summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/57730-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '57730-0.txt')
-rw-r--r--57730-0.txt9951
1 files changed, 9951 insertions, 0 deletions
diff --git a/57730-0.txt b/57730-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..9334e33
--- /dev/null
+++ b/57730-0.txt
@@ -0,0 +1,9951 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57730 ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ WERELD BIBLIOTHEEK
+
+ ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
+
+ R. CASIMIR
+
+ UIT DE ONTWIKKELINGSGESCHIEDENIS
+ VAN HET
+ MENSCHELIJK DENKEN
+
+ DEEL II
+ (VAN KANT TOT HEDEN)
+
+
+ UITGEGEVEN DOOR DE
+ MAATSCHAPPIJ VOOR
+ GOEDE EN GOEDKOOPE
+ LECTUUR--AMSTERDAM
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE AFDEELING.
+
+KANT.
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+LEVEN EN WERKEN.
+
+
+§ 1. Leven en persoonlijkheid.
+
+Immanuel Kant werd den 22 April 1724 te Koningsbergen als zoon van
+eenvoudige burgers geboren. Zijn vader, een zadelmaker, was een
+ernstig, eerzaam, vlijtig handwerksman. Zijn moeder had een innig,
+vroom gemoed, een helder, gezond verstand, een open oog voor de
+natuur. Beide ouders waren op godsdienstig gebied de piëtistische
+richting toegedaan. Er heerschte in het huisgezin, waar de jonge
+Immanuel opgroeide, een ernstige, zedelijke stemming, wat diepen indruk
+op hem gemaakt heeft. Zijn geloof aan God, aan de onsterfelijkheid der
+ziel, aan 's menschen zedelijke vrijheid, kon hij uit het ouderhuis
+als onwrikbare overtuiging meenemen.
+
+Reeds vroeg grooten aanleg vertoonende, werd hij op raad van den
+"huispredikant" der familie, in 't najaar van 1732 leerling van
+een school voor voorbereidend hooger onderwijs, ('t collegium
+Fridericianum) waar hij zeer goed latijn leerde, maar ook
+onder "strenge tucht van dwepers" stond en waar hij heel wat
+godsdienstplichten vervullen moest.
+
+In 1740 kwam Kant als student aan de hoogeschool te Koningsbergen,
+waar hij in 't bizonder wis- en natuurkunde studeerde. Eigenlijk was de
+filosofische faculteit slechts een voorbereiding tot de andere. Kant
+echter, al heeft hij de theologische gekozen en misschien zelfs als
+candidaat in de omgeving gepreekt, gevoelde zich 't meest tot wis-
+en natuurkundige studies aangetrokken.
+
+En met een natuurkundige verhandeling--zijn eerstelingsarbeid--nam hij
+in 1746 afscheid van de academie, waar hij slechts weinig uitnemende
+leermeesters had aangetroffen.
+
+Naar de gewoonte dier dagen ging de onbemiddelde jonge man zijn brood
+als huisonderwijzer verdienen. Als zoodanig was hij in verschillende
+aanzienlijke families in Oost-Pruisen werkzaam. Zoo kon hij--de
+zadelmakerszoon uit piëtistische omgeving--de fijne, tactvolle man
+der wereld worden, die hij later, als hij wou, kon zijn.
+
+Over zijn gaven als opvoeder was Kant zelf slecht tevreden. Hij wist,
+naar eigen zeggen, meer van de theorie dan van de practijk. Heel
+slecht schijnt die practijk intusschen niet geweest te zijn. Het is
+zeker geen bloot toeval, dat velen van Kant's leerlingen voorgingen
+in de afschaffing der lijfeigenschap. "De ingewanden keerden mij in
+'t lichaam om, wanneer ik dacht aan de schande der lijfeigenschap in
+mijn land," zei hij eens.
+
+In 1755 meende Kant genoeg geld overgehouden en voldoende kennis
+vergaderd te hebben, om zich--voorbereiding voor het professoraat--als
+privaatdocent te kunnen vestigen. Hij bleef dit tot 1770, toen er
+eerst een professoraat voor hem kwam. Het eenige bezoldigde ambt--het
+gaf nog geen honderd thaler--dat hij tot dien tijd bekleedde, was
+dat van onder-bibliothecaris. Toch moet men zich Kant's positie in
+dien tijd niet als zeer slecht voorstellen. Hij zelf placht dit later
+de gelukkigste periode van zijn leven te noemen, en zijn werken uit
+die jaren zijn in een levendigen, pittigen, dikwijls geestigen stijl
+geschreven. Als docent stond hij ook toen in volle kracht. Herder,
+de dichter-denker, heeft ons het beeld van Kant als academisch leeraar
+uit het begin der zestiger jaren met frissche kleuren geteekend.
+
+Boeiend en geestig, zelf nimmer aanmatigend, de waarheid boven alles
+liefhebbend, zijn leerlingen liefde voor de waarheid en lust tot
+studie inboezemend, gaf hij, zonder ooit te vervelen, college over
+de meest verschillende onderwerpen, "en niets wetenswaardigs was
+hem onverschillig."
+
+Na de aanvaarding van zijn professoraat heeft Kant een geruimen
+tijd niets in 't licht gegeven. Ingespannen denkarbeid hield hem
+bezig. In 1781 kwam zijn hoofdwerk, de critiek der zuivere rede. Over
+de geschiedenis van Kants werken spreken we in de volgende §§.
+
+Van zijn uiterlijk leven valt weinig te vertellen. Als zoovele groote
+wijsgeeren was ook Kant ongetrouwd. Hij leidde een buitengewoon
+regelmatig geleerdenleven: 5 uur op, 10 uur naar bed, op vaste tijden
+arbeiden en wandelen. Aan tafel zag hij gaarne een paar vrienden
+en hij voerde het tafelgesprek ver over het uur. Zijn stoffelijke
+omstandigheden waren langzamerhand gunstig geworden: hij liet nog
+een huis en een 30.000 thaler na.
+
+Een bitter verdriet werd den denker, wiens roem zich reeds bij zijn
+leven over beschaafd Europa had verspreid en om wien te hooren en
+te zien menschen van heinde en ver naar Koningsbergen kwamen, nog in
+zijn 70ste jaar aangedaan.
+
+Tijdens de regeering van Frederik den Groote had hij zich mogen
+verheugen in volle leervrijheid en achting. Waarschijnlijk heeft
+Frederik nooit iets bijzonders van Kant geweten, misschien den naam
+niet eens gekend. Maar zijn minister voor onderwijszaken, Von Zedlitz,
+koesterde grooten eerbied voor Kant en had zich van zijn leer op
+de hoogte laten brengen. Aan hem is dan ook de critiek der zuivere
+rede opgedragen. De opvolger van Frederik den Groote was echter een
+bekrompen, dweepziek man, die Von Zedlitz ontsloeg en in diens plaats
+een zijner geestverwanten benoemde, die de vrije gedachtenuiting
+zooveel mogelijk tegenging. Toen nu Kant in 1794 een werkje over
+den godsdienst uitgaf, waarin hij o. a. opkwam tegen de orthodoxe
+opvatting van het christendom, barstte de bom. Er kwam een berispend
+schrijven uit het kabinet des konings waarin bedreiging met strengere
+maatregelen, indien hij in deze richting voortging. Kant overwoog
+ernstig wat hem te doen stond. Herroepen wilde hij niet. Hij verdedigde
+veeleer in een schrijven de vrijheid van den leeraar der hoogeschool,
+verbond zich echter, als gehoorzame dienaar van Zijne Majesteit, niet
+meer over religie, 't zij de geopenbaarde, 't zij de natuurlijke,
+te schrijven.
+
+Onder zijn onvermoeid denken is Kant vroeg oud geworden. Reeds zijn
+werken van 1781 dragen daarvan de sporen. Zijn laatste levensjaren
+zat hij in frissche oogenblikken nog aan zijn schrijftafel, maar
+produceerde niet veel van beteekenis. Zijn vermogen om te combineeren
+was gewoonlijk weg, herinnering ontbrak. Dwangvoorstellingen, rijen
+woorden, wijzen uit zijn kinderjaren, drongen zich aan hem op. Bange
+droomen kwelden hem 's nachts, onrust des daags. Den 12den Februari
+1804 overleed hij na langzaam afsterven. "Het is goed," waren zijn
+laatste woorden. Hij is begraven in den Koningsberger dom, waar voor
+een passende omgeving is gezorgd.
+
+
+
+Persoonlijkheid.
+
+Kant was een flegmatische, weinig door emoties bewogen natuur, een
+verstandsmensch van taaie volharding en groote werkkracht. Man van
+groote belangstelling en ontwikkeling, reisde hij toch zeer weinig. De
+denker, die ook een beteekenend aardrijkskundige was, had nooit bergen
+gezien. Nu bood Koningsbergen, voor dien tijd een niet onaanzienlijke
+stad, met belangrijken handel, en in het oosten des rijks gelegen
+in de nabuurschap van andere volken (Polen b.v.) veel om op te
+merken. Reisbeschrijvingen behoorden tot Kants liefste lectuur. Ook
+sprak hij liever over andere dingen dan over wijsbegeerte. Hij kon
+op dit gebied niet best hóóren en verdroeg moeilijk afwijkingen van
+zijn meeningen. Met zijn voorgangers was hij over 't geheel slecht
+bekend. De enorme belezenheid van Leibniz was niet de zijne.
+
+Kant was innig vroom en van eerbied vervuld voor de religie. Van
+godsdienstvormen, die hij ledig achtte had hij echter een besliste
+afkeer en kerksch was hij allerminst. Van den onderdaan gehoorzaamheid
+tegen den vorst eischend, betoonde hij die zelf ook. Overigens
+gevoelde hij weinig voor den Pruisischen staat. Hij vond de gruwelen
+van den oorlog verschrikkelijk. Den Amerikaanschen vrijheidsoorlog
+bewonderde hij, de groote beginselen der Fransche revolutie wist hij te
+schatten. De grootste filosoof van Duitschland was een vrijheidlievend
+wereldburger, die in zijn enge omgeving niet alleen het groote
+rijk der wetenschap doorzocht, maar ook op de gebeurtenissen van
+'t politieke leven belangstellend 't oog hield gericht.
+
+
+
+
+
+§ 2. Werken en Ontwikkelingsgang.
+
+De voorcritische periode.
+
+Toen Kant zijn hoofdwerk schreef was hij 57 jaar oud. Hij had een
+belangwekkenden ontwikkelingsgang doorloopen, voor hij tot den opbouw
+van zijn leer kwam. De voortreffelijkste Kant-kenners verschillen
+onderling over de invloeden, die op Kant hebben ingewerkt, over de
+vraag, welke richtingen achtereenvolgens de zijne zijn geweest. In
+een populaire uiteenzetting kan op de bizonderheden niet ingegaan
+worden, maar het is wenschelijk, reeds bij den aanvang de aandacht
+te vestigen op het gebruik der woorden: het schijnt, waarschijnlijk,
+enz., die er telkens aan moeten herinneren, dat hier nog niet alles
+vaststaat, evenmin als in de biografie.
+
+Toen Kant de academie verliet, was hij in de metafysica een
+aanhanger van Wolff. Hij dacht, als alle rationalisten, dat er een
+zekere, gewisse kennis der wereld te verkrijgen was op redelijken
+grondslag. Echt kind der aufklärung zag hij, het onwetende gepeupel
+verachtend, in verstandsontwikkeling de taak en de waarde van den
+mensch. Op natuurwetenschappelijk gebied sloot hij zich meer aan bij
+Newton en tot '60 blijft zijn aandacht meer op natuurwetenschappelijke
+vraagstukken gevestigd. Met groote liefde behandelde hij ook kwesties
+van aardrijkskundigen aard. Had zijn roem als wijsgeerig denker niet
+zijn beteekenis op dit gebied overstraald, hij zou als een baanbrekende
+geest op geographisch gebied zijn gehuldigd. Als hoogleeraar gaf hij
+gaarne colleges over de natuurkundige aardrijkskunde. Zijn scheppende
+beteekenis hier blijkt misschien wel 't duidelijkst uit 't volgende
+feit: Bij koninklijk besluit werd bepaald, dat hoogleeraren bij hun
+colleges gebruik moesten maken van handboeken. Met name echter werd
+Kant voor zijn college over physische geografie daarvan vrijgesteld,
+omdat er... geen handboek was.
+
+Omtrent 1760 wendt Kant's blik zich meer van de buitenwereld naar
+de binnenwereld: de mensch begint hem te interesseeren en hij ging
+inzien, dat diens waarde niet alleen lag in zijn verstandelijke
+ontwikkeling. Hier werkte, naar Kant's eigen woorden, de invloed
+van Rousseau, wiens Emile in 1762 verscheen. "Rousseau heeft
+mij terecht gebracht." Voor Rousseau was het geloof aan God niet
+gevolg van verstandelijke overwegingen, maar het ontsprong aan de
+behoeften van zijn gemoed. De kennismaking met deze overtuiging,
+haar toppunt bereikend in het: "le sentiment est plus que la
+raison" (het gevoel is meer dan het verstand) mag Kant er toe
+gebracht hebben, om den rug te keeren aan de Wolffsche natuurlijke
+theologie. Maar ook op het terrein der kennistheorie kwam een
+wending. Ook hier verliet hij het rationalisme, om een meer
+empirische richting in te slaan. In de jaren tusschen '60 en '70
+is er soms een zekere sceptische toon merkbaar. Dikwijls duidt
+men deze periode, volgend op zijn rationalistische, aan met den
+naam empirisch-sceptische. Of die kwalificeering juist is? Niet
+onwaarschijnlijk is het, dat Kant's denken in dien tijd geslingerd
+heeft tusschen empirisme en rationalisme. De invloed van Hume, met
+wiens werken hij in allen gevalle slechts gedeeltelijk bekend was,
+had hem, naar zijn eigen woorden, uit den dogmatischen sluimer wakker
+geschud. Wanneer? Misschien tusschen '60 en '65, misschien tusschen '65
+en '70, misschien na '72, misschien heeft hij meermalen Hume's invloed
+ondergaan. Maar in den tijd van '60-'70 valt ook de verschijning van
+Leibniz' Nouveaux Essais, (vergel. I pag. 296) welks lectuur weer
+naar het rationalisme trok.
+
+We zouden dus dit kunnen zeggen:
+
+Het Wolffsche rationalisme heeft Kant na 1760 beslist verlaten.
+
+Tot het standpunt, dat in '70, bij de aanvaarding van het professoraat
+werd ingenomen, is hij beslist nog niet gekomen.
+
+Hij neigt in dezen tijd sterk tot het empirisme. Maar het mag
+betwijfeld worden, of hij in deze jaren gemeend heeft, dat al onze
+kennis uitsluitend uit ervaringselementen opgebouwd was. Evenmin is met
+zekerheid te zeggen, dat hij gewanhoopt heeft aan de mogelijkheid, om
+kennis te krijgen van de dingen der zinnelijke wereld, zooals zij zijn.
+
+Spreken wij dus van Kant's sceptische-empirische periode, dan dient
+dit woord met groote omzichtigheid aanvaard te worden.
+
+
+
+Preisschrift. Wiskunde en wijsbegeerte.
+
+Van de werken uit dezen tijd noemen wij drie: In 1763 beantwoordde
+hij een prijsvraag. In het "Preisschrift" komt tot de conclusie,
+dat wiskunde en wijsbegeerte niet dezelfde methode hebben. Onder
+wijsbegeerte worden dan zoowel de natuurwetenschappen als de metafysica
+begrepen. Door onderscheidene methoden van behandeling te eischen,
+breekt Kant met het rationalisme, dat de wijsbegeerte steeds naar
+de wijze der meetkunde had behandeld, zij 't niet in zoo streng
+wiskundigen vorm als Spinoza.
+
+Wat is dan het verschil?
+
+De wiskunde construeert, de wijsbegeerte analyseert. Lichten we
+dit toe.
+
+De wiskundige maakt zijn begrippen. Hij kan bijv. een rechthoekigen
+driehoek nemen en die om een zijner rechthoekszijden laten wentelen. Er
+ontstaat dan een kegel. In het begrip kegel komen niet meer kenmerken
+voor, dan hij er zelf in gelegd heeft. Hij kan met dat begrip dus
+rustig verder werken.
+
+Maar neem nu bijv. den natuurkundige.
+
+Hij heeft ijzer, dat hij moet onderzoeken. Hij kan bijv. het volgende
+begrip van die stof hebben: hard, zwaar, zet bij verwarming uit, kan
+roesten. Maar in dat ijzer kunnen nog andere kenmerken zitten. Het
+heeft een bepaald soortelijk gewicht: 1 dM3. weegt 7,17 KG. Het heeft
+een bepaalde uitzetting, bij 1°C. verwarming wordt 1 M. 1,000012, één
+M3. 1,000036. Het heeft een bepaald smeltpunt: bij 1200-1400°C. smelt
+het. Het is een goede geleider voor electriciteit. Deze kenmerken moet
+de natuurkundige opzoeken. Hij moet onderzoeken, wat er in het begrip
+ijzer aanwezig is, moet het ontleden, analyseeren. Hij kan niet, zooals
+de wiskundige zeggen, dit versta ik onder ijzer, maar heeft tot taak,
+het onduidelijke, vage begrip, dat hij van ijzer heeft, te verhelderen.
+
+Tusschen de natuurwetenschappen en de wijsbegeerte bestaat dan ook
+geen verschil in methode. "De ware methode der metafysica is in den
+grond dezelfde als die, welke Newton in de natuurkunde invoerde." Het
+onderscheid ligt in de stof, in de te bestudeeren dingen. De metafysica
+bestudeert de gegevens van 't feitelijk denken.
+
+
+
+Bewijzen voor 't Godsbestaan.
+
+In hetzelfde jaar geeft Kant een werkje uit: "Eenige mogelijke
+bewijsgrond voor het bestaan van God." Hierin critiseert hij de
+tot dusver gangbare bewijzen voor het bestaan van God, en draagt
+zelf een nieuw voor. Op zijn critiek komen we in een ander verband
+(zie bladz. 36 v.v.), terug. Wat in dit werkje merkwaardig is, dat
+reeds op zijn volgende opvattingen wijst, is zijn uitspraak, dat
+het wel noodig is, dat men zich overtuige van het bestaan van God,
+maar niet zoo noodig, dat men het ook bewijze.
+
+Hoe gevaarlijk Kant het achtte, te veel speculaties in te stellen
+over het bovenzinnelijke, blijkt uit een zijner geestigste werken:
+"Droomen van een geestenziener" (1766).
+
+In dien tijd maakte een mysticus, de Zweed Swedenborg (1688-1772)
+verbazenden opgang. Hij zou dingen gezien hebben, die in de verte
+gebeurden, in verband getreden zijn met geesten van afgestorvenen,
+enz. Op aansporing van eenige bekenden liet Kant Swedenborg's werken
+uit Londen komen en bestudeerde ze. In het bovengenoemde werkje
+legde hij de resultaten neer van die lectuur. Hij geeft eerst een
+geestenleer van wezens, die tot een "intelligibele wereld" behooren,
+niet aan plaats en tijd gebonden zijn. Misschien is hier een eerste
+kiem van Kant's latere intelligibele wereld.
+
+Vervolgens schetst hij de spiritistische verschijningen, die hij van
+naturalistisch-sceptisch standpunt als fantasieën van een ziekelijk
+brein beschouwt, dat ze in de buitenwereld als werkelijk onderstelt. In
+het tweede deel geeft hij verslag van de theorieën van Swedenborg, om
+te eindigen met een ernstig woord, waarin hij de filosofie aanraadt,
+zich te hoeden voor dergelijke bespiegelingen, die de grenzen onzer
+ervaring verre te buiten gaan. Of het mogelijk is dat geesten,
+zonder aan een lichaam gebonden te zijn, kunnen werken en denken;
+of er krachten zijn als die, welke Swedenborg meende te bezitten,
+kan men slechts door de ervaring, niet door redeneering alleen
+beslissen. Maar over die ervaring beschikken wij niet. Wij hebben geen
+eenstemmige ondervinding op dat gebied maar slechts de bevindingen van
+enkelingen, die niet als grondslag voor een hypothese kunnen dienen,
+waarover het verstand kan oordeelen, juist, omdat het bevindingen van
+slechts enkelen zijn. Men behoeft ze nu juist niet voor onmogelijk
+te verklaren, maar men kan de zaak laten rusten.
+
+Noch op de metafysische bewijzen, noch op de empirische bewijzen
+van Swedenborg behoeven we de onsterfelijkheid der ziel te bouwen:
+haar steun vindt ze in het zedelijk geloof.
+
+Kant had met het rationalisme van Wolff gebroken. Hij had den invloed
+van Rousseau's gevoelsfilosofie ondergaan, en waarschijnlijk van
+Hume's scepticisme; langzamerhand waren zijn gedachten gerijpt tot
+zijn eigen opvatting: het criticisme. Kant zelf onderscheidt in zijn
+leven twee groote perioden: de voorcritische en de critische. Alleen
+de geschriften uit de laatste wilde hij later erkennen, als zijn
+meening uitdrukkende.
+
+
+
+
+
+§ 3. Werken en Ontwikkelingsgang.
+
+De critische periode.
+
+Men kan twijfelen aan de juistheid, de zekerheid der tot dusver
+verkregen kennis. Dat deed Descartes. Maar eenmaal een grondslag
+gevonden hebbende, die onmiskenbaar zeker voor hem was, "ik heb
+bewustzijn, dus ben ik," bouwde hij daarop voort en meende zoo een
+zekere kennis der geheele werkelijkheid te kunnen verkrijgen. Descartes
+werd de vader van het rationalisme in de nieuwere wijsbegeerte. Waarin
+Malebranche, Spinoza, Leibniz en Wolff ook met hem mogen verschild
+hebben, niet in de overtuiging, dat er een geheel van kennis op
+redelijken grondslag was te verkrijgen. Zonder nader onderzoek
+aanvaarden deze denkers dus onze rede, als een werktuig (dat misschien
+verkeerd kon aangewend, foutief gehanteerd worden) om tot zekere
+kennis te komen van de dingen, zooals ze zijn. Dit standpunt om onze
+rede zonder onderzoek te aanvaarden, noemt Kant het dogmatische.
+
+Anders ging Locke te werk. Toen hij vastliep, vroeg hij of het mogelijk
+was kennis te verkrijgen, of ons verstand daartoe geschikt was. Zijn
+theorie werd door Hume voortgezet en deze ondergroef theoretisch
+eigenlijk de mogelijkheid van wetenschap, door het causaliteitsbeginsel
+te verklaren als een subjectieve verwachting zonder meer, gevolg van
+associatie van voorstellingen. (zie I pag. 321).
+
+Zij gingen uit van de feiten der ervaring, volgden een inductieve
+methode.
+
+Dit standpunt nu noemt Kant het sceptische.
+
+Zetten we nog even scherp de kenmerken van beide tegenover elkaar.
+
+
+Dogmatisme. Empirisme of Scepticisme.
+
+Van te voren vertrouwen op onze Van te voren wantrouwen jegens
+rede. onze rede.
+Kennis door deductie. Kennis door inductie.
+Het denken geeft de ware zuivere De zinnen geven ons onze kennis,
+kennis, de zinnen onklare, dikwerf denken is een veranderd waarnemen.
+bedriegelijke.
+
+
+In dezen strijd nu neemt Kant een eigen standpunt in door zijn
+criticisme, een leer, die beide richtingen wil overspannen. Het
+criticisme wil niet onderzoeken of we kennis kunnen verkrijgen,
+(hiervan mòet de wetenschap noodwendiger wijze uitgaan) maar hoe en
+waardoor ze mogelijk is.
+
+Het criticisme is de eigenlijke leer van Kant. Het vertoont zich,
+zij 't niet in volle rijpheid in de rede, waarmee hij in 1770 zijn
+hoogleeraarsambt aanvaardde.
+
+In deze rede, gewoonlijk de Dissertatie genoemd (Latijnsche
+titel: Dissertatio de mundi sensibilis atque intelligibilis forma
+et principiis--verhandeling over den vorm en de beginselen der
+zinnelijke en intelligibele wereld) komen nog niet alle, maar enkele
+zeer belangrijke beginselen voor der latere kennistheorie. Het
+wijst aan, dat de waarnemer en het waargenomene samenwerken, voor
+het ontstaan onzer kennis, dat subject en object samen de kennis
+vormen. De vorm waarin de kennis opgenomen wordt, hangt af van het
+subject. Dit bepaalt het formeele karakter der kennis. De bizondere,
+speciale inhoud der waarneming, het materieel gedeelte onzer kennis,
+hangt af van 't object. In onze kennis zijn dus idieele, niet uit de
+ervaring komende elementen. Dit richt zich tegen het empirisme. Maar
+de vormen, waarin onze kennis zich voegt, blijven ledig, beteekenen
+niets, wanneer er geen ervaring komt, die ze vult. Ook ervaring is
+dus noodig: de ons door de zinnen verstrekte gegevens zijn niet als
+schijn te verwerpen. Dit richt zich tegen het dogmatisme.
+
+Bij deze opvattingen nu bleef Kant niet staan. Doordenkende in deze
+richting stuitte hij op moeilijkheden. Wij vinden ze aangewezen in
+een brief aan Marcus Herz van 21 Febr. 1772.
+
+Hij vroeg zich af: Welk recht heb ik, om nu aan die, door het subject
+meegebrachte elementen, die absoluut onafhankelijk van de dingen zijn,
+geldigheid toe te schrijven voor de wereld der dingen?
+
+In het peinzen over deze en andere vragen daarmee samenhangend,
+is Kant oud en moe geworden. Het werk dat in 1781 verscheen,
+"De critiek der zuivere rede" is de arbeid van een groot, maar een
+oud man. Het is een moeilijk te lezen werk. De stijl is zwaar. De
+zinnen zijn lang. Herhalingen matten af. Uitweidingen ontbreken
+niet. Sommige gedeelten zijn vergeleken met een eentonig, troosteloos
+duinenlandschap. Toch heeft dit werk ongemeene beteekenis en blijft
+het 't hoofdwerk van den denker. [1]
+
+In 1783 gaf Kant de Prolegomena, die de hoofdgedachten wat korter en
+klaarder behandelden dan de kritiek. Deze verscheen in 1787 in tweeden
+druk, waarin zij sterke wijzigingen had ondergaan. Haar volgden een
+Critiek der praktische rede (1788) en een der Oordeelskracht (1790).
+
+De critiek der zuivere rede behandelt de kennisleer, die der practische
+rede de zedeleer, die der oordeelskracht handelt over onze aesthetische
+waardeeringsoordeelen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+DE KENNISLEER.
+
+
+§ 4. Ruimte en Tijd. Inhoud en Vorm.
+
+Stel eenig willekeurig ding tegenover u, bijv. een boek. Dat heeft
+verschillende kenmerken: dikte, lengte, breedte, kleur, zwaarte,
+enz. Neem een geheel ander ding: een stoel. Ook die heeft zijn
+eigenschappen, evenals de tafel, waaraan ge zit, de lamp, die u
+beschijnt. Ge kunt u van al die dingen kenmerken veranderd denken of
+wegdenken, ja, ge zoudt u kunnen voorstellen, dat het boek, de tafel,
+de stoel, de lamp er in 't geheel niet waren.
+
+Die dingen nemen een zekere ruimte in. En, nu kunt ge u wèl
+voorstellen, dat die dingen er niet meer waren, maar niét, dat
+die ruimte er niet zou zijn. Alle dingen die we in de buitenwereld
+waarnemen zijn in de ruimte en die ruimte zelf is niet wegdenkbaar.
+
+Niet anders is het met den tijd. Alle gebeurtenissen, zoowel de
+geestelijke als de stoffelijke, vinden plaats in den tijd, die evenmin
+wegdenkbaar is. Ruimte en tijd zijn aanschouwingsvormen.
+
+Het zijn geen begrippen. Waarom niet? Nemen we bijv. het begrip
+zoogdier. Dit heeft onder zich andere begrippen en voorstellingen:
+bijv. knaagdier, roofdier, díe hond, mijn paard, enz. Wolff nu had
+gemeend, dat ruimte en tijd abstracte begrippen waren, verkregen,
+doordat we aan alle dingen ruimte, aan alle gebeurtenissen tijd
+waarnemen; zooals we bijv. het begrip zoogdier krijgen door aan vele
+dieren het zoogen der jongen, zeven halswervels, warm bloed, enz. waar
+te nemen en die kenmerken tot één begrip te vereenigen. Maar dit is
+onjuist. Immers de ruimte en de tijd hebben de afzonderlijke tijden
+en ruimten niet onder zich, maar dat zijn stukken van den éénen tijd,
+van de ééne ruimte. De afzonderlijke tijden en ruimten zijn in den
+tijd en de ruimte, er niet onder.
+
+Alles wat wij waarnemen, nemen we dus noodwendig in de ruimte en in
+den tijd waar.
+
+Dàt er ruimte en tijd is, ontdekken wij eerst met en bij de ervaring,
+maar de aanschouwingsvormen krijgen wij niet door de ervaring, zij zijn
+voor de ervaring, gegeven door de organisatie van onzen geest. Voor
+ónze ervaring hebben ruimte en tijd dus een werkelijk bestaan. Of ze
+ook buiten onze ervaring bestaan, en of anders georganiseerde wezens
+ook de dingen en gebeurtenissen tijdelijk en ruimtelijk geordend
+zouden aanschouwen, valt voor ons niet uit te maken.
+
+Deze opvatting nu der ruimte maakt een verklaring mogelijk van de
+eigenaardigheden der wiskundige oordeelen.
+
+Welke zijn die?
+
+Nemen we een eenvoudig oordeel: De som der hoeken van een driehoek is
+180°. We zijn overtuigd, dat dit niet anders kan. Het is noodzakelijk,
+dat dit zoo is.
+
+Als gij zegt: dit boek is uitgegeven in de Wereld-bibliotheek, zegt
+ge óók een waarheid.
+
+Maar 't zou best anders kunnen zijn.
+
+Het zou ook uitgegeven kunnen zijn door Wolters of Van Looy of wie ook.
+
+Maar de hoeken van een driehoek kunnen samen niet anders dan 180° zijn.
+
+Eveneens zijn we overtuigd van de volstrekte nauwkeurigheid. Samen zijn
+die hoeken precies 180°. Met de oordeelen uit de natuurwetenschap is
+dat anders. Zeg ik: bij verwarming van 0° op 1° C. zet zich een gas
+1/278 van zijn volume uit, dan ben ik niet zeker, dat, als ik nòg
+nauwkeuriger methoden van meting vond, ik niet een getal zou vinden
+dat, zij 't ook nog zoo'n beetje, grooter of kleiner was dan 1/278.
+
+En eindelijk zijn de wiskundige oordeelen algemeen geldig. Ik ben
+er zeker van, dat de hoeken van een driehoek niet alleen hier, in
+Den Haag, maar ook in Maastricht, in Australië, maar ook op de maan,
+op elke willekeurige plek van het heelal 180° zijn.
+
+Hoe zijn die drie kenmerken te verklaren? De ervaring geeft
+ons nooit noodwendigheid; alleen 't feitelijk gegevene is
+te aanschouwen. Honderden malen mogen we opmerken, dat met A B
+gepaard gaat, in ons geval, dat met het driehoek zijn gepaard gaat
+'t hebben van hoeken, die samen twee rechten zijn,--nimmer kunnen we
+het element van noodzakelijkheid waarnemen, dat het zóó móet zijn en
+niet anders. En de preciesheid kunnen we evenmin ervaren. We liggen
+met metingen bloot voor vergissingen niet alleen, maar bereiken
+nimmer absolute nauwkeurigheid. En met de algemeene geldigheid is
+het eveneens.
+
+We spreken dus iets uit over de ruimte dat we niet uit de ervaring
+hebben en we zijn zeker, dat onze uitspraak doorgaat. Dat nu kan
+begrepen worden, als wij inzien, dat wij, de waarnemende subjecten,
+de ruimtelijke ordening aan de gewaarwordingen geven, dat de ruimte
+de noodzakelijke vorm is, waarin wij de dingen aanschouwen.
+
+Verduidelijke een eenvoudig beeld dit nog. Iemand zet een blauwen
+bril op. Hij kan nu van te voren zeggen, dat hij, waar hij ook komt,
+de dingen, onverschillig welke, blauw getint zal zien. Dit ligt niet
+in de dingen, maar in de organisatie van het zintuig, dat nu met een
+blauwen bril is voorzien.
+
+Zoo treden wij tot de dingen, zoodanig georganiseerd, dat wij alles
+tijdelijk en ruimtelijk geordend waarnemen.
+
+Aan den inhoud, aan de stof voegen we dus nog een vorm toe. Subject
+en object werken samen bij het ontstaan van kennis: van het eerste
+de vorm, van het tweede de inhoud.
+
+Merken we nu ten slotte op, dat het eigenaardig karakter, door Kant
+aan ruimte en tijd toegekend, niet hetzelfde is als het karakter
+der secundaire kwaliteiten. De roos is niet rood, de suiker niet
+zoet. Dat zijn opvattingswijzen van het subject, waarop de prikkels
+der buitenwereld inwerken. Zij zijn verschillend bij de individuen
+onderling, worden bepaald door de inrichting der zintuigen. De ruimte
+en tijdaanschouwing is iets algemeen-menschelijks, is noodzakelijk.
+
+
+
+
+
+§ 5. Het ding op zich zelf. Schijn en verschijning.
+
+In de ruimte en in den tijd aanschouwen we nu de dingen. Nemen wij de
+dingen waar, zooals ze ons verschijnen, of zooals ze zijn? Wij krijgen
+alleen verschijningen der dingen. Daar ligt een boek voor u. Ge krijgt
+indrukken van witachtig papier, stevige zwarte letters. Dit boek nu,
+dat ge waarneemt, betrekt ge op iets buiten u, dat de verschijning
+boek veroorzaakt. Hoe dat ding op zichzelf is; niet voor u? Wij weten
+'t niet. We nemen aan, dat het er is. Maar de kennis ervan ligt buiten
+onze ervaring. Het is een grensbegrip. Zoo spoedig we zoover zijn,
+dat we het begrip vormen van het ding, niet zooals voor óns bestaat,
+maar zooals het voor zich bestaat en op zich zelve is, zijn we aan de
+grenzen van het rijk der ervaring, en willen we meer van dit begrip
+zeggen, dan gaan we buiten ons bereik.
+
+We hebben dus alleen onze ervaringen van verschijningen. Maar, men
+houde wel in 't oog, dat deze niet hetzelfde zijn als schijn.
+
+Hierin ligt allereerst het verschil van Kant met de echte idealisten.
+
+De Eleaten hadden ook van het zijnde en een wereld der verschijningen
+gesproken. Het zijnde konden wij aanschouwen noch kennen, en wat wij
+waarnamen was schijn, doxa. (I, pag. 31).
+
+Uitdrukkelijk wijst Kant er op, dat zijn leer niet met dit idealisme
+mag gelijk gesteld worden. De verschijningen zijn geen schijn,
+maar werkelijkheid. Het boek dat ge ziet, is een verschijning, maar
+een realiteit, die er niets minder werkelijk om wordt, dat ze de
+verschijning is van een niet nader te kennen op zich zelf staand ding.
+
+Het Kantiaansch begrip van verschijning onderscheide men dus
+wel van het physische. Een natuurkundige noemt de regenboog
+bijv. een verschijnsel, omdat hij als zoodanig niet bestaat:
+het verschijnsel ontstaat door de lichtbreking der zonnestralen
+in de waterdropjes. Werkelijkheid zijn voor den natuurkundige
+aethertrillingen van het licht, de waterdroppeltjes. Maar die
+droppeltjes zijn voor Kant óók verschijning, verschijning van een op
+zichzelf staand ding.
+
+Voor Kant bestaan dus:
+
+1. De dingen op zichzelf, grond van de door ons te kennen
+verschijningen.
+
+2. De verschijningen.
+
+3. Onze voorstellingen van die verschijningen, opgevat naar onzen aard.
+
+We zouden dit schematisch dus kunnen voorstellen:
+
+
+ X (ding op zich zelf)
+ |
+ Y (verschijning)
+ |
+ Z (onze voorstelling).
+
+
+Van de verhouding van X tot Y kunnen we niets zeggen.
+
+De verhouding van Y tot Z te onderzoeken, is juist de taak der
+kennisleer: we hebben gezien, dat Z ontstaat door de inwerking
+van Y op een waarnemend subject, dat die inwerking op eígen wijze
+ontvangt. Allereerst door alle waarneming in ruimte en tijd geordend op
+te nemen. Maar ook op andere manier nog. Hoe, zien we in de volgende §.
+
+
+Opmerking. Kant gebruikt graag vreemde, moeilijke termen. Om het
+overzicht te vergemakkelijken, is in het voorgaande dit gedeelte zoo
+eenvoudig mogelijk weergegeven. Wij vatten het nu kortelings samen
+in Kant's terminologie.
+
+Het eerste gedeelte der "Kritiek der Zuivere Rede" is de
+transcendentale aesthetiek, de waarnemingsleer naar de logische
+wetten. Kant gebruikt hier transcendentaal, wel te onderscheiden van
+het later te bezigen transcendent. Aesthetiek wordt hier in zijn eerste
+beteekenis genomen: niet in die van schoonheidsleer. (Aisthènomai =
+ik neem waar).
+
+De transcendentale aesthetiek leert, dat ruimte en tijd aprioristische
+aanschouwingsvormen zijn van het waarnemende Subject. Wij nemen
+de verschijningen waar: ons is alleen gegeven de phenomenale
+wereld. (Gr. phainomai = verschijnen). Onttrokken aan onze waarneming
+blijve de dinge an sich, de achter de verschijning liggende noumenale
+wereld.
+
+
+
+
+
+§ 6. Verstand en Zinnelijkheid. Kategorieën.
+
+Wij leerden in deel I Berkeley kennen. Locke had als drager van
+een aantal kwaliteiten, als daaraan te gronde liggend substraat
+een zelfstandigheid, een groote X, aangenomen. Berkeley had critiek
+uitgeoefend op dat substantiebegrip en het verklaard voor niet noodig
+en inconsequent. Hij was, de stoffelijke wereld ontkennend, gekomen
+tot z'n: zijn is waargenomen worden.
+
+Is dat waar, dan bestaat iets voor den mensch, zoolang hij 't
+waarneemt. Dit boek bestaat dus niet voor u, als ge uit de kamer gaat,
+als ge uw oogen sluit en 't niet in de hand houdt, enz.
+
+Maar het normale menschenverstand is toch wel overtuigd, dát het
+boek blijft bestaan. Locke had het substantiebegrip gemaakt tot het
+substantieprobleem.
+
+Berkeley had het voor de zinnelijke substanties doen verdwijnen,
+door de substanties te ontkennen. Hume, dit voortzettend op
+geestelijk gebied, had ons bewustzijn als een steeds wisselenden
+stroom van impressies en ideeën beschouwd, en de geestelijke
+substantie ontkend. Tegelijkertijd had de groote Schotsche denker
+een nieuw probleem ontdekt: het causaliteits-probleem. Helder had
+hij ingezien: dat de waarneming ons nooit meer geeft dan feiten,
+nimmer het noodzakelijk verband daartusschen.
+
+Kant stond ook voor deze feiten en vragen, en aan hunne oplossing
+wijdt hij een der moeilijkste gedeelten van zijn onderzoek. Zijn
+oplossing in 't kort gezegd is deze:
+
+De zinnelijkheid geeft ons waarnemingen. Voor de wetenschap krijgen
+deze eerst beteekenis wanneer het verstand er ervaringen van maakt.
+
+Het verstand doet dat, door de aanschouwingen in bepaalde vormen
+op te vatten. Die vormen vóór de ervaring, zijn aprioristisch. Zij
+heeten kategorieën. De belangrijkste daarvan zijn substantie en
+causaliteit. De door ons verkregen, tijdelijk en ruimtelijk geordende
+gewaarwordingen kunnen nu, doordat ze passen in een kategorie, b.v. die
+van causaliteit of substantie, tot wetenschappelijke kennis worden.
+
+Lichten we dit nader toe.
+
+Daar ligt een steen, waarop de zon schijnt. Ik voel den steen. Hij
+is warm. Ik zeg nu, de steen is warm, de zon beschijnt hem.
+
+Dat is een waarnemingsoordeel.
+
+Maar nu zeg ik: de zon verwarmt den steen. Dat is een ervaring. Ik deel
+nu niet twee feiten mee, zooals eerst, los en op zich zelf staande,
+maar een algemeene, noodzakelijke waarheid. Zij geldt ook voor morgen
+en overmorgen, voor Nederland en België als voor Rusland. Ik ben
+overtuigd dat 't moet. Ervaringsoordeelen nu vormen de eigenlijke
+wetenschap.
+
+De zinnelijkheid geeft mij niet dat algemeen, noodzakelijk
+geldende. Die biedt mij niets dan gewaarwordingen, tijdelijk en
+ruimtelijk geordend. Het is mijn verstand, dat die gewaarwordingen
+opvat in bepaalde vormen.
+
+De zinnelijkheid had hare aprioristische aanschouwingsvormen:
+tijd en ruimte. Het verstand heeft zijne aprioristische begrippen,
+vormen, waarin alle kennis gebracht wordt. Die vormen, die zuivere
+verstandsbegrippen, heeten kategorieën. Zonder aanschouwingen zijn
+zij leeg, gelijk zonder hen deze laatste blind zijn.
+
+Trachten we nog een heel eenvoudig, aanschouwelijk beeld te vinden,
+om dit toe te lichten.
+
+De expeditiezaal van een groot postkantoor.
+
+Door vele poorten komen brieven in, uit de bus aan 't hoofdkantoor,
+uit de bussen in de stad, uit de bijkantoren. Die brieven hebben alle
+een adres. Dit maakt het mogelijk, hen te behandelen. Zonder adres
+weet men er geen raad mee.
+
+Nu zijn er verschillende loketten en vakken, waarin ten slotte alle
+brieven terecht komen. Die vakjes zijn er al, maar hun beteekenis,
+hun dienst blijkt eerst, als er de brieven in komen. Anders zijn
+ze leeg. En de brieven kunnen pas verzonden worden als ze in de
+afdeelingen zijn, zijn ze daarin niet, dan zijn ze ongeordend. Wanneer
+de treinenloop anders was, wanneer er andere communicatiemiddelen
+waren, zou zoo'n zaal er heel anders kunnen uitzien, maar nú heeft
+ze zóó'n indeeling en alle brieven komen zóó ingedeeld terecht! Maar
+we zouden ons kunnen voorstellen, dat in een anders ingerichte zaal
+heel wat anders uit die brieven zou worden.
+
+Brengen we deze beeldspraak over.
+
+Onze zinnen voeren ons gewaarwordingen toe reeds "van een adres
+voorzien." Ze zijn al tijdelijk geordend en daar de tijd aprioristisch
+is, is er al een element à priori in onze aanschouwingen. Dat
+element nu maakt het mogelijk, om de aanschouwingen onder te
+brengen in de aprioristische vakjes, ze te rangschikken onder
+de verstandsbegrippen. Onze geest heeft nu eenmaal een bepaalde
+inrichting. We kunnen ons wel denken, niet voorstellen, dat een
+andere geest heel anders zou zijn georganiseerd en dus van dezelfde
+noumenale wereld een heel anderen indruk zou kunnen krijgen, evenals
+in een anders ingerichte zaal de brieven anders zouden terecht komen.
+
+Dit beeld geeft o. a. aanleiding tot één groot gevaar: dat men meent,
+dat er een opvolgend proces plaats vindt, dat achtereenvolgens
+verschillende bewerkingen plaats vinden en dat de vakjes, de
+verstandsbegrippen a. h. w. klaar staan en men zich van hun bestaan
+helder bewust zou zijn, zooals men ook de vakjes in onze zaal
+ziet staan. Dit is niet zoo. Wij kunnen onze ervaringen ontleden in
+elementen, maar zij blijven een geheel. Er is niet een oogenblik, dat
+we alleen nog maar gewaarwordingen hebben zonder ruimte en tijd, dan
+nog maar alleen aanschouwingen, die nog niet onder verstandsbegrippen
+ondergebracht zijn. Hier zou men met een ander beeld kunnen zeggen:
+als wij vloeistof putten uit een vat, brengen wij den vorm mee,
+maar zoo spoedig we iets hebben, hebben we de stof ook in den vorm
+van het ding, waarmee wij scheppen. Inhoud en vorm zijn gelijkertijd
+gegeven. Ook moeten we niet meenen, dat die verstandsbegrippen ons
+helder voor den geest staan. Zooals iemand altijd kan hebben geademd
+met zijn longen, zonder ooit van zijn longen gehoord te hebben, zoo
+kan iemand ook altijd zijn verstandsbegrippen aanwenden, zonder ze
+zich bewust te maken.
+
+Ook de kategorieën moeten dus vooral niet verward worden met
+de ingeboren begrippen, zij zijn geen bezit van den geest, geen
+bewustzijnsinhoud, maar de werkwijze, de organisatievorm van ons
+bewustzijn.
+
+En dit laatste nu maakt het juist zoo moeilijk antwoord te geven
+op die vraag: welke zijn dan die kategorieën? Over welke zuivere
+verstandsbegrippen beschikken we? Het denken staat dus hier voor de
+moeilijke opgave, zichzelf tot voorwerp van onderzoek te maken en te
+letten op die dingen, die hem 't meest gewoon zijn, wijl altijd weer
+aan gebruikt zonder extra inspanning. (Met veel eenvoudiger dingen
+gaat dat gewoonlijk al zoo. Dat iets een eigenaardige gewoonte is in
+zekeren levenskring, merkt men soms pas, als men uit dien kring komt
+en andere ziet. Zoo herinner ik me nog een jong meisje van 16 jaar,
+dat met groote verbazing hoorde, dat er ook menschen waren, die nog
+niet eens f 20.000 hadden.)
+
+Kant heeft, om de kategorieën te vinden, den empirischen weg verlaten
+en heeft een kunstig stelsel van kategorieën opgebouwd. Vrijwel
+algemeen wordt het gekunstelde hiervan erkend. Gevoegelijk slaan we
+dit dus over.
