summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/56977-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '56977-0.txt')
-rw-r--r--56977-0.txt19430
1 files changed, 19430 insertions, 0 deletions
diff --git a/56977-0.txt b/56977-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..acdf0f4
--- /dev/null
+++ b/56977-0.txt
@@ -0,0 +1,19430 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 56977 ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ OUDEWATER EN OMTREK,
+
+ GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH
+ EN
+ GESCHIEDKUNDIG GESCHETST
+
+
+ DOOR
+ W. C. VAN ZIJLL, JZ.
+
+
+ OUDEWATER,
+ W. C. VAN ZIJLL, Jz.
+ 1861.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ "De mensch is de weerkaatsing van het aardsche leven,
+ dat in hem is, hij ziet de natuur aan en tracht haar
+ te verstaan."
+
+ Dr. Gneis, uitlegging van Siegmund en Rohdes
+ geologische voorstellingen.
+
+
+ "De mythen worden bij ieder menschenras, in zijne vroegste
+ tijdperken gevonden, en bevatten al wat de ouden wisten en
+ geloofden. Zij bevatten dus niet alleen geschiedkundigen
+ berigten, maar alles wat hun in een zoo vroeg tijdperk
+ gewigtig schijnt en waarvan het de kennis wil bewaren en
+ voortplanten.... De grondslag dus van de geschiedenis der
+ menschheid, ligt in de mythologie."
+
+ P. H. Tydeman. Mythologie.
+
+
+ "De geschiedenis, is voor ieder een gemeenschappelijk
+ goed een geestelijke erfschat, die ieder menschen geslacht
+ bij zijne aftrede van het groote tooneel des levens nalaat
+ aan het nieuwe, dat zijne plaats vervangt. Men mag dat
+ schoon erfgoed niet onaangeroerd laten, maar het uitzetten
+ op winst, zijne waarde trachten te verhoogen en het
+ uitbreiden voor ieder, opdat de geschiedenis voor ons
+ nageslacht in een nog ruimeren zin worde, wat zij ons
+ bereids was; de spiegel van het leven des menschen in het
+ verledene, de leerschool voor vorsten en volken in het
+ tegenwoordige en de toekomst."
+
+ August Thierry, Récits des Temps Mérovingiens.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERIGT.
+
+
+Het aanvaarden van den arbeid, dien wij hierachter de eer hebben, onzen
+geachten minnaars van plaatsbeschrijvingen aan te bieden, ontsproot uit
+verschillende redenen. De voornaamste was echter eene groote voorliefde
+voor het onderzoek en de studie van de geschiedenis des Vaderlands.
+
+Het trof mij bij dat onderzoek den naam van mijne geboortestad
+Oudewater bijna niet in de historiebladen genoemd te zien; uitgenomen
+door de bloedige feiten des jaars 1575, vonden wij den naam van
+Oudewater daarin bijna niet en toch speelde het stedeke in de
+geschiedenis des vaderlands eene voorname rol. Wàt wij echter vonden
+aangeteekend, werd gretig verzameld, geschift, en voor zoo ver wij
+konden, tot een vloeijend en beredeneerd geheel gebragt.
+
+De regtvaardigheid vordert van ons de verklaring, dat wij bij het
+verzamelen van de bouwstoffen, wat het geschiedkundige gedeelte
+aangaat, van de beschrijving van Oudewater door den gewezenen balluw
+dezer stede, den Heer G. R. van Kinschot, een ijverig gebruik hebben
+gemaakt, en ofschoon dit ten jare 1745 verschenen werk het minste
+op volledigheid mag aanspraak maken, zoo heeft hij door dien arbeid
+toch de eer, het eerste de spade in den onbewerktuigden akker te
+hebben gezet.
+
+De namen der andere bronnen waaruit wij bij het vervaardigen
+van dit werk hebben geput, zijn naauwgezet in de noten aangeduid,
+echter rekenen wij het ons nog ten pligt, openlijk te berigten, dat
+het archief van Oudewater met zijnen inventaris ons goede diensten
+bewezen heeft, doordien de Edel Achtb. heer R. W. Haentjens Dekker,
+Burgemeester dezer stad, ons met de meeste bereidwilligheid het
+gebruik van een en ander vergunde; ook van de Heeren Prof. P. Harting
+en Dr. van Geuns, beiden te Utrecht, A. M. Montijn, Oud Burgemeester
+en Johannes Putman, te Oudewater, benevens J. van der Lee Az. te
+Monnikkendam gewerden ons mededeelingen.
+
+Wat de titel aanbelangt, die wij aan het werk schonken, zij dit
+opgemerkt. Iedere vaderlandsche geschiedenis wordt begonnen met eene
+korte schets van de vroegere gesteldheid des bodems, wij volgden dit
+voorbeeld voor onze plaatsbeschrijving; maar werkten het opstel een
+weinig uit en aldus werd dit de geologische schets van dit oord.
+
+Daarna werd de bodem ter bewoning geschikt en men bewoonde hem
+spoedig. Het waren echter heidenen die zich op denzelven hadden
+nedergezet, wij schetsten hunne godsdienstige vereeringen, verwezen
+op de sporen die daarvan zijn, of schijnen overgebleven te zijn,
+en dit is de mythologische schets.
+
+En aldus naderden wij tot het 3e deel van dit werk de schets der
+beschreven geschiedenis.
+
+De overgang van de eene schets tot de andere ging dus zeer
+geleidelijk. Wat het geschiedkundig gedeelte aangaat, dit was bij de
+menigvoudige oneenigheden, die hier dikwerf op verschillend gebied
+zijn voorgevallen, geen aangename taak; wij plaatsten ons echter
+op een onzijdig standpunt en hopen niemand in zijne begrippen te
+hebben gekwetst.
+
+Nog iets. Buiten ons toedoen, door verschillende omstandigheden,
+is het verschijnen van het laatste gedeelte van dit werk eenigzins
+vertraagd, zoodat wij van pag. 531 tot 536 onze mededeelingen tot in
+het jaar 1861 hebben gedaan, die wij op pag. 368 ons voorgenomen hadden
+tot in 1860 te doen; maar nu het verschijnen toch die vertraging had
+ondergaan, konden wij het niet van ons verkrijgen, mededeelingen,
+als de spoedige voltooijing van de canalisatie van den Hollandschen
+IJssel enz. niet te vermelden.
+
+Wat wij dus ten jare 1858 (het begin van het verschijnen van dit werk)
+in onze geologische schets van pag. 25 tot 30 over dit onderwerp
+schreven, is nu in 1861 bijna geheel voltooid.
+
+De titelplaat, geteekend en op steen gebragt door onzen stadgenoot,
+den Heer E. C. Rahms, stelt voor een gezigt op de groote kerk en den
+toren in 1860, de in het jaar 1861 geamoveerde IJsselbrug en den
+IJssel voor zijne canalisatie; voorts het wapen der stad, omringd
+door allegorische voorstellingen, die geene opheldering behoeven.
+
+En nu mijn lezer! zij u dit werk aangeboden met den wensch, dat
+de fouten die er zijn ingeslopen, door u goedgunstig mogen worden
+verschoond, en dat deze regelen iets mogen bijbrengen, tot meerderen
+luister van ons dierbaar vaderland en Oudewater en omtrek.
+
+
+
+
+
+
+
+GEOLOGIE.
+
+I.
+
+OUDEWATER EN OMTREK,
+
+GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH EN GESCHIEDKUNDIG GESCHETST.
+
+
+ "De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange
+ na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar
+ tegenwoordig kennen."
+
+ Dr. W. C. H. Staring.
+
+
+ "Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,
+ Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;
+ Ik min het vette rund, dat aan den waterkant
+ Een heldren spiegel vindt met loovers om den rand.
+ Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,
+ 'k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;
+ Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,
+ Maar op een biezenland naar 's diertjes vrij instinkt,
+ Waar 't zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,
+ Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.
+
+ Zóó was heel Holland eens...."
+
+ Mr. J. P. Amersfoort.
+
+
+Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan
+hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is,
+behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke
+voortbrengselen--waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt--het
+hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.
+
+Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te
+beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever,
+tot de onder-afdeelingen door, onverschillig van welken tak van
+wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn,
+die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt
+geheel.
+
+Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen,
+en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze
+laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het
+dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen
+onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw
+verband, gelijk blijken zal.
+
+Hierom eerstens hebben wij ons voorgenomen iets te leveren over
+Oudewater's bodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam
+van geologie of aardvorming bekend) ook van nut voor menig inwoner
+dier plaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs
+verschillende lagen bestaat.
+
+Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.
+
+Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting--langen
+tijd onze geachte stadgenoot--de heer Staring en anderen, hebben
+tot de kennis der geologie van geheel ons vaderland zelfs, roemvol
+de hand geleend. Ondersteund door van 's lands wege gedeeltelijk
+bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen,
+konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap
+laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat
+wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met
+de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden,
+om iets omtrent de geologie van Oudewater en omtrek in het licht te
+geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat
+elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig
+ook daargesteld, den geleerden nogtans aanleiding kan geven tot het
+maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen
+bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.
+
+Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter
+verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen
+zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende
+berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te
+weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der
+geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten
+uiteen te zetten.
+
+
+
+Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste
+aardlaag in Oudewater bezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot
+de klei-soorten behoort. Zet men echter den voet buiten het stadje,
+dan is de afwisseling van klei- met veenachtigen grond zeer in het
+oog loopend.
+
+Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan
+onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden
+ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.
+
+Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele
+runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt,
+heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren
+hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die
+menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier
+ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene
+gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen,
+zou men vóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De
+weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de
+IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende
+vergezigten van thans, werden toen belemmerd door eeuwenoude bosschen,
+die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.
+
+De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding
+zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken:
+den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft
+veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn
+voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,--vóór deze
+streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene
+schets gaven, ook toen was Oudewater's bodem reeds aan menigvuldige
+verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden
+nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.
+
+Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats
+bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem,
+dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen
+scheiden: in alluvium en diluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en
+beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van het
+
+
+
+
+
+DILUVIUM.
+
+Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige
+gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen:
+dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel
+aantreft. De beteekenis nu van het woord Diluvium is vloedvorming,
+en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking, dat die
+thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene
+ontzaggelijk groote watermassa.
+
+Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland" van den
+niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden
+uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder
+het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne
+vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende
+oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer
+ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of
+later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium
+alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken,
+en het zou zich als 't ware gelijk eene zandzee met monsterachtige
+baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de
+overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting
+uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen
+uit blaauw--soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men
+ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.
+
+Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in
+de putboringen, hier en elders, in Oudewater's omtrek gedaan. Hier
+toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie
+bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15,
+ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.
+
+De meening van sommigen--inzonderheid van werklieden die nu en dan met
+het maken van waterputten belast worden--dat de wellen met aderen,
+als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij
+weten, dat de plaats waar de wel wordt aangetroffen, zich op ongelijke
+diepte bevindt.
+
+
+Gemiddeld bekwam men welwater:
+
+
+ In Oudewater op omstreeks 12,50 Ned. el.
+
+
+In deszelfs omtrek, als in:
+
+
+ Williskop en Snelrewaard » » 11,-- » »
+ Hekendorp en Roozendaal » » 9,50 » »
+ Papekop, Hoenkoop,
+ Ruigeweide en Linschoten [1] » » 7,75 » »
+
+
+Omtrent Papekop strookt dit ook vrij goed met het onderzoek van
+laatstgenoemden ervaren geoloog: "Er zijn aldus geene redenen--zegt
+hij, na over de boorputten van Gouda en Leiden gesproken te
+hebben--die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene
+geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen het diluvium
+begint, en dat dit het zand is, hetwelk bij Utrecht op 2 el diepte
+wordt aangetroffen, bij Woerden op gelijke diepte, en ook, welligt
+in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el; bij het
+station Papekop regelmatig op deze diepte; bij Gouda op 9 tot 12 el,
+en bij Rotterdam waar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt,
+op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting
+hebben zulks aan het licht gebragt." [2]
+
+Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer
+aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld
+opgaven; wij bedoelen bij het begin van Hoenkoop en Williskop. Om
+pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17
+el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater,
+hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna,
+wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende,
+heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend
+drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot
+het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water
+zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld,
+nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het
+huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw
+komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou
+zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijk veen, derrie en ijzeroer,
+alsook boomstronken en schelpen.
+
+De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte
+circa 1/4 uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd,
+en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de
+diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.
+
+Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:
+
+
+
+
+
+ALLUVIUM.
+
+In het kort dient nu eerst vermeld te worden, welke gronden men bij
+het pompen maken gewoonlijk aantreft.
+
+Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond in Oudewater uit klei
+bestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks
+3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere
+of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten,
+enz. vermengd.
+
+Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden:
+»Steigeraarde."
+
+De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-
+of zeebezinking" heeten.
+
+Buiten de stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over
+het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Het waarom geven wij
+eenige bladzijden later.
+
+In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan,
+dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke
+overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam van kien-
+of grondhout worden aangeduid.
+
+Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of
+ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater". De
+spade heeft hare dienst gedaan, en men moet--wil men den bodem tot
+op de wel doorboren--zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen;
+alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.
+
+De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaans rood zand,
+veelal ook turfgrond en derrie, welke beide laatsten de aardkundigen
+met den naam van laag veen zouden bestempelen.
+
+Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden,
+die in de geleerde wereld als Oerbanken of IJzeroer bekend zijn en
+zoowel in alluvium als diluvium aangetroffen worden.
+
+Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingen zoowel op
+ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.
+
+Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood,
+meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker
+kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden
+zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!
+
+In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig--naar men meent,
+op een stuk hout--ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, 'twelk echter
+niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de
+boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken
+betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die
+veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring's
+voortreffelijken »Bodem van Nederland" lazen, dat, bij diluvialen
+vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd,
+die zich in onzen bodem vast woelden.
+
+Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en
+op het Roodzand [3] eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest
+hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de
+pomp op te plaatsen.
+
+»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst
+om te drinken", en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater", zijn
+bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.
+
+Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche
+alluvium;--doch, hoe zijn deze gronden gevormd? welke natuurkrachten
+en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare
+geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten
+te verklaren.
+
+Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium", indien
+men de beteekenis des woords zelve kent. Alluvium toch wil niets anders
+zeggen, dan: land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter
+die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen
+gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt--gelijk nader
+blijken zal--moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam,
+deels kunstterm verstaan.
+
+Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen
+wij dus te behandelen de:
+
+ Bouw- of Bovengrond.
+ Steigeraarde.
+ Rivierbezinking.
+ Zeebezinking.
+ Kien of grondhout.
+ Zakwater.
+ Rood zand.
+ Veen.
+ Derrie.
+ IJzeroer;
+
+dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.
+
+Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.
+
+Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd,
+verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale
+golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen,
+onder anderen in 't begin van Williskop het langst gespaard.
+
+Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen,
+en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige
+gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook
+water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!
+
+Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en--de
+stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan de later gevormde
+of alluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen
+des alluviums; beginnen we met het:
+
+
+
+
+Veen.
+
+Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:
+hoog en laag veen.
+
+Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor
+ons bestek slechts eene dezer beiden: het laag veen voldoende is;
+de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.
+
+De turf, van hoog veen vervaardigd, wordt in deze streek veelal met
+den naam van »Vriesche", die van laag veen met den naam van »Korte
+turf" aangeduid.
+
+Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong:
+andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording
+daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:
+
+
+
+
+LAAG VEEN.
+
+Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en
+wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de
+onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein,
+elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling
+nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding
+nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden
+beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.
+
+De ontleding van planten tot laag veen gaat niet dan met hulp en
+medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er
+toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede
+eenig deel daaraan neemt.
+
+Planten alzoo, die aan, op of in het water leven en tot ontbinding
+overgaan, worden laag veen met behulp der lucht, die in het
+water opgelost is, met behulp van het water zelf; en eindelijk
+door medewerking van de aarde, omdat de ontbonden plantenstof
+zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst,
+vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is,
+ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond,
+belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.
+
+Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede
+alluviale grondsoort, tot de
+
+
+
+
+Humus of Bouwaarde,
+
+'t welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van de
+
+
+
+
+Derrie.
+
+Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht
+eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht
+benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang
+haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels
+worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang,
+en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van
+die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.
+
+Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de
+diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en
+na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond of
+humus gevormd.
+
+Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus
+met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van
+een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal
+ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij
+de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal
+moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren,
+als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht
+niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage
+wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote
+veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt
+en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.
+
+Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot de Derrie. Moeten
+wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek,
+en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder
+bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap
+stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men,
+dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel
+aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu
+de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij
+de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid,
+alligt daaraan herkennen.
+
+Zoo zal dus op Uiterwaarden in de lagere plaatsen derrie kunnen
+ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt
+en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich
+intusschen de grond door leven en dood van planten en dieren, en met
+een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar
+hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene
+wijle bij het IJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.
+
+
+
+
+IJzeroer.
+
+Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van
+ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit
+ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer
+met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit
+zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de
+planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke
+stoffen verrotten", zegt de heer Staring [4], »kan dit laatste--het
+ijzer-oxide--een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt
+daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen
+in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in
+gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het
+ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats
+heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men
+ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het
+omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat,
+over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den
+invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van
+kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit
+zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met
+de dampkringslucht komende, troebel wordt en de bij de landbouwers
+zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.
+
+Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water,
+dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest
+zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in
+water de oerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of
+veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt
+wel beweerd, maar is geenszins bewezen."
+
+Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan
+van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op
+de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat
+aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit
+met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken
+van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige,
+kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt." [5]
+
+Menigvuldig--wij zeiden het reeds--is dat ijzeroer, welks wording
+ons thans niet duister meer is, in Oudewater's gronden aanwezig. Bij
+de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de
+Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid
+ijzeroer aan.
+
+In Papekop gebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste
+zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen
+zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op
+te boren.
+
+In de Linschoten behoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele
+slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter
+plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het
+water met plekken van eene roodachtig bruine kleur afgezet, die,
+laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken
+zullen vermeerderen.
+
+Ook in onzen Hollandschen IJssel bij Goejanverwellesluis zag ik
+zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat
+zulks »salpeterigheid" was.
+
+Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor
+houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig" zijn, des winters
+bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs
+hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om
+te betreden.
+
+Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking
+al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn
+dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.
+
+Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk
+werkman, zou blaauw zand--diluviale gronden?--steeds met ijzer gepaard
+gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het
+gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.
+
+Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken
+eene niet onbelangrijke rol in de vorming van Oudewater's alluvium
+spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder
+geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus
+te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:
+
+
+
+
+Rood zand.
+
+Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons
+alluvium aanwezig is?
+
+Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten
+naastenbij 3 uren afstands van Oudewater liggende rivier de Lek. Zij
+toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich
+in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in
+den handel als "lekzand" voorkomt. Menige overstrooming dier rivier
+van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het
+water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.
+
+Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te
+willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende
+watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van
+vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën
+van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit
+de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken
+worden, maar geen zand.
+
+Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen van België en
+Duitschland slaan.
+
+De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd),
+en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de
+vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons
+zeer eenvoudig toe: dezelfde stroom of stroomen die het zand naar de
+Noordzee voerden, hebben het rood zand te Oudewater gebragt. Beide
+is het van denzelfden oorsprong, door dezelfde stroomen aangevoerd,
+uit dezelfde bergen van België of Duitschland ontstaan, en zooals
+voorheen de rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulks
+thans nog mede.
+
+Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger
+den bodem van Oudewater doorsneden; want zonder zulke rivieren had
+de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.
+
+Vervolgen wij echter:
+
+
+
+
+Zakwater.
+
+Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des
+waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is
+men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat
+wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere
+vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen,
+het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.
+
+
+
+
+Rivier- en Zeebezinking.
+
+Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo
+even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend
+kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het
+begin der rivierbezinking te verplaatsen, werwaarts wij hem zullen
+volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte
+schets daar tusschen te lasschen van:
+
+
+
+
+
+
+
+DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.
+
+De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren
+gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en
+los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk
+eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van "woudreuzen"
+ten volle waardig zijn.
+
+Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche
+rivier de Rijn, door onzen Borger "de grootvorst van Europa's stroomen"
+genoemd, splitst zich in verschillende armen, als wilde hij de geheele
+landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche
+IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in
+het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren,
+over zijne bedding te laten heenvlieten.
+
+Ofschoon hij--de IJssel--nu van tijd tot tijd deze zijne bedding
+eenigzins verlegt--want alle rivieren deden dit--blijft hij zijne
+rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.
+
+Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof
+als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor
+hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.
+
+Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden
+en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des
+woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef
+op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels,
+gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze
+slibtoevoer of dit kleibezakken is de rivierbezinking.
+
+Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei
+doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd
+had en die haar omringde.
+
+Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid
+ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich
+spoedig tot op eene aanmerkelijke dikte had nedergelegd. Hierdoor
+ontstond land, dat men met den naam van Waardland, of ook wel
+kortweg met dien van Waard bestempelde. Dit woord is verwant met
+ons tegenwoordig werkwoord worden, zoodat men door waard gerustelijk
+aangeslibt, of geworden land kan verstaan.
+
+De Uiterwaarden langs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen
+naam. In Oudewater nu was,--te oordeelen naar de zich soms 3,10
+Ned. el in den grond bevindende kleilaag--dat landworden reeds vroeg
+begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit,
+en ziende, dat--niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij
+gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren--er toch
+nog steeds nieuwe of jonge waarden gevormd werden, noemden zij daarom
+de plaats hunner vestiging--om ons van de tegenwoordige spelling der
+taal te bedienen--Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den
+naam dezer plaats naderhand Oudewaerten uit, doorliep vervolgens den
+overgang Oudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En
+zie hier den
+
+
+
+
+Naamsoorsprong van Oudewater
+
+naar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter
+met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong
+niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende
+redenen opgegeven.--S. van Leeuwen [6] en Franc. Halma [7] zijn dan
+ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk
+af zou komen van Oudewaarden als in een oud eiland of oude waard
+liggende. M. Z. Boxhorn [8] spreekt er aldus over: "Oudewater soude
+moeten ghenaemt worden Oudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel
+aensiet. Oudewaerdt en beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte
+Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van
+die waerde daarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt" Ook
+Lud. Smids [9] is--op gezag van dezen laatste, schijnt het--dezelfde
+meening toegedaan.
+
+Men ziet dus, dat velen dit gevoelen aankleven. De heer van Kinschot
+[10] en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam
+van den IJssel, als oud water zou ontvangen hebben; daarmede stemmen
+wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen [11],
+dat de Romeinen het ook daarom den naam van Aquae Veteres zouden hebben
+gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat
+der Vereenigde Nederlanden", waarin wij lezen: »Uit de latijnsche
+benaming van Aquae Veteres--alleen eene letterlijke vertaling van
+den tegenwoordigen naam--zien wij niet dat eene afleiding te haalen
+is." [12] En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen,
+en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten,
+slechts één plaatsje, dat Oudewater heet.
+
+Voor de stelling, dat de naam Oudewater wezenlijk van bovenvermelden
+geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men,
+behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,
+Snelrewaard als boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende;
+voorts: Barwoutwaarder, het dorpje Waarder, en misschien mag het
+nabijgelegen Woerden hier ook gerangschikt worden als synoniem met
+Waarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde,
+wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechts
+oude tot onderscheid dier andere waarden.
+
+Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet
+met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen,
+die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische
+beteekenis wil toegevoegd hebben.
+
+Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, tot Oudewater's geologie, en wij
+beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is,
+zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij
+ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende
+van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:
+
+
+ »Het schijnt, dat de ondermaansche dingen
+ Zijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:
+ Ik zag het vaste land met water overdekt
+ En weder uyt de plas het vaste land verwekt.
+ 't Is vreemd, dat verre van de zee en van de gronden
+ Het zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,
+ En dat een anker lag in 't hooge dorre land,
+ In plaats van in de zee of aan den waterkant." [13]
+
+
+Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen"
+behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.
+
+Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan
+had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en 't natuurlijk
+gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had,
+als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.
+
+Halma teekent er dit van aan: [14]
+
+»In oude tijden plagt den Rhijn nevens Batavia of 't Batouwerland
+eenen zeer snellen loop te hebben, totdat hij bij Katwijk in zee viel;
+maar toen maakte hij door de Maas en Waal slechts eenen traagen en
+kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van den Rhijn,
+het doorgraven van de Lek en Yssel, loopt de stroom bijna geheel
+te niet en de traage loop van Waal en Maas is in een zeer snellen
+afdrift verandert. Belangende den tijdt en d'oorzaak van de gedachte
+opstoppinge des Rhijns, bij Katwijk, daarin zijn zeer verschillige
+gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen
+allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den
+loop des Rhijns zoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat
+de Rhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft
+moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van 't water des Rhijns
+en den vloed daardoor ontstaan en door de Lek enz. quyt te maken.--De
+oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op 't
+jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater den Rhijn injoeg en in
+'t land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken,
+de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de
+inwoonders genoodzaakt zijn geworden, de Lek te graven, om hun water
+in en door de Maas voortaan in zee te loozen."
+
+Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet
+uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.
+
+De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch
+neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor
+het verstopt maken des Rijnmonds [15], als hij zegt:
+
+»Men meent, dat de Rijnmond te Katwijk tusschen 860 en 1000 verstopt
+is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien
+tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom
+door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en
+de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het
+Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer
+rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven,
+die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid
+en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen,
+welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen." [16]
+
+Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den
+IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve
+aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu
+nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde
+slib mede en die wordt zeebezinking genoemd.
+
+Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden om Montfoort gelegen,
+en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei
+bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij
+beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer
+afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch
+Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde
+Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het
+indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig
+ten minste--de vloed niet verder gaat dan halverwege Montfoort en
+Oudewater (zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het
+afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen,
+en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.
+
+Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrent Oudewater
+geweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de
+meeste slib, welke dan ook, afgezet.
+
+Nu is de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel boven IJsselstein
+met eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water
+kan nog door den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders
+den IJssel nog binnen bij vloedgetijde te IJsselmonde wanneer er
+overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is,
+en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluvium nog uit
+rivier- en zeeklei wordt gevormd.
+
+Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen
+IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone
+getijden tot omstreeks halverwege Montfoort en Oudewater gaat. Volgens
+eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter
+verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen
+der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje
+tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter
+heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een
+ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25
+Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in
+hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.
+
+Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug
+bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed
+aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd
+overtuigen. Met het oog naar den kant van Gouda gewend, ziet men alsdan
+reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen
+trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar
+de zijde van Utrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd
+wordt vooral begunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven
+voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne
+toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt
+van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren
+tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.
+
+Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende
+plaatsnamen: IJsselstein, Oudewater, Goejanverwellesluis, Haastrecht,
+Stolkwijkersluis, Gouda, Moordrecht, Ouderkerk aan den IJssel,
+Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en IJsselmonde. Op
+eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook
+om hunne naamsreden te verklaren. 't Wordt echter meer dan tijd, nu
+van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel
+te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men--om zulks met goed
+gevolg te doen--moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling
+en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den
+loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat
+men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong
+kan afdalen.
+
+Bijna algemeen is men tegenwoordig van 't gevoelen, dat de verouderde
+schrijfwijze van IJssel is: Ysala, en zulks wijders eene verbinding
+is van de woorden Y en Sala; Y beteekent water en Sala loop; alzoo
+Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen dan
+waterloop. [17]
+
+De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie
+dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige
+eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.
+
+Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier, zullen wij hierover
+iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 te Gouda in het
+licht verschenen [18]:
+
+»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren
+van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering
+besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze
+rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen
+rivierstaat des lands--iets, dat nog zeer te betwijfelen is--zoo is
+zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer
+geenzins onbeduidend te noemen.
+
+De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor
+heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de
+sprekendste wijze ontdekt.
+
+Van den benedenmond af tot Gouda bestaan de bekende steenfabrieken
+niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde
+metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en
+vijftig duizend guldens gerekend.
+
+Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de
+ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot
+gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.
+
+De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib
+waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld
+en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen
+worden vervaardigd.
+
+Ten gevolge van, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen
+de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de
+fabriekanten worden betaald.
+
+Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen
+even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de
+grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.
+
+Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt,
+men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der
+waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor
+aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend."
+
+Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men,
+zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit
+de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.
+
+Een enkel voorbeeld in cijfers--zoo stond daar verder--zal ons dit
+ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks
+zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men
+heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700,
+bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen
+aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men,
+dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000
+kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de
+Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.
+
+En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant
+Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen? [19]
+
+
+ »O zilv're Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,
+ Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,
+ En schatten zonder end...."
+
+
+Zonder einde echter?
+
+Zal de sluis tot afdamming van den IJssel boven Gouda, niet een
+volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg
+voor den aanvoer van slib naar deze streek, en aan de andere zijde
+der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?
+
+Volgens de genoemde brochure--wat het laatste betreft--ja gewis.
+
+Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloed
+over en trok die weder terug van de plaats, die wij thans Oudewater
+heeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den
+»Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk" kusten, daargesteld om
+uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden
+afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,--zij was oorzaak, dat men
+u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken"
+vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet
+uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar
+die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom,
+zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het
+aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte
+uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen
+boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.
+
+Bij Oudewater kleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra
+zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans
+nog tot boven Oudewater voortzet, beperkt worden. De rustelooze
+waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal
+gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij
+tot voorbij Oudewater te hervatten.
+
+Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bij Gouda in
+werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte "waterloop" zal
+spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het
+laatste ('t verdiepen) is men van boven IJsselstein tot boven Montfoort
+bereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek
+geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken,
+hier echter tot nut der plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of
+bijna geen nut meer voor Oudewater doet. Integendeel; want zooveel
+klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan
+met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd
+is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken
+is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop
+is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken,
+behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche
+stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen,
+maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien
+van Vecht verwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is,
+dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bij Gouda tot aan
+de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die
+sluis, al dadelijk van den Opper-IJssel in den gekanaliseerden IJssel
+of Vechtstroom bevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds,
+van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel te Gouda
+of te Oudewater.
+
+Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van
+den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de
+plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen;
+maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze
+verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan
+de provincie Zuid-Holland f 90,000, de prov. Utrecht f 110,000 en
+het rijk f 100,000 zal verstrekken.
+
+Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.
+
+Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel
+invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke
+geologie terug, door te verklaren wat eigenlijk rivier- en zeeklei is.
+
+Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil
+kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte
+kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter
+den lezer--wie zulks niet mogt weten--dadelijk te verklaren wat
+rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij
+de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam
+van Pottebakkersaarde.
+
+Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de
+Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij--de rotsen--vervormen
+zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in
+keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte,
+gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de
+zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.
+
+Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeks Montfoort zeer ondiep
+en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene
+publikatie van Oudewater's gemeenteraad eener voorgenomen doch
+door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een
+gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er
+zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde" bevond. Deze nu zal niet
+van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast
+bevindende grachten.
+
+Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want
+welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de
+zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid,
+deze als zee--de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.
+
+Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland" een zeer gemakkelijk
+middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te
+onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van
+gemaakt heeft, bij verbakking roode, zeebezinking gele steenen.
+
+Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij
+aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen,
+welke laatste onder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen
+aangeduid worden.
+
+Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke
+diepte, hier en daar in en om Oudewater te verzamelen, en die ter
+verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met
+meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem
+te bepalen.
+
+
+
+
+Grond- of Kienhout.
+
+Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders
+misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op
+eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan
+zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat
+over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft,
+vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand
+bevestigd.
+
+Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam
+van het Schakenbosch in Hekendorp, waarover in de mythologische schets
+nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.
+
+Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer
+vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een
+of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische
+vloed of die van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat
+zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan
+gepaard, zullen de meeste boomen die als "grondhout" bij ons worden
+aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met
+slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald,
+daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling
+onderworpen is of althans geweest is.
+
+De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin
+liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook
+anders met den top liggende heeft gevonden.
+
+Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve
+de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout
+komen dikwerf voor.
+
+Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen
+grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de
+landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam
+de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde
+geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is
+hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove
+grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het
+laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere
+stukken op: zoo ook bij de stammen.
+
+
+
+
+Steigeraarde.
+
+Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in
+den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die
+puinaarde zich over 't algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is
+voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buiten Oudewater
+zelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te
+dringen om geene steigeraarde meer te vinden.
+
+En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des
+bodems, tot de zoogenaamde
+
+
+
+
+Teelaarde
+
+genaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen
+tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de
+steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker
+met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond
+ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna "welige grond" noemt,
+doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming
+van ons alluvium.
+
+Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen
+door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en
+bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als
+het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden:
+bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste
+beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen
+beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene
+wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van
+weleer, heeft ook in Oudewater en omtrek plaats gemaakt voor de orde
+en regelmaat der 19de eeuw.
+
+Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen,
+ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te
+brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de
+beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende
+orde, welke is aangeduid; alleenlijk moest er verdeeling gemaakt
+worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn
+er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde
+zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij,
+dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden
+nog steeds aanhoudt.
+
+Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden
+wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen
+henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit
+oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.
+
+In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper
+en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en
+hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.
+
+Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws
+geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het
+dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze
+plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang
+de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze
+weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische
+kennis onzer vaderstad.
+
+
+
+
+
+
+
+MYTHOLOGIE.
+
+II.
+
+
+ "Met den ijver tot onderzoek, kwam ook allengs de
+ overtuiging van het nut daarvan. Men kreeg hier
+ opheldering over menig oud gebruik, over aloude
+ wetten en instellingen, over woorden en
+ uitdrukkingen, die sedert eeuwen duister geweest
+ waren, en men leerde de denkwijze der vroegere
+ tijden al beter en beter kennen, zoodat dit
+ onderzoek ook reeds voor andere wetenschappen nut
+ gedragen heeft."
+
+ Mr. L. Ph. C. van den Bergh.
+
+
+Zeker, die lust, deze ijver tot onderzoek, waarvan in bovenstaand motto
+wordt gesproken, is aangenaam en nuttig: de mensch, die geschiedenis
+beoefent, volkseigenaardigheden en volksgebruiken met historisch
+waarnemend oog nagaat, hij leeft in zekeren zin niet alleen in dezen
+tijd: neen, door zich te verplaatsen naar het grijs verleden, toovert
+hij zich personen en zaken voor den geest, geheel vreemd somtijds aan
+die der eeuw waarin hij leeft,--smaakt hij een genot, een verheven
+genoegen, hen onbekend, die omtrent de geschiedenis onverschillig
+zijn en alzoo hun zedelijk voordeel niet willen doen met het nut,
+dat zij in zich bevat.
+
+De geschiedenis en vooral de onbeschreven geschiedenis tot leidsvrouwe,
+en gij kunt ver, zeer ver doordringen in den onmetelijken tijd-oceaan;
+zij toch is de genius die u bijstaat, om thans verlaten plekken te
+bevolken, met de schimmen van heldhaftige mannen, geleefd hebbende
+in den grijzen voortijd!
+
+Aller landen en volkeren geschiedenis is belangwekkend. De historie
+der laatsten heeft ons geleerd, dat eenigen, hoe nietig in hun begin,
+groot werden en magtig, maar dat ook juist die magt en die weelde hen
+verwijfd maakten, dat het de middelen waren tot hun ondergang. Helaas,
+ook zij ondervonden, dat de zoete weg der weelde glibberig was en
+gevaarlijk te betreden.
+
+Zoo traden dan eenmaal magtige volkeren af van het groote
+wereldtooneel; van velen bleef dikwerf niet eens de naam overig.
+
+Bij anderen wisselden voor- en tegenspoed, ontwikkeling en
+achteruitgang elkander af, doch zij hielden zich staande tot op
+dezen stond.
+
+Is dan de kennis omtrent de wisselingen van ieder land en van elk
+volk zoo treffend en nuttig voor den mensch, hoeveel te meer moet
+het ons dan aansporen de geschiedenis na te gaan van ons eigen land,
+en strenger nog, van die dierbare plekke gronds, waarop wij het eerste
+levenslicht aanschouwden, welligt ook eenmaal den grooten natuurcijns
+zullen betalen, en onder welks groenende kerkhofzoden ook daarna onze
+assche zal rusten.
+
+Gevoelen wij ons bij die gedachte reeds opgewekt, geen vreemdelingen
+te blijven op de breede baan der geschiedenis, er is echter nog een
+prikkel, nog een drijfveer die ons daartoe geleidt: deze, dat wij
+geene laakbare onverschilligheid mogen toonen, omtrent het bedrijf en
+leven onzer vaderen, die zoo veel veil hadden voor hun nageslacht;
+als hunne naneven niet alleen, ook als bewoners van den grond, dien
+zij ontwoekerden, hebben wij welligt zelfs een pligt te vervullen;
+de beoefening hunner geschiedenis. En deze algemeene beschouwingen,
+geachte lezer, zijn ook van bijzondere toepassing op Oudewater en
+omtrek, de punten onzer beschrijving.
+
+Ontrollen wij dan de geschiedbladen, en zien wij daarin, welke gevaren
+ons dapper voorgeslacht dikwijls trotseerde, hoe het uit menigen kamp
+als overwinnaar terug keerde, hoe het moed met beleid en kracht bij
+innige volharding wist te voegen; hoe het leefde en stierf.
+
+En, waar die geschiedrollen ontbreken, daar zijn het alhier plaatsnamen
+en volksgebruiken, die ons toefluisteren van dappere voorvaderen,
+van krachtige mannen, blond van haar en blaauw van oog, die hunne
+sterkgespierde leden alleen dekten met eene ruwe dierenhuid, los
+om de breede schouderen geslagen en bevestigd met eene doorn,
+van voorvaderen, offerende aan goden die niet bestonden, aan
+hemelligchamen, vuur en water, aan boom en plant, aan stroomen, enz.
+
+Ook de voormalige gesteldheid van Oudewater's bodem, die in de
+eerste aflevering behandeld werd, bood zich voor dusdanige vereering
+uitnemend aan.
+
+Behalve immers, dat zij hier even als elders hunnen goden konden
+offeren, verschafte de woudvolle toestand hun ter aanbidding boomen; in
+den vetten kleibodem groeiden planten in overvloed die zij vereerden,
+en de IJsselstroom bood hen eene woonplaats aan voor hunne watergoden
+en waterdienst; en dit, geachte lezer! is het verband tusschen geologie
+en mythologie, dat op bladz. 2 beloofd werd om aan te toonen.
+
+En, niet waar, het is niet te verwonderen, dat wij juist bij gebrek
+eener zekere geschiedenis dezer streek tijdens het heidendom, die
+in hunne godendienst, hunne natuurvereering of mythologie trachten
+te zoeken, welke, als het dierbaarste wat zij bezaten, ook de
+veelvuldigste sporen heeft nagelaten.
+
+Als zoodanig dan willen wij het eerst eenige heidensche feesten
+behandelen, waarvan sporen schijnen of wezenlijk zijn achtergebleven;
+daaronder zal men dan ook aantreffen de meivuren, waarvan wij zullen
+trachten te bewijzen: wie zij toegewijd waren, en daarna wat zij nog
+zijn; ten einde alzoo vergelijkingspunten verkregen worden, tusschen
+heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol kinderspel van thans.
+
+
+
+
+
+
+
+MYTHOLOGIE.
+
+FEESTTIJDEN. FEESTEN. VOLKSGEBRUIKEN.
+
+
+ "Het geheele godenstelsel is thans niet meer in zijn
+ geheel op te delven.... wij treffen slechts brokstukken
+ aan...; maar deze fragmenten, die thans meer dan ooit
+ met zorg worden verzameld, leeren ons thans nog oordeelen
+ over het geheel dat verloren is."
+
+ D. Budding.
+
+ "....Door al die kleine aanduidingen en bijzonderheden te
+ verzamelen, te schiften en de een met de andere te
+ vergelijken, bekomt men eindelijk een tweelicht, waarbij
+ men vele voorwerpen redelijk leert onderscheiden.........
+ en ik vind geene zwarigheid te veronderstellen, dat sommige
+ dier verbalen zeer oud zijn en welligt tot de tijden des
+ heidendoms opklimmen."
+
+ Mr. L. Ph. C. van den Bergh.
+
+
+Hoewel men niet van ons zal vergen, eene uitgebreide mythologie van
+ons land te leveren--wijl deze bereids bij onderscheidene auteurs
+bestaat en ons bestek daarvoor ook te beperkt is--zoo moeten wij
+echter, om in het vervolg dikwijls niet onverstaanbaar te worden,
+in de eerste plaats vooral den in de mythologie oningewijde opmerken,
+dat zij voornamelijk verdeeld wordt in drie soorten: de Oostersche-,
+de Westersche- en de Noordsche mythologie.
+
+Dan moeten wij zeggen, dat, ofschoon men bij alle deze, vele
+gronddenkbeelden aantreft, die onderling veel overeenkomst met elkander
+hebben, zij toch eveneens bij vergelijking een aantal punten van
+verschil aanbieden.
+
+En dit laat zich immers zeer gemakkelijk begrijpen. Zal het heidendom
+in het zuidelijk Europa en in Azië, dat ook eene natuurdienst had,
+zich in hun zonnig klimaat, onder den wolkeloozen hemel, waar andere
+planten en boomen tierden, zich geen veel weelderiger natuurvergoding
+hebben voorgesteld dan de »wilde" in Scandinavië [20] en IJsland,
+levende in eene geheel andere omgeving. Toch, al gewerd ons de
+Noordsche of Odinische mythologie uit het koudere klimaat, zoo was
+zij toch geenszins zonder dichterlijken gloed, zeker neen: daar uit
+het Noorden kwam zij tot ons, die natuurdienst, dat mythenstelsel,
+niet alleen in legenden, schoone overleveringen en heldensagen, maar
+ook in oorkonden, geschreven in de zoogenaamde Norraena taal. Deze
+waren het echter nog niet alleen die ons der N. volkeren mythologie
+deden kennen: ook de twee edda's verspreidden daarover veel licht
+[21], en onbetwistbaar is het, dat de mythologie van dit land niet
+slechts het meest der Noordsche nabij komt, maar ook dikwijls de
+grootste overeenkomst daarmede aanbiedt: en geen wonder, ons land
+werd gedeeltelijk uit het Noorden bevolkt. Van daar ontleenden wij
+dus ook gedeeltelijk taal, wetten en heidensche eerdienst.
+
+Bij die Noordsche volkeren nu, die een magt van goden en godinnen
+hadden, was Odin de oppergod, en Frigga zijne gemalin, en van
+deze twee, zegt de heer Budding, stamt bijna geheel het asen- of
+godenstelsel af, wier leven en bedrijf in het hemelsche Asgard, wier
+invloed op Midgard (de aarde) en wier togten naar de onderwereld de
+edda-liederen dikwijls met zulke krachtige liederen afmalen. [22]
+
+Hoe groot de magt echter was die Odin bezat, stond hij evenwel onder de
+beschikking der Nornen of schikgodinnen. [23] Dit bewijst de Baldur's
+mythe en de professie der Völa van het Noorden. »Die voorspelling",
+aldus vervolgt Budding, »betreft den dood van Baldur (een zoon van
+Odin) en geeft aan de geheele N. Godenleer behalve een behagelijk
+weemoedigen tint, ook eene bepaalde rigting aan alle bedrijven en
+heldenfeiten van het asenleven in Asgard."
+
+Ten volle zijn wij het met genoemden oudheidkundige eens, en wij
+kunnen dan ook niet aan de heidensche feesten beginnen, tenzij de
+vriendelijke lezer iets nader omtrent den dood van den »goeden Baldur"
+is ingelicht. »In het Dietsch heidendom", zegt Mr. P. Blommaert,
+[24] schijnt een dualismus ten gronde te liggen, hetwelk men schier
+in alle trappen van deszelfs natuurleer aantreft. Zoo staan Mispelheim
+[25] en Nevelheim tegenover elkander, en door derzelver wederzijdsche
+werkingen, stichtten zij de wereld en het leven. In eene mindere
+schaal kan men deze gedachte vervolgen in de tegenstellingen van het
+licht tegen de duisternis, den dag tegen den nacht, den zomer tegen
+den winter, welke in eeuwige wisseling en als het ware in gedurigen
+strijd voortrollen. Dit natuurverschijnsel werd bij de Scandinaven
+door de schoone mythe van Haudur en Baldur voorgesteld.
+
+»Haudur en Baldur zijn Wodan's zonen. Baldur wordt de goede bijgenaemd;
+hij is zoo schoon en rijzig dat hij glanst.
+
+»Haudur is dof van kleur en blind [26], doch geweldig sterk. Hij
+was het, die zonder erg den doodelyken pyl op Baldur afschoot en
+zyns broeders onschuldige moorder werd. Zoo wordt zyn dood in de
+edda verhaelt.
+
+»Baldur de goede droomde, dat zyn leven in gevaer was. Daer hy dit den
+Asen bekend maekte, hielden zy daerover raed, en er werd besloten,
+Baldur tegen alle mogelyk gevaer te verzekeren. Frig nam gevolgelyk
+den eed af aen het vuer, water, yzer, aen allerlei metalen, steenen,
+aen de aerde, boomen, ziekten, dieren, vogelen, vergiftige slangen,
+dat zij hem niet zouden schaden. Als dit gedaen was en aen allen
+bekend gemaekt, verheugden de Asen zich daerover, zoodat zij Baldur
+vooraen in de vergadering stelden; eenigen schoten naer hem, anderen
+hieuwen op hem, anderen wierpen met steenen, en wat zy ook deden, hy
+had daer geene schade van. Daer Loki [27] dit zag, verdroot dit hem
+hevig; hy begaf zich onder de gedaente eener oude vrouw naer Fensal
+bij Frig. Die vrouw vroeg aen Frig, of zij wist wat de Asen in hunne
+vergadering voor hadden. Zij antwoordde: »allen schieten naar Baldur
+zonder hem te deeren," er bij voegende: »ja, wapens en boomen zullen
+hem niet hinderen, ik heb ze allen den eed afgenomen." Dan vroeg de
+vrouw: »hebt gij alle mogelijke dingen bezworen, dat zij hem niet
+kunnen beleedigen?" Frig antwoordde: »er wast een kleine jonge boom
+ten westen van Walhal [28], met name Misteltein (mistel, marentak,
+viscum) die mij te jong scheen om in eede genomen te worden." Daerop
+ging de vrouw heen. Loki trok nu den misteltein uit en ging daermede
+ter vergadering. Haudur, die blind was, stond aan het uiterste des
+kreits. Nu sprak Loki hem aen, en vroeg hoe het kwam dat hij niet
+op Baldur schoot. »Vooreerst," zeide hij, »kan ik hem niet zien,
+en ten tweede heb ik geen wapen."--»Ik zal u toonen waer hij staet,
+en schiet dan op hem met deze roede."--Haudur nam Misteltein en schoot
+naer Loki's aanwijzing op Baldur. Het schot doorboorde den goede die
+dood ter aerde viel. Dit is het allergrootst ongeluk, dat goden en
+menschen ooit te lijden hadden. De verslagenheid onder de Asen was
+groot, en de diep bedroefde Frig zijne moeder, bood hare gunst aen
+dengene, die Baldur kon verlossen. Hermoder de snelle trok daerheen,
+maer vruchteloos was zijne poging."
+
+En nu, geachte lezers! wat dunkt u van deze schoone mythe? kon de
+strijd tusschen dag en nacht, zomer en winter meer schilderachtig
+worden voorgesteld dan daar?
+
+En thans dan, na deze mededeeling kunnen wij een aanvang maken met
+de beschrijving der feesten, waarin overal de gloor van dezen strijd
+doorstraalt.
+
+Het zal nu wel niemand meer verwonderen, dat ons heidensch voorgeslacht
+den tijd niet bij jaren afbakende, zooals wij dit doen; zij deden dit
+in betrekking tot den stand der zon bij zomer en winter, en telden bij
+nachten, als slaande dit alles op den dood van hunnen beminden Baldur.
+
+In den langsten nacht, bij hen moedernacht genaamd, dan, wanneer de
+zonne keerde en de strijd tusschen licht en duisternisse op nieuw
+aanving en zij dachten, dat deze schoone hemelbol weder op nieuw voor
+hen geboren werd, dan ook jubelde men, vierde feest, en slagtte een
+ever, dan hadden zij hun midwinterfeest [29], en smaakte men gedurende
+twaalf dagen ongekende feestvreugde: dan ging hun jaar in. [30]
+
+Zeer vele schrijvers en mannen van groote geleerdheid beschouwen
+het als zeer opmerkelijk, dat vele landhuren bij onze landbouwers op
+Midwinter verschijnen: ook dan gaat voor hen in zeker opzigt weder
+een nieuw jaar in.
+
+Niet onwaarschijnlijk is dat van mythologischen oorsprong, en
+daar ook vele oude stukken in ons bezit zijn van landerijen, om
+Oudewater gelegen [31], wier huur ook om dezen tijd: »sonnendaegh nae
+St.Martensdagh in den wynter" verschijnt, zoo zijn wij zeer geneigd
+aan te nemen, dat ook hier de mythologische jaaringang daarin een
+spoor naliet.
+
+Daarna treedt onze
+
+
+
+
+Nieuwjaarsdag
+
+op, die insgelijks op hun midwinter, ook wel joelfeest genaamd, inviel.
+
+De voormalige bewoners dezer landen vierden feest van het oude jaar
+in het nieuwe, en ook dit gebruik is alhier bij velen nog in stand,
+door het oude jaar uit en het nieuwe in te drinken.
+
+Wijders bewijzen onze woorden: jolen, jool hebben, jolig zijn, volgens
+de meening van alle schrijvers die wij hierover raadpleegden, zonder
+kijf afkomstig te zijn van het mythologische joelfeest.
+
+Eveneens het geraas maken en schieten in dien nacht, wil de
+oudheidkundige Budding, (en niet zonder grond) als sporen zien van
+de midwinterviering.
+
+Behalve dat, zou in Oudewater het voormalige tromslaan en het
+tegenwoordig nog in gebruik zijnde klokkespelen van twaalf tot een
+uur op nieuwjaarsnacht mede daaraan kunnen herinneren, te meer nog,
+daar ook bij het meifeest het »klokkegebeijer" wordt vernomen.
+
+Niet, dat bij de heidenen het tromslaan, het buskruidschieten en
+klokkespelen uitgevonden was, zooals de lezer zal weten; maar het volk,
+gewoon op dien tijd feest te vieren, bezigde ook daarna de middelen
+welke latere uitvindingen hen verschaften, om geraas te maken en zich
+te verheugen. [32]
+
+En dan, wanneer op Nieuwjaarsnacht wij die tierende jolige menigte
+gadeslaan, die het oudejaar uit en het nieuwe indrinkt, als wij dan
+het klokkenspel hooren bespelen, dan voorzeker is dit in staat, in
+onze verbeelding die tierenden te doen verdwijnen en de schimmen te
+doen optreden onzer voorvaderen, die hun joolfeest vierden.
+
+Zeker toch, dit tieren en jolen zijn overblijfselen, maar gewijzigde
+overblijfselen, uit het heidendom van dit oord.
+
+Wat al stof tot nadenken voor u en ons, wij, die in hun zonnegod
+slechts een deel zien van al het geschapene van den grooten Schepper:
+wat al stof tot overweging biedt ons het nieuwjaarsfeest aan buiten
+hen die dien God niet kenden. Dan, te middernacht, met het gesloten
+jaar achter, en het nieuwe voor ons, wel is waar geopend, maar toch
+schuilende achter den dikken sluijer des tijds! Gewis, dan is het
+tijd tot ernstige gedachten, in plaats van het smaken van uitbundige
+vreugde, gesproten uit het blind heidendom. En toch is, wel beschouwd,
+de geringste tijdverdeeling de poorte tot een nieuw levensjaar!
+
+In hoever de
+
+
+
+
+Vastenavond
+
+partijen, waarmede men ook in Oudewater en omtrek veel op heeft,
+van mythologischen oorsprong zijn, zullen wij van den Bergh [33]
+laten beslissen:
+
+»In Februarij had mede een heidensch feest plaats. De Indiculus
+superstitiones meldt: de spuralibus in Februario. [34]
+
+Bijzonderheden zijn mij daarvan niet bekend, doch mij komt hoogst
+waarschijnlijk voor, dat daaronder niet anders te verstaan zij dan
+de vastenavondvreugde, die van ouds onder het volk groote deelneming
+vond en dikwijls tot uitspattingen aanleiding gaf.
+
+Er moet dan echter om dien tijd een heidensch feest geweest zijn,
+dat niet met de christenprediking is uitgeroeid kunnen worden, want
+vastenavond is niet heidensch.
+
+Ook het met de rommelpot loopen in Februarij, waarvan Budding spreekt,
+houdt bij ons nog stand, onder het zingen van het volgende lied:
+
+
+ Vrouw, 't is vastenavond,
+ Ho, mannen, ho!
+ Ik kom niet t'huis voor t' avond,
+ Zus of zoo!
+ Vrouw, verkoop uw beddigje
+ En slaap op stroo! [35]
+
+
+In de maand Maart vierde men de lente-nachtevening. De duisternis
+wordt al meer en meer bestreden.
+
+Zou onze jaarlijksche
+
+
+
+
+Eijermaandag
+
+hieraan herinneren, die het laatst van Maart of met het begin van
+April invalt? het is immers de maandag vóór Paschen, en
+
+
+ »Het mag wezen zoo 't wil,
+ Paschen valt in Maart of April."
+
+
+Zie hier eenigen grond voor onze vooronderstelling:
+
+Men beschouwde het ei bij het heidendom aldus: een ei, dat op zich
+zelve levenloos schijnt, bevat in hare doode omhulsels de kiem van
+herleving.
+
+In den Overijsselschen volksalmanak 1840 laat Halbertsma in zijne
+bijdrage over de Paasch-eijeren dit ook duidelijk blijken, en
+Dr. Leemans teekent in zijne beschrijving der romeinsche steenen
+doodkisten aan: »Onder de zinnebeeldige beteekenis van het ei, komt
+vooral die van herleving in aanmerking." Daarom legde men ook een ei
+in de doodkisten. [36]
+
+Mogelijk vereerde of verkocht men elkander omstreeks den tijd
+van eijermaandag--ook (in verbastering welligt) eijermarkt
+genaamd--eijeren, als een bewijs van herleving in de natuur. Ook het
+Paasch-eieren eten wordt hier eveneens, in navolging der geleerden,
+door ons herinnerd.
+
+In den laatsten tijd echter zagen wij, voor zoover onze herinnering
+zich uitstrekt, nimmer eijeren op de markt ten verkoop aangeboden. Is
+dit geen bewijs te meer, dat markt eene verbastering is van maandag?
+
+Wel wordt er handel in boomen gedreven, doch ook deze vertegenwoordigen
+immers de herlevende natuur. Ook kramerijen worden uitgestald, de
+klokken bespeeld, op Bacchus' altaar wordt meer dan op gewone dagen
+geofferd: in het kort, het is eene soort van kermis.
+
+Na dit alles zijn wij niet vreemd van de gedachte, bij de talrijke
+overblijfselen der natuurdienst, dat de Oudewatersche eijermaandag, bij
+het herleven der natuur invallende, eertijds een heidensch feest was,
+waarin het in de mythologie zinnebeeldige ei als beeld van herleving,
+eene voorname rol speelde.
+
+
+
+
+Het Meifeest.
+
+ "Nu staen des meyentacken uitghespreit ende bloeijen
+ schoon ghelijk roode rosen."
+
+ Hofmann van Fallersleben.
+
+
+Omtrent zeer vele feesten is op te merken, dat, op den avond vóór
+den feestdag zelven het vieren daarvan niet alleen reeds aanbreekt,
+maar er zelfs een groot gedeelte van beslaat. Zoo spreekt men bijv. van
+kers-avond, van St.-Nicolaas-avond, en nog een groot aantal voorbeelden
+zou kunnen worden aangehaald.
+
+Dit is ook van toepassing op het meifeest, dat op mei-avond of op
+den laatsten April invalt. Deze aanmerkingen, geachte lezer! wilden
+wij vooraf laten gaan.
+
+Het heidendom dan had drie groote of hoofdfeesten: over het eerste
+of midwinterfeest zie hiervoren; het tweede is het Osterafeest,
+aan hetwelk nu de aandacht zal worden gewijd en dat insgelijks een
+zonnefeest was.
+
+»De zon heeft in de lentenachtevening gezegevierd: het reuzenvolk is
+bestreden; de overwinnaar treedt de blijde woning binnen en zoo ook
+de geheele voorjaars-aarde. Freija (de aarde) ook Asterdis genaamd,
+viert feest, zoo ook de gansche natuur." [37]
+
+Dan droeg men bij de verrezen lentezon in processie het beeld des
+doods of des winters naar den vloed of de grens der gemeente en bij
+het offermaal, en jubelende en in groote vreugde werd het herlevende
+beeld der Natuur naar het dorp gebragt. [38]
+
+In Meimaand trad men in het huwelijk; dan versierde men het
+feestvertrek: zij, de moeder aarde, tooide zich immers ook in een
+met bloemen geschakeerd kleed, zij immers gaf haren kinderen het
+voorbeeld. [39]
+
+»Met Mei", zegt de groote oudheidkundige van den Bergh op bladz. 53
+van zijn critisch Woordenboek der Ned. Mythologie, »met Mei hield
+men onder de duitsche volken het begin van den zomer, en vierde
+daarom den eersten dag dier maand." Grimm beweert, Myth. 438, dat men
+daarvoor geen vasten dag bepaald had en dit slechts vaststelde naar
+toevallige teekenen, b.v. de komst van de eerste zwaluw of ooijevaar,
+of het bloeijen van het eerste viooltje. In Nederland, geloof ik,
+was het niet zoo, waarvan het spreekwoord: »eene zwaluw maakt nog
+geen zomer". De eerste Mei bepaalde hier den aanvang des zomers,
+en geen andere dag werd als zoodanig gevierd.
+
+Dan ook plantte men in Noorwegen, Zweden, Denemarken en IJsland
+meiboomen, met bloemen omhangen, en ontstak men feestvuren; dan was
+men in Denemarken gewoon te zeggen: de zomer rijdt het land binnen.
+
+Aan dit vreugdevol meifeest namen vele aanzienlijken deel. »Des nachts
+van den 1 Mei," zegt de heer Budding [40], »ving de tocht aan: jonge
+mannen reden vooraan, daarop volgde de meigraaf (majgreve) met twee
+kransen versierd, waarvan eene op elken schouder; het overige gevolg
+had slechts eenen krans, en als zij dan op de plaats hunner bestemming
+gekomen waren, werden er meiliederen aangeheven. De maagden plaatsten
+zich dan om den meigraaf, en deze laatste koos dan eene majinde of
+meigravin, door een krans op haar te werpen.
+
+Luister eens, hoe Engelberts Gerrits, onze zeer bekwame grijze
+historicus die meisjes bij den optogt naar het feestvuur zingen
+laat: [41]
+
+
+ . . . . . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . .
+ Ostera biedt haar glansen
+ De lentetijd is daar.
+
+ De meiboom spreidt zijn kleuren
+ En weeft een blanke kroon;
+ Staakt, droeven! staakt uw treuren:
+ De lente strooit haar geuren,
+ Verheugt u in haar schoon.
+
+ Laat ons de goden loven,
+ Brengt Frei en Freja eer;
+ Zij vieren feest daarboven:
+ Wat winter mogt ontrooven,
+ Dat brengt de lente weer.
+
+ God Baldur zal herleven
+ In goud en zonneglans;
+ In dalen en langs dreven
+ Gaat hij een feestkleed weven;
+ Komt, zusters! in den dans!
+
+
+Daarna laat hij de meiboom plantende knapen hunne takkebossen
+nederwerpen bij het beeld van Freja. [42] De oudste der barden neemt
+een brandenden spaan en ontsteekt de houtmijt, onder het afsmeeken
+van den zegen over de veldvruchten. De Gydien knielen rondom het
+beeld en den houtstapel; de priesters en de overigen plaatsen zich er
+achter. Dan neemt de bard het offermes, het lam wordt gebonden, voor
+het beeld gelegd, en het vlijmend offermes glijdt door den malschen
+hals, en het bloed bepurpert de blanke vacht. Terwijl het dier den
+doodstrijd kampt, sprenkelt de priester het bloed in de vlammen, over
+de hoofden der priesteressen, en de roep: »heil Frei en Freja!" wordt
+heinde en ver herhaald.
+
+En zoo ver het oog draagt, ziet men heldervlammende lentevuren, terwijl
+de lucht wedergalmt van blijde feestliederen, en de bard de ingewanden
+van het offerdier onderzoekt, en daaruit voorspellingen maakt over
+oogst en vrede. De priesters verlaten daarna de plaats en verschaffen
+der menigte vrijheid, hunne lentevermaken te vervolgen. Alle meisjes
+vormen nu een wijden kring rondom den boom en den meigraaf, en naar
+de toonen van der skalden instrumenten huppelt men, zingende terwijl
+het feestvuur knettert:
+
+
+ O Maigreef, zie in 't ronde,
+ Het blijde feest is daar!
+ Kies u een schoone blonde
+ Met bloemen in het haar.
+
+ Kom, zoek u een majinde,
+ In onze reijen uit!
+ Ligt wordt zij uw beminde
+ En dan uw zoete bruid.
+
+
+Dan laten de verdienstvolle schrijvers van »Ons Vaderland" den
+meigreef, nadat hij de maagdenrei langs hem heen heeft doen huppelen
+en zijne bloemkransen heeft opgeheven, aldus zingen:
+
+
+ Maar als ik heb gekozen,
+ Dan baat geen schuchter neen,
+ En met angstvallig blozen
+ Sluipt geen Majinde heen.
+
+ De meikroon zal ik bieden
+ Als waardig minnepand,
+ En zoo ze bloo wil vlieden,
+ Het meisje draag' de schand!
+
+
+En als dan de meigraaf gekozen heeft, zong men weder. Andere
+jongelingen namen dan ook daaraan deel, en zoo verlustigde men zich,
+totdat de laatste vonken van het feestvuur waren uitgedoofd.
+
+Overigens merken wij nog op, dat, bij den grooten strijd van zon en
+duisternis, door Haudur en Baldur voorgesteld, men nog zomer en winter
+vergeleek bij twee kampvechters die elkander den voorrang benijdden.
+
+Er is echter nog niet bepaald gezegd, wie dat feest was toegewijd.
+
+Aan een, bepaald was het zulks ook niet. In het voorgaande evenwel
+heeft men reeds Ostera meermalen aangetroffen, en deze zal aan de
+bijzondere vereering van het feest niet vreemd zijn geweest.
+
+Grimm verhaalt, dat de Aprilmaand in Duitschland nog Ostermonat genoemd
+wordt, en deze Ostera, zegt hij, moet, even als het angs. Eastre,
+een hooger wezen van het heidendom beteekend hebben. Het oude
+h.d. adv. Ostar beduidt het aanbreken van den dag, evenzoo het oude
+n. Austr.
+
+Ostera, Eastre mag alzoo eene godheid van den stralenden morgen, van
+het opstijgende licht geweest zijn, eene vreugde en heil aanbrengende
+verschijning. Ook Buddingh, Etmuller en Hoeufft denken aan een
+herrijzingsfeest.
+
+Doch niet vermoedelijk alleen aan Ostera, ook aan de godinne der
+liefde was het feest gewijd.
+
+Dat wijders de godin Ostera ook aan watervloeden en waterstroomen
+vereerd werd, wil de oudheidliefhebber Buddingh bewezen hebben uit
+den plaatsnaam Oosterlee: Ooster van Ostera, lee van water, alwaar
+hij ontwijfelbare sporen van waterdienst wil zien. Het planten en
+opsieren van meiboomen leidt hij het liefst uit hunne boomendienst af.
+
+Ook, zegt hij, waren de Friezen gewoon hunne feestvuren op hoogten
+te ontsteken.
+
+Ofschoon nu echter ons Meifeest in April of Meiavond begint, dat ons
+meer aan de viering alleen in April zou kunnen doen denken, zoo smelt
+dit feest ongemerkt bij het meifeest in. Daarom hebben wij Ostera's
+en meifeest in elkander laten vloeijen. [43] Welligt was er ook in
+het heidendom geene grens.
+
+En nu het Meifeest, zoo als dit ongeveer een 15tal jaren terug door
+ons werd medegevierd.
+
+Reeds eenige dagen vóór die zoozeer gewenschte meiavond daar is,
+zijn de knapen ijverig bezig voornamelijk het hunne tot het vieren
+daarvan aan te brengen. Allerwege houden zij zich onledig brandstoffen
+te verzamelen, en menige bewoner van Oudewater en omtrek wordt met
+kinderlijken aandrang aangezocht eenig hout voor hun doel af te
+staan. [44]
+
+De brandstoffen, door de knapen vergaderd, worden alsdan op den
+bewusten avond buiten de Broekerpoort (nu gesloopt) in Hekendorp
+gebragt, alwaar men die in brand steekt.
+
+Terwijl men dan de houtmijt die reeds aanmerkelijken omvang heeft,
+bij den IJssel ziet opgestapeld, en een aantal knapen in griendjes en
+het Schakenbosch nog meerder hout zoeken; verbeidt men met ongeduld
+het bespelen van het klokkenspel, dat te zes ure een aanvang neemt,
+want dit is het sein tot het ontsteken der vuren. Twee aanvoerders,
+die met de regeling van een en ander belast zijn [45], steken dan,
+zoo spoedig het teeken uit den grijzen toren gehoord wordt, het vuur in
+de brandmijt, en weldra knapt en knettert het meivuur, zijne roodgele
+vlam al meer en meer verheffende en spattende vonken van zich werpende.
+
+Thans stijgt de vreugd ten top; knapen met stokken gewapend, huppelen
+van vermaak, heffen bij het opstijgende meivuur een lied aan, en
+lustig worden petten gezwaaid.
+
+Nadat men zich aldus geruimen tijd in dartelheid vermaakt heeft, en
+de brandstofverzamelaars geen voldoenden voorraad meer aanbrengen,
+de vlam begint te verkleinen en het vuur zich niet meer stoort aan de
+opwakkeringen van de stokende knapen, begint men te spreken van dokken
+[46], dat gewoonlijk ook bijval vindt. De aanvoerders hebben hun gezag
+verloren, springen door het verflaauwende meivuur en dokken mede. Men
+werpt petten, zoo men kan, ook elkander er in, en het meivuur is tot
+genoegen van deelnemers en toeschouwers afgeloopen.
+
+Dat groote meivuur uitgenomen, ziet men daarenboven hier en daar in
+om de stad gelegene tuinen en elders, kleinere vuren ontsteken.
+
+Ook was men vroeger tijd gewoon, hier meiboomen plaatsen, waarboven
+eene kroon was gesteld, welke veel overeenkomst had met die voorwerpen
+van hoepelhout en papier, waarmede men het verkrijgen van nieuwe
+haring kenmerkt. Op het Roodzand [47] werd, nog geen vijftig jaren
+geleden, dusdanige boom gezien, om denwelken in dolzinnige vreugde
+werd heen gesprongen.
+
+Insgelijks kwamen eertijds vele ingezetenen met de meifeesten op de
+stoepen bijeen, en dan werd de avond in blijden kout doorgebragt,
+en nog wordt des zondags gedurende geheel de Meimaand het klokkespel
+van zes tot zeven ure bespeeld.
+
+En nu, geachte lezer, willen wij het verband van vroeger en nu
+aantoonen, door ons op bladz. 40 beloofd.
+
+Het was wel niet te verwonderen, dat het heidendom met Mei een feest
+aan den lentegod en aan Freja offerde. Zij kenden immers den grooten
+God niet dien wij aanbidden, en wat kon hen, die natuurdienst hadden,
+wel meer daartoe aansporen dan de zoete Mei? Dan, als de boomen
+ontloken, de aarde met schoone bloemen bezaaid was en met jeugdig
+groen bedekt, de geur van meitakken op den adem des winds door de
+lucht werd gedragen en de vogels hunne nesten bouwden, hun lief gezang
+aanhieven en eijeren legden, die hen aan de herleving herinnerden.
+
+Dachten zij reeds zoo, het zou welligt immers eene ijdele poging
+zijn het getal dichters op te sommen, die in onzen tijd nog de lente
+hebben bezongen.
+
+De lezer zal opgemerkt hebben, dat het gebruik uit het Noorden, van
+meiboomen te planten, waarvan is melding gemaakt, ook in Oudewater
+in gebruik was.
+
+De grens of vloed van het dorp, waarheen wij zagen, dat het beeld des
+winters werd gedragen, komen beide hier in aanmerking, in betrekking
+tot de plaats waar het meivuur gebrand wordt: nu nog is het de
+gewoonte, met onbeduidenden wind het meivuur omstreeks een boogscheut
+afstands van de grens der gemeente te ontsteken. Welligt was het
+ook toen reeds in gebruik, het feestvuur op die grens te branden,
+wijl zij ook dat voor heeft dat zij aan den IJsselvloed ligt: dit
+toch verkrijgt te meer grond, doordien Buddingh meent (zie hierover
+bladz 55) dat de godin Ostera ook aan watervloeden vereerd werd, en
+dat de Friezen gewoon waren hunne vuren op hoogten te ontsteken. Dit
+treffen wij alhier immers aan, wijl het meivuur langs den IJssel
+gestookt wordt in Hekendorp: dorp komt hier af van terp, en terp is
+hoogte, en dat Hekendorp vroeg bewoonbaar was, zal de lezer zich uit
+de geologie herinneren kunnen.
+
+In de aanvoerders zien wij de meigraven of barden waarvan wij spraken,
+en het voormalige meivuren branden op verschillende punten hield,
+zooals werd aangetoond, immers in onze kinderjaren nog stand.
+
+Het oude noordsche spreekwoord: »de zomer rijdt het land in" wordt
+herinnerd door ons gezegde: »de zomer is in het land".
+
+Het zingen en springen bij het feestvuur wordt nog door de knapen
+herhaald.
+
+Met Mei trad men in het huwelijk en versierde het feestvertrek;
+maar de meimaand is immers ook nu nog de geliefkoosde maand om de
+huwelijksboot in te stappen, terwijl ook de meitakken nog in de huizen
+niet zeldzaam zijn.
+
+De klokken worden Zondag in Mei bespeeld, het meifeest was mede en
+voornamelijk een zonnefeest.
+
+Niet waar, geachte lezer! treffende gelijkenis, o. i. onomstootbare
+bewijzen dat het meifeest een zonnefeest was; maar ook aan de godin
+der liefde gewijd werd.
+
+Wat al gedachten kan zulks opwekken, nu wij immers eenigzins het
+verschil kennen, tusschen heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol
+kinderspel van thans!
+
+In Junij vierde men in tegenoverstelling van het Midwinter-, het
+
+
+
+
+Midzomerfeest.
+
+De zon, in den eersten nacht van het Joelfeest geboren, heeft op
+21 Junij haar hoogste standpunt. Nu ook wordt de strijd tusschen
+duisternis en licht beslist. Baldur, de zonnegod, moet het onderspit
+delven, Haudur heeft met den misteltein den eerste gedood.
+
+De feestvuren van elders, spelen niet onduidelijk op den lijkbrand
+van Baldur.
+
+»Op Pinkster," zegt Hofdijk, »kwamen de afgevaardigden der zeven
+Friesche Zeelanden bij den bekenden Upsal-boom te zamen, en deze
+historische bijzonderheid doet aan Baldur denken," enz.
+
+Het vroegere oude gebruik van Gouda om zich voor Pinksteren met
+daauwslaan te verlustigen, is volgens Buddingh nog een overblijfsel van
+het midzomerfeest. »Insgelijks bestaat nog de oude feestgewoonte,"
+zegt hij immers, het midzomerfeest beschrijvende, »om namelijk
+op pinkstermorgen vóór dag en dauw, zoo men het noemt, de stad te
+verlaten, zich in het veld te verzamelen en met groen en bloemen
+te versieren, dat men dauwtrappen of dauwslaan noemt. Wie bij deze
+gelegenheid te laat in het veld komt, is van de geheele menigte
+de luilak.
+
+In deze plaats verlaat men den zaturdag vóór Pinksteren zeer vroeg
+zijne slaapplaats, en die te laat komt, of liever bij wien men het huis
+gesloten vindt, behangt men de woning met zoogenoemde kikkerbloemen
+(van de familie der coroniferae); zoodanige slaper is dan de vuiglak;
+vuig, weet men, is traag, vadsig; lak komt van laken, verafschuwen.
+
+De dag zelf draagt nog den naam van
+
+
+
+
+Vuige Pinksteren;
+
+en het lied:
+
+
+ Vuiglak, vuiglak!
+ Vuiglak is vroeg opgestaan
+ En toen weer naar zijn bed gegaan"
+
+
+wordt dikwijls ten spot van zoodanige tragen gezongen.
+
+Bij het stuk over het meifeest, geachte lezer, hadden wij u reeds
+bekend kunnen maken met iets van zoo groot belang voor de mythologie
+of liever voor hare afschaduwingen in ons leven, dat dit nu toch niet
+langer verzwegen zij, hoewel het ook nader nog meermalen in herinnering
+zal worden gebragt. Hiervoor zij dus uwe bijzondere aandacht verzocht.
+
+Toen het Christendom ook in ons land over het heidendom allengs begon
+te zegevieren, werd menig gebruik van der heidenen natuurleer of
+godendienst, tot kinderspel verlaagd, de namen hunner goden werden
+dikwijls door verachtelijke namen in afschuw gebragt; in één woord,
+menigmaal stelde men wat vroeger zeer in aanzien stond, in een
+bespottelijk daglicht, en zoo stak de duisternis van hunne dienst
+nog sterker af bij het licht, door de geloofsverkondigers ontstoken.
+
+Daarom werd het meivuur alligt vreugdevol kinderspel, en daarom moeten
+wij ook hierna nog dikwijls, met in onze taal verachtelijke woorden
+hunne voormalige godendienst aantoonen.
+
+De reden, dat zulks nu door ons wordt vermeld, is deze, dat wij nog in
+de vuige Pinksteren iets gissen te zien, dat als eene nieuwe gedachte
+bijzonder den geleerde met de meeste bescheidenheid zij voorgelegd.
+
+De lezer kan nu weten, dat de zonnegod in den moedernacht werd
+geboren. Vroeg in het jaar dus, wijl het jaaringang was.
+
+Moet hier de lichtgod Baldur den luilak niet verbeelden, van wien
+men zingt:
+
+
+ »Luilak is vroeg opgestaan"?
+
+
+Op de luilakken die lang slapen, kunnen wij toch wel niet toepassen,
+dat zij vroeg opstaan.
+
+In Junij waarin onze Pinksteren gemeenlijk invalt, heeft de zon
+haar hoogste standplaats in deze gewesten bekomen en gaat al lager,
+zij legt zich hoe langer hoe meer ter ruste, en dan vindt ook Baldur
+ruste in den dood.
+
+Wordt dit niet herdacht door:
+
+
+ »En toen weer naar zijn bed gegaan"?
+
+
+Hoe het zij, de gelijkenis was o. i. te treffend om ze den mytholoog
+te onthouden, vooral als de latere verafschuwing hunner leer en
+menigvuldige mythologische overblijfselen dezer plaats hiermede worden
+in verband gebragt.
+
+Vierde men op aarde het midzomerfeest met groote vreugde, ook de
+Asen deden zulks in Walhalla, ter eere van den zoo men immers meende,
+onkwetsbaren Baldur.
+
+Buddingh meent, dat men dit godenleven op Midgard of de aarde navolgde
+door het steekspelen, balslaan, en doelschieten.
+
+Hierin kunnen wij ons met genoemden schrijver vereenigen.
+
+Behalve, dat het doelschieten ook hier eertijds plaats had, zou dan
+ook het balslaan in het nabijgelegen Polsbroek, waar dit nog plaats
+grijpt, hierop toegepast kunnen worden. Dit balslaan en kaatsen moet
+zelfs in 1605 te Oudewater nog zoo sterk in zwang zijn geweest, dat
+daartegen een verbod van den magistraat werd afgevaardigd, dit toch
+onder de kerkdienst te laten:
+
+»Dat niemandt van den burgheren ofte inwoonderen deser stede, wie
+hy sy, op sondaghen ofte geordonneerde biddaghen, van 'smorgens ten
+neghen tot elf uren toe, zal mogen kaetsen."
+
+En op eene andere plaats:
+
+»Dat ook niemandt binnen deser stede op ter straten, op ten
+kerckhove, uyte wateren bij de ramen, mitter kolven den bal slaen,
+noch metter slingher [48], ofte ander instrument steenen, ofte yet
+quetselikx werpen en sullen moghen, Ghelijck oock niemandt met boghen,
+bussen, ofte diergelicken gheweren,.... buyten den doelen zal mogen
+schieten...." [49]
+
+Ook het haan den kop afslaan [50] en katknuppelen op de zoogenaamde
+en zotklinkende
+
+
+
+
+Kaaloorsche kermis
+
+merkwaardig altijd tweede Pinksterdag invallende en omstreeks Hoenkop
+plaats hebbende, zijn welligt sporen van het heidensche Midzomerfeest.
+
+De kermis op het nabijgelegen Haastrecht, die op den tijd van
+midzomerfeest invalt, biedt eveneens nog een treffend spoor daarvan
+aan: als de kermis begint, wordt aan beide zijden van het dorp een
+kruis opgerigt, en wie dan balling was mogt op dien tijd ongehinderd
+het dorp binnenkomen. Dit laat zich uitmuntend verklaren als men weet,
+dat ook met het Baldursfeest welligt alle veten zullen zijn vergeten
+en het zwaard in de scheede bleef.
+
+
+
+Toen nu Baldur in den strijd bezweken was, treurden daarover de goden
+en ook de gansche natuur in de volgende weken, daarom ook staat
+in Julij Heimdall, de wachter der goden, op de tinne des hemels,
+en houdt de wacht tegen Mispelheim's zonen, want zwoel is de lucht
+en groot het gevaar na Baldur's dood. De vuren, in de vorige maand
+ontstoken, duren des nachts voort, opdat het monster der duisternis,
+als het tegen de zon mogt aanrukken, moge verschrikt worden. [51]
+
+Het geldersch gebruik, om bij het invoeren van den laatsten oogst met
+emmers en gieters vol water achter eene deeldeur te staan oppassen,
+om zoowel den aanvoerder als de veldvrucht daarmede te begieten,
+omdat dezelve in den algemeenen rouw niet droog mag binnenkomen,
+hield voor jaren en houdt misschien nog stand in den omtrek van het
+nabijgelegen Bodegraven, alhoewel eenigzins gewijzigd.
+
+In Augustus gaat de rouw der godenmoeder ten einde, zij bezoekt weder
+de woningen der menschen, voor wie weder feesttijd aanbreekt. [52]
+Het is de tijd van den oogst immers, en wie zou zich dan niet
+verblijden? De heidenen deden dit reeds, want de geheele oogsttijd
+was een vreugdetijd, en geen der geringste, wijl het derde groote
+jaarfeest daarin plaats had.
+
+Wederom een treffend bewijs hunner natuurvereering. De natuur toch,
+die in Mei, boomen en planten met kracht deed ontluiken en in Junij
+en de volgende maand als het ware stilstond even als de godenmoeder
+treurende, herleeft in Augustus merkbaar, gelijk ook bij de koningin
+van Asgard, wier rouw ten einde gaat. De natuur doet het plantenheir
+nog eenmaal met kracht ontluiken, en daarna is de ontwikkeling voor
+dat jaar geëindigd, en de bladeren en de bloemen vallen weder af.
+
+Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit.
+
+Men meende, dat in Augustus de
+
+
+
+
+Oestwagen
+
+door de lucht reed. In Oudewater vindt men het geloof daaraan nog
+niet geheel uitgedoofd. Wat echter die wagen was, zullen wij duidelijk
+trachten te maken.
+
+Het was in de mythologie altijd een bewijs van eene groote godheid,
+als men haar het bezit van een wagen toekende, waarmede zij door de
+lucht reden. Zoo hadden Wodan, Thor enz. wagens.
+
+Veelvuldig zijn nog in het noordelijk deel van ons land de sprookjes
+van rijdende wagens. Zoo kent men ergens een vurigen, op eene andere
+plaats een ijzeren, onder Hedum een gloeijenden, in de Over-Betuwe
+een helwagen, enz.
+
+Alleen te Zwartewaal in Zuid-Holland maakt Wollff [53] gewag van den
+Oegstwagen. Doch deze laatste spelling Oegst met eene g daartusschen
+houden wij voor onjuist. Zie hier de reden van onze meening.
+
+Men heeft zich waarschijnlijk in den waan gebragt, dat Oegstwagen
+is gelijk Oogstwagen, als in den oogsttijd rijdende; doch daar wij
+in Oudewater nooit van Oegst- altijd van Oestwagen hoorden gewagen,
+houden wij zulks voor niets dan eene verbastering van Oster- of
+Osterawagen. Bekend is het toch dat Ostera een wagen had, daar men
+zeide: de zomer rijdt het land binnen. Welnu dan, diezelfde gedachte
+gissen wij nu vervolgd met den Oestwagen in de laatste maand van
+den zomer, wanneer men welligt zal gezegd hebben: de zomer rijdt het
+land uit.
+
+Deze gissing, die wij echter niet met eigenwaan willen doordrijven, zij
+alzoo met bescheidenheid aan het oordeel der mythologen onderworpen.
+
+In Oudewater--werd ons verhaald--kwam men voorheen dikwijls bij
+stillen avondstond of nacht bijeen, om den oestwagen te hooren
+rijden. Hoewel dit echter nu niet meer plaats heeft, is dit toch
+zeker, dat ons gepasseerde jaar nog in allen ernst verzekerd werd,
+dat men den Oestwagen nog kan hooren rijden.
+
+Voorzeker moeten wij ons hier verwonderen, hoe zoodanig bijgeloof zoo
+stand kon houden; de eenvoudige werkman zeide echter ook: veel van
+die zaken waren niet meer zooals ten tijde van zijn vader en toen hij
+»een jongen" was, aanwezig, want toen de Franschen in het land waren,
+hebben deze dat weggenomen. En inderdaad, de man had hierin gelijk,
+dat op dien tijd het bijgeloof zoo in deze plaats als elders zeer
+veel verminderde, dat hier echter de plaats niet is om te bewijzen.
+
+En hiermede vooreerst genoeg van de feesten in Augustus. Zien wij nu,
+wat er van dit oord in September te verhalen is.
+
+Welligt viel naar de gissing van den Delfschen mytholoog omtrent
+dezen tijd het derde jaargerigt der volksvergadering in, waarvan wij
+de eerste in het voorjaar, de tweede in den zomer, en de derde in
+het najaar kennen.
+
+Zoo werd nog in 1329 door hertog Jan III bepaald, de jaargedingen
+te houden des maandags na Driekoningen, na beloken Paschen en
+St. Jan-Baptist.
+
+Op welken tijd die nog in 1605 werden bepaald te zullen gehouden
+worden in Oudewater, zal nader worden aangetoond, wijl deze op meerdere
+mythologische feesttijden slaan.
+
+Opmerkelijk mag echter de oude kermistijd genoemd worden, welke
+de laatste week in September, omstreeks St. Michael daar was. De
+herfstnachtevening, die alsdan gevierd werd, zou nader, volgens gis van
+prof. Rooijaards, op het feest van dien heilige zijn overgegaan. Hoe
+het zij, de feestdag van St. Michiel werd in allen gevalle vroeger
+zeer luisterrijk alhier gevierd, wijl de oude parochiekerk dien tot
+patroon had.
+
+
+
+In October vinden wij alhier geene sporen van heidensche eerdienst.
+
+En van die in November, als het feest van St. Maarten bij de Christenen
+inviel, en in December als het midwinterfeest daar was, is reeds
+gesproken, en wij treden daaromtrent niet in herhaling.
+
+
+
+Gingen nu, geachte lezer, sommige zaken die men groot waardeerde,
+tot diepe verachting en kinderspel over, dat echter ging niet met
+alle heidensche feesten zoo.
+
+Het heidendom liet niet zoo gemakkelijk zijne blijde feesten glippen,
+voor die van het christendom.
+
+Wijsselijk besloot men dus waar dit kon en niet met de kerk streed,
+de feesten van eerstgenoemden op die der laatsten over te brengen;
+alzoo waren de heidenen spoediger voor het christendom gewonnen.
+
+Daarom ook werd het midwinterfeest, waarbij zij hunne zonnegeboorte
+vierden, veranderd in ons kersfeest, waarin de Christen de geboorte
+herdenkt van den Zaligmaker.
+
+Het Osterfeest, waarin men het verrezen zonlicht herdacht, werd
+het feest van den verrezen Godmensch. Nog noemt men in Duitschland
+April Ostermonat, en het Paaschfeest Ostern. »De opstanding van
+onzen Goddelijken Verlosser was de opgang van het morgenlicht der
+eeuwigheid," zegt de heer Hofdijk, »van het licht der onsterfelijkheid,
+glansender en heilrijker dan het rijzend licht van Astera." Ziedaar
+genoeg om het feest der godinne in dat van den verrijzenden Heiland
+te vervormen.
+
+»In Junij, de maand waarin Pinksteren gewoonlijk invalt,"
+zegt laatstgenoemde schrijver weder, »en de zon heur hoogste
+standplaats heeft, vierden de noordsche goden het feest van Baldur,
+den schoonste van hen allen, den lichtgod, en de menschen hielden ter
+zijner eer het midzomerfeest. En om die onuitwischbare vierdagen te
+verchristelijken, werd het feest der uitstorting van den heiligen Geest
+daarop overgebracht." In plaats van den zoo zeer beminden Baldur werd
+het feest van den zachtmoedigen Johannes den Dooper daarna gevierd.
+
+Van daar dus, zooals wij zagen, ook onze kaaloorsche kermisvreugde en
+die van Haestrecht; van daar de zoo wijd beroemde of welligt beruchte
+Stolksche Pinksteren; van daar niet onzeker, dat St. Joannes nog de
+patroon is der kerken van de nabijgelegen plaatsen Gouda en Montfoort.
+
+Het herfstfeest werd daarna welligt gewijzigd in het feest van
+St. Michiel, de patroon der kerk, waarbij ook tevens de vroegere
+kermis inviel.
+
+Zie, zoo moesten en ook zoo konden de feesten van het heidendom
+worden vervormd in die van het lichtende Christendom, dat toch ook
+zijn feesten had.
+
+Nog kwam ons zeer opmerkelijk voor, dat de oude jaargerigten, die, zoo
+als wij zagen, in Augustus plaats hadden en ook, volgens bepaling van
+een van Hollands graven, nog op drie andere tijden, ook in Oudewater
+na gehouden vacantie op eigenaartige tijden werden hervat.
+
+»Schepenen voors sullen onghehouden zyn ter vierschare te compareren,
+omme partyen regt te administreren op de ordinaris vacantiedagen,
+Beginnende d'eerste vacantie, vastelavontsdagh, [54] ende ghedurende
+acht daghen. De tweede beginnende acht daghen voor Paesschen [55]
+ende expirerende acht daghen nae Paesschen, De derde beginnende drie
+daghen voor den vijfden Junij, wesende alsdan binnen dezer stede
+ordinaris peerdemarckt ende gheduyrende drie daghen nae den selfden
+vijfden Junij. De vierde, beginnende Pinxteravont [56], ende ghedurende
+acht daghen lanc, de vijfde beginnende den XVIIIen Septembris [57],
+wesende ordinaris Soutmarckt, ende gheduyrende veertien daghen, De
+seste beginnende XVIIII daghen [58] voor kerkmisse, ende eyndigende
+veertien daghen nae kerkmisse." [59]
+
+Uit een en ander is het nu gebleken, dat vele heidensche feesten
+nog lang in afschaduwing stand hielden en nog stand houden; sommigen
+echter hoe lang nog? [60]
+
+De Christelijke feesten zullen zeker blijven bestaan, doch de
+feestvreugde op nieuwjaarsnacht? het tromslaan is niet meer in zwang,
+en het schieten vernamen wij in de laatste jaren niet meer, nu dit van
+wege het plaatselijk bestuur wordt verboden. Alleen het klokgebeijer,
+het zingen van de nachtwacht en het jolen der menigte bleven.
+
+Tegen de vastenavond-buitensporigheden wordt nog even als vroeger
+door kerkelijk gezag gestreden.
+
+Den eijermaandag zagen wij in eenige jaren zeer verflaauwen en veel
+van zijn ouden luister verliezen.
+
+En het meivuur en de meivreugde? Waren de knapen in onze jeugd
+nog bezig, dagen te voren uren en uren den speeltijd ontwoekerd,
+brandstoffen voor het meifeest te verzamelen, thans schijnen zij
+eerst daaraan te worden herinnerd, als het lustige
+
+
+ Hei, 't was in de Mei!
+
+
+uit den--bouwkundig beschouwd--zoo schoonen toren hen tegengalmt. Wel
+worden dan nog eenige brandstoffen in der haast bijeengeraapt, doch--en
+dit laat zich zeer goed begrijpen--de mijt verheft zich niet meer
+zooals vroeger, en weinig daarenboven zouden de veelal natte twijgen
+aan het voorgestelde beantwoorden, hadde in den laatsten tijd, de
+oudheidminnaar de knapen niet in staat gesteld, de smeulende takken
+door gekocht hout te verlevendigen.
+
+Ook de aanvoerders die eertijds nog fungeerden, worden niet meer
+benoemd.
+
+Voeg bij deze verflaauwing der knapen, de wet van 22 October 1836,
+Prov. blad No. 82, luidende geen zaadstroo of ruigte, op het open
+veld te verbranden, dan 16 Ned. ellen van den grooten weg of de
+passage, een maatregel om het schrikken der paarden te voorkomen,
+en de geachte lezer, maakt met ons ongetwijfeld de gevolgtrekking,
+dat ook dit weldra niet meer zal worden aanschouwd.
+
+Alleen het brandde dit jaar nog in Hekendorp, nog aan den IJssel,
+nog omstreeks de stadsgrens.
+
+De Vuige Pinksteren geraakt al meer en meer in vergetelheid. Zelden
+wordt de Chaerophyllum silvester (kikkerbloem) meer van haren stengel
+gerukt om, ten teeken van spot, aan de huizen te worden gebonden.
+
+De Kaaloorsche kermis wordt telkens minder, verplaatst zich, en
+verliest daardoor van hare eigendommelijkheid.
+
+Ook de oude kermistijd (herfstnachtevening en St.-Michiel) is nu
+verplaatst in Augustus, en wel sedert besluit van den raad op 29
+April 1854, hetwelk in Junij deszelfden jaars door Gedep. St. werd
+goedgekeurd,--en eindelijk, Oudewater heeft geene schepenen meer, die
+hunne gerigten op de aangetoonde zeer interessante tijden hervatten.
+
+Dit alles zouden wij kunnen verlengen, doch waarvoor? Er is antwoord
+op de vraag: hoe lang nog? en dat antwoord is: niet lange meer.
+
+En de minnaar van onderzoek, zal alzoo na verloop van eenige jaren
+slechts te vergeefs zoeken, naar de overblijfselen van vele dier
+mythologische feesten, en de niet minnaar van onderzoek?... Weinig
+zal hij er aan gedacht hebben, dat hij zoo lang de instandhouder
+was van de heidensche feestviering, en wij, mogten wij in dit opzigt
+voor het reeds ter neder geschrevene waarheid gesproken hebben wat
+daaromtrent in het prospectus werd beloofd, onzerzijds gered en ter
+neder geschreven, wat de tijdgeest van het volkseigen nog niet geheel
+vernietigde en met zich voerde in den wijden stroom der vergetelheid.
+
+
+
+De maanden alzoo mythologisch beschouwd zijnde, zullen wij nog een
+weinig bij de dagen der week verwijlen, wier benamingen insgelijks van
+heidenschen oorsprong zijn, als bij de noordsche volkeren voornamelijk
+van goden afgeleid zijnde.
+
+Zoo heeft Zondag betrekking op de zonvereering. Op Zondag is dan ook
+gebleken, dat in Meimaand de klokken bespeeld worden, en treffend
+genoeg was het Meifeest een zonnefeest.
+
+Maandag. Iedere gezindte, zegt Tydeman [61], diende hare godheid op
+zijnen maandag der week. Deze dag wordt bij zeer vele landlieden
+daardoor nog in eer gehouden, dat zij op denzelven tot geen prijs
+eenig akkerwerk zullen beginnen; hij was dus oudtijds de rustdag voor
+landbouw en vee. Het heidensch volk was gewoon op den heiligen weekdag,
+van min noodzakelijke werken uit te rusten en gedeeltelijk den dag,
+avond en nacht onder spel en met vreugde door te brengen. Ook vond
+het gelegenheid, om dan bij tempels de wetten en bevelen te hooren
+afkondigen, en de waren te verruilen of te verkoopen: van daar dat
+de marktdagen en kermissen aan de heilige tijden verbonden werden.
+
+Van daar dan welligt eveneens den eijermaandag; van daar dat de tweede
+vacatie van schepenen op Maandag werd hervat; van daar de Kaaloorsche
+kermis op Maandag. De zesde vacatie van schepenen was insgelijks op
+Maandag geëindigd; het begin van het oude kermisfeest was op dien
+dag, en ook liet zich het carillon vóór eenige jaren van tien tot
+elf ure op Maandag hooren. Zie, het zou toch al heel toevallig zijn,
+zoo hier geene mythologie ten grondslag ligt en alles toeval is.
+
+Dingsdag, Woensdag en Donderdag lieten in onze omstreken geene sporen
+van heidensche herinnering na, uitgenomen in hunnen naam, en dit is
+alles behalve plaatselijk.
+
+Den naam Vrijdag, die aan Freija, ook aan Freja kan herinneren,
+schrijven wij het liefst, gelijk anderen, aan de laatste, de godinne
+der liefde, toe, omdat de Vrijdag ook alhier de dag is, waarop men
+het meest aanteekent ten huwelijk; zonder dat het den verloofden
+bewust is, wordt alsdan, in de verlichte negentiende eeuw, nog menig
+offer aan Freja, de liefde-godin, gebragt, door op heur naamdag ten
+aanteekening te gaan.
+
+Overigens nog herinneren de woorden: vrijen, vrijer, vrijster,
+aan Freja.
+
+Zaturdag doet aan Satur denken. De Vuige Pinksteren op Zaturdag
+invallende, heeft echter op dezen god geene betrekking.
+
+En hiermede besluiten wij de feesten en feesttijden.
+
+
+
+
+
+
+
+PLAATSNAMEN.
+
+
+Bleek het reeds dat Oudewater zich op hooge oudheid kan beroemen,
+zoowel uit zijn geologischen naam als uit zijne mythologische feesten
+en feesttijden, zoo moeten onze medeburgers echter niet denken, dat
+juist deze plaats alleen, uit den geheelen omtrek hierop zich mag
+verheffen. Neen, ook de namen van naburige gemeenten bewijzen maar
+al te zeer, dat zij geenszins uit de jongste tijden dagteekenen. In
+het kort willen wij dit, zoo veel in ons is, aantoonen: ten eerste
+daar wij zulks eenigzins verpligt zijn, als beschrijvende Oudewater en
+omtrek; ten andere omdat wij, eenmaal in onzen mythologischen bloemhof
+rondwarende om een tuiltje te maken, daar bloemen zagen die wij hier
+misten, en die in onze verzameling naar ons oordeel niet misstonden,
+bloemen in het heidendom geplant en hunne planters zoo lange door het
+christendom heen nog niet verloochenende, maar integendeel ons nu nog
+tegengeurende. En voor het overige, hoe meer bewijzen immers worden
+aangevoerd, van mythologie uit den omtrek, zooveel te meer is het
+onloochenbaar dat de ruwe voorvader ook eenmaal zijne hutten opsloeg,
+op de plaats van het tegenwoordig Oudewater.
+
+Het eerst trachten wij dan te vermelden, den
+
+
+
+
+Naamsoorsprong van Haastrecht.
+
+De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den
+eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatste h
+toch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds
+zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene
+klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter
+voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak
+de oorzaak tot spotternij:
+
+
+ Hik eb een ondje
+ met een okje, enz.
+
+
+In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen,
+mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping:
+het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een
+overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.
