njaedel naar bericht, de zaak betreffende, uitzag. - -Daar in de vlakte lag Njaedels lage huis, tusschen de akkers, -die hij zelf had ontgonnen; verderop zag hij in het zand de sloot, -die half klaar was. Juist reden een paar karren vol wier, naar de -hoogte. "Sören wist wel, wat hij deed, toen hij Njaedel overhaalde, -zijne zaak voor den koning te brengen;" mompelde hij bij zich zelf. - -Uit het Zuidwesten blies de felle wind over het lage strand. Het was -een zware herfststorm en ofschoon het nog niet laat op den middag -was, begon de duisternis reeds te vallen. De opperloods bleef een -oogenblik staan; met den blik van een' zeeman zag hij naar alle -zijden over de zee, vóór hij van de hoogte naar beneden ging. Naar -het Zuiden eindigde de zandvlakte in naakte klippen, van welke eenige -ver in zee uitstaken; de golven stieten er met geweld tegen aan, soms -stonden zij zoo hoog in de lucht, dat zij voor een oogenblik als eene -witte kolom zich tegen de loodkleurige lucht afteekenden, om daarna -in woest schuimende vaart over de steenen zich eenen weg te banen. - -Naar het Noorden kon zijn oog in eene lange kromming de schuimende -streep van de branding volgen; zij was zoo breed, dat volgens de -berekening van den opperloods de branding reeds op tien vadem water -begon. Recht voor hem uit naar het Noorden, kon hij soms tusschen de -schuimende golven door het zoo even aangestoken licht van Bratvolds' -vuurtoren te zien krijgen. - -Geen enkel zeil was in het gezicht; de zwartachtige wolken scheurden -wel vaneen, doch zonder echter van plaats te verwisselen--zwaar, -lang aanhoudend stormweer was te verwachten. Een onafgebroken -golfgeklots!--Het geraas der zee was vreeselijk, nu en dan hoorde men -een geknal, als van kanongebulder op grooten afstand. De wind joeg -over de heide en piepte langs de telegraafdraden langs den straatweg; -de meeuwen, die over de zee naar land kwamen, vlogen met uitgespannen -vleugels in schuine richting tegen den storm in. - -Toen de opperloods aan het gedeelte van den weg was gekomen, dat van -het hek van Brevig tot het Zwarte Moeras liep, was het gedaan met -neuriën; integendeel mompelde hij iets dat op een vloek geleek. - -Groote ronde steenen lagen midden op den weg, het regenwater, dat -van de hoogte naar beneden dwars over den weg was gestroomd, had daar -eene diepe gleuf achtergelaten vol kleine steenen. - -"Het zou toch maar het best zijn, dien Anders, die zoo bl.... knap -moet zijn, er over te schrijven," bromde hij bij zich zelf; de -ergernis welke dit gedeelte van den weg hem altijd veroorzaakte, -was een nagel aan zijne doodkist. - -Njaedel zat midden op zijnen akker dwars over eenen grooten steen, -waarin hij bezig was een groot gat te houwen. Met forsche slagen kwam -zijn werktuig telkens neer. Van tijd tot tijd hield hij even op, en -droppelde in het gat wat water uit eenen natten lap, die in eene oude -blikken doos lag, welke door lieden uit de stad, die een dag buiten -hadden doorgebracht, vergeten was. Door zijn rood kroes haar blies -de wind zóó, dat het naar alle kanten uitstond, en hij was met zulk -een' ijver voor zijn werk bezield, dat de opperloods reeds naast hem -stond, vóór hij zijne komst had bemerkt. "Goeden dag buurman!" zeide -Njaedel. Hij hield met kloppen op en haalde zijnen maatstok voor den -dag om te zien, hoe diep het gat al was; toen hij hoorde, dat er een -brief van Anders was gekomen, gooide hij alles weg, en sprong van den -steen op. Zij gingen naar binnen en staken eene kaars aan. Het vertrek -zag er zeer wanordelijk uit, de vloer was ondenkbaar morsig en het bed -lag nog onafgehaald. Njaedel ging vlak voor den opperloods zitten en -volgde nauwkeurig al zijne bewegingen. Hij was zeer mager geworden; -zijne handen bewogen zich zenuwachtig heen en weer. - -Zijn buurman had ook wel wat vlugger te werk kunnen gaan, maar brieven -lezen is geene kleinigheid en eischt tijd. De brillenglazen moeten -naar behooren gepoetst worden, de enveloppe moet bekeken en eindelijk -voorzichtig aan den bovensten kant worden geopend. Het was een breed -grijs omslag van het Departement en met lak verzegeld. "Den Hoog edelen -Heer, den Opperloods Lauritz Boldemann Sechus" zoo luidde het adres. - -"Bl......, wat een omhaal!" mompelde de opperloods. - -"Door dezen wordt u de ontvangst meegedeeld van twee brieven gedateerd -den eersten September en den twintigsten October laatstleden. Daar -Gij de volmacht mijns broeders in zekere zaken schijnt te bezitten, -zoo wend ik mij tot u met mijn schrijven, om u te verzoeken, -mijnen evengenoemden broeder den inhoud er van mede te deelen. Uit -het hierboven reeds geciteerde schrijven van den twintigsten -October schijnt te blijken, dat mijn broeder de niet zeer gegronde -meening schijnt te koesteren, dat de twist, die tusschen hem en den -pachter Sören Börevig aangaande het recht op zeewier ontstaan is, -reeds onmiddellijk ter behandeling zou zijn voorgekomen. Zulks is -intusschen niet het geval. Ten gevolge van andere rechtszaken, die -eerst afgehandeld moeten worden, hebben wij ons met de genoemde zaak -nog niet bezig kunnen houden." - -Sechus hield even met voorlezen op. - -"Lees dat nog eens," zeide Njaedel. - -De opperloods las het begin van den brief nog eenmaal langzaam voor. - -Njaedel schudde het hoofd; op eens sprong hij heftig van zijnen stoel -en sloeg met de vuist zoo hard op de tafel, dat het brillenhuis van -zijnen vriend hoog in de lucht sprong. - -"Nu, nu Njaedel, maak je niet zoo driftig.... de brief is nog niet uit, -misschien komt het beste op het eind." - -Vooral wordt de opperloods verzocht het mijnen broeder duidelijk te -maken, dat eene zaak van zulk eenen grooten omvang als de bovengenoemde -niet zonder veel extra werk, waarop groote kosten zullen komen, -zoo spoedig ten einde kan worden gebracht. Intusschen valt hier aan -te merken, dat de som van twee honderd kronen, indien dit geld per -ommegaande werd gezonden, van eenige uitwerking zou kunnen zijn om -de genoemde zaak wat schielijker afgemaakt te krijgen en verklaar ik -mij bereid voor de uitbetaling van dit geld zorg te dragen, zonder -daarvoor de partijen op grootere onkosten te willen jagen.-- - -"Begrijpt gij, wat hij meent buurman?" - -"Neen," antwoordde Sechus, en hij las het nog eens over; op eens riep -hij uit: "nu ben ik er achter--hij meent, dat wij moeten smeren!" - -"Wat moeten wij doen?" - -"Ja, zie je, dat kan ik beter begrijpen dan jij; ik ben op de hoogte -van zulke zaken," zeide Sechus op loozen toon, "want toen ik in der -tijd met "De Hoop der Familie," voor den consul Garman te Sandsgaard -voer, zei de consul altijd, wanneer ik in de lente met haring naar de -Oost-zee reisde: "hoor Sechus, wanneer je nu in Riga ankert, moet je, -zooveel als je maar kunt, de tolbeambten, de sjouwers en allen met -wie je te doen mocht krijgen, smeren. Het is niet goed spaarzaam te -zijn, waar het noodig is geld uit te geven," zei de consul. En heel -wat roebels, en heel wat sterken drank kostte dat, dat kunt ge wel -denken. Het is zeker wel zoo iets, dat je broeder meent." - -"Geloof je dan, dat de koning er betaling voor wil nemen?" - -"De koning," antwoordde Sechus, en hij zag Njaedel met eenen -meêlijdenden glimlach aan; "neen zeker niet, buurman. De blanke -daaldertjes zijn wel versmolten, eer zij zoover gekomen zijn. Het is -zeker een van die voorname heeren met goudgalon op de jas, aan wien -hij het geld moet geven; die gaat dan naar den koning en vraagt hoe -het met je zaak gelegen is. In Petersburg heb ik eenmaal zulk een -snuiter gezien; hij reed in eigen rijtuig met twee paarden er voor en -het tuig was van echt zilver; toch was hij geen enkelen roebel van -zich zelf rijk; hij leefde enkel van fooien, vertelde mij de klerk -van den makelaar." - -"Ja, dan geloof ik, dat zóó de vork in den steel zit," zei Njaedel. - -"In allen geval verlangt hij, dat ge hem dadelijk twee honderd kronen -zendt.... misschien wil hij voor zijne moeite betaald worden." - -"O, zou Anders geld van mij willen hebben," antwoordde Njaedel, -eenigszins beleedigd door deze woorden. - -Sechus las verder: - -"Wat nu de tegemoetkoming betreft voor het verblijf van de dochter -van mijnen eigenen broeder in mijn huis, waarover in bovengemelden -brief ook gesproken werd, zoo zal hier van mijne zijde nooit aan -gedacht worden." - -"Nu, zei ik het niet," riep Njaedel trotsch uit. - -"Mocht het verblijf onder mijn nederig dak slechts tot een waren -zegen voor haar worden. Het jonge gemoed wordt helaas al te licht -medegesleept door de ijdelheden dezer wereld, en is zoo geneigd -de vermaningen en waarschuwingen van oudere menschen in den wind -te slaan. En aan veel gevaar is een jong meisje in eene groote -stad blootgesteld, zoodat wij wel voor haar mogen bidden en haar -toewenschen, dat zij geen gewillig oor aan de stem der verleiding -en der vleierij moge leenen, maar integendeel, dat zij luisteren -moge naar hen, die haar met hunne ervaring willen voorlichten. Ja, -mogen wij allen een geopend oor hebben voor de stem der waarheid zoo -lang het nog dag voor ons is. - -Met bijzondere hoogachting, - -Andreas Mo." - - -"Ja, die Anders--die Anders," zeide Njaedel op den toon van de grootste -bewondering, "het is juist als moeder altijd zei: jij Njaedel," -zei zij, "jij bent een groote slungel, maar...." - -"Ik zou wel willen weten, wat hij eigenlijk meent," viel Sechus hem -in de rede, en hij trok een heel bedenkelijk gezicht, "het ziet er -bijna uit, alsof iemand op Christine loert." - -"Ben je gek, opperloods? Maar wat zullen wij nu doen?" - -"Ja, wij moeten haar schrijven, dat zij op moet passen en...." - -"En met Anders moet spreken, schrijf dat vooral, en ook, dat zij Oom -Anders in alles moet gehoorzamen." - -De opperloods haalde dadelijk papier, pen en inkt voor den dag, -die nu altijd bij Njaedel voorhanden waren, en schreef: "Lieve -Christine!" toen kwam er een lange pauze. - -"Nu opperloods, zit je aan den grond?" - -"O, in het geheel niet;" antwoordde Sechus ietwat gebelgd over deze -vraag, en hij schreef: Het gaat met de jonge lieden, evenals met -den grooten Deenschen os, die te Sandsgaard was, maar nu ik mij -wel bedenk, kan ik die historie van den os niet vertellen daar het -einde heel leelijk is; maar nu laat je vader je zeggen, dat je in -alle dingen Oom Anders om raad moet vragen, want aan verzoekingen -is de jeugd overal blootgesteld, b. v. mijne zuster Amelia--ja, -het is nu een twintig jaar geleden, dat zij stierf, en zij zei, dat -haar doodsdag de gelukkigste dag van haar leven was;--het was juist -op den eersten Februari van het jaar, toen de bliksem in den koestal -van den Lensmand sloeg--alles door de betoovering der liefde en hij -was op den koop toe een schurk; zijn gezicht leek op borstplaat, -en hij woont nog in de stad, ik noem geenen naam, maar wanneer hij -mij ontmoet, kijkt hij altijd recht voor zich uit, en doet of hij -mij niet kent. Zoo is het menig braaf meisje gegaan. Daarom vraagt -je vader je, dat je in alles je zult richten naar Oom Anders en dat -ge volkomen vertrouwen in hem zult stellen. - -Nu hebben wij hier alle dagen stormweer op zee, en geen schip is er te -zien, wat heel goed is, want het is donkere maan, en dikke mist hebben -wij ook, maar de stoombooten storen zich er in het geheel niet aan, -wat een parabel voor mij is, vooral daarom, wijl zij geheel uit ijzer -zijn gebouwd; maar ik las in eene krant dat nu alles aan boord van -ijzer is, tot de masten en de tonnen zelfs, wat ik vind, dat vervloekt -veel van eene leugen weg heeft. Je vader is wel, laat hij je zeggen. - - Je toegenegene - - Lauritz Sechus. - -Postscriptum. Je moet aan je Oom zeggen, dat het geld, waarover hij -heeft geschreven, hem gezonden zal worden zoodra je vader het bij -elkaar heeft kunnen krabben, maar je moet ook vragen of het, daar de -tijden zoo slecht zijn, niet voor wat minder kan afgemaakt worden, -en dan vraag voor mij aan Oom Anders ook, of hij niet een woordje -kan zeggen aan den persoon, die over alle Lensmands, rotmeesters en -kapiteins gesteld is, want dat het nu een echte zwijnenboel aan het -Zwarte Moeras is, wat ge zelf ook getuigen kunt, maar nu is het erger -dan vroeger. - -Toen de brievenbesteller dezen brief bracht, stond Christine juist,--en -zij had er hare rokken wat voor in de hoogte gebonden--de keukendeur -af te nemen; want, ofschoon haar oom er een dienstmeisje op na hield, -hielp zij aan al het huiswerk. - -Er waren ook brieven en couranten voor de familie bij, die gewoonlijk -aan den conciërge ter hand werden gesteld. Alfred kwam juist het -huis uit om naar het Departement te gaan, toen hij de brieven op de -tafel in de woning van den conciërge zag liggen. De deur stond open, -wijl het schuurdag was en de goede gelegenheid om een praatje met -haar te gaan houden, wilde hij niet ongebruikt laten voorbijgaan. - -Christine liet zich door zijne komst zelfs niet voor een oogenblik in -haar werk storen. Zij spoelde de mat, die voor de deur lag in den emmer -af, en doopte hare gezonde blanke armen geheel in het water. Daarna -wrong zij de mat uit, strooide er wat zand op en begon toen de deur -zoo te schuren, alsof zij de verf er af wilde boenen. - -"Goeden morgen.... juffrouw Christine," riep Alfred, en hij liep -vroolijk het vertrek binnen; toen hij echter zag, hoe weinig zij op -zijne onverwachte komst acht sloeg, was hij een oogenblik met zijne -houding verlegen en zeide: - -"Kan ik hier even de post nazien, misschien is er wel een brief voor -mij bij van mijn liefje." - -Deze woorden zelfs scheen zij niet te hooren. Het onaangename geluid, -dat het schuren veroorzaakte, deed zijne ooren pijnlijk aan; het -ergerde hem, dat zij zoo met hart en ziel aan dit ruwe werk bezig was, -en dat het haar volstrekt niet kon schelen, dat hij haar, en nog wel -in zulk een costuum, zag. - -Twee mannen gingen nu juist het raam, dat op de straat uitzag, -voorbij. Alfred zag op. "Kijk daar komt je Oom en.... Johan natuurlijk -ook." - -Deze was juist van plan, scheen het, de poort in te gaan. - -"Mijn broer komt, dat kan ik mij zoo denken, meer in het onderhuis van -den conciërge, dan in de eigenlijke woning; daar is hij een zeldzame -gast; nu is het niet zoo?" - -Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat Christine met emmer en al in -de keuken was verdwenen en dat zij de deur had dicht gedaan. - -Zeer boos gooide hij de courant, die hij in de hand hield, op de -tafel en liep het vertrek weer uit. In de poort ontmoette hij Mo, -die hem eerbiedig maar tevens half familiaar groette. - -Oom keek nu na, wat de brievenbesteller bezorgd had en zocht er -de brieven uit, die hij den minister aan het Departement moest -brengen. Toen hij den brief van den opperloods aan Christine zag, -riep hij haar toe, even binnen te komen. - -"Christine," zei hij zeer ernstig, nadat hij haar den brief had -gegeven.... "er is iets, waarover ik met je wil spreken. De zonen -van den minister komen dikwijls hier een praatje met je houden, hé?" - -"De deur stond open, de candidaat kwam binnen, en...." - -"Ja, Alfred meen ik niet, maar de dokter.... zie je." - -"Hij is hier niet geweest," haastte Christine zich te antwoorden. - -"Neen, maar het kwam mij zoo voor, dat hij op weg hier naar toe -was. Ja, zie je, lieve Christine," ging hij voort, en hij legde zijne -hand op haren schouder,--zij was wat langer, dan hij--"het leven voor -een jong meisje in eene groote stad is vol verzoekingen. Buitendien -moet je vooral ook bedenken, hoeveel ik aan den minister, ja aan -de geheele familie verschuldigd ben en hoe onplezierig het voor -mij zoude zijn, zoo hun door mij of door hen, die bij mij wonen, -eenige onaangenaamheid werd veroorzaakt. Gij begrijpt wellicht nog -niet volkomen, wat ik met deze woorden meen, maar ik wil je vooral -waarschuwen voorzichtig te zijn en je te wenden tot hen, die je -welzijn bedoelen." - -Hij klopte haar even op de wang, en ging met de brieven het huis uit. - -Neen--zij begreep het niet, ten minste niet volkomen. Zij dacht wel, -dat oom haar had willen zeggen, dat hij geloofde, dat de jonge heeren -om haar zoo dikwijls binnenkwamen, maar welke onaangenaamheden dit aan -de familie van den minister zou kunnen veroorzaken, kon zij volstrekt -niet vatten. Christine, een eenvoudig boerenkind, bezat echter te -veel gezond verstand, om niet volkomen te kunnen begrijpen, welke -groote afstand er bestond tusschen den zoon van een' minister en een -meisje zooals zij. Toen zij den brief van den opperloods had gelezen, -waarin dezelfde waarschuwingen werden gegeven, werd zij een weinig -ongerust. Maar wat zou zij doen? Wanneer de candidaat binnen kwam, was -zij zoo weinig voorkomend als maar mogelijk was; zij kon toch niet aan -den ernstigen dokter,--en hij kwam maar zoo zelden--rechtuit zeggen, -dat hij liever niet moest komen. Zij rekende uit, hoe lang het was -geleden, sedert zij het laatst met hem had gesproken, en daar waren -meer dan veertien dagen over verloopen. - -Oom Anders was al heel vreemd; zij kon niet recht wijs uit hem worden; -ja, vriendelijk was hij altijd tegen haar, het zou schande zijn het -tegendeel te zeggen, maar toch had zij, zij wist niet hoe het kwam, -een zekeren angst voor hem. - -'s Avonds--hij kwam altijd nog al laat naar huis--kon hij, wanneer -hij door hare kamer ging, naast haar bed wat met haar staan te praten -maar zij begreep niet altijd, wat hij eigenlijk vertelde. Misschien -kwam het, wijl zij slaperig was, of omdat oom 's avonds zeer moe was; -hij sprak ten minste zoo vreeselijk onduidelijk. Hij tikte haar evenwel -altijd vriendelijk op de wang, wanneer hij haar goeden nacht zei. - -Het viel dokter Bennecken, die steeds veel lust had met Christine een -praatje te houden, niet altijd meê. Hij wilde er Alfred niet gaarne -ontmoeten en Mo wilde hij ook liever niet t'huis treffen; wanneer -hij op weg naar haar was, zijn geweten scheen hem niet heel zuiver; -'t kwam hem voor, dat hij iets kwaads in den zin had. - -Het eindigde dan ook gewoonlijk met in het voorbijgaan even door -het raam te kijken; soms liep hij naar boven om zijne moeder te -begroeten in de zoete verwachting Christine in de poort of wel op de -trap te ontmoeten. - -Hij was op haar verliefd geraakt, hij wist het maar al te goed. En -toch was hij er niet vroolijk door gestemd, zooals zulks gewoonlijk -het geval is, wanneer de liefde het bloed sneller door de aderen doet -stroomen. Vooreerst wist hij volstrekt niet met welke oogen Christine -hem aanzag. Hij meende, dat zij, die zoo gezond van lijf en leden was, -en er zoo knap uitzag, afkeer moest gevoelen van een kreupele als hij; -de dokter meende namelijk, dat hij veel meer mank ging dan eigenlijk -het geval was. - -Dan was hij zeer ijverzuchtig op Alfred; wel verborg hij dit gevoel -zoo veel mogelijk, maar uitermate jaloersch was hij op dien broeder, -die hem steeds in den weg had gestaan, die overal steeds voorgetrokken, -door allen vertroeteld werd, en ter wiens wille hij jaren lang zoo -veel had moeten lijden. - -Ten laatste bezat Johan Bennecken volstrekt geen zelfvertrouwen en -geloofde hij, dat het geluk voor hem niet was weggelegd. Het was hem -nooit meegeloopen,--altijd moest hij dat van een ieder hooren. - -Daarom koesterde en vertroetelde hij den hartstocht, dien hij in -zijnen boezem voelde ontkiemen, zooals men zulks een ziek kind -doet. Aan dit sterke gevoel gaf hij zich geheel over zonder aan -weerstand te denken; met stille weemoedige vreugde verborg hij die -liefde in het binnenste van zijn hart, wijl hij niet durfde hopen, -dat zij hem ooit geluk zou aanbrengen. - -Gesteld zelfs, hij was zoo gelukkig, dat Christine hem werkelijk -lief had, welke zwarigheden, en bijna onoverkomelijke, dit kon hij -niet wegredeneeren, zouden er zich opdoen. Wat zou zijne moeder, -de vrouw van den minister er van zeggen? - -En zoo hij het zich al als mogelijk voorstelde, dat hij zich om den -tegenstand zijner moeder niet zou bekommeren, hoe zou hij ooit den -moed krijgen vóór zijnen vader te verschijnen, om hem mede te deelen, -dat hij van plan was met een boerenmeisje in het huwelijk te treden. - -Die vader, die er zoo deftig en voornaam uitzag, was voor Johan -Bennecken de type van al wat achtenswaardig, braaf en edel was. - -Wanneer de oppositie-bladen op heftigen toon de regeering aanvielen, -las de dokter die artikelen altijd in dien geest, dat de aanvallen -niet op zijnen vader gemunt waren. Het was best mogelijk, dat in de -regeering mannen zaten, die eene scherpe kritiek verdienden maar dat -er iets op den minister Bennecken zou zijn aan te merken, viel hem -nooit in de gedachte. - -Terwijl de moeder slechts oogen had voor haren zoon Alfred, die er -zoo knap uitzag, en met groote koelheid "de twee mislukten" zooals -zij Johan en Hilda altijd noemde, behandelde, was zulks bij den vader -gansch anders het geval; hij trok het eene kind, zeer zelden ten -minste, boven het andere voor; ja soms gebeurde het zelfs, dat hij, -wanneer zijne vrouw Alfred te zeer vertroetelde, het waagde zich -daartegen een weinig te verzetten. Dit stelde Johan, die te dien -opzichte volstrekt niet verwend was, zeer op prijs en hoe ouder hij -werd, des te meer steeg zijne achting voor zijnen vader; zelfs zoo, -dat dit gevoel bijna eene soort van vereering voor hem werd. - -Maar nu zou Johan juist zijnen vader in zijn gevoeligste punt, in -dat, wat bij hem de grondstelling van zijn leven was, namelijk het -respectabele, het fijne, het passende krenken, met den stormpas er -zelfs tegen inloopen door een abnormaal huwelijk te willen aangaan met -een lang roodharig boerenmeisje. Johan begon er reeds over te denken, -wat zijn vader wel zeggen en doen zoude wanneer hij het dwaze plan -van zijnen zoon vernam. Was het hem toch niet eerst, na bezwaren in -het oneindige, gelukt, verlof te krijgen om te solliciteeren naar de -betrekking van armendokter in een der voorsteden--en wat was dit in -vergelijking van hetgeen hij nu van plan was? - -Telkens echter, wanneer de dokter zoo ver in den loop zijner gedachten -was gekomen, zeide hij, om zich schijnbaar wat tot kalmte te stemmen: -"Ja.... ja, waartoe mij hierover te verontrusten? Zij bekommert zich -toch niet om mij." - - - - - - - - -IX. - - -Toen Mortensen de redactie van "de Vriend des Volks" op zich nam, -veranderde hij den naam van het blad in "de ware Vriend des Volks", -ook werd de courant op fijner papier en met helderder letter, dan -zulks in den tijd van Hansen plaats had, uitgegeven. De illustratiën -bleven echter nog een' tijd lang, zoo als zij tot nu toe altijd waren -geweest, zwarte vlekken met een weinig wit hier en daar. Op zekeren dag -maakte de redacteur aan zijne geabonneerden bekend, dat met het volgend -kwartaal te beginnen de illustratiën voor goed zouden verdwijnen. - -Hierdoor verloor het blad natuurlijk eenige abonnés onder de kleine -burgerij, maar Mortensen had daar geen spijt van. "De ware Vriend des -Volks" verkreeg weldra zijne lezers, en wat het geldelijke betrof, -dit ging boven alle verwachting. - -Wanneer Mortensen de courant 's morgens met zich naar het Departement -nam, las één der jongere commiezen van het bureau gewoonlijk den inhoud -voor "wanneer men tijd er voor had." De adjunct-klerk Hiorth had juist -de voorlezing van een artikel geëindigd, waarin de onmogelijkheid -was aangewezen, om te bepalen wat heden ten dage met de uitdrukking -"het Volk" werd bedoeld; het naast lag wel voor de hand, dat men -hier den Ambtenaarsstand mede moest bedoelen, omdat deze stand den -kern van het volk uitmaakt.... toen de groothandelaar Falck-Olsen de -lezing kwam storen en naar den minister vroeg. - -Terwijl een der commiezen hem den weg naar het kabinet van den minister -wees, verspreidde zich de kring der hoorders die zich om "den waren -Vriend des Volks" geschaard hadden, naar alle richtingen. Ieder ging -naar zijne plaats om zich daar geheel in zijn werk te verdiepen. - -De oude Hansen was vóór zijnen lessenaar blijven zitten. Hij hield -zich altijd, alsof hij geen woord van de voorlezing hoorde. Dit hielp -hem echter niet veel; want wanneer er een gedeelte kwam, waarvan -men wist, dat zulks hem zoude ergeren, werd het hem in de ooren -geschreeuwd. De oude Hansen was een waarschuwend voorbeeld voor de -jonge lieden aan het Departement geworden: aan hem konden zij zien, -waartoe het koesteren van afwijkende meeningen leidt. Allen wisten, -dat hij het niet verder in de ambtenaarsloopbaan kon brengen. Waar -hij nu zat, met het gezicht naar den muur, bezig het werk in orde te -brengen, dat anderen verzuimd hadden te doen, zou hij blijven zitten, -tot dat hij in zijne doodkist zou liggen,--zoo men er zich ten minste -niet toe genoodzaakt zag, hem zijn ontslag te geven; want de oude -Hansen dronk, werd er algemeen in den laatsten tijd gefluisterd. - -Toen de minister zijn vriend Falck-Olsen zag binnen komen, begreep hij -dadelijk, dat deze hem over zaken kwam spreken, en die gesprekken waren -gewoonlijk niet opwekkend. Hij vroeg daarom dadelijk op vroolijken -toon of zijn vriend hem voor eene jachtpartij kwam uitnoodigen; het -was een mooie winterdag, een weinig had het maar gevroren, het woei -volstrekt niet en de zon scheen zoo helder. - -Maar Falck-Olsen begon droogjes over zaken te spreken, over de slechte -tijden en over verlies van alle kanten. - -"Ja, ja," viel de minister hem in de rede, terwijl hij in het vertrek -heen en weer ging, en de handen zoo hield, dat de uitgespreide vingers -aan de toppen elkaar raakten, "de industrie en de handel verkeeren -hier tegenwoordig in slechten staat.... dit kan niet ontkend worden -maar wij hopen echter...." - -"Och het zal heel wat duren, eer hier verbetering in komt! Ik weet -niet, waaraan het in dit land ligt. Voor een poosje gaat alles goed, -ja brillant zelfs, maar plotseling komt er een stilstand en de heele -boel valt uit elkander; niets kan bij ons tot bloei komen, alles -wat wij ondernemen komt zoo vervl.... langzaam tot stand. Laten wij -b.v. de Actienbank maar tot voorbeeld nemen, die verleden jaar met -zooveel champagne opgericht werd, en van 't jaar?--nu gij weet zelf, -hoe de boel staat." - -Bij deze woorden slaakte de minister eenen zucht van verlichting. - -Hij had gevreesd, dat de groothandelaar was gekomen om hem mede te -deelen, dat het zeer moeielijk was, geld te verschaffen, dat hij groote -contante betalingen had moeten doen en meer dergelijke onaangename -zaken, over welke Olsen gewoon was, hem te komen onderhouden, wanneer -hij slecht geluimd was. Maar de Actienbank was een heel onschuldig -onderwerp van gesprek, en hij antwoordde dus op schertsenden toon: -"Als lid van het bestuur in de bank moet ik protesteeren tegen dien -aanval. Integendeel hebben wij, zooals de boeken zulks bewijzen...." - -"Och de boeken," antwoordde Falck-Olsen toornig, "de boeken mooi -te laten sluiten is zoo'n kunststuk niet; iedere domkop kan dit -tegenwoordig. Maar de fout zit daarin, dat het bestuur geen zweem -begrip heeft van zaken te doen. Wat kan men verwachten van al die -geleerde juristen, die nooit van hun leven zaken gedaan hebben, van -die raadsheeren, advocaten en rechters--zij hebben geen jota verstand -van zaken, neen waarachtig, zij begrijpen er niets van." - -De minister was nu door deze woorden op de hoogte gekomen, wat "de -zaak" was, die den heer Falck-Olsen zoo bezig hield; hij legde de -vingertoppen voorzichtig tegen elkander aan, en zeide: "Hierin hebt gij -voor een groot gedeelte gelijk, beste vriend, voor een groot gedeelte, -maar,"--hij bleef voor hem staan en hield den groothandelaar bij de jas -vast, terwijl hij vervolgde: "het is toch vreemd, heel vreemd zelfs, en -jammer tevens, dat een man zoo als gij volstrekt niet eerzuchtig zijt." - -"Wat meent gij hiermede?" vroeg de heer Falck-Olsen, en hij zag den -minister eenigszins weifelend aan. - -"Is het u nooit ingevallen, dat gij u al te weinig van den invloed -bedient, dien gij bezit.... of ten minste bezitten kunt? Daar hebt -gij de Actiënbank bijvoorbeeld, waarover gij zoo even hebt gesproken; -waarschijnlijk zal op de volgende vergadering, de oude Raadsheer -Falbe zijn ontslag als Directeur der bank wel aanvragen, en zou die -post nu niet juist iets voor u zijn?" - -"Ja, dat is juist de post, dien ik wil, dat men mij zal aanbieden," -riep de heer Falck-Olsen uit. - -"Onmogelijk.... ongelukkigerwijze, onmogelijk: mijn vriend," antwoordde -de minister, en hij ging weer in de kamer op en neer. - -"Zoo, en mag ik vragen, waarom?" - -"Wijl de Consul Lind waarschijnlijk voor dien post gekozen zal worden -en hij gaarne Directeur wil zijn...." - -"Wil?... wil? Heeft men ooit zoo iets gehoord," riep de groothandelaar -met een gedwongen lach uit; "het zou wel eens aardig zijn te hooren, -waarom allen naar de pijpen van dien heer moeten dansen! hij is niet -rijker, dan ik." - -"Neen.... zeker is hij dat niet, maar men kan zich op hem verlaten." - -"Wat meent gij met deze woorden, Excellentie? Ben ik misschien iemand, -op wien men zich niet verlaten kan?" - -"Niet zoo driftig!... niet zoo driftig.... beste vriend," zeide de -minister glimlachend, en dwong hem te gaan zitten. "Sta mij toe, -u mijne bedoeling met een eenvoudig voorbeeld op te helderen. Gij -gaaft,--zooals gij u wel herinnert--een paar maanden geleden een -bal, een prachtig feest, moet ik zeggen: niets ontbrak, alles was -volkomen zoo als het zijn moest, in het kort "comme il faut." En -toch.... veroorloof mij u aan eene kleine scène, die er toen -plaats had, te herinneren." Nu was de minister in zijn eigenlijke -element. Kleine, geheime conferentiën, zoo onder vier oogen en -met gesloten deuren vielen in zijnen smaak. Hij kon dan zoo echt -vertrouwelijk zitten praten, het was of hij geheel in het belang van -hem, met wien hij sprak, zijn hart uitstortte en meedeelde, wat hij -anders aan niemand toevertrouwde, en wat hij eigenlijk beter zou gedaan -hebben te zwijgen; alles ging op zulk eene wijze toe, dat hij, met wien -hij gesproken had, bij het heengaan de volle overtuiging koesterde het -volkomen vertrouwen van den minister te bezitten en geheel op de hoogte -was van alle geheimen der regeering. En toch werd van den minister -gezegd, dat de voornaamste eigenschap, die hij als staatsman bezat, -juist bestond in eene buigzame en toch onwrikbare bescheidenheid. - -Hij schoof zijnen stoel wat dichter bij dien van den groothandelaar, -zag hem vertrouwelijk aan, en zeide: - -"Het kan eenigszins vreemd schijnen, dat een gast zijnen gastheer gaat -critiseeren maar wij kennen elkaar zoo goed, niet waar?.... en daar -wij nu juist op dit onderwerp gekomen zijn, is het mij wel vergund -eenigermate mijne verwondering uit te spreken over uwe uitnoodigingen." - -"Zoo? Dit kan ik mij niet begrijpen." - -"Ziet, beste vriend, de scène, waaraan ik u wil herinneren, had plaats -onder het souper dat--tusschen twee haakjes--charmant was.... en -wel in uwe kamer; zoo als gij u zeker nog wel herinnert, had er een -politiek dispuut plaats." - -"Ja, maar gij weet wel Excellentie, dat zulks tegenwoordig overal -geschiedt. Noem mij eene enkele familie, waar op de eene of andere -partij niet over politiek wordt gesproken." - -"Ja, ziet gij, daarin ligt het juist," riep de staatsman uit, "overal -wordt over politiek gesproken, in zoover hebt gij gelijk--volkomen -gelijk, maar geef nauwkeurig acht op de omstandigheden"--hier sloeg -de minister hem zachtjes op de knie; "wanneer er over politiek wordt -gedisputeerd, zoo geeft dit te kennen, dat het gezelschap niet bij -elkaar hoort,--hierin ligt het onderscheid." - -"Maar enkel mannen van naam waren op deze soirée aanwezig. Ik had -mij juist bijzondere moeite gegeven personen van maatschappelijken -invloed uit te noodigen, lieden, die ik vroeger nooit het genoegen -had gehad bij mij aan huis te zien." - -"Zeer juist gezegd,--en dat was juist het ongeluk. Mannen van allerlei -kleur waren daar,"--de minister sprak op meer gedempten toon, "zelfs -rooden waren er onder! en onaangename zaken.... hoogst onaangename -zaken zelfs werden er gezegd, moet ik zeggen. Niet dat het mij -persoonlijk hinderde, dit begrijpt gij wel; ik gaf er niet in het -minst om, het waren de gewone frasen, en meestal kwamen jonge lieden -er mee voor den dag, maar voor u zelf, beste vriend, vind ik dat....!" - -"Bah!" viel de heer Falck-Olsen hem in de rede, en hij stond op, -"dat kan mij geen bl..... schelen, ik hang van niemand af, ik ben -een self-made man, ik vraag naar niemand." - -"Ja.... ja.... juist, zooals ik al heb gezegd. Gij bezit geen greintje -eerzucht en dat vind ik jammer, zeer jammer;" de minister liep weer -heen en weer en herhaalde: "zeer jammer!" - -"Nu ja... hm," zeide Falck-Olsen en lachte op wat geërgerden toon, -"wis en zeker ben ik eerzuchtig, in zooverre ik gaarne.... dien invloed -zou verkrijgen, die mij eigenlijk rechtens toekomt. Met de politiek -wil ik mij echter niet inlaten, dat heb ik u honderden malen gezegd; -ik kies geene partij voor wien dan ook;--ik sta tusschen, of liever -gezegd boven de partijen!" - -Hij was werkelijk trotsch op dezen fraai klinkenden zin, maar de -minister draaide zich naar hem toe en haalde de schouders op: "De -uitdrukking, waarvan ge u hebt bediend, komt bij zekere gelegenheden -zeer goed te pas en ik wil zelfs erkennen, dat zij dan van zeer goede -uitwerking is. Maar beste vriend, hier zoo onder vier oogen, zullen wij -het wel met elkaar eens zijn, dat het slechts eene frase, of ronduit -gezegd, dat het louter onzin is. Neen, dan houd ik het met het oude -spreekwoord: waar men meê verkeert, daar wordt men mee geëerd." - -"Maar..... maar wien moest ik eigenlijk niet hebben uitgenoodigd," -vroeg Falck-Olsen op wat minder zekeren toon. - -"O, beste vriend, hoe kunt gij er een oogenblik aan denken, dat ik -in bijzonderheden zal treden. In het algemeen bedoelde ik, dat het -gezelschap niet al te goed bij elkander paste. Velen waren er, wier -gezelschap wij heel goed hadden kunnen missen, en omgekeerd miste -ik dezen en genen, die naar mijne meening, aanwezig hadden moeten -zijn. Onder de laatsten ben ik zoo vrij den Redacteur Mortensen te -noemen, een' man, die ongetwijfeld...." - -"Die met de lucifers! Neen.... weet gij...." - -"Ik wil u iets in vertrouwen meedeelen," fluisterde de minister hem -in 't oor, "die man heeft, wat zijn verleden ook geweest is, eene -schitterende toekomst vóór zich. Hebt gij notitie van zijne courant -genomen? Ik durf u zeggen, dat zijn blad grooten invloed.... ja, -zeer grooten invloed zal verkrijgen." - -Juist kwam Mo met eenige papieren binnen. - -De groothandelaar was volstrekt niet met de audiëntie, die hem gegeven -was, tevreden. In plaats van den anderen het mes op de keel te hebben -gezet, was hij met dezen in eenen woordentwist geraakt, waarin hij, -volgens gewoonte, aan het kortste eind had getrokken. Toch wilde hij -niet weggaan zonder zijne kaart te hebben uitgespeeld en daarom zeide -hij, zóó dat de minister het alleen kon hooren: "ik wil alleen maar -zeggen, dat ik op uwe stem zeker reken." - -Het was den minister of zijn hart een oogenblik ophield te -kloppen. Falck-Olsen's geelachtige oogen zagen hem aan, zooals zij -zulks gewoonlijk deden, wanneer er van "contante voorschotten" of -dergelijke onaangename zaken sprake was. Hij stak hem echter heel -vriendschappelijk de hand toe, toen hij in de deur afscheid van -hem nam. "Nu ja.... beste vriend, komen die tijden, dan komen die -plagen.... en ik ben er zeker van, dat wij vóór dien tijd het op alle -punten eens zullen worden." - -De heer Falck-Olsen bromde iets tusschen de tanden, wat niet -gemakkelijk viel te begrijpen, en de minister was overtuigd, toen -de