summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/55834-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/55834-8.txt')
-rw-r--r--old/55834-8.txt9100
1 files changed, 0 insertions, 9100 deletions
diff --git a/old/55834-8.txt b/old/55834-8.txt
deleted file mode 100644
index 1cb17b4..0000000
--- a/old/55834-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,9100 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Arbeiders, by Alexander L. Kielland
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Arbeiders
- Roman
-
-Author: Alexander L. Kielland
-
-Translator: Ida Donker
-
-Release Date: October 28, 2017 [EBook #55834]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ARBEIDERS ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg from scans made available by the Norwegian
-National Library.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- ARBEIDERS.
-
- ROMAN
-
- VAN
- ALEXANDER L. KIELLAND.
-
- Vertaald uit het Noordsch
- DOOR
- IDA DONKER.
-
-
-
- DEVENTER,
- W. HULSCHER G.J.ZN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ARBEIDERS.
-
-
-I.
-
-
-In het zuidwesten en over de baai, aan welke Christiania gelegen is,
-was de hemel helder en blauwachtig wit. De zonnestralen glinsterden
-in de door den wind zacht bewogen golfjes, waartusschen men echter
-strepen waters zag zonder eenige beweging. Uit welke streek het waaide,
-viel moeilijk te zeggen. In het oosten hingen iederen namiddag zware
-onweerswolken over de stad; tegen den avond trokken zij weer op.
-
-"Barstte de onweersbui toch maar eens los," dachten de lieden,
-maar het was alle dagen, gedurende de geheele maand Augustus,
-hetzelfde. De zon braadde, de wind voerde de warme lucht, dan hier,
-dan daar, zonder eenige koelte aan te brengen, en de drukkende hitte,
-onder welke men al zoolang had gezwoegd, en van welke men hoopte door
-eene flinke onweersbui verlost te worden, duurde maar steeds voort. De
-breede straten van Christiania werden geblakerd in de zon; in het
-zuiden en zuidwesten der stad was het bijna niet uit te houden. De
-schaduw scheen het zich wel tot taak te hebben gesteld zich zoo smal
-mogelijk te maken, zij sloop als 't ware langs de huizen en maakte
-het den voorbijgangers onmogelijk eenig voordeel van haar te trekken.
-
-In de Karel-Johanstraat was het des morgens het best: men kon het
-Storthing-gebouw bereiken, zonder te veel van den fellen zonneschijn
-te lijden te hebben, maar over het Eidsvoldsplein en naar het slot
-had de zon hare beste krachten verzameld.
-
-De bladeren der boomen van het jonge plantsoen hadden eene grijsachtig
-witte kleur van het stof en hingen slap neer; de populieren stonden
-even stijf als altijd en gluurden naar hunne schaduw. En de menschen
-gleden, alsof zij vogels waren, van den eenen boom naar den anderen,
-terwijl deze zich in het dichtste gebladerte verscholen, of wel zich
-bezig hielden een zandbad in de half verschroeide bloemperken te nemen.
-
-Eenige heeren sleepten zich met moeite voort op de hoogte waarop het
-slot gebouwd is. De warmte had hen duchtig beet, dat kon men duidelijk
-aan hen zien, en zij zagen er recht ongelukkig uit, zooals zij daar
-met opgestoken paraplui, den hoed in de hand en den zakdoek nat van
-al de zweetdroppels, die zij er mee afgewischt hadden, hunnen weg
-vervolgden. Onder de groote klok van het universiteitsgebouw stonden
-eenige jonge studenten (zij hadden pas dien titel verkregen) en zij
-zweetten Latijn. Plotseling werd het stof in de Universiteitsstraat
-door een licht windje in beweging gebracht, naar alle kanten dwarrelde
-het in dikke wolken heen; juist kwam ook de waterkar aan, en de
-droppels bleven als grauwe parelen op het dikke warme stof liggen.
-
-Het deed pijn aan de oogen, naar de zijde van het slot te zien;
-het gebouw werd door de zon van alle kanten fel beschenen; voor de
-ramen had men dan ook alle gordijnen neergelaten. Karel Johan zat
-op zijn bronzen paard voor het slot, hij hield zijnen hoed in de
-hand om het wat minder warm te hebben. De rook uit de schoorsteenen
-viel, of liever hing, als eene bruine wolklaag over de stad neer,
-in het oosten pakten de geelachtige onweerswolken zich weer samen en
-zij zagen er uit, als de rook van zwaar geschut. De groote steen en
-huizen, zoo gebouwd, dat zij eenen Siberischen winter weerstand kunnen
-bieden, waren thans werkelijk aan ovens gelijk. De warme lucht rustte
-echter nog zwaarder op de kleine, nauw ingesloten binnenplaatsen,
-waar men op zijnen rug moet gaan liggen, zoo men een stukje van den
-blauwen hemel wil zien. Door achterdeuren en keukenramen drong zij
-de trappen op; hier ontmoette zij de warme zonnestralen, die van
-de straatzijde in de woningen door de vele vensters en den geheel
-verwarmden voorgevel vielen. Van den zolder tot aan den kelder was er
-geen enkel koel plaatsje te vinden, uitgenomen daar, waar de voorraad
-ijs zich bevond; de langdurige hitte had de muren zoodanig verwarmd,
-dat zelfs de nachten geene verademing aanbrachten. Het was snik heet,
-alles wat de eigenschap bezat eene vieze lucht te kunnen verspreiden,
-greep die gelegenheid gretig aan; in de geheele stad was geen mond
-vol frissche lucht te bekomen.
-
-"Hoe noordelijker men komt, des te erger wordt de hitte," zeide de
-commies Mortensen, en hij deed zijne das af. Hij zat reeds in zijne
-hemdsmouwen en zijn vest hing open.
-
-De jonge klerk Hiorth welke nog geene vaste aanstelling bij het
-Departement had bekomen, en die bezig was met het plakken van
-kleine papieren zakken, die men voor het een of ander doel in het
-Departement noodig had, draaide zich boos om, want Mortensen zag er
-dan ook alles behalve smaakvol uit, zooals hij daar van de warmte in
-zijne geelachtige hemdsmouwen zat te puffen. Hiorth waagde het echter
-niet iets te zeggen, hij was, zooals gezegd is, nog een nieuweling,
-en Mortensen voerde hier het hooge woord.
-
-Alle ramen in het groote gebouw stonden wijd open, evenzoo de deuren
-tusschen de verschillende vertrekken en de gangen. De beambten brachten
-elkander visites en klaagden over de warmte; eenige stukken hadden zij
-echter altijd in de hand, voor het geval, dat zij iemand op hunnen weg
-ontmoetten. De nieuwelingen, die nog niet aan het werk gewoon waren,
-hadden veel moeite wakker te blijven; als verwelkte zonnebloemen hingen
-zij met 't hoofd over de tafel gebogen, soms sprongen zij verschrikt
-uit hunne zoete sluimering ontwaakt, op, en dan hadden zij het bijster
-druk met hunne papieren in orde te brengen. Papier was er overal. De
-klerken waren er geheel van omringd; al de planken tegen de muren
-waren propvol. Er was grauw papier, wit papier, geel papier, pakpapier,
-postpapier, bordpapier, vloeipapier, gestempeld papier, nieuw papier
-en ook heel oud papier met gele kanten. Papier lag in enkele vellen,
-in een omslag, of wel in groote pakken gebonden op den vloer, op de
-stoelen en tafels; het was werkelijk eene overstrooming van papier,
-en de ongelukkigen, die daar hunne bezigheid hadden, moesten, naar
-het scheen, zich er op voorbereiden, eenmaal den dood in 't papier
-te vinden, zoo zij zich ten minste door zwemmen niet konden redden.
-
-In het vertrek naast dat van Mortensen zat de commies Örseth. Hij was
-klein van gestalte, droeg een' zwarten baard en was zeer levendig. Hij
-stoof de kamer, waar Mortensen zich bevond, binnen; een courant hield
-hij in de hand.
-
-"Hebt gij dit artikel gelezen, Mortensen, het gaat nu werkelijk al
-te ver.... anders, lees dit stuk eens over het stemrecht van de
-werklieden. Dat zoo iets openlijk geschreven, gedrukt, verspreid
-wordt.... de schrijvers van zoodanige artikelen verdienden dat zij
-opgehangen werden."
-
-Mortensen wierp vluchtig eenen blik op het blad.
-
-"Dat las ik van morgen.... onzin!"
-
-"Onzin! Mortensen, neen veel erger is het.... leugenachtige ophitsende
-woorden, die hoogst gevaarlijk voor de rust van de maatschappij
-zijn. O, wanneer ik het bedenk," barstte Örseth uit, en een bittere
-glimlach speelde om zijnen mond, "hoe men hier de werklieden naar de
-oogen ziet, op familiaren voet met hen wenscht te staan, hoe men bij
-alle gelegenheden, te pas of te onpas, redevoeringen houdt, waarin men
-hunnen lof uitbazuint, juist alsof zij alleen werk in de maatschappij
-verrichten, en alsof wij niet anders waren dan.... dan...."
-
-"Dagdieven," vulde Mortensen aan.
-
-"Het rechte woord," riep Örseth uit, "en ik zou toch wel eens willen
-weten, wie het meest werkt, zulk een stratenmaker bijv. of één
-van ons!"
-
-Op dit oogenblik gleed een klein man, met wit haar, het vertrek
-binnen. Nooit wist men goed, van welken kant hij binnenkwam; de deuren
-gingen altijd, wanneer zij niet openstonden, zooals nu, onhoorbaar
-onder zijne hand open, en op vilten zolen liep hij door het gebouw.
-
-"Nu, Mo," zeide Mortensen, en hij knipoogde hem vertrouwelijk toe,
-"is hij weg?"
-
-"De minister is een oogenblik geleden met den koopman Falck-Olsen
-uitgereden," antwoordde Mo, en hij gleed weer uit het vertrek.
-
-Zoolang de kleine man in het vertrek was, zaten al de klerken over
-hun werk gebogen, en Örseth was ook naar zijn vertrek teruggekeerd.
-
-Mo was de bode van het Departement. Hij was altijd in bruinen rok
-met lange panden en opstaanden kraag gekleed, en eene witte stijve
-das reikte hem tot aan de kin. In dit costuum had hij veel van eenen
-kwaker, en het bleeke gelaat met den vriendelijken blik boezemde
-vertrouwen in. Zijn haar was sneeuwwit, en, wijl het tamelijk lang
-in den nek was, viel het in kleine krulletjes over den kraag van
-zijnen rok.
-
-Toen de bode, even onhoorbaar als hij gekomen was, het vertrek
-had verlaten, riep Mortensen half luid uit: "Hoor, Örseth, ging de
-hoofdcommies nu ook maar weg, dan zou een glas schuimend bier in het
-koffiehuis hier naast, best smaken.... hé?"
-
-"Hé ja!" riep de jonge Hiorth uit, en de schaar viel hem uit de hand.
-
-Mortensen zag den jongen man koel aan; plotseling kwam hij op andere
-gedachten. Hiorth was de zoon van een voornaam ambtenaar in het
-westelijke gedeelte van Noorwegen, hij had zeer goede relatiën en was
-waarschijnlijk goed bij kas. Hij antwoordde daarom vrij vriendelijk:
-"Jonge vriend, je groeit schielijk!" Hiorth begreep in het minste
-niet, wat met deze woorden werd gemeend, maar daar hij had bemerkt,
-dat het tot de bon ton in het Departement behoorde, Mortensen
-geestig te vinden, lachte hij natuurlijk, en zeide in allen eenvoud:
-"Wat ik het meest mis, sedert ik aan het Departement werkzaam ben,
-is mijn ontbijt in het Grand-Hôtel; men heeft er nu zulke heerlijke
-lamscoteletten, nergens maakt men ze beter klaar, en dan versche
-komkommersalade...." In het vertrek waar Örseth werkte, werd eenig
-gebrom gehoord.
-
-"Nooit eet ik in den voormiddag komkommersalade," antwoordde Mortensen,
-"daar behoudt men den smaak te lang van in den mond, maar eene
-beefsteak à la Hollandaise met aardappelen, een borrel en een glas
-bier, dat is een ontbijt naar mijnen smaak."
-
-"Dat is ook altijd heel goed in het Grand-Hôtel."
-
-"Ik voor mij, vind, dat men daar in 't geheel niet goed eet," zei
-Mortensen op onverschilligen toon.
-
-"Ik kan er voor instaan, dat het u daar bevallen zal, en wanneer gij
-mij de eer wilt aandoen, er met mij heen te gaan....."
-
-Opnieuw werd het gebrom in het andere vertrek gehoord.
-
-"Dank voor je aanbod, maar Örseth en ik waren eigenlijk van plan....."
-
-"Zoo gij meent," zeide Hiorth op wat angstvalligen toon "dat meneer
-Örseth mij ook de eer zou willen aandoen van....."
-
-"Ja, dat is niet heel gemakkelijk te zeggen," antwoordde Mortensen, "op
-dit punt is hij nog al teergevoelig, maar ik wil hem wel eens polsen,"
-en hij ging naar het andere vertrek. Hier zat ook in eenen hoek over
-eenen lessenaar heengebogen een man met oudachtig uiterlijk. Nadat
-Örseth een oogenblik met Mortensen op fluisterenden toon had gesproken,
-riep hij: "Hansen, ik moet van morgen even uit. Zoo Mo vraagt, waar
-ik ben, kunt gij zeggen dat ik naar het registratie-kantoor ben,
-om er eene conferentie te houden.... hebt gij het begrepen, Hansen?"
-
-Deze boog even toestemmend met het hoofd.
-
-"Wat is hij dof geworden," zeide Mortensen half luid, "het was hoog
-tijd, dat hij de redactie van de courant neerlegde."
-
-Mortensen bedoelde: "de Vriend des Volks," welke de oude Hansen
-vroeger had geredigeerd, maar hij was gedwongen zijn ontslag aan
-te vragen, wijl de courant in den laatsten tijd eene richting was
-toegedaan, welke zij, die over hem gesteld waren, gevaarlijk voor de
-maatschappij vonden.
-
-Nu was Mortensen redacteur.
-
-Örseth begon zich al gereed te maken, heen te gaan, waarop Mortensen
-aanmerkte, dat het niet gaan zou, zoolang de chef van het bureau nog
-niet zijne dagelijksche wandeling had gedaan. Juist toen Mortensen die
-woorden zeide, hoorden zij de deur van de kamer, in welke deze zat,
-openen, en zagen zij hem de trappen afkomen.
-
-Mortensen ging naar zijne plaats terug en zeide tot Hiorth op
-fluisterenden toon: "ik heb hem overgehaald meê te gaan," en onder
-het neuriën van een volksliedje begon ook hij zijn toilet wat in orde
-te brengen.
-
-Niet velen zouden het gewaagd hebben in de bureau's van het Departement
-zich zoo vrij te gedragen als Mortensen gewoon was. Eerstens was het
-eene bekende zaak, dat hij Anders, den "Almachtige," zooals Mo in de
-wandeling genoemd werd, tot vriend had, ten andere werd er gemompeld,
-dat de minister Bennecken, wanneer hij zijn gevoelen aangaande het
-een of ander kenbaar wilde maken, zich soms van "de Vriend des Volks"
-bediende.
-
-Dit was de reden, waarom de commies Mortensen in het Departement voor
-wat meer aangezien werd dan zijne collega's. Zoo langzamerhand begon
-het in het vergeetboek te geraken, dat zijn verleden niet onberispelijk
-was geweest. Veel was er indertijd gepraat over een bedrog in eene
-fabriek voor lucifers op groote schaal gepleegd, en Mortensen, die toen
-zaakwaarnemer in de kleine stad was, had zich zeer gecompromitteerd.
-
-Eindelijk was Mortensen er in geslaagd, zijn jas over zijn gele hemd
-dicht te knoopen en de heeren stonden reeds met den hoed in de hand,
-gereed om weg te gaan. Bij de deur gekomen, keerde Mortensen zich om,
-en riep uit: "Bij alle goden, hij heeft geene stukken meegenomen,
-de jonge snaak is van plan zonder stukken de straat op te gaan."
-
-Hiorth lachte; hij wist, dat zoodra Mortensen iets geestigs zeide,
-dit van de hoorders verwacht werd.
-
-"Hebt gij dan geen oogen," zeide Örseth, en nu eerst bemerkte Hiorth
-dat de anderen eenige papieren onder den arm hadden.
-
-"Maar.... maar.... welke stukken kan ik meênemen," vroeg hij op
-radeloozen toon, en hij zag naar den hoop papieren, die voor hem lagen.
-
-"Nu nog mooier," riep Mortensen uit, en meewarig sloeg hij zijnen
-blik naar het plafond, "hij vraagt welke stukken hij zal meênemen;
-alsof het er wat op aankomt, met welk papier men op straat gaat."
-
-Eindelijk ging er een licht voor den nieuweling in het vak op, hij
-maakte dus een pak klaar, dat aan dat der anderen gelijk was, en zoo
-waren zij ten laatste gereed de trap af te gaan. Toen zij echter bij
-de straatdeur waren gekomen, werden zij door eenen langen, mageren man,
-in een werkpak gekleed, opgehouden.
-
-"Meneer de Redacteur," zeide hij tot Mortensen, en hij wischte zich
-het zweet met zijn schootsvel van het gelaat, "waar kunnen wij een
-portret van generaal Roberts in de stad krijgen?" Zonder een oogenblik
-te aarzelen antwoordde de Redacteur: "neem dat van Gladstone en geef
-hem eenen vollen baard."
-
-"Maar Gladstone is zoo kaal," merkte de graveur aan.
-
-"Zet hem een Stanley-hoed op," antwoordde Mortensen kalm. De man
-groette en ging verder, en Hiorth zag Mortensen met de grootste
-bewondering aan. "Ferm bedacht, meneer de Redacteur," zeide hij,
-en hij waagde het zelfs, Mortensen vertrouwelijk op den schouder te
-kloppen,--de gedachte dat hij de anderen vrij zou houden, gaf hem moed.
-
-"Maar weet gij precies, hoe generaal Roberts er uit ziet?"
-
-"In het geheel niet," antwoordde Mortensen.
-
-"Maar gesteld, dat de generaal in 't geheel geenen baard heeft,
-of alleen eenen knevel, zooals ik bijvoorbeeld?"
-
-"Dan heeft de generaal zich den baard laten afscheren, sedert hij
-het laatst voor zijn portret heeft gezeten, dat is klaar als de dag."
-
-"Nu," zeide Örseth, "moeten wij ieder afzonderlijk gaan; steek naar
-de andere zijde der straat over, Mortensen."
-
-Een vloek ontsnapte aan Mortensen, de anderen draaiden zich om, en
-hij, dien zij het minst van allen wilden ontmoeten, kwam recht op hen
-aan. Het was de hoofdcommies, de heer Delphin, deftig en elegant als
-altijd, een boosaardige glimlach speelde, zooals veelal het geval was,
-ook nu om zijne lippen.
-
-"Daar zullen wij van lusten, dat onweer kunnen wij niet meer ontkomen,"
-zeide Örseth bij zich zelf. Hiorth beefde van schrik. De drie heeren
-groetten George Delphin vrij verward, deze groette even terug, en het
-had er veel van, alsof hij hen zonder iets te zeggen, voorbij wilde
-gaan; onverwachts echter bleef hij voor Mortensen staan en vroeg hem
-buitengewoon beleefd: "Meneer Mortensen, u heeft zeker wel een paar
-lucifers over?"
-
-Mortensen kromp ineen van schrik, terwijl hij naar de verlangde
-lucifers zocht; de hoofdcommies stak zeer langzaam en voorzichtig
-zijne sigaar aan, bedankte voor de moeite, en ging verder.
-
-"Nu, daar zijn wij al heel genadig afgekomen," zeide Hiorth in zijne
-onschuld.
-
-"O, dat wil ik juist niet beweren," antwoordde Örseth, en zijdelings
-wierp hij eenen boosaardigen blik op Mortensen.
-
-"Vervloekte rekel!" fluisterde de Redacteur bij zich zelf.
-
-"Verleden Zondag hoorde ik bij de familie Falck-Olsen vertellen,
-dat meneer Delphin veel kans had, spoedig tot kamerheer te worden
-benoemd," zeide Hiorth, altijd recht in zijnen schik, als hij zijne
-kennis aan voorname familiën kon luchten. De heeren hadden tijd noch
-lust, iets op deze woorden te antwoorden; zooals Örseth geraden had,
-ging ieder nu langs eenen anderen weg naar het Grand-Hôtel, waar men
-elkaar zou ontmoeten.
-
-De zon scheen nog even fel. Aan de zijde der straat, waar eenigszins
-schaduw te vinden was, liep zooveel volk, dat het onmogelijk was,
-spoedig vooruit te komen; de drie heeren vonden het dus maar beter,
-de hitte te trotseeren en zich in de zon te laten braden. Vluchtig
-groetten zij in het voorbijgaan hunne bekenden, doch bleven geen
-oogenblik staan om een praatje te houden, ieder zag dan toch ook,
-dat zij veel te doen hadden, de groote pakken papier waren van dienst.
-
-In het Departementsgebouw steeg de hitte meer en meer. De oude Hansen
-zat eenzaam in die groote vertrekken, en zijn hoofd boog zich ook al
-meer en meer over den hoop papieren die voor hem lag.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Er was zitting van het Thing (gerecht) in het huis van den Lensmand
-[1]. Langs beide zijden van den straatweg zag men uitgespannen wagens
-van allerlei vorm, meest boerenkarren; voor de deur van het huis,
-waar de zitting was, stond de calèche waarmede de heeren van het
-gerecht uit de stad waren gekomen.
-
-De dorpsjeugd kon zich aan het mooie rijtuig niet moede kijken;
-met open mond gaapten de kleine jongens het aan. De een achter den
-ander, de kleinste echter voorop, en allen hielden zij de handen
-in de broekzakken. De volwassenen stonden hier en daar op den weg
-verspreid, de meesten hielden zich echter in de buurt van het huis
-van den Lensmand, zij bekeken het mooie rijtuig ook van alle kanten,
-doch zij gaapten er een weinig minder naar dan de jongens; dit echter
-hadden zij met dezen gemeen, dat hunne handen ook in de broekzakken
-waren verdwenen. Vrouwen zag men in het geheel niet op den weg.
-
-Eenigen der boeren stonden in groepjes met elkaar te praten, anderen
-gingen twee aan twee op de plaats achter het huis heen en weer, om meer
-ongestoord te kunnen spreken, weder anderen zag men in onverschillige
-houding tegen het hek leunen en naar de zee turen. Soms kon men echter
-een gelaat ontdekken, waarop angst en spanning duidelijk te lezen
-stonden; het was bij die lieden, die een' langen weg hadden afgelegd,
-om te hooren, hoe het met hunne zaak stond.
-
-Een kleine man, met zeer roode randen om zijne oogen stond op tamelijk
-grooten afstand van de anderen. Den geheelen nacht had hij flink
-moeten doorrijden, om vroeg genoeg voor de zitting te komen. Aan eenen
-paardenopkooper had hij een Isabella-paard verkocht, maar toen het op
-betalen aankwam, had deze hem leelijk gefopt. Ongeveer een jaar geleden
-had hij zijne zaak den advokaat Bogesen in handen gegeven, en menigen
-blanken rijksdaalder had hij reeds moeten betalen om de onkosten,
-die de advokaat natuurlijk maken moest, goed te maken, maar kooper
-en paard reden intusschen de wereld rond, de hemel mocht weten waar.
-
-Vandaag, zoo had de advokaat hem ten minste beloofd, zou er een eind
-aan de zaak gemaakt worden, en in zijne verbeelding hoorde hij reeds,
-hoe het gerecht den paardenopkooper tot eene zware geldboete of eenige
-andere straf zou veroordeelen, terwijl aan hem zijn geld zou worden
-terugbetaald en, wie weet? ook de merrie hem weer zou toebehooren.
-
-Zoo het hem maar mocht gelukken den advokaat Bogesen te ontdekken! Den
-geheelen morgen had hij vóór het huis van den Lensmand op wacht
-gestaan, maar zijn advokaat kon hij maar niet in het oog krijgen.
-
-De menschen stroomden het huis in en uit, eenigen hadden aan den
-ontvanger hunne belasting te betalen, anderen wilden den ambtman [2]
-spreken, of wel het een of ander aan de klerken vragen. Het liep al
-naar twaalf uur, en de boeren begonnen hongerig te worden; de van
-huis meegebrachte teerkost werd voor den dag gehaald, en een zoo goed
-mogelijk plaatsje werd opgezocht, dat echter niet zoo gemakkelijk was
-te vinden. Sommigen zaten in eene rij langs de sloot aan den landweg,
-terwijl eenigen met het gelaat naar de zee staande hun maal gebruikten.
-
-Van tijd tot tijd verscheen er een klerk in de deur en hoorde men
-een' naam luid roepen. Allen draaiden dan het hoofd om, de geroepene
-daagde gewoonlijk uit den een of anderen hoek op en ging met afgepaste
-schreden naar de deur, tot groote ergernis natuurlijk van den klerk,
-wiens fraai gekamd haar door den wind groot gevaar liep geheel in
-wanorde te komen, daar het hem vóór de oogen waaide.
-
-Een weinig verder dan de anderen zat een man op eenen grooten steen
-tegen den muur van een huis geleund. Hij scheen geheel in gedachten
-verzonken, en onafgebroken tuurde hij naar de zee. Hij was zwaar
-gebouwd en buitengewoon lang; het graven in den grond, en ook het wonen
-in lage vertrekken, hadden zijnen rug gekromd. Zijne gelaatstrekken
-waren grof, en dit gevoegd bij den zwaren vuurrooden baard en het dikke
-lokkige hoofdhaar van dezelfde kleur, zou hem geheel het uiterlijk van
-eenen wilde hebben gegeven, zoo niet de trouwhartige blauwe oogen met
-den kinderlijken blik aan zijn gelaat eene gansch andere uitdrukking
-hadden verleend. Den hoed had hij afgenomen en naast zich gelegd.
-
-Uit een der groepjes in zijne nabijheid kwam een man naar den zoo
-in gepeins verzonkene toe. "Goeden dag Njaedel!" Njaedel draaide het
-hoofd even om, en groette terug.
-
-"Dat treft al heel goed, dat ik je vandaag hier zie," zeide de
-eerstgenoemde, "wij hebben nu een oogenblik tijd om over het wier
-aan het strand te spreken, en kunnen misschien ook te weten komen,
-wat de anderen er van denken."
-
-"Het kan mij geen zier schelen, wat de anderen er van denken,"
-antwoordde Njaedel, "en hadt gij andere lui ook met vreê gelaten,
-zoo was ik nu niet hier op het Thing tot spot van allen."
-
-"Wij moeten er ons in schikken, dat onze slechte daden aan 't licht
-worden gebracht, wanneer zij ergernis in de gemeente wekken."
-
-"Och wat... ergernis; wanneer een ieder maar voor zijne eigene deur
-veegde, kwam er geene ergernis in de wereld."
-
-"Het is noodzakelijk dat er ergernis kome, maar wee dengene..."
-
-Njaedel stond op, en in zijne volle lengte stond hij nu voor den
-andere, en vroeg kortaf: "wat hebt gij mij over het wier te zeggen?"
-
-Sören Börevigs' uiterlijk was geheel verschillend van dat van
-Njaedel. Wel was hij lang, maar hij ging zeer voorover, terwijl het
-gele stroeve haar en de witte oogharen iets onaangenaams aan zijn
-gelaat gaven. Wanneer hij sprak, keek hij den persoon, tot wien
-hij het woord richtte, altijd van ter zijde aan, en had daarbij de
-gewoonte zich in de handen te wrijven.
-
-"Je graaft eene diepe sloot naar den kant van het zeestrand, Njaedel."
-
-"Ja, daar ben ik aan bezig."
-
-"Het zal dan niet meer zoo gemakkelijk zijn, aan het strand te komen,
-om er wier te halen."
-
-"Ik rijd maar langs mijnen akker over mijn eigen grond."
-
-"Ja, dat kan ik zoo denken," zeide Sören, en hij zag den weg op, "maar
-ge zoudt er zeker op tegen hebben, dat anderen over je land reden?"
-
-"Ja, ik raad ze maar, dat niet te doen."
-
-"Ja, maar.... zie je.... Njaedel, hoe kan ik, wanneer gij die sloot
-graaft, naar het strand komen, om er wier te halen.... hebt ge
-daaraan gedacht?"
-
-"Gij.... maar wat zoudt gij aan het strand doen.... Sören.... gij
-hebt daar niets te maken."
-
-"Hum.... hum," antwoordde Sören half glimlachend, "ge neemt een'
-hoogen toon aan Njaedel, maar...."
-
-"Niet hooger, dan mij past."
-
-"Heb ik misschien niet zoolang ik de Börevigshoeve gepacht heb,
-daar mijn wier gehaald?"
-
-"Ja, Sören, dat hebt gij gedaan," antwoordde Njaedel bedaard, "en ik
-geloof zelfs, dat gij vele dingen hebt gedaan, die gij liever niet
-hadt moeten doen."
-
-"Denkt gij misschien, dat het maar zoo gaat, oude steeds gebruikte
-wegen af te sluiten," vroeg Sören hem op zachtmoedigen toon, "dat
-kunt gij niet meenen Njaedel?"
-
-"Ik heb mijn eigendomsbewijs.... en een dat echt is, ik heb het land
-van de kerk gekocht en ik betaal er belasting voor aan den Bisschop te
-Kristiansand. Geen woord staat er in te lezen, hoor, dat de eigenaars
-van Börevig verlof hebben, over mijn land te rijden, en zoo vind ik,
-dat het mij vrij staat, slooten te graven waar ik wil."
-
-Na deze woorden gezegd te hebben, sloeg hij den weg naar den
-huizenkant in.
-
-"Ja, maar het wier.... het wier!" riep Sören uit, en hij wreef zich
-harder dan gewoonlijk in de handen.
-
-"Het erts is in de bergen, en het wier in de zee, hebt ge geene bergen,
-zoo hebt ge geen erts, hebt ge geen strand, zoo hebt ge geen wier. Ik
-vind, dat ge dit moest begrijpen Sören, gij, die zoo buitengewoon
-schrander zijt."
-
-"Ja maar, ja maar," begon Sören opnieuw, "maar alle Godsgaven moeten
-wij toch met elkander deelen, zijn wij niet allen broeders?
-
-"Ik wil je broêr niet zijn, Sören Börevig.... voor geen tweehonderd
-groote lasten zeewier," antwoordde Njaedel, en er lag iets sombers
-in den blik, waarmede hij hem aanzag.
-
-"Nu ja.... Njaedel, dan schiet er wel niet anders over, dan de zaak
-voor het gerecht te brengen," zeide Sören bedaard, "de advocaat
-Tofte is nu juist hier, dat komt al heel goed uit, ik zal hem er
-over raadplegen."
-
-"Ga je gang, Sören, ik heb mijn koopcontract," antwoordde Njaedel,
-en hij ging verder.
-
-Midden op den weg, tusschen de huizen in, stond eene menigte mannen
-om een voertuig, dat zoo even was aangekomen. Een klein gezet man,
-met een zeer rood gelaat een' grijzen baard en eene pelsmuts op het
-hoofd, stapte uit den wagen.
-
-"Is hier iemand," sprak hij, de omstanders aanziende, "die mij kan
-vertellen wien het stuk van den weg toebehoort, dat van het hek van
-Börevig tot aan het Zwarte Moeras loopt, dien kerel zou ik gaarne
-een hartig woordje willen zeggen."
-
-Niemand kon hem er bescheid op geven, doch eindelijk antwoordde een
-oud man: "ja, daar heeft de opperloods gelijk in, de geheele kust
-langs is de weg niet zoo slecht als juist daar."
-
-"Een weg!" riep de opperloods uit, "noem je dat een weg? neen, ik
-noem het een moeras, waarin hier en daar eenige steenen zijn gegooid,
-kijk maar eens, hoe mooi wij eruitzien," en hij wees met de hand naar
-het paard en den wagen, die er vreeselijk beslijkt uitzagen.
-
-"Het best zou maar zijn, bij den Lensmand eene klacht in te dienen,"
-riep één uit de menigte.
-
-"Ja, zoo het wat hielp," luidde het antwoord van den opperloods,
-en hij krabde zich het hoofd.
-
-Njaedel Vatuemo stond niet ver van den opperloods af, en toen deze
-hem bemerkte, knipoogde hij hem vertrouwelijk toe.
-
-Eén der loodsen begon het paard nu uit te spannen, en de opperloods
-ging tot Njaedel en zeide tot hem op fluisterenden toon: "zij is
-welbehouden aan boord geraakt."
-
-"Kreeg zij eene goede plaats aan boord?" vroeg Njaedel.
-
-"Eene beste hoor.... men zou bijna zeggen, dat het eene van de
-groote booten op Amerika was, en toch was het maar eene plaats op
-het voordek. Morgen avond komt zij te Christiania aan."
-
-"Morgen avond; dat treft ze niet goed, dat de boot 's avonds aankomt,
-zoo zij Anders nu maar in de duisternis vinden kan."
-
-"Daar heb ik voor gezorgd, Njaedel, ik heb voor jou aan je broer
-laten telegrafeeren, dat hij Christina aan de aanlegplaats moet
-gaan afhalen."
-
-"Wel heb ik van mijn leven, dat ge er op kwaamt dat te doen," zeide
-Njaedel, "dat kostte heel wat geld, hé?"
-
-"Precies eene kroon."
-
-"Kon-je het niet wat goedkooper gedaan krijgen?"
-
-"Neen.... buurman, daar staat een vaste prijs voor."
-
-"Ja, ja, dat kan ik wel denken; ik ben maar in mijn schik, dat je
-er voor hebt gezorgd," zeide Njaedel, en hij grabbelde in zijnen zak
-naar eene kroon.... "wel bedankt, hoor!"
-
-"Kom, niet te danken.... Ben je al vóór geweest, Njaedel?"
-
-"Neen, en men zegt, dat ik eerst laat aan de beurt zal komen."
-
-"Heb je wat teerkost meegenomen?"
-
-"Neen!" en het antwoord werd eenigszins kortaf gegeven.... "er was
-nu niemand t'huis om wat voor mij klaar te maken."
-
-"Hm.... dat is waar ook," mompelde de opperloods, "weet je wat,
-wij zullen nu maar zien, wat eten bij den loods Tobias op te loopen."
-
-De boeren gingen een weinig op zij om plaats voor den opperloods
-te maken en allen groetten hem; den langen Njaedel, die achter hem
-aanging, scheen niemand te willen bemerken.
-
-De lucht betrok meer en meer. De zee zag er onstuimig uit en dreigende
-regenwolken vertoonden zich in de verte. Eene ferme bries uit het
-zuidwesten zweepte de schuimende golven over en tusschen de groote
-ronde steenen aan het strand, en lange slijmachtige zeeplanten voerden
-zij in hun vaart met zich.
-
-Verder op het strand, waar dit iets hooger gelegen was, hadden de
-bewoners hunne huizen gebouwd.
-
-Nauwe wegen vol mest en vuilnishoopen bevonden zich tusschen de huizen,
-overal lagen hier en daar gebroken mestgaffels, roestige ploegijzers,
-halve wielen en wrakken van vaartuigen van allerlei soort, die in
-den loop des tijds door de zee aangespoeld waren.
-
-Vóór elke woning bevond zich meestal echter een plekje, dat netjes
-in orde werd gehouden, waar de bewoners gaarne vertoefden, wanneer
-het 's avonds mooi weer was, gezeten op den steenen drempel van de
-buitendeur of op de bank tegen den muur.
-
-Hoewel het zomerdag was, lag er nu toch iets sombers over
-alles. Donkere regenwolken hingen laag neer en de zee zag grauw. De
-met donkerroode teer bestreken huizen hadden niets aantrekkelijks voor
-het oog. Dit was niet altijd het geval: wanneer de zon helder scheen,
-konden zij er met hunne heldere, van witte gordijnen voorziene
-vensters, waarvoor meestal eenige bloempotten stonden, recht
-vriendelijk uitzien; zelfs het witgeverfde huis van den Lensmand zag
-er vandaag ook niet op zijn voordeeligst uit.
-
-De dichte drommen van boeren, die hier vandaag verzameld waren,
-pasten volkomen bij het geheel; allen droegen dikke wambuizen van
-donkerblauwe stof, en dit costuum scheen ook iets gedrukts aan het
-landschap te geven. Levendig ging het volstrekt niet toe, het gesprek
-scheen nergens te willen vlotten ; men groette elkander even in het
-voorbijgaan, maar men zag elkaar nauwelijks aan; soms gebeurde het, dat
-eenige boeren hunne groote, klamme handen tot eenen groet uitstaken,
-maar geen hartelijke handdruk werd er gewisseld, wat trouwens ook niet
-bij de boeren gebruikelijk is: stijf als stokken strekken ze de vingers
-uit. Luid gepraat of geschreeuw werd niet gehoord, veel minder nog
-een hartelijk gelach, ook was hier die eigenaardige lucht te bemerken,
-welke aan duffel eigen is, wanneer het in iets wordt geverfd, dat men
-"potteblaat" noemt,--een woord waarvan men maar niet al te nauwkeurig
-de beteekenis moet uitvorschen.
-
-Klokke één uur werd de morgenzitting opgeheven.
-
-In het vertrek, waar de zitting plaats had, werd nu de tafel voor de
-heeren gedekt, en dezen gingen zoolang wat op en neer vóór het huis.
-
-Eenige boeren, die wat meer moed dan de overige bezaten, beproefden
-een gesprek met hunnen advocaat aan te knoopen, om hem toch vooral
-hunne zaak op het hart te drukken; de man met de leepoogen kon den
-zijne maar niet in het oog krijgen. De ambtman Hiorth, die altijd
-gaarne voor zeer humaan werd aangezien, mengde zich meer dan de
-anderen onder het volk en gaf er nauwlettend acht op, welke boeren
-hem groetten. Wanneer hij een bekend gezicht meende te zien, bleef
-hij een oogenblik staan, en sprak eenige vriendelijke woorden. Zijne
-handen hield hij op den rug onder zijne rokspanden: op handdrukken
-was hij niet bijzonder gesteld. Juist nu werd een gevangene door een
-paar veldwachters over de plaats gevoerd. Voor alle zekerheid had men
-hem in boeien geklonken, want uit het hok, waarheen hij gevoerd werd,
-was het gemakkelijk te ontvluchten, en buitendien was het voor hem,
-die er op wacht moest staan, het gemakkelijkst.
-
-"Kent iemand hier dezen man?" vroeg de ambtman.
-
-"Ja.... meneer de ambtman, hij hoort te Krydsvig t'huis," antwoordde
-de opperloods, die juist uit een der huizen naar buiten kwam.
-
-"Goeden dag, opperloods Sechus," zeide de ambtman, en als een
-bewijs van de hooge gunst, waarin deze bij hem stond, reikte hij
-hem de twee vingers zijner rechterhand... "gij kent den arrestant
-dus...? Diefstal.... is het niet zoo?"
-
-"Ja... arme kerel.... hij heeft bij den kruidenier aldaar ingebroken
-en er eenen zak meel en eene kan stroop gestolen."
-
-"Het is inderdaad treurig," zeide de ambtman, en hij zag de omstanders
-met gestrengen blik aan, "dat de diefstallen zoo toenemen. Het komt
-natuurlijk hierdoor, dat ons volk tegenwoordig ongelukkigerwijze
-maar al te geneigd is een gewillig oor te leenen aan de woorden
-van hen, die schijnbaar hun welzijn bedoelen.... Verkeert hij in
-behoeftige omstandigheden.... heeft hij eene talrijke familie te
-verzorgen.... zijn er veel kinderen?"
-
-"Vele en kleine als Komlene [3] te Njàa," antwoordde de opperloods.
-
-"Komlene, Kumle?" vroeg de ambtman en zag om zich heen. De advocaat
-Tofte, die altijd zoo dicht mogelijk bij den ambtman bleef, om dadelijk
-van dienst te kunnen zijn, zeide op zijnen innemenden toon en half
-glimlachend: "O, het is eene soort pannekoeken van aardappelenmeel."
-
-"Ah zoo.... pannekoeken...." mompelde deze, en hij ging verder.
-
-De lieden zagen elkaar even van ter zijde aan, en toen de ambtman
-hun den rug had toegekeerd, konden eenigen zich niet weerhouden,
-even te lachen. Altijd bewonderde men den opperloods zeer, dat hij
-op zoo familiaren toon met de groote lui durfde spreken; hij stond
-zoo tusschen de beide klassen in, daar hij noch tot den eenen, noch
-tot den anderen stand behoorde.
-
-Lauritz Boldemann Sechus was de zoon van eenen tolbeambte, een'
-dronkaard van de eerste soort. In zijne jeugd had hij ter zee
-gevaren; toen hij echter wat ouder werd, kocht hij een stukje van den
-gemeente-grond te Krydsvig, bouwde er een huisje, waaruit hij van alle
-kanten de zee kon zien, en kreeg toen het postje van opperloods. Sechus
-was nu zoo wat om en bij de zestig, was ongetrouwd, en zag er half als
-een schipper, half als een boer uit. Bij hen, die over hem gesteld
-waren, stond hij niet al te goed aangeschreven. De ambtman Hiorth
-beschouwde hem dan ook min of meer als iemand, die gevaarlijk voor
-de maatschappij was.
-
-Hij bekleedde eene rijksbetrekking en ontzag zich niet, gemeenzaam met
-de boeren om te gaan, en dit kon de ambtman volstrekt niet goedkeuren;
-zoo licht kon zulks toch oorzaak worden, dat dit soort van menschen
-minder ontzag voor den ambtenaarsstand begon te koesteren..... eene
-zaak welke zeer te betreuren zou zijn, wijl dit ontzag toch eene van
-de vaderen geërfde deugd was!
-
-Daar Sechus ondertusschen zijn dienstwerk nauwgezet verrichtte,
-bestond er weinig vooruitzicht van hem af te komen, vooral ook
-wijl de boeren zeer met hem ingenomen waren. Zelf had hij er in
-het minst geen vermoeden van, dat zijne superieuren niet hoog met
-hem wegliepen. Zijne openhartige wijze van spreken was hem van het
-zeemansleven bijgebleven, en wanneer de ambtman hem nu en dan de groote
-eer aandeed, twee vingers tot begroeting toe te steken, vond Sechus,
-dat de ambtman een kerel was, die wist wat een mensch toekomt.
-
-Zijn naaste buurman was Njaedel Vatuemo. Eigenlijk behoorde deze niet
-aan de kust thuis.
-
-In de bergen was hij geboren. Vele jaren reeds had de hofstede, die
-hij daar bewoonde, gevaar geloopen door eene bergverzakking bedolven
-te worden, doch steeds was het nog bij kleine schade gebleven.
-
-Op zekeren nacht echter, het was in de lente, gebeurde wat Njaedel
-reeds lang had gevreesd. Eene vreeselijke verzakking had plaats; de
-hoeve werd geheel verwoest, en Njaedel, die zich half gekleed, nog
-met moeite op een vooruitstekend rotsblok had kunnen redden, stond
-eenzaam en verlaten. Des morgens haalde men van onder het puin de
-lijken zijner vrouw en twee kinderen voor den dag; de oudste dochter
-was in het leven gespaard gebleven.
-
-Het was hem niet langer mogelijk op zijne geboorteplaats te
-blijven. Hij verkocht, wat hem was overgebleven en zette zich aan de
-kust neder.
-
-Njaedel volgde niet het gewone gebruik der boeren, zich te noemen naar
-de plaats, die hij nu bezat. Hij had een stuk land gekocht, waarvan
-de opperloods ook een gedeelte had. Het goed Krydsvig, met al de
-landerijen er om heen, had vroeger het bisdom Kristiansand toebehoord.
-
-Dáár in de bergen had Njaedel de eenzaamheid lief gekregen, een groot
-deel van zijn leven had hij er ook gesleten. Bij den aankoop had hij
-dan ook dat gedeelte gekozen, hetwelk onmiddellijk aan het strand
-grensde; eene groote onontgonnen zandvlakte behoorde bij den koop.
-
-Vele jaren had hij nu reeds hier met zijne dochter Christina en een
-dienstmeisje gewoond.
-
-Hij bebouwde zijn land en het gelukte hem zelfs iets te sparen. Met
-niemand had hij omgang dan met den opperloods; deze had groote
-genegenheid opgevat voor dien reusachtigen kerel, die er tevens
-zoo goedmoedig uitzag, en wiens knappe dochter het een lust was aan
-te kijken vooral daar opgeruimdheid van gemoed haar in de oogen te
-lezen stond.
-
-De bewoners van de streek waren niet zeer met Njaedel ingenomen,
-wijl hij een vreemdeling was. Buitendien vonden zij, dat hij iets
-stroefs in zijn wezen had, zoodat zij liefst zoo weinig mogelijk met
-hem te doen wilden hebben. Wanneer hij daar zoo diep in den grond met
-graven bezig was, had hij werkelijk iets, dat schrik kon inboezemen;
-daar hij altijd blootshoofds liep, uitgezonderd op feestdagen, maakte
-de dikke rosachtige haarbos een vreemd effect, wanneer men die van
-uit den grond zag opkomen, en alle reizigers, die den landweg kwamen
-langs rijden, konden niet nalaten, wanneer zij Njaedel zagen, aan den
-koetsier te vragen, wat dat voor een man was. Njaedel, die altijd zeer
-in zijn werk verdiept was, bemerkte nooit, dat hij zoo de aandacht
-trok. Met op elkaar geklemde tanden en gefronste wenkbrauwen groef
-en wroette hij met. spade en houweel in den grond, zoodat de klompen
-aarde wijd en zijd heenvlogen, en kwam er een steen in zijnen weg,
-die onbeweeglijk scheen, zoo scheen zijn ijver te verdubbelen: hij
-rustte niet, vóórdat het hem gelukt was dezen te verwijderen en hij
-bromde intusschen bij zich zelf als een beer.
-
-Tegen het schaftuur, of wanneer het te donker werd om verder te
-arbeiden, kwam hij uit den grond te voorschijn, en stiet het slijk
-van zijne klompen. De spade werd in den grond gestoken en het werk
-met aandacht bekeken. Wanneer het gedane werk hem beviel, streek hij
-gewoonlijk met de knuisten door zijn haar, zoodat dit naar alle kanten
-uitstond en een tevreden glimlach lag er om zijnen mond.
-
-Binnenshuis, vooral in gezelschap van vrouwen, was hij zoo zacht
-als een lam; hij liep altijd zoo voorzichtig door de kamers, alsof
-hij vreesde, in geval hij zich in zijne geheele lengte uitrekte,
-het dak van het huis te zullen aanraken.
-
-Terwijl de heeren in het huis van den Lensmand aan het middagmaal
-waren, begon het te regenen, en de droppels vielen zoo gelijkmatig
-neer, dat men er zeker van kon zijn, dat de regen lang zou aanhouden.
-
-Eenige boeren zochten eene schuilplaats in de omliggende huizen of
-schuren, het meerendeel bleef echter in den regen staan. Soms bogen
-zij zich een weinig voorover om het water van hunnen hoed te laten
-afdruipen, maar eigenlijk waren zij er zoo aan gewoon nat te worden,
-dat het hun niet veel kon schelen.
-
-De regen sijpelde door het baai heen, en droop in licht blauw gekleurde
-droppels van hunne wambuizen. Sporen van ongeduld vertoonden zich
-over het lange wachten niet onder de menigte; allen wisten, dat een
-maaltijd op den dag dat er zitting was, iets was, waar de noodige
-tijd voor genomen moest worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-De ambtman zat aan het boveneinde van de tafel, rechts van hem de
-officier van justitie, links de drost, vervolgens naar den ouderdom
-de substituut-officieren, de advocaten, griffiers en klerken, ten
-laatste eenige boeren, namelijk de president van den gemeenteraad en
-een paar andere leden.
-
-De Lensmand zat aan het benedeneinde der tafel.
-
-"Voor vandaag heeft de Lensmand eene keukenmeid uit de stad laten
-komen," zeide de oude advocaat Kahrs, en hij smakte dat het een aard
-had; "het is heel wat anders dan vroeger, toen wij eene pruimensoep
-van welke stroop en kaneel de voornaamste bestanddeelen uitmaakten,
-naar binnen moesten werken."
-
-Deze woorden zeide hij op half fluisterenden toon tot zijnen buurman,
-want men was nog aan het eerste gerecht--eene soort vischpudding
-met kreeftensaus--en de ambtman had tot dusver alleen het woord. De
-roode wijn was heel zuur, maar, daar hij veel alcohol bevatte, was de
-smaak zeer sterk. Brandewijn en bier waren in ruime mate voorhanden,
-en daar de heeren zich dit goed lieten smaken, werd de stemming aan
-tafel spoedig vroolijker.
-
-De tegenwoordigheid van den ambtman veroorzaakte echter, dat alles
-in den aanvang zeer deftig toeging.
-
-Men fluisterde alleen met zijnen buurman; overigens zat men doodstil
-en antwoordde alleen op de vragen, die het den ambtman behaagde aan
-den een of ander te doen. Het was zijne gewoonte een paar woorden tot
-een ieder te richten; bijzonder minzaam was hij jegens de aan tafel
-zittende boeren, daar hij zeer gaarne voor een populair man wilde
-doorgaan. Wanneer het gebraad opgediend werd, bracht hij altijd eenen
-toast op den koning uit, en gewoonlijk volgde, wanneer de gelegenheid
-er zich voor aanbood, een paar andere toasten. Vandaag zou die eer
-ten deel vallen aan een zeer jong jurist, den heer Alfred Bennecken,
-die als kandidaat in de rechtsgeleerdheid in den laatsten tijd was
-werkzaam geweest [4], en binnenkort zou vertrekken.
-
-"Het is mij eene behoefte, meneer Bennecken," zoo ving de ambtman aan,
-"u een hartelijk vaarwel toe te roepen, nu gij op het punt zijt, deze
-streek te verlaten, alwaar gij een paar jaar zoo nuttig werkzaam zijt
-geweest. Onnoodig is het zeker u te zeggen, dat de tijd gedurende
-welken gij met ons samen gewerkt hebt, bij ons steeds in aangename
-herinnering zal blijven, doch daar gij nu eene baan gaat betreden,
-waarop niet alleen meer van uwe krachten zal gevorderd worden, maar
-waar tevens de verantwoordelijkheid ook zwaarder op uwe schouders zal
-rusten, zoo kan ons dit niet anders dan vreugde geven. Al scheidt gij
-van ons, toch blijft dezelfde werkzaamheid ons vereenigen. Ik maak mij
-zeker niet aan indiscretie schuldig, zoo ik aan de heeren meedeel,
-dat gij van plan zijt naar eene plaats bij een der Departementen te
-solliciteeren... waarschijnlijk wel bij dat van uwen geachten vader,
-nietwaar?"
-
-Alfred Bennecken boog beleefd.
-
-"Ik herhaal," dus ging de ambtman voort, "dat dezelfde band ons blijft
-vereenen. Want mijne heeren, hebben wij bij onzen gemeenschappelijken
-arbeid niet hetzelfde doel voor oogen? Is de ambtenaarsstand niet
-gelijk aan een' ring die als een kracht aanbrengende gordel ons volk
-omsluit? Terwijl gij nu, om zoo te zeggen, in dezen ring of ketting
-van plaats gaat verwisselen, zoo nemen wij deze gelegenheid waar,
-u te verzoeken, aan uwen geachten vader onze eerbiedige groeten over
-te brengen, en hem uit onzen naam te vragen aan zijne Majesteit onzen
-geëerbiedigden Koning mede te deelen, dat wij arbeiden,--want dit is
-het eigenlijk, mijne heeren--dat wij arbeiden als zijne trouwe dienaars
-voor het welzijn des volks. En u, meneer Bennecken, wenschen wij toe,
-dat gij, met het voorbeeld van uwen vader voor oogen, evenals hij in
-uwe loopbaan van trap tot trap in rang moogt stijgen, om ten laatste,
-evenals hij zulks nu is, een sieraad van het land te worden, aan
-welks voorspoed hij nu zijne beste krachten wijdt. God zij met u,
-meneer Bennecken!"
-
-"Nu, die toast heeft hem heel wat zweetdroppels gekost," fluisterde
-de advocaat Kahrs zijnen buurman in, want het was eene bekende zaak,
-dat de toasten van den ambtman niet altijd even vlot van stapel liepen.
-
-De rechter, bij wien Alfred Bennecken werkzaam was geweest, bracht
-nu ook een' toast op hem uit, die door humoristische zetten zeer in
-den smaak viel.
-
-Alfred Bennecken beantwoordde beide, zoodat er aan toasten dien dag
-geen gebrek was.
-
-De stemming werd meer en meer levendig aan tafel, totdat eene geweldige
-hoestbui van een der klerken, het was die van den drost, aller aandacht
-trok. De man was het stikken nabij, toen zijn buurman hem zulk een
-geduchten stomp in den rug gaf, dat het brokje vleesch, hetwelk hem
-in de keel zat, losraakte, maar helaas op de tafel terecht kwam.
-
-De ambtman hield zijn servet voor den mond, en de drost bracht
-verontschuldigingen voor zijnen klerk uit, de advocaat Kahrs bekeek
-echter het stuk nauwkeurig, en beweerde, dat het wel een half pond
-zwaar was.
-
-Deze gebeurtenis veroorzaakte, dat de tongen meer en meer los raakten,
-en men de tegenwoordigheid van den ambtman wat begon te vergeten. De
-jonge advocaten begonnen luid met elkaar over tafel te spreken, anders
-iets ongehoords wanneer de ambtman aanwezig was. Deze was zelf een
-weinig uit zijn humeur geraakt; wanneer de een of ander begon te
-hoesten, zag hij verschrikt op, schoof zijnen bril heen en weer,
-en gaf door allerlei bewegingen zijne ontevredenheid te kennen;
-hij verzocht dan ook een paar maal aan den klerk, wien het ongeluk
-overkomen was, vooral zijn vleesch toch aan kleine stukjes te snijden
-en niet te gulzig te eten.
-
-"Blijft ons nog veel werk te doen?" vroeg de ambtman eindelijk aan
-den officier van justitie, wijl het hem ergerde, dat niemand zich
-meer aan zijne tegenwoordigheid scheen te storen.
-
-"Ja, eigenlijk weet ik het niet," antwoordde deze, en hij zette zijn
-glas neer, "staan er nog vele zaken ter behandeling op de lijst,
-Bennecken?"
-
-"O, ja.... heel wat, en eene heel interessante zaak is er onder." Hij
-boog zich voorover en fluisterde den rechter iets in.
-
-"Welke zaak," vroeg de ambtman.
-
-"Eene concubinaire zaak, ambtman, niets minder," antwoordde de rechter
-en hij kneep even zijne kleine grijze oogen toe. Hij was klein en
-gezet, droeg eene pruik en was zeer roodwangig.
-
-"Zou u wellicht de zaak vandaag zelf niet willen in handen
-nemen?" vroeg de kandidaat Bennecken aan den officier van justitie, bij
-wien hij werkzaam was, "de zaak krijgt dan spoediger haar beslag, en
-buitendien kan niemand beter dan gij zulk soort van zaken behandelen."
-
-"Och ja.... doe het vriend, dan krijgen wij nog eens gelegenheid te
-lachen," zeide de drost onvoorzichtig genoeg.
-
-De ambtman kuchte, schraapte zich de keel, streek met de hand
-over den grijsachtigen baard, zette den gouden bril te recht, maar
-niemand sloeg er acht op. Het ging volstrekt niet aan, zulke dingen in
-tegenwoordigheid der boeren te zeggen; hij begon dus met den president
-van den Gemeenteraad een gesprek aan te knoopen en vroeg verlof met
-hem te klinken.
-
-Terwijl eenige advocaten aan het benedeneinde der tafel over eene
-zaak in heet dispuut waren, werd het gesprek aan het boveneinde op
-gedempten toon gevoerd.
-
-"Zijn de aangeklaagden jonge menschen?" vroeg de rechter.
-
-"Neen, de man is niet jong meer, hij is weduwnaar, het was zijne
-dienstmeid, maar de dochter, ziet gij...."
-
-"Ah zoo.... gij meent als getuige...."
-
-"Wat de dienstmeid betreft," viel de advocaat Tofte in, "zij is,
-naar ik hoor, met haar kind naar Amerika getrokken."
-
-"Och dat is hetzelfde, het verhoor met de getuige is juist het
-interessante van de zaak," zeide de advocaat Kahrs lachend, "ik ken
-Christine Vatuemo, zij is een van de knapste meisjes uit de streek."
-
-"Zoo de zaak spoediger van de hand gaat, zoo u die zelf leidt, verzoek
-ik zulks te doen," zeide de ambtman, en hij deed, of hij het laatste
-gedeelte van het gesprek niet had gehoord.
-
-"Gaarne ben ik hiertoe bereid, wanneer de ambtman mij zulks
-beveelt...." antwoordde de officier van justitie.
-
-"Neen, neen.... van bevelen kan geen sprake zijn.... ik meende alleen,
-dat het zeer aangenaam zou zijn, wanneer wij, het is zoo'n hondeweer,
-wat vroeg naar de stad konden terugkeeren."
-
-De rechter kneep weer even zijne oogen toe, en er werd besloten,
-dat hij de zitting van den namiddag zou presideeren.
-
-Onder het dessert, dat uit een echt nationaal gerecht bestond, eene
-soort vla van vruchtensap, werd er sherry geschonken: de gezichten
-der meeste heeren begonnen er uit te zien, alsof zij in het schijnsel
-van de ondergaande zon zaten.
-
-De advocaat Kahrs beweerde, dat de klerk van den drost werkelijk een
-onbeschaamde kerel was, wijl hij het waagde, na zulk een ernstig
-"memento mori" als het brokje vleesch, drie groote porties van
-het dessert te verorberen. Er werd tot het laatst toe luid gepraat,
-gelachen en gedronken, de boeren alleen volhardden in hun stilzwijgen,
-en eenigszins wantrouwend zetten zij nu en dan het glas aan den mond.
-
-Juist toen het leven aan tafel het grootst was, tikte de ambtman met
-zijn mes tegen zijn glas, tot teeken dat de maaltijd als geëindigd
-was te beschouwen. De boeren op straat bemerkten, dat het maal was
-afgeloopen, aan de vele roode gezichten, die zich voor de ramen en
-in de deur vertoonden: in dat vervl..... regenweer, kon men geen
-voet buiten zetten. De eetzaal werd, nadat de heeren koffie hadden
-gedronken, weer tot gerechtszaal ingericht, en met alle plechtigheid
-hervatte men den arbeid. De officier van justitie, die zou presideeren,
-zag er in de rechtszaal op zijn best uit. Het welgevormde hoofd,
-voorzien van eene witte pruik, gaf hem iets, dat eerbied inboezemde,
-en zijne scherpe licht-grijze oogen wierpen die doorborende blikken
-op aangeklaagden en getuigen, waardoor niemand beter dan hij het
-verstond tot bekentenissen uit te lokken, welke, zoo een ander
-rechter had ondervraagd, misschien aan den mond niet ontglipt zouden
-zijn. Hij stond dan ook als een knap rechter bekend. Hij toch wist
-zoo de beteekenis van een woord te draaien of wel te verklaren, dat
-het hem, volgens zijne eigene bewering, altijd gelukte, de waarheid
-uit de lui te halen.
-
-Vandaag ging alles bijzonder vlug toe, toch zorgde hij er voor,
-dat de waardigheid der rechters er niet onder leed. Eene menigte
-civiele zaken werden spoedig afgedaan, want alle advocaten wisten,
-dat het er om te doen was, zoo spoedig mogelijk aan de "cause célèbre"
-te komen. In stilte verheugde men er zich reeds over, men stootte
-elkander aan, en wierp elkander geheimzinnige blikken toe. Van
-lange pleitredenen kon er dus ook geen sprake zijn, de eene zaak na
-de andere werd tot latere beslissing verschoven. Alleen de advocaat
-Kruse, die niet zeer hoog timmerde, scheen maar geen haast te hebben:
-hij dicteerde het eene protocol na het andere. De advocaat Kahrs trok
-hem bij zijn jas, en Alfred Bennecken, die de protocollen schreef,
-gaf hem door allerlei teekenen te kennen, dat hij korter moest zijn,
-niets hielp; zelfs liet hij zich in zijn werk niet storen, toen de
-president-rechter door luid den neus te snuiten, en ongeduldig op
-zijnen stoel heen en weer te schuiven, hem wilde te kennen geven,
-dat het tijd was met het dicteeren op te houden. Eindelijk was
-Kruse klaar, en kwam de concubinaire zaak aan de beurt. De voor-
-en achterdeur van het huis stonden beide wijd open, in de gang was
-het even vol als in de gerechtszaal, waar het publiek zeer dicht op
-elkaar gepakt stond. Eenigen moesten er zich dus mee vergenoegen op
-straat een heenkomen te zoeken.