+
+Deze zelfde verwisseling had ook te Oudewater plaats, na te gaan in
+de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls
+zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.
+
+Ziet zoo schijnt dus Aas veranderd te zijn in Haas.
+
+Trecht was een overtogt over een water [62], en zoo ziet men, dat
+Haastrecht weleer, veelligt een trecht was aan den IJssel, waar de
+een of andere aas (haas of god) vereerd werd.
+
+Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de
+bijna twee uren van Oudewater liggende boerenbuurt
+
+
+
+
+Heeswijk.
+
+Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa-
+dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken,
+van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en
+van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is,
+was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en
+met dit de herinnering als in Haastrecht aan den een of anderen god.
+
+Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,
+Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es,
+ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.
+
+Zekere landen tusschen Oudewater en Montfoort, de Es-kampen genaamd,
+krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.
+
+Dat overigens Heeswijk van vóórchristelijke dagteekening is of kan
+zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en
+uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken
+zoowel als wouden, bergen, terpen, wijken en hoven aan de Asen kunnen
+zijn toegewijd geweest.
+
+Wijk is echter meer geologisch. Men bewoonde, zoo als men weet,
+terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken
+(vici), en hiervoor bood Heeswijk zich aan, gelijk straks werd
+aangetoond. Mastwijk, Bulwijk, Cromwijk en Vlooswijk, die allen in
+den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.
+
+Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh,
+bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is
+land of landschap.
+
+In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken,
+dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart
+bleek, in Barboswaarder een Goy, in Rapijnen bij Linschoten een Goy
+en in de buurt Kattenbroek niet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de
+vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons--indien deze
+allen van dien tijd zijn--toch wat duister voor, omdat in zoodanig
+kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk
+allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.
+
+Wat kan
+
+
+
+
+Montfoort
+
+beteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo
+doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden)
+de volgende voorslagen:
+
+Zou het woord Montfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons
+fortis--sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden
+van Mont en forde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en
+waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan
+gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen
+H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier
+Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers
+maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der
+maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen
+op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij,
+dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan
+Scandinavische volkeren onder de namen mond, enz. is vereerd geworden.
+
+En foort zou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen
+als: overgang over een water.
+
+De verklaring van het woord Montfoort zou alzoo zijn: overgang over
+een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.
+
+
+
+
+Wulverhorst
+
+is de naam eener boerenbuurt, ruim een uur van Oudewater. Meergenoemde
+schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met
+Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen
+of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden
+onderhouden. Zoo noemt hij o. a. Brinkhorst, Lijnhorst.
+
+Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over
+tot de uitlegging van horst voor een klein bosch.
+
+Wulverhorst kan alzoo een bosch geweest zijn, waarin zich wolven
+ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.
+
+Het boven aangehaalde Lijnhorst is echter meer opmerkelijk, als dit
+vergeleken wordt bij Wulverhorst, en wij daarbij nagaan, dat
+
+
+
+
+Linschoten
+
+daarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins
+verwant.
+
+Wat beteekent echter Lin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin
+Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht
+van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms,
+die de menschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen
+afkust." [63] Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn,
+Linia, Lin.
+
+De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin
+van Freja, Lin, in Linschoten een spoor harer vereering naliet, had
+zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene
+plaats, waar men ter harer eer schoot, schoten deed, en dit zou alsdan
+ook licht over de laatste lettergrepen van Linschoten verspreiden.
+
+Zoo werd dan de maan (mond) te Montfoort, en Linia te Linschoten
+vereerd.
+
+Liet Linia, die de lijdenden zoo verzorgde, ook nog niet in den naam
+Zorglijn--naam op het hek van een weiland bij deze plaats--een spoor
+harer vereering na?
+
+
+
+
+Roozendaal.
+
+Bij het bespreken van de buurt Wulverhorst verwierpen wij eenigzins de
+afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom
+zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrent Roozendaal,
+dat alsdan Ros- of Rossendaal zou genoemd zijn en gemakkelijk in
+Roozendaal kan zijn overgegaan.
+
+Daarnaast, ligt naar Oudewater op:
+
+
+
+
+Vliet.
+
+Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en
+zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden,
+naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij Buddingh Vliedbergen
+genaamd. Ook bij Oudewater hebben wij, zooals boven kan gezien
+worden, nog eene streek Vliet genaamd. Vroeger stond daar een kasteel
+waarvan nog een bouwval staat, insgelijks Vliet genaamd. Doch dit
+alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was:
+het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis
+te Vliet staat en wordt zij thans nog niet het hoogt genoemd? Wel is
+waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer
+dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was
+daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te
+Vliet werd zij grootendeels weggegraven.
+
+Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan
+aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking
+genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht
+worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen
+door het woord daal--dal--in Roozendaal, dat, zooals bekend is,
+daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig
+het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En
+wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan
+ook Wierxoord bij Goejanverwellesluis eveneens daaraan herinneren.
+
+De lettergreep cop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den
+omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:
+
+
+
+
+Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop,
+Teccop, enz.
+
+zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop,
+kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij
+echter gaarne voor eene betere glippen.
+
+Is
+
+
+
+
+Lopik
+
+ook eene verbastering van Locop, even als Japik die is van Jacob? Dit
+laten wij ter beslissing der lezers over.
+
+De uitgang in
+
+
+
+
+Cattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,
+
+allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent
+eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurt
+
+
+
+
+Ruige Weide
+
+zal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve
+zegt o. i. wat het is.
+
+
+
+
+Hekendorp
+
+is een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee
+eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit
+het heidendom, n.l. de nechsen: de n ging in h over, [64] zoodat zulks
+Hechsendorp werd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wij Hekendorp
+aangeduid Hexendorp. Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.
+
+Ook de naam van het naburige
+
+
+
+
+Popelendam
+
+herinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh:
+»Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die,
+zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen
+wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo." Grimm kent
+de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook in Delft heeft men nog
+schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg. Popelendam herinnert ook
+alzoo aan een of meerdere waterbewoners.
+
+
+
+
+
+WOUDENDIENST.
+
+Barwoutswaarder, Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bij
+Oudewater.
+
+
+ "Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen
+ en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat
+ er toe hoorde te onderhouden."
+
+ P. H. Tydeman.
+
+ "Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick
+ geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van
+ beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die
+ zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte."
+
+ Goudsch Kronijkske.
+
+
+Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom
+heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden,
+daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de
+mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen
+en den mensch om het leven gebragt. Geen oningewijde stond het vrij,
+deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgegane overeenkomst zich
+het gebruik dier gronden te veroorloven.
+
+Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het
+heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij
+insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden,
+want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet
+opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend
+groot en bevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op
+zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen,
+welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid
+moesten voorbereiden.
+
+Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de
+tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en
+hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene
+feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden
+tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname
+prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid,
+die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs
+het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng
+of met den dood gestraft.
+
+Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende
+op den grond of op onderliggende steenen.
+
+Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt. [65]
+
+De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro,
+bearo (bar, beer) genoemd.
+
+In het nabijgelegen Barwoutswaarder treft men, zoo als wij zien,
+bar aan.
+
+Barwoutwaarder is aldus: woud waar eene heidensche vereeringsplaats
+was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie
+en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.
+
+Wat is echter Schagen bij Linschoten en het Schakenbosch bij
+Oudewater? Het antwoord is zeer kort. Schagen, Schaken acht men te
+zijn afgeleid van sacrum. [66] De vertaling van Schakenbosch (sacrum
+nemus) zou alsdan zijn
+
+
+
+
+Heilig Woud [67].
+
+Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.
+
+Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte,
+vergaderde hij hen in een heilig bosch.
+
+Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op
+de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch
+bij Voorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts van Nijmegen);
+3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de
+plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden,
+en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de
+sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland,
+waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel
+bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen
+Roomburg en het Praetorium ging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk
+zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers
+gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand
+bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu
+de naam Schakenbosch bij Oudewater.
+
+Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk 's Gravenhage of aan
+Voorschoten de eer, dat daar dat heilig woud eertijds zijne trotsche
+kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele
+heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen
+een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het
+bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat van
+Voorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bij Oudewater, dat,
+naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom
+verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende
+plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat dit
+alles bosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door
+ledige vakken.
+
+Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren
+reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich
+uitstrekte,--indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder
+ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek
+van Gorkum tot aan het zeestrand en (let wel) over den Rijn tot aan
+Haarlem zich uitstrekte,--dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bij
+Haarlem van Leiden beginnende, zoo digt en donker was, dat men die
+twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de
+aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat
+wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte
+van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.
+
+Hier nog bijgevoegd Schagen en Wulverhorst in de nabijheid, alsmede
+Barwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout,
+zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze
+aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte
+de stoute verklaring van Lud. Smids [68], dat vroeger Suidholland,
+het Sticht van Utrecht en Rijnland enkel bosch en meer waren, en
+het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn
+einde. [69]
+
+Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor,
+die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als
+'s Gravenhage.
+
+
+
+En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen
+rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden,
+en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het
+u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet
+zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen,
+van gedaante verwisseld; dat zij ons voere over de wijde klove van
+vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!
+
+Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met
+ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een
+valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen
+schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het
+verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste
+dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de
+malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak
+en vlierstruik tegen, gedragen wordende op den adem der frissche
+atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het
+is morgen.
+
+In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en
+zijne muze hem toefluisterde:
+
+
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,
+ En maakt van 't stof zich los en vrij,
+ Dat hem met tragen boei wil teuglen
+ Als waar zijn vlucht slechts hoovaardij!
+ Dan stijgt hij boven zonnewegen,
+ Wat wet van zwaartekracht regeert,
+ En zweeft den eeuwgen vader tegen
+ Wiens grootheid hij met knieling eert;
+ Wiens wijsheid hem verstomd doet buigen,
+ Wiens almacht hem ontzachlijk is,
+ Maar van Wiens liefde 't luidst getuigen
+ Die stemmen vol geheimenis,
+ Die uitgaan in de stille wouden,
+ Wier niet te ontraadslen wonderkracht
+ Eene eeuwige eenheid blijft behouden
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . [70]
+
+
+En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur,
+spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte
+verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor
+ons liggende Schakenbosch.
+
+Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de
+voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die
+in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen
+wij hiervoor liever een anderen tijd: nu een morgenuur daar in het
+woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch
+in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen
+de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende
+rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.
+
+En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij
+staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel
+een weg. [71] Een waterstroom door een bosch, welk eene pracht! Wat
+teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie,
+die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water
+zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels
+en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons
+oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke
+wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.
+
+Zoodanig woud moest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren
+van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de
+kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten
+van onschuldige offers.
+
+Zulk een stroom moest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten
+woonden en zijne bekoorlijke nimphen.
+
+Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen
+gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte
+drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat
+het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door
+het gekras van raven en gehinnik van paarden.
+
+Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor
+die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik
+der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste
+dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het
+binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen,
+doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in
+onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed
+zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den
+eenigen Maker van dit alles!
+
+Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen
+van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter
+beven op de bladstelen, bemoste ruwe wilgentakken en fiere beuken,
+nooit door den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde
+een prachtig natuurdak vormende, in welks geheimzinnig, ruischend
+loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen,
+en door hetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als
+ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige
+overeenstemming heerscht van een somber licht.
+
+Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet
+speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder
+het statig
+
+
+ . . . . lommer was de somberheid van 't graf:
+ Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladert
+ Beschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadert
+ Van heide en woudmoeras, die als een zwart gewaad
+ Het kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;
+ Een strakke duisternis, die d' afstand wech doet vloeijen,
+ Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,
+ Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid--
+ Een onbewogen zee van louter donkerheid.
+
+
+Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar
+boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend
+doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende
+over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om
+den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart,
+als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere
+heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven,
+ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.
+
+En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig
+boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu
+wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen
+van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van
+dit oord in strijd zijn.
+
+En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen
+wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten
+vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij
+het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het
+ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws
+verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.
+
+Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in
+de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en
+de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven
+hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in
+verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat
+kleine stuk bouwland genoemd wordt, zal hij u zeggen welligt: vriend,
+dat is het Schakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. En
+wij zeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen
+offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan
+is het of de tijdgeest fluistert: vergankelijkheid!!! En wij herhalen
+in begeestering:
+
+
+ 't Schakenbosch is nu verdwenen
+ Met zijn digtgeweven kruin;
+ Godenbeelden, offersteenen,
+ Liggen lange reeds in puin.
+
+ Nimmer zal men meer vergadren
+ Onder 't lispelend geblaart,
+ Want zij zijn niet meer, die vadren,
+ Zoo vol moeds en zoo vermaard.
+
+ 't Schakenbosch waarin de heiden
+ Zijnen goden offers bragt,
+ Opdat alle ramp en lijden
+ Steeds mogt wijken door hun magt.
+
+ Ach, dit Schakenbosch zoo prachtig,
+ Ook aan feestvreugd vaak gewijd,
+ Is verdwenen, doch de naam nog
+ Lispelt van verganklijkheid.
+
+ Geen frameeën meer, geen schilden
+ Hangen aan den trotschen eik,
+ En de lijkasch dezer »wilden",
+ Werd vereend met de IJsselslijk.
+
+
+Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk
+begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.
+
+Waar nu woonden die? Treft men bij Oudewater daarvan nog een spoor aan?
+
+Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook
+hunne hoven hadden.
+
+In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring--Opsporing van
+Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.--worden wij met
+zeer vele hofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland,
+die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de
+andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning,
+door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden. [72]
+
+»Die tempelhoven," zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat
+het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is
+mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud,
+gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelf even als het hof in het
+Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die
+hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en
+in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar."
+
+Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het
+schakenbosch hier. Immers
+
+
+
+
+het Papenhoef
+
+een steenworp van Oudewater en ongeveer 15 minuten van het land
+liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte
+toen--kunnen wij haast met zekerheid zeggen--een deel uit van het
+heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die
+twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking
+nemen. Had het meerbekende schakenbosch bij Voorschoten dus eene
+hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisseling hoef voor hof
+kan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, dat oo
+dikwijls oe geschreven werd. [73] Papenhof of hoof zal dus Papenhoef
+zijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier
+dus zal het tempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren
+van het heidendom daar gewoond hebben.
+
+Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer
+ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor
+aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats
+ook tot een christelijk einde ingerigt (langs het Papenhoef ligt de
+Kerkwetering) en werd alsdan het Papenhoef. [74] Dit althans is zeker:
+de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het
+Christendom over.
+
+Zeer treffend ligt in het oude Barwouts of Barboswaarder insgelijks
+een Hofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons,
+behoeft niet te worden gezegd.
+
+Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven
+tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij
+als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het
+kunnen ophelderen, of aldus Vollenhoven, Schoonhoven, Zevenhoven,
+Achttienhoven en vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór
+het Christendom aldaar opklimmen."
+
+Wat het nabijgelegen Schoonhoven aangaat, deelen wij zoowel den
+schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van
+het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bij Schoonhoven
+aanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)
+
+Ook Achthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt,
+en hetwelk in onzen omtrek (bij Montfoort) ligt, was, indien wij
+het hiervoren over Montfoort geschrevene nagaan, alligt eene plaats
+heugende van het heidendom.
+
+Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere
+
+
+
+
+
+PLANTEN- EN BOOMENDIENST.
+
+
+De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra,
+aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de
+Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris)
+waren welligt allen planten die men vereerde.
+
+Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum
+silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt.
+
+In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog
+zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten
+geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken,
+dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt
+werd en sedert altijd met roode vlekken op de bladeren is.
+
+Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren
+zooveel geld bieden" volgens de overlevering, is welligt bijgeloof
+verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof
+aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren" in boeken
+bij hen aan.
+
+Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk. De heer van
+den Bergh zelfs [75], die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt
+hieraan niet, evenmin als andere schrijvers.
+
+De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn
+vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh
+zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken,
+vonderhouten genaamd.
+
+Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van
+eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op 's
+Grevehof in Zutphen werd het leengerigt gehouden onder een eik en
+linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit
+Wolff's Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat van Koekelenberg
+naar Molenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij,
+waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam
+om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene
+vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag,
+de nacht is voor mij!" en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom.
+
+Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de
+heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de
+menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet
+het op Thunar of Wodan.
+
+Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste
+evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius,
+die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden
+berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering,
+de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand.
+
+Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder
+het grondhout aangetroffen.
+
+De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij
+voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij
+de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn.
+
+Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de
+lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage
+Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde
+in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naam
+
+
+
+
+Weesboom,
+
+als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche
+linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden,
+vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den
+aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem
+eens zooveel omtrek bij komt.
+
+Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk
+te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als
+hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en
+ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk
+uit de Mythologie.
+
+Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den
+voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een
+boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren
+daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden
+van Lage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn,
+onder zijne woudendienst noemt.
+
+Zie hier, o.i., de bewijzen:
+
+Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe ouders of van wie ook
+gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren
+kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng
+dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u:
+zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting
+juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde,
+nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men
+dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker
+is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering
+weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.
+
+
+
+En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen
+hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in
+het grijze Oudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier
+daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het
+geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.
+
+En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige
+wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt
+tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare
+vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!
+
+Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog
+en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken--aangenomen
+dat hij zoo oud is als wij meenen--van geslachten en geslachten,
+die hij overleefde van uit het heidendom tot in dit jaar!
+
+Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan,
+Thor en Freija in vereering waren en men ook hem met ontzag naderde
+en toen het Heidendom voor het Christendom week.
+
+Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de
+Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit
+daarvan betwistteden--omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in
+de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ook Oudewater beroerden.
+
+Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het
+teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in
+1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe,
+doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins
+genomen werd--hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige
+poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op
+verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,--doch
+hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had
+uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts
+flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.
+
+Zij kwamen en zij verdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog
+steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen
+hunnen vernielenden invloed.
+
+En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het
+nederige Oudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne
+knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet
+dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde,
+hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.
+
+Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeld Feesten en
+feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder
+met de mythologische onderwerpen, die in Oudewater en omtrek voor
+tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te
+schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken
+te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd
+gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.
+
+Budding's Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.
+
+Voor de
+
+
+
+
+Terpen, Wieren en Vlietbergen
+
+zoude men dus kunnen verwijzen, naar Hekendorp en welligt ook naar
+Vliet en Wierxoord.
+
+
+
+
+Wijken of Wijkplaatsen
+
+zijn Heeswijk, Mastwijk, Bulwijk, Sluipwijk, Kromwijk.
+
+
+
+
+Go-plaatsen
+
+Goy in Boswaerder, Goy in Rapijnen en drie Goyen in Kattenbroek.
+
+Terwijl van de
+
+
+
+
+Loo-plaatsen
+
+Lopik en het oude Bodekulo (Bodegraven), zouden kunnen worden
+aangemerkt.
+
+
+
+
+
+WATERDIENST EN WATERBEVOLKING.
+
+
+ Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt
+ er offers.
+
+ D. Buddingh.
+
+
+Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologie niet alleen
+water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende
+kunne en hoedanigheid.
+
+Bij Tacitus--om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit
+zou kunnen bewezen worden--vindt men vermeld, dat, toen de moedige
+kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen
+aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door hen aan de tegenwoordigheid
+van den Rijn te herinneren.
+
+Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs
+daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed: meer dan
+men oppervlakkig denkt.
+
+Wie uwer heeft als kind nooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet
+te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water
+mogte trekken. Als kind geloofdet gij zulks, doch hebt gij als man wel
+ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk
+uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo:
+zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting
+zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijn is er, zij
+het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt
+dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken
+aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd.
+
+Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der
+doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren
+sporen harer vereering naliet, in verschillende helplaatsen. Ook
+te Oudewater hebben wij aan den IJssel nog eene woning genoemd: het
+helletje, die het aandenken onloochenbaar aan Hela heeft, en waarop
+wij nader in het breede hopen terug te komen.
+
+Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt,
+en ook merken wij op, dat de plaatsnaam Schakenbosch nog een land
+voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende.
+
+De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen.
+
+En ten slotte herinnert de naam Hekendorp afkomende van Nechsendorp,
+insgelijks aan Watergeesten.
+
+De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds
+komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen,
+en spreken met de menschen.
+
+De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben,
+volgens Blommaert, groen haar.
+
+Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar
+eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts
+eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschen
+Utrecht en Oudewater gaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke
+gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur.
+
+Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje:
+
+
+ »Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;
+ Als de avondzon in 't golvend schuim verzonk,
+ Een zeemeermin zich wieglen op de baren,
+ Wen dijnend schoon haar groene vlecht doorblonk."
+
+
+Te Schoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot
+aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan,
+zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken
+nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu
+duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat
+men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen
+haar hebben.
+
+
+
+
+
+VUURDIENST.
+
+»Vuur- en Waterdienst zijn zeer met elkander verwant," zegt Buddingh,
+en naar onze meening te regt. Zagen wij immers niet het meivuur,
+dat onder dit hoofdstukje kan gerangschikt worden, aan den IJssel
+branden? Ook dit zij nader herinnerd, als over den lijkbrand zal
+geschreven worden. Om echter verder in geene gissingen te treden,
+zullen wij het hierbij laten blijven. Genoeg dat deze dienst
+onloochenbaar is bewezen, en hare overeenstemming met de waterdienst
+ook hier is aangetoond.
+
+
+
+
+
+DIERENDIENST.
+
+De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten
+optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd.
+
+Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven--Tacitus,
+van de Germanen sprekende [76], verhaalt, dat het hun eigen was om
+uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die
+glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden
+op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de
+heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten
+des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan
+geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het
+volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich
+zelven voor de dienaren--de paarden voor de medewustigen der goden.
+
+Zooals vermeld is, zagen wij in Roozendaal, dat, gelijk bewezen
+werd, tot het Schakenbosch zal hebben behoord, zoodanige plaats waar
+de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze
+dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in
+den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem
+genoten had,--dat werd ook de eer aangedaan op denzelfden houtmijt
+met het lijk zijns meesters te worden verbrand. [77] Ook dit zullen
+wij nader gelegenheid hebben op Oudewater toe te passen.
+
+Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden
+zeer in aanzien.
+
+Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl
+zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het
+Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond;
+terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen
+gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van
+Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de
+nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding,
+zij onder dit stuk gedacht.
+
+
+
+
+
+VOGELVEREERING.
+
+»Dat is een geluksvogel; die een ongeluksvogel!" zoodanig gezegde
+zult gij, geachte lezer, wel dikwijls vernomen hebben. Doch bij dat
+vernemen heeft menigeen er niet aan gedacht, dat men ook hiervan den
+oorsprong in de mythologie onzer vaderen te zoeken had.
+
+De priesters der ouden maakten bij het voorspellen van iets, vooral
+ook veel gebruik van het geluid en de vlugt der vogels.
+
+Nog is de ooijevaar--elders heileuver--heilaanbrenger, bij sommigen
+in hoog aanzien; een ooijevaar immers die het nest op een huis maakt,
+brengt, gelijk men wel zegt, geluk aan: het verstoren dier vogels
+het tegendeel. Ziet men hem voor het eerst in het lieve voorjaar,
+met veel geld bij zich, dan is men geheel het jaar niet zonder.
+
+Ook de zwanen en zwaluwen rangschikken wij, in navolging der geleerden,
+onder deze rubriek.
+
+Op het dooden van ooijevaars en zwanen stond eertijds zelfs de
+doodstraf. Ziet, zoo hield zich ook deze vereering nog lang staande.
+
+De zwaan was in de natuurleer onzer vaderen aan de godin der liefde
+gewijd. Zonder dat ook wij hier juist eene gevolgtrekking willen maken,
+is het gebruik der palmpaschen, die dikwijls met afbeeldingen van
+zwanen zijn versierd, opmerkelijk. Te opmerkelijker omdat ook die
+welligt weder tot kinderspel overging.
+
+»Zwaluwen zou ik niet gaarne verstoren," zeide mij iemand, »want
+die staan in de Schrift beschreven." Ook dit zoeken wij als in de
+mythologie van origine zijnde: velen toch beschouwen ook zonder deze
+uitlegging de zwaluwen als heilaanbrengende vogels.
+
+Ook de haan is van beteekenis evenals de zwaluw; verkondigt de laatste
+het naderen der lieve lente: de eerste vermeldt het aanbreken van
+den dag. Hoewel dit nog niet als heidensch kan worden beschouwd,
+zoo spelen de hanen toch in de Noordsche Mythologie [78] eene rol die
+men oppervlakkig niet zou vermoeden. Men kent daarin bij de Trolden
+de vuurroode, de gele bij de Asen, en de zwarte in de onderwereld.
+
+Het hanensabalen op de Kaaloorsche kermis bij HOENkoop, het vermeld
+vinden van: »offert den goden een haan," en de zeer interessante
+bijdrage, die wij nog nergens aantroffen: dat men, bij het verhuren
+van landerijen, bij den huurprijs nog een haan moest voegen, als die
+leverbaar was, kunnen o.i. allen aan deze vereering doen denken.
+
+Vraagt men: wanneer was de haan leverbaar? wij zeggen, dat men zulks
+er voor hield als deze vogel van den grond kon springen op den rand
+eens wateremmers.
+
+Koekoek en specht zijn weder voorspellende vogels.
+
+Onheilspellenden zijn welligt raven, eksters, uilen en de roode haan.
+
+Odin wordt voorgesteld met raven bij zich, die hij elken dag laat
+uitvliegen, en welke hem daarna vertellen wat nieuws er is; het zal
+uitkomen, zegt men immers, al zouden de raven het uitschreeuwen.
+
+Het huilen van nachtuilen wordt bij velen als zeer ongunstig beschouwd.
+
+En de roode haan ten slotte, hoewel ongunstig en overdragtelijk,
+en zulks welligt geworden bij de verachting des heidendoms, is al te
+wel bekend.
+
+In Oudewater ten minste herinnert men zich het tartende en spijtige
+gezegde van van Bossu in 1573, toen hij voor deze plaats met zijne
+soldaten en gepreste boeren het hoofd stiet [79]:
+
+
+ »Al eerder een jaar ten einde zou gaan,
+ Zal ik er door jagen den rooden haan."
+
+
+
+
+
+GEDROCHTEN.
+
+De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen
+als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan
+gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was
+de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het
+woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver,
+nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch
+wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest
+zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en
+vertaalt het maanverzwelger (mona--maan chyros fr. chirer, verscheuren,
+verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e. Lunam
+devastans sive devorans naar, Magnus 110) weder schenken--Garm,
+gar, ger, gir--schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros,
+gierig, begeerig.
+
+Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten.
+
+De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in
+ongemeene merkwaardigheid stond.
+
+Zie hier wat hij er van heeft opgeteekend: [80]
+
+»Er is daarvan door Corn. Aurelius in zijne Batavia 41, bladz. 77-79
+deze volgende sage geboekt:
+
+Een Athener Demarchus die tot de lijfwacht des keizers Constans
+behoorde, kwam uit Brittannie terug en stapte op de Maas te Staelduinen
+aan land. Vervolgens wijdde hij een altaar aan den god Monoschyros
+of den alleen sterke. Weldra werd zoowel de hulde aan deze godheid
+als zijne godspraak in Batavie en in Klein Friesland boven allen
+beroemd. De toeloop was aldaar groot.
+
+Men bood zijn kinderen denzelven aan, opdat zij sterker dan anderen
+zouden worden. Daarna verhaalt hij (Aurelius) de geschiedenis eener
+merkwaardige offerande door iemand uit Bodegraven nabij Oudewater.
+
+Over de verschillende gevoelens dier geleerden omtrent de ware
+beteekenis dezes woords zullen wij ons niet uitlaten; alleenlijk
+hadden wij gaarne gezien, dat Westendorp het met zijne ruimte had
+kunnen overeenbrengen, die offering over te nemen.
+
+
+
+
+
+AARDGEESTEN, DWERGEN, enz.
+
+Deze komen onder verschillende benamingen voor. Mr. van den Bergh
+[81] noemt: Dreumes, Dreutel, Drol, Keutel.
+
+Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan.
+
+»Dreutel," zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel,
+de drek van schapen. Door het Christendom," vervolgt hij, »is de naam
+in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden
+drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste
+gebruikt."
+
+»De echte beteekenis," zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel
+versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende:
+
+
+ Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)
+ Wat doe jij in mijn hof!"
+
+
+En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het
+vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit in Oudewater
+opdreunt:
+
+
+ »Jij plukt al mijn bloemetjes weg,
+ Jij maakt het al te grof."
+
+
+Dit laatste duidt op den soms lastigen aard dier wezens. Veelal
+nogtans waren zij ook goed. [82]
+
+De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn
+van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit
+dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere
+heidendom.
+
+
+
+
+
+LUCHTGEESTEN.
+
+Hieronder worden verschillende wezens verstaan. Bokkenrijders,
+bezemrijders en meer andere heksen welke door de lucht rijden. Dit
+onderwerp stellen wij ter beschrijving tot nader uit, als de heksenwaag
+ten tapijte zal worden gebragt.
+
+Onder de
+
+
+
+
+
+WOUD- EN VELDGEESTEN.
+
+worden gerangschikt de Weerwolf, kwade hond, de Droes en ook de
+Nachtmerrie, voor zoo ver die in het veld verschijnt, benevens het
+ijzeren Veulen.
+
+Het bijgeloof aan het ijzeren Veulen is hier ook nog in aanzijn;
+het is een zeer lastig wezen, en gelijk elders, plaagt het dikwijls
+den mensch. Overigens heeft het nog de eigenschap in de lucht te
+kunnen stijgen.
+
+Ook de nachtmerrie komt in deze streken bij de paarden der landbouwers
+menigwerf voor. Als paardenziekte is dit in onze dagen gelijk
+vroeger wel geen wonder, en dit zal het niet blijven zoolang men
+geene voorbehoeding tegen die ziekte heeft uitgevonden of ontdekt.
+
+In dezer voege spreekt ongetwijfeld de verlichte mensch, die niet
+aan de nachtmerrie gelooft als schadelijke geest, gelijk, helaas,
+nog velen om ons dit doen.
+
+Met wat ontsteltenis op het gelaat zegt de bijgeloovige landman
+des morgens nadat hij de ineengescharrelde manen van het dier
+dat lijdende geweest is, heeft aanschouwd: "mijn paard heeft de
+nachtmerrie gehad." Slaat hem nu gade; zie, hij wil het bijgeloof
+met bijgeloof verdrijven: hij bindt twee steenen over elkander, nu
+heeft de nachtmerrie geen vat meer op het beest. Anderen plaatsen
+een paardenkop op het rietendak, en hierop gaat dan de nachtmerrie
+rijden in stede van op het op stal staande dier.
+
+Bijgeloof, bijgeloof! dat uwe telgen zonder men het zich bewust
+is gekweekt worden in plaatsnamen en gebruiken, is niemand euvel te
+duiden; u nogtans willens en wetens in stand te houden, is vernederend
+voor den mensch uit de negentiende eeuw.
+
+
+
+
+
+HUISGEESTEN.
+
+Hieronder rangschikken wij, gelijk Buddingh, den Boeman, waarvoor de
+kinderen bang te maken men hen zoo dikwijls tot gehoorzaamheid dwingt.
+
+Verscheidene schrijvers hebben omtrent de naamsbeteekenis van den
+Boeman gegist, zooals daar o.a. zijn deze geleerden: van den Bergh,
+Buddingh, Kiliaan, Grimm, Hoeuft, ten Kate, Teenstra. Hoe zij echter
+verschilden in meening, hierin is men het, voor zoo ver wij nagingen,
+eens, dat hij donker van kleur is.
+
+Overigens denkt Grimm bij het ontraadselen van den naam Boeman,
+Bolderman, aan bulderen, leven maken.
+
+
+
+
+
+DRIETALLEN.
+
+Sol.--Mond, Tyr, Lun.--Hertha, Frowa, Frau.
+
+
+Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon
+en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha
+(de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.
+
+Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt,
+zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, dat Lin
+in Linschoten wezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds
+vroeger werd gedacht. Ter zake nu:
+
+Sol- of Zonvereering.--Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren
+beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet
+noodig zijn hier langer bij stil te staan.
+
+Mond, Tyr, Lun.--Was de opvatting van den naamsoorsprong in Montfoort
+juist, dan liet de maanvereering daarin een spoor na. [83]
+
+Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god des tijds
+werd hij Tyr (Tijs) genoemd.
+
+De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan
+aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning
+had.
+
+Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij
+het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen,
+enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.
+
+Ook te Linschoten zagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij
+Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,
+LIN in het Noorden vereerd werd--onder dien van Lun, Lunia, bij de
+Saxen, en dat Luna met Lina en LIN verwant is, wordt insgelijks bij
+hem vermeld. [84]
+
+Hertha.--Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord
+te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat
+wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook
+zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in
+ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.
+
+Hertha, Freija, Frowa, Frau.--Reeds heeft men hiervoren gezien, dat
+de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa
+en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.
+
+Tydeman teekent o. a. van deze aan [85]: De gemalin van Odin was
+Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze
+naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen
+door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster,
+weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en
+zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke
+onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd," enz.
+
+Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha
+ook Freija, Frowa, Frau was. [86]
+
+Tusschen Oudewater en het dorp Linschoten ligt in de boerenbuurt
+Linschoten eene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd;
+en dit woord leiden wij van Frau, en wel:
+
+a. om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.
+
+b. omdat aan een der beide boorden van het water de Linschoten eene
+vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus
+voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest,
+en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was
+die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam
+daarvan gekregen hebben.
+
+c. Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, was Lin
+er eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in de Linschoten.
+
+d. Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.
+
+
+
+
+Wodan, Thora en Freija.
+
+In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.
+
+Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij in Oudewater en
+omtrek niet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld
+in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn [87],
+Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze
+dagen na.
+
+Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat hun trechten toegewijd
+waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aan Haastrecht, [88]
+dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden
+toegewijd zien.
+
+Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou
+den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom
+laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig
+blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen,
+zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van
+dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds
+tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen
+nu, die ook in den omtrek van Oudewater nog dikwijls daarop worden
+aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors
+hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet
+denken. [89]
+
+
+
+Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken. Uit den zeer
+grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent
+zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:
+
+Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien
+gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken
+eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan
+hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit
+onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun
+echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde,
+en nog twee malen stooten. [90] Indien gij dan naar de reden van dit
+gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: "Wat reden? dit hoort
+zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!"
+
+Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.--Luister; het drinken
+op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van
+heidenschen oorsprong. Zij--de heidenen--dronken reeds de bruine meede
+of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond
+en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking;
+voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en
+gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef--het laat zich zeer wel
+begrijpen--wederom het langst bij de boeren aanwezig. [91]
+
+Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust,
+dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen,
+oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de
+navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.
+
+
+
+In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet
+op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te
+behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is,
+en deze geschiedenis nu is de onbeschreven geschiedenis.
+
+Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook
+deze was immers voor Oudewater en omtrek de onbeschreven geschiedenis.
+
+En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen
+zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijn aan de plaats met den omtrek
+der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.
+
+Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingen
+vooreerst echter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom
+alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.
+
+Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen,
+te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef,
+eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende
+mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te
+willen volgen.
+
+
+
+
+
+
+
+BEWIJZEN, DAT DE PLAATS EN OMTREK WAAR NU GROOTE KERK EN TOREN STAAN,
+WELLIGT EERTIJDS AAN HEIDENSCHE EERDIENST GEWIJD WAREN, ER ECHTER
+STELLIG EENE HEIDENSCHE BEGRAAFPLAATS WAS.
+
+
+a. De ligging aan den IJssel.
+
+ "Eerst zij nog opgemerkt, dat bij de meeste heiligdommen,
+ eene gewijde tempelbron, kom of ander water was, dat tot
+ reiniging diende."
+
+ Mr. van den Bergh.
+
+
+Reeds poogden wij den lezer een begrip te schenken van waterbevolking
+en watervereering, zoowel van elders als van dit oord, en waarover men
+gelieve te zien bladz. 77-99, als ook hier van toepassing kunnende
+zijn. En hoewel alles, daar vermeld, reeds pleit voor genoemde
+eeredienst, zijn er, deze uitgenomen, nog meerdere bewijzen van
+stroomvergoding alhier aan te brengen, en wij zullen die ook aanvoeren,
+nadat wij eerst iets gezien hebben, van hetgeen daaromtrent elders
+wordt aangetroffen, zullende dit weder stof tot vergelijking voor
+ons aanbrengen.
+
+
+
+Het valt ons al dadelijk op, dat zoovele steden waar men voorvaderlijke
+gedenkteekenen heeft gevonden, juist aan rivieren gelegen zijn. Hoe
+komt dat, geachte lezer?--Zeker, de aanslibbing der rivieren maakte
+het oord spoedig voor bewoning geschikt, en de rivieren verschaften
+onderling verkeer en welvaart; doch welligt zal de stroomvereering
+insgelijks daarmede in verband kunnen worden gebragt.
+
+Immers, zij hadden voor die eerdienst zoodanige gehechtheid,
+dat de critische van den Bergh zich er aldus over uitlaat: [92]
+»Deze eerdienst was zoo diep bij hen ingeworteld, dat die nimmer
+geheel is uitgeroeid kunnen worden, niettegenstaande de Christelijke
+geloofspredikers aanhoudend ten sterkste daartegen ijverden en deze
+dienst als heidensch en vloekwaardig afmaalden en ook vele wetten
+daartegen gerigt zijn. Men meene echter niet, dat zij het water zelf
+als eene godheid vereerden: zij beschouwden het als de verblijfplaats
+der goden en daarom heilig, bijna gelijk als de omtrek der heiligdommen
+gewijd was."
+
+Uitgenomen nog een aantal geleerden, spreekt ook de heer Tydeman
+[93] in dezer voege. Verder merkt hij op, dat, onder de rivieren,
+vooral de Rijn, de Rhoer en de Vecht in aanzien stonden, terwijl men
+dacht--aldus vervolgt hij--dat zij door goden werden bewoond, wier
+rang zich naar de grootte en voortreffelijkheid dezer stroomen schikte.
+
+Voornamelijk in de bogten der wateren was het, dat men offers aanbragt
+en de mythologische plegtigheden verrigtte.
+
+In Westphalen wijzen de overleveringen nog meeren aan, van welke men
+gelooft, dat zij grondeloos zijn [94], met andere onderaardsche meeren
+gemeenschap hebben, of waarin op sommige tijden een dof onderaardsch
+geluid wordt gehoord. Dikwijls waren deze gewijde wateren met bosch
+omzoomd of door een prachtig woud gedekt.
+
+Het groote gewigt, dat men aan deze waterdienst hechtte, toonde zich
+vooral ook daarin, dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren
+of meeren gebouwd werden; dat er bij een heiligdom of bij een gewijd
+offerwoud geen put, enz. mogt ontbreken.
+
+Nog zeer veel zouden wij kunnen aanhalen. Uit het aangevoerde is
+nogtans reeds voldoende gebleken, dat de riviervergoding bij de ouden
+in groot aanzien was.
+
+Wat kunnen wij nu toepassen op den IJssel, waaraan de kerk gebouwd is?
+
+Er werd aangetoond:
+
+a. De omtrek der heiligdommen was geheiligd. Welnu, de IJssel hier
+als heiligdom beschouwd, was dus de omtrek geheiligd en daarom eene
+plaats van vereering.
+
+b. Vooral de Rijn was in aanzien. Men denke dat de bevallige
+IJsselstroom een tak des statigen Rijns was.
+
+c. Dikwijls waren de gewijde plassen met een prachtig woud gedekt. De
+lezer wete, dat het schakenbosch er bij lag.
+
+d. En ten slotte: dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren
+gebouwd werden, is juist hetgeen wij voor onze plaats wilden beweren,
+in zoo ver namelijk dat wij hier door kerk, plaats van heidensche
+vereering verstaan.
+
+Hier nog bijgevoegd, dat de plaatsen van heidensche vereering dikwijls
+in die der Christenen overgingen, en men wordt te meer genoopt,
+te zeggen, dat hier zoodanige overgang zal hebben plaats gehad.
+
+Het is en blijft vooralsnog gissen, en wij herhalen dus: welligt was op
+die plaats een heidensch heiligdom. Stelliger bewijzen nogtans zullen
+wij aanvoeren, dat die plaats eerst eene heidensche begraafplaats was,
+waarin later de Christen zijne lijken begroef.
+
+
+
+
+
+b. In den omtrek der Groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.
+
+
+ »Id solum observatur, ut corpora clarorum virorum certis
+ lignis crimentur. Struem rogi nec vestibus nec odoribus
+ cumulant, sua cuique orma, quorundam igni et equus
+ adjecitur.--Sepulcrum cespes erigit."
+
+ Tacitus, de Mor. Germ.
+
+ »Levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht,
+ slechts in tweederlei woning: in die der werkzaamheid
+ en rust."
+
+ Ds. Heldring, Opsporing van Oudheden.
+
+
+Al de heidensche volken, zegt Tydeman, stelden een buitengewoon
+hoogen prijs op eene eerlijke en welvoegelijke begraafplaats. Deze
+mogt niet verkocht of overgedragen worden. Ieder graf was als het ware
+een altaar, waarbij men de afgestorvenen voortdurend moest huldigen;
+en eene begraafplaats te schenden, was eene groote misdaad.
+
+De plegtigheden nogtans waren bij de verschillende godendiensten
+niet dezelfde.
+
+Freijer beval het begraven der lijken in grafheuvelen.
+
+Odin wilde dat men het lijk verbrandde en de asch òf in de zee wierp
+òf in eene lijkbus in een ronden grafheuvel bijzettede. [95]
+
+Bij Blommaert [96] vinden wij o. a. nog in dezer voege omtrent
+heidensche begrafenisplegtigheden gewag gemaakt:
+
+»Uit het geloof aen de Walhalla, waer niemand dan gesneuvelden werden
+toegelaten, kwam de dood op het slagveld vereerend voor. Daerop te
+vallen was de zaligste dood des Belgs." [97]
+
+Hij beschouwde het leven als een proeftijd om tot de zael der
+onsterfelijken, de verblijfplaats der goden en walkuren [98], te
+geraken, en voor niets was hij meer beducht, dan, als eene vrouw of
+een onvrije, door langdurige ziekte gefolterd op zijn bed te moeten
+sterven en als deze naer de zael van Hela [99] te dalen. Door deze
+begrippen geleid, bragten velen zichzelven, nadat zij vooraf de
+wigchelarij daarover geraedpleegd hadden, met het zwaerd den dood toe
+wanneer eene hevige ziekte hen overviel, ten einde alzoo regtstreeks
+naer de goden te varen."
+
+En zoo was het, genegene lezer:
+
+
+ Als een van Bato's kroost, na lang en smartvol lijden,
+ Zijn strijdbijl of zijn zwaard daar doelloos hangen zag,
+ Dan kiemde soms de lust van d'aard zich te bevrijden,
+ Dan slaakte hij den wensch: mogt ik het dezen dag!
+ »'t Is eervol," zei hij dan, »te leven of te sterven:
+ Te leven op de jagt, te sneuvlen op het veld;
+ Waarom, Walkuren[98]! moest ik deze gunste derven?
+ Groot, groot toch is het loon te sneuvlen als een held!"
+
+ Zie, daar treedt een priester nader
+ Met een langen, witten baard;
+ En de kranke zegt hem: »Vader!
+ Ik ben 't leven moe op aard.
+
+ Nimmer mogt uw uitspraak falen.
+ Blusch ik zelf mijn lichttoorts uit:
+ Toeven mij Walhalla's zalen,
+ Of neemt Hela[99] mij ten buit?"--
+
+ »Hoor" dus zegt de priester plegtig,
+ »'t Vooglenheir en 't heilig ros [100];
+ Vriend, de goden zijn geregtig,
+ Maak uw band met Midgard [101] los.
+
+ 't Voegt den held als held te sterven;
+ Dappre, 't is de wil der goôn;
+ Hela zal u niet verwerven:
+ In Walhalla is uw loon."
+
+ Een lach omplooit zijn mond; hij neemt het duchtig wapen,
+ Het zware slagzwaard op, en zwaait het om zich heen;
+ Wat dof en hol gekraak! hij treft zich aan de slapen:
+ Het was der goden wil, zijn lichttoorts was gedoofd.
+
+
+»Het lijk eens gesneuvelden vorsten," aldus vervolgt Blommaert, »werd
+op een versierd bed gelegd, en in het beste gewaed of wapenrusting
+gehuld, getooid met zwaerd en schild."
+
+
+ »En uitgestrekt en koud ziet men den held daar liggen,
+ Gekleed in wapendos, en naast hem schild en zwaard;
+ Als markbod was hij steeds de voorste in de wiggen [102],
+ Nu is hij in Walhal en beter dan op aard."
+
+
+Zoo spraken dan welligt de vrienden en allen die hem kwamen bezoeken,
+en die gedurende drie nachten en drie dagen [103] daar de lijkwacht
+hielden. Men bragt den doode dronken toe, en hief liederen te zijner
+gedachtenis aan.
+
+Zoo bijv.:
+
+
+ Het was Alfadurs wil dat deze held ging scheiden;
+ Heft dus den horen op, wijl hij zich reeds verblijdt
+ Bij 't roemrucht voorgeslacht. Geëindigd is zijn lijden;
+ Heft, heft den horen op; hem zij dees dronk gewijd!
+
+
+»Dan had eene uitvaert plaets. De doode, door zyn geslacht en gebueren
+gevolgd, werd naer de begraefplaets gedragen, gewoonlijk (let wel)
+in de nabyheid van het woud of de kerk der landstreek. Daer werd het
+doodenmael gehouden, het lijk op een houtstapel tot assche verbrand
+en deze, in eene lijkbus verzameld, werd met een zodenheuvel overdekt
+of in den grond van het gemeen kerkhof bijgezet. Deze lijkbrand had
+gewoonlijk des avonds plaets bij ondergaende zon, hetwelk microcosmisch
+voor den dood van Baldur werd gehouden, en de plegtigheden, by de
+begrafenis van Baldur gevolgd en zoo juist in de Edda beschreven,
+zullen wel te dezer gelegenheid gevolgd zijn geweest. By den lijkbrand
+van vorsten of uitstekende wijkingen verbrandde men op den zelfden
+scheijerstapel met den held ook zijn paard, en hefte men lofliederen
+ter hunner eere aan." [104]
+
+
+ En de dagvorstin zonk neder
+ En verloor zich achter 't woud,
+ En de bleeke maan steeg teder
+ Boven bosch en kreupelhout.
+
+ Langzaam vloot langs de IJsselboorden
+ 't Water tot in de oceaan.
+ En in velerlei akkoorden
+ Hieven vooglen 't danklied aan.
+
+ Ziet, een lijkstoet treedt uit 't lommer,
+ En een ros bij toom geleid.
+ 't Manlijk wezen tuigt van kommer,
+ Doch niet een die tranen schreit. [105]
+
+ Hoog, van uitgelezen twijgen, [106]
+ Is de houtmijt opgeregt;
+ Hoog zal dra de vlam ook stijgen,
+ Is het lijk er op gelegd.
+
+ Weldra spelen rosse vlammen
+ Dartel spel met lijk en paard;
+ Daarna wordt de asch des krijgshelds
+ Liefdevol bijeen vergaard.
+
+ En een grijsaard, oud van dagen,
+ Spreekt intusschen van den held, [107]
+ Hoe hij strijden kon en jagen;
+ Alles, alles wordt vermeld.
+
+ Allen blijven 't doodmaal vieren,
+ Allen die genoodigd zijn,
+ En mogt hun geen rouwfloers sieren,
+ Geener rouwe was in schijn.
+
+ Weer den horen volgeschonken,
+ Nog een lijkdronk ingesteld,
+ Ter gedachtenis geklonken
+ Van den afgestorven held.
+
+
+"De heidensche begraefplaetsen--ten slotte--bestonden in grafheuvelen
+voor enkele personen of voor een gansch geslacht, en in gemeene
+begraefplaetsen."
+
+
+
+Zien wij nu wat wij weder voor de punten onzer beschrijving hiervan
+kunnen toepassen.
+
+Dat men ook hier prijs stelde op eene heilige begraafplaats, bleek
+reeds doordat dezelve aan den IJssel ligt. Dat men begroef in de
+nabijheid van het heilig bosch, kan ook op deze plaats, als bij het
+schakenbosch liggende, worden toegepast.
+
+Het sterkste bewijs voor dit hoofdstuk is dit:
+
+De heidenen verbrandden hunne lijken, en was het een persoon van
+aanzien, dan werd ook het ros mede verbrand. En ook dit, geachte lezer,
+is ons gebleken in het grijze Oudewater. Zoodanige voorvaderlijke
+begraafplaats werd er ontdekt in den omtrek der kerk.
+
+Ach, wie dacht er echter aan, toen men, eenige weken geleden, op dat
+gedeelte der oude heidensche begraafplaats waar nu een kaaspakhuis
+staat, in laatstgenoemd gebouw den bodem verlagende, men eene menigte
+verbrande houtskoolbeenderen, waaronder de overblijfselen van een
+paard, en asch ontdekte? [108] Ach, wie dacht er aan, herhalen wij, dat
+men de rustplaats schond van--wie weet het--welken dapperen voorvader,
+en men de beenderen verwijderde van zijn moedig ros, dat hem zoo fier
+welligt rondvoerde door de digte drommen van moordende vijanden? Ach,
+wie dacht er aan, toen het werkvolk de deels wel verschroeide doch nog
+niet geheel verbrande dierenbeenderen--het moet uit de pen--verkocht
+aan een beenderenkoopman: dat men overblijfselen verkocht eener
+heidensche begrafenis?
+
+Eerst toen een en ander reeds ontruimd en op elkander gereden was,
+vernamen wij, dat zulks gevonden was, en toch, wij weten niet welk
+gevoel ons overmeesterde toen wij daarbuiten op den aardhoop die
+wezenlijk eerwaardige overblijfselen verstrooid vonden liggen; toen wij
+van het vele een stukje geroosterd been en houtskool medenamen om die
+zorgvuldig te bewaren. Welk gevoel overmeesterde ons het meest? Was het
+de interessante ontdekking voor mijne geboorteplaats, of het gevoel,
+overblijfselen te bezitten--hoe nietig ook--van hem die ook eenmaal
+hier leefde en ontsliep met de zalige hope, om in Walhalla den nectar
+te drinken uit de bekkeneelen van verslagen vijanden; van hem, wiens
+lijk en strijdros eenmaal daar, in het tegenwoordige Oudewater, ten
+voedsel dienden aan de rosse vlammen van den grooten houtmijt, hoog
+opflikkerende langs de bevallige IJsselboorden? Wie zegt het? Zeker
+altans, wij keerden zonderling aangedaan huiswaarts.
+
+Vraagt gij, geachte lezer: Waar is de heuvel? waar de urne?--het
+wederwoord is: de heuvel is reeds vroeger geslecht, welligt toen
+de eerste hut of het eerste huis daarop gebouwd is. En de urne zal
+waarschijnlijk òf verbroken òf welligt tot huiselijk gebruik zijn
+ingerigt. Alleen de houtskolen en de beenderen bleven en werden onder
+de dit jaar opgebrokene bevloering bedolven, dewijl de industrie
+van het verkoopen der kalkachtige overblijfselen van dieren en,
+helaas! ook van menschen toen nog niet zoo in gebruik was.
+
+Wie zal het echter nu nog ontkennen hetgeen aan het hoofd dezes staat:
+In den omtrek der groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.
+
+
+
+
+
+c. Het Helletje.
+
+In den loop der mythologische schets is de godin Hela reeds menigmalen
+ter sprake geweest, het is hier echter de plaats iets meer van deze
+neder te schrijven.
+
+Hela is de godin der benedenwereld. Zij doodt of vervolgt niet,
+zij neemt slechts de zielen in bewaring der menschen die op hun bed
+sterven, en houdt ze onverbiddelijk in hare woning vast. Zij is half
+zwart en menschenkleurig, somtijds geheel zwart; zij reed op een
+driebeenig paard rond, pest en ziekten verkondigend. [109]
+
+Zij is de dochter van den boozen Loki en van eene reuzin. [110] Zij was
+het die Baldur niet wilde laten gaan nadat hij met misteltein gedood
+was, en zij staat alzoo met de dooden en begraafplaatsen in verband.
+
+Overigens--zegt Buddingh [111]--schijnt in de water- en vuurdienst
+een gebruik bij uitingen te hebben plaats gehad, waarvan wij meenen
+dat ook ten onzent nog hoewel zwakke sporen aanwezig zijn, namelijk
+dat men de dooden gaarne over een stroomend water, eene helrivier,
+een meer of zoo iets heen voerde, hetzij dan naar het begrip der
+ouden naar Chimle (den hemel) of naar het gebied der doodsgodin Hela.
+
+Ook nu weder zullen wij bij vergelijking tot zeer interessante
+gevolgtrekkingen komen.
+
+Op het oude kerkhof, aan het zuidelijk gedeelte des torens, staat een
+huisje, het Helletje genaamd. Bij al het voorgaande dat wij reeds
+van dit kerkhof weten, herinnert dit Helletje zoo duidelijk aan de
+beheerscheres der dooden, Hela, dat hier, o. i., geen twijfel over is,
+te meer nog daar men, zooals werd aangehaald, de dooden zoo gaarne over
+een stroomend water voerde; ook dit toch was de rusteloos stroomende
+IJssel, waaraan ook het Helletje ligt.
+
+De geachte lezer nu zal wel begrijpen, dat daar waar Hela dus hier
+eertijds woonde, waar zij hare heerschappij over de dooden uitoefende:
+de plaats Hela genoemd werd, en dat de woning of woningen, hier nader
+gebouwd, den naam van de beheerscheres der dooden uit de Noordsche
+Mythologie bleef behouden. Indien hij dit aanneemt, zooals wij dit
+aannemen, dan hebben wij ook door dit vertoog een bewijs te meer
+aangebragt, dat het kerkhof eene heidensche begraafplaats geweest is.
+
+
+
+
+
+d. De begraafplaats der heidenen wordt het kerkhof der Christenen.
+
+Het voorloopig laatste bewijs, dat de bewuste plaats vroeger eene
+plek was waar het stoffelijk overschot der heidenen bewaard werd,
+zal nu vermeld worden.
+
+Alles, geachte lezer! wat hiervoren aangehaald is om te bewijzen
+dat de bewuste plaats wezenlijk eene heidensche begraafplaats was,
+wordt versterkt door de zaak die wij nu nog alleen kunnen beoordeelen,
+dat die plaats een Christen-kerkhof werd.
+
+Omtrent vele plaatsen uit ons dierbaar vaderland is dit reeds ten
+duidelijkste gebleken.
+
+En dit verwondere niemand. De ouden reeds, zagen wij immers dat
+zoo veel eerbied betoonden aan het stoffelijk overschot hunner
+dooden, en die eerbied was nog geenszins verflaauwd toen de ijverige
+geloofsverkondigers ook hier het evangelie kwamen verkondigen. Deze
+predikers nu moesten natuurlijk zooveel uitroeijen, dat met de kerk in
+strijd was. Zouden zij hun nu ook de plaats niet laten waar de assche
+hunner vaderen rustte en waar zij ook eenmaal hoopten te zijn? Neen,
+ook hier werd zeer wijsselijk besloten, ten einde hen te spoediger voor
+het omhelzen der nieuwe leer te bewegen, de oude rustplaats der dooden
+te behouden. Daardoor had hij, de nieuw bekeerde, immers de zoete hoop,
+bij zijne vaderen te rusten, die, wel is waar, in Walhalla ontslapen
+waren; doch beider stoffe zou zich nader toch vereenigen, alhoewel
+de Christenen het begraven van lijken invoerden. En het geschiedde:
+de begraafplaats der heidenen werd ook in Oudewater het kerkhof der
+Christenen, en de assche van heiden en de beenderen van Christenen
+zijn beiden langs den IJsseloever vereend, en weelderig voedt zich het
+spigtig kerkhofgras met de zwarte aarde die van beiden overbleef. Bij
+het onwetend ontdekken der heidensche begraafplaats, hiervoren vermeld,
+vond men ook een aantal menschenbeenderen. Men had er eerbied voor,
+en zij werden weder in den grond bedolven onder de nieuwe bevloering.
+
+Ach, smaken zij die rust, die stille rust, die wij eenmaal ook onze
+assche toewenschen! Denke er zoo ieder over; wij zagen het immers:
+levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht, slechts in
+tweederlei woning: in die der werkzaamheid en rust.
+
+
+
+
+
+
+
+BEGRAFENISPLEGTIGHEDEN VOORHEEN EN NU.
+
+
+ »En wat ik al gaarne bijwoon of niet--men zal mij al zeer
+ ligt bij een Christelijk feest aantreffen.
+
+ Ook vindt gij mij ligt bij eene begrafenis, als als ik
+ mijn medemensch ten grave breng. Hoewel mijne ziel dan
+ geene vreugde vindt, zoo is er toch nog eene gedachte
+ in die ure, welke mij met een zachten vrede vervult, het
+ is de gedachte: deze is dan ook wederom ten einde van
+ zijne loopbaan gekomen, heeft gestreden en geleden en is
+ den laatsten kamp te boven."
+
+ Ds. Heldring.
+
+
+Het kwam ons niet ongepast voor, eenmaal aan de begrafenisplegtigheden
+der heidenen bezig zijnde, nog iets weinigs daarvan te herhalen en
+ook nu weder daarna te zien wat wij nog in onzen tijd als gewijzigde
+heidensche overblijfselen daarvan te beschouwen hebben.
+
+Bij de heidenen zagen wij, als iemand het tijdelijke met het eeuwige
+verwisseld had, hem dronken ter eere brengen en bezoeken.
+
+Ook in onzen tijd komt men dikwijls ten sterfhuize om den doode te
+zien, en al brengt men hem nu geen dronken meer toe: de stille traan,
+heenbiggelende over de heete wang, en uw gezegde: »hij was groot en
+regtschapen" zegt niet minder.
+
+Bij de heidenen had men reeds een lijk-aanvoerder, die met de
+regeling der begrafenis belast werd, Chrene bedar genaamd. Hierin zijn
+onze woorden grienen, huilen voor Chrene, en bidder voor bedar. De
+overeenstemming is zeer opmerkelijk.
+
+Boerenbegrafenissen zijn alhier nog het meest eigenaartig en het
+meest met het grijs verledene instemmende.
+
+Ook Hofdijk maakt hiervan gewag. Zie slechts wat hij op bladz. 75
+van zijne »Historische landschappen" zegt, over eene begrafenis der
+ouden schrijvende:
+
+»Ware het nu spade schemering en niet slechts dalende zonne, zoodat
+u de aloude dragt en het voorkomen der Germanen niet in het oog viel
+en gij slechts de donkere gedaanten langs u voorbij zaagt gaan--gij
+zoudt gelooven eene gewone dorpsbegrafenis te hebben aanschouwd.
+
+»Ook thans nog treft u de overeenkomst van het eerwaardig gebruik",
+en Buddingh, het zelfde onderwerp beschrijvende, meldt in dezer voege:
+»dat men bij begrafenissen ook steeds veel prijs stelde (vroeger en
+ten platten lande meer dan thans in de steden) op het beijeren, op
+het bombam van klokken, ten einde daardoor den duivel te verschrikken
+of van het lijk te houden, schijnt wel eenigzins ons vermoeden te
+bevestigen, dat men ook in het heidendom dat bombambeijeren, hetzij
+dan van klokken of hoedanig ook, gekend hebbe." Hoe dit zij: ook in
+Oudewater worden nog zelden de klokken voor lijken van stedelingen,
+minder zelden voor gestorven buitenmenschen geluid. Als er dan hier
+een doode is en de familie of betrekkingen willen de begrafenis naar
+aloud gebruik doen plaats hebben, dan wordt hij, zoo men dat noemt,
+eerst overluid, hetwelk zich daardoor opmerkt, dat men driemaal met
+eene klok klept die ligt van klank is; daarna gaat men met groote
+klokken aan het luiden, en bij mannelijke dooden is de plegtigheid
+nu vooreerst hiermede gedaan.
+
+Is het echter eene vrouw, die gestorven is, dan klept men nog eens
+na het luiden ter onderscheiding. [112]
+
+Zooals reeds werd opgemerkt, gaat men dan den doode bezoeken, en onder
+het klokkengelui wordt het lijk daarna begraven. Dit klokkengelui
+begint voor de buitenmenschen zoodra men aan de grens der gemeente
+is, waar omstreeks het lijk van den wagen wordt genomen en de stad
+doorgedragen. Ook zij die het lijk vergezellen, volgen dan loopende
+achter de baar. [113] Bezie dezen optogt nu wat nader. Zie, daar gaat
+nog, als ten tijde van het heidendom, de lijkaanvoerder of bidder;
+ter zijde van dezen loopt [114] een agent van policie, dan volgen
+de dragers met de zwarte lijkbaar, en daarachter de nabestaanden,
+vrienden en geburen, de mannen met rouwfloers om den hoed, soms tot
+aan de kniën van achter afdalende, de vrouwen insgelijks in rouwgewaad
+met regenkleeden over het hoofd, waarachter hun aangezigt soms bijna
+geheel wegschuilt.
+
+Het gebruik dezer regenkleeden is zeer oud. Eeuwen en eeuwen terug
+droeg men die immer in het dagelijksch leven: zoodanig hoofdkleed
+was toen gebruikelijk. Men ziet het reeds eenigzins op de teekening
+eener vrije vrouw uit de 10de eeuw, en de afbeelding eener bejaarde
+vrouw uit de 15de eeuw [115] heeft dit veel duidelijker. Hoe de wijze
+van kleederdragt ook veranderde: dan, als men in rouwe gedompeld was,
+behield men dit en behoudt men dit nog tot in onzen tijd. [116]
+
+Terwijl wij dit opmerken, zijn wij reeds het kerkhof genaderd,
+het stoffelijk overschot wordt in de groeve nedergelaten, en nadat
+men nog eenmaal heeft gezien in het graf, dat weldra de asch des
+dierbaren afgestorvene zal bevatten, verlaat men den Godsakker,
+onder luid geween of verborgen smarte, zooals men hem betrad. Weder
+aan de grens der stad gekomen, houdt men nu met klokkenluiden op,
+en bidder en agent verwijderen zich.
+
+Men denke echter niet dat men nu zonder bidder is; neen, van den
+eersten dag dat het lijk er was, wordt naar aloud gebruik de eerste
+buurman, naar de stad of beter naar het kerkhof aan wonende, tot
+groefbidder benoemd. Die belast zich dan met de meeste werkzaamheden
+aan de begrafenisplegtigheden verbonden, en bij dien aan huis wordt ook
+het "vetje" of doodmaal gehouden.--"Doodmaal!" zegt gij welligt, "dit
+had ook, zooals hiervoren bleek, reeds in het heidendom plaats!" en
+uwe aanmerking is teregt.
+
+Prikkelt dit welligt uwe weetgierigheid hiervan iets meer te weten,
+zoo luister:
+
+»Wat de begrafenismaaltijden en lijkburen onder het heidendom waren,"
+zegt Buddingh, bladz. 147, »schijnt ons toe, te blijken door hetgene
+Aug. Schrader, Germ. Myth. 1843 (uit Boltens »Gesch. der alten
+Ditmarsen", I, 315, enz.) aanhaalt, welke laatste berigt, dat het
+heidendom gewoon was, na het ter aarde bestellen der asch aan ieder
+die deze plegtigheid hetzij uit aanverwantschap of nabuurschap had
+bijgewoond, een hoorn of houten schaal met bier of andere dranken
+gevuld, aan te bieden, die men eerst ter eere der goden, daarna ook
+van den afgestorvene ledigde."
+
+Bij al het voorgaande wat wij reeds van de begrafenisplegtigheden
+voorheen en nu met elkander vergeleken en de treffende overeenkomst
+zagen, komt de zaak dat de buren er bij waren in aanzien. Den buurman
+toch zagen wij reeds groefbidder; de buurman spant niet zelden zijne
+paarden voor den lijkwagen; bij den buurman vindt ook het lijkmaal
+plaats, en waarin bestaat dit--bij de heidenen, zagen wij, in bier;
+en waarin nog--in brood en bier.
+
+»Het heidendom," dus zegt Buddingh nog, »schijnt echter een duidelijk
+onderscheid gemaakt te hebben tusschen dezulken die aan eene ziekte,
+en anderen die in den oorlog of een gevecht overleden of gevallen
+waren. De eersten werden in het Noorden Bior (ons Piers) genoemd." Het
+verschil is hiervoren reeds aangetoond, doch indien het dus waar is
+(waaraan wij niet twijfelen) dat een buiten het gevecht gestorvene,
+piers genoemd werd, dan verklaren wij daaruit tevens ons Oudewatersch
+spreekwoord: »hij is zoo dood als een pier".
+
+
+
+Grootendeels en nu voorloopig genoeg, hebben wij de mythologie
+van Oudewater en omtrek beschreven. Voorloopig genoeg, zeggen wij:
+hoe ligt toch zal het plaats kunnen hebben, dat, bij het vermelden
+van historische feiten, daarin nog mythologische daadzaken zijn
+doorweven, die dus met elkander een geschiedkundig geheel zullen
+uitmaken. Alleenlijk noemen wij nu de heksenwaag.
+
+Bij het schrijven over de natuurleer onzer vaderen, hopen wij, zaken te
+hebben aan het licht gebragt, die eeuwen hier in dit belangwekkend oord
+plaats hadden en eeuwen daarna met een onzigtbaren sluijer tijdens het
+Christendom waren bedekt, en toch hebben wij het gewaagd dien sluijer
+op te ligten en rond te zoeken in den mythologischen chaos van weleer.
+
+Mogen deze woorden--hopen wij--niet euvel worden opgenomen! Indien wij
+toch, vóór er iets van de Mythologie dezer belangwekkende plaats in
+het licht was, door bestudeerden ons de aanmerking hoorden maken met
+een spottenden trek op het gelaat; hoe het mogelijk was? Oudewater
+mythologisch te beschouwen; dan moet er wel een dikke sluijer over
+heen gespreid zijn geweest.
+
+Omtrent vele facta hiervoren vermeld, zal men ongeloovig de schouders
+ophalen, en als zoodanig getroostten wij ons reeds vele aanmerkingen
+van onbevoegde beoordeelaars. Bijna alles echter wat vermeld is,
+schreven wij meest op het gezag van geleerden, en wij maakten
+voor Oudewater en omtrek de toepassing, verkregen--wij durven het
+zeggen--door langdurige studie en scherp onderzoek; en wij passen nu
+gerust de woorden van Hofdijk toe ook op dit oord: »Zoo gaat het oude
+heidendom, al is het ook met gemaskerd, met dikwerf gansch verhuld
+gelaat, nog altoos onder ons rond." Men neme echter in aanmerking, dat
+de vermelde daadzaken brokstukken, niet dan hier en daar verspreidde
+bouwstoffen zijn van het gebouw, dat verdwenen is--eene mythologie
+van ons land. Velen hebben reeds met verbazende inspanning hunne
+krachten aangewend, die bouwstoffen uit het stof der eeuwen op te
+rakelen, echter niet om de mythologie weder in te voeren, zooals met
+pedante dwaasheid wel gezegd werd, doch om leven, zijn en denken,
+nader te leeren kennen van ons roemrucht voorgeslacht waaraan wij
+zooveel verpligt zijn.
+
+Dit was dan ook eene onzer drijfveeren, bij deze beschrijving,
+en wanneer later velen uit ons vaderland door het opduiken van
+mythologische overblijfselen uit het oord hunner bewoning--al is
+het ook in het oog van velen belagchelijk die in kinderspel enz. te
+zoeken--wanneer velen dan hunne bouwstoffen hebben aangebragt, dan
+vindt men welligt door schifting, wrijving en vergelijking daarvan
+onderling, het grootste gedeelte weder der mythologie onzer vaderen,
+die men voor altijd dacht opgelost in den onstuimigen en woeligen
+tijd-oceaan.
+
+Hierdoor zal men dan ook nog betere contrasten kunnen zien tusschen
+heidensche godendienst en Christen Godsdienst; dan zal het duistere
+van het heidendom, dat viel en diep viel, al sterker en sterker
+afsteken bij het lichtende Christengeloof; dan zullen wij ons nog meer
+dankbaar gevoelen omtrent de eerste predikers van het Christendom in
+ons dierbaar vaderland.
+
+Alzoo gingen wij dan door met de mythologische beschrijving, met den
+ijver van dit onderzoek immers kwam, zooals wij zagen, ook allengs
+de overtuiging van het nut daarvan. De fragmenten die wij opmerkten,
+leerden ons zien wat heidensch en verderfelijk is in onzen tijd, en
+mede wat onmiskenbaar verhevens tevens zij hadden die in den nacht van
+ongeloof omdoolden en zich nog niet konden verwarmen aan de koesterende
+stralen van het gezegende Christendom; die fragmenten leerden ons
+oordeelen over het geheel dat verloren is,--deden ons eindelijk zien,
+dat deze plaats of gepaster dit oord reeds vóór de invoering van het
+Christendom in ons vaderland, bewoond werd door onze voorouders van
+Germaanschen stam. Welke echter de namen onzer voorouders in deze
+oorden waren, zij ons vergund onder ons geschiedkundig gedeelte te
+beschrijven, dat nu aan de beurt is.
+
+
+
+
+
+
+
+GESCHIEDENIS.
+
+III.
+
+
+NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.
+
+
+»Vijf-en-twintig eeuwen terug, en
+
+ Nog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheid Hing zwaar,
+ en dunde pas aan 't zuiden voor de schaarschheid Van enkle
+ stralen lichts, het oosten uitgestroomd, En boorende in die
+ nacht, meer dan verwellekoomd; Doch 't Noorden, overzwermd
+ door onbekende horden, Die als het kruid der heide, ontloken
+ en verdorden, Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,
+ Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toom Zoo min
+ gewend als zij. . . . . . . . . . .
+
+ . . . . . . . . Noord-Neêrland half in zee Bedolven, bood den
+ zwervers oord noch steê Dan eerst op Drenthes grond, waar
+ donkre boschwaranden De heuvelige hei belomren tot de stranden
+ Des Noorder oceaans."
+
+ Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.
+
+ »Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere
+ volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn
+ de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft
+ dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de
+ Gallien òf tot Germanie behooren, zijn ook door dezelve
+ bevolkt geworden."
+
+ De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde
+ Nederlanden. van E. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.
+
+
+Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen
+hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp,
+wilden bepalen. De volgende redenen zijn voornamelijk hiervoor aan
+te voeren en moeten in aanmerking worden genomen:
+
+a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.
+
+b. Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd,
+wanneer ons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor
+bewoning is geschikt geworden.
+
+c. Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf
+die plaats niet juist aangeduid.
+
+d. Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren
+vreemdelingen--meestal Romeinen.
+
+e. Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal
+gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige
+hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.
+
+f. Vóor, ten tijde van, en nà der Romeinen verblijf in ons land,
+was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam
+hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de
+grenzen hunner bewoning moest aanduiden.
+
+g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens
+moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het
+aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.
+
+De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid
+inzien, iets degelijks te schrijven over de namen onzer voorouders
+in deze oorden.
+
+Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.
+
+
+
+
+
+a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.
+
+
+OUDSTE BEVOLKING.
+
+De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van
+de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het
+eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds lang voor
+die volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne
+woonstede verkozen.
+
+Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan,
+en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die,
+hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een
+natuurleven leidden;--volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna
+ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad
+oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij
+op de werktuigen waarmede.
+
+Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge, zoo houdt
+men toch Azië als het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte,
+en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts' aangehaalden
+»Aloude staat" volgen.
+
+De Celten--zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europa en
+ook van ons land genaamd--de Celten waren Scythische volkeren.
+
+Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals
+wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij in Azië en wel binnen en
+buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd
+werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter
+oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en
+Celten ontsproten.
+
+De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee, vestigden zich
+in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden
+volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van
+daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en
+Klein-Azie.
+
+In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa
+òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den
+oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander
+eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.
+
+En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking
+van het werelddeel en het land dat wij bewonen.
+
+Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uit Noord-Azië is
+bevolkt geworden, zoo zie verder:
+
+Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de
+H. Schrift. Ook is het bekend, dat in Zuid-Azië reeds vroeg, zeer vroeg
+kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren,
+toen N.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid
+begraven lagen.
+
+Was Europa dus uit Zuidelijk Azië gepopuleerd, dan hadden zij ook de
+kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten
+nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke
+bewoners weinig gemeen.
+
+De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte
+hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar
+hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo
+een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal
+mistige Europa.
+
+De Scytiers van Noordelijk Azië echter hadden daarvoor meerdere
+geschiktheid. De sobere levenswijze die zij leidden, maakten hen
+bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen
+hebben.
+
+
+
+Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers
+welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden--over de
+Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook,
+ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden--hoe er
+door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam,
+die der Finnen, ontsproot--hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en
+Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken,
+Duitschland, Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte van Italië en
+Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder
+uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) in Klein-Azië
+vestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa's bewoners
+Celten waren.
+
+
+
+
+
+b. Men moet zich eenigzins rekenschap vragen, wanneer ons land,
+en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt
+geworden.
+
+
+Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd
+onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.
+
+Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderland is door de Celten
+bewoond. De vraag is nu echter: waar en wanneer.
+
+Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou
+groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets
+kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwording voortging; dáár dus
+waar die wording plaats greep--en zij deed zulks in een groot deel
+van onze provincien--was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en
+moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig
+drassige grond was toen althans niet bewoonbaar.
+
+Ook de geduchte vijandin--de Noordzee hebben wij als eene groote
+hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar
+kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende
+golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich
+voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit:
+dit zegt ons de geologie, en alzoo zal Oudewater en omtrek wel niet
+voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.
+
+Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop
+door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus,
+toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en
+boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen
+slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle
+landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den
+algemeenen naam van Celten of Voor-Germanen bestempeld, leefden daar
+grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren,
+elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden
+werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen
+door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden
+uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig
+denkbeeld van hunne levenswijze te vormen." [117]
+
+En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins
+geslaagd is zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze
+te vormen?--Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale
+steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,
+die fluisteren u alsnog van dat geslacht 'twelk eenmaal uit Azies
+noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij
+Celten noemen.
+
+De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in
+gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën
+vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang
+gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten
+staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer
+van oudheidliefde gloeijend nageslacht. [118]
+
+Zooals Lud. Smids meent [119], was het eene dame, Titia Brongersma,
+die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan,
+en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden
+voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf
+dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin
+gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men
+dat tijdvak veeltijds de steenperiode.
+
+Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte
+des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden
+aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen
+en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer
+beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.
+
+
+
+c. Daar, waar al van vroege, van Voor-Germaansche bevolking wordt
+gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.
+
+d. Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren
+vreemdelingen, meestal Romeinen.
+
+e. En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal
+gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige
+plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.
+
+
+
+Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten
+letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om
+welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben;
+wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven,
+omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding
+zullen bevinden.
+
+Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.
+
+Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische
+bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen,
+omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden
+waren komen bezoeken.
+
+Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de
+Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van
+slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en
+zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit
+moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden
+zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper
+volk te doen hadden.
+
+Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp
+eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na:
+ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig
+van ons land en het oord onzer beschrijving weten.
+
+Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als
+geschiedschrijvers dezer landen noemen.
+
+Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten
+wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit
+geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens
+iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.
+
+Het waren geen Germanen of Galliërs, zeggen wij. De Romeinen toch
+verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in
+drie voorname deelen, van welke het Belgisch Gallië het noordelijkste
+uitmaakte. De Belgen waren dus Galliërs. Nader heeft men dezen naam
+alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie
+betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen
+ontdekken. [120]
+
+Hoever en tot waar nu Belgisch Gallië en Germania inferior strekten,
+is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals in
+c. gezegd werd, niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het
+oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele tot Gallië
+doch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in
+taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest
+uit volkplantingen van deze volken bestonden. [121]
+
+Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat
+van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en
+inzonderheid van den Rijn.
+
+Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan
+nalaten, het hier neder te schrijven:
+
+Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks
+50 jaren voor Christus' geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:
+
+»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen,
+en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd
+wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren,
+en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de
+Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen,
+loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers,
+der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer
+hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene
+takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste
+gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er
+gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren
+leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee."
+
+De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die
+onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:
+
+»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee
+meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam
+en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver
+van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij
+dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn--daar hij ter
+regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers
+wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen
+heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den
+zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in
+de gedaante van eene rivier in zee."
+
+Daarna schreef Plinius secundus:
+
+»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en
+Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen
+der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij
+elkander liggen tusschen Helium en Flevum. Dus worden de monden
+genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in
+meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door
+een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene
+kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt."
+
+Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog
+aanmerkt:
+
+»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om 't
+gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg
+over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil,
+en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het
+land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid
+van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met
+den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter
+heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans
+verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door
+den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten."
+
+Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden
+staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal
+zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende
+gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig
+geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen
+te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.
+
+Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten
+van Peutinger.
+
+Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers
+aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne
+legioenen te velde gingen, [122] werden er kundige lieden afgezonden
+om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien;
+het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en
+de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en
+de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores
+en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders
+moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen
+aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de
+noodzakelijkheid het vorderde.
+
+Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten! hierop
+kunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben
+gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.
+
+De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die
+van Lugdunum naar Noviomagum voerden.
+
+De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:
+
+1) Van Lugdunum over het 2) Praetorium Agrippinae uit tot 3) Matelo,
+4) Albamanis, 5) Niger Pullus, 6) Lauri, 7) Fletio, 8) Levæ fanum,
+9) Carvo, 10) Castra Hercules, 11) Noviomagum.
+
+Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende
+schrijvers worden uitgelegd.
+
+1. Lugdunum willen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van
+Leeuwen als het tegenwoordige Leiden aanduiden. Menso Alting houdt
+het echter voor Loegsduinen of Loosduinen.
+
+2. Prætorium Agrippinæ is, volgens Bertius, Menso Alting en S. van
+Leeuwen, Roomburg.
+
+3. Matelo wordt door Bertius gehouden voor Koudekerk; Van Leeuwen
+houdt het voor Rhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.
+
+4. Albaminis is Alphen bij Bertius en van Leeuwen.
+
+5. Niger Pullus--Woerden, Bertius en van Leeuwen.
+
+6. Lauri is Leerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.
+
+7. Fletio--Vleuten bij Utrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting
+plaatst het tegenover Vleuten.
+
+8. Levae fanum voor Leeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting
+nogtans houdt daarvoor Wijk bij Duurstede.
+
+9. Garvo is volgens van Leeuwen, Grave; Bertius denkt aan Grave of
+Kille; Alting aan Rawijk.
+
+10. Castra hercules houdt Alting voor Malburg; van Leeuwen voor
+Erkeles.
+
+11. Naviomagum voor Nijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.
+
+De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:
+
+1) Lugdunum, 2) Forum hadriani, 3) Flenum, 4) Table, 5) Caspingium,
+6) Grinnis, 7) Ad Duodecimum, 8) Noviomagum.
+
+1. Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.
+
+2. Forum hadriani is, volgens Bertius en Van Leeuwen, Voorburg.
+
+3. Flenum, volgens Bertius: Delft.
+
+4. Table zou, volgens Bertius en van Leeuwen, Alblas zijn.
+
+5. Caspingium is Giessen naar Bertius; Giessenburg naar Van Leeuwen,
+en Asperen naar Alting.
+
+6. Grinnis is Rhenen volgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso
+Alting houdt het voor Gorcum.
+
+7. Ad Duodecimum, duizend passen boven Lewen volgens Alting; echter
+Wageningen bij van Leeuwen.
+
+8. Noviomagum. Zie hiervoren.
+
+Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop
+nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat
+de eene weg over 't Huis te Britten, Leiden, Alphen, Woerden, Utrecht,
+niet ver van Wijk bij Duurstede en Wageningen heeft geloopen tot aan
+Nijmegen, en de andere aan den zuidkant over Voorburg, Kralingen,
+[123] Alblas, Asperen, en zoo over de Waal naar Nijmegen.
+
+Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende
+meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen,
+dat, zooals in e gezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden,
+en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenige overeenkomst met de
+tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.
+
+Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae
+peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat
+ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die
+langs den linker Rijn-oever liep, ook in den omtrek van Oudewater lag.
+
+
+
+Tusschen Montfoort en Oudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde
+plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, dat de hooge
+Waard genoemd wordt.
+
+Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel
+van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden,
+als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren. [124]
+
+Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats
+gewag: »Voorts heeft hier weleer eene Romeinsche sterkte gestaan,
+terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten,
+steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en
+dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)
+
+En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt
+zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot
+schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen:
+zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,--hoe
+weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche
+adelaren geplant waren op der Bataven grond.
+
+Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de
+bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.
+
+
+
+f. Vóór, ten tijde van, en ná der Romeinen verblijf in ons land was
+het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen
+stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde,
+als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.
+
+g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens
+moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het
+aandringen van nieuwe volksstammen.
+
+
+
+Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden
+naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander
+gemeen hadden.
+
+De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en
+de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren,
+Chamaven, Gugernen, Toxandriërs, Caninefaten en Sturiers grensden,
+terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken,
+Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd
+hadden. [125]
+
+Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen,
+die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls
+zien en betasten kan,--hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de
+plaats aan te duiden van zoovele stammen, verschillend in naam; die
+niet altijd zekere sporen van bijzondere stammen hebben nagelaten,
+en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen in
+g hiervoren aangetoond.
+
+Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende
+oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers
+en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de
+reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald
+ons oog op dit oord.
+
+
+
+Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische
+schets van Oudewater en omtrek op meer dan eene plaats ten duidelijkste
+gebleken. Ook behoeven wij dus hierom er niet bij stil te staan:
+hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streek geschikt
+werd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijde Oudewaarden
+bestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen
+verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam
+of welke stammen?
+
+Achter Tacitus' historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft,
+vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in
+de boeken van Tacitus worden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de
+bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand
+en andere landbeschrijvers.
+
+Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun
+tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan
+gezegd hebben.
+
+»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee
+werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans
+in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl
+de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet,
+en eindelijk bij Rotterdam de Maas genoemd wordt, totdat zij voorbij
+den Briel in zee loopt.
+
+Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een
+gedeelte van Gelderland, de provincie Utrecht en een groot deel van
+Holland, met de volgende steden: Huessen in het land van Cleef, Tiel,
+Buren, Culenborg in Gelderland, Wijk bij Duurstede, de stad Utrecht
+en Montfoort in het Sticht van Utrecht. Voorts Asperen, Heukelum,
+Leerdam, Vianen, IJsselstein, Gorinchem, Nieuwpoort, Schoonhoven,
+Gouda, Leiden, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Delft en andere
+steden in Holland. [126]
+
+Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien
+wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juist
+Oudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,
+Oudewater onder die andere steden in Holland te noemen en alzoo ook
+deze plaats te rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren
+gelegen hebbende.
+
+Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid,
+en door dit na te schrijven zijn dan ook onze voorouders in deze
+oorden volgens hen genoemd.
+
+»De Caninefaten," lezen wij daar, »was een volk, dat een gedeelte
+van het eiland der Batavieren bewoonde, te weten aan den oever des
+Rijns van Batovodurum of Wijk Duurstede tot Lugdunum of Leiden,
+begrijpende 't gewest daar nu Culenborg, IJsselstein, Montfoort,
+Oudewater, Woerden en Gouda ligt.
+
+Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook
+wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de
+plek woonden van het tegenwoordige Oudewater.
+
+
+
+»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den
+oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk
+deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen,
+weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden:
+zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten
+en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond,
+en namen de volksstammen der Batauers, Caninefaten en vele anderen
+als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk
+geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de
+volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en
+vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.
+
+Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog
+eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst,
+en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche
+veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en
+zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden,
+moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen
+voor deze woeste indringers.
+
+Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen
+oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende,
+treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters
+van het roemruchte eiland der Batavieren--waaronder, zooals wij nu
+weten, ook de plaats van het tegenwoordig Oudewater behoorde. Slaan
+wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen
+en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des
+Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over
+Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere
+en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom
+nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van
+den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door
+'t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.
+
+En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der
+Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan,
+eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van
+eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na
+langzamen vooruitgang een zoo hecht geheel vormde, dat krachtiger
+naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands
+beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid. [127]
+
+In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote
+germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame
+verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag
+van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te
+worden gedacht, wanneer er sprake is van onze voorouders. Wat er
+hier of daar welligt van de oude stammen nog overig was, loste zich
+in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen, later
+ingedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die
+der Angelen op de Veluwe. [128]
+
+Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namen onzer
+voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd
+niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.
+
+
+
+Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog
+vermeld, dat Oudewater en zijn onderhoorig land nog op het einde
+der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft. [129]
+Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.
+
+»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont
+der feesten Sinte Pauwels in den wijnter" [130] (24 Januarij 1280)
+is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland. [131]
+Toen waren zij dus Noord-Hollanders.
+
+De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende
+innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij;
+alleenlijk herinneren wij nu, dat Oudewater thans is, een deel van
+het dierbare Nederland en gelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus
+ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEDEN EN GEWOONTEN.
+
+
+ "Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in
+ uw gemoed het betere beginsel spreekt,--dat het u een lust
+ is, u soms te stellen te midden van de geslachten der
+ voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de
+ eigenaartigheden huns levens."
+
+ Hofdijk, Historische landschappen, blz. 61.
+
+
+ "Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel
+ ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs
+ zedelijke en godsdienstige ontwikkeling."
+
+ Rooijaards, Invoering van het Christendom, blz. 371.
+
+
+Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen
+zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen
+het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:
+
+ a. de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst.
+ b. na hun verkeer met hen.
+ c. de invloed van het Christendom er op; en die van
+ d. den handel en de tegenwoordige communicatie.
+
+
+
+
+a. Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.
+
+Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche
+stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met
+elkander gemeen hadden, en dus ook de bewoners van dit oord. Schetsen
+wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook
+onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk
+zouden willen zijn.
+
+Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter
+woon verkozen.
+
+Zij kleedden zich veel in de vachten van door hen gedoode wilde
+beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene
+horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk
+echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.
+
+In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons,
+helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.
+
+In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en
+eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig,
+en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van
+geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?
+
+De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel,
+liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden
+dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende
+inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan
+naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:
+
+
+ Gewoonte was een wet en overlevring,
+ Was geschiednis.
+
+
+Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne
+woonstede waren bij hen gewone deugden.
+
+Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde
+was hun bijna of in het geheel niet bekend.
+
+
+
+
+b. Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.
+
+Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, waren alle gebruiken
+nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam
+echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke
+overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap
+van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en
+meer betreden.
+
+Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de
+Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op,
+die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen
+en kunsten.
+
+Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken:
+die van wetenschap en weelde.
+
+
+
+
+c. De invloed van het Christendom op de zeden.
+
+Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch
+altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het
+licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp
+daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd
+voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek:
+het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der
+menschen, dus ook op zeden en beschaving.
+
+Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten
+in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op
+beschaving uitoefende.
+
+
+
+
+d. De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden
+en beschaving.
+
+
+Wat is er in Oudewater nu nog van de zeden der vroege bewoners over?
+
+Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo
+volledig en geregeld mogelijk beschreven.
+
+Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond,
+dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende
+gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar
+was, Oudewater zou nog zijn ouden geest niet verloochenen.
+
+Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen
+die reeds lang hadden afgelegd.
+
+Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen
+eenvoud in Oudewater gewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste
+gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk
+schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone
+eenvoud verdwijnen, en alhoewel Oudewater nog kan wijzen op zeer
+oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer
+bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer
+en meer zeldzaam.
+
+Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo
+iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van
+zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!
+
+Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het
+eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere
+natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke
+communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt
+de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten
+zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen
+naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor
+die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud
+van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!
+
+
+
+
+
+
+
+OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.
+
+
+Oudewater en omtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe
+oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en
+bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!
+
+Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo
+fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!
+
+Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in
+uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel,
+onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en
+bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.
+
+Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in
+overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe
+hoogere ligging--veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt--ten
+weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.
+
+Deze oude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u
+reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die
+den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan
+deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling
+van Oudewater beschrijvende.
+
+Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordige
+Oudewater tijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal
+vertoond hebben.
+
+
+
+
+Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.
+
+Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op de
+waarden boomen stonden, deze hinderden tot het bouwen van woningen,
+en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide
+bosschen werden veeltijds rode geheeten. [132]
+
+In het tegenwoordige Oudewater zijn twee straatnamen: de Roodstraat
+en het Roodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt
+langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien,
+dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl
+deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog
+grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven:
+is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn;
+hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooid
+zegt het landvolk) en werden zij daarom rode genoemd, dat later in
+Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt
+men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld
+van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen. [133]
+
+De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook,
+die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig
+van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig
+en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten;
+zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.
+
+De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant,
+meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de
+afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer
+Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt. [134]
+
+De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen
+het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte
+hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren. [135]
+
+Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd
+in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen,
+die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten
+zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk
+de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch
+hadden zij twee deuren naast elkander.
+
+Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten
+bestreken met koemest en kleiaarde: het vervaardigen van steen toch
+was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die
+bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets
+zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.
+
+Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door
+het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot
+schoorsteen dient.
+
+Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.
+
+De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer
+woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze
+vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein
+voorstellen.
+
+Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij
+wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij
+althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met
+witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden
+zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren
+zich als geschilderd met bonte aderen en vlakken niet onaartig moet
+voorgedaan hebben. [136]
+
+Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit
+vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten,
+hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen
+dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen. [137]
+
+En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien
+tijde in Oudewater en omtrek.
+
+
+
+
+Het Markveld bij Oudewater.
+
+Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en
+onroerende eigendommen.
+
+De voorname roerende have in de oudheid was vee, huisraad, wapenen
+en kleederen.
+
+Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden
+en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen
+gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers
+trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde
+en beperkte gronden.
+
+Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze
+tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van
+wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat
+de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust,
+zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.
+
+Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk
+bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals
+wij dit ons nu nog zeer wel kunnen begrijpen, dat de herder naar de
+geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar
+verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke
+weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had,
+en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.
+
+De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog,
+den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door
+deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers
+treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.
+
+Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als
+minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle
+bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het
+oudste is en waarvan bij Oudewater nog een spoor aanwezig bleef.
+
+Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit
+nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen
+aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het
+land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding
+paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er
+in gesneden.
+
+Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor
+geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid
+des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De
+grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook
+cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men
+mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen
+verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg
+afgereden.
+
+Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem
+(volgens Tacitus G 26). Dit was het verdeeld eigendom bijgevolg. De
+aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld,
+en die werden naar ligging aan de grens--let wel--mark genoemd. (De
+eigenlijke beteekenis van mark is alzoo grens. Tusschen de wouden
+op de velden zette het volk zich neder, en zoo komt mark soms de
+beteekenis van bosch zeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland
+nog marken genoemd.)
+
+Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden
+in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden
+niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en
+de besloten weiden om de woningen liggende.
+
+Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten
+geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de
+aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden
+te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.
+
+Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud
+zelve had ieder »genoot" slechts een onverdeeld aandeel, en zooals
+wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin
+tot de mark betrokken.
+
+
+
+Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts van Oudewater, geachte lezer,
+ligt een stuk land, genaamd het markveld.
+
+Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark
+behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor
+bewijzen aanvoeren.
+
+
+a. Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke
+mark denken.
+
+b. Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegde veld.
+
+
+Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en
+bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als
+het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld
+veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veld
+zou volgens eenige taalkundigen afstammen van vellen, omhouwen,
+zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is."
+
+Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar
+die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit
+ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs
+te meer.
+
+Verder zagen wij, dat mark grens beteekende. Opmerkelijk nu is het,
+dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien
+Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk
+de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt
+heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een
+deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms
+nog het galgenveld genaamd.
+
+Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet,
+is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor
+den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen
+de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt
+werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden
+aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte. [138]
+
+
+
+Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als
+wij in onze tijden.
+
+Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het
+woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven,
+als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting
+in mark en heem aanrigtende.
+
+Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860 Oudewater
+en omtrek geteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar
+de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw
+het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna
+de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den
+loop der rivieren te bedwingen.
+
+En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden
+de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt
+werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in
+1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop van Utrecht, Oudewater tot
+eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele
+privilegien schonk. [139]
+
+Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten,
+en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en
+merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der
+stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORMALIGE EN TEGENWOORDIGE PUBLIEKE EN MERKWAARDIGE GEBOUWEN.
+
+
+ "De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene,
+ omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren
+ van vroegere handelingen. De monumenten verschaffen ons eene
+ geschiedenis op eene andere wijze, namelijk in vormen, die een
+ geheele reeks van waarheden en denkbeelden in zich sluiten en
+ bij ons opwekken; zij verhalen ons juist niet al het gebeurde,
+ maar zij leeren ons kennen hoe het voorgeslacht leefde, dacht
+ en gevoelde, en dat heeft voor het minst even zoo veel waarde
+ als de vermelding van eene reeks gebeurtenissen."--
+
+ W. N. ROSE.--Verhandeling, uitgesproken ter algemeene
+ bijeenkomst van de leden der maatschappij "tot bevordering
+ der bouwkunst" van 23 Junij 1854.
+
+
+De groote of oude parochie-kerk met toren.
+
+Zij zijn het overwaard, die trotsche gothische gebouwen, dat
+wij bij den aanvang dezer groote, en voor Oudewater interessante
+afdeeling, voor hen het eerst de aandacht des vriendelijken lezers
+verzoeken.--Immers, wat al jaarkringen werden sedert hunne stichting,
+steeds door anderen vervangen. Wat al eeuwen rolden sedert henen om
+zich spoorloos, en voor altijd op te lossen in den peilloozen oceaan
+des tijds!
+
+En de gebouwen onzer beschrijving? Zij weêrstonden den sloopenden
+tand des tijds, gelijk zoo velen hunner zusteren uit dat tijdvak, als
+tuigden zij eenpariglijk van den vromen Godsdienstzin onzer vaderen.
+
+En, wanneer nu de oudheidminnende naneef, den drempel van ons statig
+kerkgebouw overschrijdt, neen, dan blijft de indruk der schoone
+kerkgothiek bij hem niet achterwege, dan wordt hij gestemd tot
+hooger, dan ook denkt hij onwillekeurig aan hare stichting, zijn
+geest ontrukt zich van het tegenwoordige en vliegt over eene klove
+van eeuwen en eeuwen, en met genoegelijken weemoed en stillen ernst,
+doolt hij vervolgens rond over de menigte grafzerken, die hem als
+toefluisteren van 't grijs verleden en den rappen tijdstroom.
+
+Wanneer wij de kerk uit de vele oogpunten wilden beschouwen, die
+wij konden en het allezins waardig zijn, zou ons bestek overschreden
+worden, daarom doen wij het slechts uit eenigen, en bij voorkeur uit
+die, met hare geschiedenis in betrekking staande. Het geleidelijkst
+kunnen wij naar onze meening beginnen met:
+
+
+
+
+a. DE STANDPLAATS VAN KERK EN TOREN.
+
+Hieromtrent kunnen wij echter kort zijn, daar zulks in ons mythologisch
+gedeelte reeds eenigzins beschreven is, alwaar wij aantoonden, dat
+genoemde plaats reeds ten tijde van het heidendom een sepulchrale
+bestemming had, begunstigd, door de oude waard waarop zij lag.
+
+Was er echter bij die begraafplaats nog een gedeelte aan eenige
+andere mythologische vereering gewijd?--wie zegt het--zeker echter
+is het--zoo als in den loop der vroegere schets reeds werd opgemerkt,
+dat vele heidensche offerplaatsen bij de christen-prediking, ook tot
+christelijke vereeringsplaatsen werden ingerigt. [140]
+
+Deze overgangen--ook dit toonden wij reeds meermalen aan--waren
+ook in Nederland niet zeldzaam en een tal van voorbeelden pleiten er
+voor. Genoeg, dat wij de zekere overgang van heidensche op christelijke
+begraafplaats alhier hebben aangetoond; en weet men nu daarbij, dat
+die op een deel derzelfde plaats is, waar nu kerk en toren staan,
+dan wordt dit nog te meer aannemelijk.