+
+We zagen nu, dat er kategorieën zijn, en dat alle waarnemingen
+volgens de kategorieën opgenomen worden. Ervaring ís er dus eerst
+door de kategorieën: zij maken de ervaring, en omdat zij dat doen,
+gelden zij voor de ervaring. Waarom kunnen we van te voren zeggen, dat
+alle brieven hun plaats zullen vinden en zóó en niet anders verdeeld
+worden? Omdat die indeeling ligt aan de vakjes, niet aan de brieven.
+
+En nu kunnen we komen tot de groote stelling van Kant:
+
+dat de dingen zich richten naar ons, en wij ons niet richten naar
+de dingen.
+
+Ziehier het tegendeel, van wat tot dusver geleerd was. De dingen,
+op ons inwerkend, geven afdrukken in onze ziel, onze kennis is een
+weerspiegeling dier dingen. Kant zegt: neen, wij maken de dingen zóó,
+als ze zijn, ons bewustzijn is niet bloot ontvangend en lijdelijk:
+het is actief, het heeft spontaneïteit.
+
+Kant heeft zichzelven dan ook met Copernicus vergeleken. Deze had,
+tegen den zinnelijken schijn in, geleerd, dat de aarde zich om de
+zon bewoog. Kant leerde, dat de dingen zich schikten naar den mensch,
+niet de mensch naar de dingen.
+
+Hoe kan men nu de waarnemingen, die tot de zinnen
+behooren, rangschikken onder de kategorieën? Is er iets
+gemeenschappelijks? Waarom kan ik een tafelbord onder den cirkel
+rangschikken: het is rond. Hebben de waarnemingen nu ook een kenmerk,
+dat eveneens de kategorieën toekomt? Ja!
+
+In elke waarneming is iets tijdelijks, dus iets aprioristisch. Zeer
+vernuftig wordt nu aangetoond, dat elke kategorie ook overeenkomt
+met iets tijdelijks. (De kategorie-veelheid b.v. is na elkander komen
+van een eenheid: 4 is 1 + 1 + 1 + 1; veelheid en eenheid hooren tot
+het schema van de tijdrij). De tijd is het gemeenschappelijke: Uit
+deze schema's nu worden weer de zuivere verstandsregelen afgeleid,
+welke aan onze wetenschappelijke natuurkennis ten grondslag liggen. Er
+zijn dus evengoed aprioristische oordeelen voor de natuurwetenschap
+als voor de wiskunde. Een dier beginselen b.v. is:
+
+Bij alle wisseling der verschijnselen blijft de substantie onveranderd.
+
+Kant ziet in de substanties iets blijvends, dat noch verminderd noch
+vermeerderd wordt. Zelfs in het vuur gaat niets te loor. Dit beginsel
+past--desnoods zonder er zich rekenschap van te geven--de natuurkundige
+altijd toe. Hang bijv. aan den arm eener balans een magneet en daaraan
+ijzervijlsel. Maak evenwicht. Verbrand het ijzervijlsel. De balans
+slaat door. Het blijkt dat het ijzervijlsel zwaarder is geworden.
+
+Nu zegt de natuurkundige: bij dat ijzervijlsel is wat gekomen: het
+is zwaarder. Hij weet thans, dat dit de zuurstof uit de lucht is,
+die zich met het ijzervijlsel heeft verbonden.
+
+De stof blijft en wordt niet vermeerderd.
+
+Zet een schaaltje water in een kamer en weeg het precies of meet het.
+
+Kom er na een poos bij. Er is minder water. De natuurkundige is
+overtuigd, dat er niet maar zoo water is verdwenen. Hij neemt aan,
+dat dit water ergens is gebleven. Waar? Het is uiterst fijn verdeeld
+in de lucht. Er is een gedeelte verdampt.
+
+Wij zien dus, dat Kant hier een aprioristisch substantie-begrip
+aanneemt, dat voor hem de substantie het blijvende is. Eveneens
+beschouwt hij het causaliteitsbeginsel als aprioristisch. Met Hume
+erkent hij ten volle, dat het niet gegeven is in de waarneming der
+feiten, maar, zegt Kant, het is een grondstelling van het zuiver
+verstand, dat alles geschiedt naar de wet van oorzaak en werking.
+
+Dat wij dus, als wij A en B oorzaak en gevolg achten, het optreden
+van A veronderstellen, als wij B zien en omgekeerd, B verwachten,
+als wij A zien, schrijft Kant niet toe aan een door gewenning, door
+associatie ontstane verwachting, zooals Hume doet, maar hij acht dit
+een der regelen, waarnaar wij ervaren.
+
+Ge komt op een avond in uw kamer en het gas is aan. Nu twijfelt ge
+er niet aan, of iemand moet de gaskraan opengezet hebben en de lamp
+aangestoken.
+
+Stel, dat uw huisgenooten het zouden willen ontkennen, dan zoudt
+ge zeggen: maar het gas is toch òp en met onweerstaanbaarheid moet
+ge aannemen, dat iemand, wie dan ook, het, op welke wijze dan ook,
+opgestoken heeft. Ge ziet B en ge veronderstelt A.
+
+Ge komt op uwe kamer, steekt een lucifer aan, draait de kraan open:
+na verwacht ge zeker, dat het licht op gaat. En doet het dit niet,
+dan zoekt ge dadelijk naar de oorzaak: de hoofdkraan was dicht, er
+was lucht in de gaspijp, er is een lek of zoo iets. A was aanwezig,
+ge rekent op B. Blijft B uit, dan zijt ge overtuigd, dat er andere
+omstandigheden, die er anders nièt zijn, aanwezig zijn.
+
+
+Opm. Het hier behandelde is de TRANSCENDENTALE ANALYTIEK, die de
+zuivere verstandsbegrippen opspoort, zooals de transcendentale
+aesthetiek de aprioristische aanschouwingsvormen zocht. Deze
+moet aantoonen, dat er zuivere wiskunde is, gene, dat er zuivere
+verstandsbeginselen zijn voor de natuurwetenschap. Kant behandelt eerst
+de begrippen: de kategorieën, waarvan hij er twaalf (4 × 3) aanneemt.
+
+Daarna wijst hij in de DEDUCTIE aan, waarom die kategorieën passen
+voor de werkelijkheid ook buiten ons. Zij maken de ervaring, door
+haar algemeen-geldig en noodwendig karakter te onderscheiden van de
+waarneming. De waarnemingen passen in de SCHEMA'S en door hen kunnen
+de kategorieën op deze worden aangewend. Na het transcendentale
+schematisme van het verstand, behandelt Kant de grondstellingen van
+het zuivere verstand, waarvan wij twee noemden, die behooren tot de
+groep van analogieën der ervaring.
+
+
+
+
+
+§ 7. Ziel, Wereld en God.
+
+
+ Nemen wij een sluitrede.
+ Alle metalen zijn smeltbaar.
+ Goud is een metaal.
+ Goud is smeltbaar.
+
+
+Het laatste oordeel grondt zich op de beide eerste. Maar nu kan ik
+ook weer vragen: hoe kom ik aan het eerste en tweede oordeel? En als
+ik dat aangewezen heb, kan ik weer verder vragen. Kan ik zoo eindeloos
+doorgaan? Neen! Ik wil ten slotte komen tot iets dat vaststaat, iets,
+dat de eerste schakel is in mijn keten van conclusies. Als zoodanige
+vind ik nu: ziel, wereld, God.
+
+Deze begrippen zijn onafhankelijk, niet betrekkelijk, maar volstrekt;
+niet onvolledig, maar volledig. Zij vereenigen alle ervaringen in een
+eenheid. Zinnelijkheid deed ons waarnemen, het verstand gaf ons onze
+ervaringen, het is de rede, die ons tot deze hoogste eenheden voert,
+door Kant ideeën genoemd.
+
+Alles, wat wij waarnemen en ervaren, betrekken wij op een ik, als
+het waarnemend en ervarend subject. Dit ik is het redebegrip der ziel.
+
+Alles, wat ik waarneem in, ervaar van de natuur, beschouw ik als een
+deel van een al-omvattend geheel. Dit geheel is de wereld.
+
+Dat àl, de wereld, wordt aangezien voor het werk van een allerhoogste
+Rede. Zoo kom ik tot de derde Idee: God.
+
+Deze ideeën echter zijn niet in de ervaring gegeven: ze liggen buiten
+de grenzen van het kenbare. Ze lokken ons wel, leiden ons op den weg
+naar onderzoek en hebben als zoodanig waarde, maar ze stellen onze
+ervaring niet samen, zooals de verstandsbegrippen. Het is verkeerd om
+te meenen, dat wij kennis kunnen hebben van de objecten, die met hen
+overeenkomen. Het is een waan, (waaraan velen zich overgeven), dat dit
+kan, en uit dien waan zijn drie "zuivere wetenschappen" ontsprongen.
+
+Op de idee der ziel heeft men de RATIONALISTISCHE ZIELKUNDE willen
+opbouwen. Kant echter kent alleen zielkunde, op ervaring gebouwd,
+op onderzoek van de gegevens van het bewustzijn berustend. De
+onstoffelijkheid, de eenheid en daarmee de onsterfelijkheid der ziel
+kan niet bewezen, doch ook niet wederlegd worden. Dit is een groot
+voordeel, want de zekerheid voor de onsterfelijkheid der ziel wordt
+ons wel anderwege gegeven. (zie pag. 45 v.v.).
+
+De LEER DER WERELD berust op de idee wereld. Wanneer men over die
+wereld, over den kosmos gaat handelen, verstrikt het verstand in
+tegenstellingen. Men kan dan evengoed bewijzen, dat de wereld een
+begin, als dat zij geen begin moet hebben gehad; dat zij ruimtelijk
+zoowel onbegrensd als begrensd kan zijn, dat alle samengestelde
+zelfstandigheden uit enkele deeltjes bestaan, alsook dat er niets
+enkels is in de wereld.
+
+Er is vrijheid, d. w. z. er zijn verschijningen, die niet volgens de
+wet der causaliteit kunnen verklaard worden; daar staat tegenover:
+er is geene vrijheid, maar alles geschiedt met noodwendigheid naar
+natuurwetten.
+
+Kant behandelt die tegenstellingen ook en tracht ze op te
+lossen. Merkwaardig is, wat hij zegt van de laatste. De mensch is
+burger van twee werelden: als verschijning is hij onderworpen aan de
+natuurwetten, als "ding an sich" is hij vrij. In de phaenomenale wereld
+heerscht alleen causaliteit naar natuurwetten. In de intelligibele
+wereld is de mensch vrij. In zijn causaal bepaald karakter, zooals
+dat in de phaenomenale wereld uitkomt, weerspiegelt zich echter zijn
+intelligibel karakter en daarom ook is hij verantwoordelijk.
+
+Op de idee God berust de SPECULATIEVE THEOLOGIE, die eveneens door Kant
+wordt verworpen. Geen der drie bewijzen voor het bestaan van God acht
+hij houdbaar. Allereerst verwerpt hij het door hem met onderscheiding
+behandelde bewijs, dat Gods bestaan uit de doelmatigheid der wereld
+afleidt. Het physisch-theleologisch bewijs is o. a. daarom niet
+houdbaar, wijl het alleen maar verklaren kan dat de bouwmeester van het
+heelal zeer machtig en wijs, niet almachtig en alwijs kan geweest zijn.
+
+Het kosmologisch bewijs stelt God als de eerste oorzaak. Maar omdat wij
+een eerste oorzaak willen aannemen, ja, bijna moeten, om tot eenheid
+van kennis te geraken, daarom mogen wij aan die hypothetisch gestelde
+oorzaak, die buiten de grenzen der ervaring ligt, geen werkelijk
+bestaan toekennen.
+
+Het ontologische bewijs (Deel I, pag. 189), dat uit het begrip God
+zijn bestaan afleidt, wordt verworpen, wijl het bestaan niet tot de
+kenmerken van een begrip behoort. "Honderd werkelijke daalders bevatten
+niets meer dan honderd gedachte." Het bestaan zegt hoe een ding zich
+tot onze kennis verhoudt, het moet bij een begrip gevoegd worden en
+dan krijgt men een oordeel, waarin een bestaan wordt uitgesproken. Uit
+God als begrip kan ik niet zijn bestaan halen. Ik moet dan zeggen:
+God is. In het begrip God zijn dan echter geen meer kenmerken gekomen,
+het is als bestaande gezet [geponeerd].
+
+Zoo is dus de speculatieve theologie ook afgebroken. Het voordeel
+is ook weer hier, dat daarmee meteen aan de godloochening het wapen
+uit de hand is geslagen. Men kan ook niet bewijzen, dat God er niet
+is. Er is dus plaats voor geloof. En gelóóft men eenmaal aan God,
+dàn kan de speculatieve idee het Godsbegrip louteren en zuiveren,
+en daaruit alle elementen verwijderen, die er niet in hooren.
+
+
+Opm. Dit gedeelte behandelt Kant in de transcendentale DIALECTIEK, die
+dus den schijn moet behandelen, niet de waan, die individueel is en
+òf door slordig waarnemen òf slordig nadenken ontstaat, maar de waan
+in den mensch, die natuurlijker wijze ontstaat. De rede ontwerpt hier
+begrippen, die wij ideeën kunnen noemen. Zij zijn niet konstitutief,
+maar regulatief. Drie dezer ideeën zijn er: ziel, wereld, God.
+
+Deze ideeën liggen buiten het gebied der ervaring: ze zijn transcendent
+(wel te onderscheiden van transcendentaal, wat Kant zelf helaas niet
+altijd heeft gedaan). Door deze transcendente ideeën als objecten voor
+kennis te behandelen, heeft men de rationeele psychologie, kosmologie
+en theologie gekregen. De eerste brengt tot alogische redeneeringen,
+tot paralogismen, de tweede tot de vier beroemde antinomiën, waarin
+these en antithese beide gerechtigd schijnen, de derde tot de drie,
+niet houdbare bewijzen voor 't Godsbestaan.
+
+
+Overblikken wij nu de kritiek der zuivere rede.
+
+Onze zinnelijkheid geeft ons waarnemingen, door de aanschouwingsvormen
+van ruimte en tijd, die aprioristisch zijn, geordend. Ons verstand
+voegt de waarnemingen onder de kategorieën door middel der schema's.
+
+Zuivere wiskunde is mogelijk en ontleent haar algemeen geldig en
+volstrekt karakter aan de aprioriteit van tijd en ruimte. Uit
+de aprioriteit der kategorieën volgen enkele aprioristische
+grondregels, waarnaar wij onze ervaring opbouwen. De dingen schikken
+zich naar ons. Het substantie- en causaliteitsbegrip zijn hier het
+voornaamste. Gaan wij de ervaring overschrijden, dan brengt de rede
+ons tot de ideeën van ziel, wereld en God, die ons verborgen blijven
+en geen eigenlijk voorwerp van kennis zijn. Het zijn grensbegrippen.
+
+Onze kennis, die dit eerst wordt, als we ervaringen (geen waarnemingen)
+hebben, blijft beperkt tot de wereld der verschijnselen. De achter de
+phaenomenale wereld gelegen noumenale wereld blijft ons verborgen. We
+weten alleen dat ze bestaat. We moeten ons hoeden voor de dwaling,
+verschijning als schijn op te vatten. Ook de verschijningswereld
+is werkelijk.
+
+
+Opm. We geven hier nog een kort schema.
+
+
+ KRITIEK DER ZUIVERE REDE.
+
+Transcendentale Transcendentale Transcendentale
+aesthetiek. analytik. dialectiek.
+
+-- -- --
+Ruimte en tijd. Kategorieën. De redebegrippen of
+ Ideeën.
+Aprioristische Zuivere --
+aanschouwingsvormen. verstandsbegrippen.
+Phaenomena. -- Ziel.
+Noumena. Deductie. Paralogismen der
+ psychologie.
+Ding an sich. -- Wereld.
+ Transcendentaal Antinomiën. (theses en
+ schematisme van 't antitheses) der
+ verstand. rationeele kosmologie.
+ Grondstellingen van 't God.
+ verstand. (o. a.
+ analogieën der
+ ervaring.)
+ De substantie blijft. De drie bewijzen der
+ speculatieve
+ theologie.
+ Causaliteit.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+PRACTISCHE FILOSOFIE.
+
+
+§ 8. Zedeleer.
+
+Evenals in de kennisleer heeft Kant in de zedeleer ook een
+ontwikkelingsgang van jaren doorgemaakt, voor hij tot de
+vaststaande opvattingen van de kritiek der practische rede (1788)
+kwam. Aanvankelijk oefende Wolff grooten invloed. Later maakten de
+Engelsche moraalfilosofen, (Shaftesburry, I, pag. 309) en Rousseau
+grooten indruk. Ten slotte bouwde ook hier de denker een eigen
+trotschen bouw, die de tijdgenooten nog meer imponeerde, dan zijn
+theorie der kennis. Hij vertoont daarmee groote overeenkomst.
+
+De kritiek der zuivere rede zoekt aprioristische beginselen te vinden,
+ook wel transcendentale of formeele genoemd, die ten grondslag lagen
+aan de kennis van wiskunde, natuurwetenschap en metafysica.
+
+Die beginselen waren als vorm scherp onderscheiden van den inhoud
+der waarnemingen en ervaringen.
+
+Op het gebied der ethiek nu zocht Kant ook naar een zuiver beginsel,
+naar een vorm, waaronder zich alle zedelijk voorschrift laat
+brengen. "Niet een nieuw beginsel, maar een nieuwe formule der
+zedelijkheid" wordt in de Kritiek der Practische Rede opgesteld.
+
+
+
+Autonomie.
+
+De vorm van ons willen wordt ons niet opgedrongen, maar
+voorgeschreven. De wet voor den wil is geen natuurwet, die zegt dat dit
+en dat zoo ìs en niet anders kàn, maar dat dit en dat zoo behóórt. De
+wet echter stamt uit onze practische rede evengoed a priori als de
+natuurwet uit de zuivere. Zooals daar het verstand de natuur de wetten
+voorschrijft, zoo hier ook. Daarom is Kant's zedeleer AUTONOOM: niemand
+anders, niets anders schrijft ons de zedewet voor. Wijl autonoom,
+kan de zedeleer niet berusten op Gods wil, niet op den lust, niet
+op het algemeene welzijn. Verworpen worden dus de moraalsystemen,
+die uitgaan van Goddelijk gebod, van den lust (hedonisme), van het
+meegevoel, van de sympathie, (zie I, pag. 84 en pag. 323). Niet op
+den wil van een ander, niet op den lust (waarvoor ieder al genoeg uit
+zichzelf zorgt, en dat dus niet voorgeschreven behoeft te worden)
+niet op de sympathie, d. i. op den onvasten bodem van het gevoel,
+kan de zedeleer berusten, die in haar opperste beginsel van absolute
+geldigheid voor ieder en voor allen tijd is.
+
+
+
+De goede wil.
+
+Er is ook maar één ding te waardeeren: den goeden wil. Alle z.g. goede
+dingen kunnen verkeerd aangewend worden. Dapperheid, een deugd,
+kan door boozen wil verkeerd worden aangewend; evenzeer verstand,
+bekwaamheid, enz. Waar het dus bij de zedelijke beoordeeling op
+aankomt, is niet de verrichte daad, maar de wil die voorzat. Niets
+in of zelfs buiten de wereld is te denken, wat onbeperkt als goed
+geacht kan worden, dan de goede wil.
+
+
+
+Legaal en moraal.
+
+Er zijn daden, die op zichzelf niet zijn af te keuren, maar die
+eigenlijk toch geen voorwerp van zedelijke waardeering zijn.
+
+De koopman, die zijn klanten eerlijk behandelt, om de klandisie
+niet te verliezen, de werkman, die zijn plicht stipt vervult, om niet
+ontslagen te worden, zij handelen beiden wettig, legaal. Wij waardeeren
+deze handelwijze, maar vinden ze niet zedelijk-goed. (Natuurlijk ook
+niet kwaad!) Men kan ook uit neiging, uit gevoel, uit sympathie, uit
+welwillendheid, den arme weldoen, den vriend bijstaan, uit eerzucht
+zich beijveren. Maar ook dit is nog legaal. Slechts wanneer men iets
+doet, dat men zijn plicht acht, zelfs tègen zijn neiging in, dan
+wordt de handeling moreel. De zedewet te gehoorzamen uit plichtbesef,
+dat is de ware zedelijkheid.
+
+
+
+Rigorisme.
+
+Op deze laatste onderscheiding (v.g. ook I, pag. 142) is veelvuldig
+aanmerking gemaakt. Men heeft over 't geheel gemeend, dat Kant
+aan de goede handeling uit neiging en sympathie te weinig waarde
+toeschreef. Het is zeer goed mogelijk, dat men iemand bijstaat,
+zoowel uit plichtbesef als uit sympathie. Schiller, die overigens
+niet tegenover Kant stond, drukte dit uit in zijn bekend versje:
+
+
+ Gaarne dien ik den vriend, doch ik doe het helaas nog met neiging.
+ En daarom kwelt het mij vaak, dat ik de deugd niet bezit.
+ Daar is geen andere raad: probeer het, hem te verachten,
+ En doe met afschuw dan, wat de plicht u gebiedt.
+
+
+Maar vragen wij nu: wat schrijft de plicht, in wiens opvolging alleen
+ware zedelijkheid ligt en wiens formule uit ons zelf stamt, dan voor?
+
+Het antwoord daarop geeft de kategorische imperatief. "Handel zoo, dat
+het richtsnoer van úw wíl tegelijk als voorschrift voor een algemeene
+wetgeving kan gelden." [2] Telkens, wanneer er dus een bepaalde daad
+verricht dient te worden en wij twijfelen, of ze goed is, kunnen wij
+vragen: Wanneer ieder naar mijn beginsel handelde, wat zou er dan van
+de menschheid worden? Nemen we maar één practisch voorbeeld. Wij kunnen
+ons geen samenleving voorstellen zonder vertrouwen; bestond dit niet,
+alle beschaving, alle maatschappelijk samenleven hield op. Vertrouwen
+schenden is dus verkeerd, omdat onmogelijk gewenscht kan worden,
+dat iedereen dit doet.
+
+Deze stelregel is de KATEGORISCHE IMPERATIEF van Kant. Een imperatief
+is het, omdat de regel gebiedend optreedt, objectief geldig is
+(imperare = gebieden). Een imperatief moet onderscheiden worden van een
+maxime, een subjectieve meening van een bepaald individu. Kategorisch
+is de imperatief, omdat ze niet aan voorwaarden gebonden is, maar
+algemeen geldig. Ze staat tegenover de hypothetische imperatief
+(als ge dokter wilt worden, moet ge in de medicijnen studeeren)
+die een gebod behelst, dat slechts onder bepaalde voorwaarden geldt.
+
+De toepassing van den kategorischen imperatief op de verschillende
+levensomstandigheden hangt van vele omstandigheden af. Hij is dus een
+algemeen, a. h. w. ledig beginsel, maar kan in een andere formuleering
+wat concreter kleur bekomen. Die formuleering hangt samen met de
+onderscheiding van doel en middel. Men kan nl. onderscheiden, dingen,
+die middel zijn, (bijv. voedsel, kleeding, woning, kunstgenot), en
+die door andere te vervangen zijn en eerst van beteekenis worden,
+als ze tot iemands behoeve worden aangewend, en dingen en personen,
+die doel zijn, die geen prijs hebben, maar waarde. Dit zijn bijv. de
+zedelijke gezindheid en de mensch. "Zedelijkheid en de menschheid,
+voorzooverre zij geschikt is, zedelijkheid te hebben, zijn het eenige
+wat waarde heeft." En hieruit vloeit een andere formuleering van den
+kategorischen imperatief.
+
+"Handel zoo, dat gij de menschheid, zoowel in uw eigen persoon als
+in den persoon van ieder ander immer tegelijk als doel, nooit bloot
+als middel beschouwt."
+
+Een werkgever mag dus zijn werknemers niet bloot als middelen, om
+zijn zaak te drijven, beschouwen, een veldheer zijn soldaten niet als
+"kanonnenvleesch" en meer niet, aanzien.
+
+In hoeverre hebben we nu, ons zelven en de menschheid als doel
+beschouwend, te letten op eigen zedelijke volmaking, op het geluk van
+anderen! Bij sommige systemen staat het eene, bij andere het laatste
+meer op den voorgrond. Ook hier treedt Kant, als in de kennisleer,
+overbruggend op. Maak eigen volkomenheid en anderer geluk tot doel van
+uw handelingen. Een ander kan ik niet volkomen maken: de volkomenheid
+bestaat in de gezindheid en die kan ik een ander niet schenken. Eigen
+geluk te verzorgen is geen zedelijke plicht, dat streef ik van zelf
+al na.
+
+Wij hebben dus plichten tegen ons zelven (volmaking van lichamelijke
+en geestelijke kracht) en tegenover anderen (hulpbetoon). Medelijden
+als gevoel verwerpt Kant: het is een vermeerdering van lijden; wat hij
+eischt, is medelijden als daad, de klaarstaande hulpvaardigheid. De
+vriendschap wordt zeer hoog geacht, in haar is evenwicht van achting
+en genegenheid. (Voor de groote, ook zedelijke beteekenis van het
+huwelijk had Kant weinig oog).
+
+Vatten wij het gezegde kort samen, dan krijgen wij:
+
+Er is een aprioristisch formeel ethisch beginsel, niet steunend op
+iemand of iets anders.
+
+Het verstand geeft zichzelf de wet: onze zedeleer is autonoom. Dat
+zuivere zedelijk beginsel is de kategorische imperatief. Waarachtig
+zedelijk, moreel, handelt alleen, wie zijn plicht doet tegen
+zijn neiging in. Legaal handelt hij, die uit neiging of uit
+nuttigheidsoogpunt handelt. Voorwerp van zedelijke waardeering is
+alleen de goede wil.
+
+De kategorische imperatief eischt, dat wij onze persoonlijke zedelijke
+inzichten, onze maximen zóó stellen, dat zij algemeene objectieve
+zedelijke beginselen kunnen zijn; dat wij nooit eenig mensch alleen
+als middel behandelen.
+
+De bijzondere plichten zijn plichten tegen ons zelven (eigen volmaking)
+en anderen (hun geluk).
+
+
+
+
+
+§ 9. Theologie.
+
+Kant had de speculatieve theologie verlaten. De idee God was een waan
+gebleken, een wel natuurlijkerwijze ontstaan idee, maar desniettemin
+een grensbegrip, onze ervaring te boven gaand. De bewijzen voor het
+bestaan Gods waren gewogen en te licht gevonden. Verdween daarmee ook
+het geloof aan God? En was, met de afbraak der rationeele psychologie
+ook het geloof aan 's menschen onsterfelijkheid vernietigd? Neen. Noch
+het geloof aan God, noch dat aan vrijheid en onsterfelijkheid was te
+loor gegaan. Als geloof waren zij behouden.
+
+Waarop bouwde zich dat? Had het grond?
+
+Ja, die was te vinden in het zedelijk bewustzijn!
+
+Wij geven ons zelven de wet, dus vrij zijn wij. Onomstootelijk vast
+staat de zedewet. En van dat feit uitgaande, weet de mensch zich
+burger van een intelligibele wereld, waar vrijheid heerscht. Met
+de zuivere rede bewijs ik die vrijheid niet, maar als postulaat
+vloeit ze onmiddellijk voort uit de praktische rede, die ons de
+zedewet oplegt. In de kennisleer is aangetoond, dat het aannemen
+der vrijheid niet tégen de rede strijdt. Daar is de ruimte gemaakt
+voor de postulaten, die de practische rede stelt. En kunnen wij ons
+geen aanschouwelijke voorstelling maken van de andere wereld, wij
+mogen toch een andere causaliteit veronderstellen voor de wereld der
+"dingen an sich".
+
+Het geloof AAN DE ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL is eveneens een postulaat
+der practische rede.
+
+Wat eischt de zedewet? Dat wij er volkomen naar zullen handelen. Maar
+in dit korte leven vindt die volkomen overeenstemming tusschen wet
+en leven niet plaats. Zoo hopen wij op een voortdurend bestaan, opdat
+wij hoe langer hoe meer het zedelijk ideaal zullen kunnen naderen.
+
+Eveneens zijn we gerechtigd, en dit is het derde postulaat, aan God
+te gelooven.
+
+Deugd en gelukzaligheid moeten samengaan, maar in dit leven zien wij
+dit dikwijls anders. Zoo moeten wij aannemen, dat alleen een àl-wijs,
+àl-goed, àl-machtig wezen, dat de zedelijke wereld regeert, dat de
+natuur geschapen heeft, recht zal doen en de juiste verhouding zal
+herstellen.
+
+Op het zedelijk zelfbewustzijn bouwt Kant dus de drie groote religieuze
+beginselen, die hij steeds aanhing: vrijheid, onsterfelijkheid,
+God. Niet op den godsdienst berust de moraal, zooals zoo dikwijls
+geleerd was. Ook hier keert Kant om. Aan de zekerheid van de zedewet
+en aan hare majesteit ontspringt ons geloof.
+
+Hoe is nu de verhouding tot de geopenbaarde religies? De inhoud der
+eigenlijke religie valt samen met die der moraal. De rede heeft nu
+na te gaan, welke van de bijzondere toevoegselen, die de bestaande
+historische godsdiensten voegen bij het zuivere redegeloof, te
+rechtvaardigen zijn. Daarbij mag men niets van te voren aannemen,
+noch verwerpen.
+
+Kant zelf waardeert den bijbel zeer hoog en tracht vele christelijke
+leerstukken een wijsgeerige beteekenis te geven, bijv. den zondenval,
+de wedergeboorte, de Christusidee, de kerk. Veel meer, dan de
+denkers der aufklärung, weet Kant de historische roeping der kerk
+te waardeeren. Zij was het werktuig om de zuivere religie in hare
+vormen te verbreiden. Het wonderengeloof acht hij tegen de wetten
+der ervaring en niet noodig voor onze zedelijke verheffing. Voor den
+theoloog als geleerde eischt Kant vrijheid--op den kansel heeft hij de
+gebruikelijke symbolen, waarin de waarheid zich hult, te eerbiedigen.
+
+
+
+
+
+§ 10. Staats-rechtsleer. Opvoedingsleer.
+
+De zedewet eischt de gezindheid, het recht, de wet van den Staat
+vraagt niet meer dan de handeling. Degene, die de wet overtreedt,
+ontvangt straf. Deze wordt niet gegeven, opdat niet gezondigd wordt,
+noch tot verbetering der misdadigers, maar als vergelding: ieder moet
+dàt krijgen, wat hij verdient.
+
+Den besten regeeringsvorm acht Kant, die zoowel den Amerikaanschen
+vrijheidsoorlog als de Fransche revolutie met groote belangstelling
+volgde, en democratisch gezind was, een constitutioneele monarchie. De
+wetgevende macht hoort bij het volk, de uitvoerende bij den koning,
+de rechtspraak bij door het volk gekozen rechters. Erfelijke adel
+behoort er niet te zijn. Vrijheid van gedachtenuiting bevordert het
+algemeen welzijn.
+
+Men mag met grond hopen, dat de menschheid vooruitgaat, zoowel in
+zedelijk als in verstandelijk en technisch opzicht. Geloofde men
+niet aan dien vooruitgang, dan zou men zijn plicht, aan dezen mede
+te werken, niet kunnen vervullen.
+
+Ook de ervaring spreekt er voor. Wel schijnen de steeds meer gehoorde
+klachten over den achteruitgang van het menschelijk geslacht daar
+tegen in te gaan, maar deze bewijzen slechts, dat de menschheid haar
+ideaal hooger heeft leeren stellen.
+
+Er is dus hoop, dat de menschheid meer en meer den toestand van
+eeuwigen vrede nadert. Dit is het doel der geschiedenis: uit den
+"noodstaat" tot den "redestaat" (Vernunftstaat) te komen.
+
+Eigenbaat, die zekerheid wenscht voor handel en verkeer, werkt samen
+met de ontwikkeling van het zedelijk bewustzijn. Scheidsgerecht zal
+misschien eenmaal den oorlog vervangen. Dit optimisme voor de toekomst
+maakte Kant niet blind voor de vele gebreken van den mensch zooals
+die nu is en zoo sterk treden die soms in 't licht, dat men wel in
+Kant een voorlooper van 't pessimisme heeft willen zien.
+
+Over opvoeding heeft Kant hier en daar meeningen geuit,
+terwijl er ook een verzameling van aanteekeningen bestaat over
+dit onderwerp. Het is belangrijk er op te wijzen, dat hij de
+tegenvoeter is van Locke--Rousseau en Basedow ten opzichte der
+zedelijke opvoeding. Absoluut is hij er tegen, om de voorschriften der
+zedeleer door belooning aanlokkelijk te maken, om door 't opwekken
+van 't eergevoel een naijver tot zedelijke inspanning te voeren,
+om door de gevolgen af te schrikken van de ondeugd. Het kind moet
+langzamerhand bewust worden van het zedelijk grondbeginsel, dat hij in
+verschillende omstandigheden ziet toegepast. Men moet het kind over
+bijzondere gevallen doen nadenken. De natuurlijke straf van Rousseau
+laat het kind opkomen voor de gevolgen van zijn daad. Kant wil, dat
+het de schande, niet de schade van zijn ondeugd inzie. Evenmin is hij
+er voor, sterk op het gevoel van het kind te werken. Door gewenning
+en intooming moet het kind gedisciplineerd worden, als voorbereiding
+voor de eigenlijke wilsopvoeding.
+
+Ondanks dit diepe theoretische verschil, had Kant groote sympathie
+voor Basedow's inrichting te Dessau, die hij als een proefschool
+beschouwde. Die sympathie hing ook hiermee samen, dat Kant weinig
+voordeel ziet in het oprichten van scholen door den staat en de
+vorsten; deze zullen met hun onderricht geen algemeen-menschelijke
+vorming nastreven, geen wereldburgers kweeken, maar slechts eigen
+bizondere doeleinden najagen. De stichting van scholen is beter
+toevertrouwd aan weldenkende, verlichte menschen.
+
+Dat Kant, die door een verstandige levenswijze zich zelf bij zwak
+lichaamsgestel vrij gezond had weten te houden, de lichamelijke
+opvoeding niet ongenegen is, behoeft nauwelijks vermelding; evenmin
+dat de denker, die op de ontwikkeling der rede zoo grooten nadruk
+lei, zich ergerde aan een vormendienst kweekend godsdienstonderwijs,
+dat veel onbegrepens liet van buiten leeren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+SLOT.
+
+
+§ 11. Schoonheidsleer.
+
+De leer van het schoone (daar Kant aesthetica gebruikt in den zin
+van waarnemingsleer, is het beter hier het woord aesthetica te
+vermijden) wordt in de derde critiek behandeld, die in indeeling
+zooveel overeenkomst met de eerste vertoont, dat de stof geperst
+wordt in ondoelmatige vormen. De critiek der zuivere rede behandelde
+hoofdzakelijk de werking van 't verstand. Die der practische rede ziet,
+met haar zedeleer, op den wil. De critiek der oordeelskracht betrekt,
+met hare behandeling van het schoone, ook het gevoel in den kring
+der Kant'sche onderzoekingen.
+
+Ook ten opzichte van het schoone neemt Kant een standpunt in tusschen
+empirisme en rationalisme. Voor de Engelschen (Burke, I, pag. 324) was
+het mooie een zinnelijk welgevallen geweest. Baumgarten (I, pag. 357),
+uit de school van Wolff, had het schoone gelegen geacht in het ding,
+het schoonheidsgevoel als een lagere, minder heldere kennis beschouwd.
+
+Ook hier weer toont Kant de werkzaamheid van het waarnemende subject
+aan. Het schoone is niet gelijk met het ware, dat een voorwerp van
+kennis is. Het schoone wordt ook niet begeerd, vanwege zijn nuttigheid
+of zijn zedelijke waarde, zooals nuttige en goede dingen, maar het
+wordt beschouwd. Het schoone wordt niet, als aangename spijze of
+drank zinnelijk genoten, het wordt niet practisch gebruikt.
+
+Het schoone behaagt ons dus, bevalt ons, zonder dat wij er belang
+bij hebben, het wekt een "belangeloos welgevallen." Dat welgevallen
+ontstaat, als wij, bij de waarneming van eenig voorwerp, fantasie en
+verstand in evenwicht kunnen laten werken. Waar wij iets gemakkelijk
+opvatten, is het voor ons doelmatig. Zien wij bijv. een mooie
+figuur, wier lijnen wij zonder moeite volgen, dan past dat aan bij
+onze opmerkzaamheid; zonder dat die figuur een doel heeft, en wij
+het doel er van vragen, is er toch iets doelmatigs in, voor òns. De
+aanschouwende mensch maakt de schoonheid en het is juister te zeggen,
+dat iets schoon gevonden wordt, dan dat iets schoon is.
+
+Om iets schoons voort te brengen, moet men over meer gaven beschikken
+dan om het te genieten. Hiervoor is alleen smaak noodig, voor het
+eerste genie. Zeer mooie opmerkingen geeft Kant over het genie
+(voorzoover hij, in afwijking van het huidige spraakgebruik,
+daaronder niet het wetenschappelijk, maar alleen het artistiek genie
+verstaat). Genialiteit is een gelukkige aanleg, "waardoor de natuur
+de kunst regels geeft." Het genie is oorspronkelijk, scheppend: zijn
+werken kunnen tot navolging opwekken, zij kunnen niet nagebootst
+worden. De waarachtige kunstenaar is gansch onderscheiden van den
+werkman: die kan bepaalde voorschriften geven en naar vastgestelde
+regels handelen. Anders het genie. "Hoe het genie zijn product
+voortbrengt, kan hij zelf niet beschrijven of wetenschappelijk
+aantoonen, daarom heeft hij het ook niet in zijn macht, zijn
+scheppingen naar welgevallen en planmatig uit te denken en anderen
+dit in zoodanige voorschriften mede te deelen, dat zij daardoor in
+staat zijn, dergelijke producten voort te brengen."
+
+Met deze opvatting van het genie staat Kant midden in zijn tijd, die
+de beteekenis der scheppende fantasie, der individueele begaving voor
+de kunst in helder licht had gesteld; een tijd ook, waarvoor genie
+soms ging beteekenen een mensch, met een zich ook in de levenspractijk
+uitlevende, ongebonden fantasie, met een zucht om de schoonheid ook
+in het leven te zoeken en te verwerkelijken, op van het burgerlijke
+fatsoen ver afliggende paden.
+
+Te onderscheiden van het schoone is het VERHEVENE. Dit kan òf door
+zijn grootheid, of door zijn geweld, zijn kracht tot ons spreken
+(mathematische en dynamische verhevenheid). De laatste brengt ons in
+de stemming, waarvan de dichter zegt:
+
+
+ Betoovrend blijkt natuur, ook als zij daagt ten strijde.
+ De blik bewondert, schoon hij beeft.
+
+
+Aardbevingen, overstroomingen, stormen, kunnen dien invloed hebben.
+
+In het gevoel voor het verhevene ligt iets neerdrukkends: de mensch
+gevoelt zijn eigen kleinheid. Maar tegelijkertijd ziet hij er iets
+in van de oneindigheid, die nergens waar te nemen is. Niet met het
+verstand, maar met de rede komt de fantasie nu in samenwerking;
+de oneindigheid immers is een rede-idee. Terwijl wij ons dus eerst
+als zinnelijke mensch klein gevoelen, worden wij weer opgeheven
+als rede-wezens.
+
+Het gevoel voor het komische, eveneens verwant met, maar onderscheiden
+van dat voor het schoone, ontstaat wanneer een gespannen verwachting
+plotseling in niet overgaat [3]. Zoo worden we als 't ware voortdurend
+opgewonden en loopen plotseling af. Veel gewicht hecht Kant aan de
+hiermee gepaard gaande lichamelijke gewaarwordingen, die ons krachtiger
+levensgevoel geven.
+
+
+
+
+
+§ 12. Kant's invloed.
+
+Kant's invloed is overweldigend geweest.
+
+Aanvankelijk begrepen zijn tijdgenooten hem niet. Niet tot een bepaalde
+partij behoorende, meende ieder in hem een vijand, zonder meer te
+zien. Reinhold zegt daaromtrent in zijn brieven over de Kantiaansche
+Wijsbegeerte, dat ieder hem voor een vijand aanzag: de dogmatici
+voor een scepticus, die alle zekerheid van 't weten ondergroef, de
+sceptici voor iemand, die een nieuw dogmatisch systeem wou opbouwen,
+de spiritualisten voor een materialist, de materialisten voor een
+spiritualist, enz.
+
+Lang duurde die miskenning niet.
+
+Op verschillende wijzen werkte Kant.
+
+Zijn schoonheidsleer trok den grooten denker Schiller, en door
+dezen raakte ook Goethe met Kant bekend. Schiller heeft Kant's
+leer van het schoone verder ontwikkeld. Reinhold (1758-1823) heeft
+door zijn brieven veel gedaan tot populariseering der Kantiaansche
+wijsbegeerte. Gedeeltelijk afwijkende leer verkondigde Maimon, die
+zich met ongelooflijke moeite (hij was een Poolsche Jood) tot zoo'n
+hoogte had opgewerkt, dat Kant zei, dat niemand als hij zoo goed de
+hoofdzaak had verstaan.
+
+Weldra werd aan alle universiteiten bijna het criticisme geleerd
+en leeraren, die zich tegen Kant verzetten, werden van geliefde en
+geachte meesters vergeten grootheden.
+
+Van heinde en ver kwam men naar Koningsbergen om Kant te zien en
+te hooren.
+
+Enkele uitdrukkingen kunnen aantoonen, welk een invloed men hem
+toeschreef.
+
+Mendelssohn sprak van den "alles vernietigenden Kant" en Jean Paul
+riep in geestdrift uit, dat Kant met zijn zedeleer géén licht had
+doen opgaan, maar zèlf een glanzend zonnesysteem was.
+
+Ook in ons land vond de Kantiaansche wijsbegeerte belangstelling. Als
+aanhanger daarvan deed zich kennen Kinker (1764-1845), een geestig
+schrijver, die van 1817-1830 hoogleeraar in de Hollandsche taal
+aan de universiteit te Leuven was. Over hem als wijsgeer heeft
+Prof. v. d. Wijck uitvoerig gehandeld.
+
+De Kantiaansche wijsbegeerte werd bestreden en het oude Christelijk
+geloof gehandhaafd door den dichter Rhijnvis Feith (1753-1824),
+die in 1806: "Brieven aan Sophie over den geest van de Kantiaansche
+wijsbegeerte" schreef, welke door Kinker in een vinnig geschrift:
+"Brieven van Sophie aan Feith," beantwoord werden.
+
+Het verdere verloop der waardeering blijkt uit het vervolg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE AFDEELING.
+
+DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE.
+
+
+§ 13. Voorloopige opmerkingen.
+
+Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden
+groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der
+19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond,
+zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.
+
+Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de
+eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met
+de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel
+wordt mee bevorderd door de denkers.
+
+Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers
+en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche
+literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te
+halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van het romantisme.
+
+Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich
+uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen,
+niet allereerst van wijsgeerigen aard is. [4]
+
+Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte, terugtrekken op
+het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te
+vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen,
+maar om dit te openbaren in de kunst, om dit uit te leven in de
+artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het
+leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de
+geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de
+heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De
+nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde
+verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend
+gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in
+een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van
+geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van
+geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan
+open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die
+het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland
+met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische
+roman ontstaat. [5] De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der
+romantiek, Schelling is hun wijsgeer.
+
+Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch
+minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw
+die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd,
+is geen dwepend romanticus als Schelling.
+
+Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare
+kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant's leer: de lichamelijke wereld
+is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid,
+de intelligibele wereld.
+
+Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met het denken: het
+zuivere denken moet ons de waarheid brengen.
+
+De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet
+op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd
+worden, wordt beproefd.
+
+Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan,
+de werkelijkheid wordt gekend.
+
+Drie groote speculatieve filosofen zijn er.
+
+Fichte, de ethicus, die 't meest uitgaat naar de zedenleer.
+
+Schelling, de kunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.
+
+Hegel, de denker.
+
+Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt
+een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. "Zijn invloed,
+hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen,
+onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw"
+(Eucken). De school van Hegel vormt met haar linkerzijde den overgang
+tot het positivisme in Duitschland.
+
+In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.
+
+
+
+Dit gedeelte is genoemd de tijd der speculatieve filosofie. Want
+er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens
+de genoemde. Onder hen valt te noemen Herbart, die op ziel- en
+opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+FICHTE.
+
+
+§ 14. Leven en Werken.
+
+Leven.
+
+De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb
+Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in
+Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden,
+door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te
+studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke
+geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich
+te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader
+der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter
+Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk
+maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie
+moeilijkheden meebracht--hij hield de ouden elke week de door hen
+begane opvoedkundige fouten onder de oogen!--vertrok hij naar Jena,
+waar hij kennis maakte met Kant's wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd
+de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die van Kant's
+boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift
+ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht
+Fichte hem--hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer
+hoopte te worden--te spreken en geeft als aanbeveling een in
+vijf weken ontworpen geschrift: "Proeve eener critiek van alle
+openbaring". Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze
+zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de
+laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien
+tijd Kant's godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het
+boekje voor Kant's werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in
+één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar
+Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite
+met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten,
+wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij
+wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van
+Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt,
+indien hij in 't ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem
+nu, zelfs met Goethe's toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken,
+vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de
+romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt
+hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij
+wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810
+wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn
+plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft
+hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt
+gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.
+
+Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende
+persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken
+van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid
+onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn
+licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen;
+het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.
+
+
+
+Werken.
+
+Fichte's werken zijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn
+meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn
+verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag
+méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van
+die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel
+willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die
+uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt
+in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en
+praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers
+van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn
+leer wel een ontwikkelingsgang te ontdekken, maar geen totalen omkeer.
+
+In 1794 verscheen de "Grondslag der geheele wetenschapsleer." In
+1797 gaf hij daar nog "Inleidingen" op en in 1800 verscheen: "De
+Bestemming des menschen." Verder zijn te noemen: "De Grondslag van
+het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L." (1796) en de Zedeleer
+naar dezelfde beginselen (1798).
+
+Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams
+goedkoope uitgaven) "De toespraken tot de Duitsche natie," "De
+bestemming van den mensch," "Systeem der Zedenleer" en "Feiten van
+het Bewustzijn" (1811).
+
+
+
+
+
+§ 15. Theoretische filosofie.