groothandelaar de deur der kamer achter zich toe trok, dat het de -volgende maal niet zoo malsch zou toegaan. - -Hij wendde zich nu tot Mo, nam de papieren en legde ze met -onverschilligen blik op de tafel. - -"Hebt gij de rekeningen meegebracht?" Mo haalde zeven of acht -rekeningen voor den dag. - -"Al te veel, al te veel.... meer dan de afspraak is," riep de minister -boos uit. "Zeg aan Madam Gluncke dat zij niet aan al hare nukken moet -toegeven, dat gaat volstrekt niet aan." - -"Ja, Excellentie," zeide Mo op klagenden toon, "ik preek voortdurend -hetzelfde, maar Malle Bimbam beweert...." - -"Wie?" vroeg de minister op strengen toon. - -"O, neem mij niet kwalijk, Excellentie, ik wil zeggen, madam Gluncke -beweert, dat zij het tegenwoordig allen zoo hebben." - -"Hm!" viel hem de minister in de rede, en hij opende eene kleine lade -van zijne schrijftafel. - -Terwijl hij bezig was het geld te tellen, zeide Mo: "weet uwe -Excellentie met wien de hoofdcommies Delphin veel omgaat?" - -"Nu, met wien?" - -"Met den ouden Hansen." - -"Den ouden Hansen, daarbinnen?" - -"Ja, onlangs was de hoofdcommies den geheelen avond bij Hansen en -toen hij weg ging, stopte hij de vrouw van Hansen veertig kronen in -de hand. Ik weet het positief," voegde hij er bij. - -"Nergens vertrouwbare lui, waar men ook om zich heen ziet," mompelde -de minister, terwijl hij de bankbilletten aan Mo ter hand stelde. "Ja, -dat is waar ook, daar valt mij iets in, waarnaar ik je wou vragen. Je -hebt eene zustersdochter bij je aan huis, is niet, Mo?" - -"Een broersdochter, Excellentie." - -"Nu dat is hetzelfde.... het is mijn wensch, dat gij ze wegzendt, hebt -gij 't verstaan? Gij kunt in de andere kamer wachten, tot ik schel." - -De minister ging voor zijne schrijftafel zitten, maar de bode Mo -bleef wachten. - -"Wilt gij nog iets?" - -"Ik wil mijne nicht niet gaarne wegzenden," zeide Mo op eerbiedigen -toon. - -"Zij heeft natuurlijk reisgeld noodig," zeide de minister, en hij -nam den sleutelbos, die nog in de lade stak, weer in de hand. - -"Ik wensch haar bij mij te houden," zeide Mo droogjes. - -De minister keek hem aan. "Waarom?" - -"Omdat.... omdat ik zulks wensch," luidde het antwoord op onderdanigen -toon. - -"Nu, kort en goed, Mo; mijne vrouw heeft mij verteld, dat zij de -hoofden van onze jongens op hol maakt.... en ik heb haar beloofd te -zullen zorgen, dat zij weg kwam." - -"Ik hoop dat uwe Excellentie mij het niet kwalijk zal nemen, maar uwe -Excellentie moet toestaan, dat ik haar bij mij houd," antwoordde Mo, -en verdween in het kleine vertrek, dat aan de kamer van den minister -grensde. - -De minister zat een oogenblik in gepeins. Het gebeurde soms wel, -dat Mo zwarigheden maakte, maar gewoonlijk werden die uit den weg -geruimd, wanneer de minister de kleine lade van zijne schrijftafel -opende. Het ergste van de zaak was, dat hij er nu zeker van kon zijn -eene scène met zijne vrouw te zullen krijgen. - -De kleine bange secretaris voor de verzendingen had het eerst van -het slechte humeur des ministers te lijden; de hoofdcommies Delphin -zelfs liep niet geheel vrij, en weldra was het in al de kamers van -het Departement bekend, dat de minister slecht geluimd was. Er was een -geloop en een gefluister in de vertrekken, de hoofden werden over de -lessenaars heengestoken om te vragen, wat er eigenlijk aan de hand -was; de vreeselijkste voorspellingen over ontslag of mogelijk wel -degradatie gingen van inktkoker tot inktkoker, en ieder maakte voor -zichzelf in stilte zijn zondenregister op. - -Mo alleen sloop op zijne vilten schoenen en glimlachend als altijd -door de verschillende kamers, en wanneer hij voorbijging, zagen allen -even van het "werk" op: hij zag er zoo geheimzinnig uit. - -Wat de minister verwacht had, gebeurde, zoodra mevrouw hem ontmoette -vroeg zij: "nu, heb je de zaak in orde gemaakt?" - -De minister wachtte even, voor hij haar antwoordde. Zijne vrouw was de -eenige persoon in de wereld, tegen wie hij den deftigen diplomatieken -toon niet kon aanstaan. Hij antwoordde dus: "neen ronduit wil ik je -bekennen, dat ik de zaak nog niet in orde heb kunnen brengen, maar...." - -"Nu, waarom niet?" - -"Mo wil niet; hij wil haar bij zich houden." - -"Mo.... altijd Mo," riep mevrouw op boozen toon uit; "wanneer Mo niet -wil, is het precies of gij er niets meer aan doen kunt. Men zou bijna -gaan gelooven, dat hij je op de eene of andere manier in zijne macht -heeft, waardoor gij het niet waagt hem den voet dwars te zetten." - -"Ha, ha, ha! de arme Mo," riep de minister lachend uit maar zijn -lachen klonk eenigszins gedwongen, en hij zag voortdurend uit het raam, -toen hij antwoordde: "gij kunt toch wel begrijpen, dat het meisje het -huis uit gaat, wanneer gij er zoo op gesteld zijt; ik kan Mo zeggen, -dat ik het bepaald wil hebben en...." - -"Ja, vindt gij zelf niet, dat het tijd wordt, hem te toonen, dat -gij de macht hebt hem te bevelen.... zoo gij die ten minste bezit," -zeide mevrouw. "Gij weet niet half, hoe Johan zich aanstelt. Alfred -vertelt honderden zaken...." - -"Neem mij niet kwalijk, maar naar ik bemerk, legt Alfred meer bezoeken -in de kelderwoning af dan Johan." - -"Nu ja, wat beteekent dat? Alfred is verstandig.... een man van de -wereld! Zoo hij aan zulk een eenvoudig boerenmeisje wat het hof maakt, -weten wij wat dat beteekent. Maar met Johan, ziet gij, dat is wat -anders. Gij hebt zijn karakter nooit goed kunnen vatten; gij weet, -hier onder ons gezegd, niet, hoe bekrompen hij in zijne denkbeelden -is. Heeft hij zich eenmaal iets in het hoofd gehaald, dan is hij -in staat de grootste domheden te begaan; het zou mij volstrekt niet -verbazen, wanneer hij ons op een mooien dag kwam vertellen, dat hij -van plan is met het meisje in het huwelijk te treden." - -"Maar beste Adelaïde, hoe kunt gij op zulke gedachten komen! Zoo iets -mag natuurlijk volstrekt niet plaats hebben, hoegenaamd niet!" - -"Ja, ja, ik heb er in mijn leven genoeg voorbeelden van gezien," -antwoordde Mevrouw Bennecken. "Men zegt zoolang: "het is -onmogelijk," tot eindelijk het geval er toe ligt, en men tot over -de ooren in een schandaal zit. Neen, zoo iets moet men bij tijds -zien te voorkomen.... dat is mijne meening; en weg wil ik haar -hebben.... die afschuwelijke roodharige meid! Bedenk eens, Daniel, -wat een afschuwelijken smaak hij heeft!" - -"Ja, maar gij weet wel, dat Alfred ook...." - -"Komt gij nu weer met Alfred aan! Gij hebt altijd iets tegen hem -gehad. Alfred bezit een kunstenaars-natuur zooals zoo velen in onze -familie. Het roode haar dat zoo fraai tegen de blanke gelaatskleur -afsteekt, of zoo iets trekt hem aan. En buitendien, toen gij van -zijnen leeftijd waart, waart gij ook niet zoo moeielijk tevreden te -stellen.... is het wel?" - -Dit argument was altijd mevrouw's grof geschut, dat nooit miste -een eind aan den twist te maken; juist kwam men zeggen, dat de tafel -gedekt was. "Waar is Alfred," vroeg de minister, toen hij in de eetzaal -komende, alleen het kamermeisje zag. "Alfred.... ja de goede jongen -komt niet t'huis eten," antwoordde mevrouw, "hij kwam van morgen -even inwippen om te zeggen, dat hij dadelijk van het Departement naar -Eriksen wilde gaan.... je weet wel, zijnen vriend.... den candidaat -Eriksen.... die zoo ziek ligt." - -De minister maakte bij zich zelf de opmerking, dat de ziekte van den -candidaat Eriksen zeer lang duurde. - -"Maar waarom is juffrouw Hilda hier niet," vroeg Mevrouw aan het -kamermeisje. - -"Juffrouw Hilda komt dadelijk," antwoordde deze. "Zij heeft gevraagd -om haar, zoodra het eten opgebracht was, te laten roepen. Zij is in -de woning van den conciërge." - -"Nu hoort gij het Daniel," fluisterde Mevrouw hem in 't oor, "dat -listige schepsel legt het er ook al op aan met de zuster op goeden -voet te komen." - -Toen Hilda aan tafel plaats nam, wilde zij over Christine beginnen te -spreken maar hare moeder gaf met een bits woord eene andere wending -aan het gesprek, en daar zij bij haren vader ook geen instemming vond, -zweeg zij maar. - -En zwijgend bleven allen gedurende den maaltijd.... een vervelende, -ongezellige maaltijd, dat moet gezegd worden. - - - - - - - - -X. - - -De opperloods had in den loop van den winter heel wat brieven voor -Njaedel te schrijven, nu aan Christine, en dan weer aan broer Anders -over die zaak, die nooit tot een eind scheen te komen. Een weinig -mistrouwen begon de opperloods te koesteren jegens dien broer Anders; -het kwam hem voor, alsof het met al die geldzendingen, en telkens -werd er meer gevraagd, niet recht in den haak was, en het minst van -allen stond hem aan, wat Anders in zijn laatsten brief over Christine -had geschreven. - -Ook hielp het geen greintje of hij Njaedel zijne gedachten over -diens broeder al meedeelde; geen kwaad wou hij van hem hooren, en -waagde hij het ook al eens, dan werd Njaedel vreeselijk boos. Alles -wat Njaedel had opgespaard, moest Sechus naar Anders zenden, en toen -de spaarpenningen verdwenen waren, moest de opperloods hem op eene -andere manier geld zien te verschaffen. - -Njaedel leefde slechts voor de zaak; hij stond er 's morgens mee op, -en ging er 's avonds mee naar bed. Elk oogenblik was hij overtuigd, dat -er bericht van den koning zou komen, en dat hij--Njaedel--gelijk had. - -Vervolgens moest de opperloods, wanneer hij aan Christine schreef -haar raden en vermanen. Daar Anders altijd schreef, dat zij daaraan -behoefte had, stond Njaedel er op, dat het gebeurde. Anders had er -verstand van en wist voor alles raad. Daarom was het voor Christine -niet gemakkelijk de brieven van den opperloods recht te begrijpen; -zij kreeg er echter een voorgevoel van, dat de zaken thuis niet in -orde waren, ofschoon er altijd in de brieven stond, dat het Njaedel -in alles goed ging. Nog minder begreep zij, wat hij met al die wenken -en vermaningen aan haar adres meende. Op een dag in Februari, toen zij -juist weer een' brief van huis had gekregen, gaf een gedeelte haar veel -te denken. "Ik heb een lang leven achter den rug en veel verdriet en -veel honger heb ik zien lijden door de liefde en het bedrog van zulke -fijne jonge heeren, op wie geen meisje vertrouwen kan. Je moet God -bidden, dat je hart van het kortstondig genot der liefde afgetrokken -moge worden, en tot een verstandig man, al is die wat oud, dat maakt -niets uit, wanneer men er maar eenmaal over heen is, maar daarentegen -is het naar mijne gedachten niet te verwerpen, goed zijn brood te -hebben, en de grootste winst en het grootste voordeel op den duur." - -Christine zat nog met den brief in de hand, toen zij juffrouw Hilda -voorbij zag komen en de poort ingaan. Wanneer Hilda uit was geweest, -liep zij altijd even de kelderwoning in, zoodat Christine, nog half -in gedachten verzonken, opstond, om de deur te openen. - -Hilda wilde, naar het scheen, eerst voorbijgaan, maar na voorzichtig -naar alle kanten te hebben rondgezien, sloop zij naar binnen en trok -de deur schielijk achter zich dicht. - -Christine zag haar zeer verwonderd aan. - -"Zeg aan niemand, dat ik hier ben geweest, Christine. Mama heeft mij -verboden, je te bezoeken." - -"Waarom?" vroeg Christine ernstig. - -"Dat kan ik je niet zeggen," antwoordde Hilda, en zij draaide het -hoofd om, "maar ik ben zeker dat, wat mama mij heeft gezegd, niet -waar kan zijn." - -"Wat heeft uwe moeder dan gezegd," vroeg Christine op denzelfden -ernstigen toon. - -"Och... beste Christine... vraag mij daar niet naar," zeide Hilda, -en zij wilde weggaan. - -"Ik wil het weten," zeide Christine en zij hield haar bij den arm vast. - -"Mama zegt, dat wij te dikwijls komen?" - -"Wie?" - -"Ja, ik.... en.... en...." - -"En?.... wie meer?" - -"Mijn broers... Johan vooral, zegt mama, maar ik geloof er geen -woord van, hoor.... Ik ben maar zoo bang dat mama te weten zal komen, -dat ik hier toch ben." - -Christine liet haren arm los, en daar oom Anders juist het vertrek -binnenkwam, sloop Hilda weg, verward en onrustig over hetgeen zij -had gedaan. - -Christine stond doodsbleek en met vastgeknepen handen; ja nu begon -zij te begrijpen, dat men haar beschuldigde de zonen van den minister -tot zich te lokken. Manspersonen aan te halen was het schandelijkste, -wat zij zich denken kon, en dan... vooral Johan, had juffrouw Hilda -gezegd: de dokter... de oudste zoon van den minister.... en dat zou -zij hebben gedaan! - -"Ik wil naar huis, oom Anders." - -"Het zou er slecht uitzien, als zij gelijk hadden," antwoordde hij -bedaard. - -"Weet u er ook van," riep Christine uit, "maar wat heb ik dan toch -gedaan?" - -"Goddank, gij hebt nog niets gedaan lieve Christine.... en wees maar -niet bang. Ik zal wel voor je waken, dit heb ik ook aan den minister -gezegd." - -"De minister.... weet hij het ook? Ik wil naar huis, och lieve, -lieve oom laat mij dadelijk naar huis gaan," smeekte Christine. - -"Ik vrees maar, dat je vader het treurig zal vinden, wanneer je om -die reden terugkomt," zeide haar oom. - -"Om die reden," herhaalde Christine, en al de wenken en vermaningen -van den opperloods schoten haar in de gedachten! Zij kon niet meer -geregeld denken, zij voelde zich zoo ontzettend eenzaam. - -"Maar wat moet ik dan toch doen," riep zij eindelijk uit, en zij -wrong de handen. - -"Je behoeft je volstrekt niet ongerust te maken, Christine! Ik ben -mans genoeg je tegen den minister en tegen mevrouw, ja, tegen wien ook -te verdedigen, en zoo iemand je wil beleedigen, of je te na komen, -vertel het mij dan maar;" terwijl hij deze woorden zeide, kwam hij -wat nader bij, en drukte hare hand recht hartelijk. - -Dit bracht haar wat tot kalmte. Het was toch maar goed, dat zij oom -Anders had, op wien zij zoo volkomen kon vertrouwen; zij begon voor -iedereen bang te worden en besloot zich op een' afstand te houden. - -Christine haalde den brief van den opperloods weer voor den dag en ging -zitten, om hem te antwoorden; zij wilde volstrekt niet hebben, dat men -t'huis zou kunnen meenen, dat er met haar iets niet in den haak was. - - -"Beste Vader en beste Opperloods! met mijne gedachten ben ik meest -altijd bij u, maar al verlang ik soms zeer naar huis, en ben ik wat -neerslachtig, zoo ben ik evenwel God er recht dankbaar voor, dat ik -het zoo goed naar lichaam en ziel heb. Eerst wil ik nu maar schrijven, -dat oom gezegd heeft, dat de zaak nu mooi op weg is; hij zal zelf -eerstdaags schrijven, maar hij heeft ontzaglijk veel te doen, en geeft -zich veel moeite voor vaders zaak, en zoo er meer geld voorhanden was, -zou alles zeker spoedig zijn beslag krijgen. Maar ieder zegt hier, -dat Oom Anders de voornaamste van allen aan het Departement is, en hij -is heel vriendelijk tegen mij, en het gaat met mij in alles heel goed. - -Hier is in 't geheel geene zee te zien, veel geel water, dat leelijk -riekt, en niet zoo als de zee bij ons, maar ontelbaar veel schepen -en groote huizen van steen, en boomen, die zoo hoog zijn, als ik ze -nooit heb gezien. Maar nu moet ik eindigen, met de hartelijke groeten -aan mijnen goeden vader en den opperloods. - - Uwe gehoorzame dochter, - - Christine. - - -Bij Hilda Bennecken waren op denzelfden namiddag eenige jonge dames op -theevisite; ofschoon zij nooit veel zulke visites gaf, was zij er van -daag in 't geheel niet toe gestemd. Het speet haar zoo, dat het haar -verboden was bij Christine in te loopen; haar angst voor hare moeder -was echter zoo groot, dat zij, ofschoon zij reeds lang volwassen was, -als een klein meisje voor haar beefde. - -Van hare vroegste jeugd af, had zij steeds moeten hooren, dat zij -een ongelukskind was. - -Zij had zich gewend, het verdriet harer moeder over de leelijkheid -harer eenige dochter, meer te beschouwen als een verwijt, dat deze -er haar van maakte, dan als eene zaak, die voor haar zelf treurig was. - -En hieraan was mevrouw Bennecken grootendeels zelf schuld. Want daar -zij er nog goed uitzag, en een goed voorkomen zeer op prijs stelde, -kon zij er zich soms bitter over beklagen, dat zij aan zulk eene -dochter het leven had moeten schenken; en vele malen had Hilda in -hare kinderjaren het moeten ondervinden, dat hare moeder, wanneer -deze haar zoo fraai mogelijk aangekleed had, ten laatste alles weer -uittrok en wegwierp, half schreiend zeggende: "waarvoor dient het? Je -bent eenmaal leelijk, en dat zal wel nooit anders worden." - -Die tranen harer moeder brandden Hilda diep in de ziel, en al wat -in den loop der jaren bij haar tot beter ontwikkeling had kunnen -komen, kwam niet tot vollen wasdom, wijl zelfvertrouwen haar geheel -ontbrak. Voor hare moeder koesterde zij zulk eene vrees, dat zij, -wanneer deze tegenwoordig was, zich bijna niet durfde verroeren. - -Juffrouw Hilda was nu drie en twintig jaar oud; om in het huishouden -wat te verrichten, had zij de gelegenheid niet; daar had men bepaald -iemand aangesteld, die over alles het oog hield, en in gezelschap -werd zij, wijl zij zoo leelijk was, slechts geduld; zij was daar -blootgesteld aan al die kleine bittere krenkingen, die zoo in ruime -mate aan leelijke en onbeduidende personen, die zich op zijde laten -schuiven, ten deel vallen. - -In Johan stelde zij het meeste belang: de twee verschovelingen -steunden elkander. Toen zij ongeveer zestien jaar was, verkreeg -zij vergunning aan eene cursus voor onderwijzeressen deel te nemen; -de minister vond, dat men tot zekere hoogte het streven der vrouwen, -om meer kennis te verkrijgen, moest aanmoedigen. Toen zij echter, na -met ingespannen ijver gewerkt te hebben, want bijzonder begaafd was zij -niet, eindelijk klaar was om haar examen te kunnen afleggen, werd haar -dit niet toegestaan: dit paste niet voor de dochter van een' minister. - -Hiermede was de zaak uit. - -Hilda Bennecken was gelukkig, noch ongelukkig. Haar leven ging -kleurloos en eentonig daarheen, veel eentoniger nog, dan zulks -gewoonlijk het geval is met de dames uit haren stand. Wat haar -uiterlijk betrof, hierover konden de meeningen niet uiteenloopen, -zoodat zelfs die kleine triomfen en nederlagen, welke anders de jonge -jaren meêbrengen, voor haar ook niet waren weggelegd. Zij had eens -voor altijd eene groote nederlaag geleden, namelijk geboren te zijn, -zooals zij was. De kring, waartoe zij behoorde, kon haar verder -geenerlei vergoeding bieden. Daarom had Delphins houding gedurende -den winter zulk een sterken indruk op haar gemaakt. Nooit vergat hij, -wanneer zij elkaar op een bal ontmoetten, na het souper de Française -met haar te dansen, en zoo langzamerhand kwamen zij met elkander op -vertrouwelijken voet. Natuurlijk begonnen hare vriendinnen haar zeer -met den kamerheer te plagen, en Sophie Falck-Olsen begon, toen de dames -eindelijk rustig om de tafel zaten, het gesprek op Delphin te brengen. - -"Hoe was het toch eigenlijk met dat engagement van Delphin? Jij Hilda, -weet er zeker wel alles van, hé?" - -"Ik.... waarom zou ik dit zoo goed moeten weten," vroeg Hilda, en -zij werd bloedrood. - -"Och, jij bent toch de eenige, onder ons jongere dames ten minste, -wie de eer ten deel valt met den kamerheer te mogen dansen!" - -"Och geloof toch niet, dat ik er iets voor doe; ik zeg hem integendeel -telkens, dat hij zich niet behoeft op te offeren, met mij de Française -te dansen, wanneer hij er geen lust in heeft," verzekerde Hilda. - -"Och ik begrijp heel goed, dat hij gelooft er mee te moeten voortgaan, -nu hij het eenmaal is begonnen." - -"Overigens," voegde Sophie er op eenigszins boosaardigen toon bij, -"deed hij het voor de eerste maal een beetje uit gekheid, het was op -ons bal, als ik mij wel herinner." - -"Ik weet, wat er eigenlijk van dat engagement van Delphin was," zeide -nu Caroline Hjelm, die in het begin het gesprek niet had gevolgd, -daar zij eene biecht van Louise, met welke zij op de sofa zat, -had aangehoord. "Hij raakte geëngageerd met eene nicht van mama, -maar acht dagen nadat het engagement publiek was geworden, dwong -hare familie haar, hem zijn woord terug te geven; zij is nu met een' -grondbezitter in Zweden getrouwd." - -"Och, dat is eene oude geschiedenis," zeide Sophie op stekelachtigen -toon, "maar waarom wilde de familie volstrekt, dat zij haar jawoord -terugvorderde?" - -Sophie stelde belang in het minste, wat Delphin betrof. - -"Meent gij, dat ik dat ook niet weet," antwoordde Caroline, "het was -omdat het gerucht ging, dat Delphin in het Westland, waar hij een -tijd lang bij de rechtbank was aangesteld, met eene getrouwde dame -eene schandelijke betrekking had aangeknoopt. Zelfs kan ik vertellen, -zoo gij zulks wilt weten, met wie het was; het was met de eenige zuster -van den candidaat Hiorth.... daar hebt gij nu de gansche geschiedenis!" - -"Van Hiorth! nu dat is een buitenkansje," riep Sophie uit, en zij -behandelde Caroline een weinig minder uit de hoogte, "dan kan ik -er alles van te weten komen, want hem kan ik geheel om mijn vinger -winden." - -"Was het werkelijk zulk eene schandelijke geschiedenis," vroeg Hilda -aarzelende. - -"Een van de allerverschrikkelijkste," antwoordde Caroline op beslisten -toon. - -"Och, onzin," zeide Sophie, "zeker niet erger, dan andere dergelijke -histories. De heeren zijn elkander allen hierin gelijk, geloof mij -maar op mijn woord, en volstrekt niet zulke modellen van deugd... en -zoo zij dat waren, zou het ook al niet goed zijn." - -"Wat zeg je daar Sophie," vroeg Louise op verschrikten toon in het -hoekje van de sofa. - -"Och jij, met je deugdzamen Hans, dien reken ik niet! Ik meen, wat ik -heb gezegd, dat zulke onervarene, zulke model-brave heeren ontzettend -vervelend zijn en in gezelschappen alleronverdraaglijkst." - -Deze woorden veroorzaakten eene heftige woordenwisseling, doch juist, -toen het gesprek het levendigst werd, stak mevrouw het hoofd door -de half weggetrokken porte-brisée, en zeide: "goeden avond jonge -dames! Nu, nu! gebrek aan discours is er, naar ik merk, niet, wees -voorzichtig Hilda.... dat kopje staat te ver op den kant, het zal -dadelijk vallen. Wanneer de dames het veroorloven, zouden twee jonge -heeren gaarne een kopje thee mede drinken." - -De assistent-commiezen Hiorth en Bennecken kwamen achter mevrouw -aan. Zij hadden elkander plechtig beloofd, dat zij zouden trachten het -geliefde voorwerp te winnen onder volkomen gelijke omstandigheden, -en Alfred verzocht daarom Hiorth altijd mee naar zijn huis te gaan, -wanneer hij wist, dat Sophie bij zijne zuster was. - -De avond was intusschen gevallen en mevrouw liet in het groote salon -de lampen aansteken, zoodat het licht door de half opengetrokkene deur -in het vertrek viel, waar de jongelui praatten en lachten. Alfred kon -zeer goed een gesprek voeren, en juffrouw Sophie speelde uitmuntend -de coquette. - -Jonas Hiorth had daarentegen eene andere methode gekozen. Hij zat -zwijgend en in melancholieke houding in het meest schemerachtig -gedeelte van het vertrek; wanneer haar blik op hem viel, zag hij haar -aan op eene wijze, die zeggen moest: "valsche slang, ik heb u ondanks -alles innig lief." - -Het gesprek was levendig, zonder dat er echter over een bepaald -onderwerp werd gesproken; men lachte, maakte toespelingen, was hatelijk -of wel lieftallig al naar het viel. - -Dokter Bennecken kwam het verlichte vertrek binnen doch wilde, -toen hij het gepraat en gelach in de andere kamer hoorde, dadelijk -weer heengaan. - -"Ben jij het Johan.... wil je geen kopje thee hebben?" riep Hilda hem -toe. De dokter zag zich wel genoodzaakt binnen te komen; hij groette de -jonge dames, maar verdween met zijn kopje thee weer in het salon. Hij -was niet best geluimd; in de poort had hij Christine ontmoet en zij was -hem voorbijgegaan, zonder de minste notitie van hem te hebben genomen. - -"Mijn geleerde broer heeft vandaag veel trappen moeten klimmen," -riep Alfred vrij luid. - -"Wat meent gij hier mee" vroeg Sophie, die aan den toon, waarop -die woorden gezegd werden, merken kon, dat er iets bijzonders mede -bedoeld werd. - -"Ja.... mijn broer is geen vriend van trappen klimmen; hij gaat het -liefst daar, waar de kamers gelijkvloers zijn; soms heeft hij er -echter niet op tegen een paar trapjes naar beneden te gaan." - -"Het past al heel slecht voor eenen dokter bang voor trappen klimmen -te zijn," merkte een der dames aan, die den zin van Alfreds woorden -in het minst niet begrepen had. - -"O, het is maar best de sympathieën en antipathieën van mijn broer -niet al te nauwkeurig te onderzoeken; in alle zaken heeft hij nog al -een' zonderlingen smaak. Kunt gij bijvoorbeeld raden, dames, hoe zijn -ideaal van eene vrouw er uit moet zien?" - -"Neen, neen, volstrekt niet, vertel ons dat," riepen eenige der dames -hem toe. - -"Alfred!" riep de dokter uit. - -"Eerstens moet zij ten minste drie en een half el lang zijn.... op -hare kousen nog wel." - -De dames lachten en amuseerden zich zeer, maar Hilda begreep, waar -hij heen wilde. - -"Alfred!" zeide zij op half fluisterenden toon, "ga niet verder." - -Hij stoorde zich echter niet aan hare woorden en vervolgde: "dan moet -zij ten tweede vuurrood haar hebben, dat vóór alles zoo stroef moet -zijn als de manen van een paard; ten derde moet zij in den boerenstand -zijn geboren en naar den koestal ruiken...." - -"Alfred.... Alfred!" riep mevrouw hem half lachende, half knorrende -toe. - -"O.... o, nu weet ik het!" riep Sophie uit, "je bedoelt Christine, -die lange Christine, die bij den conciërge woont, niet waar?" - -De dokter zette zijn kopje zoo hard neer, dat het rinkelde. - -"De hartsgeheimen van mijnen broeder verraad ik maar zóó niet," -zeide Alfred. - -"Nu, bedoelt gij niet Hilda's nieuwe kennis, die Christine," vroeg -Sophie, en zij boog haar hoofdje wat meer naar hem toe. - -Zeer gevleid, dat hij de dames met zijn verhaal had kunnen boeien, -ging hij verder: "O, het is volkomen een roman, gij kunt mij op mijn -woord gelooven. De voorname minnaar en het eenvoudige maar buitengewoon -deugdzame boerenmeisje, dan de zuster als de vertrouwde...." - -"Alfred!" riep Johan nu uit op eenen toon, dat allen er van schrikten. - -"Maar Johan," zeide nu mevrouw, "wat beteekent zulk een gedrag, -ik verzoek je vriendelijk...." - -"Ik heb het hem vroeger al gezegd mama, dat ik het niet langer dulden -wil," riep de dokter uit, en stampvoette van drift. - -"Mama," vroeg Alfred op sarrenden toon aan zijne moeder, die met -Johan in het salon zat, "was het met het lange, of met het korte been?" - -Nu kon Johan zich niet langer bedwingen; hij ging naar de deur -der kamer, waarin de dames zaten, doch mevrouw hield hem tegen: -"Maar Johan, ik geloof werkelijk, dat je vandaag niet recht bij je -verstand bent. Een beetje scherts moest je toch wel kunnen verdragen, -dunkt mij; je hadt beter gedaan, niet gekomen te zijn, dan hier zulk -eene kibbelpartij te maken; vóór je komst zaten wij zoo gezellig bij -elkaar!" Johan ging weg, maar het was zooals mevrouw had gezegd: hij -had den avond voor hen bedorven. De dames spraken op fluisterenden -toon tot hen die naast haar zaten, maar een gesprek wilde niet meer -vlotten; zelfs gelukte het Alfred niet de vroolijkheid weer aan den -gang te maken. - -Toen mevrouw zich 's avonds gereed maakte naar bed te gaan, -vertelde zij haren man den twist, die tusschen de broeders had -plaats gegrepen. Heel slim wist zij de zaak zoo voor te stellen, dat -het scheen, alsof Johan alleen de schuld droeg, van het onaangename -voorval; zij schilderde overigens het tooneel in nog scherper kleuren -af, dan het in werkelijkheid was geweest. - -"Komt het je nu ook niet voor, dat het tijd wordt dat zij het huis -uitkomt," vroeg zij. - -"Ik geef toe, dat de zaak er bedenkelijker uitziet dan ik gemeend had," -antwoordde de minister, "en zoo het werkelijk zoo ver gekomen is, ben -ik bang, dat haar heengaan, niet veel zal helpen; met een karakter, -als dat van Johan, vrees ik, dat de hindernissen, die men hem in den -weg wil leggen, hem des te meer zullen prikkelen om bij zijn besluit -te volharden; hij zal hare verblijfplaats trachten op te sporen, -en zoo hij haar vindt, zullen er misschien nog erger dingen gebeuren." - -"O, dat heb ik al lang gezegd," riep mevrouw jammerend uit, "maar -nooit wilt ge naar mijnen raad hooren, altijd wilt ge...." - -"Bedaard.... bedaard, lieve Adelaïde! Ziet gij... kunnen wij haar -niet van den hals schuiven, zoo.... zoo...." hier maakte hij eene -kleine diplomatieke pauze. - -"Nu?" vroeg zij. - -"Nu ja! zoo wij hem wegzenden." - -Zulke kleine verrassingen verstond de minister meesterlijk. Mevrouw -zag hem aan. "Ja, Daniël.... dat zou misschien niet zoo heel gek zijn." - -"Zooals ik altijd zeg, lieve Adelaïde... wees bedaard... overijling -deugt niet.... en bij kalm nadenken vindt men altijd eenen uitweg. Je -weet, dat Johan al zoo lang naar Weenen wenscht te reizen; ik wil -hem er nu verlof toe geven." - -"En mag hij lang wegblijven?" - -"Op zijn minst een jaar, zoo de reis hem, wat het wetenschappelijke -betreft, van eenig nut zal zijn." - -"Wat het wetenschappelijke betreft! Schalk!" zeide mevrouw -schertsend. Een steen was haar van 't hart gevallen. Vóór te gaan -slapen moest de minister aan zijne vrouw de belofte afleggen, dat -hij, zoodra Johan was vertrokken, Mo er toe dwingen zou Christine -weg te zenden; zij was dan ver weg en vergeten, als Johan van zijne -buitenlandsche reis terugkwam. - - - - - - - - -XI. - - -In April zou dokter Bennecken op reis gaan. Toen zijn vader hem -meedeelde, dat hij hem toestond naar Weenen te reizen, was hij er -zoo blijde over, dat hij in het eerst er niet aan dacht, hoe zwaar -het hem zou vallen Christine in langen tijd niet te zien. Nog minder -viel het den goedhartigen dokter in er over na te denken, waarom dat -hem de groote gunst eene reis te mogen maken, was toegestaan. - -Toen hij zijn examen als candidaat in de medicijnen had afgelegd, -was het zijn vurigste wensch geweest voor een jaar buitenslands -te gaan. Zijn vader had het te kostbaar gevonden en zijne moeder -had hem ronduit gezegd, dat het vrij belachelijk zou zijn, hem -voor zijne studiën naar het buitenland te zenden; daar waren zijne -examens niet schitterend genoeg voor geweest; hij kon best thuis voort -studeeren. Johan had dus al die reisplannen op zijde gezet. Toen hij -nu zoo onverwachts verlof kreeg naar het buitenland te reizen, was hij -zoo vervuld van dankbaarheid, dat hij er volstrekt niet aan dacht, hoe -hij eigenlijk zijn eigen meester was en zelf zijne reis kon bekostigen. - -Hoe meer de dag van het vertrek naderde, des te onrustiger werd hij. Er -was zooveel, dat hij vóór zijn heengaan volstrekt aan Christine moest -zeggen. Vóór alles wilde hij haar op de eene of andere wijze te kennen -geven, hoeveel hij van haar hield, en dan wilde hij haar vragen, ja, -dat was het eigenlijk, hij wilde haar vragen aan hem te denken in zijne -afwezigheid. Met dit denkbeeld was hij zeer ingenomen, want hij vond, -dat aldus veel met weinig woorden kon gezegd worden, en de dokter -oefende zich voortdurend op welke wijze den zin samen te stellen, als -bijv.: "zoo gij wildet...." of "zoo gij zoo goed wildet zijn...." of -"zoo ik kon gelooven, dat gij zoo vriendelijk zoudt willen zijn een -weinig aan mij te denken." Zou hij "een weinig", of zou hij het wagen -"veel" te zeggen, of misschien "dikwijls?" En ééne zaak bovenal woog -hem zwaar op het hart: hij wilde haar voor Alfred waarschuwen. Dat -hij haar alleen met Alfred moest laten, gaf hem de meeste onrust. Hij -kende al te goed, ja hij bewonderde zelfs de behendigheid van zijnen -broeder in het maken van intriges, en hij kon zich best voorstellen, -hoe licht een onervaren meisje als Christine zich door Alfreds aardige -manieren zou laten medesleepen. - -Maar men kon Alfred niet vertrouwen, en het was zijn plicht, zijn dure -plicht Christine voor hem te waarschuwen. Heel gemakkelijk ging het -echter niet, eene geschikte gelegenheid te vinden haar te spreken. Zoo -dikwijls mogelijk ging hij in de laatste dagen vóór zijn vertrek -langs hare vensters of bleef even in de poort staan; de twee of drie -treden durfde hij echter niet af te gaan. Tweemaal ontmoette hij haar, -maar hij voelde zich zoo beklemd en de stem stokte hem zoo in de keel, -dat hij blijde was toen zij voorbij was. Zij zag er ook zóó niet uit, -dat het hem aanmoedigde, haar aan te spreken. - -Eindelijk was de dag, die voor zijn vertrek bestemd was, -aangebroken. Nu moest hij dus trachten haar te spreken te krijgen; -toen hij in de poort was, verschoof hij het oogenblik nog wat: hij -kon eerst toch wel boven gaan afscheid nemen. Hij was zoo verstrooid, -dat allen er een weinig om lachten, uitgenomen Hilda, die hem schreiend -beloofde, te zullen schrijven. - -Toen hij uit het kamertje van den conciërge de weinige treden, die naar -Christine's kamer voerden, afging, draaide alles voor zijn oogen, en -hij viel bijna in de kamer. Gelukkig was er niemand, maar Christine, -die iemand met zoo'n leven had hooren binnen komen, kwam dadelijk -uit de keuken. - -"Ik ben het maar," stamelde de dokter, "ik struikelde over de -mat.... ik ga op reis." - -Ja, Christine had het reeds gehoord. - -"Ik kom nu afscheid nemen." - -Christine droogde de rechterhand wat aan haren boezelaar af. - -"Ik.... ik wou u vragen," maar verder kwam het niet. Al de mooie -wendingen van den zin, dien hij had willen uitspreken, waren als -weggevaagd. - -Onwillekeurig moest Christine even glimlachen. Dit gaf hem moed. "Ik -wou zoo graag, dat gij veel.... een weinig meen ik.... aan mij dacht, -wanneer ik zoover weg ben." Al het bloed steeg hem naar het hoofd; -hij wilde zoo gaarne den zin nog eens gezegd hebben, maar vond zulks -wat heel gek. Christine was ook rood geworden, zij zag voor zich neer, -maar glimlachte tevens. - -Toen werd de dokter zelfs vermetel; "en zoo wilde ik u zeggen, dat -gij voor Alfred op uwe hoede moet zijn." - -Deze woorden moest Johan Bennecken niet hebben gezegd; ternauwernood -was de zin aan zijne lippen ontgleden of Christine richtte zich -trotsch in hare volle lengte op, kwam eene schrede nader en vroeg: -"Wat meent gij hiermede?" - -Zij sprak in het dialect, dat zij anders in de stad afgelegd had, -toen hij haar aanzag, ging hij een paar schreden achteruit en vroeg: - -"Ja, neem mij niet kwalijk, ik meende maar...." - -"Ik ben oud genoeg, om op mij zelf te kunnen passen," beet Christine -hem kortaf toe. - -"Ja.... ja.... zoo meende ik het niet. Vaarwel!" en Johan strompelde -de twee, drie treden weer op. Toen hij weg was, wierp Christine zich -op haar bed en weende bittere tranen; dat hij ook zulke slechte dingen -van haar kon gelooven! - -De arme dokter werd door duizenden verwarde gedachten geplaagd; -eindelijk geloofde hij vast en zeker, dat zij Alfred beminde. - -De kruier die op het bestemde uur kwam om voor zijne bagage te zorgen, -kon uit mijnheer niet recht wijs worden: hij sprak zoo verward. Een -paar vrienden kwamen even bij hem aanloopen om hem eene goede reis te -wenschen; hij dronk een glas wijn met hen, gaf hen allerlei verkeerde -antwoorden, zag hen beurtelings aan alsof hij hun wat wilde vragen, -en zei, als het er op aankwam, geene syllabe. - -Zij lachten hem hartelijk uit, en vertelden hem, dat hij aan een -harden aanval van reiskoorts leed. - -In die gemoedstemming verliet hij Christiania. - -Een paar dagen later, vond de minister het maar het best nog eens -met Mo over de zaak te spreken. Alle dagen had hij den verwijtenden -blik, waarmee zijne vrouw hem aanzag, te doorstaan, waardoor hij -zich niet op zijn gemak gevoelde. Toen hij dan ook op zekeren morgen -met Mo alleen in zijn kamer aan het Departement was, zeide hij: -"Ja Mo.... je nicht moet je toch wegzenden." - -"Het spijt mij zeer, Excellentie, maar...." - -"Zeg mij toch eens, waarom je haar volstrekt bij je wilt houden?" - -"Ja,.... Excellentie, ik heb