+
+Met zekerheid mogen en kunnen wij echter niets hieromtrent ter
+neder schrijven--de gordijn is gevallen.., en welligt onherroepelijk
+gevallen.
+
+Opmerkenswaardig is echter
+
+
+
+
+b. DE TUF-, DUIF- OF CEMENTSTEEN AAN DEN TOREN.
+
+Als vrij zekere stelregel kan men aannemen, dat wanneer men aan
+een oud gebouw, duifsteen aantreft, het dan ook zeer oud is. Alle
+schrijvers, die de aandacht hunner lezers op den duifsteen aan oude
+gebouwen vestigden, zijn dit zelfde gevoelen toegedaan--en wel in
+die mate, dat men er de gevolgtrekking nevens maakt, dat de Romeinen
+meestal den omtrek van dusdanig gebouw eenmaal ter hunner woonplaatse
+verkozen hebben.
+
+Zoo was b. v. het Duifhuis bij Rotterdam--naar zijne steenen aldus
+genoemd--eene Romeinsche sterkte, de heidensche kapel te Nijmegen is
+van duifsteen gebouwd en was de vroegere heidensche kapel te Utrecht,
+insgelijks van denzelfden steen opgetrokken. [141]
+
+De geleerde Berkhei heeft o. a. van den duifsteen nagegaan en
+geschreven, dat men hem veel op kerkhoven vindt, omdat onze voorzaten
+gewoonlijk hunne lijken met deze soort van steen dekten en de Gothen
+er van bouwden.
+
+Ds. Heldring zegt, omtrent zijne beschrevene voorvaderlijke
+begraafplaatsen, waarin insgelijks duifsteen werd aangetroffen, dat
+zij deels Bataafsch en deels Romeinsch waren--de blaauwe urne bewees
+het eerste, de duifsteen enz. het laatste. [142]
+
+
+
+Doch hoe nu duidelijk gemaakt, vraagt zich welligt iemand,
+dat men juist altijd duifsteen aan dusdanige oude monumenten
+aantreft.--Luister:
+
+Gebakken metselsteenen waren ten tijde der Romeinsche overheersching
+nog niet uitgevonden, en al ware dit zoo geweest, dan had men immers
+in ons land nog geen steen-ovens--de duifsteen echter kwam in onzen
+bodem in natura voor--en nog een bestanddeel van den grond uitmakende,
+was hij zacht en kon alzoo gemakkelijk in die gedaante gebragt worden,
+die men verkoos.
+
+Wordt het dus niet belangwekkend, mijne lezers, dat gij u aan de
+beneden-westzijde van het torengebouw, van de aanwezigheid eener
+aanmerkelijke hoeveelheid duifsteen kunt overtuigen, en wij u daarbij
+kunnen mededeelen, dat voor ruim 50 jaren de geheele kerk in haren
+beneden omtrek nog uit duifsteen bestond, zoo ook een verbroken
+portaal aan de zuidzijde van laatstgenoemd gebouw? [143]
+
+En zoo is het, het aanwezig zijn van den cementsteen aan den toren,
+doet dit gebouw, eene veel hoogere oudheid erlangen, als men tot
+hiertoe meende.
+
+
+
+In het breede zouden wij ons in eene volgende rubriek kunnen ophouden
+over de beteekenis der hemelstreken in het heidendom, en waarom men in
+het christendom bijna immer tot regel had aangenomen, de Godshuizen,
+oost en westwaarts te bouwen--ook hier zouden wij tot verrassende
+resultaten komen, doch om meer dan eene reden kunnen wij hier er niet
+over schrijven.
+
+
+
+
+c. DE HOOGE LIGGING DER KERK.
+
+De kerk-symboliek, die zich zoo treffend door geheel de kerk
+laat bespeuren, speelt reeds in de verhevene ligging eene groote
+rol,--Tertulliaan zeide reeds: de kerk moet hoog liggen. Gaat dus
+opwaarts ter kerke, Sion toch ligt ook op eene hoogte, en klimt dan
+met Salomon ten offer. [144]
+
+Nog is de hooge ligging der kerk, voornamelijk aan de oost-en zuidzijde
+zeer opmerkelijk. Ongetwijfeld echter vertoonde zich dezelve in
+de eerste tijden na hare stichting nog meer verheven. Allengs
+toch verhoogde men al meer en meer de straten, zoo zelfs dat het
+in den tijd waarin wij leven, bij de arbeidslieden volstrekt geen
+zeldzaamheid heet, een halve Ned. el diepte onder de tegenwoordige
+straat nog eene geplaveide straat aan te treffen. De standplaats der
+kerk bleef echter meer dezelfde, en daarom moet de opgang eertijds
+nog aanmerkelijk hooger geweest zijn.
+
+
+
+
+d. WIEN WAS DE KERK EERTIJDS TOEGEWIJD.
+
+Het is ongetwijfeld ieder onzer lezers bekend, dat het bij de
+roomschgezinden gebruikelijk is, kapellen en kerken aan zekere
+heiligen toe te wijden, of, om den gebruikelijken term te gebruiken,
+een heilige tot patroon der kerk te kiezen. Welnu, natuurlijk is zulks
+ook met deze kerk het geval geweest en als van zelf doet zich dus de
+vraag op: wie was de patroon van deze kerk?
+
+»Men zegt", aldus vinden wij bij van Kinschot [145] aangeteekend,
+»dat, eerst St. Willebrord en daarna de aartsengel Michiel de patronen
+daarvan zouden geweest zijn."
+
+Naar onze meening zijn voor het gevoelen van den eersten de volgende
+redenen aan te voeren:
+
+a. Dat St. Willibrordus eerste patroon der parochiekerk geweest is,
+schijnt ons hieruit te blijken, dat hij in ons land het evangelie
+verkondigd heeft, zijn standplaats Utrecht was en hij dikwijls in de
+environs ging prediken.
+
+b. Oudewater lag digt bij Utrecht. In dit oord woonde heidenen,
+en het was door zijne waardlanden vooral ligt te genaken.
+
+c. Aangenomen dus eens, en het wordt hoogst waarschijnlijk, dat
+hij hier gepredikt heeft, dan zal men later, zich zijne prediking
+herinnerende, na zijnen dood hem alligt tot kerkpatroon gekozen hebben.
+
+d. Zekere torenklok,--die den volke het geheele uur verkondigt, is
+aan twee zijden versierd met een bisschopsafbeelding, onder iedere
+waarvan staat
+
+
+ St. Willebrordus.
+
+
+Ook dit doet aan zijn patronaat denken.
+
+e. Van waar halen Kinschot en zoo velen de meening, dat deze ijverige
+geloofsheld later de patroon zoude geweest zijn. Deze sage pleit
+welligt nog het sterkst voor het algemeen gevoelen.
+
+Doch moeten wij omtrent St. Willebrordus' patronaat nog eenigzins
+twijfelachtig de schouders ophalen, bepaald weten wij, dat zulks
+omtrent den aartsengel Michiel niet het geval is; wij gaan het
+aantoonen.
+
+Het feest eens kerk-patroons wordt bij de roomschgezinden met
+plegtigheid gevierd en de opkomst naar de kerk van de leden eener
+zoodanige gemeente, is op dien dag natuurlijk groot. Vreemdelingen
+kwamen dan, vooral eenige eeuwen geleden, op dien dag hunne waren
+ten verkoop aanbieden, en hierdoor ontstonden de kermissen.
+
+Voor eenige jaren nu--stadgenooten weten dit--was alhier de
+kermis-aanvang nog des Maandags na St. Michielsfeest [146] en alzoo
+kan hieruit reeds met zekerheid St. Michiel als voormalige kerkpatroon
+worden aangemerkt.
+
+
+
+
+e. BOUWORDE EN CONSTRUCTIE VAN KERK EN TOREN.
+
+De bouworde van beiden is, zooals met een oogopslag aan de spitsbogen
+en versierselen te zien is, der schoone en symbolische gothiek gevolgd.
+
+Wat hare constructie aangaat, zij zou eigenlijk verdeeld moeten worden
+in drie voornamen klassen en wel:
+
+
+ 1. Hare oorspronkelijk constructie.
+ 2. Dezelve na de reformatie en,
+ 3. Na het jaar 1858 of zoo als zij zich nu vertoont.
+
+
+Indien--en wij nemen aan het vrij exact te doen--indien wij de kerk en
+haren oorspronkelijken staat in den geest bezochten, dan zouden wij
+tevens haar beschrijvende, de symbolische beteekenis van het geheel,
+zoowel als van hare onderdeden niet kunnen voorbij gaan, om dat het
+gelijk een weefsel is en een geheel uitmaakt; de beperkte ruimte echter
+waarover wij te beschikken hebben, is eene der redenen, waarom wij
+het niet doen, te meer daar wij ook hiervoren reeds beloofd hebben,
+zoo veel mogelijk uitsluitend op een meer geschiedkundig terrein
+te blijven.
+
+
+
+Als zoodanig dan stellen wij ons voor, de leemten eenigzins aan
+te vullen, die de Heer van Kinschot, de constructie van de kerk
+beschrijvende heeft gelaten, eenige der veranderingen aan te stippen,
+die na zijnen dood de kerk onderging en de naamlijst der predikanten,
+op zijn voetspoor te completeren tot op onzen tijd.
+
+
+
+Op bladz. 30 en 31 [147] lezen wij omtrent hare constructie:
+
+»De parochie kerk hier ter stede is al vrij aanzienlijk, en met twee
+choren voorzien. Het eerste (was) aan het H. Sacrament, het andere
+aan de H. Maria toegewijd...
+
+»Zij staat kort bij en aan de rivier de IJssel, is van eene groote
+ruimte, rustende op zestien pilaren in twee reijen verdeeld, en had
+voorheen drie kruizen wulfsels, die in het jaar 1732 vertimmert zijn.
+
+»In deze kerk hebben reeds vóór het jaar 1329 vier altaren gestaan,
+zijnde toen door Diderik Kiel en anderen een vijfde daar bij gesticht,
+waar bij nader mogelijk nog meerdere gekomen zijn, die met eenige
+vicarijen en inkomsten voorzien werden."
+
+»Aan den torenmuur is een kas van een groot oud orgel, wier deuren van
+binnen met bisschoppen en andere roomsche geestelijken, in knielende
+en biddende gestalte beschildert zijn.--Dit orgel, door deszelfs
+oudheid onbruikbaar geworden zijnde, heeft men in het jaar 1645 een
+kleiner naast den toren, ter zijde het oude geplaatst."
+
+
+
+Was de geheele kerk, zoo als wij reeds ter neder schreven aan
+St. Michiel gewijd, zoo werden echter ook de altaren, »naast den
+almogenden Godt" aan zekere heiligen toegewijd.
+
+De Heer van Kinschot maakt gewag van vijf altaren,--dit getal is echter
+later minstens nog met een vermeerderd. Wij kunnen dit met zekerheid
+bepalen, dewijl wij de verschillende namen dier autaars duidelijk,
+als in deze kerk aanwezig geweest zijnde, hebben aangetroffen.
+
+Laat ons het aantoonen.
+
+De twee choren, zagen wij aan het H. Sacrament en de H. Maria gewijd.
+
+Oude, in ons bezit zijnde pergamenten [148]--die wij ieder oudheid
+minnaar met genoegen willen toonen--maken gewag van een St. Cornelis
+autaer [149] en van een St. Jans autaer [150]. Zeker stuk [151] op
+het gemeente archief aanwezig, maakt gewag van een St. Jacobs autaer
+en het ten jaren 1329 door Diederik Kiel enz. gestichte, was ter eere
+van den almogenden Godt en de H. Catharina. [152]
+
+Van meerdere altaren dan de zes hier genoemde, vinden wij geen melding
+gemaakt, en wij zouden die ook bezwaarlijk in onze gedachten in de
+kerk te regt kunnen brengen.--Voor de zes genoemde wagen wij het.
+
+1. Het hoofd-altaar (aan het H. Sacrament) bevond zich ongetwijfeld,
+in de oostwaarts uitstekende groote nis of apside.
+
+2. Daar naast stond volgens de sage, ter noordzijde van het
+H. Sacrament altaar, insgelijks een autaar, dat volgens Kinschot aan de
+H. Maria gewijd was en trouwens zeer in de geest der kerksymboliek is.
+
+3. Een derde altaar zal hoogstwaarschijnlijk aanwezig zijn geweest
+in de tegenwoordige catechiseerkamer, ten zuidoosten der kerk, te
+meer daar wij ook met eenige zekerheid de voormalige sacristy daarin
+denken.--Nog op dezen dag bezit die »kamer" een fraai gothisch gewelf.
+
+4. Ook de tegenwoordige consistorie, ten noorden der kerk, waarin
+ons insgelijks de gothische bouwkunst nog frappeert, zal een altaar
+hebben omsloten.
+
+5. Vroeger was de kerk een kruiskerk, zoo als gemakkelijk in Rademakers
+kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden op het plaatje de
+kerk en toren voorstellende, te zien is.--Het zuidelijk uitspringende
+gedeelte is reeds lang verbroken, doch ook daarin denke men zich met
+gerustheid een altaar--en ten
+
+6. Bevond zich in de kerk, aan de westelijke zijde, nog een doopkapel
+waarin welligt het St. Jans autaer zal aanwezig geweest zijn.
+
+Laat ons bij het laatstgenoemde nog een weinig toeven.
+
+Waarom nu mijne lezers stond daar aan de westelijke zijde zoo veel
+mogelijk van het hoofdaltaar verwijderd de doopkapel?--Vele redenen
+had men hiervoor o. a. deze.--De kerksymboliek gedoogde niet, dat de
+nog ongedoopte kinderen, tot het eigenlijke kerkgebouw zouden toegang
+hebben; heidenen als zij waren, werden zij dus westwaarts herwaarts
+gebragt, om zoo te kunnen over gaan tot de rei der christenen,
+die in de oude kerken toen meestal baden met het aangezigt naar het
+mysterieuse oosten.
+
+Zeer opmerkelijk waren de veelhoekige zijden dezer kapel en
+voornamelijk was dit in haar dak op te merken--hoogst waarschijnlijk
+was zij achthoekig--toen men dezelve in 1858 verbrak, speet het
+ons later, dit toen niet te hebben nagegaan,--een steenen duif, het
+symbool van den H. Geest, aan het gewelf vóór de afbraak aanwezig,
+doet ons nog meer aan de doopkapel denken [153] te meer daar acht
+stralen van de duive uitgaan.
+
+Twijfelt men nog aan de waarheid, dat daar de doopkapel was, zie dan
+nog meerdere gronden.
+
+Uitgenomen, dat het nu al meer en meer duidelijk wordt, dat het
+St. Jans autaar daarin aanwezig zal geweest zijn, te meer als wij aan
+St. Joannes Baptist denken, die hier door St. Jan moet worden verstaan,
+vond men bij het amoveren dezer kapel, in hare bevloering, ongeveer
+drie palmen met zand overdekt, een fraai doopvont, van blaauwe steen;
+in den omtrek was hetzelve achthoekig, hoewel het eene ronde vochtholte
+bezat. [154]
+
+Nadat wij u hebben opmerkzaam gemaakt op het getal acht in onze
+doopkapel, vermelden wij u ook de symbolische beteekenis er van.
+
+De meeste of liever vele doopvonten, geachte lezer, waren eertijds
+achthoekig, omdat het getal acht, de acht zaligheden aanduidt en ten
+tijde van St. Ambrosius was het reeds een symbool van 's menschen
+wedergeboorte door het doopsel. Doch genoeg van de doopkapel, laat ons
+nu nog de muur- en gewelf-schildering kortelijk onze aandacht wijden.
+
+»Reeds ten tijde van Karel de Groote, was het beschilderen der
+kerkwanden, met leerzame en stichtende beelden, bepaald voorschrift
+en in de eigenlijke middeneeuwen lezen wij, dat, men in de kerken,
+bijna geen enkele witte plek kon aantoonen. [155]"
+
+Ook in onze kerk trof men ten vorige jare o. a. in de apsis, sporen
+van muurschildering aan, zoo ook in de gewelven der doopkapel, doch
+in beiden is men met zoo veel ruwheid te werk gegaan, dat men niets
+hiervan heeft kunnen copieren.
+
+Voorts bevonden zich nog voor de reeds meermalen genoemde reconstructie
+aan de zuidzijde in het verwelf der kerk eenige wapenschilden met
+een jaartal.
+
+Het geheel had ongeveer de grootte van eene Nederlandsche el
+breedte en lengte--eigenlijk waren de voornoemde wapens slechts
+eenvoudige schilden, zonder strengen heraldische eigenschappen:
+een dezer schildjes toch was beschilderd met metselaars, een andere
+met timmermans een derde en vierde naar het ons voorkwam--het
+was door oudheid onduidelijk--met smidsgereedschappen en
+boogschutterswerktuigen. Het omschrift was in Gothische letters aldus:
+
+
+ I H S
+
+ Maria Joseph
+
+
+terwijl beneden de schilden stond:
+
+
+ ao dni xvc ende 111 [156]
+
+
+Wat de beteekenis dier schilden aangaat, wij houden het er voor, dat
+de afbeeldingen der gereedschappen van die verschillende bedrijven
+zoovele gilden vertegenwoordigen,--en dat die gilden, de kosten
+der gewelfschildering gezamelijk hebben bekostigd. Trouwens, dat de
+gilden toch zulks meer deden a. m. D. g. hiervan zou menig voorbeeld
+zijn aan te brengen. Nu wij dit dan weten, kan het, dunkt ons geen
+verwondering baren, de gereedschappen huns bedrijfs op een verwulf
+tot aandenken van hunnen Godsdienstigen ijver te vinden.
+
+Neemt men nu wijders in aanmerking, dat wij in van Kinschots Oudewater
+bladz. 31 lezen: »aan de toornmuur is een kas van een groot oud orgel,
+wier deuren van binnen met bisschoppen en andere Roomsche geestelijken
+in knielende en biddende gestalte beschildert zijn" enz., dan kunnen
+wij bijna veilig bepalen, dat zich ook hier bijna »geen enkele witte
+plek zal vertoond hebben."
+
+De kunstkenner en kunstminnaar zal helaas echter bij een bezoek in
+deze kerk niets meer van deze schilderingen aantreffen, alles wat
+wij er van beschreven is verdwenen en spoorloos verdwenen. [157]
+
+Van de oude orgels zelve, waarvan Kinschot gewaagt, is mede niets meer
+te zien, doch onder eenige aanteekeningen ons van een vriendelijke
+zijde geworden, vinden wij o. a. »De orgelkas en wapenborden in de
+prot. kerk, die na de revolutie in 1795 van hun plaats zijn genomen,
+werden, voor zoo ver zij niet door de eigenaars waren gehaald, den
+29 Mei 1800 publiek verkocht!"
+
+In 1838 werd echter weder een orgel aan de westelijke zijde der kerk
+gebouwd, dat in hooge mate sierlijkheid met aangenaam toongeluid
+vereenigt.
+
+Dit orgel is vervaardigd door onzen bekwamen Rotterdammer de Heer
+Kam--het is voorzien van twee clavieren en vrij pedaal terwijl zijn
+geheel niet weinig tot verfraaijing der kerk toebrengt.
+
+De ingangen der kerk ten tijde harer stichting waren de volgende:
+twee aan den toren en wel aan de noord- en zuidzijde, zoo als nog te
+bemerken is, hoewel zij niet meer gebruikt worden.
+
+Voorts was er een aanwezig aan de zuidzijde der kerk, het portaal
+daarvan is verbroken, doch de ingang bestaat nog--terwijl de ingang
+ten noorden, eveneens nog in aanzijn, waarschijnlijk wel van hare
+stichting zal dagteekenen. [158]
+
+De tegenwoordige ingangen ten oosten, mag men volstrekt niet als van
+hare stichting dagteekenende, beschouwen.
+
+De beschrijving der vroegere en tegenwoordige gedaante onzer schoone
+kruiskerk, mag ik niet eindigen, zonder aan de grafmonumenten van
+eenigen de aandacht mijner lezers te hebben bepaald.
+
+Het eerst laten ook wij in aanmerking komen, de grafmonumenten, van
+wijlen onzen beroemde stadgenoot de Heer Rudolph Snellius van Rooijen.
+
+Op de grafzerk, die eertijds zijne asche drukte, stond volgens
+Rademaker [159] een Latijnsch en Duitsch omschrift, waarvan het
+laatste aldus luidde:
+
+
+ Hier leit begraven
+ Rudolphus Snellius van Rooijen
+ in sijn leven Professor Matheseos
+ in de Universiteit van Leiden
+ sterft den 2 Maart Anno 1613. [160]
+
+
+Naar wij vermeenen is deze steen thans verlegd en aanwezig in het
+oostelijk gedeelte der kerk, in plaats van "in de noordzijde der
+kerk in den 12 regel het 11 graf"--waar hij vroeger aanwezig was,
+het zou dus later eenige verwondering kunnen baren zijne grafzerk
+[161], in het oostelijk en zijn monument in het noordelijk gedeelte
+der kerk aan te treffen.
+
+Dit monument is wel der vermelding waardig--het is bevestigd
+aan een pijlaar, van verschillenden marmersteen daargesteld, en
+naar de Ionische bouworde vervaardigd, terwijl het geheel door 's
+grooten geleerden wapenschild wordt gedekt en door weenende kinderen
+vastgehouden.--Het volgende omschrift is daarin te lezen:
+
+
+ PIAE MEMORIAE
+ VIRI CL.
+ RUDOLPHI SNELLII A ROYEN,
+ PATRICII VETERAQUINATI;
+ QUI ANNO M. D. XLVII. V. OCT. NATUS
+ IUVENTUTIS PARTEM
+ DOCENDIS MARPURGI IN HASSIA LITERIS
+ ET ARTIBUS CUM LAUDE EXERCUIT,
+ AETATEM RELIQUAM
+ IN ACAD. LEYDENSI.
+ TUM MATHESEOS TUM HEBRAEAE LINGUAE
+ PROFESSIONE, CUM CURA, FIDE,
+ ET BONO PUBLICO EXEGIT:
+ BIS RECTORATU HONORIFICE FUNCTUS,
+ ILLmis. DUOBUS MAURICIIS,
+ PRINCIPI AURIACO
+ ET LANTGRAVIO HASSIAE,
+ OB ARTIUM QUAS AMABANT
+ PRAESTANTIAM CARUS,
+ TANDEM LEYDAE ANNO AETATIS SUAE
+ SEXAGESIMO SEXTO II. MART.
+ DEO ET NATURAE CONCESSIT.
+ HOC PATRIAE LOCO,
+ UBI CORPUS HUMARI IPSE VOLUIT,
+ MONUMENTUM QUOD PATRI DECREVERAT
+ FIL. WILLEBRORDUS
+ PATERNAE VIRTUTIS HAERES ATQUE DECUS,
+ EJUSDEM FILIUS RUDOLPHUS,
+ AVO PONENDUM CURAVIT.
+
+
+(Luidende in 't Nederduitsch aldus:)
+
+ Ter Godvruchtiger Gedachtenisse
+ van den zeer Doorluchtigen Heer
+ RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROYEN;
+ die, na geboren uit een adelijk geslacht
+ te Oudewater in 't Jaar 1547 den 5 October,
+ daarna een gedeelte zijner Jeugd
+ te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen der
+ Talen en Kunsten met Lof besteed hebbende,
+ en het overige van zijnen Leeftijd
+ op de hooge School te Leiden,
+ als Hoogleeraar der Wiskunde, en
+ Oostersche Talen, met vlijt, trouw
+ en algemeen nut hebbende doorgebragt,
+ na dat hij twee malen het Rectoraat met roem bekleed had;
+ en de achting van twee doorl: Mauritsen:
+ den Prins van Oranje
+ en den Landgraaf van Hessen,
+ om zijne uitmuntende kennis in die kunsten,
+ die hun vermaak waren, gewonnen had,
+ eindelijk te Leiden, in den Ouderdom van 66 Jaren,
+ op den 11 Maart, aan God en de Natuur den tol betaalde;
+ heeft op deze plaats van zijne Vader-Stad,
+ alwaar de overledene wilde begraven zijn,
+ het gedenk- en Eereteken, het welk deszelfs Zoon:
+ WILLEBRORDUS SNELLIUS,
+ Volle erfgenaam en Opluisteraar van zijns Vaders
+ deugden, voor zijnen Vader hadt geschikt,
+ deszelfs Zoon RUDOLPHUS SNELLIUS
+ voor zynen Grootvader laten oprigten.
+
+
+Op het zuider-choor, in den 4 regel, het 6 graf, stond voor ongeveer
+drie jaren nog het volgende grafschrift. [162]
+
+
+ MORS JANUA VITAE.
+ THEODORUS TROMPER GULIELMI CONSULIS FILIUS, VETERAQUINAS,
+ PATRIAE A SECRETIS, CUM UXORE SUA MARGARITA
+ ARMINIA, IMMORTALITATIS EXUVIIS SUB HOC
+ SAXO DEPOSITIS, EXPECTANT RESURRECTIONEM. NATUS
+ EST AO. M. DC. XXXII. DIE 25. APRILIS. OBIIT ANNO
+ M. DC. LXXIII. DIE 7. MAII. NATA M. DC. XXXVI. DIE
+ 16 OCTOB. OBIIT ANNO M. DC. LXXVI. DIE 20 MART.
+
+
+(Dat is:)
+
+ DE DOOD IS DE POORTE DES LEVENS.
+Dirk Tromper, Zoon van den Burgermeester Wilhelm Tromper, Oudewatenaar,
+ Geheimschryver van zyne Vaderlijke Stad, en deszelfs Huisvrouw
+ Margariet Arminia verwachten hier, onder deeze zark, het Sterfelyke
+ hebbende geeindigd, eene zalige opstanding. Hy werd geboren in
+ 't Jaar 1632 den 25 April: en stierf in 't jaar 1673 den 7 Mei. Zy
+ zag het levens licht in 't Jaar 1636 den 16 October: en sloot voor
+ 't zelve hare oogen den 20 Maart des Jaars 1676.
+
+
+Op het hooge- of midden Choor, in den 6 regel, het 6 graf, vondt men
+op de graf-zark, dit opschrift:
+
+
+ DEO TRINO ET UNI OPT. MAX.
+ SACRUM
+ ET AEVITERNAE MEMORIAE
+ ORNATISSIMI CORNELII JACOBI
+ VANDER HOEF J. V. L.
+ QUI POSTQUAM SOSPES EX GALLIIS REDIISSET. PIE IN
+ COMPLEXU MATRIS ET AMICORUM OBDORMIVIT, IPSIS
+ KALENDIS MARTII M. DC. III. HIC RESURRECTIONIS DIEM
+ EXPECTAT: VIXIT (DEMPTIS OCTO DIEBUS) ANNOS XXIV
+ MARGARETA WILLHELMI, MATER DEFUNCTI. HOC MORTALE
+ IMMORTALIS OBSERVANTIAE MONUMENTUM, DILECTO
+ EHEU! FILIO, MAESTA CUM LACHRYMIS POSUIT' VIXIT
+ ANNOS XXIV. DIEB-, XIIX. MEN 9. [163]
+
+
+(beteekenende in 't Nederduitsch, als volgt:)
+
+
+ Den Eenen, Drievoudigen, besten en grootsten
+ God Toegewyd, en
+ Ter Eeuwige Gedachtenisse van
+ den zeer voortreffelijken Heer
+ CORNELIS JACOB VANDER HOEF,
+ Licentiaat in de beide Rechten,
+Die, na dat hy uit Frankryk behouden was te rug gekomen, Godvruchtiglyk
+ in de armen zyner Moeder en Vrienden ontsliep op den 1 Maart van 't
+ Jaar 1603. en hier den dag der weder-opstandinge verwacht. Hy leefde
+ 24 Jaar min 8 dagen. Margareta Wilhelmsdr., des overledenen Moeder
+ heeft dit verganklyk gedenkteeken van hare onsterfelyke liefde aan
+ haren teeder beminden zoon, met betraande wangen, laten oprigten.
+ Leefde 24 jaar, 9 maand: 18 dagen.
+
+
+Op het voorzeide hooge choor, in den 4 regel, het 3 graf, zag men
+eertijds op eene grafstede uitgehouwen de onderstaande gedenkwoorden:
+
+
+ NOBILI AC STRENUO,
+ D. JOHANN GIBSON EQUITI,
+ APUD MAG. MAGNAE BRITANNIAE REGEM
+ MILITUM VICE TRIBUNO,
+ ET APUD INLUSTR. BELGII ORDD.
+ CENTURIONI.
+ B. M. CONJUX MAESTA M. H. L. M. Q.
+ J. P. EXCESSIT ANNO AERAE
+ CHRISTIANAE M. DC. XXXV. AETAT. LV.
+
+
+(Dat is:)
+
+
+ Den Edelen en Dapperen Heer,
+ Johann: Gibson, Ridder,
+ Lieutenant Colonel
+ onder de legertroepen
+ Van den grooten Koning van Groot-Britanje,
+ en Kapitein ten dienste
+ der Hoogm: Heeren Staten Generaal.
+ Des zelfs bedrukte Vrouw, heeft
+ haren Zaligen Gemaal met
+ innige droefheid, en zoo als 't betaamde, dit gedenkteeken
+ Laten oprigten.
+ hij Stierf in 't jaar 1635, volgens de Tydrekening der
+ Christenen, Oud 55 jaaren. [164]
+
+
+Toen men echter in meergenoemde jaren de kerk vermaakte, werden wij
+door het beitelen op de kalk eener pilaar aan de zuidzijde der kerk,
+het volgende opschrift in gothische letters en cijfers gewaar.
+
+Int jaer XVc en XXIIIJ op Sint-Jacobs dach, sterf heer Jan
+Jacobz... Mert? † Int jaer M vierc ende LXXXI op St. Mathijs dach sterf
+Dirck van Zijl † Int jaer XVc en XXIJ den XIIJe Junij sterf Daniel
+van Zijl † Int jaer XV en IIII de XXVe Novembris sterf Jacob Huygz. †
+Int jaer XVc en XIIII te XIIJe Novembris sterf Roelof Jacobzoen †
+Int jaer XV en XXXVI op Sinte Bartholomeus dach sterf Claes Wouters †
+Aecht Wouter Claeszoens weduwe sterf Ao XVc en IIJ (of IIIJ) den XIX
+dach in Mei.
+
+Vier wapenschildjes in de vier hoeken van den zachten steen uitgehouwen
+voltooiden dit geheel.
+
+Terwijl op den muur ten noorden der kerk het volgende zigtbaar werd.
+
+Ao XVc de XXX te dach maert sterf Katrijn van Zijl.
+
+Ao XV en XIJ den IJ te dach junij sterf Jan van Zijl.
+
+An XVc en XVIJ den XVIII ten Junius sterf... [165]
+
+Nog een aantal grafzerken zouden te beschrijven zijn, o. a. van
+geestelijken, en ambtenaren van der stede Oudewater, doch waar te
+eindigen, en waarom ons langer te bedroeven, over den vernielende
+beitel des steenhouwers!
+
+
+
+Bij het ten einde spoeden der schets van de constructie der kerk en
+toren mogen wij onzen lezers niet onbekend laten, dat er in 1707 op
+verzoek van de magistraat aan de Staten van Holland en Westfriesland
+octrooi bekomen werd tot een loterij van f 600,000 tot redding en
+zuivering van de stads- en der Godshuizen-lasten enz. (hieronder moet
+men vooral ook aan de kerk denken). Terwijl in het jaar 1734 op 16
+April van wege de Staten van Holland en Westfriesland octrooi werd
+bekomen voor »Burgemeester en de Regeerders der stede van Oudewater
+om tot reparatie van het orlogie Beijerwerk en Dak van hare kerk,
+alsmede het orgel van dien, te mogen negotieren met vrijdom van alle
+belastingen, de somme van achtien duizend gulden tegen de interest
+van drie per cents 's jaars, en die te vinden bij parate executie,
+bij een ommeslag van eene stuiver per Gulden van de huur waarop ieder
+Huis bij het laatste quohier is getaxeerd, in 1 1/2 stuiver van ieder
+koebeest, onder de parochierende districten.
+
+Dit stuk nog op het archief berustende is voor de reconstructie der
+kerk zoo belangwekkend, dat wij niet mogen nalaten onzen lezers er
+copie van te geven.
+
+»De Staaten van Holland en Westvriesland, doen te weeten, Alsoo ons
+te kennen is gegeven by Borgermeesteren en Regeerders der Steede
+Oudewater, dat het Orlogie, Beijerwerk en Dak van haare Kerk, als
+mede het Orgel van dien ten eenemaal door ouderdom was vervallen en
+ontramponeert, in soo verre dat de Supplianten tot voorkoming van
+presente gevreesd werdende ongelukken genoodsaekt waren geweest een
+vak van het te doen afbreken, ende tot maken van 't selve ontrent
+Ses duysend Guldens aan kosten waren gevallen, dat de Supplianten
+gaarne de verdere nodige reparatien soude doen, waartoe soude werden
+gerequireerd nogh de somme van ontrent Agtien duysend Guldens, dog dat
+der Kerks nogh der Stads Finantie in Staat was, om soo veel Capitaal
+te konnen opbrengen, dat vervolgens de Supplianten hadde geprojecteerd
+die somme te ligten by negotiatie op Lyff Renten, ende de Renten van
+dien te vinden uyt het inkomen van meergem. Kerk, en 't geen daar
+aan te kort soude mogen komen, bij omslag over de Inwoonders van
+Oudewater voorn. en Parochieerende districten van dien, dog dat sy
+Supplianten aan de eene syde bedugt waren, dat die somme beswaarlyk
+soude te bekoomen syn, ingeval de beleggers konde denken dat haar
+Capitalen met eenige 100e., 200e, minder Penningen in tyd ende wylen
+soude werden belast; ende aan de andere syde dat de te doene omslag
+veel oppositie soude vinden, ten ware de Regeering van Oudewater
+daar toe door ons wierde gequalificeert, waarom de Supplianten te
+rade waaren geworden sig te keeren tot ons, ootmoediglyk versoekende
+dat wy aan de Supplianten geliefden te permitteeren op Lyfrenten te
+negotieeren de somme van Vier en Twintigh Duysend Guldens, ten lasten
+van de Kerk van Oudewater, ende aan die Capitalen te vergunnen vrydom
+van alle belastingh, hoe deselve ook soude mogen werden genaamd,
+dat wy wyders de Regeering van Oudewater in der tyd geliefde te
+authoriseeren en qualificeeren, om de Renten van 't meergem. Capitaal,
+voor soo verre uit de Revenuen van de kerk niet soude konnen werden
+geconsequeert, te mogen vinden by een Personeele omslag over de
+Inwoonders van Oudewater en parochieerende districten van dien,
+Jaarlyks na proportie van derselver middelen te doen, en soo van het
+een als van het ander te verleenen acte in forma. SOO IS 'T, dat wy
+de saaken, en het versoek voorsz. overgemerkt hebbende, en genegen
+weesende ter beede van de Supplianten naar ingenoome Consideratien
+en advis van onze Gecommitteerde Raden, uyt onse regte Wetenschap,
+souveraine Magt en Authoriteyt de supplianten hebben geoctroyeerd en
+gepermitteerd, gelyk wy deselve octroyeeren en permitteeren by desen,
+omme ten lasten van haare Kerke op Losrenten ten hoogsten tot Drie
+per Cento Jaarlyks te mogen negotieeren een Capitaal ten belopen
+van Agtien Duysend Guldens toe, met vrydom van alle belastingen,
+hoedanig deselve ook souden mogen syn genaamd, Authoriseerende en
+Qualificeerende verders de Supplianten en derselver successeurs
+in officio, om voor den tyd van dertigh Jaaren, jaarlyks, soo tot
+betaling der Intressen en aflossing van het voorsz. te negotieeren
+Capitaal, als om daar uit ook te konnen vinden de Stads Lasten,
+dewelke uit het Jaarlyks inkomen voor het geheel niet konnen werden
+goedgemaakt, te mogen heffen en by parate Executie, ten lasten van
+den gebreekigen vorderen eene stuyver van de gulden van de huure
+der huysen, op de voet soo als die huure genomen en gereguleerd syn,
+by het laast geformeerde Quohier der Huysen van alle de Ingeseetenen
+van de Stad, mitsgaders van alle de opgeseetenen van het Platte Land,
+onder de Stad en Parochieerende districten behoorende, geen Koehouders
+zynde, mitsgaders van alle de Koehouders, ten Platten Landen aldaar,
+in welkers opzigt de bovengemelde belastingh niet wel soude konnen
+werden geintroduceert, een en een halve stuyver van yder Koebeest,
+twee en meer Jaaren oud synde, het welke ten tyde der Jaarlykse
+opschryving aan de Pagters van de Hoorngelden sal werden opgegeven:
+alles nogtans onder deeze Expresse Conditie, dat telkens als 'er gelde
+sullen nodig syn, tot het onderneemen van het een of ander werk aan der
+Supplianten kerk, en 't geene daar toe behoord, daarvan alvorens sullen
+moeten kennis geven, aan onse Gecommitteerde Raaden voornoemd, gelijk
+ook gem. negotiatie sal moeten geschieden, met derselver kennisse en
+goedvinden, dat de meergemelde Negotiatie, en omslag met het geene
+daar toe behoord sal moeten geschieden by de Supplianten de derselver
+successeurs in officio sonder daar voor eenig salaris te mogen brengen
+ten lasten van de Stad of van de Kerk, direct of indirect: Dat wyders
+het voorsz. te negotieeren Capitaal van Agtien Duysend Guldens ten
+lasten van de kerk sal moeten werden afgelost in twintigh Jaaren,
+en eyndelyk sullen de Supplianten en derselver Successeurs gehouden
+syn alle Jaar, wegens dese negotiatie en het geene daar toe behoord
+te doen behoorlyke Reekening aan Gecommitteerde uyt de Magistraat en
+Vroedschap, mitsgaders aan Kerkmeesteren in der tyd, en die 't Jaar
+voor de Reekeningh in dienst syn geweest, gelyk de Reekeningh van de
+Kerk altoos werden gedaan; en binnen veerthien dagen na dat deselve
+sal zyn gedaan, daar van Copye Authentycq over te geven aan onse
+Gecommitteerde Raaden, op poene van dat de Supplianten of derselver
+successeurs ontrent het een of het ander in gebreeken blyvende,
+het effect van dit ons verleende Octroy sullen komen te verliesen.
+
+Lastende een yder die dit aangaan sal, sig hier na te reguleeren.
+
+Gedaan in den Hage onder onze Groote Zeegelen hier aan doen hangen
+op den 16 April in 't Jaar onzes Heeren en Zaligmakers Zeeventhien
+Honderd Vier en Dertigh.
+
+
+(Was geparaphreert) J. G. V. BOETSELAAR, vt.
+
+(Lager stond) Ter ordonnantie van de Staaten,
+en was getekent WILLEM BUYS.
+
+
+Ingevolge deze magtiging nu, heeft de kerk veel van hare
+oorspronkelijke constructie moeten afstaan.
+
+Alvorens tot het onderzoek naar de oudheid der kerk,--het beschrijven
+harer bediening en het opsommen der bedienaars over te gaan, zij het
+ons vergund een korte schets van
+
+
+
+
+DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENS
+
+te geven.
+
+De toren is aan den voet--en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter
+neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden
+gebakken steen opgetrokken--dezelve is met drie stagien voorzien
+en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante
+heeft van een domtoren.--
+
+De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens
+van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt,
+heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich
+om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in
+het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn."
+
+Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en
+een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met
+een spits voorzien is.--Doch, dat er na 1610 een spits op den toren
+geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat
+de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met
+een nok en zonder spits heeft voltooid;--en wel hierom. De toren in
+het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats,
+zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits
+ongeveer drie streepen.--De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk
+wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren
+te moeten zijn.
+
+In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks
+1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor,
+dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.
+
+Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij
+hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao 1610, uit de zeer
+geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en
+Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu
+nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen--aan het plaatje van
+Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt
+ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis,
+voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575,
+doet den toren zonder spits zien.
+
+Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij
+doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest
+is, tot voor 1575 opklimmen.
+
+De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk
+plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen
+omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men
+het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en
+regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.
+
+Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel
+accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid
+mogen twijfelen.--Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren,
+of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van
+Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn,
+of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest,
+dit is immers niet aan te nemen.
+
+Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu
+zich vertoont, de originele gedaante daaromtrent zal hebben behouden.
+
+
+
+Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de
+torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt
+van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.
+
+De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst
+ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok
+genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit
+het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is
+aangeduid.
+
+
+Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia *
+genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer *
+me * fecit.
+
+
+Dat is:
+
+
+Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der
+wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.
+
+
+Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren
+vijftien honderd.
+
+De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame
+beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.--Van
+het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk
+voorgekomen.--Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters,
+daar van na te schrijven.
+
+
+ Ego sum via, veritas ac vita. [166]
+
+
+dat is:
+
+
+ Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
+
+
+Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds
+meermalen aangehaalde Willebrordusklok, die het geheel uur slaat,
+zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing
+slecht te beschrijven.
+
+Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken
+bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als de klokken van
+het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn,
+zooals uit hunne omschriften te zien is. [167]
+
+
+
+
+
+OUDHEID DER KERK.
+
+»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is," schrijft de Heer
+Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene
+pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het
+jaar van derzelver stichting aanduiden." [168]
+
+Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht,
+doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel
+gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen
+zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij
+meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het »waarschijnlijk"
+van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.
+
+Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers,
+weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde,
+als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen
+over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,--in
+groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte"
+praalkerkjes bouwt--men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon
+en verheven gebouw daarstellen,--dan lag men eerst den grondslag van
+den westelijken toren en de oostelijke apsis, en wat men zelf niet kon
+en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,
+dat het deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als
+men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude
+vereerd worden.
+
+Brengen wij nu, de »waarschijnlijke" oudheid der kerk in verband,
+met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de
+kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt die
+waarschijnlijkheid reeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen
+dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek--in de schaduwe
+harer transen--op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten,
+dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der
+toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim
+50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren
+reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken,
+dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.
+
+Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw,
+dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum,
+door van Kinschot vermeld, dat er reeds voor (hoe lang) het jaar 1329
+vier altaren in de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van
+het jaar harer stichting--1003--al meer en meer aanneembaar [169],
+doch, dit dan waar zijnde, dan mag Oudewater zich beroemen, binnen
+zijne muren te hebben, een der oudste kerken van Nederland.
+
+
+
+
+
+BEDIENING DER KERK.
+
+»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van
+Oud-munster van Utrecht, en, den paus beurtelings verschonken,
+het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers
+stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf
+Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400. [170]
+
+»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk van Oudewater onder het
+classis van Gouda en Schoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder
+het classis van Dordrecht geweest is.--Twee Predicanten bedienen thans
+(1746) de Gereformeerde gemeente.
+
+»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden,
+om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende
+districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding
+van de Regering der stad Gouda te gelijk bepaald, dat ingeval eene
+kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat
+alsdan de jongste predikant, in de kerk van Oudewater dienstdoende,
+als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden [171]
+gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats
+weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval, de
+gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen
+en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de
+dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de
+kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen,
+een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede
+tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten
+[172] wedde te zullen genieten. [173]
+
+»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en
+vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats,
+de beroeping van een anderen predikant doen, doch het drietal, moet
+zoowel als het beroep, aan de beslissing der magistraat, ter al of
+niet aanneming worden aangeboden."
+
+Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot;
+(1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert
+aangebragt, kortelijk aanstippen:
+
+Wel is Gouda nog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij
+nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog
+vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een
+vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.
+
+De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten,
+behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden
+voorgelegd.
+
+De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze
+dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten,
+de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het
+gehucht Goejan-verwelles-sluis eindelijk, werd ten jare 1845, een
+aan de protestantsche eerdienst gewijde kerk gesticht, waarvan de
+bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten
+wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit
+deze plaats.
+
+Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie
+van kerkvoogden.
+
+
+
+
+
+i. BEDIENAARS DER KERK.
+
+
+Vicarijen en Vicarissen.
+
+Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds
+voor 1329 vier altaren.--Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij
+nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren,
+een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een
+heeft gemaakt.
+
+Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen,
+die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den
+almogende Godt en van de H. Catharina" in de kerk een nieuw autaer
+gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van de
+Vicarissen te benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden,
+zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar
+1329 de eerste vicaris aan 't voornoemd autaar werd:
+
+1. Gerardus Pes, een onderdiaken.--In het jaar 1366 heeft meergenoemde
+Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit
+van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.
+
+In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.
+
+2. Willem die Rode, een priester.
+
+Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het
+Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den
+Weled. geb. Heer
+
+3. Floris van Vliet.--Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op
+voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen
+het beschreven regt had) opgedragen aan
+
+4. Meester Adriaan Christiaanse van Oudewater, priester. Aan het
+gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter
+eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden,
+heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan
+
+5. Diderik, die op dien tijd te Leuven studeerde.
+
+De vader van dezen Diderik, die een burger van Oudewater was
+en Amelgerius heette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een
+jaarlijksche rente vermeerderd.
+
+In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel
+gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God
+en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield
+was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de
+originele brief nog hier aanwezig was.
+
+Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar
+behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet
+alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.
+
+In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen, het recht van
+de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht
+behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van
+Vliet en deszelfs nazaten. [174]
+
+Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij
+1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op
+het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door
+bisschop Florentius van Utrecht bekrachtigd werd.
+
+Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van
+
+6. Heer Christiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer van
+Oudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid
+bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet
+aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen,
+die ik heb kunnen ontdekken.
+
+
+
+
+
+j. R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.
+
+
+In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor van Oudewater
+was de Heer
+
+1. Johan Pellekussen.
+
+Anno 1403 werd deze pastorie bediend door
+
+2. Bartholomeus Janse. [175]
+
+3. Johannes van Bueren was in 1416 alhier pastoor, tevens was hij
+proost van St. Marie van Utrecht en proost te dezer stede. [176]
+
+4. Dirk Ponss was priester in Oudewater Anno 1465.
+
+5. Henderik Henderikse was hoogstwaarschijnlijk alhier priester in
+1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijke archieven,
+berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester,
+overdraagt aan het Gasthuis van Oudewater een viertel land, gelegen
+op de noordzijde van Linschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering
+van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door
+Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.
+
+6. Jan Ottoszoon was alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder
+de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd
+wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen-
+of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.
+
+In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt
+men het volgende aangeteekend--den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt
+volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het
+erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen
+lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.
+
+In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer
+
+7. Loeffridus van der Haar, die naar Utrecht vertrok en aldaar nog
+in 1577 leefde. [177]
+
+Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544 schijnt te blijken,
+dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen
+door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.
+
+8. Adriaan Christiaanse elders Kerstens.
+
+Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters
+der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste
+pastoor was.
+
+9. Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of
+dag. [178]
+
+Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog
+in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.
+
+10. Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.
+
+11. Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie
+van Oudewater.
+
+12. Bartholomeus Florisse in 1574 alhier begraven.
+
+13. Gerrit Sijbertsz begraven in of iets voor 1574.
+
+14. Cornelis Jacobse.
+
+15. Willem Jacobse (werd begraven 1592.)
+
+16. Cornelis Gerritse.
+
+17. Cors Reijersz.
+
+18. Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als
+noodhulp--(Geerlofse werd begraven in 1595.)
+
+19. Simon Janse.
+
+20. Geerlof Gerritse.
+
+21. Dirk Amelgersz. [179]
+
+In 1566 was pastoor te dezer plaatse.
+
+22. Theodorus Aemilius. Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste
+pastoor in de kerk onzer beschrijving en daarin ook de eerste
+predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van
+predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius
+als pastoor en eerste predikant voorkomen.
+
+Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het
+omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor
+de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk
+als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij
+een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot
+bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de
+stad belegerden.... »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met
+een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde
+aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar de Hoofdkerk als de
+kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen
+en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken,
+meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom
+de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten
+ommegang [180] maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats
+gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en
+door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens
+dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten,
+die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie
+[181] weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te
+nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan."
+
+Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog
+niet der hervormde eerdienst zal gewijd geweest zijn, toen men in 1575
+vóór de moord er de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor
+der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even
+als St. Jacobs kerk van Utrecht, hiervan vonden wij geen spoor. [182]
+
+
+
+
+
+PREDIKANTEN.
+
+1. Theodorus Aemilius 1566, was eerst pastoor en is later als predikant
+naar Utrecht vertrokken.
+
+2. Huig Dirksz 1574--vertrokken naar Gouda in 1575.
+
+3. Johannes Gelasius (Vitriarius genoemd) alhier vermoord in de
+spaansche troebelen Ao. 1575.
+
+4. Laurentius Copicanus 1578 vertrokken naar Leiden 1579. [183]
+
+5. Chistianius Sinapius Venlo 1578--hij werd beroepen van Dordrecht
+en vertrok naar Medenblik in hetzelfde jaar 1578.
+
+6. Abraham Jansz. werd beroepen van Vlaardingen 1583, vertrok naar
+Montfoort 1586.
+
+7. Simon Johannes Groeninganus beroepen 1586.
+
+8. Andreas Stangerus 1589, heeft zijne dienst alhier geeindigd den
+3 Mei A. 1608.
+
+9. Adrianus Wittius werd beroepen als Proponent 1601.
+
+10. Johannes Lydius, is van Arlanderveen den 11 April 1602, in de
+dienst dezer Kerke getreden, stierf 1643.
+
+11. Levinus De Raad, werd beroepen van Ridderkerk 1608, en vertrok
+naar Haastrecht 1617.
+
+12. Fredericus Abbema, 1619, is den 5 Aug. 1636 Emeritus verklaard,
+behoudende den rang en zyne wedde.
+
+13. Gibbo Theodori âb Eerst, is beroepen van Schoonderwout 1636,
+en Emeritus verklaard 1668.
+
+14. Cornelis Molswyk, kwam als Proponent 1645, en stierf 3 October
+1656.
+
+15. Johannes Valkius, voor Derde Predikant beroepen van Cockengen,
+1648, vertrok naar Amersfoort 1658.
+
+16. Casparus Velthuysen, werd beroepen van Ouwerkerk aan den Yssel
+den 27. October 1658 in plaats van Ds. Joh. Valkius, en stierf 1674.
+
+17. Henricus Rynsdyck, beroepen van Pynaker 1657, vertrokken naar
+Amsterdam, aldaar bevestigd den 9 January 1667, en overleden den 6
+Maart 1689.
+
+18. Simon of Samuel Gruterus wierd beroepen van Ysselmonde 1667,
+los gemaakt, als beroepen te Haarlem, den 22 November 1669, en stierf
+aldaar Emeritus 1705.
+
+19. Theodorus Gibonis âb Eerst, is beroepen van Meerkerk Loco Patris
+Emeriti 1668, en zelf Emeritus verklaard 1698.
+
+20. Johannes Vereycken, is beroepen van Wormerveer 1671, en gestorven
+1674.
+
+Na eene langdurige Vacature van twee plaatsen, zijn beroepen:
+
+21. Casparus Wagtendorp, uit de Nieuwpoort beroepen den 3 Julij 1675,
+in de plaats van D. Casparus Velthuysen, alhier overleden, vertrokken
+naar Breda 1680.
+
+22. Johannes Rulicius, beroepen van Berkel, den 31 July 1675 in de
+plaats van D. Johannes Vereycken, alhier overleden, vertrokken naar
+Haarlem 1681, stierf aldaar den 22 Mei 1696.
+
+23. Johannes vander Horst, beroepen van Willige Langerak den 16
+December 1680, in de plaats van den vertrokken D. Casparus Wagtendorp,
+gestorven 1687.
+
+24. Arnoldus Brantius, beroepen van Berg-Ambacht, in de plaats van
+Ds. Johannes Rulicius, den 22 Maart 1685, gestorven 1712.
+
+25. Otto Brand Swalmius, beroepen van Overschie den 26 Januarij 1689,
+in de plaats van den overledenen D. van der Horst, vertrokken naar
+Enkhuyzen 1693.
+
+26. Wilhelmus den Appel, beroepen van op den Bommel den 1 February
+1694, in plaats van den vertrokken D. Otto Brand Swalmius, overleed
+1713.
+
+27. Isaäk Hazeu, beroepen van Voorhout den 21 Augustus 1698, in
+de plaats van D. Theodorus Gibboni âb Eerst, Emeritus, insgelijks
+Emeritius verklaard 1714.
+
+28. Cornelius Houthoff, beroepen van Haastrecht Januarij, 1713, na
+vijf maanden verblijf vertrokken naar Dordrecht, en van daar naar
+Amsterdam 1719.
+
+29. Johannes de Wildt, beroepen van Oirschot den 14 September, 1713,
+in de plaats van den vertrokken Ds. C. Houthoff, gestorven den 24
+Sept. 1738.
+
+30. Johannes Voss, beroepen van Claaswaal, den 14 September 1713,
+in plaats van den overledenen D. Wilhelmus den Appel, stierf den 6
+Augustus 1746.
+
+»Bij Resolutie van de Staten van Holland en Westfriesland van den
+21 Junij Ao. 1741. werd D. J. Voss, vermits zyn zwakheid en verval
+van levensgeesten, van de H. Dienst geëxcuseerd, tot ter tijd zijn
+Eerw. mogte hersteld worden, Salvo honore et Stipendio."
+
+31. Daniel Bedber, beroepen van Schalkwyk den 27 Maart 1714, in de
+plaats van Isaäk Hazeu, verklaard Emeritus--Los-gemaakt naar Alkmaar
+den 10. November 1715.
+
+32. Wilhelmus Mesch, beroepen uit den Hitzert den 24 Maart 1716,
+in de plaats van den vertrokken D. Daniel Bedber, overleed den 8
+Januarij 1721.
+
+33. Albertus Heshusius, beroepen van Vreeland den 19 Maart 1739,
+in de plaats van den overledenen D. Johannes De Wildt, vertrok naar
+Haarlem, en heeft zijne afscheids-reden gedaan den 3 April 1741.
+
+34. Johannes Marinus Costart de la Morasiere, beroepen uit den
+Nieuwpoort den 28. Maart 1741, in plaats van den vertrokken D. Albertus
+Heshusius; hij heeft zijn intrede predicatie gedaan 7 Mei 1741 † 1768.
+
+35. Johannes Ernestus Jungius, beroepen van Dalfsen den 4 October
+1741 tot derden predikant--ter oorzake van zware ongesteldheid van
+Ds. Johannes Voss. [184]
+
+36. Adrianus Ploos van Amstel beroepen van Oud-Loosdrecht den 14
+Julij 1744, in plaats van den vertrokken Ds. Johannes Ernestus
+Jungius--bevestigd 15 November 1744 en overleden 1762.
+
+37. Jacob van Kampen beroepen van Kedichen Ao. 1763, in plaats van
+Ds. Ploos van Amstel, vertrokken naar Rhenen 1774.
+
+38. Ds. van Beuningen Noordbeek beroepen van Polsbroek, is alhier
+overleden.
+
+39. Hermanus Zwavink, beroepen van Heer Jansdam, is te dezer plaatse
+overleden, den 7 Maart 1800.
+
+40. Johs. van Nuijs Klinkenberg, beroepen van Overschie Ao. 1775. Anno
+1776 vertrokken naar Deventer en van daar naar Amsterdam.
+
+41. Antonie Kuyper, beroepen van de Wormer 1776 vertrokken naar Delft
+1779 van daar naar Amsterdam.
+
+42. Corns. Jan van Seist, beroepen van Wilnis 1779, vertrokken naar
+Delft 1780.
+
+43. Dideribus Hermanus van Rossum van Wilnis beroepen 1780 vertrokken
+naar Delft 1788.
+
+44. Petrus Theodorus Avink du Prê, beroepen van Zuilen 1788, naar
+Hoorn vertrokken 1790.
+
+45. Johannes Bekking, beroepen van Schipluiden 1791 en overleden 1809.
+
+46. Jacobus Roeloffs (in plaats van den onder Nr. 39 genoemden en
+overleden H. Zwavink) is beroepen van Streefkerk in 1801 en overleden
+in Maart 1825.
+
+47. Matthias Johs. Römer, (in plaats van den overledenen Ds. Bekking),
+beroepen van Wognum en Wadweide 4 Junij 1809, overleden 15 Julij 1821.
+
+48. Jacobus Hendrik Tol, in plaats van den overleden M. J. Römer;
+beroepen van de Meern, intrede gepredikt 6 October 1822, vertrokken
+naar Kampen in Februarij 1825.
+
+49. Michael Adrianus Jentink, in plaats H. J. Tol.--Beroepen van
+Vinkeveen Anno 1825.--Intrede gepredikt 7 Augustus 1825.--Vertrokken
+naar Harlingen 24 Julij 1831.
+
+50. Gerardus Steenhoff in plaats van de overleden
+Jac. Roeloffs--beroepen van Jutphaas 1826.
+
+51. Apollonius Cornelis Lorentz, in plaats van Michiel Adrianus
+Jentink--proponent in 1832 en overleden alhier in 1845.
+
+52. Hermen de Vries, in plaats van den overleden
+A. C. Lorentz--beroepen van Heikop en Boekop in 1846, vertrokken naar
+Leeuwarden 1851.
+
+53. Jan Pieter de Keyser, in plaats van H. de Vries--beroepen van
+Noordeloos 1851, vertrokken naar Arnhem 1852.
+
+54. George Philip Kits van Heyningen, in plaats van Jan Pieter de
+Keyser.--Beroepen van Rijsoord en Strevelshoek in 1852, vertrokken
+naar Deventer 1855.
+
+55. Johannes Marcus Kolff, in plaats van G. P. Kits van Heyningen,
+beroepen van Odijk in 1856.
+
+Tot hiertoe mijne lezers strekt der predikanten-lijst in dezen tijd,
+zoodat de bedienaars van de kerk onzer beschrijving nu zijn de
+Eerw. Heeren Gerardus Steenhoff en Johannes Marcus Kolff.
+
+
+
+Nog iets over de kerk zelve.--Is het dus nu niet te betreuren, nu wij
+eenigsints meer bekend zijn geworden, met deze grijze eerwaardige kerk,
+dat men bij het herstellen derzelve, (dat nu en dan hoog noodzakelijk
+was), zoo weinig acht heeft geslagen,--voornamelijk in de voorgaande
+eeuw--om de oorspronkelijke constructie te behouden. Wanneer zal
+men het toch beter leeren begrijpen, wat de Gothiek is en hoeveel
+aestetisch gevoel een schoone gothische kerk bij ieder moet opwekken,
+die zelfs slechts weinig van deze verheven bouwkunst begrijpt!
+
+Doch niet alleen in Oudewater, in verreweg de meeste plaatsen van
+Nederland is men met de meeste onverschilligheid met het herstellen
+der oude kerken te werk gegaan. Is dit voor de pen van een minnaar
+der gothiek soms wat streng, dan zullen wij een deskundige citeren.
+
+»Het is mij niet bekend" zeide op de algemeene bijeenkomst van de leden
+der maatschappij »tot bevordering der bouwkunst" op 23 Junij 1854 de
+ervaren Rotterdamsche architect de Heer W. N. Rose »Het is mij niet
+bekend, dat er ergens een gebouw uit de middeleeuwen bestaat, dat in
+een volledige toestand van onderhoud is gebleven; hetgeen men veranderd
+heeft, is niet verbeterd; de herstellingen zijn of gebrekkig geweest,
+of zijn geschied geheel tegen den stijl van het gebouw, hetgeen
+uit het oogpunt van de kunst beschouwd, met eene langzame slooping
+gelijk staat.--En het is treurig te moeten bekennen, dat dit nog
+dagelijks plaats grijpt, en wel het meest die groote en merkwaardige
+voortbrengsels der kunst treft, die onze steden tot sieraad konden
+verstrekken en waarvan het schoone, het eerwaardige en het verhevene
+van den gothischen stijl het krachtigst te voorschijn komt."
+
+Doch mijne lezers, al is nu deze kerk geen kruiskerk meer, al tooit
+zich niet meer muur noch gewelf--zooals nog de protestantsche kerk
+in Naarden--met schoone beschilderingen, al maakte men ingangen, waar
+deze met haar geheel niet harmonieren, al bekalkte men hare eerwaardige
+muren van buiten met Portlandsche cement en al verplaatste en verhakte
+de steenhouwer de grafzerken, om daaraan eene meer onderling gelijke
+gedaante te geven, de zerken, die dus nu niet meer de assche dekken
+van hen, wier namen er nog op uitgedrukt zijn, [185] nog is de kerk
+schoon, nog heeft men stoffe in overvloed, om zich personen en zaken
+van het grijs verleden voor den geest te tooveren.
+
+Personen en zaken?--Zeker mijne lezers, of komt het niet bij u
+op als gij u binnen hare grijze muren bevindt, hoe dikwijls de
+manhafte poorters daar zich hebben verootmoedigd voor hun Hemelheer,
+en kracht en moed gesmeekt, zich waardiglijk tegen een even dapperen
+vijand te verdedigen, hoe dikwijls de verwulven het stemgeluid der
+Godsdienstleeraars hebben opgevangen en teruggekaatst, van hunne
+hoogte tot in het soms blijde, doch ook soms bedroefde gemoed mijner
+medeburgers! Wie somt het op, hoe menigmaal de tranen gevloeid zijn,
+van grijsaard en kind, van echtgenoot en vader, van bruidegom en
+verloofde op de kille grafmonumenten, die de asche dekken, van
+diepbetreurde dooden, wier zerken ons nog zoo dikwijls wij de kerk
+betreden, zoo somber het memento mori als toeroepen.
+
+
+
+Doch wij nopen u met ons het kerkgebouw te verlaten, want wat zoude
+het ons baten steen voor steen te ondervragen, de sombere en plegtige
+stilte van het Godshuis wordt niet onderbroken door eenig wederwoord,
+het statig gebouw zwijgt en blijft zwijgen.
+
+En nu wat dunkt u geachte lezer, was het wel te veel, toen wij om
+oudheid en schoone bouwtrant het eerst de aandacht voor kerk en toren
+verzochten? De kerk staat daar zoo plegtig en de toren verheft haren
+nok nog zoo fier gedurende zoovele eeuwen! Nog bestaat er van buiten
+eenheid, en beiden--al maakt het een vreemd contrast, de kerk bekalkt
+en de toren nog ongesmeurd te zien--, beiden immers dragen zij de
+onmiskenbare sporen der schoone gothiek, beiden nog bezitten zij
+eene menigte spitsbogen, waardoor genoemde bouworde zich insgelijks
+onderscheidt, die spitsbogen waarin de vrolijk tjilpende zwaluw lustig
+haar kunstig nestje van IJsselklei bouwt, vanwaar zij uitvliegt naar
+omhoog in den blaauwen aether om voedsel op te doen, voor zich en de
+haren! ach, de mensch vindt bij het zien eener gothische kerk zooveel
+stoffe tot nadenken!
+
+En weder wie vreemdeling is in deze plaats, en haar eenmaal mogt
+bezoeken, hij zal zich eenige minuten der beschouwing van kerk en
+toren gewijd niet beklagen.
+
+Indien wij nu de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen,
+die binnen Oudewater staan of gestaan hebben, naar derzelver oudheid
+vervolgden, dan moesten wij noodzakelijk den draad der kerkelijke
+gebouwen afbreken en het natuurlijk gevolg daarvan zoude zijn,
+dat de orde, die wij ons aanvankelijk voorstelden, er door lijden
+moest. Alzoo zullen wij doorgaan eerst de reeks kerkelijke gebouwen
+tot den tegenwoordigen tijd te beschrijven, doch om dit met te meer
+vrucht te doen, is het allernoodzakelijkst, hoewel noode, de aandacht
+eerst kortelijk te bepalen op
+
+
+
+
+
+DE UITOEFENING DER R. C. EEREDIENST BINNEN OUDEWATER, NA 1575 TOT
+1705-1709, EN DE GEESTELIJKEN DIE HIER LEERAARDEN.
+
+Na de inname der veste door de Spanjaarden in 1575, is het gemakkelijk
+te begrijpen, dat de uitoefening der roomsche Godsdienst aan geene
+belemmering zal onderworpen zijn geweest, en de kerk, al was de
+protestantsche leer daarin reeds voor 1575 gepredikt, zij toch door
+de Spaansche bezettelingen weder zal gebruikt zijn geworden tot
+uitoefening hunner eerdienst. Het gelukte echter in het volgende jaar
+aan den onverschrokken van Zwieten en de zijnen, wederom de stad voor
+Oranje te overrompelen, en van dien tijd ongeveer, kunnen wij veilig
+aannemen, dat de parochiekerk in het ongestoord bezit der hervormden
+zal geweest zijn.
+
+
+
+Wat waren helaas de gemoederen verbitterd in het woelige tijdvak onzer
+beschrijving, ach! zij die steeds vrienden waren, verkeerden aldra niet
+zelden in openbare vijandschap, de teederste banden, die van minnende
+echtelingen, van ouders en kroost, van familien en aanverwanten,
+werden soms wreed vaneen gereten, en eene betreurenswaardige wrake
+verving eene zoete vriendschap en genegenheid. En van waar de laakbare
+stemming? Ach mijne lezers! ook Oudewater voedde in zijnen boezem
+de giftige slang van geloofs- en godsdiensthaat, en wel zoo, dat het
+de betreurenswaardigste gevolgen met zich sleepte. Hadde men helaas
+beter begrepen, dat het geloof van protestant en katholijk beide een
+waren in het Goddelijk gebod van naastenliefde, en toch werd het in
+dien tijd, door beiden zoo ongelukkig verbroken.
+
+Gelukkig echter na het woeden van den genoemden storm in al zijne
+woestheid, verminderde zij allengskens, tot er eindelijk een vrij
+dragelijke ruste aan den horizont lichtte. En het moest alzoo
+geschieden, want de mensch ging in de ontrolling der drie laatste
+eeuwen vooruit, met rassche schreden vooruit, op de schoone bane
+van stoffelijke en geestelijke beschaving. Hierdoor begon hij het
+ongerijmde, het den christen vernederende der geloofshaat in te zien,
+en nu.... nu in onze welgeordende maatschappij, onder het bestuur van
+Nederlands beminden derden Willem, zijn alle burgers van Nederland
+gelijk voor de wet, onze volks-vertegenwoordigers toonen meest allen te
+begrijpen, wat de negentiende eeuw van hen vordert, wat de verlichte
+mensch uit dien tijd wil; en de vruchten dier vooruitgang? Tuigt het
+mijne lezers, hoe schoon zij zich openbaren op iedere plaats van het
+gezegende Nederland.
+
+In de eerste tijden dan na den moord door de Spanjaarden, in de
+kleine veste zoo mededoogenloos uitgevoerd, konden de roomschgezinden
+hunne Godsdienst naar willekeur nog in het openbaar uitoefenen; in
+die vrijheid echter konden zij zich niet zeer lang verheugen, daar
+reeds van den 5 September 1578 een placaat bestaat op de vicarijen
+en geestelijke bezittingen, alsmede de uitoefening der roomsche
+eeredienst.
+
+Spoedig mogten zij nu niet meer hunne religie in het openbaar
+uitoefenen. Wij vinden ook in dien tijd geen pastoor, als hier verblijf
+houdende en voor het algemeen leerarende, in eenig document aangeduid.
+
+Zoo stonden de zaken, toen in 1614 de roomsche geestelijke Baaks
+of de later zoo beroemde Johannes Wachtelaar, doch waarschijnlijk
+meermalen beiden, voor het eerst in stilte, begunstigd door het
+nachtelijk duister, de mis celebreerden, ten huize van den poorter
+Jan Willemse Copper. [186]
+
+Naar wij bijna met zekerheid kunnen vermelden, bleef men het huis van
+dezen steeds als punt van bijeenkomst houden [187], en kwamen er van
+tijd tot tijd, de weg gebaand zijnde, andere geestelijken, alhier de
+gemeente bedienen. Zoo weten wij, dat in 1615 en 1616 alhier kwamen
+prediken de Heer Ægidius, die opgevolgd werd door deszelfs broeder
+Thomas, doch kort daarna vertrok.
+
+In 1620 was alhier als priester werkzaam zekere pater Jacobus Tyras
+genaamd, een Antwerpenaar van geboorte. Lector in de theologie te
+'s Hertogenbosch, zond zijn overste hem in 1620 naar Holland als
+missionaris, en Oudewater, 's Gravenhage, vervolgens de omstreken
+van Hoorn en Enkhuizen, waren getuigen van zijnen ijver. Eindelijk
+kwam hij op aandrang der catholijken binnen Hoorn, rigtte daar eene
+bidplaats op en was de eerste missionaris, die op bepaalde plaats en
+tijd de roomschen vereenigde en de diensten met plegtigheid verrigten
+mogt. Zoodanige vorderingen in de uitoefening zijner Godsdienst
+moesten evenwel duur gekocht worden, daar Tyras bij zijne komst te
+dezer plaatse, den kerker tot verblijf werd gewezen en dezelve in
+Hoorn insgelijks drie maanden moest betrekken. Hij stierf te Hoorn,
+3 September 1638 en werd in het choor der groote kerk begraven. [188]
+
+Na dat den weg door Tyras tot het uitoefenen zijns geloofs, al meer
+en meer bereid was geworden, was het Modestus Stevens Senk, die
+het eerst het herderschap in het openbaar op zich nam. Harderwijker
+van geboorte, was hij bij leeraar in de roomsche theologie, tevens
+kanunnik van Deventer. In zijne geestelijke bediening het opzigt gehad
+hebbende over de Veluwe, heeft hij daarna de gemeenten van Oudewater
+en die van IJsselstein bediend, gelijk hij zelf in een brief van de
+geestelijkheid aan Jacobus Bool getuigt. Bij de gemeente van deze
+plaats bediende hij tevens nog Linschoten, Weerden, Roozendaal enz.
+
+Nader werd hij in ballingschap verzonden en is te Keulen, alwaar hij
+tot president van het Hollandsch collegie aangesteld was, overleden,
+den 5 Julij 1654. [189]
+
+Op deze is gevolgd in 1626 of 1627, Johannes Bekom, een Utrechtenaar en
+Lincenciaat in de Godgeleerdheid, deze is echter naar Delft beroepen.
+
+Tijdens Bekom echter nog alhier verbleef, kwam ook hier de eerste
+pater der Jezuiten, Ludovicus Soutien. Tot dusver was er echter
+nog geene kerk voor het uitoefenen hunner eerdienst, doch wij kunnen
+veilig aannemen, dat de in het begin dezer eeuw verbroken kerk aan het
+Heilig leven gebouwd of ingeruimd is, tusschen 1626 en 1640 tot het
+publiek uitoefenen dier godsdienst. Eenigen tijd is hier ook geweest
+als priester Johannes Kuisten, die daarna naar Raanburg vertrok.
+
+Ook de Heer Nicolaas van Hee, moeten wij onder de geestelijken
+dezer plaats noemen. Hij was geboren te Polsbroek volkomen Bacelier
+in de Godgeleerdheid en is alhier gestorven of begraven op den 21
+April 1673. Als orde-geestelijke was pater Houtman van den genoemden
+pater Soutien opvolger, zoodat wij van nu aan in Oudewater een reeks
+wereldlijke priesters en een reeks orde-geestelijken of paters moeten
+vermelden, hierdoor ontstonden dan ook twee gemeenten en tengevolge
+van dien, twee kerken, de eerste: de paterskerk zagen wij, reeds op
+het Heilig leven en de tweede de kerk voor de wereldlijken priesters
+verrees aan de markt. [190]
+
+In de beschrijving door H. v. R. bladz. 334 vinden wij nogthans ook
+vermeld, dat naar luid van een brief van Philippus Rovenius anno 1650,
+Jacobus Houtman, daar als noodhulp genoemd wordt bij pastoor Van Hee
+[191]. Hoe het zij, dit althans weten wij zeker, dat de twee kerken in
+1667 en 1668 bestonden. De doopregisters immers dier beide gemeenten
+zijn nog in aanzijn, die van de kerk aan de markt, dagteekent van 4
+Mei 1667 en die van het Heilig leven, van den 12 November 1668.
+
+»Na Van Hee, is gevolgd zeker Heer Gillis, wiens opvolger wederom
+geweest is Adrianus Overgow [192] ten zijnen tijde weder was noodhulp
+zekere Johannus Duc van Montfoort en successivelijk nog meerdere,
+doch hunne namen laten wij achterwege. In Overgows plaats is
+gekomen de Heer Hugo Hoofd, een Montfoortenaar, doch Hoofd werd naar
+Amsterdam beroepen en Overgow keerde weder naar zijne pastorie binnen
+Oudewater. Hier had hij eerlang voor de pastorele rechten te kampen,
+tegen pater Paulus Oosternijk, een Jezuit en zendeling alhier. De
+pater beweerde, dat de pastoor niet bevoegd was om de katholijken
+der omliggende dorpen te gaan bedienen. Doch nadat de Heer Hugo van
+Heussen de stukken onderzocht en de getuigen gehoord had, heeft hij
+den pater het proces tegengewezen.
+
+Onder de geestelijken die de Roomsche eerdienst alhier hebben
+waargenomen, moet nog genoemd worden, pater Rollandus Daniels, doch
+door vertrek van dezen naar elders is er eenige schorsing in de
+geestelijke dienst op het heilig leven geweest, immers wij kunnen
+dit opmaken uit de doopregisters, die in 1705 eindigen en in 1709
+wederom beginnen.
+
+Omstreeks voornoemde tijd, was pastoor aan de marktkerk de Heer
+Johannes Chrysostomus Vijfhuizen, een Hagenaar. In de Hervormde
+Godsdienst opgevoed zijnde en langen tijd geleefd hebbende, omhelsde
+hij later het Roomsche geloof. Nadat hij hier en daar als noodhulp
+had gestaan, werd hij door den Bisschop van Sebaste naar deze
+plaats geschikt, om de ingezetenen en gemeentenaren uit den omtrek
+te bedienen.
+
+Deze pastoor Vijfhuizen was het, die de beginselen van de eerdienst der
+bisschoppelijke Clerizie toe gedaan zijnde, ook zoodanig een gemeente
+alhier stichtte en na vruchtelooze pogingen, tot het aankoopen van
+een huis waarin hunne Godsdienst uit te oefenen, zijn zij in het
+bezit gebleven van de kerk aan de markt, tot op dezen tijd.
+
+De naamlijst van Roomsche geestelijken, der twee kerken, die wij
+tot hiertoe dooreen ter neder schreven, moet dus, nu het kerken
+zijn, waarin verschillende eerdiensten worden uitgeoefend, onder
+afzonderlijke rubrieken voorkomen.
+
+
+
+
+
+ROOMSCH CATHOLIJKE ORDE-GEESTELIJKEN AAN HET HEILIG LEVEN.
+
+Anno 1709 was pastoor aldaar de eerw. heer Johannes de Ruyter,
+minderbroeder, die op den 20 Februarij 1725 overleed en tot opvolger
+had zijn kapelaan in hetzelfde jaar.
+
+1725 Alexander de Neve, die den grooten tol aan de natuur betaalde
+den 28 Augustus 1767, en opgevolgd werd door deszelfs kapelaan in
+
+1767 met name Franciscus Rogiers, deze den 14 Februarij 1781 overleden
+zijnde, kwam in zijne plaats in
+
+1781 Lambertus Lem, die onder Rogiers, zijn kapelaan was. Pastoor Lem,
+die in 1796 den 29 November stierf heeft tot kapelanen gehad:
+
+a. Johannes Augustinus Moorman die den 27 December 1784 overleed.
+
+b. Henricus Marselus ontslapen den 27 November 1790.
+
+c. Michael van de Ven.
+
+d. Johannes Schenk, die tweede adsistent was.
+
+De opvolger als pastoor voor den eerw. Heer Lem, die in 1796 overleed,
+was nog in hetzelfde jaar de reeds genoemde Michael van de Ven, die tot
+aan zijn dood (23 Mei 1809) de pastorale betrekking bekleedde. Nog in
+
+1809 werd hij opgevolgd als pastoor door zijnen kapelaan Johannes
+Schenk,--door zijn overlijden echter, werd in
+
+1814 als pastoor dezer gemeente benoemd Christianus Florus, die reeds
+sedert Anno 1809 kapelaan was bij pastoor Schenk; deze pastoor is
+alhier overleden op den 2 Mei 1852 na 43 jaren als priester in deze
+gemeente te zijn werkzaam geweest. Gedurende zijn ambt van pastoor
+alhier heeft hij de volgende kapelaans gehad:
+
+a. Gerardus Schouten † 2 Maart 1829 in deze gemeente--hij werd in
+die betrekking opgevolgd door
+
+b. Josephus Wilhelmus van Ewijk, die van hier als pastoor naar Bommel
+is vertrokken op den 2den Junij 1834. Na dezen is alhier als kapelaan
+gezonden
+
+c. Antonius Franciscus Ranshuizen, die van hier als kapelaan naar
+Hoorn vertrok den 11 Oct. 1835 en opgevolgd werd door
+
+d. Henricus Theodorus Loninck, die uit dezen plaats den 14 Nov. 1849
+als kapelaan vertrok naar Rotterdam en in wiens plaats is gekomen
+
+e. Wilhelmus van Asveldt, die als kapelaan naar Haarlem ging den 4
+Junij 1851; zijn opvolger was [193]
+
+f. Fredericus Stephanus Kraaivanger, die van hier als kapelaan naar
+Leiden vertrok den 24 Mei 1853.
+
+Nog in hetzelfde jaar van het overlijden des eerw. heeren Florus
+(1852) is alhier als pastoor gezonden Franciscvs Schreurs die als
+pastoor naar Coevorden ging den 31 Mei 1853 en in
+
+1853 wierd opgevolgd door Alexander Matthias Balthasaar die tot
+kapelaan had sedert 5 Junij 1853 Stephanus Ignatius Rooters.
+
+De eerw. Heer Balthasaar is van hier vertrokken als pastoor der Mozis
+en Aaron kerk van Amsterdam in het jaar
+
+1854 als wanneer hij opgevolgd werd als pastoor door den eerw. heer
+Johannes Henricus Dierhoff, die deze pastorie tot op dezen dag,
+met zijn kapelaan den eerw. pater Stephanus Ignatius Rooters bedient.
+
+
+
+
+
+GEESTELIJKEN DER BISSCHOPPELIJKE CLERIZIE DER KERK AAN DE MARKT.
+
+Anno 1700 Johannes Chrysosotimus Vijfhuizen, die alhier in 1729
+overleed en opgevolgd werd in
+
+1729 door pastoor Hubertus de Vos, in wiens plaats Ao.
+
+1768 kwam de eerw. heer pastoor Theodorus van Hagenouwe die van hier
+in 1797 vertrok en na 1814 in Oosterhout is overleden.
+
+In 1797 was pastoor Godefridus Spruyt van Schiedam naar hier
+gekomen. Achtereenvolgend heeft hij tot kapelanen gehad, de Heer H. de
+Jong die van hier als pastoor naar Gouda vertrok en P. van Wijk die
+van hier ging om de pastorie van Hilversum te bedienen (die beiden
+daar nog in bediening zijn.)
+
+Pastoor Spruyt van zijne pastorie afstand gedaan hebbende, is elders
+gaan wonen, en in
+
+1813 opgevolgd door Franciscus Johannes Guddee, die van Hilversum
+naar hier is gekomen en overleden is den 3 Augustus 1854 na 41 jaren
+in zijne gemeente te hebben geleeraard [194]. Tijdens zijne ziekte
+is als noodhulp alhier geweest de eerw. heer C. A. Harderwijk die nu
+pastoor van Culenborg is.
+
+1854. De eerw. heer Henricus Theodorus Verhoeff, bedient sedert het
+voorschreven jaartal nu de kerk aan de markt.
+
+
+
+
+De oude kerk der Roomsch Catholijken.
+
+Volgens de Heer van Kinschot was dit kerkje der beschouwing van binnen
+waardig.--Uit een zekere bron weten wij echter, dat het buiten meer
+gelijkenis met op een schuur dan op een kerk gehad heeft.--Hoewel
+deze kerk insgelijks zooals nog de tegenwoordige aan het Heilig leven
+stond, was hare standplaats echter niet zoo digt aan de Kapelstraat
+als de tegenwoordige:
+
+
+
+
+De tegenwoordige kerk der Roomsch Catholijken.
+
+Zij heeft even als de twee vorige zeer weinig aanzien, dat voor een
+kerk-dicteert, twee ingangen verschaffen den gemeentenaren toegang
+in dezelve, de eene van uit de Kapelstraat de andere langs het Heilig
+leven; haar van de laatste zijde naderende, kan men in den gevel het
+volgende in hardsteen uitgehouwen opschrift bemerken
+
+
+ HAEC DOMUS DOMINI AEDIFICATA Ao. MDCCCIII
+
+
+dat is:
+
+
+ Dit huis Gods, is gebouwd Ao. 1803.
+
+
+Bij het binnentreden bemerken wij dadelijk, een zonderlinge
+constructie, zelfs zoo, dat niet het minst bij de bouwing aan symboliek
+schijnt gedacht te zijn, gothiek is er trouwens geen stip aanwezig. In
+deze kerk bevind zich 1 altaar, dat niet oostwaarts gerigt is,
+doch op fraaiheid aanspraak mag maken, de communiebank wordt als een
+meesterstuk van beeldhouwkunst geroemd; zij bestaat echter slechts uit
+gedeelten van de communiebank uit eene kerk van IJsselstein. Zijn wij
+wel onderrigt, dan heeft men die eertijds aldaar publiek geveild en
+bij die gelegenheid welligt voor spotprijs alhier aangekocht. Het orgel
+heeft een clavier is zonder pedaal en onaangenaam van toon. Het jaartal
+van zijn bouw, alsmede de vervaardiger zal men er niet op vinden.
+
+Om in de behoeften der steeds grooter wordende gemeente te voorzien,
+heeft men voor eenige jaren de kerk vergroot, zoodat er zich nu een
+groot getal gemeentenaren in kunnen vereenigen. De harmonie in het
+gebouw toen nog aanwezig, heeft echter zeer veel door dien herbouw
+geleden.
+
+
+
+
+De kerk der Bisschoppelijke Clerezie.
+
+Dit kerkje, dat zich nog in wel onderhouden toestand bevindt, is zijn
+beziens van binnen om zijn fraaiheid niet onwaardig, het heeft echter
+eveneens slechts een altaar, het orgel heeft slechts een clavier
+en bezit geen pedaal, het is zwak, en niet zeer aangenaam van toon
+terwijl vervaardiger noch jaartal op hetzelve uitgedrukt staan. De
+oudste patroon van deze kerk is St. Michiel; doch door de opheffing
+der gemeente van Polsbroek in 1842 toen ook de bezittingen der kerk
+aldaar aan die onzer beschrijving gekomen zijn, is St. Johannes den
+Dooper, die patroon van de kerk in Polsbroek was, als tweede patroon
+alhier aangenomen.
+
+Van buiten zou men bezwaarlijk eene kerk in dit gebouw herkennen,
+ware het niet, dat aan haren ingang, een houten kruis was aangebragt,
+waarop het volgende te lezen staat:
+
+
+ IN HOC SIGNO VINCES
+
+
+dat is:
+
+
+ Door dit teeken zult gij overwinnen.
+
+
+Om op eenige volledigheid te kunnen aanspraak maken, mogen wij niet
+onvermeld laten, dat wij nog ten vorige jare een locaal in zeker
+huis hebben bezigtigd, staande op de have niet ver van de markt [195]
+waarin, naar ons werd medegedeeld, eertijds--eveneens ter sluiks--de
+Mennonieten bijeenkwamen om hunne eerdienst uit te oefenen.--De
+zekerheid, dat het Mennonieten waren durven wij echter niet uitmaken,
+doch bepaald, konden wij aan eenige versieringen nog bemerken, dat
+er eerdienst in uitgeoefend is.
+
+De christelijk afscheidenen in deze plaats woonachtig, vergaderen
+tot het uitoefenen hunner godsdienst, in zeker woonhuis [196] op het
+Roodzand, dewijl de gemeente hier niet zoo vele leden telt, dat er
+eene kerk gesticht worde en een predikant aangesteld om haar geregeld
+te bedienen.
+
+De Israeliten die hier gedomicilieerd zijn, bezitten--eveneens om
+hun gering aantal--geen Synagoge, daarom vergaderen zij in plaats
+daarvan sedert een aantal jaren in een woonhuis [197] staande op
+de Korte donkere Gaard. Hun aantal is zelfs zoo gering alhier, dat
+zij bij sommige gelegenheden genoodzaakt zijn, Israelieten van eene
+andere plaats te ontbieden, om naar eisch hun feest te kunnen vieren
+en uitoefenen.
+
+
+
+En hiermede mijne lezers is de beschrijving van de reeks kerkelijke
+gebouwen ten einde, wij noodigen u nu eerst, met ons weder eenige
+eeuwen terug te gaan, daar de beschrijving der geestelijke gestichten
+die hier eertijds in zoo ruime getale aanwezig waren, ons toeft.
+
+Bij die beschrijving, zullen wij ons ten regel stellen, eerst de
+geestelijke gebouwen enz. te beschrijven, om daarna tot de gestichten
+over te gaan, die ontstonden, uit bijzondere en algemeene kosten tot
+liefdadig doel.
+
+
+
+
+
+
+
+Het voormalige klooster der zusteren van Sinte Lijsbeth of van
+St. Agnes in Oudewater.
+
+
+AANKOMST EN EERSTE BIJZONDERHEDEN DEZER ZUSTEREN ALHIER. LIGGING VAN
+HET KLOOSTER.
+
+
+»Wij hebben" zegt de heer van Kinschot, op bladzijde 58 zijner
+beschrijving van Oudewater, »met zekerheid ontdekt, dat hier een
+klooster van de zusteren van Sint Lijsbeth van de derde orde, even
+als in 's Gravenhage geweest is; doch, geen het minste overblijfsel
+daar meer van overig zijnde, kunnen wij alleen ten bewijs aanhalen,
+den voorrechtsbrief, door Hertog Philips, als Graaf van Holland op het
+verzoek van eenige geordende geestelijken, op den 17den van Lentemaand
+des jaars 1452 aan dezelve gegund, waarnaar zij zich voegen, schikken
+en gedragen moesten."
+
+Genoemde schrijver is al zeer karig met het mededeelen van
+bijzonderheden, omtrent dit convent, en het »bewijs" van derzelver
+bestaan in Oudewater door hem aangevoerd, mogen mijne lezers niet
+als zoodanig aannemen, aangezien deze zusters in 1452 niet meer in
+deze plaats aanwezig waren; doch loopen wij onzen tijd niet vooruit,
+wij zullen deze zaak later van zelf opgelost zien.
+
+
+
+In de beschrijving van het naburige Schoonhoven door H. van Berkum,
+vindt men de aankomst der zusteren alhier, aan het hoofd dezes
+aangeduid, vermeld. De oorzaak, dat zulks in de beschrijving van
+Schoonhoven te vinden is, ligt hierin, doordien voornoemde conventualen
+van Schoonhoven naar Oudewater zijn gekomen. Zien wij dus, wat van
+Berkum daaromtrent heeft geboekstaafd.
+
+»Van het klooster [198] van sinte Lijsbeth, en van de Beggijnen
+of Sustern, op de oude Haven, moet men geen twee kloosters maken,
+gelijk ik ergens gevonden hebbe, het was er maar een, onder deze
+verscheidene namen bekend.
+
+»Het regte jaar van deszelfs stichting is mij onbekend; in het
+jaar 1375, was er niet, als één klooster te Schoonhoven dat der
+Carmelieten; het is zeker, dat in het jaar 1399, er al twee woningen
+voor geestelijke vrouwspersonen waren, die van de susters op de oude
+Haven, en die van St. Agnes in de koestraat, waaruit in dit voornoemde
+jaer (1399) susters gestuurd werden naar Oudewater.
+
+Het zal mijne lezers nu welligt duidelijk zijn, waarom wij
+hiervoren ter neder stelden, dat de geestelijke dochters, òf
+zusters van St. Lijsbeth, òf van St. Agnes zullen zijn genoemd
+geweest, eene verwarring hoogst waarschijnlijk ontstaande, doordien
+haar klooster of beter hare orde naar St. Lijsbeth was, en hare
+bidkapel aan St. Agnes gewijd geweest zijn zal, of omgekeerd. Deze
+zelfde verwarring verbeterde reeds hiervoren de Heer van Berkum in
+Schoonhoven, en daarbij weten wij immers zeker, dat het St. Ursala
+convent in Oudewater, waarover wij later breedvoerig zullen schrijven,
+eveneens zijn naam verschuldigd is, aan de patrones van de kapel
+der conventualen, die naar den derden regel van St. Franciscus
+leefden. [199]
+
+Als aanleidende oorzaak nu, waarom deze zusters uit Schoonhoven naar
+Oudewater weken, vinden wij in de oudheden van Rijnland vermeld,
+dat zij om de oorlogen, (de Hoeksche en Cabellaauwsche twisten)
+die het platteland onveilig maakten naar Oudewater trokken. [200]
+
+En nu mijne lezers zullen wij eenige bijzonderheden vermelden,
+omtrent het hoe en waar, van deze hare vestiging in Oudewater.
+
+Hiervoor staat ons ten dienste de copij van een handschrift,
+medegedeeld in de oudheden van Rijnland bladz. 457, 458 en 459,
+en uit het klooster Marienpoel bij Leijden van oorsprong.
+
+»In 't jaer ons Heeren 1399 doe sende Heer Vrederik die Biechter der
+susteren van Scoenhoven op de oude haven, en de Heer Claes, Biechter
+der susteren van Sint Agnieten te Schoonhoven in die koestraat die
+eerste zusteren wt horen huse, daer onse susteren voert wt gesproten
+zijn, ende alre eerst vergaderdese int heilige leven te Oudewater
+ende daer na vergaderdese bij Pieter Aven zoen over de sluse. [201]
+
+Daerna int jaer ons Heeren 1412. doe coft suster Clemens Gelis dr. onse
+eerste mater in die derde oerde, gheboren van eerbaren ouders van
+Scoonhoven, die Husinghe, die den Heer van Vliet toehoorde, die stont
+in de capelstraat daer hi ons goedertierenheit in bewijsde om der
+wil zijnre vrouwen, die hoor suster Ariaen Jans dr. in onse Cloester
+brocht. In corte jaren daerna scoet Jan Melisz. husinge boven wt,
+dattet op onse werf vallen woude, dat men met balken onderscoerde,
+ende dese husinge coften wi, ende van dat voerhuis ande straat wort
+ons capel ghemaekt [202] ende after daeran onse butenhuus. After
+teghen de stede muer [203] langhes onse werf lieten wi een steenen
+huus timmeren, daer wi inweefden, bacten ende brouden, en de torfden
+en de verpenscot. [204] Daer voer dat huus stont enen sconen put di wi
+lieten graven, daert water in ende wt vloeide ende ebbede, door een
+zijl [205] wt d ijssel. Bisiden den put hadden wi enen sconen viver
+laten graven, daer wi visch in hielden. Andie ander zijde van onse
+werf coften wi Heer Bertelmeus [206] husinge, ouse cureit, dat was ons
+priesters husinge, onse reventer [207] ende sieccamer ende koken. Oec
+coften we Ouwerogs husinghe met enen bergh, daer susteren in woonden
+die den beesten en de tsuvel bewaerden, die door een poort met een
+slot in quamen eten, noch coften we 2 husinge, dat voorhuus stont an
+de Capelstraat, ende dat after huus stont an onse werf, met een berch."
+
+Uitgenomen de voornoemde bijzonderheden staan in het gemelde stuk
+nog de volgende giften aan het klooster vermeld:
+
+»In 't jaer ons Heeren 1413 sterf Peter Ave soen, op Sint
+Lambrechtsavond, die onse susteren eerst versamende, behalve
+menigherlei goedicheit die hi ons dee, so gaf hi ons 25 nobel ende
+5 pont tsjaers ewighe rente, 15 groot voer een pont."
+
+Ziet hier mijne lezers, u met onze beste pogingen op de hoogte gebragt
+omtrent den oorsprong van dit convent in Oudewater. Uit een en ander
+hebben wij gezien, op wat een aanzienlijke hoogte deze zusteren het
+in korte jaren gebragt hebben, immers wij zagen het klooster reeds
+de aanmerkelijke ruimte beslaan, van de westzijde der kapelstraat
+bij het heilig leven tot aan het tegenwoordig zoogenaamde klooster,
+bij de oude vestingmuur der stad. Achter al deze huizen was eene
+aanzienlijke ruimte, zoodat zij te over gelegenheid hadden, die
+bedrijven uit te oefenen, door ons hiervoren uit het stuk van de
+oudheden van Rijnland gecopierd.
+
+
+
+Zij die in Oudewater bekend zijn, en iets van zijn geschiedenis
+weten, zullen mij welligt tegen voeren: al deze bijzonderheden daar
+vermeld, omtrent de ligging van het klooster enz. hebben betrekking
+op het verblijf van de zusters naar den 3 regel van Sint Franciscus
+van penitentie, gewoonlijk naar het kapelletje, dat aan Sint Ursula
+gewijd was, het St. Ursula convent geheeten. Het is zoo mijn lezer,
+gij hebt gelijk, doch ook mijne mededeelingen zijn juist. Laat ons
+het duidelijk maken.
+
+Nadat de zusteren van St. Lijsbeth of van Sint Agnes, van het jaar
+harer komst in Oudewater onder denzelfden naam, en onder dezelfde
+orde als in Schoonhoven, ten minste hoogst waarschijnlijk, daar heen
+leefden, was het in Anno 1414, dat Hertog Willem, Graaf van Holland
+toestond, dat genoemde zusters, uit de kapelstraat, »die leefden in
+een' woning en Hofstadt die Heeren Jans van den Vliete plachte wesen,
+ien besloten Cloester en convent van Sint Franciscus oerden, geheten
+van penitentien sullen mogen funderen, timmeren, enz.
+
+Het is dus nu duidelijk geworden: de zusters uit Schoonhoven van
+St. Lijsbeth of St. Agnes, werden ten onzent in 1414 zusters naar den
+derden regel van Sint Franciscus van penitentie, gewoonlijk zooals
+wij reeds opmerkten, bekend onder den naam van het St. Ursula Convent.
+
+
+
+Het voormalige St. Ursala-Convent, of het klooster der zusters naar
+den derden regel van St. Franciscus orde van penitentie.
+
+Nadat wij den oorsprong der zusters alhier uit Schoonhoven nagingen,
+is de geleidelijkste overgang voor het beschrijven van het St. Ursala
+convent, onzes inziens de mededeeling van de inhoud des briefs,
+waarbij Hertog Willem het aannemen en de stichting van dit convent
+naar de orde van St. Franciscus, oorlooft en consenteert, en al
+dadelijk gaan wij dus hiertoe over:
+
+
+»Willem by der Genaden Gods Palsgrave op den Rijn Hertoch van Beyeren,
+van Henegoën, van Holland, van Zeeland ende Heer van Vriesland dan
+cont allen leuden, dat wy om Godts wille aangesien zelicheit onser
+en onser ouderen ziele, en om den dienst Godts allerwegen te meerren
+geoorloft en geconsenteert hebben, verloven en consenteren met desen
+brief, dat de vrouwe persoenen by de maegeden en weduwen in onser
+steede van Oudewater in de Capellestraet in een woninge en hofstadt,
+die heeren Jans van der Vliete placht wesen een besloten cloester en
+convent van Sint Franciscus Oerden geheten van penitentien sullen mogen
+funderen, timmeren en volbrengen in der woningen voorsz. en hem daarin
+laeten besluiten na manieren en de ordonnantien des voorz. oerden,
+als daartoe behoort, ende nemen dit voorsz. clooster en convent
+met haren goederen en personen daartoe behoorende in onser hoede en
+bescherminge, gelikerwijs en in alre manieren als wy anderen cloesteren
+ende Godtshuisen in onsen lande liggende genomen hebben, en omdat wy
+dit vaste en gestade gehouden willen hebben, voer ons en voer onse
+nacomelingen, so hebben wy desen besegelt met onsen segele, gegeven
+in den Hage op ten eersten dach in Septembre Ao MCCCC en vierthien."
