diff options
Diffstat (limited to '57730-0.txt')
| -rw-r--r-- | 57730-0.txt | 9951 |
1 files changed, 9951 insertions, 0 deletions
diff --git a/57730-0.txt b/57730-0.txt new file mode 100644 index 0000000..9334e33 --- /dev/null +++ b/57730-0.txt @@ -0,0 +1,9951 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57730 *** + + + + + + + + + + + + + WERELD BIBLIOTHEEK + + ONDER LEIDING VAN L. SIMONS + + R. CASIMIR + + UIT DE ONTWIKKELINGSGESCHIEDENIS + VAN HET + MENSCHELIJK DENKEN + + DEEL II + (VAN KANT TOT HEDEN) + + + UITGEGEVEN DOOR DE + MAATSCHAPPIJ VOOR + GOEDE EN GOEDKOOPE + LECTUUR--AMSTERDAM + + + + + + + + +EERSTE AFDEELING. + +KANT. + + +HOOFDSTUK I. + +LEVEN EN WERKEN. + + +§ 1. Leven en persoonlijkheid. + +Immanuel Kant werd den 22 April 1724 te Koningsbergen als zoon van +eenvoudige burgers geboren. Zijn vader, een zadelmaker, was een +ernstig, eerzaam, vlijtig handwerksman. Zijn moeder had een innig, +vroom gemoed, een helder, gezond verstand, een open oog voor de +natuur. Beide ouders waren op godsdienstig gebied de piëtistische +richting toegedaan. Er heerschte in het huisgezin, waar de jonge +Immanuel opgroeide, een ernstige, zedelijke stemming, wat diepen indruk +op hem gemaakt heeft. Zijn geloof aan God, aan de onsterfelijkheid der +ziel, aan 's menschen zedelijke vrijheid, kon hij uit het ouderhuis +als onwrikbare overtuiging meenemen. + +Reeds vroeg grooten aanleg vertoonende, werd hij op raad van den +"huispredikant" der familie, in 't najaar van 1732 leerling van +een school voor voorbereidend hooger onderwijs, ('t collegium +Fridericianum) waar hij zeer goed latijn leerde, maar ook +onder "strenge tucht van dwepers" stond en waar hij heel wat +godsdienstplichten vervullen moest. + +In 1740 kwam Kant als student aan de hoogeschool te Koningsbergen, +waar hij in 't bizonder wis- en natuurkunde studeerde. Eigenlijk was de +filosofische faculteit slechts een voorbereiding tot de andere. Kant +echter, al heeft hij de theologische gekozen en misschien zelfs als +candidaat in de omgeving gepreekt, gevoelde zich 't meest tot wis- +en natuurkundige studies aangetrokken. + +En met een natuurkundige verhandeling--zijn eerstelingsarbeid--nam hij +in 1746 afscheid van de academie, waar hij slechts weinig uitnemende +leermeesters had aangetroffen. + +Naar de gewoonte dier dagen ging de onbemiddelde jonge man zijn brood +als huisonderwijzer verdienen. Als zoodanig was hij in verschillende +aanzienlijke families in Oost-Pruisen werkzaam. Zoo kon hij--de +zadelmakerszoon uit piëtistische omgeving--de fijne, tactvolle man +der wereld worden, die hij later, als hij wou, kon zijn. + +Over zijn gaven als opvoeder was Kant zelf slecht tevreden. Hij wist, +naar eigen zeggen, meer van de theorie dan van de practijk. Heel +slecht schijnt die practijk intusschen niet geweest te zijn. Het is +zeker geen bloot toeval, dat velen van Kant's leerlingen voorgingen +in de afschaffing der lijfeigenschap. "De ingewanden keerden mij in +'t lichaam om, wanneer ik dacht aan de schande der lijfeigenschap in +mijn land," zei hij eens. + +In 1755 meende Kant genoeg geld overgehouden en voldoende kennis +vergaderd te hebben, om zich--voorbereiding voor het professoraat--als +privaatdocent te kunnen vestigen. Hij bleef dit tot 1770, toen er +eerst een professoraat voor hem kwam. Het eenige bezoldigde ambt--het +gaf nog geen honderd thaler--dat hij tot dien tijd bekleedde, was +dat van onder-bibliothecaris. Toch moet men zich Kant's positie in +dien tijd niet als zeer slecht voorstellen. Hij zelf placht dit later +de gelukkigste periode van zijn leven te noemen, en zijn werken uit +die jaren zijn in een levendigen, pittigen, dikwijls geestigen stijl +geschreven. Als docent stond hij ook toen in volle kracht. Herder, +de dichter-denker, heeft ons het beeld van Kant als academisch leeraar +uit het begin der zestiger jaren met frissche kleuren geteekend. + +Boeiend en geestig, zelf nimmer aanmatigend, de waarheid boven alles +liefhebbend, zijn leerlingen liefde voor de waarheid en lust tot +studie inboezemend, gaf hij, zonder ooit te vervelen, college over +de meest verschillende onderwerpen, "en niets wetenswaardigs was +hem onverschillig." + +Na de aanvaarding van zijn professoraat heeft Kant een geruimen +tijd niets in 't licht gegeven. Ingespannen denkarbeid hield hem +bezig. In 1781 kwam zijn hoofdwerk, de critiek der zuivere rede. Over +de geschiedenis van Kants werken spreken we in de volgende §§. + +Van zijn uiterlijk leven valt weinig te vertellen. Als zoovele groote +wijsgeeren was ook Kant ongetrouwd. Hij leidde een buitengewoon +regelmatig geleerdenleven: 5 uur op, 10 uur naar bed, op vaste tijden +arbeiden en wandelen. Aan tafel zag hij gaarne een paar vrienden +en hij voerde het tafelgesprek ver over het uur. Zijn stoffelijke +omstandigheden waren langzamerhand gunstig geworden: hij liet nog +een huis en een 30.000 thaler na. + +Een bitter verdriet werd den denker, wiens roem zich reeds bij zijn +leven over beschaafd Europa had verspreid en om wien te hooren en +te zien menschen van heinde en ver naar Koningsbergen kwamen, nog in +zijn 70ste jaar aangedaan. + +Tijdens de regeering van Frederik den Groote had hij zich mogen +verheugen in volle leervrijheid en achting. Waarschijnlijk heeft +Frederik nooit iets bijzonders van Kant geweten, misschien den naam +niet eens gekend. Maar zijn minister voor onderwijszaken, Von Zedlitz, +koesterde grooten eerbied voor Kant en had zich van zijn leer op +de hoogte laten brengen. Aan hem is dan ook de critiek der zuivere +rede opgedragen. De opvolger van Frederik den Groote was echter een +bekrompen, dweepziek man, die Von Zedlitz ontsloeg en in diens plaats +een zijner geestverwanten benoemde, die de vrije gedachtenuiting +zooveel mogelijk tegenging. Toen nu Kant in 1794 een werkje over +den godsdienst uitgaf, waarin hij o. a. opkwam tegen de orthodoxe +opvatting van het christendom, barstte de bom. Er kwam een berispend +schrijven uit het kabinet des konings waarin bedreiging met strengere +maatregelen, indien hij in deze richting voortging. Kant overwoog +ernstig wat hem te doen stond. Herroepen wilde hij niet. Hij verdedigde +veeleer in een schrijven de vrijheid van den leeraar der hoogeschool, +verbond zich echter, als gehoorzame dienaar van Zijne Majesteit, niet +meer over religie, 't zij de geopenbaarde, 't zij de natuurlijke, +te schrijven. + +Onder zijn onvermoeid denken is Kant vroeg oud geworden. Reeds zijn +werken van 1781 dragen daarvan de sporen. Zijn laatste levensjaren +zat hij in frissche oogenblikken nog aan zijn schrijftafel, maar +produceerde niet veel van beteekenis. Zijn vermogen om te combineeren +was gewoonlijk weg, herinnering ontbrak. Dwangvoorstellingen, rijen +woorden, wijzen uit zijn kinderjaren, drongen zich aan hem op. Bange +droomen kwelden hem 's nachts, onrust des daags. Den 12den Februari +1804 overleed hij na langzaam afsterven. "Het is goed," waren zijn +laatste woorden. Hij is begraven in den Koningsberger dom, waar voor +een passende omgeving is gezorgd. + + + +Persoonlijkheid. + +Kant was een flegmatische, weinig door emoties bewogen natuur, een +verstandsmensch van taaie volharding en groote werkkracht. Man van +groote belangstelling en ontwikkeling, reisde hij toch zeer weinig. De +denker, die ook een beteekenend aardrijkskundige was, had nooit bergen +gezien. Nu bood Koningsbergen, voor dien tijd een niet onaanzienlijke +stad, met belangrijken handel, en in het oosten des rijks gelegen +in de nabuurschap van andere volken (Polen b.v.) veel om op te +merken. Reisbeschrijvingen behoorden tot Kants liefste lectuur. Ook +sprak hij liever over andere dingen dan over wijsbegeerte. Hij kon +op dit gebied niet best hóóren en verdroeg moeilijk afwijkingen van +zijn meeningen. Met zijn voorgangers was hij over 't geheel slecht +bekend. De enorme belezenheid van Leibniz was niet de zijne. + +Kant was innig vroom en van eerbied vervuld voor de religie. Van +godsdienstvormen, die hij ledig achtte had hij echter een besliste +afkeer en kerksch was hij allerminst. Van den onderdaan gehoorzaamheid +tegen den vorst eischend, betoonde hij die zelf ook. Overigens +gevoelde hij weinig voor den Pruisischen staat. Hij vond de gruwelen +van den oorlog verschrikkelijk. Den Amerikaanschen vrijheidsoorlog +bewonderde hij, de groote beginselen der Fransche revolutie wist hij te +schatten. De grootste filosoof van Duitschland was een vrijheidlievend +wereldburger, die in zijn enge omgeving niet alleen het groote +rijk der wetenschap doorzocht, maar ook op de gebeurtenissen van +'t politieke leven belangstellend 't oog hield gericht. + + + + + +§ 2. Werken en Ontwikkelingsgang. + +De voorcritische periode. + +Toen Kant zijn hoofdwerk schreef was hij 57 jaar oud. Hij had een +belangwekkenden ontwikkelingsgang doorloopen, voor hij tot den opbouw +van zijn leer kwam. De voortreffelijkste Kant-kenners verschillen +onderling over de invloeden, die op Kant hebben ingewerkt, over de +vraag, welke richtingen achtereenvolgens de zijne zijn geweest. In +een populaire uiteenzetting kan op de bizonderheden niet ingegaan +worden, maar het is wenschelijk, reeds bij den aanvang de aandacht +te vestigen op het gebruik der woorden: het schijnt, waarschijnlijk, +enz., die er telkens aan moeten herinneren, dat hier nog niet alles +vaststaat, evenmin als in de biografie. + +Toen Kant de academie verliet, was hij in de metafysica een +aanhanger van Wolff. Hij dacht, als alle rationalisten, dat er een +zekere, gewisse kennis der wereld te verkrijgen was op redelijken +grondslag. Echt kind der aufklärung zag hij, het onwetende gepeupel +verachtend, in verstandsontwikkeling de taak en de waarde van den +mensch. Op natuurwetenschappelijk gebied sloot hij zich meer aan bij +Newton en tot '60 blijft zijn aandacht meer op natuurwetenschappelijke +vraagstukken gevestigd. Met groote liefde behandelde hij ook kwesties +van aardrijkskundigen aard. Had zijn roem als wijsgeerig denker niet +zijn beteekenis op dit gebied overstraald, hij zou als een baanbrekende +geest op geographisch gebied zijn gehuldigd. Als hoogleeraar gaf hij +gaarne colleges over de natuurkundige aardrijkskunde. Zijn scheppende +beteekenis hier blijkt misschien wel 't duidelijkst uit 't volgende +feit: Bij koninklijk besluit werd bepaald, dat hoogleeraren bij hun +colleges gebruik moesten maken van handboeken. Met name echter werd +Kant voor zijn college over physische geografie daarvan vrijgesteld, +omdat er... geen handboek was. + +Omtrent 1760 wendt Kant's blik zich meer van de buitenwereld naar +de binnenwereld: de mensch begint hem te interesseeren en hij ging +inzien, dat diens waarde niet alleen lag in zijn verstandelijke +ontwikkeling. Hier werkte, naar Kant's eigen woorden, de invloed +van Rousseau, wiens Emile in 1762 verscheen. "Rousseau heeft +mij terecht gebracht." Voor Rousseau was het geloof aan God niet +gevolg van verstandelijke overwegingen, maar het ontsprong aan de +behoeften van zijn gemoed. De kennismaking met deze overtuiging, +haar toppunt bereikend in het: "le sentiment est plus que la +raison" (het gevoel is meer dan het verstand) mag Kant er toe +gebracht hebben, om den rug te keeren aan de Wolffsche natuurlijke +theologie. Maar ook op het terrein der kennistheorie kwam een +wending. Ook hier verliet hij het rationalisme, om een meer +empirische richting in te slaan. In de jaren tusschen '60 en '70 +is er soms een zekere sceptische toon merkbaar. Dikwijls duidt +men deze periode, volgend op zijn rationalistische, aan met den +naam empirisch-sceptische. Of die kwalificeering juist is? Niet +onwaarschijnlijk is het, dat Kant's denken in dien tijd geslingerd +heeft tusschen empirisme en rationalisme. De invloed van Hume, met +wiens werken hij in allen gevalle slechts gedeeltelijk bekend was, +had hem, naar zijn eigen woorden, uit den dogmatischen sluimer wakker +geschud. Wanneer? Misschien tusschen '60 en '65, misschien tusschen '65 +en '70, misschien na '72, misschien heeft hij meermalen Hume's invloed +ondergaan. Maar in den tijd van '60-'70 valt ook de verschijning van +Leibniz' Nouveaux Essais, (vergel. I pag. 296) welks lectuur weer +naar het rationalisme trok. + +We zouden dus dit kunnen zeggen: + +Het Wolffsche rationalisme heeft Kant na 1760 beslist verlaten. + +Tot het standpunt, dat in '70, bij de aanvaarding van het professoraat +werd ingenomen, is hij beslist nog niet gekomen. + +Hij neigt in dezen tijd sterk tot het empirisme. Maar het mag +betwijfeld worden, of hij in deze jaren gemeend heeft, dat al onze +kennis uitsluitend uit ervaringselementen opgebouwd was. Evenmin is met +zekerheid te zeggen, dat hij gewanhoopt heeft aan de mogelijkheid, om +kennis te krijgen van de dingen der zinnelijke wereld, zooals zij zijn. + +Spreken wij dus van Kant's sceptische-empirische periode, dan dient +dit woord met groote omzichtigheid aanvaard te worden. + + + +Preisschrift. Wiskunde en wijsbegeerte. + +Van de werken uit dezen tijd noemen wij drie: In 1763 beantwoordde +hij een prijsvraag. In het "Preisschrift" komt tot de conclusie, +dat wiskunde en wijsbegeerte niet dezelfde methode hebben. Onder +wijsbegeerte worden dan zoowel de natuurwetenschappen als de metafysica +begrepen. Door onderscheidene methoden van behandeling te eischen, +breekt Kant met het rationalisme, dat de wijsbegeerte steeds naar +de wijze der meetkunde had behandeld, zij 't niet in zoo streng +wiskundigen vorm als Spinoza. + +Wat is dan het verschil? + +De wiskunde construeert, de wijsbegeerte analyseert. Lichten we +dit toe. + +De wiskundige maakt zijn begrippen. Hij kan bijv. een rechthoekigen +driehoek nemen en die om een zijner rechthoekszijden laten wentelen. Er +ontstaat dan een kegel. In het begrip kegel komen niet meer kenmerken +voor, dan hij er zelf in gelegd heeft. Hij kan met dat begrip dus +rustig verder werken. + +Maar neem nu bijv. den natuurkundige. + +Hij heeft ijzer, dat hij moet onderzoeken. Hij kan bijv. het volgende +begrip van die stof hebben: hard, zwaar, zet bij verwarming uit, kan +roesten. Maar in dat ijzer kunnen nog andere kenmerken zitten. Het +heeft een bepaald soortelijk gewicht: 1 dM3. weegt 7,17 KG. Het heeft +een bepaalde uitzetting, bij 1°C. verwarming wordt 1 M. 1,000012, één +M3. 1,000036. Het heeft een bepaald smeltpunt: bij 1200-1400°C. smelt +het. Het is een goede geleider voor electriciteit. Deze kenmerken moet +de natuurkundige opzoeken. Hij moet onderzoeken, wat er in het begrip +ijzer aanwezig is, moet het ontleden, analyseeren. Hij kan niet, zooals +de wiskundige zeggen, dit versta ik onder ijzer, maar heeft tot taak, +het onduidelijke, vage begrip, dat hij van ijzer heeft, te verhelderen. + +Tusschen de natuurwetenschappen en de wijsbegeerte bestaat dan ook +geen verschil in methode. "De ware methode der metafysica is in den +grond dezelfde als die, welke Newton in de natuurkunde invoerde." Het +onderscheid ligt in de stof, in de te bestudeeren dingen. De metafysica +bestudeert de gegevens van 't feitelijk denken. + + + +Bewijzen voor 't Godsbestaan. + +In hetzelfde jaar geeft Kant een werkje uit: "Eenige mogelijke +bewijsgrond voor het bestaan van God." Hierin critiseert hij de +tot dusver gangbare bewijzen voor het bestaan van God, en draagt +zelf een nieuw voor. Op zijn critiek komen we in een ander verband +(zie bladz. 36 v.v.), terug. Wat in dit werkje merkwaardig is, dat +reeds op zijn volgende opvattingen wijst, is zijn uitspraak, dat +het wel noodig is, dat men zich overtuige van het bestaan van God, +maar niet zoo noodig, dat men het ook bewijze. + +Hoe gevaarlijk Kant het achtte, te veel speculaties in te stellen +over het bovenzinnelijke, blijkt uit een zijner geestigste werken: +"Droomen van een geestenziener" (1766). + +In dien tijd maakte een mysticus, de Zweed Swedenborg (1688-1772) +verbazenden opgang. Hij zou dingen gezien hebben, die in de verte +gebeurden, in verband getreden zijn met geesten van afgestorvenen, +enz. Op aansporing van eenige bekenden liet Kant Swedenborg's werken +uit Londen komen en bestudeerde ze. In het bovengenoemde werkje +legde hij de resultaten neer van die lectuur. Hij geeft eerst een +geestenleer van wezens, die tot een "intelligibele wereld" behooren, +niet aan plaats en tijd gebonden zijn. Misschien is hier een eerste +kiem van Kant's latere intelligibele wereld. + +Vervolgens schetst hij de spiritistische verschijningen, die hij van +naturalistisch-sceptisch standpunt als fantasieën van een ziekelijk +brein beschouwt, dat ze in de buitenwereld als werkelijk onderstelt. In +het tweede deel geeft hij verslag van de theorieën van Swedenborg, om +te eindigen met een ernstig woord, waarin hij de filosofie aanraadt, +zich te hoeden voor dergelijke bespiegelingen, die de grenzen onzer +ervaring verre te buiten gaan. Of het mogelijk is dat geesten, +zonder aan een lichaam gebonden te zijn, kunnen werken en denken; +of er krachten zijn als die, welke Swedenborg meende te bezitten, +kan men slechts door de ervaring, niet door redeneering alleen +beslissen. Maar over die ervaring beschikken wij niet. Wij hebben geen +eenstemmige ondervinding op dat gebied maar slechts de bevindingen van +enkelingen, die niet als grondslag voor een hypothese kunnen dienen, +waarover het verstand kan oordeelen, juist, omdat het bevindingen van +slechts enkelen zijn. Men behoeft ze nu juist niet voor onmogelijk +te verklaren, maar men kan de zaak laten rusten. + +Noch op de metafysische bewijzen, noch op de empirische bewijzen +van Swedenborg behoeven we de onsterfelijkheid der ziel te bouwen: +haar steun vindt ze in het zedelijk geloof. + +Kant had met het rationalisme van Wolff gebroken. Hij had den invloed +van Rousseau's gevoelsfilosofie ondergaan, en waarschijnlijk van +Hume's scepticisme; langzamerhand waren zijn gedachten gerijpt tot +zijn eigen opvatting: het criticisme. Kant zelf onderscheidt in zijn +leven twee groote perioden: de voorcritische en de critische. Alleen +de geschriften uit de laatste wilde hij later erkennen, als zijn +meening uitdrukkende. + + + + + +§ 3. Werken en Ontwikkelingsgang. + +De critische periode. + +Men kan twijfelen aan de juistheid, de zekerheid der tot dusver +verkregen kennis. Dat deed Descartes. Maar eenmaal een grondslag +gevonden hebbende, die onmiskenbaar zeker voor hem was, "ik heb +bewustzijn, dus ben ik," bouwde hij daarop voort en meende zoo een +zekere kennis der geheele werkelijkheid te kunnen verkrijgen. Descartes +werd de vader van het rationalisme in de nieuwere wijsbegeerte. Waarin +Malebranche, Spinoza, Leibniz en Wolff ook met hem mogen verschild +hebben, niet in de overtuiging, dat er een geheel van kennis op +redelijken grondslag was te verkrijgen. Zonder nader onderzoek +aanvaarden deze denkers dus onze rede, als een werktuig (dat misschien +verkeerd kon aangewend, foutief gehanteerd worden) om tot zekere +kennis te komen van de dingen, zooals ze zijn. Dit standpunt om onze +rede zonder onderzoek te aanvaarden, noemt Kant het dogmatische. + +Anders ging Locke te werk. Toen hij vastliep, vroeg hij of het mogelijk +was kennis te verkrijgen, of ons verstand daartoe geschikt was. Zijn +theorie werd door Hume voortgezet en deze ondergroef theoretisch +eigenlijk de mogelijkheid van wetenschap, door het causaliteitsbeginsel +te verklaren als een subjectieve verwachting zonder meer, gevolg van +associatie van voorstellingen. (zie I pag. 321). + +Zij gingen uit van de feiten der ervaring, volgden een inductieve +methode. + +Dit standpunt nu noemt Kant het sceptische. + +Zetten we nog even scherp de kenmerken van beide tegenover elkaar. + + +Dogmatisme. Empirisme of Scepticisme. + +Van te voren vertrouwen op onze Van te voren wantrouwen jegens +rede. onze rede. +Kennis door deductie. Kennis door inductie. +Het denken geeft de ware zuivere De zinnen geven ons onze kennis, +kennis, de zinnen onklare, dikwerf denken is een veranderd waarnemen. +bedriegelijke. + + +In dezen strijd nu neemt Kant een eigen standpunt in door zijn +criticisme, een leer, die beide richtingen wil overspannen. Het +criticisme wil niet onderzoeken of we kennis kunnen verkrijgen, +(hiervan mòet de wetenschap noodwendiger wijze uitgaan) maar hoe en +waardoor ze mogelijk is. + +Het criticisme is de eigenlijke leer van Kant. Het vertoont zich, +zij 't niet in volle rijpheid in de rede, waarmee hij in 1770 zijn +hoogleeraarsambt aanvaardde. + +In deze rede, gewoonlijk de Dissertatie genoemd (Latijnsche +titel: Dissertatio de mundi sensibilis atque intelligibilis forma +et principiis--verhandeling over den vorm en de beginselen der +zinnelijke en intelligibele wereld) komen nog niet alle, maar enkele +zeer belangrijke beginselen voor der latere kennistheorie. Het +wijst aan, dat de waarnemer en het waargenomene samenwerken, voor +het ontstaan onzer kennis, dat subject en object samen de kennis +vormen. De vorm waarin de kennis opgenomen wordt, hangt af van het +subject. Dit bepaalt het formeele karakter der kennis. De bizondere, +speciale inhoud der waarneming, het materieel gedeelte onzer kennis, +hangt af van 't object. In onze kennis zijn dus idieele, niet uit de +ervaring komende elementen. Dit richt zich tegen het empirisme. Maar +de vormen, waarin onze kennis zich voegt, blijven ledig, beteekenen +niets, wanneer er geen ervaring komt, die ze vult. Ook ervaring is +dus noodig: de ons door de zinnen verstrekte gegevens zijn niet als +schijn te verwerpen. Dit richt zich tegen het dogmatisme. + +Bij deze opvattingen nu bleef Kant niet staan. Doordenkende in deze +richting stuitte hij op moeilijkheden. Wij vinden ze aangewezen in +een brief aan Marcus Herz van 21 Febr. 1772. + +Hij vroeg zich af: Welk recht heb ik, om nu aan die, door het subject +meegebrachte elementen, die absoluut onafhankelijk van de dingen zijn, +geldigheid toe te schrijven voor de wereld der dingen? + +In het peinzen over deze en andere vragen daarmee samenhangend, +is Kant oud en moe geworden. Het werk dat in 1781 verscheen, +"De critiek der zuivere rede" is de arbeid van een groot, maar een +oud man. Het is een moeilijk te lezen werk. De stijl is zwaar. De +zinnen zijn lang. Herhalingen matten af. Uitweidingen ontbreken +niet. Sommige gedeelten zijn vergeleken met een eentonig, troosteloos +duinenlandschap. Toch heeft dit werk ongemeene beteekenis en blijft +het 't hoofdwerk van den denker. [1] + +In 1783 gaf Kant de Prolegomena, die de hoofdgedachten wat korter en +klaarder behandelden dan de kritiek. Deze verscheen in 1787 in tweeden +druk, waarin zij sterke wijzigingen had ondergaan. Haar volgden een +Critiek der praktische rede (1788) en een der Oordeelskracht (1790). + +De critiek der zuivere rede behandelt de kennisleer, die der practische +rede de zedeleer, die der oordeelskracht handelt over onze aesthetische +waardeeringsoordeelen. + + + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +DE KENNISLEER. + + +§ 4. Ruimte en Tijd. Inhoud en Vorm. + +Stel eenig willekeurig ding tegenover u, bijv. een boek. Dat heeft +verschillende kenmerken: dikte, lengte, breedte, kleur, zwaarte, +enz. Neem een geheel ander ding: een stoel. Ook die heeft zijn +eigenschappen, evenals de tafel, waaraan ge zit, de lamp, die u +beschijnt. Ge kunt u van al die dingen kenmerken veranderd denken of +wegdenken, ja, ge zoudt u kunnen voorstellen, dat het boek, de tafel, +de stoel, de lamp er in 't geheel niet waren. + +Die dingen nemen een zekere ruimte in. En, nu kunt ge u wèl +voorstellen, dat die dingen er niet meer waren, maar niét, dat +die ruimte er niet zou zijn. Alle dingen die we in de buitenwereld +waarnemen zijn in de ruimte en die ruimte zelf is niet wegdenkbaar. + +Niet anders is het met den tijd. Alle gebeurtenissen, zoowel de +geestelijke als de stoffelijke, vinden plaats in den tijd, die evenmin +wegdenkbaar is. Ruimte en tijd zijn aanschouwingsvormen. + +Het zijn geen begrippen. Waarom niet? Nemen we bijv. het begrip +zoogdier. Dit heeft onder zich andere begrippen en voorstellingen: +bijv. knaagdier, roofdier, díe hond, mijn paard, enz. Wolff nu had +gemeend, dat ruimte en tijd abstracte begrippen waren, verkregen, +doordat we aan alle dingen ruimte, aan alle gebeurtenissen tijd +waarnemen; zooals we bijv. het begrip zoogdier krijgen door aan vele +dieren het zoogen der jongen, zeven halswervels, warm bloed, enz. waar +te nemen en die kenmerken tot één begrip te vereenigen. Maar dit is +onjuist. Immers de ruimte en de tijd hebben de afzonderlijke tijden +en ruimten niet onder zich, maar dat zijn stukken van den éénen tijd, +van de ééne ruimte. De afzonderlijke tijden en ruimten zijn in den +tijd en de ruimte, er niet onder. + +Alles wat wij waarnemen, nemen we dus noodwendig in de ruimte en in +den tijd waar. + +Dàt er ruimte en tijd is, ontdekken wij eerst met en bij de ervaring, +maar de aanschouwingsvormen krijgen wij niet door de ervaring, zij zijn +voor de ervaring, gegeven door de organisatie van onzen geest. Voor +ónze ervaring hebben ruimte en tijd dus een werkelijk bestaan. Of ze +ook buiten onze ervaring bestaan, en of anders georganiseerde wezens +ook de dingen en gebeurtenissen tijdelijk en ruimtelijk geordend +zouden aanschouwen, valt voor ons niet uit te maken. + +Deze opvatting nu der ruimte maakt een verklaring mogelijk van de +eigenaardigheden der wiskundige oordeelen. + +Welke zijn die? + +Nemen we een eenvoudig oordeel: De som der hoeken van een driehoek is +180°. We zijn overtuigd, dat dit niet anders kan. Het is noodzakelijk, +dat dit zoo is. + +Als gij zegt: dit boek is uitgegeven in de Wereld-bibliotheek, zegt +ge óók een waarheid. + +Maar 't zou best anders kunnen zijn. + +Het zou ook uitgegeven kunnen zijn door Wolters of Van Looy of wie ook. + +Maar de hoeken van een driehoek kunnen samen niet anders dan 180° zijn. + +Eveneens zijn we overtuigd van de volstrekte nauwkeurigheid. Samen zijn +die hoeken precies 180°. Met de oordeelen uit de natuurwetenschap is +dat anders. Zeg ik: bij verwarming van 0° op 1° C. zet zich een gas +1/278 van zijn volume uit, dan ben ik niet zeker, dat, als ik nòg +nauwkeuriger methoden van meting vond, ik niet een getal zou vinden +dat, zij 't ook nog zoo'n beetje, grooter of kleiner was dan 1/278. + +En eindelijk zijn de wiskundige oordeelen algemeen geldig. Ik ben +er zeker van, dat de hoeken van een driehoek niet alleen hier, in +Den Haag, maar ook in Maastricht, in Australië, maar ook op de maan, +op elke willekeurige plek van het heelal 180° zijn. + +Hoe zijn die drie kenmerken te verklaren? De ervaring geeft +ons nooit noodwendigheid; alleen 't feitelijk gegevene is +te aanschouwen. Honderden malen mogen we opmerken, dat met A B +gepaard gaat, in ons geval, dat met het driehoek zijn gepaard gaat +'t hebben van hoeken, die samen twee rechten zijn,--nimmer kunnen we +het element van noodzakelijkheid waarnemen, dat het zóó móet zijn en +niet anders. En de preciesheid kunnen we evenmin ervaren. We liggen +met metingen bloot voor vergissingen niet alleen, maar bereiken +nimmer absolute nauwkeurigheid. En met de algemeene geldigheid is +het eveneens. + +We spreken dus iets uit over de ruimte dat we niet uit de ervaring +hebben en we zijn zeker, dat onze uitspraak doorgaat. Dat nu kan +begrepen worden, als wij inzien, dat wij, de waarnemende subjecten, +de ruimtelijke ordening aan de gewaarwordingen geven, dat de ruimte +de noodzakelijke vorm is, waarin wij de dingen aanschouwen. + +Verduidelijke een eenvoudig beeld dit nog. Iemand zet een blauwen +bril op. Hij kan nu van te voren zeggen, dat hij, waar hij ook komt, +de dingen, onverschillig welke, blauw getint zal zien. Dit ligt niet +in de dingen, maar in de organisatie van het zintuig, dat nu met een +blauwen bril is voorzien. + +Zoo treden wij tot de dingen, zoodanig georganiseerd, dat wij alles +tijdelijk en ruimtelijk geordend waarnemen. + +Aan den inhoud, aan de stof voegen we dus nog een vorm toe. Subject +en object werken samen bij het ontstaan van kennis: van het eerste +de vorm, van het tweede de inhoud. + +Merken we nu ten slotte op, dat het eigenaardig karakter, door Kant +aan ruimte en tijd toegekend, niet hetzelfde is als het karakter +der secundaire kwaliteiten. De roos is niet rood, de suiker niet +zoet. Dat zijn opvattingswijzen van het subject, waarop de prikkels +der buitenwereld inwerken. Zij zijn verschillend bij de individuen +onderling, worden bepaald door de inrichting der zintuigen. De ruimte +en tijdaanschouwing is iets algemeen-menschelijks, is noodzakelijk. + + + + + +§ 5. Het ding op zich zelf. Schijn en verschijning. + +In de ruimte en in den tijd aanschouwen we nu de dingen. Nemen wij de +dingen waar, zooals ze ons verschijnen, of zooals ze zijn? Wij krijgen +alleen verschijningen der dingen. Daar ligt een boek voor u. Ge krijgt +indrukken van witachtig papier, stevige zwarte letters. Dit boek nu, +dat ge waarneemt, betrekt ge op iets buiten u, dat de verschijning +boek veroorzaakt. Hoe dat ding op zichzelf is; niet voor u? Wij weten +'t niet. We nemen aan, dat het er is. Maar de kennis ervan ligt buiten +onze ervaring. Het is een grensbegrip. Zoo spoedig we zoover zijn, +dat we het begrip vormen van het ding, niet zooals voor óns bestaat, +maar zooals het voor zich bestaat en op zich zelve is, zijn we aan de +grenzen van het rijk der ervaring, en willen we meer van dit begrip +zeggen, dan gaan we buiten ons bereik. + +We hebben dus alleen onze ervaringen van verschijningen. Maar, men +houde wel in 't oog, dat deze niet hetzelfde zijn als schijn. + +Hierin ligt allereerst het verschil van Kant met de echte idealisten. + +De Eleaten hadden ook van het zijnde en een wereld der verschijningen +gesproken. Het zijnde konden wij aanschouwen noch kennen, en wat wij +waarnamen was schijn, doxa. (I, pag. 31). + +Uitdrukkelijk wijst Kant er op, dat zijn leer niet met dit idealisme +mag gelijk gesteld worden. De verschijningen zijn geen schijn, +maar werkelijkheid. Het boek dat ge ziet, is een verschijning, maar +een realiteit, die er niets minder werkelijk om wordt, dat ze de +verschijning is van een niet nader te kennen op zich zelf staand ding. + +Het Kantiaansch begrip van verschijning onderscheide men dus +wel van het physische. Een natuurkundige noemt de regenboog +bijv. een verschijnsel, omdat hij als zoodanig niet bestaat: +het verschijnsel ontstaat door de lichtbreking der zonnestralen +in de waterdropjes. Werkelijkheid zijn voor den natuurkundige +aethertrillingen van het licht, de waterdroppeltjes. Maar die +droppeltjes zijn voor Kant óók verschijning, verschijning van een op +zichzelf staand ding. + +Voor Kant bestaan dus: + +1. De dingen op zichzelf, grond van de door ons te kennen +verschijningen. + +2. De verschijningen. + +3. Onze voorstellingen van die verschijningen, opgevat naar onzen aard. + +We zouden dit schematisch dus kunnen voorstellen: + + + X (ding op zich zelf) + | + Y (verschijning) + | + Z (onze voorstelling). + + +Van de verhouding van X tot Y kunnen we niets zeggen. + +De verhouding van Y tot Z te onderzoeken, is juist de taak der +kennisleer: we hebben gezien, dat Z ontstaat door de inwerking +van Y op een waarnemend subject, dat die inwerking op eígen wijze +ontvangt. Allereerst door alle waarneming in ruimte en tijd geordend op +te nemen. Maar ook op andere manier nog. Hoe, zien we in de volgende §. + + +Opmerking. Kant gebruikt graag vreemde, moeilijke termen. Om het +overzicht te vergemakkelijken, is in het voorgaande dit gedeelte zoo +eenvoudig mogelijk weergegeven. Wij vatten het nu kortelings samen +in Kant's terminologie. + +Het eerste gedeelte der "Kritiek der Zuivere Rede" is de +transcendentale aesthetiek, de waarnemingsleer naar de logische +wetten. Kant gebruikt hier transcendentaal, wel te onderscheiden van +het later te bezigen transcendent. Aesthetiek wordt hier in zijn eerste +beteekenis genomen: niet in die van schoonheidsleer. (Aisthènomai = +ik neem waar). + +De transcendentale aesthetiek leert, dat ruimte en tijd aprioristische +aanschouwingsvormen zijn van het waarnemende Subject. Wij nemen +de verschijningen waar: ons is alleen gegeven de phenomenale +wereld. (Gr. phainomai = verschijnen). Onttrokken aan onze waarneming +blijve de dinge an sich, de achter de verschijning liggende noumenale +wereld. + + + + + +§ 6. Verstand en Zinnelijkheid. Kategorieën. + +Wij leerden in deel I Berkeley kennen. Locke had als drager van +een aantal kwaliteiten, als daaraan te gronde liggend substraat +een zelfstandigheid, een groote X, aangenomen. Berkeley had critiek +uitgeoefend op dat substantiebegrip en het verklaard voor niet noodig +en inconsequent. Hij was, de stoffelijke wereld ontkennend, gekomen +tot z'n: zijn is waargenomen worden. + +Is dat waar, dan bestaat iets voor den mensch, zoolang hij 't +waarneemt. Dit boek bestaat dus niet voor u, als ge uit de kamer gaat, +als ge uw oogen sluit en 't niet in de hand houdt, enz. + +Maar het normale menschenverstand is toch wel overtuigd, dát het +boek blijft bestaan. Locke had het substantiebegrip gemaakt tot het +substantieprobleem. + +Berkeley had het voor de zinnelijke substanties doen verdwijnen, +door de substanties te ontkennen. Hume, dit voortzettend op +geestelijk gebied, had ons bewustzijn als een steeds wisselenden +stroom van impressies en ideeën beschouwd, en de geestelijke +substantie ontkend. Tegelijkertijd had de groote Schotsche denker +een nieuw probleem ontdekt: het causaliteits-probleem. Helder had +hij ingezien: dat de waarneming ons nooit meer geeft dan feiten, +nimmer het noodzakelijk verband daartusschen. + +Kant stond ook voor deze feiten en vragen, en aan hunne oplossing +wijdt hij een der moeilijkste gedeelten van zijn onderzoek. Zijn +oplossing in 't kort gezegd is deze: + +De zinnelijkheid geeft ons waarnemingen. Voor de wetenschap krijgen +deze eerst beteekenis wanneer het verstand er ervaringen van maakt. + +Het verstand doet dat, door de aanschouwingen in bepaalde vormen +op te vatten. Die vormen vóór de ervaring, zijn aprioristisch. Zij +heeten kategorieën. De belangrijkste daarvan zijn substantie en +causaliteit. De door ons verkregen, tijdelijk en ruimtelijk geordende +gewaarwordingen kunnen nu, doordat ze passen in een kategorie, b.v. die +van causaliteit of substantie, tot wetenschappelijke kennis worden. + +Lichten we dit nader toe. + +Daar ligt een steen, waarop de zon schijnt. Ik voel den steen. Hij +is warm. Ik zeg nu, de steen is warm, de zon beschijnt hem. + +Dat is een waarnemingsoordeel. + +Maar nu zeg ik: de zon verwarmt den steen. Dat is een ervaring. Ik deel +nu niet twee feiten mee, zooals eerst, los en op zich zelf staande, +maar een algemeene, noodzakelijke waarheid. Zij geldt ook voor morgen +en overmorgen, voor Nederland en België als voor Rusland. Ik ben +overtuigd dat 't moet. Ervaringsoordeelen nu vormen de eigenlijke +wetenschap. + +De zinnelijkheid geeft mij niet dat algemeen, noodzakelijk +geldende. Die biedt mij niets dan gewaarwordingen, tijdelijk en +ruimtelijk geordend. Het is mijn verstand, dat die gewaarwordingen +opvat in bepaalde vormen. + +De zinnelijkheid had hare aprioristische aanschouwingsvormen: +tijd en ruimte. Het verstand heeft zijne aprioristische begrippen, +vormen, waarin alle kennis gebracht wordt. Die vormen, die zuivere +verstandsbegrippen, heeten kategorieën. Zonder aanschouwingen zijn +zij leeg, gelijk zonder hen deze laatste blind zijn. + +Trachten we nog een heel eenvoudig, aanschouwelijk beeld te vinden, +om dit toe te lichten. + +De expeditiezaal van een groot postkantoor. + +Door vele poorten komen brieven in, uit de bus aan 't hoofdkantoor, +uit de bussen in de stad, uit de bijkantoren. Die brieven hebben alle +een adres. Dit maakt het mogelijk, hen te behandelen. Zonder adres +weet men er geen raad mee. + +Nu zijn er verschillende loketten en vakken, waarin ten slotte alle +brieven terecht komen. Die vakjes zijn er al, maar hun beteekenis, +hun dienst blijkt eerst, als er de brieven in komen. Anders zijn +ze leeg. En de brieven kunnen pas verzonden worden als ze in de +afdeelingen zijn, zijn ze daarin niet, dan zijn ze ongeordend. Wanneer +de treinenloop anders was, wanneer er andere communicatiemiddelen +waren, zou zoo'n zaal er heel anders kunnen uitzien, maar nú heeft +ze zóó'n indeeling en alle brieven komen zóó ingedeeld terecht! Maar +we zouden ons kunnen voorstellen, dat in een anders ingerichte zaal +heel wat anders uit die brieven zou worden. + +Brengen we deze beeldspraak over. + +Onze zinnen voeren ons gewaarwordingen toe reeds "van een adres +voorzien." Ze zijn al tijdelijk geordend en daar de tijd aprioristisch +is, is er al een element à priori in onze aanschouwingen. Dat +element nu maakt het mogelijk, om de aanschouwingen onder te +brengen in de aprioristische vakjes, ze te rangschikken onder +de verstandsbegrippen. Onze geest heeft nu eenmaal een bepaalde +inrichting. We kunnen ons wel denken, niet voorstellen, dat een +andere geest heel anders zou zijn georganiseerd en dus van dezelfde +noumenale wereld een heel anderen indruk zou kunnen krijgen, evenals +in een anders ingerichte zaal de brieven anders zouden terecht komen. + +Dit beeld geeft o. a. aanleiding tot één groot gevaar: dat men meent, +dat er een opvolgend proces plaats vindt, dat achtereenvolgens +verschillende bewerkingen plaats vinden en dat de vakjes, de +verstandsbegrippen a. h. w. klaar staan en men zich van hun bestaan +helder bewust zou zijn, zooals men ook de vakjes in onze zaal +ziet staan. Dit is niet zoo. Wij kunnen onze ervaringen ontleden in +elementen, maar zij blijven een geheel. Er is niet een oogenblik, dat +we alleen nog maar gewaarwordingen hebben zonder ruimte en tijd, dan +nog maar alleen aanschouwingen, die nog niet onder verstandsbegrippen +ondergebracht zijn. Hier zou men met een ander beeld kunnen zeggen: +als wij vloeistof putten uit een vat, brengen wij den vorm mee, +maar zoo spoedig we iets hebben, hebben we de stof ook in den vorm +van het ding, waarmee wij scheppen. Inhoud en vorm zijn gelijkertijd +gegeven. Ook moeten we niet meenen, dat die verstandsbegrippen ons +helder voor den geest staan. Zooals iemand altijd kan hebben geademd +met zijn longen, zonder ooit van zijn longen gehoord te hebben, zoo +kan iemand ook altijd zijn verstandsbegrippen aanwenden, zonder ze +zich bewust te maken. + +Ook de kategorieën moeten dus vooral niet verward worden met +de ingeboren begrippen, zij zijn geen bezit van den geest, geen +bewustzijnsinhoud, maar de werkwijze, de organisatievorm van ons +bewustzijn. + +En dit laatste nu maakt het juist zoo moeilijk antwoord te geven +op die vraag: welke zijn dan die kategorieën? Over welke zuivere +verstandsbegrippen beschikken we? Het denken staat dus hier voor de +moeilijke opgave, zichzelf tot voorwerp van onderzoek te maken en te +letten op die dingen, die hem 't meest gewoon zijn, wijl altijd weer +aan gebruikt zonder extra inspanning. (Met veel eenvoudiger dingen +gaat dat gewoonlijk al zoo. Dat iets een eigenaardige gewoonte is in +zekeren levenskring, merkt men soms pas, als men uit dien kring komt +en andere ziet. Zoo herinner ik me nog een jong meisje van 16 jaar, +dat met groote verbazing hoorde, dat er ook menschen waren, die nog +niet eens f 20.000 hadden.) + +Kant heeft, om de kategorieën te vinden, den empirischen weg verlaten +en heeft een kunstig stelsel van kategorieën opgebouwd. Vrijwel +algemeen wordt het gekunstelde hiervan erkend. Gevoegelijk slaan we +dit dus over. + +We zagen nu, dat er kategorieën zijn, en dat alle waarnemingen +volgens de kategorieën opgenomen worden. Ervaring ís er dus eerst +door de kategorieën: zij maken de ervaring, en omdat zij dat doen, +gelden zij voor de ervaring. Waarom kunnen we van te voren zeggen, dat +alle brieven hun plaats zullen vinden en zóó en niet anders verdeeld +worden? Omdat die indeeling ligt aan de vakjes, niet aan de brieven. + +En nu kunnen we komen tot de groote stelling van Kant: + +dat de dingen zich richten naar ons, en wij ons niet richten naar +de dingen. + +Ziehier het tegendeel, van wat tot dusver geleerd was. De dingen, +op ons inwerkend, geven afdrukken in onze ziel, onze kennis is een +weerspiegeling dier dingen. Kant zegt: neen, wij maken de dingen zóó, +als ze zijn, ons bewustzijn is niet bloot ontvangend en lijdelijk: +het is actief, het heeft spontaneïteit. + +Kant heeft zichzelven dan ook met Copernicus vergeleken. Deze had, +tegen den zinnelijken schijn in, geleerd, dat de aarde zich om de +zon bewoog. Kant leerde, dat de dingen zich schikten naar den mensch, +niet de mensch naar de dingen. + +Hoe kan men nu de waarnemingen, die tot de zinnen +behooren, rangschikken onder de kategorieën? Is er iets +gemeenschappelijks? Waarom kan ik een tafelbord onder den cirkel +rangschikken: het is rond. Hebben de waarnemingen nu ook een kenmerk, +dat eveneens de kategorieën toekomt? Ja! + +In elke waarneming is iets tijdelijks, dus iets aprioristisch. Zeer +vernuftig wordt nu aangetoond, dat elke kategorie ook overeenkomt +met iets tijdelijks. (De kategorie-veelheid b.v. is na elkander komen +van een eenheid: 4 is 1 + 1 + 1 + 1; veelheid en eenheid hooren tot +het schema van de tijdrij). De tijd is het gemeenschappelijke: Uit +deze schema's nu worden weer de zuivere verstandsregelen afgeleid, +welke aan onze wetenschappelijke natuurkennis ten grondslag liggen. Er +zijn dus evengoed aprioristische oordeelen voor de natuurwetenschap +als voor de wiskunde. Een dier beginselen b.v. is: + +Bij alle wisseling der verschijnselen blijft de substantie onveranderd. + +Kant ziet in de substanties iets blijvends, dat noch verminderd noch +vermeerderd wordt. Zelfs in het vuur gaat niets te loor. Dit beginsel +past--desnoods zonder er zich rekenschap van te geven--de natuurkundige +altijd toe. Hang bijv. aan den arm eener balans een magneet en daaraan +ijzervijlsel. Maak evenwicht. Verbrand het ijzervijlsel. De balans +slaat door. Het blijkt dat het ijzervijlsel zwaarder is geworden. + +Nu zegt de natuurkundige: bij dat ijzervijlsel is wat gekomen: het +is zwaarder. Hij weet thans, dat dit de zuurstof uit de lucht is, +die zich met het ijzervijlsel heeft verbonden. + +De stof blijft en wordt niet vermeerderd. + +Zet een schaaltje water in een kamer en weeg het precies of meet het. + +Kom er na een poos bij. Er is minder water. De natuurkundige is +overtuigd, dat er niet maar zoo water is verdwenen. Hij neemt aan, +dat dit water ergens is gebleven. Waar? Het is uiterst fijn verdeeld +in de lucht. Er is een gedeelte verdampt. + +Wij zien dus, dat Kant hier een aprioristisch substantie-begrip +aanneemt, dat voor hem de substantie het blijvende is. Eveneens +beschouwt hij het causaliteitsbeginsel als aprioristisch. Met Hume +erkent hij ten volle, dat het niet gegeven is in de waarneming der +feiten, maar, zegt Kant, het is een grondstelling van het zuiver +verstand, dat alles geschiedt naar de wet van oorzaak en werking. + +Dat wij dus, als wij A en B oorzaak en gevolg achten, het optreden +van A veronderstellen, als wij B zien en omgekeerd, B verwachten, +als wij A zien, schrijft Kant niet toe aan een door gewenning, door +associatie ontstane verwachting, zooals Hume doet, maar hij acht dit +een der regelen, waarnaar wij ervaren. + +Ge komt op een avond in uw kamer en het gas is aan. Nu twijfelt ge +er niet aan, of iemand moet de gaskraan opengezet hebben en de lamp +aangestoken. + +Stel, dat uw huisgenooten het zouden willen ontkennen, dan zoudt +ge zeggen: maar het gas is toch òp en met onweerstaanbaarheid moet +ge aannemen, dat iemand, wie dan ook, het, op welke wijze dan ook, +opgestoken heeft. Ge ziet B en ge veronderstelt A. + +Ge komt op uwe kamer, steekt een lucifer aan, draait de kraan open: +na verwacht ge zeker, dat het licht op gaat. En doet het dit niet, +dan zoekt ge dadelijk naar de oorzaak: de hoofdkraan was dicht, er +was lucht in de gaspijp, er is een lek of zoo iets. A was aanwezig, +ge rekent op B. Blijft B uit, dan zijt ge overtuigd, dat er andere +omstandigheden, die er anders nièt zijn, aanwezig zijn. + + +Opm. Het hier behandelde is de TRANSCENDENTALE ANALYTIEK, die de +zuivere verstandsbegrippen opspoort, zooals de transcendentale +aesthetiek de aprioristische aanschouwingsvormen zocht. Deze +moet aantoonen, dat er zuivere wiskunde is, gene, dat er zuivere +verstandsbeginselen zijn voor de natuurwetenschap. Kant behandelt eerst +de begrippen: de kategorieën, waarvan hij er twaalf (4 × 3) aanneemt. + +Daarna wijst hij in de DEDUCTIE aan, waarom die kategorieën passen +voor de werkelijkheid ook buiten ons. Zij maken de ervaring, door +haar algemeen-geldig en noodwendig karakter te onderscheiden van de +waarneming. De waarnemingen passen in de SCHEMA'S en door hen kunnen +de kategorieën op deze worden aangewend. Na het transcendentale +schematisme van het verstand, behandelt Kant de grondstellingen van +het zuivere verstand, waarvan wij twee noemden, die behooren tot de +groep van analogieën der ervaring. + + + + + +§ 7. Ziel, Wereld en God. + + + Nemen wij een sluitrede. + Alle metalen zijn smeltbaar. + Goud is een metaal. + Goud is smeltbaar. + + +Het laatste oordeel grondt zich op de beide eerste. Maar nu kan ik +ook weer vragen: hoe kom ik aan het eerste en tweede oordeel? En als +ik dat aangewezen heb, kan ik weer verder vragen. Kan ik zoo eindeloos +doorgaan? Neen! Ik wil ten slotte komen tot iets dat vaststaat, iets, +dat de eerste schakel is in mijn keten van conclusies. Als zoodanige +vind ik nu: ziel, wereld, God. + +Deze begrippen zijn onafhankelijk, niet betrekkelijk, maar volstrekt; +niet onvolledig, maar volledig. Zij vereenigen alle ervaringen in een +eenheid. Zinnelijkheid deed ons waarnemen, het verstand gaf ons onze +ervaringen, het is de rede, die ons tot deze hoogste eenheden voert, +door Kant ideeën genoemd. + +Alles, wat wij waarnemen en ervaren, betrekken wij op een ik, als +het waarnemend en ervarend subject. Dit ik is het redebegrip der ziel. + +Alles, wat ik waarneem in, ervaar van de natuur, beschouw ik als een +deel van een al-omvattend geheel. Dit geheel is de wereld. + +Dat àl, de wereld, wordt aangezien voor het werk van een allerhoogste +Rede. Zoo kom ik tot de derde Idee: God. + +Deze ideeën echter zijn niet in de ervaring gegeven: ze liggen buiten +de grenzen van het kenbare. Ze lokken ons wel, leiden ons op den weg +naar onderzoek en hebben als zoodanig waarde, maar ze stellen onze +ervaring niet samen, zooals de verstandsbegrippen. Het is verkeerd om +te meenen, dat wij kennis kunnen hebben van de objecten, die met hen +overeenkomen. Het is een waan, (waaraan velen zich overgeven), dat dit +kan, en uit dien waan zijn drie "zuivere wetenschappen" ontsprongen. + +Op de idee der ziel heeft men de RATIONALISTISCHE ZIELKUNDE willen +opbouwen. Kant echter kent alleen zielkunde, op ervaring gebouwd, +op onderzoek van de gegevens van het bewustzijn berustend. De +onstoffelijkheid, de eenheid en daarmee de onsterfelijkheid der ziel +kan niet bewezen, doch ook niet wederlegd worden. Dit is een groot +voordeel, want de zekerheid voor de onsterfelijkheid der ziel wordt +ons wel anderwege gegeven. (zie pag. 45 v.v.). + +De LEER DER WERELD berust op de idee wereld. Wanneer men over die +wereld, over den kosmos gaat handelen, verstrikt het verstand in +tegenstellingen. Men kan dan evengoed bewijzen, dat de wereld een +begin, als dat zij geen begin moet hebben gehad; dat zij ruimtelijk +zoowel onbegrensd als begrensd kan zijn, dat alle samengestelde +zelfstandigheden uit enkele deeltjes bestaan, alsook dat er niets +enkels is in de wereld. + +Er is vrijheid, d. w. z. er zijn verschijningen, die niet volgens de +wet der causaliteit kunnen verklaard worden; daar staat tegenover: +er is geene vrijheid, maar alles geschiedt met noodwendigheid naar +natuurwetten. + +Kant behandelt die tegenstellingen ook en tracht ze op te +lossen. Merkwaardig is, wat hij zegt van de laatste. De mensch is +burger van twee werelden: als verschijning is hij onderworpen aan de +natuurwetten, als "ding an sich" is hij vrij. In de phaenomenale wereld +heerscht alleen causaliteit naar natuurwetten. In de intelligibele +wereld is de mensch vrij. In zijn causaal bepaald karakter, zooals +dat in de phaenomenale wereld uitkomt, weerspiegelt zich echter zijn +intelligibel karakter en daarom ook is hij verantwoordelijk. + +Op de idee God berust de SPECULATIEVE THEOLOGIE, die eveneens door Kant +wordt verworpen. Geen der drie bewijzen voor het bestaan van God acht +hij houdbaar. Allereerst verwerpt hij het door hem met onderscheiding +behandelde bewijs, dat Gods bestaan uit de doelmatigheid der wereld +afleidt. Het physisch-theleologisch bewijs is o. a. daarom niet +houdbaar, wijl het alleen maar verklaren kan dat de bouwmeester van het +heelal zeer machtig en wijs, niet almachtig en alwijs kan geweest zijn. + +Het kosmologisch bewijs stelt God als de eerste oorzaak. Maar omdat wij +een eerste oorzaak willen aannemen, ja, bijna moeten, om tot eenheid +van kennis te geraken, daarom mogen wij aan die hypothetisch gestelde +oorzaak, die buiten de grenzen der ervaring ligt, geen werkelijk +bestaan toekennen. + +Het ontologische bewijs (Deel I, pag. 189), dat uit het begrip God +zijn bestaan afleidt, wordt verworpen, wijl het bestaan niet tot de +kenmerken van een begrip behoort. "Honderd werkelijke daalders bevatten +niets meer dan honderd gedachte." Het bestaan zegt hoe een ding zich +tot onze kennis verhoudt, het moet bij een begrip gevoegd worden en +dan krijgt men een oordeel, waarin een bestaan wordt uitgesproken. Uit +God als begrip kan ik niet zijn bestaan halen. Ik moet dan zeggen: +God is. In het begrip God zijn dan echter geen meer kenmerken gekomen, +het is als bestaande gezet [geponeerd]. + +Zoo is dus de speculatieve theologie ook afgebroken. Het voordeel +is ook weer hier, dat daarmee meteen aan de godloochening het wapen +uit de hand is geslagen. Men kan ook niet bewijzen, dat God er niet +is. Er is dus plaats voor geloof. En gelóóft men eenmaal aan God, +dàn kan de speculatieve idee het Godsbegrip louteren en zuiveren, +en daaruit alle elementen verwijderen, die er niet in hooren. + + +Opm. Dit gedeelte behandelt Kant in de transcendentale DIALECTIEK, die +dus den schijn moet behandelen, niet de waan, die individueel is en +òf door slordig waarnemen òf slordig nadenken ontstaat, maar de waan +in den mensch, die natuurlijker wijze ontstaat. De rede ontwerpt hier +begrippen, die wij ideeën kunnen noemen. Zij zijn niet konstitutief, +maar regulatief. Drie dezer ideeën zijn er: ziel, wereld, God. + +Deze ideeën liggen buiten het gebied der ervaring: ze zijn transcendent +(wel te onderscheiden van transcendentaal, wat Kant zelf helaas niet +altijd heeft gedaan). Door deze transcendente ideeën als objecten voor +kennis te behandelen, heeft men de rationeele psychologie, kosmologie +en theologie gekregen. De eerste brengt tot alogische redeneeringen, +tot paralogismen, de tweede tot de vier beroemde antinomiën, waarin +these en antithese beide gerechtigd schijnen, de derde tot de drie, +niet houdbare bewijzen voor 't Godsbestaan. + + +Overblikken wij nu de kritiek der zuivere rede. + +Onze zinnelijkheid geeft ons waarnemingen, door de aanschouwingsvormen +van ruimte en tijd, die aprioristisch zijn, geordend. Ons verstand +voegt de waarnemingen onder de kategorieën door middel der schema's. + +Zuivere wiskunde is mogelijk en ontleent haar algemeen geldig en +volstrekt karakter aan de aprioriteit van tijd en ruimte. Uit +de aprioriteit der kategorieën volgen enkele aprioristische +grondregels, waarnaar wij onze ervaring opbouwen. De dingen schikken +zich naar ons. Het substantie- en causaliteitsbegrip zijn hier het +voornaamste. Gaan wij de ervaring overschrijden, dan brengt de rede +ons tot de ideeën van ziel, wereld en God, die ons verborgen blijven +en geen eigenlijk voorwerp van kennis zijn. Het zijn grensbegrippen. + +Onze kennis, die dit eerst wordt, als we ervaringen (geen waarnemingen) +hebben, blijft beperkt tot de wereld der verschijnselen. De achter de +phaenomenale wereld gelegen noumenale wereld blijft ons verborgen. We +weten alleen dat ze bestaat. We moeten ons hoeden voor de dwaling, +verschijning als schijn op te vatten. Ook de verschijningswereld +is werkelijk. + + +Opm. We geven hier nog een kort schema. + + + KRITIEK DER ZUIVERE REDE. + +Transcendentale Transcendentale Transcendentale +aesthetiek. analytik. dialectiek. + +-- -- -- +Ruimte en tijd. Kategorieën. De redebegrippen of + Ideeën. +Aprioristische Zuivere -- +aanschouwingsvormen. verstandsbegrippen. +Phaenomena. -- Ziel. +Noumena. Deductie. Paralogismen der + psychologie. +Ding an sich. -- Wereld. + Transcendentaal Antinomiën. (theses en + schematisme van 't antitheses) der + verstand. rationeele kosmologie. + Grondstellingen van 't God. + verstand. (o. a. + analogieën der + ervaring.) + De substantie blijft. De drie bewijzen der + speculatieve + theologie. + Causaliteit. + + + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +PRACTISCHE FILOSOFIE. + + +§ 8. Zedeleer. + +Evenals in de kennisleer heeft Kant in de zedeleer ook een +ontwikkelingsgang van jaren doorgemaakt, voor hij tot de +vaststaande opvattingen van de kritiek der practische rede (1788) +kwam. Aanvankelijk oefende Wolff grooten invloed. Later maakten de +Engelsche moraalfilosofen, (Shaftesburry, I, pag. 309) en Rousseau +grooten indruk. Ten slotte bouwde ook hier de denker een eigen +trotschen bouw, die de tijdgenooten nog meer imponeerde, dan zijn +theorie der kennis. Hij vertoont daarmee groote overeenkomst. + +De kritiek der zuivere rede zoekt aprioristische beginselen te vinden, +ook wel transcendentale of formeele genoemd, die ten grondslag lagen +aan de kennis van wiskunde, natuurwetenschap en metafysica. + +Die beginselen waren als vorm scherp onderscheiden van den inhoud +der waarnemingen en ervaringen. + +Op het gebied der ethiek nu zocht Kant ook naar een zuiver beginsel, +naar een vorm, waaronder zich alle zedelijk voorschrift laat +brengen. "Niet een nieuw beginsel, maar een nieuwe formule der +zedelijkheid" wordt in de Kritiek der Practische Rede opgesteld. + + + +Autonomie. + +De vorm van ons willen wordt ons niet opgedrongen, maar +voorgeschreven. De wet voor den wil is geen natuurwet, die zegt dat dit +en dat zoo ìs en niet anders kàn, maar dat dit en dat zoo behóórt. De +wet echter stamt uit onze practische rede evengoed a priori als de +natuurwet uit de zuivere. Zooals daar het verstand de natuur de wetten +voorschrijft, zoo hier ook. Daarom is Kant's zedeleer AUTONOOM: niemand +anders, niets anders schrijft ons de zedewet voor. Wijl autonoom, +kan de zedeleer niet berusten op Gods wil, niet op den lust, niet +op het algemeene welzijn. Verworpen worden dus de moraalsystemen, +die uitgaan van Goddelijk gebod, van den lust (hedonisme), van het +meegevoel, van de sympathie, (zie I, pag. 84 en pag. 323). Niet op +den wil van een ander, niet op den lust (waarvoor ieder al genoeg uit +zichzelf zorgt, en dat dus niet voorgeschreven behoeft te worden) +niet op de sympathie, d. i. op den onvasten bodem van het gevoel, +kan de zedeleer berusten, die in haar opperste beginsel van absolute +geldigheid voor ieder en voor allen tijd is. + + + +De goede wil. + +Er is ook maar één ding te waardeeren: den goeden wil. Alle z.g. goede +dingen kunnen verkeerd aangewend worden. Dapperheid, een deugd, +kan door boozen wil verkeerd worden aangewend; evenzeer verstand, +bekwaamheid, enz. Waar het dus bij de zedelijke beoordeeling op +aankomt, is niet de verrichte daad, maar de wil die voorzat. Niets +in of zelfs buiten de wereld is te denken, wat onbeperkt als goed +geacht kan worden, dan de goede wil. + + + +Legaal en moraal. + +Er zijn daden, die op zichzelf niet zijn af te keuren, maar die +eigenlijk toch geen voorwerp van zedelijke waardeering zijn. + +De koopman, die zijn klanten eerlijk behandelt, om de klandisie +niet te verliezen, de werkman, die zijn plicht stipt vervult, om niet +ontslagen te worden, zij handelen beiden wettig, legaal. Wij waardeeren +deze handelwijze, maar vinden ze niet zedelijk-goed. (Natuurlijk ook +niet kwaad!) Men kan ook uit neiging, uit gevoel, uit sympathie, uit +welwillendheid, den arme weldoen, den vriend bijstaan, uit eerzucht +zich beijveren. Maar ook dit is nog legaal. Slechts wanneer men iets +doet, dat men zijn plicht acht, zelfs tègen zijn neiging in, dan +wordt de handeling moreel. De zedewet te gehoorzamen uit plichtbesef, +dat is de ware zedelijkheid. + + + +Rigorisme. + +Op deze laatste onderscheiding (v.g. ook I, pag. 142) is veelvuldig +aanmerking gemaakt. Men heeft over 't geheel gemeend, dat Kant +aan de goede handeling uit neiging en sympathie te weinig waarde +toeschreef. Het is zeer goed mogelijk, dat men iemand bijstaat, +zoowel uit plichtbesef als uit sympathie. Schiller, die overigens +niet tegenover Kant stond, drukte dit uit in zijn bekend versje: + + + Gaarne dien ik den vriend, doch ik doe het helaas nog met neiging. + En daarom kwelt het mij vaak, dat ik de deugd niet bezit. + Daar is geen andere raad: probeer het, hem te verachten, + En doe met afschuw dan, wat de plicht u gebiedt. + + +Maar vragen wij nu: wat schrijft de plicht, in wiens opvolging alleen +ware zedelijkheid ligt en wiens formule uit ons zelf stamt, dan voor? + +Het antwoord daarop geeft de kategorische imperatief. "Handel zoo, dat +het richtsnoer van úw wíl tegelijk als voorschrift voor een algemeene +wetgeving kan gelden." [2] Telkens, wanneer er dus een bepaalde daad +verricht dient te worden en wij twijfelen, of ze goed is, kunnen wij +vragen: Wanneer ieder naar mijn beginsel handelde, wat zou er dan van +de menschheid worden? Nemen we maar één practisch voorbeeld. Wij kunnen +ons geen samenleving voorstellen zonder vertrouwen; bestond dit niet, +alle beschaving, alle maatschappelijk samenleven hield op. Vertrouwen +schenden is dus verkeerd, omdat onmogelijk gewenscht kan worden, +dat iedereen dit doet. + +Deze stelregel is de KATEGORISCHE IMPERATIEF van Kant. Een imperatief +is het, omdat de regel gebiedend optreedt, objectief geldig is +(imperare = gebieden). Een imperatief moet onderscheiden worden van een +maxime, een subjectieve meening van een bepaald individu. Kategorisch +is de imperatief, omdat ze niet aan voorwaarden gebonden is, maar +algemeen geldig. Ze staat tegenover de hypothetische imperatief +(als ge dokter wilt worden, moet ge in de medicijnen studeeren) +die een gebod behelst, dat slechts onder bepaalde voorwaarden geldt. + +De toepassing van den kategorischen imperatief op de verschillende +levensomstandigheden hangt van vele omstandigheden af. Hij is dus een +algemeen, a. h. w. ledig beginsel, maar kan in een andere formuleering +wat