het mijn heele leven lang zoo eenzaam -gehad, en...." - -Nu ging den minister eensklaps een licht op; hij zag den kleinen -glimlachenden man, die voor hem stond aan en zeide eenigszins toornig: - -"Neen, maar Mo, hoe kunt gij aan zoo iets denken?.... op jouw -leeftijd.... en buitendien...." - -"Buitendien, Excellentie!" vroeg Mo, en hij zag hem zijdelings aan. - -"Ja, dat is een zeer onaangenaam onderwerp om over te spreken, maar -daar gij er mij naar vraagt zoo, zoo.... een paar malen zijt gij -zwaar ziek geweest.... Mo!" - -"Maar één maal, den anderen keer leed ik aan roos in het gezicht." - -"Ja, ja, ik ben niet van plan mij in uwe zaken te mengen, maar ik vind, -dat gij, wanneer ik je er om verzoek, het meisje weg kondt zenden." - -"Uwe Excellentie zal, hoop ik, volstrekt niet aan mijne onderdanigheid -en aan mijne volstrekte gehoorzaamheid twijfelen," gaf Andreas Mo ten -antwoord, en hij boog heel diep, "maar ik meen dat uwe Excellentie -zelf weet, hoe sterk dit gevoel bij den mensch is, en hoe...." - -De minister gaf hem door een ongeduldig gebaar met de hand te -kennen, dat hij het gesprek niet wenschte voort te zetten. Hij liep -de kamer op en neer maar de vingertoppen werden niet tegen elkaar -aangelegd. Wanneer hij uit zijn humeur was, en dus niet als diplomaat -optrad, stak hij de handen in den zak en rammelde met zijne sleutels. - -Hij dacht aan al de onaangenaamheden, die hem t'huis te wachten -stonden wanneer Christine niet weg ging en hij was niet zoo bang voor -de geheele pers der oppositie, als voor zijne vrouw, wanneer zij -eenen veldtocht, geheel naar den regel, aanving. Zij snuffelde dan -overal naar alles, wat haar licht over de zaak zou kunnen geven, en -bespiedde alle zijne gangen; veel kon er aan den dag komen, dat nu voor -haar bewaard en verborgen was en zou blijven, zoo lang de verhouding -vriendschappelijk bleef en hij zijne vrouw in goeden luim hield. - -Terwijl de minister heen en weer liep, pookte Mo heel voorzichtig in -de kachel het vuur wat op, en hij was er, om den minister wat tijd -te geven, heel lang mede bezig. - -Van tijd tot tijd keek deze Mo eens aan; na over alle punten van deze -onaangename zaak goed te hebben nagedacht, kwam hij tot het besluit, -dat een huwelijk tusschen Mo en die nicht in den grond eigenlijk de -beste uitweg zou zijn. - -Zonder twijfel zoude die Adelaïde tevreden stellen en tot kalmte -brengen, en dat was de hoofdzaak. Verder zou Mo, wanneer de minister -zich tegen het huwelijk niet verder aankantte, nog meer verplichting -aan hem hebben, en het was toch zijn plicht niet er acht op te geven, -dat de lieden, die wilden trouwen, gezond waren. - -En eindelijk--zoo Mo wilde gaan trouwen, wat had hij daarmede te -maken? Kon hij,--de minister--het hem misschien verbieden? Hoe kon -hij zoo dom zijn zich er boos over te maken? - -De minister legde nu de vingertoppen weer tegen elkaar, en vroeg -op den toon, dien hij gewoonlijk tegen Mo aansloeg: "Hebt ge met je -nicht over eene zoodanige verbintenis gesproken?" - -"Rechtstreeks heb ik de zaak nog niet aangeroerd; ik wilde mij van -de toestemming van uwe Excellentie verzekeren alvorens er met haar -over te praten." - -"Wat? mijne toestemming! het is eene zaak, die jou alleen aangaat, -en waarin ik niets heb te zeggen." - -"Ik zou mij toch nooit zulk eenen stap hebben willen veroorloven, -zonder eerst...." - -"Goed.... goed!" viel de minister hem boos in de rede, "zoo gij -gelooft, dat het meisje je nemen wil, zoo...." - -"Duizendmaal dank, Excellentie!" riep Mo uit en hij wilde de hand des -ministers grijpen, "ik twijfel er niet aan, dat nu ik de toestemming -van uwe Exc...." - -"Geen woord wil ik meer over die zaak hooren Mo, hebt gij mij -begrepen?" - -De minister zag er zoo verschrikkelijk boos uit, dat Mo het maar het -best vond hem alleen te laten; met een dankbaren glimlach om den mond -verliet hij het vertrek. - -De minister kon zich niet dadelijk aan den arbeid zetten--dit tooneel -had hem zeer ontstemd; nog lang liep hij hoofdschuddend in zijn kamer -heen en weer, en slaakte vele malen eenen diepen zucht. - -Des avonds zeide hij tot zijne vrouw: "Beste Adelaïde, het spijt mij -zeer voor je, maar Mo is maar niet van zijn besluit af te brengen om -het meisje bij zich te houden." - -"Zoo, werkelijk Daniël," antwoordde zij vrij heftig, "ja, ik begin -inderdaad te gelooven, dat gij op de eene of andere wijze in de macht -van dien man zijt." - -"Wees toch bedaard, Adelaïde, wees toch bedaard!" zeide haar man, -en hij gesticuleerde even met zijne mooie hand, "zij--ja, ik meen -dat meisje, kan geheel onschadelijk worden gemaakt, zonder dat het -noodig is, dat wij haar wegzenden." - -"Zoo, en hoe? als ik mag vragen?" - -"Zij kon bij voorbeeld gaan trouwen?" - -"Hier aan huis?" - -"Ja zeker, beste, met haren oom." - -"Met Mo! dat jonge meisje met dien ouden vent?" - -"Ja, zie je," antwoordde haar man, en hij deed zijne das voor den -spiegel wat los, "dat is nu eene zaak, die ons eigenlijk niet aangaat." - -"Neen, daar kunt ge gelijk aan hebben," antwoordde mevrouw eenigermate -aarzelend, "maar ik vind toch...." - -"Door dit huwelijk zou zij voor ons onschadelijk worden," ging -hij voort. - -"Ja, dat zou zeker het geval zijn; maar met dien akeligen Mo! en hebt -ge mij buitendien niet eens verteld, dat hij...." - -"Officieel is daar niets van bekend, en buitendien! zoo men bij ieder -huwelijk nauwkeurig wilde gaan onderzoeken of...." - -"Ja, je hebt gelijk, Daniël, ja, gij mannen....! en zoo als gij ook -zegt, het gaat ons eigenlijk niet aan!" - -"Ja, lieve Adelaïde, zoo denk ik over de zaak, het gaat geheel buiten -ons om." - -Toen mevrouw een poosje had nagedacht, kwam zij ook tot het besluit, -dat een huwelijk de beste uitkomst was. - -"Zijt gij op dat denkbeeld gekomen, Daniël," vroeg zij hem op -schalkschen toon. - -"Nu.... dat wil ik juist niet beweren.... hm!" - -"Je bent toch een slimmerd, Daniël," zeide mevrouw, en zij trok hem -naar zich toe. - -Christine begon te begrijpen, waarvan eigenlijk sprake was. Oom Anders -had, na haar zeer voorzichtig te hebben voorbereid, haar ronduit -gezegd, dat de minister wenschte, dat de geruchten, die zooals zij zelf -wist in omloop waren, op eene duidelijke wijze werden gelogenstraft. - -Een huwelijk met Oom Anders was naar hare begrippen eene goede -partij. In den stand, waartoe zij behoorde, waren zoogenaamde "mariages -de raison" eene gewone zaak; wanneer er nu nog bijkwam, dat haar -vader het ook zoo gaarne zag, kon zij er niets op tegen hebben. - -Nooit had zij eenig man aangemoedigd; zij was volkomen vrij, en -daarom maakte zij er zich dubbel boos over, dat men haar daarvan had -kunnen beschuldigen. Inzonderheid ontvlamde haar toorn, wanneer zij -aan dokter Bennecken dacht, en--die toorn deed meer pijn, dan zij -vroeger ooit had gevoeld. - -Ofschoon zij dus geene liefde behoefde te offeren, schreide zij echter -den ganschen nacht, die op den avond volgde waarop Oom haar gevraagd -had of zij zijne vrouw wilde worden. Na goed uitgeweend te hebben, werd -zij kalm en verstandig; de gedachte dat zij, trouwende met haren oom, -allen zou kunnen bewijzen--en den dokter in de eerste plaats,--welk -onrecht men haar had aangedaan, scheen haar kracht te verleenen. - -Den volgenden morgen kreeg haar oom het jawoord. - - - - - - - - -XII. - - -In dichte scharen zaten aan den Nijl de vogels en blakerden zich in -de heete zon. Zij poetsten en plukten hunne veêren, vlogen een paar -slagen om de vleugels te beproeven, en hapten lui naar de vette wormen -waarvan het in het slijk wemelde. Maar er was àl te veel voedsel, -àl te veel warmte en àl te veel windstilte; zij reikhalsden naar -frisschen regen, grauwe lucht en stormweer. - -Ontelbare troepen wilde ganzen en zwanen zwommen rond in de tamelijk -groote waterplassen, tusschen de biezen die het uitgestrekte -moeras vulden. Reigers en ooievaars staken hier en daar met den -kop boven de andere vogels uit; dicht in één gedrongen stonden -zij op één been en lieten den kop op zij hangen:--zij verveelden -zich allerverschrikkelijkst. Alle mogelijke soorten van snippen, -watervogels, kieviten, waterhoenders, wilde ganzen, kwartels, -zwaluwen--ja, zelfs tot gemeene spreeuwen toe--allen verveelden zich -zoo, dat hun de veeren bijna uitvielen. - -De ibis maakte zich zeer kwaad op al dat grauw gevederde vreemde -gespuis en vergat zijne waardigheid zoo zeer, dat hij zich bij den -dommen flamingo, dien hij anders zoo diep verachtte, beklaagde. - -De krokodillen knipoogden met hunne slijmachtige, lichtgroene oogen en -snapten nu en dan naar eene vette gans; dan ontstond er een geschreeuw -en gekrijsch, dat overal langs den stroom beantwoord werd, om eindelijk -heel, heel in de verte weg te sterven, en--de doodsche stilte van de -woestenij lag weer over het gloeiende landschap, terwijl de scharen -van vogels met slaperig uitzicht, weder ter neder zaten en wachtten--ja -zij wisten niet recht waarop. - -Daar vloog een kleine grauwe vogel loodrecht de lucht in; een oogenblik -bleef hij zweven, en klapwiekte met de vleugels, terwijl hij eenige -tonen kweelde--dan vloog hij weer naar beneden en verschool zich -tusschen het riet. - -Alle vogels hadden de koppen in de hoogte gestoken en geluisterd; nu -ontstond er een gesnater en een getjilp en een gedrang in elken hoek. - -Jonge, verwaande kieviten vlogen hoog in de lucht en draaiden in alle -mogelijke bochten rond om aan de anderen te toonen, hoe goed zij -vliegen konden. Maar de oudste witte zwanen, die heel naar IJsland -zouden reizen, belegden eene groote vergadering om het voorgeslagen -reisplan van den leeuwerik te bespreken. Allen hadden toch den -leeuwerik dadelijk aan het geluid herkend, ofschoon hij, want het -gezang scheen nog niet goed uit de keel te willen, maar een paar -tonen had laten hooren. Terwijl de zwanen nog aan het beraadslagen -waren, werden zij door een hevig geplas in hunne debatten gestoord -en de lucht werd geheel donker. Het waren de wilde ganzen, die dit -leven maakten. In groote zwermen verdeelden zij zich, draaiden in de -lucht heen en weer, schaarden zich dan in lange rijen en verdwenen -in noordelijke richting, terwijl hun geschreeuw nog lang in de verte -werd gehoord. - -In zwarte massa's vlogen de spreeuwen weg, de kieviten volgden hun -voorbeeld, de ooievaars stegen paarsgewijze loodrecht omhoog, tot zij -bijna geheel uit het gezicht waren, en trokken dan Noordwaarts. In de -algemeene verwarring en het leven dat er heerschte, konden de zwanen -niet rustig meer zitten te overleggen en daarom werd de vergadering -ontbonden; ieder wilde weg, tijd tot nadenken, gunde men zich niet -meer. Alle bezinning was verloren, telkens vlogen nieuwe scharen -over Noord-Afrika heen, en ieder begroette, naar dat hij gebekt was, -de blauwe Middellandsche zee, die onder hem lag. - -De mannetjes-nachtegalen vlogen in stille kleine gezelschappen des -nachts weg; zij voelden zich getrokken tot de bekende plaatsjes in -de rozenstruiken van Provence of wel tot de beukenwouden van Seeland; -zij wilden hunne fraaiste melodieën instudeeren en ze kennen vóór de -aankomst der wijfjes. - -De Noorsche leeuweriken wachtten het langst; toen de Deensche -wegtrokken, sloten zij uit oude vriendschap zich bij hen aan. De -reiskoorts maakte zich tot zulk eene hoogte van allen meester, dat -zelfs de zwaluwen en de koekoeken langer rust noch duur hadden; zij -wilden in allen gevalle toch over de Middellandsche zee,--daar kon -men zien hoe verder te handelen. - -De ibis herkreeg zijne kalmte van gemoed, en als een bisschop zoo -deftig wandelde hij langs den oever; de roze-roode flamingo's maakten -voor Zijn Hoog Eerwaarde eerbiedig plaats, terwijl zij met vroom -vertoon den dommen kop met den krommen bek bogen. - -Stiller en warmer werd het langs de oevers van den Nijl. De krokodillen -moesten zich nu met negervleesch tevreden stellen of een enkele -maal met dat van een taaien Engelschen toerist. Dag en nacht vlogen -de trekvogels naar het Noorden en naarmate zij de bekende plaatsen -naderden, verminderde het reisgezelschap; zij, die aan hun bekend te -huis waren gekomen, groetten hen, die nog verder moesten trekken, -en leven en vroolijkheid over het oude bevrorene Europa zouden -verspreiden, in bosch en veld, dicht bij de woningen der menschen en -ver weg in het riet van de groote stilstaande meren. - -In Italië stonden de rozenstruiken in vollen knop; in 't Zuiden van -Frankrijk deden de bloeiende appelboomen denken, dat het zooeven -gesneeuwd had, en op de Boulevards in Parijs begonnen de bladeren der -kastanjeboomen hunne glanzende taaie knoppen te verbreken. De eerzame -burgers van Dresden stonden op het Brühlsche terras en warmden zich -in de zon, terwijl zij naar de ijsschotsen keken, die met den stroom -kwamen afdrijven, om zich tegen de bogen der brug bij torenhoog op -te stapelen. - -Maar verder op in het Noorden bleef het nog koud; een scherpe, -snijdende wind woei over de Noordzee en hier en daar zag men sneeuw op -den grond. Hoe noordelijker men kwam, des te kleiner werd de schare -der leeuweriken. Een groot gedeelte nestelde zich op de vlakten om -Leipzig, en een ander op de Lüneburger heide; toen de overige in -Sleeswijk waren aangekomen, vroegen de Deensche leeuweriken aan hen, -die in het Noorden thuis behoorden, of zij geenen lust hadden een -weinig te wachten om het weer wat aan te zien. - -De sneeuw lag nog op de velden en hekken in Jutland, en de -Noordwestenwind schudde de oude Deensche berken, welker bruine knoppen -nog voorzichtig de saamgehulde teere blaadjes omsloten. De vogels -verscholen zich achter groote steenen en in het heidekruid; sommige -waagden het zelfs heel dicht in de buurt der boerderijen te komen, -waar de musschen een leven maakten alsof alles hun behoorde. - -Allen waren het er over eens, dat men al te vroeg op reis was gegaan, -en hadden zij hem, die hen van Egypte's vleeschpotten gelokt had, -hier beet kunnen krijgen, zij zouden hem zeker de veeren hebben -uitgeplukt. Eindelijk woei er een Zuidenwind; de reizigers naar het -Noorden namen afscheid, bedankten voor het aangename gezelschap en -vlogen de zee over. - -Daar in Noorwegen zag het er bij hunne tehuiskomst treurig uit. De -sneeuw lag nog vele voeten diep in de dichte bosschen en zelfs in de -dalen. Daar bracht de Zuidenwind den zoo gewenschten regen en,--nu -niet trapsgewijze--neen, plotseling greep er eene omkeering plaats met -geraas en gebulder en sneeuwstortingen en schuimend neervallend water -en bruisende stroomen, zoodat het land veel op eenen reus geleek, die -zich wascht en die er van houdt het ijskoude water over de krachtige -leden te laten spatten. En een groen floers breidde zich over alles -uit; over de jonge berken op de hoogten, over de stranden, waar de -zee een inham maakt, over de vlakten in westelijke richting naar -zee en over heide en moeras, over klippen en bergkloven en over de -nauwe dalen tusschen de bergen. Op de toppen bleven de sneeuw en de -gletschers liggen, alsof de bergen geenen lust hadden den hoed voor -zulk een vluchtigen bezoeker als de zomer, af te nemen. De zon scheen -zoo heerlijk en warm, ook het koeltje voerde nog warmte van het Zuiden -aan, en eindelijk kwam de koekoek,--als opperceremoniemeester, om te -zien, of alles in orde was; hij vloog nu hier, dan daar, verschool zich -eindelijk in het dichtste loof van eenen jongen berkeboom, en riep: -"de Lente is daar!" - -Het oude Noorwegen was eindelijk ontwaakt! - -Daar lag het nu--zoo hoog en zoo verblindend schoon aan de blauwe -zee;--zoo arm en zoo mager en toch ook zoo frisch, gezond en lachend -als een flink gewasschen kind. - -In de havens langs de kust heerschte nu groote bedrijvigheid; witte -zeilen vertoonden zich tusschen de klippen en verdwenen in zee. De -schaatsen werden aan den balk gehangen, de sledevellen, goed met -kamfer bestrooid, werden weggeborgen, en even als de beer, wanneer -hij uit zijn hol komt, zijne pels eens goed schudt, evenzoo schudden -nu de menschen, de loome leden, grepen de spade aan en begonnen met -vollen ijver den voorjaarsarbeid. - -Groote houtvlotten dreven de stroomen af en plasten in het ijskoude -sneeuwwater; op de breede vruchtbare akkers sneed de ploegschaar lange -zwarte voren; hoog in het Noorden waren de lieden druk bezig kabeljauw -op de naakte klippen te drogen te leggen; op de vlakten in westelijke -richting naar het strand toe, zag men karren met wier beladen langs -de akkers rijden, en op de heide stond een kleine man met leepoogen, -peinzende over eene Isabella-merrie. - -Hier was de lucht nog frisch en aangenaam, terwijl de lieden te Parijs -op straat door een zonnesteek getroffen werden en de bladeren der -boomen op de boulevards vol stof en half verschroeid waren. - -Op het Brühlsche terras zaten de eerzame burgers van Dresden het -koeltje, dat de avond hun aanbracht, te genieten; zij dronken Meiwijn -en disputeerden zoo over Wagner's muziek, dat zij elkaar bijna in -het haar vlogen. Over iets anders mochten zij in het publiek niet -disputeeren en--disputeeren moesten zij. - -Zij, die eene goed gevulde beurs bezaten, begonnen in Baedeker te -bladeren, en spoedig kwam er ook eene schare van krombeenige Duitschers -en Engelsche dames met lange tanden opzetten, die frissche lucht wilden -inademen, tusschen de bergen van Noorwegen, en later een weinig van -die frissche lucht naar het vaderland wenschten mede te nemen, te -gelijk met de goelijk gemeende karikaturen over het "Oude Noorwegen." - -Terwijl die bonte menigte van reizigers zich in alle richtingen over -Noorwegen verspreidde, ontmoette zij op hunnen weg eenen anderen -stroom, die de kust trachtte te bereiken. - -"Was sind das für Leute?" vroeg Raadsheer Schultze uit Berlijn. - -Een beschaafde Noor antwoordde hem in het Duitsch "Emigranten." - -Mannen en vrouwen met ernstig uiterlijk, gekleed in nieuw friesch -baai, togen voorbij. Kinderen hielden zij bij de hand, op den arm, -op den rug of wel aan de borst; eene schare van gezonde roodwangige -kleinen, die met heldere oogen verwonderd naar alles staarden, wat -op weg te zien was. - -Aan al de spoorwegstations en op al de stoombooten, die de groote -binnenmeren bevaren, stonden kisten opgestapeld, voorzien van duidelijk -geschilderde adressen en namen in het Noorsch en in het Engelsch. - -Op alles lag den stempel van een wel overwogen, langzaam gerijpt -besluit: knappe stevige bagage, nieuwe sterke kleederen, geene -nuttelooze kleinigheid in handen,--alleen kinderen, maar die werden -dan ook stevig vastgehouden; men kon zien, dat ze niet eerder zouden -losgelaten worden, vóór men goed en wel in de Nieuwe Wereld was -aangekomen. - -Maar geene vreugde, zelfs niet dat wat men hoop kon noemen, stond op -die aangezichten te lezen; alleen lag om den mond een vast besloten, -zwaarmoedige trek en een zwaar verdriet sprak uit die oogen, die -tranen stortten of niet schreien konden. - -Raadsheer Schultze uit Berlijn was een en al verwondering. Dat men -lust had uit Duitschland te emigreeren, kon hij zich begrijpen; daar -had men dienstplicht en eene militaire regeering, het socialisme, -Bismarck en alle mogelijke ellende meer. Maar hier--! in dit schoone -vreedzame land, met zijne welbekende vrijzinnige constitutie,--wat -kon hier den menschen ontbreken? - -En het land zelf scheen te vragen: waarom gaat gij heen? De zon gaf -zulk een vriendelijk lachend uiterlijk aan de lichtgroene heuvels; de -stroom kabbelde zoo vreedzaam en uit het woud kwam van de pijnboomen -met de nieuw ontsproten naalden zulk een heerlijke geur! - -Op het perron stonden familie en bekenden en zij weenden, wijl zoovelen -wegtrokken--allen weenden tot de arme daglooner toe, die schreide, -omdat hij geen geld had om mede op reis te gaan. - -Toen de trein door het dal stoomde, zagen zij allen uit de nauwe -raampjes van den waggon en zij wisten, dat er geen schooner land op -de aarde te vinden is; dat nergens de zon zóo schijnt, dat nergens -de lucht met zulk een' geur, met zulk een gejubel vervuld is, dat -nergens de koekoek zoo vroolijk roept als in hun vaderland. - -En heete tranen welden in de oogen op, en luid werd in die waggons -gesnikt; men vergat, waarom men zich hier bevond, en ieders oog scheen -dat des anderen de treurige vraag te doen: "waarom gaan we toch weg, -waarom?" - -Intusschen nam de lente weldra afscheid met haar welluidend gezang, -met hare vechtpartijen en liefdesavonturen van de kleine kevers, die -in het gras aan hunne schoonen het hof maakten, van de groote beren, -die in de wouden vochten, tot er bloed stroomde. Natuurlijk waren -zooals altijd de kleinen door de grooten verslonden, dat valt niet -te ontkennen; doch het had nu meer als eene bijzaak plaats gehad: -'t geschiedde min of meer gemoedelijk. Niemand behoefde veel voedsel; -wanneer men verliefd is, heeft men aan andere dingen te denken. De -strijd om het dagelijksch bestaan gaat, wanneer men verder in den zomer -en in den herfst is gekomen, op eene geheel andere wijze toe: men moet -dan voedsel zoeken voor het wijfje en eenen troep hongerige jongen. - -Het voorjaar werpt een waas van ridderlijkheid over de materialistische -jacht naar het stoffelijke; de mannetjes doen hun best, zoo lieftallig -mogelijk te zijn, terwijl de wijfjes haren korten triomf genieten -door zooveel zij maar kunnen en naar hartelust te coquetteeren. - -In het woud en op het veld weerklinkt de lucht van smachtend verlangen, -hopelooze klaagtonen en jubelend geluk, en vele kleine harten breken -van stil verdriet; vele kleine ongeregeldheden hebben onder het dikke -loof of op het eenzame veld plaats, en menig klein gevecht wordt er -op leven en dood gevoerd, terwijl de schoone onverschillig ter neder -zit en het spel aanziet. - -Twee kwikstaartjes vochten zoo heftig met elkaar in de lucht tot -zij van vermoeienis in de sloot bij den molen vielen; doornat en -gehavend kwamen zij op het droge. Ondertusschen vloog zij, om welke -het gevecht plaats had, met eenen derde, die daar toevallig voorbij -kwam vliegen, weg. Het water bij den molen lag zoo blank en stil, -dat de twee mededingers er zich in konden spiegelen, toen zij bezig -waren, hun toilet in orde te brengen. De jonge kikvorschen hadden -zich van hunne toga puerilis met den hinderlijken staart ontdaan. Zij -vertoonden zich nu in al den glans van jonge kikvorschen, terwijl zij -met de achterpooten als geëxamineerde zwemmeesters krachtige slagen -in het water maakten. - -Langs de geheele kust liep de zee; voorzichtig als eene kat, sloop zij -tusschen de talrijke klippen door. Daar, waar gedurende den winter bij -stormweer het schuimende water kon koken, bruisen en razen, gleden -nu de lichtgroene golfjes in en uit; de groote, blauwe, door de zon -zoo vroolijk beschenen zee vlijde zich zoo warm en koesterend tegen -het oude zoo barsch schijnende land aan, alsof zij nooit vijandig -tegen elkander gestemd waren geweest. Langs de naakte klippen en -steenen en in de kleine fjorden groeide het wier in roode, gele en -lichtgroene schakeeringen; het glansde gelijk een zijden dek. Op den -bodem der zee krioelde het van allerlei schaaldieren met lange armen -en voelhorens en stevige huisjes op den rug--eene wonderlijke wereld -van listige wapenen en sterke harnassen. Op de naakte, gladde klippen, -die dicht bij den blauwachtig witten zandigen grond gelegen waren, -zaten tusschen weelderig zeegras en andere zeegewassen, slijmdieren, -stekelige zeeëgels en prachtige roode zeesterren. Twee of drie zeealen -staken hunnen kop tusschen het in elkaar gegroeide wier in en beten aan -het een of ander; daar kwam onverwachts een dikke kabeljauw aanzwemmen, -door wiens komst zij zoo schrikten, dat zij ijlings trachtten weg te -komen. Deze stak nu den neus in het wier om te zien, wat er te koop -was. Vermoedelijk vond hij er niets, wat zijnen eetlust opwekte, -want met eenen verachtelijken zwaai keerde hij om, en zwom dood op -zijn gemak verder langs de klip. - -De zonnestralen vielen met een blauwachtig en geheimzinnig schijnsel -op dat vreemdsoortige leven op den bodem der zee, zoowel als op de -licht grijs gekleurde zandplaten, die hier en daar onder het water -te zien waren, totdat zij eindelijk geheel verdwenen en slechts de -groote, diepe, oneindige, blauwe zee zich vertoonde. - - - - - - - - -XIII. - - -Op den eersten Juli werd het huwelijk van den bode aan het Departement -Anders Mo en Mejuffrouw Christine Vatuemo in de Drieëenigheidskerk -gesloten. - -Buiten degenen die uitgenoodigd waren de huwelijksplechtigheid in -de kerk bij te wonen, waren nog een groot aantal menschen aanwezig, -want de minister Bennecken bevond zich onder de bruiloftsgasten, en -buitendien was het een interessant paar om naar te kijken: de oude -man en het jonge meisje. - -Eigenlijk geleek het niet zoo dwaas, als men gedacht had. Wanneer men -het witte haar niet meerekende, was Oom Anders in zwarten rok, stijve -witte das en gouden horlogeketting.... een huwelijksgeschenk van den -minister, werkelijk nog een deftig bruidegom. Christine was zoo lang en -forsch en zag er zoo boersch uit, dat het niet veel in het oog liep, -dat zij nog zoo jong was; ook was zij van daag zeer bleek en zag er -ernstig uit. De familie Bennecken woonde reeds buiten en mevrouw was -zoo vriendelijk geweest de eetzaal en het daaraan grenzende vertrek -aan de jonggetrouwden voor de bruiloft af te staan. - -Toen de bruiloftsstoet uit de kerk kwam, dronk men eerst een glas -wijn in de woning van den conciërge en de minister hield eene korte -toespraak, waarnaar met groote belangstelling werd geluisterd; -daarna verliet hij het gezelschap, dat nu naar boven ging waar de -bruiloftstafel gedekt stond. - -Het bruidspaar nam eerst plaats in het vertrek naast de eetzaal om -de gelukwenschen der gasten, naar de volgorde waarin zij kwamen, -te ontvangen, want buiten hen, die de plechtigheid in de kerk hadden -bijgewoond, waren er nog vele anderen genoodigd. - -De Redacteur Mortensen, die na het vertrek van den minister de -voornaamste gast in het gezelschap was, voelde zich zeer op zijn -gemak in het salon, praatte luid en maakte geestige aanmerkingen; -de overigen zaten zwijgend en statig langs de wanden met de voeten -zoo ver mogelijk onder hunnen stoel. - -Christine was verbaasd, dat haar man zooveel bekenden had, en -vooral dat zooveel deftige lui uit de stad de bruiloft met hunne -tegenwoordigheid vereerden. Eindelijk waren al de zitplaatsen door -de fraaie uitgedoste dames bezet, een paar jonge meisjes zaten zelfs -op elkanders schoot. De heeren keerden dadelijk, wanneer zij in de -kamer aan het bruidspaar hun compliment hadden gemaakt, naar de gang -terug. Er heerschte eene stilte als bij eene begrafenis en geen ander -geluid werd gehoord dan nu en dan een paar woorden van den Redacteur -of eenig gerammel met borden in de keuken. - -Onder de bruiloftsgasten bevonden zich een paar boden van een ander -Departement, met hunne vrouwen en dochters, de politie-agenten Andersen -en Knudsen,--de laatste was nog niet voor vast aangesteld, en stond -onder Andersens toezicht; vervolgens was er de sergeant-majoor Knoff -in uniform en handschoenen, de schoorsteenveger Lunde met zijne vrouw -(eene zuster van den agent Andersen), de bode van het Gerechtshof, -Paalsen genaamd, bekend door zijn talent om het gezelschap aangenaam -bezig te houden, en madame Grüner, die voor den koning, wanneer deze in -de stad kwam, kookte. Voorts maakten nog deel van het gezelschap uit, -eenige sergeanten, een havenmeester en spoorwegbeambten in uniform -met hunne dames. De keukenmeid kwam telkens in de gang, en gaf den -bruidegom een teeken, dat alles klaar was; hij schudde dan echter -met het hoofd en keek op zijn horloge. - -Eindelijk ontstond er eenige beweging onder de heeren, die bij de deur -stonden, en twee dames kwamen binnen. De eerste was een mooi slank -meisje met blond haar en groote glanzende oogen. Zij was in eene licht -zijden japon gekleed; bellen van filigran en eene zilveren ketting, -waaraan een groot medaillon was gehaakt, voltooiden haar toilet. De -dame, die haar vergezelde, was tamelijk gezet en kon zoo ongeveer -een veertig jaar oud zijn; zij had koolzwart en glanzig haar; aan -den eenen kant van haar kapsel stak eene donker roode roos en aan -den anderen eene kleine kolibrie half verscholen in een strikje van -Schotsch band. Zij was stijf geregen, zoodat hare weelderige vormen -zeer goed in het roodfluweelen lijf, dat van voren uitgesneden was, -uitkwamen; op haar boezem droeg zij eene gouden broche in den vorm van -een hoefijzer. De rok van de japon was van zwarte zijde, hier en daar -door kleine bouquetten van rozen opgenomen. De Redacteur Mortensen -slaakte een' kreet van bewondering, toen zij naar het bruidspaar -gingen waardoor de oudste der twee dames hem schertsend met haren -waaier sloeg. - -"Lieve Christine," zeide nu de bruidegom op de hem eigenen deftigen -toon, "veroorloof mij u mejuffrouw Eveline Nielsen voor te stellen, -die ons wel de eer wil aandoen...." - -"O, beste mijnheer Mo! de eer en het genoegen zijn geheel aan mij," -antwoordde de jonge dame en zij glimlachte vriendelijk, waardoor hare -mooie witte tanden zich lieten zien. - -Christine voelde zich dadelijk tot haar aangetrokken, ofschoon zij -wenschte, dat haar nieuwe kennis wat minder fraai gekleed was geweest. - -Daarna presenteerde de bruidegom de andere dame: mijne veeljarige -vriendin, "madam Gluncke." - -De kleine gezette dame omhelsde Christine hartelijk en drukte haar -een vochtigen kus op den mond, terwijl zij in een vloed van woorden -vertelde, dat zij de liefste bruid was, die zij ooit had gezien, -ja werkelijk zonder overdrijving, de allerliefste. - -Nu zou men aan tafel gaan. - -De Redacteur Mortensen maakte met den hoed in de hand eerbiedig eene -diepe buiging, voor juffrouw Nielsen. - -"Onze gastheer heeft mij de eervolle opdracht gegeven u naar tafel -te geleiden, juffrouw Nielsen;" hij bood haar sierlijk den arm en -ging achter het bruidspaar de eetzaal binnen. - -Daarna kwamen de sergeant-majoor Knoff en madam Gluncke, dan de -schoorsteenveger Lunde en madam Grüner benevens de bode van het -gerechtshof Paalsen met madam Lunde; de overigen van het gezelschap -gingen met hem of haar, van wie de naam op het kaartje geschreven -stond, dat zij van den koetsier van den minister een poosje geleden -in de gang hadden ontvangen. - -De bruiloftstafel had den vorm van een hoefijzer. Aan de kortste -zijde zaten in het midden de jong getrouwden, links van hen Knoff -en madam Gluncke, rechts de redacteur en juffrouw Evelina. Midden in -het hoefijzer zaten Lunde en Paalsen met hunne dames, en de overigen -namen de andere plaatsen in. - -De politieagent Andersen had het bijster druk, eer allen naar zijnen -zin geplaatst waren; en telkens maakte hij verschikkingen,--eindelijk -gelukte het hem Knudsen vlak over zich geplaatst te krijgen. "U moet -weten, madam Grüner," fluisterde hij haar in het oor; "dat hij nog maar -op proef genomen is, ziet u, en dat het mijn plicht is een oogje in -'t zeil te houden." - -Zijne dame liet zich niets aan zijne woorden gelegen liggen: zij was -ontevreden over hare plaats en over den cavalier, die men haar had -gegeven. Zij had er zoo zeker op gerekend naast de jonggetrouwden -geplaatst te zullen worden en door den sergeant-majoor naar tafel te -worden geleid. Toen zij een paar schepjes soep gegeten had, legde zij -den lepel neer en zeide half voor zich zelf op verachtelijken toon: -"Liebigs extract!" - -In het begin van den maaltijd ging het doodstil toe; het gerammel -der lepels, die echter met groote voorzichtigheid werden gebruikt, -alsmede het half luide gefluister en gelach van den redacteur en -zijne dame, verbrak slechts de stilte. - -"Mag ik de heeren verzoeken de glazen te vullen," zeide de bruidegom -op eenen toon, die zeer aan den minister Bennecken deed denken. "Mijne -vrouw en ik nemen de vrijheid de dames en heeren welkom aan tafel -te heeten!" - -Het eerste glas rooden wijn werd met groote plechtigheid geledigd, -terwijl allen met eene lichte buiging van het hoofd naar den kant, -waar de jonggetrouwden zaten, groetten. - -Christine liet haren blik langs de tafel en door de geheele zaal -gaan--'t was een oogverblindende pracht. - -Buiten weten van hare moeder had Hilda het vertrek met groen en -bloemen versierd, en al het glas en zilver, dat niet mee naar buiten -was genomen, ten gebruike gegeven. Naar Christine's begrippen zag -de bruiloftstafel er bijzonder prachtig uit. Zoo haar vader haar nu -maar te midden van al die heerlijkheid had kunnen zien, dan bleef er -niets te wenschen over. - -Intusschen hield de politieagent Andersen Knudsen scherp in het oog en -telkens wanneer deze eene beweging maakte om eene flesch of wel een -glas in de hand te nemen, riep hij op gedempten toon waarschuwend: -"Knudsen!" - -"Present!" antwoordde Knudsen en nam dadelijk eene militaire houding -aan. - -Madam Knoff, die een van de spoorwegbeambten tot buurman had, -zat zoo, dat zij volstrekt het oog niet kon houden op haren man, -den sergeant-majoor--ja, zij kon het toch, maar dan zat zij niet -behoorlijk. Deze houding was intusschen heel ongemakkelijk, zoowel -voor haar zelf, als voor haren buurman, want zij was eene corpulente -dame; hare gele gelaatskleur, gevoegd bij haar ongezond uiterlijk -gaf den Redacteur aanleiding te beweren dat Knoff's vrouw zeker aan -eene miltziekte leed. Daar bij het ronddienen van het eerste gerecht -de doodelijke stilte bleef voortduren, fluisterde Mortensen achter -Christine's rug om, den bruigom in: "Gij moet nu met de toasten -aanvangen Mo!" - -"Ik meende, dat zulks niet gebruikelijk was vóór het vleesch...." - -"Juist het tegendeel; het is nu smaak met de toasten bij de soep -te beginnen." - -De Redacteur gaf een paar harde tikken tegen zijn glas en Mo stond -van zijnen stoel op. - -"Dames en heeren! In dit gewichtige oogenblik gevoel ik diepe behoefte -uit te spreken, hoezeer ik het betreur aan deze tafel, waar zoovelen -aanzitten, die mij dierbaar zijn--hem te moeten missen, wien ik -inzonderheid van daag gewenscht had hier te zien. Ik meen den vader -mijner vrouw, den heer Niels Vandmo." - -Christine haalde haren zakdoek voor den dag. - -"Gij weet genoeg Christine hoe innig ik aan mijnen eenigen broeder -ben gehecht en welken prijs ik op het kleinood stel, dat hij aan -mijne hoede vertrouwt." - -Hier kreeg madam Gluncke eene heftige hoestbui, wat hoogst ongepast -was. De spreker wierp haar snel eenen blik toe, en vervolgde: -"Daarom dames en heeren willen wij een glas ledigen op de gezondheid -van den vader mijner vrouw, ofschoon hij afwezig is; wij willen hem -toewenschen, dat God hem met Zijne vertroostingen nabij zij en hem niet -al te zwaar het gemis zijner lieve dochter doe gevoelen. Christine, -je vaders gezondheid!" - -Toen de bruidegom weer ging zitten, fluisterde hij haastig madam -Gluncke eenige woorden in 't oor. - -"Ik kon het waarachtig niet helpen," lispelde zij terug, "je waart -onbetaalbaar!" - -Daarna verlangde de schoorsteenveger Lunde het woord. Hij was een -lang, mager man met grijs haar en spitsen neus. Met zijn beroep -hield hij zich, wat zijn eigen persoon betrof, niet veel meer -bezig: hij gebruikte daar "zijn volk" voor; in de voornaamste -deelen der stad bekleedde hij alleen nog officieel zijnen post -als schoorsteenveger. Hij had geld en zijne dochter was met eenen -telegrafist getrouwd. - -"Als de oudste in dezen kring," zoo begon hij, "is het mij zeker -wel veroorloofd het gezelschap voor te slaan op de gezondheid van -het bruidspaar te drinken. Wij weten allen, dat wij in onze jeugd -geleerd hebben, dat