+
+
+Dit klooster, stond onder het opzigt van het kapittel en de bisschoppen
+van Utrecht, terwijl de broeders van het gemeene leven, doorgaans
+minderbroeders genaamd er het bestuur over hadden. [208]
+
+Stil en vreedzaam, leefden deze zusters eenigen tijd in het nederige
+Oudewater voort, en wij mogen vooronderstellen, dat hunne inkomsten
+in korten tijd aanmerkelijk vermeerderden, zeer gezind als men in
+die tijden was, giften aan dergelijke gestichten te schenken, ten
+minste in meergemeld handschrift uit het klooster Marienpoel vinden
+wij nog vermeld: »Leye Wittender sterf in 't jaer ons Heeren 1418 op
+Sint Katrinedach, si gaf ons (het convent van Oudewater) in aelmissen
+18 engelsche nobel."
+
+Niet lang echter mogten zij zich op deze ruste beroemen; donkere
+wolken van onrust en woeling betrokken den politieken en kerkelijken
+horizont van Holland en Utrecht en... de zusters van het St. Ursala
+convent moesten vlugten uit Oudewater. Om dit echter duidelijk te
+maken, is het noodig, dat ik den vriendelijken lezer verzoek, met
+mij de aandacht eene wijle te bepalen op zaken en gebeurtenissen,
+die wel niet in Oudewater voorvielen, doch den grootsten invloed op
+het convent moesten hebben.
+
+
+
+Na den dood [209] van den Bisschop Frederik van Utrecht in
+October 1423, [210] werd het kapittel in de daaraanvolgende maand
+bijeengeroepen tot het verkiezen van een anderen bisschop, waartoe
+zich dan ook verscheidene mededingers opdeden. Rudolphus van Diephout
+kanunnik te Keulen en Walravus van Meurs, kwamen onder allen het
+meest in aanmerking--Rudolph bekwam de meeste stemmen en werd alzoo
+tot bisschop gekozen. [211] Beide zonden echter gezanten naar Rome
+om de bevestiging van den man hunner keuze van Paus Martinus de V
+te erlangen. Aan geen der beide partijen mogt dit echter gelukken en
+dientengevolge droeg kort daarna de paus het bisdom van Utrecht op,
+aan Raban, Bisschop van Spiers. [212] Toen deze echter vernam, dat het
+Sticht in hevige partijschappen verdeeld was, liet hij zich gemakkelijk
+bewegen, om zijn regt over te staan, aan Zwederus van Kuilenburg,
+die hem daarvoor zijn domproostdij opdroeg. Ook de paus nam hierin
+genoegen en Zwederus werd bevestigd als bisschop van Utrecht. Dan,
+hierop volgde een openbare scheuring in het Sticht. De geestelijkheid
+der stad Utrecht onderwierp zich aan 's pausen besluit en erkende
+Zwederus voor bisschop. [213] Doch het overige gedeelte van het Sticht
+bleef Rudolf aanhangen.--De paus aldus in zijn bediening gekrenkt,
+verbood alle kerkelijke diensten, in zulke plaatsen des bisdoms,
+daar Zweder niet erkend werd, en sommigen eerbiedigden dit bevel uit
+ontzag voor den paus, terwijl anderen de dienst bleven waarnemen. [214]
+
+Zweder intusschen, had zich meester gemaakt van het slot ter Horst,
+en noodzaakte eerlang de steden Amersfoort en Rhenen en ten laatste
+ook de stad Utrecht hem als Bisschop binnen zijne muren te nemen,
+zooals hij dan ook in Augustus 1425 zijnen intogt in laatstgenoemde
+stad deed en er gedurende tien maanden verbleef. Daarna verbond
+Zwederus zich met de Kabellaauwsche partij in Holland inzonderheid
+met zijne nabestaanden: Jan en Willem van Egmond en sedert ook met
+Philips, hertog van Bourgondie, die terstond pogingen aanwendde,
+om den aanhang van Rudolph en de vrienden der Hoekschen in het
+Sticht, met geweld aan te tasten. Door een en ander, maakte Zweder
+zich binnen kort zoo gehaat in Utrecht, dat men een toeleg smeedde,
+om hem uit de stad te houden, en Rudolphus in den bisschoppelijken
+zetel te herstellen, dat in den zomer van 1426, door beleid van Jan
+van Renesse van Rijnouwen gelukte. [215] Rudolph werd eerst door de
+Ridderschap en de stad Utrecht en door de Ridderschap en de steden
+van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid, tot postulaat,
+Ruwaard en Beschermer van het bisdom aangenomen [216] en Zweder alle
+Regtsgebied ontzegd. De laatste vestigde sedert elders den stoel des
+bisdoms en werd in het algemeen, door den Kabellaauwschen aanhang,
+voor wettigen bisschop erkend. [217]
+
+Rudolph, die nu in het Over en Nedersticht volkomen meester was,
+verbond zich met vrouwe Jacoba en de Hoekschen [218] en haalde zich
+hierdoor den haat van hertog Philips op den hals.
+
+Tot zoover mijne lezers heb ik u moeten brengen, om het vertrek der
+zusters in 1428 uit het St. Ursala convent van Oudewater, wel te
+kunnen begrijpen.
+
+Oudewater toch erkende immers nog een laatstgenoemd jaar vrouwe Jacoba
+als gravin, doch deze was zooals wij zagen de partij van Rudolph van
+Diephout toegedaan, en Diephout met zijne aanhangers was door paus
+Martinus de V tot den geestelijken ban veroordeeld. [219]
+
+Wat moesten onze conventualen nu doen? Ongehoorzaam zijn aan
+den paus wilden zij niet, en in Oudewater blijven, en een anderen
+bisschop erkennen als de gravin die haren scepter nog over Oudewater
+zwaaide, konden zij niet. Zij werden dus genoodzaakt om te vlugten,
+doch waarheen? Natuurlijk naar het gebied van Hertog Philips van
+Bourgondie, die den bisschop aanhing, die zij erkenden, Zwederus van
+Kuilenburg. [220]
+
+Nu leefde er in dien tijd in Leiden een zeer vroom en edel man,
+Boudewijn van Zwieten genaamd, en de mare van zijn weldoen, had zich
+tot in het nederige Oudewater verspreid. Ook deze was het met den
+Hertog en Zwederus eens, en het was dus niet te verwonderen, dat de
+vlugtende zusters uit het convent van Oudewater, naar hem de wijk namen
+en hem smeekten, medelijden te hebben met haren toestand. De echtgenoot
+van Heer van Zwieten voegde ook haar verzoek, bij dat der nonnen
+en van Zwieten besloot hierop de zusters voorloopig huisvesting te
+geven. [221] Hare aankomst te Leiden had plaats op 20 Maart 1428. [222]
+
+Onze kloosterlingen hebben ons nu reeds zoo veel belang ingeboezemd,
+dat wij niet kunnen nalaten, haar nog eenigen tijd elders te volgen.
+
+Nadat de nonnen bij Van Zwieten huisvesting hadden bekomen, peinsde
+hij ernstig na over de toekomst der conventualen, eenmaal onder zijn
+bescherming staande. Al spoedig was zijn plan een ander klooster voor
+deze zusters te stichten, tot zoodanigen graad van rijpheid gekomen,
+dat hij na verlof van den pastoor van Oegstgeest en bevestiging van
+dit verlof, door den bisschop van Utrecht, in 1431 reeds een zoodanig
+gebouw onder Oegstgeest had laten bouwen, en deze bouwing was reeds
+in het volgend jaar harer ontvlugting, in 1429 begonnen.
+
+De eigenlijke plaats waar het klooster gesticht werd heette toen
+Paddenpoel--Moerassig als de grond was, denkt men in de oudheden van
+Rijnland, dat deze plaats dus genoemd werd, naar deze amphibien, die
+doorgaans op zulke moerassige plaatsen in menigte gevonden worden;--hoe
+het echter zij, stellig weten wij, dat de Heer Van Zwieten na de
+stichting van het klooster aldaar, deze weinig aestetische naam heeft
+laten veranderen, in Sinte Marienpoel of onzer Liever Vrouwenpoel en
+wel op bevel van Zwederus in 1429.
+
+Aan dit klooster werd deze wet voorgeschreven, dat het getal der
+geprofesside nonnen niet grooter dan veertig zoude zijn, en, dat er
+niet meer dan tien leeken of buiten zusters zouden aangenomen worden,
+ten waar, dat het algemeen kapittel, en hij (Van Zwieten) het bij
+zijn leven ook anders mogten verstaan. Ook moesten de nonnen, die
+zoo als wij weten in Schoonhoven en Oudewater tot in Ao. 1414 zusters
+van St. Lijsbeth of Sint Agnes heetten en nader in Oudewater leefden
+naar den derden regel van St. Franciscus, daar sedert de gelofte doen,
+te leven als Reguliere kanonnikessen naar den regel en de instelling
+van St. Augustinus. [223]
+
+De stichtingbrief was door den Heer Van Zwieten bezegeld, en op dat
+deze brief te grooter kracht zoude hebben, heeft hij Willem Klinkaert,
+prior in het klooster den Hem buiten Schoonhoven en Herman Jansz. prior
+van het klooster te Stein bij Haastrecht die tot bezigtigers van dit
+klooster aangesteld waren, verzocht, hun zegel ook aan dezen brief
+te hangen. Dit alles heeft van Zwieten dus gedaan, op het feest van
+Vrouwen Lichtmis in het jaar 1431.
+
+Uit dezen merkwaardigen brief, die wij om zijne uitgebreidheid niet
+in zijn geheel mogen overnemen [224] ziet men tevens, dat de reden
+van deze stichting was eene groote Godsdienstzin, dat hij nog »28
+merghen lants, luttel min of meer" enz. met het klooster, het convent
+in eigendom schonk en de voorwaarden waarop dit plaats greep, dat hij
+in het klooster eenmaal wilde begraven zijn, en wat men voor de ruste
+zijner ziel en die zijner familie aldaar zoude bidden, doch wij zien
+er uit een zekere zinsnede ook tevens, hoe groot de nood was toen de
+conventualen vloden uit Oudewater.
+
+Daarna volgt in meergemelde Rijnlandsche Oudheden een breedvoerige
+brief van de vermelding der landerijen en inkomsten, die hij aan dit
+klooster bewezen heeft. [225]
+
+Voorts bleek het den schrijver uit een ander stuk, dat Boudewijns
+zonen de stichting van hunnen vader bevestigd hebben.
+
+Ook Philips, Hertog van Bourgondie en Graaf van Holland heeft niet
+alleen gemelde stichting in 1445 binnen de Haag bevestigd; doch er
+zelfs nog eenige gunsten aan toegevoegd, waarvan de voornaamsten
+eveneens aldaar genoemd worden.
+
+In 1516 deed Keizer Karel als Graaf van Holland hetzelfde als Philips
+in 1445--en zóó steeg dit klooster in luister, dat toen meester
+Coenraad Pietersz. 's konings gezworen Landmeter in het jaar 1570 op
+het verzoek van den pater de grootte der landerijen opnam, hij bevond,
+dat dezelve 275 morgen 87 roeden was.
+
+Dit convent heeft, zoo als uit een doodboek daaraan behoorende, bleek,
+onder zijne nonnen mogen hebben, dames uit de edelste geslachten
+van Holland zoo als uit de Duivenvoorden, Poelgeesten, Alkemaden,
+Boekhorsten, IJsselsteins, Wassenaars en eene menigte anderen. [226]
+
+Zie daar mijne lezers, u in breede trekken geschetst, hoe dit convent
+uit Schoonhoven en Oudewater gesproten, opkwam en in luister steeg,
+ook nadat de vlugtende nonnen uit Oudewater er het eerst haren
+intrek namen.
+
+Het wordt echter tijd, dat wij ons spoeden van Marienpoel naar het
+in 1428 verlaten klooster in Oudewater.
+
+
+
+In het zelfde handschrift waarvan de inhoud door ons op bladz. 227-229
+hier voren is medegedeeld, en die zooals wij daar zien kunnen,
+betrekking had omtrent het hoe en waar, van het verblijf der zusteren
+in Oudewater vóór derzelver vlugt naar Leiden, vinden wij het volgende
+vermeld:
+
+»Int jaer ons Heeren 1430, coften die susteren van Over Issel al deze
+voersz. husen metten erfrenten daer wise mede ghecoft hadden en de
+mitten lijfrenten die wi daer op vercoft hadden." [227]
+
+Hieruit ziet men dus, dat ons convent uiterlijk ongeveer 2 jaren
+tijds zonder kloosterlingen zal geweest zijn, daar de ontruiming in
+1428 plaats had, en de verkoop aan de zusters van Over IJssel in 1430
+geschiedde: immers, dat die zusters een convent zullen hebben gekocht
+en het niet, nog in hetzelfde jaar zullen betrokken hebben is slecht
+te vooronderstellen.--Wij worden te meer genoopt, dit aan te nemen,
+indien wij de gebeurtenissen nagaan, in 's lands historie bladen.
+
+Vroeger toch hebben wij reeds opgemerkt, dat toen Jacoba met Rudolph
+een partij uitmaakten zij zich hierdoor den haat van Hertog Philips
+op den hals haalde, doch nadat de Cabellaauwschen veeltijds met groot
+geluk streden, werd volgens sommigen, [228] de vrede tusschen Hertog
+Philips en Rudolph van Diephout [229] in den winter van het jaar
+1428 getroffen; doch men sloot toen en nader, meermalen slechts een
+bestand. [230] Uit het oorspronkelijk verdrag [231] toch, ziet met
+zekerheid, dat de vrede niet voor Ao. 1430 geteekend werd.--Alzoo
+hetzelfde jaar, dat de zusteren van Overijssel het klooster van
+Oudewater kochten.
+
+Neemt men nu echter in aanmerking, dat de strijd tusschen Van
+Kuilenburg en Van Diephout in voornoemd jaar echter nog niet ten einde
+was [232], en dat Van Diephout reeds vroeger door de Ridderschap
+en steden van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid tot
+postulaat, Ruwaard en beschermer van het Bisdom aangenomen werd, en
+Zweder alle regtsgebied ontzegd, dan zou men bijna tot gevolgtrekking
+mogen komen, dat deze pas aangekomen conventualen, de partij van
+Rudolphus van Diephout waren toegedaan.
+
+Langzamerhand echter geraakte eenige jaren daarna er een einde aan
+deze kerkelijke twisten (zie de noot hier beneden) en reeds in 1446 was
+het klooster ook in Oudewater tot zoodanigen trap van aanzienlijkheid
+gestegen, dat Philips Hertog van Bourgondie als Graaf van Holland
+toen de volgende ordonnantie rigtte, tot wering der erfenissen van
+de geordende personen te Oudewater.
+
+Genoemd stuk, had echter volgens den Heer van Kinschot wel het meest
+betrekking op de geordende naar St. Franciscus, dus op het St. Ursula
+convent.
+
+
+Philips &c. want binnen onse voorschreve Landen binnen corten jaeren
+gefondeert, gemaeckt, ende begrepen sijn soo veel kloosteren,
+ende vergaderingen van Regulieren, ende Regulierissen, ende van
+broederen, ende susteren van Sinte Franciscus Orde, dat veel te
+veel is nae grootheyt van onze voorschreve Landen, ende noch dagelyx
+meer van den selven begrepen worden; in welcken cloosteren, huyzen,
+vergaderingen die persoonen van den selven soo wel Vrouwen, als Mannen,
+meest alte neringen, ende ambachten doen dat onbehoorlyk is ende hoe
+wel sy aldus geoirde, ende begeven luyden syn, off wesen souden, sy
+hebben hem tot deser tyt toe willen bewinden erve te nemen van haeren
+ouderen, ende dat erfelyk te gehouden, sonder weder uyt te erven,
+ende indien dat dat alsoo lange staen soude, sonder voersienicheyt
+daar op te hebben, sy waeren geschepen, mits dat soo veel syn, binnen
+korten jaeren gemaeckt, alle die landen te getoigen, daer by dat wy,
+ende onse nacomelingen onse diensten verliesen mochten, ende oock
+onse arme gemeynte, ende ondersaten neringloos worden souden, soo
+wel binnen Steden als daer buyten, Ende om hier in te voorsien van
+behoorlyke remedie, soo waeren bij onsen gemeenen Rade, Ridderschap,
+ende Steden onser voorschreve Lande, van Hollandt van Zeelandt ende
+van Vryeslandt geordineert seeckere commissarise, die welcke alle den
+staet van den voorschreven georden, ende geestelyken personen oversien
+souden, ende dair nae te ordineren op dat getal, ende grootheyt van
+den huysen ende vergaderinge van dien, ende oock te oversien haer
+richeyt, ende renten, ende daer nae te voegen, hoe ryk sy souden
+wesen om hoeren staet eerlyk, ende redelyk te houden, ende oock goede
+redelyke ordonnantien met hem te maken ende te overdragen, hoe, ende in
+wat schyn sy voortaen erven souden, innemen, ende uytgeven ende oock
+by testamente, op dat in toecomenden tyden tusschen hem, ende onsen
+waerlycken ondersaeten, niet meerder geschils, noch ongevals gebueren
+en soude, die welcke commissarissen hadden begonnen voor hem te doen
+comen, ende ombieden die overste van sommighen van den voorschreven
+cloosteren, ende vergaderinghen hem op doende die manieren van den
+voorscreven ordonnantien maer alsoo 't scheen, soo en hebben sy hem
+in geenre manieren willen ontdecken den staet van hoeren cloosteren,
+noch goeden, meynende altoos te blyven in hoeren opsette, om erve
+te nemen, ende alsoo alle die landen, renten, ende erven van onsen
+voorschreven landen te rapen ende onder te slaen ende oock met haeren
+neringen, ende ambachten onse waerlycke ondersaeten neringlois te
+maecken ende den arbeyt, ende ambachten te ontrecken, 't welcke ons
+om der redene wille vooschreven, ende oock om andere waerachtige,
+ende merckelyke redene daertoe dienende in geenrewys langher te lyden
+en staet, Ende hebben daerom gheordineert, overdraegen, ende gesloten,
+dat voortaen geen gheoirde luyden, van wat orde dat sy syn, in onsen
+Landen van Hollandt, van Zeelandt ende van Vrieslandt erve nemen en
+sullen van haeren ouderen maeghen noch vryenden in eenigher manieren,
+noch oock niet meer lande, noch erve en sullen koopen noch vercrygen
+bij testament, noch anders in onse voorschreve landen binnen Steden,
+noch daer buyten, tot der tyt toe dat die voorsz. gheoirde luyden,
+by den Commissarisen daer toe gheordineert geweest, off haeren
+gemachticht ghesent hebben sullen om met hem een overdrachte, ende
+ordinantie te helpen ordineeren, hoe, ende in wat schyn zy voortaen
+erven, ende hem hebben sullen in den punten voor verclaert, Ende op
+dat dit eenen yegelyken kondich wesen mach, Soo ist, dat wy ombieden,
+ende beveelen allen onsen Baenridsen, Ridderen, Knapen, Steden,
+Bailjuwen, Drossaten. Officieren, ende ondersaeten over al in onse
+voorschreve landen van Hollandt, van zeelandt, ende van Vrieslandt
+binnen Steden, ende buyten daer desen onsen bryeff gethoont sal
+worden, dat sy den selven onsen bryeff openbaerlyck doen kondigen,
+ende ghebieden op dat een yegelyck hem daer nae mach weten te rechten,
+ende dat sy niet en gehengen dat eenige geoirde luyde voortaen erve
+nemen, noch eenighe lande, noch erve meer en copen, noch en nemen by
+testamente off anders, want dat onse eyntlycke meyninge, ende welle is,
+In Oirconde &c. Gegeven op den acht en twintichsten dach in Octobri,
+Anno ses en veertich. (1446.)
+
+
+Op dezen brief, die wij uit van Kinschot overnemen, volgt eene
+andere ordonnantie van Philips die den 17 Maart 1452 aan de zusters
+van St. Lysbeth in 's Gravenhage gerigt werd, waarin verzachtende
+omstandigheden op den vorigen brief in voorkomen en zij geinstrueerd
+worden, hoe zich omtrent het uitoefenen harer bedrijven te gedragen
+en hoeveel bezittingen zij mogen hebben--achter de originele brief
+stond geschreven:
+
+
+De zusteren tot Oudewater hebben eenen brief van Woorden tot Woorden
+als der zusteren brief van Sint Lysbethen zusterhuis in den Haghe ende
+desen brief van der zusteren tot Oudewater is van der dato veerthien
+daghe in Maert Anno XIIIJc.--LXVJ. na den loip 's Hoefs.
+
+
+En dezen brief nu haalt van Kinschot aan, om te bevestigen, dat in
+Oudewater zusteren van St. Lysbeth geweest zijn--hij kan er echter
+volstrekt geen betrekking op hebben, daar wij immers zagen, dat de
+nonnen van St. Lysbeth of van St. Agnes reeds in 1414 deze orde
+verlieten, voor die van den derden regel van St. Franciscus.--De
+oorzaak zijner dwaling is onzes inziens gemakkelijk te begrijpen; hij
+heeft zich laten verleiden, door dat de zusters van St. Lysbeth uit
+'s Gravenhage zoodanigen brief kregen en de zusteren van Oudewater 4
+jaren later een zelfden--er wordt daarin echter kortweg van zusteren
+gesproken, zonder vermelding der orde waartoe zij behoorden; men
+beschouwe alzoo dezen brief als gerigt, tot de zusters van het Ursula
+convent, dat wij in dit hoofdstuk beschrijven.
+
+Het aantal conventualen, zal aanmerkelijk toegenomen zijn, immers
+wij moeten het bijna hieruit opmaken, door dien er in Ao. 1572 een
+groot gedeelte van dit convent naar Utrecht ging. De stadsrekening
+van dat jaar toch, vermeldt eenige onkosten voor dezelver onderhoud
+aldaar betaald; echter belettede deze delogering niet, dat er in het
+jaar 1575 een aanzienlijk aantal zusters in het klooster waren.
+
+Op het gemeente-archief is aanwezig, een register van boekhouding van,
+en aanteekeningen omtrent de landerijen en erfpachten en renten van dit
+convent, over de jaren 1538-1559 en van 1578 tot 1579. De inzage dezer
+stukken doet ons zien, dat die bezittingen zeer aanzienlijk waren.
+
+Volgens resolutie der Staten van Holland dd. 23 Mei 1577 moesten
+de goederen van dergelijke gestichten, aan iedere stad daar dezelve
+gevonden werden, in eigendom komen. Men heeft echter alhier niet zeer
+spoedig gevolg aan de uitvoering dezer resolutie gegeven, immers eerst
+den 10 Junij 1582 (dus na een tijdsverloop van ruim 5 jaren) werd
+door de regering van Oudewater en de conventualen, eene conventie
+ten deze gesloten, waarbij aan de laatsten, voortaan een bepaald
+jaarlijksch inkomen zoude worden uitgekeerd, dat tot dezen tijd toe,
+niet geregeld was geschied. Bij deze overeenkomst werd de ouderdom
+tot grondslag genomen en tevens bepaald, dat bij overlijden van eene
+der zusters, dit eene verhooging van inkomsten voor de overblijvenden
+zouden ten gevolge hebben. (Zie hier achter.)
+
+Eene echter, was er in het convent, die met zeer veel onderscheiding
+bejegend werd, namelijk de procuraetster Emmetje Goossensdochter,--en
+geen wonder: toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden en innamen,
+was zij het voornamelijk, die troost bood waar troost te bieden was,
+en smarte lenigde waar smarte te lenigen was, en o wij weten het uit de
+historiebladen, de nood was er zoo hevig en de angste was er zoo groot!
+
+Deze Emmetje Goossensdr., wordt dan ook inzonderheid in diverse
+resolutien van den magistraat geroemd, om de getrouwe diensten door
+haar bij den overval bewezen en haar pensioen is uit dien hoofde
+meermalen verhoogd geworden, als anderen deze onderscheiding niet te
+beurt mogt vallen.
+
+De bezittingen van het convent werden »apart" geadministreerd en
+de pater, mater, procuraatster en leden (hierna te noemen) bleven
+den 25 Augustus 1584 borg bij de regering, voor hunnen rentmeester
+Jan Jansen Coppert. Beide originele stukken: het laatste door al de
+conventialen onderteekend, berusten ter secretarie.
+
+Bij de opheffing dan van dit St. Ursala-convent, vinden wij vermeld,
+dat er in waren de navolgende conventualen:
+
+
+Pater. Jan van Alerdinck.
+Mater. Marrigje Willemsdochter de Lange, oud 52 jaren.
+Procuraetster. Emmigje Goossensdochter, » 52 »
+Zusters. Tryntje Thonisdochter, » 83 »
+ » Geertje Jansdochter, » 60 »
+ » Tryntje Simonsdochter, » 34 »
+ » Heiltje Willemsdochter, » 48 »
+ » Anna Pietersdochter, » 56 »
+ » Pietertje Pietersdochter, » 31 »
+ » Marritje Gysbertsdochter, » 36 »
+ » Machteld Gysbertsdochter, » 31 »
+ » Marretje Ariensdochter, » 52 »
+ » Jannetje Thonisdochter, » 33 »
+ » Marrichje Cornelisdochter, » 60 »
+ » Urseltje de Caesaris, » 73 »
+
+Was innoncent, en werd voor rekening van het convent, in het gasthuis
+te Gouda onderhouden.
+
+ » Marrigje Dirksdochter, oud 72 jaren.
+ » Pyn Jansdochter, » 60 »
+ » Lysbeth Jacobsdochter, » 32 »
+ » Tryntje Hillebrandsdochter, » 61 »
+ » Cornelia Joostensdochter,
+ » Bregje, kort daarna overleden.
+
+
+De basis des ouderdoms nu, die gevolgd werd omtrent het pensioen der
+conventualen, ingevolge het besluit van 1582 was als volgt:
+
+
+ Die van 60 jaren en daarboven oud waren 's jaarlijks f 60,--
+ » » 50 » tot beneden de 60 jaren » » 50,--
+ » » 40 » » » » 50 » » » 42,--
+ En die beneden de 40 » » » 36,--
+
+
+In vier driemaandelijksche termijnen moest deze jaarwedde worden
+betaald. Ook was het conditie, dat, als de jongste der conventualen,
+met ter tijd kwamen tot een ouderdom van 40, 50 of 60 jaar hun
+pensioen alsdan zoude worden verhoogd, en zoo het gebeuren mogt, dat
+zij door hoogen ouderdom, of langdurige ziekte, van hunne jaarwedde
+niet konden leven, er dan in alle billijkheid in zou worden voorzien,
+en dat hunne woning voor rekening van de stad in een »ordentelijken"
+staat zoude worden onderhouden.
+
+Zooals in het verdrag bepaald was, konden zij dus in alle stilte
+in het klooster haar leven eindigen, en St. Jacob 1582, was voor
+de conventualen de beslissende dag, dat hare jaarwedde op genoemde
+conditien begon.
+
+Emmigje Goossensdochter werd, hoezeer slechts 62 jaren oud zijnde,
+gerekend boven den 60 jaar te zijn, voor haar weldoen voor en na den
+moord altoos gedaan.
+
+Cornelia Joostensdochter, wier ouderdom niet vermeld is, was gesteld
+op half geld, haar jaarlijksch pensioen was niet meer dan f 23;
+mogelijk was zij slechts eene werkzuster.
+
+Dat evenwel de goederen van dit convent, niet dadelijk, maar langzaam
+onder het bestuur der regering of van den rentmeester gekomen zijn,
+schijnt ons toe te blijken uit de vermeerdering van inkomsten,
+aangeduid in eenige nog aanwezig zijnde rekeningen van de bezittingen
+van dit convent, [233] na dien tijd.
+
+Den 14 Januarij 1613 requesteerde de conventspater Jan van Alerdinck,
+wiens pensioen even als dat der andere conventualen reeds meermalen
+verhoogd was, om eene vermeerdering zijner jaarlijksche toelage van f
+100. Hierop werd echter geapostuleerd, dat, »soo wanneer de supplt. de
+brieven van 't incomen van 't oude convent volgens belofte bevorens
+gedaan, zal hebben overgelegd, alsdan zijne alimentatie zal worden
+verhoocht zooals behooren sal" en eenigen tijd daarna werd zijn
+pensioen op 200 Gulden ook bepaald.
+
+De laatste verhooging der jaarlijksche toelage aan de twee laatst
+overgeblevene zusters--Marrigje Gijsbdr., en Jannigje Thonisdr.,
+die steeds zijn blijven voortgaan met zieken op te passen enz.,
+is volgens resolutie van den magistraat in 1631 gebragt tot 200 Gulden.
+
+Na het overlijden van allen, is de rekening dier goederen bij die der
+stad gevoegd, onder den naam van rekening der stad en het St. Ursula
+convent.
+
+Na de omwenteling van 1795 is het laatste vervallen, en de bezittingen,
+met uitzondering van eenige kleine renten, voor de helft der 18. eeuw,
+allen verkocht.
+
+
+
+Wij mogen onze schets niet eindigen, zonder aan het kloostergebouw
+zelve nog kortelijk de aandacht te bepalen. Beziet men het klooster
+op Stoops schilderij in 1775, dan ontwaart men langs de zuidzijde,
+of daarnaar haren naam dragende straat het klooster, een vrij
+aanzienlijk gebouw, waarvan in onzen tijd echter geen spoor meer
+overig is, daar het reeds lang voor den sloopenden tand des tijds
+viel; maar toch... wij zijn eenigzints onjuist, immers, wat gewaagt
+men nog dikwijls bij vergravingen van een onderaardschen gang, die
+naar de kapel leidde, wat spreekt men nog veel van de menigte kelders,
+van het groot aantal fondamenten en van de duizendtallen steenen, die
+men uit den historischen bodem opgraaft, als ook van het ontdekken der
+put »daar wi visch in hielden in het water in vloeide ende ebbede," die
+in 1827 ontdekt werd! en immers ook de convents-kapel, het zoogenaamde
+»kerkje" doet ons nog dikwijls aan het St. Ursula convent denken. Alzoo
+van dit gebouwtje, dat nog bestaat, zal men nog wel het een en ander
+van zijne verschillende bestemmingen enz. kunnen opduiken.
+
+Reeds in 1578 vinden wij gewag gemaakt, dat het klokje, dat in het
+torentje der kapel hing, publiek verkocht werd voor XIIJ Gulden XVIIJ
+st., en nog in hetzelfde jaar werd het kapelletje, ten minste zeker
+een gedeelte daarvan tot eene school ingerigt; men heeft toen tevens
+den leidekker aanbesteed het dak te repareren.
+
+De beoefenaars der uiterlijke welsprekendheid hielden daar ook oudtijds
+(schrijft de Heer van Kinschot in 1747) hunne bijeenkomsten en tevens
+werd het »kerkje", zooals nog in onze dagen, als locaal gebruikt tot
+uitdeelingen van verschillenden aart aan de behoeftigen.
+
+Nog in 1747 weten wij stellig, dat het »kerkje" tot stads school
+gebruikt werd, de laatste is sedert echter meer achterwaarts uitgebouwd
+en de kapel werd ingerigt tot woonhuis! waarschijnlijk is dit geschied
+in 1785, daar wij aangeteekend vinden, dat het in laatstgenoemd jaar
+aanmerkelijke vertimmeringen onderging. Voor eenige jaren vergaderde
+in het gebouwtje onzer beschrijving het muziekgezelschap Amicitia et
+Harmonia, en tegenwoordig wordt hetzelve tweemalen 's weeks gebruikt,
+tot repetitie-plaats van eene liedertafel, Crescendo genaamd.
+
+In het jaar 1857 werd het reeds vroeger van zijn klokje beroofde
+torentje, publiek geveild en verkocht voor eene som van f 81--, en wij
+schrijven het noode ter neder, het griefde ons toen wij den slooper
+het breekijzer zagen stooten in het torentje, dat zich zoo lief van
+buiten en binnen de stad voordeed; toch, wij minnen het gebouwtje
+nog, o, het herinnert ons zooveel; somtijds gebeurt het, dat wij ons
+alleen daarin bevinden en dan, als wij zonder stoornis van anderen,
+onze gedachten den vrijen teugel kunnen vieren, dan verdwijnen soms in
+den geest de weinige kamermeubels, voor de nederige bidstoeltjes der
+nonnen, het tegenwoordige prosaïsche winkeltje maakt plaats voor het
+St. Ursula altaar; dan zien wij den geurigen wierrookwalm ronddwarlen
+om den zwartgedoschten nonnenstoet, en wij hooren de orgeltoonen
+ruisschen en de nonnen het Ave aanheffen, en het geluid wordt ernstig
+en plegtig teruggekaatst door het gothische koorgewelf; maar dan,
+als de verbeelding heeft plaats gemaakt voor de werkelijkheid, dan is
+de bidkapel weer ledig en de toonklank van het orgel vergaan, en het
+gezang der zusters wordt niet meer gehoord; toch zoo denken wij dan,
+schijnt het, dat er iets hemels, iets schoons, het gebouwtje bleef
+en blijft omzweven: immers onderrigting en beschaving der jeugd,
+uitoefening der liefdadigheid, beoefening der redekunst en poezij,
+later de repetitien van de edele toonkunst, niet waar? dit alles
+regtigt ons met de meeste billijkheid, te zeggen: de kapel van het
+St. Ursula convent, speelde ook na hare suppressie eene verhevene en
+aestetische rol in mijne vaderstad!
+
+
+
+De tegenwoordige huizinge voor zusters naar den derden regel van
+St. Franciscus orde te Oudewater.
+
+Nadat gedurende ruim twee eeuwen, de zusters op de hiervoren aangeduide
+wijze in deze plaats waren verdwenen, scheen men er binnen eenige
+jaren bijzonder aan te denken, weder een convent van nonnen naar
+den derden regel van St. Franciscus van penitentie te Oudewater op
+te rigten. Voor het jaar 1857 was het bestemd aan deze gedachten
+uitvoering te kunnen geven. Immers reeds op den 29 Maart van gezegd
+jaar, werd er uit Rotterdam verzoek gedaan, tot het voorschreven
+doeleinde een huis op de korte Have, onder No. 53 aangeduid te
+koopen, en eenigen tijd daarna, werd door den Heer Johannes Putman,
+als lasthebbende, dit perceel dan ook aangekocht voor eene som,
+met de daaronder begrepen onkosten over de f 5000--beloopende.
+
+Dit van buiten en binnen vrij aanzienlijk huis, was weldra, door de
+noodige veranderingen, tot eene geschikte nonnenwoning geconstrueerd,
+zoo dat nog in hetzelfde jaar 1857 eenige zusters uit een Rotterdamsch
+zustershuis, in deze plaats zich met ter woon vestigden.
+
+Deze zusters staan onder het opzigt van den Bisschop van Haarlem,
+terwijl aan het hoofd dier orde gesteld is, eene zoogenaamde algemeene
+overste der religieuse recollectinen penitenten, van de orde van den
+H. Franciscus te Rotterdam.
+
+Voornamelijk maken deze nonnen ook hare bezigheid van het opvoeden en
+onderwijzen van kinderen, waardoor zij tevens in hare dagelijksche
+behoeften moeten voorzien.--Dat zij daarin vrij wel naar wensch
+geslaagd zijn, schijnt ons toe uit de nadere inrigting van eene schuur
+tot schoollocaal, die de zusters kunnen genaken, door den tuin harer
+huizinge, waaraan deze school, die aan de Achter of Wijngaardstraat
+gelegen is, grenst.
+
+
+
+
+Het voormalige Cellebroers en Zustershuis te Oudewater.
+
+»In de oudheden van Hugo van Heussen," zoo vermeldt Kinschot,
+»wordt ook vermeld van een cellebroers en een cellezusterenhuis,
+wier laatsten, haar werk maakten om de zieken te bedienen en op te
+passen, even als de eersten, om de dooden te begraven; doch ons is bij
+streng onderzoek geen meerdere stof ter beschrijvinge van derzelver
+gesteltenis, gewoonten enz. voorgekomen." [234]
+
+Hier doet zich dus de ernstige vraag op, zijn er wezenlijk in Oudewater
+de Cellebroers geweest? Niet een document op het gemeente archief
+pleit voor hun daarzijn in vroeger tijd; niettemin, wij mogen van
+Heussen niet regtstreeks tegen spreken, hij zal bij het beweeren,
+dat zij hier gewoond hebben, wel zijn reden gehad hebben. Cellezusters
+echter, zijn hier zeker geweest. Immers ook de overgeblevene van deze
+corporatie werden ingelijks, mits voortgaande met hunne Christelijke
+werkzaamheden, een gelijk pensioen als die van het St. Ursula convent
+toegelegd. [235]
+
+Bij resolutie van den magistraat dd. 3 April 1594 werden van Anna
+Gerritsdr. »de brieven" geeischt, met ontslag van den eed niet meer
+voor de zieken te gaan. Zuster Anna Dirksdr. de papieren van dit
+gesticht overgelegd hebbende, is de laatste van wie wij eenig berigt
+vonden. [236]
+
+Alleenlijk rest ons dus hiervan nog te vermelden, dat het gebouw,
+waarin deze geestelijke personen woonden, gehouden wordt voor het
+tegenwoordig nog zoogenaamde ziekenhuis, waarvan ter gelegener tijd
+zal worden gesproken. [237]
+
+Sedert lang zijn ook de cellebroers te Oudewater, indien zij er ooit
+geweest zijn, den weg van alle vleesch gegaan, zij rusten dan reeds
+lange ter plaatse, waar zij eertijds hunne natuurgenooten zoo dikwijls
+heen bragten, in den zwarten schoot der aarde.
+
+Opmerkelijk is echter, met deze cellebroers het navolgende eenigsins
+in verband te brengen.
+
+De plegtigheid en stille ernst, zoo zeer passende aan eene begrafenis,
+liet voor eenige jaren te Oudewater, soms nog al iets voor den
+behoeftigen stand, te wenschen over. Om deze en alligt meerdere
+redenen, kwam de eerw. pater Rooters op eene gelukkige gedachte.
+
+Hij noodigde namelijk een 26tal jongelingen, allen van den
+fatsoenlijken burgerstand uit, om de lijken van minvermogenden van
+beiderlei kunne en zonder onderscheid van ouderdom steeds »de laatste
+eer" eene plegtige begrafenis te verschaffen en tot veler blijdschap
+gelukte deze poging naar wensch. Op den 23 Januarij 1857, werd den
+eerwaarden oprigter van wege het parochiaal armbestuur, in zijne toen
+gehouden vergadering berigt, dat deze vereeniging de belangstelling
+der gemeentenaren in hooge mate had opgewekt, en tevens werd door
+genoemd bestuur den wensch uitgedrukt, dat het nageslacht er nog die
+vruchten van mogte inoogsten, die men nu reeds van die vereeniging
+zoo ruimschoots genoot.
+
+En inderdaad, het is plegtig te zien, hoe deftig en ernstig de
+begrafenis van een behoeftigen medemensch door deze jongelingen
+geschied.
+
+Behoudens onze vroegere aanmerking, zeggen wij gerustelijk: er bestaat
+wezenlijk eenige overeenkomst, tusschen de cellebroers van vroeger
+en de zich noemende parochiale dragers in onzen tijd. [238]
+
+
+
+
+Het voormalige riddermatig verblijf der St. Jans Ridders te Oudewater.
+
+Nog ééne geestelijke orde, die te Oudewater eertijds bestond, dient
+vermeld te worden; ik bedoel de St. Jans Ridders wier commanderie
+onder het landcommandeurschap van Utrecht stond.
+
+Wij gaan dadelijk bewijzen, dat zij te Oudewater zoodanige riddermatige
+huizinge gehad hebben, uit de navolgende.
+
+
+ Ordonnantie, roerende Tieleman Batenburch en het St. Jans Huis
+ te Oudewater.
+
+ Wi Willem, grave enz. maken cont etc., dat Tieleman Batenburch van
+ Oudewater quam voer ons ende droech op en vrey eigen onsen lieven
+ ende getrouwe Heeren Jacob Bisschop van Suden sine woninge die hy
+ liggende hevet binnen onser porte van Oudewater mid erve ende met
+ visschery en alsoe groet alse Tiedeman voorschreve daer liggende
+ hevet, ende belegen hevet an die nortside Dierc Rapneys, ende
+ an die suutsyde Pieter Cesepeirmit, welcke wooninge voorschreve
+ Hais Jacob Bisschop van Suden voorschreve verliede Tiedeman
+ Batenburch toet sinen leve, ende na siene doet weder te comen op
+ den Bisschop van Suden ende op Sinte Jans huse te Oudewater der
+ oerden van Sinte Jans erfliken te bliven, in oerconde hier off,
+ soe hebben wi dezen brief besegelt met onsen segele. Gegeven
+ in de Hage des dinsendages na Sinte Jansdach uitgaende biechte,
+ int jaer ons Heeren duisent drie hondert vijf en twintigh.
+
+ Per episcopum Sudenum et Synomen de Butim. [239]
+
+
+Duidelijker bewijs voor hun bestaan te Oudewater is wel niet aan te
+voeren, zoodat het geschrevene daarvoor reeds genoeg zoude zijn. Wij
+zijn echter nog in de gelegenheid er meerder van te schrijven.
+
+Zij moeten naar onze meening in genoemd jaar 1325 reeds in vrij groote
+getale hier aanwezig zijn geweest, daar in 1326 des vrijdags voor
+St. Bartholomeus dag door gemelden Graaf Willem aan de broeders van
+het St. Jans huis te Oudewater in eigendom werd gegeven, een hofstede
+naast hun kapel gelegen, om een kerkhof te maken. Voorts bestaat er
+onder de oude keuren van Oudewater eene van St. Bartholomeus dach in
+jaer ons Heeren Duisent vier Hondert vijf en vijftig, waarvan het einde
+[240] aldus luidt: »ende oock mede het Broederschap van St. Jans van
+hare renten, mogen mede in bieden als voorsz. is."
+
+Van deze Malthezer of St. Jans Ridders, waarvan het capittel steeds
+te Utrecht gevestigd was, vindt men vermeld, dat hun commandeur van
+Oudewater in 1559 prior van die orde was, en dat hij sterk doleerde
+tegen het onregt, dat Philips II, koning van Spanje bij de invoering
+der Bisdommen, die orde aandeed. [241]
+
+Wat er van de goederen dezer orde nader gewierd, is bekend. Onder
+de negen commandeurs echter, die de staten van Utrecht in 1651 nog
+aanstelden, wordt die van Oudewater de tweede genoemd. [242]
+
+De vele pogingen sedert het laatst der 16de eeuw aangewend, om van
+den commandeur van St. Jans orde alhier, terwille van de behoeftigen
+behoorlijke alimentatie te mogen hebben, uit de goederen van den
+commandeur, of dat hij alhier met ter woon zal mogen komen en
+uitdeeling aan de minvermogenden te doen naar ouder herkomen, den
+16 October 1583, bij de magistraat der stad besloten, aan Willem I,
+prins van Oranje te verzoeken, zijn vruchteloos geweest; zoo ook alle
+latere pogingen hiertoe aangewend. [243]
+
+Het huis der St. Jans Ridders is hoogst waarschijnlijk gelegen geweest,
+voor zoover men uit oude transporten en andere stukken kan opmaken,
+aan het einde van de St. Jansstraat, die voorheen een aantal huizen
+bevattede en ook haren naam wel van die orde bekomen zal hebben:
+alzoo aan de oostzijde der stad nabij de Wijngaard of Achterstraat,
+en de nu geamoveerde Waardpoort.
+
+
+
+
+Het Weeshuis.
+
+Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij
+de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij
+aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en
+vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt
+maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken,
+belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst,
+dit gebouw van liefdadigheid.
+
+De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit,
+die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het
+opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt,
+u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve
+toedacht.
+
+Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen
+eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding
+gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie,
+leest men:
+
+
+ Bedenckt de arme weesen 1613.
+
+
+Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan
+bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar
+de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu
+geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer." Hier valt
+het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de
+grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het
+is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651,
+en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het
+gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een
+schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en
+begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop
+de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden
+ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder"
+een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.
+
+Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog
+dit versje:
+
+
+ De weesen deser stad
+ In haere jonge jaeren,
+ Ontbloot van oudersgunst,
+ Opvoeding en bewaeren,
+ Genieten in dit Huis
+ Lyf- en Zielsonderhout,
+ Dies syn sy schuldig,
+ God te danken menigfout."
+
+
+Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de
+weezen in 1651 alhier kleedden--eene bijzonderheid, die naar onze
+meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.
+
+Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten,
+waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te
+meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst
+van penseelbehandeling is.
+
+Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en
+volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden,
+Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.
+
+Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van
+Velzen, en het derde--zijnde een vrouwenportret--van Jannigje Joostens,
+hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.--Deze drie personen,
+hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op
+zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan
+te rigten.
+
+Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone
+wijze gevierd.
+
+Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat
+ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan
+het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.
+
+Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en
+Schepenen twee goede vreedzame personen, meer dan dertig jaren oud
+zijnde, tot Weesmeesters.
+
+De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebben over, en kennis te
+nemen, van al de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen,
+onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen
+en aan hunne zorg werden toevertrouwd.
+
+Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze
+personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te
+mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze
+magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het
+vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne
+betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren. [244]
+
+»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt
+behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren
+of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen
+is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen
+erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer,
+en voorts alles doen, 't geen goede ende getrouwe weesmeesteren,
+naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen."
+
+Uitgenomen de nu besproken Weesmeesters, werden er nog ieder jaar op
+Vrouwe Lichtmissedag (2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen,
+drie personen tot Weesvaders gekozen, waaruit een tot boekhouder
+enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het
+gesticht.
+
+Deze Weesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen
+onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne
+bediening achtervolgd worden, zoo als genoemde magistraten te rade
+kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eed bij het
+aanvaarden van de betrekking als Weesvader aan Burgemeesters te doen
+was als volgt: [245]
+
+»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen,
+en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de
+voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren
+en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of
+vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen,
+of in gewigtige zaken [246], van de vroedschappen dezer stede. Dat
+zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen,
+goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen,
+wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective
+diensten, schuldig is, en behoort te doen:
+
+Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen,
+als bij de keuren gesteld is.
+
+Terwijl over de meer directe behoeften der weezen, (verzorging,
+spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader"
+en eene »binnenmoeder."
+
+En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen
+ook geene weesvaderen door Burgemeesters en Schepenen meer benoemd;
+terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, het weeshuis tot huisvesting
+van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.
+
+Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende
+weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie
+Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog
+steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert
+eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna
+uitsluitend, zoodat eene oud binnenmoeder bewoond wordt.
+
+De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd
+door eenige regenten. [247]
+
+Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857
+en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en het Weeshuis
+gedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.
+
+De bibliotheek van het departement tot nut van 't algemeen, afdeeling
+Oudewater is berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.
+
+Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw
+konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het
+
+
+
+
+voormalig Arm of Ziekenhuis
+
+te berigten.
+
+Dit gebouw is gelegen bij het Weeshuis, ten zuiden der straat genaamd
+het Klooster en ongeveer aan de Vestingwal van dàt gedeelte der stad,
+waar eertijds de Waardpoort zijne spitsen verhief. Schrijvende over
+de Cellezusteren, (zie bladz. 251) hebben wij reeds opgemerkt, dat de
+laatsten eertijds hoogstwaarschijnlijk daarin haar verblijf zullen
+gehad hebben, en wij stipten daarbij tevens aan, dat het later tot
+gevangenis eenigen tijd gebruikt werd.
+
+Het tijdvak evenwel juist te bepalen, dat dit huis tot gevangenis
+diende, is ons niet gelukt te ontdekken, zeker echter is het, dat
+het in 1747 gebruikt werd tot Arm of Ziekenhuis, dat men er toen
+»berooide en gebrekkige ingezetenen" in voedde en oppaste, en dat
+deze zorg was toevertrouwd aan het opzigt enz. van een binnenvader
+en eene binnenmoeder. [248]
+
+Sedert Julij 1829 werd het Weeshuis als zoodanig echter gebruikt, en
+het Ziekenhuis dus onnoodig geworden zijnde, werd dit den 10 November
+1829, door de regering der stad publiek verkocht.
+
+De bestemming van het gebouw is sedert verdwenen, daar er tegenwoordig
+eene boerderij in uitgeoefend wordt, doch vrij algemeen, draagt het
+gebouw nog den naam »het Ziekhuis."
+
+
+
+
+Het voormalige Gast- en Proveniershuis.
+
+Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten,
+eenigzins noordelijk gedeelte der stad, de steeg voerende van de
+markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan,
+en wordt om deze reden nog de Gasthuissteeg genaamd.
+
+Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat
+de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer
+Van Kinschot [249] dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd
+gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen
+kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene
+thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst,
+en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele
+gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der
+zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden."
+
+De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de
+stichter was heer Egbert Speijers, pastoor te Berkenwoude Oudewatersche
+van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.
+
+Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede
+vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot
+bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en
+anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste
+wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der
+ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het
+Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat
+wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.
+
+In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van
+de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop,
+verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen
+werden dan provenieren genoemd, en tengevolge van dien, droeg het
+Gasthuis ook wel sedert dien tijd, den naam van Proveniershuis.
+
+De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het
+beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was
+gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259
+kenbaar gemaakt [250].
+
+Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en
+West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786
+werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een
+artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter
+berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog,
+de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke
+plaatse, van zal geschreven kunnen worden.
+
+
+
+Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke
+gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten,
+en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte
+van uit een liefdadig gesticht in een artillerie magazijn. Het is
+daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin
+te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen,
+die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten,
+mogen als sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in
+aanmerking komen.
+
+Uitgenomen 4 hoofdpoorten, had Oudewater eertijds nog 2 kleine poorten,
+die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op
+de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden
+genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad
+lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der
+Oude Huigensteeg.
+
+In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740
+en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op
+Stoop's schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne
+gedaante en gelegenheid.
+
+Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:
+
+
+
+
+de voormalige IJssel of Veerpoort.
+
+Eigenlijk zijn er twee IJsselpoorten geweest, die echter beiden gelegen
+waren, in het zuidwestelijk gedeelte der stad, bij de rivier de IJssel,
+waarom zij IJsselpoort genoemd werden.
+
+De oudste IJsselpoort, stond ten zuidwesten der Romeinbrug, naast de
+nu geamoveerde Romeintoren. Hare standplaats, was alzoo van uit de
+stad aan de binnenzijde van den IJssel.
+
+Langs deze zijde der stad, was Oudewater dus niet zoo groot als
+tegenwoordig, want de IJssel, die nu door de kom der gemeente aan twee
+zijden begrensd wordt, was toen ter tijde de natuurlijke grens van
+Oudewater ten Oosten en zekere streek genaamd het veer of IJsselveer
+ten Westen; van daar, dat men haar ook de Veerpoort noemde.
+
+Deze streek genaamd het Veer, kwam echter bij octrooi der staten van
+Holland dd. 2 November 1585 [251] onder het regtsgebied van Oudewater,
+werd later binnen de stadswallen getrokken en van dien tijd moest
+de tweede IJsselpoort, dus gebouwd worden, van uit de stad, aan de
+buitenzijde van den IJssel.
+
+Deze poort, waarin de bezetting de hoofdwacht hield, was aan de
+stadzijde, naar de Dorische orde gebouwd, terwijl de gevel voorzien
+was, met de wapenen der steden Delft, Oudewater en Alkmaar.
+
+Ten jare 1779 werd deze poort afgebroken en weder opgebouwd, doch de
+hoofdwacht werd sedert verlegd, in een daarnevens geplaatst gebouw,
+waarvan wij ter behoorlijke plaatse zullen schrijven.
+
+De IJsselpoort, zoo als wij schreven in het laatst der voorgaande
+eeuw gebouwd, was echter reeds in 1815 bouwvallig geworden, van daar,
+dat men in laatstgenoemd jaar het bovengedeelte afbrak, en men van
+toen alleen als IJsselpoort, twee ongewelfde steenen muren door een
+hek gesloten, te beschouwen had.
+
+Wederom ter oorzake van bouwvalligheid, besloot men in 1856 dit
+gedeelte der poort te verkoopen, waarop nog in het zelfde jaar de
+afbraak volgde; alleen twee net bijgepleisterde steenen muurtjes,
+waarvoor nog altijd twee kanonnen geplaatst staan, roepen als nog:
+hier verhief zich eenmaal de Veer of IJsselpoort.
+
+
+
+
+De voormalige Broekerpoort.
+
+Zij lag aan de noord westzijde der stad, insgelijks kort aan
+den IJssel. Haar uittredende, voert de weg u naar de boerenbuurt
+Diemerbroek en ongetwijfeld is zij haren naam daaraan verschuldigd,
+zoo ook de Broekerstraat nabij deze poort gelegen.
+
+De binnen en buitengevel van dit gebouw, waren eertijds versierd
+met fraaije hardsteenen kantelingen; later zijn deze weggenomen,
+en de vier zijden met een Italiaansch dak toegekapt.
+
+Deze poort deelde Ao 1856 in hetzelfde lot van hare zuster de
+IJsselpoort; ook zij werd publiek verkocht en tengevolge van dien
+gesloopt. Voor zoover wij konden nagaan, vindt men niet aangeteekend,
+noch bij eenig schrijver noch in eenig stuk op het gemeente archief,
+van wàt jaar deze poort dagteekende en dewijl er ook op het gebouw
+zelf, zich in onze dagen geen jaartal vertoonde, is deze poort
+gevallen, zonder den naneef te bevredigen, als hij vraagt, in wat
+jaar verrees aan de noord westzijde van Oudewater de Broekerpoort?
+
+
+
+
+De voormalige Linschoterpoort.
+
+De Linschoterpoort stond aan de noordoostelijke zijde van Oudewater
+en verschafte den uitgang naar de boerenbuurten, de heerlijkheid,
+en het dorp Linschoten waarnaar zij dus genoemd werd.
+
+Zij werd veranderd van een slot tot poort, in het jaar 1672, zooals
+ten duidelijkste bleek uit het volgende opschrift in de architraaf
+van het gebouw aan de stadzijde uitgehouwen, en door ons vóór de
+amovering nageschreven:
+
+
+ DEN EERSTEN (STEEN) VAN DESE POORT HEEFT GELEYT
+ CORNELIUS AMELIUS, SONE VAN MR. JOHAN DE KONINCK
+ OP DEN 6 APRIL Ao. 1672.
+
+
+Zij was gebouwd naar de Dorische orde, voorzien met drie kruisboogen
+waarin de hameije even als in al de overige poorten niet ontbrak,
+en had ruim 47 voeten lengte.
+
+Vooral aan de buitenzijde, was het een allerschilderachtigtst
+poortje met zijne gaanderij en vier bevallige boogen of openingen,
+die een riant vergezigt over het omliggende landschap aanboden, en
+haar vriendelijk voorkomen werd niet weinig verhoogd, door de met
+vijf boogen voorziene brug, die er vóór lag. Zóó vertoonde zich een
+en ander tot in 1857, als wanneer in Augustus des laatstgenoemden
+jaars deze poort en die brug, publiek werden geveild en verkocht,
+de poort voor 660 en de brug voor 110 Gulden [252].
+
+
+
+
+De voormalige Waard of Utrechtsche poort.
+
+Deze is de laatste der vier hoofdpoorten, die ons nog ter beschrijving
+rest. Zij stond aan het zuidoostelijk gedeelte der stad, voerende
+naar de buurt Snelrewaard en naar de stad Utrecht en hierdoor is ons
+hare naamreden dus niet twijfelachtig.
+
+Dit gebouw had eene lengte van 11 1/2 bij een breedte van 6 1/2 Ned. el
+terwijl haar verwulfsel met drie kruisboogen gemetseld was. Ook
+deze poort kon op fraaiheid aanspraak maken. Aan de binnenzijde
+zag men in den gevel in het midden, het wapen van Oudewater, aan de
+regterzijde dat van Delft en ter linker, dat der stede Alkmaar net
+in Bentheimersteen uitgehouwen met het jaartal 1607, terwijl aan
+de buitenzijde der poort, de hollandsche leeuw was aangebragt, met
+het onderschrift Hollandia en insgelijks met voornoemd jaarcijfer,
+dat het tijdstip der stichting dezer poort aanduidde.
+
+Later zullen wij trachten te ontvouwen, waarom men de wapens dezer
+drie voornoemde steden, zoowel op de twee reeds genoemde poorten,
+als op andere openbare gebouwen in Oudewater en in de twee andere
+steden aantreft; doch mij dunkt die hollandsche Leeuw daar buiten, aan
+de Waardpoort hij had zoo zeer zijne beteekenis, Oudewater had, zoo
+dikwijls met het trotsche Sticht in onmin gelegen, en de Stichtschen
+zij hadden het ook menigmaal met groot verlies ondervonden, als zij
+met die van Oudewater streden! mij dunkt die Leeuw met zijn opgeheven
+klaauw, stond daar zoo tergend voor die van Utrecht juist aan die
+zijde van het gebouw, dat bij andere poorten, dat voor--of tegen--had,
+dat zij meest uitsluitend naar de provincie Utrecht voerde! [253]
+
+Nog ten tijde van den Heer Van Kinschot (Ao. 1746) was deze poort
+ter linkerzijde van uit de stad, voorzien met een spits torentje,
+deze spits is er van echter reeds ten jare 1784 weggebroken.
+
+In het jaar 1607, dat van den bouw der poort, werd ook de nu
+sedert lang gedempte brug met 5 boogen, die er eertijds vóór lag
+gebouwd. [254] Ook hiervoor is in de plaats gekomen, eene kleine brug
+voor de communicatie te water in de stadsgrachten.
+
+Niet onvermeld mogen wij laten, dat deze poort min of meer langen tijd,
+tot gevangenis voor militairen is gebruikt geweest.
+
+Maar in Augustus 1857, werd ook deze poort in publieke veiling
+gebragt en verkocht voor f 760,00 en eenigen tijd daarna werd slooping
+bewerkstelligd [255].
+
+Oudewater in anno 1265 tot een stad gemaakt [256] was in 1858 veranderd
+in een soort van vlek!
+
+
+
+Deze vier poorten, behoorden, toen de vesting in welstand was [257]
+aan den staat, zoodat dan ook van Landswege in 1815 de IJsselpoort
+gesloopt werd. Spoedig zou het ook toen reeds, de beurt aan de drie
+anderen geweest zijn, waren zij niet ten jare 1821 door de stad van de
+domeinen gekocht, alleenlijk om het amoveren derzelve te voorkomen. Men
+is later ook van stadswege tot andere gedachten gekomen, want wij
+hebben het einde van al de poorten gezien!
+
+
+
+Het is dikwijls voor ons een strijd, tusschen oudheidgevoel en
+belang voor onzen tijd, als wij een fraai monument zien verbreken,
+dat voorheen zijn nut had, doch door de verandering van tijden,
+tegenwoordig tot niets meer dient. Zoo ook ondervonden wij dat gevoel,
+toen de drie laatste schilderachtige poortjes onder den moker des
+sloopers vielen.
+
+Als oudheidminnaar, kon het niet anders, of het moest ons pijnlijk
+aandoen, deze grijze sleutelen der stad, die de stomme getuigen
+waren van zoo veel lief en leed der burgers die zij omsloten, door
+den slooper te zien vallen. Zij worden vermoord, dachten wij, niet
+door het geschut des vijands maar door hare eigene burgers!
+
+En dan als zoon der 19 eeuw, kwam daar eene stemme tegen, en ik
+moest zeggen en beamen met onzen tijdgenoot, zoowel voor deze als
+zoo vele onnut geworden poorten: valt, gij steengevaarten aan onze
+steden, gij belemmert ons het uitzigt naar Gods vrije natuur. Valt,
+gij zijt noodeloos in onzen tijd, de burgers van Nederland behoeven
+niet meer, al is het ook bij nacht, uit de veste gesloten te worden,
+zij mogen geen schatting meer opgelegd worden, als zij niet aan de
+uitnoodiging van het luiden der »poortklok" gehoorzamen [258]. Valt
+nietige gebouwen, de hechtste vestingen, door de natuur en de kunst te
+zamen gevormd en volmaakt, zijn niet bestand tegen eene tegenwoordige
+hardnekkige belegering, ook gij dus niet zwakke monumenten van
+vroeger tijd! valt, de 19 eeuw, die spoorwegen en telegraphen heeft,
+die de landen en landen als een maken, en de afstand van werelddeelen
+en werelddeelen als doen verdwijnen, zij gedoogt niet langer, dat de
+burgers van een vrije staat, niet ten allen tijde bijeen kunnen komen,
+waar de communicatie naar den vreemde, ook in ons Nederland op zoo
+groote schale van toepassing gebragt is.
+
+Valt dus poorten valt, als onnut in onzen tijd, valt overal waar gij
+u bevindt aan opgeheven vestingen, want door u in stand te houden,
+bezwaart men de gemeentenaren met noodelooze schattingen voor uw
+onderhoud benoodigd!
+
+
+
+De poorten beschrijvende, hebben wij onwillekeurig gewag moeten
+maken van den Romeintoren, het slot of kasteel en de hoofdwacht,
+en aangezien allen in deze rubriek ter beschrijving voegen, willen
+wij het eerst iets vermelden van
+
+
+
+
+de voormalige Romein of Gevangentoren.
+
+De Romein of Gevangentoren, was gelegen ten zuiden der Romeinbrug
+aan de IJsselsluis bij den mond der stadshaven.--Het was een zeer
+oud gebouw, had een vierkante gedaante, en was nog in 1746 met een
+plat overwulfd, van waar men een ongewoon fraai gezigt, zoowel naar
+de stad als over den IJssel had. Later echter, heeft men dit gebouw,
+met een kap of dak van blaauwe pannen voorzien.
+
+De éénige deur, die in het gebouw van buiten was aangebragt, bevond
+zich aan de oostzijde; deze doorgaande, geleidden u eenige treden
+opwaarts weder aan eene deur, die de toegang tot het eigenlijke
+interieur van dezen toren was.
+
+Men verwonderde zich, wanneer men van buiten den vrij aanmerkelijken
+omtrek van het gebouw had gadegeslagen, over de geringe ruimte van
+binnen, doch als men dan in aanmerking nam, dat zijne muren eene
+meer dan Ned. el dikte hadden, dan verdween spoedig deze twijfel. Dit
+gedeelte van het gebouw was slechts met een lucht, dat tevens lichtgat
+was, voorzien, en mogt dus reeds op een geschikte gevangenis aanspraak
+maken; doch was de misdaad groot, en de persoon gevaarlijk, dan werd
+het luik geopend, dat zich in dit locaal bevond, en een vochtige
+kelder, bewaarde alsdan den misdadiger zeker en streng. Bij hoogen
+waterstand van den IJssel moest de ongelukkige de wijk op een zich daar
+bevindende ladder nemen, ten einde het binnendringende IJsselwater,
+aan wiens voet het gebouw aan de noordzijde gebouwd was, te ontvlugten.
+
+De naam Gevangen Toren, komt dus wel niemand meer onduidelijk in
+zijnen oorsprong voor.
+
+Zijne benaming van Romeintoren, is niet zoo zeker op te lossen.
+
+De Heer van Kinschot meldt op bladz. 50 zijner beschrijving van
+Oudewater aldus: »Zij is van ongemeene groote steenen opgemetseld, en
+men meent op goede gronden, dat deze ten tijde der Romeinen gebouwd,
+en alsdan een Wachttoren geweest zij, die vervolgens ook tot een
+tolhuis, als te dien tijde gelegen ter zijde der IJsselpoort op en
+aan de Rivier de IJssel zoude gedient hebben."
+
+De mogelijkheid, dat het voor tolhuis gediend heeft, willen wij niet
+ontkennen alhoewel wij het nog niet aannemen, doch te betreuren is het,
+dat de heer Van Kinschot t. a. p. zijn »goede gronden" niet aanhaalt,
+waarop hij meent, dat deze door de Romeinen gebouwd zou zijn, en hun
+tot een wachttoren gediend zou hebben.
+
+Wij voor ons, meenen zelfs goede gronden te kunnen aanvoeren, om te
+beweren, dat het gebouw onzer beschrijving, niet door de Romeinen
+gebouwd is, doch van uit de middeneeuwen en niet ouder dagteekent,
+en dat het een verdedigingstoren, een wachthuis en gevangenis in of
+bij »der stede muer" geweest zij.
+
+Uitgenomen nog de vooronderstelling voor een verdedigingstoren uit de
+middeneeuwen, mij ook mondeling door den zeer bekwamen archeoloog
+Dr. Jansen, Conservator van het museum van Oudheden, te Leiden
+medegedeeld, schijnt onze meening bevestigd te worden, uit den
+stevigen bouw van het voorwerp onzer beschrijving--muren toch van
+meer dan een Ned. el dikte, hebben nog al iets kunnen wederstaan.
+
+De muren van dezen toren, waren van groote roode steenen opgetrokken,
+en de Romeinen bouwden in ons land immers meestal van Duifsteen,
+gelijk wij reeds vroeger hebben opgemerkt.
+
+De Romeintoren [259] stond eertijds in, zeker echter aan der stedemuur,
+en dit zet onze bewering niet weinig klem bij. Laat ons die stedemuur
+eens zoo wel mogelijk volgen van de Linschoter tot aan de IJsselpoort
+[260] ten tijde, dat de laatste, toen nog bij de Romeintoren stond,
+dan zal over een en ander nog meer licht gespreid worden, indien
+wij het aantal torens in der »stedemuur" vermelden, in 1542 nog in
+dezelve aanwezig [261]
+
+
+ 1 Linschoeten poort.
+ 2 Toerentge aft adriae goessesz.
+ 3 Toerentge aft 'tgastuys.
+ 4 Nyeuwe toern.
+ 5 Toerentge after Meeus Huygesz.
+ 6 Dat outaer.
+ 7 De Weerdenpoort.
+ 8 Doode luydentoern.
+ 9 Koentgestoern.
+ 10 IJsselpoort.
+
+
+De Romeintoren nu, stond zoo als wij reeds meermalen opmerkten, in
+of bij de stadsmuur [262] aan de IJsselpoort. Van veel gewigt als
+deze plaats was, uit een oogpunt van verdediging, zoowel om de poort
+zelve, als de vereeniging van IJssel en haven, moest dáár vooral de
+toren hecht en sterk van bouw zijn.
+
+De meening, dat zij van Romeinschen oorsprong zou zijn, wordt dus
+naar onze bescheiden meening door een en ander ontzenuwd. De naam
+Romeintoren, gaf aanleiding tot deze vooronderstelling, doch al werd
+in oude bescheiden, de nevens liggende brug niet dikwijls Remijnsbrug
+geheeten, dat toch weinig van Romeinbrug heeft, dan nog zou de naam
+Romeintoren, met eenig regt kunnen voorondersteld worden zijn oorsprong
+te hebben, van eenig persoon die Romein of Remijn heette. Dat dit toch
+geen zeldzaamheid was, zag men duidelijk hiervoren aan de benamingen,
+toerentge aft' adriae goessesz en toerentge after Meeus Huygesz.
+
+Wij hebben uit een en ander nu kunnen nagaan, dat de meening,
+dat dit gebouw uit de middeneeuwen en niet ouder heugt, [263] en
+gediend heeft ter verdediging, tot wachtplaats en gevangenis, naar
+ons oordeel vrij voldoende gebleken is, 1. uit zijne gelegenheid,
+2. uit zijne constructie en ten 3. uit de materialen waarvan het
+gebouw was opgetrokken. [264]
+
+Toen nu in later tijden, met de verandering der stedemuur in wallen,
+al de torens, die zich van afstand tot afstand in de vesting bevonden,
+verbroken werden, omdat men in de latere vestingplannen deze menigte
+torens als onnoodig beschouwde, is het echter gemakkelijk te begrijpen,
+dat de Gevangentoren gespaard bleef. De streek genaamd IJsselveere
+werd, zooals bekend is, aan de vesting getrokken, alzoo kon er geen
+sprake zijn, dat deze toren, om de aan te leggen vestingwallen moest
+wijken, daar de laatsten nu langs deze zijde ongeveer 80 Ned. ellen
+uitgelegd werden. Daarbij was hij immers hoogstwaarschijnlijk toen
+reeds, gelijk nog in onze dagen, tot gevangenis bestemd, waarvoor zeer
+pleitte, de donkere ronde kelder die wij reeds hiervoor beschreven
+en ten tijde van zijnen opbouw daarin was aangebragt, zooals met het
+grootste gemak was op te merken. Alzoo dan, nemen wij aan, dat zij
+gespaard bleef tot in onzen tijd, èn omdat zij bij de uitlegging
+der veste kon blijven staan, èn omdat men eene gevangenis steeds
+noodig had.
+
+Zóó bleef dan dit gebouw gedurende eeuwen achtereen in wezen en juist
+daardoor was zijn ontstaan achter de graauwe tijdnevelen zoo duister
+verborgen. Nogtans wij hebben gepoogd het twijfelachtige van »wanneer"
+op te lossen in het bevestigende »toen"! Mogte het ons gelukt zijn! de
+lezer oordeele.
+
+Doch, de tijden veranderen, en de menschen met hen; nadat het gebouw
+den sloopenden tand des tijds gedurende zooveel eeuwen had wederstand
+geboden, moest ook hij vallen onder het vernielende staal des sloopers.
+
+Te gelijk met het torentje van het St. Ursula convent en de Linschoter
+en Waardpoorten werd in Augustus 1857 de Romeintoren tot afbraak
+verkocht, en wel voor de som van 230,00 Gulden.
+
+Reeds den 20 Augustus deszelfden jaars sloeg men den moker aan het
+grijze monument. [265]--Weken en weken, heeft men op zijne breede
+hechte muren moeten breken voor men aan den grondslag van het gebouw
+genaderd was, als gedacht hij het doel zijner stichting, en, als
+tergde hij zijne sloopers met vasten wil en fieren hoogmoed, gelijk
+zoovele strijdlustige poorters uit het tijdvak van zijne geboorte,
+zich voornamen en ten uitvoer bragten het leven zoo lang mogelijk te
+rekken, doch ook zoo duur mogelijk te verkoopen.
+
+
+
+
+de Hoofdwacht.
+
+Zooals wij reeds opgemerkt hebben, bevond zich hoogst waarschijnlijk
+eertijds de hoofdwacht in de bij de IJsselpoort liggende Romeintoren.
+
+Stellig echter weten wij, dat zij aanwezig is geweest in de tweede
+IJsselpoort, die later op het oude IJsselveer gebouwd is. [266]
+Toen deze laatste echter in 1779 werd verbroken--hoewel later
+weder opgebouwd--bouwde men in het zelfde jaar ten zuidoosten der
+IJsselpoort, een uitsluitend tot hoofdwacht bestemd gebouw.
+
+Dit net gebouwtje, dat nu aan de gemeente behoort, werd natuurlijk
+als hoofdwacht nutteloos, toen Oudewater ophield, onder de rei der
+vestingen te behooren.
+
+Tegenwoordig wordt het door een stadsagent bewoond en er tevens eene
+kleine nering in uitgeoefend.
+
+
+
+
+Het voormalig Casteel of Slot.
+
+»Dat alhier een kasteel of slot geweest is," schrijft de heer Van
+Kinschot op bladz. 24, »getuigen vele schrijvers, en is ook zeker,
+doch de tijd, wanneer en door wien het gebouwd werd, wordt nergens
+gevonden."
+
+Ook wij nemen zulks aan, doch brengen met dit bedoelde kasteel
+niet in verband, gelijk voornoemde schrijver, de regelen van den
+vaderlandschen historicus Matthijs van der Houven die gewaagt, »dat
+in 't kasteleinschap van Oudewater op den IJssel het oude kasteel
+plag te liggen, doch, dat het in zijn tijd niet meer in [267] wezen
+was." [268] Deze regelen toch hebben betrekking op het kasteel te
+Vliet in Roozendaal bij Oudewater dat op den IJssel ligt, en waarvan
+de ruïne nog bestaat. [269]
+
+Wij begrijpen te minder, hoe van Kinschot deze regelen van Van der
+Houven op het Slot van Oudewater kon toepassen, daar hij reeds
+op de volgende bladzijde (25) weder omtrent hare ligging--en nu
+teregt--schrijft:
+
+Dit Slot heeft eertyds gestaan aan de Noort-Oostzyde van de Stad, by en
+omtrent dezelfde plaats, alwaar nu de Linschoter-Poort is gelegen. De
+Regeering verzogt zyne Keyzerlyke Majesteit, als Graaf van Holland,
+in het jaar 1533, om dit Slot tot eene Poort te maaken, het geen zy
+verwierven, onder deze verbintenisse, van dat zy ten allen tyden op
+de eerste aanmaning van zyn Keyzerlyke Majesteit of zyne nakomelingen
+Graaven van Holland, die Poort van Linschoten op haare kosten weder
+tot een Slot herstellen zoude, waarvan de verbindenis Luidt, als volgt:
+
+»Wy Burgemeesteren, Schepenen, ende Raiden der Steede van Oudewater,
+doen te weeten, ende bekennen mits deezen onsen Brieve, Dat Alsoe
+die Keys: Majt. belieft heeft tot onsen ernstigen vervolghe ende
+Sollicitacie te accordeeren. Dat die Poorte van Linschoten, in
+voir tyden gemaict tot een Stercte of Slot, weder toegemaect sal
+worden tot een Poirte van de voirsz: Steede, gelyk die in voertyden
+plach te syne, mits dat wy 't selve becostighen souden, ende aan syn
+Majt. reserveerende 't Logys van dezelve Poorte voir syne officier off
+andertsins, ende mits oick, dat syne Majt. die voirsz: Poirte weder
+sal mogen maken tot een stercte als 't zyne Majt. of zyne nakomelingen
+Graaven van Hollandt believen sall, ende van als: geve onse behoirlicke
+brieven, wy dancken zyne Majt. van desen voirsz: Consente ende Gracie,
+hebben nair voorgaande Communicatie gehouden mitten Rycdom ende
+Vroetschap derzelver Steede, beloeft hebben ende beloeven mits deesen,
+dat wy der voirsz: Poirte sullen doen repareeren ende maken mit dueren,
+valle bruggen, ameyden ende anders ter ordonnantie van mynen Heere,
+Heeren Anthonis van Lalaing, Grave van Hoochstraaten heer van Montigm:
+en Stadthouder Gnrael: der voirsz. Landen van Hollandt of zyne E:
+Gecommitteerde als van nooden weesen sal ome: daar duer vuyt en:
+in der voirsz: Stede te ryden en passeeren: behouden den Keys:
+majt. 't Logys van den voirsz, Poirte tot zyne Majt. beliefte, ende
+diezelve Poirte zyn, Keys: Majt. of Nakomelingen te laten volgen,
+ome: dair van een Stercte weder gemaict te werden als wy dair toe
+van syne Majt. of syne Erffgenaamen wegen vermaant sullen worden,
+sonder daar tegens te doen in eenigerleie manieren.
+
+»Des 't oerconden, hebben Wij Burgemeesteren, scepenen en Raeden
+der Voersz. steede, onser steede zegel hier aangehangen den achtsten
+dach van April in 't jaer ons Heeren duijsend vijf honderd drie en
+dertich na scrijven der kerk van Utrecht ende ons voorsz. steede,
+ende stonde onder geteekend
+
+ R. X. Speijert."
+
+
+Men zou wanen, dat het vermaken van het kasteel tot poort, ingevolge
+deze verbindtenis, spoedig zal hebben plaats gehad, wij kunnen
+dit echter met zekerheid tegen schrijven. Immers ziet men dit ten
+duidelijkste, in de resolutien van den magistraat en »uit zekere
+oude lijst van gedane bekendmakingen, ter secretare van Oudewater
+berustende," [270] waaruit blijkt, dat de Baljuw den 14 April des jaars
+1585, eerst heeft doen bekend maken, dat hij des anderen daegs ten
+thien uuren voor de middag wilde besteden het afbreken van 't kasteel
+bij de Linschoter poort bij perseelen, baecken om de derden steen
+ofte andersints, alles achtervolgende de Conditien en Voorwaerden,
+die men alsdan opleesen soude, met bijvoeging, dat dengenen, die in
+eenig werk gading had, ten voorsz. tijde koomen soude bij de Linschoter
+poort ende bedingen goed loon.
+
+Alzoo eerst 52 jaren na de meergemelde verbindtenis werd dit kasteel
+geamoveerd [271].
+
+Zooals reeds werd beschreven, ontbreken zoowel de naam van den
+stichter als de tijdsaanduiding van de stichting van dit kasteel;
+een geloofwaardig persoon verzekerde ons echter, dat hij ergens had
+aangetroffen, dat er in zeer oude tijden alhier woonachtig geweest
+waren de vrijheeren van Oudewater dat nu zoo zijnde, zou er ten
+minste over den naam des stichters eenig meerder licht verspreid
+worden. Hoe het echter zij, ten jare 1527 vinden wij vermeld [272] dat
+kastelein van Oudewater was Jonkheer Jan van Vliet, schildknape die als
+»Castelein van het sloth van Oudewater aangesteld werd den 3 November
+1519 by Kaerle, by der Gratiën Godts koninck van Castilien van Leons
+etc. volgens Commissie geregistreerd, en te vinden, in 't blaauwe ruige
+register [273] fol. 34 en in 1555 wordt als zoodanig gewag gemaakt,
+van Jonkheer Pieter van Cats, maarschalk van Montfoort. Aangezien
+nu beiden tevens bailluwen etc. van Oudewater waren, en beiden in
+hetzelve zijn woonachtig geweest [274] zoo komt het ons voor, dat het
+geslacht der vrijheeren van Oudewater uitgestorven zijnde, later het
+slot van Oudewater tot woning zal aangewezen zijn, voor de Baljuwen
+van Oudewater die toen tevens aangesteld werden als Castelein. [275]
+
+Later toen ook de Linschoter poort in 1857 werd verbroken, die zooals
+wij weten van slot tot poort werd gemaakt, ja toen viel het ook aan
+de zigtbaar geworden zware muren en de groote roode steenen, waarvan
+die waren opgetrokken, gemakkelijk te bepalen, dat de sloopers daar
+te doen hadden, met muren van het oude slot of kasteel!
+
+
+
+
+Het voormalig Arsenaal te Oudewater.
+
+Het gast- en proveniershuis beschrijvende, zagen wij dat dit gebouw
+door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht
+zijnde, omstreeks 1780 verbroken en in 1786 aangelegd werd, tot een
+Artillerie plein waarop een zeer schoon Arsenaal of bergplaats voor
+ammunitie in hetzelfde jaar 1786 getimmerd is. Niet langer dan 28
+jaren heeft dit Arsenaal in aanzijn mogen wezen, daar het ten jare
+1814 verbroken werd en men het terrein Anno 1817 tot plantage heeft
+aangelegd. In 1822 dit plein aan de stad gekomen zijnde, heeft men
+dezen grond in 1856 in erfpacht gegeven, waarna later spoedig, daarop
+een aantal huizen voor min gegoeden gebouwd zijn.
+
+
+
+
+'s Lands voormalig Magazijn van Oorlog.
+
+Dit fraai gebouw, stond eertijds aan de zuidzijde van de stad, in
+de straat genaamd het klooster bij het weeshuis. Het had eene lengte
+van 138 bij een breedte van 22 voeten [276].
+
+Wanneer hetzelve gebouwd werd, kunnen wij niet met zekerheid
+bepalen. Omtrent zijne slooping echter verkeeren wij niet in het
+onzekere, deze had in 1820 plaats.
+
+
+
+
+Het voormalig Kruidhuis.
+
+De kruidtoren was gelegen, in een »halve maan" der vestingwerken in
+het noordwestelijk gedeelte der stad. De heer Van Kinschot schrijft
+in 1746, »dat het binnen weinige jaren gebouwd is."
+
+De amovering van het kruidhuis geschiedde ten jare 1820, als wanneer
+het even als het magazijn van oorlog, door de administratie van
+'s lands domeinen werd verkocht.
+
+
+
+
+De Barak of Caserne.
+
+De Caserne, gelegen aan de westzijde van den IJssel was 168 voeten lang
+en 30 voeten breed, terwijl dezelve in 24 vertrekken verdeeld was. Zij
+werd voor stads rekening gebouwd, en bij aanbesteding aangenomen voor
+eene som van f 14,200; deze gelden zijn voor het grootste gedeelte,
+door de burgerij vrijwillig, tegen eene interest van 4% gefourneerd.
+
+De eerste steenen aan dit gebouw werden gelegd, op den 29 Mei 1798
+door A. M. Montijn, Jan de Keiser Jz. en W. Putman, zoo als op een
+steen in den voorgevel aangebragt, te zien is.
+
+Sedert het jaar 1811 wordt dit gebouw, door particulieren bewoond,
+terwijl het in 1856 in het openbaar werd verkocht, en het gebouw dus
+nu eigendom van particulieren geworden is.
+
+
+
+
+De schuttersdoele.
+
+Reeds in het jaar 1501 vinden wij gewag gemaakt van het volgende
+octrooi voor de »voetbooghschutters van St. Joris Gilde" te
+Oudewater. Uit dit octrooi bekomen wij echter de verzekering, dat zij
+reeds lang vóór genoemd jaar zich te dezer plaatse bevonden en hun
+aantal op het genoemde tijdstip niet minder dan 80 tot 90 bedroeg. Wij
+laten dit octrooi nu volgen:
+
+
+ Philips, by der Gracie Goids, Eertshertoge van Oistenryck &c. onsen
+ lieven en getrouwen Raedt ende Tresor. Gnerl: van allen onsen
+ Domeynen ende Finan: Jeronimus Lauwerin; Saluyt ende Dilectie.
+ Wy hebben ontfaan die oidmoedige Supplicae. van onsen welgheminden
+ die Burchers der stede van Oudewater over ende in den naame van de
+ Handboech-Schutters van den Ghilde van St. Joris der voirsz: Stede,
+ inhoudende, hoe deselve gelegen is op tie Frontiren van onsen Lande
+ van Holld. strekkende aan den Gestichte van Utrecht ende Lande van
+ Gelre, dewelke na den overlyden van wylen onsen lieven Heer ende
+ Grootevader Hertoge Karel van Bourgn. Zaliger gedagten, veel groote
+ sware lasten en costen gehad ende geleeden hebben van diverse
+ Oirloogen, niet alleen van den Oorloge van Utrecht, maar alle andre
+ die geweest zyn in onse voirsz. Lande ende Graaflicheyt van Holland
+ als oick in de voirsz. Lande van Gelre, Ende hebben de voirsz:
+ Suppliante tot seekerheyd van der voirsz: Stede van Oudewater
+ opgesteld 't voirsz. Ghilde van St. Joris van den Voetboech
+ Schutters, tot in den getale van tagtigh of tnegentigh persoenen,
+ om welke ghilde ende gezelschap 't onderhouden by Hertoge Philips
+ ende andre onse Voorvaderen, die voorsz. Supplianten verleend ende
+ gegeven hebben geweest Vyff ende Twintig Cliuts 't s'Jaars tot XXX
+ Gron. 't stuk, dewelke sy den voirsz. Supplianten beweesen hebben
+ gehad te ontfaan by handen van den Rentmeester 't s'Lands van
+ Woerden, ende hebben 't selve alsoe gebruyckt tot in den Jaar toe
+ van LXXVIIJ. Dat die geroyeerd zyn geweest by gebrek van nyeuwe
+ brieven van gfirmatien van wylen onse lieve Vrouwe ende Moeder die
+ Eertshertoginne Saliger gedagten. Ende in den Jaar van LXXXVIJ.
+ soe zyn die voirsz. XXV. Cliuts s'Jaars den voirn. Schutters
+ weederome beweesen geweest op den Rentmeester van den Beede in
+ Holland, als doe wesen uyt kragte van nyeuwe brieven van
+ Confirmacien van mynen Genadigen Heer ende Vader myn Heer den
+ Coninck, sedert welk tyt tot in den Jaar toe van XCIIJ. de voirsz.
+ Schutters niet meer betaald en syn geweest, mits datter gheen
+ Beede in Holland ende Vriesland daar en binnen loop gehad en
+ heeft, ende hoewel dat seedert den voirsz. Jaar XCIIJ. diversche
+ Beeden in Hollandt loop gehad hebben ende nog doen, nochtans en
+ hebben die voirn. Schutteren van den voirsz: XXV. schilden binnen
+ derselver tyd niet ontfaan, overmits dat sy van huer voirsz.
+ ghifte tot nu toe gheen gfirmacie verkreegen en hebben. Twelke
+ hem compt ende keert, tot grooten hinder schade en achterdeele,
+ ende meer sal er werde hen by ons hier op niet voirsien van onse
+ gracie ende behoorlick provisie alsoo zy seggen, Ons zeer
+ oidmoedelick daar ome biddende, SOE IS 'T dat wy die saken voirsz.
+ overgemerct, ende daar op gehad 't advys, eerst van onsen lieven
+ ende getruwen, die Luyden van onse Reekn. in den Hage, ende daer
+ na van u, wy hebben den voirn. Schutters van St. Joris Gilde, in
+ onze voirsz. Stede van Oudewater, genegen wesende ter Beede ende
+ begeerte van de voorn. Supplianten, ende ten eynde dat sy te bat
+ gehert mogen syn te verstaan tot bewaaringe ende seekerheyt van
+ de selver onser Stede van Oudewater daer veel belancx in leyd die
+ Brieven van Gifte ende Octroye van de voirsz. vyff ende Twintich
+ Scilden 'tsjaars, henl. gegonnen ende verleend by onsen voirsz.
+ Voirders als voirsz. is, geconfirmeerd, gevesticht ende belieft,
+ ende vuyt onsen rechten wetentheyt ende zonderlinge gracie,
+ confirmeeren, vestigen ende believen, mits desen onzen Brieve,
+ Ende op dat s'noot sy, hebben hen die selve XXV. scilden 's jaars
+ van nieuws gegonnen ende verleend, gonnen en verleenen mits deesen
+ onsen voirsz. Brieve, om die van nu voortaan Jaarlicx te hebben,
+ ontfangen ende gebruyken van de Penn. comende van onsen Beden die
+ in onsen voirsz. Landen van Holland en Vriesland loop hebben
+ sullen, ende by handen van onsen Rentmeester van denselven Beden
+ in den quartier van Noort-Holland jeegenswoerdich ende toecomende
+ soe lange als 't ons gelieven sal, ontbieden u daar ome ende
+ beveelen dat by u doende die voirsz. Schutters gebruyken van onse
+ voirsz. Gracie, Confirmacie ende nieuwe Ghifte, ghy hen doet van
+ nu voortaan Jaerlicx uytryken ende betalen of 't huren sekeren
+ Bode voor hen de voirsz. XXV. scilden 's jaars by handen van onsen
+ Rentmeester van Holland in 't Quartier van Noortholland voirsz.
+ jegenswoerdich ende toecomende, ende van de Penningen van synen
+ ontfange comende van onser Beede aldaar, soo lange als 't ons
+ gelieven sal, als voirsz. is. Denwelken onzen Rentmeester
+ jegewoerdich ende toecomende wy selve beveelen mits deesen dat
+ alsoe te doene, ende mits overbreyngende desen onsen
+ jegenwoerdigen Brieff Vidimus ofte Copye Auctentyk van dien,
+ mitsgaders van de andere Brieven van Ghiften ende Confirmatien
+ boven geroerd, voor een ende d'eerste ryse en soe menich werff
+ als 't van nooden weesen sal, deuchdelick genieten van de voirn.
+ Schutters van de voirsz. XXV. scilden 'tsjaars, alleenlick wy
+ willen dat al 't geene des hen daar aff gegeeven ende betaald
+ sal worden geleeden ende gepasseerd zy in 't uytgeven der
+ Reekeningen van onsen voirsz. Rentmeester van onsen Beden van
+ Holland in den Quartier van Noortholland voirsz. jeegenwoordich
+ ende toekomende, die 't betaald sal hebben, by den voirsz. Luyden
+ van onsen Rekeningen in den Hage, denwelken wy oock bevelen by
+ desen, dat alsoe te doene, sonder eenighe zwaricheid ofte
+ wederseggen ter contrarien, want ons alsoe geliefd, niet
+ jegenstaande eenige Ordonnantien, Restrinctien, geboden oft
+ verboden ter contrarien, Gegeeven in onser Steede van Brugge,
+ den lesten dach van April in 't Jaar ons Heeren Duysent vyff
+ honderd ende een, Aldus geteykend by mynen Heer den Eertshertoge
+ Jeronimus Lauwerin Tresorier Generaal van de Finan: ende andre
+ jegenwoerdich, Hanneton. Ende op ten rugge van deesen Brieve staat
+ gescreven dat hier naar volcht. De Tresorier Generaal van de
+ Domeynen ende Finantien myns Genaden Heer des Eertshertoge van
+ Oistenryck, Hertoge van Bourgondien, Jeronimus Lauwerin consenteerd
+ alsoe verre als in hem is dat 't inhouden in 't Witte van desen
+ jegewoordigen volcomen zy naar zyne vorme ende inhouden, alsoe ende
+ by der manieren dat deselve myne Geduchtegen Heer wil ende beveeld
+ gedaan 't fyne by deselve, Geschreven onder 't handteyken van den
+ voirsz. Tresorier General den tweesten dach van Meye in 't Jaar
+ Duysent Vyff Honderd ende Een.
+
+ Aldus geteykent,
+ LAUWERIN.
+
+
+Vervolgens berust er op het gemeente archief een ordonnantie voor de
+schutters van den »edelen Cruysboog" dd. 26 Augustus 1597, die wij
+echter om hare uitgebreidheid niet mogen overnemen. Voorts wordt nog
+in verscheiden keuren van deze schutters gewag gemaakt.
+
+Op het stadhuis wordt nog een fraaije vlinder bewaard, die men denkt,
+als insigne van de voetboogschutters van St. Joris Gilde gebruikt
+te zijn.
+
+Omtrent de schuttersdoelen vinden wij vermeld [277] in 1746.
+
+»De Doele staande in de Kapelstraat is een oud gebouw, 't geen groote
+ruimte heeft en zeer bekwaam ter Herberging van reizende en andere
+lieden. Zij komt de schutterij, die nu in twee quartieren en vaandels
+verdeeld is, in eigendom toe, die ook aldaar hare vergadering houdt."
+
+In den voorgevel van dit gebouw, die in Anno 1787 zeer verfraaid
+werd, ziet men den ridder St. Joris den draak bestrijdende in steen
+uitgehouwen.
+
+Na de vernietiging der stedelijke schutterij, is de Doele ter
+voldoening van der stad's pretentien in 1798 aan de gemeente gekomen
+en als eigendom getransporteerd.--De stad heeft dezelve in 1799 voor
+de som van f 3300 aan een ingezetene dezer plaats verkocht.
+
+De naam van het Logement de St. Jorisdoele, herinnert in onze dagen
+nog aan de oude schutters van Oudewater.
+
+
+
+En hiermede is ook de reeks gebouwen ten einde, die hun ontstaan
+verschuldigd waren uit een beginsel van verdediging, bij eene mogelijke
+belegering der plaats. Toen echter Oudewater uit de rei der vestingen
+verdween, zijn de meeste dezer gebouwen natuurlijk van onnut geworden,
+en wij zagen dan ook de vernietiging van bijna allen. Nu resten ons
+nog eenige gebouwen te beschrijven, die wij noch onder de kerken,
+noch onder de geestelijke of liefdadige gestichten, noch onder de
+gebouwen ter verdediging van stad en land konden rangschikken, en
+toch tot de monumenten der stad behoorden of nog behooren.
+
+Wij beginnen met
+
+
+
+
+de voormalige latijnsche school.
+
+Nog tot in het laatst der 17 eeuw [278] mogt Oudewater zich beroemen,
+binnen zijne muren eene Latijnsche school te hebben, hetgeen voor
+een plaatsje als dit, zeer pleiten kon voor de welgesteldheid
+der ingezetenen.--Aangezien deze laatsten echter van tijd tot tijd
+verminderden, en men dientengevolge geen genoegzaam getal leerlingen
+op dezelve aanbragt, moest dezelve noodwendig vervallen.--Volgens
+resolutie der staten van Holland dd. 25 Februarij Ao. 1600, bekwam
+Oudewater het regt, op zijne beurt eene »beurssaal" te zenden in
+het Theologisch Collegie van Holland binnen de stad Leiden. Deze
+beurten moesten echter verwisseld worden tusschen deze plaats in het
+naburige Woerden zoodat ten allen tijde een dezer twee steden een
+student in voornoemd collegie had, achtervolgens besluit van hunne
+Ed. Groot. Mog. in derzelver hooge vergadering genomen, waar omtrent
+wij verwijzen, naar de resolutien van Holland dd. 25 Junij 1666.
+
+Deze resolutien en dit regt, werden echter ten jare 1797 vervallen
+verklaard en de herinnering, dat Oudewater eertijds een Latijnsche
+school bezat, bleef alleen in de geschiedrollen bestaan!
+
+
+
+
+Lombarden.
+
+Reeds in het jaar 1319, drie weken na St. Maarten in den Winter, vindt
+men gewag gemaakt, dat het Lombardhuis te Oudewater ter bewoning
+gegeven werd aan Vranke Oudekijns, tot 's Graven wederopzeggens
+toe. Kort daarop moeten echter de Lombaarden uit Oudewater getogen
+zijn, [279] daar men vermeld vindt, dat in het jaar 1323. Dirk
+Batenburg verleid werd met het Lombaarthuis te Oudewater, mits het
+zelve weder opgevende by de terugkomste van de Lombaarden, &c:
+
+Ziet hier de inhoud van het bedoelde stuk. [280]
+
+
+ Wi Willaem Graue &c: maken cont allen luden, dat wy Dirc Batenburg
+ van Oudewater gegeven hebben onse huys, dat ons ane gecomen es van
+ de Lombaerts binnen onse Poirte van Oudewater in rechten liene van
+ ons te houden in der maniere, wair dat saeke dat die Lombairts
+ weder quamen ende wise in dat huys voirsz. weder setten mitter
+ woone, soo souden wi Dirc voirsz. sinen cost en sinen scade,
+ dien hi aen den huse gedaen hadde, gelden, ende dair meede waer
+ die manscap quite. In oirconde &c: Gegeven tote Scoenhove op
+ Sinte Martynsdach in de Somer in 't jaar ons Heeren MCCC drie
+ en twintich.
+
+
+Daarna werd ten zelfde jare het volgende bevel aan den Magistraat
+gegeven, om de nagenoemde Lombaarden in deze Stad te ontvangen en
+Burger-regt te laten genieten.
+
+
+ Wi Willaem Gratie &c: onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen,
+ ende Raed van onser Poirte van Oudewater, saluyt ende onse goede
+ jongste; Wi doen u te weten, dat wi in onse beschermte en geleyde
+ genomen hebben, en nemen dese Lombairden, die hier na geschreven
+ staan, dat es te wetene, Dammaes en Philips Asinier, broeders,
+ en de Hore Maysinden om te wonene en te blivene in onser Poirte
+ van Oudewater van onser Vrouwe dage in den Mairte die naestcomet,
+ twaalf jaer daer na volgende, ende sullen coipmanscip driven ande
+ hoir oirbair doen mit haren gelde, geliken onse andere Lombarden
+ die wonen ende bliven in onse goede Poirten van Hollant; En
+ ombieden ju naerenstelicken, dat ghi se ontfaet over uwe Poerters
+ ende hem helpet, vordert en starket in alle hore rechten, gelike
+ juwe Poerters die jairscarende durende voirsz. ende des en laet
+ niet. Gegeven in die Hage op den Jairsdach in 't Jaer ons Heeren
+ M. CCC. en drie en twintich.
+
+
+In het jaar 1595 werd van wege de regering van Oudewater aan Jaques
+de Causa Michielsz., een piemontees, octrooi verleend tot het houden
+van de »tafel van leeninge" binnen Oudewater. Aan ieder die omtrent
+de aanstelling van zoodanigen tafelhouder, de voorwaarden waarop de
+verpanding en bij niet lossing, den verkoop der panden plaats greep,
+iets meer weten wil, verwijzen wij naar de beschrijving van Oudewater
+door G. R. van Kinschot bladz. 439-450.
+
+Nog omstreeks de helft der voorgaande eeuw, vindt men vermeld, dat
+de Bank van leening, met het daarbij van ouds behoorende woonhuis,
+onder de accijnsen der stad, voor zekere jaren verpacht werd.