-
-De doornatte baaien wambuizen begonnen nu in de warme lucht een
-onaangenamen geur te verspreiden; in de zaal was het benauwd warm,
-en de regendruppels kletterden eentonig tegen de ruiten. In de gang
-stond in het dichtste gedrang de man met de leepoogen. Van hetgeen in
-de zaal plaats had, kon hij, daar hij klein van gestalte was, niets
-zien; met gespannen oplettendheid luisterde hij naar elk woord dat
-gezegd werd, en begreep er geen zier van. Toen de president-rechter
-den naam van den aangeklaagde vernam, zeide hij: "Njaedel.... wat is
-dat voor een barbaarsche naam."
-
-"Het is hetzelfde als Nils," verklaarde Tofte, die altijd heel
-dienstvaardig was, "daar verder op in de bergen, zegt het volk Njaedel,
-in plaats van Nils."
-
-"Zoo.... maar wij zijn nu niet daar, maar hier, aldus heet de man
-Nils,--hoe meer?"
-
-"Vatuemo."
-
-"Vatuemo," vroeg de president-rechter ongeduldig.
-
-"Op de kaart van het district staat "Vandmo," viel Tofte weer in.
-
-"Natuurlijk, aldus heet hij, slechtweg Nils Vandmo; provincialismen
-kunnen wij in de protocollen niet neêrschrijven."
-
-Toen hij deze woorden had gezegd, zag hij met gestrengen blik de
-zaal rond, eerst naar de zijde waar het volk stond, dan naar die,
-waar de ambtman zich bevond, en deze knikte hem goedkeurend toe.
-
-Njaedel was intusschen voor de balie gekomen. In voorovergebogen
-houding stond hij daar; nu en dan wreef hij met de mouw van zijn
-wambuis langs het voorhoofd om de dikke zweetdruppels, die er op
-parelden, af te wisschen en krampachtig bewoog hij den mond.
-
-De rechter zag hem doordringend aan, om te zien welke methode van
-ondervraging hij zou gebruiken. Op snijdenden toon, zoodat de woorden
-schielijk op elkander volgden, zeide hij: "O, gij zijt dus de man,
-die door je schandelijken levenswandel met je dienstmeid in de gemeente
-zulk een ergernis wekt... wie is de aanklager?"
-
-"De pachter Sören Börevig."
-
-"Hoort gij dat?... de pachter... schaam jij je niet... En zoo heb
-je de meid en het kind naar Amerika gezonden hé.... je ziet dat we
-met je knepen bekend zijn. Je dacht wel van de heele zaak af te zijn,
-maar neen, zoo gemakkelijk gaat dit niet--of misschien loochen je wel,
-dat het zoo is, hé?"
-
-Njaedel trachtte eenige woorden uit te brengen, maar het was hem
-onmogelijk; eindelijk gelukte het hem, en hij zeide: "ik loochen
-het niet."
-
-Op dit antwoord had de rechter zich niet voorbereid, doch, daar hij
-aan verrassingen gewoon was, herstelde hij zich spoedig en zeide:
-
-"Dat is ook maar het beste, maar het is niet genoeg. De zaak moet
-nauwkeurig onderzocht, en getuigen moeten gehoord worden. Waar is
-je dochter?"
-
-"Zij is vertrokken," antwoordde Njaedel.
-
-"Vertrokken... zij ook... en waar naar toe?" riep de president-rechter
-uit, en hij spalkte zijne oogen zoo wijd mogelijk open; de kandidaat
-was niet minder verwonderd, de pen viel hem zelfs uit de hand, en
-al de advocaten spitsten evenals dashonden hunne ooren; de ambtman
-zelfs, die op de sofa naast den haard zat, zag uit het wetboek op,
-waarin hij schijnbaar had zitten te studeeren.
-
-"Naar Christiania.... gisteren is zij vertrokken' zeide Njaedel.
-
-"Het is alsof de duivel er de hand.... hm...." en vuurrood van toorn
-sprong de rechter van zijnen stoel op en zag hij Njaedel aan. Zelden
-gebeurde het hem, dat hij zich zoo vergat, en bij eene zitting vloekte,
-in het eerste oogenblik was hij zijne drift evenwel niet langer meester
-geweest. In de heftigste bewoordingen, (doch niet geheel vergetende
-waar hij zich bevond), sprak hij Njaedel aan, en gaf hem duidelijk
-te kennen, dat hij op een streng vonnis kon rekenen. De rechters
-legden onverholen hun misnoegen aan den dag, en toen Njaedel zich
-gereed maakte de zaal te verlaten, gingen al de toehoorders zooveel
-mogelijk voor hem uit den weg, alsof hij een pestzieke was.
-
-Het was dus werkelijk eene groote misrekening. De vroolijke stemming,
-waarin de maaltijd de heeren gebracht had, was hun bijgebleven,
-wijl zij het vooruitzicht hadden gehad, dat eene pikante zaak vóór
-zou komen, maar nu was alle opgeruimdheid op eens verdwenen. Het
-was bijna onmogelijk langer in dat bedompte schemerachtig verlichte
-vertrek te blijven, welks vloer van al de vuile laarzen vreeselijk
-glibberig was en waar de regen voortdurend tegen de ruiten kletterde.
-
-De ambtman zag op zijn horloge, stond op, en na aan een der klerken
-een wenk te hebben gegeven, verdween hij met deze in de kamer naast de
-zaal. Men hoorde er een hevig gestommel met koffers, een bewijs dus,
-dat hij aan vertrekken dacht.
-
-De president-rechter was zijnen toorn nog niet meester en ieder,
-vriend en vijand, moest het dus ontgelden. Alle andere zaken werden
-met den stormpas afgehandeld, en wee dengene, die het waagde hem op
-te houden. Zijn horloge legde hij voor zich op de tafel en telkens
-hield hij zich op de hoogte van de klok.
-
-De advocaat Kruse, die voor geene verbetering vatbaar scheen, begon
-weer het protocol te dicteeren.
-
-Ongeduldig schoof de president echter heen en weer op zijnen stoel. "Ik
-ben zoo vrij u opmerkzaam te maken, meneer Kruse, dat er ook voor
-het opmaken van een protocol eene grens bestaat."
-
-Kruse trok heel bedaard zijn horloge uit zijn vestzakje en zeide:
-"ik heb den daartoe bestemden tijd nog niet overschreden."
-
-"Mogelijk, maar het is niet meer dan passend, dat men ook eenigermate
-denkt aan de belangen...."
-
-"Ik heb alleen op de belangen van mijn cliënt acht te geven,"
-antwoordde Kruse, en hij ging voort met dicteeren.
-
-"De volgende zaak," riep de rechter, toen Kruse eindelijk klaar was.
-
-De man met de leepoogen, die nog altijd op dezelfde plaats in den
-gang stond, sprong verschrikt op.
-
-Zijne zaak zou voorkomen, hij had zijnen naam hooren noemen.
-
-"Nu," riep de rechter op boozen toon uit. "Wie heeft de zaak in
-handen?"
-
-"Advocaat Bogesen," luidde het antwoord.
-
-"Maar Bogesen woont het Thing niet bij.... wie is zijn
-plaatsvervanger.... wie?"
-
-De advocaat Kahrs, die volstrekt geen acht had geslagen op hetgeen
-er voorviel en die met een vriend aan het raam had staan praten,
-liep nu ijlings naar de tafel.
-
-"Welke zaak is voor, Kruse?" fluisterde hij dezen toe.
-
-"Ik zal het even op de lijst nazien," antwoordde deze zeer luid.
-
-"Uilskuiken!" mompelde Kahrs bij zich zelf, hij draaide zich echter
-dadelijk eerbiedig naar den president toe, en dicteerde: "voor den
-aanklager treedt de advocaat Bogesen op, die door den advocaat Kahrs
-vervangen wordt, welke verzoekt de zaak tot het volgende Thing te
-mogen uitstellen."
-
-"En waarom?" vroeg de president op eenigszins scherpen toon.
-
-"Wegens een getuigenverhoor," dicteerde Kahrs verder.
-
-"Waar zal dat getuigenverhoor plaats hebben," vroeg hij op boosaardigen
-toon, want hij begreep heel goed, dat Kahrs volstrekt niet wist,
-waarover de zaak handelde
-
-"In het Röedal," antwoordde Kahrs zonder een oogenblik te aarzelen op
-onverstoorbaar ernstigen toon. De welluidende stem en de ernstige,
-waardige houding van den advocaat Kahrs hadden altijd eene goede
-uitwerking.
-
-De president kon niet nalaten even vertrouwelijk tegen hem te knipoogen
-en een paar der klerken hadden groote moeite hunnen lachlust te
-bedwingen, doch Kahrs, die met het gezicht naar de menigte toe stond,
-behield dezelfde ernstige plooi in zijn gelaat, totdat uitstel van de
-zaak toegestaan werd. De advocaat Tofte, die voor de belangen van den
-paardenopkooper zou pleiten, had er toch genoegen mee genomen. Kahrs
-boog zeer eerbiedig voor den rechter en verdween in de menigte.
-
-"De volgende zaak," riep de president.
-
-"Er zijn er geen meer."
-
-"Goddank!" Het horloge werd nu in het vestzakje gestoken en hij zei
-tot een der klerken: "vraag den ambtman of wij kunnen laten inspannen."
-
-De zitting werd opgeheven, de protocollen geteekend, en voor dat de
-toehoorders recht hadden begrepen, dat het gedaan was, stonden alle
-rechtsgeleerden, die het Thing gehouden hadden reeds klaar, om weg
-te gaan.
-
-De advocaten stoven naar buiten, terwijl de klerken voor de dikke
-protocollen zorg droegen om ze zoo spoedig mogelijk ingepakt te
-krijgen.
-
-De man met de leepoogen volgde den stroom van menschen, die door
-de achterdeur naar buiten gingen; hij begreep volstrekt niet, hoe
-het eigenlijk met zijne zaak stond. Eindelijk ontfermde zich een
-der omstanders over hem door hem mede te deelen, dat zijne zaak
-verdaagd was.
-
-"Verdaagd," mompelde hij, en nog begreep hij niet recht, hoe het
-was. Tusschen de karren door baande hij zich een weg, hoe wist hij
-zelf niet; het kwam hem voor alsof alles donker om hem heen was,
-eindelijk bereikte hij zijn karretje, klom er in en werktuigelijk
-sloeg hij den weg naar huis in.
-
-De groote calèche stond vóór de deur van den Lensmand. De meeste
-heeren zaten reeds in de kleine boerenkarren, die in lange rijen er
-achter stonden. Tofte alleen was nog druk bezig met afscheid nemen;
-wanneer hij een paar boeren zag, met wie hij de kennis wenschte aan
-te houden, was hij bijzonder vriendelijk en hartelijk en had een
-schertsend woord ten beste.
-
-Vóór het karretje, waar Kahrs in zat, was een vrij wild paard
-gespannen, en het kostte hem heel wat moeite het dier stil te doen
-staan. Hij vloekte dan ook, dat de ambtman zoo lang op zich liet
-wachten. Weg te rijden, neen, dat waagde hij niet, want hij wist dat
-de ambtman hem dit hoogst kwalijk zou nemen.
-
-Ondertusschen praatte deze dood op zijn gemak met de vrouw van den
-Lensmand, en hij keek nu en dan eens door het raam, om te zien,
-hoe ver men met de toebereidselen voor de reis was gekomen. Hij had
-als regel aangenomen nooit buiten te komen, vóór alles klaar was,
-en hij hield er van, een weinig op zich te laten wachten.
-
-Eindelijk stapte hij in, de wagen rolde weg en de boerenkarren volgden.
-
-"Och ja," zeide de ambtman, en hij dook zoo gemakkelijk mogelijk weg
-in het hoekje van den wagen, "wanneer ik het volk, zooals b.v. vandaag
-ook het geval weer was, zoo eerbiedig voor zijne overheidspersonen
-zie staan, denk ik altijd: och, zij kunnen schreeuwen, zoo luid als
-zij willen die socialisten van den tegenwoordigen tijd, het zal hun
-toch niet gelukken dat oude overgeërfde ontzag, dat het volk voor de
-overheid koestert, weg te nemen; ons volk is hiervoor te loyaal.... te
-godsdienstig."
-
-"En te traag," voegde de officier van justitie er bij.
-
-"Nu ja.... gedeeltelijk kunt gij hierin gelijk hebben," antwoordde de
-ambtman, en hij leunde nog wat meer naar achteren, om een middagslaapje
-te kunnen houden.
-
-De wagens waren reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen de menigte
-nog op den weg verzameld stond, en allen hadden veel te vragen. De
-rechters waren zoo hals over kop weggereisd en waren zoo moeielijk
-te genaken geweest, dat velen onverrichter zake naar huis moesten
-terugkeeren. Door geen enkel woord gaf men echter zijn misnoegen te
-kennen; hier en daar ontmoette men een knorrig gezicht, of zag men den
-een of ander ontevreden het hoofd schudden; misschien was het maar
-goed voor den ambtman, dat hij onbekend bleef met de gedachten der
-lieden--hij zou misschien zijn middagslaapje dan niet zoo ongestoord
-hebben kunnen genieten.
-
-De avond was nu gevallen, een koude regenachtige avond. In het westen
-vertoonde zich aan den horizon eene smalle roodachtige streep. Voor
-de stoep van het huis, waar de Lensmand woonde, stond de keukenmeid
-met hare helpsters om de heeren te zien wegrijden. Rood en warm
-zagen zij er uit; na al de drukte van den geheelen dag was het niet
-te verwonderen, dat zij naar het vertrek des rechters hadden gesnakt
-om gelegenheid te hebben wat frissche lucht te scheppen.
-
-Men verstrooide zich nu naar alle richtingen, sommigen alleen, anderen
-in gezelschap van een paar makkers, allen echter met de handen in
-de broekzakken. Nat en moede van zoo den geheelen dag in den regen
-te hebben moeten drentelen en wachten, sleepten zij zich op den weg
-voort naar huis.
-
-De opperloods reed in zuidelijke richting, en daar hij een flink
-paard had, haalde hij de meesten in. Na een poosje zag hij Njaedel
-te voet naar huis gaan.
-
-"Klim achter op, Njaedel!" Het aanbod werd aangenomen, en men reed
-verder.
-
-Een oogenblik later haalden zij een karretje in, dat zeer langzaam
-voortrolde.
-
-"Haal uit!" schreeuwde de opperloods.
-
-Het duurde vrij lang, eer het karretje wat op zij was en de andere
-wagen voorbij kon komen.
-
-De leepoogige man zat in het karretje. Hij had geen haast, een lange
-weg lag vóór hem en hij bracht geen vroolijk bericht naar huis. De oude
-bruine merrie, die vóór de kar was gespannen ging op een sukkeldrafje;
-bruinvaal was zij van ouderdom en ruigharig als eene geit. De man zag
-zijn bruintje aan, en dacht aan zijn Isabella; hoe dichter hij bij
-huis kwam, des te beklemder werd zijn gemoed. Hij wist toch te goed,
-hoe zijne vrouw en kinderen in de zekere verwachting leefden, dat hij
-van avond het beest meê naar huis zou brengen. Zijn oudste jongen had
-reeds bij voorbaat eenen halster in de kar gelegd om er het paard meê
-achteraan te binden. Hij zag ze reeds allen daar op de hoogte vóór
-zijn huisje op den uitkijk staan. Zij zouden dan in allen geval reeds
-op verren afstand zien, dat hij het verloren paard niet terugbracht,
-maar natuurlijk zouden zij dan meenen, dat hij de zakken vol geld had.
-
-Hij keek in de kar.... ja, daar lag de halster. Hoe zou hij ze aan het
-verstand kunnen brengen, dat de zaak "verdaagd" was. Het oude bruine
-paard was zoo nat als een kat, en hij dacht maar voortdurend aan de
-mooie manen van de Isabella en hoe rond en fijn van leden die was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-Toen de kar vóór de hoeve van Njaedel stilhield, ging de opperloods
-meê naar binnen. Het huis was als uitgestorven; alle deuren stonden
-wijd open en de kat liep mauwende rond.
-
-Zonder een woord te zeggen, ging Njaedel dadelijk naar de etenskast
-en zette, doch het ging zeer langzaam, het eten op de tafel. De
-opperloods was dadelijk gaan zitten en hij volgde hem met de oogen;
-hij zag, hoe onbeholpen dit werk Njaedel afging en zeide dan ook:
-"Hoor Njaedel, ik denk, dat je wel genoodzaakt zult zijn naar eene
-andere dienstmeid uit te zien."
-
-"Neen!" riep Njaedel, en hij stampvoette zóó, dat de vloer dreunde.
-
-"Nu, nu.... eet mij niet op," antwoordde de opperloods.
-
-Toen zij aan 't eten waren, verzocht Njaedel hem eenen brief
-aan Christina te schrijven, maar daar er bij hem aan huis geen
-schrijfgereedschap was, kwam men overeen, dat zijn buurman den brief
-t'huis zou schrijven; hij kon dien dan later aan Njaedel voorlezen.
-
-"Maar wat moet ik in den brief schrijven?"
-
-"Geen woord over van daag," antwoordde Njaedel.
-
-"Neen, neen, waar zou dat ook toe dienen... maar..."
-
-"Schrijf haar, dat zij niet boos op mij moet zijn en dat zij zich ook
-niet bezorgd om mij moet maken.... dat ik het heel goed heb.... heel
-goed zelfs.... dat mij niets ontbreekt."
-
-"Dat je je heel goed alleen kunt redden en je haar volstrekt niet
-mist...."
-
-"Och ongelukkig genoeg mis ik haar zeer.... dat moet je haar schrijven
-hoor," zeide Njaedel en hij schoof op zijnen stoel heen en weer.
-
-"Maar als zij leest, dat je haar zoo mist, dan heeft zij geen rust
-meer, en...."
-
-"Ja.... dan moogt gij er niets van inden brief zetten," zeide Njaedel
-op gejaagden toon.
-
-"Schrijf.... maar dat moet je zelf toch wel het best weten, buurman,
-die schrijven hebt geleerd. Schrijf vooral zoo, dat Christina er
-vroolijk door wordt.... hoe ik het heb, komt er niet op aan."
-
-"Zou je het niet goed vinden, als ik ook eenen brief aan je broer
-schreef?"
-
-"Zeker, buurman, en vraag hem vooral voor Christine vriendelijk
-te willen zijn. Betaling kan hij voor haar krijgen, zoo hij het
-wil hebben."
-
-"Hij zal zeker kostgeld voor haar nemen."
-
-"Anders zit er warmpjes in," antwoordde Njaedel. "Dat is me een kerel,
-die het ver in de wereld heeft gebracht. Ja mijne moeder wist het wel;
-jij Njaedel, zei ze altijd, je bent een groote slungel, zoo stijf
-als een stokvisch, maar Anders is fijn en glad als een aal."
-
-"Waarom nam hij na den dood van je vader de boerderij niet over,
-hij was toch de oudste?"
-
-"Met alle geweld wilde hij, dat ik die overnemen zou."
-
-"Hij wist drommels goed, waarom hij zulks deed--hij liet jou met den
-vervallen boel zitten en trok zelf met zijn geld de wijde wereld in."
-
-"Zoo moogt ge niet over Anders spreken, hoor," antwoordde Njaedel,
-"hij was altijd zulk een flinke jongen. Het komt mij voor, alsof
-het gisteren gebeurd was, dat wij voor moeder heidekruid gingen
-plukken. Anders wist de mand zoo vol te pakken, dat er geen sprietje
-meer in kon."
-
-"Maar jij droegt ze naar huis, hé?"
-
-"Wat?.. ja dat sprak van zelf, ik was van ons beiden de sterkste."
-
-"Maar wat doet hij eigenlijk voor den kost.., die Anders," vroeg
-de opperloods.
-
-"Hij is werkzaam aan iets heel voornaams, maar hoe dat eigenlijk heet,
-schiet mij niet te binnen."
-
-Njaedel ging naar de kast toe, om naar een ouden brief van zijn broer
-te zoeken.
-
-De klink van de achterdeur werd zachtjes opgelicht en men hoorde
-iemand door de keuken gaan. Het was er reeds tamelijk donker door
-het regenachtige weder; in het Noordwesten alleen was er aan den
-horizon eene lichte streep te zien, die een geelrood schijnsel in de
-kamer wierp.
-
-Zoodra Njaedel zag, dat het Sören Börevig was, die binnenkwam, sloeg
-hij de deur van de kast toe, en zeide ruw: "Gij komt zeker eens kijken,
-of ik alleen in huis ben. Ja zie nu de bedden goed na.... misschien
-kunt gij nog wat ontdekken, dat ergernis wekt.... gij...."
-
-"Het recht moet zijn loop hebben," antwoordde Sören op zachtmoedigen
-toon, "en dringend vermaan ik je.... Njaedel...."
-
-"Wat komt gij doen?" viel hem de ander in de rede.
-
-Sören waagde niet te beweren, dat hij, ofschoon hij pachter van den
-predikant was, alleen was gekomen om hem te vermanen; tegen zijne
-gewoonte begon hij dus zonder omwegen, "ik heb met den advocaat
-Tofte gesproken."
-
-"Over het wier aan het strand?"
-
-"Ja, daar praatten wij ook wat over. Hij meende, de advocaat.... dat
-het maar zoo niet aanging, dat ik het wier, dat ik noodig heb, daar
-niet van daan kon halen,.... dat kon.... dat kon...."
-
-"Misschien ergernis verwekken," merkte de opperloods droogjes aan,
-terwijl hij bij den haard zijn pijpje aanstak.
-
-"Neen, dat meende hij nu juist niet, maar hij vond, dat het te
-betwijfelen viel of die sloot...."
-
-"Ik heb mijn bewijs van eigendom," zeide Njaedel.
-
-"Ja, ja, dat hebt gij...." en Sören ging weer naar de deur.... "ik
-kwam hier maar even binnen loopen, om te zeggen, dat wij dan wel
-moeten beginnen."
-
-"Beginnen?" vroeg de opperloods.
-
-"Ja.... met het proces."
-
-"Proces!" riep de opperloods en hij kwam dichter bij "bedenk je
-tweemaal Njaedel, vóór je daarmee aanvangt. Ik ken er, die voor
-geringer zaak dan deze, huis en hof verloren hebben, alleen door dat
-ongelukkige procedeeren. Meer dan één eerlijke kerel ligt eenige voeten
-diep in de aarde.... en de advocaat Tofte was aan dien vroegtijdigen
-dood schuld."
-
-"Gij moet zoo niet over uwen naaste spreken, opperloods, want de
-advocaat meende ook, dat het een lang en kostbaar proces kon worden."
-
-"Ik graaf mijne sloot en daarmee uit," zeide Njaedel.
-
-"Dat zult gij wel laten Njaedel, wanneer de drost hier geweest is en
-hij het verbiedt."
-
-"Het mij verbiedt?"
-
-"Ja, ziet gij," antwoordde Sören, "want gij moet dan met graven
-wachten, totdat er uitspraak in de zaak is gedaan."
-
-Njaedel ging heen en weer in het vertrek, zette eenen stoel wat te
-recht en zag besluiteloos den opperloods aan, doch eindelijk kwam hij
-weer tot de hoofdzaak terug en zeide op vasten toon, terwijl hij de
-eene hand tegen de andere sloeg: "ik heb mijn koopcontract van den
-Bisschop te Kristiansand."
-
-"Gij kondt den bisschop wel eens vragen, hoe het eigenlijk met dat
-wier aan het strand geschapen is," zeide Sören op zoetsappigen toon
-en hij keek hem van ter zijde aan.
-
-"Ja,--daar zegt gij wat Sören," mompelde de opperloods, "het zou dan
-niet op zoo groote onkosten loopen."
-
-"Of misschien zouden wij nog beter doen, het aan den koning te vragen,"
-zei Sören schijnbaar los weg en hij keek door het raam.
-
-"Ja, de koning staat toch boven den bisschop," zeide Njaedel, "maar
-zou hij er ons op antwoorden?"
-
-"Wanneer wij de zaak bij het Departement indienden, en de
-beslissing...."
-
-"Waar zegt gij?"
-
-"Bij het Departement," antwoordde Sören, die goed op de hoogte scheen
-te zijn.
-
-"Buurman," zeide Njaedel tot Sechus.... "daar is Anders werkzaam,
-dat woord wou mij maar niet te binnen schieten.... Maar hoort de
-koning dan van de zaak?"
-
-"Ja," verklaarde Sechus, "dat is de weg naar den koning." Njaedel
-dacht een oogenblik na.
-
-Dit voorstel viel meer in zijnen smaak, dan een proces. Buitendien was
-Anders daar werkzaam en op deze wijze kon de zaak in eens afgedaan
-worden; het was toch zonneklaar, dat hij in het gelijk zou gesteld
-worden.
-
-Sören hield zich in het begin alsof hij liever procedeeren wilde,
-maar meegaande van karakter als hij was, liet hij zich bepraten;
-ten laatste nam hij zelfs op zich te zorgen, dat het stuk naar den
-vorm opgesteld en ingezonden werd.
-
-"Maar den advocaat Tofte moet gij betalen, Njaedel."
-
-"Gij hebt den twist aangevangen, Sören."
-
-"Ja, maar zoo gij de sloot niet waart gaan graven....."
-
-Den opperloods gelukte het de partijen over te halen, de kosten samen
-te betalen, en Sören Börevig vertrok. Het was nu vrij laat geworden,
-en Sechus haastte zich naar huis te gaan. Toen hij weg was, ging
-Njaedel naar den koestal. De koeien--hij had er zes--loeiden en
-waren onrustig, zij hadden den geheelen dag niets te eten gehad en
-waren niet gemolken. Njaedel begon nu aan dit voor hem ongewone werk,
-en bracht het er heel slecht af.
-
-De dieren kenden hem niet, en hij ging zoo links en ruw te werk, dat
-zij niet stil wilden staan, en de emmers telkens omver gooiden. Njaedel
-bromde bij zich zelf, totdat hij eindelijk met het werk gereed
-kwam. Het was twaalf uur, toen hij weer buiten vóór de boerderij
-stond. In zijne volle lengte strekte hij zich uit, hij was doodaf
-van het neerhurken in den stal. De zee lag vóór hem. De lucht was wat
-opgeklaard en hij kon duidelijk de donkere streep, waar de sloot zich
-bevond, onderscheiden.
-
-Hij verheugde er zich reeds op met een goed geweten weer aan den arbeid
-te kunnen gaan. Spoedig zou er toch wel antwoord van den koning komen,
-zoovele stoombooten voeren toch dagelijks de kust voorbij, en dat
-hij gelijk zou krijgen, hieraan twijfelde hij geen oogenblik. Bij
-voorbaat verkneukelde hij zich reeds in de misrekening, welke Sören
-Börevig maakte en reeds begon hij na te rekenen, hoevele dagen zouden
-moeten verloopen eer er antwoord kon komen.
-
-Toen hij weer naar binnen ging, moest hij nog de melk in de vaten
-gieten en uiterst langzaam ging het hem af. Hiermede gereed zijnde,
-ging hij naar boven; opende de deur van Christina's kamertje, en zag
-in het half donker, dat er heerschte, rond. Hij draaide den sleutel
-om en stak dien in den zak. Toen hij weer naar beneden ging, en de
-trap onder zijne zware voetstappen zoo kraakte, dat dit geluid alleen
-de doodsche stilte in het huis verbrak, schoten hem de woorden van
-Sören Börevig te binnen, dat het recht zijnen loop moest hebben.
-
-Lang was hij te bed zonder in slaap te kunnen komen. Zijn hoofd had
-vandaag te veel werk gehad en zijne ledematen te weinig. Hij miste
-dat vermoeide in armen en beenen, hetwelk hij anders altijd voelde,
-wanneer hij zich op zijn bed uitstrekte; hij begon integendeel aan
-allerlei vreemde zaken te denken; hetgeen anders volstrekt niet zijne
-gewoonte was. En Njaedel, die anders onder het zwaarste onweer door
-bleef werken, werd nu telkens in zijnen slaap door de kat gestoord,
-die in de keuken of wel voor Christina's kamer mauwde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Wanneer een stroom tegen eene vooruitstekende punt lands stoot,
-stroomt het water deze voorbij, doch keert op zijnen weg terug,
-wanneer hij de bocht achter die kaap met eenen kleinen maalstroom heeft
-gevuld. Komt een stukje hout met den stroom meedrijven, zoo geraakt
-het in dezen maalstroom; het draait in de bocht rond, en komt weer
-bij de kaap, waar het echter door den stroom wordt teruggedrongen,
-zonder er door te worden medegesleept, om weder in dien maalstroom
-tot in het oneindige rond te draaien. Een zoodanigen cirkelgang van
-eenen stroom noemt men in het Noorsch: Evje of Bagevje.
-
-De tallooze Evjer, die door den stroom des levens gevormd worden, zijn
-gedeeltelijk zoo klein, dat er voor een enkelen persoon slechts plaats
-in is, gedeeltelijk zijn zij zoo uitgestrekt, dat geheele familiën,
-ja zelfs geheele partijen, er plaats in kunnen vinden; ja men kent
-zelfs Bagevjer op historisch gebied, in welke een geheel volk om zich
-zelf steeds heeft gedraaid, wel gedrukt, maar niet medegesleept door
-den tijdstroom.
-
-Ook het maatschappelijke leven van een land heeft zijne Bagevjer,
-en in Noorwegen noemt men de groote staats-Evjer, Departementen. Het
-zijn geweldige massa's langzaam ronddraaiend papier, die evenals een
-maalstroom, om eene diepe opening langzaam ronddraaien; niets bevindt
-zich daar, maar alles wordt er in getrokken, draait er een poosje rond,
-verdwijnt en laat geen enkel spoor achter.
-
-
-
-De kamerheer Delphin legde zijne pen neder, schonk zijn glas weer vol,
-ledigde het in eenen teug, en bekeek zich ondertusschen in den vóór
-hem hangenden spiegel. Het was laat in den nacht. Hij zat in zijne
-hemdsmouwen met witte das en laag uitgesneden vest, want hij was
-zeer warm.
-
-George Delphin was juist van een bal teruggekeerd en in zijne voor een
-vrijgezel comfortabel ingerichte woning, op den Wergelandsweg, rookte
-hij nu eene sigaar. Het was zijne gewoonte tot laat in den nacht op te
-zitten--inzonderheid wanneer hij eene partij had bijgewoond--en wanneer
-hij zich dan niet aan zijne piano plaatste, schreef hij soms het een
-of ander artikel. Des morgens voelde hij zich dan altijd alles behalve
-frisch, en gebruikte dan steeds eene groote hoeveelheid water uit- en
-inwendig; maar wanneer hij later in zijn fraai gemeubileerd woonvertrek
-kwam, waar juffrouw Börresen het ontbijt voor hem had klaar gezet,
-zag hij er uit als de type van een elegant jong mensch. Hij was dan
-ook eerst zeven of acht en dertig jaar oud; soms zag hij er evenwel
-ouder uit, en dit kwam, wijl zijn fraai lokkig haar wat begon uit
-te vallen. Na zijn ontbijt gebruikt en de kranten te hebben gelezen,
-maakte hij zich gereed naar zijn Departement te gaan. Eerst echter ging
-hij altijd naar de schrijftafel om te zien, wat hij eigenlijk in den
-nacht had geschreven, en dikwijls was het einde, dat hij het beschreven
-papier in kleine stukjes scheurde, die in den hoek bij de kachel eene
-plaats vonden tot groote ergernis van de nette huishoudster.
-
-Het was een fraaie herfstmorgen. Het slotpark vertoonde zich in al
-zijne pracht, het bont gekleurd gebladerte stak schoon af tegen het
-overige nog groene loof. De rijm, die gedurende den nacht was ontstaan,
-lag als dauwdruppels over het gras. De afgevallen bladeren en de
-zwanevederen, die in de vijvers gevallen waren, geleken op vloten, die
-op een gunstigen wind wachtten, om uit te zeilen, en de temperatuur was
-zoo zoel, dat de wandelaars in het park onwillekeurig even stil bleven
-staan om de heerlijke lucht in te ademen. Een onbepaald verlangen naar
-iets, waaraan zij zelf geenen naam konden geven, maakte zich van hen
-meester. Met de hand voor de oogen, om zich tegen de zonnestralen te
-beschutten, tuurden zij naar de golf en naar de lange rij van heuvels,
-die zich Zuidwaarts uitstrekten. De betooverende aanblik, welke het
-landschap aanbood, werd nog vermeerderd, wijl de zonneschijn als een
-verblindend witte doch ondoordringbare sluier, een geheimzinnig waas
-over het geheel wierp.
-
-Toen de kamerheer door het park in de straat kwam begon het groeten,
-want hij kende de geheele stad. Lange oefening had het hem mogelijk
-gekost geenen groet ongemerkt te laten voorbijgaan. Aan de paarden wist
-hij dadelijk, aan wie de rijtuigen behoorden, en hij kon zijnen groet
-dus gereed houden. Oude of jonggetrouwde dames, die niet konden of
-wilden uitgaan en die door de ramen naar de voorbijgangers zagen,
-konden er op rekenen, dat de kamerheer niet zou vergeten, haar te
-groeten: hij wist al te goed, hoezeer zij hierop waren gesteld;
-terzelfder tijd kon hij echter ook het oog houden op de beide
-trottoirs, of iemand daar ook den hoed voor hem afnam, ja, zelfs den
-heeren, die op het achterbalkon van den tram stonden, werd in het
-voorbijgaan een groet toegeworpen.
-
-Hij was dan ook een van de meest geziene personen in het "high life"
-van de hoofdstad, ofschoon hij misschien meer gevreesd dan bemind
-werd, want hij had eene scherpe tong en was van alles, wat voorviel,
-op de hoogte.
-
-Vóór eenen winkel in de Koningstraat stond het rijtuig van den minister
-Bennecken; George Delphin wilde juist den koetsier aanspreken, toen
-juffrouw Bennecken den winkel reeds uitkwam.
-
-"Och beste kamerheer," begon zij, "dat komt al heel goed uit, dat ik
-u ontmoet. Rijd met mij mee naar huis. Mama heeft mij uitgezonden,
-om garneersel voor eene japon te koopen, en ik ben er bijna zeker
-van, dat ik eene slechte keuze heb gedaan. Zoo gij met mij meegaat,
-heeft zij niet de gelegenheid mij te beknorren."
-
-"Het spijt mij werkelijk, juffrouw Bennecken, maar ik ben op weg
-naar mijn Departement. Wat zou uw vader zeggen, zoo ik niet op mijnen
-tijd paste?"
-
-"O, wil u mij wijs maken, dat u bang voor Papa is? Kom maar;" zij
-maakte een weinig voor hem plaats en hij kwam naast haar in het
-rijtuig zitten.
-
-"Ik kan mij zeer goed begrijpen, dat meneer Delphin aarzelde, juffrouw
-Bennecken te vergezellen," zeide een jong heer, die juist met eene
-dame de equipage voorbij liep.
-
-"Ja ik vind het zeer natuurlijk. Arm kind, wat is zij leelijk,"
-antwoordde de dame, en zij vertrok even haren mond.
-
-"Leelijk haar, leelijke tint, grooten mond, een' kleinen platten neus,
-en eene taille die veel te wenschen overlaat, het eenige wat gezien
-mag worden zijn hare oogen."
-
-"Vindt gij hare oogen mooi," vroeg de dame, en zij zag hem aan.
-
-"O neen, niet zoo als die van eene andere, die ik ken," antwoordde
-hij galant, "maar die oogen zijn nog het beste, wat zij der wereld
-toonen kan."
-
-"O ja, zij heeft ook die vervelende hondenoogen, dom van uitzicht."
-
-"Heel dom moet zij dan ook zijn, is het niet?"
-
-"Ja, als eene gans, dat is algemeen bekend."
-
-Ondertusschen reed de kamerheer Delphin met juffrouw Bennecken
-denzelfden weg terug, dien hij juist was afgekomen. De minister [5]
-woonde in de Kristiaan Auguststraat.
-
-Toen zij de koetspoort inreden, ontmoetten zij een slank jong meisje,
-dat juffrouw Bennecken groette.
-
-"Wie was dat," vroeg hij.
-
-"Eene nicht van Mo, zij heet Christine, vindt gij haar niet heel mooi?"
-
-"Naar mijnen smaak is zij te lang," antwoordde de kamerheer.
-
-Het huis van den staatsraad was in deftigen stijl gemeubileerd, men
-zag dadelijk, dat alles op effect was ingericht. De dubbele deuren
-stonden open en gaven toegang tot eene rij vertrekken, waarvan
-mevrouw's boudoir het laatste was; mollige tapijten bedekten den
-grond en zware gordijnen hingen vóór de vensters.
-
-De vrouw des staatsraads ontving den kamerheer buitengewoon
-vriendelijk; zij stelde zijne visites op prijs, en met een verlicht
-hart zag Hilda, dat zij eene goede ingeving had gehad, toen zij hem
-mede had getroond.
-
-Mevrouw was in eene lichtgrijze morgenjapon gekleed en een kanten
-mutsje bedekte het haar. Ofschoon zij reeds vijf en vijftig jaar
-oud was, kon men haar evenwel nog eene schoone vrouw noemen, met
-een paar schrandere maar koele oogen. In hare jeugd was zij eene
-gevierde schoonheid geweest en voor mooie menschen had zij zelfs
-bepaalde sympathie behouden.
-
-In gezelschap was zij levendig zonder geestig te zijn, en deftig
-zonder stijf te schijnen; haar glimlach was innemend, en zoude zulks
-nog meer geweest zijn, zoo die niet al te zeer aan dien glimlach
-had herinnerd, welke als een familietrek, allen dames eigen is,
-welke hare zes voortanden op eene plaat in den mond hebben.
-
-In het salon bevond zich ook de heer Alfred Bennecken, de jongste
-zoon des huizes. Kort geleden was hij in de hoofdstad gekomen, en zijn
-goede vriend Hiorth was hem juist een bezoek komen brengen. De jonge
-hulpcommies school zoo ver hij kon in eenen hoek van het vertrek weg,
-want hij moest op zijn bureau zijn, en het trof al heel ongelukkig,
-dat juist de bureau-chef nu hier moest komen. Delphin groette hem
-daarom juist bijzonder vriendelijk.
-
-"Nu moet gij.... meneer Delphin," zeide mevrouw, "ons uw oordeel
-over eene zaak zeggen. Alfred is zoo teleurgesteld, de arme jongen,
-dat Papa hem geene aanstelling in zijn Departement wil geven. Alfred
-beweert, dat het niets dan natuurlijk en Europeesch is--zooals hij
-altijd zegt--dat Papa hem wat voorthelpt, maar gij weet, hoe bang
-Daniël altijd is, de minste aanleiding tot aanmerkingen aan de
-oppositie te geven, en daarom...."
-
-"En daarom wil hij mij in die ellendige revisie-afdeeling plaatsen,"
-viel Alfred in, "waar ik geen sterveling ken, terwijl ik er juist
-zoo op had gevlast met Hiorth op hetzelfde bureau werkzaam te kunnen
-zijn.... waar is Hiorth naar toe gestoven?"
-
-Deze kwam nu van achter eene groote palmplant te voorschijn, en
-speelde verlegen met zijn blond kneveltje.
-
-"Ja, het is werkelijk jammer voor Alfred," ging mevrouw voort,
-"Daniël is altijd zoo streng ten zijnen opzichte geweest."
-
-Nu trokken echter de stalen, die Hilda had meegebracht hare aandacht,
-en spoedig lag de geheele tafel vol. George Delphin hielp mevrouw
-uitzoeken, en Hilda werd niet beknord.
-
-De jonge heeren bleven voor het raam staan.
-
-"Noem je dat geen overvloed van geluk, Hiorth, zij woont hier aan huis,
-zij is familie van Mo--Mo, die bode bij Papa is."
-
-"Van Anders den Almachtige," zeide Hiorth.
-
-"Noemt gijlieden hem zoo aan het Departement.... dat is al een zeer
-goede naam voor hem; ja, zie je, Anders de Almachtige is een broer
-van haren vader--een gemeene rakker overigens, die van concubinaat
-is aangeklaagd. Heb je ze gezien.... anders wil ik je met haar
-bekend maken."
-
-"Waart ge in hare vroegere woonplaats goed met haar bekend?"
-
-"O ja.... zoo tamelijk," antwoordde Alfred, en hij kneep even de
-oogen dicht.
-
-"Je zult zien, dat het met haar zal gaan als met haren vader?"
-
-"Wat?" vroeg Alfred.
-
-"Concubinaat," fluisterde Hiorth.
-
-Deze geestige zet wekte zoo de vroolijkheid der heeren op, dat zij
-de kamer moesten uitgaan, om op de trap er hartelijk over te kunnen
-uitlachen.
-
-Het was bijna één uur, toen de hoofdcommies aan het Departement kwam.
-
-Op zijne tafel lag eene menigte stukken, en Mo was juist bezig met
-het lezen van eenige documenten in een geel omslag.
-
-"Wat zijn dat voor stukken, Mo," vroeg Delphin gehaast.
-
-"Dit stuk handelt over eenen twist, die over het recht op zeewier
-aan de westkust ontstaan is, en is, naar mij voorkomt, eene zaak,
-welke voor de rechtbank moet gebracht worden," antwoordde Mo, die
-door zijn lang verblijf aan het Departement natuurlijk veel verstand
-van zulk zaken had gekregen, en volkomen met de termen, bij het soort
-van Departement in gebruik, bekend was.
-
-De bureauchef luisterde niet naar het antwoord, maar las reeds een
-paar brieven, die aan hem persoonlijk waren gericht.
-
-"Och, breng dien hoop papieren naar Mortensen en zeg hem, dat hij
-ze naziet en sorteert," zeide hij op ongeduldigen toon. Toen Mo
-bij Mortensen in de kamer trad, was deze nog drukker dan zijn chef,
-want hij schreef, zoo tusschen het werk door, een artikel voor zijne
-courant.
-
-"Leg dat pak maar voorloopig in den chaos," zeide hij, zonder zelfs
-op te zien.
-
-De "chaos" was een loket, dat het dichtst bij den vloer was, en onder
-het bijzonder opzicht van Mortensen stond. Anders Mo nam het pakket
-weer op, maar hij draaide het zoo, dat de papieren met het gele omslag
-beneden kwamen te liggen; de gele kanten vouwde hij zelfs een weinig
-naar binnen, en toen schoof hij alles zoover mogelijk in den chaos,
-waar reeds vele andere stukken lagen. Anders Mo, die zijnen naam
-Vatuemo tot Mo verkort had, was met den staatsraad bekend geraakt,
-toen deze nog assessor was. In dien tijd was Mo handelaar in het
-klein in etenswaren, en daar hij vlak naast den assessor woonde,
-was hij in de gelegenheid aan de familie kleine diensten te bewijzen;
-weldra was hij zoo in gunst gestegen, dat hij bijna even onontbeerlijk
-voor Mevrouw als voor Mijnheer was.
-
-Toen de assessor in rang steeg en zelfs tot staatsraad werd benoemd,
-klom Mo ook op, en verkreeg het ambt van bode bij het Departement.
-
-Voor deze betrekking was hij als geknipt; als eene kat sloop
-hij van boven naar beneden, en het duurde maar kort, of hij was
-volkomen te huis in elken hoek van het gebouw, en bekend met al de
-geheimen en intriges van het Departement. Allen hadden min of meer
-respect voor hem, en de staatsraad zelf scheen zich geheel door
-hem te laten beheerschen, wat niemand kon begrijpen, maar het feit
-bestond; en ieder was er volkomen van overtuigd, dat Anders Mo de
-machtigste man aan het ministerie was. In het groote huis, hetwelk
-de staatsraad bewoonde--hij had eene vrouw met geld getrouwd--had Mo
-de portierswoning betrokken. Wel is waar was die half in den grond
-gebouwd, en dus gedeeltelijk een kelder, maar wanneer men uit het
-kamertje van den conciërge de drie trapjes af ging naar de andere
-vertrekken, zagen die er vroolijk en gezellig uit, wijl het volle
-daglicht ongehinderd door de hoog in den muur aangebrachte vensters
-viel.
-
-Toen Christine bij hem was komen inwonen, was de middelste kamer tot
-slaapvertrek voor haar ingericht.
-
-Nu moest echter haar Oom, zoo hij naar zijn kamertje wilde gaan,
-altijd door het hare komen. Dit was juist niet zoo pleizierig,
-maar eigenlijk kon het haar niet veel schelen. Oom Anders was zoo
-vriendelijk tegen haar, en de mooie groote stad was zoo rijk aan
-verrassing voor haar geweest, dat het gevoel van heimwee, waaraan
-zij in het begin had geleden, spoedig verdwenen was.
-
-Bovendien troostte het haar op eene plaats te zijn, waar niemand
-wist, aan welke schande haar vader zich zelf en dus ook haar
-had blootgesteld. De familie van den staatsraad was altijd even
-vriendelijk en juffrouw Hilda was zelfs een paar maal blijven staan,
-om een praatje met haar te houden.
-
-Christine vond het meer dan voorkomend, dat zulk eene voorname
-jonge dame met haar, die toch maar een eenvoudig boerenmeisje was,
-wilde staan praten; daarentegen wist zij de vriendelijkheid van den
-candidaat niet op den rechten prijs te stellen. Ten eerste was zij
-er zeker van, dat Alfred wist, waarvan haar vader was beschuldigd,
-en dan was er in den toon zijner stem en in de familiare wijze,
-waarop hij haar groette, iets, dat haar angst aanjoeg. Neen, dan
-mocht zij den doktor, den oudsten zoon in de familie, beter lijden,
-maar met hem had zij slechts tweemaal gepraat.
-
-Toen Christine een paar weken, in de stad was geweest, kreeg zij een'
-brief van huis.
-
-"Lieve Christine! De kat mist je zeer, zij doet niets dan mauwen en
-je vader mist je ook zeer, maar hij toont het op eene andere manier,
-namelijk hierin, dat hij machtig veel graaft en spit en hakt en als een
-mijnwerker steenen op zijnen akker laat springen, dat hooren en zien
-een' mensch vergaat, en het zelfs gevaarlijk is langs zijnen akker te
-gaan van wege de steenen, het zand, het gruis en de klompen aarde, die
-in de lucht rondvliegen; daarbij is de weg op zichzelf slecht, zoodat
-ik medelijden heb met het vee en de lieden die er over moeten gaan.
-
-De reden hiervan is, dat men niet weet, wien dat stuk van den weg
-toebehoort, en de Lensmand heeft mij naar den rotmeester (korporaal)
-gezonden en de rotmeester heeft mij naar den ingenieur van de openbare
-wegen gestuurd, die kapitein is, zoodat je zelf wel begrijpen kunt, wat
-dat helpen zou. Maar je vader houdt zich beter dan ik gedacht had zoo
-alleen, maar vier van de koeien heeft hij verkocht, wat maar goed is,
-want het geleek op de verwoesting van Sodom en Gomorra in den koestal
-en in de melkkamer, daar de koeien onder het melken zoo schopten;
-maar jouw zwarte koe en die, welke hij bij den pachter van den dominé
-heeft gekocht, zijn er nog, en geven goed melk, omdat hij ze naar mijn
-domme verstand te veel voer geeft, wat hij echter niet erkennen wil;
-hij wordt zelfs boos als men er van spreekt. Veranderlijk weer hebben
-wij gehad, regenbuien en storm op zee, zooals ik ook in de couranten
-heb gelezen, dat een hevige cycloon over den Atlantischen oceaan en
-het kanaal is gevaren en een groot vaartuig van Christiania, dat van
-Kubach kwam--of was het misschien Nevrok--zijn voormast verloren heeft;
-maar daarnaar kunt ge vragen en er mij eene nauwkeurige beschrijving
-van geven. Je vader groet je, zoo ook met buitengewone hoogachting:
-de ondergeteekende
-
- Lauritz Boldemann Sechus.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-In den herfst, wanneer de familie Falck-Olsen van hare villa naar de
-stad terugkeerde, gaf zij altijd een groot bal.
-
-De groothandelaar--op dien titel was hij zeer gesteld--hechtte zeer
-aan dit bal, waarop hij, behalve de jongelui, die werken, dat is
-dansen moesten voor hun souper, ook eenige der voornaamste familiën
-van de stad uitnoodigde.
-
-Wanneer al de jongelui meê werden geïnviteerd, vond hij, dat hij zijne
-uitnoodigingen tot buiten zijnen gewonen kring kon uitstrekken: hij
-had toch gelukkig ruimte genoeg in zijn huis; wanneer hij kleinere
-partijen gaf, ging het moeielijker.
-
-Maar de groothandelaar Falck-Olsen behoorde tot de parvenus in de
-hoofdstad, zijn naam had nog te weinig goeden klank. Hij was een
-vermogend man geworden door het verkoopen van bouwgrond, en door een'
-houthandel; in het begin van zijne loopbaan was alles echter op zeer
-kleine schaal ingericht geweest. Nu, zooals gezegd is, was hij rijk en
-was het het doel van zijn streven toegang tot de hoogere kringen in de
-maatschappij te verkrijgen. Op den staatsraad Bennecken, met wien hij
-kennis had gemaakt, toen deze nog assessor was, stelde hij zijne hoop,
-en de vriendschappelijke verhouding scheen van jaar tot jaar inniger
-te worden. De dames in de stad verwonderden er zich ten hoogste over,
-want de familie Bennecken behandelde een ieder nog al uit de hoogte;
-de heeren meenden, dat zulks door zaken kwam; Falck-Olsen had den
-minister zeker wel eens aan geld geholpen, en eenigen geloofden zelfs,
-dat hij nu en dan nog wel eens bijsprong. In het algemeen maakte men
-zich een weinig over den ijdelen koopman vroolijk, want, daar hij
-door eigen arbeid zijn geld verworven had, beteekende die rijkdom in
-de oogen van de meesten niet veel. George Delphin placht te zeggen:
-"dit is het onaangename van de geschiedenis, dat juist wanneer men
-denkt met den voornamen groothandelaar Falck te spreken, men op eens
-bemerkt, dat men met den simpelen houthandelaar Olsen staat te praten."
-
-Mevrouw Falck-Olsen deelde volstrekt den smaak van haren man
-niet voor groote partijen: zij hield meer van kleine gezellige
-damestheevisites. Het was niet bekend, waar zij geboren en opgevoed
-was; haar stamboom was, zoo drukte de kamerheer Delphin zich uit,
-één van de eerste boomen geweest, dien haar man had neêrgeveld, toen
-hij in rang begon te stijgen. Intusschen had zij zeer goed haren man
-op zijnen weg kunnen volgen, omdat zij leerzaam van karakter zijnde,
-ook eene groote mate van geduld bezat; haar optreden was tevens zoo,
-dat zij een niet al te scherp contrast met de elegante woning maakte.
-
-Wel had Delphin voor gewoonte, haar in het geheim nog "madam" [6] Olsen
-te noemen, en ook was het één zijner altijd terugkeerende geestigheden,
-de bals in het "danslokaal" bij Olsen te beschrijven. Zij evenwel,
-die mevrouw kenden, waren het er allen over eens, dat, zóó mevrouw
-soms tegen de etiquette zondigde, die fout te vergeven was, omdat
-hare goedhartigheid daar ruim tegen op woog. Zij had eene statige
-houding, en zooals zij nu vóór de komst der gasten in een licht grijze
-moiré japon al de vertrekken nog eens doorging om te zien of alles
-in orde was, zag zij er zelfs heel goed uit. Haar man ging van het
-eene vertrek naar het andere, maar hij was onrustig en zenuwachtig;
-de bedienden werden ieder oogenblik door hem beknord, en telkens keek
-hij op zijn horloge.
-
-"Wat scheelt je vandaag, manlief," vroeg mevrouw, "je stelt je aan,
-alsof je den koning zelf verwacht!"
-
-"Zeur niet en bemoei je maar met je eigen zaken," antwoordde hij.
-
-Een oogenblik later kwam hij naar haar toe, en zei op een toon, die
-onverschillig moest heeten: "van morgen vroeg ik den consul Lind ons
-bal te komen bijwonen."
-
-"Ben je mal?" vroeg mevrouw.
-
-"Wat? Ben ik misschien niet even goed als hij, en het kwam zoo ter
-sprake: wij ontmoetten elkaar op de Actiën-Bank."
-
-"Verzocht je zijne dames ook?"
-
-"Neen," luidde het antwoord eenigszins aarzelend.
-
-"Nu, dan kunt gij er stellig op rekenen, dat hij niet komt; dat was
-vreeselijk dom van je, Ole Johan!"
-
-"Zoo!" bromde haar man tusschen de tanden; het was echter meer dan
-eens gebeurd, dat zijne vrouw de zaak beter had ingezien dan hij.
-
-De oudste dochter kwam nu binnen. Den heer des huizes ontsnapte een
-vloek, en mevrouw riep uit: "maar lief kind, wat beteekent dit nu,"
-en beiden staarden zij stijf van verwondering hunne dochter aan.
-
-Juffrouw Louise was in eene zwart wollen japon gekleed en een smal
-geplooid kraagje stond hoog tegen den hals aan, het haar was in
-een kleine wrong opgestoken, terwijl grove katoenen handschoenen,
-die haar volstrekt niet pasten, het toilet voltooiden.
-
-Eerst trachtte zij hare ouders onbevreesd in de oogen te zien,
-doch op eens barstte zij in schreien uit. "Hans.... Hans.... heeft
-gezegd.... dat ik mij zoo moet kleeden."
-
-"Hans.... maar nu raakt mijn geduld ten eind," riep haar vader uit,
-"en gaat hij voort, je op die manier het leven zuur te maken, zoo is
-het maar het best het engagement te verbreken."
-
-"St.... St, Ole Johan! Maak je niet zoo driftig. Laat mij maar een
-oogenblik met Louise spreken. Ik hoor daar reeds eenige gasten in
-de vestibule."
-
-Haar man verliet dadelijk het vertrek om de eerste gasten te ontvangen,
-en mevrouw ging met Louise naar boven om haar moed in te spreken.
-
-De gasten, eenige langbeenige jongeheeren, waren zeer verlegen, dat zij
-het eerst waren gekomen. Zij gingen achter elkander de vertrekken door,
-eindelijk kwamen zij in eenen hoek van het verst afgelegen kabinet te
-recht, waar zij hunne linkschheid trachtten te verbergen door onder
-elkander te lachen over niets.
-
-Het eene rijtuig na het andere hield nu voor de deur stil en weldra
-waren velen der gasten gekomen. De gastheer ontving de genoodigden in
-het eerste vertrek, mevrouw zat in het kleine salon, voor de groote
-danszaal. De jongste dochter Sophie en de kamenier waren nog bezig,
-Louise een meer presentabel voorkomen te geven; eindelijk kwamen de
-beide zusters binnen.
-
-Juffrouw Sophie was een mooi meisje en haars vaders lieveling. Hij
-ging van het groote plan zwanger, voor haar een' echtgenoot in de
-hoogste kringen te zoeken, en hij was onvermoeid, haar opmerkzaam
-op zoogenaamd goede partijen te maken. Half in ernst half in scherts
-luisterde zij naar hem, maar toen hij op zekeren dag haar den kamerheer
-George Delphin als eene geschikte partij voorsloeg, dacht zij wat
-ernstiger over de zaak na en besloot eene poging te wagen. Zij zag er
-van avond allerliefst uit in hare witte baljapon, waarvan de rok en
-het zijden lijf rijk met strikken waren gegarneerd. Zij fluisterde
-haar moeder even in welke moeite zij had gehad, Louise in een ander
-toilet te doen verschijnen, en mengde zich toen onder de gasten.
-
-Louise zag er uit als een slachtoffer. Zij had nu eene witte japon
-aan, en ook handschoenen, die bij het overige toilet pasten; in het
-laatste oogenblik was het der kamenier zelfs nog gelukt haar een
-takje meibloemen in het haar te steken.
-
-Met angstige blikken zag zij overal naar Hans rond, maar daar zij
-hem niet in het oog kon krijgen, liet zij zich eerst voor éénen dans,
-en toen voor nog eenen engageeren.... wat haar óók verboden was; ten
-laatste stond zij, vóór zij het zelf wist, temidden van een groepje
-jonge dames, met wie zij naar hartelust praatte en lachte; toen een der
-heeren haar het balboekje uit de hand nam, ten einde zijnen naam nog
-bij een der dansen te schrijven, was zij zelf ten uiterste verwonderd,
-dat hij het haar zichtbaar teleurgesteld teruggaf--voor alle dansen
-was zij reeds geëngageerd.
-
-Hare beste vriendin, Caroline Hjelm, zeide haar, dat zij er nooit
-zoo goed had uitgezien als van avond, maar Louise's hart klopte
-zeer onrustig.
-
-Meer en meer gasten kwamen er binnen.
-
-In het midden der groote zaal stonden de jongedames in groepjes
-en deden alsof zij druk met elkaar praatten. Eigenlijk bestond het
-gesprek meest in uitroepen van verwondering en niets beteekenende
-vragen, op welke men ook geen antwoord verwachtte; soms hoorde men
-eenige zenuwachtig lachen, want allen waren te zeer van het gewicht
-van het oogenblik vervuld, om oog of oor voor iets anders te kunnen
-hebben dan.... voor het balboekje met volgeschreven namen.
-
-De heeren stonden bij de deuren; eindelijk vatten zij moed, gingen
-dwars door de zaal naar de plaats, waar de jonge dames stonden,
-maakten eene buiging, vroegen om een' dans, liepen elkaar tegen het
-lijf, struikelden over de lange slepen der dames en verloren hunne
-kleine balpotlooden. De twee vrienden Hiorth en Bennecken, die beiden
-aan juffrouw Sophie Falck-Olsen het hof maakten, kwamen haar tegelijk
-om een dans vragen. Zij had nog maar één dans vrij en dien schonk
-zij Bennecken. Hiorth vertoonde een gelaat, dat vertwijfeling moest
-uitdrukken, en engageerde nu Hilda Bennecken, die daar juist in de
-buurt stond.
-
-Zij had nog vele dansen vrij, want ofschoon zij als dochter des
-ministers er zeker van kon zijn, dat zij niet den geheelen avond
-zou behoeven te zitten, zoo behoorde zij tot degenen, die men het
-laatste ten dans vroeg, en niemand gaf zich zelfs eenige moeite,
-het haar niet te laten merken, dat men haar welstaanshalve vroeg.
-
-De kamerheer Delphin, die door den staatsraad bij de Falck-Olsens
-was geïntroduceerd, danste zeer zelden. "Hij was er te oud voor,"
-zei hij zelf; nu en dan danste hij een paar maal eenige toeren met
-die jongere getrouwde dames, welke in zijn' tijd gevierde schoonheden
-waren geweest. Toen hij echter het gezicht zag, dat Hiorth trok, nadat
-hij juffrouw Bennecken ten dans had gevraagd, ging hij door de zaal,
-maakte eene buiging voor haar en vroeg met haar eens te mogen dansen.
-
-Een gloeiend rood overtoog haar gelaat, en zij zag hem eenigszins
-wantrouwend aan; zij wist toch, hoe hij er van hield, de menschen
-voor den gek te houden.
-
-Ondertusschen had hij reeds haar balboekje in de hand genomen, en
-vroeg haar om de Française na het souper. Zij kon niet goed "neen"
-antwoorden, ofschoon zij daartoe veel lust had.
-
-Delphins wijze van handelen had zeer de opmerkzaamheid in de zaal
-getrokken, de dames staken de hoofden bijeen en fluisterden met
-elkander. Hilda Bennecken voelde zich zeer ongelukkig en verlegen,
-wat haar leelijker dan ooit maakte. Zij nam haar toevlucht tot Louise,
-die juist in eenen aanval van moedeloosheid, haren nood aan Caroline
-Hjelm klaagde.
-
-Eenige heeren, die er acht op hadden gegeven, dat George Delphin
-juffrouw Bennecken voor eenen dans had geëngageerd, geloofden, dat
-zulks een' verstandige zet van hem was geweest, en zij haastten zich
-dus zijn voorbeeld te volgen. Tegen alle gewoonte kreeg Hilda haar
-balboekje vol, en er stonden zelfs de namen van de meest fashionable
-cavaliers in te lezen.
-
-Het bal werd met eene Polonaise geopend; de gastheer en de vrouw des
-ministers waren het eerste paar. De staatsraad was nog niet gekomen.
-
-"Daniël heeft het tegenwoordig zoo ontzaglijk druk," zeide mevrouw
-tot verontschuldiging.
-
-Daar de consul Lind er ook nog niet was, gevoelde de heer Falck-Olsen
-zich niet recht in zijnen schik. Onder de wandeling verbeterde zijn
-humeur zich wat, want de zaal leverde een fraai gezicht op.
-
-De kamerheer mocht zeggen, wat hij wou van "Olsens Danslokaal," eene
-fraaier balzaal was er bijna niet in de stad te vinden en toen de lange
-rijen feestelijk gekleede dames en heeren op de tonen der muziek door
-de zaal wandelden, straalden de oogen van den gastheer van trots.
