diff options
Diffstat (limited to '56977-0.txt')
| -rw-r--r-- | 56977-0.txt | 19430 |
1 files changed, 19430 insertions, 0 deletions
diff --git a/56977-0.txt b/56977-0.txt new file mode 100644 index 0000000..acdf0f4 --- /dev/null +++ b/56977-0.txt @@ -0,0 +1,19430 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 56977 *** + + + + + + + + + + + + + OUDEWATER EN OMTREK, + + GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH + EN + GESCHIEDKUNDIG GESCHETST + + + DOOR + W. C. VAN ZIJLL, JZ. + + + OUDEWATER, + W. C. VAN ZIJLL, Jz. + 1861. + + + + + + + + + "De mensch is de weerkaatsing van het aardsche leven, + dat in hem is, hij ziet de natuur aan en tracht haar + te verstaan." + + Dr. Gneis, uitlegging van Siegmund en Rohdes + geologische voorstellingen. + + + "De mythen worden bij ieder menschenras, in zijne vroegste + tijdperken gevonden, en bevatten al wat de ouden wisten en + geloofden. Zij bevatten dus niet alleen geschiedkundigen + berigten, maar alles wat hun in een zoo vroeg tijdperk + gewigtig schijnt en waarvan het de kennis wil bewaren en + voortplanten.... De grondslag dus van de geschiedenis der + menschheid, ligt in de mythologie." + + P. H. Tydeman. Mythologie. + + + "De geschiedenis, is voor ieder een gemeenschappelijk + goed een geestelijke erfschat, die ieder menschen geslacht + bij zijne aftrede van het groote tooneel des levens nalaat + aan het nieuwe, dat zijne plaats vervangt. Men mag dat + schoon erfgoed niet onaangeroerd laten, maar het uitzetten + op winst, zijne waarde trachten te verhoogen en het + uitbreiden voor ieder, opdat de geschiedenis voor ons + nageslacht in een nog ruimeren zin worde, wat zij ons + bereids was; de spiegel van het leven des menschen in het + verledene, de leerschool voor vorsten en volken in het + tegenwoordige en de toekomst." + + August Thierry, Récits des Temps Mérovingiens. + + + + + + + +VOORBERIGT. + + +Het aanvaarden van den arbeid, dien wij hierachter de eer hebben, onzen +geachten minnaars van plaatsbeschrijvingen aan te bieden, ontsproot uit +verschillende redenen. De voornaamste was echter eene groote voorliefde +voor het onderzoek en de studie van de geschiedenis des Vaderlands. + +Het trof mij bij dat onderzoek den naam van mijne geboortestad +Oudewater bijna niet in de historiebladen genoemd te zien; uitgenomen +door de bloedige feiten des jaars 1575, vonden wij den naam van +Oudewater daarin bijna niet en toch speelde het stedeke in de +geschiedenis des vaderlands eene voorname rol. Wàt wij echter vonden +aangeteekend, werd gretig verzameld, geschift, en voor zoo ver wij +konden, tot een vloeijend en beredeneerd geheel gebragt. + +De regtvaardigheid vordert van ons de verklaring, dat wij bij het +verzamelen van de bouwstoffen, wat het geschiedkundige gedeelte +aangaat, van de beschrijving van Oudewater door den gewezenen balluw +dezer stede, den Heer G. R. van Kinschot, een ijverig gebruik hebben +gemaakt, en ofschoon dit ten jare 1745 verschenen werk het minste +op volledigheid mag aanspraak maken, zoo heeft hij door dien arbeid +toch de eer, het eerste de spade in den onbewerktuigden akker te +hebben gezet. + +De namen der andere bronnen waaruit wij bij het vervaardigen +van dit werk hebben geput, zijn naauwgezet in de noten aangeduid, +echter rekenen wij het ons nog ten pligt, openlijk te berigten, dat +het archief van Oudewater met zijnen inventaris ons goede diensten +bewezen heeft, doordien de Edel Achtb. heer R. W. Haentjens Dekker, +Burgemeester dezer stad, ons met de meeste bereidwilligheid het +gebruik van een en ander vergunde; ook van de Heeren Prof. P. Harting +en Dr. van Geuns, beiden te Utrecht, A. M. Montijn, Oud Burgemeester +en Johannes Putman, te Oudewater, benevens J. van der Lee Az. te +Monnikkendam gewerden ons mededeelingen. + +Wat de titel aanbelangt, die wij aan het werk schonken, zij dit +opgemerkt. Iedere vaderlandsche geschiedenis wordt begonnen met eene +korte schets van de vroegere gesteldheid des bodems, wij volgden dit +voorbeeld voor onze plaatsbeschrijving; maar werkten het opstel een +weinig uit en aldus werd dit de geologische schets van dit oord. + +Daarna werd de bodem ter bewoning geschikt en men bewoonde hem +spoedig. Het waren echter heidenen die zich op denzelven hadden +nedergezet, wij schetsten hunne godsdienstige vereeringen, verwezen +op de sporen die daarvan zijn, of schijnen overgebleven te zijn, +en dit is de mythologische schets. + +En aldus naderden wij tot het 3e deel van dit werk de schets der +beschreven geschiedenis. + +De overgang van de eene schets tot de andere ging dus zeer +geleidelijk. Wat het geschiedkundig gedeelte aangaat, dit was bij de +menigvoudige oneenigheden, die hier dikwerf op verschillend gebied +zijn voorgevallen, geen aangename taak; wij plaatsten ons echter +op een onzijdig standpunt en hopen niemand in zijne begrippen te +hebben gekwetst. + +Nog iets. Buiten ons toedoen, door verschillende omstandigheden, +is het verschijnen van het laatste gedeelte van dit werk eenigzins +vertraagd, zoodat wij van pag. 531 tot 536 onze mededeelingen tot in +het jaar 1861 hebben gedaan, die wij op pag. 368 ons voorgenomen hadden +tot in 1860 te doen; maar nu het verschijnen toch die vertraging had +ondergaan, konden wij het niet van ons verkrijgen, mededeelingen, +als de spoedige voltooijing van de canalisatie van den Hollandschen +IJssel enz. niet te vermelden. + +Wat wij dus ten jare 1858 (het begin van het verschijnen van dit werk) +in onze geologische schets van pag. 25 tot 30 over dit onderwerp +schreven, is nu in 1861 bijna geheel voltooid. + +De titelplaat, geteekend en op steen gebragt door onzen stadgenoot, +den Heer E. C. Rahms, stelt voor een gezigt op de groote kerk en den +toren in 1860, de in het jaar 1861 geamoveerde IJsselbrug en den +IJssel voor zijne canalisatie; voorts het wapen der stad, omringd +door allegorische voorstellingen, die geene opheldering behoeven. + +En nu mijn lezer! zij u dit werk aangeboden met den wensch, dat +de fouten die er zijn ingeslopen, door u goedgunstig mogen worden +verschoond, en dat deze regelen iets mogen bijbrengen, tot meerderen +luister van ons dierbaar vaderland en Oudewater en omtrek. + + + + + + + +GEOLOGIE. + +I. + +OUDEWATER EN OMTREK, + +GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH EN GESCHIEDKUNDIG GESCHETST. + + + "De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange + na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar + tegenwoordig kennen." + + Dr. W. C. H. Staring. + + + "Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen, + Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen; + Ik min het vette rund, dat aan den waterkant + Een heldren spiegel vindt met loovers om den rand. + Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen, + 'k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen; + Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt, + Maar op een biezenland naar 's diertjes vrij instinkt, + Waar 't zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen, + Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen. + + Zóó was heel Holland eens...." + + Mr. J. P. Amersfoort. + + +Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan +hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is, +behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke +voortbrengselen--waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt--het +hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar. + +Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te +beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever, +tot de onder-afdeelingen door, onverschillig van welken tak van +wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn, +die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt +geheel. + +Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen, +en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze +laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het +dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen +onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw +verband, gelijk blijken zal. + +Hierom eerstens hebben wij ons voorgenomen iets te leveren over +Oudewater's bodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam +van geologie of aardvorming bekend) ook van nut voor menig inwoner +dier plaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs +verschillende lagen bestaat. + +Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak. + +Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting--langen +tijd onze geachte stadgenoot--de heer Staring en anderen, hebben +tot de kennis der geologie van geheel ons vaderland zelfs, roemvol +de hand geleend. Ondersteund door van 's lands wege gedeeltelijk +bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen, +konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap +laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat +wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met +de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden, +om iets omtrent de geologie van Oudewater en omtrek in het licht te +geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat +elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig +ook daargesteld, den geleerden nogtans aanleiding kan geven tot het +maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen +bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning. + +Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter +verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen +zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende +berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te +weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der +geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten +uiteen te zetten. + + + +Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste +aardlaag in Oudewater bezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot +de klei-soorten behoort. Zet men echter den voet buiten het stadje, +dan is de afwisseling van klei- met veenachtigen grond zeer in het +oog loopend. + +Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan +onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden +ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats. + +Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele +runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt, +heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren +hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die +menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier +ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene +gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen, +zou men vóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De +weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de +IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende +vergezigten van thans, werden toen belemmerd door eeuwenoude bosschen, +die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven. + +De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding +zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken: +den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft +veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn +voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,--vóór deze +streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene +schets gaven, ook toen was Oudewater's bodem reeds aan menigvuldige +verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden +nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan. + +Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats +bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem, +dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen +scheiden: in alluvium en diluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en +beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van het + + + + + +DILUVIUM. + +Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige +gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen: +dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel +aantreft. De beteekenis nu van het woord Diluvium is vloedvorming, +en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking, dat die +thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene +ontzaggelijk groote watermassa. + +Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland" van den +niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden +uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder +het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne +vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende +oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer +ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of +later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium +alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken, +en het zou zich als 't ware gelijk eene zandzee met monsterachtige +baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de +overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting +uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen +uit blaauw--soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men +ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende. + +Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in +de putboringen, hier en elders, in Oudewater's omtrek gedaan. Hier +toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie +bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15, +ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd. + +De meening van sommigen--inzonderheid van werklieden die nu en dan met +het maken van waterputten belast worden--dat de wellen met aderen, +als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij +weten, dat de plaats waar de wel wordt aangetroffen, zich op ongelijke +diepte bevindt. + + +Gemiddeld bekwam men welwater: + + + In Oudewater op omstreeks 12,50 Ned. el. + + +In deszelfs omtrek, als in: + + + Williskop en Snelrewaard » » 11,-- » » + Hekendorp en Roozendaal » » 9,50 » » + Papekop, Hoenkoop, + Ruigeweide en Linschoten [1] » » 7,75 » » + + +Omtrent Papekop strookt dit ook vrij goed met het onderzoek van +laatstgenoemden ervaren geoloog: "Er zijn aldus geene redenen--zegt +hij, na over de boorputten van Gouda en Leiden gesproken te +hebben--die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene +geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen het diluvium +begint, en dat dit het zand is, hetwelk bij Utrecht op 2 el diepte +wordt aangetroffen, bij Woerden op gelijke diepte, en ook, welligt +in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el; bij het +station Papekop regelmatig op deze diepte; bij Gouda op 9 tot 12 el, +en bij Rotterdam waar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt, +op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting +hebben zulks aan het licht gebragt." [2] + +Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer +aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld +opgaven; wij bedoelen bij het begin van Hoenkoop en Williskop. Om +pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17 +el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater, +hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna, +wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende, +heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend +drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot +het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water +zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld, +nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het +huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw +komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou +zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijk veen, derrie en ijzeroer, +alsook boomstronken en schelpen. + +De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte +circa 1/4 uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd, +en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de +diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid. + +Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het: + + + + + +ALLUVIUM. + +In het kort dient nu eerst vermeld te worden, welke gronden men bij +het pompen maken gewoonlijk aantreft. + +Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond in Oudewater uit klei +bestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks +3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere +of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten, +enz. vermengd. + +Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden: +»Steigeraarde." + +De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier- +of zeebezinking" heeten. + +Buiten de stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over +het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Het waarom geven wij +eenige bladzijden later. + +In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan, +dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke +overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam van kien- +of grondhout worden aangeduid. + +Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of +ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater". De +spade heeft hare dienst gedaan, en men moet--wil men den bodem tot +op de wel doorboren--zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen; +alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor. + +De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaans rood zand, +veelal ook turfgrond en derrie, welke beide laatsten de aardkundigen +met den naam van laag veen zouden bestempelen. + +Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden, +die in de geleerde wereld als Oerbanken of IJzeroer bekend zijn en +zoowel in alluvium als diluvium aangetroffen worden. + +Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingen zoowel op +ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn. + +Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood, +meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker +kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden +zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen! + +In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig--naar men meent, +op een stuk hout--ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, 'twelk echter +niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de +boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken +betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die +veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring's +voortreffelijken »Bodem van Nederland" lazen, dat, bij diluvialen +vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd, +die zich in onzen bodem vast woelden. + +Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en +op het Roodzand [3] eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest +hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de +pomp op te plaatsen. + +»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst +om te drinken", en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater", zijn +bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen. + +Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche +alluvium;--doch, hoe zijn deze gronden gevormd? welke natuurkrachten +en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare +geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten +te verklaren. + +Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium", indien +men de beteekenis des woords zelve kent. Alluvium toch wil niets anders +zeggen, dan: land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter +die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen +gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt--gelijk nader +blijken zal--moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam, +deels kunstterm verstaan. + +Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen +wij dus te behandelen de: + + Bouw- of Bovengrond. + Steigeraarde. + Rivierbezinking. + Zeebezinking. + Kien of grondhout. + Zakwater. + Rood zand. + Veen. + Derrie. + IJzeroer; + +dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden. + +Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven. + +Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd, +verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale +golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen, +onder anderen in 't begin van Williskop het langst gespaard. + +Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen, +en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige +gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook +water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld! + +Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en--de +stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan de later gevormde +of alluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen +des alluviums; beginnen we met het: + + + + +Veen. + +Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten: +hoog en laag veen. + +Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor +ons bestek slechts eene dezer beiden: het laag veen voldoende is; +de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen. + +De turf, van hoog veen vervaardigd, wordt in deze streek veelal met +den naam van »Vriesche", die van laag veen met den naam van »Korte +turf" aangeduid. + +Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong: +andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording +daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van: + + + + +LAAG VEEN. + +Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en +wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de +onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein, +elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling +nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding +nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden +beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen. + +De ontleding van planten tot laag veen gaat niet dan met hulp en +medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er +toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede +eenig deel daaraan neemt. + +Planten alzoo, die aan, op of in het water leven en tot ontbinding +overgaan, worden laag veen met behulp der lucht, die in het +water opgelost is, met behulp van het water zelf; en eindelijk +door medewerking van de aarde, omdat de ontbonden plantenstof +zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst, +vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is, +ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond, +belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan. + +Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede +alluviale grondsoort, tot de + + + + +Humus of Bouwaarde, + +'t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van de + + + + +Derrie. + +Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht +eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht +benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang +haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels +worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang, +en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van +die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig. + +Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de +diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en +na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond of +humus gevormd. + +Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus +met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van +een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal +ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij +de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal +moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren, +als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht +niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage +wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote +veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt +en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden. + +Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot de Derrie. Moeten +wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek, +en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder +bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap +stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men, +dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel +aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu +de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij +de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid, +alligt daaraan herkennen. + +Zoo zal dus op Uiterwaarden in de lagere plaatsen derrie kunnen +ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt +en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich +intusschen de grond door leven en dood van planten en dieren, en met +een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar +hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene +wijle bij het IJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig. + + + + +IJzeroer. + +Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van +ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit +ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer +met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit +zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de +planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke +stoffen verrotten", zegt de heer Staring [4], »kan dit laatste--het +ijzer-oxide--een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt +daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen +in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in +gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het +ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats +heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men +ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het +omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, +over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den +invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van +kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit +zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met +de dampkringslucht komende, troebel wordt en de bij de landbouwers +zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt. + +Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water, +dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest +zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in +water de oerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of +veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt +wel beweerd, maar is geenszins bewezen." + +Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan +van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op +de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat +aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit +met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken +van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige, +kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt." [5] + +Menigvuldig--wij zeiden het reeds--is dat ijzeroer, welks wording +ons thans niet duister meer is, in Oudewater's gronden aanwezig. Bij +de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de +Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid +ijzeroer aan. + +In Papekop gebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste +zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen +zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op +te boren. + +In de Linschoten behoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele +slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter +plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het +water met plekken van eene roodachtig bruine kleur afgezet, die, +laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken +zullen vermeerderen. + +Ook in onzen Hollandschen IJssel bij Goejanverwellesluis zag ik +zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat +zulks »salpeterigheid" was. + +Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor +houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig" zijn, des winters +bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs +hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om +te betreden. + +Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking +al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn +dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden. + +Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk +werkman, zou blaauw zand--diluviale gronden?--steeds met ijzer gepaard +gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het +gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is. + +Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken +eene niet onbelangrijke rol in de vorming van Oudewater's alluvium +spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder +geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus +te behouden, dient nu te worden gehandeld over het: + + + + +Rood zand. + +Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons +alluvium aanwezig is? + +Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten +naastenbij 3 uren afstands van Oudewater liggende rivier de Lek. Zij +toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich +in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in +den handel als "lekzand" voorkomt. Menige overstrooming dier rivier +van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het +water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen. + +Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te +willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende +watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van +vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën +van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit +de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken +worden, maar geen zand. + +Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen van België en +Duitschland slaan. + +De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd), +en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de +vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons +zeer eenvoudig toe: dezelfde stroom of stroomen die het zand naar de +Noordzee voerden, hebben het rood zand te Oudewater gebragt. Beide +is het van denzelfden oorsprong, door dezelfde stroomen aangevoerd, +uit dezelfde bergen van België of Duitschland ontstaan, en zooals +voorheen de rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulks +thans nog mede. + +Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger +den bodem van Oudewater doorsneden; want zonder zulke rivieren had +de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan. + +Vervolgen wij echter: + + + + +Zakwater. + +Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des +waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is +men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat +wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere +vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen, +het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert. + + + + +Rivier- en Zeebezinking. + +Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo +even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend +kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het +begin der rivierbezinking te verplaatsen, werwaarts wij hem zullen +volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte +schets daar tusschen te lasschen van: + + + + + + + +DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL. + +De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren +gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en +los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk +eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van "woudreuzen" +ten volle waardig zijn. + +Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche +rivier de Rijn, door onzen Borger "de grootvorst van Europa's stroomen" +genoemd, splitst zich in verschillende armen, als wilde hij de geheele +landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche +IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in +het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren, +over zijne bedding te laten heenvlieten. + +Ofschoon hij--de IJssel--nu van tijd tot tijd deze zijne bedding +eenigzins verlegt--want alle rivieren deden dit--blijft hij zijne +rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde. + +Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof +als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor +hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse. + +Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden +en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des +woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef +op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels, +gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze +slibtoevoer of dit kleibezakken is de rivierbezinking. + +Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei +doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd +had en die haar omringde. + +Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid +ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich +spoedig tot op eene aanmerkelijke dikte had nedergelegd. Hierdoor +ontstond land, dat men met den naam van Waardland, of ook wel +kortweg met dien van Waard bestempelde. Dit woord is verwant met +ons tegenwoordig werkwoord worden, zoodat men door waard gerustelijk +aangeslibt, of geworden land kan verstaan. + +De Uiterwaarden langs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen +naam. In Oudewater nu was,--te oordeelen naar de zich soms 3,10 +Ned. el in den grond bevindende kleilaag--dat landworden reeds vroeg +begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit, +en ziende, dat--niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij +gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren--er toch +nog steeds nieuwe of jonge waarden gevormd werden, noemden zij daarom +de plaats hunner vestiging--om ons van de tegenwoordige spelling der +taal te bedienen--Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den +naam dezer plaats naderhand Oudewaerten uit, doorliep vervolgens den +overgang Oudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En +zie hier den + + + + +Naamsoorsprong van Oudewater + +naar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter +met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong +niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende +redenen opgegeven.--S. van Leeuwen [6] en Franc. Halma [7] zijn dan +ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk +af zou komen van Oudewaarden als in een oud eiland of oude waard +liggende. M. Z. Boxhorn [8] spreekt er aldus over: "Oudewater soude +moeten ghenaemt worden Oudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel +aensiet. Oudewaerdt en beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte +Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van +die waerde daarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt" Ook +Lud. Smids [9] is--op gezag van dezen laatste, schijnt het--dezelfde +meening toegedaan. + +Men ziet dus, dat velen dit gevoelen aankleven. De heer van Kinschot +[10] en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam +van den IJssel, als oud water zou ontvangen hebben; daarmede stemmen +wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen [11], +dat de Romeinen het ook daarom den naam van Aquae Veteres zouden hebben +gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat +der Vereenigde Nederlanden", waarin wij lezen: »Uit de latijnsche +benaming van Aquae Veteres--alleen eene letterlijke vertaling van +den tegenwoordigen naam--zien wij niet dat eene afleiding te haalen +is." [12] En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen, +en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten, +slechts één plaatsje, dat Oudewater heet. + +Voor de stelling, dat de naam Oudewater wezenlijk van bovenvermelden +geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men, +behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt, +Snelrewaard als boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende; +voorts: Barwoutwaarder, het dorpje Waarder, en misschien mag het +nabijgelegen Woerden hier ook gerangschikt worden als synoniem met +Waarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde, +wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechts +oude tot onderscheid dier andere waarden. + +Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet +met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen, +die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische +beteekenis wil toegevoegd hebben. + +Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, tot Oudewater's geologie, en wij +beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is, +zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij +ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende +van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen: + + + »Het schijnt, dat de ondermaansche dingen + Zijn wonderlijk van aard en vol veranderingen: + Ik zag het vaste land met water overdekt + En weder uyt de plas het vaste land verwekt. + 't Is vreemd, dat verre van de zee en van de gronden + Het zeegewas en rare schulpen zijn gevonden, + En dat een anker lag in 't hooge dorre land, + In plaats van in de zee of aan den waterkant." [13] + + +Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen" +behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel. + +Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan +had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en 't natuurlijk +gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had, +als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan. + +Halma teekent er dit van aan: [14] + +»In oude tijden plagt den Rhijn nevens Batavia of 't Batouwerland +eenen zeer snellen loop te hebben, totdat hij bij Katwijk in zee viel; +maar toen maakte hij door de Maas en Waal slechts eenen traagen en +kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van den Rhijn, +het doorgraven van de Lek en Yssel, loopt de stroom bijna geheel +te niet en de traage loop van Waal en Maas is in een zeer snellen +afdrift verandert. Belangende den tijdt en d'oorzaak van de gedachte +opstoppinge des Rhijns, bij Katwijk, daarin zijn zeer verschillige +gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen +allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den +loop des Rhijns zoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat +de Rhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft +moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van 't water des Rhijns +en den vloed daardoor ontstaan en door de Lek enz. quyt te maken.--De +oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op 't +jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater den Rhijn injoeg en in +'t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken, +de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de +inwoonders genoodzaakt zijn geworden, de Lek te graven, om hun water +in en door de Maas voortaan in zee te loozen." + +Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet +uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt. + +De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch +neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor +het verstopt maken des Rijnmonds [15], als hij zegt: + +»Men meent, dat de Rijnmond te Katwijk tusschen 860 en 1000 verstopt +is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien +tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom +door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en +de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het +Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer +rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven, +die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid +en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen, +welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen." [16] + +Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den +IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve +aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu +nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde +slib mede en die wordt zeebezinking genoemd. + +Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden om Montfoort gelegen, +en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei +bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij +beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer +afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch +Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde +Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het +indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig +ten minste--de vloed niet verder gaat dan halverwege Montfoort en +Oudewater (zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het +afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen, +en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten. + +Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrent Oudewater +geweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de +meeste slib, welke dan ook, afgezet. + +Nu is de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel boven IJsselstein +met eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water +kan nog door den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders +den IJssel nog binnen bij vloedgetijde te IJsselmonde wanneer er +overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is, +en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluvium nog uit +rivier- en zeeklei wordt gevormd. + +Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen +IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone +getijden tot omstreeks halverwege Montfoort en Oudewater gaat. Volgens +eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter +verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen +der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje +tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter +heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een +ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25 +Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in +hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd. + +Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug +bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed +aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd +overtuigen. Met het oog naar den kant van Gouda gewend, ziet men alsdan +reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen +trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar +de zijde van Utrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd +wordt vooral begunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven +voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne +toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt +van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren +tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid. + +Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende +plaatsnamen: IJsselstein, Oudewater, Goejanverwellesluis, Haastrecht, +Stolkwijkersluis, Gouda, Moordrecht, Ouderkerk aan den IJssel, +Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en IJsselmonde. Op +eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook +om hunne naamsreden te verklaren. 't Wordt echter meer dan tijd, nu +van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel +te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men--om zulks met goed +gevolg te doen--moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling +en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den +loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat +men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong +kan afdalen. + +Bijna algemeen is men tegenwoordig van 't gevoelen, dat de verouderde +schrijfwijze van IJssel is: Ysala, en zulks wijders eene verbinding +is van de woorden Y en Sala; Y beteekent water en Sala loop; alzoo +Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen dan +waterloop. [17] + +De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie +dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige +eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen. + +Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier, zullen wij hierover +iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 te Gouda in het +licht verschenen [18]: + +»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren +van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering +besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze +rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen +rivierstaat des lands--iets, dat nog zeer te betwijfelen is--zoo is +zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer +geenzins onbeduidend te noemen. + +De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor +heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de +sprekendste wijze ontdekt. + +Van den benedenmond af tot Gouda bestaan de bekende steenfabrieken +niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde +metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en +vijftig duizend guldens gerekend. + +Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de +ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot +gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken. + +De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib +waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld +en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen +worden vervaardigd. + +Ten gevolge van, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen +de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de +fabriekanten worden betaald. + +Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen +even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de +grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd. + +Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt, +men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der +waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor +aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend." + +Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men, +zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit +de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd. + +Een enkel voorbeeld in cijfers--zoo stond daar verder--zal ons dit +ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks +zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men +heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700, +bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen +aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men, +dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000 +kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de +Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt. + +En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant +Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen? [19] + + + »O zilv're Yzzelstroom, met wonder eb en vloed, + Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed, + En schatten zonder end...." + + +Zonder einde echter? + +Zal de sluis tot afdamming van den IJssel boven Gouda, niet een +volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg +voor den aanvoer van slib naar deze streek, en aan de andere zijde +der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten? + +Volgens de genoemde brochure--wat het laatste betreft--ja gewis. + +Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloed +over en trok die weder terug van de plaats, die wij thans Oudewater +heeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den +»Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk" kusten, daargesteld om +uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden +afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,--zij was oorzaak, dat men +u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken" +vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet +uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar +die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom, +zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het +aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte +uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen +boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet. + +Bij Oudewater kleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra +zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans +nog tot boven Oudewater voortzet, beperkt worden. De rustelooze +waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal +gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij +tot voorbij Oudewater te hervatten. + +Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bij Gouda in +werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte "waterloop" zal +spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het +laatste ('t verdiepen) is men van boven IJsselstein tot boven Montfoort +bereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek +geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken, +hier echter tot nut der plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of +bijna geen nut meer voor Oudewater doet. Integendeel; want zooveel +klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan +met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd +is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken +is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop +is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken, +behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche +stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen, +maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien +van Vecht verwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is, +dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bij Gouda tot aan +de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die +sluis, al dadelijk van den Opper-IJssel in den gekanaliseerden IJssel +of Vechtstroom bevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds, +van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel te Gouda +of te Oudewater. + +Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van +den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de +plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen; +maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze +verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan +de provincie Zuid-Holland f 90,000, de prov. Utrecht f 110,000 en +het rijk f 100,000 zal verstrekken. + +Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn. + +Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel +invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke +geologie terug, door te verklaren wat eigenlijk rivier- en zeeklei is. + +Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil +kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte +kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter +den lezer--wie zulks niet mogt weten--dadelijk te verklaren wat +rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij +de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam +van Pottebakkersaarde. + +Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de +Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij--de rotsen--vervormen +zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in +keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte, +gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de +zeebezinking thans nog, op den bodem afzet. + +Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeks Montfoort zeer ondiep +en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene +publikatie van Oudewater's gemeenteraad eener voorgenomen doch +door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een +gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er +zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde" bevond. Deze nu zal niet +van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast +bevindende grachten. + +Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want +welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de +zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid, +deze als zee--de andere als rivierbezinking bekend gemaakt. + +Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland" een zeer gemakkelijk +middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te +onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van +gemaakt heeft, bij verbakking roode, zeebezinking gele steenen. + +Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij +aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen, +welke laatste onder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen +aangeduid worden. + +Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke +diepte, hier en daar in en om Oudewater te verzamelen, en die ter +verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met +meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem +te bepalen. + + + + +Grond- of Kienhout. + +Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders +misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op +eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan +zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat +over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft, +vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand +bevestigd. + +Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam +van het Schakenbosch in Hekendorp, waarover in de mythologische schets +nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout. + +Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer +vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een +of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische +vloed of die van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat +zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan +gepaard, zullen de meeste boomen die als "grondhout" bij ons worden +aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met +slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald, +daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling +onderworpen is of althans geweest is. + +De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin +liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook +anders met den top liggende heeft gevonden. + +Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve +de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout +komen dikwerf voor. + +Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen +grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de +landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam +de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde +geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is +hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove +grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het +laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere +stukken op: zoo ook bij de stammen. + + + + +Steigeraarde. + +Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in +den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die +puinaarde zich over 't algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is +voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buiten Oudewater +zelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te +dringen om geene steigeraarde meer te vinden. + +En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des +bodems, tot de zoogenaamde + + + + +Teelaarde + +genaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen +tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de +steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker +met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond +ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna "welige grond" noemt, +doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming +van ons alluvium. + +Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen +door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en +bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als +het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden: +bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste +beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen +beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene +wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van +weleer, heeft ook in Oudewater en omtrek plaats gemaakt voor de orde +en regelmaat der 19de eeuw. + +Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen, +ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te +brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de +beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende +orde, welke is aangeduid; alleenlijk moest er verdeeling gemaakt +worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn +er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde +zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij, +dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden +nog steeds aanhoudt. + +Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden +wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen +henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit +oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd. + +In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper +en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en +hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem. + +Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws +geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het +dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze +plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang +de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze +weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische +kennis onzer vaderstad. + + + + + + + +MYTHOLOGIE. + +II. + + + "Met den ijver tot onderzoek, kwam ook allengs de + overtuiging van het nut daarvan. Men kreeg hier + opheldering over menig oud gebruik, over aloude + wetten en instellingen, over woorden en + uitdrukkingen, die sedert eeuwen duister geweest + waren, en men leerde de denkwijze der vroegere + tijden al beter en beter kennen, zoodat dit + onderzoek ook reeds voor andere wetenschappen nut + gedragen heeft." + + Mr. L. Ph. C. van den Bergh. + + +Zeker, die lust, deze ijver tot onderzoek, waarvan in bovenstaand motto +wordt gesproken, is aangenaam en nuttig: de mensch, die geschiedenis +beoefent, volkseigenaardigheden en volksgebruiken met historisch +waarnemend oog nagaat, hij leeft in zekeren zin niet alleen in dezen +tijd: neen, door zich te verplaatsen naar het grijs verleden, toovert +hij zich personen en zaken voor den geest, geheel vreemd somtijds aan +die der eeuw waarin hij leeft,--smaakt hij een genot, een verheven +genoegen, hen onbekend, die omtrent de geschiedenis onverschillig +zijn en alzoo hun zedelijk voordeel niet willen doen met het nut, +dat zij in zich bevat. + +De geschiedenis en vooral de onbeschreven geschiedenis tot leidsvrouwe, +en gij kunt ver, zeer ver doordringen in den onmetelijken tijd-oceaan; +zij toch is de genius die u bijstaat, om thans verlaten plekken te +bevolken, met de schimmen van heldhaftige mannen, geleefd hebbende +in den grijzen voortijd! + +Aller landen en volkeren geschiedenis is belangwekkend. De historie +der laatsten heeft ons geleerd, dat eenigen, hoe nietig in hun begin, +groot werden en magtig, maar dat ook juist die magt en die weelde hen +verwijfd maakten, dat het de middelen waren tot hun ondergang. Helaas, +ook zij ondervonden, dat de zoete weg der weelde glibberig was en +gevaarlijk te betreden. + +Zoo traden dan eenmaal magtige volkeren af van het groote +wereldtooneel; van velen bleef dikwerf niet eens de naam overig. + +Bij anderen wisselden voor- en tegenspoed, ontwikkeling en +achteruitgang elkander af, doch zij hielden zich staande tot op +dezen stond. + +Is dan de kennis omtrent de wisselingen van ieder land en van elk +volk zoo treffend en nuttig voor den mensch, hoeveel te meer moet +het ons dan aansporen de geschiedenis na te gaan van ons eigen land, +en strenger nog, van die dierbare plekke gronds, waarop wij het eerste +levenslicht aanschouwden, welligt ook eenmaal den grooten natuurcijns +zullen betalen, en onder welks groenende kerkhofzoden ook daarna onze +assche zal rusten. + +Gevoelen wij ons bij die gedachte reeds opgewekt, geen vreemdelingen +te blijven op de breede baan der geschiedenis, er is echter nog een +prikkel, nog een drijfveer die ons daartoe geleidt: deze, dat wij +geene laakbare onverschilligheid mogen toonen, omtrent het bedrijf en +leven onzer vaderen, die zoo veel veil hadden voor hun nageslacht; +als hunne naneven niet alleen, ook als bewoners van den grond, dien +zij ontwoekerden, hebben wij welligt zelfs een pligt te vervullen; +de beoefening hunner geschiedenis. En deze algemeene beschouwingen, +geachte lezer, zijn ook van bijzondere toepassing op Oudewater en +omtrek, de punten onzer beschrijving. + +Ontrollen wij dan de geschiedbladen, en zien wij daarin, welke gevaren +ons dapper voorgeslacht dikwijls trotseerde, hoe het uit menigen kamp +als overwinnaar terug keerde, hoe het moed met beleid en kracht bij +innige volharding wist te voegen; hoe het leefde en stierf. + +En, waar die geschiedrollen ontbreken, daar zijn het alhier plaatsnamen +en volksgebruiken, die ons toefluisteren van dappere voorvaderen, +van krachtige mannen, blond van haar en blaauw van oog, die hunne +sterkgespierde leden alleen dekten met eene ruwe dierenhuid, los +om de breede schouderen geslagen en bevestigd met eene doorn, +van voorvaderen, offerende aan goden die niet bestonden, aan +hemelligchamen, vuur en water, aan boom en plant, aan stroomen, enz. + +Ook de voormalige gesteldheid van Oudewater's bodem, die in de +eerste aflevering behandeld werd, bood zich voor dusdanige vereering +uitnemend aan. + +Behalve immers, dat zij hier even als elders hunnen goden konden +offeren, verschafte de woudvolle toestand hun ter aanbidding boomen; in +den vetten kleibodem groeiden planten in overvloed die zij vereerden, +en de IJsselstroom bood hen eene woonplaats aan voor hunne watergoden +en waterdienst; en dit, geachte lezer! is het verband tusschen geologie +en mythologie, dat op bladz. 2 beloofd werd om aan te toonen. + +En, niet waar, het is niet te verwonderen, dat wij juist bij gebrek +eener zekere geschiedenis dezer streek tijdens het heidendom, die +in hunne godendienst, hunne natuurvereering of mythologie trachten +te zoeken, welke, als het dierbaarste wat zij bezaten, ook de +veelvuldigste sporen heeft nagelaten. + +Als zoodanig dan willen wij het eerst eenige heidensche feesten +behandelen, waarvan sporen schijnen of wezenlijk zijn achtergebleven; +daaronder zal men dan ook aantreffen de meivuren, waarvan wij zullen +trachten te bewijzen: wie zij toegewijd waren, en daarna wat zij nog +zijn; ten einde alzoo vergelijkingspunten verkregen worden, tusschen +heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol kinderspel van thans. + + + + + + + +MYTHOLOGIE. + +FEESTTIJDEN. FEESTEN. VOLKSGEBRUIKEN. + + + "Het geheele godenstelsel is thans niet meer in zijn + geheel op te delven.... wij treffen slechts brokstukken + aan...; maar deze fragmenten, die thans meer dan ooit + met zorg worden verzameld, leeren ons thans nog oordeelen + over het geheel dat verloren is." + + D. Budding. + + "....Door al die kleine aanduidingen en bijzonderheden te + verzamelen, te schiften en de een met de andere te + vergelijken, bekomt men eindelijk een tweelicht, waarbij + men vele voorwerpen redelijk leert onderscheiden......... + en ik vind geene zwarigheid te veronderstellen, dat sommige + dier verbalen zeer oud zijn en welligt tot de tijden des + heidendoms opklimmen." + + Mr. L. Ph. C. van den Bergh. + + +Hoewel men niet van ons zal vergen, eene uitgebreide mythologie van +ons land te leveren--wijl deze bereids bij onderscheidene auteurs +bestaat en ons bestek daarvoor ook te beperkt is--zoo moeten wij +echter, om in het vervolg dikwijls niet onverstaanbaar te worden, +in de eerste plaats vooral den in de mythologie oningewijde opmerken, +dat zij voornamelijk verdeeld wordt in drie soorten: de Oostersche-, +de Westersche- en de Noordsche mythologie. + +Dan moeten wij zeggen, dat, ofschoon men bij alle deze, vele +gronddenkbeelden aantreft, die onderling veel overeenkomst met elkander +hebben, zij toch eveneens bij vergelijking een aantal punten van +verschil aanbieden. + +En dit laat zich immers zeer gemakkelijk begrijpen. Zal het heidendom +in het zuidelijk Europa en in Azië, dat ook eene natuurdienst had, +zich in hun zonnig klimaat, onder den wolkeloozen hemel, waar andere +planten en boomen tierden, zich geen veel weelderiger natuurvergoding +hebben voorgesteld dan de »wilde" in Scandinavië [20] en IJsland, +levende in eene geheel andere omgeving. Toch, al gewerd ons de +Noordsche of Odinische mythologie uit het koudere klimaat, zoo was +zij toch geenszins zonder dichterlijken gloed, zeker neen: daar uit +het Noorden kwam zij tot ons, die natuurdienst, dat mythenstelsel, +niet alleen in legenden, schoone overleveringen en heldensagen, maar +ook in oorkonden, geschreven in de zoogenaamde Norraena taal. Deze +waren het echter nog niet alleen die ons der N. volkeren mythologie +deden kennen: ook de twee edda's verspreidden daarover veel licht +[21], en onbetwistbaar is het, dat de mythologie van dit land niet +slechts het meest der Noordsche nabij komt, maar ook dikwijls de +grootste overeenkomst daarmede aanbiedt: en geen wonder, ons land +werd gedeeltelijk uit het Noorden bevolkt. Van daar ontleenden wij +dus ook gedeeltelijk taal, wetten en heidensche eerdienst. + +Bij die Noordsche volkeren nu, die een magt van goden en godinnen +hadden, was Odin de oppergod, en Frigga zijne gemalin, en van +deze twee, zegt de heer Budding, stamt bijna geheel het asen- of +godenstelsel af, wier leven en bedrijf in het hemelsche Asgard, wier +invloed op Midgard (de aarde) en wier togten naar de onderwereld de +edda-liederen dikwijls met zulke krachtige liederen afmalen. [22] + +Hoe groot de magt echter was die Odin bezat, stond hij evenwel onder de +beschikking der Nornen of schikgodinnen. [23] Dit bewijst de Baldur's +mythe en de professie der Völa van het Noorden. »Die voorspelling", +aldus vervolgt Budding, »betreft den dood van Baldur (een zoon van +Odin) en geeft aan de geheele N. Godenleer behalve een behagelijk +weemoedigen tint, ook eene bepaalde rigting aan alle bedrijven en +heldenfeiten van het asenleven in Asgard." + +Ten volle zijn wij het met genoemden oudheidkundige eens, en wij +kunnen dan ook niet aan de heidensche feesten beginnen, tenzij de +vriendelijke lezer iets nader omtrent den dood van den »goeden Baldur" +is ingelicht. »In het Dietsch heidendom", zegt Mr. P. Blommaert, +[24] schijnt een dualismus ten gronde te liggen, hetwelk men schier +in alle trappen van deszelfs natuurleer aantreft. Zoo staan Mispelheim +[25] en Nevelheim tegenover elkander, en door derzelver wederzijdsche +werkingen, stichtten zij de wereld en het leven. In eene mindere +schaal kan men deze gedachte vervolgen in de tegenstellingen van het +licht tegen de duisternis, den dag tegen den nacht, den zomer tegen +den winter, welke in eeuwige wisseling en als het ware in gedurigen +strijd voortrollen. Dit natuurverschijnsel werd bij de Scandinaven +door de schoone mythe van Haudur en Baldur voorgesteld. + +»Haudur en Baldur zijn Wodan's zonen. Baldur wordt de goede bijgenaemd; +hij is zoo schoon en rijzig dat hij glanst. + +»Haudur is dof van kleur en blind [26], doch geweldig sterk. Hij +was het, die zonder erg den doodelyken pyl op Baldur afschoot en +zyns broeders onschuldige moorder werd. Zoo wordt zyn dood in de +edda verhaelt. + +»Baldur de goede droomde, dat zyn leven in gevaer was. Daer hy dit den +Asen bekend maekte, hielden zy daerover raed, en er werd besloten, +Baldur tegen alle mogelyk gevaer te verzekeren. Frig nam gevolgelyk +den eed af aen het vuer, water, yzer, aen allerlei metalen, steenen, +aen de aerde, boomen, ziekten, dieren, vogelen, vergiftige slangen, +dat zij hem niet zouden schaden. Als dit gedaen was en aen allen +bekend gemaekt, verheugden de Asen zich daerover, zoodat zij Baldur +vooraen in de vergadering stelden; eenigen schoten naer hem, anderen +hieuwen op hem, anderen wierpen met steenen, en wat zy ook deden, hy +had daer geene schade van. Daer Loki [27] dit zag, verdroot dit hem +hevig; hy begaf zich onder de gedaente eener oude vrouw naer Fensal +bij Frig. Die vrouw vroeg aen Frig, of zij wist wat de Asen in hunne +vergadering voor hadden. Zij antwoordde: »allen schieten naar Baldur +zonder hem te deeren," er bij voegende: »ja, wapens en boomen zullen +hem niet hinderen, ik heb ze allen den eed afgenomen." Dan vroeg de +vrouw: »hebt gij alle mogelijke dingen bezworen, dat zij hem niet +kunnen beleedigen?" Frig antwoordde: »er wast een kleine jonge boom +ten westen van Walhal [28], met name Misteltein (mistel, marentak, +viscum) die mij te jong scheen om in eede genomen te worden." Daerop +ging de vrouw heen. Loki trok nu den misteltein uit en ging daermede +ter vergadering. Haudur, die blind was, stond aan het uiterste des +kreits. Nu sprak Loki hem aen, en vroeg hoe het kwam dat hij niet +op Baldur schoot. »Vooreerst," zeide hij, »kan ik hem niet zien, +en ten tweede heb ik geen wapen."--»Ik zal u toonen waer hij staet, +en schiet dan op hem met deze roede."--Haudur nam Misteltein en schoot +naer Loki's aanwijzing op Baldur. Het schot doorboorde den goede die +dood ter aerde viel. Dit is het allergrootst ongeluk, dat goden en +menschen ooit te lijden hadden. De verslagenheid onder de Asen was +groot, en de diep bedroefde Frig zijne moeder, bood hare gunst aen +dengene, die Baldur kon verlossen. Hermoder de snelle trok daerheen, +maer vruchteloos was zijne poging." + +En nu, geachte lezers! wat dunkt u van deze schoone mythe? kon de +strijd tusschen dag en nacht, zomer en winter meer schilderachtig +worden voorgesteld dan daar? + +En thans dan, na deze mededeeling kunnen wij een aanvang maken met +de beschrijving der feesten, waarin overal de gloor van dezen strijd +doorstraalt. + +Het zal nu wel niemand meer verwonderen, dat ons heidensch voorgeslacht +den tijd niet bij jaren afbakende, zooals wij dit doen; zij deden dit +in betrekking tot den stand der zon bij zomer en winter, en telden bij +nachten, als slaande dit alles op den dood van hunnen beminden Baldur. + +In den langsten nacht, bij hen moedernacht genaamd, dan, wanneer de +zonne keerde en de strijd tusschen licht en duisternisse op nieuw +aanving en zij dachten, dat deze schoone hemelbol weder op nieuw voor +hen geboren werd, dan ook jubelde men, vierde feest, en slagtte een +ever, dan hadden zij hun midwinterfeest [29], en smaakte men gedurende +twaalf dagen ongekende feestvreugde: dan ging hun jaar in. [30] + +Zeer vele schrijvers en mannen van groote geleerdheid beschouwen +het als zeer opmerkelijk, dat vele landhuren bij onze landbouwers op +Midwinter verschijnen: ook dan gaat voor hen in zeker opzigt weder +een nieuw jaar in. + +Niet onwaarschijnlijk is dat van mythologischen oorsprong, en +daar ook vele oude stukken in ons bezit zijn van landerijen, om +Oudewater gelegen [31], wier huur ook om dezen tijd: »sonnendaegh nae +St.Martensdagh in den wynter" verschijnt, zoo zijn wij zeer geneigd +aan te nemen, dat ook hier de mythologische jaaringang daarin een +spoor naliet. + +Daarna treedt onze + + + + +Nieuwjaarsdag + +op, die insgelijks op hun midwinter, ook wel joelfeest genaamd, inviel. + +De voormalige bewoners dezer landen vierden feest van het oude jaar +in het nieuwe, en ook dit gebruik is alhier bij velen nog in stand, +door het oude jaar uit en het nieuwe in te drinken. + +Wijders bewijzen onze woorden: jolen, jool hebben, jolig zijn, volgens +de meening van alle schrijvers die wij hierover raadpleegden, zonder +kijf afkomstig te zijn van het mythologische joelfeest. + +Eveneens het geraas maken en schieten in dien nacht, wil de +oudheidkundige Budding, (en niet zonder grond) als sporen zien van +de midwinterviering. + +Behalve dat, zou in Oudewater het voormalige tromslaan en het +tegenwoordig nog in gebruik zijnde klokkespelen van twaalf tot een +uur op nieuwjaarsnacht mede daaraan kunnen herinneren, te meer nog, +daar ook bij het meifeest het »klokkegebeijer" wordt vernomen. + +Niet, dat bij de heidenen het tromslaan, het buskruidschieten en +klokkespelen uitgevonden was, zooals de lezer zal weten; maar het volk, +gewoon op dien tijd feest te vieren, bezigde ook daarna de middelen +welke latere uitvindingen hen verschaften, om geraas te maken en zich +te verheugen. [32] + +En dan, wanneer op Nieuwjaarsnacht wij die tierende jolige menigte +gadeslaan, die het oudejaar uit en het nieuwe indrinkt, als wij dan +het klokkenspel hooren bespelen, dan voorzeker is dit in staat, in +onze verbeelding die tierenden te doen verdwijnen en de schimmen te +doen optreden onzer voorvaderen, die hun joolfeest vierden. + +Zeker toch, dit tieren en jolen zijn overblijfselen, maar gewijzigde +overblijfselen, uit het heidendom van dit oord. + +Wat al stof tot nadenken voor u en ons, wij, die in hun zonnegod +slechts een deel zien van al het geschapene van den grooten Schepper: +wat al stof tot overweging biedt ons het nieuwjaarsfeest aan buiten +hen die dien God niet kenden. Dan, te middernacht, met het gesloten +jaar achter, en het nieuwe voor ons, wel is waar geopend, maar toch +schuilende achter den dikken sluijer des tijds! Gewis, dan is het +tijd tot ernstige gedachten, in plaats van het smaken van uitbundige +vreugde, gesproten uit het blind heidendom. En toch is, wel beschouwd, +de geringste tijdverdeeling de poorte tot een nieuw levensjaar! + +In hoever de + + + + +Vastenavond + +partijen, waarmede men ook in Oudewater en omtrek veel op heeft, +van mythologischen oorsprong zijn, zullen wij van den Bergh [33] +laten beslissen: + +»In Februarij had mede een heidensch feest plaats. De Indiculus +superstitiones meldt: de spuralibus in Februario. [34] + +Bijzonderheden zijn mij daarvan niet bekend, doch mij komt hoogst +waarschijnlijk voor, dat daaronder niet anders te verstaan zij dan +de vastenavondvreugde, die van ouds onder het volk groote deelneming +vond en dikwijls tot uitspattingen aanleiding gaf. + +Er moet dan echter om dien tijd een heidensch feest geweest zijn, +dat niet met de christenprediking is uitgeroeid kunnen worden, want +vastenavond is niet heidensch. + +Ook het met de rommelpot loopen in Februarij, waarvan Budding spreekt, +houdt bij ons nog stand, onder het zingen van het volgende lied: + + + Vrouw, 't is vastenavond, + Ho, mannen, ho! + Ik kom niet t'huis voor t' avond, + Zus of zoo! + Vrouw, verkoop uw beddigje + En slaap op stroo! [35] + + +In de maand Maart vierde men de lente-nachtevening. De duisternis +wordt al meer en meer bestreden. + +Zou onze jaarlijksche + + + + +Eijermaandag + +hieraan herinneren, die het laatst van Maart of met het begin van +April invalt? het is immers de maandag vóór Paschen, en + + + »Het mag wezen zoo 't wil, + Paschen valt in Maart of April." + + +Zie hier eenigen grond voor onze vooronderstelling: + +Men beschouwde het ei bij het heidendom aldus: een ei, dat op zich +zelve levenloos schijnt, bevat in hare doode omhulsels de kiem van +herleving. + +In den Overijsselschen volksalmanak 1840 laat Halbertsma in zijne +bijdrage over de Paasch-eijeren dit ook duidelijk blijken, en +Dr. Leemans teekent in zijne beschrijving der romeinsche steenen +doodkisten aan: »Onder de zinnebeeldige beteekenis van het ei, komt +vooral die van herleving in aanmerking." Daarom legde men ook een ei +in de doodkisten. [36] + +Mogelijk vereerde of verkocht men elkander omstreeks den tijd +van eijermaandag--ook (in verbastering welligt) eijermarkt +genaamd--eijeren, als een bewijs van herleving in de natuur. Ook het +Paasch-eieren eten wordt hier eveneens, in navolging der geleerden, +door ons herinnerd. + +In den laatsten tijd echter zagen wij, voor zoover onze herinnering +zich uitstrekt, nimmer eijeren op de markt ten verkoop aangeboden. Is +dit geen bewijs te meer, dat markt eene verbastering is van maandag? + +Wel wordt er handel in boomen gedreven, doch ook deze vertegenwoordigen +immers de herlevende natuur. Ook kramerijen worden uitgestald, de +klokken bespeeld, op Bacchus' altaar wordt meer dan op gewone dagen +geofferd: in het kort, het is eene soort van kermis. + +Na dit alles zijn wij niet vreemd van de gedachte, bij de talrijke +overblijfselen der natuurdienst, dat de Oudewatersche eijermaandag, bij +het herleven der natuur invallende, eertijds een heidensch feest was, +waarin het in de mythologie zinnebeeldige ei als beeld van herleving, +eene voorname rol speelde. + + + + +Het Meifeest. + + "Nu staen des meyentacken uitghespreit ende bloeijen + schoon ghelijk roode rosen." + + Hofmann van Fallersleben. + + +Omtrent zeer vele feesten is op te merken, dat, op den avond vóór +den feestdag zelven het vieren daarvan niet alleen reeds aanbreekt, +maar er zelfs een groot gedeelte van beslaat. Zoo spreekt men bijv. van +kers-avond, van St.-Nicolaas-avond, en nog een groot aantal voorbeelden +zou kunnen worden aangehaald. + +Dit is ook van toepassing op het meifeest, dat op mei-avond of op +den laatsten April invalt. Deze aanmerkingen, geachte lezer! wilden +wij vooraf laten gaan. + +Het heidendom dan had drie groote of hoofdfeesten: over het eerste +of midwinterfeest zie hiervoren; het tweede is het Osterafeest, +aan hetwelk nu de aandacht zal worden gewijd en dat insgelijks een +zonnefeest was. + +»De zon heeft in de lentenachtevening gezegevierd: het reuzenvolk is +bestreden; de overwinnaar treedt de blijde woning binnen en zoo ook +de geheele voorjaars-aarde. Freija (de aarde) ook Asterdis genaamd, +viert feest, zoo ook de gansche natuur." [37] + +Dan droeg men bij de verrezen lentezon in processie het beeld des +doods of des winters naar den vloed of de grens der gemeente en bij +het offermaal, en jubelende en in groote vreugde werd het herlevende +beeld der Natuur naar het dorp gebragt. [38] + +In Meimaand trad men in het huwelijk; dan versierde men het +feestvertrek: zij, de moeder aarde, tooide zich immers ook in een +met bloemen geschakeerd kleed, zij immers gaf haren kinderen het +voorbeeld. [39] + +»Met Mei", zegt de groote oudheidkundige van den Bergh op bladz. 53 +van zijn critisch Woordenboek der Ned. Mythologie, »met Mei hield +men onder de duitsche volken het begin van den zomer, en vierde +daarom den eersten dag dier maand." Grimm beweert, Myth. 438, dat men +daarvoor geen vasten dag bepaald had en dit slechts vaststelde naar +toevallige teekenen, b.v. de komst van de eerste zwaluw of ooijevaar, +of het bloeijen van het eerste viooltje. In Nederland, geloof ik, +was het niet zoo, waarvan het spreekwoord: »eene zwaluw maakt nog +geen zomer". De eerste Mei bepaalde hier den aanvang des zomers, +en geen andere dag werd als zoodanig gevierd. + +Dan ook plantte men in Noorwegen, Zweden, Denemarken en IJsland +meiboomen, met bloemen omhangen, en ontstak men feestvuren; dan was +men in Denemarken gewoon te zeggen: de zomer rijdt het land binnen. + +Aan dit vreugdevol meifeest namen vele aanzienlijken deel. »Des nachts +van den 1 Mei," zegt de heer Budding [40], »ving de tocht aan: jonge +mannen reden vooraan, daarop volgde de meigraaf (majgreve) met twee +kransen versierd, waarvan eene op elken schouder; het overige gevolg +had slechts eenen krans, en als zij dan op de plaats hunner bestemming +gekomen waren, werden er meiliederen aangeheven. De maagden plaatsten +zich dan om den meigraaf, en deze laatste koos dan eene majinde of +meigravin, door een krans op haar te werpen. + +Luister eens, hoe Engelberts Gerrits, onze zeer bekwame grijze +historicus die meisjes bij den optogt naar het feestvuur zingen +laat: [41] + + + . . . . . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . + Ostera biedt haar glansen + De lentetijd is daar. + + De meiboom spreidt zijn kleuren + En weeft een blanke kroon; + Staakt, droeven! staakt uw treuren: + De lente strooit haar geuren, + Verheugt u in haar schoon. + + Laat ons de goden loven, + Brengt Frei en Freja eer; + Zij vieren feest daarboven: + Wat winter mogt ontrooven, + Dat brengt de lente weer. + + God Baldur zal herleven + In goud en zonneglans; + In dalen en langs dreven + Gaat hij een feestkleed weven; + Komt, zusters! in den dans! + + +Daarna laat hij de meiboom plantende knapen hunne takkebossen +nederwerpen bij het beeld van Freja. [42] De oudste der barden neemt +een brandenden spaan en ontsteekt de houtmijt, onder het afsmeeken +van den zegen over de veldvruchten. De Gydien knielen rondom het +beeld en den houtstapel; de priesters en de overigen plaatsen zich er +achter. Dan neemt de bard het offermes, het lam wordt gebonden, voor +het beeld gelegd, en het vlijmend offermes glijdt door den malschen +hals, en het bloed bepurpert de blanke vacht. Terwijl het dier den +doodstrijd kampt, sprenkelt de priester het bloed in de vlammen, over +de hoofden der priesteressen, en de roep: »heil Frei en Freja!" wordt +heinde en ver herhaald. + +En zoo ver het oog draagt, ziet men heldervlammende lentevuren, terwijl +de lucht wedergalmt van blijde feestliederen, en de bard de ingewanden +van het offerdier onderzoekt, en daaruit voorspellingen maakt over +oogst en vrede. De priesters verlaten daarna de plaats en verschaffen +der menigte vrijheid, hunne lentevermaken te vervolgen. Alle meisjes +vormen nu een wijden kring rondom den boom en den meigraaf, en naar +de toonen van der skalden instrumenten huppelt men, zingende terwijl +het feestvuur knettert: + + + O Maigreef, zie in 't ronde, + Het blijde feest is daar! + Kies u een schoone blonde + Met bloemen in het haar. + + Kom, zoek u een majinde, + In onze reijen uit! + Ligt wordt zij uw beminde + En dan uw zoete bruid. + + +Dan laten de verdienstvolle schrijvers van »Ons Vaderland" den +meigreef, nadat hij de maagdenrei langs hem heen heeft doen huppelen +en zijne bloemkransen heeft opgeheven, aldus zingen: + + + Maar als ik heb gekozen, + Dan baat geen schuchter neen, + En met angstvallig blozen + Sluipt geen Majinde heen. + + De meikroon zal ik bieden + Als waardig minnepand, + En zoo ze bloo wil vlieden, + Het meisje draag' de schand! + + +En als dan de meigraaf gekozen heeft, zong men weder. Andere +jongelingen namen dan ook daaraan deel, en zoo verlustigde men zich, +totdat de laatste vonken van het feestvuur waren uitgedoofd. + +Overigens merken wij nog op, dat, bij den grooten strijd van zon en +duisternis, door Haudur en Baldur voorgesteld, men nog zomer en winter +vergeleek bij twee kampvechters die elkander den voorrang benijdden. + +Er is echter nog niet bepaald gezegd, wie dat feest was toegewijd. + +Aan een, bepaald was het zulks ook niet. In het voorgaande evenwel +heeft men reeds Ostera meermalen aangetroffen, en deze zal aan de +bijzondere vereering van het feest niet vreemd zijn geweest. + +Grimm verhaalt, dat de Aprilmaand in Duitschland nog Ostermonat genoemd +wordt, en deze Ostera, zegt hij, moet, even als het angs. Eastre, +een hooger wezen van het heidendom beteekend hebben. Het oude +h.d. adv. Ostar beduidt het aanbreken van den dag, evenzoo het oude +n. Austr. + +Ostera, Eastre mag alzoo eene godheid van den stralenden morgen, van +het opstijgende licht geweest zijn, eene vreugde en heil aanbrengende +verschijning. Ook Buddingh, Etmuller en Hoeufft denken aan een +herrijzingsfeest. + +Doch niet vermoedelijk alleen aan Ostera, ook aan de godinne der +liefde was het feest gewijd. + +Dat wijders de godin Ostera ook aan watervloeden en waterstroomen +vereerd werd, wil de oudheidliefhebber Buddingh bewezen hebben uit +den plaatsnaam Oosterlee: Ooster van Ostera, lee van water, alwaar +hij ontwijfelbare sporen van waterdienst wil zien. Het planten en +opsieren van meiboomen leidt hij het liefst uit hunne boomendienst af. + +Ook, zegt hij, waren de Friezen gewoon hunne feestvuren op hoogten +te ontsteken. + +Ofschoon nu echter ons Meifeest in April of Meiavond begint, dat ons +meer aan de viering alleen in April zou kunnen doen denken, zoo smelt +dit feest ongemerkt bij het meifeest in. Daarom hebben wij Ostera's +en meifeest in elkander laten vloeijen. [43] Welligt was er ook in +het heidendom geene grens. + +En nu het Meifeest, zoo als dit ongeveer een 15tal jaren terug door +ons werd medegevierd. + +Reeds eenige dagen vóór die zoozeer gewenschte meiavond daar is, +zijn de knapen ijverig bezig voornamelijk het hunne tot het vieren +daarvan aan te brengen. Allerwege houden zij zich onledig brandstoffen +te verzamelen, en menige bewoner van Oudewater en omtrek wordt met +kinderlijken aandrang aangezocht eenig hout voor hun doel af te +staan. [44] + +De brandstoffen, door de knapen vergaderd, worden alsdan op den +bewusten avond buiten de Broekerpoort (nu gesloopt) in Hekendorp +gebragt, alwaar men die in brand steekt. + +Terwijl men dan de houtmijt die reeds aanmerkelijken omvang heeft, +bij den IJssel ziet opgestapeld, en een aantal knapen in griendjes en +het Schakenbosch nog meerder hout zoeken; verbeidt men met ongeduld +het bespelen van het klokkenspel, dat te zes ure een aanvang neemt, +want dit is het sein tot het ontsteken der vuren. Twee aanvoerders, +die met de regeling van een en ander belast zijn [45], steken dan, +zoo spoedig het teeken uit den grijzen toren gehoord wordt, het vuur in +de brandmijt, en weldra knapt en knettert het meivuur, zijne roodgele +vlam al meer en meer verheffende en spattende vonken van zich werpende. + +Thans stijgt de vreugd ten top; knapen met stokken gewapend, huppelen +van vermaak, heffen bij het opstijgende meivuur een lied aan, en +lustig worden petten gezwaaid. + +Nadat men zich aldus geruimen tijd in dartelheid vermaakt heeft, en +de brandstofverzamelaars geen voldoenden voorraad meer aanbrengen, +de vlam begint te verkleinen en het vuur zich niet meer stoort aan de +opwakkeringen van de stokende knapen, begint men te spreken van dokken +[46], dat gewoonlijk ook bijval vindt. De aanvoerders hebben hun gezag +verloren, springen door het verflaauwende meivuur en dokken mede. Men +werpt petten, zoo men kan, ook elkander er in, en het meivuur is tot +genoegen van deelnemers en toeschouwers afgeloopen. + +Dat groote meivuur uitgenomen, ziet men daarenboven hier en daar in +om de stad gelegene tuinen en elders, kleinere vuren ontsteken. + +Ook was men vroeger tijd gewoon, hier meiboomen plaatsen, waarboven +eene kroon was gesteld, welke veel overeenkomst had met die voorwerpen +van hoepelhout en papier, waarmede men het verkrijgen van nieuwe +haring kenmerkt. Op het Roodzand [47] werd, nog geen vijftig jaren +geleden, dusdanige boom gezien, om denwelken in dolzinnige vreugde +werd heen gesprongen. + +Insgelijks kwamen eertijds vele ingezetenen met de meifeesten op de +stoepen bijeen, en dan werd de avond in blijden kout doorgebragt, +en nog wordt des zondags gedurende geheel de Meimaand het klokkespel +van zes tot zeven ure bespeeld. + +En nu, geachte lezer, willen wij het verband van vroeger en nu +aantoonen, door ons op bladz. 40 beloofd. + +Het was wel niet te verwonderen, dat het heidendom met Mei een feest +aan den lentegod en aan Freja offerde. Zij kenden immers den grooten +God niet dien wij aanbidden, en wat kon hen, die natuurdienst hadden, +wel meer daartoe aansporen dan de zoete Mei? Dan, als de boomen +ontloken, de aarde met schoone bloemen bezaaid was en met jeugdig +groen bedekt, de geur van meitakken op den adem des winds door de +lucht werd gedragen en de vogels hunne nesten bouwden, hun lief gezang +aanhieven en eijeren legden, die hen aan de herleving herinnerden. + +Dachten zij reeds zoo, het zou welligt immers eene ijdele poging +zijn het getal dichters op te sommen, die in onzen tijd nog de lente +hebben bezongen. + +De lezer zal opgemerkt hebben, dat het gebruik uit het Noorden, van +meiboomen te planten, waarvan is melding gemaakt, ook in Oudewater +in gebruik was. + +De grens of vloed van het dorp, waarheen wij zagen, dat het beeld des +winters werd gedragen, komen beide hier in aanmerking, in betrekking +tot de plaats waar het meivuur gebrand wordt: nu nog is het de +gewoonte, met onbeduidenden wind het meivuur omstreeks een boogscheut +afstands van de grens der gemeente te ontsteken. Welligt was het +ook toen reeds in gebruik, het feestvuur op die grens te branden, +wijl zij ook dat voor heeft dat zij aan den IJsselvloed ligt: dit +toch verkrijgt te meer grond, doordien Buddingh meent (zie hierover +bladz 55) dat de godin Ostera ook aan watervloeden vereerd werd, en +dat de Friezen gewoon waren hunne vuren op hoogten te ontsteken. Dit +treffen wij alhier immers aan, wijl het meivuur langs den IJssel +gestookt wordt in Hekendorp: dorp komt hier af van terp, en terp is +hoogte, en dat Hekendorp vroeg bewoonbaar was, zal de lezer zich uit +de geologie herinneren kunnen. + +In de aanvoerders zien wij de meigraven of barden waarvan wij spraken, +en het voormalige meivuren branden op verschillende punten hield, +zooals werd aangetoond, immers in onze kinderjaren nog stand. + +Het oude noordsche spreekwoord: »de zomer rijdt het land in" wordt +herinnerd door ons gezegde: »de zomer is in het land". + +Het zingen en springen bij het feestvuur wordt nog door de knapen +herhaald. + +Met Mei trad men in het huwelijk en versierde het feestvertrek; +maar de meimaand is immers ook nu nog de geliefkoosde maand om de +huwelijksboot in te stappen, terwijl ook de meitakken nog in de huizen +niet zeldzaam zijn. + +De klokken worden Zondag in Mei bespeeld, het meifeest was mede en +voornamelijk een zonnefeest. + +Niet waar, geachte lezer! treffende gelijkenis, o. i. onomstootbare +bewijzen dat het meifeest een zonnefeest was; maar ook aan de godin +der liefde gewijd werd. + +Wat al gedachten kan zulks opwekken, nu wij immers eenigzins het +verschil kennen, tusschen heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol +kinderspel van thans! + +In Junij vierde men in tegenoverstelling van het Midwinter-, het + + + + +Midzomerfeest. + +De zon, in den eersten nacht van het Joelfeest geboren, heeft op +21 Junij haar hoogste standpunt. Nu ook wordt de strijd tusschen +duisternis en licht beslist. Baldur, de zonnegod, moet het onderspit +delven, Haudur heeft met den misteltein den eerste gedood. + +De feestvuren van elders, spelen niet onduidelijk op den lijkbrand +van Baldur. + +»Op Pinkster," zegt Hofdijk, »kwamen de afgevaardigden der zeven +Friesche Zeelanden bij den bekenden Upsal-boom te zamen, en deze +historische bijzonderheid doet aan Baldur denken," enz. + +Het vroegere oude gebruik van Gouda om zich voor Pinksteren met +daauwslaan te verlustigen, is volgens Buddingh nog een overblijfsel van +het midzomerfeest. »Insgelijks bestaat nog de oude feestgewoonte," +zegt hij immers, het midzomerfeest beschrijvende, »om namelijk +op pinkstermorgen vóór dag en dauw, zoo men het noemt, de stad te +verlaten, zich in het veld te verzamelen en met groen en bloemen +te versieren, dat men dauwtrappen of dauwslaan noemt. Wie bij deze +gelegenheid te laat in het veld komt, is van de geheele menigte +de luilak. + +In deze plaats verlaat men den zaturdag vóór Pinksteren zeer vroeg +zijne slaapplaats, en die te laat komt, of liever bij wien men het huis +gesloten vindt, behangt men de woning met zoogenoemde kikkerbloemen +(van de familie der coroniferae); zoodanige slaper is dan de vuiglak; +vuig, weet men, is traag, vadsig; lak komt van laken, verafschuwen. + +De dag zelf draagt nog den naam van + + + + +Vuige Pinksteren; + +en het lied: + + + Vuiglak, vuiglak! + Vuiglak is vroeg opgestaan + En toen weer naar zijn bed gegaan" + + +wordt dikwijls ten spot van zoodanige tragen gezongen. + +Bij het stuk over het meifeest, geachte lezer, hadden wij u reeds +bekend kunnen maken met iets van zoo groot belang voor de mythologie +of liever voor hare afschaduwingen in ons leven, dat dit nu toch niet +langer verzwegen zij, hoewel het ook nader nog meermalen in herinnering +zal worden gebragt. Hiervoor zij dus uwe bijzondere aandacht verzocht. + +Toen het Christendom ook in ons land over het heidendom allengs begon +te zegevieren, werd menig gebruik van der heidenen natuurleer of +godendienst, tot kinderspel verlaagd, de namen hunner goden werden +dikwijls door verachtelijke namen in afschuw gebragt; in één woord, +menigmaal stelde men wat vroeger zeer in aanzien stond, in een +bespottelijk daglicht, en zoo stak de duisternis van hunne dienst +nog sterker af bij het licht, door de geloofsverkondigers ontstoken. + +Daarom werd het meivuur alligt vreugdevol kinderspel, en daarom moeten +wij ook hierna nog dikwijls, met in onze taal verachtelijke woorden +hunne voormalige godendienst aantoonen. + +De reden, dat zulks nu door ons wordt vermeld, is deze, dat wij nog in +de vuige Pinksteren iets gissen te zien, dat als eene nieuwe gedachte +bijzonder den geleerde met de meeste bescheidenheid zij voorgelegd. + +De lezer kan nu weten, dat de zonnegod in den moedernacht werd +geboren. Vroeg in het jaar dus, wijl het jaaringang was. + +Moet hier de lichtgod Baldur den luilak niet verbeelden, van wien +men zingt: + + + »Luilak is vroeg opgestaan"? + + +Op de luilakken die lang slapen, kunnen wij toch wel niet toepassen, +dat zij vroeg opstaan. + +In Junij waarin onze Pinksteren gemeenlijk invalt, heeft de zon +haar hoogste standplaats in deze gewesten bekomen en gaat al lager, +zij legt zich hoe langer hoe meer ter ruste, en dan vindt ook Baldur +ruste in den dood. + +Wordt dit niet herdacht door: + + + »En toen weer naar zijn bed gegaan"? + + +Hoe het zij, de gelijkenis was o. i. te treffend om ze den mytholoog +te onthouden, vooral als de latere verafschuwing hunner leer en +menigvuldige mythologische overblijfselen dezer plaats hiermede worden +in verband gebragt. + +Vierde men op aarde het midzomerfeest met groote vreugde, ook de +Asen deden zulks in Walhalla, ter eere van den zoo men immers meende, +onkwetsbaren Baldur. + +Buddingh meent, dat men dit godenleven op Midgard of de aarde navolgde +door het steekspelen, balslaan, en doelschieten. + +Hierin kunnen wij ons met genoemden schrijver vereenigen. + +Behalve, dat het doelschieten ook hier eertijds plaats had, zou dan +ook het balslaan in het nabijgelegen Polsbroek, waar dit nog plaats +grijpt, hierop toegepast kunnen worden. Dit balslaan en kaatsen moet +zelfs in 1605 te Oudewater nog zoo sterk in zwang zijn geweest, dat +daartegen een verbod van den magistraat werd afgevaardigd, dit toch +onder de kerkdienst te laten: + +»Dat niemandt van den burgheren ofte inwoonderen deser stede, wie +hy sy, op sondaghen ofte geordonneerde biddaghen, van 'smorgens ten +neghen tot elf uren toe, zal mogen kaetsen." + +En op eene andere plaats: + +»Dat ook niemandt binnen deser stede op ter straten, op ten +kerckhove, uyte wateren bij de ramen, mitter kolven den bal slaen, +noch metter slingher [48], ofte ander instrument steenen, ofte yet +quetselikx werpen en sullen moghen, Ghelijck oock niemandt met boghen, +bussen, ofte diergelicken gheweren,.... buyten den doelen zal mogen +schieten...." [49] + +Ook het haan den kop afslaan [50] en katknuppelen op de zoogenaamde +en zotklinkende + + + + +Kaaloorsche kermis + +merkwaardig altijd tweede Pinksterdag invallende en omstreeks Hoenkop +plaats hebbende, zijn welligt sporen van het heidensche Midzomerfeest. + +De kermis op het nabijgelegen Haastrecht, die op den tijd van +midzomerfeest invalt, biedt eveneens nog een treffend spoor daarvan +aan: als de kermis begint, wordt aan beide zijden van het dorp een +kruis opgerigt, en wie dan balling was mogt op dien tijd ongehinderd +het dorp binnenkomen. Dit laat zich uitmuntend verklaren als men weet, +dat ook met het Baldursfeest welligt alle veten zullen zijn vergeten +en het zwaard in de scheede bleef. + + + +Toen nu Baldur in den strijd bezweken was, treurden daarover de goden +en ook de gansche natuur in de volgende weken, daarom ook staat +in Julij Heimdall, de wachter der goden, op de tinne des hemels, +en houdt de wacht tegen Mispelheim's zonen, want zwoel is de lucht +en groot het gevaar na Baldur's dood. De vuren, in de vorige maand +ontstoken, duren des nachts voort, opdat het monster der duisternis, +als het tegen de zon mogt aanrukken, moge verschrikt worden. [51] + +Het geldersch gebruik, om bij het invoeren van den laatsten oogst met +emmers en gieters vol water achter eene deeldeur te staan oppassen, +om zoowel den aanvoerder als de veldvrucht daarmede te begieten, +omdat dezelve in den algemeenen rouw niet droog mag binnenkomen, +hield voor jaren en houdt misschien nog stand in den omtrek van het +nabijgelegen Bodegraven, alhoewel eenigzins gewijzigd. + +In Augustus gaat de rouw der godenmoeder ten einde, zij bezoekt weder +de woningen der menschen, voor wie weder feesttijd aanbreekt. [52] +Het is de tijd van den oogst immers, en wie zou zich dan niet +verblijden? De heidenen deden dit reeds, want de geheele oogsttijd +was een vreugdetijd, en geen der geringste, wijl het derde groote +jaarfeest daarin plaats had. + +Wederom een treffend bewijs hunner natuurvereering. De natuur toch, +die in Mei, boomen en planten met kracht deed ontluiken en in Junij +en de volgende maand als het ware stilstond even als de godenmoeder +treurende, herleeft in Augustus merkbaar, gelijk ook bij de koningin +van Asgard, wier rouw ten einde gaat. De natuur doet het plantenheir +nog eenmaal met kracht ontluiken, en daarna is de ontwikkeling voor +dat jaar geëindigd, en de bladeren en de bloemen vallen weder af. + +Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. + +Men meende, dat in Augustus de + + + + +Oestwagen + +door de lucht reed. In Oudewater vindt men het geloof daaraan nog +niet geheel uitgedoofd. Wat echter die wagen was, zullen wij duidelijk +trachten te maken. + +Het was in de mythologie altijd een bewijs van eene groote godheid, +als men haar het bezit van een wagen toekende, waarmede zij door de +lucht reden. Zoo hadden Wodan, Thor enz. wagens. + +Veelvuldig zijn nog in het noordelijk deel van ons land de sprookjes +van rijdende wagens. Zoo kent men ergens een vurigen, op eene andere +plaats een ijzeren, onder Hedum een gloeijenden, in de Over-Betuwe +een helwagen, enz. + +Alleen te Zwartewaal in Zuid-Holland maakt Wollff [53] gewag van den +Oegstwagen. Doch deze laatste spelling Oegst met eene g daartusschen +houden wij voor onjuist. Zie hier de reden van onze meening. + +Men heeft zich waarschijnlijk in den waan gebragt, dat Oegstwagen +is gelijk Oogstwagen, als in den oogsttijd rijdende; doch daar wij +in Oudewater nooit van Oegst- altijd van Oestwagen hoorden gewagen, +houden wij zulks voor niets dan eene verbastering van Oster- of +Osterawagen. Bekend is het toch dat Ostera een wagen had, daar men +zeide: de zomer rijdt het land binnen. Welnu dan, diezelfde gedachte +gissen wij nu vervolgd met den Oestwagen in de laatste maand van +den zomer, wanneer men welligt zal gezegd hebben: de zomer rijdt het +land uit. + +Deze gissing, die wij echter niet met eigenwaan willen doordrijven, zij +alzoo met bescheidenheid aan het oordeel der mythologen onderworpen. + +In Oudewater--werd ons verhaald--kwam men voorheen dikwijls bij +stillen avondstond of nacht bijeen, om den oestwagen te hooren +rijden. Hoewel dit echter nu niet meer plaats heeft, is dit toch +zeker, dat ons gepasseerde jaar nog in allen ernst verzekerd werd, +dat men den Oestwagen nog kan hooren rijden. + +Voorzeker moeten wij ons hier verwonderen, hoe zoodanig bijgeloof zoo +stand kon houden; de eenvoudige werkman zeide echter ook: veel van +die zaken waren niet meer zooals ten tijde van zijn vader en toen hij +»een jongen" was, aanwezig, want toen de Franschen in het land waren, +hebben deze dat weggenomen. En inderdaad, de man had hierin gelijk, +dat op dien tijd het bijgeloof zoo in deze plaats als elders zeer +veel verminderde, dat hier echter de plaats niet is om te bewijzen. + +En hiermede vooreerst genoeg van de feesten in Augustus. Zien wij nu, +wat er van dit oord in September te verhalen is. + +Welligt viel naar de gissing van den Delfschen mytholoog omtrent +dezen tijd het derde jaargerigt der volksvergadering in, waarvan wij +de eerste in het voorjaar, de tweede in den zomer, en de derde in +het najaar kennen. + +Zoo werd nog in 1329 door hertog Jan III bepaald, de jaargedingen +te houden des maandags na Driekoningen, na beloken Paschen en +St. Jan-Baptist. + +Op welken tijd die nog in 1605 werden bepaald te zullen gehouden +worden in Oudewater, zal nader worden aangetoond, wijl deze op meerdere +mythologische feesttijden slaan. + +Opmerkelijk mag echter de oude kermistijd genoemd worden, welke +de laatste week in September, omstreeks St. Michael daar was. De +herfstnachtevening, die alsdan gevierd werd, zou nader, volgens gis van +prof. Rooijaards, op het feest van dien heilige zijn overgegaan. Hoe +het zij, de feestdag van St. Michiel werd in allen gevalle vroeger +zeer luisterrijk alhier gevierd, wijl de oude parochiekerk dien tot +patroon had. + + + +In October vinden wij alhier geene sporen van heidensche eerdienst. + +En van die in November, als het feest van St. Maarten bij de Christenen +inviel, en in December als het midwinterfeest daar was, is reeds +gesproken, en wij treden daaromtrent niet in herhaling. + + + +Gingen nu, geachte lezer, sommige zaken die men groot waardeerde, +tot diepe verachting en kinderspel over, dat echter ging niet met +alle heidensche feesten zoo. + +Het heidendom liet niet zoo gemakkelijk zijne blijde feesten glippen, +voor die van het christendom. + +Wijsselijk besloot men dus waar dit kon en niet met de kerk streed, +de feesten van eerstgenoemden op die der laatsten over te brengen; +alzoo waren de heidenen spoediger voor het christendom gewonnen. + +Daarom ook werd het midwinterfeest, waarbij zij hunne zonnegeboorte +vierden, veranderd in ons kersfeest, waarin de Christen de geboorte +herdenkt van den Zaligmaker. + +Het Osterfeest, waarin men het verrezen zonlicht herdacht, werd +het feest van den verrezen Godmensch. Nog noemt men in Duitschland +April Ostermonat, en het Paaschfeest Ostern. »De opstanding van +onzen Goddelijken Verlosser was de opgang van het morgenlicht der +eeuwigheid," zegt de heer Hofdijk, »van het licht der onsterfelijkheid, +glansender en heilrijker dan het rijzend licht van Astera." Ziedaar +genoeg om het feest der godinne in dat van den verrijzenden Heiland +te vervormen. + +»In Junij, de maand waarin Pinksteren gewoonlijk invalt," +zegt laatstgenoemde schrijver weder, »en de zon heur hoogste +standplaats heeft, vierden de noordsche goden het feest van Baldur, +den schoonste van hen allen, den lichtgod, en de menschen hielden ter +zijner eer het midzomerfeest. En om die onuitwischbare vierdagen te +verchristelijken, werd het feest der uitstorting van den heiligen Geest +daarop overgebracht." In plaats van den zoo zeer beminden Baldur werd +het feest van den zachtmoedigen Johannes den Dooper daarna gevierd. + +Van daar dus, zooals wij zagen, ook onze kaaloorsche kermisvreugde en +die van Haestrecht; van daar de zoo wijd beroemde of welligt beruchte +Stolksche Pinksteren; van daar niet onzeker, dat St. Joannes nog de +patroon is der kerken van de nabijgelegen plaatsen Gouda en Montfoort. + +Het herfstfeest werd daarna welligt gewijzigd in het feest van +St. Michiel, de patroon der kerk, waarbij ook tevens de vroegere +kermis inviel. + +Zie, zoo moesten en ook zoo konden de feesten van het heidendom +worden vervormd in die van het lichtende Christendom, dat toch ook +zijn feesten had. + +Nog kwam ons zeer opmerkelijk voor, dat de oude jaargerigten, die, zoo +als wij zagen, in Augustus plaats hadden en ook, volgens bepaling van +een van Hollands graven, nog op drie andere tijden, ook in Oudewater +na gehouden vacantie op eigenaartige tijden werden hervat. + +»Schepenen voors sullen onghehouden zyn ter vierschare te compareren, +omme partyen regt te administreren op de ordinaris vacantiedagen, +Beginnende d'eerste vacantie, vastelavontsdagh, [54] ende ghedurende +acht daghen. De tweede beginnende acht daghen voor Paesschen [55] +ende expirerende acht daghen nae Paesschen, De derde beginnende drie +daghen voor den vijfden Junij, wesende alsdan binnen dezer stede +ordinaris peerdemarckt ende gheduyrende drie daghen nae den selfden +vijfden Junij. De vierde, beginnende Pinxteravont [56], ende ghedurende +acht daghen lanc, de vijfde beginnende den XVIIIen Septembris [57], +wesende ordinaris Soutmarckt, ende gheduyrende veertien daghen, De +seste beginnende XVIIII daghen [58] voor kerkmisse, ende eyndigende +veertien daghen nae kerkmisse." [59] + +Uit een en ander is het nu gebleken, dat vele heidensche feesten +nog lang in afschaduwing stand hielden en nog stand houden; sommigen +echter hoe lang nog? [60] + +De Christelijke feesten zullen zeker blijven bestaan, doch de +feestvreugde op nieuwjaarsnacht? het tromslaan is niet meer in zwang, +en het schieten vernamen wij in de laatste jaren niet meer, nu dit van +wege het plaatselijk bestuur wordt verboden. Alleen het klokgebeijer, +het zingen van de nachtwacht en het jolen der menigte bleven. + +Tegen de vastenavond-buitensporigheden wordt nog even als vroeger +door kerkelijk gezag gestreden. + +Den eijermaandag zagen wij in eenige jaren zeer verflaauwen en veel +van zijn ouden luister verliezen. + +En het meivuur en de meivreugde? Waren de knapen in onze jeugd +nog bezig, dagen te voren uren en uren den speeltijd ontwoekerd, +brandstoffen voor het meifeest te verzamelen, thans schijnen zij +eerst daaraan te worden herinnerd, als het lustige + + + Hei, 't was in de Mei! + + +uit den--bouwkundig beschouwd--zoo schoonen toren hen tegengalmt. Wel +worden dan nog eenige brandstoffen in der haast bijeengeraapt, doch--en +dit laat zich zeer goed begrijpen--de mijt verheft zich niet meer +zooals vroeger, en weinig daarenboven zouden de veelal natte twijgen +aan het voorgestelde beantwoorden, hadde in den laatsten tijd, de +oudheidminnaar de knapen niet in staat gesteld, de smeulende takken +door gekocht hout te verlevendigen. + +Ook de aanvoerders die eertijds nog fungeerden, worden niet meer +benoemd. + +Voeg bij deze verflaauwing der knapen, de wet van 22 October 1836, +Prov. blad No. 82, luidende geen zaadstroo of ruigte, op het open +veld te verbranden, dan 16 Ned. ellen van den grooten weg of de +passage, een maatregel om het schrikken der paarden te voorkomen, +en de geachte lezer, maakt met ons ongetwijfeld de gevolgtrekking, +dat ook dit weldra niet meer zal worden aanschouwd. + +Alleen het brandde dit jaar nog in Hekendorp, nog aan den IJssel, +nog omstreeks de stadsgrens. + +De Vuige Pinksteren geraakt al meer en meer in vergetelheid. Zelden +wordt de Chaerophyllum silvester (kikkerbloem) meer van haren stengel +gerukt om, ten teeken van spot, aan de huizen te worden gebonden. + +De Kaaloorsche kermis wordt telkens minder, verplaatst zich, en +verliest daardoor van hare eigendommelijkheid. + +Ook de oude kermistijd (herfstnachtevening en St.