de Heer heeft gezegd: "het is niet goed dat de -mensch alleen zij!" - -De stilte, die nu aan tafel heerschte, was bijna benauwend. De -dienstmeisjes, die juist de borden wilden verwisselen voor het -rundvleesch, moesten staan wachten, terwijl de spreker de geschiedenis -van het huwelijk aan zijne hoorders verklaarde. Hij ging van Adam en -Eva, tot Abraham en Sara, en eindelijk tot Izaäk en Rebekka; behendig -sprong hij Jakob met zijne twee vrouwen over, evenmin sprak hij over -David en Salomo; geleidelijk kwam hij nu in zijne rede op het huwelijk -van den tegenwoordigen tijd en eindigde met 's Hemels zegen over het -bruidspaar af te smeeken. - -De meesten der dames schreiden, Christine vooral. Juffrouw Evelina boog -wat naar voren en knikte haar vriendelijk toe. Die plechtige woorden -met aanhalingen uit den bijbel, het prachtige feest, alles maakte -zulk eenen indruk op Christine, dat zij een oogenblik bijna begon te -gelooven, dat dit huwelijk wellicht nog tot haar geluk kon dienen. - -Juffrouw Evelina fluisterde Mortensen in: "het gaat mij toch werkelijk -aan mijn hart, dat arme kind!" - -Eene lange pauze ontstond er na den toast van den schoorsteenveger, -waarin de dienstmeisjes eindelijk van de gelegenheid gebruik maakten -de borden te verwisselen. - -Madam Knoff, die den geheelen tijd beweerde, dat haar man, die -afschuwelijke "Malle Bimbam" het hof maakte, had het ongeluk haar -bord van de tafel te stooten, juist toen zij door een onverwachten -zwenk den sergeant-majoor wilde verschalken. Het geraas, dat het bord -bij het vallen maakte, verschrikte Knudsen zoo, dat hij van zijnen -stoel opsprong, waardoor Andersen dadelijk op vermanenden toon riep: -"Knudsen!" - -Madam Gluncke had veel pleizier; zij lachte zeer luid en -stootte haren buurman aan. Haar lachen maakte een begin aan de -vroolijkheid. Mortensen liet de karaffen met Sherry rondgaan en de -gasten lieten zich dien wijn goed smaken. - -Toen stond de Redacteur op. "Dames en heeren! terwijl ik mijnen blik -over deze vergadering laat gaan, rijst onwillekeurig de gedachte -bij mij op, wat--zoo ik mij zoo mag uitdrukken,--wat eigenlijk de -vereenigingsband tusschen ons uitmaakt?" - -Hij sprak op een pedanten toon en zijne zinnen waren volkomen in -courantenstijl geordend; daar hij voelde, dat hij de voornaamste man -was en allen met de grootste opmerkzaamheid naar de woorden luisterden, -die van zijne lippen vloeiden, gebruikte hij eene menigte latijnsche -volzinnen en vreemde bewoordingen; hij ontwikkelde de stelling, dat -allen, die hier vergaderd waren, deel van de groote staatsmachine -uitmaakten, schalmen in de keten der mannen, "tot wie de natie met -vertrouwen en eerbied opziet." - -Zijne rede nam eene nog hoogere vlucht, toen hij in 't kort de -groote beteekenis van den ambtenaarsstand voor het land ontwikkelde; -altijd meer en meer stijgende, kwam hij eindelijk aan de spits van -het systeem en eindigde hij met een plechtig: - -"Dames en heeren, ledig uwe glazen op de gezondheid van onzen -geëerbiedigden koning!" - -De toast werd met geestdrift gedronken. Juffrouw Evelina keek den -redacteur van ter zijde even aan, maar zij kon er niet recht wijs -uit worden, of hij zelf werkelijk plechtig gestemd was dan dat hij -het gezelschap voor den gek hield. - -Nu bracht de bode van het Hooge Gerechtshof een' toast uit op den -minister Bennecken, dien de bruigom beantwoordde met eenen toast op -het vaderland; een der spoorwegbeambten sloeg voor op 't welzijn van -het broederrijk (Zweden) te drinken en eindelijk stelde de havenmeester -voor op de gezondheid der dames een glas te ledigen. - -Plotseling riep echter de sergeant-majoor met zijne commandostem: "Geef -acht! Geen gepraat in de gelederen vóór dat het rundvleesch van tafel -is! Men kan door al die toasten waarachtig niet aan 't eten komen!" - -Deze woorden brachten de vroolijkheid geheel aan den gang en hartelijk -lachten allen over dezen uitval; Christine lachte ook. Toch keek -zij half angstig achter den rug van haren man om naar madam Gluncke, -die achterover in haren stoel lag en zóó van lachen schaterde, dat -de tranen langs den kleinen vetten neus rolden. Madam Grüner, die -tot nu toe van alles weinig had gegeten, deed zich aan het gebraden -vleesch duchtig te goed, wijl zij zag, dat niemand in het minst op -haar gedrag acht gaf. Toch bleef zij even slecht geluimd, waardoor -haar cavalier zich met onverdeelden ijver aan zijn toezicht op Knudsen -kon wijden. Wanneer hij dronk, fluisterde hij haar echter altijd op -geheimzinnigen toon in, wijl hij aan zijne dame zag, dat zij vond, -dat hij nog al dikwijls zijn glas vulde: - -"Met mij ziet gij, loopt het geen gevaar! maar Knudsen, daar over -mij, hij is nog maar op proef, begrijpt gij.... en ik ben de persoon, -die op hem passen moet; "Knudsen!" riep hij dan, en hoe langer men -aan tafel zat, klonk het luider "Knudsen." - -Bij het dessert heerschte algemeene vroolijkheid en het leven nam, -hoe meer de wijn het bloed verhitte, iedere minuut in luidruchtigheid -toe. Paalsen, die als humorist bekend stond, vergastte op verlangen -het gezelschap op eenige zijner komieke toeren; hij kon bijvoorbeeld -kraaien als een haan, zich op de wangen slaan, waardoor het scheen, -dat men eene flesch leeg schonk, de ooren naar alle zijden bewegen, -en meer van die zaken. - -Het kwam Christine voor, alsof dit alles niet heel gepast was. Naar -haren smaak, moest het op eene bruiloft meer ernstig toegaan. - -Toen de gastheer Paalsen bedankte, betitelde hij hem uit scherts: -Mijnheer de President van den Hoogen Raad. Van die aardigheid maakte -de Redacteur dadelijk gebruik en hij riep luid: "Generaal Knoff! gun -mij de eer met u te klinken." - -Eerst waren de gasten er wat over verwonderd, maar spoedig vond dit -voorbeeld navolging. De schoorsteenveger Lunde werd als inspecteur -aangesproken en de bruigom kreeg den titel van minister. Christine -verheugde zich, dat het gezelschap zich zoo weinig met haar bemoeide; -zij kon echter volstrekt niet begrijpen, waarom bijna alle gasten -het van lachen uitproestten, toen Paalsen zich tot juffrouw Eveline -Nielsen wendende, zeide: "Mag mij de eer ten deel vallen, met de gade -van den President te klinken?" - -"Gaarne! mijnheer de President;" antwoordde Evelina, en bloosde even; -kort daarna lachte zij echter weer en fluisterde met Mortensen. - -De inspecteur Lunde wilde volstrekt, dat madam Gluncke met eenen -titel zou aangesproken worden, maar zij hield de handen voor de ooren -en riep, dat zij daar niets van wilde hooren. Generaal Knoff, wilde -met den politieagent Andersen klinken, die steeds met glazige oogen -naar Knudsen staarde. Toen de generaal er hem niet toe kon krijgen -naar zijne zijde te zien, nam hij op militaire wijze zijn toevlucht -tot een afdoend middel: hij wierp hem een stukje van een sinaasappel -over de tafel toe. - -Ongelukkigerwijze trof het madam Grüner juist in het aangezicht: -"zuur bij zuur!" riep Paalsen uit. Madam Grüner wilde dadelijk--hetgeen -niemand natuurlijk bevreemden kon--de zaal verlaten en hare buren, de -politieagent en de spoorwegbeambte hadden heel wat werk haar op hare -plaats te houden. Dit kleine onaangename tooneel vergat men echter -spoedig, wijl juffrouw Evelina op den goeden inval was gekomen het -roode papiertje, dat om eene pistache gewikkeld was geweest, in het -knoopsgat van den Redacteur te hechten. - -Alles wat er aan gekleurde papiertjes en lintjes op de tafel te -vinden was, werd nu gebruikt om de heeren te decoreeren waardoor -het gezelschap er bij het einde van den maaltijd zeer schitterend -uitzag. Met algemeenen bijval nam men den voorslag van Mortensen aan -om de koffie rond te dienen, terwijl men aan tafel zat, en dan tevens -eene sigaar aan te steken, "juist zoo als zulks te Parijs mode is!" - -Het ging nu zoo levendig aan tafel toe, dat hooren en zien verging -en men bijna zijne eigene woorden niet kon verstaan. Wild schreeuwden -allen over de tafel heen. De woorden "Generaal" "Minister" "Inspecteur" -enz. werden slechts afgewisseld door het op brullenden toon uitgeroepen -"Knudsen" van Andersen, die zijnen vriend, die den proeftijd nog niet -door gemaakt had, tot orde wilde vermanen. - -Christine gevoelde zich hoe langer hoe minder op haar gemak. Zij -zag de beide zijden van de tafel langs en schaamde zich dat het -er zoo slordig uitzag. Groote roode wijn- en bruine sausvlekken, -verwelkte bloemen en komkommersalade, rozijnentakjes, tabaksasch, -sinaasappelschillen, verkreukte servetten en kruimels van gebak en -bitterkoekjes, alles lag door elkaar tusschen de glazen en flesschen -in. Alle gezichten waren rood als pioenen, de dames lachten luidkeels -en de heeren schreeuwden elkander bijna doof, terwijl zij over de -tafel heenlagen; de dikke rook der sigaren vermengde zich met de -etenslucht en den geur van den wijn en de koffie. - -Meer dan eens zag zij haren man vragend aan, maar hij lachte -haar geruststellend toe, en fluisterde haar iets in wat zij niet -begreep--hij sprak weer zoo erg onduidelijk. - -Toen de gasten eindelijk van tafel opstonden, bleek het spoedig te -benauwd in het vertrek, voor de eetzaal. Madam Gluncke ging daarop -heel familiaar door de keuken en het voorhuis en opende de deuren, -die naar het andere gedeelte der woning geleidden. - -Deze kamers waren, wijl de familie nu buiten woonde, maar half -gemeubileerd. De spiegels en lichtkronen waren met wit linnen bedekt, -en de ruiten had men met krijt besmeerd, maar dit half donker en de -aangename koelte, die er heerschte, vonden de gasten juist aangenaam -en weldra hadden zij zich overal verspreid. De piano werd opengesloten -en de jongste juffrouw Lunde speelde: "Zij ging naar het strand," enz. - -Men kon duidelijk hooren, dat zij het zingen naar de nieuwste methode -had geleerd, zooals hare moeder dan ook het gezelschap mededeelde, -want zij zong: - -Zij gi... ng na... a... r h... 't stra... nd" enz. - -Maar nu ontstond er bij de piano een klein geschil, doordien -madam Gluncke er eigenzinnig op aandrong, dat men zou zingen: -"Daar stonden twee meisjes en zij plantten kool," terwijl de -jongejuffrouw Lunde op beslisten toon weigerde zulk soort van liedjes -te accompagneeren. Gelukkig dreef het onweer voorbij, doordien de -President van den Hoogen Raad, de heer Paalsen, den arm om Malle Bimbam -heensloeg en de polka met haar begon te dansen. Het bal nam nu een' -aanvang, een buitengewoon vroolijk bal, dat tot laat in den nacht in -de naakte halfdonkere vertrekken werd voortgezet. - -Achter eene deur zat madam Grüner te luisteren naar de klaagliederen -van madam Knoff, die heete tranen schreide over het gedrag van haren -man. Beiden waren het eens, dat het volstrekt geen fatsoenlijke -bruiloft was en dat "Malle Bimbam" nooit in 't gezelschap van -fatsoenlijke lui moest toegelaten worden. - -Christine liep van het eene vertrek naar het andere; zij voelde zich -geheel verlaten en ongelukkig; maar toen zij laat in den nacht haren -man in eenen donkeren hoek op zeer vertrouwelijke wijze met madam -Gluncke zag zitten, werd het haar benauwd om het hart--zij verliet -de groote woning, ging naar beneden en draaide den sleutel van hare -kamerdeur om. - -Toen de laatste gasten afscheid hadden genomen, scheen het -schemerachtige daglicht door de ondoorzichtig gemaakte vensters. De -redacteur had reeds een paar uur geleden juffrouw Eveline Nielsen naar -huis gebracht; de politie-agent Andersen stond in eene zeer onbeholpen -houding tegen de leuning der trap en fluisterde: "Knudsen!" hij -kon niet meer spreken en evenmin kon hij alleen naar huis komen. De -bruigom tuimelde de paar trapjes naar zijne woning af en toen hij -Christines deur op slot vond, begon hij met geweld te kloppen en te -roepen. Christine blies het licht uit en opende de deur. - - - - - - - - -XIV. - - -Des zomers woonde de familie Bennecken in een klein in Zwitserschen -stijl opgetrokken huis op het Ladegaardseiland dicht aan het -strand. Het was gebouwd op den grond die aan Falck-Olsen behoorde; -de villa van deze familie was eenige honderden schreden verder op -eene hoogte gelegen. - -Wijl de afstand tusschen de twee villa's dus gering was, kwamen -de familiën veel bij elkaar; inzonderheid ging de familie van den -minister dikwijls naar de fraaie, ruime villa van de Falck-Olsens, -omdat hunne woning vrij klein was. - -Mevrouw Bennecken had de economie bestudeerd en dus een open oog -voor de voordeelen, welke deze manier van huishouden aanbood; van -haren kant was mevrouw Falck-Olsen er zeer mee ingenomen, dat hare -buren zoo dikwijls kwamen, daar zij wat afwisseling, waarop zij zeer -gesteld was, aanbrachten. - -Zoo hadden de beide familiën jaren lang den zomer doorgebracht tot -wederzijdsch genoegen en voordeel, maar van 't jaar scheen er iets -aan te haperen: de ellendige Actiën-Bank was er schuld van. - -De algemeene vergadering was op den twintigsten Augustus -vastgesteld. Zooals men reeds vermoedde, had de oude raadsheer Falbe -zich niet weer verkiesbaar gesteld, en nu wilde de heer Falck-Olsen -bepaald, dat de minister bij de keuze voor eenen Directeur zijne stem -op hem zou uitbrengen. Bennecken daarentegen beweerde hardnekkig, -dat Falck-Olsen slechts onder zekere voorwaarden op zijne stem zou -mogen rekenen. - -Den geheelen zomer zat deze quaestie in de lucht en bedierf aller -genoegen. De dames bespraken de zaak ook dikwijls en werden er soms -zenuwachtig van. - -Mevrouw Falck-Olsen vond, dat de minister heel goed haren Ole -Johan zijnen zin kon geven en mevrouw Bennecken beweerde, dat de -groothandelaar het best zou doen naar den raad van eenen man als -haren Daniël te luisteren. - -In den namiddag van dien zoo gewichtigen verkiezingsdag zaten de -beide dames, ieder in haar eigen huis op het stoombootje te wachten, -waarmede de heeren gewoonlijk uit de stad kwamen. - -Mevrouw Bennecken was slecht geluimd. Al hare overredingskracht had -zij aangewend om haren man tot andere gedachten te brengen, maar -te vergeefs. De minister had zoo gewichtig mogelijk gezegd: "ik kan -het niet Adelaïde!.... ik durf het niet!" en wanneer hij dien toon -aansloeg, wist mevrouw bij ervaring, dat er niets aan te doen was. Nu -zat zij in de huiskamer, die, wijl het huis alleen voor zomerverblijf -was ingericht, volstrekt op geen comfort aanspraak kon maken; den -ganschen dag zich hier te moeten ophouden, was allertreurigst; het -regende dat het goot en de etenslucht drong door de dunne wanden uit -de keuken tot in de zitkamer door. - -De regen werd minder en mevrouw Falck-Olsen besloot haren man van de -aanlegplaats af te halen, toen zij de boot den hoek zag omkomen. - -De twee heeren kwamen van de boot, liepen samen een eindje op en -toen barstte de toorn van den groothandelaar over het hoofd van den -minister los. Hij had niet eerder gelegenheid gehad zijn hart te -luchten, want de boot was stampvol geweest. - -"Ja, dat had ik volstrekt niet kunnen denken," riep hij op bitsen -toon uit, "ik ben verwonderd, ja waarachtig verbaasd ben ik.... dat -gij het hebt durven wagen, Bennecken....." - -"Het doet mij leed, Olsen, maar ik heb het u vooruit gezegd; ik heb -niet anders kunnen handelen; consideraties van hooger belang...." - -"Consideraties!--mij dunkt, dat gij mij vrij wat meer consideratie -verschuldigd zijt,.... ja vrij wat meer...." - -"Nu, nu, Ole Johan!.... maak je niet zoo driftig," zeide mevrouw, -die hen ontmoette. - -"Ik weet niet, waarom jij je in de zaak mengt, moeder! hij daar," -en met het stompje van zijne sigaar wees hij naar den minister, -"hij bracht zijne stem op Consul Lind uit, en dat niettegenstaande -hij weet, dat, zoo ik wil, zoo.... maar wat hij van daag heeft gedaan, -zal hem berouwen, daar kan hij op rekenen." - -"Luister een oogenblik naar mij.... Falck-Olsen," sprak de -minister. Hij was buitengewoon bleek en de hoeken van zijnen mond zag -men zenuwachtig heen en weer gaan, toen hij beproefde te glimlachen, -"hebt gij er nooit aan gedacht, dat het volstrekt noodig is.... dat u -hier iets ontbreekt," en de minister legde met waardigheid den vinger -op den linker omslag van de jas des heeren Falck-Olsen. - -"Loop naar den d..... met die mooie praatjes, denkt gij mij aan -het lijntje te houden. Goddank scheelt het mij nog niet in het -hoofd.... dat zult gij spoedig genoeg ondervinden." - -Na deze woorden geuit te hebben sloeg hij haastig den weg naar huis -in. Mevrouw Falck-Olsen had de woordenwisseling van de heeren met -belangstelling gevolgd. Zij wisselde eenen beteekenisvollen blik met -den minister en hij knikte bevestigend. - -"Kunnen wij er zeker van zijn?" vroeg zij. - -"Geheel zeker, als hij zich verstandig gedraagt; dat is te -zeggen.... na verloop van eenigen tijd." - -"Nu dan zal ik de zaak wel opknappen," antwoordde zij. - -"Ja, zoo gij dat kondt beste mevrouw," riep de minister met warmte -uit. Hij wilde hare hand grijpen maar die zat onder den regenmantel -zoodat zij met een hoofdknik afscheid moesten nemen. - -Toen Mevrouw Falck-Olsen t'huis was gekomen, vond zij haren man met -den hoed op in zijne kamer schrijven, zij hoorde de pen krassen. - -"Je schrijft.... Ole Johan!" vroeg zij op schijnbaar onverschilligen -toon. - -"Ja.... ik schrijf naar het kantoor, dat de rekening van Bennecken -van middag opgemaakt moet worden, dadelijk.... geen oogenblik mag -het verschoven worden." - -"Ja, dat kan ik mij voorstellen, want je bekommert je natuurlijk -niets om zijn aanbod." - -"Aanbod! welk aanbod?" - -"Och, je hebt toch altijd den gek geschoren met al die -kinderachtigheden," ging mevrouw voort, terwijl zij haren regenmantel -afdeed. - -"Maar wat bazel je dan toch? wat meen je?" - -"Begreep je het werkelijk niet?" vroeg mevrouw, en zij deed of zij -een en al verbazing was. - -"Wat begreep ik niet? wat praat je toch voor domme dingen?" riep hij -uit, en draaide naar haar toe. - -"Wel heb ik van mijn leven, begreep je werkelijk niet, Ole Johan -wat de minister meende. Sloeg je er geen acht op, dat hij hier zijne -hand legde?" - -"Begin jij mij nu ook met die praatjes? neen, neen.... ik -zal...." Verder kwam hij niet, want vol verbazing staarde hij zijne -vrouw aan die het uitproestte van 't lachen. - -"Och, jij verstandige Ole Johan! Hoe zou het met je gaan, zoo gij -mij niet hadt. Wat is dat?" en zij hield hem bij den linker omslag -van de jas vast. "Wat hebben voorname groote mannen hier gewoonlijk -zitten, wat ontbreekt daar? Nu?" Mijnheer de groothandelaar, Ole Johan -Falck-Olsen, tuimelde drie schreden achteruit en bleef eindelijk voor -den spiegel staan; hij keek beurtelings in den spiegel en naar zijn -linker jasomslag, terwijl hij wat aan het knoopsgat friemelde. - -"Denk je werkelijk, dat hij dit meende?" - -"Natuurlijk! maar dan moet gij je aan eene bepaalde partij aansluiten, -zoo als hij zegt en dat wil je toch niet." - -"Dan kon je de bal wel eens leelijk misslaan," riep hij uit en -draaide op zijne hakken rond, "de eene dienst is de andere waard, -verlangt hij niets anders van mij, zoo..." - -"Maar beste man, wanneer je dat vroeger had willen doen, zoudt gij -Directeur hebben kunnen worden." - -"Och wat, wat maal ik om dien ellendigen post van Directeur! denk je -dat ik daar een zier om geef? Maar dit.... zie je, is heel wat anders; -dat is werkelijk iets. Zoo het maar vlug in zijn werk kon gaan!" - -"Niet lang geleden stak je den draak met de Gele Vereeniging, en ik -zag dadelijk, dat de minister daar over uit zijn humeur was." - -"Bravo, Malene! Ik zal den minister vragen mij in de Gele Vereeniging -op te nemen. Ja, ja Malene, Salomo heeft het bij het rechte eind, -wanneer hij zegt: hij die eene goede huisvrouw.... of zoo iets." - -"Ik vind niet, dat jij je, wat huwelijkszaken betreft, juist aan Salomo -zoudt houden," antwoordde mevrouw, terwijl zij zich door haren goed -geluimden man liet omhelzen. - -Toen Hilda Bennecken, die met dezelfde boot uit de stad was gekomen, de -kamer binnenkwam, was het dienstmeisje bezig de tafel te dekken in de -woonkamer. Eene afzonderlijke eetzaal hield men er buiten niet op na. - -"Nu ben je daar eindelijk.... doornat natuurlijk. De Hemel mag weten -waarvoor je eigenlijk in zulk weer naar de stad moest gaan, maar zoo -doe je altijd." - -"Ja maar mama, van morgen was het zulk helder mooi weer, en...." - -"Och het mocht wat.... je bent nooit gelukkig in je plannen, dat -is nu eenmaal zoo en daarom verwek je slechts ergernis. Is Alfred -niet meegekomen?" - -"Neen, hij heeft mij gevraagd t'huis te zeggen, dat hij in een -restaurant met den zwager van Hiorth, geloof ik, zou eten." - -"Die gemeene Hiorth!" zeide mevrouw zuchtend en zag naar de stoomboot, -die weer van wal ging. - -Hilda was aan zulke uitvallen gewoon. Zij deed haren hoed en mantel -af en hing die in den gang te drogen. Toen zij weer binnen was, -waagde zij te zeggen: "Die arme Christine! zij is volstrekt niet -gezond. Zou het niet goed zijn, zoo wij dokter Rohde eens vroegen, -naar haar te gaan kijken?" - -"Hoor, Hilda!" zeide mevrouw, en rood van kwaadheid stond zij vóór hare -dochter, "het verveelt mij geducht, dat je mij altijd plaagt door over -dat mensch te spreken. Eens vooral, zeg ik je nu, dat ik haren naam -niet meer wil hooren noemen.... geen enkele maal, begrijp je me? Wij -hebben meer voor haar gedaan, dan de meesten in onze positie zouden -doen, en je weet zelf, hoe onze woning in de stad er na die bruiloft -uitzag. Nu is het, dunkt mij, genoeg en ik verbied je een' voet over -haren drempel te zetten, hoor je? Altijd, bij alles wat jij uitvoert, -verwek je ergernis en onaangenaamheid." - -De minister kwam nu binnen, doch ziende dat er onweer aan de lucht -was, vluchtte hij naar de slaapkamer en maakte er toilet, tot dat -hij aan tafel werd geroepen. Toen zij goed en wel aanzaten, zei hij -vriendelijk tot Hilda, want hij zag, dat zij zich de woorden harer -moeder erg aantrok: "Hadt gij al lang met den kamerheer gewandeld, -toen ik je met hem ontmoette?" - -"Met den kamerheer," viel mevrouw boos in, "heb je hem nu weer je -gezelschap opgedrongen! je stelt je zoo belachelijk mogelijk aan, -Hilda, door hem na te loopen ja, wat erger is, je maakt hem min of -meer belachelijk...." - -"Neen, maar Adelaïde," waagde mijnheer voorzichtig in het midden -te brengen. - -"Je kunt toch zelf wel begrijpen, Daniel, dat het voor iemand, zoo -gefêteerd als Delphin, vreeselijk gênant is voortdurend in gezelschap -gezien te worden met eene dame, die.... om eene zachte uitdrukking -te gebruiken.... zoo weinig gedistingueerd uitziet, als Hilda. Dat -is klaar als de dag, naar het mij voortkomt." - -Hilda kon het niet langer aan tafel uithouden; zij stond op en vloog -de trap op. Toen zij haar laag dakkamertje had bereikt, [9] deed zij -de deur op slot en verborg snikkend het gezicht in het kussen. Dat -was toch het vreeselijkst van alles! Zoo leelijk te zijn, dat een -man zich belachelijk maakte als hij met haar wandelde. Hield Delphin -haar misschien voor den gek? En zij, die dacht, dat hij gaarne met -haar praatte....! Mevrouw Bennecken schreide ook. - -"Het is alles jouw schuld Daniel; waren wij niet door jou met de -familie Falck-Olsen gebrouilleerd geraakt, zoo zou alles goed gaan, -maar nu...." - -"Bedaar toch.... beste Adelaïde.... wees toch bedaard. De verzoening -zal niet lang op zich laten wachten en...." - -"Och, zeur me toch niet met dat: bedaar toch Adelaïde! ik vind die -woorden onuitstaanbaar," zeide mevrouw en nam het deksel van de schaal -af, waarin kalfsvleesch met eene pikante saus was. - -Juist toen mevrouw er zich van bediende, hoorde men voetstappen op -de kleine veranda; zij had bijna niet meer den tijd het deksel weer -op de schaal te doen, of de groothandelaar Falck-Olsen stond reeds -in de kamer. - -"Aha! dat tref ik gelukkig," riep hij uit en zijn gelaat straalde van -tevredenheid, "de familie is nog niet aan het eten? Ik kom speciaal om -u mevrouw met eene boodschap van mijne vrouw. Het zou haar genoegen -doen, indien gij dadelijk mee wildet gaan om bij ons het middagmaal -te gebruiken. Zij heeft een paar kuikens laten braden, die bijzonder -goed uitgevallen zijn en zij wil absoluut, dat u ze komt proeven. En -niet waar, Excellentie, gij wilt mij bij een glas witten portwijn wel -gezelschap komen houden," voegde hij er bij, en stak hem de hand toe, -"wij beiden hebben van daag wel eene extra hartsterking noodig." De -minister drukte hem hartelijk de hand. - -Mevrouw was een en al verbazing en haar man kon niet nalaten -fluisterend te vragen: "heb ik het je niet gezegd, dat de verzoening -spoedig zou plaats hebben?" Zij zag bijna met eerbied naar hem op en -gewillig ging zij met den heer Falck-Olsen mee. Haar man riep aan de -trap Hilda toe dat zij zich zoo spoedig mogelijk gereed moest maken, -om naar de familie Falck-Olsen te gaan. - -Het herstel der vriendschappelijke betrekking tusschen de beide -familiën werd door eene rij van feesten gevierd. Het waren nu echter -niet meer "de groote spijzigingen," zooals Delphin altijd zeide, -maar meer kleine heerendiners, waarbij men lang aan tafel zat en waar -veel gesproken werd. Delphin kwam spoedig op de hoogte, hoe de vork -eigenlijk aan den steel zat en amuseerde er zich in stilte mede. Tegen -den Redacteur Mortensen, die nu een zeer geziene gast bij den Heer -Falck-Olsen was, was hij zoo beleefd, dat deze er geheel confuus -door werd. Ook vond hij er groot genoegen in, "madam Olsen" zooals -hij haar in intieme kringen noemde, doodelijk te verschrikken, door -haar voor vast en zeker te vertellen, dat de een of ander der nieuwe -gasten een Nihilist was, die altijd met een revolver in den zak liep. - -De groothandelaar zelf vertoonde zich thans in een geheel nieuw licht; -stijf en terughoudend was hij nu in zijn optreden. Niets ondernam hij -vóór den minister geraadpleegd te hebben en op zijne soirées noodigde -hij slechts die personen, die hij met hoog verlof mocht inviteeren. - -Het groote bal in "Olsens danslokaal" dat ieder jaar in den herfst -werd gegeven, werd vervangen door een uitgezocht "thé dansant," en -de heer Falck-Olsen gaf zijne dochter een wenk om den jongen Hiorth -wat vriendelijk te behandelen. - -Sophie had daar volstrekt geen lust in, vooral daar haar vader niet -duidelijk kon zeggen waarom zij zulks eigenlijk moest doen. Over het -geheel was zij misnoegd: met den kamerheer Delphin was zij geen stap -verder gekomen, en te moeten kiezen tusschen Hiorth en Bennecken, was -waarlijk niet iets om zich in te verheugen, of mede te pralen. Deze -beide vrienden hadden gedurende den zomer veel van hunne krachten -moeten vergen. Buiten hunnen diensttijd was hun de taak opgelegd eenen -zwager van Hiorth, den groothandelaar Garman, te amuseeren. Deze heer -woonde wel niet te Christiania zelf, maar dicht bij de stad, in de -badplaats Grefsen; zij hadden zich met zulk eenen ijver van de hun -opgedragen taak gekweten, dat zij niet den tijd hadden gehad zich aan -hunne hartsaangelegenheden te wijden. Toen nu het winterseizoen begon, -waren zij van plan de zaak met ernst aan te vatten. Inzonderheid was -Alfred voornemens alle pogingen in het werk te stellen in de gunst te -geraken van de jonge vrouw van den conciërge. Mevrouw Bennecken had -echter op zekeren dag in hare slaapkamer een gesprek onder vier oogen -met hem, en het gevolg van die conferentie was, dat hij Christine -met rust liet. Het bevreemdde overigens bijna iedereen, dat deze in -haar uiterlijk zoo veranderd was. Het glanzende roode haar was nu -stroef, en begon uit te vallen; gedurende den geheelen winter was zij -ziekelijk geweest, zij had dikwijls keelpijn en klaagde over loomheid -in de leden. - -Haar man ging even glimlachend en even onhoorbaar als vroeger zijnen -gang. Van de bruiloft af had zij een' inwendigen afkeer van hem -gekregen; hun leven vloot echter kalm en eentonig daarheen en hij -behandelde haar goed. Met den opperloods wisselde Mo voortdurend -brieven, en nu en dan ontving hij een bankbillet. Maar tegen Kerstmis -ontving hij den volgenden brief. - -"Mijnheer Mo, nu kan het niet langer meer zoo gaan, want hij heeft -niets anders dan schulden, daarom schrijf ik nu in mijnen eigenen -naam, en Njaedel weet er niets van, want ik begin te gelooven dat -het niet recht in den haak zit met al dat geld dat nu 950 kronen -beloopt. Wanneer voor het dienstpersoneel bij den koning al dat geld -gebruikt is, dan zijn wij niet beter dan de Russen in Rusland en in -Petersburg en ik zal er over in de kranten schrijven, want de man -is arm en behoeftig geworden, en zijn bloed is ziek, omdat hij zich -over dat wier zoo heeft moeten boos maken, en de sloot ligt bijna -weer dicht en het is treurig, hem aan te zien, waarom ik het je, -daar gij zijn broer zijt, schrijf, opdat je om Gods barmhartigheid -een eind aan die zaak maakt, die nu al voor twee jaar opgezonden is -aan den koning zonder dat er antwoord komt, maar alleen onkosten. Ook -verlangt hij zeer naar eenen brief van zijne dochter Christine, die -nu je huisvrouw is, en hij is er verwonderd over dat zij nu niets te -schrijven heeft, daar gij dikwijls aan ons hebt geschreven, dat zij -gaarne je vrouw zou willen worden, maar dat zij om het verschil van -leeftijd er zich over schaamde waarom wij haar ook schreven zooals -gij ons vroegt te doen, om haar te overreden en meer zulke zaken, -maar ik geloof er nu niets meer van. - - Met achting: - - Lauritz Boldemann Sechus. - - -Oom Anders las dit epistel in de wachtkamer van den minister aan het -Departement. Hij vouwde den brief dicht en wierp hem in de kachel, -terwijl hij het hoofd schudde en glimlachte. - -De minister opende de deur. "Ben je doof?..., Mo! ik heb je tweemaal -gescheld." - -Anders Mo stond op en zag den minister met denzelfden niets zeggenden -suffen glimlach aan. - -"Maar Mo! wat scheelt je!" riep de minister, "ik begin waarachtig te -gelooven, dat je oud en suf begint te worden." - - - - - - - - -XV. - - -Dokter Johan Bennecken bleef een jaar lang te Weenen. Van Hilda alleen -ontving hij berichten van huis en van haar hoorde hij dat Christine -met haren oom was getrouwd. Na dit bericht schreef hij geen enkelen -brief meer naar huis en lang dacht hij er over, voor goed te Weenen -te blijven of wel naar Amerika te gaan. - -Na den geheelen winter zijn leed gedragen te hebben, kreeg hij in -het voorjaar zulk een verlangen haar nog eenmaal te zien en tevens -om te hooren, hoe alles in 't werk was gegaan, dat hij in het midden -van Maart naar het vaderland terugkeerde. - -Allerlei gedachten doorkruisten zijn brein en hoe nader hij kwam, -des te verwarder werden zijne denkbeelden. Zij had Alfred dus niet -bemind, maar waarom dan het aanzoek van dien ouden man niet van de -hand geslagen? - -Hilda had hem, ofschoon zij nooit meer antwoord ontving, getrouw -gedurende den geheelen winter geschreven en hij had dus ook van haar -gehoord, dat Christine den geheelen winter ziekelijk was geweest. Toen -hij het ouderlijk huis binnentrad, vermeed hij, eenen blik door de -ramen van Mo te werpen, maar liep dadelijk naar boven. - -Mevrouw Bennecken slaakte een' uitroep van de grootste verwondering -toen zij hem zag; in zoo verre was zijne komst eene verrassing, wijl -er slechts vluchtig sprake van was geweest, dat hij misschien tegen -de lente t'huis zou komen. - -"Het spijt mij, dat ik u doe schrikken, ik had eigenlijk een telegram -moeten zenden," zeide Johan. - -Mevrouw zag hem met een gespannen onderzoekenden blik aan; er lag -iets zoo droefgeestigs in zijne trekken, dat zij, toen zij hem een -welkomstkus gaf, onwillekeurig mompelde: "je bent in je voorkomen -zoo veranderd, Johan, dat ik je niet dadelijk herkende." - -Hilda kwam ook binnen en vloog hem om den hals. - -"Welkom.... welkom, beste Johan, maar wat ben je veranderd!" - -"Vindt gij dat ook?" - -"Ja, je ziet er wel tien jaar ouder uit; grijze haren zie ik in je -baard en.... werkelijk Johan.... je haar is ook uitgevallen, je hebt -daar van achteren eene kale plek." Haar broeder glimlachte op de hem -eigene zwaarmoedige wijze; Hilda vond, toen zij hem nauwkeurig opnam, -dat hij geheel veranderd was, en het kwam haar voor, dat hij ook meer -mank ging. - -Toen de minister t'huis kwam, had hij een vertrouwelijk gesprek met -zijne vrouw, en gedurende den maaltijd waren beiden zoo vriendelijk -jegens den teruggekeerden zoon, dat Johans hart er van begon te -kloppen; zelfs Alfred was geheel anders tegen hem dan vroeger. Johan -had het plan gemaakt met Hilda een weinig na het eten te praten, -maar mevrouw voorkwam dit; zij zond hare dochter dadelijk na het -middagmaal uit om eenige inkoopen te doen. - -Toen het begon te schemeren, sloop hij de trap af naar de woning -van den conciërge. Bij de paar trappen gekomen, die naar Christines -kamer voerden, bekroop hem hetzelfde beklemde gevoel van vroeger, -maar nu smartelijker dan toen. Eindelijk verzamelde hij al zijnen -moed en klopte aan. Een niet meer jong dienstmeisje, dat hij vroeger -nooit had gezien, opende de deur. Nu was hij in het vertrek, dat hij -zoovele malen in zijne droomen had gezien, waar hij in gedachten -gedurende zijne afwezigheid zooveel met haar had doorleefd; eerst -waren die droomen zoo vol hoop en verwachting geweest, toen, nadat -hij gehoord had, dat zij getrouwd was, zoo weemoedig, maar nimmer -had hij het denkbeeld van zich kunnen afzetten, dat zij hem eene -verklaring schuldig was. Alles in de kamer herinnerde hem zoo levendig -aan haar, en met moeite kon hij de woorden uit de keel krijgen: -"is zij te huis?" Het dienstmeisje zag hem vreemd aan en antwoordde: -"madam is binnen." - -Een schok ging hem door het lichaam, toen hij haar zoo hoorde -betitelen. De deur van de kamer, die Christine vroeger altijd had -bewoond, stond open. Geen licht was er opgestoken, maar het gaslicht -van de lantaarn, die vlak bij het huis stond, wierp groote gele -vierkante vlekken op den vloer, en de dokter zag dat er iemand in -het bed lag. - -Hij naderde en zeide: "Goeden avond, Christine!" - -De zieke ging half overeind zitten en staarde hem aan. Johan moest -eenen steun tegen de deur zoeken. - -Was dat Christine? - -De zieke slaakte een' kreet en met hare armen maakte zij eene beweging -om hem op een' afstand te houden. Het dienstmeisje was zeer boos op hem -en zei: "ik dacht, dat gij heel goed met madam Mo bekend waart." Buiten -de kamer vroeg hij: "welke ziekte heeft zij, wat scheelt haar?" - -"Ja, dat weet ik niet," luidde het antwoord en zij opende de voordeur. - -Werktuiglijk verliet hij de woning en liep de straat op. Hij had -haar gezien, hij had hare gelaatstrekken zoo duidelijk aanschouwd, -dat hij, al werd hij honderd jaar oud, die nooit zou vergeten. Een -onbepaald angstig gevoel maakte zich van hem meester en met rassche -schreden sloeg hij den weg naar de woning van dokter Rohde in. - -De oude dokter zat rustig in zijnen leuningstoel en las de courant. - -"Ei, ei! Is mijnheer de professor in het vaderland teruggekeerd, -welkom t'huis beste jongen, hoe heb je het?" Dokter Rohde, die de -huisarts van de familie Bennecken was, had de gewoonte behouden de -kinderen, die hij van jongs af had gekend, familiaar te behandelen. - -Johan beantwoordde zijne vriendelijke vraag volstrekt niet, maar met -gejaagde stem zei, hij: "wat scheelt Christine?" - -"He?.... Christine?" vroeg de dokter en hij nam zijnen bril af, -"o! je bedoelt de vrouw van den conciërge. Heb je haar bezocht?" - -"Ja." - -"Nu, zoo weet gij, wat haar scheelt," zeide de oude geneesheer -op ernstigen toon, "het is een van de ernstigste gevallen, die mij -gedurende mijne praktijk zijn voorgekomen. Het schijnt dat haar gezond -lichaam voor de besmetting bijzonder vatbaar was...." - -"Maar van wien.... van