-
-Er waren dan ook vele voorname lui; de uniformen maakten een
-goed effect, en verscheidene heeren droegen een ordelint in
-het knoopsgat. Bankiers, kooplieden, professoren, kamerheeren,
-buitenlandsche consuls, allen waren er vertegenwoordigd; aan deftige,
-welluidende titels ontbrak het niet; het was dan ook een werkelijk
-genot voor den gastheer, die titels telkens te noemen, terwijl hij
-met de vrouw des ministers de zaal rondwandelde.
-
-"Hoe allerliefst ziet uwe Sophie er van avond uit," zeide mevrouw
-met een innemend lachje.
-
-"Het is mij hoogst aangenaam dit te hooren; ja, ik vind ook, zoo ik de
-waarheid wil zeggen, dat Sophie iets gedistingueerds over zich heeft."
-
-"Juist wat ik wilde zeggen," antwoordde mevrouw, en zij lachte hem
-in stilte uit. Nu wilde de gastheer ongelukkiger wijze mevrouw ook
-een compliment maken, en daar Hilda Bennecken juist met een niet zeer
-jong heer, een leeraar of iets dergelijks, zich bij de Polonaise had
-gevoegd, begon hij haar uiterlijk buitensporig te prijzen.
-
-"Och, geef u die moeite niet," riep mevrouw uit, "onze dochter Hilda
-kan op geene schoonheid bogen."
-
-"Maar mevrouw--ik vind juist het tegendeel," stamelde de gastheer.
-
-"U is waarlijk al te vriendelijk, mijnheer Falck-Olsen," en mevrouw
-lachte eenigszins gedwongen. De gastheer begreep, dat hij zich dom
-had aangesteld.
-
-Hij kreeg echter weldra gelegenheid dien dommen streek goed te
-maken. Haar zoon Alfred stond in hunne nabijheid en hij begon nu
-dezen zeer te prijzen; tot zijne voldoening merkte hij, dat mevrouw
-met belangstelling naar hem luisterde, terwijl haar blik den jongsten
-zoon volgde.
-
-Nu nam het dansen een aanvang; ofschoon de muziek uitstekend was,
-scheen de echte danslust er nog niet te zijn. De drie groote kronen
-en de lustres aan de wanden goten een zee van licht uit in de fraai
-gedecoreerde zaal. Aan de eene zijde bevonden zich kleine kabinetten,
-waar een aangenaam half donker heerschte, en waar--zooals mevrouw
-Bennecken zeide, de beenen konden rusten en de harten spreken. Alfred
-danste met eene uitdrukking op het gelaat, welke voor hoogst comme il
-faut wordt gehouden, als een daglooner, die, om aan den kost te komen,
-hard moet werken.
-
-Op dezelfde wijze danste zijn vriend Hiorth. Over het geheel
-hadden de heeren dat onverschillige voor alles in hun voorkomen,
-dat welopgevoeden jongelui past. Slechts eenige getrouwde heeren van
-middelbaren leeftijd, die met de jongste dames dansten, zagen er uit,
-alsof zij er werkelijk pleizier in vonden, in het zweet huns aanschijns
-rond te draaien.
-
-Na elken dans verdwenen de heeren in de meer afgelegene vertrekken,
-die op de plaats uitkwamen, en daar deden zij zich aan punch en
-toddy te goed. Kwam men hun zeggen, dat een andere dans begon, dan
-werd de sigaar uit den mond genomen, en met een' ontevreden trek
-op het gezicht maakten zij zich gereed weg te gaan. Eerst namen zij
-echter nog gauw een glas punch of cognac, alsof zij eene reis in een'
-kouden winternacht moesten ondernemen; eindelijk sleepten zij zich
-met moeite naar de zaal, waar zij de dames op den geur van tabak en
-wijn onthaalden.
-
-De eene dans volgde op den anderen, maar de rechte vroolijkheid kwam
-maar niet, zooals het gewoonlijk in de eerste uren gaat.
-
-"Ja, ja, het zal wel beter worden," mompelde de gastheer bij zichzelf,
-"wanneer de heeren wat meer "onder stoom" zijn," en hij gaf aan de
-bedienden bevel, wat meer punch en cognac rond te dienen.
-
-Alfred Bennecken zag er onrustig en geheimzinnig uit. Wanneer iemand
-hem vroeg, voor welke dame hij den volgenden dans bestemd had, gaf
-hij een ontwijkend antwoord. Zijn vriend Hiorth merkte zelfs, dat hij
-voor de meesten der eerste dansen niemand geëngageerd had. Bennecken
-scheen op iets te wachten.
-
-De met zulk een' angst verwachte Hans was eindelijk gekomen. Louise
-had hem slechts vluchtig in het voorbij dansen gezien. Zij had haar
-oordeel in zijn bleek gezicht gelezen, en was daardoor bijna half
-dood van schrik. Maar de jonge candidaat Smith, met wien zij danste,
-sprak op zulk eene boeiende wijze over eene voetreis, die hij in
-Jotunheim gemaakt had, dat zij telkens haar verdriet vergat; toen zij
-een oogenblik daarna haren verloofde nergens meer zag, wiegde zij haar
-geweten met iets in slaap, dat zij wist, dat Hans met den naam van
-"verslaafdheid aan de zonde" zoude betitelen.
-
-Toen de dans geëindigd was, zocht zij in de zaal naar Caroline Hjelm om
-haren bijstand te vragen. Deze was eene nicht van Hans, en volstrekt
-niet bang voor hem. Louise smeekte hare vriendin bij de vriendschap,
-die zij elkaar toedroegen, naar Hans te gaan om hem te verklaren,
-dat men haar gedwongen had in een passend baltoilet te verschijnen
-en hem te vragen of hij erg boos op haar was.
-
-Caroline was dadelijk bereid, dit te doen; zij durfde Hans zeer goed
-hare meening zeggen. Zij zocht hem in alle vertrekken, en vond hem
-eindelijk snuffelende in eene boekenkast.
-
-"Goeden avond Hans! Louise laat je door mij vragen, of zij eenen
-dans voor je open zal houden," zeide Caroline en zij knikte hem
-vriendelijk toe.
-
-Hij keek haar eerst met zijne lichtblauwe kleine oogen strak aan; maar
-toen zijn blik op de verstokte Caroline volstrekt geene uitwerking
-scheen te maken, vroeg hij: "Heeft Louise je werkelijk gezegd, dit
-aan mij te vragen?"
-
-"Ja, waarom niet? Denk je misschien, dat het zonde is te dansen. Toen
-ik mijne belijdenis had afgelegd, zeide de dominé, dat het geoorloofd
-is te dansen, mits men zulks met een rein hart doe.... en dat hebt
-gij toch zeker, neef Hans, is het niet?"
-
-"Ik wil niet meer met je spreken Caroline, want gij zijt een kind
-dezer wereld."
-
-"Foei, Hans, hoe kunt je zoo praten," riep Caroline beleedigd uit,
-"ik kan mij niet begrijpen dat Louise, die zoo allerliefst is, jou
-wil nemen.... voor alles in de wereld zou ik je niet voor mijn man
-willen hebben!"
-
-"Ik wil trachten Louise uit dit huis der zonde te redden!"
-
-"Hè.... je bent een akelige vent, adieu," zei de onverbeterlijke
-Caroline, en zij keerde naar het salon terug.
-
-Eindelijk kwam de staatsraad Bennecken binnen.
-
-Hij was een knap rijzig man; zijne bloeiende gelaatskleur trok
-altijd de aandacht, vooral omdat hij geenen baard droeg. Zoodra de
-gastheer hem zag binnen komen, ijlde hij hem tegemoet en boog als
-een knipmes. Had de heer Falck-Olsen, wanneer hij met den staatsraad
-onder vier oogen was, ook de gewoonte op heel familiaren toon met
-hem te spreken, zoo had deze toch, wanneer hij, zooals nu ook het
-geval was, in al zijne deftigheid, met de ordeteekenen op de borst en
-geheel het uiterlijk van den staatsman optrad, iets dat hem ontzag
-inboezemde. Buitendien was de staatsraad zijn voornaamste gast--het
-eigenlijk glanspunt van het feest, en stralend van geluk geleidde de
-kleine levendige koopman den voornamen heer door de salons.
-
-Deze begroette de vrouw des huizes zeer hartelijk, sprak een weinig met
-al de oudere dames en was de vriendelijkheid zelf. Toen er eene pauze
-in de balzaal was, ging hij de dochters des huizes begroeten, en daarna
-trok hij zich terug in de bijzondere vertrekken van den gastheer,
-waar de voornaamste leden van het gezelschap zich hadden verzameld.
-
-De komst van den minister had den stempel op het feest gedrukt. Delphin
-placht altijd te zeggen, dat men bij die Falck-Olsens altijd min of
-meer het gevoel had, alsof het hoofd er ontbrak, want gastheer en
-gastvrouw beiden verloor men zoo spoedig uit het oog, dat men bijna
-hunne tegenwoordigheid vergat.
-
-Van avond had men echter in den persoon des ministers een punt gekregen
-waarom men zich kon verzamelen, wijl deze, als een intiem vriend van
-de familie, er borg voor was, dat men zich in goed gezelschap bevond,
-en als 't ware verlof gaf, zich zoo goed mogelijk te amuseeren. De
-nieuwbakken glans, die nog over alles in het huis lag, werd daardoor
-minder gezien, ja zelfs min of meer gewettigd. Nu eerst begon het
-bal met recht; de "daglooners" glimlachten min of meer onder hunnen
-zwaren arbeid, en de gastheer dacht er niet langer aan, dat consul
-Lind weggebleven was. Hij wreef zich de handen van pleizier, want
-men begon "onder stoom" te komen; thans nog het souper, en alles ging
-naar wensch.
-
-Zoodra Alfred zijn vader had zien binnenkomen, sloop hij naar de
-vestibule, nam zijne overjas en verliet het huis.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Christine zat in de gezellige voorkamer en schreef een' brief aan
-haren vader,--dat wil zeggen aan den opperloods, want Njaedel kon
-geen geschreven schrift lezen.
-
-Oom Anders had het portier van het rijtuig, waarmede de staatsraad
-naar het bal zou rijden dichtgeslagen en was toen, zooals 's avonds
-zijne gewoonte was, uitgegaan: hij had altijd zoo veel te doen.
-
-Terwijl zij zat en in de lamp tuurde om te bedenken wat zij eigenlijk
-zou schrijven, werd er aan de deur geklopt en Dokter Bennecken trad
-de kamer binnen.
-
-"Neem mij niet kwalijk.... is Papa al naar het bal gereden," vroeg hij.
-
-"Ja, juist," antwoordde Christine.
-
-"O, dat treft al heel slecht, ik wou met hem meegereden zijn."
-
-Eigenlijk maakte de dokter zich hier aan eene groote onwaarheid
-schuldig, want hij had op den hoek der straat op het wegrijden van
-zijn' vader staan wachten. Nu hij echter het doel van zijn streven
-bereikt had: een oogenblik ongestoord met haar te kunnen spreken,
-scheen hem de moed daartoe te ontzinken, en hij zou zeker de deur
-weer zijn uitgegaan, zonder een woord meer te zeggen, zoo Christine
-niet had gezegd: "misschien komt het rijtuig wel terug."
-
-"Ja dat is best mogelijk.... ja, dat zal het zeker," zeide hij.
-
-Beiden lieten het voorkomen, alsof zij zulks geloofden, ofschoon zij
-heel goed wisten, dat de minister met een huurrijtuig was uitgereden;
-'s avonds gebruikte hij nooit zijne eigene équipage.
-
-"Wil u niet zoo lang gaan zitten," zeide Christine; Oom had haar
-gezegd, dat zij de menschen met u moest aanspreken [7].
-
-De dokter bedankte haar vriendelijk en deed de deur dicht. Johan
-Bennecken had eenige trekken met zijnen vader gemeen; dat imponeerende,
-evenwel, wat dezen eigen was, ontbrak hem geheel; integendeel zag hij
-er uit als een eerlijke vent met een goedhartig gezicht, die niet al
-te hoog timmerde; daarenboven was hij kreupel.
-
-De dokter begon nu met het jonge meisje te praten, hij ging echter niet
-zitten maar bleef tusschen de deur en de tafel staan. Hij was gewend
-met menschen uit allerlei stand om te gaan, zoodat Christine hem zeer
-goed begreep; het gesprek werd ook meer en meer levendig en liep over
-het verschil, dat er bestond in de manier van leven in de stad en op
-de plaats, waar zij van daan kwam, en over dergelijke onderwerpen.
-
-Wanneer hij iets zeide, dat hare vroolijkheid wekte, en dit gebeurde
-meer dan eens, lachte zij hartelijk en boog het hoofd wat op zijde,
-zoodat het schijnsel van de lamp juist op haar fraai lokkig rood haar
-viel, dat zij van haren vader had. Ook zijn gezond bloed scheen zij
-geërfd te hebben, want zij was sterk gebouwd, en wanneer zij zich in
-hare volle lengte oprichtte, had zij eene manslengte.
-
-Buiten loeide de wind; het was een echt gure herfstavond, maar
-hierbinnen zag het er werkelijk gezellig uit; de lamp brandde zoo
-helder, het vloerkleed was juist gelegd, en aan een vroolijk vuurtje
-ontbrak het niet.
-
-De dokter was gekleed in zwarten rok; zijne overjas had hij
-aangehouden; nu werd die hem echter te warm, en hij knoopte haar een
-weinig los; eindelijk zette hij zich half op den kant van de tafel
-met zijnen rug tegen den muur.
-
-Telkens wanneer zij een rijtuig hoorden aanrollen, zeiden zij:
-"daar is het nu" en wanneer het voorbij reed, zeiden zij: "neen,
-het was het niet!"
-
-Er werd aan de deur geklopt; deze ging open, Alfred kwam de kamer
-binnen en riep op vroolijken toon: "Goeden avond!" Eerst stond hij
-geheel uit het veld geslagen, toen hij zijnen broeder zag; spoedig
-herstelde hij zich echter en zei op boosaardigen toon:
-
-"Ei.... ei.... een tête-à-tête!.... of is juffrouw Christine misschien
-ziek?"
-
-Christine, die dit als scherts opnam, wilde antwoorden, maar toen
-zij zag, hoe ernstig de dokter eensklaps was geworden, kon zij van
-verwondering geen woord uitbrengen.
-
-"Ik wou hier op het rijtuig wachten,.... ik meende dat het terug zou
-komen," zeide Johan op eenen toon, die onverschillig moest heeten,
-doch verlegen klonk.
-
-"Welk een goed bedacht voorwendsel! Wat Amor toch vindingrijk maakt,"
-riep Alfred, en hij zette zijn lorgnet op, "ah zoo.... ge stondt hier
-op het rijtuig te wachten? Aardig van je bedacht, hoor!"
-
-"Ik verzoek van uwe verdere opmerkingen verschoond te
-blijven,--Alfred!"
-
-"Wel, wel.... gij verzoekt er van verschoond te blijven.... misschien
-mag ik verzoeken, om in denzelfden verheven stijl ons gesprek voort
-te zetten.... mij eene meer geldige verklaring te geven van uwe
-tegenwoordigheid hier op dit uur."
-
-"Wat raakt je dat?"
-
-"Ah zoo, de stijl wordt wat minder hoogdravend. Van mijnen kant vraag
-ik er ook niet naar, want verdere inlichtingen heb ik niet noodig;
-de verhouding is mij duidelijk.... volkomen duidelijk," en hij zag
-hen beurtelings aan, "maar mama zal er zeker veel belang in stellen
-te hooren hoe haar oudste zoon hier aan huis, wanneer allen uit zijn,
-op den loer ligt."
-
-"Neem je in acht Alfred, en zeg geen woord meer," riep Johan en hij
-trad eene schrede naar hem toe.
-
-"Laat ons deze wanden niet met broederbloed bezoedelen," antwoordde
-Alfred en een valsche glimlach speelde om zijnen mond, terwijl hij
-zich achter eenen stoel verschanste. Christine ging wat dichter naar
-den dokter om te trachten, hem tot kalmte te brengen, doch juist
-wendde hij zich naar haar en zij zag, dat hij doodsbleek was.
-
-"Wees niet bang" zeide hij, "en neem het mij niet kwalijk, dat zulk
-een tooneel hier voorgevallen is.... het is geheel buiten mijne
-schuld. Goeden nacht. Kom Alfred.... het wordt nu tijd voor ons."
-
-"Voor ons," vroeg Alfred op hoogen toon, en hij maakte zich gereed,
-zijnen hoed op den stoel, die naast hem stond, te leggen. Doch vóór
-hij nog recht tot bezinning kon komen over hetgeen eigenlijk met
-hem gebeurde, stond hij op de straat. Met een forschen ruk had zijn
-broeder hem uit de portierswoning geworpen en zoo kort en goed een
-einde aan de zaak gemaakt.
-
-Christine stond als versteend; zij hoorde de broeders de ramen
-voorbijgaan, een paar woorden ving zij nog op, maar eindelijk hoorde
-zij niets meer. Zij zelf zag er ook bleek uit, en aan haren linker
-slaap vertoonde zich eene roode vlek; het was het litteeken van de
-wonde, die zij aan het hoofd op dien vreeselijken nacht had gekregen,
-toen het huis was ingestort en hare moeder met de twee andere kinderen
-onder het puin bedolven waren geraakt. Eene heftige woordenwisseling
-had er tusschen de broeders plaats; toen zij aan den hoek der straat
-waren gekomen, sloegen zij ieder eenen anderen kant in, natuurlijk
-zonder elkaar goeden nacht te zeggen. Johan had geen lust meer het
-bal te gaan bijwonen. Hij ging dadelijk naar zijne woning. Eenigen
-tijd geleden had hij een paar kamers gehuurd, wijl de vrouw van den
-staatsraad het zeer onaangenaam vond, telkens op de trap met zijne
-arme patiënten in aanraking te komen. Juist zou het souper beginnen,
-toen Alfred weer in de balzaal verscheen.
-
-"Waar ben jij al dien tijd geweest," vroeg Hiorth.
-
-Alfred maakte een zeer geheimzinnig gebaar, hetwelk zijnen vriend
-aanleiding gaf hem vriendschappelijk een paar stompen in de zijde te
-geven en te beknorren. Zij gingen samen naar het buffet, want Hiorth
-beweerde, dat zijn vriend eene hartversterking noodig had. In de kleine
-zaal en in de daar naast gelegen kamers stonden de tafels gedekt
-[8]. Eerst bedienden zich de oudere dames, en heeren, daarna lieten
-de jongere dames zich van hare cavaliers bedienen, maar vóór dat deze
-nog half klaar waren, begonnen de heeren voor eigene rekening om de
-tafel heen te dringen. Als een dikke zwarte vliegenzwerm plaatsten zij
-zich om de eerste tafel, dan vloog een troepje weêr naar eene andere
-tafel en zoo ging het steeds door, geen wonder dat men onwillekeurig
-aan de plaag der sprinkhanen in Egypte begon te denken. Zij vielen op
-alle schotels en borden neer, en geheel vervuld van het gewicht van
-het oogenblik, stonden zij zwijgend, alles nauwkeurig onderzoekende;
-dan begon het opscheppen, kauwen, en doorslikken met vollen ijver;
-het leven, dat men met de vorken en messen maakte, verbrak alleen
-de stilte, en het had er veel van of er eene groote eetmachine aan
-het werk was. De jonge verlegen student Hansen had--de hemel weet
-waar--eene flesch Sherry te pakken gekregen. Zoodra de sprinkhanen
-hier lucht van kregen, reikten zij hem hunne glazen toe.
-
-Goedhartig, als hij van natuur was, schonk hij de glazen telkens weer
-vol, totdat hij eindelijk met een leeg glas in de eene en eene leege
-flesch in de andere hand stond.
-
-Dit wekte natuurlijk algemeen den lachlust op, doch lang duurde dit
-niet--er viel geen tijd te verliezen.
-
-Vleeschpasteien, coteletten, ragoûts, wildbraad, kippen, heerlijk
-gestoofde groenten, pikante sausen, kleine gebakken aardappelen,
-alles verdween in een oogwenk; men zou hebben kunnen gelooven, dat er
-valluiken in den vloer waren verborgen. Neef Hans stond vlak voor een
-vleeschpastei met aspersies, en hij verroerde zich niet van de plaats,
-ofschoon zijne buren hem vrij gevoelig in den rug stompten. Naast
-hem stond de candidaat Smith, die goeden eetlust op zijne voetreis
-naar de Jotunheim scheen opgedaan te hebben; hij at filet de boeuf
-met eenen lepel, graag zou hij eene vork hebben gaan halen, doch
-zoolang als er nog champignons op den schotel voorhanden waren,
-had hij niet veel zin, zijn goed plaatsje er aan te geven.
-
-Hiorth en Bennecken hadden het slimmer aangelegd; zij hadden zich
-bij de deur van de keuken geplaatst, en wanneer de bedienden met de
-gerechten aankwamen, maakten zij zich veelal van eenige meester. Eene
-tafel met sigaren en andere rookbenoodigdheden werd leeg gemaakt en
-in eenen hoek getrokken; daar aten zij nu op hun gemak; ook was het
-hun gelukt eenige flesschen achter eene portière te verbergen.
-
-De voornaamsten onder de heeren zaten in het particulier vertrek van
-den gastheer, waar eene tafel voor hen gedekt was. Delphin had aan
-het gezelschap der dames de voorkeur gegeven en soupeerde met haar;
-in de balzaal wandelden eenige jonge dames heen en weer, die de
-grootste verachting voor eten en eters koesterden. Het meerendeel
-der dames had nu een zeer verzadigd gevoel, doch de sprinkhanen
-strekten hunnen tocht tot aan de kleine zaal zelfs uit, waar de dames
-gesoupeerd hadden. Uitgenomen een paar oudere dames, die nog naar
-eenige aspersiekopjes of malsche kippeboutjes snuffelden, was daar
-niemand meer.
-
-De gastvrouw was er zeker van, dat zij genoeg had laten gereed
-maken; toen zij evenwel zag hoe de heeren de eene portie na de
-andere verorberden, begon zij min of meer ongerust te worden, en
-een der gasten die in hare nabijheid stond, hoorde haar mompelen:
-"goede hemel, het is alsof hunne maag een zak zonder bodem is."
-
-Mevrouw Falck-Olsen verviel soms in de vulgaire uitdrukkingen
-van vroegere dagen, vooral wanneer zij in zenuwachtigen toestand
-verkeerde. Wanneer de bediende even de deur der kamer, waar de
-staatsraad en eenige andere heeren zaten, open liet staan, konden
-Hiorth en Bennecken, die in de nabijheid zaten, nu en dan een of
-ander woord opvangen, waaruit zij begrepen, dat er eene politieke
-discussie gevoerd werd.
-
-"Die Falck-Olsen is eigenlijk toch een groote ezel, en goede manieren
-zal men hem zeker nooit kunnen leeren," zeide Bennecken, en hij hield
-even met eten op, "hij begrijpt nooit, welke menschen hij eigenlijk
-moet inviteeren."
-
-"Wat?" antwoordde Hiorth, "de heele stad is hier bijna."
-
-"Wat ben je onnoozel, Jonas. Nu, je gezondheid!" en hij leegde
-zijn glas. "Daar zit hem de knoop, zie je, dat hij Jan en alleman
-uitnoodigt. Je kunt wel begrijpen hoe onaangenaam het voor mijn vader
-is, hier met allerlei politieke tinnegieters samen te zijn."
-
-"Daar heb ik waarachtig nog nooit aan gedacht," zeide Hiorth, en hij
-zag heel diepzinnig.
-
-"Eenige dagen geleden hoorde ik mijnen vader tot Falck-Olsen zeggen:
-"wanneer gij niet partij kunt kiezen...."
-
-"Zoo.... zoo.... nu verder," zeide Hiorth heel nieuwsgierig, en hij
-boog zich dichter naar zijnen vriend.
-
-"Wat ben je een uilskuiken, Jonas, hij zei niets meer, maar je kunt
-begrijpen, wat het zeggen wil."
-
-"Ja natuurlijk.... hm.... bl.... zei je vader dat werkelijk." Hiorth
-lachte en knipoogde zijnen vriend geheimzinnig toe.
-
-Vóór de Française na het souper speelde het orkest, melodieën uit
-"le petit Duc." Het ging nu zeer geanimeerd toe; alle dansers, die
-in het begin van den avond hun werk zoo ernstig hadden opgenomen,
-zagen er werkelijk uit alsof zij zich amuseerden. De vroolijke muziek
-jaagde het bloed, dat door het lekkere souper en de fijne wijnen wat
-verhit was geraakt, sneller door de aderen.
-
-De candidaat Smith neuriede onophoudelijk eene Fransche melodie,
-uit eene operette, hem door een' oud vriend, die in Parijs geweest
-was, geleerd.
-
-Caroline Hjelm, met wie hij danste, wilde o zoo gaarne weten, welke
-woorden hij eigenlijk zong; maar hoe zij hem ook verzocht ja zelfs
-plaagde, ze mede te deelen, haar cavalier weigerde hardnekkig. Hij
-beweerde dat men ze niet goed in 't Noorsch kon vertalen.
-
-Caroline, die zich nooit zoo gauw uit het veld liet slaan, verzekerde
-hem, dat hij het gerust kon wagen ze te zeggen; zij was niet voor
-zoo'n beetje vervaard; en kon heel wat verdragen; hij neuriede maar
-steeds dezelfde melodie tot antwoord, totdat zij zeide, dat zij den
-inhoud er bijna van begreep.
-
-Dit nu was de dans, voor welken Delphin Hilda Bennecken had
-geëngageerd; waarom hij zulks had gedaan, was hij bijna vergeten. In
-de eerste toeren nam hij ook bijna geene notitie van zijne dame maar
-voerde een levendig gesprek met mevrouw Hjelm, die bij de deur vlak
-achter de dansende paren zat.
-
-Hilda Bennecken merkte dit natuurlijk dadelijk, en vond het
-allesbehalve aangenaam. Den geheelen avond had zij er zich deels over
-verheugd, deels over beangstigd den kamerheer Delphin tot cavalier
-te krijgen.
-
-Wel was hij altijd, wanneer hij bij hare ouders aan huis kwam, heel
-vriendelijk tegen haar, maar meer op een wijze, alsof hij haar nog
-voor een kind aanzag; hij had haar trouwens ook gekend, lang vóór
-zij hare belijdenis had afgelegd.
-
-Dikwijls had zij bij zich zelf gedacht, hoe prettig zij het zou
-vinden, zoo hij haar eens voor een' dans engageerde, en nu het er
-eindelijk toegekomen was, voelde zij zich zeer teleurgesteld in hare
-verwachtingen; al de pikante woorden, welke zij den geheelen avond
-van hare vriendinnen over de onderscheiding, die haar ten deel was
-gevallen, had moeten aanhooren, schoten haar nu te binnen, en zij
-wenschte maar, dat hij haar de eer van met haar te willen dansen,
-niet had aangedaan.
-
-Toen de derde toer zou beginnen, vroeg hij haar het een en ander,
-om toch ten minste wat aan zijne dame gezegd te hebben. Zij keek
-hem aan, en Delphin zei bij zich zelf: "zij heeft werkelijk een paar
-mooie oogen!"
-
-Na deze ontdekking, zette hij zijn gesprek met wat meer belangstelling
-voort, om haar te dwingen, hem aan te zien. De goedhartige bruine oogen
-bezaten eenen glans, waarom velen haar zouden hebben kunnen benijden,
-en toen zij langzamerhand door den vroolijken toon, dien hij aansloeg,
-den moed kreeg hem op dezelfde wijze te antwoorden, had het leelijke
-gezichtje eene uitdrukking, die men er al te zelden op lezen kon.
-
-Toen de dans geëindigd was, zei hij: "neen, maar is de dans werkelijk
-uit, lieve juffrouw Bennecken!... daar begrijp ik niets van. Wij
-hebben niet meer dan vier toeren gedanst.... op zijn hoogst nog wel!"
-
-Zij zag hem eerst een weinig wantrouwend aan, maar antwoordde toen
-glimlachend: "het komt omdat u de twee eerste toeren met mevrouw
-Hjelm hebt gedanst." George Delphin wist een goed antwoord altijd
-zeer op prijs te stellen. Hij was er door verrast en juist wilde hij
-haar antwoorden, toen zij door een paar werden aangesproken, dat weer
-door andere gevolgd werd. Eer de kamerheer zijne dame echter verliet,
-vroeg hij haar, hem de eer aan te doen, op al de bals gedurende dezen
-winter de eerste Française na het souper met hem te willen dansen.
-
-De stemming in de balzaal werd meer en meer vroolijk: "men was onder
-stoom." Onmogelijk was het bijna in de paren, die daar op de tonen
-der muziek zoo luchtig heen zweefden, de "daglooners" van het begin
-van den avond te herkennen, en toen na middernacht het dessert en de
-champagne rondgediend werden, had de vroolijkheid haar toppunt bereikt.
-
-De staatsraad was altijd gewoon, wanneer het feest zoo ver gekomen was,
-eenen toast uit te brengen op den gastheer en zijne familie--eene korte
-speech, zooals het eenen staatsman betaamt; bloemrijke uitdrukkingen
-gebruikte hij nimmer. Op zulke kleine redevoeringen, waarin hij echter
-met de grootste omzichtigheid zijne woorden woog, was hij zeer gesteld;
-in gewone gesprekken beperkten zijne antwoorden zich veelal tot eenige
-wel aangebrachte handbewegingen, soms vergezeld van een bescheiden
-glimlachje, doch van het laatste maakte hij zeer matig gebruik.
-
-De toast op de dames werd door een jong dichter uitgebracht. Niet lang
-geleden had hij een bundel gedichten uitgegeven onder den titel "Losse
-pennetrekken." Natuurlijk sprak hij nu ook in poëzie en grooten bijval
-viel hem ten deel; de dames vonden echter den inhoud zeer droefgeestig.
-
-Daarna begeerde tot grooten schrik zijner vrienden, de candidaat Smith
-het woord. Hij vergastte het gezelschap met eene gloeiende schildering
-van den Jotunheim. Nooit is het volkomen opgehelderd geworden of het de
-wijn dan wel de liefde was, die hem zoo opwond. Als de gasten hem op
-zijnen verren tocht volgden, den hoogsten berg met hem bestegen--hij
-vertelde hun zelfs hoeveel honderd voet--tusschen afgronden en over
-gletschers met hem doolden, kwam daar op eens in zijne rede eene
-beschrijving van een paar oogen en eene feeëngestalte, die, zooals
-later eenigen beweerden, Caroline Hjelm had moeten voorstellen. Wat
-hiervan moge zijn, zeker zou het met zijnen toast gegaan zijn, zooals
-in zeker sprookje staat: "is het niet uit, dan duurt het nog voort,"
-indien de jonge, bloode student Hansen niet plotseling als een raket
-de rede afgebroken had, met den uitroep: "Leve Jotunheim!"
-
-Onder het gelach, dat hierdoor ontstond, werden op den toast tot
-groote ergernis van den spreker de glazen geledigd.
-
-Voor den student Hansen hadden de zaken eene zeer treurige wending
-genomen. Toen het hem na het souper was gelukt, eene flesch portwijn
-machtig te worden, besloot hij zich er nu alleen aan te goed te
-doen, en zich niet weer zoo door de anderen voor den gek te laten
-houden. Hij school dus achter eene étagère weg; om zich te wreken,
-ledigde hij het eene glas na het andere; maar ongelukkigerwijze bleek
-de wijn machtiger dan de student Hansen, en toen hij met opgerichten
-hoofde en strak voor zich uitstarende oogen door de balzaal schreed
-om midden in eene Française iemand voor een dans te engageeren,
-sleepte een zijner vrienden hem bij den arm mede, terwijl hij zeide:
-"Maar Hansen, wat is het nu met je, je bent zoo stomdronken, dat je
-bijna niet op je beenen kunt staan, kerel!"
-
-Deze onvriendelijke woorden maakten zulk een pijnlijken indruk op
-den student Hansen, dat zijn trots er voor goed door gebroken was en
-hij in bange vertwijfeling verviel. Uit dezen toestand ontwaakte hij
-juist vroeg genoeg om door eenen uitroep een eind aan den toast van den
-candidaat Smith te maken. De cotillon ging wild toe. Verscheidene paren
-belastten zich te gelijk met het arrangeeren der verschillende toeren
-om dan later in een woesten galop door de ruime zaal te dansen. De
-saaie Hans had den geheelen nacht met zijnen donkeren blik overal
-zijn meisje gevolgd en toen Louise eindelijk, door Caroline half
-voortgeduwd, naar hem toekwam om wat met hem te praten, draaide hij
-haar den rug toe en ging naar huis.
-
-"Och stoor je niet aan hem," zeide Caroline om haar te troosten,
-"hij is zoo in vervelend, zoo...."
-
-Louise stond een oogenblik geheel vernietigd, maar toen zij haren
-cavalier, met wien zij juist zou dansen, zag aankomen, fluisterde zij
-hare vriendin in: "Ik heb van avond zoo'n pleizier, dat ik er morgen
-wel wat knorren voor wil verdragen."
-
-Na deze lichtzinnige woorden, zweefde zij weer de zaal door. Het was
-vier uur in den morgen. Dicht in hare mantels gewikkeld stonden de
-moeders doodmoede in de vestibule en de aangrenzende kamers op hare
-dochters te wachten, die nog eventjes een enkelen toer wilden dansen;
-de vaders stonden ook reeds met de overjas aan en de sigaar in den mond
-gereed om heen te gaan en ledigden nog staande een glas. Maar in de
-zaal danste men nog steeds alsof het om het leven te doen was. De paren
-vlogen als waanzinnigen van het eene einde der zaal naar het andere,
-de lichten in de kronen flikkerden en walmden in de van stof opgevulde
-zaal. Onder en naast de stoelen en sofa's lagen verwelkte bouquetten,
-afgescheurde garneersels van baljaponnen, dansprogramma's en zakdoeken,
-die veel van vodden hadden, terwijl de reukzenuwen zeer onaangenaam
-werden aangedaan door de vieze geuren van pommade en andere odeurs
-waarmede de lucht bezwangerd was. Toch stormden de heeren er maar
-moedig op los; hun fraai gefriseerd kapsel was in wanorde geraakt,
-en viel hun telkens in de oogen, terwijl de das scheef zat; met de
-dames was het niet beter gesteld; de baljaponnen waren niet veel
-meer dan flarden van tulle en tarlatan, die zich om de beenen van
-hare cavaliers heenslingerden.
-
-Wie zich nog het best van allen gehouden had, was Sophie
-Falck-Olsen. Haar kapsel, hare handschoenen, haar japon zagen er uit,
-alsof zij zich juist voor het bal had gekleed, en geen oogenblik
-was de vriendelijke glimlach van haar gelaat verdwenen. Toch was
-zij niet over den avond tevreden. Delphin had zich zeer weinig aan
-haar gelegen laten liggen, Alfred Bennecken was onuitstaanbaar,
-Jonas Hiorth afschuwelijk geweest. Eindelijk waren de gasten gereed
-afscheid te nemen, en het laatste rijtuig rolde over de straat.
-
-Meneer Falck-Olsen stak eene versche sigaar aan en vlijde zich toen
-zoo gemakkelijk mogelijk in eenen leuningstoel. Mevrouw Falck-Olsen,
-die vreeselijk warm was, maakte hare japon los en deed zich te goed
-aan de overblijfsels van het dessert, want, zeide zij tot haren man,
-zij had honger als een wolf.
-
-Sophie beknorde, terwijl zij zich ontkleedde Louise een weinig en
-deze snikte zich eindelijk in slaap.
-
-Bennecken had nog geen lust naar huis te gaan en zat nu bij Hiorth
-op de kamer nog een glas punch te drinken. Beide vrienden waren in
-eene bewogen stemming en onder het storten van heete tranen zwoeren
-zij elkander eeuwige vriendschap--neen niet eens zou de liefde,
-die zij beiden voor Sophie koesterden, dien band kunnen verbreken;
-daarna kwam het gesprek op den kinderdoop, en hierover geraakten zij
-hevig in eenen twist, die niet eindigde, vóór dat eindelijk Alfred
-zijne eigene kamer opzocht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-Den zuidwester vast onder de kin gebonden--het was stormweêr--kwam
-op een der laatste Novemberdagen de opperloods onder het neuriën van
-zijn lievelingswijsje "mijn liefste Katrijn, je ziet mijn hartepijn"
-de hoogte af.
-
-Er was een brief van Anders gekomen, en de opperloods wist, hoe
-ongeduldig Njaedel naar bericht, de zaak betreffende, uitzag.
-
-Daar in de vlakte lag Njaedels lage huis, tusschen de akkers,
-die hij zelf had ontgonnen; verderop zag hij in het zand de sloot,
-die half klaar was. Juist reden een paar karren vol wier, naar de
-hoogte. "Sören wist wel, wat hij deed, toen hij Njaedel overhaalde,
-zijne zaak voor den koning te brengen;" mompelde hij bij zich zelf.
-
-Uit het Zuidwesten blies de felle wind over het lage strand. Het was
-een zware herfststorm en ofschoon het nog niet laat op den middag
-was, begon de duisternis reeds te vallen. De opperloods bleef een
-oogenblik staan; met den blik van een' zeeman zag hij naar alle
-zijden over de zee, vóór hij van de hoogte naar beneden ging. Naar
-het Zuiden eindigde de zandvlakte in naakte klippen, van welke eenige
-ver in zee uitstaken; de golven stieten er met geweld tegen aan, soms
-stonden zij zoo hoog in de lucht, dat zij voor een oogenblik als eene
-witte kolom zich tegen de loodkleurige lucht afteekenden, om daarna
-in woest schuimende vaart over de steenen zich eenen weg te banen.
-
-Naar het Noorden kon zijn oog in eene lange kromming de schuimende
-streep van de branding volgen; zij was zoo breed, dat volgens de
-berekening van den opperloods de branding reeds op tien vadem water
-begon. Recht voor hem uit naar het Noorden, kon hij soms tusschen de
-schuimende golven door het zoo even aangestoken licht van Bratvolds'
-vuurtoren te zien krijgen.
-
-Geen enkel zeil was in het gezicht; de zwartachtige wolken scheurden
-wel vaneen, doch zonder echter van plaats te verwisselen--zwaar,
-lang aanhoudend stormweer was te verwachten. Een onafgebroken
-golfgeklots!--Het geraas der zee was vreeselijk, nu en dan hoorde men
-een geknal, als van kanongebulder op grooten afstand. De wind joeg
-over de heide en piepte langs de telegraafdraden langs den straatweg;
-de meeuwen, die over de zee naar land kwamen, vlogen met uitgespannen
-vleugels in schuine richting tegen den storm in.
-
-Toen de opperloods aan het gedeelte van den weg was gekomen, dat van
-het hek van Brevig tot het Zwarte Moeras liep, was het gedaan met
-neuriën; integendeel mompelde hij iets dat op een vloek geleek.
-
-Groote ronde steenen lagen midden op den weg, het regenwater, dat
-van de hoogte naar beneden dwars over den weg was gestroomd, had daar
-eene diepe gleuf achtergelaten vol kleine steenen.
-
-"Het zou toch maar het best zijn, dien Anders, die zoo bl.... knap
-moet zijn, er over te schrijven," bromde hij bij zich zelf; de
-ergernis welke dit gedeelte van den weg hem altijd veroorzaakte,
-was een nagel aan zijne doodkist.
-
-Njaedel zat midden op zijnen akker dwars over eenen grooten steen,
-waarin hij bezig was een groot gat te houwen. Met forsche slagen kwam
-zijn werktuig telkens neer. Van tijd tot tijd hield hij even op, en
-droppelde in het gat wat water uit eenen natten lap, die in eene oude
-blikken doos lag, welke door lieden uit de stad, die een dag buiten
-hadden doorgebracht, vergeten was. Door zijn rood kroes haar blies
-de wind zóó, dat het naar alle kanten uitstond, en hij was met zulk
-een' ijver voor zijn werk bezield, dat de opperloods reeds naast hem
-stond, vóór hij zijne komst had bemerkt. "Goeden dag buurman!" zeide
-Njaedel. Hij hield met kloppen op en haalde zijnen maatstok voor den
-dag om te zien, hoe diep het gat al was; toen hij hoorde, dat er een
-brief van Anders was gekomen, gooide hij alles weg, en sprong van den
-steen op. Zij gingen naar binnen en staken eene kaars aan. Het vertrek
-zag er zeer wanordelijk uit, de vloer was ondenkbaar morsig en het bed
-lag nog onafgehaald. Njaedel ging vlak voor den opperloods zitten en
-volgde nauwkeurig al zijne bewegingen. Hij was zeer mager geworden;
-zijne handen bewogen zich zenuwachtig heen en weer.
-
-Zijn buurman had ook wel wat vlugger te werk kunnen gaan, maar brieven
-lezen is geene kleinigheid en eischt tijd. De brillenglazen moeten
-naar behooren gepoetst worden, de enveloppe moet bekeken en eindelijk
-voorzichtig aan den bovensten kant worden geopend. Het was een breed
-grijs omslag van het Departement en met lak verzegeld. "Den Hoog edelen
-Heer, den Opperloods Lauritz Boldemann Sechus" zoo luidde het adres.
-
-"Bl......, wat een omhaal!" mompelde de opperloods.
-
-"Door dezen wordt u de ontvangst meegedeeld van twee brieven gedateerd
-den eersten September en den twintigsten October laatstleden. Daar
-Gij de volmacht mijns broeders in zekere zaken schijnt te bezitten,
-zoo wend ik mij tot u met mijn schrijven, om u te verzoeken,
-mijnen evengenoemden broeder den inhoud er van mede te deelen. Uit
-het hierboven reeds geciteerde schrijven van den twintigsten
-October schijnt te blijken, dat mijn broeder de niet zeer gegronde
-meening schijnt te koesteren, dat de twist, die tusschen hem en den
-pachter Sören Börevig aangaande het recht op zeewier ontstaan is,
-reeds onmiddellijk ter behandeling zou zijn voorgekomen. Zulks is
-intusschen niet het geval. Ten gevolge van andere rechtszaken, die
-eerst afgehandeld moeten worden, hebben wij ons met de genoemde zaak
-nog niet bezig kunnen houden."
-
-Sechus hield even met voorlezen op.
-
-"Lees dat nog eens," zeide Njaedel.
-
-De opperloods las het begin van den brief nog eenmaal langzaam voor.
-
-Njaedel schudde het hoofd; op eens sprong hij heftig van zijnen stoel
-en sloeg met de vuist zoo hard op de tafel, dat het brillenhuis van
-zijnen vriend hoog in de lucht sprong.
-
-"Nu, nu Njaedel, maak je niet zoo driftig.... de brief is nog niet uit,
-misschien komt het beste op het eind."
-
-Vooral wordt de opperloods verzocht het mijnen broeder duidelijk te
-maken, dat eene zaak van zulk eenen grooten omvang als de bovengenoemde
-niet zonder veel extra werk, waarop groote kosten zullen komen,
-zoo spoedig ten einde kan worden gebracht. Intusschen valt hier aan
-te merken, dat de som van twee honderd kronen, indien dit geld per
-ommegaande werd gezonden, van eenige uitwerking zou kunnen zijn om
-de genoemde zaak wat schielijker afgemaakt te krijgen en verklaar ik
-mij bereid voor de uitbetaling van dit geld zorg te dragen, zonder
-daarvoor de partijen op grootere onkosten te willen jagen.--
-
-"Begrijpt gij, wat hij meent buurman?"
-
-"Neen," antwoordde Sechus, en hij las het nog eens over; op eens riep
-hij uit: "nu ben ik er achter--hij meent, dat wij moeten smeren!"
-
-"Wat moeten wij doen?"
-
-"Ja, zie je, dat kan ik beter begrijpen dan jij; ik ben op de hoogte
-van zulke zaken," zeide Sechus op loozen toon, "want toen ik in der
-tijd met "De Hoop der Familie," voor den consul Garman te Sandsgaard
-voer, zei de consul altijd, wanneer ik in de lente met haring naar de
-Oost-zee reisde: "hoor Sechus, wanneer je nu in Riga ankert, moet je,
-zooveel als je maar kunt, de tolbeambten, de sjouwers en allen met
-wie je te doen mocht krijgen, smeren. Het is niet goed spaarzaam te
-zijn, waar het noodig is geld uit te geven," zei de consul. En heel
-wat roebels, en heel wat sterken drank kostte dat, dat kunt ge wel
-denken. Het is zeker wel zoo iets, dat je broeder meent."
-
-"Geloof je dan, dat de koning er betaling voor wil nemen?"
-
-"De koning," antwoordde Sechus, en hij zag Njaedel met eenen
-meêlijdenden glimlach aan; "neen zeker niet, buurman. De blanke
-daaldertjes zijn wel versmolten, eer zij zoover gekomen zijn. Het is
-zeker een van die voorname heeren met goudgalon op de jas, aan wien
-hij het geld moet geven; die gaat dan naar den koning en vraagt hoe
-het met je zaak gelegen is. In Petersburg heb ik eenmaal zulk een
-snuiter gezien; hij reed in eigen rijtuig met twee paarden er voor en
-het tuig was van echt zilver; toch was hij geen enkelen roebel van
-zich zelf rijk; hij leefde enkel van fooien, vertelde mij de klerk
-van den makelaar."
-
-"Ja, dan geloof ik, dat zóó de vork in den steel zit," zei Njaedel.
-
-"In allen geval verlangt hij, dat ge hem dadelijk twee honderd kronen
-zendt.... misschien wil hij voor zijne moeite betaald worden."
-
-"O, zou Anders geld van mij willen hebben," antwoordde Njaedel,
-eenigszins beleedigd door deze woorden.
-
-Sechus las verder:
-
-"Wat nu de tegemoetkoming betreft voor het verblijf van de dochter
-van mijnen eigenen broeder in mijn huis, waarover in bovengemelden
-brief ook gesproken werd, zoo zal hier van mijne zijde nooit aan
-gedacht worden."
-
-"Nu, zei ik het niet," riep Njaedel trotsch uit.
-
-"Mocht het verblijf onder mijn nederig dak slechts tot een waren
-zegen voor haar worden. Het jonge gemoed wordt helaas al te licht
-medegesleept door de ijdelheden dezer wereld, en is zoo geneigd
-de vermaningen en waarschuwingen van oudere menschen in den wind
-te slaan. En aan veel gevaar is een jong meisje in eene groote
-stad blootgesteld, zoodat wij wel voor haar mogen bidden en haar
-toewenschen, dat zij geen gewillig oor aan de stem der verleiding
-en der vleierij moge leenen, maar integendeel, dat zij luisteren
-moge naar hen, die haar met hunne ervaring willen voorlichten. Ja,
-mogen wij allen een geopend oor hebben voor de stem der waarheid zoo
-lang het nog dag voor ons is.
-
-Met bijzondere hoogachting,
-
-Andreas Mo."
-
-
-"Ja, die Anders--die Anders," zeide Njaedel op den toon van de grootste
-bewondering, "het is juist als moeder altijd zei: jij Njaedel,"
-zei zij, "jij bent een groote slungel, maar...."
-
-"Ik zou wel willen weten, wat hij eigenlijk meent," viel Sechus hem
-in de rede, en hij trok een heel bedenkelijk gezicht, "het ziet er
-bijna uit, alsof iemand op Christine loert."
-
-"Ben je gek, opperloods? Maar wat zullen wij nu doen?"
-
-"Ja, wij moeten haar schrijven, dat zij op moet passen en...."
-
-"En met Anders moet spreken, schrijf dat vooral, en ook, dat zij Oom
-Anders in alles moet gehoorzamen."
-
-De opperloods haalde dadelijk papier, pen en inkt voor den dag,
-die nu altijd bij Njaedel voorhanden waren, en schreef: "Lieve
-Christine!" toen kwam er een lange pauze.
-
-"Nu opperloods, zit je aan den grond?"
-
-"O, in het geheel niet;" antwoordde Sechus ietwat gebelgd over deze
-vraag, en hij schreef: Het gaat met de jonge lieden, evenals met
-den grooten Deenschen os, die te Sandsgaard was, maar nu ik mij
-wel bedenk, kan ik die historie van den os niet vertellen daar het
-einde heel leelijk is; maar nu laat je vader je zeggen, dat je in
-alle dingen Oom Anders om raad moet vragen, want aan verzoekingen
-is de jeugd overal blootgesteld, b. v. mijne zuster Amelia--ja,
-het is nu een twintig jaar geleden, dat zij stierf, en zij zei, dat
-haar doodsdag de gelukkigste dag van haar leven was;--het was juist
-op den eersten Februari van het jaar, toen de bliksem in den koestal
-van den Lensmand sloeg--alles door de betoovering der liefde en hij
-was op den koop toe een schurk; zijn gezicht leek op borstplaat,
-en hij woont nog in de stad, ik noem geenen naam, maar wanneer hij
-mij ontmoet, kijkt hij altijd recht voor zich uit, en doet of hij
-mij niet kent. Zoo is het menig braaf meisje gegaan. Daarom vraagt
-je vader je, dat je in alles je zult richten naar Oom Anders en dat
-ge volkomen vertrouwen in hem zult stellen.
-
-Nu hebben wij hier alle dagen stormweer op zee, en geen schip is er te
-zien, wat heel goed is, want het is donkere maan, en dikke mist hebben
-wij ook, maar de stoombooten storen zich er in het geheel niet aan,
-wat een parabel voor mij is, vooral daarom, wijl zij geheel uit ijzer
-zijn gebouwd; maar ik las in eene krant dat nu alles aan boord van
-ijzer is, tot de masten en de tonnen zelfs, wat ik vind, dat vervloekt
-veel van eene leugen weg heeft. Je vader is wel, laat hij je zeggen.
-
- Je toegenegene
-
- Lauritz Sechus.
-
-Postscriptum. Je moet aan je Oom zeggen, dat het geld, waarover hij
-heeft geschreven, hem gezonden zal worden zoodra je vader het bij
-elkaar heeft kunnen krabben, maar je moet ook vragen of het, daar de
-tijden zoo slecht zijn, niet voor wat minder kan afgemaakt worden,
-en dan vraag voor mij aan Oom Anders ook, of hij niet een woordje
-kan zeggen aan den persoon, die over alle Lensmands, rotmeesters en
-kapiteins gesteld is, want dat het nu een echte zwijnenboel aan het
-Zwarte Moeras is, wat ge zelf ook getuigen kunt, maar nu is het erger
-dan vroeger.
-
-Toen de brievenbesteller dezen brief bracht, stond Christine juist,--en
-zij had er hare rokken wat voor in de hoogte gebonden--de keukendeur
-af te nemen; want, ofschoon haar oom er een dienstmeisje op na hield,
-hielp zij aan al het huiswerk.
-
-Er waren ook brieven en couranten voor de familie bij, die gewoonlijk
-aan den conciërge ter hand werden gesteld. Alfred kwam juist het
-huis uit om naar het Departement te gaan, toen hij de brieven op de
-tafel in de woning van den conciërge zag liggen. De deur stond open,
-wijl het schuurdag was en de goede gelegenheid om een praatje met
-haar te gaan houden, wilde hij niet ongebruikt laten voorbijgaan.
-
-Christine liet zich door zijne komst zelfs niet voor een oogenblik in
-haar werk storen. Zij spoelde de mat, die voor de deur lag in den emmer
-af, en doopte hare gezonde blanke armen geheel in het water. Daarna
-wrong zij de mat uit, strooide er wat zand op en begon toen de deur
-zoo te schuren, alsof zij de verf er af wilde boenen.
-
-"Goeden morgen.... juffrouw Christine," riep Alfred, en hij liep
-vroolijk het vertrek binnen; toen hij echter zag, hoe weinig zij op
-zijne onverwachte komst acht sloeg, was hij een oogenblik met zijne
-houding verlegen en zeide:
-
-"Kan ik hier even de post nazien, misschien is er wel een brief voor
-mij bij van mijn liefje."
-
-Deze woorden zelfs scheen zij niet te hooren. Het onaangename geluid,
-dat het schuren veroorzaakte, deed zijne ooren pijnlijk aan; het
-ergerde hem, dat zij zoo met hart en ziel aan dit ruwe werk bezig was,
-en dat het haar volstrekt niet kon schelen, dat hij haar, en nog wel
-in zulk een costuum, zag.
-
-Twee mannen gingen nu juist het raam, dat op de straat uitzag,
-voorbij. Alfred zag op. "Kijk daar komt je Oom en.... Johan natuurlijk
-ook."
-
-Deze was juist van plan, scheen het, de poort in te gaan.
-
-"Mijn broer komt, dat kan ik mij zoo denken, meer in het onderhuis van
-den conciërge, dan in de eigenlijke woning; daar is hij een zeldzame
-gast; nu is het niet zoo?"
-
-Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat Christine met emmer en al in
-de keuken was verdwenen en dat zij de deur had dicht gedaan.
-
-Zeer boos gooide hij de courant, die hij in de hand hield, op de
-tafel en liep het vertrek weer uit. In de poort ontmoette hij Mo,
-die hem eerbiedig maar tevens half familiaar groette.
-
-Oom keek nu na, wat de brievenbesteller bezorgd had en zocht er
-de brieven uit, die hij den minister aan het Departement moest
-brengen. Toen hij den brief van den opperloods aan Christine zag,
-riep hij haar toe, even binnen te komen.
-
-"Christine," zei hij zeer ernstig, nadat hij haar den brief had
-gegeven.... "er is iets, waarover ik met je wil spreken. De zonen
-van den minister komen dikwijls hier een praatje met je houden, hé?"
-
-"De deur stond open, de candidaat kwam binnen, en...."
-
-"Ja, Alfred meen ik niet, maar de dokter.... zie je."
-
-"Hij is hier niet geweest," haastte Christine zich te antwoorden.
-
-"Neen, maar het kwam mij zoo voor, dat hij op weg hier naar toe
-was. Ja, zie je, lieve Christine," ging hij voort, en hij legde zijne
-hand op haren schouder,--zij was wat langer, dan hij--"het leven voor
-een jong meisje in eene groote stad is vol verzoekingen. Buitendien
-moet je vooral ook bedenken, hoeveel ik aan den minister, ja aan
-de geheele familie verschuldigd ben en hoe onplezierig het voor
-mij zoude zijn, zoo hun door mij of door hen, die bij mij wonen,
-eenige onaangenaamheid werd veroorzaakt. Gij begrijpt wellicht nog
-niet volkomen, wat ik met deze woorden meen, maar ik wil je vooral
-waarschuwen voorzichtig te zijn en je te wenden tot hen, die je
-welzijn bedoelen."
-
-Hij klopte haar even op de wang, en ging met de brieven het huis uit.
-
-Neen--zij begreep het niet, ten minste niet volkomen. Zij dacht wel,
-dat oom haar had willen zeggen, dat hij geloofde, dat de jonge heeren
-om haar zoo dikwijls binnenkwamen, maar welke onaangenaamheden dit aan
-de familie van den minister zou kunnen veroorzaken, kon zij volstrekt
-niet vatten. Christine, een eenvoudig boerenkind, bezat echter te
-veel gezond verstand, om niet volkomen te kunnen begrijpen, welke
-groote afstand er bestond tusschen den zoon van een' minister en een
-meisje zooals zij. Toen zij den brief van den opperloods had gelezen,
-waarin dezelfde waarschuwingen werden gegeven, werd zij een weinig
-ongerust. Maar wat zou zij doen? Wanneer de candidaat binnen kwam, was
-zij zoo weinig voorkomend als maar mogelijk was; zij kon toch niet aan
-den ernstigen dokter,--en hij kwam maar zoo zelden--rechtuit zeggen,
-dat hij liever niet moest komen. Zij rekende uit, hoe lang het was
-geleden, sedert zij het laatst met hem had gesproken, en daar waren
-meer dan veertien dagen over verloopen.
-
-Oom Anders was al heel vreemd; zij kon niet recht wijs uit hem worden;
-ja, vriendelijk was hij altijd tegen haar, het zou schande zijn het
-tegendeel te zeggen, maar toch had zij, zij wist niet hoe het kwam,
-een zekeren angst voor hem.
-
-'s Avonds--hij kwam altijd nog al laat naar huis--kon hij, wanneer
-hij door hare kamer ging, naast haar bed wat met haar staan te praten
-maar zij begreep niet altijd, wat hij eigenlijk vertelde. Misschien
-kwam het, wijl zij slaperig was, of omdat oom 's avonds zeer moe was;
-hij sprak ten minste zoo vreeselijk onduidelijk. Hij tikte haar evenwel
-altijd vriendelijk op de wang, wanneer hij haar goeden nacht zei.
-
-Het viel dokter Bennecken, die steeds veel lust had met Christine een
-praatje te houden, niet altijd meê. Hij wilde er Alfred niet gaarne
-ontmoeten en Mo wilde hij ook liever niet t'huis treffen; wanneer
-hij op weg naar haar was, zijn geweten scheen hem niet heel zuiver;
-'t kwam hem voor, dat hij iets kwaads in den zin had.
-
-Het eindigde dan ook gewoonlijk met in het voorbijgaan even door
-het raam te kijken; soms liep hij naar boven om zijne moeder te
-begroeten in de zoete verwachting Christine in de poort of wel op de
-trap te ontmoeten.
-
-Hij was op haar verliefd geraakt, hij wist het maar al te goed. En
-toch was hij er niet vroolijk door gestemd, zooals zulks gewoonlijk
-het geval is, wanneer de liefde het bloed sneller door de aderen doet
-stroomen. Vooreerst wist hij volstrekt niet met welke oogen Christine
-hem aanzag. Hij meende, dat zij, die zoo gezond van lijf en leden was,
-en er zoo knap uitzag, afkeer moest gevoelen van een kreupele als hij;
-de dokter meende namelijk, dat hij veel meer mank ging dan eigenlijk
-het geval was.
-
-Dan was hij zeer ijverzuchtig op Alfred; wel verborg hij dit gevoel
-zoo veel mogelijk, maar uitermate jaloersch was hij op dien broeder,
-die hem steeds in den weg had gestaan, die overal steeds voorgetrokken,
-door allen vertroeteld werd, en ter wiens wille hij jaren lang zoo
-veel had moeten lijden.
-
-Ten laatste bezat Johan Bennecken volstrekt geen zelfvertrouwen en
-geloofde hij, dat het geluk voor hem niet was weggelegd. Het was hem
-nooit meegeloopen,--altijd moest hij dat van een ieder hooren.
-
-Daarom koesterde en vertroetelde hij den hartstocht, dien hij in
-zijnen boezem voelde ontkiemen, zooals men zulks een ziek kind
-doet. Aan dit sterke gevoel gaf hij zich geheel over zonder aan
-weerstand te denken; met stille weemoedige vreugde verborg hij die
-liefde in het binnenste van zijn hart, wijl hij niet durfde hopen,
-dat zij hem ooit geluk zou aanbrengen.
-
-Gesteld zelfs, hij was zoo gelukkig, dat Christine hem werkelijk
-lief had, welke zwarigheden, en bijna onoverkomelijke, dit kon hij
-niet wegredeneeren, zouden er zich opdoen. Wat zou zijne moeder,
-de vrouw van den minister er van zeggen?
-
-En zoo hij het zich al als mogelijk voorstelde, dat hij zich om den
-tegenstand zijner moeder niet zou bekommeren, hoe zou hij ooit den
-moed krijgen vóór zijnen vader te verschijnen, om hem mede te deelen,
-dat hij van plan was met een boerenmeisje in het huwelijk te treden.
-
-Die vader, die er zoo deftig en voornaam uitzag, was voor Johan
-Bennecken de type van al wat achtenswaardig, braaf en edel was.
-
-Wanneer de oppositie-bladen op heftigen toon de regeering aanvielen,
-las de dokter die artikelen altijd in dien geest, dat de aanvallen
-niet op zijnen vader gemunt waren. Het was best mogelijk, dat in de
-regeering mannen zaten, die eene scherpe kritiek verdienden maar dat
-er iets op den minister Bennecken zou zijn aan te merken, viel hem
-nooit in de gedachte.
-
-Terwijl de moeder slechts oogen had voor haren zoon Alfred, die er
-zoo knap uitzag, en met groote koelheid "de twee mislukten" zooals
-zij Johan en Hilda altijd noemde, behandelde, was zulks bij den vader
-gansch anders het geval; hij trok het eene kind, zeer zelden ten
-minste, boven het andere voor; ja soms gebeurde het zelfs, dat hij,
-wanneer zijne vrouw Alfred te zeer vertroetelde, het waagde zich
-daartegen een weinig te verzetten. Dit stelde Johan, die te dien
-opzichte volstrekt niet verwend was, zeer op prijs en hoe ouder hij
-werd, des te meer steeg zijne achting voor zijnen vader; zelfs zoo,
-dat dit gevoel bijna eene soort van vereering voor hem werd.