concreter kleur bekomen. Die formuleering hangt samen met de +onderscheiding van doel en middel. Men kan nl. onderscheiden, dingen, +die middel zijn, (bijv. voedsel, kleeding, woning, kunstgenot), en +die door andere te vervangen zijn en eerst van beteekenis worden, +als ze tot iemands behoeve worden aangewend, en dingen en personen, +die doel zijn, die geen prijs hebben, maar waarde. Dit zijn bijv. de +zedelijke gezindheid en de mensch. "Zedelijkheid en de menschheid, +voorzooverre zij geschikt is, zedelijkheid te hebben, zijn het eenige +wat waarde heeft." En hieruit vloeit een andere formuleering van den +kategorischen imperatief. + +"Handel zoo, dat gij de menschheid, zoowel in uw eigen persoon als +in den persoon van ieder ander immer tegelijk als doel, nooit bloot +als middel beschouwt." + +Een werkgever mag dus zijn werknemers niet bloot als middelen, om +zijn zaak te drijven, beschouwen, een veldheer zijn soldaten niet als +"kanonnenvleesch" en meer niet, aanzien. + +In hoeverre hebben we nu, ons zelven en de menschheid als doel +beschouwend, te letten op eigen zedelijke volmaking, op het geluk van +anderen! Bij sommige systemen staat het eene, bij andere het laatste +meer op den voorgrond. Ook hier treedt Kant, als in de kennisleer, +overbruggend op. Maak eigen volkomenheid en anderer geluk tot doel van +uw handelingen. Een ander kan ik niet volkomen maken: de volkomenheid +bestaat in de gezindheid en die kan ik een ander niet schenken. Eigen +geluk te verzorgen is geen zedelijke plicht, dat streef ik van zelf +al na. + +Wij hebben dus plichten tegen ons zelven (volmaking van lichamelijke +en geestelijke kracht) en tegenover anderen (hulpbetoon). Medelijden +als gevoel verwerpt Kant: het is een vermeerdering van lijden; wat hij +eischt, is medelijden als daad, de klaarstaande hulpvaardigheid. De +vriendschap wordt zeer hoog geacht, in haar is evenwicht van achting +en genegenheid. (Voor de groote, ook zedelijke beteekenis van het +huwelijk had Kant weinig oog). + +Vatten wij het gezegde kort samen, dan krijgen wij: + +Er is een aprioristisch formeel ethisch beginsel, niet steunend op +iemand of iets anders. + +Het verstand geeft zichzelf de wet: onze zedeleer is autonoom. Dat +zuivere zedelijk beginsel is de kategorische imperatief. Waarachtig +zedelijk, moreel, handelt alleen, wie zijn plicht doet tegen +zijn neiging in. Legaal handelt hij, die uit neiging of uit +nuttigheidsoogpunt handelt. Voorwerp van zedelijke waardeering is +alleen de goede wil. + +De kategorische imperatief eischt, dat wij onze persoonlijke zedelijke +inzichten, onze maximen zóó stellen, dat zij algemeene objectieve +zedelijke beginselen kunnen zijn; dat wij nooit eenig mensch alleen +als middel behandelen. + +De bijzondere plichten zijn plichten tegen ons zelven (eigen volmaking) +en anderen (hun geluk). + + + + + +§ 9. Theologie. + +Kant had de speculatieve theologie verlaten. De idee God was een waan +gebleken, een wel natuurlijkerwijze ontstaan idee, maar desniettemin +een grensbegrip, onze ervaring te boven gaand. De bewijzen voor het +bestaan Gods waren gewogen en te licht gevonden. Verdween daarmee ook +het geloof aan God? En was, met de afbraak der rationeele psychologie +ook het geloof aan 's menschen onsterfelijkheid vernietigd? Neen. Noch +het geloof aan God, noch dat aan vrijheid en onsterfelijkheid was te +loor gegaan. Als geloof waren zij behouden. + +Waarop bouwde zich dat? Had het grond? + +Ja, die was te vinden in het zedelijk bewustzijn! + +Wij geven ons zelven de wet, dus vrij zijn wij. Onomstootelijk vast +staat de zedewet. En van dat feit uitgaande, weet de mensch zich +burger van een intelligibele wereld, waar vrijheid heerscht. Met +de zuivere rede bewijs ik die vrijheid niet, maar als postulaat +vloeit ze onmiddellijk voort uit de praktische rede, die ons de +zedewet oplegt. In de kennisleer is aangetoond, dat het aannemen +der vrijheid niet tégen de rede strijdt. Daar is de ruimte gemaakt +voor de postulaten, die de practische rede stelt. En kunnen wij ons +geen aanschouwelijke voorstelling maken van de andere wereld, wij +mogen toch een andere causaliteit veronderstellen voor de wereld der +"dingen an sich". + +Het geloof AAN DE ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL is eveneens een postulaat +der practische rede. + +Wat eischt de zedewet? Dat wij er volkomen naar zullen handelen. Maar +in dit korte leven vindt die volkomen overeenstemming tusschen wet +en leven niet plaats. Zoo hopen wij op een voortdurend bestaan, opdat +wij hoe langer hoe meer het zedelijk ideaal zullen kunnen naderen. + +Eveneens zijn we gerechtigd, en dit is het derde postulaat, aan God +te gelooven. + +Deugd en gelukzaligheid moeten samengaan, maar in dit leven zien wij +dit dikwijls anders. Zoo moeten wij aannemen, dat alleen een àl-wijs, +àl-goed, àl-machtig wezen, dat de zedelijke wereld regeert, dat de +natuur geschapen heeft, recht zal doen en de juiste verhouding zal +herstellen. + +Op het zedelijk zelfbewustzijn bouwt Kant dus de drie groote religieuze +beginselen, die hij steeds aanhing: vrijheid, onsterfelijkheid, +God. Niet op den godsdienst berust de moraal, zooals zoo dikwijls +geleerd was. Ook hier keert Kant om. Aan de zekerheid van de zedewet +en aan hare majesteit ontspringt ons geloof. + +Hoe is nu de verhouding tot de geopenbaarde religies? De inhoud der +eigenlijke religie valt samen met die der moraal. De rede heeft nu +na te gaan, welke van de bijzondere toevoegselen, die de bestaande +historische godsdiensten voegen bij het zuivere redegeloof, te +rechtvaardigen zijn. Daarbij mag men niets van te voren aannemen, +noch verwerpen. + +Kant zelf waardeert den bijbel zeer hoog en tracht vele christelijke +leerstukken een wijsgeerige beteekenis te geven, bijv. den zondenval, +de wedergeboorte, de Christusidee, de kerk. Veel meer, dan de +denkers der aufklärung, weet Kant de historische roeping der kerk +te waardeeren. Zij was het werktuig om de zuivere religie in hare +vormen te verbreiden. Het wonderengeloof acht hij tegen de wetten +der ervaring en niet noodig voor onze zedelijke verheffing. Voor den +theoloog als geleerde eischt Kant vrijheid--op den kansel heeft hij de +gebruikelijke symbolen, waarin de waarheid zich hult, te eerbiedigen. + + + + + +§ 10. Staats-rechtsleer. Opvoedingsleer. + +De zedewet eischt de gezindheid, het recht, de wet van den Staat +vraagt niet meer dan de handeling. Degene, die de wet overtreedt, +ontvangt straf. Deze wordt niet gegeven, opdat niet gezondigd wordt, +noch tot verbetering der misdadigers, maar als vergelding: ieder moet +dàt krijgen, wat hij verdient. + +Den besten regeeringsvorm acht Kant, die zoowel den Amerikaanschen +vrijheidsoorlog als de Fransche revolutie met groote belangstelling +volgde, en democratisch gezind was, een constitutioneele monarchie. De +wetgevende macht hoort bij het volk, de uitvoerende bij den koning, +de rechtspraak bij door het volk gekozen rechters. Erfelijke adel +behoort er niet te zijn. Vrijheid van gedachtenuiting bevordert het +algemeen welzijn. + +Men mag met grond hopen, dat de menschheid vooruitgaat, zoowel in +zedelijk als in verstandelijk en technisch opzicht. Geloofde men +niet aan dien vooruitgang, dan zou men zijn plicht, aan dezen mede +te werken, niet kunnen vervullen. + +Ook de ervaring spreekt er voor. Wel schijnen de steeds meer gehoorde +klachten over den achteruitgang van het menschelijk geslacht daar +tegen in te gaan, maar deze bewijzen slechts, dat de menschheid haar +ideaal hooger heeft leeren stellen. + +Er is dus hoop, dat de menschheid meer en meer den toestand van +eeuwigen vrede nadert. Dit is het doel der geschiedenis: uit den +"noodstaat" tot den "redestaat" (Vernunftstaat) te komen. + +Eigenbaat, die zekerheid wenscht voor handel en verkeer, werkt samen +met de ontwikkeling van het zedelijk bewustzijn. Scheidsgerecht zal +misschien eenmaal den oorlog vervangen. Dit optimisme voor de toekomst +maakte Kant niet blind voor de vele gebreken van den mensch zooals +die nu is en zoo sterk treden die soms in 't licht, dat men wel in +Kant een voorlooper van 't pessimisme heeft willen zien. + +Over opvoeding heeft Kant hier en daar meeningen geuit, +terwijl er ook een verzameling van aanteekeningen bestaat over +dit onderwerp. Het is belangrijk er op te wijzen, dat hij de +tegenvoeter is van Locke--Rousseau en Basedow ten opzichte der +zedelijke opvoeding. Absoluut is hij er tegen, om de voorschriften der +zedeleer door belooning aanlokkelijk te maken, om door 't opwekken +van 't eergevoel een naijver tot zedelijke inspanning te voeren, +om door de gevolgen af te schrikken van de ondeugd. Het kind moet +langzamerhand bewust worden van het zedelijk grondbeginsel, dat hij in +verschillende omstandigheden ziet toegepast. Men moet het kind over +bijzondere gevallen doen nadenken. De natuurlijke straf van Rousseau +laat het kind opkomen voor de gevolgen van zijn daad. Kant wil, dat +het de schande, niet de schade van zijn ondeugd inzie. Evenmin is hij +er voor, sterk op het gevoel van het kind te werken. Door gewenning +en intooming moet het kind gedisciplineerd worden, als voorbereiding +voor de eigenlijke wilsopvoeding. + +Ondanks dit diepe theoretische verschil, had Kant groote sympathie +voor Basedow's inrichting te Dessau, die hij als een proefschool +beschouwde. Die sympathie hing ook hiermee samen, dat Kant weinig +voordeel ziet in het oprichten van scholen door den staat en de +vorsten; deze zullen met hun onderricht geen algemeen-menschelijke +vorming nastreven, geen wereldburgers kweeken, maar slechts eigen +bizondere doeleinden najagen. De stichting van scholen is beter +toevertrouwd aan weldenkende, verlichte menschen. + +Dat Kant, die door een verstandige levenswijze zich zelf bij zwak +lichaamsgestel vrij gezond had weten te houden, de lichamelijke +opvoeding niet ongenegen is, behoeft nauwelijks vermelding; evenmin +dat de denker, die op de ontwikkeling der rede zoo grooten nadruk +lei, zich ergerde aan een vormendienst kweekend godsdienstonderwijs, +dat veel onbegrepens liet van buiten leeren. + + + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +SLOT. + + +§ 11. Schoonheidsleer. + +De leer van het schoone (daar Kant aesthetica gebruikt in den zin +van waarnemingsleer, is het beter hier het woord aesthetica te +vermijden) wordt in de derde critiek behandeld, die in indeeling +zooveel overeenkomst met de eerste vertoont, dat de stof geperst +wordt in ondoelmatige vormen. De critiek der zuivere rede behandelde +hoofdzakelijk de werking van 't verstand. Die der practische rede ziet, +met haar zedeleer, op den wil. De critiek der oordeelskracht betrekt, +met hare behandeling van het schoone, ook het gevoel in den kring +der Kant'sche onderzoekingen. + +Ook ten opzichte van het schoone neemt Kant een standpunt in tusschen +empirisme en rationalisme. Voor de Engelschen (Burke, I, pag. 324) was +het mooie een zinnelijk welgevallen geweest. Baumgarten (I, pag. 357), +uit de school van Wolff, had het schoone gelegen geacht in het ding, +het schoonheidsgevoel als een lagere, minder heldere kennis beschouwd. + +Ook hier weer toont Kant de werkzaamheid van het waarnemende subject +aan. Het schoone is niet gelijk met het ware, dat een voorwerp van +kennis is. Het schoone wordt ook niet begeerd, vanwege zijn nuttigheid +of zijn zedelijke waarde, zooals nuttige en goede dingen, maar het +wordt beschouwd. Het schoone wordt niet, als aangename spijze of +drank zinnelijk genoten, het wordt niet practisch gebruikt. + +Het schoone behaagt ons dus, bevalt ons, zonder dat wij er belang +bij hebben, het wekt een "belangeloos welgevallen." Dat welgevallen +ontstaat, als wij, bij de waarneming van eenig voorwerp, fantasie en +verstand in evenwicht kunnen laten werken. Waar wij iets gemakkelijk +opvatten, is het voor ons doelmatig. Zien wij bijv. een mooie +figuur, wier lijnen wij zonder moeite volgen, dan past dat aan bij +onze opmerkzaamheid; zonder dat die figuur een doel heeft, en wij +het doel er van vragen, is er toch iets doelmatigs in, voor òns. De +aanschouwende mensch maakt de schoonheid en het is juister te zeggen, +dat iets schoon gevonden wordt, dan dat iets schoon is. + +Om iets schoons voort te brengen, moet men over meer gaven beschikken +dan om het te genieten. Hiervoor is alleen smaak noodig, voor het +eerste genie. Zeer mooie opmerkingen geeft Kant over het genie +(voorzoover hij, in afwijking van het huidige spraakgebruik, +daaronder niet het wetenschappelijk, maar alleen het artistiek genie +verstaat). Genialiteit is een gelukkige aanleg, "waardoor de natuur +de kunst regels geeft." Het genie is oorspronkelijk, scheppend: zijn +werken kunnen tot navolging opwekken, zij kunnen niet nagebootst +worden. De waarachtige kunstenaar is gansch onderscheiden van den +werkman: die kan bepaalde voorschriften geven en naar vastgestelde +regels handelen. Anders het genie. "Hoe het genie zijn product +voortbrengt, kan hij zelf niet beschrijven of wetenschappelijk +aantoonen, daarom heeft hij het ook niet in zijn macht, zijn +scheppingen naar welgevallen en planmatig uit te denken en anderen +dit in zoodanige voorschriften mede te deelen, dat zij daardoor in +staat zijn, dergelijke producten voort te brengen." + +Met deze opvatting van het genie staat Kant midden in zijn tijd, die +de beteekenis der scheppende fantasie, der individueele begaving voor +de kunst in helder licht had gesteld; een tijd ook, waarvoor genie +soms ging beteekenen een mensch, met een zich ook in de levenspractijk +uitlevende, ongebonden fantasie, met een zucht om de schoonheid ook +in het leven te zoeken en te verwerkelijken, op van het burgerlijke +fatsoen ver afliggende paden. + +Te onderscheiden van het schoone is het VERHEVENE. Dit kan òf door +zijn grootheid, of door zijn geweld, zijn kracht tot ons spreken +(mathematische en dynamische verhevenheid). De laatste brengt ons in +de stemming, waarvan de dichter zegt: + + + Betoovrend blijkt natuur, ook als zij daagt ten strijde. + De blik bewondert, schoon hij beeft. + + +Aardbevingen, overstroomingen, stormen, kunnen dien invloed hebben. + +In het gevoel voor het verhevene ligt iets neerdrukkends: de mensch +gevoelt zijn eigen kleinheid. Maar tegelijkertijd ziet hij er iets +in van de oneindigheid, die nergens waar te nemen is. Niet met het +verstand, maar met de rede komt de fantasie nu in samenwerking; +de oneindigheid immers is een rede-idee. Terwijl wij ons dus eerst +als zinnelijke mensch klein gevoelen, worden wij weer opgeheven +als rede-wezens. + +Het gevoel voor het komische, eveneens verwant met, maar onderscheiden +van dat voor het schoone, ontstaat wanneer een gespannen verwachting +plotseling in niet overgaat [3]. Zoo worden we als 't ware voortdurend +opgewonden en loopen plotseling af. Veel gewicht hecht Kant aan de +hiermee gepaard gaande lichamelijke gewaarwordingen, die ons krachtiger +levensgevoel geven. + + + + + +§ 12. Kant's invloed. + +Kant's invloed is overweldigend geweest. + +Aanvankelijk begrepen zijn tijdgenooten hem niet. Niet tot een bepaalde +partij behoorende, meende ieder in hem een vijand, zonder meer te +zien. Reinhold zegt daaromtrent in zijn brieven over de Kantiaansche +Wijsbegeerte, dat ieder hem voor een vijand aanzag: de dogmatici +voor een scepticus, die alle zekerheid van 't weten ondergroef, de +sceptici voor iemand, die een nieuw dogmatisch systeem wou opbouwen, +de spiritualisten voor een materialist, de materialisten voor een +spiritualist, enz. + +Lang duurde die miskenning niet. + +Op verschillende wijzen werkte Kant. + +Zijn schoonheidsleer trok den grooten denker Schiller, en door +dezen raakte ook Goethe met Kant bekend. Schiller heeft Kant's +leer van het schoone verder ontwikkeld. Reinhold (1758-1823) heeft +door zijn brieven veel gedaan tot populariseering der Kantiaansche +wijsbegeerte. Gedeeltelijk afwijkende leer verkondigde Maimon, die +zich met ongelooflijke moeite (hij was een Poolsche Jood) tot zoo'n +hoogte had opgewerkt, dat Kant zei, dat niemand als hij zoo goed de +hoofdzaak had verstaan. + +Weldra werd aan alle universiteiten bijna het criticisme geleerd +en leeraren, die zich tegen Kant verzetten, werden van geliefde en +geachte meesters vergeten grootheden. + +Van heinde en ver kwam men naar Koningsbergen om Kant te zien en +te hooren. + +Enkele uitdrukkingen kunnen aantoonen, welk een invloed men hem +toeschreef. + +Mendelssohn sprak van den "alles vernietigenden Kant" en Jean Paul +riep in geestdrift uit, dat Kant met zijn zedeleer géén licht had +doen opgaan, maar zèlf een glanzend zonnesysteem was. + +Ook in ons land vond de Kantiaansche wijsbegeerte belangstelling. Als +aanhanger daarvan deed zich kennen Kinker (1764-1845), een geestig +schrijver, die van 1817-1830 hoogleeraar in de Hollandsche taal +aan de universiteit te Leuven was. Over hem als wijsgeer heeft +Prof. v. d. Wijck uitvoerig gehandeld. + +De Kantiaansche wijsbegeerte werd bestreden en het oude Christelijk +geloof gehandhaafd door den dichter Rhijnvis Feith (1753-1824), +die in 1806: "Brieven aan Sophie over den geest van de Kantiaansche +wijsbegeerte" schreef, welke door Kinker in een vinnig geschrift: +"Brieven van Sophie aan Feith," beantwoord werden. + +Het verdere verloop der waardeering blijkt uit het vervolg. + + + + + + + + +TWEEDE AFDEELING. + +DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE. + + +§ 13. Voorloopige opmerkingen. + +Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden +groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der +19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, +zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel. + +Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de +eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met +de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel +wordt mee bevorderd door de denkers. + +Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers +en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche +literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te +halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van het romantisme. + +Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich +uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, +niet allereerst van wijsgeerigen aard is. [4] + +Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte, terugtrekken op +het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te +vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, +maar om dit te openbaren in de kunst, om dit uit te leven in de +artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het +leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de +geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de +heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De +nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde +verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend +gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in +een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van +geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van +geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan +open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die +het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland +met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische +roman ontstaat. [5] De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der +romantiek, Schelling is hun wijsgeer. + +Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch +minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw +die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, +is geen dwepend romanticus als Schelling. + +Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare +kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant's leer: de lichamelijke wereld +is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, +de intelligibele wereld. + +Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met het denken: het +zuivere denken moet ons de waarheid brengen. + +De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet +op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd +worden, wordt beproefd. + +Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, +de werkelijkheid wordt gekend. + +Drie groote speculatieve filosofen zijn er. + +Fichte, de ethicus, die 't meest uitgaat naar de zedenleer. + +Schelling, de kunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet. + +Hegel, de denker. + +Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt +een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. "Zijn invloed, +hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, +onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw" +(Eucken). De school van Hegel vormt met haar linkerzijde den overgang +tot het positivisme in Duitschland. + +In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof. + + + +Dit gedeelte is genoemd de tijd der speculatieve filosofie. Want +er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens +de genoemde. Onder hen valt te noemen Herbart, die op ziel- en +opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent. + + + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +FICHTE. + + +§ 14. Leven en Werken. + +Leven. + +De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb +Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in +Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, +door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te +studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke +geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich +te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader +der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter +Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk +maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie +moeilijkheden meebracht--hij hield de ouden elke week de door hen +begane opvoedkundige fouten onder de oogen!--vertrok hij naar Jena, +waar hij kennis maakte met Kant's wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd +de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die van Kant's +boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift +ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht +Fichte hem--hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer +hoopte te worden--te spreken en geeft als aanbeveling een in +vijf weken ontworpen geschrift: "Proeve eener critiek van alle +openbaring". Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze +zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de +laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien +tijd Kant's godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het +boekje voor Kant's werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in +één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar +Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite +met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, +wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij +wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van +Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, +indien hij in 't ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem +nu, zelfs met Goethe's toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, +vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de +romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt +hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij +wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 +wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn +plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft +hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt +gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814. + +Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende +persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken +van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid +onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn +licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; +het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed. + + + +Werken. + +Fichte's werken zijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn +meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn +verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag +méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van +die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel +willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die +uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt +in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en +praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers +van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn +leer wel een ontwikkelingsgang te ontdekken, maar geen totalen omkeer. + +In 1794 verscheen de "Grondslag der geheele wetenschapsleer." In +1797 gaf hij daar nog "Inleidingen" op en in 1800 verscheen: "De +Bestemming des menschen." Verder zijn te noemen: "De Grondslag van +het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L." (1796) en de Zedeleer +naar dezelfde beginselen (1798). + +Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams +goedkoope uitgaven) "De toespraken tot de Duitsche natie," "De +bestemming van den mensch," "Systeem der Zedenleer" en "Feiten van +het Bewustzijn" (1811). + + + + + +§ 15. Theoretische filosofie. + +Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer +nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van +uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van +Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn +criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid +en duidelijkheid geen misverstand buitengesloten en was zoo--zij het +onwillens--vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer +bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en +indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf +geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel +ontsprong. Hij had, in onze kennis vorm en inhoud onderscheidend, +niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam. + +Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, +nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug +te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld: + +Een stelsel te ontwerpen, dat alles uit één beginsel afleidend, +de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen +van Kant, erkent, maar den laatsten oorsprong zoekt van de door Kant +gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt. + +Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan? + +Tweeërlei is mogelijk. + +Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten +bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit +is het dogmatische of realistische standpunt. + +En men kan zeggen: + +Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat +een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt +voortgebracht. Dit is het absoluut idealisme. + +Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van +af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke +redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is een +daad, een wilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos +de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor +het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, +aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan +dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: +het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit +'t bewustzijn worden verklaard. + +Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is: het ik zet zich +zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven +bij denken. "Denk den muur en denk nu, die den muur denkt." + +Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, een handeling. Maar--het +ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik +tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik +zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these +en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd: +"In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik." + +Het ik en niet-ik perken elkaar "in." + +Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, +ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre +passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie. + +Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit +is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe +Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan +de practische filosofie het primaat moest geven. + +In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle +verdere wijsbegeerte. "Geen enkele filosofie komt boven deze kennis +uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren." + +Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven +stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden +doorloopen. Het begint met + +1. een gewaarwording te hebben (bijv. van rood, geur); + +2. komt tot de aanschouwing, dat die gewaarwording buiten het +bewustzijn bestaat, + +3. vormt in tijd en ruimte een beeld (bijv. roos) van het aanschouwde, + +4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot +staan. Er is nu een voorwerp ontstaan, dat aangezien wordt voor de +oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, +een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken). + +5. De oordeelskracht is het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen +te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, +of de grootte). + +6. Het hoogste stadium, de rede, stelt ons in staat, om van alle +voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt +vindt het ik zichzelf. + +Maar nu kan ook gevraagd worden: hoe komt het ik er bij, om zich door +een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het. Dàt het ik dus +de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maar waarom dat +niet-ik gesteld? + +Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord +worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot +bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf +teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, +is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door +het niet-ik. + +Wij moeten handelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen +als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een +voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die +overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm +is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het +ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om +practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover +ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in +haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde. + +Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: +(de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft +deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, +dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid +hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, +en dus de natuur te overwinnen. + + + + + +§ 15a. Practische filosofie. + +Zedeleer. + +Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen +op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De +mensch volgt zijn natuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium +te volgen. De mensch moet komen tot handelen om der wille van het +handelen, hij moet vrij zijn. Streeft hij hier niet naar, blijft +hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. De luiheid +is het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de +mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een +verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op +den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad +moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid +voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in +die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- +en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam +gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, +is geweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar ons +geweten te handelen; ieder in zijn ambt en staat. + +Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent +Fichte toe aan "deugdgenieën", in wie de drift naar vrijheid zeer sterk +was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze +genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen +de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook +dikwijls de godsdienststichters. + +Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met +menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de +verwerkelijking van het ik. Daartoe kan elke mensch slechts door den +arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom--niet als +doel maar als middel--bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd +echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen--zij zijn met +mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik niet alleen in dienst van de +verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term +te gebruiken, "een gemeenschap der heiligen." + + + +Rechtsleer. + +De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van het recht. Dit +heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt +ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als +vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die +dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens. + +Zoo is de algemeene rechtsregel: + +"Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen +zijn." + +In het begrip der persoonlijkheid liggen de "oerrechten" [6] van +persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom. + +Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem +dwingen. Er is dus dwangrecht. Maar om dit in 't werk te kunnen +stellen, moet er een staatsrecht zijn. Dit eischt, dat de burgers +elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig +erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap +tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt. + + + +Huwelijk. + +In een aanhangsel van het "Natuurrecht" behandelt Fichte het huwelijk, +dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde +der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken +en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepen openstaan, +verantwoordelijke staatsambten uitgesloten. + + + +Staat. + +Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal +verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de +volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op +revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet +wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te +ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een +organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in +beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, +om te zorgen, dat ieder eigendom heeft en werken kan. Een soort +socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij +op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: +er zijn in z'n socialisme vele reaktionaire elementen. + + + +Godsdienst. + +In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk +geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een +vroom bespiegelend boekje: "Aanwijzing tot zalig leven." Was vroeger +voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is +deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat +Absolute is het Ik een beeld. "De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, +de wereld een beeld des geestes." Het ware wezen der religie is een +allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid. + + + +Geschiedenis. + +In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het +denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst +een stadium te zien van "onschuld," waarin het zedelijke onbewust uit +instinct wordt gedaan. Nu komt het tijdperk der "beginnende zonde," +waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of +niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: +"die der voleindigde zondigheid," waarin willekeur en zelfzucht +zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en +waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat +de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds +wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der +"beginnende rechtvaardigmaking," waarin het enkel ik zich aan de +rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt +de geschiedenis in het stadium der "voleindigde rechtvaardigmaking +en heiliging," de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is +opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden +met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald. + +Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert +hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben +Luther's hervorming, Kant's wijsbegeerte, Pestalozzi's opvoedkunde +voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en +zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, +die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch +brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote +doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren. + +Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, +werd een herdruk der toespraken verboden! + +Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen +invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve +wijsbegeerte èn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. "Hij +was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was +hij in 't ontwerpen grooter dan in 't uitvoeren. + +"Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel +als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, +de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die +taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn +arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des +levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen +tot stand gebracht." (Eucken). + + + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +SCHELLING EN ZIJN GEESTVERWANTEN. + + +§ 16. Schelling. + +Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de +filosoof der romantiek. Daarvan getuigt zijn leer, aan herhaalde +wijzigingen--zij 't niet zonder onderling verband--onderhevig en de +invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers, +(Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);--zijn denkmethode, meer op +fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten +dan op de verschillen lettend;--zijn stijl, soms stijgend tot die +der lyrische verrukking. + +Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg +in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een +dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797 +te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn "Ideeën over +natuurfilosofie" uit. In 1798 komt: "Van de wereldziel." Hetzelfde +jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den +kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte's standpunt gestaan +had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het +"Systeem van het transcendentale Idealisme" uitkomt, begint een nieuwe +ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed +van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München, +als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809 +begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze +zich religieuze vraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen +over het wezen der menschelijke vrijheid). + +Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen, +die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München, +komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen +als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche +linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt +hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel +onverwacht. + + + +Natuurfilosofie. + +Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra +was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed +het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, +dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden +stof zal zijn. Hem geldt de natuur als een samenhangend geheel en +de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij +kan alleen gekend worden, als zij met den geest gelijksoortig is: +ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een +voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard +worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest. + +Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de +natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de +natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou +een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De +natuur staat dus niet tegenover den geest, maar is een lager vorm, +de materie is sluimerende geest. + +Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, +die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de +natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten +der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt +het innerlijke der natuur te verstaan. + +Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur +ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een +schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats +vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt +door van kennen en handelen tot de kunst voort te schrijden. Zij +is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den +wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, +wat in natuur en geschiedenis gescheiden is. + +Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie +is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie. + + + +Identiteit. + +Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets +ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling's tweede periode +bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en +ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene +Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigen vorm ook +eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu 't voorwerp der filosofie. De +natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer +van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn. + + + Absolute. + -------^------- + Geest = Lichaam. + + +Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is +allebei. + +Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht +naar één zijde. + +Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen +gelijk. + +De natuur kan voorgesteld worden door A + = B. + +Het objectieve overheerscht. + +De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste. + +Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, +verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie +en wetenschap. + + + +Theologie. + +Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch +object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich +vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, +dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte +dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor +de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing +aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226). De grond voor scheiding, +voor 't verkeerde moet in het Absolute liggen. + +Er bestaat een irrationeel element in de wereld. God kan eerst +dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijken kan. Het ontstaan +der bijzondere dingen is als 't ware een afval, is de zondenval. De +geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname +der enkeldingen in het Absolute is de verlossing. + +Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen +een mogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. De werkelijkheid +van het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, +houdt op. + + + +Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling's leer op, dan krijgen +wij in drie stadiën dit: + +Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar +ook geest. Daarom is, van uit de natuurfilosofie op te stijgen tot +den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar +aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt +iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, +en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is de identiteit +van geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit +het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: +de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet +zich ontwikkelen. Maar de mensch met zijn vrijheid maakt het mogelijke +booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding +der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3). + + + + + +§17. Schelling's geestverwanten. + +Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een +groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde +richting werkzaam waren. Zoo is te noemen de natuurfilosoof Lorenz +Oken (1779-1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al +zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier +vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel, +de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: "De aether +is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether, +tezamen 4." "De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal." + +Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij +de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed +uitgeoefend op Fechner. + +De identiteitfilosoof Wagner (1775-1841) oefende invloed uit op den +Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang +invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is +moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit +maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn +werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in +evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam +een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer, +waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven. + +De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van +Schelling is Schleiermacher. + + + +Schleiermacher. + +Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde +theologie, gaf in 1799 zijn "Toespraken over de religie" uit, werd +in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor +te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke +invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een +persoonlijk kenmerk wist samen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk +uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens +wat "mat." Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische +werkzaamheid: "de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert +den Hervormingstijd had gehad." (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier +tot zijn godsdienstwijsbegeerte. + +Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, +naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In +God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God +niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig +maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft +nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij +hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door +wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen +zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al. + +Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een +schadeloosstelling in het hiernamaals. + +Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij +zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in het gevoel. Wij +voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige +handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het +religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel van afhankelijkheid, +ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht +naar eenwording met God. + +Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, +en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke +Platovertalingen. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +HEGEL EN ZIJN SCHOOL. + + +§ 18. Leven en persoonlijkheid. + +De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve +denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te +Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in +Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den +dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de +Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en +Rousseau werden gelezen. Van 1793-'96 was hij huisonderwijzer te Bern, +daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander +van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige +beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een +tijdschrift uit. + +Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op +den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende, +spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende, +de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur. + +Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam, even onbeholpen in +het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur +maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal +aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend +en doordénkend. + +In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het +Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon's veldheersgenie, nauwelijks +belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn "Phaenomenologie +van den geest" voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en +openbaring van eigen standpunt. + +Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar: +hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg, +als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig +onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt +zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als +hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste +jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831 +aan de cholera sterft. + +In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van +bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges +over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een +geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde +en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid, +maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor +hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. "Nog +nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het +onderzoek van Hegel's geschriften verbonden, zich aan een gevoel van +bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van +dezen denker." (Dr. Ritter). + +Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich +van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote +beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten +weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften +van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig +gebied vierde hoogtij. + +Hegel was--gevolg zijner wijsbegeerte--conservatief gezind en zoo stond +hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel +op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet, +om den vorst te believen. + +Na zijn dood gaf eene "vereeniging van vrienden van den vereeuwigde" +zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die +werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl +geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal +kunsttermen nog meer af. + +Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven +der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste. + + + + + +§ 19. Methode. + +Hegel's systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al +het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van +zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is +identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit, +door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur +staat niet naast het denken, maar er onder. Keert Hegel dan tot +Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik +een object tegenover zich zou hebben, waarop het zijn krachten kon +richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is +niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling +waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt. + +Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen, +met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren +kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel +der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute +is eerst "an-sich," aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot +anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest, +wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het +Absolute weer "an-sich," maar ook für sich, voor zich zelven. In alles +wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke +is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet +van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid. + +Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij een +stelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot +kennis der verschijningen. De dingen an sich: het Absolute moet gekend +worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van +het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica, +dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules +en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het +zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica. + +Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische +methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn +ontkenning. Maar... zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we +tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze +zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraak is verdwenen, +zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide +begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin +òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor +een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn +negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer +ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder). + +Schematisch dus: + + + a --> niet a + ------------ + A --> niet A + ------------ + B --> niet B + ------------ + C --> niet C + ------------ + D enz. + + +Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken +en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methode eenheid +van tegendeelen. + +Hegel's systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm +gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch, +identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute +leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt, +en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent, +zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu +heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. "Grootscher taak is +haar nooit opgedragen." + +Hegel's groote kennis en bouwend vermogen stelt hem in staat een +volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van +den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88--89 +en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen. + + + + + +§ 20. Het systeem. + +Logica. + +Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, +die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, +waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste +begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of +hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, +maar, als het gedacht wordt bestaat het als gedachte en niet-zijn +wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Het +worden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is +worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In +het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven. + +Na de logica volgt de natuurfilosofie, vrij algemeen als het minst +belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De +algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, +om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in 't +buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der +vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in +'t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, +die zich openbaart als: + + + subjectieve, objectieve en absolute geest. + + +Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze +bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en +verwerkelijkt. Dit gebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer +zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven +geest als ziel van een lichaam is de anthropologie, die handelt over +de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, +vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, +slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte +onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, +voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, +herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De +subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en +tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in +de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van den OBJECTIEVEN +geest is de schitterendste schepping van Hegel, in 't bijzonder dan +zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid +moet werkelijkheid worden. Het recht brengt de uitwendige vrijheid, +de moraliteit de innerlijke, de zedelijkheid beide vereenigend, de +volkomen vrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van +verboden inperking van den wil. + +Het recht is aleerst eigendomsrecht, het is het recht der +persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen +persoonlijkheid. In een verdrag treedt die persoonlijkheid tot anderen +in verhouding en het strafrecht is de ontkenning van de ontkenning +van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere +wil zich verzet tegen den algemeenen. + +Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen +voegt, is moraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve +gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft +een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; het geweten, +rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen. + +Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en +dat geschiedt in de "zedelijkheid." De zede is een in de gemeenschap +heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt +als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen +voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid. + +Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt +is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote +aangelegenheid van 't gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De +leer der "burgerlijke gezelschappen" doet o. a. recht wedervaren aan +de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen +met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) +vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden +hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de +grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen +denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals +een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van +de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men +dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook +hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het +werkelijke redelijk. + +Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer +willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen +wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor +steeds te laat. "Eerst als de schemering begint, vangt Minerva's uil +aan te vliegen." + +De geschiedenis is niet anders dan het proces, dat de werkelijkheid +doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een +grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een +ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling +mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor +gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar +alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken +acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In +de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het +Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden +zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der +Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met +een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland +is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt +in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in +Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus +brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de +menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, +waarin de mensch "na volending van zijn levensloop in zichzelf +terugkeert." Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid +nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, 't leenstelsel, +de reformatie, enz. + + + + + +§ 21. Het systeem. (Vervolg). + +De absolute geest. + +Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in +den absoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject +en object, denken en zijn opgeheven. Het absolute aanschouwt zich +zelf in de kunst, stelt zich zelf voor in de religie en denkt zich, +begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte. + + + + HEGEL'S SYSTEEM. + + + LOGICA. NATUURFILOSOFIE. FILOSOFIE VAN DEN GEEST. + | | | +----------+----------- ---------------+--------------- ---------------------------+------------------------- +zijn | wezen | begrip. mechanica | physica | organica. subjectieve geest | objectieve geest | absolute geest. + | | | (zie hieronder.) + -------------+-+---------- ------------------------------------+--------- --------+------------------------ + subj. begrip | obj. begrip. anthropologie | phaenomenologie | psychologie. Recht | Moraliteit | Zedelijkheid. + -------- | | + Idee. | | + -----------------------------------------+- | + eigendomsrecht | verdragsrecht | strafrecht. | + | + ------------------------------------+---- + familie | burgerlijke samenleving | staat. + | | | + o.a. o.a. | + (huwelijk, standen, GESCHIEDENIS. + erfrecht, vereenigingen. a. despotische staat + opvoeding.) (één vrij oostersch + volk). + + b. republiek (eenigen + vrij, Grieken + en Romeinen). + + c. const. erf. mon., + (allen vrij, Germanen). + + absolute geest. + | + --------------------------------+---------------------------------- + kunst religie filosofie. + | | | +------------------------+--------------------- | | +symbolisch, klassiek, romantisch, | van Eleaten enz. tot Hegel! +architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst, | + muziek. | + ---------------------- | + poëzie. | + | + ------------------------------------------+----------------------------------------- + natuurreligie subjectieve vrijheid absolute religie. + | | | + ------------+------------ ---------------+--------------- | + (Chinezen, Bramanen, enz. Joden, Grieken, Romeinen. (Christendom). + verhevenheid, schoonheid, nuttigheid. + + + +Kunst. + +De kunst kan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerst +symbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, +die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen +harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens de klassieke kunst, +die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde +trap, de romantische kunst, waarin de zinnelijke verschijning op den +achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt. + +Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is +toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek +en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende +kunst. + + + +Godsdienst. + +Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt +in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter +vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de +op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem +onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het +Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor +nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger +dan de oostersche (Chineesche, Bramaansche, enz., die ieder hun eigen +kenmerk hebben) staan de religies der "geestelijke persoonlijkheid," +der "vrije subjectiviteit," die van de Joden (verhevenheid), Grieken +(schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van 't +Christendom volgt hierop. De dogma's van het Christendom laten hunne +wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren. + +Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording +van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: +God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording +van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer +negatie is Christus' Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch +geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn. + + + +Wijsbegeerte. + +Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: +Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der +geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van +de Eleaten af, die het zijn opstelden, over Heraclitus (worden), +Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius +(bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, +waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der +filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar +tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en +klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: +de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt. + + + + + +§ 22. Hegel's school. + +Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden +meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig +dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding +tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie +opgeheven is in de wijsbegeerte, die wel denzelfden inhoud heeft, +maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt. + +Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd, +legden nadruk op het gelijke van den inhoud: zij wilden den godsdienst +handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan den +anderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de +radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd. + +In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus, +Onsterfelijkheid. + +Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij +een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of +was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke? Was +zijn godsbegrip pantheïstisch? + +Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men +kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn +stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel's +dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten, +tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem +voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had. + +Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen +daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd +druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets +anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste +voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno +Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der +nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche +universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie en +wist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen +en groote kennis te teekenen. Aldus zingt Liebmann hem toe: + + + "Dit alles [7] leert gij; luistrende jongrenschaar + Volgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid, + Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuw + Der menschheid hoogste gedachten verjongen. + + +De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij +is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx +en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het +hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over +twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend +gemaakt. Strauss en Feuerbach. + + + +Strauss. + +Strauss (1808-1874) studeerde eerst theologie te Tübingen, gaf in 1835 +een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in +de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus +zouden kennen, wij kennen den Christus van 't geloof. Hij verwerpt +echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: +het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij +ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten +zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid +is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze. + +Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij +later uit op de dogma's van het christelijk geloof. Verzoening tusschen +gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strauss zich meer +met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend +werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld +nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij +stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen +mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde +weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door +het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; +maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, +productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld +en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch +einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig. + +Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan +luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van +afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed +uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de +vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets +voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen +van staat en menschheid, door de kunst, in 't bizonder door de muziek, +verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss +tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van 't genie, +door onzen da Costa geteekend: + + + Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie! + En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van 't Genie! + + + +Feuerbach. + +Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer +van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor +theologie studeerende, brengen Hegel's colleges hem tot de studie der +wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij +zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd +dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van +Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in +Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier +heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: +"Het wezen van het Christendom" waarin hij wel de dogma's zeer scherp +critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, +waaruit ze ontstaan zijn. + +Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich +genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den +last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke +hulpmiddelen. + +Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite +gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn +begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, +vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl +schilderde voor 't eerst de beteekenis van Feuerbach. + +Ten opzichte der religie leert hij, dat de mensch God maakt. God is het +ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen +wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en +prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, +in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven +heeft. De hemel van den mensch is een "bloemlezing," ontstaan door +eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel +van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God +en den hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen. + +De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een +gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk +gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God +is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, +God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon. + +"De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe +verborgenheid geschreid over de ellende der menschen." + +Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand +geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden +en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, +zeer vergroot, is. + +Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne +beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis +ook brood en wijn en water zijn. + +Alles, ook het geringste, wordt geadeld. + +Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere +Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting: + +"Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig +het water. Amen!" + +Op wijsgeerig gebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, +maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van +de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, +zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer +scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het +materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand +voor den geestelijken, heeft hij veel oog. Treffend komt dit uit in een +bespreking van een werkje van Moleschott: "De leer der voedingsmiddelen +is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden +tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten +en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn +vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het +in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, +wat hij eet." + + + +Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende +tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve +filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, +dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu +niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer's +pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, +Hegel's geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land +zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het +optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland. + + + +Bolland. + +Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te +Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem +op in 't katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende +lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde +dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het +gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie +der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von +Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in +de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool, vooral door toedoen van +zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten. + +Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op +theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken +waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen +en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name +in Utrecht, Amsterdam en Delft. + +Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij +vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel's werken +zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen +der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie +bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij +de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen +op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens +zelfstandig verhoudt. + +Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van +kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn +standaardwerk: "Zuivere Rede." Zijn artikelen werden meest opgenomen +in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding +tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde +verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven +zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: "hij doet de wijsheid +Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer +hem dit gelukt." Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met +maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige +artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over +Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, +persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A. van den Bergh van Eisinga in +"Mannen van Beteekenis," Deel XXXVIII, afl. 5. + + +Opm. Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van +den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent +te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in +diens preekenbundel: "Rust een weinig," geeft Bolland een voorbeeld +van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief +aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn +meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, +meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, +die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke +leer en werk betreffen. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + +SCHOPENHAUER. + + +§ 23. Leven en Persoonlijkheid. + +Inleidende opmerkingen. + +Het romantisme had, in afkeer van den tijd der verlichting, nieuwe +idealen gezocht. Aan de aufklärung had historische zin ontbroken, +het romantisme leefde gaarne in 't verleden. Zijn dichters zongen +van voorbijgeganen tijd en voelden zich thuis in ridderburcht +of middeleeuwsche stad. Zijn denkers hadden de groote beteekenis +der historische ontwikkeling begrepen en Hegel was tot een machtig +stelsel gekomen van geschiedkundige ontwikkeling. In die ontwikkeling +leerde het Absolute zichzelf kennen. De historie was ontwikkeling; +voortgaande, voortschrijdende tot hooger. Zij had beteekenis, +zij had een eenige beteekenis. Wie geloofde aan, wie overtuigd +was van dien ontwikkelingsvoortgang, mocht hoopvol op 't leven +zien. Waar de werkelijkheid niet zonder Rede was, daar was zij +nooit te verwerpen. Zoo kon er zekere tevredenheid met het bestaande +komen: Hegel was verzoend, Hegel was het eens met den Pruisischen +regeeringsvorm. + +De speculatieve wijsbegeerte had in Hegel haar toppunt bereikt: +de methode was aangegeven, de door het Absolute doorloopen +ontwikkelingsgang gevonden, ja, het eindpunt bereikt. De religie +was geen vijandige macht voor het weten, veeleer lager trap, waarop +de absolute geest zich bevond. De mensch vond zijn bestemming, zijn +plicht in de zedelijkheid, die hem bond aan de gemeenschap van andere +redebegaafde wezens. + + + +Scherp tegenover deze wijsbegeerte staat nu Schopenhauer. Geniaal +gevoelsmensch en toch "zonder hart," grillige persoonlijkheid, vat +vol tegenstrijdigheden, ontwerpt hij een stelsel van wijsbegeerte, +dat,--gedragen als het is door één persoonlijkheid, doorleefd en +zelf ervaren als het is door een rijken geest,--een eenheid is, en +toch door de kenmerken dier persoonlijkheid, grillige overgangen, +onverzoende tegenstrijdigheden bezit en den invloed van vele denkers +toont ondanks de oorspronkelijkheid. Hoe geheel andere persoonlijkheid +dan die van Hegel, welk een andere vorm van werk. Het staat er ook +in leer tegenover. Het leert het onredelijke, het irrationeele der +geschiedenis en der werkelijkheid, eerder schepping van den duivel, +dan zelfverwezenlijking der Rede. Verdere ontwikkeling brengt niet tot +grooter geluk: elke schrede verder doet meer de ellende, den jammer, +de onredelijkheid der wereld inzien. Schopenhauer wordt de vader van +het pessimisme in de 19de eeuw. Hij staat tegenover Hegel, tegenover +den mensch, en, als we zullen zien, tegenover den denker. Toch behoort +ook hij nog tot het tijdperk der speculatieve wijsbegeerte. Door +den tijd, waarop zijn hoofdwerk verschijnt (1819). Door een gelijken +voedingsbodem. Hij heeft Kant bestudeerd, hij heeft Fichte gehoord, met +Hegel gedebatteerd. Door zijn hoofdbeginsel, om van uit het subject, +uit de bewustzijnhebbende persoonlijkheid, de wereld te verklaren. + +Toch duidt Schopenhauer ook over dezen tijd heen. De groote denkers +ervan zijn voor hem opsnijders, "windmakers;" kritische geesten als +Herbart pedanten. Hij hecht aan ervaring. + +Hij wordt niet gelezen. Eerst, als de glorie der speculatieve +school voorbij is, wordt hij bekend. De Hegel'sche school heeft zich +gesplitst. Het vertrouwen is gedeeltelijk geschokt, de belangstelling +gedoofd. De stem van den meester, wiens werken onduidelijk zijn, +klinkt niet meer. De politieke toestanden veranderen. Het besef wordt +levendig in vele Duitsche hoofden--nog meer wordt het gevoel wakker +in vele harten--dat er één eenig Duitschland hoort te zijn, vrij van +Middeleeuwsche vorsten, krachtig door volksvrijheid en invloed. De +Februarirevolutie van Parijs slaat over naar Weenen, Berlijn. Hoop +van beter tijd vertoont zich. Grondwetten komen, beloften worden +gedaan. Een groot Duitsch rijksparlement daagt in Frankfort. De +schoone droom zal in vervulling gaan. IJdele verwachting. In Frankrijk +komt de rust. Hongarije wordt bedwongen, zij het in bloed, Weenen +tot rust gebracht. Duitsche vorsten en vorstjes gevoelen zich weer +zeker. Het oude gaat, zij 't met wijziging, zijn gang. Ontgoocheling +komt. "Neen," zucht de ontmoedigde, "de wereld is een jammerdal." De +denker, die dit verkondigd heeft, vindt bijval. Oorzaak van allen +bijval is homogeniteit, heeft hij zelf gezegd en ondervonden. Na +1850 ongeveer begint zijn roem. Op het midden der eeuw oefent +Schopenhauer zijn invloed uit, niet alleen op de wijsgeeren van +'t vak, maar ook op tal van niet-geschoolden. Nederland leest hem +gretig. Zijn pessimisme sluipt in veler harten in. Naklanken vindt men +er in literair werk der laatste tientallen jaren. Schopenhauer heeft +naast speciaal wijsgeerige, algemeene cultuur-beteekenis. Hij behoort +tot de meest gelezene schrijvers. Dit rechtvaardige een eenigszins +uitvoerige behandeling, ook van zijn leven en persoonlijkheid, die +zoo grooten invloed uitoefenden op zijn leer. Fichte's woord, dat het +er van afhangt, welke mensch men is, wat voor filosofie men heeft, +schijnt voor Schopenhauer geschreven. + + + +Leven. + +In Danzig werd Schopenhauer den 22sten Februari 1788 geboren +als zoon van een rijken, aanzienlijken koopman van Hollandsche +afkomst. Zijn vader was een man van somberen aard, onderhevig aan +toorn en angstbuien, van prikkelbaar gestel, al wist hij zich te +bedwingen. Een wereldburger, die zijn zoon in het groote boek der +wereld wilde laten lezen, hem veler landen spraken laten leeren en +hem Arthur noemde, omdat die naam in vele talen gelijk bleef. Zijn +vrouw had den veel ouderen man meer om zijn geld en de aangename +positie, die hij haar kon verschaffen, getrouwd, dan uit liefde, +en op een behaaglijk landgoed leefde zij een idyllisch-achttiende +eeuwsch leven met hondjes en mooie lammetjes. Zij was een opgewekte, +geestige, vroolijke, ietwat lichthartige vrouw, graag de zonzijde van +'t leven zoekend. + +Toen Danzig, eerst een vrije stad, bij Pruisen kwam, trok de familie +naar Hamburg. Arthur's vader wilde republikein blijven. De ouders +reisden met hun kind in Frankrijk en Engeland. Zoo kende Schopenhauer +later, (beter dan de meeste Duitschers) zijn Fransch en Engelsch +uitstekend, en van rijke belezenheid getuigen zijn werken. + +Op een school in Hamburg werd Schopenhauer voor den handel opgeleid +en in Hamburg bleef hij werkzaam, toen zijn moeder, na den dood des +vaders, naar Weimar trok, waar zij weldra een gevierde persoonlijkheid +werd. Op haar theeavonden kwam Goethe en met hem kwamen tal van +anderen. + +Op 17-jarigen leeftijd komt er een keer, voor altijd beslissend. + +"Op mijn 17de jaar, zonder alle schoolgeleerdheid, werd ik door de +ellende des levens zoo aangegrepen als Boeddha in zijn jeugd, toen +hij ziekte, ouderdom, smart en dood zag. + +"De waarheid, welke luide en duidelijk uit de wereld sprak, overwon +weldra de ook mij ingeprente Joodsche [8] dogma's en mijn slotsom +was, dat deze wereld niet het werk van een algoed wezen kon zijn, +maar veeleer dat van den duivel, die schepselen in het aanzijn had +geroepen, om zich in den aanblik hunner ellende te vermeien. Daarop +wezen de feiten en het geloof, dat het zoo was, kreeg de overhand." + +Deze gemoedsstemming was hem altijd min of meer eigen geweest. Met +zijn moeder door Frankrijk reizende, had hij niet kunnen genieten van +het schoone van het landschap, daar hij telkens moest denken aan het +ellendige leven van de bewoners der hutten. + +Zeer werd Schopenhauer's pessimistische stemming verscherpt door den +strijd tegen de ontwaakte hartstochten. Hij schijnt een zeer sterk +zinnelijk gestel gehad te hebben, heeft nooit anders (schrijft hij +zelf) dan lichamelijke liefde voor een vrouw gevoeld, en kon op zijn +ouden dag welsprekend-ontroerd getuigen van het geluk, bevrijd te +zijn van den boei der zinnelijke aandriften [9]. Bekend is zijn vers: + + + O Wellust, o Helle, + O zinnen, o liefde. + Niet te bevreed'gen, + En niet te verwinnen. + Gij hebt mij getrokken + Uit hoogten des hemels, + Mij nedergeworpen + In 't stof dezer aarde. + Daar lig ik in boeien. + + +Zijn aandrang om te studeeren werd steeds sterker. Eindelijk kreeg +hij verlof. In korten tijd was hij voorbereid voor de universiteit, +waar hij eerst medicijnen studeerde. Weldra trok de wijsbegeerte +zijn aandacht. Hij studeerde Kant, Plato. In beiden waardeerde hij, +dat ze een scheiding hadden gebracht: de eerste tusschen de wereld +der verschijnselen, de phenomenale wereld, en die der dingen op zich +zelf, de noumenale; de tweede tusschen de eigenlijk alleen bestaande +wereld der ideeën, en die van den schijn, de doxa (I, 97, 98). Die +scheiding komt overeen met het dualisme van eigen persoon: hij ervoer +bitter en pijnlijk den afstand tusschen de wereld der ideeën en die +der grove zinnelijkheid. Ook de leer der Hindoes bestudeerde hij en +in 't Christendom en in 't Boeddhisme stelde hij 't hoog, dat zij +beide meer spraken van een verlosser, dan van een schepper. In 1813 +trok hij niet mee uit ten strijde. Hij had besloten om het leven, +dat een onaangenaam ding was, aan studie te wijden. In de stilte +van Rudolstadt voltooide hij zijn dissertatie, een werk van groote +beteekenis voor de kennistheorie: "Over den viervoudigen wortel van +de stelling van den voldoenden grond." + +Met Kant erkent hij, dat onze kennis een bepaalden vorm heeft, die ligt +in de inrichting van onzen geest en niet afhangt van de dingen buiten +ons. Het is echter niet noodig, verschillende vormen aan te nemen: +wij kunnen met één vorm uitkomen, die reeds bij Kant een voorname +plaats innam: de oorzakelijkheid, den voldoenden grond. + +Geen onzer voorstellingen bestaat op zich zelf. Ze zijn allemaal +verbonden en steeds is de voldoende grond het beginsel waarnaar +die voorstellingen zijn verbonden. Maar aangezien deze laatste van +verschillenden aard kunnen zijn, vertoont de voldoende grond zich +ook in verschillende vormen. + +Allereerst kunnen wij 't oog wenden op de gewone feiten der ervaring, +op de aanschouwingen: een dolksteek doodt een man. Dan is er te spreken +van oorzaak en gevolg. Ook de zuivere aanschouwingen, de voorstellingen +van ruimte, kunnen met elkaar in verbinding staan. In een driehoek +hebben we gelijke hoeken, als er gelijke zijden zijn. Hier is de grond +voor de gelijke hoeken het aanwezig zijn van gelijke zijden. Hier +is geen voorafgaan en volgen, zooals bij oorzaak en gevolg: hier +is gelijker tijd bestaan. De voldoende grond vertoont zich hier +als zijnsgrond. Aan onze wilsbesluiten gaat overleggen vooraf. Het +op reis willen gaan is bijv. verbonden met de voorstelling van het +leerzame of het genoeglijke van zoo'n reis. Die voorstelling treedt +als beweegreden, als motief op. Ook hier is voorafgaan en volgen, maar +niet als bij de oorzaak, in de stoffelijke, doch in de geestelijke +wereld. Wanneer ik redeneer, dan grond ik mijn gevolgtrekking op +voorafgaande stellingen. Zeg ik: 2 dezer boekjes kosten 80 cent, +dan is dat gegrond op het feit, dat één boekje 40 cent kost. Dat +is de kengrond van mijn latere bewering. Kengrond en gevolgtrekking +behelzen waarheden, die tegelijkertijd bestaan. Wil ik een oordeel +waar noemen, dan moet daar een voldoende grond voor zijn, die in dit +geval de kengrond is. + +In vierderlei vorm treedt de voldoende grond dus op: als oorzaak, +zijnsgrond, motief, kengrond. We hebben gezien, dat Spinoza +bijv. en zijn tijdgenooten grond en oorzaak niet onderscheidden. (I, +pag. 263). Schopenhauer doet dit wel en het wordt hem tot verdienste +gerekend. + +"Voor het bizondere gebied der causaliteitstheorie ligt misschien wel +Schopenhauer's grootste verdienste in de verbetering der heerschende +terminologie. Men zou verkeerd handelen door deze verdienste gering +te schatten."---- + +"Geen enkele zijner theorieën misschien kan door de latere wetenschap +zonder voorbehoud worden overgenomen, maar veel van hetgeen ons thans +klaar voor oogen ligt zou ook verborgen zijn gebleven, wanneer niet +de flikkering van zijn genie de plaatsen had doen kennen, waar voor +den scherpen blik des onderzoekers het antwoord op eeuwenoude vragen +te vinden was." (Heymans). + +In 1819 komt Schopenhauer's hoofdwerk: "De Wereld als wil en +verschijnsel." Het trok geen aandacht. Een reis naar Italië, met een +zich weer geven aan het volle leven, volgde. Een privaatdocentschap aan +de universiteit te Berlijn bereidt teleurstelling. Geen toehoorders +voor de colleges, door den nog onbekenden docent gezet op hetzelfde +uur, waarop Hegel zijn beroemde lessen over de logica gaf. De cholera +drijft hem uit Berlijn. Hij vestigt zich nu in Frankfort. Leeft +daar van zijn inkomen, niet zonder koopmanstakt (de uitdrukking is +zacht), uit het dreigend failliet van een handelshuis gered. Eenzaam, +regelmatig, weinig met menschen omgaand, voornaam als de zoon van den +patriciër uit een vrije rijksstad, verbitterd over zijn miskenning, die +hij houdt voor een samenspanning van jaloerschen, leeft hij daar, tot +in zijn levensavond nog de zon gaat schijnen. Zijn roem komt op. Hij +krijgt leerlingen. Zijn werken kan hij laten herdrukken. Begeerig, elk +droppeltje van den laten roem te genieten, vraagt hij zijn leerlingen +om toezending van alle beoordeelingen van zijn werken. + +In volle kracht nog, geestelijk en lichamelijk gezond, sterft hij +plotseling 21 September 1860. + +De man, die van der jeugd af, den dood had gevreesd, had een zacht +uiteinde. + +Naast de genoemde werken van Schopenhauer staan verhandelingen over +de ethiek. Populair, geestig en boeiend zijn vele opstellen uit de +Parerga en de Prolegomena. (Bundels Opstellen). + +Schopenhauer is in zijn werken zichzelf: zij dragen een stuk subjectief +karakter. De goddelijke onpartijdigheid van den doctor Angelicus, +van Thomas van Aquino, de geslepenheid als van een kristal, zooals bij +Spinoza, is hem vreemd. Tal van uitvallen maken op ons den indruk, niet +van een wijsgeer te zijn. Een paar voorbeelden. Over Hegel: "Daarom +zou ik mijn scherpzinnige landgenooten aanraden, dat, wanneer zij er +weer trek in hebben een "alle-dagskop" 30 jaar lang als een grooten +geest uit te bazuinen, zij toch niet zoo'n bierhuishoudersphysionomie +als Hegel had, kiezen mogen, op wiens gezicht de natuur met haar +duidelijkste handschrift het haar zoo gewone "alle-dags-mensch" +geschreven had." Over de vrouw: "De vrouwen denken in haar hart, +dat de bestemming van den man is, om geld te verdienen, de hare +daarentegen het er door te brengen, indien mogelijk, reeds bij het +leven van den man, maar minstens na zijn dood." Maar aan den moed, +om zijn overtuiging eerlijk te zeggen, ontleenen zijn werken een +groote aantrekkelijkheid. En als Paulsen over de eischen van den +filosofischen stijl spreekt, zegt hij van Schopenhauer: "Wanneer +Schopenhauer anders geen verdienste had, was het reeds niet gering te +noemen, dat hij de mogelijkheid getoond heeft, in de Duitsche taal +diepe en oorspronkelijke gedachten klaar en begrijpelijk en daarbij +krachtig en indrukwekkend uit te spreken. Het hangt ook samen met de +eerlijkheid, het rechtuite van zijn denken. Omdat het hem ernst is, +wat hij te zeggen heeft, bittere, en dikwijls grimmige ernst, behoeft +hij niet aan de taal te knutselen; vandaar den nadrukkelijken eenvoud +van zijn stijl. Hij roemt ergens de reinheid, den eenvoud der Grieksche +wijsbegeerte, 't zijn z'n eigen deugden." + + + + + +§ 24. Leer. + +Kennisleer. + +Schopenhauer is het met Kant eens, dat wij van de wereld slechts +de verschijning kennen. De wereld is verschijnsel. Wij ordenen de +verschijnselen onder den voldoenden grond met zijn vierledigen +wortel. De gewaarwordingen, die ik krijg, betrek ik op een +oorzaak buiten mij, ruimtelijk van mij onderscheiden, in den tijd +gebeurende. De geheele wereld vertoont zich aan mij als een stoffelijk +gebeuren. Voor de wereld der verschijnselen geldt een materialistische +verklaring. Maar Schopenhauer is geen materialist. Het stoffelijke, +de heele stoffelijke wereld bestaat slechts als mijn voorstelling. Ik +mag mijn spiegelbeeld niet tot werkelijkheid en mij zelven niet tot het +beeld maken. Achter die verschijnselen nu zit nog een wereld der dingen +an sich. Kant had de kennis daarvan voor transcendent, de ervaring te +buiten gaande, verklaard. Geen zijner opvolgers uit de idealistische +periode had dat ook gedaan. Men had de geheele werkelijkheid uit den +mensch willen opbouwen. Ook Schopenhauer wil dit. Hij ziet een weg, +om tot de wereld der dingen an sich te komen. Wij moeten letten op +ons eigen bewustzijn. Daarin vinden wij een kern van het bestaande, +het wezen, dat ook den grondslag zal uitmaken voor onze beschouwing van +het heelal, dat ook daarvan als de innerlijke essence zal gelden. Wat +vinden wij nu als kern voor ons zijn? Den wil. Het wezen van de wereld +is wil. De wereld is wil en verschijning. Wat verstaat de denker onder +den wil? Het woord heeft een andere beteekenis dan gewoonlijk. Het is +niet de overlegging, de afweging van motieven, maar de drang, de drift +die in ons heerscht. Gevoelens van angst, vrees, hoop, verwachting +worden ook onder het begrip ondergebracht. Het wordt uitgebreid tot +de natuur buiten den mensch. Het wordt kracht. In het vallen van den +steen ter aarde, in het aantrekken van het ijzer door den magneet, +openbaart zich de wil. + +Ons wezen is dus onze wil. Ons lichaam is niet iets, dat van dien +wil verscheiden is, maar is de uitwendige vorm waaronder zich de wil +objectiveert. In het bewustzijn gezien is er wil, van buiten lijkt +dat voor den toeschouwer het lichaam. Als ik dus mijn arm oplicht, +is mijn wil daar niet de oorzaak van: dat is mijn wil, van buiten +gezien. De bolle zijde van den lepel is niet de oorzaak van de +holle. Het is dezelfde, maar van een andere zijde bezien. A ziet +bol, wat B hol ziet. Elke drift objectiveert zich weer in bepaalde +lichaamsdeelen. De groote driften zijn die voor 't zelfbehoud en voor +'t behoud der soort. De honger is objectief tanden, mond, slokdarm, +maag, enz. De geslachtsdrift de genitaliën. + +De geheele natuur nu is een doorwerking van den wil, die van trap +tot trap stijgt, nergens rust heeft, maar steeds verder gedreven +wordt, rusteloos, eindeloos. Die blinde, irrationeele drang openbaart +zich in anorganische verschijnselen evengoed als in organische bij +plant en dier. Die drang neemt de kennis als middel in haar dienst, +en... ontdekt zijn eigen jammerlijkheid. Niet het intellect is het +eerste, maar de wil en daarna het verstand; de voorstellingen zijn +slechts middel van den wil, om zich beter te handhaven in den strijd +om het bestaan, waarin het één gedrang en gewirwar is, waar de plant +het water en de lucht verteert, de dieren dieren en planten eten, +de mensch water, lucht, plant, dier. + +Maar als de wil zoover is, dat het bewustzijn is ontstaan, rust hij +niet. Hij bedriegt ons. Hij toovert ons voor, dat deze wereld goederen +van waarde bezit. Wij jagen ze na, om onszelf. Wij bereiken ze, opdat +hij besta. Wij meenen in de bevrediging van den heftigsten en sterksten +lust ons eigen genot te zoeken, wij doen den wil voortleven in het +geslacht. Wij hebben lief en meenen, dat het persoonlijke neiging +is. De wil voert ons die vrouw tegemoet, bij wie door ons het beste +nageslacht verwekt wordt. De oppervlakkige optimist, blijft in de +illusie leven, maar de pessimistische denker doorziet het bedrieglijk +spel en moet weigeren er aan mede te doen. Hij moet niet ja, hij +moet néén tegen het leven zeggen. Het leven is een troostelooze +zaak. De ervaring leert, dat het verdriet, het lijden de overhand +heeft op de vreugde. Vreugde is alleen iets negatiefs, afwezigheid +van kwaad. Gezondheid, jeugd, vrijheid, veiligheid, worden eerst +gewaardeerd, als ze ontbreken. Gewoonte stompt wel voor het genieten +af, maar als we de goederen niet meer hebben, is er nieuw lijden. Het +uitnemendste van het leven is lijden, moeite, verdriet, angst. Hoe +ons daaruit te redden? Hoe te ontkomen? Hoe is er verlossing mogelijk? + + + +Verlossing. Kunst. + +De kunst verlost ons! Als wij ons verdiepen in een kunstwerk, staat +het rad van den tijd stil. Het willen houdt op. De begeerte zwijgt. We +zijn verlost van den blinden drang. Zeer hoog stelt Schopenhauer +onze Hollandsche schilderkunst, waarin alles zoo stil is en vredig +en rustig. Ook de muziek acht hij bizonder hoog. In de melodie trilt +als 't ware het bewegen van den wil, zijn heffingen en dalingen. De +trillende snaar is de mensch zelf. Het kost echter inspanning, om +zoo tegenover de kunst te staan, niet ieder gelukt dat. Ook is de +verlossing, die de kunst geeft, maar tijdelijk. Er is een blijvende, te +vinden op den weg der heiligmaking, der onthouding van het zinnelijke; +der askese. + +Schopenhauer komt hier tot groote bewondering voor de heiligen zooals +het Boeddhisme en het oudste Christendom die gekend hebben. Zij hebben +afstand weten te doen van wereldsche genietingen. Zij hebben zich +weten los te maken van de bekoringen der zinnen, van de verleiding +des vleesches. Zeker, zij vallen wel eens terug. Zelfkastijding wordt +dan geoefend. Langzamerhand stijgt de mensch tot een toestand waarin +de drang tot zwijgen is gebracht. Hij glijdt over in het Nirwana, +een toestand die den nog in het willen bevangene een niets-zijn +toeschijnt. Graag gebruikt Schopenhauer termen, aan het Boeddhisme +ontleend. + +Hij acht het niet noodig, dat de filosoof een heilige zij. Zijn +taak is, in heldere, strenge begrippen de wereld te denken, uit te +drukken. Hij vindt den heilige als hoogste ideaal. Hij buigt zich +daarvoor in deemoed. Maar voor zijn eigen persoon slaat hij misschien +andere wegen in. + +Het is opmerkelijk dat Schopenhauer alleen oog heeft voor de verlossing +van het individu. Niet voor die van het menschelijke geslacht. De +geschiedenis, een blind alogisch spel, brengt die niet. + + + +Ethiek. + +In de ethiek verkondigt hij het medelijden als een oerphaenomeen. De +mensch die lijdt, wordt zich bewust, dat hij eenswezend is met andere +menschen. Dat in hem zich dezelfde wil openbaart. Wanneer wij een +ander onrecht willen doen, gedreven door den wil, worden wij ons +bewust, dat de gepijnigde één is met ons. Wij willen hem nu vreugde +bereiden. Hoe kan dat? Alleen door verdriet weg te nemen, lijden te +verzachten. Medelijden is dus de grondslag van de zedeleer. + + + +Invloed. + +Een eigenlijke school heeft Schopenhauer niet gesticht. Toch was zijn +invloed groot. Bij Hartmann en Nietzsche zullen we dien ontmoeten. Het +pessimisme wordt tot zijn radicaalste uiting gebracht door Philips +Mainländer, (Pseudoniem voor Philips Batz, die leefde van 1841-1876), +die in zijn boek "Filosofie der verlossing" de wereld als de uiting +van een stervenden God beschouwde, die naar niet-zijn streeft. Hij +beval den dood van 't ras door geslachtelijke onthouding of van +'t individu door zelfmoord aan. Hij zelf koos consequent het laatste. + +De studie der Oostersche wijsbegeerte wordt vooral beoefend door den +Kielschen hoogleeraar Deussen, die veel met Schopenhauer overeenkomt. + +En van de met hem verwante kunstenaars noemen we den grooten +operadichter Richard Wagner. Deze wilde Schopenhauer's leer laatste +grondslag van alle verdere geestelijke en zedelijke cultuur gemaakt +zien. + + + + + + + + +HOOFDSTUK IX. + +HERBART. + + +§ 25. Leven, Metafysica. + +Inleidende opmerkingen. + +De groote mannen van den tijd der speculatieve filosofie waren Fichte, +Schelling, Hegel. Met hen in sommige opzichten verwant, maar een andere +waarde aan 't leven hechtend, was Schopenhauer, wiens hoofdwerk wel in +dezen tijd verschijnt, maar wiens invloed in het midden der 19de eeuw +begint. Fichte, en na hem Schelling en Hegel, knoopten aanvankelijk bij +Kant aan, maar waren eigen wegen gegaan: zij hadden geacht, dat het +mogelijk was het wezen der dingen, niet alleen hunne verschijningen +te kennen. En daartoe geraakt men niet langs den weg der ervaring, +maar langs dien der bespiegeling, die haar uitgangspunt vond in den +mensch zelf. De bouwers dezer systemen waren koningen geweest in het +rijk der gedachte. Hun roem had Schopenhauer overschitterd. Hun faam +had der menigte zoo in de ooren geklonken, dat ook de namen van enkele +anderen nauwelijks gehoord worden. Die denkers hier bedoeld, waren +mannen, die zich met de richting van hun tijd niet konden vereenigen, +die bezwaar hadden tegen "de modefilosofie" als een hunner zeide, +die zich meer aansloten bij het criticisme van Kant. + +Zij worden wel genoemd de mannen der oppositie tegen het constructieve +idealisme. Zij vertegenwoordigen de critische onderstrooming in den +idealistischen tijd. + +Drie namen worden vooral genoemd: Beneke, Fries, Herbart. Liever, +dan van alle drie iets te geven, blijven wij wat uitvoeriger staan +bij Herbart. Hij is ongetwijfeld verreweg de belangrijkste van het +drietal; hij is tevens in ons land en in onzen tijd een zeer bekend +denker, vooral in de opvoedkundige wereld. + + + +Leven. + +Johan Friedrich Herbart werd als zoon van een rechterlijk ambtenaar +den 4 Mei 1776 te Oldenburg geboren. Zijn jeugd was niet aangenaam: +eigen lichaamszwakte, geen begrijpen van elkaar der beide ouders. In +1799 komt hij in Jena. Na veel moeite verkreeg hij van den vader, +die liever een broodgevend beroep gekozen zag, verlof, om althans +voor een jaar wijsgeerige colleges te volgen. Onder den indruk van +Fichte, maar niet met blinde overgave. Critisch staat hij tegenover +diens opmerkingen bij een door hem ingezonden stuk, dat vragen en +zwarigheden behelsde. Schelling's leer wordt gecritiseerd. Na de +universiteit huisonderwijzer in Zwitserland, waar hij Pestalozzi leerde +kennen. Had noch het opvoedkundig ideaal der nieuw-humanisten, noch dat +der aufklärung hem kunnen bekoren, was hij er tegen geweest, om den +kinderen de zaak zoo gemakkelijk te maken, gelijk de Philantropijnen +deden, in Pestalozzi's opvoedkunde zag hij meer. De kennismaking +in Zwitserland is van blijvenden invloed geweest op Herbart's +opvoedingsleer. + +In 1802 vestigt Herbart zich als privaat-docent in Göttingen. Zijn leer +is nu in hoofdtrekken klaar. Hij doceert niet alleen wijsbegeerte maar +ook paedagogiek. In 1805 wordt hij--geleerdheid en bekwaamheid van +doceeren stonden in goeden roep--buitengewoon hoogleeraar met 300 +thaler salaris. Dan in 1809 naar Koningsbergen. Hier hoogleeraar +op Kant's katheder. Bemoeienis niet alleen met de theoretische +opvoedkunde, maar ook met practische opleiding van aanstaande +leeraren. In 1833 keert Herbart naar Göttingen terug als gewoon +hoogleeraar. Zich bezig houdend met zijn colleges en studies, in +'t bizonder vervuld van zijn opvoedkundig streven, bemoeide de in de +politiek conservatief gezinde denker, zich weinig met andere dingen. + +In 1841 stierf hij. Herbart was een scherpzinnig denker, een groot +geleerde, een hoogstaande, nuchtere, bezonnen persoonlijkheid. Koel en +hoog op 't eerste gezicht. Afkeerig van verkondigen van subjectieve +meeningen. Begaafd met groote liefde voor de waarheid, een leven +leidend van strenge plichtsbetrachting. + + + +Uitgangspunt. + +Herbart sluit aan bij Kant. Hij erkent ook, dat wij alleen de +verschijningen der dingen hebben. Het dogmatisme is door Kant voor +eeuwig vernietigd. Maar achter de verschijnselen ligt een ding an +sich. Voor Kant is dat een grensbegrip, voor Herbart is het iets +meer. Uit onze gewaarwordingen besluiten we tot het zijn. Zooveel +verschijning, zooveel verwijzing naar een zijn. Dat zijn, dat +werkelijke bestaat, er is iets werkelijks, iets "reaals." Herbart staat +dus niet geheel op 't zelfde standpunt van Kant, hij noemt zich zelf +ergens een Kantiaan van het jaar 1828: er was vooruitgang sedert Kant. + + + +Tegenstrijdigheden. + +De taak, die Herbart voor de filosofie acht weggelegd is bearbeiding +onzer begrippen. Deze zijn vol tegenstrijdigheden. Die moeten +verwijderd worden. En dit kan alleen door de leer van de realen. Toonen +we dit aan voor een paar begrippen, waarin Herbart tegenstrijdigheden +meent te ontdekken: verandering, ik, inherentie. + +Daar is water. Dat bevriest en morgen is datzelfde water ijs. Hier +ligt een tegenspraak. Wij zeggen: er is hetzelfde water, A = A. Wij +nemen hier het identiteitsbeginsel aan. Maar tegelijkertijd zeggen +wij: A is vandaag water, morgen is A ijs, m. a. w. A is vandaag A, +morgen niet A. Dit strijdt tegen het grondbeginsel der contradictie: +Iets kan niet tezelfder tijd wèl iets en niet iets zijn. + +Er ligt dus in alle verandering een tegenstrijdigheid. + +Neem een horloge. Ge ziét het. Leg het voor uw oor. Ge hóórt +het. Betast het. Ge krijgt gewaarwordingen van koude en gladheid. Ge +hebt dus verschillende gewaarwordingen. Ge betrekt die op één ding, +het horloge. Dit is tegelijk tikkend, glad, wit en koud. A is B, +en C, en D. Het ding bezit een veelheid van eigenschappen. Hier ligt +een tegenstrijdigheid: het inherentieprobleem. + +Wij praten van onze ziel als van een eenheid. Het Ik denkt, doet, +begeert, voelt, enz. + +Ook hier eenheid en veelheid. En wat is dit ik eigenlijk? Het ik stelt +zichzelf voor. Bepaal nu eens dat zichzelf, enz. Dat is weer dat, +wat zichzelf voorstelt. Om dus het ik te bepalen, moeten we tot in +het eindelooze teruggaan.. + +Ook hier dus weer tegenstrijdigheden. + +Verandering-, inherentie- en ik-probleem eischen oplossing. + + + +Oplossing. + +Herbart neemt aan een "reale." Als taak der filosofen stelt hij, +de tegenstrijdigheden uit de begrippen te verwijderen. + +Laat ons zien, hoe hij deze weet te doen verdwijnen door zijn leer +der realen. + +Ziehier de grootsche hypothese, die herinnert aan de Eleaten, +Democritus en Leibniz. + +De wereld bestaat uit ondeelbare, eeuwig gelijk blijvende, niet +verder deelbare, zichzelf handhavende "realen," die ieder weer hun +eigenaardige eigenschappen hebben. + +Niet oneindig, maar zeer groot, is het aantal realen. + + + +Voor Democritus hadden er ook atomen bestaan. Maar hun verschil +was er een geweest van vorm en grootte. Het onderling verschil +tusschen de "realen" van Herbart is een qualiteitsverschil, een +hoedanigheidsonderscheid. Vandaar dat hij zijn leer betitelt als +qualitatief atomisme. Gevoeglijk zou zij ook te vergelijken zijn met +de leer der Eleaten. Dezen hadden het eenige, onveranderlijke zijnde +tegenover de wereld der verschijnselen gesteld, de wereld waarvan we +géén waarachtige kennis, slechts doxa, meening hadden. Ook Herbart +stelt eenige, onveranderlijke realen, geen zijnde, maar zijnden. Zijn +leer zou meervoudig Eleatisme kunnen heeten. + +Die realen handhaven zich zelf. Zij willen blijven bestaan tegenover +storingen van andere verschijnselen. Alle gebeuren is een reeks +zelfhandhavingen van realen die met elkaar in betrekking komen. Wat is +nu verandering? Ik zie vandaag A, morgen A1, van A door een verschil +onderscheiden. Een reaal verandert niet. Maar tegelijk met A neem ik +nu het reaal B waar, en daardoor ontstaat het verschil. Verandering +bestaat dus eigenlijk niet. Alleen kan een mensch zich met één +reaal verschillende andere samendenken. Vertoont zich een ding dus +achtereenvolgens als A, A1, A2, A3, dan moet er telkens een andere +samenvoeging van realen zijn die ik waarneem. + +Een dergelijke oplossing nu wordt gegeven van het inherentie +probleem. Een ding, waarin ik verschillende eigenschappen waarneem, +is een verzameling van realen, elk met zijn eigen hoedanigheid. + +Wat is ons ik? Niet anders dan een verzameling, een complex, evenals +een ding. Het ik-probleem valt onder het inherentieprobleem. "In +het ik is velerlei bijeen: deels een samengestelde voorstelling, +die echter niet nauwkeurig bepaald is, van datgene wat tot het ik +behoort, deels een nog veel grooter en meer en meer aangroeiende +kring van voorstellingen van andere zaken; en deze onderscheiding +geeft aanleiding om te spreken van een ik en van een niet ik." + +En wat blijkt hieruit voor ons onderzoek? Dat men het ik kan beschouwen +als eene verbinding van vele en velerlei kenmerken; dat het dus hoort +in de rij der vroeger beschouwde dingen met vele, veranderlijke +kenmerken en dientengevolge valt onder het logisch hoogere begrip +van het ons bekende probleem der inherentie. + +De geheele werkelijkheid bestaat dus uit realen die bij storingen +van buiten zich zelf handhaven. Alle gebeuren berust daarop. Alle +geschieden, alle verandering hangt dus af van de betrekking, waarin +het eene reaal staat tot het andere. + +En door die verschillende betrekkingen aan te nemen, zijn +tegenstrijdigheden op te lossen, zijn de begrippen te bearbeiden. Het +doel der wijsbegeerte is bearbeiding der begrippen. Haar methode die +der betrekkingen. + + + +Wij zagen dus, dat, wanneer een ding ons morgen anders schijnt dan +gisteren, wanneer het verschil vertoont, dat dit komt, omdat het in +betrekking is gekomen tot andere realen. Maar gisteren en vandaag is er +dan toch een reaal geweest, uitgangspunt als 't ware der reeksen die ik +zie, die gelijk is gebleven. Die reale is de substantie. Zoo is er, op +geestelijk gebied ook een reaal, een substantie: de ziel. Die ziel komt +met andere in betrekkingen, er ontstaan een reeks zelfhandhavingen: +dat zijn de voorstellingen. Maar die moeten niet opgevat worden, in +gewonen zin, zoo als wij spreken van de voorstelling van een huis, +een park, enz. Want deze voorstellingen zijn niet enkel. Herbarts +voorstellingen zijn de enkelvoudige gewaarwordingen, bijv. één toon +[10]. + +En hiermede gaan wij over tot Herbarts psychologie. + + + +Psychologie. + +Aan deze wetenschap kent Herbart een zeer voorname plaats toe en +hij is een harer uitnemendste vertegenwoordigers. Hij weet van zijn +zielkunde een samenhangend, stelselmatig geheel te maken, dat de +zielkundige verschijnselen niet als een meer of minder los naast +elkaar staande groep van verschijnselen opvat, maar er verbinding in +weet te brengen door ze te ordenen onder algemeene beginselen. Maar +ook is Herbarts zielkunde niet aan ervaring, menschenkunde, scherpen +blik gespeend. Menige pagina zijner werken getuigt van voortreffelijk +waarnemen. + +Wat is het groote beginsel, vanwaar uit Herbart de psychologie +beschouwt? Het hangt samen met zijn metafysica. + +Het bewustzijnsleven is resultaat van het werken der +voorstellingen. Deze werken op elkaar in naar bepaalde wetten. Zooals +er voor de buitenwereld een mechanica is, die de wetten der beweging +opspoort, zoo moet er een mechanica van voorstellingen komen. Dit +heeft doen spreken van Herbarts voorstellingsmechanisme. De disparate +voorstellingen kunnen verbindingen aangaan, bijv. de woordklank +roos, het gezichtsbeeld roos, de geur, enz. Zijn voorstellingen +gelijksoortig, dan vindt er versmelting plaats, bijv. het +waarnemingsbeeld van een roos met het herinneringsbeeld. Zijn +voorstellingen, die elkaar tegen gesteld zijn, tegelijk in 't +bewustzijn, dan belemmeren ze elkaar, bijv. twee kleuren. + +Er is dus verbinding, versmelting, belemmering. Bij ná elkaar komen +ontstaan rijen (bijv. van een gebeurtenis) bij gelijk zijn groepen +(beeld van een plein of kamer bijv.) + +Elke voorstelling nu handhaaft zich zelf, ze verdwijnen dus niet. Is +zij niet in het bewustzijn, dan komt dat, omdat ze belemmerd +wordt. In haar zelf vindt ze een kracht, om naar boven te komen, om +te stijgen. Reproductie, opnieuw bewust worden van voorstellingen kan +door associatie ontstaan, maar dus ook spontaan: als de belemmeringen +wegvallen. + +Uit de verhoudingen der voorstellingen ontstaat het gevoel, +het streven, de wil. Deze zijn nu geen afzonderlijke vermogens +der ziel. Heftig bestrijdt Herbart de vroeger heerschende +vermogenstheorieën, die aan de ziel aparte vermogens, +b.v. voorstellingsvermogen, gevoelvermogen, begeervermogen toekende. + +Zooals Herbarts metafysica in innig verband staat met zijn zielkunde, +leidt deze weer tot de opvoedkunde. Het karakter van den mensch hangt +af van bepaalde overheerschende voorstellingsmassa's. + +Hoe langer die bestaan, hoe meer invloed ze uitoefenen en hoe +sterker gewoonten ontstaan, die andere in toom houden. Onze wil +wordt bepaald door onze voorstellingen, van deze hangt ons handelen +af. Herbart is een voorstander van het determinisme. Zonder dit ware +opvoeding onmogelijk. Hoe zou, als er geen inwerking mogelijk was, +als de voorstellingen niet bepalend werkten, ooit iets gedaan kunnen +worden met hoop op resultaat? + +Ook aan de afwijkende verschijningen op het gebied van 't +bewustzijnsleven alsmede aan het psychisch leven van groepen wijdt +Herbart eenige aandacht, zij het lang niet in die mate als thans het +geval is bij de zielkundigen. + + + +Ethica. + +Doch de zielkunde is niet de eenige hulpwetenschap voor de +opvoedkunde. Zij geeft de middelen aan. Het doel wordt aangewezen +door de zedekunde. Op welk ethisch standpunt staat Herbart? + +De ethica is een onderdeel van de aesthetica. Wanneer wij +bijv. een goed klinkend accoord, een samentreffen van eenige bij +elkaar passende tonen hooren, vinden wij dat onwillekeurig mooi, +tegenover een wan-klank. Onze belangen, onze wil blijven buiten die +beoordeeling. Onwillekeurig schenken wij onze goed- of afkeuring. Dit +belangelooze is het kenmerk van aesthetische oordeelen. Nu kan het +oordeel ook gegeven worden over een menschelijke handeling. Ook deze +kunnen we karakteriseeren als mooi of leelijk, en tengevolge daarvan +kan het voornemen ontstaan om zich eveneens te gedragen. Begeeren +wij iets, zien wij daden van anderen, dan kunnen wij beoordeelen, +of die opkomende begeerte, die verrichte daad in overeenstemming is +met dat voornemen. Dan ontstaat een zedelijk oordeel. Ter laatster +instantie berust dit op een schoonheidsoordeel. Zooals Kant en +Fichte nu een algemeen zedelijk beginsel gezocht hebben, tracht +Herbart ook beginselen te vinden, waarnaar de zedelijk-ethische +waardeering plaats vindt, en die ons als richtsnoer kunnen dienen +in bizondere gevallen. Van deze beginselen kent Herbart er vijf: de +vijf practische ideeën, die, ook in overeenstemming met zijn methode, +berusten op betrekkingen. Zij zijn de idee der innerlijke vrijheid, der +volkomenheid, der welwillendheid, van het recht, der billijkheid. En +uit haar vloeien vijf ideeën voort voor de maatschappij, voor de +samenleving der individuen. Wat is de inhoud dezer tien ideeën? + + + +De idee der innerlijke vrijheid leert ons, dat dit handelen goed is, +hetwelk geschiedt overeenkomstig ons zedelijk inzicht: zij heeft +dus betrekking op de verhouding tusschen inzicht en wil. We zouden +hier kunnen spreken van een wetgevenden wil en een uitvoerenden. De +overeenstemming tusschen beide is de zedelijke vrijheid. + +Het komt er echter niet alleen op aan, dat we willen zooals ons inzicht +voorschrijft, maar ook, dat we krachtig, energiek willen, dat ons +willen veelzijdig (zonder versnippering) zij, dat er harmonie bestaat +tusschen de verschillende richtingen van den wil. Het krachtige, rijke, +gezonde (harmonieuse) willen behaagt en dit vindt zijn uitdrukking +in de idee der volkomenheid. + +Maar--de wil van den mensch kan niet alleen in betrekking staan +tot eigen inzicht, tot eigen wil (in anderen tijd, in andere +omstandigheden) maar ook tot den wil van anderen. En hieruit +ontspringen de overige drie ideeën. + +Wanneer A den wil van B kent of zich dien voorstelt en dat willen +goedkeurende, onberispelijk vindende, bevrediging van B's willen +begeert, dan is er welwillendheid aanwezig. Deze doet zonder meer +aangenaam aan. Het kan zijn, dat de welwillende door gebrekkige kennis, +door onwetendheid verkeerd handelt: het willen van B kan slecht zijn, +de middelen, gekozen om hem te helpen, ondoelmatig of verkeerd, maar +daaronder lijdt niet de waardeering der gezindheid. Noch behaagt de +daad, die uit