+
+Uit een en ander zien wij, dat Oudewater nevens alle andere steden
+in Holland en West Vriesland geprivilegieerd was, zoodanige bank te
+mogen hebben en verpachten, met uitsluiting van alle andere plaatsen
+in het platte land [281] zijnde zelfs ingevolge deze volmagt, de
+steden niet gehouden, eenige tafelen toe te laten, al hadden zij ook
+eertijds octrooijen daarvoor verkregen [282]. Volgens resolutie der
+staten van Holland 3-12 Maart 1594 mogt door den Lombardhouder van
+de zes gulden, een halve stuiver in de week geheven worden.
+
+Het laatste Lombardhuis te Oudewater bevond zich op de Donkere Gaard
+en is tegenwoordig bekend onder nummer 491. Sedert een groot aantal
+jaren, werd dit huis verkocht, en wordt het door particulieren bewoond.
+
+Alleen het stadswapen met het bijschrift:
+
+
+SAUVE GARDE Ao. 1756
+
+
+doen den opmerkzamen voorbijganger alligt vermoeden, dat hij zich bij
+het oude Lombardhuis bevindt. Tegenwoordig bestaat er te Oudewater
+slechts een hulp Lombard en wel onder opzigt en contrôle van den
+Lombard uit het naburig Woerden.
+
+
+
+
+De Waag, ook gezegd de Heksenwaag.
+
+Dit stadsgebouw, bevindt zich aan de markt, op den hoek der
+Gasthuissteeg, en werd waarschijnlijk in het jaar 1595 gebouwd,
+aangezien dit jaartal in den voorgevel van dit gebouw wordt
+aangetroffen.--Reeds lang vóór genoemd jaar, bezat Oudewater
+echter reeds eene Waag, immers reeds ten jare 1547, werd door Zijne
+Keizerlijke Majesteit een bevel uitgevaardigd, waarbij hij gelastte,
+dat het gewigt der stad Gouda in de Waag der stad Oudewater overgebragt
+zoude worden, en tegen het gewigt uit laatstgenoemde plaats in gelijke
+stukken, ten overstaan van zijn gecommitteerden gewogen zoude worden.
+
+Wij laten den inhoud van dat stuk hier volgen:
+
+»Op Huyden den anderen dach Marcy Ao. XVc, XLVII. Stilo Trajectense
+zoe zyn Adriaen Louwerisz., Jacob Gerytsz. Moen, Burgemeysters en
+Schepenen desz. stede van Oudewater alsook Frederick Jansz. Muntere en
+Jan Jansz. en Pieter Speyert, Secretaris derselver stede, geweest in
+de voorsz. stede Waech, ende aldaar gewoogen der stede Wicht van der
+Goude gebrocht by Dirck Cornz., Tollenaar ende Rentmr derzelver stede,
+van wegen der K. Majt tegens de wicht derzelver stede van Oudewater in
+gelijke stucken, ende is bevonden mitten zelfe te accorderen. Geschiet
+op ten dach, jaer en de maent als boven, (onder stond): geëxtraheert
+uit het voorsz. stedeboeck en accordeert daer naede by my onderteykent.
+
+ P. Speyert." [283]
+
+
+Zooals iedere andere Waag, werd dezelve gebouwd, tot het wegen van
+verschillende koopmanschappen, en wel voornamelijk hier, voor, kaas,
+hennip en verschillende soorten van touw, allen producten en waren,
+waarvan in en om Oudewater veel in den handel wordt omgezet.
+
+Doch, uitgenomen deze artikelen, werd er eertijds nog een
+artikel opgewogen, waardoor deze Waag zich bij alle andere Wagen
+onderscheidde, een artikel, dat haar een ongekenden naam in de
+geschiedrollen bezorgde, en de Waag deed worden »een weldaad voor
+het menschdom." Aldus toch, wordt onze Waag genoemd, in de »Almanach
+tot Nut van 't Algemeen," jaargang 1792, bladz. 95. Het artikel, dat
+wij bedoelen, waren.... menschen, die van tooverij beschuldigd waren,
+en heksen genoemd werden.
+
+Wij willen de aanleiding tot het wegen van deze menschen, een
+weinig breeder uiteenzetten en moeten daarvoor in dit hoofdstuk de
+onderafdeeling:
+
+BIJGELOOF VOORHEEN EN LATER
+
+daartusschen lasschen.
+
+
+
+Het is slecht, of eigenlijk in het geheel niet te bepalen, wàt
+bijgeloof is, indien wij de tegenstelling niet vermelden van geloof
+en ongeloof.
+
+Het geloof zelve wordt nog in veel soorten verdeeld.
+
+Immers in het dagelijksch leven, verwart men gelooven meestentijds
+met meenen, met iets voor waar houden, waarvoor men geene gronden
+kan bijbrengen.
+
+In het stoffelijke, gelooft men, wat men met de zintuigen bemerkt,
+wanneer geen zinbedrog ons misleidt, en
+
+In het geestelijke eindelijk, is het aan iedere gezindte bekend, wat
+door geloof verstaan wordt.--Bij de Christenen behoort dit geloof,
+dit aannemen van iets, wat men niet ziet, tot hunne Godsdienst, en
+wel in die mate, dat hunne Godsdienst veelal hun geloof genoemd wordt.
+
+Het ongeloof staat natuurlijk tegenover geloof; zoowel in het
+geestelijke als in het stoffelijke nu, heerscht ongeloof.--Zoo is
+b. v. in het stoffelijke, hij ongeloovig, wanneer hij niet aanneemt,
+dat het zoo is, en het toch wezenlijk bestaat, zonder het met zijne
+zintuigen te hebben bemerkt.
+
+Bijgeloof is het geloovig, het met volle overtuiging aannemen van
+hetgeen wezenlijk niet is. Bijgeloof is meestal eene nog sterkere
+overtuiging, dan een waar geloof, doch het is en blijft altijd een
+wangeloof, een onjuist geloof, een geloof, waarbij de mensch zich
+zelven bedriegt [284].--Wij zullen wel niet behoeven aan te toonen,
+dat men ook hier weder in het stoffelijke en in het onstoffelijke
+bijgeloovige kan zijn.
+
+Het voornaamste bijgeloof van lateren en zelfs nog van onzen tijd,
+is een overblijfsel, van de mythologie onzer voorvaderen, waarover
+hiervoren breedvoerig geschreven is.
+
+Toen wij de aandacht onzer lezers op de mythologische daadzaken in
+het heidendom bepaalden, maakten wij bijna ook op iedere bladzijde,
+de schaduw daarvan nog in onze dagen aanwezig, bekend.
+
+Eigenlijk gezegd, was de mythologie onzer vaderen voor hen nog
+geen bijgeloof, het was eene natuurleer, een wangeloof--doch het
+voortbestaan in het Christendom van de onwaarheden, die hunne
+mythologie bevattede, dàt werd voor den Christen natuurlijk bijgeloof.
+
+Teregt vinden wij dan ook vermeld [285]. Onze voorouders hadden,
+als alle volkeren van den Indisch-Germaanschen stam, een duister
+Godsdienstig geloof aan een goed en een kwaad beginsel; doch, gelijk
+het in de kindsheid der barbaarsche volken gaat, waar het geloof aan
+een eenig God is verduisterd, stelde men zich die beginselen voor als
+krachten, als persoonlijke krachten, als krachten van bovennatuurlijke
+wezens, waarvoor de zwakke mensch moest bukken.--In hunne sagen werd
+gesproken, van de helden, van het voorgeslacht; en de verbeelding
+verhief die voorouders tot goden.--Hetgeen men waarnam en niet kon
+verklaren, werd aan de werking dezer Azen toegeschreven.--Bij iedere
+aanraking, van den eenen volksstam met den anderen, vermeerderde
+allengskens het bijgeloof; maar toch te midden van dat bijgeloof,
+bleef er nog eenig geloof over, aan een magtigsten God. Wij hebben
+u dien God reeds als Wodan doen kennen, en Wodan was het, die in het
+laatst der dagen, alle goden aan zich zou onderwerpen. De goden der
+wereld, en de aardgeesten voerden wel strijd, tegen den God des hemels,
+eindelijk zouden zij echter toch het onderspit moeten delven.
+
+In één woord, alles hetgeen door de menschen gedaan en verkregen werd,
+werd door het volksgeloof aan de inwerking der Goden, toegeschreven.
+
+Toen het heidendom voor het Christendom moest wijken, bleven echter de
+toovenaars en heksen bestaan. Toovenaars waren de menschen, die met de
+booze geesten of goden in verbinding stonden en die als overblijfselen
+van de heidensche priesters konden worden beschouwd, terwijl de
+heksen, die vrouwen waren, doen denken aan de wigchelaarsters in de
+mythologie. Deze heksen nu hadden het vermogen, de menschen op velerlei
+manieren te kwellen en nadeel toe te brengen, geen wonder dus, dat
+de jonge Christenen, door oppervlakkigen Godsdienstijver gedreven,
+met groote woede en toorn, somtijds tegen die gewaande toovenaars en
+heksen vervuld werden, wanneer er aardsche rampen voorvielen, die
+zij aan de toovenaars en heksen, en hunne verbinding met de booze
+geesten toeschreven.
+
+Toen de Noord-Duitschers en Denen pas tot het Christendom bekeerd
+waren, hadden booze wraakoefeningen tegen zoogenaamde heksen meermalen
+plaats, weshalve paus Gregorius VII (die regeerde van Ao. 1073-1085)
+zeer ernstig aan zijne geestelijken in Denemarken schreef, dat zij
+dat volksbijgeloof toch zouden tegenwerken, enz.
+
+
+
+In de middeneeuwen, nam zelfs het geloof aan hekserij ontzaggelijk
+toe, en geen wonder! de steeds toenemende beschaving en de meer en
+meer aangroeijende ondereenmenging van verschillende volken bragt
+te weeg, dat er onderscheidene kunsten en uitvindingen werden
+ontdekt; de drukpers nu was er nog niet, om de volken het geheim
+dier uitvindingen kenbaar te maken, en wat het volk niet begreep,
+was een wonder of tooverij en de uitvinder eener nuttige zaak, werd
+niet zelden vervolgd als heks en toovenaar.
+
+Het zou ons verbazend wijdloopig doen worden, de duizendtallen
+voorbeelden aan te halen, van de slagtoffers om tooverij en
+hekserij.--De vervolging was weldra tot eene ongekende hoogte
+gestegen.--Meest alle rampen en plagen werden aan tooverij
+toegeschreven, en de beschuldiging van tooverij ging zelfs zóó ver,
+dat vorsten en geestelijken, de beschuldigingen van hekserij niet
+konden ontgaan!
+
+Ontelbaar zijn dan ook de menschen geweest, die hunne beschuldiging met
+het leven moesten boeten. Een paar voorbeelden, slechts. In het kleine
+bisdom Bamberg werden in vijf jaren tijds 600 menschen om tooverij
+ter dood veroordeeld, meest verbrand, en in hetzelfde tijdsverloop
+telde het niet veel grootere bisdom Würzburg 900 offers [286].
+
+Maar, vraagt mij welligt iemand, werd dan iedereen, die van tooverij
+beschuldigd was, zonder vorm van proces veroordeeld, werden er
+geene pogingen aangewend, de ongelukkige beschuldigden van den dood
+te redden?
+
+Ja mijne lezers er werden pogingen daarvoor in het werk gesteld,
+doch hoedanig waren zij? Ach zij bragten zoo zelden redding voor
+de beklaagden aan! Ja de pijnbank was er, en die dan van tooverij
+en hekserij beschuldigd of verdacht waren, werden op die pijnbank
+gebragt. Onder de smartelijkste folteringen werden zij ondervraagd. De
+pijniging hield meestal aan, totdat zij tot de bekentenis waren
+gebragt, en daar eene bekentenis genoegzaam werd geacht, wanneer
+zij op de vragen slechts een toestemmend antwoord hadden gegeven,
+is het daaruit gemakkelijk te begrijpen, hoevele duizenden onder
+de felste folteringen het »Ja" hebben uitgeroepen, om eenigen tijd
+verligting te erlangen, op de vragen, of zij op bezemstokken door de
+lucht hadden gereden, of zij katten waren geweest, enz. enz. [287]."
+
+Ja er waren nog andere proeven, zooals het ordal, de vuur-, de
+water- en naalden-proef, doch het behoorde bij al deze tot de hooge
+zeldzaamheden, indien zij ten gunste der beklaagden uitvielen. Geen
+wonder! men vergde in deze, bijna altijd wonderen van de Godheid,
+en na de wreedste pijnen reeds in de »proef" doorstaan te hebben,
+werden zij meestentijds naar den houtstapel geleid en verbrand! O de
+proeven ter bevrijding der ongelukkigen, zij waren zoo slecht gekozen!
+
+Van tijd tot tijd echter stonden er groote mannen op, die het
+durfden wagen openlijk hunne stem te verheffen, ter bestrijding van
+het venijnig serpent, dat men tooverij en hekserij noemde. Durfden
+wagen? Ja voorzeker er behoorde moed toe, tegen dit bijgeloof met open
+vizier te velde te trekken, in dien tijd, toen bijna ieder onder de
+magt van het ellendig gedrocht zich bewoog.
+
+De eerst bekende groote man, die het bijgeloof heeft bestreden,
+was voor zoover wij weten, paus Gregorius de VII in de elfde
+eeuw.--Ofschoon het wel degelijk te vooronderstellen is, dat in de
+drie volgende eeuwen dit niet zonder tegenspraak van velen heeft
+geheerscht, zoo vinden wij echter eerst kort na de uitvinding der
+boekdrukkunst, en de daardoor veroorzaakte meerdere bekendheid van
+gevoelens, onderscheidene personen, die het geloof aan hekserij en
+tooverij bestreden.
+
+De beroemde regtsgeleerde Alciatus, leerde reeds, »dat het beter
+was, de heksen nieskruid te geven, dan haar ten vure te doemen"
+daarmede zoo het schijnt doelende, op zijne overtuiging, dat zij,
+die zich verbeelden onder de magt van booze kwellingen te staan,
+meestal krank naar ligchaam en ziel waren.
+
+Onze groote Rotterdammer Desiderius Erasmus, stelde de geheele zaak
+der tooverij in een bespottelijk daglicht [288].
+
+In 1512 verscheen er te Gent een boekje in het licht, bevattende 2
+kluchtspelen nl. de klucht van Homulus en Hanske van der Schilde. Dit
+boekje had een morele strekking, het bestrijden der tooverij; een ander
+boekje heeft tot titel: tooveren, wat dat voor een werk is, beschreven
+door Jacob Vallick, pastoor te Grossen 1559. Het bijgeloof, wordt
+daarin bestreden, op gronden van Godsdienst en Zedekunde. Johannes
+Wier, in 1515 te Grave geboren, later lijfmedicus van den Hertog van
+Cleef en Berg, was echter de eerste, die volledig de vooroordeelen in
+deze bestreed. Hij had op zijne reizen onderscheidene executien van
+zoogenaamde heksen gezien. De edele man had het voornemen opgevat,
+de vooroordeelen van zijnen tijd grondig te wederleggen. Hij schreef
+eene verhandeling over de giftmengers en de toovenaars, waarin hij
+bewees, dat die twee zaken wel degelijk vaneen gescheiden moesten
+worden, en toonde aan, dat de regters van zijnen tijd, dit niet deden.
+
+Vele regters erkenden hunne dwaling, en betuigden hem hunne
+dankbaarheid, voor zijn uitmuntend betoog. Hierdoor aangemoedigd,
+schreef hij nog tot aan het laatst van zijn leven, ter verdediging
+der zoogenaamde heksen.
+
+Cornelis Loos van Gouda werd aangezocht een zeker boek van Wier
+te wederleggen, doch door het lezen van zijn geschrift overtuigd
+wordende, werd zijn geschrijf een eere schrift op zijn boek. Men
+weigerde te Keulen het manuscript te drukken, en Loos werd gedwongen
+onderscheidene stellingen te herroepen en niet zonder vele pogingen
+ontkwam hij eene vervolging [289].
+
+Bij al deze gunstige geschriften ter bestrijding van het bijgeloof,
+schreef zekere Martinus del Rio het groote boek: Onderzoek naar de
+tooverij, dat in 1599 uitkwam, en waarin het bestaan van toovenaars
+verdedigd werd. Del Rio ging zelfs zoo ver, dat hij beweerde, dat
+de verlichte Wier zelf een toovenaar was, en hij hen daarom in zijn
+geschrijf verdedigd had.
+
+In Reijnald Scott een verlicht engelschman, vond del Rio echter een
+geduchten bestrijder, doch het bijgeloof woedde echter nog steeds
+met hevigheid voort. In Engeland vatte een Jacobus I de pen op,
+om de voorstanders der verlichting Wier en Scott te wederleggen en
+in Duitschland werd de heksengeschiedenis, door het gezag van den
+regtsgeleerden Carpzovius in wezen gehouden.
+
+Op het laatst der 17de eeuw, begonnen de regeringen de vervolgingen
+wegens tooverij, wel meer na te laten, doch het volk bleef niet
+minder bijgeloovig dan vroeger, ofschoon het weder krachtige en
+bekwame strijders vond in Adam Tanner en Frederik Spee. De laatste
+had als Jezuit, menige veroordeelde heks, in hare laatste levensuren
+moeten bijstaan. Getroffen door hetgeen hij gezien en gehoord had,
+schreef hij zijn boekje: Waerborg om geen quaat halsgeregt te doen,
+een lief boekje, dat door onzen bekenden Amsterdamschen predikant
+Balthazar Bekker hoog geroemd en geprezen werd. Het geschrift van
+den Jezuit Spee, werd in onze taal overgebragt, door N. B. A., zijnde
+N. Borremans, Remonstrantsch predikant te Oudewater.
+
+Doch, wat werden die edele menschenvrienden, in hunne pogingen om de
+waarheid te verkondigen, gedaan? Frederick Spee zond zijn boekje om
+zich voor vervolging te behoeden, naamloos in het licht. Borremans,
+vertaalde het onder de letters N. B. A. en Balthazar Bekker, die in
+zijne betooverde wereld, het bijgeloof aanrandde, werd in 1692 van
+zijn predikantsplaats ontzet, als onregtzinnig [290].
+
+
+
+Ik verzoek den lezer nog eens kortelijk met mij eenigen tijd terug te
+gaan, tot naar het midden der 16e eeuw en daar nog eens het bijgeloof
+en hare gevolgen kortelijk herhalen. Het ligt echter niet in ons plan,
+dat bijgeloof stap voor stap te volgen, immers dit onderwerp zou een
+ruimte beslaan, als voor deze geheele plaatsbeschrijving bestemd is.
+
+Wij voeren u dus in gedachten terug tot in het regeringstijdvak
+van Karel de Vijfden, waarin wij de ter doodbrenging van eene heks
+zullen schilderen.
+
+
+
+Allerwege ontwaart men brandstapels, die de ongelukkige toeven, die
+van tooverij beschuldigd zijn. Zie daar nadert men met zoodanig een
+slagtoffer den houtmijt! Ach het is eene vrouw en zij is echtgenoot
+en moeder, want hij, die zich onder den stoet bevindt, hij met dien
+zonderling wreede trek op het gelaat, met van woede glinsterende oogen,
+die dreigend staren op de leiders van de zoogenaamde heks, hij prevelt
+verwenschingen, voor de beschuldigers zijner »liefdevolle gade." Is
+zij ook moeder? Ja, ja, zie naast de veroordeelde draagt een andere
+vrouw een schreijende zuigeling, en geleidt een achtjarige knaap, en
+terwijl de vlottende menigte nu langzaam voortgolft naar de plaats waar
+het doodvonnis zal voltrokken worden, ontwaakt de ongelukkige »heks"
+met aan razernij grenzende wanhoop uit den stillen waanzin, waarin
+zij gedompeld was! want zij ziet de houtmijt vóór zich, die weldra
+met hare assche een vormloos zaamgestorte massa zal uitmaken! Mijne
+kinderen gilt zij, groote God, mijne kinderen! de zuigeling en de
+knaap omvattende, o uwe moeder omklemt u nu voor het laatst, zij
+drukt u na dezen immermeer de vurige kussen op uwe wangen. Zij zal
+haren lieven zoon niet meer ter schole leiden, hare zuigeling niet
+meer voeden met het moederlijk voedsel! en gij echtgenoot, kermt zij,
+ach, zie niet zoo dreigend in deze bange ure, wij zien ons weder,
+dáár, waar wij niet meer aldus gescheiden zullen worden, zorg voor
+onze kleinen, voor de telgen van onzen gelukkigen echt, omhels mij
+zoo als ik hen omhels.--God! God! ik moet van u en hen scheiden......
+
+Hier zonk de ongelukkige bewusteloos ineen, door smartgevoel
+overstelpt. In dezen toestand wordt zij op den brandstapel geplaatst,
+aan den paal gebonden, men brengt het vuur met de drooge twijgen
+in aanraking, en weldra kronkelen zich de woeste vlammen, om de in
+onmagt zijnde vrouw! Het vuur wekt echter spoedig de ongelukkige uit
+hare bezwijming, en wanhopend wringt zij zich op den brandstapel,
+door ligchaamspijn en boezemwee overstelpt--toch zoekt zij nog naar
+de plaats vanwaar zij hoort kermen, gade dierbare gade, vaarwel tot
+wederzien bij God in den hemel! vanwaar zij hoort smeken, moeder,
+lieve moeder, o kom bij mij!
+
+O deze smartvolle ontboezemingen wat verschilden zij van de
+uitroepingen der volksmenigte. Voort, voort met de heks, want zij
+heeft met bezemstokken door de lucht gereden, wij hebben haar in de
+gedaante eener kat gezien, zij heeft onweders en ziekten verwekt,
+en de kinderen betooverd, zóó zóó, verbrand haar, verbrand haar!
+
+
+
+Weldra waren de laatste levensvonken van de ongelukkige echtgenoot en
+moeder uitgebluscht, en.... het bijgeloof had een offer meer geëischt
+en genomen!!
+
+Zulke treurige executien, hadden in de tijden waarvan wij schrijven
+menigmaal plaats, op honderde manieren gevarieerd, zonder onderscheid
+van kunne of ouderdom. Geen wonder ook, wij hebben het reeds
+aangetoond, de proeven aangewend tot bevrijding eener aangeklaagde
+»heks," zij gelukten bijna nooit in het voordeel der laatsten.
+
+Maar eindelijk daagde er toch lichte aan den horizont: er werd eene
+proef ontdekt, die altijd de vrijspraak voor de beschuldigden van
+tooverij moest ten gevolge hebben, eene proef, die ook geen pijn
+veroorzaakte, eene proef even onschuldig als zeker, de heksen moesten
+zich namelijk laten wegen op de stadswaag te Oudewater.
+
+Waarom vraagt ons welligt iemand moesten de heksen gewogen worden,
+waarom moesten zij te Oudewater gewogen worden en wie is de uitvinder,
+de bedenker van deze proef, die zooveel invloed op het bestrijden
+van het bijgeloof ten gevolge moet hebben gehad? Wij zullen een en
+ander zoo beknopt en duidelijk mogelijk ter neder schrijven.
+
+
+
+De heksen, die in het volksbijgeloof door de lucht konden rijden,
+hadden volgens gevoelen van hare beschuldigers en vervolgers geene
+ligchaamszwaarte, somtijds meende men zelfs, »dat zij nog minder
+dan niets wogen." Werden zij dus ter schale geleid, en bevond
+men, dat zij zoo zwaar wogen, dat het met de natuurlijke proportie
+haars ligchaams overeen kwam, en dat kon nimmer missen, dan werd aan
+dezulken te Oudewater een certificaat gegeven, dat haar bij de minste
+beschuldiging van tooverij vrijwaarde, tegen alle mogelijke vervolging.
+
+Waarom zij nu te Oudewater moesten gewogen worden en wie de bedenker
+dezer weegproef was, hiervan kunnen wij het volgende berigten:
+
+Van oudsher had de waag te Oudewater een bijzonder goeden naam om hare
+juistheid in het wegen; maar bovenal ook om het juiste en eerlijke
+gewigt in deze waag aanwezig zijnde en gebruikt wordende. Immers,
+ten bewijze strekke hiervoor, de ordonnantie van keizer Karel de V,
+waarbij hij ten jare 1547 aan die van Gouda gelastte, hun gewigt
+met dat van Oudewater te laten »ijken" zouden wij in onze dagen
+zeggen. [291] Hieruit blijkt dus, dat die vorst voor deze waag reeds
+eenige voorliefde had, en men houdt dan ook algemeen den keizer,
+voor den bedenker van deze weegkuur, ofschoon het echter niet met
+zekerheid te bepalen is, ten minste onder de oude geschriften ter
+gemeente secretarie berustende, vinde ik dienaangaande geen licht
+verspreid. Het is echter bijna zeker, dat Karel de V wel de bedoelde
+persoon zal zijn, die dat gebruik ingevoerd heeft, en het ontbreekt
+dan ook niet aan schrijvers, die dat zonder eenige bedenking aannemen.
+
+Laat ons nu overgaan, meerdere bijzonderheden omtrent de aloude
+weegkuur te Oudewater zooveel mogelijk uit oude stukken aan te voeren.
+
+Wij hebben hiervoren reeds gemeld, dat er in het tijdvak dezer
+heksenbeschuldigingen, door den pater jesuit Spee, een werkje ter
+bestrijding van het bijgeloof geschreven was, ten titel voerende:
+Waerborg om geen quaat halsrecht te doen, en dat dit boekje in onze
+taal werd overgebragt door N. B. A., zijnde N. Borremans, eertijds
+Remonstrantsch predikant te Oudewater.
+
+In de voorrede van deze vertaling, vermeldt de heer Borremans
+eenige gissingen, omtrent den oorsprong van dit weegregt alhier,
+en deelt daarin tevens de volgende bijzonderheden mede, door een
+der burgemeesteren van Oudewater dier eeuw, aan Borremans zelf
+geschreven, die zijn verzoek aan dezen magistraats-persoon omtrent
+eenige bijzonderheden van de waag en de gewogen wordende, in zekere
+vragen had doen geworden.
+
+Na vermeld te hebben, dat er vele zoogenaamde heksen van de stiften
+Keulen, Munster en Padeborn sedert keizer Karels tijd, reeds gewogen
+waren en nog werden, vinden wij daarop t. a. p. aangeteekend:
+
+»Dat daar noit ymand uit een van die plaatsen gekomen was, of zy
+hebben alle eenstemmig verklaart, dat zy in hun land t' onregten van
+Tovery beschuldigt wierden: en zoo zy geen bewys bekomen konden, van
+dat ze in de Stads Waege t' Oudewater gewogen waren, en hun gewigte
+met de gelegentheid hunnes Lichaems overeen quam, dat zy gevaer
+liepen van in hun Land om lyf en goed te raaken: 'T zeggen van die
+luyden was doorgaans, dat die in hun Land voor Tovenaers gehouden
+wierden, welken minder woegen. De overleden Secretaris de Hoy hadde
+hem verhaalt, dat in zynen tyd zeker persoon, uit de bovendeelen in
+'t Land daar hy woonde, door eenen, daar hy mede in geschil geraakt
+was, in 't geruchte was gebragt, van een Tovenaar te zyn, en dat
+hy geraden wiert, om zich van de gezeyde laster te suyveren, naer
+Oudewater in Holland te reysen, en hem aldaar in de Stads Schale te
+laeten wegen, en dat hy daar gekomen, het zy door bottigheyd, het zy
+door vreeze, of door quade onderrigtinge, wederom gekeert was na zyn
+Landt, zonder gewoogen te zyn, maar dat hy in zyn Vaderland komende,
+en niet konnende toonen, dat hy gewogen was (zulx vermoedelyk voor
+bewys van schuldigheid genomen zynde, als of hy te licht bevonden
+waare) zoo is 't gerugt voort geslagen tot den Regter van de plaats,
+die gezogt had deze Persoon in hegtenis te nemen, maar hy gewaerschouwt
+was 't ontvlugt. Daer na in 't Land, daar hy gevlucht was, geraakt
+zynde by een persoon, die te vooren hier ook met eenen anderen in
+zodanige gelegentheid geweest was, heeft den selven bevoolen met hem
+herwaarts aan te reysen, gelyk hy ook t' Oudewater gekomen, en in
+de Stads wage, op die reyze en wyze als verhaelt is, gewogen zynde,
+weder was na huys gekeert, en in zyn Vaderland, daar hy van daan
+gevlugt was, het bescheyt van aldaer gewogen te zyn vertoont hebbende,
+was hy weder in zyn geheel en in de volle bezittinge zyner goederen,
+die by den Regter al waren aengeslagen, hersteld geworden.
+
+»Op de 2de Vrage seit de Burgemeester, dat geen seker gewichte gestelt
+is, wat iemand wegen moet, maar dat het daarop aan kwam, dat het
+gewicht met de natuurlyke geschapentheid des lichaams overeenkomt.
+
+»Op de 3de Vrage, van waar dit zyn oorsprong heeft, seyt hy, dat
+hem zulks onbekent zy, maer dat egter blykt, dat hunne Stads wage
+in die buiten landen zulken aanzien hadde, also 't verscheide malen
+gebeurt was, dat die geenen, welken verzochten gewogen te worden,
+met bysondere Voorschryvens hunner Stad of plaats gekomen zyn.
+
+»Echter word daarby gezegt, dat Keyzer Karel zulk Voorregt aan de Stad
+Oudewater, uit oorzaak van hunne beproefde Oprechtigheid in desen,
+en van seker bedrog, in een nabuurig dorp ontdekt, geschonken heeft,
+immers dat zulks het algemeen zeggen is."
+
+Teregt merkt Ds. Kits van Heyningen, dan ook dien ten gevolge op: [292]
+»Men ziet uit bovenstaand berigt, dat de waag te Oudewater niet alleen
+veel bekendheid had, en voor officieel getuigenis diende, maar, dat
+ook de proef zeer onschuldig was. Had men een bepaald gewigt gesteld,
+dat iemand op zekeren leeftijd wegen moest, terwijl een ligter zijn,
+dan zoodanig gesteld gewigt voor bewijs van schuld gold, de proef
+ware wel niet pijnlijk, maar toch gevaarlijk geweest. Nu daarentegen,
+was 't genoeg, wanneer het gewigt, met de gewone gesteldheid des
+ligchaams in overeenstemming was. Men grondde die bepaling zeker
+op het volksgeloof, dat onder andere meeningen ook deze koesterde,
+dat een heks of toovenaar geen gewigt had."
+
+»Intusschen was het voorregt aan de waag gegeven, den waagmeester
+zelven niet geheel onverschillig. Wie gewogen werd, betaalde
+natuurlijk het waaggeld en schoon de som zoo groot niet was, bij
+de meerdere waarde, die het geld in dien tijd had, was zij toch een
+emolument geweest, dat bij zijn post gerekend werd, indien zij niet,
+omdat een ieder er iets van hebben moest,--en dat is sinds dien tijd
+nog weinig veranderd,--zoo versplinterd was geworden. Men leze de
+volgende authentieke bepaling van:
+
+»Leges te betalen bij die geene, die in der Stede Waach, uit
+beschuldiging van Tovery gewoogen worden."
+
+
+ Schepenen G 1 : -- 16 : -- / --
+ Secretaris G 2 : -- 18 : -- / --
+ Bode G 0 : -- 12 : -- / --
+ Waachmeester G 0 : -- 12 : -- / --
+ Vroedvrouw G 0 : -- 12 : -- / --
+ Samen G 6 : -- 10 : -- / --
+
+
+Wat er de laatste bij deed, wier vermelding op de rekening eenige
+bevreemding wekken kan, zal worden opgehelderd uit de volgende
+extracten uyt de Registers van de Judiceele en Dagelyksche Acten der
+Stede Oudewater.
+
+Alvorens echter daartoe over te gaan, zij het ons vergund mede te
+deelen de
+
+
+NAAMLIJST,
+
+voor zoover die op te sporen was, van personen, die ter zake van
+toverij beschuldigd werden, en zich van tijd tot tijd in de Waag van
+Oudewater hebben laten wegen. [293]
+
+»Maria Konings, Dochter van Gerard Hesseling, anders genaamt Konings,
+en Anneke ter Brugge, woonende te Konings in Zurik in den Kaspel van
+Boekholdt, in den Gestichte van Munster, gewoogen den 24 Februarij
+Ao. 1644. [294]
+
+Leentje Willems, Huysvrouw van Jan Aertsz., woonende in de Lange
+Linschoten, onder de Parochie van Oudewater, gewogen Ao. 1647.
+
+Jacobye Paulus, Huysvrouw van Steven Willems, woonende in de Boerschap
+van Wapenveld, onder het Schout-ampt van Heerde, gelegen in de
+Provintie van Gelderlandt, gewoogen den 2 Mey Ao. 1677.
+
+Marritje Cornelis, Huysvrouw van Thomas Bastiaansz. woonende over
+Lecq in Langeracq, gewoogen den 13 January Ao. 1681.
+
+Sybilla Essers, Dochter van Jacob Essers en Geertruyd Weyers, woonende
+in den Dorpe van Kleinenbroek, onder Zutphen, omtrent twee uuren van
+Nuits, gewoogen den 23 Mey Ao. 1694.
+
+Aaltje Brouwers, Huysvrouw van Frans Fransz., geboortich uit de
+Heerlykheid Borculô, Vlekke Heybergen, gewoogen den 25 September
+Ao. 1694.
+
+Maasje Faessen, Huysvrouw van Jan Aartsz., geboore in 't Waal,
+omtrent een half uur van de Vaart, over Vianen, gewoogen den 17
+September Ao. 1710.
+
+Geertruyd Hendriksz. van Beek, Weduwe van Christoffel Klads, woonende
+op 't Zandt te Utrecht, gewoogen den 23 Maart Ao. 1711.
+
+Lysbet Jans van Wout, Weduwe van Pieter Ariensz. Vosmeer, woonende
+binnen Montfoort, gewoogen den 15 Mey Ao. 1713.
+
+Neeltje Paulus Pols, geboortich van Bergh-ambacht, woonende in Honkop,
+gewoogen den 31 Mey Ao. 1728.
+
+Klaas Ariensz. van den Dool, gebooren te Noordelois, en Neeltje
+Ariensz. Kersbergen, geboortich van Lakerveld, Man en Vrouw,
+woonachtich op den Dool onder Meerkerk, gewoogen den 21 Juny
+Ao. 1729. [295]
+
+
+
+
+
+EXTRACTEN uit de Registers van Judiciële en Dagelijksche Acten der
+Stede Oudewater.
+
+
+ »Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater
+ in Hollandt, doen kont en certificeeren eenen yegelyken mits
+ dezen, ten versoeke van Maria Konings, oudt, zoo sy seydt,
+ omtrent zes en twintig Jaren, dochter van Geeraerdt Hesseling,
+ anders meede genaemt Geeraerdt Konings, ende Anneken ter Brugge,
+ wonende by Barendt Konings haren Broeder, te Koninkx in Surik
+ in den Kaspel van Boekholdt, in den Gestichte van Munster, op
+ een Hofsteede toebehoorende zyn Hoogheydt, den Heere Prince van
+ Orangien, weesende van deylbaren stature, met een vrattjen aan
+ de rechter zyde van hare kinne, ons voorgestelt by Johan Duyst,
+ Burgemeester der voorschreeve stadt Boekholdt, volgens zyn acte
+ van Certificatie van Burgemeesteren en Schepenen van Boekholdt,
+ ons vertoont ende gebleeken; dat op huyden voor ons Compareerden
+ de E. Willem Pietersz. Tromper en Johan van Rodenburg, beyde
+ Oudt-Burgemeesteren, en jegenwoordig Schepenen in dienste,
+ mitsgaders Cornelis Gysbertsz. Bodegrave, gesworen bedienaar
+ van deser Stads Wage, dewelke ter instantie en versoeke van
+ de voorschreven Maria Konings verklaarden, hoe waar is, dat
+ de voornoemde Cornelis Gysbertz. Bodegrave de voorschreven
+ Maria Konings ten haren ernstigen versoeke en requisitie, in
+ tegenwoordigheydt van hun Comparanten ende meer andere personen, na
+ dat zy by Jannetje Barents ordinaris Vroed-Vrouwe deser Stede, met
+ voorgaande Ondersoek, verklaert was dat de gemelde Maria Konings
+ tot hare Onderkleederen ontkleedt, ende de schoenen uyt-getogen,
+ niet van eenige zwaerte off gewichte by haar was hebbende, met
+ de balance in de Ordinaris wage deser stede Oudewater gewogen,
+ ende dat hun Comparanten en allen evidentelyken gebleken is,
+ dat de voornoemde Maria Konings, alleenlyk gekleedt en ondersogt
+ zynde als voren, was wegende hondert vier en dertig ponden
+ zodanige oprechte [296] Troysche wichte als men ordinaris in de
+ voorschreven Wage is gebruykende, zulks dat wy mede by dezen
+ certificeeren, dat deselve Wichte met de naturelyke proportie
+ hares lichaems wel is accorderende. Ende alzoo de voorschreven
+ Maria Konings aen ons versogt onse opene Brieven van certificatie
+ van de voorgenoemde Verclaringe, om haar daar mede te dienen in
+ tydt en wylen, daer ende wanneer haar zulks noodig en te raden
+ wesen zal, ende men gehouden is de waarheydt te getuygen, in
+ zonderheyd daar toe versocht zynde: Zoo hebben Wy haer 't zelve
+ versoek niet kunnen nog willen weygeren, zonder bedrog: des
+ 't oirconde hebben wy deser Stede Zegel hier onder aengehangen,
+ ende by onsen Secretaris doen onderteykenen. In den Jare onses
+ Heeren ende Zaligmakers Duyzent Zes hondert Vier ende Veertig,
+ op den XXIIIJ. February. (Onderstondt.) Ter ordonantie van de
+ Heeren voornoemt geteekent.
+
+ (Was getekent) H. de Hoy.
+
+ (Onderstont)
+
+ »'T voorschreven ge-ëxtraheerde by my ondergeschreven Secretaris
+ der Stede Oudewater accorderende bevonden, met de vordere
+ Verclaringe: dat in mynen voorschreven dienste veele persoonen
+ invoegen voorseydt in de Wage alhier zyn gewogen, met gelyke
+ Verclaringe mutatis mutandis als vooren: en specialyken noch
+ in den lest voorleden Jare 1647, drie verscheyden persoonen;
+ onder anderen eene Leentjen Willems, Huysvrouwe van Jan Aertsz.,
+ wonende in de Lange Linschoten onder de Parochie van Oudewater,
+ 't Oirkonde geteekent dezen VII. January 1648 (en was geteekent:)
+
+ H. De Hoy.
+
+ »Wij Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater, in
+ Holland; doen cont ende Certificeeren mits dezen, ter requisitie
+ van Jacobye Paulus, huisvrouwe van Steven Willems, wonende in
+ de Boerschap van Wapenvelt, onder 't Schoutampt van Heerde,
+ gelegen in de Provintie van Gelderlandt, oudt, zoo zy seyde,
+ omtrent 40 Jaren, wesende kortagtigh van Persoon, bruin van
+ hair, en blaauw van oogen, langwerpigh van aangezigt, en onder
+ aan haer Rechterwang een rood vlakje, Dat op huyden voor Ons
+ gecomen en gecompareert zyn, de E. Gysbert Isulsteyn, en Jacob
+ de Gyselaar, Schepenen deser Stede, mitsgaders Adriaen Munter,
+ geswooren Bedienaar van deze Stede Wage, dewelke ter instantie,
+ ende naerder versoeken van de voorn. Jacobye Paulus, verklaerden
+ waer en waerachtig te wezen, dat de voorn. Adriaen Munter, de
+ genoemde Jacobye Paulus op haer speciael en ernstige versoeken,
+ ende in de praesentie en tegenwoordigheid van de voorn. Schepenen,
+ Waagmeester, en andere Notabele Personen, na dat by Niesken
+ Gerrits, Ordinaris Vroedvrouwe alhier publicquelyk verklaerd
+ was, dat de meergemelde Jacobye Paulus, blootshooft, schoenen en
+ hoosen uytgetogen, gekleet met een onderrokje over haar hembd,
+ geenige wichte ofte swaarte by haer hadde, met de Ordinaris
+ balance in de Waag alhier gewogen heeft Een hondert en een pont,
+ sodanige oprechte Troyaense wichte, als men ordinaris in deser
+ Stede Waag is gebruykende, zulx dat wy by desen Certificeeren,
+ dat de voorsz. gewigte met de Natuurlyke proportie haeres Lichaems
+ wel is accordeerende; Ende alzoo zy daer van versogte onse opene
+ brieven van Certificatie, omme deselve haar te dienen daer, en
+ zoo zulx behoort, hebben wy haer 't zelve, niet konnen nog willen
+ weygeren, zonder bedroch, en tot meerdere verzeeckeringe deses,
+ hebben wy den zelven mettet stede Zegel ende ondertekeninge van
+ onsen Secretaris bekragtigt, op den 2 Mey 1677.
+
+
+
+ »Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater in
+ Hollant doen Condt en Certificeeren mits deesen ter requisitie
+ van Geertruyd Hendriks van Beek, weduwe van Christoffel Clads,
+ woonende tot Utregt op 't Zant, out, zoo zy seyde, omtrent twee en
+ seventig jaren, lang van persoon, mager van wesen, hoog blaauw van
+ oogen en grys van haar, dat op huyden voor ons gecompareert zyn de
+ Heeren Jan van Lexmont ende Jacob Bakker, Schepenen dezer Stede,
+ mitsgaders Cornelis van Eynthoven (by absentie van zyn vader
+ Dirk van Eynthoven) beëdigde Waagmeester van deze voorzs. Stede
+ Waag, by ons ten deese geauthoriseert, dewelke ter instantie en
+ verder versoek van de voorn. Geertruyd van Beek, verklaarde waar
+ ende waaragtigh te zyn, dat den voorn. Cornelis van Eynthoven de
+ genoemde Geertruyt van Beek op haar speciaal en ernstig versoek,
+ in presentie en tegenwoordigheyt van de voorn. Schepenen,
+ geauthoriseerde waagmeester ende andere notable persoonen,
+ na dat by Jacomyntje Aertz Dekker ordinaris Stads Vroetvrouw
+ alhier publiequelyk was verklaart, dat de meergemelde Geertruyt
+ van Beek bloots hoofts, schoenen ende kousen uytgetoogen,
+ alleen met haar hemdt over haar bloote lichaam, bedekt met een
+ Faly off sluyer, en genige gewigten off swaarte by haar hadde,
+ met de ordinaris balance in de Waagh alhier gewoogen heeft een
+ hondert ende twee ponden, soodanige opregte Troyaansche gewigten,
+ als men ordinaris in deser Stede Waagh is gebruykende, zulks
+ dat wy by deesen Certificeeren, dat de voorsz: gewigte met de
+ naturelyke proportie haares lichaams wel is accorderende, ende
+ alsoo zy daar van verzogte onse opene brieven van Certificatie,
+ om de selve haar te dienen, daar het nodigh weesen sal, hebben wy
+ haar 't selve niet kunnen nogh willen weygeren, sonder bedrog:
+ ende tot meerder sekeringe deeses, hebben wy deselve met het
+ Stede Zegel ende ondertekeninge van onse Secretaris bekragtigt,
+ op den drie en twintigste Maart, seventien hondert en elff.
+
+
+
+ »Wy Burgemeesteren, Schepenen ende Raden der Stede Oudewater in
+ Holland, doen Cond en Certificeeren mits deezen, ten verzoeke van
+ Claas Ariensz. van den Dool, geboortig te Noordeloos, oud ontrent
+ 37 Jaren, kortagtig en eenigsins spitsig van Ligchaam, hebbende
+ blaauwe oogen, hoog bruyn van vel en hair, en Neeltje Ariens
+ Kersbergen, geboortig van Lakerveld, oud omtrent 31 Jaaren, matig
+ van postuur en hoog Zwanger, bruyn van vel, blaauwe oogen, Man en
+ Vrouw, woonagtig op den Dool onder Meerkerk, dat op huyden voor
+ ons verscheenen zyn d'Heeren Dirk van der Lee, en Gerrit Ingen van
+ Liesveld, Schepenen dezer Stede, mitsgaders Jan Racaute, geswooren
+ Waagmeester, dewelke ten verzoeke van de Requiranten verklaarden
+ waar en waarachtig te zyn, dat door den voorn. Waagmeester Jan
+ Racaute op ernstige instantien van de Requiranten, in presentie van
+ de voorn. Heeren Schepenen en andere notabele persoonen, op Huyden
+ den voorsz. Klaas Ariensz. van den Dool in dese Stede Wage met de
+ ordinaire balance en opregte Troyaansche wigte, gelyk men altoos
+ in deeze Stede Waag gebruykt, is gewoogen, na dat Philip vander
+ Werff Geregts-bode dezer Stad had verklaard, dat denselve Klaas
+ Ariensz. vanden Dool, door hem was ontkleed, schoenen en koussen
+ mitsgaders andere kleederen uytgetoogen, en zulks alleen in zyn
+ hembd, zonder dat hy eenige zwaarte van gewigten by zig had, en
+ is denzelven persoon bevonden zwaar te weezen een honderd twee
+ en twintig ponden, der voorsz. Troyaansche wigte; wyders is de
+ voorn. Neeltje Ariens Kersbergen invoegen voorsz. meede gewoogen,
+ en naar dat door Jacomyntje Aertz Dekker Stads Vroedvrouw alhier
+ meede verklaard was, dat de meergem. Neeltje Ariens Kersbergen
+ door haar was ontkleedt schoenen en koussen uitgetoogen, en zulks
+ alleen bedekt met haar hembd en zwarte falie over haar bloote
+ Lighaam, hangende het hair los by het hoofd, zonder datse eenige
+ zwaarte of gewigte by haar hadde, en is dezelve persoone bevonden
+ zwaar te weezen een honderd en tien ponden voorsz. Troyaansche
+ wigte: certificeeren vervolgens wy dat de voorsz. gewigte met de
+ natuurlyke proportie des lichaams van de requiranten beyde zeer
+ wel is accorderende bevonden, en alsoo zy daar van verzogten
+ onze opene brieven van certificatie om dezelve te dienen, daar
+ en zoo zulks behoord, hebben wy haarlieden 't zelve niet kunnen
+ nog willen weygeren, dit alles zonder bedrog; en in bewys van
+ waarheyd hebben wy deze met onze Stede Zeegel en ondertekeninge
+ van onzen Secretaris bekragtigt op den 21 Juny 1729."
+
+
+In 1729 vinden wij alzoo van de laatste heksenweging gewag gemaakt,
+en in dit jaar reeds zoo na grenzende aan onze verlichtende 19de
+eeuw, zien wij ingevolge de laatste acte, deze weegkuur nog met de
+meest mogelijke juistheid, met inachtneming van alle gebruikelijke
+vormen ten uitvoer gelegd! Het was de laatste en gelukkig de laatste
+weeggeschiedenis met de zoogenaamde heksen op de Waag, want, door
+het meer en meer verstandelijk ontwikkelde menschdom, moest ook deze
+laatste proef, al was zij onschuldig, in onbruik geraken! Maar waren
+daarom de heksen-geschiedenissen, het beschuldigen van menschen als
+toovenaars, en het geloof aan heksen, ook met de in onbruik geraakte
+proef op de waag te gelijk verdwenen? Neen mijn lezers, neen,
+het bijgeloof bleef voortsluipen tot in de 19de eeuw, het sluipt
+nog voort in onze dagen. Waar het zich op vele plaatsen niet meer
+openlijk vertoont, daar schuifelt het gelijk een venijnig serpent
+onder het spigtig gras, en treft met zijn schadelijk gift, dat het
+met zich omvoert, soms nog vrij zeker. Immers hoe dikwijls berigten
+ons de dagbladen nog van heksen en beheksten, hoe menigmaal hoort
+men, vooral onder de geringere volksklasse nog gewagen van personen,
+die »meer kunnen dan menig ander."
+
+Doch gelukkig wij zijn vooruitgegaan, en met rassche schreden
+vooruitgegaan, en wie weet het hoe spoedig welligt, dat het bijgeloof
+nog alleen bij name zal blijven voortbestaan! O moge die tijd spoedig
+aanbreken.
+
+
+
+Nog mijne lezers bevindt zich deze waag waarin men heksen woog te
+Oudewater, nu echter de »heksen" er niet meer opkomen, dient zij
+weer bijna uitsluitend tot het wegen van koopmansartikelen, levend
+vee, touwwerk, kaas, [297] enz. terwijl het regt tot dit wegen van
+stadswege van tijd tot tijd in het openbaar verpacht wordt.
+
+Wanneer Oudewater door vreemdelingen bezocht wordt, dan vragen
+zij natuurlijk alligt hen de heksenwaag te vertoonen, [298]
+en onwillekeurig hoort men hen den uitroep ontsnappen: hé, wat
+eenvoudig gebouw is die waag, heeft deze nu eene zoo groote rol in de
+heksen-geschiedenissen gespeeld, wierd daarin zoo menig mensch van het
+doemvonnis verlost, hen door het bijgeloovige menschdom aangewreven,
+en ja zoo was het, dáár hielden de harten op angstig te kloppen,
+dáár klonken voor slechts G. 6.50 den beschuldigde de bemoedigende
+woorden tegen, ga, gij zijt vrij! wij hebben u gewogen en ....... niet
+te ligt bevonden.
+
+
+
+
+Geboortehuis van Jacobus Arminius.
+
+Naast de stadswaag, of meer juist, door de Gasthuissteeg gescheiden,
+bevindt zich het geboortehuis van Jacobus Arminius. Het is een
+fraai huis, de voorgevel is naar de Ionische orde gebouwd, met vele
+versieringen voorzien, en is getooid met het symbool der fortuin,
+waarin sommige menschen verkeerdelijk het standbeeld van den eersten
+remonstrant meenen te zien. Niettemin gelooven wij, dat het opschrift
+van een marmeren steen, eertijds onder het beeld der fortuin aanwezig,
+wel eenige betrekking op onzen lateren Leidschen hoogleeraar mag
+gehad hebben; deze steen met dit opschrift, zijn echter uit den gevel
+verwijderd, en welligt verloren geraakt, daar men ons verhaalde, dat
+niemand het opschrift van dien steen kon ontraadselen. Wij moeten
+echter opmerken, dat het huis niet meer in dien toestand is, als
+toen Arminius daarin werd geboren, daar wij het jaartal 1601 in den
+voorgevel vinden, en zijne geboorte reeds in 1560 plaats had. Stellig
+echter is het huis weder op dezelfde plaats herbouwd, zoodat wij nog
+met gerustheid mogen zeggen: zie dat is het huis, daar is de plek,
+daar de groote Arminius het eerste licht heeft aanschouwd.
+
+Voor eenige jaren (in 1854,) werden in het voorhuis, eenige
+veranderingen aangebragt, waarbij tevens het volgende vers verwijderd
+werd, dat men tot dusver het huis binnentredende met fraai geschilderde
+gothische letters, daarin had opgemerkt:
+
+
+ Jammer, ellende en grooten nood
+ Is der regtvaardigen dagelyksch brood,
+ Die tot het eeuwige leven zyn verkoren
+ Steken veel distels ende doornen
+ Nog zal de Heer ten allen tyden
+ De vromen verlossen en verblyden.
+
+ Ps. 34.
+
+
+Over Arminius zelve zal te gelegener tijd worden geschreven--alleenlijk
+vermelden wij nog, dat in het huis zijner geboorte, nu eene grutterij
+wordt uitgeoefend.
+
+
+
+
+Het Stadhuis.
+
+Het Stadhuis bevindt zich op het fraaiste gedeelte van Oudewater, het
+is gelegen aan het begin der Kapelstraat en maakt met zijne bevallige
+voorpui front naar het aangrenzende plein der Vischmarkt.--Lief
+toch vertoont zich het Stadhuis van buiten aan ieder, die eenigen
+bouwkundigen smaak bezit, immers, de voorgevel die naar de Ionische
+orde gebouwd, en versierd is met het beeld, dat de geregtigheid
+voorstelt, de voorgevel getooid met de wapenschilden der steden Delft,
+Oudewater en Alkmaar naast elkander, die weder beheerscht worden door
+den leeuw, die op het hoogste gedeelte des voorgevels is aangebragt,
+en weder het wapenschild van Oudewater tusschen zijn gespierde pooten
+houdt, dit alles maakt met de welaangebragte kleuren, die een en
+ander bedekken, een aangenaam effect, dat nog verhoogd wordt, door de
+sierlijke voorpui, die uit vitruvius gebouwd, en daarenboven getooid is
+met vier zittende leeuwen, met wapenschilden boven de hoofdstukken der
+pijlaren aangebragt, en het wapen van Holland in het midden vertoont.
+
+Dit gebouw dagteekent van het jaar 1588, zoo als wij insgelijks nog
+in den voorgevel uit eenige ijzeren ankers die dit jaartal vormen,
+kunnen opmaken, het werd echter in genoemd jaar slechts vernieuwd,
+op de oude grondslagen, boogen en muren, en met een leijen dak
+gedekt. Uit dit dak rijst een fraai torentje, dat met eene daar
+inhangende klok voorzien is, die ten tijde des Heeren van Kinschot
+[299], onderanderen diende, ter bekendmaking der regtdagen, en
+der gewoonlijke vergaderingen, alsmede het sluiten en openen der
+poorten--zooals het tegenwoordig onder meer, voornamelijk gebezigd
+wordt, tot bijeenroeping van den volke, indien er iets van de puije
+des raadhuizen van lands- of stadswege wordt verkondigd.
+
+Het Stadhuis is gebouwd op 4 boogen of verwulfsels: een dezer, aan de
+voorzijde aanwezig, dient de nachtwacht, tot punt van bijeenkomst en
+schuilplaats bij ongunstig weder, terwijl het tevens na afbraak der
+Romein of Gevangentoren tot tijdelijke bewaarplaats voor misdadigers
+is ingerigt, de overige drie »holen" zooals men ze noemt, worden van
+stadswege tot bergplaats verhuurd.
+
+Bezien wij nu vlugtig het stadhuis ook nog van binnen.
+
+De trappen die wij tot dat einde moeten beklimmen, waren zoo als
+Kinschot getuigt, van blaauwe Naamsche steen, en gemaakt door Duiliaan
+Vlamingh, eertijds Mr. Steenhouwer te Delft, doch indien het uwe
+belangstelling waardig is, zoo vermelden wij u, dat men in het jaar
+1816 daarvoor andere heeft gelegd. Treden wij echter binnen--Al
+dadelijk bevindt men zich op eene ruime voorzaal, aan wier einde
+eertijds de vierschaar was. Op deze voorzaal werd sedert Ao. 1798 de
+ringvergadering gehouden, waarvan Oudewater toen de hoofdplaats was,
+waardoor ook alstoen de vierschaar vernietigd werd [300].
+
+Regts aan den ingang dezer voorzaal bevindt zich de bodeskamer in
+1857 daargesteld, terwijl aan het achtergedeelte, dáár ongeveer, waar
+vroeger de vierschaar was, eenige wapenen,--overblijfselen van den
+moord in 1575--tot eene trofée geschikt, deze voorzaal versieren [301].
+
+Ter regterzijde verschaft eene deur toegang tot de Secretarie die
+aldaar ten jare 1859 getimmerd is, deze doorgaande, komt men van
+ouds in de weeskamer, die tot in dit jaar nog de Secretarie was,
+doch in laatstgenoemd jaar tot burgemeesterskamer werd ingerigt;
+ter linkerzijde, zien wij in dit laatste apartement eene deur in den
+muur aangebragt; wij nemen de vrijheid deze te openen, en geleiden u
+de raadkamer binnen, waarin eertijds ook het geregt zijne vergadering
+hield. Reeds in 1834 en 1835 werd deze raadkamer veel verbeterd en
+verfraaid, en ook nog in 1859 is veel tot versiering en tot gerief
+hierin aangebragt, zoodat een en ander zich nu in zeer netten toestand
+bevindt. Aan den wand, ontwaart men de portretten van de beroemde
+mannen Jacobus Arminius, in der tijd hoogleeraar in de Godgeleerdheid
+te Leiden, en Mr. A. Van Stipriaan Luiscius, eertijds Med. Doct. et
+Chem. Lect. te Delft, beide te Oudewater geboren.
+
+Wat wij echter op deze raadzaal nog meer opmerken, is het groote
+beroemde schilderij van den Utrechtschen schilder D. Stoop,
+voorstellende den moord der Spanjaarden in 1575 te Oudewater gepleegd,
+zoo als nog daarenboven uit het volgende originele opschrift blijkt.
+
+Oudewater onder Philip II, Koning van Hisp. door beleit van Hierges
+belegert 19 Julij, is nae dapperlyk beschieten, ende grouwlyk gevegt
+stormenderhand ingenomen; Soldaten, Burgers, Vrouwen en Kinderen
+wreedlyk vermoord ende de Stad verbrand, op den 7 Augusti 1575.
+
+Behoeven wij het wel te zeggen, dat waar een Stoop zoodanig
+tafereel vervaardigd heeft, het niet mankeert aan fiks coloriet,
+stoute figuren, en bevallig uitgevoerde groepen, dat iedere groep
+eene fraaije ordonnantie op zich zelve is, zonder dat de bekwame
+schilder door deze détails het geheel, hierdoor uit het oog heeft
+verloren? Behoeven wij aan te stippen, dat het stadsgezigt uit dien
+tijd met veel historische trouw is vervaardigd? [302]
+
+Teregt stroomen er dan ook nog ieder jaar op den gedenkdag des
+moords, honderden menschen naar het Raadhuis, om dit schilderij te
+bewonderen, en zich te verplaatsen naar de tijden van den bloedigen
+oorlog met Spanje.
+
+
+
+Wij verzoeken den lezer het gebouw met ons te verlaten, daar de
+gijzeling, die zich nog boven deze apartementen bevindt, weinig
+aanlokkends ter bezigtiging kan aanbieden, en hiermede sluiten wij dan
+ook de beschrijving onzer reeks publieke en merkwaardige gebouwen van
+Oudewater. Wij hebben de gebouwen ondervraagd en zij hebben tot ons
+ten deele door de historie-bladen en oude bescheiden gesproken. Wij
+hebben gezien, dat het waarheid was, toen wij in ons motto den heer
+Rose nazeiden: »De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene,
+omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren van vroegere
+handelingen. De monumenten verschaffen ons eene geschiedenis op
+eene andere wijze, namelijk in vormen, die een geheele reeks van
+waarheden en denkbeelden in zich sluiten en bij ons opwekken. Zij
+verhalen ons juist niet al het gebeurde, maar zij leeren ons kennen,
+hoe het voorgeslacht leefde, dacht en gevoelde, en dat heeft voor
+het meest even zoo veel waarde, als de vermelding van een reeks
+gebeurtenissen." De waarheid van dit motto, zal nog nader uit het
+volgende hoofdstuk blijken.
+
+
+
+
+
+
+
+ONDERZOEK NAAR DE REDENEN WAAROM DE WAPENS DER DRIE STEDEN DELFT,
+OUDEWATER EN ALKMAAR IN EN AAN EENIGE PUBLIEKE GEBOUWEN ALDAAR
+GEVONDEN WORDEN.
+
+
+Bij de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen binnen
+Oudewater, heeft men gelegenheid gehad, op te merken, dat de wapens
+der steden Delft, Oudewater en Alkmaar aanwezig zijn, geweest aan de
+gevels der geamoveerde IJssel- en Waardpoorten en nog zigtbaar zijn,
+aan het Raadhuis dezer gemeente; daarenboven, bevatten eenige gebindten
+in de kerk der hervormden, eertijds insgelijks deze wapenschilden,
+terwijl uit zeker huis [303] gelegen aan de markt dezer plaats ten
+jare 1856 bij herbouw nog het wapen van Delft werd verwijderd.
+
+In Delft waren de drie voormelde stedenwapens aangebracht, aan den
+toren van het raadhuis, aan de Kameretten of het oude Lombardhuis en
+aan den binnengevel van de Waterslootsche of St. Jorispoort.
+
+Terwijl men dezelve te Alkmaar aan de Stadswaag en in het gewelfsel
+van de Consistorie der groote kerk kon opmerken.
+
+Teregt moeten er dus gewigtige redenen hebben bestaan, waarom dit
+drietal wapens nevens malkander worden aangetroffen, doch wat de
+eigenlijke redenen zijn, dit is niet meer met zekerheid te bepalen:
+zoo hiervoor het echte bescheid bestaan heeft, dan is het zekerlijk
+verloren geraakt, en niettegenstaande vele aangewende pogingen, hiervan
+eenig oorspronkelijk document op te duiken, zijn zij vruchteloos
+gebleven. Het ontbreekt echter niet--zooals het gewoonlijk in
+dergelijke gevallen gaat, aan een aantal gissingen daaromtrent,
+en die willen ook wij dan vermelden, daar eenige er van, hoogst
+waarschijnlijk de voldoende oplossing op deze vraag geven.
+
+Onder de menigte schrijvers, die hunne aandacht op de aanwezigheid
+en de redenen, waarom deze wapens op voornoemde plaatsen aangebragt
+zijn, bepaalden, willen wij bij voorkeur raadplegen de heer Bleiswijk
+in zijne beschrijving van Delft, Eiklenberg in die van Alkmaar en
+Kinschot over Oudewater en daarbij onze meeningen invoegen.
+
+
+
+Alhoewel het in oude tijden vrij gebruikelijk was, dat door de eene
+stad aan de andere, bij het daarstellen van openbare gebouwen,
+geschenken gegeven werden, en men ter gedachtenis daarvan, het
+wapen van die stad, ter herinnering aan zoodanig gunstbewijs, daarin
+aanbragt, zoo hebben eenigen gemeend, dat men dáárom deze wapens in
+de vermelde reeks gebouwen, in deze drie steden had aangebragt; doch
+hier maken wij van Kinschots gevoelen gaarne tot het onze, namelijk,
+dat zulks niet waarschijnlijk is, aangezien in de Besluit-boeken dier
+steden hieromtrent niets aangeteekend staat.
+
+Wij voegen hier nog bij de facta, dat er op ons vrij wel
+geinventariseerd gemeente archief, bestaat, eene missive van de
+regering der stad Alkmaar, dato den 25 Mei 1588, »ten geleide van
+'t conterfeitsel van 't wapen dier stad, om dit nevens het wapen van
+Oudewater en Delft voor 't nieuwe raadhuis alhier te stellen, als een
+gedenkteeken en onderhouding van het oude verbond onderling gemaakt."
+
+Hier wordt dus van geen geschenk der stad Alkmaar, doch van een
+verbond gesproken.
+
+Voorts hebben wij vermeld, dat ten jare 1856 uit zeker huis aan de
+markt alhier, het wapen van Delft werd gebroken, en dewijl voor zoover
+ons bekend is, deze woning nooit een openbaar gebouw van Oudewater
+geweest is, kon Delft hiermede ook in geen betrekking staan en zal
+laatstgenoemde plaats, dan ook geen geschenk tot daarstelling van
+dat huis hebben verstrekt. Beneden zullen wij onze meening ook voor
+de reden, dat voornoemd wapen, dáár aanwezig was aanvoeren; echter
+is deze eerste gissing, naar ons oordeel behoorlijk ontzenuwd.
+
+Ten 2e, willen anderen de reden van het feit hierin opgelost zien,
+dat de steden Delft, Alkmaar en Oudewater in oude tijden, en mogelijk
+wel in den Hoekschen en Kabeljaauwschen oorlog in onderling verbond
+zouden gestaan hebben, en onder ééne banier ten oorlog uitgetrokken
+zijn, doch hierop merkt van Kinschot [304] weder teregt aan, dat
+iedere stad hare eigene banier gehad heeft [305] en hem dit geheel
+onwaarschijnlijk voorkomt. Wij verwerpen met van Kinschot eveneens deze
+meening, immers, dat die van iedere stad, zich onder hare bijzondere
+banier ten oorlog schaarden, vonden wij ook bij Dr. D. J. Veegens,
+in zijne »Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd" bevestigd,
+alwaar wij onder de »vertelling" het ontzet van Haarlem op bladzijden
+108-109 de volgende zinsnede aantreffen, die ook deze tweede gissing
+met grond doet verwerpen:
+
+
+
+»Door de stofwolken heen, die de ruiters van Jacobas leger uit het
+drooge zand deden opgaan, blonken de banieren van hare getrouwe steden
+Schoonhoven, Gouda en Oudewater in de middagzon."
+
+Laten wij ons echter niet langer ophouden, het aantal gevoelens van
+zoovelen mede te deelen en te wederleggen, doch trachten wij liever,
+er de ware oorzaak van op te sporen.
+
+
+
+Wij hebben hiervoren op bladz. 321, reeds de zekerheid erlangd,
+uit de missive der stad Alkmaar van 25 Mei 1588, bij de geleide
+der afbeelding van het wapen dier stad, om dat nevens het wapen van
+Oudewater en Delft voor het nieuwe stadhuis alhier te stellen, dat
+dit tot een gedenkteeken en onderhouding moest dienen, van het oude
+verbond onderling gemaakt.
+
+Nu komen wij op weg--er was tusschen deze drie plaatsen een verbond
+gemaakt, dat verbond was ten jare 1588 reeds een oud verbond en dat
+verbond was in laatstgenoemd jaar nog tot geene verkrachting gekomen,
+want die van Alkmaar schreven, dat de plaatsing van het wapen hunner
+stad aan het stadhuis, dienen moest, tot onderhouding van het verbond.
+
+Wat nu de bijzonderheden omtrent dit verbond waren, hiervan ontbreekt
+het rechte bescheid, doch wij zullen trachten te bewijzen, dat de
+overeenkomst bestond:
+
+1o. dat de poorters van Delft en Oudewater volgens onderling verdrag,
+vrij waren het regt van uitgang (exue) te betalen.
+
+2o. dat die van Oudewater en welligt ook van Alkmaar, weleer met
+hunne vonnissen in zwaarwigtige en twijfelachtige gevallen bij die
+van Delft mogten te rade gaan.
+
+3o. dat bij jaarmarkten in eene dezer drie steden, eerst de poorters
+van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, en dan de twee overige
+plaatsen, het regt van voorrang in standplaatsen op de markt mogten
+hebben.
+
+4o. dat de drie steden voornoemd, waren overeengekomen, dat hare
+poorters een gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad hare eigen
+poorters toestond, bij verhuizing zouden genieten, en ten
+
+5o. dat het onderschrift van het wapen van Delft op eene onderlinge
+overeenkomst van poorteren doelt.
+
+I. Het eerst hebben wij ons voorgenomen te bewijzen, dat de poorters
+van Delft en Oudewater vrij waren, het regt van uitgang (exue) te
+betalen. Het zal echter vooraf velen onzer lezers niet onaangenaam
+zijn te vernemen, wat dit voor een regt was,
+
+Aan vele steden [306] in Holland was het eertijds bij Handvest vergund
+en in andere steden was het reeds lang een oud gebruik, dat alle
+buiten lieden, die in eene stad, bij uitersten wil of versterfregt
+kwamen te erven, van deze hunne erfenis, een tienden penning, ten
+behoeve van die stad moesten betalen, voor en aleer zij hun geërfd
+goed, uit die gemeente mogten vervoeren.
+
+Dit regt strekte zich ook uit, tot die burgers of poorters, die
+weigerachtig waren, aan de hen opgelegde stadsdiensten en lasten
+of anderzins, en zonder bewilliging uit de stad met hunne goederen
+vertrokken--en zoodanig regt nu, was men gewoon te noemen, het regt
+van exue, exuwe of Issue. [307]
+
+Nu gebeurde het dikwijls, dat deze heffing onder steden, die gelijk
+regt hadden, onderling werd opgelost, zoodat de zoodanige plaatsen,
+dit regt van malkander niet invorderden. Verscheidene overeenkomsten
+immers bestonden daarvan--zoo vinden wij vermeld, in de handvesten van
+Amsterdam (1613 pag. 36) dat men daar met de stad Groningen zoodanig
+verbond gesloten had, op St. Jans Baptisten avond 1553 en nog vinden
+wij aangeteekend, dat tusschen de steden Haarlem en Amsterdam een
+accoord in dezer voege aangegaan was, op den 17 April 1464.
+
+»Een octrooi om exue te heffen was al zeer vroeg mede verleent
+geweest aan de stad Delft, doch dit is in den brand van den jare
+1536 verongelukt, zooals te zien is in het nader octrooi bij keizer
+Karel den 27 Maart 1545 aan laatstgenoemde stad verleend, waarbij
+vernieuwing van het oude octrooi werd gegund, als: »voorregt van
+exuw te mogen heffen, opbeuren en omvangen, de twintigsten penning
+van alle goederen succedeerende, of andersins gaande buyten de stede
+van Delf mitsgaders ook so veel te mogen nemen, en omvangen van den
+Inwoonders, of goeden uit derselver stede gaande in andre plaatsen,
+als de wethouders aldaar nemen van de inwoonders van Delf hetzij de
+tienden, twaalfden, of vijftienden penning." [308]
+
+Zooals wij nu reeds gemeld hebben, hebben die van Oudewater met
+de Delftenaars insgelijks een overeenkomst gesloten, dat zij ter
+wederzijden vrij zouden zijn, van dit exue regt te betalen en wel reeds
+op den 4 Maart 1427, waarbij die van Oudewater aan Delft beloofden:
+
+»Dat sy tot genen dagen aan erfenissen, nog aan besterfenissen, die
+hare poorteren en inwoonderen in het regtsgebied van Oudewater mogten
+aanbesterven, belasten, nog beswaren en sullen, met enig pond geld
+van hen te eijssen, of te nemen, ten waar dat ter de Burgemeesters
+van der stede wegen van Delft voor en eerst van haar poorteren van
+Oudewater eysschede en namen."
+
+Dit eerste vrienschapsbetoon van Oudewater en Delft is, dunkt ons,
+hiermede behoorlijk gebleken.
+
+II. Het tweede punt, dat wij te bewijzen hebben is, dat die van
+Oudewater bij uitspraak van hunne gewigtige en twijfelachtige gevallen
+in geregtszaken bij die van Delft mogten te rade gaan.
+
+De voor zijne eeuw zeer kundige Mr. Simon van Leeuwen getuigt, dat
+meerdere steden gewoon waren onderling in dergelijke gevallen te rade
+te gaan. Zoo raadpleegde de stad Woerden, die [309] van Gouda even
+als de laatste zulks weer deed [310] bij die van Leiden, Weesp deed
+het [311] te Amsterdam, terwijl Oudewater bij [312] die van Delft te
+rade ging, en Delft wederom [313] advys inwon te 's Hertogenhosch.
+
+De Heer van Kinschot heeft in zijne beschrijving van Oudewater twee
+zoodanige advyzen van bladz. 62 tot en met bladz. 66 medegedeeld. Het
+laatste was een advys van de heeren magistraten der stad Delft, dato
+den 13 September 1610, en de eerste was van den 2 Februarij 1595 en
+kortheidswille schrijven wij alleen de laatste over--het luidt aldus:
+
+
+Eersame Discrete Voersienighen Heeren ende goede Bontghenoten:
+
+»Wy hebben gevisiteert het processie voor uwer l. wtstaande tusschen
+Baert Jacobsz eyscher, op ende tegens Pieter Harmensz. van Cendenoort
+gedn., in welcke zaecke wy bevinden het poinct daer inne te bestaen,
+off Adriaan Goossensz. des verweerders ofte gedaegdes huysfrouse
+Grootevader zoo wy verstaen in den jare XVc. Liiij. by titule
+van Coope vercreghen hebbende van Pieter Cornelisz. Burgher tot
+Dordrecht, de vyertel lants die by den gedn. an den eysscher vercoft
+is, In deselve Coope mede gehadt heeft de werff alhier in questie,
+want indien Adriaen Goossensz. in deselve coope van de vyertel lants
+mede gehadt soude hebben de werff in questie, soo soude ons advys
+zyn, dat dezelve werff den Eyscher behoort geadiuceert te worden met
+Condemnatie van Costen, en mette Intreste ofte schade van 't ontberen
+van dyen vanden dach vande Coop aff, ontseggen hem zynen vorderen eysch
+van alle 't gundt daer op geplantet is, Maer indien beuonde wordt,
+dat Adriaen Gossensz. Dselve werff vercreeghen heeft nyet wt Crachte
+van de Coop van de vyertel lants, maardat sy ofte eenighe andere,
+van des gedes. voorsaeten, ofte de gedn. seluer by andere titule
+de voorsz. werff vercregen soude hebben, soo soude ons advys zyn,
+dat men den eyscher zynen Eisch en Conclusie behoort te ontsegghe
+ook met Condemnatie van Costen.
+
+ hier mede
+
+»Eersaeme Wyse Discreten Voorsienighe heeren ende goede bondtgenoten
+beuelen wy uwer E: in de bescherminge Gods des heeren Al machtich
+geschreven tot Delft den ij february Ao. XVc. XCV.
+
+ (Lager stond:)
+
+Die alle uwer E. goede Vrunden en bondtghenooten Schoudt, Burgemren:
+Schepenen en: Raeden der Stad Delff en ter Ordonnan. van henluyden
+geteyckent by my,
+
+ (was getekend)
+ J: GROENHOUT.
+
+ 1595.
+
+ (de superscriptie was)
+
+ Eersaeme, Wyse Discreten seer voorsienighen heeren ende
+ bondtghenoten
+
+ De Bailliu, Schepenen ende Gerechte de Stede van
+
+ OUDEWAETER.
+
+
+Uit dit aangevoerde en de gebezigde woorden »goede bontgenooten,"
+is ook de waarheid van dit tweede betoog aangetoond.
+
+III. Op de jaarmarkten in de steden Delft, Oudewater en Alkmaar
+hadden eerst de burgers van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd,
+en dan die der twee andere steden het regt van voorrang bij alle
+andere buitenlieden, terwijl deze laatsten om hunne standplaatsen
+moesten loten. [314]
+
+IV. De oorzaak tot al het onderlinge vriendschapsbetoon in I, II en
+III aangetoond, had hare aanleidende oorzaak hoogst waarschijnlijk
+dáárin, dat er in zeer oude tijden volgens veler meening (en wel
+volgens sage in het jaar 1421) een verdrag tusschen de drie gemelde
+steden zoude getroffen zijn, waarbij aan de poorters dier steden, een
+gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad genoot, zoude toegestaan
+en geschonken zijn, immers schrijft de heer van Kinschot in 1746, dat
+de drie genoemde steden, dat poortersregt nog steeds genieten. [315]
+
+Nu is het dan ons ook duidelijk geworden, waarom men het Delftsche
+wapen aantrof in den voorgevel van het huis gemerkt N 371 aan de markt,
+dat er Anno 1856 werd uit weggebroken--een ingezetene van Delft had
+zich--wie twijfelt er nog aan?--hier met ter woon gevestigd, en tot
+gedachtenis aan zijne stad, haar wapen in zijn huis aangebragt--voegen
+wij aan dit betoog nog de daadzaak, dat er in de lijsten van aangenomen
+poorters te Delft geene van Oudewater en Alkmaar voorkomen, dan is
+er aan de waarheid niet meer te twijfelen. [316]
+
+V. Neemt men nu ten slotte bij al het aangevoerde nog in aanmerking,
+dat [317] het oude wapen der stad Delft in de kamer van Burgemeesteren
+aldaar berustende, met zeer oude letters het omschrift bevatte:
+
+Sigillum Communitatis Oppidanorum de Delf beteekenende: Het zegel
+van de gemeenschap der poorteren van Delf, dan moeten ook wij zeggen,
+dit moet niet zonder bijzondere redenen, maar met diep inzigt en wisse
+voorbedachtzaamheid alzoo verkregen zijn. Deze zinsnede: gemeenschap
+der poorteren van Delft moet ongetwijfeld doelen op »het oude verbond"
+van de steden Delft, Oudewater en Alkmaar.
+
+
+
+
+Het Wapen van Oudewater.
+
+Wij hebben ons in het voorgaande hoofdstuk onder anderen bezig
+gehouden, met het wapen dezer plaats, zonder dat de goedgunstige
+lezer nog eenige nadere omschrijving van dat wapen had, het is daarom,
+dat wij die nu dadelijk gaan maken.
+
+Het stadswapen dan, vertoont een zilver veld, waarop zich een burg
+bevindt, wiens omloop met schietgaten en wiens poorten met hameijen
+voorzien zijn, van boven uit dezen burg verheft zich een klimmende
+leeuw, alles van rood of keel, zooals men dit in de heraldiek noemt,
+de leeuw echter is getongd en geklaauwd van hemelsblaauw (lazuur). Dit
+zilver schild nu, is gedekt met een kroon met drie fleurons van goud
+terwijl het wapenschild wordt vastgehouden door twee klimmende leeuwen,
+in hunne natuurlijke verwen.
+
+Kinschot denkt, dat het sijmbool van dit wapen is, aldus:
+
+Oudewater ligt op de uiterste grenzen van Holland tegen de grenzen van
+het Sticht en dus naar die zijden bloot, voor den eersten aanstoot der
+wapens wanneer het Sticht overweldigd is; vandaar, dat hij Oudewater
+dan ook noemt »een Burch en Bolwerk voor het gewest van Holland." Deze
+burg en dit bolwerk zouden dan naar alle waarschijnlijkheid, een
+van Hollands graven op de gedachte gebragt hebben, deze gelegenheid
+der stad, in haar wapen te doen vertegenwoordigen door den burg,
+waarboven de leeuw als staat te waken, tegen iederen onverhoedschen
+overval van eenen vijand.
+
+In het jaar 1816 werd van wege den koning, o. a. »de hooge raad van
+adel" gemagtigd eenige of een aantal wapens te wettigen, ingevolge
+besluit van den 20 Februarij 1816, en het was in laatstgenoemd jaar,
+dat de gemeente van Oudewater ingevolge het door haar gedaan verzoek
+door haar bevestigd werd, in het bezit van het hiervoren omschreven
+wapen, zoo als blijkt uit het onderschrift van het wapen dezer stad,
+dat op het stadhuis in de raadkamer hangt:
+
+
+ Gedaan in 's Gravenhage den 24 Julij 1816.
+
+ (was geteekent) enz. [318]
+
+
+
+
+
+Regeringsvorm en Regeringslieden.
+
+In een privilegie van graaf Willem, Anno 1322, waarbij de poorters
+van Oudewater niet arrestabel worden verklaard, wordt gewag gemaakt,
+dat alstoen hier aan der stede regering waren: »seven scepenen,
+twee Raatsmannen en een Bailju." [319]
+
+Voorts bestaat er een bevel van »Willem Grave etc." aan de magistraat
+van Oudewater van het jaar 1323 namelijk om de Lombaarden in hare
+stad te ontvangen en burgerrecht te laten genieten, waarin de
+regeringslieden aldus werden genoemd.
+
+Wi Willem Grave etc. onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen ende
+Raed van onser poorteren van Oudewater saluyt enz. [320]
+
+Terwijl graaf Albrecht de magistraat dezer plaats in 1395 vermeld,
+onder de woorden »Scout, Borghe Meesters, scepenen en Rade." [321]
+
+Tot op 1401 echter, zijn wij niet in het bezit van eenig stuk, hoe de
+aanstelling van den magistraat geschiedde, als wanneer in laatstgenoemd
+jaar Hertog Aalbrecht van Beijeren op den St. Matthijs aposteldag,
+aan de stad Oudewater een handvest [322] verleende, waarin onder
+anderen geregeld werd, het aanstellen van schepenen en achten [323]
+het verkiezen van Burgemeesters enz. en wel in dezer voege:
+
+De Bailluw van Rijnland zou ieder jaar op meiavond zetten of doen
+zetten, zeven schepenen, die niet te zeer onderling vermaagschapt
+zouden zijn. Wanneer nu een van deze schepenen gedurende zijn
+schependom kwam te overlijden, dan zou de Bailluw van Rijnland nadat
+hem van stadswege daarvan was onderrigt, binnen verloop van veertien
+dagen een anderen schepen verkiezen.--Voor en aleer de schepenen van
+het stadhuis zich verwijderden, moesten echter tenzelfden dage, de
+Achten of acht raadsmannen gekozen worden. Voorts bepaalde hertog
+Aalbrecht nog, dat de schout, schepenen, klerk en de gezworen
+Raadsmannen ieder jaar op St. Simon en Judas avond, uit ieder
+vierendeel der voornoemde stad, staande ten halven schoten, zouden
+kiezen twee Burgemeesters met deze bepaling, dat zij die binnen de
+laatste drie jaren Burgemeesters geweest waren, niet verkiesbaar
+waren, en dat, zoo er een van dezulken in zijne dienst »aflijvig"
+werd, men alsdan een anderen binnen de drie dagen kiezen zoude,
+dat de Burgemeesters niet te na in de familie mogten zijn, en vijf
+en dertig jaren of daarboven moesten oud zijn, enz. enz.
+
+
+
+Hertog Aalbrecht, bepaalde in dit zijn handvest, zooals toen veelal
+gebruikelijk was, dat al de daarin vermelde »poincten" en ieder in
+het »bijzonder vast ende gestade" gehouden moesten worden, zooals er
+verder stond, »voor ons en onse nacomelingen ten eeuwigen dagen" waarom
+hij dan ook dezen brief had laten »besegelen met synen segele." Deze
+eeuwigheid duurde echter slechts een tijdsverloop van 184 jaren
+(van 1401 tot in 1585) als wanneer Holland ziende de gelegenheid
+en de stand van zaken in deze stad, ten gevolge des moords in 1575,
+goedvond, eenige verandering in de uitvoering van meergemeld stuk van
+Graaf Aalbrecht aan te brengen, weshalve de staten voor den tijd van
+drie jaren bevolen, dat een van de Burgemeesters en sommige van de
+schepenen, niet op den vroeger bepaalden tijd behoefden af te treden,
+»wel verstaande, dat daartoe vercoren sullen worden, de bequaamste ende
+nutste personen uyt het geheele corpus van de gemeente, zonder reguard
+te nemen op de quartieren, schoten ofte loten, ofte ook dat deselve
+in voorlede jaren zullen gedient hebben, zullen de verkiezingen en de
+advysen diesaangeande vrij zijn, als in andere steden van Holland
+ende dit alleenlijk voor den tijd van drie eerstcomende jaren,
+als voorseyt is; te eynden, dat de staten voornoemt verhopende,
+dat de steede wederomme gecomen sal wesen tot haren ouden fleur,
+hebben belooft ende beloven mits dezen die van Oudewater voornoemd,
+wederom te laten genieten, het voornoemde privilegie naar zijnen form
+ende inhouden. [324]"
+
+Het is mij niet gebleken, of na verloop van deze drie jaren, de
+verkiezing weder op den ouden voet van 1401 plaats had, stellig echter
+moet het gebleken zijn, dat dit octrooi niet langer haltbaar was,
+daar wij in het jaar 1591 gewag gemaakt vinden van de volgende nieuwe
+octrooijen voor Oudewater, rakende de verkiezing van Burgemeesters,
+schepenen en vroedschappen der stad.
+
+
+ De Ridderschap, Edelen ende Steeden van Holland en Westvriesland,
+ Representeerende de Staten van denselven Lande, doen te weten,
+ Alsoo tot dienste der Steede van Oudewater, ende ten eynde de
+ ingezetenen van dien in goede ordre ende gerustheid mogen gehouden,
+ ende onder het gebied ende Respect van de Magistraaten wederom tot
+ welvaren gebragt werde, ende Regt ende Justitie aldaar gebruyckt
+ ende onderhouden als naar behoren nodig bevonden is te voorsien,
+ aangaande het stellen van de Burgermeesteren, Schepenen ende
+ Vroedschappen aldaar, naar jegenwoordige gelegentheid der selver
+ Steeden, ende sonder de præjudicien van de Privilegien van dien,
+ Zoo is 't, dat wy hier op gesien hebbende de Privilegien ofte
+ Octrooi van Hartog Albrecht van Beijeren H. Gl. die van Oudewater
+ voornoemd verleend, in den Jaare 1401, uyt onse regte weetenschap
+ den voorn. van Oudewater gegund, geconsenteerd, ende geoctroyeerd
+ hebben, Gunnen, Consenteeren, ende Octroyeeren by deesen, dat
+ aldaar geëligeerd ende gesteld sullen worden by syn Exellentie als
+ Gouverneur van de Lande van Holland, &c. Vier en Twintig Personen
+ tot Vroedschappen der voorsz. Steede van Oudewater, uit alle
+ sulke meerder getal van de bequaamste, rijkste en vreedsaamste
+ derselver Steede als bij de voorsz. Magistraaten syn Exellentie
+ sal worden gepræsenteerd ende dat voor de eerste Reyse, ende soo
+ wanneer eenige derselver Vroedschappen sullen koomen te overlyden,
+ of uyt de voorsz. Steede metter Woone te vertrekken, ofte dezelve
+ om eenige andere oorsaaken, soude mogen verlaaten werden, dat
+ in de plaatse van deselve by de Burgermeesteren in der tyd, ende
+ de andere Vroedschappen aldaar eenen anderen meede van de Rykste,
+ gequalificeerdste, vreedsamigste verkooren en by de Borgermeesteren
+ geëed sal worden. Item dat den Bailliuw, Borgermeesteren, ende
+ Vroedschappen alle Jaars op den 25 April nomineeren sullen
+ Vier Persoonen uyt de Scheepenen in diensten synde, ende Tien
+ Persoonen uyt de voorsz. Vroedschappen ofte andere van de rykste
+ gequalificeerdste Burgerye ende dezelve aan zynen Exellentie by
+ eenen, die de voorsz. Borgermeesteren ende Vroedschappen daartoe
+ sullen Committeeren, ofte in syn absentie aan den President ende
+ Raden Provinciaal van Holland oversenden, omme uyt de vier Twee
+ gecontinueerd ende uyt de Tien vyff Persoonen gekooren te werden,
+ voor een jaar tot Schepenen der voorsz. Steede, die by den Bailliuw
+ van Oudewater van wegen de hoge Overigheid ge-eed in officien
+ gesteld sullen worden; Dat voorts den Bailliuw, Burgermeesteren,
+ Schepenen, Vroedschappen ende Clerq der voorsz. Steede alle
+ Jaars op den 28 Octobris sullen Eligeeren Twee van de Rykste,
+ gequalificeerdste enne vreedsamigste Persoonen derselver Steede
+ het zy uyt de Vroedschap ofte Burgerye tot Borgermeesteren, mits
+ dat zyl. een van de Borgemeesteren van den voorleedene Jaaren
+ sullen mogen Continueeren indien henl. het selve goed dunken zal,
+ Dies en sal men niemand als Borgermeester verkiesen uyt Scheepenen
+ dienende in den tijd van de voorsz. Electie, innegaande deselvde
+ Continuatie den 28 Octobris XVc. twee en negentig, ende die twee
+ Jaaren als Burgermeester gediend sal hebben, en sal na de Expiratie
+ van dien, in de twee eerstkomende Jaaren daar aan volgende niet
+ weder als Borgermeester geeligeerd mogen werden.
+
+ Ende en sullen in de voorsz. Vroedschappe niet mogen weesen Vader
+ en Zoon, nogte Schoonzoon, nogte Twee Gebroeders, nogte insgelyks
+ als Burgermren, nogte Schepenen gelyk op eenen tyd niet mogen
+ dienen, die malkanderen in Consanguiniteit en adfiniteit als
+ voren syn bestaande, nogte ook Zusters kinderen, ende dit alles
+ voor den tyd van tien Jaaren eerstcomende, ende onverminderd
+ de Privilegien ende Geregtigheeden der voorsz. Steede ende ten
+ eynde deese onse jegenwoordige Brieven van Octroy mogen worden
+ agtervolgd ende onderhouden; ordonneeren wy dat deselve in de
+ Griffie van de voorn. Hove sullen worden geregistreerd ende dat
+ voorts een ygelyc hem daar na sal hebben te Regaleeren.
+
+ Gegeeven in den Hage onder onse Groote Zeegelen hier aan gehangen,
+ den naastlesten Augusty in 't Jaar onzes Heeren 1591.
+
+
+ ORDONNANTIE van de Heeren Gecommitteerde Raaden van de Staaten
+ van Holland en Westvriesland voor de Regering van Oudewater, omme
+ te Eligeeren twee Persoonen tot Burgemeesteren derselve Steede.
+
+ De Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland ende
+ Westvrieslandt, gesien hebbende 't inhoude van den Octroye by
+ den Heeren Staaten, die van Oudewater den Naastlesten Augusti
+ lestleden verleend, hebben verklaard, ende geordonneerd, verklaren
+ ende ordonneren by deesen, Dat den Bailliu, Burgemeesteren,
+ Schepenen, Vroedschap, ende Clercq der voorsz. Stede, den
+ XXVIIJen. Octobris toekomende sullen Eligeeren twee van de Rycxste,
+ Gequalificeerdste, ende Vreedsamichste Persoonen derselver stede,
+ 't zy van de Vroedschap, ofte Burgerye, tot Burgemeesteren sonder
+ dat syl. ouyt den Burgemeesteren ende Schepenen jegenwoirdelick
+ dienende, agtervolgen denzelven Octroye yemand sullen mogen kiezen.
+
+ Gedaan in den Hage den XXIIIJen. Octobris XVc. Een en 't
+ Neegentich.
+
+ (Onder stond)
+
+ Ter Ordonnantie van Gecommitteerde Raden van Staten voornoemd.
+
+ (Was geteekent)
+ C. DE RECHTERE.
+
+
+In het jaar 1600 toen de tijd van toepassing van dit octrooi verloopen
+was, werd op het verzoek van Burgemeesters, Schepenen en Vroedschappen
+der stad Oudewater, om voortaan te mogen blijven bij het octrooi dato
+den 29 Augustus 1591, omtrent het stellen van Burgemeesters, Schepenen
+en Vroedschap aldaar, hen dit niet toegestaan, doch hetzelve werd bij
+resolutie der Staten van Holland, dato den 13 September 1600 nog met
+tien jaren dus tot Ao 1611 verlengd.
+
+Toen die tijd echter wederom verstreken was, en de Magistraat van
+Oudewater zich bij die volmagtiging wel bevond, zoo hebben de Staten,
+deze stad op den 8 September in het jaar 1611 daarin bevestigd tot
+wederopzeggings toe. [325]
+
+In zoodanigen staat bleef de electie van de magistraatspersonen tot
+den tijd toe, dat de Burgemeesters en Vroedschappen zich genoopt zagen,
+om door het afsterven van vele der aanzienlijkste, en tot de regering
+bekwaamste personen, met opzigt tot het getal der Vroedschappen
+aan de Staten te verzoeken, dat dezelve van vier-en-twintig tot
+op achttien mogten uitsterven,--dit werd dan ook door de Staten
+toegestaan op den 10 Februarij 1671, mits de aanstelling van de andere
+Magistraatspersonen, in gevolge de privilegien en vorige octrooijen
+in zijn geheel bleef.
+
+Van voornoemd jaar 1671, werd Oudewater nu 101 jaar geregeerd, door een
+Bailjuw, twee Burgemeesters, zeven Schepenen en achttien Vroedschappen,
+die ieder een Secretaris hadden.
+
+101 Jaar zeiden wij, immers in het jaar 1772 werd weder bij octrooi
+bepaald, dat het getal der Vroedschappen nu tot op 12 mogt uitsterven.
+
+Alvorens nu verder te gaan, om eene andere regeringsvorm in Oudewater
+te gaan beschrijven, vinden wij het niet ongepast, nog iets omtrent
+de wijze van aanstelling, en de waardigheden dezer betrekkingen
+te Vermelden.
+
+
+
+De Bailluw van Oudewater was tevens Opper-Dijkgraaf der onder de stad
+behoorende Landen en had ook het Schoutsambt van Hollands Graaflijkheid
+in pacht. Zijne aanstelling geschiedde door de Staten van Holland om
+genoemd ambt gedurende zijn leven te bedienen. [326]
+
+Ingevolge de handvesten, voorregten en later genomen besluiten, werd
+de Bailluw doorgaans gelast, om ieder jaar de benoeming of het dubbel
+getal van Schepenen aan de Heeren Staten en bij derzelver afwezigheid
+aan hunne Gemagtigde Raden [327] tot het doen der verkiezingen over te
+brengen, die dan ook de verkiezing deden, en dezelve per brief aan den
+Bailluw overzond om den verkozen in hunne betrekking te stellen en te
+[328] beëedigen.
+
+Voorts had de Bailluw een Stedehouder of plaatsbekleeder, die bij
+afwezigheid of ontstentenis van den eerste, in alles den Bailluw
+vertegenwoordigde.
+
+
+
+De twee burgemeesters, die ieder jaar op den 28 October bij meerderheid
+van stemmen verkozen werden, moesten, zoowel de aanblijvende als
+aankomende Burgemeester, of Burgemeesters, in handen van den oudsten
+aftredenden Burgemeester, den navolgende eed doen en beloven. [329]
+
+»De Graaflijkheid van Holland mitsgaders deeze stede gehouw ende
+getrouw te zullen zijn, alle de stads voorrechten, Handvesten
+en keuren voor te staan en te handhaven, goede politie onder de
+burgers en gemeente te onderhouden, mitsgaders de Kerk, 't Gasthuis,
+den Heiligen Geest, 't Weeshuis, Weduwen en Weezen, in huerlieden
+geregtigheid te helpen, beschermen, en voorts alles te doen, 't geen
+goede en getrouwe Burgemeesteren schuldig zijn en behooren te doen."
+
+Een dezer Burgemeesters, en wel doorgaans de oudste in bediening,
+nam het Thesauriers- of Schatmeesters [330] ambt waar, voor den tijd
+van een jaar, hij hield de kas van de goederen en inkomsten der stad,
+en moest binnen het jaar, nadat hij van zijne bediening ontslagen was,
+van zijne administratie en bediening als zoodanig, ten overstaan van
+de geheele Vroedschap, behoorlijk rekening en bewijs doen. [331]
+
+
+
+De zeven Schepenen, uit eene benoeming of dubbel getal, op den 25
+April van ieder jaar gemaakt, werden door de Staten van Holland of bij
+derzelver afwezigheid, door de Gemagtigde Raden verkozen, en moesten
+den navolgenden eed in handen van den Bailluw doen en zweren: [332]
+
+»Dat zy lieden recht ende justitie onpartydelyk tusschen twee mans
+dingtallen zullen bedienen, en zulks t' allen tyden ter Vierschaare
+te verschynen, des by den Heer daartoe verzogt zynde, en voorts alles
+doen, 't geene goede en getrouwe Schepenen schuldig zyn en behooren
+te doen." [332]
+
+Tot 1 Januarij 1806 als wanneer het vernietigd werd, had Oudewater
+ook nog Schepen-Commissarissen ter Judicature van den gemeene lands
+middelen, niet alleen in zaken over de stad voorvallende of ondernomen
+wordende, maar ook over Hekendorp, Linschoten, Snelrewaard, Dijkveld,
+het Land van Vliet en Roozendaal, zijnde alle bijzondere regtsgebieden,
+en daarom was volgens het 15 art. van Hunner Ed. Groot Mog. Generaal
+placaat op den ophef van de gemeene middelen gegeven, deze stad de
+hoofdplaats van het voorschreven District.--Van al de uitspraken
+en vonnissen mogt echter geappelleerd of gereformeerd worden aan de
+Ed. Mog. Heeren, Gemagtigde Raden der Ed. Gr. Mog. Heeren, de Staten
+van Holland en West-Vriesland.
+
+
+
+De Burgemeesters en Vroedschappen kiezen bij 't openstaan van een
+overledene, met der woon naar elders vertrokken, of zijnen dienst
+verlaten hebbende Vroedschap, eenen anderen in diens plaats, welke in
+handen van de in bediening zijnde Burgemeesteren den eed moet afleggen,
+en volgens het Octroy en de Continuatie van dien [333] zweeren:
+
+»Dat hy de Ridderschap, Edelen en Steden van Holland ende
+West-Vriesland, als verbeeldende de Staten van het zelfde Land,
+mitgaders de Burgemeesteren en Schepenen deezer Stede gehouw ende
+getrouw zyn zal, en op 't verzoek van Burgemeesteren voorsz. t' alle
+tyden op 't Stadhuis der zelver Stede verschijnen, om den zelfde
+Burgemeesteren en Schepenen te helpen raaden en besluiten tot nut,
+dienst ende welvaaren der voorsz. Stede, zulks hy in zyn gewisse,
+en beste Weetenschap zal oordeelen te behooren in gevolge van 't
+voorsz. Octroy der Heeren Staten."