+
+Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer
+nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van
+uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van
+Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn
+criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid
+en duidelijkheid geen misverstand buitengesloten en was zoo--zij het
+onwillens--vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer
+bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en
+indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf
+geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel
+ontsprong. Hij had, in onze kennis vorm en inhoud onderscheidend,
+niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.
+
+Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend,
+nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug
+te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:
+
+Een stelsel te ontwerpen, dat alles uit één beginsel afleidend,
+de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen
+van Kant, erkent, maar den laatsten oorsprong zoekt van de door Kant
+gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.
+
+Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?
+
+Tweeërlei is mogelijk.
+
+Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten
+bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit
+is het dogmatische of realistische standpunt.
+
+En men kan zeggen:
+
+Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat
+een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt
+voortgebracht. Dit is het absoluut idealisme.
+
+Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van
+af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke
+redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is een
+daad, een wilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos
+de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor
+het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven,
+aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan
+dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn:
+het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit
+'t bewustzijn worden verklaard.
+
+Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is: het ik zet zich
+zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven
+bij denken. "Denk den muur en denk nu, die den muur denkt."
+
+Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, een handeling. Maar--het
+ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik
+tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik
+zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these
+en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:
+"In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik."
+
+Het ik en niet-ik perken elkaar "in."
+
+Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik,
+ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre
+passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.
+
+Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit
+is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe
+Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan
+de practische filosofie het primaat moest geven.
+
+In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle
+verdere wijsbegeerte. "Geen enkele filosofie komt boven deze kennis
+uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren."
+
+Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven
+stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden
+doorloopen. Het begint met
+
+1. een gewaarwording te hebben (bijv. van rood, geur);
+
+2. komt tot de aanschouwing, dat die gewaarwording buiten het
+bewustzijn bestaat,
+
+3. vormt in tijd en ruimte een beeld (bijv. roos) van het aanschouwde,
+
+4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot
+staan. Er is nu een voorwerp ontstaan, dat aangezien wordt voor de
+oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is,
+een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).
+
+5. De oordeelskracht is het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen
+te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur,
+of de grootte).
+
+6. Het hoogste stadium, de rede, stelt ons in staat, om van alle
+voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt
+vindt het ik zichzelf.
+
+Maar nu kan ook gevraagd worden: hoe komt het ik er bij, om zich door
+een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het. Dàt het ik dus
+de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maar waarom dat
+niet-ik gesteld?
+
+Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord
+worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot
+bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf
+teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn,
+is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door
+het niet-ik.
+
+Wij moeten handelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen
+als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een
+voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die
+overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm
+is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het
+ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om
+practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover
+ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in
+haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.
+
+Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik:
+(de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft
+deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom,
+dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid
+hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden,
+en dus de natuur te overwinnen.
+
+
+
+
+
+§ 15a. Practische filosofie.
+
+Zedeleer.
+
+Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen
+op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De
+mensch volgt zijn natuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium
+te volgen. De mensch moet komen tot handelen om der wille van het
+handelen, hij moet vrij zijn. Streeft hij hier niet naar, blijft
+hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. De luiheid
+is het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de
+mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een
+verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op
+den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad
+moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid
+voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in
+die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur-
+en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam
+gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen,
+is geweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar ons
+geweten te handelen; ieder in zijn ambt en staat.
+
+Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent
+Fichte toe aan "deugdgenieën", in wie de drift naar vrijheid zeer sterk
+was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze
+genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen
+de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook
+dikwijls de godsdienststichters.
+
+Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met
+menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de
+verwerkelijking van het ik. Daartoe kan elke mensch slechts door den
+arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom--niet als
+doel maar als middel--bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd
+echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen--zij zijn met
+mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik niet alleen in dienst van de
+verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term
+te gebruiken, "een gemeenschap der heiligen."
+
+
+
+Rechtsleer.
+
+De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van het recht. Dit
+heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt
+ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als
+vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die
+dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.
+
+Zoo is de algemeene rechtsregel:
+
+"Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen
+zijn."
+
+In het begrip der persoonlijkheid liggen de "oerrechten" [6] van
+persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.
+
+Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem
+dwingen. Er is dus dwangrecht. Maar om dit in 't werk te kunnen
+stellen, moet er een staatsrecht zijn. Dit eischt, dat de burgers
+elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig
+erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap
+tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.
+
+
+
+Huwelijk.
+
+In een aanhangsel van het "Natuurrecht" behandelt Fichte het huwelijk,
+dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde
+der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken
+en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepen openstaan,
+verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.
+
+
+
+Staat.
+
+Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal
+verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de
+volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op
+revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet
+wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te
+ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een
+organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in
+beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is,
+om te zorgen, dat ieder eigendom heeft en werken kan. Een soort
+socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij
+op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad:
+er zijn in z'n socialisme vele reaktionaire elementen.
+
+
+
+Godsdienst.
+
+In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk
+geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een
+vroom bespiegelend boekje: "Aanwijzing tot zalig leven." Was vroeger
+voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is
+deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat
+Absolute is het Ik een beeld. "De Geest (= Het Ik) een beeld Gods,
+de wereld een beeld des geestes." Het ware wezen der religie is een
+allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.
+
+
+
+Geschiedenis.
+
+In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het
+denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst
+een stadium te zien van "onschuld," waarin het zedelijke onbewust uit
+instinct wordt gedaan. Nu komt het tijdperk der "beginnende zonde,"
+waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of
+niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven:
+"die der voleindigde zondigheid," waarin willekeur en zelfzucht
+zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en
+waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat
+de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds
+wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der
+"beginnende rechtvaardigmaking," waarin het enkel ik zich aan de
+rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt
+de geschiedenis in het stadium der "voleindigde rechtvaardigmaking
+en heiliging," de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is
+opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden
+met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.
+
+Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert
+hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben
+Luther's hervorming, Kant's wijsbegeerte, Pestalozzi's opvoedkunde
+voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en
+zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding,
+die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch
+brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote
+doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.
+
+Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland,
+werd een herdruk der toespraken verboden!
+
+Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen
+invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve
+wijsbegeerte èn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. "Hij
+was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was
+hij in 't ontwerpen grooter dan in 't uitvoeren.
+
+"Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel
+als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak,
+de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die
+taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn
+arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des
+levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen
+tot stand gebracht." (Eucken).
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+SCHELLING EN ZIJN GEESTVERWANTEN.
+
+
+§ 16. Schelling.
+
+Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de
+filosoof der romantiek. Daarvan getuigt zijn leer, aan herhaalde
+wijzigingen--zij 't niet zonder onderling verband--onderhevig en de
+invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers,
+(Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);--zijn denkmethode, meer op
+fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten
+dan op de verschillen lettend;--zijn stijl, soms stijgend tot die
+der lyrische verrukking.
+
+Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg
+in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een
+dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797
+te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn "Ideeën over
+natuurfilosofie" uit. In 1798 komt: "Van de wereldziel." Hetzelfde
+jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den
+kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte's standpunt gestaan
+had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het
+"Systeem van het transcendentale Idealisme" uitkomt, begint een nieuwe
+ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed
+van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München,
+als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809
+begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze
+zich religieuze vraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen
+over het wezen der menschelijke vrijheid).
+
+Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen,
+die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München,
+komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen
+als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche
+linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt
+hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel
+onverwacht.
+
+
+
+Natuurfilosofie.
+
+Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra
+was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed
+het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen,
+dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden
+stof zal zijn. Hem geldt de natuur als een samenhangend geheel en
+de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij
+kan alleen gekend worden, als zij met den geest gelijksoortig is:
+ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een
+voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard
+worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.
+
+Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de
+natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de
+natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou
+een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De
+natuur staat dus niet tegenover den geest, maar is een lager vorm,
+de materie is sluimerende geest.
+
+Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd,
+die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de
+natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten
+der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt
+het innerlijke der natuur te verstaan.
+
+Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur
+ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een
+schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats
+vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt
+door van kennen en handelen tot de kunst voort te schrijden. Zij
+is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den
+wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam,
+wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.
+
+Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie
+is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.
+
+
+
+Identiteit.
+
+Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets
+ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling's tweede periode
+bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en
+ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene
+Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigen vorm ook
+eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu 't voorwerp der filosofie. De
+natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer
+van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.
+
+
+ Absolute.
+ -------^-------
+ Geest = Lichaam.
+
+
+Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is
+allebei.
+
+Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht
+naar één zijde.
+
+Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen
+gelijk.
+
+De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.
+
+Het objectieve overheerscht.
+
+De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.
+
+Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno,
+verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie
+en wetenschap.
+
+
+
+Theologie.
+
+Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch
+object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich
+vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond,
+dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte
+dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor
+de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing
+aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226). De grond voor scheiding,
+voor 't verkeerde moet in het Absolute liggen.
+
+Er bestaat een irrationeel element in de wereld. God kan eerst
+dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijken kan. Het ontstaan
+der bijzondere dingen is als 't ware een afval, is de zondenval. De
+geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname
+der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.
+
+Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen
+een mogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. De werkelijkheid
+van het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen,
+houdt op.
+
+
+
+Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling's leer op, dan krijgen
+wij in drie stadiën dit:
+
+Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar
+ook geest. Daarom is, van uit de natuurfilosofie op te stijgen tot
+den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar
+aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt
+iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan,
+en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is de identiteit
+van geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit
+het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan:
+de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet
+zich ontwikkelen. Maar de mensch met zijn vrijheid maakt het mogelijke
+booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding
+der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).
+
+
+
+
+
+§17. Schelling's geestverwanten.
+
+Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een
+groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde
+richting werkzaam waren. Zoo is te noemen de natuurfilosoof Lorenz
+Oken (1779-1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al
+zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier
+vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel,
+de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: "De aether
+is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether,
+tezamen 4." "De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal."
+
+Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij
+de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed
+uitgeoefend op Fechner.
+
+De identiteitfilosoof Wagner (1775-1841) oefende invloed uit op den
+Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang
+invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is
+moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit
+maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn
+werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in
+evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam
+een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer,
+waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.
+
+De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van
+Schelling is Schleiermacher.
+
+
+
+Schleiermacher.
+
+Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde
+theologie, gaf in 1799 zijn "Toespraken over de religie" uit, werd
+in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor
+te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke
+invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een
+persoonlijk kenmerk wist samen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk
+uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens
+wat "mat." Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische
+werkzaamheid: "de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert
+den Hervormingstijd had gehad." (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier
+tot zijn godsdienstwijsbegeerte.
+
+Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen,
+naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In
+God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God
+niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig
+maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft
+nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij
+hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door
+wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen
+zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.
+
+Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een
+schadeloosstelling in het hiernamaals.
+
+Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij
+zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in het gevoel. Wij
+voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige
+handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het
+religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel van afhankelijkheid,
+ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht
+naar eenwording met God.
+
+Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis,
+en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke
+Platovertalingen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+HEGEL EN ZIJN SCHOOL.
+
+
+§ 18. Leven en persoonlijkheid.
+
+De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve
+denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te
+Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in
+Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den
+dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de
+Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en
+Rousseau werden gelezen. Van 1793-'96 was hij huisonderwijzer te Bern,
+daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander
+van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige
+beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een
+tijdschrift uit.
+
+Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op
+den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende,
+spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende,
+de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.
+
+Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam, even onbeholpen in
+het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur
+maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal
+aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend
+en doordénkend.
+
+In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het
+Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon's veldheersgenie, nauwelijks
+belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn "Phaenomenologie
+van den geest" voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en
+openbaring van eigen standpunt.
+
+Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar:
+hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg,
+als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig
+onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt
+zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als
+hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste
+jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831
+aan de cholera sterft.
+
+In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van
+bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges
+over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een
+geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde
+en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid,
+maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor
+hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. "Nog
+nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het
+onderzoek van Hegel's geschriften verbonden, zich aan een gevoel van
+bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van
+dezen denker." (Dr. Ritter).
+
+Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich
+van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote
+beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten
+weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften
+van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig
+gebied vierde hoogtij.
+
+Hegel was--gevolg zijner wijsbegeerte--conservatief gezind en zoo stond
+hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel
+op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet,
+om den vorst te believen.
+
+Na zijn dood gaf eene "vereeniging van vrienden van den vereeuwigde"
+zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die
+werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl
+geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal
+kunsttermen nog meer af.
+
+Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven
+der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.
+
+
+
+
+
+§ 19. Methode.
+
+Hegel's systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al
+het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van
+zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is
+identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit,
+door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur
+staat niet naast het denken, maar er onder. Keert Hegel dan tot
+Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik
+een object tegenover zich zou hebben, waarop het zijn krachten kon
+richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is
+niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling
+waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.
+
+Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen,
+met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren
+kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel
+der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute
+is eerst "an-sich," aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot
+anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest,
+wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het
+Absolute weer "an-sich," maar ook für sich, voor zich zelven. In alles
+wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke
+is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet
+van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.
+
+Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij een
+stelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot
+kennis der verschijningen. De dingen an sich: het Absolute moet gekend
+worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van
+het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica,
+dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules
+en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het
+zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.
+
+Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische
+methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn
+ontkenning. Maar... zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we
+tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze
+zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraak is verdwenen,
+zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide
+begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin
+òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor
+een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn
+negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer
+ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).
+
+Schematisch dus:
+
+
+ a --> niet a
+ ------------
+ A --> niet A
+ ------------
+ B --> niet B
+ ------------
+ C --> niet C
+ ------------
+ D enz.
+
+
+Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken
+en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methode eenheid
+van tegendeelen.
+
+Hegel's systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm
+gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch,
+identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute
+leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt,
+en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent,
+zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu
+heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. "Grootscher taak is
+haar nooit opgedragen."
+
+Hegel's groote kennis en bouwend vermogen stelt hem in staat een
+volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van
+den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88--89
+en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.
+
+
+
+
+
+§ 20. Het systeem.
+
+Logica.
+
+Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt,
+die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode,
+waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste
+begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of
+hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn,
+maar, als het gedacht wordt bestaat het als gedachte en niet-zijn
+wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Het
+worden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is
+worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In
+het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.
+
+Na de logica volgt de natuurfilosofie, vrij algemeen als het minst
+belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De
+algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt,
+om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in 't
+buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der
+vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in
+'t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest,
+die zich openbaart als:
+
+
+ subjectieve, objectieve en absolute geest.
+
+
+Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze
+bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en
+verwerkelijkt. Dit gebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer
+zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven
+geest als ziel van een lichaam is de anthropologie, die handelt over
+de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden,
+vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten,
+slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte
+onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie,
+voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen,
+herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De
+subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en
+tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in
+de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van den OBJECTIEVEN
+geest is de schitterendste schepping van Hegel, in 't bijzonder dan
+zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid
+moet werkelijkheid worden. Het recht brengt de uitwendige vrijheid,
+de moraliteit de innerlijke, de zedelijkheid beide vereenigend, de
+volkomen vrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van
+verboden inperking van den wil.
+
+Het recht is aleerst eigendomsrecht, het is het recht der
+persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen
+persoonlijkheid. In een verdrag treedt die persoonlijkheid tot anderen
+in verhouding en het strafrecht is de ontkenning van de ontkenning
+van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere
+wil zich verzet tegen den algemeenen.
+
+Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen
+voegt, is moraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve
+gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft
+een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; het geweten,
+rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.
+
+Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en
+dat geschiedt in de "zedelijkheid." De zede is een in de gemeenschap
+heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt
+als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen
+voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.
+
+Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt
+is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote
+aangelegenheid van 't gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De
+leer der "burgerlijke gezelschappen" doet o. a. recht wedervaren aan
+de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen
+met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand)
+vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden
+hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de
+grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen
+denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals
+een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van
+de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men
+dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook
+hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het
+werkelijke redelijk.
+
+Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer
+willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen
+wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor
+steeds te laat. "Eerst als de schemering begint, vangt Minerva's uil
+aan te vliegen."
+
+De geschiedenis is niet anders dan het proces, dat de werkelijkheid
+doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een
+grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een
+ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling
+mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor
+gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar
+alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken
+acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In
+de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het
+Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden
+zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der
+Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met
+een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland
+is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt
+in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in
+Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus
+brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de
+menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid,
+waarin de mensch "na volending van zijn levensloop in zichzelf
+terugkeert." Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid
+nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, 't leenstelsel,
+de reformatie, enz.
+
+
+
+
+
+§ 21. Het systeem. (Vervolg).
+
+De absolute geest.
+
+Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in
+den absoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject
+en object, denken en zijn opgeheven. Het absolute aanschouwt zich
+zelf in de kunst, stelt zich zelf voor in de religie en denkt zich,
+begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.
+
+
+
+ HEGEL'S SYSTEEM.
+
+
+ LOGICA. NATUURFILOSOFIE. FILOSOFIE VAN DEN GEEST.
+ | | |
+----------+----------- ---------------+--------------- ---------------------------+-------------------------
+zijn | wezen | begrip. mechanica | physica | organica. subjectieve geest | objectieve geest | absolute geest.
+ | | | (zie hieronder.)
+ -------------+-+---------- ------------------------------------+--------- --------+------------------------
+ subj. begrip | obj. begrip. anthropologie | phaenomenologie | psychologie. Recht | Moraliteit | Zedelijkheid.
+ -------- | |
+ Idee. | |
+ -----------------------------------------+- |
+ eigendomsrecht | verdragsrecht | strafrecht. |
+ |
+ ------------------------------------+----
+ familie | burgerlijke samenleving | staat.
+ | | |
+ o.a. o.a. |
+ (huwelijk, standen, GESCHIEDENIS.
+ erfrecht, vereenigingen. a. despotische staat
+ opvoeding.) (één vrij oostersch
+ volk).
+
+ b. republiek (eenigen
+ vrij, Grieken
+ en Romeinen).
+
+ c. const. erf. mon.,
+ (allen vrij, Germanen).
+
+ absolute geest.
+ |
+ --------------------------------+----------------------------------
+ kunst religie filosofie.
+ | | |
+------------------------+--------------------- | |
+symbolisch, klassiek, romantisch, | van Eleaten enz. tot Hegel!
+architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst, |
+ muziek. |
+ ---------------------- |
+ poëzie. |
+ |
+ ------------------------------------------+-----------------------------------------
+ natuurreligie subjectieve vrijheid absolute religie.
+ | | |
+ ------------+------------ ---------------+--------------- |
+ (Chinezen, Bramanen, enz. Joden, Grieken, Romeinen. (Christendom).
+ verhevenheid, schoonheid, nuttigheid.
+
+
+
+Kunst.
+
+De kunst kan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerst
+symbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee,
+die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen
+harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens de klassieke kunst,
+die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde
+trap, de romantische kunst, waarin de zinnelijke verschijning op den
+achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.
+
+Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is
+toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek
+en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende
+kunst.
+
+
+
+Godsdienst.
+
+Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt
+in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter
+vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de
+op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem
+onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het
+Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor
+nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger
+dan de oostersche (Chineesche, Bramaansche, enz., die ieder hun eigen
+kenmerk hebben) staan de religies der "geestelijke persoonlijkheid,"
+der "vrije subjectiviteit," die van de Joden (verhevenheid), Grieken
+(schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van 't
+Christendom volgt hierop. De dogma's van het Christendom laten hunne
+wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.
+
+Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording
+van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet:
+God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording
+van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer
+negatie is Christus' Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch
+geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.
+
+
+
+Wijsbegeerte.
+
+Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken:
+Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der
+geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van
+de Eleaten af, die het zijn opstelden, over Heraclitus (worden),
+Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius
+(bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel,
+waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der
+filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar
+tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en
+klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt:
+de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.
+
+
+
+
+
+§ 22. Hegel's school.
+
+Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden
+meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig
+dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding
+tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie
+opgeheven is in de wijsbegeerte, die wel denzelfden inhoud heeft,
+maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.
+
+Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd,
+legden nadruk op het gelijke van den inhoud: zij wilden den godsdienst
+handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan den
+anderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de
+radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.
+
+In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus,
+Onsterfelijkheid.
+
+Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij
+een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of
+was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke? Was
+zijn godsbegrip pantheïstisch?
+
+Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men
+kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn
+stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel's
+dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten,
+tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem
+voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.
+
+Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen
+daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd
+druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets
+anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste
+voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno
+Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der
+nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche
+universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie en
+wist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen
+en groote kennis te teekenen. Aldus zingt Liebmann hem toe:
+
+
+ "Dit alles [7] leert gij; luistrende jongrenschaar
+ Volgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,
+ Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuw
+ Der menschheid hoogste gedachten verjongen.
+
+
+De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij
+is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx
+en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het
+hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over
+twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend
+gemaakt. Strauss en Feuerbach.
+
+
+
+Strauss.
+
+Strauss (1808-1874) studeerde eerst theologie te Tübingen, gaf in 1835
+een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in
+de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus
+zouden kennen, wij kennen den Christus van 't geloof. Hij verwerpt
+echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen:
+het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij
+ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten
+zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid
+is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.
+
+Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij
+later uit op de dogma's van het christelijk geloof. Verzoening tusschen
+gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strauss zich meer
+met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend
+werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld
+nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij
+stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen
+mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde
+weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door
+het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn;
+maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom,
+productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld
+en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch
+einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.
+
+Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan
+luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van
+afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed
+uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de
+vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets
+voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen
+van staat en menschheid, door de kunst, in 't bizonder door de muziek,
+verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss
+tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van 't genie,
+door onzen da Costa geteekend:
+
+
+ Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!
+ En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van 't Genie!
+
+
+
+Feuerbach.
+
+Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer
+van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor
+theologie studeerende, brengen Hegel's colleges hem tot de studie der
+wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij
+zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd
+dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van
+Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in
+Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier
+heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit:
+"Het wezen van het Christendom" waarin hij wel de dogma's zeer scherp
+critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens,
+waaruit ze ontstaan zijn.
+
+Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich
+genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den
+last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke
+hulpmiddelen.
+
+Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite
+gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn
+begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten,
+vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl
+schilderde voor 't eerst de beteekenis van Feuerbach.
+
+Ten opzichte der religie leert hij, dat de mensch God maakt. God is het
+ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen
+wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en
+prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek,
+in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven
+heeft. De hemel van den mensch is een "bloemlezing," ontstaan door
+eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel
+van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God
+en den hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.
+
+De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een
+gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk
+gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God
+is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus,
+God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.
+
+"De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe
+verborgenheid geschreid over de ellende der menschen."
+
+Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand
+geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden
+en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf,
+zeer vergroot, is.
+
+Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne
+beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis
+ook brood en wijn en water zijn.
+
+Alles, ook het geringste, wordt geadeld.
+
+Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere
+Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:
+
+"Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig
+het water. Amen!"
+
+Op wijsgeerig gebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme,
+maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van
+de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste,
+zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer
+scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het
+materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand
+voor den geestelijken, heeft hij veel oog. Treffend komt dit uit in een
+bespreking van een werkje van Moleschott: "De leer der voedingsmiddelen
+is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden
+tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten
+en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn
+vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het
+in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is,
+wat hij eet."
+
+
+
+Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende
+tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve
+filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848,
+dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu
+niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer's
+pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust,
+Hegel's geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land
+zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het
+optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.
+
+
+
+Bolland.
+
+Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te
+Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem
+op in 't katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende
+lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde
+dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het
+gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie
+der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von
+Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in
+de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool, vooral door toedoen van
+zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.
+
+Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op
+theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken
+waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen
+en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name
+in Utrecht, Amsterdam en Delft.
+
+Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij
+vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel's werken
+zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen
+der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie
+bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij
+de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen
+op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens
+zelfstandig verhoudt.
+
+Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van
+kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn
+standaardwerk: "Zuivere Rede." Zijn artikelen werden meest opgenomen
+in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding
+tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde
+verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven
+zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: "hij doet de wijsheid
+Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer
+hem dit gelukt." Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met
+maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige
+artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over
+Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven,
+persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A. van den Bergh van Eisinga in
+"Mannen van Beteekenis," Deel XXXVIII, afl. 5.
+
+
+Opm. Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van
+den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent
+te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in
+diens preekenbundel: "Rust een weinig," geeft Bolland een voorbeeld
+van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief
+aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn
+meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland,
+meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid,
+die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke
+leer en werk betreffen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+SCHOPENHAUER.
+
+
+§ 23. Leven en Persoonlijkheid.
+
+Inleidende opmerkingen.
+
+Het romantisme had, in afkeer van den tijd der verlichting, nieuwe
+idealen gezocht. Aan de aufklärung had historische zin ontbroken,
+het romantisme leefde gaarne in 't verleden. Zijn dichters zongen
+van voorbijgeganen tijd en voelden zich thuis in ridderburcht
+of middeleeuwsche stad. Zijn denkers hadden de groote beteekenis
+der historische ontwikkeling begrepen en Hegel was tot een machtig
+stelsel gekomen van geschiedkundige ontwikkeling. In die ontwikkeling
+leerde het Absolute zichzelf kennen. De historie was ontwikkeling;
+voortgaande, voortschrijdende tot hooger. Zij had beteekenis,
+zij had een eenige beteekenis. Wie geloofde aan, wie overtuigd
+was van dien ontwikkelingsvoortgang, mocht hoopvol op 't leven
+zien. Waar de werkelijkheid niet zonder Rede was, daar was zij
+nooit te verwerpen. Zoo kon er zekere tevredenheid met het bestaande
+komen: Hegel was verzoend, Hegel was het eens met den Pruisischen
+regeeringsvorm.
+
+De speculatieve wijsbegeerte had in Hegel haar toppunt bereikt:
+de methode was aangegeven, de door het Absolute doorloopen
+ontwikkelingsgang gevonden, ja, het eindpunt bereikt. De religie
+was geen vijandige macht voor het weten, veeleer lager trap, waarop
+de absolute geest zich bevond. De mensch vond zijn bestemming, zijn
+plicht in de zedelijkheid, die hem bond aan de gemeenschap van andere
+redebegaafde wezens.
+
+
+
+Scherp tegenover deze wijsbegeerte staat nu Schopenhauer. Geniaal
+gevoelsmensch en toch "zonder hart," grillige persoonlijkheid, vat
+vol tegenstrijdigheden, ontwerpt hij een stelsel van wijsbegeerte,
+dat,--gedragen als het is door één persoonlijkheid, doorleefd en
+zelf ervaren als het is door een rijken geest,--een eenheid is, en
+toch door de kenmerken dier persoonlijkheid, grillige overgangen,
+onverzoende tegenstrijdigheden bezit en den invloed van vele denkers
+toont ondanks de oorspronkelijkheid. Hoe geheel andere persoonlijkheid
+dan die van Hegel, welk een andere vorm van werk. Het staat er ook
+in leer tegenover. Het leert het onredelijke, het irrationeele der
+geschiedenis en der werkelijkheid, eerder schepping van den duivel,
+dan zelfverwezenlijking der Rede. Verdere ontwikkeling brengt niet tot
+grooter geluk: elke schrede verder doet meer de ellende, den jammer,
+de onredelijkheid der wereld inzien. Schopenhauer wordt de vader van
+het pessimisme in de 19de eeuw. Hij staat tegenover Hegel, tegenover
+den mensch, en, als we zullen zien, tegenover den denker. Toch behoort
+ook hij nog tot het tijdperk der speculatieve wijsbegeerte. Door
+den tijd, waarop zijn hoofdwerk verschijnt (1819). Door een gelijken
+voedingsbodem. Hij heeft Kant bestudeerd, hij heeft Fichte gehoord, met
+Hegel gedebatteerd. Door zijn hoofdbeginsel, om van uit het subject,
+uit de bewustzijnhebbende persoonlijkheid, de wereld te verklaren.
+
+Toch duidt Schopenhauer ook over dezen tijd heen. De groote denkers
+ervan zijn voor hem opsnijders, "windmakers;" kritische geesten als
+Herbart pedanten. Hij hecht aan ervaring.
+
+Hij wordt niet gelezen. Eerst, als de glorie der speculatieve
+school voorbij is, wordt hij bekend. De Hegel'sche school heeft zich
+gesplitst. Het vertrouwen is gedeeltelijk geschokt, de belangstelling
+gedoofd. De stem van den meester, wiens werken onduidelijk zijn,
+klinkt niet meer. De politieke toestanden veranderen. Het besef wordt
+levendig in vele Duitsche hoofden--nog meer wordt het gevoel wakker
+in vele harten--dat er één eenig Duitschland hoort te zijn, vrij van
+Middeleeuwsche vorsten, krachtig door volksvrijheid en invloed. De
+Februarirevolutie van Parijs slaat over naar Weenen, Berlijn. Hoop
+van beter tijd vertoont zich. Grondwetten komen, beloften worden
+gedaan. Een groot Duitsch rijksparlement daagt in Frankfort. De
+schoone droom zal in vervulling gaan. IJdele verwachting. In Frankrijk
+komt de rust. Hongarije wordt bedwongen, zij het in bloed, Weenen
+tot rust gebracht. Duitsche vorsten en vorstjes gevoelen zich weer
+zeker. Het oude gaat, zij 't met wijziging, zijn gang. Ontgoocheling
+komt. "Neen," zucht de ontmoedigde, "de wereld is een jammerdal." De
+denker, die dit verkondigd heeft, vindt bijval. Oorzaak van allen
+bijval is homogeniteit, heeft hij zelf gezegd en ondervonden. Na
+1850 ongeveer begint zijn roem. Op het midden der eeuw oefent
+Schopenhauer zijn invloed uit, niet alleen op de wijsgeeren van
+'t vak, maar ook op tal van niet-geschoolden. Nederland leest hem
+gretig. Zijn pessimisme sluipt in veler harten in. Naklanken vindt men
+er in literair werk der laatste tientallen jaren. Schopenhauer heeft
+naast speciaal wijsgeerige, algemeene cultuur-beteekenis. Hij behoort
+tot de meest gelezene schrijvers. Dit rechtvaardige een eenigszins
+uitvoerige behandeling, ook van zijn leven en persoonlijkheid, die
+zoo grooten invloed uitoefenden op zijn leer. Fichte's woord, dat het
+er van afhangt, welke mensch men is, wat voor filosofie men heeft,
+schijnt voor Schopenhauer geschreven.
+
+
+
+Leven.
+
+In Danzig werd Schopenhauer den 22sten Februari 1788 geboren
+als zoon van een rijken, aanzienlijken koopman van Hollandsche
+afkomst. Zijn vader was een man van somberen aard, onderhevig aan
+toorn en angstbuien, van prikkelbaar gestel, al wist hij zich te
+bedwingen. Een wereldburger, die zijn zoon in het groote boek der
+wereld wilde laten lezen, hem veler landen spraken laten leeren en
+hem Arthur noemde, omdat die naam in vele talen gelijk bleef. Zijn
+vrouw had den veel ouderen man meer om zijn geld en de aangename
+positie, die hij haar kon verschaffen, getrouwd, dan uit liefde,
+en op een behaaglijk landgoed leefde zij een idyllisch-achttiende
+eeuwsch leven met hondjes en mooie lammetjes. Zij was een opgewekte,
+geestige, vroolijke, ietwat lichthartige vrouw, graag de zonzijde van
+'t leven zoekend.
+
+Toen Danzig, eerst een vrije stad, bij Pruisen kwam, trok de familie
+naar Hamburg. Arthur's vader wilde republikein blijven. De ouders
+reisden met hun kind in Frankrijk en Engeland. Zoo kende Schopenhauer
+later, (beter dan de meeste Duitschers) zijn Fransch en Engelsch
+uitstekend, en van rijke belezenheid getuigen zijn werken.
+
+Op een school in Hamburg werd Schopenhauer voor den handel opgeleid
+en in Hamburg bleef hij werkzaam, toen zijn moeder, na den dood des
+vaders, naar Weimar trok, waar zij weldra een gevierde persoonlijkheid
+werd. Op haar theeavonden kwam Goethe en met hem kwamen tal van
+anderen.
+
+Op 17-jarigen leeftijd komt er een keer, voor altijd beslissend.
+
+"Op mijn 17de jaar, zonder alle schoolgeleerdheid, werd ik door de
+ellende des levens zoo aangegrepen als Boeddha in zijn jeugd, toen
+hij ziekte, ouderdom, smart en dood zag.
+
+"De waarheid, welke luide en duidelijk uit de wereld sprak, overwon
+weldra de ook mij ingeprente Joodsche [8] dogma's en mijn slotsom
+was, dat deze wereld niet het werk van een algoed wezen kon zijn,
+maar veeleer dat van den duivel, die schepselen in het aanzijn had
+geroepen, om zich in den aanblik hunner ellende te vermeien. Daarop
+wezen de feiten en het geloof, dat het zoo was, kreeg de overhand."
+
+Deze gemoedsstemming was hem altijd min of meer eigen geweest. Met
+zijn moeder door Frankrijk reizende, had hij niet kunnen genieten van
+het schoone van het landschap, daar hij telkens moest denken aan het
+ellendige leven van de bewoners der hutten.
+
+Zeer werd Schopenhauer's pessimistische stemming verscherpt door den
+strijd tegen de ontwaakte hartstochten. Hij schijnt een zeer sterk
+zinnelijk gestel gehad te hebben, heeft nooit anders (schrijft hij
+zelf) dan lichamelijke liefde voor een vrouw gevoeld, en kon op zijn
+ouden dag welsprekend-ontroerd getuigen van het geluk, bevrijd te
+zijn van den boei der zinnelijke aandriften [9]. Bekend is zijn vers:
+
+
+ O Wellust, o Helle,
+ O zinnen, o liefde.
+ Niet te bevreed'gen,
+ En niet te verwinnen.
+ Gij hebt mij getrokken
+ Uit hoogten des hemels,
+ Mij nedergeworpen
+ In 't stof dezer aarde.
+ Daar lig ik in boeien.
+
+
+Zijn aandrang om te studeeren werd steeds sterker. Eindelijk kreeg
+hij verlof. In korten tijd was hij voorbereid voor de universiteit,
+waar hij eerst medicijnen studeerde. Weldra trok de wijsbegeerte
+zijn aandacht. Hij studeerde Kant, Plato. In beiden waardeerde hij,
+dat ze een scheiding hadden gebracht: de eerste tusschen de wereld
+der verschijnselen, de phenomenale wereld, en die der dingen op zich
+zelf, de noumenale; de tweede tusschen de eigenlijk alleen bestaande
+wereld der ideeën, en die van den schijn, de doxa (I, 97, 98). Die
+scheiding komt overeen met het dualisme van eigen persoon: hij ervoer
+bitter en pijnlijk den afstand tusschen de wereld der ideeën en die
+der grove zinnelijkheid. Ook de leer der Hindoes bestudeerde hij en
+in 't Christendom en in 't Boeddhisme stelde hij 't hoog, dat zij
+beide meer spraken van een verlosser, dan van een schepper. In 1813
+trok hij niet mee uit ten strijde. Hij had besloten om het leven,
+dat een onaangenaam ding was, aan studie te wijden. In de stilte
+van Rudolstadt voltooide hij zijn dissertatie, een werk van groote
+beteekenis voor de kennistheorie: "Over den viervoudigen wortel van
+de stelling van den voldoenden grond."
+
+Met Kant erkent hij, dat onze kennis een bepaalden vorm heeft, die ligt
+in de inrichting van onzen geest en niet afhangt van de dingen buiten
+ons. Het is echter niet noodig, verschillende vormen aan te nemen:
+wij kunnen met één vorm uitkomen, die reeds bij Kant een voorname
+plaats innam: de oorzakelijkheid, den voldoenden grond.
+
+Geen onzer voorstellingen bestaat op zich zelf. Ze zijn allemaal
+verbonden en steeds is de voldoende grond het beginsel waarnaar
+die voorstellingen zijn verbonden. Maar aangezien deze laatste van
+verschillenden aard kunnen zijn, vertoont de voldoende grond zich
+ook in verschillende vormen.
+
+Allereerst kunnen wij 't oog wenden op de gewone feiten der ervaring,
+op de aanschouwingen: een dolksteek doodt een man. Dan is er te spreken
+van oorzaak en gevolg. Ook de zuivere aanschouwingen, de voorstellingen
+van ruimte, kunnen met elkaar in verbinding staan. In een driehoek
+hebben we gelijke hoeken, als er gelijke zijden zijn. Hier is de grond
+voor de gelijke hoeken het aanwezig zijn van gelijke zijden. Hier
+is geen voorafgaan en volgen, zooals bij oorzaak en gevolg: hier
+is gelijker tijd bestaan. De voldoende grond vertoont zich hier
+als zijnsgrond. Aan onze wilsbesluiten gaat overleggen vooraf. Het
+op reis willen gaan is bijv. verbonden met de voorstelling van het
+leerzame of het genoeglijke van zoo'n reis. Die voorstelling treedt
+als beweegreden, als motief op. Ook hier is voorafgaan en volgen, maar
+niet als bij de oorzaak, in de stoffelijke, doch in de geestelijke
+wereld. Wanneer ik redeneer, dan grond ik mijn gevolgtrekking op
+voorafgaande stellingen. Zeg ik: 2 dezer boekjes kosten 80 cent,
+dan is dat gegrond op het feit, dat één boekje 40 cent kost. Dat
+is de kengrond van mijn latere bewering. Kengrond en gevolgtrekking
+behelzen waarheden, die tegelijkertijd bestaan. Wil ik een oordeel
+waar noemen, dan moet daar een voldoende grond voor zijn, die in dit
+geval de kengrond is.
+
+In vierderlei vorm treedt de voldoende grond dus op: als oorzaak,
+zijnsgrond, motief, kengrond. We hebben gezien, dat Spinoza
+bijv. en zijn tijdgenooten grond en oorzaak niet onderscheidden. (I,
+pag. 263). Schopenhauer doet dit wel en het wordt hem tot verdienste
+gerekend.
+
+"Voor het bizondere gebied der causaliteitstheorie ligt misschien wel
+Schopenhauer's grootste verdienste in de verbetering der heerschende
+terminologie. Men zou verkeerd handelen door deze verdienste gering
+te schatten."----
+
+"Geen enkele zijner theorieën misschien kan door de latere wetenschap
+zonder voorbehoud worden overgenomen, maar veel van hetgeen ons thans
+klaar voor oogen ligt zou ook verborgen zijn gebleven, wanneer niet
+de flikkering van zijn genie de plaatsen had doen kennen, waar voor
+den scherpen blik des onderzoekers het antwoord op eeuwenoude vragen
+te vinden was." (Heymans).
+
+In 1819 komt Schopenhauer's hoofdwerk: "De Wereld als wil en
+verschijnsel." Het trok geen aandacht. Een reis naar Italië, met een
+zich weer geven aan het volle leven, volgde. Een privaatdocentschap aan
+de universiteit te Berlijn bereidt teleurstelling. Geen toehoorders
+voor de colleges, door den nog onbekenden docent gezet op hetzelfde
+uur, waarop Hegel zijn beroemde lessen over de logica gaf. De cholera
+drijft hem uit Berlijn. Hij vestigt zich nu in Frankfort. Leeft
+daar van zijn inkomen, niet zonder koopmanstakt (de uitdrukking is
+zacht), uit het dreigend failliet van een handelshuis gered. Eenzaam,
+regelmatig, weinig met menschen omgaand, voornaam als de zoon van den
+patriciër uit een vrije rijksstad, verbitterd over zijn miskenning, die
+hij houdt voor een samenspanning van jaloerschen, leeft hij daar, tot
+in zijn levensavond nog de zon gaat schijnen. Zijn roem komt op. Hij
+krijgt leerlingen. Zijn werken kan hij laten herdrukken. Begeerig, elk
+droppeltje van den laten roem te genieten, vraagt hij zijn leerlingen
+om toezending van alle beoordeelingen van zijn werken.
+
+In volle kracht nog, geestelijk en lichamelijk gezond, sterft hij
+plotseling 21 September 1860.
+
+De man, die van der jeugd af, den dood had gevreesd, had een zacht
+uiteinde.
+
+Naast de genoemde werken van Schopenhauer staan verhandelingen over
+de ethiek. Populair, geestig en boeiend zijn vele opstellen uit de
+Parerga en de Prolegomena. (Bundels Opstellen).
+
+Schopenhauer is in zijn werken zichzelf: zij dragen een stuk subjectief
+karakter. De goddelijke onpartijdigheid van den doctor Angelicus,
+van Thomas van Aquino, de geslepenheid als van een kristal, zooals bij
+Spinoza, is hem vreemd. Tal van uitvallen maken op ons den indruk, niet
+van een wijsgeer te zijn. Een paar voorbeelden. Over Hegel: "Daarom
+zou ik mijn scherpzinnige landgenooten aanraden, dat, wanneer zij er
+weer trek in hebben een "alle-dagskop" 30 jaar lang als een grooten
+geest uit te bazuinen, zij toch niet zoo'n bierhuishoudersphysionomie
+als Hegel had, kiezen mogen, op wiens gezicht de natuur met haar
+duidelijkste handschrift het haar zoo gewone "alle-dags-mensch"
+geschreven had." Over de vrouw: "De vrouwen denken in haar hart,
+dat de bestemming van den man is, om geld te verdienen, de hare
+daarentegen het er door te brengen, indien mogelijk, reeds bij het
+leven van den man, maar minstens na zijn dood." Maar aan den moed,
+om zijn overtuiging eerlijk te zeggen, ontleenen zijn werken een
+groote aantrekkelijkheid. En als Paulsen over de eischen van den
+filosofischen stijl spreekt, zegt hij van Schopenhauer: "Wanneer
+Schopenhauer anders geen verdienste had, was het reeds niet gering te
+noemen, dat hij de mogelijkheid getoond heeft, in de Duitsche taal
+diepe en oorspronkelijke gedachten klaar en begrijpelijk en daarbij
+krachtig en indrukwekkend uit te spreken. Het hangt ook samen met de
+eerlijkheid, het rechtuite van zijn denken. Omdat het hem ernst is,
+wat hij te zeggen heeft, bittere, en dikwijls grimmige ernst, behoeft
+hij niet aan de taal te knutselen; vandaar den nadrukkelijken eenvoud
+van zijn stijl. Hij roemt ergens de reinheid, den eenvoud der Grieksche
+wijsbegeerte, 't zijn z'n eigen deugden."
+
+
+
+
+
+§ 24. Leer.
+
+Kennisleer.
+
+Schopenhauer is het met Kant eens, dat wij van de wereld slechts
+de verschijning kennen. De wereld is verschijnsel. Wij ordenen de
+verschijnselen onder den voldoenden grond met zijn vierledigen
+wortel. De gewaarwordingen, die ik krijg, betrek ik op een
+oorzaak buiten mij, ruimtelijk van mij onderscheiden, in den tijd
+gebeurende. De geheele wereld vertoont zich aan mij als een stoffelijk
+gebeuren. Voor de wereld der verschijnselen geldt een materialistische
+verklaring. Maar Schopenhauer is geen materialist. Het stoffelijke,
+de heele stoffelijke wereld bestaat slechts als mijn voorstelling. Ik
+mag mijn spiegelbeeld niet tot werkelijkheid en mij zelven niet tot het
+beeld maken. Achter die verschijnselen nu zit nog een wereld der dingen
+an sich. Kant had de kennis daarvan voor transcendent, de ervaring te
+buiten gaande, verklaard. Geen zijner opvolgers uit de idealistische
+periode had dat ook gedaan. Men had de geheele werkelijkheid uit den
+mensch willen opbouwen. Ook Schopenhauer wil dit. Hij ziet een weg,
+om tot de wereld der dingen an sich te komen. Wij moeten letten op
+ons eigen bewustzijn. Daarin vinden wij een kern van het bestaande,
+het wezen, dat ook den grondslag zal uitmaken voor onze beschouwing van
+het heelal, dat ook daarvan als de innerlijke essence zal gelden. Wat
+vinden wij nu als kern voor ons zijn? Den wil. Het wezen van de wereld
+is wil. De wereld is wil en verschijning. Wat verstaat de denker onder
+den wil? Het woord heeft een andere beteekenis dan gewoonlijk. Het is
+niet de overlegging, de afweging van motieven, maar de drang, de drift
+die in ons heerscht. Gevoelens van angst, vrees, hoop, verwachting
+worden ook onder het begrip ondergebracht. Het wordt uitgebreid tot
+de natuur buiten den mensch. Het wordt kracht. In het vallen van den
+steen ter aarde, in het aantrekken van het ijzer door den magneet,
+openbaart zich de wil.
+
+Ons wezen is dus onze wil. Ons lichaam is niet iets, dat van dien
+wil verscheiden is, maar is de uitwendige vorm waaronder zich de wil
+objectiveert. In het bewustzijn gezien is er wil, van buiten lijkt
+dat voor den toeschouwer het lichaam. Als ik dus mijn arm oplicht,
+is mijn wil daar niet de oorzaak van: dat is mijn wil, van buiten
+gezien. De bolle zijde van den lepel is niet de oorzaak van de
+holle. Het is dezelfde, maar van een andere zijde bezien. A ziet
+bol, wat B hol ziet. Elke drift objectiveert zich weer in bepaalde
+lichaamsdeelen. De groote driften zijn die voor 't zelfbehoud en voor
+'t behoud der soort. De honger is objectief tanden, mond, slokdarm,
+maag, enz. De geslachtsdrift de genitaliën.
+
+De geheele natuur nu is een doorwerking van den wil, die van trap
+tot trap stijgt, nergens rust heeft, maar steeds verder gedreven
+wordt, rusteloos, eindeloos. Die blinde, irrationeele drang openbaart
+zich in anorganische verschijnselen evengoed als in organische bij
+plant en dier. Die drang neemt de kennis als middel in haar dienst,
+en... ontdekt zijn eigen jammerlijkheid. Niet het intellect is het
+eerste, maar de wil en daarna het verstand; de voorstellingen zijn
+slechts middel van den wil, om zich beter te handhaven in den strijd
+om het bestaan, waarin het één gedrang en gewirwar is, waar de plant
+het water en de lucht verteert, de dieren dieren en planten eten,
+de mensch water, lucht, plant, dier.