welwillendheid zou kunnen voortgekomen zijn, maar haar +motieven in iets anders vindt, (bijv. ijdelheid, berekening). Letten +wij goed op: de gezindheid alleen is reeds voorwerp van waardeering: +zij behoeft nog niet tot handelen te komen. + +De verhouding bestaat hier ook niet tusschen twee werkelijke, in +de buitenwereld optredende willen, maar tusschen een voorstellende, +en een voorgestelde wil. + +Waar twéé willen in de buitenwereld optreden, waar A zich bijv. richt +op Q en B ook, waar tusschen A en B strijd ontstaat over Q, daar +treedt een andere verhouding op. Wij vinden dien strijd leelijk, +wij keuren hem af. Hij moet dus vermeden worden. Men kan hem ontgaan +door de welwillendheid, (een of beide doet afstand) maar gewoonlijk +worden er afspraken gemaakt, waaraan zich te houden, recht is. Het +eerbiedigen van de afspraken, het blijven binnen de gestelde grens, +wekt waardeering. Hier hebben we de idee van het recht. + +Eindelijk billijken wij het, wanneer hij, die wel doet, wèl ontvangt, +en omgekeerd. Er is verstoord evenwicht, als een daad onvergolden is. + +Op deze waardeering bouwt Herbart de idee van de vergelding, waaronder +ook de begrippen schuld, opzet, vallen. + +Welke regelen gelden nu voor het leven van gemeenschappen? Hier gaan +wij de omgekeerde volgorde. Met de vergeldingsidee komt overeen die +van het loonsysteem, het onrecht wordt in de samenleving gestraft. Daar +is het noodig, regelen te treffen, die, daar de strijd ontbranden kan, +dien kunnen voorkomen, door rechtsregelen te treffen. + +Met de idee van het recht correspondeert de rechtsstaat. Maar het +is eveneens noodig, dat er in die samenleving zooveel mogelijk geluk +voor allen zij. Met de idee der welwillendheid komt het beheersysteem +overeen. Zooals voor het individueele leven de idee der welwillendheid +het voornaamste is en buiten haar om recht en vergelding niet mogen +uitgeoefend worden of toegepast, zoo moet in de maatschappij nooit bij +vergelding, bij straf dus en bij rechtsregelen het geluk van allen +vergeten worden; mag het beheersysteem niet uit het oog verloren +worden. Maar de gemeenschap als geheel, moet ook trachten, tot zoo +krachtige en zoo groot mogelijke ontvouwing van alle krachten te +komen. Zooals het individu geleid wordt door de idee der volkomenheid, +heersche in de gemeenschap het beschavingssysteem. Ten slotte moet +ook in de maatschappij overeenstemming zijn tusschen inzicht en wil: +er moet getracht worden de vier zooeven genoemde ideeën ingang te +doen vinden. + +In de bezielde maatschappij is dus de afgeleide idee gegeven, die +overeenstemt met de zedelijke, de innerlijke vrijheid van den enkeling. + +De politiek heeft nu tot taak de regelen te geven voor de wijze, waarop +de staat en de maatschappij moeten gebracht worden tot opvolging der +ideeën. De paedagogiek doet hetzelfde voor het individu. + + + + + +§ 26. Opvoeding. De Herbartsche School. + +Het is de verdienste, de zeer groote verdienste van Herbart +geweest, dat hij een systeem gegeven heeft van opvoedkunde. Naast +de theoretische wijsbegeerte, die vraagt naar het zijn, en die +kénnen wil, staat de practische, die voorschriften voor handelen +zoekt. Beurtelings zagen we een van beide overwogen. Tijden, dat de +filosofie alleen levensleer was, waren geen eigenlijke bloeitijdperken +voor het denken. Kant had, met zijn scheiding van theoretische +(zuivere) en practische rede beide deelen van de wijsbegeerte recht +gedaan. Ook hierin is Herbart een Kantiaan. Ook hij heeft theoretische +en practische wijsbegeerte gescheiden. En in deze laatste sluit hij +bij Kant aan in zijn bepalen van het schoone als een belangeloos +beoordeelen, in het niet aan de ervaring ontleend zijn der ethische +grondbegrippen. + +Maar Herbart gaat verder. Hij beantwoordt niet alleen de vraag: +hóe zijn de regels voor ons handelen. Hij begrijpt, dat zich +oogenblikkelijk daarop de vraag moet voordoen: Hoe voeden we dan +onze kinderen op, hoe richten we een staat in? Die laatste vraag had +van oudsher veel meer de belangstelling der wijsgeeren getrokken dan +de eerste. Eigenlijk is Herbart de eerste, die een wetenschappelijk +stelsel van opvoedkunde ontwerpt. Locke had waardevolle aanteekeningen +gegeven, Rousseau geestdrift verwekt. Kant's meeningen zijn niet te +minachten... omdat... ze van Kant zijn. Maar Herbart bouwt. Deze +verdienste is hem noch door voor- noch door tegenstanders +ontzegd. Natuurlijk blijft hier dan nog ruimte voor tweeërlei +waardeering. + +Wat is--los van alles--de waarde der opvoedkunde? Heeft zij niet +geringe beteekenis, waar in de opvoeding opvoeder en opvoedeling +beide individuen zijn, ieder met eigen aard? Is het daar mogelijk, +algemééne of zelfs veelvuldig geldende voorschriften te geven? En +aangenomen de waarde van de voorschriften op zich zelve, heeft het +geven daarvan invloed op den opvoeder: zal het voorschrift op zijn +daden invloed uitoefenen? + +En dan de tweede vraag: is de paedagogiek van Herbart de juiste, +verdient zij wijziging in de grondslagen, of alleen in onderdeelen +en eischt zij verder voortbouwen op eenmaal gelegd fundament? + +Maar Herbart's verdienste mag daarom grooter of kleiner worden; dat +hij--de eerste en tot dusver eigenlijk de eenige--een paedagogisch +stelsel gebouwd heeft, dat, in nauwen samenhang met zijn leer, toch +ruimte bood voor verdere practische ontwikkeling, heeft hem invloed +tot nu, bezorgd. + +Aan de ethiek ontleent de paedagogiek haar doel. Dit moet zijn een +zedelijk sterk karakter te vormen. Deugd is het einddoel. Middel geeft +de psychologie, die leert, dat de wil door voorstellingen beheerscht +wordt. Het onderwijs zelf is dus middel tot opvoeding mee, alle +onderwijs zij opvoedend tevens. Door aanknooping aan 't bekende wekke +het onderwijs belangstelling, door geleidelijke, streng methodische +behandeling der leerstof moeten heldere begrippen ontstaan. Niet +door kunstmiddelen, gelegen buiten het onderwijs, maar door de goede +behandeling er van, door het inzicht, moet de belangstelling komen. En, +opdat er bepaalde samenhangende voorstellingsmassa's ons willen zullen +bepalen, moet de leerstof zooveel mogelijk met elkaar in verband +gebracht worden: liefst om één middelpunt gerangschikt. Rijk zij het +willen en daarom zij de keuze der leerstof veelzijdig, veelzijdige +belangstelling opwekkend. + +Bij de zedelijke opvoeding onderscheide men wel tusschen regeering +en tucht. De eerste is slechts betooming van drift en natuurlijke +ongebondenheid, moet brengen tot legaal handelen. Zij werkt met +verschillende maatregelen (gebod, verbod, straf) en ten slotte +wordt door de gewenning het kind gewoon betamelijk te handelen. Maar +eerst als men tracht zedelijk inzicht aan te brengen, als gezindheid +gekweekt wordt, is er echt zedelijke opvoeding. Dit is het gebied +van de tucht. De autoriteit van den opvoeder treedt gaandeweg op +den achtergrond. + + + +Samenvatting. + +Overblikken wij nog kort Herbart's leer: + +Filosofie is bearbeiding der begrippen en zij doet dit door de +methode der betrekkingen en valt uiteen in een aantal bijzondere +wetenschappen. De werkelijkheid bestaat uit een niet oneindig aantal, +qualitatief verschillende "realen," die zich nooit veranderen. Zij +handhaven zich zelf. Alle gebeuren is niets anders dan zelfhandhaving +der realen. De mensch kent éérst dat gebeuren, maar zooveel schijn, +zooveel verwijzing naar een zijn: uit de ervaring klimt hij op tot +de realen. Deze leer van het qualitatieve atomisme stelt in staat +tegenstrijdigheden op te lossen die in de begrippen liggen. Met +haar wordt het probleem der verandering verklaard, door haar het +inherentie-probleem, waaronder het ik-probleem valt. De ziel is een +der realen, haar zelfhandhavingen zijn voorstellingen. Deze zijn het +primaire van alle bewustzijnsverschijnselen. Vermogens der ziel bestaan +niet. Uit het spel der voorstellingen, uit hare betrekkingen ontstaan +gevoel, begeerte, wil. De voorstellingen determineeren den wil. + +De zedeleer is een onderdeel der aesthetica. Wij vonden sommige +daden belangeloos, schoon. Er zijn vijf beginselen, waarnaar onze +zedelijk-aesthetische oordeelen tot stand komen. Daaruit volgens vijf +beginselen voor de staatsleer. + +Op ethiek, die het doel aangeeft en psychologie die de middelen +aanwijst, is de opvoedkunde gebouwd, welke door onderricht, dat +alzijdige belangstelling wekt, langs den weg van gewenning en regeering +den leerling tot de tucht en daardoor tot ware zedelijkheid brengt. + + + +Herbart heeft vele navolgers gevonden. Allereerst zijn er vele +zielkundigen geweest, die zich bij hem aansloten en door degelijke +leerboeken en studies bijdroegen tot de beoefening en vooruitgang +dier wetenschap. Het zou hier te ver voeren, die namen te noemen en +wij bepalen ons tot enkele. Drobisch en Waitz zijn als zielkundigen +meer bekend. Vooral een werk van den laatste, waarin hij handelt over +de statistiek der moraal in verband met wilsvrijheid is interessant +en nu nog opmerkelijk. + +Lazarus en Steinthal hielden zich bezig met taalstudies en hebben +op 't gebied der taalkunde besliste verdienste. Zij stichtten een +belangrijk tijdschrift voor taalwetenschap en volkszielkunde. In het +"Tijdschrift voor filosofie en paedagogiek" vindt de Herbartsche +school in Duitschland haar orgaan. + +Ook de opvoedkundige ideeën werden verder ontwikkeld. Met name is hier +te noemen Tuiscon Ziller (1817-'82), die voor de practijk de beginselen +van den meester uitwerkte. Rein, hoogleeraar te Jena, onder wiens +leiding een groote encyclopaedie der opvoedkunde verschijnt, (thans in +2den druk) en die in Jena een middelpunt van veel paedagogisch streven +is, kan thans gelden als het hoofd der Herbartiaansche paedagogen. Met +eere is hier ook te noemen Strümpell, die door een degelijk werk over +de niet-normale kinderen (Paedagogische Pathologie) den grondslag lei, +en de stoot gaf voor belangwekkende studie's op dit gebied. + +In ons land wordt de Herbartsche school voornamelijk vertegenwoordigd +door J. Geluk en H. de Raaf. + +Geluk, vroeger hoofd der school te Dinteloord, was een man van groote +kennis, veelzijdig weten, die zich door eigen studie een groote +kennis van talen en wijsgeerige vraagstukken had eigen gemaakt en +wiens Herbartiaansch standpunt hem niet verhinderde, ook met de +psychologie der Engelschen en Franschen op de hoogte te zijn. Hij +schreef een uitnemend werk over "Herbart's Opvoedingsleer," een zeer +degelijk "Woordenboek voor opvoeding en onderwijs" (Groningen 1882) +en verder tal van artikelen. + +H. de Raaf, tot voor korten tijd directeur der kweekschool voor +onderwijzers te Middelburg, gaf eerst een eenvoudige zielkunde +voor onderwijzers naar Herbart's beginselen, stichtte met Geluk een +Nieuw Tijdschrift voor paedagogiek, sedert herdoopt in Opvoedkundig +tijdschrift, en heeft later de leer van Herbart hier ingang willen +doen vinden door bewerkingen van zijn leer. Eerst gaf hij Herbart's +Paedagogiek (Groningen 1903) een vertaling van een der meer populaire +werken over opvoedkunde van Herbart, toegelicht met aanhalingen +uit andere werken van den schrijver, en voorafgegaan door een goed +geschreven levensschets, die van piëteit tegenover en kennis van den +meester getuigt. Daarop volgde Herbart's Metafysica, Psychologie en +Ethiek, (Groningen 1905) voorzien van een oriënteerende inleiding. Aan +de psychologie en aethica gaan eveneens inleidingen vooraf. + +Beide boeken zijn, door hun helderen vorm, uitnemende inleidingen +op Herbart en zullen hem, die dezen denker nader wil leeren kennen, +goed te stade komen. + +Buiten de kringen van de beroepsopvoeders schijnt in ons land Herbart's +leer weinig aandacht getrokken te hebben. + + + +De paedagogiek als wetenschap in Nederland. + +Opm. Het is hier de plaats, om een enkel woord te wijden aan de +opvoedkunde in Nederland. Zij deelt niet in de belangstelling, +welke zij in Duitschland geniet. Academische docenten in de +paedagogiek zijn daar velen, en de paedagogiek pleegt daar opgenomen +te worden in den kring der wijsgeerige wetenschappen. Sommige denkers, +bijv. Paulsen, Ziehen, toonen levendige belangstelling in paedagogische +vraagstukken. In Engeland en Amerika verheugt zich de kinderzielkunde +en in verband daarmee ook wel de opvoedkundige studie in bloei. (James: +zielkunde en opvoedkunde, ook in het Hollandsch vertaald; Stanley +Hall, Monroe.) Ten onzent wordt van den aanstaanden opvoeder, +voor zoover academisch opgeleid, geenerlei vorming voor zijn beroep +geëischt, theoretisch noch practisch. In ons land is er slechts één +privaat-docent in de opvoedkunde (Dr. Gunning [11]), die zich over +het geheele terrein der paedagogiek beweegt, maar de meeste liefde +voor de geschiedenis der opvoedkunde schijnt te gevoelen. + +Van de vier hoogleeraren in de wijsbegeerte (die trouwens, vergeleken +bij andere landen, reeds een te groote hoeveelheid vakken hebben +te doceeren) geeft geen, voorzooverre mij bekend, college's in +paedagogiek. Alleen bezitten we van de hand van prof. Ritter te Utrecht +"Paedagogische fragmenten." + +Meer belangstelling hebben de psychiaters getoond voor de opvoedkundige +vraagstukken. Van de hand van eenige medici bezitten wij artikelen +of brochures of dissertaties over proeven met schoolkinderen. Van +vele dezer onderzoekingen lag de prikkel in het feit, dat er vrij +algemeen over "overlading" wordt geklaagd. + +Bij hen, die het lager onderwijs dienen, is veel grooter lust +tot studie der paedagogiek. Het Ned. Onderw. Genootschap heeft een +voortreffelijke paedagogische bibliotheek ondergebracht in de A'damsche +universiteitsbibliotheek. Verder verschijnen een menigte boeken, +tijdschriftartikels, voordrachten over allerlei onderwerpen. Toch laat +ook hier de beoefening der paedagogiek dikwijls nog te wenschen over. + +Gelukkig--dat met dezen slechten stand der theoretische paedagogiek +een bloeiend schoolwezen gepaard gaat, dat, groote gebreken vertoonend, +toch over 't geheel niet behoeft onder te doen voor dat van de meeste +cultuurlanden van Europa. + + + +Algemeene samenvatting. + +Zoo kunnen wij dus dit tweede gedeelte eindigen. De tijd +der speculatieve filosofie is het eerste derde deel der 19de +eeuw. Aanvangend bij Fichte, loopt de groote idealistische strooming +over Schelling naar Hegel, die een school nalaat, welke, zich +splitsend, overgaat in het positivisme. + +Een tijdlang daarna werden de idealistische systemen min of meer +vergeten. In 1890 nog schrijft Heymans, dat het geslacht dergenen +die nog in hun waarheidsgehalte gelooven, uitsterft of uitgestorven +is. "Voor het denken van dezen tijd hebben deze systemen alle +beteekenis verloren. Zij zijn dood; en het dient tot niets ze telkens +weer uit hunne graven te voorschijn te halen, om te bewijzen, dat +zij dood zijn." + +Thans echter openbaart zich in ons land een sterke belangstelling in +Hegels leer, toe te schrijven aan het optreden van Bolland. + +Omstreeks het midden der 19de eeuw begint het pessimisme van +Schopenhauer aandacht te trekken, na eerst een tijdlang onopgemerkt +verkondigd te zijn. + +Aansluitend bij Kant komt Herbart, die de vader wordt van een +belangrijke ziel- en opvoedkundige school, die tot op dezen tijd +vooral op de theorie der opvoeding haar invloed doet gelden, en in +ons land in De Raaf en Geluk haar vertegenwoordigers vindt. Herbart +is de scherpzinnigste onder de denkers die tijdens het idealisme een +critische onderstrooming vormden. Schematisch geven we nog even een +overzicht. De toelichtende jaartallen, die wij voor het gemak naast +het schema laten drukken, moeten den tijd, waarin de denkers leefden en +hunne werken verschenen, aangeven. Zij zijn in drie groepen verdeeld: + + + I. De denkers. + II. De bij hun leven verschenen en in hun tijd verschenen werken. + III. De werken na dezen tijd verschenen, die aangeven, hoe door + den loop der 19de eeuw invloed bleef uitgaan van de wijsgeeren + uit dezen tijd. + + + + + + + + +DE TIJD DER SPECULATIEVE FILOSOFIE WAS + + +In den staat: Tijd van reactie. Onderdrukking van het liberale +beginsel: Heilige Alliantie der vorsten. + +In de literatuur: Tijd van romantiek. (Tieck, Novalis, Hölderlin, +Schlegel.) Jena is het brandpunt. + +In de filosofie: Tijd van idealisme en pessimisme met een critischen +onderstroom. + + + IDEALISME. PESSIMISME. ONDERSTROOM. + | | | + +-----------+----------+ | | + | | | | | +Fichte Schelling Hegel. Schopenhauer. Herbart. + | | | | + { Schleiermacher. } | Mainländer. School. + { Krause. } | { Hartmann. } + { Wagner. } | { Nietzsche. } Psychologen: + | { Wagner. } Drobisch. + | Lazarus. + +-------------+---------------+ Steinthal. + | | | Waitz, etc. + Rechterzijde. Centrum. Linkerzijde. + | | + historici en Godsdienstwijsbeg.: Paedagogen: + aesthetici: Strauss. Ziller. + Erdman. Feuerbach. Strümpell. + Zeller. Rein. + Vischer. Economen: Geluk. + Kuno Fischer. Lasalle. De Raaf. + Marx. + Bolland. + + + + + + + + +EENIGE TOELICHTENDE JAARTALLEN. + + + 1760-1814. Fichte. + 1775-1854. Schelling. + 1772-1831. Hegel. + 1778-1860. Schopenhauer. + 1776-1841. Herbart. + + 1794. Fichte's Wissenschaftslehre. + 1798. Schelling, Van de wereldziel. + 1799. Schleiermacher, Toespraken over den godsdienst. + 1807. Hegel, Phaenomenologie van den Geest. + 1812-1816. Hegel, Logica. + 1813. Herbart's Inleiding in de Philosophie. + 1816. Herbart's Leerboek der Psychologie. + 1819. Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling. + 1821. Hegel's Rechtsfilosofie. + 1829. Herbart's Algemeene Metafysica. + 1834-1853. Joh. E. Erdmann's Geschiedenis der wijsbegeerte. + 1835. Strauss, Het leven van Jezus. + 1839. Zeller's studies over Plato. + 1841. Feuerbach, Het wezen van het Christendom. + 1841. Schopenhauer's ethiek. + 1842. Drobisch, Zielkunde. + 1847-1852. Zeller's Geschiedenis der Grieksche wijsbegeerte. + 1849. Waitz, Zielkunde als natuurwetenschap. + 1846-1858. Vischer, Aesthetica. + 1857. Kuno Fischer begint zijn geschiedenis der nieuwere + wijsbegeerte. + 1867. Marx, Het Kapitaal. + 1869. Hartmann, Filosofie van het onbewuste. + 1872. Strauss, Het oude en het nieuwe geloof. + 1876. Mainländer's filosofie der Verlossing. + 1881. Dood van Tuiscon Ziller. + 1882. Geluk's Woordenboek. + 1896. Bolland, hoogleeraar te Leiden. Het wereldraadsel. + 1904. Bolland, Zuivere Rede. + 1905. De Raaf, Herbart's Metafysica. + 1908. Dood van Ed. Zeller. + + + + + + + + +DERDE AFDEELING. + +DE TIJD VAN HET POSITIVISME. + + +§ 27. Inleidende Opmerkingen. + +Het begin der 19de eeuw is op literair gebied de tijd der romantiek. Op +wijsgeerig gebied die van 't idealisme. Na den bloei dezer richting +komt een tijd van inzinking. Men is gedesillusioneerd. Men +wendt zich af van de groote systemen. Men keert zich naar de +detailwetenschappen. IJverig onderzoek op elk gebied wordt de leus, +onderzoek naar feiten en samenhang van feiten, op welk gebied dan +ook. Maar wat men ook mag zoeken, géén metafysica. Misschien, dat men +nog erkennen wil, dat er iets achter de ons gegeven verschijnselen +ligt, dat er méér ligt in de gegeven dingen, dan wij meenen; maar dan +is het toch onkenbaar en doen wij dwaas, daaraan tijd en kracht te +geven. Als leeuwen opgesloten in een kooi, moeten we niet trachten, +de ijzeren tralies te buigen of te vermorzelen; dat zal ons toch +niet gelukken. Laat ons liever probeeren, de kooi te leeren kennen, +het in die kooi zoo gezellig mogelijk te hebben. + +Inderdaad doen in dezen tijd de speciale wetenschappen +groote schreden. De physica ontwikkelde zich meer en meer, de +scheikunde deelde in dien vooruitgang. Darwin stelde zijn grootsche +ontwikkelingshypothese op, Robert Mayer vond de stelling, dat alle +energie behouden blijft, dat er omzetting van vorm der energie moge +plaats vinden maar géén vermeerdering of vermindering. Historische +studies werden ijverig bedreven. Kleine tijdperken werden met ijver +bestudeerd, grootere met minder voorliefde. De filologie spitste haar +beste krachten op de critische behandeling van teksten. De theologie +beoefende ijverig de bijbelcritiek, plukte en rafelde en twijfelde +aan elk feit zoolang, tot de critiek soms in hypercritiek scheen te +ontaarden. Groote schatten van kennis werden opgehoopt en verzameld. + +In het onderwijs was de geest van Pestalozzi doorgedrongen. Kennis +verspreidde zich in alle lagen der bevolking door goed ingericht +volksonderwijs. Welk een betere organisatie bracht niet in ons +land de onderwijswet van 1857 vergeleken met die van 1806. Voor +de middenklasse, die geen academische vorming begeerde, kwamen +Hoogere Burgerscholen, waar niet het verleden, maar het heden de +leerstof zou leveren: moderne talen, wis- en natuurkunde werden er +de hoofdvakken. Niet Latijn en Grieksch zooals op 't gymnasium. + +Op politiek gebied verdween na 1848 de tijd der reactie +gedeeltelijk. In Frankrijk en Engeland, in Duitschland in sommige +staten, in ons land was de volksinvloed (een invloed van den nijveren +of handeldrijvenden of grondbezittenden middelstand) op de regeering +merkbaar. + +Op maatschappelijk gebied brachten de vele uitvindingen der 19de eeuw +geweldige veranderingen. De oude, vaderlijke verhouding tusschen +werkgever en werknemer verdween bij grooter worden van het getal +arbeiders, gevolg van grooter inrichtingen. Machines en installaties +eischten meer geld dan het eenvoudige bedrijf van vroeger, er kwam +opeenhooping van kapitaal in enkele handen. Daartegenover begon een +stand van werkenden te komen, wien gering loon werd uitbetaald. Vrije +concurrentie spoorde aan tot zoo zuinig mogelijk inkoopen van +arbeidskracht. + +De kerk begon terrein te verliezen. Het rationalisme der 18de eeuw was +niet verdwenen, had sporen nagelaten. De rustige rust na Napoleons +val had ook in de kerk invloed doen gelden. In ons land was het +aanvankelijk pays en vree tot ook hier het modernisme doordrong, dat, +in onbarmhartige critiek op het oude en overgeleverde, voor velen de +kerk sloot. Voerende geesten wendden zich af van haar, zochten niet +zelden anderen werkkring. Wel ontbrak ook hier niet de reactie en +met name in het godsdienstige Nederland hield een niet gering deel +der natie vast aan oude Calvinistische leerstellingen. + +Dit alles duurt tot '60, '70. Dan komt een reactie die in ons land, +dat de geestesstemmingen der groote cultuurlanden misschien iets +later weerspiegelt, omstreeks '80 duidelijk wordt. Omstreeks '60 +wordt in de wijsbegeerte de leus vernomen: terug naar Kant! Lange +geeft zijn Geschiedenis van het materialisme, die onder doorloopende +waardeering van wat gedaan is door de materialistische denkers, steeds +de klip aantoont waarop alle materialistische levensverklaring moet +vastloopen. De nood der arbeidende klasse grijpt aan, maar niet op +idealistisch-utopistischen grondslag tracht men tot verandering te +komen. Karl Marx wil het socialisme wetenschappelijk grondvesten. De +regeeringen beginnen met sociale wetgeving. De literatuur verandert +zich, brengt het hartstochtelijk zoeken naar het nieuwe, de behoefte +aan dieper levensgevoel tot uiting, zoekt nieuwe vormen, nieuwe taal. + +De politieke constellatie verandert. Frankrijk wordt een republiek, +het herstelde Duitsche rijk gaat in economischen bloei snel vooruit, +Italië wordt een eenheidsstaat. + +De verachting der wijsbegeerte begint langzaam op te houden. + +De tijd van het positivisme ligt derhalve zoo ongeveer in het tweede +derde der eeuw. + +Maar vóór we de afzonderlijke denkers bespreken, past drieërlei +opmerking. + +Het positivisme kon gaan bloeien, toen het idealisme uitbloeide. Maar +onjuist is het, om het bloot als reactie daartegen te beschouwen. Reeds +eenvoudige historische feiten bewijzen dit: Comte, de groote Fransche +positivist leeft ten tijde van Schelling en Hegel. Leerzaam is het +volgende tabelletje: + + + 1798 Cabanis. Fichte. + Verband tusschen lichaam en Wetenschapsleer. + geest van den mensch. + 1809 Lamarck. Schelling. + Zoölogische wijsbegeerte. Over de vrijheid. + 1830 Comte. Hegel's werken uitgegeven + Positieve filosofie. (1832). + 1834 Bentham's leer der moraal Fichte's nagelaten + verschijnt. geschriften komen uit. + + +Wat is n.l. het positivisme? Het wil uitgaan van de werkelijkheid, +van de gegevens, zooals die zich objectief aan ons voordoen. En dan +van onderen op wil het stijgen tot een omvattende kennis der geheele +realiteit, evengoed als het idealisme dat wou van boven af. En evenzeer +als dit, zoekt het in de geschiedenis en wil in deze, naar Kant's +programma, de leidende beginselen, de stuwende krachten ontdekken, +om zoo den loop der geschiedenis te leeren verstaan. Comte, evengoed +als Hegel, stelt een ontwikkelingsgang op der menschheid, ziet lijn +en verloop in de historie. + +Ook het positivisme zet zich schrap tegenover het gebrek aan +historischen zin der aufklärung. Veeleer dan een dochter van 't +idealisme, die haar moeder 't leven rooft, is het positivisme een +in Frankrijk geboren zuster, die weldra het Kanaal oversteekt, en, +uit vrees van te vervallen in het idealisme der Duitsche, uit vrees +voor verlies van 't ervarings-standpunt, duidelijke feiten van 't +bewustzijnsleven over 't hoofd ziet. + +Er past een tweede opmerking. Zooals er ten tijde van 't idealisme +critische denkers leefden, die later hunne waardeering vonden en +aanhang verwierven, zoo werken er in deze jaren van het midden der +eeuw wijsgeeren, die nú hún jongeren vinden. Onder hen is vooral te +noemen Gustaaf Theodoor Fechner. + +Tot recht verstand kome een derde opmerking. De tijdgrenzen staan niet +precies vast voor deze periode en het woord positivisme wordt als een +titel gebruikt, die niet alles omvat wat in dit gedeelte gegeven wordt. + +Wij gaan achtereenvolgens de Franschen na; zien, hoe daar in Comte +het positivisme tot zijn hoogtepunt komt, na eerst voorbereid te +zijn. In Engeland leeren we den strijd over de zedeleer kennen, +de richting van het Utilisme vertegenwoordigd door de beide Mill's, +van wie de zoon tevens was een uitnemend beoefenaar der logica. We +zien Darwin zijn grootsche hypothese opstellen en maken kennis met +de ontwikkelingsleer van Spencer. + +In Nederland weerspiegelen zich deze bewegingen. Opzoomer wordt hier +de verkondiger van de wijsbegeerte der ervaring, bij hem sluit zich +aan zijn leerling Allard Pierson, en aanvankelijk ook Van der Wijck. + +In de literatuur worden dan vele begrippen door Multatuli +gepopulariseerd, die, door puntige, scherpe wijze van zeggen in ons +land langen tijd een invloed kreeg, die oorspronkelijker en veel +dieper denkers soms ontzegd bleef. + +En, even als in 't begin der nieuwe geschiedenis gaat ook nu van +Italië prikkelende kracht uit: een deel der positivistische school +werpt zich op de leer van den misdadigen mensch. + +In Duitschland wordt het materialisme verkondigd door Büchner, Vogt, +Moleschott. De leer van kracht en stof doet opgeld. + + + + + + + + +HOOFDSTUK X. + +HET FRANSCHE POSITIVISME. + + +§ 28. Inleiding. + +De psychologische school. + +In de revolutie had de aufklärung gezegevierd. Condillacs wijsbegeerte +werd de wijsbegeerte van Frankrijk. Bij hem sloten zich een aantal +denkers aan. In 't bijzonder te noemen is hier de arts Cabanis, die +met veel ijver het verband tusschen onze stoffelijke en geestelijke +verschijnselen bestudeerde. Bizonder gewichtig is, dat hij in de +zielkunde het begrip van het levensgevoel invoerde. Condillac had +geleerd, dat alles in onze bewustzijnsverschijnselen tot waarneming, +tot zinnelijke gewaarwording was terug te voeren. (I 334). Cabanis +nu wijst er op, dat ons ook uit ons organisme, uit onze hersenen, +gewaarwordingen toevloeien, ja, reeds voor onze geboorte. Deze vage +"gevoelens" vormen het levensgevoel. Ondanks enkele zijner uitingen +rekent men Cabanis niet tot de materialisten. + +Napoleon was de leer van Condillac niet gunstig gezind. Met +persvrijheid was het gedaan. De aanhangers van Condillacs leer, +die vooral psychologen waren, trokken zich in engeren kring terug, +schaarden zich in Auteuil om Cabanis. Tot dien kring hoorde ook Maine +de Biran (1766-1824). Deze merkwaardige man, iemand van diep gevoel, +bestudeerde zijn eigen zieleleven met de objectieve belangstelling +van een theoreticus. Hem boeide vooral het probleem van de verhouding +tusschen activiteit en passiviteit in onze ziel: in hoeverre wordt +deze door de indrukken van buiten beheerscht, in hoeverre beheerschen +wij deze. + +'n Zeer belangrijken kijk op den denker, die geen groote activiteit +bezat en er niet toe gekomen is, om zijn theorieën geheel uit +te werken, geeft zijn: "Intiem dagboek" in 1857 uitgegeven. (Zijn +werken werden eerst lang na zijn dood bekend.) Toch werd hij door zijn +hartstocht voor psychologisch waarnemen de vader der nieuwe Fransche +zielkundige school. Tot zijn vrienden en geestverwanten behoorde de +beroemde natuurkundige Ampère, die in wijsgeerig opzicht dicht bij +hem stond. + + + +Het autoriteitsbeginsel. + +Tegenover deze school nu stond een richting, die zoo van 1815-1830, +toen onder de Bourbons de reactie in Frankrijk hoogtij vierde, in +eere was. Zij wees terug naar het geloof als eenig heil, naar de +autoriteit van staat en kerk als onontbeerlijk. Ondanks epigrammen, +guillotine en sluitredenen stond de kerk nog rechtop. Het menschdom +had afdoende bewezen, dat de rede geen leidsvrouw kon zijn. Het +geloof bood een vast steunpunt. Reeds in 1802 had de letterkundige +Chateaubriand zijn beroemd werk over het christendom (le genie du +christianisme) geschreven en Joseph de Maistre werd de verkondiger +van het autoriteitsbeginsel. Buig u voor koningen, edellieden, voor +paus en kerkelijke autoriteiten. Laten zij beslissen wat waar, goed +en nuttig is. Zelfs de natuurwetenschap moet het ontgelden. Als zij +verklaart dat vloed en eb ontstaan door de aantrekkingskracht der +maan, als ze beweert, dat water uit twee deelen waterstof tegen één +deel zuurstof is samengesteld, dan noemt de Maistre dit "dogma's" +die betwijfeld kunnen worden. + +Ons verstand begrijpt toch niet alles. Tal van onverklaarde dingen +doen zich aan ons op. De oorlog bijv. door het verstand vervloekt, +blijkt door geheel de schepping heen een middel tot bewaring van 't +leven. Zoek den vrede in de kerk. Laat de paus de wereld regeeren, +hij is onfeilbaar. Het ongeluk voor de menschheid is begonnen met +de Hervorming, een der grootste euveldaden! Het zette zich voort +in de 18de eeuw, samenspanning tegen geloof en kerk, waarbij de +godslasterlijke hansworst Voltaire voorging. + +Zooals de aufklärung alles aan de kerk en de papen weet, alles +toeschreef aan opzet en bedrog, zoo doet de Maistre het aan de +aufklärung. + + + +Cousin. + +Onder het koningschap van Lodewijk Philippe was Cousin, (1792-1861) +begaafd redenaar, schitterend stylist, de alleenheerscher op wijsgeerig +gebied. Hij doceerde aan de "Normaalschool," de inrichting, waar alle +leeraars voor hoogere betrekkingen worden opgeleid. In elke filosofie +iets waars ziende, werd hij een eclecticus, die verschillende elementen +tot een systeem vereenigde. Dit waardeeren der verschillende stelsels +bracht hem tot de bestudeering van de geschiedenis der wijsbegeerte. Op +dit terrein hebben hij en zijn leerlingen besliste verdiensten. Aan +zijn Platovertalingen werd reeds herinnerd. + +Tegenover de "Normaalschool" stond de polytechnische Hoogeschool. Hier +ontstond het positivisme van Comte. + + + + + +§29. August Comte. + +Leven en Persoonlijkheid. + +Merkwaardigen vooruitgang hadden de natuur- en scheikunde te zien +gegeven. Tal van verschijnselen waren ontdekt, voor tal van reeds +bekende een juister verklaring gevonden. Zouden die ontdekkingen geen +invloed uitoefenen op andere wetenschappen? Zouden zij niet nuttiger +kunnen zijn dan alleen op 't enge gebied van eenige afzonderlijke +vakken? Het antwoord kon niet twijfelachtig zijn. Altijd had de +groeiende ervaring der menschheid ingewerkt op haar godsdienst, kunst, +staatsleven. Nooit geheel hadden zij zich kunnen onttrekken aan de +macht der feiten. Zouden ze het nú dan wel doen, nu die feiten zoo vele +waren, zoo luide spraken? Het was onmogelijk. Wat er te doen bleef, +dat was een wetenschap van den geest op te bouwen, even positief als +de scheikunde, de natuurkunde. Dan waren alle bizondere wetenschappen +positief. En deze te zamen zouden een geheele wijsbegeerte leveren, +die, even stellig als nu de natuurwetenschappen, even onbetwistbaar zou +zijn, evengoed ontzag zou inboezemen, en dus een algemeene denkwijze +bevorderen. De stelligheid moest zich zoo met de algemeenheid en +de algeheelheid vereenigen. Dan zoude er meer autoriteit komen en +gehoorzaamheid aan 't gezag. Het zat er diép in: de behoefte aan +autoriteit in de eerste jaren der 19de eeuw. Eens was er een tijd +geweest, toen de menschen met eerbied bezield waren voor de kerk, +een gemeenschappelijk ideaal hadden, zich één voelden, zich bogen en +daarin en daardoor samen werkten. Dien tijd hadden de Middeleeuwen +te zien gegeven met de kerkelijke hiërarchie. Maar de hervorming +was gekomen en had tot deïsme en andere halfslachtigheden geleid, +die noch het eerbiedig ontzag voor de kerk, noch dat voor de feiten +bezaten. Dan had De Maistre recht gehad, die onomwonden weer eerbied +voor de kerk, herstel der Middeleeuwsche gehoorzaamheid eischte. Doch +die tijd was voorbij. Critiek en nadenken hadden onherstelbaar +het geloof aan de kerkelijke leerstellingen vernietigd. Teruggaan +was onmogelijk. Vooruit lag de weg! Men moest komen tot het allen +ontzag inboezemende positivisme, de leer, gegrond op de positieve +wetenschappen. Die leer te ontwerpen, haar door te voeren voor de +practijk zoowel als haar met groote kennis van feiten te argumenteeren, +ziedaar de levenstaak en het werk van August Comte. + +Hij werd den 19den Januari 1798 uit een streng katholieke familie +geboren, maar reeds op zijn 14de jaar kwam het in den jongen tot een +crisis: hij voelde, dat het leven zich moest verjongen en vernieuwen, +dat het tot dusver gevolgde geloof niet houdbaar was. + +Hoe moest die jonge geest voedsel vinden aan de polytechnische +hoogeschool, waarheen hij werd gezonden! Daar heerschte onder de +leerlingen een vrije, republikeinsche geest en met de liefde voor +de exacte wetenschappen verbond zich een levendige belangstelling in +mensch en maatschappij: hier ontmoetten in jonge menschen met warme +harten en heldere hoofden stelligheid en menschelijkheid elkaar. + +Wie weet, welk een intens leven een poos geheerscht heeft aan de +polytechnische hoogeschool te Delft [12], vindt een Hollandsche +parallel. + +Een studentenopstootje is voor de regeering aanleiding om de school +te sluiten en de studenten her en der te verspreiden. + +Maar Comte houdt het niet uit buiten Parijs: hij keert er terug, vult +nu met studies in andere vakken zijn kennis aan, komt in aanraking +met De Saint Simon en ondergaat, als zoo menigeen, diens machtigen +invloed. De liefde voor de Middeleeuwen, die zoo wel georganiseerd +waren, deelt hij met dezen, en hij gevoelt belangstelling voor +sociale vragen: had niet het positivisme ook een belangrijke sociale +roeping. In 1822 verschijnt zijn eerste belangrijke werk. Het wekt +bevreemding, belangstelling. Het komt op tegen vrijheid, het eischt +autoriteit, maar gegrondvest op inzicht, op buigen voor de wetten +van het verstand. + +De politiek moet tot een positieve wetenschap worden gemaakt. Men moet +ook hier de wetten leeren kennen, om daaruit de noodige voorschriften +voor de practijk af te leiden. + +Die wetten te vinden, die leer te ontwerpen wordt nu levenstaak. En +aan een kleinen, maar zéér uitgelezen kring, leest hij in 1826 zijn +positieve filosofie voor. Hij breekt dien cursus af. Waarschijnlijk +tengevolge van overspanning, wordt hij tijdelijk krankzinnig. Met +groote energie weet zijn vrouw--een trouwe, toegewijde vrouw, met wie +Comte 't echter op den duur niet meer vond--haar rechten te handhaven +tegenover Comte's ouders, en hem uit 't klooster te houden. + +In 1829 is de cursus voltooid: in 1830 verschijnt deel I, in 1835 II, +in 1838 III, 1839 IV der positieve filosofie. Op de wandelingen bedacht +Comte zijn werken. Zijn uitnemend geheugen stelde hem de stof, zonder +naslaan, ter beschikking en in betrekkelijk korten tijd waren zijn +boeken neergeschreven. Hun vorm is niet steeds aangenaam. Somtijds +zijn ze wat langdradig [13]. Toch zijn ze begrijpelijk en de stijl, +hoewel niet mooi, getuigt van ernst en is helder. + +Na het jaar 1830, toen Frankrijk liberaler werd geregeerd, had Comte +op een professoraat in de positieve filosofie gehoopt. Het kwam +niet. Evenmin een professoraat in de wiskunde. Hij verdiende zijn +brood met schrijven, les geven. Bovendien was hij examinator voor de +polytechnische school. Tot dit ambt--bijna schreef men hier, vergeleken +met den man die 't bekleedde: baantje--werd men elk jaar benoemd door +den raad van leeraren. Toen nu Comte in de voorrede van een zijner +werken een tamelijk heftigen aanval had gedaan op de wiskunde en +gezegd, dat zij nú onder de natuurwetenschappen stond, toen hij de +hoogleeraren der polytechnische school hunne wiskundige eenzijdigheid +had verweten, ontging hem zelfs dit. Zorgen, armoede stonden voor de +deur: de groote man moest weer privaatlessen gaan geven. Maar vele +belangstellenden in Frankrijk en daarbuiten, (in Engeland o. a. Stuart +Mill en Grote [14]), zorgden voor ondersteuning. In denzelfden tijd +scheidde Comte ook van zijn vrouw. Zij bleef zich haar leven lang +interesseeren voor zijn werk en zijn ideeën. Een nieuwe zenuwcrisis +brak aan. + +Een merkwaardige verandering treedt er nu in Comte op. Hij was van +jongsaf mystiek aangelegd. Hij had een sterke behoefte in zich gehad, +zich geheel aan iemand te kunnen overgeven, met al de kracht van zijn +gevoel. In een jonge vrouw, Clotilde de Vaux, vond hij eindelijk haar, +die hij zocht. Zij werd voor hem, wat Beatrice voor Dante geweest +was. Toen zij na een jaar stierf, bleef hij haar vereeren: zij was +voor hem de verpersoonlijking der menschheid. En hiermede ging Comte +over tot zijn godsdienstige periode. + +Hij zag zich nu geroepen, om ook een religie te stichten, die het +gevoel recht deed en toch ook op positieven grondslag rustte. Bij dit +streven vervreemdden vele vrienden van hem. In zijn godsdienst, met +nieuwe plechtigheden en vormen, wenschten ze hem niet te volgen. Comte +zelf op zijn beurt was het laatst van zijn leven gesloten voor al wat +de buitenwereld hem aanbood. Hij trachtte zich te isoleeren, verdiepte +zich in muziek, Italiaansche en Spaansche poëzie, las in Thomas à +Kempis' Navolging van Christus (I, 198), overal in plaats van God +de menschheid lezend. Hij las niet anders. Zijn tijd van leeren was +voorbij. Hij had nu de kennis wel opgedaan, noodig om zijn systeem +te bouwen. Het laatst van zijn leven voelde hij zich gelukkig. Zijn +uiterlijk getuigde het. Voor Comte was zijn religie een "rustplaats +waar zijn denken de herinnering aan het grootste en beste dat hij +in de menschheid gevonden had, verzamelde, en van waar hij hoopvol +de toekomst tegenblikte, welke het onophoudelijk voortschrijdende +menschelijk geslacht te verwachten had. De liefde als beginsel, de +orde als grondslag, de vooruitgang als doel--dat was het motto van +de religie der menschelijkheid." (Höffding). + +Den 5den Augustus 1857 stierf Comte. + + + +De drie stadiën. + +In de ontwikkeling der menschheid onderscheidt Comte drie trappen: +de theologische, de metafysische, de positieve. + +Aanvankelijk heeft de menschheid weinig waarnemingen. Zij kent niet +zeer vele feiten. Maar de mensch heeft toch behoefte, om de feiten, +die hij waarneemt, te verbinden tot een eenheid. Hier nu komt de +fantasie te hulp. Zij bouwt den mensch de voorstellingen van goden +of van een god, die alles scheppen, of schept. Dit stadium heeft +zijn groote beteekenis. Het verstand wordt althans in werking gezet: +er worden verklaringen gezocht. Het gevondene wordt als volstrekte +werkelijkheid aanvaard. Twijfel bestaat niet. Er is dus een allen +menschen gemeene grondslag van godsdienst en zedelijkheid. Een goed +georganiseerd samenleven is mogelijk. Er is autoriteit. In den staat +heerscht de koning en hij oefent in het wereldlijke het gezag, dat +de godsdienst in het geestelijke oefent. + +Ook deze trap van de menschheid wordt nog niet in eens bestegen. Eerst +komt het fetischisme. Dat ziet alle voorwerpen bezield aan. Het denkt +zich de voorwerpen in overeenstemming met 's menschen geest. Nu volgt +het veelgodendom, dat vele krachten aanneemt. Oorzaak van bewegingen +zijn verschillende, een hoogere wereld toebehoorende goden. Daarop +volgt het eengodendom: het verheft zich tot één God. Het denken is hoe +langer hoe abstracter geworden. Het monotheïsme is de overgang naar +het tweede stadium: het metafysische. Hierin wordt de werkelijkheid +niet langer verklaard uit één persoonlijk wezen, maar uit beginselen, +ideeën. Deze worden niet als de goden bij het theologisch stadium, door +de fantasie opgesteld, maar door de rede, en zij worden bewezen. Alle +beginselen, die de metafysica opstelt, monden uit in één groot +beginsel: de natuur. In dezen tijd ontbreekt alle autoriteit. Er +is geen allen gemeenzame grond van recht en zedelijkheid. Egoïsme +heerscht. In dien staat heerscht nu niet de koning maar de juristen +zijn de leidende mannen. Ook aan het staatswezen legt men één beginsel +ten gronde: de volkssouvereiniteit. Voor Comte is het metafysisch +stadium niet dan een overgangstijdperk, een tusschenstadium dat moet +voeren tot het laatste, het positieve. Hier regeert de waarneming +en men stelt wetten op voor algemeene of bijzondere feiten. De +mensch is overtuigd van de vastheid en algemeene geldigheid der +natuurwetten. Deze worden niet tot één wet teruggebracht, zooals in +de voorgaande stadia alles tot één God en tot één beginsel. Dat kan +niet. Er zijn verschillende groepen van verschijnselen, ieder met +eigen aard. Toch komt er een zékere eenheid: een subjectieve, die +hierin bestaat, dat voor alle feitengroepen één zelfde studiemethode +wordt aangewend: de positieve. En door deze eenheid van methode kan er +nu ook een algemeen geldende moraal komen: er is meer autoriteit. Er +komt nu ook samenwerking tusschen de menschen in de voortbrenging +der aardsche goederen. Daarom treedt, in het positieve stadium, de +industriestaat op. De natuur wordt bewerkt. Doordat men haar wetten +kent, werkt men met vrucht. Men ziet, en kan vooruit zien. + + + +De indeeling der wetenschappen. + +Comte zag als zijn taak, de positieve wijsbegeerte te ontwerpen. Hij +wilde daarbij niet, zagen we, als de theologen of de metafysica +alles tot één beginsel terugbrengen. Er waren verschillende groepen +van verschijnselen, die niet tot elkaar kunnen worden herleid en +dientengevolge waren er ook verschillende wetenschappen, die elk +zelfstandig waren door de behandelde stof, maar alleen de positieve +methode gemeen hadden. Deze wetenschappen moeten in een goede rij +worden geklassificeerd, haar volgorde moet vastgesteld worden. Als +leidend beginsel wordt hierbij aangenomen het intreden in het positieve +stadium. Zoo worden dan gegeven: wiskunde, sterrenkunde, natuurkunde, +scheikunde, biologie, sociologie. + +Met deze indeeling gaat ook gepaard de meerdere of mindere +eenvoud. Wiskunde is een eenvoudige, sociologie de meest samengestelde +wetenschap. En de eenvoudige wetenschappen omvatten het meest: +zij komen terug in andere. Een verschil van methode gaat hiermee +gepaard. De meetkunde is deductief. Zij bewijst het bijzondere uit het +algemeene. Die methode is haar zoo eigen, dat zij over 't hoofd ziet, +dat haar éérste beginselen, de grondstellingen, de axioma's vanwaar +zij uitgaat, aan de ervaring ontnomen zijn. Comte staat hier dus--en +hem verwante denkers volgen hem hierin na--tegenover die denkers, +welke redelijke niet van de ervaring stammende elementen in onze +kennis aannemen. Volgens hen begingen Comte en de zijnen de fout, +dat zij uit empiristisch vooroordeel, en uit liefde voor de feiten, +eenvoudige, maar sprekende gegevens uit het bewustzijnsleven over +'t hoofd zagen en dat zij, verkeerdelijk de wiskundige axioma's uit +de ervaring lieten stammen. Hun algemeen geldend, noodwendig volkomen +nauwkeurig karakter kunnen zij niet verklaren. We zullen zien, hoe +deze, aan Kant aanknoopende beschouwingswijze na het positivisme +weer opkwam. + +De sociologie moet inductief te werk gaan, de wetten zoeken die het +leven der gemeenschap beheerschen. En heeft zij die wetten eenmaal, +dan is er toepassing op bijzondere gevallen mogelijk, kan zij deductief +te werk gaan. + +De wetenschappen verschillen dus naar eenvoud, omvang, methode. + +Comte houdt het voor absoluut onmogelijk, dat er een overgang kan +komen tusschen de verschillende groepen. Hij houdt sterk vast aan +de afscheiding. + +Planten- en dierenrijk zijn absoluut gescheiden. Zij gaan niet +geleidelijk in elkaar over. In elk rijk staan de soorten weer +vast. Geen soort ontstaat uit de andere. In het gebied der natuurkunde +staat de eene groep verschijnselen naast de andere, treedt er niet +mee in verbinding. Hier heeft Comte's geestesrichting in haar zucht +tot het hebben van een stevig houvast hem belet, de in zijn tijd +reeds opgekomen ontwikkelingstheorieën te waardeeren. Zij hadden hem +kunnen doen zien, dat er toch veel op de overgangen wijst. De grens +tusschen planten en dieren is, als wij in de onderste soorten komen, +bijna niet meer te trekken. Robert Mayer ontdekte, dat beweging zich in +warmte omzette, dat warmte beweging was. Hij verbond twéé gebieden, +die Comte streng gescheiden achtte en de richting van herleiding +deed nog verder een groote schrede, toen de eenheid van licht en +electrische verschijnselen werd aangetoond. De ontwikkelingshypothese +heeft zich vruchtbaarder bewezen dan Comte dacht en de gescheidenheid +der verschijnselengroepen bleek niet zoo streng als hij meende. + +Voor zielkunde als afzonderlijke wetenschap is geen plaats +in Comtes systeem. Hij verwerpt de subjectieve methode van +zelfwaarneming. Hoe? De geest neemt zich zelf waar. Splitst +hij zich dan misschien in twee gedeelten: een waarnemend en een +waargenomen? Neen, een objectieve methode is noodig. Het verstand +moet aan zijn resultaten (bijv. kunst, geschiedenis, wetenschap) +bestudeerd worden. Hier vergat Comte weer het belangrijke, eenvoudige, +onomstootelijke beginsel, dat ons alleréérst zijn gegeven onze eigen +bewustzijnsverschijnselen en dat de waarneming er van in objectieven +zin, als hij wilde, een middellijk waarnemen is. Toch heeft het +zijn nut gehad, dat Comte tegenover de zelfwaarneming ook wees op +de waarneming van psychische elementen, zooals zich dat openbaarde +in verschillende producten: allerwege wordt thans in de zielkunde de +middellijke waarneming naast de zelfwaarneming gezet. En eveneens heeft +het zijn groote beteekenis, dat hij den mensch niet als eenling wil +beschouwd hebben, maar op de omgeving, op het milieu gelet hebben. Een +groot deel der zielkunde wordt ondergebracht onder de sociologie. + + + +Sociologie. + +Dit woord vond Comte uit, en ondanks taalkundige bezwaren heeft +het zich gehandhaafd om de leer der maatschappij aan te duiden. De +sociologie omvat de staathuishoudkunde, de zedeleer, een groot deel +der zielkunde en aan haar is een groot deel van Comtes werk gewijd. + +De mensch moet niet als enkeling beschouwd worden: de individu is +veeleer een abstractie. Men moet evenmin de verschillende elementen +der samenleving, recht, zeden, staatsinstellingen, apart beschouwen: +het eene hangt met het andere samen. Het is zeer dwaas, om één punt, +bijv. staatsinstellingen geheel te willen veranderen, zonder dat de +leidende ideeën, de zeden gewijzigd zijn. Doorloopend invloed oefenen +de deelen op elkaar uit. Wijzigen de denkbeelden zich, dan komen er +ook veranderde staatsinstellingen. Deze op hun beurt kunnen na langen +tijd ook wel iets bijdragen tot omvorming der ideeën. + +Wat is de grondslag van het samenleven? Niet het slim overleg +van enkele booze individuen die het nut er van zagen, zooals de +aufklärungstijd wou leeren: om het nut te ondervinden, moet men eerst +een poos samengewoond hebben. Neen, de grond is gelegen in een drang +naar gezelligheid. Ook hier is het gevoel de kennis voorafgegaan. In +de samenleving ontwikkelt zich ook het altruïsme, de tegenstelling +van egoïsme. Natuurlijk mag de zorg voor eigen zelf nooit verdwijnen, +maar het moet ondergeschikt worden. Verstand, dat ons aantoont wat +goed is, sympathie, die ons niet uitsluitend in eigen dienst doet +arbeiden, bevorderen het altruïsme. + +In den kring van de samenleving--de familie--heerscht vooral de +sympathie, in den staat het verstand. De positieve wetenschap +begunstigt de ontwikkeling van het altruïsme veel meer dan de +katholieke kerk. Deze toch kan niet de behoeften van het verstand +bevredigen, leert den enkeling zorgen voor eigen zieleheil. Gene +daarentegen scherpt de menschen in, dat er alleen ontwikkeling is in +de samenleving. + +Toekomstig geluk hangt af van verbreiding van positivistisch +inzicht. Opvoeding werkt daaraan mee. Komen de ideeën maar eerst, +dan volgen de noodige staatsinstellingen van zelf. Er is nu eerst +maar eens behoefte aan een tijd, die de idee laat doorwerken, die +niet te veel verandering brengt. + +Comte zelf heeft aanvankelijk niet verwacht, dat die tijd zoo spoedig +zou komen. Maar later meende hij, dat hij er al de beginteekenen van +zag. Het was in dien tijd zijner godsdienstige stemmingen. Zien wij +nog even, wat hij hier uitvond of liever bedacht. + + + +Godsdienst. + +Comte gaat nu nog eens een leer opstellen: hij wil een positieven +godsdienst stichten, die het gevoel recht doet wedervaren. Om van uit +het individu tot de wereld te komen, neemt hij de ethiek als zevende +en laatste, meest ingewikkelde wetenschap aan, waarin al de anderen +teruggevonden worden. Door haar wordt de menschheid het middenpunt, +waarom zich alles beweegt. Ja, de menschheid wordt "het groote wezen" +le grand être, dat wij vereeren. De menschheid omvat alle levenden, +dooden, die voor haar heil gewerkt hebben, allen, die nog zullen +komen. Er komt een eeredienst. + +Aan het hoofd staan algemeen ontwikkelde wijsgeeren, als priesters, +die tevens dichters, opvoeders en geneesheeren zijn. + +Er zijn bepaalde ceremoniën; er zijn sacramenten. + +Er is een kalender, waarin iedere maand, iedere dag benoemd is naar +een groot man, die gearbeid heeft voor het welzijn der menschheid. Er +vinden herdenkingsfeesten ter eere van die weldoeners plaats. In +de particuliere kerken worden personen vereerd, die den mensch +persoonlijk nader hebben gestaan en het ideaal der menschheid voor +hem representeeren. Er zijn een aantal feestdagen. Er zijn drie maal +daags uitstortingen van het hart (gebeden) er zijn 9 sacramenten, +waaronder ook de dood behoort, de overgang van het objectief bestaan +in het voortleven in de gedachten der menschheid. + +Zijn religie der menschelijkheid is "het katholicisme zonder +christendom." In Frankrijk, Brazilië, Chili, ontstonden enkele +gemeenten in den zin van Comte. Opvolger als "hoogepriester" was +Lafitte. + +Maar deze bedachte godsdienst schoot geen wortel. Zij interesseert +ons verder niet uit wijsgeerig oogpunt, en niet op dit gebied ligt +de groote beteekenis van den Franschen denker. + + + +Staat. + +In den ideaalstaat der positivisten zal de macht berusten in handen der +"patriciërs" der hoofdmannen van de nijverheid, (bankiers, fabrikanten, +grondbezitters). + +Zij zullen hun macht niet aanwenden tot eigen verrijking, maar tot +nut van het algemeen. Zoo ze verkeerd handelen, zullen wijsgeeren, +vrouwen en arbeiders, die het verstand, het gevoel en de kracht +vertegenwoordigen, hen samen tegenwerken. De openbare meening zal +eveneens een macht in den staat zijn. Werkstaking zal eventueel +geoorloofd zijn. + +De arbeider zal niet in kommervolle omstandigheden moeten leven. Hij +zal een woning met minstens 7 kamers, een jaarlijksch loon van een +achttien honderd gulden hebben. + +In dit laatste zien wij, dat Comte sterk den invloed ondergaan had +van het Socialisme dier dagen. In tegenstelling van het latere, +door Marx opgestelde Socialisme, was het utopistisch: het bouwde +een ideaalstaat, en beschreef tot in kleinigheden, hoe alles door de +voortbrenging en de verdeeling der goederen zou zijn geregeld. (Zie +hoofdstuk: Individualisme en Socialisme). + + + + + + + + +HOOFDSTUK XI. + +HET ENGELSCHE POSITIVISME. + + +§30. Inleidende opmerkingen. + +In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland, +hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het +land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was +het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond +zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde: +in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig +voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het +gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op +staathuishoudkundige vragen. + +Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte? + +De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon +met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de +natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het +binnenland gericht. Weldra echter kwam--na Napoleon's val--beweging, +een schijnbaar politieke, maar inderdaad een economische... Napoleon +had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht +aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland +of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu +Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was +opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met +zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle, +bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden +muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende +invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van +arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende +rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland, +tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen +nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook +nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar +ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen +het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid, +en de orde wordt gehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig, +met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van +onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust; +maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij +en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis +een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes, +oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien +een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later +opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in 't parlement +kenbaar te maken. + +Hervorming van 't kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding +der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt, +waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die +op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein +samenwerken, in de "Westminster review" weldra hun orgaan vinden. + +Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te +noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft +voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die +de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John +Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook +practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp +en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in +hem alle draden van 't Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij +wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung +voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van +het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker +Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk +idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde +der levende persoonlijkheid. Aan Comte's leer trekt hij zich nu naar +boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet. + + + + + +§ 31. Bentham, James Mill. + +Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten, +maar ook als ethicus heeft hij beteekenis. + +Jeremias Bentham (1748-1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel +onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk +mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan, om voor +het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De +groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het +geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied +geleerd, dat het in 't algemeen voor 't geheel 't best uitkwam, +wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou +dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet +een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch +gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet +kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De +openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen +belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht +in 't algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister +oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht, +wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in +'t algemeen welzijn. + +Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en +Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven +bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants +rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de +neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die +andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder, +die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de +associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den +enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren +als Bentham. + +Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen--Höffding. + +Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System +der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit +en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten +staat, gaat niet mee met Kant's algemeene geldigheid van het zedelijk +beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke +wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust +op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook +nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil +strekte? "De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt, +dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd, +met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval +onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden." Wel +bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill +te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het +hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven +is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van +handelen en leven. "Ik geloof, dat het recht op de zijde van het +energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent, +dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk +handelen is." Tot zoover Paulsen. + +De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, de Kopenhager +Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt +diens leer, door den overgang tot behartiging van 's naasten belangen +anders te verklaren. + +Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden, +welke hij beproeft te geven. + + + +Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig +tot medelijden met anderen bewogen en dus ook in dat opzicht met +Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer +de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het +Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was, +onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog +niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf [15]. Hij eischte codificatie +('t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze +kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander. + +Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel +I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren +beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de +orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig +gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en +het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der +gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar +dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het +grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen. + + + +James Mill. + +Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van +Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland +geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde +moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, +daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John +Stuart. Theologiestudie beviel hem niet. Op dertigjarigen leeftijd +gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid +moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood +verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter +geen schade. + +Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner +van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische +compagnie, die "gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet +vreest." Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd +bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam +zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn +geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem +omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij +leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 +moesten de lords hun verzet opgeven en de "reform-bill" aannemen, die +beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op +algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding +tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou +er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen. + +Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door +zijn werk: "Ontleding van den geest." (Analysis of the Mind) waarin +hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, +wat deze inhoudt. + +Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet +denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een +schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide +voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier een associatie +door gelijkheid. + +Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende +in 't bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander +opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook +tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer +bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de +boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie door aanraking, +aanraking in ruimte of tijd. + +Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot +haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De +associatie is het psychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij +uitnemendheid. + +Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, +lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel +zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan +gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd +is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door +de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze +geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze +ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, +gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door +de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde +richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, +de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen +en voorstellingscomplexen. + +De associatiepsychologie kon allereerst kritisch werken. Tal van +oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die +den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon +aangetoond worden, dat zij op verbinding van bepaalde voorstellingen +berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken. + +Maar zij kon ook opbouwend werken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op +de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen +opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties. + + + + + +§ 32. Thomas Carlyle. + +Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een +letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste +levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische, +critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals +nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen, +die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort, +omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij +Duitschland, Duitschland's éénige dichter Goethe vooral--maar ook +zijn denkers--doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman +maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige, +meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in +Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs +geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en +woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot 't einde van zijn leven. + +Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot +zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen, +vond hij in zijn vrouw Jane Welsh. + +Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerig oogpunt +behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn +studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering. [16] + +Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische +levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet +zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op +een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij +durft er neen tegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest +tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig +geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den +invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij +niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel +van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest. + +Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid +blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende +voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar +lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de +theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een +persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de +leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor +op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden +is. Maar--hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is +begin van Nieuw leven. + +Hier zien wij Carlyle één met Fichte. + +Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen, het is +het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten, +achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die +werkelijkheid is religie. + +"Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn +godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer, +die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven +en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel +en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle +geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of +onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en +beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de +buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke +redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch +werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij +het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen; +wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt +aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn +plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het +voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijn religie." + +Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de +verschijnselen liggende. + +Op ethisch gebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een +paar pagina's uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken: + +"Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over +Bentham's theorie over den mensch en 's menschen leven, noemde ik +haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij +verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken, dat zulks mijn +besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen +den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten +en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij +vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewust zijn, wat de +geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was te +worden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de +genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een +toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij, +een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren +machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat +ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een +goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is +iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme +uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen, +ofschoon het een Heldenmoed is met uitgestoken oogen! Het is het +hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder +volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende +eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het +goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien +zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De +leer van Bentham is Heldenmoed met uitgestoken oogen; het menschelijk +geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende +in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn +molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van +Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen. + +"Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen, wist en ter harte nam, +dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op +de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat +alle goddelijkheid zou verdwijnen uit 's menschen begrip omtrent +dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,--ik wil +het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te +noemen--waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het +is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zal +verkeerd denken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt +alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de +erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,--hekserij +zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken +Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch +God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is, +valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een +verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend +van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De "Leer +der Drijfveeren" zal hem leeren dat het,--onder meerdere of mindere +bedekking,--niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees +voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook, +het einddoel is van 's menschen bestaan. Godloochening kortom--iets, +dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch +geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode, +werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen, +evenwichten en ik weet niet wat al meer." + +Ook op sociaal gebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij +ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van +graanrechten. + +Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en +werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn +"Past and Present," dat met Schiller's "Ernst is het leven" tot motto, +in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is +onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap +bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte +een gevaar wordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron +van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke +beweging: eerder niet. + +In Carlyle's geschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke +element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de +helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht, +de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de +helden, die denker, dichter, profeet waren. + +Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In +het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in +de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten +slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de +verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den +menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in +ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood. + +Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag +het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap, +het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held +zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn +80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij +de orde van Pruisen: "Pour le mérite." [17] Misschien klemde hij zich +daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun +aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon +vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze +menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden +schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd, +het zwijgen, het stille zijn is verleerd--bewondering, eerbied is +verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend +leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen? + +Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle +dus den nadruk op het persoonlijke. + +Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en +positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen. + +Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet +Nietzsche's ideaal: dat de grooten, de helden het doel der geschiedenis +zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn +de stuwende krachten in de historie. "Heldenvereering, indien gij +wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven +een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld +van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij. + +"Ja, vrienden.... heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig, +dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten +ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willen wij, +o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen +zij... daarheen drijven. Daar--of anders in den afgrond van den +oceaan--zullen wij komen!" + + + + + +§ 33. John Stuart Mill. + +Leven en Persoonlijkheid. + +De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en +ontving z'n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder +zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden +had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen +met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, +economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een +tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier +wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet +hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven +prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch +herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek +aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan +met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren +de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham's +leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met +andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, +en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In +1823 komt hij in India-house in dienst van het besturend lichaam der +O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem +bespaard. Hij klimt op tot hoogere salarissen (ten slotte f 24.000) +bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd +laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat +overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch +pensioen van f 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven. + +Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt +zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, +verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt +zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp +ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij +is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder +zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De +slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op +een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo +dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen +met menschenlot en menschenleed. + +In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, +wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, +dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan 't oude. + +De waarde van poëzie en kunst wordt hem--die overigens steeds een sterk +en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten--bewust. Hij heeft +gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham's nuchtere beschouwing +had geleerd. Mill heeft de subjectieve zijde van het leven gevonden. + +En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij +sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een +Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te +waardeeren, als heilzaam tegengif. + +In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met +Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel +over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de +kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte's +uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden +zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen +door Comte's eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal +bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was. + +In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde +logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, +waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn +belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte +toe aan zijn latere vrouw. + +Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht +haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, +haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel +bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling +van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel +meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig +tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij +haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw +in '58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven +weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij +lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel +der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende +hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: "De +bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hij in het parlement kwam +wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de +ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze +"den heilige van het rationalisme" te noemen. Ik behoef niet te zeggen, +dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep +beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke +partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen--ik moet het +met smart bekennen--zeldzaam." + +Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter +een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in +Avignon, in 't Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den +5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, +wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens +werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben +bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica. + + + +Logica. Het empirisch standpunt. + +Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill's +Logica, die niet zeer beknopt is, [18] zou dat niet veel meer worden +dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, +enkele punten aan te wijzen. + +Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit +de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan +wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid +toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen, die evenwijdig zijn, +elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring +heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien +samenkomen. We generaliseeren dus, maken de waargenomen gevallen +tot een algemeen verschijnsel. "Er blijft over te vragen, wat de +grond is van ons geloof in axioma's, welke de inductie, waarop zij +berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; +generalisatie's van waarnemingen." + +Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste +associaties. "Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke +natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op 't eerste gezicht iets +als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, +die ons gewoon is en lang bestaan heeft. + +Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten +van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen +gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben +gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende +moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden +te denken. + +Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen +absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest +stevig verbonden zijn, te scheiden, [19] en zoo menschen met een +ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorsprong hebben, dan +komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar +zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij +hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, +en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen +te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen. + +De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de +algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche +gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, +die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of +bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, +gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste +inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur +zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden +met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan +zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: +voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, +wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht... gemakkelijk +vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden." + +Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit +de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en +niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen +derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. "Indien wij +onze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht +en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en +ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, +eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief +onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, +en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik +beschouw dan ook het grondbeginsel, waar 't hier om gaat, (het beginsel +van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) +als een generalisatie uit al deze feiten." + +Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk +zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het +bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk +gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de +algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of +onbewust, inductie ten grondslag. + +Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen... alle, +zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie +op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als +berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of +dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen +waar zijn. + +Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut +zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid +zoo nauwkeurig mogelijk benaderden. + + + +Causaliteit. + +Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, +in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaak van een +ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en +gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf +regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering. + +1. We vinden in de natuur verschillende kristallen. [20] We zullen +nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks +van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei +stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene +omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is +iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, +wanneer een of andere stof in een vloeistof is. We nemen dus aan, +dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van +kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is. + +We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, +A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet +zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen 't nu aldus +overzichtelijk voorstellen. + + + A, B, C, D, .......... V + A, E, F, G, .......... V + A, H, I, K, .......... V + ------------------------ + A, oorzaak ........... V + + +In al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen +hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V: + +Geformuleerd luidt de regel: + +Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel +slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, +waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) +van het gegeven verschijnsel. + +Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men +weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de +oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar +heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, +en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte +stokje van den toovenaar drie maal in 't rond gezwaaid is, 'tzij de +man 'tzelf, 'tzij een der kinderen 't doet. + +De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, 't openspringen van +het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in 't zwaaien +van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens +dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen +hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het +drukken op een knopje) niet gezien. + +In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig +onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde +omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak +aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden +volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het +voor, dat men bepaalde omstandigheden over 't hoofd ziende, een +verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam. + +2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het +schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep +omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, +waaronder de man sterft. Die tweede groep verschilt van de eerste +alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van +verschil en wij kunnen dezen regel opstellen: + +Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, +met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, +behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, +dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, +de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het +verschijnsel. + +Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wij + + + A, B, C, D, E, .............. V + B, C, D, E, ......... niet V + ------------------------------- + A oorzaak of medeoorzaak van V. + + +3. [21] Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met +chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste +leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen de +drie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen +misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin +verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van +allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen +waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, +waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu +voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel +gehouden. + +Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we +aldus voorstellen + + + A, B, C, D, .................. V + A, B, C, E, .................. V + B, F, G, ............. niet V + B, C, H, ............. niet V + -------------------------------- + A waarschijnlijke oorzaak ... V + + +Naar Heymans' gewijzigde formuleering luidt ze: + +Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, +een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke +in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, +ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke +oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand. + + +Opm. Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts +alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de +gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts +één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid +aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schema + + + A, B, C, D, ................. V + A, E, F, G, ................. V + Q, R, S, ............ niet V + T, U, V, ............ niet V + ------------------------------- + A oorzaak of medeoorzaak van V + + +4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We +weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van +sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat +de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende +verschijnselen. + +Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, +haar schema + + + A, B, C, D, ............ V + A, B, C, D, E, ......... V + V1 + ------------------------------- + E oorzaak / mede-oorz. V1 + + +Haar regel luidt: + +Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande +inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het +overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende +omstandigheden. + +5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen +verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, +deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den +invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de +aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke +omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats +vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig. + +Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan +op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch +alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen +(bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot +kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden +optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats +vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan +staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet +steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van +het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van +de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij +die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt +krijgen wij dit schema: + + + A1, B, C, D, .................. V1 + A2, B, C, E, .................. V2 + A3, B, C, F, .................. V3 + ---------------------------------- + A oorzaak of mede-oorzaak van V + + +Onder woorden gebracht: + +Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een +ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het +gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk +verband mee verbonden. + + + +John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te +werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen +onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn +voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had al eenig +vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige +Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting. + + + +Denkfouten. + +Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, +ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon's werk. Bacon had +reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons +moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een +indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert +natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, +onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De +eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder +behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt +onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; +algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal +altijd zoo blijven), enz. + +Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, +allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen +waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin 't niet doorgaat. + +Men ziet omstandigheden over 't hoofd, die juist gewichtig +zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien +tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel +toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken. + +De derde groep toont ons de generalisatie. + +Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een +fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen +besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige +menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig. + +Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons van altijd te spreken, als iets +één of een paar maal is voorgekomen. + +Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn +inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout +maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld +is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren +zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, +maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout +begaan. [22] + +Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal +schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte! + +Zoo een redeneering als deze: + +Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen. + +Hij heeft een plan gemaakt. + +Men moet hem niet vertrouwen. + +De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders +verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken +de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet +meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan +hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven. [23] In het laatste +geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, +zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld. + + +Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de +denkfouten, dat er aldus uitziet: + + + DENKFOUTEN. + | + +-------------------+-----------------+ + ZONDER REDENEERING. MET REDENEERING. + | | + | +-----------+---------+ + | De grond duidelijk De grond niet +1. Denkfouten à priori voorgesteld. duidelijk + (er wordt iets als | voorgesteld. + waar gesteld). +-------+------------+ | + Inductief. Deductief. | + | | | + +------+----------+ | 5. Verwarring. + 2. Waarneming. 3. Generalisatie. | + | + 4. Redeneering. + + + + + +Ethologie. + +Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op +positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den +menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch +te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen. + +Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit +zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding 't even ver +had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid +vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk +wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de +eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze +intellectueel de mindere van den man gemaakt. + +Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer +behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven +van zijn groote kennis en scherp verstand. Het zou ons te ver voeren, +hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer +van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij +een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer +begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan +politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield +dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende +een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet +meer. Het blijke uit het volgende: "Wanneer men kiezen moest tusschen +het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand +der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,... wanneer +de instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een +noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld +werd, als dat thàns geschiedt--bijna in omgekeerde evenredigheid met +den arbeid--dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer +wegen dan kaf in de weegschaal..." + +Ten opzichte der religie bleef Mill's standpunt onzeker, maar in +'t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van +den godsdienst. + +In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had +medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend +zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het +Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, +den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen. + + + + + + + + +HOOFDSTUK XII. + +DE ONTWIKKELINGSFILOSOFIE. + + +§ 34. Historische opmerkingen. + +Voor het naïeve denken zijn tal van dingen zóó, als ze zijn, en het +veronderstelt, dat ze er altijd zoo geweest zijn. In het hoofd van +een ongeschoolden Drentschen herder kwam het vroeger misschien niet +op, te vragen, waar die groote keien toch vandaan kwamen. Ze wáren +er. Een overigens lang niet dom meisje, van tegen de 20, dat men +eens op eenvoudige manier het ontstaan van den regen wou verklaren, +keek met verwijtenden blik, alsof men heiligschennis beging. In haar +denken werd alles, wat in de natuur geschiedde, tot een directe werking +der Godheid gemaakt, die niet verder nagespoord kón of behóorde te +worden. Niet verschillend in wezen is het denken van tal van menschen, +die het bestaande niet verder afleiden, maar alles terugbrengen tot +een schepping of een eenmaal bestaanden toestand. + +Al spoedig echter moet in het verstand, dat tot nadenken over gegeven +ervaringen komt, het denkbeeld eener ontwikkeling optreden. Aan ons +strand zien wij duinen. Bij heftigen wind zien we ze verstuiven. Op +het strand hoopt zich zand op tegen een steentje, een schelpje, een of +ander voorwerp. Er ontstaat als 't ware een klein duintje. Zoo komt +men allicht tot de gedachte, dat de duinen ontstaan zijn, geworden, +zich ontwikkeld hebben. + +Men ziet in den mensch ontwikkeling. Een kind groeit op. Het leert +loopen, spreken. Zijn denken, zijn voelen neemt toe. Maar ook +weet men uit overlevering of uit geschriften iets van vroegere +geslachten. Zij hebben ook in hunne werken, hunne gebouwen, +bijv. sporen van hun bestaan nagelaten. Het nageslacht blijkt verder +dan het voorgeslacht. Zoo kan de vraag zich voordoen, of misschien +niet alleen de mensch, maar ook de menschheid zich ontwikkelt. + +Koene geesten beperken zich niet tot voor de hand liggende +ervaringen. Zij durven stoute verbindingen van voorstellingen +aan. Zoo ze in een bergstreek dierresten vinden, die aan zeedieren +hebben behoord, dan laten ze zich niet afschrikken door het groote +verschil tusschen berg en zee: zij wagen de veronderstelling, dat +déze aarde-hoogten aan de zee haar ontstaan hebben te danken. + +De veelvuldigheid der gegevens van de ervaring trachten zij onder +algemeene formuleering of wetten te brengen. Zij durven daarbij tot +het einde doordenken. En zoo komt ons in de Grieksche wijsbegeerte +eigenlijk van haar eerste ontstaan af al de ontwikkelingsgedachte +tegen, de gedachte dat het nú bestaande geworden is uit het vróeger +bestaande,--en geen van eeuwigheid vaststaande vorm is, dat het +hoogere op het lagere berust en zich daaruit ontwikkelt. + +Herinneren wij nog vluchtig aan enkele punten, die wij vroeger reeds +behandelden. + +Empedocles reeds laat de dieren ontstaan, uit levensvatbare combinaties +(I, 39). + +Bij Spinoza (I, 265) zagen wij, hoe deze uit een eenvoudig zedelijk +beginsel zich het geheele zedeleven ontstaan denkt, terwijl ook het +staatsleven zich ontwikkelt. Montesquieu (I, 333) had oog gehad voor +de ontwikkeling van het zedelijk gevoel; al iets meer oog gehad dan de +andere mannen der aufklärung, en Lessing had op godsdienstig terrein +willen aantoonen, hoe er een zekere vooruitgang in de godsdienstvormen +was (I, 355). + +Kant en Laplace hadden de ontwikkeling in ons zonnestelsel aangetoond: +Als oorsprong was een oernevel gesteld, die, in draaiing gekomen, +zich gesplitst had: uit haar hadden de planeten zich losgemaakt, +van deze weer de manen. Terwijl Kepler de wetten had opgesteld, +volgens welke de planeten zich nu feitelijk bewegen, hadden zij de +vraag willen beantwoorden: vanwaar die planeten met hare beweging? + +De idealistische filosofie was de ontwikkelingsgedachte--zij het +in anderen vorm--gunstig geweest: de geheele werkelijkheid was +zelfontwikkeling van het Absolute; voor Fichte zoowel als voor Hegel +was de geschiedenis een ontwikkelingsproces. + +In het begin der 19de eeuw werd op natuurwetenschappelijk gebied de +ontwikkeling overal aangewezen. Lyell toonde aan, dat de verschillende +aardlagen spraken van een vorming door dezelfde krachten, die nu nog +op onze aarde inwerken. + +Op geestelijk gebied zijn hier de associatie-psychologen te noemen, +die uit verbinding van voorstellingen den geheelen rijkdom van het +psychisch leven laten opkomen. + +Ook de ontwikkelingsgedachte is dus evenmin als een andere uit de lucht +komen vallen: ook zij had hare voorloopers en de stand der wetenschap +was zoodanig, dat een geniale geest haar in scherpte en klaarheid +kon opstellen: Spencer deed dit voor de wijsbegeerte, Darwin voor de +natuurlijke historie. Maar de hypothese van den laatste werkte zoo +vruchtbaar, dat zij op schier elk gebied haar invloed doet gelden +en deed gelden. Zooals bij het uiteinde der middeleeuwen Kepler en +Galileï staan en met hun werk blijvenden invloed uitoefenen op het +wijsgeerig denken, zoo staat Darwin in de 19de eeuw als een keerpunt. + + + + + +§ 35. Charles Darwin. + +Leven. + +Charles Darwin werd den 12den Februari 1809 in Shrewsbury +geboren. Studies in medicijnen en theologie boezemden hem geen belang +in. Gaarne ging hij dus de reis om de wereld met de Beagle maken +(1831-1836), die hem gelegenheid gaf tot veelvuldige waarnemingen +[24]. Zoo trof het hem bizonder, wat hij op de Galapagos eilanden, +1100 K.M. van Zuid-Amerika verwijderd, zag. Daar trof hij nl. een +aantal diersoorten aan, die alleen op die eilanden, en nergens +anders te vinden waren, maar tot geslachten behoorden, welke alleen +in Zuid-Amerika inheemsch waren. + +Het scheen wel, dat er één grondvorm was geweest en dat die zich zoo +omgevormd had, dat sommige op het vasteland, andere op de eilanden +konden leven. Elk eiland had dan weer zijn eigen soorten. + +"Het was hoogst verrassend, omringd te zijn door nieuwe vogels, +nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe +planten--en toch door tallooze kleine bizonderheden in lichaamsbouw, +zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor +oogen te zien van de gematigde streken van Patagonië of van de heete +droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom--zoo vroeg ik mij af--werden +op deze kleine plekjes land... de oorspronkelijke bewoners hier naar +Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij... zoowel +in soort als in aantal zich anders verhouden dan die op het vasteland, +en dus ook in de wisselwerking verschillen." En dat ieder eiland zijn +eigen soort had, die overeen kwam met een andere soort op een ander +eiland, viel Darwin bizonder op. + +Na de reis zette Darwin, die in 1839 met zijn nicht getrouwd was, +zich neer, om de verslagen van zijn reis te schrijven. Sedert verliep +zijn leven als een echt geleerdenleven. In 1839 komt zijn werk over +den oorsprong der soorten, in 1871 dat over de afstamming van den +mensch. Den 19den April 1882 stierf hij. Terecht mocht hij in zijn +levensbeschrijving zeggen: "Ik geloof goed gehandeld te hebben met +mijn leven aan de wetenschap te wijden." + +Hoe kwam Darwin er toe, uit zijn waarnemingen zijn hypothese op +te bouwen? + + + +In 1838 was er van de hand van den staathuishoudkundige Malthus +een belangrijk werk verschenen over het bevolkingsvraagstuk, dat +op Mill en zijn medestanders een diepen indruk maakte, en ook aan +Darwin's gedachten een stoot gaf in bepaalde richting. Malthus was +sterk getroffen door de toeneming der bevolking. Uit elk paar ouders +konden natuurlijk veel meer dan 2 afstammelingen komen. De groote vraag +was of de toeneming der voedingsmiddelen met dien bevolkingsaanwas +gelijken tred zou houden. Hierop antwoordde de Engelsche econoom +ontkennend. De bevolking wies harder aan: nl. in een meetkundige reeks, +tegen de middelen van onderhoud in een rekenkundige [25]. + +We kunnen dit dus zoo uitdrukken: + + + 1 2 4 8 16 32 ... Bevolkingsaanwas, + 1 2 3 4 5 6 ... Productieaanwas. + + +Den tijd, tusschen twee termen te verloopen, schatte Malthus op ± +25 jaar. Volgens die berekening zou na 200 jaar de bevolking staan +tot de bestaansmiddelen als 256:9. Na 300 jaar als 4096:13. Na een +3000 jaar zou 't verschil onnoemelijk zijn. [26] + +Het juiste evenwicht kon hersteld worden, doordat oorlog, epidemieën, +hongersnood, ellende, prostitutie en andere verschrikkelijke plagen +een opruiming onder 't menschelijk geslacht hielden. In zekeren zin +lag er dus in die plagen een wijze beschikking der Voorzienigheid. Op +Mill en de zijnen oefende nu Malthus invloed uit door zijn leer +der zelfbeheersching (moral restraint). De mensch zou langzamerhand +tot het inzicht komen, geen huwelijk te mogen sluiten voor hij de +noodige bestaansmiddelen bezat, en in het huwelijk door onthouding +tot gezinsbeperking komen. Mill nu hoopte juist dat dus bij toeneming +van inzicht en zedelijke zelfbeheersching de toestand der arbeidende +klasse ook beter zou worden. Malthus' leer werkte dus mee, om hem op +vooruitgang te doen hopen. + +Voor Darwin lag het uitgangspunt ergens anders. + +Er werden te veel menschen geboren. Er gingen velen te niet. De +overblijvenden waren de sterkeren. Ziehier een punt, vanwaar uit +Darwin verder ging. + +Er komen in de geheele natuur veel minder kiemen tot ontwikkeling +dan er zijn. Een visch legt kuit: een enorm aantal eitjes, waarvan +slechts een gering gedeelte tot ontwikkeling komt. Van de zaden van +een plant geldt hetzelfde. Allerlei omstandigheden verhinderen allen +tot vollen wasdom te komen. + +Welke kiemen nu geraken tot volle ontwikkeling? Welke individuen +blijven leven in den strijd om 't bestaan, in den struggle for +life. De sterksten, de meest geschikten. (Survival of the fittest). In +een zandstreek zal een grijsachtige haas, wiens kleur wat met den +grond overeenkomt, een voorsprong hebben: hij wordt niet zoo gauw +ontdekt. In de poolstreken met hun vele ijs en sneeuw leeft een wit +dier in betrekkelijk gunstige omstandigheden. + +Dat wezen, dat zich dus het meest bij bepaalde omstandigheden aanpast, +blijft leven, heeft de meeste kans op voortbestaan. + +Nu komt er een tweede factor bij. De dieren dragen hunne kwaliteiten +over op hun nageslacht. + +Ten slotte is er dus een geslacht dieren of planten, dat die +eigenschappen bezit, welke het mogelijk maken in dat milieu te leven. + +In de woestijn zullen we planten vinden, die weinig vocht noodig +hebben. Hare bladeren zijn leerachtig, doen weinig vloeistof +verdampen. In een moerassige streek treft men gewassen aan, welke +veel vocht noodig hebben. In de diepten der zeeën leven visschen, +bestand tegen den geweldigen druk, die het water op hen uitoefent. + +Er is dus niet een teleologische, maar een mechanische verklaring +mogelijk van de geschiktheid van sommige organische wezens voor +bepaalde streken. Deze verklaringsmogelijkheid werd een leidende +hypothese voor de natuuronderzoekers; men ging niet uit van het +beginsel: dit dier leeft onder die omstandigheden, en heeft daartoe die +inrichting gekregen, maar men zei: het dier kwám onder omstandigheden, +het verkreeg nuttige eigenschappen, de nuttige eigenschappen gingen +over op de nakomelingen. + +Darwin tast nu weer verder het soortbegrip aan. De afzonderlijke +soorten van planten en dieren, zooals wij die kennen, staan niet +vast. Zij zijn geworden, door de verandering die een organisme +ondergaat in verschillende omstandigheden. + +Darwin kwam op een ècht-wetenschappelijke methode tot zijn +hypothese. Eerst had hij een omvangrijk feitenmateriaal verzameld +en zorgvuldig onderzocht. Daarop had hij zijn hypothese gebouwd, +die deze feiten in samenhang zou kunnen brengen en zou kunnen +verklaren. Nu bleef hem nog over zijn hypothese te verifiëeren, ze +te toetsen aan de gegevens. Die toetsing liep gunstig af voor zijn +veronderstelling. In Engeland hadden de dierenfokkers, door acht te +geven op allerlei gewenschte kenmerken, door doelmatige kruising en +uitkiezing van geschikt fokvee, allerlei variëteiten weten voort te +brengen: dat sprak voor het overerven van eigenschappen. + +Uitgestorven diersoorten, waarvan men dikwijls versteeningen vond, +geleken op thans levende, maar waren dikwijls eenvoudiger vormen der +nu bestaande soorten. + +Opmerkelijk is ook, dat sommige planten en dieren, wier eieren en +zaden licht door wind en stroomend water konden worden verspreid, +een groote verbreiding bezitten, en dat verder iedere streek haar +kenmerkende planten en dieren bezit. In landstreken, die zich vroeg +van andere afgescheiden hebben (bijv. Australië), vindt men dan ook +een meer eigenaardige en afwijkende ontwikkeling. + +Vergelijkt men verder verschillende soorten die nog al van elkaar +afstaan, met elkaar op lager ontwikkelingstrap, bijv. in den +foetustoestand, [27] dan blijkt, dat ze veel overeenkomst vertoonen +en dus met elkaar verwant zijn. Tal van wezens bezitten ook nog +overblijfselen van organen (rudimentaire organen), die getuigen van +een vroegere periode, toen zij nog hun nut hadden, maar die nu verloren +gegaan zijn. Op tal van wijzen vond zijn hypothese dus bevestiging. + +Hij ging nu over tot uitbreiding en doorvoering zijner leer. Als +de dier- en plantensoorten ontstaan waren uit lagere vormen, geldt +dit dan ook van den mensch? Hier antwoordt hij zonder voorbehoud +ja: ook de mensch heeft zich tot de hoogte, waarop hij nu staat, +ontwikkeld uit lager vormen! Tusschen mensch en dier bestaan groote +verschillen. Zeker. Maar zijn die grooter, dan die tusschen een +hoogstaand dier als een aap en een worm? Ook een dier vertoont +psychisch leven. Dieren kunnen door ervaring leeren, geven blijk van +geheugen, herinnering, associatie, overleg. Ook gevoel ontbreekt niet, +zelfs niet dat voor schoonheid. Medegevoel is aanwezig. + +Door zijn uitgebreide kennis in staat gesteld, kon Darwin daar tal +van bewijzen voor bijbrengen. + +Zelfs tal van mannen, die zich overigens met zijn leer konden +vereenigen, keerden zich van Darwin af, toen hij deze zijn hypothese +tot den mensch uitstrekte. Bij sommigen ging de afkeer over tot +tegenzin en afschuw. Hoe? De met rede en zedelijk gevoel begaafde +mensch een ontwikkeld dier, eigenlijk een beest! Onze edelste +aandoeningen, onze verhevenste gedachten, onze kunst, onze wetenschap +en onze godsdienst ontsprongen aan eigenschappen, die het dier reeds +bezat? De mensch, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis zou een +dier zijn? Het was onmogelijk zeiden niet alleen de theologen, maar +ook tal van anderen. + +Darwin zelf meende, dat zijn theorie geenerlei bedenkelijks meebracht +voor moraal of menschenwaarde. Wat wij nu bezaten, behield waarde, +en bleef schoon, ook al kwam 't uit lager vormen voort. [28] Was het +mooier, zich den mensch te denken als gevallen engel? Ongetwijfeld +is de mensch door zijn zedelijk gevoel ver verheven boven het dier, +maar dat zedelijk gevoel heeft zich ontwikkeld uit het ook bij het +dier reeds aanwezige medegevoel en uit den gezelligheidszin. En +ook hier mag de kracht die overal elders werkt, gewerkt hebben: een +menschengemeenschap, waar in de moreele gevoelens (die welke op het +welzijn der gemeenschap gericht waren) sterk waren, had een voorsprong. + +Darwin zag zich ook voor de vraag geplaatst, of hij nu de wereld voor +het werk van een doelbewuste intelligentie zou aanzien of van een +toeval. Tegen het eerste verzette zich veel. Zou de kat geschapen +zijn, met het doel om met de muis te spelen? Maar ook het laatste +kon Darwin niet aannemen. Het scheen hem toe, dat het een vraag was, +die boven de menschelijke kennis lag: men moet zich onthouden. "Zijn +plicht kon de mensch echter doen." + +Darwin staat op het standpunt van het agnosticisme: het ontkent niet +en bekent niet, het weet niet. + +Darwin's invloed is reusachtig geweest. Hij heeft de lijnen getrokken +voor het denken van den modernen dier- en plantkundige. Voor +dezen blijven dan een groot aantal speciale vragen over om op +te lossen. Een dier heeft een kleine afwijking. Hoe ontstaat +die? Ontstaan de variëteiten misschien sprongsgewijze? Erven alle +verworven eigenschappen over? Vindt die overerving steeds van ouder +op kind plaats, of ook bij voorkeur van grootouder op kleinkind? Welk +aandeel heeft de vader, de moeder? Gelijkt de zoon meer op den een, +de dochter meer op de andere? + +De zielkundige bestudeert de erfelijkheid van geestelijke +eigenschappen. [29] Sedert Darwin gaat men de evolutie, de geleidelijke +ontwikkeling na van tal van menschelijke instellingen, gebruiken enz., +bijv. het huwelijk, [30] den eigendom, de straf. + +Aanvankelijk een hypothese voor het gebied der natuurlijke historie, +werd Darwin's leer een werkhypothese ook voor tal van andere +wetenschappen; ook de geestelijke ondergingen den invloed van +Darwinisme: taal, zedeleer, rechtsleer, strafrecht, staatsleer. + +Wij staan nu nog te dicht bij de ontdekking van Darwin om haar +beteekenis geheel te overzien, maar waarschijnlijk zullen die in de +toekomst van overwegend belang blijken te zijn. + + + + + +§ 36. Herbert Spencer. + +Leven en Persoonlijkheid. + +Een zeldzaam voorbeeld van groote energie, werkzaamheid en +volharding. Een man, die trots betrekkelijk geringe wetenschappelijke +voorbereiding, het geheel der wetenschappen overzien en beheerscht +heeft, als niet velen. Die ondanks een wankelende gezondheid en +moeilijke geldelijke omstandigheden zijn levenstaak, die hij zich +gekozen had, in een trouwen, toegewijden arbeid van 36 jaren vervulde. + +Spencer werd in 1820 te Derby geboren als zoon van een bekwaam en +goed ontwikkeld onderwijzer. Hij bezocht de school van vader en oom, +toonde voor de wiskundige vakken aanleg, maar was door een zekere +vroege zelfstandigheid een lastige leerling, die niet voor alles +belangstelling had en niet bij alles ijver toonde. Zijn opvoeding werd +voltooid bij een anderen oom, een geestelijke van breede ontwikkeling +en vooruitstrevende gezindheid. Deze kon den jongen neef echter niet +bewegen de universiteit te bezoeken: hardnekkig verzette hij er zich +tegen. Zoo was Spencer's opzettelijk onderwijs op 17-jarigen leeftijd +afgeloopen en bleef hij van de voordeelen eener universitaire vorming +verstoken. Dit heeft echter op zijn werk ook een gunstigen invloed +gehad. Hij werd er misschien te zelfstandiger denker door, die, +zich weinig bekommerend om het oordeel van anderen en niet vragend +naar wat voorgangers geleerd hadden, zijn genoegen meer vond in eigen +opbouwen dan in het tot zich nemen van door anderen gevonden kennis. + +Aanvankelijk zou Spencer het beroep van zijn vader kiezen. Weldra +werd hij ingenieur bij den aanleg van spoorwegen. Dan weer had hij +goed bezoldigde bezigheden, dan weer was hij zonder werk: gevolg +van de wilde spoorweg-speculaties in dien tijd, waardoor tijdperken +van koortsige haast en spanning in den bouw afwisselden met perioden +van slapte. + +Ten slotte ging Spencer in Londen wonen en trachtte hier zijn brood +als schrijver te verdienen. Er verschenen verschillende werken van +zijn hand en hij kwam in aanraking met verschillende mannen van +beteekenis uit die dagen, o. a. met Mill. + +Langzamerhand was het denkbeeld in hem gerijpt, dat het mogelijk zou +zijn, op alle gebied de ontwikkelingsgedachte door te voeren en hij +ontwierp het plan van een stelsel van ontwikkelingswijsbegeerte. Hij +dacht zijn systeem in een twintigtal jaren te kunnen voltooien. Maar +waarvan in dien tijd te leven? Hij trachtte een geschikt ambt te +krijgen, dat hem genoeg vrijen tijd liet. Ondanks hulp en aanbeveling +van mannen als Mill, Huxley en anderen, gelukte het hem niet. Hij +besloot toen, het tòch te wagen, en gaf in 1860 een prospectus uit, +waarin hij inteekenaars vroeg op zijn werken. In hoofdzaken is +Spencer bij de uitvoering van zijn plan trouw gebleven aan de reeds +in het prospectus getrokken lijnen. Aanvankelijk had de schrijver geen +voorspoed. Er werden zeer weinig van zijn werken verkocht, hij leed er +groote verliezen op. In 1867 moest hij zijn inteekenaren mededeelen, +het werk niet te kunnen voortzetten. Hulp werd aangeboden, (Mill wou +de geheele geldelijke risico voor zijn rekening nemen), maar Spencer +meende die niet te moeten aanvaarden. Als reeds vroeger kwam hem een +erfenis te hulp. Een Amerikaansch bewonderaar, prof. Joumann, die +voor de verbreiding van Spencer's ideeën in Amerika veel gedaan heeft, +bracht een 7000 dollar op uiterst kiesche wijze bijeen. Weldra waren +de slechte jaren nu voorbij. Spencer kon hulp nemen, in 1875 waren al +zijn verliezen gedekt en ten slotte trok hij nu voor zijn bescheiden +behoeften een ruim inkomen uit zijn werken. (Van zijn "Opvoeding" +bijv., waarvan eerst slechts 200 exemplaren met moeite verkocht werden, +zijn nu meer dan 50.000 geplaatst). Ongelukkig liet zijn gezondheid +te wenschen over. Reeds in 1855 had hij zich met het schrijven van +zijn zielkunde zóó overwerkt, dat hij een anderhalf jaar rust moest +nemen en sedert dien tijd aan slapeloosheid en slechte spijsvertering +leed. Herhaaldelijk viel hij weer in, en meer dan eenmaal wanhoopte +hij aan de voltooiïng van zijn arbeid. Dit was ook de reden, dat hij +zijn ethiek, die hij als het belangrijkste beschouwde, liet voorafgaan +aan zijn sociologie. + +Vooral de jaren van 1886 tot 1889 waren droevig. In dezen tijd heeft +hij zijn levensbeschrijving (in 1904 in twee deelen na zijn dood +verschenen) gedicteerd, die naast zeer vele belangrijke dingen, ook +minder beteekenende bevat. Zij draagt sterk het merk, geschreven te +zijn door een zenuwzwak man, die voor zijn lichamelijke kwalen een +overgroote belangstelling koestert. + +Toch richtte de grijsaard zich weer op en in 1896 verscheen het laatste +deel van het groote werk: een nationale gebeurtenis voor Engeland. + +In 1898 ging Spencer van Londen--waar hij steeds, (behoudens een paar +grootere reizen, o. a. naar Amerika en door zijn gezondheid geëischte +uitstapjes naar het vasteland) gewoond had, naar Brighton, dat met zijn +milder klimaat beter voor hem was. Hier overleed hij 8 December 1903. + + + +Spencer was een "denker." "Hij is geen mensch, maar een intellect." Hij +trachtte in alles het algemeene, het groote te zien, de beginselen, +die er aan ten grondslag lagen. Zijn gewone conversatie was zelfs +"boekachtig." Hij was ongehuwd: de filosofie was een ijverzuchtige +meesteres, die niet een andere naast zich duldde. Van kinderen +hield hij veel: hun gezelschap was voor hem een aangename +tijdverpoozing. Alle eervolle onderscheidingen (ridderorden, +eeredoctoraten, lidmaatschappen van geleerde genootschappen) +wees Spencer af. Hij zag er geen bevordering in van wetenschap, +maar 't omgekeerde. Bij een wedren geeft men een minder paard een +voorsprong. Hier doet men het omgekeerde. Een geleerde, die al +naam heeft, steunt men. 