+
+De Secretaris werd ingevolge zeker voorregt van Albrecht, paltsgrave
+op den Rijn, als Graaf van Holland verleend, op den 18 Mei Ao. 1394
+[334] bij de Burgemeesteren gelast en aangesteld. [335] Hij deed
+den gewoonlijken eed tot dat ambt in alle steden ingebruik, en had
+stem in de jaarlijksche verkiezing van Burgemeesters. Was hij daarbij
+echter ook Vroedschap, dan mogt hij toch altijd maar eene stem in de
+verkiezing uitbrengen. [336]
+
+
+
+
+
+Naamlijst der respective Bailluwen, Castelleinen en Dijkgraven van
+de stad Oudewater met de daaronder behoorende landen, voor zoo ver
+de in de Registers zoo van het land als de stad te vinden zijn.
+
+1. Bartholomeus van Cattendijk. Aangesteld den 16 Junij 1509.
+
+2. Bertelmeus van Egmonde.
+
+3. Jonkheer Jan van Vliet, Schildknape, Heer van Vliet, Hoenkop en
+Berge-Ambacht tot Castellein van het slot van Oudewater aangesteld,
+op den 3 November 1519, »by Kaerle, by der Gracien Godts koninck van
+Castilien van Leons etc. volgens commissie geregistreerd en te vinden
+in 't blaauwe ruyge Register, fol 34."
+
+4. Jan Jacob Gerritz.
+
+5. Gerrit Jan Jacobsz. voor één jaar aangesteld den 28 Januarij 1554
+»bij de Luyden van de Reekeningen des Conincks in den Hage volgens
+lastbrief, te vinden in 't vijfde boek van de verpagtinge der offitien,
+fol. 28 vso."
+
+6. Jonkheer Pieter van Catz, Maarschalk van Montfoort aangesteld den 30
+December 1555 »by de Luyden van Rekeningen des Coninks in den Hage en
+volgens commissie geregistreerd in 't vijfde boek der verpagtinge van
+offitien, fol. 42, ende gecontinueerd by Philips by der Gracien Godts
+Gonink van Castilien Leon etc. zijnde de connuatie geregistreerd in
+'t swarte Ruyge Register fol. 299 vso."
+
+7. Jacob van Alkemade, geheeten van Berry, Ambachts Heer van
+Comstrije. Aangesteld den 31 Januarij 1560 »by de Luyden van de
+Rekeningen in den Hage volgens Commissie geregistreerd in 't zesde
+boek der verpagtinge van offitien. fol. 7 vso."
+
+8. Gerrit Jansz. aangesteld den 8 Januarij 1565 bij de »luyden" als
+voren, en volgens commissie geregistreerd in het voormelde zesde boek,
+fol. 20 vso.
+
+9. Thijmen van Leeuwen, aangesteld als voren den 15 Maart 1565,
+volgens commissie geregistreerd in hetzelfde boek fol. 22.
+
+10. Gerrit Gerritz Craijestein. Aangesteld den 20 November 1574 bij
+de »luyden" van des konings rekening te Delft. Ingevolge resolutie
+der staten van Holland dato den 23 Maart 1583, is hij ook aangesteld
+op den 15 April 1583 door de »Luyden" van Rekeningen in Holland tot
+Bailluw en Dijkgraaf der drie gehuchten Lange Linschoten, Snelrewaard
+en Heeckendorp paalende aan de stede van Oudewater en werd als zoodanig
+volgens commissie geregistreerd in het eerste witte Register van de
+verpachting der offitien, fol. 38 vso.
+
+Deze ambten heeft hij tot in het jaar 1618 bekleed als wanneer hij
+is overleden. [337]
+
+11. Jonkheer Gelijn Zegers van Jegen, Ridder, Heer van
+Wassenhoven. Aangesteld den 5 Julij 1618, bij die van de Rekeningen
+der Graaflijkheid van Holland te 's Gravenhage.
+
+12. Mr. Karel van Willigen, aangesteld als voren op den 5 Januarij
+1638.
+
+13. Hendrik Schrijver. Aangesteld den 9 Mei 1659. [338]
+
+14. Gijsbert van Craijestein. Aangesteld de 11 Mei 1665 en gestorven
+den 21 Januarij 1669.
+
+15. Johan van Leeuwen. Aangesteld den 1 Februarij 1669.
+
+16. Mr. Hendrik Schimmelpenning. Aangesteld den 2 Januarij 1670.
+
+17. Quirijn van Strijen. Aangesteld den 15 Januarij 1674, gestorven
+den 31 Januarij 1694.
+
+18. Mr. Cornelis Schaap. Aangesteld den 5 Februarij 1694. gestorven
+den 28 October 1725.
+
+19. Gaspar Rudolf van Kinschot, Heer van Nieuwerkerk. Aangesteld
+den 9 November 1725. Deszelfs eerste Commissie is geregistreerd in
+XIX Witte register der verpachting van de offitien fol. 232 [339]
+hij stierf in het jaar 1747.
+
+Tot dus ver de lijst des Heeren van Kinschot, gaan wij nu door dezelve
+te completeren.
+
+20. Mr. Willem Dekker, aangesteld 19 September 1748.
+
+21. Mr. Jan Hugo van Streijen, aangesteld 17 Maart 1753.
+
+22. Mr. Aart van der Goes, aangesteld 16 Julij 1768, gestorven
+anno 1789.
+
+23. Mr. Engelbert Paauw, aangesteld 13 Maart 1789.
+
+Bij de resolutie van 1795, van deze posten geremoveerd zijnde, is op
+den 22 Januarij van laatstgenoemd jaar in deszelfs plaats verkozen:
+
+24. De Burger, Johannes Justus Montijn, die op den 1 April 1795
+van de provisionele representatie van 't volk van Holland deszelfs
+commissie heeft ontvangen, zijnde geregistreerd in het IX register
+der commissie,--dan de regtbank, onder het bestuur van Keizer Napoleon
+vernietigd zijnde, zijn deze posten sedert vervallen.--
+
+
+
+De breedvoerige omschrijving der Maires en adjunct Maires onder het
+Fransch bestuur, gaan wij stilzwijgend voorbij, alleen vermelden wij,
+dat tot in het jaar 1832 het hoofd der Gemeente was, laatstelijk
+natuurlijk met den titel van Burgemeester, Johannes Justus Montijn
+voornoemd, die in deze betrekking werd opgevolgd door:
+
+25. Adriaan Maarten Montijn, en wel in hetzelfde jaar
+1832. ZEd. Achtb. verzocht echter in 1855 van dit ambt ontheven te
+worden, weshalve hem in dit jaar eervol ontslag door Z. M. den Koning
+werd verleend.
+
+26. Rijnardus William Haentjens Dekker, bekleedt thans sedert primo
+Januarij 1856 het ambt van Burgemeester der Gemeente Oudewater.
+
+
+
+De naamlijst der Secretarissen dezer stad, zijn sedert den jare 1547
+de navolgende, waarvan men melding gemaakt vindt:
+
+1 Pieter Speyert, was in dienst den laatsten Februarij 1547.
+
+2 Dirk Simonsz., vermeld in de Resolutien van Holland, den 5. Februarij
+1575.
+
+3 J. Bonser, was in dienst 1581.
+
+4 D. v. Luytens, vermeld in de Resolutien van Holland, den 15 Julij
+1584.
+
+5 S. J. Bonser, was in dienst 1605.
+
+6 Mr. . . . . . Everdingen.
+
+7 H. De Hoy, was in dienste 1634.
+
+8 Dirk Tromper.
+
+9 Gerard Kersseboom, aangesteld den 13 Julij 1673.
+
+10 Mr. Pieter Schrijver van Roodenburgh, aangesteld den 13 Julij 1690.
+
+11 Adriaan Maas, aangesteld den 10 April 1725.
+
+12 François van Hoogstraten, aangesteld den 3 Januarij 1743.
+
+13 Dominicus de Jong, aangesteld Anno 1758.
+
+14 Jan de Keyser, aangesteld anno 1789.
+
+15 Adriaan Maarten Montijn, aangesteld onder het Fransch bestuur der
+maires A. 1811, werd ook na de omwenteling als zoodanig benoemd, en
+is in het jaar 1837 in deze betrekking bevestigd. Op Z.Ed. verzoek,
+is hem als zoodanig door Z. M. eervol ontslag verleend, in te gaan
+den 1 Januarij 1856.
+
+16. Rijnardus William Haentjens Dekker, door den Gemeente Raad benoemd,
+den 8 Februarij 1856.
+
+
+
+Ziedaar in korte breede trekken iets omtrent de regering en de
+regeringspersonen alhier. De Gemeente-Raad van Oudewater, bestaat
+tegenwoordig ingevolge de »Wet tot regeling van de zamenstelling,
+inrigting en de bevoegdheid der Gemeente besturen" uit 7 leden met
+eenen Burgemeester, die met 2 Wethouders het collegie van dagelijks
+bestuur uitmaken, terwijl aan den Gemeente Secretaris en den Gemeente
+Ontvanger, insgelijks in laatstgenoemde wet hunne verpligtingen
+worden aangeduid.
+
+
+
+De octrooijen van Graaf Aalbrecht, en de resolutien der Staten van
+Holland, omtrent de benoeming van den Magistraat van Oudewater zijn
+gelukkig reeds lang krachteloos verklaard, en de aanstelling als
+zoodanig, geschiedt thans in alle gemeenten van Nederland ingevolge
+de bepalingen vervat in één en dezelfde wet.
+
+
+
+Oudewaters voormalig regt,
+
+VAN RANG EN SESSIE IN DE STAATSVERGADERING VAN HOLLAND.
+
+
+Hebben wij nu gezien, dat er omtrent het bestuur van iedere gemeente
+van Nederland en bijzonder met dat van Oudewater groote hervormingen
+plaats hadden, ook het landsbestuur onderging niet minder groote
+veranderingen.
+
+Immers de Staten Generaal, verdeeld in Eerste- en Tweede Kamer, alsook
+de Provinciale Staten--de twee laatste ligchamen uit vrijwillige
+stemming geformeerd--zijn allen in deze eeuw daargesteld.
+
+Wanneer er eertijds over 's Lands aangelegenheden moest gesproken
+worden, dan werd er vergadering belegd van Ridders en Edellieden uit
+verschillende oorden des lands, en de groote en kleine steden van
+Holland, werden dan insgelijks beschreven ter Staatsvergadering te
+verschijnen, en eene deputatie uit den Magistraat eener zoodanige
+gemeente, woonde dan de bijeenkomst bij en had daarin regt van stem.
+
+Ook Oudewater mogt zich beroemen, de eer te hebben om zijne
+gemagtigden, zitting te doen nemen in 's Lands Hooge Vergaderingen
+en stem te laten uitbrengen, omtrent de gewigtigste aangelegenheden,
+van het veel tijds zoo benarde Vaderland.
+
+Is de Koninklijke residentie 's Gravenhage nu alleen de plaats van
+bijeenkomst voor Nederlands vertegenwoordigers, vroeger werden er
+ook in eene menigte andere plaatsen van ons Vaderland zoogenaamde
+dagvaarten gehouden; zoo ook had de beschrijving van de Vergadering
+der Staten vóór Prins Willem den I geen vasten voet; immers, nu
+eens werd zulks gedaan, door den Graaf of zijnen Stadhouder, en
+de Raden van het Hof, [340] dan weder door 's Lands Advocaat, en
+den Algemeenen Ontvanger.--Genoemde Prins beweerde echter, dat het
+streed met de achtbaarheid [341] des hofs, dat de beschrijving door
+den griffier geschiedde en dat het regt de Staten ter dagvaart op te
+roepen, hem alleen toebehoorde; de Prins wist dan ook de bewilliging
+van Margaretha, Hertogin van Parma als Landvoogdesse te verkrijgen,
+[342] dat alle Staatsvergaderingen streng verboden werden, die zonder
+zijne aanschrijving en bewilliging geschiedden.
+
+Na den moord van den Prins op den 10 Julij 1584, werd kort daarna
+de vergadering der Gemagtigde Raden opgerigt, en aan deze liet men
+sedert dien tijd altijd het beschrijven van 's Lands Staten over.
+
+Van Kinschot getuigt, [343] dat de Vergadering der Staten gedurende
+een twintigtal jaren, n.l. van 1524 tot 1544 zeer verward is geweest,
+doch dat men op dezelve veeltijds vermeld vindt de edelen en de
+zes navolgende plaatsen, die groote steden genoemd werden [344]
+te weten: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Gouda en Amsterdam,
+echter werden ook wel nevens deze laatste steden de kleine steden
+beschreven,--waaronder zoo als wij weten ook Oudewater behoorde,
+zonder dat er echter een vaste orde of rang in gehouden werd.
+
+
+
+a. Op den 16 Mei 1525 verschenen ter Staten Vergadering [345] nevens
+de Edelen, Ridders en groote steden onder de kleine steden, ook de
+Gemagtigden van Oudewater.
+
+b. Te 's Gravenhage verschenen op de dagvaarten van 24, 25 en 26 Mei
+1525 namens Oudewater Jacobs Gerrits en Gerrit. [346]
+
+c. Te St. Geertruidenberg op het stadhuis den 17 Junij 1525, verschenen
+ter vergadering ook wel die van Oudewater, doch van hen en die van
+Enkhuizen staat geboekt, »dat men dezelve niet en konde met meer
+andere van de kleine steden." [347]
+
+d. Te Breda verschenen op den 25 Junij 1525 namens Oudewater, Jacob
+Geritsz en Pieter Anthonis met bijvoeging, »dees was er den laatste
+dagvaart, maar hier niet."
+
+e. Te 's Gravenhage verschenen voor Oudewater, op 17 November 1527,
+Jacob Klaas en Daniel Henreksz.
+
+f. Op den 23 Mei 1528, Henrik Geritsz.
+
+g. Den 13 October 1528, Jan Dircx en
+
+h. Te Utrecht den 23 dito, Henrik Geritsz.
+
+i. Te 's Gravenhage op den 29 Mei 1529, Cornelis Dirksz en Jan
+Pietersz.
+
+j. Te Brussel den 7 Junij 1529, Jan Pietersz.
+
+Voorts vindt men gewag gemaakt, dat er op de dagvaarten van Haarlem 20
+September 1534, en op die te Gouda 8 Augustus 1536, vele van de kleine
+steden waren, »zonder dezelve of haar Gemagtigden aan te teekenen of
+te kennen." [348]
+
+k. In 's Gravenhage vertegenwoordigden Oudewater van den 16 tot den
+24 September 1538, Jan Robrechts en Mr. Dirk van Crempen.
+
+l. Op den 12 en 13 October 1538, [349] Jan Robertsz en Mr. Willem
+Geritsz.
+
+Op den dagvaart te Haarlem 11 en 12 Augustus 1540, waren daar
+tegenwoordig meest al de [350] kleine steden, even gelijk ook op de
+Staatsvergaderingen in 's Gravenhage den 11 en 24 Februarij 1541 en
+de 11 September 1542, de kleine steden tegenwoordig waren. [351]
+
+Indien wij de resolutien van Holland ab Anno 1544 ad 1549 en van 21
+November 1544 fol. 55 inzien, dan denkt men teregt, dat de edelen
+en zes groote steden een geruimen tijd de Staatsvergaderingen hebben
+uitgemaakt, en zij de kleine plaatsen eenigzins begonnen te beschouwen
+als »het vijfde rad aan een wagen" te meer nog, daar Jacob van den
+Ende, in zeker getuigschrift zich daar noemende Advocaat van de
+Staaten van de Graaflijkheid van Holland, onder anderen als in het
+voorbijgaan zegt »dat de edelen en de zes groote steden van Holland
+de Staten van het land verbeelden.
+
+Niet te min zullen op de een of andere Vergadering de kleine steden,
+of eenige derzelve nog wel eens beschreven zijn geweest, want volgens
+resolutie van Holland, den 22 December 1563 moesten voortaan de kosten
+voor de verschijning ter vergadering van eenige kleine steden, komen
+ten laste van iedere stad of zonder bezwaring van 't gemeene land. Een
+en ander ging er soms echter zeer verward toe, want:
+
+m. In Mei 1564 werden echter al de kleine steden wederom ter dagvaart
+beschreven, [352] en het is hoogst waarschijnlijk dat dit daarna
+nog meermalen heeft plaats gehad, want op ons gemeente archief
+berust een zeer interessant stuk, namelijk eene »Nota, houdende zeer
+gespecificeerde aanteekeningen van dag voor dag gemaakte verteringen
+en reiskosten van Burgemeesters van Oudewater, op hunne reizen naar
+Brussel, den Haag enz., in 1564 en 1565.
+
+Alles strookt hier dus: in 1563 de resolutie dat de reiskosten voor
+de stad komen, en in 1564 treffen wij de nota aan, hunner verteringen,
+omdat zij daarvan in Oudewater nu rekening moesten doen.
+
+Wij vinden niet vermeld, dat Oudewater meer ter dagvaart geroepen werd,
+dan in het jaar 1572, als wanneer Oudewater de eerste plaats in Zuid
+Holland was, die het voorbeeld van Brielle volgde en zich verklaarde
+voor den Prins van Oranje Willem de Zwijger.
+
+n. Op eene toen te Dordrecht gehouden vergadering, op den 19 Julij
+des laatstgenoemden jaars, waren namens Oudewater tegenwoordig,
+Cornelis Willemsz de Lange Burgemeester, en Jop Pietersz van Hattemer.
+
+o. Den 22 vergaderde men weder te Dordrecht, [353] en
+
+p. Den 25 Julij te Rotterdam.
+
+Wat er op deze hoogst gewigtige vergaderingen plaats had, besparen
+wij om in ons laatste hoofdstuk van de beschrijving te vermelden.
+
+q. Voorts werd Oudewater geconvoceerd ter vergadering op den 22
+November 1574, [354] om mede besluit te nemen op eenen door Zijn
+Excellentie Willem van Nassau gedanen voorslag, [355] en mede
+te raadplegen op den voorslag, en het antwoord bij de Staten aan
+Z. Excellentie, rakende het bestier van den lande te geven. [356]
+Op deze bijeenkomst waren Oudewaters gevolmagtigden, Willem Jacobsz
+Burgemeester, en Cornelis Jansz. Schepen.
+
+Wel degelijk nam men dus nu ook van de kleine plaatsen notitie, dat
+blijkt ten duidelijkste immers uit de hoogst zwaarwigtige onderwerpen,
+voornamelijk over de regering des Lands waarin zij gekend werden om
+te beraadslagen ja zelfs werd er nog goedgevonden, dat de kleine
+plaatsen in zaken van contributie, tractaten van pijs, oorlog- of
+regeringsverordering mede beschreven zouden worden. [357]
+
+Hieraan werd dan ook gevolg gegeven, want in het jaar 1575 werden op
+zeer vele vergaderingen,
+
+r. Zoowel te Delft als elders ter beraadslaging daarop aangetroffen,
+Willem Jansz Burgemeester, en Dirk Simonsz Secretaris van Oudewater,
+en deze dagvaarten werden niet zelden gehouden in tegenwoordigheid
+van Zijne Prinselijke Excellentie.
+
+Wij zijn genaderd tot in Oudewaters bloedjaar 1575, en om reden
+dat de Spanjaarden deze plaats hadden ingenomen was dit de oorzaak,
+schrijft van Kinschot, [358] »dat in Grasmaand van Anno 1576 en eenigen
+tijd daarna, nog geene Afgezondenen dezer stad in de vergadering
+konden verschijnen, s. maar in April 1583, vindt men Oudewater
+wederom onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal aan
+Z. Ex. over te leveren, met zijn zegel van verbonde of geheimzegel
+te bezegelen." [359] Dit stuk nu, versiert nog Oudewaters archief,
+even zoo ook de door Prins Willem den I eigenhandig geteekende
+beschrijvingsbrief, waarop t. hij in Dordrecht en wel op 4 October
+van laatstgenoemd jaar Oudewater uitnoodigt om Gedeputeerden naar
+eerstgenoemde stad te zenden, ten einde op den 16 October mede over 's
+lands belangen te raadplegen. Weshalve door de Vroedschap als zoodanig
+gemagtigd werden, de Secretaris der stad en Dirks Cley Burgemeester.
+
+u. den 10 Julij 1584 trof het moorddadig lood op eene verraderlijke
+wijze prins Willem den I en daags daarna, vergaderden de beide
+presidenten van de Hoven en eenige steden op het Delftsche
+stadhuis waarop aldaar ten spoedigste de vergadering der staten
+beschreven werd om orde te stellen, en in 's lands regering te
+voorzien. [360] De gemagtigden van Oudewater in deze, waren schepen
+Jan Claasz. de Ameijde, en de vroedschap Jan Jansz. Coppert. [361]
+Volgens uitdrukkelijk bevel, moesten zij echter behoorlijk bij hunne
+principalen gemagtigd zijn [362] en de heer van Kinschot laat die
+magtiging dan op bladz. 112-114 van zijn beschrijving volgen.
+
+Die van den raad van zijne excellentie nu, waren gemagtigd, om hunne
+dienst te blijven waarnemen, totdat er omtrent 's lands regering anders
+zoude voorzien zijn. [363] Toen nu de edelen en deputatien der steden
+aangekomen waren, moesten zij in handen van den president Nicolai
+den eed doen en beloven, niets van de op de vergadering gehouden
+gesprekken of voorgedragen gevoelens omtrent het stuk der regering
+kenbaar te zullen maken, enz.
+
+Daarop ging men tot deze zeer gewigtige beraadslaging over en toen
+ieder zijn gevoelen over deze aangelegenheid had geuit, verklaarden
+al de kleine steden, waaronder ook Oudewater te willen vertrekken,
+daar zooals men zich zal herinneren, de verblijfkosten ten laste
+der gemeente kwamen. Dientengevolge werden allen ontslagen nadat zij
+alvorens de verzekering gegeven hadden zich nimmer van de vereeniging
+tusschen Holland en Zeeland te zullen scheiden en zich te gedragen
+naar al hetgeen door de blijvenden zouden geresolveerd worden. [364]
+
+Ook kregen zij verlof om niet bij de ter aarde bestelling van zijn
+prinselijke excellentie tegenwoordig te moeten zijn, zooals in de
+resolutie van Holland Anno 1584 den 20 Julij vervat was, dat namelijk
+ook 2 gemagtigden van iedere kleine stad bij die lijkplegtigheid
+zouden verschijnen.
+
+
+
+v. Nadat er voorloopig in 's Lands bestuur voorzien was, werd Oudewater
+in 1584 weder aangeschreven ter statenvergadering te verschijnen, ten
+einde mede te beraadslagen aangaande het aannemen van den Franschen
+koning tot eenen Heer en Prins van het land. Ook voor dezen keer
+verschenen er geene gemagtigden van Oudewater doch de stad getuigde
+per brief van 29 October 1584, dat zij zoude goed keuren en zich wilde
+gedragen, naar al hetgeen in deze zaak besloten zoude worden. [365]
+
+w. In de maand September 1586, verschenen ter staatsvergadering twee
+gedeputeerden uit Oudewater met name Jasper van Dam, Burgemeester,
+en Pieter Gerritz Paes, Schepen.
+
+x. In 1587 reisden weder derwaarts de Burgemeester Pieter Hz. van
+Gulick en Jacob Sijbertsz Bonser.
+
+ij. In Meimaand Ao 1588, verschenen daar dezelfden, om zoo mogelijk,
+den vrede met den koning van Spanje te helpen bevorderen. [366]
+
+z. Terwijl ten jare 1589 insgelijks die van Oudewater ter dagvaart
+verschenen. [367]
+
+aa. Gerrit van Galen en Willem Jaspersz van Nes verschenen nevens die,
+eeniger kleine steden in het jaar 1608 ter dagvaart te 's Gravenhage.
+
+Sedert dien tijd, vindt men nergens van gemagtigden uit Oudewater
+meer melding gemaakt. Dit is dan trouwens ook niet te verwonderen:
+de groote steden ontwikkelden zich al meer en meer, de kleine
+integendeel verminderden allengs in aanzien, en dien ten gevolge,
+waren die gedurige reizen der deputatiën zeer bezwarend. Voeg hierbij
+het gevolgelijk verzuim van niet verschijning, en het wordt duidelijk,
+dat men allengs van Oudewater geen notitie meer nam. [368]
+
+
+
+Als vervolg op het betoog, dat Oudewater weleer zijn gemagtigden ter
+dagvaart mogt zenden, vinden wij niet ongepast te vermelden:
+
+1o. Dat bij resolutie van den 12 October 1795, door de municipaliteit
+der stad Oudewater de burger Johannes Justus Montijn werd
+gecommitteerd, om ter vergadering der provisionele representanten van
+'t volk van Holland sessie te nemen, die dit dan ook op den 13 October
+1795 heeft gedaan, [369] en
+
+2o. Dat ten gevolge van de 1848 gewijzigde grondwet, ten jare
+1850 door de kiezers in het district Gouda met 587 van de 939
+stemmen, tot lid der provinciale staten van Zuid Holland is
+gekozen, de Heer A. M. Montijn, destijds burgemeester van deze
+gemeente. ZEd. Achtb. heeft dan ook als zoodanig zitting genomen.
+
+
+
+
+
+
+
+BEROEMDE EN VERMAARDE MANNEN, GEBOREN TE OUDEWATER
+
+
+ Oudewater heeft altijdt seer vruchbaer gheweest van
+ goede verstanden.
+
+ Boxhorn, tooneel van Holland, p. 313.
+
+
+Het doet den inboorling van Oudewater goed, wanneer hij dusdanige
+getuigenis van zijne medeburgers hoort, te meer, wanneer zulks
+gezegd wordt, door een' Boxhorn, die zich als historicus grooten naam
+verwierf. Vooral mogen wij ons beroemen, op eene aanzienlijke lijst
+geleerde personen; echter aanschouwden ook in Oudewater het eerste
+levenslicht, mannen, die op andere wijzen schitterden. Wij hebben ons
+voorgenomen van de voornaamsten niet alleen hunne namen te vermelden,
+maar er ook een korte biographische schets nevens te voegen; wij doen
+dit in de volgorde van de oudheid der jaartallen waarin zij geboren
+werden, en beginnen met
+
+
+
+
+DEN GODGELEERDEN
+JOHANNES PALAEONYDORUS.
+
+Deze werd geboren in het jaar 1433. Zijn familienaam is echter niet
+tot ons gekomen, daar het woord Palaeonydorus, niet als zoodanig mag
+beschouwd worden, immers het was te dien tijde, onder de geleerden
+de gewoonte, aan het Grieksch ontleende toenamen, aan geletterde
+personen te geven, en dikwijls lette men daarbij dan naar de plaats
+hunner geboorte. Zoo ging het ook hier, daar zijn toenaam ontleend is,
+naar het grieksche woord PALAIONYDÔR. Johannes Palaeonydorus, de naam
+waarin onze persoon in de geletterde wereld bekend is, beteekent dus
+Johannes van Oudewater. De Heer van Kinschot, en een legio andere
+schrijvers, roemen hem, als een voornaam Godgeleerde van de orde der
+Carmelieten.--Aangaande deze zijne orde, heeft hij dan ook vele werken
+geschreven, zoo ook over de historie der heiligen. [370]
+
+Meesten tijds hield hij zich op te Mechelen terwijl hij Anno Cristi
+1507 in het 74 jaars zijns ouderdoms der natuur den groote tol
+betaalde. [371]
+
+
+
+
+DE LETTERKUNDIGE
+CORNELIUS VALERIUS.
+
+Deze man, die in 1512 alhier het eerste levenslicht aanschouwde,
+zou eenmaal schitteren, als een der geleerdste mannen van Nederland.
+
+In de schole van zekeren Georgius Moeropedius, begon in zijn prille
+jeugd, zich zijn groot vernuft reeds zoodanig te ontwikkelen, dat hij
+daar nog geen drie jaren geweest zijnde, naar Leuven gezonden werd,
+en dáár oefende hij zich zes jaren in de Grieksche en Latijnsche talen
+in het beroemde Collegie van Busledius. Toen hij in zijn vaderland
+wedergekeerd was, leeraarde hij--weder zes achtereenvolgende jaren--als
+meester in de Redekunst; later deed hij, hoogstwaarschijnlijk met
+het doel, zijnen vruchtbaren geest nog meer te veredelen, eene
+buitenlandsche reis, en na deze volbragt te hebben, werd hij in het
+jaar 1557, 47 jaren oud zijnde, de opvolger van zijnen ouden vriend
+Petrus Nannius, als hoogleeraar in de Latijnsche en Grieksche talen
+te Leuven, en men had geen slechte keuze gedaan, immers men vindt
+vermeld, dat hij »dit ambt met zooveel vlijt en trouw" heeft bekleed,
+dat iedereen van oordeel was, dat niemand zuiverder en netter dan
+Valerius spreken of schrijven kon.
+
+Terwijl onze groote Junius in zijn Batavia van hem getuigde, »dat
+hij was van eenen verhevenen geest, en dat hij zich in eenen netten
+en zuiveren stijl van schrijven zoo in dicht als in ondicht bij
+uitnemendheid deedt uitblinken."
+
+Ook als auteur heeft hij zich, naar aanleiding van deze getuigenis
+gunstig doen kennen, en zijne geschriften even als van Palaeonydorus
+in Valerius Andreas, Bibliotheca Belgica vermeld, regtigden Junius
+volkomen, tot het geven, van deze hoogstgunstige getuigenis.
+
+
+
+Nadat deze geleerde aldus een reeks van jaren, tot nut en
+wetenschappelijke opleiding van anderen zijn beste vermogen had
+veil gehad, stierf hij, in dezelfde plaats waar hij zoo uitermate
+schitterde, te Leuven op den 11 Augustus des jaars 1578, [372] dus
+op zes en zestig jarigen leeftijd. Het stoffelijk omhuldsel waarin
+zijne groote ziel gehuisd had, werd ter ruste gelegd in de Leuvensche
+St. Pieterskerk. Twee en dertig jaren daarna (in 1610) heeft zijn
+leerling Georgius van Oostenrijk, die toen Cancelier dier hooge
+school was, uit dankbaarheid voor het onderwijs, hem door Valerius
+geschonken, in voornoemden tempel, een praalgraf laten oprigten,
+[373] met het volgende opschrift. [374]
+
+
+ D. O. M.
+ CORNELII VALERII
+ ULTRAJECTINI
+ OSSA
+ HEIC CONDITA & CONSUMPTA:
+ NOMEN
+ ADSCRIBERE ALIENA PIETAS VOLUIT,
+ AN ALIENA TAMEN?
+ A. DISCIPULO VENIT.
+ ET QUANTUS ILLE QUI VENIT:
+ MERUIT
+ JUVENTUTEM BELGICAM
+ ORE & STYLO.
+ IN COLLEGIO TRILINGUI
+ DOCUIT,
+ NON MINUS DESERTUS UTILISQUE,
+ POSTQUAM LOQUI DESIIT,
+ QUAM CLARUS & ÆTERNUS,
+ POSTQUAM SCRIBERE.
+ GEORGIUS AB AUSTRIA
+ PRÆPOSITUS HUJUS ECCLESIÆ
+ ET ACADEMIÆ CANCELLARIUS
+ NEGLECTUM XXXII. ANN.
+ MONUMENTUM PRÆCEPTORI P. C.
+ ANN. M D C X.
+ VIXIT ANN. LXVI. DOCUIT XXI.
+ OBIIT MDLXXIIX. III. EID. SEXT.
+
+
+Dat is:
+
+
+ Aan den besten en grootsten God!
+ CORNELIUS VALERIUS,
+ des Utrechtenaars
+ beenderen
+ Liggen hier ter Verteringe bewaard.
+ Een naam,
+ der Onsterflijkheid toegewijd door den Eerbied
+ van een Vreemden,
+ Evenwel niet van eenen onbekende,
+ Want het geschiedt door zijnen Leerling,
+ En wat was hij niet waardig, voor wien het geschiedt?
+ Hij toch heeft alles verdiend
+ van de gansche Nederlandsche Jeugd,
+ door onderwijs en schriften.
+ In de Oeffenschole der drie talen
+ met zoo veel ijver Leerarende,
+ Dat hij niet minder welsprekend en nuttig was,
+ na dat hij ophield te spreken;
+ dan hij beroemd was en vereeuwigd,
+ na dat hij ophield met schryven.
+ GEORGE VAN OOSTENRIJK,
+ Proost dezer Kerke,
+ en Cancelier der hooge schole,
+ heeft een XXXII jaren lang verwaarloosd
+ Gedenkteeken voor zijnen Leermeester laten oprigten
+ In het jaar M. D. C. X.
+ Hij Leefde LXVI. Leeraarde XXI jaren
+ Stierf in 't M. D. LXXIIX jaar, den XI van Oogstmaand.
+
+
+Men zou zich nu kunnen laten verleiden, dat, naar aanleiding van dit
+grafschrift, onze Leuvensche Hoogleeraar te Utrecht zoude geboren zijn,
+doch wij kunnen dit wederleggen, en wel hiermede:
+
+Ten 1. daar alle schrijvers Cornelius Valerius als te Oudewater
+geboren, vermelden, en
+
+Ten 2. dat Utrecht zich nooit de eer heeft aangematigd, dat hij dáár
+geboren zou zijn.
+
+Het laat zich overigens vrij goed verklaren, waarom onze stadgenoot,
+op dat grafschrift Utrechtenaar genoemd wordt, immers, alle
+geestelijken wierden toen ter tijd genoemd, wat hunne geboorteplaats
+of eerste studie betrof, naar het kerkelijk regtsgebied waaronder zij
+behoorden. Oudewater nu, het is hiervoren reeds meermalen aangetoond,
+behoorde toen nog kerkelijk onder Utrecht en van daar dan ook, dat
+hij door zijnen dankbaren leerling, die Proost van St. Pieter te
+Leuven was, Utrechtenaar genoemd werd.
+
+Op een geëtst portret, dat van dezen geleerde bestaat, komt hij om
+dezelfde reden als Utrechtenaar voor, en onze wederlegging daaromtrent
+is als boven.
+
+Aan het hoofd van deze afbeelding staat:
+
+Decessit Louan III Idus Aug. M D LXXIIX Act. LXVI. (daarna het portret
+en waaronder het volgende lofschrift.) Cornelius Valerius Ultrajectinus
+orator et poeta, Quisquis es, et magni nescis decora alta Valeri,
+Adspice magnorum nomina clara virûm Lipsius hunc coluit, Schottus,
+Canterus et omnes Belgica nobilitas est venerata ducem.
+
+
+Aub. Miraeus.
+
+
+
+
+DE GESCHIEDKUNDIGE
+GERARDUS DE ROO.
+
+Ofschoon wij den juisten tijd van zijne geboorte en overlijden
+niet geboekstaafd vinden, zoo aarzelen wij toch niet, dezen naar
+ouderdom van geboorte in onze reeks nu te laten volgen. Hij is
+bekend als groot historicus, »van een uitmuntend verstand, en geene
+gemeene geleerdheid, en was opziener der Bibliotheek van Ferdinand,
+Aartshertog van Oostenrijk en heeft zich als Chronijk Schrijver van
+dat gewest gunstig onderscheiden." [375]
+
+
+
+
+PROFESSOR
+RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROOIJEN.
+
+Deze geleerde, uit een adelijk geslacht geboren, aanschouwde alhier
+in het jaar 1547 het eerste levenslicht, en bragt later een gedeelte
+zijner jeugd te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen van kunsten en
+wetenschappen met lof door. Na verscheidene reizen door Europa volbragt
+te hebben, heeft hij zich het meest op de geneeskunde toegelegd,
+doch had zich ook bijzonder bekwaam gemaakt, in de Grieksche en
+Hebreeuwsche talen. Nadat hij uit Marpurg vertrokken was, werd hij aan
+de Hooge School te Leiden bevorderd, tot Hoogleeraar in de wiskunde
+en Oostersche talen; hij bekleedde die betrekking zóó uitmuntend en
+met zóó veel ijver, dat hij de hooge achting van den Prins van Oranje
+en den Landgraaf van Hessen verwierf. Nadat hij gedurende 34 jaren
+aldus tot heil zijner medemenschen gearbeid had, en hij zich ook
+als schrijver gunstig had doen kennen, stierf hij te Leiden in 1613,
+op 66 jarigen leeftijd. Zijne assche rust in de groote kerk alhier,
+en het opschrift van zijn grafmonument, hebben wij op bladzijden 180
+en 181 hier voren ter neder geschreven.
+
+
+
+
+PROFESSOR
+JACOBUS ARMINIUS.
+
+De vader van dezen alom bekenden inboorling van Oudewater heette
+Herman Jacobszoon en was messenmaker van beroep, terwijl zijne moeder
+zich Angelica Jacobsdochter noemde. Arminius bekwam dus bij zijn doop
+in 1560, den naam van Jacobus Hermanszoon. Toen hij echter later als
+Theologant een grooten naam verwierf, werd hem, naar het Latijn, den
+naam van Arminius gegeven, zooals toen ter tijde onder de geleerden
+gebruikelijk was.
+
+Reeds in zijne prille jeugd, werd hij vaderloos, en ter opleidinge
+tot zich genomen, door Theodorus Aemilius, priester te Oudewater,
+die echter tot de nieuwe leer was overgegaan. Deze naar Utrecht
+wijkende, nam zijnen jeugdigen beschermeling met zich, alwaar hij hem
+eene wetenschappelijke opleiding bezorgde. Niet lang daarna stierf
+Aemilius, toen zijn gunsteling nog slechts 15 jaren oud was. De reeds
+bekende en vermaarde Rudolphus Snellius van Rooijen, zijn stadgenoot,
+trok zich zijner aan, en nam hem met zich naar Marpurg. Doch ook dáár
+werd zijn jeugdig gemoed weldra verontrust, door de heillooze mare,
+dat zijn geboortestad door de Spanjaarden was ingenomen. Hij reisde
+derwaarts, doch zag zijne moeder, zijn broeder en zijne zuster niet
+weder; zij waren gevallen onder 's vijands moordend staal.
+
+Hierop keerde hij terug naar Hessen, eene toen ter tijd nog al
+aanmerkelijke reis, vooral als men haar te voet bij gebrek aan geld,
+zoo als Arminius, moest afleggen. Dan om de troebele tijden naar
+Rotterdam gevlugt zijnde, geraakte hij aldaar in gunst van Ds. Petrus
+Bertius, die hem daarna met diens zoon naar Leidens pas gestichte Hooge
+Schole zond, waar hij van zijn studie-tijd een zoo ijverig gebruik
+maakte, dat toen de Magistraat en de Predikanten hem naar Amsterdam
+zonden, hij onder bescherming genomen werd van de hoofdlieden van het
+Kramers-gilde. In het jaar 1582 werd hij op kosten van Amsterdam naar
+Genève gezonden, alwaar hij zich vermaarde mannen tot vrienden maakte,
+doch ook vele vijanden bekwam, omdat hij de wijsbegeerte van Ramus
+met ijver verdedigde. Om laatstgenoemde rede ging hij naar Bazel,
+alwaar hij weldra zoodanig de aandacht der geleerden tot zich trok,
+dat Jacobus Grijnaeus, Theologiae Professor aldaar dikwijls onder
+zijn gehoor kwam. Ja--vermeldt van Kinschot--dit ging zoo ver, dat de
+gemelde Hoogleeraar, wanneer er in de openbare disputen een moeijelijk
+stuk voor kwam om op te lossen, zich niet ontzag, om Arminius midden
+onder de andere studenten staande, toe te roepen en te zeggen »Laat
+mijn Hollander voor mij antwoorden." Nadat de Godgeleerde faculteit
+vervolgens aanbood, hem op hare eigene kosten te doen promoveren,
+weigerde hij uit zedigheid die eer, en keerde weder naar Genève,
+waar hij nogmaals drie achtereenvolgende jaren met vlijt zijne studie
+voortzette. Daarop ondernam hij in 1586 met Adrianus Junius eene reis
+naar Padua, om den Hoogleeraar Jacobus Zabarella aldaar te hooren;
+toen zij daarna Rome en menige andere Italiaansche stad bezocht hadden,
+keerden zij nogmaals weder naar Genève terug.
+
+Na eenigen tijd aldaar vertoefd te hebben, kwam hij in het jaar
+1587 te Amsterdam, dewijl hij vroeger, om de protectie van die stad
+genoten, zich verbonden had, wanneer hij daartoe geregtigd was,
+niet dan met toestemming van den Magistraat in eene andere stad
+te prediken. Den 4 Februarij 1588 promoveerde Arminius aldaar, tot
+Doktor in de Theologie, en den 21 Julij werd hij tot Predikant te
+Amsterdam beroepen, op 28 jarigen leeftijd. Hij maakte zich echter
+al meer en meer vijanden, want in leeringen en geschriften, was hij
+bekend, het met Galvinus en Beza volstrekt niet eens te zijn, op het
+punt van onwederstaanbare vrije genade en volstrekte praedestinatie,
+waardoor hij dan ook de grondlegger werd van het Remonstantismus, en
+vooral met Gomarus, die zijne grootste tegenstrever in het land was,
+in groote onmin geraakte. Een en ander gebeurde echter geruimen tijd,
+nadat hij 14 jaren lang predikant te Amsterdam geweest zijnde, met
+groote moeite en op bijzondere voorspraak van Anthonius Thysius, in het
+jaar 1603 tot Professor aan de Hooge School te Leiden beroepen was,
+willende de Amsterdamsche Predikanten hem niet ontslaan, dan onder
+voorwaarde, dat hij met Gomarus in tegenwoordigheid van de Synodale
+Gedeputeerden in gesprek zoude treden, dat plaats had en ten gunste
+van onzen stadgenoot uitviel. Te Leiden aangekomen, maakte hij weldra
+veel opgang, en geraakte zoodanig in aanzien, dat hij in Januarij
+1605 tot Rector Magnificus benoemd werd, doch in het volgende jaar
+legde hij het Rectoraat weder neder, terwijl hij bij die gelegenheid
+eene oratie over »het verschil in de Godsdienst" deed.
+
+Zijne geschillen met Gomarus, namen echter zoodanig in hevigheid
+toe, dat beide meer dan eens voor den Hoogen Raad te 's Gravenhage
+ontboden werden, om hunne stellingen te wederleggen. Ieder dezer
+mannen had natuurlijk zijne aanhangers, maar terwijl beide partijen
+al hun vermogen aanwendden ter verdediging hunner zaak, werd Arminius
+door zoo veel werken afgemat en door zijn veel bewogen leven verzwakt,
+door hevige koortsen aangetast, die derwijze toenamen, dat hij den 19
+October 1609 in den mannelijken leeftijd van 49 jaren overleed--nadat
+hij zes jaren het Professoraat bekleed had.
+
+Hij was op dertig jarigen leeftijd gehuwd geweest, met zekere
+mejufvrouw Reäal, dochter van een Amsterdamsch Schepen, en liet hij
+bij zijn overlijden zijne echtgenoot negen kinderen na. De weduwe
+ontving van de Staten »uit zonderlinge gunst," voor de goede diensten
+aan de Hooge School te Leiden door haar man bewezen, uitgenomen
+'s mans jaarwedde, nog eene van drie honderd ponden (het pond à 40
+grootten). [376]
+
+Dus was het leven van den grooten Remonstrant, die hoewel vele
+vijanden gehad hebbende, van een aantal vermaarde tijdgenooten de
+hoogste lof en genegenheid ontving; immers op 28 jarigen leeftijd,
+werd hij reeds genoemd, »de vijl der waarheid, de wetsteen der
+verstanden en het snoeimes der aangroeijende dwalingen."
+
+In 1737--en niet eerder--is het portret van dezen Hoogleeraar bij
+dat der Professoren aan de Academie te Leiden gediend hebbende,
+gevoegd geworden.
+
+De nagedachtenis van zijn 200 jarige dood werd nog op den 22 October
+1809 door Ds. Stolker te Rotterdam feestelijk herdacht, in een leerrede
+over Hebr. 13 vs. 7; terwijl omstreeks dezen tijd eenige aanzienlijke
+Remonstranten het plan gehad hebben, te Oudewater, vóór zijn reeds
+door ons beschreven geboortehuis, een standbeeld op te rigten, dat
+echter om het terrein geen doorgang heeft gehad. [377]
+
+
+
+
+Dr. ABRAHAM VAN STIPRIAAN LUÏSCIUS.
+
+Deze geleerde, een zoon van den edel Achtbaren Heer Herman van
+Stipriaan, in leven Schepen enz. dezer stad, en vrouwe Agatha Copper,
+werd geboren te Oudewater den 10 October 1763, en is te Delft overleden
+den 2 Mei 1829. Deze beroemde geneesheer, deed in October 1787 aan de
+Leidensche Hoogeschool zijn doctoraal examen, vestigde zich in 1788
+te Delft, alwaar in 1789 ook de post van Lector in de scheikunde door
+hem werd aanvaard. Voorts werd hij in 1790 benoemd door de koninklijke
+Maatschappij van geneeskunde te Parijs, tot derzelver buitengewoon
+correspondent, in 1791 tot lid van het Bataafsch Genootschap der
+proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, in 1792 tot lid van
+het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen, in 1794 tot
+lid van de Hollandsche Maatschappij te Haarlem, in 1802 tot lid van
+het provinciaal Utrechtsch Genootschap van kunsten en wetenschappen;
+in 1809 correspondent der eerste klasse van het koninklijk Instituut,
+in 1819 lid van dezelfde klasse, in 1824 corresponderend lid van
+het Bataviaansch Genootschap, in 1825 lid der Maatschappij van
+Nederlandsche Letterkunde te Leiden en in 1826 Ridder der orde van
+den Nederlandsche Leeuw.
+
+Hij was van 1801 tot in 1814 vice president van de provinciale
+Geneeskundige Commissie, gevestigd te 's Gravenhage, en daarna tot
+aan zijnen dood president van dezelve, en tevens lid van de regering
+der stad Delft.
+
+Met het beantwoorden van prijsvragen in verschillende vakken van
+geleerdheid heeft hij, zoo binnen als buiten den lande, grooten roem
+verworven, en ten slotte deden zijne vele geleerde geschriften en de
+zoo gelukkige uitoefening der geneeskunde in deszelfs uitgebreiden
+omvang, hem al vroeg onder de grootste geneesheeren van ons vaderland
+stellen. [378]
+
+
+
+Voorts dienen nog onder de benoemde mannen van Oudewater gerangschikt
+te worden:
+
+Wijlen de schout-bij-nacht DE JONG VAN RODENBURG. [379]
+
+De Rotterdamsche burgemeester M. VERROEN enz. enz.
+
+Onder de nog levende noemen wij met achting:
+
+den oud-resident van Tagal op Java J. A. VRIESMAN, ridder der orde
+van den Nederlandschen Leeuw enz., enz.,
+
+den hoofd-Ingenieur van den Waterstaat N. I. VAN DER LEE te Deventer,
+
+den priester J. BAALE, oud Biechtvader aan het Zweedsche hof van
+H. M. de Koningin,
+
+den oud Missionnaris op Curaçao, gem. Sancta Rosa J. J. PUTMAN,
+nu R. K. Priester en Kanunnik te Utrecht, en
+
+den bekenden schrijver R. C. H. RÖMER, Dtr. in de theologie en
+predikant te Deil en Enspijk.
+
+
+
+Op bladzijde 164 dezes werks, mijne geachte lezers, eindigden wij de
+onbeschreven geschiedenis van het oord onzer beschrijving, zijnde
+wij alstoen genaderd aan anno 1265, het jaar waarin de beschreven
+geschiedenis van Oudewater aanvangt.
+
+Wij hebben toen--als onzes inziens het beste geschikt om de
+ontwikkeling der stad te kunnen nagaan--de voornaamste gebouwen van
+Oudewater beschreven, zoowel wat hunne gedaante, als geschiedenis
+betrof, gingen de regeringsvorm en regeringspersonen kortelijk na,
+die hier waren of nog zijn, en besloten met de vermelding der voorname
+en geleerde mannen, die in de plaats onzer beschrijving het eerste
+levenslicht aanschouwden.
+
+Veel is er echter nog, dat wij in deze hoofdstukken niet konden
+inlasschen. Zoo hebben wij, bij voorbeeld slechts vlugtig, of
+in het geheel niet kunnen gewagen, van belegeringen, van rampen,
+brand en ziekten, die het stadje te verduren had, van den bloei en
+welvaart die het vervrolijkte, enz. Wij hebben bijna geen personen
+of corporatien hunne treurige of niet treurige rollen zien afspelen,
+hen niet handelende kunnen laten optreden, en aangezien wij dit
+alles nu, volgens ons plan nog willen beschrijven, in de gelegenheid
+gesteld door meerdere oorkonden, handvesten, enz. enz. dan waarvan
+wij reeds gewaagden, zoo hopen wij dit alles kortelijk te schetsen,
+in het volgende hoofdstuk, dat wij om bovengenoemde redenen, willen
+noemen zoo als hier achter volgt.
+
+
+
+
+
+
+
+OUDEWATER EN HET LEVEN IN OUDEWATER.
+
+Van 1265 tot 1860.
+
+
+ "Dat ic de waerheit so verclare,
+ Dat men weten moete dat ware."
+
+ Melis Stoke.
+
+
+Oudewaters naamreden hebben wij in onze geologische schets reeds
+getracht te verklaren.
+
+Oudewater is gelegen in het zuidoostelijk gedeelte van Zuid-Holland,
+aan den Hollandschen IJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands
+van Schoonhoven en Woerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen
+driehoek vormt. [380]
+
+Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou--volgens de getuigenis van
+den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius--dit plaatsje omtrent het
+jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop van Utrecht
+tot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners,
+benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden
+zijn geschonken. [381]
+
+Zooals men dus bemerkt, behoorde Oudewater reeds zeer vroeg, ook wat
+het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen van Utrecht;
+totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den
+winter" (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop van Utrecht,
+deze plaats nevens andere steden, voor een zekere somme gelds, aan
+zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem
+bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen
+die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen. [382]
+
+Tengevolge dezer verpanding, behoorde Oudewater nu onder Holland en
+wel onder het oude Noord Holland, want deze landstreek werd alzoo
+genoemd, omdat zij ten noorden van den IJssel lag. [383]
+
+Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het
+regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus
+in dien tijd steeds aan Holland en de goederen van het graafschap
+gebleven was, heeft keizerin Margaretha, als gravin van Holland, die
+na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen,
+het bestuur over Holland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk
+van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt
+verleend, dat Oudewater nooit meer van de Graaflijkheid van Holland
+gescheiden zoude mogen worden. [384]
+
+Intusschen begon Oudewater reeds eene vrij aanmerkelijke plaats te
+worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319
+het Lombardshuis alhier, tot 's Graven weder opzeggings toe gegeven
+werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de
+Lombardhuizen eerst in 1327 te Schiedam, iets voor 1342 te Delft waren,
+terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag
+gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf
+Willem den III aan den Bisschop van Suden, om die van Oudewater 200
+»pont suarter tornoys" te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.
+
+Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het
+voor en na ontvangen van een aantal regten en privilegiën. Zoo werd
+door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters
+van Oudewater niet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die
+van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten
+gaan halen bij Schepenen van Oudewater, voorzeker geen geringe
+onderscheiding.
+
+In 1324 werd aan die van Oudewater verlof verleend, om buitenlieden,
+mits »goede knapen" zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en
+burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen
+gebruik gemaakt hebben.
+
+In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt,
+al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn,
+zooals uit het stuk zelve is op te maken.
+
+In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door
+Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle
+landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen
+van Woerden, te Oudewater moest ter markt gebragt worden, op een boete
+van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds
+vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken,
+dat eene verpachting van 's Graven »Gruiten" te Oudewater voor vijf
+jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden
+opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden" van Oudewater
+door denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor
+tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester van Zuid Holland gebood
+dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen."
+
+In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt
+om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stad Oudewater
+door keizerin Margaretha als gravin van Holland, geconfirmeerd werd,
+in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten,
+in dit zelfde jaar (1346) aan Oudewater het privilegie schonk, om
+het nooit meer van de Graaflijkheid van Holland te scheiden. [385]
+
+Tot dus verre was alles in Oudewater vrij rustig toegegaan, indien
+wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen
+aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de
+plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel,
+dreigende wolken te zamen, waarvan Oudewater en deszelfs bewoners
+weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.
+
+Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel,
+zich eene telg van een der adelijkste huizen van Holland, Heere Jan
+van Arkel, bevond.
+
+Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent
+dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten
+aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige
+der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los
+te maken." Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nu Oudewater
+voor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de
+jeugdige gemijterde Oudewater aantastte, en dat op den dag na Maria
+Boodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen
+en legertenten voor Oudewater gezien werden."
+
+»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne
+zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg,
+Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders. [386] De
+kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed,
+ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking
+van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere
+verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te
+beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van
+onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt
+ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar
+het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid,
+waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid
+zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst
+toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan
+hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare
+zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige
+zwaard!"
+
+»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid
+en eenige Utrechtsche Raadslieden, waren in een der weinige huizen,
+die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen,
+wat men met den puinhoop zou aanvangen.
+
+»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het
+is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar
+echtgenoot in de bres gevallen is. Misschien, dat de Stichtschen,
+haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende
+stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,--ik doorzie het, nu zij
+met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt
+en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt
+haar doel--één punt des tijds--Zie hoe het vlamt! nog een wijle--het
+knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop,
+een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, van Utrechts
+achtbaren zoeken zal." [387]
+
+Toen nu de Hollanders vernomen hadden, dat Oudewater aldus door
+de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele
+Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte
+gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen
+bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van
+Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en
+stad en toog met deze heirkracht tot bij Schoonhoven. De poorters
+uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger der
+Hollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er
+lang en heet gevochten was, behielden die van Utrecht het slagveld
+en behaalden wederom de victorie. Vele Hollandsche edelen werden
+gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen
+werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen
+beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent
+Sinte Martijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap. [388]
+
+Dan, keeren wij tot Oudewater terug. In hetzelfde jaar 1349, toen de
+kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon
+de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van
+Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook
+het zoo zeer geschokte Oudewater ruimschoots deel nam.
+
+Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen,
+kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat
+Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar
+gemaal naar Beijeren ontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar
+tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels
+der regering in handen te nemen.
+
+Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand
+van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem
+bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in
+Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde
+het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen,
+doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder
+tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte. [389]
+
+De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de
+Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bij Schoonhoven
+gesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te
+houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan
+worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel
+aan toe.
+
+Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, van Holland, Zeeland
+en West-Vriesland, behoudende voor haar alleen Henegouwen zoo lang
+zij leefde.
+
+De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349
+te Munchen in Beijeren gegeven, en werden sedert te Geertruidenberg
+bezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote
+getale, en door de steden Dordrecht, Middelburg, Zierikzee, Leiden,
+Geertruidenberg, Delft, Haarlem, Alkmaar, Amsterdam en Oudewater die
+te dezer tijden, de aanzienlijkste steden van Holland, Zeeland en
+West-Vriesland waren. [390]
+
+Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden,
+om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe
+Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke
+wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.
+
+Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd,
+zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet
+dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog
+was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder
+onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naar
+Holland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat
+Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350,
+de ridders, knapen en steden waaronder ook Oudewater, die hem hulde
+gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de
+teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige
+maanden--naauwelijks toch had Willem afstand van 's lands regeringe
+gedaan of hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de
+brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter
+in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden,
+onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en
+huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd
+van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen
+noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.
+
+Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan,
+sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en
+de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van
+vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met
+hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.
+
+De steden nu, die zijne zijde hielden, waren Dordrecht, Delft, Leiden,
+Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Medemblik, Oudewater, Geertruidenberg,
+Schiedam en Rotterdam, waarbij zich kort daarna ook Vlaardingen
+voegde. [391]
+
+Terwijl wij Oudewater nu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen,
+laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei
+herlevende Oudewater terug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351
+van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt,
+zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte,
+met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel" waardoor
+Oudewater ten minste van die zijde eenige verademing kreeg. [392]
+
+In hetzelfde jaar, bleef Oudewater met de andere steden van Holland
+borg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna,
+dochter van den hertog van Braband en weduwe van Willem den IV,
+Grave van Holland nog te eischen had. [393]
+
+Dordrecht en de elf andere steden--waaronder ook
+Oudewater--bevroedende, dat zij de meeste lasten van den
+binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte
+van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen een
+bijzonder verbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor
+schade te bevrijden. [394]
+
+Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest
+ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte
+vrede tot stand, en de graafschappen van Holland en Zeeland benevens de
+heerlijkheid van Vriesland gingen nu van het stamhuis van Henegouwen in
+dat van Beijeren over, [395] en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeld
+Oudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355,
+en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen
+de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en
+Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen. [396]
+
+Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver
+van Wijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de
+Bisschop niet gelukkig zijnde met het op de been brengen van vele
+wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders
+aldus weinig tegenstand in het Sticht. [397]
+
+»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten,
+door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende
+in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren
+weg na Oudewater ende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy
+verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede van
+Montfoort, en die van Montfoort waren op die tydt groote vrienden
+ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters van
+Montfoort vernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer
+Zweer van Montfoort haren heere op dien tijd binnen Utrecht was,
+zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende
+sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen,
+ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle
+haar soudenieren ghevangen." [398]
+
+In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door
+den Burggrave van Montfoort weder ontslagen.
+
+De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno
+1356 eene vrede tusschen Holland en het Sticht tot stand kwam.
+
+In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder
+beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich
+eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen
+op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart
+benoemd. [399]
+
+Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrent
+Oudewater aantreffen, is eene vergunning om zijne landpoorters, buiten
+den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings
+binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is
+een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over den
+IJssel bij Oudewater, »wit onse stede overgaende op ten gaenwech van
+den IJsseldijc."
+
+Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan
+ook Oudewater gedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te
+dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367
+een accoord tusschen Oudewater en het Waterschap van Woerden getroffen
+werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over
+de Linschoten; en een belofte der hoogheemraden van Woerden om de
+sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.
+
+Het eerst, dat wij Oudewater nu weder in de historiebladen aantreffen,
+is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart
+van Holland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten
+wille, Oudewater vermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop van Luik,
+benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt,
+dat hij omtrent Oudewater hier op geen regt had [400], of hij heeft
+zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan
+instede daarvan gegeven het Land van Voorne met de stad Briel. [401]
+
+»Middellerwijl had Oudewater nu van de zijde der Utrechtenaars
+onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid
+bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs
+opvolger Arnold van Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving
+weder veel te verduren.
+
+Ook hij had met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig
+oorlog voeren hem eigen was. Ook hij had het met de Hollanders en
+den Hertog te kwaad en nadat eerst Zwammerdam en Naarden veel van
+hem geleden hadden, kreeg Oudewater zijn beurt.
+
+»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent
+voor Oudewater en het was ten jare 1374"" [402] »Ik vind ergens
+aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield,
+en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden
+geboden, met storm innam. [403] Ik durf voor de juistheid van deze
+aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij
+putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven
+staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in
+dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uyt Oudewater
+LXXIII mannen."" [404] »In ieder geval, het blijkt mij uit het feit
+van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van
+Arkel voor Oudewater een vrede houdende nabuur geweest is." [405]
+
+Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee
+partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote
+geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook
+over het stapelregt te Dordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380
+tusschen den Burggrave van Leiden en die van deze stede Oudewater
+dusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hoog gestegen,
+dat Grave Albrecht van Beijeren als scheidsregter tusschen beide
+partijen optrad. Deze twist was »om der tollen tot Alphen ende
+daaromtrent." [406]
+
+In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor
+den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd [407] en ten jare 1393
+werd Oudewater met eenige andere steden door hem vrij gesproken van
+alle stapelregt te Dordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid
+ontstaan was. [408]
+
+Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten
+weder terug.
+
+Die van Oudewater waren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield
+tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste
+verwoeste en een andere telg »veel lude van Oudewater verwonnen hadde
+van Lyve ende van goede" ten minste zeker is het, dat die van Oudewater
+dan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij
+»in die heerscip van Haestrecht hadde gevangen, Melis Aerritssoen
+boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in
+der heerscip van Haestrecht woende." De twist was van dien aard dat
+zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd. [409]
+
+Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna
+Albrecht tot Grave van Holland werd verheven [410] en als zoodanig
+komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden van Oudewater voor.
+
+Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert
+dien tijd, had Albrecht groote genegenheid opgevat voor Aleida
+van Poelgeest, die te 's Gravenhage bij hem ten hove was. [411]
+Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ook
+Oudewater moest daaraan deel nemen.
+
+Zie hier wat er van de zaak is:
+
+Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in
+korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door
+haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en
+natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer. [412] De wrok steeg dermate,
+dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen
+en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene
+wonden om. [413]
+
+Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor
+eveneens het leven. [414]
+
+De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen
+[415] benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht,
+ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene
+haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot
+den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester,
+hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche
+edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in
+te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven
+en goed verbeurd te hebben. [416]
+
+Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden van Oudewater omtrent dezen
+tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe,
+dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en,
+derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De
+lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van
+den graaf aan die van Oudewater aangaande het aanhouden van een hunner
+poorters met zijn goed door den »tolner" van Gouda, waaromtrent zij hun
+beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt,
+dat hij »twee of drie of vier van den gerechte van Oudewater geerne
+geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem
+ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende
+oic gemachticht van der stede wegen van Oudewater dat sy een entlic
+dadingh met hem ende synen rade aangaan mochte van den breucken die sy
+hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude
+hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde." [417]
+
+
+
+Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen
+hebben" en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden
+dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het
+genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12
+personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen
+heeft." [418] Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening
+het gevolg is geweest, verleende hij de stede Oudewater echter in het
+volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom
+van het stapelrecht [419] te Dordrecht. Niet echter, dan nadat er ten
+jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand,
+ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke
+breuken als sy jegens ons misdaen hebben" [420] kwam er eene meer
+gunstige stemming omtrent Oudewater in 's graven gemoed, daar hij
+de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren
+goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer
+van ter Goude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had,
+te houde tot den voorzegden tijd. [421]" Niet lang echter duurde het,
+of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:
+
+Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn
+Plackaert gegeven tot Gorichem op ten dach ende in 't Jair voirsz.,
+allen sinen Tolneren van Holland ende van Zeeland, dat si der steede
+van Oudewater en horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden,
+veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht
+als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen
+Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende
+tot myns Heeren wederseggen.
+
+Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach
+van der Poirteren goede 't Oudewater die opgehouden waren voir die
+Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen
+soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren van Oudewater,
+ende hoir goide veilich soude laten varen voir bi myns Heeren Tollen,
+tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten,
+op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is."
+
+
+
+Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het
+jaar 1394, aan Schiedam en Oudewater het oprigten eener stedelijke
+school vergund werd, [422] dat zeer pleit voor den bloei, waarin te
+dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314)
+een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den
+schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter
+Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang
+ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien van Oudewater te dien tijde, dat
+het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten,
+en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en
+van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten."
+
+Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de
+stad Oudewater zelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag
+ten jare 1393 aan die van Oudewater bij oirconde beloofde, met Heer
+Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had
+van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf
+voldaan waren [423]; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden van
+Oudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in den Haag waarbij de
+Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hij Woerden
+en Oudewater ten zelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die
+wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten
+en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of
+er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die
+moeght leveren ten onsen wille." Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo
+nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren
+mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden,
+zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan. [424]
+
+Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen
+bevonden, als de Burggrave van Montfoort en de Burggrave van Leiden,
+dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van
+Albrecht met Oudewater niet meer te twijfelen viel.
+
+Inmiddels ontvlugtte de Graaf van Oostervant, Albrechts zoon, die als
+de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het
+hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De
+vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan
+ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met
+eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde,
+Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.
+
+Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in
+1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave van Oostervant, en
+ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in 's Hertogen gunste. [425]
+
+De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen,
+die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging
+deelnemen. Der Hollandsche en Zeeuwsche steden werden, ten gevolge
+van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan
+te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333
+vermeld, vinden wij Oudewater vreemd genoeg, niet aangeteekend en
+hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van
+'s Graven zijde, worden aangemerkt.
+
+Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht
+ten jare 1400 met hen een bestand, zijnde Stavoren als toen de eenige
+stad in Vriesland die nog Hollandsche bezettingen hield. [426]
+
+Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan
+den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog
+geraakt waren [427], en wij houden het er voor, dat het de waarheid is,
+trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij
+direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten
+het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners van
+Oudewater in 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den
+tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo
+hadden die van Oudewater omtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge
+gedaan" aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande van Woerden,
+en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht,
+op voorwaarde, zij moesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van
+sestienhondert scilden." [428]
+
+Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van 's Graven
+zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede,
+immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden" schonk
+hij Oudewater vrijdom voor zijne tollen te Sparendam en Heusden niet
+alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van
+alle diensten in Oost-Vriesland voor hem en zijne nazaten [429],
+onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van
+Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht
+had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging van
+Oudewater op de grenzen van Holland, de voordeelen die uit het wel
+bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de
+trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen."
+
+Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten,
+het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnen Oudewater, dat tot
+nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn. [430]
+
+En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van
+graaf Albrecht, die direct op Oudewater betrekking hebben. [431]
+
+Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds
+opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten
+staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens
+vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere
+personen eenige hulp kon verkrijgen. [432] Zoolang het dus niet hoog
+noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder
+en Rentmeester der grafelijke inkomsten van Holland bekleedde, niet
+zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering,
+doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke
+gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp,
+dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog
+Albrecht openlijk den oorlog aan te doen. [433]
+
+Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de
+vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.
+
+Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had,
+verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in 's
+Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen,
+gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot
+rede te brengen. [434]
+
+Willem verklaarde toen in 1401, het van Oudewater naburige Haastrecht,
+Vliste, Stolwijk en andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd,
+en bande hem ten eeuwige dage uit Holland. Arkel zeide hierop eerst
+den Hertog en [435] kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.
+
+Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad
+onzer beschrijving.
+
+Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar [436] zich uit,
+Oudewater was eene der sterkste grensvestingen van Holland. Ook werd
+zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van
+alle krijgstogten in Vriesland die hij zelve of zijne zoone niet
+bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij
+de stad trouwelijk bescherme zoude. [437] Deze stad poogde Arkel te
+verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters."
+
+Weten wij nog uit de divisie kronijk [438] dat hij voor Oudewater
+verscheen »met een deel ghewapenste volcx", dan was het zeker een
+groote eer voor het stedeke Oudewater, dat het den verbitterden en
+heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.
+
+Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet
+vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem
+openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen"
+leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle
+nachten te sluiten. [439]
+
+Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een,
+van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen
+niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.
+
+Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den
+titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd
+hij dan ook in het stedeke Oudewater zelve ingehuldigd [440]. Men
+ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die
+van Oudewater bevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.
+
+
+ Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der
+ Graafschap van Holland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen,
+ ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders Hertoghe
+ Aelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe
+ Steede, ende Poirteren van Oudewater vriendelick ontfangen hebben,
+ ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo
+ hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen,
+ tot onsen getrouwer Stede van Oudewater voorsz: derzelver onzer
+ Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget,
+ confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke
+ Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van
+ onzen Voirvaders Graven te Holland, van onzen Lieven Heer ende
+ Vader Hertoghe Aalbrecht voorsz: ende van ons bezeegeld hebben,
+ ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer
+ Steede ende Poirteren van Oudewater voorsz: dair in te houden,
+ ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.
+
+ In Oirkonden &c. Gegeven in den Hage op ten xi. dach in Maert
+ Anno xiiijc ende vier. Secundum Cursum.
+
+
+Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering,
+met het vermelden van oude bescheiden en privilegien op Oudewater
+betrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf,
+de stad onzer beschrijving voor dat gemis aan voorregten schadeloos
+te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in
+hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond 1405
+[441], vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stede
+Oudewater om van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de
+bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogen eischen,
+en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het
+leven te berooven.
+
+Het volgende privilegie in 1405 was 's Graven vergunning, om binnen
+der stede gebied, eenen molen te mogen zetten; nog belooft Willem in
+dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande, Oudewater nimmer
+meer te zullen scheiden van de grafelijkheid van Holland, en tevens
+stelde hij die van Oudewater bij ander voorregt van dit jaar, vrij,
+van het betalen van morgen geld. [442]
+
+In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën
+van graaf Willem omtrent Oudewater gewag gemaakt, doch in deze
+tijden werden er tusschen Oudewater en het nabij gelegen Woerden
+vele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap
+van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld,
+dat de hoog-heemraden van Woerden aan Oudewater beloofden om de
+brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad
+te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente
+secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte,
+waarin de hoog-heemraden van den Lande van Woerden zich verbinden,
+de sluis binnen Oudewater liggende, te verlagen, met bijvoeging, dat
+wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd,
+die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.
+
+Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die van Oudewater en
+oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij
+in 1414 toestond, om binnen Oudewater een nonnenklooster van de
+St. Franciscus orde van penetentiae te stichten [443]. En nu mijne
+lezers, willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt,
+en welke rol Oudewater er in speelt.
+
+Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name
+Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad,
+met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn van
+Frankrijk die in het jaar 1417, kinderloos overleed.
+
+Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba,
+legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging
+in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge,
+wendde hij zich tot de edelen en steden van Holland, die hij ter
+algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na
+zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te
+huldigen [444].
+
+Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de
+steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer
+beschrijving. Ook de Schouten, Burgemeesters, Schepenen en Raden [445]
+van Oudewater hadden »plegtiglijk gezworen, dat zij Jacoba, Daufijne
+van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten,
+overlijden mogt, voor zijne erfdochter en leenvolgster erkennen,
+en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid
+bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden
+zullende bijstaan."
+
+En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in
+Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba,
+zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle
+steden van Holland, uitgenomen Dordrecht ingehuldigd.
+
+Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, dat Oudewater zich aan
+de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.
+
+Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van 's Graven
+overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken
+en alras hadden zij zich van het naburige IJsselstein meester
+gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de
+Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke
+weder spoedig aan 's gravinne zijde was.--Hare regering begon alzoo
+niet gelukkig.
+
+Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben;
+wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van
+de grafelijke kroon ging betwisten.
+
+Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend,
+en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende, [446]
+ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij
+zijne nicht bestookte.
+
+Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd
+hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten
+wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter
+zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog van Braband, waardoor de Landzaten
+naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.
+
+Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige
+Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit
+deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van
+de gravin met den hertog van Braband in ernstige onderhandeling te
+treden. [447] Ten jare 1418 kwam die verbintenis dan ook tot stand,
+en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave van
+Holland en Zeeland, wordende hij door de steden, waar onder ook
+Oudewater, als zoodanig gehuldigd.
+
+Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den
+V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver
+te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen
+verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave
+over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer
+Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem
+den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.
+
+Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel,
+wij vinden vermeld, [448] dat de steden Haarlem, Delft en Leiden
+omtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove" 529
+1/2 engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte
+somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.--Maar ook Oudewater, nevens zes
+andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te
+zullen dragen. [449]
+
+Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een
+beleg van Dordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve
+het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden
+hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche
+steden, brieven afgezonden, om over het belegeren van Dordrecht te
+raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch
+weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat
+Jacoba, nog in dit jaar, het verlies van Rotterdam te betreuren had,
+werd er omtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen
+gemaakt. [450] In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld,
+dat het Baljuw- en Dijkgraafschap van Zuid-Holland aan de gravinne als
+»leengoed" werd afgestaan; Oudewater werd er ingelijks onder begrepen,
+wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende
+jaren, door de Hertogen van Brabant en Beijeren in het gemeen zouden
+geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede
+de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden
+aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te
+doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog van
+Beijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.
+
+Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van
+eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en
+oir of erfgenaam aangenomen.
+
+Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naar Brabant
+gereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die
+gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan
+te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar,
+ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering
+te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen,
+en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het
+jaar 1420, Treneijs Pietersoon in Oudewater tot Schout benoemde,
+[451] die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van
+zijne vrienden was.
+
+Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421, Jan van Brabant
+noemt zijnen »lieven Neve" zoo kunnen wij die zoete woordjes niet
+te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij te Oudewater
+weder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van
+zijnen aanhang. [452]
+
+Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal
+jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.
+
+Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in
+onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan
+van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had,
+om in het Sticht te vallen en onder anderen Amersfoort en Montfoort
+in te nemen. [453]
+
+Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok
+tegen de Montfoortenaars dat die van Oudewater in het volgende jaar
+1420 gretig de gelegenheid,--echter eene noodlottige gelegenheid--te
+baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen beneden
+Schoonhoven tot aan Oudewater toen reeds door het Sticht onder
+brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat
+zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat
+wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.
+
+»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschen Utrecht
+en den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, en
+Montfoort koos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte
+een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk van Montfoort,
+zich door een wakker wapenfeit vermaard.
+
+»Bij een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijk
+in der haast te Montfoort zoo vele manschappen zamen, als er uit
+de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde
+deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand
+tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke,
+toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als
+een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op
+den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute
+mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden
+zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er
+niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was,
+kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden;
+maar die van Oudewater moesten 't eindelijk opgeven en ruimden met
+een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld;
+terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad
+keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker
+eeren ende met sulcker gewin gedaen waren." [454]
+
+Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht
+voor Oudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke
+Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die van Oudewater zich
+mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er
+van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd,
+insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd"
+menigeen gevallen zijn.
+
+Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan
+van Beijeren beoorlogen, doch Oudewater hoewel hoekschgezind, stond,
+schijnt het te veel onder van Beijeren, om zich niet aan zijne zijde
+te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege
+in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.
+
+De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te
+beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag
+tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging
+Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen
+Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken,
+en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade
+van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen van
+Brabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan van Brabant, en weldra
+was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422)
+huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog van Glochester en
+ook hij noemde zich alras Grave van Henegouwen, van Holland, Zeeland,
+enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog van
+Glochester aantreffen, begint zich ook Philips, hertog van Beijeren
+als vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan
+te merken.
+
+Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester,
+te Bergen gevangen genomen en naar Gent gevoerd. Zij wist echter
+hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en
+drie dagen daarna te Woudrichem zijnde, werd zij door heer Jan van
+Viane naar Oudewater, Schoonhoven en Gouda gevoerd en in die steden,
+waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne
+erkend. [455]
+
+Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te
+naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren
+in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij
+uitersten wille aan Philips, hertog van Bourgondie, afgestaan, en nu
+maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door
+kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de
+tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.
+
+Nu wist de hertog van Brabant spoedig te weeg te brengen, dat de
+Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot
+wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van
+Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch,
+mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo
+had zij in haren tegenspoed toch den troost, dat Oudewater, nevens
+Gouda en Schoonhoven, aan hare zijde bleven.
+
+In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek
+door Jacoba's tegenpartij tot stedehouder over Holland benoemd.
+
+Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog
+overgegaan, wordende kort hierop het beleg voor Schoonhoven geslagen.
+
+Jacoba, beducht voor Gouda, waar zij zich meest ophield, had
+den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water
+gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam
+zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te
+naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind
+te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap
+met Oudewater afgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne
+lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij
+nu den naderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu
+in het jaar 1425 [456] tot een gevecht bij Alphen. Die van Gouda,
+Schoonhoven en Oudewater vielen hen nu onvoorziens op het lijf,
+[457] schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning,
+en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels van Haarlem, Leiden
+en Amsterdam, in vreugde en gejuich binnen Gouda.
+
+Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij in Zeeland, waar de troepen
+der Gravin met hulp van die uit Engeland, in 1426 een gevecht bij
+Brouwershaven verloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar
+leger tot voor Haarlem en ook bij dien veldtogt, werd de banier van
+Oudewater aan hare zijde niet gemist; [458] maar ook in dit beleg,
+keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen
+ramp na de anderen trof.
+
+Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw [459], toen zij
+zich in de grootste benaauwdheid te Gouda ophield, en haar huwelijk
+met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij
+weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427:
+doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bij Wieringen
+bijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een
+leger op Gouda aan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien
+toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met
+Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende
+zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste
+voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.
+
+Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren,
+wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten
+werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den
+echt mogt treden, dat Philips de Regering van Holland bleef behouden
+onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba
+slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden
+hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot
+dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.
+
+Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog door Holland en
+Zeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der
+Landen doende huldigen. [460] Slechts 7 weken na het verzoenen met de
+betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering
+der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien
+veranderd had, in een acte omtrent Oudewater voor als Ruwaard.
+
+Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang
+ontbloot zijnde:
+
+
+ Philips, by der Genaden Gods Hertoge van Bergoenjen, Graef van
+ Vlaenderen, van Artoys en van Bourgoenjen, Palentyn, Heere van
+ Salins en van Mechelen, Ruwaert over die Landen van Henegouwen,
+ van Holland, van Zeeland, ende van Vriesland, doen kont allen
+ luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede van
+ Oudewater aen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte
+ aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, 't welck
+ is t' alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude
+ Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz:
+ recht te versetten maer een werve 's jaers alsoo wy seggen,
+ ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in
+ haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem
+ geconfirmeert hadden; Soo is 't dat wy om des besten wille belast
+ hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten,
+ die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen,
+ tot die tyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken,
+ ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na
+ haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert
+ hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge
+ nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede
+ geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy
+ tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu
+ recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af
+ alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt,
+ alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des 't oirkonde
+ soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.
+
+ Gegeven in onsen Stede van Dordrecht, op den vyftienden dach
+ van Augusto, in 't Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht
+ en twintich.
+
+
+Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder over Holland en
+Zeeland benoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde
+gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.
+
+Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het
+Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van
+Diephold en dat de religieuse zusters Oudewater moesten ontruimen
+en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling
+treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249)
+daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk,
+in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.
+
+Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430
+had Philips zich in Holland, Zeeland en West Vriesland als grave weten
+te doen huldigen [461], toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat
+jaar zijne aanzienlijke magt weder met meerder regt bevestigd werd.
+
+Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan
+met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het
+huwelijk treden, en toch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim
+met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren
+nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.--Men
+begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de
+zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende
+Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkheden Voorne, Zuid-Beveland,
+en Tholen, benevens de tollen van Holland en Zeeland gedurende haar
+leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder
+in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde
+hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.--
+
+De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten
+kroon geluk aanbrengt!
+
+Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging
+de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig
+ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te
+worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg
+zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden
+deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang
+geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die
+van Oudewater niet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende,
+zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.
+
+Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze
+landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op de Oost-Zee handel
+te drijven.--Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te
+hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van
+beide zijden het gevolg.
+
+De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog
+aan te doen, versterkt door een verdrag dat zij sloten met den Hertog
+van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in
+1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden,
+de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen
+namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten
+en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen,
+begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd
+eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips
+een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen,
+en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond
+zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn"
+en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden--voorts
+moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden
+omtrent 80 »Baardsen" zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna
+geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo
+moest dan ook Oudewater zorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse"
+in gereedheid te hebben. [462]
+
+Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt,
+gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat
+men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout
+derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon
+van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in
+1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van
+Holstein verzoende, enz., enz.
+
+Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop
+van een paar jaren, met meer hevigheid dan ooit te woeden, zoodat in
+verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog
+liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en
+wereldlijken magt konden beteugeld worden. Oudewater moet echter vrij
+rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren
+en Raden van Oudewater geschreven, dat zij op een en ander een zeer
+waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder
+herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande
+van Holland wesende" en tevens beval de Grave er bij, dat indien de
+poorters van IJsselstein het in hunne gemeente te kwaad kregen door de
+troebele tijden, dat die van Oudewater dan, het zij bij dag of nacht,
+hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er
+des te veiliger zouden kunnen zijn.
+
+De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te
+vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het
+geviel, dat die van IJsselstein de wijke binnen Oudewater zochten,
+dat men dan in Oudewater beter in staat was de stad te bewaren, om het
+grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is
+ons echter niet gebleken, dat de poorters van IJsselstein ooit van
+die vergunning hebben gebruik gemaakt.
+
+Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig
+bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen
+der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds
+in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden van
+Oudewater als mede eene van Anno 1456.
+
+Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de
+klagten der steden Schoonhoven, Oudewater, Woerden, Weesp, Muiden en
+Naarden over het vorderen van morgen geld in het Sticht van Utrecht
+gedaan, dat die van Holland in het Sticht van Utrecht geërfd zijnde,
+niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.
+
+Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrent Oudewater
+vermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar
+1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel
+den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden
+waaronder ook Oudewater als graaf werd erkend. [463]
+
+Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten
+vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad
+oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn
+geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen-
+als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden
+moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks,
+van hem omtrent Oudewater aantreffen.
+
+Hij sneuvelde in den slag bij Nancy ten jare 1477, nalatende eene
+dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering
+opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en
+tweespalt van binnen.
+
+In Holland toch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de
+Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.
+
+De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene
+steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van
+hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen,
+die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden
+uitweken, en alras door Hoekschen vervangen werden. [464] Dit toch
+gebeurde onder anderen te Gouda, Schoonhoven en elders en zoo ook
+spoedig in Oudewater.
+
+Van Berkum, in zijne beschrijving van Schoonhoven maakt over een
+en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij
+van Schoonhoven hersteld was, stond de gemeente te Schoonhoven onder
+dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als
+de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij
+heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden
+vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van
+der Veer, stadhouder van Holland, verzoekende van hem, in de stad in
+hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te
+zijn, doch er volgde niets op, en Schoonhoven bleef Hoeksch, en bragt
+met die van Dordrecht en ter Gouda even na paschen in het jaar 1479,
+Oudewater insgelijks aan die zijde." [465]
+
+Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.
+
+Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk
+getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in
+de lente des jaars 1478 deed hij als kerkelijke voogd en momboir
+van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen,
+wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid
+door de staten gedaan, [466] en spoedig (den 6 April 1478) werd dan
+ook Oudewater door Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd,
+zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.
+
+Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op
+de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder
+de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard
+hadden, troffen wij ook Oudewater aan, [467] niettegenstaande Gouda
+en Schoonhoven »met loosheden" de stad aan hare zijde gekregen
+hadden. [468]
+
+Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van
+Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van
+die partij, en zoo stout werden zij, dat Leiden waaruit zij verdreven
+waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne
+tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is,
+alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was, Oudewater
+weder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die
+gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan
+uit Holland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste
+in de steden te herstellen, dat hem echter nergens gelukte dan te
+Hoorn en te Gouda. [469]
+
+In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig in Oudewater af. Eerst
+werd het hoekschgezinde Dordrecht ingenomen, en daarna vielen ook
+Schoonhoven en Oudewater weder in de magt der Kabellaauwschen. Tot
+het innemen van Oudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier
+stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert
+met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor
+gestraft. [470]
+
+Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de
+regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve
+eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen
+naar Dordrecht, Gouda, Oudewater en Schoonhoven, alwaar hij de
+verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde [471]
+en aldra onderwierp ook Leiden zich aan den Grave.
+
+Nadat de zaken nu aldus door Maximiliaan in orde gebragt waren,
+was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op
+de Stichtsche grenzen liggende Oudewater was die krijg alles behalve
+rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot
+dien oorlog een weinig ontwikkelen.
+
+De stad Utrecht, alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren
+Bisschop David van Bourgondië, die de stad had moeten ruimen, was
+in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de
+Utrechtschen, die onder Reijer van Broekhuisen Leiden hadden helpen
+bemagtigen, waren niet zonder buit naar Utrecht gekeerd. Dit, doch
+vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten,
+tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied
+bevonden werden, zelfs werden die van Utrecht alomme in Holland
+vast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men
+den ijverig hoekschgezinden Burggrave van Montfoort en de hoeksche
+ballingen uit Utrecht deed vertrekken, dit geschiedde echter niet,
+en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg,
+die drie jaren duurde.--Men zeide in Holland wel, dat die oorlog
+gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren
+te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche
+ballingen in de stad. [472]
+
+Wel poogde Utrecht een verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos,
+Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid
+zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken,
+en dit gelukte hem niet. [473]
+
+Naarden werd nu door de Stichtschen verwoest en Jutphaas door de
+Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op de Vaart
+sloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er
+den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, na Schoonhoven,
+na Oudewater, na IJsselstein en na Woerden, niemant en sach na den
+anderen om." [474]
+
+Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de
+goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht
+veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt,
+en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er
+in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnen
+IJsselstein, Oudewater en Woerden, en ook Weesp werd van meerder
+krijgsvolk voorzien. [475]
+
+In het volgende jaar, werd er te Schoonhoven eene dagvaart gehouden,
+tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, en Utrecht
+ter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche
+vijandelijkheden gingen even hevig haren gang. [476]
+
+Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne
+van Holland, en haar eenige zoon Philips, een kind van vier jaren,
+was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan
+zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van
+getrouwheid der Hollanders.
+
+Na dit vermeld te hebben, willen wij Oudewater en omtrek verder hun
+rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.
+
+Noodwendig moeten wij met den aanslag op Dordrecht in 1482 beginnen.
+
+De Burggrave van Montfoort dan, had in genoemd jaar een aanslag
+ondernomen op Dordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding
+hield, [477] en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien
+van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten
+daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van
+Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die
+Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voor Dordrecht en
+alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en
+voeren die Mase op tot voorby Vloerdinghen. Dit hadden die Hollanders
+schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen
+den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren
+in roere, ende vele van die schepen voeren na Zeeland ende dardere
+keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende
+gingen nader Gouda toe, ende daer stont een blockhuys opten dyck,
+dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man
+verloren »ende sy worde van die van der Gouda achtervolgt, maer sy
+en deden hen niet, ende ghenakende die stede van Oudewater quamen hen
+te ghemoet die knechten, en een deel poorters van der stede, ende sy
+hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen
+vast volck af, maer die van Oudewater hadden tmeeste verlies van hare
+poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die
+van IJsselsteyn daer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus
+met grooter avontueren weder binnen de stad van Utrecht. [478]
+
+Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en
+met name Oudewater zich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die
+van Utrecht nooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van
+eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden
+diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag op Utrecht
+voorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven
+boeten. [479]
+
+Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk van Oudewater
+gewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des
+geschuts in den omtrek, wel zullen die van Oudewater deel hebben
+genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd«
+in de gehouden dagvaarten.
+
+Doch onze orde van zaken vordert, dat wij vlugtig nagaan wat er
+inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige
+weinige jaren Oudewater weer in de geschiedrollen vermeld vinden.
+
+Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder van Lalaing, de sloten
+van Harmelen en de Haar bemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden
+toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote
+partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogden
+IJsselstein te bemagtigen, doch vruchteloos, en de Hollanders namen
+zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David,
+weder het Blokhuis op de Vaart terug, dat kort daarna ten gronde toe,
+werd geslecht.
+
+Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de
+Hollanders in 1483 ook Montfoort, eveneens met het voornemen, dit ten
+gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het
+beleg weder spoedig op.
+
+Nu was het de beurt voor Utrecht zelve. Nog in dit jaar werd het
+belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij
+verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnen Utrecht met grooten
+luister, en de Bisschop die gevangelijk naar Amersfoort was gevoerd,
+werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het
+einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stede
+Oudewater zijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.
+
+Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden,
+weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die
+tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan
+zooveel mogelijk partij te trekken. [480]
+
+Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend,
+zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder
+aantreffen.
+
+Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde,
+bemagtigde nog in 1488 Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen
+hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der
+steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voor Schoonhoven,
+doch met verlies van meer dan 200 man, oorlogswerktuigen en schepen,
+weken zij naar Rotterdam terug. [481]
+
+Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave van Montfoort, het slot te Woerden,
+van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het
+vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en
+landbouwerswoningen.--De omtrek van Oudewater had een zeer lastigen
+nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden
+veel van hem te lijden. [482]
+
+Zóó naderde het jaar 1489--Maximiliaan was nu sedert de
+wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd,
+om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche
+steden uit, waaronder dus ook Oudewater, tot het beteugelen der
+hoeksche woelingen.
+
+Het eerst moest nu Rotterdam weder aan zijne zijde gebragt worden,
+en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans,
+integendeel poogde Schiedam te verrassen, dat hem echter niet
+gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat
+zij bemagtigden, en met de stede Geertruidenberg die zij overrompelden,
+doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden,
+leden zij nabij Rotterdam eene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg
+was, dat Rotterdam weder overging.
+
+Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan het
+land had afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst
+poogde hij in het begin van October 1489, Naarden in te nemen, doch
+het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over die teleurstelling,
+of, dat hij dacht, dat men te Oudewater niet zoo op zijne hoede
+zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in
+dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voor
+Oudewater verscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij
+genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich
+vergenoegen moest, den toren van buiten de stad gezien te hebben. [483]
+
+De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige
+binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander
+oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den
+handel, te meer voor een stedeke als Oudewater, dat met zijne kleine
+schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de
+bovenzijde was, door Montfoort en Woerden en beducht als men dus moest
+zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig
+dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk
+ging maken.
+
+In 1490 dan, werd Montfoort belegerd, en na grooten tegenstand, die
+den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt
+van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige
+voorwaarden bedongen en Holland en Oudewater behoefden ingevolge dat
+verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij
+ook Woerden had moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar
+jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent
+1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen,
+die nu bijna 150 jaren geduurd had.
+
+Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de
+regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den
+II, als Grave van Holland en Zeeland ingehuldigd.
+
+Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in
+de bescheiden van Oudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij
+aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen
+te mogen doen opsluiten binnen Schoonhoven, Langerack, Liesveld en
+Oudewater en het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de
+voetboogschutters van het St. Joris Gild te Oudewater.
+
+Wij hebben dit voor Oudewater belangwekkende octrooi, ter behoorlijke
+plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt,
+en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van,
+moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden
+zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ook
+Oudewater weder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de
+Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd van Oudewater,
+dat het legt "op die frontieren van onsen landen van Holland strekkende
+aan den gestichte van Utrecht ende lande van Gelre" enz.
+
+Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukking Gelre
+gebruikte.
+
+Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot
+tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter,
+hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op
+het einde der 15de eeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd
+der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen
+der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor
+den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk, dat de Hollanders
+en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten
+ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand,
+doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen
+van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot
+wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in
+genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig
+is, dat Oudewater zoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had,
+niet alleen van Utrecht als oock van de voorsz. lande van Gelre.
+
+Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een
+zoon te Gent geboren werd, die wij later onder den naam van Karel
+den II [484] zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen
+oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.
+
+Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij
+behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten
+onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van
+twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed
+in het jaar 1506 te Burgos in Spanje, en Karel volgde hem in dit jaar
+op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.
+
+De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan
+opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne
+dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in
+1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakte verdrag
+met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs
+fransche hulpbenden.
+
+Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval in Holland beducht
+was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in
+drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bij Nijmegen lag, hadden de
+Hollanders het meeste te vreezen.
+
+Nadat hij nu in Brabant vele veroveringen gemaakt had, viel hij in
+Holland. Men poogde Oudewater te verrassen, doch de bezetting en de
+poorters hielden zich dapper en Oudewater werd niet genomen, »het
+mislukte" schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren." [485]
+
+Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immers Bodegraven
+werd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot
+te Muiderberg en de stad Weesp werden bemagtigd. Hevig was de strijd,
+die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd
+er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond
+men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig
+bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich
+stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld in
+Groningerland.
+
+Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over
+zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige
+Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende
+hij dan ook als grave gehuldigd.
+
+Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt
+is het volgende:
+
+De schouw en de zorg der dijken in Holland was, van de tijden van
+Willem de II toevertrouwd geweest aan dijkgraven en heemraden, die
+uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu,
+had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo
+het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de
+waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het
+te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf
+nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de
+dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende
+tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij
+een voet lands in deze gewesten bezat.
+
+Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden
+werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.
+
+Onder de archieven nu, die Oudewater bezit, vinden wij eene
+geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi,
+tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk van Bodegraven af
+tot den Linschoterdijk toe, door 5 heemraden, als een uit Delft, een
+uit Leijden, twee uit Gouda en een uit Oudewater, met den castelein
+en dijkgrave van Woerden, ook ten onzent had men dus redenen van
+ontevredenheid.
+
+Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voor Oudewater hadden
+gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in
+eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in
+het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk
+eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers te
+Mechelen tusschen den heer van Montfoort, appellant ter eenre, en
+den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende
+de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of
+IJsselpoort der stede Oudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op,
+maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.
+
+In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen
+wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne
+toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om
+geene »stilzaat" met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen
+te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen
+[486] en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde
+maand Nieuwpoort bij Schoonhoven te overrompelen. [487] Nu was men
+insgelijks voor Oudewater en Woerden bezorgd, en het Hof gaf dra,
+in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en
+hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen
+schuilen, te slechten en uit te roeijen. [488]
+
+Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het
+ter neder te schrijven.
+
+
+ Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer tot Breda &c. Stadhouder
+ Gnail., die President ende Raide des Coninx van Castille, van
+ Leon, van Grenade, van Arregon &c. Eertshertoege van Oistenryck,
+ Hertoege van Bourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen
+ van Holland, Zeeland en Vriesland, den Eersten gezwoeren Boede
+ Exploictier van der Camere van den Raide in Holland hier op
+ versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden
+ deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen
+ ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten
+ Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list
+ voirsien behoert te wesen en te remedien over 't gunt dat tot
+ cruchenisse d'selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy
+ verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede van Oudewater
+ veel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die
+ vianden hem selven souden moegen bergen en soe na derselver
+ Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten
+ noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen
+ moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te
+ gebueren tenderende tot verlies van d' selver Stede, wair inne wij
+ behoeren te voirsien, soe is 't dat wy u ontbieden ende bevelen,
+ dair toe committeeren mits des, is 't noot dat ghy van stonden
+ aan trect binnen der voirsz. Stede van Oudewater, ende aldaar
+ bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen
+ der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende
+ Boomgairden ofte andere Landen binnen acht honderd treeden van
+ de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte
+ andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen,
+ dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der
+ Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh
+ Phls: Guldens dieselve 't appliceren halff tot Pro: van der
+ C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander
+ Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier
+ van d' voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en
+ Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de
+ voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen
+ binnen den voirsz. tyde dat hy 't selve doe doen tot costen van
+ den genen die in gebreeke sal wesen en 't selve offgebroecken
+ appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van 't welk
+ te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel
+ ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u
+ wedervaren sal wesen.
+
+ Gegeven in den Hage onder 't Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken
+ hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in 't Jaar
+ ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven
+ By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide van
+ Hollant, Zeelant ende Vriesland. Ondergeteykent C. DAM.
+
+
+Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin
+der 16. eeuw nog in den omtrek van Oudewater was en het is tevens
+opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden
+dijk," nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit,
+kan zien.
+
+Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515
+overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid,
+of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in
+het geheugen lag.
+
+Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer
+er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van
+beide partijen slecht gehouden werd.
+
+Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar
+elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen,
+en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren
+ingelijks van voornemen Oudewater vaarwel te zeggen. De verdediging der
+stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nu Oudewater pogen te
+nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien
+aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar
+van wege »zijn C. M." aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte
+van lijve en goed binnen Oudewater weder te keeren, en het spreekt
+van zelve, dat aan hen, die de gemeente nog niet waren uitgetogen,
+dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk
+verboden werd. [489]
+
+Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen,
+werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.
+
+Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave van Holland in
+1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van
+Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert
+nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook
+aldus, bij voorkeur zoo noemen.
+
+Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld,
+met den franschen Vorst François den I.
+
+De hevigheid van den krijg drukte Holland zeer, trouwens alle
+leenmannen werden ter heervaart ontboden, niet om het graafschap, maar
+den keizer te dienen, [490] en ook de steden moesten ieder een zeker
+getal weerbare mannen aanbrengen.--Voeg hier bij, dat de gelderschen
+in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar in
+Holland vele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld
+van den benarden toestand van deze gewesten.