-Michiel) is nu +verplaatst in Augustus, en wel sedert besluit van den raad op 29 +April 1854, hetwelk in Junij deszelfden jaars door Gedep. St. werd +goedgekeurd,--en eindelijk, Oudewater heeft geene schepenen meer, die +hunne gerigten op de aangetoonde zeer interessante tijden hervatten. + +Dit alles zouden wij kunnen verlengen, doch waarvoor? Er is antwoord +op de vraag: hoe lang nog? en dat antwoord is: niet lange meer. + +En de minnaar van onderzoek, zal alzoo na verloop van eenige jaren +slechts te vergeefs zoeken, naar de overblijfselen van vele dier +mythologische feesten, en de niet minnaar van onderzoek?... Weinig +zal hij er aan gedacht hebben, dat hij zoo lang de instandhouder +was van de heidensche feestviering, en wij, mogten wij in dit opzigt +voor het reeds ter neder geschrevene waarheid gesproken hebben wat +daaromtrent in het prospectus werd beloofd, onzerzijds gered en ter +neder geschreven, wat de tijdgeest van het volkseigen nog niet geheel +vernietigde en met zich voerde in den wijden stroom der vergetelheid. + + + +De maanden alzoo mythologisch beschouwd zijnde, zullen wij nog een +weinig bij de dagen der week verwijlen, wier benamingen insgelijks van +heidenschen oorsprong zijn, als bij de noordsche volkeren voornamelijk +van goden afgeleid zijnde. + +Zoo heeft Zondag betrekking op de zonvereering. Op Zondag is dan ook +gebleken, dat in Meimaand de klokken bespeeld worden, en treffend +genoeg was het Meifeest een zonnefeest. + +Maandag. Iedere gezindte, zegt Tydeman [61], diende hare godheid op +zijnen maandag der week. Deze dag wordt bij zeer vele landlieden +daardoor nog in eer gehouden, dat zij op denzelven tot geen prijs +eenig akkerwerk zullen beginnen; hij was dus oudtijds de rustdag voor +landbouw en vee. Het heidensch volk was gewoon op den heiligen weekdag, +van min noodzakelijke werken uit te rusten en gedeeltelijk den dag, +avond en nacht onder spel en met vreugde door te brengen. Ook vond +het gelegenheid, om dan bij tempels de wetten en bevelen te hooren +afkondigen, en de waren te verruilen of te verkoopen: van daar dat +de marktdagen en kermissen aan de heilige tijden verbonden werden. + +Van daar dan welligt eveneens den eijermaandag; van daar dat de tweede +vacatie van schepenen op Maandag werd hervat; van daar de Kaaloorsche +kermis op Maandag. De zesde vacatie van schepenen was insgelijks op +Maandag geëindigd; het begin van het oude kermisfeest was op dien +dag, en ook liet zich het carillon vóór eenige jaren van tien tot +elf ure op Maandag hooren. Zie, het zou toch al heel toevallig zijn, +zoo hier geene mythologie ten grondslag ligt en alles toeval is. + +Dingsdag, Woensdag en Donderdag lieten in onze omstreken geene sporen +van heidensche herinnering na, uitgenomen in hunnen naam, en dit is +alles behalve plaatselijk. + +Den naam Vrijdag, die aan Freija, ook aan Freja kan herinneren, +schrijven wij het liefst, gelijk anderen, aan de laatste, de godinne +der liefde, toe, omdat de Vrijdag ook alhier de dag is, waarop men +het meest aanteekent ten huwelijk; zonder dat het den verloofden +bewust is, wordt alsdan, in de verlichte negentiende eeuw, nog menig +offer aan Freja, de liefde-godin, gebragt, door op heur naamdag ten +aanteekening te gaan. + +Overigens nog herinneren de woorden: vrijen, vrijer, vrijster, +aan Freja. + +Zaturdag doet aan Satur denken. De Vuige Pinksteren op Zaturdag +invallende, heeft echter op dezen god geene betrekking. + +En hiermede besluiten wij de feesten en feesttijden. + + + + + + + +PLAATSNAMEN. + + +Bleek het reeds dat Oudewater zich op hooge oudheid kan beroemen, +zoowel uit zijn geologischen naam als uit zijne mythologische feesten +en feesttijden, zoo moeten onze medeburgers echter niet denken, dat +juist deze plaats alleen, uit den geheelen omtrek hierop zich mag +verheffen. Neen, ook de namen van naburige gemeenten bewijzen maar +al te zeer, dat zij geenszins uit de jongste tijden dagteekenen. In +het kort willen wij dit, zoo veel in ons is, aantoonen: ten eerste +daar wij zulks eenigzins verpligt zijn, als beschrijvende Oudewater en +omtrek; ten andere omdat wij, eenmaal in onzen mythologischen bloemhof +rondwarende om een tuiltje te maken, daar bloemen zagen die wij hier +misten, en die in onze verzameling naar ons oordeel niet misstonden, +bloemen in het heidendom geplant en hunne planters zoo lange door het +christendom heen nog niet verloochenende, maar integendeel ons nu nog +tegengeurende. En voor het overige, hoe meer bewijzen immers worden +aangevoerd, van mythologie uit den omtrek, zooveel te meer is het +onloochenbaar dat de ruwe voorvader ook eenmaal zijne hutten opsloeg, +op de plaats van het tegenwoordig Oudewater. + +Het eerst trachten wij dan te vermelden, den + + + + +Naamsoorsprong van Haastrecht. + +De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den +eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatste h +toch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds +zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene +klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter +voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak +de oorzaak tot spotternij: + + + Hik eb een ondje + met een okje, enz. + + +In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen, +mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping: +het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een +overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen. + +Deze zelfde verwisseling had ook te Oudewater plaats, na te gaan in +de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls +zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen. + +Ziet zoo schijnt dus Aas veranderd te zijn in Haas. + +Trecht was een overtogt over een water [62], en zoo ziet men, dat +Haastrecht weleer, veelligt een trecht was aan den IJssel, waar de +een of andere aas (haas of god) vereerd werd. + +Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de +bijna twee uren van Oudewater liggende boerenbuurt + + + + +Heeswijk. + +Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa- +dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken, +van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en +van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is, +was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en +met dit de herinnering als in Haastrecht aan den een of anderen god. + +Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase, +Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es, +ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz. + +Zekere landen tusschen Oudewater en Montfoort, de Es-kampen genaamd, +krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis. + +Dat overigens Heeswijk van vóórchristelijke dagteekening is of kan +zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en +uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken +zoowel als wouden, bergen, terpen, wijken en hoven aan de Asen kunnen +zijn toegewijd geweest. + +Wijk is echter meer geologisch. Men bewoonde, zoo als men weet, +terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken +(vici), en hiervoor bood Heeswijk zich aan, gelijk straks werd +aangetoond. Mastwijk, Bulwijk, Cromwijk en Vlooswijk, die allen in +den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn. + +Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh, +bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is +land of landschap. + +In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken, +dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart +bleek, in Barboswaarder een Goy, in Rapijnen bij Linschoten een Goy +en in de buurt Kattenbroek niet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de +vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons--indien deze +allen van dien tijd zijn--toch wat duister voor, omdat in zoodanig +kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk +allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn. + +Wat kan + + + + +Montfoort + +beteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo +doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden) +de volgende voorslagen: + +Zou het woord Montfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons +fortis--sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden +van Mont en forde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en +waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan +gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen +H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier +Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers +maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der +maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen +op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij, +dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan +Scandinavische volkeren onder de namen mond, enz. is vereerd geworden. + +En foort zou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen +als: overgang over een water. + +De verklaring van het woord Montfoort zou alzoo zijn: overgang over +een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd. + + + + +Wulverhorst + +is de naam eener boerenbuurt, ruim een uur van Oudewater. Meergenoemde +schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met +Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen +of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden +onderhouden. Zoo noemt hij o. a. Brinkhorst, Lijnhorst. + +Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over +tot de uitlegging van horst voor een klein bosch. + +Wulverhorst kan alzoo een bosch geweest zijn, waarin zich wolven +ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam. + +Het boven aangehaalde Lijnhorst is echter meer opmerkelijk, als dit +vergeleken wordt bij Wulverhorst, en wij daarbij nagaan, dat + + + + +Linschoten + +daarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins +verwant. + +Wat beteekent echter Lin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin +Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht +van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms, +die de menschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen +afkust." [63] Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn, +Linia, Lin. + +De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin +van Freja, Lin, in Linschoten een spoor harer vereering naliet, had +zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene +plaats, waar men ter harer eer schoot, schoten deed, en dit zou alsdan +ook licht over de laatste lettergrepen van Linschoten verspreiden. + +Zoo werd dan de maan (mond) te Montfoort, en Linia te Linschoten +vereerd. + +Liet Linia, die de lijdenden zoo verzorgde, ook nog niet in den naam +Zorglijn--naam op het hek van een weiland bij deze plaats--een spoor +harer vereering na? + + + + +Roozendaal. + +Bij het bespreken van de buurt Wulverhorst verwierpen wij eenigzins de +afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom +zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrent Roozendaal, +dat alsdan Ros- of Rossendaal zou genoemd zijn en gemakkelijk in +Roozendaal kan zijn overgegaan. + +Daarnaast, ligt naar Oudewater op: + + + + +Vliet. + +Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en +zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden, +naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij Buddingh Vliedbergen +genaamd. Ook bij Oudewater hebben wij, zooals boven kan gezien +worden, nog eene streek Vliet genaamd. Vroeger stond daar een kasteel +waarvan nog een bouwval staat, insgelijks Vliet genaamd. Doch dit +alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was: +het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis +te Vliet staat en wordt zij thans nog niet het hoogt genoemd? Wel is +waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer +dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was +daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te +Vliet werd zij grootendeels weggegraven. + +Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan +aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking +genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht +worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen +door het woord daal--dal--in Roozendaal, dat, zooals bekend is, +daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig +het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En +wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan +ook Wierxoord bij Goejanverwellesluis eveneens daaraan herinneren. + +De lettergreep cop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den +omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn: + + + + +Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop, +Teccop, enz. + +zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop, +kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij +echter gaarne voor eene betere glippen. + +Is + + + + +Lopik + +ook eene verbastering van Locop, even als Japik die is van Jacob? Dit +laten wij ter beslissing der lezers over. + +De uitgang in + + + + +Cattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek, + +allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent +eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurt + + + + +Ruige Weide + +zal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve +zegt o. i. wat het is. + + + + +Hekendorp + +is een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee +eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit +het heidendom, n.l. de nechsen: de n ging in h over, [64] zoodat zulks +Hechsendorp werd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wij Hekendorp +aangeduid Hexendorp. Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte. + +Ook de naam van het naburige + + + + +Popelendam + +herinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh: +»Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die, +zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen +wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo." Grimm kent +de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook in Delft heeft men nog +schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg. Popelendam herinnert ook +alzoo aan een of meerdere waterbewoners. + + + + + +WOUDENDIENST. + +Barwoutswaarder, Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bij +Oudewater. + + + "Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen + en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat + er toe hoorde te onderhouden." + + P. H. Tydeman. + + "Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick + geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van + beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die + zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte." + + Goudsch Kronijkske. + + +Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom +heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden, +daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de +mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen +en den mensch om het leven gebragt. Geen oningewijde stond het vrij, +deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgegane overeenkomst zich +het gebruik dier gronden te veroorloven. + +Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het +heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij +insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden, +want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet +opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend +groot en bevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op +zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen, +welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid +moesten voorbereiden. + +Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de +tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en +hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene +feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden +tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname +prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid, +die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs +het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng +of met den dood gestraft. + +Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende +op den grond of op onderliggende steenen. + +Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt. [65] + +De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro, +bearo (bar, beer) genoemd. + +In het nabijgelegen Barwoutswaarder treft men, zoo als wij zien, +bar aan. + +Barwoutwaarder is aldus: woud waar eene heidensche vereeringsplaats +was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie +en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek. + +Wat is echter Schagen bij Linschoten en het Schakenbosch bij +Oudewater? Het antwoord is zeer kort. Schagen, Schaken acht men te +zijn afgeleid van sacrum. [66] De vertaling van Schakenbosch (sacrum +nemus) zou alsdan zijn + + + + +Heilig Woud [67]. + +Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden. + +Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte, +vergaderde hij hen in een heilig bosch. + +Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op +de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch +bij Voorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts van Nijmegen); +3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de +plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden, +en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de +sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland, +waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel +bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen +Roomburg en het Praetorium ging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk +zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers +gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand +bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu +de naam Schakenbosch bij Oudewater. + +Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk 's Gravenhage of aan +Voorschoten de eer, dat daar dat heilig woud eertijds zijne trotsche +kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele +heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen +een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het +bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat van +Voorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bij Oudewater, dat, +naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom +verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende +plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat dit +alles bosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door +ledige vakken. + +Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren +reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich +uitstrekte,--indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder +ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek +van Gorkum tot aan het zeestrand en (let wel) over den Rijn tot aan +Haarlem zich uitstrekte,--dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bij +Haarlem van Leiden beginnende, zoo digt en donker was, dat men die +twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de +aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat +wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte +van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken. + +Hier nog bijgevoegd Schagen en Wulverhorst in de nabijheid, alsmede +Barwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout, +zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze +aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte +de stoute verklaring van Lud. Smids [68], dat vroeger Suidholland, +het Sticht van Utrecht en Rijnland enkel bosch en meer waren, en +het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn +einde. [69] + +Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor, +die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als +'s Gravenhage. + + + +En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen +rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden, +en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het +u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet +zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen, +van gedaante verwisseld; dat zij ons voere over de wijde klove van +vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak! + +Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met +ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een +valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen +schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het +verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste +dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de +malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak +en vlierstruik tegen, gedragen wordende op den adem der frissche +atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het +is morgen. + +In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en +zijne muze hem toefluisterde: + + + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen, + En maakt van 't stof zich los en vrij, + Dat hem met tragen boei wil teuglen + Als waar zijn vlucht slechts hoovaardij! + Dan stijgt hij boven zonnewegen, + Wat wet van zwaartekracht regeert, + En zweeft den eeuwgen vader tegen + Wiens grootheid hij met knieling eert; + Wiens wijsheid hem verstomd doet buigen, + Wiens almacht hem ontzachlijk is, + Maar van Wiens liefde 't luidst getuigen + Die stemmen vol geheimenis, + Die uitgaan in de stille wouden, + Wier niet te ontraadslen wonderkracht + Eene eeuwige eenheid blijft behouden + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . [70] + + +En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur, +spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte +verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor +ons liggende Schakenbosch. + +Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de +voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die +in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen +wij hiervoor liever een anderen tijd: nu een morgenuur daar in het +woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch +in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen +de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende +rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan. + +En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij +staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel +een weg. [71] Een waterstroom door een bosch, welk eene pracht! Wat +teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, +die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water +zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels +en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons +oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke +wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur. + +Zoodanig woud moest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren +van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de +kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten +van onschuldige offers. + +Zulk een stroom moest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten +woonden en zijne bekoorlijke nimphen. + +Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen +gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte +drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat +het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door +het gekras van raven en gehinnik van paarden. + +Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor +die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik +der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste +dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het +binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen, +doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in +onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed +zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den +eenigen Maker van dit alles! + +Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen +van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter +beven op de bladstelen, bemoste ruwe wilgentakken en fiere beuken, +nooit door den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde +een prachtig natuurdak vormende, in welks geheimzinnig, ruischend +loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen, +en door hetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als +ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige +overeenstemming heerscht van een somber licht. + +Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet +speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder +het statig + + + . . . . lommer was de somberheid van 't graf: + Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladert + Beschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadert + Van heide en woudmoeras, die als een zwart gewaad + Het kreupelhout verdicht en om de stammen slaat; + Een strakke duisternis, die d' afstand wech doet vloeijen, + Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen, + Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid-- + Een onbewogen zee van louter donkerheid. + + +Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar +boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend +doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende +over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om +den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart, +als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere +heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven, +ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens. + +En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig +boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu +wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen +van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van +dit oord in strijd zijn. + +En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen +wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten +vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij +het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het +ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws +verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken. + +Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in +de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en +de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven +hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in +verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat +kleine stuk bouwland genoemd wordt, zal hij u zeggen welligt: vriend, +dat is het Schakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. En +wij zeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen +offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan +is het of de tijdgeest fluistert: vergankelijkheid!!! En wij herhalen +in begeestering: + + + 't Schakenbosch is nu verdwenen + Met zijn digtgeweven kruin; + Godenbeelden, offersteenen, + Liggen lange reeds in puin. + + Nimmer zal men meer vergadren + Onder 't lispelend geblaart, + Want zij zijn niet meer, die vadren, + Zoo vol moeds en zoo vermaard. + + 't Schakenbosch waarin de heiden + Zijnen goden offers bragt, + Opdat alle ramp en lijden + Steeds mogt wijken door hun magt. + + Ach, dit Schakenbosch zoo prachtig, + Ook aan feestvreugd vaak gewijd, + Is verdwenen, doch de naam nog + Lispelt van verganklijkheid. + + Geen frameeën meer, geen schilden + Hangen aan den trotschen eik, + En de lijkasch dezer »wilden", + Werd vereend met de IJsselslijk. + + +Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk +begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden. + +Waar nu woonden die? Treft men bij Oudewater daarvan nog een spoor aan? + +Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook +hunne hoven hadden. + +In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring--Opsporing van +Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.--worden wij met +zeer vele hofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland, +die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de +andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning, +door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden. [72] + +»Die tempelhoven," zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat +het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is +mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud, +gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelf even als het hof in het +Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die +hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en +in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar." + +Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het +schakenbosch hier. Immers + + + + +het Papenhoef + +een steenworp van Oudewater en ongeveer 15 minuten van het land +liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte +toen--kunnen wij haast met zekerheid zeggen--een deel uit van het +heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die +twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking +nemen. Had het meerbekende schakenbosch bij Voorschoten dus eene +hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisseling hoef voor hof +kan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, dat oo +dikwijls oe geschreven werd. [73] Papenhof of hoof zal dus Papenhoef +zijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier +dus zal het tempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren +van het heidendom daar gewoond hebben. + +Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer +ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor +aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats +ook tot een christelijk einde ingerigt (langs het Papenhoef ligt de +Kerkwetering) en werd alsdan het Papenhoef. [74] Dit althans is zeker: +de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het +Christendom over. + +Zeer treffend ligt in het oude Barwouts of Barboswaarder insgelijks +een Hofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons, +behoeft niet te worden gezegd. + +Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven +tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij +als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het +kunnen ophelderen, of aldus Vollenhoven, Schoonhoven, Zevenhoven, +Achttienhoven en vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór +het Christendom aldaar opklimmen." + +Wat het nabijgelegen Schoonhoven aangaat, deelen wij zoowel den +schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van +het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bij Schoonhoven +aanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.) + +Ook Achthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt, +en hetwelk in onzen omtrek (bij Montfoort) ligt, was, indien wij +het hiervoren over Montfoort geschrevene nagaan, alligt eene plaats +heugende van het heidendom. + +Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere + + + + + +PLANTEN- EN BOOMENDIENST. + + +De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra, +aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de +Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris) +waren welligt allen planten die men vereerde. + +Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum +silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt. + +In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog +zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten +geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken, +dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt +werd en sedert altijd met roode vlekken op de bladeren is. + +Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren +zooveel geld bieden" volgens de overlevering, is welligt bijgeloof +verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof +aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren" in boeken +bij hen aan. + +Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk. De heer van +den Bergh zelfs [75], die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt +hieraan niet, evenmin als andere schrijvers. + +De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn +vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh +zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken, +vonderhouten genaamd. + +Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van +eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op 's +Grevehof in Zutphen werd het leengerigt gehouden onder een eik en +linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit +Wolff's Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat van Koekelenberg +naar Molenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij, +waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam +om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene +vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag, +de nacht is voor mij!" en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom. + +Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de +heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de +menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet +het op Thunar of Wodan. + +Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste +evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius, +die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden +berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering, +de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand. + +Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder +het grondhout aangetroffen. + +De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij +voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij +de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn. + +Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de +lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage +Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde +in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naam + + + + +Weesboom, + +als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche +linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden, +vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den +aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem +eens zooveel omtrek bij komt. + +Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk +te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als +hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en +ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk +uit de Mythologie. + +Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den +voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een +boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren +daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden +van Lage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn, +onder zijne woudendienst noemt. + +Zie hier, o.i., de bewijzen: + +Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe ouders of van wie ook +gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren +kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng +dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u: +zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting +juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde, +nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men +dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker +is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering +weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt. + + + +En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen +hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in +het grijze Oudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier +daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het +geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp. + +En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige +wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt +tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare +vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen! + +Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog +en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken--aangenomen +dat hij zoo oud is als wij meenen--van geslachten en geslachten, +die hij overleefde van uit het heidendom tot in dit jaar! + +Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan, +Thor en Freija in vereering waren en men ook hem met ontzag naderde +en toen het Heidendom voor het Christendom week. + +Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de +Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit +daarvan betwistteden--omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in +de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ook Oudewater beroerden. + +Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het +teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in +1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe, +doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins +genomen werd--hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige +poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op +verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,--doch +hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had +uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts +flaauw of in het geheel niet de naam overbleef. + +Zij kwamen en zij verdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog +steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen +hunnen vernielenden invloed. + +En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het +nederige Oudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne +knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet +dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde, +hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord. + +Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeld Feesten en +feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder +met de mythologische onderwerpen, die in Oudewater en omtrek voor +tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te +schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken +te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd +gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden. + +Budding's Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg. + +Voor de + + + + +Terpen, Wieren en Vlietbergen + +zoude men dus kunnen verwijzen, naar Hekendorp en welligt ook naar +Vliet en Wierxoord. + + + + +Wijken of Wijkplaatsen + +zijn Heeswijk, Mastwijk, Bulwijk, Sluipwijk, Kromwijk. + + + + +Go-plaatsen + +Goy in Boswaerder, Goy in Rapijnen en drie Goyen in Kattenbroek. + +Terwijl van de + + + + +Loo-plaatsen + +Lopik en het oude Bodekulo (Bodegraven), zouden kunnen worden +aangemerkt. + + + + + +WATERDIENST EN WATERBEVOLKING. + + + Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt + er offers. + + D. Buddingh. + + +Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologie niet alleen +water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende +kunne en hoedanigheid. + +Bij Tacitus--om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit +zou kunnen bewezen worden--vindt men vermeld, dat, toen de moedige +kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen +aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door hen aan de tegenwoordigheid +van den Rijn te herinneren. + +Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs +daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed: meer dan +men oppervlakkig denkt. + +Wie uwer heeft als kind nooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet +te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water +mogte trekken. Als kind geloofdet gij zulks, doch hebt gij als man wel +ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk +uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo: +zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting +zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijn is er, zij +het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt +dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken +aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd. + +Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der +doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren +sporen harer vereering naliet, in verschillende helplaatsen. Ook +te Oudewater hebben wij aan den IJssel nog eene woning genoemd: het +helletje, die het aandenken onloochenbaar aan Hela heeft, en waarop +wij nader in het breede hopen terug te komen. + +Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt, +en ook merken wij op, dat de plaatsnaam Schakenbosch nog een land +voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende. + +De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen. + +En ten slotte herinnert de naam Hekendorp afkomende van Nechsendorp, +insgelijks aan Watergeesten. + +De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds +komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen, +en spreken met de menschen. + +De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben, +volgens Blommaert, groen haar. + +Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar +eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts +eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschen +Utrecht en Oudewater gaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke +gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur. + +Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje: + + + »Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren; + Als de avondzon in 't golvend schuim verzonk, + Een zeemeermin zich wieglen op de baren, + Wen dijnend schoon haar groene vlecht doorblonk." + + +Te Schoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot +aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan, +zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken +nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu +duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat +men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen +haar hebben. + + + + + +VUURDIENST. + +»Vuur- en Waterdienst zijn zeer met elkander verwant," zegt Buddingh, +en naar onze meening te regt. Zagen wij immers niet het meivuur, +dat onder dit hoofdstukje kan gerangschikt worden, aan den IJssel +branden? Ook dit zij nader herinnerd, als over den lijkbrand zal +geschreven worden. Om echter verder in geene gissingen te treden, +zullen wij het hierbij laten blijven. Genoeg dat deze dienst +onloochenbaar is bewezen, en hare overeenstemming met de waterdienst +ook hier is aangetoond. + + + + + +DIERENDIENST. + +De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten +optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd. + +Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven--Tacitus, +van de Germanen sprekende [76], verhaalt, dat het hun eigen was om +uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die +glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden +op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de +heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten +des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan +geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het +volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich +zelven voor de dienaren--de paarden voor de medewustigen der goden. + +Zooals vermeld is, zagen wij in Roozendaal, dat, gelijk bewezen +werd, tot het Schakenbosch zal hebben behoord, zoodanige plaats waar +de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze +dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in +den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem +genoten had,--dat werd ook de eer aangedaan op denzelfden houtmijt +met het lijk zijns meesters te worden verbrand. [77] Ook dit zullen +wij nader gelegenheid hebben op Oudewater toe te passen. + +Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden +zeer in aanzien. + +Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl +zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het +Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond; +terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen +gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van +Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de +nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding, +zij onder dit stuk gedacht. + + + + + +VOGELVEREERING. + +»Dat is een geluksvogel; die een ongeluksvogel!" zoodanig gezegde +zult gij, geachte lezer, wel dikwijls vernomen hebben. Doch bij dat +vernemen heeft menigeen er niet aan gedacht, dat men ook hiervan den +oorsprong in de mythologie onzer vaderen te zoeken had. + +De priesters der ouden maakten bij het voorspellen van iets, vooral +ook veel gebruik van het geluid en de vlugt der vogels. + +Nog is de ooijevaar--elders heileuver--heilaanbrenger, bij sommigen +in hoog aanzien; een ooijevaar immers die het nest op een huis maakt, +brengt, gelijk men wel zegt, geluk aan: het verstoren dier vogels +het tegendeel. Ziet men hem voor het eerst in het lieve voorjaar, +met veel geld bij zich, dan is men geheel het jaar niet zonder. + +Ook de zwanen en zwaluwen rangschikken wij, in navolging der geleerden, +onder deze rubriek. + +Op het dooden van ooijevaars en zwanen stond eertijds zelfs de +doodstraf. Ziet, zoo hield zich ook deze vereering nog lang staande. + +De zwaan was in de natuurleer onzer vaderen aan de godin der liefde +gewijd. Zonder dat ook wij hier juist eene gevolgtrekking willen maken, +is het gebruik der palmpaschen, die dikwijls met afbeeldingen van +zwanen zijn versierd, opmerkelijk. Te opmerkelijker omdat ook die +welligt weder tot kinderspel overging. + +»Zwaluwen zou ik niet gaarne verstoren," zeide mij iemand, »want +die staan in de Schrift beschreven." Ook dit zoeken wij als in de +mythologie van origine zijnde: velen toch beschouwen ook zonder deze +uitlegging de zwaluwen als heilaanbrengende vogels. + +Ook de haan is van beteekenis evenals de zwaluw; verkondigt de laatste +het naderen der lieve lente: de eerste vermeldt het aanbreken van +den dag. Hoewel dit nog niet als heidensch kan worden beschouwd, +zoo spelen de hanen toch in de Noordsche Mythologie [78] eene rol die +men oppervlakkig niet zou vermoeden. Men kent daarin bij de Trolden +de vuurroode, de gele bij de Asen, en de zwarte in de onderwereld. + +Het hanensabalen op de Kaaloorsche kermis bij HOENkoop, het vermeld +vinden van: »offert den goden een haan," en de zeer interessante +bijdrage, die wij nog nergens aantroffen: dat men, bij het verhuren +van landerijen, bij den huurprijs nog een haan moest voegen, als die +leverbaar was, kunnen o.i. allen aan deze vereering doen denken. + +Vraagt men: wanneer was de haan leverbaar? wij zeggen, dat men zulks +er voor hield als deze vogel van den grond kon springen op den rand +eens wateremmers. + +Koekoek en specht zijn weder voorspellende vogels. + +Onheilspellenden zijn welligt raven, eksters, uilen en de roode haan. + +Odin wordt voorgesteld met raven bij zich, die hij elken dag laat +uitvliegen, en welke hem daarna vertellen wat nieuws er is; het zal +uitkomen, zegt men immers, al zouden de raven het uitschreeuwen. + +Het huilen van nachtuilen wordt bij velen als zeer ongunstig beschouwd. + +En de roode haan ten slotte, hoewel ongunstig en overdragtelijk, +en zulks welligt geworden bij de verachting des heidendoms, is al te +wel bekend. + +In Oudewater ten minste herinnert men zich het tartende en spijtige +gezegde van van Bossu in 1573, toen hij voor deze plaats met zijne +soldaten en gepreste boeren het hoofd stiet [79]: + + + »Al eerder een jaar ten einde zou gaan, + Zal ik er door jagen den rooden haan." + + + + + +GEDROCHTEN. + +De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen +als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan +gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was +de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het +woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver, +nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch +wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest +zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en +vertaalt het maanverzwelger (mona--maan chyros fr. chirer, verscheuren, +verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e. Lunam +devastans sive devorans naar, Magnus 110) weder schenken--Garm, +gar, ger, gir--schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros, +gierig, begeerig. + +Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten. + +De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in +ongemeene merkwaardigheid stond. + +Zie hier wat hij er van heeft opgeteekend: [80] + +»Er is daarvan door Corn. Aurelius in zijne Batavia 41, bladz. 77-79 +deze volgende sage geboekt: + +Een Athener Demarchus die tot de lijfwacht des keizers Constans +behoorde, kwam uit Brittannie terug en stapte op de Maas te Staelduinen +aan land. Vervolgens wijdde hij een altaar aan den god Monoschyros +of den alleen sterke. Weldra werd zoowel de hulde aan deze godheid +als zijne godspraak in Batavie en in Klein Friesland boven allen +beroemd. De toeloop was aldaar groot. + +Men bood zijn kinderen denzelven aan, opdat zij sterker dan anderen +zouden worden. Daarna verhaalt hij (Aurelius) de geschiedenis eener +merkwaardige offerande door iemand uit Bodegraven nabij Oudewater. + +Over de verschillende gevoelens dier geleerden omtrent de ware +beteekenis dezes woords zullen wij ons niet uitlaten; alleenlijk +hadden wij gaarne gezien, dat Westendorp het met zijne ruimte had +kunnen overeenbrengen, die offering over te nemen. + + + + + +AARDGEESTEN, DWERGEN, enz. + +Deze komen onder verschillende benamingen voor. Mr. van den Bergh +[81] noemt: Dreumes, Dreutel, Drol, Keutel. + +Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan. + +»Dreutel," zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel, +de drek van schapen. Door het Christendom," vervolgt hij, »is de naam +in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden +drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste +gebruikt." + +»De echte beteekenis," zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel +versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende: + + + Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,) + Wat doe jij in mijn hof!" + + +En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het +vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit in Oudewater +opdreunt: + + + »Jij plukt al mijn bloemetjes weg, + Jij maakt het al te grof." + + +Dit laatste duidt op den soms lastigen aard dier wezens. Veelal +nogtans waren zij ook goed. [82] + +De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn +van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit +dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere +heidendom. + + + + + +LUCHTGEESTEN. + +Hieronder worden verschillende wezens verstaan. Bokkenrijders, +bezemrijders en meer andere heksen welke door de lucht rijden. Dit +onderwerp stellen wij ter beschrijving tot nader uit, als de heksenwaag +ten tapijte zal worden gebragt. + +Onder de + + + + + +WOUD- EN VELDGEESTEN. + +worden gerangschikt de Weerwolf, kwade hond, de Droes en ook de +Nachtmerrie, voor zoo ver die in het veld verschijnt, benevens het +ijzeren Veulen. + +Het bijgeloof aan het ijzeren Veulen is hier ook nog in aanzijn; +het is een zeer lastig wezen, en gelijk elders, plaagt het dikwijls +den mensch. Overigens heeft het nog de eigenschap in de lucht te +kunnen stijgen. + +Ook de nachtmerrie komt in deze streken bij de paarden der landbouwers +menigwerf voor. Als paardenziekte is dit in onze dagen gelijk +vroeger wel geen wonder, en dit zal het niet blijven zoolang men +geene voorbehoeding tegen die ziekte heeft uitgevonden of ontdekt. + +In dezer voege spreekt ongetwijfeld de verlichte mensch, die niet +aan de nachtmerrie gelooft als schadelijke geest, gelijk, helaas, +nog velen om ons dit doen. + +Met wat ontsteltenis op het gelaat zegt de bijgeloovige landman +des morgens nadat hij de ineengescharrelde manen van het dier +dat lijdende geweest is, heeft aanschouwd: "mijn paard heeft de +nachtmerrie gehad." Slaat hem nu gade; zie, hij wil het bijgeloof +met bijgeloof verdrijven: hij bindt twee steenen over elkander, nu +heeft de nachtmerrie geen vat meer op het beest. Anderen plaatsen +een paardenkop op het rietendak, en hierop gaat dan de nachtmerrie +rijden in stede van op het op stal staande dier. + +Bijgeloof, bijgeloof! dat uwe telgen zonder men het zich bewust +is gekweekt worden in plaatsnamen en gebruiken, is niemand euvel te +duiden; u nogtans willens en wetens in stand te houden, is vernederend +voor den mensch uit de negentiende eeuw. + + + + + +HUISGEESTEN. + +Hieronder rangschikken wij, gelijk Buddingh, den Boeman, waarvoor de +kinderen bang te maken men hen zoo dikwijls tot gehoorzaamheid dwingt. + +Verscheidene schrijvers hebben omtrent de naamsbeteekenis van den +Boeman gegist, zooals daar o.a. zijn deze geleerden: van den Bergh, +Buddingh, Kiliaan, Grimm, Hoeuft, ten Kate, Teenstra. Hoe zij echter +verschilden in meening, hierin is men het, voor zoo ver wij nagingen, +eens, dat hij donker van kleur is. + +Overigens denkt Grimm bij het ontraadselen van den naam Boeman, +Bolderman, aan bulderen, leven maken. + + + + + +DRIETALLEN. + +Sol.--Mond, Tyr, Lun.--Hertha, Frowa, Frau. + + +Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon +en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha +(de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen. + +Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt, +zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, dat Lin +in Linschoten wezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds +vroeger werd gedacht. Ter zake nu: + +Sol- of Zonvereering.--Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren +beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet +noodig zijn hier langer bij stil te staan. + +Mond, Tyr, Lun.--Was de opvatting van den naamsoorsprong in Montfoort +juist, dan liet de maanvereering daarin een spoor na. [83] + +Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god des tijds +werd hij Tyr (Tijs) genoemd. + +De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan +aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning +had. + +Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij +het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen, +enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen. + +Ook te Linschoten zagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij +Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna, +LIN in het Noorden vereerd werd--onder dien van Lun, Lunia, bij de +Saxen, en dat Luna met Lina en LIN verwant is, wordt insgelijks bij +hem vermeld. [84] + +Hertha.--Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord +te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat +wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook +zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in +ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is. + +Hertha, Freija, Frowa, Frau.--Reeds heeft men hiervoren gezien, dat +de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa +en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd. + +Tydeman teekent o. a. van deze aan [85]: De gemalin van Odin was +Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze +naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen +door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster, +weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en +zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke +onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd," enz. + +Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha +ook Freija, Frowa, Frau was. [86] + +Tusschen Oudewater en het dorp Linschoten ligt in de boerenbuurt +Linschoten eene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd; +en dit woord leiden wij van Frau, en wel: + +a. om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau. + +b. omdat aan een der beide boorden van het water de Linschoten eene +vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus +voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest, +en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was +die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam +daarvan gekregen hebben. + +c. Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, was Lin +er eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in de Linschoten. + +d. Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt. + + + + +Wodan, Thora en Freija. + +In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt. + +Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij in Oudewater en +omtrek niet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld +in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn [87], +Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze +dagen na. + +Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat hun trechten toegewijd +waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aan Haastrecht, [88] +dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden +toegewijd zien. + +Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou +den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom +laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig +blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen, +zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van +dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds +tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen +nu, die ook in den omtrek van Oudewater nog dikwijls daarop worden +aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors +hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet +denken. [89] + + + +Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken. Uit den zeer +grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent +zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit: + +Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien +gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken +eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan +hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit +onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun +echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde, +en nog twee malen stooten. [90] Indien gij dan naar de reden van dit +gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: "Wat reden? dit hoort +zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!" + +Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.--Luister; het drinken +op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van +heidenschen oorsprong. Zij--de heidenen--dronken reeds de bruine meede +of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond +en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking; +voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en +gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef--het laat zich zeer wel +begrijpen--wederom het langst bij de boeren aanwezig. [91] + +Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust, +dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen, +oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de +navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader. + + + +In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet +op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te +behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is, +en deze geschiedenis nu is de onbeschreven geschiedenis. + +Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook +deze was immers voor Oudewater en omtrek de onbeschreven geschiedenis. + +En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen +zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijn aan de plaats met den omtrek +der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord. + +Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingen +vooreerst echter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom +alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt. + +Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen, +te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef, +eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende +mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te +willen volgen. + + + + + + + +BEWIJZEN, DAT DE PLAATS EN OMTREK WAAR NU GROOTE KERK EN TOREN STAAN, +WELLIGT EERTIJDS AAN HEIDENSCHE EERDIENST GEWIJD WAREN, ER ECHTER +STELLIG EENE HEIDENSCHE BEGRAAFPLAATS WAS. + + +a. De ligging aan den IJssel. + + "Eerst zij nog opgemerkt, dat bij de meeste heiligdommen, + eene gewijde tempelbron, kom of ander water was, dat tot + reiniging diende." + + Mr. van den Bergh. + + +Reeds poogden wij den lezer een begrip te schenken van waterbevolking +en watervereering, zoowel van elders als van dit oord, en waarover men +gelieve te zien bladz. 77-99, als ook hier van toepassing kunnende +zijn. En hoewel alles, daar vermeld, reeds pleit voor genoemde +eeredienst, zijn er, deze uitgenomen, nog meerdere bewijzen van +stroomvergoding alhier aan te brengen, en wij zullen die ook aanvoeren, +nadat wij eerst iets gezien hebben, van hetgeen daaromtrent elders +wordt aangetroffen, zullende dit weder stof tot vergelijking voor +ons aanbrengen. + + + +Het valt ons al dadelijk op, dat zoovele steden waar men voorvaderlijke +gedenkteekenen heeft gevonden, juist aan rivieren gelegen zijn. Hoe +komt dat, geachte lezer?--Zeker, de aanslibbing der rivieren maakte +het oord spoedig voor bewoning geschikt, en de rivieren verschaften +onderling verkeer en welvaart; doch welligt zal de stroomvereering +insgelijks daarmede in verband kunnen worden gebragt. + +Immers, zij hadden voor die eerdienst zoodanige gehechtheid, +dat de critische van den Bergh zich er aldus over uitlaat: [92] +»Deze eerdienst was zoo diep bij hen ingeworteld, dat die nimmer +geheel is uitgeroeid kunnen worden, niettegenstaande de Christelijke +geloofspredikers aanhoudend ten sterkste daartegen ijverden en deze +dienst als heidensch en vloekwaardig afmaalden en ook vele wetten +daartegen gerigt zijn. Men meene echter niet, dat zij het water zelf +als eene godheid vereerden: zij beschouwden het als de verblijfplaats +der goden en daarom heilig, bijna gelijk als de omtrek der heiligdommen +gewijd was." + +Uitgenomen nog een aantal geleerden, spreekt ook de heer Tydeman +[93] in dezer voege. Verder merkt hij op, dat, onder de rivieren, +vooral de Rijn, de Rhoer en de Vecht in aanzien stonden, terwijl men +dacht--aldus vervolgt hij--dat zij door goden werden bewoond, wier +rang zich naar de grootte en voortreffelijkheid dezer stroomen schikte. + +Voornamelijk in de bogten der wateren was het, dat men offers aanbragt +en de mythologische plegtigheden verrigtte. + +In Westphalen wijzen de overleveringen nog meeren aan, van welke men +gelooft, dat zij grondeloos zijn [94], met andere onderaardsche meeren +gemeenschap hebben, of waarin op sommige tijden een dof onderaardsch +geluid wordt gehoord. Dikwijls waren deze gewijde wateren met bosch +omzoomd of door een prachtig woud gedekt. + +Het groote gewigt, dat men aan deze waterdienst hechtte, toonde zich +vooral ook daarin, dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren +of meeren gebouwd werden; dat er bij een heiligdom of bij een gewijd +offerwoud geen put, enz. mogt ontbreken. + +Nog zeer veel zouden wij kunnen aanhalen. Uit het aangevoerde is +nogtans reeds voldoende gebleken, dat de riviervergoding bij de ouden +in groot aanzien was. + +Wat kunnen wij nu toepassen op den IJssel, waaraan de kerk gebouwd is? + +Er werd aangetoond: + +a. De omtrek der heiligdommen was geheiligd. Welnu, de IJssel hier +als heiligdom beschouwd, was dus de omtrek geheiligd en daarom eene +plaats van vereering. + +b. Vooral de Rijn was in aanzien. Men denke dat de bevallige +IJsselstroom een tak des statigen Rijns was. + +c. Dikwijls waren de gewijde plassen met een prachtig woud gedekt. De +lezer wete, dat het schakenbosch er bij lag. + +d. En ten slotte: dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren +gebouwd werden, is juist hetgeen wij voor onze plaats wilden beweren, +in zoo ver namelijk dat wij hier door kerk, plaats van heidensche +vereering verstaan. + +Hier nog bijgevoegd, dat de plaatsen van heidensche vereering dikwijls +in die der Christenen overgingen, en men wordt te meer genoopt, +te zeggen, dat hier zoodanige overgang zal hebben plaats gehad. + +Het is en blijft vooralsnog gissen, en wij herhalen dus: welligt was op +die plaats een heidensch heiligdom. Stelliger bewijzen nogtans zullen +wij aanvoeren, dat die plaats eerst eene heidensche begraafplaats was, +waarin later de Christen zijne lijken begroef. + + + + + +b. In den omtrek der Groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden. + + + »Id solum observatur, ut corpora clarorum virorum certis + lignis crimentur. Struem rogi nec vestibus nec odoribus + cumulant, sua cuique orma, quorundam igni et equus + adjecitur.--Sepulcrum cespes erigit." + + Tacitus, de Mor. Germ. + + »Levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht, + slechts in tweederlei woning: in die der werkzaamheid + en rust." + + Ds. Heldring, Opsporing van Oudheden. + + +Al de heidensche volken, zegt Tydeman, stelden een buitengewoon +hoogen prijs op eene eerlijke en welvoegelijke begraafplaats. Deze +mogt niet verkocht of overgedragen worden. Ieder graf was als het ware +een altaar, waarbij men de afgestorvenen voortdurend moest huldigen; +en eene begraafplaats te schenden, was eene groote misdaad. + +De plegtigheden nogtans waren bij de verschillende godendiensten +niet dezelfde. + +Freijer beval het begraven der lijken in grafheuvelen. + +Odin wilde dat men het lijk verbrandde en de asch òf in de zee wierp +òf in eene lijkbus in een ronden grafheuvel bijzettede. [95] + +Bij Blommaert [96] vinden wij o. a. nog in dezer voege omtrent +heidensche begrafenisplegtigheden gewag gemaakt: + +»Uit het geloof aen de Walhalla, waer niemand dan gesneuvelden werden +toegelaten, kwam de dood op het slagveld vereerend voor. Daerop te +vallen was de zaligste dood des Belgs." [97] + +Hij beschouwde het leven als een proeftijd om tot de zael der +onsterfelijken, de verblijfplaats der goden en walkuren [98], te +geraken, en voor niets was hij meer beducht, dan, als eene vrouw of +een onvrije, door langdurige ziekte gefolterd op zijn bed te moeten +sterven en als deze naer de zael van Hela [99] te dalen. Door deze +begrippen geleid, bragten velen zichzelven, nadat zij vooraf de +wigchelarij daarover geraedpleegd hadden, met het zwaerd den dood toe +wanneer eene hevige ziekte hen overviel, ten einde alzoo regtstreeks +naer de goden te varen." + +En zoo was het, genegene lezer: + + + Als een van Bato's kroost, na lang en smartvol lijden, + Zijn strijdbijl of zijn zwaard daar doelloos hangen zag, + Dan kiemde soms de lust van d'aard zich te bevrijden, + Dan slaakte hij den wensch: mogt ik het dezen dag! + »'t Is eervol," zei hij dan, »te leven of te sterven: + Te leven op de jagt, te sneuvlen op het veld; + Waarom, Walkuren[98]! moest ik deze gunste derven? + Groot, groot toch is het loon te sneuvlen als een held!" + + Zie, daar treedt een priester nader + Met een langen, witten baard; + En de kranke zegt hem: »Vader! + Ik ben 't leven moe op aard. + + Nimmer mogt uw uitspraak falen. + Blusch ik zelf mijn lichttoorts uit: + Toeven mij Walhalla's zalen, + Of neemt Hela[99] mij ten buit?"-- + + »Hoor" dus zegt de priester plegtig, + »'t Vooglenheir en 't heilig ros [100]; + Vriend, de goden zijn geregtig, + Maak uw band met Midgard [101] los. + + 't Voegt den held als held te sterven; + Dappre, 't is de wil der goôn; + Hela zal u niet verwerven: + In Walhalla is uw loon." + + Een lach omplooit zijn mond; hij neemt het duchtig wapen, + Het zware slagzwaard op, en zwaait het om zich heen; + Wat dof en hol gekraak! hij treft zich aan de slapen: + Het was der goden wil, zijn lichttoorts was gedoofd. + + +»Het lijk eens gesneuvelden vorsten," aldus vervolgt Blommaert, »werd +op een versierd bed gelegd, en in het beste gewaed of wapenrusting +gehuld, getooid met zwaerd en schild." + + + »En uitgestrekt en koud ziet men den held daar liggen, + Gekleed in wapendos, en naast hem schild en zwaard; + Als markbod was hij steeds de voorste in de wiggen [102], + Nu is hij in Walhal en beter dan op aard." + + +Zoo spraken dan welligt de vrienden en allen die hem kwamen bezoeken, +en die gedurende drie nachten en drie dagen [103] daar de lijkwacht +hielden. Men bragt den doode dronken toe, en hief liederen te zijner +gedachtenis aan. + +Zoo bijv.: + + + Het was Alfadurs wil dat deze held ging scheiden; + Heft dus den horen op, wijl hij zich reeds verblijdt + Bij 't roemrucht voorgeslacht. Geëindigd is zijn lijden; + Heft, heft den horen op; hem zij dees dronk gewijd! + + +»Dan had eene uitvaert plaets. De doode, door zyn geslacht en gebueren +gevolgd, werd naer de begraefplaets gedragen, gewoonlijk (let wel) +in de nabyheid van het woud of de kerk der landstreek. Daer werd het +doodenmael gehouden, het lijk op een houtstapel tot assche verbrand +en deze, in eene lijkbus verzameld, werd met een zodenheuvel overdekt +of in den grond van het gemeen kerkhof bijgezet. Deze lijkbrand had +gewoonlijk des avonds plaets bij ondergaende zon, hetwelk microcosmisch +voor den dood van Baldur werd gehouden, en de plegtigheden, by de +begrafenis van Baldur gevolgd en zoo juist in de Edda beschreven, +zullen wel te dezer gelegenheid gevolgd zijn geweest. By den lijkbrand +van vorsten of uitstekende wijkingen verbrandde men op den zelfden +scheijerstapel met den held ook zijn paard, en hefte men lofliederen +ter hunner eere aan." [104] + + + En de dagvorstin zonk neder + En verloor zich achter 't woud, + En de bleeke maan steeg teder + Boven bosch en kreupelhout. + + Langzaam vloot langs de IJsselboorden + 't Water tot in de oceaan. + En in velerlei akkoorden + Hieven vooglen 't danklied aan. + + Ziet, een lijkstoet treedt uit 't lommer, + En een ros bij toom geleid. + 't Manlijk wezen tuigt van kommer, + Doch niet een die tranen schreit. [105] + + Hoog, van uitgelezen twijgen, [106] + Is de houtmijt opgeregt; + Hoog zal dra de vlam ook stijgen, + Is het lijk er op gelegd. + + Weldra spelen rosse vlammen + Dartel spel met lijk en paard; + Daarna wordt de asch des krijgshelds + Liefdevol bijeen vergaard. + + En een grijsaard, oud van dagen, + Spreekt intusschen van den held, [107] + Hoe hij strijden kon en jagen; + Alles, alles wordt vermeld. + + Allen blijven 't doodmaal vieren, + Allen die genoodigd zijn, + En mogt hun geen rouwfloers sieren, + Geener rouwe was in schijn. + + Weer den horen volgeschonken, + Nog een lijkdronk ingesteld, + Ter gedachtenis geklonken + Van den afgestorven held. + + +"De heidensche begraefplaetsen--ten slotte--bestonden in grafheuvelen +voor enkele personen of voor een gansch geslacht, en in gemeene +begraefplaetsen." + + + +Zien wij nu wat wij weder voor de punten onzer beschrijving hiervan +kunnen toepassen. + +Dat men ook hier prijs stelde op eene heilige begraafplaats, bleek +reeds doordat dezelve aan den IJssel ligt. Dat men begroef in de +nabijheid van het heilig bosch, kan ook op deze plaats, als bij het +schakenbosch liggende, worden toegepast. + +Het sterkste bewijs voor dit hoofdstuk is dit: + +De heidenen verbrandden hunne lijken, en was het een persoon van +aanzien, dan werd ook het ros mede verbrand. En ook dit, geachte lezer, +is ons gebleken in het grijze Oudewater. Zoodanige voorvaderlijke +begraafplaats werd er ontdekt in den omtrek der kerk. + +Ach, wie dacht er echter aan, toen men, eenige weken geleden, op dat +gedeelte der oude heidensche begraafplaats waar nu een kaaspakhuis +staat, in laatstgenoemd gebouw den bodem verlagende, men eene menigte +verbrande houtskoolbeenderen, waaronder de overblijfselen van een +paard, en asch ontdekte? [108] Ach, wie dacht er aan, herhalen wij, dat +men de rustplaats schond van--wie weet het--welken dapperen voorvader, +en men de beenderen verwijderde van zijn moedig ros, dat hem zoo fier +welligt rondvoerde door de digte drommen van moordende vijanden? Ach, +wie dacht er aan, toen het werkvolk de deels wel verschroeide doch nog +niet geheel verbrande dierenbeenderen--het moet uit de pen--verkocht +aan een beenderenkoopman: dat men overblijfselen verkocht eener +heidensche begrafenis? + +Eerst toen een en ander reeds ontruimd en op elkander gereden was, +vernamen wij, dat zulks gevonden was, en toch, wij weten niet welk +gevoel ons overmeesterde toen wij daarbuiten op den aardhoop die +wezenlijk eerwaardige overblijfselen verstrooid vonden liggen; toen wij +van het vele een stukje geroosterd been en houtskool medenamen om die +zorgvuldig te bewaren. Welk gevoel overmeesterde ons het meest? Was het +de interessante ontdekking voor mijne geboorteplaats, of het gevoel, +overblijfselen te bezitten--hoe nietig ook--van hem die ook eenmaal +hier leefde en ontsliep met de zalige hope, om in Walhalla den nectar +te drinken uit de bekkeneelen van verslagen vijanden; van hem, wiens +lijk en strijdros eenmaal daar, in het tegenwoordige Oudewater, ten +voedsel dienden aan de rosse vlammen van den grooten houtmijt, hoog +opflikkerende langs de bevallige IJsselboorden? Wie zegt het? Zeker +altans, wij keerden zonderling aangedaan huiswaarts. + +Vraagt gij, geachte lezer: Waar is de heuvel? waar de urne?--het +wederwoord is: de heuvel is reeds vroeger geslecht, welligt toen +de eerste hut of het eerste huis daarop gebouwd is. En de urne zal +waarschijnlijk òf verbroken òf welligt tot huiselijk gebruik zijn +ingerigt. Alleen de houtskolen en de beenderen bleven en werden onder +de dit jaar opgebrokene bevloering bedolven, dewijl de industrie +van het verkoopen der kalkachtige overblijfselen van dieren en, +helaas! ook van menschen toen nog niet zoo in gebruik was. + +Wie zal het echter nu nog ontkennen hetgeen aan het hoofd dezes staat: +In den omtrek der groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden. + + + + + +c. Het Helletje. + +In den loop der mythologische schets is de godin Hela reeds menigmalen +ter sprake geweest, het is hier echter de plaats iets meer van deze +neder te schrijven. + +Hela is de godin der benedenwereld. Zij doodt of vervolgt niet, +zij neemt slechts de zielen in bewaring der menschen die op hun bed +sterven, en houdt ze onverbiddelijk in hare woning vast. Zij is half +zwart en menschenkleurig, somtijds geheel zwart; zij reed op een +driebeenig paard rond, pest en ziekten verkondigend. [109] + +Zij is de dochter van den boozen Loki en van eene reuzin. [110] Zij was +het die Baldur niet wilde laten gaan nadat hij met misteltein gedood +was, en zij staat alzoo met de dooden en begraafplaatsen in verband. + +Overigens--zegt Buddingh [111]--schijnt in de water- en vuurdienst +een gebruik bij uitingen te hebben plaats gehad, waarvan wij meenen +dat ook ten onzent nog hoewel zwakke sporen aanwezig zijn, namelijk +dat men de dooden gaarne over een stroomend water, eene helrivier, +een meer of zoo iets heen voerde, hetzij dan naar het begrip der +ouden naar Chimle (den hemel) of naar het gebied der doodsgodin Hela. + +Ook nu weder zullen wij bij vergelijking tot zeer interessante +gevolgtrekkingen komen. + +Op het oude kerkhof, aan het zuidelijk gedeelte des torens, staat een +huisje, het Helletje genaamd. Bij al het voorgaande dat wij reeds +van dit kerkhof weten, herinnert dit Helletje zoo duidelijk aan de +beheerscheres der dooden, Hela, dat hier, o. i., geen twijfel over is, +te meer nog daar men, zooals werd aangehaald, de dooden zoo gaarne over +een stroomend water voerde; ook dit toch was de rusteloos stroomende +IJssel, waaraan ook het Helletje ligt. + +De geachte lezer nu zal wel begrijpen, dat daar waar Hela dus hier +eertijds woonde, waar zij hare heerschappij over de dooden uitoefende: +de plaats Hela genoemd werd, en dat de woning of woningen, hier nader +gebouwd, den naam van de beheerscheres der dooden uit de Noordsche +Mythologie bleef behouden. Indien hij dit aanneemt, zooals wij dit +aannemen, dan hebben wij ook door dit vertoog een bewijs te meer +aangebragt, dat het kerkhof eene heidensche begraafplaats geweest is. + + + + + +d. De begraafplaats der heidenen wordt het kerkhof der Christenen. + +Het voorloopig laatste bewijs, dat de bewuste plaats vroeger eene +plek was waar het stoffelijk overschot der heidenen bewaard werd, +zal nu vermeld worden. + +Alles, geachte lezer! wat hiervoren aangehaald is om te bewijzen +dat de bewuste plaats wezenlijk eene heidensche begraafplaats was, +wordt versterkt door de zaak die wij nu nog alleen kunnen beoordeelen, +dat die plaats een Christen-kerkhof werd. + +Omtrent vele plaatsen uit ons dierbaar vaderland is dit reeds ten +duidelijkste gebleken. + +En dit verwondere niemand. De ouden reeds, zagen wij immers dat +zoo veel eerbied betoonden aan het stoffelijk overschot hunner +dooden, en die eerbied was nog geenszins verflaauwd toen de ijverige +geloofsverkondigers ook hier het evangelie kwamen verkondigen. Deze +predikers nu moesten natuurlijk zooveel uitroeijen, dat met de kerk in +strijd was. Zouden zij hun nu ook de plaats niet laten waar de assche +hunner vaderen rustte en waar zij ook eenmaal hoopten te zijn? Neen, +ook hier werd zeer wijsselijk besloten, ten einde hen te spoediger voor +het omhelzen der nieuwe leer te bewegen, de oude rustplaats der dooden +te behouden. Daardoor had hij, de nieuw bekeerde, immers de zoete hoop, +bij zijne vaderen te rusten, die, wel is waar, in Walhalla ontslapen +waren; doch beider stoffe zou zich nader toch vereenigen, alhoewel +de Christenen het begraven van lijken invoerden. En het geschiedde: +de begraafplaats der heidenen werd ook in Oudewater het kerkhof der +Christenen, en de assche van heiden en de beenderen van Christenen +zijn beiden langs den IJsseloever vereend, en weelderig voedt zich het +spigtig kerkhofgras met de zwarte aarde die van beiden overbleef. Bij +het onwetend ontdekken der heidensche begraafplaats, hiervoren vermeld, +vond men ook een aantal menschenbeenderen. Men had er eerbied voor, +en zij werden weder in den grond bedolven onder de nieuwe bevloering. + +Ach, smaken zij die rust, die stille rust, die wij eenmaal ook onze +assche toewenschen! Denke er zoo ieder over; wij zagen het immers: +levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht, slechts in +tweederlei woning: in die der werkzaamheid en rust. + + + + + + + +BEGRAFENISPLEGTIGHEDEN VOORHEEN EN NU. + + + »En wat ik al gaarne bijwoon of niet--men zal mij al zeer + ligt bij een Christelijk feest aantreffen. + + Ook vindt gij mij ligt bij eene begrafenis, als als ik + mijn medemensch ten grave breng. Hoewel mijne ziel dan + geene vreugde vindt, zoo is er toch nog eene gedachte + in die ure, welke mij met een zachten vrede vervult, het + is de gedachte: deze is dan ook wederom ten einde van + zijne loopbaan gekomen, heeft gestreden en geleden en is + den laatsten kamp te boven." + + Ds. Heldring. + + +Het kwam ons niet ongepast voor, eenmaal aan de begrafenisplegtigheden +der heidenen bezig zijnde, nog iets weinigs daarvan te herhalen en +ook nu weder daarna te zien wat wij nog in onzen tijd als gewijzigde +heidensche overblijfselen daarvan te beschouwen hebben. + +Bij de heidenen zagen wij, als iemand het tijdelijke met het eeuwige +verwisseld had, hem dronken ter eere brengen en bezoeken. + +Ook in onzen tijd komt men dikwijls ten sterfhuize om den doode te +zien, en al brengt men hem nu geen dronken meer toe: de stille traan, +heenbiggelende over de heete wang, en uw gezegde: »hij was groot en +regtschapen" zegt niet minder. + +Bij de heidenen had men reeds een lijk-aanvoerder, die met de +regeling der begrafenis belast werd, Chrene bedar genaamd. Hierin zijn +onze woorden grienen, huilen voor Chrene, en bidder voor bedar. De +overeenstemming is zeer opmerkelijk. + +Boerenbegrafenissen zijn alhier nog het meest eigenaartig en het +meest met het grijs verledene instemmende. + +Ook Hofdijk maakt hiervan gewag. Zie slechts wat hij op bladz. 75 +van zijne »Historische landschappen" zegt, over eene begrafenis der +ouden schrijvende: + +»Ware het nu spade schemering en niet slechts dalende zonne, zoodat +u de aloude dragt en het voorkomen der Germanen niet in het oog viel +en gij slechts de donkere gedaanten langs u voorbij zaagt gaan--gij +zoudt gelooven eene gewone dorpsbegrafenis te hebben aanschouwd. + +»Ook thans nog treft u de overeenkomst van het eerwaardig gebruik", +en Buddingh, het zelfde onderwerp beschrijvende, meldt in dezer voege: +»dat men bij begrafenissen ook steeds veel prijs stelde (vroeger en +ten platten lande meer dan thans in de steden) op het beijeren, op +het bombam van klokken, ten einde daardoor den duivel te verschrikken +of van het lijk te houden, schijnt wel eenigzins ons vermoeden te +bevestigen, dat men ook in het heidendom dat bombambeijeren, hetzij +dan van klokken of hoedanig ook, gekend hebbe." Hoe dit zij: ook in +Oudewater worden nog zelden de klokken voor lijken van stedelingen, +minder zelden voor gestorven buitenmenschen geluid. Als er dan hier +een doode is en de familie of betrekkingen willen de begrafenis naar +aloud gebruik doen plaats hebben, dan wordt hij, zoo men dat noemt, +eerst overluid, hetwelk zich daardoor opmerkt, dat men driemaal met +eene klok klept die ligt van klank is; daarna gaat men met groote +klokken aan het luiden, en bij mannelijke dooden is de plegtigheid +nu vooreerst hiermede gedaan. + +Is het echter eene vrouw, die gestorven is, dan klept men nog eens +na het luiden ter onderscheiding. [112] + +Zooals reeds werd opgemerkt, gaat men dan den doode bezoeken, en onder +het klokkengelui wordt het lijk daarna begraven. Dit klokkengelui +begint voor de buitenmenschen zoodra men aan de grens der gemeente +is, waar omstreeks het lijk van den wagen wordt genomen en de stad +doorgedragen. Ook zij die het lijk vergezellen, volgen dan loopende +achter de baar. [113] Bezie dezen optogt nu wat nader. Zie, daar gaat +nog, als ten tijde van het heidendom, de lijkaanvoerder of bidder; +ter zijde van dezen loopt [114] een agent van policie, dan volgen +de dragers met de zwarte lijkbaar, en daarachter de nabestaanden, +vrienden en geburen, de mannen met rouwfloers om den hoed, soms tot +aan de kniën van achter afdalende, de vrouwen insgelijks in rouwgewaad +met regenkleeden over het hoofd, waarachter hun aangezigt soms bijna +geheel wegschuilt. + +Het gebruik dezer regenkleeden is zeer oud. Eeuwen en eeuwen terug +droeg men die immer in het dagelijksch leven: zoodanig hoofdkleed +was toen gebruikelijk. Men ziet het reeds eenigzins op de teekening +eener vrije vrouw uit de 10de eeuw, en de afbeelding eener bejaarde +vrouw uit de 15de eeuw [115] heeft dit veel duidelijker. Hoe de wijze +van kleederdragt ook veranderde: dan, als men in rouwe gedompeld was, +behield men dit en behoudt men dit nog tot in onzen tijd. [116] + +Terwijl wij dit opmerken, zijn wij reeds het kerkhof genaderd, +het stoffelijk overschot wordt in de groeve nedergelaten, en nadat +men nog eenmaal heeft gezien in het graf, dat weldra de asch des +dierbaren afgestorvene zal bevatten, verlaat men den Godsakker, +onder luid geween of verborgen smarte, zooals men hem betrad. Weder +aan de grens der stad gekomen, houdt men nu met klokkenluiden op, +en bidder en agent verwijderen zich. + +Men denke echter niet dat men nu zonder bidder is; neen, van den +eersten dag dat het lijk er was, wordt naar aloud gebruik de eerste +buurman, naar de stad of beter naar het kerkhof aan wonende, tot +groefbidder benoemd. Die belast zich dan met de meeste werkzaamheden +aan de begrafenisplegtigheden verbonden, en bij dien aan huis wordt ook +het "vetje" of doodmaal gehouden.--"Doodmaal!" zegt gij welligt, "dit +had ook, zooals hiervoren bleek, reeds in het heidendom plaats!" en +uwe aanmerking is teregt. + +Prikkelt dit welligt uwe weetgierigheid hiervan iets meer te weten, +zoo luister: + +»Wat de begrafenismaaltijden en lijkburen onder het heidendom waren," +zegt Buddingh, bladz. 147, »schijnt ons toe, te blijken door hetgene +Aug. Schrader, Germ. Myth. 1843 (uit Boltens »Gesch. der alten +Ditmarsen", I, 315, enz.) aanhaalt, welke laatste berigt, dat het +heidendom gewoon was, na het ter aarde bestellen der asch aan ieder +die deze plegtigheid hetzij uit aanverwantschap of nabuurschap had +bijgewoond, een hoorn of houten schaal met bier of andere dranken +gevuld, aan te bieden, die men eerst ter eere der goden, daarna ook +van den afgestorvene ledigde." + +Bij al het voorgaande wat wij reeds van de begrafenisplegtigheden +voorheen en nu met elkander vergeleken en de treffende overeenkomst +zagen, komt de zaak dat de buren er bij waren in aanzien. Den buurman +toch zagen wij reeds groefbidder; de buurman spant niet zelden zijne +paarden voor den lijkwagen; bij den buurman vindt ook het lijkmaal +plaats, en waarin bestaat dit--bij de heidenen, zagen wij, in bier; +en waarin nog--in brood en bier. + +»Het heidendom," dus zegt Buddingh nog, »schijnt echter een duidelijk +onderscheid gemaakt te hebben tusschen dezulken die aan eene ziekte, +en anderen die in den oorlog of een gevecht overleden of gevallen +waren. De eersten werden in het Noorden Bior (ons Piers) genoemd." Het +verschil is hiervoren reeds aangetoond, doch indien het dus waar is +(waaraan wij niet twijfelen) dat een buiten het gevecht gestorvene, +piers genoemd werd, dan verklaren wij daaruit tevens ons Oudewatersch +spreekwoord: »hij is zoo dood als een pier". + + + +Grootendeels en nu voorloopig genoeg, hebben wij de mythologie +van Oudewater en omtrek beschreven. Voorloopig genoeg, zeggen wij: +hoe ligt toch zal het plaats kunnen hebben, dat, bij het vermelden +van historische feiten, daarin nog mythologische daadzaken zijn +doorweven, die dus met elkander een geschiedkundig geheel zullen +uitmaken. Alleenlijk noemen wij nu de heksenwaag. + +Bij het schrijven over de natuurleer onzer vaderen, hopen wij, zaken te +hebben aan het licht gebragt, die eeuwen hier in dit belangwekkend oord +plaats hadden en eeuwen daarna met een onzigtbaren sluijer tijdens het +Christendom waren bedekt, en toch hebben wij het gewaagd dien sluijer +op te ligten en rond te zoeken in den mythologischen chaos van weleer. + +Mogen deze woorden--hopen wij--niet euvel worden opgenomen! Indien wij +toch, vóór er iets van de Mythologie dezer belangwekkende plaats in +het licht was, door bestudeerden ons de aanmerking hoorden maken met +een spottenden trek op het gelaat; hoe het mogelijk was? Oudewater +mythologisch te beschouwen; dan moet er wel een dikke sluijer over +heen gespreid zijn geweest. + +Omtrent vele facta hiervoren vermeld, zal men ongeloovig de schouders +ophalen, en als zoodanig getroostten wij ons reeds vele aanmerkingen +van onbevoegde beoordeelaars. Bijna alles echter wat vermeld is, +schreven wij meest op het gezag van geleerden, en wij maakten +voor Oudewater en omtrek de toepassing, verkregen--wij durven het +zeggen--door langdurige studie en scherp onderzoek; en wij passen nu +gerust de woorden van Hofdijk toe ook op dit oord: »Zoo gaat het oude +heidendom, al is het ook met gemaskerd, met dikwerf gansch verhuld +gelaat, nog altoos onder ons rond." Men neme echter in aanmerking, dat +de vermelde daadzaken brokstukken, niet dan hier en daar verspreidde +bouwstoffen zijn van het gebouw, dat verdwenen is--eene mythologie +van ons land. Velen hebben reeds met verbazende inspanning hunne +krachten aangewend, die bouwstoffen uit het stof der eeuwen op te +rakelen, echter niet om de mythologie weder in te voeren, zooals met +pedante dwaasheid wel gezegd werd, doch om leven, zijn en denken, +nader te leeren kennen van ons roemrucht voorgeslacht waaraan wij +zooveel verpligt zijn. + +Dit was dan ook eene onzer drijfveeren, bij deze beschrijving, +en wanneer later velen uit ons vaderland door het opduiken van +mythologische overblijfselen uit het oord hunner bewoning--al is +het ook in het oog van velen belagchelijk die in kinderspel enz. te +zoeken--wanneer velen dan hunne bouwstoffen hebben aangebragt, dan +vindt men welligt door schifting, wrijving en vergelijking daarvan +onderling, het grootste gedeelte weder der mythologie onzer vaderen, +die men voor altijd dacht opgelost in den onstuimigen en woeligen +tijd-oceaan. + +Hierdoor zal men dan ook nog betere contrasten kunnen zien tusschen +heidensche godendienst en Christen Godsdienst; dan zal het duistere +van het heidendom, dat viel en diep viel, al sterker en sterker +afsteken bij het lichtende Christengeloof; dan zullen wij ons nog meer +dankbaar gevoelen omtrent de eerste predikers van het Christendom in +ons dierbaar vaderland. + +Alzoo gingen wij dan door met de mythologische beschrijving, met den +ijver van dit onderzoek immers kwam, zooals wij zagen, ook allengs +de overtuiging van het nut daarvan. De fragmenten die wij opmerkten, +leerden ons zien wat heidensch en verderfelijk is in onzen tijd, en +mede wat onmiskenbaar verhevens tevens zij hadden die in den nacht van +ongeloof omdoolden en zich nog niet konden verwarmen aan de koesterende +stralen van het gezegende Christendom; die fragmenten leerden ons +oordeelen over het geheel dat verloren is,--deden ons eindelijk zien, +dat deze plaats of gepaster dit oord reeds vóór de invoering van het +Christendom in ons vaderland, bewoond werd door onze voorouders van +Germaanschen stam. Welke echter de namen onzer voorouders in deze +oorden waren, zij ons vergund onder ons geschiedkundig gedeelte te +beschrijven, dat nu aan de beurt is. + + + + + + + +GESCHIEDENIS. + +III. + + +NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN. + + +»Vijf-en-twintig eeuwen terug, en + + Nog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheid Hing zwaar, + en dunde pas aan 't zuiden voor de schaarschheid Van enkle + stralen lichts, het oosten uitgestroomd, En boorende in die + nacht, meer dan verwellekoomd; Doch 't Noorden, overzwermd + door onbekende horden, Die als het kruid der heide, ontloken + en verdorden, Ontstonden, streden en vergingen op een boôm, + Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toom Zoo min + gewend als zij. . . . . . . . . . . + + . . . . . . . . Noord-Neêrland half in zee Bedolven, bood den + zwervers oord noch steê Dan eerst op Drenthes grond, waar + donkre boschwaranden De heuvelige hei belomren tot de stranden + Des Noorder oceaans." + + Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34. + + »Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere + volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn + de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft + dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de + Gallien òf tot Germanie behooren, zijn ook door dezelve + bevolkt geworden." + + De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde + Nederlanden. van E. M. Engelberts, dl. I. blz. 168. + + +Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen +hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp, +wilden bepalen. De volgende redenen zijn voornamelijk hiervoor aan +te voeren en moeten in aanmerking worden genomen: + +a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden. + +b. Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd, +wanneer ons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor +bewoning is geschikt geworden. + +c. Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf +die plaats niet juist aangeduid. + +d. Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren +vreemdelingen--meestal Romeinen. + +e. Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal +gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige +hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden. + +f. Vóor, ten tijde van, en nà der Romeinen verblijf in ons land, +was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam +hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de +grenzen hunner bewoning moest aanduiden. + +g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens +moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het +aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen. + +De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid +inzien, iets degelijks te schrijven over de namen onzer voorouders +in deze oorden. + +Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen. + + + + + +a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden. + + +OUDSTE BEVOLKING. + +De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van +de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het +eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds lang voor +die volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne +woonstede verkozen. + +Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, +en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, +hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een +natuurleven leidden;--volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna +ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad +oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij +op de werktuigen waarmede. + +Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge, zoo houdt +men toch Azië als het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, +en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts' aangehaalden +»Aloude staat" volgen. + +De Celten--zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europa en +ook van ons land genaamd--de Celten waren Scythische volkeren. + +Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals +wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij in Azië en wel binnen en +buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd +werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter +oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en +Celten ontsproten. + +De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee, vestigden zich +in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden +volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van +daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en +Klein-Azie. + +In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa +òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den +oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander +eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was. + +En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking +van het werelddeel en het land dat wij bewonen. + +Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uit Noord-Azië is +bevolkt geworden, zoo zie verder: + +Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de +H. Schrift. Ook is het bekend, dat in Zuid-Azië reeds vroeg, zeer vroeg +kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, +toen N.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid +begraven lagen. + +Was Europa dus uit Zuidelijk Azië gepopuleerd, dan hadden zij ook de +kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten +nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke +bewoners weinig gemeen. + +De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte +hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar +hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo +een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal +mistige Europa. + +De Scytiers van Noordelijk Azië echter hadden daarvoor meerdere +geschiktheid. De sobere levenswijze die zij leidden, maakten hen +bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen +hebben. + + + +Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers +welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden--over de +Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, +ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden--hoe er +door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, +die der Finnen, ontsproot--hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en +Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, +Duitschland, Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte van Italië en +Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder +uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) in Klein-Azië +vestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa's bewoners +Celten waren. + + + + + +b. Men moet zich eenigzins rekenschap vragen, wanneer ons land, +en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt +geworden. + + +Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd +onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond. + +Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderland is door de Celten +bewoond. De vraag is nu echter: waar en wanneer. + +Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou +groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets +kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwording voortging; dáár dus +waar die wording plaats greep--en zij deed zulks in een groot deel +van onze provincien--was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en +moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig +drassige grond was toen althans niet bewoonbaar. + +Ook de geduchte vijandin--de Noordzee hebben wij als eene groote +hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar +kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende +golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich +voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: +dit zegt ons de geologie, en alzoo zal Oudewater en omtrek wel niet +voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest. + +Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop +door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, +toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en +boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen +slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle +landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den +algemeenen naam van Celten of Voor-Germanen bestempeld, leefden daar +grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, +elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden +werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen +door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden +uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig +denkbeeld van hunne levenswijze te vormen." [117] + +En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins +geslaagd is zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze +te vormen?--Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale +steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu, +die fluisteren u alsnog van dat geslacht 'twelk eenmaal uit Azies +noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij +Celten noemen. + +De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in +gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën +vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang +gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten +staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer +van oudheidliefde gloeijend nageslacht. [118] + +Zooals Lud. Smids meent [119], was het eene dame, Titia Brongersma, +die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan, +en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden +voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf +dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin +gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men +dat tijdvak veeltijds de steenperiode. + +Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte +des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden +aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen +en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer +beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden. + + + +c. Daar, waar al van vroege, van Voor-Germaansche bevolking wordt +gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid. + +d. Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren +vreemdelingen, meestal Romeinen. + +e. En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal +gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige +plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden. + + + +Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten +letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om +welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; +wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, +omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding +zullen bevinden. + +Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan. + +Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische +bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, +omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden +waren komen bezoeken. + +Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de +Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van +slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en +zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit +moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden +zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper +volk te doen hadden. + +Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp +eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: +ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig +van ons land en het oord onzer beschrijving weten. + +Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als +geschiedschrijvers dezer landen noemen. + +Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten +wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit +geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens +iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden. + +Het waren geen Germanen of Galliërs, zeggen wij. De Romeinen toch +verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in +drie voorname deelen, van welke het Belgisch Gallië het noordelijkste +uitmaakte. De Belgen waren dus Galliërs. Nader heeft men dezen naam +alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie +betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen +ontdekken. [120] + +Hoever en tot waar nu Belgisch Gallië en Germania inferior strekten, +is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals in +c. gezegd werd, niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het +oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele tot Gallië +doch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in +taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest +uit volkplantingen van deze volken bestonden. [121] + +Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat +van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en +inzonderheid van den Rijn. + +Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan +nalaten, het hier neder te schrijven: + +Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks +50 jaren voor Christus' geboorte, van ons land ongeveer dan aldus: + +»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, +en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd +wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, +en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de +Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, +loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, +der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer +hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene +takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste +gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er +gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren +leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee." + +De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die +onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan: + +»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee +meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam +en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver +van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij +dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn--daar hij ter +regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers +wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen +heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den +zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in +de gedaante van eene rivier in zee." + +Daarna schreef Plinius secundus: + +»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en +Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen +der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij +elkander liggen tusschen Helium en Flevum. Dus worden de monden +genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in +meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door +een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene +kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt." + +Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog +aanmerkt: + +»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om 't +gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg +over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, +en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het +land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid +van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met +den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter +heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans +verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door +den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten." + +Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden +staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal +zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende +gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig +geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen +te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden. + +Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten +van Peutinger. + +Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers +aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne +legioenen te velde gingen, [122] werden er kundige lieden afgezonden +om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien; +het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en +de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en +de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores +en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders +moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen +aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de +noodzakelijkheid het vorderde. + +Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten! hierop +kunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben +gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn. + +De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die +van Lugdunum naar Noviomagum voerden. + +De een liep langs den linker Rijn-oever aldus: + +1) Van Lugdunum over het 2) Praetorium Agrippinae uit tot 3) Matelo, +4) Albamanis, 5) Niger Pullus, 6) Lauri, 7) Fletio, 8) Levæ fanum, +9) Carvo, 10) Castra Hercules, 11) Noviomagum. + +Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende +schrijvers worden uitgelegd. + +1. Lugdunum willen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van +Leeuwen als het tegenwoordige Leiden aanduiden. Menso Alting houdt +het echter voor Loegsduinen of Loosduinen. + +2. Prætorium Agrippinæ is, volgens Bertius, Menso Alting en S. van +Leeuwen, Roomburg. + +3. Matelo wordt door Bertius gehouden voor Koudekerk; Van Leeuwen +houdt het voor Rhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening. + +4. Albaminis is Alphen bij Bertius en van Leeuwen. + +5. Niger Pullus--Woerden, Bertius en van Leeuwen. + +6. Lauri is Leerdam, naar Cluverius en van Leeuwen. + +7. Fletio--Vleuten bij Utrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting +plaatst het tegenover Vleuten. + +8. Levae fanum voor Leeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting +nogtans houdt daarvoor Wijk bij Duurstede. + +9. Garvo is volgens van Leeuwen, Grave; Bertius denkt aan Grave of +Kille; Alting aan Rawijk. + +10. Castra hercules houdt Alting voor Malburg; van Leeuwen voor +Erkeles. + +11. Naviomagum voor Nijmegen, bij alle ons bekende schrijvers. + +De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus: + +1) Lugdunum, 2) Forum hadriani, 3) Flenum, 4) Table, 5) Caspingium, +6) Grinnis, 7) Ad Duodecimum, 8) Noviomagum. + +1. Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren. + +2. Forum hadriani is, volgens Bertius en Van Leeuwen, Voorburg. + +3. Flenum, volgens Bertius: Delft. + +4. Table zou, volgens Bertius en van Leeuwen, Alblas zijn. + +5. Caspingium is Giessen naar Bertius; Giessenburg naar Van Leeuwen, +en Asperen naar Alting. + +6. Grinnis is Rhenen volgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso +Alting houdt het voor Gorcum. + +7. Ad Duodecimum, duizend passen boven Lewen volgens Alting; echter +Wageningen bij van Leeuwen. + +8. Noviomagum. Zie hiervoren. + +Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop +nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat +de eene weg over 't Huis te Britten, Leiden, Alphen, Woerden, Utrecht, +niet ver van Wijk bij Duurstede en Wageningen heeft geloopen tot aan +Nijmegen, en de andere aan den zuidkant over Voorburg, Kralingen, +[123] Alblas, Asperen, en zoo over de Waal naar Nijmegen. + +Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende +meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, +dat, zooals in e gezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, +en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenige overeenkomst met de +tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn. + +Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae +peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat +ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die +langs den linker Rijn-oever liep, ook in den omtrek van Oudewater lag. + + + +Tusschen Montfoort en Oudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde +plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, dat de hooge +Waard genoemd wordt. + +Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel +van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden, +als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren. [124] + +Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats +gewag: »Voorts heeft hier weleer eene Romeinsche sterkte gestaan, +terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, +steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en +dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.) + +En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt +zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot +schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: +zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,--hoe +weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche +adelaren geplant waren op der Bataven grond. + +Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de +bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden. + + + +f. Vóór, ten tijde van, en ná der Romeinen verblijf in ons land was +het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen +stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, +als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden. + +g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens +moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het +aandringen van nieuwe volksstammen. + + + +Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden +naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander +gemeen hadden. + +De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en +de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren, +Chamaven, Gugernen, Toxandriërs, Caninefaten en Sturiers grensden, +terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken, +Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd +hadden. [125] + +Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, +die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls +zien en betasten kan,--hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de +plaats aan te duiden van zoovele stammen, verschillend in naam; die +niet altijd zekere sporen van bijzondere stammen hebben nagelaten, +en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen in +g hiervoren aangetoond. + +Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende +oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers +en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de +reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald +ons oog op dit oord. + + + +Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische +schets van Oudewater en omtrek op meer dan eene plaats ten duidelijkste +gebleken. Ook behoeven wij dus hierom er niet bij stil te staan: +hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streek geschikt +werd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijde Oudewaarden +bestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen +verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam +of welke stammen? + +Achter Tacitus' historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, +vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in +de boeken van Tacitus worden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de +bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand +en andere landbeschrijvers. + +Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun +tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan +gezegd hebben. + +»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee +werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans +in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl +de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, +en eindelijk bij Rotterdam de Maas genoemd wordt, totdat zij voorbij +den Briel in zee loopt. + +Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een +gedeelte van Gelderland, de provincie Utrecht en een groot deel van +Holland, met de volgende steden: Huessen in het land van Cleef, Tiel, +Buren, Culenborg in Gelderland, Wijk bij Duurstede, de stad Utrecht +en Montfoort in het Sticht van Utrecht. Voorts Asperen, Heukelum, +Leerdam, Vianen, IJsselstein, Gorinchem, Nieuwpoort, Schoonhoven, +Gouda, Leiden, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Delft en andere +steden in Holland. [126] + +Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien +wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juist +Oudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment, +Oudewater onder die andere steden in Holland te noemen en alzoo ook +deze plaats te rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren +gelegen hebbende. + +Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, +en door dit na te schrijven zijn dan ook onze voorouders in deze +oorden volgens hen genoemd. + +»De Caninefaten," lezen wij daar, »was een volk, dat een gedeelte +van het eiland der Batavieren bewoonde, te weten aan den oever des +Rijns van Batovodurum of Wijk Duurstede tot Lugdunum of Leiden, +begrijpende 't gewest daar nu Culenborg, IJsselstein, Montfoort, +Oudewater, Woerden en Gouda ligt. + +Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook +wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de +plek woonden van het tegenwoordige Oudewater. + + + +»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den +oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk +deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, +weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: +zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten +en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, +en namen de volksstammen der Batauers, Caninefaten en vele anderen +als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk +geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de +volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en +vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val. + +Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog +eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, +en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche +veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en +zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, +moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen +voor deze woeste indringers. + +Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen +oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, +treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters +van het roemruchte eiland der Batavieren--waaronder, zooals wij nu +weten, ook de plaats van het tegenwoordig Oudewater behoorde. Slaan +wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen +en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des +Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over +Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere +en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom +nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van +den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door +'t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven. + +En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der +Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan, +eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van +eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na +langzamen vooruitgang een zoo hecht geheel vormde, dat krachtiger +naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands +beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid. [127] + +In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote +germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame +verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag +van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te +worden gedacht, wanneer er sprake is van onze voorouders. Wat er +hier of daar welligt van de oude stammen nog overig was, loste zich +in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen, later +ingedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die +der Angelen op de Veluwe. [128] + +Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namen onzer +voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd +niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden. + + + +Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog +vermeld, dat Oudewater en zijn onderhoorig land nog op het einde +der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft. [129] +Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen. + +»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont +der feesten Sinte Pauwels in den wijnter" [130] (24 Januarij 1280) +is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland. [131] +Toen waren zij dus Noord-Hollanders. + +De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende +innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; +alleenlijk herinneren wij nu, dat Oudewater thans is, een deel van +het dierbare Nederland en gelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus +ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen. + + + + + + + +ZEDEN EN GEWOONTEN. + + + "Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in + uw gemoed het betere beginsel spreekt,--dat het u een lust + is, u soms te stellen te midden van de geslachten der + voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de + eigenaartigheden huns levens." + + Hofdijk, Historische landschappen, blz. 61. + + + "Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel + ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs + zedelijke en godsdienstige ontwikkeling." + + Rooijaards, Invoering van het Christendom, blz. 371. + + +Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen +zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen +het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten: + + a. de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst. + b. na hun verkeer met hen. + c. de invloed van het Christendom er op; en die van + d. den handel en de tegenwoordige communicatie. + + + + +a. Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst. + +Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche +stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met +elkander gemeen hadden, en dus ook de bewoners van dit oord. Schetsen +wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook +onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk +zouden willen zijn. + +Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter +woon verkozen. + +Zij kleedden zich veel in de vachten van door hen gedoode wilde +beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene +horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk +echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd. + +In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons, +helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen. + +In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en +eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig, +en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van +geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant? + +De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel, +liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden +dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende +inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan +naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt: + + + Gewoonte was een wet en overlevring, + Was geschiednis. + + +Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne +woonstede waren bij hen gewone deugden. + +Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde +was hun bijna of in het geheel niet bekend. + + + + +b. Onzer vaderen verkeer met de Romeinen. + +Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, waren alle gebruiken +nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam +echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke +overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap +van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en +meer betreden. + +Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de +Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op, +die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen +en kunsten. + +Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken: +die van wetenschap en weelde. + + + + +c. De invloed van het Christendom op de zeden. + +Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch +altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het +licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp +daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd +voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek: +het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der +menschen, dus ook op zeden en beschaving. + +Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten +in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op +beschaving uitoefende. + + + + +d. De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden +en beschaving. + + +Wat is er in Oudewater nu nog van de zeden der vroege bewoners over? + +Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo +volledig en geregeld mogelijk beschreven. + +Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond, +dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende +gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar +was, Oudewater zou nog zijn ouden geest niet verloochenen. + +Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen +die reeds lang hadden afgelegd. + +Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen +eenvoud in Oudewater gewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste +gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk +schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone +eenvoud verdwijnen, en alhoewel Oudewater nog kan wijzen op zeer +oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer +bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer +en meer zeldzaam. + +Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo +iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van +zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan! + +Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het +eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere +natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke +communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt +de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten +zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen +naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor +die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud +van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan! + + + + + + + +OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD. + + +Oudewater en omtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe +oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en +bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht! + +Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo +fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend! + +Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in +uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel, +onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en +bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners. + +Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in +overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe +hoogere ligging--veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt--ten +weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant. + +Deze oude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u +reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die +den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan +deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling +van Oudewater beschrijvende. + +Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordige +Oudewater tijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal +vertoond hebben. + + + + +Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden. + +Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op de +waarden boomen stonden, deze hinderden tot het bouwen van woningen, +en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide +bosschen werden veeltijds rode geheeten. [132] + +In het tegenwoordige Oudewater zijn twee straatnamen: de Roodstraat +en het Roodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt +langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien, +dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl +deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog +grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven: +is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn; +hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooid +zegt het landvolk) en werden zij daarom rode genoemd, dat later in +Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt +men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld +van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen. [133] + +De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook, +die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig +van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig +en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten; +zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander. + +De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant, +meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de +afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer +Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt. [134] + +De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen +het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte +hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren. [135] + +Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd +in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen, +die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten +zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk +de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch +hadden zij twee deuren naast elkander. + +Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten +bestreken met koemest en kleiaarde: het vervaardigen van steen toch +was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die +bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets +zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen. + +Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door +het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot +schoorsteen dient. + +Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken. + +De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer +woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze +vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein +voorstellen. + +Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij +wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij +althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met +witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden +zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren +zich als geschilderd met bonte aderen en vlakken niet onaartig moet +voorgedaan hebben. [136] + +Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit +vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten, +hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen +dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen. [137] + +En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien +tijde in Oudewater en omtrek. + + + + +Het Markveld bij Oudewater. + +Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en +onroerende eigendommen. + +De voorname roerende have in de oudheid was vee, huisraad, wapenen +en kleederen. + +Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden +en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen +gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers +trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde +en beperkte gronden. + +Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze +tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van +wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat +de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust, +zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan. + +Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk +bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals +wij dit ons nu nog zeer wel kunnen begrijpen, dat de herder naar de +geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar +verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke +weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had, +en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn. + +De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog, +den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door +deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers +treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom. + +Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als +minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle +bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het +oudste is en waarvan bij Oudewater nog een spoor aanwezig bleef. + +Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit +nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen +aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het +land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding +paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er +in gesneden. + +Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor +geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid +des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De +grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook +cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men +mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen +verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg +afgereden. + +Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem +(volgens Tacitus G 26). Dit was het verdeeld eigendom bijgevolg. De +aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld, +en die werden naar ligging aan de grens--let wel--mark genoemd. (De +eigenlijke beteekenis van mark is alzoo grens. Tusschen de wouden +op de velden zette het volk zich neder, en zoo komt mark soms de +beteekenis van bosch zeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland +nog marken genoemd.) + +Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden +in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden +niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en +de besloten weiden om de woningen liggende. + +Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten +geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de +aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden +te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen. + +Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud +zelve had ieder »genoot" slechts een onverdeeld aandeel, en zooals +wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin +tot de mark betrokken. + + + +Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts van Oudewater, geachte lezer, +ligt een stuk land, genaamd het markveld. + +Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark +behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor +bewijzen aanvoeren. + + +a. Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke +mark denken. + +b. Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegde veld. + + +Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en +bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als +het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld +veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veld +zou volgens eenige taalkundigen afstammen van vellen, omhouwen, +zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is." + +Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar +die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit +ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs +te meer. + +Verder zagen wij, dat mark grens beteekende. Opmerkelijk nu is het, +dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien +Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk +de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt +heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een +deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms +nog het galgenveld genaamd. + +Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet, +is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor +den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen +de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt +werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden +aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte. [138] + + + +Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als +wij in onze tijden. + +Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het +woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven, +als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting +in mark en heem aanrigtende. + +Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860 Oudewater +en omtrek geteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar +de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw +het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna +de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den +loop der rivieren te bedwingen. + +En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden +de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt +werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in +1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop van Utrecht, Oudewater tot +eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele +privilegien schonk. [139] + +Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten, +en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en +merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der +stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan. + + + + + + + +VOORMALIGE EN TEGENWOORDIGE PUBLIEKE EN MERKWAARDIGE GEBOUWEN. + + + "De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene, + omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren + van vroegere handelingen. De monumenten verschaffen ons eene + geschiedenis op eene andere wijze, namelijk in vormen, die een + geheele reeks van waarheden en denkbeelden in zich sluiten en + bij ons opwekken; zij verhalen ons juist niet al het gebeurde, + maar zij leeren ons kennen hoe het voorgeslacht leefde, dacht + en gevoelde, en dat heeft voor het minst even zoo veel waarde + als de vermelding van eene reeks gebeurtenissen."-- + + W. N. ROSE.--Verhandeling, uitgesproken ter algemeene + bijeenkomst van de leden der maatschappij "tot bevordering + der bouwkunst" van 23 Junij 1854. + + +De groote of oude parochie-kerk met toren. + +Zij zijn het overwaard, die trotsche gothische gebouwen, dat +wij bij den aanvang dezer groote, en voor Oudewater interessante +afdeeling, voor hen het eerst de aandacht des vriendelijken lezers +verzoeken.--Immers, wat al jaarkringen werden sedert hunne stichting, +steeds door anderen vervangen. Wat al eeuwen rolden sedert henen om +zich spoorloos, en voor altijd op te lossen in den peilloozen oceaan +des tijds! + +En de gebouwen onzer beschrijving? Zij weêrstonden den sloopenden +tand des tijds, gelijk zoo velen hunner zusteren uit dat tijdvak, als +tuigden zij eenpariglijk van den vromen Godsdienstzin onzer vaderen. + +En, wanneer nu de oudheidminnende naneef, den drempel van ons statig +kerkgebouw overschrijdt, neen, dan blijft de indruk der schoone +kerkgothiek bij hem niet achterwege, dan wordt hij gestemd tot +hooger, dan ook denkt hij onwillekeurig aan hare stichting, zijn +geest ontrukt zich van het tegenwoordige en vliegt over eene klove +van eeuwen en eeuwen, en met genoegelijken weemoed en stillen ernst, +doolt hij vervolgens rond over de menigte grafzerken, die hem als +toefluisteren van 't grijs verleden en den rappen tijdstroom. + +Wanneer wij de kerk uit de vele oogpunten wilden beschouwen, die +wij konden en het allezins waardig zijn, zou ons bestek overschreden +worden, daarom doen wij het slechts uit eenigen, en bij voorkeur uit +die, met hare geschiedenis in betrekking staande. Het geleidelijkst +kunnen wij naar onze meening beginnen met: + + + + +a. DE STANDPLAATS VAN KERK EN TOREN. + +Hieromtrent kunnen wij echter kort zijn, daar zulks in ons mythologisch +gedeelte reeds eenigzins beschreven is, alwaar wij aantoonden, dat +genoemde plaats reeds ten tijde van het heidendom een sepulchrale +bestemming had, begunstigd, door de oude waard waarop zij lag. + +Was er echter bij die begraafplaats nog een gedeelte aan eenige +andere mythologische vereering gewijd?--wie zegt het--zeker echter +is het--zoo als in den loop der vroegere schets reeds werd opgemerkt, +dat vele heidensche offerplaatsen bij de christen-prediking, ook tot +christelijke vereeringsplaatsen werden ingerigt. [140] + +Deze overgangen--ook dit toonden wij reeds meermalen aan--waren +ook in Nederland niet zeldzaam en een tal van voorbeelden pleiten er +voor. Genoeg, dat wij de zekere overgang van heidensche op christelijke +begraafplaats alhier hebben aangetoond; en weet men nu daarbij, dat +die op een deel derzelfde plaats is, waar nu kerk en toren staan, +dan wordt dit nog te meer aannemelijk. + +Met zekerheid mogen en kunnen wij echter niets hieromtrent ter +neder schrijven--de gordijn is gevallen.., en welligt onherroepelijk +gevallen. + +Opmerkenswaardig is echter + + + + +b. DE TUF-, DUIF- OF CEMENTSTEEN AAN DEN TOREN. + +Als vrij zekere stelregel kan men aannemen, dat wanneer men aan +een oud gebouw, duifsteen aantreft, het dan ook zeer oud is. Alle +schrijvers, die de aandacht hunner lezers op den duifsteen aan oude +gebouwen vestigden, zijn dit zelfde gevoelen toegedaan--en wel in +die mate, dat men er de gevolgtrekking nevens maakt, dat de Romeinen +meestal den omtrek van dusdanig gebouw eenmaal ter hunner woonplaatse +verkozen hebben. + +Zoo was b. v. het Duifhuis bij Rotterdam--naar zijne steenen aldus +genoemd--eene Romeinsche sterkte, de heidensche kapel te Nijmegen is +van duifsteen gebouwd en was de vroegere heidensche kapel te Utrecht, +insgelijks van denzelfden steen opgetrokken. [141] + +De geleerde Berkhei heeft o. a. van den duifsteen nagegaan en +geschreven, dat men hem veel op kerkhoven vindt, omdat onze voorzaten +gewoonlijk hunne lijken met deze soort van steen dekten en de Gothen +er van bouwden. + +Ds. Heldring zegt, omtrent zijne beschrevene voorvaderlijke +begraafplaatsen, waarin insgelijks duifsteen werd aangetroffen, dat +zij deels Bataafsch en deels Romeinsch waren--de blaauwe urne bewees +het eerste, de duifsteen enz. het laatste. [142] + + + +Doch hoe nu duidelijk gemaakt, vraagt zich welligt iemand, +dat men juist altijd duifsteen aan dusdanige oude monumenten +aantreft.--Luister: + +Gebakken metselsteenen waren ten tijde der Romeinsche overheersching +nog niet uitgevonden, en al ware dit zoo geweest, dan had men immers +in ons land nog geen steen-ovens--de duifsteen echter kwam in onzen +bodem in natura voor--en nog een bestanddeel van den grond uitmakende, +was hij zacht en kon alzoo gemakkelijk in die gedaante gebragt worden, +die men verkoos. + +Wordt het dus niet belangwekkend, mijne lezers, dat gij u aan de +beneden-westzijde van het torengebouw, van de aanwezigheid eener +aanmerkelijke hoeveelheid duifsteen kunt overtuigen, en wij u daarbij +kunnen mededeelen, dat voor ruim 50 jaren de geheele kerk in haren +beneden omtrek nog uit duifsteen bestond, zoo ook een verbroken +portaal aan de zuidzijde van laatstgenoemd gebouw? [143] + +En zoo is het, het aanwezig zijn van den cementsteen aan den toren, +doet dit gebouw, eene veel hoogere oudheid erlangen, als men tot +hiertoe meende. + + + +In het breede zouden wij ons in eene volgende rubriek kunnen ophouden +over de beteekenis der hemelstreken in het heidendom, en waarom men in +het christendom bijna immer tot regel had aangenomen, de Godshuizen, +oost en westwaarts te bouwen--ook hier zouden wij tot verrassende +resultaten komen, doch om meer dan eene reden kunnen wij hier er niet +over schrijven. + + + + +c. DE HOOGE LIGGING DER KERK. + +De kerk-symboliek, die zich zoo treffend door geheel de kerk +laat bespeuren, speelt reeds in de verhevene ligging eene groote +rol,--Tertulliaan zeide reeds: de kerk moet hoog liggen. Gaat dus +opwaarts ter kerke, Sion toch ligt ook op eene hoogte, en klimt dan +met Salomon ten offer. [144] + +Nog is de hooge ligging der kerk, voornamelijk aan de oost-en zuidzijde +zeer opmerkelijk. Ongetwijfeld echter vertoonde zich dezelve in +de eerste tijden na hare stichting nog meer verheven. Allengs +toch verhoogde men al meer en meer de straten, zoo zelfs dat het +in den tijd waarin wij leven, bij de arbeidslieden volstrekt geen +zeldzaamheid heet, een halve Ned. el diepte onder de tegenwoordige +straat nog eene geplaveide straat aan te treffen. De standplaats der +kerk bleef echter meer dezelfde, en daarom moet de opgang eertijds +nog aanmerkelijk hooger geweest zijn. + + + + +d. WIEN WAS DE KERK EERTIJDS TOEGEWIJD. + +Het is ongetwijfeld ieder onzer lezers bekend, dat het bij de +roomschgezinden gebruikelijk is, kapellen en kerken aan zekere +heiligen toe te wijden, of, om den gebruikelijken term te gebruiken, +een heilige tot patroon der kerk te kiezen. Welnu, natuurlijk is zulks +ook met deze kerk het geval geweest en als van zelf doet zich dus de +vraag op: wie was de patroon van deze kerk? + +»Men zegt", aldus vinden wij bij van Kinschot [145] aangeteekend, +»dat, eerst St. Willebrord en daarna de aartsengel Michiel de patronen +daarvan zouden geweest zijn." + +Naar onze meening zijn voor het gevoelen van den eersten de volgende +redenen aan te voeren: + +a. Dat St. Willibrordus eerste patroon der parochiekerk geweest is, +schijnt ons hieruit te blijken, dat hij in ons land het evangelie +verkondigd heeft, zijn standplaats Utrecht was en hij dikwijls in de +environs ging prediken. + +b. Oudewater lag digt bij Utrecht. In dit oord woonde heidenen, +en het was door zijne waardlanden vooral ligt te genaken. + +c. Aangenomen dus eens, en het wordt hoogst waarschijnlijk, dat +hij hier gepredikt heeft, dan zal men later, zich zijne prediking +herinnerende, na zijnen dood hem alligt tot kerkpatroon gekozen hebben. + +d. Zekere torenklok,--die den volke het geheele uur verkondigt, is +aan twee zijden versierd met een bisschopsafbeelding, onder iedere +waarvan staat + + + St. Willebrordus. + + +Ook dit doet aan zijn patronaat denken. + +e. Van waar halen Kinschot en zoo velen de meening, dat deze ijverige +geloofsheld later de patroon zoude geweest zijn. Deze sage pleit +welligt nog het sterkst voor het algemeen gevoelen. + +Doch moeten wij omtrent St. Willebrordus' patronaat nog eenigzins +twijfelachtig de schouders ophalen, bepaald weten wij, dat zulks +omtrent den aartsengel Michiel niet het geval is; wij gaan het +aantoonen. + +Het feest eens kerk-patroons wordt bij de roomschgezinden met +plegtigheid gevierd en de opkomst naar de kerk van de leden eener +zoodanige gemeente, is op dien dag natuurlijk groot. Vreemdelingen +kwamen dan, vooral eenige eeuwen geleden, op dien dag hunne waren +ten verkoop aanbieden, en hierdoor ontstonden de kermissen. + +Voor eenige jaren nu--stadgenooten weten dit--was alhier de +kermis-aanvang nog des Maandags na St. Michielsfeest [146] en alzoo +kan hieruit reeds met zekerheid St. Michiel als voormalige kerkpatroon +worden aangemerkt. + + + + +e. BOUWORDE EN CONSTRUCTIE VAN KERK EN TOREN. + +De bouworde van beiden is, zooals met een oogopslag aan de spitsbogen +en versierselen te zien is, der schoone en symbolische gothiek gevolgd. + +Wat hare constructie aangaat, zij zou eigenlijk verdeeld moeten worden +in drie voornamen klassen en wel: + + + 1. Hare oorspronkelijk constructie. + 2. Dezelve na de reformatie en, + 3. Na het jaar 1858 of zoo als zij zich nu vertoont. + + +Indien--en wij nemen aan het vrij exact te doen--indien wij de kerk en +haren oorspronkelijken staat in den geest bezochten, dan zouden wij +tevens haar beschrijvende, de symbolische beteekenis van het geheel, +zoowel als van hare onderdeden niet kunnen voorbij gaan, om dat het +gelijk een weefsel is en een geheel uitmaakt; de beperkte ruimte echter +waarover wij te beschikken hebben, is eene der redenen, waarom wij +het niet doen, te meer daar wij ook hiervoren reeds beloofd hebben, +zoo veel mogelijk uitsluitend op een meer geschiedkundig terrein +te blijven. + + + +Als zoodanig dan stellen wij ons voor, de leemten eenigzins aan +te vullen, die de Heer van Kinschot, de constructie van de kerk +beschrijvende heeft gelaten, eenige der veranderingen aan te stippen, +die na zijnen dood de kerk onderging en de naamlijst der predikanten, +op zijn voetspoor te completeren tot op onzen tijd. + + + +Op bladz. 30 en 31 [147] lezen wij omtrent hare constructie: + +»De parochie kerk hier ter stede is al vrij aanzienlijk, en met twee +choren voorzien. Het eerste (was) aan het H. Sacrament, het andere +aan de H. Maria toegewijd... + +»Zij staat kort bij en aan de rivier de IJssel, is van eene groote +ruimte, rustende op zestien pilaren in twee reijen verdeeld, en had +voorheen drie kruizen wulfsels, die in het jaar 1732 vertimmert zijn. + +»In deze kerk hebben reeds vóór het jaar 1329 vier altaren gestaan, +zijnde toen door Diderik Kiel en anderen een vijfde daar bij gesticht, +waar bij nader mogelijk nog meerdere gekomen zijn, die met eenige +vicarijen en inkomsten voorzien werden." + +»Aan den torenmuur is een kas van een groot oud orgel, wier deuren van +binnen met bisschoppen en andere roomsche geestelijken, in knielende +en biddende gestalte beschildert zijn.--Dit orgel, door deszelfs +oudheid onbruikbaar geworden zijnde, heeft men in het jaar 1645 een +kleiner naast den toren, ter zijde het oude geplaatst." + + + +Was de geheele kerk, zoo als wij reeds ter neder schreven aan +St. Michiel gewijd, zoo werden echter ook de altaren, »naast den +almogenden Godt" aan zekere heiligen toegewijd. + +De Heer van Kinschot maakt gewag van vijf altaren,--dit getal is echter +later minstens nog met een vermeerderd. Wij kunnen dit met zekerheid +bepalen, dewijl wij de verschillende namen dier autaars duidelijk, +als in deze kerk aanwezig geweest zijnde, hebben aangetroffen. + +Laat ons het aantoonen. + +De twee choren, zagen wij aan het H. Sacrament en de H. Maria gewijd. + +Oude, in ons bezit zijnde pergamenten [148]--die wij ieder oudheid +minnaar met genoegen willen toonen--maken gewag van een St. Cornelis +autaer [149] en van een St. Jans autaer [150]. Zeker stuk [151] op +het gemeente archief aanwezig, maakt gewag van een St. Jacobs autaer +en het ten jaren 1329 door Diederik Kiel enz. gestichte, was ter eere +van den almogenden Godt en de H. Catharina. [152] + +Van meerdere altaren dan de zes hier genoemde, vinden wij geen melding +gemaakt, en wij zouden die ook bezwaarlijk in onze gedachten in de +kerk te regt kunnen brengen.--Voor de zes genoemde wagen wij het. + +1. Het hoofd-altaar (aan het H. Sacrament) bevond zich ongetwijfeld, +in de oostwaarts uitstekende groote nis of apside. + +2. Daar naast stond volgens de sage, ter noordzijde van het +H. Sacrament altaar, insgelijks een autaar, dat volgens Kinschot aan de +H. Maria gewijd was en trouwens zeer in de geest der kerksymboliek is. + +3. Een derde altaar zal hoogstwaarschijnlijk aanwezig zijn geweest +in de tegenwoordige catechiseerkamer, ten zuidoosten der kerk, te +meer daar wij ook met eenige zekerheid de voormalige sacristy daarin +denken.--Nog op dezen dag bezit die »kamer" een fraai gothisch gewelf. + +4. Ook de tegenwoordige consistorie, ten noorden der kerk, waarin +ons insgelijks de gothische bouwkunst nog frappeert, zal een altaar +hebben omsloten. + +5. Vroeger was de kerk een kruiskerk, zoo als gemakkelijk in Rademakers +kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden op het plaatje de +kerk en toren voorstellende, te zien is.--Het zuidelijk uitspringende +gedeelte is reeds lang verbroken, doch ook daarin denke men zich met +gerustheid een altaar--en ten + +6. Bevond zich in de kerk, aan de westelijke zijde, nog een doopkapel +waarin welligt het St. Jans autaer zal aanwezig geweest zijn. + +Laat ons bij het laatstgenoemde nog een weinig toeven. + +Waarom nu mijne lezers stond daar aan de westelijke zijde zoo veel +mogelijk van het hoofdaltaar verwijderd de doopkapel?--Vele redenen +had men hiervoor o. a. deze.--De kerksymboliek gedoogde niet, dat de +nog ongedoopte kinderen, tot het eigenlijke kerkgebouw zouden toegang +hebben; heidenen als zij waren, werden zij dus westwaarts herwaarts +gebragt, om zoo te kunnen over gaan tot de rei der christenen, +die in de oude kerken toen meestal baden met het aangezigt naar het +mysterieuse oosten. + +Zeer opmerkelijk waren de veelhoekige zijden dezer kapel en +voornamelijk was dit in haar dak op te merken--hoogst waarschijnlijk +was zij achthoekig--toen men dezelve in 1858 verbrak, speet het +ons later, dit toen niet te hebben nagegaan,--een steenen duif, het +symbool van den H. Geest, aan het gewelf vóór de afbraak aanwezig, +doet ons nog meer aan de doopkapel denken [153] te meer daar acht +stralen van de duive uitgaan. + +Twijfelt men nog aan de waarheid, dat daar de doopkapel was, zie dan +nog meerdere gronden. + +Uitgenomen, dat het nu al meer en meer duidelijk wordt, dat het +St. Jans autaar daarin aanwezig zal geweest zijn, te meer als wij aan +St. Joannes Baptist denken, die hier door St. Jan moet worden verstaan, +vond men bij het amoveren dezer kapel, in hare bevloering, ongeveer +drie palmen met zand overdekt, een fraai doopvont, van blaauwe steen; +in den omtrek was hetzelve achthoekig, hoewel het eene ronde vochtholte +bezat. [154] + +Nadat wij u hebben opmerkzaam gemaakt op het getal acht in onze +doopkapel, vermelden wij u ook de symbolische beteekenis er van. + +De meeste of liever vele doopvonten, geachte lezer, waren eertijds +achthoekig, omdat het getal acht, de acht zaligheden aanduidt en ten +tijde van St. Ambrosius was het reeds een symbool van 's menschen +wedergeboorte door het doopsel. Doch genoeg van de doopkapel, laat ons +nu nog de muur- en gewelf-schildering kortelijk onze aandacht wijden. + +»Reeds ten tijde van Karel de Groote, was het beschilderen der +kerkwanden, met leerzame en stichtende beelden, bepaald voorschrift +en in de eigenlijke middeneeuwen lezen wij, dat, men in de kerken, +bijna geen enkele witte plek kon aantoonen. [155]" + +Ook in onze kerk trof men ten vorige jare o. a. in de apsis, sporen +van muurschildering aan, zoo ook in de gewelven der doopkapel, doch +in beiden is men met zoo veel ruwheid te werk gegaan, dat men niets +hiervan heeft kunnen copieren. + +Voorts bevonden zich nog voor de reeds meermalen genoemde reconstructie +aan de zuidzijde in het verwelf der kerk eenige wapenschilden met +een jaartal. + +Het geheel had ongeveer de grootte van eene Nederlandsche el +breedte en lengte--eigenlijk waren de voornoemde wapens slechts +eenvoudige schilden, zonder strengen heraldische eigenschappen: +een dezer schildjes toch was beschilderd met metselaars, een andere +met timmermans een derde en vierde naar het ons voorkwam--het +was door oudheid onduidelijk--met smidsgereedschappen en +boogschutterswerktuigen. Het omschrift was in Gothische letters aldus: + + + I H S + + Maria Joseph + + +terwijl beneden de schilden stond: + + + ao dni xvc ende 111 [156] + + +Wat de beteekenis dier schilden aangaat, wij houden het er voor, dat +de afbeeldingen der gereedschappen van die verschillende bedrijven +zoovele gilden vertegenwoordigen,--en dat die gilden, de kosten +der gewelfschildering gezamelijk hebben bekostigd. Trouwens, dat de +gilden toch zulks meer deden a. m. D. g. hiervan zou menig voorbeeld +zijn aan te brengen. Nu wij dit dan weten, kan het, dunkt ons geen +verwondering baren, de gereedschappen huns bedrijfs op een verwulf +tot aandenken van hunnen Godsdienstigen ijver te vinden. + +Neemt men nu wijders in aanmerking, dat wij in van Kinschots Oudewater +bladz. 31 lezen: »aan de toornmuur is een kas van een groot oud orgel, +wier deuren van binnen met bisschoppen en andere Roomsche geestelijken +in knielende en biddende gestalte beschildert zijn" enz., dan kunnen +wij bijna veilig bepalen, dat zich ook hier bijna »geen enkele witte +plek zal vertoond hebben." + +De kunstkenner en kunstminnaar zal helaas echter bij een bezoek in +deze kerk niets meer van deze schilderingen aantreffen, alles wat +wij er van beschreven is verdwenen en spoorloos verdwenen. [157] + +Van de oude orgels zelve, waarvan Kinschot gewaagt, is mede niets meer +te zien, doch onder eenige aanteekeningen ons van een vriendelijke +zijde geworden, vinden wij o. a. »De orgelkas en wapenborden in de +prot. kerk, die na de revolutie in 1795 van hun plaats zijn genomen, +werden, voor zoo ver zij niet door de eigenaars waren gehaald, den +29 Mei 1800 publiek verkocht!" + +In 1838 werd echter weder een orgel aan de westelijke zijde der kerk +gebouwd, dat in hooge mate sierlijkheid met aangenaam toongeluid +vereenigt. + +Dit orgel is vervaardigd door onzen bekwamen Rotterdammer de Heer +Kam--het is voorzien van twee clavieren en vrij pedaal terwijl zijn +geheel niet weinig tot verfraaijing der kerk toebrengt. + +De ingangen der kerk ten tijde harer stichting waren de volgende: +twee aan den toren en wel aan de noord- en zuidzijde, zoo als nog te +bemerken is, hoewel zij niet meer gebruikt worden. + +Voorts was er een aanwezig aan de zuidzijde der kerk, het portaal +daarvan is verbroken, doch de ingang bestaat nog--terwijl de ingang +ten noorden, eveneens nog in aanzijn, waarschijnlijk wel van hare +stichting zal dagteekenen. [158] + +De tegenwoordige ingangen ten oosten, mag men volstrekt niet als van +hare stichting dagteekenende, beschouwen. + +De beschrijving der vroegere en tegenwoordige gedaante onzer schoone +kruiskerk, mag ik niet eindigen, zonder aan de grafmonumenten van +eenigen de aandacht mijner lezers te hebben bepaald. + +Het eerst laten ook wij in aanmerking komen, de grafmonumenten, van +wijlen onzen beroemde stadgenoot de Heer Rudolph Snellius van Rooijen. + +Op de grafzerk, die eertijds zijne asche drukte, stond volgens +Rademaker [159] een Latijnsch en Duitsch omschrift, waarvan het +laatste aldus luidde: + + + Hier leit begraven + Rudolphus Snellius van Rooijen + in sijn leven Professor Matheseos + in de Universiteit van Leiden + sterft den 2 Maart Anno 1613. [160] + + +Naar wij vermeenen is deze steen thans verlegd en aanwezig in het +oostelijk gedeelte der kerk, in plaats van "in de noordzijde der +kerk in den 12 regel het 11 graf"--waar hij vroeger aanwezig was, +het zou dus later eenige verwondering kunnen baren zijne grafzerk +[161], in het oostelijk en zijn monument in het noordelijk gedeelte +der kerk aan te treffen. + +Dit monument is wel der vermelding waardig--het is bevestigd +aan een pijlaar, van verschillenden marmersteen daargesteld, en +naar de Ionische bouworde vervaardigd, terwijl het geheel door 's +grooten geleerden wapenschild wordt gedekt en door weenende kinderen +vastgehouden.--Het volgende omschrift is daarin te lezen: + + + PIAE MEMORIAE + VIRI CL. + RUDOLPHI SNELLII A ROYEN, + PATRICII VETERAQUINATI; + QUI ANNO M. D. XLVII. V. OCT. NATUS + IUVENTUTIS PARTEM + DOCENDIS MARPURGI IN HASSIA LITERIS + ET ARTIBUS CUM LAUDE EXERCUIT, + AETATEM RELIQUAM + IN ACAD. LEYDENSI. + TUM MATHESEOS TUM HEBRAEAE LINGUAE + PROFESSIONE, CUM CURA, FIDE, + ET BONO PUBLICO EXEGIT: + BIS RECTORATU HONORIFICE FUNCTUS, + ILLmis. DUOBUS MAURICIIS, + PRINCIPI AURIACO + ET LANTGRAVIO HASSIAE, + OB ARTIUM QUAS AMABANT + PRAESTANTIAM CARUS, + TANDEM LEYDAE ANNO AETATIS SUAE + SEXAGESIMO SEXTO II. MART. + DEO ET NATURAE CONCESSIT. + HOC PATRIAE LOCO, + UBI CORPUS HUMARI IPSE VOLUIT, + MONUMENTUM QUOD PATRI DECREVERAT + FIL. WILLEBRORDUS + PATERNAE VIRTUTIS HAERES ATQUE DECUS, + EJUSDEM FILIUS RUDOLPHUS, + AVO PONENDUM CURAVIT. + + +(Luidende in 't Nederduitsch aldus:) + + Ter Godvruchtiger Gedachtenisse + van den zeer Doorluchtigen Heer + RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROYEN; + die, na geboren uit een adelijk geslacht + te Oudewater in 't Jaar 1547 den 5 October, + daarna een gedeelte zijner Jeugd + te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen der + Talen en Kunsten met Lof besteed hebbende, + en het overige van zijnen Leeftijd + op de hooge School te Leiden, + als Hoogleeraar der Wiskunde, en + Oostersche Talen, met vlijt, trouw + en algemeen nut hebbende doorgebragt, + na dat hij twee malen het Rectoraat met roem bekleed had; + en de achting van twee doorl: Mauritsen: + den Prins van Oranje + en den Landgraaf van Hessen, + om zijne uitmuntende kennis in die kunsten, + die hun vermaak waren, gewonnen had, + eindelijk te Leiden, in den Ouderdom van 66 Jaren, + op den 11 Maart, aan God en de Natuur den tol betaalde; + heeft op deze plaats van zijne Vader-Stad, + alwaar de overledene wilde begraven zijn, + het gedenk- en Eereteken, het welk deszelfs Zoon: + WILLEBRORDUS SNELLIUS, + Volle erfgenaam en Opluisteraar van zijns Vaders + deugden, voor zijnen Vader hadt geschikt, + deszelfs Zoon RUDOLPHUS SNELLIUS + voor zynen Grootvader laten oprigten. + + +Op het zuider-choor, in den 4 regel, het 6 graf, stond voor ongeveer +drie jaren nog het volgende grafschrift. [162] + + + MORS JANUA VITAE. + THEODORUS TROMPER GULIELMI CONSULIS FILIUS, VETERAQUINAS, + PATRIAE A SECRETIS, CUM UXORE SUA MARGARITA + ARMINIA, IMMORTALITATIS EXUVIIS SUB HOC + SAXO DEPOSITIS, EXPECTANT RESURRECTIONEM. NATUS + EST AO. M. DC. XXXII. DIE 25. APRILIS. OBIIT ANNO + M. DC. LXXIII. DIE 7. MAII. NATA M. DC. XXXVI. DIE + 16 OCTOB. OBIIT ANNO M. DC. LXXVI. DIE 20 MART. + + +(Dat is:) + + DE DOOD IS DE POORTE DES LEVENS. +Dirk Tromper, Zoon van den Burgermeester Wilhelm Tromper, Oudewatenaar, + Geheimschryver van zyne Vaderlijke Stad, en deszelfs Huisvrouw + Margariet Arminia verwachten hier, onder deeze zark, het Sterfelyke + hebbende geeindigd, eene zalige opstanding. Hy werd geboren in + 't Jaar 1632 den 25 April: en stierf in 't jaar 1673 den 7 Mei. Zy + zag het levens licht in 't Jaar 1636 den 16 October: en sloot voor + 't zelve hare oogen den 20 Maart des Jaars 1676. + + +Op het hooge- of midden Choor, in den 6 regel, het 6 graf, vondt men +op de graf-zark, dit opschrift: + + + DEO TRINO ET UNI OPT. MAX. + SACRUM + ET AEVITERNAE MEMORIAE + ORNATISSIMI CORNELII JACOBI + VANDER HOEF J. V. L. + QUI POSTQUAM SOSPES EX GALLIIS REDIISSET. PIE IN + COMPLEXU MATRIS ET AMICORUM OBDORMIVIT, IPSIS + KALENDIS MARTII M. DC. III. HIC RESURRECTIONIS DIEM + EXPECTAT: VIXIT (DEMPTIS OCTO DIEBUS) ANNOS XXIV + MARGARETA WILLHELMI, MATER DEFUNCTI. HOC MORTALE + IMMORTALIS OBSERVANTIAE MONUMENTUM, DILECTO + EHEU! FILIO, MAESTA CUM LACHRYMIS POSUIT' VIXIT + ANNOS XXIV. DIEB-, XIIX. MEN 9. [163] + + +(beteekenende in 't Nederduitsch, als volgt:) + + + Den Eenen, Drievoudigen, besten en grootsten + God Toegewyd, en + Ter Eeuwige Gedachtenisse van + den zeer voortreffelijken Heer + CORNELIS JACOB VANDER HOEF, + Licentiaat in de beide Rechten, +Die, na dat hy uit Frankryk behouden was te rug gekomen, Godvruchtiglyk + in de armen zyner Moeder en Vrienden ontsliep op den 1 Maart van 't + Jaar 1603. en hier den dag der weder-opstandinge verwacht. Hy leefde + 24 Jaar min 8 dagen. Margareta Wilhelmsdr., des overledenen Moeder + heeft dit verganklyk gedenkteeken van hare onsterfelyke liefde aan + haren teeder beminden zoon, met betraande wangen, laten oprigten. + Leefde 24 jaar, 9 maand: 18 dagen. + + +Op het voorzeide hooge choor, in den 4 regel, het 3 graf, zag men +eertijds op eene grafstede uitgehouwen de onderstaande gedenkwoorden: + + + NOBILI AC STRENUO, + D. JOHANN GIBSON EQUITI, + APUD MAG. MAGNAE BRITANNIAE REGEM + MILITUM VICE TRIBUNO, + ET APUD INLUSTR. BELGII ORDD. + CENTURIONI. + B. M. CONJUX MAESTA M. H. L. M. Q. + J. P. EXCESSIT ANNO AERAE + CHRISTIANAE M. DC. XXXV. AETAT. LV. + + +(Dat is:) + + + Den Edelen en Dapperen Heer, + Johann: Gibson, Ridder, + Lieutenant Colonel + onder de legertroepen + Van den grooten Koning van Groot-Britanje, + en Kapitein ten dienste + der Hoogm: Heeren Staten Generaal. + Des zelfs bedrukte Vrouw, heeft + haren Zaligen Gemaal met + innige droefheid, en zoo als 't betaamde, dit gedenkteeken + Laten oprigten. + hij Stierf in 't jaar 1635, volgens de Tydrekening der + Christenen, Oud 55 jaaren. [164] + + +Toen men echter in meergenoemde jaren de kerk vermaakte, werden wij +door het beitelen op de kalk eener pilaar aan de zuidzijde der kerk, +het volgende opschrift in gothische letters en cijfers gewaar. + +Int jaer XVc en XXIIIJ op Sint-Jacobs dach, sterf heer Jan +Jacobz... Mert? Int jaer M vierc ende LXXXI op St. Mathijs dach sterf +Dirck van Zijl Int jaer XVc en XXIJ den XIIJe Junij sterf Daniel +van Zijl Int jaer XV en IIII de XXVe Novembris sterf Jacob Huygz. +Int jaer XVc en XIIII te XIIJe Novembris sterf Roelof Jacobzoen +Int jaer XV en XXXVI op Sinte Bartholomeus dach sterf Claes Wouters +Aecht Wouter Claeszoens weduwe sterf Ao XVc en IIJ (of IIIJ) den XIX +dach in Mei. + +Vier wapenschildjes in de vier hoeken van den zachten steen uitgehouwen +voltooiden dit geheel. + +Terwijl op den muur ten noorden der kerk het volgende zigtbaar werd. + +Ao XVc de XXX te dach maert sterf Katrijn van Zijl. + +Ao XV en XIJ den IJ te dach junij sterf Jan van Zijl. + +An XVc en XVIJ den XVIII ten Junius sterf... [165] + +Nog een aantal grafzerken zouden te beschrijven zijn, o. a. van +geestelijken, en ambtenaren van der stede Oudewater, doch waar te +eindigen, en waarom ons langer te bedroeven, over den vernielende +beitel des steenhouwers! + + + +Bij het ten einde spoeden der schets van de constructie der kerk en +toren mogen wij onzen lezers niet onbekend laten, dat er in 1707 op +verzoek van de magistraat aan de Staten van Holland en Westfriesland +octrooi bekomen werd tot een loterij van f 600,000 tot redding en +zuivering van de stads- en der Godshuizen-lasten enz. (hieronder moet +men vooral ook aan de kerk denken). Terwijl in het jaar 1734 op 16 +April van wege de Staten van Holland en Westfriesland octrooi werd +bekomen voor »Burgemeester en de Regeerders der stede van Oudewater +om tot reparatie van het orlogie Beijerwerk en Dak van hare kerk, +alsmede het orgel van dien, te mogen negotieren met vrijdom van alle +belastingen, de somme van achtien duizend gulden tegen de interest +van drie per cents 's jaars, en die te vinden bij parate executie, +bij een ommeslag van eene stuiver per Gulden van de huur waarop ieder +Huis bij het laatste quohier is getaxeerd, in 1 1/2 stuiver van ieder +koebeest, onder de parochierende districten. + +Dit stuk nog op het archief berustende is voor de reconstructie der +kerk zoo belangwekkend, dat wij niet mogen nalaten onzen lezers er +copie van te geven. + +»De Staaten van Holland en Westvriesland, doen te weeten, Alsoo ons +te kennen is gegeven by Borgermeesteren en Regeerders der Steede +Oudewater, dat het Orlogie, Beijerwerk en Dak van haare Kerk, als +mede het Orgel van dien ten eenemaal door ouderdom was vervallen en +ontramponeert, in soo verre dat de Supplianten tot voorkoming van +presente gevreesd werdende ongelukken genoodsaekt waren geweest een +vak van het te doen afbreken, ende tot maken van 't selve ontrent +Ses duysend Guldens aan kosten waren gevallen, dat de Supplianten +gaarne de verdere nodige reparatien soude doen, waartoe soude werden +gerequireerd nogh de somme van ontrent Agtien duysend Guldens, dog dat +der Kerks nogh der Stads Finantie in Staat was, om soo veel Capitaal +te konnen opbrengen, dat vervolgens de Supplianten hadde geprojecteerd +die somme te ligten by negotiatie op Lyff Renten, ende de Renten van +dien te vinden uyt het inkomen van meergem. Kerk, en 't geen daar +aan te kort soude mogen komen, bij omslag over de Inwoonders van +Oudewater voorn. en Parochieerende districten van dien, dog dat sy +Supplianten aan de eene syde bedugt waren, dat die somme beswaarlyk +soude te bekoomen syn, ingeval de beleggers konde denken dat haar +Capitalen met eenige 100e., 200e, minder Penningen in tyd ende wylen +soude werden belast; ende aan de andere syde dat de te doene omslag +veel oppositie soude vinden, ten ware de Regeering van Oudewater +daar toe door ons wierde gequalificeert, waarom de Supplianten te +rade waaren geworden sig te keeren tot ons, ootmoediglyk versoekende +dat wy aan de Supplianten geliefden te permitteeren op Lyfrenten te +negotieeren de somme van Vier en Twintigh Duysend Guldens, ten lasten +van de Kerk van Oudewater, ende aan die Capitalen te vergunnen vrydom +van alle belastingh, hoe deselve ook soude mogen werden genaamd, +dat wy wyders de Regeering van Oudewater in der tyd geliefde te +authoriseeren en qualificeeren, om de Renten van 't meergem. Capitaal, +voor soo verre uit de Revenuen van de kerk niet soude konnen werden +geconsequeert, te mogen vinden by een Personeele omslag over de +Inwoonders van Oudewater en parochieerende districten van dien, +Jaarlyks na proportie van derselver middelen te doen, en soo van het +een als van het ander te verleenen acte in forma. SOO IS 'T, dat wy +de saaken, en het versoek voorsz. overgemerkt hebbende, en genegen +weesende ter beede van de Supplianten naar ingenoome Consideratien +en advis van onze Gecommitteerde Raden, uyt onse regte Wetenschap, +souveraine Magt en Authoriteyt de supplianten hebben geoctroyeerd en +gepermitteerd, gelyk wy deselve octroyeeren en permitteeren by desen, +omme ten lasten van haare Kerke op Losrenten ten hoogsten tot Drie +per Cento Jaarlyks te mogen negotieeren een Capitaal ten belopen +van Agtien Duysend Guldens toe, met vrydom van alle belastingen, +hoedanig deselve ook souden mogen syn genaamd, Authoriseerende en +Qualificeerende verders de Supplianten en derselver successeurs +in officio, om voor den tyd van dertigh Jaaren, jaarlyks, soo tot +betaling der Intressen en aflossing van het voorsz. te negotieeren +Capitaal, als om daar uit ook te konnen vinden de Stads Lasten, +dewelke uit het Jaarlyks inkomen voor het geheel niet konnen werden +goedgemaakt, te mogen heffen en by parate Executie, ten lasten van +den gebreekigen vorderen eene stuyver van de gulden van de huure +der huysen, op de voet soo als die huure genomen en gereguleerd syn, +by het laast geformeerde Quohier der Huysen van alle de Ingeseetenen +van de Stad, mitsgaders van alle de opgeseetenen van het Platte Land, +onder de Stad en Parochieerende districten behoorende, geen Koehouders +zynde, mitsgaders van alle de Koehouders, ten Platten Landen aldaar, +in welkers opzigt de bovengemelde belastingh niet wel soude konnen +werden geintroduceert, een en een halve stuyver van yder Koebeest, +twee en meer Jaaren oud synde, het welke ten tyde der Jaarlykse +opschryving aan de Pagters van de Hoorngelden sal werden opgegeven: +alles nogtans onder deeze Expresse Conditie, dat telkens als 'er gelde +sullen nodig syn, tot het onderneemen van het een of ander werk aan der +Supplianten kerk, en 't geene daar toe behoord, daarvan alvorens sullen +moeten kennis geven, aan onse Gecommitteerde Raaden voornoemd, gelijk +ook gem. negotiatie sal moeten geschieden, met derselver kennisse en +goedvinden, dat de meergemelde Negotiatie, en omslag met het geene +daar toe behoord sal moeten geschieden by de Supplianten de derselver +successeurs in officio sonder daar voor eenig salaris te mogen brengen +ten lasten van de Stad of van de Kerk, direct of indirect: Dat wyders +het voorsz. te negotieeren Capitaal van Agtien Duysend Guldens ten +lasten van de kerk sal moeten werden afgelost in twintigh Jaaren, +en eyndelyk sullen de Supplianten en derselver Successeurs gehouden +syn alle Jaar, wegens dese negotiatie en het geene daar toe behoord +te doen behoorlyke Reekening aan Gecommitteerde uyt de Magistraat en +Vroedschap, mitsgaders aan Kerkmeesteren in der tyd, en die 't Jaar +voor de Reekeningh in dienst syn geweest, gelyk de Reekeningh van de +Kerk altoos werden gedaan; en binnen veerthien dagen na dat deselve +sal zyn gedaan, daar van Copye Authentycq over te geven aan onse +Gecommitteerde Raaden, op poene van dat de Supplianten of derselver +successeurs ontrent het een of het ander in gebreeken blyvende, +het effect van dit ons verleende Octroy sullen komen te verliesen. + +Lastende een yder die dit aangaan sal, sig hier na te reguleeren. + +Gedaan in den Hage onder onze Groote Zeegelen hier aan doen hangen +op den 16 April in 't Jaar onzes Heeren en Zaligmakers Zeeventhien +Honderd Vier en Dertigh. + + +(Was geparaphreert) J. G. V. BOETSELAAR, vt. + +(Lager stond) Ter ordonnantie van de Staaten, +en was getekent WILLEM BUYS. + + +Ingevolge deze magtiging nu, heeft de kerk veel van hare +oorspronkelijke constructie moeten afstaan. + +Alvorens tot het onderzoek naar de oudheid der kerk,--het beschrijven +harer bediening en het opsommen der bedienaars over te gaan, zij het +ons vergund een korte schets van + + + + +DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENS + +te geven. + +De toren is aan den voet--en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter +neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden +gebakken steen opgetrokken--dezelve is met drie stagien voorzien +en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante +heeft van een domtoren.-- + +De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens +van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt, +heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich +om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in +het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn." + +Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en +een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met +een spits voorzien is.--Doch, dat er na 1610 een spits op den toren +geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat +de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met +een nok en zonder spits heeft voltooid;--en wel hierom. De toren in +het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats, +zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits +ongeveer drie streepen.--De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk +wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren +te moeten zijn. + +In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks +1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor, +dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen. + +Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij +hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao 1610, uit de zeer +geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en +Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu +nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen--aan het plaatje van +Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt +ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis, +voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575, +doet den toren zonder spits zien. + +Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij +doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest +is, tot voor 1575 opklimmen. + +De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk +plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen +omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men +het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en +regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was. + +Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel +accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid +mogen twijfelen.--Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren, +of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van +Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn, +of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest, +dit is immers niet aan te nemen. + +Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu +zich vertoont, de originele gedaante daaromtrent zal hebben behouden. + + + +Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de +torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt +van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken. + +De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst +ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok +genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit +het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is +aangeduid. + + +Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia * +genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer * +me * fecit. + + +Dat is: + + +Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der +wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt. + + +Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren +vijftien honderd. + +De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame +beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.--Van +het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk +voorgekomen.--Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters, +daar van na te schrijven. + + + Ego sum via, veritas ac vita. [166] + + +dat is: + + + Ik ben de weg, de waarheid en het leven. + + +Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds +meermalen aangehaalde Willebrordusklok, die het geheel uur slaat, +zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing +slecht te beschrijven. + +Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken +bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als de klokken van +het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn, +zooals uit hunne omschriften te zien is. [167] + + + + + +OUDHEID DER KERK. + +»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is," schrijft de Heer +Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene +pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het +jaar van derzelver stichting aanduiden." [168] + +Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht, +doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel +gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen +zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij +meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het »waarschijnlijk" +van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen. + +Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers, +weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde, +als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen +over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,--in +groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte" +praalkerkjes bouwt--men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon +en verheven gebouw daarstellen,--dan lag men eerst den grondslag van +den westelijken toren en de oostelijke apsis, en wat men zelf niet kon +en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen, +dat het deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als +men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude +vereerd worden. + +Brengen wij nu, de »waarschijnlijke" oudheid der kerk in verband, +met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de +kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt die +waarschijnlijkheid reeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen +dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek--in de schaduwe +harer transen--op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten, +dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der +toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim +50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren +reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken, +dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn. + +Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw, +dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum, +door van Kinschot vermeld, dat er reeds voor (hoe lang) het jaar 1329 +vier altaren in de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van +het jaar harer stichting--1003--al meer en meer aanneembaar [169], +doch, dit dan waar zijnde, dan mag Oudewater zich beroemen, binnen +zijne muren te hebben, een der oudste kerken van Nederland. + + + + + +BEDIENING DER KERK. + +»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van +Oud-munster van Utrecht, en, den paus beurtelings verschonken, +het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers +stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf +Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400. [170] + +»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk van Oudewater onder het +classis van Gouda en Schoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder +het classis van Dordrecht geweest is.--Twee Predicanten bedienen thans +(1746) de Gereformeerde gemeente. + +»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden, +om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende +districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding +van de Regering der stad Gouda te gelijk bepaald, dat ingeval eene +kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat +alsdan de jongste predikant, in de kerk van Oudewater dienstdoende, +als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden [171] +gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats +weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval, de +gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen +en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de +dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de +kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen, +een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede +tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten +[172] wedde te zullen genieten. [173] + +»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en +vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats, +de beroeping van een anderen predikant doen, doch het drietal, moet +zoowel als het beroep, aan de beslissing der magistraat, ter al of +niet aanneming worden aangeboden." + +Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot; +(1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert +aangebragt, kortelijk aanstippen: + +Wel is Gouda nog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij +nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog +vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een +vermeerderd en alzoo op vijf gebragt. + +De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten, +behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden +voorgelegd. + +De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze +dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten, +de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het +gehucht Goejan-verwelles-sluis eindelijk, werd ten jare 1845, een +aan de protestantsche eerdienst gewijde kerk gesticht, waarvan de +bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten +wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit +deze plaats. + +Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie +van kerkvoogden. + + + + + +i. BEDIENAARS DER KERK. + + +Vicarijen en Vicarissen. + +Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds +voor 1329 vier altaren.--Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij +nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren, +een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een +heeft gemaakt. + +Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen, +die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den +almogende Godt en van de H. Catharina" in de kerk een nieuw autaer +gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van de +Vicarissen te benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden, +zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar +1329 de eerste vicaris aan 't voornoemd autaar werd: + +1. Gerardus Pes, een onderdiaken.--In het jaar 1366 heeft meergenoemde +Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit +van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken. + +In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar. + +2. Willem die Rode, een priester. + +Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het +Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den +Weled. geb. Heer + +3. Floris van Vliet.--Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op +voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen +het beschreven regt had) opgedragen aan + +4. Meester Adriaan Christiaanse van Oudewater, priester. Aan het +gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter +eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden, +heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan + +5. Diderik, die op dien tijd te Leuven studeerde. + +De vader van dezen Diderik, die een burger van Oudewater was +en Amelgerius heette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een +jaarlijksche rente vermeerderd. + +In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel +gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God +en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield +was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de +originele brief nog hier aanwezig was. + +Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar +behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet +alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd. + +In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen, het recht van +de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht +behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van +Vliet en deszelfs nazaten. [174] + +Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij +1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op +het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door +bisschop Florentius van Utrecht bekrachtigd werd. + +Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van + +6. Heer Christiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer van +Oudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid +bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet +aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen, +die ik heb kunnen ontdekken. + + + + + +j. R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK. + + +In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor van Oudewater +was de Heer + +1. Johan Pellekussen. + +Anno 1403 werd deze pastorie bediend door + +2. Bartholomeus Janse. [175] + +3. Johannes van Bueren was in 1416 alhier pastoor, tevens was hij +proost van St. Marie van Utrecht en proost te dezer stede. [176] + +4. Dirk Ponss was priester in Oudewater Anno 1465. + +5. Henderik Henderikse was hoogstwaarschijnlijk alhier priester in +1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijke archieven, +berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester, +overdraagt aan het Gasthuis van Oudewater een viertel land, gelegen +op de noordzijde van Linschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering +van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door +Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515. + +6. Jan Ottoszoon was alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder +de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd +wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen- +of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest. + +In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt +men het volgende aangeteekend--den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt +volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het +erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen +lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz. + +In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer + +7. Loeffridus van der Haar, die naar Utrecht vertrok en aldaar nog +in 1577 leefde. [177] + +Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544 schijnt te blijken, +dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen +door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester. + +8. Adriaan Christiaanse elders Kerstens. + +Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters +der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste +pastoor was. + +9. Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of +dag. [178] + +Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog +in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren. + +10. Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven. + +11. Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie +van Oudewater. + +12. Bartholomeus Florisse in 1574 alhier begraven. + +13. Gerrit Sijbertsz begraven in of iets voor 1574. + +14. Cornelis Jacobse. + +15. Willem Jacobse (werd begraven 1592.) + +16. Cornelis Gerritse. + +17. Cors Reijersz. + +18. Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als +noodhulp--(Geerlofse werd begraven in 1595.) + +19. Simon Janse. + +20. Geerlof Gerritse. + +21. Dirk Amelgersz. [179] + +In 1566 was pastoor te dezer plaatse. + +22. Theodorus Aemilius. Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste +pastoor in de kerk onzer beschrijving en daarin ook de eerste +predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van +predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius +als pastoor en eerste predikant voorkomen. + +Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het +omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor +de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk +als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij +een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot +bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de +stad belegerden.... »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met +een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde +aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar de Hoofdkerk als de +kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen +en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken, +meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom +de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten +ommegang [180] maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats +gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en +door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens +dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten, +die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie +[181] weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te +nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan." + +Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog +niet der hervormde eerdienst zal gewijd geweest zijn, toen men in 1575 +vóór de moord er de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor +der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even +als St. Jacobs kerk van Utrecht, hiervan vonden wij geen spoor. [182] + + + + + +PREDIKANTEN. + +1. Theodorus Aemilius 1566, was eerst pastoor en is later als predikant +naar Utrecht vertrokken. + +2. Huig Dirksz 1574--vertrokken naar Gouda in 1575. + +3. Johannes Gelasius (Vitriarius genoemd) alhier vermoord in de +spaansche troebelen Ao. 1575. + +4. Laurentius Copicanus 1578 vertrokken naar Leiden 1579. [183] + +5. Chistianius Sinapius Venlo 1578--hij werd beroepen van Dordrecht +en vertrok naar Medenblik in hetzelfde jaar 1578. + +6. Abraham Jansz. werd beroepen van Vlaardingen 1583, vertrok naar +Montfoort 1586. + +7. Simon Johannes Groeninganus beroepen 1586. + +8. Andreas Stangerus 1589, heeft zijne dienst alhier geeindigd den +3 Mei A. 1608. + +9. Adrianus Wittius werd beroepen als Proponent 1601. + +10. Johannes Lydius, is van Arlanderveen den 11 April 1602, in de +dienst dezer Kerke getreden, stierf 1643. + +11. Levinus De Raad, werd beroepen van Ridderkerk 1608, en vertrok +naar Haastrecht 1617. + +12. Fredericus Abbema, 1619, is den 5 Aug. 1636 Emeritus verklaard, +behoudende den rang en zyne wedde. + +13. Gibbo Theodori âb Eerst, is beroepen van Schoonderwout 1636, +en Emeritus verklaard 1668. + +14. Cornelis Molswyk, kwam als Proponent 1645, en stierf 3 October +1656. + +15. Johannes Valkius, voor Derde Predikant beroepen van Cockengen, +1648, vertrok naar Amersfoort 1658. + +16. Casparus Velthuysen, werd beroepen van Ouwerkerk aan den Yssel +den 27. October 1658 in plaats van Ds. Joh. Valkius, en stierf 1674. + +17. Henricus Rynsdyck, beroepen van Pynaker 1657, vertrokken naar +Amsterdam, aldaar bevestigd den 9 January 1667, en overleden den 6 +Maart 1689. + +18. Simon of Samuel Gruterus wierd beroepen van Ysselmonde 1667, +los gemaakt, als beroepen te Haarlem, den 22 November 1669, en stierf +aldaar Emeritus 1705. + +19. Theodorus Gibonis âb Eerst, is beroepen van Meerkerk Loco Patris +Emeriti 1668, en zelf Emeritus verklaard 1698. + +20. Johannes Vereycken, is beroepen van Wormerveer 1671, en gestorven +1674. + +Na eene langdurige Vacature van twee plaatsen, zijn beroepen: + +21. Casparus Wagtendorp, uit de Nieuwpoort beroepen den 3 Julij 1675, +in de plaats van D. Casparus Velthuysen, alhier overleden, vertrokken +naar Breda 1680. + +22. Johannes Rulicius, beroepen van Berkel, den 31 July 1675 in de +plaats van D. Johannes Vereycken, alhier overleden, vertrokken naar +Haarlem 1681, stierf aldaar den 22 Mei 1696. + +23. Johannes vander Horst, beroepen van Willige Langerak den 16 +December 1680, in de plaats van den vertrokken D. Casparus Wagtendorp, +gestorven 1687. + +24. Arnoldus Brantius, beroepen van Berg-Ambacht, in de plaats van +Ds. Johannes Rulicius, den 22 Maart 1685, gestorven 1712. + +25. Otto Brand Swalmius, beroepen van Overschie den 26 Januarij 1689, +in de plaats van den overledenen D. van der Horst, vertrokken naar +Enkhuyzen 1693. + +26. Wilhelmus den Appel, beroepen van op den Bommel den 1 February +1694, in plaats van den vertrokken D. Otto Brand Swalmius, overleed +1713. + +27. Isaäk Hazeu, beroepen van Voorhout den 21 Augustus 1698, in +de plaats van D. Theodorus Gibboni âb Eerst, Emeritus, insgelijks +Emeritius verklaard 1714. + +28. Cornelius Houthoff, beroepen van Haastrecht Januarij, 1713, na +vijf maanden verblijf vertrokken naar Dordrecht, en van daar naar +Amsterdam 1719. + +29. Johannes de Wildt, beroepen van Oirschot den 14 September, 1713, +in de plaats van den vertrokken Ds. C. Houthoff, gestorven den 24 +Sept. 1738. + +30. Johannes Voss, beroepen van Claaswaal, den 14 September 1713, +in plaats van den overledenen D. Wilhelmus den Appel, stierf den 6 +Augustus 1746. + +»Bij Resolutie van de Staten van Holland en Westfriesland van den +21 Junij Ao. 1741. werd D. J. Voss, vermits zyn zwakheid en verval +van levensgeesten, van de H. Dienst geëxcuseerd, tot ter tijd zijn +Eerw. mogte hersteld worden, Salvo honore et Stipendio." + +31. Daniel Bedber, beroepen van Schalkwyk den 27 Maart 1714, in de +plaats van Isaäk Hazeu, verklaard Emeritus--Los-gemaakt naar Alkmaar +den 10. November 1715. + +32. Wilhelmus Mesch, beroepen uit den Hitzert den 24 Maart 1716, +in de plaats van den vertrokken D. Daniel Bedber, overleed den 8 +Januarij 1721. + +33. Albertus Heshusius, beroepen van Vreeland den 19 Maart 1739, +in de plaats van den overledenen D. Johannes De Wildt, vertrok naar +Haarlem, en heeft zijne afscheids-reden gedaan den 3 April 1741. + +34. Johannes Marinus Costart de la Morasiere, beroepen uit den +Nieuwpoort den 28. Maart 1741, in plaats van den vertrokken D. Albertus +Heshusius; hij heeft zijn intrede predicatie gedaan 7 Mei 1741 1768. + +35. Johannes Ernestus Jungius, beroepen van Dalfsen den 4 October +1741 tot derden predikant--ter oorzake van zware ongesteldheid van +Ds. Johannes Voss. [184] + +36. Adrianus Ploos van Amstel beroepen van Oud-Loosdrecht den 14 +Julij 1744, in plaats van den vertrokken Ds. Johannes Ernestus +Jungius--bevestigd 15 November 1744 en overleden 1762. + +37. Jacob van Kampen beroepen van Kedichen Ao. 1763, in plaats van +Ds. Ploos van Amstel, vertrokken naar Rhenen 1774. + +38. Ds. van Beuningen Noordbeek beroepen van Polsbroek, is alhier +overleden. + +39. Hermanus Zwavink, beroepen van Heer Jansdam, is te dezer plaatse +overleden, den 7 Maart 1800. + +40. Johs. van Nuijs Klinkenberg, beroepen van Overschie Ao. 1775. Anno +1776 vertrokken naar Deventer en van daar naar Amsterdam. + +41. Antonie Kuyper, beroepen van de Wormer 1776 vertrokken naar Delft +1779 van daar naar Amsterdam. + +42. Corns. Jan van Seist, beroepen van Wilnis 1779, vertrokken naar +Delft 1780. + +43. Dideribus Hermanus van Rossum van Wilnis beroepen 1780 vertrokken +naar Delft 1788. + +44. Petrus Theodorus Avink du Prê, beroepen van Zuilen 1788, naar +Hoorn vertrokken 1790. + +45. Johannes Bekking, beroepen van Schipluiden 1791 en overleden 1809. + +46. Jacobus Roeloffs (in plaats van den onder Nr. 39 genoemden en +overleden H. Zwavink) is beroepen van Streefkerk in 1801 en overleden +in Maart 1825. + +47. Matthias Johs. Römer, (in plaats van den overledenen Ds. Bekking), +beroepen van Wognum en Wadweide 4 Junij 1809, overleden 15 Julij 1821. + +48. Jacobus Hendrik Tol, in plaats van den overleden M. J. Römer; +beroepen van de Meern, intrede gepredikt 6 October 1822, vertrokken +naar Kampen in Februarij 1825. + +49. Michael Adrianus Jentink, in plaats H. J. Tol.--Beroepen van +Vinkeveen Anno 1825.--Intrede gepredikt 7 Augustus 1825.--Vertrokken +naar Harlingen 24 Julij 1831. + +50. Gerardus Steenhoff in plaats van de overleden +Jac. Roeloffs--beroepen van Jutphaas 1826. + +51. Apollonius Cornelis Lorentz, in plaats van Michiel Adrianus +Jentink--proponent in 1832 en overleden alhier in 1845. + +52. Hermen de Vries, in plaats van den overleden +A. C. Lorentz--beroepen van Heikop en Boekop in 1846, vertrokken naar +Leeuwarden 1851. + +53. Jan Pieter de Keyser, in plaats van H. de Vries--beroepen van +Noordeloos 1851, vertrokken naar Arnhem 1852. + +54. George Philip Kits van Heyningen, in plaats van Jan Pieter de +Keyser.--Beroepen van Rijsoord en Strevelshoek in 1852, vertrokken +naar Deventer 1855. + +55. Johannes Marcus Kolff, in plaats van G. P. Kits van Heyningen, +beroepen van Odijk in 1856. + +Tot hiertoe mijne lezers strekt der predikanten-lijst in dezen tijd, +zoodat de bedienaars van de kerk onzer beschrijving nu zijn de +Eerw. Heeren Gerardus Steenhoff en Johannes Marcus Kolff. + + + +Nog iets over de kerk zelve.--Is het dus nu niet te betreuren, nu wij +eenigsints meer bekend zijn geworden, met deze grijze eerwaardige kerk, +dat men bij het herstellen derzelve, (dat nu en dan hoog noodzakelijk +was), zoo weinig acht heeft geslagen,--voornamelijk in de voorgaande +eeuw--om de oorspronkelijke constructie te behouden. Wanneer zal +men het toch beter leeren begrijpen, wat de Gothiek is en hoeveel +aestetisch gevoel een schoone gothische kerk bij ieder moet opwekken, +die zelfs slechts weinig van deze verheven bouwkunst begrijpt! + +Doch niet alleen in Oudewater, in verreweg de meeste plaatsen van +Nederland is men met de meeste onverschilligheid met het herstellen +der oude kerken te werk gegaan. Is dit voor de pen van een minnaar +der gothiek soms wat streng, dan zullen wij een deskundige citeren. + +»Het is mij niet bekend" zeide op de algemeene bijeenkomst van de leden +der maatschappij »tot bevordering der bouwkunst" op 23 Junij 1854 de +ervaren Rotterdamsche architect de Heer W. N. Rose »Het is mij niet +bekend, dat er ergens een gebouw uit de middeleeuwen bestaat, dat in +een volledige toestand van onderhoud is gebleven; hetgeen men veranderd +heeft, is niet verbeterd; de herstellingen zijn of gebrekkig geweest, +of zijn geschied geheel tegen den stijl van het gebouw, hetgeen +uit het oogpunt van de kunst beschouwd, met eene langzame slooping +gelijk staat.--En het is treurig te moeten bekennen, dat dit nog +dagelijks plaats grijpt, en wel het meest die groote en merkwaardige +voortbrengsels der kunst treft, die onze steden tot sieraad konden +verstrekken en waarvan het schoone, het eerwaardige en het verhevene +van den gothischen stijl het krachtigst te voorschijn komt." + +Doch mijne lezers, al is nu deze kerk geen kruiskerk meer, al tooit +zich niet meer muur noch gewelf--zooals nog de protestantsche kerk +in Naarden--met schoone beschilderingen, al maakte men ingangen, waar +deze met haar geheel niet harmonieren, al bekalkte men hare eerwaardige +muren van buiten met Portlandsche cement en al verplaatste en verhakte +de steenhouwer de grafzerken, om daaraan eene meer onderling gelijke +gedaante te geven, de zerken, die dus nu niet meer de assche dekken +van hen, wier namen er nog op uitgedrukt zijn, [185] nog is de kerk +schoon, nog heeft men stoffe in overvloed, om zich personen en zaken +van het grijs verleden voor den geest te tooveren. + +Personen en zaken?--Zeker mijne lezers, of komt het niet bij u +op als gij u binnen hare grijze muren bevindt, hoe dikwijls de +manhafte poorters daar zich hebben verootmoedigd voor hun Hemelheer, +en kracht en moed gesmeekt, zich waardiglijk tegen een even dapperen +vijand te verdedigen, hoe dikwijls de verwulven het stemgeluid der +Godsdienstleeraars hebben opgevangen en teruggekaatst, van hunne +hoogte tot in het soms blijde, doch ook soms bedroefde gemoed mijner +medeburgers! Wie somt het op, hoe menigmaal de tranen gevloeid zijn, +van grijsaard en kind, van echtgenoot en vader, van bruidegom en +verloofde op de kille grafmonumenten, die de asche dekken, van +diepbetreurde dooden, wier zerken ons nog zoo dikwijls wij de kerk +betreden, zoo somber het memento mori als toeroepen. + + + +Doch wij nopen u met ons het kerkgebouw te verlaten, want wat zoude +het ons baten steen voor steen te ondervragen, de sombere en plegtige +stilte van het Godshuis wordt niet onderbroken door eenig wederwoord, +het statig gebouw zwijgt en blijft zwijgen. + +En nu wat dunkt u geachte lezer, was het wel te veel, toen wij om +oudheid en schoone bouwtrant het eerst de aandacht voor kerk en toren +verzochten? De kerk staat daar zoo plegtig en de toren verheft haren +nok nog zoo fier gedurende zoovele eeuwen! Nog bestaat er van buiten +eenheid, en beiden--al maakt het een vreemd contrast, de kerk bekalkt +en de toren nog ongesmeurd te zien--, beiden immers dragen zij de +onmiskenbare sporen der schoone gothiek, beiden nog bezitten zij +eene menigte spitsbogen, waardoor genoemde bouworde zich insgelijks +onderscheidt, die spitsbogen waarin de vrolijk tjilpende zwaluw lustig +haar kunstig nestje van IJsselklei bouwt, vanwaar zij uitvliegt naar +omhoog in den blaauwen aether om voedsel op te doen, voor zich en de +haren! ach, de mensch vindt bij het zien eener gothische kerk zooveel +stoffe tot nadenken! + +En weder wie vreemdeling is in deze plaats, en haar eenmaal mogt +bezoeken, hij zal zich eenige minuten der beschouwing van kerk en +toren gewijd niet beklagen. + +Indien wij nu de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen, +die binnen Oudewater staan of gestaan hebben, naar derzelver oudheid +vervolgden, dan moesten wij noodzakelijk den draad der kerkelijke +gebouwen afbreken en het natuurlijk gevolg daarvan zoude zijn, +dat de orde, die wij ons aanvankelijk voorstelden, er door lijden +moest. Alzoo zullen wij doorgaan eerst de reeks kerkelijke gebouwen +tot den tegenwoordigen tijd te beschrijven, doch om dit met te meer +vrucht te doen, is het allernoodzakelijkst, hoewel noode, de aandacht +eerst kortelijk te bepalen op + + + + + +DE UITOEFENING DER R. C. EEREDIENST BINNEN OUDEWATER, NA 1575 TOT +1705-1709, EN DE GEESTELIJKEN DIE HIER LEERAARDEN. + +Na de inname der veste door de Spanjaarden in 1575, is het gemakkelijk +te begrijpen, dat de uitoefening der roomsche Godsdienst aan geene +belemmering zal onderworpen zijn geweest, en de kerk, al was de +protestantsche leer daarin reeds voor 1575 gepredikt, zij toch door +de Spaansche bezettelingen weder zal gebruikt zijn geworden tot +uitoefening hunner eerdienst. Het gelukte echter in het volgende jaar +aan den onverschrokken van Zwieten en de zijnen, wederom de stad voor +Oranje te overrompelen, en van dien tijd ongeveer, kunnen wij veilig +aannemen, dat de parochiekerk in het ongestoord bezit der hervormden +zal geweest zijn. + + + +Wat waren helaas de gemoederen verbitterd in het woelige tijdvak onzer +beschrijving, ach! zij die steeds vrienden waren, verkeerden aldra niet +zelden in openbare vijandschap, de teederste banden, die van minnende +echtelingen, van ouders en kroost, van familien en aanverwanten, +werden soms wreed vaneen gereten, en eene betreurenswaardige wrake +verving eene zoete vriendschap en genegenheid. En van waar de laakbare +stemming? Ach mijne lezers! ook Oudewater voedde in zijnen boezem +de giftige slang van geloofs- en godsdiensthaat, en wel zoo, dat het +de betreurenswaardigste gevolgen met zich sleepte. Hadde men helaas +beter begrepen, dat het geloof van protestant en katholijk beide een +waren in het Goddelijk gebod van naastenliefde, en toch werd het in +dien tijd, door beiden zoo ongelukkig verbroken. + +Gelukkig echter na het woeden van den genoemden storm in al zijne +woestheid, verminderde zij allengskens, tot er eindelijk een vrij +dragelijke ruste aan den horizont lichtte. En het moest alzoo +geschieden, want de mensch ging in de ontrolling der drie laatste +eeuwen vooruit, met rassche schreden vooruit, op de schoone bane +van stoffelijke en geestelijke beschaving. Hierdoor begon hij het +ongerijmde, het den christen vernederende der geloofshaat in te zien, +en nu.... nu in onze welgeordende maatschappij, onder het bestuur van +Nederlands beminden derden Willem, zijn alle burgers van Nederland +gelijk voor de wet, onze volks-vertegenwoordigers toonen meest allen te +begrijpen, wat de negentiende eeuw van hen vordert, wat de verlichte +mensch uit dien tijd wil; en de vruchten dier vooruitgang? Tuigt het +mijne lezers, hoe schoon zij zich openbaren op iedere plaats van het +gezegende Nederland. + +In de eerste tijden dan na den moord door de Spanjaarden, in de +kleine veste zoo mededoogenloos uitgevoerd, konden de roomschgezinden +hunne Godsdienst naar willekeur nog in het openbaar uitoefenen; in +die vrijheid echter konden zij zich niet zeer lang verheugen, daar +reeds van den 5 September 1578 een placaat bestaat op de vicarijen +en geestelijke bezittingen, alsmede de uitoefening der roomsche +eeredienst. + +Spoedig mogten zij nu niet meer hunne religie in het openbaar +uitoefenen. Wij vinden ook in dien tijd geen pastoor, als hier verblijf +houdende en voor het algemeen leerarende, in eenig document aangeduid. + +Zoo stonden de zaken, toen in 1614 de roomsche geestelijke Baaks +of de later zoo beroemde Johannes Wachtelaar, doch waarschijnlijk +meermalen beiden, voor het eerst in stilte, begunstigd door het +nachtelijk duister, de mis celebreerden, ten huize van den poorter +Jan Willemse Copper. [186] + +Naar wij bijna met zekerheid kunnen vermelden, bleef men het huis van +dezen steeds als punt van bijeenkomst houden [187], en kwamen er van +tijd tot tijd, de weg gebaand zijnde, andere geestelijken, alhier de +gemeente bedienen. Zoo weten wij, dat in 1615 en 1616 alhier kwamen +prediken de Heer Ægidius, die opgevolgd werd door deszelfs broeder +Thomas, doch kort daarna vertrok. + +In 1620 was alhier als priester werkzaam zekere pater Jacobus Tyras +genaamd, een Antwerpenaar van geboorte. Lector in de theologie te +'s Hertogenbosch, zond zijn overste hem in 1620 naar Holland als +missionaris, en Oudewater, 's Gravenhage, vervolgens de omstreken +van Hoorn en Enkhuizen, waren getuigen van zijnen ijver. Eindelijk +kwam hij op aandrang der catholijken binnen Hoorn, rigtte daar eene +bidplaats op en was de eerste missionaris, die op bepaalde plaats en +tijd de roomschen vereenigde en de diensten met plegtigheid verrigten +mogt. Zoodanige vorderingen in de uitoefening zijner Godsdienst +moesten evenwel duur gekocht worden, daar Tyras bij zijne komst te +dezer plaatse, den kerker tot verblijf werd gewezen en dezelve in +Hoorn insgelijks drie maanden moest betrekken. Hij stierf te Hoorn, +3 September 1638 en werd in het choor der groote kerk begraven. [188] + +Na dat den weg door Tyras tot het uitoefenen zijns geloofs, al meer +en meer bereid was geworden, was het Modestus Stevens Senk, die +het eerst het herderschap in het openbaar op zich nam. Harderwijker +van geboorte, was hij bij leeraar in de roomsche theologie, tevens +kanunnik van Deventer. In zijne geestelijke bediening het opzigt gehad +hebbende over de Veluwe, heeft hij daarna de gemeenten van Oudewater +en die van IJsselstein bediend, gelijk hij zelf in een brief van de +geestelijkheid aan Jacobus Bool getuigt. Bij de gemeente van deze +plaats bediende hij tevens nog Linschoten, Weerden, Roozendaal enz. + +Nader werd hij in ballingschap verzonden en is te Keulen, alwaar hij +tot president van het Hollandsch collegie aangesteld was, overleden, +den 5 Julij 1654. [189] + +Op deze is gevolgd in 1626 of 1627, Johannes Bekom, een Utrechtenaar en +Lincenciaat in de Godgeleerdheid, deze is echter naar Delft beroepen. + +Tijdens Bekom echter nog alhier verbleef, kwam ook hier de eerste +pater der Jezuiten, Ludovicus Soutien. Tot dusver was er echter +nog geene kerk voor het uitoefenen hunner eerdienst, doch wij kunnen +veilig aannemen, dat de in het begin dezer eeuw verbroken kerk aan het +Heilig leven gebouwd of ingeruimd is, tusschen 1626 en 1640 tot het +publiek uitoefenen dier godsdienst. Eenigen tijd is hier ook geweest +als priester Johannes Kuisten, die daarna naar Raanburg vertrok. + +Ook de Heer Nicolaas van Hee, moeten wij onder de geestelijken +dezer plaats noemen. Hij was geboren te Polsbroek volkomen Bacelier +in de Godgeleerdheid en is alhier gestorven of begraven op den 21 +April 1673. Als orde-geestelijke was pater Houtman van den genoemden +pater Soutien opvolger, zoodat wij van nu aan in Oudewater een reeks +wereldlijke priesters en een reeks orde-geestelijken of paters moeten +vermelden, hierdoor ontstonden dan ook twee gemeenten en tengevolge +van dien, twee kerken, de eerste: de paterskerk zagen wij, reeds op +het Heilig leven en de tweede de kerk voor de wereldlijken priesters +verrees aan de markt. [190] + +In de beschrijving door H. v. R. bladz. 334 vinden wij nogthans ook +vermeld, dat naar luid van een brief van Philippus Rovenius anno 1650, +Jacobus Houtman, daar als noodhulp genoemd wordt bij pastoor Van Hee +[191]. Hoe het zij, dit althans weten wij zeker, dat de twee kerken in +1667 en 1668 bestonden. De doopregisters immers dier beide gemeenten +zijn nog in aanzijn, die van de kerk aan de markt, dagteekent van 4 +Mei 1667 en die van het Heilig leven, van den 12 November 1668. + +»Na Van Hee, is gevolgd zeker Heer Gillis, wiens opvolger wederom +geweest is Adrianus Overgow [192] ten zijnen tijde weder was noodhulp +zekere Johannus Duc van Montfoort en successivelijk nog meerdere, +doch hunne namen laten wij achterwege. In Overgows plaats is +gekomen de Heer Hugo Hoofd, een Montfoortenaar, doch Hoofd werd naar +Amsterdam beroepen en Overgow keerde weder naar zijne pastorie binnen +Oudewater. Hier had hij eerlang voor de pastorele rechten te kampen, +tegen pater Paulus Oosternijk, een Jezuit en zendeling alhier. De +pater beweerde, dat de pastoor niet bevoegd was om de katholijken +der omliggende dorpen te gaan bedienen. Doch nadat de Heer Hugo van +Heussen de stukken onderzocht en de getuigen gehoord had, heeft hij +den pater het proces tegengewezen. + +Onder de geestelijken die de Roomsche eerdienst alhier hebben +waargenomen, moet nog genoemd worden, pater Rollandus Daniels, doch +door vertrek van dezen naar elders is er eenige schorsing in de +geestelijke dienst op het heilig leven geweest, immers wij kunnen +dit opmaken uit de doopregisters, die in 1705 eindigen en in 1709 +wederom beginnen. + +Omstreeks voornoemde tijd, was pastoor aan de marktkerk de Heer +Johannes Chrysostomus Vijfhuizen, een Hagenaar. In de Hervormde +Godsdienst opgevoed zijnde en langen tijd geleefd hebbende, omhelsde +hij later het Roomsche geloof. Nadat hij hier en daar als noodhulp +had gestaan, werd hij door den Bisschop van Sebaste naar deze +plaats geschikt, om de ingezetenen en gemeentenaren uit den omtrek +te bedienen. + +Deze pastoor Vijfhuizen was het, die de beginselen van de eerdienst der +bisschoppelijke Clerizie toe gedaan zijnde, ook zoodanig een gemeente +alhier stichtte en na vruchtelooze pogingen, tot het aankoopen van +een huis waarin hunne Godsdienst uit te oefenen, zijn zij in het +bezit gebleven van de kerk aan de markt, tot op dezen tijd. + +De naamlijst van Roomsche geestelijken, der twee kerken, die wij +tot hiertoe dooreen ter neder schreven, moet dus, nu het kerken +zijn, waarin verschillende eerdiensten worden uitgeoefend, onder +afzonderlijke rubrieken voorkomen. + + + + + +ROOMSCH CATHOLIJKE ORDE-GEESTELIJKEN AAN HET HEILIG LEVEN. + +Anno 1709 was pastoor aldaar de eerw. heer Johannes de Ruyter, +minderbroeder, die op den 20 Februarij 1725 overleed en tot opvolger +had zijn kapelaan in hetzelfde jaar. + +1725 Alexander de Neve, die den grooten tol aan de natuur betaalde +den 28 Augustus 1767, en opgevolgd werd door deszelfs kapelaan in + +1767 met name Franciscus Rogiers, deze den 14 Februarij 1781 overleden +zijnde, kwam in zijne plaats in + +1781 Lambertus Lem, die onder Rogiers, zijn kapelaan was. Pastoor Lem, +die in 1796 den 29 November stierf heeft tot kapelanen gehad: + +a. Johannes Augustinus Moorman die den 27 December 1784 overleed. + +b. Henricus Marselus ontslapen den 27 November 1790. + +c. Michael van de Ven. + +d. Johannes Schenk, die tweede adsistent was. + +De opvolger als pastoor voor den eerw. Heer Lem, die in 1796 overleed, +was nog in hetzelfde jaar de reeds genoemde Michael van de Ven, die tot +aan zijn dood (23 Mei 1809) de pastorale betrekking bekleedde. Nog in + +1809 werd hij opgevolgd als pastoor door zijnen kapelaan Johannes +Schenk,--door zijn overlijden echter, werd in + +1814 als pastoor dezer gemeente benoemd Christianus Florus, die reeds +sedert Anno 1809 kapelaan was bij pastoor Schenk; deze pastoor is +alhier overleden op den 2 Mei 1852 na 43 jaren als priester in deze +gemeente te zijn werkzaam geweest. Gedurende zijn ambt van pastoor +alhier heeft hij de volgende kapelaans gehad: + +a. Gerardus Schouten 2 Maart 1829 in deze gemeente--hij werd in +die betrekking opgevolgd door + +b. Josephus Wilhelmus van Ewijk, die van hier als pastoor naar Bommel +is vertrokken op den 2den Junij 1834. Na dezen is alhier als kapelaan +gezonden + +c. Antonius Franciscus Ranshuizen, die van hier als kapelaan naar +Hoorn vertrok den 11 Oct. 1835 en opgevolgd werd door + +d. Henricus Theodorus Loninck, die uit dezen plaats den 14 Nov. 1849 +als kapelaan vertrok naar Rotterdam en in wiens plaats is gekomen + +e. Wilhelmus van Asveldt, die als kapelaan naar Haarlem ging den 4 +Junij 1851; zijn opvolger was [193] + +f. Fredericus Stephanus Kraaivanger, die van hier als kapelaan naar +Leiden vertrok den 24 Mei 1853. + +Nog in hetzelfde jaar van het overlijden des eerw. heeren Florus +(1852) is alhier als pastoor gezonden Franciscvs Schreurs die als +pastoor naar Coevorden ging den 31 Mei 1853 en in + +1853 wierd opgevolgd door Alexander Matthias Balthasaar die tot +kapelaan had sedert 5 Junij 1853 Stephanus Ignatius Rooters. + +De eerw. Heer Balthasaar is van hier vertrokken als pastoor der Mozis +en Aaron kerk van Amsterdam in het jaar + +1854 als wanneer hij opgevolgd werd als pastoor door den eerw. heer +Johannes Henricus Dierhoff, die deze pastorie tot op dezen dag, +met zijn kapelaan den eerw. pater Stephanus Ignatius Rooters bedient. + + + + + +GEESTELIJKEN DER BISSCHOPPELIJKE CLERIZIE DER KERK AAN DE MARKT. + +Anno 1700 Johannes Chrysosotimus Vijfhuizen, die alhier in 1729 +overleed en opgevolgd werd in + +1729 door pastoor Hubertus de Vos, in wiens plaats Ao. + +1768 kwam de eerw. heer pastoor Theodorus van Hagenouwe die van hier +in 1797 vertrok en na 1814 in Oosterhout is overleden. + +In 1797 was pastoor Godefridus Spruyt van Schiedam naar hier +gekomen. Achtereenvolgend heeft hij tot kapelanen gehad, de Heer H. de +Jong die van hier als pastoor naar Gouda vertrok en P. van Wijk die +van hier ging om de pastorie van Hilversum te bedienen (die beiden +daar nog in bediening zijn.) + +Pastoor Spruyt van zijne pastorie afstand gedaan hebbende, is elders +gaan wonen, en in + +1813 opgevolgd door Franciscus Johannes Guddee, die van Hilversum +naar hier is gekomen en overleden is den 3 Augustus 1854 na 41 jaren +in zijne gemeente te hebben geleeraard [194]. Tijdens zijne ziekte +is als noodhulp alhier geweest de eerw. heer C. A. Harderwijk die nu +pastoor van Culenborg is. + +1854. De eerw. heer Henricus Theodorus Verhoeff, bedient sedert het +voorschreven jaartal nu de kerk aan de markt. + + + + +De oude kerk der Roomsch Catholijken. + +Volgens de Heer van Kinschot was dit kerkje der beschouwing van binnen +waardig.--Uit een zekere bron weten wij echter, dat het buiten meer +gelijkenis met op een schuur dan op een kerk gehad heeft.--Hoewel +deze kerk insgelijks zooals nog de tegenwoordige aan het Heilig leven +stond, was hare standplaats echter niet zoo digt aan de Kapelstraat +als de tegenwoordige: + + + + +De tegenwoordige kerk der Roomsch Catholijken. + +Zij heeft even als de twee vorige zeer weinig aanzien, dat voor een +kerk-dicteert, twee ingangen verschaffen den gemeentenaren toegang +in dezelve, de eene van uit de Kapelstraat de andere langs het Heilig +leven; haar van de laatste zijde naderende, kan men in den gevel het +volgende in hardsteen uitgehouwen opschrift bemerken + + + HAEC DOMUS DOMINI AEDIFICATA Ao. MDCCCIII + + +dat is: + + + Dit huis Gods, is gebouwd Ao. 1803. + + +Bij het binnentreden bemerken wij dadelijk, een zonderlinge +constructie, zelfs zoo, dat niet het minst bij de bouwing aan symboliek +schijnt gedacht te zijn, gothiek is er trouwens geen stip aanwezig. In +deze kerk bevind zich 1 altaar, dat niet oostwaarts gerigt is, +doch op fraaiheid aanspraak mag maken, de communiebank wordt als een +meesterstuk van beeldhouwkunst geroemd; zij bestaat echter slechts uit +gedeelten van de communiebank uit eene kerk van IJsselstein. Zijn wij +wel onderrigt, dan heeft men die eertijds aldaar publiek geveild en +bij die gelegenheid welligt voor spotprijs alhier aangekocht. Het orgel +heeft een clavier is zonder pedaal en onaangenaam van toon. Het jaartal +van zijn bouw, alsmede de vervaardiger zal men er niet op vinden. + +Om in de behoeften der steeds grooter wordende gemeente te voorzien, +heeft men voor eenige jaren de kerk vergroot, zoodat er zich nu een +groot getal gemeentenaren in kunnen vereenigen. De harmonie in het +gebouw toen nog aanwezig, heeft echter zeer veel door dien herbouw +geleden. + + + + +De kerk der Bisschoppelijke Clerezie. + +Dit kerkje, dat zich nog in wel onderhouden toestand bevindt, is zijn +beziens van binnen om zijn fraaiheid niet onwaardig, het heeft echter +eveneens slechts een altaar, het orgel heeft slechts een clavier +en bezit geen pedaal, het is zwak, en niet zeer aangenaam van toon +terwijl vervaardiger noch jaartal op hetzelve uitgedrukt staan. De +oudste patroon van deze kerk is St. Michiel; doch door de opheffing +der gemeente van Polsbroek in 1842 toen ook de bezittingen der kerk +aldaar aan die onzer beschrijving gekomen zijn, is St. Johannes den +Dooper, die patroon van de kerk in Polsbroek was, als tweede patroon +alhier aangenomen. + +Van buiten zou men bezwaarlijk eene kerk in dit gebouw herkennen, +ware het niet, dat aan haren ingang, een houten kruis was aangebragt, +waarop het volgende te lezen staat: + + + IN HOC SIGNO VINCES + + +dat is: + + + Door dit teeken zult gij overwinnen. + + +Om op eenige volledigheid te kunnen aanspraak maken, mogen wij niet +onvermeld laten, dat wij nog ten vorige jare een locaal in zeker +huis hebben bezigtigd, staande op de have niet ver van de markt [195] +waarin, naar ons werd medegedeeld, eertijds--eveneens ter sluiks--de +Mennonieten bijeenkwamen om hunne eerdienst uit te oefenen.--De +zekerheid, dat het Mennonieten waren durven wij echter niet uitmaken, +doch bepaald, konden wij aan eenige versieringen nog bemerken, dat +er eerdienst in uitgeoefend is. + +De christelijk afscheidenen in deze plaats woonachtig, vergaderen +tot het uitoefenen hunner godsdienst, in zeker woonhuis [196] op het +Roodzand, dewijl de gemeente hier niet zoo vele leden telt, dat er +eene kerk gesticht worde en een predikant aangesteld om haar geregeld +te bedienen. + +De Israeliten die hier gedomicilieerd zijn, bezitten--eveneens om +hun gering aantal--geen Synagoge, daarom vergaderen zij in plaats +daarvan sedert een aantal jaren in een woonhuis [197] staande op +de Korte donkere Gaard. Hun aantal is zelfs zoo gering alhier, dat +zij bij sommige gelegenheden genoodzaakt zijn, Israelieten van eene +andere plaats te ontbieden, om naar eisch hun feest te kunnen vieren +en uitoefenen. + + + +En hiermede mijne lezers is de beschrijving van de reeks kerkelijke +gebouwen ten einde, wij noodigen u nu eerst, met ons weder eenige +eeuwen terug te gaan, daar de beschrijving der geestelijke gestichten +die hier eertijds in zoo ruime getale aanwezig waren, ons toeft. + +Bij die beschrijving, zullen wij ons ten regel stellen, eerst de +geestelijke gebouwen enz. te beschrijven, om daarna tot de gestichten +over te gaan, die ontstonden, uit bijzondere en algemeene kosten tot +liefdadig doel. + + + + + + + +Het voormalige klooster der zusteren van Sinte Lijsbeth of van +St. Agnes in Oudewater. + + +AANKOMST EN EERSTE BIJZONDERHEDEN DEZER ZUSTEREN ALHIER. LIGGING VAN +HET KLOOSTER. + + +»Wij hebben" zegt de heer van Kinschot, op bladzijde 58 zijner +beschrijving van Oudewater, »met zekerheid ontdekt, dat hier een +klooster van de zusteren van Sint Lijsbeth van de derde orde, even +als in 's Gravenhage geweest is; doch, geen het minste overblijfsel +daar meer van overig zijnde, kunnen wij alleen ten bewijs aanhalen, +den voorrechtsbrief, door Hertog Philips, als Graaf van Holland op het +verzoek van eenige geordende geestelijken, op den 17den van Lentemaand +des jaars 1452 aan dezelve gegund, waarnaar zij zich voegen, schikken +en gedragen moesten." + +Genoemde schrijver is al zeer karig met het mededeelen van +bijzonderheden, omtrent dit convent, en het »bewijs" van derzelver +bestaan in Oudewater door hem aangevoerd, mogen mijne lezers niet +als zoodanig aannemen, aangezien deze zusters in 1452 niet meer in +deze plaats aanwezig waren; doch loopen wij onzen tijd niet vooruit, +wij zullen deze zaak later van zelf opgelost zien. + + + +In de beschrijving van het naburige Schoonhoven door H. van Berkum, +vindt men de aankomst der zusteren alhier, aan het hoofd dezes +aangeduid, vermeld. De oorzaak, dat zulks in de beschrijving van +Schoonhoven te vinden is, ligt hierin, doordien voornoemde conventualen +van Schoonhoven naar Oudewater zijn gekomen. Zien wij dus, wat van +Berkum daaromtrent heeft geboekstaafd. + +»Van het klooster [198] van sinte Lijsbeth, en van de Beggijnen +of Sustern, op de oude Haven, moet men geen twee kloosters maken, +gelijk ik ergens gevonden hebbe, het was er maar een, onder deze +verscheidene namen bekend. + +»Het regte jaar van deszelfs stichting is mij onbekend; in het +jaar 1375, was er niet, als één klooster te Schoonhoven dat der +Carmelieten; het is zeker, dat in het jaar 1399, er al twee woningen +voor geestelijke vrouwspersonen waren, die van de susters op de oude +Haven, en die van St. Agnes in de koestraat, waaruit in dit voornoemde +jaer (1399) susters gestuurd werden naar Oudewater. + +Het zal mijne lezers nu welligt duidelijk zijn, waarom wij +hiervoren ter neder stelden, dat de geestelijke dochters, òf +zusters van St. Lijsbeth, òf van St. Agnes zullen zijn genoemd +geweest, eene verwarring hoogst waarschijnlijk ontstaande, doordien +haar klooster of beter hare orde naar St. Lijsbeth was, en hare +bidkapel aan St. Agnes gewijd geweest zijn zal, of omgekeerd. Deze +zelfde verwarring verbeterde reeds hiervoren de Heer van Berkum in +Schoonhoven, en daarbij weten wij immers zeker, dat het St. Ursala +convent in Oudewater, waarover wij later breedvoerig zullen schrijven, +eveneens zijn naam verschuldigd is, aan de patrones van de kapel +der conventualen, die naar den derden regel van St. Franciscus +leefden. [199] + +Als aanleidende oorzaak nu, waarom deze zusters uit Schoonhoven naar +Oudewater weken, vinden wij in de oudheden van Rijnland vermeld, +dat zij om de oorlogen, (de Hoeksche en Cabellaauwsche twisten) +die het platteland onveilig maakten naar Oudewater trokken. [200] + +En nu mijne lezers zullen wij eenige bijzonderheden vermelden, +omtrent het hoe en waar, van deze hare vestiging in Oudewater. + +Hiervoor staat ons ten dienste de copij van een handschrift, +medegedeeld in de oudheden van Rijnland bladz. 457, 458 en 459, +en uit het klooster Marienpoel bij Leijden van oorsprong. + +»In 't jaer ons Heeren 1399 doe sende Heer Vrederik die Biechter der +susteren van Scoenhoven op de oude haven, en de Heer Claes, Biechter +der susteren van Sint Agnieten te Schoonhoven in die koestraat die +eerste zusteren wt horen huse, daer onse susteren voert wt gesproten +zijn, ende alre eerst vergaderdese int heilige leven te Oudewater +ende daer na vergaderdese bij Pieter Aven zoen over de sluse. [201] + +Daerna int jaer ons Heeren 1412. doe coft suster Clemens Gelis dr. onse +eerste mater in die derde oerde, gheboren van eerbaren ouders van +Scoonhoven, die Husinghe, die den Heer van Vliet toehoorde, die stont +in de capelstraat daer hi ons goedertierenheit in bewijsde om der +wil zijnre vrouwen, die hoor suster Ariaen Jans dr. in onse Cloester +brocht. In corte jaren daerna scoet Jan Melisz. husinge boven wt, +dattet op onse werf vallen woude, dat men met balken onderscoerde, +ende dese husinge coften wi, ende van dat voerhuis ande straat wort +ons capel ghemaekt [202] ende after daeran onse butenhuus. After +teghen de stede muer [203] langhes onse werf lieten wi een steenen +huus timmeren, daer wi inweefden, bacten ende brouden, en de torfden +en de verpenscot. [204] Daer voer dat huus stont enen sconen put di wi +lieten graven, daert water in ende wt vloeide ende ebbede, door een +zijl [205] wt d ijssel. Bisiden den put hadden wi enen sconen viver +laten graven, daer wi visch in hielden. Andie ander zijde van onse +werf coften wi Heer Bertelmeus [206] husinge, ouse cureit, dat was ons +priesters husinge, onse reventer [207] ende sieccamer ende koken. Oec +coften we Ouwerogs husinghe met enen bergh, daer susteren in woonden +die den beesten en de tsuvel bewaerden, die door een poort met een +slot in quamen eten, noch coften we 2 husinge, dat voorhuus stont an +de Capelstraat, ende dat after huus stont an onse werf, met een berch." + +Uitgenomen de voornoemde bijzonderheden staan in het gemelde stuk +nog de volgende giften aan het klooster vermeld: + +»In 't jaer ons Heeren 1413 sterf Peter Ave soen, op Sint +Lambrechtsavond, die onse susteren eerst versamende, behalve +menigherlei goedicheit die hi ons dee, so gaf hi ons 25 nobel ende +5 pont tsjaers ewighe rente, 15 groot voer een pont." + +Ziet hier mijne lezers, u met onze beste pogingen op de hoogte gebragt +omtrent den oorsprong van dit convent in Oudewater. Uit een en ander +hebben wij gezien, op wat een aanzienlijke hoogte deze zusteren het +in korte jaren gebragt hebben, immers wij zagen het klooster reeds +de aanmerkelijke ruimte beslaan, van de westzijde der kapelstraat +bij het heilig leven tot aan het tegenwoordig zoogenaamde klooster, +bij de oude vestingmuur der stad. Achter al deze huizen was eene +aanzienlijke ruimte, zoodat zij te over gelegenheid hadden, die +bedrijven uit te oefenen, door ons hiervoren uit het stuk van de +oudheden van Rijnland gecopierd. + + + +Zij die in Oudewater bekend zijn, en iets van zijn geschiedenis +weten, zullen mij welligt tegen voeren: al deze bijzonderheden daar +vermeld, omtrent de ligging van het klooster enz. hebben betrekking +op het verblijf van de zusters naar den 3 regel van Sint Franciscus +van penitentie, gewoonlijk naar het kapelletje, dat aan Sint Ursula +gewijd was, het St. Ursula convent geheeten. Het is zoo mijn lezer, +gij hebt gelijk, doch ook mijne mededeelingen zijn juist. Laat ons +het duidelijk maken. + +Nadat de zusteren van St. Lijsbeth of van Sint Agnes, van het jaar +harer komst in Oudewater onder denzelfden naam, en onder dezelfde +orde als in Schoonhoven, ten minste hoogst waarschijnlijk, daar heen +leefden, was het in Anno 1414, dat Hertog Willem, Graaf van Holland +toestond, dat genoemde zusters, uit de kapelstraat, »die leefden in +een' woning en Hofstadt die Heeren Jans van den Vliete plachte wesen, +ien besloten Cloester en convent van Sint Franciscus oerden, geheten +van penitentien sullen mogen funderen, timmeren, enz. + +Het is dus nu duidelijk geworden: de zusters uit Schoonhoven van +St. Lijsbeth of St. Agnes, werden ten onzent in 1414 zusters naar den +derden regel van Sint Franciscus van penitentie, gewoonlijk zooals +wij reeds opmerkten, bekend onder den naam van het St. Ursula Convent. + + + +Het voormalige St. Ursala-Convent, of het klooster der zusters naar +den derden regel van St. Franciscus orde van penitentie. + +Nadat wij den oorsprong der zusters alhier uit Schoonhoven nagingen, +is de geleidelijkste overgang voor het beschrijven van het St. Ursala +convent, onzes inziens de mededeeling van de inhoud des briefs, +waarbij Hertog Willem het aannemen en de stichting van dit convent +naar de orde van St. Franciscus, oorlooft en consenteert, en al +dadelijk gaan wij dus hiertoe over: + + +»Willem by der Genaden Gods Palsgrave op den Rijn Hertoch van Beyeren, +van Henegoën, van Holland, van Zeeland ende Heer van Vriesland dan +cont allen leuden, dat wy om Godts wille aangesien zelicheit onser +en onser ouderen ziele, en om den dienst Godts allerwegen te meerren +geoorloft en geconsenteert hebben, verloven en consenteren met desen +brief, dat de vrouwe persoenen by de maegeden en weduwen in onser +steede van Oudewater in de Capellestraet in een woninge en hofstadt, +die heeren Jans van der Vliete placht wesen een besloten cloester en +convent van Sint Franciscus Oerden geheten van penitentien sullen mogen +funderen, timmeren en volbrengen in der woningen voorsz. en hem daarin +laeten besluiten na manieren en de ordonnantien des voorz. oerden, +als daartoe behoort, ende nemen dit voorsz. clooster en convent +met haren goederen en personen daartoe behoorende in onser hoede en +bescherminge, gelikerwijs en in alre manieren als wy anderen cloesteren +ende Godtshuisen in onsen lande liggende genomen hebben, en omdat wy +dit vaste en gestade gehouden willen hebben, voer ons en voer onse +nacomelingen, so hebben wy desen besegelt met onsen segele, gegeven +in den Hage op ten eersten dach in Septembre Ao MCCCC en vierthien." + + +Dit klooster, stond onder het opzigt van het kapittel en de bisschoppen +van Utrecht, terwijl de broeders van het gemeene leven, doorgaans +minderbroeders genaamd er het bestuur over hadden. [208] + +Stil en vreedzaam, leefden deze zusters eenigen tijd in het nederige +Oudewater voort, en wij mogen vooronderstellen, dat hunne inkomsten +in korten tijd aanmerkelijk vermeerderden, zeer gezind als men in +die tijden was, giften aan dergelijke gestichten te schenken, ten +minste in meergemeld handschrift uit het klooster Marienpoel vinden +wij nog vermeld: »Leye Wittender sterf in 't jaer ons Heeren 1418 op +Sint Katrinedach, si gaf ons (het convent van Oudewater) in aelmissen +18 engelsche nobel." + +Niet lang echter mogten zij zich op deze ruste beroemen; donkere +wolken van onrust en woeling betrokken den politieken en kerkelijken +horizont van Holland en Utrecht en... de zusters van het St. Ursala +convent moesten vlugten uit Oudewater. Om dit echter duidelijk te +maken, is het noodig, dat ik den vriendelijken lezer verzoek, met +mij de aandacht eene wijle te bepalen op zaken en gebeurtenissen, +die wel niet in Oudewater voorvielen, doch den grootsten invloed op +het convent moesten hebben. + + + +Na den dood [209] van den Bisschop Frederik van Utrecht in +October 1423, [210] werd het kapittel in de daaraanvolgende maand +bijeengeroepen tot het verkiezen van een anderen bisschop, waartoe +zich dan ook verscheidene mededingers opdeden. Rudolphus van Diephout +kanunnik te Keulen en Walravus van Meurs, kwamen onder allen het +meest in aanmerking--Rudolph bekwam de meeste stemmen en werd alzoo +tot bisschop gekozen. [211] Beide zonden echter gezanten naar Rome +om de bevestiging van den man hunner keuze van Paus Martinus de V +te erlangen. Aan geen der beide partijen mogt dit echter gelukken en +dientengevolge droeg kort daarna de paus het bisdom van Utrecht op, +aan Raban, Bisschop van Spiers. [212] Toen deze echter vernam, dat het +Sticht in hevige partijschappen verdeeld was, liet hij zich gemakkelijk +bewegen, om zijn regt over te staan, aan Zwederus van Kuilenburg, +die hem daarvoor zijn domproostdij opdroeg. Ook de paus nam hierin +genoegen en Zwederus werd bevestigd als bisschop van Utrecht. Dan, +hierop volgde een openbare scheuring in het Sticht. De geestelijkheid +der stad Utrecht onderwierp zich aan 's pausen besluit en erkende +Zwederus voor bisschop. [213] Doch het overige gedeelte van het Sticht +bleef Rudolf aanhangen.