-
-Maar nu zou Johan juist zijnen vader in zijn gevoeligste punt, in
-dat, wat bij hem de grondstelling van zijn leven was, namelijk het
-respectabele, het fijne, het passende krenken, met den stormpas er
-zelfs tegen inloopen door een abnormaal huwelijk te willen aangaan met
-een lang roodharig boerenmeisje. Johan begon er reeds over te denken,
-wat zijn vader wel zeggen en doen zoude wanneer hij het dwaze plan
-van zijnen zoon vernam. Was het hem toch niet eerst, na bezwaren in
-het oneindige, gelukt, verlof te krijgen om te solliciteeren naar de
-betrekking van armendokter in een der voorsteden--en wat was dit in
-vergelijking van hetgeen hij nu van plan was?
-
-Telkens echter, wanneer de dokter zoo ver in den loop zijner gedachten
-was gekomen, zeide hij, om zich schijnbaar wat tot kalmte te stemmen:
-"Ja.... ja, waartoe mij hierover te verontrusten? Zij bekommert zich
-toch niet om mij."
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-Toen Mortensen de redactie van "de Vriend des Volks" op zich nam,
-veranderde hij den naam van het blad in "de ware Vriend des Volks",
-ook werd de courant op fijner papier en met helderder letter, dan
-zulks in den tijd van Hansen plaats had, uitgegeven. De illustratiën
-bleven echter nog een' tijd lang, zoo als zij tot nu toe altijd waren
-geweest, zwarte vlekken met een weinig wit hier en daar. Op zekeren dag
-maakte de redacteur aan zijne geabonneerden bekend, dat met het volgend
-kwartaal te beginnen de illustratiën voor goed zouden verdwijnen.
-
-Hierdoor verloor het blad natuurlijk eenige abonnés onder de kleine
-burgerij, maar Mortensen had daar geen spijt van. "De ware Vriend des
-Volks" verkreeg weldra zijne lezers, en wat het geldelijke betrof,
-dit ging boven alle verwachting.
-
-Wanneer Mortensen de courant 's morgens met zich naar het Departement
-nam, las één der jongere commiezen van het bureau gewoonlijk den inhoud
-voor "wanneer men tijd er voor had." De adjunct-klerk Hiorth had juist
-de voorlezing van een artikel geëindigd, waarin de onmogelijkheid
-was aangewezen, om te bepalen wat heden ten dage met de uitdrukking
-"het Volk" werd bedoeld; het naast lag wel voor de hand, dat men
-hier den Ambtenaarsstand mede moest bedoelen, omdat deze stand den
-kern van het volk uitmaakt.... toen de groothandelaar Falck-Olsen de
-lezing kwam storen en naar den minister vroeg.
-
-Terwijl een der commiezen hem den weg naar het kabinet van den minister
-wees, verspreidde zich de kring der hoorders die zich om "den waren
-Vriend des Volks" geschaard hadden, naar alle richtingen. Ieder ging
-naar zijne plaats om zich daar geheel in zijn werk te verdiepen.
-
-De oude Hansen was vóór zijnen lessenaar blijven zitten. Hij hield
-zich altijd, alsof hij geen woord van de voorlezing hoorde. Dit hielp
-hem echter niet veel; want wanneer er een gedeelte kwam, waarvan
-men wist, dat zulks hem zoude ergeren, werd het hem in de ooren
-geschreeuwd. De oude Hansen was een waarschuwend voorbeeld voor de
-jonge lieden aan het Departement geworden: aan hem konden zij zien,
-waartoe het koesteren van afwijkende meeningen leidt. Allen wisten,
-dat hij het niet verder in de ambtenaarsloopbaan kon brengen. Waar
-hij nu zat, met het gezicht naar den muur, bezig het werk in orde te
-brengen, dat anderen verzuimd hadden te doen, zou hij blijven zitten,
-tot dat hij in zijne doodkist zou liggen,--zoo men er zich ten minste
-niet toe genoodzaakt zag, hem zijn ontslag te geven; want de oude
-Hansen dronk, werd er algemeen in den laatsten tijd gefluisterd.
-
-Toen de minister zijn vriend Falck-Olsen zag binnen komen, begreep hij
-dadelijk, dat deze hem over zaken kwam spreken, en die gesprekken waren
-gewoonlijk niet opwekkend. Hij vroeg daarom dadelijk op vroolijken
-toon of zijn vriend hem voor eene jachtpartij kwam uitnoodigen; het
-was een mooie winterdag, een weinig had het maar gevroren, het woei
-volstrekt niet en de zon scheen zoo helder.
-
-Maar Falck-Olsen begon droogjes over zaken te spreken, over de slechte
-tijden en over verlies van alle kanten.
-
-"Ja, ja," viel de minister hem in de rede, terwijl hij in het vertrek
-heen en weer ging, en de handen zoo hield, dat de uitgespreide vingers
-aan de toppen elkaar raakten, "de industrie en de handel verkeeren
-hier tegenwoordig in slechten staat.... dit kan niet ontkend worden
-maar wij hopen echter...."
-
-"Och het zal heel wat duren, eer hier verbetering in komt! Ik weet
-niet, waaraan het in dit land ligt. Voor een poosje gaat alles goed,
-ja brillant zelfs, maar plotseling komt er een stilstand en de heele
-boel valt uit elkander; niets kan bij ons tot bloei komen, alles
-wat wij ondernemen komt zoo vervl.... langzaam tot stand. Laten wij
-b.v. de Actienbank maar tot voorbeeld nemen, die verleden jaar met
-zooveel champagne opgericht werd, en van 't jaar?--nu gij weet zelf,
-hoe de boel staat."
-
-Bij deze woorden slaakte de minister eenen zucht van verlichting.
-
-Hij had gevreesd, dat de groothandelaar was gekomen om hem mede te
-deelen, dat het zeer moeielijk was, geld te verschaffen, dat hij groote
-contante betalingen had moeten doen en meer dergelijke onaangename
-zaken, over welke Olsen gewoon was, hem te komen onderhouden, wanneer
-hij slecht geluimd was. Maar de Actienbank was een heel onschuldig
-onderwerp van gesprek, en hij antwoordde dus op schertsenden toon:
-"Als lid van het bestuur in de bank moet ik protesteeren tegen dien
-aanval. Integendeel hebben wij, zooals de boeken zulks bewijzen...."
-
-"Och de boeken," antwoordde Falck-Olsen toornig, "de boeken mooi
-te laten sluiten is zoo'n kunststuk niet; iedere domkop kan dit
-tegenwoordig. Maar de fout zit daarin, dat het bestuur geen zweem
-begrip heeft van zaken te doen. Wat kan men verwachten van al die
-geleerde juristen, die nooit van hun leven zaken gedaan hebben, van
-die raadsheeren, advocaten en rechters--zij hebben geen jota verstand
-van zaken, neen waarachtig, zij begrijpen er niets van."
-
-De minister was nu door deze woorden op de hoogte gekomen, wat "de
-zaak" was, die den heer Falck-Olsen zoo bezig hield; hij legde de
-vingertoppen voorzichtig tegen elkander aan, en zeide: "Hierin hebt gij
-voor een groot gedeelte gelijk, beste vriend, voor een groot gedeelte,
-maar,"--hij bleef voor hem staan en hield den groothandelaar bij de jas
-vast, terwijl hij vervolgde: "het is toch vreemd, heel vreemd zelfs, en
-jammer tevens, dat een man zoo als gij volstrekt niet eerzuchtig zijt."
-
-"Wat meent gij hiermede?" vroeg de heer Falck-Olsen, en hij zag den
-minister eenigszins weifelend aan.
-
-"Is het u nooit ingevallen, dat gij u al te weinig van den invloed
-bedient, dien gij bezit.... of ten minste bezitten kunt? Daar hebt
-gij de Actiënbank bijvoorbeeld, waarover gij zoo even hebt gesproken;
-waarschijnlijk zal op de volgende vergadering, de oude Raadsheer
-Falbe zijn ontslag als Directeur der bank wel aanvragen, en zou die
-post nu niet juist iets voor u zijn?"
-
-"Ja, dat is juist de post, dien ik wil, dat men mij zal aanbieden,"
-riep de heer Falck-Olsen uit.
-
-"Onmogelijk.... ongelukkigerwijze, onmogelijk: mijn vriend," antwoordde
-de minister, en hij ging weer in de kamer op en neer.
-
-"Zoo, en mag ik vragen, waarom?"
-
-"Wijl de Consul Lind waarschijnlijk voor dien post gekozen zal worden
-en hij gaarne Directeur wil zijn...."
-
-"Wil?... wil? Heeft men ooit zoo iets gehoord," riep de groothandelaar
-met een gedwongen lach uit; "het zou wel eens aardig zijn te hooren,
-waarom allen naar de pijpen van dien heer moeten dansen! hij is niet
-rijker, dan ik."
-
-"Neen.... zeker is hij dat niet, maar men kan zich op hem verlaten."
-
-"Wat meent gij met deze woorden, Excellentie? Ben ik misschien iemand,
-op wien men zich niet verlaten kan?"
-
-"Niet zoo driftig!... niet zoo driftig.... beste vriend," zeide de
-minister glimlachend, en dwong hem te gaan zitten. "Sta mij toe,
-u mijne bedoeling met een eenvoudig voorbeeld op te helderen. Gij
-gaaft,--zooals gij u wel herinnert--een paar maanden geleden een
-bal, een prachtig feest, moet ik zeggen: niets ontbrak, alles was
-volkomen zoo als het zijn moest, in het kort "comme il faut." En
-toch.... veroorloof mij u aan eene kleine scène, die er toen
-plaats had, te herinneren." Nu was de minister in zijn eigenlijke
-element. Kleine, geheime conferentiën, zoo onder vier oogen en
-met gesloten deuren vielen in zijnen smaak. Hij kon dan zoo echt
-vertrouwelijk zitten praten, het was of hij geheel in het belang van
-hem, met wien hij sprak, zijn hart uitstortte en meedeelde, wat hij
-anders aan niemand toevertrouwde, en wat hij eigenlijk beter zou gedaan
-hebben te zwijgen; alles ging op zulk eene wijze toe, dat hij, met wien
-hij gesproken had, bij het heengaan de volle overtuiging koesterde het
-volkomen vertrouwen van den minister te bezitten en geheel op de hoogte
-was van alle geheimen der regeering. En toch werd van den minister
-gezegd, dat de voornaamste eigenschap, die hij als staatsman bezat,
-juist bestond in eene buigzame en toch onwrikbare bescheidenheid.
-
-Hij schoof zijnen stoel wat dichter bij dien van den groothandelaar,
-zag hem vertrouwelijk aan, en zeide:
-
-"Het kan eenigszins vreemd schijnen, dat een gast zijnen gastheer gaat
-critiseeren maar wij kennen elkaar zoo goed, niet waar?.... en daar
-wij nu juist op dit onderwerp gekomen zijn, is het mij wel vergund
-eenigermate mijne verwondering uit te spreken over uwe uitnoodigingen."
-
-"Zoo? Dit kan ik mij niet begrijpen."
-
-"Ziet, beste vriend, de scène, waaraan ik u wil herinneren, had plaats
-onder het souper dat--tusschen twee haakjes--charmant was.... en
-wel in uwe kamer; zoo als gij u zeker nog wel herinnert, had er een
-politiek dispuut plaats."
-
-"Ja, maar gij weet wel Excellentie, dat zulks tegenwoordig overal
-geschiedt. Noem mij eene enkele familie, waar op de eene of andere
-partij niet over politiek wordt gesproken."
-
-"Ja, ziet gij, daarin ligt het juist," riep de staatsman uit, "overal
-wordt over politiek gesproken, in zoover hebt gij gelijk--volkomen
-gelijk, maar geef nauwkeurig acht op de omstandigheden"--hier sloeg
-de minister hem zachtjes op de knie; "wanneer er over politiek wordt
-gedisputeerd, zoo geeft dit te kennen, dat het gezelschap niet bij
-elkaar hoort,--hierin ligt het onderscheid."
-
-"Maar enkel mannen van naam waren op deze soirée aanwezig. Ik had
-mij juist bijzondere moeite gegeven personen van maatschappelijken
-invloed uit te noodigen, lieden, die ik vroeger nooit het genoegen
-had gehad bij mij aan huis te zien."
-
-"Zeer juist gezegd,--en dat was juist het ongeluk. Mannen van allerlei
-kleur waren daar,"--de minister sprak op meer gedempten toon, "zelfs
-rooden waren er onder! en onaangename zaken.... hoogst onaangename
-zaken zelfs werden er gezegd, moet ik zeggen. Niet dat het mij
-persoonlijk hinderde, dit begrijpt gij wel; ik gaf er niet in het
-minst om, het waren de gewone frasen, en meestal kwamen jonge lieden
-er mee voor den dag, maar voor u zelf, beste vriend, vind ik dat....!"
-
-"Bah!" viel de heer Falck-Olsen hem in de rede, en hij stond op,
-"dat kan mij geen bl..... schelen, ik hang van niemand af, ik ben
-een self-made man, ik vraag naar niemand."
-
-"Ja.... ja.... juist, zooals ik al heb gezegd. Gij bezit geen greintje
-eerzucht en dat vind ik jammer, zeer jammer;" de minister liep weer
-heen en weer en herhaalde: "zeer jammer!"
-
-"Nu ja... hm," zeide Falck-Olsen en lachte op wat geërgerden toon,
-"wis en zeker ben ik eerzuchtig, in zooverre ik gaarne.... dien invloed
-zou verkrijgen, die mij eigenlijk rechtens toekomt. Met de politiek
-wil ik mij echter niet inlaten, dat heb ik u honderden malen gezegd;
-ik kies geene partij voor wien dan ook;--ik sta tusschen, of liever
-gezegd boven de partijen!"
-
-Hij was werkelijk trotsch op dezen fraai klinkenden zin, maar de
-minister draaide zich naar hem toe en haalde de schouders op: "De
-uitdrukking, waarvan ge u hebt bediend, komt bij zekere gelegenheden
-zeer goed te pas en ik wil zelfs erkennen, dat zij dan van zeer goede
-uitwerking is. Maar beste vriend, hier zoo onder vier oogen, zullen wij
-het wel met elkaar eens zijn, dat het slechts eene frase, of ronduit
-gezegd, dat het louter onzin is. Neen, dan houd ik het met het oude
-spreekwoord: waar men meê verkeert, daar wordt men mee geëerd."
-
-"Maar..... maar wien moest ik eigenlijk niet hebben uitgenoodigd,"
-vroeg Falck-Olsen op wat minder zekeren toon.
-
-"O, beste vriend, hoe kunt gij er een oogenblik aan denken, dat ik
-in bijzonderheden zal treden. In het algemeen bedoelde ik, dat het
-gezelschap niet al te goed bij elkander paste. Velen waren er, wier
-gezelschap wij heel goed hadden kunnen missen, en omgekeerd miste
-ik dezen en genen, die naar mijne meening, aanwezig hadden moeten
-zijn. Onder de laatsten ben ik zoo vrij den Redacteur Mortensen te
-noemen, een' man, die ongetwijfeld...."
-
-"Die met de lucifers! Neen.... weet gij...."
-
-"Ik wil u iets in vertrouwen meedeelen," fluisterde de minister hem
-in 't oor, "die man heeft, wat zijn verleden ook geweest is, eene
-schitterende toekomst vóór zich. Hebt gij notitie van zijne courant
-genomen? Ik durf u zeggen, dat zijn blad grooten invloed.... ja,
-zeer grooten invloed zal verkrijgen."
-
-Juist kwam Mo met eenige papieren binnen.
-
-De groothandelaar was volstrekt niet met de audiëntie, die hem gegeven
-was, tevreden. In plaats van den anderen het mes op de keel te hebben
-gezet, was hij met dezen in eenen woordentwist geraakt, waarin hij,
-volgens gewoonte, aan het kortste eind had getrokken. Toch wilde hij
-niet weggaan zonder zijne kaart te hebben uitgespeeld en daarom zeide
-hij, zóó dat de minister het alleen kon hooren: "ik wil alleen maar
-zeggen, dat ik op uwe stem zeker reken."
-
-Het was den minister of zijn hart een oogenblik ophield te
-kloppen. Falck-Olsen's geelachtige oogen zagen hem aan, zooals zij
-zulks gewoonlijk deden, wanneer er van "contante voorschotten" of
-dergelijke onaangename zaken sprake was. Hij stak hem echter heel
-vriendschappelijk de hand toe, toen hij in de deur afscheid van
-hem nam. "Nu ja.... beste vriend, komen die tijden, dan komen die
-plagen.... en ik ben er zeker van, dat wij vóór dien tijd het op alle
-punten eens zullen worden."
-
-De heer Falck-Olsen bromde iets tusschen de tanden, wat niet
-gemakkelijk viel te begrijpen, en de minister was overtuigd, toen
-de groothandelaar de deur der kamer achter zich toe trok, dat het de
-volgende maal niet zoo malsch zou toegaan.
-
-Hij wendde zich nu tot Mo, nam de papieren en legde ze met
-onverschilligen blik op de tafel.
-
-"Hebt gij de rekeningen meegebracht?" Mo haalde zeven of acht
-rekeningen voor den dag.
-
-"Al te veel, al te veel.... meer dan de afspraak is," riep de minister
-boos uit. "Zeg aan Madam Gluncke dat zij niet aan al hare nukken moet
-toegeven, dat gaat volstrekt niet aan."
-
-"Ja, Excellentie," zeide Mo op klagenden toon, "ik preek voortdurend
-hetzelfde, maar Malle Bimbam beweert...."
-
-"Wie?" vroeg de minister op strengen toon.
-
-"O, neem mij niet kwalijk, Excellentie, ik wil zeggen, madam Gluncke
-beweert, dat zij het tegenwoordig allen zoo hebben."
-
-"Hm!" viel hem de minister in de rede, en hij opende eene kleine lade
-van zijne schrijftafel.
-
-Terwijl hij bezig was het geld te tellen, zeide Mo: "weet uwe
-Excellentie met wien de hoofdcommies Delphin veel omgaat?"
-
-"Nu, met wien?"
-
-"Met den ouden Hansen."
-
-"Den ouden Hansen, daarbinnen?"
-
-"Ja, onlangs was de hoofdcommies den geheelen avond bij Hansen en
-toen hij weg ging, stopte hij de vrouw van Hansen veertig kronen in
-de hand. Ik weet het positief," voegde hij er bij.
-
-"Nergens vertrouwbare lui, waar men ook om zich heen ziet," mompelde
-de minister, terwijl hij de bankbilletten aan Mo ter hand stelde. "Ja,
-dat is waar ook, daar valt mij iets in, waarnaar ik je wou vragen. Je
-hebt eene zustersdochter bij je aan huis, is niet, Mo?"
-
-"Een broersdochter, Excellentie."
-
-"Nu dat is hetzelfde.... het is mijn wensch, dat gij ze wegzendt, hebt
-gij 't verstaan? Gij kunt in de andere kamer wachten, tot ik schel."
-
-De minister ging voor zijne schrijftafel zitten, maar de bode Mo
-bleef wachten.
-
-"Wilt gij nog iets?"
-
-"Ik wil mijne nicht niet gaarne wegzenden," zeide Mo op eerbiedigen
-toon.
-
-"Zij heeft natuurlijk reisgeld noodig," zeide de minister, en hij
-nam den sleutelbos, die nog in de lade stak, weer in de hand.
-
-"Ik wensch haar bij mij te houden," zeide Mo droogjes.
-
-De minister keek hem aan. "Waarom?"
-
-"Omdat.... omdat ik zulks wensch," luidde het antwoord op onderdanigen
-toon.
-
-"Nu, kort en goed, Mo; mijne vrouw heeft mij verteld, dat zij de
-hoofden van onze jongens op hol maakt.... en ik heb haar beloofd te
-zullen zorgen, dat zij weg kwam."
-
-"Ik hoop dat uwe Excellentie mij het niet kwalijk zal nemen, maar uwe
-Excellentie moet toestaan, dat ik haar bij mij houd," antwoordde Mo,
-en verdween in het kleine vertrek, dat aan de kamer van den minister
-grensde.
-
-De minister zat een oogenblik in gepeins. Het gebeurde soms wel,
-dat Mo zwarigheden maakte, maar gewoonlijk werden die uit den weg
-geruimd, wanneer de minister de kleine lade van zijne schrijftafel
-opende. Het ergste van de zaak was, dat hij er nu zeker van kon zijn
-eene scène met zijne vrouw te zullen krijgen.
-
-De kleine bange secretaris voor de verzendingen had het eerst van
-het slechte humeur des ministers te lijden; de hoofdcommies Delphin
-zelfs liep niet geheel vrij, en weldra was het in al de kamers van
-het Departement bekend, dat de minister slecht geluimd was. Er was een
-geloop en een gefluister in de vertrekken, de hoofden werden over de
-lessenaars heengestoken om te vragen, wat er eigenlijk aan de hand
-was; de vreeselijkste voorspellingen over ontslag of mogelijk wel
-degradatie gingen van inktkoker tot inktkoker, en ieder maakte voor
-zichzelf in stilte zijn zondenregister op.
-
-Mo alleen sloop op zijne vilten schoenen en glimlachend als altijd
-door de verschillende kamers, en wanneer hij voorbijging, zagen allen
-even van het "werk" op: hij zag er zoo geheimzinnig uit.
-
-Wat de minister verwacht had, gebeurde, zoodra mevrouw hem ontmoette
-vroeg zij: "nu, heb je de zaak in orde gemaakt?"
-
-De minister wachtte even, voor hij haar antwoordde. Zijne vrouw was de
-eenige persoon in de wereld, tegen wie hij den deftigen diplomatieken
-toon niet kon aanstaan. Hij antwoordde dus: "neen ronduit wil ik je
-bekennen, dat ik de zaak nog niet in orde heb kunnen brengen, maar...."
-
-"Nu, waarom niet?"
-
-"Mo wil niet; hij wil haar bij zich houden."
-
-"Mo.... altijd Mo," riep mevrouw op boozen toon uit; "wanneer Mo niet
-wil, is het precies of gij er niets meer aan doen kunt. Men zou bijna
-gaan gelooven, dat hij je op de eene of andere manier in zijne macht
-heeft, waardoor gij het niet waagt hem den voet dwars te zetten."
-
-"Ha, ha, ha! de arme Mo," riep de minister lachend uit maar zijn
-lachen klonk eenigszins gedwongen, en hij zag voortdurend uit het raam,
-toen hij antwoordde: "gij kunt toch wel begrijpen, dat het meisje het
-huis uit gaat, wanneer gij er zoo op gesteld zijt; ik kan Mo zeggen,
-dat ik het bepaald wil hebben en...."
-
-"Ja, vindt gij zelf niet, dat het tijd wordt, hem te toonen, dat
-gij de macht hebt hem te bevelen.... zoo gij die ten minste bezit,"
-zeide mevrouw. "Gij weet niet half, hoe Johan zich aanstelt. Alfred
-vertelt honderden zaken...."
-
-"Neem mij niet kwalijk, maar naar ik bemerk, legt Alfred meer bezoeken
-in de kelderwoning af dan Johan."
-
-"Nu ja, wat beteekent dat? Alfred is verstandig.... een man van de
-wereld! Zoo hij aan zulk een eenvoudig boerenmeisje wat het hof maakt,
-weten wij wat dat beteekent. Maar met Johan, ziet gij, dat is wat
-anders. Gij hebt zijn karakter nooit goed kunnen vatten; gij weet,
-hier onder ons gezegd, niet, hoe bekrompen hij in zijne denkbeelden
-is. Heeft hij zich eenmaal iets in het hoofd gehaald, dan is hij
-in staat de grootste domheden te begaan; het zou mij volstrekt niet
-verbazen, wanneer hij ons op een mooien dag kwam vertellen, dat hij
-van plan is met het meisje in het huwelijk te treden."
-
-"Maar beste Adelaïde, hoe kunt gij op zulke gedachten komen! Zoo iets
-mag natuurlijk volstrekt niet plaats hebben, hoegenaamd niet!"
-
-"Ja, ja, ik heb er in mijn leven genoeg voorbeelden van gezien,"
-antwoordde Mevrouw Bennecken. "Men zegt zoolang: "het is
-onmogelijk," tot eindelijk het geval er toe ligt, en men tot over
-de ooren in een schandaal zit. Neen, zoo iets moet men bij tijds
-zien te voorkomen.... dat is mijne meening; en weg wil ik haar
-hebben.... die afschuwelijke roodharige meid! Bedenk eens, Daniel,
-wat een afschuwelijken smaak hij heeft!"
-
-"Ja, maar gij weet wel, dat Alfred ook...."
-
-"Komt gij nu weer met Alfred aan! Gij hebt altijd iets tegen hem
-gehad. Alfred bezit een kunstenaars-natuur zooals zoo velen in onze
-familie. Het roode haar dat zoo fraai tegen de blanke gelaatskleur
-afsteekt, of zoo iets trekt hem aan. En buitendien, toen gij van
-zijnen leeftijd waart, waart gij ook niet zoo moeielijk tevreden te
-stellen.... is het wel?"
-
-Dit argument was altijd mevrouw's grof geschut, dat nooit miste
-een eind aan den twist te maken; juist kwam men zeggen, dat de tafel
-gedekt was. "Waar is Alfred," vroeg de minister, toen hij in de eetzaal
-komende, alleen het kamermeisje zag. "Alfred.... ja de goede jongen
-komt niet t'huis eten," antwoordde mevrouw, "hij kwam van morgen
-even inwippen om te zeggen, dat hij dadelijk van het Departement naar
-Eriksen wilde gaan.... je weet wel, zijnen vriend.... den candidaat
-Eriksen.... die zoo ziek ligt."
-
-De minister maakte bij zich zelf de opmerking, dat de ziekte van den
-candidaat Eriksen zeer lang duurde.
-
-"Maar waarom is juffrouw Hilda hier niet," vroeg Mevrouw aan het
-kamermeisje.
-
-"Juffrouw Hilda komt dadelijk," antwoordde deze. "Zij heeft gevraagd
-om haar, zoodra het eten opgebracht was, te laten roepen. Zij is in
-de woning van den conciërge."
-
-"Nu hoort gij het Daniel," fluisterde Mevrouw hem in 't oor, "dat
-listige schepsel legt het er ook al op aan met de zuster op goeden
-voet te komen."
-
-Toen Hilda aan tafel plaats nam, wilde zij over Christine beginnen te
-spreken maar hare moeder gaf met een bits woord eene andere wending
-aan het gesprek, en daar zij bij haren vader ook geen instemming vond,
-zweeg zij maar.
-
-En zwijgend bleven allen gedurende den maaltijd.... een vervelende,
-ongezellige maaltijd, dat moet gezegd worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-De opperloods had in den loop van den winter heel wat brieven voor
-Njaedel te schrijven, nu aan Christine, en dan weer aan broer Anders
-over die zaak, die nooit tot een eind scheen te komen. Een weinig
-mistrouwen begon de opperloods te koesteren jegens dien broer Anders;
-het kwam hem voor, alsof het met al die geldzendingen, en telkens
-werd er meer gevraagd, niet recht in den haak was, en het minst van
-allen stond hem aan, wat Anders in zijn laatsten brief over Christine
-had geschreven.
-
-Ook hielp het geen greintje of hij Njaedel zijne gedachten over
-diens broeder al meedeelde; geen kwaad wou hij van hem hooren, en
-waagde hij het ook al eens, dan werd Njaedel vreeselijk boos. Alles
-wat Njaedel had opgespaard, moest Sechus naar Anders zenden, en toen
-de spaarpenningen verdwenen waren, moest de opperloods hem op eene
-andere manier geld zien te verschaffen.
-
-Njaedel leefde slechts voor de zaak; hij stond er 's morgens mee op,
-en ging er 's avonds mee naar bed. Elk oogenblik was hij overtuigd, dat
-er bericht van den koning zou komen, en dat hij--Njaedel--gelijk had.
-
-Vervolgens moest de opperloods, wanneer hij aan Christine schreef
-haar raden en vermanen. Daar Anders altijd schreef, dat zij daaraan
-behoefte had, stond Njaedel er op, dat het gebeurde. Anders had er
-verstand van en wist voor alles raad. Daarom was het voor Christine
-niet gemakkelijk de brieven van den opperloods recht te begrijpen;
-zij kreeg er echter een voorgevoel van, dat de zaken thuis niet in
-orde waren, ofschoon er altijd in de brieven stond, dat het Njaedel
-in alles goed ging. Nog minder begreep zij, wat hij met al die wenken
-en vermaningen aan haar adres meende. Op een dag in Februari, toen zij
-juist weer een' brief van huis had gekregen, gaf een gedeelte haar veel
-te denken. "Ik heb een lang leven achter den rug en veel verdriet en
-veel honger heb ik zien lijden door de liefde en het bedrog van zulke
-fijne jonge heeren, op wie geen meisje vertrouwen kan. Je moet God
-bidden, dat je hart van het kortstondig genot der liefde afgetrokken
-moge worden, en tot een verstandig man, al is die wat oud, dat maakt
-niets uit, wanneer men er maar eenmaal over heen is, maar daarentegen
-is het naar mijne gedachten niet te verwerpen, goed zijn brood te
-hebben, en de grootste winst en het grootste voordeel op den duur."
-
-Christine zat nog met den brief in de hand, toen zij juffrouw Hilda
-voorbij zag komen en de poort ingaan. Wanneer Hilda uit was geweest,
-liep zij altijd even de kelderwoning in, zoodat Christine, nog half
-in gedachten verzonken, opstond, om de deur te openen.
-
-Hilda wilde, naar het scheen, eerst voorbijgaan, maar na voorzichtig
-naar alle kanten te hebben rondgezien, sloop zij naar binnen en trok
-de deur schielijk achter zich dicht.
-
-Christine zag haar zeer verwonderd aan.
-
-"Zeg aan niemand, dat ik hier ben geweest, Christine. Mama heeft mij
-verboden, je te bezoeken."
-
-"Waarom?" vroeg Christine ernstig.
-
-"Dat kan ik je niet zeggen," antwoordde Hilda, en zij draaide het
-hoofd om, "maar ik ben zeker dat, wat mama mij heeft gezegd, niet
-waar kan zijn."
-
-"Wat heeft uwe moeder dan gezegd," vroeg Christine op denzelfden
-ernstigen toon.
-
-"Och... beste Christine... vraag mij daar niet naar," zeide Hilda,
-en zij wilde weggaan.
-
-"Ik wil het weten," zeide Christine en zij hield haar bij den arm vast.
-
-"Mama zegt, dat wij te dikwijls komen?"
-
-"Wie?"
-
-"Ja, ik.... en.... en...."
-
-"En?.... wie meer?"
-
-"Mijn broers... Johan vooral, zegt mama, maar ik geloof er geen
-woord van, hoor.... Ik ben maar zoo bang dat mama te weten zal komen,
-dat ik hier toch ben."
-
-Christine liet haren arm los, en daar oom Anders juist het vertrek
-binnenkwam, sloop Hilda weg, verward en onrustig over hetgeen zij
-had gedaan.
-
-Christine stond doodsbleek en met vastgeknepen handen; ja nu begon
-zij te begrijpen, dat men haar beschuldigde de zonen van den minister
-tot zich te lokken. Manspersonen aan te halen was het schandelijkste,
-wat zij zich denken kon, en dan... vooral Johan, had juffrouw Hilda
-gezegd: de dokter... de oudste zoon van den minister.... en dat zou
-zij hebben gedaan!
-
-"Ik wil naar huis, oom Anders."
-
-"Het zou er slecht uitzien, als zij gelijk hadden," antwoordde hij
-bedaard.
-
-"Weet u er ook van," riep Christine uit, "maar wat heb ik dan toch
-gedaan?"
-
-"Goddank, gij hebt nog niets gedaan lieve Christine.... en wees maar
-niet bang. Ik zal wel voor je waken, dit heb ik ook aan den minister
-gezegd."
-
-"De minister.... weet hij het ook? Ik wil naar huis, och lieve,
-lieve oom laat mij dadelijk naar huis gaan," smeekte Christine.
-
-"Ik vrees maar, dat je vader het treurig zal vinden, wanneer je om
-die reden terugkomt," zeide haar oom.
-
-"Om die reden," herhaalde Christine, en al de wenken en vermaningen
-van den opperloods schoten haar in de gedachten! Zij kon niet meer
-geregeld denken, zij voelde zich zoo ontzettend eenzaam.
-
-"Maar wat moet ik dan toch doen," riep zij eindelijk uit, en zij
-wrong de handen.
-
-"Je behoeft je volstrekt niet ongerust te maken, Christine! Ik ben
-mans genoeg je tegen den minister en tegen mevrouw, ja, tegen wien ook
-te verdedigen, en zoo iemand je wil beleedigen, of je te na komen,
-vertel het mij dan maar;" terwijl hij deze woorden zeide, kwam hij
-wat nader bij, en drukte hare hand recht hartelijk.
-
-Dit bracht haar wat tot kalmte. Het was toch maar goed, dat zij oom
-Anders had, op wien zij zoo volkomen kon vertrouwen; zij begon voor
-iedereen bang te worden en besloot zich op een' afstand te houden.
-
-Christine haalde den brief van den opperloods weer voor den dag en ging
-zitten, om hem te antwoorden; zij wilde volstrekt niet hebben, dat men
-t'huis zou kunnen meenen, dat er met haar iets niet in den haak was.
-
-
-"Beste Vader en beste Opperloods! met mijne gedachten ben ik meest
-altijd bij u, maar al verlang ik soms zeer naar huis, en ben ik wat
-neerslachtig, zoo ben ik evenwel God er recht dankbaar voor, dat ik
-het zoo goed naar lichaam en ziel heb. Eerst wil ik nu maar schrijven,
-dat oom gezegd heeft, dat de zaak nu mooi op weg is; hij zal zelf
-eerstdaags schrijven, maar hij heeft ontzaglijk veel te doen, en geeft
-zich veel moeite voor vaders zaak, en zoo er meer geld voorhanden was,
-zou alles zeker spoedig zijn beslag krijgen. Maar ieder zegt hier,
-dat Oom Anders de voornaamste van allen aan het Departement is, en hij
-is heel vriendelijk tegen mij, en het gaat met mij in alles heel goed.
-
-Hier is in 't geheel geene zee te zien, veel geel water, dat leelijk
-riekt, en niet zoo als de zee bij ons, maar ontelbaar veel schepen
-en groote huizen van steen, en boomen, die zoo hoog zijn, als ik ze
-nooit heb gezien. Maar nu moet ik eindigen, met de hartelijke groeten
-aan mijnen goeden vader en den opperloods.
-
- Uwe gehoorzame dochter,
-
- Christine.
-
-
-Bij Hilda Bennecken waren op denzelfden namiddag eenige jonge dames op
-theevisite; ofschoon zij nooit veel zulke visites gaf, was zij er van
-daag in 't geheel niet toe gestemd. Het speet haar zoo, dat het haar
-verboden was bij Christine in te loopen; haar angst voor hare moeder
-was echter zoo groot, dat zij, ofschoon zij reeds lang volwassen was,
-als een klein meisje voor haar beefde.
-
-Van hare vroegste jeugd af, had zij steeds moeten hooren, dat zij
-een ongelukskind was.
-
-Zij had zich gewend, het verdriet harer moeder over de leelijkheid
-harer eenige dochter, meer te beschouwen als een verwijt, dat deze
-er haar van maakte, dan als eene zaak, die voor haar zelf treurig was.
-
-En hieraan was mevrouw Bennecken grootendeels zelf schuld. Want daar
-zij er nog goed uitzag, en een goed voorkomen zeer op prijs stelde,
-kon zij er zich soms bitter over beklagen, dat zij aan zulk eene
-dochter het leven had moeten schenken; en vele malen had Hilda in
-hare kinderjaren het moeten ondervinden, dat hare moeder, wanneer
-deze haar zoo fraai mogelijk aangekleed had, ten laatste alles weer
-uittrok en wegwierp, half schreiend zeggende: "waarvoor dient het? Je
-bent eenmaal leelijk, en dat zal wel nooit anders worden."
-
-Die tranen harer moeder brandden Hilda diep in de ziel, en al wat
-in den loop der jaren bij haar tot beter ontwikkeling had kunnen
-komen, kwam niet tot vollen wasdom, wijl zelfvertrouwen haar geheel
-ontbrak. Voor hare moeder koesterde zij zulk eene vrees, dat zij,
-wanneer deze tegenwoordig was, zich bijna niet durfde verroeren.
-
-Juffrouw Hilda was nu drie en twintig jaar oud; om in het huishouden
-wat te verrichten, had zij de gelegenheid niet; daar had men bepaald
-iemand aangesteld, die over alles het oog hield, en in gezelschap
-werd zij, wijl zij zoo leelijk was, slechts geduld; zij was daar
-blootgesteld aan al die kleine bittere krenkingen, die zoo in ruime
-mate aan leelijke en onbeduidende personen, die zich op zijde laten
-schuiven, ten deel vallen.
-
-In Johan stelde zij het meeste belang: de twee verschovelingen
-steunden elkander. Toen zij ongeveer zestien jaar was, verkreeg
-zij vergunning aan eene cursus voor onderwijzeressen deel te nemen;
-de minister vond, dat men tot zekere hoogte het streven der vrouwen,
-om meer kennis te verkrijgen, moest aanmoedigen. Toen zij echter, na
-met ingespannen ijver gewerkt te hebben, want bijzonder begaafd was zij
-niet, eindelijk klaar was om haar examen te kunnen afleggen, werd haar
-dit niet toegestaan: dit paste niet voor de dochter van een' minister.
-
-Hiermede was de zaak uit.
-
-Hilda Bennecken was gelukkig, noch ongelukkig. Haar leven ging
-kleurloos en eentonig daarheen, veel eentoniger nog, dan zulks
-gewoonlijk het geval is met de dames uit haren stand. Wat haar
-uiterlijk betrof, hierover konden de meeningen niet uiteenloopen,
-zoodat zelfs die kleine triomfen en nederlagen, welke anders de jonge
-jaren meêbrengen, voor haar ook niet waren weggelegd. Zij had eens
-voor altijd eene groote nederlaag geleden, namelijk geboren te zijn,
-zooals zij was. De kring, waartoe zij behoorde, kon haar verder
-geenerlei vergoeding bieden. Daarom had Delphins houding gedurende
-den winter zulk een sterken indruk op haar gemaakt. Nooit vergat hij,
-wanneer zij elkaar op een bal ontmoetten, na het souper de Française
-met haar te dansen, en zoo langzamerhand kwamen zij met elkander op
-vertrouwelijken voet. Natuurlijk begonnen hare vriendinnen haar zeer
-met den kamerheer te plagen, en Sophie Falck-Olsen begon, toen de dames
-eindelijk rustig om de tafel zaten, het gesprek op Delphin te brengen.
-
-"Hoe was het toch eigenlijk met dat engagement van Delphin? Jij Hilda,
-weet er zeker wel alles van, hé?"
-
-"Ik.... waarom zou ik dit zoo goed moeten weten," vroeg Hilda, en
-zij werd bloedrood.
-
-"Och, jij bent toch de eenige, onder ons jongere dames ten minste,
-wie de eer ten deel valt met den kamerheer te mogen dansen!"
-
-"Och geloof toch niet, dat ik er iets voor doe; ik zeg hem integendeel
-telkens, dat hij zich niet behoeft op te offeren, met mij de Française
-te dansen, wanneer hij er geen lust in heeft," verzekerde Hilda.
-
-"Och ik begrijp heel goed, dat hij gelooft er mee te moeten voortgaan,
-nu hij het eenmaal is begonnen."
-
-"Overigens," voegde Sophie er op eenigszins boosaardigen toon bij,
-"deed hij het voor de eerste maal een beetje uit gekheid, het was op
-ons bal, als ik mij wel herinner."
-
-"Ik weet, wat er eigenlijk van dat engagement van Delphin was," zeide
-nu Caroline Hjelm, die in het begin het gesprek niet had gevolgd,
-daar zij eene biecht van Louise, met welke zij op de sofa zat,
-had aangehoord. "Hij raakte geëngageerd met eene nicht van mama,
-maar acht dagen nadat het engagement publiek was geworden, dwong
-hare familie haar, hem zijn woord terug te geven; zij is nu met een'
-grondbezitter in Zweden getrouwd."
-
-"Och, dat is eene oude geschiedenis," zeide Sophie op stekelachtigen
-toon, "maar waarom wilde de familie volstrekt, dat zij haar jawoord
-terugvorderde?"
-
-Sophie stelde belang in het minste, wat Delphin betrof.
-
-"Meent gij, dat ik dat ook niet weet," antwoordde Caroline, "het was
-omdat het gerucht ging, dat Delphin in het Westland, waar hij een
-tijd lang bij de rechtbank was aangesteld, met eene getrouwde dame
-eene schandelijke betrekking had aangeknoopt. Zelfs kan ik vertellen,
-zoo gij zulks wilt weten, met wie het was; het was met de eenige zuster
-van den candidaat Hiorth.... daar hebt gij nu de gansche geschiedenis!"
-
-"Van Hiorth! nu dat is een buitenkansje," riep Sophie uit, en zij
-behandelde Caroline een weinig minder uit de hoogte, "dan kan ik
-er alles van te weten komen, want hem kan ik geheel om mijn vinger
-winden."
-
-"Was het werkelijk zulk eene schandelijke geschiedenis," vroeg Hilda
-aarzelende.
-
-"Een van de allerverschrikkelijkste," antwoordde Caroline op beslisten
-toon.
-
-"Och, onzin," zeide Sophie, "zeker niet erger, dan andere dergelijke
-histories. De heeren zijn elkander allen hierin gelijk, geloof mij
-maar op mijn woord, en volstrekt niet zulke modellen van deugd... en
-zoo zij dat waren, zou het ook al niet goed zijn."
-
-"Wat zeg je daar Sophie," vroeg Louise op verschrikten toon in het
-hoekje van de sofa.
-
-"Och jij, met je deugdzamen Hans, dien reken ik niet! Ik meen, wat ik
-heb gezegd, dat zulke onervarene, zulke model-brave heeren ontzettend
-vervelend zijn en in gezelschappen alleronverdraaglijkst."
-
-Deze woorden veroorzaakten eene heftige woordenwisseling, doch juist,
-toen het gesprek het levendigst werd, stak mevrouw het hoofd door
-de half weggetrokken porte-brisée, en zeide: "goeden avond jonge
-dames! Nu, nu! gebrek aan discours is er, naar ik merk, niet, wees
-voorzichtig Hilda.... dat kopje staat te ver op den kant, het zal
-dadelijk vallen. Wanneer de dames het veroorloven, zouden twee jonge
-heeren gaarne een kopje thee mede drinken."
-
-De assistent-commiezen Hiorth en Bennecken kwamen achter mevrouw
-aan. Zij hadden elkander plechtig beloofd, dat zij zouden trachten het
-geliefde voorwerp te winnen onder volkomen gelijke omstandigheden,
-en Alfred verzocht daarom Hiorth altijd mee naar zijn huis te gaan,
-wanneer hij wist, dat Sophie bij zijne zuster was.
-
-De avond was intusschen gevallen en mevrouw liet in het groote salon
-de lampen aansteken, zoodat het licht door de half opengetrokkene deur
-in het vertrek viel, waar de jongelui praatten en lachten. Alfred kon
-zeer goed een gesprek voeren, en juffrouw Sophie speelde uitmuntend
-de coquette.
-
-Jonas Hiorth had daarentegen eene andere methode gekozen. Hij zat
-zwijgend en in melancholieke houding in het meest schemerachtig
-gedeelte van het vertrek; wanneer haar blik op hem viel, zag hij haar
-aan op eene wijze, die zeggen moest: "valsche slang, ik heb u ondanks
-alles innig lief."
-
-Het gesprek was levendig, zonder dat er echter over een bepaald
-onderwerp werd gesproken; men lachte, maakte toespelingen, was hatelijk
-of wel lieftallig al naar het viel.
-
-Dokter Bennecken kwam het verlichte vertrek binnen doch wilde,
-toen hij het gepraat en gelach in de andere kamer hoorde, dadelijk
-weer heengaan.
-
-"Ben jij het Johan.... wil je geen kopje thee hebben?" riep Hilda hem
-toe. De dokter zag zich wel genoodzaakt binnen te komen; hij groette de
-jonge dames, maar verdween met zijn kopje thee weer in het salon. Hij
-was niet best geluimd; in de poort had hij Christine ontmoet en zij was
-hem voorbijgegaan, zonder de minste notitie van hem te hebben genomen.
-
-"Mijn geleerde broer heeft vandaag veel trappen moeten klimmen,"
-riep Alfred vrij luid.
-
-"Wat meent gij hier mee" vroeg Sophie, die aan den toon, waarop
-die woorden gezegd werden, merken kon, dat er iets bijzonders mede
-bedoeld werd.
-
-"Ja.... mijn broer is geen vriend van trappen klimmen; hij gaat het
-liefst daar, waar de kamers gelijkvloers zijn; soms heeft hij er
-echter niet op tegen een paar trapjes naar beneden te gaan."
-
-"Het past al heel slecht voor eenen dokter bang voor trappen klimmen
-te zijn," merkte een der dames aan, die den zin van Alfreds woorden
-in het minst niet begrepen had.
-
-"O, het is maar best de sympathieën en antipathieën van mijn broer
-niet al te nauwkeurig te onderzoeken; in alle zaken heeft hij nog al
-een' zonderlingen smaak. Kunt gij bijvoorbeeld raden, dames, hoe zijn
-ideaal van eene vrouw er uit moet zien?"
-
-"Neen, neen, volstrekt niet, vertel ons dat," riepen eenige der dames
-hem toe.
-
-"Alfred!" riep de dokter uit.
-
-"Eerstens moet zij ten minste drie en een half el lang zijn.... op
-hare kousen nog wel."
-
-De dames lachten en amuseerden zich zeer, maar Hilda begreep, waar
-hij heen wilde.
-
-"Alfred!" zeide zij op half fluisterenden toon, "ga niet verder."
-
-Hij stoorde zich echter niet aan hare woorden en vervolgde: "dan moet
-zij ten tweede vuurrood haar hebben, dat vóór alles zoo stroef moet
-zijn als de manen van een paard; ten derde moet zij in den boerenstand
-zijn geboren en naar den koestal ruiken...."
-
-"Alfred.... Alfred!" riep mevrouw hem half lachende, half knorrende
-toe.
-
-"O.... o, nu weet ik het!" riep Sophie uit, "je bedoelt Christine,
-die lange Christine, die bij den conciërge woont, niet waar?"
-
-De dokter zette zijn kopje zoo hard neer, dat het rinkelde.
-
-"De hartsgeheimen van mijnen broeder verraad ik maar zóó niet,"
-zeide Alfred.
-
-"Nu, bedoelt gij niet Hilda's nieuwe kennis, die Christine," vroeg
-Sophie, en zij boog haar hoofdje wat meer naar hem toe.
-
-Zeer gevleid, dat hij de dames met zijn verhaal had kunnen boeien,
-ging hij verder: "O, het is volkomen een roman, gij kunt mij op mijn
-woord gelooven. De voorname minnaar en het eenvoudige maar buitengewoon
-deugdzame boerenmeisje, dan de zuster als de vertrouwde...."
-
-"Alfred!" riep Johan nu uit op eenen toon, dat allen er van schrikten.
-
-"Maar Johan," zeide nu mevrouw, "wat beteekent zulk een gedrag,
-ik verzoek je vriendelijk...."
-
-"Ik heb het hem vroeger al gezegd mama, dat ik het niet langer dulden
-wil," riep de dokter uit, en stampvoette van drift.
-
-"Mama," vroeg Alfred op sarrenden toon aan zijne moeder, die met
-Johan in het salon zat, "was het met het lange, of met het korte been?"
-
-Nu kon Johan zich niet langer bedwingen; hij ging naar de deur
-der kamer, waarin de dames zaten, doch mevrouw hield hem tegen:
-"Maar Johan, ik geloof werkelijk, dat je vandaag niet recht bij je
-verstand bent. Een beetje scherts moest je toch wel kunnen verdragen,
-dunkt mij; je hadt beter gedaan, niet gekomen te zijn, dan hier zulk
-eene kibbelpartij te maken; vóór je komst zaten wij zoo gezellig bij
-elkaar!" Johan ging weg, maar het was zooals mevrouw had gezegd: hij
-had den avond voor hen bedorven. De dames spraken op fluisterenden
-toon tot hen die naast haar zaten, maar een gesprek wilde niet meer
-vlotten; zelfs gelukte het Alfred niet de vroolijkheid weer aan den
-gang te maken.
-
-Toen mevrouw zich 's avonds gereed maakte naar bed te gaan,
-vertelde zij haren man den twist, die tusschen de broeders had
-plaats gegrepen. Heel slim wist zij de zaak zoo voor te stellen, dat
-het scheen, alsof Johan alleen de schuld droeg, van het onaangename
-voorval; zij schilderde overigens het tooneel in nog scherper kleuren
-af, dan het in werkelijkheid was geweest.
-
-"Komt het je nu ook niet voor, dat het tijd wordt dat zij het huis
-uitkomt," vroeg zij.
-
-"Ik geef toe, dat de zaak er bedenkelijker uitziet dan ik gemeend had,"
-antwoordde de minister, "en zoo het werkelijk zoo ver gekomen is, ben
-ik bang, dat haar heengaan, niet veel zal helpen; met een karakter,
-als dat van Johan, vrees ik, dat de hindernissen, die men hem in den
-weg wil leggen, hem des te meer zullen prikkelen om bij zijn besluit
-te volharden; hij zal hare verblijfplaats trachten op te sporen,
-en zoo hij haar vindt, zullen er misschien nog erger dingen gebeuren."
-
-"O, dat heb ik al lang gezegd," riep mevrouw jammerend uit, "maar
-nooit wilt ge naar mijnen raad hooren, altijd wilt ge...."
-
-"Bedaard.... bedaard, lieve Adelaïde! Ziet gij... kunnen wij haar
-niet van den hals schuiven, zoo.... zoo...." hier maakte hij eene
-kleine diplomatieke pauze.
-
-"Nu?" vroeg zij.
-
-"Nu ja! zoo wij hem wegzenden."
-
-Zulke kleine verrassingen verstond de minister meesterlijk. Mevrouw
-zag hem aan. "Ja, Daniël.... dat zou misschien niet zoo heel gek zijn."
-
-"Zooals ik altijd zeg, lieve Adelaïde... wees bedaard... overijling
-deugt niet.... en bij kalm nadenken vindt men altijd eenen uitweg. Je
-weet, dat Johan al zoo lang naar Weenen wenscht te reizen; ik wil
-hem er nu verlof toe geven."
-
-"En mag hij lang wegblijven?"
-
-"Op zijn minst een jaar, zoo de reis hem, wat het wetenschappelijke
-betreft, van eenig nut zal zijn."
-
-"Wat het wetenschappelijke betreft! Schalk!" zeide mevrouw
-schertsend. Een steen was haar van 't hart gevallen. Vóór te gaan
-slapen moest de minister aan zijne vrouw de belofte afleggen, dat
-hij, zoodra Johan was vertrokken, Mo er toe dwingen zou Christine
-weg te zenden; zij was dan ver weg en vergeten, als Johan van zijne
-buitenlandsche reis terugkwam.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
-In April zou dokter Bennecken op reis gaan. Toen zijn vader hem
-meedeelde, dat hij hem toestond naar Weenen te reizen, was hij er
-zoo blijde over, dat hij in het eerst er niet aan dacht, hoe zwaar
-het hem zou vallen Christine in langen tijd niet te zien. Nog minder
-viel het den goedhartigen dokter in er over na te denken, waarom dat
-hem de groote gunst eene reis te mogen maken, was toegestaan.
-
-Toen hij zijn examen als candidaat in de medicijnen had afgelegd,
-was het zijn vurigste wensch geweest voor een jaar buitenslands
-te gaan. Zijn vader had het te kostbaar gevonden en zijne moeder
-had hem ronduit gezegd, dat het vrij belachelijk zou zijn, hem
-voor zijne studiën naar het buitenland te zenden; daar waren zijne
-examens niet schitterend genoeg voor geweest; hij kon best thuis voort
-studeeren. Johan had dus al die reisplannen op zijde gezet. Toen hij
-nu zoo onverwachts verlof kreeg naar het buitenland te reizen, was hij
-zoo vervuld van dankbaarheid, dat hij er volstrekt niet aan dacht, hoe
-hij eigenlijk zijn eigen meester was en zelf zijne reis kon bekostigen.
-
-Hoe meer de dag van het vertrek naderde, des te onrustiger werd hij. Er
-was zooveel, dat hij vóór zijn heengaan volstrekt aan Christine moest
-zeggen. Vóór alles wilde hij haar op de eene of andere wijze te kennen
-geven, hoeveel hij van haar hield, en dan wilde hij haar vragen, ja,
-dat was het eigenlijk, hij wilde haar vragen aan hem te denken in zijne
-afwezigheid. Met dit denkbeeld was hij zeer ingenomen, want hij vond,
-dat aldus veel met weinig woorden kon gezegd worden, en de dokter
-oefende zich voortdurend op welke wijze den zin samen te stellen, als
-bijv.: "zoo gij wildet...." of "zoo gij zoo goed wildet zijn...." of
-"zoo ik kon gelooven, dat gij zoo vriendelijk zoudt willen zijn een
-weinig aan mij te denken." Zou hij "een weinig", of zou hij het wagen
-"veel" te zeggen, of misschien "dikwijls?" En ééne zaak bovenal woog
-hem zwaar op het hart: hij wilde haar voor Alfred waarschuwen. Dat
-hij haar alleen met Alfred moest laten, gaf hem de meeste onrust. Hij
-kende al te goed, ja hij bewonderde zelfs de behendigheid van zijnen
-broeder in het maken van intriges, en hij kon zich best voorstellen,
-hoe licht een onervaren meisje als Christine zich door Alfreds aardige
-manieren zou laten medesleepen.
-
-Maar men kon Alfred niet vertrouwen, en het was zijn plicht, zijn dure
-plicht Christine voor hem te waarschuwen. Heel gemakkelijk ging het
-echter niet, eene geschikte gelegenheid te vinden haar te spreken. Zoo
-dikwijls mogelijk ging hij in de laatste dagen vóór zijn vertrek
-langs hare vensters of bleef even in de poort staan; de twee of drie
-treden durfde hij echter niet af te gaan. Tweemaal ontmoette hij haar,
-maar hij voelde zich zoo beklemd en de stem stokte hem zoo in de keel,
-dat hij blijde was toen zij voorbij was. Zij zag er ook zóó niet uit,
-dat het hem aanmoedigde, haar aan te spreken.
-
-Eindelijk was de dag, die voor zijn vertrek bestemd was,
-aangebroken. Nu moest hij dus trachten haar te spreken te krijgen;
-toen hij in de poort was, verschoof hij het oogenblik nog wat: hij
-kon eerst toch wel boven gaan afscheid nemen. Hij was zoo verstrooid,
-dat allen er een weinig om lachten, uitgenomen Hilda, die hem schreiend
-beloofde, te zullen schrijven.
-
-Toen hij uit het kamertje van den conciërge de weinige treden, die naar
-Christine's kamer voerden, afging, draaide alles voor zijn oogen, en
-hij viel bijna in de kamer. Gelukkig was er niemand, maar Christine,
-die iemand met zoo'n leven had hooren binnen komen, kwam dadelijk
-uit de keuken.
-
-"Ik ben het maar," stamelde de dokter, "ik struikelde over de
-mat.... ik ga op reis."
-
-Ja, Christine had het reeds gehoord.
-
-"Ik kom nu afscheid nemen."
-
-Christine droogde de rechterhand wat aan haren boezelaar af.
-
-"Ik.... ik wou u vragen," maar verder kwam het niet. Al de mooie
-wendingen van den zin, dien hij had willen uitspreken, waren als
-weggevaagd.
-
-Onwillekeurig moest Christine even glimlachen. Dit gaf hem moed. "Ik
-wou zoo graag, dat gij veel.... een weinig meen ik.... aan mij dacht,
-wanneer ik zoover weg ben." Al het bloed steeg hem naar het hoofd;
-hij wilde zoo gaarne den zin nog eens gezegd hebben, maar vond zulks
-wat heel gek. Christine was ook rood geworden, zij zag voor zich neer,
-maar glimlachte tevens.
-
-Toen werd de dokter zelfs vermetel; "en zoo wilde ik u zeggen, dat
-gij voor Alfred op uwe hoede moet zijn."
-
-Deze woorden moest Johan Bennecken niet hebben gezegd; ternauwernood
-was de zin aan zijne lippen ontgleden of Christine richtte zich
-trotsch in hare volle lengte op, kwam eene schrede nader en vroeg:
-"Wat meent gij hiermede?"
-
-Zij sprak in het dialect, dat zij anders in de stad afgelegd had,
-toen hij haar aanzag, ging hij een paar schreden achteruit en vroeg:
-
-"Ja, neem mij niet kwalijk, ik meende maar...."
-
-"Ik ben oud genoeg, om op mij zelf te kunnen passen," beet Christine
-hem kortaf toe.
-
-"Ja.... ja.... zoo meende ik het niet. Vaarwel!" en Johan strompelde
-de twee, drie treden weer op. Toen hij weg was, wierp Christine zich
-op haar bed en weende bittere tranen; dat hij ook zulke slechte dingen
-van haar kon gelooven!
-
-De arme dokter werd door duizenden verwarde gedachten geplaagd;
-eindelijk geloofde hij vast en zeker, dat zij Alfred beminde.
-
-De kruier die op het bestemde uur kwam om voor zijne bagage te zorgen,
-kon uit mijnheer niet recht wijs worden: hij sprak zoo verward. Een
-paar vrienden kwamen even bij hem aanloopen om hem eene goede reis te
-wenschen; hij dronk een glas wijn met hen, gaf hen allerlei verkeerde
-antwoorden, zag hen beurtelings aan alsof hij hun wat wilde vragen,
-en zei, als het er op aankwam, geene syllabe.
-
-Zij lachten hem hartelijk uit, en vertelden hem, dat hij aan een
-harden aanval van reiskoorts leed.
-
-In die gemoedstemming verliet hij Christiania.
-
-Een paar dagen later, vond de minister het maar het best nog eens
-met Mo over de zaak te spreken. Alle dagen had hij den verwijtenden
-blik, waarmee zijne vrouw hem aanzag, te doorstaan, waardoor hij
-zich niet op zijn gemak gevoelde. Toen hij dan ook op zekeren morgen
-met Mo alleen in zijn kamer aan het Departement was, zeide hij:
-"Ja Mo.... je nicht moet je toch wegzenden."
-
-"Het spijt mij zeer, Excellentie, maar...."
-
-"Zeg mij toch eens, waarom je haar volstrekt bij je wilt houden?"
-
-"Ja,.... Excellentie, ik heb het mijn heele leven lang zoo eenzaam
-gehad, en...."
-
-Nu ging den minister eensklaps een licht op; hij zag den kleinen
-glimlachenden man, die voor hem stond aan en zeide eenigszins toornig:
-
-"Neen, maar Mo, hoe kunt gij aan zoo iets denken?.... op jouw
-leeftijd.... en buitendien...."
-
-"Buitendien, Excellentie!" vroeg Mo, en hij zag hem zijdelings aan.
-
-"Ja, dat is een zeer onaangenaam onderwerp om over te spreken, maar
-daar gij er mij naar vraagt zoo, zoo.... een paar malen zijt gij
-zwaar ziek geweest.... Mo!"
-
-"Maar één maal, den anderen keer leed ik aan roos in het gezicht."
-
-"Ja, ja, ik ben niet van plan mij in uwe zaken te mengen, maar ik vind,
-dat gij, wanneer ik je er om verzoek, het meisje weg kondt zenden."
-
-"Uwe Excellentie zal, hoop ik, volstrekt niet aan mijne onderdanigheid
-en aan mijne volstrekte gehoorzaamheid twijfelen," gaf Andreas Mo ten
-antwoord, en hij boog heel diep, "maar ik meen dat uwe Excellentie
-zelf weet, hoe sterk dit gevoel bij den mensch is, en hoe...."
-
-De minister gaf hem door een ongeduldig gebaar met de hand te
-kennen, dat hij het gesprek niet wenschte voort te zetten. Hij liep
-de kamer op en neer maar de vingertoppen werden niet tegen elkaar
-aangelegd. Wanneer hij uit zijn humeur was, en dus niet als diplomaat
-optrad, stak hij de handen in den zak en rammelde met zijne sleutels.
-
-Hij dacht aan al de onaangenaamheden, die hem t'huis te wachten
-stonden wanneer Christine niet weg ging en hij was niet zoo bang voor
-de geheele pers der oppositie, als voor zijne vrouw, wanneer zij
-eenen veldtocht, geheel naar den regel, aanving. Zij snuffelde dan
-overal naar alles, wat haar licht over de zaak zou kunnen geven, en
-bespiedde alle zijne gangen; veel kon er aan den dag komen, dat nu voor
-haar bewaard en verborgen was en zou blijven, zoo lang de verhouding
-vriendschappelijk bleef en hij zijne vrouw in goeden luim hield.