't Wordt zoo voor den jongeren geleerde nog +moeilijker. Al het hartstochtelijke, het naar het mystieke gaande, +het vage, was hem onbegrijpelijk. Hij kon 't niet meevoelen. Niet +bevreemdend is het dus, dat Carlyle en hij zich niet tot elkaar +gevoelden aangetrokken: Carlyle had "nooit een pedanter jongmensch +gezien" en Spencer geen mensch, bij wien het denken, dat van hartstocht +vrij moest zijn, er zoozeer door beïnvloed werd. + + + +Het onkenbare. + +Godsdienst en Wetenschap. Agnosticisme. + +Spencer's systeem zou biologie, psychologie, sociologie en ethiek +bevatten. Hij zou eerst met vlijt alle gegevens verzamelen, nagaan +in hoeverre voor bepaalde gebieden reeds wetten waren opgesteld en +gevonden, om daarna die deelen tot een eenheid te vereenigen. Maar, aan +de behandeling der onderdeelen laat hij een werk "De grondstellingen" +(Eerste Beginselen, First Principles) voorafgaan. Allereerst spreekt +hij over het onkenbare, het Absolute en de verhouding van godsdienst +en wetenschap. + +Aan alle verschijnselen, zooals zich die aan ons openbaren, 't zij in +onze ikheid, 't zij in de buitenwereld, ligt een werkelijk iets ten +gronde, waarvan de verschijnselen slechts openbaringen zijn. Voor +ons nu staat open de kennis der verschijnselen, maar de wetenschap +van het Absolute is ons ontzegd. Dat het bestaat, is zeker. Maar er +meer van te weten is onmogelijk. + +De godsdiensten, op welken trap van ontwikkeling en hoe verschillend +ook, hebben toch iets gemeenschappelijks. Ze hebben altijd naar +het aan de overzijde der ervaringen liggende gewezen, ze hebben het +besef wakker gehouden, dat er een "geheim" was, een niet te kennen +mysterie. Aan de laagste godsdiensten scheen dat geheim gemakkelijk +op te lossen. Maar naarmate de godsdiensten voortschreden, zagen zij +hoe langer hoe meer in, dat het mysterie niet te doorgronden was: +Het Absolute was niet voor te stellen. Onder geenerlei menschelijke +gedaante of vorm. Maar daarmee had men opgegeven het te kennen, want +wij beschikken alleen over naar menschelijke analogie gedachte of met +gegevens der menschelijke ervaring opgebouwde voorstellingen. De fout +der religie is geweest, dat zij op het terrein der verschijnselen wou +komen, dat zij wou spreken, waar het woord was aan de wetenschap. Voor +den vrede tusschen deze beide, elkaar vijandige machten is het noodig, +dat de religie ophoude ongodsdienstig te zijn en zich niet begeve op +het terrein der wetenschap. + +En deze laatste moet ophouden onwetenschappelijk te zijn: Zij mag +niet komen op het gebied van den godsdienst. Zij heeft te beseffen, +dat er een onkenbaar iets is, het Absolute, waarvan de verschijningen +openbaringen zijn. En het pogen om dit te willen, en de bewering, +om dit te kunnen doorgronden, moet zij opgeven. In den eerbied voor +het Onkenbare komen wetenschap en godsdienst samen. + +"Hier hebben wij een grondwaarheid van de grootst mogelijke zekerheid, +waarin alle godsdiensten het met elkaar en met de wijsbegeerte, die +haar bizondere leerstellingen bekampt, het eens zijn. Zullen godsdienst +en wetenschap verzoend worden, dan moet de grondslag der verzoening +deze diepste, uitgebreidste en grootste waarheid zijn, dat de Macht, +die zich in het Heelal openbaart, absoluut onnaspeurbaar is." + +Waarom moet de wetenschap zich ook buigen voor het Absolute? Het +denken gaat steeds voort met verklaringen te vinden. Wat is dat, +"verklaren?" Terugbrengen van een verschijnsel tot een reeds +bekend, algemeener. Zoo worden de warmteverschijnselen uit beweging +der kleinste deeltjes, der moleculen verklaard. Beweging is een +algemeener waarheid. Maar kunnen wij nu met dat terugbrengen eindeloos +doorgaan? Kennelijk niet. Ten slotte komen wij tot een waarheid, +die niet nader verklaard kan worden, niet onder een andere, algemeene +gebracht. Dit wordt wel eens door den wetenschappelijken onderzoeker +vergeten. Gewoon, dat een nog niet bekend gebied nog nader bekend +worden kan, dat verklaringen, die nog niet te geven zijn in een +bepaalden tijd, toch gevonden worden, ziet hij over 't hoofd, dat het +stellige weten de geheele sfeer van het denken niet kan vullen. Aan +de uiterste grenzen der ontdekkingen rijst de vraag op, zal de vraag +steeds oprijzen: "Wat ligt aan de overzijde?" Geen verklaring, hoe +diep ook, kunnen wij ons denken, die de vraag: Wat is de verklaring +dezer verklaring? zou buitensluiten. Stellen wij ons de wetenschap +als een altijd grooter wordende bol voor, dan kunnen wij zeggen, dat +elke vergrooting van zijn oppervlakte hem in omvangrijker aanraking +brengt met het hem omgevende niet-weten. + +"In de buiten- zoowel als in de binnenwereld bevindt de man der +wetenschap zich te midden van eeuwige veranderingen, waarvan hij +begin noch einde kan ontdekken. Wanneer hij de ontwikkeling der +dingen nogmaals nagaand, de hypothese opstelt, dat het Heelal eens +in een ongeordenden toestand bestond, dan vindt hij het toch absoluut +onmogelijk, zich voor te stellen, hoe het kwam, dat het zoo bestond. En +het is evenzoo, als hij nadenkt over de toekomst: hij kan geen grens +bepalen voor de oneindige reeks van verschijnselen, die zich voor +hem ontvouwen. + +"Wendt hij den blik naar binnen, dan vindt hij eveneens dat de beide +draden van het bewustzijn buiten zijn greep liggen: ja, buiten +zijn vermogen, om zich voor te stellen, dat ze bestaan hebben of +zullen bestaan. Zoowel objectieve als subjectieve dingen vindt hij +beide gelijk onnaspeurbaar, wat hunne substantie of hun oorsprong +betreft. Naar alle richtingen plaatsen zijn onderzoekingen hem +voor een onoplosbaar raadsel en hoe langer hoe meer begrijpt hij, +dat het inderdaad niet op te lossen is. Hij kent de grootheid en de +kleinheid van den menschelijken geest, tegelijkertijd zijn macht, +alles te omvatten wat binnen de ervaring ligt, en zijn onmacht +tegenover alles, wat buiten en boven de ervaring is. Hij gevoelt in +haar geheele sterkte de totale onbegrijpelijkheid van het eenvoudigste +proces, wanneer dit op zich zelf wordt beschouwd. Beter, dan iemand +anders weet hij, dat niets, in zijn diepste wezen, kan gekend worden." + +Spencer is dus agnosticus. (Het woord is van Huxley, die in een +gezelschap, gevraagd zijnde naar zijn beschouwing daarvan, om een naam +te hebben voor het zich onthouden van een oordeel over het absolute, +zei, dat hij een agnosticus was). Hij is "de grootste agnosticus der +19de eeuw." + +Wel heeft zich ook bij Spencer een gemoedsbehoefte geldend gemaakt, +maar hij is nooit verder gegaan, dan zijn wetenschappelijk geweten +hem veroorloofde. Hij heeft de vraag overwogen, of het misschien een +ethisch postulaat zou zijn, om het Onkenbare als persoonlijk te denken: +maar hij verwerpt dit. De keuze ligt niet tusschen persoonlijkheid +en iets lagers: er is een bestaansvorm, die misschien hoog boven het +persoonlijke staat [31]. Naarmate Spencer ouder werd, naderde ook hij +meer tot den godsdienst: Op zijn 73ste jaar stelt hij overdenkingen op, +waaruit blijkt, dat hij zich ernstig met godsdienstige vragen bezig +hield. Hij zag voor zich de oneindige wereld met zijn zonnestelsel, +zijn komen en gaan, zijn vollen rijkdom van ontbloeiend leven, en hij +moest de vraag stellen: Waartoe dat alles? En zijn laatste woorden +luiden dan ook: "Ik ben er toe gekomen het godsdienstig geloof,--dat +op de een of andere wijze de plaats inneemt, die verstandelijke +uitlegging zoekt in te nemen, maar waarin ze faalt en des te meer +faalt, naarmate zij het probeert--met een sympathie te beschouwen, +die op gemeenzaamheid van behoefte berust. Ik gevoel, dat mijn anders +denken van de ongeschiktheid komt, de gegeven oplossingen aan te nemen, +verbonden met den wensch, dat er oplossingen mogen worden gevonden." + + + +Taak der filosofie. + +Der wetenschap is dus een bepaald gebied aangewezen. Wat is nu de taak +der filosofie? Om onze kennis tot eenheid te brengen. Het einddoel, +dat de filosofie zich stelt, is volkomen één gemaakte, geünificeerde +kennis (completely unified knowledge). De bizondere wetenschappen +schrijden voort van stap tot stap. Zij stellen voor een beperkt gebied +wetten op. Verschillende gebieden worden onder een algemeener wet +vereenigd. Zoo'n algemeener wet is in graad, niet in aard verscheiden +van een onder haar staande, meer bizondere. De wijsbegeerte nu verhoudt +zich tot de wetenschappen als deze zich tot haar deelen. Zij zoekt dus +de meest omvattende algemeene beginselen, die voor alle ervaringen +gelden. Wij beginnen met de algemeene beginselen aan te nemen, en +wanneer de uit die beginselen afgeleide gevolgtrekkingen of zij zelve +door de gegevens der ervaring bevestigd worden, dan blijken ze juist +te zijn. Om dat te kunnen doen, moeten we dus kunnen vergelijken: +gelijkheid en verscheidenheid opmerken, is de grondslag van ons denken. + +Voor nu over te gaan tot de behandeling der bizondere vragen, handelt +Spencer nog over eenige begrippen, die de natuurkundige gebruikt, +als stof, ruimte, tijd, kracht, en over enkele grondwaarheden der +physica. Het is voor ons van belang, op te merken, dat Spencer +daaronder rekent de stelling, dat de beweging steeds voortduurt, +dat de stof niet vernietigd kan worden. Spencer nadert hier dichter +tot Kant, zooals ook op andere punten, dan vele andere Engelsche +denkers. Hij wijst er op, dat er eigenlijk geen bewijs is voor deze +stelling. Onderzoekt men bijv. of iets voor en na een proef gelijk +van gewicht is gebleven, dan zet men toch al vooruit, dat de kracht, +waarmede de gewichten, met welke men weegt, aangetrokken worden, +gelijk blijft. + + + +De ontwikkelingsgedachte. + +De schitterendste schepping van Spencer is zeker zijn doorvoering +der ontwikkelingsgedachte op allerlei gebied. Beginnen we met een +eenvoudig voorbeeld, de ontwikkeling der maatschappij. + +Daar leven ergens een menigte menschen. Hier een familie, daar +een familie, ginds nog een, enz. Die families gaan samenwonen, zij +vereenigen zich tot een stam. En later zien wij stammen zich tot +een volk vereenigen. En ook die volkeren vereenigen zich weer tot +bonden, die zekere algemeene regels eerbiedigen. Er vindt plaats een +samentrekking, een vereenigen van aparte deelen tot meeromvattende +geheelen. + +Maar er gebeurt tevens iets anders. In die eerste stam was +ieder zoowat gelijk. Ieder oude Bataaf bijv. jaagde, vischte, +voerde oorlog, dobbelde, dronk, sliep. De een was vrijwel +gelijk aan den ander. Maar--er komt splitsing. Er ontstonden +edelen--vrijen--lijfeigenen. Daarmee komt verschil van beroep. Dit +neemt toe. De Middeleeuwen zien de ridders als oorlogsstand, de +geestelijken als de stand der wetenschap, poorters en lijfeigenen +als landbouwers, handwerkslieden. Die arbeidsverdeeling gaat op elk +gebied door. Op elk terrein des levens schier "werkt de splijtzwam." De +wetenschap splitst zich, telkens komen nieuwe takken. + +Het gaat zoo in den oorlog. Een admiraal is geen generaal meer. De +eene generaal voert weer artillerie, een andere cavalerie, een derde +infanterie aan. + +De barbier is geen geneesheer meer en de huisdokter ziet tal +van specialiteiten naast zich opkomen voor oog, oor, neus, keel, +ingewandsziekten, enz. + +Op het gebied van den lichamelijken arbeid vertoont zich deze +splitsing zeer sterk. De Germaansche vrouw bebouwde het land, +bereidde haar brood en mede, weefde haar linnen. Broodbakken en +kleerenmaken gaat niet meer samen. Ja, de broodbakker splitste +zich in brood- en banketbakker. Een kleermaker, die een geheel +pak maakt, is uitzondering. Er is een coupeur die de stof snijdt, +er zijn voor onze groote confectie-magazijnen jassen-, vesten- en +broekenmakers. In Amerika is die arbeidsverdeeling in sommige fabrieken +zoover doorgevoerd, dat een man bijv. den geheelen dag niets te doen +heeft, dan een varken op een bepaalde plaats in de keel te stooten. + +Uit de gelijksoortigheid die aanvankelijk heerscht, is de +ongelijksoortigheid geworden. Er is splitsing gekomen. + +Maar--er is nog een derde punt op te merken. In die zoo veelvuldig +gesplitste maatschappij is een veel inniger samenwerking der deelen +dan in de oorspronkelijk gelijkaardige. Denken we even aan de innige +verbinding, waarin wij staan. Neem dit boek voor u. Wat een menschen +werken, ieder naar zijn bekwaamheid, daartoe samen. De auteur schreef +het, maar hij had daartoe een reeks andere boeken, papier, pennen, +inkt noodig. De zetter zet het. Vrienden van den auteur corrigeeren +het. De drukker drukt. Inbinden door den binder. Verzending van +copie en drukproeven en boeken door de post en door het bestelhuis +van den boekhandel. + +Hoeveel meer menschen hebben b.v. niet samengewerkt, om den huidigen +mensch een borrel te schenken, dan bij de oude Batavieren, om hem +een slok zoete mede te kunnen geven. En die samenwerking gaat zoo +geregeld, zoo ongemerkt, dat men ze zich gewoonlijk niet eens bewust +wordt. Voor uwe kleeding en uw voedsel hebben menschen uit alle +werelddeelen gewerkt. + +Er heeft dus samenwerking plaats, die hoe langer hoe meer harmonie +brengt. + +Wat wij hier nu met een eenvoudig voorbeeld uit de ontwikkeling der +menschheid toelichten, voert Spencer op alle gebied door. Het geldt +bijv. voor ons bewustzijnsleven, waar zich uit een gelijksoortige +massa de onderscheidingen ontwikkelen. De talen ontwikkelen zich uit +bepaalde grondtalen, splitsen zich, verrijken zich. De kunsten doen +eveneens. Schilderen en schrijven en beeldhouwen is eerst een: de +oudste teekeningen van sommige volken zijn meteen hun geschriften, +hun schrijven. De Egyptenaar teekent en zijn teekeningen zijn z'n +taal. Muziek en dans en poëzie zijn eerst samen, maar krijgen ieder +hun eigen karakter. + +In de natuur is het niet anders. De oudere vormen van planten en +dieren die men vindt, vertoonen veel eenvoudiger bouw. De kiemen of +de foetussen van vele organismen vertoonen meer gelijkheden die de +ontwikkelde individuen níet hebben: in de eerste maanden kan men +bijv. aan een menschelijke foetus niet zien, of het een jongen of +een meisje is. + +Wij zien dus een voortschrijding van het gelijksoortige tot het +ongelijksoortige. Wanneer we dit nu in algemeene formuleering zeggen, +krijgen wij: + +De ontwikkeling heeft drie kenmerken. + +1. Concentratie of integratie: vereeniging van elementen. Eenvoudigste +voorbeeld: opeenhooping van zanddeeltjes. + +2. Differentiëering. Er komen verschillen. Het homogene wordt +heterogeen, het gelijksoortige ongelijksoortig. + +3. Determinatie. Die differentiëering brengt met zich mede een overgaan +uit een vage, chaotische toestand, tot een bepaalde, waarin orde is. + +Samenvattend zeggen wij dus: + +Ontwikkeling is een verandering van een vage onsamenhangende +homogeniteit tot een bepaalde, samenhangende heterogeniteit door +aanhoudende integreeringen en differentiëeringen en determinaties. + +Deze ontwikkelingsformule is zeer omvattend. Zij wijst een diep-gaande +overeenkomst aan tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch, +(zijn geestelijk als lichamelijk leven), de menschheid, de aarde, +het zonnestelsel. + +Inderdaad een machtige, grootsche hypothese, welke op te stellen en met +rijk feitenmateriaal te ondersteunen Spencer's inspanning waard was. + +Tegenover de ontwikkeling staat het te niet gaan. Als er eenmaal een +volkomen harmonie zal zijn, zullen storende krachten optreden. Er +is dus een afwisseling van ontstaan en vergaan, het wereldworden +geschiedt rhytmisch. Maar, als het eene systeem teniet gegaan is, +zullen weer andere kunnen ontstaan. + + + +Biologie. + +Bizondere waarde hecht Spencer aan de biologie. Ook voor de practijk +zal zij groote beteekenis hebben. Hij ontwikkelt hier de gedachte, dat +er een voortdurende aanpassing plaats vindt. Op een organisme werken +krachten in. Het ondergaat nu veranderingen, die het geschikter maken +om te leven in de omstandigheden, waarin het geplaatst is. Verworven +eigenschappen kunnen overerven. Aan dezen regel houdt Spencer +vast en in zijn laatste levensjaren heeft hij dien nog met warmte +verdedigd. Wanneer men aannam, dat verworven eigenschappen overerfden, +zou er hoop zijn op spoediger vooruitgang van het menschelijk geslacht. + +Op het gebied der kennistheorie en der ethiek geeft de +ontwikkelingsgedachte Spencer gelegenheid op te treden tusschen Locke, +Mill eener-, Kant anderzijds. Hij erkent met Kant en tegen Mill, +dat onze eerste denkwetten à priori zijn en niet uit de ervaring +van het individu stammen. Maar in laatste instantie zijn ze toch +op ervaring gegrond: het is de ervaring van millioenen generaties, +die nu voor ons een absoluut noodwendig karakter heeft. Met de +"intuïtieve ethiek" is 't eveneens. Ook daarin zit de ervaring van +langen tijd. Er is geen sympathie, omdat 't nut die vroeg, neen: +er was sympathie, die bleek nuttig voor de welvaart van 't geheel en +zoo heeft ze zich in de menschen staande gehouden. Ook het ethisch +leven vertoont de integratie, differentiëering en determineering. Er +is veel meer samenhang bij ethisch handelen, meer concentratie, +wat bijv. in de zelfbeheersching uitkomt. + +Bij egoïsme is de gezichtskring eng. Wie ethische doeleinden zoekt, +ontwikkelt meer; alles wat in hem is, is niet beperkt door eigenbelang: +differentiëering. Het ethisch leven is bepaald door vaste beginselen +en lijnen, is niet, als bij den egoïst speelbal van allerlei invloed: +determinatie. + +De hoogste trap is de organische moraliteit: het goede wordt niet +uit plicht, uit nood gedaan. Zooals een moeder zich haar kind, de +kunstenaar zich zijn werk geeft, volbrengt degene, die organische +moraliteit bezit, zijn plicht. + +Ook in het staatsleven heeft de evolutie, de geleidelijke ontwikkeling +een groote rol. Men moet niet te spoedig van opvoeding en wetten +verandering verwachten: er is een lange ontwikkelingsweg noodig. De +opvoeding moet dus het individu en een volk zoo spoedig mogelijk in +aanraking brengen met de werkelijkheid, opdat er aanpassing plaats +vinde [32]. Men mag wel hopen, dat er vooruitgang zal komen, en een +staat zich verder zal ontwikkelen. + +Spencer's invloed is zeer groot geweest. Zijn werken zijn vertaald +in bijna alle Europeesche talen, in 't Chineesch en Japansch. In +de wetenschap werd de ontwikkelingsgedachte op allerlei gebied +toegepast. Wij kunnen thans wel zeggen, dat op schier geen +wetenschappelijk terrein de evolutionistische gedachte zonder invloed +is gebleven. + +Het spreekt, dat Spencer in een werk, dat 36 jaar voor zijn ontstaan +noodig had en over zoo een massa feiten liep, detailfouten maakte, +dat hij zijn inzichten wijzigde. Zijn grootsche formule intusschen +wordt bij onze tegenwoordige kennis door velen uitermate geschikt +geacht, om licht te werpen op vele feiten en als een richtsnoer te +dienen bij onderzoek. + + + + + + + + +HOOFDSTUK XIII. + +HET POSITIVISME IN NEDERLAND. + + +§ 37. Inleidende Opmerkingen. + +Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig +denken in ons land [33]. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden +een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de +verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des +Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een +innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan +de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren +kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende +geleerdheid [34]. Dirk Volckertszoon Coornhert gevoelde zich tot het +Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero's "Plichten" +en Boëtius' "Vertroosting der Wijsbegeerte" in goed Hollandsch proza. + +Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575), +Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in +Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen +voor Hooger Onderwijs. + +Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer +van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt +voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden +onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers +zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf +van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner +denkbeelden. Naast Geulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de +aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is, +waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze +soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in +de theologie, onder wie Voetius te noemen is. + +Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate +en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven +[35]. + +De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland +gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie +beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen +kon, verscheen hier. Newton's leer werd hier ingevoerd door 's +Gravesande, in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken +ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe +puntjes slepen af. In 't kort, het geheele beeld dat ons de achttiende +eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook +op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping; +rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om +te verdedigen. + +"Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek +der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen +van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden +te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden, +die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen +en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze +toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen. + +"Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen +waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede +bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht +wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden +tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden +zeggen makker, vorm hebben aangenomen. + +"Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de +Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken, +dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche, +of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling +der onderscheiden personen overwegend waren. + +"Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen +smaak, dan kan die bewoording dienen om afkeer aan te duiden van +paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen +naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter +bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen +als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en +schoon is." (Land). + +Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn +invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara +Burgerhart [36] een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer +gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs +een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op, +hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast +hem te noemen. + +IJverige belangstelling betoonde Nederland in 't begin der 19de eeuw +ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685--1766) +had hier de liefde voor de studie van 't Grieksch weer opgewekt; +zijn zoon François (1722--1790), een groot Haagsch heer, was een +bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates. + +In 't begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een +fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer. [37] + +Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks +'30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag. + +De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden +godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield +in 1860 voordrachten over wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot +publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid, +met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende +stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde +(hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing +een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele +fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven, +hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen. + +Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier, +die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van +Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk +leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende. + + + + + +§ 38. Opzoomer. + +Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde +te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener +prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de +rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte +aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt +met eene rede: "De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich +zelven." Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium van onschuld is, +waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. "Zoo +wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend +des levens, door het zachte morgenrood beschenen." + +Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, de strijd van het +onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis? + +Van Locke tot Fichte loopt de weg. + +""Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?" was de groote levensvraag +geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de +taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in +de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten +wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en +bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan, +dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene +ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van +den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest +overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner +handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote +tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had +het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande +had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich +verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van +beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden." + +Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van +het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar +in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een +godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit, +dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten +weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat +worden als "het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt," +maar als de "geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk +bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken, +gevoelen en willen den geest verheft boven de werkzaamheid, die hij +in het lichaam vertoont." + +Op dit standpunt nu is er verzoening. + +"Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de +zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste +waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende +waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de +godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe +de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft." + +Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware +het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij +niet in die bange dagen "door een schild van achtbare mannen ware +gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op de collegebanken +plaats namen om zijne lessen aan te hooren." (v. d. Wijck). + +In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit +hij een nieuw vaandel: dat der ervaringswijsbegeerte. + +Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij +steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. "Beschamend +staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met +den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden, +ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot +stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering +van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal +onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van +Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, +dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot +handelen ons leiden moet. + +"Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels +heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest. + +"Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij +overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, +ons door Bacon gewezen." + +Als "onmiddellijke voorgangers" noemt hij zelf Herschel, Whewell, +Mill en Comte. Na de bespreking van Mill's logica behoeven wij niet +uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan [38]. Hij bepaalt zich tot het +behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig +van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen, +zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk +onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam. + +Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van +colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal +studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was +en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte +dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland +niet. + +"Opzoomer's aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw +en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw, +dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen, +die den goeden weg gewezen hebben, toen deze nog niet zoo algemeen +gevolgd werd." In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot +groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden +over de operatie van bloedader-gezwellen, maar hij had nog nooit een +bloedader-gezwel zien opereeren. + +"In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde +boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de +feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren, +men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: "Wat +zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt +de scherpzinnige B?" + +"Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid +niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de +werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden, +dat Opzoomer in zijn lessen over logica ... het aan duizenden heeft +ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel +gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat +men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag +der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en +werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het +verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige +en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek +begonnen is." (v. d. Wijck). + +Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke +waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt +opgetrokken (1). Maar de mensch is ook een waardeerend wezen. Hij staat +niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij +registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken een +aangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde +goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid: +gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2--4). + +Behandelt Opzoomer in zijn: "De weg der wetenschap" vooral de eerste +kenbron, in zijn: "De waarheid en haar kenbronnen" [39] wordt +gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk +gevoel. De vijfde kenbron, het godsdienstig gevoel, heeft Opzoomer +niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: "De Godsdienst" (1864) en +"Onze Godsdienst" (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het +hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed +uit op 't kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor +'t bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt +uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. "Eindelijk +gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een +hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn +zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer." + +"Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou +om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat +hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de +souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat +het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld +is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het +is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolang de handen +niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt. + +"In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat +den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe: +het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen +van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke. + +"Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den +diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken +der menschelijke natuur behoort." (v. d. Wijck.) + +Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam +als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de +schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde +romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man, +de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in 't Duitsch een zeer +goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden. + + +Opm. Tot Opzoomer's leerlingen behooren Allard Pierson en +Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen +in 't Hollandsch geschreven. "Een Levensbeschouwing" en "Wijsgeerig +onderzoek" zijn uit wijsgeerig oogpunt 't voornaamste. Zijn biografie +geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als +wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in "Mannen van Beteekenis." + +Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn +opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van +Beteekenis, XXXV, 2--3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere +inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na +zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte +artikelen meest in "Onze Eeuw." + + + + + +§ 39. Multatuli. + +Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij +heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk +leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen +is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige +moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest +van "aufklärungsidealen." Hij heeft die in omloop gebracht door zijn +schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier +nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De +man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig, +behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst +mogelijke scherpte. + +Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van +den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig +gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren +in dezen vorm. + +De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste +in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der +Israëlieten naast Zeus. + +Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon +schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel's Roskam +kunnen leeren, als het 't niet had willen hooren en lezen uit den +bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli +teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee +Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps. + +Dat er in alle bizondere religies 't algemeen menschelijke te +waardeeren was, hadden de 18de-eeuwsche deïsten, ook hier geen +onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een +goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof +meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker. + +Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus' dagen +gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één +beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp +gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene +schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven. + +Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn +volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten +geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens +verlaten: Multatuli zette 't in het helderste licht. + +De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep +in omstreeks '50 en '60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde, +om physica, maar om 's hemelswil geen bovennatuurkunde, geen +metafysica. [40] Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar +geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de +plaats geven. Hij begeerde te varen "zonder lek." + +Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men +in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw +vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet +en gerechtigheid. + +Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden +toen Multatuli het uitsprak, dat zedelijkheid niet zede is. En het +jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de +zedelijkheid "boven den navel" woont. + +Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in +wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei, +wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich +richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan 't paradoxale +grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou +'t dit zijn: + +Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche +Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op +heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende +Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven +der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap, +is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van +zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en +dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd +gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven, +op te houden met kleingeestige discussies over 't al of niet ware +van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken +denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land, +en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele +hoofden en harten. + + + + + + + + +HOOFDSTUK XIV. + +HET POSITIVISME IN ANDERE LANDEN. + + +§ 40. De crimineele anthropologie. + +Inleidende opmerkingen. + +Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het +denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten +denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en +had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij +had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het +zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid +gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno +waren Italianen. + +Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was +Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der +moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de +staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella +staat Macchiavelli. + +Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt tot onderzoek, gaat +voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland +is 't beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende +twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar +zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de +laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet +er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van 't katholicisme afwendt, +is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor +'t Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief +psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand +is, dan voltooiend en bouwend. In 't bizonder richtte zich de aandacht +op den misdadiger [41] en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar +in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor +een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van +dit feit te bepalen. [42] Hij kreeg daar verschillende leerlingen +en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In +1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen +mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève, +Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de +studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen +zijn te noemen de psychiaters Jelgersma en Winkler en Dr. Aletrino, +die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek +der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het +recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn +aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de +Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde +voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep, +dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn +initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de +verwaarloosde [43] jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef +niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht +Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met +nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben +in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht. + +Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden, +is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van +Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke +"Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger," gebouwd op een +streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker +van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de +misdaad (Crimineele Aetiologie) in 't licht zond. [44] + +Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in +ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel- +en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten. + +Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De +groote vraag was, of 't geschieden moest omdat gezondigd was, of +als voorbehoedmiddel voor de toekomst: opdat niet gezondigd zou +worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit +vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of +andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken, +die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook +gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met +de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van +zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken, +hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap +van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er +zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing +aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand +die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs +zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder. + +Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den +misdadiger, de oorzaken van de misdaad? + +Lombroso dan vat den misdadiger op als een atavistisch +verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu +overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn +ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft +het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen +en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel. + +Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij +de natuurvolken. De misdadiger is dus achter bij de ontwikkeling der +gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel +lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig +standpunt en de nu bestaande maatschappij. + +Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel +te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel +hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal, +zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer +een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch +verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich. + +Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, de geboren +misdadiger. + +Tegen Lombroso's leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees +er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is, +gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn: +zoo'n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso's +misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen +en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door +Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers, +maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen. + +Heftig botste de Italiaansche school op 't congres te Rome met +Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou +niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad +zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide, +in de maatschappij, in het sociaal milieu. "De maatschappij heeft +de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust +niet lijdelijk in de aangeboren eigenschappen van den misdadiger, +maar stel het sociale initiatief er tegenover." + +Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar +staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn +aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben +toegekend. + +Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met +warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij +acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit: + +"'t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid +van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen +maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen +handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men +de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen +opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een +directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling +der individuen dit doen." + +Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden. + +"Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd +komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend +duister kleurt 't licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen +gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een +lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend +onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten +dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij +zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij +voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderen wij de verwerkelijking +van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor +anderen het leven dragelijk te maken." + +Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans +zijn artikel: "Sommige uitwassen der crimineele anthropologie" +deed schrijven. + + + + + +§ 41. Het Materialisme. + +De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het +natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en +Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland +de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze +leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor +hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte +stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het +materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof +en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier +bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd +door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en +Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en +Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had +gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde +hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten: +het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen +gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een +wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder +deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigers dezer +levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige +natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren +dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang, +verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis +in ruimer kring. + +Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als +Büchner, Vogt en Moleschott aan, wanneer men hen houdt voor wat men +in het dagelijksch leven "materialisten" pleegt te noemen. + +Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er +werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen +andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In +de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer +burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het +gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen +kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef--dit +zij wel te verstaan--achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans, +onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat, +botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders +zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in +Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag, +dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men +denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis, +maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op +maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde +zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in +te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied +en dan de grenzen trekken. De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds +één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid +beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo +staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En +het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het +stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden. + +Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten +tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan +van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie +tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard +gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat. + +Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot +den engen kring van geleerden, ja, vond bij de "vakwijsgeeren" niet +allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden +en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling +was, kocht gretig Büchner's "Kracht en Stof", waarvan een groot aantal +drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair +werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende, +welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte +van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal, +werkten daartoe mee. + +Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven, +onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn. + +Het materialisme vond ook in ons land--weer wat later dan het midden +der eeuw--zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend +tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging "de Dageraad," +die de vrije gedachte bevorderen wil, welke veel in deze richting +gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste +verjaring van Büchner een Volksuitgave van "Kracht en Stof," wijdde +een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott. + +In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans +zeer weinig aanhangers. + + + +Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch +materialisme. + +Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders +is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren +een beweging van atomen. Dit geldt--en ziehier het kernpunt--ook voor +het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin. + +Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige +werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei +scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats, +die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier +alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet +een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een +verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan. + +Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we +alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder. + +Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we +precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist +ons organisme werkt, zooals het werkt. + +Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is +een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men +kan een hond "stuk voor stuk de ziel wegsnijden", door zijn hersens +weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het +hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een +afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever. + +De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht, +kleeding, woning. + +Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan: +er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren +is taak der physiologie. + +De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders +niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal +de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren. + +Theologie bestaat evenmin. + +God kennen wij niet. Onze "lieve Heer" is een inbeeldingsproduct +uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem +de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het +"Onkenbare," de "Idee," het "Absolute," weer binnen te halen. Allemaal +nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die +vrees, als de zon der wetenschap opgaat. + +Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet. + + + +We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der +leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie +namen: Vogt, Büchner, Moleschott. + +Over elk dus een kort woord. + +Moleschott werd in 's Hertogenbosch geboren. Hij genoot een +eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen, +vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag +geen kans zich in Nederland aan zuivere studie te kunnen wijden en +vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent, +maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26 +Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag +van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid +heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar +Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind +arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in +een eenvoudig werkje: "Voor mijn vrienden. Levensherinneringen." Het +Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven +ook in ons land. + +Moleschotts bekendste werk is "De Kringloop van het leven", dat in +1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven +gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de +boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den +grootsten denker voedt. + +Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen +plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan. + +Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen +gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de +werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere +twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme +wil hij materialist heeten. + +In 1852 verscheen Moleschott's werk. De echte materialisme-strijd +begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt +botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der +wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan +te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de +wetenschap te verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie +was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een +afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de +kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand +de piano. + +Tegen dezen "fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche +zielensubstantie" trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855) +op: "Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof," terwijl hij later een meer +wetenschappelijk werk schreef. + +Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar +1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van +1852-1895 hoogleeraar te Genève. + +Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen +"Kracht en Stof." (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk +werd en nog wel wordt gelezen. + +Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan +het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in +zijn systeem verweten, zoodat hij niet--"als hij al tot de filosofie +behoort"--mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger. + + + + + + + + +SAMENVATTING. + + +De tijd van het positivisme plaatst Engeland en Frankrijk weer meer op +den voorgrond, Duitschland komt iets op den achtergrond. In den staat +merken we een doorwerken der liberale gedachte op. Engeland breidt +het kiesrecht uit, Frankrijk verjaagt de Bourbons, het revolutiejaar +1848 doet ook in Duitschland zijn invloed gelden. De bezittende, geld +verwervende burgerklasse komt meer en meer op als toonaangeefster in +maatschappij en staat. + +Het lot der arbeidende klassen verontrust sommige edele gemoederen en +zij ontwerpen toekomstbeelden eener socialistische maatschappij. Maar +de regeeringen doen weinig, een krachtige arbeiderspartij of een +vakorganisatie bestaat nog niet. + +De groei der bizondere wetenschappen, die zich alle meer richten +op détailstudie, is bewonderenswaardig. Met name maken de +Natuurwetenschappen snelle vorderingen. + +In Frankrijk ontstaat de positivistische school. Comte deelt +met zijn tegenstanders de behoefte aan autoriteit en vaste +beginselen. Hij is afkeerig van metafysica: deze geeft een +overgangsstadium. Gemoedsbehoeften tracht hij te bevredigen door een +bedachten godsdienst, die weinigen met hem aanhangen. + +Maine de Biran is te beschouwen als de vader der psychologische school, +die een fijnen blik had voor allerlei bewustzijnsverschijnselen. + +In Engeland wordt de wijsbegeerte der achttiende eeuw voortgezet. James +Mill voltooit de associatie-zielkunde, Bentham breidt het beginsel, +dat Smith in de Staathuishoudkunde invoerde, uit over het geheele +zedelijke leven. Terzelfder tijd vindt het Duitsche idealisme +zijn vertegenwoordiger in Carlyle den Schot, die de reactie der +persoonlijkheid op het utilisme is. + +John Stuart Mill, die zich zeer tot Comte gevoelt aangetrokken, +schept hier zijn logica. + +In Engeland ontstaat de ontwikkelingsfilosofie. Spencer brengt, +ondanks talrijke bezwaren, zijn groot werk tot stand en voert de +ontwikkelingsgedachte door over het heele levensgebied. Darwin schept +zijn hypothese over de natuurwetenschappen, maar zijn beginselen +dringen overal door. + +Duitschland wendt zich af van de wijsbegeerte. Het belangrijkste +verschijnsel is de materialisme-strijd, omstreeks 50-60. + +In ons land weerspiegelen zich die bewegingen. We leerden +Opzoomer kennen, die na de aanvaarding van zijn ambt het vaandel +der ervaringswijsbegeerte hoog gaat houden en op het godsdienstig +leven grooten invloed uitoefent. Multatuli wordt de heraut van vele +Aufklärungsidealen en populariseert wetenschappelijke meeningen. + +In Italië doet het positivisme zijn intocht. + +Lombroso sticht er de crimineel-anthropologische school, die de +leer van den geboren misdadiger verkondigt en weldra bestrijding +vindt in de Fransche School, die meer den nadruk legt op het sociaal +milieu. Ons land neemt deel aan die beweging en hier wordt Aletrino +de gevoelvolle pleitbezorger voor milder en doelmatiger behandeling +van den misdadiger. Met nieuwe inzichten hield onze regeering rekening +in verschillende wetten. + +Hoe de verschillende denkers en werken van de 19de eeuw verspreid zijn, +blijkt uit de volgende jaartallen. + +Eerst de denkers der drie groote cultuurlanden, daarna hunne +werken. Vervolgens de ontwikkelings- en de positieve filosofie in +Nederland. Eindelijk de crimineele anthropologie. + + + + + + + + +DE TIJD VAN HET POSITIVISME.