--De paus aldus in zijn bediening gekrenkt, +verbood alle kerkelijke diensten, in zulke plaatsen des bisdoms, +daar Zweder niet erkend werd, en sommigen eerbiedigden dit bevel uit +ontzag voor den paus, terwijl anderen de dienst bleven waarnemen. [214] + +Zweder intusschen, had zich meester gemaakt van het slot ter Horst, +en noodzaakte eerlang de steden Amersfoort en Rhenen en ten laatste +ook de stad Utrecht hem als Bisschop binnen zijne muren te nemen, +zooals hij dan ook in Augustus 1425 zijnen intogt in laatstgenoemde +stad deed en er gedurende tien maanden verbleef. Daarna verbond +Zwederus zich met de Kabellaauwsche partij in Holland inzonderheid +met zijne nabestaanden: Jan en Willem van Egmond en sedert ook met +Philips, hertog van Bourgondie, die terstond pogingen aanwendde, +om den aanhang van Rudolph en de vrienden der Hoekschen in het +Sticht, met geweld aan te tasten. Door een en ander, maakte Zweder +zich binnen kort zoo gehaat in Utrecht, dat men een toeleg smeedde, +om hem uit de stad te houden, en Rudolphus in den bisschoppelijken +zetel te herstellen, dat in den zomer van 1426, door beleid van Jan +van Renesse van Rijnouwen gelukte. [215] Rudolph werd eerst door de +Ridderschap en de stad Utrecht en door de Ridderschap en de steden +van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid, tot postulaat, +Ruwaard en Beschermer van het bisdom aangenomen [216] en Zweder alle +Regtsgebied ontzegd. De laatste vestigde sedert elders den stoel des +bisdoms en werd in het algemeen, door den Kabellaauwschen aanhang, +voor wettigen bisschop erkend. [217] + +Rudolph, die nu in het Over en Nedersticht volkomen meester was, +verbond zich met vrouwe Jacoba en de Hoekschen [218] en haalde zich +hierdoor den haat van hertog Philips op den hals. + +Tot zoover mijne lezers heb ik u moeten brengen, om het vertrek der +zusters in 1428 uit het St. Ursala convent van Oudewater, wel te +kunnen begrijpen. + +Oudewater toch erkende immers nog een laatstgenoemd jaar vrouwe Jacoba +als gravin, doch deze was zooals wij zagen de partij van Rudolph van +Diephout toegedaan, en Diephout met zijne aanhangers was door paus +Martinus de V tot den geestelijken ban veroordeeld. [219] + +Wat moesten onze conventualen nu doen? Ongehoorzaam zijn aan +den paus wilden zij niet, en in Oudewater blijven, en een anderen +bisschop erkennen als de gravin die haren scepter nog over Oudewater +zwaaide, konden zij niet. Zij werden dus genoodzaakt om te vlugten, +doch waarheen? Natuurlijk naar het gebied van Hertog Philips van +Bourgondie, die den bisschop aanhing, die zij erkenden, Zwederus van +Kuilenburg. [220] + +Nu leefde er in dien tijd in Leiden een zeer vroom en edel man, +Boudewijn van Zwieten genaamd, en de mare van zijn weldoen, had zich +tot in het nederige Oudewater verspreid. Ook deze was het met den +Hertog en Zwederus eens, en het was dus niet te verwonderen, dat de +vlugtende zusters uit het convent van Oudewater, naar hem de wijk namen +en hem smeekten, medelijden te hebben met haren toestand. De echtgenoot +van Heer van Zwieten voegde ook haar verzoek, bij dat der nonnen +en van Zwieten besloot hierop de zusters voorloopig huisvesting te +geven. [221] Hare aankomst te Leiden had plaats op 20 Maart 1428. [222] + +Onze kloosterlingen hebben ons nu reeds zoo veel belang ingeboezemd, +dat wij niet kunnen nalaten, haar nog eenigen tijd elders te volgen. + +Nadat de nonnen bij Van Zwieten huisvesting hadden bekomen, peinsde +hij ernstig na over de toekomst der conventualen, eenmaal onder zijn +bescherming staande. Al spoedig was zijn plan een ander klooster voor +deze zusters te stichten, tot zoodanigen graad van rijpheid gekomen, +dat hij na verlof van den pastoor van Oegstgeest en bevestiging van +dit verlof, door den bisschop van Utrecht, in 1431 reeds een zoodanig +gebouw onder Oegstgeest had laten bouwen, en deze bouwing was reeds +in het volgend jaar harer ontvlugting, in 1429 begonnen. + +De eigenlijke plaats waar het klooster gesticht werd heette toen +Paddenpoel--Moerassig als de grond was, denkt men in de oudheden van +Rijnland, dat deze plaats dus genoemd werd, naar deze amphibien, die +doorgaans op zulke moerassige plaatsen in menigte gevonden worden;--hoe +het echter zij, stellig weten wij, dat de Heer Van Zwieten na de +stichting van het klooster aldaar, deze weinig aestetische naam heeft +laten veranderen, in Sinte Marienpoel of onzer Liever Vrouwenpoel en +wel op bevel van Zwederus in 1429. + +Aan dit klooster werd deze wet voorgeschreven, dat het getal der +geprofesside nonnen niet grooter dan veertig zoude zijn, en, dat er +niet meer dan tien leeken of buiten zusters zouden aangenomen worden, +ten waar, dat het algemeen kapittel, en hij (Van Zwieten) het bij +zijn leven ook anders mogten verstaan. Ook moesten de nonnen, die +zoo als wij weten in Schoonhoven en Oudewater tot in Ao. 1414 zusters +van St. Lijsbeth of Sint Agnes heetten en nader in Oudewater leefden +naar den derden regel van St. Franciscus, daar sedert de gelofte doen, +te leven als Reguliere kanonnikessen naar den regel en de instelling +van St. Augustinus. [223] + +De stichtingbrief was door den Heer Van Zwieten bezegeld, en op dat +deze brief te grooter kracht zoude hebben, heeft hij Willem Klinkaert, +prior in het klooster den Hem buiten Schoonhoven en Herman Jansz. prior +van het klooster te Stein bij Haastrecht die tot bezigtigers van dit +klooster aangesteld waren, verzocht, hun zegel ook aan dezen brief +te hangen. Dit alles heeft van Zwieten dus gedaan, op het feest van +Vrouwen Lichtmis in het jaar 1431. + +Uit dezen merkwaardigen brief, die wij om zijne uitgebreidheid niet +in zijn geheel mogen overnemen [224] ziet men tevens, dat de reden +van deze stichting was eene groote Godsdienstzin, dat hij nog »28 +merghen lants, luttel min of meer" enz. met het klooster, het convent +in eigendom schonk en de voorwaarden waarop dit plaats greep, dat hij +in het klooster eenmaal wilde begraven zijn, en wat men voor de ruste +zijner ziel en die zijner familie aldaar zoude bidden, doch wij zien +er uit een zekere zinsnede ook tevens, hoe groot de nood was toen de +conventualen vloden uit Oudewater. + +Daarna volgt in meergemelde Rijnlandsche Oudheden een breedvoerige +brief van de vermelding der landerijen en inkomsten, die hij aan dit +klooster bewezen heeft. [225] + +Voorts bleek het den schrijver uit een ander stuk, dat Boudewijns +zonen de stichting van hunnen vader bevestigd hebben. + +Ook Philips, Hertog van Bourgondie en Graaf van Holland heeft niet +alleen gemelde stichting in 1445 binnen de Haag bevestigd; doch er +zelfs nog eenige gunsten aan toegevoegd, waarvan de voornaamsten +eveneens aldaar genoemd worden. + +In 1516 deed Keizer Karel als Graaf van Holland hetzelfde als Philips +in 1445--en zóó steeg dit klooster in luister, dat toen meester +Coenraad Pietersz. 's konings gezworen Landmeter in het jaar 1570 op +het verzoek van den pater de grootte der landerijen opnam, hij bevond, +dat dezelve 275 morgen 87 roeden was. + +Dit convent heeft, zoo als uit een doodboek daaraan behoorende, bleek, +onder zijne nonnen mogen hebben, dames uit de edelste geslachten +van Holland zoo als uit de Duivenvoorden, Poelgeesten, Alkemaden, +Boekhorsten, IJsselsteins, Wassenaars en eene menigte anderen. [226] + +Zie daar mijne lezers, u in breede trekken geschetst, hoe dit convent +uit Schoonhoven en Oudewater gesproten, opkwam en in luister steeg, +ook nadat de vlugtende nonnen uit Oudewater er het eerst haren +intrek namen. + +Het wordt echter tijd, dat wij ons spoeden van Marienpoel naar het +in 1428 verlaten klooster in Oudewater. + + + +In het zelfde handschrift waarvan de inhoud door ons op bladz. 227-229 +hier voren is medegedeeld, en die zooals wij daar zien kunnen, +betrekking had omtrent het hoe en waar, van het verblijf der zusteren +in Oudewater vóór derzelver vlugt naar Leiden, vinden wij het volgende +vermeld: + +»Int jaer ons Heeren 1430, coften die susteren van Over Issel al deze +voersz. husen metten erfrenten daer wise mede ghecoft hadden en de +mitten lijfrenten die wi daer op vercoft hadden." [227] + +Hieruit ziet men dus, dat ons convent uiterlijk ongeveer 2 jaren +tijds zonder kloosterlingen zal geweest zijn, daar de ontruiming in +1428 plaats had, en de verkoop aan de zusters van Over IJssel in 1430 +geschiedde: immers, dat die zusters een convent zullen hebben gekocht +en het niet, nog in hetzelfde jaar zullen betrokken hebben is slecht +te vooronderstellen.--Wij worden te meer genoopt, dit aan te nemen, +indien wij de gebeurtenissen nagaan, in 's lands historie bladen. + +Vroeger toch hebben wij reeds opgemerkt, dat toen Jacoba met Rudolph +een partij uitmaakten zij zich hierdoor den haat van Hertog Philips +op den hals haalde, doch nadat de Cabellaauwschen veeltijds met groot +geluk streden, werd volgens sommigen, [228] de vrede tusschen Hertog +Philips en Rudolph van Diephout [229] in den winter van het jaar +1428 getroffen; doch men sloot toen en nader, meermalen slechts een +bestand. [230] Uit het oorspronkelijk verdrag [231] toch, ziet met +zekerheid, dat de vrede niet voor Ao. 1430 geteekend werd.--Alzoo +hetzelfde jaar, dat de zusteren van Overijssel het klooster van +Oudewater kochten. + +Neemt men nu echter in aanmerking, dat de strijd tusschen Van +Kuilenburg en Van Diephout in voornoemd jaar echter nog niet ten einde +was [232], en dat Van Diephout reeds vroeger door de Ridderschap +en steden van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid tot +postulaat, Ruwaard en beschermer van het Bisdom aangenomen werd, en +Zweder alle regtsgebied ontzegd, dan zou men bijna tot gevolgtrekking +mogen komen, dat deze pas aangekomen conventualen, de partij van +Rudolphus van Diephout waren toegedaan. + +Langzamerhand echter geraakte eenige jaren daarna er een einde aan +deze kerkelijke twisten (zie de noot hier beneden) en reeds in 1446 was +het klooster ook in Oudewater tot zoodanigen trap van aanzienlijkheid +gestegen, dat Philips Hertog van Bourgondie als Graaf van Holland +toen de volgende ordonnantie rigtte, tot wering der erfenissen van +de geordende personen te Oudewater. + +Genoemd stuk, had echter volgens den Heer van Kinschot wel het meest +betrekking op de geordende naar St. Franciscus, dus op het St. Ursula +convent. + + +Philips &c. want binnen onse voorschreve Landen binnen corten jaeren +gefondeert, gemaeckt, ende begrepen sijn soo veel kloosteren, +ende vergaderingen van Regulieren, ende Regulierissen, ende van +broederen, ende susteren van Sinte Franciscus Orde, dat veel te +veel is nae grootheyt van onze voorschreve Landen, ende noch dagelyx +meer van den selven begrepen worden; in welcken cloosteren, huyzen, +vergaderingen die persoonen van den selven soo wel Vrouwen, als Mannen, +meest alte neringen, ende ambachten doen dat onbehoorlyk is ende hoe +wel sy aldus geoirde, ende begeven luyden syn, off wesen souden, sy +hebben hem tot deser tyt toe willen bewinden erve te nemen van haeren +ouderen, ende dat erfelyk te gehouden, sonder weder uyt te erven, +ende indien dat dat alsoo lange staen soude, sonder voersienicheyt +daar op te hebben, sy waeren geschepen, mits dat soo veel syn, binnen +korten jaeren gemaeckt, alle die landen te getoigen, daer by dat wy, +ende onse nacomelingen onse diensten verliesen mochten, ende oock +onse arme gemeynte, ende ondersaten neringloos worden souden, soo +wel binnen Steden als daer buyten, Ende om hier in te voorsien van +behoorlyke remedie, soo waeren bij onsen gemeenen Rade, Ridderschap, +ende Steden onser voorschreve Lande, van Hollandt van Zeelandt ende +van Vryeslandt geordineert seeckere commissarise, die welcke alle den +staet van den voorschreven georden, ende geestelyken personen oversien +souden, ende dair nae te ordineren op dat getal, ende grootheyt van +den huysen ende vergaderinge van dien, ende oock te oversien haer +richeyt, ende renten, ende daer nae te voegen, hoe ryk sy souden +wesen om hoeren staet eerlyk, ende redelyk te houden, ende oock goede +redelyke ordonnantien met hem te maken ende te overdragen, hoe, ende in +wat schyn sy voortaen erven souden, innemen, ende uytgeven ende oock +by testamente, op dat in toecomenden tyden tusschen hem, ende onsen +waerlycken ondersaeten, niet meerder geschils, noch ongevals gebueren +en soude, die welcke commissarissen hadden begonnen voor hem te doen +comen, ende ombieden die overste van sommighen van den voorschreven +cloosteren, ende vergaderinghen hem op doende die manieren van den +voorscreven ordonnantien maer alsoo 't scheen, soo en hebben sy hem +in geenre manieren willen ontdecken den staet van hoeren cloosteren, +noch goeden, meynende altoos te blyven in hoeren opsette, om erve +te nemen, ende alsoo alle die landen, renten, ende erven van onsen +voorschreven landen te rapen ende onder te slaen ende oock met haeren +neringen, ende ambachten onse waerlycke ondersaeten neringlois te +maecken ende den arbeyt, ende ambachten te ontrecken, 't welcke ons +om der redene wille vooschreven, ende oock om andere waerachtige, +ende merckelyke redene daertoe dienende in geenrewys langher te lyden +en staet, Ende hebben daerom gheordineert, overdraegen, ende gesloten, +dat voortaen geen gheoirde luyden, van wat orde dat sy syn, in onsen +Landen van Hollandt, van Zeelandt ende van Vrieslandt erve nemen en +sullen van haeren ouderen maeghen noch vryenden in eenigher manieren, +noch oock niet meer lande, noch erve en sullen koopen noch vercrygen +bij testament, noch anders in onse voorschreve landen binnen Steden, +noch daer buyten, tot der tyt toe dat die voorsz. gheoirde luyden, +by den Commissarisen daer toe gheordineert geweest, off haeren +gemachticht ghesent hebben sullen om met hem een overdrachte, ende +ordinantie te helpen ordineeren, hoe, ende in wat schyn zy voortaen +erven, ende hem hebben sullen in den punten voor verclaert, Ende op +dat dit eenen yegelyken kondich wesen mach, Soo ist, dat wy ombieden, +ende beveelen allen onsen Baenridsen, Ridderen, Knapen, Steden, +Bailjuwen, Drossaten. Officieren, ende ondersaeten over al in onse +voorschreve landen van Hollandt, van zeelandt, ende van Vrieslandt +binnen Steden, ende buyten daer desen onsen bryeff gethoont sal +worden, dat sy den selven onsen bryeff openbaerlyck doen kondigen, +ende ghebieden op dat een yegelyck hem daer nae mach weten te rechten, +ende dat sy niet en gehengen dat eenige geoirde luyde voortaen erve +nemen, noch eenighe lande, noch erve meer en copen, noch en nemen by +testamente off anders, want dat onse eyntlycke meyninge, ende welle is, +In Oirconde &c. Gegeven op den acht en twintichsten dach in Octobri, +Anno ses en veertich. (1446.) + + +Op dezen brief, die wij uit van Kinschot overnemen, volgt eene +andere ordonnantie van Philips die den 17 Maart 1452 aan de zusters +van St. Lysbeth in 's Gravenhage gerigt werd, waarin verzachtende +omstandigheden op den vorigen brief in voorkomen en zij geinstrueerd +worden, hoe zich omtrent het uitoefenen harer bedrijven te gedragen +en hoeveel bezittingen zij mogen hebben--achter de originele brief +stond geschreven: + + +De zusteren tot Oudewater hebben eenen brief van Woorden tot Woorden +als der zusteren brief van Sint Lysbethen zusterhuis in den Haghe ende +desen brief van der zusteren tot Oudewater is van der dato veerthien +daghe in Maert Anno XIIIJc.--LXVJ. na den loip 's Hoefs. + + +En dezen brief nu haalt van Kinschot aan, om te bevestigen, dat in +Oudewater zusteren van St. Lysbeth geweest zijn--hij kan er echter +volstrekt geen betrekking op hebben, daar wij immers zagen, dat de +nonnen van St. Lysbeth of van St. Agnes reeds in 1414 deze orde +verlieten, voor die van den derden regel van St. Franciscus.--De +oorzaak zijner dwaling is onzes inziens gemakkelijk te begrijpen; hij +heeft zich laten verleiden, door dat de zusters van St. Lysbeth uit +'s Gravenhage zoodanigen brief kregen en de zusteren van Oudewater 4 +jaren later een zelfden--er wordt daarin echter kortweg van zusteren +gesproken, zonder vermelding der orde waartoe zij behoorden; men +beschouwe alzoo dezen brief als gerigt, tot de zusters van het Ursula +convent, dat wij in dit hoofdstuk beschrijven. + +Het aantal conventualen, zal aanmerkelijk toegenomen zijn, immers +wij moeten het bijna hieruit opmaken, door dien er in Ao. 1572 een +groot gedeelte van dit convent naar Utrecht ging. De stadsrekening +van dat jaar toch, vermeldt eenige onkosten voor dezelver onderhoud +aldaar betaald; echter belettede deze delogering niet, dat er in het +jaar 1575 een aanzienlijk aantal zusters in het klooster waren. + +Op het gemeente-archief is aanwezig, een register van boekhouding van, +en aanteekeningen omtrent de landerijen en erfpachten en renten van dit +convent, over de jaren 1538-1559 en van 1578 tot 1579. De inzage dezer +stukken doet ons zien, dat die bezittingen zeer aanzienlijk waren. + +Volgens resolutie der Staten van Holland dd. 23 Mei 1577 moesten +de goederen van dergelijke gestichten, aan iedere stad daar dezelve +gevonden werden, in eigendom komen. Men heeft echter alhier niet zeer +spoedig gevolg aan de uitvoering dezer resolutie gegeven, immers eerst +den 10 Junij 1582 (dus na een tijdsverloop van ruim 5 jaren) werd +door de regering van Oudewater en de conventualen, eene conventie +ten deze gesloten, waarbij aan de laatsten, voortaan een bepaald +jaarlijksch inkomen zoude worden uitgekeerd, dat tot dezen tijd toe, +niet geregeld was geschied. Bij deze overeenkomst werd de ouderdom +tot grondslag genomen en tevens bepaald, dat bij overlijden van eene +der zusters, dit eene verhooging van inkomsten voor de overblijvenden +zouden ten gevolge hebben. (Zie hier achter.) + +Eene echter, was er in het convent, die met zeer veel onderscheiding +bejegend werd, namelijk de procuraetster Emmetje Goossensdochter,--en +geen wonder: toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden en innamen, +was zij het voornamelijk, die troost bood waar troost te bieden was, +en smarte lenigde waar smarte te lenigen was, en o wij weten het uit de +historiebladen, de nood was er zoo hevig en de angste was er zoo groot! + +Deze Emmetje Goossensdr., wordt dan ook inzonderheid in diverse +resolutien van den magistraat geroemd, om de getrouwe diensten door +haar bij den overval bewezen en haar pensioen is uit dien hoofde +meermalen verhoogd geworden, als anderen deze onderscheiding niet te +beurt mogt vallen. + +De bezittingen van het convent werden »apart" geadministreerd en +de pater, mater, procuraatster en leden (hierna te noemen) bleven +den 25 Augustus 1584 borg bij de regering, voor hunnen rentmeester +Jan Jansen Coppert. Beide originele stukken: het laatste door al de +conventialen onderteekend, berusten ter secretarie. + +Bij de opheffing dan van dit St. Ursala-convent, vinden wij vermeld, +dat er in waren de navolgende conventualen: + + +Pater. Jan van Alerdinck. +Mater. Marrigje Willemsdochter de Lange, oud 52 jaren. +Procuraetster. Emmigje Goossensdochter, » 52 » +Zusters. Tryntje Thonisdochter, » 83 » + » Geertje Jansdochter, » 60 » + » Tryntje Simonsdochter, » 34 » + » Heiltje Willemsdochter, » 48 » + » Anna Pietersdochter, » 56 » + » Pietertje Pietersdochter, » 31 » + » Marritje Gysbertsdochter, » 36 » + » Machteld Gysbertsdochter, » 31 » + » Marretje Ariensdochter, » 52 » + » Jannetje Thonisdochter, » 33 » + » Marrichje Cornelisdochter, » 60 » + » Urseltje de Caesaris, » 73 » + +Was innoncent, en werd voor rekening van het convent, in het gasthuis +te Gouda onderhouden. + + » Marrigje Dirksdochter, oud 72 jaren. + » Pyn Jansdochter, » 60 » + » Lysbeth Jacobsdochter, » 32 » + » Tryntje Hillebrandsdochter, » 61 » + » Cornelia Joostensdochter, + » Bregje, kort daarna overleden. + + +De basis des ouderdoms nu, die gevolgd werd omtrent het pensioen der +conventualen, ingevolge het besluit van 1582 was als volgt: + + + Die van 60 jaren en daarboven oud waren 's jaarlijks f 60,-- + » » 50 » tot beneden de 60 jaren » » 50,-- + » » 40 » » » » 50 » » » 42,-- + En die beneden de 40 » » » 36,-- + + +In vier driemaandelijksche termijnen moest deze jaarwedde worden +betaald. Ook was het conditie, dat, als de jongste der conventualen, +met ter tijd kwamen tot een ouderdom van 40, 50 of 60 jaar hun +pensioen alsdan zoude worden verhoogd, en zoo het gebeuren mogt, dat +zij door hoogen ouderdom, of langdurige ziekte, van hunne jaarwedde +niet konden leven, er dan in alle billijkheid in zou worden voorzien, +en dat hunne woning voor rekening van de stad in een »ordentelijken" +staat zoude worden onderhouden. + +Zooals in het verdrag bepaald was, konden zij dus in alle stilte +in het klooster haar leven eindigen, en St. Jacob 1582, was voor +de conventualen de beslissende dag, dat hare jaarwedde op genoemde +conditien begon. + +Emmigje Goossensdochter werd, hoezeer slechts 62 jaren oud zijnde, +gerekend boven den 60 jaar te zijn, voor haar weldoen voor en na den +moord altoos gedaan. + +Cornelia Joostensdochter, wier ouderdom niet vermeld is, was gesteld +op half geld, haar jaarlijksch pensioen was niet meer dan f 23; +mogelijk was zij slechts eene werkzuster. + +Dat evenwel de goederen van dit convent, niet dadelijk, maar langzaam +onder het bestuur der regering of van den rentmeester gekomen zijn, +schijnt ons toe te blijken uit de vermeerdering van inkomsten, +aangeduid in eenige nog aanwezig zijnde rekeningen van de bezittingen +van dit convent, [233] na dien tijd. + +Den 14 Januarij 1613 requesteerde de conventspater Jan van Alerdinck, +wiens pensioen even als dat der andere conventualen reeds meermalen +verhoogd was, om eene vermeerdering zijner jaarlijksche toelage van f +100. Hierop werd echter geapostuleerd, dat, »soo wanneer de supplt. de +brieven van 't incomen van 't oude convent volgens belofte bevorens +gedaan, zal hebben overgelegd, alsdan zijne alimentatie zal worden +verhoocht zooals behooren sal" en eenigen tijd daarna werd zijn +pensioen op 200 Gulden ook bepaald. + +De laatste verhooging der jaarlijksche toelage aan de twee laatst +overgeblevene zusters--Marrigje Gijsbdr., en Jannigje Thonisdr., +die steeds zijn blijven voortgaan met zieken op te passen enz., +is volgens resolutie van den magistraat in 1631 gebragt tot 200 Gulden. + +Na het overlijden van allen, is de rekening dier goederen bij die der +stad gevoegd, onder den naam van rekening der stad en het St. Ursula +convent. + +Na de omwenteling van 1795 is het laatste vervallen, en de bezittingen, +met uitzondering van eenige kleine renten, voor de helft der 18. eeuw, +allen verkocht. + + + +Wij mogen onze schets niet eindigen, zonder aan het kloostergebouw +zelve nog kortelijk de aandacht te bepalen. Beziet men het klooster +op Stoops schilderij in 1775, dan ontwaart men langs de zuidzijde, +of daarnaar haren naam dragende straat het klooster, een vrij +aanzienlijk gebouw, waarvan in onzen tijd echter geen spoor meer +overig is, daar het reeds lang voor den sloopenden tand des tijds +viel; maar toch... wij zijn eenigzints onjuist, immers, wat gewaagt +men nog dikwijls bij vergravingen van een onderaardschen gang, die +naar de kapel leidde, wat spreekt men nog veel van de menigte kelders, +van het groot aantal fondamenten en van de duizendtallen steenen, die +men uit den historischen bodem opgraaft, als ook van het ontdekken der +put »daar wi visch in hielden in het water in vloeide ende ebbede," die +in 1827 ontdekt werd! en immers ook de convents-kapel, het zoogenaamde +»kerkje" doet ons nog dikwijls aan het St. Ursula convent denken. Alzoo +van dit gebouwtje, dat nog bestaat, zal men nog wel het een en ander +van zijne verschillende bestemmingen enz. kunnen opduiken. + +Reeds in 1578 vinden wij gewag gemaakt, dat het klokje, dat in het +torentje der kapel hing, publiek verkocht werd voor XIIJ Gulden XVIIJ +st., en nog in hetzelfde jaar werd het kapelletje, ten minste zeker +een gedeelte daarvan tot eene school ingerigt; men heeft toen tevens +den leidekker aanbesteed het dak te repareren. + +De beoefenaars der uiterlijke welsprekendheid hielden daar ook oudtijds +(schrijft de Heer van Kinschot in 1747) hunne bijeenkomsten en tevens +werd het »kerkje", zooals nog in onze dagen, als locaal gebruikt tot +uitdeelingen van verschillenden aart aan de behoeftigen. + +Nog in 1747 weten wij stellig, dat het »kerkje" tot stads school +gebruikt werd, de laatste is sedert echter meer achterwaarts uitgebouwd +en de kapel werd ingerigt tot woonhuis! waarschijnlijk is dit geschied +in 1785, daar wij aangeteekend vinden, dat het in laatstgenoemd jaar +aanmerkelijke vertimmeringen onderging. Voor eenige jaren vergaderde +in het gebouwtje onzer beschrijving het muziekgezelschap Amicitia et +Harmonia, en tegenwoordig wordt hetzelve tweemalen 's weeks gebruikt, +tot repetitie-plaats van eene liedertafel, Crescendo genaamd. + +In het jaar 1857 werd het reeds vroeger van zijn klokje beroofde +torentje, publiek geveild en verkocht voor eene som van f 81--, en wij +schrijven het noode ter neder, het griefde ons toen wij den slooper +het breekijzer zagen stooten in het torentje, dat zich zoo lief van +buiten en binnen de stad voordeed; toch, wij minnen het gebouwtje +nog, o, het herinnert ons zooveel; somtijds gebeurt het, dat wij ons +alleen daarin bevinden en dan, als wij zonder stoornis van anderen, +onze gedachten den vrijen teugel kunnen vieren, dan verdwijnen soms in +den geest de weinige kamermeubels, voor de nederige bidstoeltjes der +nonnen, het tegenwoordige prosaïsche winkeltje maakt plaats voor het +St. Ursula altaar; dan zien wij den geurigen wierrookwalm ronddwarlen +om den zwartgedoschten nonnenstoet, en wij hooren de orgeltoonen +ruisschen en de nonnen het Ave aanheffen, en het geluid wordt ernstig +en plegtig teruggekaatst door het gothische koorgewelf; maar dan, +als de verbeelding heeft plaats gemaakt voor de werkelijkheid, dan is +de bidkapel weer ledig en de toonklank van het orgel vergaan, en het +gezang der zusters wordt niet meer gehoord; toch zoo denken wij dan, +schijnt het, dat er iets hemels, iets schoons, het gebouwtje bleef +en blijft omzweven: immers onderrigting en beschaving der jeugd, +uitoefening der liefdadigheid, beoefening der redekunst en poezij, +later de repetitien van de edele toonkunst, niet waar? dit alles +regtigt ons met de meeste billijkheid, te zeggen: de kapel van het +St. Ursula convent, speelde ook na hare suppressie eene verhevene en +aestetische rol in mijne vaderstad! + + + +De tegenwoordige huizinge voor zusters naar den derden regel van +St. Franciscus orde te Oudewater. + +Nadat gedurende ruim twee eeuwen, de zusters op de hiervoren aangeduide +wijze in deze plaats waren verdwenen, scheen men er binnen eenige +jaren bijzonder aan te denken, weder een convent van nonnen naar +den derden regel van St. Franciscus van penitentie te Oudewater op +te rigten. Voor het jaar 1857 was het bestemd aan deze gedachten +uitvoering te kunnen geven. Immers reeds op den 29 Maart van gezegd +jaar, werd er uit Rotterdam verzoek gedaan, tot het voorschreven +doeleinde een huis op de korte Have, onder No. 53 aangeduid te +koopen, en eenigen tijd daarna, werd door den Heer Johannes Putman, +als lasthebbende, dit perceel dan ook aangekocht voor eene som, +met de daaronder begrepen onkosten over de f 5000--beloopende. + +Dit van buiten en binnen vrij aanzienlijk huis, was weldra, door de +noodige veranderingen, tot eene geschikte nonnenwoning geconstrueerd, +zoo dat nog in hetzelfde jaar 1857 eenige zusters uit een Rotterdamsch +zustershuis, in deze plaats zich met ter woon vestigden. + +Deze zusters staan onder het opzigt van den Bisschop van Haarlem, +terwijl aan het hoofd dier orde gesteld is, eene zoogenaamde algemeene +overste der religieuse recollectinen penitenten, van de orde van den +H. Franciscus te Rotterdam. + +Voornamelijk maken deze nonnen ook hare bezigheid van het opvoeden en +onderwijzen van kinderen, waardoor zij tevens in hare dagelijksche +behoeften moeten voorzien.--Dat zij daarin vrij wel naar wensch +geslaagd zijn, schijnt ons toe uit de nadere inrigting van eene schuur +tot schoollocaal, die de zusters kunnen genaken, door den tuin harer +huizinge, waaraan deze school, die aan de Achter of Wijngaardstraat +gelegen is, grenst. + + + + +Het voormalige Cellebroers en Zustershuis te Oudewater. + +»In de oudheden van Hugo van Heussen," zoo vermeldt Kinschot, +»wordt ook vermeld van een cellebroers en een cellezusterenhuis, +wier laatsten, haar werk maakten om de zieken te bedienen en op te +passen, even als de eersten, om de dooden te begraven; doch ons is bij +streng onderzoek geen meerdere stof ter beschrijvinge van derzelver +gesteltenis, gewoonten enz. voorgekomen." [234] + +Hier doet zich dus de ernstige vraag op, zijn er wezenlijk in Oudewater +de Cellebroers geweest? Niet een document op het gemeente archief +pleit voor hun daarzijn in vroeger tijd; niettemin, wij mogen van +Heussen niet regtstreeks tegen spreken, hij zal bij het beweeren, +dat zij hier gewoond hebben, wel zijn reden gehad hebben. Cellezusters +echter, zijn hier zeker geweest. Immers ook de overgeblevene van deze +corporatie werden ingelijks, mits voortgaande met hunne Christelijke +werkzaamheden, een gelijk pensioen als die van het St. Ursula convent +toegelegd. [235] + +Bij resolutie van den magistraat dd. 3 April 1594 werden van Anna +Gerritsdr. »de brieven" geeischt, met ontslag van den eed niet meer +voor de zieken te gaan. Zuster Anna Dirksdr. de papieren van dit +gesticht overgelegd hebbende, is de laatste van wie wij eenig berigt +vonden. [236] + +Alleenlijk rest ons dus hiervan nog te vermelden, dat het gebouw, +waarin deze geestelijke personen woonden, gehouden wordt voor het +tegenwoordig nog zoogenaamde ziekenhuis, waarvan ter gelegener tijd +zal worden gesproken. [237] + +Sedert lang zijn ook de cellebroers te Oudewater, indien zij er ooit +geweest zijn, den weg van alle vleesch gegaan, zij rusten dan reeds +lange ter plaatse, waar zij eertijds hunne natuurgenooten zoo dikwijls +heen bragten, in den zwarten schoot der aarde. + +Opmerkelijk is echter, met deze cellebroers het navolgende eenigsins +in verband te brengen. + +De plegtigheid en stille ernst, zoo zeer passende aan eene begrafenis, +liet voor eenige jaren te Oudewater, soms nog al iets voor den +behoeftigen stand, te wenschen over. Om deze en alligt meerdere +redenen, kwam de eerw. pater Rooters op eene gelukkige gedachte. + +Hij noodigde namelijk een 26tal jongelingen, allen van den +fatsoenlijken burgerstand uit, om de lijken van minvermogenden van +beiderlei kunne en zonder onderscheid van ouderdom steeds »de laatste +eer" eene plegtige begrafenis te verschaffen en tot veler blijdschap +gelukte deze poging naar wensch. Op den 23 Januarij 1857, werd den +eerwaarden oprigter van wege het parochiaal armbestuur, in zijne toen +gehouden vergadering berigt, dat deze vereeniging de belangstelling +der gemeentenaren in hooge mate had opgewekt, en tevens werd door +genoemd bestuur den wensch uitgedrukt, dat het nageslacht er nog die +vruchten van mogte inoogsten, die men nu reeds van die vereeniging +zoo ruimschoots genoot. + +En inderdaad, het is plegtig te zien, hoe deftig en ernstig de +begrafenis van een behoeftigen medemensch door deze jongelingen +geschied. + +Behoudens onze vroegere aanmerking, zeggen wij gerustelijk: er bestaat +wezenlijk eenige overeenkomst, tusschen de cellebroers van vroeger +en de zich noemende parochiale dragers in onzen tijd. [238] + + + + +Het voormalige riddermatig verblijf der St. Jans Ridders te Oudewater. + +Nog ééne geestelijke orde, die te Oudewater eertijds bestond, dient +vermeld te worden; ik bedoel de St. Jans Ridders wier commanderie +onder het landcommandeurschap van Utrecht stond. + +Wij gaan dadelijk bewijzen, dat zij te Oudewater zoodanige riddermatige +huizinge gehad hebben, uit de navolgende. + + + Ordonnantie, roerende Tieleman Batenburch en het St. Jans Huis + te Oudewater. + + Wi Willem, grave enz. maken cont etc., dat Tieleman Batenburch van + Oudewater quam voer ons ende droech op en vrey eigen onsen lieven + ende getrouwe Heeren Jacob Bisschop van Suden sine woninge die hy + liggende hevet binnen onser porte van Oudewater mid erve ende met + visschery en alsoe groet alse Tiedeman voorschreve daer liggende + hevet, ende belegen hevet an die nortside Dierc Rapneys, ende + an die suutsyde Pieter Cesepeirmit, welcke wooninge voorschreve + Hais Jacob Bisschop van Suden voorschreve verliede Tiedeman + Batenburch toet sinen leve, ende na siene doet weder te comen op + den Bisschop van Suden ende op Sinte Jans huse te Oudewater der + oerden van Sinte Jans erfliken te bliven, in oerconde hier off, + soe hebben wi dezen brief besegelt met onsen segele. Gegeven + in de Hage des dinsendages na Sinte Jansdach uitgaende biechte, + int jaer ons Heeren duisent drie hondert vijf en twintigh. + + Per episcopum Sudenum et Synomen de Butim. [239] + + +Duidelijker bewijs voor hun bestaan te Oudewater is wel niet aan te +voeren, zoodat het geschrevene daarvoor reeds genoeg zoude zijn. Wij +zijn echter nog in de gelegenheid er meerder van te schrijven. + +Zij moeten naar onze meening in genoemd jaar 1325 reeds in vrij groote +getale hier aanwezig zijn geweest, daar in 1326 des vrijdags voor +St. Bartholomeus dag door gemelden Graaf Willem aan de broeders van +het St. Jans huis te Oudewater in eigendom werd gegeven, een hofstede +naast hun kapel gelegen, om een kerkhof te maken. Voorts bestaat er +onder de oude keuren van Oudewater eene van St. Bartholomeus dach in +jaer ons Heeren Duisent vier Hondert vijf en vijftig, waarvan het einde +[240] aldus luidt: »ende oock mede het Broederschap van St. Jans van +hare renten, mogen mede in bieden als voorsz. is." + +Van deze Malthezer of St. Jans Ridders, waarvan het capittel steeds +te Utrecht gevestigd was, vindt men vermeld, dat hun commandeur van +Oudewater in 1559 prior van die orde was, en dat hij sterk doleerde +tegen het onregt, dat Philips II, koning van Spanje bij de invoering +der Bisdommen, die orde aandeed. [241] + +Wat er van de goederen dezer orde nader gewierd, is bekend. Onder +de negen commandeurs echter, die de staten van Utrecht in 1651 nog +aanstelden, wordt die van Oudewater de tweede genoemd. [242] + +De vele pogingen sedert het laatst der 16de eeuw aangewend, om van +den commandeur van St. Jans orde alhier, terwille van de behoeftigen +behoorlijke alimentatie te mogen hebben, uit de goederen van den +commandeur, of dat hij alhier met ter woon zal mogen komen en +uitdeeling aan de minvermogenden te doen naar ouder herkomen, den +16 October 1583, bij de magistraat der stad besloten, aan Willem I, +prins van Oranje te verzoeken, zijn vruchteloos geweest; zoo ook alle +latere pogingen hiertoe aangewend. [243] + +Het huis der St. Jans Ridders is hoogst waarschijnlijk gelegen geweest, +voor zoover men uit oude transporten en andere stukken kan opmaken, +aan het einde van de St. Jansstraat, die voorheen een aantal huizen +bevattede en ook haren naam wel van die orde bekomen zal hebben: +alzoo aan de oostzijde der stad nabij de Wijngaard of Achterstraat, +en de nu geamoveerde Waardpoort. + + + + +Het Weeshuis. + +Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij +de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij +aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en +vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt +maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken, +belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst, +dit gebouw van liefdadigheid. + +De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit, +die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het +opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt, +u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve +toedacht. + +Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen +eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding +gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie, +leest men: + + + Bedenckt de arme weesen 1613. + + +Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan +bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar +de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu +geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer." Hier valt +het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de +grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het +is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651, +en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het +gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een +schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en +begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop +de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden +ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder" +een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware. + +Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog +dit versje: + + + De weesen deser stad + In haere jonge jaeren, + Ontbloot van oudersgunst, + Opvoeding en bewaeren, + Genieten in dit Huis + Lyf- en Zielsonderhout, + Dies syn sy schuldig, + God te danken menigfout." + + +Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de +weezen in 1651 alhier kleedden--eene bijzonderheid, die naar onze +meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet. + +Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten, +waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te +meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst +van penseelbehandeling is. + +Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en +volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden, +Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier. + +Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van +Velzen, en het derde--zijnde een vrouwenportret--van Jannigje Joostens, +hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.--Deze drie personen, +hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op +zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan +te rigten. + +Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone +wijze gevierd. + +Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat +ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan +het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen. + +Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en +Schepenen twee goede vreedzame personen, meer dan dertig jaren oud +zijnde, tot Weesmeesters. + +De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebben over, en kennis te +nemen, van al de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen, +onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen +en aan hunne zorg werden toevertrouwd. + +Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze +personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te +mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze +magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het +vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne +betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren. [244] + +»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt +behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren +of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen +is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen +erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer, +en voorts alles doen, 't geen goede ende getrouwe weesmeesteren, +naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen." + +Uitgenomen de nu besproken Weesmeesters, werden er nog ieder jaar op +Vrouwe Lichtmissedag (2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen, +drie personen tot Weesvaders gekozen, waaruit een tot boekhouder +enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het +gesticht. + +Deze Weesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen +onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne +bediening achtervolgd worden, zoo als genoemde magistraten te rade +kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eed bij het +aanvaarden van de betrekking als Weesvader aan Burgemeesters te doen +was als volgt: [245] + +»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen, +en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de +voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren +en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of +vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen, +of in gewigtige zaken [246], van de vroedschappen dezer stede. Dat +zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen, +goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen, +wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective +diensten, schuldig is, en behoort te doen: + +Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen, +als bij de keuren gesteld is. + +Terwijl over de meer directe behoeften der weezen, (verzorging, +spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader" +en eene »binnenmoeder." + +En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen +ook geene weesvaderen door Burgemeesters en Schepenen meer benoemd; +terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, het weeshuis tot huisvesting +van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen. + +Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende +weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie +Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog +steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert +eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna +uitsluitend, zoodat eene oud binnenmoeder bewoond wordt. + +De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd +door eenige regenten. [247] + +Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857 +en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en het Weeshuis +gedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd. + +De bibliotheek van het departement tot nut van 't algemeen, afdeeling +Oudewater is berustende op de regentenkamer van het Weeshuis. + +Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw +konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het + + + + +voormalig Arm of Ziekenhuis + +te berigten. + +Dit gebouw is gelegen bij het Weeshuis, ten zuiden der straat genaamd +het Klooster en ongeveer aan de Vestingwal van dàt gedeelte der stad, +waar eertijds de Waardpoort zijne spitsen verhief. Schrijvende over +de Cellezusteren, (zie bladz. 251) hebben wij reeds opgemerkt, dat de +laatsten eertijds hoogstwaarschijnlijk daarin haar verblijf zullen +gehad hebben, en wij stipten daarbij tevens aan, dat het later tot +gevangenis eenigen tijd gebruikt werd. + +Het tijdvak evenwel juist te bepalen, dat dit huis tot gevangenis +diende, is ons niet gelukt te ontdekken, zeker echter is het, dat +het in 1747 gebruikt werd tot Arm of Ziekenhuis, dat men er toen +»berooide en gebrekkige ingezetenen" in voedde en oppaste, en dat +deze zorg was toevertrouwd aan het opzigt enz. van een binnenvader +en eene binnenmoeder. [248] + +Sedert Julij 1829 werd het Weeshuis als zoodanig echter gebruikt, en +het Ziekenhuis dus onnoodig geworden zijnde, werd dit den 10 November +1829, door de regering der stad publiek verkocht. + +De bestemming van het gebouw is sedert verdwenen, daar er tegenwoordig +eene boerderij in uitgeoefend wordt, doch vrij algemeen, draagt het +gebouw nog den naam »het Ziekhuis." + + + + +Het voormalige Gast- en Proveniershuis. + +Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten, +eenigzins noordelijk gedeelte der stad, de steeg voerende van de +markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan, +en wordt om deze reden nog de Gasthuissteeg genaamd. + +Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat +de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer +Van Kinschot [249] dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd +gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen +kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene +thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst, +en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele +gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der +zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden." + +De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de +stichter was heer Egbert Speijers, pastoor te Berkenwoude Oudewatersche +van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers. + +Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede +vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot +bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en +anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste +wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der +ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het +Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat +wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde. + +In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van +de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop, +verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen +werden dan provenieren genoemd, en tengevolge van dien, droeg het +Gasthuis ook wel sedert dien tijd, den naam van Proveniershuis. + +De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het +beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was +gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259 +kenbaar gemaakt [250]. + +Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en +West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786 +werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een +artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter +berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog, +de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke +plaatse, van zal geschreven kunnen worden. + + + +Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke +gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten, +en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte +van uit een liefdadig gesticht in een artillerie magazijn. Het is +daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin +te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen, +die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten, +mogen als sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in +aanmerking komen. + +Uitgenomen 4 hoofdpoorten, had Oudewater eertijds nog 2 kleine poorten, +die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op +de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden +genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad +lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der +Oude Huigensteeg. + +In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740 +en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op +Stoop's schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne +gedaante en gelegenheid. + +Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven: + + + + +de voormalige IJssel of Veerpoort. + +Eigenlijk zijn er twee IJsselpoorten geweest, die echter beiden gelegen +waren, in het zuidwestelijk gedeelte der stad, bij de rivier de IJssel, +waarom zij IJsselpoort genoemd werden. + +De oudste IJsselpoort, stond ten zuidwesten der Romeinbrug, naast de +nu geamoveerde Romeintoren. Hare standplaats, was alzoo van uit de +stad aan de binnenzijde van den IJssel. + +Langs deze zijde der stad, was Oudewater dus niet zoo groot als +tegenwoordig, want de IJssel, die nu door de kom der gemeente aan twee +zijden begrensd wordt, was toen ter tijde de natuurlijke grens van +Oudewater ten Oosten en zekere streek genaamd het veer of IJsselveer +ten Westen; van daar, dat men haar ook de Veerpoort noemde. + +Deze streek genaamd het Veer, kwam echter bij octrooi der staten van +Holland dd. 2 November 1585 [251] onder het regtsgebied van Oudewater, +werd later binnen de stadswallen getrokken en van dien tijd moest +de tweede IJsselpoort, dus gebouwd worden, van uit de stad, aan de +buitenzijde van den IJssel. + +Deze poort, waarin de bezetting de hoofdwacht hield, was aan de +stadzijde, naar de Dorische orde gebouwd, terwijl de gevel voorzien +was, met de wapenen der steden Delft, Oudewater en Alkmaar. + +Ten jare 1779 werd deze poort afgebroken en weder opgebouwd, doch de +hoofdwacht werd sedert verlegd, in een daarnevens geplaatst gebouw, +waarvan wij ter behoorlijke plaatse zullen schrijven. + +De IJsselpoort, zoo als wij schreven in het laatst der voorgaande +eeuw gebouwd, was echter reeds in 1815 bouwvallig geworden, van daar, +dat men in laatstgenoemd jaar het bovengedeelte afbrak, en men van +toen alleen als IJsselpoort, twee ongewelfde steenen muren door een +hek gesloten, te beschouwen had. + +Wederom ter oorzake van bouwvalligheid, besloot men in 1856 dit +gedeelte der poort te verkoopen, waarop nog in het zelfde jaar de +afbraak volgde; alleen twee net bijgepleisterde steenen muurtjes, +waarvoor nog altijd twee kanonnen geplaatst staan, roepen als nog: +hier verhief zich eenmaal de Veer of IJsselpoort. + + + + +De voormalige Broekerpoort. + +Zij lag aan de noord westzijde der stad, insgelijks kort aan +den IJssel. Haar uittredende, voert de weg u naar de boerenbuurt +Diemerbroek en ongetwijfeld is zij haren naam daaraan verschuldigd, +zoo ook de Broekerstraat nabij deze poort gelegen. + +De binnen en buitengevel van dit gebouw, waren eertijds versierd +met fraaije hardsteenen kantelingen; later zijn deze weggenomen, +en de vier zijden met een Italiaansch dak toegekapt. + +Deze poort deelde Ao 1856 in hetzelfde lot van hare zuster de +IJsselpoort; ook zij werd publiek verkocht en tengevolge van dien +gesloopt. Voor zoover wij konden nagaan, vindt men niet aangeteekend, +noch bij eenig schrijver noch in eenig stuk op het gemeente archief, +van wàt jaar deze poort dagteekende en dewijl er ook op het gebouw +zelf, zich in onze dagen geen jaartal vertoonde, is deze poort +gevallen, zonder den naneef te bevredigen, als hij vraagt, in wat +jaar verrees aan de noord westzijde van Oudewater de Broekerpoort? + + + + +De voormalige Linschoterpoort. + +De Linschoterpoort stond aan de noordoostelijke zijde van Oudewater +en verschafte den uitgang naar de boerenbuurten, de heerlijkheid, +en het dorp Linschoten waarnaar zij dus genoemd werd. + +Zij werd veranderd van een slot tot poort, in het jaar 1672, zooals +ten duidelijkste bleek uit het volgende opschrift in de architraaf +van het gebouw aan de stadzijde uitgehouwen, en door ons vóór de +amovering nageschreven: + + + DEN EERSTEN (STEEN) VAN DESE POORT HEEFT GELEYT + CORNELIUS AMELIUS, SONE VAN MR. JOHAN DE KONINCK + OP DEN 6 APRIL Ao. 1672. + + +Zij was gebouwd naar de Dorische orde, voorzien met drie kruisboogen +waarin de hameije even als in al de overige poorten niet ontbrak, +en had ruim 47 voeten lengte. + +Vooral aan de buitenzijde, was het een allerschilderachtigtst +poortje met zijne gaanderij en vier bevallige boogen of openingen, +die een riant vergezigt over het omliggende landschap aanboden, en +haar vriendelijk voorkomen werd niet weinig verhoogd, door de met +vijf boogen voorziene brug, die er vóór lag. Zóó vertoonde zich een +en ander tot in 1857, als wanneer in Augustus des laatstgenoemden +jaars deze poort en die brug, publiek werden geveild en verkocht, +de poort voor 660 en de brug voor 110 Gulden [252]. + + + + +De voormalige Waard of Utrechtsche poort. + +Deze is de laatste der vier hoofdpoorten, die ons nog ter beschrijving +rest. Zij stond aan het zuidoostelijk gedeelte der stad, voerende +naar de buurt Snelrewaard en naar de stad Utrecht en hierdoor is ons +hare naamreden dus niet twijfelachtig. + +Dit gebouw had eene lengte van 11 1/2 bij een breedte van 6 1/2 Ned. el +terwijl haar verwulfsel met drie kruisboogen gemetseld was. Ook +deze poort kon op fraaiheid aanspraak maken. Aan de binnenzijde +zag men in den gevel in het midden, het wapen van Oudewater, aan de +regterzijde dat van Delft en ter linker, dat der stede Alkmaar net +in Bentheimersteen uitgehouwen met het jaartal 1607, terwijl aan +de buitenzijde der poort, de hollandsche leeuw was aangebragt, met +het onderschrift Hollandia en insgelijks met voornoemd jaarcijfer, +dat het tijdstip der stichting dezer poort aanduidde. + +Later zullen wij trachten te ontvouwen, waarom men de wapens dezer +drie voornoemde steden, zoowel op de twee reeds genoemde poorten, +als op andere openbare gebouwen in Oudewater en in de twee andere +steden aantreft; doch mij dunkt die hollandsche Leeuw daar buiten, aan +de Waardpoort hij had zoo zeer zijne beteekenis, Oudewater had, zoo +dikwijls met het trotsche Sticht in onmin gelegen, en de Stichtschen +zij hadden het ook menigmaal met groot verlies ondervonden, als zij +met die van Oudewater streden! mij dunkt die Leeuw met zijn opgeheven +klaauw, stond daar zoo tergend voor die van Utrecht juist aan die +zijde van het gebouw, dat bij andere poorten, dat voor--of tegen--had, +dat zij meest uitsluitend naar de provincie Utrecht voerde! [253] + +Nog ten tijde van den Heer Van Kinschot (Ao. 1746) was deze poort +ter linkerzijde van uit de stad, voorzien met een spits torentje, +deze spits is er van echter reeds ten jare 1784 weggebroken. + +In het jaar 1607, dat van den bouw der poort, werd ook de nu +sedert lang gedempte brug met 5 boogen, die er eertijds vóór lag +gebouwd. [254] Ook hiervoor is in de plaats gekomen, eene kleine brug +voor de communicatie te water in de stadsgrachten. + +Niet onvermeld mogen wij laten, dat deze poort min of meer langen tijd, +tot gevangenis voor militairen is gebruikt geweest. + +Maar in Augustus 1857, werd ook deze poort in publieke veiling +gebragt en verkocht voor f 760,00 en eenigen tijd daarna werd slooping +bewerkstelligd [255]. + +Oudewater in anno 1265 tot een stad gemaakt [256] was in 1858 veranderd +in een soort van vlek! + + + +Deze vier poorten, behoorden, toen de vesting in welstand was [257] +aan den staat, zoodat dan ook van Landswege in 1815 de IJsselpoort +gesloopt werd. Spoedig zou het ook toen reeds, de beurt aan de drie +anderen geweest zijn, waren zij niet ten jare 1821 door de stad van de +domeinen gekocht, alleenlijk om het amoveren derzelve te voorkomen. Men +is later ook van stadswege tot andere gedachten gekomen, want wij +hebben het einde van al de poorten gezien! + + + +Het is dikwijls voor ons een strijd, tusschen oudheidgevoel en +belang voor onzen tijd, als wij een fraai monument zien verbreken, +dat voorheen zijn nut had, doch door de verandering van tijden, +tegenwoordig tot niets meer dient. Zoo ook ondervonden wij dat gevoel, +toen de drie laatste schilderachtige poortjes onder den moker des +sloopers vielen. + +Als oudheidminnaar, kon het niet anders, of het moest ons pijnlijk +aandoen, deze grijze sleutelen der stad, die de stomme getuigen +waren van zoo veel lief en leed der burgers die zij omsloten, door +den slooper te zien vallen. Zij worden vermoord, dachten wij, niet +door het geschut des vijands maar door hare eigene burgers! + +En dan als zoon der 19 eeuw, kwam daar eene stemme tegen, en ik +moest zeggen en beamen met onzen tijdgenoot, zoowel voor deze als +zoo vele onnut geworden poorten: valt, gij steengevaarten aan onze +steden, gij belemmert ons het uitzigt naar Gods vrije natuur. Valt, +gij zijt noodeloos in onzen tijd, de burgers van Nederland behoeven +niet meer, al is het ook bij nacht, uit de veste gesloten te worden, +zij mogen geen schatting meer opgelegd worden, als zij niet aan de +uitnoodiging van het luiden der »poortklok" gehoorzamen [258]. Valt +nietige gebouwen, de hechtste vestingen, door de natuur en de kunst te +zamen gevormd en volmaakt, zijn niet bestand tegen eene tegenwoordige +hardnekkige belegering, ook gij dus niet zwakke monumenten van +vroeger tijd! valt, de 19 eeuw, die spoorwegen en telegraphen heeft, +die de landen en landen als een maken, en de afstand van werelddeelen +en werelddeelen als doen verdwijnen, zij gedoogt niet langer, dat de +burgers van een vrije staat, niet ten allen tijde bijeen kunnen komen, +waar de communicatie naar den vreemde, ook in ons Nederland op zoo +groote schale van toepassing gebragt is. + +Valt dus poorten valt, als onnut in onzen tijd, valt overal waar gij +u bevindt aan opgeheven vestingen, want door u in stand te houden, +bezwaart men de gemeentenaren met noodelooze schattingen voor uw +onderhoud benoodigd! + + + +De poorten beschrijvende, hebben wij onwillekeurig gewag moeten +maken van den Romeintoren, het slot of kasteel en de hoofdwacht, +en aangezien allen in deze rubriek ter beschrijving voegen, willen +wij het eerst iets vermelden van + + + + +de voormalige Romein of Gevangentoren. + +De Romein of Gevangentoren, was gelegen ten zuiden der Romeinbrug +aan de IJsselsluis bij den mond der stadshaven.--Het was een zeer +oud gebouw, had een vierkante gedaante, en was nog in 1746 met een +plat overwulfd, van waar men een ongewoon fraai gezigt, zoowel naar +de stad als over den IJssel had. Later echter, heeft men dit gebouw, +met een kap of dak van blaauwe pannen voorzien. + +De éénige deur, die in het gebouw van buiten was aangebragt, bevond +zich aan de oostzijde; deze doorgaande, geleidden u eenige treden +opwaarts weder aan eene deur, die de toegang tot het eigenlijke +interieur van dezen toren was. + +Men verwonderde zich, wanneer men van buiten den vrij aanmerkelijken +omtrek van het gebouw had gadegeslagen, over de geringe ruimte van +binnen, doch als men dan in aanmerking nam, dat zijne muren eene +meer dan Ned. el dikte hadden, dan verdween spoedig deze twijfel. Dit +gedeelte van het gebouw was slechts met een lucht, dat tevens lichtgat +was, voorzien, en mogt dus reeds op een geschikte gevangenis aanspraak +maken; doch was de misdaad groot, en de persoon gevaarlijk, dan werd +het luik geopend, dat zich in dit locaal bevond, en een vochtige +kelder, bewaarde alsdan den misdadiger zeker en streng. Bij hoogen +waterstand van den IJssel moest de ongelukkige de wijk op een zich daar +bevindende ladder nemen, ten einde het binnendringende IJsselwater, +aan wiens voet het gebouw aan de noordzijde gebouwd was, te ontvlugten. + +De naam Gevangen Toren, komt dus wel niemand meer onduidelijk in +zijnen oorsprong voor. + +Zijne benaming van Romeintoren, is niet zoo zeker op te lossen. + +De Heer van Kinschot meldt op bladz. 50 zijner beschrijving van +Oudewater aldus: »Zij is van ongemeene groote steenen opgemetseld, en +men meent op goede gronden, dat deze ten tijde der Romeinen gebouwd, +en alsdan een Wachttoren geweest zij, die vervolgens ook tot een +tolhuis, als te dien tijde gelegen ter zijde der IJsselpoort op en +aan de Rivier de IJssel zoude gedient hebben." + +De mogelijkheid, dat het voor tolhuis gediend heeft, willen wij niet +ontkennen alhoewel wij het nog niet aannemen, doch te betreuren is het, +dat de heer Van Kinschot t. a. p. zijn »goede gronden" niet aanhaalt, +waarop hij meent, dat deze door de Romeinen gebouwd zou zijn, en hun +tot een wachttoren gediend zou hebben. + +Wij voor ons, meenen zelfs goede gronden te kunnen aanvoeren, om te +beweren, dat het gebouw onzer beschrijving, niet door de Romeinen +gebouwd is, doch van uit de middeneeuwen en niet ouder dagteekent, +en dat het een verdedigingstoren, een wachthuis en gevangenis in of +bij »der stede muer" geweest zij. + +Uitgenomen nog de vooronderstelling voor een verdedigingstoren uit de +middeneeuwen, mij ook mondeling door den zeer bekwamen archeoloog +Dr. Jansen, Conservator van het museum van Oudheden, te Leiden +medegedeeld, schijnt onze meening bevestigd te worden, uit den +stevigen bouw van het voorwerp onzer beschrijving--muren toch van +meer dan een Ned. el dikte, hebben nog al iets kunnen wederstaan. + +De muren van dezen toren, waren van groote roode steenen opgetrokken, +en de Romeinen bouwden in ons land immers meestal van Duifsteen, +gelijk wij reeds vroeger hebben opgemerkt. + +De Romeintoren [259] stond eertijds in, zeker echter aan der stedemuur, +en dit zet onze bewering niet weinig klem bij. Laat ons die stedemuur +eens zoo wel mogelijk volgen van de Linschoter tot aan de IJsselpoort +[260] ten tijde, dat de laatste, toen nog bij de Romeintoren stond, +dan zal over een en ander nog meer licht gespreid worden, indien +wij het aantal torens in der »stedemuur" vermelden, in 1542 nog in +dezelve aanwezig [261] + + + 1 Linschoeten poort. + 2 Toerentge aft adriae goessesz. + 3 Toerentge aft 'tgastuys. + 4 Nyeuwe toern. + 5 Toerentge after Meeus Huygesz. + 6 Dat outaer. + 7 De Weerdenpoort. + 8 Doode luydentoern. + 9 Koentgestoern. + 10 IJsselpoort. + + +De Romeintoren nu, stond zoo als wij reeds meermalen opmerkten, in +of bij de stadsmuur [262] aan de IJsselpoort. Van veel gewigt als +deze plaats was, uit een oogpunt van verdediging, zoowel om de poort +zelve, als de vereeniging van IJssel en haven, moest dáár vooral de +toren hecht en sterk van bouw zijn. + +De meening, dat zij van Romeinschen oorsprong zou zijn, wordt dus +naar onze bescheiden meening door een en ander ontzenuwd. De naam +Romeintoren, gaf aanleiding tot deze vooronderstelling, doch al werd +in oude bescheiden, de nevens liggende brug niet dikwijls Remijnsbrug +geheeten, dat toch weinig van Romeinbrug heeft, dan nog zou de naam +Romeintoren, met eenig regt kunnen voorondersteld worden zijn oorsprong +te hebben, van eenig persoon die Romein of Remijn heette. Dat dit toch +geen zeldzaamheid was, zag men duidelijk hiervoren aan de benamingen, +toerentge aft' adriae goessesz en toerentge after Meeus Huygesz. + +Wij hebben uit een en ander nu kunnen nagaan, dat de meening, +dat dit gebouw uit de middeneeuwen en niet ouder heugt, [263] en +gediend heeft ter verdediging, tot wachtplaats en gevangenis, naar +ons oordeel vrij voldoende gebleken is, 1. uit zijne gelegenheid, +2. uit zijne constructie en ten 3. uit de materialen waarvan het +gebouw was opgetrokken. [264] + +Toen nu in later tijden, met de verandering der stedemuur in wallen, +al de torens, die zich van afstand tot afstand in de vesting bevonden, +verbroken werden, omdat men in de latere vestingplannen deze menigte +torens als onnoodig beschouwde, is het echter gemakkelijk te begrijpen, +dat de Gevangentoren gespaard bleef. De streek genaamd IJsselveere +werd, zooals bekend is, aan de vesting getrokken, alzoo kon er geen +sprake zijn, dat deze toren, om de aan te leggen vestingwallen moest +wijken, daar de laatsten nu langs deze zijde ongeveer 80 Ned. ellen +uitgelegd werden. Daarbij was hij immers hoogstwaarschijnlijk toen +reeds, gelijk nog in onze dagen, tot gevangenis bestemd, waarvoor zeer +pleitte, de donkere ronde kelder die wij reeds hiervoor beschreven +en ten tijde van zijnen opbouw daarin was aangebragt, zooals met het +grootste gemak was op te merken. Alzoo dan, nemen wij aan, dat zij +gespaard bleef tot in onzen tijd, èn omdat zij bij de uitlegging +der veste kon blijven staan, èn omdat men eene gevangenis steeds +noodig had. + +Zóó bleef dan dit gebouw gedurende eeuwen achtereen in wezen en juist +daardoor was zijn ontstaan achter de graauwe tijdnevelen zoo duister +verborgen. Nogtans wij hebben gepoogd het twijfelachtige van »wanneer" +op te lossen in het bevestigende »toen"! Mogte het ons gelukt zijn! de +lezer oordeele. + +Doch, de tijden veranderen, en de menschen met hen; nadat het gebouw +den sloopenden tand des tijds gedurende zooveel eeuwen had wederstand +geboden, moest ook hij vallen onder het vernielende staal des sloopers. + +Te gelijk met het torentje van het St. Ursula convent en de Linschoter +en Waardpoorten werd in Augustus 1857 de Romeintoren tot afbraak +verkocht, en wel voor de som van 230,00 Gulden. + +Reeds den 20 Augustus deszelfden jaars sloeg men den moker aan het +grijze monument. [265]--Weken en weken, heeft men op zijne breede +hechte muren moeten breken voor men aan den grondslag van het gebouw +genaderd was, als gedacht hij het doel zijner stichting, en, als +tergde hij zijne sloopers met vasten wil en fieren hoogmoed, gelijk +zoovele strijdlustige poorters uit het tijdvak van zijne geboorte, +zich voornamen en ten uitvoer bragten het leven zoo lang mogelijk te +rekken, doch ook zoo duur mogelijk te verkoopen. + + + + +de Hoofdwacht. + +Zooals wij reeds opgemerkt hebben, bevond zich hoogst waarschijnlijk +eertijds de hoofdwacht in de bij de IJsselpoort liggende Romeintoren. + +Stellig echter weten wij, dat zij aanwezig is geweest in de tweede +IJsselpoort, die later op het oude IJsselveer gebouwd is. [266] +Toen deze laatste echter in 1779 werd verbroken--hoewel later +weder opgebouwd--bouwde men in het zelfde jaar ten zuidoosten der +IJsselpoort, een uitsluitend tot hoofdwacht bestemd gebouw. + +Dit net gebouwtje, dat nu aan de gemeente behoort, werd natuurlijk +als hoofdwacht nutteloos, toen Oudewater ophield, onder de rei der +vestingen te behooren. + +Tegenwoordig wordt het door een stadsagent bewoond en er tevens eene +kleine nering in uitgeoefend. + + + + +Het voormalig Casteel of Slot. + +»Dat alhier een kasteel of slot geweest is," schrijft de heer Van +Kinschot op bladz. 24, »getuigen vele schrijvers, en is ook zeker, +doch de tijd, wanneer en door wien het gebouwd werd, wordt nergens +gevonden." + +Ook wij nemen zulks aan, doch brengen met dit bedoelde kasteel +niet in verband, gelijk voornoemde schrijver, de regelen van den +vaderlandschen historicus Matthijs van der Houven die gewaagt, »dat +in 't kasteleinschap van Oudewater op den IJssel het oude kasteel +plag te liggen, doch, dat het in zijn tijd niet meer in [267] wezen +was." [268] Deze regelen toch hebben betrekking op het kasteel te +Vliet in Roozendaal bij Oudewater dat op den IJssel ligt, en waarvan +de ruïne nog bestaat. [269] + +Wij begrijpen te minder, hoe van Kinschot deze regelen van Van der +Houven op het Slot van Oudewater kon toepassen, daar hij reeds +op de volgende bladzijde (25) weder omtrent hare ligging--en nu +teregt--schrijft: + +Dit Slot heeft eertyds gestaan aan de Noort-Oostzyde van de Stad, by en +omtrent dezelfde plaats, alwaar nu de Linschoter-Poort is gelegen. De +Regeering verzogt zyne Keyzerlyke Majesteit, als Graaf van Holland, +in het jaar 1533, om dit Slot tot eene Poort te maaken, het geen zy +verwierven, onder deze verbintenisse, van dat zy ten allen tyden op +de eerste aanmaning van zyn Keyzerlyke Majesteit of zyne nakomelingen +Graaven van Holland, die Poort van Linschoten op haare kosten weder +tot een Slot herstellen zoude, waarvan de verbindenis Luidt, als volgt: + +»Wy Burgemeesteren, Schepenen, ende Raiden der Steede van Oudewater, +doen te weeten, ende bekennen mits deezen onsen Brieve, Dat Alsoe +die Keys: Majt. belieft heeft tot onsen ernstigen vervolghe ende +Sollicitacie te accordeeren. Dat die Poorte van Linschoten, in +voir tyden gemaict tot een Stercte of Slot, weder toegemaect sal +worden tot een Poirte van de voirsz: Steede, gelyk die in voertyden +plach te syne, mits dat wy 't selve becostighen souden, ende aan syn +Majt. reserveerende 't Logys van dezelve Poorte voir syne officier off +andertsins, ende mits oick, dat syne Majt. die voirsz: Poirte weder +sal mogen maken tot een stercte als 't zyne Majt. of zyne nakomelingen +Graaven van Hollandt believen sall, ende van als: geve onse behoirlicke +brieven, wy dancken zyne Majt. van desen voirsz: Consente ende Gracie, +hebben nair voorgaande Communicatie gehouden mitten Rycdom ende +Vroetschap derzelver Steede, beloeft hebben ende beloeven mits deesen, +dat wy der voirsz: Poirte sullen doen repareeren ende maken mit dueren, +valle bruggen, ameyden ende anders ter ordonnantie van mynen Heere, +Heeren Anthonis van Lalaing, Grave van Hoochstraaten heer van Montigm: +en Stadthouder Gnrael: der voirsz. Landen van Hollandt of zyne E: +Gecommitteerde als van nooden weesen sal ome: daar duer vuyt en: +in der voirsz: Stede te ryden en passeeren: behouden den Keys: +majt. 't Logys van den voirsz, Poirte tot zyne Majt. beliefte, ende +diezelve Poirte zyn, Keys: Majt. of Nakomelingen te laten volgen, +ome: dair van een Stercte weder gemaict te werden als wy dair toe +van syne Majt. of syne Erffgenaamen wegen vermaant sullen worden, +sonder daar tegens te doen in eenigerleie manieren. + +»Des 't oerconden, hebben Wij Burgemeesteren, scepenen en Raeden +der Voersz. steede, onser steede zegel hier aangehangen den achtsten +dach van April in 't jaer ons Heeren duijsend vijf honderd drie en +dertich na scrijven der kerk van Utrecht ende ons voorsz. steede, +ende stonde onder geteekend + + R. X. Speijert." + + +Men zou wanen, dat het vermaken van het kasteel tot poort, ingevolge +deze verbindtenis, spoedig zal hebben plaats gehad, wij kunnen +dit echter met zekerheid tegen schrijven. Immers ziet men dit ten +duidelijkste, in de resolutien van den magistraat en »uit zekere +oude lijst van gedane bekendmakingen, ter secretare van Oudewater +berustende," [270] waaruit blijkt, dat de Baljuw den 14 April des jaars +1585, eerst heeft doen bekend maken, dat hij des anderen daegs ten +thien uuren voor de middag wilde besteden het afbreken van 't kasteel +bij de Linschoter poort bij perseelen, baecken om de derden steen +ofte andersints, alles achtervolgende de Conditien en Voorwaerden, +die men alsdan opleesen soude, met bijvoeging, dat dengenen, die in +eenig werk gading had, ten voorsz. tijde koomen soude bij de Linschoter +poort ende bedingen goed loon. + +Alzoo eerst 52 jaren na de meergemelde verbindtenis werd dit kasteel +geamoveerd [271]. + +Zooals reeds werd beschreven, ontbreken zoowel de naam van den +stichter als de tijdsaanduiding van de stichting van dit kasteel; +een geloofwaardig persoon verzekerde ons echter, dat hij ergens had +aangetroffen, dat er in zeer oude tijden alhier woonachtig geweest +waren de vrijheeren van Oudewater dat nu zoo zijnde, zou er ten +minste over den naam des stichters eenig meerder licht verspreid +worden. Hoe het echter zij, ten jare 1527 vinden wij vermeld [272] dat +kastelein van Oudewater was Jonkheer Jan van Vliet, schildknape die als +»Castelein van het sloth van Oudewater aangesteld werd den 3 November +1519 by Kaerle, by der Gratiën Godts koninck van Castilien van Leons +etc. volgens Commissie geregistreerd, en te vinden, in 't blaauwe ruige +register [273] fol. 34 en in 1555 wordt als zoodanig gewag gemaakt, +van Jonkheer Pieter van Cats, maarschalk van Montfoort. Aangezien +nu beiden tevens bailluwen etc. van Oudewater waren, en beiden in +hetzelve zijn woonachtig geweest [274] zoo komt het ons voor, dat het +geslacht der vrijheeren van Oudewater uitgestorven zijnde, later het +slot van Oudewater tot woning zal aangewezen zijn, voor de Baljuwen +van Oudewater die toen tevens aangesteld werden als Castelein. [275] + +Later toen ook de Linschoter poort in 1857 werd verbroken, die zooals +wij weten van slot tot poort werd gemaakt, ja toen viel het ook aan +de zigtbaar geworden zware muren en de groote roode steenen, waarvan +die waren opgetrokken, gemakkelijk te bepalen, dat de sloopers daar +te doen hadden, met muren van het oude slot of kasteel! + + + + +Het voormalig Arsenaal te Oudewater. + +Het gast- en proveniershuis beschrijvende, zagen wij dat dit gebouw +door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht +zijnde, omstreeks 1780 verbroken en in 1786 aangelegd werd, tot een +Artillerie plein waarop een zeer schoon Arsenaal of bergplaats voor +ammunitie in hetzelfde jaar 1786 getimmerd is. Niet langer dan 28 +jaren heeft dit Arsenaal in aanzijn mogen wezen, daar het ten jare +1814 verbroken werd en men het terrein Anno 1817 tot plantage heeft +aangelegd. In 1822 dit plein aan de stad gekomen zijnde, heeft men +dezen grond in 1856 in erfpacht gegeven, waarna later spoedig, daarop +een aantal huizen voor min gegoeden gebouwd zijn. + + + + +'s Lands voormalig Magazijn van Oorlog. + +Dit fraai gebouw, stond eertijds aan de zuidzijde van de stad, in +de straat genaamd het klooster bij het weeshuis. Het had eene lengte +van 138 bij een breedte van 22 voeten [276]. + +Wanneer hetzelve gebouwd werd, kunnen wij niet met zekerheid +bepalen. Omtrent zijne slooping echter verkeeren wij niet in het +onzekere, deze had in 1820 plaats. + + + + +Het voormalig Kruidhuis. + +De kruidtoren was gelegen, in een »halve maan" der vestingwerken in +het noordwestelijk gedeelte der stad. De heer Van Kinschot schrijft +in 1746, »dat het binnen weinige jaren gebouwd is." + +De amovering van het kruidhuis geschiedde ten jare 1820, als wanneer +het even als het magazijn van oorlog, door de administratie van +'s lands domeinen werd verkocht. + + + + +De Barak of Caserne. + +De Caserne, gelegen aan de westzijde van den IJssel was 168 voeten lang +en 30 voeten breed, terwijl dezelve in 24 vertrekken verdeeld was. Zij +werd voor stads rekening gebouwd, en bij aanbesteding aangenomen voor +eene som van f 14,200; deze gelden zijn voor het grootste gedeelte, +door de burgerij vrijwillig, tegen eene interest van 4% gefourneerd. + +De eerste steenen aan dit gebouw werden gelegd, op den 29 Mei 1798 +door A. M. Montijn, Jan de Keiser Jz. en W. Putman, zoo als op een +steen in den voorgevel aangebragt, te zien is. + +Sedert het jaar 1811 wordt dit gebouw, door particulieren bewoond, +terwijl het in 1856 in het openbaar werd verkocht, en het gebouw dus +nu eigendom van particulieren geworden is. + + + + +De schuttersdoele. + +Reeds in het jaar 1501 vinden wij gewag gemaakt van het volgende +octrooi voor de »voetbooghschutters van St. Joris Gilde" te +Oudewater. Uit dit octrooi bekomen wij echter de verzekering, dat zij +reeds lang vóór genoemd jaar zich te dezer plaatse bevonden en hun +aantal op het genoemde tijdstip niet minder dan 80 tot 90 bedroeg. Wij +laten dit octrooi nu volgen: + + + Philips, by der Gracie Goids, Eertshertoge van Oistenryck &c. onsen + lieven en getrouwen Raedt ende Tresor. Gnerl: van allen onsen + Domeynen ende Finan: Jeronimus Lauwerin; Saluyt ende Dilectie. + Wy hebben ontfaan die oidmoedige Supplicae. van onsen welgheminden + die Burchers der stede van Oudewater over ende in den naame van de + Handboech-Schutters van den Ghilde van St. Joris der voirsz: Stede, + inhoudende, hoe deselve gelegen is op tie Frontiren van onsen Lande + van Holld. strekkende aan den Gestichte van Utrecht ende Lande van + Gelre, dewelke na den overlyden van wylen onsen lieven Heer ende + Grootevader Hertoge Karel van Bourgn. Zaliger gedagten, veel groote + sware lasten en costen gehad ende geleeden hebben van diverse + Oirloogen, niet alleen van den Oorloge van Utrecht, maar alle andre + die geweest zyn in onse voirsz. Lande ende Graaflicheyt van Holland + als oick in de voirsz. Lande van Gelre, Ende hebben de voirsz: + Suppliante tot seekerheyd van der voirsz: Stede van Oudewater + opgesteld 't voirsz. Ghilde van St. Joris van den Voetboech + Schutters, tot in den getale van tagtigh of tnegentigh persoenen, + om welke ghilde ende gezelschap 't onderhouden by Hertoge Philips + ende andre onse Voorvaderen, die voorsz. Supplianten verleend ende + gegeven hebben geweest Vyff ende Twintig Cliuts 't s'Jaars tot XXX + Gron. 't stuk, dewelke sy den voirsz. Supplianten beweesen hebben + gehad te ontfaan by handen van den Rentmeester 't s'Lands van + Woerden, ende hebben 't selve alsoe gebruyckt tot in den Jaar toe + van LXXVIIJ. Dat die geroyeerd zyn geweest by gebrek van nyeuwe + brieven van gfirmatien van wylen onse lieve Vrouwe ende Moeder die + Eertshertoginne Saliger gedagten. Ende in den Jaar van LXXXVIJ. + soe zyn die voirsz. XXV. Cliuts s'Jaars den voirn. Schutters + weederome beweesen geweest op den Rentmeester van den Beede in + Holland, als doe wesen uyt kragte van nyeuwe brieven van + Confirmacien van mynen Genadigen Heer ende Vader myn Heer den + Coninck, sedert welk tyt tot in den Jaar toe van XCIIJ. de voirsz. + Schutters niet meer betaald en syn geweest, mits datter gheen + Beede in Holland ende Vriesland daar en binnen loop gehad en + heeft, ende hoewel dat seedert den voirsz. Jaar XCIIJ. diversche + Beeden in Hollandt loop gehad hebben ende nog doen, nochtans en + hebben die voirn. Schutteren van den voirsz: XXV. schilden binnen + derselver tyd niet ontfaan, overmits dat sy van huer voirsz. + ghifte tot nu toe gheen gfirmacie verkreegen en hebben. Twelke + hem compt ende keert, tot grooten hinder schade en achterdeele, + ende meer sal er werde hen by ons hier op niet voirsien van onse + gracie ende behoorlick provisie alsoo zy seggen, Ons zeer + oidmoedelick daar ome biddende, SOE IS 'T dat wy die saken voirsz. + overgemerct, ende daar op gehad 't advys, eerst van onsen lieven + ende getruwen, die Luyden van onse Reekn. in den Hage, ende daer + na van u, wy hebben den voirn. Schutters van St. Joris Gilde, in + onze voirsz. Stede van Oudewater, genegen wesende ter Beede ende + begeerte van de voorn. Supplianten, ende ten eynde dat sy te bat + gehert mogen syn te verstaan tot bewaaringe ende seekerheyt van + de selver onser Stede van Oudewater daer veel belancx in leyd die + Brieven van Gifte ende Octroye van de voirsz. vyff ende Twintich + Scilden 'tsjaars, henl. gegonnen ende verleend by onsen voirsz. + Voirders als voirsz. is, geconfirmeerd, gevesticht ende belieft, + ende vuyt onsen rechten wetentheyt ende zonderlinge gracie, + confirmeeren, vestigen ende believen, mits desen onzen Brieve, + Ende op dat s'noot sy, hebben hen die selve XXV. scilden 's jaars + van nieuws gegonnen ende verleend, gonnen en verleenen mits deesen + onsen voirsz. Brieve, om die van nu voortaan Jaarlicx te hebben, + ontfangen ende gebruyken van de Penn. comende van onsen Beden die + in onsen voirsz. Landen van Holland en Vriesland loop hebben + sullen, ende by handen van onsen Rentmeester van denselven Beden + in den quartier van Noort-Holland jeegenswoerdich ende toecomende + soe lange als 't ons gelieven sal, ontbieden u daar ome ende + beveelen dat by u doende die voirsz. Schutters gebruyken van onse + voirsz. Gracie, Confirmacie ende nieuwe Ghifte, ghy hen doet van + nu voortaan Jaerlicx uytryken ende betalen of 't huren sekeren + Bode voor hen de voirsz. XXV. scilden 's jaars by handen van onsen + Rentmeester van Holland in 't Quartier van Noortholland voirsz. + jegenswoerdich ende toecomende, ende van de Penningen van synen + ontfange comende van onser Beede aldaar, soo lange als 't ons + gelieven sal, als voirsz. is. Denwelken onzen Rentmeester + jegewoerdich ende toecomende wy selve beveelen mits deesen dat + alsoe te doene, ende mits overbreyngende desen onsen + jegenwoerdigen Brieff Vidimus ofte Copye Auctentyk van dien, + mitsgaders van de andere Brieven van Ghiften ende Confirmatien + boven geroerd, voor een ende d'eerste ryse en soe menich werff + als 't van nooden weesen sal, deuchdelick genieten van de voirn. + Schutters van de voirsz. XXV. scilden 'tsjaars, alleenlick wy + willen dat al 't geene des hen daar aff gegeeven ende betaald + sal worden geleeden ende gepasseerd zy in 't uytgeven der + Reekeningen van onsen voirsz. Rentmeester van onsen Beden van + Holland in den Quartier van Noortholland voirsz. jeegenwoordich + ende toekomende, die 't betaald sal hebben, by den voirsz. Luyden + van onsen Rekeningen in den Hage, denwelken wy oock bevelen by + desen, dat alsoe te doene, sonder eenighe zwaricheid ofte + wederseggen ter contrarien, want ons alsoe geliefd, niet + jegenstaande eenige Ordonnantien, Restrinctien, geboden oft + verboden ter contrarien, Gegeeven in onser Steede van Brugge, + den lesten dach van April in 't Jaar ons Heeren Duysent vyff + honderd ende een, Aldus geteykend by mynen Heer den Eertshertoge + Jeronimus Lauwerin Tresorier Generaal van de Finan: ende andre + jegenwoerdich, Hanneton. Ende op ten rugge van deesen Brieve staat + gescreven dat hier naar volcht. De Tresorier Generaal van de + Domeynen ende Finantien myns Genaden Heer des Eertshertoge van + Oistenryck, Hertoge van Bourgondien, Jeronimus Lauwerin consenteerd + alsoe verre als in hem is dat 't inhouden in 't Witte van desen + jegewoordigen volcomen zy naar zyne vorme ende inhouden, alsoe ende + by der manieren dat deselve myne Geduchtegen Heer wil ende beveeld + gedaan 't fyne by deselve, Geschreven onder 't handteyken van den + voirsz. Tresorier General den tweesten dach van Meye in 't Jaar + Duysent Vyff Honderd ende Een. + + Aldus geteykent, + LAUWERIN. + + +Vervolgens berust er op het gemeente archief een ordonnantie voor de +schutters van den »edelen Cruysboog" dd. 26 Augustus 1597, die wij +echter om hare uitgebreidheid niet mogen overnemen. Voorts wordt nog +in verscheiden keuren van deze schutters gewag gemaakt. + +Op het stadhuis wordt nog een fraaije vlinder bewaard, die men denkt, +als insigne van de voetboogschutters van St. Joris Gilde gebruikt +te zijn. + +Omtrent de schuttersdoelen vinden wij vermeld [277] in 1746. + +»De Doele staande in de Kapelstraat is een oud gebouw, 't geen groote +ruimte heeft en zeer bekwaam ter Herberging van reizende en andere +lieden. Zij komt de schutterij, die nu in twee quartieren en vaandels +verdeeld is, in eigendom toe, die ook aldaar hare vergadering houdt." + +In den voorgevel van dit gebouw, die in Anno 1787 zeer verfraaid +werd, ziet men den ridder St. Joris den draak bestrijdende in steen +uitgehouwen. + +Na de vernietiging der stedelijke schutterij, is de Doele ter +voldoening van der stad's pretentien in 1798 aan de gemeente gekomen +en als eigendom getransporteerd.--De stad heeft dezelve in 1799 voor +de som van f 3300 aan een ingezetene dezer plaats verkocht. + +De naam van het Logement de St. Jorisdoele, herinnert in onze dagen +nog aan de oude schutters van Oudewater. + + + +En hiermede is ook de reeks gebouwen ten einde, die hun ontstaan +verschuldigd waren uit een beginsel van verdediging, bij eene mogelijke +belegering der plaats. Toen echter Oudewater uit de rei der vestingen +verdween, zijn de meeste dezer gebouwen natuurlijk van onnut geworden, +en wij zagen dan ook de vernietiging van bijna allen. Nu resten ons +nog eenige gebouwen te beschrijven, die wij noch onder de kerken, +noch onder de geestelijke of liefdadige gestichten, noch onder de +gebouwen ter verdediging van stad en land konden rangschikken, en +toch tot de monumenten der stad behoorden of nog behooren. + +Wij beginnen met + + + + +de voormalige latijnsche school. + +Nog tot in het laatst der 17 eeuw [278] mogt Oudewater zich beroemen, +binnen zijne muren eene Latijnsche school te hebben, hetgeen voor +een plaatsje als dit, zeer pleiten kon voor de welgesteldheid +der ingezetenen.--Aangezien deze laatsten echter van tijd tot tijd +verminderden, en men dientengevolge geen genoegzaam getal leerlingen +op dezelve aanbragt, moest dezelve noodwendig vervallen.--Volgens +resolutie der staten van Holland dd. 25 Februarij Ao. 1600, bekwam +Oudewater het regt, op zijne beurt eene »beurssaal" te zenden in +het Theologisch Collegie van Holland binnen de stad Leiden. Deze +beurten moesten echter verwisseld worden tusschen deze plaats in het +naburige Woerden zoodat ten allen tijde een dezer twee steden een +student in voornoemd collegie had, achtervolgens besluit van hunne +Ed. Groot. Mog. in derzelver hooge vergadering genomen, waar omtrent +wij verwijzen, naar de resolutien van Holland dd. 25 Junij 1666. + +Deze resolutien en dit regt, werden echter ten jare 1797 vervallen +verklaard en de herinnering, dat Oudewater eertijds een Latijnsche +school bezat, bleef alleen in de geschiedrollen bestaan! + + + + +Lombarden. + +Reeds in het jaar 1319, drie weken na St. Maarten in den Winter, vindt +men gewag gemaakt, dat het Lombardhuis te Oudewater ter bewoning +gegeven werd aan Vranke Oudekijns, tot 's Graven wederopzeggens +toe. Kort daarop moeten echter de Lombaarden uit Oudewater getogen +zijn, [279] daar men vermeld vindt, dat in het jaar 1323. Dirk +Batenburg verleid werd met het Lombaarthuis te Oudewater, mits het +zelve weder opgevende by de terugkomste van de Lombaarden, &c: + +Ziet hier de inhoud van het bedoelde stuk. [280] + + + Wi Willaem Graue &c: maken cont allen luden, dat wy Dirc Batenburg + van Oudewater gegeven hebben onse huys, dat ons ane gecomen es van + de Lombaerts binnen onse Poirte van Oudewater in rechten liene van + ons te houden in der maniere, wair dat saeke dat die Lombairts + weder quamen ende wise in dat huys voirsz. weder setten mitter + woone, soo souden wi Dirc voirsz. sinen cost en sinen scade, + dien hi aen den huse gedaen hadde, gelden, ende dair meede waer + die manscap quite. In oirconde &c: Gegeven tote Scoenhove op + Sinte Martynsdach in de Somer in 't jaar ons Heeren MCCC drie + en twintich. + + +Daarna werd ten zelfde jare het volgende bevel aan den Magistraat +gegeven, om de nagenoemde Lombaarden in deze Stad te ontvangen en +Burger-regt te laten genieten. + + + Wi Willaem Gratie &c: onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen, + ende Raed van onser Poirte van Oudewater, saluyt ende onse goede + jongste; Wi doen u te weten, dat wi in onse beschermte en geleyde + genomen hebben, en nemen dese Lombairden, die hier na geschreven + staan, dat es te wetene, Dammaes en Philips Asinier, broeders, + en de Hore Maysinden om te wonene en te blivene in onser Poirte + van Oudewater van onser Vrouwe dage in den Mairte die naestcomet, + twaalf jaer daer na volgende, ende sullen coipmanscip driven ande + hoir oirbair doen mit haren gelde, geliken onse andere Lombarden + die wonen ende bliven in onse goede Poirten van Hollant; En + ombieden ju naerenstelicken, dat ghi se ontfaet over uwe Poerters + ende hem helpet, vordert en starket in alle hore rechten, gelike + juwe Poerters die jairscarende durende voirsz. ende des en laet + niet. Gegeven in die Hage op den Jairsdach in 't Jaer ons Heeren + M. CCC. en drie en twintich. + + +In het jaar 1595 werd van wege de regering van Oudewater aan Jaques +de Causa Michielsz., een piemontees, octrooi verleend tot het houden +van de »tafel van leeninge" binnen Oudewater. Aan ieder die omtrent +de aanstelling van zoodanigen tafelhouder, de voorwaarden waarop de +verpanding en bij niet lossing, den verkoop der panden plaats greep, +iets meer weten wil, verwijzen wij naar de beschrijving van Oudewater +door G. R. van Kinschot bladz. 439-450. + +Nog omstreeks de helft der voorgaande eeuw, vindt men vermeld, dat +de Bank van leening, met het daarbij van ouds behoorende woonhuis, +onder de accijnsen der stad, voor zekere jaren verpacht werd. + +Uit een en ander zien wij, dat Oudewater nevens alle andere steden +in Holland en West Vriesland geprivilegieerd was, zoodanige bank te +mogen hebben en verpachten, met uitsluiting van alle andere plaatsen +in het platte land [281] zijnde zelfs ingevolge deze volmagt, de +steden niet gehouden, eenige tafelen toe te laten, al hadden zij ook +eertijds octrooijen daarvoor verkregen [282]. Volgens resolutie der +staten van Holland 3-12 Maart 1594 mogt door den Lombardhouder van +de zes gulden, een halve stuiver in de week geheven worden. + +Het laatste Lombardhuis te Oudewater bevond zich op de Donkere Gaard +en is tegenwoordig bekend onder nummer 491. Sedert een groot aantal +jaren, werd dit huis verkocht, en wordt het door particulieren bewoond. + +Alleen het stadswapen met het bijschrift: + + +SAUVE GARDE Ao. 1756 + + +doen den opmerkzamen voorbijganger alligt vermoeden, dat hij zich bij +het oude Lombardhuis bevindt. Tegenwoordig bestaat er te Oudewater +slechts een hulp Lombard en wel onder opzigt en contrôle van den +Lombard uit het naburig Woerden. + + + + +De Waag, ook gezegd de Heksenwaag. + +Dit stadsgebouw, bevindt zich aan de markt, op den hoek der +Gasthuissteeg, en werd waarschijnlijk in het jaar 1595 gebouwd, +aangezien dit jaartal in den voorgevel van dit gebouw wordt +aangetroffen.--Reeds lang vóór genoemd jaar, bezat Oudewater +echter reeds eene Waag, immers reeds ten jare 1547, werd door Zijne +Keizerlijke Majesteit een bevel uitgevaardigd, waarbij hij gelastte, +dat het gewigt der stad Gouda in de Waag der stad Oudewater overgebragt +zoude worden, en tegen het gewigt uit laatstgenoemde plaats in gelijke +stukken, ten overstaan van zijn gecommitteerden gewogen zoude worden. + +Wij laten den inhoud van dat stuk hier volgen: + +»Op Huyden den anderen dach Marcy Ao. XVc, XLVII. Stilo Trajectense +zoe zyn Adriaen Louwerisz., Jacob Gerytsz. Moen, Burgemeysters en +Schepenen desz. stede van Oudewater alsook Frederick Jansz. Muntere en +Jan Jansz. en Pieter Speyert, Secretaris derselver stede, geweest in +de voorsz. stede Waech, ende aldaar gewoogen der stede Wicht van der +Goude gebrocht by Dirck Cornz., Tollenaar ende Rentmr derzelver stede, +van wegen der K. Majt tegens de wicht derzelver stede van Oudewater in +gelijke stucken, ende is bevonden mitten zelfe te accorderen. Geschiet +op ten dach, jaer en de maent als boven, (onder stond): geëxtraheert +uit het voorsz. stedeboeck en accordeert daer naede by my onderteykent. + + P. Speyert." [283] + + +Zooals iedere andere Waag, werd dezelve gebouwd, tot het wegen van +verschillende koopmanschappen, en wel voornamelijk hier, voor, kaas, +hennip en verschillende soorten van touw, allen producten en waren, +waarvan in en om Oudewater veel in den handel wordt omgezet. + +Doch, uitgenomen deze artikelen, werd er eertijds nog een +artikel opgewogen, waardoor deze Waag zich bij alle andere Wagen +onderscheidde, een artikel, dat haar een ongekenden naam in de +geschiedrollen bezorgde, en de Waag deed worden »een weldaad voor +het menschdom." Aldus toch, wordt onze Waag genoemd, in de »Almanach +tot Nut van 't Algemeen," jaargang 1792, bladz. 95. Het artikel, dat +wij bedoelen, waren.... menschen, die van tooverij beschuldigd waren, +en heksen genoemd werden. + +Wij willen de aanleiding tot het wegen van deze menschen, een +weinig breeder uiteenzetten en moeten daarvoor in dit hoofdstuk de +onderafdeeling: + +BIJGELOOF VOORHEEN EN LATER + +daartusschen lasschen. + + + +Het is slecht, of eigenlijk in het geheel niet te bepalen, wàt +bijgeloof is, indien wij de tegenstelling niet vermelden van geloof +en ongeloof. + +Het geloof zelve wordt nog in veel soorten verdeeld. + +Immers in het dagelijksch leven, verwart men gelooven meestentijds +met meenen, met iets voor waar houden, waarvoor men geene gronden +kan bijbrengen. + +In het stoffelijke, gelooft men, wat men met de zintuigen bemerkt, +wanneer geen zinbedrog ons misleidt, en + +In het geestelijke eindelijk, is het aan iedere gezindte bekend, wat +door geloof verstaan wordt.--Bij de Christenen behoort dit geloof, +dit aannemen van iets, wat men niet ziet, tot hunne Godsdienst, en +wel in die mate, dat hunne Godsdienst veelal hun geloof genoemd wordt. + +Het ongeloof staat natuurlijk tegenover geloof; zoowel in het +geestelijke als in het stoffelijke nu, heerscht ongeloof.--Zoo is +b. v. in het stoffelijke, hij ongeloovig, wanneer hij niet aanneemt, +dat het zoo is, en het toch wezenlijk bestaat, zonder het met zijne +zintuigen te hebben bemerkt. + +Bijgeloof is het geloovig, het met volle overtuiging aannemen van +hetgeen wezenlijk niet is. Bijgeloof is meestal eene nog sterkere +overtuiging, dan een waar geloof, doch het is en blijft altijd een +wangeloof, een onjuist geloof, een geloof, waarbij de mensch zich +zelven bedriegt [284].--Wij zullen wel niet behoeven aan te toonen, +dat men ook hier weder in het stoffelijke en in het onstoffelijke +bijgeloovige kan zijn. + +Het voornaamste bijgeloof van lateren en zelfs nog van onzen tijd, +is een overblijfsel, van de mythologie onzer voorvaderen, waarover +hiervoren breedvoerig geschreven is. + +Toen wij de aandacht onzer lezers op de mythologische daadzaken in +het heidendom bepaalden, maakten wij bijna ook op iedere bladzijde, +de schaduw daarvan nog in onze dagen aanwezig, bekend. + +Eigenlijk gezegd, was de mythologie onzer vaderen voor hen nog +geen bijgeloof, het was eene natuurleer, een wangeloof--doch het +voortbestaan in het Christendom van de onwaarheden, die hunne +mythologie bevattede, dàt werd voor den Christen natuurlijk bijgeloof. + +Teregt vinden wij dan ook vermeld [285]. Onze voorouders hadden, +als alle volkeren van den Indisch-Germaanschen stam, een duister +Godsdienstig geloof aan een goed en een kwaad beginsel; doch, gelijk +het in de kindsheid der barbaarsche volken gaat, waar het geloof aan +een eenig God is verduisterd, stelde men zich die beginselen voor als +krachten, als persoonlijke krachten, als krachten van bovennatuurlijke +wezens, waarvoor de zwakke mensch moest bukken.--In hunne sagen werd +gesproken, van de helden, van het voorgeslacht; en de verbeelding +verhief die voorouders tot goden.--Hetgeen men waarnam en niet kon +verklaren, werd aan de werking dezer Azen toegeschreven.--Bij iedere +aanraking, van den eenen volksstam met den anderen, vermeerderde +allengskens het bijgeloof; maar toch te midden van dat bijgeloof, +bleef er nog eenig geloof over, aan een magtigsten God. Wij hebben +u dien God reeds als Wodan doen kennen, en Wodan was het, die in het +laatst der dagen, alle goden aan zich zou onderwerpen. De goden der +wereld, en de aardgeesten voerden wel strijd, tegen den God des hemels, +eindelijk zouden zij echter toch het onderspit moeten delven. + +In één woord, alles hetgeen door de menschen gedaan en verkregen werd, +werd door het volksgeloof aan de inwerking der Goden, toegeschreven. + +Toen het heidendom voor het Christendom moest wijken, bleven echter de +toovenaars en heksen bestaan. Toovenaars waren de menschen, die met de +booze geesten of goden in verbinding stonden en die als overblijfselen +van de heidensche priesters konden worden beschouwd, terwijl de +heksen, die vrouwen waren, doen denken aan de wigchelaarsters in de +mythologie. Deze heksen nu hadden het vermogen, de menschen op velerlei +manieren te kwellen en nadeel toe te brengen, geen wonder dus, dat +de jonge Christenen, door oppervlakkigen Godsdienstijver gedreven, +met groote woede en toorn, somtijds tegen die gewaande toovenaars en +heksen vervuld werden, wanneer er aardsche rampen voorvielen, die +zij aan de toovenaars en heksen, en hunne verbinding met de booze +geesten toeschreven. + +Toen de Noord-Duitschers en Denen pas tot het Christendom bekeerd +waren, hadden booze wraakoefeningen tegen zoogenaamde heksen meermalen +plaats, weshalve paus Gregorius VII (die regeerde van Ao. 1073-1085) +zeer ernstig aan zijne geestelijken in Denemarken schreef, dat zij +dat volksbijgeloof toch zouden tegenwerken, enz. + + + +In de middeneeuwen, nam zelfs het geloof aan hekserij ontzaggelijk +toe, en geen wonder! de steeds toenemende beschaving en de meer en +meer aangroeijende ondereenmenging van verschillende volken bragt +te weeg, dat er onderscheidene kunsten en uitvindingen werden +ontdekt; de drukpers nu was er nog niet, om de volken het geheim +dier uitvindingen kenbaar te maken, en wat het volk niet begreep, +was een wonder of tooverij en de uitvinder eener nuttige zaak, werd +niet zelden vervolgd als heks en toovenaar. + +Het zou ons verbazend wijdloopig doen worden, de duizendtallen +voorbeelden aan te halen, van de slagtoffers om tooverij en +hekserij.--De vervolging was weldra tot eene ongekende hoogte +gestegen.--Meest alle rampen en plagen werden aan tooverij +toegeschreven, en de beschuldiging van tooverij ging zelfs zóó ver, +dat vorsten en geestelijken, de beschuldigingen van hekserij niet +konden ontgaan! + +Ontelbaar zijn dan ook de menschen geweest, die hunne beschuldiging met +het leven moesten boeten. Een paar voorbeelden, slechts. In het kleine +bisdom Bamberg werden in vijf jaren tijds 600 menschen om tooverij +ter dood veroordeeld, meest verbrand, en in hetzelfde tijdsverloop +telde het niet veel grootere bisdom Würzburg 900 offers [286]. + +Maar, vraagt mij welligt iemand, werd dan iedereen, die van tooverij +beschuldigd was, zonder vorm van proces veroordeeld, werden er +geene pogingen aangewend, de ongelukkige beschuldigden van den dood +te redden? + +Ja mijne lezers er werden pogingen daarvoor in het werk gesteld, +doch hoedanig waren zij? Ach zij bragten zoo zelden redding voor +de beklaagden aan! Ja de pijnbank was er, en die dan van tooverij +en hekserij beschuldigd of verdacht waren, werden op die pijnbank +gebragt. Onder de smartelijkste folteringen werden zij ondervraagd. De +pijniging hield meestal aan, totdat zij tot de bekentenis waren +gebragt, en daar eene bekentenis genoegzaam werd geacht, wanneer +zij op de vragen slechts een toestemmend antwoord hadden gegeven, +is het daaruit gemakkelijk te begrijpen, hoevele duizenden onder +de felste folteringen het »Ja" hebben uitgeroepen, om eenigen tijd +verligting te erlangen, op de vragen, of zij op bezemstokken door de +lucht hadden gereden, of zij katten waren geweest, enz. enz. [287]." + +Ja er waren nog andere proeven, zooals het ordal, de vuur-, de +water- en naalden-proef, doch het behoorde bij al deze tot de hooge +zeldzaamheden, indien zij ten gunste der beklaagden uitvielen. Geen +wonder! men vergde in deze, bijna altijd wonderen van de Godheid, +en na de wreedste pijnen reeds in de »proef" doorstaan te hebben, +werden zij meestentijds naar den houtstapel geleid en verbrand! O de +proeven ter bevrijding der ongelukkigen, zij waren zoo slecht gekozen! + +Van tijd tot tijd echter stonden er groote mannen op, die het +durfden wagen openlijk hunne stem te verheffen, ter bestrijding van +het venijnig serpent, dat men tooverij en hekserij noemde. Durfden +wagen? Ja voorzeker er behoorde moed toe, tegen dit bijgeloof met open +vizier te velde te trekken, in dien tijd, toen bijna ieder onder de +magt van het ellendig gedrocht zich bewoog. + +De eerst bekende groote man, die het bijgeloof heeft bestreden, +was voor zoover wij weten, paus Gregorius de VII in de elfde +eeuw.--Ofschoon het wel degelijk te vooronderstellen is, dat in de +drie volgende eeuwen dit niet zonder tegenspraak van velen heeft +geheerscht, zoo vinden wij echter eerst kort na de uitvinding der +boekdrukkunst, en de daardoor veroorzaakte meerdere bekendheid van +gevoelens, onderscheidene personen, die het geloof aan hekserij en +tooverij bestreden. + +De beroemde regtsgeleerde Alciatus, leerde reeds, »dat het beter +was, de heksen nieskruid te geven, dan haar ten vure te doemen" +daarmede zoo het schijnt doelende, op zijne overtuiging, dat zij, +die zich verbeelden onder de magt van booze kwellingen te staan, +meestal krank naar ligchaam en ziel waren. + +Onze groote Rotterdammer Desiderius Erasmus, stelde de geheele zaak +der tooverij in een bespottelijk daglicht [288]. + +In 1512 verscheen er te Gent een boekje in het licht, bevattende 2 +kluchtspelen nl. de klucht van Homulus en Hanske van der Schilde. Dit +boekje had een morele strekking, het bestrijden der tooverij; een ander +boekje heeft tot titel: tooveren, wat dat voor een werk is, beschreven +door Jacob Vallick, pastoor te Grossen 1559. Het bijgeloof, wordt +daarin bestreden, op gronden van Godsdienst en Zedekunde. Johannes +Wier, in 1515 te Grave geboren, later lijfmedicus van den Hertog van +Cleef en Berg, was echter de eerste, die volledig de vooroordeelen in +deze bestreed. Hij had op zijne reizen onderscheidene executien van +zoogenaamde heksen gezien. De edele man had het voornemen opgevat, +de vooroordeelen van zijnen tijd grondig te wederleggen. Hij schreef +eene verhandeling over de giftmengers en de toovenaars, waarin hij +bewees, dat die twee zaken wel degelijk vaneen gescheiden moesten +worden, en toonde aan, dat de regters van zijnen tijd, dit niet deden. + +Vele regters erkenden hunne dwaling, en betuigden hem hunne +dankbaarheid, voor zijn uitmuntend betoog. Hierdoor aangemoedigd, +schreef hij nog tot aan het laatst van zijn leven, ter verdediging +der zoogenaamde heksen. + +Cornelis Loos van Gouda werd aangezocht een zeker boek van Wier +te wederleggen, doch door het lezen van zijn geschrift overtuigd +wordende, werd zijn geschrijf een eere schrift op zijn boek. Men +weigerde te Keulen het manuscript te drukken, en Loos werd gedwongen +onderscheidene stellingen te herroepen en niet zonder vele pogingen +ontkwam hij eene vervolging [289]. + +Bij al deze gunstige geschriften ter bestrijding van het bijgeloof, +schreef zekere Martinus del Rio het groote boek: Onderzoek naar de +tooverij, dat in 1599 uitkwam, en waarin het bestaan van toovenaars +verdedigd werd. Del Rio ging zelfs zoo ver, dat hij beweerde, dat +de verlichte Wier zelf een toovenaar was, en hij hen daarom in zijn +geschrijf verdedigd had. + +In Reijnald Scott een verlicht engelschman, vond del Rio echter een +geduchten bestrijder, doch het bijgeloof woedde echter nog steeds +met hevigheid voort. In Engeland vatte een Jacobus I de pen op, +om de voorstanders der verlichting Wier en Scott te wederleggen en +in Duitschland werd de heksengeschiedenis, door het gezag van den +regtsgeleerden Carpzovius in wezen gehouden. + +Op het laatst der 17de eeuw, begonnen de regeringen de vervolgingen +wegens tooverij, wel meer na te laten, doch het volk bleef niet +minder bijgeloovig dan vroeger, ofschoon het weder krachtige en +bekwame strijders vond in Adam Tanner en Frederik Spee. De laatste +had als Jezuit, menige veroordeelde heks, in hare laatste levensuren +moeten bijstaan. Getroffen door hetgeen hij gezien en gehoord had, +schreef hij zijn boekje: Waerborg om geen quaat halsgeregt te doen, +een lief boekje, dat door onzen bekenden Amsterdamschen predikant +Balthazar Bekker hoog geroemd en geprezen werd. Het geschrift van +den Jezuit Spee, werd in onze taal overgebragt, door N. B. A., zijnde +N. Borremans, Remonstrantsch predikant te Oudewater. + +Doch, wat werden die edele menschenvrienden, in hunne pogingen om de +waarheid te verkondigen, gedaan? Frederick Spee zond zijn boekje om +zich voor vervolging te behoeden, naamloos in het licht. Borremans, +vertaalde het onder de letters N. B. A. en Balthazar Bekker, die in +zijne betooverde wereld, het bijgeloof aanrandde, werd in 1692 van +zijn predikantsplaats ontzet, als onregtzinnig [290]. + + + +Ik verzoek den lezer nog eens kortelijk met mij eenigen tijd terug te +gaan, tot naar het midden der 16e eeuw en daar nog eens het bijgeloof +en hare gevolgen kortelijk herhalen. Het ligt echter niet in ons plan, +dat bijgeloof stap voor stap te volgen, immers dit onderwerp zou een +ruimte beslaan, als voor deze geheele plaatsbeschrijving bestemd is. + +Wij voeren u dus in gedachten terug tot in het regeringstijdvak +van Karel de Vijfden, waarin wij de ter doodbrenging van eene heks +zullen schilderen. + + + +Allerwege ontwaart men brandstapels, die de ongelukkige toeven, die +van tooverij beschuldigd zijn. Zie daar nadert men met zoodanig een +slagtoffer den houtmijt! Ach het is eene vrouw en zij is echtgenoot +en moeder, want hij, die zich onder den stoet bevindt, hij met dien +zonderling wreede trek op het gelaat, met van woede glinsterende oogen, +die dreigend staren op de leiders van de zoogenaamde heks, hij prevelt +verwenschingen, voor de beschuldigers zijner »liefdevolle gade." Is +zij ook moeder? Ja, ja, zie naast de veroordeelde draagt een andere +vrouw een schreijende zuigeling, en geleidt een achtjarige knaap, en +terwijl de vlottende menigte nu langzaam voortgolft naar de plaats waar +het doodvonnis zal voltrokken worden, ontwaakt de ongelukkige »heks" +met aan razernij grenzende wanhoop uit den stillen waanzin, waarin +zij gedompeld was! want zij ziet de houtmijt vóór zich, die weldra +met hare assche een vormloos zaamgestorte massa zal uitmaken! Mijne +kinderen gilt zij, groote God, mijne kinderen! de zuigeling en de +knaap omvattende, o uwe moeder omklemt u nu voor het laatst, zij +drukt u na dezen immermeer de vurige kussen op uwe wangen. Zij zal +haren lieven zoon niet meer ter schole leiden, hare zuigeling niet +meer voeden met het moederlijk voedsel! en gij echtgenoot, kermt zij, +ach, zie niet zoo dreigend in deze bange ure, wij zien ons weder, +dáár, waar wij niet meer aldus gescheiden zullen worden, zorg voor +onze kleinen, voor de telgen van onzen gelukkigen echt, omhels mij +zoo als ik hen omhels.