-
-Terwijl de minister heen en weer liep, pookte Mo heel voorzichtig in
-de kachel het vuur wat op, en hij was er, om den minister wat tijd
-te geven, heel lang mede bezig.
-
-Van tijd tot tijd keek deze Mo eens aan; na over alle punten van deze
-onaangename zaak goed te hebben nagedacht, kwam hij tot het besluit,
-dat een huwelijk tusschen Mo en die nicht in den grond eigenlijk de
-beste uitweg zou zijn.
-
-Zonder twijfel zoude die Adelaïde tevreden stellen en tot kalmte
-brengen, en dat was de hoofdzaak. Verder zou Mo, wanneer de minister
-zich tegen het huwelijk niet verder aankantte, nog meer verplichting
-aan hem hebben, en het was toch zijn plicht niet er acht op te geven,
-dat de lieden, die wilden trouwen, gezond waren.
-
-En eindelijk--zoo Mo wilde gaan trouwen, wat had hij daarmede te
-maken? Kon hij,--de minister--het hem misschien verbieden? Hoe kon
-hij zoo dom zijn zich er boos over te maken?
-
-De minister legde nu de vingertoppen weer tegen elkaar, en vroeg
-op den toon, dien hij gewoonlijk tegen Mo aansloeg: "Hebt ge met je
-nicht over eene zoodanige verbintenis gesproken?"
-
-"Rechtstreeks heb ik de zaak nog niet aangeroerd; ik wilde mij van
-de toestemming van uwe Excellentie verzekeren alvorens er met haar
-over te praten."
-
-"Wat? mijne toestemming! het is eene zaak, die jou alleen aangaat,
-en waarin ik niets heb te zeggen."
-
-"Ik zou mij toch nooit zulk eenen stap hebben willen veroorloven,
-zonder eerst...."
-
-"Goed.... goed!" viel de minister hem boos in de rede, "zoo gij
-gelooft, dat het meisje je nemen wil, zoo...."
-
-"Duizendmaal dank, Excellentie!" riep Mo uit en hij wilde de hand des
-ministers grijpen, "ik twijfel er niet aan, dat nu ik de toestemming
-van uwe Exc...."
-
-"Geen woord wil ik meer over die zaak hooren Mo, hebt gij mij
-begrepen?"
-
-De minister zag er zoo verschrikkelijk boos uit, dat Mo het maar het
-best vond hem alleen te laten; met een dankbaren glimlach om den mond
-verliet hij het vertrek.
-
-De minister kon zich niet dadelijk aan den arbeid zetten--dit tooneel
-had hem zeer ontstemd; nog lang liep hij hoofdschuddend in zijn kamer
-heen en weer, en slaakte vele malen eenen diepen zucht.
-
-Des avonds zeide hij tot zijne vrouw: "Beste Adelaïde, het spijt mij
-zeer voor je, maar Mo is maar niet van zijn besluit af te brengen om
-het meisje bij zich te houden."
-
-"Zoo, werkelijk Daniël," antwoordde zij vrij heftig, "ja, ik begin
-inderdaad te gelooven, dat gij op de eene of andere wijze in de macht
-van dien man zijt."
-
-"Wees toch bedaard, Adelaïde, wees toch bedaard!" zeide haar man,
-en hij gesticuleerde even met zijne mooie hand, "zij--ja, ik meen
-dat meisje, kan geheel onschadelijk worden gemaakt, zonder dat het
-noodig is, dat wij haar wegzenden."
-
-"Zoo, en hoe? als ik mag vragen?"
-
-"Zij kon bij voorbeeld gaan trouwen?"
-
-"Hier aan huis?"
-
-"Ja zeker, beste, met haren oom."
-
-"Met Mo! dat jonge meisje met dien ouden vent?"
-
-"Ja, zie je," antwoordde haar man, en hij deed zijne das voor den
-spiegel wat los, "dat is nu eene zaak, die ons eigenlijk niet aangaat."
-
-"Neen, daar kunt ge gelijk aan hebben," antwoordde mevrouw eenigermate
-aarzelend, "maar ik vind toch...."
-
-"Door dit huwelijk zou zij voor ons onschadelijk worden," ging
-hij voort.
-
-"Ja, dat zou zeker het geval zijn; maar met dien akeligen Mo! en hebt
-ge mij buitendien niet eens verteld, dat hij...."
-
-"Officieel is daar niets van bekend, en buitendien! zoo men bij ieder
-huwelijk nauwkeurig wilde gaan onderzoeken of...."
-
-"Ja, je hebt gelijk, Daniël, ja, gij mannen....! en zoo als gij ook
-zegt, het gaat ons eigenlijk niet aan!"
-
-"Ja, lieve Adelaïde, zoo denk ik over de zaak, het gaat geheel buiten
-ons om."
-
-Toen mevrouw een poosje had nagedacht, kwam zij ook tot het besluit,
-dat een huwelijk de beste uitkomst was.
-
-"Zijt gij op dat denkbeeld gekomen, Daniël," vroeg zij hem op
-schalkschen toon.
-
-"Nu.... dat wil ik juist niet beweren.... hm!"
-
-"Je bent toch een slimmerd, Daniël," zeide mevrouw, en zij trok hem
-naar zich toe.
-
-Christine begon te begrijpen, waarvan eigenlijk sprake was. Oom Anders
-had, na haar zeer voorzichtig te hebben voorbereid, haar ronduit
-gezegd, dat de minister wenschte, dat de geruchten, die zooals zij zelf
-wist in omloop waren, op eene duidelijke wijze werden gelogenstraft.
-
-Een huwelijk met Oom Anders was naar hare begrippen eene goede
-partij. In den stand, waartoe zij behoorde, waren zoogenaamde "mariages
-de raison" eene gewone zaak; wanneer er nu nog bijkwam, dat haar
-vader het ook zoo gaarne zag, kon zij er niets op tegen hebben.
-
-Nooit had zij eenig man aangemoedigd; zij was volkomen vrij, en
-daarom maakte zij er zich dubbel boos over, dat men haar daarvan had
-kunnen beschuldigen. Inzonderheid ontvlamde haar toorn, wanneer zij
-aan dokter Bennecken dacht, en--die toorn deed meer pijn, dan zij
-vroeger ooit had gevoeld.
-
-Ofschoon zij dus geene liefde behoefde te offeren, schreide zij echter
-den ganschen nacht, die op den avond volgde waarop Oom haar gevraagd
-had of zij zijne vrouw wilde worden. Na goed uitgeweend te hebben, werd
-zij kalm en verstandig; de gedachte dat zij, trouwende met haren oom,
-allen zou kunnen bewijzen--en den dokter in de eerste plaats,--welk
-onrecht men haar had aangedaan, scheen haar kracht te verleenen.
-
-Den volgenden morgen kreeg haar oom het jawoord.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
-In dichte scharen zaten aan den Nijl de vogels en blakerden zich in
-de heete zon. Zij poetsten en plukten hunne veêren, vlogen een paar
-slagen om de vleugels te beproeven, en hapten lui naar de vette wormen
-waarvan het in het slijk wemelde. Maar er was àl te veel voedsel,
-àl te veel warmte en àl te veel windstilte; zij reikhalsden naar
-frisschen regen, grauwe lucht en stormweer.
-
-Ontelbare troepen wilde ganzen en zwanen zwommen rond in de tamelijk
-groote waterplassen, tusschen de biezen die het uitgestrekte
-moeras vulden. Reigers en ooievaars staken hier en daar met den
-kop boven de andere vogels uit; dicht in één gedrongen stonden
-zij op één been en lieten den kop op zij hangen:--zij verveelden
-zich allerverschrikkelijkst. Alle mogelijke soorten van snippen,
-watervogels, kieviten, waterhoenders, wilde ganzen, kwartels,
-zwaluwen--ja, zelfs tot gemeene spreeuwen toe--allen verveelden zich
-zoo, dat hun de veeren bijna uitvielen.
-
-De ibis maakte zich zeer kwaad op al dat grauw gevederde vreemde
-gespuis en vergat zijne waardigheid zoo zeer, dat hij zich bij den
-dommen flamingo, dien hij anders zoo diep verachtte, beklaagde.
-
-De krokodillen knipoogden met hunne slijmachtige, lichtgroene oogen en
-snapten nu en dan naar eene vette gans; dan ontstond er een geschreeuw
-en gekrijsch, dat overal langs den stroom beantwoord werd, om eindelijk
-heel, heel in de verte weg te sterven, en--de doodsche stilte van de
-woestenij lag weer over het gloeiende landschap, terwijl de scharen
-van vogels met slaperig uitzicht, weder ter neder zaten en wachtten--ja
-zij wisten niet recht waarop.
-
-Daar vloog een kleine grauwe vogel loodrecht de lucht in; een oogenblik
-bleef hij zweven, en klapwiekte met de vleugels, terwijl hij eenige
-tonen kweelde--dan vloog hij weer naar beneden en verschool zich
-tusschen het riet.
-
-Alle vogels hadden de koppen in de hoogte gestoken en geluisterd; nu
-ontstond er een gesnater en een getjilp en een gedrang in elken hoek.
-
-Jonge, verwaande kieviten vlogen hoog in de lucht en draaiden in alle
-mogelijke bochten rond om aan de anderen te toonen, hoe goed zij
-vliegen konden. Maar de oudste witte zwanen, die heel naar IJsland
-zouden reizen, belegden eene groote vergadering om het voorgeslagen
-reisplan van den leeuwerik te bespreken. Allen hadden toch den
-leeuwerik dadelijk aan het geluid herkend, ofschoon hij, want het
-gezang scheen nog niet goed uit de keel te willen, maar een paar
-tonen had laten hooren. Terwijl de zwanen nog aan het beraadslagen
-waren, werden zij door een hevig geplas in hunne debatten gestoord
-en de lucht werd geheel donker. Het waren de wilde ganzen, die dit
-leven maakten. In groote zwermen verdeelden zij zich, draaiden in de
-lucht heen en weer, schaarden zich dan in lange rijen en verdwenen
-in noordelijke richting, terwijl hun geschreeuw nog lang in de verte
-werd gehoord.
-
-In zwarte massa's vlogen de spreeuwen weg, de kieviten volgden hun
-voorbeeld, de ooievaars stegen paarsgewijze loodrecht omhoog, tot zij
-bijna geheel uit het gezicht waren, en trokken dan Noordwaarts. In de
-algemeene verwarring en het leven dat er heerschte, konden de zwanen
-niet rustig meer zitten te overleggen en daarom werd de vergadering
-ontbonden; ieder wilde weg, tijd tot nadenken, gunde men zich niet
-meer. Alle bezinning was verloren, telkens vlogen nieuwe scharen
-over Noord-Afrika heen, en ieder begroette, naar dat hij gebekt was,
-de blauwe Middellandsche zee, die onder hem lag.
-
-De mannetjes-nachtegalen vlogen in stille kleine gezelschappen des
-nachts weg; zij voelden zich getrokken tot de bekende plaatsjes in
-de rozenstruiken van Provence of wel tot de beukenwouden van Seeland;
-zij wilden hunne fraaiste melodieën instudeeren en ze kennen vóór de
-aankomst der wijfjes.
-
-De Noorsche leeuweriken wachtten het langst; toen de Deensche
-wegtrokken, sloten zij uit oude vriendschap zich bij hen aan. De
-reiskoorts maakte zich tot zulk eene hoogte van allen meester, dat
-zelfs de zwaluwen en de koekoeken langer rust noch duur hadden; zij
-wilden in allen gevalle toch over de Middellandsche zee,--daar kon
-men zien hoe verder te handelen.
-
-De ibis herkreeg zijne kalmte van gemoed, en als een bisschop zoo
-deftig wandelde hij langs den oever; de roze-roode flamingo's maakten
-voor Zijn Hoog Eerwaarde eerbiedig plaats, terwijl zij met vroom
-vertoon den dommen kop met den krommen bek bogen.
-
-Stiller en warmer werd het langs de oevers van den Nijl. De krokodillen
-moesten zich nu met negervleesch tevreden stellen of een enkele
-maal met dat van een taaien Engelschen toerist. Dag en nacht vlogen
-de trekvogels naar het Noorden en naarmate zij de bekende plaatsen
-naderden, verminderde het reisgezelschap; zij, die aan hun bekend te
-huis waren gekomen, groetten hen, die nog verder moesten trekken,
-en leven en vroolijkheid over het oude bevrorene Europa zouden
-verspreiden, in bosch en veld, dicht bij de woningen der menschen en
-ver weg in het riet van de groote stilstaande meren.
-
-In Italië stonden de rozenstruiken in vollen knop; in 't Zuiden van
-Frankrijk deden de bloeiende appelboomen denken, dat het zooeven
-gesneeuwd had, en op de Boulevards in Parijs begonnen de bladeren der
-kastanjeboomen hunne glanzende taaie knoppen te verbreken. De eerzame
-burgers van Dresden stonden op het Brühlsche terras en warmden zich
-in de zon, terwijl zij naar de ijsschotsen keken, die met den stroom
-kwamen afdrijven, om zich tegen de bogen der brug bij torenhoog op
-te stapelen.
-
-Maar verder op in het Noorden bleef het nog koud; een scherpe,
-snijdende wind woei over de Noordzee en hier en daar zag men sneeuw op
-den grond. Hoe noordelijker men kwam, des te kleiner werd de schare
-der leeuweriken. Een groot gedeelte nestelde zich op de vlakten om
-Leipzig, en een ander op de Lüneburger heide; toen de overige in
-Sleeswijk waren aangekomen, vroegen de Deensche leeuweriken aan hen,
-die in het Noorden thuis behoorden, of zij geenen lust hadden een
-weinig te wachten om het weer wat aan te zien.
-
-De sneeuw lag nog op de velden en hekken in Jutland, en de
-Noordwestenwind schudde de oude Deensche berken, welker bruine knoppen
-nog voorzichtig de saamgehulde teere blaadjes omsloten. De vogels
-verscholen zich achter groote steenen en in het heidekruid; sommige
-waagden het zelfs heel dicht in de buurt der boerderijen te komen,
-waar de musschen een leven maakten alsof alles hun behoorde.
-
-Allen waren het er over eens, dat men al te vroeg op reis was gegaan,
-en hadden zij hem, die hen van Egypte's vleeschpotten gelokt had,
-hier beet kunnen krijgen, zij zouden hem zeker de veeren hebben
-uitgeplukt. Eindelijk woei er een Zuidenwind; de reizigers naar het
-Noorden namen afscheid, bedankten voor het aangename gezelschap en
-vlogen de zee over.
-
-Daar in Noorwegen zag het er bij hunne tehuiskomst treurig uit. De
-sneeuw lag nog vele voeten diep in de dichte bosschen en zelfs in de
-dalen. Daar bracht de Zuidenwind den zoo gewenschten regen en,--nu
-niet trapsgewijze--neen, plotseling greep er eene omkeering plaats met
-geraas en gebulder en sneeuwstortingen en schuimend neervallend water
-en bruisende stroomen, zoodat het land veel op eenen reus geleek, die
-zich wascht en die er van houdt het ijskoude water over de krachtige
-leden te laten spatten. En een groen floers breidde zich over alles
-uit; over de jonge berken op de hoogten, over de stranden, waar de
-zee een inham maakt, over de vlakten in westelijke richting naar
-zee en over heide en moeras, over klippen en bergkloven en over de
-nauwe dalen tusschen de bergen. Op de toppen bleven de sneeuw en de
-gletschers liggen, alsof de bergen geenen lust hadden den hoed voor
-zulk een vluchtigen bezoeker als de zomer, af te nemen. De zon scheen
-zoo heerlijk en warm, ook het koeltje voerde nog warmte van het Zuiden
-aan, en eindelijk kwam de koekoek,--als opperceremoniemeester, om te
-zien, of alles in orde was; hij vloog nu hier, dan daar, verschool zich
-eindelijk in het dichtste loof van eenen jongen berkeboom, en riep:
-"de Lente is daar!"
-
-Het oude Noorwegen was eindelijk ontwaakt!
-
-Daar lag het nu--zoo hoog en zoo verblindend schoon aan de blauwe
-zee;--zoo arm en zoo mager en toch ook zoo frisch, gezond en lachend
-als een flink gewasschen kind.
-
-In de havens langs de kust heerschte nu groote bedrijvigheid; witte
-zeilen vertoonden zich tusschen de klippen en verdwenen in zee. De
-schaatsen werden aan den balk gehangen, de sledevellen, goed met
-kamfer bestrooid, werden weggeborgen, en even als de beer, wanneer
-hij uit zijn hol komt, zijne pels eens goed schudt, evenzoo schudden
-nu de menschen, de loome leden, grepen de spade aan en begonnen met
-vollen ijver den voorjaarsarbeid.
-
-Groote houtvlotten dreven de stroomen af en plasten in het ijskoude
-sneeuwwater; op de breede vruchtbare akkers sneed de ploegschaar lange
-zwarte voren; hoog in het Noorden waren de lieden druk bezig kabeljauw
-op de naakte klippen te drogen te leggen; op de vlakten in westelijke
-richting naar het strand toe, zag men karren met wier beladen langs
-de akkers rijden, en op de heide stond een kleine man met leepoogen,
-peinzende over eene Isabella-merrie.
-
-Hier was de lucht nog frisch en aangenaam, terwijl de lieden te Parijs
-op straat door een zonnesteek getroffen werden en de bladeren der
-boomen op de boulevards vol stof en half verschroeid waren.
-
-Op het Brühlsche terras zaten de eerzame burgers van Dresden het
-koeltje, dat de avond hun aanbracht, te genieten; zij dronken Meiwijn
-en disputeerden zoo over Wagner's muziek, dat zij elkaar bijna in
-het haar vlogen. Over iets anders mochten zij in het publiek niet
-disputeeren en--disputeeren moesten zij.
-
-Zij, die eene goed gevulde beurs bezaten, begonnen in Baedeker te
-bladeren, en spoedig kwam er ook eene schare van krombeenige Duitschers
-en Engelsche dames met lange tanden opzetten, die frissche lucht wilden
-inademen, tusschen de bergen van Noorwegen, en later een weinig van
-die frissche lucht naar het vaderland wenschten mede te nemen, te
-gelijk met de goelijk gemeende karikaturen over het "Oude Noorwegen."
-
-Terwijl die bonte menigte van reizigers zich in alle richtingen over
-Noorwegen verspreidde, ontmoette zij op hunnen weg eenen anderen
-stroom, die de kust trachtte te bereiken.
-
-"Was sind das für Leute?" vroeg Raadsheer Schultze uit Berlijn.
-
-Een beschaafde Noor antwoordde hem in het Duitsch "Emigranten."
-
-Mannen en vrouwen met ernstig uiterlijk, gekleed in nieuw friesch
-baai, togen voorbij. Kinderen hielden zij bij de hand, op den arm,
-op den rug of wel aan de borst; eene schare van gezonde roodwangige
-kleinen, die met heldere oogen verwonderd naar alles staarden, wat
-op weg te zien was.
-
-Aan al de spoorwegstations en op al de stoombooten, die de groote
-binnenmeren bevaren, stonden kisten opgestapeld, voorzien van duidelijk
-geschilderde adressen en namen in het Noorsch en in het Engelsch.
-
-Op alles lag den stempel van een wel overwogen, langzaam gerijpt
-besluit: knappe stevige bagage, nieuwe sterke kleederen, geene
-nuttelooze kleinigheid in handen,--alleen kinderen, maar die werden
-dan ook stevig vastgehouden; men kon zien, dat ze niet eerder zouden
-losgelaten worden, vóór men goed en wel in de Nieuwe Wereld was
-aangekomen.
-
-Maar geene vreugde, zelfs niet dat wat men hoop kon noemen, stond op
-die aangezichten te lezen; alleen lag om den mond een vast besloten,
-zwaarmoedige trek en een zwaar verdriet sprak uit die oogen, die
-tranen stortten of niet schreien konden.
-
-Raadsheer Schultze uit Berlijn was een en al verwondering. Dat men
-lust had uit Duitschland te emigreeren, kon hij zich begrijpen; daar
-had men dienstplicht en eene militaire regeering, het socialisme,
-Bismarck en alle mogelijke ellende meer. Maar hier--! in dit schoone
-vreedzame land, met zijne welbekende vrijzinnige constitutie,--wat
-kon hier den menschen ontbreken?
-
-En het land zelf scheen te vragen: waarom gaat gij heen? De zon gaf
-zulk een vriendelijk lachend uiterlijk aan de lichtgroene heuvels; de
-stroom kabbelde zoo vreedzaam en uit het woud kwam van de pijnboomen
-met de nieuw ontsproten naalden zulk een heerlijke geur!
-
-Op het perron stonden familie en bekenden en zij weenden, wijl zoovelen
-wegtrokken--allen weenden tot de arme daglooner toe, die schreide,
-omdat hij geen geld had om mede op reis te gaan.
-
-Toen de trein door het dal stoomde, zagen zij allen uit de nauwe
-raampjes van den waggon en zij wisten, dat er geen schooner land op
-de aarde te vinden is; dat nergens de zon zóo schijnt, dat nergens
-de lucht met zulk een' geur, met zulk een gejubel vervuld is, dat
-nergens de koekoek zoo vroolijk roept als in hun vaderland.
-
-En heete tranen welden in de oogen op, en luid werd in die waggons
-gesnikt; men vergat, waarom men zich hier bevond, en ieders oog scheen
-dat des anderen de treurige vraag te doen: "waarom gaan we toch weg,
-waarom?"
-
-Intusschen nam de lente weldra afscheid met haar welluidend gezang,
-met hare vechtpartijen en liefdesavonturen van de kleine kevers, die
-in het gras aan hunne schoonen het hof maakten, van de groote beren,
-die in de wouden vochten, tot er bloed stroomde. Natuurlijk waren
-zooals altijd de kleinen door de grooten verslonden, dat valt niet
-te ontkennen; doch het had nu meer als eene bijzaak plaats gehad:
-'t geschiedde min of meer gemoedelijk. Niemand behoefde veel voedsel;
-wanneer men verliefd is, heeft men aan andere dingen te denken. De
-strijd om het dagelijksch bestaan gaat, wanneer men verder in den zomer
-en in den herfst is gekomen, op eene geheel andere wijze toe: men moet
-dan voedsel zoeken voor het wijfje en eenen troep hongerige jongen.
-
-Het voorjaar werpt een waas van ridderlijkheid over de materialistische
-jacht naar het stoffelijke; de mannetjes doen hun best, zoo lieftallig
-mogelijk te zijn, terwijl de wijfjes haren korten triomf genieten
-door zooveel zij maar kunnen en naar hartelust te coquetteeren.
-
-In het woud en op het veld weerklinkt de lucht van smachtend verlangen,
-hopelooze klaagtonen en jubelend geluk, en vele kleine harten breken
-van stil verdriet; vele kleine ongeregeldheden hebben onder het dikke
-loof of op het eenzame veld plaats, en menig klein gevecht wordt er
-op leven en dood gevoerd, terwijl de schoone onverschillig ter neder
-zit en het spel aanziet.
-
-Twee kwikstaartjes vochten zoo heftig met elkaar in de lucht tot
-zij van vermoeienis in de sloot bij den molen vielen; doornat en
-gehavend kwamen zij op het droge. Ondertusschen vloog zij, om welke
-het gevecht plaats had, met eenen derde, die daar toevallig voorbij
-kwam vliegen, weg. Het water bij den molen lag zoo blank en stil,
-dat de twee mededingers er zich in konden spiegelen, toen zij bezig
-waren, hun toilet in orde te brengen. De jonge kikvorschen hadden
-zich van hunne toga puerilis met den hinderlijken staart ontdaan. Zij
-vertoonden zich nu in al den glans van jonge kikvorschen, terwijl zij
-met de achterpooten als geëxamineerde zwemmeesters krachtige slagen
-in het water maakten.
-
-Langs de geheele kust liep de zee; voorzichtig als eene kat, sloop zij
-tusschen de talrijke klippen door. Daar, waar gedurende den winter bij
-stormweer het schuimende water kon koken, bruisen en razen, gleden
-nu de lichtgroene golfjes in en uit; de groote, blauwe, door de zon
-zoo vroolijk beschenen zee vlijde zich zoo warm en koesterend tegen
-het oude zoo barsch schijnende land aan, alsof zij nooit vijandig
-tegen elkander gestemd waren geweest. Langs de naakte klippen en
-steenen en in de kleine fjorden groeide het wier in roode, gele en
-lichtgroene schakeeringen; het glansde gelijk een zijden dek. Op den
-bodem der zee krioelde het van allerlei schaaldieren met lange armen
-en voelhorens en stevige huisjes op den rug--eene wonderlijke wereld
-van listige wapenen en sterke harnassen. Op de naakte, gladde klippen,
-die dicht bij den blauwachtig witten zandigen grond gelegen waren,
-zaten tusschen weelderig zeegras en andere zeegewassen, slijmdieren,
-stekelige zeeëgels en prachtige roode zeesterren. Twee of drie zeealen
-staken hunnen kop tusschen het in elkaar gegroeide wier in en beten aan
-het een of ander; daar kwam onverwachts een dikke kabeljauw aanzwemmen,
-door wiens komst zij zoo schrikten, dat zij ijlings trachtten weg te
-komen. Deze stak nu den neus in het wier om te zien, wat er te koop
-was. Vermoedelijk vond hij er niets, wat zijnen eetlust opwekte,
-want met eenen verachtelijken zwaai keerde hij om, en zwom dood op
-zijn gemak verder langs de klip.
-
-De zonnestralen vielen met een blauwachtig en geheimzinnig schijnsel
-op dat vreemdsoortige leven op den bodem der zee, zoowel als op de
-licht grijs gekleurde zandplaten, die hier en daar onder het water
-te zien waren, totdat zij eindelijk geheel verdwenen en slechts de
-groote, diepe, oneindige, blauwe zee zich vertoonde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
-Op den eersten Juli werd het huwelijk van den bode aan het Departement
-Anders Mo en Mejuffrouw Christine Vatuemo in de Drieëenigheidskerk
-gesloten.
-
-Buiten degenen die uitgenoodigd waren de huwelijksplechtigheid in
-de kerk bij te wonen, waren nog een groot aantal menschen aanwezig,
-want de minister Bennecken bevond zich onder de bruiloftsgasten, en
-buitendien was het een interessant paar om naar te kijken: de oude
-man en het jonge meisje.
-
-Eigenlijk geleek het niet zoo dwaas, als men gedacht had. Wanneer men
-het witte haar niet meerekende, was Oom Anders in zwarten rok, stijve
-witte das en gouden horlogeketting.... een huwelijksgeschenk van den
-minister, werkelijk nog een deftig bruidegom. Christine was zoo lang en
-forsch en zag er zoo boersch uit, dat het niet veel in het oog liep,
-dat zij nog zoo jong was; ook was zij van daag zeer bleek en zag er
-ernstig uit. De familie Bennecken woonde reeds buiten en mevrouw was
-zoo vriendelijk geweest de eetzaal en het daaraan grenzende vertrek
-aan de jonggetrouwden voor de bruiloft af te staan.
-
-Toen de bruiloftsstoet uit de kerk kwam, dronk men eerst een glas
-wijn in de woning van den conciërge en de minister hield eene korte
-toespraak, waarnaar met groote belangstelling werd geluisterd;
-daarna verliet hij het gezelschap, dat nu naar boven ging waar de
-bruiloftstafel gedekt stond.
-
-Het bruidspaar nam eerst plaats in het vertrek naast de eetzaal om
-de gelukwenschen der gasten, naar de volgorde waarin zij kwamen,
-te ontvangen, want buiten hen, die de plechtigheid in de kerk hadden
-bijgewoond, waren er nog vele anderen genoodigd.
-
-De Redacteur Mortensen, die na het vertrek van den minister de
-voornaamste gast in het gezelschap was, voelde zich zeer op zijn
-gemak in het salon, praatte luid en maakte geestige aanmerkingen;
-de overigen zaten zwijgend en statig langs de wanden met de voeten
-zoo ver mogelijk onder hunnen stoel.
-
-Christine was verbaasd, dat haar man zooveel bekenden had, en
-vooral dat zooveel deftige lui uit de stad de bruiloft met hunne
-tegenwoordigheid vereerden. Eindelijk waren al de zitplaatsen door
-de fraaie uitgedoste dames bezet, een paar jonge meisjes zaten zelfs
-op elkanders schoot. De heeren keerden dadelijk, wanneer zij in de
-kamer aan het bruidspaar hun compliment hadden gemaakt, naar de gang
-terug. Er heerschte eene stilte als bij eene begrafenis en geen ander
-geluid werd gehoord dan nu en dan een paar woorden van den Redacteur
-of eenig gerammel met borden in de keuken.
-
-Onder de bruiloftsgasten bevonden zich een paar boden van een ander
-Departement, met hunne vrouwen en dochters, de politie-agenten Andersen
-en Knudsen,--de laatste was nog niet voor vast aangesteld, en stond
-onder Andersens toezicht; vervolgens was er de sergeant-majoor Knoff
-in uniform en handschoenen, de schoorsteenveger Lunde met zijne vrouw
-(eene zuster van den agent Andersen), de bode van het Gerechtshof,
-Paalsen genaamd, bekend door zijn talent om het gezelschap aangenaam
-bezig te houden, en madame Grüner, die voor den koning, wanneer deze in
-de stad kwam, kookte. Voorts maakten nog deel van het gezelschap uit,
-eenige sergeanten, een havenmeester en spoorwegbeambten in uniform
-met hunne dames. De keukenmeid kwam telkens in de gang, en gaf den
-bruidegom een teeken, dat alles klaar was; hij schudde dan echter
-met het hoofd en keek op zijn horloge.
-
-Eindelijk ontstond er eenige beweging onder de heeren, die bij de deur
-stonden, en twee dames kwamen binnen. De eerste was een mooi slank
-meisje met blond haar en groote glanzende oogen. Zij was in eene licht
-zijden japon gekleed; bellen van filigran en eene zilveren ketting,
-waaraan een groot medaillon was gehaakt, voltooiden haar toilet. De
-dame, die haar vergezelde, was tamelijk gezet en kon zoo ongeveer
-een veertig jaar oud zijn; zij had koolzwart en glanzig haar; aan
-den eenen kant van haar kapsel stak eene donker roode roos en aan
-den anderen eene kleine kolibrie half verscholen in een strikje van
-Schotsch band. Zij was stijf geregen, zoodat hare weelderige vormen
-zeer goed in het roodfluweelen lijf, dat van voren uitgesneden was,
-uitkwamen; op haar boezem droeg zij eene gouden broche in den vorm van
-een hoefijzer. De rok van de japon was van zwarte zijde, hier en daar
-door kleine bouquetten van rozen opgenomen. De Redacteur Mortensen
-slaakte een' kreet van bewondering, toen zij naar het bruidspaar
-gingen waardoor de oudste der twee dames hem schertsend met haren
-waaier sloeg.
-
-"Lieve Christine," zeide nu de bruidegom op de hem eigenen deftigen
-toon, "veroorloof mij u mejuffrouw Eveline Nielsen voor te stellen,
-die ons wel de eer wil aandoen...."
-
-"O, beste mijnheer Mo! de eer en het genoegen zijn geheel aan mij,"
-antwoordde de jonge dame en zij glimlachte vriendelijk, waardoor hare
-mooie witte tanden zich lieten zien.
-
-Christine voelde zich dadelijk tot haar aangetrokken, ofschoon zij
-wenschte, dat haar nieuwe kennis wat minder fraai gekleed was geweest.
-
-Daarna presenteerde de bruidegom de andere dame: mijne veeljarige
-vriendin, "madam Gluncke."
-
-De kleine gezette dame omhelsde Christine hartelijk en drukte haar
-een vochtigen kus op den mond, terwijl zij in een vloed van woorden
-vertelde, dat zij de liefste bruid was, die zij ooit had gezien,
-ja werkelijk zonder overdrijving, de allerliefste.
-
-Nu zou men aan tafel gaan.
-
-De Redacteur Mortensen maakte met den hoed in de hand eerbiedig eene
-diepe buiging, voor juffrouw Nielsen.
-
-"Onze gastheer heeft mij de eervolle opdracht gegeven u naar tafel
-te geleiden, juffrouw Nielsen;" hij bood haar sierlijk den arm en
-ging achter het bruidspaar de eetzaal binnen.
-
-Daarna kwamen de sergeant-majoor Knoff en madam Gluncke, dan de
-schoorsteenveger Lunde en madam Grüner benevens de bode van het
-gerechtshof Paalsen met madam Lunde; de overigen van het gezelschap
-gingen met hem of haar, van wie de naam op het kaartje geschreven
-stond, dat zij van den koetsier van den minister een poosje geleden
-in de gang hadden ontvangen.
-
-De bruiloftstafel had den vorm van een hoefijzer. Aan de kortste
-zijde zaten in het midden de jong getrouwden, links van hen Knoff
-en madam Gluncke, rechts de redacteur en juffrouw Evelina. Midden in
-het hoefijzer zaten Lunde en Paalsen met hunne dames, en de overigen
-namen de andere plaatsen in.
-
-De politieagent Andersen had het bijster druk, eer allen naar zijnen
-zin geplaatst waren; en telkens maakte hij verschikkingen,--eindelijk
-gelukte het hem Knudsen vlak over zich geplaatst te krijgen. "U moet
-weten, madam Grüner," fluisterde hij haar in het oor; "dat hij nog maar
-op proef genomen is, ziet u, en dat het mijn plicht is een oogje in
-'t zeil te houden."
-
-Zijne dame liet zich niets aan zijne woorden gelegen liggen: zij was
-ontevreden over hare plaats en over den cavalier, die men haar had
-gegeven. Zij had er zoo zeker op gerekend naast de jonggetrouwden
-geplaatst te zullen worden en door den sergeant-majoor naar tafel te
-worden geleid. Toen zij een paar schepjes soep gegeten had, legde zij
-den lepel neer en zeide half voor zich zelf op verachtelijken toon:
-"Liebigs extract!"
-
-In het begin van den maaltijd ging het doodstil toe; het gerammel
-der lepels, die echter met groote voorzichtigheid werden gebruikt,
-alsmede het half luide gefluister en gelach van den redacteur en
-zijne dame, verbrak slechts de stilte.
-
-"Mag ik de heeren verzoeken de glazen te vullen," zeide de bruidegom
-op eenen toon, die zeer aan den minister Bennecken deed denken. "Mijne
-vrouw en ik nemen de vrijheid de dames en heeren welkom aan tafel
-te heeten!"
-
-Het eerste glas rooden wijn werd met groote plechtigheid geledigd,
-terwijl allen met eene lichte buiging van het hoofd naar den kant,
-waar de jonggetrouwden zaten, groetten.
-
-Christine liet haren blik langs de tafel en door de geheele zaal
-gaan--'t was een oogverblindende pracht.
-
-Buiten weten van hare moeder had Hilda het vertrek met groen en
-bloemen versierd, en al het glas en zilver, dat niet mee naar buiten
-was genomen, ten gebruike gegeven. Naar Christine's begrippen zag
-de bruiloftstafel er bijzonder prachtig uit. Zoo haar vader haar nu
-maar te midden van al die heerlijkheid had kunnen zien, dan bleef er
-niets te wenschen over.
-
-Intusschen hield de politieagent Andersen Knudsen scherp in het oog en
-telkens wanneer deze eene beweging maakte om eene flesch of wel een
-glas in de hand te nemen, riep hij op gedempten toon waarschuwend:
-"Knudsen!"
-
-"Present!" antwoordde Knudsen en nam dadelijk eene militaire houding
-aan.
-
-Madam Knoff, die een van de spoorwegbeambten tot buurman had,
-zat zoo, dat zij volstrekt het oog niet kon houden op haren man,
-den sergeant-majoor--ja, zij kon het toch, maar dan zat zij niet
-behoorlijk. Deze houding was intusschen heel ongemakkelijk, zoowel
-voor haar zelf, als voor haren buurman, want zij was eene corpulente
-dame; hare gele gelaatskleur, gevoegd bij haar ongezond uiterlijk
-gaf den Redacteur aanleiding te beweren dat Knoff's vrouw zeker aan
-eene miltziekte leed. Daar bij het ronddienen van het eerste gerecht
-de doodelijke stilte bleef voortduren, fluisterde Mortensen achter
-Christine's rug om, den bruigom in: "Gij moet nu met de toasten
-aanvangen Mo!"
-
-"Ik meende, dat zulks niet gebruikelijk was vóór het vleesch...."
-
-"Juist het tegendeel; het is nu smaak met de toasten bij de soep
-te beginnen."
-
-De Redacteur gaf een paar harde tikken tegen zijn glas en Mo stond
-van zijnen stoel op.
-
-"Dames en heeren! In dit gewichtige oogenblik gevoel ik diepe behoefte
-uit te spreken, hoezeer ik het betreur aan deze tafel, waar zoovelen
-aanzitten, die mij dierbaar zijn--hem te moeten missen, wien ik
-inzonderheid van daag gewenscht had hier te zien. Ik meen den vader
-mijner vrouw, den heer Niels Vandmo."
-
-Christine haalde haren zakdoek voor den dag.
-
-"Gij weet genoeg Christine hoe innig ik aan mijnen eenigen broeder
-ben gehecht en welken prijs ik op het kleinood stel, dat hij aan
-mijne hoede vertrouwt."
-
-Hier kreeg madam Gluncke eene heftige hoestbui, wat hoogst ongepast
-was. De spreker wierp haar snel eenen blik toe, en vervolgde:
-"Daarom dames en heeren willen wij een glas ledigen op de gezondheid
-van den vader mijner vrouw, ofschoon hij afwezig is; wij willen hem
-toewenschen, dat God hem met Zijne vertroostingen nabij zij en hem niet
-al te zwaar het gemis zijner lieve dochter doe gevoelen. Christine,
-je vaders gezondheid!"
-
-Toen de bruidegom weer ging zitten, fluisterde hij haastig madam
-Gluncke eenige woorden in 't oor.
-
-"Ik kon het waarachtig niet helpen," lispelde zij terug, "je waart
-onbetaalbaar!"
-
-Daarna verlangde de schoorsteenveger Lunde het woord. Hij was een
-lang, mager man met grijs haar en spitsen neus. Met zijn beroep
-hield hij zich, wat zijn eigen persoon betrof, niet veel meer
-bezig: hij gebruikte daar "zijn volk" voor; in de voornaamste
-deelen der stad bekleedde hij alleen nog officieel zijnen post
-als schoorsteenveger. Hij had geld en zijne dochter was met eenen
-telegrafist getrouwd.
-
-"Als de oudste in dezen kring," zoo begon hij, "is het mij zeker
-wel veroorloofd het gezelschap voor te slaan op de gezondheid van
-het bruidspaar te drinken. Wij weten allen, dat wij in onze jeugd
-geleerd hebben, dat de Heer heeft gezegd: "het is niet goed dat de
-mensch alleen zij!"
-
-De stilte, die nu aan tafel heerschte, was bijna benauwend. De
-dienstmeisjes, die juist de borden wilden verwisselen voor het
-rundvleesch, moesten staan wachten, terwijl de spreker de geschiedenis
-van het huwelijk aan zijne hoorders verklaarde. Hij ging van Adam en
-Eva, tot Abraham en Sara, en eindelijk tot Izaäk en Rebekka; behendig
-sprong hij Jakob met zijne twee vrouwen over, evenmin sprak hij over
-David en Salomo; geleidelijk kwam hij nu in zijne rede op het huwelijk
-van den tegenwoordigen tijd en eindigde met 's Hemels zegen over het
-bruidspaar af te smeeken.
-
-De meesten der dames schreiden, Christine vooral. Juffrouw Evelina boog
-wat naar voren en knikte haar vriendelijk toe. Die plechtige woorden
-met aanhalingen uit den bijbel, het prachtige feest, alles maakte
-zulk eenen indruk op Christine, dat zij een oogenblik bijna begon te
-gelooven, dat dit huwelijk wellicht nog tot haar geluk kon dienen.
-
-Juffrouw Evelina fluisterde Mortensen in: "het gaat mij toch werkelijk
-aan mijn hart, dat arme kind!"
-
-Eene lange pauze ontstond er na den toast van den schoorsteenveger,
-waarin de dienstmeisjes eindelijk van de gelegenheid gebruik maakten
-de borden te verwisselen.
-
-Madam Knoff, die den geheelen tijd beweerde, dat haar man, die
-afschuwelijke "Malle Bimbam" het hof maakte, had het ongeluk haar
-bord van de tafel te stooten, juist toen zij door een onverwachten
-zwenk den sergeant-majoor wilde verschalken. Het geraas, dat het bord
-bij het vallen maakte, verschrikte Knudsen zoo, dat hij van zijnen
-stoel opsprong, waardoor Andersen dadelijk op vermanenden toon riep:
-"Knudsen!"
-
-Madam Gluncke had veel pleizier; zij lachte zeer luid en
-stootte haren buurman aan. Haar lachen maakte een begin aan de
-vroolijkheid. Mortensen liet de karaffen met Sherry rondgaan en de
-gasten lieten zich dien wijn goed smaken.
-
-Toen stond de Redacteur op. "Dames en heeren! terwijl ik mijnen blik
-over deze vergadering laat gaan, rijst onwillekeurig de gedachte
-bij mij op, wat--zoo ik mij zoo mag uitdrukken,--wat eigenlijk de
-vereenigingsband tusschen ons uitmaakt?"
-
-Hij sprak op een pedanten toon en zijne zinnen waren volkomen in
-courantenstijl geordend; daar hij voelde, dat hij de voornaamste man
-was en allen met de grootste opmerkzaamheid naar de woorden luisterden,
-die van zijne lippen vloeiden, gebruikte hij eene menigte latijnsche
-volzinnen en vreemde bewoordingen; hij ontwikkelde de stelling, dat
-allen, die hier vergaderd waren, deel van de groote staatsmachine
-uitmaakten, schalmen in de keten der mannen, "tot wie de natie met
-vertrouwen en eerbied opziet."
-
-Zijne rede nam eene nog hoogere vlucht, toen hij in 't kort de
-groote beteekenis van den ambtenaarsstand voor het land ontwikkelde;
-altijd meer en meer stijgende, kwam hij eindelijk aan de spits van
-het systeem en eindigde hij met een plechtig:
-
-"Dames en heeren, ledig uwe glazen op de gezondheid van onzen
-geëerbiedigden koning!"
-
-De toast werd met geestdrift gedronken. Juffrouw Evelina keek den
-redacteur van ter zijde even aan, maar zij kon er niet recht wijs
-uit worden, of hij zelf werkelijk plechtig gestemd was dan dat hij
-het gezelschap voor den gek hield.
-
-Nu bracht de bode van het Hooge Gerechtshof een' toast uit op den
-minister Bennecken, dien de bruigom beantwoordde met eenen toast op
-het vaderland; een der spoorwegbeambten sloeg voor op 't welzijn van
-het broederrijk (Zweden) te drinken en eindelijk stelde de havenmeester
-voor op de gezondheid der dames een glas te ledigen.
-
-Plotseling riep echter de sergeant-majoor met zijne commandostem: "Geef
-acht! Geen gepraat in de gelederen vóór dat het rundvleesch van tafel
-is! Men kan door al die toasten waarachtig niet aan 't eten komen!"
-
-Deze woorden brachten de vroolijkheid geheel aan den gang en hartelijk
-lachten allen over dezen uitval; Christine lachte ook. Toch keek
-zij half angstig achter den rug van haren man om naar madam Gluncke,
-die achterover in haren stoel lag en zóó van lachen schaterde, dat
-de tranen langs den kleinen vetten neus rolden. Madam Grüner, die
-tot nu toe van alles weinig had gegeten, deed zich aan het gebraden
-vleesch duchtig te goed, wijl zij zag, dat niemand in het minst op
-haar gedrag acht gaf. Toch bleef zij even slecht geluimd, waardoor
-haar cavalier zich met onverdeelden ijver aan zijn toezicht op Knudsen
-kon wijden. Wanneer hij dronk, fluisterde hij haar echter altijd op
-geheimzinnigen toon in, wijl hij aan zijne dame zag, dat zij vond,
-dat hij nog al dikwijls zijn glas vulde:
-
-"Met mij ziet gij, loopt het geen gevaar! maar Knudsen, daar over
-mij, hij is nog maar op proef, begrijpt gij.... en ik ben de persoon,
-die op hem passen moet; "Knudsen!" riep hij dan, en hoe langer men
-aan tafel zat, klonk het luider "Knudsen."
-
-Bij het dessert heerschte algemeene vroolijkheid en het leven nam,
-hoe meer de wijn het bloed verhitte, iedere minuut in luidruchtigheid
-toe. Paalsen, die als humorist bekend stond, vergastte op verlangen
-het gezelschap op eenige zijner komieke toeren; hij kon bijvoorbeeld
-kraaien als een haan, zich op de wangen slaan, waardoor het scheen,
-dat men eene flesch leeg schonk, de ooren naar alle zijden bewegen,
-en meer van die zaken.
-
-Het kwam Christine voor, alsof dit alles niet heel gepast was. Naar
-haren smaak, moest het op eene bruiloft meer ernstig toegaan.
-
-Toen de gastheer Paalsen bedankte, betitelde hij hem uit scherts:
-Mijnheer de President van den Hoogen Raad. Van die aardigheid maakte
-de Redacteur dadelijk gebruik en hij riep luid: "Generaal Knoff! gun
-mij de eer met u te klinken."
-
-Eerst waren de gasten er wat over verwonderd, maar spoedig vond dit
-voorbeeld navolging. De schoorsteenveger Lunde werd als inspecteur
-aangesproken en de bruigom kreeg den titel van minister. Christine
-verheugde zich, dat het gezelschap zich zoo weinig met haar bemoeide;
-zij kon echter volstrekt niet begrijpen, waarom bijna alle gasten
-het van lachen uitproestten, toen Paalsen zich tot juffrouw Eveline
-Nielsen wendende, zeide: "Mag mij de eer ten deel vallen, met de gade
-van den President te klinken?"
-
-"Gaarne! mijnheer de President;" antwoordde Evelina, en bloosde even;
-kort daarna lachte zij echter weer en fluisterde met Mortensen.
-
-De inspecteur Lunde wilde volstrekt, dat madam Gluncke met eenen
-titel zou aangesproken worden, maar zij hield de handen voor de ooren
-en riep, dat zij daar niets van wilde hooren. Generaal Knoff, wilde
-met den politieagent Andersen klinken, die steeds met glazige oogen
-naar Knudsen staarde. Toen de generaal er hem niet toe kon krijgen
-naar zijne zijde te zien, nam hij op militaire wijze zijn toevlucht
-tot een afdoend middel: hij wierp hem een stukje van een sinaasappel
-over de tafel toe.
-
-Ongelukkigerwijze trof het madam Grüner juist in het aangezicht:
-"zuur bij zuur!" riep Paalsen uit. Madam Grüner wilde dadelijk--hetgeen
-niemand natuurlijk bevreemden kon--de zaal verlaten en hare buren, de
-politieagent en de spoorwegbeambte hadden heel wat werk haar op hare
-plaats te houden. Dit kleine onaangename tooneel vergat men echter
-spoedig, wijl juffrouw Evelina op den goeden inval was gekomen het
-roode papiertje, dat om eene pistache gewikkeld was geweest, in het
-knoopsgat van den Redacteur te hechten.
-
-Alles wat er aan gekleurde papiertjes en lintjes op de tafel te
-vinden was, werd nu gebruikt om de heeren te decoreeren waardoor
-het gezelschap er bij het einde van den maaltijd zeer schitterend
-uitzag. Met algemeenen bijval nam men den voorslag van Mortensen aan
-om de koffie rond te dienen, terwijl men aan tafel zat, en dan tevens
-eene sigaar aan te steken, "juist zoo als zulks te Parijs mode is!"
-
-Het ging nu zoo levendig aan tafel toe, dat hooren en zien verging
-en men bijna zijne eigene woorden niet kon verstaan. Wild schreeuwden
-allen over de tafel heen. De woorden "Generaal" "Minister" "Inspecteur"
-enz. werden slechts afgewisseld door het op brullenden toon uitgeroepen
-"Knudsen" van Andersen, die zijnen vriend, die den proeftijd nog niet
-door gemaakt had, tot orde wilde vermanen.
-
-Christine gevoelde zich hoe langer hoe minder op haar gemak. Zij
-zag de beide zijden van de tafel langs en schaamde zich dat het
-er zoo slordig uitzag. Groote roode wijn- en bruine sausvlekken,
-verwelkte bloemen en komkommersalade, rozijnentakjes, tabaksasch,
-sinaasappelschillen, verkreukte servetten en kruimels van gebak en
-bitterkoekjes, alles lag door elkaar tusschen de glazen en flesschen
-in. Alle gezichten waren rood als pioenen, de dames lachten luidkeels
-en de heeren schreeuwden elkander bijna doof, terwijl zij over de
-tafel heenlagen; de dikke rook der sigaren vermengde zich met de
-etenslucht en den geur van den wijn en de koffie.
-
-Meer dan eens zag zij haren man vragend aan, maar hij lachte
-haar geruststellend toe, en fluisterde haar iets in wat zij niet
-begreep--hij sprak weer zoo erg onduidelijk.
-
-Toen de gasten eindelijk van tafel opstonden, bleek het spoedig te
-benauwd in het vertrek, voor de eetzaal. Madam Gluncke ging daarop
-heel familiaar door de keuken en het voorhuis en opende de deuren,
-die naar het andere gedeelte der woning geleidden.
-
-Deze kamers waren, wijl de familie nu buiten woonde, maar half
-gemeubileerd. De spiegels en lichtkronen waren met wit linnen bedekt,
-en de ruiten had men met krijt besmeerd, maar dit half donker en de
-aangename koelte, die er heerschte, vonden de gasten juist aangenaam
-en weldra hadden zij zich overal verspreid. De piano werd opengesloten
-en de jongste juffrouw Lunde speelde: "Zij ging naar het strand," enz.
-
-Men kon duidelijk hooren, dat zij het zingen naar de nieuwste methode
-had geleerd, zooals hare moeder dan ook het gezelschap mededeelde,
-want zij zong:
-
-Zij gi... ng na... a... r h... 't stra... nd" enz.
-
-Maar nu ontstond er bij de piano een klein geschil, doordien
-madam Gluncke er eigenzinnig op aandrong, dat men zou zingen:
-"Daar stonden twee meisjes en zij plantten kool," terwijl de
-jongejuffrouw Lunde op beslisten toon weigerde zulk soort van liedjes
-te accompagneeren. Gelukkig dreef het onweer voorbij, doordien de
-President van den Hoogen Raad, de heer Paalsen, den arm om Malle Bimbam
-heensloeg en de polka met haar begon te dansen. Het bal nam nu een'
-aanvang, een buitengewoon vroolijk bal, dat tot laat in den nacht in
-de naakte halfdonkere vertrekken werd voortgezet.
-
-Achter eene deur zat madam Grüner te luisteren naar de klaagliederen
-van madam Knoff, die heete tranen schreide over het gedrag van haren
-man. Beiden waren het eens, dat het volstrekt geen fatsoenlijke
-bruiloft was en dat "Malle Bimbam" nooit in 't gezelschap van
-fatsoenlijke lui moest toegelaten worden.
-
-Christine liep van het eene vertrek naar het andere; zij voelde zich
-geheel verlaten en ongelukkig; maar toen zij laat in den nacht haren
-man in eenen donkeren hoek op zeer vertrouwelijke wijze met madam
-Gluncke zag zitten, werd het haar benauwd om het hart--zij verliet
-de groote woning, ging naar beneden en draaide den sleutel van hare
-kamerdeur om.
-
-Toen de laatste gasten afscheid hadden genomen, scheen het
-schemerachtige daglicht door de ondoorzichtig gemaakte vensters. De
-redacteur had reeds een paar uur geleden juffrouw Eveline Nielsen naar
-huis gebracht; de politie-agent Andersen stond in eene zeer onbeholpen
-houding tegen de leuning der trap en fluisterde: "Knudsen!" hij
-kon niet meer spreken en evenmin kon hij alleen naar huis komen. De
-bruigom tuimelde de paar trapjes naar zijne woning af en toen hij
-Christines deur op slot vond, begon hij met geweld te kloppen en te
-roepen. Christine blies het licht uit en opende de deur.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-Des zomers woonde de familie Bennecken in een klein in Zwitserschen
-stijl opgetrokken huis op het Ladegaardseiland dicht aan het
-strand. Het was gebouwd op den grond die aan Falck-Olsen behoorde;
-de villa van deze familie was eenige honderden schreden verder op
-eene hoogte gelegen.
-
-Wijl de afstand tusschen de twee villa's dus gering was, kwamen
-de familiën veel bij elkaar; inzonderheid ging de familie van den
-minister dikwijls naar de fraaie, ruime villa van de Falck-Olsens,
-omdat hunne woning vrij klein was.
-
-Mevrouw Bennecken had de economie bestudeerd en dus een open oog
-voor de voordeelen, welke deze manier van huishouden aanbood; van
-haren kant was mevrouw Falck-Olsen er zeer mee ingenomen, dat hare
-buren zoo dikwijls kwamen, daar zij wat afwisseling, waarop zij zeer
-gesteld was, aanbrachten.
-
-Zoo hadden de beide familiën jaren lang den zomer doorgebracht tot
-wederzijdsch genoegen en voordeel, maar van 't jaar scheen er iets
-aan te haperen: de ellendige Actiën-Bank was er schuld van.
-
-De algemeene vergadering was op den twintigsten Augustus
-vastgesteld. Zooals men reeds vermoedde, had de oude raadsheer Falbe
-zich niet weer verkiesbaar gesteld, en nu wilde de heer Falck-Olsen
-bepaald, dat de minister bij de keuze voor eenen Directeur zijne stem
-op hem zou uitbrengen. Bennecken daarentegen beweerde hardnekkig,
-dat Falck-Olsen slechts onder zekere voorwaarden op zijne stem zou
-mogen rekenen.
-
-Den geheelen zomer zat deze quaestie in de lucht en bedierf aller
-genoegen. De dames bespraken de zaak ook dikwijls en werden er soms
-zenuwachtig van.
-
-Mevrouw Falck-Olsen vond, dat de minister heel goed haren Ole
-Johan zijnen zin kon geven en mevrouw Bennecken beweerde, dat de
-groothandelaar het best zou doen naar den raad van eenen man als
-haren Daniël te luisteren.
-
-In den namiddag van dien zoo gewichtigen verkiezingsdag zaten de
-beide dames, ieder in haar eigen huis op het stoombootje te wachten,
-waarmede de heeren gewoonlijk uit de stad kwamen.
-
-Mevrouw Bennecken was slecht geluimd. Al hare overredingskracht had
-zij aangewend om haren man tot andere gedachten te brengen, maar
-te vergeefs. De minister had zoo gewichtig mogelijk gezegd: "ik kan
-het niet Adelaïde!.... ik durf het niet!" en wanneer hij dien toon
-aansloeg, wist mevrouw bij ervaring, dat er niets aan te doen was. Nu
-zat zij in de huiskamer, die, wijl het huis alleen voor zomerverblijf
-was ingericht, volstrekt op geen comfort aanspraak kon maken; den
-ganschen dag zich hier te moeten ophouden, was allertreurigst; het
-regende dat het goot en de etenslucht drong door de dunne wanden uit
-de keuken tot in de zitkamer door.
-
-De regen werd minder en mevrouw Falck-Olsen besloot haren man van de
-aanlegplaats af te halen, toen zij de boot den hoek zag omkomen.
-
-De twee heeren kwamen van de boot, liepen samen een eindje op en
-toen barstte de toorn van den groothandelaar over het hoofd van den
-minister los. Hij had niet eerder gelegenheid gehad zijn hart te
-luchten, want de boot was stampvol geweest.
-
-"Ja, dat had ik volstrekt niet kunnen denken," riep hij op bitsen
-toon uit, "ik ben verwonderd, ja waarachtig verbaasd ben ik.... dat
-gij het hebt durven wagen, Bennecken....."
-
-"Het doet mij leed, Olsen, maar ik heb het u vooruit gezegd; ik heb
-niet anders kunnen handelen; consideraties van hooger belang...."
-
-"Consideraties!--mij dunkt, dat gij mij vrij wat meer consideratie
-verschuldigd zijt,.... ja vrij wat meer...."
-
-"Nu, nu, Ole Johan!.... maak je niet zoo driftig," zeide mevrouw,
-die hen ontmoette.
-
-"Ik weet niet, waarom jij je in de zaak mengt, moeder! hij daar,"
-en met het stompje van zijne sigaar wees hij naar den minister,
-"hij bracht zijne stem op Consul Lind uit, en dat niettegenstaande
-hij weet, dat, zoo ik wil, zoo.... maar wat hij van daag heeft gedaan,
-zal hem berouwen, daar kan hij op rekenen."
-
-"Luister een oogenblik naar mij.... Falck-Olsen," sprak de
-minister. Hij was buitengewoon bleek en de hoeken van zijnen mond zag
-men zenuwachtig heen en weer gaan, toen hij beproefde te glimlachen,
-"hebt gij er nooit aan gedacht, dat het volstrekt noodig is.... dat u
-hier iets ontbreekt," en de minister legde met waardigheid den vinger
-op den linker omslag van de jas des heeren Falck-Olsen.
-
-"Loop naar den d..... met die mooie praatjes, denkt gij mij aan
-het lijntje te houden. Goddank scheelt het mij nog niet in het
-hoofd.... dat zult gij spoedig genoeg ondervinden."
-
-Na deze woorden geuit te hebben sloeg hij haastig den weg naar huis
-in. Mevrouw Falck-Olsen had de woordenwisseling van de heeren met
-belangstelling gevolgd. Zij wisselde eenen beteekenisvollen blik met
-den minister en hij knikte bevestigend.
-
-"Kunnen wij er zeker van zijn?" vroeg zij.
-
-"Geheel zeker, als hij zich verstandig gedraagt; dat is te
-zeggen.... na verloop van eenigen tijd."
-
-"Nu dan zal ik de zaak wel opknappen," antwoordde zij.
-
-"Ja, zoo gij dat kondt beste mevrouw," riep de minister met warmte
-uit. Hij wilde hare hand grijpen maar die zat onder den regenmantel
-zoodat zij met een hoofdknik afscheid moesten nemen.
-
-Toen Mevrouw Falck-Olsen t'huis was gekomen, vond zij haren man met
-den hoed op in zijne kamer schrijven, zij hoorde de pen krassen.
-
-"Je schrijft.... Ole Johan!" vroeg zij op schijnbaar onverschilligen
-toon.
-
-"Ja.... ik schrijf naar het kantoor, dat de rekening van Bennecken
-van middag opgemaakt moet worden, dadelijk.... geen oogenblik mag
-het verschoven worden."
-
-"Ja, dat kan ik mij voorstellen, want je bekommert je natuurlijk
-niets om zijn aanbod."
-
-"Aanbod! welk aanbod?"
-
-"Och, je hebt toch altijd den gek geschoren met al die
-kinderachtigheden," ging mevrouw voort, terwijl zij haren regenmantel
-afdeed.
-
-"Maar wat bazel je dan toch? wat meen je?"
-
-"Begreep je het werkelijk niet?" vroeg mevrouw, en zij deed of zij
-een en al verbazing was.
-
-"Wat begreep ik niet? wat praat je toch voor domme dingen?" riep hij
-uit, en draaide naar haar toe.
-
-"Wel heb ik van mijn leven, begreep je werkelijk niet, Ole Johan
-wat de minister meende. Sloeg je er geen acht op, dat hij hier zijne
-hand legde?"
-
-"Begin jij mij nu ook met die praatjes? neen, neen.... ik
-zal...." Verder kwam hij niet, want vol verbazing staarde hij zijne
-vrouw aan die het uitproestte van 't lachen.
-
-"Och, jij verstandige Ole Johan! Hoe zou het met je gaan, zoo gij
-mij niet hadt. Wat is dat?" en zij hield hem bij den linker omslag
-van de jas vast. "Wat hebben voorname groote mannen hier gewoonlijk
-zitten, wat ontbreekt daar? Nu?" Mijnheer de groothandelaar, Ole Johan
-Falck-Olsen, tuimelde drie schreden achteruit en bleef eindelijk voor
-den spiegel staan; hij keek beurtelings in den spiegel en naar zijn
-linker jasomslag, terwijl hij wat aan het knoopsgat friemelde.
-
-"Denk je werkelijk, dat hij dit meende?"
-
-"Natuurlijk! maar dan moet gij je aan eene bepaalde partij aansluiten,
-zoo als hij zegt en dat wil je toch niet."
-
-"Dan kon je de bal wel eens leelijk misslaan," riep hij uit en
-draaide op zijne hakken rond, "de eene dienst is de andere waard,
-verlangt hij niets anders van mij, zoo..."
-
-"Maar beste man, wanneer je dat vroeger had willen doen, zoudt gij
-Directeur hebben kunnen worden."
-
-"Och wat, wat maal ik om dien ellendigen post van Directeur! denk je
-dat ik daar een zier om geef? Maar dit.... zie je, is heel wat anders;
-dat is werkelijk iets. Zoo het maar vlug in zijn werk kon gaan!"