+
+Maar als de wil zoover is, dat het bewustzijn is ontstaan, rust hij
+niet. Hij bedriegt ons. Hij toovert ons voor, dat deze wereld goederen
+van waarde bezit. Wij jagen ze na, om onszelf. Wij bereiken ze, opdat
+hij besta. Wij meenen in de bevrediging van den heftigsten en sterksten
+lust ons eigen genot te zoeken, wij doen den wil voortleven in het
+geslacht. Wij hebben lief en meenen, dat het persoonlijke neiging
+is. De wil voert ons die vrouw tegemoet, bij wie door ons het beste
+nageslacht verwekt wordt. De oppervlakkige optimist, blijft in de
+illusie leven, maar de pessimistische denker doorziet het bedrieglijk
+spel en moet weigeren er aan mede te doen. Hij moet niet ja, hij
+moet néén tegen het leven zeggen. Het leven is een troostelooze
+zaak. De ervaring leert, dat het verdriet, het lijden de overhand
+heeft op de vreugde. Vreugde is alleen iets negatiefs, afwezigheid
+van kwaad. Gezondheid, jeugd, vrijheid, veiligheid, worden eerst
+gewaardeerd, als ze ontbreken. Gewoonte stompt wel voor het genieten
+af, maar als we de goederen niet meer hebben, is er nieuw lijden. Het
+uitnemendste van het leven is lijden, moeite, verdriet, angst. Hoe
+ons daaruit te redden? Hoe te ontkomen? Hoe is er verlossing mogelijk?
+
+
+
+Verlossing. Kunst.
+
+De kunst verlost ons! Als wij ons verdiepen in een kunstwerk, staat
+het rad van den tijd stil. Het willen houdt op. De begeerte zwijgt. We
+zijn verlost van den blinden drang. Zeer hoog stelt Schopenhauer
+onze Hollandsche schilderkunst, waarin alles zoo stil is en vredig
+en rustig. Ook de muziek acht hij bizonder hoog. In de melodie trilt
+als 't ware het bewegen van den wil, zijn heffingen en dalingen. De
+trillende snaar is de mensch zelf. Het kost echter inspanning, om
+zoo tegenover de kunst te staan, niet ieder gelukt dat. Ook is de
+verlossing, die de kunst geeft, maar tijdelijk. Er is een blijvende, te
+vinden op den weg der heiligmaking, der onthouding van het zinnelijke;
+der askese.
+
+Schopenhauer komt hier tot groote bewondering voor de heiligen zooals
+het Boeddhisme en het oudste Christendom die gekend hebben. Zij hebben
+afstand weten te doen van wereldsche genietingen. Zij hebben zich
+weten los te maken van de bekoringen der zinnen, van de verleiding
+des vleesches. Zeker, zij vallen wel eens terug. Zelfkastijding wordt
+dan geoefend. Langzamerhand stijgt de mensch tot een toestand waarin
+de drang tot zwijgen is gebracht. Hij glijdt over in het Nirwana,
+een toestand die den nog in het willen bevangene een niets-zijn
+toeschijnt. Graag gebruikt Schopenhauer termen, aan het Boeddhisme
+ontleend.
+
+Hij acht het niet noodig, dat de filosoof een heilige zij. Zijn
+taak is, in heldere, strenge begrippen de wereld te denken, uit te
+drukken. Hij vindt den heilige als hoogste ideaal. Hij buigt zich
+daarvoor in deemoed. Maar voor zijn eigen persoon slaat hij misschien
+andere wegen in.
+
+Het is opmerkelijk dat Schopenhauer alleen oog heeft voor de verlossing
+van het individu. Niet voor die van het menschelijke geslacht. De
+geschiedenis, een blind alogisch spel, brengt die niet.
+
+
+
+Ethiek.
+
+In de ethiek verkondigt hij het medelijden als een oerphaenomeen. De
+mensch die lijdt, wordt zich bewust, dat hij eenswezend is met andere
+menschen. Dat in hem zich dezelfde wil openbaart. Wanneer wij een
+ander onrecht willen doen, gedreven door den wil, worden wij ons
+bewust, dat de gepijnigde één is met ons. Wij willen hem nu vreugde
+bereiden. Hoe kan dat? Alleen door verdriet weg te nemen, lijden te
+verzachten. Medelijden is dus de grondslag van de zedeleer.
+
+
+
+Invloed.
+
+Een eigenlijke school heeft Schopenhauer niet gesticht. Toch was zijn
+invloed groot. Bij Hartmann en Nietzsche zullen we dien ontmoeten. Het
+pessimisme wordt tot zijn radicaalste uiting gebracht door Philips
+Mainländer, (Pseudoniem voor Philips Batz, die leefde van 1841-1876),
+die in zijn boek "Filosofie der verlossing" de wereld als de uiting
+van een stervenden God beschouwde, die naar niet-zijn streeft. Hij
+beval den dood van 't ras door geslachtelijke onthouding of van
+'t individu door zelfmoord aan. Hij zelf koos consequent het laatste.
+
+De studie der Oostersche wijsbegeerte wordt vooral beoefend door den
+Kielschen hoogleeraar Deussen, die veel met Schopenhauer overeenkomt.
+
+En van de met hem verwante kunstenaars noemen we den grooten
+operadichter Richard Wagner. Deze wilde Schopenhauer's leer laatste
+grondslag van alle verdere geestelijke en zedelijke cultuur gemaakt
+zien.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+HERBART.
+
+
+§ 25. Leven, Metafysica.
+
+Inleidende opmerkingen.
+
+De groote mannen van den tijd der speculatieve filosofie waren Fichte,
+Schelling, Hegel. Met hen in sommige opzichten verwant, maar een andere
+waarde aan 't leven hechtend, was Schopenhauer, wiens hoofdwerk wel in
+dezen tijd verschijnt, maar wiens invloed in het midden der 19de eeuw
+begint. Fichte, en na hem Schelling en Hegel, knoopten aanvankelijk bij
+Kant aan, maar waren eigen wegen gegaan: zij hadden geacht, dat het
+mogelijk was het wezen der dingen, niet alleen hunne verschijningen
+te kennen. En daartoe geraakt men niet langs den weg der ervaring,
+maar langs dien der bespiegeling, die haar uitgangspunt vond in den
+mensch zelf. De bouwers dezer systemen waren koningen geweest in het
+rijk der gedachte. Hun roem had Schopenhauer overschitterd. Hun faam
+had der menigte zoo in de ooren geklonken, dat ook de namen van enkele
+anderen nauwelijks gehoord worden. Die denkers hier bedoeld, waren
+mannen, die zich met de richting van hun tijd niet konden vereenigen,
+die bezwaar hadden tegen "de modefilosofie" als een hunner zeide,
+die zich meer aansloten bij het criticisme van Kant.
+
+Zij worden wel genoemd de mannen der oppositie tegen het constructieve
+idealisme. Zij vertegenwoordigen de critische onderstrooming in den
+idealistischen tijd.
+
+Drie namen worden vooral genoemd: Beneke, Fries, Herbart. Liever,
+dan van alle drie iets te geven, blijven wij wat uitvoeriger staan
+bij Herbart. Hij is ongetwijfeld verreweg de belangrijkste van het
+drietal; hij is tevens in ons land en in onzen tijd een zeer bekend
+denker, vooral in de opvoedkundige wereld.
+
+
+
+Leven.
+
+Johan Friedrich Herbart werd als zoon van een rechterlijk ambtenaar
+den 4 Mei 1776 te Oldenburg geboren. Zijn jeugd was niet aangenaam:
+eigen lichaamszwakte, geen begrijpen van elkaar der beide ouders. In
+1799 komt hij in Jena. Na veel moeite verkreeg hij van den vader,
+die liever een broodgevend beroep gekozen zag, verlof, om althans
+voor een jaar wijsgeerige colleges te volgen. Onder den indruk van
+Fichte, maar niet met blinde overgave. Critisch staat hij tegenover
+diens opmerkingen bij een door hem ingezonden stuk, dat vragen en
+zwarigheden behelsde. Schelling's leer wordt gecritiseerd. Na de
+universiteit huisonderwijzer in Zwitserland, waar hij Pestalozzi leerde
+kennen. Had noch het opvoedkundig ideaal der nieuw-humanisten, noch dat
+der aufklärung hem kunnen bekoren, was hij er tegen geweest, om den
+kinderen de zaak zoo gemakkelijk te maken, gelijk de Philantropijnen
+deden, in Pestalozzi's opvoedkunde zag hij meer. De kennismaking
+in Zwitserland is van blijvenden invloed geweest op Herbart's
+opvoedingsleer.
+
+In 1802 vestigt Herbart zich als privaat-docent in Göttingen. Zijn leer
+is nu in hoofdtrekken klaar. Hij doceert niet alleen wijsbegeerte maar
+ook paedagogiek. In 1805 wordt hij--geleerdheid en bekwaamheid van
+doceeren stonden in goeden roep--buitengewoon hoogleeraar met 300
+thaler salaris. Dan in 1809 naar Koningsbergen. Hier hoogleeraar
+op Kant's katheder. Bemoeienis niet alleen met de theoretische
+opvoedkunde, maar ook met practische opleiding van aanstaande
+leeraren. In 1833 keert Herbart naar Göttingen terug als gewoon
+hoogleeraar. Zich bezig houdend met zijn colleges en studies, in
+'t bizonder vervuld van zijn opvoedkundig streven, bemoeide de in de
+politiek conservatief gezinde denker, zich weinig met andere dingen.
+
+In 1841 stierf hij. Herbart was een scherpzinnig denker, een groot
+geleerde, een hoogstaande, nuchtere, bezonnen persoonlijkheid. Koel en
+hoog op 't eerste gezicht. Afkeerig van verkondigen van subjectieve
+meeningen. Begaafd met groote liefde voor de waarheid, een leven
+leidend van strenge plichtsbetrachting.
+
+
+
+Uitgangspunt.
+
+Herbart sluit aan bij Kant. Hij erkent ook, dat wij alleen de
+verschijningen der dingen hebben. Het dogmatisme is door Kant voor
+eeuwig vernietigd. Maar achter de verschijnselen ligt een ding an
+sich. Voor Kant is dat een grensbegrip, voor Herbart is het iets
+meer. Uit onze gewaarwordingen besluiten we tot het zijn. Zooveel
+verschijning, zooveel verwijzing naar een zijn. Dat zijn, dat
+werkelijke bestaat, er is iets werkelijks, iets "reaals." Herbart staat
+dus niet geheel op 't zelfde standpunt van Kant, hij noemt zich zelf
+ergens een Kantiaan van het jaar 1828: er was vooruitgang sedert Kant.
+
+
+
+Tegenstrijdigheden.
+
+De taak, die Herbart voor de filosofie acht weggelegd is bearbeiding
+onzer begrippen. Deze zijn vol tegenstrijdigheden. Die moeten
+verwijderd worden. En dit kan alleen door de leer van de realen. Toonen
+we dit aan voor een paar begrippen, waarin Herbart tegenstrijdigheden
+meent te ontdekken: verandering, ik, inherentie.
+
+Daar is water. Dat bevriest en morgen is datzelfde water ijs. Hier
+ligt een tegenspraak. Wij zeggen: er is hetzelfde water, A = A. Wij
+nemen hier het identiteitsbeginsel aan. Maar tegelijkertijd zeggen
+wij: A is vandaag water, morgen is A ijs, m. a. w. A is vandaag A,
+morgen niet A. Dit strijdt tegen het grondbeginsel der contradictie:
+Iets kan niet tezelfder tijd wèl iets en niet iets zijn.
+
+Er ligt dus in alle verandering een tegenstrijdigheid.
+
+Neem een horloge. Ge ziét het. Leg het voor uw oor. Ge hóórt
+het. Betast het. Ge krijgt gewaarwordingen van koude en gladheid. Ge
+hebt dus verschillende gewaarwordingen. Ge betrekt die op één ding,
+het horloge. Dit is tegelijk tikkend, glad, wit en koud. A is B,
+en C, en D. Het ding bezit een veelheid van eigenschappen. Hier ligt
+een tegenstrijdigheid: het inherentieprobleem.
+
+Wij praten van onze ziel als van een eenheid. Het Ik denkt, doet,
+begeert, voelt, enz.
+
+Ook hier eenheid en veelheid. En wat is dit ik eigenlijk? Het ik stelt
+zichzelf voor. Bepaal nu eens dat zichzelf, enz. Dat is weer dat,
+wat zichzelf voorstelt. Om dus het ik te bepalen, moeten we tot in
+het eindelooze teruggaan..
+
+Ook hier dus weer tegenstrijdigheden.
+
+Verandering-, inherentie- en ik-probleem eischen oplossing.
+
+
+
+Oplossing.
+
+Herbart neemt aan een "reale." Als taak der filosofen stelt hij,
+de tegenstrijdigheden uit de begrippen te verwijderen.
+
+Laat ons zien, hoe hij deze weet te doen verdwijnen door zijn leer
+der realen.
+
+Ziehier de grootsche hypothese, die herinnert aan de Eleaten,
+Democritus en Leibniz.
+
+De wereld bestaat uit ondeelbare, eeuwig gelijk blijvende, niet
+verder deelbare, zichzelf handhavende "realen," die ieder weer hun
+eigenaardige eigenschappen hebben.
+
+Niet oneindig, maar zeer groot, is het aantal realen.
+
+
+
+Voor Democritus hadden er ook atomen bestaan. Maar hun verschil
+was er een geweest van vorm en grootte. Het onderling verschil
+tusschen de "realen" van Herbart is een qualiteitsverschil, een
+hoedanigheidsonderscheid. Vandaar dat hij zijn leer betitelt als
+qualitatief atomisme. Gevoeglijk zou zij ook te vergelijken zijn met
+de leer der Eleaten. Dezen hadden het eenige, onveranderlijke zijnde
+tegenover de wereld der verschijnselen gesteld, de wereld waarvan we
+géén waarachtige kennis, slechts doxa, meening hadden. Ook Herbart
+stelt eenige, onveranderlijke realen, geen zijnde, maar zijnden. Zijn
+leer zou meervoudig Eleatisme kunnen heeten.
+
+Die realen handhaven zich zelf. Zij willen blijven bestaan tegenover
+storingen van andere verschijnselen. Alle gebeuren is een reeks
+zelfhandhavingen van realen die met elkaar in betrekking komen. Wat is
+nu verandering? Ik zie vandaag A, morgen A1, van A door een verschil
+onderscheiden. Een reaal verandert niet. Maar tegelijk met A neem ik
+nu het reaal B waar, en daardoor ontstaat het verschil. Verandering
+bestaat dus eigenlijk niet. Alleen kan een mensch zich met één
+reaal verschillende andere samendenken. Vertoont zich een ding dus
+achtereenvolgens als A, A1, A2, A3, dan moet er telkens een andere
+samenvoeging van realen zijn die ik waarneem.
+
+Een dergelijke oplossing nu wordt gegeven van het inherentie
+probleem. Een ding, waarin ik verschillende eigenschappen waarneem,
+is een verzameling van realen, elk met zijn eigen hoedanigheid.
+
+Wat is ons ik? Niet anders dan een verzameling, een complex, evenals
+een ding. Het ik-probleem valt onder het inherentieprobleem. "In
+het ik is velerlei bijeen: deels een samengestelde voorstelling,
+die echter niet nauwkeurig bepaald is, van datgene wat tot het ik
+behoort, deels een nog veel grooter en meer en meer aangroeiende
+kring van voorstellingen van andere zaken; en deze onderscheiding
+geeft aanleiding om te spreken van een ik en van een niet ik."
+
+En wat blijkt hieruit voor ons onderzoek? Dat men het ik kan beschouwen
+als eene verbinding van vele en velerlei kenmerken; dat het dus hoort
+in de rij der vroeger beschouwde dingen met vele, veranderlijke
+kenmerken en dientengevolge valt onder het logisch hoogere begrip
+van het ons bekende probleem der inherentie.
+
+De geheele werkelijkheid bestaat dus uit realen die bij storingen
+van buiten zich zelf handhaven. Alle gebeuren berust daarop. Alle
+geschieden, alle verandering hangt dus af van de betrekking, waarin
+het eene reaal staat tot het andere.
+
+En door die verschillende betrekkingen aan te nemen, zijn
+tegenstrijdigheden op te lossen, zijn de begrippen te bearbeiden. Het
+doel der wijsbegeerte is bearbeiding der begrippen. Haar methode die
+der betrekkingen.
+
+
+
+Wij zagen dus, dat, wanneer een ding ons morgen anders schijnt dan
+gisteren, wanneer het verschil vertoont, dat dit komt, omdat het in
+betrekking is gekomen tot andere realen. Maar gisteren en vandaag is er
+dan toch een reaal geweest, uitgangspunt als 't ware der reeksen die ik
+zie, die gelijk is gebleven. Die reale is de substantie. Zoo is er, op
+geestelijk gebied ook een reaal, een substantie: de ziel. Die ziel komt
+met andere in betrekkingen, er ontstaan een reeks zelfhandhavingen:
+dat zijn de voorstellingen. Maar die moeten niet opgevat worden, in
+gewonen zin, zoo als wij spreken van de voorstelling van een huis,
+een park, enz. Want deze voorstellingen zijn niet enkel. Herbarts
+voorstellingen zijn de enkelvoudige gewaarwordingen, bijv. één toon
+[10].
+
+En hiermede gaan wij over tot Herbarts psychologie.
+
+
+
+Psychologie.
+
+Aan deze wetenschap kent Herbart een zeer voorname plaats toe en
+hij is een harer uitnemendste vertegenwoordigers. Hij weet van zijn
+zielkunde een samenhangend, stelselmatig geheel te maken, dat de
+zielkundige verschijnselen niet als een meer of minder los naast
+elkaar staande groep van verschijnselen opvat, maar er verbinding in
+weet te brengen door ze te ordenen onder algemeene beginselen. Maar
+ook is Herbarts zielkunde niet aan ervaring, menschenkunde, scherpen
+blik gespeend. Menige pagina zijner werken getuigt van voortreffelijk
+waarnemen.
+
+Wat is het groote beginsel, vanwaar uit Herbart de psychologie
+beschouwt? Het hangt samen met zijn metafysica.
+
+Het bewustzijnsleven is resultaat van het werken der
+voorstellingen. Deze werken op elkaar in naar bepaalde wetten. Zooals
+er voor de buitenwereld een mechanica is, die de wetten der beweging
+opspoort, zoo moet er een mechanica van voorstellingen komen. Dit
+heeft doen spreken van Herbarts voorstellingsmechanisme. De disparate
+voorstellingen kunnen verbindingen aangaan, bijv. de woordklank
+roos, het gezichtsbeeld roos, de geur, enz. Zijn voorstellingen
+gelijksoortig, dan vindt er versmelting plaats, bijv. het
+waarnemingsbeeld van een roos met het herinneringsbeeld. Zijn
+voorstellingen, die elkaar tegen gesteld zijn, tegelijk in 't
+bewustzijn, dan belemmeren ze elkaar, bijv. twee kleuren.
+
+Er is dus verbinding, versmelting, belemmering. Bij ná elkaar komen
+ontstaan rijen (bijv. van een gebeurtenis) bij gelijk zijn groepen
+(beeld van een plein of kamer bijv.)
+
+Elke voorstelling nu handhaaft zich zelf, ze verdwijnen dus niet. Is
+zij niet in het bewustzijn, dan komt dat, omdat ze belemmerd
+wordt. In haar zelf vindt ze een kracht, om naar boven te komen, om
+te stijgen. Reproductie, opnieuw bewust worden van voorstellingen kan
+door associatie ontstaan, maar dus ook spontaan: als de belemmeringen
+wegvallen.
+
+Uit de verhoudingen der voorstellingen ontstaat het gevoel,
+het streven, de wil. Deze zijn nu geen afzonderlijke vermogens
+der ziel. Heftig bestrijdt Herbart de vroeger heerschende
+vermogenstheorieën, die aan de ziel aparte vermogens,
+b.v. voorstellingsvermogen, gevoelvermogen, begeervermogen toekende.
+
+Zooals Herbarts metafysica in innig verband staat met zijn zielkunde,
+leidt deze weer tot de opvoedkunde. Het karakter van den mensch hangt
+af van bepaalde overheerschende voorstellingsmassa's.
+
+Hoe langer die bestaan, hoe meer invloed ze uitoefenen en hoe
+sterker gewoonten ontstaan, die andere in toom houden. Onze wil
+wordt bepaald door onze voorstellingen, van deze hangt ons handelen
+af. Herbart is een voorstander van het determinisme. Zonder dit ware
+opvoeding onmogelijk. Hoe zou, als er geen inwerking mogelijk was,
+als de voorstellingen niet bepalend werkten, ooit iets gedaan kunnen
+worden met hoop op resultaat?
+
+Ook aan de afwijkende verschijningen op het gebied van 't
+bewustzijnsleven alsmede aan het psychisch leven van groepen wijdt
+Herbart eenige aandacht, zij het lang niet in die mate als thans het
+geval is bij de zielkundigen.
+
+
+
+Ethica.
+
+Doch de zielkunde is niet de eenige hulpwetenschap voor de
+opvoedkunde. Zij geeft de middelen aan. Het doel wordt aangewezen
+door de zedekunde. Op welk ethisch standpunt staat Herbart?
+
+De ethica is een onderdeel van de aesthetica. Wanneer wij
+bijv. een goed klinkend accoord, een samentreffen van eenige bij
+elkaar passende tonen hooren, vinden wij dat onwillekeurig mooi,
+tegenover een wan-klank. Onze belangen, onze wil blijven buiten die
+beoordeeling. Onwillekeurig schenken wij onze goed- of afkeuring. Dit
+belangelooze is het kenmerk van aesthetische oordeelen. Nu kan het
+oordeel ook gegeven worden over een menschelijke handeling. Ook deze
+kunnen we karakteriseeren als mooi of leelijk, en tengevolge daarvan
+kan het voornemen ontstaan om zich eveneens te gedragen. Begeeren
+wij iets, zien wij daden van anderen, dan kunnen wij beoordeelen,
+of die opkomende begeerte, die verrichte daad in overeenstemming is
+met dat voornemen. Dan ontstaat een zedelijk oordeel. Ter laatster
+instantie berust dit op een schoonheidsoordeel. Zooals Kant en
+Fichte nu een algemeen zedelijk beginsel gezocht hebben, tracht
+Herbart ook beginselen te vinden, waarnaar de zedelijk-ethische
+waardeering plaats vindt, en die ons als richtsnoer kunnen dienen
+in bizondere gevallen. Van deze beginselen kent Herbart er vijf: de
+vijf practische ideeën, die, ook in overeenstemming met zijn methode,
+berusten op betrekkingen. Zij zijn de idee der innerlijke vrijheid, der
+volkomenheid, der welwillendheid, van het recht, der billijkheid. En
+uit haar vloeien vijf ideeën voort voor de maatschappij, voor de
+samenleving der individuen. Wat is de inhoud dezer tien ideeën?
+
+
+
+De idee der innerlijke vrijheid leert ons, dat dit handelen goed is,
+hetwelk geschiedt overeenkomstig ons zedelijk inzicht: zij heeft
+dus betrekking op de verhouding tusschen inzicht en wil. We zouden
+hier kunnen spreken van een wetgevenden wil en een uitvoerenden. De
+overeenstemming tusschen beide is de zedelijke vrijheid.
+
+Het komt er echter niet alleen op aan, dat we willen zooals ons inzicht
+voorschrijft, maar ook, dat we krachtig, energiek willen, dat ons
+willen veelzijdig (zonder versnippering) zij, dat er harmonie bestaat
+tusschen de verschillende richtingen van den wil. Het krachtige, rijke,
+gezonde (harmonieuse) willen behaagt en dit vindt zijn uitdrukking
+in de idee der volkomenheid.
+
+Maar--de wil van den mensch kan niet alleen in betrekking staan
+tot eigen inzicht, tot eigen wil (in anderen tijd, in andere
+omstandigheden) maar ook tot den wil van anderen. En hieruit
+ontspringen de overige drie ideeën.
+
+Wanneer A den wil van B kent of zich dien voorstelt en dat willen
+goedkeurende, onberispelijk vindende, bevrediging van B's willen
+begeert, dan is er welwillendheid aanwezig. Deze doet zonder meer
+aangenaam aan. Het kan zijn, dat de welwillende door gebrekkige kennis,
+door onwetendheid verkeerd handelt: het willen van B kan slecht zijn,
+de middelen, gekozen om hem te helpen, ondoelmatig of verkeerd, maar
+daaronder lijdt niet de waardeering der gezindheid. Noch behaagt de
+daad, die uit welwillendheid zou kunnen voortgekomen zijn, maar haar
+motieven in iets anders vindt, (bijv. ijdelheid, berekening). Letten
+wij goed op: de gezindheid alleen is reeds voorwerp van waardeering:
+zij behoeft nog niet tot handelen te komen.
+
+De verhouding bestaat hier ook niet tusschen twee werkelijke, in
+de buitenwereld optredende willen, maar tusschen een voorstellende,
+en een voorgestelde wil.
+
+Waar twéé willen in de buitenwereld optreden, waar A zich bijv. richt
+op Q en B ook, waar tusschen A en B strijd ontstaat over Q, daar
+treedt een andere verhouding op. Wij vinden dien strijd leelijk,
+wij keuren hem af. Hij moet dus vermeden worden. Men kan hem ontgaan
+door de welwillendheid, (een of beide doet afstand) maar gewoonlijk
+worden er afspraken gemaakt, waaraan zich te houden, recht is. Het
+eerbiedigen van de afspraken, het blijven binnen de gestelde grens,
+wekt waardeering. Hier hebben we de idee van het recht.
+
+Eindelijk billijken wij het, wanneer hij, die wel doet, wèl ontvangt,
+en omgekeerd. Er is verstoord evenwicht, als een daad onvergolden is.
+
+Op deze waardeering bouwt Herbart de idee van de vergelding, waaronder
+ook de begrippen schuld, opzet, vallen.
+
+Welke regelen gelden nu voor het leven van gemeenschappen? Hier gaan
+wij de omgekeerde volgorde. Met de vergeldingsidee komt overeen die
+van het loonsysteem, het onrecht wordt in de samenleving gestraft. Daar
+is het noodig, regelen te treffen, die, daar de strijd ontbranden kan,
+dien kunnen voorkomen, door rechtsregelen te treffen.
+
+Met de idee van het recht correspondeert de rechtsstaat. Maar het
+is eveneens noodig, dat er in die samenleving zooveel mogelijk geluk
+voor allen zij. Met de idee der welwillendheid komt het beheersysteem
+overeen. Zooals voor het individueele leven de idee der welwillendheid
+het voornaamste is en buiten haar om recht en vergelding niet mogen
+uitgeoefend worden of toegepast, zoo moet in de maatschappij nooit bij
+vergelding, bij straf dus en bij rechtsregelen het geluk van allen
+vergeten worden; mag het beheersysteem niet uit het oog verloren
+worden. Maar de gemeenschap als geheel, moet ook trachten, tot zoo
+krachtige en zoo groot mogelijke ontvouwing van alle krachten te
+komen. Zooals het individu geleid wordt door de idee der volkomenheid,
+heersche in de gemeenschap het beschavingssysteem. Ten slotte moet
+ook in de maatschappij overeenstemming zijn tusschen inzicht en wil:
+er moet getracht worden de vier zooeven genoemde ideeën ingang te
+doen vinden.
+
+In de bezielde maatschappij is dus de afgeleide idee gegeven, die
+overeenstemt met de zedelijke, de innerlijke vrijheid van den enkeling.
+
+De politiek heeft nu tot taak de regelen te geven voor de wijze, waarop
+de staat en de maatschappij moeten gebracht worden tot opvolging der
+ideeën. De paedagogiek doet hetzelfde voor het individu.
+
+
+
+
+
+§ 26. Opvoeding. De Herbartsche School.
+
+Het is de verdienste, de zeer groote verdienste van Herbart
+geweest, dat hij een systeem gegeven heeft van opvoedkunde. Naast
+de theoretische wijsbegeerte, die vraagt naar het zijn, en die
+kénnen wil, staat de practische, die voorschriften voor handelen
+zoekt. Beurtelings zagen we een van beide overwogen. Tijden, dat de
+filosofie alleen levensleer was, waren geen eigenlijke bloeitijdperken
+voor het denken. Kant had, met zijn scheiding van theoretische
+(zuivere) en practische rede beide deelen van de wijsbegeerte recht
+gedaan. Ook hierin is Herbart een Kantiaan. Ook hij heeft theoretische
+en practische wijsbegeerte gescheiden. En in deze laatste sluit hij
+bij Kant aan in zijn bepalen van het schoone als een belangeloos
+beoordeelen, in het niet aan de ervaring ontleend zijn der ethische
+grondbegrippen.
+
+Maar Herbart gaat verder. Hij beantwoordt niet alleen de vraag:
+hóe zijn de regels voor ons handelen. Hij begrijpt, dat zich
+oogenblikkelijk daarop de vraag moet voordoen: Hoe voeden we dan
+onze kinderen op, hoe richten we een staat in? Die laatste vraag had
+van oudsher veel meer de belangstelling der wijsgeeren getrokken dan
+de eerste. Eigenlijk is Herbart de eerste, die een wetenschappelijk
+stelsel van opvoedkunde ontwerpt. Locke had waardevolle aanteekeningen
+gegeven, Rousseau geestdrift verwekt. Kant's meeningen zijn niet te
+minachten... omdat... ze van Kant zijn. Maar Herbart bouwt. Deze
+verdienste is hem noch door voor- noch door tegenstanders
+ontzegd. Natuurlijk blijft hier dan nog ruimte voor tweeërlei
+waardeering.
+
+Wat is--los van alles--de waarde der opvoedkunde? Heeft zij niet
+geringe beteekenis, waar in de opvoeding opvoeder en opvoedeling
+beide individuen zijn, ieder met eigen aard? Is het daar mogelijk,
+algemééne of zelfs veelvuldig geldende voorschriften te geven? En
+aangenomen de waarde van de voorschriften op zich zelve, heeft het
+geven daarvan invloed op den opvoeder: zal het voorschrift op zijn
+daden invloed uitoefenen?
+
+En dan de tweede vraag: is de paedagogiek van Herbart de juiste,
+verdient zij wijziging in de grondslagen, of alleen in onderdeelen
+en eischt zij verder voortbouwen op eenmaal gelegd fundament?
+
+Maar Herbart's verdienste mag daarom grooter of kleiner worden; dat
+hij--de eerste en tot dusver eigenlijk de eenige--een paedagogisch
+stelsel gebouwd heeft, dat, in nauwen samenhang met zijn leer, toch
+ruimte bood voor verdere practische ontwikkeling, heeft hem invloed
+tot nu, bezorgd.
+
+Aan de ethiek ontleent de paedagogiek haar doel. Dit moet zijn een
+zedelijk sterk karakter te vormen. Deugd is het einddoel. Middel geeft
+de psychologie, die leert, dat de wil door voorstellingen beheerscht
+wordt. Het onderwijs zelf is dus middel tot opvoeding mee, alle
+onderwijs zij opvoedend tevens. Door aanknooping aan 't bekende wekke
+het onderwijs belangstelling, door geleidelijke, streng methodische
+behandeling der leerstof moeten heldere begrippen ontstaan. Niet
+door kunstmiddelen, gelegen buiten het onderwijs, maar door de goede
+behandeling er van, door het inzicht, moet de belangstelling komen. En,
+opdat er bepaalde samenhangende voorstellingsmassa's ons willen zullen
+bepalen, moet de leerstof zooveel mogelijk met elkaar in verband
+gebracht worden: liefst om één middelpunt gerangschikt. Rijk zij het
+willen en daarom zij de keuze der leerstof veelzijdig, veelzijdige
+belangstelling opwekkend.
+
+Bij de zedelijke opvoeding onderscheide men wel tusschen regeering
+en tucht. De eerste is slechts betooming van drift en natuurlijke
+ongebondenheid, moet brengen tot legaal handelen. Zij werkt met
+verschillende maatregelen (gebod, verbod, straf) en ten slotte
+wordt door de gewenning het kind gewoon betamelijk te handelen. Maar
+eerst als men tracht zedelijk inzicht aan te brengen, als gezindheid
+gekweekt wordt, is er echt zedelijke opvoeding. Dit is het gebied
+van de tucht. De autoriteit van den opvoeder treedt gaandeweg op
+den achtergrond.
+
+
+
+Samenvatting.
+
+Overblikken wij nog kort Herbart's leer:
+
+Filosofie is bearbeiding der begrippen en zij doet dit door de
+methode der betrekkingen en valt uiteen in een aantal bijzondere
+wetenschappen. De werkelijkheid bestaat uit een niet oneindig aantal,
+qualitatief verschillende "realen," die zich nooit veranderen. Zij
+handhaven zich zelf. Alle gebeuren is niets anders dan zelfhandhaving
+der realen. De mensch kent éérst dat gebeuren, maar zooveel schijn,
+zooveel verwijzing naar een zijn: uit de ervaring klimt hij op tot
+de realen. Deze leer van het qualitatieve atomisme stelt in staat
+tegenstrijdigheden op te lossen die in de begrippen liggen. Met
+haar wordt het probleem der verandering verklaard, door haar het
+inherentie-probleem, waaronder het ik-probleem valt. De ziel is een
+der realen, haar zelfhandhavingen zijn voorstellingen. Deze zijn het
+primaire van alle bewustzijnsverschijnselen. Vermogens der ziel bestaan
+niet. Uit het spel der voorstellingen, uit hare betrekkingen ontstaan
+gevoel, begeerte, wil. De voorstellingen determineeren den wil.
+
+De zedeleer is een onderdeel der aesthetica. Wij vonden sommige
+daden belangeloos, schoon. Er zijn vijf beginselen, waarnaar onze
+zedelijk-aesthetische oordeelen tot stand komen. Daaruit volgens vijf
+beginselen voor de staatsleer.
+
+Op ethiek, die het doel aangeeft en psychologie die de middelen
+aanwijst, is de opvoedkunde gebouwd, welke door onderricht, dat
+alzijdige belangstelling wekt, langs den weg van gewenning en regeering
+den leerling tot de tucht en daardoor tot ware zedelijkheid brengt.
+
+
+
+Herbart heeft vele navolgers gevonden. Allereerst zijn er vele
+zielkundigen geweest, die zich bij hem aansloten en door degelijke
+leerboeken en studies bijdroegen tot de beoefening en vooruitgang
+dier wetenschap. Het zou hier te ver voeren, die namen te noemen en
+wij bepalen ons tot enkele. Drobisch en Waitz zijn als zielkundigen
+meer bekend. Vooral een werk van den laatste, waarin hij handelt over
+de statistiek der moraal in verband met wilsvrijheid is interessant
+en nu nog opmerkelijk.
+
+Lazarus en Steinthal hielden zich bezig met taalstudies en hebben
+op 't gebied der taalkunde besliste verdienste. Zij stichtten een
+belangrijk tijdschrift voor taalwetenschap en volkszielkunde. In het
+"Tijdschrift voor filosofie en paedagogiek" vindt de Herbartsche
+school in Duitschland haar orgaan.
+
+Ook de opvoedkundige ideeën werden verder ontwikkeld. Met name is hier
+te noemen Tuiscon Ziller (1817-'82), die voor de practijk de beginselen
+van den meester uitwerkte. Rein, hoogleeraar te Jena, onder wiens
+leiding een groote encyclopaedie der opvoedkunde verschijnt, (thans in
+2den druk) en die in Jena een middelpunt van veel paedagogisch streven
+is, kan thans gelden als het hoofd der Herbartiaansche paedagogen. Met
+eere is hier ook te noemen Strümpell, die door een degelijk werk over
+de niet-normale kinderen (Paedagogische Pathologie) den grondslag lei,
+en de stoot gaf voor belangwekkende studie's op dit gebied.
+
+In ons land wordt de Herbartsche school voornamelijk vertegenwoordigd
+door J. Geluk en H. de Raaf.
+
+Geluk, vroeger hoofd der school te Dinteloord, was een man van groote
+kennis, veelzijdig weten, die zich door eigen studie een groote
+kennis van talen en wijsgeerige vraagstukken had eigen gemaakt en
+wiens Herbartiaansch standpunt hem niet verhinderde, ook met de
+psychologie der Engelschen en Franschen op de hoogte te zijn. Hij
+schreef een uitnemend werk over "Herbart's Opvoedingsleer," een zeer
+degelijk "Woordenboek voor opvoeding en onderwijs" (Groningen 1882)
+en verder tal van artikelen.
+
+H. de Raaf, tot voor korten tijd directeur der kweekschool voor
+onderwijzers te Middelburg, gaf eerst een eenvoudige zielkunde
+voor onderwijzers naar Herbart's beginselen, stichtte met Geluk een
+Nieuw Tijdschrift voor paedagogiek, sedert herdoopt in Opvoedkundig
+tijdschrift, en heeft later de leer van Herbart hier ingang willen
+doen vinden door bewerkingen van zijn leer. Eerst gaf hij Herbart's
+Paedagogiek (Groningen 1903) een vertaling van een der meer populaire
+werken over opvoedkunde van Herbart, toegelicht met aanhalingen
+uit andere werken van den schrijver, en voorafgegaan door een goed
+geschreven levensschets, die van piëteit tegenover en kennis van den
+meester getuigt. Daarop volgde Herbart's Metafysica, Psychologie en
+Ethiek, (Groningen 1905) voorzien van een oriënteerende inleiding. Aan
+de psychologie en aethica gaan eveneens inleidingen vooraf.
+
+Beide boeken zijn, door hun helderen vorm, uitnemende inleidingen
+op Herbart en zullen hem, die dezen denker nader wil leeren kennen,
+goed te stade komen.
+
+Buiten de kringen van de beroepsopvoeders schijnt in ons land Herbart's
+leer weinig aandacht getrokken te hebben.
+
+
+
+De paedagogiek als wetenschap in Nederland.
+
+Opm. Het is hier de plaats, om een enkel woord te wijden aan de
+opvoedkunde in Nederland. Zij deelt niet in de belangstelling,
+welke zij in Duitschland geniet. Academische docenten in de
+paedagogiek zijn daar velen, en de paedagogiek pleegt daar opgenomen
+te worden in den kring der wijsgeerige wetenschappen. Sommige denkers,
+bijv. Paulsen, Ziehen, toonen levendige belangstelling in paedagogische
+vraagstukken. In Engeland en Amerika verheugt zich de kinderzielkunde
+en in verband daarmee ook wel de opvoedkundige studie in bloei. (James:
+zielkunde en opvoedkunde, ook in het Hollandsch vertaald; Stanley
+Hall, Monroe.) Ten onzent wordt van den aanstaanden opvoeder,
+voor zoover academisch opgeleid, geenerlei vorming voor zijn beroep
+geëischt, theoretisch noch practisch. In ons land is er slechts één
+privaat-docent in de opvoedkunde (Dr. Gunning [11]), die zich over
+het geheele terrein der paedagogiek beweegt, maar de meeste liefde
+voor de geschiedenis der opvoedkunde schijnt te gevoelen.
+
+Van de vier hoogleeraren in de wijsbegeerte (die trouwens, vergeleken
+bij andere landen, reeds een te groote hoeveelheid vakken hebben
+te doceeren) geeft geen, voorzooverre mij bekend, college's in
+paedagogiek. Alleen bezitten we van de hand van prof. Ritter te Utrecht
+"Paedagogische fragmenten."
+
+Meer belangstelling hebben de psychiaters getoond voor de opvoedkundige
+vraagstukken. Van de hand van eenige medici bezitten wij artikelen
+of brochures of dissertaties over proeven met schoolkinderen. Van
+vele dezer onderzoekingen lag de prikkel in het feit, dat er vrij
+algemeen over "overlading" wordt geklaagd.
+
+Bij hen, die het lager onderwijs dienen, is veel grooter lust
+tot studie der paedagogiek. Het Ned. Onderw. Genootschap heeft een
+voortreffelijke paedagogische bibliotheek ondergebracht in de A'damsche
+universiteitsbibliotheek. Verder verschijnen een menigte boeken,
+tijdschriftartikels, voordrachten over allerlei onderwerpen. Toch laat
+ook hier de beoefening der paedagogiek dikwijls nog te wenschen over.
+
+Gelukkig--dat met dezen slechten stand der theoretische paedagogiek
+een bloeiend schoolwezen gepaard gaat, dat, groote gebreken vertoonend,
+toch over 't geheel niet behoeft onder te doen voor dat van de meeste
+cultuurlanden van Europa.
+
+
+
+Algemeene samenvatting.
+
+Zoo kunnen wij dus dit tweede gedeelte eindigen. De tijd
+der speculatieve filosofie is het eerste derde deel der 19de
+eeuw. Aanvangend bij Fichte, loopt de groote idealistische strooming
+over Schelling naar Hegel, die een school nalaat, welke, zich
+splitsend, overgaat in het positivisme.
+
+Een tijdlang daarna werden de idealistische systemen min of meer
+vergeten. In 1890 nog schrijft Heymans, dat het geslacht dergenen
+die nog in hun waarheidsgehalte gelooven, uitsterft of uitgestorven
+is. "Voor het denken van dezen tijd hebben deze systemen alle
+beteekenis verloren. Zij zijn dood; en het dient tot niets ze telkens
+weer uit hunne graven te voorschijn te halen, om te bewijzen, dat
+zij dood zijn."
+
+Thans echter openbaart zich in ons land een sterke belangstelling in
+Hegels leer, toe te schrijven aan het optreden van Bolland.
+
+Omstreeks het midden der 19de eeuw begint het pessimisme van
+Schopenhauer aandacht te trekken, na eerst een tijdlang onopgemerkt
+verkondigd te zijn.
+
+Aansluitend bij Kant komt Herbart, die de vader wordt van een
+belangrijke ziel- en opvoedkundige school, die tot op dezen tijd
+vooral op de theorie der opvoeding haar invloed doet gelden, en in
+ons land in De Raaf en Geluk haar vertegenwoordigers vindt. Herbart
+is de scherpzinnigste onder de denkers die tijdens het idealisme een
+critische onderstrooming vormden. Schematisch geven we nog even een
+overzicht. De toelichtende jaartallen, die wij voor het gemak naast
+het schema laten drukken, moeten den tijd, waarin de denkers leefden en
+hunne werken verschenen, aangeven. Zij zijn in drie groepen verdeeld:
+
+
+ I. De denkers.
+ II. De bij hun leven verschenen en in hun tijd verschenen werken.
+ III. De werken na dezen tijd verschenen, die aangeven, hoe door
+ den loop der 19de eeuw invloed bleef uitgaan van de wijsgeeren
+ uit dezen tijd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE TIJD DER SPECULATIEVE FILOSOFIE WAS
+
+
+In den staat: Tijd van reactie. Onderdrukking van het liberale
+beginsel: Heilige Alliantie der vorsten.
+
+In de literatuur: Tijd van romantiek. (Tieck, Novalis, Hölderlin,
+Schlegel.) Jena is het brandpunt.
+
+In de filosofie: Tijd van idealisme en pessimisme met een critischen
+onderstroom.
+
+
+ IDEALISME. PESSIMISME. ONDERSTROOM.
+ | | |
+ +-----------+----------+ | |
+ | | | | |
+Fichte Schelling Hegel. Schopenhauer. Herbart.
+ | | | |
+ { Schleiermacher. } | Mainländer. School.
+ { Krause. } | { Hartmann. }
+ { Wagner. } | { Nietzsche. } Psychologen:
+ | { Wagner. } Drobisch.
+ | Lazarus.
+ +-------------+---------------+ Steinthal.
+ | | | Waitz, etc.
+ Rechterzijde. Centrum. Linkerzijde.
+ | |
+ historici en Godsdienstwijsbeg.: Paedagogen:
+ aesthetici: Strauss. Ziller.
+ Erdman. Feuerbach. Strümpell.
+ Zeller. Rein.
+ Vischer. Economen: Geluk.
+ Kuno Fischer. Lasalle. De Raaf.
+ Marx.
+ Bolland.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EENIGE TOELICHTENDE JAARTALLEN.
+
+
+ 1760-1814. Fichte.
+ 1775-1854. Schelling.
+ 1772-1831. Hegel.
+ 1778-1860. Schopenhauer.
+ 1776-1841. Herbart.
+
+ 1794. Fichte's Wissenschaftslehre.
+ 1798. Schelling, Van de wereldziel.
+ 1799. Schleiermacher, Toespraken over den godsdienst.
+ 1807. Hegel, Phaenomenologie van den Geest.
+ 1812-1816. Hegel, Logica.
+ 1813. Herbart's Inleiding in de Philosophie.
+ 1816. Herbart's Leerboek der Psychologie.
+ 1819. Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling.
+ 1821. Hegel's Rechtsfilosofie.
+ 1829. Herbart's Algemeene Metafysica.
+ 1834-1853. Joh. E. Erdmann's Geschiedenis der wijsbegeerte.
+ 1835. Strauss, Het leven van Jezus.
+ 1839. Zeller's studies over Plato.
+ 1841. Feuerbach, Het wezen van het Christendom.
+ 1841. Schopenhauer's ethiek.
+ 1842. Drobisch, Zielkunde.
+ 1847-1852. Zeller's Geschiedenis der Grieksche wijsbegeerte.
+ 1849. Waitz, Zielkunde als natuurwetenschap.
+ 1846-1858. Vischer, Aesthetica.
+ 1857. Kuno Fischer begint zijn geschiedenis der nieuwere
+ wijsbegeerte.
+ 1867. Marx, Het Kapitaal.
+ 1869. Hartmann, Filosofie van het onbewuste.
+ 1872. Strauss, Het oude en het nieuwe geloof.
+ 1876. Mainländer's filosofie der Verlossing.
+ 1881. Dood van Tuiscon Ziller.
+ 1882. Geluk's Woordenboek.
+ 1896. Bolland, hoogleeraar te Leiden. Het wereldraadsel.
+ 1904. Bolland, Zuivere Rede.
+ 1905. De Raaf, Herbart's Metafysica.
+ 1908. Dood van Ed. Zeller.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE AFDEELING.
+
+DE TIJD VAN HET POSITIVISME.
+
+
+§ 27. Inleidende Opmerkingen.