wien heeft zij de ziekte geërfd?" - -Hij was doodsbleek en zweetdroppels parelden op zijn voorhoofd. - -"Maar mijn goede jongen, hoe kunt ge je die zaak zoo aantrekken," vroeg -de oude dokter, die echter het verband der zaken begon te begrijpen, -"natuurlijk heeft zij die van haren man geërfd. Tweemaal is hij in 't -hospitaal in de afdeeling voor huidziekten geweest, wist gij dat niet, -ik heb hem hier in 't boek staan, dien ouden schurk!" en de dokter -begon in een dik boek, dat op zijne schrijftafel lag, te bladeren. - -"En gij wist het en hebt haar niet gewaarschuwd, dokter Rohde, dat -was meer dan gemeen van u," en Johan stond met gebalde vuist voor hem. - -"Mijn beste jongen, ik heb waarachtig met je te doen," antwoordde -hij, "waart gij niet van huis geweest, zoo had ik het jou als collega -medegedeeld, maar je weet zelf, dat, zoo wij doktoren alles vertelden, -wat wij weten, menig voorgenomen huwelijk zou afspringen, om er nu -nog niet eens van te spreken, dat wij ons zelf veel schade zouden -berokkenen. Overigens kwam het mij voor, dat het ditmaal eene zaak -betrof, die je vader meer aanging dan mij." - -"Wilt gij nu nog bovendien beweren, dat mijn vader er van wist! O, -gij zijt en blijft een oude cynicus!" Zijne oogen fonkelden van toorn -en zonder vaarwel te zeggen ging hij weg. - -"Arme jongen!" zeide de oude geneesheer en nam de courant weer ter -hand, "het is hem nooit meegeloopen!" - -Al de bekenden van Johan Bennecken waren het eens, dat het verblijf -in het buitenland een' vreemden invloed op hem had uitgeoefend. Hij -bezocht niemand, was nooit te huis en liet zich niets aan zijne -praktijk gelegen liggen. Des nachts, of des avonds laat kon men hem -op straat ontmoeten, meest echter in de nabijheid van het huis des -ministers. Naar het scheen, wilde hij niet herkend worden, daar hij -de kraag van zijne jas steeds over de ooren had getrokken. Men meende, -dat hij gewoonlijk in het ouderlijke huis vertoefde. - -Dit was niet het geval. Den geheelen dag zwierf hij buiten de stad -rond, maar wanneer het duister werd, ging hij altijd naar de plaats, -waar hij voortdurend met zijne gedachten was. - -Op zekeren avond ontmoette hij dokter Rohde, die juist naar Christine -op weg was. - -"Ga mee, je kunt mij van dienst zijn," zeide de oude dokter, die -hunne laatste ontmoeting vergeten scheen te zijn. Johan volgde hem; -hij kon onmogelijk weerstand bieden aan het verlangen haar te zien. - -Christine kromp ineen, toen zij hem zag binnen komen, maar dokter -Rohde bracht haar tot bedaren en zeide op bijna roerenden toon: -"Zie zoo, beste kind! tracht nu kalm te blijven en stel je niet -kinderachtig aan. Het leven is voor je somber genoeg geweest en je -moet dankbaar zijn, dat ten laatste nog een zonnestraaltje door de -duisternis breekt. Voor zoover ik zien kan, is geen ander geluk voor -u beiden weggelegd, dan dat gij gedurende den tijd, dien gij Christine -nog te leven hebt, je door hem laat verplegen. Vertelt nu aan elkander -alles, wat u op het hart ligt!" - -Na deze woorden gezegd te hebben ging de oude cynicus heen; Johan -Bennecken lag langen tijd geknield voor het bed en vertelde alles, -wat in zijn hart was omgegaan. - -In het begin begreep zij hem niet, slechts langzamerhand vatte zij, -wat hij bedoelde; toen de volle waarheid haar eindelijk duidelijk -werd, rolde de eene traan na den anderen op haar hoofdkussen en -de liefde, die zij onbewust voor hem had gekoesterd, verwarmde met -haren gloed het arme hart dat zoo veel geleden had; die liefde deed -haar voor een oogenblik vergeten, in welk een ellendigen toestand -haar lichaam zich bevond en schonk haar eene zaligheid, waarvan zij -nooit had gedroomd. Zij vergat al de fraaie woorden en uitdrukkingen, -welke men haar in de stad had geleerd; in 't boeren-dialect vertelde -zij hem hoe alles was toegegaan en smeekte hem haar te vergeven, -dat zij hem zoo slecht had begrepen. En beiden schonken zij elkaar -vergiffenis, en beiden trachtten het verledene te vergeten, om in de -oogenblikken, die haar nog waren vergund, alleen voor hunne liefde -te leven. Van dien dag af belastte dokter Bennecken zich met hare -verpleging. Zijne moeder keek hem met een' uitvorschenden blik aan, -toen hij zulks mededeelde, en hij kon niet nalaten, haar op zijne -beurt scherp in de oogen te zien. Het was eene groote verlichting -voor hem, toen zij op deelnemenden toon zeide: "Die arme Christine, -soms maak ik mij angstig, dat zij de zware rheumatiek, waaraan zij -lijdt, opgedaan heeft in de kelderwoning; niet lang geleden vernam ik, -dat die zoo ongezond moet zijn." - -Nooit werd de naam van Oom Anders door Christine en Johan genoemd, -en oom paste, zooveel hij kon, op, niet t'huis te zijn wanneer hij -vermoedde, dat de jonge dokter er was. - -Over het geheel spraken zij weinig met elkander. - -Wanneer hij echter de windsels had verwisseld, en alles, wat hij kon, -gedaan had om haren toestand te verzachten, wilde zij, dat hij een -poosje bij haar aan het bed kwam zitten. Doodstil lag zij dan en zag -hem aan, maar had niet gaarne, dat hij haar aankeek, ofschoon hij haar -telkens verzekerde, dat zij in zijne oogen dezelfde van vroeger was. - -Christine had den angst voor het hospitaal, die zoo diep bij den -eenvoudigen burgerman wortel heeft geschoten, en dikwijls maar al -te gegrond is; eindelijk liet zij zich door hem overhalen zich er te -laten heenbrengen. - -Op den dag, die hiertoe bepaald was, was het heerlijk zonnig weêr; -in den morgen kreeg zij eenen brief van huis, dien zij slechts met -groote inspanning kon lezen. - - -"Lieve Christine! - -"De Lensmand zeide, dat ik eene schriftelijke klacht moest indienen, -en dat heb ik gedaan, en nu is dat papier weer naar mij teruggezonden, -en ge kunt niet half gelooven, hoe het er uitzag, door naamteekeningen -en aanteekeningen als: "Aan den korporaal ter inzage, terug aan den -ambtman en den ingenieur der openbare wegen en eene menigte proosten -hebben er ook wat opgeschreven en ten laatste was er op de laatste -zijde nog maar een klein onbeschreven plaatsje over, en daar schreef -ik: "Juist zoo als ik verwacht heb,--Sechus," maar de ambtman moet -daarom heel boos op mij zijn. - -"Maar dat is nu niet het ergste, maar het is goed, dat gij het goed -hebt, zooals ge laatst schreeft, want wij hebben het niet goed, -wat ik je eerst niet heb willen vertellen, daar ik je niet treurig -wilde maken, maar nu moet het uit mijne pen, want nu staan de zaken -geheel verkeerd. Je vader is zoo arm als een bedelaar geworden, ja, -hij is doodarm, hij bezit niets meer, alles is weggegaan aan die zaak, -waarmede je man te doen heeft, en buitendien is het nog zoo gesteld, -dat hij niet meer werkt, dus nu kunt ge wel denken hoe het gaat; -hij zit maar op zijnen stoel, en tuurt naar den muur. Dat moest ik u -nu vertellen, want gij moet t'huis komen en de zaken hier wat aan den -gang helpen, het gaat mijn verstand te boven, en ik begin te gelooven, -dat hij er krankzinnig van kan worden, maar zoo je niet kunt komen, -schrijf hem dan ten minste iets goeds, liefst van de zaak. - - Uw oude vriend, - - Lauritz B. Sechus. - - -Christina legde het hoofd in 't kussen en schreide. Gedurende den -geheelen winter had zij haar best gedaan zoo vroolijk mogelijk -naar huis te schrijven en de opperloods had haar op denzelfden toon -geantwoord: nu begreep zij, dat zij de waarheid voor elkaar verborgen -hadden en een vreeselijk heimwee kreeg zij naar het ouderlijk huis -en de kust in het westen. Een brief met goede tijding wilde zij, -zooals de opperloods had verzocht, dadelijk aan haren vader schrijven; -zij ging dus rechtop in bed zitten en begon. - - -"Lieve Vader! - -"Nu ik hoor, dat het u zoo slecht gaat, ben ik er in mijn hart innig -bedroefd over en schaam ik mij ook, want nu begrijp ik, dat het leelijk -van mij was van u weg te gaan. Maar nu moet gij het mij maar vergeven, -en er van overtuigd zijn, dat ik u in mijn hart zoo innig lief heb. Ik -kan niet naar huis komen, want ik ben niet recht gezond, maar anders -heb ik het heel goed." Christine hield even op om wat uit te rusten: -het schrijven vermoeide haar zeer, en het kostte haar veel inspanning -op dien toon te vervolgen. Zij dacht, dat God haar wel zou vergeven, -dat zij, om haren vader niet te bedroeven, de volle waarheid niet -schreef--hij had reeds genoeg te dragen. - -Een rijtuig reed door de poort. Het dienstmeisje kwam binnen en zeide -fluisterend: "de dokter." - -De wagen van het hospitaal kwam haar halen. - -Eene huivering voer haar door de leden en toen zij de pen weer ter -hand nam, was het haar niet langer mogelijk de waarheid te verzwijgen! - -"Neen, lieve vader, het is niet waar, dat het mij goed gaat; het is met -mij naar gesteld, zoo naar als het maar kan; nu komen zij mij halen, -want ik ga sterven; ik zal u nooit weer zien en ook niet meer de zee -en ons huisje; groet den opperloods. - - Vaarwel! Uw - Christine." - - -Zij was zoo uitgeput, dat de dokter, toen hij aan het bed trad, met -naphta de levensgeesten moest opwekken. Hij schreef het adres op den -brief en hielp haar in den wagen tillen. Ofschoon het vervoer met -de meest mogelijke voorzichtigheid had plaats gehad, was de zieke, -toen zij in het oude hospitaal weer te bed lag, geheel uitgeput. - -Zeer lang lag zij met gesloten oogen; toen zij ze eindelijk opende, -gleed er een glimlach over haar gelaat. Door het raam zag zij de -heldere, blauwe voorjaarslucht; de zonnestralen vielen in het nette, -vriendelijke vertrek, dat haar door zijne zorg was afgestaan. - -Christine wendde het gelaat naar hem toe: "Hartelijk dank voor alles, -Johan. Hier zal het sterven mij niet moeielijk vallen." En zij strekte -zich uit tusschen de helder witte lakens en sloot de oogen. - -Maar de glimlach bleef liggen op het uitgeteerde gelaat, dat door -de ziekte zoo geheel veranderd was, en die glimlach maakte haar in -zijne oogen weer even schoon als in vroegere dagen. - - - - - - - - -XVI. - - -In eenen donkeren, regenachtigen, woesten nacht voer de groote -stoomboot, die op weg van Christiania naar Tromsö was, door de -Flekkefjord. - -De postbeambte van het vaartuig had juist even aan de brug het -postpakket afgegeven; slechts twee of drie brieven en eenige couranten -bevonden zich in het taschje van zeildoek, waarnaar toch met verlangen -werd uitgezien. - -"Krijgen wij slecht weder, stuurman," riep de postbeambte den -stuurman toe. - -"Wis en zeker," luidde het antwoord, "wanneer wij bij Egersund -inloopen, zal ik je waarschuwen." - -"Best," zeide de postbeambte en hij verdween in de kleine hut, waarin -eene lamp met kap een gezellig licht verspreidde. - -In Kristiansand was een dikke zak met brieven voor het buitenland -aan boord gekomen, waardoor de nauwe hut vol lag met zakken en -zeildoektasschen, die alle met eenen posthoorn gemerkt waren. Op -de kleine sofa lagen pakketten bij hoopen, en de tafel, die vóór de -plank met de vele loketten stond, lag vol brieven. De postbeambte, -een jong tamelijk gezet man met blonden baard nam op zijne tabouret -plaats, na zijne pet met gouden band eerst te hebben opgehangen, blies -in de verkleumde handen, en begon daarna, om wat orde in dien chaos -te brengen, aan het sorteeren der brieven. Hij werkte ijverig door, -want zoo lang de boot in betrekkelijk kalm water was, moest hij den -tijd ten nutte maken. - -In het salon brandden slechts twee lampen, die half waren neêrgedraaid; -eenige heeren lagen er in hunne plaids gewikkeld op de sofa's. - -In de dames-kajuit was het heel stil; zoo goed als het ging, trachtte -men er in slaap te komen en met huivering dacht men aan het oogenblik, -waarop de boot weer in volle zee zou zijn. - -De machine werkte met zware regelmatige slagen, die aan het -achtergedeelte van het vaartuig eene gelijkmatige beweging gaven. Met -tergende regelmatigheid sloeg een lampeglas tegen een koperen voorwerp -en een onvermoeid voetganger liep op het halfdek heen en weer, altijd -maar heen en weer over de hoofden van hen die zoo gaarne wilden slapen. - -Een hevige wind woei over de klippen en huilde in het touwwerk, -maar in het fjord was het water volkomen kalm. De stuurman beval -het volk tusschendeks zich te reppen en alles goed vast te binden, -want men zou dadelijk in volle zee zijn. - -In de hut van den postbeambte lagen nog eene massa brieven door -elkander. De brieven die voor 't Noorden bestemd waren, werden -op zijde gelegd: eerst was het zaak voor de meer nabijgelegene -stations te zorgen. Brieven van allerlei soort en met allerlei -adressen waren er--leelijke, dikke, scheeve letters, die de geheele -enveloppe bedekten; kleine fijne damesletters, die als vliegepootjes -over het gladde velijn liepen; groote onbeduidende brieven van het -een of ander bestuur in dikke grove enveloppen met lak verzegeld en -portvrij; verder waren er nog loterijbrieven, minnebrieven, brieven -met geldswaarde, of wel brieven waarin om betaling werd gemaand,--een -geheimzinnig hoekje vol verrassingen, teleurstellingen, verdriet, -verlies en onverwachte uitkomst was die kleine hut op de groote boot, -waarin de postbeambte de brieven zoo vlijtig en kalm door zijne dikke -vingers liet glijden. Het vaartuig begon meer en meer te schudden, -zoodat hij begreep, dat men de fjord uit was. Hij verzorgde alles zoo -goed mogelijk; de meeste pakketten legde hij op den grond, daar waren -zij ten minste voor vallen bewaard. Daarna nam hij alles van de sofa, -en met het kleine brievenpakket voor Egersund in de hand, kroop hij -in een hoekje om ten minste nog een beetje te slapen. De lamp zwaaide -ondertusschen voortdurend heen en weer in het toestel, waarin zij -hing. Nu begon de ellende in het dames-salon eerst recht; telkens -wanneer de stewardess de deur opende om zich even te verwijderen, -hoorde men een jammerlijk gesteun. De onvermoeide voetganger had -ook zijnen meerdere gevonden; als een beeld der ellende zat hij, -terwijl de sporen van de ziekte, waaraan hij leed, op zijne jas te -zien waren, op het dek; bitter voelde hij zich teleurgesteld: een -zijner vrienden had hem wijs gemaakt, dat het onmogelijk was zeeziek -te worden, zoo men maar zorg droeg voortdurend in beweging te zijn -en op het dek te blijven. - -De heeren, die in het salon lagen, moesten zich aan den rand der tafel -vasthouden om niet van de sofa's op den vloer te recht te komen, het -tikkend geluid, dat het lampeglas den geheelen tijd had gemaakt, was -door honderden andere tergende geluiden vervangen, die zich telkens, -naarmate de boot op en neer ging, lieten hooren. Wanneer het vaartuig -op de eene zijde viel, kraakten de lambrizeeringen in de salons en de -koppen, die in rijen aan de zoldering van het buffet hingen, rinkelden -dat het een aard had. Dan stond de boot op eens recht overeind, doch -viel dadelijk naar de andere zijde over en al de koppen rinkelden -weer mee. Eene tabouret en eene paar bij zeeziekte onmisbare zaken, -rolden met volle vaart in het heeren-salon, eerst naar den eenen, -toen naar den anderen kant; eene deur vloog uit het slot, en sloeg -regelmatig open en toe; de machine werkte met alle krachtsinspanning, -nu eens met een brommend geluid, dan weer met een vreeselijk geraas -en schuddende beweging, wanneer de schroef voor een oogenblik uit het -water kwam. In het hoekje van den postbeambte sliepen de brieven kalm -in de pakketten, en de postbeambte sliep, met de brieven voor Egersund -bestemd in de hand, ook rustig te midden van al dat gebalder door; -en al degenen, die langs het strand of meer in het land woonden, en -aan wie de brieven waren geadresseerd, lagen ook ter neer en sliepen, -uitgenomen de een of ander, die gedurende den nacht onrustig heen en -weer liep, wachtende op het reeds zoo lang gevreesde bericht en zich -in slaap wiegde, met de zoete hoop, wanneer hij het loeien van den -storm hoorde, dat de post misschien wel veel later zou aankomen. - -"Postmeester!" riep de stuurman door een kiertje van de deur, -"nu zijn wij dicht bij Egersund." - -"Hier is de post," en verschrikt sprong de aangesprokene van de sofa, -terwijl hij het pakket in de hoogte hield. - -"Ha, ha, ha, je schijnt hem duchtig geraakt te hebben," zei de stuurman -lachend, "houdt gij mij vrij voor een borrel, zoo trakteer ik op bier." - -"Ja, ja," antwoordde de postbeambte nog op slaperigen toon. - -De stuurman kwam fluks met eene flesch en een glas terug; zooveel -plaats was er nog, dat hij de deur achter zich toe kon trekken. - -"Hondeweer!" zeide hij, en terwijl hij dronk, droop het zeewater van -zijne oliejas, en kon men de heldere droppels water in zijnen lokkigen -baard zien glinsteren. - -Plotseling hoorde men uit de machinekamer een schel klokje luiden. - -"Hei ho!" riep de stuurman en zette oogenblikkelijk de flesch neer, -en weg was hij. "Zijn wij er reeds! Ja, waarachtig!" - -De postbeambte rekte zich zoo goed als de kleine ruimte zulks gedoogde -uit, greep in haast de pet met gouden band, en ging met het postpakket -naar het dek. - -De dag brak aan; koud en nat was het, alles vertoonde zich in een -droevig, grijsachtig licht. De naakte klippen zagen in de zware -stormlucht geheel zwart; er viel een fijne regen. Te Egersund hield -de boot maar een oogenblik stil, zij vervolgde spoedig haren weg en -de beambte begon weer zijne pakketten in orde te brengen. - -Toen het eindelijk dag was geworden, werden de pakketten, die langs -de geheele kust bezorgd waren, geopend en de brieven werden heinde en -ver verspreid. Hij, die eenen brief had verwacht, ontving er geen; -hij, die des morgens bij het opstaan noch aan de post noch aan een' -brief had gedacht, lachte of schreide 's middags of 's avonds over -een stuk papier. - -Hetzij de brieven verwacht werden of niet, zij kwamen toch aan -hun adres te recht, en uit de kalme kleine hut van den postmeester -werden langs het strand en over het land eene menigte verrassingen, -teleurstellingen, niets beteekenende berichten, zorgen, onverwacht -geluk en ook onverwachte ondergang verspreid, terwijl de stoomboot -al noordelijker en noordelijker stevende en de slaperige postmeester -bij elke landingsplaats met een ander pakket op het dek kwam. - - - - - - - - -XVII. - - -Het was reeds tien uur in den morgen, en nog was Njaedel niet aan -zijn werk begonnen. - -In het vertrek, waar hij zat, was de vloer koolzwart, half verrot -stroo en een paar gescheurde dekens zag men in het bed; de klink van -de deur, die toegang tot de keuken gaf, was gebroken waardoor zij half -open stond en onder den schoorsteen stond een zwarte koffieketel op -een klein turfvuurtje. - -Met starren blik keek Njaedel door de kleine ruiten. Hij was nog niet -half klaar met het voorjaarswerk, en het was al half April. Zijne -krachtige armen hingen slap langs zijn lijf, de zware baard was om -de hoeken van den mond geheel grijs, en de rug was meer gekromd dan -vroeger. Zoo als hij in dat lage vertrek zat, terwijl de regen in -dikke droppels neerviel en de wind in den schoorsteen gierde, lag -over deze reuzengestalte eene doffe hulpeloosheid. - -Zijne gedachten liepen altijd denzelfden cirkel rond, waarin zij zich -nu bijna twee jaren lang hadden bewogen. Zij bepaalden zich slechts -tot "die zaak" waaraan nooit een eind scheen te komen. - -Al het geld, dat uitgegeven was, al de goede woorden en beloften van -zijnen broeder, al zijne verwachting en al zijne teleurstellingen, -alles, wat hem al dien tijd in spanning had gehouden, scheen zijne -krachten ontzenuwd en verlamd te hebben; het was, alsof hij streed -met eene donkere, geheimzinnige macht, zonder iets van den strijd -te begrijpen. - -Diep in het gebergte had hij tegen bergverzakkingen te strijden gehad, -maar dat was een eerlijke kamp geweest en toen hij het onderspit had -moeten delven, was er een eind aan gekomen. Maar hier werd hij door -iets anders vervolgd. Waar hij zich ook heen wendde, overal stiet -hij tegen iets kouds, iets weeks, dat hij niet verbrijzelen kon en -dat hardnekkig weerstand bleef bieden. Hij ontmoette het op weg, -wanneer hij naar de kerk ging en de lieden voor hem op zij gingen; -hij ontmoette het op het Thing, waar hij bij alle gelegenheden moest -hooren, dat hij voor de rechters was geweest; wanneer hij zijn werk aan -de sloot weder wilde opnemen, zag hij het opnieuw; hij gevoelde zich -als in boeien geslagen; overal ontmoette hij hindernissen, die hij niet -scheen weg te kunnen ruimen en zoo verrichtte hij voortdurend in stal -en huis eigenlijk vrouwenarbeid; want hulp wilde hij niet aanschaffen. - -Op de plaats waar hij zat en door de morsige ruitjes tuurde, kon hij -bijna niets van de halfvoltooide sloot zien. Het graven van die sloot -was zijn grootsche plan geweest, toen hij te Krydsvig een poosje was -geweest. Zij zou de grens van het zand uitmaken, zijne hoeve tegen -het drijfzand beschutten. Tevens was hij van plan geweest wilgen, -teenen en helm aan het strand te planten, op de wijze die in de -courant was aangegeven. - -Al die plannen waren in duigen gevallen; Börevig zond zijn arbeiders in -grooten getale om wier te halen en hunne diepe wagensporen vertoonden -zich langs zijnen akker, die vlak aan het strand lag, waardoor het -drijfzand, nu nog gemakkelijker dan vroeger, zich eenen weg kon banen. - -De opperloods Sechus kwam door de keuken binnen. - -"Goeden dag, Njaedel! hier kom ik met een brief van -Christiania." Njaedel zag even op en een glimlach verhelderde zijn -gezicht. De brieven van Christine waren zijne eenige vreugde. - -"Wil je koffie hebben, Sechus?" - -"Neen, dank je," antwoordde deze; hij had geene groote gedachte van -Njaedels koffie. - -Hij opende den brief en schrikte, toen hij de zonderlinge, scheeve -lijnen en het onzeker schrift zag, bovendien had de inkt, overal waar -hare tranen waren gevallen, het papier bevlekt. - -Hij las den inhoud voor, die hoewel kort, zooveel bevatte; een -oogenblik later las hij hem opnieuw. Njaedel uitte geen woord, maar -zijn gelaat was doodsbleek geworden. Toen de opperloods den brief op -de tafel legde, nam hij dien in de hand en staarde er op, ofschoon hij -geen schrift kon lezen. Lang had de opperloods zijnen toorn opgekropt, -nu brak die los en hij riep op driftigen toon, terwijl hij van zijnen -stoel sprong: "Hier zit schurkerij achter, Njaedel! zoo waarachtig -als ik Lauritz Boldemann Sechus heet, ben ik er zeker van, dat de -duivel de hand in 't spel heeft. Ik vertrouw je broer niet.... neen, -geen zier, hoor! Eerst heeft hij ons verteld, dat Christine volstrekt -met hem trouwen wilde, maar dat zij bang was, dat haar vader er tegen -zou zijn. Zoo kreeg hij ons er toe haar te bepraten en haar raad te -geven en bracht hij ons in den waan, dat de vreugde en vroolijkheid -er opgeschept waren. Maar ik heb al lang aan Christine's brieven -gemerkt".... verder kwam hij niet want de stem stokte hem in de -keel. Hij ging naar de keuken en snoot daar met veel geweld den neus. - -"Neen, neen, neen," antwoordde Njaedel en hij schudde het hoofd, -"je moogt geen kwaad van Anders zeggen, als je met hem bekend waart, -zoo...." - -Daar werd de buitendeur voorzichtig geopend en Sören Börevig sloop -door de keuken binnen. - -"Wat komt gij hier doen?" schreeuwde Njaedel en sprong op hem -toe. Sören kwam voorzichtig nader maar ging naast den opperloods staan. - -"Ik kom de groeten en goede berichten brengen van bekenden in -Amerika. Ik heb vandaag ook eenen brief ontvangen." - -Njaedel stopte gauw Christines brief in de lade van de tafel. - -"Eerst kan ik den opperloods de groeten van zijne zuster doen; zij -is weduwe geworden, zooals je weet," zeide Sören op zalvenden toon. - -Neen, de opperloods had nog geen brief met dat bericht ontvangen. Sören -Börevig haalde nu den brief, dien hij van zijnen broeder had ontvangen, -voor den dag en las luid: "Mrs. Johnson, de zuster van den opperloods -te Krydsvig heeft mij gevraagd hem voor haar te groeten, en te vragen -of hij niet naar Amerika wil komen en bij haar in huis zou willen -wonen, of in de buurt land koopen." - -"Daaraan heb ik waarachtig al dikwijls gedacht," bromde de opperloods -in zijnen baard. - -"In den brief staat ook nog wat, dat voor jou bestemd is, Njaedel," -zeide Sören en zag na op welke pagina het stond. - -"Ik heb geene bekenden in Amerika," antwoordde Njaedel kort af. - -Sören glimlachte een weinig. "Is je geheugen zwak geworden? Kijk hier -staat het: Bij Mrs. Johnson woont ook een meisje van Krydsvig, zij -heet Anna, en zij heeft mij gevraagd hare groeten te doen aan Njaedel -Vatuemo, en hem te zeggen, dat zij het goed heeft, en dat haar jongen -frisch en gezond is en precies zulk rood haar heeft als zijn vader." - -Njaedel zag op, dacht een weinig na, en zei daarna op zachten toon: -"wel--heeft hij ook rood haar!" - -Sören keek beurtelings Njaedel en Sechus aan en vond dat het oogenblik -gunstig was om te zeggen, waarom hij eigenlijk was gekomen. - -"Je bent zeker nog niet klaar met het voorjaarswerk, -Njaedel?" vervolgde hij het gesprek. - -"Wat raakt dat jou?" zeide Njaedel dadelijk weer op heftigen toon. - -"Och, niet veel, maar zoo gaat het nu eenmaal in de wereld; de buren -willen altijd graag op de hoogte van elkanders zaken zijn. Betaalde -je geen tweeduizend zeven honderd rijksdaalders voor de boerderij--hm?" - -Njaedel bromde een onverstaanbaar antwoord. - -"Ik praatte wat met den advocaat Tofte, toen hij hier kort geleden -was," ging Sören voort, en schijnbaar onverschillig keek hij uit -het raam, "hij beweerde dat uwe boerderij met eene zware hypotheek -belast is." - -"Laat mij met vreê, Sören!" riep Njaedel dreigend uit. - -"Nu, nu!" viel de opperloods in, "laat Sören toch voor den dag komen -met wat hem op het hart ligt, want je kunt hem aanzien dat hij iets -te vertellen heeft. Nu, Sören, zeg ronduit wat ge wilt." - -Sören Börevig hield er volstrekt niet van op zulk eene wijze zaken -te behandelen, deze twee gingen te recht op den man af; maar in dit -geval was er niets aan te doen, hij moest zich daarnaar voegen. - -"Ja.... ik dacht nu zoo bij mij zelf, dat, daar Njaedel nu op eene -met hypotheek bezwaarde hoeve zit, hij mogelijk lust zou hebben haar -te verkoopen?" - -"Wat biedt je er voor?" vroeg Njaedel. - -"Ho, ho! ik heb niet gezegd, dat ik juist zou willen...." - -"Wat biedt je?" herhaalde Njaedel. - -"Twee duizend vijf honderd rijksdaalders." - -"Voor dien prijs gaat het niet!" riep de opperloods boos uit, "dat -zou precies genoeg zijn om zijne schuld af te lossen. Buitendien -heeft hij zooveel grond ontgonnen, dat er nu dubbel zooveel land bij -de boerderij behoort, als toen hij ze kocht. Neen Sören, je moet een -hooger bod doen!" - -"Ik neem het bod aan," zeide Njaedel en hij strekte de hand uit, -"de koop is gesloten." - -De opperloods wilde bedenkingen maken, maar Njaedel gaf er hem den -tijd niet toe. Sören Börevig was geheel in de war geraakt; op die -wijze deed hij volstrekt geen zaken, neen dat scheelde wat. Intusschen -haalde hij een gezegeld stuk papier, dat in een stuk van een courant -was gewikkeld, voor den dag. Het was.... ja, het was misschien wel -goed den koop op schrift te hebben. "Ik heb hier een papier.... dat -een koopcontract wordt genoemd en zoo...." - -"Je bent een slimme kerel," zeide Njaedel op honenden toon, "geef -mij pen en inkt, Sechus!" - -Hoe de opperloods ook tegenstribbelde, het hielp niets. Njaedel nam -de pen en trok eenige dikke strepen, die den naam Njaedel moesten -voorstellen. Voor meer was er geen plaats, maar die naamteekening werd -als voldoende beschouwd. Toen dit geschied was, trok hij zijn buis aan, -zette de pet diep in de oogen en verliet met zware stappen het vertrek. - -"Wanneer hij het verlangt, want hij weet vandaag niet recht, wat -hij doet, moet de koop als niet gesloten worden beschouwd, hoor," -zeide de opperloods, eer hij ging zien, waar Njaedel was heen gegaan. - -Sören Börevig vouwde het contract samen, en stak het papier in den -zak met eene grijns, welke de opperloods gelukkig niet zag. - -Njaedel liep een weinig voor hem uit de hoogte op, de opperloods -volgde hem op den voet. - -Toen zij boven waren gekomen, zeide Sechus: "Je moet met mij mee naar -Amerika trekken." - -"Met leege handen," antwoordde Njaedel op mismoedigen toon. - -"Met zulke knuisten als gij hebt, kunt ge overal vooruitkomen," -antwoordde de opperloods, "ik voor mij heb grooten lust er heen te -gaan. Van mijn huisje kan ik dadelijk afkomen, daar is mij dikwijls -geld voor geboden, en het beetje geld dat ik bespaard heb, kan ik -ook dadelijk in handen krijgen. Hier hebben wij niets meer te doen, -Njaedel. Ik betaal het geld voor je overtocht, wanneer je weer iets -begint te verdienen, kun je het mij terug betalen. En bovendien heb -je aan de andere kant van de zee een jongen en ook eene vrouw.... dat -hangt van je zelf af.... ga met mij mee!" - -Njaedel was blijven staan en staarde voor zich uit. Hier van de hoogte -gezien scheen al, wat hij gedurende de jaren, die hij er woonde, -verricht had, zoo gering. Hij liet zijne blikken langs de muren om -zijne akkers gaan, waarvan hij elken steen kende en hij dacht aan al -het werk en al de moeite, die hij er aan ten koste had gelegd. - -Daarna viel zijn blik op den akker en de half voltooide sloot, -en meer en meer verbitterd werd hij, wanneer hij dacht aan al de -plannen, die hij gemaakt had, toen hij hier kwam wonen. Hij dacht -ook aan den tijd terug, toen de lange Anna nog te Krydsvig woonde, -toen Christine nog thuis was en alles zoo goed ging. Op het zand, -waar de branding tegen de rotsen sloeg, viel zijn oog; de zee lag -grauw en hopeloos vóór hem, zij scheen door den dikken mist, die er -over hing, alle gedachten, die zich naar het Westen wilden richten, -tegen te houden. En hoe donkerder de regenwolken er uitzagen, nadat -de hevige wind was gaan liggen, des te somberder en mismoediger werd -hij gestemd; het was de reactie na de heftige opwelling, waarin hij -zijne boerderij had verkocht, en waarin hij alles had prijs gegeven. - -Maar in al zijne zorg over Christine, over zich zelf, over zijn -verspild leven, in al de bekommering die hem nu zoo ter neer drukte, -schenen de laatste woorden van den opperloods eene kleine lichtstraal -aangebracht te hebben. Te midden van dat sombere, droefgeestige grauwe -waarin hij tuurde, ontdekte zijn oog een klein lichtpunt, en meer en -meer nam het in helderheid toe, en kreeg den vorm van een kinderhoofd: -een' klein blank kinderkopje zag hij met roodlokkig haar. - -Hij haalde diep adem, en zag met verbaasden blik om zich heen. Daaraan -had hij nooit gedacht! er was nog iets, waarvoor het waard was te -leven, dat hem hoop in de toekomst gaf. - -"Wil je met mij gaan?" vroeg zijn vriend weder. - -"Ja!" luidde zijn antwoord, en in zijne volle lengte rekte hij zich -uit, "maar eerst wil ik naar Christiania om te zien hoe Christine -het maakt en of ik de zaak in orde kan krijgen!" - -"Och neen..... nu is het toch hetzelfde, hoe het met de zaak afloopt -en......" - -"Ik wil graag, vóór ik naar Amerika trek, met mijne eigene ooren -hooren zeggen, dat ik gelijk heb," viel Njaedel hem in de rede en -zijne oogen fonkelden. - -"Goed, goed!" antwoordde de opperloods, die begreep dat het maar het -best was, hem niet tegen te spreken; "in de lente doen er wel schepen -met landverhuizers Christiania aan, denk ik." - -Bij zich zelf vond Sechus het volstrekt zulk een gek plan niet naar -Christiania te gaan. Eerstens was het noodig alvorens te vertrekken, -eens naar Christine te kijken en dan koesterde hij de zoete, stille -hoop, dat het hem in de hoofdstad toch wel gelukken zou, vat te krijgen -op den persoon, die over alle Lensmands, opzichters en ingenieurs -van de openbare wegen geplaatst was. Het zou toch vermakelijk zijn te -ondervinden, dat men in het goede Noorwegen eenen weg in zulk eenen -toestand kon laten. - - - - - - - - -XVIII. - - -Christine was nog niet lang in het hospitaal opgenomen geweest, of -alle bewijzen waren voorhanden, dat de dood spoedig volgen zou. De -ziekte, die in zoo korten tijd haar sterk lichaam had gesloopt, greep -eindelijk de hersens aan, en na een' dag in bewusteloozen toestand -te hebben verkeerd, ontsliep zij op eenen Zondagavond. - -Johan was tot het laatste oogenblik bij haar gebleven; toen alles -was afgeloopen, liep hij doelloos zonder op iets of iemand acht te -geven de eene straat na de andere door; den kraag van de jas had hij -volgens gewoonte hoog opgetrokken. - -"Goeden avond... dokter Bennecken," zeide de kamerheer Delphin, -die juist zijne huisdeur opende, "ga met mij mee naar mijne kamers, -wij kunnen onder een glas wijn en eene goede sigaar den tijd wat -trachten te dooden." - -"Een saaie kerel, die dokter Bennecken," mompelde Delphin bij zich -zelf, toen de andere zonder een stom woord te zeggen, verder ging. - -Delphin stak zijne lamp aan, verwisselde zijnen rok--hij kwam van eene -soirée,--tegen zijn chambre-cloak, stak eene sigaar aan, dronk een glas -wijn, en begon toen, al wandelende door zijne twee fraai gemeubileerde -kamers, de gebeurtenissen van den dag één voor één te herdenken. - -Sedert dat groote bal in den herfst bij de Falck-Olsens, was hij -meer en meer op vertrouwelijken voet met Hilda Bennecken gekomen; -in den laatsten tijd echter, ja eigenlijk den geheelen winter had -zij zich meer van hem teruggetrokken. Wel kon het nu en dan gebeuren, -dat hij er haar toe kreeg den gezelligen vroolijken toon van vroeger -aan te slaan, maar dat duurde slechts voor een oogenblik; dadelijk -verviel zij weer in die zonderlinge verlegene houding, die hij niet -kon begrijpen, maar welke oorzaak was, dat een vertrouwelijk gesprek -tot de onmogelijkheden behoorde. - -Delphin klopte de asch van zijne sigaar tegen de kachel af en begon -aan andere zaken te denken. - -Van avond had zij hem ronduit gezegd, dat zij voortaan niet met hem -wilde opwandelen, wanneer zij elkaar op straat ontmoetten en dat zij -liefst niet meer met hem wilde dansen. - -Opnieuw wilde hij zijne gedachten met iets anders bezig houden, -maar altijd draaiden zij weer om Hilda's beeld; hij bleef voor den -spiegel staan, zag zich strak aan, en zeide: "Hoor nu eens, George, -hoe het eigenlijk met je gesteld is!" - -Hij ging voor zijne schrijftafel zitten en schreef vlug: - -Beste George! Het doet mij onuitsprekelijk leed te hooren, dat ook gij, -in wien ik zoo veel vertrouwen stelde, het beet hebt gekregen, want: - - - "Wer zum ersten Male liebet, - --Sei's auch glücklos, ist ein Gott, - Aber--wer zum zweiten Male - Glücklos liebt,--der ist ein Narr." - - -En Madame Börresen heeft mij er alles van verteld: je bent verliefd, -kerel! - -Nu ja--dat zou ik nu zoo erg niet vinden, maar dat gij verliefd zijt op -eene kleine apin met hondenoogen en eenen platten neus, dit geeft eene -ontaarding van de edele organen te kennen, en dat doet mij innig leed. - -Waart gij ten minste maar een man met karakter maar dat ben-je niet, -dat weet-je zelf al te goed, want je mist mij, maar waart gij beiden -in eenen persoon vereenigd, zoo zou ik je willen zeggen: - -Opperbest, mijn jongen, dat is het beste geneesmiddel voor je, -de eenige manier waarop gij het wrak van je in stukken geslagen -levensschip kunt redden. Neem ze--hoe leelijker zij is, des te beter; -presenteer haar dadelijk in de salons en zeg luid: "Dames en heeren, -ik ben er trotsch op, dat zij mij heeft gekozen!" dan was er misschien -eenige hoop op je redding, dan waart gij niet langer die akelige -stakker, die je nu bent en wel altijd blijven zult. Amen! - -Hij wierp de pen weg, en ledigde het glas, dat voor hem stond. - -Uit het gasthuis was Johan Bennecken, op den Wergelands weg, waar -Delphin woonde, terecht gekomen; hij had eenen grooten omweg door