-
-"Niet lang geleden stak je den draak met de Gele Vereeniging, en ik
-zag dadelijk, dat de minister daar over uit zijn humeur was."
-
-"Bravo, Malene! Ik zal den minister vragen mij in de Gele Vereeniging
-op te nemen. Ja, ja Malene, Salomo heeft het bij het rechte eind,
-wanneer hij zegt: hij die eene goede huisvrouw.... of zoo iets."
-
-"Ik vind niet, dat jij je, wat huwelijkszaken betreft, juist aan Salomo
-zoudt houden," antwoordde mevrouw, terwijl zij zich door haren goed
-geluimden man liet omhelzen.
-
-Toen Hilda Bennecken, die met dezelfde boot uit de stad was gekomen, de
-kamer binnenkwam, was het dienstmeisje bezig de tafel te dekken in de
-woonkamer. Eene afzonderlijke eetzaal hield men er buiten niet op na.
-
-"Nu ben je daar eindelijk.... doornat natuurlijk. De Hemel mag weten
-waarvoor je eigenlijk in zulk weer naar de stad moest gaan, maar zoo
-doe je altijd."
-
-"Ja maar mama, van morgen was het zulk helder mooi weer, en...."
-
-"Och het mocht wat.... je bent nooit gelukkig in je plannen, dat
-is nu eenmaal zoo en daarom verwek je slechts ergernis. Is Alfred
-niet meegekomen?"
-
-"Neen, hij heeft mij gevraagd t'huis te zeggen, dat hij in een
-restaurant met den zwager van Hiorth, geloof ik, zou eten."
-
-"Die gemeene Hiorth!" zeide mevrouw zuchtend en zag naar de stoomboot,
-die weer van wal ging.
-
-Hilda was aan zulke uitvallen gewoon. Zij deed haren hoed en mantel
-af en hing die in den gang te drogen. Toen zij weer binnen was,
-waagde zij te zeggen: "Die arme Christine! zij is volstrekt niet
-gezond. Zou het niet goed zijn, zoo wij dokter Rohde eens vroegen,
-naar haar te gaan kijken?"
-
-"Hoor, Hilda!" zeide mevrouw, en rood van kwaadheid stond zij vóór hare
-dochter, "het verveelt mij geducht, dat je mij altijd plaagt door over
-dat mensch te spreken. Eens vooral, zeg ik je nu, dat ik haren naam
-niet meer wil hooren noemen.... geen enkele maal, begrijp je me? Wij
-hebben meer voor haar gedaan, dan de meesten in onze positie zouden
-doen, en je weet zelf, hoe onze woning in de stad er na die bruiloft
-uitzag. Nu is het, dunkt mij, genoeg en ik verbied je een' voet over
-haren drempel te zetten, hoor je? Altijd, bij alles wat jij uitvoert,
-verwek je ergernis en onaangenaamheid."
-
-De minister kwam nu binnen, doch ziende dat er onweer aan de lucht
-was, vluchtte hij naar de slaapkamer en maakte er toilet, tot dat
-hij aan tafel werd geroepen. Toen zij goed en wel aanzaten, zei hij
-vriendelijk tot Hilda, want hij zag, dat zij zich de woorden harer
-moeder erg aantrok: "Hadt gij al lang met den kamerheer gewandeld,
-toen ik je met hem ontmoette?"
-
-"Met den kamerheer," viel mevrouw boos in, "heb je hem nu weer je
-gezelschap opgedrongen! je stelt je zoo belachelijk mogelijk aan,
-Hilda, door hem na te loopen ja, wat erger is, je maakt hem min of
-meer belachelijk...."
-
-"Neen, maar Adelaïde," waagde mijnheer voorzichtig in het midden
-te brengen.
-
-"Je kunt toch zelf wel begrijpen, Daniel, dat het voor iemand, zoo
-gefêteerd als Delphin, vreeselijk gênant is voortdurend in gezelschap
-gezien te worden met eene dame, die.... om eene zachte uitdrukking
-te gebruiken.... zoo weinig gedistingueerd uitziet, als Hilda. Dat
-is klaar als de dag, naar het mij voortkomt."
-
-Hilda kon het niet langer aan tafel uithouden; zij stond op en vloog
-de trap op. Toen zij haar laag dakkamertje had bereikt, [9] deed zij
-de deur op slot en verborg snikkend het gezicht in het kussen. Dat
-was toch het vreeselijkst van alles! Zoo leelijk te zijn, dat een
-man zich belachelijk maakte als hij met haar wandelde. Hield Delphin
-haar misschien voor den gek? En zij, die dacht, dat hij gaarne met
-haar praatte....! Mevrouw Bennecken schreide ook.
-
-"Het is alles jouw schuld Daniel; waren wij niet door jou met de
-familie Falck-Olsen gebrouilleerd geraakt, zoo zou alles goed gaan,
-maar nu...."
-
-"Bedaar toch.... beste Adelaïde.... wees toch bedaard. De verzoening
-zal niet lang op zich laten wachten en...."
-
-"Och, zeur me toch niet met dat: bedaar toch Adelaïde! ik vind die
-woorden onuitstaanbaar," zeide mevrouw en nam het deksel van de schaal
-af, waarin kalfsvleesch met eene pikante saus was.
-
-Juist toen mevrouw er zich van bediende, hoorde men voetstappen op
-de kleine veranda; zij had bijna niet meer den tijd het deksel weer
-op de schaal te doen, of de groothandelaar Falck-Olsen stond reeds
-in de kamer.
-
-"Aha! dat tref ik gelukkig," riep hij uit en zijn gelaat straalde van
-tevredenheid, "de familie is nog niet aan het eten? Ik kom speciaal om
-u mevrouw met eene boodschap van mijne vrouw. Het zou haar genoegen
-doen, indien gij dadelijk mee wildet gaan om bij ons het middagmaal
-te gebruiken. Zij heeft een paar kuikens laten braden, die bijzonder
-goed uitgevallen zijn en zij wil absoluut, dat u ze komt proeven. En
-niet waar, Excellentie, gij wilt mij bij een glas witten portwijn wel
-gezelschap komen houden," voegde hij er bij, en stak hem de hand toe,
-"wij beiden hebben van daag wel eene extra hartsterking noodig." De
-minister drukte hem hartelijk de hand.
-
-Mevrouw was een en al verbazing en haar man kon niet nalaten
-fluisterend te vragen: "heb ik het je niet gezegd, dat de verzoening
-spoedig zou plaats hebben?" Zij zag bijna met eerbied naar hem op en
-gewillig ging zij met den heer Falck-Olsen mee. Haar man riep aan de
-trap Hilda toe dat zij zich zoo spoedig mogelijk gereed moest maken,
-om naar de familie Falck-Olsen te gaan.
-
-Het herstel der vriendschappelijke betrekking tusschen de beide
-familiën werd door eene rij van feesten gevierd. Het waren nu echter
-niet meer "de groote spijzigingen," zooals Delphin altijd zeide,
-maar meer kleine heerendiners, waarbij men lang aan tafel zat en waar
-veel gesproken werd. Delphin kwam spoedig op de hoogte, hoe de vork
-eigenlijk aan den steel zat en amuseerde er zich in stilte mede. Tegen
-den Redacteur Mortensen, die nu een zeer geziene gast bij den Heer
-Falck-Olsen was, was hij zoo beleefd, dat deze er geheel confuus
-door werd. Ook vond hij er groot genoegen in, "madam Olsen" zooals
-hij haar in intieme kringen noemde, doodelijk te verschrikken, door
-haar voor vast en zeker te vertellen, dat de een of ander der nieuwe
-gasten een Nihilist was, die altijd met een revolver in den zak liep.
-
-De groothandelaar zelf vertoonde zich thans in een geheel nieuw licht;
-stijf en terughoudend was hij nu in zijn optreden. Niets ondernam hij
-vóór den minister geraadpleegd te hebben en op zijne soirées noodigde
-hij slechts die personen, die hij met hoog verlof mocht inviteeren.
-
-Het groote bal in "Olsens danslokaal" dat ieder jaar in den herfst
-werd gegeven, werd vervangen door een uitgezocht "thé dansant," en
-de heer Falck-Olsen gaf zijne dochter een wenk om den jongen Hiorth
-wat vriendelijk te behandelen.
-
-Sophie had daar volstrekt geen lust in, vooral daar haar vader niet
-duidelijk kon zeggen waarom zij zulks eigenlijk moest doen. Over het
-geheel was zij misnoegd: met den kamerheer Delphin was zij geen stap
-verder gekomen, en te moeten kiezen tusschen Hiorth en Bennecken, was
-waarlijk niet iets om zich in te verheugen, of mede te pralen. Deze
-beide vrienden hadden gedurende den zomer veel van hunne krachten
-moeten vergen. Buiten hunnen diensttijd was hun de taak opgelegd eenen
-zwager van Hiorth, den groothandelaar Garman, te amuseeren. Deze heer
-woonde wel niet te Christiania zelf, maar dicht bij de stad, in de
-badplaats Grefsen; zij hadden zich met zulk eenen ijver van de hun
-opgedragen taak gekweten, dat zij niet den tijd hadden gehad zich aan
-hunne hartsaangelegenheden te wijden. Toen nu het winterseizoen begon,
-waren zij van plan de zaak met ernst aan te vatten. Inzonderheid was
-Alfred voornemens alle pogingen in het werk te stellen in de gunst te
-geraken van de jonge vrouw van den conciërge. Mevrouw Bennecken had
-echter op zekeren dag in hare slaapkamer een gesprek onder vier oogen
-met hem, en het gevolg van die conferentie was, dat hij Christine
-met rust liet. Het bevreemdde overigens bijna iedereen, dat deze in
-haar uiterlijk zoo veranderd was. Het glanzende roode haar was nu
-stroef, en begon uit te vallen; gedurende den geheelen winter was zij
-ziekelijk geweest, zij had dikwijls keelpijn en klaagde over loomheid
-in de leden.
-
-Haar man ging even glimlachend en even onhoorbaar als vroeger zijnen
-gang. Van de bruiloft af had zij een' inwendigen afkeer van hem
-gekregen; hun leven vloot echter kalm en eentonig daarheen en hij
-behandelde haar goed. Met den opperloods wisselde Mo voortdurend
-brieven, en nu en dan ontving hij een bankbillet. Maar tegen Kerstmis
-ontving hij den volgenden brief.
-
-"Mijnheer Mo, nu kan het niet langer meer zoo gaan, want hij heeft
-niets anders dan schulden, daarom schrijf ik nu in mijnen eigenen
-naam, en Njaedel weet er niets van, want ik begin te gelooven dat
-het niet recht in den haak zit met al dat geld dat nu 950 kronen
-beloopt. Wanneer voor het dienstpersoneel bij den koning al dat geld
-gebruikt is, dan zijn wij niet beter dan de Russen in Rusland en in
-Petersburg en ik zal er over in de kranten schrijven, want de man
-is arm en behoeftig geworden, en zijn bloed is ziek, omdat hij zich
-over dat wier zoo heeft moeten boos maken, en de sloot ligt bijna
-weer dicht en het is treurig, hem aan te zien, waarom ik het je,
-daar gij zijn broer zijt, schrijf, opdat je om Gods barmhartigheid
-een eind aan die zaak maakt, die nu al voor twee jaar opgezonden is
-aan den koning zonder dat er antwoord komt, maar alleen onkosten. Ook
-verlangt hij zeer naar eenen brief van zijne dochter Christine, die
-nu je huisvrouw is, en hij is er verwonderd over dat zij nu niets te
-schrijven heeft, daar gij dikwijls aan ons hebt geschreven, dat zij
-gaarne je vrouw zou willen worden, maar dat zij om het verschil van
-leeftijd er zich over schaamde waarom wij haar ook schreven zooals
-gij ons vroegt te doen, om haar te overreden en meer zulke zaken,
-maar ik geloof er nu niets meer van.
-
- Met achting:
-
- Lauritz Boldemann Sechus.
-
-
-Oom Anders las dit epistel in de wachtkamer van den minister aan het
-Departement. Hij vouwde den brief dicht en wierp hem in de kachel,
-terwijl hij het hoofd schudde en glimlachte.
-
-De minister opende de deur. "Ben je doof?..., Mo! ik heb je tweemaal
-gescheld."
-
-Anders Mo stond op en zag den minister met denzelfden niets zeggenden
-suffen glimlach aan.
-
-"Maar Mo! wat scheelt je!" riep de minister, "ik begin waarachtig te
-gelooven, dat je oud en suf begint te worden."
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-
-Dokter Johan Bennecken bleef een jaar lang te Weenen. Van Hilda alleen
-ontving hij berichten van huis en van haar hoorde hij dat Christine
-met haren oom was getrouwd. Na dit bericht schreef hij geen enkelen
-brief meer naar huis en lang dacht hij er over, voor goed te Weenen
-te blijven of wel naar Amerika te gaan.
-
-Na den geheelen winter zijn leed gedragen te hebben, kreeg hij in
-het voorjaar zulk een verlangen haar nog eenmaal te zien en tevens
-om te hooren, hoe alles in 't werk was gegaan, dat hij in het midden
-van Maart naar het vaderland terugkeerde.
-
-Allerlei gedachten doorkruisten zijn brein en hoe nader hij kwam,
-des te verwarder werden zijne denkbeelden. Zij had Alfred dus niet
-bemind, maar waarom dan het aanzoek van dien ouden man niet van de
-hand geslagen?
-
-Hilda had hem, ofschoon zij nooit meer antwoord ontving, getrouw
-gedurende den geheelen winter geschreven en hij had dus ook van haar
-gehoord, dat Christine den geheelen winter ziekelijk was geweest. Toen
-hij het ouderlijk huis binnentrad, vermeed hij, eenen blik door de
-ramen van Mo te werpen, maar liep dadelijk naar boven.
-
-Mevrouw Bennecken slaakte een' uitroep van de grootste verwondering
-toen zij hem zag; in zoo verre was zijne komst eene verrassing, wijl
-er slechts vluchtig sprake van was geweest, dat hij misschien tegen
-de lente t'huis zou komen.
-
-"Het spijt mij, dat ik u doe schrikken, ik had eigenlijk een telegram
-moeten zenden," zeide Johan.
-
-Mevrouw zag hem met een gespannen onderzoekenden blik aan; er lag
-iets zoo droefgeestigs in zijne trekken, dat zij, toen zij hem een
-welkomstkus gaf, onwillekeurig mompelde: "je bent in je voorkomen
-zoo veranderd, Johan, dat ik je niet dadelijk herkende."
-
-Hilda kwam ook binnen en vloog hem om den hals.
-
-"Welkom.... welkom, beste Johan, maar wat ben je veranderd!"
-
-"Vindt gij dat ook?"
-
-"Ja, je ziet er wel tien jaar ouder uit; grijze haren zie ik in je
-baard en.... werkelijk Johan.... je haar is ook uitgevallen, je hebt
-daar van achteren eene kale plek." Haar broeder glimlachte op de hem
-eigene zwaarmoedige wijze; Hilda vond, toen zij hem nauwkeurig opnam,
-dat hij geheel veranderd was, en het kwam haar voor, dat hij ook meer
-mank ging.
-
-Toen de minister t'huis kwam, had hij een vertrouwelijk gesprek met
-zijne vrouw, en gedurende den maaltijd waren beiden zoo vriendelijk
-jegens den teruggekeerden zoon, dat Johans hart er van begon te
-kloppen; zelfs Alfred was geheel anders tegen hem dan vroeger. Johan
-had het plan gemaakt met Hilda een weinig na het eten te praten,
-maar mevrouw voorkwam dit; zij zond hare dochter dadelijk na het
-middagmaal uit om eenige inkoopen te doen.
-
-Toen het begon te schemeren, sloop hij de trap af naar de woning
-van den conciërge. Bij de paar trappen gekomen, die naar Christines
-kamer voerden, bekroop hem hetzelfde beklemde gevoel van vroeger,
-maar nu smartelijker dan toen. Eindelijk verzamelde hij al zijnen
-moed en klopte aan. Een niet meer jong dienstmeisje, dat hij vroeger
-nooit had gezien, opende de deur. Nu was hij in het vertrek, dat hij
-zoovele malen in zijne droomen had gezien, waar hij in gedachten
-gedurende zijne afwezigheid zooveel met haar had doorleefd; eerst
-waren die droomen zoo vol hoop en verwachting geweest, toen, nadat
-hij gehoord had, dat zij getrouwd was, zoo weemoedig, maar nimmer
-had hij het denkbeeld van zich kunnen afzetten, dat zij hem eene
-verklaring schuldig was. Alles in de kamer herinnerde hem zoo levendig
-aan haar, en met moeite kon hij de woorden uit de keel krijgen:
-"is zij te huis?" Het dienstmeisje zag hem vreemd aan en antwoordde:
-"madam is binnen."
-
-Een schok ging hem door het lichaam, toen hij haar zoo hoorde
-betitelen. De deur van de kamer, die Christine vroeger altijd had
-bewoond, stond open. Geen licht was er opgestoken, maar het gaslicht
-van de lantaarn, die vlak bij het huis stond, wierp groote gele
-vierkante vlekken op den vloer, en de dokter zag dat er iemand in
-het bed lag.
-
-Hij naderde en zeide: "Goeden avond, Christine!"
-
-De zieke ging half overeind zitten en staarde hem aan. Johan moest
-eenen steun tegen de deur zoeken.
-
-Was dat Christine?
-
-De zieke slaakte een' kreet en met hare armen maakte zij eene beweging
-om hem op een' afstand te houden. Het dienstmeisje was zeer boos op hem
-en zei: "ik dacht, dat gij heel goed met madam Mo bekend waart." Buiten
-de kamer vroeg hij: "welke ziekte heeft zij, wat scheelt haar?"
-
-"Ja, dat weet ik niet," luidde het antwoord en zij opende de voordeur.
-
-Werktuiglijk verliet hij de woning en liep de straat op. Hij had
-haar gezien, hij had hare gelaatstrekken zoo duidelijk aanschouwd,
-dat hij, al werd hij honderd jaar oud, die nooit zou vergeten. Een
-onbepaald angstig gevoel maakte zich van hem meester en met rassche
-schreden sloeg hij den weg naar de woning van dokter Rohde in.
-
-De oude dokter zat rustig in zijnen leuningstoel en las de courant.
-
-"Ei, ei! Is mijnheer de professor in het vaderland teruggekeerd,
-welkom t'huis beste jongen, hoe heb je het?" Dokter Rohde, die de
-huisarts van de familie Bennecken was, had de gewoonte behouden de
-kinderen, die hij van jongs af had gekend, familiaar te behandelen.
-
-Johan beantwoordde zijne vriendelijke vraag volstrekt niet, maar met
-gejaagde stem zei, hij: "wat scheelt Christine?"
-
-"He?.... Christine?" vroeg de dokter en hij nam zijnen bril af,
-"o! je bedoelt de vrouw van den conciërge. Heb je haar bezocht?"
-
-"Ja."
-
-"Nu, zoo weet gij, wat haar scheelt," zeide de oude geneesheer
-op ernstigen toon, "het is een van de ernstigste gevallen, die mij
-gedurende mijne praktijk zijn voorgekomen. Het schijnt dat haar gezond
-lichaam voor de besmetting bijzonder vatbaar was...."
-
-"Maar van wien.... van wien heeft zij de ziekte geërfd?"
-
-Hij was doodsbleek en zweetdroppels parelden op zijn voorhoofd.
-
-"Maar mijn goede jongen, hoe kunt ge je die zaak zoo aantrekken," vroeg
-de oude dokter, die echter het verband der zaken begon te begrijpen,
-"natuurlijk heeft zij die van haren man geërfd. Tweemaal is hij in 't
-hospitaal in de afdeeling voor huidziekten geweest, wist gij dat niet,
-ik heb hem hier in 't boek staan, dien ouden schurk!" en de dokter
-begon in een dik boek, dat op zijne schrijftafel lag, te bladeren.
-
-"En gij wist het en hebt haar niet gewaarschuwd, dokter Rohde, dat
-was meer dan gemeen van u," en Johan stond met gebalde vuist voor hem.
-
-"Mijn beste jongen, ik heb waarachtig met je te doen," antwoordde
-hij, "waart gij niet van huis geweest, zoo had ik het jou als collega
-medegedeeld, maar je weet zelf, dat, zoo wij doktoren alles vertelden,
-wat wij weten, menig voorgenomen huwelijk zou afspringen, om er nu
-nog niet eens van te spreken, dat wij ons zelf veel schade zouden
-berokkenen. Overigens kwam het mij voor, dat het ditmaal eene zaak
-betrof, die je vader meer aanging dan mij."
-
-"Wilt gij nu nog bovendien beweren, dat mijn vader er van wist! O,
-gij zijt en blijft een oude cynicus!" Zijne oogen fonkelden van toorn
-en zonder vaarwel te zeggen ging hij weg.
-
-"Arme jongen!" zeide de oude geneesheer en nam de courant weer ter
-hand, "het is hem nooit meegeloopen!"
-
-Al de bekenden van Johan Bennecken waren het eens, dat het verblijf
-in het buitenland een' vreemden invloed op hem had uitgeoefend. Hij
-bezocht niemand, was nooit te huis en liet zich niets aan zijne
-praktijk gelegen liggen. Des nachts, of des avonds laat kon men hem
-op straat ontmoeten, meest echter in de nabijheid van het huis des
-ministers. Naar het scheen, wilde hij niet herkend worden, daar hij
-de kraag van zijne jas steeds over de ooren had getrokken. Men meende,
-dat hij gewoonlijk in het ouderlijke huis vertoefde.
-
-Dit was niet het geval. Den geheelen dag zwierf hij buiten de stad
-rond, maar wanneer het duister werd, ging hij altijd naar de plaats,
-waar hij voortdurend met zijne gedachten was.
-
-Op zekeren avond ontmoette hij dokter Rohde, die juist naar Christine
-op weg was.
-
-"Ga mee, je kunt mij van dienst zijn," zeide de oude dokter, die
-hunne laatste ontmoeting vergeten scheen te zijn. Johan volgde hem;
-hij kon onmogelijk weerstand bieden aan het verlangen haar te zien.
-
-Christine kromp ineen, toen zij hem zag binnen komen, maar dokter
-Rohde bracht haar tot bedaren en zeide op bijna roerenden toon:
-"Zie zoo, beste kind! tracht nu kalm te blijven en stel je niet
-kinderachtig aan. Het leven is voor je somber genoeg geweest en je
-moet dankbaar zijn, dat ten laatste nog een zonnestraaltje door de
-duisternis breekt. Voor zoover ik zien kan, is geen ander geluk voor
-u beiden weggelegd, dan dat gij gedurende den tijd, dien gij Christine
-nog te leven hebt, je door hem laat verplegen. Vertelt nu aan elkander
-alles, wat u op het hart ligt!"
-
-Na deze woorden gezegd te hebben ging de oude cynicus heen; Johan
-Bennecken lag langen tijd geknield voor het bed en vertelde alles,
-wat in zijn hart was omgegaan.
-
-In het begin begreep zij hem niet, slechts langzamerhand vatte zij,
-wat hij bedoelde; toen de volle waarheid haar eindelijk duidelijk
-werd, rolde de eene traan na den anderen op haar hoofdkussen en
-de liefde, die zij onbewust voor hem had gekoesterd, verwarmde met
-haren gloed het arme hart dat zoo veel geleden had; die liefde deed
-haar voor een oogenblik vergeten, in welk een ellendigen toestand
-haar lichaam zich bevond en schonk haar eene zaligheid, waarvan zij
-nooit had gedroomd. Zij vergat al de fraaie woorden en uitdrukkingen,
-welke men haar in de stad had geleerd; in 't boeren-dialect vertelde
-zij hem hoe alles was toegegaan en smeekte hem haar te vergeven,
-dat zij hem zoo slecht had begrepen. En beiden schonken zij elkaar
-vergiffenis, en beiden trachtten het verledene te vergeten, om in de
-oogenblikken, die haar nog waren vergund, alleen voor hunne liefde
-te leven. Van dien dag af belastte dokter Bennecken zich met hare
-verpleging. Zijne moeder keek hem met een' uitvorschenden blik aan,
-toen hij zulks mededeelde, en hij kon niet nalaten, haar op zijne
-beurt scherp in de oogen te zien. Het was eene groote verlichting
-voor hem, toen zij op deelnemenden toon zeide: "Die arme Christine,
-soms maak ik mij angstig, dat zij de zware rheumatiek, waaraan zij
-lijdt, opgedaan heeft in de kelderwoning; niet lang geleden vernam ik,
-dat die zoo ongezond moet zijn."
-
-Nooit werd de naam van Oom Anders door Christine en Johan genoemd,
-en oom paste, zooveel hij kon, op, niet t'huis te zijn wanneer hij
-vermoedde, dat de jonge dokter er was.
-
-Over het geheel spraken zij weinig met elkander.
-
-Wanneer hij echter de windsels had verwisseld, en alles, wat hij kon,
-gedaan had om haren toestand te verzachten, wilde zij, dat hij een
-poosje bij haar aan het bed kwam zitten. Doodstil lag zij dan en zag
-hem aan, maar had niet gaarne, dat hij haar aankeek, ofschoon hij haar
-telkens verzekerde, dat zij in zijne oogen dezelfde van vroeger was.
-
-Christine had den angst voor het hospitaal, die zoo diep bij den
-eenvoudigen burgerman wortel heeft geschoten, en dikwijls maar al
-te gegrond is; eindelijk liet zij zich door hem overhalen zich er te
-laten heenbrengen.
-
-Op den dag, die hiertoe bepaald was, was het heerlijk zonnig weêr;
-in den morgen kreeg zij eenen brief van huis, dien zij slechts met
-groote inspanning kon lezen.
-
-
-"Lieve Christine!
-
-"De Lensmand zeide, dat ik eene schriftelijke klacht moest indienen,
-en dat heb ik gedaan, en nu is dat papier weer naar mij teruggezonden,
-en ge kunt niet half gelooven, hoe het er uitzag, door naamteekeningen
-en aanteekeningen als: "Aan den korporaal ter inzage, terug aan den
-ambtman en den ingenieur der openbare wegen en eene menigte proosten
-hebben er ook wat opgeschreven en ten laatste was er op de laatste
-zijde nog maar een klein onbeschreven plaatsje over, en daar schreef
-ik: "Juist zoo als ik verwacht heb,--Sechus," maar de ambtman moet
-daarom heel boos op mij zijn.
-
-"Maar dat is nu niet het ergste, maar het is goed, dat gij het goed
-hebt, zooals ge laatst schreeft, want wij hebben het niet goed,
-wat ik je eerst niet heb willen vertellen, daar ik je niet treurig
-wilde maken, maar nu moet het uit mijne pen, want nu staan de zaken
-geheel verkeerd. Je vader is zoo arm als een bedelaar geworden, ja,
-hij is doodarm, hij bezit niets meer, alles is weggegaan aan die zaak,
-waarmede je man te doen heeft, en buitendien is het nog zoo gesteld,
-dat hij niet meer werkt, dus nu kunt ge wel denken hoe het gaat;
-hij zit maar op zijnen stoel, en tuurt naar den muur. Dat moest ik u
-nu vertellen, want gij moet t'huis komen en de zaken hier wat aan den
-gang helpen, het gaat mijn verstand te boven, en ik begin te gelooven,
-dat hij er krankzinnig van kan worden, maar zoo je niet kunt komen,
-schrijf hem dan ten minste iets goeds, liefst van de zaak.
-
- Uw oude vriend,
-
- Lauritz B. Sechus.
-
-
-Christina legde het hoofd in 't kussen en schreide. Gedurende den
-geheelen winter had zij haar best gedaan zoo vroolijk mogelijk
-naar huis te schrijven en de opperloods had haar op denzelfden toon
-geantwoord: nu begreep zij, dat zij de waarheid voor elkaar verborgen
-hadden en een vreeselijk heimwee kreeg zij naar het ouderlijk huis
-en de kust in het westen. Een brief met goede tijding wilde zij,
-zooals de opperloods had verzocht, dadelijk aan haren vader schrijven;
-zij ging dus rechtop in bed zitten en begon.
-
-
-"Lieve Vader!
-
-"Nu ik hoor, dat het u zoo slecht gaat, ben ik er in mijn hart innig
-bedroefd over en schaam ik mij ook, want nu begrijp ik, dat het leelijk
-van mij was van u weg te gaan. Maar nu moet gij het mij maar vergeven,
-en er van overtuigd zijn, dat ik u in mijn hart zoo innig lief heb. Ik
-kan niet naar huis komen, want ik ben niet recht gezond, maar anders
-heb ik het heel goed." Christine hield even op om wat uit te rusten:
-het schrijven vermoeide haar zeer, en het kostte haar veel inspanning
-op dien toon te vervolgen. Zij dacht, dat God haar wel zou vergeven,
-dat zij, om haren vader niet te bedroeven, de volle waarheid niet
-schreef--hij had reeds genoeg te dragen.
-
-Een rijtuig reed door de poort. Het dienstmeisje kwam binnen en zeide
-fluisterend: "de dokter."
-
-De wagen van het hospitaal kwam haar halen.
-
-Eene huivering voer haar door de leden en toen zij de pen weer ter
-hand nam, was het haar niet langer mogelijk de waarheid te verzwijgen!
-
-"Neen, lieve vader, het is niet waar, dat het mij goed gaat; het is met
-mij naar gesteld, zoo naar als het maar kan; nu komen zij mij halen,
-want ik ga sterven; ik zal u nooit weer zien en ook niet meer de zee
-en ons huisje; groet den opperloods.
-
- Vaarwel! Uw
- Christine."
-
-
-Zij was zoo uitgeput, dat de dokter, toen hij aan het bed trad, met
-naphta de levensgeesten moest opwekken. Hij schreef het adres op den
-brief en hielp haar in den wagen tillen. Ofschoon het vervoer met
-de meest mogelijke voorzichtigheid had plaats gehad, was de zieke,
-toen zij in het oude hospitaal weer te bed lag, geheel uitgeput.
-
-Zeer lang lag zij met gesloten oogen; toen zij ze eindelijk opende,
-gleed er een glimlach over haar gelaat. Door het raam zag zij de
-heldere, blauwe voorjaarslucht; de zonnestralen vielen in het nette,
-vriendelijke vertrek, dat haar door zijne zorg was afgestaan.
-
-Christine wendde het gelaat naar hem toe: "Hartelijk dank voor alles,
-Johan. Hier zal het sterven mij niet moeielijk vallen." En zij strekte
-zich uit tusschen de helder witte lakens en sloot de oogen.
-
-Maar de glimlach bleef liggen op het uitgeteerde gelaat, dat door
-de ziekte zoo geheel veranderd was, en die glimlach maakte haar in
-zijne oogen weer even schoon als in vroegere dagen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
-In eenen donkeren, regenachtigen, woesten nacht voer de groote
-stoomboot, die op weg van Christiania naar Tromsö was, door de
-Flekkefjord.
-
-De postbeambte van het vaartuig had juist even aan de brug het
-postpakket afgegeven; slechts twee of drie brieven en eenige couranten
-bevonden zich in het taschje van zeildoek, waarnaar toch met verlangen
-werd uitgezien.
-
-"Krijgen wij slecht weder, stuurman," riep de postbeambte den
-stuurman toe.
-
-"Wis en zeker," luidde het antwoord, "wanneer wij bij Egersund
-inloopen, zal ik je waarschuwen."
-
-"Best," zeide de postbeambte en hij verdween in de kleine hut, waarin
-eene lamp met kap een gezellig licht verspreidde.
-
-In Kristiansand was een dikke zak met brieven voor het buitenland
-aan boord gekomen, waardoor de nauwe hut vol lag met zakken en
-zeildoektasschen, die alle met eenen posthoorn gemerkt waren. Op
-de kleine sofa lagen pakketten bij hoopen, en de tafel, die vóór de
-plank met de vele loketten stond, lag vol brieven. De postbeambte,
-een jong tamelijk gezet man met blonden baard nam op zijne tabouret
-plaats, na zijne pet met gouden band eerst te hebben opgehangen, blies
-in de verkleumde handen, en begon daarna, om wat orde in dien chaos
-te brengen, aan het sorteeren der brieven. Hij werkte ijverig door,
-want zoo lang de boot in betrekkelijk kalm water was, moest hij den
-tijd ten nutte maken.
-
-In het salon brandden slechts twee lampen, die half waren neêrgedraaid;
-eenige heeren lagen er in hunne plaids gewikkeld op de sofa's.
-
-In de dames-kajuit was het heel stil; zoo goed als het ging, trachtte
-men er in slaap te komen en met huivering dacht men aan het oogenblik,
-waarop de boot weer in volle zee zou zijn.
-
-De machine werkte met zware regelmatige slagen, die aan het
-achtergedeelte van het vaartuig eene gelijkmatige beweging gaven. Met
-tergende regelmatigheid sloeg een lampeglas tegen een koperen voorwerp
-en een onvermoeid voetganger liep op het halfdek heen en weer, altijd
-maar heen en weer over de hoofden van hen die zoo gaarne wilden slapen.
-
-Een hevige wind woei over de klippen en huilde in het touwwerk,
-maar in het fjord was het water volkomen kalm. De stuurman beval
-het volk tusschendeks zich te reppen en alles goed vast te binden,
-want men zou dadelijk in volle zee zijn.
-
-In de hut van den postbeambte lagen nog eene massa brieven door
-elkander. De brieven die voor 't Noorden bestemd waren, werden
-op zijde gelegd: eerst was het zaak voor de meer nabijgelegene
-stations te zorgen. Brieven van allerlei soort en met allerlei
-adressen waren er--leelijke, dikke, scheeve letters, die de geheele
-enveloppe bedekten; kleine fijne damesletters, die als vliegepootjes
-over het gladde velijn liepen; groote onbeduidende brieven van het
-een of ander bestuur in dikke grove enveloppen met lak verzegeld en
-portvrij; verder waren er nog loterijbrieven, minnebrieven, brieven
-met geldswaarde, of wel brieven waarin om betaling werd gemaand,--een
-geheimzinnig hoekje vol verrassingen, teleurstellingen, verdriet,
-verlies en onverwachte uitkomst was die kleine hut op de groote boot,
-waarin de postbeambte de brieven zoo vlijtig en kalm door zijne dikke
-vingers liet glijden. Het vaartuig begon meer en meer te schudden,
-zoodat hij begreep, dat men de fjord uit was. Hij verzorgde alles zoo
-goed mogelijk; de meeste pakketten legde hij op den grond, daar waren
-zij ten minste voor vallen bewaard. Daarna nam hij alles van de sofa,
-en met het kleine brievenpakket voor Egersund in de hand, kroop hij
-in een hoekje om ten minste nog een beetje te slapen. De lamp zwaaide
-ondertusschen voortdurend heen en weer in het toestel, waarin zij
-hing. Nu begon de ellende in het dames-salon eerst recht; telkens
-wanneer de stewardess de deur opende om zich even te verwijderen,
-hoorde men een jammerlijk gesteun. De onvermoeide voetganger had
-ook zijnen meerdere gevonden; als een beeld der ellende zat hij,
-terwijl de sporen van de ziekte, waaraan hij leed, op zijne jas te
-zien waren, op het dek; bitter voelde hij zich teleurgesteld: een
-zijner vrienden had hem wijs gemaakt, dat het onmogelijk was zeeziek
-te worden, zoo men maar zorg droeg voortdurend in beweging te zijn
-en op het dek te blijven.
-
-De heeren, die in het salon lagen, moesten zich aan den rand der tafel
-vasthouden om niet van de sofa's op den vloer te recht te komen, het
-tikkend geluid, dat het lampeglas den geheelen tijd had gemaakt, was
-door honderden andere tergende geluiden vervangen, die zich telkens,
-naarmate de boot op en neer ging, lieten hooren. Wanneer het vaartuig
-op de eene zijde viel, kraakten de lambrizeeringen in de salons en de
-koppen, die in rijen aan de zoldering van het buffet hingen, rinkelden
-dat het een aard had. Dan stond de boot op eens recht overeind, doch
-viel dadelijk naar de andere zijde over en al de koppen rinkelden
-weer mee. Eene tabouret en eene paar bij zeeziekte onmisbare zaken,
-rolden met volle vaart in het heeren-salon, eerst naar den eenen,
-toen naar den anderen kant; eene deur vloog uit het slot, en sloeg
-regelmatig open en toe; de machine werkte met alle krachtsinspanning,
-nu eens met een brommend geluid, dan weer met een vreeselijk geraas
-en schuddende beweging, wanneer de schroef voor een oogenblik uit het
-water kwam. In het hoekje van den postbeambte sliepen de brieven kalm
-in de pakketten, en de postbeambte sliep, met de brieven voor Egersund
-bestemd in de hand, ook rustig te midden van al dat gebalder door;
-en al degenen, die langs het strand of meer in het land woonden, en
-aan wie de brieven waren geadresseerd, lagen ook ter neer en sliepen,
-uitgenomen de een of ander, die gedurende den nacht onrustig heen en
-weer liep, wachtende op het reeds zoo lang gevreesde bericht en zich
-in slaap wiegde, met de zoete hoop, wanneer hij het loeien van den
-storm hoorde, dat de post misschien wel veel later zou aankomen.
-
-"Postmeester!" riep de stuurman door een kiertje van de deur,
-"nu zijn wij dicht bij Egersund."
-
-"Hier is de post," en verschrikt sprong de aangesprokene van de sofa,
-terwijl hij het pakket in de hoogte hield.
-
-"Ha, ha, ha, je schijnt hem duchtig geraakt te hebben," zei de stuurman
-lachend, "houdt gij mij vrij voor een borrel, zoo trakteer ik op bier."
-
-"Ja, ja," antwoordde de postbeambte nog op slaperigen toon.
-
-De stuurman kwam fluks met eene flesch en een glas terug; zooveel
-plaats was er nog, dat hij de deur achter zich toe kon trekken.
-
-"Hondeweer!" zeide hij, en terwijl hij dronk, droop het zeewater van
-zijne oliejas, en kon men de heldere droppels water in zijnen lokkigen
-baard zien glinsteren.
-
-Plotseling hoorde men uit de machinekamer een schel klokje luiden.
-
-"Hei ho!" riep de stuurman en zette oogenblikkelijk de flesch neer,
-en weg was hij. "Zijn wij er reeds! Ja, waarachtig!"
-
-De postbeambte rekte zich zoo goed als de kleine ruimte zulks gedoogde
-uit, greep in haast de pet met gouden band, en ging met het postpakket
-naar het dek.
-
-De dag brak aan; koud en nat was het, alles vertoonde zich in een
-droevig, grijsachtig licht. De naakte klippen zagen in de zware
-stormlucht geheel zwart; er viel een fijne regen. Te Egersund hield
-de boot maar een oogenblik stil, zij vervolgde spoedig haren weg en
-de beambte begon weer zijne pakketten in orde te brengen.
-
-Toen het eindelijk dag was geworden, werden de pakketten, die langs
-de geheele kust bezorgd waren, geopend en de brieven werden heinde en
-ver verspreid. Hij, die eenen brief had verwacht, ontving er geen;
-hij, die des morgens bij het opstaan noch aan de post noch aan een'
-brief had gedacht, lachte of schreide 's middags of 's avonds over
-een stuk papier.
-
-Hetzij de brieven verwacht werden of niet, zij kwamen toch aan
-hun adres te recht, en uit de kalme kleine hut van den postmeester
-werden langs het strand en over het land eene menigte verrassingen,
-teleurstellingen, niets beteekenende berichten, zorgen, onverwacht
-geluk en ook onverwachte ondergang verspreid, terwijl de stoomboot
-al noordelijker en noordelijker stevende en de slaperige postmeester
-bij elke landingsplaats met een ander pakket op het dek kwam.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
-Het was reeds tien uur in den morgen, en nog was Njaedel niet aan
-zijn werk begonnen.
-
-In het vertrek, waar hij zat, was de vloer koolzwart, half verrot
-stroo en een paar gescheurde dekens zag men in het bed; de klink van
-de deur, die toegang tot de keuken gaf, was gebroken waardoor zij half
-open stond en onder den schoorsteen stond een zwarte koffieketel op
-een klein turfvuurtje.
-
-Met starren blik keek Njaedel door de kleine ruiten. Hij was nog niet
-half klaar met het voorjaarswerk, en het was al half April. Zijne
-krachtige armen hingen slap langs zijn lijf, de zware baard was om
-de hoeken van den mond geheel grijs, en de rug was meer gekromd dan
-vroeger. Zoo als hij in dat lage vertrek zat, terwijl de regen in
-dikke droppels neerviel en de wind in den schoorsteen gierde, lag
-over deze reuzengestalte eene doffe hulpeloosheid.
-
-Zijne gedachten liepen altijd denzelfden cirkel rond, waarin zij zich
-nu bijna twee jaren lang hadden bewogen. Zij bepaalden zich slechts
-tot "die zaak" waaraan nooit een eind scheen te komen.
-
-Al het geld, dat uitgegeven was, al de goede woorden en beloften van
-zijnen broeder, al zijne verwachting en al zijne teleurstellingen,
-alles, wat hem al dien tijd in spanning had gehouden, scheen zijne
-krachten ontzenuwd en verlamd te hebben; het was, alsof hij streed
-met eene donkere, geheimzinnige macht, zonder iets van den strijd
-te begrijpen.
-
-Diep in het gebergte had hij tegen bergverzakkingen te strijden gehad,
-maar dat was een eerlijke kamp geweest en toen hij het onderspit had
-moeten delven, was er een eind aan gekomen. Maar hier werd hij door
-iets anders vervolgd. Waar hij zich ook heen wendde, overal stiet
-hij tegen iets kouds, iets weeks, dat hij niet verbrijzelen kon en
-dat hardnekkig weerstand bleef bieden. Hij ontmoette het op weg,
-wanneer hij naar de kerk ging en de lieden voor hem op zij gingen;
-hij ontmoette het op het Thing, waar hij bij alle gelegenheden moest
-hooren, dat hij voor de rechters was geweest; wanneer hij zijn werk aan
-de sloot weder wilde opnemen, zag hij het opnieuw; hij gevoelde zich
-als in boeien geslagen; overal ontmoette hij hindernissen, die hij niet
-scheen weg te kunnen ruimen en zoo verrichtte hij voortdurend in stal
-en huis eigenlijk vrouwenarbeid; want hulp wilde hij niet aanschaffen.
-
-Op de plaats waar hij zat en door de morsige ruitjes tuurde, kon hij
-bijna niets van de halfvoltooide sloot zien. Het graven van die sloot
-was zijn grootsche plan geweest, toen hij te Krydsvig een poosje was
-geweest. Zij zou de grens van het zand uitmaken, zijne hoeve tegen
-het drijfzand beschutten. Tevens was hij van plan geweest wilgen,
-teenen en helm aan het strand te planten, op de wijze die in de
-courant was aangegeven.
-
-Al die plannen waren in duigen gevallen; Börevig zond zijn arbeiders in
-grooten getale om wier te halen en hunne diepe wagensporen vertoonden
-zich langs zijnen akker, die vlak aan het strand lag, waardoor het
-drijfzand, nu nog gemakkelijker dan vroeger, zich eenen weg kon banen.
-
-De opperloods Sechus kwam door de keuken binnen.
-
-"Goeden dag, Njaedel! hier kom ik met een brief van
-Christiania." Njaedel zag even op en een glimlach verhelderde zijn
-gezicht. De brieven van Christine waren zijne eenige vreugde.
-
-"Wil je koffie hebben, Sechus?"
-
-"Neen, dank je," antwoordde deze; hij had geene groote gedachte van
-Njaedels koffie.
-
-Hij opende den brief en schrikte, toen hij de zonderlinge, scheeve
-lijnen en het onzeker schrift zag, bovendien had de inkt, overal waar
-hare tranen waren gevallen, het papier bevlekt.
-
-Hij las den inhoud voor, die hoewel kort, zooveel bevatte; een
-oogenblik later las hij hem opnieuw. Njaedel uitte geen woord, maar
-zijn gelaat was doodsbleek geworden. Toen de opperloods den brief op
-de tafel legde, nam hij dien in de hand en staarde er op, ofschoon hij
-geen schrift kon lezen. Lang had de opperloods zijnen toorn opgekropt,
-nu brak die los en hij riep op driftigen toon, terwijl hij van zijnen
-stoel sprong: "Hier zit schurkerij achter, Njaedel! zoo waarachtig
-als ik Lauritz Boldemann Sechus heet, ben ik er zeker van, dat de
-duivel de hand in 't spel heeft. Ik vertrouw je broer niet.... neen,
-geen zier, hoor! Eerst heeft hij ons verteld, dat Christine volstrekt
-met hem trouwen wilde, maar dat zij bang was, dat haar vader er tegen
-zou zijn. Zoo kreeg hij ons er toe haar te bepraten en haar raad te
-geven en bracht hij ons in den waan, dat de vreugde en vroolijkheid
-er opgeschept waren. Maar ik heb al lang aan Christine's brieven
-gemerkt".... verder kwam hij niet want de stem stokte hem in de
-keel. Hij ging naar de keuken en snoot daar met veel geweld den neus.
-
-"Neen, neen, neen," antwoordde Njaedel en hij schudde het hoofd,
-"je moogt geen kwaad van Anders zeggen, als je met hem bekend waart,
-zoo...."
-
-Daar werd de buitendeur voorzichtig geopend en Sören Börevig sloop
-door de keuken binnen.
-
-"Wat komt gij hier doen?" schreeuwde Njaedel en sprong op hem
-toe. Sören kwam voorzichtig nader maar ging naast den opperloods staan.
-
-"Ik kom de groeten en goede berichten brengen van bekenden in
-Amerika. Ik heb vandaag ook eenen brief ontvangen."
-
-Njaedel stopte gauw Christines brief in de lade van de tafel.
-
-"Eerst kan ik den opperloods de groeten van zijne zuster doen; zij
-is weduwe geworden, zooals je weet," zeide Sören op zalvenden toon.
-
-Neen, de opperloods had nog geen brief met dat bericht ontvangen. Sören
-Börevig haalde nu den brief, dien hij van zijnen broeder had ontvangen,
-voor den dag en las luid: "Mrs. Johnson, de zuster van den opperloods
-te Krydsvig heeft mij gevraagd hem voor haar te groeten, en te vragen
-of hij niet naar Amerika wil komen en bij haar in huis zou willen
-wonen, of in de buurt land koopen."
-
-"Daaraan heb ik waarachtig al dikwijls gedacht," bromde de opperloods
-in zijnen baard.
-
-"In den brief staat ook nog wat, dat voor jou bestemd is, Njaedel,"
-zeide Sören en zag na op welke pagina het stond.
-
-"Ik heb geene bekenden in Amerika," antwoordde Njaedel kort af.
-
-Sören glimlachte een weinig. "Is je geheugen zwak geworden? Kijk hier
-staat het: Bij Mrs. Johnson woont ook een meisje van Krydsvig, zij
-heet Anna, en zij heeft mij gevraagd hare groeten te doen aan Njaedel
-Vatuemo, en hem te zeggen, dat zij het goed heeft, en dat haar jongen
-frisch en gezond is en precies zulk rood haar heeft als zijn vader."
-
-Njaedel zag op, dacht een weinig na, en zei daarna op zachten toon:
-"wel--heeft hij ook rood haar!"
-
-Sören keek beurtelings Njaedel en Sechus aan en vond dat het oogenblik
-gunstig was om te zeggen, waarom hij eigenlijk was gekomen.
-
-"Je bent zeker nog niet klaar met het voorjaarswerk,
-Njaedel?" vervolgde hij het gesprek.
-
-"Wat raakt dat jou?" zeide Njaedel dadelijk weer op heftigen toon.
-
-"Och, niet veel, maar zoo gaat het nu eenmaal in de wereld; de buren
-willen altijd graag op de hoogte van elkanders zaken zijn. Betaalde
-je geen tweeduizend zeven honderd rijksdaalders voor de boerderij--hm?"
-
-Njaedel bromde een onverstaanbaar antwoord.
-
-"Ik praatte wat met den advocaat Tofte, toen hij hier kort geleden
-was," ging Sören voort, en schijnbaar onverschillig keek hij uit
-het raam, "hij beweerde dat uwe boerderij met eene zware hypotheek
-belast is."
-
-"Laat mij met vreê, Sören!" riep Njaedel dreigend uit.
-
-"Nu, nu!" viel de opperloods in, "laat Sören toch voor den dag komen
-met wat hem op het hart ligt, want je kunt hem aanzien dat hij iets
-te vertellen heeft. Nu, Sören, zeg ronduit wat ge wilt."
-
-Sören Börevig hield er volstrekt niet van op zulk eene wijze zaken
-te behandelen, deze twee gingen te recht op den man af; maar in dit
-geval was er niets aan te doen, hij moest zich daarnaar voegen.
-
-"Ja.... ik dacht nu zoo bij mij zelf, dat, daar Njaedel nu op eene
-met hypotheek bezwaarde hoeve zit, hij mogelijk lust zou hebben haar
-te verkoopen?"
-
-"Wat biedt je er voor?" vroeg Njaedel.
-
-"Ho, ho! ik heb niet gezegd, dat ik juist zou willen...."
-
-"Wat biedt je?" herhaalde Njaedel.
-
-"Twee duizend vijf honderd rijksdaalders."
-
-"Voor dien prijs gaat het niet!" riep de opperloods boos uit, "dat
-zou precies genoeg zijn om zijne schuld af te lossen. Buitendien
-heeft hij zooveel grond ontgonnen, dat er nu dubbel zooveel land bij
-de boerderij behoort, als toen hij ze kocht. Neen Sören, je moet een
-hooger bod doen!"
-
-"Ik neem het bod aan," zeide Njaedel en hij strekte de hand uit,
-"de koop is gesloten."
-
-De opperloods wilde bedenkingen maken, maar Njaedel gaf er hem den
-tijd niet toe. Sören Börevig was geheel in de war geraakt; op die
-wijze deed hij volstrekt geen zaken, neen dat scheelde wat. Intusschen
-haalde hij een gezegeld stuk papier, dat in een stuk van een courant
-was gewikkeld, voor den dag. Het was.... ja, het was misschien wel
-goed den koop op schrift te hebben. "Ik heb hier een papier.... dat
-een koopcontract wordt genoemd en zoo...."
-
-"Je bent een slimme kerel," zeide Njaedel op honenden toon, "geef
-mij pen en inkt, Sechus!"
-
-Hoe de opperloods ook tegenstribbelde, het hielp niets. Njaedel nam
-de pen en trok eenige dikke strepen, die den naam Njaedel moesten
-voorstellen. Voor meer was er geen plaats, maar die naamteekening werd
-als voldoende beschouwd. Toen dit geschied was, trok hij zijn buis aan,
-zette de pet diep in de oogen en verliet met zware stappen het vertrek.
-
-"Wanneer hij het verlangt, want hij weet vandaag niet recht, wat
-hij doet, moet de koop als niet gesloten worden beschouwd, hoor,"
-zeide de opperloods, eer hij ging zien, waar Njaedel was heen gegaan.
-
-Sören Börevig vouwde het contract samen, en stak het papier in den
-zak met eene grijns, welke de opperloods gelukkig niet zag.
-
-Njaedel liep een weinig voor hem uit de hoogte op, de opperloods
-volgde hem op den voet.
-
-Toen zij boven waren gekomen, zeide Sechus: "Je moet met mij mee naar
-Amerika trekken."
-
-"Met leege handen," antwoordde Njaedel op mismoedigen toon.
-
-"Met zulke knuisten als gij hebt, kunt ge overal vooruitkomen,"
-antwoordde de opperloods, "ik voor mij heb grooten lust er heen te
-gaan. Van mijn huisje kan ik dadelijk afkomen, daar is mij dikwijls
-geld voor geboden, en het beetje geld dat ik bespaard heb, kan ik
-ook dadelijk in handen krijgen. Hier hebben wij niets meer te doen,
-Njaedel. Ik betaal het geld voor je overtocht, wanneer je weer iets
-begint te verdienen, kun je het mij terug betalen. En bovendien heb
-je aan de andere kant van de zee een jongen en ook eene vrouw.... dat
-hangt van je zelf af.... ga met mij mee!"
-
-Njaedel was blijven staan en staarde voor zich uit. Hier van de hoogte
-gezien scheen al, wat hij gedurende de jaren, die hij er woonde,
-verricht had, zoo gering. Hij liet zijne blikken langs de muren om
-zijne akkers gaan, waarvan hij elken steen kende en hij dacht aan al
-het werk en al de moeite, die hij er aan ten koste had gelegd.
-
-Daarna viel zijn blik op den akker en de half voltooide sloot,
-en meer en meer verbitterd werd hij, wanneer hij dacht aan al de
-plannen, die hij gemaakt had, toen hij hier kwam wonen. Hij dacht
-ook aan den tijd terug, toen de lange Anna nog te Krydsvig woonde,
-toen Christine nog thuis was en alles zoo goed ging. Op het zand,
-waar de branding tegen de rotsen sloeg, viel zijn oog; de zee lag
-grauw en hopeloos vóór hem, zij scheen door den dikken mist, die er
-over hing, alle gedachten, die zich naar het Westen wilden richten,
-tegen te houden. En hoe donkerder de regenwolken er uitzagen, nadat
-de hevige wind was gaan liggen, des te somberder en mismoediger werd
-hij gestemd; het was de reactie na de heftige opwelling, waarin hij
-zijne boerderij had verkocht, en waarin hij alles had prijs gegeven.
-
-Maar in al zijne zorg over Christine, over zich zelf, over zijn
-verspild leven, in al de bekommering die hem nu zoo ter neer drukte,
-schenen de laatste woorden van den opperloods eene kleine lichtstraal
-aangebracht te hebben. Te midden van dat sombere, droefgeestige grauwe
-waarin hij tuurde, ontdekte zijn oog een klein lichtpunt, en meer en
-meer nam het in helderheid toe, en kreeg den vorm van een kinderhoofd:
-een' klein blank kinderkopje zag hij met roodlokkig haar.
-
-Hij haalde diep adem, en zag met verbaasden blik om zich heen. Daaraan
-had hij nooit gedacht! er was nog iets, waarvoor het waard was te
-leven, dat hem hoop in de toekomst gaf.
-
-"Wil je met mij gaan?" vroeg zijn vriend weder.
-
-"Ja!" luidde zijn antwoord, en in zijne volle lengte rekte hij zich
-uit, "maar eerst wil ik naar Christiania om te zien hoe Christine
-het maakt en of ik de zaak in orde kan krijgen!"
-
-"Och neen..... nu is het toch hetzelfde, hoe het met de zaak afloopt
-en......"
-
-"Ik wil graag, vóór ik naar Amerika trek, met mijne eigene ooren
-hooren zeggen, dat ik gelijk heb," viel Njaedel hem in de rede en
-zijne oogen fonkelden.
-
-"Goed, goed!" antwoordde de opperloods, die begreep dat het maar het
-best was, hem niet tegen te spreken; "in de lente doen er wel schepen
-met landverhuizers Christiania aan, denk ik."
-
-Bij zich zelf vond Sechus het volstrekt zulk een gek plan niet naar
-Christiania te gaan. Eerstens was het noodig alvorens te vertrekken,
-eens naar Christine te kijken en dan koesterde hij de zoete, stille
-hoop, dat het hem in de hoofdstad toch wel gelukken zou, vat te krijgen
-op den persoon, die over alle Lensmands, opzichters en ingenieurs
-van de openbare wegen geplaatst was. Het zou toch vermakelijk zijn te
-ondervinden, dat men in het goede Noorwegen eenen weg in zulk eenen
-toestand kon laten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
-Christine was nog niet lang in het hospitaal opgenomen geweest, of
-alle bewijzen waren voorhanden, dat de dood spoedig volgen zou. De
-ziekte, die in zoo korten tijd haar sterk lichaam had gesloopt, greep
-eindelijk de hersens aan, en na een' dag in bewusteloozen toestand
-te hebben verkeerd, ontsliep zij op eenen Zondagavond.
-
-Johan was tot het laatste oogenblik bij haar gebleven; toen alles
-was afgeloopen, liep hij doelloos zonder op iets of iemand acht te
-geven de eene straat na de andere door; den kraag van de jas had hij
-volgens gewoonte hoog opgetrokken.
-
-"Goeden avond... dokter Bennecken," zeide de kamerheer Delphin,
-die juist zijne huisdeur opende, "ga met mij mee naar mijne kamers,
-wij kunnen onder een glas wijn en eene goede sigaar den tijd wat
-trachten te dooden."
-
-"Een saaie kerel, die dokter Bennecken," mompelde Delphin bij zich
-zelf, toen de andere zonder een stom woord te zeggen, verder ging.
-
-Delphin stak zijne lamp aan, verwisselde zijnen rok--hij kwam van eene
-soirée,--tegen zijn chambre-cloak, stak eene sigaar aan, dronk een glas
-wijn, en begon toen, al wandelende door zijne twee fraai gemeubileerde
-kamers, de gebeurtenissen van den dag één voor één te herdenken.
-
-Sedert dat groote bal in den herfst bij de Falck-Olsens, was hij
-meer en meer op vertrouwelijken voet met Hilda Bennecken gekomen;
-in den laatsten tijd echter, ja eigenlijk den geheelen winter had
-zij zich meer van hem teruggetrokken. Wel kon het nu en dan gebeuren,
-dat hij er haar toe kreeg den gezelligen vroolijken toon van vroeger
-aan te slaan, maar dat duurde slechts voor een oogenblik; dadelijk
-verviel zij weer in die zonderlinge verlegene houding, die hij niet
-kon begrijpen, maar welke oorzaak was, dat een vertrouwelijk gesprek
-tot de onmogelijkheden behoorde.
-
-Delphin klopte de asch van zijne sigaar tegen de kachel af en begon
-aan andere zaken te denken.
-
-Van avond had zij hem ronduit gezegd, dat zij voortaan niet met hem
-wilde opwandelen, wanneer zij elkaar op straat ontmoetten en dat zij
-liefst niet meer met hem wilde dansen.
-
-Opnieuw wilde hij zijne gedachten met iets anders bezig houden,
-maar altijd draaiden zij weer om Hilda's beeld; hij bleef voor den
-spiegel staan, zag zich strak aan, en zeide: "Hoor nu eens, George,
-hoe het eigenlijk met je gesteld is!"
-
-Hij ging voor zijne schrijftafel zitten en schreef vlug:
-
-Beste George! Het doet mij onuitsprekelijk leed te hooren, dat ook gij,
-in wien ik zoo veel vertrouwen stelde, het beet hebt gekregen, want:
-
-
- "Wer zum ersten Male liebet,
- --Sei's auch glücklos, ist ein Gott,
- Aber--wer zum zweiten Male
- Glücklos liebt,--der ist ein Narr."
-
-
-En Madame Börresen heeft mij er alles van verteld: je bent verliefd,
-kerel!
-
-Nu ja--dat zou ik nu zoo erg niet vinden, maar dat gij verliefd zijt op
-eene kleine apin met hondenoogen en eenen platten neus, dit geeft eene
-ontaarding van de edele organen te kennen, en dat doet mij innig leed.
-
-Waart gij ten minste maar een man met karakter maar dat ben-je niet,
-dat weet-je zelf al te goed, want je mist mij, maar waart gij beiden
-in eenen persoon vereenigd, zoo zou ik je willen zeggen:
-
-Opperbest, mijn jongen, dat is het beste geneesmiddel voor je,
-de eenige manier waarop gij het wrak van je in stukken geslagen
-levensschip kunt redden. Neem ze--hoe leelijker zij is, des te beter;
-presenteer haar dadelijk in de salons en zeg luid: "Dames en heeren,
-ik ben er trotsch op, dat zij mij heeft gekozen!" dan was er misschien
-eenige hoop op je redding, dan waart gij niet langer die akelige
-stakker, die je nu bent en wel altijd blijven zult. Amen!
-
-Hij wierp de pen weg, en ledigde het glas, dat voor hem stond.
-
-Uit het gasthuis was Johan Bennecken, op den Wergelands weg, waar
-Delphin woonde, terecht gekomen; hij had eenen grooten omweg door de
-buitenwijken der stad gemaakt, tot aan Homannsby zelfs.
-
-Half uit gewoonte sloeg hij den weg naar het ouderlijk huis in,
-om--nu alles voorbij was--nog een blik te werpen door die laag gelegen
-vensters, in dat vertrek waarin hij zoo innig had liefgehad, maar
-ook zooveel had geleden.
-
-Daar gekomen, zag hij een' man voor de poort, die moeite scheen te
-hebben het sleutelgat te vinden. De dokter herkende dadelijk Mo en
-wilde voorbij gaan, want aan zijne waggelende houding bemerkte hij,
-dat de conciërge dronken was. Niettegenstaande hij een' diepen afschuw
-jegens hem koesterde, keerde hij een paar stappen terug en hielp hem
-in huis.
-
-Anders Mo was niet zoo dronken of hij herkende den dokter.