+
+Het begin der 19de eeuw is op literair gebied de tijd der romantiek. Op
+wijsgeerig gebied die van 't idealisme. Na den bloei dezer richting
+komt een tijd van inzinking. Men is gedesillusioneerd. Men
+wendt zich af van de groote systemen. Men keert zich naar de
+detailwetenschappen. IJverig onderzoek op elk gebied wordt de leus,
+onderzoek naar feiten en samenhang van feiten, op welk gebied dan
+ook. Maar wat men ook mag zoeken, géén metafysica. Misschien, dat men
+nog erkennen wil, dat er iets achter de ons gegeven verschijnselen
+ligt, dat er méér ligt in de gegeven dingen, dan wij meenen; maar dan
+is het toch onkenbaar en doen wij dwaas, daaraan tijd en kracht te
+geven. Als leeuwen opgesloten in een kooi, moeten we niet trachten,
+de ijzeren tralies te buigen of te vermorzelen; dat zal ons toch
+niet gelukken. Laat ons liever probeeren, de kooi te leeren kennen,
+het in die kooi zoo gezellig mogelijk te hebben.
+
+Inderdaad doen in dezen tijd de speciale wetenschappen
+groote schreden. De physica ontwikkelde zich meer en meer, de
+scheikunde deelde in dien vooruitgang. Darwin stelde zijn grootsche
+ontwikkelingshypothese op, Robert Mayer vond de stelling, dat alle
+energie behouden blijft, dat er omzetting van vorm der energie moge
+plaats vinden maar géén vermeerdering of vermindering. Historische
+studies werden ijverig bedreven. Kleine tijdperken werden met ijver
+bestudeerd, grootere met minder voorliefde. De filologie spitste haar
+beste krachten op de critische behandeling van teksten. De theologie
+beoefende ijverig de bijbelcritiek, plukte en rafelde en twijfelde
+aan elk feit zoolang, tot de critiek soms in hypercritiek scheen te
+ontaarden. Groote schatten van kennis werden opgehoopt en verzameld.
+
+In het onderwijs was de geest van Pestalozzi doorgedrongen. Kennis
+verspreidde zich in alle lagen der bevolking door goed ingericht
+volksonderwijs. Welk een betere organisatie bracht niet in ons
+land de onderwijswet van 1857 vergeleken met die van 1806. Voor
+de middenklasse, die geen academische vorming begeerde, kwamen
+Hoogere Burgerscholen, waar niet het verleden, maar het heden de
+leerstof zou leveren: moderne talen, wis- en natuurkunde werden er
+de hoofdvakken. Niet Latijn en Grieksch zooals op 't gymnasium.
+
+Op politiek gebied verdween na 1848 de tijd der reactie
+gedeeltelijk. In Frankrijk en Engeland, in Duitschland in sommige
+staten, in ons land was de volksinvloed (een invloed van den nijveren
+of handeldrijvenden of grondbezittenden middelstand) op de regeering
+merkbaar.
+
+Op maatschappelijk gebied brachten de vele uitvindingen der 19de eeuw
+geweldige veranderingen. De oude, vaderlijke verhouding tusschen
+werkgever en werknemer verdween bij grooter worden van het getal
+arbeiders, gevolg van grooter inrichtingen. Machines en installaties
+eischten meer geld dan het eenvoudige bedrijf van vroeger, er kwam
+opeenhooping van kapitaal in enkele handen. Daartegenover begon een
+stand van werkenden te komen, wien gering loon werd uitbetaald. Vrije
+concurrentie spoorde aan tot zoo zuinig mogelijk inkoopen van
+arbeidskracht.
+
+De kerk begon terrein te verliezen. Het rationalisme der 18de eeuw was
+niet verdwenen, had sporen nagelaten. De rustige rust na Napoleons
+val had ook in de kerk invloed doen gelden. In ons land was het
+aanvankelijk pays en vree tot ook hier het modernisme doordrong, dat,
+in onbarmhartige critiek op het oude en overgeleverde, voor velen de
+kerk sloot. Voerende geesten wendden zich af van haar, zochten niet
+zelden anderen werkkring. Wel ontbrak ook hier niet de reactie en
+met name in het godsdienstige Nederland hield een niet gering deel
+der natie vast aan oude Calvinistische leerstellingen.
+
+Dit alles duurt tot '60, '70. Dan komt een reactie die in ons land,
+dat de geestesstemmingen der groote cultuurlanden misschien iets
+later weerspiegelt, omstreeks '80 duidelijk wordt. Omstreeks '60
+wordt in de wijsbegeerte de leus vernomen: terug naar Kant! Lange
+geeft zijn Geschiedenis van het materialisme, die onder doorloopende
+waardeering van wat gedaan is door de materialistische denkers, steeds
+de klip aantoont waarop alle materialistische levensverklaring moet
+vastloopen. De nood der arbeidende klasse grijpt aan, maar niet op
+idealistisch-utopistischen grondslag tracht men tot verandering te
+komen. Karl Marx wil het socialisme wetenschappelijk grondvesten. De
+regeeringen beginnen met sociale wetgeving. De literatuur verandert
+zich, brengt het hartstochtelijk zoeken naar het nieuwe, de behoefte
+aan dieper levensgevoel tot uiting, zoekt nieuwe vormen, nieuwe taal.
+
+De politieke constellatie verandert. Frankrijk wordt een republiek,
+het herstelde Duitsche rijk gaat in economischen bloei snel vooruit,
+Italië wordt een eenheidsstaat.
+
+De verachting der wijsbegeerte begint langzaam op te houden.
+
+De tijd van het positivisme ligt derhalve zoo ongeveer in het tweede
+derde der eeuw.
+
+Maar vóór we de afzonderlijke denkers bespreken, past drieërlei
+opmerking.
+
+Het positivisme kon gaan bloeien, toen het idealisme uitbloeide. Maar
+onjuist is het, om het bloot als reactie daartegen te beschouwen. Reeds
+eenvoudige historische feiten bewijzen dit: Comte, de groote Fransche
+positivist leeft ten tijde van Schelling en Hegel. Leerzaam is het
+volgende tabelletje:
+
+
+ 1798 Cabanis. Fichte.
+ Verband tusschen lichaam en Wetenschapsleer.
+ geest van den mensch.
+ 1809 Lamarck. Schelling.
+ Zoölogische wijsbegeerte. Over de vrijheid.
+ 1830 Comte. Hegel's werken uitgegeven
+ Positieve filosofie. (1832).
+ 1834 Bentham's leer der moraal Fichte's nagelaten
+ verschijnt. geschriften komen uit.
+
+
+Wat is n.l. het positivisme? Het wil uitgaan van de werkelijkheid,
+van de gegevens, zooals die zich objectief aan ons voordoen. En dan
+van onderen op wil het stijgen tot een omvattende kennis der geheele
+realiteit, evengoed als het idealisme dat wou van boven af. En evenzeer
+als dit, zoekt het in de geschiedenis en wil in deze, naar Kant's
+programma, de leidende beginselen, de stuwende krachten ontdekken,
+om zoo den loop der geschiedenis te leeren verstaan. Comte, evengoed
+als Hegel, stelt een ontwikkelingsgang op der menschheid, ziet lijn
+en verloop in de historie.
+
+Ook het positivisme zet zich schrap tegenover het gebrek aan
+historischen zin der aufklärung. Veeleer dan een dochter van 't
+idealisme, die haar moeder 't leven rooft, is het positivisme een
+in Frankrijk geboren zuster, die weldra het Kanaal oversteekt, en,
+uit vrees van te vervallen in het idealisme der Duitsche, uit vrees
+voor verlies van 't ervarings-standpunt, duidelijke feiten van 't
+bewustzijnsleven over 't hoofd ziet.
+
+Er past een tweede opmerking. Zooals er ten tijde van 't idealisme
+critische denkers leefden, die later hunne waardeering vonden en
+aanhang verwierven, zoo werken er in deze jaren van het midden der
+eeuw wijsgeeren, die nú hún jongeren vinden. Onder hen is vooral te
+noemen Gustaaf Theodoor Fechner.
+
+Tot recht verstand kome een derde opmerking. De tijdgrenzen staan niet
+precies vast voor deze periode en het woord positivisme wordt als een
+titel gebruikt, die niet alles omvat wat in dit gedeelte gegeven wordt.
+
+Wij gaan achtereenvolgens de Franschen na; zien, hoe daar in Comte
+het positivisme tot zijn hoogtepunt komt, na eerst voorbereid te
+zijn. In Engeland leeren we den strijd over de zedeleer kennen,
+de richting van het Utilisme vertegenwoordigd door de beide Mill's,
+van wie de zoon tevens was een uitnemend beoefenaar der logica. We
+zien Darwin zijn grootsche hypothese opstellen en maken kennis met
+de ontwikkelingsleer van Spencer.
+
+In Nederland weerspiegelen zich deze bewegingen. Opzoomer wordt hier
+de verkondiger van de wijsbegeerte der ervaring, bij hem sluit zich
+aan zijn leerling Allard Pierson, en aanvankelijk ook Van der Wijck.
+
+In de literatuur worden dan vele begrippen door Multatuli
+gepopulariseerd, die, door puntige, scherpe wijze van zeggen in ons
+land langen tijd een invloed kreeg, die oorspronkelijker en veel
+dieper denkers soms ontzegd bleef.
+
+En, even als in 't begin der nieuwe geschiedenis gaat ook nu van
+Italië prikkelende kracht uit: een deel der positivistische school
+werpt zich op de leer van den misdadigen mensch.
+
+In Duitschland wordt het materialisme verkondigd door Büchner, Vogt,
+Moleschott. De leer van kracht en stof doet opgeld.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+HET FRANSCHE POSITIVISME.
+
+
+§ 28. Inleiding.
+
+De psychologische school.
+
+In de revolutie had de aufklärung gezegevierd. Condillacs wijsbegeerte
+werd de wijsbegeerte van Frankrijk. Bij hem sloten zich een aantal
+denkers aan. In 't bijzonder te noemen is hier de arts Cabanis, die
+met veel ijver het verband tusschen onze stoffelijke en geestelijke
+verschijnselen bestudeerde. Bizonder gewichtig is, dat hij in de
+zielkunde het begrip van het levensgevoel invoerde. Condillac had
+geleerd, dat alles in onze bewustzijnsverschijnselen tot waarneming,
+tot zinnelijke gewaarwording was terug te voeren. (I 334). Cabanis
+nu wijst er op, dat ons ook uit ons organisme, uit onze hersenen,
+gewaarwordingen toevloeien, ja, reeds voor onze geboorte. Deze vage
+"gevoelens" vormen het levensgevoel. Ondanks enkele zijner uitingen
+rekent men Cabanis niet tot de materialisten.
+
+Napoleon was de leer van Condillac niet gunstig gezind. Met
+persvrijheid was het gedaan. De aanhangers van Condillacs leer,
+die vooral psychologen waren, trokken zich in engeren kring terug,
+schaarden zich in Auteuil om Cabanis. Tot dien kring hoorde ook Maine
+de Biran (1766-1824). Deze merkwaardige man, iemand van diep gevoel,
+bestudeerde zijn eigen zieleleven met de objectieve belangstelling
+van een theoreticus. Hem boeide vooral het probleem van de verhouding
+tusschen activiteit en passiviteit in onze ziel: in hoeverre wordt
+deze door de indrukken van buiten beheerscht, in hoeverre beheerschen
+wij deze.
+
+'n Zeer belangrijken kijk op den denker, die geen groote activiteit
+bezat en er niet toe gekomen is, om zijn theorieën geheel uit
+te werken, geeft zijn: "Intiem dagboek" in 1857 uitgegeven. (Zijn
+werken werden eerst lang na zijn dood bekend.) Toch werd hij door zijn
+hartstocht voor psychologisch waarnemen de vader der nieuwe Fransche
+zielkundige school. Tot zijn vrienden en geestverwanten behoorde de
+beroemde natuurkundige Ampère, die in wijsgeerig opzicht dicht bij
+hem stond.
+
+
+
+Het autoriteitsbeginsel.
+
+Tegenover deze school nu stond een richting, die zoo van 1815-1830,
+toen onder de Bourbons de reactie in Frankrijk hoogtij vierde, in
+eere was. Zij wees terug naar het geloof als eenig heil, naar de
+autoriteit van staat en kerk als onontbeerlijk. Ondanks epigrammen,
+guillotine en sluitredenen stond de kerk nog rechtop. Het menschdom
+had afdoende bewezen, dat de rede geen leidsvrouw kon zijn. Het
+geloof bood een vast steunpunt. Reeds in 1802 had de letterkundige
+Chateaubriand zijn beroemd werk over het christendom (le genie du
+christianisme) geschreven en Joseph de Maistre werd de verkondiger
+van het autoriteitsbeginsel. Buig u voor koningen, edellieden, voor
+paus en kerkelijke autoriteiten. Laten zij beslissen wat waar, goed
+en nuttig is. Zelfs de natuurwetenschap moet het ontgelden. Als zij
+verklaart dat vloed en eb ontstaan door de aantrekkingskracht der
+maan, als ze beweert, dat water uit twee deelen waterstof tegen één
+deel zuurstof is samengesteld, dan noemt de Maistre dit "dogma's"
+die betwijfeld kunnen worden.
+
+Ons verstand begrijpt toch niet alles. Tal van onverklaarde dingen
+doen zich aan ons op. De oorlog bijv. door het verstand vervloekt,
+blijkt door geheel de schepping heen een middel tot bewaring van 't
+leven. Zoek den vrede in de kerk. Laat de paus de wereld regeeren,
+hij is onfeilbaar. Het ongeluk voor de menschheid is begonnen met
+de Hervorming, een der grootste euveldaden! Het zette zich voort
+in de 18de eeuw, samenspanning tegen geloof en kerk, waarbij de
+godslasterlijke hansworst Voltaire voorging.
+
+Zooals de aufklärung alles aan de kerk en de papen weet, alles
+toeschreef aan opzet en bedrog, zoo doet de Maistre het aan de
+aufklärung.
+
+
+
+Cousin.
+
+Onder het koningschap van Lodewijk Philippe was Cousin, (1792-1861)
+begaafd redenaar, schitterend stylist, de alleenheerscher op wijsgeerig
+gebied. Hij doceerde aan de "Normaalschool," de inrichting, waar alle
+leeraars voor hoogere betrekkingen worden opgeleid. In elke filosofie
+iets waars ziende, werd hij een eclecticus, die verschillende elementen
+tot een systeem vereenigde. Dit waardeeren der verschillende stelsels
+bracht hem tot de bestudeering van de geschiedenis der wijsbegeerte. Op
+dit terrein hebben hij en zijn leerlingen besliste verdiensten. Aan
+zijn Platovertalingen werd reeds herinnerd.
+
+Tegenover de "Normaalschool" stond de polytechnische Hoogeschool. Hier
+ontstond het positivisme van Comte.
+
+
+
+
+
+§29. August Comte.
+
+Leven en Persoonlijkheid.
+
+Merkwaardigen vooruitgang hadden de natuur- en scheikunde te zien
+gegeven. Tal van verschijnselen waren ontdekt, voor tal van reeds
+bekende een juister verklaring gevonden. Zouden die ontdekkingen geen
+invloed uitoefenen op andere wetenschappen? Zouden zij niet nuttiger
+kunnen zijn dan alleen op 't enge gebied van eenige afzonderlijke
+vakken? Het antwoord kon niet twijfelachtig zijn. Altijd had de
+groeiende ervaring der menschheid ingewerkt op haar godsdienst, kunst,
+staatsleven. Nooit geheel hadden zij zich kunnen onttrekken aan de
+macht der feiten. Zouden ze het nú dan wel doen, nu die feiten zoo vele
+waren, zoo luide spraken? Het was onmogelijk. Wat er te doen bleef,
+dat was een wetenschap van den geest op te bouwen, even positief als
+de scheikunde, de natuurkunde. Dan waren alle bizondere wetenschappen
+positief. En deze te zamen zouden een geheele wijsbegeerte leveren,
+die, even stellig als nu de natuurwetenschappen, even onbetwistbaar zou
+zijn, evengoed ontzag zou inboezemen, en dus een algemeene denkwijze
+bevorderen. De stelligheid moest zich zoo met de algemeenheid en
+de algeheelheid vereenigen. Dan zoude er meer autoriteit komen en
+gehoorzaamheid aan 't gezag. Het zat er diép in: de behoefte aan
+autoriteit in de eerste jaren der 19de eeuw. Eens was er een tijd
+geweest, toen de menschen met eerbied bezield waren voor de kerk,
+een gemeenschappelijk ideaal hadden, zich één voelden, zich bogen en
+daarin en daardoor samen werkten. Dien tijd hadden de Middeleeuwen
+te zien gegeven met de kerkelijke hiërarchie. Maar de hervorming
+was gekomen en had tot deïsme en andere halfslachtigheden geleid,
+die noch het eerbiedig ontzag voor de kerk, noch dat voor de feiten
+bezaten. Dan had De Maistre recht gehad, die onomwonden weer eerbied
+voor de kerk, herstel der Middeleeuwsche gehoorzaamheid eischte. Doch
+die tijd was voorbij. Critiek en nadenken hadden onherstelbaar
+het geloof aan de kerkelijke leerstellingen vernietigd. Teruggaan
+was onmogelijk. Vooruit lag de weg! Men moest komen tot het allen
+ontzag inboezemende positivisme, de leer, gegrond op de positieve
+wetenschappen. Die leer te ontwerpen, haar door te voeren voor de
+practijk zoowel als haar met groote kennis van feiten te argumenteeren,
+ziedaar de levenstaak en het werk van August Comte.
+
+Hij werd den 19den Januari 1798 uit een streng katholieke familie
+geboren, maar reeds op zijn 14de jaar kwam het in den jongen tot een
+crisis: hij voelde, dat het leven zich moest verjongen en vernieuwen,
+dat het tot dusver gevolgde geloof niet houdbaar was.
+
+Hoe moest die jonge geest voedsel vinden aan de polytechnische
+hoogeschool, waarheen hij werd gezonden! Daar heerschte onder de
+leerlingen een vrije, republikeinsche geest en met de liefde voor
+de exacte wetenschappen verbond zich een levendige belangstelling in
+mensch en maatschappij: hier ontmoetten in jonge menschen met warme
+harten en heldere hoofden stelligheid en menschelijkheid elkaar.
+
+Wie weet, welk een intens leven een poos geheerscht heeft aan de
+polytechnische hoogeschool te Delft [12], vindt een Hollandsche
+parallel.
+
+Een studentenopstootje is voor de regeering aanleiding om de school
+te sluiten en de studenten her en der te verspreiden.
+
+Maar Comte houdt het niet uit buiten Parijs: hij keert er terug, vult
+nu met studies in andere vakken zijn kennis aan, komt in aanraking
+met De Saint Simon en ondergaat, als zoo menigeen, diens machtigen
+invloed. De liefde voor de Middeleeuwen, die zoo wel georganiseerd
+waren, deelt hij met dezen, en hij gevoelt belangstelling voor
+sociale vragen: had niet het positivisme ook een belangrijke sociale
+roeping. In 1822 verschijnt zijn eerste belangrijke werk. Het wekt
+bevreemding, belangstelling. Het komt op tegen vrijheid, het eischt
+autoriteit, maar gegrondvest op inzicht, op buigen voor de wetten
+van het verstand.
+
+De politiek moet tot een positieve wetenschap worden gemaakt. Men moet
+ook hier de wetten leeren kennen, om daaruit de noodige voorschriften
+voor de practijk af te leiden.
+
+Die wetten te vinden, die leer te ontwerpen wordt nu levenstaak. En
+aan een kleinen, maar zéér uitgelezen kring, leest hij in 1826 zijn
+positieve filosofie voor. Hij breekt dien cursus af. Waarschijnlijk
+tengevolge van overspanning, wordt hij tijdelijk krankzinnig. Met
+groote energie weet zijn vrouw--een trouwe, toegewijde vrouw, met wie
+Comte 't echter op den duur niet meer vond--haar rechten te handhaven
+tegenover Comte's ouders, en hem uit 't klooster te houden.
+
+In 1829 is de cursus voltooid: in 1830 verschijnt deel I, in 1835 II,
+in 1838 III, 1839 IV der positieve filosofie. Op de wandelingen bedacht
+Comte zijn werken. Zijn uitnemend geheugen stelde hem de stof, zonder
+naslaan, ter beschikking en in betrekkelijk korten tijd waren zijn
+boeken neergeschreven. Hun vorm is niet steeds aangenaam. Somtijds
+zijn ze wat langdradig [13]. Toch zijn ze begrijpelijk en de stijl,
+hoewel niet mooi, getuigt van ernst en is helder.
+
+Na het jaar 1830, toen Frankrijk liberaler werd geregeerd, had Comte
+op een professoraat in de positieve filosofie gehoopt. Het kwam
+niet. Evenmin een professoraat in de wiskunde. Hij verdiende zijn
+brood met schrijven, les geven. Bovendien was hij examinator voor de
+polytechnische school. Tot dit ambt--bijna schreef men hier, vergeleken
+met den man die 't bekleedde: baantje--werd men elk jaar benoemd door
+den raad van leeraren. Toen nu Comte in de voorrede van een zijner
+werken een tamelijk heftigen aanval had gedaan op de wiskunde en
+gezegd, dat zij nú onder de natuurwetenschappen stond, toen hij de
+hoogleeraren der polytechnische school hunne wiskundige eenzijdigheid
+had verweten, ontging hem zelfs dit. Zorgen, armoede stonden voor de
+deur: de groote man moest weer privaatlessen gaan geven. Maar vele
+belangstellenden in Frankrijk en daarbuiten, (in Engeland o. a. Stuart
+Mill en Grote [14]), zorgden voor ondersteuning. In denzelfden tijd
+scheidde Comte ook van zijn vrouw. Zij bleef zich haar leven lang
+interesseeren voor zijn werk en zijn ideeën. Een nieuwe zenuwcrisis
+brak aan.
+
+Een merkwaardige verandering treedt er nu in Comte op. Hij was van
+jongsaf mystiek aangelegd. Hij had een sterke behoefte in zich gehad,
+zich geheel aan iemand te kunnen overgeven, met al de kracht van zijn
+gevoel. In een jonge vrouw, Clotilde de Vaux, vond hij eindelijk haar,
+die hij zocht. Zij werd voor hem, wat Beatrice voor Dante geweest
+was. Toen zij na een jaar stierf, bleef hij haar vereeren: zij was
+voor hem de verpersoonlijking der menschheid. En hiermede ging Comte
+over tot zijn godsdienstige periode.
+
+Hij zag zich nu geroepen, om ook een religie te stichten, die het
+gevoel recht deed en toch ook op positieven grondslag rustte. Bij dit
+streven vervreemdden vele vrienden van hem. In zijn godsdienst, met
+nieuwe plechtigheden en vormen, wenschten ze hem niet te volgen. Comte
+zelf op zijn beurt was het laatst van zijn leven gesloten voor al wat
+de buitenwereld hem aanbood. Hij trachtte zich te isoleeren, verdiepte
+zich in muziek, Italiaansche en Spaansche poëzie, las in Thomas à
+Kempis' Navolging van Christus (I, 198), overal in plaats van God
+de menschheid lezend. Hij las niet anders. Zijn tijd van leeren was
+voorbij. Hij had nu de kennis wel opgedaan, noodig om zijn systeem
+te bouwen. Het laatst van zijn leven voelde hij zich gelukkig. Zijn
+uiterlijk getuigde het. Voor Comte was zijn religie een "rustplaats
+waar zijn denken de herinnering aan het grootste en beste dat hij
+in de menschheid gevonden had, verzamelde, en van waar hij hoopvol
+de toekomst tegenblikte, welke het onophoudelijk voortschrijdende
+menschelijk geslacht te verwachten had. De liefde als beginsel, de
+orde als grondslag, de vooruitgang als doel--dat was het motto van
+de religie der menschelijkheid." (Höffding).
+
+Den 5den Augustus 1857 stierf Comte.
+
+
+
+De drie stadiën.
+
+In de ontwikkeling der menschheid onderscheidt Comte drie trappen:
+de theologische, de metafysische, de positieve.
+
+Aanvankelijk heeft de menschheid weinig waarnemingen. Zij kent niet
+zeer vele feiten. Maar de mensch heeft toch behoefte, om de feiten,
+die hij waarneemt, te verbinden tot een eenheid. Hier nu komt de
+fantasie te hulp. Zij bouwt den mensch de voorstellingen van goden
+of van een god, die alles scheppen, of schept. Dit stadium heeft
+zijn groote beteekenis. Het verstand wordt althans in werking gezet:
+er worden verklaringen gezocht. Het gevondene wordt als volstrekte
+werkelijkheid aanvaard. Twijfel bestaat niet. Er is dus een allen
+menschen gemeene grondslag van godsdienst en zedelijkheid. Een goed
+georganiseerd samenleven is mogelijk. Er is autoriteit. In den staat
+heerscht de koning en hij oefent in het wereldlijke het gezag, dat
+de godsdienst in het geestelijke oefent.
+
+Ook deze trap van de menschheid wordt nog niet in eens bestegen. Eerst
+komt het fetischisme. Dat ziet alle voorwerpen bezield aan. Het denkt
+zich de voorwerpen in overeenstemming met 's menschen geest. Nu volgt
+het veelgodendom, dat vele krachten aanneemt. Oorzaak van bewegingen
+zijn verschillende, een hoogere wereld toebehoorende goden. Daarop
+volgt het eengodendom: het verheft zich tot één God. Het denken is hoe
+langer hoe abstracter geworden. Het monotheïsme is de overgang naar
+het tweede stadium: het metafysische. Hierin wordt de werkelijkheid
+niet langer verklaard uit één persoonlijk wezen, maar uit beginselen,
+ideeën. Deze worden niet als de goden bij het theologisch stadium, door
+de fantasie opgesteld, maar door de rede, en zij worden bewezen. Alle
+beginselen, die de metafysica opstelt, monden uit in één groot
+beginsel: de natuur. In dezen tijd ontbreekt alle autoriteit. Er
+is geen allen gemeenzame grond van recht en zedelijkheid. Egoïsme
+heerscht. In dien staat heerscht nu niet de koning maar de juristen
+zijn de leidende mannen. Ook aan het staatswezen legt men één beginsel
+ten gronde: de volkssouvereiniteit. Voor Comte is het metafysisch
+stadium niet dan een overgangstijdperk, een tusschenstadium dat moet
+voeren tot het laatste, het positieve. Hier regeert de waarneming
+en men stelt wetten op voor algemeene of bijzondere feiten. De
+mensch is overtuigd van de vastheid en algemeene geldigheid der
+natuurwetten. Deze worden niet tot één wet teruggebracht, zooals in
+de voorgaande stadia alles tot één God en tot één beginsel. Dat kan
+niet. Er zijn verschillende groepen van verschijnselen, ieder met
+eigen aard. Toch komt er een zékere eenheid: een subjectieve, die
+hierin bestaat, dat voor alle feitengroepen één zelfde studiemethode
+wordt aangewend: de positieve. En door deze eenheid van methode kan er
+nu ook een algemeen geldende moraal komen: er is meer autoriteit. Er
+komt nu ook samenwerking tusschen de menschen in de voortbrenging
+der aardsche goederen. Daarom treedt, in het positieve stadium, de
+industriestaat op. De natuur wordt bewerkt. Doordat men haar wetten
+kent, werkt men met vrucht. Men ziet, en kan vooruit zien.
+
+
+
+De indeeling der wetenschappen.
+
+Comte zag als zijn taak, de positieve wijsbegeerte te ontwerpen. Hij
+wilde daarbij niet, zagen we, als de theologen of de metafysica
+alles tot één beginsel terugbrengen. Er waren verschillende groepen
+van verschijnselen, die niet tot elkaar kunnen worden herleid en
+dientengevolge waren er ook verschillende wetenschappen, die elk
+zelfstandig waren door de behandelde stof, maar alleen de positieve
+methode gemeen hadden. Deze wetenschappen moeten in een goede rij
+worden geklassificeerd, haar volgorde moet vastgesteld worden. Als
+leidend beginsel wordt hierbij aangenomen het intreden in het positieve
+stadium. Zoo worden dan gegeven: wiskunde, sterrenkunde, natuurkunde,
+scheikunde, biologie, sociologie.
+
+Met deze indeeling gaat ook gepaard de meerdere of mindere
+eenvoud. Wiskunde is een eenvoudige, sociologie de meest samengestelde
+wetenschap. En de eenvoudige wetenschappen omvatten het meest:
+zij komen terug in andere. Een verschil van methode gaat hiermee
+gepaard. De meetkunde is deductief. Zij bewijst het bijzondere uit het
+algemeene. Die methode is haar zoo eigen, dat zij over 't hoofd ziet,
+dat haar éérste beginselen, de grondstellingen, de axioma's vanwaar
+zij uitgaat, aan de ervaring ontnomen zijn. Comte staat hier dus--en
+hem verwante denkers volgen hem hierin na--tegenover die denkers,
+welke redelijke niet van de ervaring stammende elementen in onze
+kennis aannemen. Volgens hen begingen Comte en de zijnen de fout,
+dat zij uit empiristisch vooroordeel, en uit liefde voor de feiten,
+eenvoudige, maar sprekende gegevens uit het bewustzijnsleven over
+'t hoofd zagen en dat zij, verkeerdelijk de wiskundige axioma's uit
+de ervaring lieten stammen. Hun algemeen geldend, noodwendig volkomen
+nauwkeurig karakter kunnen zij niet verklaren. We zullen zien, hoe
+deze, aan Kant aanknoopende beschouwingswijze na het positivisme
+weer opkwam.
+
+De sociologie moet inductief te werk gaan, de wetten zoeken die het
+leven der gemeenschap beheerschen. En heeft zij die wetten eenmaal,
+dan is er toepassing op bijzondere gevallen mogelijk, kan zij deductief
+te werk gaan.
+
+De wetenschappen verschillen dus naar eenvoud, omvang, methode.
+
+Comte houdt het voor absoluut onmogelijk, dat er een overgang kan
+komen tusschen de verschillende groepen. Hij houdt sterk vast aan
+de afscheiding.
+
+Planten- en dierenrijk zijn absoluut gescheiden. Zij gaan niet
+geleidelijk in elkaar over. In elk rijk staan de soorten weer
+vast. Geen soort ontstaat uit de andere. In het gebied der natuurkunde
+staat de eene groep verschijnselen naast de andere, treedt er niet
+mee in verbinding. Hier heeft Comte's geestesrichting in haar zucht
+tot het hebben van een stevig houvast hem belet, de in zijn tijd
+reeds opgekomen ontwikkelingstheorieën te waardeeren. Zij hadden hem
+kunnen doen zien, dat er toch veel op de overgangen wijst. De grens
+tusschen planten en dieren is, als wij in de onderste soorten komen,
+bijna niet meer te trekken. Robert Mayer ontdekte, dat beweging zich in
+warmte omzette, dat warmte beweging was. Hij verbond twéé gebieden,
+die Comte streng gescheiden achtte en de richting van herleiding
+deed nog verder een groote schrede, toen de eenheid van licht en
+electrische verschijnselen werd aangetoond. De ontwikkelingshypothese
+heeft zich vruchtbaarder bewezen dan Comte dacht en de gescheidenheid
+der verschijnselengroepen bleek niet zoo streng als hij meende.
+
+Voor zielkunde als afzonderlijke wetenschap is geen plaats
+in Comtes systeem. Hij verwerpt de subjectieve methode van
+zelfwaarneming. Hoe? De geest neemt zich zelf waar. Splitst
+hij zich dan misschien in twee gedeelten: een waarnemend en een
+waargenomen? Neen, een objectieve methode is noodig. Het verstand
+moet aan zijn resultaten (bijv. kunst, geschiedenis, wetenschap)
+bestudeerd worden. Hier vergat Comte weer het belangrijke, eenvoudige,
+onomstootelijke beginsel, dat ons alleréérst zijn gegeven onze eigen
+bewustzijnsverschijnselen en dat de waarneming er van in objectieven
+zin, als hij wilde, een middellijk waarnemen is. Toch heeft het
+zijn nut gehad, dat Comte tegenover de zelfwaarneming ook wees op
+de waarneming van psychische elementen, zooals zich dat openbaarde
+in verschillende producten: allerwege wordt thans in de zielkunde de
+middellijke waarneming naast de zelfwaarneming gezet. En eveneens heeft
+het zijn groote beteekenis, dat hij den mensch niet als eenling wil
+beschouwd hebben, maar op de omgeving, op het milieu gelet hebben. Een
+groot deel der zielkunde wordt ondergebracht onder de sociologie.
+
+
+
+Sociologie.
+
+Dit woord vond Comte uit, en ondanks taalkundige bezwaren heeft
+het zich gehandhaafd om de leer der maatschappij aan te duiden. De
+sociologie omvat de staathuishoudkunde, de zedeleer, een groot deel
+der zielkunde en aan haar is een groot deel van Comtes werk gewijd.
+
+De mensch moet niet als enkeling beschouwd worden: de individu is
+veeleer een abstractie. Men moet evenmin de verschillende elementen
+der samenleving, recht, zeden, staatsinstellingen, apart beschouwen:
+het eene hangt met het andere samen. Het is zeer dwaas, om één punt,
+bijv. staatsinstellingen geheel te willen veranderen, zonder dat de
+leidende ideeën, de zeden gewijzigd zijn. Doorloopend invloed oefenen
+de deelen op elkaar uit. Wijzigen de denkbeelden zich, dan komen er
+ook veranderde staatsinstellingen. Deze op hun beurt kunnen na langen
+tijd ook wel iets bijdragen tot omvorming der ideeën.
+
+Wat is de grondslag van het samenleven? Niet het slim overleg
+van enkele booze individuen die het nut er van zagen, zooals de
+aufklärungstijd wou leeren: om het nut te ondervinden, moet men eerst
+een poos samengewoond hebben. Neen, de grond is gelegen in een drang
+naar gezelligheid. Ook hier is het gevoel de kennis voorafgegaan. In
+de samenleving ontwikkelt zich ook het altruïsme, de tegenstelling
+van egoïsme. Natuurlijk mag de zorg voor eigen zelf nooit verdwijnen,
+maar het moet ondergeschikt worden. Verstand, dat ons aantoont wat
+goed is, sympathie, die ons niet uitsluitend in eigen dienst doet
+arbeiden, bevorderen het altruïsme.
+
+In den kring van de samenleving--de familie--heerscht vooral de
+sympathie, in den staat het verstand. De positieve wetenschap
+begunstigt de ontwikkeling van het altruïsme veel meer dan de
+katholieke kerk. Deze toch kan niet de behoeften van het verstand
+bevredigen, leert den enkeling zorgen voor eigen zieleheil. Gene
+daarentegen scherpt de menschen in, dat er alleen ontwikkeling is in
+de samenleving.
+
+Toekomstig geluk hangt af van verbreiding van positivistisch
+inzicht. Opvoeding werkt daaraan mee. Komen de ideeën maar eerst,
+dan volgen de noodige staatsinstellingen van zelf. Er is nu eerst
+maar eens behoefte aan een tijd, die de idee laat doorwerken, die
+niet te veel verandering brengt.
+
+Comte zelf heeft aanvankelijk niet verwacht, dat die tijd zoo spoedig
+zou komen. Maar later meende hij, dat hij er al de beginteekenen van
+zag. Het was in dien tijd zijner godsdienstige stemmingen. Zien wij
+nog even, wat hij hier uitvond of liever bedacht.
+
+
+
+Godsdienst.
+
+Comte gaat nu nog eens een leer opstellen: hij wil een positieven
+godsdienst stichten, die het gevoel recht doet wedervaren. Om van uit
+het individu tot de wereld te komen, neemt hij de ethiek als zevende
+en laatste, meest ingewikkelde wetenschap aan, waarin al de anderen
+teruggevonden worden. Door haar wordt de menschheid het middenpunt,
+waarom zich alles beweegt. Ja, de menschheid wordt "het groote wezen"
+le grand être, dat wij vereeren. De menschheid omvat alle levenden,
+dooden, die voor haar heil gewerkt hebben, allen, die nog zullen
+komen. Er komt een eeredienst.
+
+Aan het hoofd staan algemeen ontwikkelde wijsgeeren, als priesters,
+die tevens dichters, opvoeders en geneesheeren zijn.
+
+Er zijn bepaalde ceremoniën; er zijn sacramenten.
+
+Er is een kalender, waarin iedere maand, iedere dag benoemd is naar
+een groot man, die gearbeid heeft voor het welzijn der menschheid. Er
+vinden herdenkingsfeesten ter eere van die weldoeners plaats. In
+de particuliere kerken worden personen vereerd, die den mensch
+persoonlijk nader hebben gestaan en het ideaal der menschheid voor
+hem representeeren. Er zijn een aantal feestdagen. Er zijn drie maal
+daags uitstortingen van het hart (gebeden) er zijn 9 sacramenten,
+waaronder ook de dood behoort, de overgang van het objectief bestaan
+in het voortleven in de gedachten der menschheid.
+
+Zijn religie der menschelijkheid is "het katholicisme zonder
+christendom." In Frankrijk, Brazilië, Chili, ontstonden enkele
+gemeenten in den zin van Comte. Opvolger als "hoogepriester" was
+Lafitte.
+
+Maar deze bedachte godsdienst schoot geen wortel. Zij interesseert
+ons verder niet uit wijsgeerig oogpunt, en niet op dit gebied ligt
+de groote beteekenis van den Franschen denker.
+
+
+
+Staat.
+
+In den ideaalstaat der positivisten zal de macht berusten in handen der
+"patriciërs" der hoofdmannen van de nijverheid, (bankiers, fabrikanten,
+grondbezitters).
+
+Zij zullen hun macht niet aanwenden tot eigen verrijking, maar tot
+nut van het algemeen. Zoo ze verkeerd handelen, zullen wijsgeeren,
+vrouwen en arbeiders, die het verstand, het gevoel en de kracht
+vertegenwoordigen, hen samen tegenwerken. De openbare meening zal
+eveneens een macht in den staat zijn. Werkstaking zal eventueel
+geoorloofd zijn.
+
+De arbeider zal niet in kommervolle omstandigheden moeten leven. Hij
+zal een woning met minstens 7 kamers, een jaarlijksch loon van een
+achttien honderd gulden hebben.
+
+In dit laatste zien wij, dat Comte sterk den invloed ondergaan had
+van het Socialisme dier dagen. In tegenstelling van het latere,
+door Marx opgestelde Socialisme, was het utopistisch: het bouwde
+een ideaalstaat, en beschreef tot in kleinigheden, hoe alles door de
+voortbrenging en de verdeeling der goederen zou zijn geregeld. (Zie
+hoofdstuk: Individualisme en Socialisme).
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+HET ENGELSCHE POSITIVISME.
+
+
+§30. Inleidende opmerkingen.
+
+In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland,
+hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het
+land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was
+het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond
+zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde:
+in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig
+voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het
+gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op
+staathuishoudkundige vragen.
+
+Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?
+
+De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon
+met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de
+natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het
+binnenland gericht. Weldra echter kwam--na Napoleon's val--beweging,
+een schijnbaar politieke, maar inderdaad een economische... Napoleon
+had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht
+aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland
+of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu
+Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was
+opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met
+zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle,
+bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden
+muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende
+invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van
+arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende
+rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland,
+tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen
+nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook
+nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar
+ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen
+het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid,
+en de orde wordt gehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig,
+met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van
+onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust;
+maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij
+en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis
+een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes,
+oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien
+een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later
+opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in 't parlement
+kenbaar te maken.
+
+Hervorming van 't kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding
+der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt,
+waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die
+op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein
+samenwerken, in de "Westminster review" weldra hun orgaan vinden.
+
+Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te
+noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft
+voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die
+de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John
+Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook
+practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp
+en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in
+hem alle draden van 't Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij
+wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung
+voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van
+het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker
+Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk
+idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde
+der levende persoonlijkheid. Aan Comte's leer trekt hij zich nu naar
+boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.
+
+
+
+
+
+§ 31. Bentham, James Mill.
+
+Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten,
+maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.
+
+Jeremias Bentham (1748-1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel
+onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk
+mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan, om voor
+het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De
+groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het
+geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied
+geleerd, dat het in 't algemeen voor 't geheel 't best uitkwam,
+wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou
+dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet
+een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch
+gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet
+kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De
+openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen
+belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht
+in 't algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister
+oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht,
+wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in
+'t algemeen welzijn.
+
+Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en
+Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven
+bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants
+rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de
+neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die
+andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder,
+die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de
+associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den
+enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren
+als Bentham.
+
+Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen--Höffding.
+
+Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System
+der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit
+en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten
+staat, gaat niet mee met Kant's algemeene geldigheid van het zedelijk
+beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke
+wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust
+op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook
+nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil
+strekte? "De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt,
+dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd,
+met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval
+onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden." Wel
+bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill
+te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het
+hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven
+is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van
+handelen en leven. "Ik geloof, dat het recht op de zijde van het
+energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent,
+dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk
+handelen is." Tot zoover Paulsen.
+
+De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, de Kopenhager
+Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt
+diens leer, door den overgang tot behartiging van 's naasten belangen
+anders te verklaren.
+
+Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden,
+welke hij beproeft te geven.
+
+
+
+Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig
+tot medelijden met anderen bewogen en dus ook in dat opzicht met
+Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer
+de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het
+Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was,
+onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog
+niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf [15]. Hij eischte codificatie
+('t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze
+kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.
+
+Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel
+I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren
+beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de
+orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig
+gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en
+het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der
+gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar
+dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het
+grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.
+
+
+
+James Mill.
+
+Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van
+Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland
+geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde
+moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd,
+daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John
+Stuart. Theologiestudie beviel hem niet. Op dertigjarigen leeftijd
+gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid
+moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood
+verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter
+geen schade.
+
+Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner
+van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische
+compagnie, die "gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet
+vreest." Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd
+bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam
+zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn
+geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem
+omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij
+leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832
+moesten de lords hun verzet opgeven en de "reform-bill" aannemen, die
+beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op
+algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding
+tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou
+er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.
+
+Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door
+zijn werk: "Ontleding van den geest." (Analysis of the Mind) waarin
+hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na,
+wat deze inhoudt.
+
+Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet
+denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een
+schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide
+voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier een associatie
+door gelijkheid.
+
+Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende
+in 't bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander
+opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook
+tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer
+bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de
+boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie door aanraking,
+aanraking in ruimte of tijd.
+
+Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot
+haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De
+associatie is het psychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij
+uitnemendheid.
+
+Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel,
+lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel
+zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan
+gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd
+is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door
+de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze
+geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze
+ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen,
+gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door
+de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde
+richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding,
+de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen
+en voorstellingscomplexen.
+
+De associatiepsychologie kon allereerst kritisch werken. Tal van
+oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die
+den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon
+aangetoond worden, dat zij op verbinding van bepaalde voorstellingen
+berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.
+
+Maar zij kon ook opbouwend werken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op
+de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen
+opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.
+
+
+
+
+
+§ 32. Thomas Carlyle.
+
+Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een
+letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste
+levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische,
+critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals
+nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen,
+die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort,
+omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij
+Duitschland, Duitschland's éénige dichter Goethe vooral--maar ook
+zijn denkers--doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman
+maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige,
+meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in
+Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs
+geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en
+woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot 't einde van zijn leven.
+
+Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot
+zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen,
+vond hij in zijn vrouw Jane Welsh.
+
+Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerig oogpunt
+behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn
+studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering. [16]
+
+Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische
+levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet
+zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op
+een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij
+durft er neen tegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest
+tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig
+geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den
+invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij
+niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel
+van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.
+
+Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid
+blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende
+voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar
+lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de
+theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een
+persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de
+leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor
+op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden
+is. Maar--hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is
+begin van Nieuw leven.
+
+Hier zien wij Carlyle één met Fichte.
+
+Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen, het is
+het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten,
+achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die
+werkelijkheid is religie.
+
+"Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn
+godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer,
+die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven
+en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel
+en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle
+geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of
+onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en
+beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de
+buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke
+redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch
+werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij
+het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen;
+wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt
+aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn
+plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het
+voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijn religie."
+
+Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de
+verschijnselen liggende.
+
+Op ethisch gebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een
+paar pagina's uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:
+
+"Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over
+Bentham's theorie over den mensch en 's menschen leven, noemde ik
+haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij
+verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken, dat zulks mijn
+besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen
+den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten
+en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij
+vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewust zijn, wat de
+geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was te
+worden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de
+genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een
+toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij,
+een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren
+machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat
+ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een
+goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is
+iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme
+uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen,
+ofschoon het een Heldenmoed is met uitgestoken oogen! Het is het
+hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder
+volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende
+eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het
+goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien
+zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De
+leer van Bentham is Heldenmoed met uitgestoken oogen; het menschelijk
+geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende
+in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn
+molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van
+Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.
+
+"Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen, wist en ter harte nam,
+dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op
+de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat
+alle goddelijkheid zou verdwijnen uit 's menschen begrip omtrent
+dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,--ik wil
+het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te
+noemen--waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het
+is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zal
+verkeerd denken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt
+alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de
+erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,--hekserij
+zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken
+Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch
+God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is,
+valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een
+verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend
+van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De "Leer
+der Drijfveeren" zal hem leeren dat het,--onder meerdere of mindere
+bedekking,--niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees
+voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook,
+het einddoel is van 's menschen bestaan. Godloochening kortom--iets,
+dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch
+geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode,
+werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen,
+evenwichten en ik weet niet wat al meer."
+
+Ook op sociaal gebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij
+ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van
+graanrechten.
+
+Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en
+werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn
+"Past and Present," dat met Schiller's "Ernst is het leven" tot motto,
+in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is
+onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap
+bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte
+een gevaar wordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron
+van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke
+beweging: eerder niet.
+
+In Carlyle's geschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke
+element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de
+helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht,
+de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de
+helden, die denker, dichter, profeet waren.
+
+Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In
+het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in
+de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten
+slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de
+verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den
+menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in
+ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.
+
+Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag
+het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap,
+het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held
+zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn
+80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij
+de orde van Pruisen: "Pour le mérite." [17] Misschien klemde hij zich
+daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun
+aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon
+vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze
+menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden
+schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd,
+het zwijgen, het stille zijn is verleerd--bewondering, eerbied is
+verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend
+leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?
+
+Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle
+dus den nadruk op het persoonlijke.
+
+Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en
+positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.
+
+Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet
+Nietzsche's ideaal: dat de grooten, de helden het doel der geschiedenis
+zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn
+de stuwende krachten in de historie. "Heldenvereering, indien gij
+wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven
+een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld
+van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.