de -buitenwijken der stad gemaakt, tot aan Homannsby zelfs. - -Half uit gewoonte sloeg hij den weg naar het ouderlijk huis in, -om--nu alles voorbij was--nog een blik te werpen door die laag gelegen -vensters, in dat vertrek waarin hij zoo innig had liefgehad, maar -ook zooveel had geleden. - -Daar gekomen, zag hij een' man voor de poort, die moeite scheen te -hebben het sleutelgat te vinden. De dokter herkende dadelijk Mo en -wilde voorbij gaan, want aan zijne waggelende houding bemerkte hij, -dat de conciërge dronken was. Niettegenstaande hij een' diepen afschuw -jegens hem koesterde, keerde hij een paar stappen terug en hielp hem -in huis. - -Anders Mo was niet zoo dronken of hij herkende den dokter. - -"Ja .... de dokter is een goedhartig man," zeide hij op zijnen -deemoedigen toon, "werkelijk een heel goedhartig man, en dat zegt -Christine ook." - -Toen hij haren naam noemde en aan zijn gezicht eene vrome plooi wilde -geven, was Johan zijne woede niet langer meester: hij greep hem bij -de schouders en schudde hem heftig heen en weer. - -"Zij is dood!" riep hij knarsetandend uit, "en gij hebt haar vermoord!" - -Mo haastte zich den sleutel aan de binnenzijde in het slot te steken -om ze te sluiten, hij schudde het hoofd en mompelde: "och ... och, -arme Christine! is zij werkelijk gestorven? wie zou dit hebben kunnen -gelooven.... noch de minister, noch mevrouw...." - -"Meng mijn vaders naam niet in de afschuwelijke daad, die gij gepleegd -hebt," riep Johan en hij zette zijnen voet tegen de poort om Mo -het sluiten te beletten. Een oogenblik kreeg deze het bewustzijn -terug. De oude man stiet de poort zoo ver dicht, dat zij op eenen kier -stond. Het gaslicht viel door de smalle opening op het bleeke gezicht -met den valschen glimlach om den mond, met dat zilverwitte naar achter -gestreken haar, en op duidelijken doch wat gedempten toon zeide hij: -"De minister zoowel als mevrouw wisten het heel goed, maar zij wilden -dat ik haar zou nemen, opdat gij haar niet krijgen zoudt," en met een -onbeschrijfelijk kwaadaardigen grijns stak hij zijne tong tegen den -dokter uit, terwijl hij de poort dicht sloeg en den sleutel tweemaal -omdraaide. Johan Bennecken tuimelde tegen den lantaarnpaal en als -verlamd bleef hij daar geruimen tijd staan. - -Een jongen met eene ladder kwam op het trottoir: "man, ga wat verderop -tegen eenen muur leunen, ik moet hier bij de lantaarn om het gas uit -te draaien." - -De dokter ijlde weg, alsof de grond onder hem brandde. In het Oosten -begon de dag zich te vertoonen, eerst grauwachtig, dan rooder en -rooder, totdat de zon opging; een vriendelijk stralende lentezon--het -was de eerste Mei--bescheen de daken der huizen en verguldde de -kerktorens. - -Hij liep maar altijd voort, kwam in het oude gedeelte der stad, -en keerde terug, altijd maar vóór zich starende en altijd geplaagd -door dezelfde gedachten en denzelfden twijfel. Dat zijne moeder er -niet onkundig van was geweest, hij kon zich die mogelijkheid hoe -vreeselijk ook, haar te moeten gelooven, voorstellen. Zij was altijd -zoo overdreven bang voor alles, wat een schandaal kon veroorzaken. Maar -zijn vader--de brave edeldenkende man, zou die medeplichtig zijn? Die -gedachte wierp hij ver van zich. - -Mo was toch dronken, wist niet wat hij zeide, en was er altijd op -uit met duivelsche boosaardigheid anderen te belasteren. - -Maar wat hielpen al deze redeneeringen? - -De twijfel brandde als eene gloeiende plek meer en meer in zijne ziel: -hij moest zekerheid hebben. - -Zoodra het besluit, naar zijne ouders te gaan, en hun ronduit -de waarheid te vragen, bij hem vast stond, kwam hij tot meer -kalmte. Intusschen kon er geen sprake van zijn op dit vroege uur te -komen; een paar uren moest hij minstens nog wachten, en hij ging dus -naar de kade, waar reeds volle bedrijvigheid heerschte. Werkvolk -en sjouwerlui gingen naar de haven, leerjongens liepen naar hunne -werkplaatsen met hunnen kleinen koffieketel en hunne boterhammen in een -papier gewikkeld in de hand; fabriekmeisjes riepen elkander en gingen -dan samen verder, lachende en elkander hare nachtelijke avonturen -vertellende, terwijl politieagenten, die er slaperig uitzagen, zich -voortsleepten en met verlangen hunne aflossing verbeidden. - -Eene bevolking van een eigenaardig karakter bewoog zich op dit uur van -den dag op straat: alle individuen geleken op elkaar, allen hadden een -armoedig uiterlijk. Een welgekleed heer, die den nacht buitenshuis -in vroolijk gezelschap had doorgebracht, sloop, druipstaartend als -een hond en min of meer met zijne houding verlegen, in dien helderen -zonneschijn naar zijne woning. - -En intusschen waren de lieden, die in de fraaie gedeelten der stad -woonden nog in diepen slaap gedompeld, achter neergelaten valgordijnen -en gegrendelde deuren. Een verheven majestueuse slaap verkwikte -hen, die over de stad, over den staat, over het volk en al zijne -kleinoodiën zorgden; en hoe helder de morgenzon ook scheen, kon zij -toch het mysterie niet opklaren, hoe het kwam, dat zij die sliepen, -juist diegene waren, die waakten en dat over diegene, die wakker waren, -gewaakt werd door hen, die sliepen. Steeds levendiger ging het echter -langs de kade en in de haven zoowel als in de nauwe straten toe. - -De kleine stoombooten lieten hun schel gefluit hooren en staken van -wal; een weinig verder lag in de haven eene groote stoomboot, die juist -van de Westkust was gekomen, en wachtte, totdat de havenmeester plaats -voor haar aan de kade zou maken; visschersbooten kwamen binnenloopen; -eenige visschers waren reeds aan het loven en bieden met de opkoopers -en de dikke vischwijven, die groote, platte manden voor zich hadden -staan. - -Johan liep altijd maar voort; eindelijk kwam hij aan de Vestingkade, -waar eene groote, groengeschilderde Engelsche stoomboot ankerde. De -door stoom bewogen hijschmachine was druk aan den gang, volk liep af -en aan op het vaartuig; tonnen en biervaten stonden in rijen langs de -kade en in den vorm van eene pyramide was een groot aantal kisten op -elkander gestapeld, waarop Noorsche namen en Amerikaansche adressen -geschilderd waren. - -Uit een der groepen van mannen en vrouwen met kinderen, allen in nieuwe -baaien pakjes gestoken, trad een rijzig jonkman in bont katoenen hemd -en zomerjas gekleed. - -"Goeden morgen Johan! al zoo vroeg in de kleeren? Herkent gij mij -niet?" - -Johan herkende hem, het was een oud schoolkameraad, dien hij in jaren -niet had ontmoet. - -"Waar zijt gij al dien tijd geweest?" vroeg hij. - -"In Amerika, kerel," antwoordde hij vroolijk. "Emigrantenagent--eene -prachtige winstgevende zaak! maar, bliksems veel gezeur en ergernis -ook. - -"Thans zit ik er leelijk in moet je weten, want op de plaatsbiljetten, -welke die lieden gekocht hebben, staat gedrukt: een Noorsch dokter -bevindt zich aan boord, en de kerel, dien ik had geëngageerd, maakt -nu allerlei zwarigheden en laat mij per slot van rekening nog in -den steek. Maar.... waarachtig, daar denk ik juist aan, jij bent ook -dokter--Johan, come along! goede voorwaarden, hoor maar eens!" - -En nu begon de agent met zulk een rappe tong al de voordeelen, aan die -betrekking verbonden, op te sommen, dat zijn eigen plan, hem zelf zoo -begon toe te lachen, dat hij eindigde met te zeggen: "Zie zoo, dat is -afgemaakt, die zaak is in orde. Hier is de nieuwe dokter," vervolgde -hij, zich tot de om hem heen geschaarde landverhuizers wendende. - -Johan moest onwillekeurig om hem lachen, maar zeide ja noch -neen. Wanneer hij alles wel overwoog, was het eigenlijk het -verstandigste, dat hij maar toesloeg. - -Het was nu ongeveer zeven uur. Hij beloofde later op den dag nader -bescheid te geven en begaf zich naar het ouderlijk huis. - -In de voornamere stadswijken begon het thans wat levendiger te -worden. De winkels werden geveegd en de spiegelruiten gezeemd. Eenige -eerzame burgers in de Karel-Johanstraat waren bezig de vlaggestokken -uit de dakvensters te steken, want men verwachtte den koning in den -loop van den dag. - -"Wie is daar?" riep mevrouw Bennecken, toen Johan aan de deur der -slaapkamer klopte. - -"Ik ben het.... Johan, ik moet vader spreken." - -"Neen.... neen.... Johan.... je kunt nog niet binnen komen!" maar -hij hoorde niet en deed de deur open. - -"Maar Johan, wat beteekent dat," riep zijne moeder vertoornd uit, -terwijl zij zich achter het bedgordijn verschool: zij was "en profond -négligé"; de minister lag nog in bed. - -"Ja.... neemt het mij niet kwalijk, maar ik moet met u beiden -spreken." Zijn hart klopte zoo heftig, dat hij eerst bijna geen -woord kon uitbrengen. "Ik ben hier.... om u te vragen.... vader..., -of u, of moeder iets aangaande de ziekte van Mo wist, toen hij met -Christine trouwde?" - -Er ontstond eene kleine pauze; eindelijk begon de minister: "Ik vind -je binnenkomen hier heel ongepast en...." - -"Antwoord mij! antwoord mij," riep Johan. - -De heer Bennecken ging overeind in bed zitten en beproefde met eene -uitdrukking op het gelaat, die eerbied moest inboezemen, zijnen zoon -aan te zien, maar dit wilde in zijn nachttoilet waarin het dunne -grijze haar naar alle kanten uitstond, volstrekt niet gelukken. Had -hij zich in al zijne heerlijkheid kunnen vertoonen, misschien zou het -hem gelukt zijn, meester van de positie te worden: zoo als hij daar nu -echter in zijn bed zat, een heel gewoon ongeschoren oudachtig heer, -viel eensklaps de buitengewone eerbied, dien zijn zoon voor hem had -gekoesterd, als een kaartenhuisje ineen, en op een ijskouden toon, -die hem zelf bijna verschrikte, zei hij: "Vader--vader! ik heb mij -in u vergist!" - -Maar nu kreeg mevrouw hare tegenwoordigheid van geest terug, "ik -verzoek je Johan met meer respect tot je vader te spreken.... en -hoor bedaard wat ik je zeggen wil. Gij weet zelf.... als dokter heel -best, dat de ziekte, waarop gij doelt, nooit door fatsoenlijke lieden -wordt genoemd." - -"Ja, dat is het juist," riep haar zoon uit. "Vele malen heb ik er mijne -gedachten over laten gaan, wat de reden is, dat die vreeselijkste aller -ziekten verlof heeft, incognito overal binnen te sluipen, terwijl het -niet fatsoenlijk is, haar bij haren waren naam te noemen. O.... gij -weet niet, wat gij gedaan hebt, moeder!" - -"Wat heb ik dan gedaan! je bent van je zinnen beroofd, jongen!" riep -mevrouw toornig uit. Zij kon het zich niet voorstellen, dat die sul -van een Johan hier met het uiterlijk van een rechter voor haar stond. - -"Adelaïde!" klonk het voorzichtig uit het bed. - -Maar Johan ging kalm voort. Nu hij zekerheid had was het, of de -vulkaan, die in hem brandde, op eens uitgedoofd was. "Dat gij trachttet -mij te verhinderen haar tot vrouw te nemen, kan ik begrijpen, en zou -ik misschien hebben kunnen vergeven, maar dat gij haar zoo moedwillig -in het verderf liet loopen. O.... gij weet niet hoe edel en goed -zij was, en hoeveel zij heeft moeten lijden.... Nu is zij gestorven, -en ik vertrek van avond. Vaartwel!" - -"Waar naar toe?" vroeg mevrouw. - -"Naar Amerika," antwoordde Johan, die reeds in de deur stond. - -"Naar Amerika! dat gaat volstrekt niet! Daniel!" riep zij haren -man toe. - -"Het is eene ernstige zaak, en vóór alles is het noodig dat wij -bedaard zijn," zeide de minister. - -In de eetzaal kwam Hilda, nog maar half gekleed haren broeder te -gemoet; op hare slaapkamer had zij een groot gedeelte van het gesprek -gehoord. - -"Johan--Johan!" riep zij half snikkend uit, "wat is het toch?.... wilt -gij weer weggaan?" - -"Ja, Hilda, nu ga ik voor goed naar Amerika. Het doet mij leed voor -jou, arme zus, want je staat dan weer zoo eenzaam," en hij drukte -haar tegen zich aan. - -"Ach.... ach....!" snikte Hilda.... "kan ik niet met je meegaan, -Johan?" - -Zij zeide die woorden zonder die nu juist ernstig te meenen, maar -haar broeder vatte het anders op, en toen Hilda hem op zijn aanbod -om hem te volgen antwoordde, dat mama het nooit zou toestaan, zeide -hij op harden toon: "Och! het zijn de twee verschovelingen maar, -die heen gaan, buitendien vragen wij geen verlof. Reis met mij mee -en help mij, totdat gij iets beters voor je zelf vindt." - -"Neen--maar Johan! is het je werkelijk ernst?" - -"Waarom niet? Wat lot staat je hier t'huis te wachten? Trouwen zult -ge wel niet.... neem het mij niet kwalijk, dat ik het zoo maar ronduit -zeg.... en gij behoort tot een te voornamen stand om hier een nuttigen -werkkring te vinden. Gij past volkomen voor Amerika." - -Juist kwam mevrouw uit hare slaapkamer. "Ah zoo.... gij zijt nog niet -weg, Johan.... dat tref ik, want ik wilde nog wat met je praten." - -"Hilda gaat met mij mee," zeide Johan tot antwoord. - -Mevrouw deed eene zwakke poging om te lachen. - -"Nu ik ben blij, dat ik dit hoor; het heele plan was dus maar eene -scherts, ja, ja, dat dacht ik wel." - -"Neen, moeder, het is ernst," antwoordde Johan droogjes. "Hilda, -pak nu je boeltje bij elkaar, wij gaan van avond aan boord." - -Hilda was geheel verward, maar de gebiedende toon, waarop haar anders -zoo vreesachtige broeder tot haar sprak, maakte zulk eenen indruk, -dat zij hem gehoorzaamde en de eetzaal verliet. - -"Luister nu, Johan," zeide mevrouw, en zij plaatste zich recht voor -hem, "ben je gek, of ben je alleen dronken? Geloof je werkelijk, -dat je vader en ik zulk een schandaal zullen gedoogen?" - -"Ik kom van avond Hilda halen en verhindert gij haar de noodige -toebereidselen te maken, dan kunt gij u op een nog grooter schandaal -voorbereiden," klonk het uit zijnen mond en hij ging naar de deur. - -Mevrouw Bennecken stiet eenen gil uit en viel achterover op eenen -stoel. "Maar, Johan!" riep de minister in de deur der slaapkamer, -hij had zijne pantalon nog in de hand, "help Mama toch, je ziet dat -zij in onmacht is gevallen!" - -"Dat is zij niet," antwoordde hij en verliet het huis. - - - - - - - - -XIX. - - -De agent voor de landverhuizers wreef zich vergenoegd in de handen, -omdat hij zoo gemakkelijk aan eenen dokter gekomen was, en keek naar -een stoomboot, die uit het Westen was gekomen, waarvoor nu plaats -aan de kade was gemaakt vlak tegen het Engelsche vaartuig aan. - -Zijn scherpe blik zag, overal zoekend naar landverhuizers rond en -weldra ontdekte hij Njaedel en den opperloods, die juist aan wal -gekomen waren. Door de menigte drong hij heen en voegde zich bij hen. - -"Landverhuizers, naar ik zie," zeide hij, terwijl hij hen groette. - -De opperloods beantwoordde zijnen groet maar toen de agent hem -den reiszak, dien hij in de hand droeg, wilde afnemen, wilde -hij volstrekt niet hebben, dat die netgekleede heer zich daarmede -belastte. Intusschen praatte de agent onophoudelijk door en hielp hen -uit het gedrang, want velen spoedden zich naar het pas aangekomen -vaartuig. Njaedel volgde hen op den voet, hij zag alles met groot -mistrouwen aan. - -"Zie zoo..... daar ligt de boot op welke gij de reis zult maken, een -prachtig vaartuig.... first class altogether, hebt gij al biljetten?" - -"Neen!" antwoordde de opperloods. - -"Very well! De biljetten krijgt gij aan boord, wees zoo goed aan -boord te gaan!" - -"Hoe laat vaart de boot af?" vroeg Njaedel. - -"Morgen ochtend heel vroeg," antwoordde hij en met eenen woordenvloed, -die Njaedel bijna deed duizelen, begon hij al de voordeelen van -de onderneming, waarvoor hij passagiers werfde, op te sommen; hoe -gelukkig het voor hen was, dat zij dadelijk, toen zij aan land kwamen, -hem ontmoetten, en hoe gemakkelijk het was, dat zij van avond reeds aan -boord konden komen, dat zij op deze manier de kosten voor huisvesting -spaarden, enz. - -Dit laatste betoog had de gewenschte kracht; zij volgden den agent -naar boord en in minder dan een kwartier hielp hij hun aan kooien op -de tweede klasse voordeks. Hij droeg zorg voor de biljetten, ontving -de vooruitbetaling, schreef de quitantie, en beëindigde de zaak, -door de handen vrij hard tegen elkaâr aan te slaan, herhalende: -"all right, first class altogether!" - -Toen dit alles in orde was, gingen zij weer aan land. Njaedel -fluisterde den opperloods in 't oor: "Wanneer... die mooi gekleede -mijnheer maar geen schelm is, hij praatte zoo in eenen adem door." - -De opperloods lachte medelijdend en zei, dat dit Amerikaansche manier -was. Hun bleef nog over zich omtrent "de zaak" op de hoogte te stellen -en Christine in het hospitaal te bezoeken. - -Njaedel was van meening, dat zij regelrecht naar den koning moesten -gaan, maar de opperloods lachte weer medelijdend en begon aan allen, -die hij ontmoette, den weg naar het ministerie te vragen. - -Hij had geen geluk; de meesten lachten of antwoordden met eene -geestigheid, anderen bleven staan om hen na te kijken. Zij zagen -er ook in het oog vallend uit: de kleine, roodwangige opperloods in -zijn geel zeemansbuis en pelsmuts en de reusachtige gestalte, naast -hem, met den gekromden rug, den dikken verwarden langen baard en de -buitengewoon heldere onschuldige kinderoogen. - -Zij gevoelden, dat zij de opmerkzaamheid trokken, vooral toen zij -in de voorname stadswijken kwamen. De opperloods vroeg niet meer zoo -direct aan ieder den weg; aan den hoek van het postkantoor gekomen, -zeide hij moedeloos: "Het is waarachtig al tien uur." - -Juist keken zij op den kerktoren, toen een net gekleed heer met -papieren onder den arm den hoek omkwam. - -De opperloods vatte moed en zei: "Neem mij niet kwalijk.... maar kan -u ons ook zeggen, waar het ministerie is." - -"Welk ministerie?" - -"Is er meer dan één," vroeg de opperloods op moedeloozen toon. - -"Och mijn beste man," antwoordde de heer, "hoe zou het oude Noorwegen -het met één Departement kunnen stellen! maar wat komt gij eigenlijk -in het Departement doen?" - -"Naar "de zaak" vragen," antwoordde Njaedel. - -"Dat is te zeggen," verklaarde de opperloods nader, "het is over het -wier aan het strand en een groot afvoerkanaal of sloot." - -"Ja, groote afvoerkanalen vindt men in alle departementen meer dan -genoeg," zeide de zoo goedig uitziende heer, "maar met het wier is -het eene andere zaak." - -"Het is aan dat departement, waar een minister is," verklaarde de -opperloods verder. - -"Och mijn beste buitenman, waar is geen minister! Wij hebben er elf -van dat soort." - -Nu zonk den opperloods de moed geheel in de schoenen, en hij zag -zijnen vriend radeloos aan. - -"Daar heb ik een broer," zeide Njaedel. - -"Ah zoo! en hoe heet hij?" - -"Hij heet Anders--Anders Mo." - -"Ah, Mo! o dien ken ik heel goed; zoo zoo, is hij uw broer, gaat dan -beiden maar met mij mee, ik ga denzelfden kant uit." Hij ging vooruit -en de beide anderen volgden hem. - -"Hij hoort tot de echt voorname lui," fluisterde Njaedel, "want hij -schaamt zich naast ons te loopen." - -"Ik vertrouw hem nog niet recht," antwoordde de opperloods voorzichtig. - -"Hier breng ik u twee echte exemplaren van het uitstervend dierenras -"Volk" zeide George Delphin tot Mortensen, toen hij met den opperloods -en Njaedel de kamer, waarin deze zat, binnen kwam; "en hier mijne -heeren," en hij wendde zich tot de twee reizigers, "ben ik zoo vrij -u den waren "vriend des Volks," den heer Mortensen voor te stellen." - -De redacteur stond op en boog deftig, ofschoon hij nooit recht op zijn -gemak was, wanneer de hoofdcommies schertste. In eenige hoogdravende -bewoordingen zeide hij, welk een genoegen het hem deed, zoo van -aangezicht tot aangezicht te staan tegenover hen, die de eigenlijke -kern van het volk uitmaakten. Noorwegens eerlijke, vrije mannen, enz. - -Deze kleine comedie lokte Oerseth en drie of vier andere heeren uit de -aangrenzende kamers; de opperloods had echter het bolle bleeke gelaat -van Mortensen nauwkeurig beschouwd en voelde, dat hij op het punt -stond in drift uit te barsten; toch gelukte het hem zich te bedwingen. - -"Deze heeren," zeide de bureau-chef, terwijl hij zich gereed -maakte heen te gaan, "beveel ik uwe bijzondere zorg aan, mijnheer -Mortensen! en ik betwijfel volstrekt niet of gij zult met vreugde van -de gelegenheid gebruik maken, u den waren Vriend des Volks te toonen." - -"Pardon, mijnheer Delphin," antwoordde Mortensen een weinig knorrig, -"maar van daag hebben wij wezenlijk geen tijd gekheid te maken." - -"Gekheid," zeide Delphin, "gekheid? Hoorde wellicht een der heeren -of de commies Mortensen van "gekheid" sprak?--Ik kan mij zulks niet -voorstellen"--vervolgde hij, terwijl de schampere glimlach, die de -schrik zijner vijanden was, zich om zijne lippen plooide, "ik kan mij -de mogelijkheid niet voorstellen, dat de commies Mortensen een bevel, -dat ik hem geef, als "gekheid" zou opvatten. Deze twee heeren komen -hooren naar eene zaak over strandwier en over een groot afvoerkanaal, -die bij ons Departement is ingediend. Wees zoo goed mijnheer Mortensen -oogenblikkelijk naar alle papieren, die zaak betreffende, te zoeken -en de heeren de noodige inlichting te geven." - -De Redacteur zag vuurrood van kwaadheid en de anderen, bemerkende -welke wending de comedie nam, slopen naar hunne plaatsen en bogen -zich over hun werk. - -Nu nam de opperloods Sechus het woord: - -"Neem mij niet kwalijk mijnheer, maar--maar wij willen liever den -minister zelven spreken--ik wil niets met dien mijnheer te doen -hebben." - -"Ja, daarin heb je gelijk," antwoordde de bureau-chef, en bracht -de twee boeren door al de vertrekken tot in de wachtkamer van den -minister. Hier verzocht hij hen te wachten, omdat deze nog niet op -het bureau was. - -Het duurde bijna een uur vóór hij verscheen--en bitter slecht geluimd. - -Gedurende zijn ministerieele loopbaan had de heer Bennecken geleerd, -om, hoe slechter hij gehumeurd was, een des te opgeruimder gezicht te -zetten. Vandaag had hem zulks echter ontzettend veel moeite gekost, -want de verdrietelijkheden waren al vroeg begonnen, en hadden hem -geen oogenblik met rust gelaten. - -Na de ongelukkige scène met Johan had hij een langdurig onaangenaam -tête-à-tête met zijne vrouw gehad: Het had hem veel moeite gekost -de energieke dame aan het verstand te brengen, dat dwangmiddelen en -opsluiting geene afdoende middelen waren om een schandaal te voorkomen -en waren dus tot de conclusie gekomen, dat het het beste zou zijn de -zaak te laten zooals zij was en haar op hunne eigenaardige manier -aan de wereld mee te deelen: Johan had lust een tocht naar Amerika -te maken en Hilda zou hem voor pleizier vergezellen. - -"Ach God! geen mensch zal het gelooven," jammerde Mevrouw! - -"Dat hangt geheel af van de wijze, waarop wij het vertellen," -antwoordde haar man. - -Ter nauwernood was deze zaak beklonken, of onze candidaat Alfred kwam, -heel zuinig kijkende, binnen. Hij was gedwongen geweest eenen wissel -te accepteeren en die verviel vandaag en.... en.... De minister -werd woedend en Alfred kreeg eenen duchtigen uitbrander; mevrouw -schoof hem zachtjes de kamer uit en beloofde hem bij te springen -met het huishoudgeld. En al deze verdrietelijkheden moesten juist -plaats hebben op den gewichtigen dag, waarop men zijne majesteit den -koning na eene lange afwezigheid verwachtte, op eenen tijd, waarin -het van het grootste gewicht was voor het bezoek des Konings alles -zoo feestelijk mogelijk in orde te hebben. - -Toen de minister dan ook door de deur, waarvan hij alleen den sleutel -bezat, op zijn bureau kwam, kostte het hem op het gezicht van de -twee zonderlinge gestalten, die er zaten, groote moeite eenen vloek -te weerhouden. - -De opperloods stond dadelijk op en begon de zaak zóó voor te dragen, -alsof hij een van buiten geleerd lesje opzegde. Tot Njaedels -ongeveinsde bewondering sprak hij den minister telkens met "Uwe -Hoogheid" aan. - -De minister staarde hem een oogenblik aan, opende daarna de deur van -het vertrek van den secretaris, die voor de verzending van de ingekomen -stukken naar de verschillende afdeelingen zorg moest dragen, en vroeg: -"Wat zijn dat voor lieden, die daar binnen zitten?" - -"Ik weet het niet.... neen werkelijk ik weet het niet, Excellentie," -antwoordde de secretaris, een klein mager man met grijs haar; -"de bureau-chef Delphin heeft hen hier gebracht, ik weet er niets -van.... volstrekt niets." - -"Dat is juist iets voor u," mompelde de minister, "ga den bureau-chef -zeggen, dat ik hem verzoek dadelijk hier te komen." - -"Oogenblikkelijk.... oogenblikkelijk... Excellentie!" en met eenen -sprong was hij van den kantoorstoel, liep een paar maal geheel ontdaan -rond om zijnen hoed te zoeken, doch zich bij tijds herinnerende, dat -hij de straat niet op behoefde, liep hij eindelijk naar Delphin's -kamer, om deze de boodschap van den minister over te brengen. De -minister liep terwijl hij op Delphin wachtte, de kamer op en neer; -de opperloods was stom van verbazing en begon de geheele affaire vrij -dwaas te vinden. De minister had er gedeeltelijk zelf toe bijgedragen, -dat Delphin zoo snel eene schitterende carrière had gemaakt. In -den laatsten tijd echter was hij niet al te zeer over hem voldaan; -hij begon hem een weinig te wantrouwen, en had zich voorgenomen, -om hem, zoodra zich een gepaste gelegenheid voordeed, aan te raden, -naar eenen post in eene der kleine steden te solliciteeren. - -Ondertusschen was George Delphin met zijne scherpe tong en zijne -goede relatiën altijd een man, met wien het maar best was op goeden -voet te staan, vooral wanneer er een schandaal te duchten was. - -"Beste kamerheer," begon hij, toen deze binnenkwam, "gij kunt mij -een groot pleizier doen. Zijne majesteit de koning komt, zooals gij -weet, tegen vier uur. Dientengevolge zal een groot gedeelte van de -notabelen der stad bij mij een déjeuner à la fourchette gebruiken, -vóór den feestelijken intocht.... ik hoop, dat gij, Delphin, mij de -eer zult bewijzen, ons met...." - -Delphin boog. - -"Nu was er nog iets, wat ik u vragen wilde, beste Delphin. Mijne -vrouw zou het zeer aangenaam vinden, wanneer gij haar een weinig -bij het arrangeeren behulpzaam wildet zijn,--dat behoort eenmaal -tot eene van uwe vele talenten,--want Adelaïde is vandaag een weinig -geëchauffeerd... verschillende omstandigheden... hm..." de minister -beproefde even te glimlachen.... "zooals gij ongetwijfeld hebt -gehoord, heeft Johan er lang over gedacht een tocht naar Amerika te -maken..." Delphin was beleefd genoeg een bevestigend antwoord te geven. - -"Dit is weer zoo'n inval van hem," zeide de minister schertsend, -"en nu presenteert zich juist eene goede gelegenheid: een plaats -als dokter op een landverhuizersvaartuig is hem aangeboden, maar -'t mooiste van de grap is dat Hilda voor pleizier met hem meegaat." - -"Hilda!" riep Delphin en viel geheel uit zijne rol. - -"Ja, ja," zeide de minister lachend, "een zonderling denkbeeld, niet -waar? Adelaïde wilde eerst volstrekt hare toestemming niet geven, maar -ik zeide: laat haar meereizen; eene reis naar Amerika is tegenwoordig -eene kleinigheid, een tochtje dat men voor zijn pleizier doet, en -daar dokter Rhode van meening was, dat de zeelucht.... hm!...." - -Delphin mompelde eenige beleefde volzinnen, en de minister was zeer -over zich zelf te vreden; toen Delphin op het punt stond het vertrek te -verlaten, vroeg hij fluisterende: "Wat zijn dat voor vreemde Chinezen, -die gij mij op den hals hebt geschoven?" - -"Boeren van de Westkust, die naar eene zaak komen informeeren, welke -aan ons Departement ingediend is. Ik trok mij hun lot een weinig aan, -daar Mortensen hen wat onaangenaam behandelde. Ik meende dat het -beter was geene aanleiding te geven dat...." - -"Volkomen juist geoordeeld, waarde kamerheer, ik zal hen eens -aanspreken. Ja Mortensen is, onder ons gezegd, soms wel wat ruw." - -De bureau-chef ging weg en de minister zei vriendelijk tot de twee, die -te wachten zaten: "Nu, luidjes, nu ben ik geheel tot uwen dienst. Het -was dus eene zaak aangaande...." - -"Aangaande het recht op een deel van het strandwier," zeide de -opperloods. - -"Het recht op een deel van het strandwier," de minister schelde--"gaat -zoo lang zitten, die zaak zullen wij eens spoedig in orde maken,"--hij -schelde weer,--"is de zaak kort geleden bij ons ingediend?" - -"Aanstaanden herfst wordt het twee jaar," zeide Njaedel. - -De minister sprong verschrikt van zijnen stoel op, toen hij die -grove stem hoorde, daarna opende hij de deur van het vertrek met den -afzonderlijken ingang en riep: "Mo!" Mo was er niet; de minister liep -naar de andere deur en joeg den secretaris een' doodelijken schrik -aan, toen hij, duchtig met zijne sleutels rammelende--dit was altijd -een teeken van slecht humeur--hem naar eene zaak over "wier" vroeg. - -De secretaris begon ijverig in de protocollen te zoeken; hij bladerde -van voren naar achteren en van achteren naar voren, maar niets, wat -op deze verd.... zaak de minste betrekking had, kon hij vinden, en zij -was toch, zooals de minister zeide, reeds twee jaar geleden ingediend. - -Daar al dit zoeken vruchteloos was ging de minister door de andere -vertrekken en kwam eindelijk in Mortensen's kamer, waarin hij nooit -van zijn leven den voet had gezet, overal schrik en angst met zijne -rammelende sleutels en zijne vraag naar eene zaak over "wier" te -weeg brengende, want niemand kon zich herinneren van die zaak te -hebben gehoord. - -Mortensen waagde eenigszins boosaardig aan te merken: "de bureau-chef -is reeds vertrokken, misschien wist hij er iets van." - -"De hoofdcommies moest voor zaken uitgaan, en buitendien moet die -zaak reeds lang geleden door hem overgedragen zijn," antwoordde -de minister op strengen toon, "ik begeer, dat deze geschiedenis -dadelijk in orde wordt gebracht. De stukken moeten gevonden worden, -hebt gij mij begrepen mijneheeren, zij moeten voor den dag komen -en oogenblikkelijk!" - -De minister keerde naar zijn bureau terug en het gansche -Departementsgebouw kreeg op eens het uiterlijk--een buitengewoon -iets--van een mierennest. Deuren werden opengeworpen en toegeslagen; -angstige gezichten vertoonden zich en verdwenen; planken en loketten -werden nagezien, pakketten nauwkeurig onderzocht; de schrijvers -draafden door de lange gangen heen en weer, gingen trappen op en -trappen af, kwamen zelfs tot op den zolder en zochten in blinde -vertwijfeling tusschen stof en papier. De angst steeg elke minuut; -van tijd tot tijd opende de minister de deur van zijn bureau en -vroeg tot grooten schrik van den secretaris, die als een drijftol -ronddraaide wanneer hij het gelaat van den minister maar zag: "Nu, -zijn de stukken nog niet gevonden?" - -Doch in de verwarring werd eene vraag gedaan, die van mond tot mond -ging, totdat zij eindelijk als een diepe zucht door het geheele -gebouw werd geslaakt: "Waar blijft Mo toch? Waarom komt Mo.... Mo de -almachtige niet?" Eindelijk kwam hij. Behoedzaam, bleek, glimlachend -sloop hij in de kamer van den minister, juist toen daar een groot -aantal verschrikte ambtenaars bijeen waren, die allen hun best deden -te bewijzen, dat die zaak onmogelijk door hunne handen had kunnen gaan. - -Allen ademden ruimer, toen de kleine man binnentrad, en de minister -hem gejaagd vroeg of hij iets aangaande die zaak in quaestie wist. - -"Ja," antwoordde Mo, "die ligt in den chaos." - -"In wat?" vroeg de minister. - -"In den chaos van Mortensen," antwoordde Mo glimlachende. - -"Daar gij weet, waar de stukken zich bevinden, zoo breng ze hier," -beval de minister. - -Anders Mo verliet het vertrek; achter hem ging Mortensen, die buiten -zich zelf van woede was, en Mortensen volgden de anderen. - -"Was dat je broeder?" vroeg de minister. - -"Ik meende hem aan zijne stem te herkennen," antwoordde Njaedel -eenigszins op weifelenden toon, "maar hij was niet zoo groot als mijn -broer, vond ik, en hij zag er zoo oud uit." - -De minister bedacht, dat deze scène mogelijk een minder goeden indruk -op de twee boeren kon maken en dat wilde hij liefst niet. Daarom zei -hij vriendelijk tot den opperloods: "Hoe heet ge vriendschap?" - -"Lauritz Boldemann Sechus." - -De minister was een en al verwondering op het hooren van dien -welluidenden naam, en toen Sechus hem vertelde, dat hij den post van -opperloods had bekleed, nam hij eenen stoel en ging naast hem zitten, -begon een gesprek en klopte hem nu en dan vertrouwelijk op de knie. - -"Vertel mij eens, opperloods, is het leven aan de kust niet dikwijls -moeielijk en gevaarlijk?" - -"Och ja, Uwe Hoogheid; wanneer de zeelui zich bij stormweer ver in -zee wagen, bekomt het hun soms slecht." - -"Ja, ja," antwoordde de minister, en hij maakte eene beweging met de -hand. "Ik denk zoo dikwijls met trotschheid aan deze wereldberoemde, -onverschrokken loodsen, die langs onze gevaarlijke kusten wonen, -en het verheugt mij zeer in de gelegenheid te zijn met één van hen -persoonlijk kennis te maken." - -"Hé?" vroeg Sechus, "ja, ziet u, eigenlijk ben ik nu juist niet zoo'n -loods en Njaedel ook niet." - -"Hm!" zeide de minister en brak dit gesprek af; "de groote -haringvisscherij op de Westkust is wel een bron van groote verdienste -in de streek waar gij woont." - -"O ja, voor hen die er wat van meekrijgen," antwoordde Sechus, die -vond, dat de minister een echte spotvogel was. - -"Een bont, afwisselend leven moet het zijn in den tijd waarop de -visscherij het levendigst is," ging de minister voort; "zulk een -toeloop van bewoners uit de verschillende deelen van het land moet -gewis voordeelig op de ontwikkeling van het volk werken." - -"Ja, Uwe Hoogheid, groote vechtpartijen hebben er dan plaats." - -"Hm.... zeker, zeker! kleine schermutselingen, maar zeg mij nu -eens,"--de minister veranderde weer van onderwerp,--"wanneer zoo vele -lieden samenstroomen, waar krijgen dan allen nachtverblijf?" - -"Och!.... Uwe Hoogheid," antwoordde Sechus, "met slapen nemen zij het -niet zoo nauw. De meesten leggen zich op den buik en dekken zich zoo -goed als zij kunnen met den rug toe." - -Bum.... Bum.... Bum, neuriede de minister, terwijl hij al rammelende -met zijne sleutels het vertrek op en neer liep. - -De opperloods, die zich volstrekt niet bewust was, iets gezegd te -hebben dat niet te pas kwam, maar integendeel vond, zooals reeds gezegd -is, dat de minister heel familiaar met hen omging, trok Njaedel even -bij het buis en fluisterde: "ik geloof, dat ik met hem eens over den -weg spreek." - -Njaedel knikte toestemmend en Sechus stond weer van den stoel op. - -"Neem mij niet kwalijk.... Uwe Hoogheid.... maar er is nog iets, -waar ik heel gaarne alles van wist." - -"Tot uwen dienst, opperloods." - -"Staat Uwe Hoogheid niet boven alle lensmands, rotmeesters en -ingenieurs van de openbare wegen?" - -"Ja, ja, vriend." - -Het oog van den opperloods glansde van vreugde. Eindelijk had hij -dan den rechte te pakken; nu zou hij alles, wat hem aangaande dien -weg zoo lang op het hart had gelegen, den minister zeggen, en zijne -lang verkropte woede gaf zich dan ook lucht in eenen woordenvloed, -waarvan zijn toehoorder de helft niet begreep. - -"Van welk stuk van den weg is er sprake," vroeg deze, terwijl hij op -eene groote landkaart wees. - -Sechus, die daar hij op zee gevaren had, gewoon was met kaarten om -te gaan, had dit spoedig gevonden. - -De minister zette zijn gouden lorgnet op, nam eenen passer uit -eene étui, die op de tafel lag, en mat het stukje met de grootste -nauwkeurigheid. - -Daarna zeide hij op zijne kalme, vloeiende manier "zie, opperloods, -dit is alleen eene kaart van onze wegen. Zoo gij u al deze roode, -gele en blauwe lijnen, als eene lijn kondt voorstellen, zou die zeer, -zeer lang zijn, nietwaar?" - -Ja, dit stemde de opperloods gaaf toe, ofschoon hij niet begreep, -waar de minister heen wilde. - -"En wees nu zoo goed, de ruimte te beschouwen, die zich bevindt -tusschen de beenen van den passer,... gij ziet, dat die niet veel -grooter is dan de dikte van een stuk karton." - -De opperloods staarde beurtelings