-
-"Ja .... de dokter is een goedhartig man," zeide hij op zijnen
-deemoedigen toon, "werkelijk een heel goedhartig man, en dat zegt
-Christine ook."
-
-Toen hij haren naam noemde en aan zijn gezicht eene vrome plooi wilde
-geven, was Johan zijne woede niet langer meester: hij greep hem bij
-de schouders en schudde hem heftig heen en weer.
-
-"Zij is dood!" riep hij knarsetandend uit, "en gij hebt haar vermoord!"
-
-Mo haastte zich den sleutel aan de binnenzijde in het slot te steken
-om ze te sluiten, hij schudde het hoofd en mompelde: "och ... och,
-arme Christine! is zij werkelijk gestorven? wie zou dit hebben kunnen
-gelooven.... noch de minister, noch mevrouw...."
-
-"Meng mijn vaders naam niet in de afschuwelijke daad, die gij gepleegd
-hebt," riep Johan en hij zette zijnen voet tegen de poort om Mo
-het sluiten te beletten. Een oogenblik kreeg deze het bewustzijn
-terug. De oude man stiet de poort zoo ver dicht, dat zij op eenen kier
-stond. Het gaslicht viel door de smalle opening op het bleeke gezicht
-met den valschen glimlach om den mond, met dat zilverwitte naar achter
-gestreken haar, en op duidelijken doch wat gedempten toon zeide hij:
-"De minister zoowel als mevrouw wisten het heel goed, maar zij wilden
-dat ik haar zou nemen, opdat gij haar niet krijgen zoudt," en met een
-onbeschrijfelijk kwaadaardigen grijns stak hij zijne tong tegen den
-dokter uit, terwijl hij de poort dicht sloeg en den sleutel tweemaal
-omdraaide. Johan Bennecken tuimelde tegen den lantaarnpaal en als
-verlamd bleef hij daar geruimen tijd staan.
-
-Een jongen met eene ladder kwam op het trottoir: "man, ga wat verderop
-tegen eenen muur leunen, ik moet hier bij de lantaarn om het gas uit
-te draaien."
-
-De dokter ijlde weg, alsof de grond onder hem brandde. In het Oosten
-begon de dag zich te vertoonen, eerst grauwachtig, dan rooder en
-rooder, totdat de zon opging; een vriendelijk stralende lentezon--het
-was de eerste Mei--bescheen de daken der huizen en verguldde de
-kerktorens.
-
-Hij liep maar altijd voort, kwam in het oude gedeelte der stad,
-en keerde terug, altijd maar vóór zich starende en altijd geplaagd
-door dezelfde gedachten en denzelfden twijfel. Dat zijne moeder er
-niet onkundig van was geweest, hij kon zich die mogelijkheid hoe
-vreeselijk ook, haar te moeten gelooven, voorstellen. Zij was altijd
-zoo overdreven bang voor alles, wat een schandaal kon veroorzaken. Maar
-zijn vader--de brave edeldenkende man, zou die medeplichtig zijn? Die
-gedachte wierp hij ver van zich.
-
-Mo was toch dronken, wist niet wat hij zeide, en was er altijd op
-uit met duivelsche boosaardigheid anderen te belasteren.
-
-Maar wat hielpen al deze redeneeringen?
-
-De twijfel brandde als eene gloeiende plek meer en meer in zijne ziel:
-hij moest zekerheid hebben.
-
-Zoodra het besluit, naar zijne ouders te gaan, en hun ronduit
-de waarheid te vragen, bij hem vast stond, kwam hij tot meer
-kalmte. Intusschen kon er geen sprake van zijn op dit vroege uur te
-komen; een paar uren moest hij minstens nog wachten, en hij ging dus
-naar de kade, waar reeds volle bedrijvigheid heerschte. Werkvolk
-en sjouwerlui gingen naar de haven, leerjongens liepen naar hunne
-werkplaatsen met hunnen kleinen koffieketel en hunne boterhammen in een
-papier gewikkeld in de hand; fabriekmeisjes riepen elkander en gingen
-dan samen verder, lachende en elkander hare nachtelijke avonturen
-vertellende, terwijl politieagenten, die er slaperig uitzagen, zich
-voortsleepten en met verlangen hunne aflossing verbeidden.
-
-Eene bevolking van een eigenaardig karakter bewoog zich op dit uur van
-den dag op straat: alle individuen geleken op elkaar, allen hadden een
-armoedig uiterlijk. Een welgekleed heer, die den nacht buitenshuis
-in vroolijk gezelschap had doorgebracht, sloop, druipstaartend als
-een hond en min of meer met zijne houding verlegen, in dien helderen
-zonneschijn naar zijne woning.
-
-En intusschen waren de lieden, die in de fraaie gedeelten der stad
-woonden nog in diepen slaap gedompeld, achter neergelaten valgordijnen
-en gegrendelde deuren. Een verheven majestueuse slaap verkwikte
-hen, die over de stad, over den staat, over het volk en al zijne
-kleinoodiën zorgden; en hoe helder de morgenzon ook scheen, kon zij
-toch het mysterie niet opklaren, hoe het kwam, dat zij die sliepen,
-juist diegene waren, die waakten en dat over diegene, die wakker waren,
-gewaakt werd door hen, die sliepen. Steeds levendiger ging het echter
-langs de kade en in de haven zoowel als in de nauwe straten toe.
-
-De kleine stoombooten lieten hun schel gefluit hooren en staken van
-wal; een weinig verder lag in de haven eene groote stoomboot, die juist
-van de Westkust was gekomen, en wachtte, totdat de havenmeester plaats
-voor haar aan de kade zou maken; visschersbooten kwamen binnenloopen;
-eenige visschers waren reeds aan het loven en bieden met de opkoopers
-en de dikke vischwijven, die groote, platte manden voor zich hadden
-staan.
-
-Johan liep altijd maar voort; eindelijk kwam hij aan de Vestingkade,
-waar eene groote, groengeschilderde Engelsche stoomboot ankerde. De
-door stoom bewogen hijschmachine was druk aan den gang, volk liep af
-en aan op het vaartuig; tonnen en biervaten stonden in rijen langs de
-kade en in den vorm van eene pyramide was een groot aantal kisten op
-elkander gestapeld, waarop Noorsche namen en Amerikaansche adressen
-geschilderd waren.
-
-Uit een der groepen van mannen en vrouwen met kinderen, allen in nieuwe
-baaien pakjes gestoken, trad een rijzig jonkman in bont katoenen hemd
-en zomerjas gekleed.
-
-"Goeden morgen Johan! al zoo vroeg in de kleeren? Herkent gij mij
-niet?"
-
-Johan herkende hem, het was een oud schoolkameraad, dien hij in jaren
-niet had ontmoet.
-
-"Waar zijt gij al dien tijd geweest?" vroeg hij.
-
-"In Amerika, kerel," antwoordde hij vroolijk. "Emigrantenagent--eene
-prachtige winstgevende zaak! maar, bliksems veel gezeur en ergernis
-ook.
-
-"Thans zit ik er leelijk in moet je weten, want op de plaatsbiljetten,
-welke die lieden gekocht hebben, staat gedrukt: een Noorsch dokter
-bevindt zich aan boord, en de kerel, dien ik had geëngageerd, maakt
-nu allerlei zwarigheden en laat mij per slot van rekening nog in
-den steek. Maar.... waarachtig, daar denk ik juist aan, jij bent ook
-dokter--Johan, come along! goede voorwaarden, hoor maar eens!"
-
-En nu begon de agent met zulk een rappe tong al de voordeelen, aan die
-betrekking verbonden, op te sommen, dat zijn eigen plan, hem zelf zoo
-begon toe te lachen, dat hij eindigde met te zeggen: "Zie zoo, dat is
-afgemaakt, die zaak is in orde. Hier is de nieuwe dokter," vervolgde
-hij, zich tot de om hem heen geschaarde landverhuizers wendende.
-
-Johan moest onwillekeurig om hem lachen, maar zeide ja noch
-neen. Wanneer hij alles wel overwoog, was het eigenlijk het
-verstandigste, dat hij maar toesloeg.
-
-Het was nu ongeveer zeven uur. Hij beloofde later op den dag nader
-bescheid te geven en begaf zich naar het ouderlijk huis.
-
-In de voornamere stadswijken begon het thans wat levendiger te
-worden. De winkels werden geveegd en de spiegelruiten gezeemd. Eenige
-eerzame burgers in de Karel-Johanstraat waren bezig de vlaggestokken
-uit de dakvensters te steken, want men verwachtte den koning in den
-loop van den dag.
-
-"Wie is daar?" riep mevrouw Bennecken, toen Johan aan de deur der
-slaapkamer klopte.
-
-"Ik ben het.... Johan, ik moet vader spreken."
-
-"Neen.... neen.... Johan.... je kunt nog niet binnen komen!" maar
-hij hoorde niet en deed de deur open.
-
-"Maar Johan, wat beteekent dat," riep zijne moeder vertoornd uit,
-terwijl zij zich achter het bedgordijn verschool: zij was "en profond
-négligé"; de minister lag nog in bed.
-
-"Ja.... neemt het mij niet kwalijk, maar ik moet met u beiden
-spreken." Zijn hart klopte zoo heftig, dat hij eerst bijna geen
-woord kon uitbrengen. "Ik ben hier.... om u te vragen.... vader...,
-of u, of moeder iets aangaande de ziekte van Mo wist, toen hij met
-Christine trouwde?"
-
-Er ontstond eene kleine pauze; eindelijk begon de minister: "Ik vind
-je binnenkomen hier heel ongepast en...."
-
-"Antwoord mij! antwoord mij," riep Johan.
-
-De heer Bennecken ging overeind in bed zitten en beproefde met eene
-uitdrukking op het gelaat, die eerbied moest inboezemen, zijnen zoon
-aan te zien, maar dit wilde in zijn nachttoilet waarin het dunne
-grijze haar naar alle kanten uitstond, volstrekt niet gelukken. Had
-hij zich in al zijne heerlijkheid kunnen vertoonen, misschien zou het
-hem gelukt zijn, meester van de positie te worden: zoo als hij daar nu
-echter in zijn bed zat, een heel gewoon ongeschoren oudachtig heer,
-viel eensklaps de buitengewone eerbied, dien zijn zoon voor hem had
-gekoesterd, als een kaartenhuisje ineen, en op een ijskouden toon,
-die hem zelf bijna verschrikte, zei hij: "Vader--vader! ik heb mij
-in u vergist!"
-
-Maar nu kreeg mevrouw hare tegenwoordigheid van geest terug, "ik
-verzoek je Johan met meer respect tot je vader te spreken.... en
-hoor bedaard wat ik je zeggen wil. Gij weet zelf.... als dokter heel
-best, dat de ziekte, waarop gij doelt, nooit door fatsoenlijke lieden
-wordt genoemd."
-
-"Ja, dat is het juist," riep haar zoon uit. "Vele malen heb ik er mijne
-gedachten over laten gaan, wat de reden is, dat die vreeselijkste aller
-ziekten verlof heeft, incognito overal binnen te sluipen, terwijl het
-niet fatsoenlijk is, haar bij haren waren naam te noemen. O.... gij
-weet niet, wat gij gedaan hebt, moeder!"
-
-"Wat heb ik dan gedaan! je bent van je zinnen beroofd, jongen!" riep
-mevrouw toornig uit. Zij kon het zich niet voorstellen, dat die sul
-van een Johan hier met het uiterlijk van een rechter voor haar stond.
-
-"Adelaïde!" klonk het voorzichtig uit het bed.
-
-Maar Johan ging kalm voort. Nu hij zekerheid had was het, of de
-vulkaan, die in hem brandde, op eens uitgedoofd was. "Dat gij trachttet
-mij te verhinderen haar tot vrouw te nemen, kan ik begrijpen, en zou
-ik misschien hebben kunnen vergeven, maar dat gij haar zoo moedwillig
-in het verderf liet loopen. O.... gij weet niet hoe edel en goed
-zij was, en hoeveel zij heeft moeten lijden.... Nu is zij gestorven,
-en ik vertrek van avond. Vaartwel!"
-
-"Waar naar toe?" vroeg mevrouw.
-
-"Naar Amerika," antwoordde Johan, die reeds in de deur stond.
-
-"Naar Amerika! dat gaat volstrekt niet! Daniel!" riep zij haren
-man toe.
-
-"Het is eene ernstige zaak, en vóór alles is het noodig dat wij
-bedaard zijn," zeide de minister.
-
-In de eetzaal kwam Hilda, nog maar half gekleed haren broeder te
-gemoet; op hare slaapkamer had zij een groot gedeelte van het gesprek
-gehoord.
-
-"Johan--Johan!" riep zij half snikkend uit, "wat is het toch?.... wilt
-gij weer weggaan?"
-
-"Ja, Hilda, nu ga ik voor goed naar Amerika. Het doet mij leed voor
-jou, arme zus, want je staat dan weer zoo eenzaam," en hij drukte
-haar tegen zich aan.
-
-"Ach.... ach....!" snikte Hilda.... "kan ik niet met je meegaan,
-Johan?"
-
-Zij zeide die woorden zonder die nu juist ernstig te meenen, maar
-haar broeder vatte het anders op, en toen Hilda hem op zijn aanbod
-om hem te volgen antwoordde, dat mama het nooit zou toestaan, zeide
-hij op harden toon: "Och! het zijn de twee verschovelingen maar,
-die heen gaan, buitendien vragen wij geen verlof. Reis met mij mee
-en help mij, totdat gij iets beters voor je zelf vindt."
-
-"Neen--maar Johan! is het je werkelijk ernst?"
-
-"Waarom niet? Wat lot staat je hier t'huis te wachten? Trouwen zult
-ge wel niet.... neem het mij niet kwalijk, dat ik het zoo maar ronduit
-zeg.... en gij behoort tot een te voornamen stand om hier een nuttigen
-werkkring te vinden. Gij past volkomen voor Amerika."
-
-Juist kwam mevrouw uit hare slaapkamer. "Ah zoo.... gij zijt nog niet
-weg, Johan.... dat tref ik, want ik wilde nog wat met je praten."
-
-"Hilda gaat met mij mee," zeide Johan tot antwoord.
-
-Mevrouw deed eene zwakke poging om te lachen.
-
-"Nu ik ben blij, dat ik dit hoor; het heele plan was dus maar eene
-scherts, ja, ja, dat dacht ik wel."
-
-"Neen, moeder, het is ernst," antwoordde Johan droogjes. "Hilda,
-pak nu je boeltje bij elkaar, wij gaan van avond aan boord."
-
-Hilda was geheel verward, maar de gebiedende toon, waarop haar anders
-zoo vreesachtige broeder tot haar sprak, maakte zulk eenen indruk,
-dat zij hem gehoorzaamde en de eetzaal verliet.
-
-"Luister nu, Johan," zeide mevrouw, en zij plaatste zich recht voor
-hem, "ben je gek, of ben je alleen dronken? Geloof je werkelijk,
-dat je vader en ik zulk een schandaal zullen gedoogen?"
-
-"Ik kom van avond Hilda halen en verhindert gij haar de noodige
-toebereidselen te maken, dan kunt gij u op een nog grooter schandaal
-voorbereiden," klonk het uit zijnen mond en hij ging naar de deur.
-
-Mevrouw Bennecken stiet eenen gil uit en viel achterover op eenen
-stoel. "Maar, Johan!" riep de minister in de deur der slaapkamer,
-hij had zijne pantalon nog in de hand, "help Mama toch, je ziet dat
-zij in onmacht is gevallen!"
-
-"Dat is zij niet," antwoordde hij en verliet het huis.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-
-De agent voor de landverhuizers wreef zich vergenoegd in de handen,
-omdat hij zoo gemakkelijk aan eenen dokter gekomen was, en keek naar
-een stoomboot, die uit het Westen was gekomen, waarvoor nu plaats
-aan de kade was gemaakt vlak tegen het Engelsche vaartuig aan.
-
-Zijn scherpe blik zag, overal zoekend naar landverhuizers rond en
-weldra ontdekte hij Njaedel en den opperloods, die juist aan wal
-gekomen waren. Door de menigte drong hij heen en voegde zich bij hen.
-
-"Landverhuizers, naar ik zie," zeide hij, terwijl hij hen groette.
-
-De opperloods beantwoordde zijnen groet maar toen de agent hem
-den reiszak, dien hij in de hand droeg, wilde afnemen, wilde
-hij volstrekt niet hebben, dat die netgekleede heer zich daarmede
-belastte. Intusschen praatte de agent onophoudelijk door en hielp hen
-uit het gedrang, want velen spoedden zich naar het pas aangekomen
-vaartuig. Njaedel volgde hen op den voet, hij zag alles met groot
-mistrouwen aan.
-
-"Zie zoo..... daar ligt de boot op welke gij de reis zult maken, een
-prachtig vaartuig.... first class altogether, hebt gij al biljetten?"
-
-"Neen!" antwoordde de opperloods.
-
-"Very well! De biljetten krijgt gij aan boord, wees zoo goed aan
-boord te gaan!"
-
-"Hoe laat vaart de boot af?" vroeg Njaedel.
-
-"Morgen ochtend heel vroeg," antwoordde hij en met eenen woordenvloed,
-die Njaedel bijna deed duizelen, begon hij al de voordeelen van
-de onderneming, waarvoor hij passagiers werfde, op te sommen; hoe
-gelukkig het voor hen was, dat zij dadelijk, toen zij aan land kwamen,
-hem ontmoetten, en hoe gemakkelijk het was, dat zij van avond reeds aan
-boord konden komen, dat zij op deze manier de kosten voor huisvesting
-spaarden, enz.
-
-Dit laatste betoog had de gewenschte kracht; zij volgden den agent
-naar boord en in minder dan een kwartier hielp hij hun aan kooien op
-de tweede klasse voordeks. Hij droeg zorg voor de biljetten, ontving
-de vooruitbetaling, schreef de quitantie, en beëindigde de zaak,
-door de handen vrij hard tegen elkaâr aan te slaan, herhalende:
-"all right, first class altogether!"
-
-Toen dit alles in orde was, gingen zij weer aan land. Njaedel
-fluisterde den opperloods in 't oor: "Wanneer... die mooi gekleede
-mijnheer maar geen schelm is, hij praatte zoo in eenen adem door."
-
-De opperloods lachte medelijdend en zei, dat dit Amerikaansche manier
-was. Hun bleef nog over zich omtrent "de zaak" op de hoogte te stellen
-en Christine in het hospitaal te bezoeken.
-
-Njaedel was van meening, dat zij regelrecht naar den koning moesten
-gaan, maar de opperloods lachte weer medelijdend en begon aan allen,
-die hij ontmoette, den weg naar het ministerie te vragen.
-
-Hij had geen geluk; de meesten lachten of antwoordden met eene
-geestigheid, anderen bleven staan om hen na te kijken. Zij zagen
-er ook in het oog vallend uit: de kleine, roodwangige opperloods in
-zijn geel zeemansbuis en pelsmuts en de reusachtige gestalte, naast
-hem, met den gekromden rug, den dikken verwarden langen baard en de
-buitengewoon heldere onschuldige kinderoogen.
-
-Zij gevoelden, dat zij de opmerkzaamheid trokken, vooral toen zij
-in de voorname stadswijken kwamen. De opperloods vroeg niet meer zoo
-direct aan ieder den weg; aan den hoek van het postkantoor gekomen,
-zeide hij moedeloos: "Het is waarachtig al tien uur."
-
-Juist keken zij op den kerktoren, toen een net gekleed heer met
-papieren onder den arm den hoek omkwam.
-
-De opperloods vatte moed en zei: "Neem mij niet kwalijk.... maar kan
-u ons ook zeggen, waar het ministerie is."
-
-"Welk ministerie?"
-
-"Is er meer dan één," vroeg de opperloods op moedeloozen toon.
-
-"Och mijn beste man," antwoordde de heer, "hoe zou het oude Noorwegen
-het met één Departement kunnen stellen! maar wat komt gij eigenlijk
-in het Departement doen?"
-
-"Naar "de zaak" vragen," antwoordde Njaedel.
-
-"Dat is te zeggen," verklaarde de opperloods nader, "het is over het
-wier aan het strand en een groot afvoerkanaal of sloot."
-
-"Ja, groote afvoerkanalen vindt men in alle departementen meer dan
-genoeg," zeide de zoo goedig uitziende heer, "maar met het wier is
-het eene andere zaak."
-
-"Het is aan dat departement, waar een minister is," verklaarde de
-opperloods verder.
-
-"Och mijn beste buitenman, waar is geen minister! Wij hebben er elf
-van dat soort."
-
-Nu zonk den opperloods de moed geheel in de schoenen, en hij zag
-zijnen vriend radeloos aan.
-
-"Daar heb ik een broer," zeide Njaedel.
-
-"Ah zoo! en hoe heet hij?"
-
-"Hij heet Anders--Anders Mo."
-
-"Ah, Mo! o dien ken ik heel goed; zoo zoo, is hij uw broer, gaat dan
-beiden maar met mij mee, ik ga denzelfden kant uit." Hij ging vooruit
-en de beide anderen volgden hem.
-
-"Hij hoort tot de echt voorname lui," fluisterde Njaedel, "want hij
-schaamt zich naast ons te loopen."
-
-"Ik vertrouw hem nog niet recht," antwoordde de opperloods voorzichtig.
-
-"Hier breng ik u twee echte exemplaren van het uitstervend dierenras
-"Volk" zeide George Delphin tot Mortensen, toen hij met den opperloods
-en Njaedel de kamer, waarin deze zat, binnen kwam; "en hier mijne
-heeren," en hij wendde zich tot de twee reizigers, "ben ik zoo vrij
-u den waren "vriend des Volks," den heer Mortensen voor te stellen."
-
-De redacteur stond op en boog deftig, ofschoon hij nooit recht op zijn
-gemak was, wanneer de hoofdcommies schertste. In eenige hoogdravende
-bewoordingen zeide hij, welk een genoegen het hem deed, zoo van
-aangezicht tot aangezicht te staan tegenover hen, die de eigenlijke
-kern van het volk uitmaakten. Noorwegens eerlijke, vrije mannen, enz.
-
-Deze kleine comedie lokte Oerseth en drie of vier andere heeren uit de
-aangrenzende kamers; de opperloods had echter het bolle bleeke gelaat
-van Mortensen nauwkeurig beschouwd en voelde, dat hij op het punt
-stond in drift uit te barsten; toch gelukte het hem zich te bedwingen.
-
-"Deze heeren," zeide de bureau-chef, terwijl hij zich gereed
-maakte heen te gaan, "beveel ik uwe bijzondere zorg aan, mijnheer
-Mortensen! en ik betwijfel volstrekt niet of gij zult met vreugde van
-de gelegenheid gebruik maken, u den waren Vriend des Volks te toonen."
-
-"Pardon, mijnheer Delphin," antwoordde Mortensen een weinig knorrig,
-"maar van daag hebben wij wezenlijk geen tijd gekheid te maken."
-
-"Gekheid," zeide Delphin, "gekheid? Hoorde wellicht een der heeren
-of de commies Mortensen van "gekheid" sprak?--Ik kan mij zulks niet
-voorstellen"--vervolgde hij, terwijl de schampere glimlach, die de
-schrik zijner vijanden was, zich om zijne lippen plooide, "ik kan mij
-de mogelijkheid niet voorstellen, dat de commies Mortensen een bevel,
-dat ik hem geef, als "gekheid" zou opvatten. Deze twee heeren komen
-hooren naar eene zaak over strandwier en over een groot afvoerkanaal,
-die bij ons Departement is ingediend. Wees zoo goed mijnheer Mortensen
-oogenblikkelijk naar alle papieren, die zaak betreffende, te zoeken
-en de heeren de noodige inlichting te geven."
-
-De Redacteur zag vuurrood van kwaadheid en de anderen, bemerkende
-welke wending de comedie nam, slopen naar hunne plaatsen en bogen
-zich over hun werk.
-
-Nu nam de opperloods Sechus het woord:
-
-"Neem mij niet kwalijk mijnheer, maar--maar wij willen liever den
-minister zelven spreken--ik wil niets met dien mijnheer te doen
-hebben."
-
-"Ja, daarin heb je gelijk," antwoordde de bureau-chef, en bracht
-de twee boeren door al de vertrekken tot in de wachtkamer van den
-minister. Hier verzocht hij hen te wachten, omdat deze nog niet op
-het bureau was.
-
-Het duurde bijna een uur vóór hij verscheen--en bitter slecht geluimd.
-
-Gedurende zijn ministerieele loopbaan had de heer Bennecken geleerd,
-om, hoe slechter hij gehumeurd was, een des te opgeruimder gezicht te
-zetten. Vandaag had hem zulks echter ontzettend veel moeite gekost,
-want de verdrietelijkheden waren al vroeg begonnen, en hadden hem
-geen oogenblik met rust gelaten.
-
-Na de ongelukkige scène met Johan had hij een langdurig onaangenaam
-tête-à-tête met zijne vrouw gehad: Het had hem veel moeite gekost
-de energieke dame aan het verstand te brengen, dat dwangmiddelen en
-opsluiting geene afdoende middelen waren om een schandaal te voorkomen
-en waren dus tot de conclusie gekomen, dat het het beste zou zijn de
-zaak te laten zooals zij was en haar op hunne eigenaardige manier
-aan de wereld mee te deelen: Johan had lust een tocht naar Amerika
-te maken en Hilda zou hem voor pleizier vergezellen.
-
-"Ach God! geen mensch zal het gelooven," jammerde Mevrouw!
-
-"Dat hangt geheel af van de wijze, waarop wij het vertellen,"
-antwoordde haar man.
-
-Ter nauwernood was deze zaak beklonken, of onze candidaat Alfred kwam,
-heel zuinig kijkende, binnen. Hij was gedwongen geweest eenen wissel
-te accepteeren en die verviel vandaag en.... en.... De minister
-werd woedend en Alfred kreeg eenen duchtigen uitbrander; mevrouw
-schoof hem zachtjes de kamer uit en beloofde hem bij te springen
-met het huishoudgeld. En al deze verdrietelijkheden moesten juist
-plaats hebben op den gewichtigen dag, waarop men zijne majesteit den
-koning na eene lange afwezigheid verwachtte, op eenen tijd, waarin
-het van het grootste gewicht was voor het bezoek des Konings alles
-zoo feestelijk mogelijk in orde te hebben.
-
-Toen de minister dan ook door de deur, waarvan hij alleen den sleutel
-bezat, op zijn bureau kwam, kostte het hem op het gezicht van de
-twee zonderlinge gestalten, die er zaten, groote moeite eenen vloek
-te weerhouden.
-
-De opperloods stond dadelijk op en begon de zaak zóó voor te dragen,
-alsof hij een van buiten geleerd lesje opzegde. Tot Njaedels
-ongeveinsde bewondering sprak hij den minister telkens met "Uwe
-Hoogheid" aan.
-
-De minister staarde hem een oogenblik aan, opende daarna de deur van
-het vertrek van den secretaris, die voor de verzending van de ingekomen
-stukken naar de verschillende afdeelingen zorg moest dragen, en vroeg:
-"Wat zijn dat voor lieden, die daar binnen zitten?"
-
-"Ik weet het niet.... neen werkelijk ik weet het niet, Excellentie,"
-antwoordde de secretaris, een klein mager man met grijs haar;
-"de bureau-chef Delphin heeft hen hier gebracht, ik weet er niets
-van.... volstrekt niets."
-
-"Dat is juist iets voor u," mompelde de minister, "ga den bureau-chef
-zeggen, dat ik hem verzoek dadelijk hier te komen."
-
-"Oogenblikkelijk.... oogenblikkelijk... Excellentie!" en met eenen
-sprong was hij van den kantoorstoel, liep een paar maal geheel ontdaan
-rond om zijnen hoed te zoeken, doch zich bij tijds herinnerende, dat
-hij de straat niet op behoefde, liep hij eindelijk naar Delphin's
-kamer, om deze de boodschap van den minister over te brengen. De
-minister liep terwijl hij op Delphin wachtte, de kamer op en neer;
-de opperloods was stom van verbazing en begon de geheele affaire vrij
-dwaas te vinden. De minister had er gedeeltelijk zelf toe bijgedragen,
-dat Delphin zoo snel eene schitterende carrière had gemaakt. In
-den laatsten tijd echter was hij niet al te zeer over hem voldaan;
-hij begon hem een weinig te wantrouwen, en had zich voorgenomen,
-om hem, zoodra zich een gepaste gelegenheid voordeed, aan te raden,
-naar eenen post in eene der kleine steden te solliciteeren.
-
-Ondertusschen was George Delphin met zijne scherpe tong en zijne
-goede relatiën altijd een man, met wien het maar best was op goeden
-voet te staan, vooral wanneer er een schandaal te duchten was.
-
-"Beste kamerheer," begon hij, toen deze binnenkwam, "gij kunt mij
-een groot pleizier doen. Zijne majesteit de koning komt, zooals gij
-weet, tegen vier uur. Dientengevolge zal een groot gedeelte van de
-notabelen der stad bij mij een déjeuner à la fourchette gebruiken,
-vóór den feestelijken intocht.... ik hoop, dat gij, Delphin, mij de
-eer zult bewijzen, ons met...."
-
-Delphin boog.
-
-"Nu was er nog iets, wat ik u vragen wilde, beste Delphin. Mijne
-vrouw zou het zeer aangenaam vinden, wanneer gij haar een weinig
-bij het arrangeeren behulpzaam wildet zijn,--dat behoort eenmaal
-tot eene van uwe vele talenten,--want Adelaïde is vandaag een weinig
-geëchauffeerd... verschillende omstandigheden... hm..." de minister
-beproefde even te glimlachen.... "zooals gij ongetwijfeld hebt
-gehoord, heeft Johan er lang over gedacht een tocht naar Amerika te
-maken..." Delphin was beleefd genoeg een bevestigend antwoord te geven.
-
-"Dit is weer zoo'n inval van hem," zeide de minister schertsend,
-"en nu presenteert zich juist eene goede gelegenheid: een plaats
-als dokter op een landverhuizersvaartuig is hem aangeboden, maar
-'t mooiste van de grap is dat Hilda voor pleizier met hem meegaat."
-
-"Hilda!" riep Delphin en viel geheel uit zijne rol.
-
-"Ja, ja," zeide de minister lachend, "een zonderling denkbeeld, niet
-waar? Adelaïde wilde eerst volstrekt hare toestemming niet geven, maar
-ik zeide: laat haar meereizen; eene reis naar Amerika is tegenwoordig
-eene kleinigheid, een tochtje dat men voor zijn pleizier doet, en
-daar dokter Rhode van meening was, dat de zeelucht.... hm!...."
-
-Delphin mompelde eenige beleefde volzinnen, en de minister was zeer
-over zich zelf te vreden; toen Delphin op het punt stond het vertrek te
-verlaten, vroeg hij fluisterende: "Wat zijn dat voor vreemde Chinezen,
-die gij mij op den hals hebt geschoven?"
-
-"Boeren van de Westkust, die naar eene zaak komen informeeren, welke
-aan ons Departement ingediend is. Ik trok mij hun lot een weinig aan,
-daar Mortensen hen wat onaangenaam behandelde. Ik meende dat het
-beter was geene aanleiding te geven dat...."
-
-"Volkomen juist geoordeeld, waarde kamerheer, ik zal hen eens
-aanspreken. Ja Mortensen is, onder ons gezegd, soms wel wat ruw."
-
-De bureau-chef ging weg en de minister zei vriendelijk tot de twee, die
-te wachten zaten: "Nu, luidjes, nu ben ik geheel tot uwen dienst. Het
-was dus eene zaak aangaande...."
-
-"Aangaande het recht op een deel van het strandwier," zeide de
-opperloods.
-
-"Het recht op een deel van het strandwier," de minister schelde--"gaat
-zoo lang zitten, die zaak zullen wij eens spoedig in orde maken,"--hij
-schelde weer,--"is de zaak kort geleden bij ons ingediend?"
-
-"Aanstaanden herfst wordt het twee jaar," zeide Njaedel.
-
-De minister sprong verschrikt van zijnen stoel op, toen hij die
-grove stem hoorde, daarna opende hij de deur van het vertrek met den
-afzonderlijken ingang en riep: "Mo!" Mo was er niet; de minister liep
-naar de andere deur en joeg den secretaris een' doodelijken schrik
-aan, toen hij, duchtig met zijne sleutels rammelende--dit was altijd
-een teeken van slecht humeur--hem naar eene zaak over "wier" vroeg.
-
-De secretaris begon ijverig in de protocollen te zoeken; hij bladerde
-van voren naar achteren en van achteren naar voren, maar niets, wat
-op deze verd.... zaak de minste betrekking had, kon hij vinden, en zij
-was toch, zooals de minister zeide, reeds twee jaar geleden ingediend.
-
-Daar al dit zoeken vruchteloos was ging de minister door de andere
-vertrekken en kwam eindelijk in Mortensen's kamer, waarin hij nooit
-van zijn leven den voet had gezet, overal schrik en angst met zijne
-rammelende sleutels en zijne vraag naar eene zaak over "wier" te
-weeg brengende, want niemand kon zich herinneren van die zaak te
-hebben gehoord.
-
-Mortensen waagde eenigszins boosaardig aan te merken: "de bureau-chef
-is reeds vertrokken, misschien wist hij er iets van."
-
-"De hoofdcommies moest voor zaken uitgaan, en buitendien moet die
-zaak reeds lang geleden door hem overgedragen zijn," antwoordde
-de minister op strengen toon, "ik begeer, dat deze geschiedenis
-dadelijk in orde wordt gebracht. De stukken moeten gevonden worden,
-hebt gij mij begrepen mijneheeren, zij moeten voor den dag komen
-en oogenblikkelijk!"
-
-De minister keerde naar zijn bureau terug en het gansche
-Departementsgebouw kreeg op eens het uiterlijk--een buitengewoon
-iets--van een mierennest. Deuren werden opengeworpen en toegeslagen;
-angstige gezichten vertoonden zich en verdwenen; planken en loketten
-werden nagezien, pakketten nauwkeurig onderzocht; de schrijvers
-draafden door de lange gangen heen en weer, gingen trappen op en
-trappen af, kwamen zelfs tot op den zolder en zochten in blinde
-vertwijfeling tusschen stof en papier. De angst steeg elke minuut;
-van tijd tot tijd opende de minister de deur van zijn bureau en
-vroeg tot grooten schrik van den secretaris, die als een drijftol
-ronddraaide wanneer hij het gelaat van den minister maar zag: "Nu,
-zijn de stukken nog niet gevonden?"
-
-Doch in de verwarring werd eene vraag gedaan, die van mond tot mond
-ging, totdat zij eindelijk als een diepe zucht door het geheele
-gebouw werd geslaakt: "Waar blijft Mo toch? Waarom komt Mo.... Mo de
-almachtige niet?" Eindelijk kwam hij. Behoedzaam, bleek, glimlachend
-sloop hij in de kamer van den minister, juist toen daar een groot
-aantal verschrikte ambtenaars bijeen waren, die allen hun best deden
-te bewijzen, dat die zaak onmogelijk door hunne handen had kunnen gaan.
-
-Allen ademden ruimer, toen de kleine man binnentrad, en de minister
-hem gejaagd vroeg of hij iets aangaande die zaak in quaestie wist.
-
-"Ja," antwoordde Mo, "die ligt in den chaos."
-
-"In wat?" vroeg de minister.
-
-"In den chaos van Mortensen," antwoordde Mo glimlachende.
-
-"Daar gij weet, waar de stukken zich bevinden, zoo breng ze hier,"
-beval de minister.
-
-Anders Mo verliet het vertrek; achter hem ging Mortensen, die buiten
-zich zelf van woede was, en Mortensen volgden de anderen.
-
-"Was dat je broeder?" vroeg de minister.
-
-"Ik meende hem aan zijne stem te herkennen," antwoordde Njaedel
-eenigszins op weifelenden toon, "maar hij was niet zoo groot als mijn
-broer, vond ik, en hij zag er zoo oud uit."
-
-De minister bedacht, dat deze scène mogelijk een minder goeden indruk
-op de twee boeren kon maken en dat wilde hij liefst niet. Daarom zei
-hij vriendelijk tot den opperloods: "Hoe heet ge vriendschap?"
-
-"Lauritz Boldemann Sechus."
-
-De minister was een en al verwondering op het hooren van dien
-welluidenden naam, en toen Sechus hem vertelde, dat hij den post van
-opperloods had bekleed, nam hij eenen stoel en ging naast hem zitten,
-begon een gesprek en klopte hem nu en dan vertrouwelijk op de knie.
-
-"Vertel mij eens, opperloods, is het leven aan de kust niet dikwijls
-moeielijk en gevaarlijk?"
-
-"Och ja, Uwe Hoogheid; wanneer de zeelui zich bij stormweer ver in
-zee wagen, bekomt het hun soms slecht."
-
-"Ja, ja," antwoordde de minister, en hij maakte eene beweging met de
-hand. "Ik denk zoo dikwijls met trotschheid aan deze wereldberoemde,
-onverschrokken loodsen, die langs onze gevaarlijke kusten wonen,
-en het verheugt mij zeer in de gelegenheid te zijn met één van hen
-persoonlijk kennis te maken."
-
-"Hé?" vroeg Sechus, "ja, ziet u, eigenlijk ben ik nu juist niet zoo'n
-loods en Njaedel ook niet."
-
-"Hm!" zeide de minister en brak dit gesprek af; "de groote
-haringvisscherij op de Westkust is wel een bron van groote verdienste
-in de streek waar gij woont."
-
-"O ja, voor hen die er wat van meekrijgen," antwoordde Sechus, die
-vond, dat de minister een echte spotvogel was.
-
-"Een bont, afwisselend leven moet het zijn in den tijd waarop de
-visscherij het levendigst is," ging de minister voort; "zulk een
-toeloop van bewoners uit de verschillende deelen van het land moet
-gewis voordeelig op de ontwikkeling van het volk werken."
-
-"Ja, Uwe Hoogheid, groote vechtpartijen hebben er dan plaats."
-
-"Hm.... zeker, zeker! kleine schermutselingen, maar zeg mij nu
-eens,"--de minister veranderde weer van onderwerp,--"wanneer zoo vele
-lieden samenstroomen, waar krijgen dan allen nachtverblijf?"
-
-"Och!.... Uwe Hoogheid," antwoordde Sechus, "met slapen nemen zij het
-niet zoo nauw. De meesten leggen zich op den buik en dekken zich zoo
-goed als zij kunnen met den rug toe."
-
-Bum.... Bum.... Bum, neuriede de minister, terwijl hij al rammelende
-met zijne sleutels het vertrek op en neer liep.
-
-De opperloods, die zich volstrekt niet bewust was, iets gezegd te
-hebben dat niet te pas kwam, maar integendeel vond, zooals reeds gezegd
-is, dat de minister heel familiaar met hen omging, trok Njaedel even
-bij het buis en fluisterde: "ik geloof, dat ik met hem eens over den
-weg spreek."
-
-Njaedel knikte toestemmend en Sechus stond weer van den stoel op.
-
-"Neem mij niet kwalijk.... Uwe Hoogheid.... maar er is nog iets,
-waar ik heel gaarne alles van wist."
-
-"Tot uwen dienst, opperloods."
-
-"Staat Uwe Hoogheid niet boven alle lensmands, rotmeesters en
-ingenieurs van de openbare wegen?"
-
-"Ja, ja, vriend."
-
-Het oog van den opperloods glansde van vreugde. Eindelijk had hij
-dan den rechte te pakken; nu zou hij alles, wat hem aangaande dien
-weg zoo lang op het hart had gelegen, den minister zeggen, en zijne
-lang verkropte woede gaf zich dan ook lucht in eenen woordenvloed,
-waarvan zijn toehoorder de helft niet begreep.
-
-"Van welk stuk van den weg is er sprake," vroeg deze, terwijl hij op
-eene groote landkaart wees.
-
-Sechus, die daar hij op zee gevaren had, gewoon was met kaarten om
-te gaan, had dit spoedig gevonden.
-
-De minister zette zijn gouden lorgnet op, nam eenen passer uit
-eene étui, die op de tafel lag, en mat het stukje met de grootste
-nauwkeurigheid.
-
-Daarna zeide hij op zijne kalme, vloeiende manier "zie, opperloods,
-dit is alleen eene kaart van onze wegen. Zoo gij u al deze roode,
-gele en blauwe lijnen, als eene lijn kondt voorstellen, zou die zeer,
-zeer lang zijn, nietwaar?"
-
-Ja, dit stemde de opperloods gaaf toe, ofschoon hij niet begreep,
-waar de minister heen wilde.
-
-"En wees nu zoo goed, de ruimte te beschouwen, die zich bevindt
-tusschen de beenen van den passer,... gij ziet, dat die niet veel
-grooter is dan de dikte van een stuk karton."
-
-De opperloods staarde beurtelings den minister en den passer aan.
-
-"Zie nu, opperloods Sechus, zoo klein is het stukje van den weg,
-waarover gij u beklaagt, in verhouding tot het overige deel van
-onze wegen, en zijt gij nu niet overtuigd, dat het misschien ja,
-wat zal ik zeggen--een weinig te veel is verlangd, dat hij, die dit
-zoo samengestelde net van dijken en wegen in zijn hoofd moet hebben,
-dat hij, herhaal ik, zijne bijzondere zorg.... zijne bijzondere zorg
-zeg ik, over zulk een onbeduidend stuk van het geheel zou moeten
-uitstrekken"--en de minister hield den opperloods den geopenden passer
-voor den neus. Deze stond met den mond vol tanden. Heel duidelijk was
-hem de zaak niet geworden, maar hij voelde, instinktmatig, dat men hem
-om den tuin leidde en hetzelfde gevoel dat hem eenige oogenblikken te
-voren bezielde, alsof er iets in hem kookte,--overviel hem. Gelukkig
-werd de deur geopend, en trad Anders Mo binnen, gevolgd door Mortensen,
-den secretaris en eenige anderen, die in het zijvertrek bleven staan
-om te hooren hoe die merkwaardige zaak zou afloopen.
-
-Mo had, niettegenstaande alle tegenstribbelingen van Mortensen,
-den geheelen chaos doorwoeld, en achter in het loket vond hij een
-verkreukeld pakket in een geel omslag, dat hij heel bedaard voor den
-dag haalde.
-
-Allen waren het eens, dat Anders die documenten met het een of ander
-boosaardig plan daar had verstopt.
-
-Mortensen mompelde: "Nu is hij rijp."
-
-De minister zette zijn gouden lorgnet op, verbrak het omslag, en een
-klein stofwolkje vloog in de hoogte.
-
-"Hier staat het volgnummer.... uw eigen schrift," zeide de minister
-tot den secretaris en hij voegde er bij, "collationeer het volgnummer."
-
-De kleine man liep zoo haastig weg alsof het volgnummer hem in de
-beenen was geslagen, maar vóór hij nog tijd had gehad de protocollen
-voor den dag te halen, werd hij door den minister op een toon, die
-weinig goeds voorspelde, teruggeroepen. Deze had ter nauwernood een
-paar regels van het verzoekschrift gelezen, of riep uit: "maar hoe
-zijn die stukken in ons Departement gekomen?"
-
-Toen de secretaris terugkwam, zette de minister den langen, blanken
-wijsvinger zoo stijf onder een woord van den inhoud, dat zijn nagel
-een diep spoor achterliet: "Wat staat hier? Hier staat: Eigendommen
-tot de kerk behoorende."
-
-"Bisdom Kristiansand," zeide Njaedel, die met gespannen aandacht
-toehoorde.
-
-"Aldus behoort deze zaak in het Departement van Eeredienst te huis
-en niet hier," hervatte de minister op hoogen toon.
-
-"Ja maar, ja maar," begon de secretaris: "ik herinner mij nu niet meer,
-neen werkelijk ik herinner het mij niet meer, maar misschien heb ik
-destijds gevonden, dat het onderwerp van den twist van zoodanigen
-aard was, dat....."
-
-"Het onderwerp van den twist," viel de minister met strengen toon in,
-"hier is geen sprake van het onderwerp van den twist, maar wel van eene
-goede Departementale orde, en volgens deze, behooren alle zaken, die
-betrekking op vroegere geestelijke goederen hebben in het Departement
-van Eeredienst te huis. Dit is een oude bekende regel, met welken,
-naar het mij voorkomt, de secretaris bekend moest zijn. Mo.... ga
-dadelijk met deze stukken naar het Departement van Eeredienst."
-
-De minister overhandigde in zijne meest eerbiedwekkende houding aan Mo
-de stukken. Alle ambtenaars, die getuige van de zaak waren geweest,
-verdwenen weder in hunne afdeelingen, en de secretaris zette zich
-geheel en al vernietigd op zijne plaats en tuurde op de volgnummers.
-
-Njaedel had geen oogenblik de stukken uit het oog verloren, en toen
-zijn broeder er mede verdween, riep hij uit: "Wie had gelijk?"
-
-"Ja, mijn goede man," antwoordde de minister, "dat kan ik u niet
-zeggen, doch men zal u, zoo gij na eenigen tijd bij dat Departement
-er naar vraagt, zeker de noodige inlichtingen dienaangaande
-geven. Vaartwel heeren--vaartwel, het was mij een groot genoegen u
-van dienst te zijn."
-
-Hierop schoof hij hen beleefd de deur uit en draaide den sleutel om.
-
-Alles schemerde Njaedel voor de oogen; nu begreep hij er niets meer
-van; de opperloods kookte meer en meer van woede. Nu maakte Mortensen,
-toen de twee vrienden zijn kamer passeerden een deftige buiging,
-waarop de opperloods die anders zoo goedhartig van karakter was,
-zijne drift, die bijna tot razernij was gestegen, niet langer meester
-bleef. Hij greep een flesch met inkt, die in een vensterbank stond,
-en wierp haar met alle kracht naar het hoofd van Mortensen.
-
-De Redacteur boog schielijk op zijde, waardoor de flesch tegen den
-muur achter zijnen lessenaar te recht kwam en in duizend stukjes
-brak. Weer ontstond er groote verwarring in de aangrenzende kamers,
-waarin de opperloods en Njaedel zich haastten de trappen af te komen.
-
-De schrik over deze ongehoorde handelwijze was zoo groot, dat niemand
-er aan dacht de misdadigers te vervolgen. Terwijl zich al meer en
-meer heeren van het departement om de groote inktvlek verzamelden,
-waaruit zwarte stralen naar alle richtingen schoten, voerde Hiorth met
-zich zelf een inwendigen strijd: zou hij, hetgeen hij op de tong had,
-zeggen of niet? Hij was er niet geheel zeker van of de opmerking,
-die hij wilde maken, als eene geestigheid, of wel als eene groote
-flauwiteit zou beschouwd worden, want in zake geestigheid had hij
-bittere teleurstellingen ondervonden. Eindelijk verzamelde hij al
-zijnen moed en zeide half luid: "Wartburg!" Het was werkelijk eene
-geestigheid, en het gemoed van den jongen commies Hiorth zwol van
-trots. Toen het bekend werd, dat hij die uitdrukking had gebezigd,
-waren zijn vrienden zoo verbaasd, dat velen hunner het van dien dag
-af in twijfel trokken of hij werkelijk wel zoo dom was, als algemeen
-aangenomen werd.
-
-Eenstemmig werd besloten, dat de plaats van Mortensen "den Wartburg"
-zou worden genoemd, en dat de inktvlek, waaraan zoovele herinneringen
-verbonden waren, nooit uitgewischt of oververfd mocht worden. Lang
-nadat Mortensen zijn plaats tegen eene betere had verwisseld,
-werd zijn vorige zitplaats nog bij dien naam genoemd en 't is niet
-onmogelijk, dat deze inktvlek en Hiorth's geestigheid zullen blijven
-voortleven, zoolang het Departement zal blijven; dat wil naar alle
-waarschijnlijkheid zeggen: tot zeer kort vóór den dag van het laatste
-oordeel.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-
-Het was twee uur.
-
-Delphin had de kamers in het huis van den minister gearrangeerd naar
-den smaak, die, zooals hij beweerde, op de Tuilerieën gedurende het
-tweede keizerrijk mode was geweest.
-
-In het midden van het vertrek stonden geene meubelen, zoodat men zich
-daar ongedwongen kon bewegen; doch in alle hoeken half verscholen
-onder de zware gordijnen, waren fauteuils en tabouretten geplaatst,
-waarom zich hoogstens drie of vier personen konden groepeeren.
-
-Het was hem door zijne vroolijke invallen en door zijn talent, om
-alles met smaak en naar den zin van mevrouw in te richten, gelukt
-hare booze luim, ten minste gedeeltelijk, te verdrijven, en tevens
-was de kamerheer al de door hem gewenschte berichten, aangaande het
-plotselinge vertrek der door de natuur zoo stiefmoederlijk bedeelde
-kinderen, te weten gekomen. In de eetzaal stond eene zoogenaamde
-"koude tafel," gedekt,--een uitgezocht déjeuner met fijne wijnen en
-champagne. Het plan was, dat de gasten niet op elkaar met het eten
-zouden wachten, ongedwongen moest het toegaan, zoodat ieder die kwam
-zich dadelijk bedienen kon. Het moest op deze wijze toegaan, want
-allen hadden geen tijd lang te blijven:--de meesten hadden nog vóór
-de komst van den koning het een en ander in orde te brengen. Men kon
-niet met zekerheid zeggen, wanneer de gastheer zou verschijnen, want
-hij had nog veel werk voor de borst en daarbij was Daniel, vertelde
-mevrouw op vertrouwelijken toon aan Delphin, zeer slecht gehumeurd.
-
-In de salons zag men langzamerhand verschijnen: militairen in groot
-tenue, heeren ambtenaren in uniform, de voornaamsten der geestelijkheid
-met stijve, gepijpte kragen en ordeteekenen, verder twee of drie
-ministers en eenige eerzuchtige advocaten, die zich op de eerste
-trede van de ladder bevonden.
-
-De groothandelaar Falck-Olsen trad in zijn nieuwe uniform van de
-"gele vereeniging," de salon binnen. "Ik heb de Champagne aan de
-achterdeur laten bezorgen," fluisterde hij mevrouw toe, terwijl hij
-haar de hand drukte.
-
-Daarna zag hij links en rechts om zich heen, en aan ieder, dien hij
-ontmoette, vroeg hij wanneer minister Bennecken zou komen. Eindelijk
-stond hij vlak bij den kamerheer Delphin, die zijne fraaie uniform
-zeer bewonderde.
-
-"Gij ziet er uit als een zweedsch officier," zeide de kamerheer
-tot hem.
-
-De groothandelaar rammelde onder het gesprek telkens met zijnen sabel
-en wierp ter sluiks eenen blik in den spiegel.
-
-"Gij kunt niet half gelooven, beste kamerheer, in welke pijnlijke
-verlegenheid ik geweest ben bij de keuze van een paard, want mijne
-prachtige zwarte merrie is eigenlijk een koetspaard. Nu heb ik wel
-een Isabella, een mooi dier met prachtige manen en zoo glad van huid
-en rond van vormen, dat het een lust is het dier te zien--ik heb het
-van een paardenopkooper van de Westkust gekocht--maar het ongeluk wil,
-dat het dier een weinig klein is en--"
-
-"Napoleon bereed altijd kleine paarden," zeide Delphin.
-
-"Werkelijk!" riep de heer Falck-Olsen verheugd uit, "en denk eens,
-de kolonel zwoer bij hoog en bij laag, dat mijn Isabella te goed was
-voor het gele corps."
-
-"Maar gij zult toch het mooie dier berijden," vroeg Delphin op eenen
-toon, alsof hij 't een zaak van 't grootste gewicht beschouwde.
-
-"Ja, ik neem mijn Isabella," antwoordde de groothandelaar op beslisten
-toon.
-
-Onder de laatst aangekomenen bevond zich de ambtman Hiorth van de
-Westkust. Hij was kort geleden in de stad gekomen en het gerucht
-wilde, dat hij den ouden Falbe zou vervangen, die afgetreden was,
-na den--zelfs voor een noorsch minister--eerwaardigen ouderdom van
-82 jaren te hebben bereikt.
-
-Hiorth gaf zijn genoegen te kennen den kamerheer Delphin te ontmoeten,
-die in vroegere jaren bij hem als jong advocaat werkzaam was geweest,
-en hij verzocht de kamerheer hem aan dezen en genen der meest
-invloedrijke lieden voor te stellen. In vele jaren was hij niet in
-de hoofdstad geweest; velen waren hem dus onbekend.
-
-Intusschen was hij spoedig weer op hoogte, want voor het meerendeel
-droegen de gasten nog die half Duitsche uit den Deenschen tijd
-ingevoerde namen, die volgens een geheimzinnig erfelijk recht eenige
-vette landsposten aan zich verbinden. Niet alleen schijnen deze
-heeren de namen en betrekkingen hunner vaderen te hebben geërfd,
-maar zelfs in hun voorkomen hebben zij iets behouden, dat aan den
-tijd van Frederik den Zesde herinnert: hetzelfde regelmatige, wel
-gevormde profiel, hetzelfde kleine ronde hoofd, denzelfden stijven
-hals en hetzelfde gelaat, door eenen korten, stoppeligen baard omgeven,
-dat van voortdurende bescheidenheid getuigt.
-
-Naar Delphins plan had het gezelschap zich in de hoeken en bij de
-ramen in kleine groepjes verdeeld, terwijl men midden in de vertrekken
-meest twee aan twee ging, anderen waren nog om de tafel geschaard of
-met hunne borden in de andere kamers verdwenen. Om een rijzig mager
-heer met een langen grijzen baard, een Noorsch beeldhouwer, die zijn
-atelier in Stockholm had, hadden zich ook vele gasten verzameld.
-
-Naar men zeide, was hij te Christiania gekomen om gedurende de
-aanwezigheid van den koning, de belangstelling voor een nationaal
-monument, waarvan hij eene schets ontworpen had, op te wekken.
-
-Het was eene groep, die de vereeniging tusschen Noorwegen en
-Zweden moest voorstellen; het plan bestond, het monument op de
-Eidsvoldsmarkt vlak voor het Storthinggebouw te plaatsen. Hij had
-de schets, verkleind en in potlood bij zich, en liet die aan hen,
-die om hem heen stonden, zien.
-
-De omstanders legden veel belangstelling aan den dag en prezen de
-schets zeer, want allen waren genoeg met den loop der zaken bekend
-om te begrijpen, dat, als men tot lid van het Comité werd benoemd,
-men zeker op een ordeteeken kon rekenen.
-
-De schets stelde Svea [10] voor als eene zittende vrouwelijke gestalte;
-de eene hand rustte op een zwaard, terwijl de andere arm om den hals
-van eenen kleinen knaap, die naast haar stond, geslagen was.
-
-De kunstenaar vertelde, dat volgens het oorspronkelijke plan de knaap
-op de knieën van de vrouwelijke figuur had moeten zitten, maar, daar
-hij in aanmerking had genomen, hoe licht geraakt de Noren van natuur
-zijn, had hij den knaap naast haar geplaatst, zoodat iedereen dadelijk
-zien kon, dat de figuren denzelfden rang innamen. Om dezelfde reden had
-hij den knaap een' grooten helm opgezet, die hem over de ooren zat,
-en een groot slagzwaard rustte tegen zijnen schouder, hetgeen--half
-humoristisch--moest uitdrukken, dat, zoo het noodig zijn mocht,
-de kleine knaap zich de vijanden van het lijf zou kunnen houden.
-
-Als een volleerd hoveling antwoordde de kunstenaar op al de indirecte
-vragen, die hem aangaande de samenstelling van een comité werden
-gedaan, dat de minister Bennecken aangeboden had, daarvoor te zorgen.
-
-De kamerheer Delphin had den ambtman Hiorth aan een der voornaamste
-predikanten uit de hoofdstad voorgesteld. Zij stonden bij een venster
-te praten, maar, daar zij volstrekt niet met elkander bekend waren,
-liep het gesprek over het verschil, dat er bestaat tusschen het leven
-in eene stad en buiten, en over dergelijke algemeene onderwerpen.
-
-Na een paar onbeduidende opmerkingen kreeg de ambtman gelegenheid
-te zeggen: "Het verwondert mij dikwijls, dat er tegenwoordig zulke
-valsche, scheeve voorstellingen over ons volk in de wereld in omloop
-zijn. Ik moet er mij steeds over verbazen; want iemand in mijne
-betrekking, die altijd te midden van het volk leeft, is meer dan iemand
-anders in staat over de toestanden te oordeelen. Mijne dagelijksche
-bezigheden brengen mij onophoudelijk met het zoogenaamde "Volk"
-in aanraking; ik spreek den boer in zijne slechte en voorspoedige
-dagen, ik ben bekend met zijne goede, zoowel als met zijne slechte
-eigenschappen."
-
-Hier viel zijn toehoorder hem haastig in de rede: "Gij denkt er juist
-over als ik. Ik ben langer dan vijf jaar predikant in eene kleine
-gemeente op het land geweest, en durf zeggen, ofschoon ik er mij in
-het minst niet op wil beroemen, dat niet vele predikanten zooals ik
-in en met het volk hebben geleefd, maar juist daarom schijnen mij die
-moderne, hoogdravende phrasen, waarin men de boeren zoo ophemelt...."
-
-"Ja, niet waar," zeide de ambtman tevreden: "deze beklagenswaardige
-overschatting van het volk, is in den grond niets anders dan een
-dekmantel voor verborgen eergierigheid...."
-
-"En ongeloof," vulde de predikant aan. De beide heeren begrepen
-elkander nu volkomen en zett'en het gesprek op een vertrouwelijken
-fluisterenden toon voort.
-
-De Redacteur Mortensen verscheen zeer laat. Hij behoorde tot de
-weinigen, die nog geen ordelintje in het knoopsgat hadden. Aan de
-familiare wijze, waarop hij dezen en genen groette, kon men evenwel
-zien, dat hij een man was, die vasten grond onder de voeten had.
-
-Hij was in werkelijkheid gedurende de laatste jaren, sedert hij
-de Redactie van den "Waren Vriend des Volks," op zich had genomen,
-een geheel ander mensch geworden. Zijn linnen was nu altijd hagelwit
-en er lag in de wijze waarop hij zich presenteerde die voorzichtige
-deftigheid, welke den vertegenwoordiger der pers zoo goed staat.
-
-Delphin nam hem scherp op en kwam tot de conclusie, dat mijnheer de
-Redacteur eene geheime conferentie met den minister moest hebben gehad.
-
-Dit was ook het geval geweest.
-
-In het begin was de toon van den minister vrij scherp geweest; hij
-begreep niet dat zulk een verzuim, de stukken in den chaos betreffende,
-had kunnen plaats hebben; Mortensen nam de vrijheid den minister in
-de rede te vallen met aan te merken:
-
-"Ja die Mo, Excellentie, schijnt niet recht meer te weten, wat hij
-zeggen of zwijgen moet; hij begint onbruikbaar, zoo niet lastig
-te worden. Hij gaat in de bureau's rond en vertelt allerlei rare
-geheimzinnige histories aangaande eene zekere madam Gluncke, die...."
-
-"Hm...." antwoordde de minister. "Ja gij hebt gelijk; reeds lang ben
-ik ontevreden over hem, hij schijnt kindsch te worden."
-
-De minister sloeg nu een geheel anderen toon aan en toen Mortensen
-het vertrek verliet, straalde zijn bolbleek gezicht van innige
-tevredenheid.
-
-Er lag nog iets triomfeerends in zijne trekken, toen hij Delphin
-naderende, vroeg: "Wilt gij zoo goed zijn mijnheer Delphin, mij aan
-den ambtman Hiorth voor te stellen."
-
-"Neen," antwoordde de kamerheer kortaf, terwijl hij voor den spiegel
-staande, zijne Wasa-orde wat terecht schoof.
-
-Mortensen beet zich van woede in de lip, doch zeide kalm: "De minister
-heeft uitdrukkelijk zijnen wensch te kennen gegeven, dat ik u zulks
-zou vragen."
-
-Delphin haalde de schouders op, en bracht Mortensen naar de plaats,
-waar de ambtman Hiorth stond te praten.
-
-"Mijnheer de ambtman! Ik heb het bevel ontvangen u den commies
-Mortensen voor te stellen"; na deze woorden gezegd te hebben, verdween
-hij dadelijk.--Den geheelen tijd had hij getracht Hilda te ontmoeten,
-in al de kamers had hij haar gezocht, maar nergens was zij te vinden.
-
-Mortensen zwoer in stilte zich bij gelegenheid op den kamerheer over
-deze behandeling te zullen wreken. Hij verklaarde in een paar woorden
-aan den ambtman Hiorth, wie hij eigenlijk was, waarop zich terstond
-een vriendelijke plooi op diens gezicht vertoonde.
-
-Geruimen tijd spraken zij met elkander, en Mortensen haalde een klein
-notitieboek voor den dag, waarin hij eenige biografische détails, die
-den ambtman hem meedeelde, opteekende. Het gesprek liep daarna over
-de vragen van den dag, en de ambtman drukte zijne verontwaardiging
-zoowel als zijne bekommering uit over de zware, moeielijke tijden,
-die men beleefde.