--VERLOOP VAN HET POSITIVISME. + + +TOELICHTENDE JAARTALLEN. + + +1766-1824. Maine de Biran. +1792-1864. Victor Cousin. +1798-1857. Auguste Comte. + +1748-1832. Jeremias Bentham. +1775-1836. James Mill. +1795-1881. Carlyle. +1794-1866. Whewell. +1806-1873. John Stuart Mill. +1809-1882. Charles Darwin. +1820-1904. Herbert Spencer. +1825-1895. Huxley. + +1822-1893. Moleschott. +1817-1895. Vogt. +1824-1899. Ludwig Büchner. + + +1830-1842. Comte's cursus van positieve filosofie. +1852. Positivistische catechismus. + +1829. Mill's Ontleding van de verschijnselen van den + menschelijken geest. +1834. Bentham's Deontology. +1833. Carlyle's Sartor Resartus. +1843. Carlyle's Verleden en Heden. + +1843. Mill's Logica. +1859. Darwin's Ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus. +1863. Huxley: Getuigenissen voor de plaats van den mensch in de + samenleving. +1868. Haeckel's Natuurlijke scheppingsgeschiedenis. +1852. Moleschott's Kringloop van het leven. +1855. Vogt: Kolenbrandersgeloof en Wetenschap. +1854. Büchner's Kracht en Stof. + +1821-1892. C. W. Opzoomer. +1831-1906. Allard Pierson. +1836- Jhr. B. H. C. K. v. d. Wijck. + +1846. De wijsbegeerte den mensch verzoenende. +1851. De weg der wetenschap. +1859. De Waarheid en hare kenbronnen. + Pierson: Een levensbeschouwing. +1906. V. d. Wijck: Afscheidscollege. +1894. Steinmetz: Over de eerste ontwikkeling van de straf. +1895. Wijnaendts-Francken; De evolutie van het huwelijk. + +1820-1887. Multatuli (Eduard Douwes Dekker). +1861. Max Havelaar. Ideeën. + +1871. Lombroso: De misdadige mensch. +1885. Eerste congres voor crimineele anthropologie te Rome. +1899. Aletrino treedt op als privaat-docent te Amsterdam in de + crimineele anthropologie. +1903-1904. Aletrino's Leerboek der crimineele anthropologie. +1908. Roos: Crimineele aetiologie. + + + + + + + + +VIERDE AFDEELING. + +DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE. + + +§ 42. Inleidende Opmerkingen. + +Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit +bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet +langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de +echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, +was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, +dat een paar collega's, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar +zeiden: "Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen +en die doet tegenwoordig aan filosofie." Eén onzer hoogleeraren in de +wijsbegeerte vertelde eens in 't openbaar, dat in zijn studententijd +hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het +college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en +specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, +die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid +door miskenning van den zusterband. + + + +Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den +tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van +lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit +gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld [45]. + +"Wie zich in 't midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het +publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn +voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner +tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden +hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, +dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om +goud te maken zou willen aanprijzen. + +"Maar... niemand heeft zich toen die taak opgelegd--niemand had het ook +kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap +van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen +een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van +geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwd worden als een +zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In +dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der +filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte--een woord +dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, +maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei. + +"Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een +wereldbeschouwing, gold niet voor "vol" uit wetenschappelijk oogpunt. + +"Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van +de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer +te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant. + +"Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf +enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat men +de wijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende +stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldige aanspraken der +filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren.... + +"'t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als +zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch +was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was +slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd. + +"Sedert is de toestand geheel veranderd. + +"In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige +vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de +natuurkundigen." + +Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er +een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die +verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen? + +Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de +belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien +weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van +denkers, op wie ons oog nauwelijks valt? + +Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan +den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen +geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote +geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo +blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar. + +Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op +wetenschappelijk gebied. + +Er kwam in 't algemeen belangstelling voor den mensch en voor het +geestelijke en voor 't algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De +taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer +wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijven aan een tekst, +om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was +het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak +van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een +levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van +den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften +der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat +bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, +ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, +tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en +grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht. + +Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen +die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element. + +Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, +den fieren individualist, die zegt: + + + De duizend die zich zelf niet wezen konden, + Bezitten saam een waarheid, die hen bindt. + Hun is 't geloof, dat spreekt uit duizend monden. + Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint, + Voelt zich aan zich door zich alleen gebonden + En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt. [46] + + +Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf. + +In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt--zij +'t nog aarzelend--in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren +willen, metafysica is. + +Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen +wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later +voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden +wijsgeerige artikelen een gul onthaal. + +In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar +het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam +zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey's bloemlezingen uit oudere +dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van +Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis +aangetroffen. + +In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, +scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het +ziekelijke, het afwijkende. + +Ook de geschiedkundige wetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat +iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis +van 1525-1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weer geheelen +geven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, +van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook +over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht. + + + +De geneeskunde toonde veel belangstelling in het geestesleven van den +mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze +Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie +en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, +bezit althans een professor in zielsziekten. + +Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal +belangrijke onderzoekingen. We wezen reeds op de samenwerking die in +den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde. + +Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden +van het persoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel +van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, +om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid +te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde +van de veronderstelling uitgaat, dat de mensch zijn eigen belang +zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men +rekening houden moet in 't productieproces. Maar geenszins ontkent +de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden +doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, +dat hij een denkbeeldigen slinger beschouwt: hij ziet bijv. af van +den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de +staathuishoudkundige alsof alleen bepaalde factoren meewerkten voor +de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer +zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel +de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele +maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou +tot sociologie. + +De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer +systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden +grondslag te organiseeren. + +De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland +ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden +gezet ook omstreeks het jaar '80. Het begon met een drankwet, +die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een +wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een +tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op +de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De +socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine +afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets +weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou. + +Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen +een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden. + +Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat +en kerk: het was over 't geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte +was het materialisme. + +Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst +uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme +als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef +het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een +groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen +van de moderne protestanten, die in hun orgaan "de Blijde Wereld" +een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het +socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het +christendom. Een voor 't groote publiek onbekende, schrijvende onder +het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: +"Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap," waarin in +wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een +collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden +zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische +partij. Misschien zijn dit de teekenen, dat men steeds minder in het +socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing +zal gaan zien. + +Ook het kerkelijk leven veranderde in ons land. In het midden der eeuw +was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne +protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige +modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: +"Zijt gij nog wel modernen?" Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt +sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar. + +Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, +verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht +Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient +een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend +beginsel te maken. + +Het katholicisme bleef niet achter in deze algemeene beweging. In de +politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken +zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft +tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt +weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (Encycliek +Aeterni Patris 1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften +in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit +en zijn "Institut de philosophie", dat Thomistisch is, maar zich niet +alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het +gebrekkige ten doel stelt. + +"St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als +een grenssteen." + +In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam +doceeren en de katholieken ontvingen van de hand van Beysens en +Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte. [47] + +Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het +midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw +doorwerkt, komen al weer andere pogingen op. + +Ook de OPVOEDKUNDIGE ideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal +uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt +verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager +onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar +onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene +onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor +het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke +doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische +propadeusis eischte. Een treurig besluit. "De wijsbegeerte als geheel +genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren +het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken +aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting." (Land.) + +Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze +eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, +practischheid, geschiktheid voor 't werkelijke leven geëischt. Aan +de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische +opvoeding. Op 't laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het +geruchtmakende boek: "Rembrandt als opvoeder" verscheen, dat het +fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu den kunstenaar +tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het +aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag +zijn League voor zedelijk onderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, +volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en +Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en +sommigen pogen een stekje van Engeland's League op Nederland's bodem +over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen +als de van Engeland herwaarts gekomen sport. + +Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het +aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan +om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg +te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het +algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren +bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich +in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene +tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand +van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, +Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig +onderricht op de gymnasia wordt bepleit. + +Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, +een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich +gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot +een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd +te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken +moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld +door verschillende denkers. + +Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in die richting van den +bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog +James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn +om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in +Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy). + +Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel +was waar te nemen, over 't geheel keeren velen in Duitschland tot +'t idealisme terug. + +Een klein bewijs. Van Falckenberg's geschiedenis der nieuwere +wijsbegeerte kwam de eerste druk in '85, de tweede in 1892, de derde in +'98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken +wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie +voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en +met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een +hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme. + +"Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de +wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten." + +In 't bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar +Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in +zijn: "Levensbeschouwingen der groote denkers" een rijk en diep werk +gegeven heeft. + +Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt +zich op: hòe te leven. Er is een "kamp om levensinhoud." In ons +land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen +opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte +aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd +en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als +mannen bezocht. Het Tijdschrift voor Wijsbegeerte geeft gelegenheid +ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen, +al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften +vriendelijk voor de wijsbegeerte. [48] + +In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche +godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds +een kort overzicht van het Boeddhisme "als leerstof," en thans is er +veel belangstelling. + +Weer anderen schijnen het mysticisme van Swedenborg te gaan hernieuwen: +ook 't spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars. + +Maar ook op THEORETISCH gebied is er verandering en kentering. Hier +valt vooral te constateeren de verandering van de houding der +natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie. + +De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van +het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid +bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden +er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf +heeft in den opbouw der natuurwetenschappen. + +Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar... dit +leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde. + +Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele +werkelijkheid? Voor het materialisme was 't antwoord ja geweest. Voor +menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele +namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs +den overgang van natuurwetenschap tot wijsbegeerte aantoonen. Ernst +Mach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, +bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen. + +Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later +een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke +laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde. + +Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming. + +Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige +Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der +kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar +en duidelijk leeren kennen. + +Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der +werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, +gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz. + +"Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den +samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen, +houden wij de fijne organisatie der materie in het oog. Het is +verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te +willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar +afleiden. [49] Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken +toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid +en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een +korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan, +dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de +hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoe groot +het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten, +dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter +dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche +Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken, +die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij +eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen +genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van +een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid. + +"Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, +wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden +gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich +toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder +zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem +verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de +overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate +hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem +zullen openen." + +Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige +Natuurwetenschap een zin van Büchner: + +"Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, +eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen," dan is +het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van +het materialisme. + + + +Eindelijk wijzen wij op de herleving der Kantstudie. In 1865 verscheen +een boek van Otto Liebmann: Kant und die Epigonen. Het refrein van +elk hoofdstuk was: "Derhalve moet men tot Kant teruggaan." + +In 't bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de +schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis +van het Materialisme. + +Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar +aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur +en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën +te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich, +in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn +drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken +arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis +in 1866 verschenen. [50] Van de Grieken af tot op den modernen tijd, +gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden, +de ontwikkeling van 't materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt +hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder +juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er +steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te +aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de +eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo +belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse +materialisten, dan verwarde "idealistische" koppen te hebben. + +Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard +en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige +der bewustzijnsverschijnselen verklaren. Aan Kant wordt daarom een +belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste +is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, +maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische +filosofie: "De geheele practische filosofie is het veranderlijke en +vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte." + +Alleen haar plaats is onvergankelijk. + +Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet +vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen +en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen +godsdienst bijv. het lied willen behouden: "O hoofd vol bloed en +wonden." + +In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt +van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid +samen. De religie geeft waarde aan de wereld van het zijnde. + +Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er +op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid +in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen +persoonlijk voordeel. + +Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der +boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een +afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van +Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit. + +Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in +leven hoogleeraar te A'dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college +over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de +zorgen van Prof. Kohnstamm uitgegeven en kan eigenlijk beschouwd +worden als een historische inleiding tot Kantstudie. + +Het besluit: "dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die +overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging +der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die +de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het +empirisme." + +Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor +Kants criticisme. + +De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies +aan Kant. + +De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder +punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke +groep. Liebmann's roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan. + +Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: +individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel +drukt. + +En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige +belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en +eenige met hem verwante moderne denkers. + + +Opmerking. Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling +van twee moderne stelsels uit te schakelen. + +Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van +Eduard von Hartmann, die de grondvester werd van de filosofie van +het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als +pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: "Het wijsgeerig pessimisme +van den jongsten tijd." In "Mannen van Beteekenis" wordt hij door +Dr. den Hartogh behandeld. + +Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die +vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, +Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de +feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar +Ziehen behoort tot deze richting. + +Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van +het werk over: "Absoluut Idealisme." + + + + + + + + +HOOFDSTUK XV. + +INDIVIDUALISME EN SOCIALISME. + + +§ 43. Inleidende Opmerkingen. + +In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme +op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft +betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene +vraagstukken. + +Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het +welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel; +daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling der +zedelijke persoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de +gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk, +de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat +op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme, +zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie +die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland +had verkondigd. + +Dat individualisme is tweeërlei. + +Aan elk individu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen +macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigt +Stirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voor enkelen die het +waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het +individualisme van Nietzsche. + +Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat. + +Hoe geheel anders het SOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten +en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is +ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een +buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door +stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd +een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen +een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal +groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon, +hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, 't was +vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en +verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk +was voor allen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek +over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is +socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van +'40 en '50. + +Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden +brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover, +een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook +Comte zagen we onder dien invloed (II, pag. 161). + +Marx deed noch 't een noch 't ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet +der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand +een tijdvak was, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even +zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke +ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen +geschiedenis van groote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis +van productiewijze en toestanden: de personen maken de geschiedenis +niet: de geschiedenis maakt hén. + +Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding, straffe leiding +zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn +in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen +tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind, +niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van +wat hun 't onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke +vrijheid. Zoo ontstaat het anarchisme. + + + + + +§ 44. Stirner. + +Jong-Hegelianen. + +Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf +conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach +(II, 93 v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door +die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen +van den godsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip +onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn +beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk +ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande +gedacht en daarvoor knielde de mensch. Op staatkundig gebied nu werd +een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel's methode +werd gretig "opgevangen door jonge, aan de wetenschap zich wijdende +mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het +socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven, +in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens +gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den "eenigen" Hegel." + +Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met +den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem +geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde +hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had +laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest +vervallen. Vrijheid was noodig! + + + +Stirner's Leven. + +Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in +1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die +heetten de "vrijen van Hippel". Studenten, kunstenaars, journalisten, +sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier +drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste, +meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen +kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was +in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn +moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer +bij een oom in Bayreuth terecht, liep 't gymnasium af, studeerde +letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij +een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot 'n doctoraat kwam +hij--waarschijnlijk door geldgebrek--niet. Hij trouwde met een meisje +uit 't huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun +kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgend +toeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan +een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in +den kring der vrijen. In 1845 verraste hij al zijn bekenden met het +merkwaardige boek: "De Eenige en zijn eigendom." Het kwam uit onder +zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar +heette men hem Stirner. 'n Oogenblik lachte 't geluk hem toe. Hij +vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie +ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij +ontslag. Met 't geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat +niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk +is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat +Stirner weer door 't leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn +onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij +wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer +gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche's leer in knop +meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn +werk komen herdrukken en vertalingen, 'n levensbeschrijving verschijnt +[51]. + + + +Stirner's boek. + +Het is een merkwaardig boek: dat "de Eenige en zijn eigendom." Men +hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar +zonderling van bouw en stijl. "Daar hangt een atmosfeer van bier en +tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek." Maar de grondtoon +is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. "Mij +gaat niets boven mij zelve." Waarom zou ik voor een ander, voor God, +voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor +zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op +niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt +het woord recht niet te pas. Alleen 't woord macht. Zoover mijn macht +gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van +mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt +mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van 't egoïsme. + +Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot van den mensch als soort, +maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer +ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt. + +Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede +is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit, +heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat +verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en +door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer +over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. "Dan wordt al 't andere, +ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen." + +Stirner's leer is de ontkenning der zedeleer. Alle band is +verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets +gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de +eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem, +die al haar krachten inspant en aanwendt, "om van de wereld zoo goed +en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren." + +Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van den +Übermensch, die Nietzsche heeft verkondigd. + + + + + +§ 45. Nietzsche. + +Leven. + +Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een +domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde +van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming +mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich +5 jaar was, stierf z'n vader aan hersenverweeking, toegeschreven +aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde +strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid +voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk +geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en +niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij +studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten +taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen +leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger +faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware +taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College +geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al +vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den +grooten Duitschen oorlog mocht hij--Zwitsersch burger geworden--niet +deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een +ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-, +hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer +aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij +het professoraat op. 's Zomers leefde hij in 't Engadin, 's winters +aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest +hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn. Zijn zwak +gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte +hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij. + +Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met +schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in +Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote +letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de +gekruisigde. De waanzin was ingetreden. + +Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar +dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar, +nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900. + + + +Persoonlijkheid. + +Nietzsche's filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn +persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is +subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter +kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is +niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is +geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk--maar zinnelijkheid +is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld: +nooit een heerlijke, overweldigende liefde [52]. Bijzonder ook hechtte +hij o. m. aan "krachtige vriendschap." Hij had echter zijn vrienden +niet lief, maar het ideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek +dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden: +zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. 't Pijnlijkst is dit gebleken +uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzsche was dus niet de eenzame, +van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij +werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang +uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het +burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke +slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend +sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner +werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig +lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde +"ja" zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar +één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde +zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier +onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het +einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed, +als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij +gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert +Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij +afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij +zelf steeds een onkieschheid gevonden. + +Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche's werken niet de werken van een +waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen +de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is +beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend +worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij +schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem +toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met +ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars +voor. Misschien mag zoo'n korte tijd van krachtig-scheppend leven meer +van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan +een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend +produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen, +hoe minder zelfbedwang en matiging hij dan weer had bij 't werken en +hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting. + +Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn +hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid +van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk +plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven +gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte) +dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de +voortbrengselen van een krankzinnige te zien. + + + +Werken en Ontwikkelingsgang. + +Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de +waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij +is begonnen met de kunst als zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar +en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis +te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij +keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept +het schitterende symbool van Zarathustra, die den Übermensch predikt, +die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden +en 't christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen +werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche +te behandelen, enkele dier werken na. + +Hij maakte zich bekend door zijn werk: "De geboorte der tragedie"; +hij voer voort door zijn "Niet-actueele beschouwingen" (Unzeitgemäsze +Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93) +te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die +alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het +type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste +vragen van wereld en lijden en 'n luchthartig optimisme kweekt. Het +is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel +anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: "Wagner in +Bayreuth." Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869 +en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk +bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen +het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een +oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het +werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in +Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in +1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in +Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet +blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend +"Wagner in Bayreuth." Wagner had door een daad getoond, muziek en +poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den +concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn +muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis, +die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen. + +Zoo lofzong Nietzsche. Maar... hij verliet Wagner en Bayreuth +ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in 't publiek; pas +later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner +is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die +uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaar nieuws heeft +getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft. + +Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere: +over de geschiedenis, haar voor- en nadeel voor 't leven, en over +Schopenhauer als opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar +zij den mensch met eerbied vervult voor 't groote, dat het verleden +opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het +menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd +spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat +heden verfraaien met illusies van 't verleden; waar zij komt tot +hen, die gebogen liggen onder een last van dat verleden, kan zij, +door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar +zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de +aanspraken eener objectieve wetenschap, die de waarheid in zichzelf +heeft. Geschiedenis moet steeds persoonlijk zijn. Alleen door hen, die +de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl +het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis, +niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal +nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel, +dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons +iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht. + +De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen: +zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch +alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de +theorie van den Übermensch op. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen, +dat men niet langer eene geschiedenis der menschheid zal schetsen, +maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. "Zij +volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, +maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de +geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals +die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de +eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der +eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, +die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten +hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken +tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte +van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der +menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop--het ligt in de +meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht." + +Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij +zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan +Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen +gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen +had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had +hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer, +die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij +Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als een vrijen man, die moed +houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer +draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij +zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen. + +Nietzsche's geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van +zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging +het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En +weldra verzette hij zich tegen het pessimisme. Hij wilde niet neen, hij +wilde ja, volmondig ja zeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen +het leven willen zeggen, omdat het schoon was: de kunst was waard, +gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst der wetenschap. + +Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling +aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel: +"Menschliches allzumenschliches." Hier komt hij dichter bij de +Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem +het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken +schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering +voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder +waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed, +waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een +streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij +wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij +zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap. + +"Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de +wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf +te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest +opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel +is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen, +te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de +kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de +oude "dierbare illusies" gluren. Te midden der scepsis tegenover +de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij +artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover +het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenover de wetenschap dichter. Hem +trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de +volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde +in verrukking." (Riehl). + +Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen, +daar is 't niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal +spotte hij: "dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de +waarheid." Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen +in de wetenschap op. + +Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij +dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen. + +In "Aldus sprak Zarathustra" wordt dat gegeven in hoog-artistieken +vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij, +die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het +gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt +is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en +honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op +gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen, +en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral +de werken van 1888: "De Antichrist" en "De wil tot macht" vertoonen +die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn "Genealogie der +Moral". (Afstamming der zedeleer). + + + +Nietzsche's leer. + +De kernpunten van Nietzsche's leer zijn: het aantoonen van het verval +der tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning, +het komen der nieuwe cultuur door den Übermensch, de noodzakelijkheid +van een verandering in de rangorde der waarden, het geloof aan den +eeuwigen wederkeer der werelden. + +Behandelen wij elk kortelings. + +Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheid +verslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij +heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar +godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van het medelijden. Men moet +met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt +haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand +zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het +gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene +weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerscht slavenmoraal. + +Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen, +dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie +machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude +Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar +het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange +kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft +die door Luther's Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de +renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is, +is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan, +de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het +vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een +masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging, +het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft +zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme +àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er +een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd, +zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen, +te aanvaarden. Hij wilde wat was, en door dat te willen, werd hij heer. + +Komen moet de Übermensch. De mensch van nu is slechts een brug +tusschen dier en een hoogeren levensvorm voor den mensch. Waarom +zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen, +dan de tegenwoordige mensch is? O, de Übermensch, zooals die ons in +Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam +is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle +verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem 't meest ontroert, +overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt +met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is +goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht +zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid +voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit, +dat een tegenstand overwonnen wordt. + +De Übermensch heeft een zwaar leven. Hij heeft het verdragen, +niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle +leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal +van den Übermensch voor allen geldt. Zij is slechts een leer voor +weinigen, niet voor de "veel te velen." Klagend wordt gevraagd, +waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De +omzetting aller waarden beteekent vooral geen loslaten van alle +hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal een heerenmoraal +(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der +wildernis "het blonde beest" oefende zijn macht uit, had kracht. Maar +evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang +tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde +dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor +allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan. Velen, +die ongetwijfeld door hem tot de "veel te velen" zouden gerekend +zijn, meenden als "Übermensch" smadelijk te moeten neerzien op de +kuddedieren en in Nietzsche's leer een vrijbrief voor ongebondenheid te +vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch +andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere +voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt +hij tegen het loslaten van den teugel der passies. + +"Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in +de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte +driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid, +zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle +gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog +reinigen; rein moet nog zijn oog worden." + +Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting +van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij +een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de +democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar +zucht om vaste wetten op te stellen, waaraan alles gehoorzaamt, zit +die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke +inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien +de dood voor het ontstaan van groote mannen. + +"Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel +der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden +toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der +menschheid kunnen ontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden +voor het verleden ze opgeleverd hebben. Waarschijnlijk groeit de +groote mensch en het groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere +doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis +niet." + +Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche's afkeer van 't +christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in 't +christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen +leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde, +het intoomen der kracht. Nietzsche's geringe historische zin mag +er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van 't christendom +te doen onderschatten. Vooral in "De antichrist" heeft hij geen +woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij een +religieuze natuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in +zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. De +Übermensch vervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders, +raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het +loochenen van Gods bestaan is. "Het Heiligste en Machtigste, dat de +wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer +daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden, +om harer slechts waardig te schijnen." Sterk moet hij zijn, die 't +Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken, +een voortdurende overwinning, dan is 't een groot verlies. Nietzsche's +atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht +van een felle zieleworsteling. + +Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de +oude Grieken, is Nietzsche's geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som +der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het +aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe +groot het aantal dier samenstellingen ook mag zijn, het is bepaald. De +tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie +terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort, +dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat +is, keert dus weer, net zoo, als 't geweest is, tot in eeuwigheid +toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om +wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche's +gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij +is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons +leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag, +òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen +doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo +sterk gemaakt dat hij ja zegt: ik wil een beteekenis geven aan mijn +stukje leven. "Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, +waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen, +waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht +den Übermensch zal voortbrengen" (Lichtenberg). Te middernacht, als de +oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd, +hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om 's levens +schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij +nu de eeuwige wederkeer: + + + 't Wee roept: verga. + Maar alle lust wil eeuwigheid. + Wil diepe, diepe eeuwigheid. + + +Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet +stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op +de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den +Duitschen stijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht +ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde +mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan +hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn +eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan +zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen. + + +Opm. Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op +het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis, +op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap +en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche's filosofie, +vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy's internationale +bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl: +Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI). + + + + + +§ 46. Karl Marx. + +Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid +arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel +een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter +hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten, +die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw. + +"Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het +collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten, +al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot +rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen, +al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de +richting eener organisatie der gemeenschap gedurende de eerste helft +der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zich op. Hij verwerkte +ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en +vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te +begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst +verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen +van geest. + +"Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het +is het woord "geweldig." Andere figuren uit de wereld der socialisten +hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken, +maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene +strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende +beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers +der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle +woorden zouden willen regeeren. + +"Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van +haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor +'t eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen +enkel woord van liefde.... Hoonlachend beschimpt hij de gebreken +onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met +de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging +kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die +hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar +een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid +met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme +resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal +recht." (Quack). + +Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij +behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader +echter was advocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met +een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek, +destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef +eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot +de maatschappelijke vraagstukken gebracht. + +Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron +van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende +vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft +gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de +groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx' tafel +kwamen, wist te behandelen. + +Na de opheffing van zijn blad door de regeering--de redactie had hij +trouwens reeds eerder neergelegd--ging hij naar Parijs, waar toen +reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met +Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit +Parijs gewezen--waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen +had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij +steeds den grootsten eerbied koesteren)--ging hij naar Brussel, waar +hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht +hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen +de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens +"hoogverraad." Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen +een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te +Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale +onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch +manifest van 1850 besloot: "Proletariërs aller landen vereenigt +u." Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor +'t levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken +arbeid. Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: "Het kapitaal, +1e deel." De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne +aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale +uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en +aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een +trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist +hij te zwijgen, als dat noodig was. + +In 1881 overleed zijn vrouw. Marx' laatste levensjaren waren +somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide +verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn +schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige +medewerker Engels. + + + +Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis +door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij +Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis +de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en +maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx +meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet +de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de +productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen +bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De +productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de +eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis +en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei +veranderingen de economische basis op. + +Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar +eigen maatschappelijke verhoudingen, en in samenhang daarmee +haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo'n +periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een +ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar +een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor +de middeleeuwen, deze zijn veranderd in den nieuwen tijd, waarin +de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt +arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn +waarde is. De kapitalist nu geniet de meerwaarde van den arbeid +zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat +vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote +klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs, +de onteigenaars en de onteigenden. + +Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd +van belangen. De klassenstrijd bestaat. Marx predikt dien niet. Hij +constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn +bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De +onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen +gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige +revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden +gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die +tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een +beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke +verhoudingen kan men de diensten van den verloskundige bewijzen. De +moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën +der nieuwe faze. Men moet zich niet verlustigen in utopistische +schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet +der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de +verandering in den bovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht, +een nieuwe kunst komt. + +Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is, +gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al +wat voor die voortbrenging noodig is. + +De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige +aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van +verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor +de practijk. Zoo werkte ze practisch. + +Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der "burgerlijke +ideologen". Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het +economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in 't eigen +kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering +van 't lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de +noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat "revisionisme" vond +ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam +in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter, +Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde +Marxisten vindt. + +Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het +socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de +Christen-socialisten. + +Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere +levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande, +toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan +van een socialistische gemeenschap. + + + + + + +HOOFDSTUK XVI. + +HET PSYCHISCH MONISME. + + +§ 47. Fechner. + +Inleidende opmerkingen. + +Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte +een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn +bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd +van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht +wijdden aan vraagstukken, welke 't meerendeel hunner tijdgenooten +geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste +plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer +en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit +gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van +het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het +bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een +product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat +het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, +dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander +vertoont. Een zelfde proces is "van binnen gezien" geestelijk, "van +buiten" stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner +breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: +er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naam +psychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme). Alles wat +bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den +naam panpsychisme. + + + +Fechner's leven en ontwikkelingsgang. + +Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, +verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor +zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn +gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde +studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, +in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als +Helmholz (vg. II, blz. 230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, +maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook +niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, +die toen begon te bloeien. + +In 't bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen +op 't gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist +hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en 't +schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij +hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, +was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed +hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren +zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie +jaren. Zij werd beslissend voor Fechner's leven. Soms was hij op den +rand van 't graf en scheen hij blind, verlamd en krankzinnig te zullen +worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling +gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan +zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, +als hij 't uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was +hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner +zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner +begeerde 't ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting +aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft +hij over 't hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische +zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke +hoeveelheid lust te verkrijgen. Die lust moet echter die van het +geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze +zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan +de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste +mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste +geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods +in overeenstemming gebracht hebben. + +Belangrijker voor den opbouw van Fechner's leer is het in 1848 +verschenen werk: "Nanna, over het zieleleven der planten." Met zeer +rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht +Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven +toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat er al-bezieling +is. In de "Zend Avesta" van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de +latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in +kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling +door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelsel met +zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, +waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf +vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige +sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer +overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst. + +Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds +eerder had geschreven in zijn werkje: "Boekje van het leven na den +dood" (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder +hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in +tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een +kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing +ontvouwd in: "De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing." (Die +Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de +beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, +mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing. + + + +Experimenteele zielkunde. + +Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de +vader der proefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment +in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den +"onderscheidsdrempel." Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We +zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een +lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet +minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil +wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van +den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere +zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, dat de verhouding tusschen twee +prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn, standvastig +is. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend +groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van +102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor +geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, +naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent +dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over +'t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die +wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter +met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die +de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der +gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook [53] doch volgens de meeste +zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek. + +Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de +door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de +grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door +physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks +was. In 1860 verschenen "de Elementen der psychophysica", en nadat dit +werk uitverkocht was, kwam in 1882 "Herziening van de hoofdpunten der +psychophysica." Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp. + +Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke +verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele +zielkunde. Zij stelt proeven in bij een aantal proefpersonen, +onder zoo nauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we +een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in 't algemeen een kind van 10 +jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: +medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde +wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten +herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die +letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het +gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden +een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom +ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich +vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste +groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins +tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet +had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld +laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde +beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans [54], die weldra +over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium +zal te beschikken hebben. + + + +Aesthetica. + +Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn +aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en +kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor +ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring +uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren +uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren +samenstellen, die ze 't mooist achtten. Eveneens paste hij nauwkeurige +metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica +grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, +een schoonheidsleer, "van onderen", zou worden in tegenstelling met +eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, +een aesthetica "van boven af." Naast formeele elementen (eenheid in +verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij +'t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De +indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal +van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in 't +bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen +nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op +de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, +rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het +andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls +op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn +"Voorschool der Aesthetica", die geen volledige schoonheidsleer geeft, +maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het +werk verscheen in 1876. + + + +Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het +daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, +door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar +werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen +leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 +overleed hij. + +Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde +persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het +geduld van den natuuronderzoeker paarde hij de rijke fantasie en +het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, +eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar +verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten +en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt +als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: +"In God leven, bewegen en zijn wij." + + + +Aanhangers van 't monisme. + +Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans +levenden vele aanhangers. + +Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen. [55] Deze bekende +Berlijnsche hoogleeraar schreef een "Inleiding in de wijsbegeerte," +waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een +geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op 't standpunt van 't +psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie +en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als +in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij +schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, +die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer +reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud +zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers +gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot +'t monisme geprezen. Ook zijn "Systeem der ethica" verwierf veel +waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal +vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige +kwesties toonde Paulsen mede veel belangstelling, met name voor de +geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II, 132). + +In Amerika vond het monisme zijn verdediger in Strong, die in 1900 +zijn werk uitgaf: "Waarom de geest een lichaam heeft" en vooral van +kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij +verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van +Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de +verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een +groote overeenkomst met Heymans. Deze gaf in 1905 zijn "Einführung +in die Metaphysik." Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, +en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch +monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch +standpunt op den voorgrond. + +In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: "Gesetze +und Elemente des Menschlichen Denkens," Tweede druk, Leipzig 1905) +heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, +dat Kant naar Heymans' opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij +'t analytische zou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong +onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting +waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geen voldoende +grond voor sommige gegevens van 't bewustzijn en nu trachtten zij +die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume's +verklaring van 't causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee +echter was zekerheid onzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over +de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had +de voorwaarden bestudeerd, waaronder iets tot wetenschap werd (zie +II, pg. 319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen +iets waar, als het aan de voorwaarden voldoet, dat het een gepaste, +behoorlijke verbinding is. Die gepastheid dringt zich aan ons op. Maar +of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover +laten wij ons niet uit. + +Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór +1770 innam, wil allereerst trachten den inhoud onzer denkaxioma's te +leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek +der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze +analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch +onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot +kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische +onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte +waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming +is met een buitenbewuste werkelijkheid. + +We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde +beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn +onderzoekingen [56] bewogen. + +In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde +der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd +en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hem speciale +psychologie genoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen +en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een +indeeling in achten van karakters tot stand te brengen. Voor zoover +schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel +[57] maar in het werk van Mr. v. Dijk: "Bijdragen tot de psychologie +van den misdadiger" vindt men een korte uiteenzetting der indeeling. + + + + + +§ 48. Hoofdtrekken van 't psychisch monisme. + +Er is een buitenwereld. + +Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, +bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze +bewustzijnsverschijnselen. "De ontkenning van zulke werkelijkheden +(d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische +theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen +ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen +voldoende argument tegen is. [58] Maar zij geeft ons een verminkte +en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot +solipsisme." (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente +toepassing tot de absolute scepsis: "Het laatste woord van 't +empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis" +(Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan +te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk +evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend +gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een +gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: Wien Neerlands bloed. Daar ziet +ge bij 't eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt +ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen +komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch +dus voorstellen: + + + a --> b --> X -- c --> d --> Y -- e enz. + + +X en Y zijn optredende gewaarwordingen, waarvoor we geen voldoenden +grond vonden in ons bewustzijn. Op grond van 't causaliteitsbeginsel +schrijven wij 't toe aan iets buiten ons. + +We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: +van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen +bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, +geen realiteit. Hoe verklaren we dat? + + + +De ideale waarnemer. + +We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat +er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen, +alles te zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, +de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn +aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den +idealen waarnemer noemen. + +Ziehier nu de onderstelling van het monisme: + +Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats +grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de +gewaarwording van iets stoffelijks is. + +Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt: + + + A -- B -- C -- D -- E -- F. + + +Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van +hersenverschijnselen: + + + a -- b -- c -- d -- e -- f. + + +Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander. Op zichzelf +bestaan zij niet. + +Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van +den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een +kleur zien, is de inhoud onzer waarneming dat roode. Het voorwerp +onzer waarneming zijn echter de trillingen van den ether. De inhoud der +waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met +windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp +dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders. + +Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het +waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien +hol, van buiten bol. + + + +Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan +elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den +I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende +feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en +hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke +storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen +inwerken, oefenen invloed uit op 't bewustzijn; bijv. alcohol, +broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling +en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze +verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, +dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking +het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten. + +De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze: + +Het proces in 't bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten +gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt. + + + +Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet +alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de +van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, +spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan +bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing +door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, +in verband met het ontwikkelingsbegrip. + +Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, +dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij +blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste +voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk +dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, +en ge geeft 't antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook +invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren +menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, +niet bewust, werken mee bij 't vormen van 't oordeel. Van het geheele +bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het +kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den +bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor +den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het +kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den +drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als +een zee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide +golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met +groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een +groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen +verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, +is voor Fechner's systeem van zeer veel belang. + +Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij +kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit 't dagelijksch leven +opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we 't onbewust +werktuigelijk. Zoo gaat 't een kind met 't loopen. + +In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, +dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand +onderbewust is geworden in verloop van tijden. + +De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke +verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen. + +Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke +verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt +er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, +maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie +pag. 110). + +Er is echter, zagen wij, een buitenwereld. + +Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, +dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf, +buiten uw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, +een aanschouwingsvorm van den waarnemer. + +We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van +welken aard zijn die andere dingen? + +Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, +de gegrondheid der onderstelling wordt geringer. + +Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar--op +grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met +practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er +zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de +lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij 't bewust leven +totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met +de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner's +Nanna herinnerd. + + + +Het bewustzijn der planten. + +Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in +hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich 't bewustzijn der planten +op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote +mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel +receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij +den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn +opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere +bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien +des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge van +prikkels der buitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, +evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is +een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn? [59] + + + +Aarde. + +Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt 't +bewuste leven, tot haar gaat 't terug. Zou zij zelve niet bewust +zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen +zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, +gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, +zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner's theorie +vindt hier steun in Spencer's ontwikkelingsleer, zooals door Heymans +opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den +mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De +aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht--waken en +slapen, de kringloop van 't water--kringloop van 't bloed, enz. Maar er +is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en wat deze bezit, +behoeft zij niet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den +mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover +de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel. + + + +Wereld. + +Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer +bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid +verbonden. Ten slotte is alles deel van één groot wereldbewustzijn. Men +heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven +een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En +Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt +steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar +weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, +door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der +wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen +verheffen. + + + +Godsdienst. + +Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam +God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn +als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken +van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat +er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet +strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van 't monisme de +gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God. + +Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, +om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is 't gebruik, +dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is +misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk +kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen +heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord +te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis +heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer +belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den +mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor 't +geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn +doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook +het diepe gevoel van saamhoorigheid met het geheel; en hij weet dat +hij mede verantwoordelijk is voor de toekomst, omdat zijn arbeid, +zij 't nog zoo gering, niet verloren kan gaan. + +In deze leer vindt het onsterfelijkheidsgeloof ook een plaats. De +mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een +zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan, +eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden [60]. + +Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken +met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van 't ook in I +gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar +overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd. + +De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en +zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes). + +Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter +ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche). + +Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, +dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz). + +Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet +kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza). + +Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen +spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een +andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e. a.). + +Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de +werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had +men het materialisme. (Hobbes, La Mettrie, Vogt etc.) + +Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet +gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder--wat ook wel eens +gebeurt--met het lijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag +verward worden. + +Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch +monisme de eenvoudigste verklaring is, eenvoudiger dan de andere +hypothesen, en een zeer geschikte werkhypothese. + +"Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den +bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde +wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere +hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden +zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig" (Strong). + +"De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere +ook" (Heymans). + + + + + + + + +INHOUD VAN DEEL II. + + +EERSTE AFDEELING. + +KANT. + +HOOFDSTUK I. Bladz. + +LEVEN EN WERKEN 7 + + § 1. Leven en persoonlijkheid 7 + § 2. Werken en Ontwikkelingsgang 12 + De voor-critische periode. Preisschrift. Bewijzen + voor 't Godsbestaan. + § 3. Werken en Ontwikkelingsgang 17 + De Critische periode. + +HOOFDSTUK II. + +DE KENNISLEER 21 + + § 4. Ruimte en Tijd. Inhoud en Vorm 21 + § 5. Het ding op zich zelf. Schijn en verschijning 25 + § 6. Verstand en Zinnelijkheid 27 + Kategorieën. + § 7. Ziel, Wereld en God 34 + Overzicht van de kritiek der zuivere rede. + +HOOFDSTUK III. + +PRACTISCHE FILOSOFIE 40 + + § 8. Zedeleer 40 + Autonomie. De goede wil. Legaal en Moreel. Rigorisme. + § 9. Theologie 45 + § 10. Staats-rechtsleer. Opvoedingsleer 47 + +HOOFDSTUK IV. + +SLOT 50 + + § 11. Schoonheidsleer 50 + § 12. Kant's invloed 53 + + + +TWEEDE AFDEELING. + +DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE. + + § 13. Voorloopige Opmerkingen 57 + +HOOFDSTUK V. + +FICHTE 60 + + § 14. Leven en Werken 60 + § 15. Theoretische Filosofie 63 + § 15a. Practische Filosofie 66 + Zedeleer. Rechtsleer. Huwelijk. Staat. Godsdienst. + Geschiedenis. + +HOOFDSTUK VI. + +SCHELLING EN ZIJN GEESTVERWANTEN 72 + + § 16. Schelling 72 + Natuurfilosofie. Identiteit. Theologie. + § 17. Schelling's geestverwanten 76 + Schleiermacher. + +HOOFDSTUK VII. + +HEGEL EN ZIJN SCHOOL 79 + + § 18. Leven en Persoonlijkheid 79 + § 19. Methode 81 + § 20. Het systeem 84 + Logica. + § 21. Het systeem (vervolg) 87 + De absolute geest. Schema van 't systeem. Kunst. + Godsdienst. Wijsbegeerte. + § 22. Hegel's School 91 + Strauss. Feuerbach. Bolland. + +HOOFDSTUK VIII. + +SCHOPENHAUER 100 + + § 23. Leven en Persoonlijkheid 100 + § 24. Leer 109 + Kennisleer. Verlossing. Kunst. Ethiek. Invloed. + +HOOFDSTUK IX. + +HERBART 115 + + § 25. Leven. Metafysica. + Inleidende Opmerkingen. Leven. Uitgangspunt. + Tegenstrijdigheden. Oplossing. Psychologie. Ethica. + § 26. Opvoeding. De Herbartsche School. 127 + Samenvatting. De paedagogiek als wetenschap in + Nederland. + +ALGEMEENE SAMENVATTING DER TWEEDE AFDEELING. + +SCHEMA EN JAARTALLEN. + + + +DERDE AFDEELING. + +DE TIJD VAN HET POSITIVISME. + + § 27. Inleidende Opmerkingen 141 + +HOOFDSTUK X. + +HET FRANSCHE POSITIVISME 147 + + § 28. Inleiding 147 + De psychologische School. Het autoriteitsbeginsel. + Cousin. + § 29. August Comte 150 + Leven en persoonlijkheid. De drie stadiën. + De indeeling der wetenschappen. Sociologie. + Godsdienst. Staat. + +HOOFDSTUK XI. + +HET ENGELSCHE POSITIVISME 163 + + § 30. Inleidende opmerkingen 163 + § 31. Bentham. James Mill 165 + § 32. Thomas Carlyle 171 + § 33. John Stuart Mill 178 + Leven en Persoonlijkheid. Logica. Het empirisch + standpunt. Causaliteit. Denkfouten. + +HOOFDSTUK XII. + +DE ONTWIKKELINGSFILOSOFIE. + + § 34. Historische opmerkingen 195 + § 35. Charles Darwin 198 + § 36. Herbert Spencer 206 + Leven. Het onkenbare. De ontwikkelingsformule. + +HOOFDSTUK XIII. + +HET POSITIVISME IN NEDERLAND. + + § 37. Inleidende opmerkingen 222 + Kort overzicht van de wijsbegeerte in de Nederlanden. + § 38. Opzoomer 226 + De Inaugureele oratie. De ervaringswijsbegeerte. + Zijn leerlingen. + § 39. Multatuli 233 + +HOOFDSTUK XIV. + +HET POSITIVISME IN ANDERE LANDEN 236 + + § 40. De crimineele anthropologie + Lombroso. De Fransche School. Nederland. Aletrino. + § 41. Het materialisme in Duitschland 242 + Ontstaan en aard der leer. De groei der + natuurwetenschappen en der techniek. De denkers. + Moleschott. Vogt. Büchner. + +ALGEMEENE SAMENVATTING VAN DE DERDE AFDEELING EN JAARTALLEN 249 + + +VIERDE AFDEELING. + +DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE. + + § 42. Inleidende opmerkingen 257 + De kentering. Het jaar '80 in ons land. Godsdienst, + staatkunde en literatuur. De verandering bij de + katholieken. Herleving der Thomistische wijsbegeerte. + De universiteiten. Wederopbloei van het idealisme. + De natuurwetenschappen. Maxwell. Mach. Wundt. + Herleving der Kantstudie. Lange. Cohen. Bellaar Spruyt. + v. d. Wijck. + +HOOFDSTUK XV. + +INDIVIDUALISME EN SOCIALISME. + + § 43. Inleidende opmerkingen 274 + § 44. Stirner 276 + De jong-Hegelianen. De vrijen van Hippel. + § 45. Nietzsche en de Moraal van den Übermensch 280 + § 46. Marx en het socialisme 294 + +HOOFDSTUK XVI. + +HET PSYCHISCH MONISME. + + § 47. Fechner 300 + Inleidende opmerkingen. F's leven en + ontwikkelingsgang. Experimenteele zielkunde. + Aesthetica. Aanhangers van 't monisme. Paulsen. + Strong. Heymans. + § 48. Hoofdtrekken van het psychisch monisme 310 + Het bestaan van een buitenwereld. Aard daarvan. + Het wereldbewustzijn. De godsdienstfilosofie + van 't monisme. + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Het is aanbevelenswaard, het met een toelichting te lezen. Die +van Vaihinger, voorzoover voltooid, wordt zeer geprezen. + +[2] Dat is niet hetzelfde, als het er dikwijls mee gelijkgestelde: +Wat gij niet wilt, dat u geschiedt... + +[3] Bij een anecdote spannen we ons eerst in om te begrijpen en zien +dan ineens dat er niets is. Vandaar ook, dat we om een niet dadelijk +begrepen anecdote na uitleg niet lachen: het plotselinge is er af. + +[4] Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, "Die Romantische +Schule." + +[5] Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep +over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en +verbeelding. + +[6] Misschien komen hier de "Rechten van den Mensch" uit den tijd +der Fransche revolutie om den hoek. + +[7] De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven. + +[8] Schopenhauer beschouwde het Christendom als pessimistisch, het +Jodendom als optimistisch. + +[9] Ik weet niet, in hoeverre hier aan Schopenhauer's invloed of aan +verwantschap met hem gedacht moet worden, maar het is opmerkelijk, +dat in onze tegenwoordige literatuur het thema van de scheiding van +geestelijke en lichamelijke liefde, van drift en sympathie, veel +voorkomt. En ook de schildering van het "leed van den hartstocht" +ontbreekt niet. Vooral de namen van Marcellus Emants en den hem +geestverwanten De Meester zijn hier te noemen. + +[10] In de ervaring is het enkele zelden gegeven. Bij nader +psychologisch onderzoek blijkt dikwijls, dat een schijnbaar +enkelvoudige gewaarwording samengesteld is. Een toon op een piano +heeft bijv. nog zijn bepaalde bijtonen, waardoor het timbre ontstaat, +dat een piano onderscheidt van een ander muziekinstrument. + +[11] Schrijver der inleiding tot het Mierenboekje. + +[12] De roman: Barthold Meryan van Cornélie Huygens geeft er een +aardig beeld van. + +[13] In een Duitsch werk leest men: "Heden ten dage leest wel niemand +Comte's werken meer. Men vergenoegt zich met een goed betrouwbaar +overzicht." + +[14] Beroemd historicus, schrijver van een warm boek over de Grieksche +geschiedenis, dat ook nu nog waarde heeft. + +[15] Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld +heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes, +bijv. in David Copperfield. + +[16] Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek. + +[17] Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen, +alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog +waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz +ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders. + +[18] Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de +Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten. + +[19] Het dagelijksch leven biedt van Mill's opmerking talrijke, +eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen +niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken. + +Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich ons openbaar +onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen. + +Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de +idee, dat socialisten "alles willen deelen" of anarchisten alleen +bommengooiers zijn. + +[20] In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd +door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op +elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels. + +[21] Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in 't gegeven +denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan +Heymans: "Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens." + +[22] Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. "Grootvader gaat +vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader +vertelt, rookt hij." + +[23] Stel dat men bepleit, dat een drankzuchtig ambtenaar niet +ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt: +wat nut er in steekt een "dronken vent" te handhaven. + +[24] Dit reisverhaal is verschenen in de Wereld-bibliotheek +nos. 63-66. De Galapagos eilanden worden beschreven in deel II, +Hoofdstuk XVII, pag. 285 v.v. + +[25] Een meetkundige reeks is een rij van getallen, waarbij de volgende +uit de voorgaande ontstaan door vermenigvuldiging; terwijl dit bij +een rekenkundige geschiedt door optelling met een zelfde getal. + +[26] De wet van Malthus blijkt niet door te gaan. De productie +blijft niet zoo achter bij den bevolkingsaanwas, en deze gaat niet +in een meetkundige reeks. Voor Nederland zie men bijv. "De Studies in +Volkskracht," onder redactie van L. Simons, waarin Dr. G. W. Bruinsma +schrijft: "De wet van Malthus, voor Nederland toegelicht" (Serie I, +no. 2). + +[27] Foetus--nog niet geboren wezen. + +[28] Men wordt hier onwillekeurig herinnerd aan 't geliefkoosde beeld +van onzen dichter Van Eeden: de uit donkere slijkmassa's opgroeiende +waterlelie. + +[29] Een hoogst belangrijk onderzoek is daaromtrent ondernomen door +onze landgenooten, de hoogleeraren Heymans en Wiersma. Op denzelfden +voet zal dit nu in Schotland nagevolgd worden. + +[30] Hierover schreef Dr. Wynandts Francken een Hollandsch werk. Over +de ontwikkeling van de straf schreef de Amsterdamsche hoogleeraar +Steinmetz (in 't Duitsch). + +[31] Ik kan niet nalaten er attent op te maken, hoe dit denkbeeld +door Paulsen is opgevat in zijn: "Inleiding tot de filosofie," het +bekende werk, dat sedert 1892 14 drukken beleefde. + +... Paulsen dan zegt (I, 2, 9):.... + +"Dit zou algemeen toegestemd worden, wanneer er geen bezorgdheid was, +dat er aan Gods Waardigheid iets te kort zou gedaan worden, wanneer +Hem het praedicaat van een persoonlijk wezen onthouden bleef. Er zou +dan slechts overblijven, hem een onpersoonlijk Wezen te noemen, en +daarmee zou hij in de rij der onder-menschelijke wezens gesteld worden. + +"Maar deze bezorgdheid heeft geen grond.... Om echter een einde te +maken aan die bezorgdheid, zou men God een boven-persoonlijk wezen +(über-persönliches Wesen) kunnen noemen, niet om zijn wezen daardoor +te bepalen, maar om aan te duiden, dat Gods wezen in de richting van +vermeerdering, niet van vermindering van menschelijk-geestelijk leven +te zoeken is." + +[32] Van Spencer's "Opvoeding" bestaat een Hollandsche vertaling +van Leopold. + +[33] Afzonderlijk verscheen: J. P. N. Land, De Wijsbegeerte in de +Nederlanden. Het werk, door den auteur zelf niet geheel voltooid, +is door Mr. Van Vollenhoven voor den druk gereed gemaakt, en bevat +ook een belangrijk levensbericht van de hand van Prof. C. Bellaar +Spruyt. Lezing zij aanbevolen aan wie zich interesseert voor dit +onderwerp. + +[34] Zie zijn Samenspraken, door Dr. Singels vertaald in de +Wereldbibliotheek, waarin binnenkort ook een vertaling verschijnt +van het beroemde: Lof der Zotheid. + +[35] Een aardige teekening van een Spinozistisch predikant geeft +Schimmel in zijn roman: Sinjeur Semeyns. + +[36] Zie Wereldbibliotheek. + +[37] Over hem Dr. Laske: Ph. W. van Heusde. 1908. + +[38] Zij, die geen Engelsch lezen, of Fransch of Duitsch (Mill is +daarin vertaald), zullen met de lezing van Opzoomer's: "De weg +der wetenschap" hun voordeel kunnen doen. Het boekje is beknopt +en helder. De eerste druk verscheen 1851, de tweede vier weken +later. (Amsterdam, Gebhard en Comp.). + +[39] Amsterdam, Gebhard en Co. 1859. Ook dit is een helder, beknopt +werk. + +[40] Metafysica beteekent na de fysica, omdat Aristoteles geschrift +over de eerste beginselen nà de fysica geplaatst was. + +[41] Zie bijv. het in de Wereldbibliotheek opgenomen werk van Sighele: +De menigte als misdadiger. + +[42] Lombroso's-theorieën worden vrijwel verlaten. Zoo hij nog geprezen +wordt, geschiedt dit om zijn enorme vlijt, zijn groot feitenmateriaal, +dat hij verzamelde, maar vooral om zijn stimuleerenden invloed. Tal +van geleerden hebben zich intusschen zeer geërgerd aan zijn minder +nauwgezette onderzoekingsmethoden, zijn veel te haastige conclusies. + +[43] Belangstellende lezers vinden beknopte maar vrij volledige en +zakelijke inlichtingen in Klootsema's "Misdeelde Kinderen." + +[44] Deze naam werd indertijd voorgesteld door Prof. Van Hamel. + +[45] Alois Riehl, Philosophie der Gegenwart. + +[46] Vergelijk: De drager der mythologische wereldvoorstelling +is de geest der massa, die der wijsbegeerte de geest van den +enkeling. (Paulsen.) + +[47] J. Th. Beysens schreef de systematische werken (Logica, +Criteriologie, Metaphysica, Zielkunde); Aengenent, het Handboek voor +de Geschiedenis der Wijsbegeerte. (Amsterdam, v. Langenhuysen). + +[48] v. d. Wijck schrijft in Onze Eeuw, Bolland o. a. in De Twintigste +Eeuw, De Boer in De Beweging, Heymans in De Gids. + +[49] Cursiveering van mij. + +[50] Het boek geeft veel méér, dan de titel belooft. Het is een +bijna volledige geschiedenis der wijsbegeerte, getuigend van groote +en zeer zorgvuldige studie; en kan als een scherpzinnige inleiding +tot studie van wijsbegeerte dienen. Goedkoope Duitsche uitgave bij +Reclam, duurdere en mooier bij Baeseker, en bij Alfred Kröner. + +[51] De indruk, dien het nu nog op jonge Duitsche gemoederen maakt, +ziet men bijv. geteekend in Stilgebauers roman "Götz Krafft". + +[52] Men hoort soms beweren, ten onrechte, dat Nietzsche heel zinnelijk +geweest moet zijn. 'n Man van zoo grooten hartstocht in gevoel en taal +zou geen passie gekend hebben!--Intusschen blijkt, dat menschen van +zijn type weinig sexueelen hartstocht kennen. (Heymans, Klassificatie +v. karakters). + +[53] Zij luidt: De gewaarwording is evenredig aan den logarithmus +van den prikkel. + +[54] Zie Gids 1896. Een laboratorium voor experimenteele psychologie. + +[55] Tijdens de correctie lees ik, dat Paulsen op 62jarigen leeftijd +te Berlijn overleden is. + +[56] Soms komt een zwakke prikkel niet tot bewustzijn of slechts flauw, +wijl ze door een grootere belemmerd wordt. We zien bijv. overdag de +sterren niet. Bij hevige pijn gevoelt men een klein pijntje niet. In +een roezemoezige zaal wordt 't vallen van een speld niet gehoord. + +[57] Wel in de Voordrachten der Secties voor Wetenschappelijken +arbeid. No. 8. + +[58] Wanneer wij met Berkeley zeggen dat "zijn" is "waargenomen +worden." + +[59] Onder de correctie lees ik, dat de zoon van Charles Darwin in +een natuurwetenschappelijke lezing ook het bewustzijn van planten +heeft verdedigd. + +[60] Ik verwijs naar Fechner's boekje, ook in Hollandsche vertaling +verschenen. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van +het Menschelijk Denken (Deel 2 van 2), by Rommert Casimir + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57730 *** |