+
+"Ja, vrienden.... heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig,
+dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten
+ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willen wij,
+o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen
+zij... daarheen drijven. Daar--of anders in den afgrond van den
+oceaan--zullen wij komen!"
+
+
+
+
+
+§ 33. John Stuart Mill.
+
+Leven en Persoonlijkheid.
+
+De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en
+ontving z'n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder
+zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden
+had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen
+met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer,
+economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een
+tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier
+wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet
+hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven
+prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch
+herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek
+aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan
+met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren
+de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham's
+leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met
+andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme,
+en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In
+1823 komt hij in India-house in dienst van het besturend lichaam der
+O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem
+bespaard. Hij klimt op tot hoogere salarissen (ten slotte f 24.000)
+bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd
+laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat
+overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch
+pensioen van f 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.
+
+Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt
+zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen,
+verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt
+zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp
+ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij
+is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder
+zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De
+slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op
+een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo
+dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen
+met menschenlot en menschenleed.
+
+In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten,
+wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was,
+dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan 't oude.
+
+De waarde van poëzie en kunst wordt hem--die overigens steeds een sterk
+en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten--bewust. Hij heeft
+gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham's nuchtere beschouwing
+had geleerd. Mill heeft de subjectieve zijde van het leven gevonden.
+
+En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij
+sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een
+Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te
+waardeeren, als heilzaam tegengif.
+
+In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met
+Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel
+over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de
+kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte's
+uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden
+zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen
+door Comte's eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal
+bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.
+
+In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde
+logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen,
+waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn
+belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte
+toe aan zijn latere vrouw.
+
+Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht
+haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling,
+haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel
+bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling
+van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel
+meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig
+tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij
+haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw
+in '58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven
+weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij
+lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel
+der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende
+hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: "De
+bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hij in het parlement kwam
+wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de
+ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze
+"den heilige van het rationalisme" te noemen. Ik behoef niet te zeggen,
+dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep
+beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke
+partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen--ik moet het
+met smart bekennen--zeldzaam."
+
+Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter
+een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in
+Avignon, in 't Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den
+5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw,
+wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens
+werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben
+bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.
+
+
+
+Logica. Het empirisch standpunt.
+
+Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill's
+Logica, die niet zeer beknopt is, [18] zou dat niet veel meer worden
+dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe,
+enkele punten aan te wijzen.
+
+Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit
+de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan
+wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid
+toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen, die evenwijdig zijn,
+elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring
+heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien
+samenkomen. We generaliseeren dus, maken de waargenomen gevallen
+tot een algemeen verschijnsel. "Er blijft over te vragen, wat de
+grond is van ons geloof in axioma's, welke de inductie, waarop zij
+berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn;
+generalisatie's van waarnemingen."
+
+Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste
+associaties. "Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke
+natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op 't eerste gezicht iets
+als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring,
+die ons gewoon is en lang bestaan heeft.
+
+Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten
+van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen
+gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben
+gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende
+moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden
+te denken.
+
+Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen
+absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest
+stevig verbonden zijn, te scheiden, [19] en zoo menschen met een
+ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorsprong hebben, dan
+komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar
+zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij
+hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld,
+en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen
+te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.
+
+De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de
+algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche
+gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen,
+die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of
+bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er,
+gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste
+inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur
+zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden
+met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan
+zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen:
+voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk,
+wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht... gemakkelijk
+vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden."
+
+Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit
+de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en
+niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen
+derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. "Indien wij
+onze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht
+en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en
+ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid,
+eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief
+onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan,
+en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik
+beschouw dan ook het grondbeginsel, waar 't hier om gaat, (het beginsel
+van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan)
+als een generalisatie uit al deze feiten."
+
+Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk
+zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het
+bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk
+gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de
+algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of
+onbewust, inductie ten grondslag.
+
+Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen... alle,
+zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie
+op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als
+berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of
+dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen
+waar zijn.
+
+Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut
+zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid
+zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.
+
+
+
+Causaliteit.
+
+Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan,
+in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaak van een
+ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en
+gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf
+regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.
+
+1. We vinden in de natuur verschillende kristallen. [20] We zullen
+nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks
+van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei
+stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene
+omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is
+iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan,
+wanneer een of andere stof in een vloeistof is. We nemen dus aan,
+dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van
+kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.
+
+We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen,
+A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet
+zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen 't nu aldus
+overzichtelijk voorstellen.
+
+
+ A, B, C, D, .......... V
+ A, E, F, G, .......... V
+ A, H, I, K, .......... V
+ ------------------------
+ A, oorzaak ........... V
+
+
+In al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen
+hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:
+
+Geformuleerd luidt de regel:
+
+Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel
+slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid,
+waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg)
+van het gegeven verschijnsel.
+
+Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men
+weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de
+oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar
+heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet,
+en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte
+stokje van den toovenaar drie maal in 't rond gezwaaid is, 'tzij de
+man 'tzelf, 'tzij een der kinderen 't doet.
+
+De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, 't openspringen van
+het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in 't zwaaien
+van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens
+dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen
+hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het
+drukken op een knopje) niet gezien.
+
+In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig
+onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde
+omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak
+aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden
+volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het
+voor, dat men bepaalde omstandigheden over 't hoofd ziende, een
+verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.
+
+2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het
+schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep
+omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep,
+waaronder de man sterft. Die tweede groep verschilt van de eerste
+alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van
+verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:
+
+Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet,
+met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden,
+behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval,
+dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen,
+de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het
+verschijnsel.
+
+Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wij
+
+
+ A, B, C, D, E, .............. V
+ B, C, D, E, ......... niet V
+ -------------------------------
+ A oorzaak of medeoorzaak van V.
+
+
+3. [21] Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met
+chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste
+leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen de
+drie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen
+misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin
+verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van
+allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen
+waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen,
+waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu
+voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel
+gehouden.
+
+Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we
+aldus voorstellen
+
+
+ A, B, C, D, .................. V
+ A, B, C, E, .................. V
+ B, F, G, ............. niet V
+ B, C, H, ............. niet V
+ --------------------------------
+ A waarschijnlijke oorzaak ... V
+
+
+Naar Heymans' gewijzigde formuleering luidt ze:
+
+Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt,
+een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke
+in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt,
+ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke
+oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.
+
+
+Opm. Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts
+alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de
+gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts
+één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid
+aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schema
+
+
+ A, B, C, D, ................. V
+ A, E, F, G, ................. V
+ Q, R, S, ............ niet V
+ T, U, V, ............ niet V
+ -------------------------------
+ A oorzaak of medeoorzaak van V
+
+
+4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We
+weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van
+sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat
+de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende
+verschijnselen.
+
+Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede,
+haar schema
+
+
+ A, B, C, D, ............ V
+ A, B, C, D, E, ......... V + V1
+ -------------------------------
+ E oorzaak / mede-oorz. V1
+
+
+Haar regel luidt:
+
+Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande
+inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het
+overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende
+omstandigheden.
+
+5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen
+verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt,
+deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den
+invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de
+aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke
+omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats
+vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.
+
+Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan
+op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch
+alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen
+(bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot
+kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden
+optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats
+vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan
+staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet
+steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van
+het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van
+de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij
+die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt
+krijgen wij dit schema:
+
+
+ A1, B, C, D, .................. V1
+ A2, B, C, E, .................. V2
+ A3, B, C, F, .................. V3
+ ----------------------------------
+ A oorzaak of mede-oorzaak van V
+
+
+Onder woorden gebracht:
+
+Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een
+ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het
+gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk
+verband mee verbonden.
+
+
+
+John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te
+werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen
+onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn
+voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had al eenig
+vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige
+Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.
+
+
+
+Denkfouten.
+
+Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten,
+ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon's werk. Bacon had
+reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons
+moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een
+indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert
+natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling,
+onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De
+eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder
+behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt
+onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is;
+algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal
+altijd zoo blijven), enz.
+
+Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding,
+allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen
+waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin 't niet doorgaat.
+
+Men ziet omstandigheden over 't hoofd, die juist gewichtig
+zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien
+tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel
+toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.
+
+De derde groep toont ons de generalisatie.
+
+Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een
+fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen
+besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige
+menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.
+
+Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons van altijd te spreken, als iets
+één of een paar maal is voorgekomen.
+
+Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn
+inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout
+maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld
+is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren
+zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor,
+maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout
+begaan. [22]
+
+Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal
+schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!
+
+Zoo een redeneering als deze:
+
+Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.
+
+Hij heeft een plan gemaakt.
+
+Men moet hem niet vertrouwen.
+
+De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders
+verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken
+de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet
+meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan
+hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven. [23] In het laatste
+geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen,
+zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.
+
+
+Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de
+denkfouten, dat er aldus uitziet:
+
+
+ DENKFOUTEN.
+ |
+ +-------------------+-----------------+
+ ZONDER REDENEERING. MET REDENEERING.
+ | |
+ | +-----------+---------+
+ | De grond duidelijk De grond niet
+1. Denkfouten à priori voorgesteld. duidelijk
+ (er wordt iets als | voorgesteld.
+ waar gesteld). +-------+------------+ |
+ Inductief. Deductief. |
+ | | |
+ +------+----------+ | 5. Verwarring.
+ 2. Waarneming. 3. Generalisatie. |
+ |
+ 4. Redeneering.
+
+
+
+
+
+Ethologie.
+
+Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op
+positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den
+menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch
+te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.
+
+Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit
+zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding 't even ver
+had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid
+vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk
+wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de
+eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze
+intellectueel de mindere van den man gemaakt.
+
+Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer
+behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven
+van zijn groote kennis en scherp verstand. Het zou ons te ver voeren,
+hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer
+van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij
+een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer
+begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan
+politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield
+dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende
+een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet
+meer. Het blijke uit het volgende: "Wanneer men kiezen moest tusschen
+het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand
+der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,... wanneer
+de instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een
+noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld
+werd, als dat thàns geschiedt--bijna in omgekeerde evenredigheid met
+den arbeid--dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer
+wegen dan kaf in de weegschaal..."
+
+Ten opzichte der religie bleef Mill's standpunt onzeker, maar in
+'t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van
+den godsdienst.
+
+In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had
+medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend
+zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het
+Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell,
+den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII.
+
+DE ONTWIKKELINGSFILOSOFIE.
+
+
+§ 34. Historische opmerkingen.
+
+Voor het naïeve denken zijn tal van dingen zóó, als ze zijn, en het
+veronderstelt, dat ze er altijd zoo geweest zijn. In het hoofd van
+een ongeschoolden Drentschen herder kwam het vroeger misschien niet
+op, te vragen, waar die groote keien toch vandaan kwamen. Ze wáren
+er. Een overigens lang niet dom meisje, van tegen de 20, dat men
+eens op eenvoudige manier het ontstaan van den regen wou verklaren,
+keek met verwijtenden blik, alsof men heiligschennis beging. In haar
+denken werd alles, wat in de natuur geschiedde, tot een directe werking
+der Godheid gemaakt, die niet verder nagespoord kón of behóorde te
+worden. Niet verschillend in wezen is het denken van tal van menschen,
+die het bestaande niet verder afleiden, maar alles terugbrengen tot
+een schepping of een eenmaal bestaanden toestand.
+
+Al spoedig echter moet in het verstand, dat tot nadenken over gegeven
+ervaringen komt, het denkbeeld eener ontwikkeling optreden. Aan ons
+strand zien wij duinen. Bij heftigen wind zien we ze verstuiven. Op
+het strand hoopt zich zand op tegen een steentje, een schelpje, een of
+ander voorwerp. Er ontstaat als 't ware een klein duintje. Zoo komt
+men allicht tot de gedachte, dat de duinen ontstaan zijn, geworden,
+zich ontwikkeld hebben.
+
+Men ziet in den mensch ontwikkeling. Een kind groeit op. Het leert
+loopen, spreken. Zijn denken, zijn voelen neemt toe. Maar ook
+weet men uit overlevering of uit geschriften iets van vroegere
+geslachten. Zij hebben ook in hunne werken, hunne gebouwen,
+bijv. sporen van hun bestaan nagelaten. Het nageslacht blijkt verder
+dan het voorgeslacht. Zoo kan de vraag zich voordoen, of misschien
+niet alleen de mensch, maar ook de menschheid zich ontwikkelt.
+
+Koene geesten beperken zich niet tot voor de hand liggende
+ervaringen. Zij durven stoute verbindingen van voorstellingen
+aan. Zoo ze in een bergstreek dierresten vinden, die aan zeedieren
+hebben behoord, dan laten ze zich niet afschrikken door het groote
+verschil tusschen berg en zee: zij wagen de veronderstelling, dat
+déze aarde-hoogten aan de zee haar ontstaan hebben te danken.
+
+De veelvuldigheid der gegevens van de ervaring trachten zij onder
+algemeene formuleering of wetten te brengen. Zij durven daarbij tot
+het einde doordenken. En zoo komt ons in de Grieksche wijsbegeerte
+eigenlijk van haar eerste ontstaan af al de ontwikkelingsgedachte
+tegen, de gedachte dat het nú bestaande geworden is uit het vróeger
+bestaande,--en geen van eeuwigheid vaststaande vorm is, dat het
+hoogere op het lagere berust en zich daaruit ontwikkelt.
+
+Herinneren wij nog vluchtig aan enkele punten, die wij vroeger reeds
+behandelden.
+
+Empedocles reeds laat de dieren ontstaan, uit levensvatbare combinaties
+(I, 39).
+
+Bij Spinoza (I, 265) zagen wij, hoe deze uit een eenvoudig zedelijk
+beginsel zich het geheele zedeleven ontstaan denkt, terwijl ook het
+staatsleven zich ontwikkelt. Montesquieu (I, 333) had oog gehad voor
+de ontwikkeling van het zedelijk gevoel; al iets meer oog gehad dan de
+andere mannen der aufklärung, en Lessing had op godsdienstig terrein
+willen aantoonen, hoe er een zekere vooruitgang in de godsdienstvormen
+was (I, 355).
+
+Kant en Laplace hadden de ontwikkeling in ons zonnestelsel aangetoond:
+Als oorsprong was een oernevel gesteld, die, in draaiing gekomen,
+zich gesplitst had: uit haar hadden de planeten zich losgemaakt,
+van deze weer de manen. Terwijl Kepler de wetten had opgesteld,
+volgens welke de planeten zich nu feitelijk bewegen, hadden zij de
+vraag willen beantwoorden: vanwaar die planeten met hare beweging?
+
+De idealistische filosofie was de ontwikkelingsgedachte--zij het
+in anderen vorm--gunstig geweest: de geheele werkelijkheid was
+zelfontwikkeling van het Absolute; voor Fichte zoowel als voor Hegel
+was de geschiedenis een ontwikkelingsproces.
+
+In het begin der 19de eeuw werd op natuurwetenschappelijk gebied de
+ontwikkeling overal aangewezen. Lyell toonde aan, dat de verschillende
+aardlagen spraken van een vorming door dezelfde krachten, die nu nog
+op onze aarde inwerken.
+
+Op geestelijk gebied zijn hier de associatie-psychologen te noemen,
+die uit verbinding van voorstellingen den geheelen rijkdom van het
+psychisch leven laten opkomen.
+
+Ook de ontwikkelingsgedachte is dus evenmin als een andere uit de lucht
+komen vallen: ook zij had hare voorloopers en de stand der wetenschap
+was zoodanig, dat een geniale geest haar in scherpte en klaarheid
+kon opstellen: Spencer deed dit voor de wijsbegeerte, Darwin voor de
+natuurlijke historie. Maar de hypothese van den laatste werkte zoo
+vruchtbaar, dat zij op schier elk gebied haar invloed doet gelden
+en deed gelden. Zooals bij het uiteinde der middeleeuwen Kepler en
+Galileï staan en met hun werk blijvenden invloed uitoefenen op het
+wijsgeerig denken, zoo staat Darwin in de 19de eeuw als een keerpunt.
+
+
+
+
+
+§ 35. Charles Darwin.
+
+Leven.
+
+Charles Darwin werd den 12den Februari 1809 in Shrewsbury
+geboren. Studies in medicijnen en theologie boezemden hem geen belang
+in. Gaarne ging hij dus de reis om de wereld met de Beagle maken
+(1831-1836), die hem gelegenheid gaf tot veelvuldige waarnemingen
+[24]. Zoo trof het hem bizonder, wat hij op de Galapagos eilanden,
+1100 K.M. van Zuid-Amerika verwijderd, zag. Daar trof hij nl. een
+aantal diersoorten aan, die alleen op die eilanden, en nergens
+anders te vinden waren, maar tot geslachten behoorden, welke alleen
+in Zuid-Amerika inheemsch waren.
+
+Het scheen wel, dat er één grondvorm was geweest en dat die zich zoo
+omgevormd had, dat sommige op het vasteland, andere op de eilanden
+konden leven. Elk eiland had dan weer zijn eigen soorten.
+
+"Het was hoogst verrassend, omringd te zijn door nieuwe vogels,
+nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe
+planten--en toch door tallooze kleine bizonderheden in lichaamsbouw,
+zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor
+oogen te zien van de gematigde streken van Patagonië of van de heete
+droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom--zoo vroeg ik mij af--werden
+op deze kleine plekjes land... de oorspronkelijke bewoners hier naar
+Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij... zoowel
+in soort als in aantal zich anders verhouden dan die op het vasteland,
+en dus ook in de wisselwerking verschillen." En dat ieder eiland zijn
+eigen soort had, die overeen kwam met een andere soort op een ander
+eiland, viel Darwin bizonder op.
+
+Na de reis zette Darwin, die in 1839 met zijn nicht getrouwd was,
+zich neer, om de verslagen van zijn reis te schrijven. Sedert verliep
+zijn leven als een echt geleerdenleven. In 1839 komt zijn werk over
+den oorsprong der soorten, in 1871 dat over de afstamming van den
+mensch. Den 19den April 1882 stierf hij. Terecht mocht hij in zijn
+levensbeschrijving zeggen: "Ik geloof goed gehandeld te hebben met
+mijn leven aan de wetenschap te wijden."
+
+Hoe kwam Darwin er toe, uit zijn waarnemingen zijn hypothese op
+te bouwen?
+
+
+
+In 1838 was er van de hand van den staathuishoudkundige Malthus
+een belangrijk werk verschenen over het bevolkingsvraagstuk, dat
+op Mill en zijn medestanders een diepen indruk maakte, en ook aan
+Darwin's gedachten een stoot gaf in bepaalde richting. Malthus was
+sterk getroffen door de toeneming der bevolking. Uit elk paar ouders
+konden natuurlijk veel meer dan 2 afstammelingen komen. De groote vraag
+was of de toeneming der voedingsmiddelen met dien bevolkingsaanwas
+gelijken tred zou houden. Hierop antwoordde de Engelsche econoom
+ontkennend. De bevolking wies harder aan: nl. in een meetkundige reeks,
+tegen de middelen van onderhoud in een rekenkundige [25].
+
+We kunnen dit dus zoo uitdrukken:
+
+
+ 1 2 4 8 16 32 ... Bevolkingsaanwas,
+ 1 2 3 4 5 6 ... Productieaanwas.
+
+
+Den tijd, tusschen twee termen te verloopen, schatte Malthus op ±
+25 jaar. Volgens die berekening zou na 200 jaar de bevolking staan
+tot de bestaansmiddelen als 256:9. Na 300 jaar als 4096:13. Na een
+3000 jaar zou 't verschil onnoemelijk zijn. [26]
+
+Het juiste evenwicht kon hersteld worden, doordat oorlog, epidemieën,
+hongersnood, ellende, prostitutie en andere verschrikkelijke plagen
+een opruiming onder 't menschelijk geslacht hielden. In zekeren zin
+lag er dus in die plagen een wijze beschikking der Voorzienigheid. Op
+Mill en de zijnen oefende nu Malthus invloed uit door zijn leer
+der zelfbeheersching (moral restraint). De mensch zou langzamerhand
+tot het inzicht komen, geen huwelijk te mogen sluiten voor hij de
+noodige bestaansmiddelen bezat, en in het huwelijk door onthouding
+tot gezinsbeperking komen. Mill nu hoopte juist dat dus bij toeneming
+van inzicht en zedelijke zelfbeheersching de toestand der arbeidende
+klasse ook beter zou worden. Malthus' leer werkte dus mee, om hem op
+vooruitgang te doen hopen.
+
+Voor Darwin lag het uitgangspunt ergens anders.
+
+Er werden te veel menschen geboren. Er gingen velen te niet. De
+overblijvenden waren de sterkeren. Ziehier een punt, vanwaar uit
+Darwin verder ging.
+
+Er komen in de geheele natuur veel minder kiemen tot ontwikkeling
+dan er zijn. Een visch legt kuit: een enorm aantal eitjes, waarvan
+slechts een gering gedeelte tot ontwikkeling komt. Van de zaden van
+een plant geldt hetzelfde. Allerlei omstandigheden verhinderen allen
+tot vollen wasdom te komen.
+
+Welke kiemen nu geraken tot volle ontwikkeling? Welke individuen
+blijven leven in den strijd om 't bestaan, in den struggle for
+life. De sterksten, de meest geschikten. (Survival of the fittest). In
+een zandstreek zal een grijsachtige haas, wiens kleur wat met den
+grond overeenkomt, een voorsprong hebben: hij wordt niet zoo gauw
+ontdekt. In de poolstreken met hun vele ijs en sneeuw leeft een wit
+dier in betrekkelijk gunstige omstandigheden.
+
+Dat wezen, dat zich dus het meest bij bepaalde omstandigheden aanpast,
+blijft leven, heeft de meeste kans op voortbestaan.
+
+Nu komt er een tweede factor bij. De dieren dragen hunne kwaliteiten
+over op hun nageslacht.
+
+Ten slotte is er dus een geslacht dieren of planten, dat die
+eigenschappen bezit, welke het mogelijk maken in dat milieu te leven.
+
+In de woestijn zullen we planten vinden, die weinig vocht noodig
+hebben. Hare bladeren zijn leerachtig, doen weinig vloeistof
+verdampen. In een moerassige streek treft men gewassen aan, welke
+veel vocht noodig hebben. In de diepten der zeeën leven visschen,
+bestand tegen den geweldigen druk, die het water op hen uitoefent.
+
+Er is dus niet een teleologische, maar een mechanische verklaring
+mogelijk van de geschiktheid van sommige organische wezens voor
+bepaalde streken. Deze verklaringsmogelijkheid werd een leidende
+hypothese voor de natuuronderzoekers; men ging niet uit van het
+beginsel: dit dier leeft onder die omstandigheden, en heeft daartoe die
+inrichting gekregen, maar men zei: het dier kwám onder omstandigheden,
+het verkreeg nuttige eigenschappen, de nuttige eigenschappen gingen
+over op de nakomelingen.
+
+Darwin tast nu weer verder het soortbegrip aan. De afzonderlijke
+soorten van planten en dieren, zooals wij die kennen, staan niet
+vast. Zij zijn geworden, door de verandering die een organisme
+ondergaat in verschillende omstandigheden.
+
+Darwin kwam op een ècht-wetenschappelijke methode tot zijn
+hypothese. Eerst had hij een omvangrijk feitenmateriaal verzameld
+en zorgvuldig onderzocht. Daarop had hij zijn hypothese gebouwd,
+die deze feiten in samenhang zou kunnen brengen en zou kunnen
+verklaren. Nu bleef hem nog over zijn hypothese te verifiëeren, ze
+te toetsen aan de gegevens. Die toetsing liep gunstig af voor zijn
+veronderstelling. In Engeland hadden de dierenfokkers, door acht te
+geven op allerlei gewenschte kenmerken, door doelmatige kruising en
+uitkiezing van geschikt fokvee, allerlei variëteiten weten voort te
+brengen: dat sprak voor het overerven van eigenschappen.
+
+Uitgestorven diersoorten, waarvan men dikwijls versteeningen vond,
+geleken op thans levende, maar waren dikwijls eenvoudiger vormen der
+nu bestaande soorten.
+
+Opmerkelijk is ook, dat sommige planten en dieren, wier eieren en
+zaden licht door wind en stroomend water konden worden verspreid,
+een groote verbreiding bezitten, en dat verder iedere streek haar
+kenmerkende planten en dieren bezit. In landstreken, die zich vroeg
+van andere afgescheiden hebben (bijv. Australië), vindt men dan ook
+een meer eigenaardige en afwijkende ontwikkeling.
+
+Vergelijkt men verder verschillende soorten die nog al van elkaar
+afstaan, met elkaar op lager ontwikkelingstrap, bijv. in den
+foetustoestand, [27] dan blijkt, dat ze veel overeenkomst vertoonen
+en dus met elkaar verwant zijn. Tal van wezens bezitten ook nog
+overblijfselen van organen (rudimentaire organen), die getuigen van
+een vroegere periode, toen zij nog hun nut hadden, maar die nu verloren
+gegaan zijn. Op tal van wijzen vond zijn hypothese dus bevestiging.
+
+Hij ging nu over tot uitbreiding en doorvoering zijner leer. Als
+de dier- en plantensoorten ontstaan waren uit lagere vormen, geldt
+dit dan ook van den mensch? Hier antwoordt hij zonder voorbehoud
+ja: ook de mensch heeft zich tot de hoogte, waarop hij nu staat,
+ontwikkeld uit lager vormen! Tusschen mensch en dier bestaan groote
+verschillen. Zeker. Maar zijn die grooter, dan die tusschen een
+hoogstaand dier als een aap en een worm? Ook een dier vertoont
+psychisch leven. Dieren kunnen door ervaring leeren, geven blijk van
+geheugen, herinnering, associatie, overleg. Ook gevoel ontbreekt niet,
+zelfs niet dat voor schoonheid. Medegevoel is aanwezig.
+
+Door zijn uitgebreide kennis in staat gesteld, kon Darwin daar tal
+van bewijzen voor bijbrengen.
+
+Zelfs tal van mannen, die zich overigens met zijn leer konden
+vereenigen, keerden zich van Darwin af, toen hij deze zijn hypothese
+tot den mensch uitstrekte. Bij sommigen ging de afkeer over tot
+tegenzin en afschuw. Hoe? De met rede en zedelijk gevoel begaafde
+mensch een ontwikkeld dier, eigenlijk een beest! Onze edelste
+aandoeningen, onze verhevenste gedachten, onze kunst, onze wetenschap
+en onze godsdienst ontsprongen aan eigenschappen, die het dier reeds
+bezat? De mensch, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis zou een
+dier zijn? Het was onmogelijk zeiden niet alleen de theologen, maar
+ook tal van anderen.
+
+Darwin zelf meende, dat zijn theorie geenerlei bedenkelijks meebracht
+voor moraal of menschenwaarde. Wat wij nu bezaten, behield waarde,
+en bleef schoon, ook al kwam 't uit lager vormen voort. [28] Was het
+mooier, zich den mensch te denken als gevallen engel? Ongetwijfeld
+is de mensch door zijn zedelijk gevoel ver verheven boven het dier,
+maar dat zedelijk gevoel heeft zich ontwikkeld uit het ook bij het
+dier reeds aanwezige medegevoel en uit den gezelligheidszin. En
+ook hier mag de kracht die overal elders werkt, gewerkt hebben: een
+menschengemeenschap, waar in de moreele gevoelens (die welke op het
+welzijn der gemeenschap gericht waren) sterk waren, had een voorsprong.
+
+Darwin zag zich ook voor de vraag geplaatst, of hij nu de wereld voor
+het werk van een doelbewuste intelligentie zou aanzien of van een
+toeval. Tegen het eerste verzette zich veel. Zou de kat geschapen
+zijn, met het doel om met de muis te spelen? Maar ook het laatste
+kon Darwin niet aannemen. Het scheen hem toe, dat het een vraag was,
+die boven de menschelijke kennis lag: men moet zich onthouden. "Zijn
+plicht kon de mensch echter doen."
+
+Darwin staat op het standpunt van het agnosticisme: het ontkent niet
+en bekent niet, het weet niet.
+
+Darwin's invloed is reusachtig geweest. Hij heeft de lijnen getrokken
+voor het denken van den modernen dier- en plantkundige. Voor
+dezen blijven dan een groot aantal speciale vragen over om op
+te lossen. Een dier heeft een kleine afwijking. Hoe ontstaat
+die? Ontstaan de variëteiten misschien sprongsgewijze? Erven alle
+verworven eigenschappen over? Vindt die overerving steeds van ouder
+op kind plaats, of ook bij voorkeur van grootouder op kleinkind? Welk
+aandeel heeft de vader, de moeder? Gelijkt de zoon meer op den een,
+de dochter meer op de andere?
+
+De zielkundige bestudeert de erfelijkheid van geestelijke
+eigenschappen. [29] Sedert Darwin gaat men de evolutie, de geleidelijke
+ontwikkeling na van tal van menschelijke instellingen, gebruiken enz.,
+bijv. het huwelijk, [30] den eigendom, de straf.
+
+Aanvankelijk een hypothese voor het gebied der natuurlijke historie,
+werd Darwin's leer een werkhypothese ook voor tal van andere
+wetenschappen; ook de geestelijke ondergingen den invloed van
+Darwinisme: taal, zedeleer, rechtsleer, strafrecht, staatsleer.
+
+Wij staan nu nog te dicht bij de ontdekking van Darwin om haar
+beteekenis geheel te overzien, maar waarschijnlijk zullen die in de
+toekomst van overwegend belang blijken te zijn.
+
+
+
+
+
+§ 36. Herbert Spencer.
+
+Leven en Persoonlijkheid.
+
+Een zeldzaam voorbeeld van groote energie, werkzaamheid en
+volharding. Een man, die trots betrekkelijk geringe wetenschappelijke
+voorbereiding, het geheel der wetenschappen overzien en beheerscht
+heeft, als niet velen. Die ondanks een wankelende gezondheid en
+moeilijke geldelijke omstandigheden zijn levenstaak, die hij zich
+gekozen had, in een trouwen, toegewijden arbeid van 36 jaren vervulde.
+
+Spencer werd in 1820 te Derby geboren als zoon van een bekwaam en
+goed ontwikkeld onderwijzer. Hij bezocht de school van vader en oom,
+toonde voor de wiskundige vakken aanleg, maar was door een zekere
+vroege zelfstandigheid een lastige leerling, die niet voor alles
+belangstelling had en niet bij alles ijver toonde. Zijn opvoeding werd
+voltooid bij een anderen oom, een geestelijke van breede ontwikkeling
+en vooruitstrevende gezindheid. Deze kon den jongen neef echter niet
+bewegen de universiteit te bezoeken: hardnekkig verzette hij er zich
+tegen. Zoo was Spencer's opzettelijk onderwijs op 17-jarigen leeftijd
+afgeloopen en bleef hij van de voordeelen eener universitaire vorming
+verstoken. Dit heeft echter op zijn werk ook een gunstigen invloed
+gehad. Hij werd er misschien te zelfstandiger denker door, die,
+zich weinig bekommerend om het oordeel van anderen en niet vragend
+naar wat voorgangers geleerd hadden, zijn genoegen meer vond in eigen
+opbouwen dan in het tot zich nemen van door anderen gevonden kennis.
+
+Aanvankelijk zou Spencer het beroep van zijn vader kiezen. Weldra
+werd hij ingenieur bij den aanleg van spoorwegen. Dan weer had hij
+goed bezoldigde bezigheden, dan weer was hij zonder werk: gevolg
+van de wilde spoorweg-speculaties in dien tijd, waardoor tijdperken
+van koortsige haast en spanning in den bouw afwisselden met perioden
+van slapte.
+
+Ten slotte ging Spencer in Londen wonen en trachtte hier zijn brood
+als schrijver te verdienen. Er verschenen verschillende werken van
+zijn hand en hij kwam in aanraking met verschillende mannen van
+beteekenis uit die dagen, o. a. met Mill.
+
+Langzamerhand was het denkbeeld in hem gerijpt, dat het mogelijk zou
+zijn, op alle gebied de ontwikkelingsgedachte door te voeren en hij
+ontwierp het plan van een stelsel van ontwikkelingswijsbegeerte. Hij
+dacht zijn systeem in een twintigtal jaren te kunnen voltooien. Maar
+waarvan in dien tijd te leven? Hij trachtte een geschikt ambt te
+krijgen, dat hem genoeg vrijen tijd liet. Ondanks hulp en aanbeveling
+van mannen als Mill, Huxley en anderen, gelukte het hem niet. Hij
+besloot toen, het tòch te wagen, en gaf in 1860 een prospectus uit,
+waarin hij inteekenaars vroeg op zijn werken. In hoofdzaken is
+Spencer bij de uitvoering van zijn plan trouw gebleven aan de reeds
+in het prospectus getrokken lijnen. Aanvankelijk had de schrijver geen
+voorspoed. Er werden zeer weinig van zijn werken verkocht, hij leed er
+groote verliezen op. In 1867 moest hij zijn inteekenaren mededeelen,
+het werk niet te kunnen voortzetten. Hulp werd aangeboden, (Mill wou
+de geheele geldelijke risico voor zijn rekening nemen), maar Spencer
+meende die niet te moeten aanvaarden. Als reeds vroeger kwam hem een
+erfenis te hulp. Een Amerikaansch bewonderaar, prof. Joumann, die
+voor de verbreiding van Spencer's ideeën in Amerika veel gedaan heeft,
+bracht een 7000 dollar op uiterst kiesche wijze bijeen. Weldra waren
+de slechte jaren nu voorbij. Spencer kon hulp nemen, in 1875 waren al
+zijn verliezen gedekt en ten slotte trok hij nu voor zijn bescheiden
+behoeften een ruim inkomen uit zijn werken. (Van zijn "Opvoeding"
+bijv., waarvan eerst slechts 200 exemplaren met moeite verkocht werden,
+zijn nu meer dan 50.000 geplaatst). Ongelukkig liet zijn gezondheid
+te wenschen over. Reeds in 1855 had hij zich met het schrijven van
+zijn zielkunde zóó overwerkt, dat hij een anderhalf jaar rust moest
+nemen en sedert dien tijd aan slapeloosheid en slechte spijsvertering
+leed. Herhaaldelijk viel hij weer in, en meer dan eenmaal wanhoopte
+hij aan de voltooiïng van zijn arbeid. Dit was ook de reden, dat hij
+zijn ethiek, die hij als het belangrijkste beschouwde, liet voorafgaan
+aan zijn sociologie.
+
+Vooral de jaren van 1886 tot 1889 waren droevig. In dezen tijd heeft
+hij zijn levensbeschrijving (in 1904 in twee deelen na zijn dood
+verschenen) gedicteerd, die naast zeer vele belangrijke dingen, ook
+minder beteekenende bevat. Zij draagt sterk het merk, geschreven te
+zijn door een zenuwzwak man, die voor zijn lichamelijke kwalen een
+overgroote belangstelling koestert.
+
+Toch richtte de grijsaard zich weer op en in 1896 verscheen het laatste
+deel van het groote werk: een nationale gebeurtenis voor Engeland.
+
+In 1898 ging Spencer van Londen--waar hij steeds, (behoudens een paar
+grootere reizen, o. a. naar Amerika en door zijn gezondheid geëischte
+uitstapjes naar het vasteland) gewoond had, naar Brighton, dat met zijn
+milder klimaat beter voor hem was. Hier overleed hij 8 December 1903.
+
+
+
+Spencer was een "denker." "Hij is geen mensch, maar een intellect." Hij
+trachtte in alles het algemeene, het groote te zien, de beginselen,
+die er aan ten grondslag lagen. Zijn gewone conversatie was zelfs
+"boekachtig." Hij was ongehuwd: de filosofie was een ijverzuchtige
+meesteres, die niet een andere naast zich duldde. Van kinderen
+hield hij veel: hun gezelschap was voor hem een aangename
+tijdverpoozing. Alle eervolle onderscheidingen (ridderorden,
+eeredoctoraten, lidmaatschappen van geleerde genootschappen)
+wees Spencer af. Hij zag er geen bevordering in van wetenschap,
+maar 't omgekeerde. Bij een wedren geeft men een minder paard een
+voorsprong. Hier doet men het omgekeerde. Een geleerde, die al
+naam heeft, steunt men. 't Wordt zoo voor den jongeren geleerde nog
+moeilijker. Al het hartstochtelijke, het naar het mystieke gaande,
+het vage, was hem onbegrijpelijk. Hij kon 't niet meevoelen. Niet
+bevreemdend is het dus, dat Carlyle en hij zich niet tot elkaar
+gevoelden aangetrokken: Carlyle had "nooit een pedanter jongmensch
+gezien" en Spencer geen mensch, bij wien het denken, dat van hartstocht
+vrij moest zijn, er zoozeer door beïnvloed werd.
+
+
+
+Het onkenbare.
+
+Godsdienst en Wetenschap. Agnosticisme.
+
+Spencer's systeem zou biologie, psychologie, sociologie en ethiek
+bevatten. Hij zou eerst met vlijt alle gegevens verzamelen, nagaan
+in hoeverre voor bepaalde gebieden reeds wetten waren opgesteld en
+gevonden, om daarna die deelen tot een eenheid te vereenigen. Maar, aan
+de behandeling der onderdeelen laat hij een werk "De grondstellingen"
+(Eerste Beginselen, First Principles) voorafgaan. Allereerst spreekt
+hij over het onkenbare, het Absolute en de verhouding van godsdienst
+en wetenschap.
+
+Aan alle verschijnselen, zooals zich die aan ons openbaren, 't zij in
+onze ikheid, 't zij in de buitenwereld, ligt een werkelijk iets ten
+gronde, waarvan de verschijnselen slechts openbaringen zijn. Voor
+ons nu staat open de kennis der verschijnselen, maar de wetenschap
+van het Absolute is ons ontzegd. Dat het bestaat, is zeker. Maar er
+meer van te weten is onmogelijk.
+
+De godsdiensten, op welken trap van ontwikkeling en hoe verschillend
+ook, hebben toch iets gemeenschappelijks. Ze hebben altijd naar
+het aan de overzijde der ervaringen liggende gewezen, ze hebben het
+besef wakker gehouden, dat er een "geheim" was, een niet te kennen
+mysterie. Aan de laagste godsdiensten scheen dat geheim gemakkelijk
+op te lossen. Maar naarmate de godsdiensten voortschreden, zagen zij
+hoe langer hoe meer in, dat het mysterie niet te doorgronden was:
+Het Absolute was niet voor te stellen. Onder geenerlei menschelijke
+gedaante of vorm. Maar daarmee had men opgegeven het te kennen, want
+wij beschikken alleen over naar menschelijke analogie gedachte of met
+gegevens der menschelijke ervaring opgebouwde voorstellingen. De fout
+der religie is geweest, dat zij op het terrein der verschijnselen wou
+komen, dat zij wou spreken, waar het woord was aan de wetenschap. Voor
+den vrede tusschen deze beide, elkaar vijandige machten is het noodig,
+dat de religie ophoude ongodsdienstig te zijn en zich niet begeve op
+het terrein der wetenschap.
+
+En deze laatste moet ophouden onwetenschappelijk te zijn: Zij mag
+niet komen op het gebied van den godsdienst. Zij heeft te beseffen,
+dat er een onkenbaar iets is, het Absolute, waarvan de verschijningen
+openbaringen zijn. En het pogen om dit te willen, en de bewering,
+om dit te kunnen doorgronden, moet zij opgeven. In den eerbied voor
+het Onkenbare komen wetenschap en godsdienst samen.
+
+"Hier hebben wij een grondwaarheid van de grootst mogelijke zekerheid,
+waarin alle godsdiensten het met elkaar en met de wijsbegeerte, die
+haar bizondere leerstellingen bekampt, het eens zijn. Zullen godsdienst
+en wetenschap verzoend worden, dan moet de grondslag der verzoening
+deze diepste, uitgebreidste en grootste waarheid zijn, dat de Macht,
+die zich in het Heelal openbaart, absoluut onnaspeurbaar is."
+
+Waarom moet de wetenschap zich ook buigen voor het Absolute? Het
+denken gaat steeds voort met verklaringen te vinden. Wat is dat,
+"verklaren?" Terugbrengen van een verschijnsel tot een reeds
+bekend, algemeener. Zoo worden de warmteverschijnselen uit beweging
+der kleinste deeltjes, der moleculen verklaard. Beweging is een
+algemeener waarheid. Maar kunnen wij nu met dat terugbrengen eindeloos
+doorgaan? Kennelijk niet. Ten slotte komen wij tot een waarheid,
+die niet nader verklaard kan worden, niet onder een andere, algemeene
+gebracht. Dit wordt wel eens door den wetenschappelijken onderzoeker
+vergeten. Gewoon, dat een nog niet bekend gebied nog nader bekend
+worden kan, dat verklaringen, die nog niet te geven zijn in een
+bepaalden tijd, toch gevonden worden, ziet hij over 't hoofd, dat het
+stellige weten de geheele sfeer van het denken niet kan vullen. Aan
+de uiterste grenzen der ontdekkingen rijst de vraag op, zal de vraag
+steeds oprijzen: "Wat ligt aan de overzijde?" Geen verklaring, hoe
+diep ook, kunnen wij ons denken, die de vraag: Wat is de verklaring
+dezer verklaring? zou buitensluiten. Stellen wij ons de wetenschap
+als een altijd grooter wordende bol voor, dan kunnen wij zeggen, dat
+elke vergrooting van zijn oppervlakte hem in omvangrijker aanraking
+brengt met het hem omgevende niet-weten.
+
+"In de buiten- zoowel als in de binnenwereld bevindt de man der
+wetenschap zich te midden van eeuwige veranderingen, waarvan hij
+begin noch einde kan ontdekken. Wanneer hij de ontwikkeling der
+dingen nogmaals nagaand, de hypothese opstelt, dat het Heelal eens
+in een ongeordenden toestand bestond, dan vindt hij het toch absoluut
+onmogelijk, zich voor te stellen, hoe het kwam, dat het zoo bestond. En
+het is evenzoo, als hij nadenkt over de toekomst: hij kan geen grens
+bepalen voor de oneindige reeks van verschijnselen, die zich voor
+hem ontvouwen.
+
+"Wendt hij den blik naar binnen, dan vindt hij eveneens dat de beide
+draden van het bewustzijn buiten zijn greep liggen: ja, buiten
+zijn vermogen, om zich voor te stellen, dat ze bestaan hebben of
+zullen bestaan. Zoowel objectieve als subjectieve dingen vindt hij
+beide gelijk onnaspeurbaar, wat hunne substantie of hun oorsprong
+betreft. Naar alle richtingen plaatsen zijn onderzoekingen hem
+voor een onoplosbaar raadsel en hoe langer hoe meer begrijpt hij,
+dat het inderdaad niet op te lossen is. Hij kent de grootheid en de
+kleinheid van den menschelijken geest, tegelijkertijd zijn macht,
+alles te omvatten wat binnen de ervaring ligt, en zijn onmacht
+tegenover alles, wat buiten en boven de ervaring is. Hij gevoelt in
+haar geheele sterkte de totale onbegrijpelijkheid van het eenvoudigste
+proces, wanneer dit op zich zelf wordt beschouwd. Beter, dan iemand
+anders weet hij, dat niets, in zijn diepste wezen, kan gekend worden."
+
+Spencer is dus agnosticus. (Het woord is van Huxley, die in een
+gezelschap, gevraagd zijnde naar zijn beschouwing daarvan, om een naam
+te hebben voor het zich onthouden van een oordeel over het absolute,
+zei, dat hij een agnosticus was). Hij is "de grootste agnosticus der
+19de eeuw."
+
+Wel heeft zich ook bij Spencer een gemoedsbehoefte geldend gemaakt,
+maar hij is nooit verder gegaan, dan zijn wetenschappelijk geweten
+hem veroorloofde. Hij heeft de vraag overwogen, of het misschien een
+ethisch postulaat zou zijn, om het Onkenbare als persoonlijk te denken:
+maar hij verwerpt dit. De keuze ligt niet tusschen persoonlijkheid
+en iets lagers: er is een bestaansvorm, die misschien hoog boven het
+persoonlijke staat [31]. Naarmate Spencer ouder werd, naderde ook hij
+meer tot den godsdienst: Op zijn 73ste jaar stelt hij overdenkingen op,
+waaruit blijkt, dat hij zich ernstig met godsdienstige vragen bezig
+hield. Hij zag voor zich de oneindige wereld met zijn zonnestelsel,
+zijn komen en gaan, zijn vollen rijkdom van ontbloeiend leven, en hij
+moest de vraag stellen: Waartoe dat alles? En zijn laatste woorden
+luiden dan ook: "Ik ben er toe gekomen het godsdienstig geloof,--dat
+op de een of andere wijze de plaats inneemt, die verstandelijke
+uitlegging zoekt in te nemen, maar waarin ze faalt en des te meer
+faalt, naarmate zij het probeert--met een sympathie te beschouwen,
+die op gemeenzaamheid van behoefte berust. Ik gevoel, dat mijn anders
+denken van de ongeschiktheid komt, de gegeven oplossingen aan te nemen,
+verbonden met den wensch, dat er oplossingen mogen worden gevonden."
+
+
+
+Taak der filosofie.
+
+Der wetenschap is dus een bepaald gebied aangewezen. Wat is nu de taak
+der filosofie? Om onze kennis tot eenheid te brengen. Het einddoel,
+dat de filosofie zich stelt, is volkomen één gemaakte, geünificeerde
+kennis (completely unified knowledge). De bizondere wetenschappen
+schrijden voort van stap tot stap. Zij stellen voor een beperkt gebied
+wetten op. Verschillende gebieden worden onder een algemeener wet
+vereenigd. Zoo'n algemeener wet is in graad, niet in aard verscheiden
+van een onder haar staande, meer bizondere. De wijsbegeerte nu verhoudt
+zich tot de wetenschappen als deze zich tot haar deelen. Zij zoekt dus
+de meest omvattende algemeene beginselen, die voor alle ervaringen
+gelden. Wij beginnen met de algemeene beginselen aan te nemen, en
+wanneer de uit die beginselen afgeleide gevolgtrekkingen of zij zelve
+door de gegevens der ervaring bevestigd worden, dan blijken ze juist
+te zijn. Om dat te kunnen doen, moeten we dus kunnen vergelijken:
+gelijkheid en verscheidenheid opmerken, is de grondslag van ons denken.