+
+Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield,
+en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat
+men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij,
+die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets,
+dat te meer algemeen vreugde verwekte. [491]
+
+Een en ander had echter 's lands middelen zóó uitgeput, dat men in
+1525, f 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door
+de staten, waarbij ook de gemagtigden van Oudewater waren, om een
+aantal redenen geweigerd.--De staten tegen den 17 Junij wederom te
+Geertruidenberg beschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden
+van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had,
+om genoemde som bij een te brengen.--De afgevaardigden eenigsins aan
+het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor
+het einde der maand, zoo mogelijk met gunstiger rapport te Breda te
+verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden,
+dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook
+aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maar Delft, Oudewater
+en Alkmaar benevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt
+als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen
+tijd er na, besloten echter de staten, Delft alleen uitgezonderd,
+een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.
+
+Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527
+werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg
+onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.
+
+De stad Utrecht intusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop
+in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van
+Gelre eenig krijgsvolk in Utrecht gelegd en men begrijpt, dat deze
+zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag
+meer in het Sticht uit te breiden.--De Bisschop geen kans ziende,
+de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij
+in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land
+van beide partijen zeer te lijden. [492]
+
+De Hollanders het innemen van Utrecht vernomen hebbende, baarde hun
+dit veel ontsteltenis.--Terstond werden maatregelen genomen tegen
+eenen zoo lastigen nabuur.--Onder anderen werd er bevel gezonden naar
+Amsterdam en Gouda, om krijgsvolk te zenden naar Weesp, Oudewater en
+andere grenssteden van Holland.
+
+De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige
+grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen, Amsterdam had
+versterking gezonden naar het slot te Muiden, doch zij werden niet
+binnen gelaten. Gouda had aan die van Oudewater insgelijks eenige
+knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen. [493]
+
+Wat was de reden van die weigering van Oudewater? Bestond er eene
+vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig
+had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden
+met die van Oudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den
+dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het
+hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.
+
+De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond
+te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van
+State, waarin de hertog nevens de stad Utrecht, verklaarden in goeden
+vrede en nabuurschap met Holland te willen leven.
+
+De Bisschop, nog steeds uit de stad Utrecht gebannen zijnde, verzocht
+in dit jaar om onderstand aan Holland, en men kwam om die rede te
+Schoonhoven bij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en
+vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer
+aangelegen was, dat de Gelderschen uit het Sticht werden verdreven. De
+bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van het Sticht
+den keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en
+zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den
+alouden Hollandschen bodem.
+
+De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen
+er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden,
+de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528
+toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbij Montfoort en
+Woerden naar den Hage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.
+
+Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd
+door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere
+niemand, dat de krijg wederom heet werd.
+
+Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het
+voornaamste, was het verlies van Utrecht, dat hen bij verrassing
+in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel
+hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer van Utrecht
+zoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten
+werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen
+weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.
+
+Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering
+in Utrecht gehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied
+van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uit Oudewater waren
+er tegenwoordig. [494]
+
+Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrent Oudewater vinden
+gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere van Montfoort,
+dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe van
+Linschoten, Snellerwaard en Heekendorp zal mogen gevangen brengen,
+in Z. K. M. gevangenisse binnen Oudewater tot zijner majesteits of
+zijner erven weder opzeggen.
+
+Wij zien dus, dat nu het Sticht onder het gebied van den keizer stond,
+Montfoort ook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.
+
+Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot
+bij de Linschoter poort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in
+het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de
+Wierinken. [495]
+
+Nu Utrecht dan ook met Holland onder een gebied staat, zal het niemand
+verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet
+zoo menigvuldige openlijke gevechten met Oudewater hadden; Oudewater
+had vooreerst het groote periode doorleefd, grensvesting te zijn,
+tegen het trotsche Sticht van Utrecht.
+
+Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer
+beschrijving niet, of weinig, in algemeene noch bijzondere geschiedenis
+vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten
+gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta,
+kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in
+groot getal te Brussel begroet, en ook nu werd Oudewater wederom
+vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin van
+Hongarije, tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij
+weder naar Duitschland vertrok.
+
+In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre die Oudewater, zoo als
+wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van
+die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen,
+had de woelige van Egmond Holland beoorloogd.
+
+Nog in dit jaar was men ook namens Oudewater op een aantal dagvaarten
+tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of
+men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten
+zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden,
+en de edelen met de kleine steden, waaronder Oudewater. Wij mogen het
+echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen,
+doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot
+en met 151.
+
+Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder over
+Holland en Zeeland geweest was, overleed hij in dit jaar, wordende
+nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van
+Chalons prins van Oranje.
+
+Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd,
+met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen
+omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum
+weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra
+deze gewesten weder verbazend te lijden.
+
+Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den
+ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had
+uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden
+weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te
+willen afstaan, indien de landvoogdesse Holland er mede bevrijden kon
+van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was in
+Holland voor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen
+tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed
+begrijpen, waarom men in het jaar 1542 te Oudewater voor het eerst
+van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen,
+zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de
+muren der stad te vervoegen.
+
+Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang,
+èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn
+omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken
+van Oudewater in dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den
+inhoud nader van te doen kennen.
+
+Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad
+eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.
+
+
+A.
+
+Hoeff Willesz [496] hoema vande Linschoete' poort tot dat toeringen
+toe aft' adriae goessensz en is lanck XXV roeden en heeft onder hem:
+
+(volgen de namen van 21 manschappen.)
+
+B.
+
+Herme Huygesz hoema van dat toerentge aft' adriae goessesz. tot dat
+torentge aft' tgastuys en is lanck XXXIII roeden en heeft onder hem:
+
+(29 manschappen.)
+
+C.
+
+Dirck Woutersz hoema van dat toerenge aft' tgastuys totte nyeuwe
+toern toe en is lanck XXXVIII roeden en heeft onder hem:
+
+(29 manschappen.) [497]
+
+D.
+
+Wout' Willesz. hoema van den nyeuwe toern tot dat torentge toe after
+meeus huygesz. en is lanck XXXV roeden en heeft onder hem:
+
+(32 manschappen.)
+
+E.
+
+Jan Geritsz. Vinck hoema van dat toerntge aft' meeus huygesz. tot
+dat oultaer toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem:
+
+(25 manschappen.)
+
+F.
+
+Gerit Taets Geritsz. hoema van dat outaer tot die weerden poort toe
+en is lanck XXIII roeden en heeft onder hem:
+
+(22 manschappen.)
+
+G.
+
+Adriae Henrick Simosz. hoema van den weerden poort totte doode luyden
+toern toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem:
+
+(24 manschappen.)
+
+H.
+
+Jan Jansz. Cock hoema tussche den doode luyden toern tot koentges
+toern en is lanck XL roeden ende heeft onder hem:
+
+(35 manschappen.)
+
+J.
+
+Jan Jacobsz. Speyert hoema van koentges toern tot die yselpoort toe
+en is lanck XL roeden en heeft onder hem:
+
+(33 manschappen.)
+
+K.
+
+Cornelis Ottesz hoema vande Yselpoort tot dat twyncket toe en heeft
+onder hem:
+
+(18 manschappen.)
+
+L.
+
+Piet' Cornelisz hoema vanet twynket tot die brouckerpoort toe en is
+lanck XXXIII roeden en heeft onder hem:
+
+(25 manschappen.)
+
+M.
+
+Gerit Sybertsz, hoema vande broucker poort tot die mole toe en is
+lanck XXVII roeden en heeft onder hem:
+
+(20 manschappen).
+
+
+N.
+
+Gerit Geerlofsz. hoema van de mole totte biessetoern toe en is lanck
+L roeden en heeft onder hem:
+
+(33 manschappen.)
+
+O.
+
+Piet' Jansz, hoema vande biese toern tot scutters toern toe en is
+lanck XXXII roeden en heeft onder hem:
+
+(16 manschappen).
+
+P.
+
+Cornelis Symosz hoema vande scuttoern tot die linscoet' poort toe en
+is lanck XXII roeden en heeft onder hem:
+
+(11 manschappen.)
+
+
+Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak
+1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging
+van Oudewater bestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door
+een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere
+grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den
+lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden
+meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen
+en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het
+onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het
+erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken
+stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind
+aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeff MCCCC ende een, wert
+Jan Heer 't Arckel, tot Pierlepont, ende des lants van Mechelen vyant
+des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren,
+Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant enz., dair hij syn
+ontseg brieven op sende op die Nyeborch by Alcmaer ende maecte een
+reijse op Oudewater ende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden,
+die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene,
+die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe
+brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den
+Dulen gaet, men des nachts open vant, die men alle nacht plach te
+sluten ende die doir staet in der stadt muir." [498] Mogt evenwel dit
+vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in
+dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen
+de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt,
+maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde
+rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande
+bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug [499], in regte lijn met
+geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van
+de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den
+kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort. [500]
+
+Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.
+
+Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk
+waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre en Zutphen aan zijn gebied
+wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging,
+waardoor men in Holland nu voor goed van die oorlogszuchtige zijde
+verlost werd.
+
+In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder
+van Holland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom
+Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem
+van Nassau, die in 1533 te Dillenburg geboren, nu even 11 jaren oud
+was, welke wij spoedig (in 1549) als stadhouder van Holland zullen
+leeren kennen.
+
+Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich
+niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten
+staat verkeerde, zelfs had men op de twee tienden, die traaglijk
+inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten
+wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de
+lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden,
+die de impost niet getrouwelijk opbragten, met name Oudewater en
+Woerden scherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te
+kwijten. [501]
+
+Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polder
+Snelrewaard en Zuid-Linschoten bij Rijnland wordt ingenomen. Onder
+anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan
+uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uit Montfoort en 1
+uit Oudewater.
+
+Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op
+een beteren voet gebragt werd.
+
+Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het
+jaar 1555 te vervolgen.
+
+Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest,
+van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men
+bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen
+20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige
+steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij
+wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook
+tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie
+en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.
+
+De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor
+12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en
+Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uit Delft en Leijden in 8
+steden, waar onder ook Oudewater. De uitslag hier van was, dat er in
+dit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam. [502]
+
+In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering
+in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar
+1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind
+over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II
+aangeduid. [503]
+
+In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hij
+Oudewater het voorregt [504] zegt men, tot het wegen van menschen,
+verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel
+gered werd.
+
+Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers
+bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van
+zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.--Wij vonden echter tot
+dusver niet aangeteekend, dat zij tot in Oudewater was doorgedrongen
+en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten
+wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is
+dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.
+
+De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den
+V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.--Hij
+had gezien, dat zij in Duitschland een aantal Vorsten en Staten
+vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij
+was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was,
+er werden scherpe placcaten tegen de belijders van het protestantismus
+gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.--Ook zijn zoon Philips, was
+een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij
+de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen
+als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met
+meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte,
+kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die in Spanje
+het eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het
+beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt
+worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op,
+die hij eindelijk verloor. [505]
+
+In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in
+de Nederlanden geweest. In Spanje werd nu zijne tegenwoordigheid
+vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde
+echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van
+State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden
+benoemd, de Bisschop van Atrecht, den Prins van Oranje, de grave van
+Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont
+voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem
+van Aytta voorzitter van den geheimen raad. [506]
+
+Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang
+tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven
+wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen
+stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als
+zoodanig aangesteld over Holland, Zeeland en Utrecht.
+
+De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naar Spanje.
+
+Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet
+eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in
+den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie
+eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er
+nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in
+1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.
+
+De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich
+ook in onze gewesten al meer en meer uit.
+
+Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een
+verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden,
+en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.
+
+Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt
+en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te
+doen. Ook te Oudewater vinden wij in dit jaar het eerst van hervorming
+gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester
+Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars van Oudewater
+het eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij,
+die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden
+om te veronderstellen, dat de beeldstormerij in Oudewater niet
+heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen
+opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest
+te zijn. [507]
+
+De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan [508] die een aantal
+menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een
+vermakelijke, maar tevens ongelukkige droom. Zij ondervonden straks,
+dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en
+dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer
+en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens
+het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der
+beeldstormerij zoude straffen.--Ook het verbond der edelen ging te
+niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij,
+waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.--Zelfs hoorde men
+reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit
+Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland
+vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de
+straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd
+of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg
+was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.
+
+De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve
+bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.
+
+Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje,
+en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag
+aanvroeg en verwierf.
+
+De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en
+onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte"
+werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien
+»raad van beroerte" nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de
+Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen
+werd hij door anderen den »bloedraad" genoemd.
+
+Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich
+van alle zijden er tegen begon te verzetten. Terwijl de neringen dus
+gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de
+mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was. [509]
+
+Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.
+
+De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er
+niet stil.--Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van
+Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar
+de Nederlanden gedaan had.--In die teleurstelling en verlegenheid
+oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven,
+dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo
+werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene
+kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen,
+die dan met hunne lading buit gemaakt werden.
+
+Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het
+gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.
+
+Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra
+'s prinsen zijde Vlissingen, Medemblik en andere Noord-Hollandsche
+steden.
+
+Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van
+Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211, 212 en 213.
+
+»Dus gingen de zaken in 't Noorden van Holland, maar in 't Zuiden
+maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog
+eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand
+[510] zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvol volks
+de stad Oudewater [511] en drie dagen laater ook Gouda om; welk
+voorbeeld sedert door Leiden, Dordrecht, [512] Haarlem en Gorkom
+gevolgd wierdt. Invoege slechts Delft, Amsterdam, Rotterdam,
+Woerden, Schoonhoven, Naarden, Muyden en Weesp het nog in Holland
+alleen maar met den [513] Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de
+ontfange aanschryving van Alva den vyftienden [514] van Hooimaand
+te Dordrecht met een oogmerk vergaderden, 't gene vry ver van dat
+des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den
+Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan
+de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot
+het Ligten van geld, maar op 't zien van den Lastbrief aan den Graaf
+van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien [515] tot algemeenen
+Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheel Holland aanstelden;
+[516] welke in die hoedanigheid zich straks van [517] Rotterdam en
+Woerden verzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,
+[518] door Bossu voorheen daar ingelegdt, thans dezelve, even als korts
+daarna alle de overige Spanjaarden geheel [519] Holland, verlaaten
+hadden. Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan
+van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart [520] vervoegde,
+om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan 't
+wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen
+denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam
+beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige
+Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in 't sement van 't vergoote
+bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn."
+
+Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en
+Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste
+moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder
+onder het bestuur van Spanje te brengen.
+
+Ook de stad Oudewater poogde de grave van Bossu te vermeesteren,
+doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.
+
+Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur van Holland
+en Utrecht. De stad Utrecht nu, had toen ter tijde de spaansche zijde
+nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat Bossu Oudewater
+ging bestoken.
+
+Eerst had hij beproefd den Briel en Haarlem weder aan de spaansche
+zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was, [521] moest onze stad
+er aan, onderrigt als hij was dat er in Oudewater weinig buspoeder
+en een klein getal ongeoefende soldaten waren.
+
+De Heer van Zwieten echter, die Oudewater vroeger voor Oranje genomen
+had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu
+gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein van Woerden met
+verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook
+nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen
+liet berusten.
+
+Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag,
+waarop het in Utrecht weekmarkt is, dat hij op eens de poorten van
+Utrecht deed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te
+gaan. Al de wagens [522] en ook de boeren [523], werden nu geprest
+en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stad
+Oudewater alwaar hij des avonds aankwam.
+
+Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten,
+doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof,
+er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80
+vaandels manschap, die het echter van wege de stad Oudewater niet
+aan brood, haring, bier enz. ontbrak.
+
+Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich
+op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel,
+en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:
+
+
+ Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,
+ Zoo min zal Duc d'Alve de stad overwinnen.
+
+
+Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek
+niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen
+zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:
+
+
+ Al eer een jaar ten einde zal gaan,
+ Zal ik er door jagen den rooden haan.
+
+
+Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet
+volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.
+
+Al hoewel van Bossu niet op Oudewater schijnt uitgegaan te zijn om
+het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe
+gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen
+kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te
+nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut van
+Utrecht herwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.
+
+Het leger te Monfoort aankomende, werden de poorten voor hetzelve
+gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aan Linschoten
+heen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk
+een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als
+in een zee stonden.
+
+Aan een oud moedertje in de Linschoten op haar erve staande, vroeg
+Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend
+beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had
+doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich
+spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de
+voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten,
+en eenige verdronken. [524]
+
+Zoodanig was de afloop van van Bossu's onderneming, om Oudewater
+te overrompelen.
+
+Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaar Oudewater
+aan te tasten, niet ten uitvoer kunnen brengen, eenigen tijd toch na
+zijnen mislukten togt naar Oudewater werd hij in een gevecht op de
+Zuiderzee gevangen genomen.
+
+Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij
+gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje,
+wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.
+
+Had men van Bossu,--met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen
+houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het
+jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten
+noch te verdrijven was; te Oudewater heerschte de pestziekte, en zij
+woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer
+3000 ten grave gesleept werden.
+
+Hetzij men te Oudewater ten gevolge des togts van van Bossu, of
+ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de
+zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede
+was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men in Oudewater
+groote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de
+leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te
+wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen,
+enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den
+overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij
+verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds
+met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt
+opengesteld. [525]
+
+Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig
+waren geweest.
+
+Oudewater toch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd,
+ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en
+die moord in het breede uit een zetten.
+
+
+
+Nadat Baldez onder Requesens het beleg van Leijden had moeten opbreken,
+begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede
+met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd en
+Breda was de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.
+
+Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken van Oudewater niet
+vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend, [526] dat op den 24 Februarij
+1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de steden Oudewater,
+Schoonhoven, en Woerden alsmede het slot Loevestein niet alleen van
+het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de
+wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een
+aanval bloot lagen, indien de vrede te Breda niet tot stand kwam,
+zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de
+vijandelijkheden.
+
+Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paarden Buren
+ingenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt
+toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van
+15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat Hierges Buren nu versterkt had,
+verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut
+naar Bommel anderen naar Worcum, en de overigen naar de zijde van
+Schoonhoven gezonden.
+
+Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn
+bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.
+
+Zoowel uit Gouda als uit Oudewater werd echter aan den Prins gedurig
+berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.
+
+De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen
+en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en
+het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten,
+al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens
+bevallen de staten van Holland voornamelijk aan die van Oudewater om
+de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen, [527] en hen te
+voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom
+en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en
+de krijgsoversten binnen Oudewater ten einde te Gouda waarheen men
+aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en
+het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd
+en gesteld wierde. [528]
+
+De rede waarom men dit aan Oudewater beval, is ligtelijk te begrijpen.
+
+1. Had Oudewater een beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten
+alle »onnutte monden" uit de stad verwijderd worden, ten einde men
+met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte
+toekomen en ten
+
+2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei
+en door hunne tegenwoordigheid waar die niet vereischt werd, belet
+worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.
+
+De zorg van s'lands staten voor Oudewater berustte er nog niet bij.
+
+Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive
+van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van
+het naburige Benschop als van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat
+zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene
+zaak naar Oudewater te vervoeren, en er geschut van te gieten.
+
+Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de
+klokken, kwam echter niets.
+
+De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op
+het volgende neerkomen:
+
+Die van Oudewater waren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar
+hunner geburen [529] en van Duyn meldt zelfs, dat zij Gouda hadden
+gewaarschuwd op zijne hoede te zijn; [530] maar de meest afdoende
+rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en
+kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands
+verloren zoude gaan [531]; aldra echter, zoude men zich over die
+verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.
+
+Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des
+nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen
+in den vroegen ochtend een zeker poorter uit Oudewater genaamd Dirk
+Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden
+om onder het groenbekrooste water, dat in de omstreken zoo menigvuldig
+werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij
+mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht
+door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename
+uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren
+zij eene verbazende menigte vlugtende mannen, vrouwen en kinderen,
+die van Dam toeriepen de vijand komt! De vijand is in aantogt naar
+Oudewater en op de vraag van waar hij kwam, zeide men Langs den Damweg
+van IJsselstein.
+
+Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding
+vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen
+hun toeliet, terug naar Oudewater, vertelde aan ieder de vreesselijke
+mare en de meeste ingezetenen van Oudewater werden ontwaakt uit hunne
+nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen,
+met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt, de vijand
+is in aantogt naar Oudewater langs den Damweg van IJsselstein.
+
+Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met
+den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal
+mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met
+name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger,
+den weg zoo mogelijk te versperren.
+
+De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd
+was volgens Van Kinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag
+even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde
+van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren
+staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de
+openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed
+bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.
+
+De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat
+de alom op de been geraakte »huislieden", die het--ter ontwijking van
+het gevaar--op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden
+medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood
+het leven zelve konden redden. [532]
+
+Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naar Oudewater, willen wij de
+krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.
+
+Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was,
+zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd
+met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij
+wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier
+vaandelen voetknechten, [533] te weten:
+
+Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden,
+namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder
+Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche
+dienst geweest zijnde, [534] nu aan de Staatsche zijde was.
+
+Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande
+onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit
+vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350
+manschappen, terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo
+groot was, zoodat het getal weerbaren binnen Oudewater op omtrent
+700 koppen gesteld mag worden.
+
+Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering
+van Hierges.
+
+Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters,
+benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15
+vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en
+verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber
+en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met
+reden beducht, voor het lot, dat Oudewater boven het hoofd hangt.--
+
+Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger
+der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans [535]
+die niet ver van Oudewater aan den grooten weg naar Montfoort gelegen
+was [536]; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting
+eener bijliggende sluis.
+
+De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen
+gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de
+verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voor Oudewater van zoo
+groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens
+van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste
+goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand
+was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken
+en buiten moesten blijven.
+
+Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo
+groote aangelegenheid voor Oudewater geweest zoude zijn; hadde men
+haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel
+geweest om Oudewater te behoeden voor het treurig lot, dat het te
+verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen,
+den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder
+water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest
+zijn, om van die zijde de stad te bevechten, en men had tevens,
+daar de zwakke bezetting van Oudewater den prins van Oranje niet
+onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter
+versterking kunnen aanvoeren.
+
+Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde
+van Oudewater bij Goejanverwellesluis gelegen, werd [537] door den
+Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te
+worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder
+volk geweest is; [538] men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet
+vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den
+IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen
+op de meest blootliggende punten op te werpen [539] en den inwoners
+van Oudewater dus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.
+
+Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman
+binnen Oudewater was aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een
+gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam,
+moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting
+viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijk ware het
+beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt
+gevallen. Hij toch, was te Haarlem met nut in het bestuur des krijgs
+[540] werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door
+eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.
+
+Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig
+ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere
+dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten,
+werden er verscheidene uitvallen door die van Oudewater, toen de
+Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter te Oudewater
+spoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden
+en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet
+één missen.--Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad
+dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos
+te verspreiden.
+
+Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men te Oudewater
+tevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader
+voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld. [541]
+
+Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te
+verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen
+toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid
+bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een
+bode naar Oranje te zenden.
+
+Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen,
+nu de stad door duizenden vijanden is ingesloten? Wie zal er zich
+een weg door banen?
+
+Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de
+eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad
+verwittigde, »Ik", zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins
+met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en
+.... mijne stadgenooten redden, maar", zeide hij tot den magistraat,
+»mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne
+echtgenoot en kinderen," iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat
+ingewilligd werd.
+
+Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een
+afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven
+kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld
+van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden,
+zeer avontuurlijken togt uit.
+
+De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken,
+en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.
+
+Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit,
+ieder met een grooten springstok bij zich.
+
+Het zijn de stoute togtgenooten.
+
+Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij
+naken.... Zoo naderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden
+zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij
+naderen de tweede vijandelijke post en... weder gelukt het hen, die
+zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nog ééne wacht en het
+gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt;
+geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij
+volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het
+nu naar de schans bij Goejanverwellesluis te rigten, meenende, hopman
+van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne
+teleurstelling, toen zij daar Spaansch hoorden spreken. Die sterkte,
+nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!
+
+Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt
+te worden!--De gedachte aan gade en kinderen--aan het gewigt van zijnen
+togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van
+afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt
+mislukte,--dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor
+den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.
+
+Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende
+zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste
+benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de
+bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel
+en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich
+te zien.
+
+Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar
+Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond
+zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken
+geraakte [542] en al spoedig was men nu behouden te Gouda, het
+voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.
+
+Men had te Oudewater de afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt
+tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen
+van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat men
+behouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit
+seinen niet achterwege bleef.
+
+Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste,
+toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de
+heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naar Oudewater
+was, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt:
+»van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten," Men werd dronken
+van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou
+zich er zeer over te betreuren hebben.
+
+Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden
+aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding
+te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men
+in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de
+overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen,
+kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men
+naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen
+legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang, [543]
+den vijand gestadig uitjouwende.
+
+De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie
+aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te
+behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het
+stedeke Oudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger
+onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.
+
+Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om
+den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was
+beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om de
+stad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende
+land, hen te verdrijven.
+
+Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade,
+alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men
+dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet
+om behoefden te bekreunen.
+
+En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens,
+toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat
+der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken,
+was hij naar Delft op reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog
+zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen
+naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was
+het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig
+waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen
+dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het toch Oudewater
+niet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.
+
+Men was in Oudewater echter nog in het onzekere wat van Dam bij den
+prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren
+om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van
+Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.
+
+De prins reisde eerlang zelf na de stad Gouda om te zien, [544]
+of er geene andere middelen tot redding van het omlegerde Oudewater
+konden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat,
+voor de stad onzer beschrijving.
+
+Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven
+werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin
+men den benarden toestand van Oudewater aan Oranje schreef en op ontzet
+aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen,
+buiten staat om den Spanjaard van Oudewater te verdrijven en meerdere
+manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had
+geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen
+naar Oudewater gezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen
+de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.
+
+In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken,
+en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote
+kerk en toren te vuren. [545] Hij had drie redenen op het oog, [546]
+om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.
+
+1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn
+leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen,
+die hij nam.
+
+2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van
+denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.
+
+3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren
+zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen
+dienen. [547]
+
+Naauw had men echter van binnen 's vijands meening omtrent dit laatste
+punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en
+de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig,
+maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar
+binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van
+beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast
+de grijze kerk aan den IJsselzoom.
+
+Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra
+het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve
+stond op den dijk [548] bij de galg in het markveld en was alleen met
+19 zware muurbrekers en 4 dubbele kartouwen voorzien, die tot bij de
+65 ponden ijzer uitwierpen.
+
+De andere batterij was met 5 stukken [549] voorzien en was op den
+Montfoortschen dijk opgeworpen.
+
+Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en
+niets weerhield hem nu om Oudewater op te eischen voor Philips den
+II; ten acht ure 's morgens van genoemden dag, zond hij den Heer
+van Oostrum [550] naar de stad en eischte dezelve met de meeste
+vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave
+van Holland op.--Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op
+ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum [551] met gelijke
+bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de
+landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor
+drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten,
+om hem naar zijne Doorluchtigheid te zenden, en diens gevoelen op
+dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg
+slechts twee uren om zich te beraden.
+
+Men had dit in Oudewater niet juist begrepen, men meende, dat hun
+tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was [552]
+en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan
+den vijand te berigten.
+
+Nog anderen, meldt van Duijn, [553] waren van meening, dat de stad
+opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:
+
+»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten
+en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met
+haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in
+hunne gelederen gediend had, zeide, dat Oudewater werd opgeeischt,
+onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs
+gemaakt zouden worden. Willende hij liever in den strijd sneuvelen,
+dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit
+deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten
+druppel bloeds."
+
+Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig
+voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport van Oudewater meer
+ontvangen, en ten [554] tien ure was het in de stad en in de environs
+op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed
+zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut op Oudewater gevuurd.
+
+Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk
+gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.
+
+Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers
+en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij
+menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om
+weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde
+der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den
+dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht
+op muren en torens geschoten, [555] toen men tusschen de 16 à 1700
+kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk,
+dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot,
+verbazend groot waren.
+
+Eindelijk zwijgen de vuurmonden..... het is nacht, de tijd van
+ruste. Doch rustte men in Oudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene
+moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog
+ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam
+haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem
+het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid
+te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling,
+eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen,
+men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos
+overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich
+de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om
+het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij,
+en waarom wil vader niet ontwaken?
+
+Rustte men in Oudewater?
+
+Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot
+de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt.... hij
+deed het, maar hij was niet zwaar geharnast, slechts een lederen kolder
+omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den
+wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande
+een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig
+ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.
+
+Maar nu moest men aan het werk.
+
+Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de
+bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde,
+[556] en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en
+andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen,
+ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te
+geschieden stond. [557]
+
+Doch de voorzorgsmaatregelen van die uit Oudewater bleven er niet
+bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden
+tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen
+tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.
+
+Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een
+balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren
+punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse,
+aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren. [558]
+
+Voorts bedacht men in Oudewater nog iets om den vijand afbreuk te doen,
+dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.
+
+Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met
+ijzeren punten bestoken, die ter wederzijde rustten, hieraan werden
+weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen,
+die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was,
+die weder te kunnen optrekken.
+
+Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde
+veste tot het uiterste te verdedigen.
+
+Maar de vijand zat insgelijks niet stil. Zijn doel was een stormweg
+door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om
+zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip
+afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in
+menigte bij Oudewater gevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee
+paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens,
+tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden
+dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan,
+niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.
+
+7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voor Oudewater de
+beslissende dag.
+
+Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer
+over de 1300 keeren hebben gesproken [559] en de met zooveel ijver
+gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte
+ijzer.
+
+Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders [560] tot bij Oudewater
+gekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste
+te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid,
+dat Oudewater dien dag weder onder Philips den II terug gebragt
+zoude worden.
+
+Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten,
+zond Hierges zijn legermeester Don Hernando de Toledo, de hoplieden
+Francisco d'Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6
+soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den
+wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden
+te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich,
+nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen,
+dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van
+den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte
+vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd
+was.
+
+Nu bedacht de vijand eene voor Oudewater rampspoedige krijgslist;
+er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel,
+dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde
+namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en
+tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen
+of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.
+
+Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die
+van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den
+vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij
+vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.
+
+Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór
+dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door
+het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.
+
+Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd en nu zoude het niet
+bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand
+een oorverdoovend geroep van "naar binnen, naar binnen toe." [561]
+
+Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner
+Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of
+om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen"
+ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche
+troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens
+gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke
+wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar
+den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken,
+niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.
+
+Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren
+van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde
+zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij,
+hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug,
+dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het
+gevecht nog geen deel hadden gehad.
+
+De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te
+worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen
+en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen
+streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten
+lood, kokende teer en andere brandende voorwerpen op het hoofd en
+de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd
+aan. [562] Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op
+die wijs den voet nooit binnen Oudewater heeft kunnen zetten. Maar
+wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!
+
+Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die men tot nu zoo
+manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo
+nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na
+vijf vierendeels uurs zoo duur [563] den wal te verdedigd hebben, het
+overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand
+als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel. [564]
+
+Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm
+des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.
+
+In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen
+der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was
+vreeselijk.
+
+De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen,
+werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die
+natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene
+steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte
+dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed
+was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van
+het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een
+tot den anderen, en als men zich dus eenigen tijd met het angstgeschrei
+der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor
+de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord;
+noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen,
+noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat
+zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen,
+noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol
+een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere
+priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het
+moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege
+ligchaam der ongelukkige slagtoffers.
+
+Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met
+die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wilden hun leven
+dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede
+aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand
+vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en
+de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder
+om zijn.
+
+Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of
+iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden
+zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen,
+dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.
+
+Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en
+mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten
+zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om
+nieuwe rove op te duiken.
+
+Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds
+geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene
+schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.
+
+Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp;
+»de roode haan" die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stad
+Oudewater te zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand
+echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe,
+dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.
+
+Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne
+woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust
+op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin
+gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur
+te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges [565] den steeds
+toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit,
+verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige
+huizen, het klooster en de parochiekerk.
+
+Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de
+geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan
+den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard
+afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten
+[566] en verdronken.
+
+De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige
+wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd [567] den vijand
+te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars
+was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.
+
+De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk, waren bij het
+verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen
+genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten
+wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden
+aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs
+verkocht.
+
+De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien
+van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus
+niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden,
+voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.
+
+De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds
+was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne
+kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit
+wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon [568]
+en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.
+
+Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig
+gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen,
+droegen de Staten van Holland zorg [569] indien het noodige hun
+ontbrak.
+
+Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder
+een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het
+getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio
+Beltram Dell. Penna.
+
+Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en
+plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte
+die ons nog overig is, niet afnemen.
+
+Nog een paar woorden echter.
+
+1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in de stad onzer beschrijving
+gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als
+men van beide zijden was [570] en hij was door onze stadgenooten
+nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang [571]
+en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en
+
+2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen
+aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.
+
+De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij
+ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van
+de ramp verschoond gebleven.
+
+In het jaar 1615, werd er te Oudewater eene naamlijst opgemaakt van
+hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige
+jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop
+van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst,
+die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt. [572]
+
+Terwijl de gratificatien, door de staten van Holland in stede
+van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in
+1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd
+Corn. Jansz. Klopman.
+
+Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het
+merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.
+
+
+
+Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 te Oudewater
+feestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare
+menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten
+ramp te herdenken dien het vroeger trof.
+
+Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de
+straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog
+steeds aankomende.
+
+Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en
+stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.
+
+Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed
+overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en
+thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de
+stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en
+dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw
+spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk
+ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen
+dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met
+zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam, toen was het
+klokkengelui, het noodsein voor Oudewater en nu roept het de schare op,
+om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op
+dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal
+op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking
+van Oudewater aanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid
+ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.
+
+Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid
+in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van
+den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt,
+met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag
+verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde
+stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.
+
+In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille straten der stad
+verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende
+soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van
+dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op
+den »moord," zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden
+jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens
+familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu
+met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.--Het is niet de moedige
+jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven
+staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal
+draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd,
+die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave
+van Bachus gaan genieten. [573]
+
+Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te
+herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan,
+dat durven wij niet beslissen, maar waar is het, dat na jaren nog
+menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag
+van den »moord" wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste
+dag was van het aanknoopen van eenen band door Freja gevlochten.
+
+
+
+Nadat Oudewater dus door den Spanjaard onder Philips den II, was
+terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den
+11 Augustus was Hierges reeds voor Schoonhoven, dat nu aan de beurt
+was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de
+zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden
+of Duitschers in Oudewater als bezetting gelegd werd.
+
+Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten
+hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel
+mogelijk gezorgd, en ook de stad Delft bleef in October 1575 met het
+ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.
+
+In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij
+de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen
+het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd
+begrip, immers ook Oudewater en Woerden dongen naar het bezit van de
+Hoogeschool binnen hunne muren.
+
+Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat der Nederlanden
+Zuid-Holland door A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.
+
+»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug
+het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze
+stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft
+gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting,
+algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers
+doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot
+loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de
+heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen
+dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren,
+welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den
+roem der dappere verdedigers van Leijden niet, wanneer wij vermelden,
+dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele
+verhaal met de waarheid in strijd is.--Bij het algemeen doordringen
+der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst
+leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het
+vaderland bestond geene gelegenheid om zich in de daartoe vereischte
+wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds
+gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie,
+was door Prins Willem en de Staten van Holland over dit belangrijk
+onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de
+inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter
+opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van
+verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche
+overheersching hadden geleden, als Oudewater, Woerden en anderen, deden
+al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen
+binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na
+de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het
+hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste
+stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en
+het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van
+den Prins werd eindelijk besloten de academie te Leijden te vestigen,
+eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk
+omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare
+ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit
+laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan."
+
+Ruim 15 maanden was Oudewater nu al door soldaten van Philips bezet
+geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de
+Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van
+Oranje terug te brengen.
+
+Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de
+kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen
+drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het
+tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haar
+weder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de
+omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet
+kwamen. Dit werd toegestaan, [574] en alle burgers en andere getrouwe
+personen, die zich in Oudewater vestigden, zouden genieten, vrijdom
+van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van
+de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden,
+ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden,
+egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d'Ingeseetenen der
+voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar
+sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar
+inne eenige soldaten 't ontvangen ofte te logeren, willende die Staten
+voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen
+onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn
+gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen
+worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte
+den Staten voorn. mit goede kennisse van saken anders daar inne
+sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve
+Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre
+ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te
+rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te
+houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande,
+ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende
+ordonnantien van zyne Exce. ende der Staten voorn. als naar behoiren,
+waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde
+van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld
+ende genomen. Gedaan tot Delff den xijen. Novembris Anno XVc. sessen
+'t seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was
+geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands
+Zeeghel." [575]
+
+Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een
+aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene
+staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig
+hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste
+van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.
+
+Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.
+
+Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest
+was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van
+Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.
+
+Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude
+zijn.
+
+1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg te Gouda
+bijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te
+hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.
+
+Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van
+het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze
+rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken" verworven had.
+
+De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante
+gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet
+gebijt had.
+
+Het »oude varken" zou dan het eerste over het ijs gaan, over den
+wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het
+rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen
+mogten volgen.
+
+De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met
+ingespannen verwachting het sein.
+
+Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak
+was het »oude varken" rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit
+dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in
+twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.
+
+In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de
+schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.
+
+Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt
+het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten
+der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10
+man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.
+
+De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid,
+wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen
+te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins
+zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem
+zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing
+kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding,
+om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.
+
+Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en
+marscheerden naar het nog Spaansch gezinde Sticht van Utrecht.
+
+2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn.
+
+Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodat er weinig of geen
+toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de
+bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar het Sticht zijn uitgetrokken, en
+de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met
+de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar
+dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen. [576]
+
+Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast,
+dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond
+men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de
+wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat
+ten gevolge van het beleg.
+
+Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de
+wegen bevonden.
+
+Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk
+archief van Oudewater berustende. De eene heeft tot opschrift: »Ano
+1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cley burgemr. van
+jaere acht en tseventich binnen Oudewater vande tweehondert ponden
+van xl groon tot reparatie van dyckagie ontfangen;" de andere:
+»Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van ontfanck bij Cornelis Dircxz en Jan
+aertsz Burgemrn der stede van Oudewater inden jaere XVc acht ende
+tseventich gedient beroeren de vijftich gul ter maent tot behouffe
+vand opruyminge van straten bij karolus gul. tot xl groon vlaems den
+groot tot iiij dts gerekent."
+
+Uit de eerste schrijf ik deze posten af:
+
+
+Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken
+bestaet en gegeven van maecken ten eersten twesteynde vyftich gul.
+
+Item noch vant oesteynde van dyck te maecken gegeven XXXVIIj
+k. gul. X stv.
+
+Item tvoorgen gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te
+volmaken gegeven van arbeytsloon LIIIj--
+
+Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken
+mette aerde daar bij leggen van arbeyt gegeven Ij--XIIIj--
+
+Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede
+doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was
+weder of doen effenen van arbeijt gegeven Ij gul. X stv.
+
+Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen
+buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer
+stede vuytgegraven was fa IIIj--XV--
+
+Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie
+te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet fa Ij--"
+
+
+En uit de laatste: [577]
+
+
+»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs
+ses st. tot XXXVj dagen toe fa X--XVj--
+
+Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese
+weecken lanck compt XVIIj dagen fa IIIj--X--
+
+Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers
+fa Ij--Ij--
+
+Item noch een man van een dach te laden gegeven --Vj--.
+
+Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechs
+ IIIj st. f Ij--"
+
+
+Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meer voet, zoodat dan ook
+in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen
+in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra
+onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst
+te Oudewater werd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden
+gelegd. [578]
+
+Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de
+industrie begon weder eenigzins te herleven. [579]
+
+Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren
+en jaren behoeven.
+
+Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad
+bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk
+Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten
+en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door
+twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel,
+de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd
+had. [580]
+
+Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe,
+als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als
+zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten
+wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken
+bespieden.
+
+Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het
+overlijden van Requisens op den 25 April, eene vereeniging tusschen
+Holland, en Zeeland tot stand kreeg. De steden Schoonhoven en
+Oudewater waren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den
+Spanjaard waren ingenomen, evenmin ook Woerden, dat nog belegerd werd,
+maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd,
+[581] ten volgende jare besloot men te Middelburg op een door de
+Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken van
+Oudewater, Woudrichem, Vlissingen, Veer en meerdere sterke steden [582]
+en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voor Oudewater
+verscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.
+
+In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie van
+Utrecht waardoor de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland,
+Groningen en Vriesland naauwer aan een gesloten werden.
+
+Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der
+vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te ' Gravenhage
+Philips van Spanje met zijne nakomelingen voor immer af. [583]
+
+Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi
+niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stad
+Oudewater.
+
+Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld
+is.
+
+In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier
+scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden
+van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van
+al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden
+en onzen lezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden
+bezorgen.--Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts--naar onze
+wijze van zien,--van de voornaamsten zullen gewagen.
+
+Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het
+jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van
+resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581
+eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad
+aan den Bailluw, om voor de vierschaar als Procureur te fungeren;
+van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de
+conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom
+en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van
+dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij
+subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten,
+ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in
+het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade te Oudewater,
+benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den
+accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40
+groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.
+
+Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon
+toe te nemen, onder anderen:
+
+1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het
+bestrijden der stads verbeteringen,
+
+2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde,
+de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en
+
+3o. dat ook de Gemagtigden uit Oudewater in het jaar 1583, weder voor
+het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.
+
+Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene originele acte van
+volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te
+verschijnen in 's Gravenhage en te beraadslagen overeenkomstig
+de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in
+schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat van Holland,
+hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I. tot
+graaf dezer landen.
+
+De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige
+gewesten er tegen waren.
+
+In April 1583 was men van Oudewater weder onder de steden, die geroepen
+waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het
+geheimzegel te bezegelen.
+
+Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen,
+dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond
+meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en
+Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven
+beschreven werden, [584] om op den 16. October 1583 te Dordrecht te
+verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.
+
+Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht,
+immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van
+wege de Staten van Holland, waarbij Oudewater wordt uitgenoodigd ter
+dagvaart te Dordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk,
+met die van Zeeland en Utrecht te besluiten, over eene leening van
+125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en
+1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor
+de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584
+aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij name Oudewater
+dat zij alle oproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden
+bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke
+getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.
+
+Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon
+van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen
+en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.
+
+Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme
+te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet
+om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord
+aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnen
+Delft de twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De
+vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste te Delft beschreven,
+om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen [585] en
+namens Oudewater verschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken
+tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn [586].
+
+»Intusschen," zoo schrijft Van Kinschot [587], waren die van 's
+Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat
+ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en
+afgevaardigden der steden nu te Delft bijeen zijnde, deden den eed
+voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op
+het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig
+genoeg over dit gewigtig onderwerp had gesproken, getuigden die van
+al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het
+bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van
+de vereeniging tusschen Holland en Zeeland nimmer te zullen scheiden,
+waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.
+
+Voorts verschoonde Oudewater nevens de kleine steden zich, om dezelfde
+reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten
+namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste
+wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden
+van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange
+rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die
+achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op
+de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.
+
+Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin
+van Engeland stond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden
+krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij
+rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en
+heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht
+te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschap trachtte, maar zelfs
+de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins
+Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.
+
+Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de
+krijgslieden nog eenigen tijd bleven.
+
+Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten,
+die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten
+van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning
+aan de stad Oudewater tot voldoening van 250 pond, als aandeel der
+gemeenten in den algemeenen omslag en contributie, ten einde in de
+groote lasten van den oorlog te voorzien.
+
+De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien
+zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de
+Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min
+of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen
+in te ruimen. [588] Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan
+de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten het Veer aan
+Oudewater toevoegden. [589]
+
+Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester
+weldra, in 1586, de Nederlanden verlaten, doch het leger,--staande
+onder soldij der koningin van Engeland,--dat hij achter liet, was nog
+10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende
+steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die
+steden verzekeren. [590] Alhoewel wij Oudewater niet op de lijst dier
+steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief
+van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van
+een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillende stukken
+aangaande den kommandant van de bezetting binnen de stad Lancelot,
+Heer van Marbaijs.
+
+In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen
+zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land
+tusschen Utrecht, Amsterdam en Gouda af. [591]
+
+De Staten van Holland en Zeeland namen nu dan ook maatregelen, om
+zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden
+prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als
+stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om
+alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven
+te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te
+doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of
+aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne
+gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt,
+moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar [592]
+naast het archief der stad Oudewater gelegd, komen treffend overeen,
+immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande
+de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en
+knechten, binnen de landen van Holland en West Vriesland en tegen
+alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen,
+en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder
+garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips,
+grave van Hohenlo.
+
+Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot
+bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in
+waardgeld aangenomen.
+
+Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren,
+dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had
+zich al eenige jaren moeten vergenoegen met 2/3 hunner soldij, terwijl
+hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu
+wilden zij volle afdoening en weigerden den Staten en Prins Maurits
+gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.
+
+Te Oudewater was men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse
+processenverbaal tegen het garnizoen in 1587-1588 opgemaakt. [593]
+
+Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men
+steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te
+maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te 's Gravenhage
+belegd, waren de gemagtigden van Oudewater weder tegenwoordig. Het
+schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen
+ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in
+dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.
+
+Utrecht zelfs, dat Oudewater zoo menigen keer met zijne troepen
+bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die van
+Oudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk,
+den vorigen avond door Jutphaas neerwaarts gepasseerd was. Die van
+Utrecht verzochten daarin »Crysvolck" uit te zenden, het slaan der
+klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden
+betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts,
+dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.
+
+Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al
+zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het
+muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.
+
+Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en in de Spaansche
+Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.
+
+De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote
+overwinning door Maurits bij Nieuwpoort plaats, waarbij de Admirant
+van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde
+der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden,
+en wij vinden dan ook in het archief der stad Oudewater van den 21
+Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland,
+houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van
+al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den
+Admirant van Arragon.
+
+Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig
+van aanbelang te Oudewater geschiedde. Philips den III. echter werd
+in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig
+bestand sloot. [594] Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten,
+maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt
+beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en
+contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer
+hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing
+naar de bronnen aantoonen, dat die in de stad Oudewater niet van de
+minste waren.
+
+De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als
+wij weten in Oudewater geboren, [595] en zijn grootste tegenstrever
+de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie
+aan de hoogeschool te Leiden.
+
+Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden
+maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.
+
+Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren
+beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene
+Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden. [596]
+
+De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608,
+werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.
+
+Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen
+aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het
+gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met
+Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen. [597] Onder
+anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein te Oudewater den
+contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.
+
+Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders
+nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen,
+die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke
+overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar
+Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in
+kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.
+
+In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de
+vergadering der Staten van Holland, waarop Arminius echter spoedig
+overleed [598].
+
+De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar
+barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.
+
+Te Oudewater had de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius
+zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten,
+of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding,
+die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke
+verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar
+den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius [599].
+
+Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnen Oudewater
+niet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina's
+daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden
+van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de
+volgende drie in de noot aangeduide brochures [600] en ga de diverse
+stukken op het raadhuis over die geschillen bestuderen. Indien hij
+dan van het »Audi et alterem partem" houdt, zal zijn wensch in ruime
+mate bevredigd worden.
+
+Wij ontleenen aan het »historisch verhaal" kortelijk het volgende:
+
+Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten
+omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de
+steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op
+het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet
+van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.
+
+De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar
+zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was,
+konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd
+van beraad verzochten, dien zij verwierven [601].
+
+Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij
+verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot
+aan de broeders, de predikanten te Amsterdam, en nog aan een andere
+»kercke" schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.
+
+De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij die bijeenkomst
+geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in
+den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem
+dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was,
+zoo konde men hem niet overtuigen. [602]
+
+Op het schrijven aan de predikanten der stad Amsterdam volgde den 7
+Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive [603] aan de
+eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren van Oudewater,
+waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht
+werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren,
+ofte hen in hun gemoed te bezwaren", verder verwezen zij naar den
+zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door
+de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.
+
+De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de
+toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.
+
+De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal
+gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en
+militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen
+tot den draad der geschiedenis terug te keeren.
+
+Men had nu te Oudewater en elders gezien, dat de onderlinge
+verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er
+insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor
+te weeg gekomen waren.
+
+Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den
+aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne
+gezindheid op het kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid
+der Regenten hen tegen was [604]. Doch nu sterker en meer openlijk
+ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen
+gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.
+
+Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat van Holland en de
+tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet
+bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten
+daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen
+wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.
+
+Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de
+schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De
+prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vesting Oudewater
+na den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten
+toe te staan [605], het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij
+van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der
+stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders"
+binnen Oudewater.
+
+Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de
+meerderheid der Staten van Holland nam op den 4 September 1617
+een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben
+de »Scherpe-Resolutie" [606] maar eenigen tijd hierna besloot,--na
+veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,--de Hooge Raad,
+die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.
+
+Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen
+schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot
+verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en
+zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stad
+Oudewater waar hij eveneens verandering in de regering bragt.
+
+De synode van Dordrecht werd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens
+geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.
+
+Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het
+begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde
+Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.
+
+Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat
+zijn zoon Philips IV. hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu
+de krijg weder hervat.
+
+Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog
+vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het
+afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den te Oudewater
+liggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uit Oudewater te
+gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus
+1623. [607] Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving
+men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits,
+en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al
+spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke
+waardigheid.
+
+Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd, waren er van
+Oudewater eveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato
+16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard
+wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis
+behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten
+er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize. [608] De bevolking der
+stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637
+werden daarenboven uit Oudewater 50 manschappen uit de burgerij
+geligt om te Steenbergen garnizoen te houden. Dit deed de oorlog,
+maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de
+vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en
+in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept. [609]
+
+In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik
+en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het
+volgende jaar 1648 werd de vrede met Spanje gesloten. De vereenigde
+gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.
+
+Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stad Oudewater had er
+in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.
+
+Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen
+voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare,
+noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der
+gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den
+loop van zaken schetsen.
+
+Nadat de vrede met Spanje gesloten was, behoefde men zoo veel
+krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincie
+Holland meer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en
+de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.
+
+De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna
+beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van
+Willem den III. zal leeren kennen.
+
+Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de
+fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter
+van den overledenen Philips, aanspraak op de Spaansche Nederlanden,
+waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.
+
+De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en
+wisten een verbond te sluiten met Engeland en Zweden, ten einde
+Lodewijk XIV weder met Spanje te verzoenen. De vrede kwam dan ook
+terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer
+verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan
+te doen; eerst moest hij het verbond tusschen Engeland en Zweden met
+de Staten hebben vernietigd, eerst poogde hij de Staten er van af te
+trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het met Engeland,
+dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk
+overreden om met hem ons te beoorlogen.
+
+De twee vorsten, wisten nu Zweden insgelijks aan hunne zijde te
+brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van
+Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons
+land te overrompelen en te verdeelen.
+
+Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze
+oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er
+veel van te kunnen verwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het
+was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De
+oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen
+nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het
+gemeen, zeer mishaagde.
+
+Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt,
+den veldtogt, die nu aanstaande was, en ook Oudewater zoude beroeren,
+zou worden bevorderd.
+
+Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan
+de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit
+gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met
+eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man
+begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald
+en Oudewater viel insgelijks in den magt der franschen. [610]
+
+Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.
+
+Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ook
+Montfoort werd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers
+bezet.
+
+Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan de Nieuwerbrug de
+steden Woerden en Oudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was,
+zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich
+dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning
+vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort
+werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden in Woerden gelegerd,
+terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naar Oudewater
+zond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden. [611] Tot dusverre
+Wagenaar. Omtrent dit voor geheel ons vaderland en ook voor Oudewater
+zoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert
+van den Bosch, ons [612] in betrekking tot de stad onzer beschrijving
+nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te
+herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij door Nijmegen over de Maas naar
+'s Hertogenbosch getrokken was, vervolgt hij in dier voege:
+
+De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche
+posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de
+graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur beneden Oudewater te legeren.
+
+De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en
+geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad,
+noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging
+waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der
+vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk
+te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naar Utrecht om
+aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar,
+der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met
+en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden;
+alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.
+
+Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar 's
+Gravenhage te zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne
+afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken,
+dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie
+bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling
+en verbetering van de stads wallen en sterkten; men beval den
+Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen
+van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad,
+die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.
+
+Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt
+tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen
+hadden, als de vijand Oudewater naderde, zijn legerschare zich voor de
+veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid
+aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer
+aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen
+zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te
+gaan, die met zijne troepen te Bodegraven lag, maar de verwarring,
+die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die
+men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier
+onverrigter zake wederkeeren.
+
+Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is
+waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands
+van het stedeken bij de Wierinkken en derzelver sluizen, kunnende hij
+daardoor Oudewater en omtrek deels onder water zetten door middel van
+den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk
+de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet
+bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver
+zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig,
+dan slechts in een »vervuilden hoek" een paar oude ijzeren stukken,
+en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De
+magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te
+koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon;
+die te Utrecht op kondschap lag, nog een tonnetje van ongeveer
+80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter
+naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet
+boven de 300 mannen uitleveren.
+
+Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad [613] in geen 30
+à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed
+bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der
+Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.
+
+Men wachtte echter nog op tijding uit Utrecht. Ondertusschen werd de
+Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk
+zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die
+van Utrecht al gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter
+nog niet over.
+
+Daar komt eensklaps de persoon die te Utrecht op kondschap was, de
+verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon
+de Franschen binnen Utrecht had zien trekken, en hij ter naauwernood
+hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken,
+niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten
+van Oudewater bevinden. En de bode had zich in die meening niet
+bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende,
+zakten gedurig nederwaarts af.
+
+De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land
+aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de
+dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde van Utrecht,
+niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan
+capituleren vinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand
+in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om
+eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij
+tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de
+Gecommitteerden tot het naburig Montfoort genaderd, of zij ontmoetten
+de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons
+gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen
+terstond goede beloften.
+
+Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de
+Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood
+ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden
+Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van
+den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier
+dus Oudewater insgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De
+Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem
+ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit
+bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de
+gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer
+regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en
+conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting
+binnen Oudewater zoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen
+of musketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet
+den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met
+zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.
+
+Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet,
+zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen,
+pistolen en zijdgeweer. Niemand dezer troepen sliep gedurende den
+nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat,
+uit vreeze van overvallen te worden.
+
+Zij schreven naar Utrecht om ammunitie en daar die ook zoo spoedig
+niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger van
+Utrecht ontvangen had.
+
+Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op
+den 29 Junij des namiddags naar Utrecht vertrokken zijnde, zij des
+voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten,
+waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een
+paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder
+dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.
+
+Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot
+hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en
+bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven
+soetelende" waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de
+bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe
+met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden,
+koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen,
+en nu mede ter stede werden binnengevoerd.
+
+De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar
+de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.
+
+De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La
+Pornerie, maar op den weg naar Utrecht lagen nog 9 standaarden
+Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.
+
+Nadat de Franschen zich dus in en om Oudewater gelegerd hadden,
+eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de
+ypenboomen rondom den stads cingel staande, af te kappen, die tot
+pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen
+(in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe
+doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange,
+geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd,
+dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield
+men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was,
+na negen ure des avonds over de straten te gaan.
+
+De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed
+de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort
+langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het
+leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook
+met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te
+beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn
+kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der
+stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde [614]
+geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat
+hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn,
+150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langs Honkoop
+doen defileeren. Deze nu aan de andere zijde van Oudewater aangekomen
+zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij
+onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet
+alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte,
+maar de Franschen werden door het gestadig schieten van deze 150 man
+zoodanig verontrust, dat zij naar Woerden, Montfoort en Utrecht om
+bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht
+waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschap Willeskop
+en die om de stad stonden.
+
+Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig
+schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid
+niet wat dit beduidde.--Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij
+tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden
+kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet
+nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende,
+droeg dit 's prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand
+nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van
+Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement
+opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen;
+slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen
+had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden,
+waaronder eenige voorname officieren.
+
+Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen
+volgen:
+
+»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in
+te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant
+konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo
+gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar
+eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water
+beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de
+steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen,
+dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo
+hoog door de sluysen in konde laten als men wilde. Hy vraagde ten
+derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en
+bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen
+lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan
+hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met'er tijt
+wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed,
+ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.
+
+»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen,
+aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de
+Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk
+hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn
+was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men
+giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten:
+hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen
+konden uyt-maken. Sy spraken veel van Leyden, en wilden daar na
+toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by
+het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy
+vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle
+hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy,
+dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en
+seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte,
+dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren
+hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen,
+sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.
+
+»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het
+opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende,
+sag ik door het venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis
+de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander
+groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in
+mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den
+Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken;
+(ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben)
+ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt
+hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen van Utrecht; hij
+seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en
+omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde,
+wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy
+seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen:
+meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het
+Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende
+van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot
+ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts
+daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee
+wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen,
+waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en
+nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar
+weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat
+ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen
+Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen,
+zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5
+uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de
+sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren
+wederom, met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het
+uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede
+te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my,
+om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat,
+maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt
+van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den
+Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders
+is aan de stad de minste overlast niet gedaan."
+
+Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt
+werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten,
+opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude
+zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar
+de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door
+de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven
+kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren
+uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze
+tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui
+zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen
+10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën
+voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de
+poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester
+en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was,
+en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad;
+Oudewater behoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van
+van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode,
+zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.
+
+Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij
+zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich
+hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stad Montfoort op
+de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des
+namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36
+gevangenen waaronder eenige koninklijke Sauvergardes binnen de
+veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn
+ter bezetting van Oudewater aangekomen. Immers nadat de Koning, van
+Zeijst was opgebroken en de Franschen Oudewater, Woerden en Montfoort
+ontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door
+den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij
+ook Woerden en Montfoort gedaan hebben, maar Oudewater werd door de
+spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen
+bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux
+tot nabij Montfoort genaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch,
+vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder na
+Utrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad,
+noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na
+haar voorige post te doen verhuysen.
+
+»Nu liet sijn Excellentie in 't eerste aldaar slechts 300 man van de
+Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam,
+bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie,
+sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen
+Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken
+verandert; in-voegen Oudewater doenmaals maar als een brandwacht en
+buyten-post gerekent wierd.
+
+»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerders een brief van
+Utrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die van
+Oudewater daar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags,
+of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar
+op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naar Utrecht vertrokken,
+die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad
+van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren
+korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat'er noch een
+vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die van
+Oudewater daar door een vryen pas van de Franschen Commandant.
+
+»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen,
+en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken,
+wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam
+geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie
+den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele
+post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten,
+te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn
+broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel
+van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en
+200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed
+scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren,
+Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de
+borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen;
+'t welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse
+gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt
+wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.
+
+»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm,
+doenmaals noch Luytenant Colonel, hier binnen gekomen met 5 vaandelen
+Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.
+
+»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts
+ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen
+binnen Oudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer
+Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn
+Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken
+aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier
+was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt
+naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk
+met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in
+een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch
+tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn
+geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn,
+was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy
+sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten
+aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote
+vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de
+wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant:
+een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en
+aldus kreeg Oudewater in 't korte een heel ander oog; en de plaatse,
+die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor
+een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad,
+en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den
+vyant te gemoed sag. De besettinge van Oudewater was ook te meer
+noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte,
+en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.
+
+»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt
+wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den
+21. van de maant September, wierden'er 18 a 19 Fransche gevangenen
+binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche,
+staande op de brantwacht buyten Woerden. Den 29. dito kregen de
+onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by de Linschooten. En
+soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een
+Missive van den Hartog van Luxemburg geschreven, om lossinge van
+eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer
+gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft
+by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert
+gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht,
+en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een
+eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe
+altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht."
+
+»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen
+binnen Woerden waren getrokken, soo is den Hartog van Luxemburg
+met Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad
+doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van
+Hoorn tot Oudewater ook met alle naarstigheyt dede doen; de welke
+kondschap krijgende, dat den vyant omtrent Woerden seer besig was,
+met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden
+daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig
+voetvolk op de huysen Nes en Linschooten, om hem te ondersteunen:
+en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal
+gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas,
+de welke de kaap op naar Wulverhorst, met eenige weynige Officieren,
+om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al
+hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde,
+met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar
+sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren."
+
+Zooals men dus bemerkt, had de stad Oudewater in 1672, een zeer
+verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles
+werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in
+het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die van Oudewater tegen
+de franschen onvervaard en dapper, naast die van Alphen, toen vielen
+er bij de Nieuwerbrug in eene charge meer dan 50 man van den vijand
+onder den voet. [615]
+
+Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die van Oudewater
+zich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf
+diene men echter te weten, dat Montfoort en Woerden nog in het bezit
+der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche
+schutters binnen deze stad in bezetting lag.
+
+Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen
+[616] van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit
+feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene
+dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het
+Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde,
+werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt,
+en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnen
+Oudewater berigt had, dat 500 franschen naar de zijde van Linschoten,
+Diemerbroek en Papenkop optrokken, kennelijk met het doel om te rooven
+en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.
+
+Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers
+eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van
+Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen
+maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te
+doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet
+alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500
+à 600 soldaten vergezellen.
+
+De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder
+met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel
+onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar
+hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen
+onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de
+vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit
+achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na,
+totdat de vijand zich tusschen Papekop en Diemerbroek achter eenige
+hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf
+van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op
+de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de
+grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot
+vóór de poorten van Woerden en Montfoort, daar zij uitgetogen waren,
+werden nagezet.
+
+De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen, al hunnen
+buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend
+geworden.
+
+Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er
+gekwetst.
+
+Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich
+met sleden vol hooi en huisraad binnen Oudewater weder keerden. [617]
+
+Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende
+wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.
+
+»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en
+twintig Franschen van Woerden naar Uytrecht, onder een Colonel en
+eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten
+met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder
+Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf
+Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden
+komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen
+met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten,
+onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan,
+en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was,
+behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier
+verleenden, en binnen Oudewater brachten. Van de Staatschen was de
+Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de
+Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten
+wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier
+Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf:
+behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.
+
+Deze en meerdere veroveringen bezorgden Oudewater grooten naam in de
+geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn,
+die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens
+den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken." [618]
+
+Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen,
+en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang
+echter zoude Oudewater gebukt gaan onder de schade die het aan huizen,
+en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten van
+Holland en Westvriesland octrooi [619] tot het oprigten eener loterij
+van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in
+den jare 1672 geleden.
+
+In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën
+der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets
+krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied
+bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij
+moeten daarbij een weinig stilstaan.
+
+In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stad Oudewater
+verlof verzocht, door den Lutherschen Predikant van Woerden,
+om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in
+de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die
+aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te
+bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de
+inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde
+hun zulks niet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed
+de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester
+F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de
+la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer
+Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een
+geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel
+was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde
+hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den
+Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene
+Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op
+den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het
+verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen,
+door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.
+
+Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd,
+bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de
+redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het
+verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der
+Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden
+mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met
+de bepaling dat zulks zou moeten geschieden op het choor, voor die
+reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil
+van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong
+te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor
+den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster
+te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de
+Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst
+zou gedaan worden; met bedreiging, den koster te zullen afzetten,
+indien hij zulks niet weerde.
+
+Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden
+vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen
+tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te
+leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen,
+ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder 't
+oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap,
+niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen,
+dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij
+nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een
+besluit werd genomen van den volgenden inhoud.
+
+»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester
+de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van
+de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster,
+verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te
+stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde
+resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen
+dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie,
+als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en
+te behooren. Gedaan bij de Heeren enz."
+
+De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De
+Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene
+stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met
+het snappen van eenige »klopzieke wijven," die er den mond vol van
+hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver
+van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op
+het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dus
+voor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden
+Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5-6. »de heiligheid is
+uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!" Na eene korte verklaring
+van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat dit Huis (bedoelende de kerk
+waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve
+niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat
+het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten
+gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat
+het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die
+daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn,
+de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen,
+die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met 's lands wetten
+en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde
+hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne
+waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij
+sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij,
+in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met
+regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden
+die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te
+zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed
+met 's lands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde,
+hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.
+
+Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek
+wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die
+elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over
+de woorden »Gij zult niet doodslaan." Thans zocht hij aan te toonen,
+dat, hoewel men in 't algemeen geduld moest hebben omtrent degenen,
+die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest
+worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het
+ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door
+het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de
+ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook
+dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken
+veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit 's lands
+plakaten te bewijzen, de ongeoorloofdheid van 't geen dezer dagen
+was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen
+ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het
+nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten
+van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven, zonder
+verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In
+dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten,
+volgens de getuigenis van vier personen, in Januarij des volgenden
+jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.
+
+Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in
+dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter,
+bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht
+beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen,
+dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen 's
+lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie
+der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met
+de keuren van Oudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid,
+tot opruijing en aanhitsing van 't gemeen, en van verre uitzigten was:
+en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze
+de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte
+uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel,
+dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet
+te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van
+gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de
+zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo
+ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den
+Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne
+zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want
+toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom
+op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om
+den Leeraar door twee leden al ware 't zelfs zijn beste vrienden,
+de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder 't oog te brengen en zijn
+Eerwaarde te vermanen, in 't toekomende, zich daarvoor te wachten,
+werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de
+hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars
+fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der
+gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen
+pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen
+in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te
+strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden
+worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten
+was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben,
+sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de
+proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op den
+Zaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest
+gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde
+de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag,
+maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze
+vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet
+op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit
+ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel
+hun gezag te handhaven, en dit geschil, 't welk in de vroedschap
+slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op
+den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars
+te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de
+proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de
+twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer
+euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van
+Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout van Oudewater. Hij oordeelde
+Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene
+Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven,
+welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt,
+niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te
+rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot
+en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich
+te wenden tot de klassis die in April te Schoonhoven zou gehouden
+worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en
+den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten,
+of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt
+worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald
+besluit te nemen. In den onzekeren kans, welken uitslag deze zaak
+zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van
+wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan
+dertig personen, niet te Oudewater, 't geen vreemd is, maar buiten de
+stad, te Hekendorp woonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste
+uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo
+des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet
+gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven,
+zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen
+van Hekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk
+velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten
+vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten
+October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden,
+de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één
+jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den
+smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken,
+dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun
+aangenaam, in 't bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing
+van schepenen. Van wegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich
+had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen,
+zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde
+worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder
+dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen,
+om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en
+het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de
+dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den
+Majoor de Charreton, kommanderende het tweede Bataillon van Oranje
+Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd
+door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten,
+plotseling van de hand gewezen, met te zeggen: de Armenianen en Papen
+zullen 't ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk
+aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord
+bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte
+vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit,
+schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens
+der Wethouderschap van Oudewater aanschreven, aan de Lutherschen de
+gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige
+redenen van weigering waren.
+
+De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan
+den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans
+Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde
+daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich
+ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo
+zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren;
+waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande,
+zeide: dat 's zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus
+gedrongen, las het opschrift van eenen brief aan Gecommitteerde Raden
+in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden
+aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als
+een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder
+in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De
+President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, 't welk
+goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande de secretaris hem
+daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een
+bevel van Gecommitteerde Raden aan den Majoor om eene der aangewezene
+plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze 't bevel ontvangen of hij
+begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was,
+waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere
+onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering van Oudewater werd gelast
+de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te
+ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in
+deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker,
+Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren,
+in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen
+uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten
+zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen
+verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen
+beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich
+daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de
+hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan 't
+voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel
+te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee
+gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht
+de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner
+mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo
+als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe
+weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk,
+om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de
+bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk
+te gemoet gingen. De vrienden van van Amstel verzochten insgelijks
+hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd,
+stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in 't bewind en zeven
+nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus
+de meerderheid, waarna alles tot rust kwam. [620]
+
+Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnen
+Oudewater voorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het
+eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive
+van Burgemeesters en Regeerders der stad Woerden met concept adres,
+waarbij Burgemeesters en Regeerders der steden Woerden, Oudewater,
+Naarden, Weesp en Muiden zich wenden tot de staten van Holland en
+West-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris
+der vereenigde Staten van Noord-America eener commerciele verbindtenis
+te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.
+
+Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis
+der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de
+Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk
+verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele,
+en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur
+verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen
+steeg met den dag.
+
+Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met
+de staten van Holland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden
+geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar het Loo, en toen de Prinses
+van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar 's Gravenhage wilde doen,
+werd zij nabij Oudewater gevat en gedwongen terug te keeren.
+
+De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond
+den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten
+uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot
+verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de
+ontevredenheid steeds nieuw voedsel [621].
+
+Oudewater dat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet
+geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest
+niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen
+en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd;
+nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche
+burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch
+leger dienst te gaan nemen.
+
+Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte,
+voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De
+strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen
+den weg tot in het hart van Holland. De Patriotten jubelden, de
+oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week
+naar Engeland op den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep
+ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in 1795 door
+Franschen bezet.
+
+Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende,
+dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger
+met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang;
+er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het
+bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de
+aandacht te trekken, de godsdienst van den staat werd afgeschaft, de
+heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen
+waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen met Engeland, en
+leden deerlijk in den handel, etc.
+
+De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt,
+en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood [622].
+
+Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen
+tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren van
+Oudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.
+
+Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798
+aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke als Oudewater
+fraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks
+regering, de eer had, 3 compagniën der koninklijke garde Jagers te
+huisvesten [623].
+
+Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder
+Keizer Napoleon [624] en de eerste deed dan ook in het jaar 1810
+afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote
+fransche keizerrijk.
+
+Nederland! dierbaar Nederland! hoever was het gekomen. Gij werd nu
+geschrapt uit den rij der namen en natiën van Europa, meer dan ooit,
+drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het niet wagen
+daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen
+van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd
+[625] toepassen.
+
+
+ Hollands beemden, Hollands beemden!
+ Ach, hoe jammerlyk ontwijd,
+ Waar de scherpe ploeg der vreemden,
+ Voren door uw boezem snijdt!
+ Moet mijn oog u dus aanschouwen,
+ Land van glorie, land van kracht?....
+ Thands een land van machtloos rouwen,
+ Om uw ouden roem gebracht!
+
+ Hollands beemden, Hollands beemden!
+ Ach, waar zijn uw dagen heen,
+ Toen zoo menig Leeuw der vreemden,
+ Deinsden voor uw Leeuw alléén!
+ Toen, op 't wappren van uw stander,
+ Door den schrik vooruitgesneld,
+ Benden stoven uit elkander,
+ Krijtend: "Holland is in 't veld!"
+
+ Hollands beemden, Hollands beemden!
+ Is uw roode Leeuw vergrijsd,
+ Dat de trotsche hand der vreemden
+ Hem in 't spoor der schande wijst?
+ Zijn zijn tanden stomp gereten?
+ Zijn zijn lendenen verlamd?
+ Zijn zijn naaglen stuk gebeten,
+ Dat hy niet ter weer ontvlamt?
+
+ Hollands beemden, Hollands beemden!
+ Frankrijks wingeweste thands--
+ In het wolkengraauw dier vreemden
+ Dooft het zonlicht van uw glans!
+ Al uw glorie is ontluisterd:
+ Frankrijk kwam met boei en band....
+ Ach, uw zonen gaan gekluisterd
+ In 't onteerde Vaderland!....
+
+
+Maar daar kwam redding. De slag bij Leipzig bezorgde Napoleon eene
+dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en
+Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen
+aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den
+zwaren last der overheerschers van hunne schouders.
+
+De Franschen namen alom de wijk. Naarden en den Helder werden echter
+nog belegerd en te Woerden gedroegen zij zich zeer wreed.
+
+In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een
+voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in
+persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan
+ook als souverein Vorst der vereenigde Nederlanden werd uitgeroepen.
+
+18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den
+slag bij Waterloo verloor en van dien tijd ademde en leefde men weder
+vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning der Nederlanden.
+
+
+ Het verkoelde bloed vloeit sneller,
+ En het oude hart werd jong,
+ En het woord van dank en zegen
+ Juichte van de ontboeide tong,
+ Holland Holland was herboren,
+ Holland rees uit schande en smaad
+ . . . . . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . .
+
+ Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,
+ Hij ontwaakt met nieuwe kracht,
+ Wee, wie op zijn ruste vertrouwend
+ Vleijend hem te kluisteren tracht.
+
+
+En in de rust en den bloei, die nu in Nederland aanlichtte, deelde
+ook Oudewater. De vijanden alomme verdreven en eene andere lijn van
+defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!
+
+Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert
+1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege
+publiek verkocht.
+
+De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan,
+kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en
+arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden
+geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt [626].
+
+Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het
+Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een
+magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.
+
+In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het
+Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar
+de Colonie Fredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook
+binnen Oudewater de militie gemist, die er garnizoen hield, werden
+zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd,
+werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt,
+nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden
+kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te
+bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.
+
+Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eene werkinrigting voor
+behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen
+en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw der inrigting
+zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van
+pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting
+gemiddeld werk.
+
+Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eene vrouwen
+vereeniging met het doel aan behoeftige kraamvrouwen gepaste ligging,
+kleeding etc. te verschaffen. [627]
+
+Eene vereeniging tot kostelooze ter aarde bestelling van behoeftige
+overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrekt Oudewater
+eveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.
+
+De oudste der vereenigingen van dezen aard, is het Lijndraaijers Gilde.
+
+Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie
+op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en
+uitkeeringen in geld gedaan. [628]
+
+Voort bestaat er hier een departement van de maatschappij tot nut van
+het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859
+met feesten herdacht.
+
+Nog behoort Oudewater en omstreken tot eene der afdeelingen van de
+Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling
+geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52. [629]
+
+Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden,
+onder anderen:
+
+Eene Liedertafel, onder den naam van Crescendo, opgerigt ten jare 1859,
+18 leden.
+
+Eene muzijk vereeniging genaamd Amicitia et harmonia opgerigt 1855,
+8 leden.
+
+Eene Rederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen
+dichter Borger opgerigt 1857, 9 leden.
+
+Ten jare 1850, werd hier opgerigt de Nederlandsche Brandwaarborg
+Maatschappij voor roerende goederen, enkel van landbouwers en
+veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en
+P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.
+
+Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.
+
+Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en
+eene bijzondere school.
+
+Oudewater behoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt
+der Provincie van Zuid-Holland, wat het cantonnement betreft onder
+Schoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onder Gouda en met de
+protestantsche classes eveneens onder Gouda.
+
+Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten
+en wetenschap.
+
+De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte
+andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en
+fijne touwsoorten; echter worden hier ook andere takken van industrie
+met vrucht uitgeoefend.
+
+Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859,
+546.
+
+Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.
+
+Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen
+ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen tot
+Oudewater behooren.
+
+Sedert het jaar 1857, bezit Oudewater eveneens een haltplaats van
+de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30
+minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan
+zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen
+IJssel is bewerkstelligd [630] eene of meerdere vaartuigen, gedreven
+door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.
+
+En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.
+
+Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van
+den bodem van Oudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond
+in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en
+wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van
+planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar
+veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende
+nieuwe gewassen.
+
+Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevallige woestheid,
+onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant
+zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit
+oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem,
+ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt
+trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede
+streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor
+ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt,
+en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.
+
+Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette,
+krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een
+ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met
+IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen,
+planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God
+niet kenden.
+
+En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving,
+dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen
+en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.
+
+Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch,
+sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm,
+doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den
+aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon-
+en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.
+
+Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom
+voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend
+Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen
+te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudig aanzien
+hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij
+de beschrevene geschiedenis van Oudewater en omtrek.
+
+Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwsche
+Oudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven,
+dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen
+worden.
+
+Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?
+
+O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog,
+blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere
+verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere
+uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende
+smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad,
+blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek
+en ruime weelde.
+
+Dierbaar Oudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan
+eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer
+burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals,
+daar waar te ondersteunen en te helpen viel, [631] zij mogten zich
+zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.
+
+En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing
+komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord van Oudewater
+wordt eenige malen daags, door middel van de rappe wieken des stooms,
+doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.
+
+Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig
+voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus
+gaat Oudewater en omtrek met Godes zegen, bij het immer wijs bestuur
+van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding
+van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.
+
+
+
+
+
+
+
+NAAMLIJST DER INTEEKENAREN, OP DIT WERK.
+
+
+Z. M. de Koning der Nederlanden.
+
+Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden. 2 Ex.
+
+Ackerwijck, (C. van) te Maastricht.
+Aelst, Sr., (A. C. van) wethouder » Oudewater.
+Aelst, (G. C. van) » »
+Alter, (S.) boekh. » Utrecht.
+Ameijde, (J. van) » Oudewater.
+Archief der gemeente Oudewater.
+Baale, (H.) » »
+Bakker, Bz. (C.) boekhandelaar » Nieuwediep.
+Beima, (Dr. E.) » Leijden.
+Blanken, Dz. (H.) notaris » Schoonhoven.
+Bock, (J. D. de) » Oudewater.
+Boellaard, (Mr. D. J. H.), lid der Prov.
+Staten van Zuid-Holland, » 's Gravenhage.
+Boere, (H. F. de) onderwijzer » Jutphaas.
+Bom, (G. D.) boekhandelaar » Amsterdam.
+Borger, (P.) rustend predikant » Arnhem.
+Bosch, (A. van den) » Soetermeer.
+Bot, (P.) aannemer » Sliedrecht.
+Broese (J. G.) boekhandelaar » Utrecht.
+Beurs, (B. T.) koopman » Oudewater.
+Caan van Maurick, (Jhr.) op den huize » Harmelen.
+Cleef Jz., (Wed. P. M. van) » Hilversum.
+Cleef, (de Gebroeders van) boekhand. » Amsterdam.
+Cosijn, (A. C.) » Gouda.
+Daalen, (van) ontvanger der dir. belast.
+ad int. » Zwijndrecht.
+Dain, (J. F. A. van) » Oudewater.
+Doorman, (de Erven) boekh. » 's Gravenhage.
+Doorn en Zoon, (C. van) boekhand. » 's Hage. 3 Ex.
+Eeten, (J. C. van) med. doctor » Utrecht.
+Fröbe, (A. J.) » Oudewater.
+Geuns, (Dr. van) » Utrecht.
+Gogh en Oldenzeel, (van) boekhand. » Rotterdam.
+Goor, (G. B. van) » Gouda. 2 Ex.
+Groot, (A. de) theol. stud.
+Groot, (L. de) aannemer » Gouda.
+Guddee, (F. J.) broodbakker » Oudewater.
+Haagen, (R. C. van) » Utrecht.
+Haentjens Dekker, (R. W.) burgem. » Oudew. 3 Ex.
+Harting, (P.) hoogleeraar » Utrecht.
+Hartman, H.G. z., (H.G.) secret. der gem. » Fijnaart.
+Hen, (C. van der) » Nieuwediep.
+Heuvel, (P. H. van den) boekh. » Leiden.
+Hoek, (Gebroeders van der) boekh. » »
+Hoffmann (Mr. M. A. F. A.), lid der
+Tweede Kamer » 's Gravenhage.
+Hollander, (J.) » Oudewater.
+Hunck, (P. J.) verkooph. van galanteriën » Utrecht.
+Kikkert, (C.) » Oudewater.
+Kneppelhout, (J.) » Leiden.
+Koch, (C. F.) boekh. » Utrecht.
+Koker Bz., (J.) boekhandelaar » Monnickend.
+Koning, (G. de) » Oudewater.
+Koning, (W. de) » Utrecht.
+Koning Knijff, (A. de) theol. stud. » Utrecht.
+Konings, (wed. N.) » Oudewater.
+Kruijs, (J. van 't) klokkenist enz. » »
+Kruijsheer, (T.) » »
+Lange, (G. van) papierfabrikant » Waddingsveen.
+Lee, (C. G. van der) » Alblasserdam.
+Lee (G. van der) lid van den raad » Oudewater.
+Lee Az., (J. van der) genees-, heel- en
+verloskundige » Monnickend.
+Lee, (J. Z. van der) » Brouwershaven.
+Maarschalkerweerd, (D. van) boekh. » Utrecht.
+Martens, (A.) » »
+Martens, (J. H.) » »
+Mathot, (N.) in stroohoeden » Gouda.
+Mol, (G. P. J.) genees-, heel- en
+verlosk. » Naarden.
+Montijn, (A. M.) oud-burgemeester » Oudewater.
+Montijn, (Joh. Just.) » Fijenoord bij Rott.
+Montijn, (T. D.) » Oudewater.
+Mooij, (H. W.) boekhandelaar » Amsterdam.
+Muller, (Fred.) boekhandelaar » »
+Nijhoff, (Is. An.) boekhandelaar » Arnhem.
+Nyhoff, (J. G. Brouwer) notaris » Haastrecht.
+Paisieres, (Mr. Just de la) griffier der
+staten van Zuid-Holland, ten behoeve van
+het Prov. Gouvernement
+Peijpers, (W. N.) » Amsterdam.
+Putman, (J. J.) R.-C. priester en past. » Utrecht.
+Putman, (J.) boekhouder van het
+burgerlijk Arm-bestuur » Oudewater.
+Putman (W.) » »
+Rahms, (E. C.) » »
+Rodenburg, (de Jong van) kapitein bij in
+infanterie » Breda.
+Roesteen, (J. A.) » IJsselstein.
+Rogge, (H. C.) pred. bij de remonstr. » Moordrecht.
+gem.
+Roldanus, (A. J. A.) boekhandelaar » Oudew. 3 Ex.
+Roll, (H. F.) » Gouda.
+Römer, (M. J. J.) onder-officier 4 batt. » Vlissingen
+2 reg. infanterie
+Rost, (A.) » Haastrecht.
+Rijnenberg, (L.) instituteur op bij Nijmegen.
+Marienboom
+Schadee, (E. C.) te Oudewater.
+Schouten, (G. van Ingen) » »
+Sivré, (J. B.) Controleur der pl. belast. » Roermond.
+Snaterse, (A.) » Amsterdam.
+Spoel, (A.) » Dordrecht.
+Thier, (W. J.) genees-, heel- en verlosk. » Oudewater.
+Vermeer, (H.) predikant » Houten.
+Vermeulen (J.) » Oudewater.
+Verweij, (P.) » »
+Virulij, (T. P.) » Gouda.
+Visscher, (J. W. B.) medicus » Schalkwijk.
+Vliet, (F. van) » Oudewater.
+Vliet, (G. van) landbouwer » Hekendorp.
+Vlooswijck, (A.) nabij Montfoort.
+Vries, (E. de) te Oudewater.
+Vriesman, (J. A.) oud-resident op Java » »
+Vriesman, (J. A.) » »
+Vriesman, (N. C.) » »
+Weijer, (P. W. van de) stads- en
+provinciale steendrukker; boek- en
+plaatdrukker » Utrecht.
+Weijer, (W. van de) papierhandel » »
+Welter, (G.) » Oudewater.
+Wolters, (J. B.) boekhandelaar » Groningen.
+Zuilen, (T. van) landbouwer » Honkoop.
+Zwart, (H. de) huis- en hoefsmid » Oudewater.
+Zijll, (wed. J. van) » »
+
+
+
+
+
+BEOORDEELINGEN.
+
+
+Het Handelsblad van 9 Junij 1858 kondigde de eerste aflevering aldus
+aan, na de aandacht zijner lezers op de advertentie verwezen te hebben:
+
+
+"Uit den daar vermelden korten inhoud van het werk mag men veel
+goeds verwachten, en de eerste aflevering stelt deze verwachting niet
+te leur."
+
+
+De Amsterdamsche Courant van 9 Julij 1858 laat zich er aldus over uit:
+
+
+"De reeks plaatsbeschrijvingen van belangrijke gedeelten onzes lands,
+hetwelk zoo velerlei gewigtige stoffe tot dergelijke bearbeiding
+oplevert, is vermeerderd met een werk getiteld: "Oudewater en omtrek,
+geologisch, mythologisch en geschiedkundig geschetst" door W. C. van
+Zijll, Jz. Het werk zal in zestien à twintig afleveringen compleet
+zijn; de eerste ziet het licht. Op het gewoonlijk door de geologen
+betreden voetspoor vangt de schrijver aan met eenige verklaringen
+van het diluvium en alluvium. In den loop der behandeling daarvan
+schetst hij de geschiedenis van den Hollandschen IJssel, en deelt
+naar aanleiding daarvan zijne meening mede over den naamsoorsprong van
+Oudewater, volgens hem komende van Oudewaarden. Opmerkenswaardig is,
+ook uit een oogpunt van nijverheid, hetgeen de schrijver aangaande
+het veen en de verschillende aard- of kleisoorten van den bodem
+zegt. Zaakrijk zonder te groote wijdloopigheid, stemt deze eerste
+aflevering gunstig voor het geheel en regtigt ons aanvankelijk tot de
+onderstelling, dat zoo de schrijver zijne taak conscientieus blijft
+volvoeren, hij een goed werk kan leveren."
+
+
+Terwijl het Handels- en Effectenblad van 14 Maart 1859, Aflevering
+1-4 aldus aankondigde:
+
+
+"Bijna iedere stad bevat eene topographie, doch de meeste daarvan
+tellen reeds eene of meer eeuwen en zijn dus voor den tegenwoordigen
+tijd, waarin de wetenschap en een naauwkeurig onderzoek ons vele zaken
+van een geheel ander standpunt hebben doen kennen, en, daar zij de
+geschiedenis van den lateren tijd niet behandelen, op dit punt al
+zeer onvolmaakt.
+
+Het was dus wenschenswaard, dat die werken omgewerkt en bijgewerkt
+werden of nieuwe topographiën in het licht kwamen, ten einde in de
+bestaande gebreken te voorzien, en het schijnt, dat deze tijd aan dien
+wensch voor een groot gedeelte zal te gemoet komen. Onlangs immers
+nog maakten wij melding van het voortreffelijke werk van Dr. Koronel:
+"Middelburg voorheen en thans," en thans zijn ons toegezonden 5
+afleveringen van het bovenstaande werk.
+
+Den inhoud van deze afleveringen hebben wij met belangstelling
+en naauwkeurigheid nagegaan, en het is ons gebleken, dat het werk
+in eene behoefte des tijds voorziet, en voor iedereen ten sterkste
+aan te prijzen is. Ten einde dit ook aan onze lezers aan te toonen,
+willen wij den korten inhoud der vier eerste afleveringen opsommen,
+en zullen dan gaarne wanneer er meer afleveringen in het licht gekomen
+of het geheele werk compleet zal zijn, in eene verdere beschouwing
+treden, daar met de vijfde aflevering de afdeeling Geschiedenis een
+aanvang neemt.
+
+Na eene korte inleiding, begint de schrijver zijne geologische
+beschouwing, met een duidelijk begrip te geven van de woorden diluvium
+en alluvium, en wat men onder diluviale en alluviale gronden moet
+verstaan, en geeft daarna een overzigt van de verschillende grondlagen,
+die in en bij Oudewater te vinden zijn.
+
+De geschiedenis van den Hollandschen IJssel hangt hiermede in naauw
+verband, en het was dus natuurlijk, dat deze onmiddellijk daarna
+behandeld werd. In deze afdeeling worden verschillende naamsafleidingen
+gegeven, die zeer belangrijk zijn, als: IJssel van IJsala, water
+(IJ) loop (sala); Waard van worden, grondwording, en Oudewater van
+Oudewaerd, oude grond, oud eiland.
+
+De tweede groote afdeeling handelt over de mythologie, de feesttijden,
+feesten en volksgebruiken, en is voor den oudheidkundige, maar vooral
+voor iedereen, die van de met mythen doormengde godsdienst onzer
+voorvaderen en van den oorsprong der volksfeesten en nog heerschende
+gebruiken iets wil weten, van hoog belang. Daarna komen wij aan
+het hoofdstuk plaatsnamen, en wordt hierin de naamsoorsprong van
+Haastrecht, Montfoort, Heeswijk, Roosendaal en andere omliggende
+plaatsen uitvoerig behandeld. Wij hadden deze afd. echter liever
+gewenscht vóór het hoofdstuk Mythologie, want dan zou de afdeeling
+feesten en feesttijden, die grootendeels hun oorsprong hebben uit de
+mythologie, in verband gestaan hebben met de woudendienst, de planten-
+en boomendienst, de waterdienst, de vuurdienst, de dierendienst,
+vogelvereering, gedrochten, aardgeesten, luchtgeesten, woud-, veld-
+en huis-geesten, allen afdeelingen, die in de 4de aflevering behandeld
+worden. Deze aflev. besluit met eene opgave van de bewijzen, dat
+de plaats en omtrek, waar nu de groote kerk en toren staan, welligt
+aan Heidensche eeredienst gewijd waren, er stellig eene Heidensche
+begraafplaats was, waarbij tevens de begrafenisplegtigheden van
+voorheên en thans opgegeven worden.
+
+Door deze korte beschouwing meenen wij gerust tot de conclusie te
+mogen geraken, dat het werk der lezing waard is, en wenschen wij
+den schrijver geluk met zijne onderneming. Dat de uitgave goed
+is, behoeven wij niet te zeggen; de heer van Zijll heeft, èn als
+schrijver, èn als uitgever, voor het welslagen zijner pogingen de
+uiterste zorg gedragen."
+
+
+Het laatstgenoemd blad besluit eene nadere zeer gunstige beoordeeling
+van dit werk in zijn nummer van 20 October 1859, met deze woorden:
+
+
+"Wij durven dit werk aan iedereen aan te bevelen en zijn verzekerd,
+dat de belangrijkheid, gepaard aan den niet hoogen prijs, menigeen
+zal aansporen, het zich aan te schaften."
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend
+zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden
+om Oudewater gelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden
+aangetroffen.
+
+[2] W. C. H. Staring. De bodem van Nederland. IIe deel, pag. 130.
+
+[3] Namen van straten.
+
+[4] »De bodem van Nederland", Deel I, bl 18 en 19.
+
+[5] Ibid, pag. 421, Ie deel.
+
+[6] Batavia illustrata, pag. 200.
+
+[7] Tooneel der Vereenigde Nederl. 2 deel, pag. 133.
+
+[8] Tooneel van Hollandt, pag. 313.
+
+[9] Lud. Smids, Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.
+
+[10] Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.
+
+[11] Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden,
+bij Pieter van der Aa, 1707.
+
+[12] Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35
+Amsterd., Isaak Tirion, 1750.
+
+[13] Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer
+Jansonius, predikant te Moordrecht.
+
+[14] Halma, Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162
+en 163.
+
+[15] Voor 860 is ook nog Gabbema, Watervloed, bl. 9. Alhoewel van
+Meteren, Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers
+willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve,
+Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp,
+Schokius, enz.
+
+[16] De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.
+
+[17] Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van het Leeskabinet, 1856,
+No. 7.
+
+[18] De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.
+
+[19] Janzonius bij Rademaker, Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden,
+op Moordrecht.
+
+[20] Het Scandinavië van vroeger is het Zweden en Noorwegen van thans.
+
+[21] Budding. N. Godenleer.
+
+De edda's werden 100 jaren na elkander vervaardigd. De eerste werd
+verzameld omstreeks 1100, nog ten tijde van het heidendom; de tweede
+honderd jaren later.
+
+[22] D. Budding, N. Godenleer, bladz. 7.
+
+[23] A. W., t. a. pl.
+
+[24] Mr. Blommaert, Aloude Geschiedenis.
+
+[25] Mispelheim bet. Vuurwereld.
+
+[26] Schoone beelden, niet waar? Baldur is hier het licht, Haudur de
+verpersoonlijkte duisternis.
+
+[27] Deze was boosaardig en luimig, hij wordt de lasteraar der Asen
+genoemd en eene schande voor goden en menschen. Blommaert, A.W.,
+bladz. 119.
+
+[28] Walhalla is het verblijf der gezaligden en met roem gesneuvelden.
+
+[29] De oude Friezen noemden dit feest Midwintra. D. Budding.
+
+[30] In sommige gedeelten van ons land worden midwintervuren ontstoken.
+
+[31] Nader meer over deze stukken.
+
+[32] Meermalen zagen wij openbare mededeeling door geleerden van oude
+plaatsgebruiken, volksliederen en zelfs kinderliederen, klommen die
+ook niet altijd tot het heidendom op. Den beminnaren van onderzoek
+waren deze bijdragen ongetwijfeld welkom; maar wij zagen ook, dat
+het bij anderen den lachlust opwekte. Niettegenstaande dit laatste
+willen wij ook nog eenige bijzonderheden mededeelen omtrent het vieren
+van het nieuwjaarsfeest in deze plaats, alhoewel het ook met deze
+bijdrage bij de laatsten zoo gaan zal. Ter zake nu: Het is N.jaar,
+de klokken "beijeren" en men begeeft zich met de nachtwacht naar de
+woonhuizen der voornaamste ingezetenen, welke de volgende zingende
+luidruchtige zegenwensch ontvangen, aangeheven door eene golvende
+menigte, voornamelijk uit den spinnersstand:
+
+
+ "Het uur van twaalven is geboren,
+ Het oudejaar dat gaat verloren;
+ Het nieuwe jaar van God ontvangen,
+ Daar zoo veel menschen na verlangen
+ 't Zij jong en oud
+ En ongetrouwd;
+ Ik wensch de heeren en burgers met malkaar,
+ Veel heil en zegen in het nieuwe jaar."
+
+
+Daarna wordt eenige malen met de klap geslagen, en het "veel heil
+en zegen in het N.jaar" gaat van mond tot mond. In dien tijd echter
+gaat de kroeze rond, door de "heeren en burgers" den wenschenden
+geschonken, en men herhaalt bij anderen denzelfden deun en ontvangt
+hetzelfde vocht.
+
+
+
+Ten een ure is de menigte die de wacht vergezelt, al meer en meer
+verdunt; men zingt nu:
+
+
+ "David was een jonge held
+ Toen hij trok met den reus in 't veld,
+ Al met den slingersteen.
+ De klok het een!"
+
+
+Klap gaat het daarna eenmaal, ten teeken van een uur.
+
+Het volgende is echter in onbruik geraakt; het is welligt 150 jaar
+geleden, sedert dit het laatst gezongen werd. De reeds oude tak van
+nijverheid in Oudewater, het touwspinnen, wordt daarin herdacht:
+
+
+ "Die zijn kostje met spinnen moet winnen,
+ Die rept en die spoedt hem wat ree;
+ Die der wil wasschen en ook wil plassen,
+ De klok het twee."
+
+
+Klap, klap! zal het daarna den eenvoudigen voormaligen bewoners weder
+in de ooren geklonken hebben.
+
+Of men na dit nog meerdere liederen zong, weten wij niet.
+
+[33] Van den Bergh, Mythologie, bladz. 48.
+
+[34] De Spural in Februario, of van de afschuwelijkheden in Februarij.
+
+[35] Inderdaad, ook wij meenen dat de rommelpot zeer oud is: een potje
+immers, overspannen met zwijns- of koeblaas, waardoor een riet gaat,
+kan ook bij de onbeschaafde heidenen reeds vervaardigd zijn. Potten
+hadden zij, dit weet men uit menige overblijfselen; riet groeide hier
+in overvloed, en het gebruik van koe- of zwijnsblaas was hun welligt
+niet onbekend.
+
+[36] Budding.
+
+[37] Budding.
+
+[38] Zie Blommaert, bladz. 159 a.w.
+
+[39] Budding.
+
+[40] Budding, N. Godenleer.
+
+[41] Zie het 3e deel Ons Vaderland, hist.-rom. Schetsen, blz. 19
+en verv.
+
+[42] Freja niet te verwarren met Freija; de eerste is de godin der
+liefde, de laatste reeds eenigzins bekend gemaakt.
+
+[43] In Ons Vaderland, door G. Engelberts Gerrits, wordt insgelijks
+menige bijzonderheid van Ostera in het meifeest besproken.
+
+[44] Als voorname voorstander van dit oud gebruik, ondersteunde wijlen
+de heer A. van der Lee Cz. dikwijls dit feest door toevoeging van
+takkebossen, enz.