den minister en den passer aan. - -"Zie nu, opperloods Sechus, zoo klein is het stukje van den weg, -waarover gij u beklaagt, in verhouding tot het overige deel van -onze wegen, en zijt gij nu niet overtuigd, dat het misschien ja, -wat zal ik zeggen--een weinig te veel is verlangd, dat hij, die dit -zoo samengestelde net van dijken en wegen in zijn hoofd moet hebben, -dat hij, herhaal ik, zijne bijzondere zorg.... zijne bijzondere zorg -zeg ik, over zulk een onbeduidend stuk van het geheel zou moeten -uitstrekken"--en de minister hield den opperloods den geopenden passer -voor den neus. Deze stond met den mond vol tanden. Heel duidelijk was -hem de zaak niet geworden, maar hij voelde, instinktmatig, dat men hem -om den tuin leidde en hetzelfde gevoel dat hem eenige oogenblikken te -voren bezielde, alsof er iets in hem kookte,--overviel hem. Gelukkig -werd de deur geopend, en trad Anders Mo binnen, gevolgd door Mortensen, -den secretaris en eenige anderen, die in het zijvertrek bleven staan -om te hooren hoe die merkwaardige zaak zou afloopen. - -Mo had, niettegenstaande alle tegenstribbelingen van Mortensen, -den geheelen chaos doorwoeld, en achter in het loket vond hij een -verkreukeld pakket in een geel omslag, dat hij heel bedaard voor den -dag haalde. - -Allen waren het eens, dat Anders die documenten met het een of ander -boosaardig plan daar had verstopt. - -Mortensen mompelde: "Nu is hij rijp." - -De minister zette zijn gouden lorgnet op, verbrak het omslag, en een -klein stofwolkje vloog in de hoogte. - -"Hier staat het volgnummer.... uw eigen schrift," zeide de minister -tot den secretaris en hij voegde er bij, "collationeer het volgnummer." - -De kleine man liep zoo haastig weg alsof het volgnummer hem in de -beenen was geslagen, maar vóór hij nog tijd had gehad de protocollen -voor den dag te halen, werd hij door den minister op een toon, die -weinig goeds voorspelde, teruggeroepen. Deze had ter nauwernood een -paar regels van het verzoekschrift gelezen, of riep uit: "maar hoe -zijn die stukken in ons Departement gekomen?" - -Toen de secretaris terugkwam, zette de minister den langen, blanken -wijsvinger zoo stijf onder een woord van den inhoud, dat zijn nagel -een diep spoor achterliet: "Wat staat hier? Hier staat: Eigendommen -tot de kerk behoorende." - -"Bisdom Kristiansand," zeide Njaedel, die met gespannen aandacht -toehoorde. - -"Aldus behoort deze zaak in het Departement van Eeredienst te huis -en niet hier," hervatte de minister op hoogen toon. - -"Ja maar, ja maar," begon de secretaris: "ik herinner mij nu niet meer, -neen werkelijk ik herinner het mij niet meer, maar misschien heb ik -destijds gevonden, dat het onderwerp van den twist van zoodanigen -aard was, dat....." - -"Het onderwerp van den twist," viel de minister met strengen toon in, -"hier is geen sprake van het onderwerp van den twist, maar wel van eene -goede Departementale orde, en volgens deze, behooren alle zaken, die -betrekking op vroegere geestelijke goederen hebben in het Departement -van Eeredienst te huis. Dit is een oude bekende regel, met welken, -naar het mij voorkomt, de secretaris bekend moest zijn. Mo.... ga -dadelijk met deze stukken naar het Departement van Eeredienst." - -De minister overhandigde in zijne meest eerbiedwekkende houding aan Mo -de stukken. Alle ambtenaars, die getuige van de zaak waren geweest, -verdwenen weder in hunne afdeelingen, en de secretaris zette zich -geheel en al vernietigd op zijne plaats en tuurde op de volgnummers. - -Njaedel had geen oogenblik de stukken uit het oog verloren, en toen -zijn broeder er mede verdween, riep hij uit: "Wie had gelijk?" - -"Ja, mijn goede man," antwoordde de minister, "dat kan ik u niet -zeggen, doch men zal u, zoo gij na eenigen tijd bij dat Departement -er naar vraagt, zeker de noodige inlichtingen dienaangaande -geven. Vaartwel heeren--vaartwel, het was mij een groot genoegen u -van dienst te zijn." - -Hierop schoof hij hen beleefd de deur uit en draaide den sleutel om. - -Alles schemerde Njaedel voor de oogen; nu begreep hij er niets meer -van; de opperloods kookte meer en meer van woede. Nu maakte Mortensen, -toen de twee vrienden zijn kamer passeerden een deftige buiging, -waarop de opperloods die anders zoo goedhartig van karakter was, -zijne drift, die bijna tot razernij was gestegen, niet langer meester -bleef. Hij greep een flesch met inkt, die in een vensterbank stond, -en wierp haar met alle kracht naar het hoofd van Mortensen. - -De Redacteur boog schielijk op zijde, waardoor de flesch tegen den -muur achter zijnen lessenaar te recht kwam en in duizend stukjes -brak. Weer ontstond er groote verwarring in de aangrenzende kamers, -waarin de opperloods en Njaedel zich haastten de trappen af te komen. - -De schrik over deze ongehoorde handelwijze was zoo groot, dat niemand -er aan dacht de misdadigers te vervolgen. Terwijl zich al meer en -meer heeren van het departement om de groote inktvlek verzamelden, -waaruit zwarte stralen naar alle richtingen schoten, voerde Hiorth met -zich zelf een inwendigen strijd: zou hij, hetgeen hij op de tong had, -zeggen of niet? Hij was er niet geheel zeker van of de opmerking, -die hij wilde maken, als eene geestigheid, of wel als eene groote -flauwiteit zou beschouwd worden, want in zake geestigheid had hij -bittere teleurstellingen ondervonden. Eindelijk verzamelde hij al -zijnen moed en zeide half luid: "Wartburg!" Het was werkelijk eene -geestigheid, en het gemoed van den jongen commies Hiorth zwol van -trots. Toen het bekend werd, dat hij die uitdrukking had gebezigd, -waren zijn vrienden zoo verbaasd, dat velen hunner het van dien dag -af in twijfel trokken of hij werkelijk wel zoo dom was, als algemeen -aangenomen werd. - -Eenstemmig werd besloten, dat de plaats van Mortensen "den Wartburg" -zou worden genoemd, en dat de inktvlek, waaraan zoovele herinneringen -verbonden waren, nooit uitgewischt of oververfd mocht worden. Lang -nadat Mortensen zijn plaats tegen eene betere had verwisseld, -werd zijn vorige zitplaats nog bij dien naam genoemd en 't is niet -onmogelijk, dat deze inktvlek en Hiorth's geestigheid zullen blijven -voortleven, zoolang het Departement zal blijven; dat wil naar alle -waarschijnlijkheid zeggen: tot zeer kort vóór den dag van het laatste -oordeel. - - - - - - - - -XX. - - -Het was twee uur. - -Delphin had de kamers in het huis van den minister gearrangeerd naar -den smaak, die, zooals hij beweerde, op de Tuilerieën gedurende het -tweede keizerrijk mode was geweest. - -In het midden van het vertrek stonden geene meubelen, zoodat men zich -daar ongedwongen kon bewegen; doch in alle hoeken half verscholen -onder de zware gordijnen, waren fauteuils en tabouretten geplaatst, -waarom zich hoogstens drie of vier personen konden groepeeren. - -Het was hem door zijne vroolijke invallen en door zijn talent, om -alles met smaak en naar den zin van mevrouw in te richten, gelukt -hare booze luim, ten minste gedeeltelijk, te verdrijven, en tevens -was de kamerheer al de door hem gewenschte berichten, aangaande het -plotselinge vertrek der door de natuur zoo stiefmoederlijk bedeelde -kinderen, te weten gekomen. In de eetzaal stond eene zoogenaamde -"koude tafel," gedekt,--een uitgezocht déjeuner met fijne wijnen en -champagne. Het plan was, dat de gasten niet op elkaar met het eten -zouden wachten, ongedwongen moest het toegaan, zoodat ieder die kwam -zich dadelijk bedienen kon. Het moest op deze wijze toegaan, want -allen hadden geen tijd lang te blijven:--de meesten hadden nog vóór -de komst van den koning het een en ander in orde te brengen. Men kon -niet met zekerheid zeggen, wanneer de gastheer zou verschijnen, want -hij had nog veel werk voor de borst en daarbij was Daniel, vertelde -mevrouw op vertrouwelijken toon aan Delphin, zeer slecht gehumeurd. - -In de salons zag men langzamerhand verschijnen: militairen in groot -tenue, heeren ambtenaren in uniform, de voornaamsten der geestelijkheid -met stijve, gepijpte kragen en ordeteekenen, verder twee of drie -ministers en eenige eerzuchtige advocaten, die zich op de eerste -trede van de ladder bevonden. - -De groothandelaar Falck-Olsen trad in zijn nieuwe uniform van de -"gele vereeniging," de salon binnen. "Ik heb de Champagne aan de -achterdeur laten bezorgen," fluisterde hij mevrouw toe, terwijl hij -haar de hand drukte. - -Daarna zag hij links en rechts om zich heen, en aan ieder, dien hij -ontmoette, vroeg hij wanneer minister Bennecken zou komen. Eindelijk -stond hij vlak bij den kamerheer Delphin, die zijne fraaie uniform -zeer bewonderde. - -"Gij ziet er uit als een zweedsch officier," zeide de kamerheer -tot hem. - -De groothandelaar rammelde onder het gesprek telkens met zijnen sabel -en wierp ter sluiks eenen blik in den spiegel. - -"Gij kunt niet half gelooven, beste kamerheer, in welke pijnlijke -verlegenheid ik geweest ben bij de keuze van een paard, want mijne -prachtige zwarte merrie is eigenlijk een koetspaard. Nu heb ik wel -een Isabella, een mooi dier met prachtige manen en zoo glad van huid -en rond van vormen, dat het een lust is het dier te zien--ik heb het -van een paardenopkooper van de Westkust gekocht--maar het ongeluk wil, -dat het dier een weinig klein is en--" - -"Napoleon bereed altijd kleine paarden," zeide Delphin. - -"Werkelijk!" riep de heer Falck-Olsen verheugd uit, "en denk eens, -de kolonel zwoer bij hoog en bij laag, dat mijn Isabella te goed was -voor het gele corps." - -"Maar gij zult toch het mooie dier berijden," vroeg Delphin op eenen -toon, alsof hij 't een zaak van 't grootste gewicht beschouwde. - -"Ja, ik neem mijn Isabella," antwoordde de groothandelaar op beslisten -toon. - -Onder de laatst aangekomenen bevond zich de ambtman Hiorth van de -Westkust. Hij was kort geleden in de stad gekomen en het gerucht -wilde, dat hij den ouden Falbe zou vervangen, die afgetreden was, -na den--zelfs voor een noorsch minister--eerwaardigen ouderdom van -82 jaren te hebben bereikt. - -Hiorth gaf zijn genoegen te kennen den kamerheer Delphin te ontmoeten, -die in vroegere jaren bij hem als jong advocaat werkzaam was geweest, -en hij verzocht de kamerheer hem aan dezen en genen der meest -invloedrijke lieden voor te stellen. In vele jaren was hij niet in -de hoofdstad geweest; velen waren hem dus onbekend. - -Intusschen was hij spoedig weer op hoogte, want voor het meerendeel -droegen de gasten nog die half Duitsche uit den Deenschen tijd -ingevoerde namen, die volgens een geheimzinnig erfelijk recht eenige -vette landsposten aan zich verbinden. Niet alleen schijnen deze -heeren de namen en betrekkingen hunner vaderen te hebben geërfd, -maar zelfs in hun voorkomen hebben zij iets behouden, dat aan den -tijd van Frederik den Zesde herinnert: hetzelfde regelmatige, wel -gevormde profiel, hetzelfde kleine ronde hoofd, denzelfden stijven -hals en hetzelfde gelaat, door eenen korten, stoppeligen baard omgeven, -dat van voortdurende bescheidenheid getuigt. - -Naar Delphins plan had het gezelschap zich in de hoeken en bij de -ramen in kleine groepjes verdeeld, terwijl men midden in de vertrekken -meest twee aan twee ging, anderen waren nog om de tafel geschaard of -met hunne borden in de andere kamers verdwenen. Om een rijzig mager -heer met een langen grijzen baard, een Noorsch beeldhouwer, die zijn -atelier in Stockholm had, hadden zich ook vele gasten verzameld. - -Naar men zeide, was hij te Christiania gekomen om gedurende de -aanwezigheid van den koning, de belangstelling voor een nationaal -monument, waarvan hij eene schets ontworpen had, op te wekken. - -Het was eene groep, die de vereeniging tusschen Noorwegen en -Zweden moest voorstellen; het plan bestond, het monument op de -Eidsvoldsmarkt vlak voor het Storthinggebouw te plaatsen. Hij had -de schets, verkleind en in potlood bij zich, en liet die aan hen, -die om hem heen stonden, zien. - -De omstanders legden veel belangstelling aan den dag en prezen de -schets zeer, want allen waren genoeg met den loop der zaken bekend -om te begrijpen, dat, als men tot lid van het Comité werd benoemd, -men zeker op een ordeteeken kon rekenen. - -De schets stelde Svea [10] voor als eene zittende vrouwelijke gestalte; -de eene hand rustte op een zwaard, terwijl de andere arm om den hals -van eenen kleinen knaap, die naast haar stond, geslagen was. - -De kunstenaar vertelde, dat volgens het oorspronkelijke plan de knaap -op de knieën van de vrouwelijke figuur had moeten zitten, maar, daar -hij in aanmerking had genomen, hoe licht geraakt de Noren van natuur -zijn, had hij den knaap naast haar geplaatst, zoodat iedereen dadelijk -zien kon, dat de figuren denzelfden rang innamen. Om dezelfde reden had -hij den knaap een' grooten helm opgezet, die hem over de ooren zat, -en een groot slagzwaard rustte tegen zijnen schouder, hetgeen--half -humoristisch--moest uitdrukken, dat, zoo het noodig zijn mocht, -de kleine knaap zich de vijanden van het lijf zou kunnen houden. - -Als een volleerd hoveling antwoordde de kunstenaar op al de indirecte -vragen, die hem aangaande de samenstelling van een comité werden -gedaan, dat de minister Bennecken aangeboden had, daarvoor te zorgen. - -De kamerheer Delphin had den ambtman Hiorth aan een der voornaamste -predikanten uit de hoofdstad voorgesteld. Zij stonden bij een venster -te praten, maar, daar zij volstrekt niet met elkander bekend waren, -liep het gesprek over het verschil, dat er bestaat tusschen het leven -in eene stad en buiten, en over dergelijke algemeene onderwerpen. - -Na een paar onbeduidende opmerkingen kreeg de ambtman gelegenheid -te zeggen: "Het verwondert mij dikwijls, dat er tegenwoordig zulke -valsche, scheeve voorstellingen over ons volk in de wereld in omloop -zijn. Ik moet er mij steeds over verbazen; want iemand in mijne -betrekking, die altijd te midden van het volk leeft, is meer dan iemand -anders in staat over de toestanden te oordeelen. Mijne dagelijksche -bezigheden brengen mij onophoudelijk met het zoogenaamde "Volk" -in aanraking; ik spreek den boer in zijne slechte en voorspoedige -dagen, ik ben bekend met zijne goede, zoowel als met zijne slechte -eigenschappen." - -Hier viel zijn toehoorder hem haastig in de rede: "Gij denkt er juist -over als ik. Ik ben langer dan vijf jaar predikant in eene kleine -gemeente op het land geweest, en durf zeggen, ofschoon ik er mij in -het minst niet op wil beroemen, dat niet vele predikanten zooals ik -in en met het volk hebben geleefd, maar juist daarom schijnen mij die -moderne, hoogdravende phrasen, waarin men de boeren zoo ophemelt...." - -"Ja, niet waar," zeide de ambtman tevreden: "deze beklagenswaardige -overschatting van het volk, is in den grond niets anders dan een -dekmantel voor verborgen eergierigheid...." - -"En ongeloof," vulde de predikant aan. De beide heeren begrepen -elkander nu volkomen en zett'en het gesprek op een vertrouwelijken -fluisterenden toon voort. - -De Redacteur Mortensen verscheen zeer laat. Hij behoorde tot de -weinigen, die nog geen ordelintje in het knoopsgat hadden. Aan de -familiare wijze, waarop hij dezen en genen groette, kon men evenwel -zien, dat hij een man was, die vasten grond onder de voeten had. - -Hij was in werkelijkheid gedurende de laatste jaren, sedert hij -de Redactie van den "Waren Vriend des Volks," op zich had genomen, -een geheel ander mensch geworden. Zijn linnen was nu altijd hagelwit -en er lag in de wijze waarop hij zich presenteerde die voorzichtige -deftigheid, welke den vertegenwoordiger der pers zoo goed staat. - -Delphin nam hem scherp op en kwam tot de conclusie, dat mijnheer de -Redacteur eene geheime conferentie met den minister moest hebben gehad. - -Dit was ook het geval geweest. - -In het begin was de toon van den minister vrij scherp geweest; hij -begreep niet dat zulk een verzuim, de stukken in den chaos betreffende, -had kunnen plaats hebben; Mortensen nam de vrijheid den minister in -de rede te vallen met aan te merken: - -"Ja die Mo, Excellentie, schijnt niet recht meer te weten, wat hij -zeggen of zwijgen moet; hij begint onbruikbaar, zoo niet lastig -te worden. Hij gaat in de bureau's rond en vertelt allerlei rare -geheimzinnige histories aangaande eene zekere madam Gluncke, die...." - -"Hm...." antwoordde de minister. "Ja gij hebt gelijk; reeds lang ben -ik ontevreden over hem, hij schijnt kindsch te worden." - -De minister sloeg nu een geheel anderen toon aan en toen Mortensen -het vertrek verliet, straalde zijn bolbleek gezicht van innige -tevredenheid. - -Er lag nog iets triomfeerends in zijne trekken, toen hij Delphin -naderende, vroeg: "Wilt gij zoo goed zijn mijnheer Delphin, mij aan -den ambtman Hiorth voor te stellen." - -"Neen," antwoordde de kamerheer kortaf, terwijl hij voor den spiegel -staande, zijne Wasa-orde wat terecht schoof. - -Mortensen beet zich van woede in de lip, doch zeide kalm: "De minister -heeft uitdrukkelijk zijnen wensch te kennen gegeven, dat ik u zulks -zou vragen." - -Delphin haalde de schouders op, en bracht Mortensen naar de plaats, -waar de ambtman Hiorth stond te praten. - -"Mijnheer de ambtman! Ik heb het bevel ontvangen u den commies -Mortensen voor te stellen"; na deze woorden gezegd te hebben, verdween -hij dadelijk.--Den geheelen tijd had hij getracht Hilda te ontmoeten, -in al de kamers had hij haar gezocht, maar nergens was zij te vinden. - -Mortensen zwoer in stilte zich bij gelegenheid op den kamerheer over -deze behandeling te zullen wreken. Hij verklaarde in een paar woorden -aan den ambtman Hiorth, wie hij eigenlijk was, waarop zich terstond -een vriendelijke plooi op diens gezicht vertoonde. - -Geruimen tijd spraken zij met elkander, en Mortensen haalde een klein -notitieboek voor den dag, waarin hij eenige biografische détails, die -den ambtman hem meedeelde, opteekende. Het gesprek liep daarna over -de vragen van den dag, en de ambtman drukte zijne verontwaardiging -zoowel als zijne bekommering uit over de zware, moeielijke tijden, -die men beleefde. - -De Redacteur antwoordde geruststellend: - -"Och, zoo lang ons land zich mag verheugen een' ambtenaarsstand te -bezitten als de onze...." - -"Ja, ja, op de predikanten en rechters kunnen wij ons geheel verlaten," -zeide de ambtman, terwijl hij beproefde de deftige handbeweging, -welke hij Bennecken had afgezien, te maken. - -"En met mannen aan het roer van den staat, als de minister -Bennecken! o, daar komt hij!.... welk een man! iets eerbiedwekkends -omstraalt hem." - -"Vindt gij niet, ambtman, dat hij in het oog vallend op Goethe -gelijkt." - -"Ja, werkelijk, werkelijk!" mompelde deze. - -De minister was door eene deur, waarvoor eene portière hing, -binnengekomen, zoo dat het gezelschap niet dadelijk bemerkte, dat de -gastheer zich onder de gasten bewoog. - -Hij was in zijne ministerieële uniform gekleed; een menigte sterren en -kruisen versierden de borst, den driekanten steek hield hij onder den -arm en de handschoenen had hij in de hand. Met de rechterhand groette -hij naar weerskanten zijne gasten en ging glimlachend en het hoofd -een weinig naar achteren geworpen, met deftigen tred door de salons. - -Hij gaf de hand aan een' zijner collega's en fluisterde hem eenige -woorden in, welke de andere met een vertrouwelijk glimlachje -beantwoordde. In de onmiddellijke nabijheid van den minister werd -het gesprek op gedempten toon gevoerd, allen hadden, terwijl zij -schijnbaar het gesprek voortzett'en, slechts oog voor den minister. - -De groothandelaar Falck-Olsen, die eigenlijk een kwartier geleden -al in den zadel had moeten zitten, naderde nu ook zijne Excellentie, -niet als in vroegere dagen, toen hij gaarne aan een ieder wilde toonen -op welken vertrouwelijken voet hij met Bennecken stond, neen, nu was -op zijn gezicht de grootste dienstvaardigheid en eerbied te lezen. - -De minister boog zich tot hem en de heer Falck-Olsen fluisterde hem in -'t oor: "Ik neem de Isabella." - -De voorname heer knikte toestemmend; als een koerier, die het hof met -gewichtige dépêches in den zak verlaat, ijlde de groothandelaar door -de salons; zijne sabel rinkelde en de spik-splinternieuwe uniform -glinsterde in de fraaie vertrekken, vriendelijk beschenen door de -vroolijke Meizon. - -Onderwijl zette de minister zijne wandeling voort, hier een vriendelijk -woord zeggende, elders de een of andere instructie gevende. - -"Ik heb eenen president voor uw Comité gevonden," zeide hij tot den -beeldhouwer, "den ambtman Hiorth." - -"Hm!.... de heer, die daar ginds bij het raam staat," vroeg de -kunstenaar, die eenigszins door de keuze teleurgesteld was, maar als -welopgevoed man natuurlijk er niets van blijken liet, "maar wanneer -ik vragen mag, Excellentie, is deze heer niet een vreemdeling in -de hoofdstad?" - -"Hij zal dit niet lang meer blijven," fluisterde de minister hem in. - -"O, zoo.... ik begrijp!" antwoordde de andere en trok de wenkbrauwen -samen. - -Nog bemerkte men, dat de minister ook de hand aan den ambtman Hiorth -reikte, welke eer hij, uitgenomen aan zijne collega's, niemand der -andere gasten had bewezen; nu scheen het aan geenen twijfel meer -onderhevig--Hiorth zou tot minister benoemd worden, te eerder omdat -de oude Falbe zijn ontslag had aangevraagd. - -"Wij staan er juist over te praten, Redacteur Mortensen en ik, hoe -goed het toch is, dat wij in deze moeielijke tijden ons onbepaald -kunnen verlaten op de predikanten en de rechterlijke macht." De -ambtman zeide dit met eenige trotschheid. - -"Of met andere woorden," antwoordde de minister, "dat de godsdienst -en de gerechtigheid op onze zijde zijn." - -"Welk een man!" zeide op gedempten toon ambtman Hiorth, toen de -minister verder ging; onwillekeurig moest hij zijne uitdrukking met -die van den grooten staatsman vergelijken, en terwijl hij het raam -uitzag, voegde hij er bij: "och ja, veel wordt er toe vereischt zulk -eene betrekking goed te kunnen vervullen." - -"Sta mij toe, min..... ambtman," viel Mortensen hem op zeer eerbiedigen -toon in de rede, "sta mij toe u op eene goede oude uitdrukking -opmerkzaam te maken, namelijk, dat God met het ambt ook het talent -en de kracht verleent, om het goed te vervullen." - -"Dank, dank voor die woorden, waarde Redacteur," riep de ambtman uit, -en hij drukte hem met warmte de hand; "ja, gij hebt gelijk, alle -kracht komt van boven," en hij sloeg zijne oogen naar den helderen -blauwen lentehemel, die zich boven de daken welfde. - -Nu begonnen de jonge ambtenaars, Hiorth en Bennecken, de -champagnekurken te laten knallen: hun was op dezen gewichtigen dag -opgedragen voor den wijn te zorgen. - -De gasten gingen terug naar de eetzaal, waar de minister langzamerhand -de voornaamste van hen aan het boveneinde van de tafel verzamelde. Eene -plechtige stilte ontstond toen hij zijn glas ophief en aldus begon: - -"Mijne heeren! wanneer ik mijnen blik over deze vergadering laat gaan, -zoo rijst bij mij onwillekeurig de vraag op: wat is het eigenlijk, -dat ons allen zoo vast samenbindt? Het is de gemeenschappelijke arbeid, -de gemeenschappelijke gehechtheid voor onzen verheven monarch!" - -Mortensen, die achter een venstergordijn aanteekeningen maakte, moest -even lachen. Hij dacht aan de rede, die hij in deze zelfde zaal en -over hetzelfde onderwerp had gehouden, doch voor een ander publiek. - -Vandaag nam de rede van den minister eene hoogere vlucht dan -gewoonlijk, inzonderheid schreef Mortensen zeer nauwkeurig het slot op. - -"Ja, mijne heeren! Zooveel wordt er in onze dagen gesproken, dat de -tijd, dien wij beleven, een tijd van werken is; maar slechts weinigen -zijn er--en ik betreur zeer dat het zoo is--slechts weinigen zijn er, -zeg ik, die recht begrijpen, wat de ware arbeid is en wie eigenlijk -de ware arbeiders in het land zijn;.... Het zijn.... (de spreker -zag rond) die kring van mannen, die de orde hooger schatten, dan -hun eigen voordeel; die trouw en gehoorzaam verkleefd blijven aan -de onomstootelijke waarheden, die ons door onze vaderen in hunne -staatsinstellingen en in hun vroom geloof zijn nagelaten,.... die -de diep gewortelde overtuiging hebben, dat hetgeen in een tijd -van oplossing en verdeeldheid een' staat te zamen houdt, en eenen -sterken band bindt om het beste wat de natie bezit, uitgaat van -en zich concentreert in den heiligen persoon van den vorst. Mijne -heeren! God beware Zijne Majesteit, onzen geëerbiedigden Koning!" - -"Leve de Koning!" gilde de overste kolonel-luitenant Grobs, en hierop -volgde een drievoudig hoera, dat de ruiten er van rinkelden; zelfs de -meest stijve bureaulisten schreeuwden, dat zij er blauw van zagen, -terwijl zij elkander zijdelings aankeken om te zien of ieder zijnen -plicht deed. - -Toen de stilte wat hersteld was, kwam de bediende van den minister -haastig binnenloopen, en met eene diepe buiging overhandigde hij een -telegram op een zilveren presenteerblaadje. - -De minister opende en las de dépêche; de grootste stilte heerschte -in de zaal. Niemand van het gezelschap durfde bijna ademhalen. - -"Mijne heeren! binnen een half uur kunnen wij den Koninklijken -extratrein met den Koning verwachten." - -Eene algemeene beweging ontstond: de minister hief even de hand -op--weder werd het doodstil. - -"Mijne heeren!" zeide hij op plechtigen toon, "ieder op zijnen -post. Het oogenblik is ernstig; Zijne Majesteit verwacht, dat ieder -zijnen plicht doe!" - -Na deze woorden geuit te hebben, groette hij het gezelschap vluchtig, -gaf den ambtman Hiorth een teeken hem te volgen, en verdween met -dezen door de kleine deur, waarvan de portière onhoorbaar toeviel. - -In geestdriftvolle stemming namen de gasten afscheid, en Mortensen -schreef in zijn notitieboekje: Het was een van deze merkwaardige nooit -te vergeten oogenblikken, in welke men als het ware den polsslag der -wereldgeschiedenis voelt. - -Mevrouw Bennecken had reeds vroeger de gasten verlaten. Al de -gemoedsbewegingen, gedurende den ganschen dag ondervonden, hadden -haar zoo geschokt, dat zij zich gekleed op haar bed had geworpen, -waarop zij in hevig snikken was uitgebarsten. - -In de salons wandelde Delphin eenzaam heen en weer. Hij behoefde -eerst tegen het souper op het slot te verschijnen, en het was hem -onmogelijk het huis te verlaten zonder Hilda te hebben ontmoet. De -bedienden namen de tafel af, dronken den nog in de glazen en flesschen -aanwezige champagne en waren zeer vroolijk. Delphin kon dus onmogelijk -langer in de eetzaal en het aangrenzend vertrek blijven, en trok zich -in de verst afgelegen kamer terug ontevreden op zich zelf, weifelende -wat hem te doen stond, maar voelende dat het hem niet mogelijk was -heen te gaan, zonder haar gesproken te hebben. Eindelijk riep hij -een der dienstmeisjes en vroeg, waar juffrouw Hilda was. - -"Juffrouw Hilda is op hare kamer bezig met pakken. Weet u niet, dat -de juffrouw van avond naar Amerika vertrekt," vroeg zij en hare mooie -oogen hadden van de Champagne een nog helderder glans gekregen. - -Delphin, die door deze woorden onaangenaam getroffen werd, zeide -kortaf: - -"Vraag juffrouw Bennecken uit mijnen naam, of zij de goedheid wil -hebben een oogenblik hier te komen; ik zou haar gaarne even willen -spreken." - -Toen het dienstmeisje was weggegaan, bleef hij verschrikt voor den -spiegel staan. Wat had hij gedaan? - -Wat wilde hij eigenlijk van haar? Was hij niet te ver gegaan? hoe -zou hij er zich weer uithelpen? En wenschte hij dit niet het meest? - -Na verloop van eenige minuten kwam Hilda binnen. Aan hare oogen kon -men zien, dat zij geschreid had, maar toch lag er over haar gelaat -eene bijzondere kalmte. Delphin bemerkte dit dadelijk. - -"Arme mama!" zeide zij, terwijl zij hem beide handen reikte; "het -is haar zoo zwaar gevallen zich met de gedachte vertrouwd te maken, -dat Johan en ik zulk eene verre reis gaan ondernemen. Ja, ik zelf -heb moeite te gelooven, dat zij door zal gaan." - -Delphin vergat haar te antwoorden, zoo veranderd kwam zij hem -voor. Hare verlegenheid, bijna zou men het hebben kunnen noemen, -schuwheid was geheel verdwenen. In haar eenvoudig toilet zag zij er -zoo vastberaden en reisvaardig uit, en er was zoo iets zekers in hare -stem en in geheel haar voorkomen, dat het hem niet gelukken wilde -den half schertsenden, half beschermenden toon, waarop hij gewoonlijk -met haar sprak, aan te slaan. - -Meer door de toon zijner stem, dan door de woorden, die hij sprak, -keek Hilda op. Hunne oogen ontmoetten elkander voor eene seconde en -er ontstond eene pauze. - -"Er is niets, dat u terughoudt niet waar?" vroeg hij op bitteren toon. - -"O ja, dat weet gij heel goed," luidde haar antwoord en hare oogen -vulden zich met tranen. - -Hij zag haar van ter zijde aan; zoo als zij daar stond het hoofd wat -voorover gebogen, terwijl zij zenuwachtig met haren zakdoek speelde, -vroeg hij zich af, of zij dan werkelijk zoo leelijk was? - -"En er is niets, dat u terughoudt?" Hij wist niet, dat hij dit reeds -had gevraagd. - -"Waarom wilt gij mij het afscheid zwaarder maken, dan het reeds is," -vroeg zij bijna onhoorbaar en begon te schreien. George Delphin ging -het vertrek een paar maal op en neer. Hij gevoelde, dat het leven -hem eene goede kans bood en dat het nu voor het laatst zou zijn. Al -het goede dat in hem was, trachtte hij te verzamelen, maar toen hij -voor haar stond, hief zij even het hoofd op, en zeide: - -"Neen, ik wil niet meer schreien. Ik voel, dat een gelukkiger leven -mij daar wacht, dan mij ooit hier ten deel zou kunnen vallen. Vaarwel -kamerheer--hartelijk zeg ik u dank voor uwe vriendschap." - -Zij reikte hem de hand en keek hem met de trouwe gazellen-oogen, -die vol tranen stonden, moedig aan. Op dit laatste oogenblik zag -hij dat zij schoon was--maar toen was het te laat. Zij verliet het -vertrek en liet de deur half open. Het leven, dat de bedienden in de -zaal maakten, drong weer tot hem door. Hij stond voor een oogenblik -roerloos, nam toen zijnen hoed en verliet het huis. Op de trap werd -hij ingehaald door den jongen Hiorth en door Bennecken, die juist -van den zolder kwamen. Met levensgevaar hadden zij eene vlag uit het -dakvenster gestoken. - - - - - - - - -XXI. - - -Het kostte heel wat tijd, eer Njaedel en Sechus het hospitaal, -waar Christine zich bevond, vonden en hadden zij niet bij toeval -den politie-agent Knudsen naar den weg gevraagd, dan had het kunnen -gebeuren, dat zij onverrichter zake aan boord hadden moeten gaan, -of wel tot laat in den avond de stad in alle richtingen hadden moeten -doorkruisen. Het was reeds bijna drie uur en iedereen stroomde naar -de Karel-Johanstraat om den optocht te zien, zoodat niemand tijd had -te blijven staan om inlichtingen te geven; de politie-agent Knudsen -evenwel, die gelukkig zijnen proeftijd had doorstaan, wees hun, -toen hij hoorde, wie zij zochten, den weg en zoo kwamen zij aan -het hospitaal. - -In de poort ontmoetten zij eene der verpleegsters, die naar de stad -wilde gaan. De opperloods nam zijne pelsmuts af en zeide: "Wij komen -hier zekere madam Christine Mo bezoeken." - -"Zij is van nacht gestorven," antwoordde zij gejaagd: zij had haast. - -"Gaat die gang in de tweede deur links, zij zijn juist met haar -bezig." Schielijk liep zij verder en deed de poort achter zich dicht. - -"Nu, nu, Njaedel, dat is misschien maar het best voor haar," zeide -de opperloods om hem wat te troosten, "kom meê, wij hebben hier niets -meer te doen." - -"Ik wil haar lijk zien," antwoordde Njaedel, en liep de gang in. - -Vóór de deur, die de ziekeverpleegster had aangewezen, bleven -zij staan; de deur stond aan, en zij hoorden in het vertrek luid -spreken. De opperloods stiet de deur open, Njaedel en hij traden -binnen. - -Dicht bij het raam stonden eenige jonge studenten over iets wits, dat -op de tafel lag, heengebogen. Een klein man, met grijs haar en in zijne -hemdsmouwen stond het dichtst van allen bij dit witte voorwerp, terwijl -men eenen blanken voet tusschen twee der omstanders zag uitsteken. - -"Nooit heb ik het zoo spoedig zien afloopen," zeide dokter Rohde, -tot een der professoren, die hij had uitgenoodigd bij de ontleding -tegenwoordig te zijn. Johan Bennecken had uitdrukkelijk verboden het -lijk naar de ontleedkamer in de universiteit te brengen. - -"En zij was met dien schurk van een Mo getrouwd?" vroeg de professor, -"hoe gaat het met hem?" - -"De ziekte is naar binnen geslagen en de hersens zijn aangedaan. Wat -wilt gij?" vroeg de dokter plotseling, toen hij de twee mannen in de -deur zag staan. - -"Hier is haar vader," zeide de opperloods op Njaedel wijzende, -"die gaarne haar lijk wilde zien." - -"Neen, neen, beste vriend, 't is beter dat gij zulks niet doet." - -Maar Njaedel kwam dichter bij de tafel; de jonge studenten maakten -voor hem plaats, en de professor gaf aan een der studenten een teeken -een laken over haar te werpen. Door de haast waarmede dit geschiedde -werd het lijk slechts ten halve bedekt; het was zoo uitgeteerd, dat -het slechts vel en been leek. Het dikke roode haar hing verward over -het voorhoofd, de wangen waren geheel ingevallen; zij zag er uit als -eene oude vrouw. - -"Dat is zij niet!" fluisterde de opperloods Njaedel in. - -Maar toen streek Njaedel het haar van zijne gestorven dochter een -weinig op zijde en legde zijnen vinger op het litteeken, dat zij aan -een der slapen had. - -"Kom, Njaedel, nu moesten wij maar gaan." - -De opperloods was doodsbleek. Njaedel zag rond en toen hij den indruk -kreeg, dat al deze welgekleede heeren belangstelling in zijne dochter -hadden getoond, reikte hij hun één voor één zijne hand. Toen hij echter -bij den professor kwam, week deze eene schrede achteruit:.. "Neen, -neen, beste man.... ik kan.... het is mij onmogelijk u de hand -te reiken." - -Nu eerst zag Njaedel het blanke mes in zijne hand. Op dit gezicht -rilde hij en hij verliet met den opperloods dadelijk het vertrek. - -Toen zij weer op straat stonden, zag Sechus Njaedel uitvorschend aan; -hij bemerkte dat deze de vuisten balde, en dat zijne tanden knarsend -tegen elkaar sloegen. - -"Hij zal mij daar rekenschap van moeten geven, Anders," mompelde -Njaedel. - -"Och," zeide de opperloods ietwat bang, "laat je aan Anders niet -meer gelegen liggen. Wij reizen nu ver weg, laten wij eerst zien, -wat eten te krijgen, want ik heb honger als een wolf." - -Maar Njaedel was niet van zijn plan af te brengen; de opperloods -wilde echter niet naar den weg vragen en zoo moest Njaedel zulks -zelf doen; de politie-agent, tot wien hij zich wendde, zeide hem, -waar de minister Bennecken woonde. - -Eindelijk stonden zij vóór het huis. - -Een vreeselijke strijd had er in Njaedel's binnenste plaats. Hij kon -niet gelooven, dat zijn broeder de schuld van al die ellende was, en -toch ook de gedachte niet van zich zetten, dat zulks wel het geval -was. Maar in toorn ontstak hij niet, neen, eene diepe smart drukte -hem ter neer, hij gevoelde er behoefte aan zijnen broeder te zien: -in zijn hart hoopte hij nog altijd, dat deze misschien zich van die -schuld zou kunnen vrijspreken. - -Toen zij een paar treden waren afgegaan, zeide de opperloods: "Eéne -zaak moet gij mij beloven Njaedel, dat gij de hand niet aan hem zult -slaan, denk er aan dat hij je broeder is." - -"Daar kunt gij u op verlaten," antwoordde Njaedel. - -Anders was juist bezig zich te scheren. - -Hij had het spiegeltje aan het vensterkozijn gehangen, zoodat het -volle daglicht, dat van de straat door het raam viel, hem bescheen. Met -eenen kant was hij klaar, maar de andere kant van zijn gezicht was nog -ingezeept. Toen hij zag, wie binnen kwamen, legde hij het scheermes -uit de hand, en een krampachtige trek verwrong zijn gezicht; spoedig -echter herstelde hij zich en de half idiote glimlach, die hem den -laatsten tijd