--God! God! ik moet van u en hen scheiden...... + +Hier zonk de ongelukkige bewusteloos ineen, door smartgevoel +overstelpt. In dezen toestand wordt zij op den brandstapel geplaatst, +aan den paal gebonden, men brengt het vuur met de drooge twijgen +in aanraking, en weldra kronkelen zich de woeste vlammen, om de in +onmagt zijnde vrouw! Het vuur wekt echter spoedig de ongelukkige uit +hare bezwijming, en wanhopend wringt zij zich op den brandstapel, +door ligchaamspijn en boezemwee overstelpt--toch zoekt zij nog naar +de plaats vanwaar zij hoort kermen, gade dierbare gade, vaarwel tot +wederzien bij God in den hemel! vanwaar zij hoort smeken, moeder, +lieve moeder, o kom bij mij! + +O deze smartvolle ontboezemingen wat verschilden zij van de +uitroepingen der volksmenigte. Voort, voort met de heks, want zij +heeft met bezemstokken door de lucht gereden, wij hebben haar in de +gedaante eener kat gezien, zij heeft onweders en ziekten verwekt, +en de kinderen betooverd, zóó zóó, verbrand haar, verbrand haar! + + + +Weldra waren de laatste levensvonken van de ongelukkige echtgenoot en +moeder uitgebluscht, en.... het bijgeloof had een offer meer geëischt +en genomen!! + +Zulke treurige executien, hadden in de tijden waarvan wij schrijven +menigmaal plaats, op honderde manieren gevarieerd, zonder onderscheid +van kunne of ouderdom. Geen wonder ook, wij hebben het reeds +aangetoond, de proeven aangewend tot bevrijding eener aangeklaagde +»heks," zij gelukten bijna nooit in het voordeel der laatsten. + +Maar eindelijk daagde er toch lichte aan den horizont: er werd eene +proef ontdekt, die altijd de vrijspraak voor de beschuldigden van +tooverij moest ten gevolge hebben, eene proef, die ook geen pijn +veroorzaakte, eene proef even onschuldig als zeker, de heksen moesten +zich namelijk laten wegen op de stadswaag te Oudewater. + +Waarom vraagt ons welligt iemand moesten de heksen gewogen worden, +waarom moesten zij te Oudewater gewogen worden en wie is de uitvinder, +de bedenker van deze proef, die zooveel invloed op het bestrijden +van het bijgeloof ten gevolge moet hebben gehad? Wij zullen een en +ander zoo beknopt en duidelijk mogelijk ter neder schrijven. + + + +De heksen, die in het volksbijgeloof door de lucht konden rijden, +hadden volgens gevoelen van hare beschuldigers en vervolgers geene +ligchaamszwaarte, somtijds meende men zelfs, »dat zij nog minder +dan niets wogen." Werden zij dus ter schale geleid, en bevond +men, dat zij zoo zwaar wogen, dat het met de natuurlijke proportie +haars ligchaams overeen kwam, en dat kon nimmer missen, dan werd aan +dezulken te Oudewater een certificaat gegeven, dat haar bij de minste +beschuldiging van tooverij vrijwaarde, tegen alle mogelijke vervolging. + +Waarom zij nu te Oudewater moesten gewogen worden en wie de bedenker +dezer weegproef was, hiervan kunnen wij het volgende berigten: + +Van oudsher had de waag te Oudewater een bijzonder goeden naam om hare +juistheid in het wegen; maar bovenal ook om het juiste en eerlijke +gewigt in deze waag aanwezig zijnde en gebruikt wordende. Immers, +ten bewijze strekke hiervoor, de ordonnantie van keizer Karel de V, +waarbij hij ten jare 1547 aan die van Gouda gelastte, hun gewigt +met dat van Oudewater te laten »ijken" zouden wij in onze dagen +zeggen. [291] Hieruit blijkt dus, dat die vorst voor deze waag reeds +eenige voorliefde had, en men houdt dan ook algemeen den keizer, +voor den bedenker van deze weegkuur, ofschoon het echter niet met +zekerheid te bepalen is, ten minste onder de oude geschriften ter +gemeente secretarie berustende, vinde ik dienaangaande geen licht +verspreid. Het is echter bijna zeker, dat Karel de V wel de bedoelde +persoon zal zijn, die dat gebruik ingevoerd heeft, en het ontbreekt +dan ook niet aan schrijvers, die dat zonder eenige bedenking aannemen. + +Laat ons nu overgaan, meerdere bijzonderheden omtrent de aloude +weegkuur te Oudewater zooveel mogelijk uit oude stukken aan te voeren. + +Wij hebben hiervoren reeds gemeld, dat er in het tijdvak dezer +heksenbeschuldigingen, door den pater jesuit Spee, een werkje ter +bestrijding van het bijgeloof geschreven was, ten titel voerende: +Waerborg om geen quaat halsrecht te doen, en dat dit boekje in onze +taal werd overgebragt door N. B. A., zijnde N. Borremans, eertijds +Remonstrantsch predikant te Oudewater. + +In de voorrede van deze vertaling, vermeldt de heer Borremans +eenige gissingen, omtrent den oorsprong van dit weegregt alhier, +en deelt daarin tevens de volgende bijzonderheden mede, door een +der burgemeesteren van Oudewater dier eeuw, aan Borremans zelf +geschreven, die zijn verzoek aan dezen magistraats-persoon omtrent +eenige bijzonderheden van de waag en de gewogen wordende, in zekere +vragen had doen geworden. + +Na vermeld te hebben, dat er vele zoogenaamde heksen van de stiften +Keulen, Munster en Padeborn sedert keizer Karels tijd, reeds gewogen +waren en nog werden, vinden wij daarop t. a. p. aangeteekend: + +»Dat daar noit ymand uit een van die plaatsen gekomen was, of zy +hebben alle eenstemmig verklaart, dat zy in hun land t' onregten van +Tovery beschuldigt wierden: en zoo zy geen bewys bekomen konden, van +dat ze in de Stads Waege t' Oudewater gewogen waren, en hun gewigte +met de gelegentheid hunnes Lichaems overeen quam, dat zy gevaer +liepen van in hun Land om lyf en goed te raaken: 'T zeggen van die +luyden was doorgaans, dat die in hun Land voor Tovenaers gehouden +wierden, welken minder woegen. De overleden Secretaris de Hoy hadde +hem verhaalt, dat in zynen tyd zeker persoon, uit de bovendeelen in +'t Land daar hy woonde, door eenen, daar hy mede in geschil geraakt +was, in 't geruchte was gebragt, van een Tovenaar te zyn, en dat +hy geraden wiert, om zich van de gezeyde laster te suyveren, naer +Oudewater in Holland te reysen, en hem aldaar in de Stads Schale te +laeten wegen, en dat hy daar gekomen, het zy door bottigheyd, het zy +door vreeze, of door quade onderrigtinge, wederom gekeert was na zyn +Landt, zonder gewoogen te zyn, maar dat hy in zyn Vaderland komende, +en niet konnende toonen, dat hy gewogen was (zulx vermoedelyk voor +bewys van schuldigheid genomen zynde, als of hy te licht bevonden +waare) zoo is 't gerugt voort geslagen tot den Regter van de plaats, +die gezogt had deze Persoon in hegtenis te nemen, maar hy gewaerschouwt +was 't ontvlugt. Daer na in 't Land, daar hy gevlucht was, geraakt +zynde by een persoon, die te vooren hier ook met eenen anderen in +zodanige gelegentheid geweest was, heeft den selven bevoolen met hem +herwaarts aan te reysen, gelyk hy ook t' Oudewater gekomen, en in +de Stads wage, op die reyze en wyze als verhaelt is, gewogen zynde, +weder was na huys gekeert, en in zyn Vaderland, daar hy van daan +gevlugt was, het bescheyt van aldaer gewogen te zyn vertoont hebbende, +was hy weder in zyn geheel en in de volle bezittinge zyner goederen, +die by den Regter al waren aengeslagen, hersteld geworden. + +»Op de 2de Vrage seit de Burgemeester, dat geen seker gewichte gestelt +is, wat iemand wegen moet, maar dat het daarop aan kwam, dat het +gewicht met de natuurlyke geschapentheid des lichaams overeenkomt. + +»Op de 3de Vrage, van waar dit zyn oorsprong heeft, seyt hy, dat +hem zulks onbekent zy, maer dat egter blykt, dat hunne Stads wage +in die buiten landen zulken aanzien hadde, also 't verscheide malen +gebeurt was, dat die geenen, welken verzochten gewogen te worden, +met bysondere Voorschryvens hunner Stad of plaats gekomen zyn. + +»Echter word daarby gezegt, dat Keyzer Karel zulk Voorregt aan de Stad +Oudewater, uit oorzaak van hunne beproefde Oprechtigheid in desen, +en van seker bedrog, in een nabuurig dorp ontdekt, geschonken heeft, +immers dat zulks het algemeen zeggen is." + +Teregt merkt Ds. Kits van Heyningen, dan ook dien ten gevolge op: [292] +»Men ziet uit bovenstaand berigt, dat de waag te Oudewater niet alleen +veel bekendheid had, en voor officieel getuigenis diende, maar, dat +ook de proef zeer onschuldig was. Had men een bepaald gewigt gesteld, +dat iemand op zekeren leeftijd wegen moest, terwijl een ligter zijn, +dan zoodanig gesteld gewigt voor bewijs van schuld gold, de proef +ware wel niet pijnlijk, maar toch gevaarlijk geweest. Nu daarentegen, +was 't genoeg, wanneer het gewigt, met de gewone gesteldheid des +ligchaams in overeenstemming was. Men grondde die bepaling zeker +op het volksgeloof, dat onder andere meeningen ook deze koesterde, +dat een heks of toovenaar geen gewigt had." + +»Intusschen was het voorregt aan de waag gegeven, den waagmeester +zelven niet geheel onverschillig. Wie gewogen werd, betaalde +natuurlijk het waaggeld en schoon de som zoo groot niet was, bij +de meerdere waarde, die het geld in dien tijd had, was zij toch een +emolument geweest, dat bij zijn post gerekend werd, indien zij niet, +omdat een ieder er iets van hebben moest,--en dat is sinds dien tijd +nog weinig veranderd,--zoo versplinterd was geworden. Men leze de +volgende authentieke bepaling van: + +»Leges te betalen bij die geene, die in der Stede Waach, uit +beschuldiging van Tovery gewoogen worden." + + + Schepenen G 1 : -- 16 : -- / -- + Secretaris G 2 : -- 18 : -- / -- + Bode G 0 : -- 12 : -- / -- + Waachmeester G 0 : -- 12 : -- / -- + Vroedvrouw G 0 : -- 12 : -- / -- + Samen G 6 : -- 10 : -- / -- + + +Wat er de laatste bij deed, wier vermelding op de rekening eenige +bevreemding wekken kan, zal worden opgehelderd uit de volgende +extracten uyt de Registers van de Judiceele en Dagelyksche Acten der +Stede Oudewater. + +Alvorens echter daartoe over te gaan, zij het ons vergund mede te +deelen de + + +NAAMLIJST, + +voor zoover die op te sporen was, van personen, die ter zake van +toverij beschuldigd werden, en zich van tijd tot tijd in de Waag van +Oudewater hebben laten wegen. [293] + +»Maria Konings, Dochter van Gerard Hesseling, anders genaamt Konings, +en Anneke ter Brugge, woonende te Konings in Zurik in den Kaspel van +Boekholdt, in den Gestichte van Munster, gewoogen den 24 Februarij +Ao. 1644. [294] + +Leentje Willems, Huysvrouw van Jan Aertsz., woonende in de Lange +Linschoten, onder de Parochie van Oudewater, gewogen Ao. 1647. + +Jacobye Paulus, Huysvrouw van Steven Willems, woonende in de Boerschap +van Wapenveld, onder het Schout-ampt van Heerde, gelegen in de +Provintie van Gelderlandt, gewoogen den 2 Mey Ao. 1677. + +Marritje Cornelis, Huysvrouw van Thomas Bastiaansz. woonende over +Lecq in Langeracq, gewoogen den 13 January Ao. 1681. + +Sybilla Essers, Dochter van Jacob Essers en Geertruyd Weyers, woonende +in den Dorpe van Kleinenbroek, onder Zutphen, omtrent twee uuren van +Nuits, gewoogen den 23 Mey Ao. 1694. + +Aaltje Brouwers, Huysvrouw van Frans Fransz., geboortich uit de +Heerlykheid Borculô, Vlekke Heybergen, gewoogen den 25 September +Ao. 1694. + +Maasje Faessen, Huysvrouw van Jan Aartsz., geboore in 't Waal, +omtrent een half uur van de Vaart, over Vianen, gewoogen den 17 +September Ao. 1710. + +Geertruyd Hendriksz. van Beek, Weduwe van Christoffel Klads, woonende +op 't Zandt te Utrecht, gewoogen den 23 Maart Ao. 1711. + +Lysbet Jans van Wout, Weduwe van Pieter Ariensz. Vosmeer, woonende +binnen Montfoort, gewoogen den 15 Mey Ao. 1713. + +Neeltje Paulus Pols, geboortich van Bergh-ambacht, woonende in Honkop, +gewoogen den 31 Mey Ao. 1728. + +Klaas Ariensz. van den Dool, gebooren te Noordelois, en Neeltje +Ariensz. Kersbergen, geboortich van Lakerveld, Man en Vrouw, +woonachtich op den Dool onder Meerkerk, gewoogen den 21 Juny +Ao. 1729. [295] + + + + + +EXTRACTEN uit de Registers van Judiciële en Dagelijksche Acten der +Stede Oudewater. + + + »Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater + in Hollandt, doen kont en certificeeren eenen yegelyken mits + dezen, ten versoeke van Maria Konings, oudt, zoo sy seydt, + omtrent zes en twintig Jaren, dochter van Geeraerdt Hesseling, + anders meede genaemt Geeraerdt Konings, ende Anneken ter Brugge, + wonende by Barendt Konings haren Broeder, te Koninkx in Surik + in den Kaspel van Boekholdt, in den Gestichte van Munster, op + een Hofsteede toebehoorende zyn Hoogheydt, den Heere Prince van + Orangien, weesende van deylbaren stature, met een vrattjen aan + de rechter zyde van hare kinne, ons voorgestelt by Johan Duyst, + Burgemeester der voorschreeve stadt Boekholdt, volgens zyn acte + van Certificatie van Burgemeesteren en Schepenen van Boekholdt, + ons vertoont ende gebleeken; dat op huyden voor ons Compareerden + de E. Willem Pietersz. Tromper en Johan van Rodenburg, beyde + Oudt-Burgemeesteren, en jegenwoordig Schepenen in dienste, + mitsgaders Cornelis Gysbertsz. Bodegrave, gesworen bedienaar + van deser Stads Wage, dewelke ter instantie en versoeke van + de voorschreven Maria Konings verklaarden, hoe waar is, dat + de voornoemde Cornelis Gysbertz. Bodegrave de voorschreven + Maria Konings ten haren ernstigen versoeke en requisitie, in + tegenwoordigheydt van hun Comparanten ende meer andere personen, na + dat zy by Jannetje Barents ordinaris Vroed-Vrouwe deser Stede, met + voorgaande Ondersoek, verklaert was dat de gemelde Maria Konings + tot hare Onderkleederen ontkleedt, ende de schoenen uyt-getogen, + niet van eenige zwaerte off gewichte by haar was hebbende, met + de balance in de Ordinaris wage deser stede Oudewater gewogen, + ende dat hun Comparanten en allen evidentelyken gebleken is, + dat de voornoemde Maria Konings, alleenlyk gekleedt en ondersogt + zynde als voren, was wegende hondert vier en dertig ponden + zodanige oprechte [296] Troysche wichte als men ordinaris in de + voorschreven Wage is gebruykende, zulks dat wy mede by dezen + certificeeren, dat deselve Wichte met de naturelyke proportie + hares lichaems wel is accorderende. Ende alzoo de voorschreven + Maria Konings aen ons versogt onse opene Brieven van certificatie + van de voorgenoemde Verclaringe, om haar daar mede te dienen in + tydt en wylen, daer ende wanneer haar zulks noodig en te raden + wesen zal, ende men gehouden is de waarheydt te getuygen, in + zonderheyd daar toe versocht zynde: Zoo hebben Wy haer 't zelve + versoek niet kunnen nog willen weygeren, zonder bedrog: des + 't oirconde hebben wy deser Stede Zegel hier onder aengehangen, + ende by onsen Secretaris doen onderteykenen. In den Jare onses + Heeren ende Zaligmakers Duyzent Zes hondert Vier ende Veertig, + op den XXIIIJ. February. (Onderstondt.) Ter ordonantie van de + Heeren voornoemt geteekent. + + (Was getekent) H. de Hoy. + + (Onderstont) + + »'T voorschreven ge-ëxtraheerde by my ondergeschreven Secretaris + der Stede Oudewater accorderende bevonden, met de vordere + Verclaringe: dat in mynen voorschreven dienste veele persoonen + invoegen voorseydt in de Wage alhier zyn gewogen, met gelyke + Verclaringe mutatis mutandis als vooren: en specialyken noch + in den lest voorleden Jare 1647, drie verscheyden persoonen; + onder anderen eene Leentjen Willems, Huysvrouwe van Jan Aertsz., + wonende in de Lange Linschoten onder de Parochie van Oudewater, + 't Oirkonde geteekent dezen VII. January 1648 (en was geteekent:) + + H. De Hoy. + + »Wij Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater, in + Holland; doen cont ende Certificeeren mits dezen, ter requisitie + van Jacobye Paulus, huisvrouwe van Steven Willems, wonende in + de Boerschap van Wapenvelt, onder 't Schoutampt van Heerde, + gelegen in de Provintie van Gelderlandt, oudt, zoo zy seyde, + omtrent 40 Jaren, wesende kortagtigh van Persoon, bruin van + hair, en blaauw van oogen, langwerpigh van aangezigt, en onder + aan haer Rechterwang een rood vlakje, Dat op huyden voor Ons + gecomen en gecompareert zyn, de E. Gysbert Isulsteyn, en Jacob + de Gyselaar, Schepenen deser Stede, mitsgaders Adriaen Munter, + geswooren Bedienaar van deze Stede Wage, dewelke ter instantie, + ende naerder versoeken van de voorn. Jacobye Paulus, verklaerden + waer en waerachtig te wezen, dat de voorn. Adriaen Munter, de + genoemde Jacobye Paulus op haer speciael en ernstige versoeken, + ende in de praesentie en tegenwoordigheid van de voorn. Schepenen, + Waagmeester, en andere Notabele Personen, na dat by Niesken + Gerrits, Ordinaris Vroedvrouwe alhier publicquelyk verklaerd + was, dat de meergemelde Jacobye Paulus, blootshooft, schoenen en + hoosen uytgetogen, gekleet met een onderrokje over haar hembd, + geenige wichte ofte swaarte by haer hadde, met de Ordinaris + balance in de Waag alhier gewogen heeft Een hondert en een pont, + sodanige oprechte Troyaense wichte, als men ordinaris in deser + Stede Waag is gebruykende, zulx dat wy by desen Certificeeren, + dat de voorsz. gewigte met de Natuurlyke proportie haeres Lichaems + wel is accordeerende; Ende alzoo zy daer van versogte onse opene + brieven van Certificatie, omme deselve haar te dienen daer, en + zoo zulx behoort, hebben wy haer 't zelve, niet konnen nog willen + weygeren, zonder bedroch, en tot meerdere verzeeckeringe deses, + hebben wy den zelven mettet stede Zegel ende ondertekeninge van + onsen Secretaris bekragtigt, op den 2 Mey 1677. + + + + »Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater in + Hollant doen Condt en Certificeeren mits deesen ter requisitie + van Geertruyd Hendriks van Beek, weduwe van Christoffel Clads, + woonende tot Utregt op 't Zant, out, zoo zy seyde, omtrent twee en + seventig jaren, lang van persoon, mager van wesen, hoog blaauw van + oogen en grys van haar, dat op huyden voor ons gecompareert zyn de + Heeren Jan van Lexmont ende Jacob Bakker, Schepenen dezer Stede, + mitsgaders Cornelis van Eynthoven (by absentie van zyn vader + Dirk van Eynthoven) beëdigde Waagmeester van deze voorzs. Stede + Waag, by ons ten deese geauthoriseert, dewelke ter instantie en + verder versoek van de voorn. Geertruyd van Beek, verklaarde waar + ende waaragtigh te zyn, dat den voorn. Cornelis van Eynthoven de + genoemde Geertruyt van Beek op haar speciaal en ernstig versoek, + in presentie en tegenwoordigheyt van de voorn. Schepenen, + geauthoriseerde waagmeester ende andere notable persoonen, + na dat by Jacomyntje Aertz Dekker ordinaris Stads Vroetvrouw + alhier publiequelyk was verklaart, dat de meergemelde Geertruyt + van Beek bloots hoofts, schoenen ende kousen uytgetoogen, + alleen met haar hemdt over haar bloote lichaam, bedekt met een + Faly off sluyer, en genige gewigten off swaarte by haar hadde, + met de ordinaris balance in de Waagh alhier gewoogen heeft een + hondert ende twee ponden, soodanige opregte Troyaansche gewigten, + als men ordinaris in deser Stede Waagh is gebruykende, zulks + dat wy by deesen Certificeeren, dat de voorsz: gewigte met de + naturelyke proportie haares lichaams wel is accorderende, ende + alsoo zy daar van verzogte onse opene brieven van Certificatie, + om de selve haar te dienen, daar het nodigh weesen sal, hebben wy + haar 't selve niet kunnen nogh willen weygeren, sonder bedrog: + ende tot meerder sekeringe deeses, hebben wy deselve met het + Stede Zegel ende ondertekeninge van onse Secretaris bekragtigt, + op den drie en twintigste Maart, seventien hondert en elff. + + + + »Wy Burgemeesteren, Schepenen ende Raden der Stede Oudewater in + Holland, doen Cond en Certificeeren mits deezen, ten verzoeke van + Claas Ariensz. van den Dool, geboortig te Noordeloos, oud ontrent + 37 Jaren, kortagtig en eenigsins spitsig van Ligchaam, hebbende + blaauwe oogen, hoog bruyn van vel en hair, en Neeltje Ariens + Kersbergen, geboortig van Lakerveld, oud omtrent 31 Jaaren, matig + van postuur en hoog Zwanger, bruyn van vel, blaauwe oogen, Man en + Vrouw, woonagtig op den Dool onder Meerkerk, dat op huyden voor + ons verscheenen zyn d'Heeren Dirk van der Lee, en Gerrit Ingen van + Liesveld, Schepenen dezer Stede, mitsgaders Jan Racaute, geswooren + Waagmeester, dewelke ten verzoeke van de Requiranten verklaarden + waar en waarachtig te zyn, dat door den voorn. Waagmeester Jan + Racaute op ernstige instantien van de Requiranten, in presentie van + de voorn. Heeren Schepenen en andere notabele persoonen, op Huyden + den voorsz. Klaas Ariensz. van den Dool in dese Stede Wage met de + ordinaire balance en opregte Troyaansche wigte, gelyk men altoos + in deeze Stede Waag gebruykt, is gewoogen, na dat Philip vander + Werff Geregts-bode dezer Stad had verklaard, dat denselve Klaas + Ariensz. vanden Dool, door hem was ontkleed, schoenen en koussen + mitsgaders andere kleederen uytgetoogen, en zulks alleen in zyn + hembd, zonder dat hy eenige zwaarte van gewigten by zig had, en + is denzelven persoon bevonden zwaar te weezen een honderd twee + en twintig ponden, der voorsz. Troyaansche wigte; wyders is de + voorn. Neeltje Ariens Kersbergen invoegen voorsz. meede gewoogen, + en naar dat door Jacomyntje Aertz Dekker Stads Vroedvrouw alhier + meede verklaard was, dat de meergem. Neeltje Ariens Kersbergen + door haar was ontkleedt schoenen en koussen uitgetoogen, en zulks + alleen bedekt met haar hembd en zwarte falie over haar bloote + Lighaam, hangende het hair los by het hoofd, zonder datse eenige + zwaarte of gewigte by haar hadde, en is dezelve persoone bevonden + zwaar te weezen een honderd en tien ponden voorsz. Troyaansche + wigte: certificeeren vervolgens wy dat de voorsz. gewigte met de + natuurlyke proportie des lichaams van de requiranten beyde zeer + wel is accorderende bevonden, en alsoo zy daar van verzogten + onze opene brieven van certificatie om dezelve te dienen, daar + en zoo zulks behoord, hebben wy haarlieden 't zelve niet kunnen + nog willen weygeren, dit alles zonder bedrog; en in bewys van + waarheyd hebben wy deze met onze Stede Zeegel en ondertekeninge + van onzen Secretaris bekragtigt op den 21 Juny 1729." + + +In 1729 vinden wij alzoo van de laatste heksenweging gewag gemaakt, +en in dit jaar reeds zoo na grenzende aan onze verlichtende 19de +eeuw, zien wij ingevolge de laatste acte, deze weegkuur nog met de +meest mogelijke juistheid, met inachtneming van alle gebruikelijke +vormen ten uitvoer gelegd! Het was de laatste en gelukkig de laatste +weeggeschiedenis met de zoogenaamde heksen op de Waag, want, door +het meer en meer verstandelijk ontwikkelde menschdom, moest ook deze +laatste proef, al was zij onschuldig, in onbruik geraken! Maar waren +daarom de heksen-geschiedenissen, het beschuldigen van menschen als +toovenaars, en het geloof aan heksen, ook met de in onbruik geraakte +proef op de waag te gelijk verdwenen? Neen mijn lezers, neen, +het bijgeloof bleef voortsluipen tot in de 19de eeuw, het sluipt +nog voort in onze dagen. Waar het zich op vele plaatsen niet meer +openlijk vertoont, daar schuifelt het gelijk een venijnig serpent +onder het spigtig gras, en treft met zijn schadelijk gift, dat het +met zich omvoert, soms nog vrij zeker. Immers hoe dikwijls berigten +ons de dagbladen nog van heksen en beheksten, hoe menigmaal hoort +men, vooral onder de geringere volksklasse nog gewagen van personen, +die »meer kunnen dan menig ander." + +Doch gelukkig wij zijn vooruitgegaan, en met rassche schreden +vooruitgegaan, en wie weet het hoe spoedig welligt, dat het bijgeloof +nog alleen bij name zal blijven voortbestaan! O moge die tijd spoedig +aanbreken. + + + +Nog mijne lezers bevindt zich deze waag waarin men heksen woog te +Oudewater, nu echter de »heksen" er niet meer opkomen, dient zij +weer bijna uitsluitend tot het wegen van koopmansartikelen, levend +vee, touwwerk, kaas, [297] enz. terwijl het regt tot dit wegen van +stadswege van tijd tot tijd in het openbaar verpacht wordt. + +Wanneer Oudewater door vreemdelingen bezocht wordt, dan vragen +zij natuurlijk alligt hen de heksenwaag te vertoonen, [298] +en onwillekeurig hoort men hen den uitroep ontsnappen: hé, wat +eenvoudig gebouw is die waag, heeft deze nu eene zoo groote rol in de +heksen-geschiedenissen gespeeld, wierd daarin zoo menig mensch van het +doemvonnis verlost, hen door het bijgeloovige menschdom aangewreven, +en ja zoo was het, dáár hielden de harten op angstig te kloppen, +dáár klonken voor slechts G. 6.50 den beschuldigde de bemoedigende +woorden tegen, ga, gij zijt vrij! wij hebben u gewogen en ....... niet +te ligt bevonden. + + + + +Geboortehuis van Jacobus Arminius. + +Naast de stadswaag, of meer juist, door de Gasthuissteeg gescheiden, +bevindt zich het geboortehuis van Jacobus Arminius. Het is een +fraai huis, de voorgevel is naar de Ionische orde gebouwd, met vele +versieringen voorzien, en is getooid met het symbool der fortuin, +waarin sommige menschen verkeerdelijk het standbeeld van den eersten +remonstrant meenen te zien. Niettemin gelooven wij, dat het opschrift +van een marmeren steen, eertijds onder het beeld der fortuin aanwezig, +wel eenige betrekking op onzen lateren Leidschen hoogleeraar mag +gehad hebben; deze steen met dit opschrift, zijn echter uit den gevel +verwijderd, en welligt verloren geraakt, daar men ons verhaalde, dat +niemand het opschrift van dien steen kon ontraadselen. Wij moeten +echter opmerken, dat het huis niet meer in dien toestand is, als +toen Arminius daarin werd geboren, daar wij het jaartal 1601 in den +voorgevel vinden, en zijne geboorte reeds in 1560 plaats had. Stellig +echter is het huis weder op dezelfde plaats herbouwd, zoodat wij nog +met gerustheid mogen zeggen: zie dat is het huis, daar is de plek, +daar de groote Arminius het eerste licht heeft aanschouwd. + +Voor eenige jaren (in 1854,) werden in het voorhuis, eenige +veranderingen aangebragt, waarbij tevens het volgende vers verwijderd +werd, dat men tot dusver het huis binnentredende met fraai geschilderde +gothische letters, daarin had opgemerkt: + + + Jammer, ellende en grooten nood + Is der regtvaardigen dagelyksch brood, + Die tot het eeuwige leven zyn verkoren + Steken veel distels ende doornen + Nog zal de Heer ten allen tyden + De vromen verlossen en verblyden. + + Ps. 34. + + +Over Arminius zelve zal te gelegener tijd worden geschreven--alleenlijk +vermelden wij nog, dat in het huis zijner geboorte, nu eene grutterij +wordt uitgeoefend. + + + + +Het Stadhuis. + +Het Stadhuis bevindt zich op het fraaiste gedeelte van Oudewater, het +is gelegen aan het begin der Kapelstraat en maakt met zijne bevallige +voorpui front naar het aangrenzende plein der Vischmarkt.--Lief +toch vertoont zich het Stadhuis van buiten aan ieder, die eenigen +bouwkundigen smaak bezit, immers, de voorgevel die naar de Ionische +orde gebouwd, en versierd is met het beeld, dat de geregtigheid +voorstelt, de voorgevel getooid met de wapenschilden der steden Delft, +Oudewater en Alkmaar naast elkander, die weder beheerscht worden door +den leeuw, die op het hoogste gedeelte des voorgevels is aangebragt, +en weder het wapenschild van Oudewater tusschen zijn gespierde pooten +houdt, dit alles maakt met de welaangebragte kleuren, die een en +ander bedekken, een aangenaam effect, dat nog verhoogd wordt, door de +sierlijke voorpui, die uit vitruvius gebouwd, en daarenboven getooid is +met vier zittende leeuwen, met wapenschilden boven de hoofdstukken der +pijlaren aangebragt, en het wapen van Holland in het midden vertoont. + +Dit gebouw dagteekent van het jaar 1588, zoo als wij insgelijks nog +in den voorgevel uit eenige ijzeren ankers die dit jaartal vormen, +kunnen opmaken, het werd echter in genoemd jaar slechts vernieuwd, +op de oude grondslagen, boogen en muren, en met een leijen dak +gedekt. Uit dit dak rijst een fraai torentje, dat met eene daar +inhangende klok voorzien is, die ten tijde des Heeren van Kinschot +[299], onderanderen diende, ter bekendmaking der regtdagen, en +der gewoonlijke vergaderingen, alsmede het sluiten en openen der +poorten--zooals het tegenwoordig onder meer, voornamelijk gebezigd +wordt, tot bijeenroeping van den volke, indien er iets van de puije +des raadhuizen van lands- of stadswege wordt verkondigd. + +Het Stadhuis is gebouwd op 4 boogen of verwulfsels: een dezer, aan de +voorzijde aanwezig, dient de nachtwacht, tot punt van bijeenkomst en +schuilplaats bij ongunstig weder, terwijl het tevens na afbraak der +Romein of Gevangentoren tot tijdelijke bewaarplaats voor misdadigers +is ingerigt, de overige drie »holen" zooals men ze noemt, worden van +stadswege tot bergplaats verhuurd. + +Bezien wij nu vlugtig het stadhuis ook nog van binnen. + +De trappen die wij tot dat einde moeten beklimmen, waren zoo als +Kinschot getuigt, van blaauwe Naamsche steen, en gemaakt door Duiliaan +Vlamingh, eertijds Mr. Steenhouwer te Delft, doch indien het uwe +belangstelling waardig is, zoo vermelden wij u, dat men in het jaar +1816 daarvoor andere heeft gelegd. Treden wij echter binnen--Al +dadelijk bevindt men zich op eene ruime voorzaal, aan wier einde +eertijds de vierschaar was. Op deze voorzaal werd sedert Ao. 1798 de +ringvergadering gehouden, waarvan Oudewater toen de hoofdplaats was, +waardoor ook alstoen de vierschaar vernietigd werd [300]. + +Regts aan den ingang dezer voorzaal bevindt zich de bodeskamer in +1857 daargesteld, terwijl aan het achtergedeelte, dáár ongeveer, waar +vroeger de vierschaar was, eenige wapenen,--overblijfselen van den +moord in 1575--tot eene trofée geschikt, deze voorzaal versieren [301]. + +Ter regterzijde verschaft eene deur toegang tot de Secretarie die +aldaar ten jare 1859 getimmerd is, deze doorgaande, komt men van +ouds in de weeskamer, die tot in dit jaar nog de Secretarie was, +doch in laatstgenoemd jaar tot burgemeesterskamer werd ingerigt; +ter linkerzijde, zien wij in dit laatste apartement eene deur in den +muur aangebragt; wij nemen de vrijheid deze te openen, en geleiden u +de raadkamer binnen, waarin eertijds ook het geregt zijne vergadering +hield. Reeds in 1834 en 1835 werd deze raadkamer veel verbeterd en +verfraaid, en ook nog in 1859 is veel tot versiering en tot gerief +hierin aangebragt, zoodat een en ander zich nu in zeer netten toestand +bevindt. Aan den wand, ontwaart men de portretten van de beroemde +mannen Jacobus Arminius, in der tijd hoogleeraar in de Godgeleerdheid +te Leiden, en Mr. A. Van Stipriaan Luiscius, eertijds Med. Doct. et +Chem. Lect. te Delft, beide te Oudewater geboren. + +Wat wij echter op deze raadzaal nog meer opmerken, is het groote +beroemde schilderij van den Utrechtschen schilder D. Stoop, +voorstellende den moord der Spanjaarden in 1575 te Oudewater gepleegd, +zoo als nog daarenboven uit het volgende originele opschrift blijkt. + +Oudewater onder Philip II, Koning van Hisp. door beleit van Hierges +belegert 19 Julij, is nae dapperlyk beschieten, ende grouwlyk gevegt +stormenderhand ingenomen; Soldaten, Burgers, Vrouwen en Kinderen +wreedlyk vermoord ende de Stad verbrand, op den 7 Augusti 1575. + +Behoeven wij het wel te zeggen, dat waar een Stoop zoodanig +tafereel vervaardigd heeft, het niet mankeert aan fiks coloriet, +stoute figuren, en bevallig uitgevoerde groepen, dat iedere groep +eene fraaije ordonnantie op zich zelve is, zonder dat de bekwame +schilder door deze détails het geheel, hierdoor uit het oog heeft +verloren? Behoeven wij aan te stippen, dat het stadsgezigt uit dien +tijd met veel historische trouw is vervaardigd? [302] + +Teregt stroomen er dan ook nog ieder jaar op den gedenkdag des +moords, honderden menschen naar het Raadhuis, om dit schilderij te +bewonderen, en zich te verplaatsen naar de tijden van den bloedigen +oorlog met Spanje. + + + +Wij verzoeken den lezer het gebouw met ons te verlaten, daar de +gijzeling, die zich nog boven deze apartementen bevindt, weinig +aanlokkends ter bezigtiging kan aanbieden, en hiermede sluiten wij dan +ook de beschrijving onzer reeks publieke en merkwaardige gebouwen van +Oudewater. Wij hebben de gebouwen ondervraagd en zij hebben tot ons +ten deele door de historie-bladen en oude bescheiden gesproken. Wij +hebben gezien, dat het waarheid was, toen wij in ons motto den heer +Rose nazeiden: »De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene, +omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren van vroegere +handelingen. De monumenten verschaffen ons eene geschiedenis op +eene andere wijze, namelijk in vormen, die een geheele reeks van +waarheden en denkbeelden in zich sluiten en bij ons opwekken. Zij +verhalen ons juist niet al het gebeurde, maar zij leeren ons kennen, +hoe het voorgeslacht leefde, dacht en gevoelde, en dat heeft voor +het meest even zoo veel waarde, als de vermelding van een reeks +gebeurtenissen." De waarheid van dit motto, zal nog nader uit het +volgende hoofdstuk blijken. + + + + + + + +ONDERZOEK NAAR DE REDENEN WAAROM DE WAPENS DER DRIE STEDEN DELFT, +OUDEWATER EN ALKMAAR IN EN AAN EENIGE PUBLIEKE GEBOUWEN ALDAAR +GEVONDEN WORDEN. + + +Bij de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen binnen +Oudewater, heeft men gelegenheid gehad, op te merken, dat de wapens +der steden Delft, Oudewater en Alkmaar aanwezig zijn, geweest aan de +gevels der geamoveerde IJssel- en Waardpoorten en nog zigtbaar zijn, +aan het Raadhuis dezer gemeente; daarenboven, bevatten eenige gebindten +in de kerk der hervormden, eertijds insgelijks deze wapenschilden, +terwijl uit zeker huis [303] gelegen aan de markt dezer plaats ten +jare 1856 bij herbouw nog het wapen van Delft werd verwijderd. + +In Delft waren de drie voormelde stedenwapens aangebracht, aan den +toren van het raadhuis, aan de Kameretten of het oude Lombardhuis en +aan den binnengevel van de Waterslootsche of St. Jorispoort. + +Terwijl men dezelve te Alkmaar aan de Stadswaag en in het gewelfsel +van de Consistorie der groote kerk kon opmerken. + +Teregt moeten er dus gewigtige redenen hebben bestaan, waarom dit +drietal wapens nevens malkander worden aangetroffen, doch wat de +eigenlijke redenen zijn, dit is niet meer met zekerheid te bepalen: +zoo hiervoor het echte bescheid bestaan heeft, dan is het zekerlijk +verloren geraakt, en niettegenstaande vele aangewende pogingen, hiervan +eenig oorspronkelijk document op te duiken, zijn zij vruchteloos +gebleven. Het ontbreekt echter niet--zooals het gewoonlijk in +dergelijke gevallen gaat, aan een aantal gissingen daaromtrent, +en die willen ook wij dan vermelden, daar eenige er van, hoogst +waarschijnlijk de voldoende oplossing op deze vraag geven. + +Onder de menigte schrijvers, die hunne aandacht op de aanwezigheid +en de redenen, waarom deze wapens op voornoemde plaatsen aangebragt +zijn, bepaalden, willen wij bij voorkeur raadplegen de heer Bleiswijk +in zijne beschrijving van Delft, Eiklenberg in die van Alkmaar en +Kinschot over Oudewater en daarbij onze meeningen invoegen. + + + +Alhoewel het in oude tijden vrij gebruikelijk was, dat door de eene +stad aan de andere, bij het daarstellen van openbare gebouwen, +geschenken gegeven werden, en men ter gedachtenis daarvan, het +wapen van die stad, ter herinnering aan zoodanig gunstbewijs, daarin +aanbragt, zoo hebben eenigen gemeend, dat men dáárom deze wapens in +de vermelde reeks gebouwen, in deze drie steden had aangebragt; doch +hier maken wij van Kinschots gevoelen gaarne tot het onze, namelijk, +dat zulks niet waarschijnlijk is, aangezien in de Besluit-boeken dier +steden hieromtrent niets aangeteekend staat. + +Wij voegen hier nog bij de facta, dat er op ons vrij wel +geinventariseerd gemeente archief, bestaat, eene missive van de +regering der stad Alkmaar, dato den 25 Mei 1588, »ten geleide van +'t conterfeitsel van 't wapen dier stad, om dit nevens het wapen van +Oudewater en Delft voor 't nieuwe raadhuis alhier te stellen, als een +gedenkteeken en onderhouding van het oude verbond onderling gemaakt." + +Hier wordt dus van geen geschenk der stad Alkmaar, doch van een +verbond gesproken. + +Voorts hebben wij vermeld, dat ten jare 1856 uit zeker huis aan de +markt alhier, het wapen van Delft werd gebroken, en dewijl voor zoover +ons bekend is, deze woning nooit een openbaar gebouw van Oudewater +geweest is, kon Delft hiermede ook in geen betrekking staan en zal +laatstgenoemde plaats, dan ook geen geschenk tot daarstelling van +dat huis hebben verstrekt. Beneden zullen wij onze meening ook voor +de reden, dat voornoemd wapen, dáár aanwezig was aanvoeren; echter +is deze eerste gissing, naar ons oordeel behoorlijk ontzenuwd. + +Ten 2e, willen anderen de reden van het feit hierin opgelost zien, +dat de steden Delft, Alkmaar en Oudewater in oude tijden, en mogelijk +wel in den Hoekschen en Kabeljaauwschen oorlog in onderling verbond +zouden gestaan hebben, en onder ééne banier ten oorlog uitgetrokken +zijn, doch hierop merkt van Kinschot [304] weder teregt aan, dat +iedere stad hare eigene banier gehad heeft [305] en hem dit geheel +onwaarschijnlijk voorkomt. Wij verwerpen met van Kinschot eveneens deze +meening, immers, dat die van iedere stad, zich onder hare bijzondere +banier ten oorlog schaarden, vonden wij ook bij Dr. D. J. Veegens, +in zijne »Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd" bevestigd, +alwaar wij onder de »vertelling" het ontzet van Haarlem op bladzijden +108-109 de volgende zinsnede aantreffen, die ook deze tweede gissing +met grond doet verwerpen: + + + +»Door de stofwolken heen, die de ruiters van Jacobas leger uit het +drooge zand deden opgaan, blonken de banieren van hare getrouwe steden +Schoonhoven, Gouda en Oudewater in de middagzon." + +Laten wij ons echter niet langer ophouden, het aantal gevoelens van +zoovelen mede te deelen en te wederleggen, doch trachten wij liever, +er de ware oorzaak van op te sporen. + + + +Wij hebben hiervoren op bladz. 321, reeds de zekerheid erlangd, +uit de missive der stad Alkmaar van 25 Mei 1588, bij de geleide +der afbeelding van het wapen dier stad, om dat nevens het wapen van +Oudewater en Delft voor het nieuwe stadhuis alhier te stellen, dat +dit tot een gedenkteeken en onderhouding moest dienen, van het oude +verbond onderling gemaakt. + +Nu komen wij op weg--er was tusschen deze drie plaatsen een verbond +gemaakt, dat verbond was ten jare 1588 reeds een oud verbond en dat +verbond was in laatstgenoemd jaar nog tot geene verkrachting gekomen, +want die van Alkmaar schreven, dat de plaatsing van het wapen hunner +stad aan het stadhuis, dienen moest, tot onderhouding van het verbond. + +Wat nu de bijzonderheden omtrent dit verbond waren, hiervan ontbreekt +het rechte bescheid, doch wij zullen trachten te bewijzen, dat de +overeenkomst bestond: + +1o. dat de poorters van Delft en Oudewater volgens onderling verdrag, +vrij waren het regt van uitgang (exue) te betalen. + +2o. dat die van Oudewater en welligt ook van Alkmaar, weleer met +hunne vonnissen in zwaarwigtige en twijfelachtige gevallen bij die +van Delft mogten te rade gaan. + +3o. dat bij jaarmarkten in eene dezer drie steden, eerst de poorters +van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, en dan de twee overige +plaatsen, het regt van voorrang in standplaatsen op de markt mogten +hebben. + +4o. dat de drie steden voornoemd, waren overeengekomen, dat hare +poorters een gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad hare eigen +poorters toestond, bij verhuizing zouden genieten, en ten + +5o. dat het onderschrift van het wapen van Delft op eene onderlinge +overeenkomst van poorteren doelt. + +I. Het eerst hebben wij ons voorgenomen te bewijzen, dat de poorters +van Delft en Oudewater vrij waren, het regt van uitgang (exue) te +betalen. Het zal echter vooraf velen onzer lezers niet onaangenaam +zijn te vernemen, wat dit voor een regt was, + +Aan vele steden [306] in Holland was het eertijds bij Handvest vergund +en in andere steden was het reeds lang een oud gebruik, dat alle +buiten lieden, die in eene stad, bij uitersten wil of versterfregt +kwamen te erven, van deze hunne erfenis, een tienden penning, ten +behoeve van die stad moesten betalen, voor en aleer zij hun geërfd +goed, uit die gemeente mogten vervoeren. + +Dit regt strekte zich ook uit, tot die burgers of poorters, die +weigerachtig waren, aan de hen opgelegde stadsdiensten en lasten +of anderzins, en zonder bewilliging uit de stad met hunne goederen +vertrokken--en zoodanig regt nu, was men gewoon te noemen, het regt +van exue, exuwe of Issue. [307] + +Nu gebeurde het dikwijls, dat deze heffing onder steden, die gelijk +regt hadden, onderling werd opgelost, zoodat de zoodanige plaatsen, +dit regt van malkander niet invorderden. Verscheidene overeenkomsten +immers bestonden daarvan--zoo vinden wij vermeld, in de handvesten van +Amsterdam (1613 pag. 36) dat men daar met de stad Groningen zoodanig +verbond gesloten had, op St. Jans Baptisten avond 1553 en nog vinden +wij aangeteekend, dat tusschen de steden Haarlem en Amsterdam een +accoord in dezer voege aangegaan was, op den 17 April 1464. + +»Een octrooi om exue te heffen was al zeer vroeg mede verleent +geweest aan de stad Delft, doch dit is in den brand van den jare +1536 verongelukt, zooals te zien is in het nader octrooi bij keizer +Karel den 27 Maart 1545 aan laatstgenoemde stad verleend, waarbij +vernieuwing van het oude octrooi werd gegund, als: »voorregt van +exuw te mogen heffen, opbeuren en omvangen, de twintigsten penning +van alle goederen succedeerende, of andersins gaande buyten de stede +van Delf mitsgaders ook so veel te mogen nemen, en omvangen van den +Inwoonders, of goeden uit derselver stede gaande in andre plaatsen, +als de wethouders aldaar nemen van de inwoonders van Delf hetzij de +tienden, twaalfden, of vijftienden penning." [308] + +Zooals wij nu reeds gemeld hebben, hebben die van Oudewater met +de Delftenaars insgelijks een overeenkomst gesloten, dat zij ter +wederzijden vrij zouden zijn, van dit exue regt te betalen en wel reeds +op den 4 Maart 1427, waarbij die van Oudewater aan Delft beloofden: + +»Dat sy tot genen dagen aan erfenissen, nog aan besterfenissen, die +hare poorteren en inwoonderen in het regtsgebied van Oudewater mogten +aanbesterven, belasten, nog beswaren en sullen, met enig pond geld +van hen te eijssen, of te nemen, ten waar dat ter de Burgemeesters +van der stede wegen van Delft voor en eerst van haar poorteren van +Oudewater eysschede en namen." + +Dit eerste vrienschapsbetoon van Oudewater en Delft is, dunkt ons, +hiermede behoorlijk gebleken. + +II. Het tweede punt, dat wij te bewijzen hebben is, dat die van +Oudewater bij uitspraak van hunne gewigtige en twijfelachtige gevallen +in geregtszaken bij die van Delft mogten te rade gaan. + +De voor zijne eeuw zeer kundige Mr. Simon van Leeuwen getuigt, dat +meerdere steden gewoon waren onderling in dergelijke gevallen te rade +te gaan. Zoo raadpleegde de stad Woerden, die [309] van Gouda even +als de laatste zulks weer deed [310] bij die van Leiden, Weesp deed +het [311] te Amsterdam, terwijl Oudewater bij [312] die van Delft te +rade ging, en Delft wederom [313] advys inwon te 's Hertogenhosch. + +De Heer van Kinschot heeft in zijne beschrijving van Oudewater twee +zoodanige advyzen van bladz. 62 tot en met bladz. 66 medegedeeld. Het +laatste was een advys van de heeren magistraten der stad Delft, dato +den 13 September 1610, en de eerste was van den 2 Februarij 1595 en +kortheidswille schrijven wij alleen de laatste over--het luidt aldus: + + +Eersame Discrete Voersienighen Heeren ende goede Bontghenoten: + +»Wy hebben gevisiteert het processie voor uwer l. wtstaande tusschen +Baert Jacobsz eyscher, op ende tegens Pieter Harmensz. van Cendenoort +gedn., in welcke zaecke wy bevinden het poinct daer inne te bestaen, +off Adriaan Goossensz. des verweerders ofte gedaegdes huysfrouse +Grootevader zoo wy verstaen in den jare XVc. Liiij. by titule +van Coope vercreghen hebbende van Pieter Cornelisz. Burgher tot +Dordrecht, de vyertel lants die by den gedn. an den eysscher vercoft +is, In deselve Coope mede gehadt heeft de werff alhier in questie, +want indien Adriaen Goossensz. in deselve coope van de vyertel lants +mede gehadt soude hebben de werff in questie, soo soude ons advys +zyn, dat dezelve werff den Eyscher behoort geadiuceert te worden met +Condemnatie van Costen, en mette Intreste ofte schade van 't ontberen +van dyen vanden dach vande Coop aff, ontseggen hem zynen vorderen eysch +van alle 't gundt daer op geplantet is, Maer indien beuonde wordt, +dat Adriaen Gossensz. Dselve werff vercreeghen heeft nyet wt Crachte +van de Coop van de vyertel lants, maardat sy ofte eenighe andere, +van des gedes. voorsaeten, ofte de gedn. seluer by andere titule +de voorsz. werff vercregen soude hebben, soo soude ons advys zyn, +dat men den eyscher zynen Eisch en Conclusie behoort te ontsegghe +ook met Condemnatie van Costen. + + hier mede + +»Eersaeme Wyse Discreten Voorsienighe heeren ende goede bondtgenoten +beuelen wy uwer E: in de bescherminge Gods des heeren Al machtich +geschreven tot Delft den ij february Ao. XVc. XCV. + + (Lager stond:) + +Die alle uwer E. goede Vrunden en bondtghenooten Schoudt, Burgemren: +Schepenen en: Raeden der Stad Delff en ter Ordonnan. van henluyden +geteyckent by my, + + (was getekend) + J: GROENHOUT. + + 1595. + + (de superscriptie was) + + Eersaeme, Wyse Discreten seer voorsienighen heeren ende + bondtghenoten + + De Bailliu, Schepenen ende Gerechte de Stede van + + OUDEWAETER. + + +Uit dit aangevoerde en de gebezigde woorden »goede bontgenooten," +is ook de waarheid van dit tweede betoog aangetoond. + +III. Op de jaarmarkten in de steden Delft, Oudewater en Alkmaar +hadden eerst de burgers van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, +en dan die der twee andere steden het regt van voorrang bij alle +andere buitenlieden, terwijl deze laatsten om hunne standplaatsen +moesten loten. [314] + +IV. De oorzaak tot al het onderlinge vriendschapsbetoon in I, II en +III aangetoond, had hare aanleidende oorzaak hoogst waarschijnlijk +dáárin, dat er in zeer oude tijden volgens veler meening (en wel +volgens sage in het jaar 1421) een verdrag tusschen de drie gemelde +steden zoude getroffen zijn, waarbij aan de poorters dier steden, een +gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad genoot, zoude toegestaan +en geschonken zijn, immers schrijft de heer van Kinschot in 1746, dat +de drie genoemde steden, dat poortersregt nog steeds genieten. [315] + +Nu is het dan ons ook duidelijk geworden, waarom men het Delftsche +wapen aantrof in den voorgevel van het huis gemerkt N 371 aan de markt, +dat er Anno 1856 werd uit weggebroken--een ingezetene van Delft had +zich--wie twijfelt er nog aan?--hier met ter woon gevestigd, en tot +gedachtenis aan zijne stad, haar wapen in zijn huis aangebragt--voegen +wij aan dit betoog nog de daadzaak, dat er in de lijsten van aangenomen +poorters te Delft geene van Oudewater en Alkmaar voorkomen, dan is +er aan de waarheid niet meer te twijfelen. [316] + +V. Neemt men nu ten slotte bij al het aangevoerde nog in aanmerking, +dat [317] het oude wapen der stad Delft in de kamer van Burgemeesteren +aldaar berustende, met zeer oude letters het omschrift bevatte: + +Sigillum Communitatis Oppidanorum de Delf beteekenende: Het zegel +van de gemeenschap der poorteren van Delf, dan moeten ook wij zeggen, +dit moet niet zonder bijzondere redenen, maar met diep inzigt en wisse +voorbedachtzaamheid alzoo verkregen zijn. Deze zinsnede: gemeenschap +der poorteren van Delft moet ongetwijfeld doelen op »het oude verbond" +van de steden Delft, Oudewater en Alkmaar. + + + + +Het Wapen van Oudewater. + +Wij hebben ons in het voorgaande hoofdstuk onder anderen bezig +gehouden, met het wapen dezer plaats, zonder dat de goedgunstige +lezer nog eenige nadere omschrijving van dat wapen had, het is daarom, +dat wij die nu dadelijk gaan maken. + +Het stadswapen dan, vertoont een zilver veld, waarop zich een burg +bevindt, wiens omloop met schietgaten en wiens poorten met hameijen +voorzien zijn, van boven uit dezen burg verheft zich een klimmende +leeuw, alles van rood of keel, zooals men dit in de heraldiek noemt, +de leeuw echter is getongd en geklaauwd van hemelsblaauw (lazuur). Dit +zilver schild nu, is gedekt met een kroon met drie fleurons van goud +terwijl het wapenschild wordt vastgehouden door twee klimmende leeuwen, +in hunne natuurlijke verwen. + +Kinschot denkt, dat het sijmbool van dit wapen is, aldus: + +Oudewater ligt op de uiterste grenzen van Holland tegen de grenzen van +het Sticht en dus naar die zijden bloot, voor den eersten aanstoot der +wapens wanneer het Sticht overweldigd is; vandaar, dat hij Oudewater +dan ook noemt »een Burch en Bolwerk voor het gewest van Holland." Deze +burg en dit bolwerk zouden dan naar alle waarschijnlijkheid, een +van Hollands graven op de gedachte gebragt hebben, deze gelegenheid +der stad, in haar wapen te doen vertegenwoordigen door den burg, +waarboven de leeuw als staat te waken, tegen iederen onverhoedschen +overval van eenen vijand. + +In het jaar 1816 werd van wege den koning, o. a. »de hooge raad van +adel" gemagtigd eenige of een aantal wapens te wettigen, ingevolge +besluit van den 20 Februarij 1816, en het was in laatstgenoemd jaar, +dat de gemeente van Oudewater ingevolge het door haar gedaan verzoek +door haar bevestigd werd, in het bezit van het hiervoren omschreven +wapen, zoo als blijkt uit het onderschrift van het wapen dezer stad, +dat op het stadhuis in de raadkamer hangt: + + + Gedaan in 's Gravenhage den 24 Julij 1816. + + (was geteekent) enz. [318] + + + + + +Regeringsvorm en Regeringslieden. + +In een privilegie van graaf Willem, Anno 1322, waarbij de poorters +van Oudewater niet arrestabel worden verklaard, wordt gewag gemaakt, +dat alstoen hier aan der stede regering waren: »seven scepenen, +twee Raatsmannen en een Bailju." [319] + +Voorts bestaat er een bevel van »Willem Grave etc." aan de magistraat +van Oudewater van het jaar 1323 namelijk om de Lombaarden in hare +stad te ontvangen en burgerrecht te laten genieten, waarin de +regeringslieden aldus werden genoemd. + +Wi Willem Grave etc. onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen ende +Raed van onser poorteren van Oudewater saluyt enz. [320] + +Terwijl graaf Albrecht de magistraat dezer plaats in 1395 vermeld, +onder de woorden »Scout, Borghe Meesters, scepenen en Rade." [321] + +Tot op 1401 echter, zijn wij niet in het bezit van eenig stuk, hoe de +aanstelling van den magistraat geschiedde, als wanneer in laatstgenoemd +jaar Hertog Aalbrecht van Beijeren op den St. Matthijs aposteldag, +aan de stad Oudewater een handvest [322] verleende, waarin onder +anderen geregeld werd, het aanstellen van schepenen en achten [323] +het verkiezen van Burgemeesters enz. en wel in dezer voege: + +De Bailluw van Rijnland zou ieder jaar op meiavond zetten of doen +zetten, zeven schepenen, die niet te zeer onderling vermaagschapt +zouden zijn. Wanneer nu een van deze schepenen gedurende zijn +schependom kwam te overlijden, dan zou de Bailluw van Rijnland nadat +hem van stadswege daarvan was onderrigt, binnen verloop van veertien +dagen een anderen schepen verkiezen.--Voor en aleer de schepenen van +het stadhuis zich verwijderden, moesten echter tenzelfden dage, de +Achten of acht raadsmannen gekozen worden. Voorts bepaalde hertog +Aalbrecht nog, dat de schout, schepenen, klerk en de gezworen +Raadsmannen ieder jaar op St. Simon en Judas avond, uit ieder +vierendeel der voornoemde stad, staande ten halven schoten, zouden +kiezen twee Burgemeesters met deze bepaling, dat zij die binnen de +laatste drie jaren Burgemeesters geweest waren, niet verkiesbaar +waren, en dat, zoo er een van dezulken in zijne dienst »aflijvig" +werd, men alsdan een anderen binnen de drie dagen kiezen zoude, +dat de Burgemeesters niet te na in de familie mogten zijn, en vijf +en dertig jaren of daarboven moesten oud zijn, enz. enz. + + + +Hertog Aalbrecht, bepaalde in dit zijn handvest, zooals toen veelal +gebruikelijk was, dat al de daarin vermelde »poincten" en ieder in +het »bijzonder vast ende gestade" gehouden moesten worden, zooals er +verder stond, »voor ons en onse nacomelingen ten eeuwigen dagen" waarom +hij dan ook dezen brief had laten »besegelen met synen segele." Deze +eeuwigheid duurde echter slechts een tijdsverloop van 184 jaren +(van 1401 tot in 1585) als wanneer Holland ziende de gelegenheid +en de stand van zaken in deze stad, ten gevolge des moords in 1575, +goedvond, eenige verandering in de uitvoering van meergemeld stuk van +Graaf Aalbrecht aan te brengen, weshalve de staten voor den tijd van +drie jaren bevolen, dat een van de Burgemeesters en sommige van de +schepenen, niet op den vroeger bepaalden tijd behoefden af te treden, +»wel verstaande, dat daartoe vercoren sullen worden, de bequaamste ende +nutste personen uyt het geheele corpus van de gemeente, zonder reguard +te nemen op de quartieren, schoten ofte loten, ofte ook dat deselve +in voorlede jaren zullen gedient hebben, zullen de verkiezingen en de +advysen diesaangeande vrij zijn, als in andere steden van Holland +ende dit alleenlijk voor den tijd van drie eerstcomende jaren, +als voorseyt is; te eynden, dat de staten voornoemt verhopende, +dat de steede wederomme gecomen sal wesen tot haren ouden fleur, +hebben belooft ende beloven mits dezen die van Oudewater voornoemd, +wederom te laten genieten, het voornoemde privilegie naar zijnen form +ende inhouden. [324]" + +Het is mij niet gebleken, of na verloop van deze drie jaren, de +verkiezing weder op den ouden voet van 1401 plaats had, stellig echter +moet het gebleken zijn, dat dit octrooi niet langer haltbaar was, +daar wij in het jaar 1591 gewag gemaakt vinden van de volgende nieuwe +octrooijen voor Oudewater, rakende de verkiezing van Burgemeesters, +schepenen en vroedschappen der stad. + + + De Ridderschap, Edelen ende Steeden van Holland en Westvriesland, + Representeerende de Staten van denselven Lande, doen te weten, + Alsoo tot dienste der Steede van Oudewater, ende ten eynde de + ingezetenen van dien in goede ordre ende gerustheid mogen gehouden, + ende onder het gebied ende Respect van de Magistraaten wederom tot + welvaren gebragt werde, ende Regt ende Justitie aldaar gebruyckt + ende onderhouden als naar behoren nodig bevonden is te voorsien, + aangaande het stellen van de Burgermeesteren, Schepenen ende + Vroedschappen aldaar, naar jegenwoordige gelegentheid der selver + Steeden, ende sonder de præjudicien van de Privilegien van dien, + Zoo is 't, dat wy hier op gesien hebbende de Privilegien ofte + Octrooi van Hartog Albrecht van Beijeren H. Gl. die van Oudewater + voornoemd verleend, in den Jaare 1401, uyt onse regte weetenschap + den voorn. van Oudewater gegund, geconsenteerd, ende geoctroyeerd + hebben, Gunnen, Consenteeren, ende Octroyeeren by deesen, dat + aldaar geëligeerd ende gesteld sullen worden by syn Exellentie als + Gouverneur van de Lande van Holland, &c. Vier en Twintig Personen + tot Vroedschappen der voorsz. Steede van Oudewater, uit alle + sulke meerder getal van de bequaamste, rijkste en vreedsaamste + derselver Steede als bij de voorsz. Magistraaten syn Exellentie + sal worden gepræsenteerd ende dat voor de eerste Reyse, ende soo + wanneer eenige derselver Vroedschappen sullen koomen te overlyden, + of uyt de voorsz. Steede metter Woone te vertrekken, ofte dezelve + om eenige andere oorsaaken, soude mogen verlaaten werden, dat + in de plaatse van deselve by de Burgermeesteren in der tyd, ende + de andere Vroedschappen aldaar eenen anderen meede van de Rykste, + gequalificeerdste, vreedsamigste verkooren en by de Borgermeesteren + geëed sal worden. Item dat den Bailliuw, Borgermeesteren, ende + Vroedschappen alle Jaars op den 25 April nomineeren sullen + Vier Persoonen uyt de Scheepenen in diensten synde, ende Tien + Persoonen uyt de voorsz. Vroedschappen ofte andere van de rykste + gequalificeerdste Burgerye ende dezelve aan zynen Exellentie by + eenen, die de voorsz. Borgermeesteren ende Vroedschappen daartoe + sullen Committeeren, ofte in syn absentie aan den President ende + Raden Provinciaal van Holland oversenden, omme uyt de vier Twee + gecontinueerd ende uyt de Tien vyff Persoonen gekooren te werden, + voor een jaar tot Schepenen der voorsz. Steede, die by den Bailliuw + van Oudewater van wegen de hoge Overigheid ge-eed in officien + gesteld sullen worden; Dat voorts den Bailliuw, Burgermeesteren, + Schepenen, Vroedschappen ende Clerq der voorsz. Steede alle + Jaars op den 28 Octobris sullen Eligeeren Twee van de Rykste, + gequalificeerdste enne vreedsamigste Persoonen derselver Steede + het zy uyt de Vroedschap ofte Burgerye tot Borgermeesteren, mits + dat zyl. een van de Borgemeesteren van den voorleedene Jaaren + sullen mogen Continueeren indien henl. het selve goed dunken zal, + Dies en sal men niemand als Borgermeester verkiesen uyt Scheepenen + dienende in den tijd van de voorsz. Electie, innegaande deselvde + Continuatie den 28 Octobris XVc. twee en negentig, ende die twee + Jaaren als Burgermeester gediend sal hebben, en sal na de Expiratie + van dien, in de twee eerstkomende Jaaren daar aan volgende niet + weder als Borgermeester geeligeerd mogen werden. + + Ende en sullen in de voorsz. Vroedschappe niet mogen weesen Vader + en Zoon, nogte Schoonzoon, nogte Twee Gebroeders, nogte insgelyks + als Burgermren, nogte Schepenen gelyk op eenen tyd niet mogen + dienen, die malkanderen in Consanguiniteit en adfiniteit als + voren syn bestaande, nogte ook Zusters kinderen, ende dit alles + voor den tyd van tien Jaaren eerstcomende, ende onverminderd + de Privilegien ende Geregtigheeden der voorsz. Steede ende ten + eynde deese onse jegenwoordige Brieven van Octroy mogen worden + agtervolgd ende onderhouden; ordonneeren wy dat deselve in de + Griffie van de voorn. Hove sullen worden geregistreerd ende dat + voorts een ygelyc hem daar na sal hebben te Regaleeren. + + Gegeeven in den Hage onder onse Groote Zeegelen hier aan gehangen, + den naastlesten Augusty in 't Jaar onzes Heeren 1591. + + + ORDONNANTIE van de Heeren Gecommitteerde Raaden van de Staaten + van Holland en Westvriesland voor de Regering van Oudewater, omme + te Eligeeren twee Persoonen tot Burgemeesteren derselve Steede. + + De Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland ende + Westvrieslandt, gesien hebbende 't inhoude van den Octroye by + den Heeren Staaten, die van Oudewater den Naastlesten Augusti + lestleden verleend, hebben verklaard, ende geordonneerd, verklaren + ende ordonneren by deesen, Dat den Bailliu, Burgemeesteren, + Schepenen, Vroedschap, ende Clercq der voorsz. Stede, den + XXVIIJen. Octobris toekomende sullen Eligeeren twee van de Rycxste, + Gequalificeerdste, ende Vreedsamichste Persoonen derselver stede, + 't zy van de Vroedschap, ofte Burgerye, tot Burgemeesteren sonder + dat syl. ouyt den Burgemeesteren ende Schepenen jegenwoirdelick + dienende, agtervolgen denzelven Octroye yemand sullen mogen kiezen. + + Gedaan in den Hage den XXIIIJen. Octobris XVc. Een en 't + Neegentich. + + (Onder stond) + + Ter Ordonnantie van Gecommitteerde Raden van Staten voornoemd. + + (Was geteekent) + C. DE RECHTERE. + + +In het jaar 1600 toen de tijd van toepassing van dit octrooi verloopen +was, werd op het verzoek van Burgemeesters, Schepenen en Vroedschappen +der stad Oudewater, om voortaan te mogen blijven bij het octrooi dato +den 29 Augustus 1591, omtrent het stellen van Burgemeesters, Schepenen +en Vroedschap aldaar, hen dit niet toegestaan, doch hetzelve werd bij +resolutie der Staten van Holland, dato den 13 September 1600 nog met +tien jaren dus tot Ao 1611 verlengd. + +Toen die tijd echter wederom verstreken was, en de Magistraat van +Oudewater zich bij die volmagtiging wel bevond, zoo hebben de Staten, +deze stad op den 8 September in het jaar 1611 daarin bevestigd tot +wederopzeggings toe. [325] + +In zoodanigen staat bleef de electie van de magistraatspersonen tot +den tijd toe, dat de Burgemeesters en Vroedschappen zich genoopt zagen, +om door het afsterven van vele der aanzienlijkste, en tot de regering +bekwaamste personen, met opzigt tot het getal der Vroedschappen +aan de Staten te verzoeken, dat dezelve van vier-en-twintig tot +op achttien mogten uitsterven,--dit werd dan ook door de Staten +toegestaan op den 10 Februarij 1671, mits de aanstelling van de andere +Magistraatspersonen, in gevolge de privilegien en vorige octrooijen +in zijn geheel bleef. + +Van voornoemd jaar 1671, werd Oudewater nu 101 jaar geregeerd, door een +Bailjuw, twee Burgemeesters, zeven Schepenen en achttien Vroedschappen, +die ieder een Secretaris hadden. + +101 Jaar zeiden wij, immers in het jaar 1772 werd weder bij octrooi +bepaald, dat het getal der Vroedschappen nu tot op 12 mogt uitsterven. + +Alvorens nu verder te gaan, om eene andere regeringsvorm in Oudewater +te gaan beschrijven, vinden wij het niet ongepast, nog iets omtrent +de wijze van aanstelling, en de waardigheden dezer betrekkingen +te Vermelden. + + + +De Bailluw van Oudewater was tevens Opper-Dijkgraaf der onder de stad +behoorende Landen en had ook het Schoutsambt van Hollands Graaflijkheid +in pacht. Zijne aanstelling geschiedde door de Staten van Holland om +genoemd ambt gedurende zijn leven te bedienen. [326] + +Ingevolge de handvesten, voorregten en later genomen besluiten, werd +de Bailluw doorgaans gelast, om ieder jaar de benoeming of het dubbel +getal van Schepenen aan de Heeren Staten en bij derzelver afwezigheid +aan hunne Gemagtigde Raden [327] tot het doen der verkiezingen over te +brengen, die dan ook de verkiezing deden, en dezelve per brief aan den +Bailluw overzond om den verkozen in hunne betrekking te stellen en te +[328] beëedigen. + +Voorts had de Bailluw een Stedehouder of plaatsbekleeder, die bij +afwezigheid of ontstentenis van den eerste, in alles den Bailluw +vertegenwoordigde. + + + +De twee burgemeesters, die ieder jaar op den 28 October bij meerderheid +van stemmen verkozen werden, moesten, zoowel de aanblijvende als +aankomende Burgemeester, of Burgemeesters, in handen van den oudsten +aftredenden Burgemeester, den navolgende eed doen en beloven. [329] + +»De Graaflijkheid van Holland mitsgaders deeze stede gehouw ende +getrouw te zullen zijn, alle de stads voorrechten, Handvesten +en keuren voor te staan en te handhaven, goede politie onder de +burgers en gemeente te onderhouden, mitsgaders de Kerk, 't Gasthuis, +den Heiligen Geest, 't Weeshuis, Weduwen en Weezen, in huerlieden +geregtigheid te helpen, beschermen, en voorts alles te doen, 't geen +goede en getrouwe Burgemeesteren schuldig zijn en behooren te doen." + +Een dezer Burgemeesters, en wel doorgaans de oudste in bediening, +nam het Thesauriers- of Schatmeesters [330] ambt waar, voor den tijd +van een jaar, hij hield de kas van de goederen en inkomsten der stad, +en moest binnen het jaar, nadat hij van zijne bediening ontslagen was, +van zijne administratie en bediening als zoodanig, ten overstaan van +de geheele Vroedschap, behoorlijk rekening en bewijs doen. [331] + + + +De zeven Schepenen, uit eene benoeming of dubbel getal, op den 25 +April van ieder jaar gemaakt, werden door de Staten van Holland of bij +derzelver afwezigheid, door de Gemagtigde Raden verkozen, en moesten +den navolgenden eed in handen van den Bailluw doen en zweren: [332] + +»Dat zy lieden recht ende justitie onpartydelyk tusschen twee mans +dingtallen zullen bedienen, en zulks t' allen tyden ter Vierschaare +te verschynen, des by den Heer daartoe verzogt zynde, en voorts alles +doen, 't geene goede en getrouwe Schepenen schuldig zyn en behooren +te doen." [332] + +Tot 1 Januarij 1806 als wanneer het vernietigd werd, had Oudewater +ook nog Schepen-Commissarissen ter Judicature van den gemeene lands +middelen, niet alleen in zaken over de stad voorvallende of ondernomen +wordende, maar ook over Hekendorp, Linschoten, Snelrewaard, Dijkveld, +het Land van Vliet en Roozendaal, zijnde alle bijzondere regtsgebieden, +en daarom was volgens het 15 art. van Hunner Ed. Groot Mog. Generaal +placaat op den ophef van de gemeene middelen gegeven, deze stad de +hoofdplaats van het voorschreven District.--Van al de uitspraken +en vonnissen mogt echter geappelleerd of gereformeerd worden aan de +Ed. Mog. Heeren, Gemagtigde Raden der Ed. Gr. Mog. Heeren, de Staten +van Holland en West-Vriesland. + + + +De Burgemeesters en Vroedschappen kiezen bij 't openstaan van een +overledene, met der woon naar elders vertrokken, of zijnen dienst +verlaten hebbende Vroedschap, eenen anderen in diens plaats, welke in +handen van de in bediening zijnde Burgemeesteren den eed moet afleggen, +en volgens het Octroy en de Continuatie van dien [333] zweeren: + +»Dat hy de Ridderschap, Edelen en Steden van Holland ende +West-Vriesland, als verbeeldende de Staten van het zelfde Land, +mitgaders de Burgemeesteren en Schepenen deezer Stede gehouw ende +getrouw zyn zal, en op 't verzoek van Burgemeesteren voorsz. t' alle +tyden op 't Stadhuis der zelver Stede verschijnen, om den zelfde +Burgemeesteren en Schepenen te helpen raaden en besluiten tot nut, +dienst ende welvaaren der voorsz. Stede, zulks hy in zyn gewisse, +en beste Weetenschap zal oordeelen te behooren in gevolge van 't +voorsz. Octroy der Heeren Staten." + +De Secretaris werd ingevolge zeker voorregt van Albrecht, paltsgrave +op den Rijn, als Graaf van Holland verleend, op den 18 Mei Ao. 1394 +[334] bij de Burgemeesteren gelast en aangesteld. [335] Hij deed +den gewoonlijken eed tot dat ambt in alle steden ingebruik, en had +stem in de jaarlijksche verkiezing van Burgemeesters. Was hij daarbij +echter ook Vroedschap, dan mogt hij toch altijd maar eene stem in de +verkiezing uitbrengen. [336] + + + + + +Naamlijst der respective Bailluwen, Castelleinen en Dijkgraven van +de stad Oudewater met de daaronder behoorende landen, voor zoo ver +de in de Registers zoo van het land als de stad te vinden zijn. + +1. Bartholomeus van Cattendijk. Aangesteld den 16 Junij 1509. + +2. Bertelmeus van Egmonde. + +3. Jonkheer Jan van Vliet, Schildknape, Heer van Vliet, Hoenkop en +Berge-Ambacht tot Castellein van het slot van Oudewater aangesteld, +op den 3 November 1519, »by Kaerle, by der Gracien Godts koninck van +Castilien van Leons etc. volgens commissie geregistreerd en te vinden +in 't blaauwe ruyge Register, fol 34." + +4. Jan Jacob Gerritz. + +5. Gerrit Jan Jacobsz. voor één jaar aangesteld den 28 Januarij 1554 +»bij de Luyden van de Reekeningen des Conincks in den Hage volgens +lastbrief, te vinden in 't vijfde boek van de verpagtinge der offitien, +fol. 28 vso." + +6. Jonkheer Pieter van Catz, Maarschalk van Montfoort aangesteld den 30 +December 1555 »by de Luyden van Rekeningen des Coninks in den Hage en +volgens commissie geregistreerd in 't vijfde boek der verpagtinge van +offitien, fol. 42, ende gecontinueerd by Philips by der Gracien Godts +Gonink van Castilien Leon etc. zijnde de connuatie geregistreerd in +'t swarte Ruyge Register fol. 299 vso." + +7. Jacob van Alkemade, geheeten van Berry, Ambachts Heer van +Comstrije. Aangesteld den 31 Januarij 1560 »by de Luyden van de +Rekeningen in den Hage volgens Commissie geregistreerd in 't zesde +boek der verpagtinge van offitien. fol. 7 vso." + +8. Gerrit Jansz. aangesteld den 8 Januarij 1565 bij de »luyden" als +voren, en volgens commissie geregistreerd in het voormelde zesde boek, +fol. 20 vso. + +9. Thijmen van Leeuwen, aangesteld als voren den 15 Maart 1565, +volgens commissie geregistreerd in hetzelfde boek fol. 22. + +10. Gerrit Gerritz Craijestein. Aangesteld den 20 November 1574 bij +de »luyden" van des konings rekening te Delft. Ingevolge resolutie +der staten van Holland dato den 23 Maart 1583, is hij ook aangesteld +op den 15 April 1583 door de »Luyden" van Rekeningen in Holland tot +Bailluw en Dijkgraaf der drie gehuchten Lange Linschoten, Snelrewaard +en Heeckendorp paalende aan de stede van Oudewater en werd als zoodanig +volgens commissie geregistreerd in het eerste witte Register van de +verpachting der offitien, fol. 38 vso. + +Deze ambten heeft hij tot in het jaar 1618 bekleed als wanneer hij +is overleden. [337] + +11. Jonkheer Gelijn Zegers van Jegen, Ridder, Heer van +Wassenhoven. Aangesteld den 5 Julij 1618, bij die van de Rekeningen +der Graaflijkheid van Holland te 's Gravenhage. + +12. Mr. Karel van Willigen, aangesteld als voren op den 5 Januarij +1638. + +13. Hendrik Schrijver. Aangesteld den 9 Mei 1659. [338] + +14. Gijsbert van Craijestein. Aangesteld de 11 Mei 1665 en gestorven +den 21 Januarij 1669. + +15. Johan van Leeuwen. Aangesteld den 1 Februarij 1669. + +16. Mr. Hendrik Schimmelpenning. Aangesteld den 2 Januarij 1670. + +17. Quirijn van Strijen. Aangesteld den 15 Januarij 1674, gestorven +den 31 Januarij 1694. + +18. Mr. Cornelis Schaap. Aangesteld den 5 Februarij 1694. gestorven +den 28 October 1725. + +19. Gaspar Rudolf van Kinschot, Heer van Nieuwerkerk. Aangesteld +den 9 November 1725. Deszelfs eerste Commissie is geregistreerd in +XIX Witte register der verpachting van de offitien fol. 232 [339] +hij stierf in het jaar 1747. + +Tot dus ver de lijst des Heeren van Kinschot, gaan wij nu door dezelve +te completeren. + +20. Mr. Willem Dekker, aangesteld 19 September 1748. + +21. Mr. Jan Hugo van Streijen, aangesteld 17 Maart 1753. + +22. Mr. Aart van der Goes, aangesteld 16 Julij 1768, gestorven +anno 1789. + +23. Mr. Engelbert Paauw, aangesteld 13 Maart 1789. + +Bij de resolutie van 1795, van deze posten geremoveerd zijnde, is op +den 22 Januarij van laatstgenoemd jaar in deszelfs plaats verkozen: + +24. De Burger, Johannes Justus Montijn, die op den 1 April 1795 +van de provisionele representatie van 't volk van Holland deszelfs +commissie heeft ontvangen, zijnde geregistreerd in het IX register +der commissie,--dan de regtbank, onder het bestuur van Keizer Napoleon +vernietigd zijnde, zijn deze posten sedert vervallen.-- + + + +De breedvoerige omschrijving der Maires en adjunct Maires onder het +Fransch bestuur, gaan wij stilzwijgend voorbij, alleen vermelden wij, +dat tot in het jaar 1832 het hoofd der Gemeente was, laatstelijk +natuurlijk met den titel van Burgemeester, Johannes Justus Montijn +voornoemd, die in deze betrekking werd opgevolgd door: + +25. Adriaan Maarten Montijn, en wel in hetzelfde jaar +1832. ZEd. Achtb. verzocht echter in 1855 van dit ambt ontheven te +worden, weshalve hem in dit jaar eervol ontslag door Z. M. den Koning +werd verleend. + +26. Rijnardus William Haentjens Dekker, bekleedt thans sedert primo +Januarij 1856 het ambt van Burgemeester der Gemeente Oudewater. + + + +De naamlijst der Secretarissen dezer stad, zijn sedert den jare 1547 +de navolgende, waarvan men melding gemaakt vindt: + +1 Pieter Speyert, was in dienst den laatsten Februarij 1547. + +2 Dirk Simonsz., vermeld in de Resolutien van Holland, den 5. Februarij +1575. + +3 J. Bonser, was in dienst 1581. + +4 D. v. Luytens, vermeld in de Resolutien van Holland, den 15 Julij +1584. + +5 S. J. Bonser, was in dienst 1605. + +6 Mr. . . . . . Everdingen. + +7 H. De Hoy, was in dienste 1634. + +8 Dirk Tromper. + +9 Gerard Kersseboom, aangesteld den 13 Julij 1673. + +10 Mr. Pieter Schrijver van Roodenburgh, aangesteld den 13 Julij 1690. + +11 Adriaan Maas, aangesteld den 10 April 1725. + +12 François van Hoogstraten, aangesteld den 3 Januarij 1743. + +13 Dominicus de Jong, aangesteld Anno 1758. + +14 Jan de Keyser, aangesteld anno 1789. + +15 Adriaan Maarten Montijn, aangesteld onder het Fransch bestuur der +maires A. 1811, werd ook na de omwenteling als zoodanig benoemd, en +is in het jaar 1837 in deze betrekking bevestigd. Op Z.Ed. verzoek, +is hem als zoodanig door Z. M. eervol ontslag verleend, in te gaan +den 1 Januarij 1856. + +16. Rijnardus William Haentjens Dekker, door den Gemeente Raad benoemd, +den 8 Februarij 1856. + + + +Ziedaar in korte breede trekken iets omtrent de regering en de +regeringspersonen alhier. De Gemeente-Raad van Oudewater, bestaat +tegenwoordig ingevolge de »Wet tot regeling van de zamenstelling, +inrigting en de bevoegdheid der Gemeente besturen" uit 7 leden met +eenen Burgemeester, die met 2 Wethouders het collegie van dagelijks +bestuur uitmaken, terwijl aan den Gemeente Secretaris en den Gemeente +Ontvanger, insgelijks in laatstgenoemde wet hunne verpligtingen +worden aangeduid. + + + +De octrooijen van Graaf Aalbrecht, en de resolutien der Staten van +Holland, omtrent de benoeming van den Magistraat van Oudewater zijn +gelukkig reeds lang krachteloos verklaard, en de aanstelling als +zoodanig, geschiedt thans in alle gemeenten van Nederland ingevolge +de bepalingen vervat in één en dezelfde wet. + + + +Oudewaters voormalig regt, + +VAN RANG EN SESSIE IN DE STAATSVERGADERING VAN HOLLAND. + + +Hebben wij nu gezien, dat er omtrent het bestuur van iedere gemeente +van Nederland en bijzonder met dat van Oudewater groote hervormingen +plaats hadden, ook het landsbestuur onderging niet minder groote +veranderingen. + +Immers de Staten Generaal, verdeeld in Eerste- en Tweede Kamer, alsook +de Provinciale Staten--de twee laatste ligchamen uit vrijwillige +stemming geformeerd--zijn allen in deze eeuw daargesteld. + +Wanneer er eertijds over 's Lands aangelegenheden moest gesproken +worden, dan werd er vergadering belegd van Ridders en Edellieden uit +verschillende oorden des lands, en de groote en kleine steden van +Holland, werden dan insgelijks beschreven ter Staatsvergadering te +verschijnen, en eene deputatie uit den Magistraat eener zoodanige +gemeente, woonde dan de bijeenkomst bij en had daarin regt van stem. + +Ook Oudewater mogt zich beroemen, de eer te hebben om zijne +gemagtigden, zitting te doen nemen in 's Lands Hooge Vergaderingen +en stem te laten uitbrengen, omtrent de gewigtigste aangelegenheden, +van het veel tijds zoo benarde Vaderland. + +Is de Koninklijke residentie 's Gravenhage nu alleen de plaats van +bijeenkomst voor Nederlands vertegenwoordigers, vroeger werden er +ook in eene menigte andere plaatsen van ons Vaderland zoogenaamde +dagvaarten gehouden; zoo ook had de beschrijving van de Vergadering +der Staten vóór Prins Willem den I geen vasten voet; immers, nu +eens werd zulks gedaan, door den Graaf of zijnen Stadhouder, en +de Raden van het Hof, [340] dan weder door 's Lands Advocaat, en +den Algemeenen Ontvanger.--Genoemde Prins beweerde echter, dat het +streed met de achtbaarheid [341] des hofs, dat de beschrijving door +den griffier geschiedde en dat het regt de Staten ter dagvaart op te +roepen, hem alleen toebehoorde; de Prins wist dan ook de bewilliging +van Margaretha, Hertogin van Parma als Landvoogdesse te verkrijgen, +[342] dat alle Staatsvergaderingen streng verboden werden, die zonder +zijne aanschrijving en bewilliging geschiedden. + +Na den moord van den Prins op den 10 Julij 1584, werd kort daarna +de vergadering der Gemagtigde Raden opgerigt, en aan deze liet men +sedert dien tijd altijd het beschrijven van 's Lands Staten over. + +Van Kinschot getuigt, [343] dat de Vergadering der Staten gedurende +een twintigtal jaren, n.l. van 1524 tot 1544 zeer verward is geweest, +doch dat men op dezelve veeltijds vermeld vindt de edelen en de +zes navolgende plaatsen, die groote steden genoemd werden [344] +te weten: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Gouda en Amsterdam, +echter werden ook wel nevens deze laatste steden de kleine steden +beschreven,--waaronder zoo als wij weten ook Oudewater behoorde, +zonder dat er echter een vaste orde of rang in gehouden werd. + + + +a. Op den 16 Mei 1525 verschenen ter Staten Vergadering [345] nevens +de Edelen, Ridders en groote steden onder de kleine steden, ook de +Gemagtigden van Oudewater. + +b. Te 's Gravenhage verschenen op de dagvaarten van 24, 25 en 26 Mei +1525 namens Oudewater Jacobs Gerrits en Gerrit. [346] + +c. Te St. Geertruidenberg op het stadhuis den 17 Junij 1525, verschenen +ter vergadering ook wel die van Oudewater, doch van hen en die van +Enkhuizen staat geboekt, »dat men dezelve niet en konde met meer +andere van de kleine steden." [347] + +d. Te Breda verschenen op den 25 Junij 1525 namens Oudewater, Jacob +Geritsz en Pieter Anthonis met bijvoeging, »dees was er den laatste +dagvaart, maar hier niet." + +e. Te 's Gravenhage verschenen voor Oudewater, op 17 November 1527, +Jacob Klaas en Daniel Henreksz. + +f. Op den 23 Mei 1528, Henrik Geritsz. + +g. Den 13 October 1528, Jan Dircx en + +h. Te Utrecht den 23 dito, Henrik Geritsz. + +i. Te 's Gravenhage op den 29 Mei 1529, Cornelis Dirksz en Jan +Pietersz. + +j. Te Brussel den 7 Junij 1529, Jan Pietersz. + +Voorts vindt men gewag gemaakt, dat er op de dagvaarten van Haarlem 20 +September 1534, en op die te Gouda 8 Augustus 1536, vele van de kleine +steden waren, »zonder dezelve of haar Gemagtigden aan te teekenen of +te kennen." [348] + +k. In 's Gravenhage vertegenwoordigden Oudewater van den 16 tot den +24 September 1538, Jan Robrechts en Mr. Dirk van Crempen. + +l. Op den 12 en 13 October 1538, [349] Jan Robertsz en Mr. Willem +Geritsz. + +Op den dagvaart te Haarlem 11 en 12 Augustus 1540, waren daar +tegenwoordig meest al de [350] kleine steden, even gelijk ook op de +Staatsvergaderingen in 's Gravenhage den 11 en 24 Februarij 1541 en +de 11 September 1542, de kleine steden tegenwoordig waren. [351] + +Indien wij de resolutien van Holland ab Anno 1544 ad 1549 en van 21 +November 1544 fol. 55 inzien, dan denkt men teregt, dat de edelen +en zes groote steden een geruimen tijd de Staatsvergaderingen hebben +uitgemaakt, en zij de kleine plaatsen eenigzins begonnen te beschouwen +als »het vijfde rad aan een wagen" te meer nog, daar Jacob van den +Ende, in zeker getuigschrift zich daar noemende Advocaat van de +Staaten van de Graaflijkheid van Holland, onder anderen als in het +voorbijgaan zegt »dat de edelen en de zes groote steden van Holland +de Staten van het land verbeelden. + +Niet te min zullen op de een of andere Vergadering de kleine steden, +of eenige derzelve nog wel eens beschreven zijn geweest, want volgens +resolutie van Holland, den 22 December 1563 moesten voortaan de kosten +voor de verschijning ter vergadering van eenige kleine steden, komen +ten laste van iedere stad of zonder bezwaring van 't gemeene land. Een +en ander ging er soms echter zeer verward toe, want: + +m. In Mei 1564 werden echter al de kleine steden wederom ter dagvaart +beschreven, [352] en het is hoogst waarschijnlijk dat dit daarna +nog meermalen heeft plaats gehad, want op ons gemeente archief +berust een zeer interessant stuk, namelijk eene »Nota, houdende zeer +gespecificeerde aanteekeningen van dag voor dag gemaakte verteringen +en reiskosten van Burgemeesters van Oudewater, op hunne reizen naar +Brussel, den Haag enz., in 1564 en 1565. + +Alles strookt hier dus: in 1563 de resolutie dat de reiskosten voor +de stad komen, en in 1564 treffen wij de nota aan, hunner verteringen, +omdat zij daarvan in Oudewater nu rekening moesten doen. + +Wij vinden niet vermeld, dat Oudewater meer ter dagvaart geroepen werd, +dan in het jaar 1572, als wanneer Oudewater de eerste plaats in Zuid +Holland was, die het voorbeeld van Brielle volgde en zich verklaarde +voor den Prins van Oranje Willem de Zwijger. + +n. Op eene toen te Dordrecht gehouden vergadering, op den 19 Julij +des laatstgenoemden jaars, waren namens Oudewater tegenwoordig, +Cornelis Willemsz de Lange Burgemeester, en Jop Pietersz van Hattemer. + +o. Den 22 vergaderde men weder te Dordrecht, [353] en + +p. Den 25 Julij te Rotterdam. + +Wat er op deze hoogst gewigtige vergaderingen plaats had, besparen +wij om in ons laatste hoofdstuk van de beschrijving te vermelden. + +q. Voorts werd Oudewater geconvoceerd ter vergadering op den 22 +November 1574, [354] om mede besluit te nemen op eenen door Zijn +Excellentie Willem van Nassau gedanen voorslag, [355] en mede +te raadplegen op den voorslag, en het antwoord bij de Staten aan +Z. Excellentie, rakende het bestier van den lande te geven. [356] +Op deze bijeenkomst waren Oudewaters gevolmagtigden, Willem Jacobsz +Burgemeester, en Cornelis Jansz. Schepen. + +Wel degelijk nam men dus nu ook van de kleine plaatsen notitie, dat +blijkt ten duidelijkste immers uit de hoogst zwaarwigtige onderwerpen, +voornamelijk over de regering des Lands waarin zij gekend werden om +te beraadslagen ja zelfs werd er nog goedgevonden, dat de kleine +plaatsen in zaken van contributie, tractaten van pijs, oorlog- of +regeringsverordering mede beschreven zouden worden. [357] + +Hieraan werd dan ook gevolg gegeven, want in het jaar 1575 werden op +zeer vele vergaderingen, + +r. Zoowel te Delft als elders ter beraadslaging daarop aangetroffen, +Willem Jansz Burgemeester, en Dirk Simonsz Secretaris van Oudewater, +en deze dagvaarten werden niet zelden gehouden in tegenwoordigheid +van Zijne Prinselijke Excellentie. + +Wij zijn genaderd tot in Oudewaters bloedjaar 1575, en om reden +dat de Spanjaarden deze plaats hadden ingenomen was dit de oorzaak, +schrijft van Kinschot, [358] »dat in Grasmaand van Anno 1576 en eenigen +tijd daarna, nog geene Afgezondenen dezer stad in de vergadering +konden verschijnen, s. maar in April 1583, vindt men Oudewater +wederom onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal aan +Z. Ex. over te leveren, met zijn zegel van verbonde of geheimzegel +te bezegelen." [359] Dit stuk nu, versiert nog Oudewaters archief, +even zoo ook de door Prins Willem den I eigenhandig geteekende +beschrijvingsbrief, waarop t. hij in Dordrecht en wel op 4 October +van laatstgenoemd jaar Oudewater uitnoodigt om Gedeputeerden naar +eerstgenoemde stad te zenden, ten einde op den 16 October mede over 's +lands belangen te raadplegen. Weshalve door de Vroedschap als zoodanig +gemagtigd werden, de Secretaris der stad en Dirks Cley Burgemeester. + +u. den 10 Julij 1584 trof het moorddadig lood op eene verraderlijke +wijze prins Willem den I en daags daarna, vergaderden de beide +presidenten van de Hoven en eenige steden op het Delftsche +stadhuis waarop aldaar ten spoedigste de vergadering der staten +beschreven werd om orde te stellen, en in 's lands regering te +voorzien. [360] De gemagtigden van Oudewater in deze, waren schepen +Jan Claasz. de Ameijde, en de vroedschap Jan Jansz. Coppert. [361] +Volgens uitdrukkelijk bevel, moesten zij echter behoorlijk bij hunne +principalen gemagtigd zijn [362] en de heer van Kinschot laat die +magtiging dan op bladz. 112-114 van zijn beschrijving volgen. + +Die van den raad van zijne excellentie nu, waren gemagtigd, om hunne +dienst te blijven waarnemen, totdat er omtrent 's lands regering anders +zoude voorzien zijn. [363] Toen nu de edelen en deputatien der steden +aangekomen waren, moesten zij in handen van den president Nicolai +den eed doen en beloven, niets van de op de vergadering gehouden +gesprekken of voorgedragen gevoelens omtrent het stuk der regering +kenbaar te zullen maken, enz. + +Daarop ging men tot deze zeer gewigtige beraadslaging over en toen +ieder zijn gevoelen over deze aangelegenheid had geuit, verklaarden +al de kleine steden, waaronder ook Oudewater te willen vertrekken, +daar zooals men zich zal herinneren, de verblijfkosten ten laste +der gemeente kwamen. Dientengevolge werden allen ontslagen nadat zij +alvorens de verzekering gegeven hadden zich nimmer van de vereeniging +tusschen Holland en Zeeland te zullen scheiden en zich te gedragen +naar al hetgeen door de blijvenden zouden geresolveerd worden. [364] + +Ook kregen zij verlof om niet bij de ter aarde bestelling van zijn +prinselijke excellentie tegenwoordig te moeten zijn, zooals in de +resolutie van Holland Anno 1584 den 20 Julij vervat was, dat namelijk +ook 2 gemagtigden van iedere kleine stad bij die lijkplegtigheid +zouden verschijnen. + + + +v. Nadat er voorloopig in 's Lands bestuur voorzien was, werd Oudewater +in 1584 weder aangeschreven ter statenvergadering te verschijnen, ten +einde mede te beraadslagen aangaande het aannemen van den Franschen +koning tot eenen Heer en Prins van het land. Ook voor dezen keer +verschenen er geene gemagtigden van Oudewater doch de stad getuigde +per brief van 29 October 1584, dat zij zoude goed keuren en zich wilde +gedragen, naar al hetgeen in deze zaak besloten zoude worden. [365] + +w. In de maand September 1586, verschenen ter staatsvergadering twee +gedeputeerden uit Oudewater met name Jasper van Dam, Burgemeester, +en Pieter Gerritz Paes, Schepen. + +x. In 1587 reisden weder derwaarts de Burgemeester Pieter Hz. van +Gulick en Jacob Sijbertsz Bonser. + +ij. In Meimaand Ao 1588, verschenen daar dezelfden, om zoo mogelijk, +den vrede met den koning van Spanje te helpen bevorderen. [366] + +z. Terwijl ten jare 1589 insgelijks die van Oudewater ter dagvaart +verschenen. [367] + +aa. Gerrit van Galen en Willem Jaspersz van Nes verschenen nevens die, +eeniger kleine steden in het jaar 1608 ter dagvaart te 's Gravenhage. + +Sedert dien tijd, vindt men nergens van gemagtigden uit Oudewater +meer melding gemaakt. Dit is dan trouwens ook niet te verwonderen: +de groote steden ontwikkelden zich al meer en meer, de kleine +integendeel verminderden allengs in aanzien, en dien ten gevolge, +waren die gedurige reizen der deputatiën zeer bezwarend. Voeg hierbij +het gevolgelijk verzuim van niet verschijning, en het wordt duidelijk, +dat men allengs van Oudewater geen notitie meer nam. [368] + + + +Als vervolg op het betoog, dat Oudewater weleer zijn gemagtigden ter +dagvaart mogt zenden, vinden wij niet ongepast te vermelden: + +1o. Dat bij resolutie van den 12 October 1795, door de municipaliteit +der stad Oudewater de burger Johannes Justus Montijn werd +gecommitteerd, om ter vergadering der provisionele representanten van +'t volk van Holland sessie te nemen, die dit dan ook op den 13 October +1795 heeft gedaan, [369] en + +2o. Dat ten gevolge van de 1848 gewijzigde grondwet, ten jare +1850 door de kiezers in het district Gouda met 587 van de 939 +stemmen, tot lid der provinciale staten van Zuid Holland is +gekozen, de Heer A. M. Montijn, destijds burgemeester van deze +gemeente. ZEd. Achtb. heeft dan ook als zoodanig zitting genomen. + + + + + + + +BEROEMDE EN VERMAARDE MANNEN, GEBOREN TE OUDEWATER + + + Oudewater heeft altijdt seer vruchbaer gheweest van + goede verstanden. + + Boxhorn, tooneel van Holland, p. 313. + + +Het doet den inboorling van Oudewater goed, wanneer hij dusdanige +getuigenis van zijne medeburgers hoort, te meer, wanneer zulks +gezegd wordt, door een' Boxhorn, die zich als historicus grooten naam +verwierf. Vooral mogen wij ons beroemen, op eene aanzienlijke lijst +geleerde personen; echter aanschouwden ook in Oudewater het eerste +levenslicht, mannen, die op andere wijzen schitterden. Wij hebben ons +voorgenomen van de voornaamsten niet alleen hunne namen te vermelden, +maar er ook een korte biographische schets nevens te voegen; wij doen +dit in de volgorde van de oudheid der jaartallen waarin zij geboren +werden, en beginnen met + + + + +DEN GODGELEERDEN +JOHANNES PALAEONYDORUS. + +Deze werd geboren in het jaar 1433. Zijn familienaam is echter niet +tot ons gekomen, daar het woord Palaeonydorus, niet als zoodanig mag +beschouwd worden, immers het was te dien tijde, onder de geleerden +de gewoonte, aan het Grieksch ontleende toenamen, aan geletterde +personen te geven, en dikwijls lette men daarbij dan naar de plaats +hunner geboorte. Zoo ging het ook hier, daar zijn toenaam ontleend is, +naar het grieksche woord PALAIONYDÔR. Johannes Palaeonydorus, de naam +waarin onze persoon in de geletterde wereld bekend is, beteekent dus +Johannes van Oudewater. De Heer van Kinschot, en een legio andere +schrijvers, roemen hem, als een voornaam Godgeleerde van de orde der +Carmelieten.--Aangaande deze zijne orde, heeft hij dan ook vele werken +geschreven, zoo ook over de historie der heiligen. [370] + +Meesten tijds hield hij zich op te Mechelen terwijl hij Anno Cristi +1507 in het 74 jaars zijns ouderdoms der natuur den groote tol +betaalde. [371] + + + + +DE LETTERKUNDIGE +CORNELIUS VALERIUS. + +Deze man, die in 1512 alhier het eerste levenslicht aanschouwde, +zou eenmaal schitteren, als een der geleerdste mannen van Nederland. + +In de schole van zekeren Georgius Moeropedius, begon in zijn prille +jeugd, zich zijn groot vernuft reeds zoodanig te ontwikkelen, dat hij +daar nog geen drie jaren geweest zijnde, naar Leuven gezonden werd, +en dáár oefende hij zich zes jaren in de Grieksche en Latijnsche talen +in het beroemde Collegie van Busledius. Toen hij in zijn vaderland +wedergekeerd was, leeraarde hij--weder zes achtereenvolgende jaren--als +meester in de Redekunst; later deed hij, hoogstwaarschijnlijk met +het doel, zijnen vruchtbaren geest nog meer te veredelen, eene +buitenlandsche reis, en na deze volbragt te hebben, werd hij in het +jaar 1557, 47 jaren oud zijnde, de opvolger van zijnen ouden vriend +Petrus Nannius, als hoogleeraar in de Latijnsche en Grieksche talen +te Leuven, en men had geen slechte keuze gedaan, immers men vindt +vermeld, dat hij »dit ambt met zooveel vlijt en trouw" heeft bekleed, +dat iedereen van oordeel was, dat niemand zuiverder en netter dan +Valerius spreken of schrijven kon. + +Terwijl onze groote Junius in zijn Batavia van hem getuigde, »dat +hij was van eenen verhevenen geest, en dat hij zich in eenen netten +en zuiveren stijl van schrijven zoo in dicht als in ondicht bij +uitnemendheid deedt uitblinken." + +Ook als auteur heeft hij zich, naar aanleiding van deze getuigenis +gunstig doen kennen, en zijne geschriften even als van Palaeonydorus +in Valerius Andreas, Bibliotheca Belgica vermeld, regtigden Junius +volkomen, tot het geven, van deze hoogstgunstige getuigenis. + + + +Nadat deze geleerde aldus een reeks van jaren, tot nut en +wetenschappelijke opleiding van anderen zijn beste vermogen had +veil gehad, stierf hij, in dezelfde plaats waar hij zoo uitermate +schitterde, te Leuven op den 11 Augustus des jaars 1578, [372] dus +op zes en zestig jarigen leeftijd. Het stoffelijk omhuldsel waarin +zijne groote ziel gehuisd had, werd ter ruste gelegd in de Leuvensche +St. Pieterskerk. Twee en dertig jaren daarna (in 1610) heeft zijn +leerling Georgius van Oostenrijk, die toen Cancelier dier hooge +school was, uit dankbaarheid voor het onderwijs, hem door Valerius +geschonken, in voornoemden tempel, een praalgraf laten oprigten, +[373] met het volgende opschrift. [374] + + + D. O. M. + CORNELII VALERII + ULTRAJECTINI + OSSA + HEIC CONDITA & CONSUMPTA: + NOMEN + ADSCRIBERE ALIENA PIETAS VOLUIT, + AN ALIENA TAMEN? + A. DISCIPULO VENIT. + ET QUANTUS ILLE QUI VENIT: + MERUIT + JUVENTUTEM BELGICAM + ORE & STYLO. + IN COLLEGIO TRILINGUI + DOCUIT, + NON MINUS DESERTUS UTILISQUE, + POSTQUAM LOQUI DESIIT, + QUAM CLARUS & ÆTERNUS, + POSTQUAM SCRIBERE. + GEORGIUS AB AUSTRIA + PRÆPOSITUS HUJUS ECCLESIÆ + ET ACADEMIÆ CANCELLARIUS + NEGLECTUM XXXII. ANN. + MONUMENTUM PRÆCEPTORI P. C. + ANN. M D C X. + VIXIT ANN. LXVI. DOCUIT XXI. + OBIIT MDLXXIIX. III. EID. SEXT. + + +Dat is: + + + Aan den besten en grootsten God! + CORNELIUS VALERIUS, + des Utrechtenaars + beenderen + Liggen hier ter Verteringe bewaard. + Een naam, + der Onsterflijkheid toegewijd door den Eerbied + van een Vreemden, + Evenwel niet van eenen onbekende, + Want het geschiedt door zijnen Leerling, + En wat was hij niet waardig, voor wien het geschiedt? + Hij toch heeft alles verdiend + van de gansche Nederlandsche Jeugd, + door onderwijs en schriften. + In de Oeffenschole der drie talen + met zoo veel ijver Leerarende, + Dat hij niet minder welsprekend en nuttig was, + na dat hij ophield te spreken; + dan hij beroemd was en vereeuwigd, + na dat hij ophield met schryven. + GEORGE VAN OOSTENRIJK, + Proost dezer Kerke, + en Cancelier der hooge schole, + heeft een XXXII jaren lang verwaarloosd + Gedenkteeken voor zijnen Leermeester laten oprigten + In het jaar M. D. C. X. + Hij Leefde LXVI. Leeraarde XXI jaren + Stierf in 't M. D. LXXIIX jaar, den XI van Oogstmaand. + + +Men zou zich nu kunnen laten verleiden, dat, naar aanleiding van dit +grafschrift, onze Leuvensche Hoogleeraar te Utrecht zoude geboren zijn, +doch wij kunnen dit wederleggen, en wel hiermede: + +Ten 1. daar alle schrijvers Cornelius Valerius als te Oudewater +geboren, vermelden, en + +Ten 2. dat Utrecht zich nooit de eer heeft aangematigd, dat hij dáár +geboren zou zijn. + +Het laat zich overigens vrij goed verklaren, waarom onze stadgenoot, +op dat grafschrift Utrechtenaar genoemd wordt, immers, alle +geestelijken wierden toen ter tijd genoemd, wat hunne geboorteplaats +of eerste studie betrof, naar het kerkelijk regtsgebied waaronder zij +behoorden. Oudewater nu, het is hiervoren reeds meermalen aangetoond, +behoorde toen nog kerkelijk onder Utrecht en van daar dan ook, dat +hij door zijnen dankbaren leerling, die Proost van St. Pieter te +Leuven was, Utrechtenaar genoemd werd. + +Op een geëtst portret, dat van dezen geleerde bestaat, komt hij om +dezelfde reden als Utrechtenaar voor, en onze wederlegging daaromtrent +is als boven. + +Aan het hoofd van deze afbeelding staat: + +Decessit Louan III Idus Aug. M D LXXIIX Act. LXVI. (daarna het portret +en waaronder het volgende lofschrift.) Cornelius Valerius Ultrajectinus +orator et poeta, Quisquis es, et magni nescis decora alta Valeri, +Adspice magnorum nomina clara virûm Lipsius hunc coluit, Schottus, +Canterus et omnes Belgica nobilitas est venerata ducem. + + +Aub. Miraeus. + + + + +DE GESCHIEDKUNDIGE +GERARDUS DE ROO. + +Ofschoon wij den juisten tijd van zijne geboorte en overlijden +niet geboekstaafd vinden, zoo aarzelen wij toch niet, dezen naar +ouderdom van geboorte in onze reeks nu te laten volgen. Hij is +bekend als groot historicus, »van een uitmuntend verstand, en geene +gemeene geleerdheid, en was opziener der Bibliotheek van Ferdinand, +Aartshertog van Oostenrijk en heeft zich als Chronijk Schrijver van +dat gewest gunstig onderscheiden." [375] + + + + +PROFESSOR +RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROOIJEN. + +Deze geleerde, uit een adelijk geslacht geboren, aanschouwde alhier +in het jaar 1547 het eerste levenslicht, en bragt later een gedeelte +zijner jeugd te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen van kunsten en +wetenschappen met lof door. Na verscheidene reizen door Europa volbragt +te hebben, heeft hij zich het meest op de geneeskunde toegelegd, +doch had zich ook bijzonder bekwaam gemaakt, in de Grieksche en +Hebreeuwsche talen. Nadat hij uit Marpurg vertrokken was, werd hij aan +de Hooge School te Leiden bevorderd, tot Hoogleeraar in de wiskunde +en Oostersche talen; hij bekleedde die betrekking zóó uitmuntend en +met zóó veel ijver, dat hij de hooge achting van den Prins van Oranje +en den Landgraaf van Hessen verwierf. Nadat hij gedurende 34 jaren +aldus tot heil zijner medemenschen gearbeid had, en hij zich ook +als schrijver gunstig had doen kennen, stierf hij te Leiden in 1613, +op 66 jarigen leeftijd. Zijne assche rust in de groote kerk alhier, +en het opschrift van zijn grafmonument, hebben wij op bladzijden 180 +en 181 hier voren ter neder geschreven. + + + + +PROFESSOR +JACOBUS ARMINIUS. + +De vader van dezen alom bekenden inboorling van Oudewater heette +Herman Jacobszoon en was messenmaker van beroep, terwijl zijne moeder +zich Angelica Jacobsdochter noemde. Arminius bekwam dus bij zijn doop +in 1560, den naam van Jacobus Hermanszoon. Toen hij echter later als +Theologant een grooten naam verwierf, werd hem, naar het Latijn, den +naam van Arminius gegeven, zooals toen ter tijde onder de geleerden +gebruikelijk was. + +Reeds in zijne prille jeugd, werd hij vaderloos, en ter opleidinge +tot zich genomen, door Theodorus Aemilius, priester te Oudewater, +die echter tot de nieuwe leer was overgegaan. Deze naar Utrecht +wijkende, nam zijnen jeugdigen beschermeling met zich, alwaar hij hem +eene wetenschappelijke opleiding bezorgde. Niet lang daarna stierf +Aemilius, toen zijn gunsteling nog slechts 15 jaren oud was. De reeds +bekende en vermaarde Rudolphus Snellius van Rooijen, zijn stadgenoot, +trok zich zijner aan, en nam hem met zich naar Marpurg. Doch ook dáár +werd zijn jeugdig gemoed weldra verontrust, door de heillooze mare, +dat zijn geboortestad door de Spanjaarden was ingenomen. Hij reisde +derwaarts, doch zag zijne moeder, zijn broeder en zijne zuster niet +weder; zij waren gevallen onder 's vijands moordend staal. + +Hierop keerde hij terug naar Hessen, eene toen ter tijd nog al +aanmerkelijke reis, vooral als men haar te voet bij gebrek aan geld, +zoo als Arminius, moest afleggen. Dan om de troebele tijden naar +Rotterdam gevlugt zijnde, geraakte hij aldaar in gunst van Ds. Petrus +Bertius, die hem daarna met diens zoon naar Leidens pas gestichte Hooge +Schole zond, waar hij van zijn studie-tijd een zoo ijverig gebruik +maakte, dat toen de Magistraat en de Predikanten hem naar Amsterdam +zonden, hij onder bescherming genomen werd van de hoofdlieden van het +Kramers-gilde. In het jaar 1582 werd hij op kosten van Amsterdam naar +Genève gezonden, alwaar hij zich vermaarde mannen tot vrienden maakte, +doch ook vele vijanden bekwam, omdat hij de wijsbegeerte van Ramus +met ijver verdedigde. Om laatstgenoemde rede ging hij naar Bazel, +alwaar hij weldra zoodanig de aandacht der geleerden tot zich trok, +dat Jacobus Grijnaeus, Theologiae Professor aldaar dikwijls onder +zijn gehoor kwam. Ja--vermeldt van Kinschot--dit ging zoo ver, dat de +gemelde Hoogleeraar, wanneer er in de openbare disputen een moeijelijk +stuk voor kwam om op te lossen, zich niet ontzag, om Arminius midden +onder de andere studenten staande, toe te roepen en te zeggen »Laat +mijn Hollander voor mij antwoorden." Nadat de Godgeleerde faculteit +vervolgens aanbood, hem op hare eigene kosten te doen promoveren, +weigerde hij uit zedigheid die eer, en keerde weder naar Genève, +waar hij nogmaals drie achtereenvolgende jaren met vlijt zijne studie +voortzette. Daarop ondernam hij in 1586 met Adrianus Junius eene reis +naar Padua, om den Hoogleeraar Jacobus Zabarella aldaar te hooren; +toen zij daarna Rome en menige andere Italiaansche stad bezocht hadden, +keerden zij nogmaals weder naar Genève terug. + +Na eenigen tijd aldaar vertoefd te hebben, kwam hij in het jaar +1587 te Amsterdam, dewijl hij vroeger, om de protectie van die stad +genoten, zich verbonden had, wanneer hij daartoe geregtigd was, +niet dan met toestemming van den Magistraat in eene andere stad +te prediken. Den 4 Februarij 1588 promoveerde Arminius aldaar, tot +Doktor in de Theologie, en den 21 Julij werd hij tot Predikant te +Amsterdam beroepen, op 28 jarigen leeftijd. Hij maakte zich echter +al meer en meer vijanden, want in leeringen en geschriften, was hij +bekend, het met Galvinus en Beza volstrekt niet eens te zijn, op het +punt van onwederstaanbare vrije genade en volstrekte praedestinatie, +waardoor hij dan ook de grondlegger werd van het Remonstantismus, en +vooral met Gomarus, die zijne grootste tegenstrever in het land was, +in groote onmin geraakte. Een en ander gebeurde echter geruimen tijd, +nadat hij 14 jaren lang predikant te Amsterdam geweest zijnde, met +groote moeite en op bijzondere voorspraak van Anthonius Thysius, in het +jaar 1603 tot Professor aan de Hooge School te Leiden beroepen was, +willende de Amsterdamsche Predikanten hem niet ontslaan, dan onder +voorwaarde, dat hij met Gomarus in tegenwoordigheid van de Synodale +Gedeputeerden in gesprek zoude treden, dat plaats had en ten gunste +van onzen stadgenoot uitviel. Te Leiden aangekomen, maakte hij weldra +veel opgang, en geraakte zoodanig in aanzien, dat hij in Januarij +1605 tot Rector Magnificus benoemd werd, doch in het volgende jaar +legde hij het Rectoraat weder neder, terwijl hij bij die gelegenheid +eene oratie over »het verschil in de Godsdienst" deed. + +Zijne geschillen met Gomarus, namen echter zoodanig in hevigheid +toe, dat beide meer dan eens voor den Hoogen Raad te 's Gravenhage +ontboden werden, om hunne stellingen te wederleggen. Ieder dezer +mannen had natuurlijk zijne aanhangers, maar terwijl beide partijen +al hun vermogen aanwendden ter verdediging hunner zaak, werd Arminius +door zoo veel werken afgemat en door zijn veel bewogen leven verzwakt, +door hevige koortsen aangetast, die derwijze toenamen, dat hij den 19 +October 1609 in den mannelijken leeftijd van 49 jaren overleed--nadat +hij zes jaren het Professoraat bekleed had. + +Hij was op dertig jarigen leeftijd gehuwd geweest, met zekere +mejufvrouw Reäal, dochter van een Amsterdamsch Schepen, en liet hij +bij zijn overlijden zijne echtgenoot negen kinderen na. De weduwe +ontving van de Staten »uit zonderlinge gunst," voor de goede diensten +aan de Hooge School te Leiden door haar man bewezen, uitgenomen +'s mans jaarwedde, nog eene van drie honderd ponden (het pond à 40 +grootten). [376] + +Dus was het leven van den grooten Remonstrant, die hoewel vele +vijanden gehad hebbende, van een aantal vermaarde tijdgenooten de +hoogste lof en genegenheid ontving; immers op 28 jarigen leeftijd, +werd hij reeds genoemd, »de vijl der waarheid, de wetsteen der +verstanden en het snoeimes der aangroeijende dwalingen." + +In 1737--en niet eerder--is het portret van dezen Hoogleeraar bij +dat der Professoren aan de Academie te Leiden gediend hebbende, +gevoegd geworden. + +De nagedachtenis van zijn 200 jarige dood werd nog op den 22 October +1809 door Ds. Stolker te Rotterdam feestelijk herdacht, in een leerrede +over Hebr. 13 vs. 7; terwijl omstreeks dezen tijd eenige aanzienlijke +Remonstranten het plan gehad hebben, te Oudewater, vóór zijn reeds +door ons beschreven geboortehuis, een standbeeld op te rigten, dat +echter om het terrein geen doorgang heeft gehad. [377] + + + + +Dr. ABRAHAM VAN STIPRIAAN LUÏSCIUS. + +Deze geleerde, een zoon van den edel Achtbaren Heer Herman van +Stipriaan, in leven Schepen enz. dezer stad, en vrouwe Agatha Copper, +werd geboren te Oudewater den 10 October 1763, en is te Delft overleden +den 2 Mei 1829. Deze beroemde geneesheer, deed in October 1787 aan de +Leidensche Hoogeschool zijn doctoraal examen, vestigde zich in 1788 +te Delft, alwaar in 1789 ook de post van Lector in de scheikunde door +hem werd aanvaard. Voorts werd hij in 1790 benoemd door de koninklijke +Maatschappij van geneeskunde te Parijs, tot derzelver buitengewoon +correspondent, in 1791 tot lid van het Bataafsch Genootschap der +proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, in 1792 tot lid van +het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen, in 1794 tot +lid van de Hollandsche Maatschappij te Haarlem, in 1802 tot lid van +het provinciaal Utrechtsch Genootschap van kunsten en wetenschappen; +in 1809 correspondent der eerste klasse van het koninklijk Instituut, +in 1819 lid van dezelfde klasse, in 1824 corresponderend lid van +het Bataviaansch Genootschap, in 1825 lid der Maatschappij van +Nederlandsche Letterkunde te Leiden en in 1826 Ridder der orde van +den Nederlandsche Leeuw. + +Hij was van 1801 tot in 1814 vice president van de provinciale +Geneeskundige Commissie, gevestigd te 's Gravenhage, en daarna tot +aan zijnen dood president van dezelve, en tevens lid van de regering +der stad Delft. + +Met het beantwoorden van prijsvragen in verschillende vakken van +geleerdheid heeft hij, zoo binnen als buiten den lande, grooten roem +verworven, en ten slotte deden zijne vele geleerde geschriften en de +zoo gelukkige uitoefening der geneeskunde in deszelfs uitgebreiden +omvang, hem al vroeg onder de grootste geneesheeren van ons vaderland +stellen. [378] + + + +Voorts dienen nog onder de benoemde mannen van Oudewater gerangschikt +te worden: + +Wijlen de schout-bij-nacht DE JONG VAN RODENBURG. [379] + +De Rotterdamsche burgemeester M. VERROEN enz. enz. + +Onder de nog levende noemen wij met achting: + +den oud-resident van Tagal op Java J. A. VRIESMAN, ridder der orde +van den Nederlandschen Leeuw enz., enz., + +den hoofd-Ingenieur van den Waterstaat N. I. VAN DER LEE te Deventer, + +den priester J. BAALE, oud Biechtvader aan het Zweedsche hof van +H. M. de Koningin, + +den oud Missionnaris op Curaçao, gem. Sancta Rosa J. J. PUTMAN, +nu R. K. Priester en Kanunnik te Utrecht, en + +den bekenden schrijver R. C. H. RÖMER, Dtr. in de theologie en +predikant te Deil en Enspijk. + + + +Op bladzijde 164 dezes werks, mijne geachte lezers, eindigden wij de +onbeschreven geschiedenis van het oord onzer beschrijving, zijnde +wij alstoen genaderd aan anno 1265, het jaar waarin de beschreven +geschiedenis van Oudewater aanvangt. + +Wij hebben toen--als onzes inziens het beste geschikt om de +ontwikkeling der stad te kunnen nagaan--de voornaamste gebouwen van +Oudewater beschreven, zoowel wat hunne gedaante, als geschiedenis +betrof, gingen de regeringsvorm en regeringspersonen kortelijk na, +die hier waren of nog zijn, en besloten met de vermelding der voorname +en geleerde mannen, die in de plaats onzer beschrijving het eerste +levenslicht aanschouwden. + +Veel is er echter nog, dat wij in deze hoofdstukken niet konden +inlasschen. Zoo hebben wij, bij voorbeeld slechts vlugtig, of +in het geheel niet kunnen gewagen, van belegeringen, van rampen, +brand en ziekten, die het stadje te verduren had, van den bloei en +welvaart die het vervrolijkte, enz. Wij hebben bijna geen personen +of corporatien hunne treurige of niet treurige rollen zien afspelen, +hen niet handelende kunnen laten optreden, en aangezien wij dit +alles nu, volgens ons plan nog willen beschrijven, in de gelegenheid +gesteld door meerdere oorkonden, handvesten, enz. enz. dan waarvan +wij reeds gewaagden, zoo hopen wij dit alles kortelijk te schetsen, +in het volgende hoofdstuk, dat wij om bovengenoemde redenen, willen +noemen zoo als hier achter volgt. + + + + + + + +OUDEWATER EN HET LEVEN IN OUDEWATER. + +Van 1265 tot 1860. + + + "Dat ic de waerheit so verclare, + Dat men weten moete dat ware." + + Melis Stoke. + + +Oudewaters naamreden hebben wij in onze geologische schets reeds +getracht te verklaren. + +Oudewater is gelegen in het zuidoostelijk gedeelte van Zuid-Holland, +aan den Hollandschen IJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands +van Schoonhoven en Woerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen +driehoek vormt. [380] + +Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou--volgens de getuigenis van +den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius--dit plaatsje omtrent het +jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop van Utrecht +tot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners, +benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden +zijn geschonken. [381] + +Zooals men dus bemerkt, behoorde Oudewater reeds zeer vroeg, ook wat +het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen van Utrecht; +totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den +winter" (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop van Utrecht, +deze plaats nevens andere steden, voor een zekere somme gelds, aan +zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem +bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen +die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen. [382] + +Tengevolge dezer verpanding, behoorde Oudewater nu onder Holland en +wel onder het oude Noord Holland, want deze landstreek werd alzoo +genoemd, omdat zij ten noorden van den IJssel lag. [383] + +Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het +regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus +in dien tijd steeds aan Holland en de goederen van het graafschap +gebleven was, heeft keizerin Margaretha, als gravin van Holland, die +na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen, +het bestuur over Holland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk +van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt +verleend, dat Oudewater nooit meer van de Graaflijkheid van Holland +gescheiden zoude mogen worden. [384] + +Intusschen begon Oudewater reeds eene vrij aanmerkelijke plaats te +worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319 +het Lombardshuis alhier, tot 's Graven weder opzeggings toe gegeven +werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de +Lombardhuizen eerst in 1327 te Schiedam, iets voor 1342 te Delft waren, +terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag +gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf +Willem den III aan den Bisschop van Suden, om die van Oudewater 200 +»pont suarter tornoys" te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz. + +Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het +voor en na ontvangen van een aantal regten en privilegiën. Zoo werd +door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters +van Oudewater niet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die +van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten +gaan halen bij Schepenen van Oudewater, voorzeker geen geringe +onderscheiding. + +In 1324 werd aan die van Oudewater verlof verleend, om buitenlieden, +mits »goede knapen" zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en +burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen +gebruik gemaakt hebben. + +In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt, +al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn, +zooals uit het stuk zelve is op te maken. + +In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door +Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle +landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen +van Woerden, te Oudewater moest ter markt gebragt worden, op een boete +van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds +vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken, +dat eene verpachting van 's Graven »Gruiten" te Oudewater voor vijf +jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden +opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden" van Oudewater +door denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor +tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester van Zuid Holland gebood +dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen." + +In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt +om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stad Oudewater +door keizerin Margaretha als gravin van Holland, geconfirmeerd werd, +in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten, +in dit zelfde jaar (1346) aan Oudewater het privilegie schonk, om +het nooit meer van de Graaflijkheid van Holland te scheiden. [385] + +Tot dus verre was alles in Oudewater vrij rustig toegegaan, indien +wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen +aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de +plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel, +dreigende wolken te zamen, waarvan Oudewater en deszelfs bewoners +weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen. + +Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel, +zich eene telg van een der adelijkste huizen van Holland, Heere Jan +van Arkel, bevond. + +Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent +dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten +aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige +der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los +te maken." Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nu Oudewater +voor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de +jeugdige gemijterde Oudewater aantastte, en dat op den dag na Maria +Boodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen +en legertenten voor Oudewater gezien werden." + +»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne +zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg, +Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders. [386] De +kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed, +ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking +van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere +verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te +beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van +onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt +ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar +het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid, +waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid +zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst +toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan +hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare +zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige +zwaard!" + +»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid +en eenige Utrechtsche Raadslieden, waren in een der weinige huizen, +die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen, +wat men met den puinhoop zou aanvangen. + +»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het +is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar +echtgenoot in de bres gevallen is. Misschien, dat de Stichtschen, +haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende +stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,--ik doorzie het, nu zij +met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt +en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt +haar doel--één punt des tijds--Zie hoe het vlamt! nog een wijle--het +knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop, +een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, van Utrechts +achtbaren zoeken zal." [387] + +Toen nu de Hollanders vernomen hadden, dat Oudewater aldus door +de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele +Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte +gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen +bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van +Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en +stad en toog met deze heirkracht tot bij Schoonhoven. De poorters +uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger der +Hollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er +lang en heet gevochten was, behielden die van Utrecht het slagveld +en behaalden wederom de victorie. Vele Hollandsche edelen werden +gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen +werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen +beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent +Sinte Martijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap. [388] + +Dan, keeren wij tot Oudewater terug. In hetzelfde jaar 1349, toen de +kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon +de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van +Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook +het zoo zeer geschokte Oudewater ruimschoots deel nam. + +Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen, +kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat +Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar +gemaal naar Beijeren ontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar +tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels +der regering in handen te nemen. + +Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand +van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem +bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in +Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde +het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen, +doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder +tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte. [389] + +De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de +Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bij Schoonhoven +gesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te +houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan +worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel +aan toe. + +Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, van Holland, Zeeland +en West-Vriesland, behoudende voor haar alleen Henegouwen zoo lang +zij leefde. + +De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349 +te Munchen in Beijeren gegeven, en werden sedert te Geertruidenberg +bezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote +getale, en door de steden Dordrecht, Middelburg, Zierikzee, Leiden, +Geertruidenberg, Delft, Haarlem, Alkmaar, Amsterdam en Oudewater die +te dezer tijden, de aanzienlijkste steden van Holland, Zeeland en +West-Vriesland waren. [390] + +Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden, +om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe +Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke +wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven. + +Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd, +zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet +dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog +was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder +onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naar +Holland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat +Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350, +de ridders, knapen en steden waaronder ook Oudewater, die hem hulde +gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de +teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige +maanden--naauwelijks toch had Willem afstand van 's lands regeringe +gedaan of hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de +brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter +in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden, +onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en +huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd +van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen +noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam. + +Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan, +sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en +de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van +vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met +hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz. + +De steden nu, die zijne zijde hielden, waren Dordrecht, Delft, Leiden, +Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Medemblik, Oudewater, Geertruidenberg, +Schiedam en Rotterdam, waarbij zich kort daarna ook Vlaardingen +voegde. [391] + +Terwijl wij Oudewater nu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen, +laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei +herlevende Oudewater terug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351 +van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt, +zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte, +met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel" waardoor +Oudewater ten minste van die zijde eenige verademing kreeg. [392] + +In hetzelfde jaar, bleef Oudewater met de andere steden van Holland +borg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna, +dochter van den hertog van Braband en weduwe van Willem den IV, +Grave van Holland nog te eischen had. [393] + +Dordrecht en de elf andere steden--waaronder ook +Oudewater--bevroedende, dat zij de meeste lasten van den +binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte +van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen een +bijzonder verbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor +schade te bevrijden. [394] + +Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest +ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte +vrede tot stand, en de graafschappen van Holland en Zeeland benevens de +heerlijkheid van Vriesland gingen nu van het stamhuis van Henegouwen in +dat van Beijeren over, [395] en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeld +Oudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355, +en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen +de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en +Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen. [396] + +Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver +van Wijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de +Bisschop niet gelukkig zijnde met het op de been brengen van vele +wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders +aldus weinig tegenstand in het Sticht. [397] + +»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten, +door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende +in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren +weg na Oudewater ende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy +verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede van +Montfoort, en die van Montfoort waren op die tydt groote vrienden +ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters van +Montfoort vernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer +Zweer van Montfoort haren heere op dien tijd binnen Utrecht was, +zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende +sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen, +ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle +haar soudenieren ghevangen." [398] + +In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door +den Burggrave van Montfoort weder ontslagen. + +De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno +1356 eene vrede tusschen Holland en het Sticht tot stand kwam. + +In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder +beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich +eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen +op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart +benoemd. [399] + +Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrent +Oudewater aantreffen, is eene vergunning om zijne landpoorters, buiten +den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings +binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is +een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over den +IJssel bij Oudewater, »wit onse stede overgaende op ten gaenwech van +den IJsseldijc." + +Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan +ook Oudewater gedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te +dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367 +een accoord tusschen Oudewater en het Waterschap van Woerden getroffen +werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over +de Linschoten; en een belofte der hoogheemraden van Woerden om de +sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden. + +Het eerst, dat wij Oudewater nu weder in de historiebladen aantreffen, +is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart +van Holland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten +wille, Oudewater vermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop van Luik, +benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt, +dat hij omtrent Oudewater hier op geen regt had [400], of hij heeft +zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan +instede daarvan gegeven het Land van Voorne met de stad Briel. [401] + +»Middellerwijl had Oudewater nu van de zijde der Utrechtenaars +onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid +bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs +opvolger Arnold van Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving +weder veel te verduren. + +Ook hij had met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig +oorlog voeren hem eigen was. Ook hij had het met de Hollanders en +den Hertog te kwaad en nadat eerst Zwammerdam en Naarden veel van +hem geleden hadden, kreeg Oudewater zijn beurt. + +»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent +voor Oudewater en het was ten jare 1374"" [402] »Ik vind ergens +aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield, +en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden +geboden, met storm innam. [403] Ik durf voor de juistheid van deze +aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij +putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven +staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in +dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uyt Oudewater +LXXIII mannen."" [404] »In ieder geval, het blijkt mij uit het feit +van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van +Arkel voor Oudewater een vrede houdende nabuur geweest is." [405] + +Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee +partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote +geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook +over het stapelregt te Dordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380 +tusschen den Burggrave van Leiden en die van deze stede Oudewater +dusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hoog gestegen, +dat Grave Albrecht van Beijeren als scheidsregter tusschen beide +partijen optrad. Deze twist was »om der tollen tot Alphen ende +daaromtrent." [406] + +In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor +den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd [407] en ten jare 1393 +werd Oudewater met eenige andere steden door hem vrij gesproken van +alle stapelregt te Dordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid +ontstaan was. [408] + +Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten +weder terug. + +Die van Oudewater waren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield +tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste +verwoeste en een andere telg »veel lude van Oudewater verwonnen hadde +van Lyve ende van goede" ten minste zeker is het, dat die van Oudewater +dan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij +»in die heerscip van Haestrecht hadde gevangen, Melis Aerritssoen +boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in +der heerscip van Haestrecht woende." De twist was van dien aard dat +zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd. [409] + +Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna +Albrecht tot Grave van Holland werd verheven [410] en als zoodanig +komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden van Oudewater voor. + +Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert +dien tijd, had Albrecht groote genegenheid opgevat voor Aleida +van Poelgeest, die te 's Gravenhage bij hem ten hove was. [411] +Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ook +Oudewater moest daaraan deel nemen. + +Zie hier wat er van de zaak is: + +Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in +korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door +haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en +natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer. [412] De wrok steeg dermate, +dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen +en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene +wonden om. [413] + +Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor +eveneens het leven. [414] + +De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen +[415] benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht, +ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene +haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot +den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester, +hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche +edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in +te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven +en goed verbeurd te hebben. [416] + +Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden van Oudewater omtrent dezen +tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe, +dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en, +derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De +lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van +den graaf aan die van Oudewater aangaande het aanhouden van een hunner +poorters met zijn goed door den »tolner" van Gouda, waaromtrent zij hun +beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt, +dat hij »twee of drie of vier van den gerechte van Oudewater geerne +geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem +ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende +oic gemachticht van der stede wegen van Oudewater dat sy een entlic +dadingh met hem ende synen rade aangaan mochte van den breucken die sy +hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude +hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde." [417] + + + +Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen +hebben" en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden +dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het +genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12 +personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen +heeft." [418] Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening +het gevolg is geweest, verleende hij de stede Oudewater echter in het +volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom +van het stapelrecht [419] te Dordrecht. Niet echter, dan nadat er ten +jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand, +ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke +breuken als sy jegens ons misdaen hebben" [420] kwam er eene meer +gunstige stemming omtrent Oudewater in 's graven gemoed, daar hij +de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren +goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer +van ter Goude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had, +te houde tot den voorzegden tijd. [421]" Niet lang echter duurde het, +of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts: + +Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn +Plackaert gegeven tot Gorichem op ten dach ende in 't Jair voirsz., +allen sinen Tolneren van Holland ende van Zeeland, dat si der steede +van Oudewater en horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden, +veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht +als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen +Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende +tot myns Heeren wederseggen. + +Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach +van der Poirteren goede 't Oudewater die opgehouden waren voir die +Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen +soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren van Oudewater, +ende hoir goide veilich soude laten varen voir bi myns Heeren Tollen, +tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten, +op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is." + + + +Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het +jaar 1394, aan Schiedam en Oudewater het oprigten eener stedelijke +school vergund werd, [422] dat zeer pleit voor den bloei, waarin te +dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314) +een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den +schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter +Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang +ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien van Oudewater te dien tijde, dat +het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten, +en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en +van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten." + +Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de +stad Oudewater zelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag +ten jare 1393 aan die van Oudewater bij oirconde beloofde, met Heer +Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had +van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf +voldaan waren [423]; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden van +Oudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in den Haag waarbij de +Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hij Woerden +en Oudewater ten zelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die +wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten +en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of +er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die +moeght leveren ten onsen wille." Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo +nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren +mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden, +zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan. [424] + +Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen +bevonden, als de Burggrave van Montfoort en de Burggrave van Leiden, +dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van +Albrecht met Oudewater niet meer te twijfelen viel. + +Inmiddels ontvlugtte de Graaf van Oostervant, Albrechts zoon, die als +de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het +hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De +vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan +ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met +eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde, +Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde. + +Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in +1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave van Oostervant, en +ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in 's Hertogen gunste. [425] + +De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen, +die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging +deelnemen. Der Hollandsche en Zeeuwsche steden werden, ten gevolge +van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan +te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333 +vermeld, vinden wij Oudewater vreemd genoeg, niet aangeteekend en +hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van +'s Graven zijde, worden aangemerkt. + +Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht +ten jare 1400 met hen een bestand, zijnde Stavoren als toen de eenige +stad in Vriesland die nog Hollandsche bezettingen hield. [426] + +Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan +den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog +geraakt waren [427], en wij houden het er voor, dat het de waarheid is, +trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij +direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten +het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners van +Oudewater in 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den +tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo +hadden die van Oudewater omtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge +gedaan" aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande van Woerden, +en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht, +op voorwaarde, zij moesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van +sestienhondert scilden." [428] + +Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van 's Graven +zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede, +immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden" schonk +hij Oudewater vrijdom voor zijne tollen te Sparendam en Heusden niet +alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van +alle diensten in Oost-Vriesland voor hem en zijne nazaten [429], +onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van +Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht +had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging van +Oudewater op de grenzen van Holland, de voordeelen die uit het wel +bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de +trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen." + +Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten, +het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnen Oudewater, dat tot +nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn. [430] + +En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van +graaf Albrecht, die direct op Oudewater betrekking hebben. [431] + +Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds +opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten +staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens +vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere +personen eenige hulp kon verkrijgen. [432] Zoolang het dus niet hoog +noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder +en Rentmeester der grafelijke inkomsten van Holland bekleedde, niet +zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering, +doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke +gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp, +dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog +Albrecht openlijk den oorlog aan te doen. [433] + +Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de +vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn. + +Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had, +verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in 's +Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen, +gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot +rede te brengen. [434] + +Willem verklaarde toen in 1401, het van Oudewater naburige Haastrecht, +Vliste, Stolwijk en andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd, +en bande hem ten eeuwige dage uit Holland. Arkel zeide hierop eerst +den Hertog en [435] kort daarop ook grave Willem den oorlog aan. + +Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad +onzer beschrijving. + +Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar [436] zich uit, +Oudewater was eene der sterkste grensvestingen van Holland. Ook werd +zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van +alle krijgstogten in Vriesland die hij zelve of zijne zoone niet +bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij +de stad trouwelijk bescherme zoude. [437] Deze stad poogde Arkel te +verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters." + +Weten wij nog uit de divisie kronijk [438] dat hij voor Oudewater +verscheen »met een deel ghewapenste volcx", dan was het zeker een +groote eer voor het stedeke Oudewater, dat het den verbitterden en +heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen. + +Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet +vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem +openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen" +leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle +nachten te sluiten. [439] + +Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een, +van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen +niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed. + +Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den +titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd +hij dan ook in het stedeke Oudewater zelve ingehuldigd [440]. Men +ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die +van Oudewater bevestigt, in hunne voorgaande privilegiën. + + + Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der + Graafschap van Holland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, + ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders Hertoghe + Aelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe + Steede, ende Poirteren van Oudewater vriendelick ontfangen hebben, + ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo + hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, + tot onsen getrouwer Stede van Oudewater voorsz: derzelver onzer + Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, + confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke + Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van + onzen Voirvaders Graven te Holland, van onzen Lieven Heer ende + Vader Hertoghe Aalbrecht voorsz: ende van ons bezeegeld hebben, + ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer + Steede ende Poirteren van Oudewater voorsz: dair in te houden, + ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn. + + In Oirkonden &c. Gegeven in den Hage op ten xi. dach in Maert + Anno xiiijc ende vier. Secundum Cursum. + + +Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering, +met het vermelden van oude bescheiden en privilegien op Oudewater +betrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf, +de stad onzer beschrijving voor dat gemis aan voorregten schadeloos +te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in +hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond 1405 +[441], vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stede +Oudewater om van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de +bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogen eischen, +en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het +leven te berooven. + +Het volgende privilegie in 1405 was 's Graven vergunning, om binnen +der stede gebied, eenen molen te mogen zetten; nog belooft Willem in +dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande, Oudewater nimmer +meer te zullen scheiden van de grafelijkheid van Holland, en tevens +stelde hij die van Oudewater bij ander voorregt van dit jaar, vrij, +van het betalen van morgen geld. [442] + +In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën +van graaf Willem omtrent Oudewater gewag gemaakt, doch in deze +tijden werden er tusschen Oudewater en het nabij gelegen Woerden +vele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap +van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld, +dat de hoog-heemraden van Woerden aan Oudewater beloofden om de +brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad +te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente +secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte, +waarin de hoog-heemraden van den Lande van Woerden zich verbinden, +de sluis binnen Oudewater liggende, te verlagen, met bijvoeging, dat +wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd, +die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen. + +Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die van Oudewater en +oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij +in 1414 toestond, om binnen Oudewater een nonnenklooster van de +St. Franciscus orde van penetentiae te stichten [443]. En nu mijne +lezers, willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt, +en welke rol Oudewater er in speelt. + +Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name +Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad, +met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn van +Frankrijk die in het jaar 1417, kinderloos overleed. + +Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba, +legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging +in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge, +wendde hij zich tot de edelen en steden van Holland, die hij ter +algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na +zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te +huldigen [444]. + +Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de +steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer +beschrijving. Ook de Schouten, Burgemeesters, Schepenen en Raden [445] +van Oudewater hadden »plegtiglijk gezworen, dat zij Jacoba, Daufijne +van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten, +overlijden mogt, voor zijne erfdochter en leenvolgster erkennen, +en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid +bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden +zullende bijstaan." + +En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in +Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba, +zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle +steden van Holland, uitgenomen Dordrecht ingehuldigd. + +Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, dat Oudewater zich aan +de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt. + +Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van 's Graven +overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken +en alras hadden zij zich van het naburige IJsselstein meester +gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de +Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke +weder spoedig aan 's gravinne zijde was.--Hare regering begon alzoo +niet gelukkig. + +Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben; +wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van +de grafelijke kroon ging betwisten. + +Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend, +en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende, [446] +ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij +zijne nicht bestookte. + +Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd +hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten +wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter +zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog van Braband, waardoor de Landzaten +naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien. + +Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige +Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit +deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van +de gravin met den hertog van Braband in ernstige onderhandeling te +treden. [447] Ten jare 1418 kwam die verbintenis dan ook tot stand, +en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave van +Holland en Zeeland, wordende hij door de steden, waar onder ook +Oudewater, als zoodanig gehuldigd. + +Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den +V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver +te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen +verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave +over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer +Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem +den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren. + +Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel, +wij vinden vermeld, [448] dat de steden Haarlem, Delft en Leiden +omtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove" 529 +1/2 engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte +somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.--Maar ook Oudewater, nevens zes +andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te +zullen dragen. [449] + +Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een +beleg van Dordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve +het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden +hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche +steden, brieven afgezonden, om over het belegeren van Dordrecht te +raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch +weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat +Jacoba, nog in dit jaar, het verlies van Rotterdam te betreuren had, +werd er omtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen +gemaakt. [450] In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld, +dat het Baljuw- en Dijkgraafschap van Zuid-Holland aan de gravinne als +»leengoed" werd afgestaan; Oudewater werd er ingelijks onder begrepen, +wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende +jaren, door de Hertogen van Brabant en Beijeren in het gemeen zouden +geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede +de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden +aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te +doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog van +Beijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven. + +Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van +eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en +oir of erfgenaam aangenomen. + +Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naar Brabant +gereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die +gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan +te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar, +ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering +te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen, +en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het +jaar 1420, Treneijs Pietersoon in Oudewater tot Schout benoemde, +[451] die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van +zijne vrienden was. + +Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421, Jan van Brabant +noemt zijnen »lieven Neve" zoo kunnen wij die zoete woordjes niet +te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij te Oudewater +weder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van +zijnen aanhang. [452] + +Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal +jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel. + +Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in +onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan +van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had, +om in het Sticht te vallen en onder anderen Amersfoort en Montfoort +in te nemen. [453] + +Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok +tegen de Montfoortenaars dat die van Oudewater in het volgende jaar +1420 gretig de gelegenheid,--echter eene noodlottige gelegenheid--te +baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen beneden +Schoonhoven tot aan Oudewater toen reeds door het Sticht onder +brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat +zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat +wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt. + +»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschen Utrecht +en den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, en +Montfoort koos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte +een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk van Montfoort, +zich door een wakker wapenfeit vermaard. + +»Bij een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijk +in der haast te Montfoort zoo vele manschappen zamen, als er uit +de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde +deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand +tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke, +toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als +een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op +den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute +mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden +zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er +niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, +kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden; +maar die van Oudewater moesten 't eindelijk opgeven en ruimden met +een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld; +terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad +keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker +eeren ende met sulcker gewin gedaen waren." [454] + +Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht +voor Oudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke +Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die van Oudewater zich +mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er +van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd, +insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd" +menigeen gevallen zijn. + +Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan +van Beijeren beoorlogen, doch Oudewater hoewel hoekschgezind, stond, +schijnt het te veel onder van Beijeren, om zich niet aan zijne zijde +te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege +in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon. + +De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te +beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag +tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging +Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen +Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken, +en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade +van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen van +Brabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan van Brabant, en weldra +was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422) +huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog van Glochester en +ook hij noemde zich alras Grave van Henegouwen, van Holland, Zeeland, +enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog van +Glochester aantreffen, begint zich ook Philips, hertog van Beijeren +als vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan +te merken. + +Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester, +te Bergen gevangen genomen en naar Gent gevoerd. Zij wist echter +hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en +drie dagen daarna te Woudrichem zijnde, werd zij door heer Jan van +Viane naar Oudewater, Schoonhoven en Gouda gevoerd en in die steden, +waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne +erkend. [455] + +Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te +naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren +in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij +uitersten wille aan Philips, hertog van Bourgondie, afgestaan, en nu +maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door +kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de +tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd. + +Nu wist de hertog van Brabant spoedig te weeg te brengen, dat de +Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot +wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van +Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch, +mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo +had zij in haren tegenspoed toch den troost, dat Oudewater, nevens +Gouda en Schoonhoven, aan hare zijde bleven. + +In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek +door Jacoba's tegenpartij tot stedehouder over Holland benoemd. + +Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog +overgegaan, wordende kort hierop het beleg voor Schoonhoven geslagen. + +Jacoba, beducht voor Gouda, waar zij zich meest ophield, had +den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water +gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam +zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te +naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind +te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap +met Oudewater afgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne +lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij +nu den naderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu +in het jaar 1425 [456] tot een gevecht bij Alphen. Die van Gouda, +Schoonhoven en Oudewater vielen hen nu onvoorziens op het lijf, +[457] schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning, +en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels van Haarlem, Leiden +en Amsterdam, in vreugde en gejuich binnen Gouda. + +Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij in Zeeland, waar de troepen +der Gravin met hulp van die uit Engeland, in 1426 een gevecht bij +Brouwershaven verloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar +leger tot voor Haarlem en ook bij dien veldtogt, werd de banier van +Oudewater aan hare zijde niet gemist; [458] maar ook in dit beleg, +keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen +ramp na de anderen trof. + +Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw [459], toen zij +zich in de grootste benaauwdheid te Gouda ophield, en haar huwelijk +met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij +weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427: +doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bij Wieringen +bijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een +leger op Gouda aan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien +toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met +Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende +zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste +voor de ongelukkige Gravinne uitvielen. + +Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren, +wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten +werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den +echt mogt treden, dat Philips de Regering van Holland bleef behouden +onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba +slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden +hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot +dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz. + +Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog door Holland en +Zeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der +Landen doende huldigen. [460] Slechts 7 weken na het verzoenen met de +betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering +der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien +veranderd had, in een acte omtrent Oudewater voor als Ruwaard. + +Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang +ontbloot zijnde: + + + Philips, by der Genaden Gods Hertoge van Bergoenjen, Graef van + Vlaenderen, van Artoys en van Bourgoenjen, Palentyn, Heere van + Salins en van Mechelen, Ruwaert over die Landen van Henegouwen, + van Holland, van Zeeland, ende van Vriesland, doen kont allen + luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede van + Oudewater aen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte + aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, 't welck + is t' alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude + Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: + recht te versetten maer een werve 's jaers alsoo wy seggen, + ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in + haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem + geconfirmeert hadden; Soo is 't dat wy om des besten wille belast + hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, + die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, + tot die tyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, + ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na + haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert + hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge + nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede + geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy + tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu + recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af + alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, + alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des 't oirkonde + soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen. + + Gegeven in onsen Stede van Dordrecht, op den vyftienden dach + van Augusto, in 't Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht + en twintich. + + +Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder over Holland en +Zeeland benoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde +gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant. + +Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het +Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van +Diephold en dat de religieuse zusters Oudewater moesten ontruimen +en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling +treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249) +daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk, +in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben. + +Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430 +had Philips zich in Holland, Zeeland en West Vriesland als grave weten +te doen huldigen [461], toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat +jaar zijne aanzienlijke magt weder met meerder regt bevestigd werd. + +Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan +met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het +huwelijk treden, en toch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim +met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren +nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.--Men +begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de +zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende +Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkheden Voorne, Zuid-Beveland, +en Tholen, benevens de tollen van Holland en Zeeland gedurende haar +leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder +in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde +hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.-- + +De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten +kroon geluk aanbrengt! + +Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging +de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig +ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te +worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg +zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden +deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang +geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die +van Oudewater niet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende, +zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn. + +Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze +landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op de Oost-Zee handel +te drijven.--Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te +hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van +beide zijden het gevolg. + +De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog +aan te doen, versterkt door een verdrag dat zij sloten met den Hertog +van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in +1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden, +de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen +namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten +en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen, +begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd +eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips +een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen, +en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond +zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn" +en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden--voorts +moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden +omtrent 80 »Baardsen" zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna +geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo +moest dan ook Oudewater zorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse" +in gereedheid te hebben. [462] + +Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt, +gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat +men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout +derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon +van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in +1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van +Holstein verzoende, enz., enz. + +Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop +van een paar jaren, met meer hevigheid dan ooit te woeden, zoodat in +verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog +liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en +wereldlijken magt konden beteugeld worden. Oudewater moet echter vrij +rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren +en Raden van Oudewater geschreven, dat zij op een en ander een zeer +waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder +herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande +van Holland wesende" en tevens beval de Grave er bij, dat indien de +poorters van IJsselstein het in hunne gemeente te kwaad kregen door de +troebele tijden, dat die van Oudewater dan, het zij bij dag of nacht, +hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er +des te veiliger zouden kunnen zijn. + +De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te +vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het +geviel, dat die van IJsselstein de wijke binnen Oudewater zochten, +dat men dan in Oudewater beter in staat was de stad te bewaren, om het +grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is +ons echter niet gebleken, dat de poorters van IJsselstein ooit van +die vergunning hebben gebruik gemaakt. + +Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig +bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen +der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds +in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden van +Oudewater als mede eene van Anno 1456. + +Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de +klagten der steden Schoonhoven, Oudewater, Woerden, Weesp, Muiden en +Naarden over het vorderen van morgen geld in het Sticht van Utrecht +gedaan, dat die van Holland in het Sticht van Utrecht geërfd zijnde, +niet verpligt waren aan die heffing te voldoen. + +Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrent Oudewater +vermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar +1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel +den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden +waaronder ook Oudewater als graaf werd erkend. [463] + +Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten +vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad +oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn +geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen- +als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden +moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks, +van hem omtrent Oudewater aantreffen. + +Hij sneuvelde in den slag bij Nancy ten jare 1477, nalatende eene +dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering +opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en +tweespalt van binnen. + +In Holland toch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de +Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden. + +De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene +steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van +hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen, +die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden +uitweken, en alras door Hoekschen vervangen werden. [464] Dit toch +gebeurde onder anderen te Gouda, Schoonhoven en elders en zoo ook +spoedig in Oudewater. + +Van Berkum, in zijne beschrijving van Schoonhoven maakt over een +en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij +van Schoonhoven hersteld was, stond de gemeente te Schoonhoven onder +dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als +de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij +heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden +vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van +der Veer, stadhouder van Holland, verzoekende van hem, in de stad in +hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te +zijn, doch er volgde niets op, en Schoonhoven bleef Hoeksch, en bragt +met die van Dordrecht en ter Gouda even na paschen in het jaar 1479, +Oudewater insgelijks aan die zijde." [465] + +Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel. + +Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk +getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in +de lente des jaars 1478 deed hij als kerkelijke voogd en momboir +van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen, +wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid +door de staten gedaan, [466] en spoedig (den 6 April 1478) werd dan +ook Oudewater door Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd, +zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was. + +Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op +de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder +de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard +hadden, troffen wij ook Oudewater aan, [467] niettegenstaande Gouda +en Schoonhoven »met loosheden" de stad aan hare zijde gekregen +hadden. [468] + +Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van +Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van +die partij, en zoo stout werden zij, dat Leiden waaruit zij verdreven +waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne +tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is, +alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was, Oudewater +weder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die +gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan +uit Holland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste +in de steden te herstellen, dat hem echter nergens gelukte dan te +Hoorn en te Gouda. [469] + +In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig in Oudewater af. Eerst +werd het hoekschgezinde Dordrecht ingenomen, en daarna vielen ook +Schoonhoven en Oudewater weder in de magt der Kabellaauwschen. Tot +het innemen van Oudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier +stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert +met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor +gestraft. [470] + +Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de +regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve +eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen +naar Dordrecht, Gouda, Oudewater en Schoonhoven, alwaar hij de +verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde [471] +en aldra onderwierp ook Leiden zich aan den Grave. + +Nadat de zaken nu aldus door Maximiliaan in orde gebragt waren, +was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op +de Stichtsche grenzen liggende Oudewater was die krijg alles behalve +rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot +dien oorlog een weinig ontwikkelen. + +De stad Utrecht, alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren +Bisschop David van Bourgondië, die de stad had moeten ruimen, was +in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de +Utrechtschen, die onder Reijer van Broekhuisen Leiden hadden helpen +bemagtigen, waren niet zonder buit naar Utrecht gekeerd. Dit, doch +vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten, +tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied +bevonden werden, zelfs werden die van Utrecht alomme in Holland +vast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men +den ijverig hoekschgezinden Burggrave van Montfoort en de hoeksche +ballingen uit Utrecht deed vertrekken, dit geschiedde echter niet, +en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg, +die drie jaren duurde.--Men zeide in Holland wel, dat die oorlog +gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren +te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche +ballingen in de stad. [472] + +Wel poogde Utrecht een verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos, +Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid +zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken, +en dit gelukte hem niet. [473] + +Naarden werd nu door de Stichtschen verwoest en Jutphaas door de +Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op de Vaart +sloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er +den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, na Schoonhoven, +na Oudewater, na IJsselstein en na Woerden, niemant en sach na den +anderen om." [474] + +Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de +goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht +veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt, +en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er +in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnen +IJsselstein, Oudewater en Woerden, en ook Weesp werd van meerder +krijgsvolk voorzien. [475] + +In het volgende jaar, werd er te Schoonhoven eene dagvaart gehouden, +tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, en Utrecht +ter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche +vijandelijkheden gingen even hevig haren gang. [476] + +Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne +van Holland, en haar eenige zoon Philips, een kind van vier jaren, +was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan +zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van +getrouwheid der Hollanders. + +Na dit vermeld te hebben, willen wij Oudewater en omtrek verder hun +rol in den stichtschen oorlog zien afspelen. + +Noodwendig moeten wij met den aanslag op Dordrecht in 1482 beginnen. + +De Burggrave van Montfoort dan, had in genoemd jaar een aanslag +ondernomen op Dordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding +hield, [477] en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien +van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten +daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van +Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die +Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voor Dordrecht en +alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en +voeren die Mase op tot voorby Vloerdinghen. Dit hadden die Hollanders +schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen +den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren +in roere, ende vele van die schepen voeren na Zeeland ende dardere +keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende +gingen nader Gouda toe, ende daer stont een blockhuys opten dyck, +dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man +verloren »ende sy worde van die van der Gouda achtervolgt, maer sy +en deden hen niet, ende ghenakende die stede van Oudewater quamen hen +te ghemoet die knechten, en een deel poorters van der stede, ende sy +hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen +vast volck af, maer die van Oudewater hadden tmeeste verlies van hare +poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die +van IJsselsteyn daer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus +met grooter avontueren weder binnen de stad van Utrecht. [478] + +Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en +met name Oudewater zich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die +van Utrecht nooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van +eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden +diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag op Utrecht +voorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven +boeten. [479] + +Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk van Oudewater +gewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des +geschuts in den omtrek, wel zullen die van Oudewater deel hebben +genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd« +in de gehouden dagvaarten. + +Doch onze orde van zaken vordert, dat wij vlugtig nagaan wat er +inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige +weinige jaren Oudewater weer in de geschiedrollen vermeld vinden. + +Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder van Lalaing, de sloten +van Harmelen en de Haar bemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden +toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote +partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogden +IJsselstein te bemagtigen, doch vruchteloos, en de Hollanders namen +zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David, +weder het Blokhuis op de Vaart terug, dat kort daarna ten gronde toe, +werd geslecht. + +Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de +Hollanders in 1483 ook Montfoort, eveneens met het voornemen, dit ten +gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het +beleg weder spoedig op. + +Nu was het de beurt voor Utrecht zelve. Nog in dit jaar werd het +belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij +verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnen Utrecht met grooten +luister, en de Bisschop die gevangelijk naar Amersfoort was gevoerd, +werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het +einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stede +Oudewater zijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld. + +Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden, +weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die +tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan +zooveel mogelijk partij te trekken. [480] + +Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend, +zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder +aantreffen. + +Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde, +bemagtigde nog in 1488 Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen +hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der +steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voor Schoonhoven, +doch met verlies van meer dan 200 man, oorlogswerktuigen en schepen, +weken zij naar Rotterdam terug. [481] + +Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave van Montfoort, het slot te Woerden, +van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het +vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en +landbouwerswoningen.--De omtrek van Oudewater had een zeer lastigen +nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden +veel van hem te lijden. [482] + +Zóó naderde het jaar 1489--Maximiliaan was nu sedert de +wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd, +om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche +steden uit, waaronder dus ook Oudewater, tot het beteugelen der +hoeksche woelingen. + +Het eerst moest nu Rotterdam weder aan zijne zijde gebragt worden, +en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans, +integendeel poogde Schiedam te verrassen, dat hem echter niet +gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat +zij bemagtigden, en met de stede Geertruidenberg die zij overrompelden, +doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden, +leden zij nabij Rotterdam eene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg +was, dat Rotterdam weder overging. + +Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan het +land had afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst +poogde hij in het begin van October 1489, Naarden in te nemen, doch +het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over die teleurstelling, +of, dat hij dacht, dat men te Oudewater niet zoo op zijne hoede +zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in +dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voor +Oudewater verscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij +genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich +vergenoegen moest, den toren van buiten de stad gezien te hebben. [483] + +De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige +binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander +oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den +handel, te meer voor een stedeke als Oudewater, dat met zijne kleine +schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de +bovenzijde was, door Montfoort en Woerden en beducht als men dus moest +zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig +dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk +ging maken. + +In 1490 dan, werd Montfoort belegerd, en na grooten tegenstand, die +den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt +van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige +voorwaarden bedongen en Holland en Oudewater behoefden ingevolge dat +verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij +ook Woerden had moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar +jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent +1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen, +die nu bijna 150 jaren geduurd had. + +Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de +regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den +II, als Grave van Holland en Zeeland ingehuldigd. + +Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in +de bescheiden van Oudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij +aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen +te mogen doen opsluiten binnen Schoonhoven, Langerack, Liesveld en +Oudewater en het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de +voetboogschutters van het St. Joris Gild te Oudewater. + +Wij hebben dit voor Oudewater belangwekkende octrooi, ter behoorlijke +plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt, +en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van, +moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden +zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ook +Oudewater weder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de +Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd van Oudewater, +dat het legt "op die frontieren van onsen landen van Holland strekkende +aan den gestichte van Utrecht ende lande van Gelre" enz. + +Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukking Gelre +gebruikte. + +Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot +tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter, +hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op +het einde der 15de eeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd +der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen +der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor +den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk, dat de Hollanders +en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten +ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand, +doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen +van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot +wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in +genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig +is, dat Oudewater zoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had, +niet alleen van Utrecht als oock van de voorsz. lande van Gelre. + +Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een +zoon te Gent geboren werd, die wij later onder den naam van Karel +den II [484] zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen +oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet. + +Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij +behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten +onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van +twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed +in het jaar 1506 te Burgos in Spanje, en Karel volgde hem in dit jaar +op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was. + +De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan +opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne +dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in +1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakte verdrag +met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs +fransche hulpbenden. + +Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval in Holland beducht +was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in +drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bij Nijmegen lag, hadden de +Hollanders het meeste te vreezen. + +Nadat hij nu in Brabant vele veroveringen gemaakt had, viel hij in +Holland. Men poogde Oudewater te verrassen, doch de bezetting en de +poorters hielden zich dapper en Oudewater werd niet genomen, »het +mislukte" schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren." [485] + +Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immers Bodegraven +werd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot +te Muiderberg en de stad Weesp werden bemagtigd. Hevig was de strijd, +die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd +er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond +men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig +bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich +stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld in +Groningerland. + +Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over +zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige +Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende +hij dan ook als grave gehuldigd. + +Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt +is het volgende: + +De schouw en de zorg der dijken in Holland was, van de tijden van +Willem de II toevertrouwd geweest aan dijkgraven en heemraden, die +uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu, +had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo +het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de +waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het +te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf +nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de +dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende +tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij +een voet lands in deze gewesten bezat. + +Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden +werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte. + +Onder de archieven nu, die Oudewater bezit, vinden wij eene +geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi, +tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk van Bodegraven af +tot den Linschoterdijk toe, door 5 heemraden, als een uit Delft, een +uit Leijden, twee uit Gouda en een uit Oudewater, met den castelein +en dijkgrave van Woerden, ook ten onzent had men dus redenen van +ontevredenheid. + +Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voor Oudewater hadden +gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in +eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in +het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk +eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers te +Mechelen tusschen den heer van Montfoort, appellant ter eenre, en +den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende +de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of +IJsselpoort der stede Oudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op, +maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt. + +In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen +wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne +toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om +geene »stilzaat" met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen +te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen +[486] en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde +maand Nieuwpoort bij Schoonhoven te overrompelen. [487] Nu was men +insgelijks voor Oudewater en Woerden bezorgd, en het Hof gaf dra, +in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en +hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen +schuilen, te slechten en uit te roeijen. [488] + +Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het +ter neder te schrijven. + + + Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer tot Breda &c. Stadhouder + Gnail., die President ende Raide des Coninx van Castille, van + Leon, van Grenade, van Arregon &c. Eertshertoege van Oistenryck, + Hertoege van Bourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen + van Holland, Zeeland en Vriesland, den Eersten gezwoeren Boede + Exploictier van der Camere van den Raide in Holland hier op + versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden + deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen + ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten + Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list + voirsien behoert te wesen en te remedien over 't gunt dat tot + cruchenisse d'selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy + verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede van Oudewater + veel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die + vianden hem selven souden moegen bergen en soe na derselver + Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten + noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen + moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te + gebueren tenderende tot verlies van d' selver Stede, wair inne wij + behoeren te voirsien, soe is 't dat wy u ontbieden ende bevelen, + dair toe committeeren mits des, is 't noot dat ghy van stonden + aan trect binnen der voirsz. Stede van Oudewater, ende aldaar + bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen + der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende + Boomgairden ofte andere Landen binnen acht honderd treeden van + de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte + andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, + dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der + Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh + Phls: Guldens dieselve 't appliceren halff tot Pro: van der + C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander + Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier + van d' voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en + Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de + voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen + binnen den voirsz. tyde dat hy 't selve doe doen tot costen van + den genen die in gebreeke sal wesen en 't selve offgebroecken + appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van 't welk + te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel + ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u + wedervaren sal wesen. + + Gegeven in den Hage onder 't Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken + hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in 't Jaar + ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven + By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide van + Hollant, Zeelant ende Vriesland. Ondergeteykent C. DAM. + + +Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin +der 16. eeuw nog in den omtrek van Oudewater was en het is tevens +opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden +dijk," nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit, +kan zien. + +Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515 +overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid, +of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in +het geheugen lag. + +Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer +er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van +beide partijen slecht gehouden werd. + +Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar +elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen, +en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren +ingelijks van voornemen Oudewater vaarwel te zeggen. De verdediging der +stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nu Oudewater pogen te +nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien +aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar +van wege »zijn C. M." aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte +van lijve en goed binnen Oudewater weder te keeren, en het spreekt +van zelve, dat aan hen, die de gemeente nog niet waren uitgetogen, +dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk +verboden werd. [489] + +Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen, +werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten. + +Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave van Holland in +1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van +Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert +nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook +aldus, bij voorkeur zoo noemen. + +Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld, +met den franschen Vorst François den I. + +De hevigheid van den krijg drukte Holland zeer, trouwens alle +leenmannen werden ter heervaart ontboden, niet om het graafschap, maar +den keizer te dienen, [490] en ook de steden moesten ieder een zeker +getal weerbare mannen aanbrengen.--Voeg hier bij, dat de gelderschen +in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar in +Holland vele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld +van den benarden toestand van deze gewesten. + +Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield, +en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat +men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij, +die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets, +dat te meer algemeen vreugde verwekte. [491] + +Een en ander had echter 's lands middelen zóó uitgeput, dat men in +1525, f 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door +de staten, waarbij ook de gemagtigden van Oudewater waren, om een +aantal redenen geweigerd.--De staten tegen den 17 Junij wederom te +Geertruidenberg beschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden +van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had, +om genoemde som bij een te brengen.--De afgevaardigden eenigsins aan +het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor +het einde der maand, zoo mogelijk met gunstiger rapport te Breda te +verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden, +dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook +aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maar Delft, Oudewater +en Alkmaar benevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt +als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen +tijd er na, besloten echter de staten, Delft alleen uitgezonderd, +een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder. + +Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527 +werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg +onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen. + +De stad Utrecht intusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop +in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van +Gelre eenig krijgsvolk in Utrecht gelegd en men begrijpt, dat deze +zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag +meer in het Sticht uit te breiden.--De Bisschop geen kans ziende, +de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij +in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land +van beide partijen zeer te lijden. [492] + +De Hollanders het innemen van Utrecht vernomen hebbende, baarde hun +dit veel ontsteltenis.--Terstond werden maatregelen genomen tegen +eenen zoo lastigen nabuur.--Onder anderen werd er bevel gezonden naar +Amsterdam en Gouda, om krijgsvolk te zenden naar Weesp, Oudewater en +andere grenssteden van Holland. + +De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige +grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen, Amsterdam had +versterking gezonden naar het slot te Muiden, doch zij werden niet +binnen gelaten. Gouda had aan die van Oudewater insgelijks eenige +knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen. [493] + +Wat was de reden van die weigering van Oudewater? Bestond er eene +vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig +had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden +met die van Oudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den +dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het +hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen. + +De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond +te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van +State, waarin de hertog nevens de stad Utrecht, verklaarden in goeden +vrede en nabuurschap met Holland te willen leven. + +De Bisschop, nog steeds uit de stad Utrecht gebannen zijnde, verzocht +in dit jaar om onderstand aan Holland, en men kwam om die rede te +Schoonhoven bij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en +vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer +aangelegen was, dat de Gelderschen uit het Sticht werden verdreven. De +bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van het Sticht +den keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en +zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den +alouden Hollandschen bodem. + +De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen +er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden, +de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528 +toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbij Montfoort en +Woerden naar den Hage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte. + +Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd +door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere +niemand, dat de krijg wederom heet werd. + +Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het +voornaamste, was het verlies van Utrecht, dat hen bij verrassing +in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel +hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer van Utrecht +zoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten +werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen +weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest. + +Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering +in Utrecht gehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied +van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uit Oudewater waren +er tegenwoordig. [494] + +Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrent Oudewater vinden +gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere van Montfoort, +dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe van +Linschoten, Snellerwaard en Heekendorp zal mogen gevangen brengen, +in Z. K. M. gevangenisse binnen Oudewater tot zijner majesteits of +zijner erven weder opzeggen. + +Wij zien dus, dat nu het Sticht onder het gebied van den keizer stond, +Montfoort ook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken. + +Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot +bij de Linschoter poort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in +het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de +Wierinken. [495] + +Nu Utrecht dan ook met Holland onder een gebied staat, zal het niemand +verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet +zoo menigvuldige openlijke gevechten met Oudewater hadden; Oudewater +had vooreerst het groote periode doorleefd, grensvesting te zijn, +tegen het trotsche Sticht van Utrecht. + +Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer +beschrijving niet, of weinig, in algemeene noch bijzondere geschiedenis +vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten +gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta, +kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in +groot getal te Brussel begroet, en ook nu werd Oudewater wederom +vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin van +Hongarije, tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij +weder naar Duitschland vertrok. + +In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre die Oudewater, zoo als +wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van +die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen, +had de woelige van Egmond Holland beoorloogd. + +Nog in dit jaar was men ook namens Oudewater op een aantal dagvaarten +tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of +men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten +zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden, +en de edelen met de kleine steden, waaronder Oudewater. Wij mogen het +echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen, +doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot +en met 151. + +Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder over +Holland en Zeeland geweest was, overleed hij in dit jaar, wordende +nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van +Chalons prins van Oranje. + +Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd, +met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen +omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum +weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra +deze gewesten weder verbazend te lijden. + +Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den +ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had +uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden +weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te +willen afstaan, indien de landvoogdesse Holland er mede bevrijden kon +van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was in +Holland voor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen +tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed +begrijpen, waarom men in het jaar 1542 te Oudewater voor het eerst +van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen, +zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de +muren der stad te vervoegen. + +Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang, +èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn +omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken +van Oudewater in dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den +inhoud nader van te doen kennen. + +Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad +eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is. + + +A. + +Hoeff Willesz [496] hoema vande Linschoete' poort tot dat toeringen +toe aft' adriae goessensz en is lanck XXV roeden en heeft onder hem: + +(volgen de namen van 21 manschappen.) + +B. + +Herme Huygesz hoema van dat toerentge aft' adriae goessesz. tot dat +torentge aft' tgastuys en is lanck XXXIII roeden en heeft onder hem: + +(29 manschappen.) + +C. + +Dirck Woutersz hoema van dat toerenge aft' tgastuys totte nyeuwe +toern toe en is lanck XXXVIII roeden en heeft onder hem: + +(29 manschappen.) [497] + +D. + +Wout' Willesz. hoema van den nyeuwe toern tot dat torentge toe after +meeus huygesz. en is lanck XXXV roeden en heeft onder hem: + +(32 manschappen.) + +E. + +Jan Geritsz. Vinck hoema van dat toerntge aft' meeus huygesz. tot +dat oultaer toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem: + +(25 manschappen.) + +F. + +Gerit Taets Geritsz. hoema van dat outaer tot die weerden poort toe +en is lanck XXIII roeden en heeft onder hem: + +(22 manschappen.) + +G. + +Adriae Henrick Simosz. hoema van den weerden poort totte doode luyden +toern toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem: + +(24 manschappen.) + +H. + +Jan Jansz. Cock hoema tussche den doode luyden toern tot koentges +toern en is lanck XL roeden ende heeft onder hem: + +(35 manschappen.) + +J. + +Jan Jacobsz. Speyert hoema van koentges toern tot die yselpoort toe +en is lanck XL roeden en heeft onder hem: + +(33 manschappen.) + +K. + +Cornelis Ottesz hoema vande Yselpoort tot dat twyncket toe en heeft +onder hem: + +(18 manschappen.) + +L. + +Piet' Cornelisz hoema vanet twynket tot die brouckerpoort toe en is +lanck XXXIII roeden en heeft onder hem: + +(25 manschappen.) + +M. + +Gerit Sybertsz, hoema vande broucker poort tot die mole toe en is +lanck XXVII roeden en heeft onder hem: + +(20 manschappen). + + +N. + +Gerit Geerlofsz. hoema van de mole totte biessetoern toe en is lanck +L roeden en heeft onder hem: + +(33 manschappen.) + +O. + +Piet' Jansz, hoema vande biese toern tot scutters toern toe en is +lanck XXXII roeden en heeft onder hem: + +(16 manschappen). + +P. + +Cornelis Symosz hoema vande scuttoern tot die linscoet' poort toe en +is lanck XXII roeden en heeft onder hem: + +(11 manschappen.) + + +Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak +1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging +van Oudewater bestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door +een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere +grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den +lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden +meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen +en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het +onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het +erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken +stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind +aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeff MCCCC ende een, wert +Jan Heer 't Arckel, tot Pierlepont, ende des lants van Mechelen vyant +des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren, +Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant enz., dair hij syn +ontseg brieven op sende op die Nyeborch by Alcmaer ende maecte een +reijse op Oudewater ende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden, +die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene, +die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe +brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den +Dulen gaet, men des nachts open vant, die men alle nacht plach te +sluten ende die doir staet in der stadt muir." [498] Mogt evenwel dit +vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in +dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen +de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt, +maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde +rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande +bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug [499], in regte lijn met +geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van +de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den +kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort. [500] + +Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug. + +Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk +waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre en Zutphen aan zijn gebied +wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging, +waardoor men in Holland nu voor goed van die oorlogszuchtige zijde +verlost werd. + +In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder +van Holland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom +Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem +van Nassau, die in 1533 te Dillenburg geboren, nu even 11 jaren oud +was, welke wij spoedig (in 1549) als stadhouder van Holland zullen +leeren kennen. + +Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich +niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten +staat verkeerde, zelfs had men op de twee tienden, die traaglijk +inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten +wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de +lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden, +die de impost niet getrouwelijk opbragten, met name Oudewater en +Woerden scherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te +kwijten. [501] + +Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polder +Snelrewaard en Zuid-Linschoten bij Rijnland wordt ingenomen. Onder +anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan +uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uit Montfoort en 1 +uit Oudewater. + +Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op +een beteren voet gebragt werd. + +Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het +jaar 1555 te vervolgen. + +Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest, +van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men +bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen +20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige +steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij +wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook +tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie +en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden. + +De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor +12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en +Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uit Delft en Leijden in 8 +steden, waar onder ook Oudewater. De uitslag hier van was, dat er in +dit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam. [502] + +In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering +in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar +1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind +over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II +aangeduid. [503] + +In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hij +Oudewater het voorregt [504] zegt men, tot het wegen van menschen, +verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel +gered werd. + +Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers +bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van +zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.--Wij vonden echter tot +dusver niet aangeteekend, dat zij tot in Oudewater was doorgedrongen +en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten +wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is +dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij. + +De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den +V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.--Hij +had gezien, dat zij in Duitschland een aantal Vorsten en Staten +vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij +was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was, +er werden scherpe placcaten tegen de belijders van het protestantismus +gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.--Ook zijn zoon Philips, was +een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij +de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen +als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met +meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte, +kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die in Spanje +het eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het +beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt +worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op, +die hij eindelijk verloor. [505] + +In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in +de Nederlanden geweest. In Spanje werd nu zijne tegenwoordigheid +vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde +echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van +State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden +benoemd, de Bisschop van Atrecht, den Prins van Oranje, de grave van +Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont +voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem +van Aytta voorzitter van den geheimen raad. [506] + +Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang +tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven +wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen +stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als +zoodanig aangesteld over Holland, Zeeland en Utrecht. + +De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naar Spanje. + +Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet +eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in +den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie +eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er +nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in +1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd. + +De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich +ook in onze gewesten al meer en meer uit. + +Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een +verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden, +en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn. + +Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt +en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te +doen. Ook te Oudewater vinden wij in dit jaar het eerst van hervorming +gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester +Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars van Oudewater +het eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij, +die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden +om te veronderstellen, dat de beeldstormerij in Oudewater niet +heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen +opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest +te zijn. [507] + +De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan [508] die een aantal +menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een +vermakelijke, maar tevens ongelukkige droom. Zij ondervonden straks, +dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en +dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer +en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens +het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der +beeldstormerij zoude straffen.--Ook het verbond der edelen ging te +niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij, +waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.--Zelfs hoorde men +reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit +Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland +vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de +straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd +of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg +was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord. + +De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve +bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd. + +Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje, +en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag +aanvroeg en verwierf. + +De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en +onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte" +werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien +»raad van beroerte" nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de +Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen +werd hij door anderen den »bloedraad" genoemd. + +Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich +van alle zijden er tegen begon te verzetten. Terwijl de neringen dus +gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de +mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was. [509] + +Wij moeten dit een weinig duidelijk maken. + +De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er +niet stil.--Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van +Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar +de Nederlanden gedaan had.--In die teleurstelling en verlegenheid +oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven, +dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo +werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene +kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen, +die dan met hunne lading buit gemaakt werden. + +Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het +gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel. + +Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra +'s prinsen zijde Vlissingen, Medemblik en andere Noord-Hollandsche +steden. + +Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van +Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211, 212 en 213. + +»Dus gingen de zaken in 't Noorden van Holland, maar in 't Zuiden +maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog +eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand +[510] zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvol volks +de stad Oudewater [511] en drie dagen laater ook Gouda om; welk +voorbeeld sedert door Leiden, Dordrecht, [512] Haarlem en Gorkom +gevolgd wierdt. Invoege slechts Delft, Amsterdam, Rotterdam, +Woerden, Schoonhoven, Naarden, Muyden en Weesp het nog in Holland +alleen maar met den [513] Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de +ontfange aanschryving van Alva den vyftienden [514] van Hooimaand +te Dordrecht met een oogmerk vergaderden, 't gene vry ver van dat +des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den +Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan +de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot +het Ligten van geld, maar op 't zien van den Lastbrief aan den Graaf +van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien [515] tot algemeenen +Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheel Holland aanstelden; +[516] welke in die hoedanigheid zich straks van [517] Rotterdam en +Woerden verzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad, +[518] door Bossu voorheen daar ingelegdt, thans dezelve, even als korts +daarna alle de overige Spanjaarden geheel [519] Holland, verlaaten +hadden. Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan +van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart [520] vervoegde, +om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan 't +wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen +denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam +beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige +Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in 't sement van 't vergoote +bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn." + +Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en +Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste +moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder +onder het bestuur van Spanje te brengen. + +Ook de stad Oudewater poogde de grave van Bossu te vermeesteren, +doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt. + +Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur van Holland +en Utrecht. De stad Utrecht nu, had toen ter tijde de spaansche zijde +nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat Bossu Oudewater +ging bestoken. + +Eerst had hij beproefd den Briel en Haarlem weder aan de spaansche +zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was, [521] moest onze stad +er aan, onderrigt als hij was dat er in Oudewater weinig buspoeder +en een klein getal ongeoefende soldaten waren. + +De Heer van Zwieten echter, die Oudewater vroeger voor Oranje genomen +had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu +gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein van Woerden met +verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook +nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen +liet berusten. + +Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag, +waarop het in Utrecht weekmarkt is, dat hij op eens de poorten van +Utrecht deed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te +gaan. Al de wagens [522] en ook de boeren [523], werden nu geprest +en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stad +Oudewater alwaar hij des avonds aankwam. + +Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten, +doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof, +er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80 +vaandels manschap, die het echter van wege de stad Oudewater niet +aan brood, haring, bier enz. ontbrak. + +Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich +op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel, +en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden: + + + Zoo min als dit kalf garen kan spinnen, + Zoo min zal Duc d'Alve de stad overwinnen. + + +Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek +niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen +zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer: + + + Al eer een jaar ten einde zal gaan, + Zal ik er door jagen den rooden haan. + + +Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet +volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen. + +Al hoewel van Bossu niet op Oudewater schijnt uitgegaan te zijn om +het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe +gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen +kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te +nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut van +Utrecht herwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen. + +Het leger te Monfoort aankomende, werden de poorten voor hetzelve +gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aan Linschoten +heen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk +een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als +in een zee stonden. + +Aan een oud moedertje in de Linschoten op haar erve staande, vroeg +Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend +beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had +doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich +spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de +voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten, +en eenige verdronken. [524] + +Zoodanig was de afloop van van Bossu's onderneming, om Oudewater +te overrompelen. + +Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaar Oudewater +aan te tasten, niet ten uitvoer kunnen brengen, eenigen tijd toch na +zijnen mislukten togt naar Oudewater werd hij in een gevecht op de +Zuiderzee gevangen genomen. + +Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij +gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje, +wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens. + +Had men van Bossu,--met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen +houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het +jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten +noch te verdrijven was; te Oudewater heerschte de pestziekte, en zij +woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer +3000 ten grave gesleept werden. + +Hetzij men te Oudewater ten gevolge des togts van van Bossu, of +ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de +zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede +was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men in Oudewater +groote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de +leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te +wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen, +enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den +overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij +verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds +met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt +opengesteld. [525] + +Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig +waren geweest. + +Oudewater toch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd, +ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en +die moord in het breede uit een zetten. + + + +Nadat Baldez onder Requesens het beleg van Leijden had moeten opbreken, +begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede +met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd en +Breda was de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden. + +Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken van Oudewater niet +vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend, [526] dat op den 24 Februarij +1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de steden Oudewater, +Schoonhoven, en Woerden alsmede het slot Loevestein niet alleen van +het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de +wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een +aanval bloot lagen, indien de vrede te Breda niet tot stand kwam, +zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de +vijandelijkheden. + +Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paarden Buren +ingenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt +toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van +15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat Hierges Buren nu versterkt had, +verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut +naar Bommel anderen naar Worcum, en de overigen naar de zijde van +Schoonhoven gezonden. + +Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn +bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had. + +Zoowel uit Gouda als uit Oudewater werd echter aan den Prins gedurig +berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn. + +De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen +en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en +het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten, +al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens +bevallen de staten van Holland voornamelijk aan die van Oudewater om +de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen, [527] en hen te +voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom +en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en +de krijgsoversten binnen Oudewater ten einde te Gouda waarheen men +aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en +het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd +en gesteld wierde. [528] + +De rede waarom men dit aan Oudewater beval, is ligtelijk te begrijpen. + +1. Had Oudewater een beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten +alle »onnutte monden" uit de stad verwijderd worden, ten einde men +met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte +toekomen en ten + +2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei +en door hunne tegenwoordigheid waar die niet vereischt werd, belet +worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting. + +De zorg van s'lands staten voor Oudewater berustte er nog niet bij. + +Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive +van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van +het naburige Benschop als van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat +zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene +zaak naar Oudewater te vervoeren, en er geschut van te gieten. + +Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de +klokken, kwam echter niets. + +De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op +het volgende neerkomen: + +Die van Oudewater waren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar +hunner geburen [529] en van Duyn meldt zelfs, dat zij Gouda hadden +gewaarschuwd op zijne hoede te zijn; [530] maar de meest afdoende +rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en +kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands +verloren zoude gaan [531]; aldra echter, zoude men zich over die +verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben. + +Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des +nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen +in den vroegen ochtend een zeker poorter uit Oudewater genaamd Dirk +Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden +om onder het groenbekrooste water, dat in de omstreken zoo menigvuldig +werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij +mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht +door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename +uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren +zij eene verbazende menigte vlugtende mannen, vrouwen en kinderen, +die van Dam toeriepen de vijand komt! De vijand is in aantogt naar +Oudewater en op de vraag van waar hij kwam, zeide men Langs den Damweg +van IJsselstein. + +Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding +vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen +hun toeliet, terug naar Oudewater, vertelde aan ieder de vreesselijke +mare en de meeste ingezetenen van Oudewater werden ontwaakt uit hunne +nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen, +met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt, de vijand +is in aantogt naar Oudewater langs den Damweg van IJsselstein. + +Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met +den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal +mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met +name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger, +den weg zoo mogelijk te versperren. + +De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd +was volgens Van Kinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag +even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde +van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren +staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de +openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed +bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden. + +De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat +de alom op de been geraakte »huislieden", die het--ter ontwijking van +het gevaar--op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden +medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood +het leven zelve konden redden. [532] + +Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naar Oudewater, willen wij de +krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen. + +Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was, +zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd +met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij +wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier +vaandelen voetknechten, [533] te weten: + +Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden, +namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder +Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche +dienst geweest zijnde, [534] nu aan de Staatsche zijde was. + +Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande +onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit +vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350 +manschappen, terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo +groot was, zoodat het getal weerbaren binnen Oudewater op omtrent +700 koppen gesteld mag worden. + +Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering +van Hierges. + +Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters, +benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15 +vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en +verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber +en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met +reden beducht, voor het lot, dat Oudewater boven het hoofd hangt.