+
+Voor nu over te gaan tot de behandeling der bizondere vragen, handelt
+Spencer nog over eenige begrippen, die de natuurkundige gebruikt,
+als stof, ruimte, tijd, kracht, en over enkele grondwaarheden der
+physica. Het is voor ons van belang, op te merken, dat Spencer
+daaronder rekent de stelling, dat de beweging steeds voortduurt,
+dat de stof niet vernietigd kan worden. Spencer nadert hier dichter
+tot Kant, zooals ook op andere punten, dan vele andere Engelsche
+denkers. Hij wijst er op, dat er eigenlijk geen bewijs is voor deze
+stelling. Onderzoekt men bijv. of iets voor en na een proef gelijk
+van gewicht is gebleven, dan zet men toch al vooruit, dat de kracht,
+waarmede de gewichten, met welke men weegt, aangetrokken worden,
+gelijk blijft.
+
+
+
+De ontwikkelingsgedachte.
+
+De schitterendste schepping van Spencer is zeker zijn doorvoering
+der ontwikkelingsgedachte op allerlei gebied. Beginnen we met een
+eenvoudig voorbeeld, de ontwikkeling der maatschappij.
+
+Daar leven ergens een menigte menschen. Hier een familie, daar
+een familie, ginds nog een, enz. Die families gaan samenwonen, zij
+vereenigen zich tot een stam. En later zien wij stammen zich tot
+een volk vereenigen. En ook die volkeren vereenigen zich weer tot
+bonden, die zekere algemeene regels eerbiedigen. Er vindt plaats een
+samentrekking, een vereenigen van aparte deelen tot meeromvattende
+geheelen.
+
+Maar er gebeurt tevens iets anders. In die eerste stam was
+ieder zoowat gelijk. Ieder oude Bataaf bijv. jaagde, vischte,
+voerde oorlog, dobbelde, dronk, sliep. De een was vrijwel
+gelijk aan den ander. Maar--er komt splitsing. Er ontstonden
+edelen--vrijen--lijfeigenen. Daarmee komt verschil van beroep. Dit
+neemt toe. De Middeleeuwen zien de ridders als oorlogsstand, de
+geestelijken als de stand der wetenschap, poorters en lijfeigenen
+als landbouwers, handwerkslieden. Die arbeidsverdeeling gaat op elk
+gebied door. Op elk terrein des levens schier "werkt de splijtzwam." De
+wetenschap splitst zich, telkens komen nieuwe takken.
+
+Het gaat zoo in den oorlog. Een admiraal is geen generaal meer. De
+eene generaal voert weer artillerie, een andere cavalerie, een derde
+infanterie aan.
+
+De barbier is geen geneesheer meer en de huisdokter ziet tal
+van specialiteiten naast zich opkomen voor oog, oor, neus, keel,
+ingewandsziekten, enz.
+
+Op het gebied van den lichamelijken arbeid vertoont zich deze
+splitsing zeer sterk. De Germaansche vrouw bebouwde het land,
+bereidde haar brood en mede, weefde haar linnen. Broodbakken en
+kleerenmaken gaat niet meer samen. Ja, de broodbakker splitste
+zich in brood- en banketbakker. Een kleermaker, die een geheel
+pak maakt, is uitzondering. Er is een coupeur die de stof snijdt,
+er zijn voor onze groote confectie-magazijnen jassen-, vesten- en
+broekenmakers. In Amerika is die arbeidsverdeeling in sommige fabrieken
+zoover doorgevoerd, dat een man bijv. den geheelen dag niets te doen
+heeft, dan een varken op een bepaalde plaats in de keel te stooten.
+
+Uit de gelijksoortigheid die aanvankelijk heerscht, is de
+ongelijksoortigheid geworden. Er is splitsing gekomen.
+
+Maar--er is nog een derde punt op te merken. In die zoo veelvuldig
+gesplitste maatschappij is een veel inniger samenwerking der deelen
+dan in de oorspronkelijk gelijkaardige. Denken we even aan de innige
+verbinding, waarin wij staan. Neem dit boek voor u. Wat een menschen
+werken, ieder naar zijn bekwaamheid, daartoe samen. De auteur schreef
+het, maar hij had daartoe een reeks andere boeken, papier, pennen,
+inkt noodig. De zetter zet het. Vrienden van den auteur corrigeeren
+het. De drukker drukt. Inbinden door den binder. Verzending van
+copie en drukproeven en boeken door de post en door het bestelhuis
+van den boekhandel.
+
+Hoeveel meer menschen hebben b.v. niet samengewerkt, om den huidigen
+mensch een borrel te schenken, dan bij de oude Batavieren, om hem
+een slok zoete mede te kunnen geven. En die samenwerking gaat zoo
+geregeld, zoo ongemerkt, dat men ze zich gewoonlijk niet eens bewust
+wordt. Voor uwe kleeding en uw voedsel hebben menschen uit alle
+werelddeelen gewerkt.
+
+Er heeft dus samenwerking plaats, die hoe langer hoe meer harmonie
+brengt.
+
+Wat wij hier nu met een eenvoudig voorbeeld uit de ontwikkeling der
+menschheid toelichten, voert Spencer op alle gebied door. Het geldt
+bijv. voor ons bewustzijnsleven, waar zich uit een gelijksoortige
+massa de onderscheidingen ontwikkelen. De talen ontwikkelen zich uit
+bepaalde grondtalen, splitsen zich, verrijken zich. De kunsten doen
+eveneens. Schilderen en schrijven en beeldhouwen is eerst een: de
+oudste teekeningen van sommige volken zijn meteen hun geschriften,
+hun schrijven. De Egyptenaar teekent en zijn teekeningen zijn z'n
+taal. Muziek en dans en poëzie zijn eerst samen, maar krijgen ieder
+hun eigen karakter.
+
+In de natuur is het niet anders. De oudere vormen van planten en
+dieren die men vindt, vertoonen veel eenvoudiger bouw. De kiemen of
+de foetussen van vele organismen vertoonen meer gelijkheden die de
+ontwikkelde individuen níet hebben: in de eerste maanden kan men
+bijv. aan een menschelijke foetus niet zien, of het een jongen of
+een meisje is.
+
+Wij zien dus een voortschrijding van het gelijksoortige tot het
+ongelijksoortige. Wanneer we dit nu in algemeene formuleering zeggen,
+krijgen wij:
+
+De ontwikkeling heeft drie kenmerken.
+
+1. Concentratie of integratie: vereeniging van elementen. Eenvoudigste
+voorbeeld: opeenhooping van zanddeeltjes.
+
+2. Differentiëering. Er komen verschillen. Het homogene wordt
+heterogeen, het gelijksoortige ongelijksoortig.
+
+3. Determinatie. Die differentiëering brengt met zich mede een overgaan
+uit een vage, chaotische toestand, tot een bepaalde, waarin orde is.
+
+Samenvattend zeggen wij dus:
+
+Ontwikkeling is een verandering van een vage onsamenhangende
+homogeniteit tot een bepaalde, samenhangende heterogeniteit door
+aanhoudende integreeringen en differentiëeringen en determinaties.
+
+Deze ontwikkelingsformule is zeer omvattend. Zij wijst een diep-gaande
+overeenkomst aan tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch,
+(zijn geestelijk als lichamelijk leven), de menschheid, de aarde,
+het zonnestelsel.
+
+Inderdaad een machtige, grootsche hypothese, welke op te stellen en met
+rijk feitenmateriaal te ondersteunen Spencer's inspanning waard was.
+
+Tegenover de ontwikkeling staat het te niet gaan. Als er eenmaal een
+volkomen harmonie zal zijn, zullen storende krachten optreden. Er
+is dus een afwisseling van ontstaan en vergaan, het wereldworden
+geschiedt rhytmisch. Maar, als het eene systeem teniet gegaan is,
+zullen weer andere kunnen ontstaan.
+
+
+
+Biologie.
+
+Bizondere waarde hecht Spencer aan de biologie. Ook voor de practijk
+zal zij groote beteekenis hebben. Hij ontwikkelt hier de gedachte, dat
+er een voortdurende aanpassing plaats vindt. Op een organisme werken
+krachten in. Het ondergaat nu veranderingen, die het geschikter maken
+om te leven in de omstandigheden, waarin het geplaatst is. Verworven
+eigenschappen kunnen overerven. Aan dezen regel houdt Spencer
+vast en in zijn laatste levensjaren heeft hij dien nog met warmte
+verdedigd. Wanneer men aannam, dat verworven eigenschappen overerfden,
+zou er hoop zijn op spoediger vooruitgang van het menschelijk geslacht.
+
+Op het gebied der kennistheorie en der ethiek geeft de
+ontwikkelingsgedachte Spencer gelegenheid op te treden tusschen Locke,
+Mill eener-, Kant anderzijds. Hij erkent met Kant en tegen Mill,
+dat onze eerste denkwetten à priori zijn en niet uit de ervaring
+van het individu stammen. Maar in laatste instantie zijn ze toch
+op ervaring gegrond: het is de ervaring van millioenen generaties,
+die nu voor ons een absoluut noodwendig karakter heeft. Met de
+"intuïtieve ethiek" is 't eveneens. Ook daarin zit de ervaring van
+langen tijd. Er is geen sympathie, omdat 't nut die vroeg, neen:
+er was sympathie, die bleek nuttig voor de welvaart van 't geheel en
+zoo heeft ze zich in de menschen staande gehouden. Ook het ethisch
+leven vertoont de integratie, differentiëering en determineering. Er
+is veel meer samenhang bij ethisch handelen, meer concentratie,
+wat bijv. in de zelfbeheersching uitkomt.
+
+Bij egoïsme is de gezichtskring eng. Wie ethische doeleinden zoekt,
+ontwikkelt meer; alles wat in hem is, is niet beperkt door eigenbelang:
+differentiëering. Het ethisch leven is bepaald door vaste beginselen
+en lijnen, is niet, als bij den egoïst speelbal van allerlei invloed:
+determinatie.
+
+De hoogste trap is de organische moraliteit: het goede wordt niet
+uit plicht, uit nood gedaan. Zooals een moeder zich haar kind, de
+kunstenaar zich zijn werk geeft, volbrengt degene, die organische
+moraliteit bezit, zijn plicht.
+
+Ook in het staatsleven heeft de evolutie, de geleidelijke ontwikkeling
+een groote rol. Men moet niet te spoedig van opvoeding en wetten
+verandering verwachten: er is een lange ontwikkelingsweg noodig. De
+opvoeding moet dus het individu en een volk zoo spoedig mogelijk in
+aanraking brengen met de werkelijkheid, opdat er aanpassing plaats
+vinde [32]. Men mag wel hopen, dat er vooruitgang zal komen, en een
+staat zich verder zal ontwikkelen.
+
+Spencer's invloed is zeer groot geweest. Zijn werken zijn vertaald
+in bijna alle Europeesche talen, in 't Chineesch en Japansch. In
+de wetenschap werd de ontwikkelingsgedachte op allerlei gebied
+toegepast. Wij kunnen thans wel zeggen, dat op schier geen
+wetenschappelijk terrein de evolutionistische gedachte zonder invloed
+is gebleven.
+
+Het spreekt, dat Spencer in een werk, dat 36 jaar voor zijn ontstaan
+noodig had en over zoo een massa feiten liep, detailfouten maakte,
+dat hij zijn inzichten wijzigde. Zijn grootsche formule intusschen
+wordt bij onze tegenwoordige kennis door velen uitermate geschikt
+geacht, om licht te werpen op vele feiten en als een richtsnoer te
+dienen bij onderzoek.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII.
+
+HET POSITIVISME IN NEDERLAND.
+
+
+§ 37. Inleidende Opmerkingen.
+
+Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig
+denken in ons land [33]. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden
+een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de
+verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des
+Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een
+innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan
+de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren
+kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende
+geleerdheid [34]. Dirk Volckertszoon Coornhert gevoelde zich tot het
+Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero's "Plichten"
+en Boëtius' "Vertroosting der Wijsbegeerte" in goed Hollandsch proza.
+
+Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575),
+Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in
+Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen
+voor Hooger Onderwijs.
+
+Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer
+van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt
+voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden
+onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers
+zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf
+van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner
+denkbeelden. Naast Geulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de
+aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is,
+waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze
+soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in
+de theologie, onder wie Voetius te noemen is.
+
+Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate
+en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven
+[35].
+
+De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland
+gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie
+beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen
+kon, verscheen hier. Newton's leer werd hier ingevoerd door 's
+Gravesande, in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken
+ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe
+puntjes slepen af. In 't kort, het geheele beeld dat ons de achttiende
+eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook
+op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping;
+rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om
+te verdedigen.
+
+"Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek
+der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen
+van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden
+te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden,
+die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen
+en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze
+toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.
+
+"Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen
+waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede
+bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht
+wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden
+tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden
+zeggen makker, vorm hebben aangenomen.
+
+"Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de
+Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken,
+dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche,
+of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling
+der onderscheiden personen overwegend waren.
+
+"Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen
+smaak, dan kan die bewoording dienen om afkeer aan te duiden van
+paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen
+naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter
+bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen
+als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en
+schoon is." (Land).
+
+Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn
+invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara
+Burgerhart [36] een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer
+gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs
+een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op,
+hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast
+hem te noemen.
+
+IJverige belangstelling betoonde Nederland in 't begin der 19de eeuw
+ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685--1766)
+had hier de liefde voor de studie van 't Grieksch weer opgewekt;
+zijn zoon François (1722--1790), een groot Haagsch heer, was een
+bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.
+
+In 't begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een
+fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer. [37]
+
+Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks
+'30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.
+
+De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden
+godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield
+in 1860 voordrachten over wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot
+publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid,
+met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende
+stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde
+(hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing
+een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele
+fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven,
+hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.
+
+Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier,
+die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van
+Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk
+leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.
+
+
+
+
+
+§ 38. Opzoomer.
+
+Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde
+te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener
+prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de
+rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte
+aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt
+met eene rede: "De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich
+zelven." Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium van onschuld is,
+waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. "Zoo
+wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend
+des levens, door het zachte morgenrood beschenen."
+
+Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, de strijd van het
+onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?
+
+Van Locke tot Fichte loopt de weg.
+
+""Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?" was de groote levensvraag
+geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de
+taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in
+de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten
+wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en
+bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan,
+dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene
+ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van
+den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest
+overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner
+handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote
+tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had
+het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande
+had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich
+verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van
+beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden."
+
+Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van
+het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar
+in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een
+godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit,
+dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten
+weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat
+worden als "het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,"
+maar als de "geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk
+bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken,
+gevoelen en willen den geest verheft boven de werkzaamheid, die hij
+in het lichaam vertoont."
+
+Op dit standpunt nu is er verzoening.
+
+"Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de
+zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste
+waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende
+waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de
+godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe
+de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft."
+
+Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware
+het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij
+niet in die bange dagen "door een schild van achtbare mannen ware
+gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op de collegebanken
+plaats namen om zijne lessen aan te hooren." (v. d. Wijck).
+
+In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit
+hij een nieuw vaandel: dat der ervaringswijsbegeerte.
+
+Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij
+steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. "Beschamend
+staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met
+den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden,
+ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot
+stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering
+van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal
+onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van
+Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten,
+dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot
+handelen ons leiden moet.
+
+"Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels
+heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.
+
+"Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij
+overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg,
+ons door Bacon gewezen."
+
+Als "onmiddellijke voorgangers" noemt hij zelf Herschel, Whewell,
+Mill en Comte. Na de bespreking van Mill's logica behoeven wij niet
+uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan [38]. Hij bepaalt zich tot het
+behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig
+van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen,
+zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk
+onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.
+
+Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van
+colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal
+studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was
+en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte
+dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland
+niet.
+
+"Opzoomer's aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw
+en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw,
+dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen,
+die den goeden weg gewezen hebben, toen deze nog niet zoo algemeen
+gevolgd werd." In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot
+groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden
+over de operatie van bloedader-gezwellen, maar hij had nog nooit een
+bloedader-gezwel zien opereeren.
+
+"In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde
+boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de
+feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren,
+men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: "Wat
+zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt
+de scherpzinnige B?"
+
+"Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid
+niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de
+werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden,
+dat Opzoomer in zijn lessen over logica ... het aan duizenden heeft
+ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel
+gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat
+men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag
+der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en
+werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het
+verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige
+en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek
+begonnen is." (v. d. Wijck).
+
+Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke
+waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt
+opgetrokken (1). Maar de mensch is ook een waardeerend wezen. Hij staat
+niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij
+registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken een
+aangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde
+goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid:
+gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2--4).
+
+Behandelt Opzoomer in zijn: "De weg der wetenschap" vooral de eerste
+kenbron, in zijn: "De waarheid en haar kenbronnen" [39] wordt
+gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk
+gevoel. De vijfde kenbron, het godsdienstig gevoel, heeft Opzoomer
+niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: "De Godsdienst" (1864) en
+"Onze Godsdienst" (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het
+hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed
+uit op 't kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor
+'t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt
+uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. "Eindelijk
+gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een
+hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn
+zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer."
+
+"Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou
+om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat
+hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de
+souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat
+het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld
+is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het
+is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolang de handen
+niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.
+
+"In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat
+den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe:
+het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen
+van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.
+
+"Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den
+diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken
+der menschelijke natuur behoort." (v. d. Wijck.)
+
+Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam
+als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de
+schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde
+romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man,
+de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in 't Duitsch een zeer
+goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.
+
+
+Opm. Tot Opzoomer's leerlingen behooren Allard Pierson en
+Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen
+in 't Hollandsch geschreven. "Een Levensbeschouwing" en "Wijsgeerig
+onderzoek" zijn uit wijsgeerig oogpunt 't voornaamste. Zijn biografie
+geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als
+wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in "Mannen van Beteekenis."
+
+Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn
+opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van
+Beteekenis, XXXV, 2--3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere
+inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na
+zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte
+artikelen meest in "Onze Eeuw."
+
+
+
+
+
+§ 39. Multatuli.
+
+Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij
+heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk
+leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen
+is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige
+moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest
+van "aufklärungsidealen." Hij heeft die in omloop gebracht door zijn
+schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier
+nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De
+man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig,
+behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst
+mogelijke scherpte.
+
+Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van
+den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig
+gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren
+in dezen vorm.
+
+De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste
+in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der
+Israëlieten naast Zeus.
+
+Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon
+schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel's Roskam
+kunnen leeren, als het 't niet had willen hooren en lezen uit den
+bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli
+teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee
+Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.
+
+Dat er in alle bizondere religies 't algemeen menschelijke te
+waardeeren was, hadden de 18de-eeuwsche deïsten, ook hier geen
+onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een
+goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof
+meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.
+
+Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus' dagen
+gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één
+beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp
+gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene
+schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.
+
+Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn
+volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten
+geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens
+verlaten: Multatuli zette 't in het helderste licht.
+
+De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep
+in omstreeks '50 en '60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde,
+om physica, maar om 's hemelswil geen bovennatuurkunde, geen
+metafysica. [40] Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar
+geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de
+plaats geven. Hij begeerde te varen "zonder lek."
+
+Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men
+in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw
+vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet
+en gerechtigheid.
+
+Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden
+toen Multatuli het uitsprak, dat zedelijkheid niet zede is. En het
+jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de
+zedelijkheid "boven den navel" woont.
+
+Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in
+wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei,
+wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich
+richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan 't paradoxale
+grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou
+'t dit zijn:
+
+Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche
+Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op
+heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende
+Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven
+der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap,
+is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van
+zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en
+dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd
+gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven,
+op te houden met kleingeestige discussies over 't al of niet ware
+van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken
+denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land,
+en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele
+hoofden en harten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV.
+
+HET POSITIVISME IN ANDERE LANDEN.
+
+
+§ 40. De crimineele anthropologie.
+
+Inleidende opmerkingen.
+
+Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het
+denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten
+denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en
+had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij
+had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het
+zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid
+gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno
+waren Italianen.
+
+Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was
+Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der
+moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de
+staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella
+staat Macchiavelli.
+
+Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt tot onderzoek, gaat
+voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland
+is 't beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende
+twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar
+zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de
+laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet
+er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van 't katholicisme afwendt,
+is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor
+'t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief
+psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand
+is, dan voltooiend en bouwend. In 't bizonder richtte zich de aandacht
+op den misdadiger [41] en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar
+in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor
+een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van
+dit feit te bepalen. [42] Hij kreeg daar verschillende leerlingen
+en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In
+1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen
+mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève,
+Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de
+studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen
+zijn te noemen de psychiaters Jelgersma en Winkler en Dr. Aletrino,
+die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek
+der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het
+recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn
+aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de
+Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde
+voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep,
+dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn
+initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de
+verwaarloosde [43] jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef
+niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht
+Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met
+nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben
+in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.
+
+Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden,
+is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van
+Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke
+"Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger," gebouwd op een
+streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker
+van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de
+misdaad (Crimineele Aetiologie) in 't licht zond. [44]
+
+Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in
+ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel-
+en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.
+
+Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De
+groote vraag was, of 't geschieden moest omdat gezondigd was, of
+als voorbehoedmiddel voor de toekomst: opdat niet gezondigd zou
+worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit
+vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of
+andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken,
+die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook
+gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met
+de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van
+zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken,
+hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap
+van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er
+zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing
+aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand
+die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs
+zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.
+
+Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den
+misdadiger, de oorzaken van de misdaad?
+
+Lombroso dan vat den misdadiger op als een atavistisch
+verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu
+overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn
+ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft
+het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen
+en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.
+
+Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij
+de natuurvolken. De misdadiger is dus achter bij de ontwikkeling der
+gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel
+lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig
+standpunt en de nu bestaande maatschappij.
+
+Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel
+te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel
+hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal,
+zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer
+een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch
+verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.
+
+Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, de geboren
+misdadiger.
+
+Tegen Lombroso's leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees
+er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is,
+gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn:
+zoo'n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso's
+misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen
+en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door
+Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers,
+maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.
+
+Heftig botste de Italiaansche school op 't congres te Rome met
+Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou
+niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad
+zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide,
+in de maatschappij, in het sociaal milieu. "De maatschappij heeft
+de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust
+niet lijdelijk in de aangeboren eigenschappen van den misdadiger,
+maar stel het sociale initiatief er tegenover."
+
+Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar
+staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn
+aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben
+toegekend.
+
+Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met
+warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij
+acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:
+
+"'t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid
+van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen
+maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen
+handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men
+de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen
+opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een
+directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling
+der individuen dit doen."
+
+Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.
+
+"Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd
+komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend
+duister kleurt 't licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen
+gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een
+lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend
+onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten
+dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij
+zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij
+voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderen wij de verwerkelijking
+van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor
+anderen het leven dragelijk te maken."
+
+Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans
+zijn artikel: "Sommige uitwassen der crimineele anthropologie"
+deed schrijven.
+
+
+
+
+
+§ 41. Het Materialisme.
+
+De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het
+natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en
+Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland
+de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze
+leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor
+hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte
+stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het
+materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof
+en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier
+bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd
+door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en
+Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en
+Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had
+gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde
+hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten:
+het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen
+gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een
+wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder
+deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigers dezer
+levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige
+natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren
+dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang,
+verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis
+in ruimer kring.
+
+Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als
+Büchner, Vogt en Moleschott aan, wanneer men hen houdt voor wat men
+in het dagelijksch leven "materialisten" pleegt te noemen.
+
+Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er
+werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen
+andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In
+de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer
+burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het
+gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen
+kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef--dit
+zij wel te verstaan--achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans,
+onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat,
+botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders
+zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in
+Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag,
+dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men
+denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis,
+maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op
+maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde
+zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in
+te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied
+en dan de grenzen trekken. De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds
+één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid
+beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo
+staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En
+het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het
+stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.
+
+Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten
+tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan
+van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie
+tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard
+gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.
+
+Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot
+den engen kring van geleerden, ja, vond bij de "vakwijsgeeren" niet
+allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden
+en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling
+was, kocht gretig Büchner's "Kracht en Stof", waarvan een groot aantal
+drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair
+werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende,
+welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte
+van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal,
+werkten daartoe mee.
+
+Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven,
+onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.
+
+Het materialisme vond ook in ons land--weer wat later dan het midden
+der eeuw--zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend
+tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging "de Dageraad,"
+die de vrije gedachte bevorderen wil, welke veel in deze richting
+gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste
+verjaring van Büchner een Volksuitgave van "Kracht en Stof," wijdde
+een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.
+
+In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans
+zeer weinig aanhangers.
+
+
+
+Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch
+materialisme.
+
+Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders
+is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren
+een beweging van atomen. Dit geldt--en ziehier het kernpunt--ook voor
+het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.
+
+Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige
+werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei
+scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats,
+die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier
+alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet
+een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een
+verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.
+
+Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we
+alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.
+
+Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we
+precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist
+ons organisme werkt, zooals het werkt.
+
+Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is
+een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men
+kan een hond "stuk voor stuk de ziel wegsnijden", door zijn hersens
+weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het
+hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een
+afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.
+
+De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht,
+kleeding, woning.
+
+Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan:
+er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren
+is taak der physiologie.
+
+De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders
+niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal
+de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.
+
+Theologie bestaat evenmin.
+
+God kennen wij niet. Onze "lieve Heer" is een inbeeldingsproduct
+uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem
+de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het
+"Onkenbare," de "Idee," het "Absolute," weer binnen te halen. Allemaal
+nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die
+vrees, als de zon der wetenschap opgaat.
+
+Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.
+
+
+
+We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der
+leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie
+namen: Vogt, Büchner, Moleschott.
+
+Over elk dus een kort woord.
+
+Moleschott werd in 's Hertogenbosch geboren. Hij genoot een
+eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen,
+vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag
+geen kans zich in Nederland aan zuivere studie te kunnen wijden en
+vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent,
+maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26
+Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag
+van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid
+heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar
+Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind
+arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in
+een eenvoudig werkje: "Voor mijn vrienden. Levensherinneringen." Het
+Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven
+ook in ons land.
+
+Moleschotts bekendste werk is "De Kringloop van het leven", dat in
+1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven
+gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de
+boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den
+grootsten denker voedt.
+
+Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen
+plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.
+
+Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen
+gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de
+werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere
+twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme
+wil hij materialist heeten.
+
+In 1852 verscheen Moleschott's werk. De echte materialisme-strijd
+begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt
+botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der
+wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan
+te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de
+wetenschap te verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie
+was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een
+afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de
+kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand
+de piano.
+
+Tegen dezen "fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche
+zielensubstantie" trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855)
+op: "Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof," terwijl hij later een meer
+wetenschappelijk werk schreef.
+
+Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar
+1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van
+1852-1895 hoogleeraar te Genève.
+
+Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen
+"Kracht en Stof." (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk
+werd en nog wel wordt gelezen.
+
+Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan
+het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in
+zijn systeem verweten, zoodat hij niet--"als hij al tot de filosofie
+behoort"--mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.
+
+
+
+
+
+
+
+
+SAMENVATTING.
+
+
+De tijd van het positivisme plaatst Engeland en Frankrijk weer meer op
+den voorgrond, Duitschland komt iets op den achtergrond. In den staat
+merken we een doorwerken der liberale gedachte op. Engeland breidt
+het kiesrecht uit, Frankrijk verjaagt de Bourbons, het revolutiejaar
+1848 doet ook in Duitschland zijn invloed gelden. De bezittende, geld
+verwervende burgerklasse komt meer en meer op als toonaangeefster in
+maatschappij en staat.
+
+Het lot der arbeidende klassen verontrust sommige edele gemoederen en
+zij ontwerpen toekomstbeelden eener socialistische maatschappij. Maar
+de regeeringen doen weinig, een krachtige arbeiderspartij of een
+vakorganisatie bestaat nog niet.
+
+De groei der bizondere wetenschappen, die zich alle meer richten
+op détailstudie, is bewonderenswaardig. Met name maken de
+Natuurwetenschappen snelle vorderingen.
+
+In Frankrijk ontstaat de positivistische school. Comte deelt
+met zijn tegenstanders de behoefte aan autoriteit en vaste
+beginselen. Hij is afkeerig van metafysica: deze geeft een
+overgangsstadium. Gemoedsbehoeften tracht hij te bevredigen door een
+bedachten godsdienst, die weinigen met hem aanhangen.
+
+Maine de Biran is te beschouwen als de vader der psychologische school,
+die een fijnen blik had voor allerlei bewustzijnsverschijnselen.
+
+In Engeland wordt de wijsbegeerte der achttiende eeuw voortgezet. James
+Mill voltooit de associatie-zielkunde, Bentham breidt het beginsel,
+dat Smith in de Staathuishoudkunde invoerde, uit over het geheele
+zedelijke leven. Terzelfder tijd vindt het Duitsche idealisme
+zijn vertegenwoordiger in Carlyle den Schot, die de reactie der
+persoonlijkheid op het utilisme is.
+
+John Stuart Mill, die zich zeer tot Comte gevoelt aangetrokken,
+schept hier zijn logica.
+
+In Engeland ontstaat de ontwikkelingsfilosofie. Spencer brengt,
+ondanks talrijke bezwaren, zijn groot werk tot stand en voert de
+ontwikkelingsgedachte door over het heele levensgebied. Darwin schept
+zijn hypothese over de natuurwetenschappen, maar zijn beginselen
+dringen overal door.
+
+Duitschland wendt zich af van de wijsbegeerte. Het belangrijkste
+verschijnsel is de materialisme-strijd, omstreeks 50-60.
+
+In ons land weerspiegelen zich die bewegingen. We leerden
+Opzoomer kennen, die na de aanvaarding van zijn ambt het vaandel
+der ervaringswijsbegeerte hoog gaat houden en op het godsdienstig
+leven grooten invloed uitoefent. Multatuli wordt de heraut van vele
+Aufklärungsidealen en populariseert wetenschappelijke meeningen.
+
+In Italië doet het positivisme zijn intocht.
+
+Lombroso sticht er de crimineel-anthropologische school, die de
+leer van den geboren misdadiger verkondigt en weldra bestrijding
+vindt in de Fransche School, die meer den nadruk legt op het sociaal
+milieu. Ons land neemt deel aan die beweging en hier wordt Aletrino
+de gevoelvolle pleitbezorger voor milder en doelmatiger behandeling
+van den misdadiger. Met nieuwe inzichten hield onze regeering rekening
+in verschillende wetten.
+
+Hoe de verschillende denkers en werken van de 19de eeuw verspreid zijn,
+blijkt uit de volgende jaartallen.
+
+Eerst de denkers der drie groote cultuurlanden, daarna hunne
+werken. Vervolgens de ontwikkelings- en de positieve filosofie in
+Nederland. Eindelijk de crimineele anthropologie.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE TIJD VAN HET POSITIVISME.--VERLOOP VAN HET POSITIVISME.
+
+
+TOELICHTENDE JAARTALLEN.
+
+
+1766-1824. Maine de Biran.
+1792-1864. Victor Cousin.
+1798-1857. Auguste Comte.
+
+1748-1832. Jeremias Bentham.
+1775-1836. James Mill.
+1795-1881. Carlyle.
+1794-1866. Whewell.
+1806-1873. John Stuart Mill.
+1809-1882. Charles Darwin.
+1820-1904. Herbert Spencer.
+1825-1895. Huxley.
+
+1822-1893. Moleschott.
+1817-1895. Vogt.
+1824-1899. Ludwig Büchner.
+
+
+1830-1842. Comte's cursus van positieve filosofie.
+1852. Positivistische catechismus.
+
+1829. Mill's Ontleding van de verschijnselen van den
+ menschelijken geest.
+1834. Bentham's Deontology.
+1833. Carlyle's Sartor Resartus.
+1843. Carlyle's Verleden en Heden.
+
+1843. Mill's Logica.
+1859. Darwin's Ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus.
+1863. Huxley: Getuigenissen voor de plaats van den mensch in de
+ samenleving.
+1868. Haeckel's Natuurlijke scheppingsgeschiedenis.
+1852. Moleschott's Kringloop van het leven.
+1855. Vogt: Kolenbrandersgeloof en Wetenschap.
+1854. Büchner's Kracht en Stof.
+
+1821-1892. C. W. Opzoomer.
+1831-1906. Allard Pierson.
+1836- Jhr. B. H. C. K. v. d. Wijck.
+
+1846. De wijsbegeerte den mensch verzoenende.
+1851. De weg der wetenschap.
+1859. De Waarheid en hare kenbronnen.
+ Pierson: Een levensbeschouwing.
+1906. V. d. Wijck: Afscheidscollege.
+1894. Steinmetz: Over de eerste ontwikkeling van de straf.
+1895. Wijnaendts-Francken; De evolutie van het huwelijk.
+
+1820-1887. Multatuli (Eduard Douwes Dekker).
+1861. Max Havelaar. Ideeën.
+
+1871. Lombroso: De misdadige mensch.
+1885. Eerste congres voor crimineele anthropologie te Rome.
+1899. Aletrino treedt op als privaat-docent te Amsterdam in de
+ crimineele anthropologie.
+1903-1904. Aletrino's Leerboek der crimineele anthropologie.
+1908. Roos: Crimineele aetiologie.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE AFDEELING.
+
+DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE.
+
+
+§ 42. Inleidende Opmerkingen.
+
+Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit
+bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet
+langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de
+echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer,
+was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote,
+dat een paar collega's, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar
+zeiden: "Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen
+en die doet tegenwoordig aan filosofie." Eén onzer hoogleeraren in de
+wijsbegeerte vertelde eens in 't openbaar, dat in zijn studententijd
+hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het
+college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en
+specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa,
+die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid
+door miskenning van den zusterband.
+
+
+
+Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den
+tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van
+lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit
+gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld [45].
+
+"Wie zich in 't midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het
+publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn
+voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner
+tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden
+hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden,
+dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om
+goud te maken zou willen aanprijzen.
+
+"Maar... niemand heeft zich toen die taak opgelegd--niemand had het ook
+kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap
+van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen
+een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van
+geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwd worden als een
+zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In
+dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der
+filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte--een woord
+dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap,
+maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.
+
+"Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een
+wereldbeschouwing, gold niet voor "vol" uit wetenschappelijk oogpunt.
+
+"Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van
+de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer
+te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.
+
+"Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf
+enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat men
+de wijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende
+stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldige aanspraken der
+filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren....
+
+"'t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als
+zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch
+was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was
+slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.
+
+"Sedert is de toestand geheel veranderd.
+
+"In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige
+vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de
+natuurkundigen."
+
+Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er
+een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die
+verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?
+
+Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de
+belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien
+weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van
+denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?
+
+Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan
+den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen
+geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote
+geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo
+blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.
+
+Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op
+wetenschappelijk gebied.
+
+Er kwam in 't algemeen belangstelling voor den mensch en voor het
+geestelijke en voor 't algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De
+taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer
+wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijven aan een tekst,
+om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was
+het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak
+van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een
+levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van
+den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften
+der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat
+bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen,
+ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen,
+tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en
+grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.
+
+Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen
+die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.
+
+Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk,
+den fieren individualist, die zegt:
+
+
+ De duizend die zich zelf niet wezen konden,
+ Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.
+ Hun is 't geloof, dat spreekt uit duizend monden.
+ Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,
+ Voelt zich aan zich door zich alleen gebonden
+ En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt. [46]
+
+
+Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.
+
+In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt--zij
+'t nog aarzelend--in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren
+willen, metafysica is.
+
+Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen
+wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later
+voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden
+wijsgeerige artikelen een gul onthaal.
+
+In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar
+het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam
+zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey's bloemlezingen uit oudere
+dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van
+Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis
+aangetroffen.
+
+In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding,
+scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het
+ziekelijke, het afwijkende.
+
+Ook de geschiedkundige wetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat
+iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis
+van 1525-1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weer geheelen
+geven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis,
+van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook
+over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.
+
+
+
+De geneeskunde toonde veel belangstelling in het geestesleven van den
+mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze
+Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie
+en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft,
+bezit althans een professor in zielsziekten.
+
+Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal
+belangrijke onderzoekingen. We wezen reeds op de samenwerking die in
+den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.
+
+Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden
+van het persoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel
+van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan,
+om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid
+te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde
+van de veronderstelling uitgaat, dat de mensch zijn eigen belang
+zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men
+rekening houden moet in 't productieproces. Maar geenszins ontkent
+de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden
+doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet,
+dat hij een denkbeeldigen slinger beschouwt: hij ziet bijv. af van
+den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de
+staathuishoudkundige alsof alleen bepaalde factoren meewerkten voor
+de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer
+zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel
+de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele
+maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou
+tot sociologie.
+
+De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer
+systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden
+grondslag te organiseeren.
+
+De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland
+ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden
+gezet ook omstreeks het jaar '80. Het begon met een drankwet,
+die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een
+wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een
+tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op
+de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De
+socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine
+afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets
+weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.
+
+Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen
+een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.
+
+Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat
+en kerk: het was over 't geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte
+was het materialisme.
+
+Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst
+uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme
+als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef
+het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een
+groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen
+van de moderne protestanten, die in hun orgaan "de Blijde Wereld"
+een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het
+socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het
+christendom. Een voor 't groote publiek onbekende, schrijvende onder
+het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek:
+"Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap," waarin in
+wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een
+collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden
+zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische
+partij. Misschien zijn dit de teekenen, dat men steeds minder in het
+socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing
+zal gaan zien.
+
+Ook het kerkelijk leven veranderde in ons land. In het midden der eeuw
+was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne
+protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige
+modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen:
+"Zijt gij nog wel modernen?" Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt
+sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.
+
+Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen,
+verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht
+Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient
+een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend
+beginsel te maken.
+
+Het katholicisme bleef niet achter in deze algemeene beweging. In de
+politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken
+zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft
+tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt
+weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (Encycliek
+Aeterni Patris 1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften
+in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit
+en zijn "Institut de philosophie", dat Thomistisch is, maar zich niet
+alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het
+gebrekkige ten doel stelt.
+
+"St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als
+een grenssteen."
+
+In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam
+doceeren en de katholieken ontvingen van de hand van Beysens en
+Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte. [47]
+
+Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het
+midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw
+doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.
+
+Ook de OPVOEDKUNDIGE ideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal
+uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt
+verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager
+onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar
+onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene
+onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor
+het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke
+doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische
+propadeusis eischte. Een treurig besluit. "De wijsbegeerte als geheel
+genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren
+het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken
+aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting." (Land.)
+
+Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze
+eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid,
+practischheid, geschiktheid voor 't werkelijke leven geëischt. Aan
+de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische
+opvoeding. Op 't laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het
+geruchtmakende boek: "Rembrandt als opvoeder" verscheen, dat het
+fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu den kunstenaar
+tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het
+aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag
+zijn League voor zedelijk onderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol,
+volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en
+Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en
+sommigen pogen een stekje van Engeland's League op Nederland's bodem
+over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen
+als de van Engeland herwaarts gekomen sport.
+
+Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het
+aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan
+om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg
+te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het
+algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren
+bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich
+in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene
+tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand
+van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten,
+Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig
+onderricht op de gymnasia wordt bepleit.
+
+Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa,
+een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich
+gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot
+een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd
+te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken
+moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld
+door verschillende denkers.
+
+Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in die richting van den
+bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog
+James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn
+om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in
+Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).
+
+Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel
+was waar te nemen, over 't geheel keeren velen in Duitschland tot
+'t idealisme terug.
+
+Een klein bewijs. Van Falckenberg's geschiedenis der nieuwere
+wijsbegeerte kwam de eerste druk in '85, de tweede in 1892, de derde in
+'98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken
+wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie
+voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en
+met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een
+hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.
+
+"Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de
+wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten."
+
+In 't bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar
+Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in
+zijn: "Levensbeschouwingen der groote denkers" een rijk en diep werk
+gegeven heeft.
+
+Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt
+zich op: hòe te leven. Er is een "kamp om levensinhoud." In ons
+land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen
+opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte
+aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd
+en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als
+mannen bezocht. Het Tijdschrift voor Wijsbegeerte geeft gelegenheid
+ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen,
+al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften
+vriendelijk voor de wijsbegeerte. [48]
+
+In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche
+godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds
+een kort overzicht van het Boeddhisme "als leerstof," en thans is er
+veel belangstelling.
+
+Weer anderen schijnen het mysticisme van Swedenborg te gaan hernieuwen:
+ook 't spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.
+
+Maar ook op THEORETISCH gebied is er verandering en kentering. Hier
+valt vooral te constateeren de verandering van de houding der
+natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.
+
+De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van
+het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid
+bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden
+er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf
+heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.
+
+Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar... dit
+leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.
+
+Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele
+werkelijkheid? Voor het materialisme was 't antwoord ja geweest. Voor
+menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele
+namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs
+den overgang van natuurwetenschap tot wijsbegeerte aantoonen. Ernst
+Mach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde,
+bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.
+
+Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later
+een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke
+laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.
+
+Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.
+
+Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige
+Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der
+kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar
+en duidelijk leeren kennen.
+
+Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der
+werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing,
+gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.
+
+"Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den
+samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen,
+houden wij de fijne organisatie der materie in het oog. Het is
+verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te
+willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar
+afleiden. [49] Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken
+toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid
+en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een
+korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan,
+dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de
+hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoe groot
+het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten,
+dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter
+dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche
+Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken,
+die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij
+eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen
+genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van
+een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.
+
+"Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden,
+wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden
+gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich
+toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder
+zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem
+verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de
+overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate
+hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem
+zullen openen."
+
+Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige
+Natuurwetenschap een zin van Büchner:
+
+"Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting,
+eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen," dan is
+het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van
+het materialisme.
+
+
+
+Eindelijk wijzen wij op de herleving der Kantstudie. In 1865 verscheen
+een boek van Otto Liebmann: Kant und die Epigonen. Het refrein van
+elk hoofdstuk was: "Derhalve moet men tot Kant teruggaan."
+
+In 't bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de
+schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis
+van het Materialisme.
+
+Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar
+aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur
+en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën
+te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich,
+in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn
+drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken
+arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis
+in 1866 verschenen. [50] Van de Grieken af tot op den modernen tijd,
+gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden,
+de ontwikkeling van 't materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt
+hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder
+juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er
+steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te
+aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de
+eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo
+belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse
+materialisten, dan verwarde "idealistische" koppen te hebben.
+
+Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard
+en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige
+der bewustzijnsverschijnselen verklaren. Aan Kant wordt daarom een
+belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste
+is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten,
+maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische
+filosofie: "De geheele practische filosofie is het veranderlijke en
+vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte."
+
+Alleen haar plaats is onvergankelijk.
+
+Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet
+vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen
+en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen
+godsdienst bijv. het lied willen behouden: "O hoofd vol bloed en
+wonden."
+
+In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt
+van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid
+samen. De religie geeft waarde aan de wereld van het zijnde.
+
+Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er
+op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid
+in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen
+persoonlijk voordeel.
+
+Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der
+boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een
+afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van
+Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.
+
+Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in
+leven hoogleeraar te A'dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college
+over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de
+zorgen van Prof. Kohnstamm uitgegeven en kan eigenlijk beschouwd
+worden als een historische inleiding tot Kantstudie.
+
+Het besluit: "dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die
+overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging
+der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die
+de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het
+empirisme."
+
+Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor
+Kants criticisme.
+
+De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies
+aan Kant.
+
+De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder
+punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke
+groep. Liebmann's roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.
+
+Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling:
+individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel
+drukt.
+
+En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige
+belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en
+eenige met hem verwante moderne denkers.
+
+
+Opmerking. Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling
+van twee moderne stelsels uit te schakelen.
+
+Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van
+Eduard von Hartmann, die de grondvester werd van de filosofie van
+het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als
+pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: "Het wijsgeerig pessimisme
+van den jongsten tijd." In "Mannen van Beteekenis" wordt hij door
+Dr. den Hartogh behandeld.
+
+Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die
+vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach,
+Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de
+feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar
+Ziehen behoort tot deze richting.
+
+Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van
+het werk over: "Absoluut Idealisme."
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV.
+
+INDIVIDUALISME EN SOCIALISME.
+
+
+§ 43. Inleidende Opmerkingen.
+
+In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme
+op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft
+betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene
+vraagstukken.
+
+Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het
+welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel;
+daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling der
+zedelijke persoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de
+gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk,
+de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat
+op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme,
+zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie
+die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland
+had verkondigd.
+
+Dat individualisme is tweeërlei.
+
+Aan elk individu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen
+macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigt
+Stirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voor enkelen die het
+waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het
+individualisme van Nietzsche.
+
+Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.
+
+Hoe geheel anders het SOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten
+en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is
+ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een
+buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door
+stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd
+een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen
+een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal
+groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon,
+hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, 't was
+vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en
+verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk
+was voor allen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek
+over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is
+socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van
+'40 en '50.
+
+Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden
+brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover,
+een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook
+Comte zagen we onder dien invloed (II, pag. 161).
+
+Marx deed noch 't een noch 't ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet
+der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand
+een tijdvak was, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even
+zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke
+ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen
+geschiedenis van groote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis
+van productiewijze en toestanden: de personen maken de geschiedenis
+niet: de geschiedenis maakt hén.
+
+Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding, straffe leiding
+zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn
+in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen
+tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind,
+niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van
+wat hun 't onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke
+vrijheid. Zoo ontstaat het anarchisme.
+
+
+
+
+
+§ 44. Stirner.
+
+Jong-Hegelianen.
+
+Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf
+conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach
+(II, 93 v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door
+die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen
+van den godsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip
+onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn
+beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk
+ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande
+gedacht en daarvoor knielde de mensch. Op staatkundig gebied nu werd
+een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel's methode
+werd gretig "opgevangen door jonge, aan de wetenschap zich wijdende
+mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het
+socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven,
+in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens
+gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den "eenigen" Hegel."
+
+Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met
+den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem
+geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde
+hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had
+laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest
+vervallen. Vrijheid was noodig!