eigen was geworden, vertoonde zich. - -Hij stak zijnen broeder de hand toe. "Zoo ben je eindelijk gekomen -Njaedel.... daar hebt ge goed aan gedaan." - -"Anders.... Anders!" riep Njaedel uit en met gebalde vuisten stond -hij dreigend voor hem. - -"Wat heb je Christine aangedaan?" - -Toen hij deze krachtvolle stem hoorde, scheen Anders als uit eene -verdooving te ontwaken. Van schrik kromp hij ineen en vluchtte in -den versten hoek van het vertrek. Zijn gezicht was bijna aschgrauw, -toen hij die dreigende vuisten aanstaarde. - -Langzamerhand gelukte het hem met de grootste inspanning zijne zwakke -hersens tot denken te dwingen. De diepe vouwen, ontstaan door den -valschen glimlach, die hem zoo lang eigen was geweest, legden zich -opnieuw om den mond, en hij zeide op klagenden toon: - -"Dat je het over je hart hebt kunnen krijgen Njaedel, zóó tegen je -broer te zijn, die altijd zoo zwak en ziekelijk is geweest. Weet -gij niet meer, hoe wij voor moeder heideplantjes gingen plukken, -daar op de hoogte?" - -Njaedels armen vielen slap langs zijn lichaam. - -Welke herinneringen bracht die zachte, klagende stem hem voor den -geest, dat geluid uit zijne kinderjaren, die stem van den broeder, -dien hij zoo had liefgehad! - -"En weet je nog, wat moeder altijd zei," ging Anders voort, terwijl hij -zijn broeder geen oogenblik uit het oog verloor; "moeder zei altijd: -jij Njaedel bent een groote slungel, zei zij, maar Anders is fijn en -glad als een aal." - -Njaedel knikte toestemmend. Anders had gelijk. - -En zijne moeder, en de hut daar ginds in de bergen, en de hoogte met -de heideplantjes, die in den zonneschijn zulk een' heerlijken geur -verspreidden, alles stond op eens zoo klaar vóór hem; en te midden -van dit alles zag hij zijn broertje, bleek, zwak, hulpbehoevend, -die door hem over gevaarlijke plaatsen gedragen moest worden. - -En al, wat tusschen dat verleden en dit tegenwoordige lag, smolt weg -als sneeuw voor de warme lentezon,--hij werd weer een kind, een groote, -linksche, goedhartige jongen, zooals hij altijd was geweest, en alle -toorn was in hem gebluscht, en toen hij wegging zeide hij slechts: -"Anders..... Anders..... dat had je niet moeten doen!" - -Toen zij in de poort waren, zeide Sechus: - -"'t Is maar goed, dat gij de hand niet aan hem geslagen hebt, gij -hadt hem als een suikerkrakeling aan stukken kunnen breken." - -Njaedel's krachten waren gebroken, hij leunde tegen eenen muur en -snikte luid. - -De opperloods liet hem zoo lang weenen als hij dacht, dat noodig was; -daarna trok hij hem zacht bij den arm mee, en Njaedel volgde gedwee -als een lam. Eindelijk traden zij bij een restaurant binnen. De -opperloods, die te Petersburg en te Kopenhagen was geweest, vond -zich hier spoedig te huis. Hij bestelde twee portiën beefsteak en -eene flesch bier. Juist toen zij aan de gedekte tafel wilden gaan -plaats nemen, dreunde het huis van de kanonschoten. - -"De koning is aangekomen!" riep het meisje, dat bediende [11]. Zij -was in zeer slechten luim, omdat zij die twee boeren moest bedienen -in plaats van eventjes den optocht te zien. - - - - - - - - -XXII. - - -Het was buitengewoon heerlijk weer voor zóó vroeg in het voorjaar. De -namiddagzon schitterde in de ruiten, en wierp over het slotpark een -lichten sluier, waardoor het slot in al zijne schoonheid tegen den -prachtig gekleurden voorjaarshemel uitkwam. De dikke kruitdamp van -de saluutschoten, die te Akershus waren gelost, verspreidde zich, -de vlaggen wapperden overal feestelijk, en van alle kanten stroomde -het volk naar de Karel-Johanstraat, die langs de trottoirs reeds vol -menschen stond. - -In de geopende ramen zaten of lagen de dames in de nieuwe -voorjaarstoiletten, de jonge heeren stonden achter hare stoelen en -waren geestig, of deden hun best het te zijn. Vóór het perron van -het station waren de politie-agenten ijverig bezig eene groote plaats -open te houden; "het gele Corps" stond reeds in al zijne pracht voor -het stationsgebouw; de groothandelaar Falck-Olsen zat stijf en deftig -op zijne Isabella, en keek naar het volk. - -De trein, waarmee de Koning verwacht werd, kwam eindelijk aan en -men wachtte op het einde van de ceremoniën, die bij de ontvangst op -het perron gewoonlijk plaats vinden. Van de kade en uit alle kleine -straten waren de menschen bij het stationsgebouw saamgestroomd: zeelui, -sjouwers, vrouwen en werklieden.... een weinig voornaam publiek dus -om mee te beginnen. - -Toen eene stem uit die menigte luidkeels riep: "Leve de -Koning! Hoera!" werden deze woorden slechts flauw door eenigen -herhaald. Eene doodsche, onaangename stilte heerschte, terwijl de -voorname heeren in de gereed staande rijtuigen stapten. - -Voorop marcheerde het "gele corps," dan volgden de koninklijke -equipages; over de markt ging de stoet en door de nauwe passage bij -Dybwadgaarden. Hier en daar riep een getrouw burger uit al zijne macht -"Hoera!" maar de al te groote geestdrift van een' enkele scheen de -menigte te weerhouden de kreten te herhalen; zoo ging het den geheelen -tijd tot dat de optocht de kazerne van de brandweer voorbij was. - -Toen ging het wat beter, en de Zweedsche heeren en het gevolg des -konings knikten elkander verheugd toe; bij de Akerstraat en bij de -Egermarkt werd het geroep meer algemeen. - -De prachtige oprijlaan, die van het Storthing-gebouw naar het slot -voert, werd in al hare schoonheid beschenen door de vroolijke -voorjaarszon. De fraai uitgedoste gele ruiters in vollen draf, -het groote aantal rijtuigen, de prachtige uniformen, de talrijke -groepen van netgekleede personen, die een hoerageroep aanhieven--alles -verhoogde de feestelijke stemming, zoo dat nu werkelijk met geestdrift -het "leve de Koning!" werd geroepen. Toen de stoet voorbij was, -zagen allen, die op de Karel-Johanstraat stonden, naar het slot, -waar zij ruiters èn rijtuigen als een glinsterende slang de hoogte -zagen beklimmen, terwijl het stof, door de koninklijke equipages in -beweging gebracht, als eene goudgekleurde wolk omhoog steeg en zich -over het volk uitbreidde, alsof het dit wilde zegenen. - -Het plein voor het Stations-gebouw was spoedig geheel verlaten, -want de meesten keerden naar hun werk terug. Niet allen evenwel: -eene menigte vrouwen en jongelieden volgden den stroom naar de stad, -zij waren eenmaal in eene feestelijke stemming en vonden, dat het -tot niets diende den arbeid weder te beginnen. - -Het was zoo zacht in de lucht, en het weer was zoo mooi, en dan had men -gehoord, dat er eene illuminatie zou plaats hebben en meer dergelijks! - -De koning had in den loop van den winter aan eene keelziekte geleden -en om zijn herstel te vieren hadden de studenten een' fakkeltocht -naar het slot geregeld, waar zij zouden zingen: - - - "Hoor ons Svea! moeder van allen!" - - -Om dezelfde reden was er in "Tivoli" ook een "Groot Dankzeggings-Feest" -met declamatie en vuurwerk. Eene verbazende menschenmassa was des -avonds op de been inzonderheid in de buurt van "Tivoli;" en het -"Studenten-boschje." Het rook er naar slechte sigaren, versche aarde -en het pas ontsproten gras; nu en dan verspreidde zich de geur der -populieren, welker kleverige knoppen op het punt stonden open te -breken. Ministers en oud-ministers, militaire en civiele uniformen -reden naar het slot, waarvan de vensters hel verlicht waren, terwijl -de vlag op het dak, ten teeken dat de koning in de hoofdstad was, -scherp tegen den lichtgekleurden hemel afstak. - -Maar daar, waar het vaartuig voor de landverhuizers geankerd lag, -werd hard gewerkt en geschreeuwd; er heerschte zulk eene verwarring, -dat eenige der emigranten op hunne kisten, die langs den waterkant -stonden, gingen zitten en hartstochtelijk begonnen te schreien. - -Toen Njaedel en de opperloods aan de haven kwamen ontmoetten zij -hunnen vriend "den agent" maar hij riep, terwijl hij hen voorbij -stoof slechts: "all right!" hij baadde letterlijk in zijn zweet en -was zoo heesch, dat hij nauwelijks geluid kon geven. - -Een paar sjouwers stonden vlak bij de loopplank van het vaartuig, -en toen Njaedel, achter den opperloods over de plank liep, zei de -een tot den ander: "Het is schande, dat die Amerikanen hier zulke -reusachtige kerels vandaan mogen halen." - -Njaedel hoorde deze woorden en reikte den spreker de hand toe. - -Maar de sjouwer, die wat wantrouwend van karakter was, vreesde dat -Njaedel niet veel goeds met hem in den zin had, en stak de hand naar -de krachtige vuist, die hem gereikt werd, niet uit; toen echter zijn -blik dien van Njaedel ontmoette, kreeg hij dadelijk vertrouwen in -hem, schudde hem de hand en zei op half beschaamden toon: "Ja, ja, -je weet zelf wel het best, waarom je zoo ver weggaat. Vaarwel en eene -voorspoedige reis!" - -Aan boord was het leven en de verwarring nog grooter. De opperloods -zette zich met de kalmte van eenen philosoof op zijne kist voor zijne -kooi en liet de anderen schreeuwen, zooveel zij maar wilden. Njaedel -daarentegen kon niet rustig blijven zitten, toen hij al die zware -tonnen en balen aan boord zag brengen. Af en toe trad hij dichter -bij en hielp met de kracht van een "beer" een handje mee; toen de -matrozen hem verwonderd aanzagen, knikte hij hen toe en een glimlach -verhelderde zijn gelaat. - -Ten laatste nam hij voor vast plaats bij het luik van het ruim en -daar de sjouwers juist met een heel zwaar stuk kwamen aanslepen, -riep de bemanning: "Laat de "beer" een handje helpen!" - -Die woorden deden Njaedel goed: zij gaven hem het verloren -zelfvertrouwen terug en verdreven zijne sombere gedachten. Hij -voelde weer grooten lust met een recht zwaar werk te beginnen. Maar -laat op den avond, toen het werk gestaakt was, en de lieden afscheid -van elkander begonnen te nemen, werd hij "week als boter," zooals de -opperloods zeide. Hij had niemand vaarwel te zeggen, en daarom voelde -hij zich gedrongen allen de hand te drukken, die hem voorbij en naar -wal gingen. - -De opperloods bemerkte spoedig, dat hij en Njaedel tot de armste -passagiers behoorden. De meeste andere landverhuizers waren welgezeten -boeren, die jaren lang gewerkt hadden met het doel naar Amerika te -gaan, wanneer zij geld genoeg hadden overgespaard. Anderen hadden -reisgeld gekregen van hunne familie aan gene zijde des oceaans, die -hun tevens het noodige geld voor de uitrusting had verschaft. Bij -alles wat zij deden, zag men, dat zij alles met bedaardheid hadden -overlegd. Groepsgewijze zaten zij op het tusschendek en haalden hunne -provisie, die zij voor den overtocht hadden meêgenomen, voor den dag, -terwijl zij de medepassagiers er van meedeelden. Zij hadden een open -oog voor alles, wat rondom hen voorviel; spraken op half luiden toon -tot elkaar, maakten gewillig plaats, wanneer zij in den weg zaten en -schenen aan niets anders te denken, dan goed en wel over te komen, -en de kinderen het best te beschermen. - -Op het achterdek, (eerste kajuit), ging het levendiger toe. De -passagiers waren meest jonge menschen, die aan boord kwamen, gevolgd -van eene schaar vrienden, die ter eere van de vertrekkenden zongen -en leven maakten. Een welgekleed jong man werd zelfs stom dronken -aan boord gedragen en dadelijk naar de kooi gebracht. - -Er waren onder hen eenige handelsreizigers, een bankroetier en een -misnoegd ingenieur, "die het ondankbare vaderland den rug toekeerde," -zooals een zijner vrienden, met het afscheidsglas in de hand, in het -salon zeide--dadelijk nadat men aan boord was gekomen, had men een -afscheidsfeestje gearrangeerd. - -Verder was er nog een verloopen student, die door de familie -weggezonden werd, en nog twee of drie andere half verloopen individuen -in nieuwe pakken, "die het dankbare vaderland wegzond," zooals de -student zich uitdrukte. - -Tegen elf uur kwam dokter Bennecken met zijne zuster aan -boord. Zij waren alleen. De minister was op het slot, Alfred had -zich verontschuldigd en mevrouw lag ziek te bed. Toen zij begreep, -dat het met de reis ernst was, voelde zij toch iets, dat naar berouw -zweemde, want zij omhelsde Hilda heel lang en prevelde binnensmonds, -dat zij--Hilda--hare moeder moest vergeven, wanneer deze soms wat -onrechtvaardig tegen haar was geweest. - -De twee "mislukten" verlieten het ouderlijke huis treurig gestemd -en Hilda leed aan zulk een hevige hoofdpijn, dat zij dadelijk naar -de dameskajuit ging, die haar geheel alleen gedurende den overtocht -ten dienste stond. Het rumoer in het salon werd minder naarmate het -gezelschap in meer sentimenteelen toestand kwam. De dokter ging op -het dek, en wandelde heen en weer. - -Het was stil, helder weder, maar in het Zuidwesten vertoonden zich -donkere wolken, en spoedig zou het beginnen te regenen. Geen geluid -hoorde hij dan het geraas, dat in de machinekamer door het kolen -inscheppen veroorzaakt werd, en het geluid van zijne voetstappen. - -Van tijd tot tijd voerde de wind het geknal van het vuurwerk naar het -vaartuig, dat op het "Dankzeggingsfeest" werd afgestoken, of drongen -eenige tonen van eene fanfare tot zijn oor door. - -Raketten en het licht van bengaalsch vuur zag men over de daken der -huizen, en vóór dit geheel was uitgedoofd, wierp het nog een oogenblik -een lichtglans langs den hemel. - -Johan Bennecken ging geruimen tijd op het halfdek heen en weer en -tuurde naar de stad, die hij zoo goed kende; naar de stad waarin -hij zijn leven had gesleten. De kleine ruimte, die zich tusschen het -vaartuig en de kade bevond, scheen hem een gapende afgrond te zijn, -waarin hij al zijne zorgen, al zijne teleurstellingen achterliet. En -toch was hij moedeloos. Duizenden herinneringen hadden hare kleine -scherpe klauwen in zijn gemoed gedrukt, en het deed pijn ze weg te -rukken.--Hij verwachtte niet veel van het leven aan de andere zijde -des Oceaans. - -De trouwe vrienden beneden in het salon moesten eindelijk van boord -gaan, en zij plaatsten zich op de kade om een afscheidslied te -zingen. Doch dit plan kon niet tot uitvoering komen: zij waren al -te geroerd, en wandelden rustig naar stad. En stil werd het op het -vaartuig, en stil werd het in de stad, terwijl de machine als een -uit zijnen slaap gewekten reus zware zuchten slaakte. - -Johan Bennecken zag op zijn horloge: het was half één. De regenwolken -zagen er dreigender en dreigender uit. Hij keek nog eenmaal om -zich heen als wilde hij, vóór hij naar beneden ging, het leven, -dat achter hem lag, beschouwen in het schoone vreedzame beeld van -den voorjaarsnacht. - -Daar hoorde hij een rijtuig langs de kade rollen; het reed de -gaslantaarns voorbij en hield stil bij de Engelsche stoomboot. Een -heer met eenen steek op en in eenen mantel gehuld kwam er uit en -sprak een paar woorden met den koetsier. - -Een oogenblik later hoorde Johan eene stem, die hij meende te kennen, -den Steward vragen waar Dokter Bennecken was. - -"Hier.... wil iemand mij spreken," riep Johan van het halfdek. - -De onbekende liep de trap op en de dokter herkende de kamerheer -George Delphin. - -"Goeden avond, dokter. Gij denkt zeker, dat ik te veel gedronken -heb, wat ook eigenlijk het geval is. Ik ben in ongenade gevallen, -en heb door een goed glas wijn mijne smart verdoofd. Is uwe zuster -ook aan boord?" - -"Ja, zij slaapt al, hoop ik." - -"Kom, laat ons liever binnengaan," zeide Delphin en hij opende de -deur van de rookkamer. "Hier kunnen wij een afscheidsglas met elkaar -drinken. Gij hebt toch geenen slaap Dokter?" - -"Neen, in het geheel niet," antwoordde Johan en hij draaide de lamp -wat op, "wilt gij eene sigaar rooken?" - -"Ja, maar gaarne had ik wat te drinken." - -De kamerheer deed zijn mantel af, en wierp zich in zijne met goud -geborduurde en met allerlei ordeteekenen bezaaide uniform op de -sofa. Johan Bennecken ging naar beneden om een flesch wijn te halen, -maar het eenige, wat de Steward zoo laat in den nacht kon vinden, -was whiskey en water. - -De kamerheer verzekerde hem, dat dit zijne lievelingsdrank was, wat -werkelijk het geval scheen te zijn. Nadat hij een glas geledigd had, -zeide hij: "uwe zuster is dus aan boord?" - -"Ja, ik hoop dat zij sedert lang slaapt," antwoordde Johan eenigszins -verbaasd. - -"Dat gij de stad kunt verlaten... dokter, in zulk een interessanten -tijd als wij beleven! Hoor wat er is voorgevallen. Ten eerste: -de kamerheer George Delphin in ongenade gevallen, ten tweede: de -groothandelaar Falck-Olsen, wegens een Isabella-paard met een orde -gedecoreerd; ten derde: de assistent-commiezen Hiorth en Bennecken -tot kamerjonkers bevorderd--en de eerste daarbij verloofd...." - -"Een beetje minder snel, s.v.p. Wie is verloofd, zegt gij?" - -"Hiorth.... want toen zijn vader tot minister werd benoemd, nam zij -hem; ja, gij begrijpt wel, wie ik bedoel, zij..... de Isabella van -Falck-Olsen, Sophie heet zij, geloof ik. De andere..... die met dat -bolbleeke gezicht heeft haar engagement verbroken." - -"Maar kamerheer, is het mogelijk," riep de dokter "alles draait mij -voor de oogen." - -"Ja mij ook. Al het nieuws, dat ik opgedaan heb, komt uit den koker -van Mortensen, die niettegenstaande zijne lucifers, aan het hof -is voorgesteld geworden. O, wat benijd ik u, dokter, dat gij dien -geheelen rommel verlaat." - -Op zijn gelaat lag plotseling zulk een slappe, oudachtige trek, -dat Johan oprecht medelijden met hem voelde. "Gij moest maar met ons -meegaan kamerheer." - -"Ik ben immers in uniform." - -Toen Johan op dit gezegde glimlachte, zeide hij. - -"O, gij vondt dit zeker eene flauwe geestigheid. Neen beste vriend, -'t was bittere ernst. Ziet gij, de met uniform bekleeden blijven -in dit land achter en nemen in aantal toe.... de in uniform -gedosten en de in lompen gehulden. De laatste rat, die het schip -zal verlaten, is zeker een directeur van een armenkamer. Dit is een -post der toekomst: "Koninklijk Noorsch opperstaatsarmendirecteur," -met den rang en de uniform van een krijgscommissaris. Ik zou zelf -naar dien post gesolliciteerd hebben, zoo ik niet in ongenade was -gevallen. Buitendien," ging hij voort, en maakte een nieuw glas -gereed, "zoo ik het al zonder de stad kan redden, zoo kan de stad -het waarachtig niet zonder mij doen. Hoe zou het met de stakkers van -menschen gaan, die nu in die caricatuur van eene hoofdstad slapen, -als zij morgen wakker werden en de kamerheer misten. Want--ziet -gij, beste emigrant, wat ons eigenlijk pijnigt, dat is de twijfel, -de vrees, die wij koesteren, dat alles hier niet geheel, comme -il faut is.... niet volkomen zoo als alles op het vaste land, -en--dat kan men ook werkelijk niet van Mortensen met zijne lucifers -beweren. Maar dan heeft men gelukkig nog den kamerheer Delphin en -een paar anderen..... die de wereld hebben gezien, of ten minste -doen of zulks het geval is, en over alles kunnen praten; die alle -namen en bijnamen weten; die de kunst verstaan iedere ernstige zaak -door eene wending van de hand tot eene grappige te maken; die de -ingewikkelste zaken in zakformaat weten te brengen; die de questions -brûlantes van den dag samen vatten in vijf of zes bons mots, die ze -zich elk oogenblik herinneren en dadelijk bij de hand hebben; en die -ten laatste te midden van de meest onzinnige bureau-praatjes volkomen -op de hoogte zijn der dames-toiletten en met den grootsten ernst daar -over redeneeren. Ziet gij, dit zijn de onontbeerlijke personen voor de -hoofdstad! Ach!" riep hij plotseling uit en zijn hoofd viel op tafel: -"ik ben dit leven zoo moe, ik ben zoo moe van alles!" - -Eensklaps lag er zoo iets ernstigs over den eleganten cavalier, -die met het hoofd tegen den arm geleund vóór hem zat, dat Johan -Bennecken begreep, dat deze woorden niet alleen aan den roes, -waarin hij verkeerde, toe te schrijven waren. Hij legde de hand op -zijnen schouder, en zei met oprechte deelneming: "luister naar mij -Delphin! Gij zijt niet gelukkig, evenmin als ik.... hier zijn gewis -niet vele gelukkige menschen aan boord. Maar kom,.... ga met ons mee, -hier moogt ge niet blijven." - -De kamerheer beurde het hoofd op, zijn gelaat zag er weêr uit als in -vroegere dagen, de ironische glimlach zetelde er weêr: - -"Gij doet mij levendig aan uwen vader denken.... diezelfde -woorden zeide hij een paar uren geleden, tot mij: "Het is werkelijk -noodzakelijk voor u, hier van daan te gaan," zei hij, en ik wil ook -zijnen raad volgen, ik wil solliciteeren naar de betrekking van chef -van de politie te Aalsund." - -Johan Bennecken ging teleurgesteld een paar schreden achteruit: -deze woorden krenkten hem. - -De kamerheer trok zijne overjas aan om weg te gaan, maar talmde -voortdurend; het scheen alsof hij nog iets zeggen wilde, maar niet -wist, hoe zich uit te drukken; de dokter vond zijn gedrag al vreemder -en vreemder. Eindelijk draaide hij zich op de loopplank even om, -en drukte innig de hand van den dokter, terwijl hij mompelde: "Groet -uwe zuster van mij, en zeg haar van mij.... zeg haar van mij...." de -laatste woorden waren onverstaanbaar, zij losten zich op in een geluid, -dat veel van snikken had. Toen ging hij spoedig naar wal en stapte -in het rijtuig, dat op hem wachtte. - -De koetsier, die op den bok had zitten dutten, nam schielijk het dek -van de paarden af. De hemel was geheel bewolkt; een uur lang had het -reeds geregend. - -De dokter tuurde naar het rijtuig en naar de lange schaduw, die -de pooten der paarden in de plassen op de straat maakten, wanneer -zij voorbij eene gaslantaarn kwamen. Dit was het laatste, wat hij -van de stad zag, toen hij zich naar kooi begaf. Vroeg in den morgen -lichtte het Engelsche vaartuig het anker. Het was reeds zes uur, vóór -alles gereed was en de machine begon te werken. Juist toen het schip -in de nabijheid van het grootste eiland van de Fjord was gekomen, -steeg er van den kant der vesting eene rookwolk op, en hoorde men -kanonschoten dreunen. Op het achtergedeelte van het schip vroeg -iedereen nieuwsgierig waar die saluutschoten toch voor dienden. - -Johan Bennecken was zoo moede, dat hij er bijna niets van hoorde; -ook op het voordek bekommerde men er zich weinig over; men had daar -het gevoel, alsof men met het vaderland en zijne saluutschoten had -afgerekend. - -En terwijl de een en twintig schoten plechtig over de stad dreunden, -dreef het vaartuig met de landverhuizers uit de Fjord, en de dikke -gele rook verborg de vesting aan aller oog, en verbreidde zich over -de daken der huizen in het grauwe regenachtige morgenuur. - - - - - - - - -XXIII. - - -De een en twintig kanonschoten verkondigden de bevolking dat de koning -naar Stockholm was teruggekeerd. Dit was genoeg voor de oppositie en -gretig maakte zij van de gelegenheid gebruik om in hare bladen met de -gewone onbeschaamdheid de regeering aan te vallen. De geheele pers kwam -in gisting; al de oude strijdvragen werden opgedolven, iedere partij -rukte met hare scheldwoorden aan, die, tot groot genot der abonnés, -als pluimballen heen en weer gekaatst door de lucht vlogen. - -Niet bewogen door politieke stormen ging de ridder Falck-Olsen den -volgenden Zondag voor zijnen grooten spiegel op en neer. Mevrouw -zette het een en ander te recht, en met trotsch keek zij naar het -kleine ordelint. - -"Hoor vrouwlief.... wij moeten op reis." - -"Op reis? Waarom? Ben je nog niet tevreden? Nu is uwen lang -gekoesterden wensch vervuld." - -"Och wat!--Één ordeteeken is maar eene eerste schrede." - -"Wel, goede hemel," riep mevrouw min of meer uit haar humeur, "gij -meent nu wel op eens eene gewichtige persoonlijkheid te zijn geworden, -Ole Johan? Wanneer een ordeteeken slechts de eerste schrede is, -zoo wilde ik wel eens weten waaruit de tweede bestaat." - -"Nog een ordeteeken," antwoordde haar man en hij verliet het salon. Men -had hem namelijk wijs gemaakt, dat de Duitsche vorsten, wanneer zij -aan eene badplaats vertoeven, altijd ordeteekenen mede nemen, en dat -het zeer gemakkelijk gaat, er een te krijgen.... inzonderheid wanneer -reeds een lintje op de borst prijkt. - -De familie Falck-Olsen reisde dus naar Ems en een paar weken later -ontving Caroline Hjelm een' brief van Louise, waarin o. a. stond: -"Je kunt niet half gelooven, hoe heerlijk het voor mij is, des morgens -wakker te worden en niet meer aan Hans te moeten denken. - -"Dat ik zoo dom kon zijn! Wij pasten volstrekt niet bij -elkander. Gisteren reden wij op ezels en een Engelschman, die ook van -de partij was (Papa zegt dat hij een Lord is), is er zoo stijf van, -dat hij nauwelijks kan zitten als andere menschen, maar een gedeelte -van zijne ruggegraat moet gebruiken." - -Caroline was onvoorzichtig genoeg deze regels aan hare moeder voor -te lezen, en den volgenden dag zeide Mevrouw Hjelm tot neef Hans: -"Je hebt Louise Falck-Olsen juist beoordeeld. Het buitenland heeft -haar reeds in den grond bedorven." - -Neef Hans zuchtte. - -Anders de almachtige was werkelijk zwak van geest geworden. - -Een paar dagen later veroorzaakte hij in het Departement een groot -schandaal, door dingen te vertellen, die niet verteld mochten -worden. De minister zag zich genoodzaakt krachtige maatregelen te -nemen en door bemiddeling van den Redacteur Mortensen gelukte het den -ouden trouwen dienaar bij zekere Madam Gluncke, die naaimeisjes hield, -onder dak te brengen. - -Hier gevoelde hij zich zeer gelukkig. Toen men onderzocht, hoe het -met zijne geldzaken stond, kwam men tot de ontdekking, dat hij, -inzonderheid in de laatste jaren, groote sommen ja, onbegrijpelijke -groote sommen in de spaarbank had geplaatst. Nadat hij eenigen tijd -met de levenslustige meisjes in de naaischool van "Malle Bimbam" had -verkeerd, scheen hij weldra het Departement en wat daartoe behoorde, -vergeten te hebben. - -Daarentegen werd hij een trouw bezoeker van de kerk... en plaatste -zich altijd aan den kant, waar de vrouwen zaten. Voor menige jonge -dame was het een stichtend genot den eerwaardigen grijsaard in haar -psalmboek den text van het gezang te laten volgen; men werd er bijna -van geroerd naar het bleeke gezicht en het sneeuw witte haar, dat in -lokjes op den jaskraag viel, te kijken. - -Intusschen werd de pluimbal door de pers met eene woede, die bijna -aan razernij grensde, heen en weer geworpen en inzonderheid was de -oppositie zeer ijverig. - -Eerst begreep men niet, wat de ambtman Hiorth eigenlijk in het -Ministerie moest doen, een man, dien niemand kende. Zoo ook werden -er toespelingen gemaakt op een vreeselijk schandaal, dat in het -Departement van den minister Bennecken moest hebben plaats gehad; -documenten moesten verdwenen zijn, geheime verbergplaatsen aan het -licht zijn gekomen, waarin de gewichtigste staatsstukken gestopt -werden, en eene menigte ontdekkingen van de bedenkelijkste soort -zijn gedaan. - -De mondelinge geruchten, die in omloop kwamen, waren van erger soort; -er werd gefluisterd, dat de minister in zeer nauwe betrekking had -gestaan tot een zeer slecht ter naam en faam staande vrouw, eene -zekere madam Gluncke; buitendien wist de geheele stad, dat twee der -kinderen van de familie, na eene hevige familie-scène, hals over kop -naar Amerika waren vertrokken. - -Maar waar toch Anders, de almachtige gebleven was, met dit vraagstuk -hield men zich het meest bezig. - -De minister droeg zijn hoofd nog een weinig hooger dan gewoonlijk, en -dezelfde genadige glimlach plooide zich om zijnen mond, wanneer hij -op straat de voorbijgangers groette. Niettegenstaande het volkomen -kalme uitzicht van den minister allen in het Departement zou hebben -moeten tevreden stellen, steeg de ongerustheid meer en meer. - -Iederen morgen zag men met verlangen uit naar den "Waren Vriend des -Volks," maar deze bewaarde het stilzwijgen; geen heftig hoofdartikel, -dat den mond der schreeuwers kon stoppen en de gemoederen tot bedaren -kon brengen, verscheen. - -"Maar nu wordt het toch waarachtig tijd, dat Mortensen de zaak -aangrijpt;" riep de commies Orseth uit en zijne vuist viel hard op -de tafel. - -"Ja voor den d..... dat moet hij;" herhaalde de kamerjonker Hiorth, -die, nu hij zoo hoog was gestegen, zich verbeeldde ook wat te zeggen -te hebben. En het geheele Departement was het eens, dat Mortensen -nu wat doen moest. Allen verkeerden in eene gespannen en heftige -stemming, toen de Redacteur binnenkwam en het nog vochtige nieuwsblad -op tafel wierp. - -Hiorth greep de courant en las: "Geruchten-uitstrooiers en -Intriganten." - -"Eindelijk!" eene doodsche stilte ontstond, toen hij begon te lezen. - -Eerst werd de aandacht van de lezers gevestigd, op het gebrek aan -wapenen der oppositie, nu zij zich liet verleiden, in politieke -quaestiën, geruchten en oudewijvenpraat te mengen. Daarna werd onder -de aandacht gebracht, dat de voor het oogenblik bestaande politieke -toestand ieder welgezind en verlicht burger tot tevredenheid moest -stemmen. - -"Dat intusschen," las Hiorth verder, maar de Redacteur trok hem de -courant uit de hand: "laat mij lezen!".... "dat intusschen eene zoo -alledaagsche zaak, als het ontslag van eenen bejaarden conciërge aan -het Departement tot zulke artikelen vol schandalen aanleiding kan -geven, is, op zich zelf genomen, een teeken des tijds, dat waard -is ad notam te nemen. Want achter dit.... achter deze gehuichelde -belangstelling voor de minste bijzonderheden van het Staatsbestuur -ligt heel iets anders, iets dat iederen dag meer en meer veld bij -ons wint, iets dat wij van den aanvang, van den wortel af, ernstig -moeten trachten uit te roeien, indien wij willen verhinderen, dat er -schadelijke vruchten aan rijpen voor onze maatschappij. Het is de -ingewortelde haat, die alle lage karakters, alle slechts ten halve -ontwikkelden tegen alle autoriteiten, tegen allen, die geestelijk boven -hen staan, voeden; een haat die zich openbaart tegen de van God over -ons gestelde Overheid, en die, terwijl hij aan het schandelijkste -ongeloof de hand reikt, tot in de heiligste schuilhoeken van het -familieleven doordringt, met het verhevenste den spot drijft, en -dreigt onze maatschappij geheel ten onder te brengen, ons tot de -wildste anarchie te voeren. Zekerlijk zijn er velen onder ons, die -zich geruststellen met de gedachte, dat de Noorsche ambtenaarsstand -zich aan dergelijke uitvallen niet zal storen--en met recht. Maar toch -beschouwen wij het als onzen plicht den vinger op deze wondeplek te -leggen, want hier begint een gevaar, waardoor de geheele maatschappij -wordt bedreigd. Eene grens moet er gesteld worden aan de al meer en -meer toenemende onbeschaamdheid, die in woorden en geschrift zich het -recht aanmatigt te oordeelen over hetgeen, naar de verordeningen Gods -en der menschen, boven hun oordeel verheven is; en zoo dit niet door -gemeenschappelijke krachtsinspanning van alle burgers geschiedt, zoo -zullen wij spoedig van het ergerniswekkende schouwspel getuige zijn, -dat eene oproerig gestemde menigte openlijk de wetten trotseert en -met de handhavers der wet den spot drijft. Laat ons daarom waakzaam -zijn en acht geven op de teekenen des tijds. - -Niet dat wij eenige vrees koesteren, neen Goddank! Zoowel in onzen -verhevenen monarch, als in de vereeniging met ons broedervolk -en werkelijk niet het minst van allen in den sterken kring van -intelligente, begaafde staatslieden en ambtenaars, die zoolang onze -maatschappij met hunne krachten bijgestaan hebben en die aan de dagen -van voorheen getrouw zullen blijven--in alle dezen hebben wij te -goede waarborgen, dan dat er reden zou kunnen bestaan eenige vrees -te koesteren. Maar--wij herhalen het--laat ons waakzaam zijn en op -de teekenen des tijds acht geven. Booze, het licht schuwende machten -staan in onze maatschappij op den loer; laat het volle daglicht maar -eens op hen vallen en als booze geesten zullen zij terugvliegen naar -de duisternis, die hen geboren deed worden." - -Een groot gejubel ontstond er onder de hoorders, toen Mortensen had -geëindigd. Orseth wreef zich vergenoegd de handen en riep: "Kijk, -dat is ferm--heel ferm gezegd. Hebt gij er naar geluisterd Hansen, -dat was ook wat voor u!" - -De oude Hansen boog zich wat verder over den hoop papieren, die voor -hem lag. - -Al de anderen voelden zich als van eenen zwaren last ontheven. Het -schandaal was tot eene kleinigheid teruggebracht en den schreeuwers -was een goed pak toegediend. - -Mortensen zag den kring, die zich om hem heen had gevormd, rond -en zeide: "Ja.... nu ziet gij eens, kereltjes, wat gij zonder mij -waart! Bestaat er iets zoo zegenrijk voor een land als eene verlichte, -waarheidlievende en rechtvaardig gezinde pers?" - -Toen Mortensen deze woorden zeide, had de dubbelzinnige glimlach, -die hem meestal eigen was, om zijne lippen gespeeld; men was er -nooit van verzekerd, of hij oprecht meende, wat hij zeide, dan of -het satirisch bedoeld was. - -Maar thans lachte niemand, want op dit oogenblik gevoelden allen, -dat Mortensen gelijk had. - - - EINDE. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Een overheidspersoon in eene kleine gemeente. (Vert.) - -[2] De ambtman van het district woont altijd de zittingen bij, welke -de rechtbank van tijd tot tijd op het land houdt. (Vert.) - -[3] Komlene beteekent in het Noorsch een hoop steenen, die de plaats -aanduiden waar de asch van een Noorsch zeekoning of held in eene urn -begraven is. Deze urnen werden altijd zeer dicht naast elkaar in de -aarde begraven, vooral geschiedde dit, wanneer de overledenen tot ééne -familie behoorden, of ook wanneer de begraafplaats in den smaak viel. - -Njàa is zulk eene oude begraafplaats, waar de asch van eene talrijke -familie is begraven. De steenhoopen zien er zeer klein en onaanzienlijk -uit, wijl de leden dezer familie maar tot het volk behoorden, -die er zich niet aan gelegen lieten liggen groote steenhoopen op -te richten voor hunne dooden. Iets ironisch ligt er in de woorden: -"Vele en kleine als de Komlene te Njàa." - -Het is hier Kiellands bedoeling de onwetendheid van de geleerden een -weinig te geeselen, en daarom laat hij den rechter vragen, wat het -beteekent en den advocaat antwoorden, dat het een soort pannekoeken -van aardappelenmeel is. (Vert.) - -[4] In het Noorden oefenen zich de gepromoveerden in de praktijk, -als assistenten bij rechters of advocaten. - -[5] In Noorwegen heeft een minister den titel van staatsraad. (Vert.) - -[6] Dezen naam geeft men in het Noorden aan getrouwde dames, die niet -op den titel van Mevrouw aanspraak kunnen maken. (Vert.) - -[7] In Scandinavië is het nog zeer de gewoonte in den derden persoon, -in plaats van den tweeden iemand aan te spreken, en wordt het laatste -als te familiaar aangezien. In de laatste jaren is men echter begonnen -ni (gij) te zeggen, doch de ouderen van dagen, in de steden minder, -zijn er echter nog op tegen. - -[8] Op groote partijen is het in Scandinavië, de gewoonte dat men -niet aan de tafel gaat zitten; ieder gaat naar de tafel toe, bedient -zich van wat hij verkiest en maakt dan plaats voor anderen. (Vert.) - -[9] Het komt mogelijk vreemd voor, dat een minister in den zomer zoo -weinig overeenkomstig zijnen stand zou wonen, doch in het Noorden -behelpen ook voorname familiën zich gedurende dit jaargetijde, want -men is zelden binnen's huis. (Vert.) - -[10] Zweden. - -[11] In Scandinavië heeft men in vele restaurants geene kellners, -maar jonge meisjes bedienen de gasten: vooral is zulks het geval in -kleinere hotels. (Vert.) - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Arbeiders, by Alexander L. Kielland - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ARBEIDERS *** - -***** This file should be named 55834-8.txt or 55834-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/5/8/3/55834/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg from scans made available by the Norwegian -National Library. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