+
+[45] Vroeger viel ons zelf den eerpost van aanvoerder ten deel.
+
+[46] Dokken is op het vuur slaan, totdat de vlam bijna is uitgedoofd.
+
+[47] Roodzand, een straatnaam.
+
+[48] Dit instrument was reeds bij de oude Germanen in gebruik.
+
+[49] Zie Kevren der stede van Oudewater des Graefschaps van Hollant,
+1605. Ook in 's Gravenhage werd in 1506 o. a. nog een verbod tegen
+het balslaen, caetsen gemaakt.
+
+[50] Over den haan in de Mythologie nog nader.
+
+[51] Buddingh.
+
+[52] Buddingh.
+
+[53] Niederl. Sagen.
+
+[54] Zie omtrent de vastenavond hiervoren, bladz. 48.
+
+[55] Acht dagen voor Paschen is daags voor eijermaandag. Acht dagen
+na Paschen, beloken Paschen (Zie bevel van graaf Jan III, bladz. 65).
+
+[56] Pinksteravond, men denke aan het midzomerfeest.
+
+[57] XVIII Septembris en veertien dagen daarna: herfstnachtevening,
+kermis en St. Michiel.
+
+[58] XVIII dagen vóór kerkmisse: Midwinterfeest. XIV dagen daarna
+omtrent Driekoningen. Zie bevel van Graaf Jan III.
+
+[59] Zie voorn. Keurenboek.
+
+[60] Men denke echter niet dat er voorheen tegen al dat bijgeloof niet
+werd geijverd zulks te beletten, en ook om dat heidensch offervuur
+tegen te gaan. Indien wij toch een tal van boeken inzien, waaruit
+het tegendeel blijkt, is dit maar al te waar. Zoo zien wij b.v. in
+den eersten jaargang de Navorscher, bladz. 45 en 46, het stukje van
+D. J. Veegens over de Paasch- en Ostera-vuren. "Dat gebruik" zoo staat
+daar, "heeft zich staande gehouden in weerwil van den tegenstand der
+geestelijkheid, die niet ophield daartegen te ijveren. Zoo leest
+men b.v. in art. V van de ordonnantiën der eerste kerkvergadering
+onder Bonifacius, van 21 April 742, den last van Carloman aan iederen
+Bisschop, om met behulp van den graaf, die de beschermer zijner kerk
+is, zorg te dragen tegen het plegen van heidensche bijgeloovigheden,
+en daaronder van die heiligschendende vuren die zij nedfrates
+noemen. Batavia sacra, bladz. 298.
+
+[61] Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie, 298 en 299.
+
+[62] Dit ook in Moordrecht, Dordrecht en meerdere.
+
+[63] Buddingh.
+
+[64] Die overgang was gebruikelijk, zegt Buddingh.
+
+[65] Tydeman.
+
+[66] Tydeman.
+
+[67] Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.
+
+[68] Lud. Smids, Schatkamer van Oudheden, blz. 46.
+
+[69] Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring
+enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)
+
+[70] Van onzen gevoelvollen Hofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.
+
+[71] Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande,
+blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden
+wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets,
+bladz. 19.
+
+[72] Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen,
+beiden even merkwaardig als den hoogen hof bij de Taart en de Pol
+bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het
+oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij
+verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer-
+of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog
+gevonden wordt.
+
+[73] Alleen zij herinnerd aan Poorteren, dat men Poerteren schreef.
+
+[74] De naam Papen ergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel
+dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf
+voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.
+
+[75] Critisch woordenboek, p. 383 en verder.
+
+[76] Tacitus bij Buddingh, bladz. 198.
+
+[77] Van den Bergh.
+
+[78] Buddingh.
+
+[79] Dr. Romer. Utrecht en Oudewater.
+
+[80] Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden,
+door Dr. N. Westendorp, bladz. 87 en 88.
+
+[81] Critisch Woordenboek, 24 en 25.
+
+[82] Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds
+gedienstig waren:
+
+"In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te
+zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de
+rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den
+volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het
+meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag
+gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter
+eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder;
+en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open,
+en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had
+opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de
+molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de
+dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam."
+
+[83] Buddingh ten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering
+wil zien, van bladz. 243 tot 250.
+
+[84] Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen
+vermeld. De schrijver schijnt echter niet aan Linschoten te hebben
+gedacht: anders--wij durven het bijna met zekerheid zeggen--had hij
+ook deze plaats daaronder gerangschikt.
+
+[85] Tydeman, Mythologie, bladz. 267.
+
+[86] Ook Buddingh noemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.
+
+[87] Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?
+
+[88] Ook aan Moordrecht en Dordrecht zij gedacht. Dordrecht,
+Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te
+herinneren.
+
+[89] In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was
+eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig
+werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.
+
+De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze
+waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de
+middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als
+behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik
+daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het
+Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons
+Vaderland, door Engelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ook
+Brockhaus zijn Conversations Lexicon.)
+
+[90] Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en
+eens beneden.
+
+[91] "Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaard zult voeren op het
+bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en
+landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid
+aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer
+beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.--Oude
+Noordsche drinkplegtigheid. (Zie Ons Vaderland, enz., V, bladz. 13.)
+
+[92] Woordenboek der Nederlandsche Mythologie.
+
+[93] Tydeman. Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie.
+
+[94] Ook de waterkom tusschen Utrecht en Oudewater is, naar men zegt,
+grondeloos. (Zie over dit watervlak ook bladz. 99 dezer beschrijving.)
+
+[95] Tydeman, Mythologie, 295.
+
+[96] Blommaert, Aloude geschiedenis, bladz. 143-146.
+
+[97] De schrijver noemt hier bij voorkeur zijne natie. Deze woorden
+»des Belgs" gelieve onze natie te beschouwen als »van onzen voorvader",
+dewijl dat gebruik, of liever die begeerte ook hier kan toegepast
+worden.
+
+De Schrijver.
+
+[98] De Walkuren reden onzigtbaar voorop in den strijd, en kozen de
+helden die sneuvelen zouden.
+
+[99] Hela was de heerscheresse der doodenwereld. Alhoewel de
+benaming »hel" als strafplaats voor een zondig aardsch leven in
+eenige noordsche talen aan Hela schijnt te doen denken, zoo kunnen
+zoogenaamde veelweters de hel hierom niet wegcijferen. Dan toch zou
+het woord »God", dat de heidenen ook hadden, ook slechts eene ijdele
+klank zijn, en wij weten het immers, dat onze Goddelijke Verlosser,
+de bron van alle waarheid, dikwijls van die strafplaats gesproken
+heeft. Men begrijpe ons dus wel. Alleen de klank van de Hela in de
+fabelleer der heidenen en de hel in de Godsdienst der Christenen
+biedt overeenkomst aan.
+
+[100] Naar het geluid der vogelen en het gehinnik der rossen werden
+vele zaken geregeld.
+
+[101] Midgard is de aarde.
+
+[102] Deze volkeren voerden hunne voetknechten aan in het uiterlijk van
+wiggen. Zoodanige wig--door de Romeinen Cuneus genoemd--diende om de
+slagorde der vijanden van een te splijten. De hoogsten in rang waren
+steeds de eersten of voorsten, dat vorst werd. Weder een overgang,
+geachte lezer.
+
+[103] Men weet dat zij bij nachten telden, niet bij dagen.
+
+[104] Blommaert.
+
+[105] Schreijen was te week voor den krachtigen voorvader.
+
+[106] Men had eene of meer houtsoorten die het liefst voor lijkbrand
+gebezigd werden. Certis lignis, zegt Tacitus.
+
+[107] "En terwijl de rossche vlammen nu blinken dan bezwijmen, op
+en omstralen naar alle zijden, de lijkmijt in vollen brand staat
+en den kring der aanwezigen sterker en sterker verlicht met een
+aanwakkerenden rooden gloed, heft de aanvoerder Chrenebedar een schril
+gehuil en ontzettend gekrijt aan, luid roepende den naam des dooden,
+en zijne stem verheffende met akelige kracht, totdat de lijkbrand heeft
+uitgeblaakt, de mijt is verteerd, en geen vlamme meer opflikkert uit
+den zaamgestorten hoop." Hofdijk, Historische landschappen, bladz. 76
+en 77.
+
+[108] Dit gebouw staat aan de N.W.zijde des kerktorens aan den hoek
+der straat en is op het kadaster aangeduid als 825.
+
+De vochtige houtskolen zagen de werklieden voor steenkolen aan.
+
+De beenderen waren dikwijls tot groote onregelmatige stukken,
+waarschijnlijk door het vet, in elkander geschroeid en hadden--gevoegd
+bij den vochtigen grond waarin zij waren--eene aanmerkelijke
+zwaarte. De ontruiming had plaats in 1858.
+
+[109] Blommaert, 123.
+
+[110] Van den Bergh.
+
+[111] Buddingh, 148.
+
+[112] Welligt nemen ons sommige uit de schoone sekse het kwalijk indien
+wij het wereldkundig maken waarom men zegt dat dit naklepje is. Nu,
+laat ons het dan verzwijgen, dat men dit doorgaans beschouwt, omdat
+velen harer bij hun leven steeds het laatste woord willende hebben,
+men haar dit ook bij haren dood toekent.
+
+[113] Alle overledenen van buiten, wie ook, worden naar de stad
+gereden. Voor nabestaanden die dit niet kunnen bekostigen, wordt
+het gratis gedaan, meestal door de buren. In de buurt Willeskop
+zelfs wordt de lijkwagen, ook van den minsten daggelder, door vier
+paarden getrokken.
+
+[114] Dit laatste echter niet als ten tijde van het heidendom.
+
+[115] Beiden naar Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden.
+
+[116] Ook de kap der nonnen laat dit oude hoofdkleed nog zien; ook
+die veranderden hun kleed niet, hoe dit bij anderen mogt wisselen.
+
+[117] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.
+
+[118] »Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige
+op de ruime en woeste heide, sommige op de bouwakkeren,"
+enz. Schatk. Oudh. van L. Smids, 1711.
+
+[119] Schatkamer Oudheden, blz. 327.
+
+[120] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.
+
+[121] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 156.
+
+[122] Engelberts, Aloude Staat, blz. 163 en 164.
+
+[123] Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg van Kralingen"
+zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.
+
+[124] Vergelijk en zie hierover L. Smids, Oudheden, op Romeinsche
+Oudheden, bladz. 296 en 297.
+
+[125] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.
+
+[126] Bladz. 2.
+
+[127] Engelberts Gerrits, Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.
+
+[128] Hofdijk, Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.
+
+[129] Van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.
+
+[130] Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere
+somme gelds onder anderen Oudewater verpondt aan Florens V, graaf
+van Holland, bij van Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.
+
+[131] Oudewater is volgens de eerste en oude verdeeling, bij de
+Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oude
+Noord-Holland en wel in die landstreek begrepen, en welke daarom
+alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel. Van Kinschot,
+a. b. bladz. 1.
+
+[132] Zie hierover Taalkundige bijdragen tot de naamsuitgangen door
+Mr. J. H. Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P. Blommaert, Aloude
+historie, bladz. 18.)
+
+[133] Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch
+is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer
+opmerkelijk.
+
+[134] G. van Loon's Aloude hollandsche historie, bladz. 8.
+
+[135] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 382.
+
+[136] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.
+
+Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden
+is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?
+
+[137] Dezelfde, bladz. 386.
+
+[138] Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden
+naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden
+der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het,
+dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene
+moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men
+ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd
+ter neder geschreven.
+
+Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet
+meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed,
+doch markveld; en de meening dat Oudewater voorheen zoo groot zoude
+geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.
+
+[139] Arnold Buchelius bij S. van Leeuwen, Batavia sacra, II,
+bladz. 164, en Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot, bladz. 4.
+
+[140] Men zie vooral hierover, den brief van paus Gregorius de Groote
+aan den abt Mellitus en den aartsbisschop Augustinus van Engeland,
+aangehaald bij BLOMMAERT, Aloude Geschiedenis, bladz. 135 en 136.
+
+[141] Liefland, Utrecht's Oudheid.
+
+[142] Heldring, Opsporing van Bat. en Rom. Oudheden, bladz. 84 en 85.
+
+[143] Zoo men meende ter verfraaijing liet men eertijds elders
+menigmaal toe, dat de duifsteen werd verwijderd, om plaats te maken
+voor keuriger metselwerk. De kostbaarheid der cementsteen was echter
+de grootste drijfveer.
+
+[144] »III Reg." III, 4.--Verg. II paral. I, 6.--Zie ook Kreuser,
+»Kircherb." I, 48 en volg.
+
+[145] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 30.
+
+[146] Vroeger is reeds opgemerkt, dat in 1854 de kermistijd in Augustus
+gebragt is. (Zie hiervoor bladz. 70).
+
+[147] Beschrijving van Oudewater, door G. R. van Kinschot.
+
+[148] Deze stukken zijn rekeningen van verpachtingen en verhuringen van
+landerijen, behoorende aan zeker, mij nog onbekend, godshuis of kerk.
+
+[149] Nl. aldus. Van Sinte Cornelis autaer te Oudewater de somma van
+een pondt thien schillingen, ten prijs als boven, van X mergen lants,
+die denzelven autaer heeft, strekkende als voren, de voorsz. somma
+van enz.
+
+[150] Van heer Cristiaen Reijersz. vicaris van St. Jans autaer te
+Oudewater de somma van enz.
+
+[151] Nl. de originele giftbrief ten behoeve van het St. Jacobs
+autaer in de kerk, voor schout en schepenen, der stad verleden,
+door Jan Roest Hermansz. dd. 28 Augustus 1454.
+
+[152] Zie historie van het Bisdom Utrecht, uit het latijn door
+H. v. R. 2 deel bladz. 332.
+
+Voorts merken wij ieder op, dat wij volstrekt niet achterhaald willen
+zijn, met de aanmerking, dat oudere stukken nog gewagen, van een
+H. Geest-, H. Kruis-, St. Anna-, Simon- en Judas-altaar enz. die zullen
+elders aanwezig zijn geweest,--en in zoover betrekking op deze plaats
+hebben, dat men aan de altaren hier eenige pacht of iets dergelijks
+moest daarvan opbrengen. De door ons genoemden worden duidelijk als
+hier geweest zijnde, genoemd.--De aanwezigheid van een St. Anna altaar
+wordt echter nog het minst door ons ontkend.
+
+[153] Toen de Zaligmaker door Johannes in de Jordaan werd gedoopt,
+vertoonde zich de H. Geest in de gedaante eener duif, en men hoorde
+eene stem uit den hemel: dit is mijn welbeminde zoon, in wien ik mijn
+welbehagen genomen heb.
+
+[154] Naar men verneemt, is dit merkwaardig doopvont nu in bewaring
+van den president-kerkvoogd.
+
+Een arbeider, tegenwoordig, bij de door ons gedane bezigtiging, was zoo
+vriendelijk eenige afmetingen voor mij te doen,--hij kon echter, door
+ons niet bewogen worden, dit in Nederlandsche maat te doen, zeggende,
+dat "een oudheid ook met oude maat gemeten moest worden."--Zie hier
+dan de uitkomst zijner meting, »33 Amst. duimen lengte, over 't kruis;
+26 dito, lengte der waterholte; 8 1/2 duim diepte bij den rand der
+holte en 14 duim in het midden."
+
+[155] De H. Linie door Alberdingk Thijm.
+
+[156] De uitleggingen van I H S zijn te menigvuldig om hier ter neder
+te schrijven--MARIA JOSEPH is duidelijk zoo ook A (anno) dni (domini)
+1503. Het aanzien en den aart dezer schildering, is in den trant, van
+die in de kerk te Naarden, dat door sommigen voor waterverw schildering
+gehouden wordt. Met innige spijt, vermelden wij, dat naar men verneemt,
+dit grijze gedenkteeken verbroken is.
+
+[157] Indien wij na deze beschrijving echter nagaan, dat de gewelven,
+der tegenwoordige consistorie en catachiseerkamer nog gothisch zijn,
+hoewel overkalkt, dan durven wij vrij zeker bepalen, dat men, na
+voorzigtige verwijdering der kalk, nog zoodanige gewelfschildering zal
+aantreffen, door oudheidkundigen en geschiedminnaars in den laatsten
+tijd zoo lofwaardig nagespoord en gecopieerd.
+
+[158] De mannen besloegen in de kerk de zuid- en de vrouwen de
+noordzijde, daarom welligt ook de zuidelijke en noordelijke ingangen.
+
+[159] Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden.
+
+[160] Zie Collectio Monument Foed Belg bladz. 306.
+
+[161] Die thans door den beitel des steenhouwers zeer onkenbaar
+is geworden.
+
+[162] Van dit grafschrift door den heer KINSCHOT bladz. 35 beschreven
+is thans eveneens slechts een gedeelte, door het verwoesten der zerk
+in 1857-1858 te zien, en wel in de voorkerk.
+
+[163] Zie VAN KINSCHOT enz. bladz. 36. Wij hebben de zerk echter niet
+meer kunnen aantreffen.
+
+[164] Ook van dezen steen bij VAN KINSCHOT vermeldt, is geen spoor
+meer aan te treffen.
+
+[165] Hier valt de gordijn, de arbeiders hadden reeds eenigen tijd
+hierop gebeukt eer men gewaar werd, dat deze steen zich daar onder
+bevond en was alzoo grootendeels beschadigd.
+
+[166] Woorden des Zaligmakers.
+
+[167] Men heeft echter meerdere uitmuntende klokkengieters gehad,
+die Both heeten. Zoo treffen wij in het carillon b. v. een klok aan,
+waarvan het omschrift is, Gerardus Both me fecit soli deo gloria 1601,
+en een andere wier opschrift aldus luidt: Gerardus Both me fecit soli
+Deo gloria 1711.
+
+Zie over hen, Levens van beroemde Nederlanders, enz.
+
+[168] Beschrijving van Oudewater, bladz. 31.
+
+[169] Ook eene aanteekening van een oudheidminnend vriend luidde: De
+kerk te Oudewater, aan St. Michiel toegewijd, dagteekent van Anno 1003.
+
+[170] Kinschot, bladz. 31.
+
+[171] Resol. van Holland, 12 Sept. 1647, bladz. 230.
+
+[172] Resol. van Holland, 15 Augustus 1721, bladz. 612.
+
+[173] Omstreeks 1750 was alhier schoolmeester en voorzanger, de Heer
+Simon Jan Verwei, zooals een brief van hem getuigt, waarvan wij om
+de pedante en bespottelijke toon die daarin heerscht, niet kunnen
+nalaten, onzen lezers copie mede te deelen.
+
+Copie van een brief, gezonden door Simon Jan Verwei, schoolmeester
+te Oudewater, solliciterende naar het vacante Voorzangers- en
+kosters-ambt, van Zalt-Bommel.
+
+"Zonder roem, maar naar waarheid dient deze tot informatie, dat onze
+familie bestaat in man, vrouw en zoon. Wij zijn ruim 40 jaren. De
+zoon, de kracht onzer lendenen, in de fleur zijner jaren, de staf
+onzer bejaarde dagen, 20 jaren, een meester glazenmaker en verwer,
+meestetijd mijn ondermeester, een jongeling onzer gelijkenis
+en wel geformeerd van leden. Soo UEd. Achtb. begeert een wel
+gedresseerd schoolmr. en voorzanger, Godt geve UEd. Achtb. verstand
+en voorzigtigheid, in de ellectie van soodanig een man of persoon,
+verzekerd UEd. Achtb. aangaande mijne wetenschappen, bestaande
+in deze navolgende: namelijk Italiaanschen scheepsboekhouden,
+wijnroeijen, konst der stuurlieden, landmeten, sonder roem, doch het
+is Gods gave--extra ordinair singen, als het Godt belieft, indien
+UEd. Achtb. begeerig zijt zulks te zien of te hooren tot verwondering
+en verbaastheid, dat soo een teeder ligchaam in lesen en singen,
+soodanich een geluid kan maken. Ik ben op mijn vierde verandering
+van domicilium, alle figuren op het konstigst, door ovaal ronduit
+met de passer te haalen, alle sonnewijsers te smeere, Italiaansche
+en Romeinsche letters, tot vijftig diverse banden te schrijven en te
+vergulden en diergelijke capaciteiten meer, ook in de vlugheid der
+pennen niemand, terwijl de roem buitengeslooten. Ben verzekerd, dat
+UEd. Achtb. nog beter zullen vinden, als ik het hier met de pennen
+geexprimeerd, wanneer gij mij gelieft te zien, hebben UEd. mij maar
+op UEd. Achtb. kosten te commanderen of door iemand te laten haalen,
+de distantie tusschen beide is omtrent 9 of 10 uren, mijne huisvrouw
+is de allerbekwaamste in haar huishouden, en in het assisteren in
+mijn school, van de hoofdschedel tot de voetzolen toe, ben ik een
+schoolmeester. Wijn nog sterkendrank wordt nooit van mij gebruikt. Sijt
+nog voor 't laatste versekerd, UEd. Achtb. sullen het nog beter vinden
+aangaande mijn comportement zal vertoont worden, door ecclesiastike
+en politieke ondertekeninge. Sal mij hierop mij verlaten.--Per naaste
+occasie verwacht ik antwoord van te komen of niet, soo UEd. Achtb. mij
+niet op soodanich conditie geliefd te hooren ofte sien, geliefd
+dan maar de goedheid te hebben van mijn papieren terug te senden,
+dan hope, dat God UEd. Achtb. wil geven eendragtigheid en liefde
+in de ellectie van een goed eerlijk en bekwaam man, de Heere zegene
+UEd. Achtb. en de Heer Burgemeester der gemeente, na het electeren
+van een ander persoon voor het vacerende ampt van een schoolmeester
+en voorsanger.--So blijve na hartelijke salutatie van onderdanige
+dienst aan UEd. Achtb. met de broeders der gemeente tot Zalt-Bommel.
+
+
+Achtb. Heeren,
+Votre très humble Serviteur
+SIMON JAN VERWEI."
+
+
+Medegedeeld in "de Navorscher" 1856, bladz. 302, door Prins.
+
+[174] Vide Bisdom van Utrecht uit het Latijn door H. V. R(yn)
+II. D. bladz. 333-334.
+
+[175] Ib.
+
+[176] Ib. I. D. bladz. 216-218.
+
+[177] H. V. R(IJN) maakt in zijn bisdom Utrecht van dezen pastoor op
+bladz. 339 aldus gewag.
+
+Onder de oude pastoors dier plaats moet nog gerekend worden Loeffridus
+van der Haer, van wien in het doodboek van Mariendale van Utrecht,
+het volgende staat aangeteekend: Op den 30 Maart is overleden
+de godvruchtige en eersame Loeffridus van der Haar, kanunnik
+van St. Mariaas-kerk, pastoor van Oudewater. Het jaartal staat er
+echter niet bij, zooals dit doorgaans op de doodregisters niet staat
+uitgedrukt, de dag alleen werd aangeduid om den tijd te weten waarop
+de jaargetijden moesten gehouden worden; zoo ook hier.
+
+Vide Matth. de fatis eccles bladz. 44.
+
+[178] Zie doodreg. van de herv. kerk.
+
+[179] Welligt waren deze 3 laatsten geene geestelijken; doch slechts
+getijdemeesters.
+
+[180] P. C. HOOFT, Nederl. Gesch. D. I. b. 10 fol. 433.
+
+[181] HOOFT'S, Nederl. Gesch. fol. 30.
+
+[182] Alhoewel het ook mogelijk is, dat de Hervormden, die nog
+voorloopig daar bewaarden.
+
+[183] Hier is dus een tijdvak van 1575-1578, dat wij geen predikant
+aantreffen, het bezetten en verminken der plaats door de Spanjaarden
+is daarvan eene der redenen.
+
+[184] Heeft zijn intrêe-predicatie gedaan 17 Dec. 1741 en is vertrokken
+naar Zutphen den 19 April 1744.
+
+[185] Men had de kerk immers kunnen restaureren naar de originele
+orde zooals b. v. van Utrecht de domkerk? doch hoe het zij, er is nog
+eene schets van haren staat in 1856, eere dus den vervaardiger! Mijn
+geachte kunst- en historie minnende vriend den heer E. C. Rahms alhier,
+heeft voor de reconstructie in 1857 en 1858, de gedaante der kerk
+door een schoone afteekening gered.--Reeds meer heeft hij zich door
+het vervaardigen van dusdanige schetsen loffelijk gekweten.--
+
+[186] Meestal was het eene vrouw, die de roomschen ging verwittigen
+van de komst eens geestelijke. In dien tijd had men aan de woonhuizen
+zelden of in het geheel geen bellen, doch ijzeren kloppers, zooals
+die nog hier en daar in deze plaats te vinden zijn, zij moesten dus
+geklopt worden, en van daar waarom men die vrouwen klopjes noemde.
+
+[187] Ten minste zeker is het, dat in 1626 men zich om het genoemde
+doel daar nog vereenigde.
+
+[188] Vide, Kerkelijke Courant, No. 76, Jaargang, 1858, waar men nog
+meerdere bijzonderheden omtrent Tyras aantreft.
+
+[189] Bisdom Utrecht, door H. v. R., bladz. 334, 2 deel.
+
+[190] Opmerkingswaardig deed zich het verschijnsel op, dat de eene kerk
+door de burgers gebruikt werd, en in de andere zich de buitenmenschen
+vereenigden, daarom noemde men deze kerken de Heeren- en de Boerenkerk.
+
+[191] Houtman stierf alhier den 20 Februarij 1683. (Zie doodreg.)
+
+[192] Overgow was in Delfland geboren en de eerste der Hollandsche
+theologanten die te Rome in het Collegie van Urbanus gestudeerd
+heeft. Zie Bisdom Utrecht, bladz. 335. 2 deel.
+
+[193] Zekere pater van Ingen is in deze tijden meermalen geruimen
+tijd als kapelaan-noodhulp hier geweest.
+
+[194] De pastoors Theodorus van Hagenouwe, Godefridus Spruyt en
+Franciscus Johannes Guddee hebben ook de gemeente in het naburig
+Polsbroek bediend.
+
+Deze gemeente bestaat nu sedert 1842 daar niet meer en de kerk is
+later tot ander doeleinde ingerigt.
+
+[195] Dit huis is genommerd No. 457.
+
+[196] Aangeduid onder No. 402.
+
+[197] Is bekend onder No. 496.
+
+[198] Beschrijving der stad Schoonhoven door H. van Berkum bladz. 418
+en volg. (Anno 1762.)
+
+[199] Ook in de oudheden van Rijnland uit het Latijn, door H. v
+H. bladz. 457 worden deze zusters, als oorspronkelijk uit Sinte Agnes
+convent te Schoonhoven genoemd.
+
+[200] Hier moeten wij echter indachtig maken op eene, onzes inziens,
+verkeerde opvatting, die wij meermalen aantroffen, en ook door H. v
+H. in zijn Rijnlandsche oudheden op bladz. 412 gedeeld wordt; er
+staat daar nl, dat deze nonnen eerst tusschen Schoonhoven en Oudewater
+gewoond hadden; doch zoo als wij reeds schreven, om de oorlogen, die
+het platteland onveilig maakten naar Oudewater weken. Hij wederspreekt
+hier dus letterlijk, hetgeen hij uit een origineel stuk op bladz. 457
+zegt, dat zij uit Schoonhoven zelve kwamen zoo als ook van Berkum op
+bladz. 418 en 419 schrijft. Daarbij komt nog, dat voor zoover mij
+bekend is, er nooit een vrouwenklooster tusschen deze twee steden
+ooit geweest zij.
+
+Volgens veler en ook onze meening, schijnt de zaak ons eenvoudig
+aldus toe, zooals wij reeds hiervoren in den tekst schreven, dat zij
+uit Schoonhoven gingen, aangezien het platteland om genoemde reden,
+tusschen die twee plaatsen onveilig was. De verkeerde opvatting en
+plaatsing van het woord tusschen, zou alzoo de reden van de genoemde
+dwaling zijn.
+
+[201] Deze straat het heilig leven die nog haren naam aldus draagt,
+zal naar onze meening, wel naar deze nonnen genoemd zijn.
+
+[202] Het tegenwoordig zoogenaamd kerkje--waarover later.
+
+[203] Wij zien hieruit, dat de "stede muer" of vesting muur in deze
+tijden reeds op bijna, of geheel op dezelfde hoogte was, als de
+tegenwoordige vesting wal, zelfs houden wij het er voor, uit dezen
+brief op te maken, dat zij nog meer dan de wal stadbinnenwaarts
+lag--Alzoo weder een bewijs, dat het markveld geen marktveld was--men
+vergelijke hierover bladz. 160-163 hiervoren.
+
+[204] Wie zegt mij de beteekenis van dit woord?
+
+[205] Deze zijl en dit watertje bestaan nog, en nog dagelijks ziet
+men er de eb en vloed even als toen. De afdammingsluis bij Haastrecht,
+eerlang gebruikt zullende worden, zal ook hier de eb en vloed echter
+niet meer toelaten.
+
+Wat de "scone put" betreft, deze werd nog in 1827 ontdekt bij het
+vergrooten der stads school, als wanneer men tevens bevond, dat zij
+nog zeer zuiver water bevattede.
+
+[206] Welligt Bartholomeus Janse, die wij hiervoren onder de pastoors
+der kerk noemden in 1403.
+
+[207] Onder reventer, moet men eetzaal verstaan.
+
+[208] Zie Batavia Sacra D. II. bladz. 265 en Beschrijving van Oudewater
+door G. R. van Kinschot bladz. 58.
+
+[209] Vaderlandsche historie door Wagenaar bladz. 492-498.
+
+[210] Instrument-Public. apud Matth. Anal. tom. V. 403.
+
+[211] Heda bladz. 284.
+
+[212] Zie Batavia Sacra, (8vo editie) 2de deel.
+
+[213] Bulla Martini V in Matthaei Anal. tom. V. 421. en Decret. Vide
+in Matthaei Anal. tom. V. 423.
+
+[214] Script. Rud. Dien de mudes in
+Ger. Dumbar. Anal. tom. I. bladz. 71-75 Magnum chron. Belg. bladz. 370
+en 371.
+
+[215] Chron. de Traject 433-440 Zued. de Culumb. en Orig. bladz. 630.
+
+[216] Act. Ultraject ubi supra bladz. 449.
+
+[217] Dordrecht door Beverw. bladz. 314. Balen bladz. 774.
+
+[218] Monstulet vol. II. 34 vers.
+
+[219] Beschrijving van Schoonhoven, door H. van Berkum bladz. 419.
+
+[220] Ibid.
+
+[221] Oudheden van Rijnland bladz. 412-419.
+
+[222] Ibid. bladz. 459.
+
+[223] In de bevestigings of verdragsbrief van den pastoor van
+Oegstgeest waarvan wij zoo even in den tekst melding maakten,
+was de bevestiging van Zwederus gestoken en een zinsnede uit den
+laatsten luidt aldus: »maar nadat gijl. op het gemeld stuk lands,
+te weten Marienpoel van een bequaame woonplaats verzorgt zult wezen,
+en gijl. uw verblijf aldaar genomen zult hebben, dan zult gijl. van
+dien tijd de voorrechten die gijl. te Oudewater genoten hebt, niet
+langer mogen gebruiken."
+
+[224] Zie denzelve in de Oudheden van Rijnland bladz. 413-419.
+
+[225] Met gerustheid echter mogen wij vooronderstellen, dat de
+zusters niet alles aan den Heer van Zwieten verpligt waren. Wie toch
+zal in omstandigheden als waarin de vlugtende nonnen verkeerden,
+niet de gereede voorwerpen van waarde bij zich nemen. Wij mogen dit
+ook alzoo van deze conventualen aannemen--Nog meer. Hertog Philips
+magtigde zelfs een zekere Jacob Boudewijns om al het vee, have enz.,
+dat zij achter gelaten hadden naar Leiden te mogen vervoeren. Ook
+deze magtiging zullen wij hier laten volgen.
+
+"Philips &c. Doen cont allen luden, dat wy omme Goidts wille,
+ende om oitmoedich vervolg der besloten Nonnen van Oudewater, die
+mit alle hore woonstadt ende have gecomen syn tot Leyden om aldair
+te woonen, ende te blyven, den selven geconsenteert hebben, ende
+willen dat sy alle hoir beesten, have ende goide die sy t'Oudewater
+of ter Goude of dair ommetrent hebben sullen doen halen bij Jacob
+Boudynssoon. Toenre des Briefs ende bringen tot Leyden tot behoef
+ende nutschap der Nonnen voirschreve, ombieden dairomme allen onsen
+Ambtluden, Rechteren, Dieneren ende goede luden binnen Steden ende
+dair buten, ende namelick onsen Capiteynen ende Hooftmannen van onsen
+Soudenaeren ende Luden van Wapenen mit sonderlinge Ernste, dat sy
+onsen geminden in Gode den voirschreven Nonnen deser onser gonste
+ende gratie vrylic laten genieten ende den voirnoemden Jacob mit
+horen vye ende goeden rustelick, vredelick ende ongehindert trecken,
+ende comen laten op deser tyt om die te Leyden te brengen in der
+maten voirsz. ende des niet en laten alsoo lieve als wy hem syn,
+want wyt alsoo gedaan willen hebben."
+
+[226] Oudheden van Rijnland bladz. 410-463.
+
+[227] De bijzonderheden daarop volgende zijn ons bekend--zij luiden
+daar aldus »deze voerz. susteren worden verdreven van Diephout, om
+Bisschop Sweers willen, die te Utrecht bisschop ghekoren was ende
+van Diephout wt verdreven wort."
+
+[228] Velius Hoorn, bladz. 51.
+
+[229] Veldenaar, bladz. 131.
+
+[230] I Memoriaalb. Rose.
+
+[231] Apud Matthaeum ad Rer. Amorfort, bladz. 283 en bij Burman,
+Utrechtsche Jaarb. I D., bladz. 401.
+
+[232] »De scheuring in het Bisdom van Utrecht, duurde nog eenigen tijd,
+doch Rudolf vervolgde zijne zaak zoo ernstig aan het Roomsche Hof,
+inzonderheid na den dood van Martinus, dat hij, door Eugenius den
+IV, in het Bisdom bevestigd werd en zij die in den geestelijken ban
+waren, ontslagen werden. Zweder beriep zich ook op de kerkvergadering,
+die toen te Bazel werd gehouden. Hij trok zelf in persoon herwaarts,
+en werd aldaar bevorderd tot Bisschop van Caesarea."--Hij overleed
+te Bazel in 1439. Zweder wordt alzoo in de rei der Bisschoppen van
+Utrecht de 52ste en Rudolf de 53ste genoemd. Zie in Batavia sacra
+uitvoerig hun leven (in de 8vo editie II. D. van 412-464).
+
+[233] Op het gemeente archief zijn aanwezig de volgende stukken,
+waarin men den staat der bezittingen enz., van dit convent kan nagaan.
+
+1. Register van boekhouding en aanteekeningen van de landerijen,
+erfpachten, en renten van het oude convent van Oudewater van 1538-1559.
+
+2. Rekeningen van het St. Ursula convent over 1578, 1579, 1667,
+1668, 1669, 1671 tot en met 1674 en meerdere stukken tot het convent
+behoorende.
+
+3. Acte van transport der bezittingen van het St. Ursula convent,
+door de conventualen ten behoeve der stad, tegen genot van jaarlijksch
+pensioen dd. 10 Junij 1582.
+
+4. Staat der eigendommen van het convent en de revenuen daarvan 11
+Januarij 1582.
+
+5. Eerste rekening van den rentmeester van het St. Ursula-convent
+over de jaren 1582 en voorts die over de jaren 1583, 1589 en 1599.
+
+6. Acte relatief de alimentatie, geteekend (eigenlijk gemerkt) door al
+de conventualen ter eenre en den rentmeester JAN JACOBSE COPPERT ter
+andere zijde, dd. 25 Augustus 1584 benevens de naamlijst en ouderdom
+der kloosterlingen in 1582.
+
+7. Stukken van verhuringen der landerijen behoorende tot het
+St. Ursula-convent en de respective Godshuizen der stadt ingegaan
+Petri 1680, 1685 en 1690 tot 1695.
+
+[234] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater bladz. 58 en 59.
+
+[235] Oudheden Bisdom van Utrecht bladz. 335 en 336.
+
+[236] Zie resol. van den magistraat van Oudewater 27 November 1602.
+
+[237] Volgens mededeeling van een oude vrouw, die dit weder van een
+zeer bejaard persoon in hare jeugd vernomen had, was dit huis nog
+volgens geheugenis van den laatsten, eertijds met een zeer groot
+getal kleine kamers voorzien geweest, waarbij hij de gevolgtrekking
+gemaakt had, en zeer juist dat dit gebouw tot gevangenis gediend
+had. De goede oude dacht echter zeker niet, dat de cellezusteren,
+dit aantal kamertjes eertijds als hare cellen zullen bewoond hebben.
+
+[238] Deze begrafenis vereeniging doelt echter tot dusver alleen op
+de dooden uit de rooms catholijke gemeente alhier.
+
+[239] G. R. van Kinschots beschrijving bladz. 59 en 274.
+
+[240] Zie deze keure omtrent het »dagvaarden over de Stads- en der
+Godshuizen Schulden," in zijn geheel bij van Kinschot, Beschrijving
+enz. Cap. 97, bladz. 553.
+
+[241] Bisdom van Utrecht, I D, bladz. 346.
+
+[242] Ibid. I. D. bladz. 705 en 706.
+
+[243] Resolutien van de regering dezer stad.
+
+[244] Keure der stede van Oudewater Artic. VI. en XIV.
+
+[245] Ibid Artic. VII, XV. en XVI.
+
+Wij mogen den lezer nu reeds niet onbekend laten, dat al hetgeen in
+den tekst omtrent de Weesvaders geschreven is, insgelijks betrekking
+had en toegepast werd, op de kerkmeesters, gasthuismeesters en heilige
+geestmeesters.
+
+Zie ook Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT,
+bladz. 92-95.
+
+[246] Onder deze "gewigtige zaken," moet men zeker begrijpen, wanneer
+Burgemeesters en Schepenen, door omstandigheden verhinderd waren, de
+noodige authorisatie te geven, en er spoed vereischt werd. Wij mogen
+wel niet vooronderstellen, dat de vroedschappen in "gewigtige zaken"
+meer magt hadden, om als zoodanig te autoriseren, dan Burgemeesters
+en Schepenen.
+
+[247] Er is in den laatsten tijd eenig verschil gerezen, tusschen den
+gemeenteraad van Oudewater ter eenre en bestuurderen van het Weeshuis
+ter andere zijde, omtrent het bezit en den eigendom van voornoemd
+gesticht. Dientengevolge is eene Commissie benoemd om in onderzoek
+te treden, of er van dit gebouw nog eigendomsbewijzen, of stukken
+waaruit de eigendom voldoende blijkt, aanwezig zijn. De uitslag van
+dit onderzoek is nog niet bekend, en de questie nog steeds aanhangig.
+
+[248] Beschrijving, door VAN KINSCHOT bladz. 55.
+
+[249] Beschrijving van Oudewater bladz. 55.
+
+[250] In 1731, bekwamen Burgemeesters en Regeerders van Oudewater
+octrooi om al de genen, die tot Vroedschap, Kerkmeesters,
+Gasthuismeesters, heilige Geestmeesters, Weesvaders, en Boekhouders
+verkozen werden, en weigerden, die bedieningen waar te nemen, te
+mogen beslaan in eene boete van 100 Gulden ten profijte der stad,
+en die boete, te mogen invorderen bij parate en reële executie. (Zie
+dit octrooi in van Kinschots beschrijving blz. 491-495).
+
+[251] Zie dit octrooi in van Kinschots beschrijving van Oudewater
+bladz. 432 en 433.
+
+[252] Bij den verkoop der brug werd de bepaling gemaakt, dat de kooper
+derzelve, de gemaakte openingen zoude dempen, en een houten brug tot
+gemeenschap in de grachten zoude daarstellen, zoo als zich dan ook
+nu een en ander vertoont.
+
+[253] Eerst in onzen tijd begint de oude vede tusschen die van
+Oudewater, en Montfoort of Stichtsen te bedaren en in loffelijke
+vergetelheid te geraken, eeuwen achtereen gingen echter voorbij in nijd
+en onderlingen twist. Wij zoeken de reden hiervan, in de menigvuldige
+oorlogen tusschen Holland en Utrecht waarin de poorters van Oudewater
+en Montfoort, vooral in Ao. 1420 onderling hevig hebben gevochten;
+doch hierover later.
+
+[254] Hiervan bestaan, gelijk wij uit een zekere bron weten nog
+teekeningen.
+
+[255] De wapens der voornoemde steden, die zich aan de poort
+vertoonden, werden door den kooper in dezelfde orde, als waarin
+zij gemetseld geweest waren, aangebragt in een blokje woonhuizen,
+gelegen in de straat genaamd het Klooster. In later tijden, zou het
+groote verwondering kunnen baren, deze daarin aan te treffen.
+
+[256] Door H. VAN VIANDEN, 38. Bisschop van Utrecht. Zie Beschrijving
+van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 4.
+
+[257] Het zal wel geen betoog behoeven, dat er reeds vóór den tijd,
+dat deze poorten gebouwd werden, geheel of ten naastenbij op dezelfde
+plaats reeds poorten van denzelfden naam gestaan hebben. Zoo vinden
+wij in "die ordinan van den hoemanschap upten stede muyre binnen
+Oudewater gemaeckt in den jare XVc XLIJ up sinte Maria Magdalene dagh",
+die zich ter secretarie bevindt, melding gemaakt van de
+
+
+ Linschoetepoort
+ Weerdenpoort
+ IJsselpoort en
+ Brouckepoort.
+
+
+Het is natuurlijk, dat de eerste poorten in ouderdom opklimmen tot
+de eerste ommuring der stad, waarmede men in 1321 nog bezig was of
+beginnen moest. (Zie de ordonnantie van Graaf Willem aan den Bisschop
+van Suden om aan die van Oudewater te betalen "de twee hondert pont
+suarter tornoys die wi hem gegeven hebben" om de stad te bemuren,
+bij van KINSCHOT bladz. 269.)
+
+[258] Reeds eenige jaren vóór deze poorten geamoveerd werden, was het
+reeds in den gemeenteraad besloten, de poortklok niet meer te luiden,
+en geen poortgeld meer te heffen. Ook hiervoor behoefden zij dus niet
+meer te blijven.
+
+[259] De nevensliggende brug, wordt in oude bescheiden dikwijls
+Remijnsbrug geheeten. Zie Dr. Römer Utrechtsche Volksalmanak 1859
+bladz. 44.
+
+[260] Ibid. bladz. 38 tot 41.
+
+[261] Het originele stuk, bevindt zich met meerdere omschrijving ter
+secretare dezer gemeente.
+
+[262] Zie vooral Dr. Römer in voorn. alm. bladz. 38-45.
+
+[263] Zoo als de andere torens in de vestingmuur heette ook deze
+toren, en omtrent den ouderdom van de Romeintoren, zou dus hetzelfde
+van toepassing zijn, hetgeen wij in de noot op bladz. 269 van den
+ouderdom der eerste poorten schreven.
+
+[264] Aan de officieren der Graaflijkheid, was het opzigt in de
+beheering van dezen toevertrouwd en aanbevolen--KINSCHOT, bladz. 50.
+
+[265] Onze meening, dat het gebouw onzer beschrijving een drieledig
+doel 1. ter verdediging (van boven op het plat) 2. tot wachtplaats,
+hoofdwacht? (in het middengedeelte) en ten derde tot gevangenis (in
+het benedengedeelte of den kelder) gehad heeft, werd vooral in het
+tweede of meest twijfelachtige gedeelte dezer bewering bevestigd,
+doordien men aan de zuidzijde van dezen toren bij het amoveren, een
+schoorsteen vond, deze schoorsteen, was later met een minder groot
+soort van steenen digtgemetseld, zeker wel omdat men toen ook dit
+gedeelte voor gevangenis heeft ingerigt, en de hoofdwacht naar de
+kortbij gelegen IJsselpoort werd overgebragt. Zie hiervoren bl. 265.
+
+[266] Zie Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 23.
+
+[267] Chartr. Chronijk 2. boek, bladz. 138. S. van Leeuwen, Batavia
+Illustrata bladz. 1304.
+
+[268] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT.
+
+[269] Welligt, komen wij later op deze ruïne in afzonderlijke brochure
+of bijdrage terug.
+
+[270] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 27.
+
+[271] Hier moeten wij op het meesterstuk van den Utrechtschen schilder
+Stoop, voorstellende den moord door de Spanjaarden in 1575 een kleine
+aanmerking maken, daar het kasteel dat eerst in 1585 werd verbroken
+er niet op voorkomt en zulks er toch op behoorde aangeduid te zijn.
+
+Tegenover bladz. 28 geeft VAN KINSCHOT een gezigt op het kasteel in
+Ao. 1555.
+
+[272] In het tooneel der Vereenigde Nederlanden 2. deel bladz. 133
+en Cronijk van Holland door W. VAN GORTHOEVEN bladz. 91.
+
+[273] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 76.
+
+[274] Tooneel der Vereenigde Nederlanden t. a. p.
+
+[275] Zie over dit kasteleinschap, ook van Kinschot bladz. 25.
+
+[276] VAN KINSCHOT blz. 49.
+
+[277] VAN KINSCHOT's beschrijving bladz. 51.
+
+[278] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 56, 57.
+
+[279] "In de 13de eeuw hadden zich eenige kooplieden, uit Italie
+op Franschen, Engelschen en Nederlandschen bodem nedergezet, onder
+deksel van aldaar koophandel te drijven, doch meest met oogmerk, om
+aan behoeftigen geld te leenen, of, op onroerende en voornamelijk op
+roerende goederen geld te schieten, tegen hooge interest. Zij dragen
+in schriften van den tijd, den naam van cawarsini, of coarsini,"
+die de geslachtsnaam van de eersten of voornaamsten schijnt geweest
+te zijn. In het jaar 1260, werden zij, om hun overdadig woekeren,
+uit Braband verdreven (Miraei Op. dipl. Tom. 1. bladz. 207) doch
+het leed niet vele jaren, of zij kwamen weêrom, en men had hen
+in de Nederlanden en bijzonderlijk in Holland, zóó noodig, dat
+zij, zoo lang zij het niet al te grof maakten met woekeren, in
+verscheidene steden zich mogten vestigen en gedoogd werden. In de
+14 en 15de eeuwen, werden zij gemeenlijk Lombarden of Lombaarden
+genaamd, omdat de meesten of eersten, uit Lombardije herwaarts
+gekomen waren. Te Schiedam bewoonden zij in 1327 een steenen buis,
+(Wilhelm Procurat. ad annum 1327 in Matthaei Anal. tom II. bladz. 663)
+dat te dien tijde en daar ter stede, iets ongemeens was. Uit een
+handvest van Delft van den jare 1342, blijkt, dat zij in die stad
+toen reeds eenigen tijd, hun verblijf gehad hebben in een huis, dat
+de Camerette, of ook wel der Lombardenhuis genaamd werd (Delft door
+Bleiswijck bladz. 606). Te Oudewater onthielden zich twee Lombaarden,
+in den aanvang der 15 eeuw, gelijk klaarlijk blijkt, uit eenen brief
+van den 1sten April, Anno 1412 (1413) zie Mieris Chartre boek IV Deel
+bladz. 230) en 't is zeer te vermoeden, dat zij ten dezen tijde ook
+reeds in Amsterdam geweest zullen zijn, schoon mij niet bekend is,
+dat er in oude schriften of stukken eenig gewag van gevonden wordt
+voor het jaar 1477." (Getrokken uit de beschrijving van Amsterdam
+door J. WAGENAAR 7de stuk bladz. 111-112.)
+
+[280] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 269.
+
+[281] Resol. van Holland 17 November 1578.
+
+[282] Ibid. 12 November 1580.
+
+[283] (Was geregistreerd in 't Brasielsche Reg. van 1540 tot 1555
+ter Graeflijkheids Rekenkamer, fol. 120 vso.) Zie beschrijving van
+Oudewater, door van Kinschot, bladz. 150 en 151.
+
+[284] Volksletterkunde, Geschiedkundige schets van het bijgeloof,
+inzonderheid in Nederland, bladz. 1-2. te Amsterdam bij E. S. Witkamp
+1856.
+
+[285] Ibid. bladz. 3-4.
+
+[286] Zie het opstel over deze onze Waag alhier, van Ds. Kits van
+Heijningen, in het Tijdschrift: Lectuur voor de huiskamer, Jaargang
+1856, bladz. 300, doch in de hiervoren aangehaalde schets over het
+bijgeloof zouden deze 1500 menschen, alleen in deze twee kleine
+bisdommen, in één jaar hun leven hebben moeten geven. (Zie IV,
+bladz. 4.)
+
+[287] Zie meergemelde Geschiedkundige schets van het bijgeloof, III,
+bladz. 4 en 5.
+
+[288] Zie meergemelde schets over het bijgeloof, IV, bladz. 1.
+
+[289] Ibid. bladz. 1-3.
+
+[290] Ibid bladz. 4.
+
+[291] Zie dit stuk op bladz. 291 en 292 hiervoren.
+
+[292] Lectuur voor de huiskamer, jaarg. 1855, bladz. 302, 2de kolom,
+in zijn z. eerws. bijdrage over deze waag.
+
+[293] Deze naamlijst en deze acten, nemen wij letterlijk over uit de
+beschrijving der stad Oudewater, door G. R. van Kinschot, Ao. 1746.
+
+[294] No. In dit jaar zyn drie verscheide Persoonen gewoogen, blykende
+hier na by de Certificatie No. I, waer van de Naamen door het vermis
+der Boeken niet kunnen gemeld werden.
+
+[295] Dit is de laatste geweest, hoewel Scheltema zegt, dat nog in
+1778 zulks alhier heeft plaats gehad.
+
+Balthazar Bekker, maakt in zijn Betooverde wereld (te Amsterdam in
+1691 in het licht verschenen 4o) veel gewag van deze waag. Zijne
+bijzonderheden van het I boek zijn ons echter bekend, doch in het
+IVde boek: Geregtelijke informatiën, genomen over tooverpligtigen
+tot Harlingen en elders vinden wij in Hoofdst. XXXI § 4, pag. 263 het
+volgende aangeteekend, dat wij zelfs niet bij van Kinschot aantreffen.
+
+»Drie buitenlandsche soldaten, Barend Gerritz, van Neder-Elten, Jan
+Huijsman, van Kranenburg, beide in het land van Kleef en Jan Kerkhof
+Reklinghuisen in het Keulsche in de beruchte zaak betrokken van Tryn
+Hendricks, van tooverij beschuldigd, lieten zich nog in den jare 1668
+te Oudewater wegen."
+
+Volgens Koeningswater, Etudes historiques sur la developpement de la
+société humaine, Paris 1850 pag. 186. werden nog in den jare 1728 der
+tien personen, van tooverij verdacht, te Szegenden in Hongarije bij
+regterlijk vonnis tot deze proef verwezen. Men zie verder over deze
+waag Bijdragen tot het oude strafregt in België enz. Brussel 1829,
+pag. 142.
+
+[296] Het Troys, of Trojaansch Gewicht is dat van Doornik, en des
+Zwaar Gewicht; 't gene Vyf ten Honderd Zwaarder weegt dan het gemeene;
+en thans onder den naam van Amsterdamsch Gewicht bekend is.
+
+[297] Sedert Ao. 1800 tot den jare 1825 werden er jaarlijksch circa
+1,500,000 nederl. ponden kaas op dezelve gewogen.
+
+[298] Z. K. H. de Prins van Oranje met HDs. goeverneur Jhr. de
+Casembroot bij HDs. reize door Nederland, voor eenige jaren ook
+Oudewater bezoekende, was het HDs. verlangen, ter gedachtenis aan
+deze waag, daarop gewogen te worden.
+
+[299] (Anno 1746). Zie zijne meergenoemde beschrijving, bladz. 28,
+29 en 30.
+
+[300] Door de vernietiging van de staatsregeling tot 23 April 1798,
+ook de daarbij bepaalde departementale verdeeling vervallen zijnde,
+behoort Oudewater als voren onder het departement Holland.
+
+[301] Aan de zoldering van dit locaal bevinden zich nog in opgezetten
+staat, een bruinvisch en een zeevarken, beide gevangen in de stads
+haven bij hoogen watervloed, de laatste in het jaar 1721: eene
+bijzonderheid, die wel der aandacht waardig is, en vermeld mag worden,
+indien men daarbij in aanmerking neemt, hoe ver Oudewater van af de
+zee landwaarts ligt.
+
+[302] Wij hebben hiervoren reeds melding gemaakt, dat de Heer Rahms,
+onze Stadgenoot, door het maken van een aantal schetsen in en om
+Oudewater vele gebouwen, die sedert geamoveerd zijn, der vergetelheid
+heeft ontrukt.--Deze zelfde kunstminnaar, heeft het dit jaar durven
+ondernemen, dit Schilderstuk van Stoop te copiëren en op steen te
+brengen op eene grootte van 68 Ned. d. lengte bij 40 dm. breedte zonder
+wit. De zeer conscientieuse copij en de keurige uitvoering op steen,
+doen genoemden Heer veel eer aan, terwijl de geringe prijs (3 Gulden)
+geen beletsel is, dat velen zich de plaat aanschaffen, die eenigen
+prijs stellen op de voorvallen in het veel bewogen tijdvak onzer
+geschiedenis: den bloedigen tachtig jarigen oorlog.
+
+[303] Volgens nummering in 1859, aangeduid onder nummer 371.
+
+[304] Beschrijving van Oudewater bladz. 62.
+
+[305] Gonthoeve, chron. van Holland, fol. 502.
+
+[306] Rooms Hollands regt door S. van Leeuwen, III boek XI deel
+bl. 276 en 277.
+
+[307] Ibid. bladz. 276.
+
+[308] Ibid.
+
+[309] Handvesten en privilegien van Gouda pag. M, I Vso.
+
+[310] Ibid. pag. M. S. Vso. beide in M. S.
+
+[311] Ibid. van Weesop M. S. pag. M. 97.
+
+[312] Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot bladz. 62-67.
+
+[313] Handvesten en privilegien der stad Delft M. S. pag M. 15.
+
+[314] Beschrijving van Oudewater door van Kinschot bladz. 67-68.
+
+[315] Ibid. t. a. p.
+
+[316] Nog een schoon bewijs van goede verstandhouding met Delft bevindt
+men in het feit, door van Kinschot vermeld, dat n. l. in de spaansche
+oorlogen en wel bijzonderlijk in het jaar 1584, de vroedschap der
+stede Oudewater al zijne Leggers, boeken, Blaffers en papieren, zoo
+van de stad, kerk als Godshuizen, ten einde dezelve tegen alle gevaar
+van oorlog en roof mogten beveiligd zijn, bij een besloten brief aan
+den magistraat van Delft heeft toegezonden. Zie resolutieboek van de
+vroedschappen van deze plaats 26 Januarij Ao. 1584.
+
+Al hoewel dit nog een afdoend bewijs is, voor hetgeen wij trachten te
+bewijzen, zoo was deze toezending echter zeer slecht voor het archief
+dezer gemeente, daar deze stukken nooit terug gezonden zijn, voor
+zoover men ten minste weet. Op een aanvrage van den Heer Burgemeester
+Montijn andermaal gedaan den 2. November 1829 om deze stukken alsnog
+terug te bekomen, werd door den heer Burgemeester van Delft berigt,
+op den 12 November 1829, "dat bij een streng overzigt van de archieven
+dier stad, onder dezelve geene gevonden worden deze stad betreffende;
+dat, zoo dezelve op het raadhuis aldaar zijn gedeponeerd geweest,
+die dan, bij het gedeeltelijk verbranden van het stadhuis na 1584,
+waarschijnlijk met stukken de stad Delft betreffende, zijn verloren
+geraakt."
+
+[317] t. a. p. bladz. 143.
+
+[318] Tot in het jaar 1745 werden aan de vertrekkende lidmaten der
+hervormde kerk, de kerkelijke getuigschriften zonder zegel aan de
+vertrekkende leden gegeven, totdat in dat jaar het stadswapen in koper
+aan den kerkeraad daarvoor vereerd werd, door den Bailluw G. R. van
+Kinschot. Doelende op den rooden burg in het wapen, stond er onder
+dit zegel
+
+Jehova nostra arx forttissima
+
+d. i.
+
+God is onze sterkste Burgt
+
+onder het zegel stond:
+
+Sig eccl-Oudewater
+
+d. i.
+
+kerkelijk zegel van Oudewater.
+
+[319] Zie dit privilegie bij van Kinschot t. a. p. bladz. 270.
+
+[320] Zie dezelfde, bladz. 272.
+
+[321] Nl. in de bij van Kinschot op bladz. 315 en 316 vermelden
+giftbrief van de school dezer stede aan Pieter Pansz. in plaats van
+Mr. Jan Mouwer.
+
+[322] Zie hetzelve in zijn geheel bij van Kinschot bladz. 322 tot en
+met 324.
+
+[323] De acht Raadsmannen werden Achten genoemd.
+
+[324] Resolutie van Holland dato den 2 Mei Anno 1585, fol. 248.
+
+[325] Van Kinschot.
+
+[326] Zie van Kinschot, bladz. 75.
+
+[327] Resol. van Holland, 6 Mei 1702, fol. No. 155.
+
+[328] Keuren der Stede van Oudewater, Artic. IV T. XIII.
+
+[329] ,, ,, ,, ,, ,, ,, IV T. XII.
+
+[330] Keuren der Stede van Oudewater, Art. XVI.
+
+[331] Ibid. Art. XIII.
+
+[332] Dit is in Anno 1811 vervallen.
+
+[333] Keuren der Stede van Oudewater Art. 11.
+
+[334] Keuren der Steede van Oudewater Art. VIII et XVIII.
+
+[335] Dit geschiedt nu namens den Koning.
+
+[336] Resol. van Holland van 16 Nov. en 17 Dec. 1723.
+
+[337] Den contra-remonstranten was hij bijzonder vijandig.
+
+[338] Deze en de volgende in officio, zijn gecommitteerd, bij de
+Raden en meesters van de rekeningen der domeinen der Graaflijkheid
+van Holland, in den Haag.
+
+[339] De Graaflijkheids Rekenkamer, bij resolutie der staten van
+Holland en Westvriesland van dato 17 Maart 1728, gemortificeerd,
+en bij resolutie van 20 Julij 1729 goedgevonden zijnde, dat eenige
+der Ambtenaren op nieuw commissie van H. E. Gr. Mog. zouden moeten
+verzoeken, wanneer de termijn hunner vorige aanstelling verstreken was,
+zoo is volgens resolutie van gemelde staten dd. 12 October 1731 den
+voorz. van Kinschot gecontenueerd in zijne betrekking van Bailluw,
+Dijkgraaf en Schout der stad Oudewater.
+
+[340] Register van Aart van der Goes, fol. 262.
+
+[341] Resol. van Holland 1564, fol. 62 72, ibid. fol. 39 1565,
+ibid. 27 Januarij 1566, fol. 1 en 5 Februarij, fol. 5.
+
+[342] Ibid. 26 September 1565.
+
+[343] Beschrijving van Oudewater, bladzijde 99 en 100.
+
+[344] Reg. van Aart van der Goes, Advokaat van de Staten 's Lands
+van Holland, fol. I.
+
+[345] 3de Boek van de Griffier Sandelijn, fol. 89.
+
+[346] Reg. Aert van der Goes, fol. 11.
+
+[347] Ibid. fol. 14.
+
+[348] Reg. van Aert van der Goes, fol. 16, 50, 108, 111, 112, 142,
+145, 152 (bij van Kinschot bladz. 103.)
+
+[349] Ibid. fol. 289-292.
+
+[350] Ibid. fol. 307.
+
+[351] Ibid. fol. 329, 330, 344.
+
+[352] Resol. van Holland 1564, fol. 41.
+
+[353] Van Kinschot, bladz. 107.
+
+[354] Resol. van Holland van 19 tot 25 Julij, Anno 1572 (in manuscr.)
+
+[355] Prop. in resol. van Holland, 20 October 1574, fol. 176.
+
+[356] Antw. van Staten en resol. van Holland 12 Nov. 1574, fol. 178.
+
+[357] Resol. van Holland.
+
+[358] Beschrijving van Oudewater, bladz. 109 en 110.
+
+[359] Resol. van Holland 5 April 1583, fol. 97.
+
+[360] Resol. van Holland 11 Julij 1584 fol. 371 en 372.
+
+[361] Een voornaam gedeelte der bevolking dezer plaats stamt van
+deze in het 9, 10 en 11 geslacht en van deszelfs grootvader, (1497
+Jacob Coppert in het 13e geslacht--onder deze de Montijn's, Koning's,
+Verhoog's, Vosmeer's, enz. enz.--men vindt in vroegere transporten
+wel den naam van Coppert, doch men weet niet of voornoemde Jacob
+Coppert hiervan afstamde.)
+
+[362] Resolutie boek der steede Oudewater sub 15 Julij 1584 en van
+Holland hoc Anno fol. 394 en 414.
+
+[363] Resol. van Holland 15 Julij 1584 fol. 404.
+
+[364] Ibid. 22 Julij 1584 fol. 422.
+
+[365] Resol. van Holland, 31 October 1584, fol. 660.
+
+[366] Resolutie boek der stede Oudewater,
+
+
+[**TODO: Verify table]
+ sub datis 4 September 1586.
+ 21 September 1587.
+ 3 Mei 1588.
+
+
+[367] Resol. van Holland, 4 Mei 1589, fol. 285.
+
+[368] ib. ib. 26 Januarij, 18 Maart 1608, fol. 2, pag. 48.
+
+[369] Vide dagbladen der gem. Representanten, en resolutiën der
+municipaliteit der stad Oudewater.
+
+[370] Zie hen allen vermeld bij Johannes Trethemius.
+
+[371] Val: Adreae Bibleotheca Belgica, tom. II, pag. 708.
+
+[372] Boxhorn, tooneel van Holland, pag. 313.
+
+[373] Batavia Sacra, Dl. II fol. 266.
+
+[374] Val. Andreae, Bibl. Belg. tom. I, pag. 221, bij G. R. van
+Kinschot, beschrijving van Oudewater, blz. 137 en 138.
+
+[375] Van Kinschot blz. 141.
+
+[376] Resol. van Holland van 3 Dec. 1609 fol. 285.
+
+Wij hebben dit levensverhaal kortelijk naar van Kinschot gevolgd.
+
+Op het Gemeente Archief alhier, berust nog een eigenhandigen brief
+van Arminius, om de Wed. van Ds. Petrus Bertius (Pieter de Bert) in
+Oudewater komende wonen, in hunne bescherming te nemen--gedateerd 5
+Mei 1607.
+
+[377] Verder verwijzen wij naar Kasper Brandt, Historia vitae Jacobi
+Arminii Amst. 1705.
+
+[378] In F. Allan "De stad 's Gravenhage en hare geschiedenis,"
+vinden wij nog gewag gemaakt van den bekenden Watergeus Gerrit
+Gerritsen als te Oudewater geboren. Zie pag. 38.
+
+[379] Prof. Scheltema, heeft van dezen grooten man, in de werken
+van het Nederlandsch Letterkundig genootschap, waarvan hij Lid was,
+op eene waardige wijze, eene biographische schets geleverd.
+
+[380] Batavia Sacra 2de Deel pag 164. Halma toon. der Nederlanden 2
+D. pag. 133 en Rademaker, kabinet 4 D. pag. 223.
+
+[381] Batavia Sacra 2de D. pag. 164.
+
+[382] Van Kinschot, beschrijving van Oudewater pag. 5-8.
+
+[383] Ibid. bladz. 1.
+
+[384] ib. blz. 8. Het zij hier voorloopig aangestipt, dat deze
+vereeniging met Holland nog later door Graaf Willem den VI van Holland
+in het jaar 1404 is bevestigd geworden.
+
+[385] Deze jaartallen en daadzaken omtrent de handvesten, privilegiën,
+enz. ontleenen wij voornamelijk aan de handvesten en privilegiën van
+Oudewater, bij van Kinschot, alwaar men die stukken in zijn geheel
+vindt opgenomen. Dit neme men ook in het vervolg dezer schets in
+gedachte.
+
+[386] Ook Jan en Jacob van Driel,--de Schrijver.
+
+[387] Zie Heda Historia bladz. 244 verg. van Duijn Oudewater's Moord
+bladz. 43. Het laatste gedeelte dezer mededeeling is ontleend aan het
+Cl. Tielense bladz. 352 (overgenomen uit Dr. Römer's bijdrage in de
+Utrechtsche Almanak getiteld Utrecht en Oudewater.).
+
+[388] Diuisie Kronijk, fol. 136, van het Negende Cappittel vs.
+
+[389] Wagenaar, Vaderlandsche Historie III D. bladz. 271-272.
+
+[390] Ibid. bladz. 274 en 275.
+
+[391] Ibid. bladz. 275-280.
+
+[392] Zie dit stuk overgenomen bij van Kinschot bladz. 280-285.
+
+[393] Zie de inhoud van dit verbond bij van Kinschot pag. 502 en volg.
+
+[394] Groot Placaatboek, bij Wagenaar, bladz. 281 vs.
+
+[395] Groot Placaatboek III D. pag. 4.
+
+[396] Wagenaar Historie III D. pag. 284.
+
+[397] Wagenaar pag. 285.
+
+[398] Diuisie Kronijk, 25 diuisie, dat XI Cappittel.
+
+[399] Wagenaar id. p. 292.
+
+[400] Men zal herinneren, dat Keizerin Margaretha aan die van
+Oudewater het voorregt verleend had, dat hunne stad, nimmer van
+Hollands Grafelijkheid gescheiden mogt worden.
+
+[401] Zie breedvoeriger van Kinschot pag. 11 tot 18a.
+
+[402] Zie het Chron. auctius. pag. 274.
+
+[403] Van Duyn Oudewaters-moord, p. 44.
+
+[404] Vide het Chron. aucteus.
+
+[405] Bijdrage van R. C. H. Römer, getiteld: Utrecht en Oudewater in
+den Utrechtschen Volks-almanak.
+
+[406] Zie het rapport van Albrecht bij van Kinschot, pag. 223 vs.
+
+[407] Ibid. pag. 294 tot 295.
+
+[408] Ibid. pag. 297 tot 301, Boxhorn, pag. 81.
+
+[409] Zie de inhoud van de bijlegging der twist, bij van Kinschot,
+pag. 295 en 696.
+
+[410] Wagenaar III Deel pag. 321.
+
+[411] Wagenaar III Deel pag. 321.
+
+[412] Ibid.
+
+[413] Ibid. pag. 322.
+
+[414] ib. pag. 322.
+
+[415] Joan a Leydis, libr. XXXI cap 42. Veldenaar, pag. 95. Op Wagenaar
+III D pag. 322.
+
+[416] Wagenaar, ib.
+
+[417] In deze overname hebben wij het woord "graaf" gebruikt ten einde
+het meer begrijpelijk te maken, des graven klerk gebruikte daarvoor
+het woord "mijnheer"; vide van Kinschot, pag. 296, en volg.
+
+[418] Van Kinschot, pag. 297.
+
+[419] Ib. pag. 297 tot 301.
+
+[420] Ib. pag. 301.
+
+[421] Ib.
+
+[422] Zie Hofdijk geschiedenis der Nederlanden, pag. 169.
+
+[423] Van Kinschot pag. 303. In die oirconde staat, dat Otto van
+Asperen wegens Willem Kusers dood balling was, en in de vroeger
+vermelde besluiten van Albrecht, waren de bezittingen der zoodanigen
+verbeurd.
+
+[424] Ibid. pag. 309 en 310 en Wagenaar III D. pag 324.
+
+[425] Symon Speyaert en Claes van den Gheer in hechtenis zittende
+te Oudewater, werden mede in 1396 voor den Hove van den Haag
+ontboden, nevens de Schout van Oudewater, om tusschen de twee
+eersten eene questie uit den weg te ruimen, die waarschijnlijk op
+de tijdsomstandigheden betrekking had. Zeker is het, dat er ten jare
+1396 nog een geschil aanhangig was, tusschen Aerent Sluismanssoen en
+Wouter Ludolfssoen, die door eerstgenoemde aangeklaagd was, als in het
+openbaar zijne ontevredenheid te hebben betuigd over den vrede. Zie
+van Kinschot pag. 316 en 317.
+
+[426] Wagenaar III D. pag. 342.
+
+[427] Ib. pag. 342 en 343.
+
+[428] Zie die twee stukken in de privilegien van Oudewater bij van
+Kinschot pag. 317 a 320.
+
+[429] Men herinnere zich, dat Stavoren nog steeds Hollandsche
+bezetting hield.
+
+[430] Zie bij van Kinschot pag. 322 en 325, en bij ons hiervoren
+pag. 321 a 323.
+
+[431] Uitgezonderd twee bescheiden, in het zelfde jaar 1. dat het
+land van Woerden in zijn watergang gescheiden zoude zijn van Rijnland
+en 2. een placcaat van Albrecht »van een seggen ende gescheyden
+tusschen den Burch-Grave van Leyden ende die van Oudewater roerende
+van de tolle."
+
+[432] Wagenaar III D. pag. 343.
+
+[433] Ib. pag. 344.
+
+[434] Ib. pag. 345.
+
+[435] Ib.
+
+[436] Ib. pag. 346.
+
+[437] De onderzoekende schrijver, verwijst naar de privilegien van
+Oudewater.
+
+De hoofd inhoud van het bedoelde stuk, hebben wij echter op pag. 388
+ter behoorlijker plaatse reeds medegedeeld.
+
+[438] Die seventwintichste divisie, dat LIIII. Capittel pag. CLIIIII.
+
+[439] Utrechtsche Volks-Almanak 1859, pag. 43.
+
+[440] Kinschot is op pag. 325 in abuis, waar hij doet voorkomen, dat
+hij in het begin des jaars 1404 tot Grave was verkozen, doch zijn
+vader stierf Ao. 1404 in den winter, waarna hij hem opvolgde. Alle
+schrijvers van gezag immers, vermelden zijn dood in den winter van
+1404. Wanneer wij dus bij van Kinschot daar vinden Anno XIIII ende
+vier moet dit noodwendig zijn, Anno XIIII ende vijve.
+
+[441] Kinschot meldt 1404 moet zijn 1405.
+
+[442] Van een paar andere bescheiden van Willem den VI. ten jare 1405
+kunnen wij in den tekst niet uitweiden.--Zie den inhoud echter bij
+van Kinschot, pag. 329 en 330.
+
+[443] Men zie hierover in het breede, pag. 225, 249 van dit werk.
+
+[444] Wagenaar, III D. p. 408 en 409.
+
+[445] Van Kinschot, pag. 337.
+
+[446] Wagenaar ib. pag. 418.
+
+[447] Ibid. pag. 420.
+
+[448] Bij Wagenaar III D. pag. 427.
+
+[449] Van Kinschot pag. 505 en 506.
+
+[450] Men zie den inhoud, bij ibid III D. pag. 432-434.
+
+[451] Van Kinschot pag. 340.
+
+[452] Zie hunne namen bij ib. pag. 342.
+
+[453] Wagenaar III D. pag. 438.
+
+[454] Zie Hofdijk en van Lennep, Merkwaardige Kasteelen in Nederland
+II D. pag. 82.
+
+[455] Wagenaar III D. pag. 463, en Monstrelet Vol II pag. 27.
+
+[456] Wagenaar III D. pag. 468.
+
+[457] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 341.
+
+[458] Dr. D. J. Veegens, Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd,
+p. 109.
+
+[459] Verg. Wagenaar III D. pag. 491.
+
+[460] Veldenaar pag. 130, Wagenaar pag. 489.
+
+[461] Wagenaar ib. pag. 509.
+
+[462] Wagenaar, ib. pag. 530. tot en met 535. en van Kinschot,
+pag. 368. tot en met pag. 370.
+
+[463] Wagenaar IV. D. pag. 100.
+
+[464] Wagenaar, IV. D. pag. 174.
+
+[465] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 342 en Wagenaar,
+IV D. pag. 188.
+
+[466] ib. pag. 181.
+
+[467] Omtrent dezen tijd (in 1480) sloten die van Oudewater een
+verdrag met de stad Utrecht. Dit bezwaarlijk tusschen den tekst
+kunnende invoegen en het toch moetende vermelden, zoo plaatsen wij
+dit in een noot. Men zie den inhoud van dit verdrag bij van Kinschot,
+pag. 390, en 391.
+
+[468] Diuisie Cronyck, 33 diuisie 21 capittel.
+
+[469] Zie Wagenaar, IV D. pag. 191 en 192.
+
+[470] Crimen, sentent boek, gequot A. fol. 11, vers. bij Wagenaar,
+IV D. pag. 196.
+
+[471] Diuisie Cronyck, 31 diuisie, 31 capittel, vergeleken met
+Wagenaar, IV D. pag. 196 en 197.
+
+[472] Wagenaar, IV D. pag. 201 en 202, raadplegende Amelgarde, Gesta
+Ludoveci XI Libr. VI Capittel 21 vesius Hoorn pag. 125. Chron. van
+Ao. 1481-1483 en Matth. Tom. I pag. 397, 399 en 405.
+
+[473] Wagenaar IV D. pag. 208 raadpl. Chron. van Ao. 1481-1483,
+pag. 410-415.
+
+[474] Diuisie Chron. 31 diuisie, 37 capittel.
+
+[475] Diuisie Chron. 31 diuisie, 39 capittel.
+
+[476] Wagenaar, IV D. pag. 205.
+
+[477] Wagenaar IV D. pag. 215.
+
+[478] Zie diuisie Cron. die 31 duisie. dat XLIII capittel.
+
+[479] Zie Wagenaar IV D. pag. 216.
+
+[480] Wagenaar IV D. pag. 244.
+
+[481] Wagenaar pag. 248, en Jonker Fransen oorlog pag. 88 en 97.
+
+[482] Verg. Wagenaar IV D. pag. 248.
+
+[483] Diuisie Cron. 31 diuisie, 68 capittel, Wagenaar, IV D. pag. 260,
+Jonker Frans, oorlog, pag. 250.
+
+[484] Zoo was zijne benaming als Grave van Holland, meer bekend is
+hij echter geworden, onder den naam van Karel den V, die als Keizer.
+
+[485] Wagenaar IV D. pag. 354.
+
+[486] Repert. der Plac. pag. 3.
+
+[487] Groote Chron. diuisie XXXII Capittel 46.
+
+[488] Repert. der Plac. pag. 3 Wagenaar IV D. pag 398 en 399.
+
+[489] Men zie het plac. bij van Kinschot, pag. 400, 401 en 402.
+
+[490] Repert. der pl. van het graafschap Holland bij Wagenaar,
+IV. D. pag 429 en 430.
+
+[491] Volgens veler meening zond ook Oudewater eertijds schepen ter
+haringvisscherij uit. Het ongeveer 15 minuten van Oudewater liggende
+slot (nu ruïne) te Vliet wijst de sage aan, als de plaats, van waar
+haringbuizen uitvoeren. Dan vergezelden de vrouwen van de visschers
+hunne mannen tot aan het gehucht Goejanverwellesluis, dat zijn naam
+er van zoude gekregen hebben. De naam toch van de doorklievers van
+het zilte nat, is nog in deze dagen Jan, Janmaat; Aan de sluis,
+werden zij dan toegeroepen Goe Jan vaarwel.
+
+Wij nemen de uitlegging van dien naamsoorsprong over, uit eene der
+jaargangen van het Tijdschrift de Navorscher.
+
+[492] Zie Wagenaar IV. D. pag 470.
+
+[493] Ibid. pag 470 en 471.
+
+[494] Zie pag. 347 van dit werk.
+
+[495] De geauthenthiseerde copij, berust ter gemeente secretarij.
+
+[496] Vóór Hoeff Willemsz, waarmede zij aanvangt, staat aan den kant:
+Piet va. Evenzoo staan later bij iederen hoofdman een paar namen aan
+den kant geschreven, vermoedelijk van hen, die later die betrekking
+waarnamen. Aanm. van R. C. H. Römer.
+
+[497] Onder deze: "die in 't gastuys sijn die clouck sijn."
+
+[498] Zie het Chron. auct. Joann de Beka In Matthaei Vet. aevi
+Analect. T III pag. 316 volg. verg. van Kinschot, Besch. d. stad
+Oudewater blad. 51.
+
+[499] Zij wordt in oude bescheiden, dikwijls Remijnsbrug geheeten.
+
+[500] Zie van Kinschot t. a. p. blz. 21 vlgg. en 50.
+
+[501] Wagenaar V. D. pag. 275.
+
+[502] Wagenaar, V D. pag. 420, 421 en 422.
+
+[503] Philips II heette hij als koning van Spanje doch Philips III
+als grave van Holland.
+
+[504] Dat Karel dit nu juist verleend heeft, hierin willen wij niet
+achterhaald worden, wij verwijzen naar het hoofdstuk "de heksenwaag"
+van dit werk.
+
+[505] Zie Wagenaar VI D. pag. 5.
+
+[506] Zie Wagenaar VI D. pag. 40.
+
+[507] Wagenaar VI D. pag. 186 en 187.
+
+[508] Simon Stijl, opkomste en bloei der Vereenigde Nederlanden
+pag. 185 en volg.
+
+[509] De zeer bekende Watergeus Gerrit Gerritsen, was te Oudewater
+geboren.--Zie pag. 366 van dit werk.
+
+[510] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243.
+
+[511] Onze plaats was de eerste in Zuid-Holland.
+
+[512] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243.
+
+[513] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 144.
+
+[514] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 247.
+
+[515] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 250.
+
+[516] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 256.
+
+[517] Wij zagen het dus reeds, dat Oudewater ten jare 1572 weer
+op de eerste vergadering der staten, die 's prinsen zijde hielden
+tegenwoordig was. Het moet ons niet verwonderen, dat wij de gemagtigden
+uit Oudewater in de statenraad weer na zoo groote tusschen ruimte
+zitting zien nemen, indien wij bij Wagenaar VI D. 378 lezen. "De
+kleine steden, die sedert een aantal jaren, niet ter dagvaart plegen
+te verschijnen, kregen nu weder plaats in dezelve, opdat men haar,
+door het zoet der regering zou aanlokken tot het williger dragen der
+gemeene lasten, en anderen, die het nog met Alva hielden te ligter
+te doen omslaan."
+
+[518] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 253.
+
+[519] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 254.
+
+[520] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 273.
+
+[521] Bor Nederlandsch historien, pag. 17.
+
+[522] A. van Duyn Oudewaters moord, pag. 7.
+
+[523] Römer in zijne bijdrage Utrecht en Oudewater in den Utrechtsche
+Volks almanak.
+
+[524] De bijzonderheden van den togt zijn meest uit van Duijn,
+Oudewaters moord, die wij voor de waarheid derzelve aansprakelijk
+houden.
+
+[525] Zie ook de bijdrage van Dr. R. C. H. Römer in den Utrechtschen
+Volksalmanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater in 1575, van
+pag. 43 tot en met pag. 63.
+
+[526] Hoofdts Nederlandsch historiën, pag. 401.
+
+[527] Resol. der Staten van Holland, 12 Julij 1575.
+
+[528] Ib. 9 Aug. Anno. 1575.
+
+[529] Hoofdst. Nederlandsche historie, pag. 422.
+
+[530] P. Bor, Nederlandsche Beroerte, VIII B. pag. 121.
+
+[531] A. van Duyn, Oudewaters moord, pag. 10.
+
+[532] Van Duyn, pag. 10, en van Kinschot pag. 223 en 224, melden
+omtrent een vlugteling het volgende. Nadat hij met paard en wagen
+en de tilbare goederen, op het voorbeeld zijner gebaren gevlugt was,
+werd hij door 's vijands vooruit gespatte ruiterij zoo snel vervolgd,
+dat hij eindelijk, zich niet meer kunnende vleijen, het gevaar te
+ontsnappen, eerst zijn bevrachte wagen dwars over den weg reed, zijne
+paarden losmaakte en toen, na het medegevoerde te hebben achtergelaten,
+in het wegrennen, ten bewijs zijner nu vast gewaande vrijheid, den
+najagenden Spanjaard spottend toeriep, "Seneca, Seneca volg mij nu
+zoo gij kunt, ik zit nu te paard zoowel als gij."
+
+[533] Hoofts. Nederlandsche historien, pag. 432.
+
+[534] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121 A.
+
+[535] Van Duyn, pag. 10.
+
+[536] Wij gissen nabij het tegenwoordig Gemeente huis van Honcoop.
+
+[537] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.
+
+[538] Van Duyn, pag. 11, alwaar hij breeder de ontruiming van die
+sterkte uiteen zet.
+
+[539] P. Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121.
+
+[540] P. Bor, pag. 121 A.
+
+[541] Die noodmunten waren van 20 en 40 stuivers, men zie de afbeelding
+bij van Loon I. D. pag. 206. en van Kinschot pag. 231.
+
+[542] De brug over dit water, had de Spanjaard weggebroken, de rede
+waarom van Dam, vroeger naar Goejanverwellesluis getogen was, doch
+zich zoo zeer te leur gesteld vond.
+
+[543] P. C. Hooft, Nederlandsche historie, D. I, B. 10 pag. 433.
+
+[544] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B. fol. 121 B.
+
+[545] Ib.
+
+[546] De eerste kogel die in de kerk geschoten werd, hangt nog aan
+de gewelven van dien tempel.
+
+[547] Tot narigt voor hen, die dit doel van Hierges vreemd zullen
+vinden, omdat de stadsgracht nu te ver van den toren gelegen is,
+diene, dat de stadsvestingmuur toen ter tijde aan of zeer digt voorbij
+den toren liep, dat de Yssel als de gracht beschouwd werd, en dat
+het Veer nog niet aan de stad getrokken was, dit werd eerst in 1585
+vergund.--Zie meerdere bewijzen, in de bijdrage van R. C. H. Romer,
+in de Utrechtsche Volks-Almanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater
+in 1575.
+
+[548] Bor, VIII B, pag. 121 B.
+
+[549] Hooft, pag. 423.
+
+[550] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII, B, pag. 121 B.
+
+[551] Hooft, Nederlandsche historien, pag. 423.
+
+[552] Bor, pag. 121 vso a.
+
+[553] Van Duijn, Oudewaters moord, pag. 14.
+
+[554] Bor, VIII, B. pag, 121 vso a.
+
+[555] Hoofts historien pag. 423.
+
+[556] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.
+
+[557] Bor, Nederl. beroerten, VIII B. pag. 121, vso a.
+
+[558] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.
+
+[559] Bor, VIII, B, pag. 121, vso a.
+
+[560] Ib.
+
+[561] Hoofts. Nederl. historien, pag. 424.
+
+[562] Bor, Nederlandsche Beroerten, VIII B pag. 121, vso. A.
+
+[563] Hoofts. Nederlandsche Historiën, pag. 424.
+
+[564] Van Duijn in zijn meergenoemd boekje over den moord, meldt
+pag. 15, dat men in de stadsmuur bij de bresse, in de poort eene mijn
+gemaakt had, om die ter behoorlijker tijd in de lucht te doen springen
+en den rook in het leger te leiden, en dat men den kruidkelder dan ook
+met de poort liet springen, maar het vervroegde de inname der stad,
+immers voor de bresse, die toen merkelijk grooter werd, waren geen
+manschappen meer om die naar behooren te bezetten. Van Duijn is echter
+zeer dikwijls met geloofwaardige schrijvers in tegenspraak en het is
+dus somtijds zeer gevaarlijk, om hetgeen hij opdischt, voor waar aan te
+nemen. Dit is dan ook de rede, dat wij weinig gebruik van hem maken,
+maar liever andere bronnen, en met name van Kinschot te baat namen,
+die wij nu en dan bijna woordelijk volgden.
+
+[565] P. Bor, Nederlandsche beroerten VIII B. pag. 121 B.
+
+[566] Hoofts. Nederlandsche Historien pag. 424.
+
+[567] Meerdere bijzonderheden bij van Kinschot, pag. 257 vs.
+
+Wij mogen bijzonderheden omtrent personen, niet in alle fijnheden
+overnemen, omdat ons dit te wijdloopig zoude doen worden.
+
+[568] Bor, ib. en leven van prins Willem I, 2 D. VIII B, pag. 284.
+
+[569] Resol. der stat. van Holland 9 Aug. 1575 pag. 553 en 554.
+
+[570] Wagenaar, Vaderlandsche geschiedenis, over Sonnoy en Lumeij.
+
+[571] Zie van Kinschot pag. 256 al.
+
+[572] Voor hen, die de namen zouden willen weten, verwijzen wij naar
+de Utrechtsche Volksalm. 1859 van pag. 69 tot 86.
+
+[573] Voor een versterkte politie, is inmiddels zorg gedragen, omdat
+er tusschen "de kinderen des velds", verhit door Bachus en aangespoord
+door Cupido ligtelijk twisten ontstaan.
+
+[574] Van Kinschot, pag. 419 vso. en III keurb. der stad Delft,
+pag. 275, op het Stadhuis berusten twee registers van aangenomen
+poorters van de jaren 1577 tot 1806.
+
+[575] Het octrooi berust ter Secretarij in origine.
+
+[576] "Leendert A. van Dam en Jan Pieters Watergrave liepen menig
+keer op partij en zochten alle middelen, om die van Montfoort uit te
+lokken, omdat zij twee partijen toegedaan waren."
+
+Van Duijn.
+
+[577] Er is eene dergelijke van het volgende jaar; doch om niet
+noodeloos uitvoerig te worden, schrijf ik daaruit niets af.
+
+[578] Zie ons werk van pag. 212 tot pag. 214 en een aantal stukken
+op het archieve der stad in deze tijden.
+
+[579] Op het stadhuis is een accijnsboek berustende van bieren en
+wijn te Oudewater Ao. 1578 en 1579. In de stad waren eertijds een
+aantal bierbrouwerijen aanwezig.
+
+[580] Zie de inhoud van dit octrooi, bij van Kinschot pag. 422 tot
+pag. 427, en het origineel op het stadhuis.
+
+[581] Wagenaar VII D. pag. 94.
+
+[582] ib. pag. 139.
+
+[583] Hofdijk, geschiedenis der Nederlanden pag. 79. vso.
+
+[584] De missieve is op het stadhuis berustende.
+
+[585] Resol. van Holland 11 Julij 1584.
+
+[586] Zie Resolutie der stad, sub 15 July 1584 en van Holland ten
+zelfden jare, fol. 394 en 414. De volmagt te vinden bij van Kinschot,
+pag. 111 tot en met pag. 114.
+
+[587] Pag. 144 en volg.
+
+[588] Zie de acte van Burgemeesters en Schepenen betreffende het
+huren van zolders, tot berging van het graan, ter gemeente-secretary.
+
+[589] Vroeger tijd waren er met den Heer van Montfoort dikwijls
+oneenigheden over die gronden geweest.
+
+[590] Wagenaar, VIII D., pag. 189.
+
+[591] Wagenaar, pag. 200.
+
+[592] Pag. 203 en volg.
+
+[593] Zij bevinden zich op het stadhuis; maar kapitein van Zwieten,
+waakte, zooveel in hem was, tegen dergelijke misdrijven, in 1587
+trouwens, had de compagnie van van Zwieten nog afdoening gehad.
+
+[594] Ter viering van dit bestand binnen Oudewater bestaat er op het
+stadhuis nog de aanschrijving der Staten van Holland en Westvriesland
+23 April 1609.
+
+[595] Zie zijne levensschets in dit werk van pag. 361 tot 365.
+
+[596] Wagenaar, X D. pag. 16 en volg.
+
+[597] Ib. pag. 20.
+
+[598] Ib. pag. 20.
+
+[599] Wagenaar, X. Dl. pag. 152 en 153.
+
+"De Heer van Kinschot meldt van Lijdius, pag. 142 en 143 het volgende:
+Johannus Lijdius, schoon in Duitschland het eerste levenslicht
+aanschouwd hebbende, is ter zake van zijn langdurig verblijf en
+inwoning zoo in Holland als wel voornamelijk in Oudewater onder de
+geleerde mannen, aldaar te huis hoorende met recht geteld geworden. Hij
+was in de talen en bijzonder in de theologie en geschiedkunde zeer
+ervaren, zijne schriften zijn daarvan de getuigen. Hij heeft het
+leeraarsambt in de Gereformeerde gemeente in deze stad met grooten
+roem en algemeene hoogachting bediend van 1602 tot 1643 als wanneer
+hij overleed."
+
+Tevens moeten wij herinneren, dat van 1608 tot in 1617, de Heer Levinus
+de Raad de tweede predikant was, terwijl in het tijdvak waarvan wij
+schrijven, Gerrit Gerritszoon Crayenstein de waardigheid van Balluw
+bekleedde tot in 1618.
+
+[600] De 1. draagt tot titel: "Historisch verhaal, van de voornaamste
+swaricheden, verschillen en proceduren, sowel in kerckelijke als
+politycke saken, drie jaren herwaarts voorghevallen binnen de stadt
+Oudewater, door de kerckeraat aldaar, en eenige van de magistraten
+Amsterdam 1618."
+
+Wij behoeven niet te zeggen dat die brochure zeer contra Remonstrantsch
+is.
+
+De 2. heet "Reuckappel enz. enz., tegen de kwade lucht, onlanghs bij
+een onervaren weyman veroorsaackt, door het opdoen, ende aanwijsen van
+een valsche fenijnighe spore, enz. enz. philodelphi MDC XVIII." Dit
+boek is in zeer Remonstrantschen geest geschreven.
+
+En de 3e, is de Clachte der Ghemeynte tot Oudewater der ghenen, die
+houden hij de oude Religie, aan de edele Hooch Moghende H. H. Staten
+van Holland ende West Vriesland dienende tot wederlegginhe van
+de valschheden in een boek onder den name, ontdeckinghe van den
+oproerighen gheest der Contra Remonstranten tot Oudewater.
+
+
+ Die sijnen naam sal vermonden
+ Als de namen bij het tegenschrift sijn bevonden
+ In het jaar ons Heeren 1618.
+
+
+Zoo als men dus ziet, is die brochure weder in Contra Remonstrantschen
+geest geschreven.
+
+[601] Wij zien het dus, de leeraars waren Contra Remonstrantsch,
+en de Magistraat--tenminste gedeeltelijk--Remonstrantschgezind.
+
+[602] Tot dusver het "historisch verhaal".
+
+[603] Reuckappel pag. 72.
+
+[604] Wagenaar X Dl. pag. 159.
+
+[605] Wagenaar X Dl. pag. 160, 161 en 162.
+
+[606] Zie den hoofdinhoud bij Wagenaar, X D. pag. 162 en 163.
+
+[607] Die troepenbeweging, is welligt te meer noodzakelijk geweest,
+omdat er van 25 Junij 1623 eene publicatie bestaat, nopens de
+bevordering der eendragt tusschen de burgerij en het garnizoen.
+
+[608] Wij mogen niet vergeten aan te stippen, dat de gecommitteerde
+Raden van de Staten van Holland en Westvriesland besloten tot den
+afstand der wallen en vestingwerken van Oudewater ten behoeve der stad,
+die acte, dato 8 Februarij 1634, is op het stadhuis berustende.
+
+[609] Uit de Archieven der stad.
+
+[610] Wirster, Geschiedenis van ons Vaderland, pag. 82-92.
+
+[611] Wagenaar, XIV D. pag. 41.
+
+[612] In zijn tooneel des oorlogs, pag. 247-252.
+
+[613] "Onze stad," zegt van den Bosch, dit zou doen denken, dat hij
+een stadgenoot was, meerdere gronden meen ik daarvoor te hebben indien
+wij zijn verhaal aandachtig nagaan.
+
+[614] Van het slot te Vliet is slechts de ruïne overig; over de
+geschiedenis van hetzelve verwijs ik onder anderen naar ons boekske
+getiteld: Bijzonderheden omtrent het slot te Vliet, 1861.
+
+[615] Van den Bosch III D. pag. 184.
+
+[616] Dezelfde III D. pag. 190, alwaar wij het volgende bewijs
+van grooten moed van hen vinden opgeteekend. Het was in Februarij
+1673, dat twee Dortsche en een Haagsch burger tot onder de tuinen
+van Woerden getogen waren, op hoop den vijand eenigen afbreuk te
+doen. Daar bemerkten zij 8 franschen, die twee schapen bij zich
+hadden. Niettegenstaande de hoop op overwinnen dus zeer gering was,
+vallen zij den vijand aan en brengen hen spoedig alle acht gevangen
+Oudewater binnen.
+
+[617] Nog eenige sleden met hooi die door het ijs gezakt waren, werden
+door hen verbrand. Zie van den Bosch III D. pag. 190, 191 en Allan,
+Beschrijving van 's Gravenhage pag. 225.
+
+[618] Zie van den Bosch, tooneel des oorlogs III. D. pag. 249.
+
+[619] Het origineel berust ter archieve; zoo ook van het jaar 1710,
+eene naamlijst van 58 fransche officieren in den franschen oorlog
+binnen de stad krijgsgevangen geworden, benevens den staat der door
+hen gemaakte schulden.
+
+[620] Gevolgd naar "De Beroerten in de Nederlanden." III Deel,
+pag. 195.
+
+[621] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden 106.
+
+[622] Hofdijk, pag. 208 enz.
+
+[623] Vele verschillende missiven over het leggen van de bezetting
+binnen de stad, berusten ten raadhuize onder de archieven.
+
+[624] Keizer Napoleon passeerde in 1811 Oudewater, hij onderhield
+zich eenigen tijd met eene deputatie uit de burgerschap.
+
+Ten raadhuize bevinden zich nog eenige missiven, bevattende
+voorschriften van een plan tot feestviering bij gelegenheid van het
+passeren van Zijne Majesteit.
+
+[625] De uitnemende Van den Bergh, heeft deze regelen vervaardigd voor
+het tijdvak uit de Vaderlandsche geschiedenis, toen de Vlamingen in
+de middeneeuwen ons graafschap veroverden.
+
+[626] Het schijnt echter, dat de Hooge Regering de nog overig zijnde
+wallen nog niet van waarschijnlijk nut ontbloot acht, tenminste
+eene voor ongeveer 10 jaren voorgenomene verkooping der aarde van de
+borstweringen, werd van wege het Ministerie van Oorlog verboden.
+
+[627] Deze vereeniging ondervindt ieder jaar, de milddadigheid van
+H. M. de Koningin Weduwe.
+
+[628] Wij gewaagden daar van het woord Gilde. In vroeger tijd waren er
+te dezer stede een zeer groot getal verschillende gilden, die genaamd
+werden naar de uitoefening van het bedrijf of het beroep der leden.
+
+Het lijndraaijers gild schijnt daar nog overblijfsel van te zijn. Het
+zakkendragers en bierdragers gild, bleef tot voor eenige jaren nog
+gewijzigd in wezen.
+
+[629] Een lid dezer afdeeling, de hoefsmid H. de Zwart, onderscheidt
+zich zeer gunstig in het vervaardigen van hoefijzers, ter te
+gemoetkoming of geheele verbetering van gebrekkige paardenhoeven.
+
+Een keurige verzameling dier ijzers 74 verschillenden in getal, heeft
+bereids op menige tentoonstelling van landbouw zoo door gunstige
+getuigschriften als medailles grooten naam verworven.
+
+[630] Twee, der drie in de stad aan den IJssel liggende bruggen werden
+bij die gelegenheid geamoveerd en niet weder herbouwd. De IJsselbrug
+echter wordt vervangen door eenen ijzeren, deze vroegere is welligt nog
+de brug, die ten jare 1371 door grave Albrecht vergund werd te maken,
+ten minste zij droeg dit jaartal 1?71; het tweede cijfer van dit jaar
+doet met evenveel gerustheid aan een 3, dan aan eene 5 denken.
+
+[631] De alom bekende Nederlandsche liefdadigheid, onderscheidt
+zich in Oudewater steeds bijzonder. De jongste algemeene collecte,
+gehouden op den verjaardag des konings, ten behoeve der noodlijdenden
+door de overstroomingen in Gelderland en Noord-Braband, bragt binnen
+den kom der stede, met inbegrip van loten, in de algemeene verloting,
+niet minder op dan 966 gulden 61 1/2 cent.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Oudewater en omtrek, by Willem Cornelis van Zijll
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 56977 ***