+
+
+
+Stirner's Leven.
+
+Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in
+1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die
+heetten de "vrijen van Hippel". Studenten, kunstenaars, journalisten,
+sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier
+drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste,
+meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen
+kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was
+in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn
+moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer
+bij een oom in Bayreuth terecht, liep 't gymnasium af, studeerde
+letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij
+een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot 'n doctoraat kwam
+hij--waarschijnlijk door geldgebrek--niet. Hij trouwde met een meisje
+uit 't huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun
+kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgend
+toeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan
+een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in
+den kring der vrijen. In 1845 verraste hij al zijn bekenden met het
+merkwaardige boek: "De Eenige en zijn eigendom." Het kwam uit onder
+zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar
+heette men hem Stirner. 'n Oogenblik lachte 't geluk hem toe. Hij
+vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie
+ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij
+ontslag. Met 't geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat
+niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk
+is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat
+Stirner weer door 't leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn
+onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij
+wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer
+gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche's leer in knop
+meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn
+werk komen herdrukken en vertalingen, 'n levensbeschrijving verschijnt
+[51].
+
+
+
+Stirner's boek.
+
+Het is een merkwaardig boek: dat "de Eenige en zijn eigendom." Men
+hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar
+zonderling van bouw en stijl. "Daar hangt een atmosfeer van bier en
+tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek." Maar de grondtoon
+is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. "Mij
+gaat niets boven mij zelve." Waarom zou ik voor een ander, voor God,
+voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor
+zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op
+niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt
+het woord recht niet te pas. Alleen 't woord macht. Zoover mijn macht
+gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van
+mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt
+mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van 't egoïsme.
+
+Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot van den mensch als soort,
+maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer
+ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.
+
+Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede
+is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit,
+heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat
+verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en
+door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer
+over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. "Dan wordt al 't andere,
+ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen."
+
+Stirner's leer is de ontkenning der zedeleer. Alle band is
+verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets
+gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de
+eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem,
+die al haar krachten inspant en aanwendt, "om van de wereld zoo goed
+en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren."
+
+Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van den
+Übermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.
+
+
+
+
+
+§ 45. Nietzsche.
+
+Leven.
+
+Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een
+domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde
+van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming
+mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich
+5 jaar was, stierf z'n vader aan hersenverweeking, toegeschreven
+aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde
+strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid
+voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk
+geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en
+niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij
+studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten
+taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen
+leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger
+faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware
+taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College
+geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al
+vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den
+grooten Duitschen oorlog mocht hij--Zwitsersch burger geworden--niet
+deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een
+ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-,
+hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer
+aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij
+het professoraat op. 's Zomers leefde hij in 't Engadin, 's winters
+aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest
+hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn. Zijn zwak
+gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte
+hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.
+
+Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met
+schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in
+Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote
+letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de
+gekruisigde. De waanzin was ingetreden.
+
+Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar
+dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar,
+nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.
+
+
+
+Persoonlijkheid.
+
+Nietzsche's filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn
+persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is
+subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter
+kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is
+niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is
+geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk--maar zinnelijkheid
+is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld:
+nooit een heerlijke, overweldigende liefde [52]. Bijzonder ook hechtte
+hij o. m. aan "krachtige vriendschap." Hij had echter zijn vrienden
+niet lief, maar het ideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek
+dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden:
+zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. 't Pijnlijkst is dit gebleken
+uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzsche was dus niet de eenzame,
+van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij
+werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang
+uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het
+burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke
+slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend
+sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner
+werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig
+lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde
+"ja" zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar
+één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde
+zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier
+onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het
+einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed,
+als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij
+gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert
+Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij
+afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij
+zelf steeds een onkieschheid gevonden.
+
+Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche's werken niet de werken van een
+waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen
+de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is
+beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend
+worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij
+schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem
+toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met
+ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars
+voor. Misschien mag zoo'n korte tijd van krachtig-scheppend leven meer
+van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan
+een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend
+produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen,
+hoe minder zelfbedwang en matiging hij dan weer had bij 't werken en
+hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.
+
+Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn
+hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid
+van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk
+plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven
+gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte)
+dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de
+voortbrengselen van een krankzinnige te zien.
+
+
+
+Werken en Ontwikkelingsgang.
+
+Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de
+waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij
+is begonnen met de kunst als zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar
+en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis
+te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij
+keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept
+het schitterende symbool van Zarathustra, die den Übermensch predikt,
+die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden
+en 't christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen
+werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche
+te behandelen, enkele dier werken na.
+
+Hij maakte zich bekend door zijn werk: "De geboorte der tragedie";
+hij voer voort door zijn "Niet-actueele beschouwingen" (Unzeitgemäsze
+Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93)
+te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die
+alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het
+type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste
+vragen van wereld en lijden en 'n luchthartig optimisme kweekt. Het
+is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel
+anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: "Wagner in
+Bayreuth." Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869
+en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk
+bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen
+het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een
+oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het
+werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in
+Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in
+1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in
+Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet
+blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend
+"Wagner in Bayreuth." Wagner had door een daad getoond, muziek en
+poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den
+concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn
+muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis,
+die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.
+
+Zoo lofzong Nietzsche. Maar... hij verliet Wagner en Bayreuth
+ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in 't publiek; pas
+later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner
+is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die
+uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaar nieuws heeft
+getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.
+
+Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere:
+over de geschiedenis, haar voor- en nadeel voor 't leven, en over
+Schopenhauer als opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar
+zij den mensch met eerbied vervult voor 't groote, dat het verleden
+opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het
+menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd
+spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat
+heden verfraaien met illusies van 't verleden; waar zij komt tot
+hen, die gebogen liggen onder een last van dat verleden, kan zij,
+door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar
+zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de
+aanspraken eener objectieve wetenschap, die de waarheid in zichzelf
+heeft. Geschiedenis moet steeds persoonlijk zijn. Alleen door hen, die
+de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl
+het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis,
+niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal
+nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel,
+dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons
+iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.
+
+De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen:
+zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch
+alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de
+theorie van den Übermensch op. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen,
+dat men niet langer eene geschiedenis der menschheid zal schetsen,
+maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. "Zij
+volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang,
+maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de
+geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals
+die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de
+eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der
+eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen,
+die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten
+hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken
+tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte
+van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der
+menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop--het ligt in de
+meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht."
+
+Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij
+zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan
+Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen
+gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen
+had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had
+hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer,
+die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij
+Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als een vrijen man, die moed
+houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer
+draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij
+zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.
+
+Nietzsche's geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van
+zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging
+het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En
+weldra verzette hij zich tegen het pessimisme. Hij wilde niet neen, hij
+wilde ja, volmondig ja zeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen
+het leven willen zeggen, omdat het schoon was: de kunst was waard,
+gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst der wetenschap.
+
+Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling
+aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel:
+"Menschliches allzumenschliches." Hier komt hij dichter bij de
+Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem
+het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken
+schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering
+voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder
+waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed,
+waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een
+streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij
+wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij
+zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.
+
+"Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de
+wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf
+te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest
+opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel
+is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen,
+te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de
+kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de
+oude "dierbare illusies" gluren. Te midden der scepsis tegenover
+de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij
+artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover
+het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenover de wetenschap dichter. Hem
+trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de
+volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde
+in verrukking." (Riehl).
+
+Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen,
+daar is 't niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal
+spotte hij: "dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de
+waarheid." Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen
+in de wetenschap op.
+
+Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij
+dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.
+
+In "Aldus sprak Zarathustra" wordt dat gegeven in hoog-artistieken
+vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij,
+die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het
+gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt
+is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en
+honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op
+gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen,
+en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral
+de werken van 1888: "De Antichrist" en "De wil tot macht" vertoonen
+die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn "Genealogie der
+Moral". (Afstamming der zedeleer).
+
+
+
+Nietzsche's leer.
+
+De kernpunten van Nietzsche's leer zijn: het aantoonen van het verval
+der tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning,
+het komen der nieuwe cultuur door den Übermensch, de noodzakelijkheid
+van een verandering in de rangorde der waarden, het geloof aan den
+eeuwigen wederkeer der werelden.
+
+Behandelen wij elk kortelings.
+
+Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheid
+verslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij
+heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar
+godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van het medelijden. Men moet
+met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt
+haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand
+zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het
+gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene
+weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerscht slavenmoraal.
+
+Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen,
+dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie
+machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude
+Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar
+het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange
+kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft
+die door Luther's Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de
+renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is,
+is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan,
+de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het
+vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een
+masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging,
+het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft
+zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme
+àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er
+een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd,
+zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen,
+te aanvaarden. Hij wilde wat was, en door dat te willen, werd hij heer.
+
+Komen moet de Übermensch. De mensch van nu is slechts een brug
+tusschen dier en een hoogeren levensvorm voor den mensch. Waarom
+zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen,
+dan de tegenwoordige mensch is? O, de Übermensch, zooals die ons in
+Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam
+is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle
+verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem 't meest ontroert,
+overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt
+met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is
+goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht
+zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid
+voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit,
+dat een tegenstand overwonnen wordt.
+
+De Übermensch heeft een zwaar leven. Hij heeft het verdragen,
+niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle
+leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal
+van den Übermensch voor allen geldt. Zij is slechts een leer voor
+weinigen, niet voor de "veel te velen." Klagend wordt gevraagd,
+waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De
+omzetting aller waarden beteekent vooral geen loslaten van alle
+hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal een heerenmoraal
+(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der
+wildernis "het blonde beest" oefende zijn macht uit, had kracht. Maar
+evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang
+tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde
+dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor
+allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan. Velen,
+die ongetwijfeld door hem tot de "veel te velen" zouden gerekend
+zijn, meenden als "Übermensch" smadelijk te moeten neerzien op de
+kuddedieren en in Nietzsche's leer een vrijbrief voor ongebondenheid te
+vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch
+andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere
+voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt
+hij tegen het loslaten van den teugel der passies.
+
+"Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in
+de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte
+driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid,
+zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle
+gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog
+reinigen; rein moet nog zijn oog worden."
+
+Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting
+van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij
+een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de
+democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar
+zucht om vaste wetten op te stellen, waaraan alles gehoorzaamt, zit
+die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke
+inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien
+de dood voor het ontstaan van groote mannen.
+
+"Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel
+der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden
+toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der
+menschheid kunnen ontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden
+voor het verleden ze opgeleverd hebben. Waarschijnlijk groeit de
+groote mensch en het groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere
+doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis
+niet."
+
+Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche's afkeer van 't
+christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in 't
+christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen
+leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde,
+het intoomen der kracht. Nietzsche's geringe historische zin mag
+er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van 't christendom
+te doen onderschatten. Vooral in "De antichrist" heeft hij geen
+woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij een
+religieuze natuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in
+zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. De
+Übermensch vervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders,
+raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het
+loochenen van Gods bestaan is. "Het Heiligste en Machtigste, dat de
+wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer
+daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden,
+om harer slechts waardig te schijnen." Sterk moet hij zijn, die 't
+Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken,
+een voortdurende overwinning, dan is 't een groot verlies. Nietzsche's
+atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht
+van een felle zieleworsteling.
+
+Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de
+oude Grieken, is Nietzsche's geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som
+der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het
+aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe
+groot het aantal dier samenstellingen ook mag zijn, het is bepaald. De
+tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie
+terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort,
+dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat
+is, keert dus weer, net zoo, als 't geweest is, tot in eeuwigheid
+toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om
+wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche's
+gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij
+is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons
+leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag,
+òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen
+doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo
+sterk gemaakt dat hij ja zegt: ik wil een beteekenis geven aan mijn
+stukje leven. "Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel,
+waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen,
+waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht
+den Übermensch zal voortbrengen" (Lichtenberg). Te middernacht, als de
+oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd,
+hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om 's levens
+schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij
+nu de eeuwige wederkeer:
+
+
+ 't Wee roept: verga.
+ Maar alle lust wil eeuwigheid.
+ Wil diepe, diepe eeuwigheid.
+
+
+Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet
+stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op
+de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den
+Duitschen stijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht
+ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde
+mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan
+hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn
+eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan
+zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.
+
+
+Opm. Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op
+het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis,
+op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap
+en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche's filosofie,
+vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy's internationale
+bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl:
+Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).
+
+
+
+
+
+§ 46. Karl Marx.
+
+Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid
+arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel
+een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter
+hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten,
+die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.
+
+"Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het
+collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten,
+al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot
+rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen,
+al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de
+richting eener organisatie der gemeenschap gedurende de eerste helft
+der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zich op. Hij verwerkte
+ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en
+vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te
+begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst
+verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen
+van geest.
+
+"Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het
+is het woord "geweldig." Andere figuren uit de wereld der socialisten
+hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken,
+maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene
+strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende
+beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers
+der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle
+woorden zouden willen regeeren.
+
+"Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van
+haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor
+'t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen
+enkel woord van liefde.... Hoonlachend beschimpt hij de gebreken
+onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met
+de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging
+kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die
+hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar
+een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid
+met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme
+resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal
+recht." (Quack).
+
+Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij
+behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader
+echter was advocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met
+een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek,
+destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef
+eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot
+de maatschappelijke vraagstukken gebracht.
+
+Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron
+van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende
+vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft
+gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de
+groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx' tafel
+kwamen, wist te behandelen.
+
+Na de opheffing van zijn blad door de regeering--de redactie had hij
+trouwens reeds eerder neergelegd--ging hij naar Parijs, waar toen
+reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met
+Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit
+Parijs gewezen--waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen
+had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij
+steeds den grootsten eerbied koesteren)--ging hij naar Brussel, waar
+hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht
+hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen
+de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens
+"hoogverraad." Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen
+een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te
+Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale
+onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch
+manifest van 1850 besloot: "Proletariërs aller landen vereenigt
+u." Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor
+'t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken
+arbeid. Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: "Het kapitaal,
+1e deel." De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne
+aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale
+uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en
+aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een
+trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist
+hij te zwijgen, als dat noodig was.
+
+In 1881 overleed zijn vrouw. Marx' laatste levensjaren waren
+somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide
+verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn
+schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige
+medewerker Engels.
+
+
+
+Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis
+door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij
+Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis
+de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en
+maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx
+meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet
+de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de
+productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen
+bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De
+productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de
+eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis
+en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei
+veranderingen de economische basis op.
+
+Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar
+eigen maatschappelijke verhoudingen, en in samenhang daarmee
+haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo'n
+periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een
+ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar
+een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor
+de middeleeuwen, deze zijn veranderd in den nieuwen tijd, waarin
+de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt
+arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn
+waarde is. De kapitalist nu geniet de meerwaarde van den arbeid
+zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat
+vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote
+klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs,
+de onteigenaars en de onteigenden.
+
+Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd
+van belangen. De klassenstrijd bestaat. Marx predikt dien niet. Hij
+constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn
+bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De
+onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen
+gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige
+revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden
+gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die
+tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een
+beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke
+verhoudingen kan men de diensten van den verloskundige bewijzen. De
+moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën
+der nieuwe faze. Men moet zich niet verlustigen in utopistische
+schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet
+der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de
+verandering in den bovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht,
+een nieuwe kunst komt.
+
+Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is,
+gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al
+wat voor die voortbrenging noodig is.
+
+De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige
+aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van
+verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor
+de practijk. Zoo werkte ze practisch.
+
+Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der "burgerlijke
+ideologen". Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het
+economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in 't eigen
+kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering
+van 't lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de
+noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat "revisionisme" vond
+ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam
+in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter,
+Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde
+Marxisten vindt.
+
+Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het
+socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de
+Christen-socialisten.
+
+Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere
+levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande,
+toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan
+van een socialistische gemeenschap.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI.
+
+HET PSYCHISCH MONISME.
+
+
+§ 47. Fechner.
+
+Inleidende opmerkingen.
+
+Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte
+een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn
+bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd
+van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht
+wijdden aan vraagstukken, welke 't meerendeel hunner tijdgenooten
+geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste
+plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer
+en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit
+gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van
+het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het
+bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een
+product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat
+het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke,
+dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander
+vertoont. Een zelfde proces is "van binnen gezien" geestelijk, "van
+buiten" stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner
+breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch:
+er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naam
+psychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme). Alles wat
+bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den
+naam panpsychisme.
+
+
+
+Fechner's leven en ontwikkelingsgang.
+
+Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende,
+verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor
+zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn
+gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde
+studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek,
+in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als
+Helmholz (vg. II, blz. 230). Hij was doctorandus in de geneeskunde,
+maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook
+niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde,
+die toen begon te bloeien.
+
+In 't bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen
+op 't gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist
+hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en 't
+schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij
+hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen,
+was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed
+hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren
+zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie
+jaren. Zij werd beslissend voor Fechner's leven. Soms was hij op den
+rand van 't graf en scheen hij blind, verlamd en krankzinnig te zullen
+worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling
+gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan
+zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen,
+als hij 't uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was
+hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner
+zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner
+begeerde 't ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting
+aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft
+hij over 't hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische
+zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke
+hoeveelheid lust te verkrijgen. Die lust moet echter die van het
+geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze
+zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan
+de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste
+mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste
+geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods
+in overeenstemming gebracht hebben.
+
+Belangrijker voor den opbouw van Fechner's leer is het in 1848
+verschenen werk: "Nanna, over het zieleleven der planten." Met zeer
+rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht
+Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven
+toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat er al-bezieling
+is. In de "Zend Avesta" van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de
+latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in
+kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling
+door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelsel met
+zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid,
+waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf
+vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige
+sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer
+overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.
+
+Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds
+eerder had geschreven in zijn werkje: "Boekje van het leven na den
+dood" (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder
+hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in
+tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een
+kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing
+ontvouwd in: "De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing." (Die
+Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de
+beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode,
+mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.
+
+
+
+Experimenteele zielkunde.
+
+Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de
+vader der proefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment
+in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den
+"onderscheidsdrempel." Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We
+zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een
+lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet
+minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil
+wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van
+den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere
+zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, dat de verhouding tusschen twee
+prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn, standvastig
+is. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend
+groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van
+102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor
+geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde,
+naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent
+dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over
+'t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die
+wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter
+met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die
+de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der
+gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook [53] doch volgens de meeste
+zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.
+
+Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de
+door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de
+grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door
+physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks
+was. In 1860 verschenen "de Elementen der psychophysica", en nadat dit
+werk uitverkocht was, kwam in 1882 "Herziening van de hoofdpunten der
+psychophysica." Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.
+
+Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke
+verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele
+zielkunde. Zij stelt proeven in bij een aantal proefpersonen,
+onder zoo nauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we
+een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in 't algemeen een kind van 10
+jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters:
+medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde
+wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten
+herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die
+letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het
+gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden
+een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom
+ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich
+vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste
+groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins
+tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet
+had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld
+laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde
+beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans [54], die weldra
+over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium
+zal te beschikken hebben.
+
+
+
+Aesthetica.
+
+Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn
+aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en
+kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor
+ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring
+uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren
+uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren
+samenstellen, die ze 't mooist achtten. Eveneens paste hij nauwkeurige
+metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica
+grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand,
+een schoonheidsleer, "van onderen", zou worden in tegenstelling met
+eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden,
+een aesthetica "van boven af." Naast formeele elementen (eenheid in
+verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij
+'t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De
+indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal
+van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in 't
+bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen
+nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op
+de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht,
+rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het
+andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls
+op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn
+"Voorschool der Aesthetica", die geen volledige schoonheidsleer geeft,
+maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het
+werk verscheen in 1876.
+
+
+
+Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het
+daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was,
+door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar
+werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen
+leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887
+overleed hij.
+
+Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde
+persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het
+geduld van den natuuronderzoeker paarde hij de rijke fantasie en
+het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom,
+eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar
+verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten
+en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt
+als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing:
+"In God leven, bewegen en zijn wij."
+
+
+
+Aanhangers van 't monisme.
+
+Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans
+levenden vele aanhangers.
+
+Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen. [55] Deze bekende
+Berlijnsche hoogleeraar schreef een "Inleiding in de wijsbegeerte,"
+waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een
+geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op 't standpunt van 't
+psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie
+en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als
+in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij
+schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner,
+die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer
+reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud
+zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers
+gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot
+'t monisme geprezen. Ook zijn "Systeem der ethica" verwierf veel
+waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal
+vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige
+kwesties toonde Paulsen mede veel belangstelling, met name voor de
+geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II, 132).
+
+In Amerika vond het monisme zijn verdediger in Strong, die in 1900
+zijn werk uitgaf: "Waarom de geest een lichaam heeft" en vooral van
+kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij
+verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van
+Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de
+verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een
+groote overeenkomst met Heymans. Deze gaf in 1905 zijn "Einführung
+in die Metaphysik." Na de verschillende stelsels critisch beschouwd,
+en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch
+monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch
+standpunt op den voorgrond.
+
+In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: "Gesetze
+und Elemente des Menschlichen Denkens," Tweede druk, Leipzig 1905)
+heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt,
+dat Kant naar Heymans' opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij
+'t analytische zou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong
+onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting
+waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geen voldoende
+grond voor sommige gegevens van 't bewustzijn en nu trachtten zij
+die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume's
+verklaring van 't causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee
+echter was zekerheid onzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over
+de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had
+de voorwaarden bestudeerd, waaronder iets tot wetenschap werd (zie
+II, pg. 319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen
+iets waar, als het aan de voorwaarden voldoet, dat het een gepaste,
+behoorlijke verbinding is. Die gepastheid dringt zich aan ons op. Maar
+of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover
+laten wij ons niet uit.
+
+Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór
+1770 innam, wil allereerst trachten den inhoud onzer denkaxioma's te
+leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek
+der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze
+analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch
+onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot
+kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische
+onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte
+waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming
+is met een buitenbewuste werkelijkheid.
+
+We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde
+beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn
+onderzoekingen [56] bewogen.
+
+In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde
+der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd
+en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hem speciale
+psychologie genoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen
+en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een
+indeeling in achten van karakters tot stand te brengen. Voor zoover
+schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel
+[57] maar in het werk van Mr. v. Dijk: "Bijdragen tot de psychologie
+van den misdadiger" vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.
+
+
+
+
+
+§ 48. Hoofdtrekken van 't psychisch monisme.
+
+Er is een buitenwereld.
+
+Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn,
+bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze
+bewustzijnsverschijnselen. "De ontkenning van zulke werkelijkheden
+(d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische
+theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen
+ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen
+voldoende argument tegen is. [58] Maar zij geeft ons een verminkte
+en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot
+solipsisme." (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente
+toepassing tot de absolute scepsis: "Het laatste woord van 't
+empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis"
+(Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan
+te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk
+evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend
+gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een
+gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: Wien Neerlands bloed. Daar ziet
+ge bij 't eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt
+ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen
+komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch
+dus voorstellen:
+
+
+ a --> b --> X -- c --> d --> Y -- e enz.
+
+
+X en Y zijn optredende gewaarwordingen, waarvoor we geen voldoenden
+grond vonden in ons bewustzijn. Op grond van 't causaliteitsbeginsel
+schrijven wij 't toe aan iets buiten ons.
+
+We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor:
+van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen
+bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze,
+geen realiteit. Hoe verklaren we dat?
+
+
+
+De ideale waarnemer.
+
+We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat
+er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,
+alles te zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste,
+de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn
+aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den
+idealen waarnemer noemen.
+
+Ziehier nu de onderstelling van het monisme:
+
+Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats
+grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de
+gewaarwording van iets stoffelijks is.
+
+Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:
+
+
+ A -- B -- C -- D -- E -- F.
+
+
+Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van
+hersenverschijnselen:
+
+
+ a -- b -- c -- d -- e -- f.
+
+
+Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander. Op zichzelf
+bestaan zij niet.
+
+Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van
+den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een
+kleur zien, is de inhoud onzer waarneming dat roode. Het voorwerp
+onzer waarneming zijn echter de trillingen van den ether. De inhoud der
+waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met
+windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp
+dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.
+
+Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het
+waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien
+hol, van buiten bol.
+
+
+
+Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan
+elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den
+I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende
+feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en
+hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke
+storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen
+inwerken, oefenen invloed uit op 't bewustzijn; bijv. alcohol,
+broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling
+en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze
+verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen,
+dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking
+het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.
+
+De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:
+
+Het proces in 't bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten
+gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.
+
+
+
+Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet
+alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de
+van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling,
+spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan
+bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing
+door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen,
+in verband met het ontwikkelingsbegrip.
+
+Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet,
+dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij
+blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste
+voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk
+dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd,
+en ge geeft 't antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook
+invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren
+menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen,
+niet bewust, werken mee bij 't vormen van 't oordeel. Van het geheele
+bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het
+kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den
+bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor
+den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het
+kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den
+drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als
+een zee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide
+golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met
+groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een
+groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen
+verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen,
+is voor Fechner's systeem van zeer veel belang.
+
+Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij
+kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit 't dagelijksch leven
+opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we 't onbewust
+werktuigelijk. Zoo gaat 't een kind met 't loopen.
+
+In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen,
+dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand
+onderbewust is geworden in verloop van tijden.
+
+De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke
+verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.
+
+Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke
+verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt
+er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is,
+maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie
+pag. 110).
+
+Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.
+
+Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken,
+dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,
+buiten uw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm,
+een aanschouwingsvorm van den waarnemer.
+
+We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van
+welken aard zijn die andere dingen?
+
+Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid,
+de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.
+
+Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar--op
+grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met
+practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er
+zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de
+lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij 't bewust leven
+totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met
+de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner's
+Nanna herinnerd.
+
+
+
+Het bewustzijn der planten.
+
+Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in
+hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich 't bewustzijn der planten
+op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote
+mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel
+receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij
+den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn
+opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere
+bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien
+des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge van
+prikkels der buitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan,
+evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is
+een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn? [59]
+
+
+
+Aarde.
+
+Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt 't
+bewuste leven, tot haar gaat 't terug. Zou zij zelve niet bewust
+zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen
+zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld,
+gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben,
+zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner's theorie
+vindt hier steun in Spencer's ontwikkelingsleer, zooals door Heymans
+opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den
+mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De
+aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht--waken en
+slapen, de kringloop van 't water--kringloop van 't bloed, enz. Maar er
+is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en wat deze bezit,
+behoeft zij niet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den
+mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover
+de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.
+
+
+
+Wereld.
+
+Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer
+bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid
+verbonden. Ten slotte is alles deel van één groot wereldbewustzijn. Men
+heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven
+een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En
+Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt
+steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar
+weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter,
+door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der
+wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen
+verheffen.
+
+
+
+Godsdienst.
+
+Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam
+God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn
+als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken
+van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat
+er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet
+strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van 't monisme de
+gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.
+
+Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht,
+om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is 't gebruik,
+dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is
+misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk
+kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen
+heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord
+te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis
+heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer
+belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den
+mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor 't
+geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn
+doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook
+het diepe gevoel van saamhoorigheid met het geheel; en hij weet dat
+hij mede verantwoordelijk is voor de toekomst, omdat zijn arbeid,
+zij 't nog zoo gering, niet verloren kan gaan.
+
+In deze leer vindt het onsterfelijkheidsgeloof ook een plaats. De
+mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een
+zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,
+eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden [60].
+
+Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken
+met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van 't ook in I
+gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar
+overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.
+
+De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en
+zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).
+
+Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter
+ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).
+
+Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd,
+dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).
+
+Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet
+kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).
+
+Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen
+spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een
+andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e. a.).
+
+Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de
+werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had
+men het materialisme. (Hobbes, La Mettrie, Vogt etc.)
+
+Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet
+gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder--wat ook wel eens
+gebeurt--met het lijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag
+verward worden.
+
+Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch
+monisme de eenvoudigste verklaring is, eenvoudiger dan de andere
+hypothesen, en een zeer geschikte werkhypothese.
+
+"Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den
+bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde
+wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere
+hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden
+zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig" (Strong).
+
+"De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere
+ook" (Heymans).
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD VAN DEEL II.
+
+
+EERSTE AFDEELING.
+
+KANT.
+
+HOOFDSTUK I. Bladz.
+
+LEVEN EN WERKEN 7
+
+ § 1. Leven en persoonlijkheid 7
+ § 2. Werken en Ontwikkelingsgang 12
+ De voor-critische periode. Preisschrift. Bewijzen
+ voor 't Godsbestaan.
+ § 3. Werken en Ontwikkelingsgang 17
+ De Critische periode.
+
+HOOFDSTUK II.
+
+DE KENNISLEER 21
+
+ § 4. Ruimte en Tijd. Inhoud en Vorm 21
+ § 5. Het ding op zich zelf. Schijn en verschijning 25
+ § 6. Verstand en Zinnelijkheid 27
+ Kategorieën.
+ § 7. Ziel, Wereld en God 34
+ Overzicht van de kritiek der zuivere rede.
+
+HOOFDSTUK III.
+
+PRACTISCHE FILOSOFIE 40
+
+ § 8. Zedeleer 40
+ Autonomie. De goede wil. Legaal en Moreel. Rigorisme.
+ § 9. Theologie 45
+ § 10. Staats-rechtsleer. Opvoedingsleer 47
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+SLOT 50
+
+ § 11. Schoonheidsleer 50
+ § 12. Kant's invloed 53
+
+
+
+TWEEDE AFDEELING.
+
+DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE.
+
+ § 13. Voorloopige Opmerkingen 57
+
+HOOFDSTUK V.
+
+FICHTE 60
+
+ § 14. Leven en Werken 60
+ § 15. Theoretische Filosofie 63
+ § 15a. Practische Filosofie 66
+ Zedeleer. Rechtsleer. Huwelijk. Staat. Godsdienst.
+ Geschiedenis.
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+SCHELLING EN ZIJN GEESTVERWANTEN 72
+
+ § 16. Schelling 72
+ Natuurfilosofie. Identiteit. Theologie.
+ § 17. Schelling's geestverwanten 76
+ Schleiermacher.
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+HEGEL EN ZIJN SCHOOL 79
+
+ § 18. Leven en Persoonlijkheid 79
+ § 19. Methode 81
+ § 20. Het systeem 84
+ Logica.
+ § 21. Het systeem (vervolg) 87
+ De absolute geest. Schema van 't systeem. Kunst.
+ Godsdienst. Wijsbegeerte.
+ § 22. Hegel's School 91
+ Strauss. Feuerbach. Bolland.
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+SCHOPENHAUER 100
+
+ § 23. Leven en Persoonlijkheid 100
+ § 24. Leer 109
+ Kennisleer. Verlossing. Kunst. Ethiek. Invloed.
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+HERBART 115
+
+ § 25. Leven. Metafysica.
+ Inleidende Opmerkingen. Leven. Uitgangspunt.
+ Tegenstrijdigheden. Oplossing. Psychologie. Ethica.
+ § 26. Opvoeding. De Herbartsche School. 127
+ Samenvatting. De paedagogiek als wetenschap in
+ Nederland.
+
+ALGEMEENE SAMENVATTING DER TWEEDE AFDEELING.
+
+SCHEMA EN JAARTALLEN.
+
+
+
+DERDE AFDEELING.
+
+DE TIJD VAN HET POSITIVISME.
+
+ § 27. Inleidende Opmerkingen 141
+
+HOOFDSTUK X.
+
+HET FRANSCHE POSITIVISME 147
+
+ § 28. Inleiding 147
+ De psychologische School. Het autoriteitsbeginsel.
+ Cousin.
+ § 29. August Comte 150
+ Leven en persoonlijkheid. De drie stadiën.
+ De indeeling der wetenschappen. Sociologie.
+ Godsdienst. Staat.
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+HET ENGELSCHE POSITIVISME 163
+
+ § 30. Inleidende opmerkingen 163
+ § 31. Bentham. James Mill 165
+ § 32. Thomas Carlyle 171
+ § 33. John Stuart Mill 178
+ Leven en Persoonlijkheid. Logica. Het empirisch
+ standpunt. Causaliteit. Denkfouten.
+
+HOOFDSTUK XII.
+
+DE ONTWIKKELINGSFILOSOFIE.
+
+ § 34. Historische opmerkingen 195
+ § 35. Charles Darwin 198
+ § 36. Herbert Spencer 206
+ Leven. Het onkenbare. De ontwikkelingsformule.
+
+HOOFDSTUK XIII.
+
+HET POSITIVISME IN NEDERLAND.
+
+ § 37. Inleidende opmerkingen 222
+ Kort overzicht van de wijsbegeerte in de Nederlanden.
+ § 38. Opzoomer 226
+ De Inaugureele oratie. De ervaringswijsbegeerte.
+ Zijn leerlingen.
+ § 39. Multatuli 233
+
+HOOFDSTUK XIV.
+
+HET POSITIVISME IN ANDERE LANDEN 236
+
+ § 40. De crimineele anthropologie
+ Lombroso. De Fransche School. Nederland. Aletrino.
+ § 41. Het materialisme in Duitschland 242
+ Ontstaan en aard der leer. De groei der
+ natuurwetenschappen en der techniek. De denkers.
+ Moleschott. Vogt. Büchner.
+
+ALGEMEENE SAMENVATTING VAN DE DERDE AFDEELING EN JAARTALLEN 249
+
+
+VIERDE AFDEELING.
+
+DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE.
+
+ § 42. Inleidende opmerkingen 257
+ De kentering. Het jaar '80 in ons land. Godsdienst,
+ staatkunde en literatuur. De verandering bij de
+ katholieken. Herleving der Thomistische wijsbegeerte.
+ De universiteiten. Wederopbloei van het idealisme.
+ De natuurwetenschappen. Maxwell. Mach. Wundt.
+ Herleving der Kantstudie. Lange. Cohen. Bellaar Spruyt.
+ v. d. Wijck.
+
+HOOFDSTUK XV.
+
+INDIVIDUALISME EN SOCIALISME.
+
+ § 43. Inleidende opmerkingen 274
+ § 44. Stirner 276
+ De jong-Hegelianen. De vrijen van Hippel.
+ § 45. Nietzsche en de Moraal van den Übermensch 280
+ § 46. Marx en het socialisme 294
+
+HOOFDSTUK XVI.
+
+HET PSYCHISCH MONISME.
+
+ § 47. Fechner 300
+ Inleidende opmerkingen. F's leven en
+ ontwikkelingsgang. Experimenteele zielkunde.
+ Aesthetica. Aanhangers van 't monisme. Paulsen.
+ Strong. Heymans.
+ § 48. Hoofdtrekken van het psychisch monisme 310
+ Het bestaan van een buitenwereld. Aard daarvan.
+ Het wereldbewustzijn. De godsdienstfilosofie
+ van 't monisme.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Het is aanbevelenswaard, het met een toelichting te lezen. Die
+van Vaihinger, voorzoover voltooid, wordt zeer geprezen.
+
+[2] Dat is niet hetzelfde, als het er dikwijls mee gelijkgestelde:
+Wat gij niet wilt, dat u geschiedt...
+
+[3] Bij een anecdote spannen we ons eerst in om te begrijpen en zien
+dan ineens dat er niets is. Vandaar ook, dat we om een niet dadelijk
+begrepen anecdote na uitleg niet lachen: het plotselinge is er af.
+
+[4] Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, "Die Romantische
+Schule."
+
+[5] Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep
+over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en
+verbeelding.
+
+[6] Misschien komen hier de "Rechten van den Mensch" uit den tijd
+der Fransche revolutie om den hoek.
+
+[7] De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven.
+
+[8] Schopenhauer beschouwde het Christendom als pessimistisch, het
+Jodendom als optimistisch.
+
+[9] Ik weet niet, in hoeverre hier aan Schopenhauer's invloed of aan
+verwantschap met hem gedacht moet worden, maar het is opmerkelijk,
+dat in onze tegenwoordige literatuur het thema van de scheiding van
+geestelijke en lichamelijke liefde, van drift en sympathie, veel
+voorkomt. En ook de schildering van het "leed van den hartstocht"
+ontbreekt niet. Vooral de namen van Marcellus Emants en den hem
+geestverwanten De Meester zijn hier te noemen.
+
+[10] In de ervaring is het enkele zelden gegeven. Bij nader
+psychologisch onderzoek blijkt dikwijls, dat een schijnbaar
+enkelvoudige gewaarwording samengesteld is. Een toon op een piano
+heeft bijv. nog zijn bepaalde bijtonen, waardoor het timbre ontstaat,
+dat een piano onderscheidt van een ander muziekinstrument.
+
+[11] Schrijver der inleiding tot het Mierenboekje.
+
+[12] De roman: Barthold Meryan van Cornélie Huygens geeft er een
+aardig beeld van.
+
+[13] In een Duitsch werk leest men: "Heden ten dage leest wel niemand
+Comte's werken meer. Men vergenoegt zich met een goed betrouwbaar
+overzicht."
+
+[14] Beroemd historicus, schrijver van een warm boek over de Grieksche
+geschiedenis, dat ook nu nog waarde heeft.
+
+[15] Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld
+heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes,
+bijv. in David Copperfield.
+
+[16] Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek.
+
+[17] Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen,
+alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog
+waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz
+ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders.
+
+[18] Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de
+Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten.
+
+[19] Het dagelijksch leven biedt van Mill's opmerking talrijke,
+eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen
+niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken.
+
+Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich ons openbaar
+onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen.
+
+Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de
+idee, dat socialisten "alles willen deelen" of anarchisten alleen
+bommengooiers zijn.
+
+[20] In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd
+door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op
+elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels.
+
+[21] Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in 't gegeven
+denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan
+Heymans: "Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens."
+
+[22] Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. "Grootvader gaat
+vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader
+vertelt, rookt hij."
+
+[23] Stel dat men bepleit, dat een drankzuchtig ambtenaar niet
+ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt:
+wat nut er in steekt een "dronken vent" te handhaven.
+
+[24] Dit reisverhaal is verschenen in de Wereld-bibliotheek
+nos. 63-66. De Galapagos eilanden worden beschreven in deel II,
+Hoofdstuk XVII, pag. 285 v.v.
+
+[25] Een meetkundige reeks is een rij van getallen, waarbij de volgende
+uit de voorgaande ontstaan door vermenigvuldiging; terwijl dit bij
+een rekenkundige geschiedt door optelling met een zelfde getal.
+
+[26] De wet van Malthus blijkt niet door te gaan. De productie
+blijft niet zoo achter bij den bevolkingsaanwas, en deze gaat niet
+in een meetkundige reeks. Voor Nederland zie men bijv. "De Studies in
+Volkskracht," onder redactie van L. Simons, waarin Dr. G. W. Bruinsma
+schrijft: "De wet van Malthus, voor Nederland toegelicht" (Serie I,
+no. 2).
+
+[27] Foetus--nog niet geboren wezen.
+
+[28] Men wordt hier onwillekeurig herinnerd aan 't geliefkoosde beeld
+van onzen dichter Van Eeden: de uit donkere slijkmassa's opgroeiende
+waterlelie.
+
+[29] Een hoogst belangrijk onderzoek is daaromtrent ondernomen door
+onze landgenooten, de hoogleeraren Heymans en Wiersma. Op denzelfden
+voet zal dit nu in Schotland nagevolgd worden.
+
+[30] Hierover schreef Dr. Wynandts Francken een Hollandsch werk. Over
+de ontwikkeling van de straf schreef de Amsterdamsche hoogleeraar
+Steinmetz (in 't Duitsch).
+
+[31] Ik kan niet nalaten er attent op te maken, hoe dit denkbeeld
+door Paulsen is opgevat in zijn: "Inleiding tot de filosofie," het
+bekende werk, dat sedert 1892 14 drukken beleefde.
+
+... Paulsen dan zegt (I, 2, 9):....
+
+"Dit zou algemeen toegestemd worden, wanneer er geen bezorgdheid was,
+dat er aan Gods Waardigheid iets te kort zou gedaan worden, wanneer
+Hem het praedicaat van een persoonlijk wezen onthouden bleef. Er zou
+dan slechts overblijven, hem een onpersoonlijk Wezen te noemen, en
+daarmee zou hij in de rij der onder-menschelijke wezens gesteld worden.
+
+"Maar deze bezorgdheid heeft geen grond.... Om echter een einde te
+maken aan die bezorgdheid, zou men God een boven-persoonlijk wezen
+(über-persönliches Wesen) kunnen noemen, niet om zijn wezen daardoor
+te bepalen, maar om aan te duiden, dat Gods wezen in de richting van
+vermeerdering, niet van vermindering van menschelijk-geestelijk leven
+te zoeken is."
+
+[32] Van Spencer's "Opvoeding" bestaat een Hollandsche vertaling
+van Leopold.
+
+[33] Afzonderlijk verscheen: J. P. N. Land, De Wijsbegeerte in de
+Nederlanden. Het werk, door den auteur zelf niet geheel voltooid,
+is door Mr. Van Vollenhoven voor den druk gereed gemaakt, en bevat
+ook een belangrijk levensbericht van de hand van Prof. C. Bellaar
+Spruyt. Lezing zij aanbevolen aan wie zich interesseert voor dit
+onderwerp.
+
+[34] Zie zijn Samenspraken, door Dr. Singels vertaald in de
+Wereldbibliotheek, waarin binnenkort ook een vertaling verschijnt
+van het beroemde: Lof der Zotheid.
+
+[35] Een aardige teekening van een Spinozistisch predikant geeft
+Schimmel in zijn roman: Sinjeur Semeyns.
+
+[36] Zie Wereldbibliotheek.
+
+[37] Over hem Dr. Laske: Ph. W. van Heusde. 1908.
+
+[38] Zij, die geen Engelsch lezen, of Fransch of Duitsch (Mill is
+daarin vertaald), zullen met de lezing van Opzoomer's: "De weg
+der wetenschap" hun voordeel kunnen doen. Het boekje is beknopt
+en helder. De eerste druk verscheen 1851, de tweede vier weken
+later. (Amsterdam, Gebhard en Comp.).
+
+[39] Amsterdam, Gebhard en Co. 1859. Ook dit is een helder, beknopt
+werk.
+
+[40] Metafysica beteekent na de fysica, omdat Aristoteles geschrift
+over de eerste beginselen nà de fysica geplaatst was.
+
+[41] Zie bijv. het in de Wereldbibliotheek opgenomen werk van Sighele:
+De menigte als misdadiger.
+
+[42] Lombroso's-theorieën worden vrijwel verlaten. Zoo hij nog geprezen
+wordt, geschiedt dit om zijn enorme vlijt, zijn groot feitenmateriaal,
+dat hij verzamelde, maar vooral om zijn stimuleerenden invloed. Tal
+van geleerden hebben zich intusschen zeer geërgerd aan zijn minder
+nauwgezette onderzoekingsmethoden, zijn veel te haastige conclusies.
+
+[43] Belangstellende lezers vinden beknopte maar vrij volledige en
+zakelijke inlichtingen in Klootsema's "Misdeelde Kinderen."
+
+[44] Deze naam werd indertijd voorgesteld door Prof. Van Hamel.
+
+[45] Alois Riehl, Philosophie der Gegenwart.
+
+[46] Vergelijk: De drager der mythologische wereldvoorstelling
+is de geest der massa, die der wijsbegeerte de geest van den
+enkeling. (Paulsen.)
+
+[47] J. Th. Beysens schreef de systematische werken (Logica,
+Criteriologie, Metaphysica, Zielkunde); Aengenent, het Handboek voor
+de Geschiedenis der Wijsbegeerte. (Amsterdam, v. Langenhuysen).
+
+[48] v. d. Wijck schrijft in Onze Eeuw, Bolland o. a. in De Twintigste
+Eeuw, De Boer in De Beweging, Heymans in De Gids.
+
+[49] Cursiveering van mij.
+
+[50] Het boek geeft veel méér, dan de titel belooft. Het is een
+bijna volledige geschiedenis der wijsbegeerte, getuigend van groote
+en zeer zorgvuldige studie; en kan als een scherpzinnige inleiding
+tot studie van wijsbegeerte dienen. Goedkoope Duitsche uitgave bij
+Reclam, duurdere en mooier bij Baeseker, en bij Alfred Kröner.
+
+[51] De indruk, dien het nu nog op jonge Duitsche gemoederen maakt,
+ziet men bijv. geteekend in Stilgebauers roman "Götz Krafft".
+
+[52] Men hoort soms beweren, ten onrechte, dat Nietzsche heel zinnelijk
+geweest moet zijn. 'n Man van zoo grooten hartstocht in gevoel en taal
+zou geen passie gekend hebben!--Intusschen blijkt, dat menschen van
+zijn type weinig sexueelen hartstocht kennen. (Heymans, Klassificatie
+v. karakters).
+
+[53] Zij luidt: De gewaarwording is evenredig aan den logarithmus
+van den prikkel.
+
+[54] Zie Gids 1896. Een laboratorium voor experimenteele psychologie.
+
+[55] Tijdens de correctie lees ik, dat Paulsen op 62jarigen leeftijd
+te Berlijn overleden is.
+
+[56] Soms komt een zwakke prikkel niet tot bewustzijn of slechts flauw,
+wijl ze door een grootere belemmerd wordt. We zien bijv. overdag de
+sterren niet. Bij hevige pijn gevoelt men een klein pijntje niet. In
+een roezemoezige zaal wordt 't vallen van een speld niet gehoord.
+
+[57] Wel in de Voordrachten der Secties voor Wetenschappelijken
+arbeid. No. 8.
+
+[58] Wanneer wij met Berkeley zeggen dat "zijn" is "waargenomen
+worden."
+
+[59] Onder de correctie lees ik, dat de zoon van Charles Darwin in
+een natuurwetenschappelijke lezing ook het bewustzijn van planten
+heeft verdedigd.
+
+[60] Ik verwijs naar Fechner's boekje, ook in Hollandsche vertaling
+verschenen.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van
+het Menschelijk Denken (Deel 2 van 2), by Rommert Casimir
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57730 ***