-
-De Redacteur antwoordde geruststellend:
-
-"Och, zoo lang ons land zich mag verheugen een' ambtenaarsstand te
-bezitten als de onze...."
-
-"Ja, ja, op de predikanten en rechters kunnen wij ons geheel verlaten,"
-zeide de ambtman, terwijl hij beproefde de deftige handbeweging,
-welke hij Bennecken had afgezien, te maken.
-
-"En met mannen aan het roer van den staat, als de minister
-Bennecken! o, daar komt hij!.... welk een man! iets eerbiedwekkends
-omstraalt hem."
-
-"Vindt gij niet, ambtman, dat hij in het oog vallend op Goethe
-gelijkt."
-
-"Ja, werkelijk, werkelijk!" mompelde deze.
-
-De minister was door eene deur, waarvoor eene portière hing,
-binnengekomen, zoo dat het gezelschap niet dadelijk bemerkte, dat de
-gastheer zich onder de gasten bewoog.
-
-Hij was in zijne ministerieële uniform gekleed; een menigte sterren en
-kruisen versierden de borst, den driekanten steek hield hij onder den
-arm en de handschoenen had hij in de hand. Met de rechterhand groette
-hij naar weerskanten zijne gasten en ging glimlachend en het hoofd
-een weinig naar achteren geworpen, met deftigen tred door de salons.
-
-Hij gaf de hand aan een' zijner collega's en fluisterde hem eenige
-woorden in, welke de andere met een vertrouwelijk glimlachje
-beantwoordde. In de onmiddellijke nabijheid van den minister werd
-het gesprek op gedempten toon gevoerd, allen hadden, terwijl zij
-schijnbaar het gesprek voortzett'en, slechts oog voor den minister.
-
-De groothandelaar Falck-Olsen, die eigenlijk een kwartier geleden
-al in den zadel had moeten zitten, naderde nu ook zijne Excellentie,
-niet als in vroegere dagen, toen hij gaarne aan een ieder wilde toonen
-op welken vertrouwelijken voet hij met Bennecken stond, neen, nu was
-op zijn gezicht de grootste dienstvaardigheid en eerbied te lezen.
-
-De minister boog zich tot hem en de heer Falck-Olsen fluisterde hem in
-'t oor: "Ik neem de Isabella."
-
-De voorname heer knikte toestemmend; als een koerier, die het hof met
-gewichtige dépêches in den zak verlaat, ijlde de groothandelaar door
-de salons; zijne sabel rinkelde en de spik-splinternieuwe uniform
-glinsterde in de fraaie vertrekken, vriendelijk beschenen door de
-vroolijke Meizon.
-
-Onderwijl zette de minister zijne wandeling voort, hier een vriendelijk
-woord zeggende, elders de een of andere instructie gevende.
-
-"Ik heb eenen president voor uw Comité gevonden," zeide hij tot den
-beeldhouwer, "den ambtman Hiorth."
-
-"Hm!.... de heer, die daar ginds bij het raam staat," vroeg de
-kunstenaar, die eenigszins door de keuze teleurgesteld was, maar als
-welopgevoed man natuurlijk er niets van blijken liet, "maar wanneer
-ik vragen mag, Excellentie, is deze heer niet een vreemdeling in
-de hoofdstad?"
-
-"Hij zal dit niet lang meer blijven," fluisterde de minister hem in.
-
-"O, zoo.... ik begrijp!" antwoordde de andere en trok de wenkbrauwen
-samen.
-
-Nog bemerkte men, dat de minister ook de hand aan den ambtman Hiorth
-reikte, welke eer hij, uitgenomen aan zijne collega's, niemand der
-andere gasten had bewezen; nu scheen het aan geenen twijfel meer
-onderhevig--Hiorth zou tot minister benoemd worden, te eerder omdat
-de oude Falbe zijn ontslag had aangevraagd.
-
-"Wij staan er juist over te praten, Redacteur Mortensen en ik, hoe
-goed het toch is, dat wij in deze moeielijke tijden ons onbepaald
-kunnen verlaten op de predikanten en de rechterlijke macht." De
-ambtman zeide dit met eenige trotschheid.
-
-"Of met andere woorden," antwoordde de minister, "dat de godsdienst
-en de gerechtigheid op onze zijde zijn."
-
-"Welk een man!" zeide op gedempten toon ambtman Hiorth, toen de
-minister verder ging; onwillekeurig moest hij zijne uitdrukking met
-die van den grooten staatsman vergelijken, en terwijl hij het raam
-uitzag, voegde hij er bij: "och ja, veel wordt er toe vereischt zulk
-eene betrekking goed te kunnen vervullen."
-
-"Sta mij toe, min..... ambtman," viel Mortensen hem op zeer eerbiedigen
-toon in de rede, "sta mij toe u op eene goede oude uitdrukking
-opmerkzaam te maken, namelijk, dat God met het ambt ook het talent
-en de kracht verleent, om het goed te vervullen."
-
-"Dank, dank voor die woorden, waarde Redacteur," riep de ambtman uit,
-en hij drukte hem met warmte de hand; "ja, gij hebt gelijk, alle
-kracht komt van boven," en hij sloeg zijne oogen naar den helderen
-blauwen lentehemel, die zich boven de daken welfde.
-
-Nu begonnen de jonge ambtenaars, Hiorth en Bennecken, de
-champagnekurken te laten knallen: hun was op dezen gewichtigen dag
-opgedragen voor den wijn te zorgen.
-
-De gasten gingen terug naar de eetzaal, waar de minister langzamerhand
-de voornaamste van hen aan het boveneinde van de tafel verzamelde. Eene
-plechtige stilte ontstond toen hij zijn glas ophief en aldus begon:
-
-"Mijne heeren! wanneer ik mijnen blik over deze vergadering laat gaan,
-zoo rijst bij mij onwillekeurig de vraag op: wat is het eigenlijk,
-dat ons allen zoo vast samenbindt? Het is de gemeenschappelijke arbeid,
-de gemeenschappelijke gehechtheid voor onzen verheven monarch!"
-
-Mortensen, die achter een venstergordijn aanteekeningen maakte, moest
-even lachen. Hij dacht aan de rede, die hij in deze zelfde zaal en
-over hetzelfde onderwerp had gehouden, doch voor een ander publiek.
-
-Vandaag nam de rede van den minister eene hoogere vlucht dan
-gewoonlijk, inzonderheid schreef Mortensen zeer nauwkeurig het slot op.
-
-"Ja, mijne heeren! Zooveel wordt er in onze dagen gesproken, dat de
-tijd, dien wij beleven, een tijd van werken is; maar slechts weinigen
-zijn er--en ik betreur zeer dat het zoo is--slechts weinigen zijn er,
-zeg ik, die recht begrijpen, wat de ware arbeid is en wie eigenlijk
-de ware arbeiders in het land zijn;.... Het zijn.... (de spreker
-zag rond) die kring van mannen, die de orde hooger schatten, dan
-hun eigen voordeel; die trouw en gehoorzaam verkleefd blijven aan
-de onomstootelijke waarheden, die ons door onze vaderen in hunne
-staatsinstellingen en in hun vroom geloof zijn nagelaten,.... die
-de diep gewortelde overtuiging hebben, dat hetgeen in een tijd
-van oplossing en verdeeldheid een' staat te zamen houdt, en eenen
-sterken band bindt om het beste wat de natie bezit, uitgaat van
-en zich concentreert in den heiligen persoon van den vorst. Mijne
-heeren! God beware Zijne Majesteit, onzen geëerbiedigden Koning!"
-
-"Leve de Koning!" gilde de overste kolonel-luitenant Grobs, en hierop
-volgde een drievoudig hoera, dat de ruiten er van rinkelden; zelfs de
-meest stijve bureaulisten schreeuwden, dat zij er blauw van zagen,
-terwijl zij elkander zijdelings aankeken om te zien of ieder zijnen
-plicht deed.
-
-Toen de stilte wat hersteld was, kwam de bediende van den minister
-haastig binnenloopen, en met eene diepe buiging overhandigde hij een
-telegram op een zilveren presenteerblaadje.
-
-De minister opende en las de dépêche; de grootste stilte heerschte
-in de zaal. Niemand van het gezelschap durfde bijna ademhalen.
-
-"Mijne heeren! binnen een half uur kunnen wij den Koninklijken
-extratrein met den Koning verwachten."
-
-Eene algemeene beweging ontstond: de minister hief even de hand
-op--weder werd het doodstil.
-
-"Mijne heeren!" zeide hij op plechtigen toon, "ieder op zijnen
-post. Het oogenblik is ernstig; Zijne Majesteit verwacht, dat ieder
-zijnen plicht doe!"
-
-Na deze woorden geuit te hebben, groette hij het gezelschap vluchtig,
-gaf den ambtman Hiorth een teeken hem te volgen, en verdween met
-dezen door de kleine deur, waarvan de portière onhoorbaar toeviel.
-
-In geestdriftvolle stemming namen de gasten afscheid, en Mortensen
-schreef in zijn notitieboekje: Het was een van deze merkwaardige nooit
-te vergeten oogenblikken, in welke men als het ware den polsslag der
-wereldgeschiedenis voelt.
-
-Mevrouw Bennecken had reeds vroeger de gasten verlaten. Al de
-gemoedsbewegingen, gedurende den ganschen dag ondervonden, hadden
-haar zoo geschokt, dat zij zich gekleed op haar bed had geworpen,
-waarop zij in hevig snikken was uitgebarsten.
-
-In de salons wandelde Delphin eenzaam heen en weer. Hij behoefde
-eerst tegen het souper op het slot te verschijnen, en het was hem
-onmogelijk het huis te verlaten zonder Hilda te hebben ontmoet. De
-bedienden namen de tafel af, dronken den nog in de glazen en flesschen
-aanwezige champagne en waren zeer vroolijk. Delphin kon dus onmogelijk
-langer in de eetzaal en het aangrenzend vertrek blijven, en trok zich
-in de verst afgelegen kamer terug ontevreden op zich zelf, weifelende
-wat hem te doen stond, maar voelende dat het hem niet mogelijk was
-heen te gaan, zonder haar gesproken te hebben. Eindelijk riep hij
-een der dienstmeisjes en vroeg, waar juffrouw Hilda was.
-
-"Juffrouw Hilda is op hare kamer bezig met pakken. Weet u niet, dat
-de juffrouw van avond naar Amerika vertrekt," vroeg zij en hare mooie
-oogen hadden van de Champagne een nog helderder glans gekregen.
-
-Delphin, die door deze woorden onaangenaam getroffen werd, zeide
-kortaf:
-
-"Vraag juffrouw Bennecken uit mijnen naam, of zij de goedheid wil
-hebben een oogenblik hier te komen; ik zou haar gaarne even willen
-spreken."
-
-Toen het dienstmeisje was weggegaan, bleef hij verschrikt voor den
-spiegel staan. Wat had hij gedaan?
-
-Wat wilde hij eigenlijk van haar? Was hij niet te ver gegaan? hoe
-zou hij er zich weer uithelpen? En wenschte hij dit niet het meest?
-
-Na verloop van eenige minuten kwam Hilda binnen. Aan hare oogen kon
-men zien, dat zij geschreid had, maar toch lag er over haar gelaat
-eene bijzondere kalmte. Delphin bemerkte dit dadelijk.
-
-"Arme mama!" zeide zij, terwijl zij hem beide handen reikte; "het
-is haar zoo zwaar gevallen zich met de gedachte vertrouwd te maken,
-dat Johan en ik zulk eene verre reis gaan ondernemen. Ja, ik zelf
-heb moeite te gelooven, dat zij door zal gaan."
-
-Delphin vergat haar te antwoorden, zoo veranderd kwam zij hem
-voor. Hare verlegenheid, bijna zou men het hebben kunnen noemen,
-schuwheid was geheel verdwenen. In haar eenvoudig toilet zag zij er
-zoo vastberaden en reisvaardig uit, en er was zoo iets zekers in hare
-stem en in geheel haar voorkomen, dat het hem niet gelukken wilde
-den half schertsenden, half beschermenden toon, waarop hij gewoonlijk
-met haar sprak, aan te slaan.
-
-Meer door de toon zijner stem, dan door de woorden, die hij sprak,
-keek Hilda op. Hunne oogen ontmoetten elkander voor eene seconde en
-er ontstond eene pauze.
-
-"Er is niets, dat u terughoudt niet waar?" vroeg hij op bitteren toon.
-
-"O ja, dat weet gij heel goed," luidde haar antwoord en hare oogen
-vulden zich met tranen.
-
-Hij zag haar van ter zijde aan; zoo als zij daar stond het hoofd wat
-voorover gebogen, terwijl zij zenuwachtig met haren zakdoek speelde,
-vroeg hij zich af, of zij dan werkelijk zoo leelijk was?
-
-"En er is niets, dat u terughoudt?" Hij wist niet, dat hij dit reeds
-had gevraagd.
-
-"Waarom wilt gij mij het afscheid zwaarder maken, dan het reeds is,"
-vroeg zij bijna onhoorbaar en begon te schreien. George Delphin ging
-het vertrek een paar maal op en neer. Hij gevoelde, dat het leven
-hem eene goede kans bood en dat het nu voor het laatst zou zijn. Al
-het goede dat in hem was, trachtte hij te verzamelen, maar toen hij
-voor haar stond, hief zij even het hoofd op, en zeide:
-
-"Neen, ik wil niet meer schreien. Ik voel, dat een gelukkiger leven
-mij daar wacht, dan mij ooit hier ten deel zou kunnen vallen. Vaarwel
-kamerheer--hartelijk zeg ik u dank voor uwe vriendschap."
-
-Zij reikte hem de hand en keek hem met de trouwe gazellen-oogen,
-die vol tranen stonden, moedig aan. Op dit laatste oogenblik zag
-hij dat zij schoon was--maar toen was het te laat. Zij verliet het
-vertrek en liet de deur half open. Het leven, dat de bedienden in de
-zaal maakten, drong weer tot hem door. Hij stond voor een oogenblik
-roerloos, nam toen zijnen hoed en verliet het huis. Op de trap werd
-hij ingehaald door den jongen Hiorth en door Bennecken, die juist
-van den zolder kwamen. Met levensgevaar hadden zij eene vlag uit het
-dakvenster gestoken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-
-Het kostte heel wat tijd, eer Njaedel en Sechus het hospitaal,
-waar Christine zich bevond, vonden en hadden zij niet bij toeval
-den politie-agent Knudsen naar den weg gevraagd, dan had het kunnen
-gebeuren, dat zij onverrichter zake aan boord hadden moeten gaan,
-of wel tot laat in den avond de stad in alle richtingen hadden moeten
-doorkruisen. Het was reeds bijna drie uur en iedereen stroomde naar
-de Karel-Johanstraat om den optocht te zien, zoodat niemand tijd had
-te blijven staan om inlichtingen te geven; de politie-agent Knudsen
-evenwel, die gelukkig zijnen proeftijd had doorstaan, wees hun,
-toen hij hoorde, wie zij zochten, den weg en zoo kwamen zij aan
-het hospitaal.
-
-In de poort ontmoetten zij eene der verpleegsters, die naar de stad
-wilde gaan. De opperloods nam zijne pelsmuts af en zeide: "Wij komen
-hier zekere madam Christine Mo bezoeken."
-
-"Zij is van nacht gestorven," antwoordde zij gejaagd: zij had haast.
-
-"Gaat die gang in de tweede deur links, zij zijn juist met haar
-bezig." Schielijk liep zij verder en deed de poort achter zich dicht.
-
-"Nu, nu, Njaedel, dat is misschien maar het best voor haar," zeide
-de opperloods om hem wat te troosten, "kom meê, wij hebben hier niets
-meer te doen."
-
-"Ik wil haar lijk zien," antwoordde Njaedel, en liep de gang in.
-
-Vóór de deur, die de ziekeverpleegster had aangewezen, bleven
-zij staan; de deur stond aan, en zij hoorden in het vertrek luid
-spreken. De opperloods stiet de deur open, Njaedel en hij traden
-binnen.
-
-Dicht bij het raam stonden eenige jonge studenten over iets wits, dat
-op de tafel lag, heengebogen. Een klein man, met grijs haar en in zijne
-hemdsmouwen stond het dichtst van allen bij dit witte voorwerp, terwijl
-men eenen blanken voet tusschen twee der omstanders zag uitsteken.
-
-"Nooit heb ik het zoo spoedig zien afloopen," zeide dokter Rohde,
-tot een der professoren, die hij had uitgenoodigd bij de ontleding
-tegenwoordig te zijn. Johan Bennecken had uitdrukkelijk verboden het
-lijk naar de ontleedkamer in de universiteit te brengen.
-
-"En zij was met dien schurk van een Mo getrouwd?" vroeg de professor,
-"hoe gaat het met hem?"
-
-"De ziekte is naar binnen geslagen en de hersens zijn aangedaan. Wat
-wilt gij?" vroeg de dokter plotseling, toen hij de twee mannen in de
-deur zag staan.
-
-"Hier is haar vader," zeide de opperloods op Njaedel wijzende,
-"die gaarne haar lijk wilde zien."
-
-"Neen, neen, beste vriend, 't is beter dat gij zulks niet doet."
-
-Maar Njaedel kwam dichter bij de tafel; de jonge studenten maakten
-voor hem plaats, en de professor gaf aan een der studenten een teeken
-een laken over haar te werpen. Door de haast waarmede dit geschiedde
-werd het lijk slechts ten halve bedekt; het was zoo uitgeteerd, dat
-het slechts vel en been leek. Het dikke roode haar hing verward over
-het voorhoofd, de wangen waren geheel ingevallen; zij zag er uit als
-eene oude vrouw.
-
-"Dat is zij niet!" fluisterde de opperloods Njaedel in.
-
-Maar toen streek Njaedel het haar van zijne gestorven dochter een
-weinig op zijde en legde zijnen vinger op het litteeken, dat zij aan
-een der slapen had.
-
-"Kom, Njaedel, nu moesten wij maar gaan."
-
-De opperloods was doodsbleek. Njaedel zag rond en toen hij den indruk
-kreeg, dat al deze welgekleede heeren belangstelling in zijne dochter
-hadden getoond, reikte hij hun één voor één zijne hand. Toen hij echter
-bij den professor kwam, week deze eene schrede achteruit:.. "Neen,
-neen, beste man.... ik kan.... het is mij onmogelijk u de hand
-te reiken."
-
-Nu eerst zag Njaedel het blanke mes in zijne hand. Op dit gezicht
-rilde hij en hij verliet met den opperloods dadelijk het vertrek.
-
-Toen zij weer op straat stonden, zag Sechus Njaedel uitvorschend aan;
-hij bemerkte dat deze de vuisten balde, en dat zijne tanden knarsend
-tegen elkaar sloegen.
-
-"Hij zal mij daar rekenschap van moeten geven, Anders," mompelde
-Njaedel.
-
-"Och," zeide de opperloods ietwat bang, "laat je aan Anders niet
-meer gelegen liggen. Wij reizen nu ver weg, laten wij eerst zien,
-wat eten te krijgen, want ik heb honger als een wolf."
-
-Maar Njaedel was niet van zijn plan af te brengen; de opperloods
-wilde echter niet naar den weg vragen en zoo moest Njaedel zulks
-zelf doen; de politie-agent, tot wien hij zich wendde, zeide hem,
-waar de minister Bennecken woonde.
-
-Eindelijk stonden zij vóór het huis.
-
-Een vreeselijke strijd had er in Njaedel's binnenste plaats. Hij kon
-niet gelooven, dat zijn broeder de schuld van al die ellende was, en
-toch ook de gedachte niet van zich zetten, dat zulks wel het geval
-was. Maar in toorn ontstak hij niet, neen, eene diepe smart drukte
-hem ter neer, hij gevoelde er behoefte aan zijnen broeder te zien:
-in zijn hart hoopte hij nog altijd, dat deze misschien zich van die
-schuld zou kunnen vrijspreken.
-
-Toen zij een paar treden waren afgegaan, zeide de opperloods: "Eéne
-zaak moet gij mij beloven Njaedel, dat gij de hand niet aan hem zult
-slaan, denk er aan dat hij je broeder is."
-
-"Daar kunt gij u op verlaten," antwoordde Njaedel.
-
-Anders was juist bezig zich te scheren.
-
-Hij had het spiegeltje aan het vensterkozijn gehangen, zoodat het
-volle daglicht, dat van de straat door het raam viel, hem bescheen. Met
-eenen kant was hij klaar, maar de andere kant van zijn gezicht was nog
-ingezeept. Toen hij zag, wie binnen kwamen, legde hij het scheermes
-uit de hand, en een krampachtige trek verwrong zijn gezicht; spoedig
-echter herstelde hij zich en de half idiote glimlach, die hem den
-laatsten tijd eigen was geworden, vertoonde zich.
-
-Hij stak zijnen broeder de hand toe. "Zoo ben je eindelijk gekomen
-Njaedel.... daar hebt ge goed aan gedaan."
-
-"Anders.... Anders!" riep Njaedel uit en met gebalde vuisten stond
-hij dreigend voor hem.
-
-"Wat heb je Christine aangedaan?"
-
-Toen hij deze krachtvolle stem hoorde, scheen Anders als uit eene
-verdooving te ontwaken. Van schrik kromp hij ineen en vluchtte in
-den versten hoek van het vertrek. Zijn gezicht was bijna aschgrauw,
-toen hij die dreigende vuisten aanstaarde.
-
-Langzamerhand gelukte het hem met de grootste inspanning zijne zwakke
-hersens tot denken te dwingen. De diepe vouwen, ontstaan door den
-valschen glimlach, die hem zoo lang eigen was geweest, legden zich
-opnieuw om den mond, en hij zeide op klagenden toon:
-
-"Dat je het over je hart hebt kunnen krijgen Njaedel, zóó tegen je
-broer te zijn, die altijd zoo zwak en ziekelijk is geweest. Weet
-gij niet meer, hoe wij voor moeder heideplantjes gingen plukken,
-daar op de hoogte?"
-
-Njaedels armen vielen slap langs zijn lichaam.
-
-Welke herinneringen bracht die zachte, klagende stem hem voor den
-geest, dat geluid uit zijne kinderjaren, die stem van den broeder,
-dien hij zoo had liefgehad!
-
-"En weet je nog, wat moeder altijd zei," ging Anders voort, terwijl hij
-zijn broeder geen oogenblik uit het oog verloor; "moeder zei altijd:
-jij Njaedel bent een groote slungel, zei zij, maar Anders is fijn en
-glad als een aal."
-
-Njaedel knikte toestemmend. Anders had gelijk.
-
-En zijne moeder, en de hut daar ginds in de bergen, en de hoogte met
-de heideplantjes, die in den zonneschijn zulk een' heerlijken geur
-verspreidden, alles stond op eens zoo klaar vóór hem; en te midden
-van dit alles zag hij zijn broertje, bleek, zwak, hulpbehoevend,
-die door hem over gevaarlijke plaatsen gedragen moest worden.
-
-En al, wat tusschen dat verleden en dit tegenwoordige lag, smolt weg
-als sneeuw voor de warme lentezon,--hij werd weer een kind, een groote,
-linksche, goedhartige jongen, zooals hij altijd was geweest, en alle
-toorn was in hem gebluscht, en toen hij wegging zeide hij slechts:
-"Anders..... Anders..... dat had je niet moeten doen!"
-
-Toen zij in de poort waren, zeide Sechus:
-
-"'t Is maar goed, dat gij de hand niet aan hem geslagen hebt, gij
-hadt hem als een suikerkrakeling aan stukken kunnen breken."
-
-Njaedel's krachten waren gebroken, hij leunde tegen eenen muur en
-snikte luid.
-
-De opperloods liet hem zoo lang weenen als hij dacht, dat noodig was;
-daarna trok hij hem zacht bij den arm mee, en Njaedel volgde gedwee
-als een lam. Eindelijk traden zij bij een restaurant binnen. De
-opperloods, die te Petersburg en te Kopenhagen was geweest, vond
-zich hier spoedig te huis. Hij bestelde twee portiën beefsteak en
-eene flesch bier. Juist toen zij aan de gedekte tafel wilden gaan
-plaats nemen, dreunde het huis van de kanonschoten.
-
-"De koning is aangekomen!" riep het meisje, dat bediende [11]. Zij
-was in zeer slechten luim, omdat zij die twee boeren moest bedienen
-in plaats van eventjes den optocht te zien.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-
-Het was buitengewoon heerlijk weer voor zóó vroeg in het voorjaar. De
-namiddagzon schitterde in de ruiten, en wierp over het slotpark een
-lichten sluier, waardoor het slot in al zijne schoonheid tegen den
-prachtig gekleurden voorjaarshemel uitkwam. De dikke kruitdamp van
-de saluutschoten, die te Akershus waren gelost, verspreidde zich,
-de vlaggen wapperden overal feestelijk, en van alle kanten stroomde
-het volk naar de Karel-Johanstraat, die langs de trottoirs reeds vol
-menschen stond.
-
-In de geopende ramen zaten of lagen de dames in de nieuwe
-voorjaarstoiletten, de jonge heeren stonden achter hare stoelen en
-waren geestig, of deden hun best het te zijn. Vóór het perron van
-het station waren de politie-agenten ijverig bezig eene groote plaats
-open te houden; "het gele Corps" stond reeds in al zijne pracht voor
-het stationsgebouw; de groothandelaar Falck-Olsen zat stijf en deftig
-op zijne Isabella, en keek naar het volk.
-
-De trein, waarmee de Koning verwacht werd, kwam eindelijk aan en
-men wachtte op het einde van de ceremoniën, die bij de ontvangst op
-het perron gewoonlijk plaats vinden. Van de kade en uit alle kleine
-straten waren de menschen bij het stationsgebouw saamgestroomd: zeelui,
-sjouwers, vrouwen en werklieden.... een weinig voornaam publiek dus
-om mee te beginnen.
-
-Toen eene stem uit die menigte luidkeels riep: "Leve de
-Koning! Hoera!" werden deze woorden slechts flauw door eenigen
-herhaald. Eene doodsche, onaangename stilte heerschte, terwijl de
-voorname heeren in de gereed staande rijtuigen stapten.
-
-Voorop marcheerde het "gele corps," dan volgden de koninklijke
-equipages; over de markt ging de stoet en door de nauwe passage bij
-Dybwadgaarden. Hier en daar riep een getrouw burger uit al zijne macht
-"Hoera!" maar de al te groote geestdrift van een' enkele scheen de
-menigte te weerhouden de kreten te herhalen; zoo ging het den geheelen
-tijd tot dat de optocht de kazerne van de brandweer voorbij was.
-
-Toen ging het wat beter, en de Zweedsche heeren en het gevolg des
-konings knikten elkander verheugd toe; bij de Akerstraat en bij de
-Egermarkt werd het geroep meer algemeen.
-
-De prachtige oprijlaan, die van het Storthing-gebouw naar het slot
-voert, werd in al hare schoonheid beschenen door de vroolijke
-voorjaarszon. De fraai uitgedoste gele ruiters in vollen draf,
-het groote aantal rijtuigen, de prachtige uniformen, de talrijke
-groepen van netgekleede personen, die een hoerageroep aanhieven--alles
-verhoogde de feestelijke stemming, zoo dat nu werkelijk met geestdrift
-het "leve de Koning!" werd geroepen. Toen de stoet voorbij was,
-zagen allen, die op de Karel-Johanstraat stonden, naar het slot,
-waar zij ruiters èn rijtuigen als een glinsterende slang de hoogte
-zagen beklimmen, terwijl het stof, door de koninklijke equipages in
-beweging gebracht, als eene goudgekleurde wolk omhoog steeg en zich
-over het volk uitbreidde, alsof het dit wilde zegenen.
-
-Het plein voor het Stations-gebouw was spoedig geheel verlaten,
-want de meesten keerden naar hun werk terug. Niet allen evenwel:
-eene menigte vrouwen en jongelieden volgden den stroom naar de stad,
-zij waren eenmaal in eene feestelijke stemming en vonden, dat het
-tot niets diende den arbeid weder te beginnen.
-
-Het was zoo zacht in de lucht, en het weer was zoo mooi, en dan had men
-gehoord, dat er eene illuminatie zou plaats hebben en meer dergelijks!
-
-De koning had in den loop van den winter aan eene keelziekte geleden
-en om zijn herstel te vieren hadden de studenten een' fakkeltocht
-naar het slot geregeld, waar zij zouden zingen:
-
-
- "Hoor ons Svea! moeder van allen!"
-
-
-Om dezelfde reden was er in "Tivoli" ook een "Groot Dankzeggings-Feest"
-met declamatie en vuurwerk. Eene verbazende menschenmassa was des
-avonds op de been inzonderheid in de buurt van "Tivoli;" en het
-"Studenten-boschje." Het rook er naar slechte sigaren, versche aarde
-en het pas ontsproten gras; nu en dan verspreidde zich de geur der
-populieren, welker kleverige knoppen op het punt stonden open te
-breken. Ministers en oud-ministers, militaire en civiele uniformen
-reden naar het slot, waarvan de vensters hel verlicht waren, terwijl
-de vlag op het dak, ten teeken dat de koning in de hoofdstad was,
-scherp tegen den lichtgekleurden hemel afstak.
-
-Maar daar, waar het vaartuig voor de landverhuizers geankerd lag,
-werd hard gewerkt en geschreeuwd; er heerschte zulk eene verwarring,
-dat eenige der emigranten op hunne kisten, die langs den waterkant
-stonden, gingen zitten en hartstochtelijk begonnen te schreien.
-
-Toen Njaedel en de opperloods aan de haven kwamen ontmoetten zij
-hunnen vriend "den agent" maar hij riep, terwijl hij hen voorbij
-stoof slechts: "all right!" hij baadde letterlijk in zijn zweet en
-was zoo heesch, dat hij nauwelijks geluid kon geven.
-
-Een paar sjouwers stonden vlak bij de loopplank van het vaartuig,
-en toen Njaedel, achter den opperloods over de plank liep, zei de
-een tot den ander: "Het is schande, dat die Amerikanen hier zulke
-reusachtige kerels vandaan mogen halen."
-
-Njaedel hoorde deze woorden en reikte den spreker de hand toe.
-
-Maar de sjouwer, die wat wantrouwend van karakter was, vreesde dat
-Njaedel niet veel goeds met hem in den zin had, en stak de hand naar
-de krachtige vuist, die hem gereikt werd, niet uit; toen echter zijn
-blik dien van Njaedel ontmoette, kreeg hij dadelijk vertrouwen in
-hem, schudde hem de hand en zei op half beschaamden toon: "Ja, ja,
-je weet zelf wel het best, waarom je zoo ver weggaat. Vaarwel en eene
-voorspoedige reis!"
-
-Aan boord was het leven en de verwarring nog grooter. De opperloods
-zette zich met de kalmte van eenen philosoof op zijne kist voor zijne
-kooi en liet de anderen schreeuwen, zooveel zij maar wilden. Njaedel
-daarentegen kon niet rustig blijven zitten, toen hij al die zware
-tonnen en balen aan boord zag brengen. Af en toe trad hij dichter
-bij en hielp met de kracht van een "beer" een handje mee; toen de
-matrozen hem verwonderd aanzagen, knikte hij hen toe en een glimlach
-verhelderde zijn gelaat.
-
-Ten laatste nam hij voor vast plaats bij het luik van het ruim en
-daar de sjouwers juist met een heel zwaar stuk kwamen aanslepen,
-riep de bemanning: "Laat de "beer" een handje helpen!"
-
-Die woorden deden Njaedel goed: zij gaven hem het verloren
-zelfvertrouwen terug en verdreven zijne sombere gedachten. Hij
-voelde weer grooten lust met een recht zwaar werk te beginnen. Maar
-laat op den avond, toen het werk gestaakt was, en de lieden afscheid
-van elkander begonnen te nemen, werd hij "week als boter," zooals de
-opperloods zeide. Hij had niemand vaarwel te zeggen, en daarom voelde
-hij zich gedrongen allen de hand te drukken, die hem voorbij en naar
-wal gingen.
-
-De opperloods bemerkte spoedig, dat hij en Njaedel tot de armste
-passagiers behoorden. De meeste andere landverhuizers waren welgezeten
-boeren, die jaren lang gewerkt hadden met het doel naar Amerika te
-gaan, wanneer zij geld genoeg hadden overgespaard. Anderen hadden
-reisgeld gekregen van hunne familie aan gene zijde des oceaans, die
-hun tevens het noodige geld voor de uitrusting had verschaft. Bij
-alles wat zij deden, zag men, dat zij alles met bedaardheid hadden
-overlegd. Groepsgewijze zaten zij op het tusschendek en haalden hunne
-provisie, die zij voor den overtocht hadden meêgenomen, voor den dag,
-terwijl zij de medepassagiers er van meedeelden. Zij hadden een open
-oog voor alles, wat rondom hen voorviel; spraken op half luiden toon
-tot elkaar, maakten gewillig plaats, wanneer zij in den weg zaten en
-schenen aan niets anders te denken, dan goed en wel over te komen,
-en de kinderen het best te beschermen.
-
-Op het achterdek, (eerste kajuit), ging het levendiger toe. De
-passagiers waren meest jonge menschen, die aan boord kwamen, gevolgd
-van eene schaar vrienden, die ter eere van de vertrekkenden zongen
-en leven maakten. Een welgekleed jong man werd zelfs stom dronken
-aan boord gedragen en dadelijk naar de kooi gebracht.
-
-Er waren onder hen eenige handelsreizigers, een bankroetier en een
-misnoegd ingenieur, "die het ondankbare vaderland den rug toekeerde,"
-zooals een zijner vrienden, met het afscheidsglas in de hand, in het
-salon zeide--dadelijk nadat men aan boord was gekomen, had men een
-afscheidsfeestje gearrangeerd.
-
-Verder was er nog een verloopen student, die door de familie
-weggezonden werd, en nog twee of drie andere half verloopen individuen
-in nieuwe pakken, "die het dankbare vaderland wegzond," zooals de
-student zich uitdrukte.
-
-Tegen elf uur kwam dokter Bennecken met zijne zuster aan
-boord. Zij waren alleen. De minister was op het slot, Alfred had
-zich verontschuldigd en mevrouw lag ziek te bed. Toen zij begreep,
-dat het met de reis ernst was, voelde zij toch iets, dat naar berouw
-zweemde, want zij omhelsde Hilda heel lang en prevelde binnensmonds,
-dat zij--Hilda--hare moeder moest vergeven, wanneer deze soms wat
-onrechtvaardig tegen haar was geweest.
-
-De twee "mislukten" verlieten het ouderlijke huis treurig gestemd
-en Hilda leed aan zulk een hevige hoofdpijn, dat zij dadelijk naar
-de dameskajuit ging, die haar geheel alleen gedurende den overtocht
-ten dienste stond. Het rumoer in het salon werd minder naarmate het
-gezelschap in meer sentimenteelen toestand kwam. De dokter ging op
-het dek, en wandelde heen en weer.
-
-Het was stil, helder weder, maar in het Zuidwesten vertoonden zich
-donkere wolken, en spoedig zou het beginnen te regenen. Geen geluid
-hoorde hij dan het geraas, dat in de machinekamer door het kolen
-inscheppen veroorzaakt werd, en het geluid van zijne voetstappen.
-
-Van tijd tot tijd voerde de wind het geknal van het vuurwerk naar het
-vaartuig, dat op het "Dankzeggingsfeest" werd afgestoken, of drongen
-eenige tonen van eene fanfare tot zijn oor door.
-
-Raketten en het licht van bengaalsch vuur zag men over de daken der
-huizen, en vóór dit geheel was uitgedoofd, wierp het nog een oogenblik
-een lichtglans langs den hemel.
-
-Johan Bennecken ging geruimen tijd op het halfdek heen en weer en
-tuurde naar de stad, die hij zoo goed kende; naar de stad waarin
-hij zijn leven had gesleten. De kleine ruimte, die zich tusschen het
-vaartuig en de kade bevond, scheen hem een gapende afgrond te zijn,
-waarin hij al zijne zorgen, al zijne teleurstellingen achterliet. En
-toch was hij moedeloos. Duizenden herinneringen hadden hare kleine
-scherpe klauwen in zijn gemoed gedrukt, en het deed pijn ze weg te
-rukken.--Hij verwachtte niet veel van het leven aan de andere zijde
-des Oceaans.
-
-De trouwe vrienden beneden in het salon moesten eindelijk van boord
-gaan, en zij plaatsten zich op de kade om een afscheidslied te
-zingen. Doch dit plan kon niet tot uitvoering komen: zij waren al
-te geroerd, en wandelden rustig naar stad. En stil werd het op het
-vaartuig, en stil werd het in de stad, terwijl de machine als een
-uit zijnen slaap gewekten reus zware zuchten slaakte.
-
-Johan Bennecken zag op zijn horloge: het was half één. De regenwolken
-zagen er dreigender en dreigender uit. Hij keek nog eenmaal om
-zich heen als wilde hij, vóór hij naar beneden ging, het leven,
-dat achter hem lag, beschouwen in het schoone vreedzame beeld van
-den voorjaarsnacht.
-
-Daar hoorde hij een rijtuig langs de kade rollen; het reed de
-gaslantaarns voorbij en hield stil bij de Engelsche stoomboot. Een
-heer met eenen steek op en in eenen mantel gehuld kwam er uit en
-sprak een paar woorden met den koetsier.
-
-Een oogenblik later hoorde Johan eene stem, die hij meende te kennen,
-den Steward vragen waar Dokter Bennecken was.
-
-"Hier.... wil iemand mij spreken," riep Johan van het halfdek.
-
-De onbekende liep de trap op en de dokter herkende de kamerheer
-George Delphin.
-
-"Goeden avond, dokter. Gij denkt zeker, dat ik te veel gedronken
-heb, wat ook eigenlijk het geval is. Ik ben in ongenade gevallen,
-en heb door een goed glas wijn mijne smart verdoofd. Is uwe zuster
-ook aan boord?"
-
-"Ja, zij slaapt al, hoop ik."
-
-"Kom, laat ons liever binnengaan," zeide Delphin en hij opende de
-deur van de rookkamer. "Hier kunnen wij een afscheidsglas met elkaar
-drinken. Gij hebt toch geenen slaap Dokter?"
-
-"Neen, in het geheel niet," antwoordde Johan en hij draaide de lamp
-wat op, "wilt gij eene sigaar rooken?"
-
-"Ja, maar gaarne had ik wat te drinken."
-
-De kamerheer deed zijn mantel af, en wierp zich in zijne met goud
-geborduurde en met allerlei ordeteekenen bezaaide uniform op de
-sofa. Johan Bennecken ging naar beneden om een flesch wijn te halen,
-maar het eenige, wat de Steward zoo laat in den nacht kon vinden,
-was whiskey en water.
-
-De kamerheer verzekerde hem, dat dit zijne lievelingsdrank was, wat
-werkelijk het geval scheen te zijn. Nadat hij een glas geledigd had,
-zeide hij: "uwe zuster is dus aan boord?"
-
-"Ja, ik hoop dat zij sedert lang slaapt," antwoordde Johan eenigszins
-verbaasd.
-
-"Dat gij de stad kunt verlaten... dokter, in zulk een interessanten
-tijd als wij beleven! Hoor wat er is voorgevallen. Ten eerste:
-de kamerheer George Delphin in ongenade gevallen, ten tweede: de
-groothandelaar Falck-Olsen, wegens een Isabella-paard met een orde
-gedecoreerd; ten derde: de assistent-commiezen Hiorth en Bennecken
-tot kamerjonkers bevorderd--en de eerste daarbij verloofd...."
-
-"Een beetje minder snel, s.v.p. Wie is verloofd, zegt gij?"
-
-"Hiorth.... want toen zijn vader tot minister werd benoemd, nam zij
-hem; ja, gij begrijpt wel, wie ik bedoel, zij..... de Isabella van
-Falck-Olsen, Sophie heet zij, geloof ik. De andere..... die met dat
-bolbleeke gezicht heeft haar engagement verbroken."
-
-"Maar kamerheer, is het mogelijk," riep de dokter "alles draait mij
-voor de oogen."
-
-"Ja mij ook. Al het nieuws, dat ik opgedaan heb, komt uit den koker
-van Mortensen, die niettegenstaande zijne lucifers, aan het hof
-is voorgesteld geworden. O, wat benijd ik u, dokter, dat gij dien
-geheelen rommel verlaat."
-
-Op zijn gelaat lag plotseling zulk een slappe, oudachtige trek,
-dat Johan oprecht medelijden met hem voelde. "Gij moest maar met ons
-meegaan kamerheer."
-
-"Ik ben immers in uniform."
-
-Toen Johan op dit gezegde glimlachte, zeide hij.
-
-"O, gij vondt dit zeker eene flauwe geestigheid. Neen beste vriend,
-'t was bittere ernst. Ziet gij, de met uniform bekleeden blijven
-in dit land achter en nemen in aantal toe.... de in uniform
-gedosten en de in lompen gehulden. De laatste rat, die het schip
-zal verlaten, is zeker een directeur van een armenkamer. Dit is een
-post der toekomst: "Koninklijk Noorsch opperstaatsarmendirecteur,"
-met den rang en de uniform van een krijgscommissaris. Ik zou zelf
-naar dien post gesolliciteerd hebben, zoo ik niet in ongenade was
-gevallen. Buitendien," ging hij voort, en maakte een nieuw glas
-gereed, "zoo ik het al zonder de stad kan redden, zoo kan de stad
-het waarachtig niet zonder mij doen. Hoe zou het met de stakkers van
-menschen gaan, die nu in die caricatuur van eene hoofdstad slapen,
-als zij morgen wakker werden en de kamerheer misten. Want--ziet
-gij, beste emigrant, wat ons eigenlijk pijnigt, dat is de twijfel,
-de vrees, die wij koesteren, dat alles hier niet geheel, comme
-il faut is.... niet volkomen zoo als alles op het vaste land,
-en--dat kan men ook werkelijk niet van Mortensen met zijne lucifers
-beweren. Maar dan heeft men gelukkig nog den kamerheer Delphin en
-een paar anderen..... die de wereld hebben gezien, of ten minste
-doen of zulks het geval is, en over alles kunnen praten; die alle
-namen en bijnamen weten; die de kunst verstaan iedere ernstige zaak
-door eene wending van de hand tot eene grappige te maken; die de
-ingewikkelste zaken in zakformaat weten te brengen; die de questions
-brûlantes van den dag samen vatten in vijf of zes bons mots, die ze
-zich elk oogenblik herinneren en dadelijk bij de hand hebben; en die
-ten laatste te midden van de meest onzinnige bureau-praatjes volkomen
-op de hoogte zijn der dames-toiletten en met den grootsten ernst daar
-over redeneeren. Ziet gij, dit zijn de onontbeerlijke personen voor de
-hoofdstad! Ach!" riep hij plotseling uit en zijn hoofd viel op tafel:
-"ik ben dit leven zoo moe, ik ben zoo moe van alles!"
-
-Eensklaps lag er zoo iets ernstigs over den eleganten cavalier,
-die met het hoofd tegen den arm geleund vóór hem zat, dat Johan
-Bennecken begreep, dat deze woorden niet alleen aan den roes,
-waarin hij verkeerde, toe te schrijven waren. Hij legde de hand op
-zijnen schouder, en zei met oprechte deelneming: "luister naar mij
-Delphin! Gij zijt niet gelukkig, evenmin als ik.... hier zijn gewis
-niet vele gelukkige menschen aan boord. Maar kom,.... ga met ons mee,
-hier moogt ge niet blijven."
-
-De kamerheer beurde het hoofd op, zijn gelaat zag er weêr uit als in
-vroegere dagen, de ironische glimlach zetelde er weêr:
-
-"Gij doet mij levendig aan uwen vader denken.... diezelfde
-woorden zeide hij een paar uren geleden, tot mij: "Het is werkelijk
-noodzakelijk voor u, hier van daan te gaan," zei hij, en ik wil ook
-zijnen raad volgen, ik wil solliciteeren naar de betrekking van chef
-van de politie te Aalsund."
-
-Johan Bennecken ging teleurgesteld een paar schreden achteruit:
-deze woorden krenkten hem.
-
-De kamerheer trok zijne overjas aan om weg te gaan, maar talmde
-voortdurend; het scheen alsof hij nog iets zeggen wilde, maar niet
-wist, hoe zich uit te drukken; de dokter vond zijn gedrag al vreemder
-en vreemder. Eindelijk draaide hij zich op de loopplank even om,
-en drukte innig de hand van den dokter, terwijl hij mompelde: "Groet
-uwe zuster van mij, en zeg haar van mij.... zeg haar van mij...." de
-laatste woorden waren onverstaanbaar, zij losten zich op in een geluid,
-dat veel van snikken had. Toen ging hij spoedig naar wal en stapte
-in het rijtuig, dat op hem wachtte.
-
-De koetsier, die op den bok had zitten dutten, nam schielijk het dek
-van de paarden af. De hemel was geheel bewolkt; een uur lang had het
-reeds geregend.
-
-De dokter tuurde naar het rijtuig en naar de lange schaduw, die
-de pooten der paarden in de plassen op de straat maakten, wanneer
-zij voorbij eene gaslantaarn kwamen. Dit was het laatste, wat hij
-van de stad zag, toen hij zich naar kooi begaf. Vroeg in den morgen
-lichtte het Engelsche vaartuig het anker. Het was reeds zes uur, vóór
-alles gereed was en de machine begon te werken. Juist toen het schip
-in de nabijheid van het grootste eiland van de Fjord was gekomen,
-steeg er van den kant der vesting eene rookwolk op, en hoorde men
-kanonschoten dreunen. Op het achtergedeelte van het schip vroeg
-iedereen nieuwsgierig waar die saluutschoten toch voor dienden.
-
-Johan Bennecken was zoo moede, dat hij er bijna niets van hoorde;
-ook op het voordek bekommerde men er zich weinig over; men had daar
-het gevoel, alsof men met het vaderland en zijne saluutschoten had
-afgerekend.
-
-En terwijl de een en twintig schoten plechtig over de stad dreunden,
-dreef het vaartuig met de landverhuizers uit de Fjord, en de dikke
-gele rook verborg de vesting aan aller oog, en verbreidde zich over
-de daken der huizen in het grauwe regenachtige morgenuur.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-
-De een en twintig kanonschoten verkondigden de bevolking dat de koning
-naar Stockholm was teruggekeerd. Dit was genoeg voor de oppositie en
-gretig maakte zij van de gelegenheid gebruik om in hare bladen met de
-gewone onbeschaamdheid de regeering aan te vallen. De geheele pers kwam
-in gisting; al de oude strijdvragen werden opgedolven, iedere partij
-rukte met hare scheldwoorden aan, die, tot groot genot der abonnés,
-als pluimballen heen en weer gekaatst door de lucht vlogen.
-
-Niet bewogen door politieke stormen ging de ridder Falck-Olsen den
-volgenden Zondag voor zijnen grooten spiegel op en neer. Mevrouw
-zette het een en ander te recht, en met trotsch keek zij naar het
-kleine ordelint.
-
-"Hoor vrouwlief.... wij moeten op reis."
-
-"Op reis? Waarom? Ben je nog niet tevreden? Nu is uwen lang
-gekoesterden wensch vervuld."
-
-"Och wat!--Één ordeteeken is maar eene eerste schrede."
-
-"Wel, goede hemel," riep mevrouw min of meer uit haar humeur, "gij
-meent nu wel op eens eene gewichtige persoonlijkheid te zijn geworden,
-Ole Johan? Wanneer een ordeteeken slechts de eerste schrede is,
-zoo wilde ik wel eens weten waaruit de tweede bestaat."
-
-"Nog een ordeteeken," antwoordde haar man en hij verliet het salon. Men
-had hem namelijk wijs gemaakt, dat de Duitsche vorsten, wanneer zij
-aan eene badplaats vertoeven, altijd ordeteekenen mede nemen, en dat
-het zeer gemakkelijk gaat, er een te krijgen.... inzonderheid wanneer
-reeds een lintje op de borst prijkt.
-
-De familie Falck-Olsen reisde dus naar Ems en een paar weken later
-ontving Caroline Hjelm een' brief van Louise, waarin o. a. stond:
-"Je kunt niet half gelooven, hoe heerlijk het voor mij is, des morgens
-wakker te worden en niet meer aan Hans te moeten denken.
-
-"Dat ik zoo dom kon zijn! Wij pasten volstrekt niet bij
-elkander. Gisteren reden wij op ezels en een Engelschman, die ook van
-de partij was (Papa zegt dat hij een Lord is), is er zoo stijf van,
-dat hij nauwelijks kan zitten als andere menschen, maar een gedeelte
-van zijne ruggegraat moet gebruiken."
-
-Caroline was onvoorzichtig genoeg deze regels aan hare moeder voor
-te lezen, en den volgenden dag zeide Mevrouw Hjelm tot neef Hans:
-"Je hebt Louise Falck-Olsen juist beoordeeld. Het buitenland heeft
-haar reeds in den grond bedorven."
-
-Neef Hans zuchtte.
-
-Anders de almachtige was werkelijk zwak van geest geworden.
-
-Een paar dagen later veroorzaakte hij in het Departement een groot
-schandaal, door dingen te vertellen, die niet verteld mochten
-worden. De minister zag zich genoodzaakt krachtige maatregelen te
-nemen en door bemiddeling van den Redacteur Mortensen gelukte het den
-ouden trouwen dienaar bij zekere Madam Gluncke, die naaimeisjes hield,
-onder dak te brengen.
-
-Hier gevoelde hij zich zeer gelukkig. Toen men onderzocht, hoe het
-met zijne geldzaken stond, kwam men tot de ontdekking, dat hij,
-inzonderheid in de laatste jaren, groote sommen ja, onbegrijpelijke
-groote sommen in de spaarbank had geplaatst. Nadat hij eenigen tijd
-met de levenslustige meisjes in de naaischool van "Malle Bimbam" had
-verkeerd, scheen hij weldra het Departement en wat daartoe behoorde,
-vergeten te hebben.
-
-Daarentegen werd hij een trouw bezoeker van de kerk... en plaatste
-zich altijd aan den kant, waar de vrouwen zaten. Voor menige jonge
-dame was het een stichtend genot den eerwaardigen grijsaard in haar
-psalmboek den text van het gezang te laten volgen; men werd er bijna
-van geroerd naar het bleeke gezicht en het sneeuw witte haar, dat in
-lokjes op den jaskraag viel, te kijken.
-
-Intusschen werd de pluimbal door de pers met eene woede, die bijna
-aan razernij grensde, heen en weer geworpen en inzonderheid was de
-oppositie zeer ijverig.
-
-Eerst begreep men niet, wat de ambtman Hiorth eigenlijk in het
-Ministerie moest doen, een man, dien niemand kende. Zoo ook werden
-er toespelingen gemaakt op een vreeselijk schandaal, dat in het
-Departement van den minister Bennecken moest hebben plaats gehad;
-documenten moesten verdwenen zijn, geheime verbergplaatsen aan het
-licht zijn gekomen, waarin de gewichtigste staatsstukken gestopt
-werden, en eene menigte ontdekkingen van de bedenkelijkste soort
-zijn gedaan.
-
-De mondelinge geruchten, die in omloop kwamen, waren van erger soort;
-er werd gefluisterd, dat de minister in zeer nauwe betrekking had
-gestaan tot een zeer slecht ter naam en faam staande vrouw, eene
-zekere madam Gluncke; buitendien wist de geheele stad, dat twee der
-kinderen van de familie, na eene hevige familie-scène, hals over kop
-naar Amerika waren vertrokken.
-
-Maar waar toch Anders, de almachtige gebleven was, met dit vraagstuk
-hield men zich het meest bezig.
-
-De minister droeg zijn hoofd nog een weinig hooger dan gewoonlijk, en
-dezelfde genadige glimlach plooide zich om zijnen mond, wanneer hij
-op straat de voorbijgangers groette. Niettegenstaande het volkomen
-kalme uitzicht van den minister allen in het Departement zou hebben
-moeten tevreden stellen, steeg de ongerustheid meer en meer.
-
-Iederen morgen zag men met verlangen uit naar den "Waren Vriend des
-Volks," maar deze bewaarde het stilzwijgen; geen heftig hoofdartikel,
-dat den mond der schreeuwers kon stoppen en de gemoederen tot bedaren
-kon brengen, verscheen.
-
-"Maar nu wordt het toch waarachtig tijd, dat Mortensen de zaak
-aangrijpt;" riep de commies Orseth uit en zijne vuist viel hard op
-de tafel.
-
-"Ja voor den d..... dat moet hij;" herhaalde de kamerjonker Hiorth,
-die, nu hij zoo hoog was gestegen, zich verbeeldde ook wat te zeggen
-te hebben. En het geheele Departement was het eens, dat Mortensen
-nu wat doen moest. Allen verkeerden in eene gespannen en heftige
-stemming, toen de Redacteur binnenkwam en het nog vochtige nieuwsblad
-op tafel wierp.
-
-Hiorth greep de courant en las: "Geruchten-uitstrooiers en
-Intriganten."
-
-"Eindelijk!" eene doodsche stilte ontstond, toen hij begon te lezen.
-
-Eerst werd de aandacht van de lezers gevestigd, op het gebrek aan
-wapenen der oppositie, nu zij zich liet verleiden, in politieke
-quaestiën, geruchten en oudewijvenpraat te mengen. Daarna werd onder
-de aandacht gebracht, dat de voor het oogenblik bestaande politieke
-toestand ieder welgezind en verlicht burger tot tevredenheid moest
-stemmen.
-
-"Dat intusschen," las Hiorth verder, maar de Redacteur trok hem de
-courant uit de hand: "laat mij lezen!".... "dat intusschen eene zoo
-alledaagsche zaak, als het ontslag van eenen bejaarden conciërge aan
-het Departement tot zulke artikelen vol schandalen aanleiding kan
-geven, is, op zich zelf genomen, een teeken des tijds, dat waard
-is ad notam te nemen. Want achter dit.... achter deze gehuichelde
-belangstelling voor de minste bijzonderheden van het Staatsbestuur
-ligt heel iets anders, iets dat iederen dag meer en meer veld bij
-ons wint, iets dat wij van den aanvang, van den wortel af, ernstig
-moeten trachten uit te roeien, indien wij willen verhinderen, dat er
-schadelijke vruchten aan rijpen voor onze maatschappij. Het is de
-ingewortelde haat, die alle lage karakters, alle slechts ten halve
-ontwikkelden tegen alle autoriteiten, tegen allen, die geestelijk boven
-hen staan, voeden; een haat die zich openbaart tegen de van God over
-ons gestelde Overheid, en die, terwijl hij aan het schandelijkste
-ongeloof de hand reikt, tot in de heiligste schuilhoeken van het
-familieleven doordringt, met het verhevenste den spot drijft, en
-dreigt onze maatschappij geheel ten onder te brengen, ons tot de
-wildste anarchie te voeren. Zekerlijk zijn er velen onder ons, die
-zich geruststellen met de gedachte, dat de Noorsche ambtenaarsstand
-zich aan dergelijke uitvallen niet zal storen--en met recht. Maar toch
-beschouwen wij het als onzen plicht den vinger op deze wondeplek te
-leggen, want hier begint een gevaar, waardoor de geheele maatschappij
-wordt bedreigd. Eene grens moet er gesteld worden aan de al meer en
-meer toenemende onbeschaamdheid, die in woorden en geschrift zich het
-recht aanmatigt te oordeelen over hetgeen, naar de verordeningen Gods
-en der menschen, boven hun oordeel verheven is; en zoo dit niet door
-gemeenschappelijke krachtsinspanning van alle burgers geschiedt, zoo
-zullen wij spoedig van het ergerniswekkende schouwspel getuige zijn,
-dat eene oproerig gestemde menigte openlijk de wetten trotseert en
-met de handhavers der wet den spot drijft. Laat ons daarom waakzaam
-zijn en acht geven op de teekenen des tijds.
-
-Niet dat wij eenige vrees koesteren, neen Goddank! Zoowel in onzen
-verhevenen monarch, als in de vereeniging met ons broedervolk
-en werkelijk niet het minst van allen in den sterken kring van
-intelligente, begaafde staatslieden en ambtenaars, die zoolang onze
-maatschappij met hunne krachten bijgestaan hebben en die aan de dagen
-van voorheen getrouw zullen blijven--in alle dezen hebben wij te
-goede waarborgen, dan dat er reden zou kunnen bestaan eenige vrees
-te koesteren. Maar--wij herhalen het--laat ons waakzaam zijn en op
-de teekenen des tijds acht geven. Booze, het licht schuwende machten
-staan in onze maatschappij op den loer; laat het volle daglicht maar
-eens op hen vallen en als booze geesten zullen zij terugvliegen naar
-de duisternis, die hen geboren deed worden."
-
-Een groot gejubel ontstond er onder de hoorders, toen Mortensen had
-geëindigd. Orseth wreef zich vergenoegd de handen en riep: "Kijk,
-dat is ferm--heel ferm gezegd. Hebt gij er naar geluisterd Hansen,
-dat was ook wat voor u!"
-
-De oude Hansen boog zich wat verder over den hoop papieren, die voor
-hem lag.
-
-Al de anderen voelden zich als van eenen zwaren last ontheven. Het
-schandaal was tot eene kleinigheid teruggebracht en den schreeuwers
-was een goed pak toegediend.
-
-Mortensen zag den kring, die zich om hem heen had gevormd, rond
-en zeide: "Ja.... nu ziet gij eens, kereltjes, wat gij zonder mij
-waart! Bestaat er iets zoo zegenrijk voor een land als eene verlichte,
-waarheidlievende en rechtvaardig gezinde pers?"
-
-Toen Mortensen deze woorden zeide, had de dubbelzinnige glimlach,
-die hem meestal eigen was, om zijne lippen gespeeld; men was er
-nooit van verzekerd, of hij oprecht meende, wat hij zeide, dan of
-het satirisch bedoeld was.
-
-Maar thans lachte niemand, want op dit oogenblik gevoelden allen,
-dat Mortensen gelijk had.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Een overheidspersoon in eene kleine gemeente. (Vert.)
-
-[2] De ambtman van het district woont altijd de zittingen bij, welke
-de rechtbank van tijd tot tijd op het land houdt. (Vert.)
-
-[3] Komlene beteekent in het Noorsch een hoop steenen, die de plaats
-aanduiden waar de asch van een Noorsch zeekoning of held in eene urn
-begraven is. Deze urnen werden altijd zeer dicht naast elkaar in de
-aarde begraven, vooral geschiedde dit, wanneer de overledenen tot ééne
-familie behoorden, of ook wanneer de begraafplaats in den smaak viel.
-
-Njàa is zulk eene oude begraafplaats, waar de asch van eene talrijke
-familie is begraven. De steenhoopen zien er zeer klein en onaanzienlijk
-uit, wijl de leden dezer familie maar tot het volk behoorden,
-die er zich niet aan gelegen lieten liggen groote steenhoopen op
-te richten voor hunne dooden. Iets ironisch ligt er in de woorden:
-"Vele en kleine als de Komlene te Njàa."
-
-Het is hier Kiellands bedoeling de onwetendheid van de geleerden een
-weinig te geeselen, en daarom laat hij den rechter vragen, wat het
-beteekent en den advocaat antwoorden, dat het een soort pannekoeken
-van aardappelenmeel is. (Vert.)
-
-[4] In het Noorden oefenen zich de gepromoveerden in de praktijk,
-als assistenten bij rechters of advocaten.
-
-[5] In Noorwegen heeft een minister den titel van staatsraad. (Vert.)
-
-[6] Dezen naam geeft men in het Noorden aan getrouwde dames, die niet
-op den titel van Mevrouw aanspraak kunnen maken. (Vert.)
-
-[7] In Scandinavië is het nog zeer de gewoonte in den derden persoon,
-in plaats van den tweeden iemand aan te spreken, en wordt het laatste
-als te familiaar aangezien. In de laatste jaren is men echter begonnen
-ni (gij) te zeggen, doch de ouderen van dagen, in de steden minder,
-zijn er echter nog op tegen.
-
-[8] Op groote partijen is het in Scandinavië, de gewoonte dat men
-niet aan de tafel gaat zitten; ieder gaat naar de tafel toe, bedient
-zich van wat hij verkiest en maakt dan plaats voor anderen. (Vert.)
-
-[9] Het komt mogelijk vreemd voor, dat een minister in den zomer zoo
-weinig overeenkomstig zijnen stand zou wonen, doch in het Noorden
-behelpen ook voorname familiën zich gedurende dit jaargetijde, want
-men is zelden binnen's huis. (Vert.)
-
-[10] Zweden.
-
-[11] In Scandinavië heeft men in vele restaurants geene kellners,
-maar jonge meisjes bedienen de gasten: vooral is zulks het geval in
-kleinere hotels. (Vert.)
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Arbeiders, by Alexander L. Kielland
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ARBEIDERS ***
-
-***** This file should be named 55834-8.txt or 55834-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/5/8/3/55834/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg from scans made available by the Norwegian
-National Library.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.