-- + +Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger +der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans [535] +die niet ver van Oudewater aan den grooten weg naar Montfoort gelegen +was [536]; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting +eener bijliggende sluis. + +De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen +gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de +verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voor Oudewater van zoo +groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens +van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste +goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand +was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken +en buiten moesten blijven. + +Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo +groote aangelegenheid voor Oudewater geweest zoude zijn; hadde men +haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel +geweest om Oudewater te behoeden voor het treurig lot, dat het te +verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen, +den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder +water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest +zijn, om van die zijde de stad te bevechten, en men had tevens, +daar de zwakke bezetting van Oudewater den prins van Oranje niet +onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter +versterking kunnen aanvoeren. + +Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde +van Oudewater bij Goejanverwellesluis gelegen, werd [537] door den +Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te +worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder +volk geweest is; [538] men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet +vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den +IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen +op de meest blootliggende punten op te werpen [539] en den inwoners +van Oudewater dus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden. + +Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman +binnen Oudewater was aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een +gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam, +moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting +viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijk ware het +beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt +gevallen. Hij toch, was te Haarlem met nut in het bestuur des krijgs +[540] werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door +eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend. + +Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig +ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere +dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten, +werden er verscheidene uitvallen door die van Oudewater, toen de +Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter te Oudewater +spoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden +en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet +één missen.--Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad +dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos +te verspreiden. + +Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men te Oudewater +tevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader +voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld. [541] + +Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te +verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen +toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid +bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een +bode naar Oranje te zenden. + +Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen, +nu de stad door duizenden vijanden is ingesloten? Wie zal er zich +een weg door banen? + +Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de +eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad +verwittigde, »Ik", zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins +met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en +.... mijne stadgenooten redden, maar", zeide hij tot den magistraat, +»mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne +echtgenoot en kinderen," iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat +ingewilligd werd. + +Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een +afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven +kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld +van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden, +zeer avontuurlijken togt uit. + +De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken, +en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid. + +Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit, +ieder met een grooten springstok bij zich. + +Het zijn de stoute togtgenooten. + +Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij +naken.... Zoo naderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden +zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij +naderen de tweede vijandelijke post en... weder gelukt het hen, die +zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nog ééne wacht en het +gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt; +geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij +volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het +nu naar de schans bij Goejanverwellesluis te rigten, meenende, hopman +van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne +teleurstelling, toen zij daar Spaansch hoorden spreken. Die sterkte, +nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard! + +Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt +te worden!--De gedachte aan gade en kinderen--aan het gewigt van zijnen +togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van +afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt +mislukte,--dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor +den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield. + +Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende +zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste +benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de +bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel +en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich +te zien. + +Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar +Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond +zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken +geraakte [542] en al spoedig was men nu behouden te Gouda, het +voorloopige doel hunner avontuurlijke reis. + +Men had te Oudewater de afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt +tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen +van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat men +behouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit +seinen niet achterwege bleef. + +Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste, +toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de +heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naar Oudewater +was, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt: +»van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten," Men werd dronken +van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou +zich er zeer over te betreuren hebben. + +Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden +aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding +te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men +in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de +overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen, +kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men +naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen +legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang, [543] +den vijand gestadig uitjouwende. + +De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie +aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te +behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het +stedeke Oudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger +onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen. + +Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om +den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was +beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om de +stad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende +land, hen te verdrijven. + +Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade, +alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men +dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet +om behoefden te bekreunen. + +En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens, +toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat +der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken, +was hij naar Delft op reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog +zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen +naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was +het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig +waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen +dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het toch Oudewater +niet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen. + +Men was in Oudewater echter nog in het onzekere wat van Dam bij den +prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren +om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van +Spanjaarden en geen reddend IJsselwater. + +De prins reisde eerlang zelf na de stad Gouda om te zien, [544] +of er geene andere middelen tot redding van het omlegerde Oudewater +konden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat, +voor de stad onzer beschrijving. + +Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven +werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin +men den benarden toestand van Oudewater aan Oranje schreef en op ontzet +aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen, +buiten staat om den Spanjaard van Oudewater te verdrijven en meerdere +manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had +geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen +naar Oudewater gezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen +de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden. + +In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken, +en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote +kerk en toren te vuren. [545] Hij had drie redenen op het oog, [546] +om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen. + +1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn +leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen, +die hij nam. + +2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van +denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd. + +3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren +zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen +dienen. [547] + +Naauw had men echter van binnen 's vijands meening omtrent dit laatste +punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en +de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig, +maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar +binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van +beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast +de grijze kerk aan den IJsselzoom. + +Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra +het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve +stond op den dijk [548] bij de galg in het markveld en was alleen met +19 zware muurbrekers en 4 dubbele kartouwen voorzien, die tot bij de +65 ponden ijzer uitwierpen. + +De andere batterij was met 5 stukken [549] voorzien en was op den +Montfoortschen dijk opgeworpen. + +Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en +niets weerhield hem nu om Oudewater op te eischen voor Philips den +II; ten acht ure 's morgens van genoemden dag, zond hij den Heer +van Oostrum [550] naar de stad en eischte dezelve met de meeste +vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave +van Holland op.--Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op +ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum [551] met gelijke +bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de +landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor +drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten, +om hem naar zijne Doorluchtigheid te zenden, en diens gevoelen op +dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg +slechts twee uren om zich te beraden. + +Men had dit in Oudewater niet juist begrepen, men meende, dat hun +tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was [552] +en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan +den vijand te berigten. + +Nog anderen, meldt van Duijn, [553] waren van meening, dat de stad +opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden: + +»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten +en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met +haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in +hunne gelederen gediend had, zeide, dat Oudewater werd opgeeischt, +onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs +gemaakt zouden worden. Willende hij liever in den strijd sneuvelen, +dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit +deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten +druppel bloeds." + +Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig +voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport van Oudewater meer +ontvangen, en ten [554] tien ure was het in de stad en in de environs +op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed +zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut op Oudewater gevuurd. + +Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk +gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen. + +Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers +en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij +menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om +weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde +der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den +dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht +op muren en torens geschoten, [555] toen men tusschen de 16 à 1700 +kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk, +dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot, +verbazend groot waren. + +Eindelijk zwijgen de vuurmonden..... het is nacht, de tijd van +ruste. Doch rustte men in Oudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene +moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog +ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam +haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem +het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid +te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling, +eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen, +men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos +overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich +de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om +het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij, +en waarom wil vader niet ontwaken? + +Rustte men in Oudewater? + +Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot +de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt.... hij +deed het, maar hij was niet zwaar geharnast, slechts een lederen kolder +omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den +wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande +een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig +ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft. + +Maar nu moest men aan het werk. + +Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de +bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde, +[556] en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en +andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen, +ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te +geschieden stond. [557] + +Doch de voorzorgsmaatregelen van die uit Oudewater bleven er niet +bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden +tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen +tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen. + +Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een +balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren +punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse, +aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren. [558] + +Voorts bedacht men in Oudewater nog iets om den vijand afbreuk te doen, +dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was. + +Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met +ijzeren punten bestoken, die ter wederzijde rustten, hieraan werden +weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen, +die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was, +die weder te kunnen optrekken. + +Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde +veste tot het uiterste te verdedigen. + +Maar de vijand zat insgelijks niet stil. Zijn doel was een stormweg +door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om +zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip +afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in +menigte bij Oudewater gevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee +paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens, +tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden +dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan, +niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden. + +7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voor Oudewater de +beslissende dag. + +Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer +over de 1300 keeren hebben gesproken [559] en de met zooveel ijver +gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte +ijzer. + +Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders [560] tot bij Oudewater +gekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste +te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid, +dat Oudewater dien dag weder onder Philips den II terug gebragt +zoude worden. + +Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten, +zond Hierges zijn legermeester Don Hernando de Toledo, de hoplieden +Francisco d'Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6 +soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den +wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden +te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich, +nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen, +dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van +den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte +vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd +was. + +Nu bedacht de vijand eene voor Oudewater rampspoedige krijgslist; +er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel, +dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde +namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en +tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen +of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn. + +Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die +van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den +vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij +vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen. + +Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór +dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door +het vernielend geschut onbruikbaar geschoten. + +Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd en nu zoude het niet +bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand +een oorverdoovend geroep van "naar binnen, naar binnen toe." [561] + +Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner +Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of +om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen" +ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche +troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens +gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke +wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar +den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken, +niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet. + +Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren +van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde +zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij, +hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug, +dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het +gevecht nog geen deel hadden gehad. + +De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te +worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen +en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen +streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten +lood, kokende teer en andere brandende voorwerpen op het hoofd en +de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd +aan. [562] Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op +die wijs den voet nooit binnen Oudewater heeft kunnen zetten. Maar +wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven! + +Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die men tot nu zoo +manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo +nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na +vijf vierendeels uurs zoo duur [563] den wal te verdedigd hebben, het +overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand +als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel. [564] + +Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm +des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen. + +In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen +der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was +vreeselijk. + +De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen, +werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die +natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene +steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte +dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed +was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van +het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een +tot den anderen, en als men zich dus eenigen tijd met het angstgeschrei +der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor +de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord; +noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen, +noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat +zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen, +noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol +een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere +priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het +moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege +ligchaam der ongelukkige slagtoffers. + +Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met +die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wilden hun leven +dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede +aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand +vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en +de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder +om zijn. + +Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of +iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden +zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen, +dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan. + +Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en +mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten +zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om +nieuwe rove op te duiken. + +Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds +geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene +schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt. + +Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp; +»de roode haan" die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stad +Oudewater te zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand +echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe, +dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen. + +Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne +woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust +op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin +gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur +te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges [565] den steeds +toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit, +verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige +huizen, het klooster en de parochiekerk. + +Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de +geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan +den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard +afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten +[566] en verdronken. + +De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige +wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd [567] den vijand +te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars +was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid. + +De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk, waren bij het +verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen +genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten +wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden +aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs +verkocht. + +De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien +van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus +niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden, +voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd. + +De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds +was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne +kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit +wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon [568] +en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt. + +Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig +gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen, +droegen de Staten van Holland zorg [569] indien het noodige hun +ontbrak. + +Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder +een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het +getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio +Beltram Dell. Penna. + +Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en +plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte +die ons nog overig is, niet afnemen. + +Nog een paar woorden echter. + +1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in de stad onzer beschrijving +gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als +men van beide zijden was [570] en hij was door onze stadgenooten +nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang [571] +en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en + +2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen +aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn. + +De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij +ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van +de ramp verschoond gebleven. + +In het jaar 1615, werd er te Oudewater eene naamlijst opgemaakt van +hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige +jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop +van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst, +die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt. [572] + +Terwijl de gratificatien, door de staten van Holland in stede +van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in +1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd +Corn. Jansz. Klopman. + +Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het +merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden. + + + +Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 te Oudewater +feestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare +menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten +ramp te herdenken dien het vroeger trof. + +Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de +straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog +steeds aankomende. + +Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en +stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit. + +Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed +overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en +thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de +stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en +dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw +spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk +ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen +dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met +zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam, toen was het +klokkengelui, het noodsein voor Oudewater en nu roept het de schare op, +om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op +dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal +op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking +van Oudewater aanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid +ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen. + +Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid +in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van +den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt, +met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag +verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde +stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken. + +In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille straten der stad +verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende +soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van +dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op +den »moord," zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden +jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens +familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu +met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.--Het is niet de moedige +jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven +staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal +draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd, +die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave +van Bachus gaan genieten. [573] + +Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te +herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan, +dat durven wij niet beslissen, maar waar is het, dat na jaren nog +menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag +van den »moord" wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste +dag was van het aanknoopen van eenen band door Freja gevlochten. + + + +Nadat Oudewater dus door den Spanjaard onder Philips den II, was +terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den +11 Augustus was Hierges reeds voor Schoonhoven, dat nu aan de beurt +was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de +zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden +of Duitschers in Oudewater als bezetting gelegd werd. + +Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten +hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel +mogelijk gezorgd, en ook de stad Delft bleef in October 1575 met het +ondersteunen dier rampspoedigen niet achter. + +In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij +de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen +het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd +begrip, immers ook Oudewater en Woerden dongen naar het bezit van de +Hoogeschool binnen hunne muren. + +Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat der Nederlanden +Zuid-Holland door A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden. + +»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug +het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze +stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft +gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting, +algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers +doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot +loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de +heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen +dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren, +welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den +roem der dappere verdedigers van Leijden niet, wanneer wij vermelden, +dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele +verhaal met de waarheid in strijd is.--Bij het algemeen doordringen +der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst +leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het +vaderland bestond geene gelegenheid om zich in de daartoe vereischte +wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds +gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie, +was door Prins Willem en de Staten van Holland over dit belangrijk +onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de +inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter +opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van +verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche +overheersching hadden geleden, als Oudewater, Woerden en anderen, deden +al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen +binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na +de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het +hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste +stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en +het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van +den Prins werd eindelijk besloten de academie te Leijden te vestigen, +eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk +omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare +ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit +laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan." + +Ruim 15 maanden was Oudewater nu al door soldaten van Philips bezet +geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de +Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van +Oranje terug te brengen. + +Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de +kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen +drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het +tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haar +weder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de +omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet +kwamen. Dit werd toegestaan, [574] en alle burgers en andere getrouwe +personen, die zich in Oudewater vestigden, zouden genieten, vrijdom +van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van +de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden, +ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden, +egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d'Ingeseetenen der +voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar +sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar +inne eenige soldaten 't ontvangen ofte te logeren, willende die Staten +voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen +onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn +gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen +worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte +den Staten voorn. mit goede kennisse van saken anders daar inne +sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve +Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre +ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te +rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te +houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande, +ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende +ordonnantien van zyne Exce. ende der Staten voorn. als naar behoiren, +waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde +van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld +ende genomen. Gedaan tot Delff den xijen. Novembris Anno XVc. sessen +'t seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was +geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands +Zeeghel." [575] + +Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een +aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene +staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig +hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste +van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten. + +Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden. + +Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest +was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van +Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt. + +Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude +zijn. + +1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg te Gouda +bijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te +hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen. + +Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van +het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze +rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken" verworven had. + +De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante +gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet +gebijt had. + +Het »oude varken" zou dan het eerste over het ijs gaan, over den +wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het +rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen +mogten volgen. + +De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met +ingespannen verwachting het sein. + +Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak +was het »oude varken" rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit +dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in +twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt. + +In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de +schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug. + +Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt +het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten +der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10 +man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning. + +De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid, +wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen +te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins +zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem +zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing +kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding, +om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd. + +Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en +marscheerden naar het nog Spaansch gezinde Sticht van Utrecht. + +2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn. + +Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodat er weinig of geen +toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de +bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar het Sticht zijn uitgetrokken, en +de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met +de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar +dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen. [576] + +Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast, +dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond +men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de +wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat +ten gevolge van het beleg. + +Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de +wegen bevonden. + +Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk +archief van Oudewater berustende. De eene heeft tot opschrift: »Ano +1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cley burgemr. van +jaere acht en tseventich binnen Oudewater vande tweehondert ponden +van xl groon tot reparatie van dyckagie ontfangen;" de andere: +»Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van ontfanck bij Cornelis Dircxz en Jan +aertsz Burgemrn der stede van Oudewater inden jaere XVc acht ende +tseventich gedient beroeren de vijftich gul ter maent tot behouffe +vand opruyminge van straten bij karolus gul. tot xl groon vlaems den +groot tot iiij dts gerekent." + +Uit de eerste schrijf ik deze posten af: + + +Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken +bestaet en gegeven van maecken ten eersten twesteynde vyftich gul. + +Item noch vant oesteynde van dyck te maecken gegeven XXXVIIj +k. gul. X stv. + +Item tvoorgen gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te +volmaken gegeven van arbeytsloon LIIIj-- + +Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken +mette aerde daar bij leggen van arbeyt gegeven Ij--XIIIj-- + +Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede +doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was +weder of doen effenen van arbeijt gegeven Ij gul. X stv. + +Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen +buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer +stede vuytgegraven was fa IIIj--XV-- + +Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie +te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet fa Ij--" + + +En uit de laatste: [577] + + +»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs +ses st. tot XXXVj dagen toe fa X--XVj-- + +Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese +weecken lanck compt XVIIj dagen fa IIIj--X-- + +Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers +fa Ij--Ij-- + +Item noch een man van een dach te laden gegeven --Vj--. + +Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechs + IIIj st. f Ij--" + + +Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meer voet, zoodat dan ook +in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen +in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra +onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst +te Oudewater werd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden +gelegd. [578] + +Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de +industrie begon weder eenigzins te herleven. [579] + +Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren +en jaren behoeven. + +Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad +bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk +Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten +en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door +twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel, +de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd +had. [580] + +Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe, +als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als +zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten +wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken +bespieden. + +Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het +overlijden van Requisens op den 25 April, eene vereeniging tusschen +Holland, en Zeeland tot stand kreeg. De steden Schoonhoven en +Oudewater waren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den +Spanjaard waren ingenomen, evenmin ook Woerden, dat nog belegerd werd, +maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd, +[581] ten volgende jare besloot men te Middelburg op een door de +Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken van +Oudewater, Woudrichem, Vlissingen, Veer en meerdere sterke steden [582] +en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voor Oudewater +verscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden. + +In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie van +Utrecht waardoor de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, +Groningen en Vriesland naauwer aan een gesloten werden. + +Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der +vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te ' Gravenhage +Philips van Spanje met zijne nakomelingen voor immer af. [583] + +Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi +niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stad +Oudewater. + +Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld +is. + +In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier +scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden +van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van +al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden +en onzen lezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden +bezorgen.--Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts--naar onze +wijze van zien,--van de voornaamsten zullen gewagen. + +Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het +jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van +resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581 +eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad +aan den Bailluw, om voor de vierschaar als Procureur te fungeren; +van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de +conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom +en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van +dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij +subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten, +ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in +het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade te Oudewater, +benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den +accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40 +groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden. + +Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon +toe te nemen, onder anderen: + +1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het +bestrijden der stads verbeteringen, + +2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde, +de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en + +3o. dat ook de Gemagtigden uit Oudewater in het jaar 1583, weder voor +het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen. + +Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene originele acte van +volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te +verschijnen in 's Gravenhage en te beraadslagen overeenkomstig +de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in +schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat van Holland, +hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I. tot +graaf dezer landen. + +De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige +gewesten er tegen waren. + +In April 1583 was men van Oudewater weder onder de steden, die geroepen +waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het +geheimzegel te bezegelen. + +Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen, +dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond +meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en +Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven +beschreven werden, [584] om op den 16. October 1583 te Dordrecht te +verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen. + +Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht, +immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van +wege de Staten van Holland, waarbij Oudewater wordt uitgenoodigd ter +dagvaart te Dordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk, +met die van Zeeland en Utrecht te besluiten, over eene leening van +125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en +1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor +de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584 +aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij name Oudewater +dat zij alle oproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden +bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke +getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden. + +Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon +van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen +en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde. + +Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme +te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet +om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord +aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnen +Delft de twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De +vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste te Delft beschreven, +om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen [585] en +namens Oudewater verschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken +tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn [586]. + +»Intusschen," zoo schrijft Van Kinschot [587], waren die van 's +Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat +ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en +afgevaardigden der steden nu te Delft bijeen zijnde, deden den eed +voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op +het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig +genoeg over dit gewigtig onderwerp had gesproken, getuigden die van +al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het +bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van +de vereeniging tusschen Holland en Zeeland nimmer te zullen scheiden, +waarop zij den volgenden dag ontslagen werden. + +Voorts verschoonde Oudewater nevens de kleine steden zich, om dezelfde +reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten +namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste +wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden +van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange +rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die +achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op +de borst de bus der stad moest aanwezig zijn. + +Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin +van Engeland stond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden +krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij +rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en +heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht +te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschap trachtte, maar zelfs +de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins +Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders. + +Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de +krijgslieden nog eenigen tijd bleven. + +Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten, +die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten +van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning +aan de stad Oudewater tot voldoening van 250 pond, als aandeel der +gemeenten in den algemeenen omslag en contributie, ten einde in de +groote lasten van den oorlog te voorzien. + +De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien +zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de +Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min +of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen +in te ruimen. [588] Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan +de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten het Veer aan +Oudewater toevoegden. [589] + +Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester +weldra, in 1586, de Nederlanden verlaten, doch het leger,--staande +onder soldij der koningin van Engeland,--dat hij achter liet, was nog +10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende +steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die +steden verzekeren. [590] Alhoewel wij Oudewater niet op de lijst dier +steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief +van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van +een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillende stukken +aangaande den kommandant van de bezetting binnen de stad Lancelot, +Heer van Marbaijs. + +In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen +zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land +tusschen Utrecht, Amsterdam en Gouda af. [591] + +De Staten van Holland en Zeeland namen nu dan ook maatregelen, om +zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden +prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als +stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om +alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven +te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te +doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of +aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne +gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt, +moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar [592] +naast het archief der stad Oudewater gelegd, komen treffend overeen, +immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande +de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en +knechten, binnen de landen van Holland en West Vriesland en tegen +alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen, +en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder +garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips, +grave van Hohenlo. + +Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot +bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in +waardgeld aangenomen. + +Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren, +dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had +zich al eenige jaren moeten vergenoegen met 2/3 hunner soldij, terwijl +hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu +wilden zij volle afdoening en weigerden den Staten en Prins Maurits +gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan. + +Te Oudewater was men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse +processenverbaal tegen het garnizoen in 1587-1588 opgemaakt. [593] + +Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men +steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te +maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te 's Gravenhage +belegd, waren de gemagtigden van Oudewater weder tegenwoordig. Het +schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen +ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in +dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt. + +Utrecht zelfs, dat Oudewater zoo menigen keer met zijne troepen +bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die van +Oudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk, +den vorigen avond door Jutphaas neerwaarts gepasseerd was. Die van +Utrecht verzochten daarin »Crysvolck" uit te zenden, het slaan der +klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden +betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts, +dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden. + +Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al +zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het +muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden. + +Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en in de Spaansche +Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III. + +De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote +overwinning door Maurits bij Nieuwpoort plaats, waarbij de Admirant +van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde +der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden, +en wij vinden dan ook in het archief der stad Oudewater van den 21 +Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland, +houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van +al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den +Admirant van Arragon. + +Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig +van aanbelang te Oudewater geschiedde. Philips den III. echter werd +in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig +bestand sloot. [594] Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten, +maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt +beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en +contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer +hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing +naar de bronnen aantoonen, dat die in de stad Oudewater niet van de +minste waren. + +De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als +wij weten in Oudewater geboren, [595] en zijn grootste tegenstrever +de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie +aan de hoogeschool te Leiden. + +Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden +maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist. + +Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren +beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene +Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden. [596] + +De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608, +werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt. + +Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen +aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het +gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met +Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen. [597] Onder +anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein te Oudewater den +contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig. + +Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders +nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen, +die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke +overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar +Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in +kerkelijke vergaderingen moeste beslissen. + +In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de +vergadering der Staten van Holland, waarop Arminius echter spoedig +overleed [598]. + +De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar +barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit. + +Te Oudewater had de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius +zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten, +of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding, +die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke +verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar +den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius [599]. + +Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnen Oudewater +niet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina's +daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden +van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de +volgende drie in de noot aangeduide brochures [600] en ga de diverse +stukken op het raadhuis over die geschillen bestuderen. Indien hij +dan van het »Audi et alterem partem" houdt, zal zijn wensch in ruime +mate bevredigd worden. + +Wij ontleenen aan het »historisch verhaal" kortelijk het volgende: + +Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten +omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de +steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op +het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet +van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen. + +De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar +zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was, +konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd +van beraad verzochten, dien zij verwierven [601]. + +Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij +verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot +aan de broeders, de predikanten te Amsterdam, en nog aan een andere +»kercke" schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen. + +De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij die bijeenkomst +geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in +den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem +dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was, +zoo konde men hem niet overtuigen. [602] + +Op het schrijven aan de predikanten der stad Amsterdam volgde den 7 +Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive [603] aan de +eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren van Oudewater, +waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht +werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren, +ofte hen in hun gemoed te bezwaren", verder verwezen zij naar den +zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door +de tweedragt ontstaan zouden enz. enz. + +De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de +toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn. + +De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal +gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en +militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen +tot den draad der geschiedenis terug te keeren. + +Men had nu te Oudewater en elders gezien, dat de onderlinge +verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er +insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor +te weeg gekomen waren. + +Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den +aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne +gezindheid op het kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid +der Regenten hen tegen was [604]. Doch nu sterker en meer openlijk +ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen +gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen. + +Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat van Holland en de +tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet +bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten +daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen +wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken. + +Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de +schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De +prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vesting Oudewater +na den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten +toe te staan [605], het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij +van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der +stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders" +binnen Oudewater. + +Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de +meerderheid der Staten van Holland nam op den 4 September 1617 +een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben +de »Scherpe-Resolutie" [606] maar eenigen tijd hierna besloot,--na +veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,--de Hooge Raad, +die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen. + +Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen +schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot +verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en +zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stad +Oudewater waar hij eveneens verandering in de regering bragt. + +De synode van Dordrecht werd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens +geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt. + +Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het +begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde +Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen. + +Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat +zijn zoon Philips IV. hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu +de krijg weder hervat. + +Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog +vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het +afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den te Oudewater +liggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uit Oudewater te +gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus +1623. [607] Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving +men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits, +en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al +spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke +waardigheid. + +Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd, waren er van +Oudewater eveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato +16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard +wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis +behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten +er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize. [608] De bevolking der +stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637 +werden daarenboven uit Oudewater 50 manschappen uit de burgerij +geligt om te Steenbergen garnizoen te houden. Dit deed de oorlog, +maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de +vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en +in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept. [609] + +In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik +en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het +volgende jaar 1648 werd de vrede met Spanje gesloten. De vereenigde +gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend. + +Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stad Oudewater had er +in groote mate zijne treurige rol in gespeeld. + +Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen +voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare, +noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der +gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den +loop van zaken schetsen. + +Nadat de vrede met Spanje gesloten was, behoefde men zoo veel +krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincie +Holland meer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en +de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst. + +De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna +beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van +Willem den III. zal leeren kennen. + +Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de +fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter +van den overledenen Philips, aanspraak op de Spaansche Nederlanden, +waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte. + +De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en +wisten een verbond te sluiten met Engeland en Zweden, ten einde +Lodewijk XIV weder met Spanje te verzoenen. De vrede kwam dan ook +terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer +verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan +te doen; eerst moest hij het verbond tusschen Engeland en Zweden met +de Staten hebben vernietigd, eerst poogde hij de Staten er van af te +trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het met Engeland, +dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk +overreden om met hem ons te beoorlogen. + +De twee vorsten, wisten nu Zweden insgelijks aan hunne zijde te +brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van +Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons +land te overrompelen en te verdeelen. + +Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze +oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er +veel van te kunnen verwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het +was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De +oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen +nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het +gemeen, zeer mishaagde. + +Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt, +den veldtogt, die nu aanstaande was, en ook Oudewater zoude beroeren, +zou worden bevorderd. + +Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan +de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit +gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met +eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man +begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald +en Oudewater viel insgelijks in den magt der franschen. [610] + +Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten. + +Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ook +Montfoort werd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers +bezet. + +Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan de Nieuwerbrug de +steden Woerden en Oudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was, +zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich +dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning +vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort +werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden in Woerden gelegerd, +terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naar Oudewater +zond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden. [611] Tot dusverre +Wagenaar. Omtrent dit voor geheel ons vaderland en ook voor Oudewater +zoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert +van den Bosch, ons [612] in betrekking tot de stad onzer beschrijving +nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te +herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij door Nijmegen over de Maas naar +'s Hertogenbosch getrokken was, vervolgt hij in dier voege: + +De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche +posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de +graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur beneden Oudewater te legeren. + +De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en +geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad, +noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging +waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der +vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk +te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naar Utrecht om +aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar, +der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met +en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden; +alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap. + +Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar 's +Gravenhage te zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne +afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken, +dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie +bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling +en verbetering van de stads wallen en sterkten; men beval den +Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen +van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad, +die zich bereid toonde goed en bloed te wagen. + +Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt +tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen +hadden, als de vijand Oudewater naderde, zijn legerschare zich voor de +veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid +aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer +aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen +zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te +gaan, die met zijne troepen te Bodegraven lag, maar de verwarring, +die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die +men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier +onverrigter zake wederkeeren. + +Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is +waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands +van het stedeken bij de Wierinkken en derzelver sluizen, kunnende hij +daardoor Oudewater en omtrek deels onder water zetten door middel van +den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk +de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet +bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver +zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig, +dan slechts in een »vervuilden hoek" een paar oude ijzeren stukken, +en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De +magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te +koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon; +die te Utrecht op kondschap lag, nog een tonnetje van ongeveer +80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter +naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet +boven de 300 mannen uitleveren. + +Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad [613] in geen 30 +à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed +bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der +Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten. + +Men wachtte echter nog op tijding uit Utrecht. Ondertusschen werd de +Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk +zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die +van Utrecht al gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter +nog niet over. + +Daar komt eensklaps de persoon die te Utrecht op kondschap was, de +verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon +de Franschen binnen Utrecht had zien trekken, en hij ter naauwernood +hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken, +niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten +van Oudewater bevinden. En de bode had zich in die meening niet +bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende, +zakten gedurig nederwaarts af. + +De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land +aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de +dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde van Utrecht, +niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan +capituleren vinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand +in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om +eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij +tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de +Gecommitteerden tot het naburig Montfoort genaderd, of zij ontmoetten +de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons +gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen +terstond goede beloften. + +Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de +Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood +ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden +Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van +den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier +dus Oudewater insgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De +Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem +ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit +bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de +gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer +regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en +conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting +binnen Oudewater zoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen +of musketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet +den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met +zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd. + +Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet, +zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen, +pistolen en zijdgeweer. Niemand dezer troepen sliep gedurende den +nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat, +uit vreeze van overvallen te worden. + +Zij schreven naar Utrecht om ammunitie en daar die ook zoo spoedig +niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger van +Utrecht ontvangen had. + +Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op +den 29 Junij des namiddags naar Utrecht vertrokken zijnde, zij des +voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten, +waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een +paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder +dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren. + +Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot +hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en +bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven +soetelende" waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de +bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe +met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden, +koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen, +en nu mede ter stede werden binnengevoerd. + +De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar +de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen. + +De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La +Pornerie, maar op den weg naar Utrecht lagen nog 9 standaarden +Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood. + +Nadat de Franschen zich dus in en om Oudewater gelegerd hadden, +eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de +ypenboomen rondom den stads cingel staande, af te kappen, die tot +pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen +(in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe +doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange, +geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd, +dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield +men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was, +na negen ure des avonds over de straten te gaan. + +De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed +de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort +langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het +leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook +met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te +beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn +kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der +stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde [614] +geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat +hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn, +150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langs Honkoop +doen defileeren. Deze nu aan de andere zijde van Oudewater aangekomen +zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij +onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet +alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte, +maar de Franschen werden door het gestadig schieten van deze 150 man +zoodanig verontrust, dat zij naar Woerden, Montfoort en Utrecht om +bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht +waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschap Willeskop +en die om de stad stonden. + +Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig +schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid +niet wat dit beduidde.--Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij +tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden +kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet +nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende, +droeg dit 's prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand +nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van +Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement +opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen; +slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen +had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden, +waaronder eenige voorname officieren. + +Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen +volgen: + +»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in +te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant +konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo +gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar +eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water +beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de +steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen, +dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo +hoog door de sluysen in konde laten als men wilde. Hy vraagde ten +derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en +bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen +lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan +hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met'er tijt +wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed, +ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven. + +»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen, +aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de +Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk +hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn +was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men +giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten: +hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen +konden uyt-maken. Sy spraken veel van Leyden, en wilden daar na +toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by +het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy +vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle +hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy, +dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en +seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte, +dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren +hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen, +sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen. + +»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het +opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende, +sag ik door het venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis +de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander +groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in +mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den +Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken; +(ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben) +ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt +hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen van Utrecht; hij +seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en +omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde, +wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy +seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen: +meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het +Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende +van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot +ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts +daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee +wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen, +waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en +nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar +weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat +ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen +Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen, +zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5 +uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de +sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren +wederom, met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het +uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede +te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my, +om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat, +maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt +van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den +Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders +is aan de stad de minste overlast niet gedaan." + +Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt +werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten, +opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude +zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar +de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door +de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven +kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren +uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze +tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui +zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen +10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën +voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de +poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester +en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was, +en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad; +Oudewater behoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van +van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode, +zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen. + +Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij +zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich +hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stad Montfoort op +de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des +namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36 +gevangenen waaronder eenige koninklijke Sauvergardes binnen de +veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn +ter bezetting van Oudewater aangekomen. Immers nadat de Koning, van +Zeijst was opgebroken en de Franschen Oudewater, Woerden en Montfoort +ontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door +den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij +ook Woerden en Montfoort gedaan hebben, maar Oudewater werd door de +spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen +bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux +tot nabij Montfoort genaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch, +vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder na +Utrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad, +noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na +haar voorige post te doen verhuysen. + +»Nu liet sijn Excellentie in 't eerste aldaar slechts 300 man van de +Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam, +bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie, +sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen +Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken +verandert; in-voegen Oudewater doenmaals maar als een brandwacht en +buyten-post gerekent wierd. + +»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerders een brief van +Utrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die van +Oudewater daar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags, +of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar +op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naar Utrecht vertrokken, +die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad +van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren +korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat'er noch een +vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die van +Oudewater daar door een vryen pas van de Franschen Commandant. + +»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen, +en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken, +wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam +geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie +den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele +post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten, +te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn +broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel +van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en +200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed +scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren, +Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de +borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen; +'t welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse +gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt +wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen. + +»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm, +doenmaals noch Luytenant Colonel, hier binnen gekomen met 5 vaandelen +Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum. + +»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts +ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen +binnen Oudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer +Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn +Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken +aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier +was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt +naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk +met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in +een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch +tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn +geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn, +was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy +sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten +aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote +vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de +wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant: +een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en +aldus kreeg Oudewater in 't korte een heel ander oog; en de plaatse, +die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor +een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad, +en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den +vyant te gemoed sag. De besettinge van Oudewater was ook te meer +noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte, +en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen. + +»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt +wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den +21. van de maant September, wierden'er 18 a 19 Fransche gevangenen +binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche, +staande op de brantwacht buyten Woerden. Den 29. dito kregen de +onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by de Linschooten. En +soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een +Missive van den Hartog van Luxemburg geschreven, om lossinge van +eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer +gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft +by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert +gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht, +en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een +eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe +altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht." + +»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen +binnen Woerden waren getrokken, soo is den Hartog van Luxemburg +met Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad +doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van +Hoorn tot Oudewater ook met alle naarstigheyt dede doen; de welke +kondschap krijgende, dat den vyant omtrent Woerden seer besig was, +met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden +daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig +voetvolk op de huysen Nes en Linschooten, om hem te ondersteunen: +en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal +gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas, +de welke de kaap op naar Wulverhorst, met eenige weynige Officieren, +om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al +hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde, +met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar +sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren." + +Zooals men dus bemerkt, had de stad Oudewater in 1672, een zeer +verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles +werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in +het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die van Oudewater tegen +de franschen onvervaard en dapper, naast die van Alphen, toen vielen +er bij de Nieuwerbrug in eene charge meer dan 50 man van den vijand +onder den voet. [615] + +Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die van Oudewater +zich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf +diene men echter te weten, dat Montfoort en Woerden nog in het bezit +der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche +schutters binnen deze stad in bezetting lag. + +Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen +[616] van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit +feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene +dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het +Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde, +werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt, +en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnen +Oudewater berigt had, dat 500 franschen naar de zijde van Linschoten, +Diemerbroek en Papenkop optrokken, kennelijk met het doel om te rooven +en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden. + +Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers +eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van +Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen +maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te +doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet +alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500 +à 600 soldaten vergezellen. + +De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder +met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel +onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar +hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen +onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de +vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit +achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na, +totdat de vijand zich tusschen Papekop en Diemerbroek achter eenige +hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf +van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op +de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de +grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot +vóór de poorten van Woerden en Montfoort, daar zij uitgetogen waren, +werden nagezet. + +De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen, al hunnen +buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend +geworden. + +Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er +gekwetst. + +Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich +met sleden vol hooi en huisraad binnen Oudewater weder keerden. [617] + +Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende +wapenfeit in de geschiedenis aantreffen. + +»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en +twintig Franschen van Woerden naar Uytrecht, onder een Colonel en +eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten +met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder +Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf +Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden +komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen +met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten, +onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan, +en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was, +behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier +verleenden, en binnen Oudewater brachten. Van de Staatschen was de +Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de +Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten +wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier +Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf: +behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt. + +Deze en meerdere veroveringen bezorgden Oudewater grooten naam in de +geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn, +die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens +den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken." [618] + +Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen, +en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang +echter zoude Oudewater gebukt gaan onder de schade die het aan huizen, +en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten van +Holland en Westvriesland octrooi [619] tot het oprigten eener loterij +van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in +den jare 1672 geleden. + +In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën +der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets +krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied +bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij +moeten daarbij een weinig stilstaan. + +In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stad Oudewater +verlof verzocht, door den Lutherschen Predikant van Woerden, +om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in +de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die +aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te +bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de +inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde +hun zulks niet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed +de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester +F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de +la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer +Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een +geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel +was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde +hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den +Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene +Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op +den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het +verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen, +door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen. + +Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd, +bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de +redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het +verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der +Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden +mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met +de bepaling dat zulks zou moeten geschieden op het choor, voor die +reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil +van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong +te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor +den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster +te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de +Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst +zou gedaan worden; met bedreiging, den koster te zullen afzetten, +indien hij zulks niet weerde. + +Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden +vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen +tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te +leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen, +ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder 't +oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap, +niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen, +dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij +nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een +besluit werd genomen van den volgenden inhoud. + +»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester +de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van +de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster, +verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te +stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde +resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen +dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie, +als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en +te behooren. Gedaan bij de Heeren enz." + +De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De +Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene +stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met +het snappen van eenige »klopzieke wijven," die er den mond vol van +hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver +van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op +het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dus +voor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden +Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5-6. »de heiligheid is +uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!" Na eene korte verklaring +van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat dit Huis (bedoelende de kerk +waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve +niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat +het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten +gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat +het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die +daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn, +de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen, +die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met 's lands wetten +en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde +hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne +waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij +sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij, +in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met +regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden +die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te +zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed +met 's lands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde, +hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen. + +Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek +wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die +elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over +de woorden »Gij zult niet doodslaan." Thans zocht hij aan te toonen, +dat, hoewel men in 't algemeen geduld moest hebben omtrent degenen, +die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest +worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het +ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door +het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de +ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook +dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken +veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit 's lands +plakaten te bewijzen, de ongeoorloofdheid van 't geen dezer dagen +was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen +ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het +nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten +van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven, zonder +verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In +dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten, +volgens de getuigenis van vier personen, in Januarij des volgenden +jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen. + +Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in +dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter, +bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht +beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen, +dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen 's +lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie +der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met +de keuren van Oudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid, +tot opruijing en aanhitsing van 't gemeen, en van verre uitzigten was: +en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze +de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte +uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel, +dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet +te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van +gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de +zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo +ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den +Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne +zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want +toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom +op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om +den Leeraar door twee leden al ware 't zelfs zijn beste vrienden, +de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder 't oog te brengen en zijn +Eerwaarde te vermanen, in 't toekomende, zich daarvoor te wachten, +werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de +hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars +fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der +gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen +pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen +in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te +strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden +worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten +was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben, +sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de +proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op den +Zaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest +gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde +de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag, +maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze +vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet +op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit +ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel +hun gezag te handhaven, en dit geschil, 't welk in de vroedschap +slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op +den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars +te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de +proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de +twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer +euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van +Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout van Oudewater. Hij oordeelde +Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene +Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven, +welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt, +niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te +rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot +en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich +te wenden tot de klassis die in April te Schoonhoven zou gehouden +worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en +den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten, +of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt +worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald +besluit te nemen. In den onzekeren kans, welken uitslag deze zaak +zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van +wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan +dertig personen, niet te Oudewater, 't geen vreemd is, maar buiten de +stad, te Hekendorp woonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste +uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo +des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet +gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven, +zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen +van Hekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk +velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten +vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten +October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden, +de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één +jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den +smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken, +dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun +aangenaam, in 't bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing +van schepenen. Van wegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich +had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen, +zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde +worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder +dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen, +om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en +het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de +dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den +Majoor de Charreton, kommanderende het tweede Bataillon van Oranje +Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd +door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten, +plotseling van de hand gewezen, met te zeggen: de Armenianen en Papen +zullen 't ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk +aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord +bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte +vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit, +schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens +der Wethouderschap van Oudewater aanschreven, aan de Lutherschen de +gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige +redenen van weigering waren. + +De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan +den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans +Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde +daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich +ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo +zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren; +waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande, +zeide: dat 's zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus +gedrongen, las het opschrift van eenen brief aan Gecommitteerde Raden +in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden +aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als +een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder +in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De +President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, 't welk +goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande de secretaris hem +daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een +bevel van Gecommitteerde Raden aan den Majoor om eene der aangewezene +plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze 't bevel ontvangen of hij +begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was, +waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere +onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering van Oudewater werd gelast +de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te +ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in +deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker, +Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren, +in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen +uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten +zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen +verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen +beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich +daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de +hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan 't +voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel +te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee +gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht +de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner +mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo +als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe +weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk, +om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de +bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk +te gemoet gingen. De vrienden van van Amstel verzochten insgelijks +hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd, +stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in 't bewind en zeven +nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus +de meerderheid, waarna alles tot rust kwam. [620] + +Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnen +Oudewater voorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het +eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive +van Burgemeesters en Regeerders der stad Woerden met concept adres, +waarbij Burgemeesters en Regeerders der steden Woerden, Oudewater, +Naarden, Weesp en Muiden zich wenden tot de staten van Holland en +West-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris +der vereenigde Staten van Noord-America eener commerciele verbindtenis +te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782. + +Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis +der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de +Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk +verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele, +en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur +verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen +steeg met den dag. + +Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met +de staten van Holland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden +geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar het Loo, en toen de Prinses +van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar 's Gravenhage wilde doen, +werd zij nabij Oudewater gevat en gedwongen terug te keeren. + +De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond +den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten +uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot +verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de +ontevredenheid steeds nieuw voedsel [621]. + +Oudewater dat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet +geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest +niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen +en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd; +nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche +burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch +leger dienst te gaan nemen. + +Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte, +voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De +strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen +den weg tot in het hart van Holland. De Patriotten jubelden, de +oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week +naar Engeland op den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep +ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in 1795 door +Franschen bezet. + +Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende, +dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger +met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang; +er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het +bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de +aandacht te trekken, de godsdienst van den staat werd afgeschaft, de +heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen +waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen met Engeland, en +leden deerlijk in den handel, etc. + +De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt, +en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood [622]. + +Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen +tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren van +Oudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland. + +Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798 +aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke als Oudewater +fraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks +regering, de eer had, 3 compagniën der koninklijke garde Jagers te +huisvesten [623]. + +Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder +Keizer Napoleon [624] en de eerste deed dan ook in het jaar 1810 +afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote +fransche keizerrijk. + +Nederland! dierbaar Nederland! hoever was het gekomen. Gij werd nu +geschrapt uit den rij der namen en natiën van Europa, meer dan ooit, +drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het niet wagen +daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen +van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd +[625] toepassen. + + + Hollands beemden, Hollands beemden! + Ach, hoe jammerlyk ontwijd, + Waar de scherpe ploeg der vreemden, + Voren door uw boezem snijdt! + Moet mijn oog u dus aanschouwen, + Land van glorie, land van kracht?.... + Thands een land van machtloos rouwen, + Om uw ouden roem gebracht! + + Hollands beemden, Hollands beemden! + Ach, waar zijn uw dagen heen, + Toen zoo menig Leeuw der vreemden, + Deinsden voor uw Leeuw alléén! + Toen, op 't wappren van uw stander, + Door den schrik vooruitgesneld, + Benden stoven uit elkander, + Krijtend: "Holland is in 't veld!" + + Hollands beemden, Hollands beemden! + Is uw roode Leeuw vergrijsd, + Dat de trotsche hand der vreemden + Hem in 't spoor der schande wijst? + Zijn zijn tanden stomp gereten? + Zijn zijn lendenen verlamd? + Zijn zijn naaglen stuk gebeten, + Dat hy niet ter weer ontvlamt? + + Hollands beemden, Hollands beemden! + Frankrijks wingeweste thands-- + In het wolkengraauw dier vreemden + Dooft het zonlicht van uw glans! + Al uw glorie is ontluisterd: + Frankrijk kwam met boei en band.... + Ach, uw zonen gaan gekluisterd + In 't onteerde Vaderland!.... + + +Maar daar kwam redding. De slag bij Leipzig bezorgde Napoleon eene +dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en +Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen +aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den +zwaren last der overheerschers van hunne schouders. + +De Franschen namen alom de wijk. Naarden en den Helder werden echter +nog belegerd en te Woerden gedroegen zij zich zeer wreed. + +In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een +voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in +persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan +ook als souverein Vorst der vereenigde Nederlanden werd uitgeroepen. + +18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den +slag bij Waterloo verloor en van dien tijd ademde en leefde men weder +vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning der Nederlanden. + + + Het verkoelde bloed vloeit sneller, + En het oude hart werd jong, + En het woord van dank en zegen + Juichte van de ontboeide tong, + Holland Holland was herboren, + Holland rees uit schande en smaad + . . . . . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . + + Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren, + Hij ontwaakt met nieuwe kracht, + Wee, wie op zijn ruste vertrouwend + Vleijend hem te kluisteren tracht. + + +En in de rust en den bloei, die nu in Nederland aanlichtte, deelde +ook Oudewater. De vijanden alomme verdreven en eene andere lijn van +defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd! + +Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert +1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege +publiek verkocht. + +De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan, +kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en +arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden +geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt [626]. + +Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het +Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een +magazijn ter berging van oorlogs ammunitie. + +In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het +Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar +de Colonie Fredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook +binnen Oudewater de militie gemist, die er garnizoen hield, werden +zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd, +werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt, +nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden +kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te +bevorderen, bleven ook hier niet achterwege. + +Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eene werkinrigting voor +behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen +en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw der inrigting +zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van +pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting +gemiddeld werk. + +Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eene vrouwen +vereeniging met het doel aan behoeftige kraamvrouwen gepaste ligging, +kleeding etc. te verschaffen. [627] + +Eene vereeniging tot kostelooze ter aarde bestelling van behoeftige +overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrekt Oudewater +eveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden. + +De oudste der vereenigingen van dezen aard, is het Lijndraaijers Gilde. + +Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie +op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en +uitkeeringen in geld gedaan. [628] + +Voort bestaat er hier een departement van de maatschappij tot nut van +het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859 +met feesten herdacht. + +Nog behoort Oudewater en omstreken tot eene der afdeelingen van de +Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling +geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52. [629] + +Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden, +onder anderen: + +Eene Liedertafel, onder den naam van Crescendo, opgerigt ten jare 1859, +18 leden. + +Eene muzijk vereeniging genaamd Amicitia et harmonia opgerigt 1855, +8 leden. + +Eene Rederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen +dichter Borger opgerigt 1857, 9 leden. + +Ten jare 1850, werd hier opgerigt de Nederlandsche Brandwaarborg +Maatschappij voor roerende goederen, enkel van landbouwers en +veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en +P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders. + +Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen. + +Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en +eene bijzondere school. + +Oudewater behoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt +der Provincie van Zuid-Holland, wat het cantonnement betreft onder +Schoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onder Gouda en met de +protestantsche classes eveneens onder Gouda. + +Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten +en wetenschap. + +De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte +andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en +fijne touwsoorten; echter worden hier ook andere takken van industrie +met vrucht uitgeoefend. + +Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859, +546. + +Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197. + +Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen +ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen tot +Oudewater behooren. + +Sedert het jaar 1857, bezit Oudewater eveneens een haltplaats van +de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30 +minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan +zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen +IJssel is bewerkstelligd [630] eene of meerdere vaartuigen, gedreven +door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen. + +En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd. + +Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van +den bodem van Oudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond +in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en +wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van +planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar +veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende +nieuwe gewassen. + +Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevallige woestheid, +onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant +zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit +oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem, +ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt +trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede +streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor +ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt, +en zouden den naam later aan dit stedeken schenken. + +Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette, +krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een +ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met +IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen, +planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God +niet kenden. + +En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving, +dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen +en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn. + +Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch, +sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm, +doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den +aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon- +en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken. + +Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom +voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend +Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen +te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudig aanzien +hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij +de beschrevene geschiedenis van Oudewater en omtrek. + +Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwsche +Oudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven, +dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen +worden. + +Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn? + +O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog, +blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere +verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere +uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende +smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad, +blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek +en ruime weelde. + +Dierbaar Oudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan +eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer +burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals, +daar waar te ondersteunen en te helpen viel, [631] zij mogten zich +zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning. + +En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing +komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord van Oudewater +wordt eenige malen daags, door middel van de rappe wieken des stooms, +doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld. + +Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig +voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus +gaat Oudewater en omtrek met Godes zegen, bij het immer wijs bestuur +van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding +van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet. + + + + + + + +NAAMLIJST DER INTEEKENAREN, OP DIT WERK. + + +Z. M. de Koning der Nederlanden. + +Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden. 2 Ex. + +Ackerwijck, (C. van) te Maastricht. +Aelst, Sr., (A. C. van) wethouder » Oudewater. +Aelst, (G. C. van) » » +Alter, (S.) boekh. » Utrecht. +Ameijde, (J. van) » Oudewater. +Archief der gemeente Oudewater. +Baale, (H.) » » +Bakker, Bz. (C.) boekhandelaar » Nieuwediep. +Beima, (Dr. E.) » Leijden. +Blanken, Dz. (H.) notaris » Schoonhoven. +Bock, (J. D. de) » Oudewater. +Boellaard, (Mr. D. J. H.), lid der Prov. +Staten van Zuid-Holland, » 's Gravenhage. +Boere, (H. F. de) onderwijzer » Jutphaas. +Bom, (G. D.) boekhandelaar » Amsterdam. +Borger, (P.) rustend predikant » Arnhem. +Bosch, (A. van den) » Soetermeer. +Bot, (P.) aannemer » Sliedrecht. +Broese (J. G.) boekhandelaar » Utrecht. +Beurs, (B. T.) koopman » Oudewater. +Caan van Maurick, (Jhr.) op den huize » Harmelen. +Cleef Jz., (Wed. P. M. van) » Hilversum. +Cleef, (de Gebroeders van) boekhand. » Amsterdam. +Cosijn, (A. C.) » Gouda. +Daalen, (van) ontvanger der dir. belast. +ad int. » Zwijndrecht. +Dain, (J. F. A. van) » Oudewater. +Doorman, (de Erven) boekh. » 's Gravenhage. +Doorn en Zoon, (C. van) boekhand. » 's Hage. 3 Ex. +Eeten, (J. C. van) med. doctor » Utrecht. +Fröbe, (A. J.) » Oudewater. +Geuns, (Dr. van) » Utrecht. +Gogh en Oldenzeel, (van) boekhand. » Rotterdam. +Goor, (G. B. van) » Gouda. 2 Ex. +Groot, (A. de) theol. stud. +Groot, (L. de) aannemer » Gouda. +Guddee, (F. J.) broodbakker » Oudewater. +Haagen, (R. C. van) » Utrecht. +Haentjens Dekker, (R. W.) burgem. » Oudew. 3 Ex. +Harting, (P.) hoogleeraar » Utrecht. +Hartman, H.G. z., (H.G.) secret. der gem. » Fijnaart. +Hen, (C. van der) » Nieuwediep. +Heuvel, (P. H. van den) boekh. » Leiden. +Hoek, (Gebroeders van der) boekh. » » +Hoffmann (Mr. M. A. F. A.), lid der +Tweede Kamer » 's Gravenhage. +Hollander, (J.) » Oudewater. +Hunck, (P. J.) verkooph. van galanteriën » Utrecht. +Kikkert, (C.) » Oudewater. +Kneppelhout, (J.) » Leiden. +Koch, (C. F.) boekh. » Utrecht. +Koker Bz., (J.) boekhandelaar » Monnickend. +Koning, (G. de) » Oudewater. +Koning, (W. de) » Utrecht. +Koning Knijff, (A. de) theol. stud. » Utrecht. +Konings, (wed. N.) » Oudewater. +Kruijs, (J. van 't) klokkenist enz. » » +Kruijsheer, (T.) » » +Lange, (G. van) papierfabrikant » Waddingsveen. +Lee, (C. G. van der) » Alblasserdam. +Lee (G. van der) lid van den raad » Oudewater. +Lee Az., (J. van der) genees-, heel- en +verloskundige » Monnickend. +Lee, (J. Z. van der) » Brouwershaven. +Maarschalkerweerd, (D. van) boekh. » Utrecht. +Martens, (A.) » » +Martens, (J. H.) » » +Mathot, (N.) in stroohoeden » Gouda. +Mol, (G. P. J.) genees-, heel- en +verlosk. » Naarden. +Montijn, (A. M.) oud-burgemeester » Oudewater. +Montijn, (Joh. Just.) » Fijenoord bij Rott. +Montijn, (T. D.) » Oudewater. +Mooij, (H. W.) boekhandelaar » Amsterdam. +Muller, (Fred.) boekhandelaar » » +Nijhoff, (Is. An.) boekhandelaar » Arnhem. +Nyhoff, (J. G. Brouwer) notaris » Haastrecht. +Paisieres, (Mr. Just de la) griffier der +staten van Zuid-Holland, ten behoeve van +het Prov. Gouvernement +Peijpers, (W. N.) » Amsterdam. +Putman, (J. J.) R.-C. priester en past. » Utrecht. +Putman, (J.) boekhouder van het +burgerlijk Arm-bestuur » Oudewater. +Putman (W.) » » +Rahms, (E. C.) » » +Rodenburg, (de Jong van) kapitein bij in +infanterie » Breda. +Roesteen, (J. A.) » IJsselstein. +Rogge, (H. C.) pred. bij de remonstr. » Moordrecht. +gem. +Roldanus, (A. J. A.) boekhandelaar » Oudew. 3 Ex. +Roll, (H. F.) » Gouda. +Römer, (M. J. J.) onder-officier 4 batt. » Vlissingen +2 reg. infanterie +Rost, (A.) » Haastrecht. +Rijnenberg, (L.) instituteur op bij Nijmegen. +Marienboom +Schadee, (E. C.) te Oudewater. +Schouten, (G. van Ingen) » » +Sivré, (J. B.) Controleur der pl. belast. » Roermond. +Snaterse, (A.) » Amsterdam. +Spoel, (A.) » Dordrecht. +Thier, (W. J.) genees-, heel- en verlosk. » Oudewater. +Vermeer, (H.) predikant » Houten. +Vermeulen (J.) » Oudewater. +Verweij, (P.) » » +Virulij, (T. P.) » Gouda. +Visscher, (J. W. B.) medicus » Schalkwijk. +Vliet, (F. van) » Oudewater. +Vliet, (G. van) landbouwer » Hekendorp. +Vlooswijck, (A.) nabij Montfoort. +Vries, (E. de) te Oudewater. +Vriesman, (J. A.) oud-resident op Java » » +Vriesman, (J. A.) » » +Vriesman, (N. C.) » » +Weijer, (P. W. van de) stads- en +provinciale steendrukker; boek- en +plaatdrukker » Utrecht. +Weijer, (W. van de) papierhandel » » +Welter, (G.) » Oudewater. +Wolters, (J. B.) boekhandelaar » Groningen. +Zuilen, (T. van) landbouwer » Honkoop. +Zwart, (H. de) huis- en hoefsmid » Oudewater. +Zijll, (wed. J. van) » » + + + + + +BEOORDEELINGEN. + + +Het Handelsblad van 9 Junij 1858 kondigde de eerste aflevering aldus +aan, na de aandacht zijner lezers op de advertentie verwezen te hebben: + + +"Uit den daar vermelden korten inhoud van het werk mag men veel +goeds verwachten, en de eerste aflevering stelt deze verwachting niet +te leur." + + +De Amsterdamsche Courant van 9 Julij 1858 laat zich er aldus over uit: + + +"De reeks plaatsbeschrijvingen van belangrijke gedeelten onzes lands, +hetwelk zoo velerlei gewigtige stoffe tot dergelijke bearbeiding +oplevert, is vermeerderd met een werk getiteld: "Oudewater en omtrek, +geologisch, mythologisch en geschiedkundig geschetst" door W. C. van +Zijll, Jz. Het werk zal in zestien à twintig afleveringen compleet +zijn; de eerste ziet het licht. Op het gewoonlijk door de geologen +betreden voetspoor vangt de schrijver aan met eenige verklaringen +van het diluvium en alluvium. In den loop der behandeling daarvan +schetst hij de geschiedenis van den Hollandschen IJssel, en deelt +naar aanleiding daarvan zijne meening mede over den naamsoorsprong van +Oudewater, volgens hem komende van Oudewaarden. Opmerkenswaardig is, +ook uit een oogpunt van nijverheid, hetgeen de schrijver aangaande +het veen en de verschillende aard- of kleisoorten van den bodem +zegt. Zaakrijk zonder te groote wijdloopigheid, stemt deze eerste +aflevering gunstig voor het geheel en regtigt ons aanvankelijk tot de +onderstelling, dat zoo de schrijver zijne taak conscientieus blijft +volvoeren, hij een goed werk kan leveren." + + +Terwijl het Handels- en Effectenblad van 14 Maart 1859, Aflevering +1-4 aldus aankondigde: + + +"Bijna iedere stad bevat eene topographie, doch de meeste daarvan +tellen reeds eene of meer eeuwen en zijn dus voor den tegenwoordigen +tijd, waarin de wetenschap en een naauwkeurig onderzoek ons vele zaken +van een geheel ander standpunt hebben doen kennen, en, daar zij de +geschiedenis van den lateren tijd niet behandelen, op dit punt al +zeer onvolmaakt. + +Het was dus wenschenswaard, dat die werken omgewerkt en bijgewerkt +werden of nieuwe topographiën in het licht kwamen, ten einde in de +bestaande gebreken te voorzien, en het schijnt, dat deze tijd aan dien +wensch voor een groot gedeelte zal te gemoet komen. Onlangs immers +nog maakten wij melding van het voortreffelijke werk van Dr. Koronel: +"Middelburg voorheen en thans," en thans zijn ons toegezonden 5 +afleveringen van het bovenstaande werk. + +Den inhoud van deze afleveringen hebben wij met belangstelling +en naauwkeurigheid nagegaan, en het is ons gebleken, dat het werk +in eene behoefte des tijds voorziet, en voor iedereen ten sterkste +aan te prijzen is. Ten einde dit ook aan onze lezers aan te toonen, +willen wij den korten inhoud der vier eerste afleveringen opsommen, +en zullen dan gaarne wanneer er meer afleveringen in het licht gekomen +of het geheele werk compleet zal zijn, in eene verdere beschouwing +treden, daar met de vijfde aflevering de afdeeling Geschiedenis een +aanvang neemt. + +Na eene korte inleiding, begint de schrijver zijne geologische +beschouwing, met een duidelijk begrip te geven van de woorden diluvium +en alluvium, en wat men onder diluviale en alluviale gronden moet +verstaan, en geeft daarna een overzigt van de verschillende grondlagen, +die in en bij Oudewater te vinden zijn. + +De geschiedenis van den Hollandschen IJssel hangt hiermede in naauw +verband, en het was dus natuurlijk, dat deze onmiddellijk daarna +behandeld werd. In deze afdeeling worden verschillende naamsafleidingen +gegeven, die zeer belangrijk zijn, als: IJssel van IJsala, water +(IJ) loop (sala); Waard van worden, grondwording, en Oudewater van +Oudewaerd, oude grond, oud eiland. + +De tweede groote afdeeling handelt over de mythologie, de feesttijden, +feesten en volksgebruiken, en is voor den oudheidkundige, maar vooral +voor iedereen, die van de met mythen doormengde godsdienst onzer +voorvaderen en van den oorsprong der volksfeesten en nog heerschende +gebruiken iets wil weten, van hoog belang. Daarna komen wij aan +het hoofdstuk plaatsnamen, en wordt hierin de naamsoorsprong van +Haastrecht, Montfoort, Heeswijk, Roosendaal en andere omliggende +plaatsen uitvoerig behandeld. Wij hadden deze afd. echter liever +gewenscht vóór het hoofdstuk Mythologie, want dan zou de afdeeling +feesten en feesttijden, die grootendeels hun oorsprong hebben uit de +mythologie, in verband gestaan hebben met de woudendienst, de planten- +en boomendienst, de waterdienst, de vuurdienst, de dierendienst, +vogelvereering, gedrochten, aardgeesten, luchtgeesten, woud-, veld- +en huis-geesten, allen afdeelingen, die in de 4de aflevering behandeld +worden. Deze aflev. besluit met eene opgave van de bewijzen, dat +de plaats en omtrek, waar nu de groote kerk en toren staan, welligt +aan Heidensche eeredienst gewijd waren, er stellig eene Heidensche +begraafplaats was, waarbij tevens de begrafenisplegtigheden van +voorheên en thans opgegeven worden. + +Door deze korte beschouwing meenen wij gerust tot de conclusie te +mogen geraken, dat het werk der lezing waard is, en wenschen wij +den schrijver geluk met zijne onderneming. Dat de uitgave goed +is, behoeven wij niet te zeggen; de heer van Zijll heeft, èn als +schrijver, èn als uitgever, voor het welslagen zijner pogingen de +uiterste zorg gedragen." + + +Het laatstgenoemd blad besluit eene nadere zeer gunstige beoordeeling +van dit werk in zijn nummer van 20 October 1859, met deze woorden: + + +"Wij durven dit werk aan iedereen aan te bevelen en zijn verzekerd, +dat de belangrijkheid, gepaard aan den niet hoogen prijs, menigeen +zal aansporen, het zich aan te schaften." + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend +zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden +om Oudewater gelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden +aangetroffen. + +[2] W. C. H. Staring. De bodem van Nederland. IIe deel, pag. 130. + +[3] Namen van straten. + +[4] »De bodem van Nederland", Deel I, bl 18 en 19. + +[5] Ibid, pag. 421, Ie deel. + +[6] Batavia illustrata, pag. 200. + +[7] Tooneel der Vereenigde Nederl. 2 deel, pag. 133. + +[8] Tooneel van Hollandt, pag. 313. + +[9] Lud. Smids, Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259. + +[10] Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746. + +[11] Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden, +bij Pieter van der Aa, 1707. + +[12] Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35 +Amsterd., Isaak Tirion, 1750. + +[13] Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer +Jansonius, predikant te Moordrecht. + +[14] Halma, Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162 +en 163. + +[15] Voor 860 is ook nog Gabbema, Watervloed, bl. 9. Alhoewel van +Meteren, Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers +willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve, +Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp, +Schokius, enz. + +[16] De bodem van Nederland, pag. 353 en 354. + +[17] Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van het Leeskabinet, 1856, +No. 7. + +[18] De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854. + +[19] Janzonius bij Rademaker, Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden, +op Moordrecht. + +[20] Het Scandinavië van vroeger is het Zweden en Noorwegen van thans. + +[21] Budding. N. Godenleer. + +De edda's werden 100 jaren na elkander vervaardigd. De eerste werd +verzameld omstreeks 1100, nog ten tijde van het heidendom; de tweede +honderd jaren later. + +[22] D. Budding, N. Godenleer, bladz. 7. + +[23] A. W., t. a. pl. + +[24] Mr. Blommaert, Aloude Geschiedenis. + +[25] Mispelheim bet. Vuurwereld. + +[26] Schoone beelden, niet waar? Baldur is hier het licht, Haudur de +verpersoonlijkte duisternis. + +[27] Deze was boosaardig en luimig, hij wordt de lasteraar der Asen +genoemd en eene schande voor goden en menschen. Blommaert, A.W., +bladz. 119. + +[28] Walhalla is het verblijf der gezaligden en met roem gesneuvelden. + +[29] De oude Friezen noemden dit feest Midwintra. D. Budding. + +[30] In sommige gedeelten van ons land worden midwintervuren ontstoken. + +[31] Nader meer over deze stukken. + +[32] Meermalen zagen wij openbare mededeeling door geleerden van oude +plaatsgebruiken, volksliederen en zelfs kinderliederen, klommen die +ook niet altijd tot het heidendom op. Den beminnaren van onderzoek +waren deze bijdragen ongetwijfeld welkom; maar wij zagen ook, dat +het bij anderen den lachlust opwekte. Niettegenstaande dit laatste +willen wij ook nog eenige bijzonderheden mededeelen omtrent het vieren +van het nieuwjaarsfeest in deze plaats, alhoewel het ook met deze +bijdrage bij de laatsten zoo gaan zal. Ter zake nu: Het is N.jaar, +de klokken "beijeren" en men begeeft zich met de nachtwacht naar de +woonhuizen der voornaamste ingezetenen, welke de volgende zingende +luidruchtige zegenwensch ontvangen, aangeheven door eene golvende +menigte, voornamelijk uit den spinnersstand: + + + "Het uur van twaalven is geboren, + Het oudejaar dat gaat verloren; + Het nieuwe jaar van God ontvangen, + Daar zoo veel menschen na verlangen + 't Zij jong en oud + En ongetrouwd; + Ik wensch de heeren en burgers met malkaar, + Veel heil en zegen in het nieuwe jaar." + + +Daarna wordt eenige malen met de klap geslagen, en het "veel heil +en zegen in het N.jaar" gaat van mond tot mond. In dien tijd echter +gaat de kroeze rond, door de "heeren en burgers" den wenschenden +geschonken, en men herhaalt bij anderen denzelfden deun en ontvangt +hetzelfde vocht. + + + +Ten een ure is de menigte die de wacht vergezelt, al meer en meer +verdunt; men zingt nu: + + + "David was een jonge held + Toen hij trok met den reus in 't veld, + Al met den slingersteen. + De klok het een!" + + +Klap gaat het daarna eenmaal, ten teeken van een uur. + +Het volgende is echter in onbruik geraakt; het is welligt 150 jaar +geleden, sedert dit het laatst gezongen werd. De reeds oude tak van +nijverheid in Oudewater, het touwspinnen, wordt daarin herdacht: + + + "Die zijn kostje met spinnen moet winnen, + Die rept en die spoedt hem wat ree; + Die der wil wasschen en ook wil plassen, + De klok het twee." + + +Klap, klap! zal het daarna den eenvoudigen voormaligen bewoners weder +in de ooren geklonken hebben. + +Of men na dit nog meerdere liederen zong, weten wij niet. + +[33] Van den Bergh, Mythologie, bladz. 48. + +[34] De Spural in Februario, of van de afschuwelijkheden in Februarij. + +[35] Inderdaad, ook wij meenen dat de rommelpot zeer oud is: een potje +immers, overspannen met zwijns- of koeblaas, waardoor een riet gaat, +kan ook bij de onbeschaafde heidenen reeds vervaardigd zijn. Potten +hadden zij, dit weet men uit menige overblijfselen; riet groeide hier +in overvloed, en het gebruik van koe- of zwijnsblaas was hun welligt +niet onbekend. + +[36] Budding. + +[37] Budding. + +[38] Zie Blommaert, bladz. 159 a.w. + +[39] Budding. + +[40] Budding, N. Godenleer. + +[41] Zie het 3e deel Ons Vaderland, hist.-rom. Schetsen, blz. 19 +en verv. + +[42] Freja niet te verwarren met Freija; de eerste is de godin der +liefde, de laatste reeds eenigzins bekend gemaakt. + +[43] In Ons Vaderland, door G. Engelberts Gerrits, wordt insgelijks +menige bijzonderheid van Ostera in het meifeest besproken. + +[44] Als voorname voorstander van dit oud gebruik, ondersteunde wijlen +de heer A. van der Lee Cz. dikwijls dit feest door toevoeging van +takkebossen, enz. + +[45] Vroeger viel ons zelf den eerpost van aanvoerder ten deel. + +[46] Dokken is op het vuur slaan, totdat de vlam bijna is uitgedoofd. + +[47] Roodzand, een straatnaam. + +[48] Dit instrument was reeds bij de oude Germanen in gebruik. + +[49] Zie Kevren der stede van Oudewater des Graefschaps van Hollant, +1605. Ook in 's Gravenhage werd in 1506 o. a. nog een verbod tegen +het balslaen, caetsen gemaakt. + +[50] Over den haan in de Mythologie nog nader. + +[51] Buddingh. + +[52] Buddingh. + +[53] Niederl. Sagen. + +[54] Zie omtrent de vastenavond hiervoren, bladz. 48. + +[55] Acht dagen voor Paschen is daags voor eijermaandag. Acht dagen +na Paschen, beloken Paschen (Zie bevel van graaf Jan III, bladz. 65). + +[56] Pinksteravond, men denke aan het midzomerfeest. + +[57] XVIII Septembris en veertien dagen daarna: herfstnachtevening, +kermis en St. Michiel. + +[58] XVIII dagen vóór kerkmisse: Midwinterfeest. XIV dagen daarna +omtrent Driekoningen. Zie bevel van Graaf Jan III. + +[59] Zie voorn. Keurenboek. + +[60] Men denke echter niet dat er voorheen tegen al dat bijgeloof niet +werd geijverd zulks te beletten, en ook om dat heidensch offervuur +tegen te gaan. Indien wij toch een tal van boeken inzien, waaruit +het tegendeel blijkt, is dit maar al te waar. Zoo zien wij b.v. in +den eersten jaargang de Navorscher, bladz. 45 en 46, het stukje van +D. J. Veegens over de Paasch- en Ostera-vuren. "Dat gebruik" zoo staat +daar, "heeft zich staande gehouden in weerwil van den tegenstand der +geestelijkheid, die niet ophield daartegen te ijveren. Zoo leest +men b.v. in art. V van de ordonnantiën der eerste kerkvergadering +onder Bonifacius, van 21 April 742, den last van Carloman aan iederen +Bisschop, om met behulp van den graaf, die de beschermer zijner kerk +is, zorg te dragen tegen het plegen van heidensche bijgeloovigheden, +en daaronder van die heiligschendende vuren die zij nedfrates +noemen. Batavia sacra, bladz. 298. + +[61] Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie, 298 en 299. + +[62] Dit ook in Moordrecht, Dordrecht en meerdere. + +[63] Buddingh. + +[64] Die overgang was gebruikelijk, zegt Buddingh. + +[65] Tydeman. + +[66] Tydeman. + +[67] Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch. + +[68] Lud. Smids, Schatkamer van Oudheden, blz. 46. + +[69] Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring +enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.) + +[70] Van onzen gevoelvollen Hofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87. + +[71] Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande, +blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden +wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets, +bladz. 19. + +[72] Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen, +beiden even merkwaardig als den hoogen hof bij de Taart en de Pol +bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het +oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij +verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer- +of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog +gevonden wordt. + +[73] Alleen zij herinnerd aan Poorteren, dat men Poerteren schreef. + +[74] De naam Papen ergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel +dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf +voor in plaats van Roomsche geestelijkheid. + +[75] Critisch woordenboek, p. 383 en verder. + +[76] Tacitus bij Buddingh, bladz. 198. + +[77] Van den Bergh. + +[78] Buddingh. + +[79] Dr. Romer. Utrecht en Oudewater. + +[80] Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden, +door Dr. N. Westendorp, bladz. 87 en 88. + +[81] Critisch Woordenboek, 24 en 25. + +[82] Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds +gedienstig waren: + +"In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te +zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de +rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den +volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het +meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag +gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter +eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder; +en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open, +en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had +opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de +molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de +dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam." + +[83] Buddingh ten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering +wil zien, van bladz. 243 tot 250. + +[84] Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen +vermeld. De schrijver schijnt echter niet aan Linschoten te hebben +gedacht: anders--wij durven het bijna met zekerheid zeggen--had hij +ook deze plaats daaronder gerangschikt. + +[85] Tydeman, Mythologie, bladz. 267. + +[86] Ook Buddingh noemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261. + +[87] Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn? + +[88] Ook aan Moordrecht en Dordrecht zij gedacht. Dordrecht, +Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te +herinneren. + +[89] In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was +eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig +werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd. + +De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze +waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de +middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als +behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik +daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het +Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons +Vaderland, door Engelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ook +Brockhaus zijn Conversations Lexicon.) + +[90] Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en +eens beneden. + +[91] "Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaard zult voeren op het +bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en +landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid +aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer +beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.--Oude +Noordsche drinkplegtigheid. (Zie Ons Vaderland, enz., V, bladz. 13.) + +[92] Woordenboek der Nederlandsche Mythologie. + +[93] Tydeman. Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie. + +[94] Ook de waterkom tusschen Utrecht en Oudewater is, naar men zegt, +grondeloos. (Zie over dit watervlak ook bladz. 99 dezer beschrijving.) + +[95] Tydeman, Mythologie, 295. + +[96] Blommaert, Aloude geschiedenis, bladz. 143-146. + +[97] De schrijver noemt hier bij voorkeur zijne natie. Deze woorden +»des Belgs" gelieve onze natie te beschouwen als »van onzen voorvader", +dewijl dat gebruik, of liever die begeerte ook hier kan toegepast +worden. + +De Schrijver. + +[98] De Walkuren reden onzigtbaar voorop in den strijd, en kozen de +helden die sneuvelen zouden. + +[99] Hela was de heerscheresse der doodenwereld. Alhoewel de +benaming »hel" als strafplaats voor een zondig aardsch leven in +eenige noordsche talen aan Hela schijnt te doen denken, zoo kunnen +zoogenaamde veelweters de hel hierom niet wegcijferen. Dan toch zou +het woord »God", dat de heidenen ook hadden, ook slechts eene ijdele +klank zijn, en wij weten het immers, dat onze Goddelijke Verlosser, +de bron van alle waarheid, dikwijls van die strafplaats gesproken +heeft. Men begrijpe ons dus wel. Alleen de klank van de Hela in de +fabelleer der heidenen en de hel in de Godsdienst der Christenen +biedt overeenkomst aan. + +[100] Naar het geluid der vogelen en het gehinnik der rossen werden +vele zaken geregeld. + +[101] Midgard is de aarde. + +[102] Deze volkeren voerden hunne voetknechten aan in het uiterlijk van +wiggen. Zoodanige wig--door de Romeinen Cuneus genoemd--diende om de +slagorde der vijanden van een te splijten. De hoogsten in rang waren +steeds de eersten of voorsten, dat vorst werd. Weder een overgang, +geachte lezer. + +[103] Men weet dat zij bij nachten telden, niet bij dagen. + +[104] Blommaert. + +[105] Schreijen was te week voor den krachtigen voorvader. + +[106] Men had eene of meer houtsoorten die het liefst voor lijkbrand +gebezigd werden. Certis lignis, zegt Tacitus. + +[107] "En terwijl de rossche vlammen nu blinken dan bezwijmen, op +en omstralen naar alle zijden, de lijkmijt in vollen brand staat +en den kring der aanwezigen sterker en sterker verlicht met een +aanwakkerenden rooden gloed, heft de aanvoerder Chrenebedar een schril +gehuil en ontzettend gekrijt aan, luid roepende den naam des dooden, +en zijne stem verheffende met akelige kracht, totdat de lijkbrand heeft +uitgeblaakt, de mijt is verteerd, en geen vlamme meer opflikkert uit +den zaamgestorten hoop." Hofdijk, Historische landschappen, bladz. 76 +en 77. + +[108] Dit gebouw staat aan de N.W.zijde des kerktorens aan den hoek +der straat en is op het kadaster aangeduid als 825. + +De vochtige houtskolen zagen de werklieden voor steenkolen aan. + +De beenderen waren dikwijls tot groote onregelmatige stukken, +waarschijnlijk door het vet, in elkander geschroeid en hadden--gevoegd +bij den vochtigen grond waarin zij waren--eene aanmerkelijke +zwaarte. De ontruiming had plaats in 1858. + +[109] Blommaert, 123. + +[110] Van den Bergh. + +[111] Buddingh, 148. + +[112] Welligt nemen ons sommige uit de schoone sekse het kwalijk indien +wij het wereldkundig maken waarom men zegt dat dit naklepje is. Nu, +laat ons het dan verzwijgen, dat men dit doorgaans beschouwt, omdat +velen harer bij hun leven steeds het laatste woord willende hebben, +men haar dit ook bij haren dood toekent. + +[113] Alle overledenen van buiten, wie ook, worden naar de stad +gereden. Voor nabestaanden die dit niet kunnen bekostigen, wordt +het gratis gedaan, meestal door de buren. In de buurt Willeskop +zelfs wordt de lijkwagen, ook van den minsten daggelder, door vier +paarden getrokken. + +[114] Dit laatste echter niet als ten tijde van het heidendom. + +[115] Beiden naar Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden. + +[116] Ook de kap der nonnen laat dit oude hoofdkleed nog zien; ook +die veranderden hun kleed niet, hoe dit bij anderen mogt wisselen. + +[117] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4. + +[118] »Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige +op de ruime en woeste heide, sommige op de bouwakkeren," +enz. Schatk. Oudh. van L. Smids, 1711. + +[119] Schatkamer Oudheden, blz. 327. + +[120] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152. + +[121] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 156. + +[122] Engelberts, Aloude Staat, blz. 163 en 164. + +[123] Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg van Kralingen" +zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden. + +[124] Vergelijk en zie hierover L. Smids, Oudheden, op Romeinsche +Oudheden, bladz. 296 en 297. + +[125] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3. + +[126] Bladz. 2. + +[127] Engelberts Gerrits, Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252. + +[128] Hofdijk, Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7. + +[129] Van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 5. + +[130] Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere +somme gelds onder anderen Oudewater verpondt aan Florens V, graaf +van Holland, bij van Kinschot, bladz. 6, 7 en 8. + +[131] Oudewater is volgens de eerste en oude verdeeling, bij de +Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oude +Noord-Holland en wel in die landstreek begrepen, en welke daarom +alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel. Van Kinschot, +a. b. bladz. 1. + +[132] Zie hierover Taalkundige bijdragen tot de naamsuitgangen door +Mr. J. H. Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P. Blommaert, Aloude +historie, bladz. 18.) + +[133] Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch +is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer +opmerkelijk. + +[134] G. van Loon's Aloude hollandsche historie, bladz. 8. + +[135] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 382. + +[136] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 384. + +Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden +is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn? + +[137] Dezelfde, bladz. 386. + +[138] Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden +naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden +der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het, +dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene +moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men +ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd +ter neder geschreven. + +Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet +meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed, +doch markveld; en de meening dat Oudewater voorheen zoo groot zoude +geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd. + +[139] Arnold Buchelius bij S. van Leeuwen, Batavia sacra, II, +bladz. 164, en Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot, bladz. 4. + +[140] Men zie vooral hierover, den brief van paus Gregorius de Groote +aan den abt Mellitus en den aartsbisschop Augustinus van Engeland, +aangehaald bij BLOMMAERT, Aloude Geschiedenis, bladz. 135 en 136. + +[141] Liefland, Utrecht's Oudheid. + +[142] Heldring, Opsporing van Bat. en Rom. Oudheden, bladz. 84 en 85. + +[143] Zoo men meende ter verfraaijing liet men eertijds elders +menigmaal toe, dat de duifsteen werd verwijderd, om plaats te maken +voor keuriger metselwerk. De kostbaarheid der cementsteen was echter +de grootste drijfveer. + +[144] »III Reg." III, 4.--Verg. II paral. I, 6.--Zie ook Kreuser, +»Kircherb." I, 48 en volg. + +[145] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 30. + +[146] Vroeger is reeds opgemerkt, dat in 1854 de kermistijd in Augustus +gebragt is. (Zie hiervoor bladz. 70). + +[147] Beschrijving van Oudewater, door G. R. van Kinschot. + +[148] Deze stukken zijn rekeningen van verpachtingen en verhuringen van +landerijen, behoorende aan zeker, mij nog onbekend, godshuis of kerk. + +[149] Nl. aldus. Van Sinte Cornelis autaer te Oudewater de somma van +een pondt thien schillingen, ten prijs als boven, van X mergen lants, +die denzelven autaer heeft, strekkende als voren, de voorsz. somma +van enz. + +[150] Van heer Cristiaen Reijersz. vicaris van St. Jans autaer te +Oudewater de somma van enz. + +[151] Nl. de originele giftbrief ten behoeve van het St. Jacobs +autaer in de kerk, voor schout en schepenen, der stad verleden, +door Jan Roest Hermansz. dd. 28 Augustus 1454. + +[152] Zie historie van het Bisdom Utrecht, uit het latijn door +H. v. R. 2 deel bladz. 332. + +Voorts merken wij ieder op, dat wij volstrekt niet achterhaald willen +zijn, met de aanmerking, dat oudere stukken nog gewagen, van een +H. Geest-, H. Kruis-, St. Anna-, Simon- en Judas-altaar enz. die zullen +elders aanwezig zijn geweest,--en in zoover betrekking op deze plaats +hebben, dat men aan de altaren hier eenige pacht of iets dergelijks +moest daarvan opbrengen. De door ons genoemden worden duidelijk als +hier geweest zijnde, genoemd.--De aanwezigheid van een St. Anna altaar +wordt echter nog het minst door ons ontkend. + +[153] Toen de Zaligmaker door Johannes in de Jordaan werd gedoopt, +vertoonde zich de H. Geest in de gedaante eener duif, en men hoorde +eene stem uit den hemel: dit is mijn welbeminde zoon, in wien ik mijn +welbehagen genomen heb. + +[154] Naar men verneemt, is dit merkwaardig doopvont nu in bewaring +van den president-kerkvoogd. + +Een arbeider, tegenwoordig, bij de door ons gedane bezigtiging, was zoo +vriendelijk eenige afmetingen voor mij te doen,--hij kon echter, door +ons niet bewogen worden, dit in Nederlandsche maat te doen, zeggende, +dat "een oudheid ook met oude maat gemeten moest worden."--Zie hier +dan de uitkomst zijner meting, »33 Amst. duimen lengte, over 't kruis; +26 dito, lengte der waterholte; 8 1/2 duim diepte bij den rand der +holte en 14 duim in het midden." + +[155] De H. Linie door Alberdingk Thijm. + +[156] De uitleggingen van I H S zijn te menigvuldig om hier ter neder +te schrijven--MARIA JOSEPH is duidelijk zoo ook A (anno) dni (domini) +1503. Het aanzien en den aart dezer schildering, is in den trant, van +die in de kerk te Naarden, dat door sommigen voor waterverw schildering +gehouden wordt. Met innige spijt, vermelden wij, dat naar men verneemt, +dit grijze gedenkteeken verbroken is. + +[157] Indien wij na deze beschrijving echter nagaan, dat de gewelven, +der tegenwoordige consistorie en catachiseerkamer nog gothisch zijn, +hoewel overkalkt, dan durven wij vrij zeker bepalen, dat men, na +voorzigtige verwijdering der kalk, nog zoodanige gewelfschildering zal +aantreffen, door oudheidkundigen en geschiedminnaars in den laatsten +tijd zoo lofwaardig nagespoord en gecopieerd. + +[158] De mannen besloegen in de kerk de zuid- en de vrouwen de +noordzijde, daarom welligt ook de zuidelijke en noordelijke ingangen. + +[159] Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden. + +[160] Zie Collectio Monument Foed Belg bladz. 306. + +[161] Die thans door den beitel des steenhouwers zeer onkenbaar +is geworden. + +[162] Van dit grafschrift door den heer KINSCHOT bladz. 35 beschreven +is thans eveneens slechts een gedeelte, door het verwoesten der zerk +in 1857-1858 te zien, en wel in de voorkerk. + +[163] Zie VAN KINSCHOT enz. bladz. 36. Wij hebben de zerk echter niet +meer kunnen aantreffen. + +[164] Ook van dezen steen bij VAN KINSCHOT vermeldt, is geen spoor +meer aan te treffen. + +[165] Hier valt de gordijn, de arbeiders hadden reeds eenigen tijd +hierop gebeukt eer men gewaar werd, dat deze steen zich daar onder +bevond en was alzoo grootendeels beschadigd. + +[166] Woorden des Zaligmakers. + +[167] Men heeft echter meerdere uitmuntende klokkengieters gehad, +die Both heeten. Zoo treffen wij in het carillon b. v. een klok aan, +waarvan het omschrift is, Gerardus Both me fecit soli deo gloria 1601, +en een andere wier opschrift aldus luidt: Gerardus Both me fecit soli +Deo gloria 1711. + +Zie over hen, Levens van beroemde Nederlanders, enz. + +[168] Beschrijving van Oudewater, bladz. 31. + +[169] Ook eene aanteekening van een oudheidminnend vriend luidde: De +kerk te Oudewater, aan St. Michiel toegewijd, dagteekent van Anno 1003. + +[170] Kinschot, bladz. 31. + +[171] Resol. van Holland, 12 Sept. 1647, bladz. 230. + +[172] Resol. van Holland, 15 Augustus 1721, bladz. 612. + +[173] Omstreeks 1750 was alhier schoolmeester en voorzanger, de Heer +Simon Jan Verwei, zooals een brief van hem getuigt, waarvan wij om +de pedante en bespottelijke toon die daarin heerscht, niet kunnen +nalaten, onzen lezers copie mede te deelen. + +Copie van een brief, gezonden door Simon Jan Verwei, schoolmeester +te Oudewater, solliciterende naar het vacante Voorzangers- en +kosters-ambt, van Zalt-Bommel. + +"Zonder roem, maar naar waarheid dient deze tot informatie, dat onze +familie bestaat in man, vrouw en zoon. Wij zijn ruim 40 jaren. De +zoon, de kracht onzer lendenen, in de fleur zijner jaren, de staf +onzer bejaarde dagen, 20 jaren, een meester glazenmaker en verwer, +meestetijd mijn ondermeester, een jongeling onzer gelijkenis +en wel geformeerd van leden. Soo UEd. Achtb. begeert een wel +gedresseerd schoolmr. en voorzanger, Godt geve UEd. Achtb. verstand +en voorzigtigheid, in de ellectie van soodanig een man of persoon, +verzekerd UEd. Achtb. aangaande mijne wetenschappen, bestaande +in deze navolgende: namelijk Italiaanschen scheepsboekhouden, +wijnroeijen, konst der stuurlieden, landmeten, sonder roem, doch het +is Gods gave--extra ordinair singen, als het Godt belieft, indien +UEd. Achtb. begeerig zijt zulks te zien of te hooren tot verwondering +en verbaastheid, dat soo een teeder ligchaam in lesen en singen, +soodanich een geluid kan maken. Ik ben op mijn vierde verandering +van domicilium, alle figuren op het konstigst, door ovaal ronduit +met de passer te haalen, alle sonnewijsers te smeere, Italiaansche +en Romeinsche letters, tot vijftig diverse banden te schrijven en te +vergulden en diergelijke capaciteiten meer, ook in de vlugheid der +pennen niemand, terwijl de roem buitengeslooten. Ben verzekerd, dat +UEd. Achtb. nog beter zullen vinden, als ik het hier met de pennen +geexprimeerd, wanneer gij mij gelieft te zien, hebben UEd. mij maar +op UEd. Achtb. kosten te commanderen of door iemand te laten haalen, +de distantie tusschen beide is omtrent 9 of 10 uren, mijne huisvrouw +is de allerbekwaamste in haar huishouden, en in het assisteren in +mijn school, van de hoofdschedel tot de voetzolen toe, ben ik een +schoolmeester. Wijn nog sterkendrank wordt nooit van mij gebruikt. Sijt +nog voor 't laatste versekerd, UEd. Achtb. sullen het nog beter vinden +aangaande mijn comportement zal vertoont worden, door ecclesiastike +en politieke ondertekeninge. Sal mij hierop mij verlaten.--Per naaste +occasie verwacht ik antwoord van te komen of niet, soo UEd. Achtb. mij +niet op soodanich conditie geliefd te hooren ofte sien, geliefd +dan maar de goedheid te hebben van mijn papieren terug te senden, +dan hope, dat God UEd. Achtb. wil geven eendragtigheid en liefde +in de ellectie van een goed eerlijk en bekwaam man, de Heere zegene +UEd. Achtb. en de Heer Burgemeester der gemeente, na het electeren +van een ander persoon voor het vacerende ampt van een schoolmeester +en voorsanger.--So blijve na hartelijke salutatie van onderdanige +dienst aan UEd. Achtb. met de broeders der gemeente tot Zalt-Bommel. + + +Achtb. Heeren, +Votre très humble Serviteur +SIMON JAN VERWEI." + + +Medegedeeld in "de Navorscher" 1856, bladz. 302, door Prins. + +[174] Vide Bisdom van Utrecht uit het Latijn door H. V. R(yn) +II. D. bladz. 333-334. + +[175] Ib. + +[176] Ib. I. D. bladz. 216-218. + +[177] H. V. R(IJN) maakt in zijn bisdom Utrecht van dezen pastoor op +bladz. 339 aldus gewag. + +Onder de oude pastoors dier plaats moet nog gerekend worden Loeffridus +van der Haer, van wien in het doodboek van Mariendale van Utrecht, +het volgende staat aangeteekend: Op den 30 Maart is overleden +de godvruchtige en eersame Loeffridus van der Haar, kanunnik +van St. Mariaas-kerk, pastoor van Oudewater. Het jaartal staat er +echter niet bij, zooals dit doorgaans op de doodregisters niet staat +uitgedrukt, de dag alleen werd aangeduid om den tijd te weten waarop +de jaargetijden moesten gehouden worden; zoo ook hier. + +Vide Matth. de fatis eccles bladz. 44. + +[178] Zie doodreg. van de herv. kerk. + +[179] Welligt waren deze 3 laatsten geene geestelijken; doch slechts +getijdemeesters. + +[180] P. C. HOOFT, Nederl. Gesch. D. I. b. 10 fol. 433. + +[181] HOOFT'S, Nederl. Gesch. fol. 30. + +[182] Alhoewel het ook mogelijk is, dat de Hervormden, die nog +voorloopig daar bewaarden. + +[183] Hier is dus een tijdvak van 1575-1578, dat wij geen predikant +aantreffen, het bezetten en verminken der plaats door de Spanjaarden +is daarvan eene der redenen. + +[184] Heeft zijn intrêe-predicatie gedaan 17 Dec. 1741 en is vertrokken +naar Zutphen den 19 April 1744. + +[185] Men had de kerk immers kunnen restaureren naar de originele +orde zooals b. v. van Utrecht de domkerk? doch hoe het zij, er is nog +eene schets van haren staat in 1856, eere dus den vervaardiger! Mijn +geachte kunst- en historie minnende vriend den heer E. C. Rahms alhier, +heeft voor de reconstructie in 1857 en 1858, de gedaante der kerk +door een schoone afteekening gered.--Reeds meer heeft hij zich door +het vervaardigen van dusdanige schetsen loffelijk gekweten.-- + +[186] Meestal was het eene vrouw, die de roomschen ging verwittigen +van de komst eens geestelijke. In dien tijd had men aan de woonhuizen +zelden of in het geheel geen bellen, doch ijzeren kloppers, zooals +die nog hier en daar in deze plaats te vinden zijn, zij moesten dus +geklopt worden, en van daar waarom men die vrouwen klopjes noemde. + +[187] Ten minste zeker is het, dat in 1626 men zich om het genoemde +doel daar nog vereenigde. + +[188] Vide, Kerkelijke Courant, No. 76, Jaargang, 1858, waar men nog +meerdere bijzonderheden omtrent Tyras aantreft. + +[189] Bisdom Utrecht, door H. v. R., bladz. 334, 2 deel. + +[190] Opmerkingswaardig deed zich het verschijnsel op, dat de eene kerk +door de burgers gebruikt werd, en in de andere zich de buitenmenschen +vereenigden, daarom noemde men deze kerken de Heeren- en de Boerenkerk. + +[191] Houtman stierf alhier den 20 Februarij 1683. (Zie doodreg.) + +[192] Overgow was in Delfland geboren en de eerste der Hollandsche +theologanten die te Rome in het Collegie van Urbanus gestudeerd +heeft. Zie Bisdom Utrecht, bladz. 335. 2 deel. + +[193] Zekere pater van Ingen is in deze tijden meermalen geruimen +tijd als kapelaan-noodhulp hier geweest. + +[194] De pastoors Theodorus van Hagenouwe, Godefridus Spruyt en +Franciscus Johannes Guddee hebben ook de gemeente in het naburig +Polsbroek bediend. + +Deze gemeente bestaat nu sedert 1842 daar niet meer en de kerk is +later tot ander doeleinde ingerigt. + +[195] Dit huis is genommerd No. 457. + +[196] Aangeduid onder No. 402. + +[197] Is bekend onder No. 496. + +[198] Beschrijving der stad Schoonhoven door H. van Berkum bladz. 418 +en volg. (Anno 1762.) + +[199] Ook in de oudheden van Rijnland uit het Latijn, door H. v +H. bladz. 457 worden deze zusters, als oorspronkelijk uit Sinte Agnes +convent te Schoonhoven genoemd. + +[200] Hier moeten wij echter indachtig maken op eene, onzes inziens, +verkeerde opvatting, die wij meermalen aantroffen, en ook door H. v +H. in zijn Rijnlandsche oudheden op bladz. 412 gedeeld wordt; er +staat daar nl, dat deze nonnen eerst tusschen Schoonhoven en Oudewater +gewoond hadden; doch zoo als wij reeds schreven, om de oorlogen, die +het platteland onveilig maakten naar Oudewater weken. Hij wederspreekt +hier dus letterlijk, hetgeen hij uit een origineel stuk op bladz. 457 +zegt, dat zij uit Schoonhoven zelve kwamen zoo als ook van Berkum op +bladz. 418 en 419 schrijft. Daarbij komt nog, dat voor zoover mij +bekend is, er nooit een vrouwenklooster tusschen deze twee steden +ooit geweest zij. + +Volgens veler en ook onze meening, schijnt de zaak ons eenvoudig +aldus toe, zooals wij reeds hiervoren in den tekst schreven, dat zij +uit Schoonhoven gingen, aangezien het platteland om genoemde reden, +tusschen die twee plaatsen onveilig was. De verkeerde opvatting en +plaatsing van het woord tusschen, zou alzoo de reden van de genoemde +dwaling zijn. + +[201] Deze straat het heilig leven die nog haren naam aldus draagt, +zal naar onze meening, wel naar deze nonnen genoemd zijn. + +[202] Het tegenwoordig zoogenaamd kerkje--waarover later. + +[203] Wij zien hieruit, dat de "stede muer" of vesting muur in deze +tijden reeds op bijna, of geheel op dezelfde hoogte was, als de +tegenwoordige vesting wal, zelfs houden wij het er voor, uit dezen +brief op te maken, dat zij nog meer dan de wal stadbinnenwaarts +lag--Alzoo weder een bewijs, dat het markveld geen marktveld was--men +vergelijke hierover bladz. 160-163 hiervoren. + +[204] Wie zegt mij de beteekenis van dit woord? + +[205] Deze zijl en dit watertje bestaan nog, en nog dagelijks ziet +men er de eb en vloed even als toen. De afdammingsluis bij Haastrecht, +eerlang gebruikt zullende worden, zal ook hier de eb en vloed echter +niet meer toelaten. + +Wat de "scone put" betreft, deze werd nog in 1827 ontdekt bij het +vergrooten der stads school, als wanneer men tevens bevond, dat zij +nog zeer zuiver water bevattede. + +[206] Welligt Bartholomeus Janse, die wij hiervoren onder de pastoors +der kerk noemden in 1403. + +[207] Onder reventer, moet men eetzaal verstaan. + +[208] Zie Batavia Sacra D. II. bladz. 265 en Beschrijving van Oudewater +door G. R. van Kinschot bladz. 58. + +[209] Vaderlandsche historie door Wagenaar bladz. 492-498. + +[210] Instrument-Public. apud Matth. Anal. tom. V. 403. + +[211] Heda bladz. 284. + +[212] Zie Batavia Sacra, (8vo editie) 2de deel. + +[213] Bulla Martini V in Matthaei Anal. tom. V. 421. en Decret. Vide +in Matthaei Anal. tom. V. 423. + +[214] Script. Rud. Dien de mudes in +Ger. Dumbar. Anal. tom. I. bladz. 71-75 Magnum chron. Belg. bladz. 370 +en 371. + +[215] Chron. de Traject 433-440 Zued. de Culumb. en Orig. bladz. 630. + +[216] Act. Ultraject ubi supra bladz. 449. + +[217] Dordrecht door Beverw. bladz. 314. Balen bladz. 774. + +[218] Monstulet vol. II. 34 vers. + +[219] Beschrijving van Schoonhoven, door H. van Berkum bladz. 419. + +[220] Ibid. + +[221] Oudheden van Rijnland bladz. 412-419. + +[222] Ibid. bladz. 459. + +[223] In de bevestigings of verdragsbrief van den pastoor van +Oegstgeest waarvan wij zoo even in den tekst melding maakten, +was de bevestiging van Zwederus gestoken en een zinsnede uit den +laatsten luidt aldus: »maar nadat gijl. op het gemeld stuk lands, +te weten Marienpoel van een bequaame woonplaats verzorgt zult wezen, +en gijl. uw verblijf aldaar genomen zult hebben, dan zult gijl. van +dien tijd de voorrechten die gijl. te Oudewater genoten hebt, niet +langer mogen gebruiken." + +[224] Zie denzelve in de Oudheden van Rijnland bladz. 413-419. + +[225] Met gerustheid echter mogen wij vooronderstellen, dat de +zusters niet alles aan den Heer van Zwieten verpligt waren. Wie toch +zal in omstandigheden als waarin de vlugtende nonnen verkeerden, +niet de gereede voorwerpen van waarde bij zich nemen. Wij mogen dit +ook alzoo van deze conventualen aannemen--Nog meer. Hertog Philips +magtigde zelfs een zekere Jacob Boudewijns om al het vee, have enz., +dat zij achter gelaten hadden naar Leiden te mogen vervoeren. Ook +deze magtiging zullen wij hier laten volgen. + +"Philips &c. Doen cont allen luden, dat wy omme Goidts wille, +ende om oitmoedich vervolg der besloten Nonnen van Oudewater, die +mit alle hore woonstadt ende have gecomen syn tot Leyden om aldair +te woonen, ende te blyven, den selven geconsenteert hebben, ende +willen dat sy alle hoir beesten, have ende goide die sy t'Oudewater +of ter Goude of dair ommetrent hebben sullen doen halen bij Jacob +Boudynssoon. Toenre des Briefs ende bringen tot Leyden tot behoef +ende nutschap der Nonnen voirschreve, ombieden dairomme allen onsen +Ambtluden, Rechteren, Dieneren ende goede luden binnen Steden ende +dair buten, ende namelick onsen Capiteynen ende Hooftmannen van onsen +Soudenaeren ende Luden van Wapenen mit sonderlinge Ernste, dat sy +onsen geminden in Gode den voirschreven Nonnen deser onser gonste +ende gratie vrylic laten genieten ende den voirnoemden Jacob mit +horen vye ende goeden rustelick, vredelick ende ongehindert trecken, +ende comen laten op deser tyt om die te Leyden te brengen in der +maten voirsz. ende des niet en laten alsoo lieve als wy hem syn, +want wyt alsoo gedaan willen hebben." + +[226] Oudheden van Rijnland bladz. 410-463. + +[227] De bijzonderheden daarop volgende zijn ons bekend--zij luiden +daar aldus »deze voerz. susteren worden verdreven van Diephout, om +Bisschop Sweers willen, die te Utrecht bisschop ghekoren was ende +van Diephout wt verdreven wort." + +[228] Velius Hoorn, bladz. 51. + +[229] Veldenaar, bladz. 131. + +[230] I Memoriaalb. Rose. + +[231] Apud Matthaeum ad Rer. Amorfort, bladz. 283 en bij Burman, +Utrechtsche Jaarb. I D., bladz. 401. + +[232] »De scheuring in het Bisdom van Utrecht, duurde nog eenigen tijd, +doch Rudolf vervolgde zijne zaak zoo ernstig aan het Roomsche Hof, +inzonderheid na den dood van Martinus, dat hij, door Eugenius den +IV, in het Bisdom bevestigd werd en zij die in den geestelijken ban +waren, ontslagen werden. Zweder beriep zich ook op de kerkvergadering, +die toen te Bazel werd gehouden. Hij trok zelf in persoon herwaarts, +en werd aldaar bevorderd tot Bisschop van Caesarea."--Hij overleed +te Bazel in 1439. Zweder wordt alzoo in de rei der Bisschoppen van +Utrecht de 52ste en Rudolf de 53ste genoemd. Zie in Batavia sacra +uitvoerig hun leven (in de 8vo editie II. D. van 412-464). + +[233] Op het gemeente archief zijn aanwezig de volgende stukken, +waarin men den staat der bezittingen enz., van dit convent kan nagaan. + +1. Register van boekhouding en aanteekeningen van de landerijen, +erfpachten, en renten van het oude convent van Oudewater van 1538-1559. + +2. Rekeningen van het St. Ursula convent over 1578, 1579, 1667, +1668, 1669, 1671 tot en met 1674 en meerdere stukken tot het convent +behoorende. + +3. Acte van transport der bezittingen van het St. Ursula convent, +door de conventualen ten behoeve der stad, tegen genot van jaarlijksch +pensioen dd. 10 Junij 1582. + +4. Staat der eigendommen van het convent en de revenuen daarvan 11 +Januarij 1582. + +5. Eerste rekening van den rentmeester van het St. Ursula-convent +over de jaren 1582 en voorts die over de jaren 1583, 1589 en 1599. + +6. Acte relatief de alimentatie, geteekend (eigenlijk gemerkt) door al +de conventualen ter eenre en den rentmeester JAN JACOBSE COPPERT ter +andere zijde, dd. 25 Augustus 1584 benevens de naamlijst en ouderdom +der kloosterlingen in 1582. + +7. Stukken van verhuringen der landerijen behoorende tot het +St. Ursula-convent en de respective Godshuizen der stadt ingegaan +Petri 1680, 1685 en 1690 tot 1695. + +[234] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater bladz. 58 en 59. + +[235] Oudheden Bisdom van Utrecht bladz. 335 en 336. + +[236] Zie resol. van den magistraat van Oudewater 27 November 1602. + +[237] Volgens mededeeling van een oude vrouw, die dit weder van een +zeer bejaard persoon in hare jeugd vernomen had, was dit huis nog +volgens geheugenis van den laatsten, eertijds met een zeer groot +getal kleine kamers voorzien geweest, waarbij hij de gevolgtrekking +gemaakt had, en zeer juist dat dit gebouw tot gevangenis gediend +had. De goede oude dacht echter zeker niet, dat de cellezusteren, +dit aantal kamertjes eertijds als hare cellen zullen bewoond hebben. + +[238] Deze begrafenis vereeniging doelt echter tot dusver alleen op +de dooden uit de rooms catholijke gemeente alhier. + +[239] G. R. van Kinschots beschrijving bladz. 59 en 274. + +[240] Zie deze keure omtrent het »dagvaarden over de Stads- en der +Godshuizen Schulden," in zijn geheel bij van Kinschot, Beschrijving +enz. Cap. 97, bladz. 553. + +[241] Bisdom van Utrecht, I D, bladz. 346. + +[242] Ibid. I. D. bladz. 705 en 706. + +[243] Resolutien van de regering dezer stad. + +[244] Keure der stede van Oudewater Artic. VI. en XIV. + +[245] Ibid Artic. VII, XV. en XVI. + +Wij mogen den lezer nu reeds niet onbekend laten, dat al hetgeen in +den tekst omtrent de Weesvaders geschreven is, insgelijks betrekking +had en toegepast werd, op de kerkmeesters, gasthuismeesters en heilige +geestmeesters. + +Zie ook Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT, +bladz. 92-95. + +[246] Onder deze "gewigtige zaken," moet men zeker begrijpen, wanneer +Burgemeesters en Schepenen, door omstandigheden verhinderd waren, de +noodige authorisatie te geven, en er spoed vereischt werd. Wij mogen +wel niet vooronderstellen, dat de vroedschappen in "gewigtige zaken" +meer magt hadden, om als zoodanig te autoriseren, dan Burgemeesters +en Schepenen. + +[247] Er is in den laatsten tijd eenig verschil gerezen, tusschen den +gemeenteraad van Oudewater ter eenre en bestuurderen van het Weeshuis +ter andere zijde, omtrent het bezit en den eigendom van voornoemd +gesticht. Dientengevolge is eene Commissie benoemd om in onderzoek +te treden, of er van dit gebouw nog eigendomsbewijzen, of stukken +waaruit de eigendom voldoende blijkt, aanwezig zijn. De uitslag van +dit onderzoek is nog niet bekend, en de questie nog steeds aanhangig. + +[248] Beschrijving, door VAN KINSCHOT bladz. 55. + +[249] Beschrijving van Oudewater bladz. 55. + +[250] In 1731, bekwamen Burgemeesters en Regeerders van Oudewater +octrooi om al de genen, die tot Vroedschap, Kerkmeesters, +Gasthuismeesters, heilige Geestmeesters, Weesvaders, en Boekhouders +verkozen werden, en weigerden, die bedieningen waar te nemen, te +mogen beslaan in eene boete van 100 Gulden ten profijte der stad, +en die boete, te mogen invorderen bij parate en reële executie. (Zie +dit octrooi in van Kinschots beschrijving blz. 491-495). + +[251] Zie dit octrooi in van Kinschots beschrijving van Oudewater +bladz. 432 en 433. + +[252] Bij den verkoop der brug werd de bepaling gemaakt, dat de kooper +derzelve, de gemaakte openingen zoude dempen, en een houten brug tot +gemeenschap in de grachten zoude daarstellen, zoo als zich dan ook +nu een en ander vertoont. + +[253] Eerst in onzen tijd begint de oude vede tusschen die van +Oudewater, en Montfoort of Stichtsen te bedaren en in loffelijke +vergetelheid te geraken, eeuwen achtereen gingen echter voorbij in nijd +en onderlingen twist. Wij zoeken de reden hiervan, in de menigvuldige +oorlogen tusschen Holland en Utrecht waarin de poorters van Oudewater +en Montfoort, vooral in Ao. 1420 onderling hevig hebben gevochten; +doch hierover later. + +[254] Hiervan bestaan, gelijk wij uit een zekere bron weten nog +teekeningen. + +[255] De wapens der voornoemde steden, die zich aan de poort +vertoonden, werden door den kooper in dezelfde orde, als waarin +zij gemetseld geweest waren, aangebragt in een blokje woonhuizen, +gelegen in de straat genaamd het Klooster. In later tijden, zou het +groote verwondering kunnen baren, deze daarin aan te treffen. + +[256] Door H. VAN VIANDEN, 38. Bisschop van Utrecht. Zie Beschrijving +van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 4. + +[257] Het zal wel geen betoog behoeven, dat er reeds vóór den tijd, +dat deze poorten gebouwd werden, geheel of ten naastenbij op dezelfde +plaats reeds poorten van denzelfden naam gestaan hebben. Zoo vinden +wij in "die ordinan van den hoemanschap upten stede muyre binnen +Oudewater gemaeckt in den jare XVc XLIJ up sinte Maria Magdalene dagh", +die zich ter secretarie bevindt, melding gemaakt van de + + + Linschoetepoort + Weerdenpoort + IJsselpoort en + Brouckepoort. + + +Het is natuurlijk, dat de eerste poorten in ouderdom opklimmen tot +de eerste ommuring der stad, waarmede men in 1321 nog bezig was of +beginnen moest. (Zie de ordonnantie van Graaf Willem aan den Bisschop +van Suden om aan die van Oudewater te betalen "de twee hondert pont +suarter tornoys die wi hem gegeven hebben" om de stad te bemuren, +bij van KINSCHOT bladz. 269.) + +[258] Reeds eenige jaren vóór deze poorten geamoveerd werden, was het +reeds in den gemeenteraad besloten, de poortklok niet meer te luiden, +en geen poortgeld meer te heffen. Ook hiervoor behoefden zij dus niet +meer te blijven. + +[259] De nevensliggende brug, wordt in oude bescheiden dikwijls +Remijnsbrug geheeten. Zie Dr. Römer Utrechtsche Volksalmanak 1859 +bladz. 44. + +[260] Ibid. bladz. 38 tot 41. + +[261] Het originele stuk, bevindt zich met meerdere omschrijving ter +secretare dezer gemeente. + +[262] Zie vooral Dr. Römer in voorn. alm. bladz. 38-45. + +[263] Zoo als de andere torens in de vestingmuur heette ook deze +toren, en omtrent den ouderdom van de Romeintoren, zou dus hetzelfde +van toepassing zijn, hetgeen wij in de noot op bladz. 269 van den +ouderdom der eerste poorten schreven. + +[264] Aan de officieren der Graaflijkheid, was het opzigt in de +beheering van dezen toevertrouwd en aanbevolen--KINSCHOT, bladz. 50. + +[265] Onze meening, dat het gebouw onzer beschrijving een drieledig +doel 1. ter verdediging (van boven op het plat) 2. tot wachtplaats, +hoofdwacht? (in het middengedeelte) en ten derde tot gevangenis (in +het benedengedeelte of den kelder) gehad heeft, werd vooral in het +tweede of meest twijfelachtige gedeelte dezer bewering bevestigd, +doordien men aan de zuidzijde van dezen toren bij het amoveren, een +schoorsteen vond, deze schoorsteen, was later met een minder groot +soort van steenen digtgemetseld, zeker wel omdat men toen ook dit +gedeelte voor gevangenis heeft ingerigt, en de hoofdwacht naar de +kortbij gelegen IJsselpoort werd overgebragt. Zie hiervoren bl. 265. + +[266] Zie Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 23. + +[267] Chartr. Chronijk 2. boek, bladz. 138. S. van Leeuwen, Batavia +Illustrata bladz. 1304. + +[268] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT. + +[269] Welligt, komen wij later op deze ruïne in afzonderlijke brochure +of bijdrage terug. + +[270] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 27. + +[271] Hier moeten wij op het meesterstuk van den Utrechtschen schilder +Stoop, voorstellende den moord door de Spanjaarden in 1575 een kleine +aanmerking maken, daar het kasteel dat eerst in 1585 werd verbroken +er niet op voorkomt en zulks er toch op behoorde aangeduid te zijn. + +Tegenover bladz. 28 geeft VAN KINSCHOT een gezigt op het kasteel in +Ao. 1555. + +[272] In het tooneel der Vereenigde Nederlanden 2. deel bladz. 133 +en Cronijk van Holland door W. VAN GORTHOEVEN bladz. 91. + +[273] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 76. + +[274] Tooneel der Vereenigde Nederlanden t. a. p. + +[275] Zie over dit kasteleinschap, ook van Kinschot bladz. 25. + +[276] VAN KINSCHOT blz. 49. + +[277] VAN KINSCHOT's beschrijving bladz. 51. + +[278] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 56, 57. + +[279] "In de 13de eeuw hadden zich eenige kooplieden, uit Italie +op Franschen, Engelschen en Nederlandschen bodem nedergezet, onder +deksel van aldaar koophandel te drijven, doch meest met oogmerk, om +aan behoeftigen geld te leenen, of, op onroerende en voornamelijk op +roerende goederen geld te schieten, tegen hooge interest. Zij dragen +in schriften van den tijd, den naam van cawarsini, of coarsini," +die de geslachtsnaam van de eersten of voornaamsten schijnt geweest +te zijn. In het jaar 1260, werden zij, om hun overdadig woekeren, +uit Braband verdreven (Miraei Op. dipl. Tom. 1. bladz. 207) doch +het leed niet vele jaren, of zij kwamen weêrom, en men had hen +in de Nederlanden en bijzonderlijk in Holland, zóó noodig, dat +zij, zoo lang zij het niet al te grof maakten met woekeren, in +verscheidene steden zich mogten vestigen en gedoogd werden. In de +14 en 15de eeuwen, werden zij gemeenlijk Lombarden of Lombaarden +genaamd, omdat de meesten of eersten, uit Lombardije herwaarts +gekomen waren. Te Schiedam bewoonden zij in 1327 een steenen buis, +(Wilhelm Procurat. ad annum 1327 in Matthaei Anal. tom II. bladz. 663) +dat te dien tijde en daar ter stede, iets ongemeens was. Uit een +handvest van Delft van den jare 1342, blijkt, dat zij in die stad +toen reeds eenigen tijd, hun verblijf gehad hebben in een huis, dat +de Camerette, of ook wel der Lombardenhuis genaamd werd (Delft door +Bleiswijck bladz. 606). Te Oudewater onthielden zich twee Lombaarden, +in den aanvang der 15 eeuw, gelijk klaarlijk blijkt, uit eenen brief +van den 1sten April, Anno 1412 (1413) zie Mieris Chartre boek IV Deel +bladz. 230) en 't is zeer te vermoeden, dat zij ten dezen tijde ook +reeds in Amsterdam geweest zullen zijn, schoon mij niet bekend is, +dat er in oude schriften of stukken eenig gewag van gevonden wordt +voor het jaar 1477." (Getrokken uit de beschrijving van Amsterdam +door J. WAGENAAR 7de stuk bladz. 111-112.) + +[280] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 269. + +[281] Resol. van Holland 17 November 1578. + +[282] Ibid. 12 November 1580. + +[283] (Was geregistreerd in 't Brasielsche Reg. van 1540 tot 1555 +ter Graeflijkheids Rekenkamer, fol. 120 vso.) Zie beschrijving van +Oudewater, door van Kinschot, bladz. 150 en 151. + +[284] Volksletterkunde, Geschiedkundige schets van het bijgeloof, +inzonderheid in Nederland, bladz. 1-2. te Amsterdam bij E. S. Witkamp +1856. + +[285] Ibid. bladz. 3-4. + +[286] Zie het opstel over deze onze Waag alhier, van Ds. Kits van +Heijningen, in het Tijdschrift: Lectuur voor de huiskamer, Jaargang +1856, bladz. 300, doch in de hiervoren aangehaalde schets over het +bijgeloof zouden deze 1500 menschen, alleen in deze twee kleine +bisdommen, in één jaar hun leven hebben moeten geven. (Zie IV, +bladz. 4.) + +[287] Zie meergemelde Geschiedkundige schets van het bijgeloof, III, +bladz. 4 en 5. + +[288] Zie meergemelde schets over het bijgeloof, IV, bladz. 1. + +[289] Ibid. bladz. 1-3. + +[290] Ibid bladz. 4. + +[291] Zie dit stuk op bladz. 291 en 292 hiervoren. + +[292] Lectuur voor de huiskamer, jaarg. 1855, bladz. 302, 2de kolom, +in zijn z. eerws. bijdrage over deze waag. + +[293] Deze naamlijst en deze acten, nemen wij letterlijk over uit de +beschrijving der stad Oudewater, door G. R. van Kinschot, Ao. 1746. + +[294] No. In dit jaar zyn drie verscheide Persoonen gewoogen, blykende +hier na by de Certificatie No. I, waer van de Naamen door het vermis +der Boeken niet kunnen gemeld werden. + +[295] Dit is de laatste geweest, hoewel Scheltema zegt, dat nog in +1778 zulks alhier heeft plaats gehad. + +Balthazar Bekker, maakt in zijn Betooverde wereld (te Amsterdam in +1691 in het licht verschenen 4o) veel gewag van deze waag. Zijne +bijzonderheden van het I boek zijn ons echter bekend, doch in het +IVde boek: Geregtelijke informatiën, genomen over tooverpligtigen +tot Harlingen en elders vinden wij in Hoofdst. XXXI § 4, pag. 263 het +volgende aangeteekend, dat wij zelfs niet bij van Kinschot aantreffen. + +»Drie buitenlandsche soldaten, Barend Gerritz, van Neder-Elten, Jan +Huijsman, van Kranenburg, beide in het land van Kleef en Jan Kerkhof +Reklinghuisen in het Keulsche in de beruchte zaak betrokken van Tryn +Hendricks, van tooverij beschuldigd, lieten zich nog in den jare 1668 +te Oudewater wegen." + +Volgens Koeningswater, Etudes historiques sur la developpement de la +société humaine, Paris 1850 pag. 186. werden nog in den jare 1728 der +tien personen, van tooverij verdacht, te Szegenden in Hongarije bij +regterlijk vonnis tot deze proef verwezen. Men zie verder over deze +waag Bijdragen tot het oude strafregt in België enz. Brussel 1829, +pag. 142. + +[296] Het Troys, of Trojaansch Gewicht is dat van Doornik, en des +Zwaar Gewicht; 't gene Vyf ten Honderd Zwaarder weegt dan het gemeene; +en thans onder den naam van Amsterdamsch Gewicht bekend is. + +[297] Sedert Ao. 1800 tot den jare 1825 werden er jaarlijksch circa +1,500,000 nederl. ponden kaas op dezelve gewogen. + +[298] Z. K. H. de Prins van Oranje met HDs. goeverneur Jhr. de +Casembroot bij HDs. reize door Nederland, voor eenige jaren ook +Oudewater bezoekende, was het HDs. verlangen, ter gedachtenis aan +deze waag, daarop gewogen te worden. + +[299] (Anno 1746). Zie zijne meergenoemde beschrijving, bladz. 28, +29 en 30. + +[300] Door de vernietiging van de staatsregeling tot 23 April 1798, +ook de daarbij bepaalde departementale verdeeling vervallen zijnde, +behoort Oudewater als voren onder het departement Holland. + +[301] Aan de zoldering van dit locaal bevinden zich nog in opgezetten +staat, een bruinvisch en een zeevarken, beide gevangen in de stads +haven bij hoogen watervloed, de laatste in het jaar 1721: eene +bijzonderheid, die wel der aandacht waardig is, en vermeld mag worden, +indien men daarbij in aanmerking neemt, hoe ver Oudewater van af de +zee landwaarts ligt. + +[302] Wij hebben hiervoren reeds melding gemaakt, dat de Heer Rahms, +onze Stadgenoot, door het maken van een aantal schetsen in en om +Oudewater vele gebouwen, die sedert geamoveerd zijn, der vergetelheid +heeft ontrukt.--Deze zelfde kunstminnaar, heeft het dit jaar durven +ondernemen, dit Schilderstuk van Stoop te copiëren en op steen te +brengen op eene grootte van 68 Ned. d. lengte bij 40 dm. breedte zonder +wit. De zeer conscientieuse copij en de keurige uitvoering op steen, +doen genoemden Heer veel eer aan, terwijl de geringe prijs (3 Gulden) +geen beletsel is, dat velen zich de plaat aanschaffen, die eenigen +prijs stellen op de voorvallen in het veel bewogen tijdvak onzer +geschiedenis: den bloedigen tachtig jarigen oorlog. + +[303] Volgens nummering in 1859, aangeduid onder nummer 371. + +[304] Beschrijving van Oudewater bladz. 62. + +[305] Gonthoeve, chron. van Holland, fol. 502. + +[306] Rooms Hollands regt door S. van Leeuwen, III boek XI deel +bl. 276 en 277. + +[307] Ibid. bladz. 276. + +[308] Ibid. + +[309] Handvesten en privilegien van Gouda pag. M, I Vso. + +[310] Ibid. pag. M. S. Vso. beide in M. S. + +[311] Ibid. van Weesop M. S. pag. M. 97. + +[312] Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot bladz. 62-67. + +[313] Handvesten en privilegien der stad Delft M. S. pag M. 15. + +[314] Beschrijving van Oudewater door van Kinschot bladz. 67-68. + +[315] Ibid. t. a. p. + +[316] Nog een schoon bewijs van goede verstandhouding met Delft bevindt +men in het feit, door van Kinschot vermeld, dat n. l. in de spaansche +oorlogen en wel bijzonderlijk in het jaar 1584, de vroedschap der +stede Oudewater al zijne Leggers, boeken, Blaffers en papieren, zoo +van de stad, kerk als Godshuizen, ten einde dezelve tegen alle gevaar +van oorlog en roof mogten beveiligd zijn, bij een besloten brief aan +den magistraat van Delft heeft toegezonden. Zie resolutieboek van de +vroedschappen van deze plaats 26 Januarij Ao. 1584. + +Al hoewel dit nog een afdoend bewijs is, voor hetgeen wij trachten te +bewijzen, zoo was deze toezending echter zeer slecht voor het archief +dezer gemeente, daar deze stukken nooit terug gezonden zijn, voor +zoover men ten minste weet. Op een aanvrage van den Heer Burgemeester +Montijn andermaal gedaan den 2. November 1829 om deze stukken alsnog +terug te bekomen, werd door den heer Burgemeester van Delft berigt, +op den 12 November 1829, "dat bij een streng overzigt van de archieven +dier stad, onder dezelve geene gevonden worden deze stad betreffende; +dat, zoo dezelve op het raadhuis aldaar zijn gedeponeerd geweest, +die dan, bij het gedeeltelijk verbranden van het stadhuis na 1584, +waarschijnlijk met stukken de stad Delft betreffende, zijn verloren +geraakt." + +[317] t. a. p. bladz. 143. + +[318] Tot in het jaar 1745 werden aan de vertrekkende lidmaten der +hervormde kerk, de kerkelijke getuigschriften zonder zegel aan de +vertrekkende leden gegeven, totdat in dat jaar het stadswapen in koper +aan den kerkeraad daarvoor vereerd werd, door den Bailluw G. R. van +Kinschot. Doelende op den rooden burg in het wapen, stond er onder +dit zegel + +Jehova nostra arx forttissima + +d. i. + +God is onze sterkste Burgt + +onder het zegel stond: + +Sig eccl-Oudewater + +d. i. + +kerkelijk zegel van Oudewater. + +[319] Zie dit privilegie bij van Kinschot t. a. p. bladz. 270. + +[320] Zie dezelfde, bladz. 272. + +[321] Nl. in de bij van Kinschot op bladz. 315 en 316 vermelden +giftbrief van de school dezer stede aan Pieter Pansz. in plaats van +Mr. Jan Mouwer. + +[322] Zie hetzelve in zijn geheel bij van Kinschot bladz. 322 tot en +met 324. + +[323] De acht Raadsmannen werden Achten genoemd. + +[324] Resolutie van Holland dato den 2 Mei Anno 1585, fol. 248. + +[325] Van Kinschot. + +[326] Zie van Kinschot, bladz. 75. + +[327] Resol. van Holland, 6 Mei 1702, fol. No. 155. + +[328] Keuren der Stede van Oudewater, Artic. IV T. XIII. + +[329] ,, ,, ,, ,, ,, ,, IV T. XII. + +[330] Keuren der Stede van Oudewater, Art. XVI. + +[331] Ibid. Art. XIII. + +[332] Dit is in Anno 1811 vervallen. + +[333] Keuren der Stede van Oudewater Art. 11. + +[334] Keuren der Steede van Oudewater Art. VIII et XVIII. + +[335] Dit geschiedt nu namens den Koning. + +[336] Resol. van Holland van 16 Nov. en 17 Dec. 1723. + +[337] Den contra-remonstranten was hij bijzonder vijandig. + +[338] Deze en de volgende in officio, zijn gecommitteerd, bij de +Raden en meesters van de rekeningen der domeinen der Graaflijkheid +van Holland, in den Haag. + +[339] De Graaflijkheids Rekenkamer, bij resolutie der staten van +Holland en Westvriesland van dato 17 Maart 1728, gemortificeerd, +en bij resolutie van 20 Julij 1729 goedgevonden zijnde, dat eenige +der Ambtenaren op nieuw commissie van H. E. Gr. Mog. zouden moeten +verzoeken, wanneer de termijn hunner vorige aanstelling verstreken was, +zoo is volgens resolutie van gemelde staten dd. 12 October 1731 den +voorz. van Kinschot gecontenueerd in zijne betrekking van Bailluw, +Dijkgraaf en Schout der stad Oudewater. + +[340] Register van Aart van der Goes, fol. 262. + +[341] Resol. van Holland 1564, fol. 62 72, ibid. fol. 39 1565, +ibid. 27 Januarij 1566, fol. 1 en 5 Februarij, fol. 5. + +[342] Ibid. 26 September 1565. + +[343] Beschrijving van Oudewater, bladzijde 99 en 100. + +[344] Reg. van Aart van der Goes, Advokaat van de Staten 's Lands +van Holland, fol. I. + +[345] 3de Boek van de Griffier Sandelijn, fol. 89. + +[346] Reg. Aert van der Goes, fol. 11. + +[347] Ibid. fol. 14. + +[348] Reg. van Aert van der Goes, fol. 16, 50, 108, 111, 112, 142, +145, 152 (bij van Kinschot bladz. 103.) + +[349] Ibid. fol. 289-292. + +[350] Ibid. fol. 307. + +[351] Ibid. fol. 329, 330, 344. + +[352] Resol. van Holland 1564, fol. 41. + +[353] Van Kinschot, bladz. 107. + +[354] Resol. van Holland van 19 tot 25 Julij, Anno 1572 (in manuscr.) + +[355] Prop. in resol. van Holland, 20 October 1574, fol. 176. + +[356] Antw. van Staten en resol. van Holland 12 Nov. 1574, fol. 178. + +[357] Resol. van Holland. + +[358] Beschrijving van Oudewater, bladz. 109 en 110. + +[359] Resol. van Holland 5 April 1583, fol. 97. + +[360] Resol. van Holland 11 Julij 1584 fol. 371 en 372. + +[361] Een voornaam gedeelte der bevolking dezer plaats stamt van +deze in het 9, 10 en 11 geslacht en van deszelfs grootvader, (1497 +Jacob Coppert in het 13e geslacht--onder deze de Montijn's, Koning's, +Verhoog's, Vosmeer's, enz. enz.--men vindt in vroegere transporten +wel den naam van Coppert, doch men weet niet of voornoemde Jacob +Coppert hiervan afstamde.) + +[362] Resolutie boek der steede Oudewater sub 15 Julij 1584 en van +Holland hoc Anno fol. 394 en 414. + +[363] Resol. van Holland 15 Julij 1584 fol. 404. + +[364] Ibid. 22 Julij 1584 fol. 422. + +[365] Resol. van Holland, 31 October 1584, fol. 660. + +[366] Resolutie boek der stede Oudewater, + + +[**TODO: Verify table] + sub datis 4 September 1586. + 21 September 1587. + 3 Mei 1588. + + +[367] Resol. van Holland, 4 Mei 1589, fol. 285. + +[368] ib. ib. 26 Januarij, 18 Maart 1608, fol. 2, pag. 48. + +[369] Vide dagbladen der gem. Representanten, en resolutiën der +municipaliteit der stad Oudewater. + +[370] Zie hen allen vermeld bij Johannes Trethemius. + +[371] Val: Adreae Bibleotheca Belgica, tom. II, pag. 708. + +[372] Boxhorn, tooneel van Holland, pag. 313. + +[373] Batavia Sacra, Dl. II fol. 266. + +[374] Val. Andreae, Bibl. Belg. tom. I, pag. 221, bij G. R. van +Kinschot, beschrijving van Oudewater, blz. 137 en 138. + +[375] Van Kinschot blz. 141. + +[376] Resol. van Holland van 3 Dec. 1609 fol. 285. + +Wij hebben dit levensverhaal kortelijk naar van Kinschot gevolgd. + +Op het Gemeente Archief alhier, berust nog een eigenhandigen brief +van Arminius, om de Wed. van Ds. Petrus Bertius (Pieter de Bert) in +Oudewater komende wonen, in hunne bescherming te nemen--gedateerd 5 +Mei 1607. + +[377] Verder verwijzen wij naar Kasper Brandt, Historia vitae Jacobi +Arminii Amst. 1705. + +[378] In F. Allan "De stad 's Gravenhage en hare geschiedenis," +vinden wij nog gewag gemaakt van den bekenden Watergeus Gerrit +Gerritsen als te Oudewater geboren. Zie pag. 38. + +[379] Prof. Scheltema, heeft van dezen grooten man, in de werken +van het Nederlandsch Letterkundig genootschap, waarvan hij Lid was, +op eene waardige wijze, eene biographische schets geleverd. + +[380] Batavia Sacra 2de Deel pag 164. Halma toon. der Nederlanden 2 +D. pag. 133 en Rademaker, kabinet 4 D. pag. 223. + +[381] Batavia Sacra 2de D. pag. 164. + +[382] Van Kinschot, beschrijving van Oudewater pag. 5-8. + +[383] Ibid. bladz. 1. + +[384] ib. blz. 8. Het zij hier voorloopig aangestipt, dat deze +vereeniging met Holland nog later door Graaf Willem den VI van Holland +in het jaar 1404 is bevestigd geworden. + +[385] Deze jaartallen en daadzaken omtrent de handvesten, privilegiën, +enz. ontleenen wij voornamelijk aan de handvesten en privilegiën van +Oudewater, bij van Kinschot, alwaar men die stukken in zijn geheel +vindt opgenomen. Dit neme men ook in het vervolg dezer schets in +gedachte. + +[386] Ook Jan en Jacob van Driel,--de Schrijver. + +[387] Zie Heda Historia bladz. 244 verg. van Duijn Oudewater's Moord +bladz. 43. Het laatste gedeelte dezer mededeeling is ontleend aan het +Cl. Tielense bladz. 352 (overgenomen uit Dr. Römer's bijdrage in de +Utrechtsche Almanak getiteld Utrecht en Oudewater.). + +[388] Diuisie Kronijk, fol. 136, van het Negende Cappittel vs. + +[389] Wagenaar, Vaderlandsche Historie III D. bladz. 271-272. + +[390] Ibid. bladz. 274 en 275. + +[391] Ibid. bladz. 275-280. + +[392] Zie dit stuk overgenomen bij van Kinschot bladz. 280-285. + +[393] Zie de inhoud van dit verbond bij van Kinschot pag. 502 en volg. + +[394] Groot Placaatboek, bij Wagenaar, bladz. 281 vs. + +[395] Groot Placaatboek III D. pag. 4. + +[396] Wagenaar Historie III D. pag. 284. + +[397] Wagenaar pag. 285. + +[398] Diuisie Kronijk, 25 diuisie, dat XI Cappittel. + +[399] Wagenaar id. p. 292. + +[400] Men zal herinneren, dat Keizerin Margaretha aan die van +Oudewater het voorregt verleend had, dat hunne stad, nimmer van +Hollands Grafelijkheid gescheiden mogt worden. + +[401] Zie breedvoeriger van Kinschot pag. 11 tot 18a. + +[402] Zie het Chron. auctius. pag. 274. + +[403] Van Duyn Oudewaters-moord, p. 44. + +[404] Vide het Chron. aucteus. + +[405] Bijdrage van R. C. H. Römer, getiteld: Utrecht en Oudewater in +den Utrechtschen Volks-almanak. + +[406] Zie het rapport van Albrecht bij van Kinschot, pag. 223 vs. + +[407] Ibid. pag. 294 tot 295. + +[408] Ibid. pag. 297 tot 301, Boxhorn, pag. 81. + +[409] Zie de inhoud van de bijlegging der twist, bij van Kinschot, +pag. 295 en 696. + +[410] Wagenaar III Deel pag. 321. + +[411] Wagenaar III Deel pag. 321. + +[412] Ibid. + +[413] Ibid. pag. 322. + +[414] ib. pag. 322. + +[415] Joan a Leydis, libr. XXXI cap 42. Veldenaar, pag. 95. Op Wagenaar +III D pag. 322. + +[416] Wagenaar, ib. + +[417] In deze overname hebben wij het woord "graaf" gebruikt ten einde +het meer begrijpelijk te maken, des graven klerk gebruikte daarvoor +het woord "mijnheer"; vide van Kinschot, pag. 296, en volg. + +[418] Van Kinschot, pag. 297. + +[419] Ib. pag. 297 tot 301. + +[420] Ib. pag. 301. + +[421] Ib. + +[422] Zie Hofdijk geschiedenis der Nederlanden, pag. 169. + +[423] Van Kinschot pag. 303. In die oirconde staat, dat Otto van +Asperen wegens Willem Kusers dood balling was, en in de vroeger +vermelde besluiten van Albrecht, waren de bezittingen der zoodanigen +verbeurd. + +[424] Ibid. pag. 309 en 310 en Wagenaar III D. pag 324. + +[425] Symon Speyaert en Claes van den Gheer in hechtenis zittende +te Oudewater, werden mede in 1396 voor den Hove van den Haag +ontboden, nevens de Schout van Oudewater, om tusschen de twee +eersten eene questie uit den weg te ruimen, die waarschijnlijk op +de tijdsomstandigheden betrekking had. Zeker is het, dat er ten jare +1396 nog een geschil aanhangig was, tusschen Aerent Sluismanssoen en +Wouter Ludolfssoen, die door eerstgenoemde aangeklaagd was, als in het +openbaar zijne ontevredenheid te hebben betuigd over den vrede. Zie +van Kinschot pag. 316 en 317. + +[426] Wagenaar III D. pag. 342. + +[427] Ib. pag. 342 en 343. + +[428] Zie die twee stukken in de privilegien van Oudewater bij van +Kinschot pag. 317 a 320. + +[429] Men herinnere zich, dat Stavoren nog steeds Hollandsche +bezetting hield. + +[430] Zie bij van Kinschot pag. 322 en 325, en bij ons hiervoren +pag. 321 a 323. + +[431] Uitgezonderd twee bescheiden, in het zelfde jaar 1. dat het +land van Woerden in zijn watergang gescheiden zoude zijn van Rijnland +en 2. een placcaat van Albrecht »van een seggen ende gescheyden +tusschen den Burch-Grave van Leyden ende die van Oudewater roerende +van de tolle." + +[432] Wagenaar III D. pag. 343. + +[433] Ib. pag. 344. + +[434] Ib. pag. 345. + +[435] Ib. + +[436] Ib. pag. 346. + +[437] De onderzoekende schrijver, verwijst naar de privilegien van +Oudewater. + +De hoofd inhoud van het bedoelde stuk, hebben wij echter op pag. 388 +ter behoorlijker plaatse reeds medegedeeld. + +[438] Die seventwintichste divisie, dat LIIII. Capittel pag. CLIIIII. + +[439] Utrechtsche Volks-Almanak 1859, pag. 43. + +[440] Kinschot is op pag. 325 in abuis, waar hij doet voorkomen, dat +hij in het begin des jaars 1404 tot Grave was verkozen, doch zijn +vader stierf Ao. 1404 in den winter, waarna hij hem opvolgde. Alle +schrijvers van gezag immers, vermelden zijn dood in den winter van +1404. Wanneer wij dus bij van Kinschot daar vinden Anno XIIII ende +vier moet dit noodwendig zijn, Anno XIIII ende vijve. + +[441] Kinschot meldt 1404 moet zijn 1405. + +[442] Van een paar andere bescheiden van Willem den VI. ten jare 1405 +kunnen wij in den tekst niet uitweiden.--Zie den inhoud echter bij +van Kinschot, pag. 329 en 330. + +[443] Men zie hierover in het breede, pag. 225, 249 van dit werk. + +[444] Wagenaar, III D. p. 408 en 409. + +[445] Van Kinschot, pag. 337. + +[446] Wagenaar ib. pag. 418. + +[447] Ibid. pag. 420. + +[448] Bij Wagenaar III D. pag. 427. + +[449] Van Kinschot pag. 505 en 506. + +[450] Men zie den inhoud, bij ibid III D. pag. 432-434. + +[451] Van Kinschot pag. 340. + +[452] Zie hunne namen bij ib. pag. 342. + +[453] Wagenaar III D. pag. 438. + +[454] Zie Hofdijk en van Lennep, Merkwaardige Kasteelen in Nederland +II D. pag. 82. + +[455] Wagenaar III D. pag. 463, en Monstrelet Vol II pag. 27. + +[456] Wagenaar III D. pag. 468. + +[457] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 341. + +[458] Dr. D. J. Veegens, Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd, +p. 109. + +[459] Verg. Wagenaar III D. pag. 491. + +[460] Veldenaar pag. 130, Wagenaar pag. 489. + +[461] Wagenaar ib. pag. 509. + +[462] Wagenaar, ib. pag. 530. tot en met 535. en van Kinschot, +pag. 368. tot en met pag. 370. + +[463] Wagenaar IV. D. pag. 100. + +[464] Wagenaar, IV. D. pag. 174. + +[465] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 342 en Wagenaar, +IV D. pag. 188. + +[466] ib. pag. 181. + +[467] Omtrent dezen tijd (in 1480) sloten die van Oudewater een +verdrag met de stad Utrecht. Dit bezwaarlijk tusschen den tekst +kunnende invoegen en het toch moetende vermelden, zoo plaatsen wij +dit in een noot. Men zie den inhoud van dit verdrag bij van Kinschot, +pag. 390, en 391. + +[468] Diuisie Cronyck, 33 diuisie 21 capittel. + +[469] Zie Wagenaar, IV D. pag. 191 en 192. + +[470] Crimen, sentent boek, gequot A. fol. 11, vers. bij Wagenaar, +IV D. pag. 196. + +[471] Diuisie Cronyck, 31 diuisie, 31 capittel, vergeleken met +Wagenaar, IV D. pag. 196 en 197. + +[472] Wagenaar, IV D. pag. 201 en 202, raadplegende Amelgarde, Gesta +Ludoveci XI Libr. VI Capittel 21 vesius Hoorn pag. 125. Chron. van +Ao. 1481-1483 en Matth. Tom. I pag. 397, 399 en 405. + +[473] Wagenaar IV D. pag. 208 raadpl. Chron. van Ao. 1481-1483, +pag. 410-415. + +[474] Diuisie Chron. 31 diuisie, 37 capittel. + +[475] Diuisie Chron. 31 diuisie, 39 capittel. + +[476] Wagenaar, IV D. pag. 205. + +[477] Wagenaar IV D. pag. 215. + +[478] Zie diuisie Cron. die 31 duisie. dat XLIII capittel. + +[479] Zie Wagenaar IV D. pag. 216. + +[480] Wagenaar IV D. pag. 244. + +[481] Wagenaar pag. 248, en Jonker Fransen oorlog pag. 88 en 97. + +[482] Verg. Wagenaar IV D. pag. 248. + +[483] Diuisie Cron. 31 diuisie, 68 capittel, Wagenaar, IV D. pag. 260, +Jonker Frans, oorlog, pag. 250. + +[484] Zoo was zijne benaming als Grave van Holland, meer bekend is +hij echter geworden, onder den naam van Karel den V, die als Keizer. + +[485] Wagenaar IV D. pag. 354. + +[486] Repert. der Plac. pag. 3. + +[487] Groote Chron. diuisie XXXII Capittel 46. + +[488] Repert. der Plac. pag. 3 Wagenaar IV D. pag 398 en 399. + +[489] Men zie het plac. bij van Kinschot, pag. 400, 401 en 402. + +[490] Repert. der pl. van het graafschap Holland bij Wagenaar, +IV. D. pag 429 en 430. + +[491] Volgens veler meening zond ook Oudewater eertijds schepen ter +haringvisscherij uit. Het ongeveer 15 minuten van Oudewater liggende +slot (nu ruïne) te Vliet wijst de sage aan, als de plaats, van waar +haringbuizen uitvoeren. Dan vergezelden de vrouwen van de visschers +hunne mannen tot aan het gehucht Goejanverwellesluis, dat zijn naam +er van zoude gekregen hebben. De naam toch van de doorklievers van +het zilte nat, is nog in deze dagen Jan, Janmaat; Aan de sluis, +werden zij dan toegeroepen Goe Jan vaarwel. + +Wij nemen de uitlegging van dien naamsoorsprong over, uit eene der +jaargangen van het Tijdschrift de Navorscher. + +[492] Zie Wagenaar IV. D. pag 470. + +[493] Ibid. pag 470 en 471. + +[494] Zie pag. 347 van dit werk. + +[495] De geauthenthiseerde copij, berust ter gemeente secretarij. + +[496] Vóór Hoeff Willemsz, waarmede zij aanvangt, staat aan den kant: +Piet va. Evenzoo staan later bij iederen hoofdman een paar namen aan +den kant geschreven, vermoedelijk van hen, die later die betrekking +waarnamen. Aanm. van R. C. H. Römer. + +[497] Onder deze: "die in 't gastuys sijn die clouck sijn." + +[498] Zie het Chron. auct. Joann de Beka In Matthaei Vet. aevi +Analect. T III pag. 316 volg. verg. van Kinschot, Besch. d. stad +Oudewater blad. 51. + +[499] Zij wordt in oude bescheiden, dikwijls Remijnsbrug geheeten. + +[500] Zie van Kinschot t. a. p. blz. 21 vlgg. en 50. + +[501] Wagenaar V. D. pag. 275. + +[502] Wagenaar, V D. pag. 420, 421 en 422. + +[503] Philips II heette hij als koning van Spanje doch Philips III +als grave van Holland. + +[504] Dat Karel dit nu juist verleend heeft, hierin willen wij niet +achterhaald worden, wij verwijzen naar het hoofdstuk "de heksenwaag" +van dit werk. + +[505] Zie Wagenaar VI D. pag. 5. + +[506] Zie Wagenaar VI D. pag. 40. + +[507] Wagenaar VI D. pag. 186 en 187. + +[508] Simon Stijl, opkomste en bloei der Vereenigde Nederlanden +pag. 185 en volg. + +[509] De zeer bekende Watergeus Gerrit Gerritsen, was te Oudewater +geboren.--Zie pag. 366 van dit werk. + +[510] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243. + +[511] Onze plaats was de eerste in Zuid-Holland. + +[512] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243. + +[513] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 144. + +[514] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 247. + +[515] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 250. + +[516] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 256. + +[517] Wij zagen het dus reeds, dat Oudewater ten jare 1572 weer +op de eerste vergadering der staten, die 's prinsen zijde hielden +tegenwoordig was. Het moet ons niet verwonderen, dat wij de gemagtigden +uit Oudewater in de statenraad weer na zoo groote tusschen ruimte +zitting zien nemen, indien wij bij Wagenaar VI D. 378 lezen. "De +kleine steden, die sedert een aantal jaren, niet ter dagvaart plegen +te verschijnen, kregen nu weder plaats in dezelve, opdat men haar, +door het zoet der regering zou aanlokken tot het williger dragen der +gemeene lasten, en anderen, die het nog met Alva hielden te ligter +te doen omslaan." + +[518] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 253. + +[519] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 254. + +[520] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 273. + +[521] Bor Nederlandsch historien, pag. 17. + +[522] A. van Duyn Oudewaters moord, pag. 7. + +[523] Römer in zijne bijdrage Utrecht en Oudewater in den Utrechtsche +Volks almanak. + +[524] De bijzonderheden van den togt zijn meest uit van Duijn, +Oudewaters moord, die wij voor de waarheid derzelve aansprakelijk +houden. + +[525] Zie ook de bijdrage van Dr. R. C. H. Römer in den Utrechtschen +Volksalmanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater in 1575, van +pag. 43 tot en met pag. 63. + +[526] Hoofdts Nederlandsch historiën, pag. 401. + +[527] Resol. der Staten van Holland, 12 Julij 1575. + +[528] Ib. 9 Aug. Anno. 1575. + +[529] Hoofdst. Nederlandsche historie, pag. 422. + +[530] P. Bor, Nederlandsche Beroerte, VIII B. pag. 121. + +[531] A. van Duyn, Oudewaters moord, pag. 10. + +[532] Van Duyn, pag. 10, en van Kinschot pag. 223 en 224, melden +omtrent een vlugteling het volgende. Nadat hij met paard en wagen +en de tilbare goederen, op het voorbeeld zijner gebaren gevlugt was, +werd hij door 's vijands vooruit gespatte ruiterij zoo snel vervolgd, +dat hij eindelijk, zich niet meer kunnende vleijen, het gevaar te +ontsnappen, eerst zijn bevrachte wagen dwars over den weg reed, zijne +paarden losmaakte en toen, na het medegevoerde te hebben achtergelaten, +in het wegrennen, ten bewijs zijner nu vast gewaande vrijheid, den +najagenden Spanjaard spottend toeriep, "Seneca, Seneca volg mij nu +zoo gij kunt, ik zit nu te paard zoowel als gij." + +[533] Hoofts. Nederlandsche historien, pag. 432. + +[534] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121 A. + +[535] Van Duyn, pag. 10. + +[536] Wij gissen nabij het tegenwoordig Gemeente huis van Honcoop. + +[537] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423. + +[538] Van Duyn, pag. 11, alwaar hij breeder de ontruiming van die +sterkte uiteen zet. + +[539] P. Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121. + +[540] P. Bor, pag. 121 A. + +[541] Die noodmunten waren van 20 en 40 stuivers, men zie de afbeelding +bij van Loon I. D. pag. 206. en van Kinschot pag. 231. + +[542] De brug over dit water, had de Spanjaard weggebroken, de rede +waarom van Dam, vroeger naar Goejanverwellesluis getogen was, doch +zich zoo zeer te leur gesteld vond. + +[543] P. C. Hooft, Nederlandsche historie, D. I, B. 10 pag. 433. + +[544] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B. fol. 121 B. + +[545] Ib. + +[546] De eerste kogel die in de kerk geschoten werd, hangt nog aan +de gewelven van dien tempel. + +[547] Tot narigt voor hen, die dit doel van Hierges vreemd zullen +vinden, omdat de stadsgracht nu te ver van den toren gelegen is, +diene, dat de stadsvestingmuur toen ter tijde aan of zeer digt voorbij +den toren liep, dat de Yssel als de gracht beschouwd werd, en dat +het Veer nog niet aan de stad getrokken was, dit werd eerst in 1585 +vergund.--Zie meerdere bewijzen, in de bijdrage van R. C. H. Romer, +in de Utrechtsche Volks-Almanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater +in 1575. + +[548] Bor, VIII B, pag. 121 B. + +[549] Hooft, pag. 423. + +[550] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII, B, pag. 121 B. + +[551] Hooft, Nederlandsche historien, pag. 423. + +[552] Bor, pag. 121 vso a. + +[553] Van Duijn, Oudewaters moord, pag. 14. + +[554] Bor, VIII, B. pag, 121 vso a. + +[555] Hoofts historien pag. 423. + +[556] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423. + +[557] Bor, Nederl. beroerten, VIII B. pag. 121, vso a. + +[558] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423. + +[559] Bor, VIII, B, pag. 121, vso a. + +[560] Ib. + +[561] Hoofts. Nederl. historien, pag. 424. + +[562] Bor, Nederlandsche Beroerten, VIII B pag. 121, vso. A. + +[563] Hoofts. Nederlandsche Historiën, pag. 424. + +[564] Van Duijn in zijn meergenoemd boekje over den moord, meldt +pag. 15, dat men in de stadsmuur bij de bresse, in de poort eene mijn +gemaakt had, om die ter behoorlijker tijd in de lucht te doen springen +en den rook in het leger te leiden, en dat men den kruidkelder dan ook +met de poort liet springen, maar het vervroegde de inname der stad, +immers voor de bresse, die toen merkelijk grooter werd, waren geen +manschappen meer om die naar behooren te bezetten. Van Duijn is echter +zeer dikwijls met geloofwaardige schrijvers in tegenspraak en het is +dus somtijds zeer gevaarlijk, om hetgeen hij opdischt, voor waar aan te +nemen. Dit is dan ook de rede, dat wij weinig gebruik van hem maken, +maar liever andere bronnen, en met name van Kinschot te baat namen, +die wij nu en dan bijna woordelijk volgden. + +[565] P. Bor, Nederlandsche beroerten VIII B. pag. 121 B. + +[566] Hoofts. Nederlandsche Historien pag. 424. + +[567] Meerdere bijzonderheden bij van Kinschot, pag. 257 vs. + +Wij mogen bijzonderheden omtrent personen, niet in alle fijnheden +overnemen, omdat ons dit te wijdloopig zoude doen worden. + +[568] Bor, ib. en leven van prins Willem I, 2 D. VIII B, pag. 284. + +[569] Resol. der stat. van Holland 9 Aug. 1575 pag. 553 en 554. + +[570] Wagenaar, Vaderlandsche geschiedenis, over Sonnoy en Lumeij. + +[571] Zie van Kinschot pag. 256 al. + +[572] Voor hen, die de namen zouden willen weten, verwijzen wij naar +de Utrechtsche Volksalm. 1859 van pag. 69 tot 86. + +[573] Voor een versterkte politie, is inmiddels zorg gedragen, omdat +er tusschen "de kinderen des velds", verhit door Bachus en aangespoord +door Cupido ligtelijk twisten ontstaan. + +[574] Van Kinschot, pag. 419 vso. en III keurb. der stad Delft, +pag. 275, op het Stadhuis berusten twee registers van aangenomen +poorters van de jaren 1577 tot 1806. + +[575] Het octrooi berust ter Secretarij in origine. + +[576] "Leendert A. van Dam en Jan Pieters Watergrave liepen menig +keer op partij en zochten alle middelen, om die van Montfoort uit te +lokken, omdat zij twee partijen toegedaan waren." + +Van Duijn. + +[577] Er is eene dergelijke van het volgende jaar; doch om niet +noodeloos uitvoerig te worden, schrijf ik daaruit niets af. + +[578] Zie ons werk van pag. 212 tot pag. 214 en een aantal stukken +op het archieve der stad in deze tijden. + +[579] Op het stadhuis is een accijnsboek berustende van bieren en +wijn te Oudewater Ao. 1578 en 1579. In de stad waren eertijds een +aantal bierbrouwerijen aanwezig. + +[580] Zie de inhoud van dit octrooi, bij van Kinschot pag. 422 tot +pag. 427, en het origineel op het stadhuis. + +[581] Wagenaar VII D. pag. 94. + +[582] ib. pag. 139. + +[583] Hofdijk, geschiedenis der Nederlanden pag. 79. vso. + +[584] De missieve is op het stadhuis berustende. + +[585] Resol. van Holland 11 Julij 1584. + +[586] Zie Resolutie der stad, sub 15 July 1584 en van Holland ten +zelfden jare, fol. 394 en 414. De volmagt te vinden bij van Kinschot, +pag. 111 tot en met pag. 114. + +[587] Pag. 144 en volg. + +[588] Zie de acte van Burgemeesters en Schepenen betreffende het +huren van zolders, tot berging van het graan, ter gemeente-secretary. + +[589] Vroeger tijd waren er met den Heer van Montfoort dikwijls +oneenigheden over die gronden geweest. + +[590] Wagenaar, VIII D., pag. 189. + +[591] Wagenaar, pag. 200. + +[592] Pag. 203 en volg. + +[593] Zij bevinden zich op het stadhuis; maar kapitein van Zwieten, +waakte, zooveel in hem was, tegen dergelijke misdrijven, in 1587 +trouwens, had de compagnie van van Zwieten nog afdoening gehad. + +[594] Ter viering van dit bestand binnen Oudewater bestaat er op het +stadhuis nog de aanschrijving der Staten van Holland en Westvriesland +23 April 1609. + +[595] Zie zijne levensschets in dit werk van pag. 361 tot 365. + +[596] Wagenaar, X D. pag. 16 en volg. + +[597] Ib. pag. 20. + +[598] Ib. pag. 20. + +[599] Wagenaar, X. Dl. pag. 152 en 153. + +"De Heer van Kinschot meldt van Lijdius, pag. 142 en 143 het volgende: +Johannus Lijdius, schoon in Duitschland het eerste levenslicht +aanschouwd hebbende, is ter zake van zijn langdurig verblijf en +inwoning zoo in Holland als wel voornamelijk in Oudewater onder de +geleerde mannen, aldaar te huis hoorende met recht geteld geworden. Hij +was in de talen en bijzonder in de theologie en geschiedkunde zeer +ervaren, zijne schriften zijn daarvan de getuigen. Hij heeft het +leeraarsambt in de Gereformeerde gemeente in deze stad met grooten +roem en algemeene hoogachting bediend van 1602 tot 1643 als wanneer +hij overleed." + +Tevens moeten wij herinneren, dat van 1608 tot in 1617, de Heer Levinus +de Raad de tweede predikant was, terwijl in het tijdvak waarvan wij +schrijven, Gerrit Gerritszoon Crayenstein de waardigheid van Balluw +bekleedde tot in 1618. + +[600] De 1. draagt tot titel: "Historisch verhaal, van de voornaamste +swaricheden, verschillen en proceduren, sowel in kerckelijke als +politycke saken, drie jaren herwaarts voorghevallen binnen de stadt +Oudewater, door de kerckeraat aldaar, en eenige van de magistraten +Amsterdam 1618." + +Wij behoeven niet te zeggen dat die brochure zeer contra Remonstrantsch +is. + +De 2. heet "Reuckappel enz. enz., tegen de kwade lucht, onlanghs bij +een onervaren weyman veroorsaackt, door het opdoen, ende aanwijsen van +een valsche fenijnighe spore, enz. enz. philodelphi MDC XVIII." Dit +boek is in zeer Remonstrantschen geest geschreven. + +En de 3e, is de Clachte der Ghemeynte tot Oudewater der ghenen, die +houden hij de oude Religie, aan de edele Hooch Moghende H. H. Staten +van Holland ende West Vriesland dienende tot wederlegginhe van +de valschheden in een boek onder den name, ontdeckinghe van den +oproerighen gheest der Contra Remonstranten tot Oudewater. + + + Die sijnen naam sal vermonden + Als de namen bij het tegenschrift sijn bevonden + In het jaar ons Heeren 1618. + + +Zoo als men dus ziet, is die brochure weder in Contra Remonstrantschen +geest geschreven. + +[601] Wij zien het dus, de leeraars waren Contra Remonstrantsch, +en de Magistraat--tenminste gedeeltelijk--Remonstrantschgezind. + +[602] Tot dusver het "historisch verhaal". + +[603] Reuckappel pag. 72. + +[604] Wagenaar X Dl. pag. 159. + +[605] Wagenaar X Dl. pag. 160, 161 en 162. + +[606] Zie den hoofdinhoud bij Wagenaar, X D. pag. 162 en 163. + +[607] Die troepenbeweging, is welligt te meer noodzakelijk geweest, +omdat er van 25 Junij 1623 eene publicatie bestaat, nopens de +bevordering der eendragt tusschen de burgerij en het garnizoen. + +[608] Wij mogen niet vergeten aan te stippen, dat de gecommitteerde +Raden van de Staten van Holland en Westvriesland besloten tot den +afstand der wallen en vestingwerken van Oudewater ten behoeve der stad, +die acte, dato 8 Februarij 1634, is op het stadhuis berustende. + +[609] Uit de Archieven der stad. + +[610] Wirster, Geschiedenis van ons Vaderland, pag. 82-92. + +[611] Wagenaar, XIV D. pag. 41. + +[612] In zijn tooneel des oorlogs, pag. 247-252. + +[613] "Onze stad," zegt van den Bosch, dit zou doen denken, dat hij +een stadgenoot was, meerdere gronden meen ik daarvoor te hebben indien +wij zijn verhaal aandachtig nagaan. + +[614] Van het slot te Vliet is slechts de ruïne overig; over de +geschiedenis van hetzelve verwijs ik onder anderen naar ons boekske +getiteld: Bijzonderheden omtrent het slot te Vliet, 1861. + +[615] Van den Bosch III D. pag. 184. + +[616] Dezelfde III D. pag. 190, alwaar wij het volgende bewijs +van grooten moed van hen vinden opgeteekend. Het was in Februarij +1673, dat twee Dortsche en een Haagsch burger tot onder de tuinen +van Woerden getogen waren, op hoop den vijand eenigen afbreuk te +doen. Daar bemerkten zij 8 franschen, die twee schapen bij zich +hadden. Niettegenstaande de hoop op overwinnen dus zeer gering was, +vallen zij den vijand aan en brengen hen spoedig alle acht gevangen +Oudewater binnen. + +[617] Nog eenige sleden met hooi die door het ijs gezakt waren, werden +door hen verbrand. Zie van den Bosch III D. pag. 190, 191 en Allan, +Beschrijving van 's Gravenhage pag. 225. + +[618] Zie van den Bosch, tooneel des oorlogs III. D. pag. 249. + +[619] Het origineel berust ter archieve; zoo ook van het jaar 1710, +eene naamlijst van 58 fransche officieren in den franschen oorlog +binnen de stad krijgsgevangen geworden, benevens den staat der door +hen gemaakte schulden. + +[620] Gevolgd naar "De Beroerten in de Nederlanden." III Deel, +pag. 195. + +[621] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden 106. + +[622] Hofdijk, pag. 208 enz. + +[623] Vele verschillende missiven over het leggen van de bezetting +binnen de stad, berusten ten raadhuize onder de archieven. + +[624] Keizer Napoleon passeerde in 1811 Oudewater, hij onderhield +zich eenigen tijd met eene deputatie uit de burgerschap. + +Ten raadhuize bevinden zich nog eenige missiven, bevattende +voorschriften van een plan tot feestviering bij gelegenheid van het +passeren van Zijne Majesteit. + +[625] De uitnemende Van den Bergh, heeft deze regelen vervaardigd voor +het tijdvak uit de Vaderlandsche geschiedenis, toen de Vlamingen in +de middeneeuwen ons graafschap veroverden. + +[626] Het schijnt echter, dat de Hooge Regering de nog overig zijnde +wallen nog niet van waarschijnlijk nut ontbloot acht, tenminste +eene voor ongeveer 10 jaren voorgenomene verkooping der aarde van de +borstweringen, werd van wege het Ministerie van Oorlog verboden. + +[627] Deze vereeniging ondervindt ieder jaar, de milddadigheid van +H. M. de Koningin Weduwe. + +[628] Wij gewaagden daar van het woord Gilde. In vroeger tijd waren er +te dezer stede een zeer groot getal verschillende gilden, die genaamd +werden naar de uitoefening van het bedrijf of het beroep der leden. + +Het lijndraaijers gild schijnt daar nog overblijfsel van te zijn. Het +zakkendragers en bierdragers gild, bleef tot voor eenige jaren nog +gewijzigd in wezen. + +[629] Een lid dezer afdeeling, de hoefsmid H. de Zwart, onderscheidt +zich zeer gunstig in het vervaardigen van hoefijzers, ter te +gemoetkoming of geheele verbetering van gebrekkige paardenhoeven. + +Een keurige verzameling dier ijzers 74 verschillenden in getal, heeft +bereids op menige tentoonstelling van landbouw zoo door gunstige +getuigschriften als medailles grooten naam verworven. + +[630] Twee, der drie in de stad aan den IJssel liggende bruggen werden +bij die gelegenheid geamoveerd en niet weder herbouwd. De IJsselbrug +echter wordt vervangen door eenen ijzeren, deze vroegere is welligt nog +de brug, die ten jare 1371 door grave Albrecht vergund werd te maken, +ten minste zij droeg dit jaartal 1?71; het tweede cijfer van dit jaar +doet met evenveel gerustheid aan een 3, dan aan eene 5 denken. + +[631] De alom bekende Nederlandsche liefdadigheid, onderscheidt +zich in Oudewater steeds bijzonder. De jongste algemeene collecte, +gehouden op den verjaardag des konings, ten behoeve der noodlijdenden +door de overstroomingen in Gelderland en Noord-Braband, bragt binnen +den kom der stede, met inbegrip van loten, in de algemeene verloting, +niet minder op dan 966 gulden 61 1/2 cent. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Oudewater en omtrek, by Willem Cornelis van Zijll + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 56977 *** |
